ocr page 1
ocr page 2

DE SLAANDE ENGEL.

j. j. van oostekzee.

NIEUWE DRUK.

bibliotheek der rijksuniversiteit

utrecht.

UTRECHT,

KEMINK amp; ZOON. 1892.

Prijs 15 cents. 100 Ex. f 8.50.

ocr page 3

Dl

ocr page 4

SLAANDE ENGEL.

DOOR

J. J. VAN OOSTERZEE.

- ■:\'yi

NIEUWE DEUK. \\/

UTRECHT,

KEMINK amp; ZOON.

(Over de Domkerk.) 1892.

ocr page 5

Naar aanleiding van de treurige tijdingen betreffende de verwoestingen, door de Cholera op zoo menige plaats in ons werelddeel aangericht, werd onlangs in écu der bladen opzettelijk de aandacht gevestigd op de hier volgende rede, weleer door wijlen den auteur, mijnen vader, te midden van soortgelijke omstandigheden in eene openbare godsdienstoefening te liotterdam uitgesproken. In verband daarmede meenden de uitgevers, dat het wellicht niet ondienstig zijn zoude, deze leerrede, welke ton jare 1853 voor \'t eerst het licht zag en daarna bij herhaling werd herdrukt, nogmaals afzonderlijk te doen verschijnen. De ondergeteekende, onder wiens toezicht dit laatste geschiedc\'e, voegt er den hartgrondigen wensch aan toe, dat ook nu, in deze zoo veelszins ernstige dagen, aan de lezing of herlezing van deze gelegenheidsrede voor niet weinigen een overvloedige zegen moge verbonden zijn, en dat alzoo „de slaande engelquot; ook thans voor menig heilzoekend harte in waarheid een bode zijn moge van den zaligen vrede Gods in Christus Jezus, onzen Heer!

E. Sept. 1892. Ds P. C. v. O.

ocr page 6

Weest mij welkom aan deze plaatse, Gel., waar wij nog eenmaal in dit wegsnellend jaarseizoen zijn opgekomen tot het heilig werk des gebeds. Nog voor de laatste maal is het den Christen niet minder goed dan de eerste, het reukoffer voor zijn God te ontsteken, en mét vrijmoedigheid toe te gaan tot den troon der genade. Wat zeg ik, niet minder goed voor den Christen? Indien er ééne ure is, waarin eene stemme Gods en niet eens men-schen ons schijnt toe te roepen: „houdt sterk aan in \'t gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging,quot; het is wel de tegenwoordige ure. Wat ligt er al achter ons, in den schoot der jongstverloo-pen dagen en weken; wat is er al veel gebeurd, hartelijk geliefde gemeente, sinds wij in des Heeren huis te zamen zijn aangezicht zochten en elkanders aangezicht zagen! Ik kom tot u, te gelijk gesterkt in mijn God, en diep verslagen van geest. Gij weet het, voor eene wijle mocht ik den herdersstaf met den reisstaf verwisselen, en in stede

ocr page 7

DE SLAANDE ENGEL.

4

van u deze Schrift te verklaren, uit het heerlijk scheppingsboek eene schoons bladzijde lezen. Hoe bood iedere ure mij de telkens zich vernieuwende stof ter bewondering van Gods macht en Gods liefde, op die velden van ijs en die velden van bloemen, op de witte toppen der bergen en in den groenen spiegel der meeren, in het ruischen der watervallen en het dreunen der donderslagen beurtelings gezien en gehoord! Telkens zonk ik als in sprakelooze aanbidding ter neder, en reeds nam ik in stilte mij voor om vóór alle dingen met een zwakke stem, maar met een diep bewogen gemoed, de Majesteit onzes Gods voor u uit te roepen, „in wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogste der bergen zijn Zijne.quot; Daar wees de Heer der gemeente in zijn hoog bestuur mij een geheel andere stof voor mijne eerste prediking aan. Aan den voet der eeuwenheugende Alpen hoorde ik in den geest de stemme mij toeklinken: „roep,quot; en op de vraag: „wat zal ik roepenquot;, was het oude antwoord al weder: „alle vleesch is als gras, en al zijne heerlijkheid is als eene bloeme des velds!quot; De mave trof mijn oor, dat die noodlottige plage zich weder in ons midden vertoond had, vroeger zoo dikwijls met den naam van „de vreeselijke Onbekendequot; begroet, maar thans, helaas, ons reeds een bekende van ouds. En waar ik heden de verkondiging weder hervat van het Woord, dat tot in alle eeuwigheid blijft, hoe zou zij mij niet treffen, die pijnlijke tegenstelling tusschen die heerlijke

ocr page 8

2 CHSON. vn : 13b, 14.

5

schepping daar ginds, en die woningen der rouwe rondom mij; hoe zou ik van iets anders kunnen spreken, dan van wat aan zoo velen, menigen benevelden dag of slapeloozen nacht achtereen, de stof bood van bittere klacht? Ja, wèl mogen het donkere dagen heeten, die wij bij vernieuwing beleven ! Terwijl daarbuiten de adem van den herfst het gebloemte verflensen doet en het geel gebladert uitgedord ter aarde laat zinken, viert ook de Dood weer zijn oogstfeest, en knakt menige roos op haar stengel, en ontlokt ons den profetischen klaagtoon: „wij allen vallen af als een blad,quot; — God geve het, met den profetischen boetzang gepaard: „en onze misdaden voeren ons henen weg als de wind.quot; Gelijk in Egyptenland ten dage van mozes, zoo worden ook onder ons vroegere kastijdingen door nieuwe plagen vervangen; de slaande Engel overschreed onze grenzen en wandelt in de duisternis voort, maar de woningen zijn niet geteekend, die hij voorbijgaan of binnen zal treden. Wat zullen wij tot deze dingen zeggen, Gel. ? Den raad der wereld volgen, om zoo weinig mogelijk aan den slaanden Engel te denken? De raad zou voortreffelijk zijn, zoo men slechts te weeg brengen kon, dat de slaande Engel dan ook niet aan ons en onze kinderen dacht. Ons met de gedachte geruststellen , dat er toch meerderen vrij gaan, dan lijden; dat de kwaal door behoedmiddelen tijdig kan afgewend worden; dat zij meestal slechts den armere treft? Alsof gij daarom niet onder dat

ocr page 9

de slaande engel.

6

klein getal kondt behooren, cLat op de sterflijst voor déze week staat geschreven; alsof een onzeker behoedmiddel tegen een dreigend doodvonnis baatte; alsof de Koning der verschrikking eerbied had voor dons en satijn, en slechts moed om in een schamele kluis zich te toonen! Zullen wij u dan onvoorwaardelijk opwekken tot moed en vertrouwen , en aan allen zonder onderscheid het woord des dichters herhalen: „gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, voor het verderf, dat op den middag verwoestquot;? O, onschatbaar is zulk een moed, M. EL, maar hij wordt overmoed, wanneer hij niet eerst uit waren ootmoed geboren is. Om tot zulk eene hoogte te stijgen, moet men eerst tot God geroepen hebben uit de diepte van schuld en van nood. Leven en dood, zij zijn dan de onze alleen, wanneer wij in waarheid Christus ten eigendom aijn, en niemand kan den dreigenden Verderver met een lied der hope verbeiden, die niet eerst door het geloof hem vrij en vast in het loerend oog heeft gezien. Hoe — zegt iemand — wij zouden hem vrij en vast kunnen aanstaren, als ware hij in onze dichtste nabijheid, en ook aan déze plaats zal ons het schrikbeeld vervolgen, dat wij zouden willen ontwijken tot iederen prijs? En de weervraag is gereed: waar zoudt gij meer moed hebben om aan den Koning der verschrikking te denken, dan juist daar, waar gij u voor den troon van den Koning

ocr page 10

2 CHEON. vu : 13b, 14.

der koningen buigt? Ja, ziet hier te gelijk de groote proef en den schoenen triomf des geloofs! Het durft vrijelijk spreken van wat in de wereld, door een stilzwijgende overeenkomst, liefst met zwijgen voorbijgegaan wordt. Het heeft den moed, u heden twee stemmen in het oor te doen klinken, de stem van het Woord des levens, en de stem van den Engel des doods. De slaande Engel, geplaatst in het licht des geloofs, zietdaar het onderwerp onzer tegenwoordige rede. Laat het ons zijn, als zagen wij hem in ons midden verschenen, niet om iemand onzer neder te vellen, maar om ernstige, wat zeg ik, om trooste-lijke woorden tot onze zielen te spreken. Wij laten hem niet gaan, voor wij hebben onderzocht naar zijn Zender, naar zijn Lastbrief, naar den Eindpaal van zijn verkeer in ons midden. Wij vragen hem, in den naam des Heeren onzes Gods, wie hem zendt, wat hij eischt, hoe hij wijkt. En op die drieledige vraag zoeken wij het antwoord in het Woord, dat alle levensvragen bevredigend oplost, en wij leenen het oor aan de Godspraak:

2 CHRON. VII : 13b, 14.

zoo ik pest onder mijn volk zende ,

En mijn volk, over hetwelk mijn naam genoemd

wordt, zich zal verootmoedigen en bidden, en mijn

aangezicht zoeken, en zich bekeeren van hunne booze wegen: zoo zal ik uit den hemel hooben, en hunne zonden vergeven, en hun land genezen.

7

ocr page 11

de slaande engel.

8

Zoo waren dan de schoonste dagen voorbij gespoed uit het leven van den jeugdigen salomo. Met plechtig gebed had hij den pas volbouwden tempel toegewijd aan den Heer zijnen God, en het vuur van den hemel had geantwoord op de stem zijner smeeking. Acht dagen achtereen had de feestvreugde der schare geduurd, en met opgetogen geest zag men thans den tijd der loofhutten aanlichten. Zegenend heeft de koning zijn volk laten heengaan; zegenend openbaart zich op eenmaal de God van hemel en aarde aan zijn bevoorrechten dienaar. In de stilte van den nacht herhaalt zich te Jeruzalem, wat vroeger te Gibeon plaatsgreep: in een droom spreekt Jehova tot salomo, thans niet andermaal om hem een beslissende levensvraag voor te leggen, maar om hem te verblijden met eene heerlijke toezegging. Het wordt den koning geopenbaard, dat zijn gebed is verhoord; dat het nieuwgestichte heiligdom den Heer ter woonstede blijven zal; dat aan geen enkel deel der uitgestorte smeeking een gunstrijk gehoor is ontzegd. Met hoorbaren terugslag op de woorden dier bede worden bijzondere volksrampen opgeteld, en daaraan de verzekering toegevoegd, dat bij oprechte verootmoediging en bekeering van de zijde des volks, de verhooring van het noodgebed gewis niet achter zou blijven. Bepaaldelijk wordt ook van pestilentie gesproken, omdat die in het Oosten vaak zoo groote verwoestingen aanrichtte, en alzoo de vrees van salomo voor een onheil geweerd, dat nog weinige

ocr page 12

2 cheon. vn : 13b, 14.

9

jaren vóór zijne troonsbeklimming niet minder dan zeventig duizend slachtoffers in Israël velde. Gevoelt gij het niet. Gel., hoe hoog en heilig het hart van den jeugdigen vorst, na het hooren van zulk eene Godspraak moest slaan? Och of zij ook het uwe mocht verheffen en sterken, naar de behoefte der tegenwoordige dagen! Meent niet, dat wij , haar overnemende voor deze heilige ure, het onderscheid uit het oog zouden verliezen tusschen de oude en nieuwe bedeeling. Wij weten het, de bijzondere Godsregeering van Jehova over het Israëlietische volk had een geheel eigenaardig karakter, en al zijn wij ook als natie boven vele volken bevoorrecht, wij mogen de gedachte niet voeden, als zouden wij in eenig opzicht uitsluitend het volk van Gods eigendom zijn. Maar is er alzoo onmiskenbaar verschil, er is tevens merkwaardige overeenstemming tusschen Gods leiding met Israël en met een iegelijk onzer. De God en Vader van onzen Heer jbzus cheistus regeert naar geene andere beginselen en wetten, dan de God van DAviD en Salomo, al paste Hij die voortijds veelmalen toe op eenigszins andere wijze. En is de geschiedenis des O. V. een bijzonder schouwtooneel der heerlijkheid Gods, zij verdient niet minder de leerschool onzer heiligste plichten te heeteu. Komt dan, Gel., de Godspraak aan salomo , in het licht van het Evangelie, met toepassing op ons zeiven beschouwd! Als uit Gods eigen mond het antwoord op de vragen vernomen, die wij zoo straks aan

ocr page 13

DE SLAANDE ENGEL.

den Doodsengel richtten! En waar nog in het heden der genade de roepstem van boven ons toeklinkt, daar biddend toegezien, dat wij het hart niet verharden ! Amen.

1. „Wie vaardigde u bij vernieuwing af naar ons nevelig Westen, gij vreeselijke kwaal uit het Oosten?quot; Voor alle antwoord wijst ons de Doodsengel op het veelbeteekenend begin van den tekst: „als Ik pest onder mijn volk zende.quot; Zoo noemt hij zich zeiven een afgezant der Majesteit Gods, die haar troon hoog boven lucht en wolken gesticht heeft. Behoeft het nog aanwijzing, M. H., hoe waarachtig het oogpunt is, waaruit de Schrift ons een volksramp, als de heerschende kwaal, doet beschouwen? Maar ik spreek tot menschen, wier verstand hen reeds overtuigen moet, dat er in den eigenlijken zin des woords geen toeval of noodlot bestaat; wier gevoel hen verkondigt, dat zij diep afhankelijk zijn van eene hoogere Macht, zonder wier wil zij zich niet kunnen bewegen of roeren; wier geweten hen gedurig dagvaardt voor een éénigen Wetgever, die behouden kan, of, zoo Hij veroordeelt, verderven. Ik spreekt tot belijders van een Evangelie, dat ons de troostrijke verzekering bracht: „worden niet twee muschkens om één penning verkocht, en niet één van deze zal ter aarde vallen zonder uwen Vader, en ook de hairen uws hoofds zijn alle geteld.quot; Ik spreek in een tijd, waarin het voor ieder, die nog niet hoorende doof en ziende

10

ocr page 14

2 CHRON. vn: I3b, 14. 11

blind is geworden, als met luider stem uitgeroepen en met vlammende trekken aan de wanden geschreven wordt: „Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak den vrede en schep het kwaad; Ik, de Heer, doe al deze dingeD.quot; En ik durf na dit alles niet aannemen, dat iemand van u een tittel of jota zou willen uitwisschen van de goede belijdenis, die de vaderen aflegden, „dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, ja alle dingen, niet bij geval, maar van een Vaderlijke hand tot ons komen.quot; Niet bij geval — o, ik weet het, men spreekt van natuurwetten; men vorscht verschijnselen na, die de vernieuwde verschijning der kwaal kunnen hebben voorbereid of bevorderd; men wijst tweede oorzaken aan, waardoor in menig geval de dood werd verhaast of belet. Maar, waar wij niets van dat alles ontkennen, daar hebben wij eenvoudig te vragen: wie stelde die natuurwetten vast, niet als ketenen, waaraan Hij zich zelf heeft geklonken, maar als draden, die Hij vrij laat krimpen en schieten in zijne oppermachtige hand; wie beschikte het, dat die verschijnselen zich juist daar, en toen, en zóó openbaarden; wie is de éérste, in den grond de éénige en eeuwige oorzaak, waaraan alle tweede en derde onvoorwaardelijk ondergeschikt zijn te noemen? God, God, roept het geloovig hart, en staart met diepen eerbied op die almachtige en alomtegenwoordige kracht, waardoor wij leven, ons

1*

ocr page 15

12 de slaande engel.

bewegen en zijn. Hij is het, die daar zit boven den kloot der aarde, en alle hare inwoners, zij zijn voor Hem als sprinkhanen. Hij heeft Engelen om te verlossen, en Engelen om te slaan en te dooden, maar beiden behooren tot de slagorde der vaardige helden, die zijn woord doen, gehoorzamende de stemme zijns woords. Hij spreekt, en zijn hemelwacht schaart zich rondom den slapenden jagoii; Hij spreekt andermaal, en zijn wraakgezant velt honderd vijf en tachtig duizend man in het leger der Assyriërs neder. „Ziet nu ;— zoo spreekt de Heer tot ons, als tot Israël in het lied van den scheidenden mozes — ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij. Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel, en er is niemand, die uit mijne hand redt \')!quot;

„Verschrikkelijke voorstelling,quot; zegt gij, „niemand, die ons kan redden uit die ééne hand, die slechts te wenken heeft, en adams kinderen keeren gt; bij duizenden weder tot stof!quot; Gij bedriegt u, Gel., beschouwd in het licht des geloofs, mag het veeleer eene verblijdende voorstelling heeten. Immers de slaande Engel wordt nu dienaar der Voorzienigheid Gods. „Als Ik pest onder mijn volk zende,quot; — wat dunkt u, klinkt dat woord niet\' geheel anders, dan indien er geschreven stond: „als de Pest goedvindt onder mijn volk te verschijnenquot; ? Men heeft van ver en van nabij menig

i) Deuteron. XXXII: 39.

ocr page 16

2 cheon. vu ; 13b, 14.

13

bekommerd hart met de treurmare verschrikt, dat de Cholera in ons midden regeert. Wij zouden geen gerust oogenhlik hebben, indien het waarheid ware, Gel., maar zoo waarachtig de Heer leeft en uwe ziel leeft, gelooft zulke Jobsboden niet, want zij treden met een leugen in hunne rechterhand voor uw aangezicht oj). De Heer in den hemel regeert, de Cholera regeert niet, maar dient. Zijn zij niet allen gedienstige geesten, de Engelen der vertroosting, en de Engelen des doods, die uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Neen, de Bode des verderfs grijpt niet in het blinde rondom zich, waar hij zijne slachtoffers telt en velt in ons midden. Zijn reiskaart werd door hooger vinger geteekend, vóór hij zijne noodlottige wandeling aanving, en als zijn Zender hem roept, hij verschijnt met gebogen hoofd om te vragen: wat spreekt mijn Heer tot zijn knecht? „Als Ik pest onder mijn volk zende,quot; zoo lezen wij, en wie is die Ik, M. H.? Ja, het is de Vrijmachtige, wiens hand niemand kan afslaan, als Hij met het heir des hemels en met de inwoners der aarde doet naar zijn welbehagen. Maar Hij is tevens de Vader van alle barmhartigheid, de God en Vader onzes Heeren jezüs cheistus, wiens vrijmacht door wijsheid bestuurd, wiens heiligheid met genade gepaard , wiens oppermacht in liefde gegrond is. Die hand, gij gevoelt het, kan geen doodvonnis schrijven, dat de mensch mag verscheuren en zeggen: onrechtvaardig gericht. Wat meer is, van die hand

ocr page 17

DE SLAANDE ENGEL.

14

kunnen ook in de donkerste dagen niet anders dan goede gaven en volmaakte giften ons toekomen. O, ik weet het, het kost veel, het kost onbegrijpelijk veel, dat te blijven gelooven, als het hart op de pijnlijkste plaatsen doorgriefd wordt. Ook hier blijven vraagstukken over, die de tijd opgeven, maar slechts de eeuwigheid oplossen kan. Geen duisterder hoofdstuk wellicht in het boek van Gods wegen, dan waarboven het opschrift geplaatst is: het sterflot der menschen. Waarom voor dien ballast der maatschappij schijnbaar met den dood een verbond gemaakt, en dat licht zijner eeuw in den morgenstond uitgebluscbt, on aan dat talrijk gezin dien onmisbaren strun, en aan dat bloedend hart dat pand der liefde ontnomen ? Zoo vragen wij vaak met nokkende stem, en schreien den hemel om oplossing van zooveel raadselen aan, en de hemel zwijgt stil als het graf. De Godsakker aan onza voeten heeft het met den sterrenhemel boven onze hoofden gemeen, dat beide voor het zinnelijk oog een baaierd van verwarring vertoonen. Maar in beide heerscht voor den verhelderden en gevvapen-den blik toch eene eeuwige orde. Gel., en indien alle verschgedolven graven zich na elkander openen konden, van al hunne bewoners zouden wij de eenstemmige getuigenis hooren, dat de weg des Heeren recht was en heilig en wijs, ook waar hij ons ondoorgrondelijk scheen. En wat doe ik u alleen de stem van menschen, al is het ook van gestorvenen hooren ? Het eigen woord des levenden Gods roept

ocr page 18

2 CHKON. vu : 13b, 14.

ons toe, dat de Heer rechtvaardig is in al zijne wegen en goedertieren in al zijne werken; dat Hij de menschenkinderen niet van harte plaagt en bedroeft; dat in zijne hand onze adem is, en bij Hem al onze paden zijn. Verblijdende gedachte voor het geloof, M. H.! Het cijfer der dooden geschreven in het register van God; ons leven veilig in het grootste gevaar, zoo lang wij zijn raad nog niet uitdienden; onze polsslagen geteld door dezelfde liefdezorg, die onze tranen in hare flessche vergadert. Slaande Engel Gods, hoe verandert gij op eens van gedaante! Voorwaar, voorwaar, gij zoudt geene macht hebben tegen ons, indien u die niet van Boven gegeven ware!

Nog eens: „indien Ik pest onder mijn volk zendequot; — gevoelt gij het niet, Gel., hoe deze gedachte even ernstig is, als zij voor het geloof verblijdend en waarachtig mag heeten? Zoo is dan de slaande Engel, ten laatste, een volvoerder der Oordeelen Gods. Dat was hij in den vol-sten zin des woords, als hij verscheen onder Israël. Het behoorde tot de bijzondere Godsregeering, dat Jehova nationale zonden met nationale rampen bezocht, en zijne profeten zond om het der natie te zeggen, door wat misdrijf het oordeel verdiend was. Hier, wij weten het, mag allerminst het buitengewone geval tot doorgaanden regel verheven worden. Geene hemelstem heeft ons opgeroepen om het aan iemand uwer te zeggen, dat de ramp onzer dagen een bijzonder Godsgericht is over eenige

15

ocr page 19

DE SLAANDE ENGEL.

16

bijzondere schuld. Neen, gij waart niet misdadiger dan wij, gij breede schare van slachtoffers: de woningen; die de Verderver voorbijging, bevatten licht grooter overtreders, dan die, waar hij is binnengetreden. Maar al kunnen wij het rechtstreeksch verband van deze bezoeking met eenige bepaalde zonde niet aanwijzen, daaruit vloeit volstrekt nog niet voort, dat zij buiten alle verband met aller zonden zou staan. Waren de achttien, op wie de toren in Siloam viel, ook geen grooter zondaars dan anderen, de Heer noemt hen toch óók zondaars , als dezen, en zag in hun onspoed een voorproef van wat allen te wachten stond, indien zij zich niet tijdig bekeerden. Het ware al te bescheiden, indien wij de vraag, „waarom heeft ons de Heer al deze dingen gedaanquot;, voor volstrekt ongeoorloofd verklaarden: vermetel ware de vrager eerst dan, indien hij buiten de stem van Gods woord een onfeilbaar antwoord verwachtte En wanneer wij het dan daar geschreven vinden voor alle volgende eeuwen: „die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden; verdrukking en benauwdheid komt over alle ziel des menschen, die het kwade werkt; de toorn Gods wordt geopenbaard over alle ongerechtigheid en goddeloosheid der menschenquot; — Gel., verkrijgt het daar geen hoog ernstige betee-kenis, dat God een nieuwen Doodsengel wapent, en hebben wij wel te vreezen, dat wij den Oneindige iets ongerijmds zullen toeschrijven, als wij van

ocr page 20

2 cheon. vu : I3b, 14.

17

een opgeheven tuchtroede spreken? Neen, hoe hooge denkbeelden wij ons ook van de liefde Gods mogen vormen, het Evangelie predikt nergens een God, te zwak om te toornen en te week om te straffen. „Wie kent de sterkte zijns toorns, en zijne verbolgenheid, naardat Hij te vreezen is?quot; Dazende, Hij kan haar nog even weinig als in de dagen van salomo aanzien, of Hij zou moeten ophouden den naam van heilige liefde te dragen. Wat zeg ik, juist omdat Hij ons liefheeft, zou Hij eer wonderen geven in den hemel boven en teekenen op de aarde beneden, dan dat Hij haar onbeteugeld in en rondom ons liet woeden. Hij bestrijdt haar met alle middelen, die zijner almacht en liefde ten dienste staan, en gebruikt zelfs de bezoldiging dei-zonde om den voortgang der zonde te stuiten. Zijn wij voor gewone roepstemmen doof, Hij laat buitengewone in onze ooren weerklinken: stemmen van boetpredikers, waar de Evangeliepredikers geen gehoor konden vinden; geruchten van oorlogen en geruchten van hongersnood, en waar ook deze niet baten, noodkreten van ziekten en dood. Zoo wil Hij den zondeslaaf wakker schudden uit zijne noodlottige sluimering, en tuchtigt zijn liefhebbend kind, opdat de ziel van kwalen genezen worde, erger dan die het lichaam bedreigen. Als Hij de pest voor zijn aangezicht uitzendt, het is een teeken, dat Hij wat te zeggen heeft aan een land en een volk: zulk een buitengewoon gezant wordt niet zonder belangrijken lastbrief gezonden. Ontsluit

ocr page 21

DE SLAANDE ENGEL.

ons den uwen, verdervende Engel, en zeg ons, wat gij komt eischen!

II. Wat hij eischt, die slaande Engel, die in ons midden verscheen, niet om zijn wil te doen, maar den wil Desgenen, die hem gezonden\' heeft? De tekst wijst het aan, in weinige, maar wichtige woorden. Verootmoediging, gebed en bekeering.

Verootmoediging — zietdaar het eerste, wat Jehova van Israël eischte, als Hij een doodvonnis aan velen in zijn midden voltrekken liet; zou het niet zijn eisch zijn aan een iegelijk onzer in deze treurige dagen? Ja, „vernedert u onder de krachtige hand Gods, opdat Hij te zijner tijd u ver-hooge,quot; zietdaar de vermaning, die ieder doodsbericht aan onze poorte, iedere kranke in onze woningen, iedere lijkstoet op onze straten ons bij vernieuwing doet hooren. Ten allen tijde heeft de trotsche mensch zulke lessen dringend van noode, en wanneer meer, dan in de tegenwoordige dagen? Is hoogmoed de eerste zonde geweest, hij is ook thans in vollen nadruk de heerschende, en wel willens blind moet men zijn om voorbij te zien, hoe God bij vernieuwing bezig is hem voor onze oogen te fnuiken. Indien er ooit een tijd is geweest, waarin de Godsdienst van velen daarin scheen te bestaan, dat de mensch op het hoogst wordt verheerlijkt, en God ten diepste vernederd, het is wel onze tijd, mijne hoorders. „Wat kan

18

ocr page 22

2 cheon. vu: 13b, 14.

19

de mensch veel,quot; zoo roepen van alle zijden, met kennelijk zelfbehagen, ontelbare stemmen ons toe. Duizend armen bouwen met onvermoeide vlijt aan den tempel van menschelijke wijsheid, grootheid, gelukzaligheid, gelijk salomo aan den tempel des Heeren, en steeds meer schijnt de sterveling dei-bestemming genaderd om Koning op aarde te zijn. De bliksemen des hemels geleidt hij, de diepten des afgronds doorwoelt hij, de loopbaan der sterren berekent hij. Met ijzeren armen perst hij de afstanden van tijd en ruimte te zamen, dat mijlen tot spannen, en uren tot minuten in één krimpen .... wat krimpt gij zelf op eenmaal in één, monarch der aarde, terwijl de knieën u knikken van vreeze? Daar treedt de afgezant eener macht voor uw oog, die gij haast geheel hadt vergeten. Als doodvijand sluipt hij binnen uwe muren, hoe veilig de wachter ook wake, en waar hij lieerscht — ach, welk een overgang in weinig dagen en uren! Huizen der maaltijden herschapen in sombere klaaghuizen; banden, sterker dan metaal, als spinrag van elkander gescheurd; de kerken te eng om de klagende levenden, en verhoedt het God niet, de kerkhoven te bekrompen, om de zwijgende dooden te bergen! Waar groeit het geneeskruid, artsen, die om raad wordt gebeden, en hoe heet het- tegengif, dat het vergif in de aderen stuit? Gij aarzelt, gij zwijgt, gij vorschtna, en middelerwijl omzweeft de slaande Engel ook ü, en snijdt op Gods wenk, met een enkelen zwaai van zijn

ocr page 23

de slaande engel.

20

zwaard den draad van uw leven en den draad van uw onderzoek af. „Zoo Ik wil verscheuren — zegt de Heer — wie zal verbinden, en zoo Ik verwoesten wil, wie zal dan bouwen?quot; — Zegt gij nog: wat kan de menschheid veel, M. H. ? En al haar rijkdom is niet in staat, om één seconde levens te koopen, en al haar wijsheid is onvermogend om één redmiddel uit te denken, en al haar legioenen kunnen dit ééne zwaard niet verstompen ! „Het aangezicht in het stof,quot; zoo roept de Engel, die het draagt, aan alle levenden toe. „O land, land, land, hoor des Heeren woord, en buig u voor zijne machtige hand! Trotsche adamszooii , daal eindelijk eens af van de hoogte, waarop een verblinde eeuwgeest u tegenover God heeft geplaatst! Gewaande koning der aarde, leer het inzien, dat gij niets zijt dan afhankelijk dienaar, en ten hoogste slechts onderkoning kunt worden, wanneer gij eerst Gods priester wilt wezen! Schuldig overtreder, bereken, zoo gij kunt, üw aandeel aan den onafzienbaren schuldenlast eener door God getuchtigde natie, en omhang u met het kleed van den ootmoed, eer men morgen wellicht u in uw doodkleed wikkelen zal!quot; Ziet, daarmede moet het met een iegelijk zondaar aanvangen, Gel., dat God in onze oogen weer God worde, en de mensch in eigen schatting weer niets. Dat moet de eerste vrucht zijn van den tijd der bezoeking, dat een geest van heiligen ernst in de plaats der lichtzinnigheid trede; dat diepe verootmoediging zich

ocr page 24

2 CHEON. vu : 13b, 14.

openbare bij armen en rijken, bij vorst en bij onderdaan; dat allen Amen op de belijdenis zeggen : „ieder van ons heeft duizendmalen het doodvonnis verdiend, dat thans over zoovelen volvoerd wordt.quot; Zoolang die geest nog ontbreekt, hebben wij geen reden om te hopen, dat de tuchtroede zal afgeweerd worden; wat meer is, hebben wij niet eenmaal vrijmoedigheid om de opheffing dei-roede te vragen!

Wie in waarheid verootmoedigd is, zal ook ge-reedelijk biddend Gods aangezicht zoeken. Het is het tweeds, dat de slaande Engel in naam van zijn Zender komt eischen, en zou er wel iemand in ons midden gevonden worden, die zulk een eisch voor zich overbodig kan noemen ? Ach, het is alleen daarboven bekend, hoe velen van die schare, die in tijden van beproeving zich verdringt in het huis des gebeds, nog nimmer gebeden hebben in al de kracht van het woord. En zelfs dan, wanneer ons de dagelijksche toegang tot den troon der genade niet vreemd is. Gel., hoeveel bidden, dat nauwelijks bidden mocht heeten; hoeveel spreken zonder smeeken, hoeveel smeeken zonder gelooven, hoeveel gelooven zonder vreugd en kracht en volharding I Al hadden wij ons over niets anders te verootmoedigen , dan over ons gebrekkig bidden alleen, reeds dan zou de stof van zelfbeschuldiging schier onuitputtelijk wezen .... Eere zij der wijsheid en liefde onzes Gods, die ons, als met opgeheven tuchtroede terugvoert naar de plaats, van waar wij nooit moesten

21

ocr page 25

de slaande engel.

22

wijken, naar zijn troon, voor zijn voet, aan zijn harte! Bidt, zoo roept de slaande Engel ons toe, en waar hij met de eene hand ons dreigt met zijn zwaard, wijst hij met de andere ons naar zijn machtigen Zender, die hem terugroepen en ontwapenen kan. Wat beeft gij, kleinmoedige, tegen het gevaar, dat uwe woning bedreigt? Bid, dat u Israels wachter bewake, waar gij het hoofd ter sluimering neerlegt: om in de schuilplaats des Allerhoogsten gezeten te zijn, moet men eerst geknield hebben aan de voeten der Almacht. Wat staat gij van verre, ontruste, als het schuldig geweten ontwaakt ? Bid, dat gij door het geloof den cheistus des Heeren moogt zien, eer u de Doodsengel opwacht; God, die u omringt met den tijdelijken, heeft geen lust in uw eeuwigen dood. Wat wringt gij wanhopig de handen, verlatene, die klaagt, dat de slaande Engel u alles, alles ontnam ? Alles, en gij hebt God nog behouden.... bid, dat Hij uw rots en uw deel worde en blijve in eeuwigheidI Bidt, gij bedroefden, want gij bezwijkt, zoo gij geen troost vindt van boven! Bidt, gij gespaarden, want de uren zijn wellicht reeds geteld, dat üw laatste zucht wordt geslaakt! Bidt, gij herstelden, dat gij in waarheid danken mocht leeren! Bidt voor u zeiven: ach zoo dubbel veel hebt gij noodig in deze dubbel zorgvolle dagen. Bidt voor elkander en voor allen: ach, onze liefde is zoo machteloos, maar machtig is het gebed des geloofs. Bidt, maar met volle oprechtheid voor God: die enkel naar Hem

ocr page 26

2 chbon. vu : 13b, 14.

vraagt, omdat en als Hij ons doodt, loopt als Israël gevaar, om met den mond Hem te vleien, en met de tong Hem te liegen. Bidt, maar niet enkel om opheffing, allereerst om heiliging der plaag aan het harte: die als phaeao alleen er op aandringt, dat de Heer dezen dood van hem wegneme, is als phaeao op weg het hart steeds meer te verharden. Bidt, maar geloovig, want gij werpt uwe smeekingen niet op uwe gerechtigheid neder: gij moogt steunen op dien hemelschen Hoogepriester, die verzoening doet ook over den grootsten der zondaren, gelijk aüeon ten dage der bezoeking in Israël met zijn wierookvat tusschen de dooden en de levenden stond, totdat de plage werd opgehouden \'). O zalig wij, Gel., als onze verborgen geschiedenis van de tegenwoordige dagen in het profetisch woord begrepen kan worden: „zij hebben hun stil gebed voor u uitgestort, als uwe tuchtiging over hen was !)!quot; Gezegend de bode des doods, als hij ons uitdrijft naar den God onzes levens, en ons dringt, om niet slechts bevend te zien op de roede, die dreigt, maar biddend op de hand, die haar opheft! Wie als hiskia het aangezicht keert naar den wand, de Heer zal hem in den geest zijn woord aan hiskia doen hooren: „Ik heb uw gebed gehoord, en uwe tranen gezien!quot;

Dat zal Hij echter alleen, wanneer de droefheid

1) Num. XVI; 46—48.

2) Jesaia XXVI; 16b.

23

ocr page 27

DE SLAANDE ENGEL.

24

onzer dagen ons leidt tot droefheid naar God, die bekeering tot zaligheid werkt. Bekeering, het is naar den tekst de laatste eisch van den slaanden Engel des Heeren, een eisch, gij weet het, Gel., die een wanklank is in het oor dezer wereld. De wereld, zij hoort liever van zedelijke verbetering, dan van wedergeboorte, liever van vooruitgang, dan van terugkeering tot den levenden God; liever van tekortkomingen, dan van schulden bij Hem. Staat gij ook nog op dat bedrieglijk standpunt, welnu, waagt het slechts, om blijvende die gij zijt, den Verderver onder de oogen te zien, en leunende op den staf uwe kranke deugd de doodsvallei binnen te treden, die zich morgen wellicht voor uw voet zal ontsluiten. Neen, waagt het niet, want al waart gij ook aan deze zijde des grafs in zelfbedrog ingeslapen, het ontwaken aan gene zijde, het zou verschrikkelijk zijn. „Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoedsquot;, zoo spreekt daarom het Evangelie u toe, en waar het zoo vaak den dooven gepredikt wordt, daar plaatst God u het schrikbeeld van een plotseling sterven voor oogen, om u in een onbekeerlijk leven te stuiten. Als de boetgezant aan de boorden des Jordaans in het kemelshairen kleed, wandelt de slaande Engel aan de boorden der Maas, en spreekt op plechtigen toon: „de bijl ligt aireede aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht draagt, wordt afgehouwen en in het vuur geworpen. Bekeer u, bekeer u, waarom zoudt gij sterven!quot; .En waar

ocr page 28

2 CHBON. VII : 13b, 14

25

gij belangstellend vraagt: „en wij, wat zullen wij doenquot; — daar wijst hij als johannes op den Zoon, in wien de zondaar, die gelooft, het eeuwige leven heeft, en voegt er veelbeteekenend bij: „brengt dan vruchten voort, der bekeering waardig!quot; Hij zegt aan den naamchristen: „begin niet bij u zeiven te zeggen: ik heb God tot een Vader en Christus tot een Verlosser; want, ik zeg u, zulke Christenen kan God zelfs uit steenen verwekken.quot; Aan den dubbelhartige: „ruk u eindelijk eens los van de wereld, die u, God weet hoe spoedig, onder de voeten zal wegzinken.quot; Aan den liefdelooze: „wees haastelijk welgezind jegens uw wederpartijder, eer ik, als derde in uw gezelschap getreden, u aan zijne zijde ontscheur, om u voor den rechter te stellen.quot; Aan den trage: „werk terwijl het dag is, eer de nacht komt, waarin niemand kan werken.quot; Aan den slapende in één woord : „ontwaak,quot; en aan den ontwaakte: „zie toe, dat u de slaap niet be-vange!quot; Zoo heeft de slaande Engel een woord, een wenk voor ons allen, hetzij hij onzen dorpel overschrijdt of voorbijgaat; neen, zoo staat de Heer zelf in deze dagen bij ons aan de deur, en meldt zich aan met telkens luider geklop, en opdat wij te williger openen zouden, zendt Hij den Doodsengel voor zijn aangezicht uit, dien wij niet afwijzen kunnen. Wat zullen wij op die roepstem nog antwoorden, Toehoorders? Dat wij de bekeering niet noodig hebben? De doodschrik, die honderden op het hoeren van den enkelen naam cholera aan-

ocr page 29

DE SLAANDE ENGEL.

grijpt, wijst reeds uit, dat zij niet bereid zijn tot sterven. Dat wij nog tot gelegener tijd zullen uitstellen? Indien dan ook slechts de Doodsengel goedvindt om te luisteren naar de biddende stem: „voor ditmaal ga henen!quot; Dat wij nog eerst krachtiger moeten aangegrepen worden in het diepst onzer zielen? Maar wat is er meer aan een wijngaard te doen, waar het snoeimes zoo diep in de kranke loten gezet wordt, en wie, die heden onbekeerd voor het laatst zich te slapen legt, zou morgen zich durven beklagen voor den rechter des hemels: „gij hebt niet genoeg aan mijne ziele gedaan!quot; Neen, heden nog als een éenig man op den eisch der bekeering geantwoord, met voor het eerst oi\' bij vernieuwing op te staan en tot den Vader te gaan. Hij wacht om ons genadig te zijn. Hij wenkt, en de Doodsengel wijkt!

HL „Maar hoe wijkt gij dan — zoo klinkt onze laatste vraag tot dien Godsgezant — hoe wijkt gij weer uit onze landpalen, waar gij nu reeds ten vijfden male zijt binnengetreden?quot; Nog eenmaal het oog op den tekst, om het onbedrieglijk antwoord te vinden. Hij wijst ons op een God, die den biddende hoort, de zonde vergeeft, het land wil genezen.

„Ik zal uit den hemel hoorenquot; — noe schets ik u, Gel., de onschatbare waarde dier toezegging ? Kinderen, stelt het u voor, dat het u stellig verklaard werd: uw vader verstaat niets van al de

26

ocr page 30

2 CHRON. VII ; IS1», 14.

27

klachten, die gij hem in uwe verlegenheid hooren laat; of gij weent en steent, het stuit op een boezem van marmer terug; of gij hem met uwe gebeden bestormt, het baat even weinig, als of gij den muur uwer woning tot wijken bewegen woudt — is u de gedachte alleen niet verschrikkelijk? En zulk een God is het toch, dien de ongeloovige wijsgeer zich denkt, terwijl hij spot met een eenvoud, die van gebeden nog redding verwacht, van geen artsen of artsenijen te hopen. Leent gij hem het oor, hij zal op de vraag: hoe wijkt toch de ziekte, evenzeer het antwoord u schuldig blijven als op de vraag, van waar zij gekomen is. Hij zal spreken van een gunstige verandering, die door een blinde natuurkracht, door een wending in dampkring of seizoen wordt te weeg gebracht.... Arme wijsgeer, wat moet gij hoop- en machteloos staan, waar gij alleen tot de wolken kunt opzien, en niet tot Hem, die boven lucht en wolken regeert! Neen, gezegend dan het eenvoudig Evangelie, dat op een Vader aller barmhartigheid wijst, die zelfs het geroep der jonge raven verstaat, hoeveel meer de zuchten van het menschelijk hart! Het is zoo, eene bepaalde belofte van gebedsverhooring voor dit bijzonder geval, gelijk aan salomo, viel ons niet te beurt, M. H. Maar hebben wij niet de onschatbare toezegging: „al wat gij van den Vader be-geeren zult in mijn Naam, dat zal Hij doen,quot; en wederom, liggen er geen tallooze ervaringen achter ons van dreigende onheilen , afgewend op de stem

ocr page 31

de slaande engel.

onzer smeeking; van dagen, die als bededagen begonnen, als dankdagen eindigen mochten, en — wat bedenking ook overblijve, valt zij niet weg voor de vraag: „Zou dan de hand des Heeren verkort zijn? Zou Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren, en die het oog formeerde, niet zien?quot; Ja, Hij is een eeuwige Rotsteen, Gel., en nooit worden zij beschaamd, die Hem wachten. Ziet, waar wij thans den blik in het rond laten weiden, \'t is alles somber en droef. Daar treden zij voor onzen geest, die legersteden, waarbij de liefde machteloos weent; die rouwdragenden, die star-oogen op de geopende groeve; die onmisbaren in onze schatting, die wellicht het eerst gemist zullen worden, en het wordt ons bekneld in de ziel. Maar daar scheuren de donkere wolken, daar daalt een licht van den hemel, en bij zijn glans blinkt de belofte ons tegen; „Ik zal uit den hemel hooren!quot; Gij zult hooren, Heer? Maar dan zijn nood en gevaar schrikbeelden, ja, voor ons, maar slechts ijdele klanken voor ü; dan zal het op uw tijd blijken, dat de Engel des gebeds sterker is dan de Engel des doods; dan weten wij het, zoo wis als Gij leeft, dat er slechts een oogenblik in uw toorn, een leven in uwe goedertierenheid is!....

Immers, „Ik zal hunne zonden vergeven,quot; ook die belofte geldt ons. Of zouden wij kunnen twijfelen, waar wij leven in de dagen des N. V., waarvan salomo slechts de eerste schemering zag? Maar wij kennen immers den Vredevorst, die meer

28

ocr page 32

2 chkon. vu : 13b, 14.

29

clan Salomo is, en in zijn dierbaar bloed een eeuwige verzoening te weeg bracht tusschen een schuldige wereld en een heiligen hemel. Tot Hem mogen wij u henen wijzen, heilbegeerig zondaar, die voelt, dat het niet baten zou, al werdt gij ook van de bezolding der zonde bevrijd, zoo gij niet van de zonde zelve verlost werdt. „Wendt u tot Mij, en wordt behouden,quot; zoo roept Hij zelf als uit den hooge u toe. Zal liet geen dubbelen nadruk aan die noodiging bijzetten, dat sommigen, die haar op den vorigen rustdag nog hoorden, thans zijn heengegaan naar hunne eigene plaats, en dat de mond, die haar overbrengt, vóór den volgenden reeds in het graf kan verstomd zijn? Ach, indien gij het hart bleeft verharden, u zou het woord der opperste Wijsheid, in den aanhef der Spreuken van saloito gelden: „dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden hebt geweigerd; mijne hand uitgestrekt heb, en daar was niemand, die opmerkte, en hebt allen mijn raad verworpen en mijne bestraffing niet gewild, zoo zal Ik ook in uw verderf lachen, Ik zal spotten als uwe vreeze komt!quot; Ontvliedt dat lot en „keert u tot hare bestraffing,quot; Gel. Ziet, God wil „zijn Geest over ulieden overvloediglijk uitstorten en u zijne woorden bekend maken.quot; Laat dan door den Vader tot den Zoon u geleiden, in wien Hij schuld om niet vergeeft. Neemt den kwijtbrief der vergiffenis aan, dan is uw doodvonnis reeds op het bloedig kruishout voltrokken. Geloovende in den Zoon, zult gij niet sterven in eeuwigheid, hetzij

ocr page 33

de slaande engel.

deze of een andere krankheid u neervelt. Als schrikbeeld houdt zij zelfs voor u op te bestaan, en al verschijnt de slaande Engel dezen zelfden nacht aan uw leger, gij kunt hem met den geloofsroem begroeten: „ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch pest, noch cholera, mij scheiden zal van de liefde Gods in chbistus jezus den Heer!quot;

En zou dat de éénige triomf des geloofs zijn, Gel. ? Op eene nog meer zichtbare uitredding wijst het laatste tekstwoord; „Ik zal hun land genezen.quot; Ik herbaal het, eene bepaalde toezegging van dezen inhoud hebben wij voor deze tuchtiging niet. Het kan zijn, dat het God in zijne onnaspeurlijke wijsheid behaagt, den slaanden Engel, die eens vreemdeling was, in ons land te doen toeven als inwoner, die niet wijkt, maar slechts van tijd tot tijd sluimert, al ware het ook slechts om aan een boos en overspelig geslacht van tijd tot tijd te herinneren, dat Hij er óók nog is, die hoog is boven de hoogen! — Maar ook dar. kan de Heer gedurig op nieuw tot hem zeggen, als in davids dagen tot den Verderver in Israël: „\'tis genoeg, trek uwe hand nu af.quot; Op Gods wenk staat hij stil voor de woningen, waar hij dreigend genaakt; op Gods stem ontvlucht hij de steden, waar aireede zijne voetstappen staan. En hoe het zij, waar slechts de bede: „Heer, bekeer ons tot u, zoo zullen wij bekeerd zijnquot;, gehoord wordt, daar blijft ook de verhooring der andere bede: „vernieuw onze dagen als van oudsquot;, gewis niet

30

ocr page 34

2 chron. vii : 13b, 14.

31

eindeloos achter. Immers, Gods heil is hun nabij, die Hem vreezen, opdat er eere in onze landpalen wone. Genezen zal Hij de wonden, die de Doodsengel sloeg en geen wondheeler balsemen kon; genezen ons hart van de verschrikking des doods, ons huis van de besmetting der zonde, ons land en onze kerk van zoo menige ziektestof, doodelijk voor hun bloei en hun leven. En eenmaal brengt Hij ons uit genade in dat hemelsch Jeruzalem over, waar geen burger meer zegt: ik ben ziek, omdat het volk, dat er woont, vergeving van ongerechtigheid heeft. Daar openbaart Hij zich aan ons in helderder licht, dan in het droombeeld van salomo, en roept ons toe: uw gebed is verhoord! Geen rouw zal er zijn, of ziekte of dood, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan, en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen. Bode des doods, wijs velen naar dat vaderland henen, en uit het tranenzaad, dat op uw weg is gestrooid, zal een oogst van vreugde verrijzen!

AMEN.

ocr page 35

I, ü\'j-i. 03 4quot;

Uitgaven van KEMINK amp; ZOON te Utrecht.

J, J. VAN OOSTERZEE.

Al de Leerredenen. 12 Deelen. Prijs f 5.—.

TJit mijn Troostlbjjbel. Iets voor stillen in den lande. 2de druk. . Ing. f 1.35. Geb. f 1.60.

Zie het Lam Gods. Twaalf Lijdenspreeken.

Ing. f 3.35. Geb. f 3.70.

Genade en Waarheid. Laatste geloofsgetuigenissen............f 3.50.

ocr page 36
ocr page 37

Uitgaven van K EM INK amp; ZOON te Utrecht.

J, J. VAN OOSTERZEE.

Al de Leerredenen. 12 Deelen. Prijs f 5.—.

Uit mijn Troostbybel. Iets voor stillen in den lande. 2de druk. . Ing. f 1.35. Geb. f 1.60.

Zie het Lam Gods. Twaalf Lijdenspreeken.

Ing. f 3.35. Geb. f 3.70,

Genade en Waarheid. Laatste geloofsgetuigenissen............f 3.50.

ocr page 38