ocr page 1
ocr page 2

a

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

KOREN-BLOEMEN.

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0885 8692

ocr page 7

KOREN-BLOEMEN.

leclerlandsche Gredicliten

VAN

CONSTANTIJISr HUYG-BNS,

Ridder, Heere van Zuylichem, Zeel hem, cnde in Monickeland; Eerste Raed en Reken meesier van Sijne Hoogheid, den Heere Prince van Orange.

MET AANTEEKENINGEN

VAN

Dr. J. VAN VLOTEN,

Hoogleeraar te Deventer.

2cle DRUK,

herzien ou mot vele aaiiteekeniiigeu vermeerderd

ocr page 8
ocr page 9

VOORBERICHT.

In liet tweede deeltje zijner Uitgave vaii Huygens\' Korenbloemen klaagt Prof. Van Vloten erover, dat de Drukker in het eerste de oorspronkelijke schikking eenigszins verbroken en hem daardoor verplicht had ook voor de volgende eene andere aan te nemen. Toen dus de tegenwoordige eigenaar van het Klassiek Letterkundig Pantheon mij aanzocht, dat bundeltje te herzien, was mijne eerste gedachte deze fout te herstellen en de opeenvolging der onderscheiden gedichten met de tijdrekenkunde in overeenstemming te brengen. Bij nadere overweging heb ik echter van dit plan moeten afzien. Immers ik zou dan al den arbeid, thans op zoo verdienstelijke wijze door Dr. Worp verricht, op mijne beurt hebben moeten ondernemen, en al wilde ik mij dat monnikenwerk getroosten, het zou mij toch onmogelijk geweest zijn, wijl het daartoe gevorderde materiaal op het oogenblik bij bovengenoemden geleerde berust. Wachten totdat hij ermede gereed was en dan met de door hem verkregen uitkomsten mijn voordeel doen, kon ik niet, omdat eene nieuwe uitgave van het eerste deeltje dringend noodig was, — wilde ik ook niet, wijl ik daardoor aan het debiet van zijn zoo loffelijk werk stellig schade zou hebben toegebracht. Ik heb het toen maar over een geheel anderen boeg gewend: mij eenvoudig tot een zooveel mogelijk zuiveren afdruk van den tekst der editie van het jaar 1672 bepaald en verder al mijne aandacht

ocr page 10

TOOK BERICHT.

aan de aantcekeningcn en verklaringen gewijd. Nu wij toch in hot Standaard-werk van Ur. Worp een Uuygens-uitgavc zullen bezitten, die aan alle eisclicn vau wetenschappelijkheid voldoet, is het m. i. minder noodig in afzonderlijke edities een streng chronologische volgorde in acht te nemen: de man der wetenschap, die Huygeus wil bestiidecren, vindt in bovengenoemd werk, al wat hij noodig heeft, liet boekje, dat ik thans het licht doe zien, rieht zich dan ook volstrekt niet tot hem, maar wil alleen te gemoet komen aan do behoeften van het geletterde publiek en van de leerlingen onzer inrichtingen van Hooger en Middelbaar Onderwijs. Dit soort van gebruikers heb ik voortdurend op het oog gehad en dienvolgens vooral mijne aanteokoningen ingericht. Ik vlei mij dan ook, dat zij volstaan zullen voor hou, die gcene vreemdelingen zijn in de lectuur van Vondel, Hooft en Bredero of die Huygens lezen onder leiding van hunnen Onderwijzer. Arbeid en moeite, dit verzeker ik, hebben mij die korte aan-teekeningen genoeg bezorgd; het is dikwijls zoo lastig in een paat woorden al datgene uit te drukken, wat Huygens in ecu korte zinsnede weet samen tc persen. Een enkelen keer heb ik mij met den besten wil daartoe niet in staat gezien en de vrijheid genomen naar mijn vroeger verschenen werken over Huygens te verwijzen. 1)

Vraagt iemand, waarom ik in plaats van den tekst van 1672 niet liever dien der oorspronkelijke edities heb genomen, dan antwoord ik, dat dit ter wille van de eenparigheid geschied is; do spelling der latere gedichten wijkt nog al aanmerkelijk van

11 Huygens-Studwn, Kuilenburg, Blom en Olivierse, 1880.

C. Huygens Hofwijch, „ „ „ „ 1888.

C. Huygens, Zedeprhiien, Groningen, J. B. Wolters, 1891.

ocr page 11

voorhertcht.

die der vroegere af. Daarenboven bij eeneii dieliter als onzen Constanter, wiens poëzie meer uit liet hoofd dan nit liet hart welt, zijn de latere uitgaven — dit is althans mijne zienswijze — beter dan de eerste. Varianten heb ik dan ook slechts opgenomen, waar zij voor de verklaring dienstig konden zijn. Wat deze zelve betreft, gaarne had ik de aanteekeningen, even als in mijne andere edities, achter den tekst geplaatst; doch, daar ik mij tot het noodzakelijkste heb moeten bepalen, zou dit den lezer dikwijls tot vergeefseh naslaan hebben gedwongen.

HH. Recensenten en Critici mijner vroegere werken zullen, hoop ik. inzien, dat ik met de mij gegeven wenken mijn voordeel heb gedaan; mochten zij soms vinden, dat ik nog te veel aan mijne eenmaal opgevatte meening ben blijven vasthouden, laten zij overtuigd ziju, dat het niet uit betweterij geschiedde, maar omdat ik na zorgvuldig wikken en wegen niet anders kon.

Ten slotte nog ééne opmerking. De schikking der gedichten is eenigszins anders dan die der eerste editie. Dit is hieraan toe te schrijven, dat de Uitgever elk der twee, thans weer gezamenlijk verschijnende deeltjes afzonderlijk wilde het licht laten zien, doch later dat plan heeft laten varen.

H. J. EYMAEL

Amsterdam, April 1893

ocr page 12

]

stede-ste:

euf

ocr page 13

BIBEL-STOF EN GODSDIENST, STEDE-STEMMEN, ZEDE-PRINTEN, VERTALINGEN, EUFRASIA OF OOGEN-TROOST, ENZ.

ocr page 14
ocr page 15

OP DEN TITEL 1

Hy meent2 geen\' Koren-bloem, die Tarw zaeyt: verr\' van

(daer;

Hy meent den nooddruft, en hy neemt den oorber3 waer. De Bloem verschijnt nochtans, en menght sich onder

(\'t Koren,

Als Gasten die in \'tMael der Gasten niet en hooren, 5 En komen ongenoodt, en schicken sich in \'t best,4En sien soo vrolick, of wat meer, licht, als de rest: Men leeds\'5 er wel van daen; maer. soo sy \'t Mael verblijden Met haer bevallickheit0, soo komt mense te lijden. De Bloem is noodeloos in \'t Koren, en nochtans,

10 Daer \'s geen weerseggen6 aen, sy geeft de Tarw een\' glans, En staeter in en pronckt als kinderen van Heeren Als \'t Paesch-dagh7 is, met Blauw en Roo Satijne kleeren. Is \'tOnkruyd, \'tis van \'tbest, \'tis vriendelick, \'tis fijn, \'tls soet en schadeloos, en niet min als8 fenijn.

15 Voor sulcken Koopmanschap9 veil ick mijn\'Koren-bloemen, Mijn Toékruyd Leser, of mijn Onkruyd; hoe ghy\'tnoe-Of oock niet noemen wilt: \'ten isser niet gezaeyt, (men, In \'tLand, daer \'t Koren wies dat van 12 my is gemaeyt: \'t Is By-slagh13, die den 14 aerd van \'t Land, of van het Koren 20 Te voorschijn heeft gehaelt. De Goede15 willen \'t hooren. De Quade moeten wel 16; in \'t woelige gedrangh Van Hof en Land-gebied17 heb ick veel\' Jaren langh,

1

Dor Korenbloemen nl.. waaronder Huygons z^iie verzamelde godicli-

2

ton in 1658 voor liet eerst uitgaf. 2) bedoelt, heeft het gemunt op. 3)

3

het oorbare, practisch nuttige. 4) nemen het beste voor lief (ironicè).

4

5) mocht lijden, wenschte. 6) innemende manieren, prettige conversa

5

tie 7) tegenspreken. 8) ATgl. op zijn paasch-hest- 9) niets minder dan, in

6

koopwaar. 11) Vgl. toespijs. 12) door. 13) vgl. bij-gewas, vs. 35. 14) de.

7

Bij H., gelijk vroeger gewoonlijk, staat den dikwijls in den 1 sten naam

8

val. 15) de mij goedgunstig gezinden\', cjuiide, kwalijk gezinden. 10) Vul

9

aan: het hooren-, dat nl. wat nu gaat volgen, 17) landsbestier.

ocr page 16

8

Gelijck de Boot aen \'t Schip, met kleine trouwe plichten1Die \'t pack ten halse ley2, den hals wat helpen lichten: 25 lek heb voor Land en licrck Standvastelick 3 gesweet, Gedaen wat menigh man, niet alleman en weet,

Gedaen wat weinige, (de danck staet noch te hopen)

Niet alleman en kost3: \'k heb tegens harde knoopen4Kracht en gedult gestelt, en alom by Gods hand 30 Door dwarsche5 distelen gebroken sonder schand.

Dat heet ick Tarw geteelt, en van het beste Koren, Ten beste van \'t Gemeen, en daerom niet verloren, En daerom soo besteedt, als yeder Lands-genoot\' Den Lande schuldigh is, in Voorspoed of in Nood. 35 \\Yat by-gewasch 6 die Tarw mijn\' Grond heeft op sien

(geven.

Of0 \'t yemand weten wouw, bier lieb ick het geschreven: Mijn\' liloemen stel ick met haer\' Voeten in den Int:lu Kaed, dien ick tegen \'t vroeg verleppen heb versint.7Hoes\' nytden Acker staen, komt my niet toe Ie wijsen; 40 \'b Hebs\' onder \'t Koren met beleeftheit hooren prijsen. En yemand heeft bekent, die wat goedgunstigh loogb, Onk\'ruyd kost argcr zijn, en dit stond wel in \'t oogh. Lov\'13 ick de Koopmanschap ? geenssins;ick laetse14 laecken; Mits datse niemant laeck\' van na15 Vergif te smaecken, 45 De rest beken ick: en ghy, Leser, seght het vrij,

\'t Zijn Koren-bloemen, en soo komense blauw by lc.

CoNSTANTEK. quot;

Aen mij nc lieye dry overige Soueii 18.

Mannen Broeders; daer ick God voor danck; die U tot Broeders heeft geschapen, ende onder mijne oogen tot Mannen

1

diensten. 2) Versta: lletn, wteu \'tpak op den hals Cop do sclioudora)

2

die eene toespeling op zijnen voornaam Constantijn was. 4) uit: l-onste,

3

kon. 5) l-woslen, knoesten in het Jiont, lig. voor moeilijkheden. (ï) helem-

4

merende. 7) ingesetene, burger. 8) Vgl, bijslag, vs. lit. 9) indien. 10) Fi-

5

guurl. voor: ik heb mijne gedichten te hoek gesteld. 11) bedacht. 12) buiten;

6

en bieden. 14) sta toe, dat men ze. 15) naar; bij H. luidt ons naar meestal

7

wijk; de vierde, Filips, was op twintigjarigen leeftijd, 14 Mei 1657, op

ocr page 17

9

laten opwassen; Broeders in Vreughd van Eendracht, Mannen in Kracht van Jaren, van lieden en de van e;een\' 5 gemeene 1 Wetenschap; lek en bevele U-lieden dit Werck niet, maer dit By-werck. Overleeft het my neffens U-lieden, verdedight my naer 2 my, tegens die gene die \'t her-doopen moghten. Ick schaemde my daer over geseten te hebben3: sulcks noyt en is geschiet. Heb ick\'er over gelegen, by 10 slape-loose onrust, het kan supina diligentia 4 heeten. Datter gestolen5 Uren van wandelingh aen gehangen zijn, midden uyt den drangh van swaere besigheden ten dienste van de Gemeene saeck, ben ick soo verre van t\' ontkennen, dat ick het U-lieden voor een\' Lesse derve aenwijsen, hoe 15 self\'s de Snipperingen van den dieren Tijd niet verwaer-loost moeten werden. Ick ontfange daer-en-tegen geern de vermaninge uyt ü-lieden voordoen0, oi ^rjlovTS tc\'c %a-QiG^iaia T(x xgsiiTovct\'*, po tuis se has hor as minus perdi*; want ick voor winste reken van mijne kinderen overtreft9 20 te werden, en heb altoos daer naer gewenscht. God stereke haer 10 daer in, en zy met haer in der eeuwigheit.

Op lt;le Werken yan den Ed. Wijt-beroemdeu Heere CONSTANTYN HUYGENS,

RIDDER, HEER VAN ZUYLICBLEM 11, ENZ. PRESIDENT IN DEN KAEDT VAN SUN HOOGHEYT, DEN JHEERE PRINCE VAN ORANGE, ENZ.

Men vondt in ouden tijt twee wonderbare Griecken, Die vlogen wonder hoogh doch met verscheide wiecken Ia: Een schreyder evenstaegh 13, als hy de Werelt sagh, De tweede saghse noyt als met een schetter quot;-lach.

5 Hy die tot stagen rouw sijn treurigh oogh gewende

1

ougemeene. 2) ua. 3) ie hchhen zitten werken. 4) I). i. vlijt vim een

2

den rug liggende, dus: luie, (jemaltzuchliye vlijt. 5) Lees dit woord

3

voor midden uyt den drangh. 6) voorbeeld. 7) die de heste kundigheden

4

tracht te verwerven. 8) dat ik deze uren nog quot;beter had kunnen besteden.

5

9) overtroffen. Treffen, bij H. dikwijls zwak vervoegd 10) hen, de kin

ocr page 18

10

Die noemd\' ons Aerts bedrijf een Winckel van ellende, 800 dat hy evenstaegh sijn wesen dus geliet1,

Gelijck als yemant doet, die droeve dingen siet. De Tweede die sijn lach niet kon, of wilde stillen, 10 Die nam ons Aerts bedrijf alleen voor malle grillen. Het scheen dat al ons doen by hem wert opgevat. Als gecks-maer 2, guychel-spei, en ick en weet niet wat. Wil yemant nu by een twee groote luyden voegen,

Siet! in dit deftigh Werck daer vinü hy sijn vernoegen, 15 Het lacht, het schreyt: het scherst, het streelt; het kust,

Chet bijt;

Het treurt, het juycht; het bidt, en al3 te sijner tijt. Ghy siet dan hier den mensch sijn1 wispeltuyrigh leven, Ghy siet de AVer el t self\'s na rechten eysch beschreven. De mensch en \'sWerelts loop verandert alle daeph, 20 De mensch en \'sWerelts loop verandert evenstaegh4. Noch ü leert dit eygen 5 Boeck van Hof en stof te wijeken ö. En waer een Vrome Ziel het zeyl behoort te strijeken. Ghy soo ghy dit alleen 9 uyt dese schriften weet,

Soo is u geit en tijt (mijns oordeels) wel besteet.

J. Cats 10.

Op de Koren-bloemen ofte Nederlantsclie Gediehten van den Heer

CONSTANTYN HUTGENS,

KIDDER IIEERE VAN ZUYLlClIEM, Z KEI. HEM 12, EjXZ. EERSTE RAEDT EK DE KEKEN-MEESTER VAN SIJN HOOGHEIT DEN HEEKK PRINCE VAN ORANGE, EN\'/\'.

Doorlachte Zaylichem, Lief-hebber van de Kunsten,

Vrient van de Kuustenaers, verheven door uw gunsten; Als13 Fredrick by den Staet, en ghy by hem geacht, Soo menigh braef verstant ter eeren hebt gebracht.

Var. r. 15. Uitg. 1058: scherft, hetwelk kerft, vlijmt, beteekent en eono juistere tegenstelling vormt van streelt.

1

sicJi (((instelde. 2) zotternij. 3) alles. 4) des menschen ; gelijk thans

2

nog in de spreektaal. S1» Zie voorgaande bladzijde, noot 13. (gt;» Bovendien.

3

7) zelfde, eigenste. 8) Waarschijnlijk toespeling op het gedicht Hofwijch.

4

deze zijn CostelicTc Mal opdroeg. 11) In 1622 werd Huygens, secretaris van

5

geslagen. 12) Deze heerlijkheid ligt in Belgisch Limburg; zie Schinkel,

ocr page 19

11

5 Ghy hadt des Princen oor1, Geleerde Mannen \'t uwe. Al is dio tijt geweest, \'ken loochen niet, \'ken schuwe, \'k Ontsie de Waerlieit niet te seggen die ick weet; \'t Is yder een bekent hoe ghy u Joenmaels queet.

Elck quyte sicli aen ü, en uw volmaeckte Zoonen; 10 Die \'tdanckbaer Nederlandt met Diensten2 sal beloonen; In plaetsen stellen, die ghij ander\' hebt gemaekt3,

Daer vele, sonder u, niet waren in geraeckt.

Doorluchte ZuylicJtem; hoe soet is \'toude dagen.

Die \'t Lichacm naer om laegh, de Ziel om hooge dragen 15 Te leyden uls te rugh, tot haren eersten tijd,

Die ons gestaegh ontloopt, en steets te poste rijd, Hoe soet is \'t, sijn gedacht, eer dat vvy moeten scheiden Ontrent5 sijn eerste Jeught te laten gaen vermeiden. Te brengen overhoopquot; al wat men heeft gedaen, \'-0 En daer de laetste schaet\' te laten over gaen7! Geluckigh tijd-verdrijf van afgesloofde sinnen!

Ghy doet ons na de doot, een oeuwigheit gewinnen. Als wy niet meer en zijn, doet ghy ons staen bekent; Ghy plant op \'t dorre graf Laurieren sonder end. 25 Als Myters zijn vergaen, de Eroonen afgesleten.

En diese droegen van de wormen op-gegeten;

Wat weet. wat heughtmer8 van, indien geen brave geest, Die haer do doot ontreckt, ontrent haerquot; is geweest? \'t Is Aerds wat \'d Aerde geeft. Maer zielen op-petogen 30 Als d\' Uw, onsterflick Heer, zijn d\'aerde langh ontvlogen; Die kennen haer geboort, haer Hemels Vaderland, En draven langbs \'t gewulf, tot dat s\'er staen geplant. Daer sal u woonstadt10 zijn, daer sullen u Gedichten, Gelijck de Sterren doen, de Werelt over lichten; 35 Die t\' onrecht, als een Bloem des Veldts by 2 U veracht. Ter plaets E, by my genoemt, rechtvecrdigh zijn gebracht. Sict wie \'t dan beter13 raeckt; U hoogh gestegen Verssen, \'t Zy dat 6\' op feylen staen, op qnade seden scherssen 14, Of wel den Hemel-wegh ons wijscn op te gaen;

1

De Prints I Hist er de naar U. 2) ponten, hedienitKjeu 3) waartoe gij anderen geholpen hehf 4) Versta: die \'t lichaam naar de aarde doen bukken, de ziel daarentegen den blik opwaarts doen slaan. 5» in de tijden ran. O) op een hoop, te gad er. 7) af a-erken, de laatste hand leggen aan. 8gt; heught men er. Hengen is hier als pers. avw. gebruikt, gelijk bij H. herhaaldelijk 9) in hunne omgeving. 10) woonplaats, hgd. ivohnstatte.

2

door. 12» aan den Dichterhemol, nl. 13) treft, nader hij de waarheid komt. 14) afgeven, ze hekelen

ocr page 20

12

40 En zijn geen bloem-cieraet, maor van het beste graen. Wie mist\'er dan van bey1? Ghy noemtse Koren-bloemen; Maer ick sal haer met reclit, tie jG/o«nwaïi\'iA\'oren noemen, De keest \'-\' van uwen geest, het pant van U verstant; Dat noyt had sijns gelijck in \'t Vrye Ncderlant.

C. Boey

Op de Nedcrlantsehe Gedichtcu van den Hecrc

CONSTANTYN HUYGENS,

b1ddeb, heek van zuïltchem, enz.

Siet hier een rijeken oogst van ongemeene vruchten Van Iluygens hooge Geest, die hier in E.ymen spreekt: Een wer\'ek dat sell\'s het puyek der Dieht\'ren sal doen such-Om dat sy hier in sien wat haer noeh al ontbreeckt. (ten,

D Hier leostmen zerp 4 en zout, en wel gekruyde reden:

Hier is geen Vrouwe-kostE, geen blom ot kinder-pap: Maer spijs van hooge smaeek, gescherpt door aerdighedec. En over al gespeckt met Kunst en Wetenschap.

Hier is geen overschot, geen lappen noch geen leuren11; 10 Hier is een Werck dat wel behaeght\' is en bescl aeft; Hier is geloutert Goud, oock na de grootste keuren8: Hier is een paert dat voor en achter vierkant draef\'t

Hier is een lijf te sien dat zeen wen heeft en spieren. En vast en onverwrickt op goede beenen staet, 15 En dat men nergens niet 10 siet waggelen of swieren quot;, Maer dat wel hecht en recht op sijne leden gaet;

Hier is een schoonen hof vol nyt-gelesen bloemen,

Elck bladt is hier een bed op \'t fraeyste uytperust Hier is al wat op reuck en schoonheit heeft te roemen; ^0 Hier tast hy nimmer mis die wat te plueken lust;

1\'. fl\'ie van ons heide heeft het mis? 2) pit. 3) Advocaat-fiscaal bij \'t IInC van Holland, als\'Psalmvertaler en Dichter van Latijnsclio verzon bekend, -t) zuur, scherp, hijtend. 5) zoete, flanwe l-ost. Cats had in con loldicbt voor Jiet Costelick Mat Hnygens gedichten manneTcoU genoemd. 6) lorren. 7) omheind, verzorgd. 8) van het heste allooi. 9) op wiens draf niets aan te merken is. 10) in \'t minst niet. 11) swauien, wankelen, 13) toc\'jcrced, versierd, *

ocr page 21

13

Hier vindt het scherpst gehoor geen ongelijcke toonen; Hier eet men leckerny die dunne1 tongen smaeekt;

Hier is Ambroos2 voor luy die in den Hemel woonen; Hier voelt de ziel haer vreughd die aen het herte raeckt.

25 lek sie de Nijdt te been, ick hoor haer hondtje keften 3: Jan seyt, \'t is my te hoogh: ïrijn kan het niet verstaen, Klaes klaeght dat hy den sin somwijlen niet kar; treffen, En dattor dingen zijn waer nae hy dient te slaen1.

Maer Jan en Trijn en Klaes, ghy moet het my vergeven, 30 \'t Gebreck is by sells daer r\' ghy hier over klaeght: By Flacons quot; wert van ouds dien Dichter hooghst verheven Die van siju Lesers maer den minsten hoop behaeght.

Uw hoofden zijn te kleyn om dit te kunnen laeten 4. Al spreekt dees Dichter klaer, het komt u daer van daon; 35 Waerom uw hersenen hem niet en kunnen vaeten5. Dat boven hot geme3rn sijn spitse vonden0 gaen.

Hier wert een man vereischt dien \'t niet en moet verdrieten Dat hy somwijlen weer herkaeuwe dat hy at:

Die \'t leest en wederleest, sal vinden en quot;genieten \'i0 Yet goeds dat hy in \'t eerst noch niet gemerekt en had.

\'t Gaet met der Dicht\'ren werek als met de schilderyen. Het een wil zijn gesieu van venquot; en uyterhand quot;gt;. Het ander van nae by. Wat dagh en oogh wil lijen Schroomt voor het oordeel niet van kenders11 met verstandt.

45 Ick wil der Dicht\'ren geen\' haer eer noch loon ontseggen, Maer soo ick met verlof magh seggen wat iek meen, Soo moetmen Zuylichem de hooghste prijs toeleggen, In sulekpn Land-juweel 13 is hy de Monster-steen I3.

J. Westerbaen 14,

1

fijne, kieskeurige. 2) amhrozljn, de bekende godenspijs. 3) men

2

spreekt wel figuurlijk van het blaffen van den Nijd 4) raden, 5) waar.

3

0) iloratius Flaccus\', de bekende Latijnsclie lierdichter. 7) heryen. 8) vat

4

eermetaal bij den wedstrijd der Kederijkerskamers, later die wedstrijd

5

zelf. Hier eerekroon. 13) het keurgesteente 14) Do bekende dichter en

ocr page 22

14

Aen den Edelen Hoogh-geleerden Jleere CONSTANTYN HUYGENS,

R1DDEE, HEERE VAN ZUYLICHEM, ZEELHEM, ENZ. 30

Op sijne Kijin-werken.

Aen d\'ingangh van den wegh naar d\'Eliseésche velden1, Vond een Troyacnschen Held 2 een boom (naer d\' oude mei- ^ Daer onder ander loof een gouden tack op groeyt, den) En flucks een ander wast als die wert afgesnoeyt.

5 Uw geest is dese stam, u rijcke geestigheden

De Telgen, die staegh d\' een in \'sanders plaetse treden, (Soo waerd als \'t fijnste goud) 0 brave Constantijn, ^

Waer van uw\' sinnen, rijck, en altijd swanger zijn. Uw\' jonge vryerschap droegh vroegh van dese vruchten, 40 Die \'t gantsche vrysterschap van \'t Haeghje deden suchten. De Teems3 gevoeld\' haer kracht, en d\'Amstel ginghniet.

(vry S

En \'k loof\'men voelt het noch aen Schreyers-hoeck en \'t Y.

Doen volghde rijper vrucht in uwe rijper jaren.

Doe \'tnut en \'t noodigh haer met wijsheit gingen paren; 15 Doe Ereedryck \'\' u gebruyckt\' als sijne rechterhand. Tot voordeel van \'t gemeen en dienst van \'t Vaderland. Dan \'t viel uw geest noyt swaer, en uw gestolen stonden,

Door wackerheyt gevult4, en neerstigheit gevonden,

Beletten noyt uw\' plicht, al quaemt op \'t onversienst, 20 Uw\' geest stont altijd schrap5 tot\'sLandts en \'sMeesters

(dienst.

Noyt rusten uw vernuft, noyt was uw geest verlegen, Wanneerder iets geseyt was beter als geswegen,

En socht haer d\' ouderdom met suffen te verraen Geen sluymerende Geest en vondt hy oyt daer aen. 25 Dus was uw\'s levens loop tot aen uw \'grijse jaren, ^

Gewoon met ledigheit onledigheits te paren.

1

het verhlijf der gelukzaligen in de onder icereld. 2) Aeneas. Zio Virg. B.

2

VI. 3gt; H hield in zijno jeugd menigmaal verblijf te Londen en dichtte of voltooide daar o. a Costelick Mal en Voorhout. 4, Ook te Amsterdam wer

3

den zijne gedichten vroegtijdig gewaardeerd o.a. door Hooft en „\'t salieh

4

lijk volgende te staan. 1) kant en klaar 8; werkzaamheid. Ook H. kan

5

van zich zelf getuigen, dat hij nooit minus otiosus was, dan in otio.

ocr page 23

15

Dan dat dees\' leécheit no3\'t tot l«3-igheit verleidt Dat tuygen dese blaen vol wijse aerdigheit.

Ghy die dees rijcke schat van rijmen komt te lesen, 30 lek bid n loopt1 soo niet; en wilt indachtigh wesen,

Dat hier wat anders schuylt als m\' uyterlijek vermoedt, \'tls wel erkauwens weert2, soo proefje eerst het soet, En seght my, Leser, eens, wat keurje voor het beste.

X-Iet voorst\', of \'t middelste, of houje \'t met het leste? B5 \'t Ontvalt im\' nergens niet3, en alles watje leest. Dat heeft eenparigheit in schranderheit van geest. O Huygens gaf Natuur het lot van dese bladen Aen \'t sterfïelijcke deel daer ghy me zijt beladen,

Soo sagb men noyt vergaen \'t huys daer uw geest in schuilt: \'iO Dan hy en doet geen schae die met den Hemel ruylt.

J. VAN DER Bubgh4.

1U

Spore5 voor den Edelen eu Gcsl rong-en Heere CHRISTIAEN HUYGENS,

ZONE VAN DEN HEERE VAN ZUYLTC11EM, ENZ.

Dat hy sijn Heer Vaders Gedichten het Licht gunne.

Zoon, vol Geest, die uwen Vader

Afbeelt, niet alleen in Print7,

Macr in Deught, en geest noch nader.

En sijn pen en goude int Nae sweeft, die des Vorsten blaGren,

In de Legers in het Hof,

Teekende8, een ry van jaeren. Met onsterffelijeke lof:

Die, in \'t midden van het woelen.

Ledig\' nuren9 stal, of vont.

Om den Dicht-lust friseh te koelen, üvt de Hoef-bron 10 met den mont

■\') ijlt, haast k 2) waard. 3) het behaagt mij overal. Vriend van Huygens, Hooft, Barlaeus en Brostorhnj\'sen; zie Korenhloemen III en TV bl. 104 en vlgg. 5) Aansporing (gt; do beroemde wiskundige. 7) Cliristi-aan had zijnen vader geportretteerd: zie bet volgende gedichtje. 8\' als geheimschrijver nl 9) Titel, waaronder Huygens\' eerste verzameling van gedichten, de Otia, later herdrukt zijn. 10) Hippocrcne, de bron, die door den hoefslag van het vleugelpaard Pegasus op den Helicon ontsprong.

ocr page 24

45

15

If.

Het doorluchtigh nat te proeven,

Daer Apollo me vereert Die1 sijn hulp en gunst behoeven,

Door wiens 2 kracht men propheteert;

Christiaen, waerom verlangen BO

Wy soo langh naer \'teeuwigh werck Van U Vaders Dicht en Sangen, 20 In Apolloos Duytsehe Kerck8?

Waerom wil dees Zon niet klimmen

Die beneden d\' Oost-kim staet1 ? B5

Helpt s\' eens Instigh op de kimmen,

Nae dien tragen 5 Dageraet.

25 Duysent, duysent Nachtegalen,

Rondom Hof-wijck0, en den Ilaegh, gy

Zullen \'tedel licht onthalen7.

Even vrolijck even graegh.

Laet ons hart niet langer quijnen 30 Om het nytstel van dit licht,

Dat ons Neërlandt wil beschijnen Met sijn Hemelsch aeugesicht.

Wy verwachten met gebeden Éenen Bloem-hof, milt van geur, 35 Eijck door sijn verscheydenheden,

Van gedaente en levend kleur8;

Een bancket voor keurige oogen, -p.

Een Musijck-feest voor \'t gehoor,

Als de ziel, om hoogh getogen, j-j

40 Naer de woleken vaert deur \'t oor.

5 St

Wy verwachten guide spreucken,

Aerdige spitsvondigheên, D

Lessen van geen Eeuw te kreucken 9;

Rede-Vormers van -t gemeen ,0,

i,

titel v

1) Jicn, ilie 2) van hot nat, nl. 3) lt;1e Kederl. eanjberg. 4^ dus gereed moet tot don opgang- 5) langihtrig. 6) liet buiten van Huygens, to Voorburg, 4) de dat Itij in een gediclit bezongen hoeft. 1) hihaleii, beffroeten, rerwel- steene; l-ometi. 8) Kleur, vroeger ook onzijdig. 9) onwaar maken. ]0j rrtrwer.v ijgaandc van \'t verstand, onderwijzers van \'t volk. (j_ jjy

i

ocr page 25

17

45 Gestoffeerde Galeryen

Vol van Kunst en Wetenschap; Tafereelen waert te vryen Honigh-korven soet van sap.

Die nu boecke-kamers soecken BO Vinden dan, in een Tresoor2,

In een eenigh boeck, vol boecken,

Wat s\'oyt sochten na en voor.

Al den Dicht-bergh in een Dichter,

Keur van stof, en keur van maet, D5 Kort of langer, swaer of lichter,

En gepast op yders staet.

Leefde uw Vader voor een ander.

Voor sijn lant, voor sich ten deel ,

Laet ons hooren, \'teen na \'tander, 60 Wat den Hollantsch\' Orpheus 4 speel\'

Onder Lind\', in Bosch, in Dreven,

Daer de beeck langhs d\' oevers streeft, Alle Sangers om hem sweven5.

Eer hem dus, dewijl6 hy leeft.

J. v. Vondel.

Op d\' Af-beeldinge van den

HEERE VAN ZUYL1CHEM,

DOOR SIJNEN ZOON CIIBISTIAEN HUÏQKNS GETEKENT.

De brave Zoon ontfingh van Godt en sijnen Vader

liet Wesen, en den Swier7, tot \'s Hemels prijs en eer. Dies voeght de danckbaerheit den Zoon, en niemant nader8. Dees schenckt den Vader nu door kunst het Wesen weêr. 5 Soo wordt dan Christiaen de Vader van sijn\' Vader, En Vader Constantijn de Zoon van sijnen Zoon. Dus tart de Kunst Natuur, men eerse met een Kroon.

J. V. Vondel.

; 1) beminnen, hewondeven. 2) Schat of Thesaurus was oen gowouo titel voor boeken; het tresoor of troortje eig juweeleu-kist. dit woord gereed moet ook bij voor een ander en bij voor zijn lant aangevuld worden, orbm-g, 4) de bekende zanger der oudheid, wiens muziek dieren, boomen en verwél- steenen tot luisteren dwong. 5) hierbij dient daer ~ iraer, uit den voor-onners ;ga;nideli regel herhaald. 6) terwijl. 7) aanzijn en gestaltenis. 8) eerder, meer. JC. Huygehb. — I. 2

i

ocr page 26

18

Lauwer-krans,

Gepast o}) alle de luercken van den Ed: Heer CONSTANTIJN HUYGENS,

RIDDEB, HEER VAN 2UYLICHEM, ENZ.

üicht-baarster Calliqp1, wilt ons u geest wat leenen, Nu ick een Hooft-Poët sijn goude Lof trompet;

Voldoe mijn Maaghdebee: ay dcop in Hypocrene 2Mijn ongesneden Schaft3, en schaaft haar wonder net.

5 \'k Bid heyligh mijn versoeck4 al is ons breyn benevelt, ümringelt3 soo het voeght met eene Man-kop-Kroon5, Bestier mijn geest en pen, dat geen van beyde reveld6; Herstel0 de schorre Lier; nu voeghdme een hooger toon.

O Ridder! leen uw oor een weynigh aan ons neuren, 10 Al is ons Vinger-tuck7 als uw niet afgericht:

En ons gedicht maar \'t swart in u volmaackte kleuren lü, Een nacht waarin uw Dicht gelijck een baacken licht.

Verwaardigh echter, dat ick magh u lof vertoonen, Hooft-Dichter onser eeuw, ö Hof-Zwaan 8 van ons Hof! 15 En uw volmaackt gedicht met Heyl\'ge Lauren kroonen. Uw wel-beploeght 12 verstant geeft ons tot sullicx stof.

Op aard en souwer geen de Lauwer beter passen Als uw 13, 0 Fenix! neem in danck mijn maaghde-krans. Tot eer van \'tVaderlandt soo zijt ghy opgewassen, 20 Uw kennis die blinckt uyt gelijck de Sonne-glans.

Cathakina Questiers 11.

1

Calliope de muze der Dichtkunst; daarom Dichthaarster d. i. voort

2

brengster der gedichten genoemd 2) Zie boven, bl. 16, noot 1. 3) onver

3

sneden pen. 4) poging; hgd. versnelt. 5) omring het. 6) Ic.\'cms van maan

4

kop of papaver, die do Dichtervisioenen baart. 7) raaskalt, onzin praat.

5

bij uwe gedichten, gelijk het zwart bij de overige kleuren 11) Hof-zwaan

6

noemt zij H wijl hij en dichter en hoveling was. 12) ontwikkeld; vgl.

7

fr. cultivé. 13) U. Zooals men ziet, worden in dit ged.cht het voornw.

8

damsche dichteres, in 10(34 met 1. do Hoest gehuwd.

ocr page 27

19

Op de Koren-bloemen van mijn lieer,

MIJN HEER VAN ZUYLICHEM, ENZ,

Aen den Leser.

Koren\', nytverkooren Bloemen,

Boven alle Bloem te roemen,

Boven \'t blanek, en het, gebloos Van de Lely, van de Roos,

Boven al d\'Angieren geurenquot;.

Boven alle ïulps colenren,

Daerom men wel altemet Kap en Keuvel1 heeft verset:

Bloemen die Apolloos Hoven,

\'kLaet staen Eloraes Hof verdooven;

Bloemen van den Hof-wijeks Heer Daer Proserpina-1 veel meer Op verslingert soude wesen.

Dan op Ennaes bloemen-lesen:

Bloemen daer om Proserpijn Geern noch eens ontschaeckt souw zijn,

Soo men haer in \'tander leven Daer de schoot vol van quam geven:

Bloemen van soo schoon gelaet Als den held\'ren daegeraet,

Daer hy d\'Eliseesche velden-11 Vruchten niet en zijn te melden;

Bloemen die geen aerden-schoot Maer des Ridders hooft ons boodt; 2° \'tRidders hooft groen van Laurieren,

Die sijn grijse hooft vercieren:

Bloemen die Laurieren-krans Nu verduyst\'ren door haer glans:

Bloemen van Tijdts-snipper11 uuren,

10

20

elf.

1

L) (iiijeliefe)i. 3 kap en hovel, de juiste vorm voor wat men thans wel cii hotjel noemt. Deze regel is een toespeling op don dwazen tnipen-naiidel van de jaren 1636 en \'37. 4) Dochter vim Jnpiteren Ceres, gema

ocr page 28

20

30 Die voel langer sullen duuren,

Dan des Hof-wijcks Heeren-hof1;

Noch vervallen in het stof,

Noch verwekken door het hand\'Ien2Sullende \'t heelal door wand\'len,

33 Suilend\' Sonne-bloemen zijn,

En sich met sijn 3 Koets en schijn,

Wenden Oost en West-waert heenen,

Loopende met letter-beenen ^

Bloemen van geleert papier,

40 Onder maet-zangh van de Lier,

Be ver-Gode Lier, gebooren:

Bloemen klinckend\' in die ooren.

Die om haer wel te verstaen,

Aen geen plompaerts hooft en staen, ■iö Die3 men moet, als Midas4, groeten,

En als Esels met twee voeten:

Bloemen daer door Ceres5 \'toogh,

\'tllert van l\'luto licht bewoogh.

Om haer dochter niet t\' ontscnaecke i DO Soos\' een ruyckertje gingh maecken

Voor sijn neus, vol stanck en smoock6,

Soo hy daer maer eens aen roock :

Bloemen, daer de puyck-bloemisten \'t Geld noyt sullen aen verquisten7: 55 Bloemen vol van wetenschap.

Vol van Hipocrenes 10 sap: —

Kooren-bloemen suit ghy lesen,

Maer, ghy moet 11 versekert wesen,

Soo ghy die, als ick, bevindt,

CO Dat sy\'zijn een Labyrinth 12.

Die sal u door \'t soet vermeyen.

Om den Tuyn en Dool-Hof ley en.

Schoon ghyquot;voor en midden leest,

1

Huygous* Buiten, aan do Vliet, onder Voorburg 2) hunteeren, dooi

2

plompaerts, nl. li) Koning van Phrygiö, wien Apollo ezelsooren gaf,

3

7; zie boven vs M 8 Versta: die wegens zijn verblijf iu de hel of onder

4

wereld vol stank en smook is. 9 te onrecht besteden 10) Zie boven, bt.

5

16, 1. 11) moofft .li\' Eon groot gebouw in Egypte met £000 kamers, op

6

last van Psammetichus gebouwd ; een dergelijk bevond zich to Greta,

7

het work van Dedalus. Dit laatste is bedoeld.

ocr page 29

21

En aen \'teynd\' al zijt geweest, 05 Sal geen Ariadnes 1 draetje

U van \'t een \'t ander blaetje Soo af-trecken, dat ghy niet U daer in verstrickt en siet.

Luystert: leest die Inyster- -bloemen, 7U Koren-bloemen, daer men, hoemen

Leest, her-leest, nu weêr, dan wéér.

Door \'t uyt-losen nimmermeer.

Nimmermeer versaedt sal wesen,

Sy zijn al te uyt-gelesen

Henrick Bruno 2.

Op de Af-beeldiiiglt van den Edel Gestreng en Jleer CONSTANTIJN HUYGENS,

RIDDER, HEER VAN ZUYLTCHEM, MON1KE-LANT r,J ZEKLHEM, KNZ.

Dus maelt men Zuylichem, de Son der Hoofsche lichten, Maar \'t breyn wort niet vertoont dan door sijn Fenix-veer, Mint Nazoquot;i;, stryt Virgiel3, lacht Plantas 4, reist Homeer5, Wat elck besonder dicht weet hy alleen te dichten; DeWijsheit maackt sich door haar eyhen deught vermaart: Soo wort sijn Ridderschap ,0, noch Lauwer-krans, door

(\'t swaart

BevochtenJ1, maar door \'t spits van sijn geleerde schachten: Een schrandre pen verdient niet min i■-, dan Helde-krachten.

Jan Vos ,3.

1

Dochter van Minos, wolke aan Theseus een drank en een klu

2

zonen en later Rector te Hoorn; als Lat. en Holl. dichter bekend.

3

dicht, de ulEneis. 8 Plautus, Lat. blijspeldichter. 9) in zijne Odyssea. 10) Zie bl. 10. 11) door strijd verkregen; vgl. hgd. erfochten. 12) is niet

4

minder verdienstelijk. 13) Do Amsterdamsche tooneeldichter en glaze-

5

maker.

ocr page 30

22

K1 i ii c k e r t.

]);ier zijn veel Constenaers die Hollandts-boesem baerde, Maer Iluygms overtreft hun al meest met sijn Luyt; Gelijck een Kooren-bloem steeckt tot1 het Kooren uyt, Hij spandt de Kroon, en sijn Gedichten zijn in wacrde. 5 I)e soon van Maja2, Boo der Goon, sagh die vermaerde l\'uj-ck dichters schriften, en sey, wat of dit beduyt? Dces een singt scheller als Appolloos schelle fluyt, Daer aen 3 der Musen Key haer soete keeltje paei-de; Dees eer schrijf ick hem toe en wei-verdiende lof lu Ter eeren van sijn Thuyn en Kooren-bloemen Hof, Den Heer van Zuylichem moet Heer der Lier gekroont zijn. Doen nam hy van Apoll de Lier en Gyther af,

Die hy aen Constantijn, een Geest der Geesten4, gaf, Hy most met dese vrucht van Kooren-bloem beloont zijn.

Hexwcüs Nierop.

Op dc Wercken van den Edelen en hoog-geleerden Ileere CONSTANTIJN HUYGENS,

riudkb, iieebe van zuylichem, enz.

Die llnygcns guide pen gespitstquot; op Rijm en Vaers,

Pen daer oyt alle pen de kroon voor heeft gestreken, Maer glans te geven droomt met hoogh van haer te spreken \', Is (dunckt mijj \'t lot wel waert des Griekschen Kedenaers, 5 Die Hercles prijsende met veel verwaent gebaers,

Wiert van den stoel geboent en van gehoor versteken8; En magh met dubbel recht by snlcken zijn verleken.

Die \'t Son-licht maelt met kool, of toe-licht0 met een kaers. Een werck soo noodeloos wil ick dan laten leggen, ■10 En niet een woort tot prijs van Hnygens rijmen seggcn. Gebrcckelijcke waer dient door wat toys 10 verbloemt: Men magh 11 eens anders Dicht blancketten en verlichten 12 Met woord-rijck lot-gespreck; maer die van JbnjijmsDichten — Verwonderende 13 swijght, heeft hooghst van hun geroemt.

I. De Deckeu quot;.

1

7*«, hij. 2) Merciirius. 3) waaraan. 4) een vernuft van de allereersie

2

yrootte. 5) Versta: de Korenhloemen brachten H. als vrucht (belooning)

3

(ie Lier en de Cyther van Apollo. 6\' gescherpt. 7) groot sprelren, roemen -

4

8j de oude en echte vorm voor verstoken. 9) hijlicht. 10) opschil\'. 11 kan.

ocr page 31

23

Op deselve.

Noch eens op \'t nieuws, goed-Dichts-gesimlen Eens all\' de vuyle vodden nyt1;

Hier is het recht beleid te vinden Hoe dat men Rijm op Keden sliiyt»; 5 Kondt ghy \'t geheim eens ondertasten 2Hoe \'top sijn Zuyliehemsr\' toegaet,

\'kWed dat ghy borstelen en quasten Te kort soudt komen, om al \'tquaed. Al \'t mis-gerijmde deur te strijcken,

•10 J)aer uwe kindslieit heeft gedacht De Wereld mede te verrijcken.

Versiet u van een\' nieuwe schacht,

En snijtse ua do sne van dese0,

Soo stijf, soo snel, soo hel, soo fijn;

15 Daer sai haest Dicht te lesen wese.

Dat waerdigh sal om\' lesen zijn.

Quidam.

Op de Koreii-bloemcu:

Xcdcrlantsclie Gedichten van den Hecre Tan Zuilichem, enz.

Hier rijst de Sang-kunst in den top.

De Sang-bergh8 self\'s veel hooger op;

Men twijttelt, of\' Apol sijn snaren Sou durven met den Ridder paren;

a Dit \'svast, hier paart» in oenen Man Al wat een Dichter maken kan.

Wiens dicht 10 geschept uyt Echte vlieten.

Geen eeuw de verw sal doen verschieten.

Slaat, Leser, \'tOcgh op dese blaan,

quot;10 En laat daar op uw\' aandacht gaan,

1

kenende lorren. 3l hoe men DiehtVnnst en ijezond verstand kan doen

2

samengaan 4i doorgronden. 5} hij Ifin/gens. ti) van Huygons, nl. 7) thans

ocr page 32

24

En segt gy niet, in dese bloemen,

Is al wat waardich is te roemen?

De bloem, de room, het mergh, het zap Van aardicheen, en wetenschap, 15 r)e kern, het pit (en noyt volpresen).

Van al dat ergens is te lesen?

Vernuft, en sin, en konst en taal,

Is in dit schrift, kort1, altemaal.

Wat ziel voldeedt, wat Oogh en Ooren 20 Van Letterlieden kon bekooren.

En niemandt vrees te zijn versnelt2, Als wies\'er onkruydt op dit velt.

Neen, \'t zijn gesonde Koren-airen,

Die nimmer Maagh of Hert beswaren. 25 Al seyden wy 3 tot Schrijvers lof.

Die vroom* wil zijn, besoeck ons Hof. Hij iwijfielt niet, die d\' eerste sangen Maar van sijn boeck heeft aangevangen Doch \'k laat het werek in sijn geheel. 30 De roem daar van was my te veel.

Licht poogde dat een beter veder,

Doch legt oock gy de pen vry neder Die al te ydelijck gelooft.

Dat gy, om dit vergoden 6 hooft 35 Een bladt, of Lovertjen soud hechten,

Schey uyt, schey uyt, verwaande en slechte6. Dit is een Man van wonderbeen.

En sal ick \'tseggen soo ick \'tmeen?

Dien Man sal niemand licht volprijsen 40 \'t Zij dat men sagh de dooden rijsen

Van hun doodtbussen, worm, en stof, De Catsen, lleinsen, rijck van lof, \'v \' De Hoofden, Grooten, en Van Baerlen 7,

En soo d\'er meer noch sulcke paerlen 45 Nu blincken in de kerek van Eer8;

Doch alderbest sal desen Heer Met een penceel van soo veel talen

1

kortom. Voor fdit woord moest eigenlijk; staan. 2) vergauwd,

2

verschalkt; waarschijnlijk toespeling op de Sneldichten. 3i Versta: al

3

praatten wij ook nog zoo, toch moet, enz. 4 wakker, rnjs. 5) goddelijk.

ocr page 33

25

Sich selfs noch na liet leven malen.

Soo blijve dese Pofisy 50 Onsterffelijek, en in waardy,

Soo moete1 noyt dees\' Inkt verbleken,

Soo lang men Uoomsa of Griecx sal spreken, Of eenigh ander konstigli woordt In heel Europa werdt gehoort,

55 Ja ergens letter ongeschonden In Boekery sal zijn gevonden.

Mij dunckt ick spreeck Orakel sang/i.

Wat Dicht versmolt, dit leefde langh;

De Hemel wil ons gunstigh geven GO Dat oock de Maker langh magh leven.

S. Simonidbs2.

AEN DEN HEER VAN ZUILICHEM,

op den tweeden Drnk van sijn Edts Korenbloemen.

MonumenUm cere perennius*.

ü NeOrlants eeuwige eer, die ons in Neêrlantsch Diclit Laet hooren gantsch Europe in \'t puik van zoo veel talen, Zoo moet0 geen tael noch tijt un \' grooten naem bepalen. Als ik eerbiedighlijk my blint zie aen uw licht.

5 Mijn zang weide in uw\' lof: maer al de zangbergh zwicht En zwijght, of zweet vergeefs, verduistert door die stralen. Apellesquot; kunstpenseel kon Alexander malen,

Maer geen\' Apollo met zijn hemelsch aengezicht.

o ledigheit, vol werx\'! 0 eedle Korenbloemen! ■10 Geen graen is by uw denght op eenen dagh te noemen. Gy rijst alleen, gelijk de Eenix uit zijn vlam.

Een Maros wint het; en men vint geen twee Homeeren. Dies zal mijn Dicht u best, 0 Eenix Dichter, eeren. Als gy der Steden Stadt, uw stemmend n Amsterdam.

J. vollenhove 10.

1

moge. 2) Latijn. 31 Simon Simonides, de bekende Haagsche pre

2

boven 1. 0 Do Grieksche schilder. 7 Zinspeling op don titel der Uitgave

ocr page 34

26

Kliiickert op rtc veriuecnlerde 1 Kooreu-blocmeii

VAN HEN EIEKRE

CONSTANTYN HUYGENS,

Ri n HER, II EE EE VAN ZUTLICHEM, ENZ.

Men spreeck\' my niet van Lcly off van Roos, Van Violet, oft lieffclijckor geuren;

Van Purperbrnyn oft\' amlre Tulps-coleuren, Die d\'allersnêoghste2 Puyck Bloemist verkoos; 5 Men spreek\' my niet vanquot;\'t blanck en van \'tgehloos Van Hyacinth, Narciss\' oft\'and\'re keuren8. Die Proserpijn\' op Hennaquot; mochten beuren,

Want all die bloemcieraedjen sijn te broos.

Maer soo men my met bloemen will vermaecken, 10 Men geev\' mijn ooge bloemen voll van saecken. En saecken voll van Bloem, als Cokstaniijn, Wiens cnweêrgaedelijcke Kooren-bloemm lek boven d\'aller-edelste sail roemen Om dat het duerb\'re5 Wijsheyts Bloemen sijn.

Op (1 e selve.

Won eertijts Keyser Constantyn Door winst van Landt, van Stadt, van Slooten, Dien schoonen eernaem van den Gkooten, Die eenwighduerende zall zijn.

5 Soo magh men Huygens, sijn Gênant6,

(Wiens Vaerzen voll van wijse woorden Soo menigh Stadt en Landt bekoorden

Door soet geweldt van schoonen trant üock, om dit Puyck van Kooren-Blüemen, 1U Een staeltjen van sijn grooten Geest,

11 Dit gedicht is vervaardigd op do 2de uitgave der Koronbloémon 1072 en bevat blijkbaar oene toespeling op Bruno\'s lofdicht, bi. 19. 2) schranderste, geslepenste. van bloemen, nl.; dus puik van bloemgewassen. 4i of Knna, zie 1)1- 19, vs. 14 5J dnnrzanK. (i) Eig. yenan, naamgenoot. 7) uiaatslat/, riftlumis-

ocr page 35

27

En wat1 noch grooter is geweest, In zulcken grootcn Man te roemen, Wel Constant vn den Grooten noemen.

N o c li.

Waerom mocht d\'IIeer van Zuvlichem Dit Werck van soo veel konst en klem, Dit Werck soo schoon door een geweven. De naem van Kooren-bloemen geven ? 5 lek sie \'er wel een hoopen 0 blaen

Van veelerley coleuren staen;

Maer (is dit mangel3 oock te doemen?_) Ick zie\' er noch geen Blaeüwe 1 Bloemen.

jS 0 c ll.

Indien dat Hüygeks Kooren-bloemen

Soo schoon, soo nut, soo swaer gelae\'n Van vruchten, noj\'t genoegh te roemen.

Op dees\' Papieren Acker staen,

Voor ellick die s\'er afl\'will lesen Wat moet sijn Kooren dan niet wezen!

J. Costius.

Op (leu Irwccileii druk quot; der Koi\'cnbloemen

Van den Edelen Gestrengen lieer KOXSTANTVN IIUYGENS,

KTDDER, 11 ERR VAN ZUYLICIIRM, EN/,. EERSTE ENDE PRESIDERENDE RAED VAN ZIJN IIOOGHEIT DEN HEERE l\'RINCE VAN ORAN.FKN, ENZ.

Wv zullen clan dien onwaerdeerbren schat,

Oj) nieuw verrijkt met keur van dicht-juweelen. De werrelt afgemaelt op yder blad,

1

Voor wal dient om aangevuld. 2) hoop, vgl. Iigd. hanfen. 3) yehrelc.

ocr page 36

28

We6r zien in \'t licht ? en in dien rijkdom deelen ! 5 De faem droeg lang den lof van Konstantijn Den aerdkloot om; zy leeft op alle tongen:

Van haer gewaegt de Tiber, ïeems, en Rijn\', En Seine, die van Hem voorby gezongen, Een vaster zwier van dichten heeft geleert1. 10 Maer welk een land zou Huigens naem niet hooron, Die nooit genoeg gelezen, en geëert.

Spreekt overal gelijk een ingebooren».

Noch is dat voor zijn glory te gering,

Al zingt h}\' na elks wensch in alle taelen,

iö Al sraaekt2 hy elk in zijn bespiegeling.

Het lust hem meê d\' aeloutheit t\' achterhaelen.

De Grieken nae te stappen op hun trant, En Martiael3 te wekken uit zijn asschen.

My dunkt ik zie de trekken van zijn hant, 2U Een snelheit4, en gedachten die hem passen.

Hier vloeit een zee van wijsheit overal.

Hier springt een bron met overvloet van straelen,

En bruischt gelijk een steile waterval,

Die \'t aengezicht der omgelege daelen 25 Opheldert, en den blijden akker voedt Met levend Kristallijn en Zilvre stroomen.

Hiet \'sNektar voor \'t aendachtige gemoet. Uit \'swerrelts mist ten Hemel ingenomen. O bloemprieel, zoo konstig geschakeert, 30 Hoe wenseh ik weêr uw perken in te treden! Het heugt u, hoe ik u heb gewaerdeert, En nedrig en verwondert aengebeden\'.

O Rijkdom van orakels, vol van geest. En Tinxtervier«, hoe zal de naneef hooren, 35 En hoe zal hy gelooven, die u leest,

Dat gy zijt in \'t gewoel van \'thof gebooren ?

In \'tbarnen van den krijg, en \'t oorlogsvelt, In \'t barsten van granaten en kortouwen In \'t dreigen van het Arrangons 10 gewelt,

1

gepersonnifieerd \'2 H. was in briefwisseling met Fransclie dichters

2

Europeoscho talen zoo goed, dat hij zo sprak en schreef, als zijne moe

3

dertaal. 4 behaagt. 5 Latijnsche puntdichter. « Waarschijnlijk toespe

4

ling op de Sneldichtoi. li c/eëerd, (fchuldigd; vgl. Lat. adorare. S) gods

ocr page 37

29

40 En menigmael in andere landsdouwen

üitheemsch, en ver van uw bekende lucht.

Noch komt gy u zoo heerelij k vertoonen,

En drijft zoo wijt op wieken van \'t gerucht1, \'tGeen met onsterflijk\' eer uw dienst zal kroonen, 45 Dat zelf de Nijt, maer tot haer hertenleet En bittre smart, het kostelijke leven

Van Konstantijn moet achten wel besteet.

Al had hy niet als zulk een werk geschreven.

J. Anionides van dek Goes

1

dc Faam. J) De bekende Zecuwucli-Amsterdamsclio dichter.

ocr page 38

bibel-stof en gods-dienst.

Aan ^Ic ■lollVonw

MB J OFT\'™. SUS ANNE HOEFNAGLE

Wacrdste Moeder ■,

Poe wy kinders waren, ende buyten tijds op Spel oft _ Ledicheid vreesden betrapt te werden, wisten wy yet ern-stiehs voor de hand te houden2, daer sich het ooghe van onse opsienders ten eersten op vernoegen mochte. balmen niet seggen dat ick hier verkinder 3, ende Ü.E. desen def-tifen ingangh 4 voorwende, om de reste mijner Ledig- ,10 lieden 5 met een gunstigh vooroordeel verschoont te sien.\' Soo weinigh ongelijx sullen sy hehben die tmv aentijgen. dat ick het maer ten halven ontkennen derve. Ick spreke Jan voor de andere helft; ende voor soo veele de beste Wereld wijsheid, anders Zedentncht, selt boven de middel- ^ maet8 staet, ende oorspronx halven vryclen Hemel naerder dan de Acrde ghenaeckt, daghe oock L .3^. ooge ten op en doorsichte van meest alle de voordere * Oeffeninge die my de Ledige uren 10 besigh gemaeckt hebben. Mits dat u.i^. somtijds gelieve na dese beginsselen quot; om te sien, ende 20 daer uyt te besluyten, wat my hier of daer, noyt oolix , maer somwijlen vrolix ontvallen moghe zijn, dat U • soro-vuldige opvoeding in dit herte eenen grond ghelaten heelt, die, na het sijne Jeughd ontworstelt sal wesen, waer-schiinlicke vruchten belooft, die U.E. tuyterste berouw der lange moeyten en sorgen niet en sullen gedoogen te wedervaren. Dat geve U.E. te beleven Die des dagehx

gebeden wordt door , 7

U.E. gehoorsaemste Zone ü.

20

ocr page 39

37

Biddaglis-Bodo.

den Oen October do loc xxiv 1.

15

Sluytt clijne- Woleken niet2, die boven dijne Woleken,

Ter hoede dijner Voleken,

Ter strafte sittest1, Heer,

Der Voleken, die in ons vervolgen dijne eer.

De pijlen van ons hert, de sehiehtighste Gebeden3

Die wy van dus beneden

Doen stijgen tegen \'t steil0

Van dijn\' onsienliekheits onafgepeilde peil4.

Die Kalvren5 onser lipp en konnen niet gerakenquot;

Dijn\' Oore te genaken,

Ten zij dijn\' Oore dael\'

En onsen laflfen aem van mond ten Hemel hael\' lü,

Hael op den droeven galm van dijn\' verslagen kindren. Die meerderende mindren quot;,

En groeyende vergaen.

En voor dijn\' vierigheit, als Sneewe, niet en staen.

Wat sraooekt 6 er in \'t besluyt van dijn\' Voorsichtij;-Zijn \'t gisteren, zijn \'t heden, \' (heden 7?

Zijn \'t morgen, zijn \'t altijd

Nieuw\' roeden binnens hays, en buyten nieuw verwijt 8? Hoe onlanghs hebben wy de schadelieke slagen Van dijne voehte 13 plagen Ten halse toegevoelt;

20

1

Wegens „de grousame sieckte der pestilentiequot; en „s war en oorlocb

2

t\'overvallen.quot; Zie Kist. Biddagshrieven II, bl. 128. 2) In zijne toespraken

3

du en daarmede in overeenstemming het bez. vnw. dijn Met juist in

4

dan konden de gebeden niet tot den hemel doordringen, -i Oude vorm

5

van den 2den pers. enkv. 5) de geboden worden schichthj genoemd we

6

smeult 13) voorzienigheden, raadsbesluiten. 14 hoon, schimp. 15) vochtig.

7

In Januari 1G24 had eene grooto overstrooming plaats ten gevolge van

8

de doorbraak van den Lekdijk. Zie Wagenaar, Dl. X. 480.

ocr page 40

32

Hoe onlanghs hebben ons de vruchtbaerheit ontspoelt 25 De stroomen die ons dijn\'hand tot Grachten onser Vesten, Tot doornen 1 onser Nesten Van eeuwigheit gestelt,

Nu tegen ons geroert, geruckt heeft, en gevelt2! Al hadden wy in \'t hoofd de Vloeden die ons qiiollen11, 30 De Wateren, die swollen Tot over kant en kae,

Voldeden ons gebreck van tranen nergens naea.

Doe waren \'t Wateren. Nu hebst du \'t Vyer 3 ontboden; Nu sien wy niet als Boden 35 Van Broeder sn Verwant,

Van, hier een groeyend\'Vyer, van, daer een\'vollen brand: Maer Brand, maer ander Vyer; Vyer wateren te krachtigh, En mannen-macht te machtigh4;

Vyer, vyeriger dan Vyer,

40 Vyer, dat genadigh brandt daer\' \'t dry vernielt van vier.

\'VVaer Aerd\' en Locht8 dan vry! maer Locht en Aerde Dijn\' wrake helpen boeten, (moeten

Bei grouwelick, bei vuyl,

D\' eer 5 rondom smettèlick, en d\' ander\' niet als kuyl. 45 Soo sien wy onse Jeughd, den Bloessem onser krachten, Al bloeyende versmachten,

Soo sien wy \'tgrijse hoofd.

Den steun\'der kinderen, den kinderen ontrooft .

Waer heen, gestoorde God, waer wilst du \'t ende palen 10 . 50 Der onge-endequot; qualen?

Waer is die eerste dagh

Die ons doen hooren sal, daer is de laetste slagh?

Wy pleiten om geen recht, wy kennen meest deseeren. De lemten1- en de sweeren,

55 Daer van de stanck alleen

Dijnquot; hulp en onsen nood gescheiden heeft van een ,3; Wy weten, soo du wilst dijn\' Kekeningh sien sluyten,

1

verdedigingsmiddelen, beschutting. 2) Foutief beeld; op wapenen,

2

maar niot óp stroomen toepasselijk 3) voor kwelden. 4) geenszins, bij

3

is de zoogenaamtle elementen. 9) dJeen do lucllt, d\'ander, (?ü aarde Meu

4

sta : eenen sclioidsmmir opgeworpen heeft tusschen uwe ontferming en

5

onzen nood.

ocr page 41

.33

En, all\' ontfermen bnyten1,

Dijn\' Rechten sien voldaen,

Soo hebst du hoe vollendtlJ noch niet begost2 te slaen.

Maer slae dijn slincker Oogh op \'tooge van de Volcken, Die onse ad\'ren molcken3,

33oe dijn\' gerechte strafi

Hunn\' ongerechtigheit wel eer den tengel gaf.

Nu staen sy thien om een, nu worden wy verdondert4 ■ Met dusenden om hondert;

En wilst du noch \'t getal

Besnijden5 van de mans dat hun vermannen sal? 01 spaer de handen t\'huys \'J, die buyten moeten wercken Ten bouwe dijner Kercken:

O! kort de handen t\'huys,

Die\'r\' overwinningh is \'tverwoesten van dijn buys.

Haer\' overtredingen gewogen tegen d\' onse, Het overwicht versionse 8:

Du bist gerechtig. Heer,

Maer van twee Sondaren waerom is \'t d\'eene meer?

Meer zijn sy \'t, die den schat van dijn\' bevolen Wetten Den hoeftigen ontsetten11;

Meer zijn sy \'t, die bestaen,

De meesterlicke^ hand aen dijn Gebod te slaen;

Meer, die de voll verdienst van dijnen Eengeboren Ier meester helft versmooren quot;,

En roemen of12 de schuld

Door haerquot;3 betalingen oock t\' over wierd vervult-Meer die het eenigh pad van Waerheit, Wegh, \'en Le-Atgodelick begeven, ° (■ven u

En soecken, in den nood

Aen machteloos gebeent« het leven in de dood;

Die voor een\' stommen tack 18 ten grouwel nytgehonwen l)e knie, dijn maexsel, vouwen,

En d\' innerlicken plicht1\'

Verplichten ,b aen \'t begrip van \'t uyterlick gesicht;

meedoogenloos. 2) begonnen. 3) onsUoed aftaften, -open i) overdonderd, verpletterd. 5) heanoeien, verminderen.

den loiw dT n-Vi)1gt;gt;erslo»dje, zou ze verslinden. 9) Versta; den LoUe den Bijhel onthanden ; wat volgt is oone diatribe tocen do

^^iUofe^^,,mee?teraChtWi \' \'\'0(quot;\' het Wootste gedeelte verdonderen. is Uh0.f- \'Tr\\ eiyel\'gt; v6rsta: goede mrken, verdiensten. U) Joh. 14. G.

ia! J S J l0quot;1,\', 1\':dienst naar geest en waarheid.

Ib vei hinden, hoepelen (beeldendienst),

c. uüygens. — i. 0

CO

05

70

75

90

ocr page 42

34

Meer, die dijn Ilemel-recht van geven en vergeven Hun 1 veinsen toegeschreven 95 En geven huns gelijck

Dat du den geveren suist weig\'ren in dijn Rijek2;

Meer, die het sondigh Vyer van ingeboren lusten. Die Leégheit-\' noyt en blusten.

Ontsteken in den dwangh 100 Van booser eenigheit3 dan \'s Werelds boost gedrangh; Meer zijn sy \'t, meer, en moest, die dy, hun grooten Doen sterven in hun voederquot;, ^Voeder,

Doen leven, naer den nood4.

En maken die \'t haer geeft haer dagelickse Brood. 105 Min zijn sy \'t, (sooder min 5 van misdaed voor dijn Dien \'t laeghste Min te hopgh is) (Oogh is.

Dien, buyten Menschen giss.

Dijn\' ongewrongen Wett der Zielen Kegel is;

Die d\' een medoogentliek den anderen die schatten 110 Ter herten helpen vatten,

Uyt die3, gemeener macht.

Die dwaesheit louteren die \'t Wereld-wijs quot;J veracht; Die geerne, naer \'t gejioogh van wel doen en wel weten Onnutte knechten hecten,

115 En seggen, Een 6 voor all.

Of alle sonder Een versmachten in den vall;

Die, sonder ander\' hnlp 7 dan die de hulp alleen is. En met het Hert te vreén is.

Om \'t tweede leven gaen 120 By die 14 door d\'eerste dood, de tweede heeft voldaen; Die met gevouwen hand, maer meer gevouwen\' Zielen, Van binnen 15 voor dy knielen.

1

Zich. 2) tnenekeml. NI. de vergiffenis dor zonden (bieclitl. 4 lediji-

2

(kloosterleven). Gï roedsel, spijs leer dor Transsubstantiatie . 7) naar

3

zijn van een minder in de zonde ; *t laeghsle min, do kioinste verkeerd-

4

vrije gebruik van den Bijbel bij de Hervormden. In bot volgende wordt

5

de bervormde leer tegenover de roomsclie gesteld. 10) Dcarnit uit dio

6

en er naar te handelen. 12) Christus, nl. 1 .\'i t)u.s zonder die der heili

7

gen. Uj Bij hem, die ^Christus nl.). 15; aanbidders naar geest en waarheid.

ocr page 43

35

En soecken Hout nocli Goud1Om dy te naerderen, die d\'Oorcn hebst gebouwt2; 125 Min zijn \'t, die, scluildenaers, den afslagh barer schulden Van dijn genadigh dulden Verwachten, en \'t verly 3

Verachten van de hand, die schuldigh is als sy;

Min, die, soo langh sy zijn, zijn willen dat sy moetenquot;, 130 En d\' eerste Sonde boeten In yeder een sijnr\' werck.

En maken elck sijn hert sijn Klooster en sijn Kerck; Min, (dorst men \'t dencken, minst) die meest dijn\' kruys-En schricken te genaken, (sers laken

\'ISS- En spouwen op den mond

Die dag\'licks roemen derft van \'tspouwen in dijn\' wond4; Min emmers, die sich meest op dijne Min betrouwen, En offren, van berouwen,

Een\' hongerige Maegh,

140 Daer dy de nucht\'ren aem in \'tsmeeken uyt behaegh\'5?

Behaeghde \'t dy dan oyt. in \'t midden onder \'tquijnen9 En \'t smeeken te verschijnen Van dry in dijncn Naem 1C,

Hier sijn wy dusenden, en noch soo veel, te saem. 145 Stry voor de dusenden, die voor dijn\' eere strijden,

Help Israël ontlijden 11,

En Babyion vergaen;

Slae op de dusenden die op dijn\' strijders slaen:

Maer slae hun oock in \'t Hert den Blixem dijner Wacrheit, 150 Verlichtse met de klaerheit Die onse Baken is;

Maeck van haer\' stegen 12 steen een vleessiger Gewis Schepp Paulen onder haer, die Saulen willen heeten. En, vele, niet en weten 155 Hoe lakeloosen recht 14,

Hoe du verdedight wordst door David dijnen knecht. Oft, stacn sy eewelick in dijnen Doem voorschreven 13

:

1

Kruis en heiligenheelden. 2) Dus zolf ook wel luisteren zult. Zio

2

Ps. G4. 0. 3) vergiffenis, vrijspraak. 4) D. i. met zonde beladen. 5) ieder-

3

eeiis, elks 6) Versta: de Roomsclien, die in het misoffer do offerande

4

Hervormden, met Jiahylon de Roomsclien bedoeld. 12) harden. 13) een

5

kneedbaar gemoed. 14) onberispelijk juist. 15) van te voren opgeschreven.

ocr page 44

36

Om nemmermeer to leven,

Kuym1 elders liet getal ■100 Dat dijn genadigli, komt, ten laetsten hooren sal:

Gelei den Leideren2, die dijne Waerheit leiden,

Uaer mensclion menschen weiden,

Daer menschen, in den schijn

Van menschen. min als mensch,en meer als heesten zijn •1G5 O! geev liet groej-en daer den welgeraektcn\' planten. Die dijne Panlen planten,

Kn dijn\' Apollos5 voort

Besproeven uyt de hron van dijn herbarend woord; Ka]) steënen uyt die Hots, die op den Hoeksteen sluyten, 170 Sny Christ\'nen uyt die kluyten0,

En gun ons 5t boden-brood 7 Van \'sLevens tijdingen gedragen in de dood:

Of Zion mogelick den voorspoed barer muren Ten loerequot; van haer\' Bnren 175 Soo sien besteeden moght,

Dat Israël van nieuws aen Juda werd\' verknocht». En beid\' aen ée\'nen Disch haar\' Zielen wilden spijsen.

Oh! sal de Sou noch rijsen Van soo gewenschten dagh,

180 Dat Juda dit belev\' en Israël helacch 10?

Geluckigh, soo sy rijst, die 2 tuygen sullen wesen Van \'t lieflelicke wesen,

En sien de Woll het Schaep

Noch dreigen met den tand, noch stooren in den slaep; 185 Geluckigh, dien \'tgeluck 12 geluckigh sal beklijven. Om erffelick te blijven Inborgers 13 van dijn\' Stadt.

lieer, maeeU bem aller één die dus voor allen bad.

1

Verruim, verf/root. 2) ile lneraars, predikers van nw woord. 31 bij dc heidenen, die slaven houden en dus menselien als lastdieren gebruiken. 4) edel. 5; Hier vreemd te pas gebracht, waar van Evangeliepreai-Icing sprake is. 0) aarilklniteu, I,lompen. 7) loou S1 lokaas. dat Jillo menschen in oen geloof voreenigd werden. 10) zich erover verhlijj/en .

2

zij, die. 12) Dit woord ontbreekt in de uitgave van 1072. 13) Ingezetenen. 14) een van allen. H. bedoelt zich zeiven.

ocr page 45

37

Proeve, 01» \'1 begin der Elaclitcu Jeremiae.

(1822.)

Hoe sitt die Heilige, die prachtige, die schoone, Die Borger-machtige ^ die aller Steden Stadt,

Die aller Lai)den eer en Vorstelieke Kroone Verwoest, v er wed u w-lij kt haer\' hateren ter schatt\'-?

5 Hoe sitt sy, troosteloos1 van die haer oyt beminden, Den langen droeven nacht haer\' wangen over-weent2? Hoe vindt sy om-end-om haer\' eertijdts trouwe vrinden In ontrouw afgesackt3, in ongevoel versteent?

Haer\' borgery ontvlucht haer\' onderslaefde4 mueren, 10 En Juda loopt om rust en vryigheits geniet Daer geen te vinden is; haer\' spijtige7 gebueren Betrappen haer te will8 in \'tnauw van haer verdriet.

Verdriet en eenigheit0 deckt Zions lege straten, Sy viert noch Autaer-dienst noch Tempel-leesten meer; 15 Haer\' Priesters sitten flauw 10, haer poorten staen verlaten, Haer\' maeghden uytgeweent verbitteren haer Secr 11.

Sy siet sich ovef-heert van die sy placht te dwingen, Haer\' Vvanden in vrê (soo straft des Heeren arm Haer menigh 12 sondigen) haer\' teere suvgelingen 20 Gevanckclick ontruckt der Moederen gekarm.

Der Dochter Zions glans is van liaer afgescheiden, Vervallen, en verplett; haer\' Vorsten overmant Gelijckcn \'t matte wild, dat niet en vindt te weiden. En vlieden sonder weer des overwinners hand. 25 Jerusalem herdenckt. in dese kommer-dagen, \'t Voorspoedige geniet 13 van haer\' verleden tijd.

Terwijl sy hulpeloos haer\' borgers siet verslagen,

Haer\' vyanden rondom ter spot sitt en ter spijt 14.

1

hare ivangm\'t 5) weggeslopen. (V) Wij zouden zeggen overheerschte. 7) trot-

2

sche. S) achterhalen haar en hehhen haar tot hunnen wil. 9) eenzaamheid.

3

10) krachteloos, moedeloos. 11) maken haar (Zions) hartzeer nog bitterder,

4

12) menigvuldig. 13) omzetting voor (jenotvollen voorspoed. 14.) schimp.

ocr page 46

38

Psalm 114.

(1619.)

Doe Israël vry uyt Egypten trock, De kinderen viuTJacob \'t sware jock Des vreemden volcks verlieten. God stelde sich in Juda prijs en eer, 5 Werd selvor Vorst, werd seiver Prins en lieer Van sijn\' Israëliten.

De Zee sagh \'taen, en vlood van stonden aen Te rufTEewaert, de stroomende Jordaen Wérd ruggelingh 1 gedreven: 10 Daer werd gesieu de Kotsteen springen op

Gelijck een ram, daer sagh men Bergh en top

Als lammeren staen beven.

Wat wasser, Zee, dat ghy van stonden aen ïe rugge vloodt, ghy a, stroomende Jordaen 15 Werdt ruggelingh gedreven?

Wat sagh men u, Rotsteenen, springen op Gelijck een ram, wat had ghy, Bergh en top,

Als lammeren te heven?

Voor \'t aengesieht des Heeren die daar leett, 20 God Israels, die alles doet en geeft,

Moet heel de wereld schroomen.

Voor \'t aengesieht des wonderlieken Gods, Die uyt een steen die uyt een\' drooge Rots quot;Rivieren dede stroomen 3.

Schrift-matige 1 Uitbreidingli

DEE

ARTYCKELEN ONSES GELOOFS.

(1619.)

I.

Ick ycluovc in God den Vader almachtiijh, Schepper des Hemels ende der Aerden.

Ick stelle mijn Geloof in eenen God, almachtigh, Van altijd, voor altijd, alleen, in alles- krachtig;

1

terug, rugivaarts. 2) dat gij- 3^ Donk aan t gebeurde mot Mozcs in de woestijn. 4) overeenkomstig de H- Schrift.

ocr page 47

39

Die alles wat om hoogh, om laegh is, leeft en sweeft, Aerd, Hemel, Mensch, en Beest, uyt niet geschapen heeft;

5 Dien \'topsicht1 van al \'t gen\'ter Wereld wordt bedreven, Ten laster 2 wordt ontseght, tor eeren toegeschreven. Die, wijs in goediglieit, goed in gerechtigheit,

Het goede selver doet, het quade self beleidt8.

Diens Woord de Rotsteen is, daer op wy moeten bouwen, lü Diens werck de Spiegel is, daer in wy Hem aenschouwen, Diens wonderlicke macht blijckt in het minste sier3. Diens Wil de reden is van alle Sijn bestier.

11.

En de in Jesmn Christum, sijnen eenigh-geboren Sone,

onsen ÏJeere.

Ick stelle mijn Geloof in \'t Lam, voor onse sonden Voor allen tijd geschickt5, ten vollen tijd\'0 gesonden; 15 Des Vaders éenigh\' Soon, daer van1 der Woleken stem Getuygenisse gaf: Dit is Hy; hoort naer hem 8.

Het vlees geworden Woord, ons\'Heiland, ons\'Behoeder, Ons\' Priester, ons\' Propheet, ons\' Koningh, en ons\' Broeder, Den Christus langh belooft, den Jesus langh verwacht, 20 Den Hoecksteen Israels, van \'t meerendeel veracht;

\'t Voorseide4 Vrouwen-Zaed, de Wijsheit van den Vader, Den Mensch-geworden God, den God en Mensch te gader; God, om des Vaders toorn te boeten met geduld,

Mensch, om der menschen straf te dragen zonder schuld.

III.

Die ontfangen is van den Heiligen Geest, geboren uyt de Maeghd Maria.

25 Die, van den Geest ontfaen, die, uyt een\' Maeghd geboren. Het gen\' Hy had gemaeckt niet wilde sien verloren;

1

toezicht, bestier. 2) )iiet laster, op lasterlijke wijze: zie vs. 8 3) he-

2

stiert. 4) zier, wormpje, fr. ciron; hetzelfde woord als in yeeu zier.

3

vun wien- Math 17- 5. 9) voorspelde.

4

5) beschikt, bestemd, besteld. 6) tooi de tijden vervuld waren. 7) waarvan^

ocr page 48

40

Die, sender Moeder, God, die, somler Vader, Mensch1, Vervulde \'s Moeders buyck, voldede \'eVaders wensch.

IV.

Dia geleden heeft onder Pontio Filafo, is geh-uyst, gestorven, ende begraven, nedergevaren ter Hellen.

Die, om ons voor te gaen in \'t strijden tegen \'t lijden, 30 Heeft, van de Wieg in \'t graf, in \'t lijden willen strijden; Die, om ons van den band der Duyvelen t\'ontslaen, Gelijck voor dieven-schuld2, in banden wilde gaen.

Die, om alleen te zijn de grond van ons herleven3. Van \'t trouwste sijns gevolghs in t bangbste1 wierd begeven; 35 Die, om de eerste Sond\' in d\'eersten Hof begaen,

Wierd laetst4 met eenen kus in eenen Hof verra\'cn.

Die, om ons voor quot;t Gerecht Sijns Vaders te verschoonen. Voor Mensehen Rechterstoel sich Mensche ging verthoonen: Die, als een Lam ter bank stil-swijgensquot; is gegaen, 40 Doe self de Rechter sprack: Wat heeft de Man misdaen ?

Die, om ons voor te doen bet kruyssen\' onser Leden, Des Kruys vervloeckte3 straf gewiliigh heeft geleden; Die, voor bet soete sap van een\' verboden Vrucht Een\' aengeboden Gal3 verdrietigh heeft besHcht 10.

45 Die, om ons d\' ouden mensch steeds af te leeren sterven, Door sijne diere Dood het leven heeft doen erven; Die, om te suyveren ons\' aller roode 11 Sond,

Uyt Sijn\' geboorde 12 heup bei Bloed en Water sond.

Die, om de Sabbatb-rust Sijns Vaders naer 13 te komen, 50 Dry dagen in Sijn Graf tot rusten heeft genomen; Die, om ons\' rekeningh in als 14 te sien betaelt, In \'tuyterste gevaer der Hellen 15 is gedaelt.

1

Versta: Als God had Christus gocne moeder als ntensclt had hij

2

geonen vader. 2) tds haihle hij een diefstal hecfuun. 3i herhoorte, yeeste-

3

lijl-e wedergehoorte. 4) nl. ooyenhliV. 5) ten ftlotte: wgl. fr. fmatemcnt;

4

tijden. Si vloekwaardig, schandelijk. 91 gal en edik, bij do kruisiging.

ocr page 49

41

V.

Ten derden dage weder opgestaan van den doodeh.

Die, om ons voor de Dood te leeren niet te vreesen, Is uyt der aerden schoot ten derden dagh\' verresen. 55 Die, d\'algemeenen schrickvan alles datter leeft,

Dood, Duyvel, Hel, veracht, verplett, verwonnen heeft.

VI.

Opgevaren ten Hemel, sitt ter rechter hand Gods des ahnachtigen Vaders.

Die, om des Hemels wegh den sijnen te bereiden, In lichaem en in Ziel ten Hemel is verscheiden Ter hoogheien1 opgevoert, dacr de verheven Stand (iü Sijn\'s heerlickheits beduydt des Vaders rechter hand2.

Van daer Hy (als een Vorst, die, naer \'t gehickigh strijden. Met giften allerhand den Volcke doet verblijden), Die3 hij van eenwigheit voor sijne heelt gekent,

Sijn\' gaven dagelicks genadigh over sendt.

VIL

Van daer hij komen sal om le oordeelen de levende en de doode.

65 Van daer Hy, op den dagh dien niemand sal ontloopen, Daer voors de boose vreest, Gods kinderen naerquot; hopen, • En 4 beid\' te wachten staet, van al dit groote Al8, Van levendigh\' en dood\' Hoogh-Rechter komen sal.

Als Water, Locht, en Aerd\'. sal grouwelen \'■gt; en beven, quot;70 Als beide Son en Maen, haer\' klaerheit sal begeven, Als Hemel sonder licht, als Sterren sonder schijn Des levendigen Gods voor-boden sullen zijn;

1

terhand is onderwerp; vertieren stuud voorwerp. 4) llitn, tik\'. 5) waar

2

voor. 6) u-aar-naar. 7) Naar do oude woordvoeging: en die. 8) heet at.

3

0} huiveren.

4

rertrol-l-en. hccncieyiian. 2 oorspronkelijke vorm voor hooyte. 3) recJi-

ocr page 50

Als een\' versclieklen1 hand \'t kaf sal van \'t koren scheiden, Als een\' verscheiden 2 stem \'tSchaep van den Bock sal leiden: 75 Komt mijn verkoren volck, besit uws Vaders erf.

Gaet uyt, vervloeckten hoop, in \'t eeuwige verderf.

VUL

lek geloove in den Heiligen Geest.

Ick stelle mijn Geloof in \'s Geestes heiligh\' wesen, Met3 -God, met-onbepaelt4, met-eeuwigh, met-gepresen, Des Soons, des Vaders Geest, Soon, Vader, beid\'gemeen, 80 De derde van de Dry, met Soon en Vader een.

Den Geest, die in \'t verdriet ons\' ziele doet verblijden, Den Geest, die ons vertroost in quot;s Salighmakers lijden. Den Geest, die in ons woont, in ons werkt, in ons leeft, Den Geest, die ons herbaert, en nieuwe herten geeft.

IX.

Ick geloove een\' heilige alqemeine Christelickc Kercke\\ de gemeenschap der Heiligen.

85 Ick houd\' en ick geloov\' een Kudd\' voor-uytverkorenG, Een\' Bruyd, den Bruvdegom voor eeuwigh toe tehooren, Een\' alpemeene Kerck, de Wereld door verspreidt, Soo wijd als Oost en West, en \'teen van \'tander leit7.

Veel\' leden van een hoofd, veel\'kind ren van een\' Vader, 00 Verscheiden en verdeelt, en evenwel te gader;

Te gader in Geloof en waerheits eenigheit8,^

Te gader in den Geest, en Christen heiligheit.

X.

De vergevinge der sonde.

Ick houd\' en ick geloov\' het Goddelick erbarmen,

Daer door de Vader ons ontfanget in sij\'a\' armen,

lquot;) verschillend (doend). 2) verschillend (TdinVend). 3^ mede- (ooi) God. 4) niede-oneindiy. 5) neem aan. 6) voor allen uitcerhoren. 7) Versta: zoo ver liet Oosten en het Westen reikt en heide van elkander afliggen. 8) éénheid.

ocr page 51

43

95 En ons der sonden schuld genadelick vergeeft,

Ter liefde van den Soon, die ons verbeden1 heeft.

XI.

Opstandingh deses Vleeschs.

Ick wacht en ick geloov\' het opstaen deser Leden, \'t Verrijsen deses Vleeschs, naer dat het hier beneden Des Ileeren grooten Dagh - sal hebben ingewacht, 100 En weder met sijn\' ziel te samen zijn gebracht.

XII.

Ende een eeuwigh leven. Amen.

Ick hoop\' en ick geloov\' een onverganck\'lick Leven, Een\' rust, een\' heerlickheit ten hoogbsten top verheven. Een\' onbepaelde vreughd, een\' eeuwigh lichten dagh. Die oore noyt en hoord\' en ooge noyt en sagh11;

•105 Voor honich-raed vol gals2, voor Wereld-vreughd vol pla-Een\' wel-vaert sonder end, een stadigh wei-behagen, (gen. Dit gunn\' en geve my, en alle quot;\' die Hem vreest,

Dien lof ter eeuwen zy, God Vader, Soon, en Geest.

Des Hoeren ° twee Gebods-Tafeleu

mjtgebreidt tot vervotg/i op de Artijclcehn onses Geloofs 7.

(1619.)

Wel op dan, loggequot; Ziel, die de barmhertigheit Des altijd-goeden Gods onwaerdigh hebt verbreidt, Min waerdigh ondersoc\'.it hot wonder-Woord en daden Van die9 mv kruys op Hem minst waerdigh heeft geladen: 5 Keer weder in u selfs, en laet uw\' danckbaerheit De wederom-slagh 10 zijn van Sijne goedigheit.

\'t Wel seggen is een wind, die weinigh\' kan ontbreken u, Het Christelicke hert moet door het wei-doen spreken;

1

voor ons vergiffenis rencorven heeft; thans verhult mon don ver-

2

6) In de Uitg. van 1025 VerlengJt (uitbreiding; der twee Gehotls-tafelen,

ocr page 52

44

Waer\' liefde, waer\' Geloof te keuren naer den mond, 10 De boose deelden mé in quot;t salige Verbond.

De herten-kenner God, Diens Goddelicke stralen Tot in het binnenste van onse nieren dalen,

Die \'tal siet en doorsiet. Dien niemand oyt en sagh. Wordt ver van heel vernoeght door \'t uyterlick gewagh 1. 15 \'tis, Heere! \'tis \'t gemoed, \'tis \'therte, \'t zijn de sinnen. Die Ghy proeft, die Ghy toetst, die Ghy besoeckt van bin-De vruchten Zijn u lief, daer Ghy de wortel siet, (nen. De wortel staat U aen, doch sonder vruchten niet. Die wortel is Geloov\', die vruchten heeten Wercken; 20 \'t Behaeght U, sonder \'t een op \'t ander niet te mercken 2,* Waer beide t\' samen gaen naer uwen wil en wensch Daer voertmen rechtelick den roem3 van Christen-mensch. Maer sal een yeder dan sijn\' eigen\' vruchten lesen4? Sal yeder eens vernuftquot; sijns levens richtsnoer wesen? 25 Sal d\' eere, sal de dienst van een\' oneindigh\' God Gebonden konnen zijn aen \'t menschelick gebod ?

Neen, luystert Vleesch en Bloed: de Schepper Die u \'t leven Ter eeren Sijnes naems, gemaeckt heeft en gegeven. De levendige God, Die \'t selver heeft geseit, 30 lek eische Bock noch Schaep, ick soeck gehoorsaemheit. Om Sijner knechten dienst, als Meester, te bepalen.

Gebied ons uyt Sijn\' hand Sijn\' eigen Wet te halen; Sit selver 7 in \'t Gerecht, roept Oost en West8 voor Hem, Hoort, Hemel, Aerde, hoort naer uwes Rechters stem. 35 Wel op dan, vlugge ziel9, dit zijn des Hemels Wetten, Daer u de Man naer \'t hert des Heeren 10 op leert letten. Die hy nu sprack, nu songh, die by by nacht en dagh Of in sijn herte droegh, of voor sijn\' oogen sagh;

Volght sijne stappen naer, keert herwaerts uw\'gedachten, 40 Laet dit uw\' dagh-werek zijn, besteed hierin uw\' nachten; Denckt yeder oogenblick verloren overbrocht 11,

Die \'s Heeren wil en Wet niet hebbe nagedocht 12;

Tast in de wortel vry, houd nemmer op vf.n knagen, In \'t minste woord is meer als wijsheit te bejagen, 45 De minste letter spreeckt, de slechtste13 regel sluyt. De kleinste stippel heeft sijn Goddelick beduydt

1

Versta: wordt volstrekt niet gepaaid mot uiterlijk gebaar. 2\') be

2

verstandy rede; hgd. vernnnff. 7) zelf. 8) de gansche aarde. 9) vgl. vs.

3

1. 10^ David. 11) doorgebracht. 12) overwogen. 13) eenvoudigste. 14) bQ-

4

diedeniSy beteelcenis.

ocr page 53

45

Wech, deessem deser Aerd\', wecli, wijsheit van beneden, Wech, Menschen-mymerins:!!1, onredelicke Reden,

Wech, Dool-hof sonder end, wech, kloecke sottigheit,

50 Scherpsinnige verdriet, en ydel\' ydellicit.

lek heb u langh genoegh geleent mijn\' groenste - jaren, lek hebbe langh genoegh getuymelt in uw baren, lek hebbe langh genoegh gewentelt in uw slijck;

Mijn herte wil om hoogh\' naer \'t eeuwigh\' eeuwelijek.

55 Mijn\' Penne sal voortaen om\'s Hemels Waarheit sweven 2. Stuert hare jonge vlucht, Ghy Waerheit, Wegh,en Leven, Beleid haer domme3 kracht. 5Soo, heiligh, heiligh Heer, Soo zy U over al, en eewigh danck en eer.

Exodi XX. 1. Ende God sprach alle dese ivoor den.

Doe \'t moeyelick gevolgh 4 der Israëlsche scharen, (50 Door Zee, door wildernis, en \'t vreemdste wedervaren, (Doch onder \'s llecren hand. Die by baer dagh en nacht Sorghvuldelicken bleef, en selver hiel de wacht) Behouden was geracckt tot by de schorrequot; Sanden,

Daar Sinaï geberght de Woleken schijnt te vandenquot;: C5 d\' Onsterffelicke God, die wijsselick verstond

Hoe verre \'sMenschen wil van Sijner Wetten grond Verscheiden^ was en vreemd, hoe ver liet sondigh vallen Van \'teerste menschen-paer, Voor-ouders van ons allen, Van sijnen goeden aerd Sijn schepsel had gebracht, 70 Hoe erffelick verblindy \'t nu sterffelick geslacht:

Om wederom van nieuws Sijn volck uen Hem te wennen. En Sijn\' gerechtigheit van nieuws te leeren kennen;

Slaet neder Sijn gesicht, send stemmen en geluyd.

Send Donder, Wolck en Vyer, als boden voor Hem uyt, 75 Daelt schrickelick10 ter hooghd op Sinai koude toppen, Stelt palen voor het volck, kiest twee beminde koppen. Twee Broeders in geslacht, die Sijne Majesteit Genaken sonder schrik: Roept ovcrluyd\', en scit:

1

mensclielljke redengeving, philosophie. 2) niet, gelijk gowoonlijk,

2

streven. 4) onbeholpen. 5 lastige sleep, stoet. G droge. 1» bezoeken, naderen.

3

8) afgedwaald. 9) bij erfenis verblind, met overgeërfde blindheid ge-

4

dagen (erfzonde). 10) schril:- ontzagireJcl-end.

ocr page 54

46

I.

2. Ick hen de Heer uw God, die u injt Egyptenland, uyt den dienstImijse geleid hebhe.

3. Ghy en suit geene andere Goden voor mijn aengesicht hebben.

Hoort, Israël, Ik-spreeck; lek Schepper, Heer,en Vader, 80 Van alle1 datter leeft; God, Soon, en Geest te gader: De wonderlieke God, die \'t Water met het Vyer, Die d\'Aerde met de Loeht- vervulle, dwingh en stier: d\' Onsterffelieke God, \'t oneindelicke Wesen,

Vóór allen tijd geweest, noyt, nergens uyt geresen: 85 De verre-siende God, Die d\' allerlaeghsten hoeek.

Die \'t allerdiepste hert doorwandel en doorsoeck; De levendige God, Die \'t leven hebb\' gegeven.

Aan alle, dat ghy siet in ziel en lichaem leven: De schrickelieke God, die d\'ongereehtigheit 00 Besoeeke, wreeek, en straf tot in der eeuwigheit:

Die «solfer, peck en vlam naer mijnen wenck doe hooren. Die Sodoma verbrand, Gomorrha heb doen smooren, .Web smettelick vervuylt« Egyptens watervloed;

Heb alles watter swom doen sterven in sijn bloed; 95 Heb Luysen uit het stof der aerde doen verwecken; Heb Vorschen heel \'t gebied van Pharao doen decken; Heb menschen in haer huys, heb beesten op het veld. Met Hagel, Vyer, en Schorft, geslagen en gevelt; Heb van het overschot Sprinck-hanen doen versaden; 100 Heb dicke duysternis den lande doen beladen;

Heb d\' eerstgeboren vrucht van alle dat ick vond In ecnen nacht besocht2 en doodelick gewondt.

Heb \'t grouwelicke heir van \'t boos Egyptens krachten fi, In \'t diepe van mijn\' Zee doen sincken en versmachten 7: 105 En alles, Israël, om u te sien gevrijt

Van slaverny, van spot, van my-verachters spijt»: De goedertieren God, Die noyt en ben gebleken Mijn voorversekert f woord te hebben ©verstreken 10; Die alles heb gedaen, en krachtigh aengewendt

1

al, alles. 2) water, vuur, enz do vier lioofdclemonten. 3) do twoo

2

smoren. 8) //oo», schimp. D) vroeger gegeven. 10J doorgehaald, terug

ocr page 55

110 Tot voorderingh\' 1 mijns volcks naer \'t langh gewenschte Die t\'uwer sekerheit2, in onbekende Landen (end:

By daegh een\' Wolcke dreef, by nacht een Vyer deed\' bran-Die d\' ongetoomde Zee, Die \'t grondeloose nat (den; Gedrooght heb en geschort;l voor uwer voeten pad; 115 Die uw noods-hongeren 1 met Quackelen versaeide3; De drooge Wilderuis met Manna-dauw besaeide;

Die, om in Raphidim te koelen uwen dorst.

Heb wateren geperst uyt Horebs steene korst;

Die, om uw\' ongemack in alles te verlichten,

120 Ueb Amaleckquot;, en meer voor Josua doen swichten.

Hoort, Israël, Mijn volck. Die ben ick. Die alleen Voor uwe Vaderen gesorght heb en gestre\'en.

Dies suit ghy My alleen voor uwen Vader houwen,

Voor uwen Heer en (jod, op My alleen betrouwen, 125 Beminnen My alleen van gantscher herten kracht:

Mijn\' eer. Mijn\' heerliekheit, Mijn\' Goddelicke macht Geen\' Goden netïens My, geen\' schepselen toeschrijven, Noyt weinigh, meer, ol\' meest bedencken ol\' bedrijven In vreughd, in tegenspoed, in vrolickheit, in pijn, 130 Daer in Mijn hooge recht verkortet7 moge zijn.

Der Toovenaren hulp en suit ghy voor Mijn\' oogen Tot waerheits ondersoeck beroepen8 noch gedoogen; De Waerheit beu Ick self; die verder gnet ot siet, Hn ken ick voor het Sehaep van Mijne Kudde niet. 135 is \'t arraoed\', is \'t verdriet, is \'t ballinghschap, zijn \'t plagen, Daer onder ghy versucht, My suit ghy \'t komen klagen; Is \'t wereldlick genoegh », is \'t welvaert, weelde, I\'eis, Daerom ghy zijt begaenkomt en doet my deu eis: Is \'t Liefde, Hoop, Geloof, zijn t geestclicke gaven, 1« Daer naer uw ziele dorst, bidt My, Ick salse laven;

Zijt ghy van hooger af gesoncken tot den val,

Seght altijd binncns herts, de Heere doet hot al:

Zijt ghy van uyt het slijck in heerliekheit geresen, De Heere neemt en geeft, de Heere zy gepresen; 145 Begeeft u niet tot rust. begint uw dagh-werek niet, U kom» ten sinnen in u: De Heere leeft, die \'t siet.

1

hevonleriiHi, om het te ht\'engen tot. 2) veitifjheid. 3) opgetast als oen

2

mum\' van bcidu zijtlou). 4) omzotting voor hogt;iijey*itoolt;t. 5) rijmslialve

3

voor verz\'Kulile. 01 ile Amalulcietcn. 7) thans i-ef!:oyt. 8) inroepen. 9)

ocr page 56

48

onder op der a,fde» ,• niet „och en dientse niet, want ick 5. En bmjght u voor ^ n^^lverigh d;e de misdaed der kinderen, it in het derde ende vurde

lidt %r^e\'tuZé^êit aan vele dasenden, der .ener die my\'lief hebben ende mijne Geboden houden.

T- ! 1 1 Miin\' Stem- We neb lek uwe ooren, ae^talU! ben,

KtnSe

Dies suit ghy Mijnen naem quot;H elena te bepalen.

In min noeh meerder stof aemeerüen^

De Sou en J^.i \'uèt \'t is \'t maecksel van Mijn\' hand; De Maen gelnck lek me , ^ .ck n.et t0 rapen;

35 Uyt Water, Vvev, ot Loch Hy heeft geschapen?

Hoe soud\' de ^c^PP^ezgquot; met reden eerst verlicht?

Spreeckt, Mensehe. wie l_ „„handen in \'t gewicht.\'\'4

Zamp;^^^hASSSSSSSSi

Aquot;,v - quot;•

Wat kond ghy lev,eren dat M ^ blJocken sonaer leven, Wat vooCrbeeldamp;sullen die \'van \'s ievens^ Gever, geven? 105 Siet, Israel, lek hen ^ ^f ® jüjner Knechten eerquot;; Groot, maehtigh en zelh0quot;sr;oXloos afgrijsen\'

Soo wie daer onderrji(t®ts s.vi voorderen» of prijsen. Des Mv-ontstoolen plichts sai vuuiuoit , \' ,^

Soo wie daer onder u sal ^0^t óf Land,

170 Voor \'t schoonste dat hy , doen raken,

STen sal iê

Hoequot;swaerUck^tj^ien toorn kan worden wederstaen:

1) geene. gecorUi; tegenst. wSSt

„ZZ Si ............. .. in voor

noch valt;. *• TCZilerL. 9) behoorlijk, o» gevoelige wyze

155

100

ocr page 57

49

175 lek, Die der vaderen te wei-verdiende plagen In \'t vierde boose lid den Kinderen doe dragen:

lek, die Mijn\' goedigheit aen dusend Stammen\' bind\' Uesgenen, die Mijn Woord om Mijnentwil bemint.

III.

7. Olnj en snit den name des Tleeren mves] Gods niet te vergeefs oft Uchtvaerdeliclc gehruyeken. Want de Ileere en sal hem nieton-schulddigh houden noch ongestraft laten, die sijnen name misbruycht.

Al is het herte Mijn, al is \'t dat My van binnen 180 De reden met den Wil - bekennen en beminnen,

Soo eiseh lek doch vet meer by d\'ongeveinsden grond3, Daer aeu Mijn\' eere hanght: De Tonge met den Mond; Die sullen Mijnen naem in wei-gegronde ^ saken Haer uyterste versett6 en twijffel-scheiderquot; maken: 185 Die sullen \'t Jae en Neen van haer\' gerechtigheit\' Bevesten op den schriek van Mijn\' al-wetenheit8.

Daer tegen wil lek slaen en grouwelick besoeckenquot;, Die my op logen-tael onwaerdelick bevloecken ,0: lek dreigo met den loon van d\' eeuwigh-leste Dood, WO Die haer op Mijnen naem beroepen sonder nood.

Die \'t lasterlicke woord der spotteren aenhooren,

En, oock onmachtigh niet en trachten te verstooren. Wil emmers Israël den name sijnes Gods,

Tot Mijner Vyanden verkleiningh\', spijt en trots 193 Groot maken in sijn hert en voor de Wereld spreken, Stof, oorsaeck, lijd, noch placts en kan hem niet ontbreken; Elck dael\' sich selven in; bedencke, door wat kracht d\' ünsienelicke Ziel in \'t Lichaem is gebracht, d\' Ontastelicke Geest, \'t ons\'.erffelick bewegen \'3,

200 Aan 3\'eder lid gemeen, in geen van all\' gelegen; Aenmercke tijd op tijd, beginne van den dagh.

Die by sagh aldereerst. die aldereerst hem sagh; Herdenck\' sijn\' groene jeuglid, besie sijn\' dorre jaren. Wat nu sijn\' Iiaeren zijn, wat doe sijn\' krachten waren; 205 Doorloope \'s Hemels rond, daer, netfens Son en Maen,

1) geslnchten, ff/esjtrote») uit deugene. 21 verstand en wil gezamenlijk, eenparig; wij zouden hier het werkw. in \'t enkelv. bezigen. 3) oprechte, gemoed. 4) helangrijk, wanneer er gromt, reden toe is. 5) verdediging. 6} beslisser van het twijfelachtige. 7) het al of niet recht hehben. 8) bevestigen door hij den ahvetenden tjod te zweren. 9) met plagen, nl. 10) die mij op onwaardige wijze tot getuige nemen hij hunne log entaal. 11) zelfs al ontbreekt het hun aan macht.12) sell imp en t rotsee ring .Vi) da ziel, die onsterfelijk is,quot;wordt als de bron van leven eu beweging dos lichaams beschouwd, e. Huyoens. — I. 4

ocr page 58

50

Soo veele wegen schier als Sterre-lichten gaen; Aenschouwe \'sAYerelds kloot, dien twee verscheiden saken, Het Droojre met het Nat1, tot eene ronde2 maken,

Daer d\'Ebbe, daer de Vloed de Stranden op sijn\' maet3, 210 Of klimmende bespoelt. of sackende verlaet:

En late dan sijn hert door heen sijn segfren 4 blijcken, En segge: Groote God, wie isser rnvs gelijcken?

En roepe overluyd: Hoort, Goddelosen, hoort,

Wy vreesen noch uw\' Strop, noch uw Vyer, noch uw\' Moord, 215 Dit \'s onser aller hoop\', dit \'s Israels vertrouwen,

Het wit5 daer op wy sien, de grond daer op wy bouwen, Dit is Hy, om wiens naem uw\' banden en uw\' pijn Ons\' feesten, onse roem, ons\' eere sullen zijn.

Dus wil lek Mijnen naem in Israël sien sweeren,

220 Dus wil lek \'t laster-woord in lof-sangh sien verkeeren. Dus wil lek Mijne macht, Mijn\' wijsheit sonder grond ü Sien prijsen in \'t gemoed, sien voeren in den mond.

IV.

8. Zijt gedachtigh des Sabhath-daeghs dat ghy dien heilig et.

9. Ses dagen suit ghy arbeiden, ende alle uwe ic er eken doen.

10. Maer den sevensten dagh is de Sabbath des Ileeren uw es Gods: Dan suit ghy geenen arbeid doen, noch uw Sone, noch uwe Doe]der, noch uw Knecht, noch uwe JDienstmaeghd, noch uw Vee, noch de Vreemdeling die in uwe Stadt-poorten is.

11. Want in zes dagen heeft de lieere Hemel ende Aerde ge-maeckt, ende de Zee, ende al datter in is, ende hij rustede der. sevensten dagh: daerom segende de lieer den Sabbath-dagh, endi heilighde den selven.

Wilt ghy in \'s levens loop u selven niet verliesen; Volght Mijne gangen naer: Wie7 sal het Schepsel kiesen 225 Voor Stierman, voor beleid8, voor lood, voor water-pas. Dan Die hem heeft gemaeckt hetgen\' hij niet en was ? Om uyt een ydel Niet een Al-Om9 te verwecken. Om uyt de duysterheit het beter Licht te trecken, Om alles t overkle\'en met een\' gemeene Locht.

230 Die \'t Hooge van het Laegh\'10 voor altijd scheiden mocht\'

1

Land en water. 2) rondheid, hol. 3) op gesetten tijd. hij regelmatig*

2

tusschenpoozen. 4) door zijn woorden heen- 5) doel. G) grondelooze, on

3

doorgrotidelijke. 7) tvien. 8) richtsnoer. 9) heelal. 10) heme\'- en aarde.

ocr page 59

Om \'t Drooge van liet Nat1 bescheidelick t\'ontkleveir-, Om d\'Aerde vrucht en Zaet gewilligh te doen geven. Om Jaer, Maend, Dagh en Uer, by Sterren, Son en Maen Een\' ongefeilden 2 loop gestadigh te doen gaen,

235 Om \'t vlugge klein-gebeent3 de Locht te doen doorsnijden, \'t Geschubde Zee-gediert door \'t Water te doen glijden, Om \'t Kruypsel4 voeteloos, om \'t Vier-voet allerhand, Beid\' Elephant en Mier, te setten op het Land, Om \'tlaetste Meester-stuck, het Kort begrip van allen, 240 De kleine Wereld6, Mensch, naer Mijn goed welgevallen Te scheppen, als een Heer die \'t al beheerschen mocht\', 8es dagen heb lek daer vry-willigh in verwrocht7; Den sevenden gerust, gesegent en gepresen.

Voor eeuwigh t\' Mijner eer geheilight beeten8 wesen. 245 Ses dagen sal de span 9 van uwen arbeid zijn,

Ses dagen hooren u, de sevende is Mijn;

Dien suit ghy, Israël, voor Mijnen Sabbath kennen,

Daer suit ghy uwen Soon, uwquot; Dochter aen gewennen. Uw af-gesloofde Vee, uw\'Dienaer, Man of Meid.

250 Den vreemdelingh daer by, die t\' uwent binnen leit 10; Dien suit ghy aen Mijn Woord, aen Lofsangh en Gebeden, In Mijnen naem vergaert, Gods-dienstelick besteden; Versetten11 \'s Werelds sorgh\', begeerlickheit en lust. Verheffen \'t trage hert naer d\' onbepaelde rust,

255 Naer \'t Sabbath sonder end: den genen toegeschreven ia. Die \'t Sabbath haers gemoeds Mijn\' goedheit overgeven. Die van het boose werek in ruste leggen 13 stil.

En maken Mijnen Geest den meester van haer\' wil.

V.

12. Ghy suit mv* Vader ende uwe Moeder eer en, op dat ghy lange lev et op der Aerden, ende dat het u wel gae in den lande, dat u de Heere God geven sal.

t Weerspannige gemoed en sal lek noyt verdragen, 2G0 In \'t sacht, gehoorsaem hert is alle Mijn behagen: Gehoorsaem suit ghy zijn den Wille, Keur 14 en Wet Van die lek over u als Hoofden heb gesett:

1

Zie bl. 50. 1. 2) scheiden fmaken dat zij niet meer aan elkander

2

iverkty met arheid doorgehrucJit. 8\' bevolen te. 9) maat, duur. 10) ligt

3

(logeert). 11) ter zijde stellen. 12) voorheschikt. 13) zich afhouden van.

4

14) verkiezing, goedvinden.

ocr page 60

52

Den Vader die u hoeft Leid\' Licliaem ende Leven Door Mijner handen kracht, veroorsaeckt1 en gegeven, 265 De Moeder die u heeft gedragen en bekrocht-,

In levens-nood gebaert, in sorgen opgebroeht;

Plicht, eerbied en ontsagh suit ghy baer beide thooncn,

Hunn\' liefde t\' aller tijd bcleefdelicka beloonen; «.

In band 1 en ballinghschap, in overlast en pijn •270 Suit ghy baer eerste troost, en laetste hulpe zijn:

Den avond hares tijds, hunn\' swaere leste dagen Sal hun uw\' morgen-Son ten blijdsten5 helpen dragen;

Swijght nederigh, en lijdt, straft0 hare woorden niet,

In recht of ongelijck buyght onder haer gebied.

275 Der Landen Overheid en Wereldlicke machten,

Sal uwer yeder een 7 voor Mijn\' Gesantcn achten;

Sy sitten op den stoel die lek haer heb gestelt,

Ilaer Menschelick gebied is Goddelick geweld 8,

Des Vaders in sijn Huys, des Konings in sijn\' Landen. 280 De Wetten zijn mijn Woord, de Princen zijn mijn\'handen; Begeeft u onder haer (doch redelick ü) ontsagh,

Te loone suit ghy sien een\' langen levens dagh.

Te loone vol gelucks de voor-beloofde Kusten Van \'t rijeke Chanaan besitten en berusten ll1,

285 Te loone t\' aller end onendelick verheught

In \'tHemelsch Chanaan, de noyt begrepen vreughd.

VI.

13. G\'/iy en suit niet dooden.

Leeft in een\' even11 rust met even Vriend12 en Naesten, Verstout u niet sijn dood ontijdelick te haesten;

\'tls Mijn\' gelijckenis. Mijn maecksel en Mijn beeld,

230 Die van u noch in ziel noch lichaem niet en scheelt:

Schendt Mijne wereken niet: Mijn\' gramschap sal bostorten1•, Die \'t minste menschenlid sal schaden of verkorten. Uw eisen vleesch en bloed behoort My eigen 11 toe,

Staet My uw loven aen, wat zijt ghy \'t solver jioe?

205 lek stelle stervens uer, Wie salse niet verbeiden ?

Ick voege Ziel en Lijf, Wie salse derven scheiden?

1) ooi-zaak is van. 2) in \'t lijf (als in een krocht) verbonjrn gedragen ? ;j) op hetische, eerbiedige wijze. 4) slavernij 5 zoigt; genoegelijk mogelijk. 0) hediTt. critiseeri. 7) ieder uwer. 8) macht ran Godswege. 9) wanneer gt; het althans redelijk is. 10 Fig. voor eene gelukkige en vreedzame, aard-sche loophaan heVhen. 11) effen, ongestoorde. evennaaste. 13) zich. 1

uitstorten over. li) in eigendom.

ocr page 61

53

Sal lek een\' druppel bloeds ter aerde sien geraeckt In spijt en weder-wil1 van Die 2 hem heb gemaeckt ? Wee allen die de hand aen Mijne rechten steken; :i00 Uw onsehuid, Israël, sal lek. of niemand, wreken. My komt de wrake toe: Wee die sijn\' Broeder slaet, 01\' met de tonge quetst, ot metter herten haet.

VII.

14. Ghy en snit niet Echthreken.

Elck voege maet en staet naer sijn\' ontfangen\'krachten; Die sijn\' genegentheit3 kan dwingende verachten, 305 In woord en wereken kuysch, van herten onbesmett, Onthoude sijne jeughd van \'t Huwelickse bed,

Veel beter konnen My de kommerloose sinnen Dan \'t huys-besorghde4 hert believenen beminnen. Die niet ontgaen en kan den moeyelicken brand 310 Van \'t sondigh lusten-vyer, getroost\' sich in den band, Bepale sijnen lust, verplichtequot; sijn begeeren,

Sijn\' ziele te geval, en Mijn Gebod ter eeren.

Dit \'s d\'eeuwigh-echte knoop, \'t onbrekelick verbond, In Mijnen naem begost, in Mijne Wet gegrondt: 315 Vervloecket zy de Man die selver 7 sijn gedachten In sijnes Naesten bed oneerlick laet vernachten ; Vervloecket zy de Vrouw, die haren Kamer-raed8 Den minsten oogen-lonck in Overspel onslaet9.

VIII.

15. Ghy en suit niet stelen.

Laet yeder van de vrucht van sijn\' besweette jaren 10 320 Het ongemoeyt besit, en vredelick bewaren. Der Menschen raeckter geen aen have by geval; Van Mijn\' rijck-milde11 hand, van boven komt het al: Die \'t sijnen Broeder neemt, heeft My voor eerst12 bestolen: Noyt bleve dievery voor Mijn gesicht verholen: 325 Wacht, strooper op het veld , wacht, Hoover onder \'triet, Ontgaet des Kechters hand 13, Mijn oogh ontloopt ghy niet;

1

teyenwïl; ondanks. 2) Mij, die. 3) neiging, hartstocht. 4) met huise

2

lijke zorgen bezwaard. 5) behagen. 6) binde, legge aan banden- 7) zelfs,

3

ook maar. 8) onjuiste afl. voor kameraad. 9; ontsteelt, aan een ander

4

geeft. 10) arbeidsjaren, 11; Hgd. mildreich. 12) in de eerste plaats. 13;

ocr page 62

54

Wacht, vrecke Woecker-dief, die op \' \'t oneerlick schrapen By dage niet en rust, by nacht vergeet te slapen:

Wacht, Schattoren Mijns volcks, die van der armen bloed 330 Onmenschelick versaedt uws herten overvloed:

lek houde rekeningh\' van al dat boos bedrijven.

Dat sal ick t\' sijner tijd voor Mijn Gericht beschrijven-\', En Mijn\' lanckmoedigheit. Mijn Goddelick verdragh 1Vergelden J met den schrlck van sooveel swaerer slagh.

IX.

16. Ghy en suit geene valsche getuygenisse spreken tegen uwen Noesten.

335 Onwaerheit, achter-hoon =, twee-duydelicke« woorden Zijn grouwelen voor My, en geestelicke moorden. En meer als Dievery: Wie quetst sijn\' Broeder meer, Of die hem neemt sijn goed, of die hem steelt sijn\' eer? \'t Veelvoudigh Tongenblad en heb lek sonder reden 340 Veel korter \'niet getoomt dan \'s liehaems ander\' led^n; Meest alle zijn gepaert, dit siaeter maer alleen,

Gewortelt in het vleesch, besloten in het been.

Wel hem die sonder leed van Vrienden en Gebueren Soo sorgelicken lid kan dwingen en bestueren;

315 Die liever \'snaesten schand\' al swijgende bedeckt Dan yemands goeden naem al liegende bevleckt;

Dien vrienden, noch geschenck, noch vrees, noch hoop en Om tegen sijn gemoed bedriegelick te tuygen. (buygen, Schouwt logcn-tael. Mijn volck, ter liefde van uw\' God, 3D0 Die d\' achterklapper hoont, den logenaer bespott.

X.

17. Gli;/ en suit niet hegeeren uwes Naesten Uuys. Ghy en suit niet beqeeren uwes Naesten Wijfi noch sijnen ICnecht, noch sijn\' -L)ienstmcieghd, noch sijnen Osse, noch sijnen JLzel^ ncch eenigh dingh dat uw Nacste heeft.

Schijnheilig\' masker-deu^hd 7 en sal My niet bedriegen, Voor \'My en kan de mond het herte niet beliegen;

1

hoid, die zich ouder het masker der deugd vermomt.

ocr page 63

55

lek worde met den thoon van buyten niet gepaeit,

Daer \'t herte herwaerts treckt, enquot;\'t ooge derwaerts draeit. 355 Laet niemand op den glimp van buyten-wereken rusten, lek waehte1 Wil noch daed, lek straf de boose Lusten: Wie \'sanders Huys of Beest, uyt gierigheit beweeght\'2, Bedecktelick verwenscht3, heeft Dievery gepleeght: Wie sijn\' begeerlickheit in \'t minste heeft begeven 3G0 Tot \'s Naesten Wijf of Maeghd, heeft Overspel bedreven: Wie om« sijns Broeders dood, onredelick verstoort, Tot sijner wrake hoopt, is schuldigh aen een\' moord. Swieht, vleeschelick vernuft. Mijn wil zy uwe reden; Wie wilder tegen staen ? wie isser om t\'onvreden ? 3G5 Wie roepter mijn Gebod voor \'t menscheliek Gerecht? Ick-, de liechtveerdige, lek, Israël, lek, segh \'t.

Jae, Heere, \'t is Uw Woord, \'t zijn Uw\' beschreven Wetten, Daer naer wy Wil en daed verbonden0 zijn te setten; Daer van het minste punct onachtsaemlick gefaelt8 370 d\' Onsterfielicko dood rechtvaerdelick behaelt\'.

Daer door de swacke ziel in één van all\' gevallen, In Uw\' gerechtigheit straf-schnldigh is van allen.

Maer suit Ghy dus en dus te rechte met ons gaen,

Waer is hy, groote God, die voor U sal bestaen? 375 Waer \'t Schepsel Uwer hand op d\' eerste leest8 gebleven. En hadden wy U, lieer, moetwilligh niet begeven, Wy dorsten opwaert sien: Daer waren krachten toen Om Uw Gebod door U in alles te voldoen.

Nu light dat groote Licht, die Engel-lijcke gaven 380 Door eenen11 in ons al erfsondelick begraven;

Nu isser van den Mensch ter wereld geen vermaen 10 Die \'t goede kan, hoo doen ? ja, dencken, ja, verstaen. Self, Heere, daer Ghy werekt, daer Ghy het nieuwe leven In \'t wedersehapen hert van nieuws bestaet te geven, 385 Valt strijd en tegenstand, door een\' verscheiden11 Wet Die tegen d\'Uwe stelt haer mogelick belet Waer zijn ons\' Vruchten dan? Waer zijn ons\'Offeranden? Wat sal een\' lege hand op Uwen Altaer branden?

1

jfc wacht niet eens op. 2) hewogen. 3) tot het zijne tvenscht. 4) op.

2

5) verplicht. 6» overtreden. 7) na zich sleept. 8j in zijn eersten staat, vim

3

onschuld nl. 9) Adam nl. 10) nn is er geen mensch te noemen, te beden

ocr page 64

56

Wat sal hy offeren, sijn\' Schepper te geval\'

390 Die alles schnldigh is, en niet en heeft met al? Dus komen wy van U, Genadigh Eischer, halen Soo veel Ghy van ons eischt; De middel om betalen Van dien1 wy schuldigh zijn: Siet ons\' ellenden acn In Sijn\' onnosel\' wond\'. Die voor ons heeft voldaon; 395 Laet Sijn\' onschuldisheit voor onse schulden spreken, Laet Uwcs torens slagh op Sijn\' verdiensten breken, Laet sijn\' geleendequot;2 straf en onverdiende pijn üp Uwen Altaer eens ons vollen otter zijn.

Soo sal Uw\' goedigheit om hoogh, om laege wesen 400 In eeuwen eeuwigheit geheilight en gepresen,

Soo Uw\' gerechtigheit den Volckeren bekent,

d\' Een\' onuytsprekelick, en d\' ander sonder END.

I1EYLIÜIIE DAGIIEN-\'.

Aen Vrouw Leouore Hellemans, Drostinne van Mnydcu

Wel-weergepaerde\' Wecw, door-deughdelicke Vrouw, Die soo voorsichtelick \'t pack van den eersten rouw Gelicht hebt, en geleght op de geleerde schoud\'ren Daer \'t wijse Hoofd s op staet dat noit en sal veroud\'ren; 5 Bevallige Drostin, die met een taey geduld

Mijn\' onmacht hebt geborght \'•gt;, en my mijn\' hooge schuld Van menigh bly gelagh en minnelick onthaelen. Genadelick gedooght met woorden te betaelen;

Reckt die lanckmoedigheit noch eene span-breed lit ; 10 Aenveerdt noch eens licht geld, geslagen op mijn\' Luyt,

1

IV, 314, V. 6) P. C. Hoofts tweede echtgenooto\', vroeger weduwe Barte-lotti, uit Antwerpen. Zij oven als Hooft toonden zicli zeer ingenomen met deze opdracht. Zie Brieven IV, 167 en 315. 7) gelukkig weérgehnwde. 8) woordsp. met Hoofts naam. 9J uitstel gegeven.

2

ten welgevallen, tot genoegen van s. S. 2) thans onzijdig. 3) hem, wieu. 4) van anderen overgenomen. 5) In Jan. 1045 te Amsterdam ter perse

ocr page 65

57

Ter goede rekeningh van danckbare voldoeningh.

Schoon ick mijn nyterste vermogen aen \'t voldoen hingh, \'t Voldoen en streckte niet1. Nu neem ick \'t Nieuwe Jaer Behendelick te haet, en grijp \'t geval by \'t haer, 15 En ofier\' wat papiers, verguldt\'- met Heiligh\' Dagen; Om of2 \'tu nooden moght tot langhsamer verdragen3. Wat is \'t? een hand vol rijms, een Moecksken in den sack, Een Bedelaers geschenck, een Geusen-Alraanackquot;. Een ding verseker ick: \'ten zijn geen\' logen-blad\'ren, 20 Noch boeren boerterij. \'t Is ernst; en uyt mijn ad\'ren Het binnenste geweld11, soo verr haer swackte gact. \'t En is geen öterren-waen\'. Mevrouw, \'tis Hemel-praet; \'t Zijn tochten van mijn\' Ziel, die ick voorhenen « sende Naer \'t geen noyt oor en hoorde en ooge noyt en kende, 25 Noyt menschen\'hert begreep; gelijck een reis-baer s Ueer Sijii\' huyse-vesters 4 scbickt, mot krijtquot; en met geweer, liaer hy vernachten wil. Bevallen u haer\' plichten, Gebruycktse t\'uwen dienst. Mijn licht sal beter lichten, Soo ghy het waerdigh kent om mé tot üod te gaen. 30 \'t Is op soo goed weerom : soo s\' u niet aen en staan; Ick wacht \'er betere van uw\' bescheidentheden 13; Of wandelt ghy met my, of laet my met u treden:

d\'Ecr komt de Vrouwen toe: gaetvoor, en sleept my naer: \'k Wil geerne met u gaen naer \'t eewigh Niewe-Jaer.

NIEW JAER.

\'tls uyt. de leste Son gingh gisteren in Zee,

Getuyge van mijn jaer vol ongeregeltheden.

O dienquot; daer dusend jaer zijn als de dag van heden, Voor wien ick desen dagh mijn\' viiyle ziel ontklee 5 Van \'t smodderigh15 gewaed van veertigh jaer en twee. En dry\', en noch eens twee die ghy my hebt geleden;

1

Versta: ofschoon ik 111 ij 11 uiterste best deed om U to voldoen, ik

2

H. D. 3) om te zien of. i) langer uitstel. 5) Een almanak in Onroomsclien

3

zin gedicht. 6) kracht. 7l astrologische voorspellingen, zooals gewoonlijk

4

dus hier bedoeld. Huygens was toen 47 jaren en 4 maanden oud.

ocr page 66

58

Al vergh ick \'t dijn geiluld niet sondige gebeden,

Gunt my een schoonder pack dan ick\' er oyt aen dee.

In d\' eerste niewigheit sal\'t vleeseh en bloed wat prengen1, En \'tpast baer moeyelick: maer ick betrouw Dijn\' hand; ■10 Die sal \'t my lichtelick wat ruymen en wat lengen.

Maeckt my maer op de reis van \'t eewigh Vaderland In dese wildernis een\' Dijner Israëlijten,

En laet dit niewe kleed mijn leven 2 niet verslijten.

GOEDE VRYDAGil.

Wat let de Middagh-Son? hoe lust haer niet te hlincken? Is \'t Avond op den Noen3? Ten minsten, volle Maen, En, Sterren, haer gevolgh, hoe haest ghy \'t ondergaen4 ? Moet ghy ter halver baen van \'t koele Zee-nat drincken? 5 Neen, neen,ick sie \'t u aen, ghy voelt den moed ontsincken Voor \'t schandige Schavot, daer Sions docht\'ren staen En swijmen voor den sehrick van\'t heiligh,\'t Is voldaen5, En op den droogen Bergli in traenen gaen verdrinckan.

O, mijn voldoende God, vergeeft ghy my een woord? •10 \'t Voldaen» voldoet my niet, ten zy ghy my vermoordt En van mijn sclven scheurt, en brieselt\' de gewrichten

Van mijn\' verstockte Ziel, soo dat\'s haer\' weder-plichten Gedwee en morruw8 doe; soo dat ick haev en huys, En lijf en lust en tijd leer\' hangen aen dit Kruys.

PAESCHEN.

, Den Engel3 is voorby; de grouwelieke nacht Der eerst-geborenen is bloedeloos verstreken:

Ons\' deuren sijn verschoont; soo waren se bestreken Met heiligh Paeschen-bloed, dat d\'uytgelaten machc 10, 5 Die Pharaos kinderen en Pharao i\'onderbraclit,

Doorgaens verschrickelick quot;, verschrickt heeft voor het te-Wij zijn door \'t Koode Meer de slaverny ontweken, (ken.

1

prcDtyeH, nijpen, ongemaTchelijlc zitten, 2) gedurende mijn geheel leven.

2

3) Men denkü aan do duisternis, die op het sterfuurt3uuri van Christus

3

plotseling inviel. 4) Versta: Volle maan en sterren, liaast Gij ten minste

4

niet liet onddrgaan. 5\' Woorden van Christus aan \'t kruis. 0) De vol1

5

doening door Christus* dood. 7) verhrijselt. murw, zonder tegenstreven.

ocr page 67

59

TEgyptcn buytens reicks3. Is alle dingh volbracht ? Is \'t Schip ter haven in? Och! midden in de baercn, 10 De baeren van ons Bloed-, veel holler dan dat Meer. Den Engel komt weerom, en \'t Vlammige geweer

Dreight nievven ondergangh. lieer, heet hem overvaercn3; Merckt onser herten deur, O Leew van Judas Stam1, En leert ons tijdelick verschricken voor een Lam5.

HEME L V AERT.

O Wagen Israels met uwe Kuyter-knechten,

Waer voert ghy onsen Vorst? ö, aller swacken troost, Zijt ghy soo toeverlaet der genen die ghy koost(i?

Blijft ghy hun soo te hulp? verlaet ghy haer in \'t vechten, 5 Voorvechter van Dijn volck? werpt ghy se tot gerechten Den dwingelanden toe, gesoden en geroost,

Haer\' spieren uytgetanght7, haer\' ad\'ren uytgeoost s,

Haar\' zenuwen gesnerptop roosteren en tr echt en 10? O, Duyve 2, siet om leegh; vlieght onse herten toe, 10 En rucktse voor Dijn aes 12 uyt dese sterflickheden; En deelt de wereld mis, en laet haer niets beneden

Dan daer de leste pier sijn\' lusten in voldoe 13.

O die van nu af aen in \'t endeloose bly 11 zijt,

Weest hier 15, en voert ons soo van nu af aen daer ghy zijt.

PINXTEREN.

Soo overdadigh is des Heeren milde hand:

Sijn\' sprekers 10 hadden hem \'t wei-spreken sien beloven Voor \'s Werelds machtige, noch stort hy haer van boven Elck sijn\' ontsteken 17 tongh en tael voor yeder land. 5 Waer toe het overschot van gaven allerhand?

Hy had de Hemelen sijn\' almacht leeren loven,

De dagh, de stomme nacht verkondight het den dooven. En al sijn maecksel18 spreeckt. Maer sonder grond en strand19

1

hui ten he reik Her Egyptenaren. 2^ driften, hegeerlijkheid des vleesches. 3) voorhijgaan. 4) Christus. 5) het Lam Gods. G) van uw uitverkoren

2

volk. 1} met tangen uitgescheurd. 8i uitgeput, uitgezogen, lat exhaust us. 9) gesnerkt, gezengd. 10; treeft. 11) do ten homolvjirendo Christus. 12) als tot uw voedsel. 13^ Versta: Gun do wereld niet datgene, waarop zij aanspraak maakt, maar laat haar niets dan liet stoffelijk omhulsel der ziel- J4gt; eeuwige zaligheid. 15) kom tot ons. 10) apostelen. 17; vurig, bezield. IS; schepsel. 19/ zonder paal of perk, oneindig.

ocr page 68

60

Zijn sijne wonderen, gelijck sijn\' vriendlickheden. •10 Heer, deelt gliy Tongen om? siet noch eens naar beneden, En deelt\' er my een\' toe die ]gt;y in my bevall\',

igt;ie niet en stamer\' daer de boose sullen beven, Die naer den doem 1 verlang\' van dood en eeuwigh leven, Kn onbekommert zy wat sy daer seggen sal.

KERSMIS.

AI is de herbergh vol, al light Gods Soon in \'t hoy. Mijn\' Ziele magh\' er in, en wilt\' er by vernachten. Kom, vleeschelicke mensch. de vleeschige gedachten 2Zijn heden van verdienst: Daer schreidt wat in dit stroy, 5 Dat voor ons schre3-on nil: daer al het ydel moy Van Koninginnen kraem voor stroy is by te achten. Daer light in dese krib, dat ons geloovigli wachten Voltijdelick 1 vervuil\' en al ons leed verstroy\'.

God ligh \'er in ons vleesch; God, vaderloos op aeróe, lü God, moeder-loos by God; het mede-scheppend Woord; God, Vader van de Maeghd die hem ontfingh en baerde.

En nu te voele light, hier light\'\', en gaet niet voort. Mijn\' Ziele, maeckt een eind van d\'ongêrijmde Rijmen; Ons beste seggen waer ootmoedelick beswijmon.

DRY KONINGEN AVOND.

Waer is Gods eenigh Kind, dat ick \'taenbidden magh? O Wijsen, wijst my \'tpad. \'k zie dasend Sterren proncken; Maer geene die my leid\' als met verkeerde voncken: Ick sie de Leid-Ster niet daer op uw\' wijsheit sagh. 5 Terwijl ick opwaerts gaep, wat hoor ick voorgewaghquot;? Wal roept de wulpsche Stad, in weeld en wijn verdroncken. De Koningh drinckt\'? wegh, wegh, de Koningh heeft gc-En drinckende voldaen het bittere gelagh, (droncken, \'t Gelagh van Gal en Eeck, dat geenen mond en monden % 10 Daer geen\' keel tegen moght, van die daer kop en keel En Ziel en al verbeurt bekenden voor haer\' sonden.

1

het oordeel, 2) de gedachten aan de vleeschwordinff \'nicnseh-wording\'- van Christus; zie vers 9. 3) kraambed. 4) nu de tijde vervuld sijn. 5) Hier lif/t.... (Dc rest van de gedachte is verzwegen). Q) be-

2

weffing, rumoer. 7) Uitroep bij het feestmaal op Driekoningendag, wanneer do door liet lot aangewezen Koning drinkt. Sj smaakte.

ocr page 69

61

Nu treed ick. moedigli toe met all\' mijn\' wouden heelquot;. Komt, Wijsen. \'kweet liet part; al is het steil en verre, Ick vrees den Dool-wcgh niet,\'tKind solver is mijn\' Sterro.

SONDAGII.

Is \'t Sabbath-dagh, mijn Ziel, ofSondagh? geen van tween, De Sabbath1 is voorby met sijne dienstbaerheden;

En de Son die ick siequot; scheen gisteren als heden:

Maer, die2 ick niet en sie en schijnt niet soo se scheen. 5 Son, die ick niet en sie als docr mijn\' sonden heen, Soon Gods, die desendagh het aerdtrijck weer betreedden3, ITier als een Bruj\'degom ter loop-baen ingereden,

\'k Sie Sondagh sonder eind quot;\' door Dijne wonden hoen. \'t Zy dan oock Sondagh nu, men magh\'t Gods Soon-dagh

(noemen,

10 Ja, en Gods Soen-dagh toe. Maer, laet ick ons verdoemen 4, Waer ick van dryen gae, ick vind ons in de schuld.

God Son, God Söon, God Soen.lioe langhduert Dijn geduld? Hoe lange lijdt gliy, Heer, Dijn\'Soon-dagh, Soendagh, Son-

(dagh,

Ondanckbaerlick verspilt, verspeelt,verspelt inSond-dagh? \'s H E E R E N A V O N D M A E L.

Is \'tweer Dijn\' hooge Feest, en ick weer van de gasten ? Maer, Heer, het Bruylofts-kleed daer in ick lest verscheen Is over halver sleet8, jae \'ten gelijckt \'er geen:

En ick sit moedigh aen als of \'t my puntigh 10 pasten. 5 Hoe waer de wraeck besteedt soo gliy my nu verrasten, Bn uytter deure dreeft in \'t eeuwige geween!

Noch borght ghy my \'t gelagb 13, en, op Geloof alleen En wat boetveerdigheits, en laet mijn\' ziel niet vasten. Dit \'sdan \'t boetveerdigh her;, maer\'t veerdigh gaetniet

(veer:

lü \'t Is geen13 begonnen werek. Wanneer wil \'t boetigh11 weson,

1

erom, dat de Zondag de dag dor Verrijzenis is. 5) een eeuwigen feestdag.

2

6) verooydeelen. 7) veranderd (verkeerdelijk gespeld); d.w.z men doet,

3

ais of de Zondag, do dag dor Zonde was. 8) meer dan half sleet, ü) fier.

4

schuld. 13) on~. 14) boete doende.

ocr page 70

fi2

Voor nu. voor gisteren, cn yoor den tijt naer desen,

Eens boetigh voor altoos; en wanneer wilt ghy \'t, Heer? Is \'taltijts weer op niews, en altijd weer op \'t ouwe? Oh, dat iny \'t hol1 berouw eens endelick berouwe!

4/ iv quot; /» A 0 11 J 0 f f r o ii w

v J- ÏESSELSCADE VISSCEli,

Met mijne Ileilige-Dagen.

J v quot;* Komt, Tessel, uyt de Mis, en uyt het misverstand2:

Jk weet een reenter pad naer. het beloofde Land. \\ Wy sullen onderweegh ook Brood en Wijn genieten :

Maer in ons\' o.igen maegh. Die maer brood eten siet, en Wijn drincken3, sterekt sijn hert niet anders van den geur, Dan of hy nuchteren voorby des Backers deur,

Voorby den kelder gingh. Men sal ons niet doen vasten Als vreemden; maer als weer en weergenoide4 gasten, Spijt onse vyanden, ter volle maeltijd aen,

10 Ten vollen Beker, dorst en honger doen verslaen. Wy sullen op de reis oock peisteren 5 en rusten. En houden lleiligh-dagh: maer niet in luye lusten: De rust sal spoedigh® zijn, en spoediger\'dan \'t gaen. En toepad 6 van den wegh: En altijd God voor aen, 15 Altijd de Ster in \'toog, niet die de Wijsen leidde,

Maer die te Bethlem rees; die uyt den Memel scheide, Om blinde pellegrims te lichten 8 van den grond Tot daer Sy, eewigh licht, voor alle eewen stond.

Lust u meer tijdverdrijfs in \'t reiscn ? \'t sal GodsWoord zijn. Ons Vaders Testament: dat dien die van geboort zijn Sijn\' echte kinderen met list verduystert werdt. Met laster werdt ontleght9. Die fackel van ons hert, Die leid-ster sal ons eerst ons\' Vader leeren kennen,

20

1

ijdele. 2) de eerste lettergreep bevat oene woordspeling mot Mis.

2

3) Gelijk in de Mis, waar alleen de priester brood en wijn nnttigt.

3

4^ genoodigde. 5) de oudeen juiste vorm voor ons pleisteren. Ggt; Versta:

4

onze rust zal voortgang zijn, nl. op den weg ter eeuwige zaligheid.

5

7) hijweg. korter pad. 8) voor te lichten. 9^ op misdadige wijze onthouden;

6

gestaan.

ocr page 71

fi3

Dan onse Moedor toe, en ons aen haer gewennen; 25 Maer naeckt en masker-loos, gelijck de Waerheit is, Ontliooment en ontPaept1. Daer sullen wy \'t gewis, \'t OntwijfFelicke recht van veders erfdeel lesen,

En wat ons staet te doen, en wat ons voeght te vreesen. En waer do wyde Poort, en waer de nauwe gaet2, 30 En hoe ver Libanus van Babilonien 3 éstaet.

Vindt ghy daer4 dan een blad, een woord, of eenen tittel. Een stippeltjen, dat maer uw achterdencken kittel\', En naer den Tiber^ ireck\' en Siloë schouwen^ doe: Van nu af segh ick u mijn vol berouwen toe, 35 En volgh u voet op voet naer Roomen, de gewijdde. En late Basel en Geneven op een\' zijde.

Vindt ghy daer twijfeligh yet dat ons nodigh schijn\' En niet van elders licht t\' ont-duysteren te zijn:

Ot\' vindt ghy daer een\' wenck daer door u dunck\' ons Vader 40 Sijn\' laetsten wil ontdoe\', en wijs\' ons op yet naeder By mensehen toegedicht5, die met ons sterven gaen. En, op het schoonst geset», niet als voor erven stacn; Of vindt ghy daer een woord dat onse Moedertaelen Voor God ontheilipe, en heet\' ons woorden haelen 45 Uyt lïoomens oude puyn, en Heidensch overschot I0, Om daer, en daer alleen, als in een hlind\'ling lot, Ons lofdicht, ons versoeck, ons\' danckspraeck in te voeren, En doen God lijden wat geen\' redelicke boeren Van ons te lijden staet, een\' Bedelaer genae 50 Te hooren eischen die sijn selven niet verstae:

Ot vindt ghy daer een\' spreuck, die ons meer Heiligheden Dan een\' te soecken leer\', en eischen van de leden De hulpe die het Hoofd alleenigh eischen hoort.

Alleen d\'ellendige belooft heeft op sijn woord 11!; 55 Of vindt ghy daer een\'Maeghd daer yemand oyt voor buckte, Die oyt haer Hemelseh kind sijn\' eigen\' eer ontruckte, Die oyt het Koninghrijck als Koninghs moeder nam,

1

van de dwalingen des Roomschen Fausdoms ontdaan. 2) weg; hgd.

2

gasse. Mot den Libanus is de Hervormde kerk; met Babiloniën de Katho

3

lieke kerk bedoeld 4» in Gods woord, de H. Schrift. 5^ ook hier is

4

weer met Tiber de R. leer, met Siloë de hervormde bedoeld G) schou

5

11 K. 12) in dezen zin is het Hoofd, dat in den vorigon regel datief is,

ocr page 72

64

Om dat de Godlickheit door hacr ter aerde quam1: Of vindt ghy daer een Beeld van yet dat Godt moght heeten, Van yet dat niet en moght, ter Majesteit geseten; Ter bede van Gods volek, ora dwers door hout of steen Te hooren, en voor God te brengen ons gestecn-: Of vindt ghy daer een\' Wet die ons een ander vasten ])an matigheit beval, en ons de maght toepasten 2Van veertigh dagen spijs onbeeringh, van een\' Dagh Die meer als andere den Vlees-dagh\'1 heeten magh: Of vindt ghy daer een\' Les die ons verbie te leven Van onser handen werck, en een gekloostert leven Voor deughde-plichten3 steil\', die yeder sijn Gewis,

Sijn\' eigen nood-druft en sijns Broeders schnldigh is: Of vindt ghy daer een\' Keurquot; die \'tHeilige vereenen Van \'t echte Bedde-paer de kladde schijn\' te leenen7 Van onbesneden lust, en maeck my lloerckind.

Om dat mijns Vaders vleesch mijns Moeders heeft bemint; En duyde lasterlick mijns Salighmakers goedheit.

Om dat een\' Bruyloft-mael8 sijn\' mensch\'lickheit gevoedt

(heit,

Om dat hy niet en riep, Bruyd, Bruygom, siet op my,

\'tis beter dat de mensch op aerden eenigh zy:

Of vindt ghy daer een\' Vloeck den sweerer toegedreven,

Die sijn besworen woord, den ketter self gegeven,

Te wederroepen dwingh\', en Israël verklaegh\'

Om dat het Gabaon myneedeloos verdraegh\'9;

Of vindt ghy daer een Schat van onbevolen wercken,

Van overtolligh goed, daer uyt de rijcke kercken

Der armen schuld voldoen, daer door ghy vry en vlngh

Uw\' schouderen ontlaedt op uwes naesten rugh:

Daer uyt een sondigh mensch10 afgodelick verdeele

Dat uwe ziel verquick\' en haere wonden heele.

En vuile soo de maet van Gods verdiensten op,

Die sijn\' irehoorsaemheit vervulde tot den top:

Ofvihdt ghy daer een\'macht een\'schuldigh\'mensch gegeven,

Om sijnen mede-mensch de boete te vergeven

GO

80

85

90

Die hy God schuldigh is, en seggen, mensch, gaat heen,

1

doolt op den Maria-dienst. 2) doelt op do Kruisbooldeu. 3\' lust op-

2

schuppelijhe plichten. G) wet. 7) de vlek schijnt uan te wrijven. 8) te

3

•.)) oindut het niet meineedig wordt aan hel verdrug met (jubuon gesloten.

ocr page 73

65

95

Eet visch, dry weken langh, ghy hebt genoegh geleen1; Of vindt ghy daer wat Broods met een\' getapten Beker Die God en Mensehe zijn, soo levendigh, soo seker, Soo tegenwoordigh als God in den vleesche was 2; Die sich nu sluiten laet in meer of minder kas 3,

En alle daegh ontdoen4, en alle daegh hermaecken, ICO En vinden sonder sien, en voelen sender raeeken. En scheuren sonder breuck, en eten sonder stnaeck, Die hier, en teftens daer, en teecken zy en saeck.

En een vijf-woordens-God5, een God van meelG voor muyscn, Een God, die waer ghy wilt moet huysen of verhuysen: En vindt ghy by gevolgh (\'t gevolgh\'is even wis) Dat God een\' Poort, een AVegh, een waere Wijngaerd is: Of vindt ghy daer een Vyer, dat zielen af kan vagen En sengen uwen Geest, en doen dat Gods verdragen 6Niet af en hebb\' gedaen; Soo segh en sweer iek bier, \'k Wil niet te soecken zijn, \'k wil met u in dat Vier, \'k Wil koken netfens u, tot dat wy gaer gebrouwen. Als afgebluste Kalck, in kceler lucht verkouwen. En dienen stichtelick ten bouw van t heiligh werek Van Scherpenheuvels kluys, en van Lorrettos kerek7.

Of gaen uw\' oogen op, en voelt ghy onderwegen Uw aengesteken Ilert ter rechter zy bewegen.

Als of lly ongesien naer Emaus met ons quaem Die geern is tusscben twee vergaert in sljnen naem 8? Gebeurden U \'t geluck, gebeurden my \'t vermaecken Van uw\' mismaecktigbeit 11 door my ie sien vermaecken ,2! Vermaeckelieke reis, die iek soo geeren sagh\'. Wat maeckten iek van U een\' niewen Ileil\'gen dagh I3!

Maer ons gety verloopt, \'tgety van onse jaeren. Wy moeten flucks van Land, sob ghy meent me\' te vaeren. 125 Ey! meent het. Siet iek meen \'t. Hier is mijn bert en band; Komt, ïessel, uyt de Mis en uyt bet misverstand.

105

110

115

120

1

de Biecht is bedoeld. 2) Dit ziet op het Sacrament des altaars ;

2

volgens de Eoomsche leer verandert brood en wijn in het licbaau en bloed

3

onzes Heeren. 3) do ciborie of monstrans. 4) vernietigen bij de nutti

4

ging). 5) de transsubstantiatie heeft plaats na liet uitspreken der 5 woorden: hoc est enim corpus me urn. 6) do Hostie. 7) het Vagevuur.

5

lijden. 9) twee druk bezochte bedevaartsplaatsen; bot eerste in België,

6

maahtheid (doling) 12) herstellen, yenezen, 13) Versta: de beuglijke ge

7

beurtenis uwer bekeering zou een nieuwe Heilige dag voor mij zijn.

8

C. Huyoeks. — I. 3

ocr page 74

66

Dae 3i) \'k

ENDYMA GAMOY ^

Over des Ifeeren Avondmael.

10

M 0

10

1) VUi

kent. Vj de steegt; «flieven; ftondige Oneerder \'eoo vuii Vó, 4-15

Gods Tafel, en daer aen ick sotte Sondaer, ick!

Heb ick \'er t\'eten en te drincken sonder schrick? Ghy die die Tafel deckt, en met geen minder eten Als van Dijn eigen Vleescli en Bloed; hebt ghy vergeter 5 Hoe dat ick mennighmael, hoe onlanghs, deser Feest On^ierlick aengedaen1, deelachtigh ben geweest?

En lijdt ghy my weer hier, en doet ghy my niet vragen Waer \'t Kleed is, \'tBruylofs Kleed, dat yeder hoort te

(dragen

Die hier verschijnen derft? Ick vraegh\'t mijn selven, lieer 10 En vindt het vuyl gewaed vol vlecken2, waer ick \'t keer Soo was \'t voorheen, soo is \'t en (wel magh ick het vreesen 800 sal \'t geduerighlick, soo langh ick zijn sal, wesen.

Sal ick niet worstelen en poogen dat ick sweet. Om eens Dijn Gast te zijn, met heel een onvuyl Kleed? 15 O jae, Genadighste, die my in vrees en beven

(Als na den binnenmensch3) dien yver hebt gegeven: Danck zy Dy eewelick: ghy hebt my met den lust Van weldoen tegens mijn onweldoen4 uytgerust:

Maer van dry Vyandene en ben ick maer een eerste: 20 Twee laetste werpen my soo veel slijcks, elck om \'tseerste Dat weerstandt machteloos, en, wat ick weer of wis\', Bei, weeren overmant s, en wissen ydel is.

Moet ick dan buy ten staen, sal ick my uyt sien sohuymen En niet soo veel van \'t Mael genieten als de Kruymen? 25 Neen, Heer, daer is een Kleed, daer is een Heiligh Kleed Een bloedigh Kleed, gedrenckt in water en in sweet; \'t Kleed van den Middelaer, dien gh\' u he^bt laeten paeyen 9 Dat kan my decken met de minste van sijn\' draeyen 10.

1

3) het gewaad \'der onschuld vuil en vol vlehTcen. \\) wat den inwendigen

2

geestelijken mensch betreft. 5) Versta: om mij tegen zondigen te ver

3

zetten, hebt Gij mij de begeerte tot het goede ingeboezemd. 6) Wie

4

naast hem zeiven, deze vijanden zijn, is niet duidelijk: ik vermoed: d(

ocr page 75

67

3lt;)

Daer onder vrees ick Dy (ick die Dy vrees) meer niet: \'kWeet dat ghy door dat Bloed mijn\' Etter1 niet en siet.

Noch over het selve.

Gliy maeckte water wijn: dat \'s klaer als wijn of water; En \'twas een wonder werek. Ghy noemde Brood uw Lijf, En Wijngaerd-sap uw Bloed, en \'twas een tucht-bedrijf2 Tot uw\'r geheu^enis: soo lees ick, en soo staet\'er.

Mijn\' ziel vergaept sich niet aen wat veel\' eewen laeter De grove gronden ley van ee we lick gekijf:

Wie u \'t mirakel. Heer, of aenschrijv\' of ontschrijv\' 3 Houd ick voor even boos van opset en van snater.

Gunt my het recht, het slecht, het oud, het al-gemeen. Het onbemorst gebruyek van wat ghy hebt gesproken, Er dit mirakel toe: 0 God voor my gebroken,

Breeckt nu dit lichaem oock en dese ziel van een.

Neen, neen, verworpen steen4; ghy zijt \'er van gewroken, Maeckt maer mijn steen tot vleesch, en maer mijn vleesch

tot steen.

Noch over het selve.

Ick wil, Heer, dat ghy wilt en heb het langh gedaen; lek heb Dijn\' loop-baen lief, en loopse met vermaecken. En doe \'t van over langh, en hoop het niet te staecken, Maer van de denigh grein tot hondert toe te gaen5.

Hoe pleit ick evenwel? is dus de maet voldaen,

Is \'t wel of met mijn\' wil of met mijn\' loop te raeckens? Oh, soo veel ydelheits en laet my noyt genaecken: Onnutte dienstknecht, hoe soud ick by my 7 bestaen?

Mijn wil is wilde wil, mijn loop is staegh te rechtens. Oh, die de voeten wiescht van Dijn\' onvuylder o knechten, Wascht met den minsten drop van Dijn onschuldigh wee

Mijn\' vuyl geloopen* 10 af, eer ick ter Tafel tree. Ick seght, ö God, en meen \'t, en ween \'t en steen \'t, oh armen ! \'t En geit noch wil noch loop 11; mijn heil is Dijn ontfarmen.

1) vuil (zonden). 2) daad van onderwijzing, inzetting. 3) toekent, ontleent. Vgl. het gedicht, bl. 73. 4) Zie Ps. 118. 22, waar do Messias heet . de steen, die... verworpen was Versta verder: Gij zijt daarvan ont-s lt; heven; maak maar mijn gemoed zacht en mijn lichaam ongevoelig (voor zondige begeerten). 5) het steeds meer te doen (de dosis steeds te ver-ftneerderen). 6) bereiken. 7) uit eigen kracht. 8) recht te maken. 9) niet •yeoo vuil (als iki; Uit doelt op de voetwassching der apostelen; Johan. ld, 4—12. 10) Vul in: voeten. 11) Wil noch loop hunnen hier volstaan.

10

10

ocr page 76

68

Noch over het selve.

liet kleed most wit en Uaer, jae spier- en sueew-wit zijn, Dacr med\' ick op Dijn\' Peest, Almachtige, verschijn:

Maer \'t is een\' sneew vol slijcks, en \'t is een spier vol vuylen Die ick ter Maeltijd brengh. Wat sal ick aengaen-? schuylen/ 5 En schouwen Dijn gesicht? de Vijgen van al t land Ziin breede-bladen-loos 1 tot mijner sonden schand.

Neen, Heer. ick berghmy niet; ick wil van Dy geberght zijn; O, wilt het om Dy selfs noch dese reis geverght zijn M Ick sal haest snee\'w-wit zijn, soo ghyder maer toe doet •10 Den Ysop van Dijn\' üeest, de Looge van Dijn bloed.

Noch over het selve.

Verschijn ick op Dijn Feest met all\' mijn\' twistigheden, Ick op Dijn Vrede-feest, ick twistigh met mijn\' Uden, Ick met mijn Even-mensch, mijn\' Reden en mijn\' God, En lijdt gby dat ick Dy viermael in \'t jaer bespot; 5 En brengh\' een\' Brnyloft-rock tot overkleed van sonden, Als of \'tDy blinden kost, en swachtelen mijn\' wenden Voor Dijn gevveldigh oogh dat door de nieren boort?

Jae, Heer, ick spreeck het luyd, en lijdequot; dat ghy\'t hoort. De boose zijn soo veel\', soo weelderigh, soo machtigh, 10 Sy maecken \'t goed soo quaed, de logen soo waer-achtigh, D\'onnoosele soo vuyl, d\'onschuldige soo swert;

Daer is geen schuylen meer voor \'t vredelievend hert: \'t Moet strijden, of \'t hem lust, of niet en lust te strijden: Maer Dijn\' genade nmeckt mijn strijden niet dan lijden: ID Ick wreeck my met geduld. Noch roem ick van meer machts; Bespouwen sy mijn\' eer met achterklap, ick wacht\'squot;; En draegh \'t\'stil-swijgende, tot dat de tijd verschijue Dat ick magh segenen voor aengedaene pijne, En maeckense versaft en overtuyght van sin, _ 20 Van onverdienden vloeck voor broederheke mm 7, En Iconen leed met lief, en laden die my haeten Met weldaed over hoop®, om of\'J sy \'tmochten laeten,

1

bladeren genoeg. sta toe, dat ik het u dezen keer nog yrage h belyde.

ocr page 77

t

En schaemen sich \'tgevloeck, en werden moe geqnelt Die geen verset1 en soeckt als weldoen voor geweld. 25 Dien twist en stoockt gy niet: gy dooght hem\'t mijnen voor-En \'t is een\' oeffeningh die \'ck van Dijn heiligh oordeel (deel; Gewilligh onder gae en plege schier met lust:

Want ghy zijt met de Ziel die oock Dijn\' roede kust. Veel scherper is de twist die \'ck niet en kan verbloemen, öO Die \'ck binnens monds bely, die \'ck niet en derve noemen. De twist met Dy en my, de twist van Geest en bloed. Die daer mijn reden doet niet willen wat sy moet. En niet doen wat sy wil, \'t quaed kennen en niet laeten, ?t Goed kennen en niet doen, de misdaed doen en haeten 2, 35 Niet volgen daer ghy roept, niet keeren daer ghy keert, Niet soecken dat my dient, niet schouwen dat my deert.

Maer d\'allerheilighste3, \'t volck van Dijn welgevallen. Zijn sevenmael des daeghs en sevenmael gevallen, En drymael eer den hacn den dagh op kraeyen moght, 40 En \'t heeft den sommigen soo hoopeloos gedocht. Van vallen op te staen soo langh sy vallen konden,

Dats\' uyt des levens tijd en uyt het lijf der sonden Ontslagen wilden zijn, en wenschten om de pijn Van sterven, om do pijn van sonden door4 te zijn. 45 Wat ben ick voor een worm by die verkoren vaten? Wie 5 doe ick dat sy de\'en, wie sit ick daer sy saten? Een hond. Almachtige, die om de kruymen baf Van Dijner kind\'ren brood: jae diers van d\'eerste straf, Een kruyper by der aerd, in \'t vuyle slijck van sonden, 50 Geen beter Voedsel waerd dan \'t overschot der honden. Dijn maecksel evenwel, en daer een\' Ziel in leeft Die op Dijn\' zegen hoopt en voor Dijn seggen beeft. Een lemet7 die noch vonckt, of emmers schijnt te roocken Als of sy voncken moght; een ried vol kromme kroocken, i 55 Een mensch, en daer is \'tal; een Engel, soo ghy wilt8 f Dat Dijn\' verbolgentheit voldaen zy en gestilt

Door sijn\' voldoeningen, die, voor my afgekomen,9 Voor my vermenschelickt, het Kruys heeft opgenomen Dat my te wichtigh was, mijn\'t achterheit10 betaelt, ê» (30 Sijn selven in de schuld en my daer uyt gehaelt.

Oh wilt het Vaderlick en Schepperlick en Heerlick;

09

1

Jiem, die geen verdediging, tegenwoer. 2^ de zonde haten en ze toch

2

doen. Z) de rechtvaardigen. 4) door de zonden heen 5) wie hen ik, die

3

doe, enz. G) Versta: de Slang. 7) lampeions, jiit. 8) het mr tril is.

4

9) uit den Heine? gedaald. 10) achterstallige schuld.

ocr page 78

70

En, zijn Dijn\' Heiligen van uyt het selvc deerlick 1 Gestegen daer sy zijn, en waeren sy voor Dy Dat ick was eer ick was2, en wierden sy met my 05 Dat ick wierd doe ick wierd3, en most gh3r beid\' herbaren4, Doe w\', eens geboren, niet als wangeboorten waren, En struykelden sy noch herboren, als ick doe, 4

En waren sy, als ick, dan wacker en dan moe.

Dan neerstigh en dan traegh, dan zedigh en dan dertel, 70 En is \'t al menschcn-werck en meer en min gespertel, En meer cn min versnyms van aengeboden heil.

En meer en min berouws van meer en minder feil,

En hebt ghy oock de schuld van een door-schuldigh leven, Om eenen oogenblick beronwlickheits5, vergeven, quot;5 En lange moordery genagelt aen Dijn Kruys 0,

En die7 cle Rechter straft\' ontfangen in Dijn huvs,

\'tHuys der gerechtigheit; hebt noch eens medelijden Met een welmeenend hert, dat staet maeckt op Dijn lijden, i» Met een verloren kind, dat van den dool-wegh keert, 80 Met een vermiste Schaep, dat ghy van niews bekeert

En by de negentigh en negen t\'huys gebracht hebt, I

Met een\' misdadigen dien ghy aen \'tKruys bedacht8 hebt, ! En van dol wijs geraaeckt en levend van een lijck.

En leeren seggen, Heer, gedenckt mijns in Dijn LijcK. ^

Noch over het selve.

Is dat de swaerighcit? neer sitten, eten, drincken. En setoren, prrooten danck. endoen dat dancken klincken, ?

xjixi jivcicKeii uuvcicii vuu iui on •

En is dat jock niet licht en goed om dragen, Heer? O Jae\'t: ick schort het op9 en meender me te proncken Voor menschen en voor God. Voor bey ? wat magh ick ronc-

kftn 10!

Voor menschen oogen, jae: maer voor mijn\' Schepper, neen. ^ (Ghy weet Alwetende, ick segh het tussen tween quot;,) En menschen weten \'t niet,hoe \'t weeght op dese schoud ren, \'10 Die \'ck voel dat seffens gaen verswacken en veroud\'ren, Hoe \'ck strnyckel onder \'t pack, hoe lichtelick mijn voet In \'t strnyckelen verstuyekt; hoe dat ick ligh en wroet V

1) dezelfde ellende. 2 » hestond■ 3) yehoyoi icevd- 4) iloo:; do watoren dos doopsels nl. 5gt; heronwigheid, heromv. 6\' de sclndd. des (herouwheb-henden) moordenaars aan uw Kruis opgehangen, d. i. met uwen Kruisaood f betaald. 7) dien; den moordenaar nl. 8) aan tvien gedacht. 9) neem hel oj), 10) pochen. 11) tasschen ons heiden.

*

ocr page 79

71

üm op te raecken, en niet op en kan geraecken;

Daer at dit Bruyloft kleed, dit kermezijne1 Laken, 15 In \'t heiligh Bloed gedoopt soo vuyl, soo kladdigh siet. En nochtans sit iek hier, en ick en schaem my niet, Noch voor den Bruydegom, noch voor sijn\' uitverkoren, Sijn\' Sonne-suyv\'re Bruyd Neen,Heer,ghy moet het hooren. En hoort het dagelicks, en hoort het niet geduld, 20 De plecken in mijn kleed zijn \'t door mijn eigen schuld. Daer valt geen pleiten voor: maer isser een van allen Do gasten pleckeloos ? en zijnse niet gevallen Als ick gevallen ben, en dan weer op gestaen,

Dan weer gestruyckelt die met my ter Tafel gaen? 2D Ghy ■\\veet het, en ick gis\'t, dit weet ick sonder gissen, De\'Bruygom blijft alleen, en moet sijn\' Gasten missen. En setten in haer\' plaets sijn\' dienaers sonder end,

Sijn\' Eng\'len sonder vleck, in dien hy hier ontrent Niet als het vleckeloos Gowned verstaet te dulden. 30 Maer houdt3 uw\' lesse niet. Vergeeft ons onse schulden. En d\'andre. Komt tot my al die beladen zijt ?

En is \'tniet al met schuld beladen inder lijd?

En is \'tniet Menschen-werck, geen\' Engelen te wesen? En zijt ghy niet. gestraft, gestorven en goresen 33 Om aller schulden vleck te wasschen in Dijn Bloed? Soo siet niet wat ick de\', maer wat ghy deedt en doet Tot lichtingh van myn pack, tot suy v\'ring van mijn\' vlecken, Soo sal ick hier bestaenquot;; en, kant\'er wat toe strecken, Dat ick mijn\' schuldenaer vergeve wat hy dé,

to Wat ick niet en verdiend\' en wat ick van hem le.

Stout en ootmoedigh, lieer, derv\' ick my des beroemen: En suit ghy in \'t gericht geen\' menschen-ziel verdoemen. Dan die geen\' menschen-ziel sijn schuld vergeven kost, Soo ben ick5, niettemin door Dijneu arm, verlost.

Noch over het selce.

Wel! dat de sondaer sich bekeer\' en levend blijv\',

Is dat des Heeren wensch in \'t menschelick bedrijf? Soo zijn wy buylen sorgh: want wien en soud \'tniet lusten In leven en in dood op sijn bekeerquot; te rusten?

^karmozijnen; oorspr. arabisclie stof. 2)zijn Kerk. 3) houdt in, hevat. 4 1 nl. voor U. 5) Versta: zoo bon ik, die mijnen evenmenscli wel vergeef, verlost, maar toch slechts door Uwe genade, ö) lekeeriny, vgl. ommekeer, terugkeer.

k

j

ocr page 80

5 Jas, Heer, ick ben bekeert, en kom daer op aen \'tmael Van Dijn\' jredachtenis en minncliek onthael.

Is \'t niet bekeers ^enoejih? Siet ick verfoey de sonden Van mijn\' voorleden tijd, als ingevnylde wonden Daer my de renek af walgbt; Ick wenscbte s\'ongedaen, 10 lek -vvenscbte s\'uyt den Boeck gewreven daer sy staen, Ick wenschte1 s\'in bet diepst van aerdrijck of van baeren Ver van Dijn aengesicbt wegb en verduystert waeren: Is \'tniet bekeers \'genoegh? Misrekenend gemoed,

\'t En is niet halver weegb van daer gby wesen moet. •15 \'t Berouwt\' my van eertijds: wie soud liet niet berouwen, Wie en berouwt geen quaed die \'t weet en kan onthouwen? Blaer is de man bekeert die \'t quaed onthouwen heeft. En seght liet hem berouwt, en noch in \'t quaede leeft? En doen ick als ick ded\' en lev\' ick als ick leefde 20 Doe \'t quaed my niet en rouwd\' en ick God wederstreefde, Gewentelt in het boos\' en van de wer\'ld verbeert2. En beet ick vol berouws, en ben ick wel bekeert?

Is mijn berouw beroem3, en mijn\' bekeeringh praeten. En maeck ick staegb mijn werek van seggen en niet laeten ? 25 Neen, door des Heereh hulp, \'ken trad niet als ick tree, \'kEn lev\' niet als ick leefd\' en doe niet als ick dee, \'kEn denck niet als ick dacht, \'k en sjireeck niet als sy spra-Die met my liaer verbond en Cods geboden braken. (ken, Is \'tnu bekeers genoegh? noch al ten halven maer; 33 Ten halven; Jae, mijn God, ick weet het, en \'tis waer; Het vorige verfoeit en ernstelick berouwen 4,

liet jegeuwoordige voi yver en onthouwen 5,

En is de volle boet vari Dijn behagen niet:

\'t Voornemen is de plicht daer Dijn\' genad\' op siet: 35 Het opset hebt ghy lief, het ernstige verloven 6

Van overplceghde \' sond begunstight ghy van bover. Met goeder ouderen barmhertige versoen.

Als \'tkind belooft, \'ten sal \'t sijn leven niet meer doen. Nu is \'t bekeers genoegh: \'t voorleden is berouwen, 40 \'t Toekomende verlooft. Maer sal \'tverloven houwen? Sal \'toude water-werek8 den ouden gangh niet gaen . In mijnes oude ganghs verdrietige weer-aene?

1

Hier is dat weggelaten oven als eonigo regels lager achter i\'K scpAf.

2

overheerscht (slaaf der wereld\'. 3 Klankspeling. 4) berouwd. 5) out-

3

houdinq; dus in anderen zin dan boven vs. 10. 6) afswerett, verzaken.

4

7) dikwijls gepleegde (tot gewoonte geworden). 8) clepsydra, uurwerk.

5

0) weer voort (zooals vroeger); op nieuw.

ocr page 81

73

Ghv weet het, ^oede God, en ick en kan macr wensehen; Want ffhy zijt altoos God, en wy zijn altoos menschen: ^5 Maer die my\'t wensehen paeft,volstreekt Dijn werck,en gunt Dat ick alleen niet kan, en ghy Al-eenigh 1 kunt.

Noch over het selve.

En eet ick niet Gods vleesch, en drinck ick niet sijn bloed; Wat doen ick hier te gast, en waer toe is \'tmy goed. Dat ick mijn lichaem set daer \'t meermael heeft geseten En desen Wijn geswelght en in dit Brood gebeten, 5 Is \'tniet, gelijck God sey, sijn lichaem, is het niet Het Bloed dat hy vergoot en \'t bloed dat hij vergiet?

Mijn\'ziel en vraeght dit niet; ick voel \'t mijn lichaem Vragen. Is\'tvreemd? syvraeghden \'twel die God in \'t lichaem sagen2, Hoe sijn Vleesch eetbaer was: Ick vraegh boe \'t niet en is; 10 Want emmers is \'t getrouw en heiligh en gewis,

Al wat hy spreken wouw; en die het naer hem schreven Betuygen duydelick dat hy Sijn Vleesch gegeven,

Sijn lichaem omgedeelt, sijn Bloed doen drincken heeft. Maer, Heere, doe ghy \'tspraeckt hebt ghy in \'t vleesch ge-

/ * fleeft:

15 En atm\' u daer ghy saet, en saet ghy daerm\'u op at, En de verrader, die met u de leste sop 8 at,

At hy u tot die sop voor toespijs? neen, gewis. Die \'tseggen, meenen \'tniet, die \'t meenen, rneenen mis: \'tEn was, \'ten kost niet zijn: ghy wilden\'t niet doen wesen, 20 Is dan het vonnis niet omstandelick gewesen?

Wat blijft men haspelen 4 of\'tdagh is, of geen dagh? De Son schijnt. Atnvu niet daer elck u ^oeld\' en sagh. En bijt men in uw vleesch, daer \'t soo ver uyt der oogen En uyt der handen is? moet ick het in meedoogen 25 Of in mijn\' gramschap sien, dat een geschapen mensch 5 Met minder als een\' wenck, met nauwelicks een\' wensch Sijn\' Schepper nederdaeght, sijn\' Schepper aen derft seggen. Doet dit uw lichaem zijn, des\' Wafelen, des\' Weggen6, En laet het Wafelen, en Wegeren blijven zijn, 30 Vleesch en Bloed in der daed. Meel en Melck in den schijn. Komt uyt den Hemel niet, en regent u beneden In dusend stucken broods7: lijdt wat ghy hebt geleden,

1

Klankspeling met alleenig, alleen. 2) do discipelen. 3) spijs, maal.

2

4) harrewarren, twisten. 5) de priester in de Mis. 6) hrooden. 7) in de

ocr page 82

74

Hersterft uw diere Jood, soo diekmaels als \'t hem lust l)ie n hier, die u daer staet en verraedt en kust,

35 Geeft uw\' vijf\'woorden1 plaets;Laet u de weerklank2 dwingen Wat meels te zijn, Ghy God en Schepper aller dingen.

Was soo de meeningh. Heer, en was \'t uw heiligh wit3 Te lijden naer uw\' dood, te rijsen daer ghy sit,

En van de rechterhand des eewigen vermogens 40 Te daelen onder ons? \'t Zijn ongerijmde logens,

Het zijn verdichtselen daer van ghy noch de schuld In Dijn\' gerechtigheit den Dichter4 eisclien suit.

Vergeefsch bekleedt men sich met averechte Veeren Van woorden die men weet recht tegons draeds te keeren: 45 In dien \'tuw lichaem was daer van ghy seidt. Dit is\'t, Soo hebben sv gedwaelt en heel den wegh gemist Die u niet a\'s een\' Wegh5 vertraden met haer\' quot;Voeten, Die u voor haeren Heer, niet voor een\' Deure groetten. Die \'t ongeredent 6 docht en buyten allen schijn 50 Dat ghv de Wijngaerd, sy de fancken souden zijn.

Ghy wilden u nochtans Wegh, Deur en Wijngaerd noemen. En\'die uw woord misduydt is waerdigh om verdoemen. En sy misduyden \'t. Heer, en ick misduyd \'t mei haer. En seght \'t en is niet soo\' en evenwel is \'t waer; 55 Wegh, Wijngaerd, Deur en Brood, ghy zijt het al te samen. En die \'r-niet vatten wil heeft geen gevoel van schamen, Of hoorde noyt de tael van Canaans geluyt\',

Of sluyt sijn\' oogen toe, of beide zijn hem uyt En 8 isquot; blind op gevoedt, en kan aen \'t sien niet komen. CO O die my door de siend\' en uyt het saed der Vromen Ter wereld hebt gestelt, door\'wien ick heb gelooft Al wat gelooft moet zijn, weest eewighlick gelooft.

Noch over het selve.

Dry maenden zijn verby, sints ick hier lestmael sat. En beet in \'t heiligh Brood, en proefde \'theilsaem Nat, Nu noch eens opgerecht9, en uyt de Maeltijt scheido, Versadight en gevoedt als \'t vet Schaep uyter Weide, 5 Gemoedight, als een Held die sich ten üorlogh rust, Om tegens my met ernst te strijden en met lust.

1) zie boven bl. 65. 5. Versta: geof gevolg aan uwe vijf woorden, maak ze waar 2) wanneer nl. do priester die woorden herhaal: 3) doel. 4) Jteiu, die ze verzonnen heeft, 5) Christus heeft immers ook gezegd: Jlc hen de weg, de tvaarheid en het teven; Joh 14. 0. 6) onredetijh, dwaas. 1) kent de eigenaavdigheid der Tlelii\'eettwschc taal uiet. 8,\' en hij 9; thans weer eens ter maaltijd aangerecht.

ocr page 83

75

])ie strijd is aengegaen: Ghy hebt hem m}- sien winnen, En sien verliesen, Heer: met Vyanden vanquot; binnen, Met buyten-Vyanden heb iek te\' doen gehadt; 10 Dan zijnse my ontslipt, dan heb iekse gevat;

Dan ben iek quot;neergestort, dan ben iek opgeresen. Dan buyten alle hoop, dan boven alle vreesen.

AVat heeft\'er aen geschort? most iek geduerigh staen, Noyt struyekelen, en, noyt geslagen, altoos slaen ? \'15 Neon, neen, rechtveerdigheit en sien iek niet vergallen1Mot sesmael alle daegh, mot sevenmael te vallen;

En, soo \'tmy achtmael, soo \'t my thienmael is sreschiet. Is daer door all\' uw gunst verdwenen, of te niet? Iek vraegh \'t niet sorgeloos, ora achtmael sonder vreesen 20 Te derven schuldigh en onschuldigh willen wesen;

Maer nu het achtmael is, ot een, of ses of dry,

lieer, kond gh}\'- \'t dusenden vergeven, en niet\'my?

Genae voor dusenden, voor my, voor mijns gelijcken: En siet ghy ons wat min veroveren - als wijeken, 25 Hn bacrt ons stadigh ouw\' belofte niew verwijt3,

Ilebt wat medoogentlick gevallens in den strijd,

Dat\'s, in Dijn werek; want. Heer, Heer van onnutte knechten, Quaem\'t niet van boven neer, wie quamer eens aen \'t vechten.

o

10

Koortsige

B E D D E-B E D E.

Wilt dan deernis met my hebben.

En de quaelen eens doen ebben 4 Die my perssen vloed op vloed;

Valt my niet te lastigh bange.

Heer, en worstelt niet te lange Tegen dit onmachtigh bloed.

Machteloos en schuldigh keil5 ick\'t,

Maer voor Dijn gesicht beken ick\'t,

Daer Genade staet by Kocht:

Laet mijn\' sonden dusend wesen Boven dusenden goresen.

Emmers blijv\' iek noch Dijn knecht.

1

1 Vederven, in boosheid veranderen. 2) overwinnen. 3) doordien men ze

ocr page 84

76

Emmers een van Dijne Schaepen,

Die gliy met de trouwe -napen 15 VanlDijn\' Engelen beset

En veel j\'siger\'- gevaren Schadeloos doen wedervaren En ten lialven hebt belet3.

Doe ick langhs de klippe-trappcn .,0 Op vier voeten moste trappen

Daer den afgrond nevens lagb,

Daer mijn\' herssenen af klagen Dat sv\'r noch een\' draey af dragen Als \'tmy somwijl heugen magn4:

05 Doe ick door den mist gedreven

Ty en haven mis gedreven Endelick ten sande stack,

Daer mv niet te kiesen stonde Verre van bekenden gronde Dan een bootgen als een wrackquot;:

Doe ick tusschen kar en paerde Met het opperst naer der aerde Viel en hongh en niet en viel,

Met de handen in den teugel,

Met de beenen door den beugel,

Ter genade van een wiel 6:

Al om hebt ghv my gedragen.

En gedreight met schaduw-slagcn En geschort ter halver val:

En is \'t nu een flauwe toortse Van een\' ongesiene8 koortse Die my fonder houden sal?

Waer is \'tvyer, waer zijn de kolen Onder welcke quot;darmen-holen 45 Staet den rooster die my braeyt?

Die haer\' wonden leeren kennen,

Leeren aen \'t gesicht gewennen.

Half genesen, half gepaeyt.

1) heschermd: 21 ijslyke,-. 35 de gevaren nL 4) ziet op overkomen bij zijnen tocht over de Alpen 1620 . 5) Dit gebeurüe B j g

ÖJe JZHp^»quot;rK» Londen. ^ —- -

rcoupon, halve ongelul\'Tcen. 8) onzichthaai •

30

35

40

ocr page 85

77

Waer af komt de vloed en ebbe 1 50 Die ick in mijn\' Leden hebbe?

Waerom gaet het uerwerck vast Dat soo veel kost van ontstellen?

Boender ons soo veel mis-tellen Daer de meester staegh op past2?

55 Maer het zijn Dijn\' diepe gronden

Die wy noyt en ondervonden3,

\'tZijn Dijn\' wonderen, 0 God,

Daer ghy gierige bevraegers,

Sterrenb\'oorers, Hemel-plaegers, 60 Mé begrijpende 4 bespot.

Nu en houd\' ick \'tnedrigli onge Niet al uyt in \'t zeil soo liooge5;

Maer, 6 kenner van mijn hert,

Een gebeedje moet ick lesen,

05 Wilt my kennelick genesen

Van mijn onbekende smert.

Begonnen Danckseggingh voor Verlossingh uyt deselve Sieckta.

Zynder woorden in de monden Van de volckeren der aerd,

Zijnder seggingen bevonden Grieckseher of\'t Romeinscher aerd, 5 Zijnder spreucken die mijn\' Lippen

Vollen konnen tot den boord.

En mijn\' lippen soo ontslippen Als de donder werdt gehoort.

Volekeren van uyt den Westen, 10 Volekeren van d\'Obster zy,

\'kVergh\' u tongh en tael ten besten.

Voert my elck van \'tsijne by:

\'k Heb een pack op schouder leggen Dat op schouder-hulpe beidt®, 15 \'k Heb lof, prijs, en eer te seggen

\'tEewigh licht in eewigheit.

li het op- en afgaan tier koorts. 2) de 4 laatste regels zijn mij niet heel duidelijk. 3j doorgrondden\' 4) Veris^emle. 5) als de astronouitu, nl. 6) op de hulp van een ander wacht.

ocr page 86

78

•20

God, den Schepper uwer Vad\'ren Uwer kind\'ren hooge vooglid.

God, die niet en hoeft te nad ren Om te keuren hoe ghy dooght , God. uw Vader en behoeder.

Die hat quade van u draeyt.

Die u decksel, huys en voeder Over uwe Landen saeyt.

\'t Onbegrijpelicke quot;Wesen Dat de wildste van u voelt,

Niemand laten kan te vreesen Hoe sijn hert oock wille-woelt Dien God heb ick toe te schieewen Uyt dit hert, door desen mond.

Dien door aller eewen eeuwen Op te loven van den grond:

Van den grond, de laege woonmgh, Daer de mensch, de groote mier, In eenquot; stadige verthoomngh^

Leght en kruypt van daer tot hier: Van den grond, daer ick verslagen In den brand, jae selver vier \', Heb mijn herte leggen knagen, En mijn\' ziel doen ruymen schier.

10

Ontwaeck.

Hoe goed is God! hier ben ick joch, Vrv van gekreun en van gekroch , Als uyt een\' korte dood verresen:

Moght ick het uyt mijn\' sonden wesen, Die staege dood mijns levens. Heer, Kroont deso weldaed met wat meer:

Laet my mijn selven niet verslaepen. Dry dagen was Dijn Vriend 0 ontslaepen. En stonck den vierden, als hy rees; Hoe is \'tmet mijn bedorven \\lees, En met mijn\' vuyle Ziel daer binnen.

30

35

3) comediespel. i) Ja, zelf vuur geworden.

11 lijdt. 2) zich verzet. 5) gekerm. 6) Lazarus.

ocr page 87

79

Sy stincken bey voor alle öinnen,

Jae voor Dijn Ncus-gat, jae voor \'tmijn; En, lleere, soo en kan \'tniet zijn, 15 Of dese niewe vonek van leven

Hebt shy my voor de hand1 gegeven;

Soo zijn mijn\' oogen bey niet toe,

ühy doet2 dat ick\' er een op doe:

lek droom niet, want ick sie mijn\' droomen 20 Mijn open oogh te voren komen.

En ick vertelse Dy, ö Heer,

En werpse voor Dijn\' voeten neer.

Als vuyle vodden van de leden Die tegens Dy ten strijde treden 25 Jae tegens my die beter weet,

En steeds van Evas Appel eet.

Maer emmers, nu ghy my siet geewen, En hebt gh}\' niet soo luyd te schreewen, Als, Lazare, komt uyt de kist; 30 lek weet wat dat hy niet en wist,

Ick weet ghy zijt my by gekomen.

En grijpe seifs niet naer de zoomen Van Dijn door-en-door-heiligh kleed: My heelt, dat lek geloov en weet, 85 Hoe Ghy, gezegen door de woleken

Ter saligheit van alle Volcken,

Voor alle volcken van Dijn\' Kerek Getreden zijt in \'t bloedigh werek,

En hebt de wijn pers self getreden3; 40 Met wonderwereken en met reden

De Kieekens van Dijn- eigen\' Hen Vergadert, daer ick een af ben;

Ghy hebt van Dijn1 verdoolde Sehaepen De Kudde t\'samen komen rapen, 45 En van die Sehaepen ben ick een;

Dat weet ick uyt Dijn\' eigen re\'en-i;

Dat weten kond ick niet bereicken,

Had ghy de hand niet willen reicken.

Om my te slepen uyt den nacht 50 Van mijn\' onkunde sonder macht.

Hebt medelijden met den weter,

En, dien ghy wel doet, doet hem beter: Gedooght niet dat in wetenschap 1) kennelijk. 2) of Gij maakt. 3) Openbaring, 19. 15. 4) de Schrift.

ocr page 88

80

Mijn wanckelend Geloove slapp\': 55 \'t Was een mirukel, my te scheppen,

En, dat sich dese leden reppen.

En dese Ziel met haer bedrijf,

Is meer mirakels dan mijn lijf:

Maer \'t Schepsel over eind te houwen, 60 Is minder niet als \'teerste bouwen.

En, schiept ghy my niet alle daegh, \'t Gebouw laegh dusend mael om Jaegh. Schept en herschept Verstand en Reden, Soo dat sy, meesters deser leden, ö5 Haer weten buygen naer de Wet

Die ghy den weter hebt gesett:

Soo sal dat wettelicke weten 1Gehoorsaemheit en Liefde heeten. En strecken tot des weters nut;

Soo sal de roede zijn geschutt.

De dobb\'le roede Dijner slagen Die ghy den knecht dreight te doen dragen Die \'s Meesters wil weet en verstaet. En willens wetens tegen staet.

Geneseu van Dooflieit,

TOT GOD.

Myn\' misdaed, van \'t getal der gene die Dy haeten. Was op, onwaerdigh, my, van \'t salige getal Der hoorers van Dijns woord heilsamige geschal,

Was op, welwaerdigh, my van Dijn\' hand uyt gelaeten2, 5 En sloegh my over \'t hoofd, en wilde t niet veriaeten; S\'en schonde my mijn een, mijn eenigh Oor en al3.

Dijn\' goedertierenheit schoot tusschen \'tongeval. En stiide met een\' set de weeën die my aten.

En heelde my \'t gehoor. Wat heb ick nu te scggcn? 10 Mijn ongeluck en heil by Malchus 4 lot te legger?

1

wetenschap, die niet indniischt tegen Gods woord. Let op do woordsp.

2

Zeer verwarde constructie. De zin is: Mijn misdaad was togen mij,

3

die van \'t getal uwer haters geworden was en onwaardig van te bè-hooren tot Tiet zalige getal dergenen, die naar het heilzame geluid van

4

Uw woord luisteren, (mijne misdaad) was togen mij, die dat v el verdiend had, door IJ we hand losgelaten, enz. 3) Zijn ander oor was reeds in zijne jeugd door doofheid getroffen. Zie Leven; vort. v. Loosjes bl. 145. 4) wien Petrus een oor afsloeg, dat door Christus geheeld werd.

ocr page 89

81

O neen, de wonde was ver min geneselijck,

De straffe bet verdient, de weldaed o\'ngelijck:

lek was, als Malchus was, de Malehus die het lede, Maer, ick moordadige, de Malehus die \'t my dede.

Begin van den 101 Psalm.

Myn\' Ziele sinckt om hoogh; mijn hert te langh verladen Met saecken van gewicht weeght1 hemelwaert u\'yt my. Van Psalmen gae ick groot, van Lof-sangh, die voor\'Dy, Gerechte, goede God, gerechte goedheits paden 5 Sal melden, en mijn hert ontleden voor Dijn oor. O zegent mijn begin; dit leven neem ick voor,

sje * #

Begin van de Artijchelen onses Geloofs.

God sprack, en niet wert yet. Dat\'s God zijn sonder weergae. Almachtigh wesen, of ick op, en of ick neer gae, \'k Ontmoet Dy in Dijn werck: van dese voetbanek af Tot in dien hoogen throon die Dy Dijn\' wijsheit gaf, 5 Is \'tal God, en vol Gods, den Hemel is vol tongen. En die vol wonderen: het aerdrijck roert sijn\' longen. Er. tolckt daer tegen op AVat stofle was dat, Kiet,

Daer soo veel Yets nyt rees als hert en ooge siet. En rees in oenen wenck, den wenck van seven dagen, 10 Die ghy soo noemt, om mijn\' onmacht te leeren dragen2? Niet was, en Yet was niet: Yet werd, en Niet vergingh, Soo was Niet, en was niet: Maer ghy waert alle dingh.

Gods thien Geboden.

Bidt God alleen. Geen Beeld, Spaert Gods naem. Viert

(sijn\' rust,

Eert Ouders, Moordt, noch Boeit, noch Steelt, noch Lieght,

(noch Lust4.

Biecht en troost.

Ick ben geboren in het quaed,

Quaed dat ick noch niet naer en laet,

1

neiyt, klimt. 2) wedijvert ermede. 3) om mij over mijne macJUeloos-

2

c. Huygess. — I. C

ocr page 90

82

Hoewel liet mijn gemoed verstaetl;

Jlaer dat van quiied tot erger slaet, 5 Daer Vleesch en Werelt nae my staet2,

Met haer betreckelick ■\'1 gelaet,

En daer de duyvel om my gaet,

Tot alle mogelieke schaed.

In desen koramerlicken staet 10 En ben ick doch niet bnyten raed,

Daer komt my een behulp te baet,

Daer ick my quot;eenigh op verlaet,

Mijn Kechtér is mijn Advocaet.

tot god.

Myn\' sonden zijn my leed; soo zijnse my vergeven: lt;gt;m mijn leedwesen ? Neen: Ghy, Waerheit, Wegh en Leven, ühy selver hebtse my vergeven voor uw\' pijn.

Om mijn leedwesen? Jae: Ten kan niet anders zijn: 5 Maer dat leedwesen self hebt ghy my sell\' gegeven. T o t God.

Is hy staegh in gevaor van vallen, die daer staet,

Heer en verlaet my niet, dat ick u niet verlaet\'1.

tot god.

Vergeeft ghy soo als wy den schuldenaer vergeven;

fSoo leef\' ick\' vrolyk met de beste die daer leven En vrolick sterven gaen; Jae, Schepper, van n i af üntsegh ick my Dijn\' gunst, bespreeck ick my Dijn\' straf S Houd ick3 de booste niet van nu af quijt en even Met de goe\' ziel die ghy, die ghy my hebt gegeven. Tot GOD.

Wanneer ghy klopt aen \'t steenen hert,

Daer geen gehoor gegeven werdt,

Wilt ghy dat Hert vets laten hopen,

Soo klopt, Heer, en doet selver open. Tot God.

Ick weet de sonden wel, daer med\' ick Dj- mijn\' dagen, Soo veel heb derven plagen,

Ghy weetse die ick niet en weet Heer, weetse langer niet, S}\' zijn my even leed.

1) inziet. 25 Vgl. iemand naaf het leven staan. 3) verleidelijk. 4) Vorsta sta mij bij, opdat onz. 5) indien ik niet.... houd.

ocr page 91

83

ï O T (x O I).

Op Niew jaers darjh, 1658.

\'tls op een niew1 Niew jaer, en iek sio \'ten belev\' liet, Groot Seliepper van den Tijd, die \'t my vergunt en gevet, TVeest eewelick gelooft, die my dus ver gebracht En onlancks metten haer2 gesleept hebt uyt de gracht, 5 Daer ick te grond\' in gingh, soo \'t liep door alle monden, Die Dijne Wonderen maer menschelick verstonden Ghy schenckt my een Niew jaer; Ick weet en ick beken. Dat ick\'er Dy, op \'t minst, een niew voor schuldigh ben; Maer, schept giy dan in my het Niew jaer en \'t niew Leven, •10 Soo ghy \'t my niet en geeft en kan ick \'t Dy niet geven.

Wisse Winst.

God heeft ons niet van doen: maer wyhem dagh en nacht; Nochtans eischt hy ons wat, en, hebben wy geen\' macht Om fteven wat hy eischt, hy geefts\' ons; mits gebeden, En vierigh aengesocht. Hy eischt met alle reden, 5 \'tGedweege danckbaer hert; soo danckbaer, dat daer nyt Gedacht en woord en werck tot sijner eeren spruyt\'. En dan volght saligheit. Hoe kost, men \'t schooner malen, Als krijgen1 wat men geeft, en winnen by betalen? Uyt Psalm 36. 6.

\'k Sie wat my de Wereld doet;

Maer ick segh in mijn gemoed,

Wilt ghy in gerustheit raken.

Hoopt op God, hy sal \'t wel maken.

Uyt Psalm 25. 10.

Indien ghy na de waerheit gaet Hoe sullen wy bestaen voor Dijn Gericht, och armen ?

Maer daer mijn hoop alleen op staet,

AH\' Dijne wegen. Heer, zijn waerheit en ontfermen.

Gods-dienst.

Wat ding magh Gods-dienst zijn? ter Kerck gaen, hooren

(]gt; reken.

En bidden om ontsla gh van schulden en gebreken ?

1quot;» op nieuw, weder. 2) hij het haar, hij de haren. 3) II. was op liet eind van 1657 drie maanden lang ziek geweest, zoodat iedereen hem naar menschelijk inzicht reeds opgegeven had. -i) men krijgt immers van God dat dankbare hart.

ocr page 92

84

\'t Gelijckt de waerheit wat, en \'t Volck gelooft het:inaer \'k Ben ooek van \'t Volck, en dus bewijs5 ick het niet waer 1. 5 Die God dient, doet God* yet dat God\' dient: maer in \'t mid-Van allerlei gebreek en doen wy niet als bidden. (den Wat light men sich en houdt2 of eischen geven waer. En wat dienst treekt men van een\' biddend\' Bedelaer? Of light de dienst in \'toor, en dien ick God, met hooren 10 Wat hem gevallen magh, en wat hem kan verstooren ? Wien dient dat meer als my? wat komt een\' Vader toe 3, Van dat het Kind in \'t School een\'Plack haelt, of een\'Roe ?

Is dan de Kerck noch nut, noch noodigh ? Wel ter degen; En Gods-dienst gaet\'er om, daer aen God is gelegen. 15 Men looft en danckt\'er God, beid\' ongetwijffeit, wel4: Want beid\' in lof en danck voldoet men sijn bevel.

Dat \'s Gods-dienst in Gods Kerck; men denckt, en spreeckt

(en fiinght het;

Als\'tdanckbaer hert ontluyekt, soo juyght het en soospringht En seggen wordt gesangh,\'gesangh van stemmigheit, (het; 20 En veler herten een\' gemeen\' eenstemmigheit.

Doet noch een\' dienst daer by, die God\' en mensclen lief is, Dienst, sonder welcken dienst, elck Christen mensch een\'

(dief is.

Een\' handgift in Gods Bors8, naer yeders moed of macht. Den Armen te geval; de Kerck-plicht is volbracht. 25 Maer is de Gods-dienst uyt? Ick sied\'er die \'t soo wegen, En meenen allen plicht met Kerck-gangh af te plegen: Maer \'tis niet halver wegh; jae \'tis geen thiende deel, En, seid\' ick \'thonderste van hondert, \'t waer te veel. Die in \'t School schrijven leert, heeft buyten \'t School te

(schrijven,

30 Of 5t schrijven in de School waer vruchteloos bedrijven. En \'t wordt vergeefsch geleert dat noyt gepleeght en wordt. Waer in dat plegen staet, begreep ick wel in \'tkort6: Maer die het best begreep in heiligheit van woorden. Die \'t nut waer dat wy staegh in hert en ooren hoorden, 35 Was een Gods Afgesant; en heeft het dus beduydt.

Leent oor en hert, en let hoe krachtelick het Inydt7.

1) de onwaarheid. 2) Wat ligt men en houdt zich — wat doet men het voorkomen. 3) wat heeft er een vader aan? 4) wat heide ongetwijfeld goed is. 5) armenzalcje. C) zon ik wel in korte woorden ki nnen zeggen. 7) Hierop volgt een griekscho text uit Jacob 1. 27: De suyvore ende onbevleckto Godsdienst voor God ende den Vader is deze: weduwen ende weesen besoecken in liaer verdrukkingl)e ende hem selven onbesmet bewaren van de werelt.

ocr page 93

85

G o d s - d t e\'n s t.

\'k Sie datw\' ons meestendeel beklagen van ons\' Boden, Als die geern ons Verbod, en noo doen ons\' geboden; Maer dus vertroost ick my; siet, segh iek, op en neer1, Wie wordt\'er qualicker gëdient als God de Heer?

Korte omspraeck van mijn da^elicks

HUYS-GEBED.

Wy derven ons, 0 God, voor Dijne voeten buygen. En Dijnen hoogen Lof ootmoedelick betuygenquot;.

En seggen ])y den danck dien elek in sijn gemoed Wel weet en wel gevoelt dat hy Dy seggen moet, 5 En niet uyt seggen kan, voor d\'endeloose gaven Van allerhande gunst, die ons, onnutte Slaven,

Dijn\' overgoedigheit eer Tijd of Wereld waer2,

Sints Tijd en Wereld is, in voorspoed, en gevaer, Tot desen oogenblick heeft laeten weilervaeren. 10 Maeckt onse herten vol, die \'t nemmermeer3 en waeren. Van volle danckbaerheit, daer van Dy innerlijck . Tot in het binnenste van dese herten blijek\'. Den menschen uytterliek, en in het overvloeden Der waere teeekenen van danckbaere gemoeden 15 Wel seggen en wel doen. En om het menighvond Uyt grond en overvloed des herten opgestouwt4,

Bekent en onbekent mis-leven 3 onser dagen,

Mis-leven in gedacht\' en woorden uytgeslagen ^ In wercken uytgevoert, en alles tegen Dy,quot;

20 Met aü\' d\'ondanckbaerheit die uyt te spreken zv,

ü Allerhooghste, en wilt met Dijn\' ondanckb\'re Knechten In Dijn\' verbolgentheit het scherpste recht uiet rechten7, Die den ondanckbaeren goed en genadigh zijt.

En ons ondanckbaerste in onses levens tijd 25 Ons\' ongerechtiglieit noyt hebbet doen ontgelden:

Maer, 0 ghy die met recht van Dy hebt laeten melden,

1

omhoog en omlaag. 21 was. 3) nimmer. 4) opgestuwd. 5) wangedrag,

2

hoosheid. 6) Vgl. iigd. ausgepragt, zich openbarende in- 7) niet volgens

3

het strengste recht handelen.

ocr page 94

86

Dat niet de Sontlaers Dood, maer de behoudenis Die sijn bekeeringh volght, Dijn welgevallen is,

Om de voldoeningen Dijns Soons en onses Heeren, .iO Schelts\' ons genadigh quyt en helpt ons hert bekeeron, Bekeeren, groote God. tot Dy in meerder drift Van Kennis, Hoop, Geloof, en Liefde, en al Dijn\' gift: Daur door wy, sterck in Dy, en in Dijn\' volle rustingh. Met wereld en met vleesch, daer aen al onse lust hingh, K Jae met het boos besoeck 1 dat ons geduerigh quelt,

Elck onder sijnen voet geluckelick gevelt.

Van d\'Aerd\' en m\'t haer Slijck ten Hemel opgetogen. Dijn Godlu\'k voorbeeld, naer ons menschelick vermogen Betrachten naer te gaen; en, daer het al in is, 40 Dy lieven2 uyt de kracht van hert, ziel, en gewis, En even als ons selts de Kudde Dijner Schaepen,

Door Dijn\' hand, neflens ons, en ons gelijck, gcschaepen.

Hoedt en verlost daer toe de zielen die hier zijn. Met haere Lichaemen, van alle leed en pijn;

45 Baet bey gezegent zijn met noodelicke gaven

ïen uytvoer van \'t beroep daer in sy sich begaven En noch in leven door het Heilige bestel3Van Dijn\' voorsienigheit: en beide doet soo wel.

Dat weer die zegen zy gezegent met den zegen, 50 Die Dijne Kinderen ten erfdeel is verkregen,

Daer door ons lij\'n en doen, in allerley geval,

In leven en in dood, ten goeden eind bevall\'4.

Daer tegen wy, in doen en lijden, dood en leven, quot;Wat ons te vooren kom\', waer toe wy ons begeven, 55 Voor en aen-nemen r\' als voor Dijn onslap\'righ» oogh: Wat gh\'ons genieten heett of dragen, van om hoogh, \'t Zy onverdient geluck, of wel verdiende plagen.

Als van Dijn Vader-hand genieten en verdragen; Gewilligh \'tallen tijd\' en \'tallen tijd\' gereet,

60 Om uyt dit doodigh lijf, op d\' ure die ghy weet.

Vervoert te werden in niew\' Hemelen, niew\' Aerde Van onbekende form, van onbegrepen waerde,

Daer van in ons de hoop op Dijn\' belofte light \'t Huys der Gercchtigheit en eewigh levens licht.

1

aanvechting, heJcoring. 2) heminnen. S) bescJiiklcing. -1) i il eene goede

2

uitkomst gerake d, w. z- tot onze zaligheid diene. 5) Bij floor is nemen

3

verzwegen. 6) altijd irahend en dus alziend. Verst a : Laat ons in onze voornemens en daden doen blijken, dat wij ons Uwer alziendheid l)e-

4

wusl: zijn.

ocr page 95

87

65 Doet die barmheitigheii den Hoofden en den Leden Van dit vergaert gesin, en doets\' op ons\' gebeden Den Vrienden van dit Iluys, en die hat by liaer bloed Verwant en Maegen zijn1; Jae, Heer, wy bidden, doet Oock onsen Vyanden de selve gunst beleven, 70 Ons\' blinde Vyanden, die in den doncker sweven,

Verr\' van Dijn waerbeits pad; naerL\' Dijn eer in dat werek Bestaen kan, en de vreed, en stichtingli van Dijn\' Kerck. Doet noch de selve gunst dien Gby Dijn Volek in lianden, Als Voogbden, hebt gestelt, voor al in dese Landen, 75 Daer ghy dit deel Dijns Volcks te samen hebt gebracht Met all\' de sehaeren van haer\' swaere Legers-kracht; Ooek met den jongen Vorst in haer bewind geboren. En die aen \'t Hooge Huys van sijnen Bloede hooren. Doets\' oock den Dienaeren van Dijns Woords druckcn Oost2; 80 Doets\' allen swacken en verlegenen om troost,

Doets\' allen menschen, Heer, naer Dijn\' barmhertigheden En wijsheit sonder grond; want wat zijn vleesch en leden Van dese sterflickheit, \'t en zy in Dijn\' Genae,

W\'aer is het Schepsel oock, dat voor Dijn Keclit bestae? 85 En, ö Ghy Schepper en Behoeder van de menschen. Wat sou Dy \'t Schepsel doen? hoort en verhoort ons wen-

(sehen

Soo verr het werdt gewenscht als Ghy ons wenschen heet4, Met wat ghy noodiger tot onse welvaert weet;

Soo 0 wy al \'tnoodighst hier in \'tHeiligh Voorbeeldquot; sluyten, 00 Dat Ghy Dijn\' Kinderen na Dy hebt leeren uyten. Soo \'t Dijne leeringe by ons werdt na geseght\'.

En op Dijn\' Autaren, danck-offers-wijs, geleght.

O in de Hemelen ons aller eenigh Vader,

Geheilight zy Dyn Naem, Dijn\' Kijeke kom\' ons nader, SC Dijn wil geschied\' op Aerd als in Dijn Hemelrijck: Geeft ons het noodigh brood van daegh en dagelijck; Vergeeft ons alle schuld, soo w\' alle schuld vergeven Aen die ons sehuldigh zijn; en leidt ons by dit leven In geen versoeckinge, maer vrijdt ons van den strick 100 Des Boosen; want, ö God, alleen en eewelick

Hoort D}- der Rijcken Kijck, en alle kracht, te samen Met alle Heerlickheit der Heerlickheden. Amen.

1

die dooi\' haar Vloed eraan verwant of vermaagschapt zijn 2) voor

2

met Utve voorschriften. 5) Gelijk. 0) \'t Ouzo Vader.

ocr page 96

8S

Om bestan digh Geloof.

Wat ick voor oogen sie en kan ick niet gelooven,

liet gen\' ick niet en sie, daer voor ick God moet loven,

Geloov\' ick of ick \'t sagli.

Groot Gever van die gaef, geeft dat ick \'t herden 1 magh, Tot dat Geloof, Gesicht sal werden, en sien, weten. En alles Liefde heeten,

In \'trijsen van dien dagh.

) volhouden.

ocr page 97

EUPRASIA

OOGEN-TROOST

A EN

PAETHENINE,

Bejaerde Maeghd; over de verduysteringh van ha er een ooge.

Verdenckt den Dichter niet die desen Eijm heleidt1; 11gt;- heeft U vander jeught met ydel\' vrolickheit, Met jock voor jock bericht 2;en \'t docht hem. in diejaeren, Dat woorden sender scut en lacchen, öusters wareii3, 5 En \'t docht u even soo; Nu weten Ghy en Hy Het suer en \'t soet gesicht te stellen, \'naer het zy.

Naer \'t nn is, voeght ons \'t suer; maer tusschen \'t suer en

(\'t suere

Valt keurigh onderscheid: d\'ellendig\' avond-uere r\'

Daer God ons mede dreight, vereischt een amper soetquot;, 10 Een staetigh-suer gelr.et van oogen en gemoed.

Als \'tkind geslagen werdt betaemt hem eens te suchten: Maer knorr en kijven zijn ontijdige\' geruchten,

Die noch een\' niewe roey verdienen van de hand Die d\'eerste geessel gaf aen sijn geliefde pand. 15 De Pottebackers will is meester van sijn\' aerde;

1

gebruikt werd om oogziekten te genezen. Daar eufrasia in letterlijken zin hlijmoedigheid, vrooljkheid beteekent en liet gedicht dienen moet om Parthenine (Juffrouw Lucretia van Trollo; zie Hui/gens-Studië/i, M. 122 „over do verduystering van haer een oogequot; te troosten, is het

2

duidelijk, dat H. met beido woorden spoelt. 2; dit vers opstelt. 3 met scherts op scherts (louter jok) onderhouden. 4) Versta: dat woorden

3

zonder zout (saaiheid) en woorden zonder lachen (ernst) synouiiemen waren. Zie Iluygens-StudiëH bl. 117, vlgg. en Koord en Zuid, XII. 2.

ocr page 98

90

Misbruyckt hr \'taerden vat tot diensten van onwaerde1, Wat reden heeft het vat te seggen, waerom dus,

W aerora en ben iek niet soo kostelick 2 als flus.\'\'

Verstaet iny. aerdigh3 vat, voll allerhande deughden; 20 God heeft ii van een\' klev die oor en oogh verheughden Voordaehtelick gedraevt; Nu lust hem van die kley Wat aerdighs af te doen: J)enckt of de Schepper sey, Schoon\' aerde, wordt tot aerd; wat staet u toe 4 teseggen. Waer mede meent het Ivind de macht te wcder-Icggen 25 Van \'s Vaders wijs bestier? wat reden heeft een Worm Te klagen, Ben ick oock* gegoten in Gods vorm;

Waerom vertreedt hy my ? Jjeert Slichtende beiijden Dat hem de roey toe komt, en u de schuld« van \'tlijden: En. ot \'t u erger gingh; \'t vat heeft geen woord in t vat 30 Om seggen, waerom doet de Pottebacker dat:

Daer zijn goe\' Tredickers die met gesonde monden Benuaeme meesters8 zijn tot ongevoeldef wonden, Stuerluyden op het strand, die Vrienden, in den nood, Gerust en sorgeloos vermaenen tot de Dood.

35 Van dese hen ick geen: uw lijden is mijn\' pijne,

Behalven het medoogh 10 is uw verdriet het mijne; En, spreeck ick uyt medoogh, ick schrijf met een mat oogh, Dat God weet of het meer of min dan \'t uwe doogh : En ghv weet of \'t my raeckt, mijn uyt-sicht1- te sien mindjren, 40 Daer langhs het Brood in moet voor Vader en vooi? Kmd ren: En ghy weet of ick \'t voel, mijn\' macht verkort te sien ^ Om mijner dagen tijd te dienen Dien 1,1 ick dien.

Maer God, God, Parthenin, die dese lichten stichte. En altoos stoppen14 magh, God vlieght ons in \'tgesichte 45 Of seght maer, mogelick. Komt, Kinderen, te bedd,

Ick treek een\' venster toe: En wy, als recht gt; die t lett , Wy houden ons misnoeght, en stellen ons in tklagen. Om dat wy niet en sien, al wat wy geerne sageiij.

En wie en sou die klacht niet lusten, waer s hem nutt . 50 Maer wie heeft oyt daer met des Hemels loop gestutt . En of den Hemel hoorde, en schonck ons mewe glasen

1

onwaardige \' vernederende. 2) van evenveel waarde, zoo hooggeschat.

2

3) woordsp. aardig dient hier in gewonen zin en m dien van van aarae

3

genomen. 4) wat slaat n vrij, past u. 5) indien ik enz. 6) verpltch mg.

4

7i heeft niets in fe hrengen. 8) heelmeesters. 9) die zij zelf niet voelen.

ocr page 99

91

In do bonwvalliglieit van ons getimmer1; Dwaescn, Wat meenen wy to sien? Deughd en Gerechtigheit? Trouw, Liefde,quot;Vrede-vreughtl, meer dan wy door\'t beleid 55 Van twee jong\' oogen oyt bejoegen? Amy-, neen:

Veel\' oogen van de snelste, én die getwernt2 in een. En vonden door den drangh van vuyle menschlickheden Pie sehoone tronjen 3 niet; en\'t schijnt de stam is heden In meeste Hoven uyt; der vruchten is niet meer BO Als Abricosen hier quot;en Persiken wel eer3.

Nu hebben Ghy en lek de Wereld uytgelesen: Wat dnnckt u, soud \'tvoor ons al heel ontijdigh wesen. Het Boeck eens toe te slaen, en maecken op den Text, Op \'s menschen allerwijst, dat is op \'talier ghextquot;, 05 Ons blindelingli Sermoen, ons oogeloos bedencken?

Sou niet des Hemels gunst ons hebben willen krencken, Om binnewaerts te sien, en met de raemen toe. Der stormen en \'s geruchts der straeten even moe, Ons goedjen \'t overslaen\', en onse drooge Lampen 70 Van olie te version, om ol s de Bruigom quamp, en He middernachtsche dief ons\' grendelen ontsloot,

Eu stal ons uyt ons3, door do reten van do Dood?

Twee oogen van gelas, van zenuwen en water En dienen daer niet toe;,die zijn ons met den Kater 75 En met de Katt gemeen; en alle beesten sien;

Maer God heeft onse Ziel met beter licht version;

Daer slaet een\' ander\' strael naer binnen, op wat rijekers; De Wijse Luyden zijn haer\' eigen\' verre-kijekers 10; En die sich wel gebruyekt en hoeft geen\' Brillen meer, 80 En die sich soo gebruyekt mach suchten, en niet meer. Om een verlooren oogh; maer laet hem met sijn\' Reden Den overigen dagh aen God en hem besteden,

Hy heeft de Ziel vol wereks, en, in die besigheit,

En sal hem niet een uer, niet een\', voor d\'ydelheit H5 Der eewen over zijn; door d\'eewen van daer boven Sal sijn gedachte gaen, by sal God moeten loven Voor d\'ongemeene gunst, die hem den hellen dagh,

1

nieuwe vensters in ons bouwvalliff huis. 2) O mij! helaas! 3) ge

2

thans hier even weinig te zien als vroeger van perziken of abrikozen.

3

nl. dat zij zich zeiven doorzien.

ocr page 100

92

Die hem het eewigh licht, dat ooge noyt en sagh,

Noyt menschen hert begreep1, met sijnes herten oogen 90 By voor-raed open doet en voor de hand - beoogen.

De lust van dat gesieht heeft blinder menschen hand Haer\' glasen in doen slaen, sy hebben \'t lieve pand Van kijcken aen haer selfs raoordadelick ontstolen, Sij hebben in haer selfs haer ydelheit ontscholen295 En in die donck\'re school meer wetenschaps geleert. Dan daer3 sy, met den naem van Wereld-wijs4 vereert, Natuers geheimenis geloofden te begrijpen.

Sy dochten, \'tmael was op; men most het mess nn slijpen Tot voedsamiger spijs: sy dochten, \'tspel was uyt; 100 Al wierd\' er weer op niews getrommelt en gefluytt,

\'t Sou \'tselve speeltje zijn; daer werdt niet niews ge booren; En, soo der noch yet niews ontstond voor oogh ofooren, Sy lieten \'t voor de Jeughd, die haer5 verdrietigh pad Door doorn en distelen noch nae te treden had. 105 Sy waren moe gegaen, gelegen en gesetcn,

Gewoelt, gewrocht, gesocht, igt;;eseit, gesien, geweten; Sy wilden uyt den Tijd. Noch was haer \'t pad ontkent7: Het naest van haer begrip was daer of daer ontrent; Sy hadden yet gesien, maer schemerings gewijse 110 Veel meer als niet met all, veel min als \'trechte wijse: En, als \'top scheiden quam, op \'t scheiden uyt dit lijf, Dan karmden sy om hulp (blind bedelaers oedrijf) En wisten niet tot wien. \\Yy weten ons waer-henen 8, Ons toe-pad9, en ons recht, dat over langh 10 veriichcnen, Gereet staet te voldoen 11; ons recht ter heerlickheit Van \'s Vaders erffeniss, en eewigh\' eewigheit.

Soo veel verschillen hier blind Heiden en blind Christen: Die sonck van duysterniss in donckerheit, en misten: Dees rijst van licht tot licht, in \'t doncker 1-, en voortaen 13, 120 Tot in der Eng\'len licht, daer sulckc blinden gaen;

Geen\' and\'re, van den slagh die nu de Werelt decken: Den Hemel viel te nauw voor all\' de blinde gecken. Want, Par the nine lief. \'tis niet de moeyte waerd De blinde gae te slaen die hier en daer ter aerd

1

Toespeling op I Cor. 2. 19. 2) op vooylictnd, hij voorhaat of vlah

2

vlucht gevonden, tegen hunne eigene ijdelheid. • 4 in die school, waar.

3

5) wijsgeer. 6) hnn nl. der wijsgeeren. 1\\ onhekend 8\' otizc bestemming.

4

x 9) de kortste weg om er te komen. 10 bij Christus\' dood, nl. 11) voldaan

5

te worden. 12.) moet na dees rijst gelezen worden. 13) verder voort.

ocr page 101

93

125 Den kruys-wegli1 buyten Sté cn binnen over-karmeu; De blinde rijek en eel verdringen slecht\' en armen. En, wilt ghy met my gaen en wandelen door \'t slijck Van \'s werelds vuyle straet, siet wat wy ongelijck Meer 2 blinden, meer en ongeneselicker\'blinden 130 Dan wy zijn, by den wegh schier blindlingh sullen vinden. My maelt een lange lijst van blinden in het hoofd: Sy moeten \'er eens uyt, en, soo ghy my gelooft,

Wy sullen Valcken zijn, en hebben Arends oogen, En scggen, God zy danck, die ons in sijn medoogea, 135 Maer een oogh en ontnam, cn beide nemen mopht. Dan ben ick t\'ende wercks, dan heb ick uyt-gedocht:

Sitt neer, \'tviel ons te bangh, soo wy de lijst uyt-stonden3; Mijn uer-werek is voor twee. dry ueren4 opgewonden: Of \'tmet een\' veer gaet, of met hangende gewicht5, 140 Staet u te keuren, naer mijn\' reden, swaer of licht.

Gesonde Li\'en zijn blind: sy sien maer door de weelde Van haer welrijend0 bloed: sy sagen noyt wat scheelde Kranck en onkranck te zijn: sy sagen noyt haer\' Gall Ontsteecken tot een\' Koorts: sy sagen noyt den vall 145 Van soute sinckingen\' op,oogh, of oor, of longen; Sy sagen noyt een\' Roos op eenigh Lidt ontsprongen:

Efet stadige geblick\' van haren Sonne-schijn Verblindt haer\' oogen soo, dat wat sy niet en zijn Haer dunckt onmogelick, als andere te werden.

150 Soo siet men se door weeld\' 0 in weeld\' op weeld\' volherden; Soo leggens\' alle daegh \'t haer van den hond daer op I0; Soo vierense staegh schoot, en voeren \'tin den top 11: Tot dats\' een slinger-buy sien vallen in haer laken vl, Die \'t Schip op zijde werpt, of dat sy \'t voelen kraken, 155 \'tZy op een\' blincle klipp, (de klipp en is niet blind, De Schipper is het, die sich \'t stieren onder-windt, En heeft geen oog\' in \'t zeil, en weet van stroom noch streken) \'t Zy op een brandigh strand: daer raeckt het roer aen\'t steken, De Stierman over boord. Dat heet voor uyt te sien 160 Ter langhde 15 van sijn neus: soo sien gesonde Li\'en. De Siecke sien noch min; te weten door de dampen

1

do kruiswegen waren gescliiktc standplaatsen voor blinde bedelaars.

2

veel mee)\'. 3) hieven staan, tot zij ten einde is. 4) twee a drie uren.

3

5) of het betoog vlag of loom van stapel loopt. 6) r.aar den eisch stroom end.

4

7) S. Burgerhart bl. 308; brakke zinkens. 8) glans, schittering. 9) uit

5

weelderigheid. 10) \'t kwaad door \'t zelfde kwaad trachten te genezen.

ocr page 102

92

Die hem het ecwigh licht, dat ooge noyt en sagh,

Noyt mcnschen hert begreep1, met sijnes herten oogen UO By voor-raed open doet en voor de hand-\' beoogen.

De lust van dat gesicht heeft blinder mensehen hand Haer\' glasen in doen slaen, sy hebben \'t lieve pand Van kijcken aen haer selfs moordadelick ontstolen, Si] hebben in haer selfs haer ydelheit ontscholen295 En in die donck\'re school meer wetenschaps geleert. Dan daer 1 sy, met den naem van Wereld-wijs3 vereert, Natuers geheimenis geloofden te begrijpen.

Sy dochten, \'tmael was op; men most het mess nu slijpen Tot voedsamiger spijs; sy dochten, \'tspel was uyt; 100 Al wierd\' er weer op niews getrommelt en gefluytt,

\'t Sou \'t selve speeltje zijn; daer werdt niet niews gebooren; En, soo der noch j\'et niews ontstond voor oogh ofooren, Sy lieten \'tvoor de .feughd, die haer4 verdrietigh pad Door doorn en distelen noch nae te treden had. 105 Sy waren moe gegaen, gelegen en geseten.

Gevoelt, gewrocht, gesocht, geseit, gesien, geweten; Sy wilden uyt den Tijd. Noch was haer \'t pad ontkent7; Het naest van haer begrip was daer of daer ontrent; Sy hadden vet gesien, maer schemerings gewijse «0 Veel meer als niet met .ill, veel min als \'t rechte wijse: En, als \'top scheiden qnam, op quot;t scheiden i.yt dit lijf, Dan karmden sy om hulp (blind bedelaers bedrijf) En wisten niet tot wien. Wy weten ons waer-henen8, Ons toe-pad9, en ons recht, dat over langh ,l) verschenen, 115 Gereet staet te voldoen 11; ons recht ter heerlickheit Van \'s Vaders erffeniss, en eewigh\' eewigheit.

Soo veel verschillen hier blind Heiden en blind Christen: Die sonck van duysterniss in donckerheit, en misten: Dees rijst van licht tot licht, in \'t doncker 12, en voortaan 13, 120 Tot in der Eng\'len licht, daer sulckc blinden gaen;

Geen\' and\'re, van den slagh die nu de Werelt decken: Den Hemel viel te nauw voor all\' de blinde gecken. Want, P ah the nine lief. \'tis niet de moeyte waerd De blinde gae te slaen die hier en daer ter aerd

1

Toespeling op I Cor. 2. 19. 2\' op voorhand, hij voorhaal of vlah

2

vlucht gevonden tegen hunno eigene ijdelheid - 4\' in die school, waar.

3

9) de kortste weg om er te komen. 10 bij Christus\' dood, nl. 11^ voldaan

4

te worden. 12) moet na dees rijst gelezen worden. 13) verder voort.

ocr page 103

93

125 Den kruys-wegh1 buytcn Ste en binnen over-karmen; De blinde rijck en eèl verdringen slecht\' en armen. En, wilt ghy met my gaen en wandelen door \'tslijek Van \'s werelds vuyle straet, siet wat wy ongelijck Meer2 blinden, meer en ongencselickerquot;blinden 130 Dan wy zijn, by den wegli schier blindlingh sullen vinden. My maelt een lange lijst van blinden in het hoofd: Sv moeten \'er eens nyt, en, soo ghy my gelooft,

Wy sullen Valcken zijn, en hebben Arends oogen, En seggen, God zy danck, die ons in sijn medoogea, 135 Maer een oogh enquot; ontnam, en beide nemen moght. Dan ben ick t\'ende wereks, dan heb ick uyt-gedocht:

Sitt neer, \'t viel ons te bangh, soo wy de lijst uyt-stonden3; Mijn uer-werek is voor twee dry ueren4 opgewonden: Of \'tmet een\' veer gaet, of metquot; hangende gewicht5, 140 Staet u te keuren, naer mijn\' reden, swaer of licht.

Gesonde Li\'en zijn blind: sy sien maer door de weelde Van haer welrijend0 bloed: sy sagen noyt wat scheelde Kranck en onkranck te zijn: sy sagen noyt haer\' Gall Ontsteecken tot een\' Koorts: sy sagen noyt den vall 145 Van soute sinckingen 7 op,oogh, of oor, of longen; Sy sagen noyt een\' Koos op eenigh Lidt ontsprongen: Het stadige geblick8 van haren Sonne-schijn Verblindt haer\' oogen soo, dat wat sy niet en zijn Haer dunckt onmogelick, als andere\'te werden.

150 Soo siet men se door weeld\'9 in weeld\' op weeld\' volherden; Soo leggens\' alle daegh \'t haer van den hond daer op I0; Soo vierense staegh schoot, en voeren \'tin den top 11: Tot dats\' een slinger-buy sien vallen in haer laken 12, Die \'t Schip op zijde werpt, of dat sy \'t voelen kraken, 155 \'t Zy op een\' blinde klipp, (de klipp en is niet blind. De Schipper is het, die sich \'t stieren onder-windt. En heeft geen oog\' in \'t zeil, en weet van stroom noch streken) \'t Zy op een brandigh strand: daer raeckt het roer aen \'t steken. De\'Stierman over boord. Dat heet voor nyt te sien 160 Ter langhde quot; van sijn neus: soo sien gesonde Li\'en. De Siecke sien noch rain; te weten door do dampen

1

do kruiswegen waren geschikte standplaatsen voor blinde bedelaars.

2

reel meer. 3) hieven staan, tot zij ten einde is. é) twee a drie uren,

3

5) of het betoog vlug of\' loont van stapel loopt. $) naar den eisch strooniend.

4

7) S. Burgerhart bi. 308: brakke zinkens. 8) glans, schittering. 9) uit

5

weelderigheid. 10) 7 kwaad, door \'t zelfde kwaad trachten te genezen.

ocr page 104

94

Van haer ontsteken bloed, door.Uiehten en door Krampen, Door Steenen en Colijck, door Groen\' en swarte Gall; Wat haer te voren komt, haer\' pijnen verwen \'tall1; 165 Sy sien \'t huys tuymelen dat recht staet in sijn\' mueren; Sy sien haer\'\'vyan\'den voor \'tbed, cn \'tzijn gebueren, Die haer ten dienste staen: sy sien de dood in \'tvat Dat haer genesen moet; sy schricken voor goed nat, Al ofs\' een dollen hond sijn gift hadd\' aengebeten2; 170 Sy sien noch hulp noch hoop, (soo dichte zijn do spleten Daer d\'onervarentheit in hoogen nood door siet)

Sy sien noch licht noch locht tot nyt-komst van verdriet; Sy sien de geessel wel daer mc sy zijn geslagen;

Maer Gods hand, diese voert, en siense door de plagen, 175 Verdiende plagen, niet; (mijn\' lieve Pakthenin, Slaet dese blindheit gae, daer steeckt voor ons ,wat In) Sy bijten in den steen3, en sien niet dat de Werper De Pottebacker is: haer lijden maecktse scherper4; Sy werden lijdende half moedeloos, heel gram,

180 Als of\' haer geld weerom, en veel gelijcks toe qnam5. Sy pleiten tegens God; sy konnen Job van buyteri:

Haer hert stremt tot een\' key daer redenen op stuyten Als ballen van den muer. Het blindste van haer zeer Is meerder twijffelinghli: sy sien niet dat haer Heer 185 Haer Heer en Meester is, en meesterlick\' ks.n salven. En straftse mogelick niet wijder als -ten halven,

Üm heel erkent te zijn: sy sien haer\' dorheit aen. En seggen, Menschen-kin\'d, is \'t mog\'lick te verstaen Dat dese beenderen noch eens aen \'t leven raecken, 190 En noch eens over end ? sy sien niet dat hermaecken Veel min als maecken is, en dat van yet -tot yet Een slecht8 mirakel is by \'t eerste yet uyt niet.

Tot dat sy \'t samen sien en voelen en besinnen. Vriendinne, weest getroost; God kan sich self\'s verwinnen \'J, 195 Hy heeft noch slijeks genoegh en speecksels in den mond 10, Om ons te leeren\' sien wat sieck scheelt en gesond. Geruste Li\'en sijn blind: sy sien maer doorliet troet\'len

1

wegens hunne ziekte zien zij alles door een douTceren bril. 2) alsof\'

2

een dolle hond hun% enz. o) zij toornen tegen hunne hwaal. 4* bitser.

3

5) Versta : alsof zij met hun lijtien te veel geboet hadden en zij groot

4

gelijk hadden met tegen God te morren. (W De grootste verkeerdheid

5

in hunne ziekte is steeds toenemende twijfel (aan hunne genezing.)

ocr page 105

95

Van haer\' eenparigheitsy keuren \'tall voor hoet\'len2 Dat onrust geven kan: sy sien\'de sorgen aen 5 200 Voor Schroeven sonder end, die door de sinnen gaen,

En schroeven vruchteloos i; sy sien den dagh van morgen Niet eer dan \'t morgen is: sy wilden geerne borgen 4 Kond \'t sorgeloos geschien: sy wisten geern hoe \'t gaet In \'s Vaderlands bestier, hoe \'t met den Oorlogh staet, 205 Wat Munster5 broeyen sal; waer \'t kommerloos te lesen: Sy sien haer\' plichten niet, of schricken voor haer wesen, Als waer \'t Medusas hoofd11; sy sien niet dat een man Sijn Lands-heer schuldigh is all wat hy weet en kan: Sv sien haer huys-gesinn niet hollen 7, door de slaep-sucht 210 Van haer onweckbaer oogh: sy sien niet of een Aep sucht, Of eenigh Christi Lidt: sy sorgen als de Katt,

S3\' sagen geern\' een\' vrieiid geholpen uyt het natt,

Kond \'t maer drooghs-poots geschien:Sy wilden geerne stelpen Des naesten woedigh vyer; waer \'t met een wensch te helpen: 215 Sy gingen geern in \'t huys van jammer en verdriet, Verstoorde maer \'t gekarm haer\' soete weelde niet: Sy sien den roock op gaen van Engeland in kolen s, Van Yerland half in d\'asch, van Duytsland, van de solen Ten halse toe verschroeyt9: maer \'tis een schrickigh sien, 220 Gelijck kleinhertige staen by geciuetste li\'en.

En vreesen voor een\' swijm, die haer\' gesontheit krencken, Haer aensicht slencken10 mocht: sy keeren self\'s haer den-Van den ellendigen; sy wenden \'t van de ree (eken

Daer \'s naesten schip bp stuyt, en kiesen volle zee, 225 Zee van gerustigheit; daer hoeft noch touw noch lood uyt; Haer Broeder moght vergaen, sy setten niet een\' Boot uyt: Sy sien niet dat sijn leed magh 11 morgen zijn haer wee: Sy sien niet hoe \'t.haer gingh als God met haer soo dee: Sy sien haer niet vergaen, sy voelen haer niet slijten ls, 230 Sy haeten \'t Spiegelglas, oin dat het kan verwijten\' Hoe verr\' haer aensicht van der groene jaeren 13 kust In rimp\'len is verzeilt, hoe naer 11 sy zijri de rust. Die haer\' rust-^5 stooren sal. Nochtans de jaeren loopen;

1) gelijkheid van humenr. 2) werkw. onnoodiye l-ivelling. 3) en niets te weeg hrengen (haten \'. 4) iemand geld leenen. 5) do ondcrliandelingeu te Munster waren reeds lang geopend. 6) het hoofd van Medusa, eene der Gorgonen, was met slangen bedekt en deed iedereen, dio het aanzag, van schrik versteenen. 7) in de war zijn. 8) doolt op den opstand in Engeland tegen Karei I. 9) in den 30 j. oorlog. K\') doen slinleen, minder goeddoen uitzien. 11) kan. 12) hunne krachten niet afnemen. 13)Jonge jaren, jeugd, l-l) nabij. 15) gerustheid.

ocr page 106

96

d\'Onrustig\' uere 1 komt, die \'t schoon gebouw sal sloopen 23o En wee dan d\' ongereed\', en wel den dienaer dan Die God soo doende vindt als geen gerust\' en kan 2.

Wat zijn cl\'ünrustige? noch eens soo blind te achten; Sv sien maer door de webb 3 van roerende gedachten, Vran S0rse\'1 sonder vrucht4, van kommer sonder leed, Van traenen voor den tijd: de Winter valt haer heet, De Somer dunckt haer suer. Dit zijn neus-wijse blinden; Sy sien dat noyt en was, sy konnen knoopen vinden In t gladste van de bies. Xlyt wat hoeck dat bet waeyt; sy zeilen by den wind3: sy wieden eer men saeyt, 243 Sj\' hooren hoe \'t gras wascht; sy sien de schoor-steen roocken Eer t hout ontsteken is: sy sien de Werelt smoocken Van \'t allerleste vyer: sy sien God in de wolek Langh voor den Dieveri-nachtsy beven voor Gods volck Verr van de Roode Zee; sy konnen niet bevroeden Dat, Diese maecken kost,\'kan voeden en behoeden. Sy zijn altoos beroyt: haer mangelt altoos wat,

Haer leste droppel\'leckt uyt \'t niew ontsteken7 vat; Sy trouwen spy8 noch slot; sy hooren allom dieven. ■V!? soram van alles is. God kanse niet believen:

255 Sijn^ sonne-schijn is storm, sijn\' weldaed is elend,

Sijn\' gunst is tegenspoed: de Logenaer ortkent All wat hem tegen gaetquot;, d\'ondanckbaere derft heelen All wat hem mede loopt; de wel-vaert mach hem streelen, Hy maeckter hell-vaert 10 af: waerom? daor is geen\' staet Ie maecken op den duer: soo keuren sy den Staet In \'t uytterste gevaer, in \'t beste van sijn bloeijen; Soo noemen sy Gods gunst sijn\' boeijen en sijnquot; roeijen, Soo doemen\'1 sy de vreughd voor ondeughd, soo de rust Voor onlust: soo is heil haer hell, en last haer lust; Soo is de wel-vaert maer een masker1quot; in haer\' wijsheit; Soo dunckt haer dat de wall maer op\' een doyend ijs leit, De Wall van Staet en Stadt, de mueren van haer huys Besittens\' op genae van Mier, en Moll en Muys 13. quot; \'£ei1 einde werden sy Propheten eerst tot haefent -\'0 Ln valt \'er uyt de locht quaed vyer, sy wedervaeren\'t;

285

250

290

260

265

1

tie ure van onrust. 2) kan, nl. gevonden worden. 3) weefsel,warlinft.

2

A) liiQV vrees d.^i. zonder oorzaak tot vrees. 5) voorzichtig, langzaam

3

zeden, (j) dood. 0 opengestoken. 8) grendel. 9) dat hen.- iets tegengeloopen

4

«s- 10) ondergang, verderf; klankspeling met wel-vaert. 11) ver oordeeten.

ocr page 107

97

275

Haer droomen wordt voldaen. Hadd\' Pieter 1 min mistrouwt, Hy hadde min fresackt, en hadd\' hy recht gebouwt,

Diep maer een Mostaert-saed2, hy leerde water treden. Soo teer is \'tonderscheit van toeversicht met reden3, En kommer buytens tijds. God leer\' ons middel-maet, \'tis gins en weder4 mis al wat daer buyten gaet. AI laegh het Gond in een\' en \'tLood in een\'der sehaelen, \'t Is gms en weder mis, soo langh daer een kan daelen3. * De Gierige zijn blind: sy sien maer door haer beurs. Die dick en duyster is; en geeft haer eens wat keurs 0 Van wijs en ongeleerd, sy weten \'t niet te scheiden,-Van vroom en deughdeloos, de rijckste wint van beiden; Van schoon en van mismaeckt, de rijckste weeght haer meest; Van bott en van beleeft7, sy zijn vbor \'trijckste beest; Van nutt en van onnutt, van on-e\'el en van adel, Sy keuren \'tbeste peerd naer dê vèrguldste zadél: Sy kennen vriend noch maegh door \'t blieken van de winst; Haer\' brillen zijn van tien ten honderden, voor \'tminst8: Sy leenen niet; dat \'sscha\': sy handelen; dat \'seerlick: Sy stelen niet; dat \'sschand: sy woeckeren, dat\'s heerlick: Sy liegen niet; dat \'ssond: sy seggen rond en klaer.

Daer moet gewonnen zijn, God gev\' op wie ofwaer0.

De Quistige zijn blind: sy sien maer door het puylen Van oogen rood en leep 10; en meenen wel te schuylen, Waer? onder \'tschoone dack van openhertigheit 11: En meenen, wie daer meest kan spillen, met bescheit, Of onbescheit I2, is mild; en meenen, \'t grove teeren, Is een\' gewisse kunst, die knechten maeckt tot Heeren; En sien niet, dat het kleed des Heeren op den knecht Juyst als \'t Goud-laken op den houten Leeman 13 hecht: En sien niet: ja sy sien \'t, maer door den lésten helder quot;, (Want deser blinden oogh werdt op den avont heldurj Dat die de maeltijdt geeft, de geek is van de feest 13, En by de Wijse heet een op-gegeten beest.

De Prachtige zijn blind: sy sien maer door fluweelen. Die ondoorsichtbaer zijn; sy kunnen \'tlijf niet deelen 10

305

1) de apostel. 2) had hij maar op God gebouwd (vertrouwd) ter diepte v. een mostaardzaad in den grond. 3\' redelijk\' vertrouwen, aa)i heide zijden. 5) Immers dan is er geen evenwicht 6\' te kiezen. 7) tusschen lomp en beschaafd. 8) zij zien maar, of zij ten minste 10 percent \'kunnen winnen. 9) onverschillig op ivien of waar. 10 door uitpuilende en roode leep oogen. 11) deksel van gulheid. 12) met of ponder oordeel. 13} ledepop. 14) heller, penning. 15) \'t kind van de rekening. 16) scheiden.

g. Huygens. — I. 7

280

285

230

295

300

ocr page 108

98

Van \'t uyterlick gewaed, sy keuren haer en ons Naer zijd\' en wollen webb: de tijck, en niet de dons, Maeckt haer het bedde waerd; de lijst, en niet de doecken 310 De schoone schildery, de band, en niet de boecken,

Maeckt haer den schrijver goet; het buys, en niet de man De kapp, en niet het hoofd, is dat haer ket\'len1 kan.

De Machtige zijn blind: sy sien maerdoor haer\' krachter Die lomp en moedigh ^ zijn, sy pletten en verachten 315 All wat haer onder light2: sy trappen op de deugd: De klemm, den ondergangh der slechten3 is haer\' vreughc Sy knellen \'t arme recht van Weduwen en Weesen: Is reden voor haer, sy verduyv\'lense met vreesen; Is d\'on^chuld aen haer zy; sy tredens\' in de schuld4; 320 Waer \'t korte Recht haer\'5 baet, sy tergen d\'ongeduld; En wringen se soo langh, soo langhsaem, dat sy si^lijten En, moede pleitens, in den sueren appel bijten: Is ootmoed haer versett6, sy loopens over \'t hert. En noemen haer geluck \'tontgaen van meerder smert. 325 d\'Eersuchtige sijn blind: sy sien maer door de duyge Van haer\' bekuypingen 9, onachtbaere getuygen Van wei-geworven eer 10; sy draven vroegh en spae. En geen straet valt haer suer, mits dat sy cpwaerts galt; Sy hebben geen gesicht naer onderen; sy sterren 330 Gestadigh Hemelwaerts: de laeghste van de sterren Dunckt haer niet hoogh genoegh om by te \'villen staer Sy gaven niet een duyt voor d\' eere van de Maen, Soo langh \'t de Sonne wint in hooghde, glans en hitter Waer Gods gestoelte leegh, sy sochten \'t te besitten. 335 Sy sien de mis-maet niet van haer te kleinen lijf, Om \'t kleed te vullen van het wichtige bedrijf Dat d\'eer kan geven, die sy blindelingh11 bejaegen; Sy wegen niet hoe swaer de Kroonen zijn om draegen, Haer luyster, meenen sy, past yeder even nett,

340 Die maer het hert en heeft dat hy\'r \'t hoofd onder setl De plaetse maeckt den Man: men kan al doende leeren

1

kittelen, hehagen. 2gt; overmoedig. 3) al wat voor hen moet onderdoet

2

schiddig te doen voorkomen. 6) waarschijnlijk drukf. voor haer; Is ko)

3

recht in hun voordeel, dan tergen zij. 7) toegeven. 8) zoeken zij hun he

4

in ootmoed, deemoedigheid. 9) het netwerk hunner kuiperijen. 10 Versta

5

verachtelijke middelen in de oogen van hem, die zijne onderscheidin

6

of zij ervoor berekend zijn.

ocr page 109

09

En onbequaemc knechts zijn licht bequaeme Heeren. \'tGae met het Staets bewind soo \'tGocl en Lot belieft, r Mits haer\' all-waerdigheit1 ten hooghsten zy gerieft. 345 In \'t ende draeyt haer \'thoofd op die verheven klippen; En dan voelt Phaëton 2 den toom sijn\' hand ontslippen. Dan komt hy, als gewipt3, weer blindelingh4 ter neer, En \'t kost hem blindelingh sijn leven en sijn eer.

Verliefde Li\'en zijn blind: sy sien maer door haer\' lusten, 350 Dat vuyle brillen zijn .-•al dat sy geerne kusten

Dunckt haer \'t bekoorelickst van al dat Son beschijnt; \'tVell-diepe rood en wit5, dat met den dagh verdwijnt, Eerbieden sy niet min dan boter tot den bo\'em8 toe; Daer gaen haer\' tochten heen 6; sy hebbender geen toom toe, 355 Sy sien geen\' kreup\'le knie, sy sien geen scheeve borst. Mits s haer het hoofd-stuck met sijn\' aenhangh en syn\' korst9, Mits haer een toover-mond, mits haer twee oogen-straelen De reden uyt den hoofd, \'t hert uyt den boesem haelen. Saei\' ^omste blindheit is, sy sien dat noyt en was; 3lt;;ü Een Vryer staet en kijckt or\'t spoockte: O beeld van was, O, seght hy, warm Yvoor, murw Silver, vochte Kraelen 10! En die daer neffens staen en na de waerheit taelen En vinden noch Koral, noch Silver, noch Yvoor; qrgt;_ Maer vleesch als \'t haere, met bruyn ganse-vel daer voor. 0 10 Dan dese blindheit, schijnt, (men soud\'t haer schier benijden,) Geneest in eenen nacht 12, in \'tuyterste verblijden, In \'t doncker krijgen sy haer\' oogen weder op.

En \'t hert toe; en de Bruyd werdt een\' versleten popp, Die kinderen van niews vertoyen en verhullen 13, 370 Maer met den yver noyt die s\' in des Kramers prullen Voor de volmaecktheit der volmaecktheden aensagh, Eer \'t kermis-capital daer voor verfutselt 14 lagh.

■Dft^Nijdig0 zijn blind: sy sien maer door de hoecken ^an \'teen en \'t ander oogh, die beide staen en soecken 3/5 Op zy en achter om, waer \'t yemand beter gaet:

Soo siens\' haer selven scheel enbleeckop hoeck en straet:

1

alles-waardigheid, wdsp. mot alwarigheit, dwaze verwaandheid.

2

wien zijn vader Phebus-Apollo voor één dag liet bestier v. d. zonne

3

wagen had toevertrouwd. 3) eruit geworpen. 4) zie bl. 98. aant. 11.

4

5) de schoone huidskleur. 6) inwendige schoonheid, degelijkheid. 7) dat

5

ia\\ hunner begeerlijkheden. 8) overmits. 9) haar en vel.

6

huwelijksnacht nl. 13) anders kleeden en kappen. 14) verkwist^ verspild.

ocr page 110

100

En, vindense voor-wind in yemands ronde zeilen1, Sy lesen uyt haer Boeck-\' de minste sijner feilen,

(Want sy en hebben geen\') en roepen, \'t kan niet staen , 380 De wind moet keeren, daer, daer is hy schuldigh aen; En vindens\' yemand wel gestegen langlis de trappen Van vrome moeylickheit4, sy trachten met beklappen De lagen van \'t\'gebouw te sloopen tot den grond,

Tot dat s\'hem wederom gevelt5 sien, daer hy stond 385 Eer God den arm uytstack en hielp hem boven water; En gaet haer gevel op een\' halven somer laeter0 Dan die van \'s buermans huys, sijn hard-steen en sijn\'kalck Sijn sand light in haer\' wegh, sijn\' splinter is een balck, Een balck in haer qnaed oogh; en, konnen sy wat werren7, 300 Sy weten op een\' drop8 sijn\' arbeit te versperren;

En, wascht sijn Koren dichtst, en draeght sijn Wijngaerd Sy schreewcn, hy en quam niet eerlick aen de mest. (best, Sy tasten blindelingh in Gods geheimenisser,

En learen, spoedigh rijck is ondeughd, sonder missen. 305 In \'t ende sietse God, eu slaetse voor de kunstquot;,

Met haer\' 10, met sijne, met een yeders weder-gunst 11. De Toornige zijn blind, daer hoev\' ick geen bewijs toe; De Wijnige 12 zijn blind, daer zijn wy bey te wijs toe; De kinderen verstaen\'t, en thoonter my een\' voll, 400 Die door de druyven kijckt ,a, ick thooner u ten\' doll.

De Vrolicke zijn blind: sy sien macr door het blincken Van tegenwoordigheit, als li\'en die overdrincken En springen met den wijn die in haer\' glasen leeft, En sien niet dat de gist, die aen den bodem kleeft, 405 De leste toogh sal zijn, en mogelick den naesten lr\';

Sy sien niet hoe dat vreughd en rouw den and\'ren naesten 16, En vallen ongereet 17 en blindelingh, als \'t komt Dat de bedrieghlickheit der dingen sieh ontmomt.

De Treurige sijn blind; sy sien maer door haer\' traenen. 410 \'t Is soo, het voll gemoed ontlast sich door d.e kraonen; Maer door die bobbelen swelt aller dingen schijn 18,

1) Versta: dat het iemand voor den wind gaat. 2) het daarvan go-houden journaal. 3) stand houden, duren, 4) moeielijke vroomheid, ver-dienste. 5) neergeworpen. G) is hun huis een half jaar later klaar. 1) harrewarren, stof tot een proces vinden. 8) / wdsp. met

dntp en hetzes stillicidii. Zie H--St. 139. 9) als loon voor hunne hooze praktijken. 10) hxin eigen. 11) ongnnst, afkeer. 12) wijnproevers, dronkaards. 13) die door druivennat hedwelmd is. 14) te veel drinken. 15) de naastvolgende. 16) elkander vergezellen. 17) sterven onvoorbereid. 18) gedaante, voorkomen.

ocr page 111

101

En \'t werden wijde, dat maer enge wonden zijn. En, slaender winden toe, sy suehtense1 tot baeren: Soo datse door den storm wel, waer sy geerne waeren, 415 Maer niet en sien, waer langlis: haer predick\' Maeghd of Man, Sy sien niet hoe het weer klaer weder werden kan.

De Besige 2 zijn blind; sy sien maer door de scheuren Van haer\' al-doenlickheit sy sien geen\' tijd van treuren. Sy hebben\'sJ geen voor vreughd: haer doel-wit is Profijt 420 En eer, soo verr \'t de loop van \'t soete voordeel lijdt.

§3\' jagen dat profijt met blindelingen yver; En vraeghtm\' haer na vermaeek; dat \'s dat de horse sty ver, De Kasse nauwer werdtde Schuere voll gewaseh. De Korven te benauwt0 voor Honigh en voor Wascli, 425 De Kelder voor niew natf; maer Bos en Kas zijn blinden Die nimmer dagh en sien; jae konnen \'t lieht niet vinden, Al klopt de nood aen \'tslot. \'tls wonder, altijt geld Te schrapen, neramermeer te proeven wat het geldt8.

De Euye Li\'en zijn blind; sy sien door taeye 9 lichten, 430 Die opgaen eyen als Blaes-balcken met gewichten

Die \'t Orgel spreken doen. Haer\' keers staet ongesnutt; Haer\' sinnen wentelen in \'t bedd\' of in den dutt: In \'t bedde gins en weer als deuren op haer\' duymen; Sy lacchen ihet het volck dat hoed of helm met\'pluymen 435 Haen-steertelick verkiert 1C\': doo^ voeren liggen best. En zijn der lenden over-over-lieve nest.

Soo denckens\' in haer hert; \'tis wonder dat sy \'tdencken; En niet en vreesen sich al denckende te krencken;

Want dencken is een last van sinnen, en haer grouwt 440 Van alle besigheit, die hert of huyt verouwt.

Denckt hoe haer \'t spreken lust, hoe \'tstaen, en gaen; te Dat is de Wereld met een\' passer 11 over-meten, (weten. Een\' Ploegers slaverny; maer, Koetsen, lieve vond, Ghy zijt een soet versett daer gaen de wielen rond, 4\'i5 Daer sit mijn luye blind\'; en siet niet dat sijn\' leden De leden niet en zijn die dat behulp 13 met reden En sonder schaemte voeg\', en datter neffens gaen,

D se: de tranen namelijk. 2) de mannen can zaken. 3^ koortsachtige hedrijvigheid. 4) \'s voor es of des. 5) minder ruimte overhoudt, 6) eng. 7) nieuwe wijn. 8) waard is, traag zich openende. 10) zij vinden hen, die zich met veeren tooien% dwaas, li) daaraan immers doen de beenen van oen in beweging zijnden mensch denkon. 12) ontsiumning; wdsp. met versett, verplaatsing. 13) hulpmiddel.

ocr page 112

102

Die\'t beter passen sou te sitten als te staen.

Dat kan luy-leckerny»; Sy blindt verstant en oogen, 450 En maeckt sich meester bey van reden en medoogen: \'tEn is de slechtste1 slaghquot; van alle blindheit niet,

Daer yemant wat hy sict moet-willens niet en siet.

De Schilders (dit gaet hoog,) de Schilders, Pakthenine, (Noch 3 zijn sequot; van \'t geslacht dat ick eerbiedigh diene lt;) 455 De Schilders heet ick blind, en, soo m\'er wel op lett, \'tZijn Scheppers meesteudeel: sy sien maer door \'tpalett, En bouwen een\' Natuer, die vriendlick is van wesen, En soet en aengenaem: maer meent ghy daer te lesen Hoe Groote-Moer Natner haer eigen wesen staet?

460 \'tls verre van den wegh. Een\' steegh is oock een\' straet, Een\' hutt is oock een buys, en stniycken zijn oock boomen, Maer steegh en hutt en struyck zijn schaduwen en droomen By2 straet en huys en boom; daer hoort veel goedbeits toe Om Gods en Menschen werck te keuren met gemoe 0 465 Voor even en gelijck. Wat wilmquot; ons meenen leeren? Twee droppen zijn niet eens, twee eyeren, twee peeren, Twee aengesichten min: de trotste mogentheit\' Van d\'eerste Schepper blijckt in \'t eewigh onderscheit Van all dat was en is en werden sal naer desen; 470 En is \'t laet-duncken 8 van een Menscb soo boogh geresen, \' Dat Menschen konnen, daer toe God, in allen schijn, i Niet Kunstenaers genoegb, niet Scheppers9 wilde zijn? Siet hoe verr \'t soete volck in dese blindheit dwaelen \'0: Gaet met haer wandelen door boom en bergb en daelen, 475 Dat\'s, seggens\', een gesicht dat Schilderachtigh staet. \'kKan \'tniet onschuldigen, \'tis derteltjes gepraett; My dunckt sy seggen. God maeckt kunstige Oopijen Van ons oorspronckelick, en mach sich wel verblijen In \'t meesterlick patroon; al waer \'t van onse hand, 480 \'tEn kon niet schooner zijn, in Zee en Locht en Land. Gaet met die Scheppers t\' buys, en leent se \'t strackste 11

(wesen,

\'tLanghmoedighste geduld, om door en door te lesen Hoe God uw aensicht schiep; Als \'tlangh geraartelt is, Daer staet ghy in \'tpaneel; maer, in een woord, \'tis mis;

1

4) H. schilderdo zelf niet onverdienstelijk. 5) venjeleken bij. 6) in ye-

2

collectief volk, 11) effenste, onhewegeljkste.

ocr page 113

103

485 Sy scheppen u een Yet, een\'Bloed-verwant, een\'Broeder; Maer ghy en staet \'er niet, de Dochter is maer Moeder, De Vader is maer Soon1. En, soeckt ghy meer bewijs. Komt tot de tweede pro\'ef; daer \'s\'t weer een\'ander\' wijz, Ben ander Bloed-verwant, een niefrc Nicht geboren, 490 En ghy in twijftclingh wie2 wijsselickst verkoren.

Siet nu de Menschen in haer\' oogeloosheit aen.

Of \'t volck is om Gods doen of misdoen aen te slaen3.

De Moedige zijn blind: sy sien maer door het blaecken Van haer ontsteken hert: De slagen die haer raecken; 495 Het sterven dat haer dreight, de leemt ^ die arger is. En voor langh sterven streckt, sien beid\' haer\' oogen mis. \'t Zijn blinden die men hoeft, en niet en kan ontbeeren, Vijf-stuyvers-blinden4 \'sdaeghs, om vyand af te weeren. Om vrienden voor fe staen, en sy gaen op het merck5500 Van Eer en Onderhout stantvast\'elick te werck\';

Dat \'s redelick gesien: maer kan men moedigh noemen Dat voort moet? Als de spuyt het water over bloemen Of over webben\' drijft, is d\'eer van het geweld !n \'t water, of alleen van acht\'ren in die \'t knelt8? 505 De Moedige gaet aen gelijck een nucht\'re Tijger:

Ja, maer van achteren3 maeckt yet den stouten krijger, Den Honger en de Eer. Den Honger is niet waerd Te melden; \'tis geen man die \'t niet en is van aert,

Maer om niet doot te zijn: in d\'Eere will yet blaecken 10, 510 Dat schijn heeft van een\' man recht tot een\' man te maecken. Jac schijn, maer Eer, en vrees van Oneer zijn soo nauw üyt een te keuren quot;, als het lichaem en de schaeuw.

Siet door den moyen mist van tingebroken schijn-stout; Ghy vindt die vreese, die den Jager op het Swijri stout 12, 515 Den meesten krijger op de wall en tegen \'t lood.

Kort om, de pijnbanck werdt ontweken door de Dood: Dat \'s alsoo scherpen dwang als honger. Laet dat loopen Daer komt een\' derde toe, die bloed uyt-geeft met stooptn 14 : Do moedige werdt gram; sijn bloed koockt in sijn lijf, 520 Sijn\' galle braeckt, sijn hert maeckt alle ad\'ren stijf; !Nu is hy bloed-blind, nu en siet hy noch de reden,

1

zweemt dus slechts naar het oorspronkelijk. 2) mik der heide por

2

tretten. taxeeren, heoordeelen. 4) verminking. 5) De huursoldaten

3

vochten immers voor eene soldij van 5 st. 6) doel. 7) weefsels (bij het

4

teren. 11) moeten zoo zorgvuldig uit elkaar gehouden worden. 12) stuwt.

5

13J doch hiervan afgezien. 14) kannen.

ocr page 114

104

Waerom liy oorloglit, noch \'tperijckel1 sijner leden; Ku gaet hy als een Leeuw die rood siet; nu is \'tuyt Met Menschen-moedigheit; en furie voert de Schuyt, 525 \'t Peerd en de Schipper holt. Noch staens\' haer en venvond\'-

(renz,

Veel\' blinden die het sien, als die het hooren dond\'ren, En weten d\'oorsaeck niet van \'t vierige gedreun:

Maer die het siende sien2, en vechten even deuni,

Doch met bescheidenheit3; en koel, en wel gedreven 530 Van yver voor Gods saeck, daer tegen lit en leven

Soo rustigh» werdt gewaeght als hoy en stroy voor Goud, Die seggen, dese Leeuw is hersseloos, en stout.

Om dat hy \'tniet en weet, en \'tis een beest4 met eeren; Maer \'tis geen moedigh man; hy kan slaen en verseeren8, 535 Maer vechten kan hy niet. Soo veel scheelt Toorn, en Maet, ])at des\' bescheidene9, die blinde slagen slaet. Nu, \'t strijden heeft een end; daer is veel eers bevochten: Maet en Toorn heeft verricht all wat sy beide moghten I0: De Peck-ton gaet aen brand, de Vier-pyl en de Kloek 540 De Dichters mengen lof en eer met ernst en jock:

Eer is de beste buyt; dat geef ick bey 12 gewonnen; Wie deelt dien besten buyt? Sy die quot;dè Webbejponnen ,3, En komen kreupel t\'huys, of krijgen voor haer\'\'-serck 14 liet bloedigh aerdrijck? Neen, de Keeders van Let werek, 5t5 De Hoofden van de saeck, de Leids-luy van de schaeren Gaen met de Croonen 15 door. wie meent ghy dat sy waren Die Alexanders deughd verhieven tot den throon, Die Cesars boosen will voll voerden ? blinde 16 doun, Blind voor vijf stuj\'vers \'s daeghs; hoe hieten die Soldaten ? 550 Geen\' schrijvers hebben \'t oyt, mijns wetens, nae gelaten: Wat dunekt u, PartheNin, is yemand dichter 17 blind. Dan die sich self\'s 13 verliest en voor een ander wint?

Hoe is \'t? zijn \'t bloode dan, zijn \'t bloode lien die wel sien, Die daer voorsiehtelick na \'t bergen van haer veil sien? 555 Noch blinder; bloode li\'en zijn blinde li\'en voor all,

Sy sien maer door een oogh dat 10 midden doov den ball 20

1

gevaar. 2) staan ze zich te verwonderen; s\' ze d. i veel blinden.

2

une hrnte. 8) wonden, kwetsen. 9) oordeelkundige. 10) vermochten. 11) ter

3

14) doodkist, graf. 15) kransen, eerlaurieren. 16) verhlinde en onhe-

4

werp; vreesevlies onderw. 20) oogappel.

ocr page 115

!05

Hot vreese-vlies bedwelmt: sy eien geen blad bewegen, Sy meenen, \'tis een lood; sy sien geen\' blooten degen. Sy\'n1 voelen hem in \'t hert; sy sien geen krnyd aen gaen z, 5B0 Sy\'n dencken, \'tyser komt recht op haer leven aen;

Sy bucken voor een\' vliegh, sy schricken voor een\' vogel, En, of het duycken waer een\' borstweer voor een kogel, Sy struyck\'len2 ongeqnetst in \'t vlacke veld; in \'tend, _ _ Sy deinsen blindelingh, en die \'t dan tijdighst wendt3, 565 En met de hielen schermt, en op den rugg laet waeyen, Siet scherper in den wind quot; dan die het voor-hoofd draévcn Van daer de blixem komt, en sienquot; niet dat de man quot; Die naer sijn\' vyand siet, iian dat. sijn vyand kan, Kan winnen en verslaen, en dat begin van loopen 570 ^Sett Sehand en Eer op zy 7) het end is van haer hopen. En dat een man die wijekt sijn lijf ten besten 8 geeft, En \'t leven, soo hy \'t berght, verblindt van schaemtequot; leeft.

De Jonge Li\'en zijn blind,(\'kwil van geen\' Liefde spreken: Wy waren oock eens jongh: maer onder die gebreken 575 En lagen wy noyt sieck) de Jonge Li\'en zijn blind Van eigen waen 10 in \'tgeen een veder \'tsoetste vindt, \'tLicht van de niewe11 Wer\'id slaet flick\'righ in haer\' oogen; Sy vrijen \'t als de mugg; het redelick medoogen 12 Der ouden, die se sien versengen aen de vlam\', 580 En komt haer niet te baet; haer onderwijs is lam,

Haer\' reden is bequijlt ,3, sy hebben se vergeten, De rechte levens konst, (die dese 14 beter weten)

Haer woord is tandeloos, sy suffen onder \'t pack Van grijse jaeren, sy zijn lusteloos en swack, 585 Sy mogen in de jeughd, die lustigh is van krachten.

Geen vrolick wesen sien, sy straffen 15 en verachten All wat haer niet en smaeckt; de minste vreughd is sond: Sy deneken niet hoe groen 16 wel eer haer herte stond; Haer\' oogen zijn soo swack, sy sien door lange dagen 5\'JO Het groene wambas 17 niet, dat Groote-vaer gedragen En langh versleten heeft: maer jonge Li\'en zijn kloeck ,8; Sy kijeken sonder brill in \'s Werelds groote boeck. En lesen \'t lustigh door; en vinden s\\\' daor bladen Met inckt van swaerigheit en kommer overladen,

1

of zij, 2) onthi-anden. 3) werpoi zich neer. 4^ op de vlucht gaat.

2

8) prijs. 9) 0)itliiisferd door schande. 10) vooringenomenheid met- 11) nl.

3

voor hen. 13) meedooijend verstand. 13\' irat zij zeggen, is gezeur. 14) de

ocr page 116

106

505 Sy gaen niet door de sloot, sy springens\' over heen1, En maecken witt van swart, en smelten Jae tot Neen: Tot dats\' eens in de keers haer\' wiecken voelen schrempen 2; Dan gaen haer\' oogen op, dan sien se dat haer slempen, llaer hollen, haer getuysch3 \'tpad naer beneden is, 600 En dat de rechte baen verr mis getreden is.

Dan d\'oude zijn oock blind: (ick wil haer niet verwijten De quelling die haer slijtt en ons begint te slijten)

\'k Heb \'t op haer\' oogen niet; maer oude Li\'en zijn blind. En werden kinderen in meest haer onderwind4: 605 Sy sehem\'ren van verr-sien5, sy struvekelen van vreesen, (Daer \'seen voorsichtigheit die \'t all £e seer kan wesen, En die \'t Crystallen vat te kommerlick0 versett Ontvalt het, want daer was all bevend\' op gelett) Sy hoopen over een all wat sy sien en sagen,

610 En om een uer beraeds besteden all\' haer\' dagen; Sy weten all wat was en all wat wesen kan,

En sien op \'t Mogelick als gingh \'tall aen den man6. Soo valt haer ja-woord stram, en schiet haer vander tongen Als aengebaclien struyf: noch duncken haer haer\' longen 615 Te schielick van geblaes^, en op het lest besluyt Van \'t liedjen zijn sy maer ter halver wegen uyt9.

Haer\' Kinders minnen sy soo haer haer\' Ouders minden: Maer in het tweede lit 10 zijn sy de soetste blindon Van all dat niet en siet: By een misboren kind 620 Van Dochter of van Soon? geen Minnacr is soo blind: Sy sien niet dat het hinckt, sy sien niet dat het scheel siet, Sy sien sijn\' bulten van de billen tot de keel niet,

Sy sien het onkruyd 11 niet te wieden, dat in \'t vett Der niewe gronden sijn\' vergiften wortel sett:

625 Kinds Kintje magh geen quaed: al will\'t de Moer verhind\'-

(ren

Kinds Kind staet alles vry: sy werden selfs Kinds Kind\'ren 12, En broeyen 13 Kinds Kind mal, en geven \'t sulcken ploy Van luy, van onbeleeft, van kostelick quot;, van moy. Van vuyl, van onbesuyst, van snoeperigh, van vraetigh,

1

er over heen. 3) schroeien. 3) kaart- en dohhélspel 4gt; wat zij doen

2

of ondernemen. 5) door ie ver vooruit te zien, zien zij het juiste niet.

3

6) angstvallig. 7) zij maken zich zoo angstig voor wat kan gebeuren,

4

alsof het reeds geschiedde. 8) zij meenen nog te overijld te spreken.

5

9) als een ander aan V eind van \'t lied is, zijn zij nog ma ;r halverwege.

6

van het kind. 13j koesteren. 14) weelderig, prachtlievend.

ocr page 117

107

630 Van vreck, van stner, van steegh van dertel, van wanwae-Dat Vader qualick weet, dat Moeder qnalick siet (tigh Waer mé den rechten bocht te krijgen in het ried. Swijght van den ouden tijd ; ghy hoeft het niet te spreken, Sy spreken \'tsonder end: men kend\'er de gebreken 635 Van dese eewen niet; Gerechtigheit en Deughd,

En Liefd\' en Zedigheit ivas \'tquaedste1 van haer\' jeughd: Men schold sijn\' Broeder niet, men wist van geen bedriegen, Men haette Vleyery, en Achter-klapp en Liegen, Men gingh den rechten wegh: daer\'was geen\' üverdaed, 640 üeen\' Gulsiglieit in buys, geen\' Hoovaerdy op straet; \'tWas in de gulden Eeuw, de Werld wasquot; onversleten \'t Schijnt Grootvaer 0 hadd noch in den appel niet geb\'eten: En \'t scheelt maer vijftigh jaer van haer tot onsen tijd. Siet hoe het klaer gesieht in \'t grijse haer verslijt. 645 De tijd liep als hy loopt; de boosheit ging haer\' gangen, Daer was soo veel te doen met pijnigen en hangen Als Banckquot; en Beul vermoght, en, ben ick niet heel blind. Be Soon gelijckt sijn Vaer, de Moeder was als \'tKind. Be Joffrouwen zijn blind (hoe sal ick hier doorraeeken, 650 Wat aensicbt heb ick nu, wat bloedeloose kaecken 2, Bie u met desen troost te velde komen derv?

Maer u en teeckenden ick noyt op desen kerf8;

Of soo gh\'er oyt op stont, het merck is nyt-gesleten; Of immers ghy en hebt u noyt ontsien te welen 655 Bat uw\' Vrouw Groote-moer Heer Adams Huysvrouw was Be Joffrouwen zijn blind sy sien maer door het glas i Van spiegels die de damp van eigen waen besoetelt. En vragen aen dat Glas, als \'t langh genoegh gehoetelt 10, Gehult 11 is en getoyt, hoe ben ick, schoon of niet? 660 \'tGlas antwoort wat bet siet, maer sy en vatten \'tniet. Noch eens, wat ben lek, blanck van huyd, en blond van hae-

(ren ?

\'t Glas sou wel antwoorden, maer weet het niet te klaeren 12: \'tVraeght selver, JofFertje; wat zijt ghv, dat of dit?

1

deloos. 5) Adam. 6) Pjnhank. h die niet blozen kunnen; dus schuam-

2

mooi gemaakt hebben. 11) gekapt. \\2) n-eet niet, hoe het te doen.

ocr page 118

i08

Daer sitt een smeerigh 1 rood, daer sitt een konstigh witt U65 En raaeckt my twijffel-blind2; het stuyf\'t\'er stof van boomen3In die gekrulde lock: heel Cypers en heel Roomen4Stacn tusschen u en my; waer zijt ghy? Wei gevraeght; Maer elders werdt haer\' kunst geluckiger gewaeght: Eon Jage\'\' van sulck Wild ontmoet se by der straeten, 67U En roept, ^ blanek en blond ten hemel afgelaeten, Wie kan ii wederstaen? en sy en siet het niet,

ünnoosel\' oogeloos\', dat hy se niet en sietquot;;

Sy siet het snell en wel, (ian \'t lust haer niet te weten, liit mach de soete, dit de sotte blintheit heeten:

li\'ij Maer geen\' en streckt soo wijd. Van aller eewen herr Was liegen Vrouwen voerquot;: lek raeckte noyt soo verr, Of Vrouwen-lof was lief. En, soo Bedrogh eu Liegen Van \'tnaeste Maeghsehap zijn, noodsakelick5, Bedriegen Hoort Liegen met vermaeck; en Poeyer en Pinceel CSU En Vliege-plaesters 8, Huil en Krull, Ivant eu Fluweel, Is een\' verbintenisquot; van hott\'elicke logen:

Wie daer min aen besteedt dan \'t uyterste vermogen Van liegen I0, heeft het Hot maer blindelingh doortast quot;: De vrouw die schoon will zijn, will \'t hoeren, dat gaet vast. G85 De Kaeckelaerszijn blind:sy sien maer door haer\' woorden, (lek weet niet hoe ghy vaert 12) daer mé sy my vermoorden: Sy sien maer door haer\'galm, niet waer, noch wat, noch wie; Sy snorren u om \'t hoofd gelijek de rommel-bie;

Mits dat haer seggen klinck\', soo houden sy \'t gewonnen: (j9ü Maer siet niet haest na land 13; sy hebben nau begonnen Als wy zijn uitgehoort u, sy slaen soo veel gesehals Met haer\' ontriemde 15 tongh, en sien soo veel gevals Aen slagh en weer-slagh van dien klepel van haer klockhuys. Hat ghy veel beter light dicht by de groote kloek t\'huys Ic C95 Han by haer onderhoud haer heele hoofd is kloek. En wee hem die se roert: slaet wijsheit voor, ol\'jock, Sy luydend\' er op in 17: wei-spreken en veel spreken Is haer de selfde konst. veel\' woorden, veel\' gebreken,

1

wdsp. vetachtU) en vuil. 21 soo blind, dat ik twijfel. 3) stof van

2

bloesems. 4) liet „poudrö de Chyproquot; en do parfunierieen en blanketsels

3

der lïomeincn. 5) hij ziet immers slechts het gekunstelde, r.iet het ware.

4

6) voedsel. 7) Versta: dan is het noodzakelijk, dat enz. 8) mouches.

5

moede. 15) ontbreidelde. 10) Vgl. school liggen. 17) zij gaan er even

ocr page 119

109

Sprack een wei-sprekend man; maer sy en hebben dat 700 In langen niet gesien, of nimmermeer gevatt.

Vergadert endelick all\' die gebraeckte toonen,

En smelt se tot een\' klomp; de reden sal u thoonen Dat koper sonder glans, quicksilver sonder goud Dry aesen in de sehael, maer geen\' proef tegen houdt1. 705 DeSwijgers zijn stock-blind; sy sien maer door haer\'ooren; Sy hooren en sy sien, jnaer sien niet wat sy-hooren: Sy proncken met haer stilt\'; en die se swijgen siet, Schrickt voor haer-stom gesicht; want stilt\' heeft haer be-

(diet

En maeckt Matroosen bangh en dreight haer met tempeesten:

710 Maer stomte, Partiienin, is eigenschap van beesten, En spreken heeft sijn\' uer; en swijgen buytens tijds Beduydt veel droomens, veel onwetens, of veel spijts2. Daer\'gaen se veel af groot3, die geen\' bequame reden Haer wecr-woord waerdigh sien; My dunckt ick sie se treden 715 In \'t Kaets-spel, daer geen ball, hoe schoon, hoe wel beleidt, Hoe konstighlick, of hoe onkonstigh, haer bescheit4, Haer\' weder-slagh verdient; de blinde, soud\' ick seggen, Gaen beter uyt de baen of in haer\' pluymen leggen. En spreken in haer\' droom, of wandelen in \'t woud, 720 En spreken blinde tael met blad\'ren en met hout.

De Singers zijn soo blind als vincken, die\'t sooquot; leeren; Sy sien maer door haer\' keel en door haer quinckeleeren; Sy sien niet wie haer hoort, noch wien het langer lust; Sy gaen traegh onder zeil7, sy willen van de kust 725 Geprest, gepijnight zijn; maer voerens\' eens haer\' winden Van Land te Zeewaert in, sy konnen\'t buys niet vinden8; Sy krijgen lust in \'tspel, als Kinderen op straet;

Sy sien niet wat de wett van \'tsingen is; de maet»; Sy sien niet wie daer geewt, en wenschtse met haer\' gorgel 730 Te bedd\' of aen een\' galgh; een lood light op haer Orgel 10, Het huylt onendelick, en die se swijgen doet Heeft meer gewelds van doen, dan die se bidden moet.

1

Versta: kopor mot kwikzilver kunnen wel zooveel wegen, als goud ; maar zij zijn niet tegen de proef bestand; aes = klein gewicht, grein.

2

slag. (1) nl. blind gemaakt. 7) Mjn niet spoedig aan den gang te krijgen,

3

8) zij weten niet van uitscheiden. 9) het maathouden: dus ook niet te lang

4

zingen. 10) door een stuk lood op de windlade v. li. orgel te leggen,

ocr page 120

110

lek spreeck mijn selven acn: men moet het my verbeven; Daer stont voor op mijn hool\'d, al in de wiegh, geschreven, 735 lek soude speel-sieek zijn, keelblind en snaeren-blind K Men heeft my opgequeeckt tot hooger onderwint1.\'

Maer ingeboren aerd gaet allen dwangh te boven:

lek sie noch huys-bestier, noch Heeren-dienst, noch Hoven, Noch Nood, noch Oorboor 2 aen; ick sie geen\' tijd te kort, 7A0 Daer Veel, of Keel, of Luyt, of Fluyt versleten3 wordt.

De Springers zijn soo blind als Clavecingel-pennen; Sy hipp\'len dien ten spott die haer den hals af mennen4: De Speelman drijfts\' om hoogh, en geesselt se wser neer, Constantinopolen, noch Hoovers van Algeer 745 En quam \'t noyt in den sin haer\' afgetouwde5 slaven, Soo vruchteloosen sweet ten hals uyt te doen draeven: \'tls Christ\'nen slavernij: sy sien niet dat de man Die haer in \'tronde ruckt niet anders leven kan;

Sy zijn genoeghlick blindt; sy sien niet dat hy heden 750 De gangen 6 teiren spreeckt, die \'t gisteren te tre\'ien De schoonste mode was; sy sien niet dat hy staegh Op Niewigheden droomt, en yet dat weer behaegh\'. Om dat het noyt en was7, (want of \'tquam af te soeten Dat afgesprongen is 0, sijn\' keucken most het boeten, 755 Sijn\' Molen-beeck liep droogh) heel onlanks gingh men

(holl 10,

Gelijck de Noord zee gaet; nu is men droomigh doll 11; De voet kleeft aen den vloer, men magh se nau ontlijmen: De man draeyt spits gewijs12,de vrouwen schijnt dat swijmen; Soo deftigh is de mode; en hoe sal \'tmergen zijn? 760 De Duyvel en sijn\' Moer studeren op een\' schijn

Van niew bevalligheit 13: daer sal wat soets uyt broeyen. Wat niews, om man en vrouw heel av\'rechts14 te vermoeyen; En, of ons\' Duyvelen niet langer wisten hoe,

De heele Fransche Heil, die stadigh op en toe 15 7G5 Niew* ydelheden braeckt, sal by den and\'ren schraepen Daer onse blinden sich bevalligh 16 aen vergaepen:

1

hestemming. 3) nut. 4) Vgl. useeren. 5) tot spot van dengene, die ze

2

helc-af maakt. 6) afgebeulde. Dpassett. St omdat het nieuw is. 9) Versta:

3

want indien de al lang in zwang zijnde dansen eens kwamen te ver

4

velen (en hij had geene nieuwe) dan zou het met zijn verdiensten uit

5

zijn. 10) in galop, li; bij den sleepwals, nl. 12) om zich zelf als spil.

6

13) een nieuwen dans, die bevallig schijnt. 14) op totaal verkeerde wijze.

7

15) aanhoudend open en dicht gaande. 10) met welbehagen.

ocr page 121

lli

Wegh met den ouden trant\'; daer komt een and\'re swier, Versleten te Parijs, en van do niewste hier.

Soo blind en ben ic.k niet in menschelicke dingen ; 770 lek sie wel dat de vreughd door singen, of door springen De jeughd ten hals uyt will, en, als men springen moet, Is mog\'lick by minst blind die \'r minst onmaetigh2 doet; Maer t moeyelicke 3 mail, en altijds niewe vodden,

Gaen boven mijn geduld: men kan papier verbrodden 775 (My dunckt ick \'t red\'lick kan) met ail te dert\'Ien int; De school-striek4, voor goed schrift, maekt schrift en schrij-

(ver blind.

De wijste Koningh 5 danst\', (hoort, vrouwen, en hoort, Hee-Maer op sy n\' eigen snaer, en deed het God ter eeren, (ren) En mat sijn\' treden niet op uytheemsch onderwijs; 780 Sijn heiligli herte was sijn\' voet-maet en sijn wijs 6.

Jalourse li\'en zijn blind: sy sien maer door haer\' droomen: Sy sien dat niet en is; sy soecken dat sy schroomen; Sy tasten naer haer seer, en vinden\'t, als een dief Die 7 een in \'t doncker grijpt, all waer \'them wel soo lief 785 Daer waer geen vatten aen. haer\' Liefd\' is over-liefde8: Sy lijden, billick 9, niet dat ycmant sich geriefde Van \'t geen haer eigen is: maer Liefd\' en is maer Haet Die van \'t geliefde niet vermoeden kan als quaed. Wantrouwigh\' achterdocht is een\' mismaeckte schaduw 790 Van Liefdes eigenschapp 10. Jalouse man, beraedt u,

Jalouse Vrouw, siet om 11; uw\' swackheit werdt bewaeckt; Daer staet \'er een en loert, soo ghy \'t ten bontsten maeckt, Die uw\' verzieringen 12 met waerheit wil bekrachten. \'kHeb vrouwen licht 13 gesien, om dat men se soo achten; 795 \'kHeb mannen buyten \'t spoor gevonden, als uyt spijt; Om d\' ongerechtigheit van grondeloos 14 verwijt Te wreken met der daed: Dief heeten, en dief wesen Waer d\'onderscheiding!! waerd, stond \'top der menschen

(wesen,

Wie \'tis en niet en is, maer, meenden sy, die \'thiet 800 En niet en liet, waer wijs, by die het hiet en liet 15;

D danstvijze. 2) woordsp. over de maat en huilen de maat. 3) lastiy, moeilijk te voldoen. 4) sierlijke krullen met de pe)i geteekend. 5) David. 6) d. w. z. Hij danste, zooals zijn hart het hem ingaf. 7) dien. 8) overdreven liefde. 9 e)i dit is quot;billijk. 10) het wezen der liefde. 11) icees omzichtig. 12} verzinsels, dwaze inbeeldingen. 13) slecht. 14) ongegrond. 15) Versta: wie dief heet en steelt, is wys te achten bij wie niet steelt, terwijl hij toch dief heet.

ocr page 122

112

\'tWas redelick dc naem te passen op de wercken: \'t En is geen\' nieive huyck, ick gaed \'er mé ter Kercken Dat is het rechte paer daer van de Waerheit sprack, Twee blinde leiden d\'een den and\'ren in de wrack2. 80u De Jagers in hacr veld, de Tuyschers 3 op haer\' schijven Zijn blinder dan de snepp die m\'in een nett kan drijven; De Jagers sien geen\' storm geen\' hagel in haer\' loop. De Tuyschers kennen munt, noch klein\' uyt grooten hoop1\'; Soo langh haer kleine JIoöp van winnen houdt by d\'ooren: 81) Haer\' halsen zijn verstijft, sy sien maer recht naêr vooren, Niet eens meer achterwaerts, daer byster\' Armoe staet En drijft haer\' kind\'ren met den bcdelsack langhs straet. De Pleiters5, zijn soo blind (ick derf geen\' Rechters raec-

(ken)

Als droncken Schippers zijn, die malle gissingh6maecken, 815 En zeilen tegens tij, met weinigh winds in \'t Schip, En drijven achter uyt, en meenen dat de klipp Daer \'t Schip voor óver\' moet, van ner tot uere nadert: Tot dat se, moe gestreeft, geschreven en vergadert. Met open\' oogen sien haer\' langh misleide hoop 820 Verdwijnen in een\' webb van sacken over h^op a.

Het heele Hof is blind: (hier moet gh}\' my gelooven; Men magh den ambachts-man sijn\' eere niet ontrooven; Getuigen gelden wat, maer sijn\' verklaeringh meest: Ick sweer het op mijn boeck3: \'tis langh n.ijn stijl10 ge-

(weest)

825 En, naer ick houp, of vrees\', by sal \'t noch lange blijven) Den Hovelingh is blind: het schoonst van sijn bedrijven Betrouwt hy op sijn oogh, dat door de mode siet. Den nevel (lie daer staegh van uyt den Zuyden 11 vliet En ons gesicht bedwelmt gelijck de mist van \'t Noorden. 830 \'t Onredelickst gestell 12 daer menschen oyt van hoorden Werdt een bevalligheit door desen waessem heen,

En soo oneindelick zijn de bekoorlickhe\'en.

Dat my de diere tijd in kruym\'len soud\' ontvallen. Eer ick \'er\'t end af sagh;\'kmost noch eens Kost\'lick jiat,-

(len

1quot;) ik helt ze al lang gedragen. 2) wak, bijt. 3) speler». 4) zij hettnen geen groot en geen klein geld, geen grooten en kleinen hoop. 5 Fielt-suchtigen. 6\' dwaze berekening. 7) langs, voorbij. 8) in een verwarde menigte (doolhof\') van procedures; \'Aio II.-St. 153. 9) teeken, insigne vau mijn ambt. 10) stiel, beroep. 11» uit Parijs. 12) toestel, toetakeling, kleedij. 13) een „Kostelick Malquot; schrijven.

ocr page 123

113

K35 Als ick \'tuytvoeren sou. maer\'kheb mijn een oogli blind Gekeken aen de vlagh van desen warrel-wind1;

My lust het tweede niet daer over uyt te schrijven;

Daer is een\' ander sehell2, van geen gesicht3 te wrijven, Dat in don Hoofschen roock sijn\' luyster hebb\' bemorst; 840 Den Hovelingh en siet geen onderseheit in korst En kruymen4 van oneer, in doyeren en schaelen.

Verwijt hem onverstand; by sal u niet behaelen5; Verwijt hem meer gebrecks als in een aerdigh beest® Te lijden soude staen van \'t minste tot het meest, 845 Hy houdt het u te goed; verwijt hem eene logen,

Gïiy moet \'er mé te veld: de degen werdt getogen Om waer te maecken dat hj- Menseh geen Meiisch\' en is. Geen Logenaer in \'tminst: al weet bet sijn Gewiss, Dat Mensehen Mensehen zijn, dat\'s Logenaers geboren-, 850 Hy will, hy kan, hy magh sijn\'Menseblickheit8 niet hooren Van eenigli even Mensch; de Lemmer moet sijn recht Verweereu in een wild en twijtléligh gevecht.

Hoe vaert de Logenaer? soo God will, kan hij schermen, Hy wint het mogelick, en siet sijn\'s JBroeders\' dermen 855 Ten buick uyt met een\' vreughd die geen\'gelijck en heeft. Ku is \'teen Moordenaer; maer siet, die langhste leeft En is geen Logenaerquot;. Hoe is \'t proces gewonnen!

Maer soo de konste lieght1quot; (daer zijnder die se konnen Met poppen voor \'tgeweer M, en met de punten niet) 800 En soo de Dood verschijnt, daer bloed of voet ontschiet. En vindt hy geenen tijd om seggen. God der waerheit. Vergeeft my Logenaer, die nu voor \'teerste waer seit \'2. Nu is \'teen Moordenaer die hem waer dencken dé, En met een\' lompen streek de waerheit over stré 865 Hoe vaert de Moordenaer? soo langh hem God doet leven Betreurt hy sijn geluck, en voelt sijn\' ziele beven Voor \'tuitterste Gerecht u. maer beurt hem mergen weer Te hooren dat hy lieght: aen \'t dagen, aen \'t geweer.

I.

11 aan den Ctolkeus in andere ricliting wijzenden) wimpel van dezen wind (mode). 2) vlies. 3) ort;/. 4) schijn en wezen. 5) geen rekenschap van vragen, (i) schepsel. 7) Denk aan liet omnis homo mendax. 8) zijn mensch d. i. leugenachtig sijn. 9) Zijne zegepraal bewijst dat immers. 10) Zoo de schermkunst hem bedriegt, in den steek laat. 11) zooals in de scherm-zaal gebruikelijk is. 12) de waarheid spreekt. 13) Versta: met een steek vau guvooiloos staal de waarheid dwong to erkennen. 14) oordeelsdag.

U. HUVOENS

ocr page 124

114

Aen \'tschemen, aen de Moord: Want, hoe wy \'tons ontge-870 -t Is beter, Duyvels zijn dan Logenaer te leven. (.ven ,

Dat\'s uyt sijn oogh1 gesien! maer God, die alles siet.

Vindt siilcke sienders \'t buys, wanneer, en segh ick niet. My walght van bloed en moord: lek gae tot and re blinden; Tot blind\' onnoosele2; door\'t beele land te vinden,

H75 Die \'tmeenen all te sien: De Letter-Li\'en zijn blind;

En sien maer door baer boeek: sy struyck\'len»als een kind, En meenen vast te gaen in all haer doen en seggen;

Viif roepen, dat\'s de wegb, tien konnen t wederleggen: En waerheit is maer een\', llier loopt de oon in t rond, 830 Daer is \'tde Werelds werck by niewer fixer vond ;

En waerbeit is maer een: Hier sijn ons\' oogen boogen. En schieten straelen nyt3: daer is teen\' g:-ove logen,

Daer is \'t maer spiegel-glas, en neemt de dmgen in.

En sendt se met bescheid naer d\'algemeeneTi sinn . 883 En Waerheit is maer een\'. Hier drinckt men aoud met stoo-

(,pen , s

Daer is\'t een valsche toogb4: hier hoeft men\'t niet te koopen, 915 Men spilt \'er niet soo veel als Yser aen ot btael:

Men maeckt het van klaer Loodquot;. Hier kan men t all te ™aeli Daer weet men niet als Niet 5. Hier kan men \' ^j^en

890 En \'tHond vierkanten 13, daer zijn\'tgrondeloose vonden 6: 020 Hier heeft men \'t Eewige bewegen I5, daer is \'tmall:

Hier loopt het Bloed rondom, daer doet bet mei met au.

Hier is de Timmer-konst 10 een\' wetenschap met reden \';

Daer kanse, die\'r maer geld en sinn will aen besteden:

895 Hier weet men \'t Lang en \'t Breed ia, daer weet men t Breed 995

En lacht de Langh-konst uyt, en Waerheit is maer een : 1

1

fil Versta* bii een ander geleerde is t volgens een meuwer beter inzici

2

de aarde welke het (rondfoopen) doet. V Volgens z.e=c

3

drieaeliike temt, waarschijnlijk wdsp. mot toog, vertoonmg, dn. ƒ .

4

van den cirkel. i4) hersenschimmige verzinsels. i5) Perpetuum mobile. blind

5

breedte te bepalen. Jme

6

\\vZuwZnst.\\l) wczenlylc, ratiineele. 18: Vë\\. van iets het lang e.. )0, lt;

ocr page 125

115

Hier zijn de dingen stof van Bollekens1, die werren, En maecken vocht en droogh MenscheppenSonn en Sterren; Daer is \'teen wack\'ie droom, en soo, genoegh geseit, Pat yeder schepsel werckt naer sijn\' verborgenheit2;

Hier kan het pitt alleen van kruyd en blomm genescn; Daer moeten s\' heel in \'t lijf, of \'t beste werdt verwesen: Hier weet men. maer ickvoel mijn\'penn noch soo voll ints, Soo voll vertwijlelinghs, soo vol strijds, soo vol blinds. Dat, soud\' ick hooger gaen, en al den oorlogh melden Van blinden over hoop3, sy vielen wel aen \'t schelden; De blinden wierden\'s 4 eens, en scheidden van \'t gekijf. En tegen my alleen met kmck0 en penn te lijf.

Noch evenwel een gang. De Letter-Li\'en zijn blinden; Ick ken \'er noch een soort die ghy van jonghs beminden: De Dichters zijn dicht5 blind: sy sien maer door het Kijm, En geven \'top voor konst: of Kiste-makers lijm.

Lijm, die maer kleven kan, voor steken8 en voor schaven. Voor maet en regelen0, den lof aen \'tAmbacht gaven. Sy tasten blindelingh de swaerste saecken aen,

En hopen, will het Kijm maer volgen,\'t sal wel gaen: En, will het Rijm niet voort, sy wenden \'t van die wall af, Weer op een niewen boegh, eh raeekender soo mail af. En weer seo lam daer aen (en lam is av\'rechts, mail 10J 020 Dat Reden endelick in \'t rijmende gevall.

Als in den lijm, verstickt. en siet eens waers\' u slepen, Sy selver wegh gesleept, en lett eens waer sy schepen En waer haer ancker valt: sy munten \'top Japan, Eu drijven dnysend mijl van daer in Astracah;

Dat zijn Piloten1-, dat zijn verre-siende luyden!

Kan ick \'tn krachtiger als met mijn selfs beduvden? (\'t Was tijd ick my beklapt\', en by de blindenquot; bracht\', Ghy hadt het all begost, ik voelden uw gedacht). Gedenckt waer ick begon, waer ick mijn schaetsen aen bond Siet waer ick henen ben, en, soo ghy \'tsoo verstaen kont, Weet dat het lieve Rijm mijn lijmen 13 heeft beleidt, En, waer ick uyt-gerijmt, ick waer langh uyt-geseit.

Noch ben ick soo soet blind als een der mede-blinden,

1)00

910

\'.115

»25

030

hl

1

atomen. 2) water en land. 3) ferhorgen hraclttén. 4) massa van

2

blind in lum gedichten. van heitelen. 9,herekening, roorschrifter,.

3

10, omgekeerd d. i. bij de omzetting der letters. 11) waarheen zij zich

4

Inschepen, lüj stuurlui. 11) onderhoud, gekeureï, met woordsp. op verzen

5

lijmen.

ocr page 126

110

En beeld mijn\' sotheid in, ghy suit mijn onder-winden, 935 Mijn\' aller winden loof)» voor lijdelick aen sien.

Wat seght ghy? ben ick nu soo blind niet als ick dien? Maer \'tis Poëien slagh; sy konnen \'t niet ontleggen1, Sy sien geen schooner ey dan dat sy selver leggen: En dreight se met de pley 2, ghy pijnight\' er niet uyt 940 Dat eenigh Dichter oyt haer liuyt heb Ij\' over-luydtquot;J.

Daer zijn noch blinden meer. meer blinden? jae, meer

(blinden:

Gelooft my, I\'arthenin, ick wist\' er meer te vinden Dan ick \'er hebb ontdeckt: en hoe ick verder kom, Hoe ick meer blinden vind, voor, achter, en rond cm: 945 Maer klein\' en acht ick niet, daer is mijn\'penn te fier toe : De lompe walgh ick van; daer is mijn inct te dier toe: De wijse schrick ick voor, de Groote sien ick aen Gelijck de kinderen het aensicht van de Maen3;

Sy staen my wat te hoogh; en dan, sy hebben straelen, 950 Daer geen versettquot; op is, ick heb\'er wel sien haelen4. Dien \'tluste veel bchaels5; sy schieten diep, van verr», Gelijck de Sonne doet eu d\'allerminste Sterr.

Ick staeck het by die Spell I0. Hoe raeck ick nu ten ende? O! die my dwaelen siet, wijst waer ick wel belende 11; 955 Doet hier een\' minne-proel\'12 aen een\' arm\' blinden man Die op den dool-Iiijm 13 is, en \'t buys niet vinden kan. My dunckt ick had het oogh (het is soo langh geleden Dat ick het qualick heugh 14) op \'t eene van de leden Die onse toortsen zijn, en daer men door het glas 960 Yet vuyls, yets onganschs, yet bekommerlicks in las. Is dit nu *t lieele pack, zijn wy tot daer toe effen 13, En voelden wy ons noyt een ander\' lenite 16 treffen? Wel seven Maer een Oogh, een oogh is sulcken schat! \'tls wel waerachtigh: maer waer laet ghy \'tKelen-gat 9G5 En ander\' Enckele, voorsichtelick te melden I8,

Min misbaer als een oogh ? wat hebben die \'t ontgelden, Wat loopen die gevaers ? een oogh is maer een oogh:

1

4) overstemd, overtroffen. 5) met ontzag, nl. 6i tegenweer. 1) grijpen,

2

pakken. 8) Itedil. Oj Versta; de pijlen hunner wraak treffen do beneden

3

lande. 12) bewijs van liefde. 13) in plaats van op den doolweg. 14) het

4

veel meer. 18) enkele (ledematen), waarvan men maar fluisterend moet

5

spreken (uit vroes voor onheil.)

ocr page 127

117

])e slechtste Schutter hoeft maer \'teeue tot den Boogh, Endaereen tweelingh1 sterft daer kan een tweelingh troosten; 070 \'t Is altoos Oogh om üogh 2. al stond de Sonn in\'tOosten, Die \'tonsent West-waert hangteen oogh waer ruymt van

(licht.

Nu leeft hv noch, die sprak, soo \'trechter u ontsticht, Verwerpt het; en hy leeft, die \'teen en ander bouwde: \'tWaer wel wat ongerijmts, dien ick een\'Keel betrouwde, 975 Een\'Mond, een\'Longh, een\'Maegh, een\'Lever en een Hert, (Elck is my \'t leven waerd\'quot;) dat ick mis-trouwigh werd Om sorgeloos een oogh op sijn\' sorgh te beleven5. Wat lightm\'er op en dinghtquot;? Wy hebben maer een leven, quot;Wy hebben maer een\' Ziel, die God behouden moet\'; 980 Onthaelt8 by \'sons, \'tis wel all wat de Schepper doet, \'t Goed gaet van waer het quam8! mits \'t eene van quot;twee oogen Ten Hemel binnen raeck\', soo blijft men onbedrogen. Maer daer en komt geen licht van oogen toe te baet; Veel sien en geldt hier niet: men siet meest allom quaed, 985 Ten minsten ydelheit; dat is liet rechte teer-geld

Tot d\'Hemels reiseniet, men eischt ons wat, dat meer geldt: Men seght ons niet, Siet nvt; maer Siet\'eruyt 10;enhoe? Als Ick geduldige ter dood des Kruyces toe:

Men seght ons, Eaet u sien en laet uw weldoen blincken, 990 Soo dat Gods heerlickheit en uw eer fsamen klineken. Dus, P art he nine, (want wy zijn malkand\'ren moe Geprevelt) weder nae den l\'ottebaeker toe:

Hem volgen voeght de kley12, en breeckt hy ons tot scherven, Ons hopen staet in hem,quot; al soud\' hy ons doen sterven; 995 En sluyt hy ons een oogh of twee éer \'t avond is,

\'tls om een schooner licht; \'kweet\' dat ick niet en miss, Ick spreeck een heiligh woord; laet ons op \'thooghste Lot

(sien,

Blind en onblind is een; De vrome sullen God sien.

l)fc!én tley ticeclitujen. 2) Versta: voor één dat gij verliest,behoudt gij % or een. 3) Versta: waren wij jong in plaats van oud. 4) ieder van deze is de voovwaavde van inijn leven. 51 om een oog aan zijne zovg toe te vertrouwen en dus zorgeloos te leven. 6) wat dient hier veel geredeneerd? 7) moge. 8) neemt. 9) Eechtsterm bij erfenissen. 10) ziet er zelf uit, toont tt. 11) Toont, wie gij zijt. 12) God te gehoorzamen, voeyt den mensch.

ocr page 128

118

Oogculroost

AEN DE VROUW VAN ST. ANNELAND\'.

Als \'t op een sterven gaet, siet m\' het Gesight eerst breken: En dat, die zestigh jaer en thien meer heeft geleeft. Of sterft, of sterven gaet. en lijdt geen tegenspreken. ^ Is \'tvreemd of buytens tijds dat hem \'t Gesight begeeft? 5 Maer dien1 het stervende begeeft, verliesen Hooren, Gevoel en Smaeck en Reuck, en sterven daerop heen: Ghy leeft, en hebt van vijf maer eenen sin verloren; Bedenckt uw voordeel eens; het is noch vier om een. Twee halve2 mis ick sehier. en leev niet ongeruster 10 Dan doen ick van de vijf bedient was in \'t geheel: God habbe lof van als 3; komt met my, lieve Suster, En danckt hem voor \'tverlies van maer een vijfde deel.

Wat klagen blinde Dien, die \'t werden op haer\'dagend? Wat dunckt haer datter meer sienswaerdigh sal geschien 15 Dan watter is geschiet en sy soo dickmael sagen ? En zijnse noyt sier.s sat? wat soeckcn oude Lien?

Die wel vergadert heeft, moet op \'t vergadert teeren; Of sijn vergaderen is moeyte sonder vrucht;

En, wi) hy dagh op dagh \'tvergaderde vermeeren, 20 Soo kiest hy sorgh voor rust, en onrust voor genu-?,ht. Teert wel en danckelick op wat gh\'in soo veel dagen Ter Wereld hebt gesien; \'ten is geen\' kleine Som. Dat voordeel hebben sy, de blinde die eens sagen,

Voor uyt en siense niet, maer heel wel achter om\'!. 23 En neemt, ghy saeght voor uyt, het sou soo weinigh duren, By \'tgeen verloopen is, al wat ghy hadt te sien.

Dat, die u d\' oude 7 nam en schonck de niewe uren,

Soud u oneindeliek verlies en schade bien.

Nu hebben ghy en ick een\' menighte van jaren 30 Met uytsien and\'ren veel haer uytsienquot; overleeft; Wy hebben \'tal besien, en zijn ruym wel ervaren Wat dese Wereld siens en niet siens waerdigh heeft. Het insien rest alleen, daerdoor wy ons gewennen

1

zij, wien. 3) H. miste liet gebruik van één oog en één oor bijna ge-

2

lieel, dus van twee halve zintuigen. 4) aUes. 5) op htm omlen day.

3

6) sij kunnen in de herinnering leven. 7) vervlogene. 8) het niteién van

ocr page 129

llil

Ons selvcn te doorsien en al wat in ons is,

US Waerdoor w\'ootmoedelick voor God alleen bekennen Waer w\' in verlegen zijn om sijn\' vergiffenis1.

Dit insien is soo nnt en eischt soo langen stade2,

En is een\' oeffening daer steeds soo veel aen schort. Dat, waren wy in \'twerck met insien vroegh en spade, 40 Wy quamen alle daegh weer niewe stae te kort.

Siet wat een tijdverdrijf voor Menschen sonder oogen, Siet, wat liet Ijesiglieits den besighsten verweckt.

En of \'t wel in der daed een\' saeck is van medoogen, \'t Gesichte quijt te zijn dat hier niet toe en streckt3. 45 Neemt mijn\' eenvoudige vermaningen in \'t goede,

\'tZijn sprnyten van een Oud door-Broederlick gemoed; lek quot;weet het, en danck God, het is ten overvloede4. En beter seid\' ick n: doet, Snster, soo ghy doet.

In Zce„ niet ver van onse strand, In \'s Koninghs5 Jacht van Engeland,

Graf-sclirift iu voor-racd % voor

Mr. P1ETER DE VOIS\'.

Dit \'s blinde Pieters graf, die meer sagh sonder oogen Dan and\'re twee door vier. Hy stond op geen medoogen 8, Oock voeghd\' hem geen heklagh; sijn\' onmacht was sijn\'

(macht,

Sijn ongeval sijn\' vreughd; hij leefd\' in sijn gedachtquot;, 5 Dat door sijn\' handen sprack; hy sagh sich self\'s vanbinnen, Dat weinige gebeurt, versier, van alle sinnen.

Van dat soet binnenste deeld\' hy de Wereld mé Soo mild, soo vriendelick als \'them den Hemel dé. Dat maeckt\' hem niet schatt-rijck; hy bleev\' er oock niet arm

(van,

•10 (\'tEn gaet niet altijd vast: een blind man is eenarmmann)

1

In welk opzicht wij zijne vergiffenis heltoeven. 2) tijdrninite. 3) het

2

licliamelyk goziclit nl. 41 orertollig,niet noodig.S) KarelII. 6) Oijvoorlaat.

3

D Orgelist te \'s Gravenliage. 8; verlangde geen deernis. 9) geest, gemoed.

ocr page 130

12(1

Sijn liefste rijckdom was kunst en gunst van soet volck, Dat sijnen naem verhief tot tusschen Maan en Wolck1: Maer \'twas niet hoogh genoogh: waer \'tmeer verstand ge-

(geven,

\'tHad sijnen held\'ren naem ten Hemel toe gedreven. 15 Dat hadd hy ruym verdient in vier-en-veertigh jaer, Met kostelick geluyd van Pijp, en Boogh a, en Snaer. Maer wat hy songh of peep, hy kost nau oogen vinden. Die sijn\' door-wetenschap begrepen of besinden2,

Besinden met verstand: soo voelden hy sijn\' lof 20 Voor \'tmeerendeel misduydt, en selden meer als grofquot;. Dat speet hem; en hy docht, \'t was langh genoegh gestreden üm blinde liefhebbers te brengen tot de reden; En scheidden uyt het werck, en brack sijn leven af, En ley sijn vingeren te rusten in dit Graf.

30 Maer die3 die vingeren die wonderen dé spreken, Die wei-getoondee Ziel, is U3\'t haer huys gestreken. En Hemehvaert gegaen; daer singht hy, soo hy songh, Haers Scheppers hoogen lof, met niewé keel en tongh; Daer werdt hy eerst verstaen, daer toonts\'7 in beter snaren, 35 Hoe loff\'lick hier beneen haer\' Halleluja\'s waren.

Nu sitt de doovequot; Werld en schreit haer selven blind Om \'tgeen sy noyt bedacht, en nu te laet versint En of sy \'tnier versonn, veel\' siende, kreup\'le blinden I0, By desen blinden mann, doen \'t haer te wel bevinden 11 40 Armoede maeckt vernuft: Soo gaet het inder tijd I2, Men acht het goede niet, men zy het beste quijt.

1

Wfl: tot de wolken. 2) archel, strijkstok\' 3) sijne yeleerde kunst

2

toont zij, {do ziel.) 8) die \'jecn oor had voor zijne inuziel. 9\' inziet.

3

wereld.

ocr page 131

Z B I) E - P E I N ï B N.

VOORSPBAECK 1 DER SELVE

Acn mijn\' Broeder,

DEN HEER

MAUEITS HUYGENS2

Secretaris van State.

\'kSal hem ernstigh heeten liegen Die sich selven wil bedriegen,

En beschuldigen mijn\' Pen Daer ik schuldeloos af3 ben,

\'k Sal geen\' Vyandon verdraegen1 Over segge-sucht te klaegen.

Die mijn\' herssenen, geroert,

Door mijn\' tanden hebb\'gevoert4:

■kWil geen\' vrienden laeten dencken M Pat ick d\'eer hebb\' willen krencken

Die den eenen van Geboort,

And\'ren van Verdiensten hoort.

Goede6, die ick heb verheven,

Qiiaede, die icquot;k heb gedreven 15 Voor de geessel vaa mijn\' mond7,

\'k Segh hier, dat ick noyt en vond Dien al \'t goede kon\' betaemen,

Dien al \'tqnaede kon\' beschamen

1

In de dubbele bet. van voorrede en verdediging. 2) Broeder v. den

2

Dichter, geb. 1595 gest. 1042. 3) daer-ttf: van hetgeen, waaraan- 4) ;/,■

3

zal niet verdragen, dat vijanden. 5) Versta: die mij\', al wat ik denk, doet

4

doen gevoel or.

ocr page 132

122

J)iit ick van de Goede segg,

2U Dat ick op de Quade legg.

Deughden lieli ick willen paeren,

ündeughd hel) ick willen ga\'eren En verhechten 1 in een\' klomp,

Naer ray hier de Deughd toe glomp , 25 Naer my daer de ondeughd terghde,

En haer\' o]ien schande verghde 3;

Om den Goeden tot het Beeld 4 Daer een yeder \'tsijn in deelt,

\'t Beeld van deughden, \'t Beeld van Eeren, \'.iO Soo sijn\' liefde te vermeeren

Dat hy\'t, verder van verschill5,

Heel end\' al gelijcken willquot;;

Om den Quaeden haer afgrijsen Soo afgrijselick te prijsenquot;,

B5 Dat de quaedste van den hoop

Voor sijn\' eigen schaduw loop\'?

lierst-geboren van mijn\' Vader,

Die, \'t bedaeren soo veel nader Als \'tvan mijne jaeren staet, 40 Medgenood 7 ter Tafel gaet,

Daer bet Staetige beraeden s \'s Vaderlands gevreesde schaden,

\'s Vaderlands gewenschten spoed1Tegenstaet en spoeden doet;

43 E it o E 7) E R, deel van dese Ziele,

Die mj\' niet te deel en viele Om Gebroeders 10 naem en eer Door den etter van een zeer Daer sy noyt de pnyst af kenden11 50 In de lasteringh te wenden.

En bekruysen ooek bet wit Dat bun in de oogen sit:

Weest mijn Tnyge by den Goeden,

Die het niet en wil vermoeden;

1

iweenigen, ineensmelten. 2) glom, schitterde. 3) tot aan de kaal:\' stetliny\' noopte. 4) ttipe. ideaal. 5) lioe verder hij is van ervan te verschillen d. i.: hoe dichter hij liet nadert. G) „Estimefquot; II. Versta: hun hare eigen leelijkheid zoo afschrikwekkend to schotsen. Dmedegetioodigde. 8) beraden der Staten, Tevens wdsp. 9) voorspoed; teger staet ziet op schaden. IOj mijner naasten, li) Versta: wegens een door hen niet he-rtreven kwaad. 12) zwart maken.

ocr page 133

123

53 Treedt do Boosen op den teen,

Die \'t my geerne ovorstreên1:

Doetse van de Lessen hooien Die uw\' kïnderlieke ooren,

Die do mijn\' van teerer Jeughd liO Gaepen\'- leerden na de Deughd;

Doe de Vadorlicke hoede Van sijn\' vriendelicke roede,

Die2 nu, van het eerst verlost,

■t Ander leven hoeft begost, 05 Waeckten over \'t groen bewogen1

Dat wy in den boesem kregen.

Mot een\' rechter tegen-bocht3Waer \'them slincks genegen docht:

En sy sullen loeren weten 70 Dat \'ick niet en heb gegeten

d\'Eerste Boter na de Memquot;,

Sonder stadigh Sijner stem Kinder-tuohtelick vermaeoken 4Boven \'t voedsel uyt te smaeckon, 75 En genieten onbedocht

Daer5 mijn\' Ziel op toeren moght:

Tnchtirgh van vergulder 9 waerden,

Die sijn\' sorgen op vergaerden.

Die sijn\' vreese, die sijn\' Min 80 Stortten in mijn\' hollen sin I0;

Tuchtinah op do vorm gegoten Die de Grootste aller groeten Met Sijn\' vinger In de Wolek 11 Groefde voor sijn eigen volck. 85 Willon sy daor op \'\'\' gedencken

Dat het allereerst beschenckon 1 \'t Emmer-onbeschoncken vat Soo doorwoickt in \'teerste nat,

Dat liet sweeten noch bevriescn 11

1

waar niaakle/i. 2) frarhtcn naar. 3* ilcsyeiien, tïie. H.\'s vader stierf

2

den tegenoveryestelden, goeden kant. 6\' de eerste hoterham tiet de moeder

3

waarop. 9) gulden datief;- 10) nog hraal-liggend gemoed. 11) Exod.

4

behouden blijft, totdat liet vat breekt en dan nog in de scherven quot;waar

5

te nemen is-

ocr page 134

124

90

d\' Eersten gcnr kan doen vcrliescn, Die, tot dat het sterven gaet,

Door en door de scherven slaet: Mog\'lick sullen sy besluyten,

Allen weder-waen te buyten1,

Daer soo vroegh, soo trouwen hand Soo voorsichtigh heeft geplant, Hooren sehaedeloose vruchten Van profijtige genachten Aen de tacken, om de bla\'en,

In de greppelen te staen.

Sulcke, Broeder, sulcke derv\'2 ick fBacr op lev\' en daer op sterv\' ick) Voor de boose, voor de go\'en Dese vruchten noemen doen3.

Wiltse ghy 5 soo helpen noemen. En den lo\'genaer verdoemenquot;,

Die my geerne schieten sagli Daer ick noyt op aen en lagh7,

\'k Sal een heugelick verdraegcn8 Vinden in de valsche slagen,

En de veilste rust van al In uw eenigh •, welgeval.

95

10Ü

105

110

1

luiten allen wedeymten d. i. allo vooroordool lateudo varon, 2) waarin

2

se noeme 5) wilt gij zo. G) veroordeelen. 7) aangelegde, due\'de. 8) ik zal

ocr page 135

125

LEDIGE LESER.

Noch dese dry woorden, tot Voorspraeck 1 van den niewen naem dien ick dese onder ons niewe maniere van Schriften gegeven hebbe. De Grieken, daer van wyse te leen houden, ende onder haer Theophrastus 2, die de sijne schreef op het 99. laer sijns on der doms, noemdense Characteres: mijns bedunckens verre eigentlicker3dan de si/y verste4 onder de Romeinen, dieder Notation es af ge-viaeckt hebben. Dat sullen my toestaen alle die yedencken dat onse eewige Salighmaker de Character van God des Vaders wesen^ ivert genoemt; niet soo krachtig en beduydinge, datse de geleerdste over setters in geene Taelen mijner Icennisse, sonder omspraeck G, ten rechten heb\' hen weten naer te komen. Signum, Species, Imap;o, Figura, ende de ivoorden die de hedendaeghsche Taelen van dese hatijnsche verschat pe7i7 hebben, konnen den Text hier in niet voldoen. Jjaer moet sulck^ eene gedaente* uytgedruckt werden, die tusschen haer selven ende hae-ren oorsprongh als geene kennisse van onderscheid en laete; oock min dan men tusschen den gesneden ende den gedruckten Segel gewaer wordt. Dien volgende, hoewel wy het in andere als Gods eigenschappen dus namv niet en behoeven te soecken, om nochtans te thoonen dat mijn voornemen geweest is de waerheit ten deunsten 9 te genaken, hebbe ick my oock in desen aen de Drucksels gehouden: ende wetende dat menschen handen (die geene twee dingen malkanderen volkom entlick konnen doen gelijcken) geene min berispelicke gelijckenisscn en konnen voortbrengen, dan daer is tusschen de vorm ende \'t gevormde, tusschen de letter ende H gedruckte, tusschen de Plaet ende Y geprintte, hebbe my soo langh nietten naem van Printen (daer by mogelick de Italianen haer woord Empronte souden mogen ver gelijcken) voor de Grieksche Characteres willen genoegen 10, totdat my mijne Vrienden V samen den misslagh ende de beteringh sullen aenwijsen icillen, ende my in de voor der e mijne11 feilen met soo oprechten suchteloosen12 gemoed bejegenen, als ick verklaere in allen desen te werek geleght te hebben.

1

Zie bl. 121, Aant. 1. 2) Grieksch wijsgeer uit de 4de eeuw voor

2

Chr. 3» eigenaardiger. 4) klassieksle. 5) het uitgedrukte beeld v. Gods

3

zelfstandigheid; Hebr. 1. 3. 6) omschrijving. 7) gevormd, afgeleid. 8) een

4

zoodanig iets. Ó) ten nauwste. 10) te rreden stellen. 11) mijne verdere.

ocr page 136

12G

EEN KONING H.

lly is een\'. Mcnighte besloten in een\' Kroon1.

Een yeders Opper-knecht\'-; een slave sonder loon, Het liooge daek van \'t Uijck dat al den hagel uyt staet2; Het groote Reken-boeek van al dat in en uyt gaet3; 5 Een Penningh van \'t metael daer wy af zijn gemaeckt; Maer op de reken-ry der dusenden geraeekt4; Een Vry-heer5 in de boey; een eewige gevangen; Een bidder met gebied6; een slot-rijm van gesangen7; Een Blixem die door \'t stael van allen weer-stand breeekt; 10 En al dat toegeeft, spaert; een\' wolek die Donder spreeckt; Een* Son die noeh gelijck8, noch duysteringh9 kan lijden, Of onweer volght \'er op en -warrelwind van tijden 10; Een noodigh onder-God 11; een stadigh man te roer: Een doel van ondancks pijl, en achterklappers roer 13; 15 Een aller voorspoeds eer en schades schande draeger; Een nytgemaeckte 14 Man; een schepsel van sijn\' laeger\'.

\'sVolcks will is dat sijn will voor aller willen will\'15, Sijn will is yeders wet, sijn\' wet is yeders will;

Sijn adem stickt in \'t nauw 10 van lieffelicke liegers, 20 Van treffelick geboeft, en heer-licke bedriegers 17;

Die waeyen waerheits locht sorghvuldigh van sijn oor: Is \'tdat\'Sy onversiens door haer\' besettingh 18 boor\', Sy breeckèn haer geweld, en door de kromme fiuyten A^an hunn\' versieringen ontwringen hem haer stuyten 19. 25 De vriendschap kent hy niet; dat \'s wedergaden vreugd 20; Dier heeft h3r binnen -l \'geen, en buytenis \'t geen\' deughd, Maer eigen baets bejagh; de Vorsten zijn geen\' vrinden Dan om versekertheit in veel verbonds te vinden;

Soo is de vreese meest de Kopp lers 22 van sijn\' trouw 30 En, schrickt hy voor den Oom, hy maeckt de Nicht sijn\'

(Vrouw:

1

Hij vet\'teffenwoordiyt het volk. 2) de eerste dienaar zijner onder

2

uitgaven. 5) Versta: van dezelfde stof als wij, maar veel grooter in

3

waardigheid. 6) vrije heer; wdsp. met freiherr, \\iü.xoi\\. 7) n et macht tot

4

dwingen 8) Vgl. ons volkslied: voor vaderland en vorst. 9) een in

5

macht gelijke. lO) eklips, verduistering ui. door iemand, d;e hem in do

6

schaduw stelt. 11* omz. voor tijden van warrelwind (beroering). 12\' stede

7

houder Gods 13) geweer. 14^ uitverkoren. 15) Versta: het volk begeert

8

dat zijn (des Konings) wil voor dien van allen gelde. 1G) gedrang. 17) Ziet

9

op de hovelingen. 18 den door hen gevorinden muur. 19) dat hij haar

10

afwijst. 20) genot, dat slechts onder gelijken beslaan lUn. 21} Vinnen

11

\'slands. 22} koppelaarster. 23) huwelijk.

ocr page 137

127

Dan is sijn voordeel min dan van de minste slaeven, Hij haelt de Meer1 op stal en heeft se niet sien draeven.

Sijn\' vrienden zijn hem vreemd tot in den hooghsten nood 2, Dan raeckt hun \'s Vaderlands bederven in sijn\' dood\': Soo langh hem langh geluck de deughd doet wareloosen Vermengen sy haer Eer niet geerne met de boosen,

Veel liever storten sv haer\' traenen in den stroom Daer tegen all\' haer\' kracht onkrachtigh is en loom.

Sijn\' dagen zijn niet sijn\'; de daghraed en de sorgen Bekruypen hem gelijck; van Avond af tot Morgen Geniet hy nauw de rust\'1 die vaeck ontstelen kan; Soo langh hy niet en leeft4, leeft hy sijn eigen man;

Sijn\' sieckten seggen hem dat groote bloemen weleken; Dat doet hem zitteren5 voor \'tsehuymen van de kelcken, \'15 Voor tdao-elicks gerecht, al diende\'\'t hem sijn Soon, Die mog\'lick staende voets kan reicken« in de Kroon. Vergulde distelen7, wie kan men uw verblijden Door soo veel Aloes8 bedachtelick benijden? Wie wensche9 na de hooghd daer \'t soo gestadigh waeyt, ^0 Daer \'t soo dier slapen is en \'t hoofd soo goe\' koop draeyt10?

EEN BEDELAER.

Hy is een Aerdsch Planeet n; eenquot; Schildpad sonder daek, Hoewel t\'huys. waer hy gaet; een\' horen-loose V1 slack, Die sonder sout versmelt13; Mensch, menschelickst van allen, Mensch totte menschlickheit14 van d\'eersten Mensch herballen;

5 Een na-neef van den Krijgh; een\' spruyt van Overdaed; Een Monick sonder kap 15; een pachter van de straet 1,5: Een\' logge-leger-luys 17, een\' inbreuck van de werck-keur 18; Een\' schaduw van het Hof; een stoep-stijl vande Kerck-deur; Een karmer om den kost: een suchter van gewoont; 10 \'t Verwijt der Christenen 19 daer om-ontrent -0 hy woont;

1) merrie. 2) uiterste fjevaar. 3) gerust he id, onbezorgdheid. 4) slaapt. 5) sidderen; hgd. zittern. G) de hand uitstrekken naar. 7) Omschr. van kroon. 8) bitterheid. 9) Wie kan wensche.i. 10) zoo los op de schouders zit. 11) Dwaalster op aarde. 121 zonder huisje. 13) Versta: de slak smelt, als men er zout op logt, de bedelaar als men hem zout (voedsel) weigert. 14) menschelijke natuur, natuurstaat. 15) H. denkt aan de bedelmonniken. 1G) hij is er altijd op en leeft er van. 17) trage bedlnis. 18) algemeene arbeidswet. Gen. 3. 19. 19) voorwerpsgenitief. 20) tvaar omtrent, in wier nabijheid.

40

ocr page 138

128

Het naeckte lidt des lijfs daer af wy leden heeten1; De wey van \'t ongediert; het broey-bos van de quot;neten; Het uyterste gepoogh van \'s Werelds ongeval2; Een niemands bloedverwand; een opgeschopte bal, ia Dien elck een\' ander\' sendt, en allesins moet stuyten3; Een rogge kruymelkorf; een Thresorier van duyten.

Sijn\' maegh sit op sijn\' tough, en maecktse bedel-rap; Brenght sy geen\' klei ten dijck4, dan spreeckt hy met een

(schrap5,

Dan maent hy met een stompG, dan slaet hy met twee kruc-20 En doet medobgentheit den neck ter borse backen. (ken, •Sijn uyterst toeverlaet is kinder-keel-getier6,

Den ooren die wat lust een\' Sackpijp of een\' Lier7;

Daer brenght hy d\'oude Luyt van Orpheus mé ter schanden8, Daer dwinght hy Leewenmé, en vanghtse met sijn\' handen, 25 Die luy\'ren op \'tgemack u; en, gingh de dagh-rent9 vast, Soo lief leegh Bedelaer, als ambachtsman te gast.

Een Schouteth is sijn\' dood ,:J, een Lijckhuys is sijn leven 10; Hy loont sijn\' geveren niet meer dan hy kan geven; Den Hemel voor een\' dronck is hoogen\'Interest 15; 30 Hy leeft van dagh tot dagh: h}\' sorght11 voor \'t winter-nest. Als \'t sncew geregent heeft; dan sweert17 hy by de korven Die \'tSpuy begrommelen 18 met kruymel-mul van torven; Hy koelt sich daer men sweet, hij warmt sich daer men

(beeft ,9,

Meest beide kommer-loos; dat\'s dobbel wel geleeft; 35 Hy vindt sich in \'t geniet van decksel en van kleeren; Valt \'t een of \'t ander schaers, hy deelt weer met de Heeren. Wat heeft de rijcke meer voor lange voor-sorghs pijn 520? Niet veel. En evenwel, God Help se die het-1 zijn.

1

1 Cor. 12. 27. 2) Versta; liet rampspoedigste, dat aardsclie ellende

2

kan voortbrengen. 3) die overal het hoofd stoot. 4) hrengt zij niets te weeg.

3

5) schram, litteeken. C) van arm of been nl. 7; het krijten van kinderen.

4

8) doedelzak en Duitsche lier (een instrument met 4 snaren, waarlangs een

5

met colophonium bestreken rad gedraaid wordt.) 9) Versta: Daarmede stelt

6

lu) muntstukken, waarop een leeuw stond. 11) die op hun gemak aan

7

hunne luiheid botvieren. 12) daghuur, opbrengst. 13) hij is er doodsbang

8

voor. 14) daar hadden immers bedeelingen plaats. 15) Varklaring van

9

19) \'s zomers immers werkt hij niet, \'s winters houdt l-.ij zich bij het

10

ziende zorg. 21) nl. arm.

11

den voorgaanden regel. 1(5» Vul in: eerst. 17) houdt het met% is niet van

ocr page 139

129

EEN RYCKE VKYSTEE.

Sy is een\' Kermis Gans1, die, menigh\' Boer ontslipt; Een\' korssele Goddin, die \'t meerendeel belipt quot;Van haere Priesteren; een been van dusend rekels-\'j Soo menig\' jongen bill\' een bolsterbed van hekels4; 5 Een guide5 pijl van \'tkind6 dat Venus Moeder heet; Een sonderlingli gediert, dat Amber-droppen sweet, En Roosewater pist\'; eenquot; duyv voor alle tillen.

Sy kan al wat sy wil, behalven yet te willen;

Sy is een\' Vrijer-wan; een schuym-spaen van de Jeughd8; 10 Sy quelt sieh in den keur, en \'tis haer\' meeste vreughd; Sy kan van dusend een ■\' den Maskers-lap 10 ontbeeren; Elck Vrijer is een Mol quot;, en \'t vleesch geldt na de veeren ,\'-; Haer\' sproete-plecken zijn onsichtbaer, of van goud 13; Tijd, die de vellen ploeght, en maeckt haer nemmer oud; 15 Men vrijdtse by Gesant; haer by-zijn is te derven.

Vermits haer\' schildery quot;, de Grondkaert van haer\'erven; Hoe haer\' bors grooter gaet hoe Sy meer Maeghdoms heeft; Die erger dencken derft verdient niet dat hy leeft.

Sy is het Venus-beeld der Parisen van heden 18,

20 Daer June noch om lacht, waer\' Pallas maer te vreden quot; Haer ooge spreeckt Schiedams I8; sijn uytgestraelde geest Betoovert Menschen-vlees, maer beesten onnae 19 meest: Haer waepen is een\' Koey in klaverveld ter weiden. Die overgeten schijnt, en van de melck wil scheiden; 23 Den helm is d\'opperhuyv 20 van Landvrouws Koren-tas, Een\' stock-bors 21 in de kroon geswollen van \'t gewas. Het loofwerek ~ om end om zijn leckere papieren, 23 En liever parekement -J, daer segelen aen swieren;

1) doelt op het gans rijden. 2) tie Up njoJiaalt over. 3) honden fminnaars) die er om vechten. 4) de jongelieden kunnen niet slapen, omdat zij steeds op middelen peinzen om ze te krijgen. 5gt; wijl zij rijk is. (h Cupido.

7) Haar zweet is (voor do vrijers) als amber, haar i)is als rozewater.

8) Zij zift en schuimt immers de vrijers, y) Zij is oen der weinige, die. 10) liet zijden masker, dat don „teintquot; bowaarde. 11) zoo blind immers. 12) lleer\'en. 13i worden willens niet gezien, of door haar goud goed gemaakt. 14) Uithoofde van haar portret, dat men heeft in de grondkaert v. h. e. 15) meer zwelti wdsp. met zwanger zijn. 16) Versta; do rijkste vrouw is voor de hodendaagsclie vrijers de schoonste. 17) Niet duidelijk; zie mijne Uitgave bl. 57- 18) bedwelmt even als het te S. gebrouwen geestrijke vocht. 19) verreweg 20) overhuiving, dak. 21) geld-heurs. l-2; dekideeden v. h. wapen. 23) schuld- of rentebrieven. 24) misschien bewijzen van lijfrente, door de provinciën uitgegeven, waaraan zegels hingen.

c. Huygens — I. 9

ocr page 140

130

Haer Boomen van geslacht1 Boomgaerden zonder end; \'ia Om

30 Dat \'s van het oudste Eêl, of Eva is ontkent 2; We

Al is sy klad-papier, sy heeft vergulde kanten, En

En die de hand mishaeght die kustse door de wanten\'. Ma

Sy haeckt na trouwens nacht, en vreest hem bet en bets. DU

De\'Bruyd en \'t Vrijster-rijck gaen t\'eener uer te bed3; |20 En

35 Dus valt haer \'t Ja-woord hard, en \'tNeen niet min om\'ti: \'tA

(wachten. Va

Daer\'s onraed voor haer\' Deur, men trommelter by nach- Ge

Haer\' bell is afgeluydt, de klepel roept genae (ten6; Gc

Van soo veel geess\'elinghs, de Dorpel, Mannen stae \', 25 Ni

Mijn rug-been gaet teplett; haer\' stoelen-sporten4 schreewen Vi

40 Van onverduldigheit als hongerige spreewen; Oi

D\'een heetse Roos of Ster, en d\'ander Son of Maen, B\'

Maer meeste van gevoel 8, Wanneer 10 Van Waer- H

KAEOK-AEN u. 30 D

B

E

S

35 I I

1

]

40 ]

1)

ook scht lekl vrof met veil kijl 17.1

EEN GOED PREDIKANT.

Hij is een Maeckelaer in ongesiene waeren,

De core noyt en hoord\', in \'t herte noyt en waeren 13; Een Koek van Hemel-kost; een koren quot; Wereld-Sout; Een Christelick Levijt; een\' hand-geleid\' 15 in \'twoud; 5 Een\' Trommel 16 van genaed; een Afgesant van boven; Een wachter op de poort; een stoot-steen 17 in de Hoven; Een\' schaeve van de ziel; een\' geessel van de sond;

Een Segger met gesagh; een Visscher met den mond 18; Een Tafel-waerd in \'t Kruys lsj een\' Eackel uyt de woleken 2,1; 10 Een Engel in gebeent; een Voor-hoofd aller Tolcken 21;

Een weckerdaer men ronckt; een scheider daer men schermt; | tö Een dreiger daer men lacht; een trooster daer men kermt.

De bloemen van sijn\' tael zijn waerheits bloote leden; ■

Sijn groote Meesters wil is \'t slot van all\' sijn\' reden;

1

Stamhoomen. 2) verloochend. 3) Jiandschoenett. 4) meet^ en meer.

2

5) met haar stappen in de Huwelijkskoets heeft ook hare heerschappij

3

Cor. 2. 9. 14) korrel; Math. 5 13. 15) wegwijzer. 16) Voo.\'; trommelaar.

4

20) Exodus 13. 21. 21) opperste der totken.

ocr page 141

131

Onraed1 van woorden-keur beswaert sijn\' uytspraeck niet; Wel-spreken is \'t bestel2 van Die hem spreken hiet, En altijd spreeckt hy wel die boden-brood korat haelen3: Maer geerne laecken wy de laeckers onser quiielen; Die stormen staet hy uyt, en menigh\' bitsen tand. En menigh\' schudde-muts J van menigh onverstand, \'t Verleckerend vol-op van troetelende leugen4, Van blinde vrienden-gunst, en kan hem niet verheugen; Geleertheit rekent hy onnooselheit van geest5; Gods-dienstigheit, \'tverschil des mensehen van de beest, 25 Niet redens gaev\' alleenSijn\' boecken zijn de bladen Van \'t dubbele Verbond8; de l\'ackel sijner paden Ontsteeckt hy aen dat licht; dien troostelicken brand Begaeft, beroert, beleidt, sijn\' tongh, sijn hert, sijn\' hand; Het veinsen waer\' hem konst; het recht gaen heet hy loosheit; 30 De Werelds wijsheit, jock 8; haer\'schoonste deughden boos-

(heit,

Haer\' soetste reucken, rooek; haer\' dierste peerlen snot; En alle vreughd verdriet van elders als van God 10.

Gedwongen ootmoeds pracht 11 is in hem niet te lesen; Sijn oogh is nederigh, sijn\' Ziel gelijckt sijn wesen, 35 Dat deltigheit bedaert 12 soo verr beleeftheit lijdt;

Hy kan door fronssen sien 1,1, en lacchen t\'sijner tijd;

Sijn\' kercken zijn soo veel 14 als huysen van ellende;

Daer oeffent hy \'t bewijs van \'t saligh sonder-ende 15,

Daer deelt hy mannelick in ycder eens verdriet. 40 En plaestert grouwel-Ioos 16 de grouw\'len die hy siet.

Bekomraeringh van Staet, wat Princen doen en laeten, Bekeurt quot; sijn lusten niet; de tijdingh van de straeten Ontmoet hem onverhoeds; hy guntse niet een oor;

Gods lasteringh alleen ontgrendelt sijn gehoor 45 En daer hy \'t los beleid der Koningen siet hellen

Tot Godsdienst ondergangh en waerheits achterstellen, Daer roept hy brand, verraed, en, Vorsten, height u niet, lek buyge voor een\' Wet van Hooger hands gebied.

1

Last. 2) zorg. 3) eene goede tijding hrengt; het Evangelie werd

2

ook wel boienhrood geheeten. De Vries War. i27. 4l afkeurend hoofd

3

schudden. 5) Versta: de overdadige vleierij, waaraan men spoedig ver

4

vroomheid, niet enkel in de rede ziet hij, enz.\'8) Oude en Nieuwe Testa

5

kijken. 14) zooveel in getal. 15) Math. 5—13. 16) zonder ervan te gruwen.

ocr page 142

132

Geschillen, \'t wilde vyer van al te heete herten, 50 Ontloopt hy ruggelin\'gh1: men moet hem jaeren terten Om een uer woorden-strijds; de waerheit met de vré Verhecht hy echtelick^, gelijck sijn Meester de\';

Komt d\'een\' van dander hand2 noodsakelick 1 te scheiden, Hy vat de voorste ■rgt; vast, en koppelt weder heiden 55 Met losse knoopen toe, daer koele middelmaet3

Met staede\' weer den strick van d\'oude trouw om slaet. Groot Herder Israels, laet Dijn\' verkoren kudden He Vruchten Dijns verhonds van sulcke tacken schudden; Sendt knechten in den Oogst» van des\' en beter\' stof, CO Ons wei-zijn hanghter aen, en Dijns naems eigen lof

EEN GESAKT.

Hy is een eerlick» spie: een huytens-baet-hesorger 4j Een hier, een allesins gevaerlick medehorger;

Eens Vorstens langhstcn Arm; een ongeroepen gast, Die nochtans noodelick quot; aen \'thooger ende past; 5 Een staende licht r\', een halck, een waterloop verkregen Op tuyn, op muer, op grond van verr of naest gelegen: Een o\'ogh op \'t sicn gehuert, en daerom soo verhooght quot;, Op \'tsluymeren gelaeckt, op \'t slaepen noyt gedooght; Een sprekend Tafereel 14 van die hem heeft geSDnden, ■10 En weder t eener sprong 16 ontlijst, ontlast, ontbonden; Een heiligh buy tens lands, aensienlick om den rock; Een meest vergeten t\'huys 1G of half verschimmelt block; Den vreemden meer als mensch, den sijnen meest geraemte quot; Een Bode sonder bus ,8; een ïaelman 19 sonder schaemte; ■15 Een Schildwacht huytens wals; een Klapperman hydaegh; Een ballingh die sijn honck liefst weder noyt en saegh Een Koningli by der maend 21; een vol-op Herbergh-houder

1

Jiij deinst er voor terug. 2) vereenigt hij als door hmwlijTcshanden.

2

üi wijze gematigdheid. 7) langzamerhand. 8) de predikanten, die zielen

3

zorgt. 11) noodzakelijker wijze. 12» raam, uitzicht; servituut, even als

4

macht. 21) hij kan elk oogenblik ontslagen worden.

ocr page 143

133

Daer \'sKoninghs bors\'uyt hanghteen algemeene schou-

(der1

Van al dat Landsman heet; een maehtigh Advoeaet, 20 Die van kort recht te doen of van vergelden praet; Een sehadelick geweer2 daer Princen mede steken: Min schadelick nochtans dewijl sy \'tlaeten wreken \', En yeder een te huys den Bril3 verdraegen moet,

Dien hy sijn\' weder-buer ten spijte draegen doet.

EEN GEMEEN SOLD A ET.

Hy is een\' ijs\'re sportquot; in \'t heek van \'t Vaderland; Een prediker op tmes4; een Eaedsheer met de hand; Een roover met verlof; een ongelaeckt ontschaecker 5; Een vreeslickquot; Ambachts-man, een Wees en quot;Weduw-5 Een eigenaer 6 van al dat \'svyands eigen is; (maecker; Een Landsman 11 die met vreughd van vre\' te dreigen is: Een\' rest van Moses rot; die noch den dans besint heeft ,s Rondom der beesten huyd die Israël verblind heeft; Een\' duyve binnens koys 13, een Duyvel buyten band; 10 Een vlegel 14 op den Boer; een Zeissem op sijn land.

Sijn\' vingers zijn het rijs van \'s Hemels hardste roeyen Hy hongert na den dagh daer honger nyt moet groeyen; Hy wenscht om veegh1,5 te zijn: sterft daer men niet en stérft, Verlegen met hetgen\' een yeder noodste derft 17; 15 Is \'tvloecken Christelick I8, hy oeflfent het met eeren; Vekgev\' ons onse Schuld,quot; dat kan hy bidden leeren; Als wy ons Schuldenaers, dat wilder\'langhsaem uyt; Sijn heele Vader-ons versuymden 19 hy om buyt;

Sijn\' averechtse 20 korts verhitt van \'t Aderlaete\'n; 20 De goe, de quade saeck van Koningen, van Staefen,

1

betaald. 2) sfeitii, heschermer. 3l wcpen. -J vergelden; zie volgende

2

regels. 5) In de dubb. bet. van breidel en ooc/i/las (zaak voor persoon).

3

(huurling) heeft niet veel niet vrede op. 121 in eere houdt; Exod. 32.

4

13) te huis, in zijne kwartieren. 14) geesel voor. 15) de oorlog isimmers

5

Gods zwaarste straf. 10) in gevaar van sterven. 17) Eedenk, dat de soldaat

6

is het niet. 19gt; zou hij venvaarloosen, 20) tegengesteld aan de gewone f

ocr page 144

134

Beproeft 1 hy by de Sold; do best\' betaeler wint, De ballast sijns gevolghs zijn, Knapsack, Vrouw en kind; Daer vecht by vrolick voor: en wel hun, valt hy boven2; Hunn\' maegen sullen \'t sich dry dagen langh beloven3, 25 Vier zijn sy bedelvry; en wee hun, tuymelt hy:

Met een gewinnen sy den Aelmoeskori\' op zy Dien doode Jans verdienst van allen minst doet ewellen. Noch wenschen sy maer half dat hy het moght vertellen. Verlegen met een stomp5, verrijckt van \'tderde been0: .10 Verr\' ongerieflicker een mancke man als geen:

Dat Graf-schrift schencken hem de naeste van sijn\' maegen. En dat \'s do rotte vrucht van bloed om goed te wagen.

Eer is sijn voeder niet; verdient hy het geluyd7 Van wel doen en wel staenquot;, dat\'s d\'Overste sijn buyt. 35 Dat roeken-hooft verswelght wat menigh dusend spinnen ll; Sijn toesien is verdienst: sijn roekenen 10 is wirnen; Hoe biet de Roomsche Jeughd, Carthagos val en vel 11 ? De Schrijvers weten \'tniet; \'twas Scipios bestel 1\'2;

Die \'t stuck bekrabbelden \'3, vergingen voor een ander; 40 Heel Macedonien heet heden Alexander 14.

Gaet loten in de kans van dusenden om een \'5,

Gaet worden niet om yet, en van geringh tot geen.

Noch hooger Christenen, ghy gaet de uer ,, antmoeten Den langen oogenblick, die een voor all\' sal boeten; 45 Mijn\' sorge volghden u veel traeger 1R dan sy doet,

Waer veder Leew in \'tveld een heiligh in \'t gemoed: Maer een\' belaste Ziel met boos-beleefde dagen. Een eewigh onberouw den Rechter op te draegen! Wee, staele moeden I0, wee. \'t Is kostelick gevaer 20 50 Daer van het, Wel hem, komt, die noyt geweest en waer\'.

weegt hij af, \'beoovdeelt. 2) hejiondl hij de overhand. 3) pleizier van hébben. 4) worden zij bedelaars. 5) bezwaard met een stomp van arm of been. 6) stok. Ter uk. 7\' lof. 8) stand houden. 9) Versta: do bevelhobbor lioeft do oer van wat oigonliik liet werk is der soldatan; zie mijne Uitgave Aant. bl. 65. 10) Bedenk dat het plan bij een veldslag hot voornaamste is. 11) Val en verwoesting; nl. do oorzaak ervan. 12) werk. J3) volvoerden. 14) Versta: bij wat door de Macedoniërs ten uitvoer is gebracht, spreekt men alleen van Alexander. 15) de duizendste kans om ook veldheer te worden. 16) Beschouwen wij de zaak eens van een hooger standpunt. 17) dos doods nl. 18) zou geringer zijn. 19) gemoederen. 2\')) Versta: Gij stelt U bloot aan het gevaar, waarvan enz. en dat kan U duur te staan komen.

ocr page 145

135

EEN ONWETEND MEDICYN.

Hy is een onder-Beuleen Buffel met een\' Kinek2; Een vuyst in \'tsweerighoogh;een Oorband opeen\' klinek3; Een\' Vroedvrouw met een\' baerd; een\' konstigh Menschen-

(moorder;

Een\' dobb\'le Kerckhof-ploegh; een Boeren-borsen-boorder;

5 Een Raetseer met een\' P. voor \'t midden, of voor aen4; Een\' onbetroubaer\' brugh daer elck wil overgaen En vallen in de gracht daer door hy moghte5 treden; Een Zeissem van de Dood; een Bessem van de Steden; Een onbegrijp\'lick vat, dat min begrijpt0 dan \'t geeft; 10 Een mild-mond van een\' man, die geeft en niet en heeft.

Soo haest hem \'t knevel-spits komt luysteren\' in d\' ooren Dat Leidens laffe les sijn langh bewandelt hooren 8 Niet langer waerd en is, die nu den waerden trap Soo waerdigh heeft betreen van \'t hooge Meester-schap 15 Met wordt hem \'t School te bangh 10, met berst hy uyt sijn

(mueren,

A!s waer hy nu de Mensch die Menschen souw doen dueren Van d\'een in d\'ander\' eew, en kroppen \'t Aerdrijck op quot;r \'t Waer vry wat sonderlinghs, vermoght y\'t sender schop l2; Maer, Koster, haelt hem in met karren vol vereeringh \'3, 20 Hy brenght u \'t woecker-loon van wagenen vol neeringh H.

Dien handel 13 vanght hy aen met opset 18 van gewin; Hoe raeck 17 aen \'t grabbelen, dat kost hem geen versin: Een\' Tandsucht onverhoeds van uyt haer\' plaets bewogen 18 Soo konsteloos geheelt als gonstelick belogen ^1,

25 Slaet sloten voor hem op daer grijs\' ervarentheit 20 Geen grijpen, geen besien, geen dencken naer en heit. Dat kan het lecker nieuw, en vreemdigheits verkleeden lquot;. De spijs en is maer een. niet meer en is \'tbereeden;

Maer niewe Schotelen 22 ontsteken\' niew\' begeert, 30 En onder Heiligen zijn d\'oude minst geëert.

1

hij helpt immers ook velo nienschon om hals. 2) een gebreidelde, maay daarom toch nog gevadriijke buffel. 3) oorveeg op een muilpeer, 4) Dus Fraetseer of Raeptseer Cschraapveel). 5) k-on. 6) inhoudt 7) fluisteren, 8gt; het Jang genoeg volgehouden collogeloopen. 9) Doctoraat, 10) benauwd. 11) nl. met menschen. 12) zonder ze to begraven. 13) met de hoogste onderscheiding. 14) Als interest bezorgt hij U winst bij karrevraehten. 15gt; hanteering. bedrijf. 16) bedoeling. 17) raeck ick. 18) van zelf geweken. 19) terwijl dit uit goedgunstigheid aan zijne hulp wordt toegeschreven. 20) oule, ervaren dokters. 21) de nieuwe inkleeding (bet toedienen der artsenij door een anderen dokter). 22) andere borden.

ocr page 146

136

Die malle menschen buy beleidt hem by der ooren (Daer is by vattelickst) tot door de ronde dooren 1 Daer wiel en paerd door gaet, de ruyme trappen op,

Daer wilde2 weelde woont: Daer light een\' siecke pop 35 Gewentelt in \'t fluweel van over-zoesche dekens;

Hoe is u, schoon\'Mevrouw My lust te weinigh sprekens. Beswaert u duyselingh? My dunckt de kamer sackt. Met herssen-knagingen ? Als werdense gehackt.

Hoe doet de maegli haer werck? Foey! lieve, swijghtvan

(eten.

40 Wat doet het onder-lijf? Ick heb het schier vergeten, Soo langh vergeet het mijns. Geen\' nepen in de Zy? By poosen onversiens, met rommelingh daer by. Met oorlof, reickt den Arm; hem, hem, daer is onsteltheit, Festinat languidé*. Maer dat u meest gequelt heit, 45 Is flatuosus est vapor ventriculi,

Die stopt in cerebro spirituum me atus,

Et hos circumagit vi proprii conatus,

Daer komt vertigo van, die dan sympathicé Superiora roert et ima satis mé.

50 Maer qudm est providi in tijds te vigileren\'.

Tollamus itaque de causam deser seeren,

Soo volght e.fl\'ectvs nae. Maeckt mannen-moed5, Mevrouw, \'t Waer\' onvermeesterlick dat my vermeest\'ren souw; Met dese regelen besweer8 ick uw\' gesontheit;

55 Walght voor het swelgen niet, dat bitterst in den mond leidt Werkt werkelickst7 om \'t hert; noch geeft mijn Recipe Verr minder nauseam dan emmer yemands dé;

Sy weten \'tall\' niet all8: betrouwt u negen dagen \'t Beleiden van mijn\' hand, den thienden suit ghy vraegen, UO Hoe magh \'tden mensche gaen die sonder honger eet. Die, waer sijn\' Milte light, en waer sijn\' Longer3, weet.

De tbiende dagh is om; de siecke heeft ontbeten: Dat heeft sy langh gekost ,0, maer derft het nu eerst weten. En, Borgeren, siet toe, met desen kinder-slagh quot; 65 Wordt menigh krancke veegh, die beter buy ten lagh Versloft, verwaerdeloost, in ongeleerde handen,

portes-cochères. 2) overdadige. 3) waarde Dame. 4) Zie do vertaling van dos doktors iatijn in mijne Uitgave dor Zodeprinton. Aant. bl. 08. 5) hebt goeden moed. 6) dwing (als door een toovcrformule). 7gt; \'t krachtigst. 8) alle dokters weten niet alles. 9) long. Voelt men aezo licliaams-deelon, dan zijn zij niet in ordo. 10) gekund. 11) kunstgreep voor onnoo-zden, hoerenbedrog.

ocr page 147

137

Dan onder \'t scherp Latijn van meesterlicke1 tanden.

Ervaeren2, seght men my, is Dochter van den tijd, En langhsaem aengewas is menschelick verwijt3, 70 In \'tvallen leert men gaen. al stamelende spreken,

En die sich \'t glas geneert1 moet somtijds ruyten breken: lek heb geen wederlegh; Doch heilig\' Hencker dan5, Die op een\' appeltjen, die op een\' stroyen man Den ongewissen arm ten sweerde leert bestieren, 7a En kostelicker vleesch aen minder-koop quartieren6: Maer menschen-moordery te leeren in haer bloed. God troost\' hem hier die\'t lijdt, hier nacmaels die het doet.

EEN W A E li D.

Hy is een Opper-kock die \'t schortekleed ontgroeyt is\'. Die in de schouw gekipt en aen den haerd gebroeytquot; is: Een vriend van alle man die met hem eten wil, Van Koop, van Wellekom, van Vrede, van Geschil, 5 Daer slemp op sluyten kan\'quot;j een Vincker u uyt sijn\'Stoe-

(pen.

Die met een\' Rhijnsche Pijp 12 sijn wildbraed weet te roepen; Een vrolick man om geld, al had hy suchtens sin;

Half Meester van sijn Hnys, al woont hy\'r midden in.

Sijn Huysgesin is vlot in weinig\' uren vloeyt het, 10 In weinig\' ebt het uyt; op Kermis-weken bloeit quot;het. Ter Kercken is sijn bc. Verleent my eters. Heer,

Mijn dagelicksche Brood verrott van \'t vochtigh weer Des Biddaghs bidt hy. Heer, geeft weinig\' snlcke dagen. Mijn\' Keucken-meid én kan de koelte niet verdraegen, 15 En, staen mijn\' Jongens leegh, mijn\' Borse wordt het oock; Hoe licht is mijn versoeck djg niet en eisch als roock I5!

Voerluyden queeckt hyquot;aen voor afgerichte Enden ,0; Die doen hem \'t vreemde Wild tot in sijn fuyck belenden;

1

eens (heel-) meesters. 2) Inf. ^ ervaring. 3) dat de ervaring slechts langzaam vermeerdert, is een gehreh der menschelijke natuur. 4) met glas ontgaat. 5) ik heh daar niets tegen in te hrengen, doch dan hond ik het met den heul. 6) vierendeelen (leert). 7) een voormalig chef de cuisine. 8) geboren. 9) gekoesterd. \'10) waaruit een \'braspartij ontstaan kan.

ocr page 148

138

\'tGeraeckter \'s Avonds in, en mog\'lick \'s Mergens uyt; 20 Maer selden sender schrab 1 in \'t vetste van de huyd.

Gebreeckter aen \'tgebraed, valt op den Visch te seggen, Hy weet der gasten gal2 wat tijdinghs voor te leggen Dat taey om kauwen is: hy heefter Zegels af3,

Wat nu een\' Actie 3 geeft, hoe veel sy gist\'ren gaf; 23 Hoe \'tHolland buyten gaet by AVitt\' en Mooremannen4; Hoe \'tChristenen betaemt aen Mahomet te spannen; Hoe \'tBhemen tegen stroomt, hoe \'t. Oostenrijck gelucktquot;; Hoe \'t beide lucken sal; waer Gabor 5 henen ruckt; Hoe Duytsland had gedanst als Engeland gefluytt hads; 30 Hoe Spagnen noyt en weeck daer \'t midden in den buyt sat; Hoe \'t meent, hoe \'t niet en meent, in seven jaer, in twee, Sijn\' dieren Maeghdom op te veilen over Zee 6;

Hoe \'t Roomen raekt of niet; hoe quot;t Ratten kruyd daer dier is. En \'teen verCardinaelt7 eer \'t andere te vyer is; 35 Hoe \'t Fransche Rijck sijn woord syn\' kind\'ren houden sal quot;; Hoe Embden gast-vry13 raeckt; Hoe Maurits \'tongeval Van menig\' blinde laegh geluckigb is ontkomen;

Maer onlancks byder hand den Moordenaer ontnomen. En weer geboren is Hoe dat hy door een\' Bril, 40 Die met hem slapen gaet, kan oogen waer hy wil

Hoe \'s Christenrijcks15 gevaer sijn\' dagen van sijn\'nachten De helft ontleenen doet; hoe \'t Christenrijck 18 sijn\' machten. Die alles voor haer sien gevloden of gevelt,

Siet stuyten tegen \'tstut van sijn beknopt quot; geweld. 45 Al waer \'t een Almanach, hy mocht niet wijder weiden: Maer waer belendt sijn praet? „Mijn Heeren, eer wv scheidden 18

„De voorspoed van den Vorst daer \'tLand soo veel aen leit, „Heel Schelm of halve 10 Gens die eens daer tegen seit. Leeft langh, leeft, groote Vorst, soo langh \'t uw vyand

(knagen,

1

schram; hij heeft zo dus doen Vloeden. 2) verstoorde gastin. 3) hij

2

■■\'O j- oorlog. 71 Bethlen Gabor van Zevenbergen. 8) Hoe het in Duitsch-

3

land anders ware gegaan, had E. zich met de zaken bemoeid. 9) doelt

4

op de huwelyks-onderhandelingen van Karei I met een Sp. infante.

5

verdrag van 1622 tusschen Lod, XIII en de Hugenoten. 12) vrij van

6

14) doelt op oen volksgeloof. 15) Protestantisme. 16) het kath Spanje.

7

17) klein, doch goed geordend. 18) Vul in; laat ons drinken op. 10) lauwe,

ocr page 149

139

50 Uw\' vrienden troosten magh, wordt nemmermeer verslateen 1

Die \'t nemmermeer en waert; mijn\' Ziele stemt er toe, En keurt uw\' laetsten dagh der Landen eerste Roe2; Dan emmers nyt een\' kelek die Koej-en kon\' verschricken En is noch vrienden vre, noch vyands val te Heken 3, 55 OfDuytsland waer\'geborght. „Maer\'thert spreeckt in den

(wijn,

Soo wensch ick drinckende den Princen wel te zijn. Wat vindt de Hel geweers4 om t\'onsent in te breken! Wenscht nuchteren die wenscht; en, heeft het noyt gebleken, Doet blijeken hoe ghy wenscht daer \'t blijekens nood belast5; 60 De Princen eischen meer; men dientse niet te gast6:

Gesondheit wordt den Mensch, tnaer uyt geen kan, geschon-Geluck of ongeval wordt toe noch af gedroncken: (eken; Geneest een siecke Vorst daer yemand droncken-doodt7Op sijn\' gesondheit light in \'tb\'edd, of in de goot? 65 Wie sulcke Texten preeckt, en matigheit van leven In onbewijnde8 vreughd, betaelt de Waerd met schreven Klaeght dese dat de greep te diep gaet in sijn\' Tes; Hij antwoordt stommelingh 10, Dat \'svoor uw\' drooge les. Geloofquot; en kent hy niet, oft emmers geeft het selden; \'0 De Liefde toont hy meest sen wie daer meest derft gelden 1=; De Hope houdt hem op 13, en siet hy maer een\' kist En vreest sy gaet voor-by, de Hoop seght, t\'uwent ist. Sijn\' Oest-maend14 spelt met er, soo kans\'op OesZer sluy-

(ten 15:

Castagnen sluyten 18 oock, hoewel sy \'trijm doen stnyten: 75 Of eenigh niewelingh dat dichten niet en kost,

Hy leert hem \'t Referein 17 om eenen Avond Most I8.

\'Hoe hooger ouderdom, hoe hooger blos hem aen groeyt; Tot dat hy stervende gelijck een grammen Haen gloeyt 1°. Gesteenten •quot; gaert hy veel, al erftme\'r welnigh af; 80 Robijnen 21 voert hy meest met Neits en al in \'tgraf;

1

ovencoHneji. 2) eerste kastijding; grootste ramp. 3) drinken. 4) mid

2

delen. 5) duur de nood eischt, dat Gij \'iet ijl ijken doet. 6) met ffastmaien.

3

7) zwijmeldronken; fr. ivre-mort. 8) sovder wijn. 9)nl. op do lei 10i stil-

4

zwijgend. 11) Krediet; wdsp. met geloof, foi. 12) geld uitgeven. 13) houdt

5

hem staande. 14) oogstmaand. 15) rijmen. 16) hier in den zin van stoppen,

6

ook vuurrood. 20) in de blaas nl,; H. doelt op het graveel, gl) roode

7

Uitgave. 18) avondgolag van wijn. 19) de kam van dezen in immers

ocr page 150

140

Daer spreeckt hy door sijn\'sarck; Die liever Waerdah Gast Die voorspoct rekende hoe meer mijn hiys belast was 1, (ivas, Groot schrijver, kleine Klerck2, verwacht hier \'s Rechters Geboren in \'tgeschrei, gestorven in \'tgelagh3. (dagh.

EEN COMEDIAN T.

Ily is een alle-man \', altijd en aller wegen,

Waer \'t hem den honger maeckt; een Bed\'ler mot een\' degen;

Een Papegay om Go\'s; een laccher van gebreck4:

Een Meerkat\' in een\' Menseh; een meesterlicke Geck5;

5 Een\' Sehildery die spreeckt3; een spoock van weinigh\' ueren6; Een\' levendige Print van \'s Werelds kort verdueren; Een Hypocrijt om \'tjock quot;; een\' schaduw die men tart; Een drolligli Aristip 12, dien alle kleeding past.

Hy is dat yeder een behoort te konnen wesen; 10 Veranderingh van staet verandert maer sijn wesen

Nae \'tnoodigh wesen moet: geraeckt hy op een\' Throon. Sijn hert ontstijght hem niet nae\'t stijgen van de Kroon 13; Vervalt hy van soo hoogh tot op het bedel-bidde.a, ■t Gclaet past op \'t geluck 14; \'t hert drijft in\'t guide midden, 15 En onder \'t mommen-hoofd 15 steeckt noch de selve man Die op en neder gaen, en niet bewegen 1,1 kan.

De Wereld is \'tthooneel daer op de Menschen mommen; Veel\' staen op sprekensrol, veel\'dienender voor stommen 17; Veel\' draeven, veel\' staen stil, veel\' daelen, veel\' gaen op, 20 Veel\' sweeten om gewin, veel scheppen \'tmet de schop; Geluckigh hy alleen, die krijgen kan en houwen. En missen dat hy moet I8, en maetelicken rouwen, En lacchen maetelick in suer oi soet gelach 19, En seggen, is\'t nu soo. God kent den naesten dagh.

1

met gasten nl. 2) die voel (aan\'isohreef, maar toch eon klein geleerde

2

was. 3) Wdsp. van gelag met gelach. 4) voorsteller van alle persounages.

3

5) een opzegger van rollen om der wille van cle duiten der toeschouwers.

4

aardigheid, wdsp. met vnoxQiTijg, tooneelspeler 32) Toespeling op

5

voorstellen. 14) lot. toestand. 15) liet masker, do „Kopquot; d.en hij zich

6

sprekende, velen van zwijgende personages. 18) Vul aan: missen. 19) hij

ocr page 151

141

EEN A LC Hï MIST»,

Hy is een\' ruyrae sift, daer \'t koren met sijn\' aeren. De stuyvers met de beurs, \'t land met de hoev door vaeren; Hy is de wijse beest - die in de boomen piekt. En t\'elcker3 hoopt, het hout is daer mé door gebickt, 5 Dat nemmer wesen sal; Hy is een Molen-draever S

Die blindlingh loopt en sterft, en sem\'len eet voor haver; Een Snepper5 by den dagh; een Jaeger boven wind6; Een\' inbreuck van de Schriftdie soeckt en niet en vindt; Een reisiger op \'t spoor van een vergulde stallicht8; 10 Een krijgs-heer voor der Gouw», die eewigh voor de wal

(light;

Een slemper die sijn\' maegh in koöl en roock verbrast ,0; Die op \'t toekomend\' leeft, op \'t jegenwoordigh vast; Een Heer van all, en niet 1; een ïoovenaer in\'t wilde 12; Een Deken 13, soo hy seght, van \'t Muntemeesters gilde. 15 Sijn wit quot; is Goddelick: op \'t Scheppen leght hy toe; Om dat hy \'tnoyt gewint en wordt hy \'t nemmer\'moe; En, vond hy dat hy soeckt, hy moght het leeren laecken; Na-jaegen spitst 15 begeert, besitt bedompt vermaecken; Veel\' hebben dat hy jaeglit 10, en eten sich maer sat; 20 Maer soo hy \'t hebben wil, was \'tnemmermeer gehadt; Hoe ongewisser Jaght, hoe dat sy meer gewilt is;

Maer dese Weiman soeckt, waer, hoe, en of het AVild is 17; Die kennis waer sijn heil; hoe raecken aen den vangl^ Dat sal sijn\' afkomst 18 noch doen smelten van verlangh. 25 Doch Hope keert noch staegh den vaeck van uyt sijn\'oogen, En hadd\' die klei gevat, en hadd\' die kroes gedogen En hadd\' die koöl gevonckt, en hadd\' dat glas gednert, Sijn\' Maeghden hadden langh een\' goude pan geschuert -,0; Nu leght de Hoop in\'t sand, en heel den hoop 21 in d\'assen; 30 quot;Wat middel van herdoen met uytgesmolten kassen \'quot;?

1

hij waant zich heer van alles, en is het van niets. 12; hij probeert er maar op los. 13) overste, feniks. 14) doel, 15) prikkelt. 16) nl. goud. 17) Versta: deze jager weet noch waar het wild is, noch hoe het er uitziet, en of hot wel wild is. 18? nakomelingschap. 19 gedeugd. 20) zijn huisraad ware al lang van goud geweest. 21) loei; wdsp. 22) leege geldkist.

ocr page 152

lt;3

\'t Plccht-ancker1 is sijn\' tong; die roert hy in \'tgedrangh Van Vorsten huys-gesin, en metten dichten dwangh Van eeden vol vervloeeks door met-bekrosen tuygen-Helpt staele kofferen van Koningen in duygen2:

35 Eens luckt die reise wel; ten tweeden schaers, maer oock3; Genaekt hy drymael \'t Hof, en brenghter niet als roock; Men telt hem quot;stuyvers4 toe met vuysten vol om d\'ooren, En stooters metten voet; sijn\' leerlingen die \'thoorcn Ontstelen sich \'t gedruys: T\'huys vindt hy man noch maert0, 40 Noch in de kroesen goud, noch hutspot aen den haerd; Sijn\' naeckte bed-gemael, sijn hemdeloos gebroedsel Zijn selver uytgedraefd om decksel, dack en voedsel; Hy volght hun op het spoor; in d\'assen\' vindt hy dat; Die saeyen sy in \'tgaen: ten laetsten brenght hem \'tpad 45 In \'t achterste vertreck van wanhoops dorre gasten5;

Daer \'t selden vleesdagh valt, en menighmael half-vasten ». Soo wordt de hand geklemt die naar de Jjodheit 6 tracht, En beter schepselen om ergere verkracht1.\'

EEN DWERGH.

Hy is een Reus van verr een Reusen duym var bijds ,z; Een poppen üliphant \'7, een schier heel hoofd,J vol spijts ir\',\' Een vierendeel persoons; in \'t venster yet van aensien 1B; Een Duyvels-brood 17 in \'t veld, dat yeder een moet aensien, 5 En niemand mijnen 18 derft;een\'ronde middagh-scba\'uw la; Een* Ziel-doos volle kort, doch daerom niet te nauw; Sulck een man by een\' man Als een\' pint by een\' kan.

Als een\' sweep by een\' vlegel,

10 Als een\' kloot by een\' kegel Als dit veers By een\' keers.

1

noodanker^ laatste redmiddel. 2) van getuigen, die met dezelfde

2

maar toch noy. 5) wd-p. opstoppers; evenzoo stooters 6\' meid. 7l die

3

uit zijn smeltovens afkomstig is. 8) het krankzinnigongesticbt. 9) half-

4

rantsoen. 10) goddelijkheid; die God naar de Kroon steekt. 11) Versta;

5

niets dan hoofd. 15) dwergen zijn veelal kwaadaardig, lö daar ziet

6

eigenen. 3 9) op den middag z^jn de schaduwen kort, klein en gedrongen.

7

Cj

ocr page 153

143

EEN ALGEMEEN\' POEET.

JPrimum ego me illorum, dederim quibus esse Poètas, Excerpam numeroHor.

Hy is een kraeekend wiel, dat stadigh maelt3 en knarst. Van al dat in hem leeft zijn d\'herssenen \'tverwarst, De Maegh het on voorsienst, \'t vermoedste Tongh en Longer; Een Waersegger, van dorst1, een Logenaer, van honger, 5 Een\' aller paerden Saels; een kruyper in der daed. Een vlieger soo hy meent; een muffer» waer hy gaet; Een sufler waer hy sitt; een algereed bedichter Van rouw, van vrolickheit; een haestigh woorden-vlichter; Een misgehoort van \'t School; een wilde Latinist\'; 10 Een windigh8 wan-gehack van Semelen en gist.

Hy niest en hoest in Rijm, en daer hem staet te kiesen Van Rijm of Reden eenquot;, \'tlaetst sal hy liefst verlieseu. Besnijdt 10 hem \'t wandelen en eenigheits 2 geniet, In \'tdruckste van den drangh siet hy de menschen niet 13; 15 Hy tuytt sijn dag\'liks Dicht in allerhande ooren;

En wee den haestigen, of die \'t onachtsaem hooren, Hy ringelts\' achter aen 18, en refereints\' in swijm u: De min doorsichtige I5, dien \'t klappen van den Rijm Voor alle reden gaet, zijn d\'Ezels die hem draegen 16, 20 \'tRuym-oorighste gedien, daer \'tal is in te jaegen Dat in de kiese klem quot; van d\'oore niet en gaet,

Daer wijse wetenschap voor aen ter wachte staet.

Sijn By bel is de schat der wederschapen dieren 18;

Daer in gelooft hy \'t al, behalven \'t koel versieren 19 25 Des dubbel-topten Berghs \'^0, daer \'t water Dichters macckt; Want, dat men aen de Konst door druyven-drop geraeckt. Dat sweert hy by sijn\' pen: Maer Midas loon van ooren Bevindt hy mogelick, doch schrickt \'er van te hooren

1

alledaagsch rijmer, verzenliimer. 2) Vooreerst sluit ik mij buiten het getal dergenen, wien ik den naam van dichters geef. 3) ronddraait. 4) broodprofeet; zie mijne Uitgave, bl. 77- 5) die iedereen naar den mond praat. 6) mijmeraar. 7) halfgeleerde. 8) opgehlasen misbaksel. 9) een van heide. 10) ontneemt. 11) eenzaumhe.d. 12) door zijne verstrooidheid. 33) rinkelt, rammelt. 14) dat ze duizelen van zijne verzen. 15) oordeel-knndigen. 16) zijnen roem verbreiden. 17) kieskeurige spleet, opening. 18) Ovidius\' Metamorphose of Gedaanteverwisselingen. 19) Omz. voor versierde koels, fabelachtige bron. 20 de Parnassus. 21) Hidas, Koning v. Fhrygië, kreeg van Apollo ezelsooren, omdat hy Pans toonkunst

2

hooger\'had gesteld dan die van Apollo.

ocr page 154

144

De moeyelicke vreughd\' van Tantals wan-besit quot; 30 Gevoelt hy soo vervult, als of hy \'t eenigh wit3

Des Dichters waer\' geweest, en quot;t heel verhael beschreven Op \'t rijckelick4 gebreck van sijn verhongerd leven. Acta;ons hooge kroon 5 gewint hy van sijn Wijf;

Dat \'s voor sijn Lessenaer te maken van haer lijf6; Sö Doch hy versett\' den hoon van haer\' bedeckte wegen Meest met de guide klucht van Jupiters geregen s.

Van d\'oudste Wijsen her berekent hy \'t geslacht Van Dichtens diepe Konst, al sitse nu veracht,

En van dien trap gedaelt tot op de jonghste gecken; ■10 Daer is hy \'t hooft-stuck» van; wien staet het aen te trec-Hy is een\'ongediert in menschelicken schijn, (ken?

Dat yeder een bespot, en yeder een wil zijn.

EEN MATROOS.

Hy is een\' Waterkat; een Dansser naer een aerd. Die drijvende bcweeght 10; een wieg\'ling 1 met een\' baerd; Een Mensch-gevallen 12 Visch; een tarter van gevaeren; Een half ./Eneas Oom, door \'t maeghschap van de baeren quot;;

5 Een Kabeljauws genand quot;, van wegen \'tEabel-gauw 15: Een Zeescbe Koren-bloem, grauw onder, boven blauw IG; Een kaets-bal van de wind; een Hel en Hemel-naecker 17 Eer \'tyemand dencken derft; een keurlick kaerten-maecker, Die op sijn\' oogen sweert een pellegrim 13 om buyt: 10 Een arger Argos-maet 2,1, en op een schoonder bruyrt \'-2.

Hij dobbelt tegen \'tlot van honderden om tienen 22, Alleen om roov en sold tot plas-danck 28 te verdienen;

1

kansen tegen 10 goede. 23) helooning.

2

kommervol genot, 2) Tantalus werd voorgesteld, als badende in genietingen in de Onderwereld, zonder er gebruik van te kunnen maken. 3i het mikpunt. 4) overvloedig, dus nijpend. 5) horens; Actaeon, werd tot straf voor zijne onbos:cbeidenheid door Diana in een hert veranderd. G) hij rijmt dus bij haar in bed. 7) ruiU, troost zich over. 8) Omz. voor de klucht v Jupiter\'s gulden geregen; J. daalde in Danaë\'s schoot, onder den vorm van een gouden regen d)pi\'onkstnf:, toonbeeld. 10j op de manier v. een sleepwals il persoonsnaam; vgl. zuigeling. 12) toevallig mensch geworden 13) Zie mijne Uitgave, bl 80. 14 genan, naamgenoot. 15) de behendigheid in het hanteeren der kabels. 10) ziet op de kleeding dor matrozen. 17) Zie mijne Uitg. bl. 80. 18/ in plaats van Averktuigen te gebruiken 19) bedevaartganger (reiziger). 20) Argonaut; zie verder mijne uitg bl 80. 21) in de Otia: buyt. Drukfout? 22 i met 100 kwade

ocr page 155

145

Eer is sijn oogh-wit niet, tot dat hy thienmael schrap1 Vijf\'kogels heeft gestuyt-, en nog soo menig\' schrap3. Door sulcke distelen, die in het Zee-sop groeven. Beklauwtert hy den trap die na de guide boeyen Gebiedens leck\'ren last, het naeste toepad5 leidt. Geklommen door verdienst tot Naeld- en Roers-heleid\'1, Verschijnt hem slaepende \'t betreckelicke\' wesen Van d\'Eere, Deughds gevolgh8; cn seght, Ghy zijt geresen üm hooger op te sien: Hy wackertquot; op \'t vermaen 10, En laet den droom sijn obgh, maer noyt sijn hert ontgaen, Komt \'s Hemels hooger hand scheeps hooge hooft te vellen, Hy heeft sijn naesie man die meeste wonden tellen Eu meeste kusten kan: die \'t Zuyden meest besweet En \'t Noorden heeft befrilt; die waer en waerheen weet Van op en neder sou K u siet hy van die eteilen 13 Een\' vlotte Republijch quot; verbonden aen sijn\' Zeilen: Wie die bestormen derft, bedondert 15 hv in tijds,

Of, lust hem meer bescheeds, behagelt \'é hem van bijds 17, En kaefst hem Sabels toe, en kittelt hem met Piecken, En blaest hem boonen 18 toe die na den blixem riecken. In \'t heetste van die vlaegh vol tegenwoordigheits, Vol redelicken toorns, vol schrickelick bescheits lü: Men sterft hem rondom af, hy kan niet leeren beven, Soo langh hy herten siet die met hem willen leven, En doen gelijck hy doet. Beklemt hem feller macht Dan drymael sijns gelijck, soo verseh als onverwacht; Slaev, seght hy, evenwel en ben ick niet geboren,

Koch niemand sal \'tmy sien; flucks, brand in \'t solfer-

(koren »),

30

as

40

Sterft, geerne, Maets, \'tis tijd; de naeste wegh van hier Is door de kruyd-ton heen; ontsteeckt het laetste vier; \'t Sal van sich flickeren, en meer als ons 21 verwarmen, En sterven wy voor uyt, sy sullen \'t laetst \'a bekarmen; Naest rijck en ouverseert om Kroonen a thuys te gaen

45

1) covdaat 21 opgevangen 3) sahslhouiv. 4) gouden ketenen v. li gezag. 5) kortste weg. b) stuurmansrang 1) hehoorlijk, aanlokkelijk 8) loon ran verdienste. 9 wordt wakker. 10) toespraak. 11) hij wordt als hem het meest nubijkomendo beschouwd. 12) die de landen van O. en W. en de weg, die erheen leidt, kent. 13) steilten, hooge positie. 14 drijvend ge-inccnebest (de vloot). 15) met geschut. 16) mot geweervuur. 17) van nabij. 18) kogels. 19) ontzagwekkend beleid. 20 buskruit. 21) nog anderen dan ons 22; het laatste nl. sterven. 23) eerekransen, laurieren. C. Huyöehs. — I. 10

ocr page 156

146

Is eerlick scheidende1 sijn vyanden te slaen.

Waer henen, moedigh Man ? Den Hemel sluyt sijn\' deuren Den Zielen die haer self haer\' lichamen ontscheuren; Dat recht behoort Hem toe die beide i\'samen bracht. 5 Vervloeckte Vromigheit2 in \'t swarte Rijck bedacht!

Daer ons des Vorsten hand ter schildwacht heeft bewesen 3, Verdriet, ons \'t langer staen, dat \'s langer Sijn\' te wesen? Veriaeten wy de wall al eer do Ronde kom\'?

Staet, Christenen, staet vast, uw\' uer en is niet om: 55 Geworden, is gewis, Te worden, is onseke :

Wat kand\'er van de lipp gebeuren tot den*beker! Wat schuylt\'er onvoorsiens in \'t doncker van \'t geval. Hoe kan des Heeren hand oock schooren 5 in den val, Oock stuyten in de vlucht, oock schorten in het sincken, GO En bergen Israël, en Pharaö verdrincken!

Betrouwt hem \'t Voor en \'t Naer en \'t Midden van uw doen; Oft noemt u averechts, en van verbaestheit koen6. En onversaeght uyt nood; soo zijn sy die, voor schanden, Voor spot, voor dienstbaerheit in overwinners handen, 65 Een sachter ongevoel7 verkiesen in haer dood.

En trachten na de winst van klein verdriet voor groot.

Hollander, \'t past u niet, noch voor een\' Mensch te vreesen, Noch van de rechte vrees van boven vreemd te wesen: Wat soecken wy den dagh op \'thooghste van den Noen8. 70 De Waerheit heeft gesecht, Ghy snit geen\' doodslagh doen. Noch heeft de Manheit9 plaets, en die de dood kan wachten lOnthaeltse verr genoegh 10; Hy moetse niet verachten Dan diese lijden moet; dat \'s trds genoegh op \'tlest: Maer \'t sterven komt u t\'huys, of \'t leven is u best.

EEN BEUL.

Hy is een Ambachtsman die niets en doet als recht 11;

De scherpe-suere saus 12 van \'t bitter laetst gerecht;

De slagh-knoop 13 van de sweep daer Koningen mé toppen ;

Een Chirurgijn in\'t gros 15, die \'tal geneest met koppen

1) eervol stervende. 2) dapperheid. 3) geplaatst. 4^ ter aflossing ui. h)omler-schragen. 6) ten onrechte en van outstelteuis dapper, li ecne gevoelloosheid, die zachter is- 8) Versta: waarom bewijs gezocht, voor iets dat zonneklaar is? 9) manmoedigheid. 10) gaat hem ver genoeg te gemoet 11) het scherpe recht, nl. 12) amper-zure toespijs van den bitteren laatsten schotel] vrAsj). \'3 laatste eind. 14j tollen ï 15; in \'triave. \\lt;S) onthoofden; wdsp. met koppen zetten.

ocr page 157

147

10

Een Snijder buyten \'t Gild; een Maeyer boven \'tgras1; Een Speelman op de snaer van quijl en Kennep-vlas 2; Een Veerman van de dood, die Charon s meest helpt winnen, Op Vorsten Legers naer, en Salvers3 die beginnen: Een eerlick Moordenaer, al heeft hy \'t oock begost, Gelijck de snoodste doen, om kleeren en om kost;

Ten zy het scherpe recht sijn\' Over-over Vad\'ren Gehoore van der wieghs; soo voert hy in sijn\' ad\'ren Het adelicke Bloedquot;, dat van der Princen gonst Schild, Loof en Helm verkreegh voor vrije wapen-konst 4: Soo wordt hy vroegh gekromt om tijds genoegh te haecken Soo leert hy van der ieughd dat Appelen op staecken Verwesen 5 hoofden stijn, en Leewen op een\' brugh En stijlen aen een\' stoep soo menigh bloote rugh.

Noch schrickt hem d\'eerste Galgh; en isser bloed te tappen Het sijne wordt soo koud als daer hy in sal kappen.

\'kVergev\' hem \'twanckelen, \'tis kloeckere geschiet: Door-oeffeningh te huys geeft bnyten \'t voorhooft 6 niet; Stom-sprekers binnens\'muers, voor kennissen, voor maegen. Voor stomme Tafelen en oore-loose schraegen.

15

20

Verschenen in \'t begaep 12 van omgeseten volck Zijn dom en stom gesien, als of die swarte wolck Haer\' herten hadd\' bewalmt haer\' herssenen beknepen, Haer\' longeren gedempt quot;, en haer van haer gegrepen 15; (Men noemden ons wel eer om tastelicke reên Hen een des and\'ren Wolf, wy worden stom van een quot;^) Vergevelicker is \'tdie tnsschen \'t mensch\'lick grouwen Van Godes maeckselen te worgen of te houwen, En \'t schrickelicke Dier 17 dat soo veel\' handen heeft, En soo veel\' oogen draeght, Gemeente 18, staet en beeft. Een Rechter kan bestaen met Recht doen sonder vreesen; Sijn Recht en is niet recht, of \'t moet\'er goed by wesen 13;

2a

30

35

1

(lus niet als dc gewone maaiers. 2) bij liet hangen Zie mijne

2

Uitgave, bl. 83. 3gt; veerman in de Ondeywerehl. 4) heelmeester. 5) met

3

als dat, hetwelk. 8) Versta: in den adel verheven werd door de vrije

4

14) amechtig gemaakt. 15) hen van henzelven gerukt. 10) wijl de eene

5

homini Inpus. 17) het monster, de hydra. 181 het voll\\ publiek. 19) Dos

6

beuls recht is niet goed, of het moet handig toegepast wezen.

ocr page 158

148

Of\'t vreescn is hem \'tnaest, en \'tsteenige gejouw1, Op\'t kraeeken van een\' strop, op \'t sagen in een\' houw. De Waerheit, lijdt sy last3, beknepen in de banden, 10 Begraven binnen \'t heck van ijser-harde tanden ^

En vindt geen\' trouwer vriend, geen\' machtiger als hem; Soo hoort hy door en door der logenen heklem J;

En leght sy diep en dwers, en kan sy qualiek rijsen, Slaet, geesselt, nijptse\'r nyt met Touw en Tangh en Eijsen; 43 Van arbeit moe en heet, van herten koel en still. Verbonden5, als de Bijl, aen diese voert aijn\' will. Gedenckt hy aen een\' wrock in \'t nijpen, in\'t bewoelen En derft sijn\' eigen lust in \'s Heeren last verkoelen; Soo haest en vindt de wraeck geen\'Herbergh in sijn bloed, 50 Sijn recht en is niet recht7, al is het recht en goed.

Soo door den dicken dijck van \'tveinsen waer\' te delven, Hy is aen andere dat ander\' aen haer selvenf;

Een veders Beul sijn Hert, daer quellingt over knaeght; Van dusenden nauw een die \'t onbeknabbelt0 draeght.

EEN BOEK.

Hy is een Edel-man, soo wel als d\'aller eerste Pie in geen\' Stadt en woond\', en, of hy \'t al beheerste Bcploeghde \'s maer een deel: een Hovenier in \'t wild 1S; Een soon die om den kost sijn\' Groote-Moeder 13 vilt; ö Een Hensch die niet en is dan om een menseh te we^en En helpen \'tandre zijn; een volle man in \'twesen , In \'tspreken maer een halv, \'ten zy by ongevall M; Soo bracckt hy wel een woord dat wijsen wel gevall\', Soo ripst hy wel een\' vlaeghquot; daer Letter-li\'en nyt suy-

quot;(pen19

10 Dat buytens-hoecks ls vernuft kan vliegen daer sy krnypen,

1

het Hitjonwen en met steenen werpen. 2) wordt zij onderdrukt (niet hekend). 3) ,, Fcdovzwp \' H 4) hezettiH]/, Iiantserkleed. 5) ye-hoorzuam (aan zijnen lastgever). 0) het martelen. 1 Zijne rechtsoeféning in f/een recht mee)-. 8 Hij doet aan anderen, wat do:;en zich zelvon doen, nl. pijnigen. 9) zonde)- l.-naginrf of selfverwijt. 10 Adam, stamvader der menschon en dus ook der edelen; dientengevolgij zelf een edelman.

ocr page 159

149

Hy leeft gelijck men leeft daer \'t Leven leven1 is,

Daer voor noch achterdenckdaer geen gebeef en is, Tot dat de Trommel3 komt, en Lonten die hem tergen Tot dat hy Daelders sweet\'4, oft wreken\'t op sijn\'bergen5, 15 Oft scheeren \'t van sijn Vee, oft braecken \'t uyt sijn vlas, üft maelen \'t uyt sijn\' Terw, of maeyen \'t van sijn gras. Die stormen duykt hy door soo langh sy hem vermannen; Maer, schept liy uyt den nood het hert van wederspannen Door Boeren-bueren hulp; Soldaten, kiest de wijck; 20 Elck vlegel wordt een Roer, en elcke pols u een\' 1\'ijck; De wraeck sitt in sijn hert, de wanhoop in sijn\' handen. En elck\' in yeder oogh; hy wenschten in sijn\' tanden Noch Room,quot; noch Schaepenkaes voor Menschen-quot;leisch en Soo wreed is die het is om dat hy \'t wesen moet. (bloed : 25 \'klt;Neem Trommel-tijden uyt7, geen sijns gelijcke

(Koningh;

Zijn \'t andre van een Rijck, hy is hot van een\' Wooningh; Maer Vryheit sluyt haer heekquot;, en Vrede woonter in. En \'t kostelick s üenoegh; dat hebben and\'re min. Den ses-daghquot; sweet hy uyt, van dat de Son\' te karr

(klimt10

30 Tot dat de Nacht-bodin, de Minne-Moeder-Starr quot;, glimt; Soo voedt hy met sijn\' hand sijn lustigh lijf in \'t groen. Trotsdie het binnens muers en met de herssens doen. De seven-daeghsche 13 Rusten wenscht hy niet verscheenen Om werekens vry te zijn (gewoonte doet hem meenen 35 Dat sweeten Mensch zijn is, en arbeidt Levens lot)

Maer om des yvers wil ter kennis van sijn\' God I4, Den God der quot;kinderen en kinderlicke Zielen,

Die op de rouwe hand en ongekussent 13 knielen Sijn\' Al-medoogentheit bewegelicker 115 slaet,

40 Dan daer \'t geleerd Gebed door Amber-wanten quot; gaet. Verlenght de Somer-Son sijn\' achter-Middagb-ueren, Hy schenckt het overschot den naest gelegen\' bueren. En hangter \'t Kroontjen 18 uyt, den Avond blijfter by 1\'J;

gillen in waarheid leeft. 2) Vgl. fr. arriïre-fensée. 3) Fig voov ooi-Jog. 4) opclok-t. 5) hooibergen, ö) polsstok. 7 oorlogstijd uitgezonderd. 8) heerlijk- en tevens duur, moeilijk te verkrijgen, y de zes werkdagen dei-week- 10) opgaat. 11) Venus, de avondster 12) coo goed dis. 13) rust van den sevenden dug. !4) uit Godsdienst-ijver. 35) zonder kussen. 16i Versta: gemakkelijker te bewegen is, het oog zijner almeedoogend-heid te slaan op, enz. 17) rn^t anther geparfumeerde handschoenen. 18) do krans, het teeken v een danspartij. 19) gaat er mêe heen.

ocr page 160

150

Daer vindt hj\' mogeliek sijn\' gadingh 1 aen de Ry, 45 En wringhter sich ontrent, en seght haer met een\' douw

(„Trijn,

„Trijn \'kweet gien langer raed, me denckt2 je moet men

(Vrouw zijn,

„Me denckt je seltse zijn, en in den Hemel benje\'t, „We staender langli te boock3; en, Troosje4, noch on-

(kenje \'t,

„Noch blijv j\'en stickgien5 Ys, soo klaer, soo hard, soo koel, 50 „Daer ick men aers noch aers0 van binnen en bevoel „As waer men hart en haert, en Ambeeldt of en Ove, „En slijpstien of en pot7, men suchjes doen him stove, „Men traentgies lengen \'tsop; en, offer8 vyer ombrack, „.lou vierige versier» ontsteeckt de kole strack; 55 „Die kole zijn men Longh, men Lever en men Niertjes, „Soo veulderhangde 10 vonck, soo veulderlangde viertjes; „En ick wel eer de knecht groen licken as 11 en gras „Ga dorre lick en hoy, ga stuyve lick en as;

„Wie wenst hem by en aer sen Weuningh te verwarme? 60 „En benj\'en Meysgie, Trijn, en doe je \'tbymendarme I2? „Wat let 13 men an men leên? ke dare 14 dat\'s en tré, „Wat denck je, kreuckte \'t gras wel minder van men tee „Al15 vloogh ick by de grond? nouw weer en aere slinger 1G, „Mick 17, mick, men hieltje drilt al waer \'t deSpeulmans

(vinger:

65 „Hoe slofter Tennis by, hoe staetet Kees ter hangd, „Hoe sleeptet logge goet de biendereM door \'tsangd! „De waerheit wilder uyt, al stinckt den a\'em van \'t prijse ,9, „Al dangst\' ick in de klei, \'k en mocht 20 niet taeyer \'-1 rijse, „Wat schort men an men goed? Al ben ick ie\'n van tien, 70 „De negen benne voort ick stae. God danck, allien; „Van ginte ■0 Molen of tot achter om \'t kadijckgie „Verby de Waeteringh is al men eige slijckje „Klinck klaere klaever, Kind: ick weet van huer noch pacht; „Men erven hoore mijn, gelicken ick \'t gedacht: 75 „Let op men Laen ereys, hoe roytse s na men hecke; „O minnelick geboomt! Ick sie\'t sen armpgies strecke

1

een meisje, dat jiom lijkt. 2) dunkt. 3) hoek, 4) liefje. 5) stukje.

2

6) niet anders. 7) spijsketel. 8 indien. 0) gezicht oog en 10\' velerlei,

3

vele. 11) gelijk, als. 12) boerenvloek. 13) scheelt. 14) zie daar. 15) als.

4

1G) flikker. 17) kijk. 18) heetten 19j al stinkt eigenlof. 20gt; zott 21) lang

5

zamer, 22) loey, dood. 23) gindsche. 24) grond, 25) strekt se sich regel

ocr page 161

151

„Geliek sen Miester doet, om you, om you, om you, „Om you, men Hartegin, te vatte voor sen Vrouw. Een soen, een lonek, een sniek, een kneep, een tre, een

(suehtgien

HO Besluyten sijn gespreek: Trijn gloeyt gelijek eenLuchtgien Dat \'s anderdaeghs moy weer, of water dreight, of wind: ,.En jongh, en welbekleid\', en goelick 2, ienigh kind? „Wat let him ? seght haer hart, en\'t springht gelijek luier\'

(kuyten.

,.Hoe stae je mit ie Vaer? begint s\'hem op te fluyten3; 85 „Die pankoek schurft, denckt hy, of\'t sel him haest gedij\'n4; „Men Vaer en lek sijn ien, lick Druyve-sop en wijn;

„Wilt slegh, we selle you het klav\'re vrouwtgie 5 maecken ,.Bin icker\'t Ileertgien of. Sy antwoordt met dekaecken0; Met glijdt een\' silvre Trouw7 van sijn\' aen haeren duym; 00 Sy voelt en voelt het niet»; als waer\' de Ringh te ruym, Ofsy\' melaets van hand. t\'Huys derfts\' hem sien en thoonen; De Vaertgiens raken t\'saem!l, de bueren aen de kroonen 10, DeBruygom binnens koys 1; daer vindt hy soovcelvreughd, Als\'Alexander oyt kost eischen van sijn\' jeughd, 95 En Caesar heerschten \'tal 12, en beide met haer\' wijven En brachten niet te saem als vier ontkleedde Lijven: Wat is hy min of meer om \'t uytgeschudt 13 gewaet Die in het Bruyloftbed of in de doodkist gaet?

Nu is hy dob\'beld Man; en \'tleven van te voren 100 Qelijckt hy by een\' dood; soo kan hem Trijn bekoren, Soo reddert 14 sy sijn\' stall, soo serpt 2 sy Vloer en Tin, Soo klaert sy Mouw 10 en Ton, soo draeft sy naer sijn\'sin Te knie toe quot;door den dauw; soo past sy op de kaeren 17, Soo op het stremmeles ia; soo suynigh in \'t bewaeren, 105 Soo vlijtigh in \'t gewin. Nu rijdt hy \'t Stéwaert aen. En heeft sijn\' liefsten schat 13 van achteren gela\'en: Den Kaes, de Mclck, en \'tEy beveelt hy haer vertieren ^0, Het Vcelen met het Kalf sijn mannelick bestieren;

Elck maeyt soo veel hy saeyt, elck voordert\'-1 sijn bedrijf, 110 Des Avonds23 munt by munt, en bey de horsen stijf.

1

te maken. 10) kransen. \\\\) tebedAi) oofc Caosar was (evenals Alexander) beheersclier der wereld. 13) afgelegd. 14) brengt in orde. 15) schuurt. 16) melktolbe. 17) karn. 18) stremsel. 1») zijn vrouw nl. 20) laat hij haar verkoopen. 21) behartigt. 22) Vul hier ligt in; bü liet volgende zijn.

2

veel grond hehhend, gegoed. 2) knap. 3) aan te setten. 4) geleuren. 5) vrouw v. h klaverblad (of drietal). G) door een blos. 7) verlovingsring. 8) zij doet, alsof zij het niet voelt. 9) om do huwelijksvoorwnarden op

ocr page 162

152

Maer eer sy door den drangh van Maendaghs mercktgangh

(booren,

Hoe sparren sy \'t gebit tot achter om haer\' ooren, Hoe spannen sy de wangh, hoe toonen sy den tand1Op \'tKostelicke Mal- van \'tsteedsche Velerhand! 115 „Ke daer, Jan Govertse, seght sy, dat benne bouwens „O rijcke Lieven Heer wat kost quot;het goetjen houwens v\' „Ke daer beget, dat staet; goud speldewerck2 op zy, „Kerstienten in den ïuytG, en dan een veer der by: „Kijck sy nouw, met den Hoep, en mittet spitse hieltgie, 120 „Jae wel toch moer in \'t slick3, jae lieve fienter-sieltgies, „Wat geeft de schei aen \'tMes, den blaker aen de kaers? „Die moy is ist in \'themd, ick toonje naers om naers\'4. „En jy mé, Moolicke 5, rock of ereys de Luyve quot;, „Lae kijcke wat je deckt, ick schat je by de kuyve 12 125 „Voor Molenare Wijfs; hoe ist mit Neus en wangh?

„B\'ien magh bepockpet13 zijn, den andre s.\'im 14, of langh: „Wel, hadd ick \'tniet esien, ick hiet men Vaertgie fluyte „Se maecke \'t backhuys swart, en vreesen of \'tvan buyte „Wat geel versenge mocht; Laet barne dattet kis 18, 130 „De Son en maecktet noyt soo oolick 17 asset is.

„Stil, Trijne-Moer, seght hy, laet Wijfgies wat bedrijve, „Sje zijnder Wijfgies voor, maer Manne worde Wijve; „Kijck, hoe sit by te pronck, al 18 keeck hy uyt en kas, „In_\'t Le\'ere wagentgie, sen lockgies mé vol a\'s I8; 135 „\'Tien hanght him op te schoer en vrouw die halv ehult is „Sou hate datme \'t saegh daer hy sus mé verguit is 21: „Hoe hanght him \'t Inbbe-tuygh - efommelt over ien! „\'t Is schier en héele web \'■!3, al magh het nimmend-\'1 sien, „O \'tis en wond\'re krul van veulderhande laeghies; 140 „Al staetet boven op gelick men hemde kraeghies; „Al eveliens of ick en dicke Bybel had,

„En liet him nimmend sien as oppet oppei-blad

1

sijn sij gebeten. 2) dure dwaasheid; toesp. op liet bokende gedicht.

2

orij11 lijf kan met het jouwe wel wedijveren. 10) vogslver schrik ster, van

3

14) scheef. 1 h\\.liegen. 16) laat branden, dat het sis. 17) leelijk. 18) als.

4

19) poeder 20) schouder. 21) zoo mee in zijn schik is 22) halskraag;

5

bovenste, eerste blad.

ocr page 163

153

„Siet nouw sen Mangteltie, van buyte rood as Panne, „Van binnen as en gras1, vol sije bongt2 espanne: 145 „Trijn, ongse Domine die preeckten op en dagh

„Van \'t Hemels Bruiloft-kleedt; of \'t dit kleur wese magh ? „Ick honwj\' en biertgie3, neen\'t4. Maer let op \'t wammes-

(tuytgie5;

„Hoe s^-cktet0 nae den Riem, lick \'tvoorste van quot;men

(schuytgie,

„En al fijn klatergond\' tot snippertgies versneen ISO „Jae heer hoe kostelich is \'t mailen * in de Ste\'en!

Soo rijden sy te keur» door \'t schuym van onse dagen 10, Trots 11 trotser Keiseren, haer eigen Wooningh-wagen Is haer\' Victori koets; daer sien sy van om laegh Of een geLauwert Vorst sijn\' slaeven oversaegh; 1S5 En roepen binnens naonds, siet, Slaeven, ghy suit sterven. En \'l Malle kostelich 12 wel moeten leeren derven;

Begint het tijds genoegh: wat baet hem overvloed Die naeckt gekomen is en bloot verscheiden moet? \'t Is uyt een\' Boeren-lip een\' hooge les gesogen, ICO Maer diese niet en hoort onthaelse 1:1 door sijn\' oogen: Wie een\' geraegen quot; geest op allen voorval slaet. Studeert in \'t groote Boeck Ir\', ter Scholen waer hy gaet w. De Bedelaer sweegh stil, die op sijn koten hnckte ,7, En met een\' holle .hand nae \'t Beken-water buckte, 165 En schepten in die krnyck dien nooddruft uyt dat vat: Maer die daer in sijn\' Kuyp sich self\'s en all\'besat 18, Ontfingh de stomme 19 les, ooek midden uyt de luysen En sehaemde sicb sijn\' Nap ten overvloed quot;te huysen 21. Geleerde spreken veel, maer Boeren seggen \'smeer; 1quot;0 De beste School-vrouw is de daedelicke 23 leer.

1

dus groen. 2} soort van zijde. 3) tX* xoeü niet je om een ylas hier.

2

4) neen het (is zoo niet) 5) uiteinde v h. wambuis. G) loopt het toe.

3

7) fijn hladgouiï. 8i Toosp. op liet gedictit. 9) te kust en ie keur. 10) het

4

lichtzinnige volkje o. d. 11) zuo goed als. 12) wederom toesp. 13) neme

5

se in zich op 14) graag, oplettend. 15» der Natuur, des levens. 16) hij

ocr page 164

154

EEN SOT HOVELINGH.

Hy is een Ydel-man1, een Edel beest gelijck;

Een\' blaes die bersten wil2; een overguldt stuck slijck; Een\' y/irapel3 aen het schip van \'s Vaderlands groot Stuer-

(man;

Een vreeslick Schapen oogh4; een spijtigh quot;\' Borgers buer-

(man;

5 Een deughniet op sijn hoofs; een huerlingh om de sop0; Een vleier om de konst5; een lieger door sijn\' krop; Een klabbeek6 in de bagga van weinig\' Ooster-steenen ,0; Een Snijder met de tongh u; een Wever met de beenen Een trotse Treves-Leeuw 13; een blixem op de straet 14; 10 Een raesend 13 ure-werck, hoewel \'t met veeren 113 gaet; Een\' vuyle Muskus-doos 1?; een onnut Staet-gewicht Een\' sterr, die, selver doof, van \'sPrincer luyster licht.

Uen Adel, schoone lijst van suleke schilderijen, Is \'tMasker van sijn doen; daer derft hy op betijen, 15 ; Als of sijn\' Ouderen de voor-eer van \'t Gevest 1\'J. Op schande waer\' vergunt, op schelmery gevest;quot; De wijsheit derft hy self soo mannelick verachten. Als waer\' sy noyt bekent 20 voor wortel 21 van Geslachten; Als waer\' het edelst eêl geborgen in het bloed, 2Ü En niet veel eer in \'t mergh van \'t voeder van den hoed Daer menschen-snijders 23 doch den Edelen van binnen Gelijcken by den Boer, op \'t hnys nae van de sinncn Daer sproot de wortel m-t wel eer soo hoogh ge-eert, Soo Adelick beloont, van Stout, Eijck of Geleert. 25 Al wat den boom gelijckt is van de rechte tacken, Veraerde 25 bastaerden verdienen niet als \'t hacken 23: H3r kent alleen het Stout, en meint het maeckt den Man, Slaet van hem als een hengst, raeckt waer hy reicken kan; Hy lieght soo veel hy gaept; maer wee die \'t hem verwijten, 30 O/iy lieght is \'t hoogh Alarm 27, daer voor hy and\'re smijten 23

1

Klanksp. met edelman. 2) windbuil. 3) hier, on-tut versiersel. 4) een

2

schaupy dat vreeselijke ooyen zet. 5) trotsch, lastig. 6) om het vette van

3

het haantje. 7) uit liefhebberij. 81 Arnhemmer stee}, (valsche edelsteen).

4

9) ring. 10) diamanten. 11) opsnijder. 12) strijkagesmaTcer. 13) leeuw in

5

slecht. IS lastpost v. d. Staat. 19) voorrecht van den deyen. 20) erkend.

6

21) grondslag, oorsprong. 22) brein. 23) ontleedkrndigen. 24) het hoofd.

ocr page 165

185

Of slagen wachten moet; en wordt hy dan gevelt,

Of velt hy andere, hoe is sijn\' Eer herstelt,

Hoe heter maeckt hem \'t quaed; hoe hebben hem de plasschen Van sijn oft and\'ren bloed de logen\' afpewasschen! 35 Wanschapen stoutigheit, van over Zee geleent

Wie heeft n \'t buys 1 verhuert van \'t Edele gebeent? Hoe onbevleckter Eer waer\', buyten vrienden paelen, In Godes groot krackeel op \'t ongeloof te haelen2! Wat vindt hy dagelicks, die naer wat kervens lust, 40 Verkoelinghquot;van sijn vyer in \'sWerelds ongerust3!

Hoe veiligh waer\' hy stout, die schouwde met de plecken Van Abels ruchtigh4 bloet de handen uyt te strecken Voor \'t eewige gericht, daer \'tlaetste oogenblick Het vonnis uyten doet van \'t heet onendelick\',

4b Daer \'t al moet kinderlick van schrick voor leeren sweeten Dat manlick8 onversaeght, en saligh stout wil heeten! Stout zy die \'twesen wil; een is het in der daed.

Die \'t sterven niet en vreest om dat by leven gaet9. Een Sondaghs Sonnescbijn is \'t hoogst van sijn begeeren, 50 Dan misten hy soo lief den butspott als de kleeren;

Dan drijft hy door de wolck 10, als Sterre met een staert. Die op de Predickuer voor \'s Vorsten buys vergaert; Trapt trappen op en af, slaet door 11 de deur-tapijten. Als waer\' sijn arm een\' sweep, als hoorde \'t hem te spijten 55 Dat yets bekommerlickx 12 sijn\' inkomst wederstaet: Geraeckt hy naer sijn\' lieer de naeste man op straet. Die schielick omme siet, en vraeght hem hoe de wind is; Wee die dan anders denckt dan dat hy \'twaerdste kindis, Dan dat sijn snel begrip, sijn\' kennis hoogh en diep, 60 Uevraeght werdt daer sich geern een minder op besliep 13. Hy sluyt hem oor aen oor u, en antwoordt, Oost ten Noorden; Een schrickelick geheim; twaer schaed dat\'t yemand hoor-

(den.

Hy volght hem tot in \'t huys daer \'s Werelds ydelheyt Of aen de Galgh verschijnt, of op de pijnbanck leyt 15; 65 Maer een bestoven krul 16, gekrinckelt om sijn\' ooren,

1

7) eeuwige vuur. 8| als een man. \'JJ eeuwig, nl. 10) menigte. 11) schuift

2

ter zijde. 12) een hindernis 13 waar een ander zieli nog eens graag te

3

nacht op beraden zou. 14) brengt zijn gezicht hij dat van den vorst.

4

15) arm de kaak gesteld of gepijnigd wordt, 16 gepoeierde haarlok.

ocr page 166

156

Bevrijdt sijn\' Herssenen voor sulcke snelle1 booren. En waer\' sijn oogh soo dicht, hy vloeckte d\'uer ter heil: Maer \'t kijeken staet hem by; van d\'een tot \'tander spell2Bekruypt, bewandelt hy de wonderlicke swieren 370 In \'topgetoyde heir van murwe Memme-dieren4;

Ontvlieghter een\' een lonck, die hem van honden5 naeckt; Mijn oogh-pijl, seght hy dan, heeft emmers Doel geraeckt; En, kleuter, weest gerust, men sal u naerder spreken; U is een vrijer-vreughd 0 verschenen van veel weken. 75 Dat kost Ka-middagen van twee tot seven6 toe,

Dry dagen draeyt die spill, den vierden is hy \'tmoe.

Ka des\' een tweede Jacht, daer slimme slobber-stegenquot; Het vlackste veld af zijn: die onbeschaemtste plegen By sterreloosen Kacht en averechtsequot; Maen; 80 Hy maeckt de Maendaghs-Merckt 10 getuyge van sijn gaen. En doet de Middagh-Son sijn\' mallen wagen 11 mennen; Wat legbt hem aen \'t gerucht? de Wereld magh haer

(wennen

Aen \'tgeen hy geerne doet. Onstaender plaesters uyt, En boort het Zielen-zeer tot boven door de hnyt, 85 En hinckt hy na den slag van Venus klap om d\'ooren 13; Geringe swarigheit; die wapenen gehooren Aen \'t vijfde vierendeel 14 van sulcken Adels schild; En die den beet ontsiet wat doet hy achter \'tWild?

Maer walgh en overvloed versellen meest den and\'ren 90 De volle vreughd bestaet in \'t woelen van \'t verand\'ren ,l!: Kn lust hem naer de bloem in \'t midden van den doorn. Kaer druyven buytens reiks, naer Danaes in den Toorn Dat geit u, echte Bedd;en, Mannen, past op \'tvinckslagh 18, Daer vlieght een Koeckoeck 19 om, en dreight u met een

(quinckslagh.

95 Geluckt hem \'t quaed doen niet, en komt hem juyst te voor Van hondert AVijven een\' die d\'eerbaerheit in d\'oor De trouw in \'therte huyst, \'ten kan hem niet als spijten; Maer die \'them spijten doet en kan \'them niet verwijten;

1

scherjie.. 2) spefrZ. 3) manieren v- opschik. 4) ueeVe vrouwen. 5) toe-

2

vallig. 6) mingenot. 7) nl. uren. 8) Iron me sloppen. 9 niet schijnende.

3

30/ de (drukke) Maandaysniarkt. II i Oen wagen v. eijndwazen hartstocht.

4

12) builen van syphilis. 13) Wdsp. mot kïapnur, bubo. 14) kwartier;

5

17) Danaë, dochter v. Acrisius, in eenen toren opgesloten, maar des

6

ondanks door Jupiter bezocht. 18; vet. 19) hier: overspeler.

ocr page 167

157

Of \'tspijt haer dat \'them spijt dat sy \'them spijten doet1. 100 Verwijt is lijdelick die2 \'tschuldigh quot;draegen moet,

Maor onschuld en verwijt valt steenigh3 om verdouwen, En doet d\'onschuldige der onschuld self berouwen; Die wraeck wringht hij haer op4: Hoe is Mevrouw vergist Die Dievegg heet, en heeft de stelens vreughd gemist! 105 Sijn\' quellingh is\'t maer halfhy weetse door te spoelen, En gloeyt s\'hem om het hert, in \'t keldergat te koelen; Daer gaet hy uyt sich selfs\', en noemt het vrolick dol. En seght, het grnot Rond-om der Schepselen is vol5, Hoe soud \'t de Mensch niet zijn, die \'t kleine beeld van

(\'t groot 0 is!

110 Soo strijdt hy met de Deughd, tot dat hy \'s avonds kloot is 6, En rolt te beddewaert, en ronckt de dompen uyt Van menig\' herssen schroef11 en ongehoorde fluyt \'s. Den Middagh weckt hem op; den hoofdsweer 13 doet

(hem duchten Dat \'t weder Mergen is: hy voelt sijn\' Borse suchten, 115 En swijmen op sijn\' zijd\' van gister-avonds stoot lr\'; Die wanhoop ruckt hem weer van \'t modder in de sloot; Op \'tloten 10 leidt sijn\' hoop, en dobberquot; dobbel-kanssen. Maer weigert hem \'t geluck sijn\' pijpen na te danssen, Stae by dan, Kermis-konst ls; beleefde ,\'J Steenen.swijght, 120 Wanneer ghy hier een kneep en daer een\' slinger -\'0 krijght. Daer moet gewonnen zijn; wil \'t qualick rechts gebeuren. Men mach de luck-Godin haer\' slippen slincks afscheuren21. \'tGeluck is wetenschap; die min doet dan hy kan, Beklaeght sich t\'ongelijck al waer \'thy nemmer wan. 125 Noch lijdt den Hemel \'t leedt, noch veinst Hy niet te

(hooren:

Tot dat den ouderdom komt sneeuwen om sijn\' ooren m, Dan stort hy wraeck op wraeck, en d\'een op d\'ander quael; Die bladers 24 maken \'t boeck van \'t stinckende verhael

1

Versta: zij boet ervoor, dat hij vertoornd is over haar tegen

2

stand tegen zijne snoode plannen. te lijden voor hem, die, enz.

3

ztcaar, als een steen. 4) doet hij haar lijden. 5) bekaaid. 6) sijn spijt

4

is maar halve spijt. 7) i/aat hij zich te buiten 8) quot;VVdsp. met vol,

5

bedrog. 19) welgemanierde. 20) draai of zwaai. 21) op slinksche wijze

6

met bladers, blaren (sypllilitische gezwellen).

ocr page 168

158

Van sijn verrotte Jeughd; die leest hy in sijn\' droomen, 130 Die droomt hy waekende, die doen sijn\' Ziele schroomen Voor \'s levensquot; Avond-uer1. en \'t scheidon deses lijfs, De vuyle schommel-plaets2 van soo veel wan-bedrijfs. De kennis van de roe die Sondaers sullen draegen Is \'t voorslagh3 van den klop der Goddelieke slaegen: 135 Dus leght hy noch en wenscht om langh\' en langer pijn, Te vreden, verr van well^, om erger niet te zijn.

In \'tworst\'len met de dood verlecght hij noch sijn\'lippen Met wat hem volgen sal s, met Maegen uyt te kippen» Die \'t naeste paer betaemtmet schilden acht en acht4, 140 Die om de groote ruyt behooren bygebracht.

Soo is hy dat hy is», tot dat hy t\'ende wesens, Den wandelaer vermacckt met sesthien woorden lesens. Hier onder leght een romp ontladen van sijn\' Geest, Een Mensch, een ITovelingh, een Niet-met-aïl geioeest.

EEN WYS IIOVEEINGH.

Hy is een\' stille Lamp in ydelheden wind 5,

Die op sijn stadigheit 11 geen slingeren en vindt; Een dienstig Ydel man 1\'-\'; een volger die kon leiden. En konnen sal als \'t hoort, en dan noch een van heiden ls;

5 Een vriendelicke Leew een Schaep 15 dat bijten kan; Een\' Joffer, daer hij wil, en daer hy moet, een Man; Vol levens 16 onder \'t stael, van Marmer quot; in de kleeren, Vol ongevoelickheits van kostelicke veêren ls; Een Ooster-steen in \'tgond by Aernemmers gesett 1!), 10 Maer Aernemmers ontkent aj, en dieder los op lett;

Een vierde Broer van dry die \'t in den Oven herdden 21, En, verr van half gesenght, heel Salamanderswerden. Soo dringht hy drooge-voets door \'t modder van den Hof

1

het (loodsuur. 2) speelplaats. 31 voorltode. 4) to zijn, nl. 5) de lijk-

2

staatsie, nl. 6) uit te kiezen. 7) Versta: wien liet pfist, alseersto tweetal

3

achter do baar te volgen. S de 10 kwartieren; zie mijne Uitgave bl.

4

18) opschik. 19) Zie bi. 154. aant. 8. 20) onbekend. 21) Toespeling op

5

niet deerde.

ocr page 169

159

Daer bloemen onkrnyd zijn, en meest de vruchten stof; 5 Soo leght hy in de bchool daer\', van beleeftlieit liegen, Niet doen van tijdverdrijf, van sauwigheit bedriegen. De Meester-lessên zijn1: maer Deughd staet aen sijn\' oor En stuyt die leeringen met betere daer voor2.

Het liegen is hem vreemd, behalven daer het prijsen :0 Van vrienden sijne waerd, ter waere waerd\' wil rijsen3; Daer lieght hy deughdelick4, en slaet sich selven af5. En, heb ick dat ghy prijst, prijst, seght hy. Die \'t my gaf, \'t Bedriegen oeffent hy met beter zijn dan schijnen, Met laegen listigheif in roock te doen verdwijnen, 25 Door \'t listige liecht-iiyt, dat Christelick versett6,

Daer die het niet en kan van konstquot; niet op en lett. Soo tast de Schermer mis, die meent sijn Man sal wijcken 7De slagen die hij dreight en niet en meent te strijcken En vallen in sijn punt: de Man light stil en recht, 30 En doet hem, konsteloos la, verwerren in \'t gevecht, \'t Verdrijven van den tijd is verre van sijn pogen, Hy volght den Oogenbliek soo vorr hij hem kan oogen 13, En wilde Flus waer\' Nu I4, en Nu noch eens soo taey, En Wesen van een Ael verandert in een\' Maey lr\', 35 Nu Nu soo vluehtigh is, en Mus soo flucks te voren. En Wcsen schier gelijck geboren en verloren,

Soo leeft hy twee mael eens Ilt;!, en besight oock den tijd Die in des Vorsten dienst nauw besigheit en lijdt. Der Grooten aensien staet 17 in \'t leegh staen veler knechten; 40 Dat is haer stedewerck ls die buyten voor hun vechten, Een\' Sael, een Galery te gieren met gedrangh I9:

Hy staet \'er oock sijn\' uer, en mog\'lick neren langh,

Maer ueren rijck besteedt, maer rijp gekosen ueren, Onschuldigh aen de vleck 20 van Vrienden en gehueren: 45 Vruchtbaer van wetenschap, onvruchtbaer van gerucht In vredigheit voll vreughd, in vrolickheit voll vrucht;

1

do hoogste beleefdheid, niets doen hot beste tijdverdrijf, bedriegen de

2

grootste slimheid is. 3 in plaats daarvan. 4 doen stijgen. 5) ter dege en

3

in alle eer cn deugd. C\' verkleint zich self, 7) listig gelegde lagen.

4

8) tegenweer. 9) door zijn eigen gekunsteldheid. 10) ontwijken, li) slaan.

5

12) juist omdat hij do kunst niet te pas brengt 13; zien, naoogen.

6

14 het verledene ware het tegenwoordige, 15) het heden, in plaats van eon

7

menigte op te luisteren. 20) belastering. 21) kwaadsprekerij.

ocr page 170

160

50

Maer uerer die \'t berouw van \'s Avondts niet en baeren, En in \'tgedencken\' zijn dat s\'in \'tgcbruycken waeren, •tOnnosele vermaeck van die se wel beleeft 2 En wel bedenckende noch eens te leven heeft.

Sulck\' ueren leeft hy daeghs soo veel\' hy\'er daeghs moet

(leegh staen,

En vatt al waer hy kan sijn wijser3 op sijn leeghsfaen, En snyght hem uyt den mond \'of oeffeningh van Deughd Of wat hy niet en kan6, of wat hem niet en heught, Duyckt\' altijd nederigh met sijn\', oock meerder\', gaven, Op hoop van meerdere8: hoe zcdiger begraven, Hoe hooger spruvt de Deughd; noyt wordt sy soo gesmoort, Sij\'nquot; wordt noch blindelingh geroken of gehoort. Soo kijokt hy mcnigh-mael door \'t dunne van sijn\'

(vraegen 10;

Met 11 mist hy vragens beurt, en moet het seggen waegen; Dat doet hy \'spaeriger la dan \'t nood is van gebreck, Maer, verr van gierigh, als ontsteken 13, en niet leek; Daer worden sy gewaer dien d\'ooren niet van steen zijn, Waer heen sijn\' eenigheit 14, waer al de ueren heen zijn Die \'t Hof sijn aensieht derft: dat tastel.jck bewijs Van Koomens dolingen, dat Christelicke wijs 15 In waerheits onderscheid, dat wijsseliek beschrijven Hoe \'s Hemels Solderingh 16 d\'een d\'andere doet drijven; Hoe, waerom, en wanneer de Son het Masker 17 draeght, Waer \'t altijd ongelijck, waer \'t altijd effen daeght 18, Hoe \'t elders Somer komt als onse stroomen backen; Hoe yemand tegen ons kan treden sonder sacken 13; Hoe d\' Aerde hangen 20 kan, hoe haer geweldigh rond ünsichtbaer werden souw, die -\'1 by de Sterren stond; Hoe \'t rond te meten is, hoe bierige 22 Matroosen,

De Zee vermeesteren door stomme Staele Roosen 2:1: Hoe \'t ooge door een\' spleet 24 van verr versck\'ren kan Soo dickmael houdt dat steil de lenghde van een man:

U0

65

f- 1) herdenken. 2) doorleeft. 3) iemand, die wijzer is dan hij. 4) in die zakeii, waarvan hij zelf het minst weet. 5) zedelessen. 6^ kod. 7) doet onder. 8) van ze vermeerderd te zien. 9» of zij. 1U) Versta; door zijne sclierp-zinnige vragen verraadt hij zich d 1. zijne Avetenschap. 11) meteen. 12) spaarzamer. 13) opgestoken; lig. aan een vat ontleend. 14) eenzaamheid. 15\' wijsheid. 16) sfeer. 17gt; hij zonsverduistering. 1W) de dagen altijd gelijk, altijd ongelijk in lengte zijn. 19) de antipoden nl. 2U) zweven. 21) voor hem, die. 22) half beschonken. 23) compassen. 24) door middel v, hoekmeting, til.

ocr page 171

161

Hoe \'tpuntigh aerdcn-werck1 der slechter 2 eewen Torens «O En mueren overtreft ; wat Maenen en wat Horens s l^e trouwste borgen zijn, wat gangen4 onder d\'acrd; Wat buyten best bespringt, wat binnen best bewaert5. Dat bondige verhael doet voelen datter grond is. En ruym sijn\' herssenen wat voller6 dan sijn mond is. 85 Maer, wordt hy voorts geverght, en voert hem \'tondersoeek Van graege vraegeren door s werelds wonder-boeek 7, Van d\'eerste Jaeren af tot daer sy leerde swemmen8, Van daer tot op den dagh van \'t Hemelseh overstemmen Der straffe letteren en onvoldaene Wett,

\'«•0 Tot datter Die se gaf den hals voor had gesett

Van daer, door^\'t waggelen, door\'t struyekelen, door\'t rijsen Van Godes stichtingen 10, tot op het vuyl afgrijsen Der dagen die wy sien: de slechtste 11 staen verstomt, De wijste twijffelen hoe \'t weten in hem komt ; 05 De kinder-tuchteren 12, die geen gelijck en lijden, Eerbieden sijn onthoud 13, en derven 14 \'them benijden. Die mogelick, als sy, naer \'t sittcn niet en hinckt,

Naer \'t bucken niet en buygt, naer \'t lesen niet en stinckt 1\'.

quot;Want, schorte\'r 10 oeffeningh van mannelicke leden, 100 Hy schijnt\'er toe gevormt; oock tot de Simme-scbreden 17, Dien vluggen Aexter-gangh, dat konsteiicke Mal, Dat rijsen als een\' veer, dat stuyten als een Bal: Hy doet het, en gelooft, als emmers ,9, boven \'tsingen, Volmaeckte vrolickheit het Herte wil doen springen, ^105 En \'t hert den heelen Man, best springht hy die \'t gelaet 20 Van springen dwingen laet in reden, rijm en maet:

Maer doet het ernsteloos, en verre van verwachten Dat d\'eere daer uyt volgh\' die\'r kind\'ren in betrachten 21. Soo acht hy \'t vingerspelsoo \'t klaet\'ren van een\' Fluyt, HO Soo \'t snuyven van een Veel, soo \'t kraecken van een\' Luvt; En gond\' hem God een\' keel die snaeren kan versellen 23,

1) hoekif/e (tardiverkeii 2) onJcnndiger. 3) lunette)! en hoornwerlcen. 4) mijngangen. 5) de beate aanvals- en verdedigingsmkhlelen. 0) Vul in : zijn. 1) der Schepping■ 8) hij den zondvloed. \'J; Versta: totdat do Hemel di- strenge letteren v. li. O. T. tot zwijgen bracht, die onvoldaan bleven, totdat Hij, die ze gaf, er liet leven voor opofferde 10\' inzettingen (zijne kerk). 11) onkundigsten- 12) pedagogen. 13 geheugen. 14) mogen 15; dus niet rheumatisch is van \'t zitten, niet krom van \'t bukken Cover de hoeken , niet aan bedorven maag en adem lijdt van \'t blokken. 10) Zoo \'t aankomt op. 17) apensprongen (het dansen). 18) terugspringen. 19) als nu eenmaal. ^0) het gebaar van springen d. i. zijne sprongen. 21) bejagen, 22) het Iclavierspel. 231 accompagneer en.

c. Hüvgens. — T. 11

ocr page 172

162

Hy Icertse danckelick Sijn\' wonderen vertellen, En mogeück daer bj\'i dat sijns gelijcke Jeughd Soo Jeughdelick2 behaeglit als deuglidelick verheught. 115 Maer siet hem naer in \'t groen, eer \'t Sonne-peenl van

(honck3 scheidt, Hoe hy het sijne daer ten afgerichten spronck leidt:

vindt de logen waer die \'t Feerd versieren lt; dorst Igt;at mensehen maecksel was van hoven tot .de Borst»; Hoo kleeft hv aen do Beest; soo is \'tmaer een beroeren» 120 Der Dijen die hy sluyt, der Scheneken die hem voeren; Soo doet sijn\' stiller hand dan of sy n et en dé7 Dat Peerd en Ruyter doen, en geen en schijnt van twee». Met sulcken radden tnygh» betrouwt hy sich\'t verschijnen Ter oogen van sijn\' Vorst, die somtijds op de Swijnen 125 Of op een\' feller\' Leew, of op een\' sneller\' Haes

De schaduw schild\'ren wil van \'tKrijgelick geraes ,0,

Daer gaet hy voor een\'Man; en, wH het W ild noch raemen 1, Noch struvck\'len voor sijn schoot; hy wringht sijn

(sterckte t\'saemen , En onderhaelt13 sijn\' vlucht, en thoont hem met. een\'speer, 130 Dat kracht ten strijde baet, maer oefïeningh noch meer: De Prince siet hem nae met half verslaegen\' oogen. En volght hem in \'tgevaer met prijsen en medoogen, Maer volght besluytende 14, die \'top de Beesten kan. Sal\'t van gewoonte schier, niet weig\'ren op den man. 135 iJaèr mede gaent de Deur van \'s Heeren welgevalier. Die deunder 15 onderrecht door eene Deughd van allen, Siin\' oor gewonnen geeft, sijn\' gnnstigheit, sijn\' Minn, Don eiquot;enaer te loon. Dat Ridderlick quot;= gewinn Al is \'thet eerste wit van sijn gestadigh loopen quot;, 140 Besitt hv even koel als waer het noch te hoopen. Of v.anckelick gevest, of twijffelick begonst ,8;

En wie \'t bem oversnijdt 10 bedanckt hy voor de gonst, Gemoedight soo bet schijnt, om waer te willen maecken Dat hun waerachtigh21 dunckt. Maer even met het blaecken

1

vul aan: iets vertellen 2) „derteltjesquot;. S) de zon ondergaat. 4) ver-zin,ie,i SI de Centaur oï vaardmensch. 6) éene iewegum V bewerkte. 8 vul aan: te doen Zio mijne Uitgavo bl. 1quot;3 Ut rap (iiiji goed ge-naard 1quot;) het Krijgsrumoer nalootsen lt;door de jacht). U 12) spant zijn uiterste Krachten in 13; achterhaalt.

14) hij zich zelf concludeerend dat, enz 15 nauwkemtge) 10) edel 17) doel van zijn aanhoudend streven i8)pas begonnen en dns twijfelachhg. 19) bestrijdt, tegenspreekt. 20, van zins. 21j waarschijnlijk.

ocr page 173

163

145 Van vqorspoccls volle vlam ontsteeckt de Nijd de sijn\'; Geluckigh en gerust is \'tallom1 niet te zijn;

Te Hoof van aliom minst; daer moet hy voelen smoocken2De wroeters die sijn doen of trachten te beroocken, Of doen\'t3, soo \'t doenlick is, en saeyen in sijn pad 150 De stricken daer wel eer sijn voor-genand 4 in trad: Hy treedt ter zijden af met wei-geveinsde treden, Als róuck hy lont noch kruyd: dat gisteren, dat heden, Dat staet hy morgen uyt; tot dat hy, als te veld,

Besett5, bestreden wordt met onbeschaemd geweld, 155 En maskerloosen 6 haet; soo wordt hem spijt en logen. En onverdient verwijt gewreven onder d\'oogen7; Soo moet hy wat hy doet sien maelen met de koul«, Soo ten beschimpe staen van boven tot de zool8.

Hy swijght, en reickt voor al sijn\' schuldeloose vuysten 160 Voor Gods gerechte vuyst; die opent suleke puysten 10, En perst \'er soo den wind en soo den etter uyt.

Dat elck sijn\' Meester loont en in \'t gesichte spuyt.

Noch is sijn\' bede verr van quaed om quaed te vergen; Heer, seght hy, stootse11 wel die my ter onschuld1 quot;tergen, 165 Maer stootse ruggelingh ter rechter reden in 13,

En daer hunn\' boosheit endt, Dijn\' goedigheit beginn\'. Hoe liefïelicken wraeck geniet hy op de quaeden.

Dies\' op sijn\' tegen-bé 14 van \'t quaede siet ontlaeden, In \'t goede soo verlicht 15, dat haer berouwt gewis16 170 Haer\' hardste geesselingh en salighst pijnen is!

De naeste 17 toeverlaet is \'s liechters vonnis hooren: Daer onder hy die \'tlijdt en die\'themaen doen hooren 18; (Dat \'s oock tot God gegaen, die \'tsoo, en soo 19 begeert, En wordt door middelen, en sonder die ge-eert)

175 Daer daeght hy voor \'t gerecht dien \'t onrust lust te saeyen Daer vrede groeyen kost, en in haer\' schande maeyen. En dorschen in haer\' scha \'J0, daer grasiger -,1 gewas, Danck, eer, en eenigheit voor niet te beuren was.

1

ergens. 2) rooi- (laster) uitwerpen. 3) hewerkstelliyen het. 4) voor-

2

ganyer. 5\' omsingeld. 6) onverholen 7 Wij; onder den nens. 8) zwart,

3

verdacht maken ■ 9) va}i het hoofd tot de voeten. \\0) zweren (Av xsi\\sc\\v(i\\)e-

4

schuldigingen)- 11; tref me, hastijdze. 12) zonder reden 13) Versta: zoo. dat

5

zy v. h. kwado terugtreden en tot recht en billijkheid weerkeeren.

6

14) hede voor hun heil tegenover hunne snoodheid. 15) helderziend ge

7

maakt. 16) herouwhehhend geweten. 17) daaropvolgende 18i hehooren-

8

bank. 20) schande en schade inoogsten- 21» tieriger, heter.

ocr page 174

164

Sijn\' sake pleit haer selfs, en. waer \'tvoor vyands oorcn, 180 De reden most\'er in; soo kan de waerheit booren1.

2STu is sijn Hechter bei sijn Jiechter en sijn Vriend2:

Noch raeckt hy maer acn recht, die\'r gunst by heeft verdient; Maer scherp genomen recht is rnyme gunst te noemen, Daer scherp gegeven gunst ruym onrecht kan verdoemen :t; 185 Ruym onrecht doen die \'t doen door ongunst van gemoed 3, Ruym\' gunst doet hy\'er voor die\'r maer recht over doet. Dat\'s \'t ruggelingh4 gewin van nijdige Gesellen,

Die door luier wiggelen«, verr van den boom te vellen. Die in haer spijtigh oogh te wel gewortelt stond, 190 Noch diep en dieper klem doen winnen in den grond.

Maer \'t katten-spel5 komt laetst; men gaet hem met de

(pert « aen

Die d\'aller Hoofschste 6 heel; men tast hem in het hert7 aen; En seght hy heeft\'es geen, of \'tis gelijck een\' Noot8, Of \'t had sijn\' eigenaer gedraegen door den nood 12; 195 Het klagen is te kindsch, het kijven is te hoerigh,

\'t Verdraegen is te hondsch, en t pleiten is te boerigh: De wraeck is mannelick, en Adels eigen Recht 13;

Soo dat te soecken is, men vindt het in \'t gevecht; Een schrappen 14 oogenblick betaelt\' er soo veel\' slechter\'15; 200 Wat leght hem16 aen \'t gedingh die dus sijn\'eigen Rechter Heeft hangen aen de zijd? maer mos\'lick of17 de klingh Uyt die gevanckenis haer\' handgift18 oyt ontfingh.

De werre-wateren, geboren tot het woelen 19,

Die van haer self soo wit, soo swart van hem gevoelen \'J0, 205 En steken daer de spell21 van haren moedwill niet;

Maer jagen naer \'t verwijt van dadeliek bediet 22; En wringen uyt sijn\' tongh een onverhoeds 23 ontkennen. Dat, Liegen, wordt gedoopt; Met siet hy sich berennen 24, En knijpen in den dwangh van onderlinge wraeck 25.

1

zich ingang vers chaff en. 2^ do Vorst, nl. 3) Zio mijne Uitgave, bl.

2

106. 4) Dezo regel doelt op de belagers; de volgende op den rechter.

3

bruik aan het hof; wdsp. met hoffelijkste. 101 hart, moed. 11) door eene

4

harde schel omgeven, nl. 12) zonder tusschenkomst van anderen, nl. 13) de

5

moed. 151 waarin men te lijden heeft gehad, nl. 1G) geeft hij om.

6

ters, geboren om verwarring (oneenigheid; te stichten. ^0) oordeelen.

7

21) speld. 22) van ondubbelzinnige heteekenis. 23) ondoordacht. 24) o)n-

8

singelen. 25; door een duël nl.

ocr page 175

165

210 Soo komt hem \'s anderdaeghs op \'t scheiden van den

(vaeck 1

De Wissel-brief2 te huys van lijf om lijf to ruylen, „Ghy, staet\'er, ongewoon tot anders iet als sehnylen; ..Ghv nochtans onheschaemt om bet\'ren óan ghy zijt „Te\'drncken daer \'t hun deert -1, te segcen dat haer spijtt, •215 „Gedenckt acn gisteren; en, zijt ghy Jlan geboren,

i,Staet mergen voor een\' man die door uw\' borst wil booren, „En rnckender dat hert, dien quot;Vrouwen huysraed3, uyt, „Oft wachten4 dat het hem geschiede van een\' gayt.

Dien hitsigenquot; ontbijt en kan hy niet verswelgen 220 Door sulcken koelen keel. oft \'thert en wil \'t sich belgen; Sijn\' geesten\' zijn sijn gist, en jaegen \'tvierigh op. En senden hem den broek te nigge door sijn\' krop8: Weerbaer en schuldeloos, verwijt en schuld0 te booren, Hoe lijd\' ick \'t, (mommelt10 hy) hoe stopp iek hier mijn\'

(ooren,

225 Hoe klemm\' ick hier mijn\' tongh, hoe bind\' ick hier mijn\'

(hand?

Neen, \'twaer te veel gele\'en: der boosen onverstand, Den hooghraoet zy gestraft; \'k wil and\'re met my wreken En diergelijcken slagh op diergelijcke breken u. Het bloedige geluck van een doornagelt hem H 230 Magh and\'re voor altijd doen schroomen voor mijn\' lem ,3. Maer, lem, bewaert uw\' schee, (soo komt de koele lieden Ten strijde tegen \'tHert sijn\' vierigheit 14 getreden)

Waer heen ontsteken 15 bloed? wat soeckt ghy in de moord Van \'tmaecksel dat alleen sijn\' Maker toe behoort? 235 Uw terger heeft de schuld; wilt ghy s\'hier op u haelen, En met gevaer voldoen, en na 10 noch eens betaelen ? Komt u de straffe toe der ongereehtigheit,

Daer diese niet en lijdt 17, Mijn is de wrake, seit ? Die hand 16 en sal de hand der boosen niet ontloopen. 240 Wat leght u aen de haest ? die \'t quaede moet bekoopen Bekoope \'t door het quaed van quaedfre dan hy; Wat scheelt u \'t onderscheit of \'t flus 13 of t\'Avond zy? \'t Sal wesen als Hy \'t doet die niet en kan als recht doen;

1

hij \'t ontwaken. 2) u\'düaginy, 3) op hun zeer te treden. 4gt; aldus

2

genoemd, wegens /.ijn beweerd gebrek aan mood. 5) af-. 6) prikTcelend.

3

kauwen, 9) heschuldlglny. 10) mompelt. 11) Versla: hen niet gelijke munt

4

betalen 12) hemd. 13\' lemmer 14) harlstochtelijkheïd. \'5 in yram-

ocr page 176

166

Dat kan Ply door uw\' hulp en wel beleidt1 gevecht doen, 2-^5. Maer wacht - ghy door sijn\' hulp uw\'Man te sien vermant, Die Hem sijn Hemel-recht wilt wringen uyt de hand ? Die sijn gedulden2 terght, om dat het uw\'geterght wordt, Die Hem wilt onrecht doen, om dat het u geverght wordt3 ? Als had uw knecht geiijck, die van sijn\' medeknecht 250 Verongelijckt, voor hem. u selver eerst bevecht?

Wat is de smalle stipp. \'t onsichtbaer Punt van eeren4, Daer op ghy schemer-ooght5 ? een lijf\'van lichte vecren. Een\' schaduw van een schimm,een bastaert van de Deughd, Een twistbal uyt de Heil, een stal-licht6 voor de jeughd: 255 Of eer en is geen\' Eer of \'t is de loon van \'t goede; Uyt opgemesten grond met broederlicken bloede7En sproot die spruyte 8 noyt; en d\'eerste van den Stam Daer u het beter zijn dan andere van quam10 Gewanse verr van soo: Ja, mannelicke slagei 260 Verhieven sijnen roem; maer deughdelick geslagen,

Maer noodelick11 besteedt, daer Gods gerechte straf Sijn\' waerheits vyanden die sweepen over gaf 12.

Oprechten Adel-boom van adelicke blaeden,

Dijn\' tacken schoten eerst uyt ongemeene daeden, 265 Maer daeden voor \'t Gemeen13; Stoutheid van ongeduld 14i En Moed voor eigen baet zijn selden sonder schuld. Wat soeckt ghy dan ? Mijn\' Eer. Waer is die Eer te vinden ? Op diese 15 my ontstal. Wie kan \'t sich onderwinden 16 ? Mijn Schelder stceltse my, en sal het meer en meer, -quot;0 Soo langh ick weerloos sitt. O soecker naer uw\' Eer, M isrekent17 Cyferaer! die welgewonnen schatten Zijn verre buytens reicks van sulcker ving\'ren vatten; Hv 18 spouwt wel na de Maen, maer raeckt noch geen gc-Wie Eer heeft kanse maer verliesen door sijn self. (welf 19: 275 Noch neem ick hem voor dief -0; hy hebb\' u konnen rooven 21 \\ an \'tgeen hy niet en kan: is \'twaerdigh om g^looven Dat die u by der Straet ontmantelt of ontgeldt 22,

1

hestievd. 2) ver-. 3) werkw. 4) omdat U onrecht gedaan wordt.

2

licht. 8) bop. van opgemest. 9) do eer, nl. 10) liet voorrecht van van

3

adel te zijn. 11) naar het moest. 12) Versta: over de vijanden zijner

4

waarheid die zweepen (geesels) gaf zond). 13) (dgemeene welzijn. 14) uit

5

gehrek aan lijdzaamheid voortgesproten 15) hem, die ze. 1G wagen.

6

17) misrekenend. 18) die dat poogt, nl. 19) hemelgewelf. 20) ilc

7

wil aannemen^ dat hij een dief zij, 21 j hcrooven. 22) van mantel of beurs

8

berooft.

ocr page 177

167

Sijn\' straffe tegen u sal haelen in het veld,

En boven \'t eerste quaed een arcrer1 mogen hopen. 280 En doen u eigen goed met eigen bloed bekoopen ?

Waer is de Wett gemaeckt die my mijn\' schuldenaer Heet maenen in mijn\' hemd2, en gijz\'len 3 met gevaer? Daer staet4 dc Eechtsbanek voor; daer staet hy voor te dae-Dle voor gewisse schuld gewisse scha sal draegen, (gen 5285 Verr van onwetene6 getuygen van \'t trevecht Sijn\' overhand te sien beduyden op sijn recht7.

Maer mannelick geschili moet mannelick geboett8 zijn: Hoe waer \'t my eers genoegh die eerlick wil ojitmoett 9 zijn, En man voor man gestraft, of straffen, soo hy kan 10, N 290 Te roepen daer 11 een kind bestaen kan voor een Man ?

Hy is geen eere waerd die r in sijn herte geen\' berght, Hy berghter geen\' in \'thert dies\' andere te leen verght En, arger, stelen will, en, arger, and\'re tracht \\ In sijn\' onachtbaerheit te maecken ongeacht.

295 Noch werdt hem overmaet van Eere toegemeten Die voor den eerlicken 13 sijn\' oneer niet verweten Maer staetigh werdt getoetst, en rechtigh overtuyght 14; Een\' eerlick\' oneer draeght, die voor sijn\' Rechter buyght. Volherdt ghy 15 even mild in Eer te willen schencken 300 Daers\' eerlick zv besteedt: leert aen Sijn\' Eer gedencken Die vré\' voor lasteringh, die vriendschap voor verwijt. En d\'ander wange biedt aen die op d\'eene smijt 16:

Gunt Hem Sijn\' eigen\' Eer, gelijck Sijn\' trouwste Knechten, De Knechten na Sijn Hert; die tijd\'lick17 konden vechten 305 En swichten tijdelick, voor Sijn\' gestolen Eer,

Voor hunn\' bekladden naem, gestolen rust, en meer. Sy wisten dat den Sott in \'t sotte te bejeg\'nen 18 Waer\' worden dat hy is: leert ghy se van hem seg\'nen Die uw\' vervloeckers zijn, en bidden om haer\' soen 151 310 Die soo goeddunckende20 niet weten wat sy doen.

1

van TI te dooden nl. 2^ ht hemdsmouwen. 3\' dwingen tot voldoening.

2

4) is voor gesteld. 5) dient hij ruor gedaagd (gt;) onwetende, onoordeel-

3

Tcundige. 7) Versta: uit zijn overwiimaarsschap te zien opmaken, dat liij

4

gelijk heeft. 8) gebeterd, vereffend. 9) bejegend. Versta: die als man door

5

oen man gestraft wil worden, of als dusdanig andoren straffen wil.

6

10) daarheen, \'voor de Rechtbank, nl . 11\' lt;Lan anderen moet ontleenen.

7

12) te doen deelen in zijne onachthaarheid- 13\' ten overstaan van fatsoen-

8

UjTce lieden. 14) na een plechtig onderzoek volgens recht wordt bewezen.

9

15) zijt gij altijd geneigd 16) slaat. 17) op tijd. 18) met dwaasheid ant

10

woorden; Spreuk. 26. 4. 19; verbetering. 20) aan matigend, laatdunkend.

ocr page 178

168

Al staet Verlies en Winst van eewigheit voorschreven 1; Sy wanck\'len in ons oogh2; die hopen moet, kan beven: Maer wordt u selven baes, verwint uw\' eigen bloed, Die winst is waerd en wiss, en Honigh sonder roet. 315 Gedachten gaen als wind, soo wind gaet als gedachten3, Maer wind en volghtse niet1: de Bode schijnt\'te wachten Die \'t moorder Brief ken5 braght; maer \'t dunckt den Bode c , (niet0,

boo spoedigh komt hem voor dit mondelingh gebied7: „Gaet, vriend,en soght uw\' vriend, ick leerdenemmer wijeken S20 „Als voor de Redens kracht; die sal mijn recht doen blijcken, „Oaer8 \'t Eer en Reden zy. Maer Meester van de leên „Die by en ick besitt is Uiese maeckt\' alleen:

,,\'k Ben Christen, en Soldaet, en Edelman geboren, „En trachte met de twee3 het eerst altijd i;e hooren: 325 „\'t Beschermen is mijn\' konst, het Schermen zy de sijn\'; „Die sal ick besigen daer \'t moet\' en moge zijn:

„Quaet doen van10 tijd verdrijv ben ick van jonghs ont-

(wassen;

„Bespringht by my te moet quot; \'k sal op mijn\' hoede passen; „Maer bidd\' hem om geduld tot daer wy vyand sien; 330 „Daer sal de beste man de leste zijn in \'tvli\'en.

Soo spreeckt hy door uw\' mond, groot doender, en groot .. . (spreker l-,

Gods Krijghsman in het veld, te liuys Sijn\' waerheits wreker, Sijn Degen en Sijn l\'enn, hei mannelick gevelt Op \'t Seven-berghs versier I3, en Arragonsch 1,1 geweld. 333 Soo stamert hy naar u 15 Stout Christen Arm-van-yser, Die soo veel min yerzaeght16 daar \'t wesen most, als wijser Daer d\'Ecr oneerlick scheen, dorst aengaen 17 daar hy vlood Dien ghy geweigert had\'t het weerslaen19 sonder nood. Die stappen stapt hy na, wanneer de dwangh van saecken 3i0 Sijn\' Meester buytens Wals 19 ten tegenweer doet waecken; Of booren door de korst van \'t aerdige geback 20 Daer een\' geborgen Stadt Pusteis ge wijs21 in stack;

1) Loer der predestinatie. 2) wij hehlten dienaangaande gcene zekerheid. :!) Immers liet eene is even waar als het andere. 4) wat emit volgt is geen wind. 5) de uitdaging. 6) dat hij gewacht heeft nl. 7) bescheid. 8) Waai\'. 9) Vul aan: laatste. 10) uit. 11) Valt hij mij hij eene ontmoeting aan. 12 Marnix v. St. Aldegonde. H. 13 Jtomes dwaalleer. 14) Spaansch. 15) de Heer do la Uouo. H. Hij geeft hem den bijnaam van lïra.s-do-fer. 1G) ecen onversaagd. 17) aanvallen. 18\' weerom slaan. 10\' m het open veld. 201 aarden verschansing. 21) Omzetting voor: go-borgen als in een pastei.

ocr page 179

169

Of\'t stormigh welgevall van oogeloose nachten 1Besteden daersquot;2 hem oock by dage niet en wachten; 345 Of proeven 3 op een Heid\' waer\'t Noodlot henen will, En maecken eenen dagh jongh Schepen van \'tgeschill4. iJaer doet hy wat hy kan; maer, in sijn eigen waenen, Daer doet hy noyt lt;;enoegh; naer andere vermaenen5, Daer doet hy wat hy hoort; naer and quot;re, wat hy moet; 350 Naer and\'re, veel te lauw, naer and\'re, koel van bloed. Hy doet het evenwel, en die hem \'t Hert betast hadd, Sou t soo koel en soo lauw bevinden dat het vast sat6; Maer died\'er \'tlood in sonck 7, sou\' voelen dat sijn Vyer Sijn selven, soo beklemt, moet vrijen van getier8: 355 De pit-ziel9 van het Vyer is eene van de voncken

Die ziel en herssenen naer \'t cewigh Vyer10 doen loncken, Daers\' uyt geregent zijn; de heilig\' yver-brand Die \'s levens vodde-vreughd, en schroomens onverstand 11Voor d\'uer12 die komen moet, al komtse soo veel laeter, 300 Om God verachten doet, en midden in \'t geklater

Van Stael-13 en Blixem-lood doet schreven van vermaeck In \'twel verdedigen van Sijn\' gerechte \'saeck.

Soo voert hem \'t rechte stout, de welgeruste vroomheid. Dien op haer hittighste14 de Reden by den toom leidt, oC5 Daer daegers om een woord, en waegers om den deun 15 Staen schrickende van verr, Wat doet de Man soo deun 10? Maer deun en is maer deun17 dien levende gedachten \'tOntleven18 staende voets van voren doen verwachten. En \'t is hem selven vreemd, hoe dat hem \'t beven staet 370 Die t\'samen op den tip van dood en Leven staet 10. Ontkomt hy levendigh, hy wascht niet eer sijn\' handen Het bloed af dan sijn tongh, die datelick in banden Moet swijgen wat hy ded\', en lijden dat men \'t se^g\' lt;quot;\'0; Al droegh \'er oock \'de Nijd \'f-benijdelixt af wegh \'-1.

1

Versta : do gelegenheid, welke donkere, stormachtige nachten bieden.

2

daci}\', waar (doelt op verrassingen v. steden). 3) hcproecen. 4) Denk

3

aan hot spreekwoord: Do jongste schepen wijst het vonnis. 5) zeggen.

4

6) Versta: precies zoo, als van iemand, wien het niet popelt- 7) deed

5

zinken, in hracht. 8) Versta: zou bespeuren, dat zijn moed, aldus in toom

6

gehouden, zich van onbesuisdheid moet onthouden. O) merg, kern ■ 10) god

7

delijke liefde. 11) dwaze vrees. 12) des doods, nl. 13) Het streepje achter

8

Stael dient te vervallen. 14) vurigste. 15) om de aardigheid. 16) wakker.

9

17) dapper is maar dwaasheid. 18\' sterven. leven staat hier volgens

10

H. voorquot;: zalig zijn. Zie verder mijne Uitgave, bl. 112. 20) dulden, dut

11

anderen het vertellen. 21) Versta: al verzwijgt er de afgunst ook het

12

benijdenswaardigste van.

ocr page 180

170

375 t\'Huys in de Winter-rust is H verre van sijn derven1, Te blasen2, daer, en daer, en daer genaeckt\'ick\'t sterven lek voren uyt, ick hier, ick finder, allom ick; Om Jofferen te slaen met wonderen van schrick3: Dat malscher Menschen-deel4, die minnelicke dieven 380 Van Mannen dieren tijd, verstaet hy te believen Met soeter onderhoud dan redenen van Stael5, En kluchten 6 die het Haer doen steigh\'ren in \'tverhael. Geraeckt hy in die schaer*7 (hy wilder somtijds raecken, En allen ernst somtijds verdrincken in vermaecken) 385 Hy schudt\'er soo den Man, den Krijghsman emmers 8, uyt Als waer\' een Trommel-ton verschapen 9 in een Luyt. Spel iss\'er meest sijn Witt, sijn\' meeste wijsheit jocken 10 ; Maer lijdelick gejock ter oor\' van alle Hoeken n; Ten oorboor 12 menighmael; want dat men oock de I^eughd 390 En bitt\'re leeringen vergalden kan met yreughd,

Besluvthy uyt den Lent* van \'s WereldsGrieckscheJaeren13, Doe d\'eerste\'wijsheit sprack door \'t streeler van de snaeren, En Menschen hard als klipp vermorwden door \'t geluyd Dat Menschen-tuchtcren 14 bedreven op haer\' Luyt. 395 Geluckt hem \'t goed doen niet (soo valt het beste Koren Of vruchtigh15 in de klei, of in de kei verloren)

Quaed mijden is de trapp die naest ten Piemel leidt: Dat doet hy met sijn\' Tongh, die noyt van tand en scheidt16, Om \'t Goddeloos misbruyek van Goddelicke saken 400 Het noodeloose slot van Ja en Neen te maken 17;

Lands Heeren acht quot;t ghy oock o]) sulck\' eenDienaers Eed, Die \'t derde woordt bevloeckt en selver niet en weet 18? Noyt willens-onverhoeds19 na woorden die de teenen Van Maeghden sterven doen om \'t aensicht bloed te leenen 20 405 Sijn adem stincken doet, en lichten \'t eerste wijf. En lichten d\'eerste Man het Vijgenblad van \'tlijf21. Hy wordt\'er noyt beticht van stameren, van lispen, Van sijn\' berisperen ten loone te berispen ~

behoefte. 2) pochen. 3) mot schrik over zijne wonderen van dapperheid. 4) Elders: weeleer Meuachliclheid. 5) verhalen v. gevechten. 0) iron:co 7) dat gezelschap. 8) althans. 9) veranderd. 10) schertsen. 11) Vrouwen 12) nut \\\'6) de lentejaren der Grielscle wereld. 14) opvoeders, heschavers der Menschheid; Orpheus! 15) geschikt tot vrucht dragen; Math. 13. 10) losraakt. 17) H. doelt hier op hot ijdel zweren on vloeken. 18; zonder er aan te denken. 19) gentaakt-na\'ief. 20) al het bloed naar dr. kaken drijft. 21) Vuile praatjes zijn bedoeld 22) in hei aangezicht te rispen.

ocr page 181

171

Topswaer van Druyven-damp; al waer de inisdaed min, \'iIO De beest\'lickheit van\'t quaed 1 vervreemdt liet van sijn\' sin. Hy wordfer noyt beklapt van lange Winter-nachten Te hebben schrap gestaen daer hem de Kans2 hiel wachten, En mogelick nu mild. en mogelick dan scherp3,

Sijn\' Hemel en sijn\' God verlooch\'nen om een\' werp4. 415 Hy wordt\'er5 soo gesien, hy komt, hy blijft, hy gaet\'er. Hy doet, hy zeit\'er soo, dat menigh ydel praetër Moet lijden dat sijn\' winst van taeye Joffer-gonst6Een\' ander\' mede vall\'3 die soo langh mi begonst.

Noch vindt de wangunst solt\' in sijn geregelt laeten», 42Ö In sijn\' besneden 7 doen niet waerdigh om te haeten, Dan dat sy\'er niet en vindt dat Laeten en dat Doen Schijnt met hem opgegroeyt sint \'s Moeders eersten soen 1\'-\'; Hy doet niet dat hy doet, oft past hem als sijn eten, Hy laet niet wat hy laet, of\'schijnt niet bet te weten: 425 In wat hy niet en laet, in wat hy niet en doet

Verneemt men \'t eigen E\'el8 van welgeboren bloed. Berekent hy dat bloed van heden op de jaeren Doe d\'eerste van sijn\' Stam 14 het sterven moest ontvaeren 13, Het hooghste welgevall dat hyd\'er in geniet,

43U Is dat hem niemand scheel 10 voor Bastaerd aen en siet. Bereickt sijn\' Bekeningh den tweeden derden1\' man niet, Ja is h}\' self de man die d\'eerste nae sijn\' Van hiet 18, De Peterquot; van \'t geslacht die \'t Velsens E\'el begon ■-0 Was thienmael Gerrit \'1 waerd die \'t smoorden in sijn\' Ton 22: 435 En, sullens\' Edel zijn die uyt hem sullen teelen,

Hoe licht sijn\' Kaers min licht dan dien sy \'t Liciit sal dee-Of Princen zijn misdeelt in Edelheid van S\'tam, (len 23 ? 01 Edel was het hoofd daers\' al en eerst uyt quam 24.

Gevalt-\'hem dan die gonst van een der Minder-menschen20

1

de heestacUigheid der dronTcenschup. 2) pal slaan, stand Wijnen

2

6) op het juffrouwen-salot. 7) zijn aandeel inde moeilijk te a-innen dames-

3

\'jHust. 8\' te heurf ralle. 9) nalaten uit principe 1quot;; matig. 11) Vul aan:

4

wat waardig zij te haten. 12) van zijne geboorte af. 13) merU men den

5

zei f den edelen aard. 14) Noë. H 15) in de ark, nl. 16) minachtend.

6

m) dagteek-ent zijn adel van vader of grootvader. i8) de stamvader v.

7

itraf v. Gerard v. Velsen. 23) Versta: Als zijne afstammelingen edel zijn,

8

25) vult hem le heurt, 26) vrouwen.

ocr page 182

172

440 Die sijne gonst gevall\', en dunckts\' hem waerd om wenschen, (Dat toetst hy aen de ziel, en minstendeel aen \'tlijf; Het vell-diep 1 schoon en raaeckt niet half het schoone wijf, Maer, geeft een\' schoone ziel in tamelicke leden,

Sy sal haer heiligh schoon doen glimmen door de zeden, 445 En stellen liaer Lanteern soo doorschijn2 voor \'tgesicht Dat oock de dicker3 Hoorn 4 sal monsterenquot; voor licht.) Hy neemt haer gonst te haet, en derfts\' haer selven vergen, En seght. Mijn hert en is met weig\'ringh niet te tergen. Noch hoeft het niet te zijn; \'t en waer\'5 ick seggen moght, 450 Ghy toont u half vernoeght, ick my heel wel bedocht6, Ick schaemde ray \'t versoeck; maer op het stom bekennen Van wederzijds gevall7, op \'t vriendelick verwennen0 Van menig\' eerbaer uer, yerstout ick desen mond Op \'t binnenst ondersoeck van nwes herten grond: ■455 Spreeckt korte vonnissen: en gunt ghy my het hopen, Misgunt my t\'eener tijd het noodeloose loopen;

Misgunt ghy my de hoop van soo gewenschten Ja, Vergunt een spoedigh Neen voor spaeder10 ongena: Dan. vreest geen\' worstelingh, al lust u niet te singen 4Ü0 Soo ick te voren fluyt\', de Min verstaet geen dwingen. Dit vrijen stont my\'vry in \'t vrijste van \'t gemoed.

Doet vrvlick wat n dunckt, seght vrylick wat ghy doet.

Al had hy niet11 geseght, de kennis van sijn\' waerde quot; Sprack sterren uyt haer\' Lucht, en Boomen uit haer\' Aerde. 4C5 Sy antwoordt stommelingh 13: tot dat sy \'t flauw gerucht Van \'t maeghdelicke Ja ter diepster longh uyt sucht. Maer \'t Ja wordt soo bedoeckt14 met weigerlicke veinsingh15 Met deinsend\' stille staen, met stille staende deinsingh, Dat wie min Maeghden had behandelt en betreden 111 47ü Nam \'t voor een Neenigb Ja 17, of voor een Jaïgh Neen Het stof daer uyt gesift 18, de wimpelingh10 ontbonden, Hy wordt\'er me te vre\'en den Ond\'ren toegesonden; Den Oiid\'ren twee en twee op sulcken voet verknocht ï0

1

dat niet dieper dan het vel fjaat. 2) doorschijnend. 3) Zie mijne

2

Uitgave bl. 115. igt; In de lantiirelis had inoii oudtijds hoornen platen m

3

plaats van glas. 5) pronken. 6) ware het niet, dat. 7) heraden. 8) onder-

4

limje genegenheid. 9 toegefelijlclieid. l1\') later- 11) niets. 12) de^otcn-

5

ting voor geveinsde weigering. 10) gehandeld lt;j.n gewandeld met. 17)

6

dat op neen gelijkt. 18) Dit \'run den omslag ontdaan zijnde. 19) helvj\'\'\'\'A

7

peling, omhulsel. 20) de ouders der twee gelieven, die eertijds op dezelfde

ocr page 183

475

ITS

Dien \'tnu bejegent \' wat haer eertijds oorboot3 docht; Die geeren aèn de spruyt3 van haer\' vergaarde strbncken4 Een\' Intquot; verhechten sien die Jnten kan verproncken En seght hun vruchten 7 toe daer haer\' verstorven kracht Weer vruchi8, weer ander\' vreughd verlangende van wacht. Die vreughd, die ander vrucht be-erven sy by tijden, Soo \'s Hemels suer verdriet\' de booser ee\'w wil lijden ,0, Haer stadige raisvall quot;, en bastaerd wangebroed Te sien vertemperenquot; door soo veel tegen-spoed 13.

Sijn groevend\' vaderschap 14 verheft sijn\'danckbaer\'Heere, Die sijnequot; Jeughd genoot, met trap op trap van eere, Met Stedelick gebied, met Staetelick bewint,

Met a] wat spreken kan hoe verr\' hy hem besint ,5.

Sijn\' kind\'ren, d\'ernstighste van sijn\'bedaerder sorgen I0, Verrijckt hy meestendeel met wat sy konnen borgen 17 Daer \'t brooser goed verbrandt, en \'t voosere la versinckt. Gevalt\'0 hun yet te deel dat door de Borse klinckt ^1, Hy laet en leert het hun soo achteloos genieten Als hy \'t versamelt heeft; noyt walgelick vergieten 21; Al staet het yeder een van ailom toe te vlo\'en,

Die \'t eewigh-\'2 soecken wil, en schoeyen op sijn\' schoen

Soo door het rouwst geraes van \'s Werelds booste baeren Meest sonder stuyt gerolt, en sonder stoot gevaeren, Tot daer \'tgesonckenM Lood den Haven-dorpel\'-\' raeck\'. Tot daer het Anckcr sesg\', te Lande a\', Man, ick haeck, Verlaet hy \'t lecke Schip27 daer \'t stranden moet en splin\'ren, Om eewigh op het hoogh van Zion® te verwinfren. De Hooge-Bootsmansrust; van daer hy desen Ball Leer\' keuren80 voor een blaes, een punt, een Nietmetall.

O Edel Stam-gesin van sijn\' gelijcke Erven,

Stelt vryelick op \'t scheel31 van sijn\' verrotte scherven 32 Dit weinigh en dit veel: Hier leght voor Mier cn Maey, £gt;ie geen\' gelijck\' en hadd, \'t en waer\' ten\' witte Kraey :\'3.

485

490

495

500

505

1

yeheiirt. 2) dienstig. 3) tely. 4) stammen. 5) ent. 6) in de schaduw stellen. 7) kleinkinderen. 8f achterkleinkinderen. 9) ernstif/e toorn. 10) wil lijden, dat de looser (al te snoode) 11) miskraam, wan

2

geboorte. 12) verbeteren. 13) goed, dat er voor in de plaats komt. H Versta: Terwijl liet aantal zijner kinderen aangroeit, verheft hem, enz. 15,) bemint. 10; zorgen van bedaar der en. Interen leeftijd. 17) bergen. 18 )ijdeler, minder beteekenend. 19; Valt. 2i)_) geld, vermogen. 21) verkwisten. -2) het hemelsche. 23) daarnaar zijn leven inricht. 24) uitgeworpen. 25) ingang van de haven. 26; aan land. 27) fig. voor het doode lijf. 28) het hemelsche Zion. 29) opperste bootsman of stuurman. 30) achten. 31) deksel, zerksteen. 32) vergaan gebeente. 33) witte raaf.

ocr page 184

174

EEN PROFESSOR.

Hy *s een sprekend boeck: een open letter-schatt. Een preeker buy tens koors1: een Kluysenaer in Stad 2: Een wett-steen van de Jeught; een schaef van groene rijsen 2, Die onder sijn bestier tot Staten-Staramen 3 rijsen;

5 Een veerman van de deught voor domme kalvers-vracht, Naer \'thooge land van eer door diepe Leerings gracht4: Een Trommel5 in de stall daer \'tonervaren veulen,

Sijn ooren op vereelt0; een schuyt van hier tot Keulen Den Jongen Reysigher, dien Erancfords groote Miss 10 (De kleyne Werelt-kaert) noch onbevaren is 6.

lly schouwt7 een kinder-Baes8 met even sulcken ooghen Als hem een Staetsman doet: maersiet hij weer om hooge 9lly swicht gelijck een Pauw die op sijn pooten buckt En met een nedrigh spijt sijn vedren t\' samen ruckt. 15 Vermach hij sijn begeert met10 Leyden te\'bepalen, En naer sijn Klooster-niews 15, en verder niet te talen, Hy is de vrijste vorst die oyt getreden heeft En in de gulden eew van \'t Rijck Te vreden10 leeft.

Sijn boeck-kas is een bosch daer all de ooomen spreken 20 Die hoort hij met sijn oogh 17, en uyt die bolle 18 beken Vergaert hy eenen poel, die in sijn herssens staet En weder stroomeling de drooge Jeught bebaedt 19. Men vraeght hem als een Geest die door een drijstall20 antwoord;

Sijn liefste vrager is, die kruyssen 21 in sijn hand boort; 25 Daer schimpt de Pleyter\'-quot;- op; die schildert hem met kool En zeght, sijn konst is kindsch, sijn adem ruyckt nae \'t School.

Sijn sorg is eene23 daeghs van vier en twintich uren,

1

een priester der wetenschap. 2) hij leoft immers hoofdzake

2

pilaren van den Staat. 5) in dienst der deugd, (i) onwetende en onervaren

3

jongelieden. 7) door het bijbrengen van grondige hennis■ 81 trommelaar.

4

mijne Uitgave, bl. 119. 11) bekijkt. 12) onderwijzer. 13) op naar een

5

hooger geplaatste. 14) bij. 1quot;gt; het academisch onderwijs wordt in het

6

het Jtijk Tevredenheid met de tevredenheid, dio de grootste rijkdom is.

7

17 bij het lezen nl. 18) gezwollen,\'overvloedig voorziene. 19) besproeit.

8

20) Even als de Pythia, die te Delphi op eenen drievoet zittend, hare

9

orakels gaf 21) geld; eig. stukken met een kruis erop 22; advokaat,

10

praktizijn- 23) nl. uur.

ocr page 185

Dier moet hij, lust het hem, ter weken 1 vier besuren; Maer leght hij luijer-sieck, oft in de kelderklem2, 30 Dan is de leer-stoel stom, en\'t briefken 3 spreeckt voor hem: Den Hondsdach Dieren-schrik is \'t hooghst van sijn ver-

Clangen 4,

Hoelang die kermis duert, verneemt5 men aen sijn wangen. Die brenght hij blosende van daer \'them niet en koste; Dan waer \'t een groote sprong 6 waer \'t leeren weer begost, 35 Maer \'tscheel is \'t ongelijck van \'tleckens bij het lesen Ten laesten komt hij op als uyt een mist geresen En straelt sijn hoor-huys 7 door, en klatert door sijn baerd 8Al waer het paerd sijn kraeht gedoken in sijn staert. Den nutten Keden strijdt van jonge letter-haenen 940 Beleydt hy met een stem, al10 waerent Ruyter vaenen Die slandts gerechticheyt14 verdedichden int velt;

Maer \'t overwonnen heyr en die het heeft gevelt Versoent hij minnelycK met volle vrede-fluyten 15,

Midts hy vergolden\' blijft 16, en aller scha te buyten 17. 45 Geluckt hem quot;t sijner beurt het planten van een muts 18 Op Edel Eesels hooft van de\'en of d\'ander bluts 19, Dat doet hy trouwelick, al waert hy ook de ooren Ter sijden by de kruyn om adem op sagh booren 20; Hy keurt soo\'keurliek21 niet, midts t\'oorbeest croonen kackquot;22 50 En spant hem eerst sijn derm en daer nae sijnen sack 23. Op vorsten vocht onthael 24 of afgesonden sprekers 23 Verschijnt hy voorbeen man, en geeseltse 27 met bekers. Tot dat hem \'t ruym gevolch van ongecochte wijn 28 Doet rispen in \'tïlebreews, en braeken in Latijn 29. 55 Gebeurt hem \'sanderdaegs des princen oor ter eeren

Op \'t staemlen van sijn les ;!0, daer sal hy\'t lof. staen leeren Van gulden middelmaet en wat sy wonders kan;

1

in de week. 2) door wijn bevangen. 3) waardoor het college afgezegd

2

wordt 4) Dan is er vacantio. 5) werkt. 6) Hij gaat dan nl. bij vrienden

3

logeeren. 7) stap. 8) zoo zegt men thans nog likken — pooien. 9gt; college

4

geven. IÜgt; hoorzaal. II) Zio mijne Uitgave bl. 120.12) disputatie 13) als.

5

i4i rechten. 15\' glazen op de beslechting van het geschil geledigd.

6

20 omhoog zag strekken om hulp of bijstand 2!) nauwlettend 22» goed

7

26gt; als. 27 kwelt ze met beker op beker op hun welzijn te ledigen).

8

28 Omz. voor het gevolg van ruim (genoten) ongekochten wijn. 29) hij

9

houdt nl. toosten in die talen 3\')j Versta: Doet hem de vorst de eer

10

zijn college bij te wonen.

ocr page 186

176

Roept yemant onverhoeds, wat deugdelicker man! Wat tuchtelicker1 leer! daer staender onder allen 00 Die naerder zijn bekent met nieu en oude ballen2;

Die spreken wt den mondt, danek hebb sijn wijser wijf3 Die draeyden dese spil4 huymergen op sijn lijf; Pie sehoone Redenen zijn korsten vant verbijten5 Dat sy hem heeft gebrockt in Dageraeds ontbijten «. C5 Soo gaende gaet hy \'t huys nae groote moeders Schoot7 Noch wordt sijn naem gevrijdt« van \'t smooren van de dool Die kranssen vlechten hem sijn hoog bespraeckte vrinden Die \'t Constelycxt gescgh int minst re seggen vinden9 En noemen silver goudt, en klabbeeck oosters fijn ,0, 70 Te weten 11; was hy \'tniet, hy hoorde soo te zijn.

EEN PRINT-SCHR Y VER.

Jly is een\' Spieeel-ruyt 12 die elck sijn selven thoont:

Een weerschijn13 aller verw; een viller van gewoont 14;

Een\' kat die nagels heeft en krabb\'len moet daer\'t rouw is,

Maer glijen over \'t gladd; een\' tongh die nergens schouw15 is 5 Dan daer de waerheit feilt 16; een deughdelicke spie 17;

Een al-om Waersegger 1S, al waeght15\' hy waer noch wie;

Een Schilder met de pen, al rieckt sy na sterek-water 20;

Een all dat yemand is 21; een ernstigh kluchten-^raeter.

Sijn opper oogh-merek is profijtelick vermaeck 22; 10 d\'Een treck\'er voedsel af, een ander niet dan smaeck 23;

Hy heeft\'er twee voldaen: doch beide maer ten halven;

Maer \'t spertelende been 24 is moeyelick om salven.

Wie dan noch vrucht noch vreughd wil vinden in sijn Dicht,

Stopt Oor en Oogen toe in spijt van kloek\'-\' en licht; 15 De waerheit stelt sich schoon26 voor ciese wil begrijpen;

Wie tegen haer verhardt en laet sy niet27 te nijpen;

3) stichtende (genitief). 2) met het onderscheid tussclien zijne woorden van heden en zijne daden van gisteren. 3) Dit heeft hij dank te weten aan zijn verstandiger vrouw- 4) spindel, klos. 5) overblijfsels der boetpredikatie. Cu ochtend-ontbijt. 1) schoot der moederaarde. 8 gevrijwaard. 9» Versta: die vinden, dat men zijne zeggenskuast het best toonen kan, naarmate men minder te zeggen heeft. 10) valsche edelsteen en of diamanten 11) Dat wil zeggen; fr. a sa voir. 12) spiegelglas 13) weerkaatsing, I4j uit gewoonte. 15) schuw. 16) ontbreekt, niet gehuldigd wordt. 17) degelijk bespieder. 18) die overal de waarheid zegt. 19) gewaagt, zegt. 20) vitriool; hier bijtend vocht. 21,1 Vul hierbfl praeter aar.. 22; Utile duld. 23) behagen\'. 24) Wie hiermede bedoeld is, blijkt uit den volgenden regel. 25) stem. 20) toont een minnelijk gelaat, 27) laat zij niet na.

ocr page 187

177

Hoe wel-voordachtelick omhelsden clck sijn\' roe\', En roemde sich van 2 schaemt, Die plaester3 hoort my toe! Hy wandelt by den wegh met slechte4, sluycke treden; 20 Maer wacht n J die hem moett5, voor \'t ooge van sijn\' Reden, Hy straelfer sterlingh6 mé door \'tbuffel leder heen: Hy stroopt de schaduw-Denghd7 de spieren van het been, En van soo menig\' blein 8, soo veelderhande pocken9. Als duycken onder \'t dack10 van Broecken en van Rocken 11, Versamelt hy een\' klomp, en print daer af een beeld, Daer \'r rechte wesens-kroost12 der Moeder vorm 13 in speelt. Soo tracht hy yeder een sijn\' Bnlleback 14 te maecken. En door sijn\' eigen Deur 15 de Deughd te doen genaecken: Die voor sijn selven schrickt ontloopt sich ruggelingh 16, 30 En raeckt doch daer hy hoort17 onwillens, blindelingh 18. Maer\'t groot schort 19schort hem oock,de kennis van sijnsel-Dien dicken dampen-dijck 20 en kan hij niet doordelven; (ven; Sijn\' keers en licht hem niet, sijn heel lijf21 staet\'er voor; Sijn\' oogen sien hem niet, hy sluypter tusschen door 22; 35 En secht hy wat hy is, hy gist maer soo te wesen;

Sijn Boeck light averechts ^3. O, die24 het rechts kont lesen. En hebt uw aengesicht nae \'t sijne toegewent,

Wascht sijn,£5 met uwe hand, en maeckt hem sich bekent: O oogen die van \'t sand van vuyle laeck-sucht vry zijt \'i0 Beloont sijn trouw Hy is met een medoogend\' Giiy zyt; Dat heeft de Redens-kracht27 verkregen op sijn bloed 29, Koel seggen wat hy siet, koel hooren wat hy doet.

Libera \'per vacmmi posui vestigia prirceps:

iVo7i aliena meo pres si pede,

Juvat immemorata ferentem Ingenuis oculisque legi manihusque teneri. Hor. 20

l)Versta: wat deed ieder verstandig, zoo hij zijne kastijding aannam. 2)m^. 3) pleister ; dus ook de wonde, het gehreh. 4) stille. 5) ontmoet. 6) strak, doordringend. 7) schijndeugd. 8) hlaar, gezwel. 9) etterhuilen. 10) deksel. 11) mannen- on vrouwenkleeding 12) gelaatstrek. 13) matrijs, origineel. 14) schrikbeeld. 15) door in zich zelf\' te keer en. 16) deinst voor zich zelf terug. 17) waar hij moet zijn. 18)Tegenst. van willens en wetens. 19) gehrek. 20) mist. 211 zijn heelepersoonlijkheid- 22) ontsnapt aan hunne waarneming. 23) verkeerd, het onderste hoven. 24) gij, die. 25) Vul aan: hand. 26) Dit immers heeft H. honderden malen moeten zeggen. 27) kracht der rede. 28 drift. 29) Deze versregels van Horatius be-teekenen : Met vrijmoedigheid heb ik het eerst van allen mijne schreden gezet op een nog onbetreden gebied: mijn voet heeft liet spoor van anderen niet gedrukt. Het verheugt mij, die iets nieuws breng, in de handen der ontwikkelden te komen en door hun gelezen te worden.

12

c Huygens. ■

ocr page 188

STEDE-STEMMEN.

DEN STEMMENDENO STEDEN

VAN

HOLLAND

ENDE

WEST-VRIESLAND

GE LUCK.

Soo scheid* U Nijd noch Tijd. soa werd\' hy noyt geboren Die naer uiv\' schande tracht, die van mv* scha\' will\' hoor en Getrouwe Svsteren, hoort yeder van \'t gelvyd Van uw beleende Stem den weerslagh op mijn\' Luyt, 5 Mijn\' onbekende Luyt, maer best-genegen Snaeren Ten roem van uwen naem en hoorenswaerde maeren.

\'t En is niet of ick \'t Sout, of\'t Water t\'Zeewaerd droegh ; Men vindt en sief en kent sich selven noyt genoegh.

Soo verr ben ick u nul. En, vraeght ghy naer \'t vermaecken 10 Hoe veilerl kont ghy daer, hoe naerderh aen geraecken, Die onder \'t ruyme dack van \'t all gemeen gewelf Geen ivaerdiger gesicht kont vinden als u se// ?

1) stemhehhendeu (in de Gewest. Staten); waarschijnlijk woordspeling zie vs. 4 en den titel; S te des te mm en. 2) veiliger. 3) heter.

ocr page 189

179

D O R ü R E C H T.

In mijns gelijcken Schaer besit ick \'teerste woord1: Al waer \'tmijn\' waerde niet, dat geeft ray mijn\' geboort, En \'t planten van de kroon op onser Voo^hden hoeden2. Doe sat ick in de kley, die oock mijn\' bueren voedden: 5 Sints heeft mij eene nacht Venetien gemaeckt3,

En all\' mijn\' wandelingh in handeüngh gestaeckt4.

Maer of5 de Spaensche keel na mijne Stapel-mosten6, Na mijn\' Munt7 dorsten dorst, het soud\' haer \'tswemmen

(kosten;

Dat \'smenigh natten voet, en waeter in haer\' Wijn: 10 Is \'t niet de Land-scha» waerd soo veil begracht te zijn?

II A ERLEM.

Al heb ick t\'mijner tijd der Vorsten Hof gevoedt8, \'tls mijn geringste roem, mijn hooghste staet in \'t bloed, Der Goddeloosen bloed: van doen mijn\' Staele kielen Haer Ys ren Haven-touw aenvaerdden te vernielen 9. 5 t\'Huys heb ick oock voor God, voor goed en vryigheit Mijnquot; Borgeren gewaeght, en Spagnen noyt gevleidt 10. Zijn \'tkoele 11 wonderen, en hoorens\' and\'re meer toe; Van \'t allerwonderste komt my alleen de eer toe,

Geen ongesiener 12 naem, geen aengenamer stuck; 10 \'k Heb konst en konstenaers geholpen in den Druck 13.

1

Ter vergadering der Staten bracht Dordrecht als oudste stad het

2

eerst hare stem uit. 2) „De Graven van Holland plegen ter verschijninge

3

der Staten van den Lande te D. gehuld te worden.quot; Huygens. 3) „In \'t jaar 1421 door den hoogen watervloed, die 72 dorpen wegnam quot; H. Dordrecht lag dus toen niet meer midden in \'t land, maar in \'t water.

4

Versta: Kon men niet wandelen langs mijne vesten, langs de

5

rivier werd handel gedreven, dus: van eene wandelstad werd ik eeno

6

handelstad. 51 indien 6) D. bezat het Stapelrecht en dreef voel

7

handel in Rijnwijn. 7\' To D. werd de Holl. munt geslagen. 8) verlies

8

met zijne gemalin Petronella, Dochter van Saxen, die het klooster te

9

Rijnsburg stichtte.quot; H. 101 „De Haerlemmers worden geseght onder Jhr.

10

Willem naermaels 13 Grave van Holland met den Keizer Freder. Bar-

11

barossa tegen de Sarracenen getrocken de stad Damiate te hebben helpen

12

veroveren, snijdende de ketenen die de haven sloten met sagen, die zij aen de kielen van haere Schepen geslagen hadden.quot; H. 11) In 1578. 12iA-olt;?Z latende. 13 leelijker. 14) „in quot;tjaor 1464 (1423?) werde de Boeckdruckerije

13

te Haerlem gevonden.quot; H.

ocr page 190

180

DELE.

\'kBen tweemael dat ick ben1, sints datick\'t eenmael was, En eens mijn\' mueren heb sien wentelen in d\'as:

Maer danck hebb\' \'t Vaege-vyer 2; ick bend\'er door geresen, Mijn selven dubbel waerd2: Het overkoolde3 wesen 5 En komt my niet van daer; soo moet de kuype sien Die Vriend en Vreemdelingh moet laeven en bezi\'en4. \'k Heb grooten Wilm gehuist5, soo lang \'t de Moorder doogli-Die my en mijn\' gebuert verraderlick ontvooghde 6; (de, Maer, Spagnen, \'t baett\' u niet, ick heb de scha geboet7, 10 En voor alsulcken Vaer alsulcken Soon9 gevoedt.

LEIDEN.

\'t En ware \'t nijdigh Duyn, of\'t Rhijnsch verd .vaelde sogh 8lek waer, spijt andere, de grootste llliijnstadt noch 9 ; Om nevens Katwijck uyt mijn\' wraecke te gaen haelen Van \'tArragonsch geweld. Hoe souden sy \'t betaelen 5 Die. op mijn aller weeckst ï2, voor \'t stuy vende gerucht Van een\' verrotten muer verstoven in de vlucht!

Nu doen ick \'s meer van verr 13, nu doen ick oock te Roomen Mijn\' ware wetenschap u, mijn\' wijse Waerheit schroomen; Krabt, kloeckste Phariseen 15, van alle die ick ken, 10 quot;tZijn scherpe nagelen die \'t meer zijn dan mijn\' Pen.

1

Versta: Ik ben tweemaal Delft; eerst door de oorspronkelijke

2

louterend vuur, de brand. 3) Versta: ik ben or schooner en dubbel zoo

3

groot door geworden. 4) met koolzwart overdekt. 5) hezieden, d. i. met

4

zijn kooksel, bier, voorzien. 6) Willem de Zwijger hield te Delft verblijf.

5

7) 1584. 8) gebeterd, hersteld. 9) Maurits 10) Versta: Ware niet de Eijn

6

in het nijdige duinzand verloopen. 11) Lees hier achter: en de stad om

7

d-i. in staat, om bij Katwijk zee kiezende, mij op den Spanjaard over de

8

13) Versta: nu wreek ik mij meer op een afstand. 14) Doelt op de

9

Hoogeschool. 15 Doelt op de Itoomsche Godgeleerden.

ocr page 191

181

AMSTELDAM.

Gemeen\'lt; venvonderingh I)etaemt mijn\' wondren niet; De Vreemdeüngh behoort te swijmen die my siet.

Swijrnt, Vreemdelingh, en seght, Hoe komen al\'l de machten= Van al dat maehtigh is besloten in uw\' grachten? 5 Hoe komt ghy, guide Veen, aen \'sHemels overdaed? Pack-huys van Oost en West, heel Water en heel Straet, Tvveemael-Venetien, waer\'s \'t einde van uiv\' wallen? Seght meer, seght, Vreemdelingh. Seglit liever niet met allen: Roemt Roomen, prijst Parijs, kraeyt Cairos heerlickheit; 10 Die schrick\'lickst3 van my swijght heeft aller best geseit.

GOUDE.

Myn\' Gouwe voert meer Gouds, mijn\' Yssel meer gewins Dan Tagus guide grond ter borse van sijn\' Prins4.

\'k Heb meer van hun te bat-\'1: Doe mijn\'gebiier-Stadt« brand-En baedden in haer bloed haer\' moordenaeren handen, (den, 5 Üntswoni iek hun geweld, en duyckten in mijn\' Gouw, En kroop mijn\' Yssel diept\' ten hals toe in de mouw\'. Spijt Spagnen dan, ick sta: Oock sonder d\'oude mueren Van \'tlvastelijns gebied8. Wie zijt ghy mijner Bueren Die door den neus noch spreeckt o\'en my \'t gebreck verwijt ? 10 Ick segge t\'mijnen roem\', \'k ben Brill\'en brillen™ quijt.

R O T T E R D A M.

\'tZy Wael, of Rhijn, of Jlaes, of alle dry te saem, \'t Zy Yssel, Merw, of Leek, of dry in eenen naem.

Of ses in eenen buyck, sy moeten t\'mijnent huereu En willen niet in Zee of kussen eerst mijn\' mueren; 5 Mijn\' mueren soo gereckt, mijn\' soo gerijckten grond,v\'

1

tjewone. 2) Lat. ojjes, middelen. 3) met het meeste ontzaff. 4) lil den Taag werd stolgoud gevonden. 5) ik /ieb nog meer haat van hen. 6j Oudewater 1575. 7) Versta : ik lag veilig achter mijn beide rivieren. 81 Versta; het in ló77 gesloopte kasteel Zie Wagenaar XXVI. 164. 9) die nog een Bril (breidel dwangkasteel, vgl. quot;den Fupenbril te \'s Bosch i op Jiebt. iü^ de Iieeren, die de voogdij over mij uitoefenden.

ocr page 192

182

Dat die my nu besiet, kan vragen waer ick stond. O mueren, en 0 grond, 6 welgevoeghde Stroomen,

Wijckt voor de Wildernis der aveiechte Boomen\',

Maer wijckt voor haer geluck: En, Vreemdelingh, seglit ghy, 10 Hoe verr en wint het niet mijn\' Mase van haer Y ?

GORNICHEM.

Die my benijdelick \'s liooghs Arckel-lmj\'s besitt ïer aerden effende was verre van sijn wilt1:

AVat geld ick zedert min, wat kan ick minder gelden Soo langh mijn\' muren staen, en \'t Klaver in mijn\' velden 5 Voor Klaver niet en wijckt ? soo langli m jn\' volle Menv, Mijn weigewrongen melck2, mijn\' altijd bollen \' terw Te winste van my haelt; soo langh mijn\' aerde Punten3 Het oogh verbijsteren dat op my derve munten?

Seght dan, seght selver, Nijd, s\'eght met den hitsten beek, 10 Maer seght waerschijnelickWat \'s Gornichems gebreck?

SCHIEDAM.

Twee Stroomen scheiden my van \'t aehterleggend\' Land, De derde sluyt den ringh en geeftse bey de hand\'; In \'tmidden staet mijn stoel8 op welgesteunde stijlen; Daer oeffen ick mijn\' Jeughd op \'t noodigh kennip-quijlen\'J, 5 En \'truggelingh gespin, die reckt haer spinsel10 uyt Tot daer het licht en dicht den Haringh-buyt besluyt. En \'t mijnent binnen sleept, van daer hy met mijn\'Brieven 11 Noch eens ter Zee geraeckt, de Wereld gaet gerieven. Die my klein Rotterdam en groot Delfs-haven noemt, 10 Heeft niet te laegh gelaeekt en niet te hoogh geroemt.

1

van liet huis te Arkel benijdde en dit slechtte, heeft zijn doel niet be

2

reikt. 3) kaas 4) rondkorrelig. 5) Versta: hoornwerken aan de wallen.

ocr page 193

183

SCHOONHOVEN.

De beurt en wederbeurt van \'tnemmer staende rad1Daer\'s Werelds werr2op drae3rt,lieb iek op \'truymst gebadt: Noch is mijn overschot van quot;d\'eertijds schoone hoven, De Peters van mijn\' naem 3, voor andere te loven. 5 Wat schaedt my \'t op en neer ? \'k heb mannelick geleên, En meest al winnende, minst wijckende gestreen,

Maer evenwel gestreen. Land-Vooghden, die de stangen1 Van dit gebiedt berecht; \'k weet meer als Salm te vangen: Of\' \'t weer op \'t prangen4 quam; denckt hoe ik voormaels dé5, 10 En stelt in \'t Wapen-boeckT, Schoonhoven staet voor twee.

B R I E L.

\'k En ken geen Heele6 meer, en Breehiel 0 is myvremd: Nu houd ick \'t met den naem die op den neuse klemt 7: Dat werde Phiips gewaer, die door mijn\' Brill-gelasen Al vroegh sijn\' avont-uer quot;, en hoe \'t \'er noch sou rasen 5 Om Hollands Vrijheid, las. Wat leght my aen den lof Van uyt de diept\' gedijckt, van klei geworden stof\'. Van stercke Zee-gebuert i1 \'k heb door het spits gebeten ,2, Dat heeft vry Nederland mijn\' tanden danck te weten: Daer gaet\' er veel ten strijd\', en \'t winnen wordt gemeen, 10 En volgers winnen oock; maer voor 13 en wint maer een.

ALCKMAER.

\'t Was Al Meer daer ick sta quot;, en nu is \'t vry al meer; Soo haest Verone 15 viel be-erfden ick haer\' eer. En groeyden uyt haer Ass, tot dat ick oock eens Ass werd En wederom verrees, en dubbel wel te pas werd.

5 Sints seght de Vreemdelingh die op mijn\' waerde lett,

1

Versta ; gunst en ongunst der wentelende fortuin. 21 de warlemle

2

wereld. 3 naamgevers. 4) palen. Versta: die binnen deze palen het

3

gebied voert. 5) onderdrukken. 6) „Ten tijde van Vrouw Jacoba tegen

4

7) Armoriaal: het volgende moot dan zeker liet devies voor \'t wapen

5

zijn. 8 Lie mond van de Mase wordt Helium gebeeten door Hinius quot; H.

6

12) ik heb den eersten aanval doorgestaan. 13) vooraan, het eerst.

7

zijn.quot; H. 15) \'tonde Vroonen. 10) üij den brand van 116tgt; of 1 liiV

ocr page 194

184

Waer isser eene meer i soo suyver en soo vett?

Dat sagh de Spaensche Wolf, die na mijn\' adren dorste, Doe noch het Haerlemsch bloed sijnquot; aderen uyt borste1; Maer, eere zy den God die \'t hooge boos verwerpt, 10 Hy weêck, en hadd\' es meer gespogen dan geslorpt.

HOOR JsT.

Ben ik de Moeder-Stadt van soo veel moedigh bloed, Dat soo veel\' wond\'ren de\', en soo veel\' wond\'ren doet, Van Mannen die, vermant2, voor mannen noyt en weken, Van Zeilers die, verzeilt \', voor Zeilers noyt en streken; 5 Heb ick van allen eerst \'t groot Haringh-net gebreidt3, Van allen eerst gespreidt, van allen eeist verbreidt; Ben ick de Znyvel-mouw4 van voor en achter Stav\'ren, Ben ick, soo verr ick sie, de Vrouwe van de Klav\'ren\', En vraeght men hoe ick Hoorn van ouds nerr heeten moet? W Kn heet ick anders recht als Hoorn van overvloed5?

ENCHUYSEN.

Van Enckel\' huysen is groot Roomen opgegroeyt,

En ick van enckele0: groot Roomen heeft gegloeyt 10, En ick ben platt gebrand groot Roomen is herboren, En ick van niews herbouwt, bey beter dan te vooren: T\' Groot Roomen heeft sijn jock den Spagnaerd opgedruckt. En ick mijn\' vrijen hals het Spaensche jock quot; ontruckt. Noordholland, hebt uw deel in d\'eere van uw\' Vryheit, Maer weet dat d\'eerste steen van \'t groote werck in my leit. En, quam de beele buert te deinsen tot den val, 10 Weet dat ick daer toe noyt den laetsten leggen sal \'3.

1

naar Alkmaar. 3/ overmand, door overmacht terneer geworpen.i) uit den

2

koers geraakt. 5) 141li. 0) melktohhe of vat. 1) der klaverweiden. 8) üo

3

gezocht; Hoorn is eig. niets anders dan hom, hoek. 9 H. leidt aldus den

4

naam van Enkbuizen af. 10j Lat. ardnit: is in vlammen opgegaan.

5

de Hollanders.quot; H. 12; 1572. 13; Versta: E. zal verwoest zyn, eer het

ocr page 195

185

EDAM.

Dc Dam die \'t Zuyderdiep het binnen Y onthiel1 Gaf my cVYdammer naem; dien ick niet langer hiel Dan tot het vett gerucht van mijn\' gewilde Kaesen De wereld had gevult, en naer mijn aes doen raesen2: 5 Sints noemden sy \'t JE et-dam daer soo veel etens groeyt. Maer dat men mijner melt soo verr het ebt en vloeyt, Is elders op gevest: hoort, Hollander, de wielen Van uw\' Victori-koets zijn uw\' bezeilde kielen;

Dat zijn de mijne meest3: Behoort niet meest de danek 10 Den Raden-maker toe van \'s wagens gladden ganck?

. MONICKENDAM.

\'tZuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam Die van een Monick-Meer wel eer sijn Doopsel nam 4. Meer5 eertijds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baeren Van baeren ingeslockt6? als minder Visschen vaeren 5 Van7 die haer meerder zijn. En, vraegh ick \'took de taem, \'k En leere geen bescheid 8 van d\'ouder\' baeren naem. Al vult ghy dan mijn\' Schild 9, staet buyten halve-Paepen: Om blijven dat ick ben, behoev\' ick meer als \'t gaepen 10, Mijn\' Borgers moeten bey Godsdienstigh zijn en koen; 10 Hun wol-zijn hanght gelijck aen \'t Biddön en aen \'tdoen.

M E D E jSt B L I C K.

West-Vriesen, weest getuygh\', \'k heb Koningen gevoedt 11, West-Vriesche Koningen, de Vooghden van uw goed. Maer dat ick mé den bliek van Waerheits helle straelen 12 Mijn\' guide Toovenaers\' ter Hellen sagh doen daelen 13, 5 was meer verheugens waerd, en \'t dienen onder God

1) afsloot van. 2) dol gemaakt had op mijn voedsel. 3\' Die zijn meest op mijne werven yehouwd. 4 H. loidt dus den naam af van Dam v. h. Monnikmeer. 5) Zelfst. nw.: wdsp. met het volgende. 6) nDe Monnik Meer leglit nu met de Zuiderzee gemeen.quot; H. 7) door. 8) opheldering. 9) doelt op den Monnik in \'t stadswapen; met de halve-Paepen bedoelt hij ook kloosterlingen 10. den mond opendoen, bij het bidden. U, „Dirk (Sone van Radbod) Dibbald, Beroald ende andere Koningen van West-Vriesland.quot;\' H. 12) „Adelgil, Sone van Berval, liet Wilfried het Christendom prediken.quot; H. 13} „Medea, die (naar klankspelende Kroniekenlegenden!) daar plagh aenghebeden te werden in een gulden beeld.quot; H

ocr page 196

186

Veel vryer vryigheit dan \'t Konlncklick gebod,

Daer Gödes 1 niet en was. Noch staen iek verr van slaeven, Maer vrijelick ten dienst die my de Vryheit gaeven; Al heb ick over langh de gunstigheit beloont, M En Holland eerst het pad naer \'t Gulden Vlies gethoonts.

P URMEREiSTDE,

Hoe oud en ben ick niet, die \'t selver niet en weet! Hoe weet ick \'t, die soo jongh soo m^nigh meester sleet? Sints Eggerts dicke Beurs den jonger; Vorst verbonde2, Die my ter danckbaerheit het hooge buys vergonde. Maer dubbel was de gonst, al was sy \'t by gevall. Van die mijn\' wooningen besloten in een\' Wall; Met werd ick Stad genoemt, met heb ick stad gegrepen11 In \'s Vaderlands bewind; daer segh ick onbegrepen 3Of, Ja, wanneer \'t my lust, of, als iek weiger, Neen: Wat schaedt mijn\' kleinigheid ? de grootst\' en zijn maer eenquot;.

1

nl. gebod. 2) „De eerste schipper naar Guinea \'goudkust!) was van

2

van Beyeren (in ongenade van zijnen vader Hertogh Albert zijnde,1

3

belooningen vergunde het slot te Purmerende te bouwen, daervau hy

ocr page 197

DORPEN.

Aeu Joffw. DOROTHEA van DORP1.

De Dorpen, aller Dorpen DORP*, Die ich den Nijd te voor en worp2Gehoor en yeder aen een\' lieer.

Behoeder van hun Recht en Eer; Den meesten schort het aen een1 Vrouw: Gedooght dat ick \'er U aen trouw\', Die, ivarens\' all of elck een\' Stadt. Aen noch soo veel\' te iveinigh hadt3.

laeven, n;

loont

fleet? de 3

een0.

\'S GRAVENHAGE.

Het heele Land in \'t klein, de Wage van den Staet4, De Schaeve van de Jeughd, de Schole van de Daed, Het Dorp der Dorpen geen0 daer veder Steegh een pad is, Maer Dorp der Steden een daer yeder Straet een Stad is, De rondom groene Buert, het rondom steenen Hout Des Boers vervvonderingh, al komt hy uyt het woud. Des Stémans steedsch8 vermaeck,al komt hy uyt de mueren. Der Vyanden ontsagh, De Vrijster» van do Bueren, De Werelds leckerny, des Hemels welgevall;

Is \'t daer met all geseght, soo ben ick meer dan all.

1

Vriendin van H. bekend door hare brieven aan hem. Zie Dietsche

2

die ik in (leze bladzijden aan de afgunst overlever, blootstel. 4) het

3

zon niet liet oog op Uwe verdienste nog te weinig zijn. 5) als zetel

4

van de Regeering. ü; dorp, maar niet van die waar, enz. 7) Buurt te

ocr page 198

188

\'S GRAVESANDE.

AI swoer ick wat ick wasick vonde nauw, geloof; Wie t\'sGravesande voer vertrock wel eer te Hoof\'.1.

Mijn\' Sandvloed heb ick sints mijn\' Sondvloed moeten noe En \'sGraven Marmeren in Duynen sien verdoemen!i. (mei Nu zijnder dat ick was *. Maer daer de kloot op gaet Is een bedenckelick punt; Soo is de tijd die staet-\',

En Nu is nu verby, en Zijn en is maer vlieten, Herdenkens achter-om het stadighste genieten15;

Stelt Was en Is by een, wat scheel: den Haegh en ick: ,0 Een\' tegenwoordigheit, geen thiende van een\' snick2.

10

R Y S W Y C K.

Myn Rijs en wijckt3 voor geen, soo langh Castilien wijckt Voor Aassaus hooger hand, die \'t dageiicks verrijckt 4. Men moght my op de ry van mijns geiijcken tellen; Maer Maurits is te verr voor 5 sijns gelijck te stellen; Die luyster hanght my aen. Men noemde my dan stof, Ick noeme my sijn Hof, ten minsten sijnen Hof6, \'t Viervoetige gebroed I3, sijn\' liefste Hovelingen,

Zijn aen mijn\' borst gespeent quot;; waer Spagnen is te dwingen, Daer worden sy met Hem ten voorsten 15 nytgesett, Verdien ick niet wat lofs in \'s Vaderlands ontsett ?

10

1

3) De duinen hebben zich landinwaarts verplaatst en de marineren ge

2

Een spanne tegenwoordigheids en dat is (vergeleken bij den duur van den tijd of do eeuwigheid) slechts het tiende van een adeiiihaliiig.

3

Wdsp. met den naam 10) verfraait, nl. Kijswijk. 11) honen. 12) hisl

4

hof, buiten. 13- Te R. had Maurits eene paardenstoeterjj. 14\' qevoed.

5

15) Versta; Geit het Spanje te verslaan, dan zijVzifinet hem in \'t voorste

6

gelid.

ocr page 199

189

LOOSUUYNEN.

Geen looser1 Dwjn dan \'t mijn, geen grasclooser stof,

Ooek op mijn kraehtighste - geen dorrer Nonnen-hof: Noch lev\' ick in den mond van gierig\' ondervinders2, Igt;ie geen\' verwonderingh en stellen voor mijn\' kinders*; Danck hebbquot; Griet Floris kind, en \'t vinnigh bedel-wijt\', Die heel den Almanack dé krielen nyt haer lijf, En \'t halve jaer na Jan, en \'t halv\' na Lijs sagh noemen3. Men magh groot Amsteldam om \'t jegenwoordigh roemen, My viert men om dat was, soo doet men Roomen oock; Dat was een schooner VyerG, maer wat verschilt de roock ?

SCHEVERINGH\'.

Al waer \'toock Scheperinghs, de naem hetaemde my; Soo pas ick op het nett en \'t siltige gety.

Ghy weet het, leck\'ren u Haegh. die ses gevoerde Vissen Voor dry gedragene vermuylen4 kont en missen.

Noch is mijn \'Wagen5 rnyrn mijn\' Pincken dubbel waerd; Mijn\' Pachters6 prijsen oock sijn\' zeilen byder aerd 13 Voor d\'oude water-konstquot; die \'t goud soo verr gaet halen: \'t Is waer, noch vim, noch veer15 en kan hem onderhalen, Noch JEols hollen aem lts, noch Titans helle tredt 17; lly loopt het al verby, maer hunluy altijd met 18.

1

losser, onvaster. 2) tierigste. 3) ondertasters, onderzoekers. 4) zich

2

Dochter en de Erfgenaom van Graef Floris do IV, dio goseght wordt

3

haar zooveel kinderen als dagen in \'t jaar voorspeld hebben, terwijl er

4

Zeilwagen van S. Htevin 12) van den tol op den weg. 13) op het land.

5

14) zeevaart. 15gt; vogel noch visch. 16) de wind. 17) de zon. 18) Be

6

Scheveningers verdienen erbij, omdat er dan veel kijklustigen uitkomen.

ocr page 200

190

V ALKENBUKGH.

Soo verr vier voeten gaen, vier voeten in \'t beslagh, Vier voeten in den dwangh van Ruyterlick gesagh», Soo verr men ringht^en springht,onthaell1meu de geruchte Van mijn\' September-feest ■gt; en woelende genuchten. 5 Die mijne Peteren mijn aenstaen5 had vertelt, Sy hadden mijnen naem in Paerdenburgh verspelt. Gelijck het koren gaet op, door, en nyt den Moeien, Soo treek, soo send ick nyt het meer en minder Vcclen. Wat dunckt u, Vreemdeling, van \'t wederzijds verstand6: lü Heel Nederland vult my, en ick heel Nederland7.

1

C,) ivederzijdschc verstandhouding. 7) met paarden, nl.

ocr page 201

VEUTALINGEN.

16e?i Psalm uyt den Franschen Rijm van Beza, ten nauwsten1. Sois moy, Seigneur, ma garde amp; mon appuy.

1.

Weest ffhy, o Heer, mijn bijstand en mijn\' hoe,

Want op dy staet mijn eenighste vertrouwen:

Seght dan, mijnquot; Ziel, en spreeckt den Heere toe, Ghy hebt op my. Heer, alle macht behouwen, 5 En evenwel kont ghv van my niet trecken

Het minste werek dat dy te nut kan strecken.

2.

Mijn opset2 is den goeden goed te doen.

Die daer met recht wel-levens lof verdienen,

Maer leed op leed sal treffen en verdoen 3 10 Den genen die den vreemden Goden dienen:

lek en geraeck aen haer bloed-offer-sond niet,

Haer\' namen selfs en heb ick in den mond niet.

3.

God is alleen de grond-erf die my voedt:

Mijn rente. Heer, is vast op dy gelegen 4; 15 Gewisselick mijn erfelicke goed

En had ick noyt in schooner plaets gekregen:

In \'t kort geseght, van \'t schoonste deel van allen Is by geluck het lot op my gevallen 5.

zoo nauwkeurig mogelijk. 2) voornemen. 3) verderven. 4) gevestigd. 5) Versta: bij geluk is bij de verdeeling der erfenis liet lot van t beste erfdeel op mij gevallen.

ocr page 202

192

Gelooft zy God die my, soo wel bedacht, 20 Aenwijsiiig\' geeft om dit pad in te keeren\';

Want (dat is meer) ick hebbe dagli noch nacht, Gedachten die my niet ten goede leeren; Soo sien ick dan op mijnen God gestadigh,

Oock blijft hy my ter rechter hand genadigh.

5.

25 Siet, hier dan is mijn hert soo vroliek af,

Mijn\' tonge lacht, mijn lijf is vol vertrouwen; Dewijl ick weet dat ghy in \'t holle graf Mijn leven niet suit lijden te verouwen 1, En dat ghy wilt in geener hande maten 3 30 Uw\' Heiligen verrotting\' voelen laten.

6.

V eel liever, lieer, stelt ghy my op den wegh, Die my geley\' naer een heilsamer \'wesen *;

Want, in der daet, daer is geen vrenghd oprecht, Als in \'t gesicht van dijn verheerlickt wesen: En in dijn\' hand is, en sal altijd blijven.

De volle vreughd die eewigh sal beklijven.

Begin van den 89. Psalm mjt het Fransch. op \'t nauste. Du Seigneur les bontez sans fin je chanterai.

Des Heeren goedigheit verbreid ick sonder end. En maeck den Volckeren sijn hooge trouw bekent.

Want, buyten twijffelingh, \'tis een beslnyt dat vast staet, Dat sijn genade duert gelijck den loop gepast = gaet 5 Van all\' de Hemelen, die nergens en gebreken0; Ontwijff\'elick besluyt van sijn betrouwbaer spreken.

1

4) staat. 5) vast, onfeilbaar. 6) falen.

ocr page 203

193

Het onnut »101/. Volgens Martial. 12. 50.

Daphnonas , Platanos ac aërias Cupressos.

Vrouw, uw\' huis is vol geflickers \'t Spiegelt aller wegh\' om best;

Steenen als verglaesde knickers Staen ter Schouwen\' ingevest, 5 Vloeren als bevrosen stroomen

Decken d\'aerde van uw\' erv\';

Al wat Steenen-quisters 2 droomen,

Al haer kostelick verkerv\',

Al wat beitels, al wat schaven 10 Redden1 konnen tot den koop,

Al wat hamer kan beslaven Vind ick t\'uwent over hoop2.

Maer uw\' vloeren zijn soo ysigh6,

Kn uw\' Trappen soo gelad\',

15 Dat de luyden dencken by sich,

O die t\'huys gebleven had,

Daer men gaen magh sonder glyen Met de voeten in den schoen8,

Daer de Vrouw kan sien en lyen 20 Dat de Man sijn\' longer boen\'9,

Daer het spouwen buyten boet10 is,

Boet, die hier t\'ontgelden 11 staet.

Boet, die bitter als het roet is.

Boet van vrouwen suer gelaet. 25 Kom ick trillen12 uyt het slijck, en

Uyt de Sneew, en uyt den Wind,

\'k Derv uw\' schoorsteen niet bekijeken,

Daer ick soo veel Marmers vind;

Marmer, Ebben, Alabaster,

30 Daer ick dan soo wel by voegh.

Dat h dunckt mijn aensiclit past\'er Koud, en bleeck, en stijf genoegh 13;

Wie sou sulcke steenen vergen

1

8) dus zonder op kousen of pantoffels te loopen 9) de long zuiveren, spuwen.

2

logt dus geen vuur aan.

ocr page 204

194

\'t Vyer te dragen uren langh, 5 \'tls de Diamanten tergen,

En de beste valt hot bangh1.

Meen iek my de warmt te geven En verwandelen2 de kouw,

\'t AVaer ten naesten3 te vergeven; 4i) Maer mijn\' voeten zijn te rouw;

Wie sou slijek en slobber4 gonnen Suleke vloeren te begaen,

Wie soud \'tdoen, en slapen konnen Kaer de misdaed waer gedaen ? 45 Klaegh iek van gesonder mage,

Roept sy moord van hor.gors-noodu, Wie soil suleken Tafel-schrage, Suleker Stoelen Ebben poot In gevaer van voeten stellen, 50 Suleken krakenden\' Servet,

Suleke dunne ïafel-vellen 8 In gevaer van vuyl en vet?

Soeek iek \'t rusten op den avond. En den stroy-saek op het bed, 55 Of\' de pluymen die men na vond 9

Saehter dan \'t West-Indisch net 10, Wie sou suleken Trap besteig\'ren Die na sulekeu Kamer leidt,

Daer men suleken Bed sou weig\'ren 60 Aen der Pausen heiligheit.

Somma, \'t huys is niet te laken, \'t Is vol kostelick vermaken Van de vloeren tot de daken, \'t Heeft wat handen konnen maken 05 Aller luyden aller spraken

80

Waer begeerte na kan haken Siet het ooge rondom blaken. Mochten \'t grage sinnen smaken v\'. Mochten \'t hand of voeten raken: 70 Maer sy mogen \'t niet genaken,

1

de aanzienlijkste zon (lat niet durven ivayen. 2) door wandelen ver

2

drijven. 3l bijna. 4) slib. 51 datief; yrage. (i) roept zij (de maag) du

3

zij sterft van honger. 7) kraakzindelijk. fijne tafellakens. 9) die me

4

daarna leerde tjehruikea. 10) hangmat. 11) Versta: wat de handen van all

ocr page 205

195

Alle micken zijnder staken1;

Slapens noodquot; met nood2 van waken,

Ongerief van holle kaken3,

CSeker\' hulpe •r, tegen \'t braken) 75 Tanden die van koelte krakenc.

En veel liever korsten braken,

Ongebruyck 4 van alle saken Tafel, Bed, Steen, Hout en Laken,

Is het sekerst\' dat m\'er siet:

80 Vrouw, hoe wel en woont ghy niet5!

Op mijri\' afheeldingh korts voor mijnen Trouw-dagh gemaeckt, uxjt mijn Latijnsch.

Moment, desult. p. 68.

Tabella, fare, quanta me vis gaudii.

Spreeckt, Schildery, en seght, hoe grooten kracht van Mijn Ingewand verheucjhden, (vreughden

Ten tijden als ick schier6, oft heel verwinner werd Van mijner Sterren 7 hert.

5 En docht van overvreughd 8, ick trad op all\' de Sterren Die om den Hemel werren 9,

En hiet u tuygen 13 van mijn vrolicke gemoed Aan d\'eew die komen moet.

Door dit gewackert14 oogh en voorhoofd sonder vooren, 10 Die sulcken15 hert behooren:

Seght, dat voor d\'eewen 1lt;!, noch van datter eewen zijn. Geen luck en was als \'t mijn:

Seght. datter boven Son noch onder Maen naer desen Geen17 mijns gelijck sal wesen.

15 Swijght, Schildery, en spreeckt veel liever niet van my, \'t En komt noch al niet by 18.

1

Woordsp. Micken beteekent, overwegen plannen maken, maar hot zelfst. nw. micTc oon paal; staken is afzien van, maar staak eveneens paal. De

2

dwang. 4) pijniging van den honger 5) onfeilbaar middel. G) van

3

koude klapperende tanden. 7) het ongebruikt laten. 8) Versta: hoe mooi

4

stukje, dat overigens geheel van zijne vinding is. 9) bijna. 10) Zijne

5

vrouw Susanna van Baerle, die hij zijne Sterre noemde. 11) overmaat

6

van vreugde. 12) aan den hemel warlen, rondwentelen. 13) belastte TI

7

getuigenis af te leggen. 141 wakker, glinsterend. 15) aan een evenzoo

8

gesteld 16quot;) vóór het begin der wereld. 17) Vul aan: geluk. 18) het haalt

9

toch niets uit.

ocr page 206

196

Grafschrift uyt het Engelsch van Benj. lohnson. wfconiet 6611 traentJen mecr en sal ick dy verstoorpn Daern,t\' af heef vriend\'die maer gaest wat te vooren

Soo waVht ick mHn Wo m0et ,dat hier van ^et.

ie dan mijn Graf beschreidt, en kan mijn vriend niet zijn,

Begin van der Brief aen den Prince voor den Bosch,

uyt net l^atijnsch van JBarlaïus.

Sl vacatgt; amp; nullus circum tentoria miles.

v eneeght» uw besigh oogh op \'t droevitre nanipr

10 I^la^fd quot;t AMEIiE9:\'^ckt dat ReduHgh\'kHjgen

inewiji11 ?ek -Vr kr^n-

Verdienen \'t -tstel^ich^enen^^nbnlk m\' 6,1

quot; (Sy Xelse1n™rlnb3geen tt\'eU-?® \\er:e^tr?\\n \' 15 {lquot;en \'tselvige gebeld van mijn\'

Wilm, noch eens, kleine Wilm: * * * \'

Uyt Lucan. lib. 4. v. 476. frc. 15 ;^lbera non ultrk parva quam nocte Juventus

sa xtoïs ?Ks«sr.r-

1) Stervensuur. 2) wijze van stemp» ^

schende. 5) het uithoudt nal JnZ l\\ 5 i -°, nf\',r4) schorre, hrij-

12) Wdlem en Louise, kinderen van Frederih-Hc drik f-i\\ i - t,erquot;\'Vl-hier bij te weenen. 14) trachten u pvph-pp^ n,fl * \\ 7 3 staat ze

tertss Ttawn* ^

« •SS^xkSSHB 31 a*»

ocr page 207

197

Daer is geen Leven kort aen die 1 sich in dat Leven Sijn eigen Dood kan geven:

5 En die sijn sterven in \'t gemoet2 gaet, eer hy sterft, Verdient geen minder\' lof, dan die het wachten derft. Siet op het ongewis van \'s levens wedervaren,

En d\'eer is even groot, in langh gehoopte Jaren3Te korten metter hand, of weinigh wesens tijd4. 10 De wil is \'t tot de Dood die geen geweld en lijdt5.

Hier is geen vluchten aen; wy sien van alle deelen 15 De messen op ons\' keelen:

Strijckt self uw\' vonnissen, en wijst u elck ter Dood; Wegh met de vrees, en maeckt gewilligheit van Nood\'. 15 Een\' wolck van veel geveehts en sal ons\' eer niet blinden s, Gelijck men Legers siet, die all\' haer\' pijlen windenquot; In \'t swarte van den nacht, daer lijf en lijf op een Malkanderen verdruckt, en maeckt de Dood gemeen, In \'t smooren van de Deughd ,0. Ons doet den Hemel vinden 20 In een schip u, onder \'t oogh van vyanden en vrinden. De Zee sal tuygen, \'t Land sal tuygen, en die klip Sal tuygen van dit Schip.

Twee Legers sien op ons van twee verdeelde zyden; \'k Sie, \'t Lot hereit wat groots, tot voorbeeld 12 in ons lijden. 25 En al wat wapen-trouw, en hertelicke deughd

Voor desen heeft gepleeght, sal swichten voor ons\'Jeucrhd. Wy weten \'t, Cajsar, \'t is voor u, als niet met allen 13, In ons geweerquot; te vallen:

Maer dit belegeren15 belet ons meerder pand 30 Van liefde voor te doen K.\'t Schijnt dat het Lot sich kant. En snoeyt daer in ons\' eer, dat ons\' aenstaende17 quot;Weesen, En Ouderen en al, niet hier en mogen wesen.

Nu sie de Vyand ons ontemmelick gemoed,

En vrees\' het rasende 1S, en licht ter Dood gemoedt w, 35 En sie met vreughden aen, dat een Schip, en niet Schepen ï0,

1

voor wie. 2) ter/emoet. 3) een langdurig leven. 4) een kortstondig

2

leven. 5) niemand kan gedwongen worden tot een vrijwillige dood.

3

G) kanten. 1) van den nood een deugd. 8t Versta: wij zullen niet onop

4

gemerkt sterven te midden van het strijdgewoel. 9) die is voorwerp;

5

alV haer pijlen onderwerp. 10) Versta: en doet allen evenzeer sneven,

ocr page 208

198

Verstrickt zijn in sijn touw1. Men sal ons willen slepen2Met hope van verdragh,

Eb tasten ons in \'t hert met vuyl verlengh van dagh3: Maer och! ofs\' onse Dood, en nn maer enckel\' daden 40 De dobbel\' eere de\'en van toesegh van genaden4! En sagen soo, dat ons geen\' wanhoop doet vergaen, Wanneer wy \'t warme stael ten darm 5 in sullen slaen! \'t Moet met een\' groote deughde verdient zijn, dat dit sterven, En onder dnsenden soo weinigh voleks te derven 45 Verlies by Ca3sar heet\'. Al saegh ick dan al kans,

\'k En weeck nu niet een\' voet voor d\'eere van te hans\', \'k En acht geen leven meer: Gemanncn \'t heete wenschen Van sterven prickelt my. Ick raeser ns.!l. de menschen Die op het sterven staen, verstaen dien lust alleen; 50 Die langer moeten tre\'en,

W\'erdt dat geluck gedeckt; de Goden willen \'t heelen 10 Dien \'t sterven niet gebeurt en \'t leven sou verveelen.

Uyt het Italiaensch. Valli profunde al Sol ncmiche. Dalen, dalen, diepe dalen,

Vyanden van Son en stralen:

Klippen, hoogh en steil gerotst \'2;

Die den Hemel moedigh trotst; 0 Holen, daer de Nacht en \'t Swijgen

Nemmer uyt en zijn te krijgen;

Logge Winden, die de Locht Met bepeckte13 Woleken vocht quot;;

Grof gesteente, scheeve schotsen, \'10 Van de Eotz gerolde Rotzen;

Onbegravene gebeent;

Muren hier en daer ontsteert 15,

Hier en daer begraesde muren,

Daer wel eer een mensch kon duren ll!,

i

1

net. 2) aan rte praat houden. 3) snoode verlenging van het leven.

2

4) Versta: o, dat zij aan onzen dood en aan de weinige heldendaden,

3

die wy hebben kunnen verrichten do dubbelzinnige eer deden van ons

4

genade toe te zeggen : zij zonden dan zien, enz. 5) Dit klonk vroeger

5

niet zoo onhebbelijk, als thans. G) verdienste, dapperheid. 7) voor de

ocr page 209

199

15 Nu soo ysseiick gedaon.

Datter Slano:h noch Wolf derft gaen;

Woeste Weiden, wilde Sanden,

Aller onbewoonste Stranden,

Daer noyt stem van yet dat spreeckt 20 Door de luye\' Locht en breeckt;

lek een\' schaduw, ik verwesen Tot het eewigh schreyend wesen2, lek verschijn u, in den rouw Over mijn\' verachte Trouw, \'25 En betrouw 3 mijn schettrigh4 klagen,

Soo \'t den Hemel kan verdragen Sonder buygcn voor \'t geschal,

Dat \'t de Hel beroeren sal.

Uit Virg. 6. jEneid.

Doe nam iEneas \'t woord, (want naar Marcellus stappen\'1

Sagh hy een Jonghman trappenquot;

In dappere gedaent, in wapenen vol schijn7,

Maer diens gebuckt gesicht onlustigh scheen te zijn) 5 En vraeghde, wie is hy, die dichtste by den Man gaet ? Sijn Soon oft die hem an gaet %

Als tack des hoogen stams ? wat isser woels om heen! Wat deftiger gelaet, \'t en waer het wat verdween In \'t swartste van den nacht die\'ck om sijn hoofd sie spreyen! 10 Anchises10 quam aen \'t schreyen.

En sprack in \'t schreyen. Soon, 0 Soon, envraeght my niet Naer uwer Magen al te machtigen verdriet:

Dat hoofd en sal het Lot de Wereld maer eens thoonen quot;, Niet by haer laten woonen.

\'15 O Goden, gaett ghy ons die gift voor eigen goed 11!,

Ghy duchte,\'t waer te veel verhefs 13 voor \'tRoomsche bloed. Wat sal de groote Stadt in Mars sijn veld14 sien steenen.

Wat sal sy mans sien weenen,

Of, Vader Tiberijn, wat suit gh}\' lijnken sien,

20 Daer ghy voorby den Steen van \'t versche Graf snit vlien 15!

1

onhewegelijke. 2) leven- 5) Vul hier dat aan uit vs. 28 en laat daar V achterwege. 4) luid en sclterpklinkend. 5) op het spoor van Mar-cellua. 6) treden. 7) ylans. 8) sijn nabestaande, nakomelinff. 9) t/etvoel. 10J Vader ran Aeneas. 11) Versta: het noodlot zal dat hoofd maar eons aan do Wereld vertoonen. 12) in eigendom. 13) glorie. IV) in \'t veld can Mars, Campus Martius. 1. 15) vlieden, vlieten.

ocr page 210

200

Noyt Troysche Jongelin^h sal \'t hert der Roomsche grijsen

Soo hoogh in hoop doen rijsen;

Noyt sal men soo veel roems in al het Roomsch besit1Van eenigh voester-kind sien dragen als van dit. 25 O Hemel-vruchtigheit 0 Trouw van alle tijden, O emmermeer in \'t strijden Onwinbaet\' overhand! Hy waer hem noyt ontgaen2, Wie sijne wapens dorst gewapent tegen staen;

\'t Zy dat hy staende voets3 sijn\' vyand had bestreden, 30 Of, op hem ingereden,

Een schuymend paerd gespoort. 6 ongeluckigh kind, Is \'t dat ghy \'t bitter Lot eens ergens 4 overwint,

Ghy suit Marcellus zijn. Geeft Leiyen met hoopen,

Geeft purp\'re bla\'en en knoopenquot;,

35 Soo dat ick hem bestroy, en met een\' gift van niet7 Mijns na-neefs groote Ziel ten minsten overgiet\',

En doe hem yd\'len dienst amp;c.

üyt het Italiaensch van Marino. Quel neo, quel vago neo. Die Mael8, die soete Mael,

Die \'ck met haer\' gulden draed3 sie schaduw maken Op mijn Liefs schoone kaken,

In quot; een klein Bos der Minne.

5 Ah, schout het, hertje sonder sinne,

Soo ghy-der Roos of Lelie meent te naken 11.

Daer sit de Boef12 verborgen

Met Ket en Boogb, en schiet de ziel vol sorgen 13.

Uyt het Latijn van Ovul. Metam. 5.

Den Speelman, die van ver onnoosel stond en schrapte 14, Bespotte Pettalus, en sei, gaet singht de rest Voor \'t onderaerdsch gespuys: met stf.ck hytoe, en lapte 15 Stael door sijn slincker slaep: hy viel en trock voor\'t lest 5 Sijn\' doodsehe vingeren in \'t sterven langhs de Luyt, En streeck\'er by geval16 een droevigh Liedjen uyt.

1

gebied. 2 vroomheid. 3) ontsnapt, i) Ie voet. h) eenigss\'ms. ^kuoppen.

2

op groeit. 10) Drukf. 1. is. 11) Zoo gij er roos of lelie meent te naderen.

3

12) Cupido. 13) door miunepijn, nl. 14:) argeloos stond te redeten. 15) stiet ;

4

thans een lage term. 16) oniloVte er onieillel-etifig.

ocr page 211

201

Mis-schilderde Gelieven. Vyt mijn Itatiaensch.

\'t En is geen wonder, Lief, men kan \'t scer wel beseffen, Hoe \'t komt dat Mierevelt1 noch u noch my kan treffen: Hy schilder\' hoe hy wil, hy sal noyt meester zijn Van sulcken Son als ghy, van sulcken vlam2 als mijn\'.

Aen Joffio. Utricia Ogle 3. Uyl mijn Engelsch.

Ick seid haer, singht: sy songh; en ick Beswijmde schier van vreughd en schrick. Dat singen en dat wesen \',

Benam my schier mijn wesen5. 5 Wel, ügeltjen, ick sweer \'t u van te vooren,

lek wil u noyt meer t\'samen sien en hooren.

Het hooren is een groot vermaeck,

\'t Sien en \'t gehoor een\' harde saeck.

Die geen van bey wil derven,

1 Die moet van wanhoop sterven.

Wel Ogeltjen amp;c.

Aen Me-Vrouwe Stanhope, met mijne Heilige dagen.

TJyt mijn Engelsch.

Waerde Henry Wottons Nicht, vorm6 van bevalligheit, Beleidster vol van eer, vol eer van uw\' beleid7;

Werpt een genadigh oogh op d\'onvolmaeckte reden8 Van een beronwigh hert van soo veel overtreden0; 5 Dat, soo ick stamer in \'t verhalen van mijn quaed, \'t Is dat de menighte mijn\' uytspraeck overlaadt 10; Hoe \'tis, \'t zijn voncken dit, naer ickse my inbeelde. Van beter Vier hier naer 11; als Du37vel, Wer\'ld en Weelde Verslagen liggen sal voor mijn\' zeegh-rijeken voet: •10 Dan suit ghy sien dit hout12 veel drooger dan ghy doet, En bet onstekelick dan sal ick doen die dingen. Die boete, die ick nu maer spreken kan en singen. In middels blijft14 my selfs mijn leven min verdacht, Soo ghy my maer in Eijm een eerlick man en acht.

1\' de bekende portretschilder. 2» liefdebrand. 3) Dochter van den Utrechtschen kolonel Joan Oyle; gehuwd met den Kapitein, W. Swami en daarom Hofwijck, 409) ons Stenen en out Swaenin gehecten.4 uiterlijk, gelaat. 5\' leven, adem. 6) type, toonbeeld. 7) Deze regel is mij niet duidelijk. 8) taal. 9) zoo menif/nddige overtredingen. 10) overstelpt, mij helet se Hit te spreken. 11) van later, krachtiger vuur. 12) tiiruuri. voor dit gemoed. 13) lichter te ontsteken. 14) komt mij voor.

ocr page 212

202

Op de dood van den Grave van Strafford 1. uyl mijn Latijnsch. Moment, desult, p. 157.

Straffordus, omni laiule celsior, fero.

Doe Strafford, allen roem en lof-sang overstegen2, Sijn heiligh Hoofd quot;t geraesvan \'t volckjen uyt de stegen, Met een bedaertheit sehonck die Cato3 had lietaemt, En Pcctus ivel gevoeglit, en Seneca beschaemt,

En al het Stoïsch1 volck; sloegh hy met wee en wonder3\'t Ontstelde Vaderland, en zegelde, niet sonder Dor goeden soeten0 Nijd, sijns lerens dagen toe,

En taste t sterven aen soo Eidderlick te moe, Dat sterven, \'t sware pack der swacken, licht als leven In sijn wel dragen 4 wierd; en, daer hy mochte beven, Misdadelick verdoemt5, verwisseld\' hy de straf, En dreefse op \'t schreyend volck, en gafse die s\' hem gaf; De straf van \'t naberouw, die haer Gewiss\' ontstelde, Als of hy Richter waer en selver \'t vonnis velde;

En nam het voor een lot van winst en wellust0 aen, Door d\'ongerechtigheit des Tijds tot God te gaen. O mannelick gemoeds en onschnlds wei-gepaertheit, O voor \'t onedel Swaerd hoogh-edele onbeswaertheit 10!

Vijl mijn Latijnsch, aen Antwerpen.

Mom. desult. p. 342.

Ilicet, Hulsta manum, postico falsa, clientem.

\'t Is omgekomen; Hulst, door d\'achterdeur bedrogen Heeft sich voor \'t sacht gesagh van Nassau neergebogen: Bedrieght ons \'t voorspoock1- niet, uw\' voorstadt light ter Antwerpen; \'tnaeste jaer bestormt u ons geweer. (neer, 5 Hoort schoon\', hoort fiere Stadt; versnvmt u niet te neigen, Al spreeckt hetHollandsch I3,voor des Hemels tijdig dreigen. Tot uw\' behoudenisquot; heeft Spagnen macht noch moed:

10

15

1

Karei Stuarts onthoofde Staatsdienaar. 2) verheven hoven. 3) Cato

2

Seneca, de leermeester van Nero. 4) Stoïcijnsih. 5) vervulde hij zijne

3

7) wakker dulden, doorstaan. 8) wegens eene misdaad, als misdadiger

4

10) onhesorgdheid. AVdsp. met siraerd 11) do stad werd in 1(145 inge

5

nomen. 12j voorteeken. 13) al geschiedt het door een hollandschen mond,

ocr page 213

203

En Holland heeft geen\' ilorst naer uw vergoten bloed: Genade komt u voor1 van zege-rijeke handen,

Maer onwraeeksuchtige. aenvaerdt ons\' minne-panden-; De Borger-toom2 en sal uw\' Borger niet ontgaen: Gevoelen en gewaed van Romen sal hestaen3;

Maer, toeft ghv,geen van tween. Verachte gunst sal prangen4Tot ongunst,quot;en de wet des Winners doen ontfangen0.

Kiest banden van geweld of vriendschap, storm of stilt\', Kiest of ghy Suster staen, of Slave liggen wilt.

Aen den uytnemenden Bloem-schilder D. Segers uyt mijn Latijnsch.

Mom. desnlt. p. 345.

Vicisti, Segere, tarnen: jam fvüamp;i, asnvróv.

Noch wint ghy \'tevenwei, 0 Segers, groot verstand:

Derft u maer kennen, en de waerde van uw\' hand. Nature geeft het op: en, dat sy moet beswijeken 8,

Kan \'t stadige beswijck van hare Bloem doen blijeken: 5 Siet, de geschapen\' Roos werdt weer een\' dorre plant: Maer uw\' geschilderd\' is een eewigh Amarant0.

Een Man van rouw over sijn Wijf gestorven, tiyt het Engelsch. She dyed first.

Sy stierf voor uyt: hy pooghd\' haer een\' wijl tijds te derven, Maer had geen\' sin daer in, en gingh oock liggen sterven.

Aen Joffr. A. Marie Schuemass, mjt myn Latijnsch. Mom. desult. p. 378.

Fugi nuper: an hie fuerit pudor, an vis major.

Ick ben u lest ontvlucht 10; \'tzy \'t schaemte dé geschien. Of \'t machtiger geweld van dien ick volgh en dien quot;. Als ick \'t wel overweegh, het mocht wel beide wesen: Nu is de schaemte wegh, nu ben ick buyten vreesen

1

wordt n aangeboden. 2) onderpanden van liefde- 3) eigen regeering,

2

zetten. 6) u aan de genade of ongenade des overwinnaars overleveren.

3

7) Pater Daniël Segers. D. Warande IV. 402 vlgg. 8) zwichten. 9) de

4

amaranth houdt ook in gedroogden staat liare kleuren en gold derhalve

ocr page 214

204

5 En uyt de guide boey van Hoofscho1 dienstbaerheit, Ku gaen ick wandelen Vry-heer2 van mijn beleid3, Nu treed ick waer m}\' \'t tot en Wind en Weder trecken, En die dry trecken my daer oock mijn lusten strecken4, Naer uwen Musenbergh, mijn Muse sonder paer 5; 10 Vergeeft liet nieuw\' gequel6 daer me.d\' ick u beswaer: Dat leed is licht of kort, als ick u lest liet lesen\'. En wil den Hemel u soo goedertieren wesen.

Dat mijn Swaeninne 7 sich voor derde by ons steil\', Swaen sal de vierde zijn, de vijfde denck ick wel, 15 De wijse Voetius quot;, en dan u Broer de seste.

(Haelt niet meer ooren in, ses zijn wy op ons beste) En gby snit seggen. Ah ! (vermagh ons singen yet) Hoe licht is dese pijn, hoe kort is dit verdriet!

Aen de selve uyt mijn Latijnsch.

Mom. desult. p. 386.

Ilic es amp; hic non es, Schunr.anna, amp; fallis amica Hugenium amp;c.

Wel, Schubman, zijt ghy hier, en niet hier 10 ? is dat reenquot; ? Bedrieght ghy Zuyliche\'m en Casembrootmet een? Schaemt u soo loosen13 feit; dit moet bedriegen heetcn; Sulckquot; uwe Voetius u weinigh dancks sou weten. •rgt; \'k Bied u myn\' Tafel aen, mijn Huys, en wat daer by ? Al watter in my goeds of soets te vinden zy;

Volherdt ghy in \'t bedrogh, siet toe,\'t en kan niet liegen 15, Die m\' in den Haegh bedrieght, leer;10 t\'Utrecht ook bedriegen.

Uyt het Italiaensch van Guarino. Donó Licori a Batto. Licoris gaf een\' Roos Aen \'t knechtje dat sy koos n;

En kreeg\'er suloken bloos af,

\'t Stond of een\' Roos een Roos gaf.

1

des hofs. 2) vrije heer; wdsp met Freiherr, baron. 3) doen en laten.

2

4) zich heemrenden. 5\' wedergade. 6) eene uitnoodiging, jil. 7i Zie Mom.

3

dosult. p 377. 8) Vtricia Ot/le, zio bl. 528, aant. 3. 9) de Utrechtscho

4

hoogleeraar in de theologie. 101 niet bij mij. 11. redelijk, behoorlijk.

5

12i haar schoonbroeder? 13 art/listig. 14\' Voor zulk een feit. 15) missen.

6

16) Vul hier uit het voorgaande men (m*) aan en versta; wanneer gij

7

foppen. 17) Versta: den jongeling, dien zij tct haar minnaar koos,

ocr page 215

205

Graf-schrift van den Heer Caspar Duarte rn/t mijn Latijnsch. Mom. desult. p. 393.

Duartus hic, hic alter Amphion jacet.

Duaete, Brabantschen Amphion, eert dit graf;

Dien noch de steenen die sijnquot; konst het roeren gaf-Vervolgen naer sijn\' Dood; want, als men \'t recht sal seggen, \'tZijn Slarm\'re luysteraers die m\' over hem siet leggen, j Gelooft ghy \'t wonder niet? siet my; ick bender een 3 Van meer Verwonderinghs1, ick die noch steen en ween, En ben Steen overlangh uyt schrick 5 door all\' mijn\' leden Van des beroemden Mans Deughd en bevallickheden, Ick die noch ween en steên, en ben Steen meer als ootquot;, ) Door all\' mijn leden nu van droefheit om sijn\' Dood.

Martialis. 14. 111.

Frangere dum metuis, frangis Crystallina.

Die meest voor breken vreest, breeckt meest het Christallijn, Men kan te sorgeloos en te sorghvuldigh zijn.

Graf-schrift van F. Aug. de Thou ^ vyt mijn Latijnsch. Mom. desult. p. 180.

Qui jacet hic, hospes, pravi, sine crimine, cocpti Conscius.

Die hier begraven light, was kondigh aen een\' schennis8; Maer kondigh sonder schuld, by opgedrongen kennis; En \'t heeft hem niet gebaet \'t feit met sijn\' vromigheit9 Te hebben wederstaen; \'t verswijgen was sijn feit, i \'t Verswijgen van een feit dat Vrienden hem betrouwden; Die Vrienden, die hy sagh, als sy \'t ontkennen souden 10, Dat sijn\' gebroken trouw noch t\'overtuygen docht,

Nocht haren wederwü2 ten goeden buygen mocht.

Scherp onrecht van het Recht, dat voor verraed kan schelden12 \' Sijn\' Vriend noch by verraed noch te vergeefs 13 te melden!

1

Vader van Francisca? 2) die zijne Jcnnst wist te hewegeti. 3) nl.

2

wonder. 4) dat meer verwondering wekt. 5) ontzag. 6) ooit. 7) Den onge-lukkigen en onsclmldigen vriend van Cinq-Mars; met dezen op bevel van Richelieu onthoofd. 8) droeg kennis aan een misdaad. 9) rechtschapen wakherheit. HM lees dit achtor docht en vorsta: Hij zag in, dat, wannoer hij ook zijno trouw brak, hij zijno vrienden toch niet van misdaad zon kunnen overtuigen voor de rechtbank. 11) onwil. 12) als verraad kon brandmerken. Vi) daar hij ze toch niet kon overtuigen.

ocr page 216

Uyt Engelsch DIoln

Van Doctor

J O H N D O N N E 1.

TOT VEN LEZER.

Een doorluchtigh Martelaer-, die met sijn gesalfde Hoofd drie Kroonen2 op \'t Schavot neder heeft geleght, hoorende voor vele Jaren, dat ick de hand geslagen hadde aen \'t vertalen van de diepsinnigheden van sijnen Dr. Donne, gestorven Deken van S. Pauls tot Londen, ende in sijne laetste Jaren de beroemste Prediker van Engeland, verklaerde niet te konnen gelooven, dat yemand sulcks met eeren te wege sonde brengen3. lek en schrijve my geensins toe, dat hem dese Proef-stucken van dat gevoelen af geleidt souden hebben:

maer voor gewis houd ick, dat hy geen soo algemeinen Vonnis gestreken sonde hebben, had hy de rijcke eigenschap van onse Tael gekent; die ick voor soodanigh uvtgeve4, dat een middelmatigh beleid 0 der selve machtigh is de gedachten van allerhande Landslieden uyt te brengen met gemack ende be-valligheit. Hoewel ick schier wenschte de Engelschen hier uyt te mogen sluyten: want haer\' Tale is alle Talen\'; en,

als \'t Waer dooge wy in /II/Zmc van £ draey worst loope: gvoot \'t my nioed make schri( weini

1

Do in 1631 overleden doken van St. Pai.1 te Londen, wiens dicht

2

dien hij op Huygens geoefend heeft, Th. Jorissen, Nederland, September 1S70; id. C. Huygens, Studiën hl. en mijn artikel in de Gids, ~ Hei 1891. 2) Karei I, in 1649 onthoofd; deze voorrede ia oorst voor do 1ste uitgave der Korenbloemen geschreven: do vertalingen zelve zijn 1)

3

van 1630. 3i van Engeland, Schotland en Ierland. 4) volvoeren. 5) waar- men

4

van ik durf heiveren 6) meesterschap over. 7) vertegentvoordigt alle tulen. heel

ocr page 217

207

als \'t haer belieft, Griecksch en Latijn zijn plat1 Engelsch. Wasr tegen, dewijl wy niet uytheemscli onder ons eu ge-iloogen, staet te dencken, hoe wy ons beset - vinden, wanneer wy in suyver üuytsch hebben uyt te sjireken Ecstasis, Atomi, Influentiae, Legatum, Alloy, ende diergelijcke. Houdt ons vrij van sulcke benautheden de rest en kost ons geen handver-draey. Maer met sulcke benautheden heb ick hier moeten worstelen; daar op de Leser acht will\' slaen. Hoe het afge-loopen is, blijft sijne gunst bevolen, \'t Is my veel eers, soo grooten Man nagestamert te hebben; ende veel genoegens sal \'t my geven, soo mijn stout voordoen 4 betere Pennen aenge-moedight moge hebben, om ons Land wijder deelachtigh te maken van soo veel overzeesche kostelickheden 5 als ick met schrick ende eerbiedigheit ongeroert gelaten hebbe, daar dese weinige met lust en yver uytgepickt zijn geweest.

1

eenvoudig. 2) hi \'t nauw gehracht, recZtï/tw. 31 Versta: Maai* wanneer

ocr page 218

A e ii T e s s el s e li a (1 e

\'t Vertaeldc scheelt soo veel van \'t onvertaelde Dicht Als Lijf en schaduwen : en schaduwen zijn Nachten:

Maer uw\' bescheidenheit\'1 en maghse met verachten:

\'t Zijn edel\' Jofferen, V zijn Dochteran van \'t Licht.

5 En schaduwen zijn scheef, als \'t aensicht in de Maen: Soo3 dese Dichten oock: maer, magh ick \'tselvcr seggen, Gelijck aen schaduwen die lam ter aerde leggen,

Men sief er noch wat trecks van \'t rechte tvesen aen.

En schaduwen zijn swart, en duyster in te sien: 10 Soo dese Dichten oock-. maer \'t zijn gemeene4 oogen.

Die door het swac/ce swart van schad\'wen niet en mogen: Wat schaduw soa den dagh 5 aen Xessels oogh verbien ?

En schaduwen zijn koel, en op haer heetste lauw:

Soo dese Dichten oock: maer \'t koel en is maer korst-koelt\'« ID \'t Vier schimIt\' er in, gelijck \'t in \'s minnaers koele borst woelt En Peper is niet heet, voor dat m\'er \'t Vier uyt knauw\'.

En Schaduwen zijn, niet: dat\'s Droomen hy den dagh: Soo dese Dichten oock: maer \'t zijn gelijfde\' Nietten: En, slaet ghy \'t voedsel gd daer uyi mijn\' droomen schieten 8 20 \'k Had pit en mergh geslockt eer i:kse droomd\' en sagh.

Komt, koele Tesselschae, wel eer mijn gast op yet;

Siel waer mijn schaemte gaetquot;: ick den;1 uw\' koelte tergen, En uw\' langhmoedigheit by my ter maeltijd vergen Op Schaduwen, op Scheef\', op Koel, op Swart, op Niet.

\\) De bekende dochter van Roemer Visscher, op wier verzoek hij he grootste gedeelte dezer vertalingen vervaardigd heeft 2) oordeel .quot;i) Vul in: zijn. 4) alledaagsche, geen doordringende. 5) het licht, he \'loortirondeii der waarheid, \'i i koelte aan de oppervlakte. 7) helichactnide 8) dé gedichten van Doimo, nl. 9; hoever mijn schaamte geweken is.

Ho TT\'

To En

Mc

Se ft

(i D D.

Sc M E M

N E G E

li E L \'t

i) p. En Tt uanscl setting 8) Hot

ivoi\'de

in hot plaats vleit 1 het v

16) T kort f \'20) tei

o. Hu

ocr page 219

209

Hoe Ijvigh, en hoe recht, hoe icit, hoe heet, hoe swaer Waer 9tjEngelsche gerecht*, als mv vernuft kon dalen* Tot over-zeesch gekoock3 in Nederland te halen,

En al dit laf gedroom een1 Tessei-schadnw waer4/

Maer \'t Zuyderlicker soet van Roomenx schaduw-tael5 JBesit uw besigh hert: Jerusalem laughs Hoornen Op Tassos Lauwer-koets met Nederlandsche toornen Te voeren daer ghy woont*, hexcoont u altemaeV.

(Hoe langhsaem loopt die huer8 / wanneer wil 7 hesigh hert Geleggen 9 van die dracht, en \'t machtige hekeeren 10 Dat Circe niet en kost, den Alckemaerder2 leer en,

Daer door de Schaduw \'t Lijf, en Lijf de Schaduw werd12?)

Soo viel mijn* taeck Noordwest 13: die gaf my uw hevel: Mijn* onmacht heefd\'er voor, en yt kon myn\'\' hand ontroeren 14, En, meead ick, yt was soo soet als qualick uyt te voeren: 40 Maer, \'t qualick, dat ghy wilt, werdt van uw willen, wel 15.

Nu poch ick tegens my, en vley mijn selven blind;

En segh my, dat de hand die Tessels16 heeft getogen.

Geen* misslagh machtigh was 17: en wentel in de logen, En vind my sonder feil, mits ghy my son der vindt.

Is \'t lijdelick gefeilt 18, treckt d\'oude goedheit aen.

En van de dweege19 hand, die noyt en konde strijden In Tessels weder-wil -0, verdraeght in medelijden \'t Onwaerdige bedrijf, cm \'t willige bestaen 21.

m:

iggen,

ogen: n?

■koelt\'6 t woelt mw*.

■jh:

Meten8 gh.

irgen, iet.

liij lie

oordeel \'cht, he laanule

1

voedsel, kost. 2) zich verwaardigen- 3) kooksel, spijs. 4) Versta: En Tesselschade de vertaling had gemaakt in mijne plaats. 5) \'t Itali-aansch, dat uit het Latijn ontstaan is. G) rSij was besigh met d\'over-settingo van Tasso\'s Jerusalem.quot; H. 7) heeft a (jansch inheslaygenouien. 8) Hoe lang duurt dat „hewonen quot; dit in-heslag-nemen? 9) haren, verlost worden. 10^ veranderen, omtooveren. Circe kon slechts het eene lichaam in het andere doen overgaan. 11) Alkmaar was toentertijd de woonplaats van Tesselscha. 12) de vertaling zou beter zijn dan *t orgineel, vleit H. 13) „In Engelantquot; H. 14) doen heven. ]§)^Versta: door dat gij het wilt, wordt zelfs het kwade (moeilijke), dat gij eischt, goed (licht;. 16) Tessels hand; onderwerp. 17) kon heg aan. 18) Versta: Ben ik te kort geschoten in mijne taak, maar niet al te erg. 19) gedweeë, volgzame. 20) tegen het verlangen van T. 21) de dienstwillige poging.

2

c. Hüygenb. — I. 14

ocr page 220

210

Aen ceu\' schooiie Weduwe1,

En stoot u niet aen dese leuren,

Als of ghj half bedrogen waert; Het lesen suit yhy niet betreuren,

De stof is uiv scnoon, oog en waerd. 5 De stof, het mergh, de pit. de keerne.

En alles is van binnen rijck;

De schors, de schel beken ic/c geerne. En zijn ma er buy ten 2 mijns gelijck 3: Maer door mijn schrale schellen heenen AO Suit ghy licht vinden mergh en pit,

Gelijck men door het vel de beenen En \'t vleesch siet datter onder sit.

Weest maer geduldig h in 4 m?jn\' schors sen. En deckt haer\' feilen met uw\' gunst, 15 Men heeft meer goe spijs sien vermorssen

Door Kocks en Kooc/csters sonder kunst.

Oock mooghtghy \'t my alleen niet wijten. Die selver niet onschuldigh zijt;

Al soud\'t u twee mael over5 spijten, 20 TJ komt een deel in dit verwijt.

Ghy meent u leden te vereeren Met Woll\', en Zijd\', en Linnen web; Maer let eens op die schors van kleeren. En wat ick in mijn9 sinnen heb: 25 Wie gaeter voor, God of de menschen.

Die \'t schepsel bomcde naar sijn\' sin. Of die het liggen en verwenschenG, Met hier wat meer, en daer wat min? God, suit ghy seqgen, en met reden: 30 Maer ist \'er niet half mé gegeckt ?

En werden niet volmaeckte leden Met onvolmaecktheden gedeckt ?

En meent ghy dat ick u sou achten, Gelijck nï u acht en achten moet, 35 Sagh ick niet dieper met gedachten

Dan yemand met twee oogen doet ? En meent ghy dat wy \'t da er by laten.

1

Dezelfde: Tesselseliade, toen echter weduwe van Alard Crombalcli.

2

van buiten. 3) op het mijne gelijTcende. 4) toegefelijk omtrent. 5) 07)

3

nieuw. 6) anders wenschen, het willen verbeteren.

ocr page 221

211

En sluyten op uw\' schoone huyd.

En dat ons onder die gewaten 140 Vernoegen met de naeckte Bruydquot;?

O neen, schoon\' huyd, en schoon gebeente, Gedachten gaen noch eens soo veer; De Kas magh schoon zijn; macr \'t Gesteente, Dat binnen in light, is \'i noch meer, 45 Die kostelicJce Ziel daer binnen,

Altoos eenparigh 3 wel ges int. Die peereitjens van blanche sinnen *. Dat \'5 daer men \'t Kasjen om bemint. En wie dan let op die Juweehn, 50 MaecJct weinigh wercks meer van de kas;

Want, of5 sy t\'samen gaen, sy scheelen Soo veel als quot;t Vier scheelt\' van sijn As.

Meer heb iele u thans niet te quelle)/.t lek meen ghy meestG mijn\' meeninqh vat; 55 Past op de fceern, niet op de schellen;

Dat *s al dat ick te seggen had.

1

gewaden. 2) te vreden stellen met het b/oole lichaam. 3) even.

ocr page 222

Uyt Engclsch Dicht Van Dr. D O N N E.

De Vloy.

JMarke but this Flea, and marke in this.

Slaet acht op dese Vloy, en leert wat overleggen,

lloe slechten dingh het is dat ghy my kont ontseggen 2. Eerst sats\' en soogh op my, nu sits\' in n en drenckt: Soo is ons beider bloed in eene Vloy vermenght. 5 quot;Wel weet ghy dat dit feit geen\' sond quot;en is te noemen. Noch voor verlies of kreuck van Maeghdom 3 te verdoemen; De Vloy geniet nochtans, al eer sy hebb\' geTre\'cn4, En, opg\'ekoestert, swelt met beider bloed in een; Och armen ! en dit \'s meer dan \'t opset5 van ons tween.

10 Houdte, houdt, spaert in een\' Vloy dry levens, ongescheiden, Daer in wy schier ten echt verhecht\' zijn met ons beiden. Ja meer als echt-verhecht; des\' Vloy is Ghy en lek;

Sy is het Bruyloft-bed en Kerck van ons verstrick8; Spijt Onderen, spijt u, wy zijn by een geschoten, 15 En in een Klooster-muer van levend Gett9 gesloten;

Schoon dat ghy dan van ouds soo raoord-vast zijt op my 10, En leert\'er éigen-moord noch kerck-geweld 11 niet by; Slaet niet van sond op sond, van eene moord op dry.

Ik lieb Hnygens\' vertalingen nauwkeurig vergeleken mot de Engelschc origineelen, zooals die voorkomen in Grosart, The complete Poems of John Donue. 2de Dl. Afd. III.

1) eevvoiidig, gering. 2) weigeren. 3) scliending der maagdelijke eer-haarheid. 4) gevrijd. 5\' plan. bedoeling. 6) halt! 7 j verecnigd 8) vereeni-ging. 0) git; het lichaam van de vloo, nl. 10l met do dolken harer Jielde, nl. 11) slaat op Klooster-muer.

ocr page 223

213

Foey, schielicke1, foey wreed\', hebi ghy u noch 2 beraden 20 Uw nagelen in bloed, onschuldigh bloed, te baden?

Waer is de misdaed in die \'t Vloyken heeft begaen, Als in den drop alleen die \'t van u heeft gelaen ?

Maer, siet, ghy roemt\'s u ^noch, en seght, ghy zijt als voren, En vindt noch kracht in u noch kracht in my verloren: 25 Dat\'s waer: en daerom leert hoe valsehen vrees ghy vreest; D\'eer die ghy in mijn\' arm soudt missen, is, op \'t meest Als \'t leven dat ghy mist in \'t sterven van dit beest3.

De virsehijningh.

When by thy scorne, 0 murdresse, I am dead.

Eens, eens, moordadige, na dat my uw verachten Sal hebben omgebracht, en ghy my minst verwachtenr\', En meenen mijn vervolgh4 en volght u langer niet, Sal mijn ontleede geest1 het bed van uw verdrietquot; 5 Genaken onversiens, schijn-heilig\', en u vinden In arger armen veel dan die ghy noyt bemindenquot;

Dan sal uw\' siecke toorts1quot; besluym\'ren slap en slecht: Dan sal hy, die ghy toe suit hooren by der echt,

Eerst eldersquot;afgeslooft soo g\' hem begint te naken, \'10 Te raken met een\' neep, en wilt hem wacker maken.

Dan sal hy oordeelen, ghy light en maent om meer 12: En met een\' valsehen slaep, met een\' verkrompen keer Uw\' hand ontfutselen 13: daer suit ghy in \'t verachten, In ryelingh in sweet qoick-silver-wijs 13 vernachten, 15 Eu zijn meer Geests als ick. Wat ick dan seggen sal, Verswijgh ick liever nu, dan dat ghy \'tongeval, Gewaerschouwt, soudt ontwijeken:

En nu mijn\' moede Min, soo ver is aen \'t beswijekeu 1G, Sagh ick u liever vast aen \'tpijnelick berouw, 20 Dan dat u mijn gedreigh in onschuld houden souw.

1

haastige. 2) toch. .*3) roemt u des. 4) Versta: Gij zoudt niet meer

2

eer verliezen door in mijnen arm to ruston, dan leven (bloed), door don

3

hot zoo noemt, blijkt uit het volgende. 9} Versta: in eene veel ergere

4

sluymeren: intr. voov sluimeren? vgl. 219,32.11) nl. bij een ander lief. 12) dat

ocr page 224

214

Toovery door een\'\' Schilderij,

I fix mine eye on thine, and there.

Myn ooge stert op \'t uw; daer sien ick in verbranden Mijn\' arme sehildery1: en sie wat leegerquot; aen Mijn\' arme sehildery verdrineken in een\' traen2. Wat had ghy middels nu van quaed doen in de handen •rgt; Soo ghy de swarte konst van \'t toover-dooden wist, Door beelden eens gemaelt en wed\'rom uyt gewist3!

Maer, sonder sorgh, ick heb uw\' soete soute tranen Gedroneken en verteert: en, schoon ghy storter meer4lek ga, en soo verdwijnt mijn\' schilder-schaduw5 weer 10 En soo verdwijnt mijn\' vrees, dat derv ick self vermanen7, \'k Laet u een\' sehildery, maer buyten smaed en smert: Dat \'s die ghy wilt en moet bewaren in uw hert.

Den Hof te Tivichnam,

Blasted with sighes, and surrounded with teares. Van suchten uytgedort, van tranen overvloeyt. Verschijn ick, om te sien hoe hier de Lente oloeyt. En om den balsem-geur met oor en oogh te lesen8 Die alles kan genesen:

5 Maer ick verrae mijn self, en brengh de Spin hier in; De guychelende9 Min;

De Min die \'t al verschept, de Min die, sonder raken 10; Van Manna Gal kan maken.

Ick set de slangh in \'t rijs quot;,

10 En maeck van dese plaets het tweede Paradijs.

Veel nutter waer het my, dat \'s Winters koude korst Dit groen ontluysterden, en dat een stemmigh Vorst ^ Dit lacchende geboomt verbood\' met my te gecken 13; Maer, om my noch te decken 15 Voor sulcken ongeval, en niet te min de Min

1

mijn xgt;orlret (dat zich in mv oog weerspiegelt.) 2) lager. 3) doelt

2

dooden, door diens portret te teekenen en het daarna uit te wisschen.

3

5) er moer stort. 6) geschilderde schaduw, spiegelbeeld. 7) herinner en, zeggen.

4

8) in te zwelgen- 9) goochelende. 10) zonder het aan te ral-en. W) groen.

5

12» Wdsp. van vorst, koning, met vorst, koude. 13) den draal- te steken.

ocr page 225

215

Te voeren in mijn\' sin.

Komt Min, en laet my\'hier vet onsjevoelicks\' wesen, \'t Gewas van menschen wesen-.

Of liever een\' fontein,

po Om U3\'t een\' steenen borst het gantschejaer te schrey\'n.

En komt, ghy Vryers, dan met flesschen van Chrystal, En schept den Minne-wijn, mijn\' tranen, in den val1, En gaet\'er tegen t\'huys uw\' Vrysters tranen keuren2: \'t Zijn al vervalsehte leuren 325 De tranen die niet recht en smaken als de mijn\';

Oh, in der oogen schijn En schijnt haer herte niet; noch zijn een\'vrouws gedachten By tranen meer te achten Dan by haer schaduw is 130 Het kleedsel dat sy draeght4. O dobbel van gewis\', O van de twee geslachten5Het oolickste» geslacht; van alle trouw ontbloot. Op haer na, diese houdt 6, om dats\'er my mé doodt!

L I E D T.

Goe and catch a falling starre.

Gaet en vatt een\' Sterr in \'t vallen,

Maeckt een\' Wortel-mensch met kind 7,

Seght waer men al den tijd die nu verby is vindt.

En wie des Duyvels voet geklooft heelt in twee ballen 8: : 5 Leert niy Meereminnen hoorcn 13,

Eeert my hoe ick t boose booren quot;,

Van den Kijd ontkomen moet.

En wat Wind voor-wind13 is voor een oprecht gemoed.

1

wezen meende te ontdekken. 3) onder het vullen, neerstorten er naar

2

heoordeeUn. 5) lorren, vodden. 6) Versta; de gevoelens eener vrouw zijn

3

door hare tranen evenmin te kennen als hare kleeding door haro

4

schaduw; achten — esthner, schatten. 7) dubhélhartig. 8) tweederlei

5

omdat zij weot, mij daarmede den dood aan te doen. lil bezwangert een

6

van menschen wesen. 12) hem een gespleten hoef bezorgd heeft. Wij

7

spreken ook van den hal v. d. voet. 13) Versta: Maak dat ik haar

8

gozang vernoem. 14) hoosaardig grieven. 15) gunstig.

ocr page 226

216

Zijt ghy met de gaev geboren 10 A\'an te sien dat niemant sagh,

Kijdt duysent mijlen weeghs tien mael, by naeht en dagb Tot dat u ouderdom besneew1; ick sal u hooren AU\' de wonderen verhalen Die ghy saeglit in al dat dwalen, 15 Maer oock sweeren dat geen\' Vrouw

De Wereld en bewoont te samen schoon en trouw.

Vindtg\'er een, soo laet my \'t weten;

Sulcken reis waer goed en soet,

Maer neen, en doet het niet: \'ken roerde niet een\' voet, 20 Al waers\' in \'tnaeste huys: Want oise trouw mochtheeten In uw eerste by-haer-wesen,

En volherden in dat wesen ïot men u den Brief2 af nam,

Sy hadd\'er twee of dry bedrogen eer ick quam.

10

Jjc dry dobbele geck.

I am two fooles, I know.

Ick ben twee Gecken: een, die daer van Minne sterv\'. Een, die het Minne-mal3 in liijm bejancken derv\'.

Maer waer \'s de wijse man die weigerd\' Ick 3 te wesen, \'tEn waer\' Sy4 weigerde mijn qualen te genesen ? 5 Het onderaerdsche nauw, daer door sich \'t Zee-sop stouwt üntpekelt • in \'t gedrangh sijn aengeboren Sout: Soo meend\'ick mijn verdriet te schroeven8 door mijn\'Dich-Soo door den cngen Eijm verduyv\'len en verlichten: (ten. Want quellingh op de maet eu kan soo fe\'. niet zijn, 10 En dies\' in Dichten boeyt9 betemt haer dolle pijn.

1

witte haren yeeft. 2) de boodschap (nl. aau mij, dat gij werkelijk

2

eene trouwe vrouw gevonden hebt). 3) de dwaasheid der Liefde. 4) \'in

3

mijne plaats. 6gt; do geliefde, nl. 0) slua-t, heenperst. 7) Versta: bevrijdt

4

ik meende mijn vordriet in mijne gedichten uit te storten en door den

ocr page 227

217

Soo doen ick; maer vergeefs: men stelt mijn leed op noten, Men singht en pronckter mé: was \'t dicht in Dicht i besloten, Men helpt het nyt den band, men geeft het volle vlucht. Men vrydf- het om de konst» en and\'ren haeï\'genuclit. •15 Het rijmen voeght de Min, het rijmen voeght de quellingh, Maer geen vermakend Rijm: een\' aengenaem\' vertellingh, Een lieft\'elick gesangh verheft haer\' overhand \'. En voert haer\' zege-lof van d\'een in d\'ander hand; En ick, twee gecken eerst, beginder dry te streckenquot;; 20 De middelmatige zijn d\'allerbeste gecken1.

Schreyens afscheit.

Let me powre forth.

Laet voor uw aengesicht mijn\' trouwe tranen vallen, AVant van dat aengesicht ontfangen sy uw\' munt\', En rijsen tot de waerd\' dies\' uwe stempel gunt. Bevrucht van uw\' gedaent»; vruchtvan veel\'ongevallen, 5 Maer teeckenen van meer, daer ghy valt met den traen. Die van u swanger was, en beide wy ontdaen Verdwijnen, soo wy op verschelden oever staen 2. Men siet den konstenaer op afgedraeyde ballen 3Een Wer\'ld vergaderen uyt lappenquot;van papier, 10 Twee deelen datelick, en datelick de vier 4

Vergadert sijn vernuft daer niet en was met allen. Soo werdt de traen een\' Wer\'ld daer uw\' gedaent in blinckt,3, Tot des\' in onser bey gemeenen traen verdrinekt.

Door kracht van water dat, mijn Hemel, u ontsinckt quot;.

1

is de grootste dwaasheid. 7) stemgelbeeld. 8} In do tranen spiegelt zirh

2

bedrukt papier van een houten bal een wereld maakt, zoo doet het ook

3

uw gedaante ten opzichte van een traandruppel. Waarschijnlijk een

4

toespeling op den microkosmos ~ mensch. 14 Versta: weenen ze allebei en vloeien de tranen samen dan verdwijnt het beeld dor geliol\'do (!j

ocr page 228

218

15 O meer als Maen, en treckt geen\' Zee op in uw\' ronden i, Die iny verdrincken moght: en schreidt my niet ter neer In uwer armen bocht-: en leert de Zee geen\' leer Daers\' al te ras na doe3: en leert den Wind geen\' vonden 4 Om my meer leeds te doen dan uyt sijn opset sproot: 20 Daer ick suclit dat = gliv sucht: en beid\' uyt cenen schootü. Die meest sucht is de wreedst\', en haest des anders dood.

De Droom.

Deare Love, for nothing lesse then thee.

üm geen dingh, liefste Lief, om geen dingh min als ghy, En leed ick mijn geluck te brekensoo ick \'t ly s, \'tüeluckvandesen Droom; \'tWas wereksgenoegh voor Reden Voor enckel\' spiegelingh was \'t al te hard om kneden \'J: 5 En daerom weckt ghy my ten tijde 10 recht als \'t hoort. Maer mijnen Droom nochtans en hebt ghy niet gestoort; Ghy hebt hem maer vervolght: de AVaerheit is soo ghy en Ghv zijt de Waerheit soo, dat logenen gedyen Tot logenloos verhael, en Droomen werden yet, 40 Daerm\' aen u maer en denckt. Komt, rolt in mijn gebied 1. En, hebt ghy mijn gedroom ten halven willen staken, Laet ons van \'t overigh al doend\' een einde maken.

Als of een\' Fackel, of een Blixem om my vloogh, Soo riep my uw gesicht13 niet wacker, maer nw\' oogh; 15 Met eenen vie\'l my in aen \'t aller eerste wesen quot;,

(AVant waerheit hebt ghy lief) ghy most een Engel wesen: Maer als ick u sagh s\'ien wat om mijn hertje lagh, En weten wat ick docht (dat Engel noyt en sagh) En weten wat ick droomd\', en weten, wat vermaken i:\', 20 Wanneer, my wecken sond\', en doen my recht ontwaken

1

zoozeer met n vereenzelvigd. 12) oene poëtische omschrijving voor: kom in mijn armen! 13) verschijning 14) uwe eerste handing, meinier van zijn. 15) Versta: ael/r vermaak mij wekken zoude en vanneer.

ocr page 229

219

Als iek ontwaken most; dat weet ick, en beken\'t», lek had ii lasterlick belogen en gescliendt,

En most mijn\' stoute Tongh voor lasterigli verdoemen, Wanneer s\' u anders yet als u had derven noemen.

15 Aen \'t komen sagh ick eerst ghy waert de rechte Ghy, Aen \'t blijven sagh ick \'t naest maer nu ghy dreight mijn\' Van tl\'uw\' t\'ontledigen 3, geloov\' ick twijftelachtigh (zy Dat ghy noch Ghy soudt\' zijn: de Min en is niet krachtigli, quot;Wanneer het minnend\' hert niet meer en mint als vreest: M De Min en is niet rein 4, \'t en is geen louter Geest, \'t En is geen\' brave3 Min, daer eer, en schrick, en sehaemen Sieh mengen met de Min. Maer die de toorts o bequaem, en Gereed en fix begeert, ontsteeckt en doodtse\' weer: Soo quaemt ghy en ontstaeekt, soo gaet ghy maer een\' keer8; ia Om weder hier te zijn. Wel, moet ick u soo derven, Soo ga ick we\'er die hoop\' herdroomen, of ga sterven.

Z)e Verstellingh».

Eleg. 2.

1 Marry, and love thy Flavia, for she. Marry, and love thy Flavia, for she.

Hebt F lav i a vry lief, en trouwtse toe: haer wesen Begrijpt10 al watter schoons in andere kan wesen.

Zijn d\'üogen wat te smal, de Mond is wijd geset: En zijnse van Yvoor, de Tanden zijn van Get quot;. 5 En zijnse doncker, sy is licht1- genoch daer tegen: En valt beur Haer wat uyt, wat isser aen gelegen?

Haer Vel is ruygh genoegh: en zijn de Kaken geel. Wat schaet datquot;? \'t Haer is rood: den Maeghdom schort 13

(niet veel:

Geeft haer den uwen, soo en sal haer geen gebreken. 10 Daer d\'Elementen maer van schoonheit in en steken, Dat moet volkomentlick behagen; is maer Wit En Eood en ander fray daer in, vraeght noyt waer \'t sit. Die reucke-werken koopt, sal lichtelick bevragen,

1

Dit ziet op liet onmiddellijk volgende. 2) vervolgens. 3) herooven. t) zuiver, onvermengd. 5) kloeke. 6) Zio blz. 213. 7) dooftse? Dit zou uister beeldspraak zijn. 8) een reis, een poos. 9) „The Anagram.quot; H. J\'j bevat. 11) git. 12) Wdsp. lichtzinnig. 13) ontbreekt.

ocr page 230

220

Hoe veel sy Muskeliaets\', hoe veel sy Ambers dragen2; S 15 Maer, waerse liggen, noyt. Hoe wel dan veder deel3

Een welnigh uyt sijn 7)laets,van\'t oud gebruyek verscheel\', j Altoos een Anagram4 van schoonhelt isser binnen. Soo toont5 den eenen wel een liedjen naer sijn\' sinnen, Een ander, op die wijs, vertoont het naer de sijn\'; 20 En elck sal ongelijck, en elck volkomenquot; zijn.

quot;Wat goed is, is bequaem\', en al om soo te achtens:

Wijfs zijn als Engelen; de schoon\'3, als die sich brachten Van \'thoogh geluck ten val; sy, buyten afslagh 10, sy Gelijck goed\' Engelen, van al verarg\'ren12 vry. 25 Onschoon is lijdelick \'3, meer dan verloren schoonheit; Die tot een\' Bruyloft maer sijn\' lendenen ten thoon leidt 14 Kiest Zijd en üoud-draet uyt; hy die een\' langen keer 15; lïeis-veerdigh onderneemt, soïckt Laken en goed Leer. Schoon, is meest vruchteloos: de lloeckste16 bouw-luy seggen 30 Dat beste landen naest de vu3-lste wegen leggen.

Oh! wat een\' placster 17 sal sy wesen op uw hert,

Indien u \'l sondigen de jalousie haer\' smert Voor desen heeft geleert 1S; \'t En kan u niet berouwen; Ghy mooghtse, sonder spie, Capoen 19, of\'yet, betrouwen, 35 Üw\' vyand, ja een\' Aep die op haer eere pass\'.

Als Holland swemt, en duyckt,en leght sijn\'weiden dras20, Versekert het sijn volck, en \'tsljjck\'-\'1 bewaert sijn\'Steden?* Soo doet haer aensight haer. Sy sal den dagh beldeeden En decken als een\' Wolck die voor de Sonne rijdt, 40 Dewijl ghy, op \'t bejagh var. saken, buyten zijt:

Sy, die, veel machtiger dan Zee en soutequot; baren, De Mooren wit doet sien -3; sy die naer seven jaren Vernachtens in \'t Bordeel, in \'t Klooster raken sal. En zijn geacht, en zijn de beste Maeghd van all\' ^4: 45 Sy die in barens-pijn de vroed-vrouw sal doen sweeren

] Muskus on Amber, In dion tijd geliefde parfumerieën. 2) bevatten. \' 3) element v. schoonhckl. 4) owzettinQ, omkeerinff. 5) hyenut ten yehoore. 6) onberispelijk- 7) geschikt, passe ld. 8) en overal als diisdanig te achten. 9) Vul aan: vrouwen (zijn als engelen). 10) onmiskenbaar, zonder /wijffel. 11) Vul aan: is, lü. Flavia. 12j erger, leelijker worden, i 13\' duldbaar. 14) te pronk stelt. 15) tocht, lü) verstandigste, ervarenste. 17) geruststelling. \'18 in den ongeoorloofden omgang met een anders vrouw, nl. 19) gesnedene, ennuclms. 20) bij do doorsteking der dijken, nl. 21) de moerassig geworden bodem, 22) het licht verduisteren. 23\' blank doet schijnen (bij baar vergeleken, ld ) 24) wijl zij niemand hooft kunnen bekoren, nl.

ocr page 231

•J-J I

Daer is geen bareus-nood; maer Watersncht met eeren1: Sy, die ick min geloov, wanneer s1 liaer oere schendt, Dan als een Toovenaers2 \'t onmogelick bekent2. Sy, niemants wedergae, sy laet u vry behagen:

50 Daer \'s doch niet amp; la mode, of yeder een wilt dragen.

Aen sijn Lief.

Pars Eleg. VI.

When my soule was in her owne body sheath\'d. Doe mijn Ziel saliger gescheedt\'\' stack in mijn\' leden, En was in ondertrouw met d\'uwe niet getreden. Met d\'uwe, Vagevier, ïrouwloose, noch in u Ten einden a\'em en kracht niet uytgekust3, als nu: 5 Doe, docht my, was uw hert voor enckel wasch te roemen, Uw\' trouw voor enckel Stael. Soo gaet het met de Bloemen, Diem\' in de wielinghR stroyt: Soo doet die vochte mond7, Hy kust en vleltse, maer hy troetelse te grond: Soo staet de Toorts en wenckt met vriendelicke stralen 10 De duyselige Vliegh, die \'t met het lijf betalen

Of met den vleugel moet: Soo komt de Duyvel minst Besoecken, die hy meest berekent in sijn\' winst8. quot;Wanneer ick sta en sie een\' Beeck ten bedd\'uyt stroomen, En na beneden toe half sluymeren, half droomen, 13 Half wacker, half in slaep, en rijden langhs de voorquot; Daers\' aen verhylickt is, haer oude boesem-spoor, En kijven, en sien suer, en rimpelen, en swellen,

Wanneer sy maer een\' tack beleefdelick siet hellen. Die pas haer\' brauwen kuss\', of dreigh het maer te doen: 20 Sy, die daer selver met haer knabbelend gosoen

Haer oevers onderkruypt, en doets\' in \'t end ontlanden I0, En ruyscht\'er hitsigh door, en breeckt haer\' echte banden, En scheidt sich van soo langh, soo langh haer\' lieven loop. En stoft en snorckter op, en paeyt hem met de hoop 25 Van valsche wederkomst, in \'t vleyen van de Neeren Die altijd wentelen, en nemmermeer en keeren.

En strijckt denBoesem uyt 12,en draeyt hem,hoogh, verby: Dan segh ick. Dit ben ïck, onnosel, en dat Sy.

1

niets dan eenc eerzame, onschuldige waterzucht. 2) toovenaves.

2

uitf/eput. 81 draaikolk. 7) do wielingli ni. 8) die hij reeds nis gewonnen

3

golven. 12) verlaat haar „boesom-spoorquot;.

ocr page 232

De Vervoeringh .

Where, like a pillow on a bed.

Daer lagh een\' bolle Banck geswollen onder\'t groen,

Gelijck de kussens doen Ten hoofde van een Bed; en scheen soo hoi geresen. Om \'t hoofden-eind te wesen 5 Van\'t luye Violet zijn hoof\'jen over zij1;

Daer saten lek en Sy;

Sy al mijn heil, ick \'t haer: daer kleefden onse handen,

Gemetselt in de banden Van Balsem als Ciment, die uyt die handen toogh: 10 De stralen die haer oosjh

In \'t mijne, die de mijn\' sterlincks2 in \'t haere sonden,

Vergaerden, als gewonden.

En wederzijds getwernt3 tot eenen doblen draed: Het entende gelaet415 Van die twee handen was het naest van ons vergaren. En \'t nauwste van ons jiaren0.

By die vergaderingh en teelden wy niet meer

Als poppiens7 gins en weer.

Die d\'een des anders oogh onnooselick dé baren. 20 Wie heefter sien verga\'ren

Twee Legers, die het Lot te samen heeft gebracht

In evenwicht van macht.

En in onsekerheit van wijeken of vernielen?

Soo hongen onse Zielen,

25 Soo tusschen haer en my, d\'een\' tegen d\'ander aen Om voordeel uyt gegaen.

Den handel durende8 dien die. twee Zielen dreven,

Lagh sy en ick van laven Lam-lijcks-gelijck0 berooft; elck lagh gelijck hy lagh, 3° Elck sweegh den heelen dagh.

Als yemand, die de Min soo fijn had door-gemalen 10,

Dat hy der zielen talen.

Heel Geest en heel Verstand geworden, heel verstond, Ter rechter wijdde11 stond;

1

\'t luye Violet. 3) stavendet\'tvijs. 4) ffetwijml, gedraaid. 5 gt; gebaar; de boven

2

bedoelde ineenstrengeling. 6) beteekent hétzelfde als \'het naest van ons

3

vergaren. 7) spiegelheejdjes. 8) gedurende dit bedrijf. 9) gelijk een lam

4

(onbewegelijk) lijk. 10; ondertast. 11) op den juistcn afstand.

ocr page 233

223

35 Al werd liy niet gewaer, uyt welcko van die Zielen De lochte woorden vielen,

(Sy dochten beid\' het selfd\', sy spraken beid\' alleens)

Het streckten hem nocht eens Een niew herschepsel1, en hy werder af herboren, 40 Noch fijnder als te voren.

Dit swijmen (seiden wy) des\' opgetogentheit2

Ontwert ons \'t recht bescheid3 _

Van \'twit van onse Min en seght, \'ten is noch Manheit, Noch Vrouwheit die ons an leidt4:

45 Wy sien, wy sagen niet; de wortel van den lust Én was ons noyt bewust.

Maer, na dat /iel en Ziel gemengelt is; uyt leden

Van dingen die haer\' reden5Op ver na niet en vat, soo komt de Min, en brenght 50 De Zielen soo gemenght

In niew\' vermengelingb, en maeckter twee tot eene,

Elck des\', en clck de gene.

Verplant het Violet: sijn\' vorm, sijn\' verw, sijn aerd. Te voren weinigh waerd,

55 Verdobbelt en vermeert: en waer de Min twee Zielen Doet onder een verzielen6,

De gauwe stereker Ziel van beide voortgebracht

Verwint der enck\'len kracht.

Wy dan. des\' niewe Ziel, wy weten van wat stoffen 00 Wy t\'samen zijn getroffen:

En dat bet Eerste klem daer onse groey uyt gaet

Twee Zielen in der daed,

Twee vaste Zielen zijn, die noyt veranderingen En sullen konnen dwingen.

65 Maer hoe gedoogen wy soo langh ons arme Lijven Soo ver van ons te drijven?

En emmers zijn sy ons\', al zijnse juyst niet Wy;

Het Hemel-rond zijn sy,

Wy haren Uemel-geestR: danck hebben sy te wachten 70 Voor dats\' ons by ons9 brachten.

1

liij zou eeno nieuwe herschepping ondergaan (al was hij ook reeds

2

heel geest en heel versland f/eivorden). 2gt; verrtikTciny- 3) geeft ons de

3

Juiste verklaring van het doel onzer liefde. 4) beweegt, doet handelen.

4

5) dor zielen, nl. 6) tot ééne ziel worden. 7) atoom. 8) licliaani eu ziel

5

verhouden zich tot elkander als liet Hemelrond en de Hemel-geest;

6

„Intelligentiaquot;. H. 9) bij elkaar.

ocr page 234

En streckten voor Verhand1, en niet voor schuym of gist,

En leenden ons \'t gewist2Van harer sinnen hulp. Des Hemels Sterre-vloeden3En komen ons niet voeden,

75 Of printen eerst haer self ia \'t ongesiene vocht4Van d\'onder-Maensche Locht:

Een\' Ziel vloeyt in een\' Ziel, schoon dat sy voor dat vloeyen

Een Lichaem kom\' te moeyens Gelijck wy binnen ons gevoelen dat het bloed SO Gestagen arbeyt doet,

Om Geesten nyt te bro\'en, en soecktse \'t hooge makenquot;

Uer Ziel te doen genaken,

Soo ver \'tgenaeckbaer is; om datter sulcken hand Met vingeren, den band,

85 Den onbegrepen band van Ziel en Lijf moet hechten, En soo tot Menschen vlechten.

Soo moet sich \'s Minnaers Ziel van boven nederwaerts

Begeven tot het Aerds Van tastelicken tocht5, van toegenegentheden, 90 Van driften die met Reden,

Maer Sin begrijpen mogh\'8, en slaend\'er handen aen;

Of \'t moet de Ziele gaen Gelijck een\' grooten Vorst, die sonder hulp, in Sloten En mneren light gesloten.

95 Komt dan, komt, keeren wy tot onse Lijven weer; Dat menschen, swack en teer,

Haer\' oogen mogen slaen en oeffenen haer\' sinnen

Op \'t openbare minnen.

\'t Geheime van de Min groeyt Ziel-waert3 in een\' hoeck; 100 Maer \'t Lichaem is haer Boeck.

En isser ergens nu een Minnaer toegetreden

Die des\' gevlochten Reden,

Des\' t\'samen-spraeck van een \'0, van byds11 hebb\' uytgehoort, Hy merck\' noch woord op woord K,

105 Al gaen wy wederom te Ledewaert als voren,

Hy sal niet anders hooren.

1

„Alloyquot;. H. 2) hel meest gewisse. Versta: gaven ons do zokoi\'e,

2

betrouwbare hulp harer zintuigen. 3) invloeden der sterren ; „Intluentiaquot;. H.

3

4) zij dompelen zich eerst in den ether. 5) Versta : doch zij moet om daartoe

4

te geraken de bemiddeling van een lichaam hebben. 6) de verheven

5

enkele. 11) nabij. 12) Hij lette nog eens op woord voor woord.

ocr page 235

Ve Bloesscm.

Little thinkst thou, poore flower.

üntioosel Blommeken, ilaer by ick nu ter wacht Ses seven dagen heb geduldigh toegebracht1,

Om uw\' geboort\' te sien, en ner voor uer het spoeyen

Van \'t onbegrijpigh groeyen;

Tot dat ghy, op den top van desen tack gebracht,

Soo weeld\'righ staet en lacht:

Onnoosel Blommeken, hoe weinigh kont ghy dencken Dat flus een vinnigh vorst uw\' bladeren magh2 krencken, Uw\' bladeren ontdoen3, en brengense ten val.

Of mergen mogclick van yet tot niet met al.

10

•15

Onnoosel Hert, mijn Hert, dat stadigh leght en sweet,

Om hier te nestelen, en hengelt om een\' beet

Van een verboden, of\' verbiedend\'4 Boom te krijgen;

Om of5 by langh bekrijgen.

By langh belegeren, haer onbewegen6 moght

Beswijcken tot een\' bocht7:

Onnoosel Hert, mijn Hert, hoe weinigh kont ghy dencken Hat mergen, eer de Son, ten bedden uyt sal wencken, En roepen d\'Uren op, een\' reis te reisen staet,

Daer ghy en ick de Son moet volgen soose gaet.

20

Maer ghy, die altijd loos en altijd looser zijt

Uw selfs te martelen8, suit seggen, is \'t uw tijd

Van reisen ? \'t roert my niet: hier heb ick mijn bedrijven9.

En moetquot; er hier om blijven:

Ghy gaet om tijd-verdrijf, ghy gaet tot vrienden in.

Tot vrienden, die haer\' min,

Haer\' middelen aen u en uw\' begeerten hangen 1,1, En schaffen al daer oogh en oor na kan verlangen. En tongh en al de rest: hangbt daer uw Lichaem aen: Maer als\'er \'t Lichaem gaet, wat hoeft\'er \'tllert te gaen?

30

15

\' ■ duorjjehraclit. 2) knn. 3) losmaTcoi. 4) weigerachtirt fom aan zijno liotdo te beantwoorden). 5) um te zien of. ti) gei\'oelloosJteid, hahsulorrigheiit, 7) zich laten huigen. 8) in zelfkwelling. 9) zaken. 10) Versta: die alles in het werk zullen stellen, om u te voldoen.

C. HL\'yoens. — I.

ocr page 236

226

T

Wel, waclit dan, en blijft hier: maer weet en weest verdacht,

Na dat ghy \'t uyterste gewaeght hebt en gewacht.

Dat in der Vrouwen oogh een Hert, dat maer gedacht is1,

En sender schijn of\'pracht is2, 15

35 Niet meer en geldt als Geest. En wat sal t teccken zijn,

Daer aen s\' n ken -voor mijn?

Ja sy, sy sender Hert, waer sal sy by vernemen Dat sulcken dingh als ghy zy voor een Hert te nemen? Van ecnigh ander lidt vers:aet sy mogelick yet,

40 Maer, op mijn woord en trouw, een Hert en kent sy niet.

Keert dan naer Londen toe, en komt my daer te moet:

Ghy suit my weder sien veel rustiger gemoedt3,

Veel frisscher, vetter veel, in eene twintigh dagen.

Die \'t manne-volck my sagen,

45 Dan of ick noch soo langh, met u, mijn Hert, met haer, 5 By een gebleven waer.

Weest ghy d\'er oock soo aen J, om Gods wil,kan\'t geschieden,

Mijn\' meeningh is u daer een\' ander\' vriend te bieden.

Die lichtelick soo bly sal wesen mot mijn\' geest,

50 Als and\'re met mijn lijf, en hy oock3 is geweest. ^

Vromcen slandvastiyheit.

Now thou hast loved me one whole day.

Nu dat den heelen dagh nw Hert geweest ia mijn; (

Als \'t mergen over is, wat meent ghy dan te seggen ? 15

Een oude-niewe6 Trouw mijn\' ouder voor te leggen?

Of seggen dat wy \'t volek van gist\'ren niet en zijn?

5 Of dat den Eed uyt vrees pan Liefdes wraeck gesworen ^

Altoos versweerbaer 7 is? of sal ick moeten hooren, 3

Dat even als de Dood den echten band8 ondoet,

Verbinteniss\' van Min (de schaduw van die knoopen9) 20

Ter schaduw\' van de Dood, tot slapens toe, kan knoopen 10 Maer langer niet en birdt? of dat ghy uw\' gemoed ^ ,

Ontlasten moet van trouw, met ontrouw uyt te houwen 10. 3)

wijze.

1) dat niets tasthaars, niets wezenlijks is. 2) Versta: dat geen ver- misha tooning maakt. 3) veel kalmer te -noede. 4) laat het met u ook zoo gesteld 11) aa zijn. 5i Lees en hij ook achter als and\'re. G) Versta: wilt Gij eene zij aa nieuwe trouwbelofte aan oen ander doen doorgaan voor eene oude, j wentel terwijl ik toch oudere rechten op U heb. 7) herroepbaar. 8) huwelijks- , 1-7) ht hand. 9) het schadmvheeld van den echt-knoop. 10) uit te voeren, te begaan, t der hlt;

ocr page 237

227

15

Die voorgenomen was? Maen-suchtighst\'1 aller Vrouwen,

Geboren wispeltuer, al dat versierde Waer2 Kond\' ick verbysteren 3, en al dat ydel praten Bestrijden en verslaen: Maer wil \'t \'er nu by laten, Om of4 ick mergen oock van uw\' gevoelen waer.

10

15

Afscheit, met verbod van treuren.

As vertuous men pass mildly away.

Gelijck de deughdige5 gevoegelickverscheiden, En luysteren haer\' Ziel7, haer lust niet meer te beiden; Dewijl8 de Vrienden staen en seggen in \'t geween, Den adem isser uyt, en and\'re seggen, Neen.

Soo laet ons ruchteloos versmeltende9 vertrecken.

Geen\' tranen-hoogen-vloed, geen\' suchten-storm verwecken, \'t Waer onser Minn\' en Vreughds oniheiligingh begaen Den Leecke-broederen10 haer heil te doen verstaen.

Aerdroeringh 2 kan den mensch verschricken en beschadeu 12, Elck gaet in watse deed, en watse duydt, beladen 13; Het eeuwige gebeef van \'s Hemels ommekeer 14 Was altijd machtiger, en dé noyt yemand seer.

Een\' onder-Maensche15 Min van grove Minnaers herten, (Diens zielsgevoelen, is) die moet het af-zijn smerten. Die doet bet scheiden wee: de re\'en is in de daed 16, Het scheid17 der dingen daer haer wesen in bestaet.

Wy, die ons van soo fijn geslepen Liefde roemen, Dat self wy twijffelen wat\'s is en hoe te noemen, Wy, wederzijds gerust op \'s herten welgeval 18, Ontbeeren lichtelick Lij), Hand, en Oogh, en al.

20

1

verunderlijkste. 2) die verdichte wctayheid, schoogt;i schijnende lofjeiien. 3) ontmaskeren. 4) \'t mocht zijn, dat. 5) dengdzamen. 6) op kalme, bedaarde wijze. 1) en /luisteren hunne ziel toe, dat, enz. 8) terwijl. 9.\' zonder misbaar ons van elkander losmaken. 10) oningewijden, het publiek.

2

aardbeving. 32) benadeelen. 13) Versta: ieder is ongerust over wat zij aanrichtte, of voor het vervolg voorspelt. 14) de trilling van het wentelend hemelratm. 15) aardsche. 10) de oorzaak hiervan is werkelijk. 17) het scheiden, van elkander rukken. \\fS) op de onderlinge toegenegenheid der harten.

ocr page 238

228

Ons een paer Zielen, oen, en maer een\' Ziel le achten\', Of iek vertrecken moet, en voelt sich niet verkrachten: Sy lijden min als breuck, sy werden maer gereekt, Gelijck men \'tsmedigh Goud tot locht van bladen2 treckt;

25 En meent men \'t zijnder twee, sy zijn maer twee te meenen 3, Gelijck een Passer is met tweelingen van beenen: Uw\' Ziel, de vaste voet, al werd sy om^evoert,

Gaet staende voets^en doch roert5 als haer tweelingh roert.

,1a, schoon de vaste voet in \'t middelpunt gepaelt stact, 30 Soo haest als d\'andere wat rtiymer om gehaelt gaet,

Men siet, hy leenter Tiaerquot;, en luystert naer sijn gacn, En, komt sijn gade t\'huys, soo gaet hy weder staen.

Soo zijt ghy tegens my: my, die gestadigh maeyen En, als de losse voet, rontom end en om moet draeyen: 35 Uw\' trouwe stevigheit8 maeskt mijnen omloop wis, En doet my eindigen daer hy begonnen is.

Dn opgaande Son.

Busy old ioole, unruly Sunne.

Oud, besigh Geek, wat mooght ghy ons liggen schijnen Ten bedden uyt door Vensters en Gordijnen?

Moet oock de tijd van Minnaers aen uw rad Gebonden zijn ? School-schijter 0, gaet en vat 5 Leer-kinderen by \'toor en Winckel-slaven:

Doet Hoofsche Wey-luy 10 uyt de bolster11 draven,

En seght de Koiiingh vast naer buyten rijdt:

Gaet roept land-Mieren12 1 p den oogst te schuren,

Lief\'d, haers gelijck alom kent stond noch uren, 10 Noch Dagh, noch Maend, die lappen 14 van den Tijd.

1

1) Versta: Onze gopaardo zielen, dio maar voor ééno ziel te houden zijn. 2) Inchtiyey fijne bidden. 3) sy zijn slechts inzoorer vooi\' twee ; zielen te /muilen. 4) tfitat, draait, \'erwijl zij op hetzelfde punt hl\'jft staan. 5) heweeyt. ti) hij helt er naar over- 7) ontdwalen- 8) statidcastigheid.

9) Versta: iemand die altijd in school is, schoolmeester, schooltiran.

10) jayers. 11) hulster, lefferstede. 12) hoeren. 33) die zich altijd en overal gelijk Mijft. 14) snippers.

ocr page 239

1

229

Hoe mooglit ghy op uw stercke stralen stuyten ? Ick hielse toch, met maer mijn oogh te sluyten, In duystering1, waer \'tdat iele \'t beter licht Soo langh onbeeren kond van Haer gesicht. •15 Soo noch uw oogh niet blind en is van \'t Haere, Gaet siet of Indien sijn\' gulden Waere.

Sijn\' Specerye noch besit. Ick wed,

Taeït\'- niergen avond hier naer all\' die schatten, Ghy sultse my ten vollen sien bevatten, 20 Eesitten en quot;beleggen3 in dit bed.

Sy \'s alle Staten, ick ben alle Heeren;

Geen ander dingh en is: die \'tal beheeren.

Die spelen ons4: all\' Eer is by ons\' Eer Comedi-werck: all\' overvloed niet meer Dan Alchimy. Ghy Son, in dit verkleenen.

Van \'s Werelds groot, deelt half \'t geluek met eenen5

U dientquot; voortaen gemaek van ouderdom:

Schijnt hier, ghy suit soo veel als alom blaken7. En warmen \'t al, ghy kont dit bedde maken Uw middel-punt, des\' muren uw rond-om8.

30

Vaghcraet.

\'t Is true, \'t is day; what though it be ?

\'t Is waer, de Dagh is op; wat isser aen bedreven»?

Wilt ghy daer oock om op, en \'t bed en my begeven? Wat hehben wy alleen om \'s Lichts wil op te staen. Die om den Doncker niet te bed en zijn gegaen ? De Min, die ons, in spijt des Duysters, hier vergaerde, Behoorden ons, spijt Licht, te houden daer s\' ons paerde.

Het licht en heeft geen\' Tongh,\'t en is maer Oogh, en stom,• En off al rond om sprak, gelijck het siet rond om.

Al dat het hier voor my voor \'t arghste konde seggen ,0,

ocr page 240

230

lu Waer, dat ick, wel gelcghtgeern wilde blijven leggen, Kn dat ick soo mijn Ilert en sno mijn Eertjen acht, Dat ick hem niet quot;vcrlaet die beid\' heeft in sijn\' macht.

Is \'t Besigheit alleen die u verbiedt te toeven ?

Oh, dats\' het snoodste Zeerdat m\'in de Min kan proeven: 15 Een leelick, een beroyt, een valsch mensch lijdt1 de Min, Ben besigen alleen en laet sy nergens in:

Wie Besigheit en Min wil t\'samen doen geityen,

Doet even soo veel quaeds als Echte Luy die vryen.

Godheit der Minne.

I long to talke with some old lovers Ghost.

My luste wel wat praets met een oud Minnaers Geest, Gestorven eer de God der Minne was geboren;

Men sou van hem nie: hooren Dat eenigh Minnaer doe vervallen zy geweest 5 Tot ernstigh minnens toe2, van die hem kon verachten. Maer nu dat dese God een Lot3, des Noodlots krachten Gelijck, geschapen heeft, en\'- neemt Gewoont te baet, Soo moet ick met geweld beminnen die m}4 haet.

Gewiss\'liek, die hem eerst verhieven tot een\' God, 10 En namen t noyt soo hooghT: Hy selver, in de sotheit Van d\'eerst-gemaeckte Godheitquot;.

En reickte noyt soo wijd: sijn ampt en was maer, \'t slot Van Hert op Hert, in doen en lyden, wel te voegen;

Daer twee, gelijck geraeckt, gelijcken brand verdroegen11; lü Sijn doen10 was\'t onderlingh11.\'tEn is geen\'Min die staet\'quot;. Ofquot; eene my bemint, soo Jangh als ickse haet.

Maer yeder kleine God reckt hedensdaeghs sijn\' macht Soo wquot;yd als Jupiters: de raserny quot;, \'t begeeren, \'t Beschrijven I5, prijsen, eeren,

20 Schijnt al in \'t vry gesagh des Minnen-Gods gebracht.

1

onderwerp: God; voorwerp. 6) Vu. aan: hij- 7) meenden hvt zoo ernstig

2

niet. 8) in den roes van den pas verkregen goddelijken rang. 9) Zijn

3

ambt bestond slechts hierin; te zorgen dat, waar twee harten, tezolfder

4

bracht, dat het eene gaarne duldde, wat het andere wilde. 10) bedrijf,

ocr page 241

231

Och of van dit geweld1 ons oogcn open borsten,

En yry \'t vergode Kind van niews ontgoden dorsten ! \'t En waer 2 geen\' doenlieke, geen denckelicke daed, Dat ick se met geweld beminde die my haet.

2ü Godloose muyter-geest3, wat legh ick my en plaegli, Als dede my\' de Min het aller arglist gevoelen ?

Sy moght my doen verkoelen4;

Sy moght bemiddelen, dat ikse mijne sagh,

Die\'nu eens anders is, (dat waren arger plagen) 30 En doen my tegen meugh5 haer\' ontrouw sien en dragen. Van Valsheit en van Haet is d\'eerste \'t grootste quaed; Valsch waer sy, soose my nu minde, die my haet.

De Dood-gift.

When I dyed last, and, Deare, I dye.

Het lestequot; dat ick siierf, en, liefste Lief, ick sterv\' Soo dickmael als ick ga, en uwquot; gedaente dcrv\'.

Al is \'t een volle uer van doe tot nu geleden, En Minnaers uren zijn volkomen eewigheden, 5 Soo heught my dat ick sprack, en liet aen yemand yet\'. Schoon dan ick ben nu dood, die doe mijn selven liet. En schonck mijn selven wegh; noch staet my toe by desen Volvoerer van de Gift, en self de Gift te wesen. Ick hoorde dat ick se}\'quot;; Gaet seght haer aen terstond, lü Dat Ick, en dat zijt\'Ghy8, mijn selven heb verwondt. Mijn selven omgebracht, en, soo ick gingh ontleven s. Belast\' ick my lu mijn Hert ter Dood-gift u te geven: Maer, oh, ick vond\'er geen, al scheurd\'ick mijn geraemt. En socht door d\'oude plaets die \'t Hert is toegeraemt 11. 15 Dat moorde my van niews, dat, die n sonder liegen In \'t leven had gedient, in \'t sterven most bedriegen.

Yet vond ick evenwel dat schier een Hert geleeck, Yet hoeckighs, yet geverwts, yet dat niet goed en leeck, Yet dat niet quaed en was, yet dat voor niemand heel was, 20 Yet dat, benevens u, aen weinige te deel was,

1

dwinglandij. 2\' dan zou het.. . zijn. 3) dio ik ben, nl. 4) ongevoelig

2

waken voor de liefde. 5) mijns ondanks; vgl. tegen heug en meug. 6)^den

3

laatsten keer. 7) egt;t aan iemand iets naliet. 8) omdat de minnaar één is

4

met zijne geliefde, nl. 9) sterven. 10) droeg ik mij zeiven op (als laatste

5

wil). 11) Versta: die, naar men meent, door \'t hart wordt ingenomen

ocr page 242

232

Yet konstighs, yet soo goed als konst het maken kost: Soo meenden ick \'t verlies dat ick vergelden 1 most Te boeten met dit Hert, en doen \'t n toebehooren:

Maer, oh, \'ten kost niet zijn, \'twas uw al lang te voren.

Goede Vrydagh. Rijdende Westwaert.

Let mens soule be a spheare, and then in this.

De Ziel des menschen zy gelijck een Hemel-hol, Gods-dienstigheit, de Geest daer door sy roer\' en roll\': Soo wedervaert dien Bol, dat d\'ander\'-\' in haer\' wegen Gestadigh wedervaert, dien \'t strijdige bewegen 5 Van and\'re soo verruekt2, soo slingert alle daegh. Dat schier haer eigen loop verloren loopt of traegh En nauwelieks in \'tjaer ten einde werdt voltogen, Soo werdt de Ziel van Lust, soo werdt sy mis bewogen3Vim Besigheits gesnor, als vaer\'t haer oppertochtc. 10 Soo raeck ick desen dagh ten Westen wech gebroeht. Ten Westen averechts\', dewijl ick in \'t vertrecken Mijn\' eigen Zielen-tocht» ten quot;Oosten aen voel recken a: Ten Oosten, daer van daegh een\' Son in\'t rijsen daelt 4, En dalende den Dagh, Dagh sonder eind 5, ophaelt. 15 Waer niet de Son aen \'t Kruys geresen en gevallen. De Son 12 had eewigh jSTacht gehouden over alien. Nochtans\'t verheught my schier, dat, ver van mijn gesicht, \'t Gesicht13 gebleven zy van my te swaren wicht 14. Die Godes aenschijn siet, die \'t Leven is, moet sterven: 20 Wat sterven waer het, God het leven te sien derven? Daer ysde de Natuer, Gods Stedehouster, af;

Daer brack sijn Voet-banckquot;\'voor, dat viel deSon te straf En kost ick nagelen sien drijven door de handen,

Die \'t Noord enZuyder-punt b\'ereicken,daerSy\'t spanden

1

1

herstellen, goed maken. 2) nl. hemelbollen. 3) Versta: die door de

2

gerukt worden. 4) Versta: dat hare oigen beweging gestuit of althans

3

yrond, drijfveer. 7) verkeerdelijk. 8- zielsdrift, \'i) spoeden, J.0) De zon is

4

1(11 die zich verduisterde, nl. gt;7) Versta; die do beide homelpolou kunnen

5

bespannen

ocr page 243

233

25

En geven met een\' draey elck Hem el-rond sijn\' tooni? Kost ick vernedert sien \'t oneindigh hoogli en schoon, Vernedert onder ons; ons boven, ons beneden\'-?

Kost ick het diere Bloed sien storten, sien bekneden Van stof tot^ slijck ? het Bloed daer alle Ziel in leeft. Tot Sijn\' toe 3 ? Kost ick \'t Vleesch dat God gedragen heeft, Gedragen als sijn kleed, onternt4 sien en gereten ? En schrickt\' ick dat te sien, hoe dorst ick sien en weten, Hoe sy5 te moede was, die deel had in dit doen. En leverde met God de helft in \'s Menschen soen ? Maer, of all\' \'t heiligh doenö soo ver is van mijn\'oogen. \'t Staet mijn\' gedachten by, die \'t mijn gedenckcn toogen 7, Dat stadigh derwaerts siet, gelijck ghy van dat Hout Gestadigh, Heer, uw oogh, genadigh op my houdt. Nu keer ick u den rugh; maer \'tis om geesselingen8: Tot dat genad\' uw\' hand en geessel sal bedwingen: O, straft, en lijdt9 dat ick uw\'r gramschap waerdigh zy: Brandt my \'t verroesten 10 uyt, en recht het scheef in my: In my herschept uw beeld tot dat ghy \'t soo ghy \'t kenden 11, In my herkent: en dan sal ick u \'t aensicht wenden.

30

1) Denk aan de harmonie der spheren. 2) wat boven en wat beneden ons is (ons Zenith en ons Nadir; God nl.) 3) Versta: het bloed, waaraan alle zielen, behalve zijne eigene, het leven der genade ontleenen. 4; onttorud, gerafeld. 5) Maria. 6) ver richt in g (van Christus\' dood nl.) 1) aan mijn herinnering toonen. 8) nl. te ontvangen. 9) sta toe. 10) het verroeste, zondige. 11) zooals Gij het vroeger in mij kendet.

[De lezer, die \'t geduld heeft gehad, Donnés verzen ten einde toe te doorlezen, zal \'t met Taine bejammeren moeten, dat een zoo bijtend hekeldichter, met een zoo puntige en treffende verbeelding, en die hier en daar zelfs nog iets van de kracht en de trilling eener oorspronkelijke bezieling bewaard heeft, al zijn gaven zoo opzettelijk verspilt en verknoeit, tot hij er, met de uiterste inspanning, toe komt, om louter onzin voort te brengen. Bij \'t lezen van zijn verzen, zou men zich twintig en meermalen voor \'t hoofd willen slaan, en met verbazing afvragen, hoe er iemand toe gekomen is, zich en zijn stijl zoo te verwringen en te verdraayen, het spitsvondige nog spitsvondige!* te maken, en zulke dolzinnige vergelijkingen uit te denken, \'t Was de geest van den tijd, die zijn best deed, om vernuftige ongerijmdheden te zeggen. Ook Malherbe in Frankrijk, ook in Spanje en Italië dichtte men zoo, en wist dit toppunt van dwaasheid in .Sonnetten-vorm vooral te bereiken. (Ilistoire de la Littérature Anglaise I, p. 377). Geen wonder dus, dat ook Huygens aan dien tijdgeest offerde, en gelukkig, dat hij zelf er elders zoo weinig mee besmet is. V. VI.J

1

ocr page 244

YET O VERGES E TT S.

VOOH-MANIN GllK

Neemt men de ruymte2 in \'t Oversetten, soo kan de waerheit niet vry van geweld gaen: Staet men scherp op de woorden3, soo verdwijnt de geest van de nytspraeck4. Vinden ivy dit ivaer in den ongebonden Stijl, wat kan men van vertaelde Dichten hopen, die geene verstandige sidlen ontkennen5 het derdendeel van hare waerde den aerd van schrijven schuldigh te zijn ? Nochtans, Les er, gewent u eens aen den ongewoonen sleur6 van der Italianen Thooneel-Stijl ende helpt my overleggen, of niet* ingeval van vertalinge, de se meest rijmeloose regelen, onder meesterlicker s handen dan de mijne geraeckt, den minsten afbreuck van aerd ende van waerheit lijden souden. lek ben te vreden geweest9, als eerste Hoofdketter in desen, den eersten stoot van de oordeelenuyt testaen. Doch soo verre ben ick van die™ \'t mijnen voordeele te willen afbedelen, dat ick oock de al te gunstige Rechters voor mijn eigen tegenspreken niet en derve versekeren, op den grond die ick boven aengewesen hebbe. Want, sonder ons te vleyen, zijn de vertalingen van fraeye Schriften veel meer als schaduwen van schoone lichamen 9 ende zijn die niet menighmael de ongelijckste, de slimste ll, de mismaecktste ?

Difficile est alienas lineas insequentem non alicubi excedere; arduum, ut, quie aliena lingua bene dicta sunt, eundera decorem in translatione conservent. Significatum est aliquid verbi proprietate? non habeo meum quo id efferam; amp; dum qurcro implere sententiam longo ambitu, vix brevis vice spatia consummo. Accedunt hyperbatoram anfractus, dissimilitudines casuum, varietates figurarum: ipsum postremb suum, amp;, ut ita dicam, vernaculum linguaï genus. Si ad verbum interpretor, absurde resonat, si ob necessitate.n aliquid in ordine amp; in sermone mutavero, ab interpretis videbor officio recessisse. Hieronym. Presb. praefat. in Chron. Eusebii.

1) Onder dezen titel gaf H. in zijne Otia (1025) eerstvolgende beide brokken uit den Pastor Fido uit. 2) vrijheid van beweging. 3) houdt men zich strikt aan do woorden (vertaalt men woordelijk). 4) de kracht van de zegswijze. 5) Latinismus: waarvan geen deskundige zal ontkennen, dat zij, enz. 6) trant. 7; die van \'t Herders]:el is bedoeld. 8) bekwamer. 9) vgl. Hgd Ich bin es zufrieden gewesen — ik heb erin toegestemd. In plaats van deze uitdrukking volgde in de uitgave van 1625 : Soo weinigh moghen ze u mishagen, die de hand aen dese uytheemsche reyen geslagen hebben, ende schier of naer eens den heelen Herder do Hoilandsche huyck om sullen hangen, wanneer eenighe jonghe Letter-luyden ghedooghen sullen, haer goud onder mijn koper gesmolten te worden. Vooreerst was het redelick, dat ick, eerste hoofdkettor, enz. 10} oordeelen nl. 11) scheefste, meest onjuiste.

ocr page 245

Uyt deu Tromven Herder 1

Van

B A T T 1 S T A G U A R I N 12,

Eerste bedrijv, Tweede uytkomst.

MIRTILLO. ERGASTO.

Mill-Wrang\' Amaril, die selver met het bitter Van uwen naem leert bitterlick beminnen3;

O Amaril veel blancUer en veel schooner Dan heldere Liguster4;

5 Maer doover en voorvluchtiger en feller Dan self de doove 5 Slangh is;

Misdoen ick u met spreken,

Mijn hert sal swijgend\' breken.

Maer \'thoogh\' en \'t laege land sal voor nn- schreewen, 10 Soo 0 sullen dese bossehen,

Die \'ck uwen schoonen name Soo dickmaels leere melden:

In \'t weenen der fonteinen,

In \'t ruysschen van de winden 15 Suit ghy mijn\' treuringh7 vinden.

De deernis en het pijnen8 Sal in mijn aensitht spreken.

Ja, word\' het alle stom, ten langen lesten Sal noch mijn sterven schelden9,

20 En mijne dood sal u mijn\' smerte melden.

1

Pastor /((/o, in navolging van Tasso\'s Aminta godiclit en in 1585 het eerst te Turijn opgevoerd. 2) Geb. 1537; gest. 1612 3) Deze regels

2

bevatten eone woordspeling op den naam Amaril, die in \'t Italiaansrli beter uitkomt; hitter luidt daar amaro en bentinnen is amare. 4) keelkruid;

3

oen bekende heester. 5) de slang werd voor doof gehouden, omdat men

4

bare ooren niet bemerkt. 6.\' datzelfde, nl. schreeuwen. 7) klaagtonen.

5

kommer eu lijden. 9) Inide roepen.

ocr page 246

Erg.Mirtil, de Min was oyt1 een\' felle quellingh;

Maer meer2, hoe meer besloten:

Want van den toom der woorden 3,

T)aer raed\' een\' Minnaers tongh wordt ingebonden, 25 Gewint sy kracht en sterekte.

En is gevangen feller dan ontbonden.

Ghy hoort4 my d\'oorsaeck dan van uw\' ontsteken5Soo lange niet te hebben achterhouden,

Bic my de vlamme self niet kondt verbergen. 30 Hoe mênighmael heb ick geseght, Myrtil brandt, Maer hy gaet svvijgen, en sijn vier verteert hem.

Mirt. Ick heb my selfs misdaen0 om haer te schoonen7, Beleefd\' Ergast\', en ick bleef noch in \'tswijgen,

Maer de noodsaecklickheid is \'t die my stout maeckt, 35 \'k Hoor een gerucht van aller zijden momp\'len Dat my door d\'ooren heen tot in het hert slaet. Van Amaryllis haest-aenstaende Bruyloft;

Maer wie dat daer afs spreeckt. swijght al de reste, En ick en derv niet dieper onderscecken,

40 Niet min om achterdenck a van my te weeren,

Als om niet waer te vinden \'t gen\' ick vreese; Ick weet, en laet my niet van min bedriegen, Dat my mijn\' arm onwaerdigheid niet toe laet Te hopen dat my oyt tot een\'gen tijde 45 Soo schoonen Nymph, soo geestigh en soo aerdigh, Soo Goddelick van bloed, van geest, van aensicht, Ter echtelicker Trouw verbonden werde.

Ick ken seer wel den inhoud van mijn\' sterre lu: \'k 3en tot de vlam gemaeckt, en alleen waerdigh 50 Om haer te branden, niet van \'iaer te nutten.

Maer is het soo bestelt in \'s Hemels voor-raed 11, Dat ick mijn\' Dood K, en niet mijn leven minne, \'kWaei\' wel ter Dood bereidt, soo sy maer wilde, Als oorsaeck van mijn dood, mijn\' dood begnaden 13, 55 En my bewaerdighde met haer\' schoon\' oogen, En maer en seide. Sterft, op \'t laetste snehten.

1

altijd. 2) feller. 3) spvaaTcbreidel. 4) be/ioordet. 5) in liefdegloed, nl.

2

6) ik heb jegens mij zelf inisdi\'ci\'eii. 7\' sparen, niet te krenlxen. 8) daar

3

van. 9) achterdocht, verdenhing. 10; de heteeJcents van mijn gesternte,

4

mijn noodlot. 11) voorbeschikking. 12) de oorzaak r. mijn dood. Amaril.

5

I.\'ii Versta: zoo zij mij in mijn dood maar {jenadli; wilde zijn en mij

ocr page 247

Ick wilde dat sy my, eer dat haer bruyloft Een ander ga voor my geluckigh maken,

Maer eens en hoorde. Nu, soo ghy my lief hebt,

öO Oft met my deernis hebt, beleefd\' Ergasto,

Stelt u te werek om my daer toe te helpen.

Enj- Dat \'seen gerechte1 wensch, en slechte looningh1 Voor een die sterven gaet; maer swaer om krijgen. Sy waerd\'er qualick aen, soo oyt haer Vader 135 Quam\' to vernemen dat sy d\'oor\' geneight had Tot eenigh steels-gewijs versoeck, oft dat sy Des 2 voor haer\' Schoonvader den Triester vuyl viel\' Daerom is \'tmog\'lick dat sy van u verloopt3,

En mog\'lick heeft s\' u lief \'en derft \'t niet thoonen: quot;0 Een\' vrouw is wel in hare lusten brooser 6 Dan wy, maer in \'t bedeck van lusten looser.

En of \'t al waer waer\' dat sy u beminde,

quot;Wat kond sy anders doen dan voor u vlieden?

Hy luystert te vergeefs die niet kan helpen: 75 Hy vlucht medoogentlick, die mot sijn stil staen Een ander quellen souw: en hy doet wijslick.

Die spoedigh los laet dat hy niet kan houden.

Mirt. Of7 dat waerachtigh waer\',quot;of ick \'t geloofde,

Geluckigh mijn verdriet, en liev\' mijn\' quellingh! 80 Soo zy den llemel uw beschut, Ergasto8,

Verswijght my niet wat Herder onder ons is Soo grooten sterren-vriend8 en soo geluckigh ?

Erg. Hebt ghy geen\' kennis aen den jongen Silvio,

Montanos eigen Zoon, Dianas Priester,

85 Dien Herder hu3\'dendaeglis soo rijck, soo ruchtigh 10 ? Dien fraeyen Jongelingh? die is bet selver.

Geluckigh Jongelingh, die uw geluck-lot In soo onrijpen ouderdom soo rijp vindt !

\'k Benijd\' u \'t uwe niet, maer kïaeg\' van \'t mijne quot;. OOErg.Ghy mooght het hem oock seker niet benijden.

Want hy veel deernis meer dan nijds verdient heeft. Mirt.En waerom deernis? Ekg. Want hy haer niet lief heeft. Mill En leeft hy oock, en heeft hy hert\' en oogen ?

Hoewel soo\'ckt recht aensehouwe r2,

1

billijke. 2) yeviuij loon, f/uiislhewijs- 3) deswege- 4) schuldig hevonden

2

8) De beteekenis van dergelijke wenschen is eigenlijk: Ik zal den Hemel

3

der sterren. 10) befaamd. 11) over mijn lot. 12) beschouw.

ocr page 248

238

95 Ilaer schiet geen\' vlam meer over,

Voor eenigh ander hert, sints sy op \'t mijne Uyt die twee schoone oogen Al \'t vier verademt1 heeft, en all\' haer\' liefde.

Maer waerom doch sulck een juweel gegeven 100 Aan die het niet en kent, aen die \'t verwaerloost ?

Erij. Om dat den Hemel ons met dat versam\'len !

Arcadias heil belooft; hebt ghy geen\' konnis Hoe alle jare hier aen ons\' Goddinne d\'Ellendige 2, do doodelicke sohat-schuld3105 Van oener Nimph onnoosol bloed betaolt wordt?

J[ir(.\'t Zijn niewe tijdingen die \'k noyt en hoorde;

Oock ben ick niewelingh in des\' gewesten,

En altijd meest geweest een bos-bewoonder,

Golijek \'t do Min, gelijck \'t mijn\' Lot begeert heeft. HO Maer wat voor sonde is \'t oock5 die dit verdient heeft?

Hoe gaert een God\'lick hert soo hoogen gramschap? Enj. Ick sal u \'t heel\' verhael van ons\' ellenden

Dat uyt de Eicken schorsch, \'k laet staon de menschcn, Modoogen en boklagh sonw komen trecken 113 Van voren af ten einde toe vertrecken0.

In d\'oude eewen, als des Tempels sorge En \'t Heiligh Priester-ampt den jonsen Priestor\'n,

Gelijck als nu, noch niet was toegelaten,

Quam een e\'el herder-knecht, genaemt Aminta,

120 Doe\' Priester, oen\' Lucrina te beminnen.

Een\' wonderschoone Nimph en wonder geostigh,

Maer wonder trouweloos, en wonder ydel.

Langh had sy aengenaem R, oft emmers 3 thoonde \'t Met haer geveinsde trouweloose wesen 125 De suyv\'re Min des Herders hares Minnaers.

Ja voed\' hom, armen knecht, met valsche hope Soo langh als hy geen\' Min-genooten hadde;

Maer niet soo haest (siet doch. \'t ontstadigh Meisken) Had haer een Boeren-Herder-jool 11 bekeken,

130 Sij\'nquot; weeck voor \'t eerst\' gesicht, voor \'t eerste such ten, En gaf sich heel de niewe Mm ten besten,

Eer emmer Minne-nijd Amint\' in \'t hert viel Beklagens waerd\' Aminta, die sy zedert

1

uitgeademd, uitgestort. 2) vergaren, in den echt, nl. 3) jammerlijke.

2

0) althans 10) genoot in hare min, mededinger. 11) j\'io/. kinkol, lummel.

3

12) of zij. 13) Versta: alvorens Amiuta er aaa dacht jaloersch to worden.

ocr page 249

239

Vlod\' en verachte, sender dat de boose1135 Hem emmer hooren meer oft aensien wilde.

Of de bloed\' suc.hten gingb, en of hy weende Bedenckt dat ghy, die \'t Minnen by de proef2 kent. Oh! dat \'s de grootste pijn van alle pijnen.

Maer hoe by oock met sijn verloren herte 140 Sijn suchten en sijn klagen had verloren1,

Bad hy Diana aen: Diana, seid hy.

Heb iek u oyt met onbevleckter handen.

Met een onnoosel3 hert een vier doen branden,

AVreeckt ghy mijn\' trouw, mijn\' trouwe bij de trouwe6 145 Van een\' schoon\' trouweloose Nimph verraden.

Diana hoorde na de smeeck-gebeden Des Trouwen Herders haers beminde Priesters:

Soo dat, de toorn opblasende\', \'t medoogen De vinnigheid ontstack: die haer ded\' nemen 150 Haer\' hard gepeesden I5oogh, en schielick schieten Onsichtbaerlick\' maer doodelicke pijlen In \'t midden van \'t ellendige Arcadien.

Daer stierven sonder hulp, en sonder deernis De menschen heen van alle soort8 en ouder0; 155 De baet10 was bateloos, de vlucht ontijdigh.

De konsten sonder nut; en in \'t genesen Viel menighmacl de Meester voor quot; den sieckcn.

Daer bleef alleen een\' hoop in all\' d\'ellende Van \'s Hemels hulp la. Soo werdt\'er stracks gesonden 160 ()m troostelick bescheed 13 aen \'t naest Orakel;

Daer quam een\' antwoord af, goed om begrijpen,

Maer schrickelick en doodlick boven maten;

Dat Cinthiaquot; gestoort was, en alleenlick Te paeyen sonde zijn, indien Lucrina,

165 d\'Ontrouwe Nimph, oft voor haer yemand anders Van onse volck, en door Amintas quot;handen Aen de Goddin ten offer werd\' gegeven.

Lucrina dan, na langh-vergeefsche klachten Werd, als een droevige slacht-offer, henen 170 Met groot gevolgh geleidt na \'t hooge Autaer;

Daer viel S}\' voor den voet, voet hares Minnaers,

1

de snoode (Lucrina). 2) de hals (Aminta). 3) ervarinff. 4) veryeefs

2

7) abl. :ibsol 8) hier kunne 9) ouderdom; ligd. alter. 10) geneesmid

3

13) uitkomst. 11) Diana.

ocr page 250

240

215

Voet die huer soo vergeefs soo langh gevolght had;

llaer boogh sy bevende de swacke knijen,

En wachte maer de dood van sijne v.-reedheid.

175 Aminta onverzaeght trock \'t heiligh swaerd uyt:

Van buyten scheen \'t aen sijn\' ontsteken1 lippen,

Hy stack vol toovn en wraeck2; Daer mede sjjrack by, Tot haer gewendt, en met een veegb3 versuebten,

Lucrina, leert uyt uw\' ellend\' wat Minnaer ISO Gby hebt gevolght, en wien ghy hebt verlaten,

Leert bet uyt desen slagh: met dese woorden Treft\'4 hy sieh selfs; en berghden in sijn borste Het beele swaerd, en viel basr in de armen Gelijck als 5 offerband en Priester t\'samen.

1S5 Op een soo niew\' soo schriekelicken schouwspel Versonck de armo Maeghd in diepe flauwte.

Half dood half levendigh, en qualick sekerquot;

Of haer de pijn of\'t swaerd doorsteken hadde.

Maer soo sy eerst stem en gevoelen weer kreegh,

•100 Sprack sy al klagende. Trouw\', kloeck\' Aminta,

ü al te laet voor my bekende 7 Minnaer,

Die met u dood my leven doet en sterven.

Verliet ick u met schuld, siet ick betaelse Met eewighlick mijn\' ziel aen d\'uw\' te voegen;

195 Soo met dat woord trock sy den selven degen, 0„.

Die vau het lieve bloed noch laeuw en rood was,

Uyt \'t dood\' en al te laet beminde lichaem.

En priemde \'t in haer\' borst, en liet sich vallen Recht op Aminta, die noch (|ualick dood was,

200 En mog\'lick in sijn\' Arm den stuyt8 gevoelde.

Sulck was haer\' beider end, tot siilcken ende Bracht haer te grooten Min, te grooten ontrouw.

Mirl. Ellendigh Herder-knecht, maer oock geluckigh.

Die soo wijd-ruchtigen veld 0 had genoten 205 Tot sijner trouwen blijck 10; en om \'t medoogen In yemands hert met sijn\' dood te doen leven.

Maer wat geviel 11 van d\'u ^tgesieckte Menschen ?

Werd\' Cynthia gepaeyt, nam \'t quaet een ende ?

Erg. Haer toorn verflauwde wel, maer gingh niet over.

210 Want \'t naeste jaer, schiev in de selve maenden

230

240

245

1

toorniye. 2) dat hij vol toorn tn wraak stak, 3) laatste. 4) trof, door

2

stak. 5) (even)als. 6) nauwelijks bewust. 7) van mij erkende. 8) schok. 9) wijd-

3

befaamd tooneel. 10J om zijne trouw te doen blijken. 11) hoe ging het met.

ocr page 251

241

215

Verbitterde1 den haet met eenen inval-Veel üngemutelicker dan te voren;

Soo dat men weer \'t Orakel gingh beraden,

En kreegh daer antwoord af veel droeffeliekor Veel wreeder noch dan d\'eerste was gegeven.

Dat men, soo dan, als voorders alle jaren2,

Een\' Vrouw oft Maeglid voor de Goddin sou slachten. Die vijfthien jaren oud, en nemmer boven ^ Pe twintigh waer\', op dat het bloed van eene Den toorn versloegh\'3 die velen toebereidt was.

Noch werd\' het Vrouw-geslacht een\' al te wreede.

En soo ghy haren aerd wilt recht bemercken, Een\' Onbetrachtelickes wet gegeven;

Een\' wet in bloed geschreven: Dat van doen af —O Wat Vrouw oft Maeghd in d\'een\' manier oft d\'ander Dor Minnen-trouw vervalschten« oft bevleckte, Soo niemand voor haer stierf, self tot het sterven Gansch onvergevelick\' verwesen werde;

Soo hoopt dan nu den goeden ouden Vader Van onse swaer\' en grouwelicke plagen In dese Bruyloft-feest het end te vinden;

Want weinigh tijds daer aen, \'t Orakel, zijnde Van niews gevraeght wat ende toch den Hemel Van onse swarigheit8 voorschrevens hadde,

Voorseide \'t recht10 in dese selve woorden:

GJiy suit ff een ende sien van uwe qualen,

Voor dat de Min twee llemel-spruyten11 trouwe,

En d\'oude schuld van een\' ontrouwe\', vrouwe Eens Trouwen Herders trouw sal sien betalen.

Nu in Arcadien zijn t\'onser dagen Geen\' rancken meer van Hemelieke wortel,

Dan Amaril en Silvio, want d\'eene Van Hercules, en d\'ander komt van Pan af;

En noyt en hadden wy, gelijck daer nu zijn.

Door onse onachtsaemheid een\' Man en Vrouwe Van d\'een en d\'ander\' tack; daerom Montano Met groote reden wel daer van magh hopen 13;

230

233

240

245

1

werd de haat bitterder. 2) instorting, nieuwe aanval. 3) zoowel nu,

2

werd aan haar gezworen liefde. 7) zotuier genade. 8) ramp. 9) voorbe-

3

schikt. 10) precies. 11) telgen van goddelijke afkomst. 12) dit moet

ocr page 252

242

Kn hoewel voor als noch op \'t gen\' den Homol Geantwoordt heeft noch niet met al gevolght is, 230 Soo is doch dit de grond; de rest light voorders Verborgen in de grondeloose diepte,

Om eens de vrucht te zijn van dese Bruyloft. Mirt. O aller ghy ellendighste Mirtillo!

Soo menige bestrijders,

255 Soo menigh oorloghs-wapen Op een Hert dat gaet sterven?

En was niet, sonder \'t noodlot,

De Min genoegh gewapent t\' mijner straffe ? Erg. De wreede min, Mirtillo,

265

30

270

Wordt wel gevoedt, maer ncmmermeer versadight. Met tranen en met pijnen.

Komt, gaen wy, iek belov\' u,

\'kSal all\' mijn rriaelit gebruycken.

Dat u de schoone Nimph van daegh gehoor gev\'; Leeft ghy te wijl in ruste.

Die suchten en dat klagen Zijn niet, na uw behagen\',

Verkoelingen des herten,

Het zijn veel eer onstuyme Winde-vlagen Die uwen brand met niewe Minne-smerten Ontsteken doen, en terten1,

lö

20

En meestendeel op \'s Minnaers hoofd beruyen3 Wt woleken van verdriet veel\' tranen-buyen.

35

260

Rey van \'t eerste Bedrijv.

Wet, groote Wet, in Jnpiters voorsinnen» m Geschreven, ja geboren: i

Diens 5 soete dwangh en l-\'efielick verkrachten lt; Al dat geschapen is met Ziel en sinnen »

Vervoert, en doet bekoren6 lt;

Met \'tgen\' het niet en kent, en daer na trachten;\' Wet, groote Wet, diens machten »,

Niet dat alleen het gen\' wy met het vlieten -Der ueren sien vernieten\', —

40

Een\' broose schorsch 8, maer \'t innerliek bestieren — Van oorsaecks kettingen doet gaen en swieren; _

10

1

51 Wier. 6) bel-oont worden vu». 7) te niet gann. 8\'i het lichaam, nl

ocr page 253

1

243

Gaet dese Wereld groot1, sien wijse baren Soo vreemden wonderheden;

Leeft daer een ^eest die met sijn krachtigh leven 15 quot;Wat Son en Maen beringht2 en sterre-scharen Van boven tot beneden

Sijns selven deeligh3 maeckt, en mé doet leven; Word \'tleven ons gegeven;

Genieten \'tkruyderen, genieten \'t Dieren,

20 Siet d\'Aerde sicli vergieren,

Siets\' oock somtijds liaer\' kalen kop verromplen4, Al wat des Hemels onverwert verwerren5Op \'s Menschen hooft doet dalen,

Daer van de naem hier onder is gesproten 25 Van bly\', van droevige, van wreede sterren,

Daer in ons\' levens palen6,

Daer in ons\' stervens uer is afgesloten.

Al dat het hert verdroten,

Al dat het leven maeckt gerust van sinne, 30 Al dat de Luck-Goddinne

Doet, geeft en neemt, na \'s Werelds blind gelooven, Is al alleen uyt uwe kracht van boven. Waerachtigh, onvermijdelick voorseggen 7,

Indien \'tin uw beleid8 is,

35 Dat oyt Arcadien, na soo veel\' wonden In Vrede-rust herlevende sal leggen,

Soo \'t gen\' ons voorgeseit is Door ons\' Orakelen beroemde monden 9 Van u is afgesonden,

40 Voeght .ghy in uw ongrondelick believen Twee noodelotsche10 lieven,

En hebben ons haer\' stemmen niet belogen. Wie stuyt\'er d\'uytkomst noch van uw vermogen? Hier leeft een knecht, die aller medelijden, 45 Die aller minnen rouw 11 is.

Die van den Hemel komt en strijdt\'er tegen vi;

Hier sien wy weer een* ander\' \'t hert bestrijden Dat hy vergeefs getrouw is.

ikking-am, nl

■

1

zwanyer, 2) omTcreitsl. 3) deelachtig. 4) rimpelen. In \'t Ital.

2

staat juister: haar ruigen kop kaal avorden. 5) ouvenvarde warreling

3

(wemeling): der sterren, nl. 6) grenzen. 1) godspraak. 8) bestier, he-

4

schikking. 9) doo)\' de beroemde monden onzer orakelen. 10) door 7 noodlot

5

voorbeschikte. 11) baar, ontbloot can. 12) tegen don Hemel, nl.

ocr page 254

244

50

En stooren uwen wil met sijn bewegen1;

En hoe hy minder zegen

Hoe minder loon verkrijght voor traen en rouwe

Hoe heeter is sijn\' trouwe,

En die hem is een noodlotlijeke schoonheid

Behoort een ander toe die haer te hoon heit2.

Staen dan dus onder hun 3 des Hemels machten

In eewigh wederspannen,

En rent het eene lot het ander tegen,

Oft willen wy noch eens van onder trachten

Den Hemel t\'overmannen ?

Heeft noch ons\' hoop\' niet tooms genoegh gekregen.

En treckt sy weer den degen,

En wapent sy van niews niew\' 5 Hemel-winnaers

Van Minnaers en geenquot; Minnaers ?

Is dit ons\' macht, en sullen sich twee blinden.

De Min en Haet, den Stern-dwangh6 onderwinden?

Ghy die, van boven lucht, luck, lot en sterren,

Hobgh-machtigh Hemel-drijver,

Stiert Goddelick ons hert en ons van-binnen 7,

Slaet doch een oogh op dit vertwijffelt werren,

Vereent met Vader-yver

Uw Lot* met Liefd\' en Haet, en \'t vier van Minnen

Met koele vluchters sinnen:

Dat soo de blinde weer-wil9 van een\' ander\'

Ons\' oude heil-beloft niet en verander\'.

Wie weet oock ? dat wy mog\'ack

Als onvermijd\'lick vreesen

Sal een\' verheugingh wesen

Hoe weinigh kan ons oogh van d\'Aerde raken,

Hoe swaerlick kan \'t bestaen voor \'t Sonne-blaken!

00

65

70

75

lo vb Piangendo i miei. Petrarch.

Ick ga vast en beklaegh mjn\' afgeleefde dagen.

Die \'ck leelick heb verquist aen menschelicke Min, Niet eens ter vlucht getilt 10, daer ick nu wel bcvin Dat my mijn\' wiecken vry veel hooger konden dragen.

1

liefdevlammen. 2) noodlottifje. 3) versmaadt. 4) onder elkander.

2

8) uw voorhcschi kkiiuj, \',)) tegenstreven. 10) zonder utij omhoog verheven

3

te hebben.

ocr page 255

5 ünsienbaer eewigh God, gliy die daer hebt verdragen Mijn\' boosheden gepleeght soo fegens uwen sin.

Helpt mijn\' verdoolde Ziel, sfaet voor haer\'schulden in En heelt\'inet uw genad\' haer sondige misdragen.

Op dat ick, die in storm en onweer heb gesweeft, 10 In vré mogh\' havenen1, en heb ick niet beleeft Als ydelheit, altoos met eeren mogh\' vertrecken Dat m» in de korte wijl die mijnen tijd kan strecken, En in mijn\' stervens tier uw\' heil\'ge hand bebouw\'; Ghy weet dat ick op u, en u alleen, betrouw.

Op het Marmeren Hoofd van een Verrader.

üyt het Italiaensch van Marino.

Natner schiep my geheel:

De Richter scheidde my het hoofd van \'tander deel. Dat had de konst herstelt2: maer, voor het laest van allen, Is \'t ongeluckigh hoofd noch eens om ver gevallen. 5 O Hemelsche gebied 3Wat is my recht geschiet!

Doe my mijn\' quae gedachten Aen \'t land-verraden brachten,

Waerom, in plaets van \'imijn\',en had ick dit hoofd niet?

üyt mijn Latijnsch.

Spreeckt, Lieden die nu leeft, en die hier naer suit leven; Wien, dunckt u, is van tween de grootste lof te geven? Te Landen over \'tYs, dat kan een Sweed; in \'tquot;Vier Door \'t Water heen te gaen, dat kan een Batavier6.

ANDRIA van TERENTIUS\'.

1. Bedrijf. !. Uytkomst.

lt;Sï»h. Wegh,jyLny met datgoet,en brengthet me daerbinne. Hoor, Soos, blijf jy by mijn, ick heb wat in mijn sinne Dat ickje segge moet. So. Geefje die moeyte niet, \'k quot;Versta je wuyve wel, eerje me wat gebiedt:

1

echter eervol zijn maffe. 4) de heeldhonwltnnst, nl. 5) hestier. G) Tüo-

2

zwommen, ton eindo mot den vijand slaags te raken. 7.) Latijnsch blijspel-

3

(lichter, f 159 v. Clir.

ocr page 256

246

Je mient, ick moet me soo wat spoeyen, en al \'t goetje Bestelle metter vaert; Sim. Neen; \'t is wat aers; dat moetje Met stae1 begrijpe. So. kom; wat zijn \'t voor kunste weer Die je me verge wilt? Sim. Ick hoef gien kunste meer, Daer ick nouw henen wil, as, Trouw, en wel te swijge, 10 Twie kunste die \'k van jouw altoos heb kunne krijge. So. quot;Wel toch, laet hooro dan, wat is van je bevel ? Sim. Ick hebje van ktndsbien ekocht, dat weetje wel. En altijd reelick en sachtmoedichjes ehandelt\'-.

Je waert het trouwens waert, en j\' hebt je dienst bewandelt a, 15 Dat moet ik seggen, openhartigh, trouw en braef.

Des heb ick j\' oock gemaeckt een Vry-man van een Slaef; \'tWas \'t kostelickste loon dat ickje wist te schencke. So. \'k Heb \'t niet vergete, Baes; ick sel \'t altijt gedencke. Sim. \'t En is m\' oock noch niet leet. So. Dat \'s me van harte 20 En deed\'ick j\'oyt of oyt wat dienst of wat gerief, (lief; Of beurt het sommes4 noch, dat schat ick boven alle, Dat het je nouw en dan wat gunstigh heit bevalle, En soo bedanck ick je. Dan \'t moeyt me niettemin, Dat je me soo, quansuijs, je weldaed in men sin 25 En op men broodje brenght, als had ickse vergete.

Maer, dat \'s tot daerentoe. Kom an, laet ick iens wete quot;Watje men hebbe wilt. Sim. Daer mé selt locke; hoor; Dit Brullofte5, voor eerst, al houw jyter licht voor, Is gien recht Brullofte; \'tis maer een deun om \'tjockjes6. 30 So. Hoe sus? Sim. Nouw se! ickje by stickjes en by\'brockjes De saeck van voren af omstandelick verslaen7.

Soo selje dan met ien begrijpen en verstaen Men Seun sen leventje, en \'tslots van mijn\' gedachte. En wat ick gaeren had dat jyder by betrachte. 35 Kijck, Soosje, met hy uyt sijn\' kinder jaertjes quam, Schickt ick \'et dat hy soo den toom wat ruymer nam. En op sen wiecke dreef. Hoe wouwj\' oock jonge Luytjes Den aert van haer verstand met allerhande buytjes0 Doorgronde, daerse soo noch onder Vaertjes dack, 40 Of in een avondschool de Roe dwinght, of de 1\'lack? lt;So.\'t Is soo. Sim. Nouw weetj\'hoe meest het jong volck sen

(gedachte

An \'t ien of\'t ander hangt, an Honden en an Jachten,

1

Uaigzaam, door oveytveghig. 2) hehancleJJ. 3) betracht. 4) somtijds.

ocr page 257

247

An Paerden en Pickeurs, en soo voort: oock te met1En ander, die sen sin op \'t Reterijcke set,

43 Of sulck tuych. Van elcks wat sagh ick dat mijn Cahouter

I Sen werckje make kost, van gien van al te louter Sen werckje make kost, van gien van al te louter 2,

Maer middelmatighjes en by de kanten heen 3,

Dat was te bijster na men sin. So. Met groote reen. Want kijck, Baes, met verlof\' van Luy die beter wete, 50 Men moet hem 4 aen gien kost ter werelt over ete.

jSYth.Dus gingh het knechjen5an: van groot Hans en van klein6Verdroegh hy watme wouw; hy voeghd\' hem in\'t gemein Na elk sen sinlickheit in allerlei gelage\',

Sprack nimment7 tege, noyt van all\' sen leve dage; 55 Socht nergens Baes te zijn of\'t katje van de baen.

En, as je \'t wel versint0, dat \'swijsselick edaen:

Voor soo een hockelingh 10, die vriende soeckt te make, En, sonder haet of nijt an eer en danck te rake.

So. Wis is bet wijsselick edaan: want huydendaeghs, 60 Spreeckje de waerheit, Baes, van duysend raeckje slaeghs quot;; Te minsten in den haet13 van die t waerseggen seer doet: Maer, wilje swichten \'3, vriend an vrienden 14, hoe je\'t meer Sim. Now isset goelickjes 15 dry jaer of soo eleen, (doet Dat hier en Vrouwtje quam van over Land en Zeen C5 Ter woon in onse buert: \'t lyekt ofse by der vrinde, Beroyt en povertjes, gien troost en wist te vinde,

Maer moy van Backes, en in \'tfleurtje van der tijt. So. Je maecktme bangh, jy vreemd, moy Prijtje daerje zijt. Sim. Dit dingetje begon in \'t eerste stil te leven, quot;0 En suynichjes en deun 16: met spinnen en met weve Verdiend\' het moy sen kost, in tucht en eerberheit. Soo dra en heiter niet en Reu1\' op toe eleit.

En noch ien, en noch ien, met redentjes die klincke 18, (Je weet hoe lichtelieh de deught raeckt an het hincko, 75 In \'t Vrouwvolck sonderlingh w, daer geit vlieght; en hoe De lusjes boven en den arbeit onder light \'-0) (licht

Sy slaet het koopje toe, en valt an \'t traffikere

1

Vul aan: heb je er. 2) te veel. 3) oppervlakkig. zich. 5) ventje.

2

6) van (jroote heer en en kleine lui. 7) omstandigheden. 8) niemand.

3

9) bezint. 10) Eig. kalf; hiev jonge snuiter. 11) Versta: je hebt duizend

4

kansen om twist te kriigen. 12) Vul aan: te raken. 13) onderdoen,

5

toegeven. 14) je krijgt tal van vrienden. 15) nauwelijks. 16) spaarzaam.

6

17) Rekel; hier voor lichtmis. 18) me! klitikende argumenten (geld).

7

den arbeid wint. 21) voor geld te wille zijn.

ocr page 258

249

En, soo \'t dan toegaet, met die fijne jonge Héore Geraeckt men Seun in \'t spil; sy voeren hem in\' tlagh\'. 80 Wat duycker, seid ick by men selven, hy \'sin \'tslagli1, Ily heilet speek al wegh. Met as \'t begon te dage Nam ick beur Jongens2 waer: en pasten op met vrage, Kom hier iens, Jongetje; wie heiter dense nacht Met Griet van Overzee (soo hiet se) deur ebracht ? 85 So.\'k Verstae\'t. 6Yhi. Dan noemclese den iene,dan den andre; En s\'bad doe eigentlick dry Vryers met mekandre, Elck^chickMck.op sen beurt. Wel, seid ick, mijn Monseur=, Wat doet\'er die toe? Hij? Hy eet en drinckter veur,

En leit wat toe in \'t lagh 8. Die bly was, dat was ick. 90 En and\'ren dagh weer anSoo past iek op mijn stick Met vrage; maer ick vond dat het men kind niet an gingh; Doe hiel ick me gerust»; en dasr \'t soo an de man gingh8 Met vier en vlas by ien; daer, docht ick, is de proef Van Lievens eerbaerheit soo klaer als ick behoef; 95 Want die met sulcken slagh van volck is in espanne 10 En laet sijn jonge hart vermallequot; noch vermanne, \'k Versekerje, die heit een waterpasje12 wegh Daer hy sen leve mé ken raken over wegh.

Doe \'knouw dus vrolick was, daer quame duysond mensse 100 En liepe \'t buys schier plat, om me geluck te wensse Met sucken wij sen Seun; jae rijcke Rochelaer Was ien van duysenden, en boo me voor men Snaer 13 Sen ienigh Meisjen an, met puyck van hijlick-goetje. Wat souder teuge staen ? \'t was na men sin; ick doetje 105 AVe sluyte \'t hglick; en dits nouw de Brulleft-dagh. So. Wat staeter teugen dan? as ieket weten magh. Sim. Hoor toe, en letter op;en liep niet als te laneh aen. Of weinigh dagen eer dit Brullefte souw an gaen 15 Valt Grietebuer te bed en sterft. So. wat dé se wel! •110 Daer\'s en stien van men hart; ick grouwel voor dat vel 10. Sim. Daer was t an \'t woele, daar an\'t rennen en an \'t drave, En elcke Polquot; in \'t werck, om \'t hartje te begrave. En mijne Quant niet min; ja \'k merckte sommes mé Dattem dit rouwe 18 wel en traentje laeten dé. 115 \'kSaght gaeren; en ick docht, ken hy hem soo bewege

1

7) opnieuw. 8) stil. 9) zoo gevaurlijh was. 10) in gezelschap is. 11) ver

2

dwazen. 12) effenheid, Lezadigdheid. 13) schoondochter. 14) doe het je:

ocr page 259

249

Om een klein kennisje dat hy daer heit ekrege,

Hoa sout gaen quot;\\vaer hy van de Vryers, as de rest, Hoe selt gaen as hy mijn iens diene sel voor \'tlesti, En helpe me ter aërd! Soo nam ick \'tal voor mereke 120 Van goe genegentheit tot vriendelieke wercke.

In \'tend (om langer niet te praete dan ick hoef)

\'k Gingh self om sijnent wil, en volghde \'t Lijck te groef. En docht noch aen gien argh.Sb. Argh?Tvat argh souder wese? Sim. Wacht wat, je seltet sien, het volck wordt op elese 425 De Doo raeckt op de Baer; we trecke na de kerck:

Juyst onder \'t Vromv-volek sie \'k en Meisje by de werck1Va\'n trony. So. Moytjes, hé? Sim. Ja soo besiieen2, soo goe-Soo zedighjes as gien ter werrelt; dat gevoel ick. (lick3, Nouw, soose0 droever leeck en moyer was as geen\',

430 Soo trad ick soetjes na de Kamenieren heen,

En vraeghde wie se was? Sy seiden. Grietjes Suster; Dat sloegh men om men hart en maeckte \'t ongeruster Dan \'t van sen leve was. Ja, Suster, seid ick, ja!

Hier quam de deernis U3rt, en daer dit schreye na7. 135 So. Hoe schrick ick, Syme Vaer, waer datje selt helende8! Sim.\'t Lijck gaet vast voorwaert uyt;w3\'volgen,en in \'t ende, We raken in de Kerck, de kist dé kelder in:

Daer was\'tan \'t suchte, daer an \'thuyle, elck na sen sin: Dit Susje, soo het scheen, en kon her niet hedwinge, 140 Se wouw van rouw in \'tGraf, en meende\'r in te springe: Daer schoot mijn Lecker 3 uyt, soo hy \'t perijckel sagh; Daer quam de liefd\' en al het veinsen aen den dagh. Hy was self half in swijm; noch vatt\' hys\' en, mijn Soetje; Mijn Soetje, seid\' hy: Kint. wat wilje doen? je moetje 145 Bedaere, Liestentje l0: verdoetquot; je selve niet.

Sy (en soo merekten ick het was w-el meer eschiet j Sy is hem schreyende om lijf en hals gaen legge, Soo vrytjes as\'tweldiend\'12.6o.Oh.Baes,wat meughje segge? Sim. Oenckt dat iens. lek van daerwelgrimmigh en ontstelt. 150 Noch, docht men 14 evenwel, en wasser niet bestelt 15

Daer ick om krijte16 moght. Wel, Vaertje, sou hy segge, Waer heb ick in misdacn ? sy wouw in \'t Graf gaen legge,

1

wez\'uj. 4) fijn hesneden. 5) schoo n. 6) daar ze. 7) de deernis en liet schreien

2

van zijn zoon, nl. 8) aanlanden. 9) deuijniet. 10) liefste. 11) dood.

3

12) soo vrijmoedig^ als \'t maar Icoh. 13) Vul in: ying. 14) mij- 15) niets

ocr page 260

250

Dat heb ick lieur belet, en deur mijn leeftse noch. Me dunckt het redelick esproke waer. So. Jae \'t1 toch; 155 Want houwj^hem straffens waerd dieien2sendoot wilkeere, Die scha of schennis doet, wat wouwje die dan leere? Sim. Daer had ick Kochelaer var, \'s anderdaeghs3 aen boort; Die schreewde dat het schier de bueri langhs wierd ehoort; Hij had en hoeve-stick van Symens kind vernome,

160 Die had dat Diertje4 voor sijn echte Wijf\' enome. Dat vreemdelingetje. Daer tege seid\' ick, neen,

Hy jae, met groot gewelt. Zoo scheidde we van een: Hy wouw sen Meisjen an mijn Knechtje niet bestede. Sö. Wat leerde0 je je Seun? Sim. Noch vond ick al gien rede 165 Van kijven op de knecht. lt;So. Nier, scker? iSVm. Neen ick wis. Kost hy niet segge, Wel, hoe, Vaertje, je tast mis,

De pale van dit werck\' heb jy me voor eschreve;

De tijt is voor de deur dat ick nel moete leve Na hiel en ander hooft as \'t mijne; laet me toch 170 Mijn eige sinnetje soo langh wat volge noch.

So. Wel, selder dan noyt tijd van kijve zijn? Sim. Jae

(\'t trouwe8,

Mit as ick maer iens voel dat hy soeckt niet te trouwe Ter liefde van dat Dier; soo sel \'tan \'t kijve gaen. Die schimp11 moet ick hem eerst te dege doen verstaen. 175 Soo soeck ick in der daet de rechte kans 10 van kijve; Komt h}\' te weigere \'t geen by sen Vaer siet drijve; En daerom heb ick al dit jock-mael11 an estelt,

En dan sijn schelmse Douw 11!, die me soo leit en quelt, Sijn streke sel ick dan met iene soo ondecke,

ISO En doens\' hem spille now13 se nergens toe en strecke; Ick weet toch dat die fielt sijn vinnighste geweer Sel trachte tegens mijn te weite; niet soo seer Om Lieve dienst te doen, as om mijn wat te plage. So. Waerom toch ? Sim. Vraegje dat ? qua sinne, boose vlage. 185 Maer krijgh ick iens en lucht van niewe fieltery,

Ick sel hem by mijn ziel. Maer laetewe \'t daer by. Nouw,Soosje,mickuereis:\'k neem Lieven al te vreen waer13;

1

Ja het (is zoo). 2) acht je. 3) iemand. 4) dos anderen daags; vgl,.

2

gaf Je aan Je zoon. 7) lt;le grens, het einde van dit zaakje. 8) Ja het (zal

3

dat) zeker (eens zijn). 9) Versta-. De schande van zulk een bedrijf moot

4

ik hem eerst goed doen inzien. 10) gelegenheid. 11) maal voor de leus.

ocr page 261

251

Dun blijCter Kochelaer, as die niet overstreen 1 waer. Soo souw \'t spul hapere. lek hoop het sel wel tiere2; 190 Jy moet de Brullef\'t maer met een wijs backhnys 3 viere, En make Douw wat bangh, en letten op men Seun, En waex- heur wijsheit heen wil. So. lek begrijp den deun En sel \'t wel klaere, Baes; laet ons maer binnen stappe. Sim. Gaet voor; ick volghje. \'k Vrees die 5 knecht me sel

(ontsnappe,

195 En wille niet van \'t Wijf. Ick merekte \'t wel an Douw: De Brullef\'t was sen schrick. Kijek, juyst, daor komt hy nouw.

1) overtuigd 2) hikkenlt; yuun. 3) ernstig gezicht. 4) grap. 5) ilat die jongen.

\'t Is inderdaad zeer te bejammeren, dat Huygens, die daarvoor zoo nitnemend berekend bleek, deze geestige Hollandsclie bewerking van Terentius niet heeft voortgezet. Men had er hem gaarne zijn vertalingen van Dr. Donne voor geschonken. V. Vl.

NASCHRIFT.

Op bl. 205 kan het vraagteeken achter de eerste aanteeke-ning vervallen. De daar bedoelde Duarte is inderdaad de Vader van de bekende vriendin van Hooft en Tesselschade. Hij werd geboren in 1582 en stierf te A-ntwerpen, 12 November 1653. Zie linger, Dagboek, bl. 55, en Corr. et Oeuv. musicales de C. H. p. CLXXV.

ocr page 262

■sol-S^ \'£gt; /

ocr page 263
ocr page 264
ocr page 265
ocr page 266