ocr page 1

THEORIE

\'111

TES Nl\'TTE VAN

cBnz.acinceitcw, êemccnlc-Scczctazissen, \'Sii-izlctsvctaztscn, tyecopï-iofitets ciiagt;.

DOOK

A. P. ZAALBERG,

Burgemeester der gemeenten Alfen en Aarlaiidèrveefy.

-V 1

O I

Tweede herziene riruk.,.

PöDSHOORN, ,

W. CAM BIER VAN NOOTENgt; 189°.

-I

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 890 2

ocr page 5

/T .\' (f. /SfJamp;J 3279 ,

THEORIE

Ï)

mmn

(XjliNj m

Burgemeester der gemeenten Alfen en Aurlanderveen.

^ -l«« .•quot;VH

Willi PQOfll

TEN NUTTE VAN

cBivtijcmee^lcw, ScmantiiScczctat\'isszyi, ©bttlcb-^Pecatbcit, tyccopzic fitcis ens..

DOOR

A. P. ZAALBERG,

landen

» 9 s

Tweede herziene druH\'.

c

tó -s

OUDSHOORN, \'^ l ..tVv, .Tj, ^ J i-

W. CAMBIER VAN NOOT EN, 1 w\'

1890.

ocr page 6
ocr page 7

VOORBERICHT.

Door den uitjever der door mij in 1878 bewerkte „Theorie der Vétérinaire Politiequot; uiUjenoodigd tot de bewerking eener nieuwe uitgave, meen ik mij daaraan niet te mogen onttrekken. li,r bestaat echter een groot verschil in de omstandigheden, want waar in 1878 ieder burgemeester dagelijks bloot stond voor gevallen van longziekte onder het rundvee in zijne gemeente en zich gelukkig rekende met het bezit van een veiligen gids in den doolhof van voorschriften, is thans het onderwerp Veterinaire Politie van meer ondergeschikt belang geworden.

Dit brengt van zelf ook verflauwde belangstelling mede, maar inmiddels zijn de voorschriften van lieverlede zóó gewijzigd, dat den meest ervaren practicus in voorkomende getallen de handen geheel verkeerd zouden staan.

Om in deze leemte te voorzien, is de nieuwe bewerking ter hand genomen, met behoud zooveel doenlijk van den ouden vorm, in dier voege, dat Hoofdstuk I is gewijd aan de bestaande wetten. Hoofdstuk II vermeldt de vigeerende Koninklijke besluiten, Hoofdstuk III naar de dagteekening de nog van kracht zijnde circulaires zamenvat. Hoofdstuk IV

ocr page 8

de heerschende jurisprudentie kennen doet, en Hoofdstuk V de hehandeling van het onderwerp in vragen en antwoorden aan de hand der eerste tiitgave voortzet. De noodige modellen en een nauwkeurig alfabetisch register zullen het werkje besluiten.

Zal uit den aard der zaak de algemeene belangstelling minder levendig zijn dan in 1878, ik meen te mogen vertrouwen dat de gemeenteambtenaren, na kennisneming van de nieuwe uitgave, de onontbeerlijkheid hiervan aanstonds zullen beamen.

Alpen a/d Rijn; De Schrijver.

Mei 1890.

ocr page 9

HOOFDSTUK I.

REGELING

van het

veeartsenijkundig Staatstoezicht en de Veeartsenij-kundige Politie.

quot;WIET van den 20ten Juli 1870, Stbl. No. 131 , tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenij kundige Politie, gewijzigd bij de wetten van 2 Juni 1875, St.bl. 94, 8 Aug. 1878, St.bl. TsT°. 115, 1 Aug. 1880, St.bl. N0. 123 en bij de artt. 10, N0. 26, en 12, Nquot;. 1, der wet van 15 April 1886, St.bl. N0. 64.

Wij WILLEM III, bij de geatie gods koning der Nederlanden, Prins vax Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg,

enz., enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lozen, salut! doen te weten:

ocr page 10

6

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het vceartsemjkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige Politie bij de wet te regelen;

Zoo is het, dat Wij, den Eaad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Yan liet Veeartsenijkundig Staatstoezicht.

Artikel 1.

Het veeartsenijkundig Staatstoezicht omvat:

«. het onderzoek naar den algemeenen gczondheid3-toestand van den veestapel en, waar noodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering;

b. de handhaving van de wetten en verordeningen in het belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel vastgesteld.

Art. 2.

liet is onder Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken opgedragen aan districtsveeartsen. Zij worden door Ons benoemd uit personen, die de akte van be-voegheid als veearts van Rijkswege ontvangen hebben. Zij kunnen door ons worden geschorst en ontslagen.

Hunne standplaatsen, alsmede de kringen, waarbinnen zij werkzaam zijn, worden hun door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen.

Voor iederen districtsveearts worden door Ons één

ocr page 11

7

of meer plaatsvervangers benoemd, die, bij volstrekte verhindering van dien ambtenaar, zijne betrekking waarnemen.

Art. 3.

Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen de districtsveeartsen en de plaatsvervangende districtsveeartsen den volgenden eed (belofte) af in handen van Onzen Commissaris in de provincie:

„Ik zweer (beloof), (kt ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van districtsveearts (plaatsvervangend districts-veearts), getrouw zal vervullen.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig (dat beloof ik).quot;

Art. 4.

Bij schorsing van districtsveeartsen bepaalt het besluit of dit geschiedt met behoud, dan wel met geheel of gedeeltelijk verlies der bezoldiging gedurende den tijd der schorsing. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt op welke wijze, gedurende den tijd der schorsing, in de dienst zal worden voorzien.

Art. 5.

De districts veeartsen zijn bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder vertoon des gevorderd van hunne akten van aanstelling, bij het aanwezig zijn van eene besmettelijke veeziekte of wanneer die vermoed wordt, de bij deze wet aan hun toezicht onderworpen erven, weiden, stallen en andere vei\'blijfplaatsen van

ocr page 12

8

vee, slachthuizen, winkels of bergplaatsen van vleesch en spek. alsmede diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderjjen, penserijen en dergelijke werkplaatsen, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden. Zij moeten daarbij voorzien zijn van een\' schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter en dien des gevorderd vertoonen.

Art. G.

De districts veeartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen in het belang van den veestapel proces-verbaal op te maken, op den eed bij do aanvaarding hunner bediening afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan het openbaar ministerie.

Art. 7.

De (listrictsveoartsen genieten eene vaste bezoldiging uit \'s lands kas, benevens vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten.

Zij oefenen de veeartsenijkunst niet uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

De plaatsvervangende districtsveeartsen zijn bevoegd de veeartsenij kunst uit te oefenen. Zij ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden.

Art. 8.

Jaarlijks geven de districtsveeartsen vóór den 1 sten April aan Onzen Minister van lünnenlandsche Zaken

ocr page 13

9

een verslag van de werkzaamheden van het veeartse-mjkundig Staatstoezicht over het afgeloopen jaar in hunnen kring. Zij zenden van dit verslag een afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie of der provinciën, waarin zij gestationneerd zijn.

Art. 9.

De districtsveeartsen houden binnen den kring, waarvoor zij zijn aangesteld, oen nauwkeurig toezicht op den gezondheidstoestand van don veestapel en op de handhaving der wetten en verordeningen, in het belang van don veestapel aangesteld, en viseeren kosteloos de diplo-mata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen.

Zij bezoeken zooveel mogelijk do markten, waar handel in vee wordt gedreven, alsmede de plaatsen waar openbare verkoopingen van vee worden gehouden en gelasten de inbeslagneming en afzondering van aldaar aanwezig, aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee.

Art. 10.

Bij het ontstaan eener do gezondheid van den veestapel bedreigende of buitengewone sterfte veroorzakende, of eener voor den mensch schadelijke ziekte onder het vee, of wanneer er vrees bestaat, dat zoodanige ziekte van buiten \'s lands zal worden overgebracht, geven zij daarvan onmiddellijk bericht aan Onzen Minister van Binnen!. Zaken, aan den Commissaris of de Commissarissen des Konings van de provincie of de provinciën

ocr page 14

10

waarin zij gestationneerd zijn en aan de districtsveeartsen in de aangrenzende kringen. Zij maken zich, wanneer zich zulk eene ziekte in hunnen kring vertoont, persoonlijk bekend met den aard daarvan en stellen den burgemeester der betrokken gemeente de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der ziekte te nemen zijn.

Van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten geven zij ook bericht aan den geneeskundigen inspecteur in den kring, waarin zij gevestigd zijn, en treden met hem in overleg over de voor te stellen maatregelen.

Art. 11.

Bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten kunnen door Ons tijdelijk buitengewone districtsveeartsen worden aangesteld.

Zij genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten uit \'s lands kas, door Ons te bepalen, en hebben, zoolang zij in dienst zijn, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de gewone districtsveeartsen. Zij mogen echter de veeartsenijkunst blijven uitoefenen.

Art. 12.

Onze Minister van Einnenlandsche Zaken geeft Ons jaarlijks een verslag van de bevindingen en handelingen van het veeartsenijkundig Staatstoezicht. Dit verslag wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld en door den druk openbaar gemaakt.

ocr page 15

11

§ 2. Bepalingen omtrent de veeartsenijkundige politie.

Art. 13.

Wanneer zich bij eenig stuk vee verscliijnselen van eene besmettelijke ziekte openbaren, is de houder of hoeder verplicht, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zich bevindt.

Zie art. 1 der wet van 2 Juni 1875, St.bl. N0. 94.

Art. 14.

Een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, moet onmiddellijk door den eigenaar, houder of hoeder van het overige vee worden verwijderd en zoolang afgezonderd gehouden worden, totdat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxamineerden veearts, overeenkomstig de bepalingen dezer wet zal zijn beslist.

Zie aanteekening sub. art. 13.

Art. 15.

Wanneer, bij het bestaan, binnen of buiten \'s lands, eener besmettelijke veeziekte, de zorg voor het behoud van den veestapel en voor de gezondheid der ingezetenen het vereischt, kunnen door Ons in- en doorvoer van buiten \'s lands, en vervoer binnen \'s lands van levend

ocr page 16

12

en dood vee, vleescli, huiden, haar, wol, mest en verderen afval, veevoeder, gereedschappen en voorwerpen, die bij de behandeling van vee gebruikt worden, en het houden van markten, verkoopingen, tentoonstellingen en andere vereenigiugen van vee verboden, en verbods- en andere bepalingen vastgesteld worden omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie van alle in dit artikel genoemde voorwerpen, alsmede op de middelen, waarmede zij vervoerd worden, een en ander onverminderd de door provinciale en gemeentebesturen vast te stellen reglementen en verordeningen, voor zooverre zij met onze voorschriften niet in strijd zijn.

Art. 16.

Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar, houder of hoeder, of wanneer een stuk vee vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zjjn aangetast, doet de burgemeester onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door een geëxamineerden veearts het zieke vee, of dat vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan den burgemeester schriftelijk verslag, en, zoo het geval hem blijkt van een besmettebjken aard te zijn, brengt hij daarbij advies uit omtrent do te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan welk advies de burgemeester verplicht is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens

ocr page 17

13

zijn beroep op Onzen Minister van Binnenl. Zaken.

In gevallen van twijfelachtigen aard wordt aan Onzen Minister van Binnenl. Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle die bij de wet toegelaten maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 17.

Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk na overleg met den districtsveearts of\', bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met een geëxamineerden veearts, de hoeve, het erf, de stal of weide, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van een politiedienaar duidelijk kenbaar gemaakt; de kenteekenen, daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tjjd, door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts, te bepalen, doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste geval.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 18.

De stof, vorm en grootte van deze kenteekenen worden door Onzen Minister van Binnenl. Zaken vastgesteld en door middel der Staatscourant ter openbare kennis gebracht.

I

ocr page 18

14

Art. 19.

De burgemeester is verplicht om, op advies van den distrietsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen van een geëxamineorden veearts, vee door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, of nadat het hersteld is, van een merkteeken te doen voorzien.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 20.

De werktuigen tot het merken van vee en de ken-teekenen, bedoeld in art. 17, zijn voor Rijksrekening in iedere gemeente aanwezig.

Art. 21.

Vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, is verboden.

Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is, kan de burgemeester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen den geëxamineerden veearts gehoord, het vervoer doen plaats hebben onder de door dezen aan te wijzen voorzorgsmaatregelen.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 22.

Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de districtsveeartsen daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer het door

ocr page 19

15

smetstof bezoedeld kan zijn, zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of sedert een termijn, voor elke ziekte in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur volgens artikel 34 te bepalen, bevonden heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest.

De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede het in dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in onmiddellijke aanraking is gekomen.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 23.

Onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus 1851, Staatsblad Nquot;. 125, voor alle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester. Het vermeldt den eigenaar van het vee of houdt de verklaring in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 16 bedoeld.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 24.

De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteigening.

ocr page 20

16

Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt de burgemeester een deskundige om het vee te waardeeren, waarbij moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, de helft der waarde, die hot in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

De toestand van ziek of verdacht vee wordt, wat de vergoeding betreft, beoordeeld naar het oogenblik, dat het vee in het bezit van den burgemeester overgaat.

Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met de waardeering (van welke omstandigheid do burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding maakt), benoemt de kantonrechter terstond bij eenvoudige beschikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundigen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.

De, hetzij volgens het tweede of volgens hot vierde lid van dit artikel getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden, en bij weigering of ontstentenis van den eigenaar, in handen van den gemeente-ontvanger gedeponeerd. Voor het doen der in dit artikel vermelde aanbieding zijn de vormen, voorgeschreven bij het Burgerlijk quot;Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet toepasselijk; de aanbieding word;, even als de andere in het artikel genoemde handelingen des

burgemeesters of die, waarbij deze tegenwoordig is, geconstateerd bij proces-verbaal van den burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt.

ocr page 21

17

Zoowel de burgemeester als de eigenaar kan vorderen, dat de deskundige of ieder der deskundigen, alvorens te waardeeren, den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waardeering te zullen doen. Deze eed of belofte wordt in handen van den burgemeester afgelegd.

Bij afwezigheid van den eigenaar, wordt hij, ten opzichte der bepalingen van dit artikel, vervangen door zijnen gemachtigde ter plaatse waar het vee zich bevindt, of zoo deze ontbreekt door den houder of hoeder van het vee. De koopprijs wordt evenwel ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den gemeenteontvanger.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 25.

quot;Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geven, is de burgemeester verplicht te onteigenen en te vernietigen de voorwerpen, door den districtsveearts, of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamineerden veearts aan te wijzen. Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het besluit daartoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23 bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen bevolen worden.

Zie aanteekening sub art. 13.

2

ocr page 22

18

Art. 26.

De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee, of van onteigende voorw erpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende zes maanden bij den gemeente-ontvanger in ontvang nemen.

Na verloop van dozen termijn wordt de som in de kas der gerechtelijke en vrijwillige consignatiën gestort. Het bewijs van uitbetaling aan den rechthebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den gemeenteontvanger aan de algemeene rekenkamer gezonden.

Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk quot;Wetboek, niet toepasselijk.

De onteigende kan zich gedurende vijf jaren na de consignatie aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in consignatie, door het Rijk voorgeschoten, gekort.

Na verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in dat geval ten laste van het Rijk.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 27.

De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven aangifte of de bij art. 14 voor-

ocr page 23

19

geschreven afzondering is verzuimd, of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft gebracht of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar eene besmettelijke ziekte hoeft geheerscht, of op eenige andere wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht of doen brengen.

In geval van bevinding van een dezer strafbare feiten, wordt de vergoeding wel volgens artt. 24 en 25 bepaald, maar bij den gemeente-ontvanger gesequestreerd tot na afloop van die strafzaak.

Ingeval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging begint de termijn, vermeld in de eerste alinea van art. 2G, van de uitspraak van her eindvonnis.

In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met de quitantie van den onteigende een ongezegeld afschrift van het eindvonnis, waarbij de strafzaak in diens voordeel is uitgewezen aan de algemeene rekenkamer.

Zie aanteekening sub art. 13.

Zie omtrent de toepassing van dit artikel het arrest van den Hoogen Raad d.d. 4 Mei 1877, quot;Weekbl. v. h. Recht N0. 4111.

Art. 28.

De schadevergoeding wordt uit de gemeentekas voorgeschoten, waartoe aan den burgemeester, met de onteigening belast, op zijne aanvraag het vereischte bedrag door den gemeente-ontvanger tegen quitantie wordt terhand gestold. Het voorschrift der tweede zinsnede van

ocr page 24

20

art. 14 der wet van 29 Juni 1851, St.bl. N0.15, geldt daarbij niet.

Zoo de burgemeester ten genoegen van Onzen Commissaris in de provincie aantoont, dat de kas der gemeente ontoereikend is voor de betaling of aanbieding, bedoeld in artt. 24 en 25, worden hem de daarvoor benoodigde gelden ter goede rekening uit \'s Rijks schatkist verstrekt.

Deze verstrekkingen zijn niet aan de voorafgaande verevening der algemeene rekenkamer onderworpen. Evenmin is de bepaling van art. 51 der wet van 5 October 1841, St.bl. Nquot;. 40, daarop van toepassing.

De burgemeester is niet gehouden deswege borgtocht te stellen, doch verplicht van de ter goede rekening ontvangen gelden binnen twee maanden na de dagteekening van het stuk, waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de algemeene rekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der in de vorige zinsnede aangehaalde wet.

Van iedere verstrekking wordt door Onzen Minister van Binnenl. Zaken aan gemeld college mededeeling gedaan.

Dit artikel is ook toepasselijk op alle onkosten, waartoe de onteigening aanleiding geeft, zoomede op de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven, verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend, alsmede op de kosten tot zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen.

ocr page 25

21

Art. 29.

Wanneer dit door den districts veearts noodig wordt geoordeeld, worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire macht kan inroepen, afgesloten.

Vervoer uit of naar het in dien afgesloten kring besloten terrein van de voorwerpen, bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, aangewezen, is verboden.

Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend.

De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein verlaten, worden vooraf ontsmet.

Art. 30.

Bij het heerschen van besmetteljjke veeziekten, kan, in de gevallen aan te wijzen bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, het vastleggen of vasthouden van honden worden geboden in de gemeente of ecu gedeelte der gemeente waar de ziekte voorkomt, en des noodig in naburige gemeenten.

De burgemeester brengt op advies van den districtsveearts het ingaan van het gebod ter openbare kennis, en kondigt evenzeer de opheffing van dit gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan.

ocr page 26

22

Losloopende honden in die gemeenten of gedeelten van gemeenten kunnen door de ambtenaren van politie worden gedood.

Van de verplichting om honden vast te leggen of vast te houden kan onze Commissaris in de provincie, den burgemeester en den districtsveearts gehoord, in gemeenten of gedeelten van gemeenten ontheffing verleenen.

Art. 31.

Omtrent de verplichting tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, en van andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere gebouwen en onschadelijkmaking van mestvaalten, worden de voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven.

Zie het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. N0. 125 (sub Hoofdstuk II afgedrukt).

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen nadat het laatste ziektegeval is geconstateerd. Deze termijn kan door onzen Minister van Binnenl. Zaken, waar dit noodig blijkt, worden verlengd.

Wanneer de begraving of de verbranding door eenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, en geen erf in de gemeente voor den burgemeester beschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

ocr page 27

23

Wanneer het vee in een stal of eenc schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, wijst de burgemeester een terrein aan voor de begraving of verbranding op minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daarvoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld, wordt deze door den kantonrechter begroot bij beschikking op verzoek van do incest gereede partij, zonder hooger beroep.

Zie aanteekening sub art. 13.

Art. 32.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, hetwelk aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn, voor elke ziekte te bepalen in den algemeencn maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld.

Art. 33.

Do burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelfs zonder hunne toestemming, tusschen zons-op- en ondergang binnen te treden, ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

Zie aanteekening sub art. 13.

ocr page 28

24

Art. 34.

Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, eene commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatre-\' gelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

§ 3. Strafbepalingen.

Art. 35.

Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze, krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of met den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste f 500.

ocr page 29

25

Roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den rechter bij veroordeeling verbeurd verklaard, en, voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen. Vernietiging of onschadelijkmaking wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den rechter te bepalen.

Art. 36.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn, worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Zij wordt in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd.

Art. 37.

Levend vee wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, na te zijn gewaardeerd op de wijze

ocr page 30

26

in art. 24 dezer wet vermeld, vrijgegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na de inbeslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeente-ontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op machtiging van den kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, eveneens op machtiging van den kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, onmiddellijk bij den gemeente-ontvanger mocht worden gestort.

In de gevallen, bedoeld in het 2de en 4de lid van dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden dé kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in \'s Rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging aan den eigenaar van het vee of ander goed, dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

ocr page 31

27

Art. 38.

Is, in de gevallen bij de twee vorige artikelen bedoeld, de eigenaar niet in het Rijk te vinden, en wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea\'s van art. 26 en de laatste van art. 27 van toepassing.

Art. 39.

Overtreding van art. 13 wordt gestraft met geldboete van f 25 tot f 75.

Het laten losloopen van honden in de gemeenten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd, bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 10 tot f 25.

Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar: het namaken of bedriegelijk gebruik maken van de in deze wet vermelde ken- of merkteekonen.

Art. 40.

Zoo, in geval van overtreding van eenig voorschrift, hetwelk krachtens deze wet tijdelijk is gegeven, dat voorschrift opgehouden heeft te gelden op het oogenblik dat de zaak voor den rechter, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of cassatie, wordt behandeld, is art. 52 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving niet van toepassing.

De strafbepaling, zoo als zij geldt op het oogenblik dat het misdrijf gepleegd wordt, blijft daarop toepasselijk.

ocr page 32

28

§ 4. Slotbepalingen.

Art. 41.

In deze wet wordt verstaan:

1°. door vee: de eenhoevige en do herkauwende dieren en de varkens;

2°. door vleesch: alle zachte bestanddoelen van bovengemelde dieren afkomstig, onverschillig of zij al dan niet en hoe zij zijn bewerkt of vermengd, mitsdien ook gezouten, gerookt en hoofdvlecsch, spek, hammen, worst enz.

De bepalingen van deze wet kunnen door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren, wanneer de zorg voor den veestapel dit vereischt.

Schorsing van veemarkten, sluiting van diergaarden en soortgelijke inrichtingen, kan door Ons in zoodanig geval Avorden bevolen. Het daartoe strekkend besluit bepaalt den tjjd, gedurende welken de inrichting besloten blijft. Zoo noodig kan die termijn door Ons worden verlengd.

Art. 42.

De stukken, krachtens deze wet opgemaakt en waaromtrent geene afzonderlijke bepaling in deze wet voorkomt, zijn vrij van zegel- en registratierecht en uitvoerbaar ook vóór dat zij zijn geregistreerd.

ocr page 33

29

Deze vrijstelling van zegel- en registratierecht geldt echter niet ten aanzien der akte van aanstelling, in art. 5 dezer wet bedoeld.

Art. 43.

Voor zoover de toepassing dezer wet dit vordert, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bijzondere bepalingen vastgesteld met betrekking tot den accijns op het geslacht.

Art. 44.

Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1871.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle miuisterieele departementen, autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s Gravenhage, 20 Juli 1870.

{(jet.) WILLEM.

De Minister van Binnenl. Zaken, {(jet) Pock.

Uitgegeven den 5den Augustus 1870.

De Minister van Justitie, {(jet.) v. Lilaar.

ocr page 34

30

W E T van den 2dequot; Juni 1875, tit.hl. No. 94, houdende hepalingen hetrefj\'ende de veeartsenij-kundige politie ten opzichte van paarden van het leger, in verhand met de wet van 20 Juli 1870, St.hl. No. 131.

Wij WILLEM III, bij de gkatie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of liooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat dit noodzakelijk is om, met behoud overigens der algo-meene voorschriften van de wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, bijzondere bepalingen vast te stellen voor de behandeling van door besmettelijke ziekten aangetaste of daarvan verdachte paarden van het leger;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Bij het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de tot het leger behoorende paarden, officierspaarden, voor zoover zij zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het leger, of met dezen te zamen weiden,

ocr page 35

31

daaronder begrepen, treedt, voor de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, alinea 1, 2 en 3 van art. 31 en art. 33 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, de plaatselijke of gar-nizoens-kommandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districtsveearts.

Doet zich het ziektegeval voor bij een paard, tijdens de troep, waarbij het behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt de ter plaatse bevelvoerende officier voor de toepassing van deze wet gelijk gesteld met den garnizoens-kommandant.

Bij ontstentenis van een militairen paardenarts wordt de wet door den burgemeester en den districtsveearts toegepast.

Wanneer de districtsveearts of die hem vervangt, of de in dit artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van een paard of van voorwerpen, toe-behoorende aan den ter plaatse kommandeerenden officier of aan gemelden paardenarts zeiven, geschiedt de onteigening door den burgemeester.

Art. 2.

De militaire paardenartsen, die ten tijde van het in werking treden dezer wet in dienst zijn, leggen binnen eene maand na dat tijdstip, — zij die later als zoodanig in dienst komen, bij de aanvaarding hunner betrekking — in handen van Onzen Commissaris in de

ocr page 36

32

provincie hunner garnizoensplaats den volgenden eed (belofte) af.

„Ik zweer (beloof), dat ik de verplichtingen, mij als militairen paardenarts bij de wet betreffende de veeart-senijkundige politie ten opzichte van paarden van het leger opgedragen, getrouw vervullen zal.quot;

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig (dat beloof ik).quot;

Art. 3.

De militaire paardenartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen betreffende veeartsnijkundige politie, gepleegd ten opzichte van tot het leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren, proces-verbaal op te maken, op den eed, door hen krachtens art. 2 afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan den ambtenaar of officier, die voor de vervolging van het strafbaar feit heeft te zorgen.

Art. 4.

De in art. 1 vermelde kommandeerende officier doet, wanneer een of meer paarden door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht worden, hiervan binnen 24 uren, nadat dit te zijner kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester der gemeente, waarin de paarden zich bevinden, met opgave van de ziekte en van het getal der aangetaste of verdachte paarden.

ocr page 37

33

Art. 5.

In gevallen van twijfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen tusschen den in art. 1 bedoelden kom-mandeerenden officier en den militairen paardenarts, geeft eerstgeinelde terstond daarvan kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

Art. 6.

Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk is, hunne afmaking, begraving, verbranding of onschadelijkmaking en bij de zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen, waarin zich die paarden bevonden hebben, is art. 28 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, niet van toepassing.

Alle kosten van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren, alle kosten van ontsmetting en alle verdere uitgaven, welke gedaan worden ten gevolge van het voorkomen van besmettelijke ziekten onder de tot het leger behoorende paarden, de dienstpaarden van officieren daaronder begrepen, komen ten laste van het Rijk en worden geleden op het hoofdstuk der Staatsbegrooting van het Departement van Oorlog.

Art. 7.

Geen aan het leger behoorend aan het Rijk in eigendom toebehoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden, tenzij:

3

ocr page 38

34

1°. door den kommandant van liet corps, waartoe het behoort, ten minste acht dagen te voren aan den burgemeester der gemeente, waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkooping, en

2°. aan dien burgemeester verstrekt is eene, hoogstens tweemaal 24 uren te voren, door don hoogst in rang aanwezigen paardenarts, ter plaatse waar de verkoop geschiedt, onderteekende schriftelijke verklaring, houdende dat het paard door hem is onderzocht en bevonden aan geene besmettelijke ziekte te lijden, en dat hij geen reden heeft om te vermoeden dat het in aanraking of in dezelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende aan eene besmetteljjke ziekte.

Wanneer ter plaatse, waar de verkoop geschiedt, geen paardenarts is, wordt eene met de sub 2° bedoelde gelijkstaande verklaring van den districtsveearts, binnen wiens ressort de verkooping geschiedt, vereischt.

Art. 8.

Jaarlijks, vóór den lsten April zendt de inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht, aan Onzen Minister van Oorlog een verslag van hetgeen door de militaire paardenartsen ter toepassing van deze wet is verricht en van hunne bevindingen daarbij, van welk verslag tegelijkertijd een afschrift wordt gezonden aan Onzen Minister van Binnenl. Zaken, ten einde daarvan gebruik te maken voor het aan Ons uit te brengen

ocr page 39

35

verslag, bedoeld in art. 12 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat ministeriëele departementen, autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 2den Juni 1875.

(get.) quot;WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Heemskerk.

De Minister van Oorlog, {get.) Enderlein.

Uitgegeven den 10dlt;m Juni 1875.

De Minister van Justitie, van Lynden van Sandenburg.

ocr page 40

36

WET van den 8sten Augustus 1878, St.hl. No. 115, houdende vaststelling bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands.

Wu WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut!

doen te weten:

Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen des lands vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het Rijk, door Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beiden.

ocr page 41

37

Weigert do eigenaar of houder van dat vee die inenting of dat merken toe te laten, dan wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze, dat de inenting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt. Is, tengevolge van eene volgens dit artikel ondergane inenting, een stuk rundvee, volgens verklaring van den districtsveearts of zijn plaatsvervanger, gestorven, dan wordt aan den eigenaarde volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed.

Art. 2.

Eigenaars of houders van vee in de gedeelten van het Rijk, in het vorig art. bedoeld, zijn verplicht den districtsveearts of zijnen plaatsvervanger en den door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzichters in de stallen, weiden, of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tussclien zonsop-en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne akte van aanstelling.

Art. 3.

Weigering of feitelijke verhindering om de ambtenaren, in art. 2 bedoeld, in stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste f 500.—. Bij herhaling van misdrijf worden de daartegen bedreigde straffen verdubbeld.

Art. 4 (vervallen.)

ocr page 42

38

Art. 5.

De bepalingen der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven na het in werking treden dezer wet onverminderd van kracht.

Art. 6.

Deze wet verbindt met den dag barer afkondiging.

Lasten en bevelen, dat deze in bet Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriëele departementen, autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op bet Loc, den 8ston Augustus 1878.

{get.) WILLEM.

Dc Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Kappeijne.

Uitgegeven den 10den Augustus 1878.

De Minister van Justitie, {get.) H. J. Smidt.

ocr page 43

39

WE T van 5 Juni 1875, St.bl. No. 110, tot vaststelling van bepalingen hij het voorkomen van hondsdolheid.

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., ekz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid vast te stellen.

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Zoodra zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of zoo een dezer dieren door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, behoort de eigenaar, houder of hoeder, dien hond of dio kat terstond af te maken of te doen afmaken of vast te leggen en op te sluiten, of te doen vastleggen en opsluiten. Hjj geeft van zijne bevinding en van het door hem of van zijnentwege verrichte onverwijld kennis aan den

ocr page 44

36

[VET van den 8sten Augustus 1878, St.hl. No. 115, houdende vaststelling bijzondere bepalingen tot heteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands.

Wij quot;WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning dee Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut!

doen te weten;

Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen des lands vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het Rijk, door Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beiden.

ocr page 45

37

Weigert de eigenaar of houder van dat vee die inenting of dat merken toe te laten, dan wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze, dat de inenting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt. Is, tengevolge van eene volgens dit artikel ondergane inenting, een stuk rundvee, volgens verklaring van den districtsveearts of zijn plaatsvervanger, gestorven, dan wordt aan den eigenaarde volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed.

Art. 2.

Eigenaars of houders van vee in de gedeelten van het Kijk, in het vorig art. bedoeld, zijn verplicht den districtsveearts of zijnen plaatsvervanger en den door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzichters in de stallen, weiden, of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tusschen zonsop-en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne akte van aanstelling.

Art. 3.

Weigering of feitelijke verhindering om de ambtenaren, in art. 2 bedoeld, in stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste f 500.—. Bij herhaling van misdrijf worden de daartegen bedreigde straffen verdubbeld.

Art. 4 (vervallen.)

ocr page 46

38

Art. 5.

De bepalingen der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven na het in werking treden dezer wet onverminderd van kracht.

Art. 6.

Deze wet verbindt met den dag barer afkondiging.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat allo ministeriëele departementen, autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 8stcn Augustus 1878.

{get) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsdie Zaken, {get) Kappeijne.

Uitgegeven den 10den Augustus 1878.

De Minister van Justitie, {get) H. J. Smidt.

ocr page 47

39

WE T van 5 Juni 1875, St.bl. No. 110, tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid.

Wij quot;WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of liooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid vast te stellen.

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Zoodra zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of zoo een dezer dieren door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, behoort de eigenaar, houder of hoeder, dien hond of die kat terstond af te maken of te doen afmaken of vast te leggen en op te sluiten, of te doen vastleggen en opsluiten. Hij geeft van zijne bevinding en van het door hem of van zijnentwege verrichte onverwijld kennis aan den

ocr page 48

40

burgemeester of aan den commissaris van politie zijner woonplaats. Tot die kennisgeving is hij ook verplicht wanneer het hem niet mogelijk is geweest den hond of de kat te dooden, op te sluiten of vast te leggen.

Art. 2.

Zoodra bij den burgemeester of commissaris van politie aangifte is gedaan of hem op andere wijze gebleken is, dat zich bij een hond of kat verschijnselen van dolheid voordoen, of dat een hond of eene kat door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, doet hij met den meesten spoed door den districtsveearts of een districts-veearts-plaatsvervanger, of bij afwezigheid van beiden, door een geëxamineerden veearts, dien hond of die kat, of indien zij gedood of gestorven zijn, hunne overblijfselen onderzoeken.

De veearts, die met het onderzoek belast werd, brengt de uitkomst daarvan onverwijld ter kennis van den burgemeester of commissaris van politie.

Indien het blijkbaar gevaarlijk is den hond of de kat in leven te laten, kan afmaking plaats hebben buiten de aanwezigheid en vóór het onderzoek van den veearts.

Art. 3.

Wordt bij dit onderzoek de hond of de kat dol of door een dol dier gebeten bevonden, of wordt deswege door den veearts twijfel uitgedrukt, dan wordt liet dier terstond op bevel en door de zorg van den burgemeester of van den commissaris van politie afgemaakt.

ocr page 49

— 41

f

De burgemeester der gemeente, ;n welke een geval van hondsdolheid is voorgekomen, beveelt bij bevelschrift,

dat hij onverwijld doet afkondigen, dat gedurende vier maanden, te rekenen van den dag der afkondiging, f. alle honden die zich buiten woningen of vaartuigen

(geene openbare middelen van vervoer zijnde), in de gemeente bevinden en niet binnen een afgesloten erf aan een ketting liggen, moeten voorzien zijn van een _ muilkorf, volgens een model door Onzen Minister van ,

Binnenlandsche Zaken vast te stellen.

Van dit bevel geeft de burgemeester onverwijld kennis aan de burgemeesters van alle aangrenzende gemeenten,

die dan onmiddellijk gelijk bevel voor hunne gemeenten kunnen uitvaardigen. Ook aan Onzen Commissaris in iedere provincie, in welke de betrokken gemeenten liggen, wordt afschrift van het bevelschrift gezonden.

Deze kan gelijk bevelschrift uitvaardigen en terstond doen afkondigen voor do geheele provincie of een deel daarvan.

I Art. 4.

Ambtenaren van Politie, waaronder voor de uitvoering van deze wet, ook worden verstaan de door den burgemeester of den commissaris van politie met het vatten, opvangen of afmaken van een hond of eene kat belaste personen, zijn, ter uitvoering van dien last,

bevoegd de erven, woningen of andere gebouwen en vaartuigen, zelfs zonder toestemming van den eigenaar of bewoner, tusschen 7 uur des morgens en 9 uur des

ocr page 50

42

avonds binnen te treden, mits voorzien van eene schriftelijke lastgeving van den burgemeester of commissarif» van politie.

Art. 5.

Overblijfselen van honden of katten, die aan dolheid gestorven of in een der gevallen, in artt. 2 of 3 bedoeld, afgemaakt zijn, worden voor zoover dit niet reeds door of van wege belanghebbenden is geschied, door do zorg van den burgemeester op Rijkskosten verbrand of begraven, overeenkomstig de voorschriften, door Ons krachtens art. 31 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131 gegeven.

Voorwerpen, welke met zoodanige honden of katten in aanraking zijn geweest, worden overeenkomstig dezelfde voorschriften op Rijkskosten, door de zorg van den burgemeester gereinigd en ontsmet, of, indien de districtsveearts of die hem vervangt, dit noodig oordeelt, verbrand, desnoods na onteigening.

Bij deze onteigening zijn de bepalingen van art. 24 der hierboven aangehaalde wet toepasselijk.

Art. 6.

De eigenaar, houder of hoeder van honden, die liet bevelschrift van den burgemeester of van Onzen Commissaris, in art. 3 bedoeld, overtreedt is strafbaar met eene geldboete van ten hoogste ƒ 10.

Bij ontdekking van deze overtreding wordt de hond in beslag genomen, of, indien daartoe geene gelegenheid

ocr page 51

43

is of blijkbaar gevaar bestaat, afgemaakt en alsdan met de overblijfselen gehandeld, zooals in art. 5 is voorgeschreven.

Bij het veroordeelend vonnis wordt de hond verbeurd verklaard, indien hij nog in wezen is.

In ieder geval kan bij het vonnis de afmaking van den in beslag genomen hond worden bevolen.

Ingeval de eigenaar, houder of hoeder het maximum der boete betaalt, beslist liet hoofd der politie of de hond hem kan worden teruggegeven of moet worden afgemaakt.

Is de eigenaar, houder of hoeder onbekend, dan wordt de hond, die bevonden wordt zonder zijn muilkorf rond te loopen, door of van wege do politie afgemaakt.

Art. 7.

Honden en katten, die zonder opzicht rondloopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of bruiker worden gedood.

Art. 8.

Verzuim van de in art. 1 voorgeschreven kennisgeving wordt gestraft met geldboete van ten hoogste f 0.75 of gevangenis van ten hoogste zeven dagen.

Art. 9.

Deze wet is niet toepasselijk op het terrein van \'s Rijks veeartsenijschool. De voorzorgen, aldaar te nemen, bij het onderzoek van dolle of van dolheid verdachte

ocr page 52

44

dieren, worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den directeur der school gehoord, geregeld.

Art. 10.

Provinciale en plaatselijke verordeningen, betreffende het onderwerp bij deze wet geregeld, zijn verbindend voor zooverre zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen nieuwe verordeningen worden vastgesteld.

Gegeven op het Loo, den 5dcn Juni 1875.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, Heemskerk.

Uitgegeven den 17den Juni 1875.

De Minister van Justitie, van Lijnden van Sandenburg.

ocr page 53

45

HOOFDSTUK II. Geldende Koninklijke Besluiten.

BESLUIT van 8 December 1870, St.hl. No. 194, houdende verbod van in- en doorvoer van buiten \'s lands van rundvee, schapen, hokken, geiten, versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onheicerkte wol, onbewerkt haar, klauwen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende:

dat op 31 December 1870 de wet van 17 October 1865, St.bl. N0. 121 en daarmede Onze besluiten van 10 en 20 September 1870, Staatsbladen N08. 160 en 163 hare verbindende kracht verliezen;

dat echter de uitbreiding van den veetyphus in naburige Rijken maatregelen tot voortdurende afwering voor alsnog noodzakelijk blijft maken ;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, welke wet op 1 Januari 1871 in werking zal treden;

ocr page 54

46

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnon-landsehe Zaken en van Financiën van 17 October 1870, N0. 246, 9de afd., en 28 daaraanvolgende, N0. 126;

Den Raad van State gehoord (advies van 22 November

1870, N0. 6);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van

Onze voornoemde Ministers, van 3/6 December daaraan-

e-enfle AT°S 172\' 9(16 «ftlceling ° \' 77, I. U. R. en Aco.\'

Hebben besloten en besluiten;

Art. 1. De in- en doorvoer van buiten \'s lands van rundvee, schapen, bokken en geiten en van versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klauwen, hoornen en van allen afval van genoemde dieren is verboden.

Ook die van hooi en stroo. (Besluit van 30 April

1871, St.bl. Nquot;. 37.)

2. Dit verbod is niet van toepassing op gezouten vleesch, wol, haar, hoornen en klauwen, rechtstreeks aangevoerd uit landen buiten Europa. En op hooi en stroo, waarin koopmansgoederen verpakt zijn. Besluit van 30 April 1871, St.bl. N». 37.

3. Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnenlandsche Zaken zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging der besmetting en met medewerking van Onzen Minister van Financiën.

ocr page 55

47

4. Dit besluit treedt in werking op 1 Januari 1871.

Onze Ministers van Binnenlandsclie Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Tiet Loo, 8 December 1870.

{(iet) WILLEM.

ocr page 56

48

BESLUIT van 25 September 1870, houdende maatregelen tot wering der veeziekte.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat tot het tegengaan der verspreiding eener in een naburig Rijk onder het rundvee heerschende besmettelijke ziekte strenge handhaving der daartoe strekkende maatregelen noodig is;

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, van 19 September 1870, Squot;16 afd. N0. 125, van den 22stcn September 1870, N0. 177, 9de afd. en van den 24sten daaraanvolgende, N0. 41, rechten en accijnsen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

aan alle ambtenaren der in- en uitgaande rechten en accijnsen wordt opgedragen om te waken voor de handhaving der wettelijke bepalingen, vastgesteld of nog vast te stellen tot afwering of bestrijding dor thans in een naburig Rijk heerschende veeziekte.

Van elke overtreding dier bepalingen wordt door hem proces-verbaal opgemaakt, op de eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

Dit besluit treedt dadelijk in werking.

Onze Ministers van Justitie, van Binnenl. Zaken en van Financiën zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de algemeeno rekenkamer tot informatie, \'s Gravenhage, 25 September 1870.

{gei) WILLEM.

ocr page 57

49

BESLUIT van den 28sten Mei 1871, houdende verbod van inlading van vee in een schip, naar huiten \'s Lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een\' veearts, van liegeeringswege daartoe aangesteld.

Wu WILLEM III, enz.

Overwegende, dat in strijd met art. 21 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. K°. 131, vervoer heeft plaats gehad van longziek vee naar stoombooten te Rotterdam, met bestemming naar het buitenland, en dat visitatie van het ten uitvoer bestemde vee voor de inscheping derhalve noodzakelijk is;

Gelet op de artt. 15 en 21 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131 ;

Op de voordracht van Onzen Minister van Staat en van Binnenl. Zaken, van 9 Mei 1871, N°. 1G9, 9de afd., en van Onzen Minister van Financiën, van den 12dea daaraanvolgende, N0. 42, I. U. R. en Ace.;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 Mei 1871, N». 6);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 25 Mei 1871, lit. C.;

Hebben besloten en besluiten:

4

ocr page 58

50

Art. 1.

liet is verboden in een schip, naar buiten \'s Lands bestemd, vee te laden of vee ter inlading aan te bieden, zonder voorafgaande visitatie van een\' veearts, van Regeoringswege daartoe aangesteld.

De visitatie geschiedt niet dan bij dag, tusschen zons op- en ondergang.

Art. 2.

Ons besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Het Loo, den 28sten Mei 1871.

WILLEM.

ocr page 59

51

BESLUIT van den 11 den Juli 1874, waarbij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd rvorden verklaard tot het houden van openbare verhoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131.

Wij WILLEM III, enz.

Op de gemeenschappelijke voordracht y.an Onze Ministers van Binnenl. Zaken, van 22 Mei 1874, N°. 233, 9de afd., en van Justitie, van den 30sten daaraanvolgende, N0. 147, 2de afd. a;

Gelet op art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, Bulletin des Lois X0. 258, op de arrêté\'s van 12 Pructior, jaar IV, en 27 Nivose, jaar V, Bulletin des Lois Nos. 72 en 101, den openbaren verkoop van roerende goederen betreffende, alsmede op art. 18 der wet op het notarisambt, van 9 Juli 1870, St.bl. ±iquot;. 20;

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, de ambtenaren aanwijzen, bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870 St.bl. W. 131;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 Juli 1874, Nquot;. 131);

ocr page 60

52

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 26 Juni 1874, Nquot;. 185, 9de afd., en 3 Juli daaraanvolgende, Nquot;. 161;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 38 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Montreux, den llden Juli 1874.

WILLEM.

ocr page 61

53

BES Ij UIT van den 23 sten Januari 1877, tot het huiten \'werking stellen van de Koninklijke hesluiten van 2 Maart 1873, St.hl. No. 36, en van 6 October 1873, St.hl. No. 136, hetrekkelijk het verbod van in- en doorvoer van huiten \'s lands van rundvee, schapen, enz.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat liet verschijnen van veepest in Duitschland en Engeland gevaar van besmetting door in- en doorvoer van buiten \'s lands van schapen, bokken en geiten en van de daarvan afkomstige deel en doet ontstaan en verbod van dien in- en doorvoer derhalve noodzakelijk is gebleken;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, en Onze besluiten van 8 December 1870, St.bl. Nquot;. 194, van 2 Maart 1873, St.bl. N0. 36, en van 6 October 1873, St.bl. W. 136;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 20 Januari 1877, lit. N, 9d0 afd., en van Onzen Minister van Financiën, van 20 Januari 1877, lit. A, I. U. R. en Ace.;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 Januari 1877, Nquot;. 12);

ocr page 62

54

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van 23 Jan. 1877, lit. G, 9de afd., en lit. A, I. U. R. en Acc.;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Art. 1.

Onze besluiten van 2 Maart 1873, St.bl. N0. 36, en van 6 October 1873, St.bl. JST. 136, worden buiten werking gesteld.

Art. 2.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

\'s Gravenhage, den 238tei1 Januari 1877.

WILLEM.

ocr page 63

55

BESLUIT van 25 Februari 1877, houdende maatregelen tot wering der veeziekte.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat de uitbreiding van besmettelijke veeziekte in een naburig Rijk strenge handhaving eischt van de tot afwering genomen maatregelen;

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenl. Zaken en van Financiën, van 22 Febr. 1877, 3de afd., Nquot;. 112 B., van 23 Febr. 1877, lett. P., 9de afd. en van den 248te,1 Febr. 1867, Nquot;. 44, I. en U. R. en Acc.;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

lo. aan alle ambtenaren van \'s Rjjks belastingen wordt opgedragen te waken voor de handhaving van de maatregelen opgenomen of nog te nemen ter bestrijding der besmettelijke veeziekte;

2o. van elke overtreding van de tot die ziekte betrekkelijke verordeningen wordt door hen proces-verbaal opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

Dit besluit treedt dadelijk in werking.

\'s Gravenhage, 25 Februari 1877.

WILLEM.

ocr page 64

56

BESLUIT van den 18(1 en Maart 1878, tot aanvulling van art. 1 van het Kon. besluit van 28 Mei 1871, St.hl. No. 42, houdende verbod van inlading van vee in een schip naar huiten \'s lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een\' veearts van R eg eer in g sweg e daartoe aangesteld.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat aanvulling van art. 1 van het Kon. besluit van 28 Mei 1871, St.bl. Nquot;. 42, wen schel ijk is;

Gelet op de artt. 15 en 21 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. W. 131;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 16 Februari 1878, litt. H., afd. Medische Politie, en van Onzen Minister van Financiën, van den 1 Qden Februari 1878, Nquot;. 31, invoerrechten en accijnsen;

Den Raad van State gehoord (advies van 12 Maart 1878, N°. 11);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 13 Maart 1878, litt. H., afd. Medische Politie, en 15 Maart 1878, N°. 62, invoerrechten en accijnsen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ocr page 65

57

Art. 1.

Art. 1 van Ons besluit van 28 Mei 1871, St.bl. N0. 42, aan te vullen met eene derde alinea, aldus luidende:

„Van laatstgemelde bepaling kan door Onzen Minister van Binnenl. Zaken tijdelijk ontheffing verleend worden.quot;

Art. 2.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

\'s Gravenhage, den 18den Maart 1878.

WILLEM.

ocr page 66

58

BESLUIT van den 17den Augustus 1878, houdende vaststelling van nadere hepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder liet rundvee vast te stellen;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, en art. 1 der wet van 8 Aug. 1878, St.bl. Nquot;. 115;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 6 Aug. 1878, N°.6, afd. Medische Politie;

Den Raad van State gehoord (advies van 13 Aug. 1878, W. 11);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 14 Aug. 1878, lit. K, afd. Med. Politie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Het is verboden uit de kringen, door Onzen Minister van Binnenl. Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren zonder vergunning van den burgemeester der gemeente, waarin zich het vee bevindt. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht.

ocr page 67

59

Art. 2.

De in art. 1 vermelde vergunning wordt niet gegeven dan na verhoor van den districts-veearts en op diens verklaring dat hem, na onderzoek, van de noodzakelijkheid van het vervoer is gebleken en hij daartegen geene bedenking heeft.

De burgemeester verleent deze vergunning door afgifte van een vervoerbiljet. Dit biljet moet voorzien zijn van het wapen der gemeente; het vermeldt denamen en de woonplaats van den aanvrager, het advies van den districts-veearts, alsmede de namen en de woonplaats van hem, aan wien het rundvee verzonden wordt, omschrijft het vee nauwkeurig door opgave van geslacht, ouderdom, kleur en blijvende bijzondere kenteekenen en wordt afgegeven aan den vervoerder, die zorgt dat het uiterlijk twaalf uren na aankomst op de plaats van bestemming bij den burgemeester wordt ingeleverd.

Indien het aldus vervoerde vee niet voor de slachtbank is bestemd, zendt de burgemeester afschrift van het vervoerbiljet aan den districts-veearts in zijnen kring.

Art. 3.

Het aldus vervoerde vee mag niet met ander vee in aanraking worden gebracht en zonder schriftelijke toestemming van den burgemeester, den districts-veearts gehoord, niet levend van het erf, waarop het zich bevindt, worden verwijderd binnen drie maanden na aankomst aldaar. Bij den dood van het vee of na verloop van

ocr page 68

60

drie maanden na het in de vorige artikelen vermeld vervoer, wordt het vervoerbiljet door de zorg van den burgemeester vernietigd.

Art. 4.

Het is den ondernemers van openbare middelen van vervoer verboden uit een volgens art. 1 afgesloten kring rundvee te vervoeren anders dan in een afgesloten wagen of afgesloten gedeelte van het vervoermiddel op zoodanige wijze, dat het niet in aanraking gebracht worde met ander vee of andere goederen.

De wagen of het afgesloten gedeelte, waarin zich zoodanig rundvee bevindt, moet voorzien zijn van het opschrift: vee uit afgesloten kring. Het vee raag daaruit niet worden verwijderd dan ter plaatse zijner bestemming. Het is verboden het aldaar te lossen anders dan onder toezicht der rijksveldwacht of der plaatselijke Politie,

Het is verboden het vervoermiddel van do plaats van aankomst te verwijderen alvorens het onder toezicht der rijksveldwacht of der plaatselijke Politie en ten koste der ondernemers ontsmet zij.

Op deze ontsmetting is Ons besluit van 4 December 1870, St.bl. N0. 91, toepasselijk.

Art. 5.

Uitvoer van het vee uit volgens art. 1 afgesloten kringen naar buiten \'s lands kan, behoudens het bepaalde in Ons besluit van 28 Mei 1871, St.bl. Nquot;. 42,

ocr page 69

61

zonder vergunning geschieden. In dat geval is het bepaalde in de eerste zinsnede van art. 3 slechts van toepassing tot het tijdstip der inlading in de vervoermiddelen waarmede de uitvoer plaats heeft. Uit deze vervoermiddelen mag geen vee op Nederlandsch gebied worden gelost. Indien het vervoer per spoorweg geschiedt, moeten de wagens, waarin het vee zich bevindt, gesloten zijn.

Art. 6.

Al het rundvee, hetwelk zich in volgens art. 1 afgesloten kringen bevindt, wordt door geëxamineerde veeartsen, daartoe tijdelijk door Onzen Minister van Binnenl. Zaken aangewezen, ingeënt en door de zorg van den burgemeester voorzien van een brandmerk met de letter V op de rechterdij beneden het heupgewricht. Evenzoo wordt al het rundvee, hetwelk in voormelde kringen wordt ingevoerd, binnen drie dagen na aankomst ter plaatse van bestemming door een der daarmede belaste veeartsen ingeënt en tusschen den 7dcn en den 10dcn dag na do inenting door de zorg van den burgemeester van voormeld brandmerk voorzien. Vóór dat deze merking heeft plaats gehad, mag het niet met gemerkt rundvee in aanraking worden gebracht.

Art. 7.

De met de inenting belaste veeartsen ontvangen uit \'s Rijks schatkist eene maandelijksche belooning, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald.

ocr page 70

62

Art. 8.

Ingeval, krachtens art. 2, vergunning tot vervoer van niet voor de slachtbank bestemd vee gegeven is, wordt het vóór den uitvoer ten tweeden male met de letter V gebrand, naast het eerste brandmerk.

Art. 9.

Het op eenigerlei wijze onkenbaar of minder duidelijk herkenbaar maken van het in art. 6 vermelde brandmerk, is verboden.

De eigenaar, houder of hoeder van rundvee in een der volgens art. 1 afgesloten kringen, die in het bezit gevonden wordt van rundvee, waarbij het in art. 6 vermelde merk niet duidelijk zichtbaar is, wordt alleen dan geacht niet in overtreding te zijn, wanneer hij bewijst dat het vee binnen de drie laatste dagen in den afgesloten kring is ingevoerd en hij van dien invoer binnen 12 uren aan den burgemeester kennis heeft gegeven.

Art. 10.

Het is verboden buiten den volgens art. 1 afgesloten kring in het bezit te zijn van niet voor de slachtbank bestemd rundvee, gemerkt met eene V of, indien niet het in art. 2 vermelde vervoerbiljet bij den burgemeester is ingeleverd met VV.

Indien het vervoerbiljet, krachtens art. 3 wegens het verstrijken van den termijn van drie maanden na het vervoer, vernietigd wordt, geeft de burgemeester hiervan aan den eigenaar, houder of hoeder eene verklaring af.

ocr page 71

63

Art. 11.

Bij opheffing van de in art. 1 bedoelde kringen wordt al het zich daarin bevindende rundvee vooraf door de zorg van den burgemeester met een tweede brandmerk, bestaande in een omgekeerde V (A), naast het eerste gemerkt. Het aldus gemerkte vee mag vrij vervoerd worden.

Art. 12.

Kalveren worden niet ingeënt eer zij den leeftijd van drie maanden bereikt hebben.

Art. 18.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Het Loo, den 17den Augustus 1878.

WILLEM.

ocr page 72

64

BESLUIT van den 9den Januari 1879, tot wijziging en aanvulling van het Kon. besluit van 17 Aug. 1873, St.hl. No. 128, houdende vaststelling van nadere hepalingen tot heteugeling der longziekte onder het rundvee.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat wijziging van Ons besluit van 17 Augustus 1878, St.bl. Nquot;. 128, houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee, noodzakelijk is;

Gezien Ons voormeld besluit;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl.

Zaken, van 17 December 1878, litt. Gr., afdeeling Medische Politie;

Den Raad van State gehoord (advies van 31 December 1878 W. 8;

Grelet op het nq-der rapport van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 4 Januari 1879, lit. V., afdeeling Medische Politie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Met ingang van 1 Februari 1879 wordt het merk-teeken, vermeld in Ons besluit van 17 Augustus 1878, St.bl. N0. 128, in den rechter hoorn gebrand of, bij

ocr page 73

65

gemis van dezen, in den linker hoorn, of bij gemis aan beide hoorns, in den hoef van het rechter voorbeen.

Art. 2.

Art. 9 van Ons in het vorig artikel vermeld besluit, is ten opzichte van dit brandmerk, verbindend.

Art. 3.

Runderen bij welke, bij het in werking treden van Ons tegenwoordig besluit, het brandmerk op de rechter dij duidelijk zichtbaar is, zijn van het brandmerk op den rechter hoorn vrijgesteld.

Art. 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Arolsen, den 9den Januari 1879.

WILLEM.

ocr page 74

66

BESLUIT van 9 Juni 1885, houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden, of op andere wijze vernietigen van het volgens de u-et van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131, afgemaakt, aan eenc besmettelijke ziekte gestorven geslacht vee, of wegens zoodanige ziekte geslacht vee of volgens de wet van 5 Juli 1S75, St.bl. No. 110, afgemaalde honden en katten, en van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gehouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten.

Wij WILLEM III, exz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken, van 20 April 1885, N0. 1018, afd. Medische Politie;

Gelet op art. 31 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, en op art. 6 der wet van 2 Juni 1875, St.bl. N0. 94;

Den Kaad van State gehoord (advies van 26 Mei 1885, IT. 9);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 3 Juni 1885, N0. 1795, afd. Medische Politie;

Hebben besloten en besluiten;

ocr page 75

67

Art. 1.

Omtrent het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, afgemaakt vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode of volgens de wet van 5 Juli 1875, St.bl. N0. 110, afgemaakte honden en katten en van besmette voorwerpen; het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleedoren van personen, en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen, en het onschadelijk maken van mestvaalten, gelden de bij dit besluit gevoegde voorschriften, die geacht worden daarmede een geheel uit te maken.

Art. 2.

Onze besluiten van 4 December 1870, St.bl. Nquot;. 191, en 6 April 1882, St.bl. Nquot;. 49, zijn ingetrokken.

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Karlsbad, den 9den Juni 1885.

WILLEM.

ocr page 76

68

VOORSCHRIFTEN hetreffende:

lo. het beyraven, verbranden o f op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de icet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131, afgemaakt vee en gedeelten van zulk vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode, of volgens de icet van 5 Juli 1875, St.bl. No. 110, afgemaakte honden en katten, en van besmette voorwerpen ;

2o. het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en t ramicegen; 3o. het onschadelijk maken van mestvaalten.

§ 1. Het vernietigen van vee, van gedeelten van vee, van honden en katten en van besmette voorwerpen door begraven, verbranden of op andere wijze.

a. Verbrand moeten bij voorkeur worden: vee dat aan miltvuur lijdende gestorven of gedood is, vee dat aan veepest lijdende afgemaakt of gestorven is, de borsten buiksingewanden van runderen, die aan besmettelijke longziekte lijdende afgemaakt of gestorven zijn; besmet

ocr page 77

69

strooisel, drooge mest, hooi, stroo, riet; besmette en door gebrekkige gesteldheid en geringe waarde niet voor ontsmetting geschikte stalgereedschappen, tuigen, dek-kleeden van vee, kleederen van menschen en gedeelten van houtwerk uit stallen en andere gebouwen.

Aan het verbranden van het bovengenoemde moet bepaald de voorkeur boven het begraven gegeven worden in alle gevallen, waar de gesteldheid van den bodem het op behoorlijke diepte begraven niet toelaat en waar voor het begraven van aan miltvuur gestorven vee geen ander terrein dan wei-, bouw- of moesland ter beschikking is. Indien wegens gevaar voor de veiligheid van nabijzijnde gebouwen of gewassen, of wegens een te groot aantal te vernietigen dieren, of wel door andere omstandigheden hot verbranden niet op voldoende wijze geschieden kan, heeft begraving plaats.

Na verbranding wordt hot niet geheel door vuur verteerde overschot begraven, zoo mogelijk één meter diep.

h. Waar de gelegenheid bestaat om, zonder te groote kosten of andere bezwaren, van vervoer enz., dood vee of gedeelten daarvan te vernietigen door inwerking van kokend water of stoom in gesloten ruimten, moet hieraan de voorkeur gegeven worden boven het verbranden in de open lucht.

c. Bij het begraven van vee worden te voren de huid en het vleesch geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inkervingen, die tot diep in het vleesch moeten indringen en waarin gegoten worden ruw carbolzuur

ocr page 78

70

of wel koolteer on petroleum. Het vee, de liondcn en katten en de mede te begraven voorwerpen worden in den kuil overgoten met carbolwater (waarvan de samenstelling in § 2 voorgeschreven is), daarna gelijkmatig bestrooid met eene één decimeter dikke laag gebrande kalk en vervolgens met eene één meter dikke laag

aarde bedekt.

Waar zulks door don burgemeester in overleg met den districtsveearts noodig wordt genclit, moet de begraafplaats onmiddellijk na de begraving door eene stevige omheining, die voor vee ondoordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten gehouden worden.

Het binnentreden van do omheinde begraafplaats of het ontsluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve met verlof of op last van den burgemeester.

§ 2. Het ontsmetten van huiden, stallen en andere gebouwen, van kleederen van personen en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en la-dingsterreinen van spoor- en tramwegen.

A. De ontsmettingsmiddelen. Als ontsmettingsmiddelen worden uitsluitend do volgende gebruikt:

a. Hitte, en wel:

1. Vuur, als gloeiend of vlammend vuur, om vuurvaste metalen voorwerpen een lichten graad van roode gloeihitte te doen ondergaan, of als de vlam eener blaas-of schroeilamp om de oppervlakte van voorwerpen af

ocr page 79

71

te zengen of af te schroeien (zoogenaamd flambeeren.)

2. Stoom.

3. Kokend water.

h. Scheikundig werkende stoffen, en wel:

4. Sublimaat (kwikchloride, chloretum hydrargyricum) als sublimaatwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel op 5000 deelen water of 1 gram per 5 liter water.

5. Carbol zuur als carbolwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel ruw carbolzunr, dat ongeveer 50 pCt. carbolzuur bevat, in 10 deelen water, of wel eene oplossing van 1 deel zuiver carbol- of phenylzuur in 20 deelen water.

G. Chloorkalk in den vorm van chloor kalkmelk, gemaakt door vermenging van 1 deel chloorkalk met 10 deelen water, en ter bereiding van chloorgas door vermenging van 1 gewichtsdeel chloorkalk met 1% ge-wichtsdeelen ruw zoutzuur.

7. Zwavelig zuur gas, bereid door verbranding van pijpzwavel in stukjes, bevochtigd met methylalcohol.

Gebrande kalk in den vorm van stukjes en groef poeder en van kalkmelk, do laatste gemaakt door vermenging van 1 deel gebrande kalk mot 10 deelen water.

c. Voorafgaande rein iging van te ontsmetten voorwerpen.

Om de uitwerking der ontsmettingsmiddelen, inzonderheid der scheikundige, zoo volledig mogelijk te maken, moet aan de aanwending daarvan eene reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ontsmet moet worden bedekt is

ocr page 80

72

met vuil of aanklevende dierlijke stof, die eene grondige ontsmetting bemoeilijkt of verhindert.

Behalve het verwijderen der onreinheden door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven enz., en door afwasschen, afschuieren, afschrobben enz. met koud of met heet water, worden als reinigingsmiddelen gebruikt:

Groene zeep, opgelost in heet water tot een sterk zeepsop, en potaschloog of sodaloog, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe soda op te lossen in 20 deelen kokend water, er onder te roeren 1 deel gebrande kalk, die te voren door bevochtiging met water tot poeder uiteengevallen is, en na bezinking der kalk de oplossing af te gieten.

Ingeval van ziekten van dieren, die voor den mensch door besmetting gevaar kunnen opleveren, moet reiniging met ontsmetting gepaard gaan.

B. De ontsmettingswijzen.

1. Stallen en andere gebouwen en zich daarin bevindende gebomeen.

Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof vervoerd: mest, strooisel, voeder en alle andere te verbranden of te begraven voorwerpen, alsmede het grove vuil, dat van de zoldering, wanden en vloer afgenomen en daarna onverwijld met een der scheikundige ontsmettingsmiddelen in ruime hoeveelheid vermengd moet worden.

Muur-, steen- en pleisterwerken, houtwerk en houten stalgereedschappen, ijzer- en ander metaalwerk worden

ocr page 81

73

gereinigd met heet zeepsop of wel met lieete potascliloog of sodaloog en ontsmet met sublimaatwater of carbolwater.

Los ijzerwerk behoeft enkel gegloeid te worden.

Het nauwkeurig en sterk afzengen of afschroeien (flambeeren) is op zichzelf voldoende ter ontsmetting van houtwerk en metaalwerk.

Dekkleeden, touwwerk enz. worden door stoom ontsmet of wel met heet sterk zeepsop of heete verdunde sodaloog (1 deel loog op 3 deelen water) gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Lederwerk wordt met warm zeepsop of koude verdunde sodaloog gereinigd en met ter halve sterkte verdunde chloorkalkmelk of met sublimaatwater ontsmet.

Haren kussens mogen enkel ontsmet worden door kokend water of stoom.

Aai\'den vloeren worden minstens 20 c. M. diep uitgegraven, de bodem met sublimaatwater, carbolwater, chloorkalk of gebrande kalk ontsmet en daarna ter dikte der uitgegraven laag met nieuwen grond bedekt, die vast wordt aangestampt.

Losse steenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld, met reiniging en ontsmetting van de weder te bezigen steenen, of wel in de voegen diep uitgekrabd, door afschrobben met heet sterk zeepsop of met heete potascliloog gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet.

Gemetselde en cementsteen vloeren worden na reiniging op de genoemde wijze met sublimaatwater of car-

ocr page 82

74

bolwater begoten of wel dik bestreken met chloorkalk-melk of kalkmelk.

Houten vloeren worden opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en liet niet verbrande of begraven houtwerk op de gewone wijze gereinigd en ontsmet.

Goten, groppen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten tot afvoer of verzameling van uitwerpselen, stal-water enz. worden gereinigd met kokend water en kokend beete potaschloog en, na ruime doorspoeling, met sublimaatwater of earbolwater ontsmet. Goten enz., wier wanden niet geheel dicht zijn, worden behandeld als losse steenbevloering.

Ten slotte wordt de stal of het gebouw berookt met chloor of met zwaveligzuur. Voor berooking met chloor is voor elke 10 M3 ruimte benoodigd minstens 3 hectogram chloorkalk. De chloorkalk moet aangewend worden in kommen of schalen, die elk % tot hoogstens 1 kilogram mogen bevatten. Voor berooking met zwaveligzuur is voor elke 10 M3 ruimte benoodigd minstens 1% hectogram pijpzwavel. De pijpzwavel moet aangewend worden in vlakke schalen, die elk hoogstens kilogram mogen bevatten. In den stal of het gebouw moeten vóór den aanvang der berooking de lucht en de wanden en voorwerpen zoo vochtig mogelijk gemaakt worden. Zij blijven tijdens de berooking 24 uren gesloten en worden na dien twee dagen goed gelucht.

Afzonderlijke standplaatsen van vee in stallen en an-

ocr page 83

75

dero gebouwen worden, met uitzondering van de be-rooking, op overeeukorastige wijze ontsmet. Daarbij behooren echter tot de standplaats van een stuk vee medegerekend te worden de gedeelten van daaraan grenzende standplaatsen, die voor besmet zijn te houden.

1. Toepassing dezer voorschriften hij bepaalde hesmettelijke ziekten.

De ontsmetting van stallen en andere gebouwen en van standplaatsen volgons de vorenstaande voorschriften is alleen geboden ingeval van veepest, longziekte, schaapspokken, kwaden droes, huidworm en miltvuur. Bij miltvuur moet inzonderheid de vloer met de meeste zorg ontsmet worden, maar blijft berooking achterwege.

Ingeval van mond- en klauwzeer is het voldoende goed te reinigen met heet water, voor zooveel noodig met heet zeepsop of heete verdunde sodaloog of potasch-loog, en daarna het muurwerk, het houtwerk en den vloer te overgieten of te bestrijken met chloorkalkmelk of kalkmelk. Berooking van den stal mag alleen geschieden als deze van vee geheel ontruimd is.

Ingeval van dolheid kan gehandeld worden gelijk voor mond- en klauwzeer bepaald is, maar blijft berooking achterwege.

2. Huiden.

De huiden worden ontsmet door indompeling gedurende 12 uren in sublimaatwater of carbolwater of gedurende minstens 24 uren in versch bereide kalkmelk, die mot hoogstens vijfmaal zooveel water verdund mag worden.

ocr page 84

76

3. Voertuigen.

Voertuigen alsmede sclmiten, waarmede vee, besmette voorwerpen en mest vervoerd zijn, worden onverwijld gereinigd en ontsmet op de wijze als voor hout- en ijzerwerk der stallen voorgeschreven is.

4. Kleederen.

Het ontsmetten van kleederen zal zich in den regel bepalen tot de bovenkleederen, waarbij het schoeisel bijzondere zorg vereischt. Zijn ook de onderkleederen besmet, dan worden deze in de ontsmetting begrepen. Kleederen, die met van vee afkomstige stoffen zooals bloed, slijm enz. verontreinigd zijn, worden door stoom ontsmet of, na onderdompeling in kokend water of bevochtiging, met zwaveligzuur of chloor berookt. Schoeisel wordt nauwkeurig gereinigd door afwasschen met heet zeepsop en daarna ontsmet met sublimaatwater of carbolwater.

5. Veewagens, gereedschappen en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen.

De veewagens worden ontledigd van strooisel, mest, voeder enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.

Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgen begoten of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig moet het afschrobben geschieden met sterk zeepsop of met verdunde sodaloog of potaschloog (1 deel loog op 3 deelen water) en moeten de genoemde vochten heet worden aangewend. quot;Wand-

ocr page 85

77

bekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of zoo noodig met warme verdunde sodaloog afgewassclien.

De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met carbolwater of sublimaatwater, of door stoom van minstens 2 atmospheeren (120° C) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken, of door stoom van minstens G atmospheeren (IGO0 C.) in den dichtgesloten wagen te doen instroomen.

Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.

Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengevoegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtbekleedingen met water afgeschrobd. Zoo noodig wordt, na reiniging, de bodem met carbolwater of sublimaatwater begoten.

üe uit de wagens en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengevoegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid of met carbolwater of sublimaatwater bevochtigd.

§ 3. Het onscliadelijk maken van mestvaalten.

Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door den mest naar bouwland te vervoeren

ocr page 86

78

en onmiddellijk onder te ploegen, of anders door overgieten met sublimaatwater of carbolwater of bestrooien met eene laag chloorkalk of gebrande kalk.

§ 4. Algemeene bepalingen.

De districtsveearts beslist in overleg met den burgemeester of het onschadelijk maken van dood vee in plaats van door begraven geschieden zal door verbranden

of op andere wijze.

Voor elk bijzonder geval wordt door den districtsveearts of door den veearts, die hem vervangt, bepaald en aangewezen welke middelen ter ontsmetting aangewend zullen worden, en op welke wijze, voor zoover deze voorschriften verschillende wijzen van handelen toelaten.

De aanwending van sublimaatwater als ontsmettingsmiddel mag uitsluitend plaats hebben in tegenwoordigheid van den districtsveearts, of van den veearts, die hem vervangt.

Voor zooveel noodig worden bijzondere regelen, die bij de uitvoering dezer voorschriften in acht genomen moeten worden, door den Minister van 13innenlandsche Zaken bij nadere instructie vastgesteld.

Behoort bij Kon. besluit van 9 Juni 1855, St.bl. N». 125.

Mij bekend,

De Minister van Binnenlandsche Zaken, Heemskerk.

ocr page 87

79

BESLUIT van den 19den Augustus 1880, houdende vaststelling van het hedracj van vacatiegelden voor de plaatsvervangende districtsveeartsen.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken van 17 Augustus 1880, L11 E., Med.. politie;

Gelet op art. 2 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, en op art. 7 dier wet, aangevuld bjj die van 1 Augustus 1880, St.bl. N0. 123;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Het bedrag der vacatiegelden voor de plaatstvervan-gende districtsveeartsen te bepalen op drie gulden {f 3.—) voor eiken dag waarop zij, bij volstrekte verhindering van den districtsveearts, diens betrekking waarnemen.

Onze Minister van Binnenl. Zaken is belast met do uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift wordt gezonden aan de algemeene rekenkamer.

\'s Gravenhage, 19 Augustus 1880.

(get.) WILLEM.

ocr page 88

80

BESLUIT van den 13den Februari 1884, houdende toekenning van premiën voor aangehaald rundvee hij verboden invoer. (De bepalingen van dit besluit zijn bij besluit van 21 Maart 1884 ook toepasselijk verklaard op alle ambtenaren van \'s Rijks belastingen.)

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenl. Zaken van 31 Januari 1884, N0. 115, afd. Med. Politie;

Gelet op art. 1 van liet Kon. besluit van 8 December 1870, St.bl. N°. 194;

Hebben goedgevonden en verstaan;

Aan de ambtenaren der Rijks- en gemeentepolitie, belast met — of bevoegd tot liet toezicht op den ver boden invoer van levend vee uit het buitenland, de navolgende premiën toe te kennen, voor het vee dooi hen gezamenlijk of afzonderlijk aangehaald:

lo. voor elk volwassen stuk rundvee f 10. ,

2o. voor elke vaars f 5.—,

3o. voor elk kalf of schaap f 2.— , met bepaling, dat voor tegelijkertijd aangehaalde stuks vee de premie niet meer dan f 20.— zal bedragen.

\'s Gravenhage, 13 Februari 1884.

(get.) WILLEM.

ocr page 89

81

BESLUIT van den 27sten Maart 1888, St.hl. No. 67, yewijziyd hij Besluit van 2 Mei 1889, St.hl. No. 62, en aangevuld hij hesluit van 9 October 1889, St.hl. No. 128, ivaarhij nader wordt wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden yehouden en welke der in de wet van 20 Juli 1870, St.hl. No. 131, genoemde maatregelen hij het dreigen of heerschen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat herziening van Ons besluit van 14 Maart 1880, St.bl. N0. 31, aangevuld bij dat van 31 Maart 1886, St.bl. N0. 64;

Gezien de wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, laatstelijk gewijzigd bij art. 10 sub 26° van de wet van 15 April 1886, St.bl. N0. 64;

De commissie van deskundigen, benoemd bij Onze besluiten van 7 Januari en 6 Maart 1887, N08. 5 en 3, gehoord;

Op de voordracht van Onzen Minister van Staat, Minister van Binnenl. Zaken van 24 Januari 1888, Nquot;. 4408, afd. Med. Pol.;

Den Raad van State gehoord (advies van 6 Maart 1889, N°. 9;

6

ocr page 90

82

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 21 Maart 1888, N0. 923, afd. Med. Pol.;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

§ 1. De ziekten van liet vee, welke voor besmettelijk worden gehouden.

Art. 1.

Voor besmettelijk worden gehouden de volgende ziekten van liet vee:

1°. de veepest der herkauwende dieren;

2°. de longziekte (pleuro-pneuraonia contagiosa) dei-runderen ;

3quot;. het mond- en klauwzeer (besmettelijke blaar-uitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens;

4quot;. de kwade droes en huidworm bij de eenhoevige dieren;

5°. de schurft (sarcoptes-schurft en derma,tocoptes-schurft) bij de eenhoevige dieren en schapen;

6°. de schaapspokken bij de schapen, do bokken en de geiten;

7quot;. de varkensziekte (namelijk de besmettelijke vlekziekte en de besmettelijke borstziekte der varkens);

8°. de trichinenziekte bij de varkens;

9\'. het miltvuur bij alle vee;

10°. de hondsdolheid bij alle vee.

11°. het kwaadaardig klauwzeer (zoogenaamd rotkreu-pel) der schapen.

ocr page 91

83

§ 2. Maatregelen welke tegen elke der besmettelijke veeziekten toegepast moeten of kunnen worden.

Art. 2.

Onverminderd de verplichte aangifte, voorgeschreven in art. 13 en de verwijdering en afzondering, voorgeschreven in art. 14 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, moeten bij elke der in art. 1 van dit besluit genoemde veeziekten, de volgende, in de daarbij vermelde artikelen der aangehaalde wet genoemde maatregelen worden toegepast:

1°. het plaatsen der kenteekenen, bedoeld in art. 17;

2°. het verbod van vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, behoudens vergunning van den burgemeester (art. 21);

3°. ontsmetting volgens de door Ons gegeven of te geven voorschriften (art. 31);

4°. het verbod van gedurende een termijn, bij dit besluit voor elke besmettelijke ziekte bepaald, vee te brengen in gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft (art. 32).

Art. 3.

Indien een aan eene besmettelijke ziekte lijdend stuk vee is gestorven, is de houder of hoeder verplicht daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente waar het gestorven dier zich bevindt.

ocr page 92

84

Vee en overblijfselen van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is gestorven, moeten door de zorg en — behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel — op kosten van den eigenaar zoo spoedig mogelijk na de in het vorig lid bedoelde kennisgeving binnen een door den burgemeester te bepalen termijn worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger te bepalen, onschadelijk gemaakt.

De brandstoffen en andere benoodigdheden, voor het verbranden te bezigen, de bij liet begraven te gebruiken ontsmettingsmiddelen benevens — voor zooveel dit noodig is — hulp en opzicht bij het verbranden of begraven, worden den eigenaar door den burgemeester op Rijkskosten verstrekt.

Schadeloosstelling voor het gestorven dier of de overblijfselen daarvan wordt niet gegeven, behoudens;

«. dat in de gevallen en naar den maatstaf, dooiden Minister van Binn. Zaken te bepalen, door den burgemeester op Rijkskosten eene gedeeltelijke schadeloosstelling wordt gegeven voor de huid van het dier;

h. dat de Minister van Binn. Zaken in bijzondere gevallen eene door hem te bepalen schadeloosstelling uit \'s Rijks kas kan toekennen aan den eigenaar van een dier, dat is ingeënt en binnen een door den Minister gestelden tijd is gestorven, volgens de verklaring van eenen geëxamineerden veearts, lijdende aan de ziekte waartegen het was ingezet.

ocr page 93

85

Art. 4.

Indien een stuk vee, dat naar luid van art. 22 der aangehaalde wet van eene besmettelijke ziekte verdacht wordt gehouden, is gestorven, is de houder of hoeder verplicht hiervan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente waar het gestorven dier zich bevindt.

Deze doet onverwijld door den distrietsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger of, bij afwezigheid van dezen, door een geëxamineerden veearts hot gestorven dier onderzoeken. Als bij dit onderzoek niet duidelijk blijkt, dat het dier niet door eene besmettelijke ziekte aangetast was, moet het gestorven dier of moeten de overblijfselen daarvan worden onschadelijk gemaakt overeenkomstig het bepaalde in art. 3 van dit besluit.

Art. 5.

Bij elke der in art 1 van dit besluit genoemde ziekten moeten de volgende in de daarbij vermelde artikelen der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131, genoemde maatregelen worden toegepast: 1°. wanneer dit door een distrietsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger of, bij afwezigheid van dezen, in spoedeischcnde gevallen door een geëxamineerden veearts noodig wordt geoordeeld, het merken van ziek of verdacht of hersteld vee (art. 19); 2°. op last van een distritsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger, de afsluiting van besmette hoeven of weiden en der naast aangelegen landerijen of erven en

ocr page 94

86

de ontsmetting van de kleederen der personen die het afgesloten terrein verlaten (art. 29).

§ 3. Maatregelen tegen de veepest der herkanwende dieren.

Art. 6.

De zieke en de verdachte dieren moeten ten spoedigste worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat zij worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, wordt gesteld op 15 dagen.

Art. 7.

Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Art. 8.

De stal of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren hebben bevonden, moeten worden ontsmet.

De op het erf of op de hoeve aanwezige mestvaalt moet worden onschadelijk gemaakt.

ocr page 95

87

Art. 9.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, mag geenerlei vee gebracht worden gedurende een termijn van dertig dagen, te rekenen van den dag waarop de ontsmetting van die gebouwen en terreinen en de onschadeljjkmaking van de mestvaalten geheel is afgeloopen.

Art. 10.

Bij afsluiting van besmette hoeven of weiden, ingevolge het 2do lid van art. 5 van dit besluit, is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en varkens en van melk, vleesch, onbereide huiden, horens, klauwen, haar, wol, vederen, beenderen, ongesmolten vet, van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

Art. 11.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van hetgeen bepaald is bij art. 30 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131.

Art. 12.

Binnen de door Onzen Minister van Binn. Zaken bij aankondiging in de Staatscourant aan te wijzen plaatsen of streken is hot verboden levend rundvee, schapen, bokken of geiten te vervoeren of te doen vervoeren, behoudens het in art. 13 van het besluit bepaalde omtrent vervoer:

ocr page 96

88

lo. van vee naar de slachtbank;

2o. bij verhuizing van den eigenaar of houder van vee;

3o. door den kooper van vee op eene openbare verkooping;

4o. van vee naar de weide en uit de weide naar den stal.

Art. 13.

Vervoer van vee in de aan het slot van art. 12 van dit besluit bedoelde gevallen, kan, den districts veearts of plaatsvorvangenden districtsveearts gehoord, plaats hebben met bijzondere vergunning van Onzen Commissaris in de provincie; deze kan ook den burgemeester der gemeente machtigen tot het verleenen van die vergunning.

Art. 14.

Het in art. 13 van dit besluit bedoelde vervoer mag alleen plaats hebben met een vervoerbiljet, afgegeven, door den burgemeester der gemeente waar het vee zich bevindt.

Het vervoerbiljet vermeldt het getal, de soort en het signalement van het te vervoeren vee, den weg die tot aan de plaats van bestemming gevolgd moot worden, alsmede den tijd gedurende welken het biljet geldig is.

Wanneer de districtsveearts het noodig acht, moet het te vervoeren vee van een merkteeken worden voorzien.

Indien het vervoer naar eene andere gemeente plaats heeft, zendt de burgemeester, die liet vervoerbiljet heeft afgegeven, een afschrift daarvan aan don burgemeester der gemeente werwaarts het vervoer geschieden zal.

ocr page 97

89

Art. 15.

Wanneer de geleider van vee niet van een vervoer-biljet is voorzien, of wanneer liet vervoer op een anderen tijd of langs een anderen weg, dan in het vervoerbiljet bepaald is, plaats heeft, wordt het vee in beslag genomen en tegen den geleider proces-verbaal opgemaakt.

De slachting van het vee, bedoeld aan het slot van art. 12, sub 1°. van dit besluit, geschiedt onder toezicht der politie binnen den tijd, door den burgemeester dei-gemeente waar het vee zich na het vervoer bevindt, te bepalen.

Art. 16.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van alle vee, voor zoover door gemeenteverordeningen vrijgelaten, is het verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binn. Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebracht. De aanwijzing geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste drie maanden; op gelijke wijze kan die aanwijzing worden hernieuwd telkens voor een niet langer tijdperk, alsmede worden ingetrokken, zoo daartoe termen zijn.

Openbare verkooping van vee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene, blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een door dezen daarbij te bepalen termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

ocr page 98

90

§ 4. Maatregelen tegen de longziekte (plenro pneumonia contagiosa) der runderen.

Art. 17.

De zieke en verdachte runderen moeten worden afgemaakt.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. 131, wordt gesteld op 4 maanden.

Art. 18.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken kan de afmaking van Regeeringswege van verdachte dieren voor bepaalde plaatsen of streken en bepaalden tijd doen staken.

Art. 10.

De borst- en buiksingewanden der afgemaakte zieke dieren moeten verbrand of begraven en de buiden ontsmet worden.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister van 13in-nenlandsche Zaken bevelen, dat de bedoelde dieren in hun geheel worden verbrand of begraven.

Art. 20.

Wanneer de afmaking van verdachte dieren van Regeeringswege niet plaats heeft, zijn de eigenaars daarvan bevoegd deze, met inachtneming van de docr den districtsveearts voor te schrijven maatregelen van voorzorg, te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

Indien na het slachten van verdachte dieren blijkt,

ocr page 99

91

dat zij door do ziekte waren aangetast, moeten de borsten buiksingewanden verbrand of begraven en de huiden ontsmet worden.

Art. 21.

Totdat zij afgemaakt of geslacht worden, moeten de zieke of verdachte dieren van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

Art. 22.

I)e stal of het gebouw en, ter plaatse waar dit dooiden districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger noodzakeljjk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet.

Art. 23.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene runderen gebracht worden gedurende een termijn van 30 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door den dood, de afmaking of slachting is geëindigd, cn in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting.

Art. 24.

Bij afsluiting van besmette hoeven of weiden ingevolge het 2de lid van art. 5 van die besluit is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van runderen, en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, van onbereide of niet ontsmette huiden, hoornen, hoe-

ocr page 100

92

ven en klauwen van herkauwende dieren, van mest en allen anderen afval, hooi, stroo en ander veevoeder.

Art. 25.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van hetgeen bepaald is bij art. 30 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. n°. 131.

Art. 26.

Het is verboden rundvee te vervoeren of te doen vervoeren uit of naar de gemeenten of gedeelten van gemeenten, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen. Waar dit door onzen voornoemden Minister noodzakelijk wordt geacht, is ook het vervoer van rundvee binnen die gemeenten of gedeelten van gemeenten verboden. Deze aanwijzingen werden door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht. De aanwijzing geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste drie maanden; zij kan op gelijke wijze worden hernieuwd, telkens voor een niet langer tijdvak, en, zoo daartoe termen zijn, ingetrokken.

In bijzondere gevallen kan Onze Commissaris in de provincie, onder door hem nader te stellen voorwaarden, den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger gehoord, vergunning verleenen tot dat vervoer.

Dergelijke vergunning kan ook door den burgemeester worden verleend, indien hij door Onzen Commissaris in de provincie daartoe is gemachtigd.

ocr page 101

93

Art. 27.

In de in art 26 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten wordt door veeopzichters al liet rundvee in daartoe aangelegde lijsten opgeschreven.

Deze opzichters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij de aanvaarding hunner bediening leggen de opzichters in handen van den burgemeester der gemeente, die hun als standplaats is aangewezen, ieder naar de wijze van zijne godsdienstige gezindheid, den volgenden eed (of belofte) af:

„Ik zweer (beloof) dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van opzichter van hot vee , naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God almachtig (dit beloof ik).quot;

Art. 28.

Op de van het rundvee van eiken eigenaar afzonderlijk door de opzichters in duplo op te maken lijsten wordt dat vee genummerd en beschreven. De lijsten worden in dubbel gehouden en door de eigenaars of, bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien ouderteekend; indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten. Een exemplaar van iedere lijst wordt aan den burgemeester toegezonden. Art. 29.

Van elke verandering in het op de lijsten aangetee-

ocr page 102

94

kend getal van het rundvee door geboorte, sterven, slachting of verplaatsing binnen de gemeente of het deel daarvan, volgens art. 2G van dit besluit aangewezen, en van elke verwisseling van een der op de lijsten beschreven runderen met een ander, geeft de eigenaar, houder of hoeder binnen 24 uren kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het bij hem berustend exemplaar der lijsten.

Art. 30.

Onmiddellijk of uiterlijk binnen 12 uren na het sterven of na de slachting van een stuk rundvee geeft de eigenaar, houder of hoeder daarvan kennis aan den opzichter, die het gestorven of geslachte dier binnen 24 uren na de aangifte moot visiteeren.

Zoolang deze visitatie niet hoeft plaats gehad, is het verboden de longen los te maken of eenig deel van het stuk vee te vervoeren.

Art. 31.

De opzichters zijn gehouden al het rundvee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal \'s weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen, als in art. 29 zijn vermeld, worden onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien onderteekend.

Vermoeden de opzichters bij deze visitatie of bij die in art. 30 vermeld, dat een stuk rundvee aan longziekte lijdt of geleden heeft, of ontdekken zij eene verandering in de getalsterkte of eene verwisseling van het rundvee,

ocr page 103

95

waarvan niet ingevolge de beide voorgaande artikelen is kennis gegeven, zoo geven zij in het eerste geval daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester, die handelt als in de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, is voorgeschreven, en in do beide andere gevallen maken zij op hunnen ambtseed proces-verbaal op van de overtreding.

Art. 32.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van rundvee, voor zoover door plaatselijke verordeningen vrijgelaten, is verboden in gemeenten waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebracht.

Openbare verkooping van rundvee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalntenschap van een overledene, blijft steeds geoorloofd op schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen den door dezen daarbij te bepalen termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

§ 5. Maatregelen tegen liet mond- en klauwzeer (besmettelijke blaarnitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens.

Art. 33.

De zieke en de verdachte dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts of van den veearts die hem vervangt, het afgezonderd

ocr page 104

96

houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel, of wanneer er geen gelegenheid bestaat tot afzondering van een geheelen verdachten koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts of van wie hem vervangt, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 22 Juli 1870, St.bl. N\'. 131, wordt gesteld op 10 dagen. Art. 34.

Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

De huiden, hoornen, hoeven en klauwen der geslachte herkauwende dieren moeten worden ontsmet.

Art. 35.

De stal of het gebouw, waarin zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moet na afloop van het laatste geval worden ontsmet.

Art. 36.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene herkauwende dieren, noch varkens gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door de herstelling of den dood is geëindigd, en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting van de gebouwen.

ocr page 105

97

Het oogenblik, ■waarop deze termijn voor het geval van herstelling begint te loepen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Art. 37.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het 2do lid van art. 5 van dit besluit, is verboden : invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren en varkens, en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden, hoornen, hoeven en klauwen van herkauwende dieren, van wol, van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

§ 6. Maatregelen tegen den kwaden droes en linidwom hij de eenhoevige dieren.

Art. 38.

De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Art. 39.

In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, moeten dieren die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen die zij vertoonen, worden afgemaakt. De afmaking van zieke dieren kan op dienovereenkomstig advies van den distritsveearts worden gestaakt.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid

7

ocr page 106

98

volgt de districtsveearts de Levelen van onzen Minister van Binn. Zaken.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, wordt gesteld op 30 dagen.

Art. 40.

Zieke dieren of dieren die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen die zij vertoonen, moeten, wanneer en zoolang zij niet worden afgemaakt, afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

Art. 41.

Ten opzichte van zieke en verdachte dieren, die geslacht zijn, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Art. 42.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek dier gestaan heeft, moet worden ontsmet

Wanneer de districtsveearts het noodig oordeelt, moet de stal geheel of gedeeltelijk worden ontsmet.

Art. 43.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geen eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door den dood of de afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting.

ocr page 107

99

Art. 44.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden ingevolge het 2de lid van art. 5 van dit besluit, is verboden : invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren.

§ 7. Maatregelen tegen de sclinrft (sarcoptes-scliurft en dermatocoptes-sclinrft) bij de eenhoevige (lieren en de schapen.

Art. 45.

De zieke of verdachte eenhoevige dieren moeten van de overige eenhoevige dieren afgezonderd gehouden worden.

Art. 46.

De zieke schapen moeten van de overige schapen afgezonderd worden gehouden.

De verdachte schapen mogen zich niet bevinden op plaatsen, waar dit door den burgemeester, op advies van den districtsveearts, ter voorkoming van besmetting verboden is. De eigenaar, houder en hoeder zijn verplicht te zorgen, dat dit verbod wordt nageleefd.

Art. 47.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, wordt gesteld op 15 dagen.

Art. 48.

Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd dezo te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

ocr page 108

100

De huiden der geslachte dieren moeten worden ontsmet of, volgens aanwijzing van den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger, op andere wijze onschadelijk gemaakt.

Art. 49.

De plaats in den stal of gebouw waar een ziek eenhoevig dier en de stal of het gebouw waarin zieke schapen gestaan hebben, moeten worden ontsmet.

Art. 50.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen onderscheidenlijk geene schapen of eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 5 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door de herstelling, het sterven of slachten is geëindigd, en wat de gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik waarop deze termijn voor het geval van herstelling begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

De districtsveearts kan in bijzondere gevallen bepalen dat terstond na afloop der ontsmetting van besmette plaatsen in een gebouw, zoo noodig onder voorwaarden van afsluiting dier plaatsen, de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn eindigt voor het overige gedeelte van het gebouw.

ocr page 109

101

Art. 51.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden ingevolge het 2de lid van art. 5 van dit besluit, is verboden: bij schurft van eenhoevige dieren, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren, en uitvoer uit den afgesloten van niet ontsmette huiden van eenhoevige dieren; bij schurft van schapen, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden van schapen en van ruwe wol, die niet verpakt is in gesloten zakken.

§ 8. Maatregelen tegen de scliaapspokken bij de schapen, de bokken en de geiten.

Art. 52.

Zieke dieren of dieren die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen welke zij vertoonen, moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Art. 53.

Dieren, die, zonder ziekteverschijnselen te vertoonen, van besmetting verdacht zijn, moeten door den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger, of op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts, door een geëxamineerden veearts zoodra mogelijk worden ingeënt (geovineerd.) De inenting heeft niet plaats indien de dieren geslacht worden binnen zeven dagen nadat zij in verdachten toestand zijn geraakt.

Totdat zij worden ingeënt of geslacht, moeten zij van de overige afgezonderd worden gehouden.

ocr page 110

102

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. ÏJ0. 131, wordt gesteld op 15 dagen. Dieren, waarbij de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, moeten tusschen den 88len en 12dcn dag na de inenting herent (gereövineerd) worden. De geovineerde dieren worden geacht door schaapspokken te zijn aangetast totdat de entpokken verdwenen zijn; en ingeval geene entpokken merkbaar worden, gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van don dag der inenting of der herinenting.

De inenting (ovinatio) van niet-verdachte dieren is

verboden.

Art. 54.

Van de verplichting tot inenting (ovinatie) kan, in bijzondere gevallen, door onzen Minister van Binn. Zaken vrijstelling worden verleend.

In dat geval moeten de bij art. 53 bedoelde verdachte dieren afgezonderd worden gehouden.

Wanneer geen vrijstelling van de inenting of herinenting is verleend, zijn de eigenaars, houders en hoeders der dieren verplicht toe te laten dat die inenting of herinenting overeenkomstig art. 53 van dit besluit plaats hebbe.

Art. 55.

In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

ocr page 111

103

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van Onzen Minister van Binn. Zaken.

De afgemaakte dieren moeten worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Art. 56.

Ten opzichte van zieke dieren en van dc bij art. 52 van dit besluit bedoelde verdachte dieren, die verdacht zijn, gelden de bepalingen die bij de artt. 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Van deze bepaling kan door den burgemeester, op advies van den districtsveearts, vrijstelling worden verleend ten opzichte van de geovinecrde dieren, bedoeld bij het 4de lid van art. 53 van dit besluit.

Art. 57.

De stal of het gebouw, waarin zich zieke dieren bevonden hebben, moeten na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

Art. 58.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen gcene schapen, bokken of geiten gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door de herstelling, den dood of de afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting van die gebouwen.

ocr page 112

104

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstelling begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij eene gedagteekende schriftelijke verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Art. 59.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het 2de lid van art. 5 van dit besluit, is verboden : invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, bokken en geiten, en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden en klauwen, onbewerkte wol, van mest en anderen afval en, behoudens vergunning van den burgemeester op advies van den districts veearts, de uitvoer van melk en versch vleesch van schapen, bokken en geiten.

Art. 60.

Het is verboden schapen, bokken en geiten, versche huiden, onbewerkte wol, klauwen, vleesch, mest en alle ander afval van genoemde dieren te vervoeren uit of naar gemeenten of gedeelten van gemeenten door Onzen Minister van Binn. Zaken aangewezen. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht.

In bijzondere gevallen kan Onze Commissaris in de provincie, onder door hem nader te stellen voorwaarden, den districtsveearts of plaatsvervangenden districtsveearts gehoord, vergunning verleenen tot dat vervoer.

ocr page 113

105

Dergelijke vergunning kan ook door den burgemeester worden verleend, indien hij door Onzen Commissaris in de provincie daartoe is gemachtigd.

Art. 61.

Het houden van schapenmarkten en openbare verkoo-pingen van schapen, bokken en geiten en het brengen van genoemde dieren op eenige markt mag, ook voor zoover het bij eenige provinciale of plaatselijke verordening is toegelaten, niet plaats hebben in gemeenten aangewezen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, welke aanwijzing door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis wordt gebracht.

Openbare verkooping van schapen, bokken en geiten van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft, ook in de aangewezen gemeenten, geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester, nadat de districtsveearts of plaatsvervangende districtsveearts aan dezen bericht heeft, dat de te verkoopen dieren aan geen besmettelijke ziekte lijden.

Deze toestemming van den burgemeester geldt slechts gedurende 7 dagen na hare dagteekening.

§ 9. Maatregelen tegen de varkensziekte (namelijk de besmettelijke vlekziekte en de besmettelijke borstziekte der varkens.)

Art. 62.

De zieke dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

ocr page 114

106

De verdachtc dieren moeten van de gezonde afgezonderd worden gehouden.

Wanneer naar het oordeel van den districtsveearts of van den veearts die hem vervangt, het afgezonderd houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van besmetting van de overige, waarmede zij bijeen zijn, kan de burgemeester verlof verleenen om de zieke dieren bij de aldus verdacht geworden dieren te laten verblijven.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, wordt gestold op 10 dagen.

Art. 63.

Zieke of verdachte dieren, die na het onderzoek, ingesteld krachtens art. 16 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, geslacht worden, mogen niet in consum-tie gebracht worden, dan voor zoover daartegen volgons het advies, ter voldoening aan genoemd wetsartikel door den districtsveearts of die hem vervangt uitgebracht, geen bezwaar bestond.

Eigenaars van zieke of verdachte dieren mogen deze echter slachten ook vóór het bovenbedoeld onderzoek , mits vóór of onmiddellijk na het slachten hiervan kennis gevende aan den burgemeester. Alsdan mogen de dieren niet vervoerd noch in consumtie gebracht worden dan voor zoover zij voor consumtie geschikt geoordeeld zijn, hetzij door den districtsveearts of, indien noch deze noch een zijner plaatsvervangers spoedig ter plaatse

ocr page 115

107

aanwezig kan zijn, door eenon geëxamineerden veearts, bij het in art. 16 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, bedoelde onderzoek, hetzij door een ander deskundige bij eene, eveneens door de zorg van den burgemeester zoo spoedig mogelijk te verrichten keuring.

De kosten van laatstbedoelde keuring worden door het Rijk tot een bedrag, door den Minister van Binnen-landsche Zaken te bepalen, vergoed wanneer eene schriftelijke verklaring van den burgemeester wordt overgelegd, dat geen geëxamineerde veearts beschikbaar was en hij die de keuring verrichtte bij hem als een deskundige ter zake van vleeschkeuring bekend stond.

Het bloed en de ingewanden der geslachte zieke dieren, alsmede de niet in consumtie gebrachte dieren en overblijfselen van zoodanige dieren moeten worden verbrand of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk worden gemaakt.

Het bloed en de ingewanden van een dier, dat is in consumtie gebracht vóór dat het in art. 16 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, voorgeschreven onderzoek van den districts veearts of die hem vervangt, heeft plaats gehad, moeten voor dat onderzoek door den eigenaar bewaard worden.

Art. 64.

In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan de afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

ïen aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid

ocr page 116

108

volgt de districtsveearts de bevelen van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken.

Het voorschrift van het 4de lid van art. 63 van dit besluit is in deze gevallen van toepassing.

Art. 65.

Het kot of de plaats in hot gebouw waarin zieke dieren zich bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

Art. 66.

In gebouwen of kotten of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door herstel, door dood of slachting is ge-eindigd, en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting van die gebouwen of kotten of van de besmette plaatsen in die gebouwen.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

De districts veearts kan in bijzondere gevallen bepalen dat terstond na afloop der ontsmetting van besmette plaatsen in een gebouw, zoo noodig onder voorwaarden van afsluiting dier plaatsen, de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn eindigt voor het overige gedeelte van het gebouw.

ocr page 117

109

Art. 67.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van varkens, en uitvoer uit den afgesloten kring van varkensvleesch, strooisel, mest en allen anderen afval uit varkenskotten.

Art. 68.

Inenting van varkens tegen de varkensziekte is alleen geoorloofd, als de eigenaar, houder of hoeder van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente waar de inenting zal plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den districtsveearts, en zoo hij het noodig oordeelt, onder de door hem te stellen voorwaarden.

De ingeënte dieren worden voor ziek gehouden totdat de uitwerking der inenting afgeloopen is, en ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na de inenting.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inenting op Rijkskosten te doen plaats hebben.

§ 10. Maatregelen tegen de tricliinen-ziekte bij de varkens.

Art. 69.

Dieren wier vleesch trichinen bevat, moeten, zoo dit nog bij hun leven ontdekt wordt, worden afgemaakt;

ocr page 118

no

de gestorven of gedoode dieren, die trichinen blijken te bevatten, of de overblijfselen van zoodanige dieren, worden verbrand, of op eene andere door den districtsveearts te bepalen wijze, onschadelijk gemaakt.

Totdat zij worden afgemaakt, moeten de dieren afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

Art. 70.

Dieren die verdacht zijn van trichinen te bevatten, moeten worden afgemaakt en daarna onmiddellijk door den districtsveearts of, in overleg met dezen door een ander deskundige, op trichinen worden onderzocht. Indien bij dit onderzoek blijkt dat zij trichinen bevatten wordt met de dieren of de overblijfselen der dieren gehandeld, zooals in art. 69 van dit besluit is voorgeschreven.

In elk geval moeten van de verdachte dieren de ingewanden worden verbrand.

Totdat zij worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

Art. 71.

Ten opzichte van zieke of verdachte dieren die geslacht zijn, die bij de artt. 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Art. 72.

De stal, en ter plaatse waar dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein waar zich trichinen-bevattende dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet, en aldaar gevonden ratten, benevens ander ongedierte worden gedood en verbrand.

ocr page 119

Ill

Eveneens moeten volgens aanwijzing van den districtsveearts worden ontsmet slachthuizen, winkels en bergplaatsen van vleesch en spek, mitsgaders inrichtingen tot bewerking daarvan, waar besmet vleesch en besmette voorwerpen zijn aangetroffen.

Art. 73.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zich trichinen bevattende dieren hebben bevonden, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag waarop do ontsmetting geheel is afgeloopen.

Art. 74.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van levende varkens; en uitvoer uit den afgesloten kring van doode varkens en varkensvleesch, niet door den districts-veearts of, in overleg met dezen, door een ander deskundige onderzocht, en volgens schriftelijke verklaring aan den burgemeester, vrij bevonden van trichinen.

Uitvoer van mest en allen anderen afval is toegelaten met inachtneming der voorschriften, door den districtsveearts zoo noodig te geven.

§ 11. Maatregelen tegen het miltvuur bij alle vee.

Art. 75.

De zieke dieren moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

ocr page 120

112

Insgelijks moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden dieren, welke verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen die zij vertoonen.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131, wordt gesteld op 10 dagen.

Art. 76.

In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan de afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen. Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van Onzen Minister van Binn. Zaken.

De afgemaakte zieke dieren, alsmede de afgemaakte verdachte dieren van welke na de afmaking blijkt, dat zij aan miltvuur geleden hebben, moeten worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Art. 77.

Ten opzichte van zieke of verdachte dieren die geslacht zijn, of dieren waarvan na de slachting blijkt dat zij door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij art. 3 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Art. 78.

De plaats in den stal of het gebouw, waar zich zieke dieren bevonden hebben, moet onmiddellijk worden ontsmet.

quot;Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, moet

ocr page 121

113

ontsmetting plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het gebouw of van den geheelen stal. Art. 79.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting van de besmette plaatsen in die gebouwen.

Het oogenblik waarop deze termijn, voor het geval van herstelling, begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Art. 80.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het 2de lid van ai-t. 5 van dit besluit, is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van vee, alsmede uitvoer uit den afgesloten kring van melk, daar waar en zoolang en voor zoover als dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht.

Art. 81.

Inenting is alleen geoorloofd als de eigenaar van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zal plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den

8

ocr page 122

114

districtsveearts, en onder de door dezen te stellen voorwaarden.

De ingeente dieren worden verdacht gebonden totdat de uitwerking der inenting afgeloopen is; en ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na de inenting. Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, heeft ontsmetting plaats volgens art. 78 van dit besluit.

Onze Minister van Binn. Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inenting op Rijkskosten to doen plaats hebben.

§ 12. Maatregelen tegen de liondsdolheid bij alle vee.

Art. 82.

De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat zij worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

Art. 83.

Dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen welke zij vertoonen, moeten van het overige afgedonderd worden gehouden.

Wanneer op advies van den districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger, of, bij ontstentenis van dezen, van een geëxamineerd veearts, de burgemeester het noodig oordeelt, wordt met de verdachte dieren gehandeld als in het vorige artikel omtrent de zieke dieren is voorgeschreven.

ocr page 123

115

Art. 84.

Ten opzichte van zieke of verdachte dieren die geslacht zijn, gelden de bepalingen die bij de artt. 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Art. 85.

De plaats in den stal of liet gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Art. 86.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 3 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting van de besmette plaatsen in die gebouwen.

Art. 87.

De afsluiting van besmette hoeven of weiden, ingevolge het 2de lid van art. 5 van dit besluit, is verboden: uitvoer uit den afgesloten kring, van vee, honden en katten, alsmede van melk, afkomstig van zieke dieren en van dieren die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen welke zij vertoonen.

De honden en katten, binnen dien kring aanwezig, moeten worden gedood en de overblijfselen daarvan verbrand, begraven of op eene andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Door de bepalingen van deze paragraaf wordt in geen opzicht te kort gedaan aan de voorschriften der wet van 5 Juni 1875, St.bl. N°. 110, betreffende de hondsdolheid.

ocr page 124

116

§ 12his. Maatregelen tegen liet kwaadaardig klauwzeer (zoogenaamd rotkreupel) der schapen.

Art. 8 7ff.

De zieke en verdachte schapen moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den distri ets veearts of van den veearts die hem vervangt, het afgezonderd honden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts of van wie hem vervangt, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, wordt gesteld op 15 dagen.

Art. 876.

Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te slachten na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

De huiden der geslachte dieren moeten ontsmet en de klauwen verbrand worden.

Art. 87c.

Plaatsen, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, worden ontsmet volgens de aanwijzing van den districtsveearts of van wie hem vervangt.

Art. 87d.

In stallen of kooien, op erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene schapen gebracht

ocr page 125

217

worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door de herstelling of den dood is geëindigd en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik waarop deze termijn voor het geval van herstelling begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting wederom schapen in de stallen, kooien, erven of hoeven gebracht mogen worden.

Op weiden, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen gedurende een termijn van 30 dagen geene schapen gebracht worden, tenzij de districtsveearts een korteren termijn, die evenwel ten minste 10 dagen moet zijn, voldoende mocht achten.

Art. 87e.

Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge art. 5 van dit besluit, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring, van niet ontsmette klauwen, en van mest van schapen.

§ 13. Algemeene bepalingen.

Art. 88.

Vee, dat door de districtsveeartsen, wegens kentee-kenen, die zij daaraan meenen te bespeuren, volgens art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131,

ocr page 126

118

gehouden wordt voor verdacht {van ziekte verdacht vee), blijft verdacht totdat die kenteekenen opgehouden hebben te bestaan.

Het ophouden van den toestand van verdachtheid van aan eene besmettelijke ziekte te lijden wordt dooiden districtsveearts vastgesteld bij gedagteekende schriftelijke verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Art. 89.

Vee, dat zonder kenteekenen eencr besmettelijke ziekte te vertoonen, door de districtsveeartsen volgens art. 22 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, gehouden wordt voor verdacht {van besmetting verdacht vee), blijft verdacht gedurende een termijn van:

bij longziekte (pleuro-pneumonia contagiosa) 4 maanden.

bij mond- en klauwzeer......10 dagen.

bij kwaden droes en huidworm .... 30 „

bij schurft...........15 „

bij schaapspokken........15 „

bjj varkensziekte ........10 „

bij miltvuur..........10 „

bij hondsdolheid van runderen .... 6 maanden, bij hondsdolheid van eenhoevige dieren . 4 „ bij hondsdolheid van schapen, bokken en

geiten en varkens ........2 „

bij kwaadaardig klauwzeer (zoogenaamd rotkreupel) der schapen.......15 dagen.

ocr page 127

119

Alle termijnen te rekenen van den dag waarop het vee, naar het oordeel van den districtsveearts, het laatst in de gelegenheid is geweest om besmet te worden.

De dag waarop deze termijn begint te loopen wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Art. 90.

Wanneer vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, krachtens de bepaling van het eerste lid van art. 5 van dit besluit van een merk-teeken is voorzien, doet de burgemeester, op advies van den districtsveearts, dit merkteeken onkenbaar maken, als de reden voor het merken opgehouden heeft te bestaan.

Art. 91.

Onze besluiten van 3 October 1873, St.bl. Nquot;. 135, van 3 Februari 1877, St.bl. N0. 17, van 28 Februari 1877, St bl Nquot;. 29. van 14 Maart 1880, St.bl. Nquot;. 31, van 31 Maart 1886, St.bl. N0. 47 en van 7 November 1886, St.bl. N0. 179, worden ingetrokken.

Art. 92.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien dor dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Het Loo, den 9den October 1889. WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

Mackay.

Uitgegeven den 16den October 1889.

De Minister van Justitie,

Ruus van Beekenbkoek.

ocr page 128

120

BESLUIT van den 26sten Mei 1888, waarhij, met herziening van het Kon. besluit van 16 November 1884, St.bl. No. 223, bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor-en tramwegen en met schepen, en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat Ons besluit van 1G November 1884, St.bl. Nquot;. 223, waarbij bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en de ontsmetting van veewagens, herziening behoeft;

Gelet op art. 15 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, laatstelijk gewijzigd bij art. 10, sub 26, van de wet van 15 April 1886, St.bl. Nquot;. 64;

Op de voordracht van Onze Ministers van Binn. Zaken, van Financiën en van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van 24 Maart 1888, N°. 972, afd. Med. Pol., van 26 Maart 1888, Nquot;. 71, Invoerrechten en Accijnzen, en van 27 Maart 1888, litt. B, afd. Handel en Nijverheid;

Den Raad van State gehoord (advies van 1 Mei 1888, N0. 9);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 12 Mei 188, N0. 1498, afd. Med. Pol, 17 Mei 1888, N0. 11, Invoerrechten en Accijnzen, 22 Mei 1888, N°. 58, afd. Handel en Nijverheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ocr page 129

121

Art. 1.

Vervoer van vee langs spoorwegen, behalve langs die bedoeld in art. 2 der wet van 9 Augustus 1878, St.bl. N0. 124, mag alleen in daartoe uitsluitend bestemde wagons geschieden.

Art. 2.

De besturen van spoor- en tramwegondernemingen zijn verplicht wagens, waarin vee is vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en ontsmetten.

De gezagvoerders van schepen zijn verplicht hunne vaartuigen of\' de afgezonderde gedeelten van die vaartuigen, waarin vee is vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en, waar en zooveel als dit door den districtsveearts noodig wordt geacht, te doen ontsmetten.

De reiniging en ontsmetting geschieden met inachtneming van de voorschriften, door Ons vastgesteld of vast te stellen krachtens art. 31 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Dezelfde verplichting bestaat ten opzichte van alle voorwerpen, waarmede het vee op de terreinen van den dienst der onderneming in aanraking is geweest, als: hokken, loopplanken, emmers, voederbakken, touwen, enz. en van het terrein waar de in- en uitlading plaats heeft.

Ter voorziening in de kosten dier reiniging en ontsmetting kunnen de ondernemers van hen, wier vee zij vervoeren, eene geldelijke bijdrage vorderen.

Do ondernemers der spoorwegen, in het vorige artikel

ocr page 130

122

bedoeld, nemen daarbij de bepalingen van hoofdstuk III der wet van 9 April 1875, St.bl. Nquot;. 07, in acht.

Art. 3.

Wagens, waarin vee is vervoerd, uit den vreemde binnenkomende, worden aan het grensstation door de zorg van de spoor- of tramwegondernemers gereinigd en met inachtneming van de voorschriften, vermeld in het derde lid van art 2, ontsmet.

De plaatsen, waar het vee gestaan heeft aan boord van vaartuigen, uit den vreemde binnenkomende, worden door de zorg van de ondernemers gereinigd en, waar en voor zooveel dit door den districtsveearts wordt noodig geacht, met inachtneming van de voorschriften, vermeld in het derde lid van art. 2, ontsmet.

Art. 4.

Ue bepalingen van de artt. 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op het vervoer van tot het leger behoorende paarden.

Van de bepalingen van de artt. 1 en 2, voor zooveel de spoorwegdiensten betreft, kan door Onzen Minister van Binn. Zaken, onder daarbij door hem te bepalen voorwaarden, afwijking worden toegestaan voor het vervoer van jong of klein fokvee in manden, kooien, hokken of zakken.

Art. 5.

Ons besluit van 16 November 1884, St.bl. N0. 223, wordt ingetrokken.

ocr page 131

123

Art. 0.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en de Staatscourant.

Het Loo, den 26steI1 Mei 1888.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

Mackay.

De Minister van Financiën,

Godin be Beaufort.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

Ha velaar.

Uitgegeven den Oquot;16quot; Juni 1888. De Minister van Justitie, Ruus van Beerenbroek.

ocr page 132

124

BESLUIT van den léden Augustus 1888, houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch en gezouten varlcensvleesch en van ongesmolten vet, klauwen, niest en verderen afval van varkens.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat in het buitenland besmettelijke ziekten onder de varkens voorkomen, weshalve Ons besluit van 9 April 1884, St.bl. N0. 48, herziening behoeft;

Gelet op art. 15 van de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, laatste gewijzigd bij art. 10, sub 26, van de wet van 15 April 1886, St.bl. N°. 64;

Op de voordracht van Onze Ministers van Binn. Zaken en van Financiën, van 7 Juli 1888, N°. 1966 3, afd. Med. Pol., en van 14 Juli 1888, N0. 90, afd. Invoerrechten en Accijnzen;

Den Raad van State gehoord (advies van 31 Juli 1888, N°. 7);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 8 Augustus 1888, N0. 2643, afd. Med. Pol., en van 10 Augustus 1888, Nquot;. 109, afd. Invoerrechten en Accijnzen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen;

ocr page 133

125

Ait. 1.

De in- en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch en gezouten varkensvleesch en van ongesinolten vet, klauwen, en verderen afval van varkens is verboden.

Art. 2.

Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binn. Zaken, met medewerking van Onzen Minister van Financiën, zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging van besmetting.

Art. 3.

Ons besluit van 9 April 1884, St.bl. Nquot;. 48, wordt ingetrokken.

Art. 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Het Loo, den 14den Augustus 1888.

WILLEM.

De Minister van Binnenlanclsche Zalen,

Mackay.

De Minister van Financiën,

Godin de Beaufort.

Uitgegeven den 20sten Augustus 1888.

De Minister van Justitie, Ruus van Beerenbroek.

ocr page 134

126

BESLUIT van den Isten December 1889, hetreff\'ende vervoer, merking en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het lieersclien van besmettelijke veeziekten in liet buitenland maatregelen noodig maakt tot liet verzekeren van de handhaving van Onze besluiten van 8 December 1870, St.bl. N0. 194, en van 14 Augustus 1888, St.bl. Nquot;. 132;

Gelet op de artt. 15 en 35 van de wet van 20 Juli 1870, St bl. K°. 131, laatstelijk gewijzigd bij art. 10, 24°., der wet van 15 April 1886, St.bl. N0. 64;

Op de voordracht van Onze Ministers van Binn. Zaken en van Financiën, van 12 November 1889, Nquot;. 4684\', afd. Med. Pol., en van 12 November 1889, Nc. 58, Invoerrechten en Accijnzen;

Den Raad van State gehoord (advies van 22 November 1889, N°. 6);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 27 November 1889, N°. 5914, afd. Med. Pol., en van 28 November 1889, N°. 65, Invoerrechten en Accijnzen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

ocr page 135

127

Art. 1.

In de door Onzen Minister van Binn. Zaken aangewezen nabij de grenzen gelegen gemeenten of gedeelten daarvan is liet vervoer van de mede door hem aan te wijzen soort van vee verboden, wanneer het niet op de in art. 2 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde wijze is gemerkt.

De aanwijzing dier gemeenten of gedeelten van gemeenten en van de veesoorten wordt, door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een plaatselijk nieuwsblad, ter algemeene kennis gebracht.

Art. 2.

Het merken geschiedt voor rekening van het Rijk door veeopzichters op de wijze, door Onzen Minister van Binn. Zaken te bepalen.

Deze opzichters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binn. Zaken.

Bij de aanvaarding zijner bediening legt ieder veeopzichter in handen van den burgemeester der gemeente, die hem als standplaats is aangewezen, den volgenden eed of belofte af;

„Ik zweer (beloof) dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van veeopzichter, naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!quot; (Dit beloof ik.quot;) Art. 3.

De merking geschiedt niet, dan nadat do inschrijving

ocr page 136

128

op do in art. 4 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde lijsten heeft plaats gehad.

Art. 4.

Het in art. 1 bedoelde vee van eiken eigenaar afzonderlijk, wordt onverwijld na de in dat art. genoemde aanwijzing van Onzen Minister van Binn. Zaken op daartoe in duplo aangelegde lijsten door de veeopzichters opgeschreven.

Op deze lijsten wordt liet vee genummerd en beschreven. De lijsten worden door de eigenaars of bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien geteekend; indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten.

Een exemplaar van iedere lijst wordt aan den burgemeester opgezonden.

Art. 5.

De opzichters zijn gehouden al het vee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal \'s weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen worden, met inachtneming van art. 6 van Ons tegenwoordig besluit, onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien geteekend.

Behalve bij de wekeljjksche visitatie kunnen de opzichters, op dezelfde wijze en met inachtneming van art. 6 van Ons tegenwoordig besluit, veranderingen op

ocr page 137

129

de lijsten aanteekenen op verzoek van den eigenaar, houder of hoeder van het vee.

Art. 6.

Een veeopzichter schrijft geen stuk vee op een lijst bij, waarvan hij vermoedt dat het met overtreding van Ons besluit van 8 December 1870, St.bl. N\'. 194 of van dat van 14 Augustus 1888, St.bl. N°. 142, uit het buitenland is ingevoerd.

In zulk een geval roept hij de beslissing van den burgemeester in. Bezwaren tegen de uitspraak van den burgemeester worden beslist door Onzen Commissaris in de provincie.

Art. 7.

De veeopzichters geven van elke verandering op een lijst onverwijld kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het onder hem berustend exemplaar der lijst.

Art. 8.

Het verbod, vermeld in art. 1, geldt niet:

a. voor vee dat van buiten de in dat artikel bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, in die gemeenten of gedeelten daarvan wordt ingevoerd, zoolang do opschrijving van dit vee op de in artikel 4 bedoelde lijsten nog niet heeft.kunnen plaats vinden;

h. voor vee, afkomstig uit gemeenten of gedeelten daarvan, niet in de aanwijzing volgens art. 1 begrepen, dat tijdelijk in de bij dit art. bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten aanwezig is wegens doorvoer

9

ocr page 138

130

naar buitenslands of naar cene Nederlandsche gemeente of gedeelte daarvan, niet begrepen inde aanwijzing van art. 1.

Art. 9.

De bij art. 8 bedoelde in- en doorvoer heeft plaats niet een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester ter plaatse van herkomst en vermeldende eene nauwkeurige beschrijving van het vee door opgave van het geslacht, ouderdom, kleur en blijvende kenteekenen, benevens den tijd waar binnen volgens de in het vervoerbiljet vermelde route, de uitvoer naar buitenslands of het vervoer naar de bestemmingsplaats moet zijn volbracht.

Art. 10.

Op vee, per spoor- of tramweg of per schip doorgevoerd door de in art. 1 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, zijn de bovengenoemde bepalingen niet van toepassing.

Art. 11.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Het Loo, den l8\'en December 1889.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandfiche Zaken,

Mackay.

De Minister van Financiën,

Godin de Beaufort.

Uitgegeven den 4den December 1889.

De Minister van Justitie, Ru us vax Beerenbroek.

ocr page 139

§ 3.

23 December 1870. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betrekkelijk de uitvoering van artt. 2i en 36 der tcet van 20 Juli 1870.

Even als in art. 14 der wet van 19 April 1807, St.bl. N0. 30, wordt in art. 36 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, regelende het veeartsenij kundig Staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie, bepaald dat in beslag genomen voorwerpen, die uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zyn, na te zijn gewaardeerd op de wijze, in art. 24 der wet vermeld, dadelijk worden vernietigd of onschadelijk gemaakt op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen.

De voorschriften tot uitvoering dier bepaling, gegeven bij missive van mijn ambtsvoorganger van 1 Februari 18G8, Nquot;. 200, blijven ook voor het vervolg van kracht. Bovendien zijn ten deze zooveel noodig in overleg met mijn ambtgenoot van Financiën, de volgende voorschriften vastgesteld:

Wanneer bevoegde ambtenaren (der in- en uitgaande rechten of andere) vee of andere voorwerpen, wegens overtreding der bepalingen tot wering van veeziekten hebben in beslag genomen en ter beschikking stellen van den burgemeester der gemeente waarin de aanhaling is geschied, wordt door dien burgemeester allereerst gezorgd dat het

ocr page 140

132

aangehaalde geheel afgezonderd blijve en , zoo noodig, onder bewaking worde gesteld. Hij wint vervolgens onverwijld het gevoelen van den districtsveearts in over de vraag of er gevaar van besmetting bestaat en of het vee moet worden afgemaakt, zoo ja, dan moeten ook in die gevallen de voorschriften, gevoegd bij het Kon. besluit van 4 December 1870, St.bl. Nquot;. 191, gevolgd worden en wijst de districtsveearts bij zijn antwoord bepaaldelijk aan, welke dier voorschriften op het vee en de verdere voorwerpen moeten worden toegepast. Wordt door den districtsveearts vernietiging of onschade-lijkmaking noodig geacht, dan geven vervolgens de ambtenaren, die de voorwerpen in beslag hebben genomen, den daartoe vereischten last. Voor de uitvoering van dien last en van de verdere maatregelen, door den districtsveearts volgens \'t bovenstaande aanbevolen, zorgt de burgemeester, met inachtneming in de daartoe leidende gevallen van art. 24 der aangehaalde wet. De last der ambtenaren en de uitvoering, daaraan gegeven, worden in het proces-verbaal van den burgemeester vermeld.

Wanneer de districtsveearts de vernietiging onnoodig acht, wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 37 der meergenoemde wet.

Een en ander doet echter niet te kort aan de verplichting van burgemeester en ambtenaren, om te zorgen voor de dadelijke vernietiging of onschadehjkmaking in die gevallen, waarin kennelijk gevaar voor besmetting

ocr page 141

133

bestaat cn de gelegenheid ontbreekt om het aangehaalde voorloopig geheel afgezonderd te houden. De kosten van het afzonderen en van het onderhoud (opstallen, bewaken enz.) en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmêe is overtreden, zijn kosten van Justitie (v.g.1. de miss. van 4 Juli 1882) over wier voldoening de burgemeester zich zal moeten verstaan met den Officier van Justitie, behoudens evenwel \'t bepaalde omtrent de kosten van onderhoud in de gevallen, bedoeld bij het 2de en 3de lid van ai\'t. 37. Aan den Officier van Justitie moeten ook do declaratiën der belanghebbenden worden gezonden wegens de vervoermiddelen, die op last van den burgemeester kunnen worden gebezigd, wanneer de ambtenaren de goederen niet zelf vervoeren kunnen (art. 9 van het Keizerlijk decreet van 18 Juni 1811, Bulletin des Lois N°. 377).

Door mijn ambtgenoot van Financiën zullen wat de ambtenaren der in- en uitgaande rechten cn accijnzen betreft, in gelijken geest de noodige bevelen worden gegeven.

Ik heb de eer U te verzoeken de burgemeesters in Uwe provincie met de bovenstaande voorschriften bekend te maken.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, FOCK.

ocr page 142

134

24 December 1870. Bekendmaking van den Minister van Binnenlandsehe Zaken, houdende bepaling van de kenteekenen, te bezigen ingevolge art. 17 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Xo. 131.

Do Minister van Binnenlandsche Zaken,

Gelet op art. 18 der wet van 20 Juli, St.bl. Nquot;. 131;

Heeft goedgevonden te bepalen:

1°. dat de kenteekenen gebezigd om, volgens art. 17 dier wet, hoeven, erven, stallen of weiden aan te wijzen, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, zullen bestaan uit borden van ruw hout, aan eene zijde glad geschaafd. Deze borden zullen den vorm hebben van een rechthoek, waarvan de lange zijde eene lengte heeft van 8 decimeters, de korte van vier decimeters. Op do gladgeschaafde zijde worden met zwarte verf de woorden Besmettelijke veeziekte geplaatst. De letters moeten eene lengte hebben van één decimeter en eene dikte van drie centimeters.

Wanneer de districtsveearts het noodig acht den naam der ziekte te vermelden, wordt deze op het bord geplaatst.

2°. dat de sub 1 bedoelde borden op zoodanige plaatsen, als door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts zullen worden aangewezen, ter hoogte van minstens twee en een halven meter boven den beganen grond, met spijkers zullen worden vastgehecht, zoo mogelijk aan daartoe geschikte voorwerpen of, zoo do gelegenheid daartoe ontbreekt, aan houten palen die te dien einde in den gn nd worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, FOCK.

ocr page 143

12 Maart 1872. Missive van den Minister van Bin-nenlandsche Zaken, hetreffende verhoop van vleesch van onteigend long ziek vee enz.

(Zie de circulaires van 6 Juli 1873 en 1 Mei 1877.)

Ten einde de betrokken gemeenten uit bestaande geldverlegenheid te lielpen, zullen, tot kwijting der bij mijn departement ingekomen declaratiën wegens verschotten ter uitvoering der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N». 131, over 1871 gedaan, credieten ten Uwen name worden geopend om daaruit aan de burgemeesters gelden ter goede rekening te kunnen verstrekken.

Voorschreven declaratiën met bewijsstukken worden U daarom spoedig achtereenvolgens teruggezonden.

Naar aanleiding der bedenkingen op aanvragen om décharge wegens gelden ter goede rekening mij door de algemeene rekenkamer medegedeeld, voeg ik hierbij do volgende opmerkingen;

1°. uit de opbrengst der verkoopingen van vleesch mogen geene onteigeningskosten worden bestreden; ware de voor laatstgenoemde kosten ter goede rekening verstrekte som te gering, eene suppletoire assignatie is dan aan te vragen;

2°. in de rekeningen en verantwoordingen wegens verkoop van vleesch mogen geene kosten van onteigening of van borden van waarschuwing of werktuigen tot het merken van vee noodig, in uitgaaf worden gesteld. De uitgaven in die rekeningen te brengen, moeten zich bepalen tot die op do „verkoopingquot; betrekkelijk;

ocr page 144

136

3°. kosten van genoemde kenteekeiien en werktuigen zijn geen kosten van onteigening, ze zijn dus niet te kwijten uit gelden ter goede rekening verstrekt; daarvoor is een afzonderlijk artikel op de Staatsbegrooting gesteld, waarom voor die kosten „afzonderlijkquot; is te declareeren;

4°. onteigening en uitgaven deswege zijn door stukken „in originaliquot; te staven. Uit de onteigeningsbeseheiden moet uitdrukkelijk bljjken van de bevinding en liet advies van een bevoegd veeartsenijkundige, en van de omstandigheid dat de eigenaar aan zijne wettelijke verplichtingen tot aangifte en afzondering van het vee heeft voldaan. Ook moet steeds het bewijs van de bevoegde autoriteit worden overgelegd dat het onteigende, voor zooveel niet tot gebruik of verkoop geschikt, door begraving of verbranding is vernietigd;

5°. uitgaven van f 3.— en daarboven moeten door, zooveel mogelijk gespecificeerde kwitantiën worden gestaafd ; op gezegeld papier geschreven bij sommen meer dan /\' 10.— beloopende. Hiervan zijn uitgezonderd de kwitantiën wegens de schadeloosstelling voor onteigening, die, onaangezien het bedrag, vrij van zegelrecht zijn;

6°. voldaanteekeningen zijn door belanghebbenden zeiven te stellen, door derden namens hen, alléén tegen overlegging eener gezegelde, gelegaliseerde en geregistreerde volmacht. Personen, de schrijfkunst niet verstaande, kunnen wegens sommen f 300.— niet te boven gaande, kwiteeren door middel van een handwerk.

ocr page 145

137

gestold in tegenwoordigheid van twee getuigen, die daarvan door eene onderteekende verklaring op de kwitantie doen blijken. Bij betalingen van meer dan f 300.— moet in zoodanig geval en ook wegens verhindering door blindheid of verlamming, de kwitantie notarieel worden opgemaakt. Bij overlijden moeten de gerechtigden tot de nalatenschap voldnanteekenen onder overlegging van doodakte en bewijzen van erfpacht;

7°. verkoop van vleesch is geene handeling, die krachtens de aangehaalde wet geschiedt. Daarom zijn de processen-verbaal of overeenkomsten wegens die verkoopingen, niet begrepen in de vrijstelling van zegelen registratierecht bij art. 43 dier wet toegekend en moeten zij op gezegeld papier opgemaakt en geregistreerd worden. Het is wenschelijk bij die verkoopingen, zooveel mogelijk, te bedingen dat zegel en registratie en andere bijkomende onkosten ten laste van den kooper komen, WHnt zegelkosten laat de algemeene rekenkamer op grond van art. 28 der Zegelwet van 3 October 1843, St.bl. Nquot;. 47, in geen geval ten laste van het Rijk toe; registratie en andere bijkomende onkosten slechts dan, indien naar aanleiding van art. 1502 van het Burg. Wetb. is bedongen, dat die ten laste van verkoopers zijn.

Omtrent teruggaaf ven dergelijke inmiddels door de rekenkamer afgewezen of nog af te wijzen kosten, is eene regeling aanhangig, in verband waarmede, wegens die afgewezen of nog af te wijzen kosten, verschot-declaratiön worden ingewacht. Op die stukken moet.

ocr page 146

138

behalve liet dienstjaar, duidelijk worden aangewezen: het onderwerp dor vordering, tot welke declaratie of geordonnaneeorde aanvrage van betaling, aanvrage om décharge of rekening en verantwoording, de kosten betrekking hebben, met overlegging, voor zooveel daartoe aanleiding bestaat, van kwitantiën en afgesloten aanvragen om décharge of rekeningen en verantwoordingen.

Mochten eindelijk burgemeesters in zake die overeenkomsten of processen-verbaal, wegens overtredingen der wettelijke bepalingen op het zegel- en registratierecht, boeten hebben beloopen, aanvragen tot kwijtschelding dier boeten kunnen zij aan mijnen ambtgenoot voor Finantiën richten.

De Minister van Staat en van liinnenl. Zaken, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHT.

29 April 1872. Missive van den Minister van Staat en van Binnenl. Zaken, houdende mededeeling van opmerkingen, met betrekking tot de kosten, waartoe de besmettelijke longziekte onder het rundvee aanleiding geeft.

Met betrekking tot de kosten waartoe de besmettelijke longziekte onder het rundvee aanleiding geeft, wordt U, ten vervolge op vroegere opmerkingen medegedeeld:

ocr page 147

139

1°. dat akten van verkoop van vleesch of huiden, afkomstig van onteigend vee, in originali moeten worden overgelegd, notariëele conditiën uitgezonderd.

Afschriften van die stukken niet vereischt wordende, zijn de kosten daarvan overbodige uitgaven, die de algemeene rekenkamer niet verevent. Dergelijke reeds gemaakte kosten kunnen echter in rekening worden gebracht op den voet der voorlaatste zinsnede mijner missive van 12 Maart 1872, N0. 11G; (1).

2°. uit de laatst aangehaalde missive blijkt, dat de kosten van kenteekenen en werktuigen afzonderlijk zijn te declareeren, dat dit mede het geval is met de kosten van zegel en registratie van akten van verkoop en andere bijkomende kosten op verkoopen door de algemeene rekenkamer afgewezen of af te wijzen en op de koopers niet meer te verhalen, met aanhaling van de rekenbare stukken waarin het royement heeft plaats gehad.

Verder zijn declaratiën van verschotten ten behoeve van het Rijk gedaan, vrij van zegel.

Intusschen zijn verschillende declaratiën van burgemeesters ontvangen, die gezegeld zijn en betreffende kosten van kenteekenen en borden, alsmede van kosten, met de onteigening of desinfcctie in verband staande, en ook nog geroijeerde kosten van zegel enz., dus drieërlei soort van uitgaven.

Deze handelwijze leidt tot groote comptabele moeilijkheden.

ocr page 148

140

3°. uit de omschrijving van art. 62 van hoofdstuk V der Staatsbegrootingen voor 1871 en 1872, luidende; aanschaffen van kenteeicenen, borden van waarschuwing en werktuigen bedoeld in art. 17 en 20 der wet van 20 Juli 1870, St bl. N°. 131, volgt: dat alleen kosten van aanschaffing dier voorwerpen ten laste van genoemd art. zijn aan te wijzen.

De verdere kosten voor aanbrengen, plaatsen, weghalen enz. die met eenigen tact van de zijde des burgemeesters in de meeste gevallen kunnen vermeden worden, zijn te beschouwen als kosten tot wering van het gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen en alzoo te kwijten uit art. 63 der aangehaalde begrootingen. Beide categoriën van kosten zijn daarom bij afzonderlijke declaratiën in rekening te brengen, met\' dien verstande, dat kosten van aanbrengen, plaatsen, weghalen enz., in de declaratiën van onteige-nings- en desinfectie-kosten kunnen worden begrepen, of met de laatstgenoemde gekweten uit de ter goede rekening verstrekte gelden.

Gelief op een en ander de aandacht des burgemeesters te vestigen, met verzoek, daarop te letten.

Hiernevens gaat een modelstaat voor het in rekening brengen der vorengenoemde geroijeerde kosten.

Jgt;e Minister van Staat en van Binnenl. Zaken, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHT.

ocr page 149

141

(1) Bij missive van den Minister van Binn. Zaken, van 19 Au^. 1872 is de bepaling-, volgens welke akten van verkoop van vleesch of huiden, afkomstig van onteigend vee, in originali moeten worden overgelegd bij de declaratiën wegens onteigening van ziek vee, in zooverre gewijzigd, dat de deurwaarders de processen-verbaal der door hen gehouden verkooping van roerende goederen kunnen bewaren, en de algemeene rekenkamer voortaan genoegen zal nemen met het overleggen van behoorlijk op zegel gestelde afschriften der bedoelde processen-verbaal, waarvan de kosten door het Rijk in uitgaaf worden geleden.

4 Juli \'1872. Missive van den Minister van Binn. Zaken, houdende voorschriften omtrent het opmaken van declaratiën, wegens voorschotten, ter uitvoering der wet van 20 Juli 1870, St.hl. No. 131.

Tot dusver werd op de declaratiën aan mijn departement ingezonden, wegens kosten van onteigening van longziek vee, in mindering gebracht de opbrengst van den verkoop van vleesch en huiden, afkomstig van het onteigende vee. Deze zamenvoeging van uitgaven en ontvangsten leidt tot vertraging in de teruggaaf der voorschotten, door de gemeenten ter zake dier onteigeningen gedaan.

ocr page 150

142

Tot voorziening is noodig dat aan te vangen met de onteigeningen van longziek vee op of na 15 Juli 1872, de verschot-declaratiën uitsluitend bevatten de onteige-ningskosten en verdere uitgaven (afmaken, begraven, desinfecteeren, herstelling, plaatsing of wegneming van borden van waarschuwing enz.) tot wering der besmettelijke longziekte gemaakt.

Van die uitgaven zijn dus uitgezonderd: de reis-en verblijfkosten van veeartsen en de kosten van aanschaffing (aanmaak) der genoemde borden en van werktuigen tot het merken noodig, omdat voor deze kosten afzonderlijke posten op hoofdstuk V der Staatsbegrooting zijn gebracht, voor 1872 respectivelyk bij de artt. 01 en 62.

Wegens de opbrengst van verkocht vleesch en huiden en de uitgaven tot den verkoop betrekkelijk, is door de burgemeesters rechtstreeks aan de algemeene rekenkamer af te leggen eene afzonderlijke rekening en verantwoording, ingericht overeenkomstig de bestaande voorschriften.

Onder herinnering dat, behalve do kosten van afmaken ook die van onbruikbaarmaking van huiden, kosten van wering der ziekte zijn; die van slachten of van ander werk waartoe de verkooping aanleiding geeft; uitgaven op den verkoop vallende, verzoek ik U dit voorschrift en de in verband daarmede vastgestelde, hierbij gevoegde model-declaratie ter kennis van Heeren burgemeesters uwer provincie te brengen en hen uit te noodigen, zich daaraan te houden.

ocr page 151

143

Dit voorschrift, eerst toepasselijk op onteigeningen op of na 15 Juli 1872, kan met goed gevolg ook toegepast worden op onteigeningen voor dat tijdstip geschied, waarvoor tot heden nog geen verschot-declaratiën zijn ingezonden.

De Minister van Staat,

tijdelijk heiast met het beheer van het departement van Binnenl. Zaken,

Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHÏ.

N.1J. liet model der declaratie is onder nommer 29 hierachter afgedrukt.

SO Juli 1872. Missive van den Minister van Binnenl. Zaken, betreffende de yezeyelde ongeregistreerde processen-verhaal wegens onderhandschen verkoop van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee.

(Zie de circulaire van 5 Augustus 1875.)

Volgens de bestaande voorschriften behooren tot staving van openbare verkoopingen van vleesch en huiden afkomstig van onteigend vee, steeds gezegelde en geregistreerde processen-verbaal te worden overgelegd en, geschieden die verkoopen uit de hand, wederzijds on-derteekende overeenkomsten, insgelijks gezegeld en geregistreerd.

ocr page 152

144

Er doen zich echter bij onderhandsche verkoopen gevallen voor, waarin zoodanige overeenkomsten niet kunnen worden opgemaakt.

Over dit punt met de algemeene rekenkamer in briefwisseling getreden, is mij gebleken dat zij, hoezeer het opmaken der overeenkomsten tot meerderen waarborg voor \'s Rijks schatkist natuurlijk te verkiezen is, in de bedoelde gevallen genoegen zal nemen met eene onge-zegelde en ongeregistreerde verklaring van den burgemeester van den volgenden inhoud;

„De burgemeester der gemeente .. . ;. verklaart op den eed bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd, dat het vleesch en de huid der koe, op heden onteigend

van.....alhier, door hem uit de band zijn verkocht

voor eene som van (in schrijfletters uit te drukken).

ïe....., den......

Handteeken ing.

Hebben onteigening en verkoop niet op denzelfden dag plaats, dan worde in de verklaring het woord „hedenquot; door de aanwijzing van den dag der onteigening vervangen; heeft de burgemeester geen eed maar eene belofte afgelegd, de woorden „op den eedquot; zijn dan te vervangen door „op de beloftequot; en eindelijk, heeft een wethouder verkocht, waarnemend burgemeester, die als zoodanig geen eed of belofte heeft gedaan, in stede der woorden „op den eedquot; in meergemelde verklaring voorkomende, zou te stellen zijn „onder aanbod

ocr page 153

145

van plechtige eed-verklaring.

Gelief van het vorenstaande aan Heeren burgemeesters in uw gewest mededeeling te doen.

De Minister van Binnenlandse/te Zaken, Voor den Minister,

Be Secretaris-Generaal, HÜBRECHT.

Zie de missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 12 December 1S7G, houdende voorschrift dat in deze verklaring de namen en icoonplaatsen der hoopers be-liooren te worden vermeld en dat de onderhandsche verkoopingen van vleesch enz. en vooral het opmaken van genoemde verklaring, slechts bij volstrekte noodzakelijkheid moet plaats hebben.

27 Maart 1873. Circulaire van den Minister van Binnenl. Zaken, houdende nadere bepalingen ten opzichte van het vervoer van vee van den stal naar de weide.

Tegen de bepaling dat geene vergunning moet gegeven worden tot vervoer van verdacht vee naar de weide, U medegedeeld bij mijne missive van 4 Maart j. 1., N0. 225, zijn van verschillende zijden bezwaren geopperd, die mij niet ongegrond schijnen.

10

ocr page 154

146

Ten einde daaraan te ge moet te komen zonder dat het doel dier aanschrijving — het beletten van de verspreiding der longziekte in de weide — wordt opgegeven, verzoek ik U de burgemeesters te machtigen, om in gevallen, waarin de eigenaars van verdacht vee dit naar de weide wenschen te vervoeren, daartoe vergunning te geven onder de noodige voorwaarden ter voorkoming van verbreiding van besmetting en onder de volgende bepalingen:

al het verdachte vee, waarvan het merk niet duidelijk zichtbaar is moet op nieuw gemerkt worden.

De weide waarop het gebracht wordt, moet van het gewone kenteeken voorzien worden, waarop de woorden „verdacht veequot; vermeld staan.

Het vee mag niet zonder vergunning van den burgemeester en alleen bij volstrekte noodzakelijkheid, naar eene andere weide gebracht worden, zoolang het in verdachten toestand verkeert.

Door de zorg van den burgemeester wordt het geteld en dagelijks geïnspecteerd, hetzij door eenen veldwachter of een ander daarvoor aan te stellen persoon, liefst door iemand, in staat te beoordeelen of het vee ziek of gezond is.

Wordt het ziek bevonden dan geeft hij, die met de inspectie belast is, daarvan onverwijld bericht aan den burgemeester, die verder handelt, zooals in art. 16 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, is voorgeschreven.

ocr page 155

147

Waar de eigenaar in het bezit is van yerschillendo stukken weiland, worde zoo mogelijk in overleg met den districtsveearts, dat stuk gekozen, dat het meest afzondei-lijk gelegen is.

De Minister van Binnenlandsche /aken, GEERTSEMA.

4 Juni 1878. Missive van den Minister van Binnenl. Zaken, hetrelckelijk de afzondering en het ducje-lijksch onderzoek van vee dat in de weide in verdachten toestand geraakt.

Bij mijne circulaire van 2 April j. 1., IS\'0. 232, (1) werden eenige voorschriften gegeven omtrent het dage-lijksch onderzoek van het van longziekte verdachte vee, dat van den stal naar de weide was vervoerd. Ofschoon daarin niet uitdrukkelijk bepaald is, dat die voorschriften ook van toepassing zijn op het vee dat later in de weide in verdachten toestand geraakt, spreekt het evenwel van zelf, dat, zal die maatregel eeuig nut • hebben, hij op al het verdachte vee behoort te worden toegepast. Volstrekte afzondering van verdacht vee is een van de krachtigste middelen tot beteugeling der longziekte.

Ik verzoek U de burgemeesters van het bovenstaande mededeeling te doen en hun stipte naleving van de gegeven voorschriften aan te bevelen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, GEERTSEMA.

ocr page 156

148

6 Juli 1873. Missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken, betrekkelijk de zegel- en registratiekosten der processen-verhaal van verkoop van vleesch en huiden afkomstig van long ziek vee.

(Zie de missive van 1 Mei 1877.)

Van eenige burgemeesters in uwe provincie worden bij mijn departement nog declaratiën ontvangen wegens zegel- en registratiekosten der processen-verbaal van vleesch en huiden afkomstig van onteigend vee, in zake de besmettelijke longziekte, welke voorschotten tot dusverre bij wijze van subsidie zijn en worden gerestitueerd. Ten einde restitutie dier uitgaven, op die wijze voor het vervolg te voorkomen, verzoek ik IJ de ambtenaren, ook met verwijzing naar sub 7 der circulaire van dit departement d.d. 12 Maart 1872, ISK 116, aan te schrijven, voortaan bij verkoopingen van dien aard, opcenten te bedingen tot goedmaking der daarop vallende uitgaven. De zegel- eri registratie en alle verdere kosten tot den verkoop betrekkelijk, kunnen dan —• door verantwoording der geheven opcenten — bij de rekening en verantwoording wegens de opbrengst aan de alge-meene rekenkamer af te leggen, in uitgaaf worden gebracht.

T)e Minister van Binnenlandsclie Zaken, GEERTSEMA.

ocr page 157

149

14 Juli 1873. Missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken, over de berekening van schrijf-loonen in zake van onteigening van vee.

Door de algemeene rekenkamer wordt bedenking gemaakt tegen het hooge bedrag wegens sehrijfloonen, dat door sommige burgemeesters in rekening wordt gebracht bij de onteigening van vee wegens besmettelijke veeziekten. De Kamer meent dat eene belooning van f 2 voor het schrijven van de voor iedere onteigening vereischte stukken ruim voldoende is, terwijl sommige burgemeesters /quot; 2 en soms meer voor ieder rund berekenen, ook al waren twee of meer runderen in eene onteigening begrepen en dus niet meer stukken beschreven, dan voor de onteigening van één rund noodig was.

Even als de algemeene rekenkamer komt mij die berekening voor buiten verhouding te zijn tot het verrichte werk. Ik heb daarom de eer U te verzoeken de burgemeesters in uw gewest aan te schrijven bij de berekening van belooningeu wegens schrijfwerk, bij onteigening van vee of besmette voorwerpen de noodige zuinigheid in acht te nemen en de belooning te berekenen per onteigening en niet por stuk vee of per onteigend voorwerp.

De Minister van BinnenlandscJie Zaken, Voor den Minister,

De Sec retor is-G enei \'aa l, HUBEECHT.

ocr page 158

150

13 April 1874. Missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken, betreffende de te nemen maatregelen hij het ontstaan ran longziekte onder het rundvee in de toeide.

Indien in uwe provincie een geval van longziekte zich in de weide mocht vertoonen, dan zal, na den dood of de afraaking van het aangetaste stuk vee, op de weide, waarop zich de verdachte koppel bevindt en op de onmiddellijk daaraan grenzende gronden, het Kon. besluit van 3 October 1873, St.bl. Nquot;. 135, met uitzondering van art. 2, worden toegepast.

Gelief hiervan de burgemeesters kennis te geven en hen aan te schrijven, in zoodanig geval den districtsveearts behulpzaam te zijn in de omschrijving der door mij aan te wijzen kringen.

Dc Minister van Binnenlandsche Zaken, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHÏ.

18 Mei 1874. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betrekkelijk het vervoer van besmet of verdacht vee van de eene naar de andere gemeente.

Tiet is mij herhaaldelijk gebleken dat sommige burgemeesters bij de toepassing van liet 2ia lid van art. 21 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, vervoer

ocr page 159

151

van besmet of verdacht vee hebben toegestaan naar andere gemeenten. De in dat artikel aan de burge-gemeesters verleende bevoegdheid gaat niet verder dan hunne gemeente. Schijnt vervoer van zoodanig vee naar eene andere gemeente raadzaam, dan mag vergunning daartoe alleen worden gegeven na verkregen toestemming van de burgemeesters der gemeenten waardoor en waarheen het vervoer gewenscht wordt.

Vervoer van besmet of verdacht vee naar eene andere gemeente zal intusschen zooveel mogelijk vermeden moeten worden.

Gelief de burgemeesters in uw gewest een en ander te doen opmerken.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, GEERTSEMA.

20 October 1874. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, omtrent de afmaking van longziek rundvee.

In het vorige jaar werd, naar mij gebleken is, meermalen van longziekte verdacht rundvee gedurende den winter in denzelfden stal geplaatst met niet verdacht vee. Daar dit in strijd is met art. 35 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, waarbij het opzettelijk in ver-

ocr page 160

152

dachten toestand brengen of doen brengen van vee met straf wordt bedreigd, verzoek ik U zooveel noodig de burgemeesters in uwe provincie aan die wetsbepaling te herinneren en hun aan te schrijven voor strenge afzondering van wegens van longziekte verdacht vee ook in den winter te waken.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.

10 April 1875. Missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken, betreffende tegemoetkoming aan de veehouders in de kosten van verplichte opstal-ling van rundvee.

Volgens het oordeel van den districtsvcearts te Leeuwarden is de tegemoetkoming van 10 cents per dag en per rund voor de verplichte opstalling van rundvee, ofschoon in het algemeen voldoende, voor melkvee te laag. Voor dat vee zou, volgens hem, 20 cents per rund en per dag als tegemoetkoming in de 7neerdere kosten tengevolge van liet in den stal houden van vee gedurende den weidetijd moeten gegeven worden.

Ik heb daartegen geene bedenking. Gelief hiervan kennis te geven aan do burgemeesters in uwe provincie en hen aan te schrijven om zich, bij verplicnte opstalling van rundvee van veehouders in hunne gemeente.

ocr page 161

153

te vergewissen hoeveel stuks melkvee zich in de stallen bevinden en te zorgen, dat daarvan in de stukken, bij hunne declaratie over te leggen, melding worde gemaakt.

De weidetijd wordt gerekend in te gaan op 1 Mei en te eindigen op 31 October.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.

21 Juni 1875. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betrekkelijk de invoering der wet van 2 Juni 1875, St.hl. No. 94, houdende hepa-lingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzichte van paarden van het leger.

Ik heb de eer U te verzoeken de burgemeesters in uwe provincie te herinneren, dat op 30 dezer de wet van 2 Juni 1875, St.bl. N0. 94, houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzichte van paarden van het leger, in verband met de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, in werking treedt, en dat derhalve, te rekenen van dien dag, hunne bemoeiing ten opzichte van de in die wet bedoelde paarden, bij het verschijnen van eene besmettelijke ziekte daaronder, ophoudt in al die gevallen waarin zij de toepassing dei-wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, aan den plaatselijken of garnizoens-kommandant of met dezen gelijk-gestelden officier opdraagt.

ocr page 162

154

Indien volgons art. 4 dior wet do burgemeester van den commandeerenden officier bericht ontvangt van het verschijnen eener besmettelijke ziekte onder militaire of officierspaarden, behoort hij, ingeval andere paarden in de gemeente met besmette of verdachte militaire paarden in aanraking zijn geweest of er om andere redenen gevaar van verbreiding van besmetting te duchten is, het advies van den districtsveearts in te winnen omtrent de daartegen te nemen maatregelen. Van de volgens dat artikel ingekomen berichten behoort hij in elk geval kennis to geven aan den districtsveearts.

Evenzoo behoort de burgemeester aan dien districtsveearts kennis te geven van voorgenomen verkoopingen van militaire paarden, zoodra hij van den korps-kom-mandant daarvan bericht heeft ontvangen.

Gelief deze voorschriften aan de burgemeesters mede te doelen on hun stipte naleving daarvan aan te bevelen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.

5 Augustus 1875. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betreffende het houden van on-derhandsche of openbare verkoopingen van vleesch, afkomstig van onteigend vee.

(Zie de circulaire van 12 December 1876.)

Volgons bericht van de algomeene rekenkamer maken de burgemeesters der gemeenten, waarin de longziekte

ocr page 163

155

het meeste voorkomt, over het algemeen te ruim gebruik van de vrijheid hun verleend tot het overleggen van ongezegelde en ongeregistreerde verklaringen tot staving van onderliandsch gehouden verkoopingen van vleesch enz.

Het schijnt dus, dat in strijd met de bedoeling der circulaire van mijn departement d.d. 30 Juli 1872, Nquot;. 104, die wijze van staving der opbrengst, eer als regel, dan als uitzondering wordt gevolgd.

Dit geeft mij aanleiding U te verzoeken, do burgemeesters in uwe provincie mede te deelen, dat alleen in die gevallen waarin geene overeenkomsten kunnen worden opgemaakt, met bedoelde verklaringen kan worden genoegen genomen, en dat openbare verkoop moet plaats hebben in alle de gevallen, waarin niet blijkbaar van onderhandschen verkoop betere uitkomsten zijn te verwachten of de hoeveelheden voor openbaren verkoop te gering zijn.

Gelief hun voorts, voor zoover noodig, daarbij in herinnering te brengen, dat bij het opmaken van processen-verbaal of onderhandsche overeenkomsten van verkoop, worde bedongen, dat zegel-, registratie- en andere bijkomende onkosten ten laste van den kooper komen, óf wel opcenten te heffen, tot goedmaking der daarop vallende onkosten, daar de kosten van zegel in geen geval door het Rijk worden vergoed, en die van registratie en andere bijkomende onkosten alleen dan, wanneer naar aanleiding van art. 1502 van het Burgerlijk

ocr page 164

156

Wetboek is bedongen, dat die ten laste van verkoo-pers zijn.

De Minister van Binnenlandse]ie Zaken, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHÏ.

12 December 1876. Missive van den Minister van Binnenlandse]te Zaken, betreffende verkoopingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee.

Naar aanleiding van een schrijven der algemeene rekenkamer, heb ik de eer U te verzoeken de burgemeesters in uwe provincie aan te schrijven, om voortaan bij het opmaken van eenzijdige verklaringen wegens de opbrengst van onderJiandscJie verkoopingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee, bedoeld bij de circulaire van mjjn departement d.d. 30 Juli 1872, Nquot;. 104, daarin te vermelden de namen en ivoonplaatmi der koopers.

Gelief hun tevens daarbij nog in herinnering te brengen mijne circulaire d.d. 5 Augustus 1875, Nquot;. G, dat onder-handsche verkoopingen van vleesch enz. en vooral het opmaken van gemelde verklaringen, slechts bij volstrekte noodzakelijkheid moeten plaats hebben.

De Minister van Binnenlundsche Zaken, Voor den Minister,

De Sec»•etaris-Genet-aal, HUBRECHÏ.

ocr page 165

157

12 Januari 1H77. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, houdende bepalingen hij de onteigening en afmaking van long ziek of wegens longziekte verdacht rundvee. ( V.g.l. Miss. 5 Januari 1878.)

Ik heb de eer ü te verzoeken aan de burgemeesters in uwe provincie de volgende bepalingen bij de onteigening en afmaking van longziek of wegens longziekte verdacht rundvee mede te deelen:

Bij longziek of van die ziekte verdacht rundvee worde niemand toegelaten dan zij, die met de verzorging van dat vee belast zijn, of bij het onderzoek, de onteigening of afmaking diensten te verrichten hebben. De kleederen dier personen moeten, alvorens zij het erf verlaten, worden ontsmet volgens de voorschriften vastgesteld bij het Kon. besluit van 4 December 1870, St.bl. Nquot;. 191, § 3, bladz. 5 (vervangen door het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. N0. 125.)

De waardeering van het vee dat onteigend moet worden en de afmaking, moeten niet aan eigenaars, houders of hoeders van vee opgedragen worden. Tegen te hooge waardeering worde gewaakt; bij twijfel daaromtrent make de burgemeester gebruik van het recht hem bij de vierde alinea van art. 24 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, gegeven.

Zoodra mogelijk na de onteigening worde het vee afgemaakt, longziek vee ter plaatse waar het afgezonderd staat; verdacht vee in den stal of op het erf waar het

ocr page 166

158

zich bevindt en van de huid ontdaan. De borst- en buiksingewanden (ook die van liet verdachte vee) worden verbrand of begraven; de huid worde gedurende 24 uren in eene oplossing van carbolzuur gelegd. De plaats waar de afmaking heeft plaats gehad, worde gereinigd. (1)

Eerst daarna worde de toegang tot de plaats, waaide overblijfselen van het vee zich bevinden, vrijgelaten en het vleesch en de huiden verkocht.

Indien de eigenaar, houder of hoeder mocht weigeren de afmaking, slachting, alsmede den verkoop vati het vleesch en de huiden op zijn erf toe te laten, worde hem aangezegd dat deze weigering toepassing der bepalingen van het Kon. besluit van 3 October 1873, St.bl. N°. 135, tengevolge zal hebben gedurende drie maanden.

Zoodra mogelijk na de verkooping van het vleesch worden de stallen of andere gebouwen, waar rundvee gestaan heeft en besmette voorwerpen volgens de voorschriften in het eerst aangehaalde besluit vermeld, ontsmet.

Ik verzoek U de burgemeesters uit te noodigen zich nauwkeurig naar deze voorschriften te gedragen.

Gelief ook de burgemeesters te herinneren, dat zij U op den Maandag, volgende op de week, waarin een geval van longziekte in hunne gemeente is voorgekomen, aan U behooren op te geven hoevele ziektegevallen en bij hoevele veehouders hebben plaats gehad, hoevele runderen dientengevolge in verdachten toestand zijn

ocr page 167

159

geraakt, door wion het deskundig onderzoek is verricht, of er verdacht vee en hoeveel stuks is afgemaakt, en hoe groot de schadeloosstelling is geweest, welke voor onteigend vee is betaald.

Deze opgaven wacht ik daarna van U in den loop derzelfde week.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.

(1) De Minister heeft bij Missive van 19 Januari 1877 nader medegedeeld, dat indien de afmaking bezwaarlijk kan geschieden ter plaatse waar het longziek vee afgezonderd staat of in den stal of op het erf waar het verdachte vee zich bevindt, of indien dit door den districtsveearts niet raadzaam wordt geacht, de afmaking behoort te geschieden ter plaatse door den districtsveearts het meest geschikt geoordeeld.

Het voorschrift, dat de huiden gedurende 24 uren in eene oplossing van carbolzuur gelegd moeten worden is, wanneer het volstrekt niet na te leven is, te vervangen door de bepaling dat de huiden met eene oplossing van carbolzuur ontsmet moeten worden op de wijze door den districtsveearts te bepalen.

ocr page 168

160

1 Mei 1877. Missive van den Minister van Binnen-lanclsche Zaken, hetrelckelijk het houden van verhoopingen van vleesch en huiden, afkomstiy van onteigend vee.

Door de algemeene rekenkamer is mijne aandacht gevestigd op verkoopingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee, die op last van burgemeesters in eenige gemeenten door notarissen of deurwaarders plaats hebben, waardoor de daarmede gepaard gaande onkosten zeer hoog worden opgevoerd.

In sommige gemeenten schijnt zelfs de gewoonte te bestaan, om in de rekening slechts de opbrengst en niet de geheven opcenten te verantwoorden; de op die ver-kooping vallende kosten worden dan uit de opcenten gekweten en het daarvan soms nog aanzienlijk overblijvende bedrag wordt als salaris door den notaris of deurwaarder genoten. Het houden van verkoopingen op die wijze is niet alleen zeer ten nadeele van \'s Rijks schatkist, waar bovendien in strijd met de voorschriften, laatstelijk gegeven bij de circulaire van mijn departement d.d. 6 Juli 1873, N0. 1.

Naar aanleiding daarvan heb ik de eer U te verzoeken de burgemeesters in uwe provincie op te merken, dat zij tot het houden van die verkoopingen bij Kon. besluit van 11 Juni 1871, St.bl. N°. 75, zijn bevoegd verklaard, dat, zoo de hulp van een notaris of deurwaarder daarbij volstrekt noodzakelijk is, omtrent het daarvoor toe te kennen salaris naar billijkheid vooraf

ocr page 169

161

mondeling is overeen te komen, terwijl in allen gevalle de geheven opcenten door de burgemeesters in hunne rekening moet worden verantwoord.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHT.

5 Januari 1878. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betreffende het nemen van voorzorgsmaatregelen hij de afmaking van rundvee ivegens longziekte.

Uit de verhoeren voor de commissie van enquête omtrent de besmettelijke longziekte onder het rundvee is gebleken, dat bij de afmaking van rundvee, door longziekte aangetast of daarvan verdacht, niet altijd de noodige voorzorgen worden genomen tot voorkoming van verbreiding der besmetting. Ik verzoek U derhalve de burgemeesters in uwe provincie voor te schrijven om, ingeval in hunne gemeente rundvee na onteigening wordt afgemaakt, daarbij het volgende in acht te nemen:

1°. De afmaking geschiede steeds onder voldoend en streng politietoezicht. Geene andere personen mogen daarbij tegenwoordig zijn dan die er niet bij gemist kunnen worden.

11

ocr page 170

162

2°. De personen, die bij de afmaking tegenwoordig zijn geweest, moeten eer zij het terrein verlaten, ontsmet worden volgens de regelen voorgeschreven hij het Kon. besluit van 4 December 1870, St.bl. Nquot;. 191 (vervangen door het Kon. besluit van 3 Juni 1885, St.bl. Nquot;. 125.)

3°. Voorts moet de plaats waar de afmaking geschied is en moeten de gereedschappen, die bij de afmaking gebezigd zijn, de gebouwen waar het vee gestaan heeft en de voorwerpen, die er mede in aanraking geweest zijn, de laatste voor zoover vernietiging na onteigening niet de voorkeur verdient, volgens voormelde regelen zorgvuldig worden gezuiverd en ontsmet.

4°. De borst- en buiksingewanden moeten ten spoedigste worden verbrand of begraven, mede volgens voormelde regelen. Aan den districtsveearts of zijn plaatsvervanger worde vergund entstof uit de longen, zoo deze daarvoor geschikt zijn, te verzamelen.

5°. De huiden moeten onmiddellijk volgens meergemelde regelen worden ontsmet.

6°. Het vleesch en de huiden der afgemaakte runderen moeten niet verkocht worden dan minstens 12 uren na de afmaking.

7°. De verkooping van dit vleesch en de huiden der afgemaakte runderen geschiede, zoo dit eenigszins mogelijk is, op eene andere plaats dan die, waar de afmaking heeft plaats gehad. Is dit niet wel mogelijk of zijn er gegronde bezwaren tegen, dan geschiede de verkoop niet dan nadat de ontsmetting, sub 3° bedoeld, en de

ocr page 171

163

verbranding en de begraving van borst- en buiksingewanden is afgeloopen.

8°. Bij de afmaking van wegens longziekte verdacht vee worde aanteekening gehouden van het aantal van deze runderen, waarvan de longen reeds de kenteekenen vertoonen van besmettelijke longziekte. De burgemeester make hiervan melding in de opgaven, die ik binnen 24 uren na de afmaking rechtstreeks van hem te gemoet zie, omtrent den datum der afmaking, het getal der afgemaakte longzieke of verdachte runderen en het bedrag der voor iedere categorie afzonderlijk uitbetaalde schadeloosstelling.

De Minister van Binnenlanclsche Zaken, KAPPEIJNE.

29 Mei 1879. Missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken, betreffende accijns van in beslag genomen vleesch.

Door mijn ambtgenoot van Justitie is mij medegedeeld, dat onlangs aan Zijn departement werd in rekening gebracht betaalde accijns van in beslag genomen vleesch, dat krachtens alinea 3 van art. 37 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, in het openbaar is verkocht, en dat die uitgaven niet behooren tot de gerechtskosten in strafzaken, en dus niet als zoodanig zijn te verevenen.

ocr page 172

164

Zijne Excellentie verzoekt, dat naar aanleiding daarvan, de burgemeesters worden uitgenoodigd, voortaan in bedoelde gevallen, in de koopvoorwaarden de bepaling op te nemen, dat de te dier zake verschuldigde accijns door den kooper moet worden betaald.

Ik heb de eer U te verzoeken aan dat verlangen, voor zooveel uwe provincie betreft, te voldoen.

De Minister can Binnenlandsche Znhen, Voor den Minister,

De Secretaris-Generaal, HUBRECHT.

i Juli 1882. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betrekkelijk de uitvoering van de artt. 24 en 26 der wet van 20 Juli 1870. St.hl. No. 131.

Mijn ambtgenoot van Justitie geeft mij in overweging uit de circulaire van 23 December 1870, St.bl. !Nquot;. 192, 2de afd., Med. Pol., de bepaling te doen vervallen dat „de kosten van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmede is overtreden, kosten van Justitie zijn.quot;

Die kosten zijn, naar zijn oordeel, waarmede ik instem, kosten tot wering van besmetting en behooren niet tot de gerechtskosten in strafzaken. Bij de vernietiging

ocr page 173

165

of onschadelijkinaking heeft de Justitie geen belang.

Ik verzoek U ter kennis van de burgemeesters in uwe provincie te brengen dat uit de gemelde circulaire de woorden „en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen uaannede is overtreden, als vervallen zijn te beschouwen.quot;

Dc Minister van Binnenlandsche Zaken, C. PIJNACKER HORDIJK.

4 Mei 1885. Door de Arrondissements-Reclithank te Rotterdam is hij vonnis van 4 Mei 1885, met betrekking tot eene verantwoording van den burgemeester in zake de besmettelijke veeziekte beslist:

1°. dat de burgerlijke rechter niet kan beslissen, of de algemeene rekenkamer te recht of ten onrechte dc door een rekenplichtige afgelegde rekening met een saldo te zijnen laste heeft afgesloten;

2°. dat de algemeene rekenkamer krachtens de wet van 5 October 1841, St.bl. W. 40, hij het vaststellen dier rekeningen en van hare saldo\'s in hoogste ressort beslist.

ocr page 174

166

II Mei 1885. Arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden, waarbij is beslist dat uit het verband van art. 37, al. 1 met art. 35, al. 2 der wet van 20 Juni 1870, St.bl. N». 131, volgt dat wanneer in strijd met die wet ingevoerd vee, overeenkomstig het bij eerst-gemeld wetsvoorschrift bepaalde, wordt vrijgegeven, alsdan bij veroordeeling niet dat vee maar het gestorte bedrag der waarde daarvan behoord te worden verbeurd verklaard.

De Hooge Raad enz.

Gelet op het middel van cassatie, door den rcq. voorgesteld bij memorie:

Verkeerde toepassing van art. 35, al. 2, in verband met art. 37 der wet van den 20sten Juni 1870, St.bl. W. 131;

Overwegende dat bij het bestreden arrest zijn verbeurd verklaard de door de geroq. in strijd met de wet tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie van 20 Juni 1870, St.bl. Nquot;. 131, en met ter uitvoering daarvan strekkend Kon. besluit van 8 December 1870, St.bl. N0. 194, ingevoerde koeien, zulks op grond, „dat onder de roerende voorwerpen, waarvan de verbeurdverklaring bij liet laatste lid van art. 15 bevolen wordt, ook levend vee is begrepen; dat het misdrijf in casu is gepleegd met de voormelde koeien, en die voorwerpen, al zijn zij tegen waarborg vrijgegeven, derhalve behooren te worden verbeurd verklaard.quot;

ocr page 175

167

Overwegende dat hiertegen, tot staving van het middel van cassatie, te recht is aangevoerd, dat levend vee, evenals andere roerende voorwerpen, aan de verbeurdverklaring van het laatste lid van art. 35 zou zijn onderworpen, zoo de wetgever niet in de gevallen, dat er geen gevaar van besmetting bestaat, wegens de bezwaren aan het onderhoud en de bewaring van levende dieren verbonden, vrijgeving had toegestaan of verkoop bevolen op den voet, bij het eerste en tweede lid van art. 37 bepaald; en dat uit het onderling verband dier voorschriften volgt, dat, wanneer het vee wordt vrijgegeven, de gestorte waarde, en ingeval van verkoop, de opbrengst, in de plaats van de voorwerpen zeiven treden, en bij veroordeeling, ten behoeve van \'s Rijks schatkist moeten worden verbeurd verklaard;

Overwegende dat de juistheid dezer opvatting wordt bevestigd door de omstandigheden, dat het ter vrije beschikking van den eigenaar of houder stellen van een in beslag genomen voorwerp uit den aard der zaak onvereenigbaar is met eene latere verbeurdverklaring, en de wet dan ook geen voorschriften van uitvoering voor zoodanige toepassing der bedoelde straf inhoudt;

Overwegende dat mitsdien het verband van het eerste lid van art. 37 met het tweede van art. 35 in het gegeven geval meebrengt, dat in stede van het door het hof verbeurd verklaarde vee, het gestorte bedrag van de waarde daarvan als onderwerp der bij laatstgemelde wetsbepaling bedreigde straf worde aangemerkt, en het

ocr page 176

168

middel van cassatie alzoo is gegrond;

Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voor zoover de koeien, waarmede het misdrijf gepleegd is, daarbij zijn verbeurd verklaard;

En in zooverre rechtdoende ten principale krachtens art. 105 R. O., en op grond van de in het bevestigde vonnis tekstueel opgenomen artikelen der wet van 20 Juni 1870, St.bl. Nquot;. 131:

Verklaart ten behoeve van \'s Rijks schatkist verbeurd het gestorte bedrag der waarde van de in beslag genomen en vrijgegeven acht koeien:

Veroordeelt den gereq. in de kosten in cassatie gevallen, desnoods invorderbaar bij lijfsdwang.

24 Februari 1886. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betreffende toepassing van het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. No. 125.

Ik heb de eer U.H.Ed.G. mede te deelen, dat mij uit ingekomen ambtsberichten is gebleken, dat door de burgemeesters niet altijd het bij § 4, l8te lid van de voorschriften, vastgesteld bij Kon. besluit van f) Juni 1885. St.bl. N0. 125, voorgeschreven overleg wordt gehouden.

Dientengevolge worden bedoelde voorschriften niet r.ltijd op de meest noodzakelijke wijze toegepast en worden o. a. vaak runderen, die aan miltvuur hebben geleden, begraven, daar waar verbranding zeer wol

ocr page 177

169

mogelijk zou geweest zijn en ook overeenkomstig § 1« lste lid der bedoelde voorschriften zou zijn toegepast, ware de districtsveearts omtrent de wijze van vernietiging gehoord, aangezien de ondervinding onze veeartsen heeft geleerd, dat door begraving van miltvuur-cadavers de smetstof niet wordt vernietigd, maar integendeel in vele gevallen later besmetting optreedt bij dieren, grazende op begraafplaatsen.

Mitsdien heb ik. de eer ü te verzoeken de burgemeesters voor zooveel noodig uit te noodigen bedoeld overleg zoo min mogelijk na te laten.

De Minister van Staat, Min. van Binnenl. Zaken, HEEMSKERK.

6 Februari 1888. Bij overtreding van art. 13 dei-wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, wordt niet gevorderd dat de verschijnselen, die zich hebben voorgedaan, werkelijk bij eene besmettelijke ziekte voorkomen, noch dat bewezen zij dat de verschijnselen, die zich hebben voorgedaan, werkelijk van eene besmettelijke ziekte zijn geweest, doch is het voldoende, dat de verschijnselen gelijk zijn aan die, welke bij eene besmettelijke ziekte voorkomen. Kantongerecht te Leiden (W.v.h.R. N°. 5531.)

ocr page 178

170

25 April 1888. Missive van den Minister van Justitie, betreffende mededeeling van den afloop van strafvervolgingen wegens overtreding der wet van 20 Juli 1870, St.hl. No. 131.

De algemeene rekenkamer wensclit dat de kennisgeving van den afloop van strafvervolgingen, bedoeld in de circulaire van den Minister van Justitie van 25 September 1875, 3dl! afd., 124, en in die mijns ambtsvoorgangers van 29 September 1886, afd. 2a N0. 93, voortaan behalve aan de Kamer en aan den gemeenteontvanger ook geschiede aan den burgemeester, door wien krachtens het Kon. besluit van 11 Juli 1874, St.bl. K0. 109, de verkoop van vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131, plaats vindt.

In do praktijk toch gebeurt liet veelal dat laatstbedoelde ambtenaar en niet de gemeente-ontvanger na den afloop eener strafzaak rekening doet, waartoe li ij niet kan overgaan zonder officieel van dien aHoop te zijn onderricht.

Ik heb de eer U.W.Ed.Gr. uit te noodigen te willen bevorderen, dat door de ambtenaren van het Openbaar Ministerie in uw ressort in bovenstaanden geest worde gehandeld.

De Minister van Justitie, IUJIJS VAN BEERENBROEK.

ocr page 179

171

27130 October 1888. Resolutie van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, betreffende afwijking van het verbod van in- en doorvoer van varkens, varkensvleesch enz.

De Ministers van Binnenl. Zaken en van Financiën;

Gelet op art. 2 van het Kon. besluit van 14 Augustus 1888, St.bl. N0. 142, houdende verbod van in-en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch en gezouten varkensvleesch en van opgesmolten vet, klauwen, mest en verderen afval van varkens;

Brengen ter kennis van belanghebbenden, dat afwijking van het verbod van in- en doorvoer bij deze wordt toegestaan:

1°. voor varkens (ten hoogste twee) en voor de in art. 1 van het Kon. besluit van 14 Augustus 1888, St.bl. N0. 142, bedoelde vleeschwaren (ten hoogste drie kilogram per hoofd) op in Nederland binnenkomende schepen en vlotten aanwezig voor eigen gebruik van do zich daarop bevindende personen, mits die varkens of die vleeschwaren niet van het schip of vlot gelost worden;

2°. voor de in art. 1 van het Kon. besluit bedoelde vleeschwaren (ten hoogste drie kilogram per hoofd) die reizende personen voor eigen gebruik met zich voeren;

3°. voor de in art. 1 van het Kon. besluit bedoelde vleeschwaren, die gezouten en daarna gedroogd of gerookt zijn, behoudens dat bij den invoer van de onder deze bepaling vallende worst moet worden overgelegd

ocr page 180

172

een ambtelijke verklaring, dat er geen reden is om te twijfelen aan hare onschadelijkheid.

Voor zooveel noodig worden belanghebbenden tevens opmerkzaam gemaakt dat gekookte of gebraden vleesch-waren niet vallen onder het verbod van in- en doorvoer, bedoeld in het Kon. besluit van 14 Augustus 1888, St.bl. N0. 142.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, MACKAY.

De Minister van Financiën,

GODIN DE BEAUFORT.

11 .Juli 1889. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken aan de Commissarissen des Konings in de \'provinciën, betreffende het onderzoek van ziek vee.

In de artt. 14, 16, 17, 19, 21 en 25 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, is bepaald, dat bij afwezigheid van den districtsveearts en van een districts-veearts-plaatsvervanger een geëxamineerd veearts in spoedeischende gevallen kan geraadpleegd worden. In de circulaire van mijn ambtsvoorganger van 14 December 1870, St.bl. N°. 171, afd. IX, wordt tot verklaring daarvan gezegd dat de burgemeester een geëxamineerd veearts niet kan raadplegen, dan na do zekerheid

ocr page 181

173

bekomen te hebben dat zoowel do districtsveearts als zijne plaatsvervangers verhinderd zijn over te komen. Deze woorden, die op zich zelf juist zijn, hebben aanleiding gegeven tot eene opvatting, die het te lang uitblijven van de veeartsen ij kundige ambtenaren in grooten spoed eischende gevallen, vooral van varkensziekte, heeft tengevolge gehad. Tot recht verstand der bedoelde wetsbepalingen en tot voorkoming van de genoemde moeilijkheid, diene het volgende:

Een plaatsvervangend districtsveearts mag alleen optreden bij volstrekte verhindering van den districtsveearts, en bij afwezigheid van beiden, in spoedeischende gevallen, een ander geëxamineerd veearts. Is een geval spoedeischend, dan behoort de burgemeester zich zoo spoedig mogelijk te overtuigen of de districtsveearts in staat is spoedig ter plaatse aanwezig te zijn voor het onderzoek van het geval. De districtsveearts behoort dan onmiddellijk zich naar de plaats te begeven of, kan hij niet spoedig genoeg ter plaatse aanwezig zijn, daarvan onverwijld kennis te geven. Daarna behoort de burgemeester een plaats vervangenden districts veearts te ontbieden, of is deze niet zoo in de nabijheid dat hij spoedig ter plaatse aanwezig kan zijn, een ander geëxamineerd veearts.

Echter bestaat er, naar mij voorkomt, geen wettelijk bezwaar tegen, dat burgemeesters van gemeenten die niet spoedig genoeg van uit de standplaats van den districts veearts te bereiken zijn en geen snelwerkend

ocr page 182

174

communicatiemiddel, als een telegraaf e. d., te hunner beschikking hebben, reeds daaruit in bij zonderen spoed eischende gevallen besluiten tot de volstrekte verhindering van den districtsveearts om tijdig ter plaatse aanwezig te zijn en alsdan een plaatsvervanger of, kan ook deze niet spoedig genoeg aanwezig zijn, een ander geëxamineerd veearts te ontbieden. Dit laatste moet echter uit den aard der zaak uitzondering blijven.

Ik heb de eer U.lI.Ed.G. te verzoeken dienovereenkomstig de burgemeesters in uwe provincie, voor zooveel noodig in te lichten.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, MACKAY.

ocr page 183

HOOFDSTUK III.

\\ Bij welke wet is de veeartsenijkunst geregeld?

Bij die van 8 Juli 1874, St.bl. Nquot;. 98. Het onderwijs in de veeartsenijkunde en de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts zijn geregeld bij de wet van gelijke dagteekening, St.bl. N°. 99. Een reglement voor \'s Rijks veeartsenijschool is vastgesteld bij Kon. besluitvan2 September 1874, St.bl.N°. 125.

2 Welke wetten beheerschen het veeartsenijkundiy Staatstoezicht ?

De wet tot regeling van het veeartsenij kundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie is van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131. Deze wet werd aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 2 Juni 1875, St.bl. 94, 8 Augustus 1878, St.bl. Nquot;. 115, 1 Augustus 1880, St.bl. Nquot;. 123, en bij de artt. 10, N0. 2ö en 12, N°. 1 der wet van 15 April 1886, St.bl Nquot;. 64.

3 Aan wie is dat toezicht allereerst opgedragen ?

Aan de districtsveeartsen ol\' hunne plaatsvervangers (art. 2 der wet) die de bevoegdheid bezitten, tusschen zonsonder- en opgang, binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder vertoon, desgevorderd, van hunne akte van aanstelling, de verblijf- of bewaarplaatsen van

ocr page 184

176

vee of overblijfselen van vee, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers binnen te treden, mits voorzien van een schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter. (Zie modellen 1 en 2.)

4 Welke bevoegdheid bezitten verder de districtsveeartsen?

Zij houden binnen den kring, waarvoor zij zijn aangesteld, een nauwkeurig toezicht op den gezondheidstoestand van den veestapel en op de handhaving dei-bestaande ter zake dienende wetten en verordeningen. Ook bezoeken zij, zooveel mogelijk, alle plaatsen, waar in het openbaar vee wordt verkocht en gelasten aldaar de inbeslagneming en afzondering van het vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdt (art. 9 der wet.)

5 Welke verplichtingen rusten op de districtsveeartsen tegenover den burgemeester bij het ontstaan van eene besmettelijke veeziekte in de gemeente?

Zij stellen den burgemeester de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der ziekte te nemen zijn (art. 10 der wet.)

0 Wat eischt in dat geval de wet van den houder van \'het vee?

Onmiddellijke aangifte aan den burgemeester en ge-heele afzondering van het zieke vee, totdat de burgemeester, in overleg met den districtsveearts, de te nemen maatregelen zal hebben vastgesteld (artt. 13 en 14 der wet.)

Men houde hierbij in het oog dat, bij het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de tot het leger

ocr page 185

177

behoorende paarden, officier spaarden, voor zoover zij zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het leger, of met dezen te zamen weiden, daaronder begrepen, voor de toepassing van deartt. 13, 14, 16, 17, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, al. 1, 2 en 3 van .art. 31, on art. 33 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131, de plaatselijke of garnizoenscommandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districtsveearts treedt, (art. 1 dei-wet van 2 Juni 1875, St.bl, N0. 94.)

Verwijdering en afzondering zijn ook verplichtend, wanneer het vee zich bevindt op eene, krachtens art. 20 afgesloten hoeve of weide. Arrest H. R. 26 Mei 1873 (W. B. A. N0. 1256.)

7 fV/e vervangt bij afwezigheid den districtsveearts?

Dit onderwerp is laatstelijk geregeld bij de missive van den Minister van Binn. Zaken van 10 Juli 1889, sub Hoofdstuk III afgedrukt.

g Wat wordt onder de benaming „veequot;\' verstaan?

De eenhoevige en herkauwende dieren, benevens de varkens, (art 42 der wet.)

9 Wat wordt gerangschikt onder „vleesch?quot;

Alle zachte bestanddeelen van de bovengemelde dieren, zoowel gezouten als gerookt, hoofdvleesch, spek, haramen, worst enz. (art. 42 der wet.)

10 Welke ziekten van het vee worden voor besmettelijk gehouden ?

12

ocr page 186

178

De besmettelijke ziekten van het vee worden aangeduid in art. 1 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl Nquot;. 67, aangevuld bij Kon. besluit van 12 Mei 1889, St.bl. Nquot;. 128 (zie sub Hoofdstuk II.) Bij elke der in dat .artikel genoemde ziekten zijn de bepalingen van de artt. 13, 14, 17, 21, 31 en 32 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, van toepassing.

11 Kan de burgemeester afzondering van verdacht vee hevelen ?

Afzondering van zieke of verdachte dieren van het overige vee is verplichtend in de gevallen, bedoeld in de artt. G, 21, 33, 40, 45, 46 ,52, 62, 69, 70, 75, 82 en 87« van het Kon. besluit sub vraag 10 vermeld.

12 Wat doet de hnrgemeester na de aangifte na de aangifte van ziel\' vee, dat besmettelijk wordt geacht?

Hij laat onmiddellijk zoodanig vee onderzoeken dooiden districtsveearts of diens plaatsvervanger, (art. 16 der wet.) Zie modellen 3 en 6.

13 Wat staat in dat geval den districtsveearts te doen?

Deze geeft den burgemeester schriftelijk verslag van

zijne bevinding, conform het hierbij behoorend model 7, en stelt, zoo de ziekte besmettelijk is, de maatregelen tot beteugeling daarvan voor. (art. 16 der wet.)

14 Welke is de verhouding van den burgemeester tegenover dat verslag?

Hij is verplicht daaraan onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op den Minister van Binn. Zaken, (art. 16 der wet.)

ocr page 187

179

15 Wat moet geschieden ingevallen van twijfelachtigen aard?

Onverwijlde kennisgeving aan den Minister van Binn. Zaken door den districtsveearts of den burgemeester, (art. 16 der wet.)

Gevallen van twijfelachtigen aard zijn die, waarin bij den districtsveearts twijfel bestaat omtrent den aard dei-ziekte of omtrent de aan te wenden maatregelen.

16 Wat is de eerste taak van den hurgemeestev hij het lekend irorden van eene besmettelijke of als zoodanig verdachte ziekte ?

Hij doet, zoo mogelijk na overleg met den districtsveearts of diens plaatsvervanger, de hoeve, liet erf, den stal of de weide, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van een politiedienaar duidelijk kenbaar maken (art. 17 der wet.)

17 Waarin bestaan die kenteekenen?

In houten borden, die den vorm hebben van een rechthoek, waarvan de lange zijde eene lengte heeft van acht decimeters; de korte van vier decimeters. Op de gladgeschaafde zijde wordt met zwarte verf de woorden BBesmettelijke veeziektequot; geplaatst. Do letters moeten eene lengte hebben van een decimeter en eene dikte van drie centimeters. quot;Wanneer de districtsveearts het noodig oordeelt, wordt de naam der ziekte mede op het bord geplaatst.

De bedoelde borden moeten op zoodanige plaatsen als door den burgemeester, na overleg met den districts-

ocr page 188

180

veearts, zullen worden aangewezen, ter lioogte van minstens twee en een halven meter boven den beganen grond, met spijkers worden vastgehecbt, zoo mogelijk aan daartoe geschikte voorwerpen, of, zoo de gelegenheid daartoe ontbreekt, aan houten palen, die te dien einde in den grond worden geplaatst. (Besluit van den

Minister van Binn. Zaken, d.d. 24 December 1870 (Ned. St.-Ct. N0. 304). Zie ook Prov. Blad van Z.-H., N°. 116 van 1870.)

Blijkens missive van don Minister van Binn. Zaken, d.d. 26 December 1872, N». 174, kunnen de kosten, dier kenteekenen bestreden worden uit de gelden ter goede rekening te verstrekken. Deze missive luidt aldus;

„Tot dus verre was op de begrooting van mijn Departement een bijzonder artikel gebracht, ter bestrijding der uitgaven voor de aanschaffing van kenteekenen, borden van waarschuwing en werktuigen, bedoeld in de artt. 17 en 20 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, hetgeen medebracht, dat wegens die kosten steeds afzonderlijke declaratiën waren in te dienen. Dit leidde zonder eenig nut tot vermeerdering van stukken en noodeloozen omslag.

Om daaraan te gemoet te komen is dat artikel op de begrooting voor 1873 niet meer gebracht, maar zullen gemelde kosten, aan te vangen met die tot het dienstjaar 1873 betrekkelijk, voortaan gekweten worden uit den algemeenen post, art. 61 van 1873. Kosten, subsidiën en schadeloosstelling tot afwering van het

ocr page 189

181

gevaar, waarmode besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen.

Dientengevolge behoeft wegens de kosten van aanschaffing in 1873 der gemelde voorwerpen niet meer afzonderlijk te worden gedeclareerd, maar behooren die kosten te worden begrepen in de declaration, wegens onteigening- en desinfectiekosten.

Kosten van borden en werktuigen kunnen voor zooveel het dienstjaar 1873 en later er bij betrokken is, bestreden worden uit de gelden ter goede rekening te verstrekken.quot;

Gelief enz.:

18 Hoelang blijven deze kenteekenen ataan?

Zoolang de burgemeester, na overleg met den districtsveearts, bepaalt, doch niet langer dan honderd dagen na het eindigen van het laatste geval. (art. 17 der wet.)

19 Waartoe is de burgemeester verder verplicht?

Hij doet, op advies van den districtsveearts enz., het besmette vee van een merkteeken voorzien, (art. 19 der wet.)

Dit merkteeken is vastgesteld bij art. (5 van liet Kon. besluit van 17 Augustus 1878, gewijzigd bij dat van 9 Januari 1879, St.bl, N°. 2 , beiden sub hoofdstuk 2 afgedrukt.

Voor het merken kunnen geene kosten worden in rekening gebracht, terwijl de merkteekenen uit den aard der zaak voor Rijks rekening kunnen worden aangeschaft.

ocr page 190

182

20 Welke bijzondere maatregelen zijn verder voorgeschreven hij de onderscheidene besmettelijke veeziekten?

Deze bijzondere maatregelen worden omschreven in het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. Nquot;. 67, aangevuld bij de Kon. besluiten van 12 Mei 1889, St.bl. Nquot;. 62 en 9 October 1889, St.bl. Nquot;. 128, met dien verstande, dat sub § 2 worden omschreven de maatregelen, welke tegen elke der besmettelijke veeziekten toegepast moeten of kunnen worden, terwijl de maatregelen, bij elke ziekte afzonderlijk te nemen, in de volgende paragrafen zijn aangeduid.

21 Valt hierbij nog iets bijzonders op te merken?

Dat, wanneer eigenaars van longziek vee gebruik maken van de hun bij art. 20 van het sub 20 genoemde Kon. besluit toegekende bevoegdheid, de door den districtsveearts of diens plaatsvervanger daartoe te stellen voorwaarden moeten in acht genomen worden.

22 If^ geschiedt met vee, dat aan eene besmettelijke ziekte is gestorven?

Art. 2, Nquot;. 4 van het aangehaalde Kon. besluit beveelt, dat dit door de zorg en ten koste van den eigenaar dadelijk moet worden verbrand of begraven.

De daarvoor benoodigde brandstoffen enz. worden hem door den burgemeester op \'s Kijks kosten verstrekt.

23 Hoelang wordt vee, dat besmet is verklaard, voor verdacht gehouden ?

De termijnen bedoeld in art. 22 der wet, worden voor elke ziekte afzonderlijk geregeld bij liet Kon. besluit

ocr page 191

183

van 27 Maart 1888, St.bï. N0. 67, sub vraag 20 vermeld, tevens met aanwijzing van de middelen, waardoor in sommige gevallen drie termijnen kunnen worden verkort.

24 Gedurende hoeveel tijd wordt vee, dat zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevonden heeft nog als besmet aangemerkt?

De duur van deze termijnen wordt geregeld bij art. 89 van het sub vraag 20 vermelde Kon. besluit.

25 Blijft het merkteeken van verdacht vee na het herstel bestaan ?

Art. 90 van het Kon. besluit sub vraag 20 vermeld bepaalt, dat do burgemeester, op advies van den districtsveearts, dit merkteeken onkenbaar doet maken, als do reden voor het merken opgehouden heeft te bestaan.

26 Wat ivordt bepaald ten aanzien van het vervoer van vee, dat door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht is?

Art. 21 der wet verbiedt dit. De termijnen voor dit verbod zijn almede omschreven in het Kon. besluit sub vraag 20 vermeld. Ingeval van herstel beginnen de termijnen te loopen van het oogenblik door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan de belanghebbenden kosteloos wordt uitgereikt.

27 Wanneer ivordt vee als verdacht beschouwd?

Zoodra de districtsveearts daaraan kenteekenen meent

te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer

ocr page 192

184

hot zich mot besmet vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of daarin sedert de termijnen sub vraag 24 vermeld, bevonden heeft. De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat vatbaarheid heeft om door de ziekte, waarmede het in aanraking kwam, te worden besmet, (art. 22 der wet.)

28 Op hoedanige wijze handelt de burgemeester wanneer vee moet tcorden afgemaakt?

Onverminderd de bepalingen van de wet van 28 Augustus 1851, St.bl. Nquot;. 125, voor alle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit tot onteigening door hem genomen in den hierachter bij model N°. 8 aangegeven vorm. (art. 23 der wet.)

29 Wat moet aan de afmaking steeds voorafgaan?

Onteigening (art. 24 der wet in verband met art.

151 G. W.)

30 Welke formaliteiten moeten hij de onteigening worden in acht genomen?

De burgemeester benoemt eenen deskundige om het vee te waardeeren, waartoe echter ingevolge het Prov. Blad van Z.-H. N°. 80 van 1876 nimmer veehouders mogen gebezigd worden. Het bezigen, zoo mogelijk, van den aanwezigen opzichter over het zieke vee, schijnt met de bedoeling van evengemeld Blad meest overeenkomstig, terwijl een waardecrloon van f 1.50 per rund als billijk kan worden beschouwd on bij de alge-meene rekenkamer geene bedenkingen ontmoet. De

ocr page 193

185

regelen voor de waardeering worden omschreven bij art. 24 der wet. (Zie model 4.)

31 Wat geschiedt indien de burgemeester of de eigenaar of heiden geen genoegen nemen met de waardeering?

De burgemeester maakt in zijn proces-verbaal van aanbieding der afkoopsom melding van deze omstandigheid en noodigt terstond den kantonrechter uit tot de benoeming van twee deskundigen, die met den eersten deskundige bij meerderheid van stemmen de waarde bepalen, (art. 24 al. 4 der wet.)

De bepaling, voorkomende aan het slot van art. 24 al. 4 der wet, omtrent het beslissen bij meerderheid over de waarde, baart in de praktijk niet zelden twijfel. De meest rationeele weg schijnt, dat de drie deskundigen geheel zelfstandig taxeeren en hunne taxatie afzonderlijk opgeven aan den burgemeester, welke alsdan eerst den laagsten prijs en zoo vervolgens in stemming brengt, totdat eene meerderheid verkregen is.

De volgende brief kan tot leiddraad dienen:

Ik heb de eer UEdA. beleefd te verzoeken om de benoeming in voege als in art. 24 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, is voorgeschreven, van twee deskundigen tot de waardeering van een stuk vee van den veehouder N. N. alhier, die met de primitieve waardeering geen genoegen heeft genomen.

Tevens voeg ik hierbij de eenvoudige mededeeling, dat de Minister van Binn Zaken het bezigen van veehouders voor het bovenomschreven doeleinde, bij Prov.

ocr page 194

186

Blad van Z.-II. N0. 80 van 1876, ernstig heeft ontraden.

De Burgemeester van........

Aan

den Heer Kantonrechter te.....

De kantonrechter stelt zijne beschikking aan den voet van dezen brief aldus :

De kantonrechter van.......

Gezien het bovenstaand verzoek;

Gelet op art. 24 al. 4 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131;

Benoemt als deskundigen de Hoeren: (volgen de namen der deskundigen en de onderteekening van den kantonrechter.)

Het vorenstaande document, dat vrij is van zegel- en registratierecht, wordt alsdan, na registratie, in originali gehecht aan het proces-verbaal van waardoering (model 10), dat door al de deskundigen moet worden onderteekend. Bij deze wijze van handelen schijnt de taxatie door den kantonrechter van de declaratiën zijner deskundigen wegens waardeerloon, bij de algemcene rekenkamer niet noodig te worden geoordeeld. gt; Hoe handelt de burgemeester met den op eeniyerlei wijze getaxeerden prijs?

Deze wordt den eigenaar van het vee aangeboden bij proces-verbaal (model 11) of bij weigering gedopo-

ocr page 195

187

ncerd in de kas van den gemeente-ontvanger, (art. 24 al. 5 der wet.)

33 Hoe wordt gehandeld met de voorwerpen, die in aanraking geweest zijn met onteigend vee of hij vee, dat lijdende is geweest aan eene ziekte, die tot afmaking aanleiding had kunnen geven?

Zoodanige voorwerpen worden, op aanwijzing van den districtsveearts of zijnen plaatsbekleeder, onteigend, (art. 25 der wet.) Zie modellen 14 —18.

Hierbij dient echter vermelding, dat de algemeene rekenkamer bij longziekte tegen de verevening der kosten van onteigening van besmette voorwerpen meesttijds bezwaar maakt en bet uit dien hoofde aanbeveling verdient het te onteigenen rund met dek, touw en mest, waarop het staat, als één geheel te beschouwen en als zoodanig te doen waardeeren. De overige voorwerpen als staken, klaven enz. kunnen zonder gevaar worden ontsmet gelijk is voorgeschreven bij Kon. besluit van 9 Juni 1885, op pagina 6G v. v. afgedrukt.

34 Welke bepalingen gelden hij de onteigening van he-smette voorwerpen ?

Die van de artt. 23 en 24 der wet. In beslagneming dier voorwerpen kan bevolen worden krachtens art 25 der wet.

35 Welk is het recht van den eigenaar tegenover de aangeboden maar door hem geweigerde afkoopsom?

Hij kan die nog gedurende 6 maanden bij den gemeente-ontvanger in ontvang nemen. Na verloop van

ocr page 196

188

dien termijn wordt liet geld gestort in do consignatiekas, waarin het nog 5 jaren te zijner beschikking blijft, (art. 20 der wet.)

36 Qp hoedanige wijze wordt de uitbetaling of storting in de consignatiekas door den gemeente-ontvanger verantwoord\' ?

Hij zendt het bewijs daarvan aan de algemeene rekenkamer. De vormen van art. 1442 E. W. zijn te dozen niet toepasselijk, (art. 26 der wet.)

De Rijksambtenaar bij wien de gelden moeten worden geconsigneerd, is de ontvanger der registratie van de gerechtelijke akten in de hoofdplaats van het arrondissement. (art. 4 Kon. besluit van 1 December 18415, N°. 45.)

Bij missive van den Minister van Binn. Zaken, aan Heeren Commissarissen des Konings d.d. 9 October 1877 N0. 15, afd. II, wordt medegedeeld, dat blijkens eene door Zijne Excellentie van de algemeene rekenkamer ontvangen mededeeling, zich onlangs het geval heeft voorgedaan, dat een gemeente-ontvanger, eenigen tijd nadat hij uit die betrekking was ontslagen, verantwoording deed van een aanzienlijk bedrag, vroeger bij hem gesequestreerd, overeenkomstig het voorschrift van art. 27 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131. Die gemeente-ambtenaar had dus bij zijne aftreding als zoodanig, de bedoelde gelden onder zich gehouden.

Met de algemeene rekenkamer is de Minister voornoemd van oordeel, dat die handelwijze in strijd is met

ocr page 197

189

de aangehaalde wet. Overal toch, waar die wet spreekt van voorloopige in bewaringgeving van de waarde of opbrengst van het onteigende of in beslag genomene, wordt als bewaarder aangewezen de gemeente-ontvanger (artt. 24, 26, 27, 36 en 37) en zij draagt ook de verantwoording van de gesequestreerde gelden aan den gemeente-ontvanger op.

Daaruit volgt, dat die gelden gedurende den geheelen tijd der sequestratie onder dien ambtenaar moeten blyven berusten.

Wij hebben derhalve de eer U te verzoeken, zorg te dragen, dat bij aftreding of overlijden van den gemeente-ontvanger de meergenoemde gelden aanstonds onder bewaring van zijn opvolger worden gebracht.

37 In welke gevallen vervalt de aanspraak op schacle-vergoeding voor onteigend vee?

Deze vervalt: lquot; bij verzuim van aangifte in art. 13, of der afzondering in art. 14 der wet voorgeschreven; 2e bij het brengen van vee op eene verdachte plaats binnen den verboden termijn of wanneer men zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht of doen brengen, (art. 27 der wet.) Zie model 8.

Bij Prov. Blad van Z.-H., Nquot;. 50 van 1876 werd namens den Minister van Binn. Zaken er op gewezen, dat gemeld artikel medebrengt, dat bij overtredingen in de eerste alinea vermeld, geene schadeloosstelling wordt verleend voor het afgemaakte vee, waaromtrent de overtreding heeft plaats gehad. Evenmin kan zij worden

ocr page 198

190

gegeven voor afgemaakt vee uit den koppel, dat tengevolge van hot eerste ziektegeval in verdachten toestand is geraakt. Zoodanige overtreding doet, ook in al de gevolgen, die daaruit voortvloeien, aanspraak op vergoeding verloren gaan.

De tweede alinea van het aangehaald artikel wordt door de burgemeesters niet altijd nageleefd. In plaats van het vastgesteld bedrag der schadevergoeding bij den gemeente-ontvanger te sequestreeren, bepalen zij zich er verkeerdelijk toe, dat bedrag niet uit te betalen. Alleen door sequestratie kan steeds behoorlijk blyken van iedere overtreding, die de aanspraak op vergoeding heeft doen verloren gaan.

Uit den inhoud van deze Ministerieele circulaire, welke is van den 15 Juli 187G, N0. 69, volgt, dat, naar het gevoelen van den Minister, bij gebleken overtreding met het eerste rund, de vergoeding zoowel voor dit als voor al de andere runderen, die daardoor verdacht worden, verloren gaat. De waardeering heeft dan plaats op de gewone wijze, doch het bedrag wordt tot na den afloop der strafzaak gesequestreerd by den gemeente-ontvanger.

Sog wordt hier vermeld, dat daar het verloren gaan der vergoeding bij veroordeeling uit de wet volgt en dus niet bij het vonnis behoeft te worden uitgesproken, het Koninklijk recht van gratie, krachtens de artt. G6 en 67 der grondwet, ook niet op die vergoeding van toepassing kan geacht worden.

ocr page 199

191

Natuurlijk zal in voorkomende gevallen de Rechter te beslissen hebben over de strekking van art. 27 dei-wet, maar zal het geraden zijn om, in afwachting van het eindvonnis, de vergoedingen te sequestreeren bij den gemeente-ontvanger.

Hierbij mag niet onvermeld blijven, dat bij de vaststelling van de wet, blijkens de Memorie van toelichting bl. 127 de vraag is gedaan of de bepaling, dat de eigenaar geen aanspraak heeft op vergoeding, op geheel den koppel slaat, dan wel op die stuks vee waaromtrent de overtreding eigenlijk heeft plaats gehad. Dit zal van de omstandigheden afhangen. Is het besmette stuk vee wel afgezonderd geworden, maar is alleen de aangifte verzuimd, dan is de eigenaar alleen in overtreding ten opzichte van liet besmette vee. Heeft hij daarentegen ook de afzondering nagelaten, dan is de eigenaar ook daaromtrent in overtreding.

Nog is hiertoe betrekkelijk do missive van Zijne Excellentie den Heer Minister van Binnenl. Zaken van 25 Februari 1878, luidende aldus:

N0. 27.

ocr page 200

192

No. 27.

AFD. MED. POLITIE ,

betreffende Sequestratie van onteigeningsgelden.

De Algemeene Rekenkamer heeft mij mededeeling gedaan van Uw schrijven van 5 dezer, N». 105, waarin de vraag wordt gedaan of de schadeloosstelling voor de 1G verdachte runderen van den veehouder N. N., die wegens verzuimde aangifte van 3 longzieke runderen wordt vervolgd, evenals de schadeloosstelling voor laatstgenoemde runderen, bij den gemeente-ontvanger moet worden gesequestreerd.

De Kamer is van meening, dat het niet tot hare taak behoort om den rekenplichtige over dit onderwerp voorschriften te geven en verzoekt mij de behandeling dezer zaak over te nemen.

Aangezien N. N. blijkens het door U overgelegd proces-verbaal, wel de aangifte maar niet de afzondering van bedoelde 3 runderen heeft verzuimd, is er, naar mijne overtuiging, geen grond om de som, als schadeloosstelling voor de 16 als verdacht onteigende runderen bepaald, bij den gemeente-ontvanger te seques-treeren, maar kan die aan dien veehouder worden uitbetaald.

De vergoedingen voor onteigend vee, bij veroordeeling door den eigenaar verbeurd, behooren te worden gestort in \'s Rijks schatkist en niet in de consignatiekas (W. B. A. Nquot;. 1626).

ocr page 201

193

38 Hoe worden na vrijspraak de termijnen voor verjaring, hij art. 26 der wet gesteld, geregeld?

Deze beginnen in dat geval te loopen van de uitspraak van liet eindvonnis. (Art. 26 der wet.)

39 Hoe regelt de gemeente-ontvanger in dat geval de verantwoording ?

Hij zendt met de quitantio van den onteigende een ongezegeld afschrift van het eindvonnis aan de Alge-meene Rekenkamer. De kosten van dat afschrift kunnen door hem van de gesequestreerde gelden worden afgetrokken tegen overlegging van quitantio door den Griffier. (Vergelijk vraag 63.)

40 Hoe bekomt de Burgemeester het geld voor de schadevergoeding henoodigd ?

Van den gemeente-ontvanger, die het vereischte bedrag op eenvoudige quitantie van den burgemeester voorschiet.

Bij ontoereikendheid van de gemeentekas, geschiedt de verstrekking uit \'s Rijks schatkist; altijd ten ge-noege van den Commissaris des Konings in de Prov. (Art. 28 der wet.) Zie model 19.

Zeer te recht heeft de Regeering de moeilijkheid ingezien van het uitputten der gemeentekas voor den Rijksdienst en is bij eenigszins beduidende behoeften aan geld het aanvragen van assignatiën ter goede rekening aan den Commissaris des Konings regel geworden. Hierbij komt nog, dat de verantwoording van het op die wijze verkregen geld, met veel minder omslag gepaard gaat, dan wanneer men het benoodigde als voor-

13

ocr page 202

194

schot uit do gemeentekas erlangt. Bij eene nauwgezette opvolging van de gegeven voorschriften kan gezegd worden, dat de Algemeene Rekenkamer de reeds zoo omvangrijke taak dor burgemeesters op het stuk van veeziekte niet onnoodig bemoeilijkt of verzwaart.

41 Waartoe is de burgemeester met betrekking tot dit geld verplicht ?

Hij is niet gehouden tot hot stellen van borgtocht doswegens, maar zal binnen twee maanden na de dag-teekening der quitantie , waarop de geldon in voorschot zijn verstrekt, rekening doen aan de Algemeene Rekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der wet van 5 October 1841, St.bl. Nquot;. 40. (Art. 27 der wet.) Zie Modellen 20 — 22.

4-2 Wat kan, behalve het vee en de onteigende voorwerpen, uit de bedoelde gelden al meer betaald worden?

Alle onkosten, waartoe de onteigening aanleiding geeft, zoomede de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven , verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt vee worden aangewend; alsmede de kosten der desinfectie, enz. (Art. 21 der wet).

In die kosten zijn begrepen: a het waardeorloon; b bij verren afstand rijtuighuur ten behoeve van den burgemeester en den taxateur; c afmaakloon en het politietoezicht daarop; d schrijfloon voor de onteigeningsbescheiden, wanneer deze niet door den burgemeester in persoon worden gereed gemaakt; e kenteekenen, enz.

ocr page 203

195

Voor al deze onkosten worden de model-declaratiën als bijlagen achter dit werkje afgedrukt.

Kosten voortvloeiende uit den verkoop der overblijfselen van onteigend vee, kunnen nimmer uit de gelden ter goede rekening voldaan worden, maar komen steeds ten laste van de rekening en verantwoording wegens opbrengst dier overblijfselen.

43 Wanneer komt afsluiting van het besmet terrein in aanmerking ?

De burgemeester beveelt afsluiting van hoeven en weiden, zoo noodig met inbegrip van de naast aangelegen landen of erven, zoodra dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld. De burgemeester kan daarbij de hulp van de militaire macht inroepen. (Art. 29 der wet).

44 Welke bepalingen bestaan op den in- en uitvoer, ten aanzien van afgesloten terreinen ?

Het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl Nquot;. G7, afgedrukt op bladz. 81 v. v., houdt de daaromtrent bestaande bepalingen in.

5 Wie staat uitzonderingen op het verbod van in- en uitvoer toe?

De Comm. des Konings ingevolge art. 29, al. 3 der wet en ook de burgemeester, zie model 40, in verband met het sub 44 vermelde Kon. besluit.

46 Wat wordt bevolen ten opzichte van de kleederen der personen, die den besmetten kring verlaten?

Art. 29, al. 4 der wet beveelt, dat die vóór het verlaten van het besmette terrein moeten worden ontsmet.

ocr page 204

196

De regelen daartoe zijn vervat in het Kon. besluit van 9 Juni 1885, afgedrukt op bladz. 66 v. v.

47 In welke gevallen komt het vastleggen van honden in aanmerking ?

Het Kon. besluit sub 44 vermeld, regelt die verschillende gevallen, krachtens art. 30 der wet. De toepassing van dezen maatregel kan vooral bij longziekte als van veel belang worden geacht. De formaliteiten van voormeld art. 30 moeten daarbij nauwkeurig in acht genomen worden.

48 Wie verleent ontheffing van het verbod om honden te laten losloopen?

Volgens art. 30, al. 4 der wet is daartoe alleen bevoegd de Commissaris des Konings, den burgemeester en den districtsveearts gehoord.

49 Welke voorschriften gelden ten aanzien van het begraven, verbranden of vernietigen van vee?

De voorschriften hieromtrent zijn gegeven bij het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. N0. 125, afgedrukt op bladz. 66 v. v. (Zie modellen 13 en 18.)

50 Wie voorziet in de kosten van ontsmetting?

Het Rijk. Zie art. 31, al. 2 der wet.

51 Is er een termijn voor de ontsmetting bepaald ?

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen na het laatste ziektegeval. Alleen de Minister van Binn. Zaken is bevoegd dien termijn te verlengen, (art. 31 der wet.)

ocr page 205

197

52 Wat hepaalt de wet omtrent deze ontsmetting?

Dat die zal plaats hebben ten koste van het llijk, op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts, (art. 31 der wet.)

Hierbij wordt opgemerkt, dat dit voorschrift niet altijd wordt nageleefd, wijl de ontsmetting, vooral daar waar geene veeopzichters aanwezig zijn, meesttijds geheel aan de zorg van don burgemeester wordt overgelaten. Ofschoon het voor den districtsveearts vaak zeer moeilijk is om bij die ontsmetting tegenwoordig te zijn, verdient toch dit punt uit den aard der zaak bijzondere aandacht.

Bij eene welwillende samenwerking van den burgemeester en den districtsveearts zal gene in voorkomende gevallen, ook dan wanneer deze heeft verzuimd om in de afgegevene ziekteverklaring tot de ontsmetting te adviseeren, zonder veel moeite tot de uitvoering dezer allernoodzakelijkste werkzaamheden in het belang der zaak kunnen medewerken, doch met het oog op het voorschrift der wet is hij daarvoor niet aansprakelijk en de mogelijkheid bestaat dus, dat op die wijze de ontsmetting hier en daar worde verzuimd of veronachtzaamd Mij is het steeds wenschelijk voorgekomen, dat de burgemeester ten dezen opzichte zich meer zal laten leiden door de bedoeling dan door de bewoording der wet, wil hij geen gevaar doen ontstaan, dat de aangewende kosten nutteloos zijn verspild door het niet behoorlijk vernietigen der aanwezige smetstof, waarvan de kosten toch in ieder geval door het Rijk worden

ocr page 206

198

vergoed, zonder dat het mij ooit is gebleken, dat de algemeene rekenkamer, door het gemis van eene be-bepaalde aanwijzing van den districtsveearts, daartegen bezwaren oppert.

53 Wat geschiedt als op het erf of land, waar het besmette vee gestorven of afgemaakt is, de gelegenheid tot verbranden of hegraven onthreeld?

De burgemeester doet alsdan de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond, (art. 31, al. 4 der wet.)

54 Wat als het vee in een stal of schuur gestorven of afgemaakt is en gemeente- of andere grond voor de verbranding of begraving ontbreekt?

Alsdan wijst de burgemeester een terrein daarvoor aan op minstens 50 nieters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daardoor veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond. (art. 31, al. 5 der wet.)

55 Hoe wordt die schadevergoeding geregeld hij verschil?

Zij wordt alsdan door den kantonrechter begroot bij

beschikking van de meest gereede partij, zonder hooger beroep, (art. 32, al. 6 der wet.)

56 Gedurende hoe langen tijd mag geen vee gebracht worden in gebouwen of op weiden, erven, hoeven enz., waar vee, dat besmet was, gestaan heeft?

Deze termijnen worden voor do verscliillonde ziekten vastgesteld bij Kon. besluit van 27 Maart 1888, St bl. N0. G7, afgedrukt op bladz. 81 v. v.

ocr page 207

199

57 Is de burgemeester bevoegd de woningen der ingezetenen, huns ondanks, binnen te treden, tot toepassing der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131?

Artikel 33 geeft daartoe de bevoegdheid.

De burgemeester heeft echter geenszins het recht, te allen tjjde elke woning binnen te treden, onder voorwendsel, dat hij dit ten behoeve der veeartsenij kundige politie doet. De wet zegt duidelijk, dat het enkel is ter uitvoering van bepalingen der wet, die alleen slaat op besmettelijke veeziekte; andere ziekten toch zijn er niet onder begrepen. (Minister van Binn. Zaken handelingen bl. 1845.)

58 Welke straffen worden tegen de overtredingen der voormelde wet bedreigd?

Deze worden opgenoemd in de artt. 35 en 39 dier wet.

59 Wat moet gedaan worden met roerende voorwerpen waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad?

Deze worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den rechter bij veroordeeling verbeurd verklaard. Vernietiging of onschadelijkmaking wordt, zoo noodig, bevolen; dit laatste wordt mede toegepast bij vrijspraak, (art. 35 der wet.)

60 Wat, indien de bedoelde voorwerpen niet voor bewaring geschikt zijn?

Na gewaardeerd te zijn, worden die voorwerpen, op last van den ambtenaar, die ze in beslag genomen heeft, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt. De gemeenteontvanger bewaart de geldsom, vertegenwoordigende

ocr page 208

200

de waarde en keert die, na vrijspraak, aan den eigenaar uit. (art. 3G der wet.)

61 Wat geschiedt met levend vee, dat in beslag genomen is ?

Het wordt aanstonds op de gewone wijze gewaardeerd en deze waardeering bij proces-verbaal geconstateerd. De eigenaar kan het vee aan zich behouden, wanneer daarvoor binnen acht dagen na de in beslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeente-ontvanger gestort wordt. Na dien tijd wordt het, op machtiging-van den kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel- en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, (art. 37 der wet.)

02 Wat met voor bederf vatbaar goed?

Wanneer er geen gevaar voor besmetting bestaat wordt dat eveneens op machtiging van den kantonrechter, te stollen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 der wet bepaald, onmiddellijk bij den gemeente-ontvanger mocht worden gestort.

03 Hoe wordt gehandeld met de opbrengst van den verhoop?

De gemeente-ontvanger neemt die in bewaring, terwijl daaruit worden gekweten de kosten van onderhoud van het vee, sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop. Het zuiver overschot der opbrengst wordt, bij veroordeeling gestort in \'s Kjjks schatkist, op de wijze voorgeschreven bij circulaire van den

ocr page 209

201

Minister van Binn. Zaken, d.d. 13 November 1866, N0. 243, lste afd., Prov, Blad van Z.-H. N0. 146 van 1866 (verg. vraag 77); ingeval van vrijspraak enz. wordt het teruggegeven aan den eigenaar, (art. 37 der wet.)

64 JFat valt nor/ op te merken bij de verkoopingen bedoeld in art. 37 der ivet ?

Dat de burgemeesters krachtens Kon. besluit d.d. 11 Juli 1874, St.bl. Nquot;. 109, tot het houden dier verkoopingen zijn bevoegd verklaard.

65 Is er vrijstelling van briefport verleend in zake den vétérinairen. dienst ?

Men vindt die vrijstellingen in de Provinciale bladen van Z.-H. N0. 12 van 1871 en Nquot;. 44 van 1890, als verleend bij de Kon. besluiten van 27 December 1870, N°. 25 en 28 Juli 1890, N°. 29.

00 Wat bepaalt de wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131, ten aanzien van zegel- en registratierecht der stukken krachtens die ivet opgemaakt?

Dat die zijn vrij van zegel- en registratierecht en uitvoerbaar vóórdat ze zijn geregistreerd. Van deze vrijstellingen zijn uitgezonderd de akten van aanstelling in art. 5 der wet bedoeld.

Ook zijn van zegelrecht niet vrijgesteld: de rekeningen of kwitantiën van leveranciers of personen, wegens veeartsenijkundige hulp of visitatiën, taxeer-, schat- en keurloon, belooning voor het afmaken, slachten en begraven of vernietigen van vee of andere zaken, leverantie van kalk, karbolzuur, zout en vaatwerk en belooning

ocr page 210

202

voor het inzouten van vleesch of huiden enz., alles voor zooveel de vorderingen der belanghebbenden het bedrag van ƒ 10 te boven gaan.

(Missive van den Minister van Binu. Zaken, d.d. 12 Maart 1872.)

67 Welke bepalingen gelden ten aanzien van den schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter aan den districtsveearts, ingevolge art. 5 der ivet?

Bij Missive van den Minister van Binn. Zaken van 14 December 1870, Nquot;. 170, 9dt! afd., wordt daaromtrent gezegd als volgt:

„In art. 5 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. NJ. 131, is bepaald, dat de districtsveeartsen de in dat artikel genoemde plaatsen en gebouwen niet mogen binnentreden zonder voorzien te zijn van een schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter. Deze last zal, zoo noodig, met spoed moeten verstrekt worden, en wel op zoodanige wijze, dat de bedoeling des wetgevers, die aan dit onderzoek niet alleen een repressief, maar ook kennelijk een preventief karakter heeft willen geven, niet worde miskend.quot; (Zie modellen 1 en 2.)

68 Welke voorschriften bestaan ten aanzien van de vernietiging van in beslag genomen voorwerpen, die niet voor bewaring geschikt zijn of gevaar opleveren voor besmetting ?

Bij missive van den Minister van Binn. Zaken van 23 December 1870, N0. 192, 9deafd., wordt daaromtrent gezegd, dat de ambtenaar, die de voorwerpen in beslag

ocr page 211

203

heeft genomen, verplicht is om bij uitvoering van het bedoelde voorschrift, in overleg te handelen met den burgemeester, bij wien de tot vernietiging of onschade-lijkmaking bestemde voorwerpen, ten behoeve van de waardeering volgens art. 24 der wet, moeten worden opgebracht.

69 Waartoe is de burgemeester verplicht ten aanzien van de in beslag genomene en hij hem opgebrachte voorwerpen, wier vernietiging bevolen is?

Hij zorgt allereerst dat het aangehaalde geheel afgezonderd blijve en, zoo noodig, onder bewaking worde gesteld. Voorts wint de burgemeester onverwijld het gevoelen in van den districtsveearts over de vraag of er gevaar voor besmetting bestaat en of het vee moet worden afgemaakt. Zoo ja, dan moeten ook in die gevallen de voorschriften van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67, gevolgd worden en wijst de districtsveearts bij zijn antwoord bepaaldelijk aan, welke dier voorschriften op het vee en de verdere voorwerpen moeten worden toegepast.

De kosten van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmede is overtreden, kunnen echter niet worden beschouwd als kosten van Justitie. (Zie Prov. blad van Z.-H. N0. 42, van 1882.)

70 Wie geeft den last tot vernietiging of onschadelijk-making der bedoelde voorwerpen, ingeval die door den districtsveearts noodig wordt geacht?

De ambtenaren, die de voorwerpen in beslag hebben genomen. (Zie missive sub vraag 68 vermeld.)

ocr page 212

204

71 Wie zorgt voor de uitvoering van dien last en voor alles wat verder door den districtsveearts mocht worden noodig geacht?

De burgemeester met inachtneming, in de daartoe lijdende gevallen van art. 24 der wet.

De last der ambtenaren en de uitvoering daaraan gegeven, worden in het proces-verbaal van den burgemeester vermeld. (Zie missive als boven.)

72 Hoe wordt met betrekking tot de meergenoemde voorwerpen gehandeld, wanneer de districtsveearts de vernietiging onnoodig acht?

In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 37 der wet.

73 Hoe, wanneer kennelijk gevaar voor besmetting bestaat en de gelegenheid om het aangehaalde voorloopig geheel afgezonderd te houden, ontbreekt?

In dat geval zijn de burgemeester en de ambtenaren verplicht om te zorgen voor dadelijke vernietiging of onschadelijk making.

De burgemeester zendt de declaratiën der belanghebbenden aan den Officier van Justitie in hot arrondissement. Art. 65, laatste alinea der wet van 18 April 1874, St.bl. N0. 66. Het model der declaratie is voorgeschreven bij circulaire van den Minister van Justitie, van den 15 September 1875, N0. 103, 5de afd., houdende toezending van modellen, behoorende bij de tarieven in strafzaken, en wel de modellen Nos. 44 en 45, hierachter vermeld.

ocr page 213

205

74 Wat bepaalt het meergemelde Prov. hlad ten aanzien van de hosten, die gemaakt zijn voor het afzonderen en het onderhoud (op stallen, bewaken enz.) en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voonoerpen, waarmede is overtreden?

Dat die onkosten zyn „kosten van Justitie,quot; over wier voldoening de burgemeester zich zal moeten verstaan met den Officier van Justitie, behoudens evenwel hot bepaalde omtrent de kosten van onderhoud in de gevallen, bedoeld bij het 2de en 3de lid van art. 37 der wet.

75 Hoe ivorden de vervoermiddelen, die op last van den burgemeester kunnen gebezigd worden, vergoed?

De burgemeester zendt de declaratiën der belanghebbenden aanden Officier van Justitie in het Arrondissement. Art. G5 laatste lid der wet van 18 April 1874, St.bl. Nquot;. 66. Het model der declaratie is voorgeschreven bij circulaire van den Minister van Justitie, van den 15 September 1875, Nquot;. 103, 5deafd., houdende toezending van modellen, behoorende bij de tarieven in strafzaken, en wel de modellen Nü. 44 en 45, hierachter vermeld.

76 Welke stukken ivorden vereischt tot justificatie van gemaakte onteigeningskosten enz., te doen uit de ter goede rekening ontvangen gelden?

Eene aanvrage om décharge in triplo, met verzamel-staat der gedane uitgaven in simplo. Voor deze beide wordt het benoodigde materieel door den Commissaris des Konings met de assignatie toegezonden.

Voorts een dossier, inhoudende:

ocr page 214

206

Verklaring van den districts veearts. (Model 7.) Onteigeningsbesluit van den burgemeester. (Model 8.) Proces-verbaal van waardeering, (Modellen 9 en 10.) Proces-verbaal van aanbieding der onteigeningssom. (Model 11.)

Kwitantie van den onteigende. (Modellen 12 en 12bis.) Verklaring van den veldwachter wegens begraving

en ontsmetting. (Model 13.)

Nota wegens waardeerloon (Model 23.)

„ „ njtuighuur ( „ 24.)

„ „ afmaakloon ( „ 25.)

„ „ toezicht enz. ( „ 26.)

„ v desinfectiekosten ( „ 27.)

„ „ schrijfloon ( „ 28.)

Kwitantie van storting bij den betaalmeester voor het saldo der verstrekte gelden.

De inzending geschiedt aan de algemeene rekenkamer, binnen twee maanden na de dagteekening der assignatie.

Het verdient aanbeveling om steeds iedere onteigening afzonderlijk af te doen, al is het, dat men voornemens is meerdere onteigeningen bij eene en dezelfde aanvrage om décharge te verantwoorden, tegen welke laatste handeling geenerlei bezwaar bestaat.

77 Wat wordt voorgeschreven omtrent den verkoop der overblijfselen van long ziele vee?

De verkoop geschiedt naar plaatselijk gebruik, in het openbaar, door den burgemeester, die de bevoegdheid daartoe ontleent uit het Kon. besluit van 11 Juli

ocr page 215

207

1871, St.bl. N0 75. Voorafgaande bekendmaking is geen vereischte. Van den verkoop wordt een gezegeld proces-verbaal, door den verkooper cn den kooper te onderteekenen, opgemaakt. (Model 30.) De termijn voor registratie van dit proces-verbaal is, blijkens resolutie van den Minister van Financiën, d.d. 23 Februari 1870, N0. 31, vier dagen, op verbeurte eener boete van f 12.50. Ingevolge punt 1 der circulaire van den Minister van Binn. Zaken, d.d. 29 April 1872, lste afd., algemeene zaken en comptabiliteit, N0. 183, moeten de akten van verkoop van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee, in originali worden overgelegd, notariëele conditiën uitgezonderd.

Afschriften van die stukken niet vereischt wordende, zijn de kosten daarvan overbodige uitgaven, die de algemeene rekenkamer niet verevent.

Ten aanzien van de processen-verbaal wegens ver-koopingen door deurwaarders heeft de Minister van Binn. Zaken, bij circulaire van 19 Augustus 1872, N0. 178, lste afd. gezegd, dat de algemeene rekenkamer voortaan genoegen zal nemen met afschriften van die processen-verbaal en de origineelen alsdan door de deurwaarders worden bewaard.

Voorts wordt bij circulaire van meergenoemden Minister, d.d. 4 Juli 1872, ls\'e afd., algemeene zaken en comp-tabiteit, Nquot;. 163, voorgeschreven, dat wegens de opbrengst van verkocht vleesch en huiden en de uitgaven tot den verkoop betrekkelijk, door den burgemeesters rechtstreeks

ocr page 216

208

aan de algemeene rekenkamer is af te leggen eene afzonderlijke rekening en verantwoording, ingericht volgens de bestaande voorschriften. Een model der rekening vindt men mede achter dit werkje. (Model 32.)

Bij Prov. blad N0. 48 van 1888 van Z.-H. worden, onder verwijzing naar het Prov. blad. Nquot;. 1 van 1878, de burgemeesters opmerkzaam gemaakt, dat onteigend vee niet levend mag worden verkocht, maar afgemaakt enz.

78 Welke zijn de uitgaven in de eoenc/enoemde reken ine/ te verantwoorden ?

De zegel- en registratiekosten van het proces-verbaal, benevens de betaalde accijns; voorts afhakloon, transportkosten, keurloon (zoo noodig) diensten bij de ver-kooping bewezen, veilingskosten aan den deurwaarder, kosten van omroepen, adverteeren, enz., lokaalhuur, desinfecteeren van de huiden en kwitantie wegens storting bij den betaalmeester.

Bedragen deze kosten f 3.— of minder, dan kunnen zij bij affirmatie gesteld worden ; bij hooger bedragen behooren kwitantiën van de belanghebbenden, zoo noodig met plakzegel gesteld, te worden overgelegd. (Modellen 33-39.)

In ontvangst worden verantwoord de opbrengst van het vleesch en de huiden afzonderlijk, benevens de geheven rantsoenpenningen, een en ander door het procesverbaal te staven?

79 Moet de verhoop altijd door een tvederkeertg proces-Verhaal worden gestaafd?

ocr page 217

209

Neen — bij circulaire van 30 Juli 1872, l8te afd. algemeene zaken en comptabiliteit N0. 104, aangevuld bij circulaires van 5 Augustus 1875 en 12 December 1876 (bladz. 154 en 156) heeft de Minister van Binn. Zaken gezegd:

Volgens de bestaande voorschriften behooren tot staving van openbare verkoopingen van vleesch en huiden afkomstig van onteigend vee, steeds gezegelde en geregistreerde processen-verbaal te worden overgelegd en geschieden die verkoopen uit de hand, wederzijds on-derteekende overeenkomsten , insgelijks gezegeld en geregistreerd. Er doen zich echter, bij onderhandsche verkoopen gevallen voor, waarin zoodanige overeenkomsten niet kunnen worden opgemaakt.

Over dit punt met de algemeene rekenkamer in briefwisseling getreden, is mij gebleken dat zij, hoezeer het opmaken der overeenkomsten tot meerderen waarborg voor \'s Rijks schatkist natuurlijk te verkiezen is, in de bedoelde gevallen genoegen zal nemen met eene ongezegelde en ongeregistreerde verklaring van don volgenden inhoud:

De burgemeester der gemeente......

verklaart op den eed bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd, dat het vleesch en de huid der koe, op heden

onteigend van......alhier, door hem uit de hand

zijn verkocht voor eene som van (in schrijfletters uit te drukken.)

De namen en woonplaatsen der koopers moeten

14

ocr page 218

210

uitdrukkelijk in deze verklaringen staan uitgedrukt.

Te......, den......18 . .

Handteekening.

Hebben onteigening en verkoop niet op denzelfden dag plaats, dan worde in de verklaring het woord „hedenquot; door de aanwijzing van den dag der onteigening vervangen, heeft de burgemeester geen eed maar belofte afgelegd, de woorden „op den eedquot; zijn te vervangen door „op de belofte,quot; en eindelijk heeft een wethouder verkocht, waarnemend burgemeester, die als zoodanig geen eed of belofte heeft gedaan, in stede van de woorden „op den eedquot; in meergemelde verklaring voorkomende, zou te stellen zijn: onder aanbod van eede, of eener plechtige verklaring.

Voorts wordt bij brief van 5 Augustus 1875, N0. 6, Ist0 afd., door gemelden Minister opgemerkt, dat alleen in de gevallen, waarin geene overeenkomsten kunnen worden opgemaakt, met bedoelde verklaringen kan worden genoegen genomen en dat openbare verkoop moet plaats hebben in alle de gevallen, waarin niet blijkbaar van onderhandschen verkoop betere uitkomsten zijn te verwachten of de hoeveelheden voor openbaren verkoop te gering zijn.

Voorts worden de burgemeesters, naar aanleiding van een schrijven van de algemeene rekenkamer, op grond van meergemelden Minister\'s missive van den 12lt;1e*1 December 1876, N®. 12, lste afd., aangeschreven

ocr page 219

211

om voortaan bij het opmaken van eenzijdige verklaringen wegens opbrengst van onderhandsche verkoo-pingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee, bedoeld bij de in den aanhef van het antwoord op vraag 79 vermelde circulaire, daarin te vermelden de namen en woonplaatsen der koopers, en voorts nog herinnerd aan het acceptieoneel karakter van zoodanige verklaringen.

80 Welke voorschriften gelden laatstelijk ten aanzien van het zegelrecht der verkoopakten?

Door den Minister van Binn. Zaken wordt bij missive van den 12den Maart 1872, N0. 116, o. a. medegedeeld, dat verkoop van vleesch geene handeling is, die krachtens de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 101, geschiedt. Daarom zijn de processen-verbaal of overeenkomsten wegens die verkoopingen niet begrepen in de vrijstelling van zegel- en registratierecht bij art. 43 der wet toegekend en moeten zij op gezegeld papier opgemaakt en geregistreerd worden.

Het is wenschelijk bij die verkoopingen, zooveel mogelijk te bedingen, dat zegel-, registratie- en andere bijkomende onkosten ten laste van den kooper komen, want zegelkosten laat de algemeene rekenkamer, op grond van art. 28 der zegelwet van 3 October 1843, St.bl. N°. 47 in geen geval ten laste van het Rijk toe; registratie en andere bijkomende onkosten slechts dan, indien, naar aanleiding van art. 1502 van het B. W. is bedongen, dat die ten laste van verkoopers zijn.

ocr page 220

212

Op de naleving van deze voorschriften wordt door den Minister nog nader aangedrongen bij missive van . 6 Augustus 1875, N0. 6, met aanbeveling, dat tot goedmaking van zegel-, registratie-, accijns en andere bijkomende onkosten, opcenten of rantsoenpenningen zullen geheven worden, daar de kosten van zegel in geen geval door het Rijk worden vergoed en die van registratie en andere bijkomende onkosten, alleen dan, wanneer, gelijk boven gezegd, is bedongen, dat die ten laste van verkoopers zijn.

81 Tot welk bedroe/ moeten de rantsoenpenningen voor-het hoven aangewezen doeleinde geheven worden ?

In den regel zal het heffen van vijftien opcenten van de bedongen koopsom toereikend zijn.

82 Bestaan ooh nadere voorschriften omtrent de verantwoording dier rantsoenpenningen ?

Bij missive van den Minister van Binn. Zaken van 6 Juli 1873 (bladz. 148) en 1 Mei 1877 (bladz. 160) wordt bevolen, dat bij het doen van rekening en verantwoording van de opbrengst van het vleesch enz. de algemeene rekenkamer, die rantsoenpenningen in ontvangst zijn te verantwoorden, terwijl daartegenover alsdan in uitgaaf kunnen worden gebracht de zegelen registratie- en alle verdere tot den verkoop betrekkelijke kosten.

Eene nadere missive van voormelden Commissaris des Konings, d.d. 7 Mei 1877, A, Nquot;. 771, 2de afd. luidt aldus ;

ocr page 221

213

Door de algcmeeno rekenkamer is de aandacht van-den Heer Minister van Binn. Zaken gevestigd op ver-koopingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend vee, die op last van burgemeesters in eenige gemeenten door notarissen of deurwaarders plaats hebben, waardoor de daarmede gepaard gaande onkosten zeer hoog worden opgevoerd. In sommige dier gemeenten schijnt zelfs de gewoonte te bestaan om in de rekening slechts de opbrengst en niet de geheven opcenten te verantwoorden; de op die verkooping vallende kosten worden dan uit de opcenten gekweten en het daarvan soms nog aanzienlijk overblijvende bedrag wordt als salaris door den notaris of deurwaarder genoten. Het houden van verkoopingen op die wijze is niet alleen zeer ten nadeele van \'s Rijks schatkist, maar bovendien in strijd met de voorschriften, laatstelijk o. a. gegeven bij de circulaire van Zijner Excellentie\'s Departement d.d. 6 Juli 1873, 1 en welke U werden medegedeeld bij de mijne d. a. v. A, N0. 1128 (3d0 afd.)

Naar aanleiding daarvan bon ik door den Heer Minister voornoemd, bij schrijven van 1 dezer, N0. 10, afd. 1, (algemeene zaken en comptabiliteit) verzocht U op te merken, dat gij tot het houden van die verkoopingen bij Kon. besluit van 11 Juli 1871, St.bl. N0. 75, zjjt bevoegd verklaard, dat, zoo de hulp van een notaris of deurwaarder daarbij volstrekt noodzakelijk is, omtrent het daarvoor toe te kennen salaris naar billijkheid vooraf mondeling is overeen te komen, terwijl in

ocr page 222

214

alle gevallen de geheven opcenten door U in Uwe rekening moeten worden verantwoord.

83 Zijn ook regelen aan te geven voor de bedoelde ver-koopingen ?

Het personeel, dat zich in den regel als koopers opdoet, maakt het voor den burgemeester minder geraden, zich als verkooper daaronder te stellen, doch hij den verkoop der overblijfselen van een enkel rund, zal hij dien, mits, zij het ook op eenigen afstand aanwezig, zonder schade voor zijn prestige, door twee veldwachters kunnen doen verrichten, die hem alsdan als getuigen dienen en als zoodanig elk f \\.— belooning erlangen, waartegen door de algemeene rekenkamer, blijkens de achter voorkomende bijlage 38 geen bezwaar gemaakt wordt. Bij verkoop der overblijfselen van meerdere runderen worde die door eenen deurwaarder verricht, waarvoor door schrijver een salaris van /quot;0.75 per rund wordt betaald. Bij laatstbedoelde verkoopingen is de tusschenkomst van een deurwaarder in \'s Rijks belang te achten, vooral wanneer men een vertrouwd persoon de te verkoopen goederen tot een billijken prijs doet opbieden, om daardoor bedriegelijke machinatiën, gemeenlijk „geilikquot; geheeten, te verijdelen. Ook dit bied-loon kan veilig in de onkosten-rekening in uitgaaf worden gebracht.

84 Op tvelke wijze behoort de accijns te wnvden voldaan?

Dit onderwerp werd geregeld bij twee circulaires van

den Minister van Binn. Zaken aan Heeren Commissa-

ocr page 223

215

rissen des Konings, als eene van 3 Maart 1871, N0. 204, 9d0 afd. Med. Pol., inhoudende: „dat de burgemeesters in provinciën, waar de longziekte onder het rundvee voorkomt, moeten worden opmerkzaam gemaakt, dat bij verkoop van gedeelten van onteigend vee, daarvan de accijns op het geslacht verschuldigd is. De accijns is te berekenen tegen 10 percent der onzuivere opbrengst van den verkoop en daarenboven de gemeente-opcenten, waar die geheven worden. Het verschuldigd bedrag moet binnen drie dagen na den verkoop met eene gewaarmerkte nota tegen kwitantie worden gestort bij den betrokken ontvanger der accijnsen.quot;

De andere circulaire is van 2G Februari 1872, N». 231, 9de afd., Med. Pol., en luidt als volgt; „Door een der burgemeesters is inlichting gevraagd omtrent het verstrekken van documenten tot dekking van versch vleesch, afkomstig van vee, dat wegens longziekte onteigend is, en waarvan dus, volgens mijne missive van 3 Maart 1871, N°. 204, de accijns eerst binnen drie dagen na den verkoop van het vleesch behoeft betaald te worden.

Ter vermijding van bezwaren, die zich hier en daar hebben voorgedaan, heb ik de eer U te verzoeken, den Heeren burgemeesters in uw gewest te dier zake het volgende mede te deelen;

De Rijks-ontvangers kunnen vóór de betaling van den accijns de noodige geleibiljetten voor het vleesch afgeven, op schriftelijke aanvraag van don burgemeester

ocr page 224

216

of van dengene, die hem bij dc verkooping vervangt.

Wanneer echter de plaats der verkooping te ver van het kantoor des ontvangers verwijderd is, om bij dezen de geleibiljetten spoedig genoeg te kunnen lichten, dan kan die ambtenaar, op aanvraag van den burgemeester, of diens plaatsvervanger, aan een commies van den naastbijgelegcn post opdragen om op die plaats zelve de geleibiljetten, namens hem ontvanger, af te geven. Ontbreekt in bijzondere gevallen de gelegenheid om den ontvanger hiervoor tijdig te waarschuwen, dan kan des noods het vleesch verzonden worden met een schriftelijk bewijs van den burgemeester of diens plaatsvervanger, vermeldende de hoeveelheid, de afkomst van onteigend vee, dc bestemmingsplaats, den ontbieder, den vervoerder en den tijd binnen welken het vervoer moet worden volbracht.

In dit geval moet steeds zoo spoedig doenlijk van de afgegeven bewijzen aan den betrokken ontvanger worden kennis gegeven.

Aan de burgemeesters zou tegelijkertijd aan mijne missive van 3 Maart 1871, N0. 204, herinnerd kunnen worden, met opmerking, dat, volgens de wettelijke bepalingen omtrent den accijns op het geslacht, het vleesch van onteigend vee, zoowel bij het vervoer als in de panden, door geleibiljet moet gedekt zijn.

85 W at valt nocj op te nierken, vanneer ch eigenaar van een long ziek rund gebruik maakt van zijne bevoegdheid om dat ten eigen bate te dachten?

ocr page 225

217

Gelijk reeds bij vraag 21 is gezegd, wordt de bevoegdheid daartoe verleend bij Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. Nquot;. 67, gewijzigd bij Kon. besluit van 2 Mei 1889, St.bl. N°. 62, en aangevuld bij Kon. besluit van 9 October 1889, St.bl. N°. 128.

36 Hoe lany duurt de termijn van hesmet-verklaring van weiden, hoeven enz. na lesmettelijke veeziekte?

Deze termijnen zijn geregeld bij het Kon. besluit sub vraag 85 vermeld (bladz. 81 v. v.).

87 Welke voorschriften (jelden thans ten opzichte van de inenting van vee?

De bepalingen omtrent inenting vindt men thans in • de artt. 53, 54, 68 en 81 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, N0. 67, afgedrukt op bladz. 81v. v.

88 Wanneer en op u elke -wijze moeten de week- en maandstaten nopens de longziekte worden ingezonden?

De voorschriften omtrent die Staten zijn zeer menigvuldig en zullen achtereenvolgens worden vermeld.

Het model van de weekstaat, dat met eene kleine wijziging ook voor den maandstaat dienen kan, is voorgeschreven bij het Prov. blad van Zuid-Holland, N0. 87 van 1872, en volgt hierachter. (Model N0. 42.)

Het résumé der voorschriften is:

dat geene runderen in don weekstaat worden vermeld, dan nadat de longziekte door den veearts zal zijn geconstateerd ;

dat indien door het deskundig onderzoek is geconstateerd, dat het aangegeven vee werkelijk aan longziekte

ocr page 226

218

lijdt en mitsdien tot onteigening en afmaking wordt geadviseerd, zonder dat in de week, waarin de aangifte geschiedde, tot de afmaking zelve kan worden overgegaan, die gevallen evenwel dienen te worden vermeld op den staat over de week waarin de aangifte plaats vond, met de noodige toelichting in de kolom: „Aanmerkingen

dat de toegekende schadeloosstelling voor ieder rund afzonderlijk moet worden opgegeven;

dat de weekstaat moet worden verzonden in dier voege, dat hij vóór Maandag-avond het Provinciaal Bureau kan hebben bereikt, terwijl de inzending van den maandstaat behoort te geschieden vóór den 5dea van elke maand, een en ander voor zooverre zich gedurende de jongste week of maand longziekte onder het rundvee in de gemeente heeft voorgedaan;

dat maandelijks bij den Commissaris des Konings wordt ingewacht eene opgave van den datum, waarop zich in een veekoppel een Eerste geval van longziekte heeft voorgedaan, en van den datum waarop het dientengevolge in verdachten toestand geraakte vee ingeënt is. Indien er tusschen beide data meer dan eene week tnsschenruimte is, zal de reden daarvan moeten worden opgegeven.

Deze opgaven kunnen op den gewonen maandstaat geschieden.

Negatieve staten worden niet verlangd;

dat het totaal der kolommen 6 of 7 gelijk moet zijn

ocr page 227

219

aan dat van kolom 3, en waar dit niet het geval is, tengevolge van vroeger bewerkstelligde inenting van het vee, \'t zij doordien de inenting nog niet kon worden toegepast, of wel daartoe andere omstandigheden aanleiding gaven, zoo volledig mogelijk toelichting van dat verschil in de kolom „Aanmerkingenquot; wordt ver-eischt. Zie voorts bijlage 42.

89 Welke statistieke opgaven zijn nog meer voorgeschreven?

Ingevolge Prov. blad van Z.-H. N0. 13 van 1877,

nader aangedrongen bij JST. 44 van 1878, moet binnen 24 uren na elke afmaking van longziek of van longziekte verdacht rundvee rechtstreeks aan den Heer Minister van Binn. Zaken eene opgave worden gezonden ingericht als model 43.

Bovendien wordt iu\\ het einde van elke maand, en uiterlijk op den derden dag der volgende maand, eene globale opgave van den Heer Commissaris des Konings ingewacht van de opbrengst van den verkoop van huiden en vleesch, naar het model N0. 41.

90 Wat moet worden in acht genomen hij de afmaking van door longziekte aangetast of hiervan verdacht vee?

Men bezige, zoo mogelijk, steeds het zelfde personeel om te slachten en beëedige dat. Bij afmaking van een of twee runderen geve men f 2.— voor het afmaken en f\\.— voor het afhakken per rund, met /quot;0.75 voor het begraven der borst- en buiksingewanden, het desin-fecteeren van den stal enz.; bij meerdere runderen te gelijk is ƒ2.— per rund, zonder meer, alleszins voldoende.

ocr page 228

220

Voorts doc men de volgende maatregelen in acht nemen:

Bij longziekte of van die ziekte verdacht rundvee worde niemand toegelaten dan zij, die met de verzorging van dat vee belast zijn, of die bij het onderzoek, de onteigening of afmaking diensten te verrichten hebben. De kleederen dier personen moeten, alvorens zij het erf verlaten, worden ontsmet volgens de voorschriften, vastgesteld bij Kon. Besl. van 9 Juni 1885, St.bl. Nquot;. 125, afgedrukt op bladz. 66 v. v.

De waardeering van het vee, dat onteigend moet worden en do afmaking moeten niet aan eigenaars, houders of hoeders van vee opgedragen worden. Tegen te hooge waardeering worde gewaakt; bij twijfel daaromtrent make de burgemeester gebruik van het recht hem bij de vierde alinea van art. 24 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, gegeven. Zoodra mogelijk na de onteigening worde liet vee afgemaakt, longziek vee ter plaatse, waar het afgezonderd staat, verdacht vee in den stal of op het erf, waar het zich bevindt, en van do huid ontdaan. De borst- en buiksingewanden (ook die van het verdachte vee) worden verbrand of begraven; de huid worde gedurende 24 uren in eene oplossing van carbolzuur gelegd. De plaats, waar do afmaking heeft plaats gehad, worde gereinigd. Eerst daarna worde de toegang tot de plaats, waar de overblijfselen van het vee zich bevinden, vrijgelaten en. het vleesch on de huiden verkocht.

ocr page 229

221

Zoodra mogelijk na de verkooping van het vleesch worden de stallen of andere gebouwen, waar rundvee gestaan heeft, en de besmette voorwerpen ontsmet, volgens de voorschriften in het eerst aangehaald Kon. Besl. vermeld.

Indien de afmaking bezwaarlijk kan geschieden ter plaatse, waar het longzieke vee afgezonderd staat of in den stal of op het erf, waar het verdachte vee zich bevindt, of indien dit door den districtsveearts niet raadzaam wordt geacht, behoort de afmaking te geschieden ter plaatse door den districtsveearts het meest geschikt geoordeeld. Het voorschrift, dat de huiden gedurende 24 uren in eene oplossing van carbolzuur gelegd moeten worden, is, indien dit niet uitvoerbaar kan geacht worden, te vervangen door de bepaling, dat de huiden met eene oplossing van carbolzuur ontsmet moeten worden op de wijze door den districtsveearts te bepalen. (1)

Bij Prov. Blad van Z.-H., N0. 14 van 1877, wordt voorts namens den Min. van Binn. Zaken gezegd: Het is gebleken, dat aan lastgevingen van den Heer Minister voormeld, tot afmaking van wegens longziekte verdacht vee, niet zelden zeer laat gevolg wordt gegeven. Indien die afmaking niet met den meesten spoed geschiedt,

1

Voor de ontsmetting van huiden neme men een gewoon petroleumvat, met water gevuld, terwijl ^ liter carbolzuur per huid voldoende is te achten voor desinfectie. Het petroleumvat worde het Rijk in rekening gebracht en met het carbolzuur geleden uit de opbrengst van den verkoop.

ocr page 230

222

verliest deze kostbare maatregel veel van zijne waarde.

Naar aanleiding hiervan verzoek ik U namens den Heer Minister, na ontvangst van lastgevingen ter voorz. zake, geen oogenblik te laten verloren gaan.

Voorts wordt door meergemelden Minister bij circulaire van 5 Januari 1878, N0. 37, Med. Politie, gezegd het navolgende: Uit de verhooren voor de Commissie van enquête omtrent de besmettelijke longziekte onder het rundvee is gebleken, dat bij de afmaking van rundvee, door longziekte aangetast of daarvan verdacht, niet altijd de noodige voorzorgen worden genomen tot voorkoming van verbreiding der besmetting. Ik verzoek U derhalve den burgemeesters in Uwe Provincie voor te schrijven, om, ingeval in hunne Gemeente rundvee na onteigening wordt afgemaakt, daarbij het volgende in acht te nemen:

1°. De afmaking geschiede steeds onder voldoend en streng politietoezicht.

Geene andere personen mogen daarbij tegenwoordig zijn dan die er niet bij gemist kunnen worden.

2°. De personen, die bij de afmaking tegenwoordig zijn geweest, moeten, eer zij het terrein verlaten, ontsmet worden volgens de regelen, voorgeschreven bij Kon. Besl. van 9 Juni 1885, St.bl. N0. 125 (bladz. 6G v. v.)

3°. Voorts moet de plaats, waar de afmaking geschied is en moeten de gereedschappen , die bjj de afmaking gebezigd zijn, de gebouwen, waar het vee gestaan beeft en de voorwerpen, die er mede in aanraking zijn geweest.

ocr page 231

223

de laatste voor zoover vernietiging, na onteigening, niet de voorkeur verdient, volgens voormelde regelen zorgvuldig worden gezuiverd en ontsmet.

4°. De borst- en buiksingewanden moeten ten spoedigste worden verbrand of begraven, mede volgens voormelde regelen. Zie model 12. Alleen aan den districtsveearts of zijn plaatsvervanger worde vergund entstof uit de longen, zoo deze daarvoor geschikt zijn, te verzamelen.

5°. De huiden moeten onmiddellijk volgens meergemelde regelen worden ontsmet.

6°. Het vleesch en de huiden der afgemaakte runderen moeten niet verkocht worden dan minstens 12 uren na de afmaking.

7. De verkooping van het vleesch en de huiden der afgemaakte runderen geschiede, zoo dit eenigszins mogelijk is, op eene andere plaats dan die, waar de afmaking heeft plaats gehad. Is dit niet wel mogelijk of 3ijn er gegronde bezwaren tegen, dan geschiede de verkoop niet, dan nadat de ontsmetting, sub 3°. bedoeld, en de verbranding en begraving van borst- en buiksingewanden is afgeloopen.

8°. Bij de afmaking van wegens longziekte verdacht vee worde aanteekening gehouden van hot aantal van deze runderen, waarvan de longen reeds de kenteekenen vertoonen van besmettelijke longziekte.

De burgemeester make hiervan melding in de opgaven, die ik binnen 24 uren na de afmaking rechtstreeks

ocr page 232

224

van hem te gemoet zie omtrent den datum der afmaking, liet getal der afgemaakte longzieke of verdachte runderen en het bedrag der voor iedere categorie afzonderlijk uitbetaalde schadeloosstelling.

Ten slotte worde hier nog aan toegevoegd, dat het verkoopen vau de huiden direct aan huidenzouters en het aanschaffen van opzettelijk daartoe vervaardigde linnen bovenkleederen voor de afmakers, in het belang der zaak aanbeveling verdient.

91 Hoe behoort de ontsmetting van stallen, na afmaking enz. te geschieden?

De regelen daartoe zijn voorgeschreven sub § 2 van het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. N0. 125 (blz. 66 v. v.)

92 Heeft de ontsmetting invloed op den duur der termijnen, bedoeld in art. 22 der wet.

Die termijnen zijn vastgesteld, voor elke ziekte afzonderlijk, bij het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67 (bladz. 81 v. v.), terwijl daarbij van geene verkorting wegens plaats gehad hebbende ontsmetting sprake is.

93 Welke bepalingen gelden omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en met schepen, en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen?

Deze voorschriften zijn vervat in het Kon. besluit van 26 Mei 1888, St.bl. N0. 86. (Zie bladz. 120 v, v.).

94 Is het Kon. besluit van 3 October 1873, St.bl. No. 135, nog van kracht?

Dit besluit werd ingetrokken bij art. 91 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67 (bladz. 81 v. v.)

ocr page 233

225

en vervangen door het Kon. besluit van 1 December 1889, St. Nquot;. 173 (bladz. 126 v. v.), betreffende vervoer, merking en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten.

Voorts vindt men de bepalingen omtrent veeopzichters vermeld in art. 27 v. v. van het Kon. besluit van 27 \'Maart 1888, St.bl. N0. 67 (bladz. 81 v. v.)

95 Zijn ook ïuxj nadere voorschriften gegeven ten aanzien van verdacM vee, door den districtsveearts te onderzoeken?

Bij Prov. blad van Z.-H. Nquot;. 70 van 1874 wordt aan de burgemeesters in dat gewest door den Commissaris des Konings namens den Minister van Binn. Zaken opgedragen om, voor zooverre dit vroeger mocht zijn nagelaten, in het vervolg steeds te zorgen, dat den districtsveearts of zijn plaatsvervanger het vee worde aangewezen, waarvan het onderzoek verlangd wordt. Dit is te meer wenschelijk in gevallen, waarbij door den eigenaar geen aangifte is gedaan, en wel ter voorkoming, dat deze mogelijk ander vee aanwijze, dan dat, waarvan het onderzoek verlangd wordt.

96 Welke voorschriften gelden nopens het onderzoek van uit nood geslachte runderen ?

Ingevolge resolutiën van den Minister van Financiën d.d. 12 Februari 1861, ÏT. 63 en 29 Juni 1867, 61, zijn de Rijksambtenaren der belastingen verplicht aan den burgemeester bericht te doen van elk geval van slachting uit nood van een stuk rundvee. Onmiddellijk na ontvangst van dit bericht worde zoodanig

15

ocr page 234

224

van hem te gemoet zie omtrent den datum der afmaking, het getal der afgemaakte longzieke of verdachte runderen en liet bedrug der voor iedere categorie afzonderlijk uitbetaalde schadeloosstelling.

Ten slotte worde hier nog aan toegevoegd, dat het verkoopen van de huiden direct aan huidenzouters en het aanschaffen van opzettelijk daartoe vervaardigde linnen bovenkleederen voor de afmakers, in het belang der zaak aanbeveling verdient.

91 Hoe behoort de ontsmetting van stallen, na afmaking enz. te geschieden?

De regelen daartoe zijn voorgeschreven sub § 2 van het Kon. besluit van 9 Juni 1885, St.bl. Nquot;. 125 (blz. 66 v. v.)

92 Heeft de ontsmetting invloed op den duur der termijnen, bedoeld in art. 22 der wet.

Die termijnen zijn vastgesteld, voor elke ziekte afzonderlijk, bij het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67 (bladz. 81 v. v.), terwijl daarbij van geene verkorting wegens plaats gehad hebbende ontsmetting sprake is.

93 Welke bepalingen gelden omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en met schepen, en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen?

Deze voorschriften zijn vervat in het Kon. besluit van 26 Mei 1888, St.bl. Nquot;. 86. (Zie bladz. 120 v. v.).

94. Is het Kon. besluit van 3 October 1873, St.bl. No. 135, nog van kracht?

Dit besluit werd ingetrokken bij art. 91 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. Nquot;. 67 (bladz. 81 v.v.)

ocr page 235

225

en vervangen door het Kon. besluit van 1 December 1889, St. N0.173 (bladz. 126 v. v.), betreffende vervoer, merking en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten.

Voorts vindt men de bepalingen omtrent veeopzieliters vermeld in art. 27 v. v. van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. Nquot;. 67 (bladz. 81 v. v.)

95 Zijn ook nog nadere voorschriften gegeven ten aanzien van verdacht vee, door den districtsveearts te onderzoeken?

Bij Prov. blad van Z.-H. N0. 70 van 1874 wordt aan de burgemeesters in dat gewest door den Commissaris des Konings namens den Minister van Binn. Zaken opgedragen om, voor zooverre dit vroeger moclit zijn nagelaten, in het vervolg steeds te zorgen, dat den districtsveearts of zijn plaatsvervanger het vee worde aangewezen, waarvan het onderzoek verlangd wordt. Dit is te meer wenschelijk in gevallen, waarbij door den eigenaar geen aangifte is gedaan, eu wel ter voorkoming, dat deze mogelijk ander vee aanwijze, dan dat, waarvan het onderzoek verlangd wordt.

96 Welke voorschriften gelden nopens het onderzoek van uit nood geslachte runderen ?

Ingevolge resolutiën van den Minister van Financiën d.d. 12 Februari 1861, W. 63 en 29 Juni 1867, N». 61, zijn de Rijksambtenaren der belastingen verplicht aan den burgemeester bericht te doen van elk geval van slachting uit nood van een stuk rundvee. Onmiddellijk na ontvangst van dit bericht worde zoodanig

15

ocr page 236

226

uit nood geslacht vee onderzocht door eenen veearts, veeopzichter of ander deskundige. Blijkt bij dit onderzoek, dat het stuk vee aan eene besmettelijke ziekte geleden heeft, dan behoort daarvan proces-verbaal te worden opgemaakt tegen den eigenaar wegens verzuimde aangifte en van het voorgevallene onverwijld kennis gegeven aan den veearts. De Prov. bladen van Z.-II. Nos. 55 van 1875 en 32 van 1878 zijn o. a. tor zake betrekkelijk.

Bovendien verdient hot aanbevoling om in hot plaatselijk Politie-reglement de bepaling op te nemen, dat vleesch van vee, uit nood geslacht of den natuurlijken dood gestorven, niet op eenigerlei wijze mag worden in consumptie gebracht. dan na van wege de politie, zoo spoedig mogelijk na de aangifte, gekeurd en voor ie consumptie geschikt te zijn verklaard.

97 Wat zijn de wettelijke bepalingen ten aanzien ven veemarkten ?

Bij het Prov. blad van Z.-H. N°. 74 van 1877 worden de burgemeesters in dat gewest uitgenoodigd in den loop der maand Januari van elk jaar opgave te doen aan den districtsveearts, binnen wiens kring de gemeente gelegen is, of markten voor vee (waaronder ook paarden) zullen plaats hebben, c. q. met vermelding van de dagteekening, waarop ze zullen gehouden worden.

98 Welke maatstaf moet worden gevolgd hij het berekenen van schrijfloonen voor de onteigeningsstukken?

Hiertoe is betrekkelijk de missive van den Minister

ocr page 237

227

van Binn. Zaken, d.d. 14 Juli 1873, 9d0 afd. Med. Pol., Nquot;. 269, aan Ileeren Commissarissen des Konings, luidende: Door de algemeene rekenkamer wordt bedenking gemaakt tegen het hooge bedrag wegens schrijfloonen, dat door sommige burgemeesters in rekening wordt gebracht bij de onteigening van vee wegens besmet-Ijjke veeziekten.

De Kamer meent dat eene belooning van f 2.— voor het schrijven van de voor iedere onteigening vereischto stukken ruim voldoende is, terwijl sommige burgemeesters f 2.— en soms meer voor ieder rund berekenen, ook al waren twee of meer runderen in eene onteigening begrepen en dus niet meer stukken beschreven, dan voor de onteigening van één rund noodig was.

Evenals de algemeene rekenkamer komt mij die berekening voor buiten verhouding te zjjn tot het verrichte werk. Ik heb daarom de eer U te verzoeken de burgemeesters in uw gewest aan te schrijven, bij de berekening, van belooningen wegens schrijfwerk bij onteigening van vee of besmette voorwerpen, de noodigc zuinigheid in acht te nemen en de belooning te berekenen per onteiyeniny en niet per stuk of per onteigend voorwerp.

99 7« hei opgraven der heenderen van na onteigening hegraven vee verboden ?

Ja, bij missive van 31 Januari 1873, A. No. 256, 2de afd., schreef de Commissaris des Konings in de provincie Z.-II. aan de burgemeesters in dat gewest:

ocr page 238

228

Bij mij is bericht ingekomen, dat er hier en daar opgraving plaats heeft van beenderen, afkomstig van runderen, in der tijd aan veetyphus gestorven of ten gevolge daarvan afgemaakt. Ik heb de eer U dringend aan te bevelen om tegen het opgraven van beenderen ten strengste te doen waken en U te wijzen op art. 35 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. 131, waarbij het opgraven van begraven vee, beenderen enz. strafbaar is gesteld met gevangenisstraf ol\' met geldboete, te zamen of afzonderlijk.

Bij het verbod van opgraven van begraven vee enz. wordt geene beperking gemaakt tot begraven vee, dat aan eene besmettelijke ziekte gestorven of, als daarvan verdacht, afgemaakt is; het verbod is in algemeenen zin op te vatten. Arrest H. R 25 Nov. 1872. Ook is bij arrest H. R. d.d. 14 Januari 1868 beslist, dat een ter zake van besmettelijke ziekte door den Staat onteigend en begraven stuk vee niet kan beschouwd worden als een res derelicta; zoodat opgraving en wegneming er van het misdrijf van diefstal daarstellen. In gelijken zin luidt een Arrest van 15 October 1867.

100 Wat staat den hunjemeester te doen, wanneer de ziekteverklaring van den districtsveearts hij de afmaking wordt weersproken ?

Het gebeurt somwijlen, vooral bij de besmettelijke longziekte, die in zeer uiteenloopende verschijnselen zich pleegt te openbaren, dat de districts veearts, wien het onderzoek van het als ziek aangegeven rund was

ocr page 239

229

opgedragen, zich bij het maken zijner diagnose blijkbaar vergist heeft en de voormalige eigenaar van het rund alsdan in verzet komt tegen de plaats gehad hebbende onteigening enz. Deze moeilijkheden kunnen gemakkelijk voorkomen worden door gestrenge opvolging van het voorschrift, dat niemand, wiens tegenwoordigheid niet volstrekt noodig is, worde toegelaten, en voorts de personen, met de afmaking belast, de verplichting van geheimhouding zij opgelegd. Treedt in weerwil van deze voorzorgen de kennis van het feit naar buiten, dan houde de burgemeester zich stipt aan de bewoording van art. 1G der wet, waarbij hem de verplichting wordt opgelegd aan het uitgebracht advies van den districtsveearts of diens plaatsvervanger onverwijld gevolg te geven, belioudens zijn beroep op den Minister van Binn. Zaken.

Daar het recht van beroep uitsluitend den burgemeester is toegekend en op het oogenblik van de gebleken vergissing de Staat wettig eigenaar is van het afgemaakte rund, kan ook niemand bevoegd worden geacht om alsnog op het onteigende goed rechten te doen golden.

De beslissing omtrent de gevolgen van de plaats gehad hebbende afmaking, zooals afsluiting enz. blijft in die gevallen geheel aan den Minister van Binn. Zaken.

101 Welke zijn de eerste voor ieder waarneembare verschijnselen van de besmettelijke longziekte hij het rundvee ?

ocr page 240

230

De uiterlijke keuteekenen van de besmettelijke longziekte zijn bij afwisseling als volgt; afnemende melkafscheiding ; — koude horens en hangende ooren; —-trekkingen met de neusflanken; eene drooge neus: — knarsen op de kiezen; — steunen en hoesten; — eene met den kop uitgestrekte houding; — ruimstaan op do voorpooten, ook wel genaamd „hazeboutig;quot; — een slag in het lijf, gepaard met een tikslag; — opgekrompen- of doodehjke klink; — onnatuurlijke koude van het onderste gedeelte van den staart aan depluim; — staan op de achterpooten met één poot over koot of in eene gebogen houding.

In een vergevorderd tijdperk der ziekte onderscheidt zich het longzieke rund door het ongewoon glanzen der oogen, het uitspuwen van slijm en het niet meer deelnemen aan het algemeene grazen of voederen van den koppel. Op den stal staat het gewoonlijk achteruit: in de weide afgescheiden van den koppel aan een slootkant of op een hoek hangende over een sloot. Ook meent men te hebben opgemerkt, dat het onder \'t grazen aannemen eener luisterende houding en beweeglijkheid met de staart, zonder dat er vliegen plagen, tot de eerste kenteekenen behooren.

Wanneer eenige van deze verschijnselen zich openbaren, zoo bestaat er grond voor de opvolging van de Artt. 13 en 14 der wet of voor het vermoeden in art. 1G der wet genoemd, dat tot ambtshalve onderzoek leiden moet.

ocr page 241

231

102 Van welke ziekten moeten de veehouders aangifte doen?

Deze ziekten zijn aangeduid in art. I van het Kon. besl.

van 27 Maart 1888, St.bl. ÏT. 67, afgedrukt op bl.81 v.v.

103 Kan het vleesch van den natuurlijken dood\' gestorven dieren in consumtie worden gebracht?

Bij art. 3 van het Kon. besluit sub 102 vermeld, wordt bepaald, dat vee en overblijfselen van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is gestorven, dooide zorg en op kosten van den eigenaar zoo spoedig doenlijk moet worden verbrand of begraven.

Ingeval de dood door andere ziekten is veroorzaakt, bestaat daaromtrent geen bepaald voorschrift.

In sommige gevallen bestaan er bij de eigenaars gemoedsbezwaren tegen liet in consumtie brengen der overblijfselen van gestorven vee; anderen zijn in dit opzicht minder consciëntieus. Zooveel is echter zeker, dat de bepalingen van art. 13 van den Code Rural niet meer gelden en ook elders geen verbodsbepaling omtrent het gebruik van gestorven vee gevonden wordt, waaruit volgt, dat het onderwerp uitsliiiteiid behoort tot het gebied der plaatselijke politie.

104 Hoe is de aansprakelijkheid geregeld hij overtredingen van de artt. 1H en 14 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131?

Uit do geschiedenis van de vaststelling dier wet schijnt te moeten worden afgeleid, dat de eigenaar van wiens vee geene aangifte is gedaan, niet onder de strafbepaling vallen zal, daar deze gericht is tegen hot niet doen

ocr page 242

230

De uiterlijke kenteekenen van de besmettelijke longziekte zijn bij afwisseling als volgt: afnemende melkafscheiding ; —• koude horens en hangende ooren; — trekkingen met de neusflanken; eene drooge neus; — knarsen op de kiezen; — steunen en hoesten; — eene met den kop uitgestrekte houding; — ruimstaan op do voorpooten, ook wel genaamd „hazeboutig;quot; — een slag in het lijf, gepaard met een tikslag; — opgekrompen- of doodelijke klink; — onnatuurlijke koude van het onderste gedeelte van den staart aan de pluim; — staan op de achtcrpooten met één poot over koot of in eene gebogen houding.

In een vergevorderd tijdperk der ziekte onderscheidt zich het longzieke rund door het ongewoon glanzen der oogen, het uitspuwen van slijm en het niet meer deelnemen aan het algemeene grazen of voederen van den koppel. Op den stal staat het gewoonlijk achteruit; in de weide afgescheiden van den koppel aan een slootkant of op een hoek hangende over een sloot. Ook meent men te hebben opgemerkt, dat het onder \'t grazen aannemen eener luisterende houding en beweeglijkheid met de staart, zonder dat er vliegen plagen, tot de eerste kenteekenen behooren.

Wanneer eenige van deze verschijnselen zich openbaren, zoo bestaat er grond voor de opvolging van de Artt. 13 en 14 dor wet of voor het vermoeden in art. 16 der wet genoemd, dat tot ambtshalve onderzoek leiden moet.

ocr page 243

231

102 Van welke ziekten moeten de veehouders aangifte doen?

Deze ziekten zijn aangeduid in art. I van het Kon. besl.

van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67, afgedrukt op bl.81 v.v.

103 Kan het vleesch van den natuurlijken dood gestorven dieren in consumtie worden gebracht?

Bij art. 3 van het Kon. besluit sub 102 vermeld, wordt bepaald, dat vee en overblijfselen van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte Ijjdende is gestorven, door do zorg en op kosten van den eigenaar zoo spoedig doenlijk moet worden verbrand of begraven.

Ingeval de dood door andere ziekten is veroorzaakt, bestaat daaromtrent geen bepaald voorschrift.

In sommige gevallen bestaan er bij de eigenaars gemoedsbezwaren tegen het in consumtie brengen der overblijfselen van gestorven vee; anderen zijn in dit opzicht minder consciëntieus. Zooveel is echter zeker, dat de bepalingen van art. 13 van don Code Hural niet meer gelden en ook elders geen verbodsbepaling omtrent het gebruik van gestorven vee gevonden wordt, waaruit volgt, dat het onderwerp uitsluitend behoort tot het gebied der plaatselijke politie.

104 Hoe is de aansprukelijklieid geregeld hij overtredingen van de artf. 1H en 14 der wet van 20 Juli 1870, St.hl. No. 131?

Uit de geschiedenis van de vaststelling dier wet schijnt te moeten worden afgeleid, dat de eigenaar van wiens vee geene aangifte is gedaan, niet onder de strafbepaling vallen zal, daar deze gericht is togen het niet doen

ocr page 244

232

der aangifte dooi- dengene, die er krachtens art. 13 toe verplicht is, en hij, eigenaar, is er niet toe verplicht. Degeen, die het vee onder zijn onmiddellijk toezicht heeft, is de verantwoordelijke persoon. Ziekteverschijnselen, zeide de Minister (in de Memorie van beantwoording, hl. 627) openbaren zich wanneer zij merkbaar zijn; in dat geval behoort aangifte te geschieden.

Blijkens het verslag der Eerste Kamer, bl. 507, is in de Tweede Kamer beslist, dat voor de aangifte de eigenaar niet, voor de afzondering wel aansprakelijk zal zijn.

Niettemin moet de vraag of de eigenaar ook dan schadeloosstelling ontvangt, als de houder of hoeder geen aangifte der ziekteverschijnselen heeft gedaan, ontkennend beantwoord worden. Het geldt hier alleen het bekomen der vergoeding, wanneer er verzuim heeft plaats gehad en dan komt deze bepaling niet onbillijker voor dan de bepaling van het burgerlijk recht, dat hij aansprakelijk is voor de daden dergenen, die onder hem staan. (Han\'d. bl. 1832.)

105 Wat valt op te merken ten aanzien van de vrijstelling van zegel- en registratierecht, hij art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. No. 131 verleend?

Dat met uitzondering van liet proces-verbaal in do tweede zinsnede van art. 37 dier wet bedoeld, alle stukken in art. 43 omschreven aan de formaliteit der registratie zijn onderworpen.

106 In hoecerre is de iret van 20 Juli 1870, St.bl. Ko. 131, ook toepasselijk op hondsdolheid?

ocr page 245

233

Hondsdolheid, voorkomende bij honden of katten, wordt boheerscht door de wet van 5 Juli 1875, St.bl. N0. 110; — op alle andere gevallen van hondsdolheid is de wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, toepasselijk, behoudens het bepaalde bij de wet van 2 Juni 1875, St.bl. N0. 94, ten aanzien van de tot het leger belioo-rende paarden.

107 In hoeverre kunnen de hosten, voortvloeiende uit de toepassing der iret van 5 Juni 1875, St.bl. No. 110, tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid, aan het Rijk worden in rekening gebracht?

Alleen do kosten in art. 5 der aangehaalde wet genoemd, worden door het Rijk vergoed. Ue overige kosten, waaronder ook die van het onderzoek, moeten worden beschouwd als gewone politiekosten en komen mitsdien voor rekening der gemeente.

108 In hoeverre kunnen de bepalingen der wet van 5 Juni 1875, St.bl. No. 110, bij plaatselijke politieverordening worden aangevuld?

Luidens arrest van den Hoogen Raad van 15 November 1866 (W. v. h R N0. 5367) mag de gemeenteraad bij politie-verordening bepalen, dat eigenaars van honden waarover klachten van aanschieten of poging tot bijten worden gedaan, op last van burgemeester en wethouders die honden moeten vastleggen of behoorlijk een muilkorf doen dragen, en ontleenen burgemeester en wethouders aan zoodanige bepaling de bevoegdheid, om in elk bijzonder geval te beslissen, welke der beide

ocr page 246

234

genoemde maatregelen, liet vastleggen of het doen dragen van oen muilkorf, wordt vereiseht.

109 Waar vindt men de voorschriften omtrent te bezigen muilkorven voorhanden?

Het model daarvoor is vastgesteld bij resolutie van den Minister van Binn. Zaken van 27 Juli 1875, gewijzigd bij die van 20 September 1887 (zie Zaalberg, handleiding Politiebeambten, blz. 458.)

HO Wrlt;lt hepaalt de wet van 5 Juni 1873, St.hl. No. 110, omtrent honden en katten, op eens anders erf

losloopende ?

Dat die door of op last van den eigenaar van het erf kunnen worden gedood, terwijl het woord „erf,quot; blijkens arrest II. 11. van 25 October 1880, naar liet gewoon spraakgebruik, moet worden opgevat in de engere bc-teekenis van aanhoorigheid eencr woning.

111 Welke bepalingen bestaan ten aanzien van het inladen van vee, naar buitenslands bestemd ?

De daartoe betrekkelijke voorschriften zijn vervat in het Kon. besluit van 28 Mei 1871, St.bl. N». 42 (bladz. 49 v. v.). Men vergelijke hiermede art. 5 van het Kon. besluit van 17 Augustus 1871, St.bl. Nquot;. 128 (bladz. 58 v. v.).

112 I* de wet van 30 Juli 1870, St.bl. No. 131, ook toepasselijk op mond- en klauwzeer hij runderen?

Neen, bij art. 1 Nquot;. 11 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888, St.bl. N0. 67 (bladz. 81 v. v.) is alleen maar sprake van kwaadaardig klauwzeer bij schapen.

ocr page 247

235

113 Dour tcie trorden de overtredingen van de artikelen 13 en 14 der tcet geconstateerd?

Terwijl uit den aard der zaak al de ambtenaren, in art. 11 van het quot;Wetb. van Strafvordering omschreven, bevoegd zijn tot liet eonstateeren van alle overtredingen der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131, zullen in den regel die van art. 13 door den burgemeester en die van art. 14 door den districts veearts behooren te worden geconstateerd. Wordt toch bij het onderzoek een stuk vee, kennelijk lijdende aan eene besmettelijke ziekte, bevonden onder den koppel, dan is het do districtsveearts, die het eerst de overtreding waarneemt; verzuim van aangifte wordt in dat geval het eerst door den burgemeester ontdekt. (Zie model N0. 38.)

114 Is de burgemeester bevoegd tot het in rekening brengen van administratiekosten in zake de verantwoording van de opbrengst van verkoelde overblijfselen?

Ofschoon de billijkheid wellicht zou medebrengen, dat eenige remuneratie deswege werd toegestaan, wordt het niet ondienstig geacht daaromtrent te vernielden, dat in het jaar 1875 door de algemeene rekenkamer op eene ter zake dienende rekening en verantwoording, welke met eene nota voor betaalde administratiekosten aan den gemeente-secretaris was bezwaard, onder royement van dien post werd opgemerkt als volgt:

„In aanmerking nemende dat boven en behalve het salaris van den deurwaarder, ten wiens overstaan het onteigende vleesch is verkocht, door den Rendant in

ocr page 248

236

uitgaaf worden gebracht kosten van beheer en administratie in zake van deze verkoopingen; — En overwegende, dat de burgemeester in deze ambtshalve optreedt en er geene bepalingen bij de algemeene rekenkamer bekend zijn, die vergoeding voor beheer en administratie ter zake toekennen aan den burgemeester of aan een ander, aan wien hij zijn beheer mocht hebben opgedragen;

Heeft goedgevonden enz.

Hieromtrent nader met de algemeene rekenkamer in briefwisseling getreden, werd door dat college te kennen gegeven, dat de beslissing der vraag, of den burgemeester voor zijne bemoeiingen ter zake van verkoopingen van vleesch van onteigend vee (ook zelfs wanneer deze door eenen deurwaarder hebben plaats gehad) belooning toekomt, niet tot den werkkring der algemeene rekenkamer behoort, doch alleen kan gegeven worden door den Minister van Binn. Zaken.

Nadat over dit punt de beslissing van den Minister was ingeroepen, heeft deze geantwoord, dat ook naar het oordeel van Zijne Excellentie door de burgemeesters geen kosten voor bemoeiingen of administratiekosten ter zake van verkoopingen van vleesch van onteigend vee in rekening gebracht kunnen worden, behalve uitschotten, indien zij zelve de openbare verkoopingen hebben verricht.

Uit dit een en ander volgt, dat zoo lang de bezoldiging der burgemeesters, voor werkzaamheden in het

ocr page 249

237

algemeen Rijksbelang door lien verricht, niet nader bij de wet is geregeld, de gestelde vraag ontkennend moet beantwoord worden.quot;

Moge liet overzicht van de vele en vaak zeer moeilijke werkzaamheden, in deze handleiding saamgevat, er toe kunnen bijdragen, dat de bedoelde regeling, welke voortdurend eenigermate als aan de orde kan worden beschouwd, worde bespoedigd!

ocr page 250
ocr page 251
ocr page 252

240

MODEL 1.

—o—

Art. 5 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. Isto. 131.

Do Burgemeester der gemeente

Gelast den voor den kring aangewezen districtsveearts, om de aan zijn toezicht onderworpen plaatsen, vermeld in art. 5 der wet van den 20ston Juli 1875, St.bl. N0. 131, voor zooverre die tot de gemeente behooren, tusschen zons

op- en ondergang binnen te treden, ondanks den wil der bewoners of gebruikers.

Deze last geldt tot den

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

MODEL 2.

—o—

De Burgemeester der gemeente

Gelast den voor den kring aangewezen districtsveearts, om op heden tusschen zons op- en ondergang («) van

van beroep , wonende binnen deze gemeente,

ondanks den wil van den bewoner (gebruiker) binnen te treden.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

(a) de weide, den stal, enz.

ocr page 253

241

MODEL 3.

—o—

Art. 13 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. N0. 131.

JB IE Gr I S T IE IB

VAN

AANGIFTEN VAN DOOR BESMETTELIJKE ZIEKTEN AANGETAST OP DAARVAN VERDACHT VEE,

BINNEN DE GEMEEXTE

(1) Aangifte van vee, lijdende aan eeno gewone ziekte is niet verplichtend.

iG

ocr page 254

242

Namen en Voornamen der

Houders of Hoeders.

c

-tp O t=-

Woon-plaats.

Datum der aangifte

van het ziektegeval.

Ou n or der mtelt; hi

Soort van het aangetaste verdachte v


ocr page 255

243

Ouderdom n oraschrjjving der uiterlijke :nteekenen van het vee.

Vermoedelijke benaming der ziekte.

Afloop van het ziektegeval.

Aanmerkingen.


ocr page 256

244

MODEL 4.

Vrij van zegel en registratierecht, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 31.

De Burgemeester der gemeente............

Gezien art. 24 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Benoemt als deskundige om liet vee, dat in die gemeente ter afmaking moet worden onteigend, te waardeeren,

..........., veeopzichter, wonende te .... ,

met last om bij die waardeering in acht te nemen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee door eene besmettelijke ziekte aangetast, de helft der waarde, die het in gezonden toestand hebben zou, wordt berekend.

, don 18

De Burgemeester voornoemd,

MOD EL 5.

Vrij van zegel en registratierecht, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 31.

Proces-Verhaal van he\'èedujiny van eenen deshundiye.

Op heden den.....is voor mij Burgemeester dor

gemeente .... verschenen . . . . , bij besluit van den .... benoemd als deskundige om het vee, dat in die gemeente ter afmaking moet worden onteigend, te waardeeren, welke ter voldoening aan art. 24 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, heeft afgelegd den eed (de belofte) van naar zijn beste weten die waardeering te zullen doen.

, den 18

Tgt;e Burgemeester voornoemd,

ocr page 257

245

No. MODEL G. 18

Vétérinaire Politie.

—o—

Met hot oog op art. 1G der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, heb ik de eer UEd. uit te noodi-

gen tot het onverwijld onderzoeken van.....,

toebelioorende aan den veeliouder.........

en verdacht van aan longziekte lijdende te zijn.

Aan De Burgemeester voornoemd,

den Heer Districtsveearts te

NB. Ontbieding per telegram verdient do voorkeur. De kosten kunnen worden verhaald op het Ryk.

MODEL 7.

Vrij van do rechten van zegel en registratie, ingevolge art. 43 der wet van den 20steii Juli 1870, St.bl. IT. 131.

Do ondergeteekende districtsveoarts..........

voor den kring. .., verklaart, dat de navolgende runderen: 1°. eene , oud jai\'en,

2°. eene , oud jaren,

3°. eene , oud jaren,

in eigendom toebelioorende aan . . . , van beroep vee-

liouder, wonende te • ■ ■ , ^ aangetast door longziekte

en dat uit dien Loofde de onteigeiiing en afmaking noodzakelijk zijn.

Verder is noodzakelijk..........verdachte

runderen te merken en de besmette door middel

van borden kenbaar te maken en behoorlijk te doen desinfecteeren.

, den 18

De Districtsveearts voornoemd,

ocr page 258

246

MODEL 8.

Vrij van de rcchtcn van zegel en registratie, ingevolge art. 43 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. N0. 131.

De Burgemeester der gemeente.......

Overwegende, dat het hem uit het verslag van den districtsveearts .............

gebleken is, dat door longziekte ^ aangetast: 1°. eenc , oud jaren,

2°. eenc , oud jaren,

8°. eene , oud jai,en,

tocbehoorcnde aan . . . , van beroep veehouder, wonende te . . . , ten aanzien van welk vee aan de hij art. 13 en 14 der icet gegeven voorschriften, omtrent aangifte en afzondering is voldaan.

Gelet op de wet van den 20s\'en Juli 1870, St.bl. W\'. 131; (1)

Besluit het boven omschreven vee onmiddellijk te onteigenen cn beveelt tevens de in beslagneming en afmaking.

Wordende verder benoemd om de waarde van dat

vee te schatten, de persoon van.............

van beroep......, wonende te........

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

1

Bij afmaking van verdacht vee op bevel van den Minister hier te vermelden het betrekkelijk bevelschrift.

ocr page 259

247

MODEL 9.

Vrij van de rechten van zegel en registratie, ingevolge art. 43 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. N0. 131.

De ondergetoekende als deskundige daartoe door den Burgemeester der

gemeente......benoemd, verklaart op heden te

hebben gewaardeerd, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 20stei1 Juli 1871, St.bl. Nquot;. 131, het volgende vee door longziekte aangetast:

1°.

eene

, oud

jaren

f

2°.

eene

, oud

jaren

n

3°.

eene

, oud

jaren

n

wolk vee toebehoort aan..........

veehouder alhier, en volgens besluit van den Burgemeester van heden is in beslag genomen om te worden afgemaakt.

, den 18

ocr page 260

248

MODEL 10.

Vrij van zogel- en rogistrntiereeht, ingevolgn art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Art. 24 dor wet van den 20sten

Juli 1870, St.bl. N0. 131.

De ondergeteekende..................

als deskundige daartoe door den Burgemeester der

gemeente.........en de mede-ondergeteekenden

als deskundigen door den Kantonrechter te.....

.... benoemd, verklaren op lieden te hebben gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. N°. 131, het navolgende vee: (a)

wolk vee toebehoort aan.................

veehouder alhier en volgens besluit van den Burgemeester van den ..... is in beslag genomen om te worden afgemaakt.

(a) door veetyplms aangetast;

van „ verdacht;

door longziekte aangetast;

„ kwaden droes of huidworm aangetast;

„ dolheid aangetast.

Dij de waardeering moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee door eenc besmettelijke ziekte aangetast de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

ocr page 261

249

MODEL 11.

Vrij van de rechten van zegel en registratie;, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

PROCES-VERBAAL.

Dc Burgemeester van .... biedt bij deze aan den veehouder . . . . , wonende te .... , overeenkomstig art. 24 der wet van den 20stcn Juli 1870, St.bl. Nquot;.

131, aan, voor .... rund.....zijnde:

1quot;. eene , oud jaren, waardig geschat

op

2°. eene , oud jaren, waardig geschat

op

3°. eene , oud jaren, waardig geschat

op

, volle

imive waai,de ten bedrage van

met welke aanbieding de ondergetcekende verklaart genoegen te nemen, (of negatief.)

En is hiervan dit proces-verbaal, door mij Burgemeester op don ambtseed opgemaakt.

, den 18

De Veehouder,

J)e Burgemeester,

ocr page 262

250

MODEL 12.

Vrij van zegel en registratierecht, volgens art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

PROCES-VERBAAL.

De Burgemeester der gemeente......heeft op

lieden, ten gevolge van het duor hem opgemaakt procesverbaal tegen....., veehouder, wonende te.....,

overeenkomstig art. 27 der wet van den 20stcn Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, bij den gemeente-ontvanger gedeponeerd voor stuks, vee, zijnde: ............. waardig geschat

op..................

de c-!-- waarde ten bedrage van

halve 0

En is hiervan dit proces-verbaal, door mij Burgemeester op den ambtseed opgemaakt.

, den 18

De Burgemeester,

ocr page 263

251

MODEL 13.

Vrij vair de rechten van registratie, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, Stbl. N0. 131.

Ik, ondergoteekendo,

van beroep veehouder, wonende te...........

verklaar bij deze te hebben ontvangen van den Burgemeester der gemeente.....eene som van.....,

in voldoening van de (1)... waarde van rund .....op (f)........dat bedrag geschat dooiden deskundige.....welk rund op heden,

als aangetast door longziekte volgens verklaring van den districts veearts . . . . , ^ in beslag genomen en afgemaakt, volgens besluit van den Burgemeester van heden

Dienende deze deswege tot kwitantie zonder reserve.

, den 18

1

Volle of halve waarde.

(f) Zoo noodig „het dubbel van.\'

ocr page 264

252

MODEL 14.

Vrij van de rechten van zegel en registratie, ingevolge art. 4a dor wet van 20 Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131.

Ik, ondergeteekondo,....., veldwachter der gemeente ....., verklaar bij deze, dat na afmaking

van

1°. cene , oud jaren,

2°. eene , oud jaren,

3°. cene , oud jaren.

de borst- cn buiksingewanden van lt;lat quot;\'nd tor diepte

0 die runderen 1

van óón meter zijn begraven en met cene laag onge-blusclite kalk ter dikte van één decimeter overdekt. Gemeld 1.ul\'l||quot;|len behoorende aan.......van beroep

vecliouder, wonende te....., volarens vcrkla-

7 \' waren ö

ring van den districtsvcearts.....door longziekte

aangetast, en dientengevolge door den Burgemeester dezer gemeente bij besluit van lieden in beslag genomen om te worden afgemaakt.

, den 18

ocr page 265

253

MODEL 15.

Vrij van de rechten van zegel en registratie, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

De Burgemeester der gemeente............

Overwegende, dat de navolgende voorwerpen . . . .

1°.

2°.

3°.

4°.

5°.

6°.

in onmiddellijke aanraking zijn geweest met aan longziekte lijdend vee van den veehouder......aldaar,

Gelet op do wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Gehoord de aanwijzing van den districtsveearts . . ., bedoeld bij art. 25 der bovengenoemde wet.

Besluit tot onteigening en beveelt de inbeslagneming en tevens de vernietiging dezer voorwerpen;

Benoemt om de waarde daarvan te schatten den persoon van . . . . , van beroep .... wonende . . . .

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

ocr page 266

254

MODEL 1G.

Vrij van do rechten van zegel en registratie, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

De ondergeteekende als deskundige daarvoor door den Burgemeester der

gemeente......benoemd, verklaart op heden te

hebben geschat, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 20tcquot; Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, de navolgende met door de longziekte besmet rundvee in onmiddellijke aanraking geweest zijnde voorwerpen, als:

1°.

waardig .

• f

2quot;.

waardig .

11

3°.

waardig .

H

4°.

waardig .

V

5quot;.

waardig .

n

6quot;.

waardig .

n

welke voorwerpen toebehoorende aan..........

veehouder alhier, volgens besluit van den Burgemeester van heden zijn in beslag genomen om te worden vernietigd.

18

ocr page 267

255

MODEL 17.

Vrij van zegel en registratierecht, ingevolge art 43 der gt;vet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

PROCES-VERBAAL.

De Burgemeester van.................

biedt bij deze deu veehouder .... wonende te . . . . , overeenkomstig art. 24 der wet van den 20sten Juli 1870, St.bl. Nquot;. 131, aan, voor de navolgende met door de longziekte besmet rundvee in onmiddellijke aanraking geweest zijnde voorwerpen, als:

1°.

2°.

3°.

4°.

5°.

6°,

de geschatte waarde ten bedrage van..........

met welke aanbieding de ondergeteekende verklaart genoegen te nemen.

En is hiervan dit proces-verbaal door mij Burgemeester op den ambtseed opgemaakt.

, den 18

De Veehouder, De Burgemeester,

ocr page 268

256

MODEL 18.

Vrij van zegel en registratierecht, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Ik, ondergeteekende,...........van beroep

veehouder, wonende te........verklaar bij deze

te hebben ontvangen van den Burgemeester der Gemeente

........, eene som van..............

in voldoening der door den deskundige.........

geschatte waarde van de voorworpen, welke op heden, als in onmiddellijke aanraking zijnde geweest met door longziekte aangetast vee, zijn in beslag genomen om te worden vernietigd, volgens besluit van den Burgemeester van heden.

don 18

ocr page 269

257

MODEL 19.

Vrij van zegel en registravierecht, ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Ik ondergeteekonde,......., veldwachter dei-

Gemeente ......., verklaar bij deze, dat op den

........18 , onder mijn toezicht volgens de

bestaande voorschriften zijn verbrand de navolgende voorwerpen:

1°.

2».

3quot;.

4°.

5°.

6°.

toebehoorende aan................., van

beroep veehouder, wonende te.............,

welke voorwerpen in onmiddellijke aanraking waren geweest met door longziekte aangetaste runderen, en uithoofde daarvan door den Burgemeester dezer gemeente, volgens zijn besluit van heden, zijn in beslag genomen om te worden verbrand.

18

den

ocr page 270

258

18

MODEL 20.

—o— , den

No.

VEEZIEKTE.

Ik heb de eer Uwer Excellentie beleefd te verzoeken

om eene assignatie groot f......., ter goede

rekening, met het voor de verantwoording benoodigde materieel, ten einde uit dat bedrag te kunnen voldoen de kosten van onteigening enz. van .... runderen,

afkomstig van den veehouder..............

alhier, welke runderen, als lijdende aan de besmettelijke longziekte, na onteigening, zijn afgemaakt op heden.

De Burgemeester van

Aan

Zijne Excellentie den Heer COMMISSARIS DES KONINGS in de Provincie te

ocr page 271

259

18

MODEL 21.

—o—

, den

No.

ONDERWERP: VEEZIEKTE.

GETAL DER BIJLAGEN: I dossier.

Ik heb de eer Uwe Kamer hierbij beleefdelijk aan te bieden mijne aanvrage om décharge van heden, in triplo, met verzamelstaat en betrekkelijke bescheiden, wegens ter goede rekening ontvangen gelden, tot het doen van uitgaven tot afwering van het gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen.

De Burgemeester van

Aan

de ALGEMEENS REKENKAMER te

\'s GEAVENHAGE.

ocr page 272

258

18

MODEL 2 0.

—o— , don

No.

VEEZIEKTE.

Ik heb de eer Uwer Excellentie beleefd te verzoeken

om eene assignatie groot f......., ter goede

rekening, met het voor de verantwoording benoodigde materieel, ten einde uit dat bedrag te kunnen voldoen de kosten van onteigening enz. van .... runderen,

afkomstig van den veehouder..............

alhier, welke runderen, als lijdende aan de besmettelijke longziekte, na onteigening, zijn afgemaakt op heden.

Dc Burgemeester van

Aan

Zijne Excellentie den Heer COMMISSARIS DES KONINGS in de Provincie te

ocr page 273

259

18

MODEL 31.

—o—

, den

No.

ONDERWERP: VEEZIEKTE.

GETAL DER BIJLAGEN: I dossier.

Ik heb de eer Uwe Kamer hierbij beleefdelijk aan te bieden mijne aanvrage om décharge van heden, in triplo, met verzamelstaat en betrekkelijke bescheiden, wegens ter goede rekening ontvangen gelden, tot het doen van uitgaven tot afwering van het gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen.

De Burgemeester van

Aan

de ALGEMEENS REKENKAMER te

\'s GR A VENHA GE.

ocr page 274

2G0

Departement

VAN

BOT. ZAKEN,

Hoofdstuk V.

Dienst 18

Artikel

MODEL 2 2.

AANVRAGE OM DÉCHARGE.

(i)

(2)

erkent ter goede rekening ontvangen te hebben tot het doen van uitgaven tot afwering van liet gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen,

de Assignatie Nquot;.......f

Dienst (3)


Totaal bedrag der ontvangst . f Terwijl de door hem gedane uitgaven,gespecificeerd op bijgaande verzameling ingevolge de bijgevoegde bewijzen, bedragen . . f

In te vullen:

1. Naam.

2. Kwaliteit.

3. Dienstjaar.

4. Ondertcekening.

Zoo dat is

18

Quitte.

(4)

De Algemeene Rekenkamer ontlast den rendant ten gevolge der bovenstaande aanvrage en op grond der overgelegde bewijzen voor de som van.........

N0. Dienst 18 . \'s Gravenhage 18 .

Hoofdstuk V. De Algemeene Jlekenlmmer,

Artikel.

Ter ordonnantie van de Kamer,

ocr page 275

201

MODEL 2 2a.

Behoort tot do aanvrage om décharge.

Dienst 18

VERZAMELING van gedane uitgaven door

volgens de hieraangehechtc kwitantie en verdere bescheiden.

gt;

Nummers

NAAM

ONDERWERP

s

der

van don

dei-

BEDRAG

O

bescheiden.

belanghebbende.

gedane uitgaven.

s

oq

3

Aldus opgemaakt tot een bedrag..........

met verklaring, dat de vorengemelde uitgaven werkelijk in het bclnng van \'s Rijks dienst hebben plaats gehad.

, den , 18 .

ocr page 276

2G2

MODEL 3 3.

—o—

nsroT-A. van......veeopziclitcr te.....

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Voor waardeerloon van aan long-ziek lijdend rund ,............f

Voldaan,

MODEL 3 4.

—o—

nsroT^ van.....stalhouder te.......

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

wegens:

rytuiglmur voor don Burgemeester en den taxateur, tot oneigening van vee bij den veehouder ..../\'

onkosten . . . . „

Voldaan,

ocr page 277

263

MODEL 2 5.

—o—

nsroT^ van......slachter te.......

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Voor het afmaken van onteigend longziek

rund .................... f

Voor het begraven der borst- en buiksingewanden

van rund ............... „

Voor het desinfecteeren van stal ... „

Totaal .... f

Voldaan,

MODEL 26.

—o—

van......veldwachter te......

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Voor Toezicht en Assistentie bij :

1°. het afmaken van onteigend longziek

rund ,................. f

2e. het begraven dor borst- cn buiksingewanden

van rund ,............. „

3e. het desinfecteeren van stal ..... „

Totaal .... f

Voldaan,

ocr page 278

2G4

MODEL 27.

—o—

ustot-A. van .........Burgemeester der

Gemeente.......in zake de besmettelijke longziekte bij het rundvee.

18 . Maand

Wegens verschot aan:

de navolgende ingrediënten en gereedschappen benoodigd tot desinfectie van de stal van den veehouder

Chloorkalk....................f

Ongebluschte kalk ..........„

Carbolzuur....................„

Soda en Zeep................„

Gereedschap..................„

~~f

Voldaan,

MODEL 3 8.

—o—

INquot; OT.A. van.....te.....Burgemeester

dier Gemeente, in zake de besmettelijke veeziekte. 18 . Maand

Wegens verschot:

Voor schrijfloon, betrekkelijk de onteigening

enz. van.....wegens longziekte afgemaakt

rund ....................f

Voldaan,

ocr page 279

265

MODEL 29.

Vrij van zegel on registratierecht, ingevolge art 43 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N°. 131.

DECLARATIE van..............

Burgemeester der Gemeente........

ten litste van liet Rijk, wegens gedane voorschotten uit de gemeentekas uit krachte dei-wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131.

Dienstjaar 18

Betaald:

Transporteere f

ocr page 280

26(5

Per transport f

Totaal f

Aldus opgemaakt door mij Burgemeester dei-Gemeente, tot een bedrag van.............

verklarende de ondergeteekeude deze declaratie te zijn deugdelijk en onvergolden, zoomede (*)

18

ocr page 281

267

Gezien en na onderzoek deugdelijk verklaard ter somma van........................

door mij Commissaris des Konings in do Provincie

, den 18

ocr page 282

208

MODEL 30.

—o—■

PROCES-VERBAAL

VAN

PUBLIEREN VERKOOP.

Do Burgemeester van...........verklaart

op heden te hebben verkocht aan...........,

koopman te............., voor do som van

..........met........opcenten daarenboven, als rantsoenpenningen voor do kosten van accijns, zegel- en registratierechten, de overblijfselen van runderen, afkomstig van.........., bouwman

te........., welke runderen ingevolge de wet

van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, wegens de besmettelijke longziekte waren onteigend en afgemaakt op gisteren.

, den 18

De Kooper, De Burgemeester voornoemd,

Geregistreerd te.......den . . . . .......

1800 ......., deel . . . , folio ....... resto

vak . . . , 1 blad . . . renvooi.

Ontvangen voor recht . ... f Voor 38 opcenten......„

Te zamen . . . Guld. . . . Ct. f

De Ontvanger,

ocr page 283

269

MODEL 31.

— O—

, den 18

No.

VEEZIEKTE. Bijlage:

1 DOSSIER.

Ik heb de eer Uwe Kamer liierbij ter verevening beleefdelijk aan te bieden mijne rekening en verantwoording in triplo, met de daarbij beboorende bescheiden, wegens ontvangsten en uitgaven in zake den verkoop der overblijfselen van na onteigening afgemaakt longziek rundvee, gedurende de maand........

De Burgemeester van.........

Aan

de ALGEMEENE REKENKAMER te

\'s GRA VENIIAGE.

ocr page 284

270

MODEL 3 2.

Dienst 18 . REKENING en

— Burgemeester

Gemeente blijfselen van

—o— in de maand

18

Nomrner

der

AARD DER UITGAVEN.

Bedrag.

Bijlagen.

1

Van vorkoehto overblijfselen ..../\'

Van rantsoenpenningon......„

Totaal f

Aldus opgemaakt en deugdelijk verklaard tot een vier en dertig centen.

, den

ocr page 285

271

VERANTWOORDING van Abraham Pieter Zaalberg, der Gemeente A 1 f e n, wegens den verkoop der over-onteigeud longziek — of van longziekte verdacht rundvee ........des jaars 18

lv

iNommer

der Bijlagen.

AARD DER UITGAVEN.

Bedrag.

la 16 1c ld le l ƒ ig \\h U

u-

U

—• — — — — Acc., zegel en registr. f

— — — — — Afliakloon.

— — — — — Toezicht en assistentie. -— — — — — Desinfecteeren huiden.

— — — — — Verkoopkosten.

— — — — — Lokaalhuur.

— — — — — Biedloon.

— — — — — Waakloon.

— — — •— — Publiceerkosten.

— — — — — Verschot Schrijfloon. Betaalmeester. Quit, van storting.

Totaal f

bedrag van vier honderd tweeëntwintig gulden

De Burgemeester^

ocr page 286

272

MODEL 33.

—o—

ustot-A. van.....te.....Burgemeester

dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte. 18 . Maand

Wegens verschot van:

1®. Accijns (volgens aangehecht).....f

2®. Zegel- en registratiekosten (zie bijl. N0. ) „

Totaal ... f

Voldaan,

MODEL 3 4.

—o—

van......te......aan den

Burgemeester dier Gemeente, in zake do besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Wegens verschot aan;

1®. Transportkosten van het vleescli enz.

afkomstig van .... wegens longziekte onteigend en geslacht rund .... f

Totaal .... f

Voldaan,

ocr page 287

273

MODEL 3 5.

—o—

nsroT-A- van......Slachter te.......

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Voor afhakloon van rund onteigend en afgemaakt als aan longziekte lijdende . ... f

Voldaan,

MODEL 3 6.

—o—

ItTOTVk. van......Veldwachter te.....

aan den Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18 . Maand

Voor toezicht en assistentie bij rund onteigend en afgemaakt als aan longziekte lijdende ......................f

Voldaan,

18

ocr page 288

274

MODEL 37.

— o —

INT OT-A. van .........Burgemeester der

Gemeente.......in zake de besmettelijke veeziekte.

18 . Maand

Wegens verschot voor:

1°. Het desinfecteeren van huid , afkomstig van wegens longziekte onteigend rund , Liter Carbolzuur per huid ƒ 2quot;. Arbeidsloon..................

De ontsmetting heeft onder mijn toezicht naar behooren plaats gehad.

De Veldwachter,

Voldaan,

ocr page 289

275

MODEL 3 8.

—o—

nsrox-A. van........Veldwachters, aan

den Burgemeester der Gemeente ........., in

zake de besmettelijke longziekte. 18 . Maand

Voor het publiceeren van den verkoop dei-overblijfselen van longziek rund ,

toebehoord hebbende aan .............

het verkoopen bij opbod cn afslag ten overstaan van den Burgemeester, het innen der gelden,

en het fungeeren bij dien verkoop als getuigen

elk ...................f

Voldaan,

MODEL 3 9.

—o—

ItTOT-A. van......te......aan den

Burgemeester dier Gemeente, in zake de besmettelijke longziekte.

18

Verschot:

Voor lokaalhuur bij het verkoopen van vleesch enz., afkomstig van wegens longziekte onteigend rund .....................f

Voor het stellen van schragen, planken, euz. „

Totaal . ... f

Voldaan,

ocr page 290

276

MODEL 40.

De ondergeteekende..................

van beroep.........wonende te........

wenscht te vervoeren het gedeelte der Gemeente

•......, door den Minister van Binnenlandsclie

Zaken aangewezen in de St.-Ct. N0. van 18

en vraagt daartoe de vereisclite vergunning.

De bestemming van liet gemelde vee om te worden

( On derteeken ing.) , den 18

Zij deze gesteld in bandon van den Opzichter over

het rundvee te....., ten einde hem omtrent den

gezondheidstoestand van het bovenbedoelde vee te hooren.

Be Burgemeester van......

De Vee-Opzichter voornoemd verklaart, op den eed, bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd, dat het bovenomschreven vee, voor zoover kan worden nagegaan, volkomen gezond is.

, den 18

De Burgemeester van.........

Gelet op art. 1 van het Koninklijk besluit van den 3den October 1873, St.bl. N0. 135 en het advies van den Heer Districts-Veearts, om geene vergunningen tot vervoer af te geven zonder eene behoorlijke gezondheids-verklaring ;

Gezien de bovenstaande verklaring van den veeopzichter Verleent aan.....bovengemeld vergunning om

bovenomschreven vee te vervoeren . de Gemeente onder voorwaarde, dat

De Burgemeester voornoemd,

ocr page 291

277

MODEL 41.

—o—

OPGAVE van de opbrengst van den ver-Gemeente koop van Huiden en Vloesch, van Long-zieke en wegens van Longziekte ver-—- dachte Runderen, over de maand . . . .

18

Aantal onteigende:

fpbrengst van den verkoop van;

Longzieke runderen.

Van Longziekte verdachte runderen.

De huidon.

Het vlecsch.

Aanmerkingen.

De Burgemeester,

ocr page 292

278

0} O cc

•xaoKixaawNvy

•uojopuna ojqoüpaoA

K

•uu«pa° uoqqoq oyiSuBU aip saopnoiioaA iT3?80

putj^sao; u8;qoBpa9A ui aS[OA0S -uajuoip uojopnnj xb?80

•uapuoAaq epuopfix 0}3[0iz aip mju s;.i«0OA U0p joop U0 u0A0°0°ui}i; gt;101/ -SUO^ S^l? U0.I0piUU

•a x N: a a H a o

ocr page 293

1

279

b£)

C

O

Ö gt;

quot;S o

:^i ce

W quot;2 w

o .-- o .S . cö s ^ ^3 \'O r3 ^ CS Jz

«

G

agt;

o

G

O

Ö

Kl

! fl ^

gt; cgt; c : ^ quot;gt;

^3 oT V

ai

cS

cT ®

fcD

O quot;©

bO^D

£

C ®

o

^O fcc

®

o _2

09

3

T §

fep c3

o bc c

C

O bo

a

c .2 S

cs fg ^2

.2

tc c

O

® = -a

1 « s

es ^_i rl

03 CO .E1 ■Jrf e/S O

fS 0 quot;S

QQ O c ^ O

c

^ O G ^ 0? bgt;-CD ^

*5

co

K ft O

G O

G

c3 gt;

lt;1 O Ph O

cS

O

C0 lt;

^3

C ï O p- fco^

w

H

W -

w O

_ Oi

E o •• = quot;S = w quot;c gt; O o

ocr page 294

280

MODEL 4 4.

—o—

REQUISITOIR.

De Burgemeester der Gemeente...........

in aanmerking nemende, dat de door..........

van..... . . wegens overtreding der wet van 20

Juli 1870, St.bl. N0. 131, tot regeling van hetveeart-senijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie in beslag genomen voorwerpen, bestaande in

niet door dien ambtenaar zeiven kunnen worden vervoerd;

Beveelt dientengevolge, overeenkomstig art. 9 van het Keizerlijk decreet van 18 Juni 1811, om gemelde

voorwerpen op den.....te vervoeren met.....

van.......naar......met last de ontvangst

op dit requisitoir te doen aanteekenen.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

ocr page 295

281

MODEL é5.

—o—

Burgerlijke beambten, belast met de overbrenging van gevangenen of van over-tuigingsst ukken.

DECLARATIE van (naam, voornaam, kualiteit dienstjaar en woonplaats) wegens de overbrenging van

.... gevangenen (of van overtuigingsstukken.)

©

s a

bo a

1

t-, na

e s-

cs O 5»- gt;

quot;rH bD O

■4-gt; 03

Omscheijving.

Bedrag.

rooting van

rechter.

a

?

bo s \'J*

bc

Q

O gt;

bC 08 ö

5 A

W agt;

\'O

Be den

a d

De ondergeteekende verklaart deze declaratie deugdelijk en onvergolden, tot een bedrag van

(in schrijfletters.)

(Dagteekening en handteekening.)

ocr page 296

282

Pro Justitia. MODEL 46.

— —o —

PROCES-VERBAAL.

De Burgemeester van.....constateert op zijnen

ambtseed, dat op den .... door den districtsveearts

.......wonende te....., en ambtshalve door

hem (rclatant) ontboden tot het onderzoeken van het

vee op den stal van....., veehouder te......

hem relatant is overhandigd eene verklaring, gedag-teekend op heden, inhoudende, dat die runderen op gomelden stal lijdende zijn aan de besmettelijke longziekte, terwijl voorts bleek: a, uit de verklaring van voormelden districts-veearts, dat een der drie gemelde runderen vermoedelijk reeds meer dan acht dagen geleden door die ziekte moest zijn aangetast; h, uit die

van den veeopzichter N. N., wonende te......,

dat toen deze op.....dag j.1., ingevolge eene me-

dedeeling van den veearts N. N. te......., dat

er onder het vee van......longziekte was, voor

het eerst op den stal van dezen kwam, tot het instellen van een voorloopig onderzoek naar de waarheid van het hem medegedeelde, twee runderen, en wel beida in de meergemelde drie begrepen, afgezonderd van het overige vee stonden, terwijl daaronder eene hoeveelheid mest lag, zóó groot, dat die kennelijk van een ge-ruimen tijd was, zoodat geen twijfel overbleef of die

ocr page 297

283

beide runderen, althans één daarvan, had reeds meerdere dagen op die plaats afgezonderd gestaan.

In weerwil van dit een en ander is door......

........, eigenaar houder en hoeder van het

bedoelde vee bij mij, Burgemeester dier Gemeente, tot op het oogenblik geene kennisgeving gedaan, dat zich bij een of meerdere stukken vee uit zijnen koppel verschijnselen van eene besmettelijke ziekte openbaarden, zoodat zijn naam op het register van aangiften — (Model 3) niet voorkomt.

Gelijktijdig met de onmiddellijk daarop gevolgde onteigening van de bedoelde runderen, gewaardeerd op f 684.—, (volle waarde), met welke waardeering dooiden eigenaar genoegen werd genomen, heb ik — Burgemeester — dezen medegedeeld, dat de hem toekomende schadevergoeding ad /\'342,— niet zal worden uitbetaald maar op grond van art. 27 der wet van 20 Juli 1870, St.bl. N0. 131, moet worden gesequestreerd bij den gemeente-ontvanger, tot dat de bevoegde rechter — (kantonrechter) omtrent zijne verzuimde aangifte zal

hebben beslist; en is door.....alstoen volmondig

erkend, dat hij de aangifte niet had gedaan, zooals hij zegt, omdat hij zijne verplichting hiertoe onbewust was.

, den 18

Opgemaakt op den ambtseed:

De Burgemeester voornoemd,

ocr page 298

284

MODEL 47.

—o—

LIJST VAN HET RUNDVEE,

toebehoorende aan.......te......., opgemaakt door den opzichter.......krachtens art.

3 van het Koninklijk besluit van 3 October 1873, (St.bl. Nquot;. 135.)

Volg

nummers.

Beschrijving van het vee.

Bijzonderheden.

(Handteekening van den opzichter.)

NB. Deze lyst moet door den eigenaar,

houder of hoeder van het vee voor gezien geteekend worden in de kolom „bijzonderhedenquot; van het laatste nummer van het vee.

(Dagteekening.)

ocr page 299

285

ALPHABETISCH REGISTER.

(De nommers verwijzen naar bladzijden.)

Aangiften — verplichting tot — door veehouders. 231. Aangifte — ziek vee, 176.

Aansprakelijkheid wegens overtreding artt. 13 en 14. 231. Accijns — voorschriften omtrent voldoening. 163, 214. Afgesloten terreinen — verbod in- en uitvoer. 195. Afmaking — vee. 184.

„ — besmet vee. 15.

n — verdacht vee. 16.

„ — voorschriften omtrent. 151, 157 —161, 219. Afsluiting — besmet terrein. 195.

Afzondering — verdacht vee. 147, 177, 178. n — ziek vee. 11.

IB.

Bederf — voor — vatbare voorwerpen van overtreding. 200. Beenderen — opgraven van besmette. 227.

Begraven — te naaster lage. 198.

„ — schadevergoeding voor grond tot. 198. „ — van gestorven vee. 231. „ — voorschriften omtrent. 68, 196.

Besmette hoeven — afsluiting van. 21,

Besmettelijke ziekten — aanwijzing van. 24, 82, 178. „ „ — algemeene bepalingen. 117.

„ „ — bijzondere maatregelen. 182.

Besmet terrein — afsluiting van. 195.

Besmette weiden — afsluiting van. 21.

ocr page 300

REGISTER.

Besmetverklaring — termijnen voor. 183, 217. Binnentreden — woningen. 190, 202.

n v door Burgemeester. 23.

Bijzondere maatregelen bij veeziekten. 182.

Blaaruitslag — ■ maatregelen bij. 95.

Borden —- verrekening van. 139.

Borgtocht voor onteigeningssom. 194.

Brandmerk bij longziekte. 61.

Brandmerken — onkenbaar maken van. 62.

„ — oplieffing van. 63, 119.

Brandstoffen enz. — vergoeding voor. 84.

Briefport — vrijstelling van. 201.

Burgemeester — geldelijke verantwoording door. 165.

„ — overleg met den Districts-veearts. 168.

„ — tot verkoopingen bevoegd. 201.

„ — verplichtingen van den. 178.

O.

Consignatie — storting in de. 188.

ID.

Declaratiën-gelden te goeder rekening. 205.

„ voorschotten — voorschriften omtrent. 141. Districtsveeartsen. 6.

„ — bevoegdheid van. 176.

„ — verplichtingen van. 176.

Districtsveearts — verslag door. 178.

„ — vervanging van. 177.

Gr.

Gelden te goeder rekening, 20, 193, 205.

Gemeente-ontvanger — verantwoording door. 193.

Gestorven vee. 84, 85.

Gestorven vee te begraven. 231.

Gestorven vee — voorschriften omtrent. 182.

Gevallen van twijfelachtigen aard. 179.

286

ocr page 301

REGISTER.

HI.

Hoeven — afsluiting besmette. 21.

Honden — vastleggen van. 21, 196.

„ — voorschriften tegen gevaarlijke. 233. Hondsdolheid. 232.

„ — maatregelen bij. 114.

„ — wet op de. 39.

Huiden — van gestorven vee. 84.

Huidworm — maatregelen bij. 97.

I.

In beslag genomen voorwerpen — behandeling van. 25.

„ „ „ — vernietiging van. 202.

Inbeslagneming van besmet vee. 15.

In- en doorvoer van buitenslands. 11.

„ „ varkens — afwijking verbod. 171. Inenting bij longziekte. 61, 64.

„ — vergoeding bij sterven. 84.

v van vee. 217.

In- en uitvoer afgesloten terreinen. 195.

„ „ — uitzondering op verbod tot. 195. Invoer besmette plaatsen — termijnen voor. 198, „ — verbod van. 23.

J.

Justitiekosten bij veeziekten. 164.

K.

Kenmerken van verdachte plaatsen. 179.

Kennisgeving ziek vee. 11.

Kenteekenen — bepaling van de. 134. „ — plaatsen van. 13.

„ — duur der plaatsing. 181.

„ — verrekening kosten. 139.

„ — vorm van. 13, 179.

287

ocr page 302

REGISTER.

Keuring van uit nood geslacht vleesch. 226.

Klauwzeer — maatregelen bij. 116.

Kleederen •— ontsmetting bij verlaten besmette kringen. 195. Kosten longziekte — verevening. 138.

Xj.

Legerpaarden — Vétérinaire Politie. 177.

Levend vee — in beslag genomen. 25, 200.

Longziekte — maatregelen bij. 36, 58, 64, 90, 150. n — verevening kosten. 138. „ — waarneembare verschijnselen. 229.

zmi.

Maandstaten. 217.

Maatregelen bij de onderscheidene ziekten. 81.

Markten —- verbod van. 12.

Merken van vee. 181.

„ van verdacht vee 14.

Merkteeken — duur van het. 183.

Merkteekenen — opheffing van. 119.

Miltvuur — maatregelen bij. 111

INquot;.

Noodslachting — onderzoek bij. 225.

O.

Onderzoek van uit nood geslacht vee. 225. r „ verdacht vee. 225.

„ ziek vee — voorschriften omtrent. 12, 172, 178. Onteigening van besmette voorwerpen. 17. „ „ besmet vee. 15.

^ — opmerking omtrent. 157,

„ van vee. 184.

Onteigenigskosten — justificatie van. 205.

Onteigeningssom — aanbieding van. 186. v — consignatie van. 18.

„ — verbeuring van. 18.

— verhouding van den eigenaar tot de. 187.

— voorschot uit gemeentekas. 193.

288

ocr page 303

REGISTER.

Ontsmetting — bepalingen omtrent. 68, 197. B — gebouwen. 22.

„ — stallen. 224.

Ontsmettingskosten. 196.

Ontsmetting — termijn voor. 196.

Opgraving beenderen van onteigend vee. 227.

Opstalling — kosten van verplichte. 152.

Overblijfselen longziek vee — verkoop van. 206.

F.

Paardenartsen — militaire. 32.

Paarden van het leger — wet ten aanzien van. 30.

„ „ v „ — invoering wet. 153.

Premiën voor aanhaling verdacht vee. 80.

Processen-verbaal van verkoop — vleesch enz. 143—148, 208. „ „ „ — zegelrecht. 211.

IR.

Eantsoenpenningen. 212.

Eegistratierecht •— vrijstelling van. 28, 201.

Roerende voorwerpen van overtreding, 199.

s.

Schaapspokken — maatregelen bij. 101.

Schadevergoeding — verval van aanspraak op. 189. „ — voorschot van. 19, 193.

„ — wat daaruit te betalen. 194.

Schrijfloonen. 149, 226.

Schurft — maatregelen bij. 99.

Sequestratie der onteigeningssom. 189 —192.

Slachten — begin — van besmet vee. 182.

„ ten eigen bate. 216.

Staatstoezicht — veeartsenijkundig. 2, 175.

Stallen — ontsmetting van. 224.

Stal — vervoer vee naar. 145.

Statistieke opgaven. 219.

Strafbepalingen. 24, 199.

Strafvervolgingen — mededeeling afloop. 170.

289

ocr page 304

REGISTER.

T.

Tentoonstellingen — verbod van. 12.

Termijnen —■ verkorting — door ontsmetting. 224. Trichine-ziekte — maatregelen bij. 109.

Twijfelachtige gevallen. 13, 179.

u.

Uitvoer verdacht vee naar buitenslands. 60.

■V.

Vacatiegelden — plaatsverv. districtsveeartsen. 79. Varkens — afwijking verbod in- en doorvoer. 171.

— in- en doorvoer van buitenslands. 124. Vee — definitie benaming. 28, 177.

„ — in beslag genomen levend. 200, 205. Veemarkten. 226.

Vee — merkteeken voor besmet. 181.

„ — sterven van besmet. 182.

„ — vernietiging van afgemaakt of gestorven. 22. „ — vervoer van besmet. 183. „ — „ „ verdacht. 183.

Veeartsenijkuiidig Staatstoezicht — wet op \'t. 2, 175. Veehouders — verplichtingen van. 176, 231.

Veepest — maatregelen bij. 86.

Veeziekte — maatregelen tegen de. 48—55.

Verbod — in- en doorvoer van buitenslands. 45, 53. Verbranden — voorschriften omtrent. 68, 196.

Verdacht — definitie van. 183.

Verdachte plaatsen — kenmerken van. 179.

Verdacht vee — afzondering. 177.

v „ — eigen slachting. 182.

„ rl — omschrijving van. 14.

v „ — voorschriften omtrent onderzoek. 225.

Verdacht verklaring — termijnen voor. 193.

Verjaring — regeling der termijnen voor. 193.

Verkoop in beslag genomen voorwerpen. 200.

Verkoop van vleesch enz. 135, 154.

290

ocr page 305

REGISTER.

Verkoopakten — zegelrecht van. 211.

Verkoopingen •— openbare — door Burgemeester. 51, 201. „ — regelen voor. 214.

„ — verbod van. 12.

Verkoop overblijfselen longziek vee. 206. „ — processen-verbaal van. 208. „ — verklaringen wegens. 209.

Vernietigen — voorschriften omtrent. 196.

Vernietiging — besmette voorwerpen. 22.

„ — in beslag genomen voorwerpen. 202.

Verschijnselen bij longziekte. 229.

„ — waarneming van ziekte. 169.

Vervoer besmet vee. 14, 183, 150.

„ verdacht vee. 14, 183.

„ van vee langs spoorwegen enz. 120, 224. „ nu naar stal en weide. 145. „ uit afgesloten kringen. 21.

„ — uitzondering op verbod van. 21. Vervoermiddelen — kenmerken van. 60. „ — ontsmetting van. 120.

„ — vergoeding voor. 205.

Verwijdering — verdacht vee. 177.

Visitatie vee bij inlading naar buitenslands. 49, 56, 126.

„ verdacht vee. 12, 147.

Vleesch — definitie benaming. 28, 177.

„ — verantwoording kosten van verkocht. 142. „ — voorschriften omtrent verkoop. 154—160. Vlekziekte — maatregelen bij. 105.

Voor bederf vatbare voorwerpen van overtreding. 200. Voorschotten — declaration van. 141.

Voorschriften omtrent afmaking. 151.

Voorwerpen — besmette — afzondering van. 204.

„ — in beslag genomen — vernietiging van. 203.

„ — onteigening van besmette. 187.

w.

Waardeering van te onteigenen vee. 16, 185.

Weekstaten. 217.

Weide — vervoer vee naar de. 145.

291

ocr page 306

REGISTER.

quot;Weiden — afsluiting besmette. 21.

Werktuigen — tot merken — aanschaffing van. 14.

Wet — uitvoering der. 131.

Woningen — binnentreden van. 199.

z.

Zegel- cn registratierecht — proces-verbaal verkoop vleesch

enz. 143, 148

„ v „ — vrijstelling van. 28, 201, 231.

Ziek vee — afzonderen. 11.

„ „ — kennisgeving. 11.

„ „ — onderzoek van. 12, 178.

Ziekteverklaring — weerspreking van. 228. Ziekteverschijnselen — waarneming van. 169.

292

ocr page 307
ocr page 308
ocr page 309
ocr page 310