ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

. -■ -:! -vquot;-'

———

4

ocr page 4
ocr page 5

Vnk 94

KATECHISMUS

-2-

OF

CHRISTELIJK ONDERWIJS.

Eerst gredrukt op bevel van de hoogwaarde lieereu bisschoppen

VA.N

ANGERS, ROCHELLE EN LUQON.

Uit het franseh vertaald.

s

Herziene uitgave. ]Met bisschoppeiyire goedkeurimg.

ROTTERDAM.

Gedrukt voor rekening van REZ.

1 8 86.

ocr page 6

GOEDKEURING.

Deze katccbismus, op last der beroemde bisschoppen van Angers, Roebelle en Lu9on uitgegeven en sedert meer dan eene eeuw in onze kerk in gebruik, is altijd hoog geroemd geworden, zoo wegens de helderheid van voorstelling als wegens de uitnemende indeeling. Deze laatste wordt hier aan het einde dezer nieuwe uitgave duidelijk voor oogeu gesteld.

Bij deze nieuwe en nauwkeurig herziene uitgave zijn bier en daar verbeteringen in vormen uitdrukking aangebracht, die ons het gebruik er van zeer doen aanbevelen.

Gegeven te Utrecht, 1 Augustus 1886.

f JOHANNES HEY KAMP,

Aartsbisschop van Utrecht.

te Haarlem , 3 Augustus 1886. f CASPAKUS JOHANNES RINKEL,

Bisschop ran Haarlem, te Schiedam, 6 Augustus 1886. f CORNELIS DIEPEN DAAL,

Bisschop ran Deventer.

ocr page 7

KATECHISMUS

OP

CHRISTELIJK ONDERWIJS.

INLEIDING

van den katechismus of het christelijk onderwijs.

1. Vr. Wat is voor ons het noodzakelijlfste in deze wereld ?

Antw. Dat wij God kennen, Hem beminnen en dienen.

2. Vr. quot;Waarom ?

Antw. Omdat ons eeuwig geluk of eeuwig ongeluk daarvan afhangt.

3. Vr. Waar leeren wij God kennen, Hem beminnen en dienen?

Antw. In den katechismus of het christelijk onderwijs.

4. Vr. Wat is de katechismus of het christelijk onderwijs?

ocr page 8

2

Antw. Het is het onderwijs, waarin ons geleerd wordt:

I. wat God is ;

II. wat wij zeiven zijn;

III. wat God voor ons gedaan heeft; en

IV. wat wij voor Hem moeten doen.

5. Vr. Waarom wordt de katechismus christelijk onderwjjs genoemd?

Antw. Omdat wij door den katechismus onderwezen worden in de leer, die onze Heer Jezus Christus geleerd heeft, die alle christenen moeten weten en waarnaar zij allen moeten leven.

6. Vr. Is het noodig, dat wij in den katechismus onderwezen worden ?

Antw. Er is niets ter wereld, waarin wij zoo noodzakelijk moeten onderwezen zijn.

7. Vr. Waarom?

Antw. Omdat wij zonder deze wetenschap niet gelukkig kunnen zijn noch in dit, noch in het andere leven.

8. Vr. Hoe komt het, dat wij niet gelukkig kunnen zijn, zonder in den katechismus onderwezen te zijn?

Antw. Omdat wij niet gelukkig kunnen zijn

ocr page 9

zonder God te dienen, zonder Hem te kennen en zonder te weten, wat Hij van ons tot zijnen dienst wil gedaan hebben; en bijgevolg, niet zonder den katechismus te weten, waarin ons die waarheden geleerd worden.

EERSTE AFDEELING. Wat Uod is.

EERSTE LES.

God en zijne volmaaktheden.

1. Vr. Wat is God?

Antw. God is degene, die alles geschapen heeft en die Heer en Meester van alle dingen is.

2. Vr. Waarom zegt gij, dat God alles geschapen heeft?

Antw. Omdat God hemel en aarde, en al wat er in besloten is, geschapeattreeft.

3. Vr. Wat beteekenen de woorden, dat God alles geschapen heeft?

Antw. Zij beteekenen, dat God alles uit het niet heeft voortgebracht.

1*

ocr page 10

4

4. Vr. Kan raon iets uit het niet voortbrengen ?

Antw. Dat kan God alleen, die almachtig is.

5. Vr. quot;Waarom zegt gij, dat God Heer en Meester van alle dingen is?

Antw. Omdat er in de wereld niets geschiedt door eenig schepsel, dan hetgeen Hem belieft, wanneer het Hem belieft, en op die wijze, zooals het Hem belieft.

6. Vr. Heeft God een begin gehad?

Antw. Neen. God is geweest van eeuwigheid , en Hij zal wezen in alle eeuwigheid.

7. Vr. Wat wilt gij daarmede zeggen?

Antw. Ik wil zeggen, dat God altijd geweest is zonder ooit een begin gehad te hebben, en dat Hij altijd wezen zal, zonder ooiteen einde te hebben.

8. Vr. Waar is God?

Antw. Overal, in den hemel, op de aarde, en ook in de hel, waar Hij debooze geesten en zondaren straft.

ocr page 11

5

TWEEDE LES.

De allerheiligste Drievuldigheid of Drieéénheid.

1. Vr. Is er meer dan één God ?

Antw. Neen. Er is maar één God.

2. Vr. Is er ook maar één persoon in God ?

Antw. .Neen; er zijn in God drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

3. Vr. Is ieder van deze drie personen God?

Antw. Ja. De Vader is God, de Zoon is ^ God, de Heilige Geest is God.

4. Vr. Zijn dat dan niet drie Goden?

Antw. Neen. Het zijn waarlijk drie personen ; doch die drie personen zijn maar één God.

5. Vr. Hoe worden dan die drie personen L te zamen genoemd?

Antw. De allerheiligste Drievuldigheid of | Drieéénheid.

6. Vr. Wat is de Drievuldigheid ofDrie-éénheid ?

Antw. Het is één God in drie personen: Vader, Zoon en Heilige Geest.

T

ocr page 12

7. Vr, Is de eene van die drie personen niet grooter of volmaakter dan de andere?

Antw. Neen. Zij zijn elkander in alles gelijk.

8. Vr. Hoe komt het, dat die drie personen elkander in alles gelijk zijn?

Antw. Omdat zij alle drie hebben dezelfde Godheid, dezelfde wijsheid, dezelfde goedheid en dezelfde almacht.

9. Vr. Is de Vader niet vóór den Zoon geweest ?

Antw. Neen. Die drie personen zijn van eeuwigheid geweest, zoodat de een niet vóór den ander geweest is.

TWEEDE AFDEELING. Wat w jj zeiven zjjn.

EERSTE LES.

De mensch.

1. Vr. Wat is de mensch?

Antw. Een redelijk schepsel, door God naar zijn beeld en gelijkenis gemaakt.

ocr page 13

2. Vr. Waarom zegt gy, dat de mensch een redelijk schepsel is ?

; Antw. Omdat, wanneer hij iets doet, hij weet, wat hjj doet, en waarom hij het doet.

3. Vr. Waarin is de mensch naar het beeld en de gelijkenis van God gemaakt?

Antw. Hierin, dat hij een verstand heeft om de waarheid te kennen, een wil om te willen hetgeen hem behaagt, en dat hij vrij is in zijn doen en laten.

4. Vr. Waaruit bestaat de mensch?

Antw. Uit een lichaam en eene ziel.

5. Vr. Wat is het lichaam?

Antw. Het is dat stoffelijk deel van ons, dat wij met de oogen zien, met de handen voelen, en dat in verscheiden deelen kan verdeeld worden.

6. Vr. Wat is de ziel?

Antw. Het is dat geestelijk deel van ons, dat het leven aan ons lichaam geeft, en waarvan onze gedachten, onze wil en al onze werken voortkomen.

■f

7. Vr. Waar blijft onze ziel, als wij sterven?

Antw. Zij wordt van ons lichaam afge-

ocr page 14

8

scheiden; maar zij blijft in wezen, zij denkt, zij -wil en blijft bekwaam om zalig of ellendig te zijn.

8. Vr. Zoo sterft dan de ziel niet, wanneer zij van het lichaam gescheiden wordt?

Antw. Neen. Zij is onsterfelijk; dat is te zeggen: zij blijft altijd zonder te sterven of haar wezen te verliezen.

TWEEDE LES.

Het doel van het bestaan der menschen.

1. Vr. Met welk doel heeft God den mensch gemaakt?

Antw. Om hem in alle eeuwigheid zalig te maken.

2. Vr. Waarin bestaat de eeuwige zaligheid van den mensch?

Antw. In het bezit van God.

3. Vr. Wat moet de mensch doen om God te bezitten en door dat bezit zalig te worden ?

Antw. Hij moet God dienen en zijne plichten jegens God getrouw volbrengen.

4. Vr. Waarom ?

ocr page 15

9

Antw. Omdat de eeuwige zaligheid eene vergelding is, die God slechts aan zijne dienaren geeft.

5. Vr. Welke zijn de plichten van den mensch jegens God?

Antw. Daar zijn er verscheidene; doch de voornaamste, en waarin al de anderen begrepen zijn, is God bovenal te beminnen.

6. Vr. Waarom is dit de voornaamste plicht van den mensch jegens God?

Antw. Omdat de mensch, die niets is, of niets heeft, dan hetgeen hij van God ontvangen heeft, zijne dankbaarheid aan God niet kan betuigen, dan door Hem boven alle dingen te beminnen.

7. Vr. Geniet de mensch zijne zaligheid ook in dit leven ?

Antw. Neen; die zaligheid geniet hij eerst in het andere leven; maar, zoo hij waarlijk God bemint en dient, geniet hij toch in dit leven reeds geluk door den vrede Gods in zijne ziel.

8. Vr. Is dat geluk op aarde ooit volkomen ?

Antw. Neen; want dit leven heeft voor

ieder mensch veel moeiten en ellende.

ocr page 16

10

9. Vr. Waaruit komt dit voort?

Antw. Uit de zonde van onze eerste ouders.

DERDE LES.

De eerste menschen en hun oorspronkelijke staat.

1. Vr. Wie is onze eerste vader geweest?

Antw. Adam.

2. Vr. Wie was onze eerste moeder ?

Antw. Eva.

3. Vr. Hoe heeft God Adam gemaakt ?

Antw. God heeft het lichaam van Adam

van aarde gemaakt en daarna heeft Hij het leven aan het lichaam gegeven, het levend makende door eene verstandige en redelijke ziel.

é. Vr. Hoe heeft God Eva gemaakt ?

Antw. God zond een slaap over Adam, en een ribbe uit hem genomen hebbende, terwijl hij sliep, .maakte Hij het lichaam van Eva van die ribbe, en maakte dit lichaam insgeljjks levend door eene verstandige en redelijke ziel.

5. Vr. In hoedanigen staat heeft God Adam en Eva geschapen ?

Antw. God heeft hen toegerust met alle

ocr page 17

11

volmaaktheden van lichaam en ziel, die overeenkwamen met het doel, waartoe Hij hen geschapen had.

6. Vr. Welke waren de volmaaktheden des lichaams in Adam en Eva ?

Antw. Zij waren krachtig, vol leven, vrij van allerlei zwakheden, ziekten en zelfs van den dood.

7. Vr. Hoedanige volmaaktheden had hunne ziel van God ontvangen ?

Antw. Hun verstand was met eene groote wijsheid vervuld; hun wil was rechtvaardig; zij waren tot geen kwaad geneigd en hadden eene groote gemakkelijkheid om het goede te doen.

8. Vr. Hoe wordt die staat genoemd, waarin Adam en Eva geschapen zijn ?

Antw. Hij wordt gewoonlijk genoemd de staat der onschuld of der oorspronkelijke rechtvaardigheid.

9. Vr. Waar plaatste God Adam en Eva, nadat Hij hen geschapen had ?

Antw. In het aardsche paradijs.

10. Vr. Wat was het aardsche paradijs?

Antw. Het was een lusthof, waarin God

ocr page 18

12

allerlei soort vau boomen geplant had, die schoone en smakelijke vruchten droegen.

VIERDE LES.

De val of de zonde der eerste menschen.

1. Vr. Zijn Adam en Eva in dien gelukkigen staat gebleven ?

Antw. Neen; zij hebben al de gunstenen gaven, die zij van God ontvangen hadden, verloren en zijn vervallen tot al de ellenden van dit leven.

2. Vr. Hoe zijn zij uit zoo gelukkigen staat tot zoo groote ellenden vervallen?

Antw. Doordien zjj overtreden hadden het gebod, dat God hun gegeven had, toen Hij ze plaatste in het aardsche paradijs.

3. Vr. Welk gebod was dat?

Antw. Dat zij niet zouden eten van do vrucht des booms, dien de heilige schriftuur noemt: den boom der wetenschap van goed en kwaad.

4. Vr. Op wat straf had God hun verboden van deze vrucht te eten ?

ocr page 19

13

Antw. Op de straf des doods; want Hij had hen gedreigd, dat zij zouden sterven, dat is te zeggen, aan den dood onderworpen worden op denzelfden tijd, als zij van die vrucht zouden eten.

5. Vr. Wie bracht onze eerste ouders tot die ongehoorzaamheid?

Antw. De booze geest, die, wegens zijne ongehoorzaamheid verdoemd zijnde, niet kon verdragen, dat de mensch gehoorzamer was dan hij.

6. Vr. Wie is het eerst door den boozen ^ geest daartoe bekoord?

Antw. Eva, die, nadat zij van die vrucht gegeten had, daarvan gaf aan Adam, die er ook van at.

7. Vr. Welke list gebruikte die geest om Eva te bedriegen?

Antw. Hij bediende zich van de slang om haar wijs te maken, dat Adam en zij, etende van die vrucht, niet zouden sterven , maar gt; dat zij integendeel zouden zijn als goden, wetende goed en kwaad.

ocr page 20

14

VIJFDE LES.

He gevolgen van de zonden der eerste menschen voor hen en hunne nakomelingen.

1. Vr. Zijn Adam en Eva alleen schuldig geweest aan de zonde van ongehoorzaamheid ?

Antw. Al hunne nakomelingen zijn aan hunne ongehoorzaamheid deelachtig geworden en worden allen in de schuld van hunne misdaad geboren. f

2. Vr. Worden wij dan allen geboren in den staat van zonde?

Antw. Ja , alle menschen.

3. Vr. Hoe wordt die zonde genoemd, waarmede wij allen geboren worden ?

Antw. Men noemt ze erfzonde.

4. Vr. Waarom wordt zij zoo genoemd? Antw. Omdat het eene zonde is , die wij

erven en die van onze geboorte af in ons is.

5. Vr. Hoe komt deze zonde van onze eerste ouders op alle andere menschen ?

Antw. Door de geboorte, waardoor wij allen uit ben voortkomen, zoodat allen, die geboren worden , kinderen van Adam en Eva

ocr page 21

15

zijnde, ook geboren worden in de schuld van hunne ongehoorzaamheid.

6. Vr. Hoedanige straf is aan onze eerste ouders en hunne nakomelingen voor deze ongehoorzaamheid opgelegd ?

Antw. Zij zijn gebannen , en wij met hen , uit het aardsche paradijs, en wij zijn allen onderworpen aan allerlei ellenden , zoo naar het lichaam als naar de ziel.

7. Vr. Welke zijn do voornaamste ellenden des lichaams , waaraan wij door do zonde van onze eerste ouders onderworpen zijn ?

Antw. De vrouw is verwezen om niet dan met veel pijn en smart moeder te worden; de man om zijn brood te eten in het zweet zijns aansohijns ; en zij zijn beiden onderworpen aan honger , dorst, koude , hitte , ziekten en eindelijk aan den dood.

8. Vr. Welke zijn de voornaamste ellenden der ziel, waaraan wij onderworpen zijn?

Antw. Wij komen ter wereld onder de macht van den boozen geest, in een diepe onwetendheid van ons zeiven en van onze plichten, in een groote neiging tot het kwaad, buiten macht om het goede te doen

ocr page 22

16

in eenen staat van verdoemenis en eeuwige ellende.

9. Vr. Zoo zijn wij dan wel ongelukkig in deze wereld?

Antw. Dat is buiten twijfel. En onze grootste ellende is, dat wij niet alleen zijn als uitzinnige menschen , die hunne ellenden niet gevoelen , maar wij beminnen die en nemen ons vermaak er in, indien God ze ons door zijne barmhartigheid niet doet kennen en ons de begeerte instort om er van verlost te worden.

UEKDE AFDEELIlSa.

Wat God voor ons gredaan heeft.

EERSTE LES.

De Verlosser der menschen.

1. Vr. Wat heeft God gedaan voor den mensch in den ellendigen staat, waarin do zonde hom gebracht had?

Antw. Hij heeft hem eenen Verlosser gegeven , die hem uit do macht van den boozen geest getrokken en in de genade Gods hersteld heeft.

ocr page 23

17

2. Vr. Wie is die Verlosser geweest?

Antw. Jezus Christus.

3. Wie is Jezus Christus?

Antw. Het is Gods Zoon, die mensch geworden is om ons te verlossen of vrij te koopen.

4. Vr. Is Jezus Christus God?

Antw. Ja; vermits hij de ware Zoon van God is, zoo is Hij God, gelijk zijn Vader.

5. Vr. Is Hij ook mensch?

Antw. Ja; Hij is mensch gelijk wij zijn, hebbende eene ziel en een lichaam aangenomen , gelijk wij hebben.

6. Vr. Is Jezus Christus dan God en mensch te zamen ?

Antw. Ja; en daarom zijn er in Christus twee naturen : de menschelijke natuur, waardoor hij mensch is, en de goddelijke natuur, waardoor hij God is.

7. Vr. Zijn er ook twee personen in Christus?

Antw. Neen; daar is in hem maar één persoon.

8. Vr. Welke is deze persoon?

ocr page 24

16

in eeneu staat van verdoemenis en eeuwige ellende.

9. Vr. Zoo zijn wij dan wel ongelukkig in deze wereld?

Antw. Dat is buiten twijfel. En onze grootste ellende is, dat wij niet alleen zijn als uitzinnige menschen, die hunne ellenden niet gevoelen , maar wij beminnen die en nemen ons vermaak er in, indien God ze ons door zijne barmhartigheid niet doet kennen en ons de begeerte instort om er van verlost te worden.

DERDE AFDEELING. Wat Go d voor ons gedaan heeft.

EERSTE LES.

De Verlosser der menschen.

1. Vr. Wat heeft God gedaan voor don mensch in den ellendigen staat, waarin do zonde hem gebracht had?

Antw. Hij heeft hem eenen Verlosser ge- ^ geven , die hem uit de macht van den boozen geest getrokken en in de genade Gods hersteld heeft.

ocr page 25

2. Vr. Wie is die Verlosser geweest?

Antw. Jezus Christus.

3. Wie is Jezus Christus?

Antw. Het is Gods Zoon, die mensch geworden is om ons te verlossen of vrij te koopen.

4. Vr. Is Jezus Christus God?

Antw. Ja ; vermits hij de ware Zoon van God is, zoo is Hij God, gelijk zijn Vader.

5. Vr. Is Hij ook menseh?

Antw. Ja; Hij is mensch gelijk wij zijn, hebbende eene ziel en een lichaam aangenomen , gelijk wij hebben.

6. Vr. Is Jezus Christus dan God en mensch te zamen ?

Antw. Ja; en daarom zijn er in Christus twee naturen : de menschelijke natuur, waardoor hij mensch is, en de goddelijke natuur, waardoor bij God is,

7. Vr. Zijn er ook twee personen in Christus?

Antw. Neen; daar is in hem maar één persoon.

8. Vr. Welke is deze persoon?

ocr page 26

18

A.ntw. Het is de tweede persoon der allerheiligste Drieéénheid, te weten: de persoon van den Zoon Gods.

TWEEDE LES.

Komst van Jezus Christus in de wereld.

1. Vr. Hoe is de Zoon Gods mensch geworden P

Antw. Een engel boodschapte uit den naam van God aan de heilige maagd Maria, dat zij eenen zoon ontvangen zou, die de Verlosser der menschen zou zjjn. Zoodra zij daarin toestemde, is de heilige Geest in haar gedaald, en zij heeft dezen Zoon ontvangen.

2. Vr. Is dan de heilige Maagd moeder van God?

Antw. Ja; aangezien haar Zoon God en mensch is, zoo is zij waarlijk moeder van God.

3. Vr. Wie is de Vader van dezen Zoon geweest ?

Antw. Daar deze Zoon geen andere per, soon is dan de Zoon Gods, zoo heeft Hjj ook geen anderen Vader gehad, dan den eeuwigen Vader.

ocr page 27

19

4. Vr. Waar is Hij geboren?

Antw. In de stad Bethlehem.

5. Vr. Op welken dag vieren wij de herinnering aan de geboorte van Christus ?

Antw. Den vijfentwintigsten December, dien men noemt Kerstdag of Christusdag • dat is: de dag der geboorte van onzen Heer Jezus Christus.

6. Vr. Wie heeft aan dit kind den naam Jezus gegeven ?

Antw. De heilige maagd en de heilige Jozef volgens het bevel, dat zij van God ontvangen hadden.

7. Vr. Wat beteekent de naam Jezus ?

Antw. De naam Jezus beteekent: Zaligmaker of Verlosser.

DERDE LES.

Het doel van de komst des Verlossers.

1. Vr. Tot welk doel is de Zoon Gods aldus in de wereld gekomen?

Antw. Om ons te verlossen.

ocr page 28

20

2. Vr. Wat beteekent dat: om ons te verlossen ?

Antw. Dit beteekent: dat Christus in de wereld is gekomen om ons te trekken uit de slavernij des duivels , en om ons te herstellen in de genade Gods en in het recht tot het rijk der hemelen, als tot ons erfdeel,

3. Vr. Wat heeft Jezus Christus moeten doen om ons te verlossen ?

Antw. I. Hij moest het ongelijk herstellen , dat wij zijnen Vader aangedaan hadden, en Hem voldoen voor onze zonden.

II. Ons in de rechtvaardigheid en heiligheid herstellen.

III. Ons in de leer der zaligheid onderwijzen.

IV. Ons de hulp der goddelijke genade verdienen om het goede te doen.

VIERDE LES.

Eerste vereischte. — De voldoening van Jezus Christus voor onze zonden.

1. Vr. Was het noodig, dat aan God voor onze zonden voldaan werd ?

Antw. Ja; want volgens de orde der recht-

ocr page 29

21

vaardigheid moet elke misdaad door eone geëvenredigde voldoening hersteld worden.

2. Vr. Kon ook iemand anders dan de Zoon Gods voor onze zonden aan God voldoen ?

Antw. Neen, want een persoon minder dan God kon Hem geene voldoening geven, die gelijkstond met de misdaad, waarmede de mensch door zijne ongehoorzaamheid Hem vergramd had.

3. Vr. Waarom kon de mensch aan God geen voldoening geven voor zijne zonde ?

Antw. Omdat de misdaad van den mensch tegen God oneindig groot was en daarom ook eene oneindige voldoening vereischte. De mensch, die een eindig en beperkt schepsel is, kon die oneindige voldoening aan God niet geven.

4. Vr. Wat heeft Jezus gedaan om aan God voor onze zonden te voldoen ?

Antw. Hij is aan het kruis gestorven.

5. Vr. Was de dood van Jezus Christus aan het kruis eene geëvenredigde voldoening voor onze zonden ?

Antw. Ja; want de gehoorzaamheid van Jezus Christus, stervende aan het kruis , heeft

ocr page 30

22

God zoo zeer en meor geëerd, dan de meusch door zijne ongehoorzaamheid Hem onteerd had.

6. Vr. quot;Waarom heeft Jezus Christus, stervende aan het kruis, God zoo zeer en nog meer geëerd, dan de mensch Hem onteerd had door zijne ongehoorzaamheid?

Antw. Omdat de dood van Christus aan het kruis de grootste gehoorzaamheid was, en bij gevolg ook de grootste eer, die ooit aan God kon bewezen worden.

7. Vr. Waarom was de dood van Christus aan het kruis de grootste gehoorzaamheid, die ooit aan God kon bewezen worden ?

Antw. Omdat Christus God zijnde gelijk zijn Vader het dus een God was, die zich in zijnen persoon vrijwillig aan den dood heeft onderworpen als aan de straf, waartoe de goddelijke rechtvaardigheid de zondaars verwezen had.

VIJFDE LES.

Tweede vereischte. — Het herstellen tan den mensch in de rechtvaardigheid en heiligheid.

1. Vr. Wat moest Jezus Christus doen

ocr page 31

23

tot onze verlossing, nadat hij aan zijnen Vader voor onze zonden voldaan had ?

Antw. Hij moest ons herstellen in de recht-ardigheid en heiligheid, die wij door de ide van den eersten mensch verloren hadden. !. Vr. Waarom moesten wij in de recht-rdigheid en heiligheid hersteld worden ?

.ntw. Omdat God niemand aan zijne heer-ieid en aan de eeuwige zaligheid deelachtig ■kt, dan degenen, die rechtvaardig en ig zijn.

. Vr. Wat heeft Jezus gedaan, om ons ie rechtvaardigheid en heiligheid te heren?

atw. Hij heeft ons de vergiffenis onzer en verkregen, ons door zijnen dood de de verdienende, die men noemt de recht-digmakende of heiligmakende genade.

s Vr. Wat is de rechtvaardigmakende of j ^makende genade ?

) itw. Het is eene genade, die onze zielen ] alle smetten der zonden zuivert, die ons ^vaardig, heilig en aangenaam aan, God ë t, en die ons recht geeft tot het rijk lemelen, als tot ons erfdeel.

ocr page 32

22

God zoo zeer en meer geëerd, dan de meusch door zijne ongehoorzaamheid Hem onteerd had.

6. Vr. Waarom heeft Jezus Christus, stervende aan het kruis, God zoo zeer en nog meer geëerd, dun de menseh Hem onteerd had door zijne ongehoorzaamheid?

Antw. Omdat de dood van Christus aan het kruis de grootste gehoorzaamheid was, en bjj gevolg ook de grootste eer, die ooit aan God kon bewezen worden.

7. Vr. Waarom was de dood van Christus aan het kruis de grootste gehoorzaamheid, die ooit aan God kon bewezen worden ?

Antw. Omdat Christus God zijnde gelijk zijn Vader het dus een God was, die zich in zijnen persoon vrijwillig aan den dood heeft onderworpen als aan de straf, waartoe de goddelijke rechtvaardigheid de zondaars verwezen had.

VIJFDE LES.

Tweede vereischte. — Het herstellen van den mensch in de rechtvaardigheid en heiligheid.

1. Vr. Wat moest Jezus Christus doen

ocr page 33

* 23

e

tot onze verlossing, nadat hij aan zijnen Vader voor onze zonden voldaan had ?

Antw. Hij moest ons herstellen in de rechtvaardigheid en heiligheid, die wij door de zonde van den eersten mensch verloren hadden.

2. Vr. Waarom moesten wij in de rechtvaardigheid en heiligheid hersteld worden ?

Antw. Omdat God niemand aan zijne heerlijkheid en aan de eeuwige zaligheid deelachtig maakt, dan degenen, die rechtvaardig en

heilig zijn.

8. Vr. Wat heeft Jezus gedaan, om ons in de rechtvaardigheid en heiligheid te herstellen ?

Antw. Hij heeft ons de vergiffenis onzer zonden verkregen, ons door zijnen dood de genade verdienende, die men noemt derecht-vaardigmakende of heiligmakende genade.

4. Vr. Wat is de rechtvaardigmakende of heiligmakende genade?

Antw. Het is eene genade, die onze zielen ' van alle smetten der zonden zuivert, die ons rechtvaardig, heilig en aangenaam aan. God maakt., en die ons recht geeft tot het rijk der hemelen, als tot ons erfdeel.

ocr page 34

24

5. Vr. Waarom geeft ons deze rechtvaar digmakende of heiligmakende genade recht tot het rijk der hemelen, als tot ons erfdeel ?

Antw. Omdat zij, ons rechtvaardig en heilig makende, ons ook kinderen Gods maakt.

ZESDE LES.

Derde vereischte. — De leer van Jezus Christus.

1. Vr. Wat was het derde vereischte, dat Jezus Christus moest aanwenden om ons te •verlossen ?

Antw. Ons in de leer der zaligheid onderwijzen.

2. Vr. Waartoe was het noodig, dat Christus ons in de leer der zaligheid onderwees ?

Antw. Om de onwetendheid te verdrijven, waarin de zonde van onze eerste ouders ons geworpen heeft, en die zoo groot is, dat wij ter wereld komende niet weten wat God is, noch wat God van ons eischt, noch wat wij doen moeten om zalig te worden.

3. Vr. Op welke wijze heeft Jezus Christus ons in de leer der zaligheid onderwezen?

ocr page 35

25

Antw. Hij heeft ze ons geleerd door zijn eigen prediking en door het voorbeeld van zijn heilig leven, dat Hij hier op aarde geleid heeft.

4. Vr. Waar vindt men deze leer der zaligheid, die Jezus ons geleerd heeft, beschreven ?

Antw. In het heilig Evangelie.

5. Vr. Wat is het heilig E,vangelie? Antw. Het is de geschiedenis of het verhaal van hetgeen onze Heer Jezus Christus gedaan en geleerd heeft, terwijl Hij hier op aarde met de raenschen heeft omgegaan.

\ ZKVENDE LES.

Vervolg.

1. Vr. Waarin bestaat de leer, die Christus | ons geleerd heeft ?

Antw. Zij bestaat in de kennis van hetgeen wij moeten doen om christelijk te leven.

\ 2, Vr. Wat is christelijk leven ?

Antw. Christus navolgen in het heilig leven, waarin Hij ons is voorgegaan, en onze zeden schikken naar de goddelijke grond-

2

ocr page 36

26

regelen van liet Evangelie, dat Hij ons verkondigd heeft.

3. Vr. Is het noodzakelijk, dat wij een christelijk loven leiden ?

Antw. Het is de eenige weg, waardoor wij kunnen zalig worden en na onzen dood gelukkig zijn.

4. Yr. quot;Wat moet men doen om christelijk te leven ?

Antw. Het kwaad vluchten en het goed doen.

5. Vr. Welk kwaad moet een christen vluchten ?

Antw. De zonde.

6. Vr. Welk goed moet een christen doen? A.ntw. De christelijke deugden beoefenen

en de geboden Grods onderhouden.

7. Vr. Hoeveel christelijke deugden zijn er? Antw. Er zijn er voornamelijk drie: het

geloof, de hoop en de lielde.

ACHTSTE LES. Be zonde. 1. Vr. Wat noemt men zondek

ocr page 37

27

Anlw. Alle gedachten, begeerten, woorden, werken en verzuimen van den mensch, die aan Grod mishagen.

2. Vr. Waarom moeten wij do zonde vluchten ?

Antw. Omdat zij strijdt tegen den wil van God, die altijd rechtvaardig en heilig is.

3. Vr. Hoe velerlei soort van zonden is er ?

Antw. Tweeërlei: erfzonde en dadeljjke zonde.

4. Vr. Wat is de erfzonde ?

Ant. Erfzonde is de zonde, waarmede wij allen ter wereld komen en waaraan wij door de ongehoorzaamheid van onze eerste ouders schuldig geworden zijn.

5. Vr. Wat is de dadelijke zonde?

Antw. Dadelijke zonde is de zonde, die ieder mensch door zijn eigen wil doet, nadat hij tot het gebruik van zijn verstand gekomen is.

6. Vr. Hoe velerlei soort van dadelijke zonden is er ?

Antw. Tweeërlei: doodzonde en dagelijk-sche zonde.

2*

ocr page 38

28

7. Vr. quot;Wat is doodzonde ?

Antw. Het is eene zonde, waardoor God zwaar vertoornd wordt, die ons de genade Gods doet verliezen, die onze ziel doodt en ons werpt in den staat van verdoemenis.

8. Vr, Wat is dagelijksche zonde ?

Antw. Het is eene lichtere zonde, die ons

de genade Gods niet geheel en al doet verliezen en om welke men niet verdoemd zou worden, maar die nochtans aan God mishaagt en eene groote straf waardig is.

NEGENDE LES De hoofdzonden.

1. Vr. Tot hoevele hoofdsoorten brengt men gewoonlijk de verschillende zonden, waar de mensch in valt?

Antw. Tot zeven, die men daarom de zeven hoofdzonden noemt.

2. Vr. Welke zijn die zoven hoofdzonden ? Antw. Hoovaardigheid, nijd, gierigheid,

onkuischheid, gulzigheid, gramschap, traagheid.

3. Vp. Wat ia de hoovaardigheid ?

ocr page 39

29

Antw. Een ongeregelde liefde tot onze eigene grootheid, die ons aandrijft om niets dan ons zeiven te achten , den evennaaste te versmaden en ons, zooveel het in onze macht is, boven hem te verheffen.

4. Vr. Wat is de nijd?

Antw. Een misnoegen, dat wij in ons zeiven hebben over het geluk van onzen evennaaste. ^

5. Vr. Wat is de gierigheid ?

Antw. Eene ongeregelde liefde tot de aardsche goederen , die ons deze met al te groote drift doet zoeken,, wanneer zij ons ontbreken ; of die ons de goederen, welke wij bezitten, met al te groote aanhankelijkheid doet bewaren.

6. Vr. Wat is de onkuischheid ?

Antw. Eene ongeregeldheid in onze gedachten , begeerten, woorden en werken ten opzichte van de oneerlijke vermaken des vleesches.

7. Wat is de gulzigheid?

Antw. Eene ongeregelde genegenheid tot het gebruik van spijs en drank.

8. Vr. Wat is de gramschap?

ocr page 40

30

Antw. Eene ongeregelde beweging, die ons met hevigheid, en ook dikwijls met kracht en geweld, van ons doet afweren al wat ons mishaagt of verstoort.

9. Vr. Wat is de traagheid ?

Antw, Eene onachtzaamheid en flauwheid in het volbrengen van onze plichten en voornamelijk van die, welke wij aan God verschuldigd zijn.

TIENDE LES.

Het christelijk geloof.

1. Vr. Wat is het christelijk geloof?

Antw. Een licht, dat God in onze ziel

stort om ons mot eene volkomen onderwerping des harten en des verstands te doen gelooven de geheimen en de waarheden, die Hjj aan zijne kerk geopenbaard heeft.

2. Vr. Waarom zegt gij, dat God dit licht in onze ziel stort ?

Antw. Omdat wij het geloof niet kunnen hebben, dan door eene bijzondere gunst en genade van God.

3. Vr. Wanneer hebben wij dan dat Christel jjk geloof?

ocr page 41

31

Antw. Als wij met eene vaste zekerheid en zonder eenigen twijfel gelooveu al wat God zich verwaardigd heeft ons tot onze zaligheid te openbaren.

4. Vr. Waar vindt men de voornaamste waarheden beschreven, die wij gelooven moeten om zalig te worden ?

Antw. In het geloofsbegrip der apostelen.

ELFDE LES.

Het geloofsbegrip der apostelen.

1. Vr. Wat is het geloofsbegrip der apostelen ?

Antw. Een kort begrip van de voornaamste geheimen en waarheden, waarvan ieder christen moet onderricht zijn.

2. Vr. Waarom wordt het genoemd het geloofsbegrip der apostelen ?

Antw. Omdat velen van gevoelen zijn, dat de apostelen het gemaakt hebben, maar vooral, omdat het de leer behelst, die do apostelen op bevel van Christus door de geheele wereld verkondigd hebben.

ocr page 42

32

3. Vr, Waarom werd dit geloofsbegrip gemaakt ?

Antw. Opdat het zou dienen tot een kenteeken, waaraan men degenen, die het christelijk geloof omhelsd hadden , zou onderkennen.

4. Vr. Hoeveel artikelen zijn er in het geloofsbegrip ?

Antw. Twaalf.

5. Vr. Zeg het geloofsbegrip op.

Antw. I. Ik geloof ia God, den almach-tigen Vader, Schepper van hemel en aarde.

II. En in Jezus Christus, zijnen eenigen Zoon, onzen Heer ;

III. Die ontvangen is van den heiligen Geest, geboren uit de reine maagd Maria;

IV. Die geleden heeft onder Pontius Pi-latus; die gekruist, gestorven en begraven is;

V. Die nedergedaald is ter hel en ten derden dage verrezen van de dooden;

VI. Die opgeklommen is ten hemel; zit aan de rechterhand van God , zjjn almachtigen Vader;

VII. En van daar zal komen oordeelen de levenden en de dooden.

VIII. Ik geloof in den heiligen Geest.

ocr page 43

33

IX. De heilige katholieke kerk, gemeenschap der heiligen.

X. Vergeving der zonden.

XI. Verrijzenis des vleesehes.

XII. En het eeuwig leven. Amen.

TWAALFDE LES.

Uitlegging der eerste zeven .artikelen van het geloofsbegrip.

1. Vr. Leg ons uit het eerste artikel van het geloofsbegrip : Ik geloof in God , den al-machtigen Vader, Schepper van hemel en aarde.

Antw. Ik geloof, dat is te zeggen: ik houd voor zeker , zonder eenigen twijfel, dat er een God is, die Vader is van een Zoon, welke Hem volkomen gelijk is , en die door zijne almacht hemel en aarde, en alle andere schepselen van niets gemaakt heeft.

2. Vr. Verklaar ons het tweede artikel: En in Jezus Christus zijnen eenigen Zoon, onzen Heer.

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus de waarachtige en eenige Zoon Gods is, en dat Hij onze ware Heer en Meester is, als heb-

f

i.

ocr page 44

34

bende ons uit de macht dos duivels verlost en door den prijs van zijn bloed vrijgekocht.

3. Vr. Leg het derde artikel uit: Die ontvangen is van den heiligen Geest, geboren uit de reine maagd Maria.

Antw. Ik geloof, dat de ziel en het lichaam . van Jezus Christus door eene bijzondere werking van den heiligen Geest zijn voortgebracht in het lichaam van de heilige maagd, waaruit dezelfde Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig Mensch geboren is, zonder de maagdelijke waardigheid zijner moeder te krenken.

4. Vr. Leg het vierde artikel uit: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus; die gekruist , gestorven en begraven is.

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus, nadat Hij veel geleden had, door Pontius Pilatus verwezen is om aan een kruis gehecht te worden , waaraan Hij gestorven is om ons de vergiffenis van onze zonden te verkrijgen, en waarvan zijn lichaam daarna is afgedaan om in bet graf gelegd te worden.

5. Vr, Leg het vijfde artikel uit: Die nedergedaald is ter hel en ten derden dage verrezen van de dooden.

ocr page 45

35

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus na zijnen dood is nedergedaald ter plaatse, waar ^ de zielen der gestorven rechtvaardigen waren; en dat Hij, nadat zijne ziel zich wederom met zijn lichaam vereenigd had, op den derden dag verrezen is en levend uit het graf, waarin Hij gelegd was, is opgestaan.

6. Vr. Leg het zesde artikel uit: Die opgeklommen is ten hemel; zit aan de rechterhand van God, zijn almachtigen Vader.

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus veertig dagen na zijne verrijzenis zichtbaar ten ♦ hemel opgeklommen is, en dat hij alle macht in hemel en op aarde in volkomen rust bezit.

7. Vr. Leg het zevende artikel uit: En die van daar zal komen oordeelen de levenden en de dooden.

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus op het einde der wereld in zijne heerlijkheid zal nederdalen van den hemel en. alle men-schen zal komen oordeelen om aan een ieder te geven het loon of de straf, die hij door zijn goed of kwaad leven zal verdiend hebben.

ocr page 46

36

DERTIENDE LES.

Uitlegging van de laatste vijf artikelen van „ het geloofsbegrip.

1. Vr. Leg het achtste artikel van het geloofsbegrip uit: Ik geloof in den heiligen Geest.

Antw. Ik geloof, dat de heilige Geest de derde persoon is van de allerheiligste Drieéénheid, en dat Hij aan den Vader en den Zoon in alles gelijk is.

2 Vr. Leg het Legende artikel uit: De heilige katholieke kerk, gemeenschap der Heiligen.

Antw. Ik geloof, dat al de geloovigen te zamen een lichaam of gemeente maken, die de kerk genaamd wordt; dat die kerk heilig is, omdat men nergens heilig leeft, dan in die gemeente; en dat zij katholiek of algemeen is, omdat zij behoort tot alle tijden en tot alle plaatsen.

3. Vr'. Wat beteekenon deze woorden: Gemeenschap der heiligen? /

Antw. Zij leeren ons, dat alle gunsten en weldaden, die God geeft aan de lidmaten der kerk, en ook dat alle goede werken, die door

ocr page 47

37

hen gedaan worden, aan het geheele lichaam gemeen zijn, en dat ieder bijzonder lidmaat daaraan deelachtig wordt.

4. Vr. Leg het tiende artikel uit: Vergeving der zonden.

Antw. Ik geloof, dat Jezus Christus aan de katholieke kerk, en aan geene andere vergadering of gemeente, de macht gegeven heeft om de zonden te vergeven aan degenen , die] de middelen gebruiken, welke Hij ten dien einde heeft ingesteld.

5. Vr. Leg het elfde artikel uit: Verrijzenis des vleesches.

Antw. Ik geloof, dat allen, die van het begin der wereld af gestorven zijn, op den jongsten dag verrijzen zullen in dezelfde lichamen, die zij in dit leven gehad hebben.

6. Vr. Leg hot twaalfde artikel uit: Het eeuwig leven.

Antw. Ik geloof, dat de rechtvaardigen na de verrijzenis in eeuwigheid een gelukzalig leven zullen genieten; en dat integendeel de goddeloozen zullen wezen in eene ellende, die nooit einde zal hebben en die voor hen een eeuwige dood zijn zal.

ocr page 48

38

VEERTIENDE LES.

De christelijke hoop.

1. Vr. Wat is de christelijke hoop ?

Antw. Een vast betrouwen, dat men van

God zal verkrijgen al wat Hij ons beloofd heeft.

2. Vr. Waarop steunt dit vast betrouwen? Antw. Op de almacht van God en op zijne

oneindige goedheid.

3. Vr. Hoe dat?

Antw. Vermits God almachtig is, zoo zijn wij verzekerd, dat Hij ons kan geven wat Hij ons beloofd heeft, en vermits Hij oneindig goed is, zoo moeten wij niet twijfelen, of H-j wil het ons geven.

4. Vr. Welke goederen doet ons de christelijke hoop van God verwachten?

Antw. Onze eeuwige zaligheid en al wat ons noodig is om daartoe te geraken.

5. Vr. Is het groote zonde niet op God te hopen ?

Antw. Ja, want dat is of aan zijne almacht' twijfelen, alsof Hij ons niet kon geven, wat

ocr page 49

39

Hij ons beloofd heeft, óf aan zijne goedheid, alsof Hij ons wilde bedriegen in hetgeen Hij ons beloofd heeft.

6. Yr. Zondigt men niet somtijds door een verkeerd vertrouwen op de goedheid Gods ?

Antw. Dit gebeurt somtijds in de zondaren, die zich inbeelden, dat God hun do zonden vergeven zal, zonder dat zij daarvoor boetoefening doen ; of die zich tot zondigen begeven met deze inbeelding : dat zij niet zullen sterven in den staat van verdoeming.

VUFÏIBNJJS LES.

De christelijke liefde.

a. Ue liefde tot God.

1. Vr. Wat is de christelijke liefde P

Antw. Eene liefde, waardoor Qod bemind

wordt om Hem zeiven en de evennaaste om God.

2. Vr. Wat is dat: God beminnen om Hem zeiven?

- Antw. Hem beminnen ;ronder inzicht van eigenbaat en zonder voor de liefde, die wy

ocr page 50

■10

Hem toedragen, eenig ander goed of loon te verwachten dan Hem zeiven.

3. Vr. Zijn wij verplicht God te beminnen?

Antw. Wij zijn hier in de wereld met

geen ander doel; en wij hebben geen godsdienst, dan voor zooveel wij God beminnen.

4. Vr. Waarom hebben wij geen godsdienst , dan voor zooveel wij God beminnen ?

Antw. Omdat de godsdienst niet anders is, dan eene gehechtheid van het redelijk schepsel aan God; en het redelijk schepsel hecht zich nergens aan dan door de liefde.

5. Vr. Welke maat moeten wij houden in de liefde, waarmede wij God beminnen?

Antsv. De maat van God te beminnen, is Hem te beminnen zonder maat; dat is te zeggen, uit geheel ons hart, uit geheel ons verstand en uit geheel onze ziel; met één woord, Hem te beminnen boven alle dingen.

6. Vr. Wat is God boven alle dingen beminnen ?

Antw. Niets zoozeer of meer beminnen dan God.

ocr page 51

41

ZESTIENDE LES.

Vervolg.

b. De liefde tot den evennaaste.

1. Vr. Wat is den evennaaste beminnen om God ?

Antw. Hem beminnen, omdat hij het werk van God is, en omdat hij, evenals wij, hierin de wereld met geen ander dool is, dan om God te beminnen, te dienen en te verheerlijken.

2. Vr. Welken regel moeten wij houden in de liefde tot den evennaaste ?

Antw. Wij moeten hem beminnen als ons zeiven.

3. Vr. Wanneer beminnen wjj den evennaaste als ons zeiven?

Antw. Als wij hem toewenschen en zooveel mogelijk bezorgen hetzelfde goed, dat wij wensehen en zoeken voor ons zeiven.

4. Vr. Welk goed moeten wij wensehen en bezorgen aan den evennaaste, gelijk aan ons zeiven?

Antw. Dat hij God beminne. Hem diene en verheerlijke gelijk wij zelven Hem willen beminnen, dienen en verheerlijken.

ocr page 52

42

5. Vr. Is dat den evennaaste oprecht beminnen ?

Antw. Ja. Men bemint hem nooit oprecht, dan als men hem op deze wijze bemint; want anders wenscht men hem het grootste goed niet toe, dat hij kan bezitten.

G. quot;Vr. Wat beweegt ons om den evennaaste te beminnen ?

Antw. De liefde, waarmede wij God beminnen.

7. Vr. Hoe beweegt ons de liefde voor God om den evennaaste aldus te beminnen?

Antw. Omdat, wanneer wij God oprecht beminnen, wij wensehen en doen al wat in ons is, opdat Hij bemind, gediend en verheerlijkt worde door alle schepselen, die bekwaam zijn om Hem te beminnen.

8. Vr. Wie is onze evennaaste, dien wij aldus moeten beminnen ?

Antw. Alle menschen in het algemeen, vermits zij allen bekwaam zijn om God te beminnen en te verheerlijken, en allen, evenals wij, kunnen zalig worden door het,bezit van Gud en door het genot van zijne heerlijkheid.

ocr page 53

43

ZEVENTIENDE LES.

De geboden Gods.

1. Vr, Waaruit blijkt het, dat men God bemint ?

Antw. Uit het onderhouden yan zijne geboden.

2. Vr. Waarom is dat een toeken , dat men God bemint ?

Antw. Omdat hij, die God bemint, zijn behagen heeft in het nauwkeurig volbrengen van den goddelijken wil.

3. Vr. Wat noemt gij de geboden Gods ?

Antw. De wetten en bevelen, die Hij zelf

ons gegeven heeft om ons voor te schrijven, hoe wij ons ten opzichte van Hem en van den evennaaste moeten gedragen.

4. Vr. Hoeveel geboden Gods zijn er ?

Antw. Tien.

5. Vr. Zeg de tien geboden op.

Antw. I. Boven al bemint een God.

II. Niet ijdelijk zweert noch spot.

III. Den dag des Heeren zult gij vieren.

IV. Eert vader en moeder met goede manieren.

ocr page 54

44

V. Met wil of met werken slaat niemand dood.

Vf. Doet geen overspel noch onkuischheid snood.

VIL Wacht u van stelen en onrechtvaardig leven.

VIII. Gij zult geen getuigenis der vaïsch-heid geven.

IX. Begeert niemands echtgenoot;

X. Noch iemands goed, hetzij klein of groot.

of anders :

1. Bemin God boven al.

,2. Wacht u van ijdel zweren.

3. Vier heilig 's Heeren dag.

4. Wil steeds uw ouders eeren.

5. Berokken niemands dood.

6. Ga 't echtverbond niet breken.

7. Steel nooit eens anders goed.

8. Hoed u voor leugenspreken.

9. Begeer geen naastes vrouw ;

10. Noch iets wat hem behoort.

ocr page 55

45

ACHTTIENDE LES.

Uitlegging van de eerste vijf geboden Gods.

1. Vr. Wat beveelt God ons door het eerste gebod: Bemin God boven al ?

Antw. Hij beveelt ons, dat wij Hem de opperste eer geven, die Hem toekomt, door Hem te erkennen voor onzen Schepper, van wien wij in alles afhankelijk zijn; en dat wij de godsdienstige en eerbiedige genegenheden, die wij zijner goddelijke majesteit toedragen, door onze uiterlijke werken bewijzen.

2. Vr. Hoe kunnen wij aan God de opperste eer geven, die Hem toekomt ?

Antw. Door Hem boven al te beminnen.

3. Vr. quot;Waarom dat?

Antw. Omdat hij, die God boven al bemint, Hem acht boven alle dingen en zich aan Hem onderwerpt op de allervolmaaktste eii uitmuntendste wijze, waarop een redelijk schepsel kan onderworpen zijn,

4. Vr. Verbiedt ons dit gebod de heilige maagd Maria of andere heiligen te eeren?

y Antw. Verre van daar. Integendeel uit dit gebod volgt, dat wij ze moeten eeren

ocr page 56

46

waut wij moeten beminnen en eeren al degenen, die God beminnen en die God zelf met zijne liefde vereert.

5. Vr. Wat verbiedt God ons door het tweede gebod : Wacht u van ijdel zweren ?

Antw. Hij verbiedt ons zijnen heiligen naam zonder noodzakelijkheid tot getuige te roepen; vooral valsch te zweren, of te zweren als wij er niet toe verplicht zjjn, of ook wanneer wij niet verzekerd zijn, dat hetgeen wij zeggen waarheid is.

G. Vr. - Wat beveelt God ons door het derde gebod: Vier heilig 's Heeren dag ?

Antw. Hij gebiedt ons éénen dag van de week, te weten den zondag , aan zijnen dienst toe te heiligen, door ons te onthouden van alle slavelijke werken, en dien dag door te brengen in den lof van zijnen heiligennaam, in het gebed en in werken van godvruchtigheid.

7. Vr. Wat beveelt God ons door bet vierde gebod: Wil steeds uwe ouders eeren ?

Antw. Hij beveelt ons aan onze ouders on aan allen, die eenig gezag over ons hebben, de eer te geven, die hun toekomt, hun

ocr page 57

47

te gehoorzamen in hetgeen zij ons gebieden, hun eerbied te bewijzen en hen met al ons vermogen te helpen, wanneer zij onze hulp van noode hebben.

8, Vr. quot;Wat verbiedt God ons door het vijfde gebod: Berokken niemanda dood ?

Antw. Hij verbiedt ons het leven aan onzen evennaaste te benomen , ja zelfs hem te slaan, te kwetsen of te verongelijken in zijn persoon of in zijne oei-, hetzij door ons zeiven, hetzij door onzen raad, aanleiding of bevel.

NEGENTIENDE LES.

Uitlegging van de laatste vijf geboden Gods,

1. Vr. Wat verbiedt God ons door het zesde gebod: Ga 't echtverbond niet breken?

Antw. Hij verbiedt ons alle woorden en werken, die tegen de zuiverheid des lichaams strijden.

2. Vr. Wat verbiedt God ons door het zevende gebod: Steel nooit eens anders goed?

Antw. Hij verbiedt ons het goed van onzen evennaaste te nemen door rooverij, door dieverij, door geweld, door bedrog of op

ocr page 58

48

eenige andere onrechtvaardige wijze ; of ook het tegen zijnen wil en dank te houden, al hadden wij het niet onrechtvaardig genomen.

3. Vr. Wat verbiedt God ons door het achtste gebod: Hoed u voor lengenspreken ?

Antw. Hij verbiedt ons valsche getuigenis te geven, wanneer wij in het recht geroepen worden; kwalijk van den evennaaste te spreken en te liegen, op wat manier het ook zou mogen wezen.

4. Vr. Wat verbiedt God ons door het negende gebod: Begeer geen naastes vrouw ?

Antw. Hij verbiedt ons niet alleen de vrouw van onzen evennaaste te misbruiken of eenig uitwendig werk van onkuischheid te plegen, maar ook zelfs den wil of de begeerte daartoe te hebben, hoewel men het niet volbrengt.

5. Vr. Wat verbiedt God ons door het tiende gebod: Noch iets, wat hem behoort?

Antw. Hij verbiedt ons het goed van onzen evennaaste te begeeren om ons eigen goed te vermeerderen en ons alzoo tot zijn nadeel te verrijken.

ocr page 59

49

TWINTIGSTE IjES.

Vierde vereischte. — De hulp der goddelijke genade verdienen om het goede te doen.

1. Vr. Was het genoeg, dat Christus ons in de leer der zaligheid onderwezen had?

Antw. Neen; maar het was ook noodig, dat Hij ons de kracht gaf om te doen hetgeen Hij ons geleerd heeft.

2. Vr. Waarom was het noodig, dat Christus ons de kracht gat' om te doen hetgeen Hij ons geleerd heeft?

Antw. Omdat wij door de zonde van Adam onmachtig geworden zijn om eenig goed te doen tot onze zaligheid.

3. Vr. Wat heeft Christus gedaan om ons de kracht te geven om te doen hetgeen Hij ons geleerd heeft?

Antw. Hij heeft door zijnen dood verdiend, dat God ons de genade zou geven, die ons noodig is om christelijk te leven.

4. Vr. Wat is de genade van God?

Antw. Het is eene hulp of kracht, die

God ons geeft om te overwinnen hetgeen

3

f „3

ocr page 60

50

ons tot kwaad drijft, en om het goede te doen, dat Hij van ons eischt.

5. Vr. Is ons deze genade npodig om christelijk to loven ?

Antw. Zij is ons zoo noodig, dat wij niet alleen zonder deze genade niets vermogen te doen tot onze zaligheid, maar ook zelfs den wil of de gedachten daartoe niet kunnen hebben.

6. Vr. Kunnen wij iets doen om die genade te verdienen ?

Antw. Wij kunnen niet met al doen om de eerste genade te verdienen, waardoor wij ons tot God beginnen te keeren; maar wij moeten die ontvangen als een gift van Gods loutere barmhartigheid.

7. Yt. Is het genoeg, dat God ons die eerste genade geve?

Antw. Neen; maar tot ieder goed werk hebben wij een nieuwe hulp of genade van noode; en vooral hebben wij een biiizondere genade noodig om ten einde toe in zijnen goddelijken dienst te volharden.

8. Vr. Welke zijn de gewone middelen, waardoor wij de genade Gods ontvangen ?

ocr page 61

51

Antw. Daar zijn er twee: het gebed en de sakramenten.

EEN EN TWINTIGSTE LES.

Het gebed.

1. Vr. quot;Wat is het gebed ?

A-ntw. Eene verheffing van onze ziel tot God om onze behoeften aan Hem te vertoonen en om de hulp zijner genade in onze geestelijke en lichamelijke ellenden te verzoeken.

2. Vr. Moeten wij dikwijls bidden?

Antw. Ja; want onze ellenden hebben

geen einde, zoolang wij in dit leven zijn ; en wij hebben gestadig den bijstand van God noodig om er van verlost te worden; derhalve moeten wij gedurig en zonder ophouden bidden.

3. Vr. Hoe kunnen wij zonder ophouden bidden ?

Antw. Wij bidden zonder ophouden, als wij gedurig verlangen met God vereenigd te zijn; als wij al onze werken, ook de aller-geringsten, doen in eene volkomen onderwerping aan zijnen heiligen wil.

3*

t

ocr page 62

52

4. Vr. Zijn er vele christenen, die God gedurig bidden ?

Antw. Daar zijn er zeer weinigen, omdat de wereldsohe handel en de zorgvuldigheden des levens hunne harten bijna geheel innemen en hen beletten zich zoo ijverig en zoo gestadig met God te bekommeren, als zij wel zouden schuldig zijn.

5. Vr. Wat moeten wij doen om hierin te voorzien?

Antw. Wij moeten eenigen tijd van den dag nemen, bij voorbeeld 's morgens en 's avonds, om ons met God bezig te houden, Hem te aanbidden en te loven, Hem te danken voor zijne ontvangene genadegiften en om die, welke wij nog van noode hebben, van Hem te verzoeken.

TWEE EN TWINTIGSTE LES. Het gebed des Heeren.

1. Vr. Wat is het voornaamste gebed, waarmede wij God moeten bidden ?

Antw. Het gebed, dat Jezus Christus, onze Zaligmaker, zelf ons geleerd heeft,

ocr page 63

53

en dat daarom het gebed des Heeren genoemd wordt.

2. Vr. Waarom is dit het voornaamste gebed, waarmede wij God moeten bidden ?

Antw. Omdat onze Zaligmaker zelf het ons geleerd heeft; en bovendien omdat het in zich behelst al wat wij van God moeten verzoeken, zoodat al onze andere gebeden hierop moeten neerkomen.

3. Vr. Zeg het gebed des Heeren op.

Antw. Onze Vader, die in de hemelen

zijt! Geheiligd zij uw naam. Uw rijk toe-kome. Uw wil geschiede op de aarde, zooals in den hemel. Geef ons heden ons dage-lijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. Amen.

4. Vr. Wat beteekenen deze woorden: Onze Vader, die in de hemelen zijt?

Antw. Drie dingen. I. Dat wij tot God moeten naderen als tot onzen Vader, die ons het leven gegeven heeft, die ons in het leven onderhoudt en die ons erfgenamen van zijn rijk wil maken. II. Dat wij dit gebed

ocr page 64

54

moeten doen in den geest van vereeniging, en niet alleen voor ons zeiven, maar ook voor alle menschen, die onze broeders zijn. III. Dat wij voornamelijk niet de goederen der aarde, maar de hemelsche goederen van God moeten verzoeken.

5. Vr. Hoeveel dingen verzoeken wij van God in dit gebed?

Antw. Zeven.

DRIE EN TWINTIGSTE LES.

Uitlegging van het gebed des Hecren.

1. Vr. Wat verzoeken wij van God door deze woorden: Geheiligd zij uw naam ?

Antw. Wij bidden Hem, dat Hij ons en allen menschen de genade vergunne om zijnen heiligen naam te kennen, te loven, te beminnen en te verheerlijken.

2. Vr. Wat verzoeken wij van Hem, als wij zeggen: Uw rijk toekome ?

Antw. Wij verzoeken van Hem, dat Hij door zijne genade als Koning in ons heersche door onzen wil aan den zijnen te onderwerpen, opdat wij eens met Hem zijne heerlijkheid mogen deelen.

ocr page 65

55

3. Vr. Wat verzoeken wij door deze woorden : Uw wil geschiede op de aarde, zooals in den hemel ?

Antw. Wij bidden Hem, dat, gelijk de engelen en de höiligen in den hemel met liefde en vaardigheid zijnen wil volbrengen, wij ook op de aarde aan zijne geboden mogen gehoorzamen en ons onderwerpen aan al wat Hem gelieft ons toe te schikken.

4. Vr. Wat verzoeken wij, als wij zeggen: Geef ons heden ons dagelijkscb brood?

Antw. Wij verzoeken van God, dat Hij ons dagelijks de genade geve, die ons tot voedsel onzer zielen noodig is, en ook het brood en de andere dingen, die wij tot voedsel van ons lichaam noodig hebben.

5. Vr. Wat verzoeken wij van Hem, als wij zeggen : Vergeef ons onze schulden, geljjk ook wij vergeven onzen schuldenaren?

Antw. Wij bidden Hem om vergiffenis van al de misdaden, waarmede wij Hem vergramd hebben , betuigende: dat wij van onzen kant, uit liefde tot Hem, vergeven aan degenen, die tegen ons misdaan hebben.

ocr page 66

36

6. Vr. Wat verzoeken wij door deze woorden : Leid ons niet in bekoring ?

Antw. Wij verzoeken van God de hulp zijner genade om te wederstaan aan het geweld van onze vijanden, dat is: van den duivel, de wereld en het vleesch, die ons zoeken te verleiden om Hem te vergrammen en ons alzoo uit zijne vriendschap te doen vervallen.

7. Vr. Wat verzoeken wij, als wij zeggen: Maar verlos ons van den kwade ?

Antw. Wij bidden God, dat Hij ons ver-losse van de ellenden en kwellingen dezes levens, van de slavernij der zonde en des duivels, en van de ellenden van het andere leven, welke zijn het vagevuur en de hel.

VIER EN TWINTIGSTE LES.

De aanroeping der heilige maagd en andere heiligen.

1. Vr. Mogen en behooren wij de heiligen te bidden?

Antw. Ja, maar alleen, opdat zij met ons zouden bidden, opdat wij door huane voorspraak van God verkrijgen de genadegiften,

ocr page 67

57

die wij niet anders dan van zjjne goddelijke barmhartigheid verwachten moeten.

2. Vr. Van welke heiligen zullen wij de gebeden verzoeken?

Antw. In het algemeen van alle heiligen, omdat zij allen door God bemind worden ; en bijzonder van onze patronen en van diegenen , voor wie wij een bij zonderen eerbied hebben; maar vooral van de heilige maagd, de moeder onzes Heeren Jezus Christus.

3. Vr. Waarom moeten wij bijzonder do gebeden van de heilige maagd verzoeken?

Antw. Omdat zij, zijnde de moeder van Hem, die de oorsprong is van alle genade, krachtiger voor ons spreekt bij dengenen, die haar zoozeer bemind heeft, dat Hij haar onder alle schepselen verkoren heeft om zijne moeder te wezen.

4. Vr. Hoe zal men de heilige maagd Maria bidden ?

Antw. Met de gebeden, die door de heilige kerk zijn goedgekeurd, en bijzonder met de groe-tenis des engels, genaamd : het wees geokoet.

5. Vr. Zeg de groetenis des engels op.

Antw. Wees gegroet, Maria! vol van ge-

ocr page 68

60

(de sakramcnten der levenden) bewaren ons in deze vriendschap en vermeerderen die ook, nadat wij ze verkregen hebben.

6. Vr. Hoeveel sakramenten zijn er?

Antw. Zeven: de Doop, het Vormsel, het heilig sakrament des Altaars, het sakra-ment van Penitentie, het laatste Oliesel, het Priesterschap en het sakrament des Huwelijks.

ZES EN TWINTIGSTE LES.

De Doop.

1. Vr. Wat is de Doop?

Antw. Een sakrament, dat ons zuivert van al onze zonden, en bijzonder van de erfzonde, en dat ons christenen en kinderen Gods maakt.

2. Vr, Waardoor worden wij christenen? Antw. Door het ontvangen van de genade

der verlossing, die Christus ons door zijnen dood verdiend heeft.

3. Vr. Hoe geeft men den Doop?

Antw. Men stort water uit op het hoofd

of eenig ander lichaamsdeel van dengenen, dien men doopt, zeggende deze woorden

ocr page 69

61

N. Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes.

4. Vr. Wat werkt dit sakrament in dengenen j die gedoopt wordt?

Antw. Het zuivert hem van de erfzonde en van alle andere zonden, die hij vóór zijn Doop kan gedaan hebben, indien hij tot de jaren van verstand gekomen is. Het maakt hem een kind Gods en geeft hem recht tot het rijk der hemelen.

5. Vr. Waartoe verbindt zich degene, die gedoopt wordt?

Antw. Hij verbindt zich om den duivel en al zijne werken te verzaken, de geboden Gods te onderhouden en een heilig en christelijk leven te leiden.

6. Vr. Wat is dat: den duivel en al zijne werken verzaken?

Antw. Dat is: de zonden en de bedorven zederegels van deze wereld verloochenen.

7. Vr. Is de Doop noodig ter zaligheid?

Antw. Ja; maar wanneer men onmogelijk

den Doop kan ontvangen , is eene vurige begeerte om gedoopt te worden, in plaats van dit sakrament, genoeg ter zaligheid. De

ocr page 70

62y

dood, voor den naam van Jezus Christus geleden, heeft dezelfde kracht. Doch buiten deze voorvallen moet men noodzakelijk gedoopt zijn om tot het eeuwige leven te komen.

ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.

Het Vormsel.

1. Vr. Wat is het Vormsel?

Antw. Een sakrament, dat ons vervult met den heiligen Geest, ons versterkt tegen al wat ons de genade Gods kan doen verliezen en ons alzoo volkomen christenen maakt.

2. Vr. Worden wij dan niet door den Doop volkomen christenen ?

Antw. Gelijk wij geboren wordende mensch zijn, maar nog geen volwassen menschen; zoo zijn wij christenen door den Doop; doch wij worden eerst volkomen christenen door het Vormsel.

3. Vr. Waarin bestaat deze volkomenheid van een christen ?

Antw. In eene sterke kloekheid, die ons vast aan Jezus Christus hecht, en die ons kloekmoedig doet wederstaan aan da beko-

ocr page 71

63

ring, door welke de duivel, de wereld en het vleesch ons zoeken te verleiden om de beloften van onzen Doop te schenden.

4. Vr. Hoe geeft ons het sakrament van het Vormsel deze volkomenheid?

Antw. Doordien het ons den heiligen Geest geeft met de volheid van zijne genade en gaven. En vooral, omdat het ons de volmaaktheid der liefde geeft, die alleen de sterkte en de kracht van onze ziel is.

5. Vr. Waarom zegt gij, dat de volmaaktheid der liefde alleen de sterkte en de kracht van onze ziel is ?

Antw. Omdat de liefde, wanneer zij volmaakt is, ons zoo krachtig met God vereenigt, dat er noch vervolging, noch kwelling, noch mogendheid, noch eenig schepsel is , dat ons van Hem kan afscheiden.

6. Vr, Is men verplicht het sakrament des Vormsels te ontvangen ?

Antw. Ja; want wij zijn verplicht de middelen te gebruiken, die Christus heeft ingesteld om de genade van onzen Doop te bewaren en om ons op eene volmaaktere wijze met God te vereenigen.

ocr page 72

64

7. Vr, Zoo is dan dit sakrament noodig ter zaligheid?

Antw. Het is wel niet volstrekt noodzakelijk dit sakrament te ontvangen, maar het zoude als eene strafwaardige onachtzaamheid door God gerekend worden, indien men het kon ontvangen maar uit onverschilligheid versmaadde.

ACHT EN TWINTIGSTE LES.

Het heilig sakrament des Altaars.

1. Vr. Wat is het heilig sakrament des Altaars ?

Antw. Een sakrament, waarin het waarachtig lichaam en het bloed van Christus onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig zijn om degenen, die het waardig ontvangen, te voeden en heilig te maken.

2. Vr. Waarom zegt gij, dat het waarachtig lichaam en bloed van Christus in dit sakrament, onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig zijn?

Antw. Omdat, na de woorden der heiliging, die de priester over het brood en den wijn gesproken heeft, het geen brood of wijn meer

ocr page 73

65

is, maar het waarachtig lichaam eu bloed van Jezus Christus, die onder de gedaanten van brood en wijn begrepen zijn.

3. Vr. Hoe kan hot brood en de wijn aldus in het lichaam en het bloed van Christus veranderd worden ?

Antw. Dit geschiedt door Gods almacht, die het wezen gegeven heeft aan hetgeen te voren geen wezen had, en die derhalve eene zaak, welke reeds in wezen is, wel in wat anders kan veranderen.

4. Vr. Worden allen, die dit heilig sa-krament ontvangen, er door geheiligd en gevoed ?

Antw. Neen, maar zij alleen, die het waardig ontvangen.

5. Vr. In welken staat moet men zijn om dit heilig sakrament waardig te ontvangen ?

Antw. Men moet instaat van genade zijn; dat wil zeggen : men moet de genade van zijn Doop bewaard hebben, of in het sakrament van Penitentie vergiffenis ontvangen hebben van de doodzonden, waarin men na den Doop gevallen is.

6. Vr. Worden zij dan niet geheiligd en

ocr page 74

66

gevoed door dit heilig sakrament, die het in staat van doodzonden ontvangen ?

Antw. Verre van daar; ja, zij ontvangen het tot hnnne verdoemening; want zij begaan eene schromelijke heiligschennis door het onwaardig gebruik der allerheiligste zaak, die wij in onzen godsdienst hebben.

7. Vr. Is het goed dikwijls te communi-ceeren ?

Antw. Men moet de geloovigen aanwakkeren om zich dikwijls met dat hemelsch brood te voeden, mits zij daartoe de noodige voorbereidingen bijbrengen. Maar men moet diegenen niet misprijzen, die zich somtijds van de heilige communie onthouden, of uit eerbied, of om er zich te beter toe voor te bereiden.

8. Vr. Welke gesteltenis is er noodig om dikwijls te communiceeren ?

Antw. Men moet een heilig en christelijk leven leiden; en niet alleen van doodzonde, maar ook van alle aanhankelijkheid aan en behagen in dagelijksche zonde bevrijd zijn.

ocr page 75

67

NEGEN EN TWINTIGSTE LES.

Het sakrament van Penitentie.

1. Vr. Wat is het sakrament van Penitentie ?

Antw. Een sakrament, waardoor de zonden, die wij na den Doop gedaan hebben, ons vergeven worden door de macht, die Christus aan de voornaamste dienaars der kerk, dat is : aan de bisschoppen en de priesters, gegeven heeft.

2. Vr. quot;Wat moet men doen om vergiffenis van zijne zonden te krijgen in het sakrament van Penitentie?

Antw. Drie dingen: T. Men moet er een waarachtig berouw over hebben. II. Men moot ze aan een priester biechten of belijden. III. Men moet er voor voldoen aan God en aan degenen, die men beleedigd heeft.

3. Vr. Waarin bestaat het berouw over de zonden ?

Antw. In eene waarachtige en oprechte droefheid van God vergramd te hebben, in een schroom en verfoeiing van onze zonden, en in een vast en ernstig voornemen om niet meer te zondigen.

ocr page 76

68

4. Vr. Wat is biechten ?

Antw. Onze zonden aan een priester belijden , opdat hij ons daarvan ontbinde, nadat hij in ons teekenen van een waarachtig berouw zal bespeurd hebben en ons penitentie of boetoefening daarvoor zal hebben opgelegd.

5. Vr. Moet men al zijne zonden aan den priester belijden ?

Antw. Men moet hem alle doodzonden belijden, waaraan men kan indachtig worden ; want zoo men willens en wetens eene doodzonde verzwijgt, doet men, in plaats van wel te biechten, een nieuwe zonde. Zoodanige biecht moet noodzakelijk herhaald worden.

6. Vr. Wat is de voldoening of boetple-ging, die wij voor onze zonden doen moeten ?

Antw. Het zijn eenige moeielijke werken, die de priester ons oplegt, opdat wij ons zeiven voor onze zonden zouden straften, en zooveel wij kunnen, voldoen voor het ongelijk, dat wij God door het overtreden van zijne geboden hebben aangedaan.

7. Vr. Kan de kerk ons de straften, die ons om onze zonden opgelegd zijn, niet kwijtschelden ?

t

ocr page 77

69

Antw. Zij kan er ons een deel van kwijtschelden, als wij van onzen kant doen, wat wij moeten doen om deze genade te verdienen. En dit is, hetgeen men aflaat noemt.

8. Vr. Is het volstrekt noodig, dat wij aan God voldoen voor onze zonden ?

Antw. Ja; want de goddelijke rechtvaardigheid kan niet dulden, dat de zonde ongestraft blijft. Men moet er voor voldoen in dit of in het ander leven.

9. Vr. Hoe voldoet men aan God in het ander leven?

Antw. In het vagevuur.

10. Vr. Wat verstaat men door het vagevuur ?

Antw. Eene plaats, waar de zielen, die in de genade Gods sterven, maar nog niet ten volle voor hunne zonden voldaan hebben, nog eenige straffen ondergaan om daardoor aan de rechtvaardigheid van God te voldoen.

ocr page 78

70

DERTIGSTE LES.

Het laatste Oliesel, het Priesterschap en het sdkrament des Huwelijks.

1. Vr. Wat is het laatste Oliesel?

Antw. Een sakrament, door Christus ingesteld tot troost der zieken om hen van de overblijfselen hunner zonden te zuiveren en hun de genade te geven om wél te sterven, zoo het God belieft hen uit deze wereld te halen.

2. Yr. Wat is het Priesterschap?

Antw. Een sakrament, waardoor de macht

gegeven wordt om waar te nemen hetgeen tot den dienst van God en van de zielen behoort, en de gaven der genade, die noodig zijn, om dit ambt wél te bedienen,

3. Vr. Moet het volk ook eenjg deel nemen aan het verkiezen der priesters of andere kerkelijke dienaren ?

Antw. Vermits hunne zaligheid voor een groot deel van hunne geestelijke oversten afhangt, zoo moeten zij God om goede leidsmannen bidden. Wanneer hun eenige aanmerkelijke gebreken bekend zijn in degenen, die tot zoodanige ambten staan aangenomen

ocr page 79

71

te worden, zjjn zij verplicht den bisschop daarvan te verwittigen.

4. Vr. Wat is het sakrament des Huwelijks ?

Antw. Een sakrament, waardoor het echtverbond van man en vrouw gezegend wordt, opdat zij in eene goede en heilige vereeniging zouden leven en hunne kinderen in de vreeze en liefde Gods opvoeden.

5. Vr. Met welk inzicht moeten man en vrouw elkander trouwen?

Antw. Om zorg te dragen, dat de kinderen, die God hun verleenen zal, door den Doop herboren zijnde , kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens worden.

VIERDE AFDEELING. Wat w u voor God moeten doen.

EERSTE LES.

De kerk.

1. Vr. Wat moeten wij voor God doen? Antw. Wij moeten God verheerlijken door een volmaakten dienst, gelijk zijne grootheid en heerlijkheid betaamt.

ocr page 80

2. Vr. Waarom is dit noodzakelijk?

Antw. Opdat wij zouden behooren tot dat aangenaam volk, ijverig in goede werken, waarvoor Christus zich zeiven gegeven heeft.

3. Vr. Hoe noemt men dat volk ?

Antw. De Kerk.

4. Vr. Wat is de kerk?

Antw. De gemeente, waarin allen, die belijdenis doen van de leer van Christus te volgen , moeten vereenigd zijn en die allen te zamen één lichaam maken, waarvan Jezus Christus het hoofd en ieder geloovige een lidmaat is.

5. Vr. Hoe maken al de geloovigen te zamen één lichaam?

Antw. Gelijk al de onderdanen van eenen staat, door de vereeniging, die hen onderling en met hunnen vorst verbindt, ééne gemeente maken, die het lichaam van den staat genoemd wordt, zoo maken al de geloovigen onder elkander en met Christus vereenigd, ééne heilige gemeente, die het lichaam van de kerk genoemd wordt.

ocr page 81

73

6. Vr. Waarom zegt gij, dat Jezus Christus het hoofd van de kerk is?

Antw. Omdat Hij de kerk heeft gesticht en voortdurend in stand houdt door nieuwe geloovigen tot haar te brengen; omdat hare wetten door Hem gegeven zijn en Hij de kerk bestuurt en geestelijk doet leven.

7. Vr. Hoe bestuurt Christus zijne kerk?

Antw. Hij bestuurt haar onzichtbaar door

den heiligen Geest, die zijne genadegiften op een onzichtbare wijze aan de geloovigen uit. deelt; en zichtbaar door zijne geestelijke dienaars, die Hij gesteld heeft om de geloovigen te onderwijzen en hunne zielen te besturen.

8. Vr. Wie zijn die dienaars, door wie Christus zichtbaar zijne kerk bestuurt?

Antw. De pastoors in hunne gemeenten; de bisschoppen in hunne bisdommen; en de paus in de geheele kerk, waarvan hij het zichtbaar hoofd hier op aarde is.

9. Vr. Moet men noodzakelijk een lidmaat van de kerk zijn ?

Antw. Ja, en zonder dat kan men op gnene zaligheid hopen.

4

ocr page 82

74

10. Vr. Waarom kan men op geene zaligheid hopen, zonder een lidmaat van de kerk te zijn?

Antw. Omdat Jezus Christus het leven der genade niet geeft dan aan hen, die met het lichaam zijner kerk vereenigd zijn, gelijk onze ziel het leven niet geeft dan aan do ledematen, die met ons lichaam vereenigd zijn.

11. Vr. Wat is er noodig om een lidmaat van de kerk te zijn?

Antw. Men moet in Jezus Christus door den doop zijn ingelijfd; belijdenis doen van de leer, die Hij ons geleerd heelt; zich in al de oefeningen van den godsdienst met de geloovigen vereenigen en aan de wettige herders der kerk onderdanig zijn.

TWEEDE LES.

De godsdienst.

1. Vr. Op welke wijze moeten wij God verheerlijken door een volmaakten dienst, gelijk zijne grootheid en heerlijkheid betaamt?

Antw. Wij moeten al onze werken verrichten met het doel om te bewijzen, dat wij

ocr page 83

75

God erkennen voor onzen oppersten Heer en Meester en als dengene, aan wien wij alles schuldig zijn en van wien wij alles hopen.

2. Vr. Waarin bestaat deze dienst, dien wij aan God schuldig zijn ?

Antw. Men moet onderscheid maken tus-schen tweeërlei soort van godsdienst, waarvan de eene inwendig en onzichtbaar en de andere uitwendig en zichtbaar is.

3. Vr. Wat noemt gij inwendigen of on-zichtbaren godsdienst ?

Antw. Den dienst, waarmede wij binnen ons zeiven, in den grond van onze harten, God eeren.

4. Vr. Waarin bestaat die inwendige of onzichtbare godsdienst ?

Antw. In al onze inwendige godvruchtige aandoeningen tot God, maar voornamelijk in eene zuivere liefde, waardoor wij Hem boven alle dingen beminnen en niet willen leven of sterven, dan alleen tot zijnen dienst.

5. Vr. Wat noemt gij uitwendigen of zichtbaren godsdienst?

Antw. De uitwendige werken, waardoor wij onze inwendige aandoeningen van gods-

4*

ocr page 84

76

vrucht en eerbied jegens God uitwendig te kennen geven.

6. Vr. Waarin bestaat die uitwendige of zichtbare godsdienst ?

Antw. In alle uitwendige oefeningen van godsvrucht, maar bijzonder in het opdragen der offerande, in de openbare gebeden en in het onderhouden van de geboden der H. kerk.

DERDE LES.

De offerande in het algemeen,

1. Vr. Wat noemt gij offerande ?

Antw. Offerande is eene zaak, die aan

God wordt opgedragen, om te betuigen, dat men Hem erkent voor den Opperheer van alle dingen en voor dengene, die volkomen Meester is van ons leven en van onzen dood.

2. Vr, Wat doet men, als men deze offerande aan God opdraagt ?

Antw. Men draagt Hem op den dood of de vernietiging van de zaak, die men Hem voorstelt.

3. Vr. Wat moet de dood of vernietiging van de zaak, die men aan God opdraagt, beteekenen P

ocr page 85

77

Antw. Deze moet beteekenen, dat ons leven geheel voor God is; dat wij het aan Hem toeheiligen en ons aan den dood onderwerpen, als aan de rechtvaardige straf, waartoe Hij ons ter oorzake van onze zonden verwezen heeft.

4. Vr. Moeten wij altijd zóó gesteld zijn, wanneer wij eenige offerande aan God opdragen ?

Antw. Ja, anders zou onze uitwendige offerande niet anders dan een bedrog of een spel zijn, want men zou uiterlijk schijnen zich aan God op te dragen, hoewel men het in zijn hart niet zou meenen.

VIERDE LES.

Be offerande der mis.

1. Vr. Welke is de offerande, die in den christelijken godsdienst aan God wordt opgedragen ?

Antw. Na den dood onzes Heeren Jezus CJhristus wordt aan God geen andere offerande opgedragen, dan de heilige offerande der mis.

2. Vr. Wat is de offerande der mis?

ocr page 86

78

Antw. Het is een vervolg der offerande, die Christus op het kruis aan zijnen Vader heeft opgedragen , toen Hij zich zeiven ter dood overleverde om voor ons vergiffenis onzer zonden te verdienen, en om aan God, in den naam van het geheele menschelijke geslacht, de opperste eer te bewijzen, die Hem toekomt.

3. Vr. Hoe geschiedt de offerande der mis ?

Antw. Het lichaam en het bloed fan Jezus

Christus komen tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn door de woorden, die de priester daarover uitspreekt. En daarna wordt Christus aan zijnen Vader opgedragen, als zijnde, na den val van Adam, de eenige offerande, die Hem kan behagen.

4. Vr. Waarom zegt gij, dat de offerande een vervolg is van die, welke Christus op het kruis heeft opgedragen?

Antw. Omdat daarin de dood, dien Christus weleer op het kruis ter onzer verlossing geleden heeft, nog dagelijks aan God wordt opgedragen; gelijk Hij zelf dien in den hemel nog opdraagt, en in alle eeuwigheid zal opdragen.

ocr page 87

79

5. Vr. Door wien wordt Jezus Christus in de offerande der mis opgedragen?

Antw. Christus draagt zich zeiven op ean onzichtbare wijze op, als de voornaamste en de opperste priester; de priester doet deze offerande op een zichtbare wijze als de dienaar van Christus; en al de geloovigen doen hetzelfde, wanneer zij zich door de genegenheid des harten met Jezus Christus en met den priester vereenigen.

6. Vr. Is Jezus Christus alleen de offerande, die aan God in de mis wordt opgedragen ?

Antw. Neen, want als Hij zich aan zijnen Vader opdraagt, draagt Hij met zich op al de geloovigen, die lidmaten van de kerk zijn. En als de geloovigen Hem door de handen des priesters opdragen, dragen zij ook zich zei ven met Hem op.

7. Vr. In welken staat moeten de geloovigen zijn, wanneer zij bij de offerande der mis tegenwoordig zijn?

Antw. In zulk een staat van reinheid, of met zoodanig berouw over hunne zonden, dat de opdracht van hen zeiven, door die

ocr page 88

80

van Jezus Christus, welke zij met den priester verrichten, aangenaam aan God kunne zijn.

VIJFDE LES.

De openbare gebeden der kerk,

1. Vr. Wat verstaat gij door de openbare gebeden van de kerk?

Antw. De gebeden, die de geloovigen samen doen in de plaatsen van hunne vergaderingen, die wij gewoonlijk de kerken noemen.

2. Vr. Zijn deze gebeden een gedeelte van den dienst, dien wij aan God schuldig zijn ?

Antw. Ja, Alle gebed, dat men voor God uitstort, is eene hulde, die men Hem bewijst, want wij erkennen daardoor zijne oppermacht en oneindige goedheid; en dit heeft bijzonder plaats in de openbare gebeden van de kerk.

3. Vr, Wat behelzen de openbare gebeden van de kerk ?

Antw. Behalve de offerande, die het all er-heiligste en krachtigste gebed is, dat men aan God kan opdragen, behelzen de gebeden van de kerk verscheidene lofzangen, om te verkondigen de wonderen, die God heeft

ocr page 89

81

uitgewerkt en nog dagelijks doet; dankzeggingen voor de weldaden, die wij zonder ophouden van zijne goedheid ontvangen en verscheidene gebeden om zijne hulp in onzen nood te verzoeken.

4. Vr. Zijn de geloovigen verplicht in de openbare gebeden van de kerk tegenwoordig te zijn ?

Antw. Zij zijn daartoe zeer bijzonder verplicht, niet alleen omdat die gebeden, in den geest van eenheid en liefde gedaan, aan God aangenamer zijn, maar ook omdat al de lidmaten van een lichaam verbonden zijn, om deel te nemen aan die dingen, waarvan het geluk en de zaligheid van het geheele lichaam afhangen.

:

t

ZESDE LES.

De geboden der heilige kerk.

1. Vr. Wat noemt gij de geboden van de heilige kerk?

Antw. Zekere instellingen, die de kerk tot regeling van de uitwendige godvruchtige werken harer kinderen gemaakt heeft.

ocr page 90

82

2. Vr. quot;Waarom hebt gij hierboven gezegd, dat onze uitwendige godsdienst ten deele in het onderhouden van deze geboden bestaat ?

Antw. Omdat deze geboden oefeningen van godsvrucht zijn , die de kerk ons gebiedt als middelen om God te eeren en te dienen, of om ons in staat te stellen , aan God een aan-genamen dienst op te dragen, of om ons den tijd en de manier aan te wijzen, waarop wij onze andere plichten ten zijnen opzichte moeten volbrengen.

3. Vr. Hoeveel geboden van de heilige kerk zijn er?

Antw. Men telt er gewoonlijk vijf, die al de geloovigen aangaan.

4. Vr. Zeg de geboden van de H. kerk op.

Antw. I. Op Zondag en heiligen dag

hoor mis; het is een gebod.

II. Biecht uwe zonden ééns ten minste alle jaren.

III. Ontvang op Paschen 't sakrament van onze altaren.

IV. De heilige dagen vier tot eer en dienst van God.

V. Op vastendag zult gij u naar kerkgebruik versterven.

ocr page 91

83

Vrijdags en Zaterdags gedenk het vleesch te derven.

ZEVENDE LES.

Uitlegging van de geboden der heilige kerk.

1. Vr. quot;Wat beveelt ons de heilige kerk door het eerste van de geboden: Op Zondag en heiligen dag hoor mis; het is een gebod?

Antw. Zij beveelt ons op Zondagen en geboden heilige dagen in den heiligen dienst der mis godvruchtig tegenwoordig te zijn om de offerande van het lichaam en bloed onzes Heeren Jezus Christus gesamenlijk met den priester op te dragen. En het is hare bedoeling, dat een ieder dit doe in de mis van de kerk, waartoe hij behoort.

2. Vr. Wat beveelt zij ons door het tweede gebod: Biecht uwe zonden ééns ten minste aJle jaren ?

Antw. Zij beveelt ons, dat wij onze zonden, ten minste éénmaal in het jaar, aan onzen eigen pastoor zullen biechten, hetgeen verstaan wordt van doodzonden, en dat men voornamelijk behoort te doen omtrent Pasohen.

ocr page 92

84

3. Vr. Wat beveelt ïij ons door het derde gebod : Ontvang op Paschen het sakraraent van onze altaren ?

Antw. Zij beveelt aan al de geloovigen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, jaarlijks in den Paaschtijd het heilig sakra-ment des altaars te ontvangen in de kerk, waartoe zij behooren, indien hun pastoor of biechtvader niet raadzamer vindt, dat zij hunne communie tot op een anderen tijd uitstellen.

4. Vr. quot;Wat beveelt zij ons door het vierde gebod: De heilige dagen vier tot eer en dienst van God?

Antw. Zij beveelt ons, dat wij ons op de geboden heiligedagen van alle slaafsche werken onthouden zullen, en dat wij die dagen zullen heilig maken, den heiligen dienst der mis bijwonen, en God dienen gelijk op de zondagen.

5. quot;Vr. Wat beveelt zij ons door het eerste gedeelte van het vijfde gebod: Op vastendag zult gij u naar kerkgebruik versterven?

Antw. Zij beveelt ons te vasten de vasten van veertig dagen, de vasten van de vier

ocr page 93

85

jaargetijden, en ook daags vóór sommige heiligedagen; ons dan te onthouden van de spijs, die op zulke dagen verboden is, en maar éénen maaltijd te gebruiken, en 's avonds eene kleine versterking.

6. Vr. Wat beveelt zij ons door het tweede deel van het vijfde gebod: Vrijdag en Zaterdag gedenk het vleesch te derven?

Antw. Zij beveelt ons, dat wjj ons op Vrijdag en Zaterdag zullen onthouden van het vleesch der dieren, die op aarde leven.

BESLUIT.

BEKSrE LES.

De vier uitersten.

1. Vr. Wat is het loon dergenen, die, nadat zij de genade der verlossing ontvangen hebben, in een heilig en christelijk leven ten einde toe volharden?

Antw. Het loon des hemels of het eeuwig leven.

2. Vr. Welke straf hebben zij te wachten , die de genade der verlossing niet aangenomen hebben, of die, haar aangeno-

ocr page 94

86

men hebbende, door hun goddeloos leven die ■wederom verliezen?

Antw. De straf der hel of den eeuwigen dood.

3. Yr. Wanneer zullen de menschen deze vergelding of straf ontvangen?

Antw. Na hunnen dood, en nadat zij voor het bijzonder oordeel Gods zullen verschenen zijn.

é. Vr. Hoe worden deze vier dingen, te weten : dood , oordeel, hel en hemel gewoonlijk genoemd ?

Antw. De vier uitersten van den raensch.

5. Vr. Waarom worden zij zoogenoemd?

Antw. Omdat het vier dingen zijn, die den menschen op het einde huns levens overkomen, en waardoor zij gesteld worden in een staat, waarin zij in alle eeuwigheid zullen blijven.

TWEEDE LES.

De dood.

1. Vr. Wat is de dood ?

Antw. Eene scheiding der ziel van het lichaam.

ocr page 95

87

2. Vr. Wat heeft ons aan den dood onderworpen ?

Antw. De zonde van onze eerste ouders, want indien zij aan God niet ongehoorzaam geweest waren, zouden zij niet gestorven zijn, en ook wij niet aan de noodzakelijkheid van sterven onderworpen zijn.

3. Vr. quot;Waarvoor moet een christen, die weet, dat hij sterven moet, allermeest bezorgd zijn?

Antw. Dat hij zich wel tot den dood bereide.

4. Vr. Waarom moet dat de grootste zorg van een christen zijn ?

Antw. I. Omdat wij volstrekt onzeker zijn van den dag, de ure en wijze, waarop wij zullen sterven. II. Omdat ons eeuwig geluk of ongeluk afhangt van den staat, waarin wij in de ure van onzen dood zullen gevonden worden.

5. Vr. Wat moeten wij doen om ons wèl tot den dood te bereiden?

Antw. I. Wij moeten in tijds boetvaardigheid doen, zonder te wachten tot het einde van ons leven. II. Wij moeten bedenken, dat wij maar eens sterven, en al onze werken doen.

ocr page 96

88

alsof wij aanstonds daarna sterven moesten. III. Wij moeten dikwijls den dood aannemen als de rechtvaardige straf voor onze zonden en ons vrijwillig er aan onderwerpen. IV. Wij moeten ons vereenigen met Jezus Christus stervende aan het kruis , en Hem bidden, dat Hij onzen dood met den zijnen aan zijnen Vader wille opdragen.

DERDE LES.

Het hijzonder oordeel.

1. Vr. Wat geschiedt er na den dood van ieder mensch?

Antw. Zoodra zijne ziel van het lichaam gescheiden is, wordt zij geoordeeld.

2. Vr. Wie oordeelt haar?

Antw. Jezus Christus, die gesteld is tot rechter over levenden en dooden.

3. Vr. Waarover worden wij geoordeeld?

Antw. I. Over al wat wij gedurende den

loop onzes levens gedacht, gesproken, gedaan of verzuimd hebben. II. Over al de genadegiften en weldacten zoo van het lichaam als van de ziel, die wij in deze wereld van God

ocr page 97

ontvangen hebben. III. Over het goed of kwaad gebruik van den tijd, dien God ons ver-T gund heeft om aan onze zaligheid te arbeiden.

4. Vr. Welk is het vonnis, dat Christus in dit oordeel uitspreekt ?

Antw. De goddeloozen worden voor altijd tot de straf der hel veroordeeld. De rechtvaardigen, die ten volle aan de rechtvaardigheid Gods voldaan hebben worden beloond met de hemelsche heerlijkheid. Doch zij, die niet geheel voor hunne zonden voldaan hebben, worden door de pijnen van het vagevuur van de overblijfselen hunner zonden gezuiverd, eer zij ingaan in den hemel.

VIERDE LES.

De hel.

1. Vr. Wat is de hel?

Antw. Eene plaats, waar de booze geesten en de verdoemden in alle eeuwigheid voor de zonden, waarmede zij God vergramd hebben, zullen gestraft worden.

2. Vr. Hoedanige straffen zullen zij daar lijden ?

ocr page 98

90

Antw. Zij zullen zijn in wanhoop en razernij , ziende, dat zij voor eeuwig van God beroofd zijn; en behalve dat, zullem zij andere schromelijke straffen lijden, die noeh einde,

noch verzachting zullen hebben.

3. Yr. Worden alle verdoemden even zwaar gestraft ?

Antw. Neen; maar zij , die God meer zullen vergramd hebben, en wier zonden grover zullen bevonden worden, zullen ook meer gestraft worden.

4. Vr. Wanneer zullen die straffen eindigen ? ■ ■

Antw. Zij zullen nooit einde hebben.

VIJFDE LES.

De hemel.

1. Vr. Wat is de hemel?

Antw. Eene plaats, welke God bereid heeft voor hen, die door een goed en heilig leven zullen verdiend hebben, dat God hen na hunnen dood beloone met de eeuwige zaligheid, die Hij aan zijne getrouwe dienaars beloofd heeft.

2. Vr. Is de zaligheid een groot goed?

1

ocr page 99

91

Antw. Zij overtreft al wat wij denken of begrijpen kunnen.

3. Vr. quot;Waarin bestaat voornamelijk de zaligheid ?

Antw. In een volkomen bezit van God, die de ziel met alle goederen vervult, die zij kan genieten; want Hij maakt haar deelachtig aan zijne wijsheid, wetenschap, goedheid, rechtvaardigheid en - aan al zijne andere goddelijke volmaaktheden.

4. Vr. Zal het lichaam ook zijn deel aan dit eeuwig geluk hebben ?

Antw. Ja. Na de verrijzenis zal het lichaam schoon en klaarschijnend als do zon zijn; en het zal voortaan noch aan pijnen, noch aan ziekten , noch aan eenig ander verderf of verandering onderworpen zijn.

5. Vr. Hoe lang zal dit geluk duren ? Antw. Zoo lang als God zelf; dat is, in

alle eeuwigheid, zonder einde. Amen

k

•A»

j

f

j ^

ocr page 100

92

GEBED.

Vóór den kaiechismus.

O eeuwige Vader! die het ongenaakbaar licht der hemelsche heerlijkheid bewoont, wij bidden U ootmoedig , geef ons genadig de kennis uwer heilige waarheid, opdat wij niet dolen als kinderen der duisternis , maar als kinderen des lichts mogen wandelen in den weg uwer waarheden. Verdrijf alle duisternis van onze harten, en verlicht ons met de stralen uwer genade, opdat wij uwe heilige leer, die rein en onvervalscht is, mogen kennen en omhelzen. Buig onzen wil door de zoete en krachtige bewegingen van uwen Geest tot het gehoorzamen aan uwe bevelen, opdat wij, uwen heiligen wil kennende, dien ook mogen beminnen, en beminnende volbrengen ter uwer eere, tot stichting van onzen evennaaste en tot onzer zielen zaligheid ; door Christus onzen Heer. Amen.

ocr page 101

93

GEBED.

Na den katechismus.

O Vader der lichten ! wij danken U voor de openbaring uwer heilige -waarheid, die wij nu gehoord hebben. Geloofd zij uwe oneindige genade, die het licht van het evangelie zoo goedertieren voor ons doet schijnen. Laat toch niet toe, dat wij deze hemelsche gunst tot nadeel onzer zielen ooit misbruiken; dat wij niet worden als ongehoorzame knechten, die den wil des Heeren wel wetende, maar niet volbrengende, des te meer verdienen gestraft te worden. Geef ons liever, bidden wij ootmoedig, de innerlijke kracht van uwen Geest en stort uwe liefde in onze harten, opdat wij uwe geheiligde en zaligmakende leer met het verstand mogen kennen , met den wil beminnen, en ook met alle vlijt, met een heiligen lust en met onvermoeiden ijver mogen in het werk stellen om aldus door den weg der waarheid te wandelen tot het eeuwige leven; door Christus onzen Heer. Amen.

ocr page 102

o sr H p

Inleiding

van den hatechismus of het chrislélijk onderwijs.

Eerstfe, affleeliivg'. ^

• 'l/'f 'UfV s.' - ' J Wat God is.

God en zijne volmaaktheden. Les 1.

De H. Drievuldigheid. Les 2.

*

Tweede afdeeling\ )

Wat wij zeiven zijn.

i H* u.u

Het doel van het bestaan der menschen. gt; Les 2.

De eerste menschen en hun oorspronkelijke staat. Les 3. De yal of de zonde der eerste menschen.

Les 4.

r\

4

ocr page 103

ij De gevolgen van de zonden der eerste menschen voor hen en hunne nakomo-lingen. Les 5.

Derde afdeeliug'.

Wat God voor ons gedaan heeft. De Verlosser der menschen. Les 1.

Komst van Jezus Christus in de wereld.

Les 2.

Het doel van de komst des Verlossers. Vereischten om dat doel te hereiken. Les 3.

A. Eerste vereisehte. — De voldoening van

JezusChristus voor onze zonden. Les 4.

B. Tweede vereisehte. — Het herstellen van

den mensch in de rechtvaardigheiden heiligheid. Les 5.

C. Derde vereisehte. — De leer van Jezus

Christus. Les 6,

Plichten van het christelijk leven. Les 7.

a. Ue zonden vluchten. Les 8, 9.

b. Oefening in het geloof. Les 10, 11, 13, 13.

c. Oefening in de hoop. Les J4.

d. Oefening in de liefde. Les 15, 16.

e. Onderhouding van Gods geboden. Les 17,

18, 19.

ocr page 104

D. Vierde vereischte. — De hulp der goddelijke genade verdienen om het goede te doen. Les 20.

Middelen om de genade ie ontvangen:

a. Het gebed. Les 21, 22, 23, 24.

b. De sacramenten. Les 25, 26, 27, 28, 29, 30.

Vierde, afdeelius:.

ITUJWLL.

Wat, wij voor God doen moeten.

djW1 - H -«^e. 1.

£)e godsdienst. Les 2.

Viiwendige oodsdienst ,hestaat :

Utlipenaiae godsdienst bestaat

t'quot;'i 'w/'-

«. In het Optógeji^der^fferanJe. lt;

b. Iii ie openbare gebeden der ter!

______ Les 3, 4.

. **■■**■ *■

openbare gebeden der kerk. Les 5.

In het onderhonden van de geboden der

H. kerk. Les 6, 7. L=lt;-

j)amp; V i ê rgt; Besluit.

De vier uitersten. Les 1.

De dood. Les 2.

Het oordeel. Les 3.

De hel Les 4.

De hemel. Les 5.

Riciiaed Reisberman, fiima H. T. Hendriksen, Rotterdam.

ocr page 105
ocr page 106
ocr page 107
ocr page 108