ocr page 1

,r-

i

•-gt;5

•t^

-5

-f'

1? 14

lit f

lif

ti •T# :I4 :it

3 ^

i 54y: 14 tt

:r4

:#fe

rt 11

T

4 h Y h A gt;• r ^

t'f

ft:

f

ff: f';

gt;■

t f-

i f.

fit

Pt

i gt;• Sgt;: H

ft

^it:

.^r

Tl'

rottehjjaji 1J. STOEM l 8 9 J.

]). J.

Elt;'ue sliidie op het g-ebicd der (jfodsdienst-wysbegeerle volgens de bcgriuseleu der Itelig-ioiislilosofie van Iinmauuël Kant

DOOK

A. C, LEENDERTZ,

'loopsgcviiid predikant te Hol werd.

LOTZ.

II

TiJ.J

5 !' V' — v^- - v-Vrgt; • ^•■«- quot;iv -

,^fttrTrTrftrfTftTtfrrfrrfj

'ttrrfrrtr; ~rtrfrr%y.

ocr page 2
ocr page 3

TWEEDE DEEL.

ocr page 4
ocr page 5

HET

iraiifiiira mfit

XN HET

CHRISTELIJK-GODSDIENSTIG GELOOF.

Eene studie op het gebied der Oodsdienstwgsbegeerte Tolgeus dc beginselen der Religiouslilosofie van Immaunél Kaut

DUOJi

A. C. LEENDERTZ,

doopsgezind predikant tr Holwerd.

D. J. P. STORM LOTZ. 18 9 1.

II.

ocr page 6

.Sluoin-.Snelpcvsdrukkcrij •— van Meuks amp; Stvfkens, Rotterdam

ocr page 7

mHOUD.

TWEEDE DEEL.

het

EVANGELIE VAN HET KONINKRIJK GODS

INHOUD

vas het

CHRIS TEL UK-GODSDIENSTIG GELOOF.

Blz.

g 9. Ter recapitulatie van het eerste eu ter introrluctie

van het tweede deel.....................

§ 10. Exegetische verklaring van de uitdrukking BAilAElA

TOT eiiOT of ϣ1]V OTPANON............... 20

§11. De Messiaansche verwachtingen in Israël....... 38

§13. De Messiaansche verwachtingen ten tijde van jezus. 02 § 13. Het standpunt van jezus tegenover de Messiaansche

verwachtingen zijner tijdgenooten............ 82

§ 14. Het evangelie van het Koninkrijk Gods......... 105

§ 15. Beknopt overzicht van de Nieuw Testamentisclie

«itspraken omtrent het Koninkrijk Gods........ 149

§ 16. Het geloof in ons zeiven als kind van God (de Ï1O0E2IA, het geloof in den Zoon) — de psychologische of anthropologische idee van hot

g o d s r ij k............................ .192

§ 17. Het geloof in God als onzen Vader — de iheolo-

glsche idee van het Koninkrijk Gods......... 233

§ 18. Het geloof in de menschenwereld als een godsrijk of liet geloof in den Heiligen Geest: do kosmologhche idee van het Koninkrijk Gods............... 274

ocr page 8
ocr page 9

TWEEDE DEEL.

HET

EVANGELIE

VAN HET

KONINKRIJK GODS,

INHOUD

VAN HET

CHRISTELIJK-GODS DIENSTIG GELOOF.

Lc. II : 10 : xcci sittsv ocvToTg b clyytXof

'loow tJa.yyzXiCoy.xi vyxv •/^a.pót.v /JLc'/ócXrjv,

ocr page 10
ocr page 11

§ 9-

TEE, EECAPITÜLATIE VAN HET EEESTE EN TEE INTEODUCTIE VAN HET TWEEDE DEEL.

In het eerste Deel hebben we gehandeld over den grondslag, in dit zullen we ons bepalen bij den inhoud van het christelijk-godsdienstig geloof.

Voordat wij echter hiertoe overgaan, willen we eerst nog eens den blik achterwaarts slaan en een beknopt overzicht geven van de resultaten, waartoe het tot dusver ingestelde onderzoek ons heeft geleid. Herhalen we dus in 't kort den gedachtengang vanhetinDeelI geleverd betoog!

Na eerst onze bezwaren te hebben uiteengezet tegen de orthodoxe zienswijze eenerzijds en de moderne opvatting van den christelijken godsdienst anderzijds, waarbij 't echter ons streven was, om aan het goede en het in menig opzicht voortreffelijke van 't geen vooral door de laatste op religieus en theologisch gebied werd gepraesteerd, niet te kort te doen en de inderdaad hoogst zegenrijke vruchten van de moderne godsdienstwetenschap niet te miskennen — gingen we over tot de nadere ontvouwing van de gronden, waarop wij ons religieus standpunt meenden te kunnen ves-

i*

ocr page 12

4

tigen. Dat standpunt kenschetsten wij als ethisch-evangelisch; en stelden ons mitsdien twee vragen ter beantwoording; de vragen nl: „waarom ethisch?quot; en waarom als ethisch tevens „evangelisch?quot;

Op de eerste vraag luidde ons antwoord: „ethisch zijn wij, omdat wij de zedelijkheid als den grondslag beschouwen der religie;quot; en op de tweede vraag antwoordden wij: „ethisch-evaugelisch, omdat wij het evangelie (en wel bepaaldelijk jezus' evangelie aangaande het Koninkrijk Gods) als den inhoud erkennen van ons godsdienstig geloof.

De nadere ontwikkeling en verdediging van de in het eerste antwoord uitgesproken stelling leverde ons de stof voor het eerste Deel van ons boek, terwijl wij de toelichting en defensie van de in het tweede antwoord opgesloten thesis uitstelden tot het tweede Deel, waarvan zij het onderwerp zal moeten uitmaken.

„De zedelijkheid is de grondslag van den godsdienst,quot; dat was dus de stelling, die wij tot handhaving van ons ethisch-religieus standpunt hadden te betoogen; waartoe wij dan in de 3de § overgingen.

Hierbij stelden we 't ons eerst en vooral tot taak het misverstand weg te nemen, alsof de aanvaarding van ons standpunt en de erkenning van onze grondstelling noodwendig moest leiden tot aanneming van deze andere stelling, dat „de religie geen bron en grondslag zijn kan voor de zedelijkheid.quot; 't Is een dwaling, dat deze laatste bewering het contradictorisch tegendeel zou bevatten van de eerste. Al is de zedelijkheid de bodem, waarop de godsdienst ontspruit, dit neemt niet weg, dat wederom de religie een vrucht-

ocr page 13

5

bare bodem zijn kan, zooal niet voor 't ontstaan, dan tocli voor den groei en den wasdom der zedelijkheid.

't Is hiermede evenals met de groeikracht, wier werking wij waarnemen in 't plantenrijk. De vruchtbare sappen in den wortel verstrekken tot voeding van den stam, maar de sappen in den stam dienen evenzoo tot voedsel van de twijgen. Bevindt zich in den wortel het levensbeginsel van den stam, in den stam bevindt zich dat van de takken; wat dus de wortel is voor den stam, is de stam weder voor de takken. De wortel van het godsdienstig leven is het zedelijk leven; maar is eens het religieuse leven ontstaan, dan heeft dit een verhoogd zedelijk leven tengevolge; de zedelijke idealen vinden dan in de religie de voor hare ontwikkeling en verwezelijking noodige levenssappen. (1) Dat inderdaad de zedelijkheid aan de religieuse gemoedsgesteldheid moet voorafgaan, en de laatste niet zonder de eerste ontstaan kan, evenmin als een plant kan groeien zonder wortel en zonder teelkracht van den bodem, springt, dunkt mij, duidelijk in't

1

Noemde ik daareven de zedelijkheid den bodem, en nu den wortel van de religie, toch kom ik daardoor niet in tegenspraak met mijzelven. Beide zinnebeeldige uitdrukkingen beteekenen in dit verband hetzelfde, en duiden alleen aan, dat de prima causa, de c. movens van het religieuse leven een ethisch clement is. Wil men er den nadruk op leggen, dat het godsdienstig leven eene nieuwe schepping is, door de werking van God's heiligen geest in ons tot stand gebracht, dan moet men de zedelijkheid niet den wortel, maar den grond en bodem noemen van de religie, waarin bij eene doeltreffende bewerking en bebouwing de goddelijke zaadkorrel kan wortel schieten, wassen en rijpen; gelijk dit trouwens door ons, zoover ik er mij van bewustben, consequent is geschied.

ocr page 14

6

oog, wanneer wij ons afvragen, van welken aard de inhoud van het godsdienstig geloof is, en wat het eigenaardig kenmerk is van het ware, zuivere beginsel der zedelijkheid? Geven we daarop nauwlettend acht, dan wordt het ons terstond duidelijk, waarom het godsdienstig geloof niet de grondslag, het beginsel noch de drijfveer van het zedelijk handelen zijn kan noch mag, maar waarom omgekeerd het laatste de vruchtbare bodem, de wortel, de bron en oorsprong van het eerste zijn moet.

De inhoud van het religieus geloof heeft nl. altijd betrekking op ons geluk, ons toekomstig heil, onze eeuwige zaligheid; het object der religie is altijd uit den aard der zaak een evangelie, reden waarom men de leer van het christendom ook vaak de heilsleer noemt, en die leer in den stichter van den christelijken godsdienst den heiland en zaligmaker der wereld ziet. Een blik in den catechismus kan ons daarvan overtuigen. Terstond de eerste vraag luidt immers: „Welke is uw eenige troost beide in leven en in sterven ?quot; en het antwoord: „Dat ik met lijf en ziel niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers jezus cheistus

eigen ben____, die mij alzoo bewaart, dat zonder den

wil mijns hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet. Waarom hij mij ook door Zijnen Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekertquot; enz____

Alle religieus geloof heeft tot inhoud een evangelie. Dit moet mij worden toegestemd ook door hen, die 't overigens niet met mij eens zijn, dat de hoop der onsterflijkheid en het geloof aan het eeuwige leven

ocr page 15

7

tot de meest wezenlijke en fundamenteele bestanddeeien van de religie behoort. Immers, ook reeds bet bewustzijn van de liefdevolle betrekking van den menscbtot God, van bet kind tot den hemelvader — wat dan tocb zonder eenigen twijfel als een essentieel stuk van onzen godsdienst moet worden erkend — waarin bestaat bet anders dan in een gevoel van onuitsprekelijk geluk, van de boogste, reinste zaligheid?

Het evangelie van bet Koninkrijk Gods bevat de volmaakte vervulling van onze hoogste wenschen en idealen: fyizehe npüzov zyiv (Sxuildav zoü Beoh zat tyjd $uxioi7vvt,v «vzoü, zat taüxa t.xjzo. npofzeSritrezact

uu.lv. (Matth. VI: 33) tü vim (d. 1. [zie vs. 15] met den mevax iiicZtvix:, èv u : 'A/3j3a, o -KOLZrip,

of m. a. ww. met den geest der liefde, die alle leden van het godsrijk vervult en tot één lichaam vereenigt) (jüv zügt; utw xa Tiavra vifjiïy /aptTSTa:. Godsdienstig zijn, in 't bezit zijn van het godsdienstig geloof, bezield zijn met den geest der religie is altijd gelukkig zijn.

Het beginsel nu van de ware zedelijkheid is, gelijk wij het ter plaatse uitvoerig hebben aangetoond, hierin gelegen, dat de wil door niets anders, dan alleen door de heilige majesteit van de zedewet tot handelen wordt bewogen. Zoodra eenig eudaemonistisch of utilistisch motief de drijfveer der daad is, is zij niet meer zedelijk, d. w. z. zij komt dan voort niet uit een zuiver zedelijk, maar uit een nuttigheids-beginsel. Zij kan in dit geval wel in overeen stemming zijn met de zedewet, maar vindt niet haren grond in de wet der zedelijkheid; zij geschiedt om met kant te spreken, wel „pflichtmaszig ,quot; maar niet „aus Pflicht.quot;

ocr page 16

8

Zeiden wij, dat godsdienstig zijn of vervuld zijn met den zielverheffenden en levenssterkenden geest van de religie altijd is „gelukkig zijn,quot; — zedelijk zijn is „goed zijnquot; met ter zijde stelling van eigen geluk en welzijn, goed zijn zonder eenige egoistische beweegreden maar uit reine, belangelooze zelfverloochenende liefde.

Ware derhalve de zedelijkheid, het „goed zijnquot;, gebaseerd op den godsdienst, dus op het „gelukkig zijn,quot; vond zij daarin haar bron en oorsprong, lag daarin de causa movens van haar ontstaan, dan kon er geen spraak zijn van een zuiver en louter beginsel der zedelijkheid, dan zou het „alles heeft zijnen prijsquot; ook gelden van het hoogste en heiligste dat er voor den mensch bestaat!

Neen, voorwaar! niet: „eerst gelukkig en dan goed,quot; maar: „eerst goed en dan gelukkigquot; — zóó en zoo alleen kan het rein en zuiver beginsel des zedelijken levens onbesmet en ongeschonden blijven. Oi v.cc%v.poi r/j xapdix xbv Seóv 'étpovzai (Matth. V : 8) 'Eav Tt? zó Sél-npx noislv zoo nxzpói fi-oü èv zolq

cvpavoïc, yvMuzzxi ixzpi trig oièay^c jwO, özi èy. zoïi Beov

èaziv. (Joa. Vil: 17) Zekerheid, ontwijfelbare gewisheid omtrent de godsdienstige waarheid, (dit is vrij vertaald de zin dezer woorden,) erlangen we alleen door ernstig en nauwgezet zedelijk streven, alleen door onbaatzuchtige zelfverloochenende liefde. Alleen zij, die zijn ippL^M^svoi xai ze5e[is}M)[xévci èv «yamj zijn in staat om y.aczx^ccfiéaSai zi zó tJAzo^ y.xl fivjzo; zat jSa^o; xai zfii oUoSopLrj;, Yi ccvamp;c sii vxóv xyiov Bsov èv m/eüpzTi.

(Ef. IV: 18 en 11:21 en 22.)

ocr page 17

9

Doch nog eens worde het herhaald: al verdedigen wij den ethischen grondslag van de religie, toch willen we hiermee niet gerekend worden voorstanders te zijn van die anthropologisehe opvatting van den godsdienst, waarbij de geheele religie verklaard wordt als een produet van den menschelijken geest, zooals dit o. a. door de busst geschiedt, of als een gewrocht van de dichtende verbeelding, gelijk dit in het anders ia menig opzicht zeer voortreffelijk werk van wijlen prof. EAuwENHOFF het geval is.

Beteekende het woord „zedelijkquot; niets meer dan, wat men er in 't daaglijksch leven onder verstaat nl. de relatieve, vulgaire, wettelijke zedelijkheid, dan zou voor deze meening, dat wij het ontstaan der religie aan eindige menschelijke factoren toeschreven, inderdaad alle grond bestaan. Maar waar wij zedelijk noemen alleen die gezindheid, die van alle eigenbelang , van alle geluk en welzijn, 't zij in dit, 't zij in een volgend leven, volkomen abstraheert, en zonder zich om eigen voor- of nadeel te bekommeren alleen gehoorzaamt aan de heilige godsstem in het binnenst; waar wij onder een zedelijk leven verstaan een nieuw leven, door een nieuw en oorspronkelijk levensbeginsel in ons gewekt, dat gelegen is in „een afleggen van den ouden en een aandoen van den nieuwen menschquot;, dat dus een geestelijke wedergeboorte onderstelt, en derhalve alleen mogelijkis onder voorwaarde van, wat het N. T. noemt een kzafidveiv zou ayiou mEv[xxzog — daar behoeft het geen verder betoog, dat wij die nieuwe levenskiem niet beschouwen als voortgebracht door den wil eens menschen, maar als gewrocht door den

ocr page 18

10

heiligen liefdewil van Hem, dien jbzcjs ons openbaarde als den Vader in de hemelen.

In dien zin zijn wij ethisch en aanvaarden wij uit volle overtuiging het ethisch standpunt. Dat wij hierbij ooit bedrogen zouden kunnen uitkomen, heeft geen gevaar. Dat de ethische weg een dwaalspoor zou kunnen blijken te zijn, is absoluut onmogelijk. Ik kan hier niet te apodictisch spreken; want waar men zich mag beroepen op het geweten, daar heeft men den zekersten waarborg, die er voor den mensch bestaat, aangezien dit beroep alleen voor ongeldig kan worden verklaard door wie in staat zou kunnen zijn tot eenen zedelijken zelfmoord. Daar is niemand, die 't ook maar een oogenblik zou kunnen of durven ontkennen, dat de eenige weg ter bereiking van het summum bonum, 't welk het godsdienstig geloof tor, object heeft, is de weg van het zedelijk leven en streven, de weg van zedelijke karaktervorming, van zedelijke levensvernieuwing, van zedelijke zelfverwezenlijking.

Of deze weg wel de ware is, is geen vraag, waarover we ons zouden kunnen verontrusten, 't Eenige, waarover we ons bezorgd mogen, ja moeten maken, 't eenige, wat wij ons steeds met de angstval-ligste nauwgezetheid, wat we ons met „vreezen en bevenquot; pzzd ycftov zat zobucu moeten afvragen, is: of wij ons wel op dien weg bevinden?

Niet, of het de goede weg is — want dit is ontwijfelbaar zeker — maar of wij op dien weg zijn, of wij inderdaad den ethischen grond onder de voeten hebben, of wij in werkelijkheid op den vasten bodem staan van de zuivere godsdienstige zedelijkheid, of wij

ocr page 19

11

naar waarheid in de goede ricMing werkzaam zijn ter verwezenlijking van ons ware zelf, ter realiseering van ons zedelijk-godsdienstig ideaal, ter vervulling van onze levensroeping om „den beelde des Zoons gelijkvormig te wordenquot;, om niet meer zelf te leven, maar in ons te doen leven den xpta-Tss èv -naïv — ziedaar de vraag, die we ons behooren te stellen, 't Is ongerijmd, 't is de absurditeit zelve te meenen, dat hij, die zich op dezen weg bevindt, ooit zou kunnen blijken een verkeerd spoor te zijn ingeslagen. De gedachte daaraan kan bij een mensch zelfs niet opkomen; want het is een levensweg, of liever de eenige levensweg, de eenige weg, die leidt ten leven, ó cdi; et? 'Qjrrv txicüvtav.

Maar, als de conceptie van de zedelijke levenskiem niet van onszelven afhangt, als zij door God en Zijnen Heiligen Geest in ons gelegd wordt, ligt de keuze van dien levensweg dan wel aan ons? Als het willen en het werken beide van God is — kan er dan van zelfwerkzaamheid, van zelfbepaling, van persoonlijke verantwoordelijkheid, van 's menschen vrijen wil, in één woord: van eigenlijk „zedelijkquot; leven en streven wel langer spraak zijn?

Wij begeven ons met die vraag in 't midden van den strijd tusschen het determinisme en het inderte-minisme, die sedert eeuwen de theologische wereld verdeeld houdt. Dat tot dien strijd, vooral tot de hartstochtelijkheid, waarmede hij vaak gevoerd werd en nog somwijlen gevoerd wordt, veelal misverstand en begripsverwarring aanleiding gegeven heeft, moge bij kalme bespiegeling boven allen twijfel verheven

ocr page 20

12

zijn, toch blijft het ontegenzeggelijk waar, dat we hier voor een der moeilijkste problemen staan, wier oplossing zich de godsdienstwijsbegeerte tot taak kan stellen. Met een luchthartig schouderophalen over de ijdelheid en dwaasheid om zich af te tobben en zijnen geest te vermoeien over dergelijke religions-filosofische vraagstukken, kan men zich van de zaak niet afmaken, want zij hangt ten nauwste samen met het bekende leerstuk, dat zulk een groote rol in de geschiedenis der christelijke kerk heeft gespeeld en — getuige deter onzaliger ure weder opgekomen doleantie onzer dagen! — nog steeds de hoofden vervult en de harten van elkaar vervreemdt, te weten; het leerstuk van de verkiezing en verwerping, van de electi en de reprobati.

Wie gevoelt niet, hoe uiterst moeilijk het is, om zich ter eener zijde te wachten voor de verderflijke en alle energie verlammende en alle wilskracht doo-dende gevolgen van de leer, dat de mensch uit zich zeiven niet in staat is, om zich van de zonde te verlossen en door opname van het hooger levensbeginsel zich te vormen en te ontwikkelen tot eenen burger in Gods Koninkrijk — maar zich ook ter anderer zijde te hoeden voor de tot hooghartigheid leidende, de den christelijken ootmoed verzakende, ja ten slotte zelfs het geloof in Gods vrijmachtig albestuur in gevaar brengende en dientengevolge het beginsel der christelijke religie verloochenende leer, dat de mensch door het bezit van zijnen „vrijen wilquot; in staat zou zijn om tegen Gods raadsbesluit in te zondigen of ook zonder hoogeren bijstand zich te kunnen bekeeren en de kiem der wedergeboorte in zich op te nemen. Hoe ontkomen

ocr page 21

13

we hier aan het gevaar, dat wij niet uitwijken, nóeh ter rechter nóch ter linker zijde, en — om het oude maar niet verouderde aan de Odyssee ontleende beeld te bezigen: als de voorzichtige Ulysses ons weten te wachten voor de klippen zoowel der Scylla als der Charybdis?

Dat ik het vraagstuk zou kunnen oplossen, meen ik niet; daartoe heb ik eenen te diepen blik geslagen in de moeilijkheden, die het bevat; maar iets bij te dragen tot opheldering der zaak en haar daardoor iets nader te brengen tot hare oplossing — hiertoe gevoel ik mij in bescheidenheid wel in staat.

Hoe kunnen wij de zelfwerkzaamheid en zedelijke verantwoordelijkheid van den mensch in overeenstemming brengen met het geloof aan het albestuur van God? Hoe moeten we ons beider onderlinge verhouding voorstellen, om 's menschen vrijen wil en zijne zedelijke vrijheid te handhaven tegenover zijne alge-heele afhankelijkheid van de goddelijke almacht? Keeds heb ik er boven met een enkel woord op gewezen, wat mij voorkomt de eenig juiste beantwoording dezer vraag te zijn. Zij is nl. deze, dat hetphysisch ontwikkelingsproces, waar te nemen in de wondervolle werking van de wetten, die 't heelal beheerschen, ons eene natuurgetrouwe afbeelding geeft van de wijze, waarop het psychisch, het geestelijk, het ethisch-religieuse leven ontstaat en zich ontwikkelt.

De landman, die den zaadkorrel aan den schoot der aarde toevertrouwt, is er zich levendig van bewust, dat hij dat zaad niet kan voortbrengen, dat hij de levende kiem door het omhulsel van het graan omsloten, niet kan doen ontstaan, m. a. w. dat hij geen scheppings-

ocr page 22

14

daad kan verrichten. Het levensbeginsel weet hij verborgen onder het buitenst omhulsel van het zaad; tot het al of niet aanwezig zijn van die vruchtbare kiem kan hij uit eigen kracht of, gelijk men het met een kunstterm uitdrukt: „sua sponte,quot; niets toe- of afdoen. Geef hem een graankorrel, waarin de vruchtbare kiem verstorven is, en — welke middelen hij ook mocht te baat nemen, hem door onze aan ontdekkingen en uitvindingen op natuurkundig gebied zoo rijke eeuw aan de hand gedaan — hij zal aan de verdorde en uitgedroogde bast van de zaadkorrel geen kiem-kracht kunnen toevoegen, hij zal het met geen leven kunnen bezielen noch in een voor ontwikkeling vatbaar zaad kunnen omscheppen.

Is hij zich hiervan bewust — daartegenover echter is hij niet minder diep en levendig doordrongen van het besef, dat het vruchtbaar bestanddeel in het zaad, hem door de milde hand des Scheppers aangeboden (de ongeloovige zou hier zeggen: door de natuur; al kan ook hij zijns ondanks de verpersoonlijking van die buiten hem staande macht, van welke hij zich in alles afhankelijk gevoelt, krachtens een eigenaar-digen trek der menschelijke natuur, niet nalaten), dat, zeg ik, de vruchtbaarheid van de zaadkorrel, voor hem van geen waarde is en hem niets baat, bijaldien hij zelf niet medewerkt om aan de groeikracht en het voor levensontplooiing vatbaar bestanddeel van het zaad door eene doeltreffende bearbeiding van den bodem tegemoet te komen.

God schept het zaad en wekt daarin het leven. God schenkt den regen en den zonneschijn, God laat het

ocr page 23

15

ontkiemen en ontspruiten, Iaat het groeien en wassen, laat het rijpen en vrucht dragen, dertig-, zestig- en honderd-vond- maar de mensch moet den grond bebouwen en bewerken, hij moet de harde aardkorst omwoelen, hij moet den bodem toebereiden en het onkruid uitroeien, om zich te zijner tijd in een blijden oogst te kunnen verheugen.

Zietdaar, hoe wij ons het ontstaan, de ontwikkeling en den wasdom van het geestelijk leven hebben voor testellen. „Van zelf brengt de aarde vrueht voort,quot; aldus .heet het in de gelijkenis van jezus: «yrofxar/i ■i) yf, xapncoopsl, TipwTov xipzov, ehoc rszdyyv, elroc Til'hp'n ffïtcu èv tw azdjyï. Outm? èemiv 'h fixaikeix zoïi Seoü (Mc. IV: 28 en 26). Zoo ook ontkiemt het geestelijk leven in den mensch buiten zijn toedoen; het geestelijk levensbeginsel dankt zijnen oorsprong aan God en de werking van Zijnen Heiligen Geest, het ontstaat en groeit en rijpt zonder 's menschen hulp en medewerking hierbij te behoeven, ó anbpog jSXasravr) zai urr/.vvnTxi, mg o txvspukog cux oïSóv xvzóc, (Me. IV: 27) — doch alleen onder voorwaarde, dat te voren de grond, waaraan het zaad werd toevertrouwd, op de rechte wijze werd bewerkt en voortdurend van distelen en doornen wordt gezuiverd. Valt het zaad napdi z-nv èdóv of è~i zb Tiszpüdsg, of dg zlt;xg aèxoévSxg, dan wordt het vertreden, dan verdort het of verstikt. Alleen als het valt eis zriv y/jv r/jv xaXriv brengt het zijn vrucht voort êv zpiaxovzoc, iv ifyiv-ovzoc /.oei êv ixoabv (Mc. IV: 3—9).

Het zorgen voor een weltoebereiden akker is dus het werk van den mensch; alleen in dien zin mag het woord van paulus ó avSpunog Ssov ympywv èaziv

ocr page 24

16

(1 Cor. Ill: 9) verstaan worden; want blijft de akker van het menschenhart braak liggen, is de vruchtbare grond bedekt met een harde aardkorst, of is de oppervlakte vol onkruid en bezaaid met vreemde woekerplanten, dan kan het geestelijk zaad daarin geen wortel schieten, en kan er van de werking van Gods Geest voor den mensch geen vrucht worden verwacht. De bodèm moet worden omgewerkt, de harde aardkorst moet worden losgewoeld, de steenen moeten worden verwijderd, de diepe voren van het scherpe ijzer moeten zichtbaar zijn; anders kan de conceptie van het zaad niet plaats hebben, dan blijft het op de oppervlakte liggen en verschroeit door de zonnehitte of wordt weggeroofd door de vogelen. En als het zaad is ontvangen en wortel heeft geschoten, dan dient er een wakend oog te worden gehouden op den toestand, waarin het jonge gewas zich bevindt; dan dienen er maatregelen te worden genomen ter voorkoming van schadelijke invloeden en ter afwering van alle den voorspoedigen wasdom belemmerende hinderpalen. Er dient zorgvuldig te worden gelet, of er ook onkruid opschiet onder de tarwe, en waar het zich mocht vertoonen, dient het te worden uitgeroeid met wortel en tak.

Ziedaar het werk, dat den mensch is toegewezen! Die zedelijke arbeid moet door hem worden verricht, voortdurend, met allen ernst, met angstvallige nauwgezetheid, met ijzeren volharding, met inspanning van zijne beste krachten; dan bereidt hij den grond, waarin het goddelijk levenszaad kan ontkiemen en vrucht dragen Gode ter eere, hem ten zegen! Zoo begrijpen

ocr page 25

17

we't, wat Jezus en zijn grootste discipel bedoelden, toen zij leerden, dat wij moesten zijn awepyoi toü SeoD (1 Cor. III: 9).

Dit was het . wat wij verstonden onder het etliisch-religiens standpunt, dat nl. 's nienschen zedelijk leven en streven de grondslag moet zijn, waarop hij het gebouw optrekt van zijn godsdienstig geloof, 'twelk hem de vervulling voorspelt van zijne hoogste wenschen, zijne heiligste idealen. Ik heb hierbij een oogenblik langer stil gestaan, omdat in de juiste voorstelling van deze zaak het zwaartepunt gelegen is, waarop het geheele betoog van het door ons ingesteld onderzoek berust.

Nadat wij dus op deze wijze ons standpunt hadden bepaald, raadpleegden wij het gevoelen van verschillende voorname woordvoerders der theologie van onzen tijd, en konden ons op vele mannen van gezag beroepen, aan wier denkbeelden onze zienswijze zich aansloot. Vonden we aan die zijde eenen krachtigen steun, en werden we door de meening van onderscheidene godgeleerden van naam, vaderlandsche zoowel als uitheemsche, versterkt in onze overtuiging, dat wij den goeden weg opgingen, waar wij, kant'svoetspoor volgend, in de door hem ons aangewezen richting trachtten voort te gaan, en op zijn systeem der Ke-ligionsfilosofle, in zijne „Kritik der practischen Ver-nunftquot; en zijne „Religion u. s. w.quot; ontwikkeld, ons ethisch-religieus en ethisch-evangelisch standpunt baseerden — van eenen anderen kant dreigde ons een groot gevaar.

't Was n.1. in de voorstanders van de morale in-

ocr page 26

18

dépendente, die langzamerhand eene godsdienstlooze zedeleer is geworden, dat wij de 't ergst te duchten tegenstanders van onze religieuse overtuiging erkenden, op grond waarvan we ons gedrongen gevoelden, om in een afzonderlijk hoofdstuk te handelen over de „godsdienstige zedelijkheid en godsdienstlooze zedelijkheid.quot; Met allen nadruk waarschuwden we tegen de heillooze gevolgen van de laatste; en stelden voorts in 't licht, dat alleen de eerste door ons bedoeld werd, als wij de zedelijkheid den grondslag noemden der religie. Ook hierbij mochten we ons weer beroepen op de wijsbegeerte van immanüël kant.

Hadden we alzoo tegenover den gevaarlijksten tegenstander ons standpunt weten te handhaven — toch waren hiermede op verre na niet alle hinderpalen overwonnen, die ons belemmerend in den weg stonden. Vooral twee beschouwingen waren het, die wij met de door ons verdedigde opvatting van den godsdienst strijdig achtten, wier consequenties voor de ethisch-evangelische zienswijze verderfiijk moesten zijn, met name het intelluctualisme en het supranaturalisme, het laatste alleen voor zoover het niet metaphysisch, maar antiphysisch van aard was.

Het intellectualisme is die theorie, die meent, al bleek ons hare meening een waan te zijn, dat men door het denkenquot;, het intellect, tot erkenning van en inzicht in de objectieve realiteit van de religieuse waarheden kan komen, m. a. w. dat het werkelijk bestaan van de objecten des godsdienstigen geloofs door denkoperaties, door syllogismen en logische argumenten kan worden bewezen. Aan de hand van

ocr page 27

19

de „ Kritik der reinen Vernunftquot; echter kwamen wij tot de conclusie, dat een dergelijk betoog noch ten opzichte van de psychologische idee, omtrent de enkelvoudige substantialiteit van de menschelijke ziel, noch ten opzichte van de kosmologische idee, de wereld, het heelal (waaronder wij hier natuurlijk in de eerste plaats de geestelijke wereld hadden te verstaan) noch eindelijk ten opzichte van de theologische idee, het bestaan van God, kon worden geleverd; en dat derhalve, bijaldien deze drie de eenige transcendentale ideën der rede en dientengevolge ook de eenige objecten des godsdienstigen geloofs waren, zulk een intellectualistisch bewijs, onder welke verleidelijke vormen en welke schoonklinkende namen het ook moge optreden, voor eens en voor altijd als irrationeel en irreligious door ons moest worden afgewezen.

Niet minder afkeurend luidde ons oordeel over dat supranaturalisme, dat het geloof aan de waarheden van de christelijke religie bouwt op tegen den gewonen loop der natuur indruischende wonderdadige gebeurtenissen. Het wondergeloof, vooral waar dit optreedt met de bewering, dat het tot de fundamen-teele en essentieele bestanddeelen behoort van de religie, bevonden wij strijdig te zijn met evangelie en christendom, strijdig met de leer van jezüs en de apostelen, en mitsdien, vooral met het oog op de voorliefde, waarmeê deze woekerplant van het religieus geloof door ons volk wordt gekweekt en gekoesterd, door ons te beschouwen als een van de grootste belemmeringen voor de ethisch-religieuse ontwikkeling van ons geslacht.

2*

ocr page 28

20

Vat men het woord supranatureel op in synonieme beteekenis met het woord metaphysisch, dan dient het door ons te worden gehandhaafd; maar wordt het vereenzelvigd met het geloof aan antiphysisehe en contranatureele miracnla, dan dient het met beslistheid door ons te worden verworpen, en moeten wij 't als onzen plicht bcsehouwen, om dit onkruid, waar het zich op den geestelijken akker der menschheid mocht vertoonen, met den wortel uit te roeien.

Zoo kwamen wij tot het laatste hoofdstuk van het eerste Deel, waarin wij eene nadere toelichting gaven van het door ons verdedigd ethisch-religieus standpunt, door ons te scharen aan de zijde van de voorstanders der postulaats-theorie van kant, eene theorie die men in later tijd wel heeft willen wijzigen en veranderen, maar, gelijk ons bleek, niet heeft kunnen verbeteren.

Ziedaar met een paar vluchtige lijnen een ruwe schets van het in Dl. I ingesteld onderzoek. De vraag; Waarom ethisch? Waarom zijn wij in onze religieuse overtuiging der ethische zienswijze toegedaan, en waarom dus verdedigers vaa het ethisch-religieus standpunt? — die vraag is door ons beantwoord; en de stelling „de zedelijkheid is de grondslag van de religiequot; mogen we derhalve als afgehandeld beschouwen.

Thans is de tweede door ons gestelde vraag aan de orde, de vraag: Waarom evangelisch? Waarom niet slechts ethisch, maar als ethisch-religieus tevens ethisch-evangelisch?

Ons antwoord op die vraag, we gaven het reeds terstond

ocr page 29

21

in de inleiding, is: wijl we belijders zijn van het evangelie, wijl het evangelie van het Koninkrijk Gods, door Jezus geleerd, den inhoud vormt van het christelijk-gods-dienstig geloof, dat we omhelzen. Dat evangelie, in zijn rein en zuiver gehalte, ontdaan van alle dogmatische, an-thropotheïstische en contranatureele bijmengsels is het object van ons religieus geloof. Daarom noemen we ons evangelisch, en wenschen we dien naam te handhaven in spijt van de tegenwerpingen, die ons van het verouderd dogmatisme der uiterst rechtzinnige, en van het eenzijdig modernisme der haar doel voorbij-strevende vrijzinnige richting worden voor de voeten geworpen.

Of zal men ons verwijten, dat wij geen recht hebben om den naam evangelisch toe te passen op het door ons ingenomen standpunt, aangezien immers deze benaming gebezigd wordt ter aanduiding van die theologische zienswijze, die men de Groninger richting noemt, wier eigenaardig kenmerk juist gelegen is in de erkenning van de goddelijke natuur van jezus ohkistüs , in het geloof aan de geschiedkundige betrouwvaarheid van alle N. T.sche geschriften en aan de echtheid en historische authenticiteit van do bijbelsche wonderverhalen ?

Mocht men inderdaad met dit argument willen aankomen, laat mij dan bij voorbaat tegen een dergelijk exclusivisme mijn krachtigst protest aanteekenen. Dat er velen zijn, die den naam „evangelischquot; identificeeren met genoemde half-orthodoxe richting, zal ik voorzeker niet tegenspreken, maar — waarom zou ik het verbloemen? — juist het bestaan van dit feit, juist de

ocr page 30

22

wetenschap, dat men bij ons te lande (want in Duitsch-land weet men zich wel te wachten voor een dergelijke oppervlakkige eenzijdigheid!) zulk een schromelijk misbruik maakt van den schoonen, inhoudrijken naam „evangelischquot;, was voor mij een der krachtigste motieven, die mij tot schrijven bewogen. Zulk eene usurpatie en tot aan het brutale grenzende overschrijding van rechtsbevoegdheid mogen we niet dulden, allerminst waar het geldt onze heiligste en dierbaarste belangen. Geen theologische richting bezit het geloof in het Evangelie als een monopolie, zoodat zij zou kunnen bepalen wie al, en wie niet in 't bezit is van den troostrijken en zegenvollen godsdienst van jezus. Het evangelie van Gods ontfermende zondaarsliefde is niet het uitsluitend eigendom van eene met een bepaalde kleur genuanceerde theoligische zienswijze. Op voortreffelijke wijze werd dit nog onlangs gezegd door den voorzitter der laatste predikanten-vergadering te Groningen, prof.

t. cannegietee..

„Maarquot; — zal wellicht deze of gene mij willen vragen — „als gij zulk eene ruime opvatting van den chris-„telijken godsdienst eerbiedigt — waarom dan zoo tegen „de modernen te velde getrokken, onder welke er „immers velen zijn, met welker religieuse denkbeelden „gij u kunt vereenigen? Is niet de eenige grief, „die gij hebt tegen — om nu maar eens eenen uit „velen te noemen — tegen prof. s. hoekstea, dat „hij zich „modernquot; noemt, terwijl geu voor't overige „bij zijne denkwijze ten volle kunt aansluiten?quot;

Inderdaad, het is volkomen waar, dat ik een on-

ocr page 31

23

verdeelde hoogachting koester voor, en mijne algeheele symphatie schenk aan het godsdienst-wijsgeerig stelsel van een man als hobkstea, en dat ik moeilijk een anderen grief tegen mijnen leermeester zon weten in te brengen dan alleen, dat hij zich „modern noemtquot;. Maar — kunnen de omstandigheden er niet soms naar zijn, dat de juiste naam van het hoogste gewicht is, en dat eene onjuiste en verkeerde benaming de nood-lottigste gevolgen na zich kan slepen? Gevoelt men dan niet, welk een heillooze verwarring het te weeg brengt, als men vrome, ernstige, geloovige christenen op dezelfde lijn plaatst met b. v. de predikers van de godsdienstlooze zedeleer? Maar buitendien, het woord „modernquot; is nn eenmaal een woord, dat, toegepast op den inhoud van ons religieus geloof, (en hierop wordt het immers zoowel door predikanten als leeken toegepast!) te eenen male foutief moet worden genoemd. Het geloof in het godsrijk, in Gods Vaderliefde en onze kinderlijke betrekking tot God is geen modern geloof. Van modern religieus geloof zou men alleen kunnen spreken, als de religieuse behoefte een eigenaardige karaktertrek ware van ons geslacht, als „de dorst der ziel naar den levenden Godquot;, waarvan de psalmdichter gewaagt, voor 'teerst ontstaan ware in onze moderne maatschappij.

Geheel anders is het met den naam „evangelischquot;. M. i. kan er ter kenschetsing van de christelijk-reli-gieuse geloofsovertuiging geen betere en juistere benaming worden gebezigd. Het godsdienstig geloof van den echten stempel is altijd evangelisch; het heeft altijd een vertroostenden, verblijdenden, geluk- heil- en zegen-

ocr page 32

24

aanbrengenden inhoud, het is altijd uit den aard der zaak optimisme van de edelste soort, van het zuiverst gehalte. Juist daarom echter mag dat woord niet misbruikt worden als partijnaam, juist daarom is het plicht van alle welgezinden om dat evangelie rein en ongeschonden te bewaren van alle dogmatische, confessio-neele en contranatureele aankleefsels, die in strijd zijn met zijn verheven en heilig karakter.

Het evangelie van het Koninkrijk Gods door Jezus verkondigd en bezegeld door zijn bloed, dat is de inhoud van ons christelijk-godsdienstig geloof; en ziedaar dus het onderwerp,'t welk wij in de onderstaande bladzijden zullen hebben te behandelen. De aard van ons onderzoek in het tweede Deel is dientengevolge eenigzins verschillend van dien van het eerste. quot;Waar wij zochten naar den grondslag van ons godsdienstig geloof, hadden wij te doen met een psychologisch vraagstuk, met een onderwerp van de godsdienstwijsbegeerte, waarbij het historische geheel op den achtergrond trad; vooreerst omdat ons omtrent het eerste ontstaan van de religieuse behoeften alle geschiedkundige berichten ontbreken, daar immers op het tijdstip waarop de geschiedenis aanvangt, de godsdienst reeds eeuwen aan eeuwen in de menschenwereld had bestaan-, ten andere echter omdat, al bezaten wij de meest nauwkeurige berichten uit dat eerste ontwikkelingstijdperk van ons geslacht, wij ons toch bij ons onderzoek daarvan niet zouden hebben kunnen bedienen, aangezien het ons niet te doen was, om den oorsprong op te zoeken van den godsdienst als een historisch gegeven, als een empirisch verschijnsel,

ocr page 33

25

maar om den grondslag te leeren kennen van de religie, die er leeft in ons binnenst, van het godsdienstig geloof, dat — niet onze voorvaderen beleden, noch de tegenwoordige menschheid, met inbegrip van de bewoners der Afrikaansche binnenlanden, de Cannibalen en Anthropophagen, belijdt — maar het geloof, dat wij belijden. Om dus het antwoord te vinden op de daar gestelde vraag, moesten wij te rade gaan met het inwendig gemoedsleven, met de zielkunde, en bewogen ons dus op het gebied van de Eeligionsfilosofie.

Hier daarentegen doet zich een ander geval voor. Het evangelie van het Godsrijk is, ja ook — wie zal het tegen spreken! — het godsdieustig geloof, dat wij belijden; en in zoover zullen we ons dus ook thans weder op psychologisch en godsdienst-wijsgeerig terrein hebben te begeven; maar het is tevens een geschiedkundig verschijnsel, dat geworden is door de historie, en dus zijne voor ons toegankelijke ontwikkelingsgeschiedenis heeft. Daarom. zullen we in het tweede Deel niet alleen met de wijsbegeerte van den godsdienst moeten te rade gaan, maar tevens met de historie, met name de geschiedenis van het volk Israël, waaruit immers de christelijke godsdienst werd geboren, en met de geschiedkundige bronnen van de leer des evangelies, de geschriften van de y.aivn SiocS^kyi Dat wij de geschiedkundige nasporingen aan het gods-dienst-wijsgeerig onderzoek laten voorafgaan, ligt in den aard der zaak. Wij willen echter beginnen met eene exegetische verklaring van het woord, dat het onderwerp aanduidt van de in dit Tweede Deel volgende hoofdstukken.

ocr page 34

§ 10.

EXEGETISCHE VERKLARING VAN DE UITDRUKKING BA2IAEIA TOY 0EOY of TQN OYPANÜN.

Allereerst dient hier te worden gewezen op het opmerkelijk feit, dat in het evangelie naar mattheus , op enkele weinige uitzonderingen na, telkens wordt gesproken van de ftxaiküx -wv oüpxvüv, terwijl het mabcus- en LucAS-evangelie altijd spreekt van de j3. tsü 5eoü, en nergens de eerstgenoemde uitdrukking bezigt. Dit is inderdaad een zeer opmerkelijk verschijnsel, dat wel eens diende te worden overwogen door hen, die beweren, dat de evangelisten ons de letterlijke woorden van jezus mededeelen. Als de evangelieën in den vorm, waarin zij ons zijn overgeleverd, waarlijk door oor- en ooggetuigen waren te boek gesteld, hoe liet het zich dan verklaren, dat een woord, waardoor een grondbegrip van jezus' leer en prediking wordt aangeduid, door verschillende zijner leerlingen niet wordt gebezigd, en dat de eerste uitdrukking, die met blijkbare voorliefde door den redacteur van het eerste evangelie wordt gebruikt, in geen enkel ander geschrift van het N. T. wordt gevonden? Om de zaak eens aan een voor-

ocr page 35

27

beeld duidelijk te maken: Gesteld, wij bezaten van uimanuel kant geen eigenhandig geschrift, maar wij kenden zijne denkbeelden alleen uit de geschriften van zijne leerlingen, die hij, even als socrates, mondeling in de beginselen van zijn phi-losophisch stelsel had ingewijd; — zou het wel denkbaar zijn, dat de ééne leerling, aangenomen natuurlijk , dat zij zich allen het systeem van den meester geheel en al hadden eigen gemaakt, en geen ander doel hadden, dan om zijne theorie zoo goed en volledig mogelijk mede te deeleu — dat dan de ééne voor dat stelsel altijd de benaming zou bezigen van de „Trans-cendentaal-philosophiequot;, terwijl de ander zonder ooit dit woord te gebruiken, voortdurend zou spreken van de „Critische wijsbegeertequot;? Mij dunkt, die onderstelling is ongerijmd. Alleen in geval, dat men door anderen, uit de tweede of derde hand, met het Kanti-aansche stelsel ware bekend gemaakt, zou men kunnen beproeven een overzicht daarvan te geven, zonder het woord te noemen, waardoor een van zijne meest kenmerkende eigenschappen wordt uitgedrukt. Dit laatste toch is het geval met het woord fixrihix züv ovpavüv (de Duitschers vertalen het door „Himmclreichquot;) ten opzichte van de leer des evangelies.

Al wordt de term „koninkrijk der hemelenquot; bij geen enkelen schrijver van het N. T. met uitzondering van mattheus gevonden, toch mogen wij er zeker van zijn, en kan het op allezins voldoende gronden worden aangetoond, dat jezus deze benaming evenzeer als die andere van de jSao-iXeia zoïi Ssoü moet hebben gebruikt. Dit blijkt overtuigend,

ocr page 36

28

als wij de beteekenis van de formule /3. tiv oüpavüv wat nader gaan exegetiseeren. Wij zonden ver mistasten , wanneer wij het hier bedoelde koninkrijk uitsluitend wilden opvatten in dien transcendenten zin, waarin o. a. in den tweeden brief van Tim. wordt gesproken van de fixTilüa. encvpavLcg of Hebr. XII; 22 van het 'hpovyal-hp èmvpavtog of Gal. IV: 16 van het vi «vto 'lepovjalvia, of van het Paulinische nolizevp-x év tot? ovpxvoïc. Doch evenzeer zouden wij hare ware en oorspronkelijke beteekenis miskennen, als wij het methaphysisch karakter der jSao-tXeta wilden loochenen en het in eenzijdig spiritualistischen zin gingen verklaren als een hemelrijk of een godsrijk, dat in de scherpste tegenstelling staat tot het begrip „wereld,quot; zooals wij dit in het Joannes-evangelie vinden voorgesteld. De juiste opvatting zal wel zijn die wij o. a. vinden bij prof. schüeee,(1) volgens welke de beteekenis van jSaa-tXda twv cvpxvüv moet worden afgeleid uit het in de Michna gebruikte DWHTID^D. 'tls bekend, hoe de angstvallige

♦ - t - : ~

nauwgezetheid der Joden op het punt van den godsdienst zoo ver ging, dat zij een huiverachtige vrees hadden voor het uitspreken van den naam van jahveh. Men bediende zich bij 't aanroepen van de Godheid in plaats daarvan liefst van benamingen zoo algemeen mogelijk. Het derde gebod was in Israël zoo heilig, dat alleen de hoogepriester op den grooten verzoendag den naam jahveh op de lippen mocht nemen, terwijl

1

Schüeer. Begriff. des Himmelreichs. Jahrbiicher fürProt. Theol. 1876.

ocr page 37

29

de meer algemeene namen van □quot;nSN* en W bij het volk in zwang kwamen. Hiermede stelde men zich echter nog niet tevreden, en door God alleen ttfnpn te noemen, achtte men zich nog zekerder voor heiligschennis gevrijwaard. Ja nog was hierdoor de godsdienstige conscientie niet bevredigd, en het woord Dty'n, zonder eenig verder epitheton, werd ter aanduiding van de godheid reeds voldoende beschouwd. Zelfs bewijzen sommige plaatsen uit de Joodsche literatuur, dat men nog verder is gegaan en God kortweg ülpon heeft genoemd, en zoo de woonplaats van God voor den naam van God bezigde. Op dezelfde wijze, zegt schüeee, kwam ook de benaming DWH i11 gebruik, en al vindt men haar in het O. T.

. - t -

ook zelden, in de apokryphe boeken wordt des te menigvuldiger metonymisch van ó o-jjsstvó? gesproken in plaats van ó Seè;; en dat die naam ook in 'tN. T. soms dezelfde beteekenis kan hebben, moge blijken uit Luc. XV vs. 18 riatip, fiuxpzov eig zév oiipavóv xeei ivojniov aoü.

Uit het gezegde blijkt voldoende, dat de uitdrukkingen „Koninkrijk Godsquot; en Koninkrijk der Hemelenquot; van geheel synonieme beteekenis zijn. Nemen we nu in aanmerking, dat juist deze laatste uitdrukking de ver-eeniging van het hemelsche en het aardsche, van het ideale en het reale op het treffendst doet uitkomen, dat voorts een der meest kenmerkende karaktertrekken van de leer aangaande het godsrijk juist gelegen

ocr page 38

30

is in dat toekomstige, het „jenseitigeof om de eenvoudige taal van het christendom te spreken: in 't geloof aan den hemel, een geloof dat zoo met de godsdienstige bewustheid van jezus was saamgeweven, dat het een der meest essentieele bestanddeelen van zijne evangelieprediking bevat, zoodat dit evangelie alleen daarom een eu dyyDaov wordt genoemd, omdat het deze heilvolle en zaligende blijmare aan de mensch-heid brengt, dat der vromen erfdeel is de he-melsehe vreugde in 't eeuwig Vaderhuis; bedenken we eindelijk, dat genoemde uitdrukking, gelijk wij zagen, in de dagen van jezus volstrekt niet ongewoon was en door het volk zeer goed werd verstaan, terwijl jezus als de volksredenaar bij uitnemendheid zich bij voorkeur in zijne godsdienstige toespraken bediende van bewoordingen die, ontleend aan de Schrift, te gereeder bij zijn gehoor ingang konden vinden — dan mogen wij het wel als ontwijfelbaar zeker beschouwen, dat hij beide benamingen heeft gebruikt, en niet minder van de /3. twv oipzvwv als van de j3. toü Seov heeft gesproken.

Dit, wat betreft den tweeden term der formule. Thans nog een woord over de eerste, over de betee-kenis van de (ixaikeitx. In het O. T. wordt jahveh op tal van plaatsen „koningquot; genoemd; in de oudere gescliriftcn in streng particularistischen zin als koning van het uitverkoren volk, in de nieuwere daarentegen in de meer universeele beteekenis, dat aan Hem als den koning van Israël eenmaal alle andere koningen der aarde moeten worden onderworpen. Zoolang de Joodsche staat als een zelfstandig rijk bestond, was hij dus

ocr page 39

31

principieel, hoezeer ook voor reiniging en uitbreiding vatbaar, het koninkrijk van God, de vai1

mrr. Na den ondergang echter van het rijk van Juda verkreeg de profetische verwachting van een toekomstig Godsrijk, vooral in het boek Daniel steeds meer een universeel karakter. De God van Israël is de koning der geheele wereld. „Hij, de God des hemelsquot; (alzoo lezen we Dan. II vs. 44) „zal eenmaal „een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal „verwoest worden (zooals het met het volk Gods was „geschied), maar het zal alle andere koninkrijken ver-,,malen en te niet doen, zelf echter zal het bestaan tot in alle eeuwigheid.quot; quot;Wij zien dus dat de eenige DD^D»

die in 't oog der Joden recht van bestaan had, en die door geenen ondergang bedreigd werd, die van Jahveh was; en daar in de uitdrukking D'-DtiflTrTO^D „hemelquot; in den zin van hemelsche of goddelijke macht moet worden opgevat, zoo kunnen we aan deze formule geen andere beteekenis hechten, dan die van „het rijk waarin javeh, de God des hemels, het bewind voert.quot; Het woord fix/rthia echter beteekent niet hetzelfde als rrota Het laatste komt zoowel in de Michna als in het O. T. alleen voor in den zin van „koningschapquot; of heerschappij, maar niet in dien van „rijk,quot; waarvoor men in 't Hebreeuwsch het woord rpitf'ÜD

of roSDD gebruikt; fixailsix echter heeft de twee-

V t . v

ledige beteekenis zoowel van „koningschapquot; als „koninkrijk,quot; en als we de verschillende plaatsen nagaan,

ocr page 40

32

waar het woord in het N. T. wordt gebezigd, zullen we zien, dat nu eens de eene en dan weer de andere beteekenis op den voorgrond staat. Beide begrippen echter staan met elkaar in het allernauwste verband, het eene onderstelt noodwendig het andere, en zonder het eene is het andere zelfs ondenkbaar. Derhalve kunnen we met schüeeb als de grondbeteekenis van de (jx^ilüx zoü ScsD of twv ovpxvün, waarin de genitivus twv oupxvüv, zooals uit het boven aangevoerde blijkt, een genitivus objeetivus is, vaststellen: dat rijk, waarin God of de hemel (of wil men liever de Hemelvader) het heerschende beginsel is geworden.

't Verdient voorts nog onze aandacht, dat, zoo veelvuldig de uitdrukking [ix^ilüx zoü Sscü (of tmv oiipxvüv bij mattheus) gevonden wordt in de synoptische evangeliën , zoo zelden zij wordt aangetroffen in het evangelie naar joannes. 't Is eigenlijk slechts op ééne plaats nl. in het 3(le on het hiermede in logisch verband staande 5de vers van het derde hoofdstuk, dat dit woord wordt gebruikt. Schijnt lange te meenen, dat ook c. XVIH: 38 van het Godsrijk sprake is, bij eenig nadenken valt het gemakkelijk in te zien, dat deze bewering onjuist is. Als jezüs hier aan pilatcs op diens vraag, of hij dan overeenkomstig het getuigenis der Joden een koning is, antwoordt: „mijn koninkrijk is niet van deze wereldquot;, dan beteekent dit m. i. niets anders dan ongeveer dit: dat de romeinsche stadhouder zich hieromtrent kon gerust stellen, dat jezüs naar geen aardschen scepter ooit had gestreefd en dien ook niet begeerde, daar het gebied waarin

ocr page 41

33

hij zou wensclien te lieerschen van rein geestelijken aard was. De meening, dat jezus zich met dit woord zeiven als den Koning in het Godsrijk zou hebben willen aanduiden, is, gelijk ons trouwens bij de nadere ontwikkeling van ons onderwerp duidelijk genoeg zal blijken, geheel en al ongemotiveerd. Op de vraag van den heidenschen landvoogd, gebaseerd op de besehuldiging zijner van hunne aardsch-messiaansche verwachtingen quot;vervulde aanklagers, zegt jezus niets anders, en ook niets meer dan dit: mijn rijk (d. i. het rijk, waarvoor ik leef en waarvoor ik bereid ben te sterven) is niet aardsch, is niet een aardsch koninkrijk, maar is geestelijk.

Al wordt echter het woord Godsrijk, op die enkele uitzondering na, door den schrijver van het vierde evangelie niet gebezigd, toch valt het niet te loochenen, dat het geschrift door de idee van het Koninkrijk Gods wordt beheerscht. Als wij b.v. den Christus van het logosevangelie C. X: 9 hooren zeggen: „ik ben de deur; indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden,quot; of elders „niemand komt tot den Vader dan door mijquot; — dan wordt onder dit „ingaanquot; en dit „komen tot den Vaderquot; geheel hetzelfde verstaan, als wat de synoptici bedoelen met „ingaan in het Koninkrijk Gods.quot; Door hem, d. w. z. door zijn evangelie, door de kracht van zijne moreele en religieuse beginselen, kunnen zijne volgelingen het burgerschap van het godsrijk deelachtig worden. Ook woorden als deze „Vader ik heb voleindigd het werk dat Gij mij gegeven hebt om te doen: ik heb uwen naam geopenbaard aan de wereldquot; slaan, gelijk nau-

3

ocr page 42

34

welijks behoeft te worden herinnerd, op dezelfde werkzaamheid van jezus , die de drie eerste evangelieschrijvers en ook de redacteur der „Handelingenquot; noemen „de prediking van het Godsrijk.quot;

Wat dit laatste bijbelboek aangaat, op een vijftal plaatsen, te weten hfd. VIII en XII, c. XIX, 8, c. XX, 25, c. XXVm vs. 23 en 31 wordt ook de werkzaamheid der apostelen beschreven als een euccyyilLamp;vd-cu, een K-npvaaeiv, een Tiüiïziv, een dizpacpzuphaBoci en OLZ/èyETZai tx nspi vUi (Sxeihiag zou iïevv. Duidelijk blijkt hieruit, dat met deze enkele uitdrukking „het evangelie van het Koninkrijk Godsquot;, zooals wij boven reeds aanstipten, de geheele inhoud naar aard, beginsel en doel van jezus' leer en prediking wordt gekenschetst. De apostelen hebben zich van die taak gekweten, hebben deze hunne levensroeping vervuld door in en buiten Palestina hunne gemeenten te stichten, en hier door woord en geschrift het geestelijk leven in stand te houden; overeenkomstig het gebod, dat volgens het eerste evangelie de verheerlijkte cheistüs den discipelen geeft, en dat, al kunnen wij het historisch kleed, waarin het ons wordt meegedeeld, niet als echt erkennen, toch naar aard en inhoud den stempel van de authenticiteit met zich draagt: het gebod „Gaat dan henen, onderwijst (^-/izsuo-xts dus eigl. „maakt tot discipelenquot;) alle volken, hen doopen-de tot den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,quot; (Math. XXVIH : 19) een woord, dat voor ons thema van het grootste gewicht is, en waarop wij later zullen terugkomen.

Wat ten slotte de brieven aan deze aldus door

ocr page 43

35

hon gestichte èy.yjMiM betreft, de uitdrukking fiaaikzia. roü Seoj wordt hierin slechts zeer sporadisch aangetroffen. Pallus gebruikt haar eene enkele maal als het woord, waardoor het centraalbegrip, de kern en het wezen van zijne christelijk-godsdienstige bewustheid , het culminatiepunt van zijne evangelieprediking wordt aangeduid, zoo Eom. XIV vs. 17 en 18 en 1 Cor. IV vs. 20. In de overige brieven echter wordt, waar van de (Ixaikeix met of zonder verder epitheton gesproken wordt, meestal onze toekomstige geluksstaat bedoeld, zoodat onder den „burger van het godsrijkquot; hetzelfde wordt verstaan als een „hemelburger.quot; Slechts een enkele maal b. v. Col. IV : 11 wordt onze formule gebezigd ter qualificatie van de apostolische werkzaamheid. T/kjoü; b 'lovazoi wordt hier een auvipyo^ genoemd

et; rnv zoü iï-oD. Overigens echter beteekent

het woord in de brieven „het hoogste goedquot; niet slechts in ethischen, maar speciaal in eudaemonistischen zin. Zoo 1 Thess. II: 12; „wandelt waardig voor God, die u geroepen heeft tot Zijn koninkrijk (sig ~w èxuzov jSao-t-Aiiav) en zijne heerlijkheidquot;, voorts 2 Thess. 1:5: „opdat gij waardig geacht wordt (y.«zx£iMd-7ivxi) het koninkrijk Godsquot;, en Jac. 11: 5 „de armen der wereld geroepen tot erfgenamen van zijn koninkrijk, dat hij heeft beloofd (é-rr/yciAx-s) dengenen, die hem liefhebbenquot;, eindelijk 2 Petr. 1:11, waar vooral uit het verband met het voorafgaande en volgende blijkt, dat met het „ingaan in het eeuwig koninkrijk onzes Heerenquot; de hoop onzer eeuwige zaligheid wordt bedoeld. In 2 Tim. IV, 1 schijnt de (ixTiliix toïi xpivzov zelfs in eschatologischen, en niet gelijk in de aangehaalde plaatsen in transcendenten

3*

ocr page 44

36

zin te moeten worden opgevat. Hiertoe behooren ook plaatsen als Ef. V : 5, 1 Cor. VI: 9, Hebr. XII; 28, Gal. V: 21, waar klaarblijkelijk de (ixvileix wordt voorgesteld als in het volgend leven in vervulling te gaan. De verschillende benamingen, waarmee in de N. T.sche brieven het Koninkrijk wordt genoemd, als de |3. toü %pilt;jzov, to'j y.vpiou, xov croizripo:, toü üisü, -n aiunioz [Sxirdsix, rj daalevroc /3, of ook alleen 'n [iacaildx zijn alle uitdrukkingen van synonieme beteekenis en worden promiscue gebruikt voor het door jezus gebezigde (3. tov Sesü of tmv oijpavmv.

Al wordt nu echter het woord „Godsrijkquot; betrekkelijk zeldzaam in de brieven gevonden, en waar het gevonden wordt, met uitzondering van de erkend paulinische brieven, meer in eene afgeleide dan in de oorspronkelijke beteekenis — toch zijn die brieven van groot belang, waar 't ons te doen is om het juiste inzicht in de leer van het koninkrijk God's. Men behoeft ze slechts vluchtig door te loopen, om terstond te erkennen, dat zij door den geest van jezus' evangelie aangaande het Koninkrijk God's als 't ware zijn geïnspireerd. Dat er de geijkte uitdrukking weinig wordt aangetroffen lag in den aard en de strekking der zendbrieven, die meerendeels op plaatselijke toestanden en soms zelfs op persoonlijke aangelegenheden betrekking hebben. Een brief was niet de meest geschikte plaats om de leer van het Godsrijk te ontwikkelen. Zij hadden meer een paraenetische strekking, om de den schrijver persoonlijk bekende of door hem zeiven gestichte gemeente te troosten in hare verdrukking, te sterken in haar geloof of te bemoedigen en op te

ocr page 45

37

wekken tot het aanvaarden van den levensstrijd. In die brieven, die een meer dogmatisch karakter dragen, zooals die aan de Romeinen, de Corinthiërs en de Galaten wordt dan ook van de [izvileix toü d-eov gesproken in denzelfden zin, als waarin het bij de synoptici en den schrijver der Handelingen voorkomt (1).

Uit de vergelijking met de Hebreenwsche formule is ons daareven gebleken, dat de uitdrukking „Koninkrijk Godsquot; of „Koninkrijk der hemelenquot; geenszins door jezus of zijnen voorlooper johannes den Dooper is geschapen, maar dat zij haar aan de Joodsche literatuur hebben ontleend (vgl. o. a. Dan VII: 13 en 14). Dit niet alleen, maar wijl zij haren oorsprong te danken had aan Israels profeten — ja wellicht reeds aan den stichter van de joodsche theocratie — was zij zelfs waarschijnlijk in den mond van het volk de meest gewone uitdrukking ter aanduiding van het Messiasrijk. Als jezus dus dien naam van het Koninkrijk uit den mond van het volk overnam, dan blijkt hieruit reeds, dat de Joodsche voorstelling van het Messiasrijk ten grondslag moet hebben gelegen aan de christelijke voorstelling van het Godsrijk. Wij zullen dus de leer van het laatste niet kunnen in 't licht stellen zonder hare genetische ontwikkeling volgend, vooraf kennis te hebben genomen van de denkbeelden en verwachtingen omtrent het eerste. Beginnen wij dan met in hoofdtrekken een schets te ontwerpen van

1

In de „Openbaringquot; wordt de uitdrukking /3.T.S. niet gebezigd, alleen wordt het woord „Koninkrijkquot; enkele malen in den zin van het „Messiaansche Koninkrijkquot; gebruikt.

ocr page 46

§ 11.

DE MESSIAANSCHE VERWACHTINGEN IN ISRAËL

Wij zullen ons hier natuurlijk moeten beperken tot het aangeven van enkele hoofdlijnen, van den ruwen omtrek. waarbinnen zich de godsdienstige overtuiging def Joden met betrekking tot dit onderwerp beweegt. Eene uitvoerige bespreking der zaak kan hier van ons niet worden verwacht. Wilden wij haar ook maar eenigermate in details behandelen, wij zouden een overzicht moeten geven van den geheelen godsdienst van Israël, waarmede de Messias-verwachting op het innigst is saamgeweven. Met verwijzing dus naar de geleerde studiën, die hierover zijn geschreven door

hauskath, ewald , eeüsz, keim, oehleb, von oeelli,

kuenen en zoovele anderen —■ vestigen wij slechts de aandacht op de hoofdmomenten van deze specifiek Joodsche denkbeelden, en noemen alleen datgene, wat voor ons doel, de ontwikkeling der leer van het gods-rijk, van belang is.

Als wij dan met het oogmerk om het wordingsproces van het christendom uit liet jodendom te begrijpen, den Israëlitischen godsdienst aan de hand van de geschriften van het O. T. raadplegen, dan ont-

ocr page 47

39

dekken wij de eerste kiemen van jezus' leer aangaande het koninkrijk Gods reeds in de voorstelling van den Mozaischen godsstaat van het oudste Israël, dat Israël nl., welks geschiedenis niet zoodanig met mythische en legendarische bestanddeelen is vermengd, dat wij ons er slechts eene vage en nevelachtige voorstelling van kunnen vormen, maar het Israël, dat, na zich tot een zelfstandig volk te hebben geconstitueerd, zoodanige berichten omtrent zijne lotgevallen aan het nageslacht heeft overgeleverd, dat de geschiedvorscher ze als genoegzaam betrouwbare bronnen mag aanmerken voor de historiografie.

Al nemen we nu gaarne aan, dat het historisch-critisch onderzoek recht heeft in zijne bewering, dat geheele pericopen van den Pentateuch de onmiskenbare sporen dragen van te dagteekenen uit eenen tijd , zóóveel later dan die, waarin de O. T.sche redacteurs ze hebben geplaatst, dat zij gedeeltelijk zelfs als na-exilisch moeten worden beschouwd, toch geloof ik niet, dat iemand mij op historische gronden het recht zal betwisten, om het auteurschap van de idee der theocratie aan mozes toe te kennen. Laat het waar zijn, dat menige trek van het beeld, waarin ons dit godsdienstig ideaal wordt geteekend, een andere herkomst verraadt — de oorspronkelijke conceptie van eene zoo verhevene en ongeëvenaard geniale idee als die der godsregeering, zal bezwaarlijk aan den grooten bevrijder, stichter en wetgever van de Joodsche natie kunnen worden ontzegd.

Waarin bestond die gedachte der theocratie (een

ocr page 48

40

woord, dat afkomstig schijnt te zijn van josefus , al verwart hij het soms met wat men later noemde de hiërocratie)? Zij bestond, gelijk de etymologie van het woord voldoende aanduidt, hierin „dat de God van Israël, dat jahveh (of jehovah zooals prof. a. pibeson liever zegt, wat mij om 't even is, als men maar de afleiding van het werkwoord rpiquot;! vasthoudt) de koning, en wel de eenig wettige koning is van zijn uitverkoren volk.quot; 't Is waar, ook andere volken beschouwden hunne goden als hunne koningen, maar niet in dien absoluten zin als het volk Israël. Zelfs in de dagen, toen de Jahveh van Israël nog louter een nationaal-god was, en het universalisme althans bij het profanum vulgus nog maar weinig wortel had geschoten — zelfs toen reeds was de betrekking tusschen Jahveh en zijn volk, dat immers niet Hem tot zijnen God had gekozen, maar dat omgekeerd door Hem tot zijn volk was uitverkoren, zóó innig en zóó teeder, dat men te vergeefs in de geschiedenis daarvan de wedergade zoekt. De verhouding van Jahveh tot de dochter Slons wordt vergeleken bij die van den bruidegom tot de bruid, of bij die van den vader tot zijnen eerstgeborene. De naam van „Vaderquot; voor God wordt reeds in de allervroegste tijden van Israël's volksbestaan aangetroffen; en al moge nu die benaming ook bij andere volken niet ongebruikelijk zijn geweest, gelijk o. a. uit de Heilige Schriften der Buddhisten schijnt te blijken, en gelijk we immers in homerus lezen dat zetjs de avfywvrs sróvrs Tnxvrip wordt genoemd, toch ziet men bij eene vergelijking der verschillende godsdiensten op den eersten

ocr page 49

41

blik, dat die naam bij het (1) monotheistisch volk der Israëlieten een zóó veel dieper beteekenis, en zóó veel verhevener zin heeft dan bij de polntheistische volken, waartoe toch ook zeker de meeste Buddhistische volken althans de oudere zullen moeten worden gerekend, dat hij daarmede niet op eene lijn kan worden geplaatst.

Hoe men nu echter ook over de zaak denken moge, of men meent, dat de kern der Joodsehe natie reeds ten tijde van mozes monotheistisch was en de grondgedachte van de theocratie heeft aanvaard, en dat dus het dienen van andere goden, de Baal- of Molochdienst niet als een natuurlijk uitvloeisel van hunnen godsdienst — maar overeenkomstig de O. T.sche geschiedverhalen als eene verloochening van hunne godsdienstige beginselen, als afval van, als ontrouw aan javeh moet worden opgevat — óf dat men van

1

De stelling, dat ook iSRAël tot aan de Babylonische ballingschap toe polutheistisch is geweest, komt mij voor moeilijk te kunnen worden verdedigd. Omdat velen uit het volk aan de goden der hen omringende volken een zeker bestaan toekenden — kan men daarom beweren, dat het geloof aan die goden tot den Israëlitischen volksgodsdienst zou hebben behoord? Omdat sommige Protestanten bekrompen genoeg zijn, om aan deRoomsch-Catholieke vereering der heiligen eenige waarde toe te kennen, behoort daarom die vereering tot het Protestantisme? Neen, moge het oudste Israël ook al niet monotheistisch zijn geweest volgens de diepe en veelomvattende beteekenis van dit woord — toch was het zeer zeker henotheistisch, een woord hetwelk men bezigt ter kenschetsing van dien godsdienstvorm, waarbij de eenheid van de Godheid meer eene toevallige dan eene noodzakelijke, meer eene relatieve dan eene absolute is.

ocr page 50

42

oordeel is, dat die meer gezuiverde denkbeelden en die meer ethische voorstelling van het hoogste wezen en zijne relatie tot de menschen eerst van latere dag-teekening zijn — dit staat in elk geval vast, dat Israël ten opzichte van de religie onder de volken der oudheid een geheel eenige plaats inneemt, en dat de gedachte van de godsregeering van echt Israëlitischen oorsprong is.

Dit begrip nu van de godsregeering vormt den grondslag, waarop de latere N. T.ische idee des Ko-ninkrijks is gebouwd: uit den „Mozaïschen gods-staaf' ontwikkelde zich het „profetisch messiasrijk,quot; en uit de voorstelling van het profetisch messiasrijk ontstond die van het „christelijk godsrijk.quot; De van niiTj welke lag opgesloten in de Joodsche theocratie, hervormde zich langzamerhand tot de ri'L^'Qrrn'-611 dit laatste weder was het grondbegrip, waarop het denkbeeld van de fixvasta rov Szov berustte. Op welke wijze heeft deze geleidelijke transformatie van het in den aanvang toch altijd zeer exclusief particularistisch begrip van het Mozaisme tot de zuiver universalistische idee van het Koninkrijk Gods plaats gevonden? Ziedaar de vraag, die ik mij voorstel hier kortelijk te beantwoorden.

Jehovah, de God, die niet is een van de vele goden welke door de (de bij de Grieken, de pagani, de heidenen of heiden-bewoners der Romeinen) worden vereerd, maar de God, die het eeuwig „zijnquot;,

ocr page 51

43

het rrn in zicli sluit, de levende God, die het leven is en het leven geeft. Hij de God der Goden — Hij heeft zich naar der Israëlieten geloof één volk uit al de volkeren der aarde uitverkoren als zijn volk. „Gij zult mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijnquot; dat is het beginsel, waarop de religieuse en staatkundige begrippen van het „volk des verbondsquot; zijn gebaseerd. Jahveh is de Verbondsgod, Hij is de koning, de eenige koning, die in Israël zal regeeren tot in alle eeuwigheid!

Zoolang Israël aan dit beginsel trouw zal blijven, zoolang het zijne verbondsbeloften zal houden, en het eerste gebod van den dekaloog zal bewaren — zal het gelukkig en voorspoedig zijn; het zal zich eene heerlijke toekomst zien geopend, het zal niet alleen tot eer en macht en aanzien geraken en heerschen over de andere volken, maar het zal ook der ganschewereld tot een zegen worden: „in abeaham's zaad zullen gezegend zijn alle geslachten der aarde!quot; Wordt het echter ontrouw aan den God zijner vaderen, schendt het zijne belofte van Hem te zullen dienen. Hem alleen — dan zal het zijn straf niet ontgaan, dan zal ook Jehovah zijn volk verlaten, gelijk Hij verlaten werd door hen, die Hij heeft uitverkoren.

Hoe diep deze overtuiging in 't hart des volks leefde, blijkt uit de gewetenswroeging en het schuldbesef, waardoor zij werden gekweld in tijden van beproeving en onderdrukking. Werden zij overwonnen door de Philis-tijnen of de andere hen omringende volken, kwamen zij onder de overheersching van vreemde tyrannen, moesten zij het fiere hoofd buigen onder het vernederend

ocr page 52

44

slavenjuk van een heidensch opperhoofd, of zuchtten zij en klaagden en weenden zij in het ver van de heilige Sionsstad verwijderd oord hunner ballingschap — dan was daar geen Israëliet, die in twijfel verkeerde omtrent de oorzaak van de verdrukking en de benauwdheid, die zij hadden te verduren. Die oorzaak was geene andere, dan dat zij aan Jahveh den rug hadden toegekeerd en zich hadden gewend tot de vreemde goden der Philistijnen, der Pheresieten, der Hetieten, der Jebusieten, der Amorieten of welke de namen zijn der naburige heiden-volken. Zij hadden de afgoden gediend, - zij hadden zich laten bekoren door de zinsbegoocheling en den luister der heidensche offerfeesten en waren vervreemd van den God Abraham's, isaak's en jacob's, den heer der heirscharen. Daarom was Jahveh over hen vertoornd, daarom was Hij verbolgen en stortte Hij zijne gramschap uit over het weerbarstig en weerspannig volk; en niet eerder zou Hij worden verzoend dan wanneer zij hunne af-goden hadden weggedaan uit het midden van hen.

De tolk van de stem des gewetens van de zijde des volks, en van den toorn en het strafgericht van Jahveh's zijde was de mond der profeten. Hunne roeping bestond in de reiniging van het volk Gods, om het te zuiveren van den smet en de schandvlekken, die het aankleefden door de zonde van den afgodendienst, de eene en groote erfzonde van Israël, opdat het daardoor weer in staat zou worden gesteld, om zich met God te verzoenen en het verbond met jahveh te vernieuwen. De hoop immers op dit laatste bleef altijd, hoe diep het volk ook was gezonken, hoe ver

ocr page 53

45

het ook van Hem was afgedwaald — altijd bleef die hoop bestaan. Israël was tegenover jehovah als de onkuische vrouw, die zich aan overspel had schuldig gemaakt, (1) maar die toch in genade weer werd aangenomen. Wel kon God zijn volk kastijden, voor een tijd ook verlaten, maar —verstooten, voor goed, voor altijd, voor eeuwig verstooten — neen, dat kon Hij niet! Had Hij het dan niet eenmaal uitverkoren ? Waartoe had Hij dan de dochter Sions ten troon verheven, indien het Zijn raadsbesluit kon zijn, om haar in de diepste ellende te dompelen en haar, de eens zoo hoog verhevene, zóó diep te vernederen, dat zij gesmaad en gehoond als eene ballinge en verstoo-tene moest ronddolen op aarde?

Zoo bleef het beginsel der theocratie zich door de geheele geschiedenis van Israël handhaven; hoe vaak ook verloochend en miskend , hoe vaak ook op den achtergrond gedrongen en door polutheïstische invloeden verzwakt, soms schijnbaar geheel uitgewischt — trad het altijd weer als vernieuwd en verjongd te voorschijn ; en heeft zich staande gehouden, tot dat lt;5 xai pi; ène-l-npMÏhiï, totdat het verbondsvolk zijn taak had voleindigd en in de volheid des tijds het menschdom rijp geworden was voor het universalisme des evangelies. Het uitgangspunt der Joodsche Godsregeering was dus hierin gelegen, dat het volk des Heeren geen anderen regeeringsvorm zou erkennen dan de theocratische, dan het koningschap van jahveh.

Toch schijnt volgens Deut XVH: 14—20 de mogelijk-

1

Vgl. Hos. I : 1-2.

ocr page 54

46

heid niet buitengesloten te zijn geweest, dat een aardsche koning in den naam van jahveh en als zijn plaatsvervanger en wettige repraescntant de staatkundige aangelegenheden in Israël zou leiden. De bepaling van vs. 16 nl. waardoor de mogelijkheid eener terugtocht naar Egypte moest worden afgesneden, schijnt voor den hoogen ouderdom van dit wetsartikel te pleiten, tenzij dat eiehm's onderstelling juist mocht zijn, dat hier alleen gedoeld wordt op Joodsche manschappen , die het leger van den koning van Egypte moesten versterken. Hoe het zij — ten tijde van samuël begeerden de Israëlieten eenen koning, en zagen zij door dezen laatsteu en grootsten derEichte-ren hunnen wensch vervuld. Gelijk gezegd, deze koning was de vertegenwoordiger van den eenig waren koning van Israël, van Jahveh. Hij regeerde in zijnen naam, hij ontving, even als de hoogepriester de zalving als het zinnebeeld van de goddelijke wijding en ter bezegeling van het verbond met den God der vaderen; hij was de niiTTI (1 Sam. XXTV ; 7—11), hij was de Zoon van God (-p^ 2 Sam. VII vs. 14.

cf. Ps. II vs. 7) de eerstgeborene (Ps- LXXXIX vs. 28) die heerschen zou over de koningen der aarde. Ziedaar het beeld van den theocratischen koning. De grondgedachte van den godsstaat was dus door de instelling van het aardsche koningschap niet prijs gegeven; het beginsel, dat sedert mozes in Israël had gevigeerd, was niet geschonden. Van david en salomo heet het dan ook (1 Chr. XXVIII : 5, XXIX : 23),

ocr page 55

47

dat zij zitten op den troon van Jahveh of op den troon van Jahveh's koningschap. De koning was dus geen antokraat, die zijne maeht ontleende aan zijne eigene koninklijke waardigheid, hij was evenmin of nog minder een demo-kraat, die zijn functie als heerscher en gebieder uitoefende in den naam van het volk, dat hem tot koning had gekozen — maar hij was in den vollen zin des woords theocraat, die de wet Gods in den staat had te handhaven, die niet naai- zijn eigen wil had te vragen, noch naar den wil des volks had te luisteren, maar alleen den wil van God moest eerbiedigen.

Aan de inzetting van dit theocratisch koningschap knoopten zich in Israël de schoonste en heerlijkste verwachtingen voor de toekomst vast. En inderdaad schenen die onder de regeering der eerste koningen ook werkelijk in vervulling te zullen gaan. Terstond reeds wist saul den wapenroem van Israël te vestigen en deed zich als een wakkeren strijdheld kennen; hoezeer het ook te bejammeren valt, dat reeds toen het koningschap met het priesterschap in conflict geraakte, en door de hiërocratie aan de theocratie niet weinig afbreuk werd gedaan; wat duidelijk in de oogen springt door de partijdigheid, waarmede de geschiedschrijver in zijne qualiteit als priester het karakter van den het hiërarchisch gedrag huldigenden DAvro heeft verheerlijkt ton koste van den der priesterheerschappij vijandig gezinden saul. Nog meer echter kwamen de Joden tot macht en aanzien onder het roemrijk bewind van den meest gevierden en door het nageslacht zoo hoog vereerden koning da vin, die, al wordt zijne figuur met blijkbare vooringenomenheid

ocr page 56

48

door zijnen biograaf geteekend, toch zeker niet ten onrechte als. het ideaal van den Israëlitischen heldenkoning in de nagedachtenis van zijn volk is blijven voortleven. Onder hem en zijnen zoon salomo , die den tempelbouw tot stand bracht, bereikten de bloei en de welvaart des volks hun hoogste toppunt. Zoo scheen dan de stoute verwachting, die men van het koningschap had gekoesterd, door hetzelve niet te zullen worden beschaamd. Doch maar al te spoedig zou het blijken, hoezeer men zich had bedrogen. De scheuring des rijks mag als een gevolg van het zijn theocratisch beginsel verloochenend (1) koningschap worden aangemerkt; en de scheuring was helaas, gelijk de uitkomst heeft bewezen, het eerste symptoom van het ziekteproces, dat Israëls zelfstandig volksbestaan ten grave zou sleepen.

De koningen beantwoordden zoo weinig aan het ideaal van den gezalfde des Heeren, dat wij Neh. IX vs. 34 en 35 de klacht over hen vernemen: „Onze koningen, onze vorsten hebben uwe wet niet gedaan, zij hebben niet geluisterd naar uwe geboden, zij hebben u niet gediend in hun koninkrijk.quot; En dat verwijt was niet onverdiend! Laat mij ten bewijze eene enkele bladzijde mogen citeeren uit a. pieeson's „Geestelijke vooroudersquot; I bl. 168. „Achab, — het „is ons slechts om enkele voorbeelden te doen en wij

1

Eehabeam zocht raad bij de aristocratie. De theocratie was ontaard in aristocratie; zijn antwoord aan het volk was de taal niet van een theocratischen koning maar van een aristocra-tisehen tyran.

ocr page 57

49

„willen niet hooger opklimmen — huwt niet met een „Fenicische prinses of in Samaria, in zijn hoofdstad, „moet een tempel verrijzen voor den Baal van Tyrus. „Jeruzalem zet Baal in Jehovah's tempel, die ten „behoeve van den Baals-dienst geplunderd wordt. „Koning joas is een vrome dienaar van Jehovah, „zoolang de priester jojada zijn raadsman is; dat „wil zeggen: twintig jaar lang. De godsdienst van „koning en volk zal in die twintig jaar toch een „zekere plooi hebben gekregen. Neen, jojada is „dezer wereld niet overleden, of het verzoek van de „hoofden des volks is voor joas genoeg, om hem de „afgoden te doen herstellen, den gemengden Jehovah-„dienst. De zoon van joas, ook hij luistert naar de „profeten, zoolang het duurt. Straks buigt hij zich „voor Edomitische goden. Koning uzzia blijft bij „Jehovah, zoolang een profeet bij hem is en hem „regeert. Achaz kennen wij reeds in zijn naapen van „Assyrie's godsdienst. De Jehovah-religie van den „weekhartigen hizkia is niet zoo diep, dat zijn zoon „manassk van zelf in zijne voetstappen wandelt. „Manasse plaatst een Astartebeeld in Jehovah's tempel. „Het réveil onder hem, ten gunste van den Moloch-dienst, werd reeds aangestipt.quot;

Hoeveel nu van deze verontreiniging van Israels monotheïstischen godsdienst op 'rekening moet worden gesteld van de koningen, en hoeveel op die van het wispelturige volk laten wij in 't midden. Zooveel is zeker, dat de Israëlieten onder het bestuur van hunne koningen steeds meer hunne nationaliteit bedreigd zagen, steeds meer door het nemen van

4

ocr page 58

50

heidensclie vrouwen, daarin voorgegaan door hunne koningen, en het vereeren van heidensche goden den zuiveren Jahveh-dienst zich zagen ontzinken; in stede van tot macht en grootheid te komen, steeds meer in afhankelijkheid kwamen van vreemde overheerschers, steeds meer werden verdrukt en getyranniseerd, totdat zij met onverbiddelijke zekerheid hunnen ondergang te gemoet ijlden. De geschiedenis van Israël is eene tragedie, slechts geëvenaard door de lijdensgeschiedenis van den eenigen zoon dezes volks, wiens „Hosannahquot; in een „kruist hemquot; eindigde.

Of nu de aanklacht ten heele of slechts ten halve verdiend was, de koningen droegen de schuld voor de ellende, waarin het volk werd gestort; en hoe dieper de ellende werd, des te verbitterder werd men op den koning, maar ook — en ziehier waarop het thans aankomt — des te hoopvoller richtte men zijn geloofs-oog naar eene betere toekomst, des te sterker en des te vuriger werd het verlangen naar, de verwachting van den waren koning, den waren godgezalfde, die Israël zijne bestemming en zijne verhevene roeping zou doen vervullen.

Zoo ontstonden die verwachtingen, die onderden algemeenen, zeer juisten naam van de „Messiaansche verwachtingenquot; in de geschiedenis der Joden bekend staan, en die ook grootendeels gepaard gingen met de verwachting van „den Messias.quot; Uit het „theocratisch rijkquot; ontwikkelde zich het „Messiasrijkquot;, en uit het beeld van den „theocratischen koningquot; ontstond het ideaal van den „Messiaskoning.quot;

Zij, die aan deze messiaansche verwachtingen met of

ocr page 59

51

zonder eenen Messias eenen dichterlijken vorm gaven, waren de profeten. Deze schilderingen van het pro-fetisme behooren volgens het eenparig getuigenis van de deskundigen tot de schoonste en geniaalste scheppingen, die de fantaisie der oude volken heeft voortgebracht. De gloed, de warmte der bezieling, die in de stoutste beelden en in de verrassendste effecten van licht en schaduw, in de betooverendste mengeling van kleuren en tinten zich uitte, de meesterlijke overgangen van het majestueuse en ontzagwekkende tot het lieflijke en idyllische, zij worden door niets in de oud-klassieke letterkunde geëvenaard, veel minder overtroffen. Wij vinden deze messiaansche voorspellingen in het geheele O. T. verspreid, volgens de rechtzinnige exegeten reeds in het Scheppingsverhaal; voornamelijk echter worden zij gevonden, gelijk van zelf spreekt, in de profetische geschriften en in enkele psalmen; terwijl een niet te veronachtzamen bron voor de kennis van de religieuse overtuiging der Joden ten opzichte van het messias-ideaal en de hiermee samenhangende verwachtingen bestaat in de apokalyp-tische literatuur der Joden, in de z.g. apokryphen of pseudepigrafen van het O. T. Tot deze laatste moeten vooral worden gerekend het boek Henoch, vervaardigd omstreeks het jaar 110 v. Chr., de Sibyllynsche boeken in Alexandrie geschreven circa 140 jaar v. Chr., de psalmen van salomo, achttien in getal, waarvan de laatste ongeveer ten tijde van pompejus moeten zijn ontstaan, het vierde boek van ezba, omtrent welks oorsprong men het niet eens is, daar sommige uitleggers het als van joodsche, anderen als van chris-

4.*

ocr page 60

5'J

telijke afkomst beschouwen; het boek der Jubileën, de hemelvaart van mozbs, kort vóór onze chr. jaartelling geschreven, en bovendien enkele plaatsen in de Talmudische geschriften der Rabbijnen.

Hoe droeviger de uitwendige omstandigheden waren, hoe treuriger en deerniswaardiger Israels lotgevallen werden, hoe hopeloozer de toestand, hoe hachelijker het lot — des te krachtiger deed zich de taal van het profetisme gelden, des te sterker maakte zich de overtuiging van de zonen des uitverkoren volks meester, dat de verdrukking slechts in de hand van God een middel was, om hen tot een zooveel te hoogeren geluksstaat op te voeren.

De bewustheid, dat God hen tot iets onuitsprekelijk hoogs en heiligs had gepraedestineerd, dat zij het door Jahveh verkoren en tot iets goddelijk groots verordineerde volk waren te midden van de Gojim, die in volslagen onkunde omtrent het bestaan van den hun alleen in al zijne heerlijkheidgeopenbaarden God daarhenen leefden zonder doel, zonder bestemming, zondigende en afgoderij plegende — die bewustheid van te zijn de beminde Sionsdochter, met welke Jahveh zich had verbonden door verbondsgeloften zóó hecht, zóó heilig, dat ze in eeuwigheid niet konden worden verbroken — zij had in het hart des volks de diepste wortels geslagen, zoodat zij door niets kon worden uitgeroeid, maar bestand bleek te zijn tegen alle stormen, die het arme volk teisterden, hoe wild, hoe woest zij ook soms tegen zijn hoogste levensidealen aanbruischten.

quot;Wiens hart heeft niet wel eens van ontroering getrild bij 't luisteren naar dat aangrijpend schoone woord

ocr page 61

53

van den Deutero-JESAja: „Troost, troost mijn volk zegt Ulieder God. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel heeft ontvangen voor al hare zonden. Eene stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God. Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden, en wat krom is zal recht en wat hobbelig is zal tot eene vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vleesch tegelijk zal zien, dat de mond des Heeren het gesproken heeft. Eene stem zegt: Eoept, en hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vleesch is als gras, en al zijne sierlijkheid als een bloem des velds: het gras verdort, de bloem valt af; maar het woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid. O Sion, Gij verkondigster van goede boodschap, klim op eenen hoogen berg; o Jeruzalem, Gij verkondigster van goede boodschap, hef uwe stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg tot de steden van Juda: Zie, hier is uw God. Zie Jahveh, uw God, zal komen tegen den sterke, en zijn arm zal heerschen; zie zijn leven is met hem, en zijne vergelding is voor zijn aangezicht. Hij zal zijne kudde weiden gelijk een herder, hij zal de lammeren in zijne armen vergaderen en in zijnen schoot dragen, de zogenden zal hij zachtkens leiden.quot; (Jes. XL en volgende hoofdstukken). Welk een gloed van profetisch heroïsme straalt er niet door in hoofdstukkeu als Jes. XLIX, LI—LIV, LX—LX V, waar wij den gods-gezant den gezonken moed van het verdrukte volk

ocr page 62

54

zien oprichten, en het hooren toespreken met woorden als: „Hoort naar mij, Gij eilanden, luistert toe Gij volken van verre! De Heer heeft tot mij gezegd Gij zijt mijn knecht, Israël, door welken ik verheerlijkt zal worden (40, 3). Alzoo zegt Jahveh, de Verlosser Israëls, zijn Heilige tot den verachte, den slaaf zijner overheer-sehers: Koningen zullen het zien, en vorsten zullen opstaan en zich voor TJ buigen, om Jahveh's wil, die getrouw is, om den Heilige Israëls die U verkoren heeft (vs. 7). Alzoo zegt Jahveh: In den tijd des wel-behagens heb Ik U verhoord en ten dage des heils heb Ik U geholpen, Ik zal U bewaren en U stellen tot een verbond der volken om het aardrijk op te richten (vs. 8). Zeg niet o Sion: de Heer heeft mij verlaten, Jahveh heeft mij vergeten! — kan ook eene moeder haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars schoots ? En indien ook deze vergate, zoo zal Ik u toch niet vergeten (14—14). Want Jahveh zal Sion troosten, vertroosten zal hij al hare woeste plaatsen, Hij zal hare woestijn maken tot een Eden, en hare wildernis tot een hof des Heeren. Vreugd en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en eene stem des gezangs. (51, 3) Jahveh heeft u geroepen als eene verlatene vrouw en bedroefde van geest; nochthans zijt Gij de huisvrouw der jeugd, hoezeer gij versmaad zijt geweest, zegt uw God (54, 6) want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en mijn verbond des vredes zal niet wankelen, zegt Jahveh, uw Ontfermer (vs. 10) Uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op! Want zie, duisternis zal de aarde bedekken.

ocr page 63

55

en donkerheid de volken, doch over U zal Jahveh zijn licht doen schijnen, en zijne heerlijkheid zal U bestralen. (60, vs. 1—2) De heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die U omstraalt. (3) Waart gij verlaten en gehaat, zoodat niemand tot U henenging — Ik zal U stellen tot eene eeuwige heerlijkheid, tot eene vreugde van geslacht tot geslacht. Gij zult het weten, dat Ik Jahveh ben, Ik uw heiland, uw verlosser, de machtige Jacobs. (15—16)

Zie, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden, zij zullen in het hart niet meer opkomen. Weest dan gijlieden vrolijk en verheugt U tot in eeuwigheid in hetgeen Ik schep! Want zie, ik bereid Jeruzalem eene verheuging en haar volk eene blijde verrassing. Ik zal welgevallen hebben in Jeruzalem en behagen scheppen in mijn volk, in haar zal geen stem des geweens meer gehoord worden noch een stem des geklags (66 :17— 19)Eer zij roepen, zal Ik antwoorden, terwijl zij nog spreken, zal Ik henhooren. De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijs zijn der slang; zij zullen geen kwaad doen noch verderven, op mijnen ganschen heiligen berg, zegt Jahveh. (24—25).quot; (1) Wij hebben slechts een greep gedaan uit de over-rijke stof, die voor ons ligt. Van messiaansche verwachtingen in den ruimeren zin des woord vloeien de dichterlijke en profetische geschriften van het O. T. over. Onder dien naam toch hebben wij niet

1

Cf. Jes. XI : 6-9.

ocr page 64

56

alleen die profetische uitspraken te verstaan, die betrekking hebben op eenen bepaalden persoon, den Messias en het door hem te stichten koninkrijk — maar dit woord omvat al die wenschen en verwachtingen der vrome Israëlieten, al die idealen van de echte zonen abrahams, het geestelijk nakroost van Israel's stamvader, die uitzien naar eene betere, eene reinere, zoowel in ethisch-religieus als in staatkundig en nationaal opzicht gelukkiger toekomst. En Israël leefde in de toekomst. Het heden had vooral voor de kern der natie, voor het Israël in Israël, voor het volk Gods, dat de ziel, het centrum vormde van Jahveh's uitverkoren volk, slechts betrekkelijk geringe waarde. Vandaar, dat uit den boezem van dat volk ook het onsterfelijkheidsgeloof is voortgekomen, dat het religieus gemoed kan bevredigen; want wat hiervan bij de andere volken wordt gevonden is te nevelachtig en zwevend en mist te veel het verheffend en heiligend element van dit geloof, dan dat het aan de behoeften van het godsdienstig gestemd gemoed zou kunnen voldoen.

Uit de aangehaalde hoofdstukken blijkt het duidelijk, dat het godsdienstig ideaal der profeten eene beslist universalistische strekking had, al waren zij te veel kinderen van hunnen tijd en vooral kinderen huns volks om het nationaal-particularistisch standpunt geheel te hebben kunnen overwinnen. „Verder zeide Jahvehquot;, zoo lezen we C. XLIX vs. 6 „het is te gering, dat hij (nl. de profeet) mij een knecht zoude zijn, om op te richten de stammen jacobs en om

ocr page 65

57

weder te brengen, die behouden bleven in Israël; Ik heb u ook gesteld tot een licht der heidenen, om heil te brengen tot aan het einde der aarde.quot; C. Vil: 9, 22; C. Lil: 10; C. LIV; 3; LXII: 11 en vele a. pil.) Dit is dan ook de ontwikkelingsgang, die duidelijk in de geschiedenis van Israels godsdienst valt waar te nemen: van het standpunt der Mozaïsche theocratie, dat nog geheel en al exclusief joodsch, nationaal en particularistisch is, verheft de religieuse bewustheid zich langzaam, door strijd en lijden gelouterd, tot de voorstelling van het profetisch messiasrijk, dat wel aan de eene zijde zijne natuurlijke afkomst niet verloochent en, uit de behoefte aan verlossing uit zinnelijke nooden geboren, ook in zoover een zinnelijk-eudaemonistisch en joodsch-patriotisch karakter blijft dragen, aan den anderen kant echter zich niet alleen bewust is, dat Israels bestemming verder ligt dan de grenzen van Palestina, maar zelfs nu en dan die grenzen geheel uitwischt, de gansche aarde als zijn toekomstig erfdeel en zijn rechtmatig territoor beschouwt, en dus ondubbelzinnig het universalisme aanvaardt. Totdat eindelijk dit tweeledig karakter van de messiaansche verwachtingen der profeten in de harde leerschool der geschiedenis, die het met onmiskenbare zekerheid op den ondergang van de nationaliteit der Joden heeft aangelegd, verdwijnt en zich oplost in de zuiver ethisch-religieuse voorstelling van het Koninkrijk Gods, die, van alle Mozaisch-wettelijke en Joodsch-nationale bestanddeelen gereinigd, beginsel en inhoud wordt van dat evangelie, dat zijn taak niet zal hebben volbracht, voordat de gansche menschheid zijn zegen

ocr page 66

58

zal zijn deelachtig geworden. Ziehier met korte woorden de drie ontwikkelingstrappen boven bedoeld: het mo-zaisch-theocratisch rijk is Joodsch en overwegend zinnelijk-endaemonistiseh van aard, het profetisch messiasrijk is half particularistisch, half universalistisch, en draagt, wat prof. hoekstra in zijne „Ontwikkeling van de zedelijke idee in de geschiedenisquot; heeft genoemd: een zinnelijk-zedelijk karakter;terwijl het Christelijk Godsrijk rein universalistisch en zuiver zedelijk-godsdienstig is.

quot;Wij zeiden daarjuist, datmessiaansch in ruimeren zin al die denkbeelden en voorstellingen kunnen worden genoemd, die uitzien naar een in maatschappelijk en godsdienstig opzicht beteren en gelukkigeren toestand, die dus betrekking hebben op het in de toekomst te verwachten messiasheil. In eng er en zin zijn echter alleen messiaansch die uitzichten en voorspellingen, die gericht zijn op eenen bepaalden persoon, die de hoop en het verlangen uitspreken naar den waren messias, den Godgezalfden Koning, die de ontwijde en gezonken Godsregeering in Israël weer zou herstellen. Ook deze zijn soms sterk Joodsch gekleurd; ook hier wijkt het religieuse voor het patriotische. Een vorst uit het Davidisch koningshuis, een zoon van david, den roemrijken en gevierden volkskoning, hij moet het zijn, die aan Israël eene toekomst zal geven veel glorierijker en heerlijker, dan het had in de dagen zijner grootheid. Hij zal al de vijanden overwinnen en onderwerpen; Jeruzalem zal de hoofdstad het centralisatie-punt worden van een rijk, dat zich uitstrekt tot de einden der wereld. Voor den troon van den messiaskoning,

ocr page 67

59

gevestigd op den heiligen berg Sion, zullen alle koningen der aarde zich buigen; zijne heerschappij zal geen einde hebben — en zijn wereldrijk zal blijven bestaan tot in alle eeuwigheid.

Toch ontbreekt het ook bij dit beeld niet aan trekken van zuiver ethisch, van eeht godsdienstig gehalte, want — dit houde men wel in 't oog — hoe vaderlandslievend de profeten ook mogen zijn: de godsdienst en de eer van Jahveh geldt bij hen meer dan eenig ander belang. De aarde moet vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekkenquot; — dat was het ideaal, waarvoor zij leefden en bereid waren te sterven. (Jes. XI, 9-11,1-4) Tot deze Messias-voorspellingen behoort o. a. het bekende elfde hoofdstuk van Jesaja: „er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortels zal vrucht voortbrengen. En op hem zal de geest van Jahveh rusten, de geest der wijsheid en des verstands, de geest des raads en der sterkte, de geest der kennis en der vreeze van Jahveh. (vs. 1 en 2) Gerechtigheid en waarheid zal de gordel zijner lendenen zijn (5), hij zal eene banier oprichten onder de heidenen, en hij zal de verdrevenen Israels verzamelen en de verstrooiden van Juda vergaderen van de vier einden desaardrijks (12).quot; Voorts Mich. V vs. 1 „Gij Bethlehem Efrata, zijt Gij klein onder de duizenden van Juda, uit U zal voortkomen, die een heerscher in Israël zijn zal. Deze zal ons redden van de Assyriërs, als zij in ons land zullen komen.quot;, Jerem. XXUI, 5—6 „Zie de dagen komen, spreekt Jahveh, dat ik David een rechtvaardige spruit

ocr page 68

60

zal verwekken, die zal als Koning regeeren en voorspoedig zijn, recht en gerechtigheid doen op aarde. Die zal Juda verlossen en zijn naam zal zijn „Jahveh onze gerechtigheidquot; (vgl. XXXI FT 15 en 16) Zach. XTT vs. 8 „de nakomelingschap van david zal in die

dagen zijn als en als de HFP

Vooral echter komt hier in aanmerking Jes. IX: 5 en 6: „Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven , op welks schouderen de heerschappij rust. Men noemt zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. De grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon daveds en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en te versterken met gericht en met gerechtigheid,quot; en Dan. VII: 13 en 14: „Zie ik zag een komende met de wolken des hemels, alseenmen-schenzoon. En hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat hem alle volken, en natiën en tongen eeren zouden; zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.quot; Vgl. verder Dan. IX: 25, waar hij de „vorst Messiasquot; wordt genoemd , Hos. III: 5, waar hij „David , de koning van Israelquot; heet. Ps. II: 2, waar van den „Gezalfde van Jahvehquot; wordt gesproken, en eindelijk Ps. XLV, TiXXTT en CX. Ziedaar enkele profetien, die kennelijk op eenen persoonlijken Messias slaan! Ook Daniël Vil schijnt mij toe minder op eene personificatie van het collectieve Israël, dan wel op den persoon van den Messias-koning te doelen.

ocr page 69

61

Hierbij nu doet zich dit opmerkenswaardig verschijnsel voor, dat, hoe meer Israels volksbestaan ten ondergang neigde, des te meer deze Messias-verwachting op den voorgrond trad en hoe langer zoo meer eenen bepaalden vorm en eene concreete gestalte aannam. Geen tijd dan ook, dat het verlangend uitzien, het „sehnsuchtsvollequot; hopen en verwachten van den Verlosser, den Heiland, den beloofden Davidszoon, den Gezalfde van Jahveh, die het door de profeten voorspelde Messiasrijk zou stichten, sterker en algemeener onder de Joden werd gevonden dan aan het einde der oude en den aanvang der nieuwe jaartelling. Dit noopt ons een blik te slaan op:

ocr page 70

§ 12.

DE MESSIAANSCHE VERWACHTINGEN TEN TIJDE VAN JEZUS.

Al traden in de laatste eeuwen voor den ondergang van het volk geen profeten in Israël op, tocli werd het geloof aan het door hen voorspelde messiasheil in de Joodsehe letterkunde levendig gehouden in de met een geheimzinnigen sluier bedekte apokalyptisehe geschriften , die reeds boven ter loops door ons werden genoemd. Zoo lezen wij in den 17lt;icn Psalm van salomo de bede, dat op den door God bepaalden tijd de beloofde Da-vidszoon het koninkrijk over Israël zou oprichten ter verwoesting van de heerschappij der onrechtvaardige vorsten en ter reiniging van Jeruzalem. Hij zelf, van zonden vrij en toegerust met den Heiligen Geest van God, zal heerschen over een geheiligd volk, uit welks midden alle zonde en ongerechtigheid zal worden weggedaan (vs. 41—42).

Eveneens sterk messiaansch gekleurd, met duidelijke vingerwijzing op de komst van den Messias, is het vierde boek van Ezra, welks tijd van ontstaan in ieder geval zeer dicht grenst aan den christelijken.

ocr page 71

63

„Gelijk uit de zee de orkaan voortkomt, die de golven omhoog stuwt, zoo zal de Messias te voorschijn treden uit zijne verborgenheid; evenmin als men kan door-vorschen, wat in de diepte op den bodem der zee bedekt ligt voor 't sterflijk oog, evenmin kan iemand den Zoon van God aanschouwen vóór zijne verschijning.quot; (C. XIII, waar de Messias-weeën worden geschilderd, die veel overeenkomst hebben met Matth. XXIV). Wij zien aan deze voorbeelden, die met tal van andere zouden kunnen worden vermeerderd, duidelijk, hoe in het heldentijdvak der Makkabeën en later, toen het vorstenhuis der Harmoneërs zóó jammerlijk ontaardde, dat het eindigde met Israël tot een vazalstaat van Rome te maken het geloof aan den Messias en den door hem te stichten heilsstaat steeds meer wortel schoot in het volksbewustzijn.

Het ligt te veel buiten het bestek, door ons thema gesteld, om hier uit de Pseudepigrafen, ol uit flavius josepus, noch ook uit den Talmud de verschillende plaatsen te citeeren, die ons met de Joodsche denkbeelden ten opzichte van den tijd, wanneer en de wijze, waarop het Messiasrijk door den Davidischen Messiaskoning zou worden gegrondvest, bekend kunnen maken. Wie hierover het nadere wenscht te vernemen, leze de verschillende werken over dit onderwerp van keim, hauseath, schükee „Neu testameutliche Zeit-geschichtequot; e. a. Voor ons tegenwoordig doel kunnen we volstaan met de opmerking, dat het raadplegen van deze bronnen voor dekennisvan den socialen en religieusen toestand van Israël gedurende de laatste eeuwen van zijn

ocr page 72

64

zelfstandig bestaan, de overtuiging bij ons vestigt, dat bij het grootste deel van bet volk de verwaebting op de aanstaande verlossing, de hzpamp;aii diep in 't bart was doorgedrongen. Vooral bij bet meest vaderlandslievend gedeelte vonden de O. T.scbe profetien weerklank. Met name de van een warm nationaliteitsgevoel doordrongen partij der Pbarizeërs, (1) in tegenstelling tot de met de overbeersebers van Israël vaak beulende en Eomeinscb-gezinde Sadduceërs, was bet, die onvermoeid werkzaam was om dat volksgeloof aan te kweeken en levendig te bonden. De gezegden der Eabbijnen strekken dan ook ten bewijze, wat reeds in bet zesde boek van den Bellum Jndaicum wordt verhaald, dat de Joden door niets, zelfs niet door de verwoesting van Jeruzalem, in dit bun messiaanseb geloof aan 't wankelen werden gebracht. In 't bijzonder waren het de fanatieke Zeloten, die te midden van de ijzingwekkendste tooneelen gedurende dat ontzettend einde van het werelddrama, waarvan Palestina's hoofdstad in het jaar 70 getuige was — het geloof aan eene plotselinge wonderdadige uitredding onder hunne aanhangers wisten staande de houden. Toen het hartverscheurendst tooneel plaats greep, waarvan de historie weet te gewagen, toen de vlammen op den heiligen berg ten hemel stegen, om door hun verteerend en heiligschennend vuur den Godgewijden

1

Natuurlijk wordt hier niet de partij in haar geheel bedoeld, en vooral niet uit den lateren tijd, toen blijkena de evangelische verhalen veel onkruid onder de tarwe werd gevonden.

ocr page 73

65

Jahveh-tempel in een puinhoop te herscheppen — toen was het eene schare Zeloten, die in blinden ijver en wilden hartstocht den tempelberg beklom in 't vast geloof, dat thans de ure der verlossing was aangebroken, dat thans de beloofde Messias van den berg zou afdalen om de Eomeinen te verslaan, Jeruzalem in plaats van Eome tot de wereldstad te maken en het Messiasrijk te grondvesten.

De bron, waaruit wij thans de kennis van ons onderwerp moeten putten, tevens de hoofdbron, die ons bij het onderzoek naar de Messiaansche verwachtingen ten tijde van jezus ten dienste staat — is natuurlijk het Nieuwe Testament, en hieruit voornamelijk de Evangeliën en do Handelingen.

Het wachten op de verlossing, de vertroosting van Israël, wordt aangemerkt als een teeken van echt Israëlitische vroomheid. Van den grijzen simeon wordt ons bericht, dat hij was Trpoo-iJc/iasvs; nxpx-Ariuiv zoD 'LrpxóX (Lc. 11: 25), van jozef van Arimathea, dat ook hij behoorde tot hen, die het Koninkrijk God's verwachtten (Lc. XXni; 51), van de profetesse anna, dat zij, toen zij het kind jbzus had gezien, van hetzelve sprak tot „allen, die de verlossing van Jeruzalem waren wachtende.quot; Hoe men die verlossing, die reeds aan abraham door den Verbondsgod toegezegd was (Lc. I: 73), als nu nabij beschouwde, blijkt uit de profetische ontboezemingen, die bij de geboorte van Johannes den Dooper en jezus, volgens Luc. I, door zachakias en maeia werden uitgesproken „Hij heeft Israël zijnen knecht opgenomen, om te gedenken der barmhartigheid, waarvan hij gesproken heeft

ocr page 74

66

tot AEEAHAM en zijn zaad (sc. dat zou bestaan tot in eeuwigheid (1)quot; (Le. 1: 54 en 55) „De God van Israël heeft verlossing te weeg gebracht aan zijn volk, en heeft een hoorn des heils ons opgericht in het huis van david Zijnen Zoon (-KonSii), gelijk hij gesproken heeft door den mond zijner heilige profeten enz.quot; (vs. 67 vv.) Vooral deze zang van zacharias, ia hooge geestvervoering gedicht, is eene uiting van de vaste geloofsverzekerdheid, dat nu de Gezalfde zal komen, naar wien men zoo lang heeft uitgezien. Voordat echter de Christus zou verschijnen, zou eerst een ander profeet optreden; en volgens de meesten was het elia, die aan den Davidszoon, gelijk de Messias gewoonlijk werd genoemd, zou vooraf gaan, en die de voorspelling van Mal. in vs. 1 in vervulling zou doen gaan. „De engel, die voor Jahveh's aangezicht den weg bereiden zou voor den engel des verbonds,quot; (ter a. pl.) was volgens de schriftgeleerden (Math. XVII: 10) geen ander, dan de profeet, die niet den natuurlijken dood was gestorven, maar op zijnen vurigen wagen ten hemel was gestegen. Het geloof aan de parousie staat immers ook ten opzichte van jezus in nauw verband met het geloof aan zijne hemelvaart. Ook in de andere evangeliën vinden wij diezelfde verwachting, o. a. in Mc. IX: 11; Lc. I vs. 17; Joh. I vs. 21; zij wordt blijkens de aangehaalde plaatsen door de apostelen gedeeld, en de discipelen onderstellen, zooals duidelijk tusschen de regels is door te lezen, dat ook jezus daaraan gelooft.

1

Of behoort, „in eeuwigheidquot; tot „barmhartigheidquot;?

ocr page 75

67

Dat men algemeen de spoedige vervulling van het aangekondigde Messiasheil verwachtte, zien wij duidelijk uit al die plaatsen, dieonsleeren, dat de JodenendeFarizeërs en zelfs de discipelen meenden, dat binnen niet al te langen tijd de fixuihix rcD 3coü zou worden opgericht, (Lc. XIX: 11, XVrH: 31, XVII: 20. Matth. XXIV; 43. Mc. Xm : 3. Lc. XXI : 7. Hand. I ; 6 e.a) en dat de Christus zou verschijnen (Matth. XXIII : 41, 42. Lc. XX : 41. Joh. VII : 40, 41 en 42 Mc. XIII : 6. Matth. XXIV : 5. 1 Joh. IV : 1, en Matth. XVI: 16). Dat zien wij verder uit het feit, ons gebleken in de geciteerde plaatsen, dat er in dien tijd valsche mes-siassen opstonden, waartegen reeds de profeten hadden gewaarschuwd en waaronder ook theüdas, judas van Galilea (Hand. V : 36, 37. Matth. XXIV : 11—24). en Simon de magieb (Hand VIH : 9, XXI : 38, XX : 29 vv.), schijnen te moeten worden gerekend , allen klaarblijkelijk behoorende tot de partij der Zeloten. Dat blijkt voorts uit die taaie onverzettelijkheid, waarmede de apostelen aan dat geloof, dat het Godsrijk op een bepaald tijdstip, op uitwendig zichtbare wijze door jezus zou worden gesticht, vasthielden; zoodat zij den meester slechts korten tijd voor zijn lijden en sterven nog lastig vielen met de vraag. die zeker niet getuigt van volledige overwinning van het Judaistisch standpunt „Heer, wanneer zult Gij nu uw Koningrijk oprichten ?quot; terwijl johannes en peteus, de meest vertrouwden zijner vrienden, die het diepst in zijn geestesleven waren doorgedrongen, nog zóózeer de particularistische en zinnelijk eudaemonistische

ocr page 76

68

opvatting hunner tijdgenooten deelden, dat zij jezus baden, dat, als hij zijn Koninkrijk zou hebben opgericht, dat zij dan eene eereplaats daarin mochten ontvangen, dat zij mochten zitten ter rechter en ter linkerhand van zijnen troon. Dat blijkt echter vooral uit het woord, waarmede johannes de Dooper zijne prediking begon, (een woord dat, gelijk wij zoo aanstonds zien zullen, ook volgens maecxjs het woord is waarmede jezus in Galilea optreedt) het woord „Bekeert U, het Koninkrijk God's is nabij gekomen.quot; Wel verre dus van iets nieuws te zijn was de /SaotXsia, welker nabijheid jezus en de apostelen verkondigden, het bepaalde, het allen bekende, het van allen met verlangen verwachte, het door allen vurig begeerde Koninkrijk Gods.

En welke was nu de voorstelling, die men zich omstreeks het begin onzer jaartelling van dit koninkrijk vormde? — Gelijk wij in het vorige hoofdstuk hebben gezien, berustte die voorstelling op de grondgedachte van de Mozaïsche theocratie. Het ideaal der zuivere Godsregeering echter was nooit in Israël verwezenlijkt, de theocratische koning had nooit in werkelijkheid over het Israëlitische volk geregeerd; de meeste koningen, aristokratie en autokratie in de plaats stellend van de theocratie, waren niets dan eene caricatuur van het verheven beeld, dat door het Profetisme ontworpen, met onuitwischbare trekken in het hart van het volk stond gegrifd. En toen nu een broedertwist tusschen de troonopvolgers van het ontaarde vorstenhuis, dat slechts door broedermoord (onder alexandeb jannaeus)

ocr page 77

69

cn de schandelijkste gruweldaden (1) zich had weten te bevestigen, de aanleiding werd, waardoor Israël onder het bewind van Rome kwam; toen deze vorsten voortgingen met het nationaliteitsgevoel des volks te beleedigen en te kwetsen door in 't openbaar en in 't geheim te boeleeren om de gunst van de vreemde overheerschers, die zij in alles naar de oogen zagen en van welke zij geheel en al afhankelijk waren — toen ontwaakte het oude volksgeloof aan den Messias, door God over Israël tot koning gezalfd, met een nooit gekende gloed en kracht. De tijd was gekomen, dat Jahveh zijn recht als koning van zijn uitverkoren volk zou handhaven! Hadden niet de profeten met onbedriegelijke zekerheid de komst van het messiasrijk voorspeld? en was het niet het eeuwig en onveranderlijk raadsbesluit van God, dat het heil van Israël uitgaande, zou worden gebracht aan al de volkeren der aarde? Waren dit dan geen voorspellingen, die niet maar door eenige verblinde heethoofden, niet door enkele aan zelfbedrog en godsdienstwaan lijdende, door wilden hartstocht vervoerde Zeloten, maar — door Israëls profeten waren verkondigd! profeten, die de beste en edelste zonen van hun volk waren geweest, die door God waren gezonden, die als goddelijke boden,

1

Joséfus verhaalt (Ant. XIII, 14, 2 en bel. jud. I, 4,6) hoe Alexander na zijne overwinning over demetrius eukaerus, den door de partij der Farizeërs te hulp geroepenen koning van Syrië, driehonderd gevangenen liet kruisigen, en, terwijl hij zelf met zijne onkuische vrouwen aan een gastmaal gezeten, aan het afgrijslijk tooneel zich verlustigde — de vrouwen en kinderen der kruiselingen voor hunne oogen liet afmaken.

ocr page 78

70

als dyyzloi, brengende een vjxyyOda-j. tot hunne vaderen waren gezonden om hen te troosten en te bemoedigen in dagen van verdrukking! Hadden die profeten dan slechts illusiën verkondigd, hadden zij zichzelven en anderen misleid door valsche voorspiegelingen, ij dele droombeelden, door ledige fantasieën? Neen, voorwaar! een jesaja, een jeremia, eenezechiël, een paniël, om van een elia maar niet te spreken, het waren noch dweepers, noch bedriegers — maaide heldhaftigste en heroiekste figuren, die zij in hunne gesehiedrollen vonden geteekend; het waren mannen van het zuiverst zedelijk en godsdienstig gehalte; mannen, die voor de waarheid van het door hen verkondigd woord hadden geleefd, die voor de waarheid hadden gestreden en voor de waarheid den marteldood hadden ondergaan. Voorzeker, het profe-ten-doodend en toch profeten-eerend geslacht der Joden — het twijfelde niet aan de vervulling van de profetiën! En die vervulling -- zoo ooit — dan moest zij thans op handen zijn! Al de verschillende teekenen, waarop de Messias-voorspellingen hadden gezinspeeld, zij waren duidelijk voor den geloovigen Israëliet waar te nemen. De Messias-weën, de en dva.yx.-n azydl-n — zij waren immers aanwezig, het eene koninkrijk stond immers op tegen het andere, de wereldheerschappij van Kome wilde immers do Godsregeering van Israël ten onder brengen, en ook traden immers de valsche messiassen op, die aan de komst van den waren moesten voorafgaan! Ja, Avel woedden de heidenen tegen Jahveh en zijnen Gezalfde: nu, of nooit was de tijd, waarin deze rTtf'D deze

ocr page 79

71

Godgezalfde, deze /pwis; foü moest geboren worden! Men behoeft slechts een vluchtigen blik te slaan op den maatschappelijken en godsdienstigen toestand van het Joodsche volk aan het einde der oude en het begin der nieuwe jaartelling, men behoeft slechts even de geschiedkundige geschriften van het N. T. ter hand te nemen, om tot de overtuiging te komen, dat het ten tijde van jezus onder Israël het algemeen heer-schend gevoelen was, dat de tijd niet meer ver kon zijn, waarin het door de profeten voorspelde tijdvak moest aanbreken, en de Messias zijn rijk moest vestigen. Over de wijze, waarop men zich het door hem aan te brengen heil en de door hem te bewerken verlossing moest voorstellen — liepen de meeningen zeer uiteen. I)e verschillende voorstellingen van het Messiasrijk beantwoordden aan de religieuse en staatkundige denkbeelden van de verschillende partijen, die in deze dagen onder het Jodenvolk werden gevonden, en de verschillende belangen, die de partijen beheerschten.

Drie voorname stroomingen zijn er met betrekking tot het messiaansche koninkrijk in Israël's volksleven van die dagen op te merken, die men kan noemen de a. zinnelijk eudaemonistische richting, amp;. de Joodsch-Patriotische of exclusief particularistische en c. de profetisch idealistische richting; terwijl buiten deze drie geloovig-messiaansche nog d.) eene vierde partij bestond, die zich geheel en al sceptisch betoonde tegenover het Messias-vraagstuk en die met het oog op een groot deel harer aanhangers de antinationale zou kunnen worden genoemd. Wil men deze richtingen aan de namen der voornaamste secten

ocr page 80

72

onder de Joden vastknoopen, dan kan men, mits men deze rangschikking maar niet tot in de uiterste consequentie wil doorvoeren, maar haar cum grano salis en met inachtneming van het „exceptis excipiendisquot; toepast — tot de eerste richting de Zelotenpartij, tot de tweede de secte der Farizeërs, tot de derde die der Esseërs rekenen, terwijl de laatste hare vertegenwoordigers vond onder de Sadduceërs en deHerodianen. (Mc. ni: 6,12,13; Matth.XXII: 16).

a. De zinnelijk-eudaemonistischevoorstelling van het messiasrijk werd voornamelijk aangetroffen bij de volkspartij, bij het plebs, dat den grootsten aanhang vormde van de Z e 1 o t e n (1) en de deze laatsten in woestheid en wetteloosheid overtreffende z.g. Si-kariërs. De groote massa des volks, met dentegen-woordigen toestand ontevreden, begeerde een algeheele omkeer der dingen; zij wilden opstand, rebellie en revolutie. De fanatieke Zeloten vonden onder deze ontevredenen eenen maar al te vruchtbaren bodem voor hunne der volkswelvaart allerverderflijkste beginselen. Zij ruiden de menigte op door voorspiegeling van de schoonste en heerlijkste beloften. Als zij hun slavenjuk maar wilden afschudden, terstond zouden zij uit hunnen vernederenden staat zijn verlost. Waarom dienden zij anderen, waar het in hunne macht was, om over

1

Zij waren de geestelijke afstammelingen van de in het tijdvak der Makkabeërs ontstane partij der Assidaeërs, die zoo ver gingen in de wetsbetrachting, dat zij op eenen sabbath zelfs hun leven niet wilden verdedigen, maar — zich liever in alle kalmte lieten neersabelen.

ocr page 81

73

hunne verdrukkers te heersclien! Hadden de Makka-beeuwsche helden het dan niet getoond, wat men vermocht, als men maar den moed had om protest aan te teekenen tegen de tyrannenheersehappij ?

Door dergelijke schoonklinkende drogredenen en onder de leuze van te ijveren voor den God van Israël en zijn uitverkoren volk, wisten deze „blinde leidslieden der blindenquot; de hartstocht van een volk, zoo onstandvastig en wispelturig als dat der Joden, op te zweepen. Als een dweepzieke thomas münzeb onder de goedgeloovige boeren — zoo wisten zij onder de bijgeloovige en wonderzuchtige schare de geloofsovertuiging te verspreiden, dat zij van de vijandelijke wapenen geen letsel hadden te duchten. Jahveh zou voor hen strijden, de heer der heirscharen zou zijnen engelen bevelen om zijne en hunne vijanden te verdelgen. Had niet daniël geprofeteerd, dat de zoon des menschen zou komen op de wolken des hemels, dat hem zou gegeven worden heerschappij en macht en het koninkrijk — zóó dat alle volken en natiën en tongen aan hem zouden onderworpen worden? (Dan. VII : 13 en 14.) Welnu, het stond aan hen zeiven om die profetie in vervulling te doen gaan!

Ziedaar de meest zinnelijke voorstelling van het rijk van den Messias, dat met een sterk utilistisch gekleurd endaemonisme, en een grof anti-physisch supranaturalisme gepaard ging! Geen godsdienstige aspiratie, geen profetisch enthousiasme — maar zingenot en wonder-zucht was de drijfveer tot die daden van woestheid

ocr page 82

74

eri dolzinnigheid, waarvan de catastrophe van Jeru-zalem's verwoesting mede een nitvloeisel was.

Wel deden deze fanatici, die vroeger met de partij der farizeërs in nauw verband hadden gestaan, maar in 't laatst door dezen waren nitgestooten, omdat zij hun drijven en agiteeren moede waren geworden, wel deden de Zeloten in de drie jaren van jezus' openbare werkzaamheid weinig van zich spreken, maar de volksberoeringen, die een Theadas, een Judas de Galileer, en later diens beide Zonen (Josefus Ant. XX : 5, 2,) te weeg brachten, bewijzen, dat zij ook in dien tijd voor hunne, zooals wij ze meteenen modernen naam zouden noemen, sociaal-democratische of nihilistische beginselen propaganda zochten te maken. Wat hun aandeel is geweest aan de kruisiging van jezüs, laat zich op historische gronden moeilijk aanwijzen; maar dat wellicht de Farizeeërs en Schriftgeleerden, deze in schijn altijd anti-revolutionairen, een kortstondig bondgenootschap met deze vrienden van weleer eene niet onwelkomene gelegenheid achtten om hunne laaghartige intrigues te doen gelukken, is eene onderstelling, die met het oog op den maatschap-pelijken toestand van het Israël dier dagen alles behalve gewaagd mag worden genoemd.

b. De tweede messiaansche richting was de Joodsch-patriotische, deexclusief-particu-laristische en Mozaisch-wettelijke richting; zij vond de meeste voorstanders onder de Farizeërs. Was de zinnelijk-eudaemonistische voorstelling van het messiasrijk de platvulgaire; streefden hare aanhangers hoofdzakelijk naar een geheel uitwendigen gelukstaat,

ocr page 83

75

ineerendeels zelfs eenvoudig naar verbetering van hunnen materieelen toestand; waren hunne motieven dus meest grofzinnelijken zelfzuchtig van aard, en was hunne godsdienstige overtuiging, gelijk dit meestal bij dergelijke lieden het geval is, met bijgeloof en een hang naar het miraculeuse op 't nauwst vereenigd; en werden zij daardoor gemakkelijk tot een speelbal van de door het blindst fanatisme gedreven ijveraars — anders was het gesteld met deze in de tweede plaats door ons genoemde nuancecring van het Messiaansch bewustzijn. Geen laag egoisme, maar voornamelijk vaderlandsliefde en liefde tot den voorvaderlijken godsdienst was hun drijfveer.

Misschien zal men eenig bezwaar hebben tegen de stelling, dat als de voornaamste dragers dezer denkbeelden de Farizeërs moeten worden beschouwd; en toch raag ik mij hier beroepen op autoriteiten als keim, hatjskath , kuenen e. a. Algemeen erkend wordt immers, dat het farizeïsme, tegen 'twelkjszus met zoo scherpe en soms harde woorden strijdt, niet het normale f. was, maar slechts een uitwas er van; en, zullen er zeker in die dagen velen zijn geweest, op wie zulk eene felle boetprediking van toepassing was — daartegenover mogen we niet vergeten, dat ook het N. T. meermalen van rechtschapene leden dezer partij gewaagt en o. a. een jozef van Arimathea, een Gamaliel en last not least een apostel paultjs tot deze secte heeft behoord, terwijl de laatste er volstrekt geen bezwaar in zag om, als het pas gaf, zich zelfs op die afkomst te beroepen. Moge het ook al geheel ongemotiveerd zijn, om alle Farizeërs zonder

ocr page 84

76

onderscheid te houden voor de vertegenwoordigers van het zuivere patriotisme en de handhavers van de ware, echte nationaliteit — even ongegrond is het ook deze secte als de levende incarnatie van valsch-heid, schijnheiligheid en huichelarij voor te stellen.

Wij noemden hunne messiaansche verwachtingen exclusief-particularistisch en mozaïsch-wettisch; twee kenmerken, die uit het overdreven nationaliteitsgevoel voortvloeiden. Was het hun eerst en vooral te doen om bevrijding uit de macht van Some; was het hun een oorzaak van de grievendste ergernis, dat men aan den keizer schatting moest betalen, dat een Eomeinsche landvoogd zich met hunne binnenlandsche aangelegenheden moest bemoeijen, dat deze zich natuurlijk weinig stoorde aan de Wet en de Schrift en al de inzettingen en wettelijke voorschriften, die hun burgerlijk en godsdienstig leven regelden; was het hun vooral een doorn iu het oog, dat een hebodes en de aristocratische partij zich niet alleen onderdanig boog onder het Romeinsche bestuur, haren procurator en alle beambten, maar het zelfs vleide eu openlijk steunde, verdienen zij deswegen onze sympathie en volle instemming — het bekrompen exclusivisme van hun standpunt moet niet minder sterk worden afgekeurd. Ja, wel was het hun vurigste wensch om het vaderland verlost te zien van het ont-eerend juk der Westersche dwingelandij; wel was het hun oprecht verlangen om den godsdienst van Israël te zuiveren van den smet, door het heidendom hem aangedaan, en zoo der religie weder de eervolle plaats te hergeven van weleer — doch: het heil was uit

ocr page 85

77

Israël, en zou ook bepaald blijven tot Israël. Van eenen zegen, dien Israël te brengen had aan de heidenwereld, wisten de Farizeeërs van jezus' dagen niet. Hoe veel hooger deze richting dus ook stond dan de zooeven door ons geschetste — de ware bedoeling van het Profetisme hadden zij niet begrepen, of wilden zij althans niet begrijpen, hoezeer zij ook de aange-Avezen uitleggers en verdedigers van de profeten meenden te zijn De Joden en de Gojim, de heidenen; het uitverkoren volk van Jahveh en de vijanden van Elohim; de wet van mozes en het standpunt van de anomie, waarop het eigenlijk ook ontbrak aan de (in hun oog) eenige zedewet; de besnijdenis, (de Tr-ptrouvi) en de voorhuid (de axpofivazix) — dat waren de antithesen, aan welker recht van bestaan de levensvoorwaarde hing van het farizeïsme Het messiasrijk, waaraan zij geloofden, was een rijk geschoeid op de leest van het Mozaïsme, van wetgeleerdheid en schriftgezag.

c. Als derde richting met betrekking totdemes-siaansche verwachtingen ten tijde van jezus noemde ik de „profetisch-idealistische.quot; Dat ik aan deze richting den naam van de secte der Esseërs verbond, is niet omdat ik meen, dat allen die haar waren toegedaan, tot deze partij behoorden, noch ook dat de 4000 ordensleden, gelijk men ze immers kan noemen, die volgens philo en josefüs in dezen tijd in Palestina woonden, allen zonder uitzondering deze gezuiverde en hoogere messias-voorstellingen zullen hebben omhelsd , hoewel dit laatste toch ook niet als onmogelijk moet worden beschouwd; maar het is enkel, omdat

ocr page 86

78

ons uit die dagen geen naam eener secte of partij bekend is, wier geest zoo met den profetisch-idealistisclien geest van de voorloopers der christenen overeenstemt, dan deze. Al ontbreken ook voor de bewering, dat jezos een Esseër is geweest, zij het dan ook, zooals Paul ador wil, slechts voor korten tijd, de historische gegevens, en moet zij dus als eene onwillekeurige hypothese worden verworpen — het feit, dat men van niet-vijandige zijde zijnen naam aan die der Esseërs heeft kunnen vastknoopen, getuigt genoeg voor het reine, zedelijk-godsdienstige gehalte dezer geestesrichting (een lofspraak, die haar ook van elders op geschiedkundig volkomen betrouwbare gronden wordt toegekend) om hen met de vroomste en godvruchtigste Joden van het tijdvak, waarover wij spreken, gelijk te stellen. Merkwaardig althans is de overeenstemming van hun lot met dat der eerste christenen uit de Joden, die beide door voorstanders der twee bovengenoemde richtingen om 't zeerst werden verdrukt en vervolgd; en merkwaardig ook, dat zij onder de eersten schijnen behoord te hebben, die zich bij de nieuwe christengemeente aansloten.

Doch het komt voor ons hier minder aan op de overeenkomst van deze secte met bedoelde messiaansche richting — dan wel op de geloofsovertuiging dier richting zelve. We kenschetsten haar als de profe-tisch-idealistische, omdat zij de godsdienstige idealen der profeten naar haar hoogste en verhevenste zijde in haar gemoedsleven had opgenomen. Van alle materialisme vreemd, zoowel in theoretischen als in practischen of liever stoffelijken zin — hadden zij het

ocr page 87

79

zuiver religieus idealisme der profeten aanvaard en kunnen daarom, gelijk wij 't reeds daareven deden, de „voorloopersquot; van die wereldhervorming worden genoemd, die dagteekent van af het ontstaan van den christelijken godsdienst. Vaderlandslievend waren zij — maar even als de profeten van den echten stempel; uit waar patriotisme bedroefden zij zich over het verval van zedelijkheid en godsdienst, waarvan de sporen zoo duidelijk zichtbaar waren; uit liefde tot het vaderland zagen zij verlangend uit naar de verlossing, niet zoozeer uit de macht van Eome, maar uit de macht van het verderflijk materialisme, dat in de hoogere en lagere standen was doorgedrongen; de verlossing, niet van de wereldheerschappij, welke de Komeinsche keizer uitoefende, maar van de wereldsgezindheid, die heerschte in den boezem van het volk; de verlossing niet — althans niet in de eerste plaats—van het tyrannenjuk van eenen caesar augustus, maar van het slavenjuk der zonde, waaronder het volk Gods ging gebukt en gebogen.

We hebben boven reeds enkelen van deze vrome Israëlieten leeren kennen; een simeon (Lc. 11), een jozef van Arimathea, eene anna, dochter van phanuël, (Lc. II 36), een zacharias en elisabeth enz. behoorden tot die schare. Onder hen vond johannes de Dooper ook zijne discipelen; en zij waren de wel toebereide akker, waarin het woord des evangelies een vruchtbaren bodem vond om te kunnen ontkiemen, wassen en vrucht dragen. In scherp contrast tegen het zelfzuchtig eudaemonisme der eerste, en het bekrompen particularisme der tweede richting — stonden zij op

ocr page 88

80

zuiver ethisch standpunt en huldigden het religieus universalisme, dat door niemand krachtiger en consequenter werd voorgestaan dan door den laatsten en grootsten der profeten, van wien jezüs getuigde, dat van allen die van vrouwen geboren waren niemand grooter was dan hij.

d.) Behalve deze messiaansche richtingen werden er in Israël ook niet weinigen gevonden, die tegenover alle geloof aan eenen toekomstigen of welhaast te wachten Messias, en wat daarmede samenhing — geheel en al sceptisch waren; van welke sommigen zoover gingen dat zij — daar immers toch geen messiasrijk, nóch een zinnelijk, nóch een geestelijk, nóch een materieel, nóch een ideaal te wachten was — met de Romeinen gemeene zaak maakten, zich naar hunne staatkundige, sociale en religieuse begrippen en instellingen voegden en in zeden en gewoonten zich lieten helleniseeren en romaniseeren. Tot de eersten behoorden de aristokraten-partij der Sadduceërs, tot de laatsten de radicalen en beslist anti-nationalen, die (Matth. XXII en Mc. Ill) de Herodianen worden genoemd. Dat de mate van scepticisme en ongeloof niet bij allen gelijk was, maar dat vooral onder de eersten ook vele zeer gematigden werden gevonden, behoeft zeker nauwlijks te worden herinnerd. Tot de partij der Sadduceërs behoorden vele priesters en zelfs de hoogepriester; somwijlen trachtten zij hunne rechtzinnigheid tegenover de Farizeërs te bewijzen door een hangen aan de letters van de wet en door overmatige gestrengheid en hardvochtigheid in hunne vonnissen bij strafzaken. Ook waren zij op verre na niet anti-

ocr page 89

81

patriotiscli gezind; en, werd ook onder hen veelal een neiging aangetroffen tot het overnemen van Romeinsehe zeden en denkbeelden — toch wisten zij deze sym-pathiën voor het niet-joodsche wel zorgvuldig te verbergen en in schijn ten minste hunne positie als Israëlietisehe waardigheidsbekleeders te handhaven. Juist daardoor echter waren deze aanzienlijke en meeren-deels hooggeplaatste ambtenaren met hunne trotsche minachting en voorname onverschilligheid voor de politieke en religieuse belangen van hun volk niet minder gevaarlijke vijanden voor de verwezenlijking van de messiaansche idealen der profeten, dan de heftige, revolutionaire partij der Zeloten.

6

ocr page 90

§ 13.

HET STANDPUNT VAN JEZUS TEGENOVER DE MESSIAANSCHE VERWACHTINGEN ZIJNER TUDGENOOTEN.

Het Talmudische D'D!^'n~nDSp en het N- T-sche

• - t ~ :

(ixcueix twv c-jpavMv, zijn even als de benamingen rTCfan ei1 ° XP'®T®? woorden van dezelfde beteekenis. De vraag, die wij ons thans willen stellen, is, of jezus de Christus is geweest in dien zin dien men in zijnen tijd aan dit woord hechtte, en waarin het ook door het beste en godvruchtigste deel van het volk werd opgevat ?

Wat de hyper-orthodoxe voorstelling aangaat, volgens welke jezus als de koning in het godsrijk moet worden vereerd — die meening acht ik zoo lijnrecht in strijd met jezus' eigen leer omtrent het koninkrijk Gods, dat ik mij bij mijne lezers zeker niet behoef te verontschuldigen, als ik haar hier niet met vele woorden ga weerleggen. Reeds de Mozaïsch-theocratische godsstaat stond hooger, dan dit anthropo-theistisch begrip van het godsrijk. Het koninkrijk Gods is het rijk waarin God Koning is, waarin Hij het alles en allen beheerschend beginsel is. Het is mensch-vergoding,

ocr page 91

83

stof-aanbidding, heidensche afgoddionst om do ótsOcsia van den chbistüs in zulk eenen zin op te vatten, dat jezus in de plaats treedt van God. En geeft men dit toe, wat in onze dagen door alle modernen en evange-lisehen, de laatsten evengoed als de eersten, wordt gedaan — welnu, dan spele men ook niet met woorden , maar erkenne men, dat, waar de goddelijke natuur van den stichter des Christendoms, dank zij het onderzoek der historische critiek en dor wijsbegeerte van don godsdienst van den nieuweren tijd, is weggevallen, dat daar ook van zijn Koningschap in het rijk van God geen spraak kan zijn.

Eene andere vraag is het, of, en in hoeverre jezus de cheistüs kan worden genoemd? en (welke vraag ik aan die eerste wensch te laten voorafgaan) of hij zich zeiven (en zoo ja, in welk opzicht) voor den chbistüs heeft gehouden ?

Wat het antwoord op de laatste vraag betreft, ik meen op verschillende gronden als een feit te kunnen constateeren, dat jezus bij zijn openbaar óp-treden zich zeer bepaald niet voor den Messias heeft gehouden. Dit blijkt reeds terstond uit het woord, waarmede hij volgens Matth. IV : 17 (of Mc. I : 14 en 15) zijne prediking begint. Die aanhef: „[XtTscvceae, -h/yv/.vj ydp 'h [ixaikdat. rüv oipavwv,quot; — reeds vroeger hebben we er op gewezen — is letterlijk hetzelfde woord, als waarmede de messiaansche woestijnprediker zijne profetische werkzaamheid, naar luid Math. Ill : 2, aanving. Men laat dit woord van Johannes , de traditie volgend, op jezus slaan. De Dooper zegt: nabij is het hemelrijk, omdat na hem

6*

ocr page 92

84

de Christus zal optreden, wat reeds in het volgende hoofdstuk plaats grijpt. En nu — merkwaardig! — hij, die de beloofde Messias zijn moest, begint zijne prediking met datzelfde: nabij is het Godsrijk! Mij dunkt, 't is duidelijk, dat de strekking van het woord door jezus gebezigd, geheel dezelfde is als die van den grooten boetprediker. Hij, de jongere, die de profetische gestalte van johannbs niet alleen zelf heeft gezien, maar die hem ook heeft hooren profe-teeren in den geest en de kracht van blia , die — mag men het evangelisch verhaal gelooven — ook door hem den doop had ondergaan, hij wilde aanvankelijk slechts de door de snoode heeodias en haren onwettigen gemaal plotseling gestaakte werkzaamheid van den bezielden godsgezant voortzetten. „Nadat johannes was overgeleverd trad jezus op: (Mc. I : 14), even als hij een verkondiger van de nabijheid van het Messiasrijk, even als hij een voorlooper, een wegbereider, een profeet van den christus, die komen zou.

Hieruit volgt natuurlijk in 't minst niet, dat ik ook maar in de verte aan eene gelijkstelling van den persoon des Doopers met dien van jezus wil gedacht hebben. De vraag, die voor eenige jaren in onze theologische kringen werd besproken, of niet eigenlijk aan johannes den Dooper de wereldhistorische beteekenis moest worden toegekend, die de christelijke kerk ten onrechte aan den naam van jezus van Nazareth heeft vastgeknoopt, is m. i. eene vraag, die ter nauwernood eene beantwoording behoeft; zij is dunkt mij, ongeveer even ongemotiveerd als de vraag,

ocr page 93

85

of men niet eigenlijk met meer recht htjsz voor den grooten reformator van DuitscMand zou moeten honden dan Luther? Neen het verschil tusschen den Naza-rener en den Dooper is zoo groot en zoo diepgaand, dat jezüs met het oog op zijn beginsel en het ontbreken daarvan bij johannes met het volste recht kon zeggen, „dat de minste in het Godsrijk meerder was dan hij,quot; hoezeer hij hem overigens plaatst boven alle profeten van Israël.

Dat in jezus voor zijnen doop in de Jordaan nog niet het Messias-bewnstzijn kan zijn ontwaakt, moet ook van dogmatisch rechtzinnige zijde worden erkend, daar dit door de onmiddellijk aan het aanvaarden zijner profetische levensroeping voorafgaande verzoeking in de woestijn voldingend bewezen wordt (1). Deze verzoekingsgeschiedenis heeft immers de strekking, om het ontstaan van jezus zelfbewustzijn met betrekking tot zijne Messias-waardigheid te schetsen; bij gevolg was het vóór dien tijd niet in hem aanwezig.

„Maar volgt dan hieruit toch niet, dat jezus zich bij zijn openbaar optreden voor den Messias moet hebben gehouden?quot; Mij dunkt: ingeenendeele! Vooreerst toch is dit verhaal, hoe diepzinnig en leerrijk ook voor onze kennis van zijn persoon, temyste-

1

't Spreekt echter van zelf, dat de orthodoxe christologie deze beschouwing als een groote, profane ketterij brandmerkt. Onwillekeurig brengt het ons een glimlach op de lippen, als wij hen hunne gemoedsrust te dezen hooren uitspreken in apodictische verklaringen als b. v. van j. p. lange: //Die Ansicht von steaüsz, jézfs habe sich anfangs selbst auch nicht für den Messias gehalten, ist beseitigt.quot;

ocr page 94

I

86

rieus en te symbolisch van aard, dan dat het als een historisch document voor het CHEiSTus-bewnstzijn van Jezus zou kunnen gelden. De historische kern van deze mededeeling zal wel zijn, dat aan zijne openbare werkzaamheid (Mtth. 11: 17) een tijd van stille voorbereiding in de eenzaamheid is voorafgegaan (1). Ten andere echter wordt deze gevolgtrekking, dat Jezus daarna terstond als de christus opstond, door de c. VIII volgende vraag van joh an nes gewraakt „Zijt gij de christus, of moet een ander worden gewacht?quot; Terwijl do meening, dat jezus zich zeiven daarbij tevens van zijne CHRisius-waardigheid bewust was, gelijk wij reeds zagen, door het aanvangswoord zijner prediking wordt gelogenstraft.

Meer nog worden we evenwel in ons vermoeden versterkt, wanneer wij onze aandacht vestigen op 't geen we Mc. Vm : 27—30 lezen. Als jezus, met zijne discipelen op weg naar Caesarea Philippi zijnde, hen eerst had gevraagd, waarvoor hem de menschen hielden, en zij hem hadden geantwoord, dat men in hem zag johannes den Dooper (cf Math XIV : 2), elia of eenen van de andere profeten, vroeg hij hun: „maar Gij, wie zegt Gij, dat ik ben ?quot; En als petrus hem dan voor den christus verklaart, dan bestraft hij hen, (niet: verbood, maar èneziu-ricev) opdat zij dit aan niemand van hem zouden zeggen. Vooreerst moet het reeds onze bevreemding wekken, dat jezus blijkens zijne vraag zijne discipelen in onkunde heeft gelaten

1

Wat immers meestal met godsdienst-hervormers liet geval was. Men denke b. v. aan lüther in het klooster te Erfuft.

ocr page 95

87

omtrent zijne messias-werkzaamheid, anders immers is die vraag van den meester niet te verklaren; maar nog meer moet het verwondering baren, dat hij, als hij zoowel zich zeiven voor den chbistus hield, als ook er voor wilde gehouden worden, den jongeren bestraft, berispt over hun antwoord, jezus wilde blijkbaar niet, dat men hem voor den messias hield, (1) want meermalen lezen wij van hem hetzelfde, als 't geen ons in Mc. VUI wordt bericht, dat hij diegenen, die hemmessiaansche waardigheden toekenden, deswegens bestraft; ja voornamelijk onreine geesten zijn het, die hem zoo noemen (vgl. Mc. m : 11—12, V : 6—8, I : 23, vgl. ook Math. Vm : 4, IX : 30, XII : 16 Mc. I : 43—44.)

„Maar uit hetgeen in ditzelfde achtste hoofdstuk van het evangelie naar makcus volgt — blijkt daaruit dan niet, dat hij zich voor den cheistüs hield ? — M. i. neen! Als hij er de apostelen op wijst, hoe de profeten van eenen „lijdenden knecht des Heerenquot; hebben gesproken, dan bewijst dit nog niet, dat hij hier onder den „men-schenzoonquot; zich zeiven heeft verstaan, al zal hij zeker wel aan zijne leerlingen hebben willen te kennen geven, dat ook z ij n levensweg, evenals die van alle profeten, gelijk het nog pas kort geleden aan het droevig uiteinde van Johannes was gebleken, een lijdensweg zijn zou. Ook uit de paralelplaats Math. XVI : 20 heeft men geen recht de conclusie te trekken, dat hij zich zeiven voor den door de profeten voorspelden messias hield.

1

Het „zalig Simon bar Jona enz.quot; en het voor de exegese der K. C. hierarchic zoo belangrijke „Gij zijt peteus, de rots enz.quot; is klaarblijkelijk eene interpolatie.

ocr page 96

88

De vertaling van de Staten „dat hij was jezus de chkistusquot; moet natuurlijk luiden „dat hij, jezus, de cheistüs wasquot;, zooals reeds luther het had vertolkt. „Maar al verbood (hier staat „verbiedenquot; of „gebiedenquot; o icxcüllai) (1) hij zijnen discipelen, dat zij niemand mochten zeggen, dat hij de cheistus was, dat sluit daarom toch nog niet in, dat hij de verklaring van petkus beaamde. Integendeel! zijn nadrukkelijk en dikwijls herhaald verbod, om hem als zoodanig bekend te maken, is, dunkt mij, een onmiskenbaar teeken, dat hij niet in zich zeiven als den chbistus geloofde.

Maar hoe dan te denken over al die plaatsen, waarvan wij daareven reeds ééne hebben geciteerd, op welke jezus spreekt van den „menschenzoonquot; ? Heeft hij niet onder den zoon des menschen, eene uitdrukking ontleend aan Dan. VII vs. 13, zijn eigen persoon verstaan ? — Op verreweg de meeste plaatsen zeer zeker niet! Meestal is die naam, in zulk een verband geplaatst, dat jezus, even als de Dooper, als hij sprak van den ömaM édvxov èp%bpevov (Matth. Ill: 11), er den toekomstigen Messias door kan hebben aangeduid, of het Messiasideaal der profeten. Verschillende plaatsen zijn er, waar jezus klaarblijkelijk onmogelijk zich zeiven met dien naam kan hebben bedoeld; b. v. Joh. IH vs. 13, waar hij spreekt van den Zoon des menschen „die in den hemel is,quot; terwijl alleen reeds in het evangelie naar mattheus ongeveer twaalf maal van den Zoon des Menschen wordt gesproken als van den X[Af7T-'Qi sp/ó^£vo; (vgl. Matth. X: 23, XIU: 41,

1

ïisciibndoef heeft echter ook hier in zijne latere edities niet StsffTstiaw, maar èTtsW/nnïv.

ocr page 97

89

XVI: 27, 28. XXIV:27, 30, 37, 39, 44, XXV:13 en 31). Op andere plaatsen heeft het eene beteekenis ruim genoeg, om op het profetisch ideaal te kunnen worden toegepast, hetwelk jbzus niet in zich zeiven vertegenwoordigd acht, maar waarin hij gelooft. Van de drie eenige plaatsen eindelijk, die duidelijk op jeztjs zinspelen nl. c. XVI: 13 XI: 20 en XXVI: 2, 24, 45 heeft de eerste weinig te beteekenen, daar het bij eene vergelijking met de parallel-plaatsen bij Me. en Lc. blijkt, dat het woord achter „ikquot; in dien zin is ingevoegd, wellicht uit eene dergelijke schroomvallige piëteit, die de redacteurs van de O. T.sche geschriften noopte om achter den naam van God, ook als er reeds nrp stond, nog eens het woord Jahveh, of gelijk de Staten-vertaling heeft „Heerequot; te plaatsen. En waar dit hier is geschied, — waarom zou dat ook niet het geval kunnen geweest zijn in die andere plaatsen c. XI: 20 en XXVI: 2, 24, zoodat hier oorspronkelijk eenvoudig de eerste naamval heeft gestaan, en jezus dus zal hebben gezegd: „ johannes is gekomen nóch etende en drinkende, ik daarentegen etende en drinkendequot;, „de ure is gekomen dat ik word overgeleverdquot; enz?

De verklaringsgrond van deze vereenzelving van jezus met den menschenzoon moet waarschijnlijk gezocht worden in het feit, dat jezus voortdurend dien naam op de lippen had, en met een ongekend profetisch enthousiasme van het Messiasideaal van daniël getuigde. Dat overigens de discipelen niet geheel vrij waren van het in die dagen algemeen in Israël heer-schend bijgeloof en de hieruit voortvloeiende dweepzieke verwachtingen, en men dus de oorzaak van deze

ocr page 98

90

identificeering van jezus met den (Tt^D voor een deel althans bij hen moet zoeken, blijkt genoegzaam uit hunne meening, dat elia nog moestkomen(Mth. XVII: 10, Mc. IX : 11), een wijze van schrift uitlegging, die jezxts op 't treffendst tegenover hen bestrijdt door te antwoorden : „indien gij 't wilt aannemen: „elia is reeds gekomenquot;; evenals uit het aldus genoemde verhaal van „jezus' verheerlijkingquot; (Math. XVII: 1 vv.), waar zij mozes en elia aan jezus zien verschijnen.

Wat het Johannes-evangelie betreft, ja, daar vinden wij een zelfgetuigenis van jezus, dat een ondubbelzinnig messiaansch karakter draagt. „Ik ben de goede herder; ik ben de landman; ik ben de wijnstok en gij de ranken; ik ben de weg, de waarheid en het leven; Ik en de Vader zijn één; Vader verheerlijk uwen zoon; dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen en jezus Christus, dien Gij gezonden hebt enz.quot; al dergelijke uitspraken, had jezus ze naar de letter van het woord aldus gebezigd, zouden ten duidelijkste bewijzen, dat hij inderdaad in zich zeiven als den christus geloofde en het Christus-ideaal als in zich vervuld beschouwde. Doch reeds de laatste getuigenis toont, dunkt mij, aan, dat wij hier niet aan eene letterlijke wedergave van jezus' woorden hebben te denken. Jezus zal toch waarschijnlijk niet van zich zeiven sprekende zijnen eigen naam hebben gebruikt — allerminst zeker in het gebed. Hoe verheven, hoe heerlijk schoon dan ook het logos-evangelie, op uitzondering van enkele in dien profetischen stijl min of meer platklinkende uitdrukkingen en soms vrij gezochte overgangen na, zijn moge — toch is het mij

ocr page 99

91

onmogelijk om de jeztts in den mond gelegde woorden als authentiek, als rechtstreeks en woordelijk van hem, afkomstig aan te nemen.

Trouwens dit blijkt immers ook overtuigend uit heel den aard en de strekking van dit evangelie. Welk theoloog kan b. v. meenen, dat het z. g. hooge-priesterlijk gebed, juist zooals het ons wordt medegedeeld, door Jezus moet zijn uitgesproken! Is het niet de ongerijmdheid zelve, om te gelooven dat Johannes zou hebben geweten, wat jbzüs in de eenzaamheid bad, en van welke bewoordingen hij zich daarbij bediende! En hoe talloos vele zijn de woorden , die in den vorm van een gebed ons hier van hem worden medegedeeld! Neen het vierde evangelie draagt geheel en al een dichterlijk kleed

— dat daarom (het zij verre, zoo iets zelfs te kunnen vermoeden) geen verdichtsel is, maar de poëtische, speculatief religieuse vorm, waarin de door een hoogeren geest geïnspireerde schrijver het leven, het uit- en inwendig leven van jezus beschrijft en den indruk weergeeft, dien zijne leer van het koninkrijk Gods op hem heeft gemaakt. De eerste persoon is meestal door den redacteur van het Johannes-evangelie met betrekking tot jezus gebezigd; maar wij handelen geheel in den geest van dit voor de rechte kennis en waardeering van jezus' woord en werk onmisbaar bijbelboek

— als wij in gedachten telkens den eersten persoon in den derden veranderen.

Zouden we dus uit het ingesteld onderzoek onze hypothese zien gerechtvaardigd, dat jezus èn in den aanvang van zijn openbaar optreden èn gedurende zijne

ocr page 100

92

verdere werkzaamheid als volksleeraar en profeet, zich niet voor den Christus heeft gehouden, en zooveel hij vermocht, er zich tegen verzette, dat hij voor den Messias zou doorgaan — dan rest ons nu nog de vraag ter beantwoording, of wij geloof mogen slaan aan het bericht der synoptici, dat hij zich aan 't einde zijner profetische loopbaan, en wel bepaald bij zijne terechtstelling voor den Christtrs heeft verklaard?

Het antwoord op deze vraag hangt af van ons antwoord op deze andere, of wij het èycó eiui van maecus {XIV: 62) als het historisch meest betrouwbare beschouwen ; of meenen, dat jezus den hooggepriesters slechts het nii sinxg van Math (XXVI 64) of den leden van het Sanhedrin het i/xsi; Uyezs 'ozt iycó etui van Lucas (XX : 20) heeft geantwoord. Geven Mat. en Lc. ons hier het authentieke woord, dan heeft jezüs ook voor kajaeas het Messiasgetuigenis niet afgelegd; want het „gij zegt, dat ik het benquot; (luthee's „denn ich bin 'squot; is zeker niet taalkundig juist) staat in 't minst niet gelijk met een „ik z e g hetquot;. (*) En wat betreft

gt; (*) De traditioneele uitlegging dezer plaats is, dat het ró etrra; wordt opgevat als eene bevestiging der vraag van kajafas. In het Grieksche spraakgebruik, zegt men, beteekent dit zooveel als: „het is, gelijk gij daar zegt.quot; Maar al ware't zoo, dat volgens het helleensche taaleigen „gij zegt hetquot; overeenkwam met onze wijze van affirmeeren, dan nog mocht deze verklaring hier ter plaatse nief worden toegelaten, daar er dan alleen stira; zonder het pronomen personale moest staan. 20 sma; beteekent, en kan niets anders beteekenen dan „Gij zijt het, die dit zegt.quot; De bedoeling is blijkbaar: „niet ik heb dit gezegd, niet ik ben het, die iets dergelijks ooit zou hebben beweerd, maar gij, door die

ocr page 101

93

de hierop onmiddellijk volgende aanhaling van de den sanhedristen allen bekende profetie van daniel : „Van nu aan zult ge zien den Zoon des Mensehen komende op de wolken des hemels en zittende ter rechterhand der kracht Godsquot; — deze bewijst wel, in welk een hooggestemde Messiaansche bezieling dat hem afgeperste eii zlr.ai jezüs heeft gebracht, en ook wellicht, dat hij voorzag en als instinctief gevoelde, welk een uitwerking dit woord op de leden van den Hoogen Eaad moest hebben, en wat de

vraag tot mij te richten, toont geloof te slaan aan de mogelijkheid, dat haar inhoud waar zou kunnen zijn; gij zijt het, die deze gedachte uitspreekt en dus: Niet ik zeg het of heb het ooit gezegd, maar — gij zegt hetquot; In onze Statenvertaling kan men natuurlijk de fout der gangbare exegese niet bemerken, omdat men daar niet kan zien, dat op het „Gijquot; de klemtoon valt; maar hoe theologen, die hun Grieksch kennen, zich bij deze verklaring kunnen neerleggen, is mij een raadsel!

„Maar,quot; zal men misschien zeggen, „jezus moet zich hier wel voor de leden van het Sanhedrin voor den Messias hebben verklaard, daar immers het afleggen dier verklaring de rechtsgrond was, waarop hij werd veroordeeld.quot;

Doch dit argument verliest zijn kracht, als men bedenkt,dat immers het geheele rechtsgeding niets was dan een ijdel vertoon; dat de verontwaardiging van den hoogepriester niets was dan geveinsde huichelarij. Psychologisch laat zich, dunkt mij, die gemaakte verontwaardiging zeer goed verklaren. Juist door dat™ is kajapas in zijne eigenliefde gekrenkt; en als nu jezüs de Danielsprofetie aanhaalt en met het oog op hunne verraderlijke rechtszitting zegt: „Van nu aan zult ge zien, hoe desmenschen zoon zal komen, op welke wijze de messias zal geopenbaard wordenquot;, dan is hem dit eene welkome gelegenheid om zijnen slag te slaan en zijne waardige mederaadsleden het reeds lang tevoren gevelde doodvonnis over jezüs te laten uitspreken.

ocr page 102

94

terugwerking hiervan ten gevolge moest hebben voor hom zeiven, — maar het bewijst niet, nóch dat hij zich voor den Christus hield, nóch dat hij er zich voor verklaarde. Mogen we dus aannemen, dat hier het recht aan de zijde is van de twee geschiedschrijvers, en de redacteur van 't Marcus-evangelie ter goeder trouw zijn èyw siuu neerschreef, in den waan óf dat jezüs het zou hebben gezegd, (1) óf dat het in het vixeïi léysre lag opgesloten (over het antwoord aan pilatus: „Gij zegt het, dat ik een koning benquot; hebben wij boven reeds gehandeld) — dan zou ons vermoeden niet ongegrond blijken te zijn, dat jezus zich nooit voor het object van de messiaansche verwachtingen der profeten heeft gehouden, en zich ook nooit als zoodanig noch voor het volk, noch voor den kring zijner leerlingen, noch zelfs voor den Joodschen Eaadheeft willen voorstellen. Overigens al ware 't, dat uit een historisch critisch oogpunt aan het woord van margus geschiedkundige echtheid en authenticiteit moest worden toegekend, — dan bracht die verklaring van jezus aan die plaats en op dat tijdstip nog weinig verandering in de hier voorgedragen christologische beschouwing. Want, dat hij zich niet den cheistüs kon noemen in den zin, waarin dit woord door het Sanhedrin werd opgevat, behoeft geen betoog; en wat jezus, gesteld,

1

Men bedenke hierbij, dat het bericht altijd uit eene tweede of derde hand aan de discipelen moet zijn bekend gemaakt, daar immers pktbds buiten de gerechtszaal vertoefde (vgl Math XXVI: 69 en Mrc. X1V:66) en voorts, dat de discipelen tothet laatst toe zich van de zinnelijke opvatting van het messiasrijk niet konden losmaken.

ocr page 103

95

dat hij met den dood voor oogen dien naam op zich zeiven vi coactus had toegepast (wat mij evenwel op genoemde gronden als niet aannemelijk voorkomt) — wat hij dan in dit geval onder dien naam zou hebben verstaan, ging hun begrip, hunJoodsch particularisme en exclusivisme toch altijd ver te boven, en was en bleef voor hen eene diepe verborgenheid.

üit laatste moet dan ook als de ware oorzaak worden aangemerkt, waarom jezus niet de chbistus heeft willen zijn. Hij was niet de Christus volgens de verwachting zijner tijdgenooten, en hij kon dat ook niet zijn. Dat hij het niet was in den zinnelijk eudae-monistischen zin van de volkspartij, en evenmin in den joodsch-nationalen zin van de farizeërs en hunne geestverwanten, tot welke twee richtingen, gelijk we hebben gezien, verreweg het grootste deel van het Israëlietische volk behoorde, zal wel niet nader behoeven te worden aangetoond. Maar ook aan de denkbeelden en voorstellingen van het beste deel des volks, van de kern der natie, van de bloem van Israël beantwoordde zijn begrip en opvatting van het godsrijk dus niet, en kon hij, welbeschouwd, ook zelfs in den profetisch-messiaanschen zin de cheistus niet worden genoemd; want hoe zuiver godsdienstig, hoe ethisch-religieus de geest hunner profetiën ook was, zij bleven toch altijd zonen van Israël; en, was ook hun godsdienst in den vollen zin universeel — een godsdienst der toekomst, losgemaakt van den Israëlitischen bodem, konden zij zich niet voorstellen.

Het Messiasheil der profeten ging altijd gepaard met een staat van geluk voor 't Joodsche volk, al

ocr page 104

96

stonden zij hoog genoeg boven hunne tijdgenooten, om niet in dat uitwendig geluk het messiasheil gelegen te achten, en al zouden zij desgevraagd het laatste voor het eerste hebben prijs gegeven. Dat het echter werkelijk het raadsbesluit van God kon zijn, da.t Israels volksbestaan eerst moest worden vernietigd, dat het als een zelfstandige natie uit de rij der volken eerst moest worden uitgelascht, en dat zoo uit de puinhopen van het verwoeste Jeruzalem en uit de asch van den verbranden tempel op den heiligen berg, de ware geestelijke tempel zou verrijzen, waarin alle natiën en tongen God zouden aanbidden in geest en in waarheid — dat konden zij niet begrijpen, dat werd eerst ontdekt door hem, die meer was dan alle profeten. „Breekt dezen tempel af, en in drie dagen (d. i. binnen een zeer kort tijdsverloop) zal ik eenen nieuwen tempel oprichtenquot;, „een gebouwquot;, om het woord van zijnen grootsten discipel te gebruiken „niet met handen gemaaktquot; maar „eenen heiligen tempel Godsin den geest.quot;

Wat dus het antwoord betreft op de in den aanvang van deze § gestelde vraag, of jezus zich zeiven voor den Christus heeft gehouden? dit kan niet anders dan ontkennend zijn, als we het woord „Christusquot; opvatten in den zin, dien men in zijne dagen daaraan hechtte, en die ook met het oog op de godsdienstige ontwikkelingsgeschiedenis van het Joodsche volk de oorspronkelijke zin en de eigenlijke grondbeteekenis van het woord is. jezus was niet de Xpiezbc, de gezalfde, de messias; en al de messiaansche namen, waarmede de profeten den messiaskoning noemden, als: den „Davidszoon,quot; den „Zoon des menschenquot;,

ocr page 105

97

of zelfs den „Zoon van Godquot; mogen niet ia den oorspronkelijk bedoelden. Mozaïsch of Messiaansch-theo-cratisclien zin op jezus worden overgedragen, maar zijn eerst in oneigenlijke, in figuurlijke, in symbolische beteekenis op hem toepasselijk. Jezus was niet de „Gezalfdequot;, in welken zijne tijdgenooten geloofden; hij was meer dan de „Christusquot;, — zijn godsdienstig ideaal lag oneindig hooger!

De ware grond derhalve, waarom hij niet wilde, on er zich telkens zoo krachtig en energiek tegen verzette, dat men hem voor den Christus zou houden on bij dien naam noemen, was niet — omdat de profeten eenen lijdenden chbistus hadden gepredikt, en hem zijnen kruisweg voorspelden. Deze gedachte kwam zelfs niet bij hem op, en waar zij door den discipel werd aangeroerd, daar werd zij oogenblikkelijk met een verpletterend: „Ga achter mij, Satanas!quot; in hare geboorte gesmoord. Maar die grond was, omdat hij niet door het aanvaarden van dien naam voedsel wilde geven aan de eudaemonistische, nationale, supra-en contra-naturalistische verwachtingen, zelfs niet in den meer verfijnden en vergeestelijkten vorm, die in zijnen tijd bij het ontwikkelde deel des volks alge-meene geldigheid had verkregen.

Nemen we nu echter het woord niet in den oor-spronkelijken zin, waarin het toen werd bedoeld, maar in den overdrachtelijken, dien het later heeft verkregen; niet in den Messiaanschen, half particula-ristischen en half universalistischen zin, maar in dien hoogeren van het volstrekte universalisme, dat het standpunt van de wet volkomen heeft overwonnen en op zuiver ethisch-religieusen bodem staat —ja. dan

' 7

ocr page 106

98

kan hij de Christus worden genoemd; want in dien zin is hij de Christus geweest; en in dien zin zal hij in zijne Christus-roeping hebben geloofd, en het Christus-bewustzijn in zich hebben omgedragen. De naam cheistus heeft in den loop der eeuwen eene gansch andere beteekenis ontvangen, dan hij van meet af had; wij denken er gewoonlijk niet aan, dat wij met de woorden „Christusquot; en „christenquot; de Joodsche terminologie volgen. Het woord „christelijkquot;, zijn afkomst verloochenend, vormt in ons spraakgebruik juist eene scherpe tegenstelling tot het „joodschequot; begrip, dat er door werd aangeduid. Den eersten stoot tot deze transactie gaf reeds de groote heiden-apostel, de meest consequente universalist van de discipelen. „Cheistusquot;, leerde hij, „heeft ons vrij gemaakt van de wetquot;; de wet en het evangelie zijn antithesen, en zoo staat chbistus, de voleinder der wet, tegenover de wet.

Ook de christologische benamingen, die wij gewoon zijn den Christus te geven, hebben hare origineele theocratische beteekenis, die zij in Israëls godsdienst hadden, geheel verloren. Als wij den christus den „menschenzoonquot; noemen of „den Zoon van God,quot; wie onzer is er zich dan altijd van bewust, dat de eerste naam oorspronkelijk een nomen collectivum was voor het ideale volk Israël, en de tweede de naam, die, gelijk wij in eene vorige § hebben gezien, aan de theocratische (niet slechts ideale, maar ook historische) koningen van Israël werd gegeven.

De naam „Christusquot; heeft voor ons zijne geijkte, door het leven, lijden en sterven van jezus gewijde, door het gebruik bij de schrijvers van de N.-Tische

ocr page 107

99

geschriften, vooral door den apostel paulus gesanctioneerde, door de geschiedenis der eeuwen bezegelde, in één woord: geheiligde beteekenis. Dien naam, al zijn wij er ons volkomen van bewust, dat hij op verre na niet uitdrukt, wat wij ons onder het christus-ideaal voorstellen, kunnen we daarom tochaan den stichter van het christendom blijven geven, en zullen het moeten doen, zoolang wij ons christenen noemen.

En zoo hebben we dan ten slotte de boven gestelde vraag toch in bevestigenden zin kunnen beantwoorden, en gaan thans over tot de beschouwing van de andere zijde van de vraag, die wij in dit hoofdstuk wilden beantwoorden, de vraag naar het standpunt, dat jEzus innam tegenover de in zijne dagen gekoesterde mes-siaansche verwachtingen. We hebben ons hierbij nl. niet alleen de vraag voor te leggen: wat dacht jezus met betrekking tot die verwachtingen over zichzelven ? in welke positie stond hij tegenover haar? maar we moeten ons daarbij ook de vraag stellen: hoe dacht jezus in 't algemeen over die messiaansche verwachtingen? wat was de verhouding, waarin deze stonden tegenover zijne leer van het Koninkrijk Gods ?

Met een enkel woord willen we dus hier ter plaatse ook dit nog in 't licht stellen; en dan valt ons oog terstond op het volgend verschijnsel: dat wij nl. aan de eene zijde eene groote overeenkomst, van den anderen kant echter een niet minder groot verschil waarnemen tusschen de verwachtingen aan jezus' tijdgenooten ten opzichte van het komend messiasrijk en zijne uitspraken aangaande het godsrijk, dat jezus zich m. a. ww. eensdeels nauw aansluit aan, anderen-

ocr page 108

100

deels ziek beslist on scherp plaatst tegenover de heerschende messiaansche denkbeelden van zijn volk.

Het strijdt geenszins met de hier door ons gegeven beschouwing van jezus' persoon, als wij beweren, dat hij in zijne ontwikkelingsperiode, in zijne jongelingsjaren , waarin hij volgens lucas (II: 52) toenam in wijsheid, de messiaansche verwachtingen, gelijk die leefden in de harten van de besten en edelsten, zal hebben gedeeld. In een aardsch messiasrijk, dat tegemoet kwam aan louter zinnelijke, utilistische egoïstische wenschen en neigingen , dat beperkt bleef tot het volk Israël, heeft hij natuurlijk nooit geloofd; maar wel zal hij aan de hand van de profeten aanvankelijk eene voorstelling van den Messias hebben gehad , waaraan het patriotische en nationale karakter niet ontbrak. Was deze ITL^D ook zeker voor hem

T

vrij wat meer dan alleen de Davidische volkskoning, de theocratische vorst uit het stamhuis van isaï — toch zou de onderstelling door niets gemotiveerd zijn, dat van dit profetisch messias-ideaal geen zweem ooit bij hem aanwezig zou zijn geweest. Integendeel, verschillende uitspraken, hem toegeschreven, wettigen het vermoeden, dat hij in de jaren, die aan zijne openbare werkzaamheid voorafgingen en waaromtrent ons helaas niets door zijne biografen wordt medegedeeld, begonnen is met de profetische denkbeelden van eenen jesaja en jeeemia, zij het ook naar hun reinst gehalte en verhevenste strekking, over te nemen, deze langzamerhand al meer van hun min of meer eenzijdig-particularistische, althans nationale, bestanddeelcn ontdeed, en eindelijk, toen zij van alle

ocr page 109

101

onloutere elementen waren gezuiverd, en hij begreep, dat hij in de door hen aangewezen richtingslijn voortgaande, den godsdienst van Israël moest hervormen tot een rein-ethischen, absoluut universeelen wereldgodsdienst — dat hij toen eindelijk, na de gevangenneming van den Dooper, het tijdstip gekomen achtte, om uit zijne verborgenheid te voorschijn te treden en zijn evangelie, zijne den mensch en der menschheid de heiligste en zaligste vreugde brengende heilandsboodschap te prediken met den aanhef: „de tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabij gekomen!quot;

Overeenkomst met en tegenstelling tot de heer-schende godsdienstige overtuigingen — beide zijn ze in zijn evangelie van het godsrijk aan te wijzen. Vooreerst overeenkomst! Bij het onderzoek naar jezus' leer omtrent de [izailzix -wv ovpavtiv treedt het nl. klaar en duidelijk aan 't licht, hoe hij in de hoogste mate heeft beantwoord aan de voorwaarde, die eiken godsdienst-hervormer moet worden gesteld, dat hij nl. de historische continuïteit der religieuse voorstellingen niet verbreekt, maar den ontwikkelingsgang volgend, zijne nieuwe beginselen ingang doet vinden door ze vast te knoopen aan en zich daarbij te beroepen op de uitspraken van vroegere hervormers, die erkende autoriteit bezitten. Dit is het kenmerk van den waren hervormer, dat hij voeling houdt met de geestelijke voorvaderen. De nieuwe loot moet geënt worden op den ouden stam; wordt de continuïteit verwaarloosd, dan is revolutie, geen evolutie het gevolg! Geen godsdienststichter, die aan dezen voor't welslagen van zijn ondernomen en de verwezenlijking zijner idealen onafwijsbaren eisch beter heeft voldaan, dan destich-

ocr page 110

102

ter van liet Christendom. Overal waar zich maar de gelegenheid daartoe aanbood, haalde hij voorbeelden aan uit de geschiedenis of bezigde hij citaten uit de profetische geschriften. De voorbeelden hiervan zijn te talrijk, dan dat wij ze zouden kunnen opsommen. Uitspraken ontleend aan maleachi, daniël, joël, jebemia en vooral aan jesaja komen overvloedig in de evangeliën (ook in de N. T.sche brieven) voor. Hoe daaraan vaak eene eigenaardige wending wordt gegeven, hoe symbolisch wordt geëxegetiseerd en geestelijk wordt opgevat wat letterlijk is bedoeld, hebben we nog daareven gezien bij de bespreking van Matth. XI : 14 (cf. Mal. IVquot; : 5). We herinneren slechts aan enkele plaatsen uit de synoptici, o. a. aan Mc. IV: 32, waar de vergelijking van het Koninkrijk Gods bij een boom, in welks schaduw de vogelen des hemels nestelen, en aan Mc. XTTT ; 26, waar de beeldspraak van den op de wolken des hemels verschijnenden menschenzoon ontleend is aan daniël ; aan Mc. Xïï: 36, waar jezus zich beroept op Ps. 110; aan Lc. IV : 18 en 19, dat eene woordelijke aanhaling is van Jes. 61 : 1 en 2a; aan Mth. XXIV (vgl. de parallele pericopen in de andere evangeliën) dat in zijn eschatologische schilderingen de grootste overeenkomst vertoont met de wijze, waarop de profeten den dag des Heeren en de toekomst van den Zoon des menschen hebben voorgesteld. Dat de christologische terminologie slechts eene transformatie is van de messiaansche benamingen en formules is ons ter gelegener plaatse reeds gebleken. Doch — en dit dient wel hierbij in 't oog te worden gehouden — overal waar hij zich van zulke aanhalingen bedient.

ocr page 111

103

en waar het citaten zijn kennelijk door hem zeiven, en niet slechts door den evangelieschrijver gebezigd, daar weet hij op de profetische uitspraak zulk een eigenaardig licht te laten vallen, dat hij er om zoo te zeggen het stempel van zijnen geest, het merk van zijnen door het goddelijk licht des Heiligen Geestes bestraalden persoon op drukt.

Maar niet minder dan deze overeenkomst valt ook een groot verschil op te merken tusschen de godsdienstige denkbeelden van jezus en die der profeten. Dit verschil van beider prediking — reeds hebben wij het gezien — is zoo in 't oog loopend, zoo essentieel en principieel, dat het bijkans overbodig zou mogen worden genoemd om dit opzettelijk aan te toonen. Toch dient ook hierop nog even gewezen tot nadere karakteriseering van jezus' standpunt tegenover de destijds bestaande Messiaansche begrippen. Nergens komt dat verschil duidelijker uit dan daar, waar hij johannes den Dooper, den naar zijne eigene getuigenis grootsten aller profeten, geringer noemt dan den naar verhouding veel geringeren in het Grodsrijk (zie boven pag. 85). Het komt mij niet aannemelijk voor, dat jezüs hier bij den uMpb-epci èv zri (ïasihia. toü -fhoü zou gedacht hebben aan den geluksstaat der gezaligden in het hemelrijk, zoodat de burger in het godsrijk hier gelijk zou staan met den hemelling; volgens het tekstverband schijnt hier de ficcjilóia. niet in transcendenten zin te moeten worden opgevat. Ook is het duidelijk, dat dit verschil tusschen den volgeling van jezus en den Dooper niet kan bestaan in beider zedelijk gehalte; want dan had jezus den woestijnprediker niet boven

ocr page 112

104

allo profeten Israëls kunnen plaatsen. Neen, dit verschil is gelegen in het religieus beginsel, waarvan beiden uitgaan en het godsdienstig standpunt, dat beiden innemen. Johannes, hoewel haar uitnemendste vertegenwoordiger, stond nog op het standpunt van de oude theocratie (vgl. Matth. IV: 12), waarop het gebied van het ethische nog altijd eenigszins met dat van het • physische vermengd werd, en waarop het messiasrijk nog voortdurend als met de toekomst van Israël in verband staande werd gedacht. Het beginsel daarentegen van jezus' koninkrijk der hemelen berust op zuiver ethischen grondslag; stoffelijke welvaart, ja zelfs het aardsche leven verliest tegenover het ééne noodige al zijn waarde. Ook van het toekomstig volksbestaan van Israël geldt zijn woord: „Wie zijn leven zal zoeken te behouden, zal het verliezen, maar wie het verliezen zal ter wille van (mij d. i.) mijn koninkrijk Gods, die zal hetzelve vinden.quot; „Vreest dus niet voor 't geen uw lichaam kan dooden, maar vreest voor 't geen uwe ziel kan dooden.quot; Doch het zal ons van zelf blijken hoe oneindig ver jezus' evangelie van het Koninkrijk verheven was boven al wat tot dusver, ook dooide grootste profeten en godsgezanten, die onder de Israëlieten waren opgestaan, was gepredikt, waar wij in het volgende hoofdstuk ons meer bepaald met die leer van het godsrijk willen bezighouden. „Uit den afgehouwen tronk van isaï zou een rijsje voortkomen,quot; Israël had uitgediend en had zijne taak vervuld; thans was de tijd gekomen, dat „in Israel zouden gezegend worden alle geslachten der aarde!quot;

ocr page 113

§ 14.

HET EVANGELIE VAN HET KONINKRIJK GODS.

„De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, bekeert u en gelooft het evangeliequot; — ziedaar het woord, waarmede jezus, zich aansluitende aan de prediking van den Dooper, zijne profetische loopbaan begint. Eeeds boven is dit woord door ons ter sprake gebracht; wegens het hoog belang echter van die uitspraak voor het in deze bladzijden ingesteld onderzoek moeten wij er hier nogmaals op terug komen.

„De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabij gekomen: bekeert ü en gelooft het evangeliequot; —- drie vragen zijn het, die wij naar aanleiding van dit aanvangswoord van jezus' prediking ons kortelijk ter beantwoording willen voorleggen, de vragen; a. wat hebben we te verstaan onder de uitdrukking -'.-thpM-ai b y.oupbc, ? h. hoe hebben we 't op te vatten, als van de [ixzazia. reu Ihoü wordt gezegd: iy/txev. dat zij nabij is gekomen? c. Wat beteekent de dubbele eisch van do aszdvot.x en de r.inTic èv tw s-uzyy-liM?

ocr page 114

106

a. „De tijd is vervuldquot; luidt de aanhef zoowel van den woestijnprediker als van den Nazarener; en ook de heiden-apostel spreekt van de TrXïipwo-i? of het TtXvipu^a toü -/.(XLpcv. Welke waren de samenwerkende factoren, die den tijd van het ontstaan des Christendoms stempelen tot, wat jezus en paulus noemen; de volheid des tijds ? Laat mij in 't kort het door velen over dit onderwerp op zoo uitnemende wijze reeds gezegde met het oog op ons thema mogen releveeren!

Die factoren waren drie en bepalen zich tot drie volken, van welke elk voor zich eene wereldhistorische roeping had te vervullen, nl. het volk der Joden, der Eomeinen en der Grieken. Het eerste had in de dagen van jezus en de apostelen zijne religieuse, het tweede zijne politieke, het derde zijne humanistische roeping vervuld. Uit het volk van Israël werd in dezen tijd die godsdienst geboren, die bestemd was een wereldgodsdienst te worden; en van die éénheid van den godsdienst, die het Christendom leerde, werd in Rome en Griekenland de bemiddelende oorzaak gevonden, waarvan het eerste streefde naar de eenheid van een Wereldrijk, het laatste naar de eenheid van eene wereldtaal.

Deze staatkundige eenheid der Eomeinen en de taalkundige eenheid der Hellenen waren de samenwerkende oorzaken tot het tot stand komen van die éénheid van religie, waarin het hoofdmoment gelegen is van jezus' leer des Koninkrijks.

Het verval van den Joodschen volksstaat, reeds de duidelijke kenteekenen vertoonend van zijn naderend einde, gepaard met die enorme uitbreiding en die

ocr page 115

107

colossale in de wereldgeschiedenis geheel ongeëvenaarde machtsontwikkeling van Eome's wereldheerschappij had ten gevolge, dat de zich door dit geweldige rijk steeds meer verstrooiende Israëlieten door middel van de alle beschaafde burgers van dat wereldrijk veree-nigde wereldtaal hunne denkbeelden van den godsdienst konden verbreiden, de eerste christengemeenten in de diaspora konden worden gevestigd, en daarmede de grondslag kon worden gelegd voor de algemeene kerk, de ol-w oizovy-évnv. de „over de geheele aardequot; als een ware catholieke, niet Eoomsch- maar evangelisch-catholieke kerk zich uitstrekkende gemeente van Christus.

„De tijd is vervuldquot; heet het in Mc. I : 15, en bedoeld is natuurlijk, dat de tijd is aangebroken, waarin de boven uitvoerig door ons besprokene mes-si aansche voorspellingen der profeten in vervulling zullen gaan. In welken zin ? — Na hetgeen wij tot dusver reeds over de leer van het godsrijk hebben in 't midden gebracht, kan de gedachte niet bij ons opkomen, dat jezus aan de objectieve, om niet te zeggen materieele realiseering van de op die voorspellingen gebaseerde verwachtingen kan hebben geloof geslagen. Niet naar haren uitwendigen vorm, maar naar haar inwendig gehalte, naar hare ethisch-reli-gieuse kern zullen zij in vervulling gaan, want — en dit was het tweede waarop wij onze aandacht wenschten te vestigen;

b. „Het Koninkrijk van God is nabij gekomen.quot; Zoo althans luidt de vertaling van het ■lyyv/.vj Yi fizi'lüx la de Staten-vertaling, en voorzoo-

ocr page 116

108

ver mij bekend is, ook overal elders, behalve (gelijk ik daar juist tot mijne voldoening ontdek) bij vissering. Ware die vertaling juist, dan zou men hier inderdaad voor eene groote moeilijkheid staan.

Hoe, zou men vragen, is de nabijheid van het godsrijk in overeenstemming te brengen met den feitelijken toestand der menschen-maatschappij in den aanvang van onze jaartelling! En hoe zouden we deze uitspraak moeten laten rijmen met andere woorden van jezus als: „het godsrijk komt niet op uitwendig zichtbare wijze!quot; zijne bede: „Uw koninkrijk kome!quot; zijne gelijkenissen, als die van het mosterdzaad, den zuurdeesem', het zaad in den akker enz. waarin de langzame ontwikkeling van de (Sxfdeicc wordt geschetst, en voorts met zijn voortdurend protest tegen de Joodsch-messiaansehe meening, die ook bij de discipelen werd gevonden, dat het Koninkrijk binnen kort zou geopenbaard worden (zvacyaivseS-xi Lc. XIX vs. 11)! Doch die vertaling is niet juist; èyyi'Cw heet niet „nabij komen,quot; maar „zichnaderen,quot; en fiyyiT-zv vi. /3. mag dus niet worden vertolkt met „het Koninkrijk is nabij gekomen,'' maar „het Godsrijk heeft zich genaderd,quot; en het woordje „nabijquot; moet dus worden veranderd in „naderbij.quot;

Deze verandering is inderdaad alles behalven eene minutieuse spitsvondigheid; mogen er gevallen zijn, waarin het van weinig belang is, of wij spreken van een „nabijkomenquot; of een „zich naderenquot; — in vele andere gevallen is de identificeering van deze twee werkwoorden beslist verboden. Als wij b. v. zeggen: in den winter nadert zich de aarde der zon,

ocr page 117

109

dan geven we daarmede niets anders te kennen, dan dat zij gedurende dit jaargetijde in haar perihelion staat. Kwamen ons daarentegen de astronomen mede-deelen, dat wij in deze dagen der zon „nabijquot; kwamen — dan zou voorzeker een niet geringe schrik en ontsteltenis zich van ons meester maken.

Niet minder geoorloofd is de gelijkstelling der beide woorden in de plaats, die wij bespreken. Van een „nabijkomen der fixedsixquot; kan men alleen gewagen op het standpunt der Joden, die de vestiging van een nationaal messiasrijk, of althans van een uitwendig, zinnelijk zichtbaar godsrijk verwachtten. Alleen als men het Koninkrijk Gods opvat als een constitutief begrip, als een rijk, dat even als het Eomeinsche wereldrijk kon worden gerealiseerd, kan men meenen, dat het „nabijquot; kan zijn. Is echter de idee van het rijk des geestes, eene, wat kant noemt,regulatieve idee, die altijd meer voor verwezenlijking vatbaar is, die altijd hooger eischen en verhevener idealen stelt, dan geeft het een zeer gezonden zin, als wij zeggen dat dit rijk „zich heeft genaderdquot; of „naderbij'' is gekomen, want dan beteekent dit, dat de menschheid eene schrede verder is gekomen op haren weg ter bereiking van hare zedelijk-religieuse roeping, die in den eisch van het zoeken naar het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid ligt opgesloten; maar dan is het ongerijmd te beweren, dat het nabij is gekomen.

Nergens duidelijker wordt de door ons gewraakte voorstelling van het Koninkrijk door jezus weerlegd, dan in dat inhoudrijke en diep-religieuse woord, beneden nog nader door ons te behandelen: „het Koninkrijk

ocr page 118

110

Gods komt niet pezx 7rap«Tyjp»jo-eamp;)?, zoodat ge kunt zeggen: Zie hier, of zie daar! Want — het is binnen in n!quot; (Lc. XVII 20 en 21!)

Natuurlijk wordt ook bij deze opvatting niets weggenomen Yan 't geen boven uitvoeriger werd ontwikkeld, dat jezus met zijne prediking van het godsrijk zich bewust was het werk der profeten voort te zetten en te bouwen op den door ben gelegden grondslag. Ook bij hen was in de oogen-blikken hunner boogste en heiligste profetische verheffing reeds iets van het beginsel der fixaileix aanwezig. Zoozeer was jezus zich bewust, dat zijn geestesarbeid niet in afbreken maar in opbouwen bestond, dat hij kon getuigen „niet gekomen te zijn om de wet of de profeten te ontbinden, maar te vervullen.quot;

Met het oog op de ethische kiem, die onder den bolster der wet verscholen lag, kan hij zelfs de in eenen anderen zin zeker met zijne leer des evangelies strijdige uitspraak doen: „Voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal geen titel noch jota van de wet voorbijgaan!quot; Door het verband, waarin dit woord in de bergrede voorkomt, is elke mogelijkheid van eene misvatting zijner bedoeling buiten gesloten; en bewijst ook dit weder, hoezeer jezus de historische continuïteit wist te handhaven.

c. En nu, hoe hebben we te denken omtrent het ingaan in het Koninkrijk, en aan welke dubbele voorwaarde is het burgerschap van het Godsrijk verbonden?

Op tal van plaatsen in de synoptische evangeliën

ocr page 119

Ill

wordt gesproken van een „ingaan in het Koninkrijk Gods,quot; of van een ingaan tot het leven, tot de vreugde des Heeren en dergl. Hebben we dit op te vatten als „diesseitigquot; of als „jenseitig?quot; Vindt dat ingaan plaats in dit of eerst in een volgend leven? — Vraagt men het mij, dan meen ik, dat wij naar den geest en de bedoeling van het evangelie het in laatst genoemden zin hebben op te vatten. Reeds door het afwisselend gebruik van de bovengenoemde uitdrukking, waar het „levenquot; het „eeuwige levenquot; enz. in gelijken zin wordt gebezigd als „het Koninkrijk Godsquot;, worden wij tot dit vermoeden geleid. Maar den voornaamsten grond voor deze meening vinden wij in dat sterk metaphysisch karakter van den christelijken godsdienst, waarop vroeger reeds is gewezen, volgens hetwelk de hope des beteren levens en het geloof in den toekomstigen geluksstaat van den vrome een zeer wezenlijk en integreerend deel van een 's christen geloofsovertuiging uitmaakt. Wat mij betreft — als ik in mijne godsdienstige toespraken gewaag van het ingaan in het godsrijk, dan zal ik er onwillekeurig steeds de gedachte aan het volgend leven mede verbinden.

Daarmede heb ik echter natuurlijk niet gezegd, dat men niet reeds in dit leven de vatbaarheid voor het toekomstig burgerschap in Gods rijk zou kunnen verwerven: verre van daar! Overal wordt dit in de evangeliën en in het geheele N.T. met nadruk geleerd; en welke christen-leeraar, onverschillig tot welke richting hij behoore, zou die waarheid niet met hart en ziel zijn toegedaan en haar als den hoofdinhoud zijner godsdienst-prediking beschouwen! Maar toch — het

ocr page 120

112

eigenlijk ingaan in het Koninkrijk vindt eerst, op grond van ons onsterflijkheidsgeloof, plaats, als wij het tijdelijke met het eeuwige hebben verwisseld.

De inenschelijke maatschappij, gelijk ze hier op aarde bestaat, zij i s geen godsrijk, evenmin als hare leden burgers van het rijk des Heiligen geestes zijn!

Na de negentien eeuwen, die sedert de stichting van den ehristelijken godsdienst zijn verloopen, is zij, wel beschouwd, nog bijna even ver van het verheven ideaal van den profeet uit Nazareth verwijderd als te zijnen dage; — en dat het in de eerst volgende eeuwen anders zal worden, laat zich, hoezeer wij ook vertrouwén, dat de geest van het godsrijk de menschenwereld steeds meer zal doordringen en bezielen — toch op geene redelijke gronden verwachten.

Wij moeten dus onderscheid maken tusschen het potentieele en het actueele of het reale burgerschap in Gods Koninkrijk. In beginsel kunnen en moeten wij het reeds hier bezitten; in de volle werkelijkheid valt het ons eerst in het leven hiernamaals ten deel.

Zoo komen we thans tot de vraag, die wij ons in de laatste plaats stelden: waardoor wij dat burgerschap, het aanvankelijke, principieele zoowel als het toekomstige essentieele kunnen deelachtig worden, van welke voorwaarden het ingaan in het Koninkrijk afhankelijk is?

Die voorwaarde is de dubbelen eisch door jezus gesteld van bekeering en van geloof. „Bekeert

ocr page 121

113

u en gelooft liet evangeliequot; in dit Avoord wordt ons de weg aangewezen, waardoor wij zoowel aan de komst of liever aan de uitbreiding en ontwikkeling van het Godsrijk op aarde bevorderlijk kunnen zijn, als tevens voor ons zeiven het ingaan in dat rijk van God kunnen bewerken. De verwezenlijking der ftxGilüx zoowel in de njiTD'T'lJ?

als in {OrrnSly? a'l(!gt;v '-PX°F-SV01 gt; waaronder jezus

T — T

niets anders dan het toekomstige leven aan gene zijde des grafs verstaat — zij kan alleen tot stand komen door de pezcivoiix en de r.iazi:.

Primo; de bekeering. Bij dit woord hebben we te denken aan die algeheele verandering van levensrichting, waardoor de van God en het godsdienstig leven vervreemde mensch tot het geloof en het leven des geloofs terugkeert. In het O. T. wordt het vooral door de profeten genoemd een 3'^quot;, een terugkeeren tot Jahveh en zijnen dienst, en slaat dus op het verlaten van den dienst der afgoden, van moloch, baal, astabtb enz. In de Handelingen en de brieven wordt diezelfde grondbe-teekenis teruggevonden in het woord èmvrpéfstv, dat „omkeerenquot; beteekent. Diezelfde gedachte ligt ten grondslag aan het woord psTdvaae. (*) De meeste woorden, die samengevoegd zijn met de praepositie p-eta duiden eene terugbeweging of een volslagen omkeer aan, eene negatie van de oorspronkelijke positie, waardoor het stamwoord in de tegenover het grond-

8

1

Vgl. o. a. Hand. XX : 21: „bekoort U tot God.quot;

ocr page 122

114

begrip staande antithese wordt veranderd ; b. v. xahiv roepen of benoemen uszaxxlsiv ontslaan; noisïv n iets maken pszxnoisïv misvormen, yupslv heengaan naar, [j.zrx'/'jipsiv weggaan van. (1) Zoo moet ^ezxvoelzs hier worden vertaald, niet gelijk luther deed, door „doet boetequot;, maar door „bekeert nquot; verandert uwe gezindheid! De jj-z-dvoix is de „Sinnesanderung.quot;

De bekeering is dus een breken met de zonde, die den mensch in hare kluisters houdt gekerkerd, en een opnemen van het beginsel des Koninkrijks, dat het levensbeginsel is des Heiligen Geestes.

„Bekeert uquot; dat was, gelijk wij zagen, het woord, waarmede ook jo annus de Dooper optrad; en het is ook het woord, waarmede petrus en de apostelen hun werk beginnen, als zij op den vijftigsten dag na jezus' dood te Jeruzalem de eerste gemeente stichten. Altijd dezelfde eisch van bekeering! — Wat hebben wij onder dien eisch te verstaan, en is deze ook nog voor onze dagen geldig? Ziedaar de vraag, die ik thans ga beantwoorden.

Als wij de bekeering, gelijk er immers oppervlakkig beschouwd alle aanleiding voor bestaat, houden voor het gevolg of het resultaat van, zooals we 't kunnen noemen: een momentale wilsakt, zoodat zij kan worden beschouwd als een fait accompli ten gevolge van een in een bepaald oogenblik des tijds genomen besluit — dan komen wij noodzakelijk tot de gevolgtrekking, dat er menschen zijn die bekeerd,

1

pop-fn gedaante gedaanteverwisseling.

ocr page 123

115

en anderen, die niet bekeerd zijn; en het leerstuk der ■verkiezing en verwerping, de schifting der mensch-heid in eleeti en reprobati is dus gerechtvaardigd en gewettigd.

Nu zou men hiertegen kunnen inbrengen, dat toch alle menschen het vermogen kunnen bezitten om zich te bekeeren, en men dus nog niet op dien grond behoeft aan te nemen, dat sommige menschen verworpen , of zelfs voor eeuwig van Gods liefde verstoken en verdoemd zouden zijn. Dit is ook volkomen juist; maar even zeker is het ook, dat er tal van menschen zijn, die niets van zulk eene plotselinge bekeering in hun leven weten, welke zich met geen mogelijkheid van die gewichtige evenementen in liun geestesleven zouden kunnen herinneren, die de overtuiging bij hen zouden mogen vestigen, dat zij zich „bekeerd haddenquot; en zij dus tot de bekeerde christenen behoorden. Die onzekerheid en die twijfel omtrent hunne aanneming bij God zou ernstige en conscientieuse menschen allicht tot zulk eenen staat van onrust en radeloosheid, van melancholie en pessimisme kunnen doen vervallen, dat zij zich voor verworpen en van Gods gunst en genade verstoken zouden gaan beschouwen.

Op deze en dergelijke gronden meen ik, dat men bij de bekeering niet aan een bepaald feit mag denken, zij het dan ook, dat men zich daarbij tot eene religieuse ervaring op het gebied van het inwendig gemoedsleven beperkt. Dit zou geestelijken hoogmoed onvermijdelijk ten gevolge hebben; want onder schijn van nederigheid en ootmoed plaatst men zich dan toch feitelijk als een door God meer bevoorrechte boven anderen,

8*

ocr page 124

116

wat direct in strijd is met de grondgedachte der leer van het Koninkrijk Gods. Ik meen derhalve de bekeering even als de Johannëische en Paulinische wedergeboorte te moeten opvatten als die ethisch-religieuse gemoedsgesteldheid, die niet in één oogenblik of op één bepaald punt des tijds kan tot stand komen, maar waaraan wij voortdurend werkzaam moeten zijn en ons geheele leven moeten wijden.

Geen sterveling mag meenen, dat hij bekeerd is, evenmin als eenig mensch van zich zeiven mag meenen, dat hij voor de bekeering onvatbaar is. Geven we dit toe, en mij dunkt elk christen met eene gezonde godsdienstige levensbeschouwing moet dit erkennen, dan is het duidelijk, dat wij, daar wij nooit mogen meenen het reeds gegrepen te hebben, altijd door, zonder ophouden, ons geheele leven lang aan onze bekeering moeten werken.

Bekeering en wedergeboorte mogen niet van elkaar worden gescheiden, daar de laatste de voltooiing is van de eerste. Hierover echter handelen wij in de volgende paragraaf.

Secundo hebben we hier te spreken over den eisch des geloofs. Wat is de mort? hier en elders door jezus in de synoptische evangeliën geëischt? Zij wordt nader omschreven als een Tnoreuetv èv tw eüxyye'Xia), en wat wij hebben te verstaan onder het evangelie, blijkt uit het vorige vers (Mc. 1:44), het is: het evangelie vhi fixailsixi zov tïss-j. Het is dus het geloof in de blijde boodschap van Gods Koninkrijk, of het geloof, dat God der menschen Vader is, dat de mensch Gods kind is en dat de menschheid een groot rijk van God

ocr page 125

117

is, waarin alle leden door den liefdeband des Heiligen Geestes zijn vereenigd als kinderen Gods, als zonen en dochteron van den Hemelvader, als broeders on zusters van hem, die hier leefde als zoon van God. Dit is — wij zullen het zoo aanstonds nog nader en met de vereischte uitvoerigheid ontwikkelen — dit is het geloof in het evangelie, niets meer, maar ook niets minder! Wie dit geloof bezit, mag den christen-naam dragen, wie het niet bezit, staat niet slechts buiten het christelijk, maar — (gesteld dat het mogelijk ware, dat een mensch geheel zonder geloof in God, zich zeiven en de menschen kon leven) — buiten alle godsdienstig geloof.

Uit deze definitie van het geloof volgt, dat het niet is, en wel in geen enkel opzicht. een aannemen, een erkennen of voor waar houden. Het gelooven, dat hierin bestaat, is een verstandelijk of een geschiedkundig gelooven; maar het religieus geloof heeft hiermede niets gemeen dan slechts den naam. Zelfs geloof ik, dat de stelling „God bestaatquot; wel beschouwd, geen uitspraak van het godsdienstig geloof kan genoemd worden; niet dat Hij bestaat, maar als hoedanig Hij voor mij bestaat, is de vraag, waarop ik in mijn godsdienstig geloof het antwoord zoek. „Gijlieden gelooft in God, als den eenigequot; heet het Jac. II : 19 „ook de dsemonen gelooven het, en zij sidderen.quot; Zoolang ik niet geloof aan Gods bestaan, ontbreekt bij mij elk aanrakingspunt met het godsdienstig geloof; op godsdienstig standpunt echter is de twijfel aan Gods existentie m. i. geheel buiten gesloten. De twijfelmoedigheid van den christen is niet hierin gelegen, dat

ocr page 126

118

hij twijfelt of God bestaat, maar of Hij voor hem oen liefderijk God is, of Hij zijn hemelvader is? Dit zijn de oogenblikken des twijfels, als men Gods leidingen niet als liefdevol kan erkennen; als men, gelijk jezus in zijne stervensure aan Golgotha's kruis, een gevoel heeft, of men van God verlaten is. Daarom is de erkenning van Gods bestaan nog geen uitspraak van het godsdienstig geloof, want die erkenning kan gepaard gaan met een leven als zonder God, of althans buiten gemeenschap met God. Eerst als in mijne ziel de bewustheid leeft, dat ik in eene kinderlijke betrekking sta tot God, en God met vaderlijke liefde mij gadeslaat en mij leidt langs zijne liefdewegen, ook al strooken zij niet met mijne persoonlijke wenschen en inzichten — eerst dan heb ik het geloof in het evangelie. Het „evangeliequot; — dat woord, ik heb het reeds opgemerkt, is in onze dagen en vooral bij ons te lande een weinig in mis-crediet geraakt, omdat men meent, dat dit woord ter kenschetsing van onze geloofsovertuiging eene min of meer supra — of laat mij het juiste woord noemen, eene: contra-natureele wereldbeschouwing in zich sluit. Daardoor heeft dit woord bij velen zijnen goeden klank verloren. Sommigen zelfs, gelijk mij bij persoonlijke ervaring gebleken is, toonen zulk een afkeer er van, dat zij, als ge het noemt, u aanzien, alsof gij niet spraakt van een zjcuyyiluv maar van een zax'ayysXiov. Nu ik kom er gaarne voor uit, dat ik geen schooner woord ken, en dat ik het evangelie hoop te blijven verkondigen, en van het evangelie te getuigen en het evangelie te belijden, zoolang ik een evangelie-prediker mag blij-

ocr page 127

119

ven en — wat het laatste betreft — zoolang God mij in het leven spaart.

Doch laat ons niet afdwalen! Het geloof van den christen is dus een geloof in het Godsrijk, een geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest of in minder zinnebeeldige taal uitgedrukt: het geloof, dat God als een eeuwig ontfermend, liefdevol Hemelvader mij en al mijne medemenschen in zijne Vaderliefde doet deelen; en ons als zijne kinderen tot het burgerschap in het hemelrijk heeft geroepen.

Dit geloof in God, ons zelven en onze medemenschen is niet eene verstandelijke overtuiging, niet eene theorie of geloofsleer — maar het is eene inwendige kracht, het is een beginsel, een levensbeginsel, dat den mensch moet doordringen als het zuurdeeg den meelklomp. Telkens wordt dit bij de Synoptici dooide uitspraken van jezus met kracht en klem herhaald. „Niet een iegelijk die tot mij zegt Heere, Heere! — maar die doet den wil mijns Vaders die in de hemelen is — zal ingaan in het Koninkrijkquot;. „Hieraan zal men erkennen, dat gij mijne discipelen zijt — dat gij liefde hebt onder elkander.quot; „Wie doet den wil mijns Vaders — die is mijn broeder en zuster.quot; „Wie mijne woorden hoort en ze doet — die is gelijk aan eenen man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeftquot; enz. enz. Zooals in de bekeering het eigenlijk wezen der zedelijkheid gelegen is — zoo is dit levensbeginsel des g e 1 o o f s het eigenlijk wezen van den godsdienst. Bekeering en geloof — zedelijkheid en godsdienst naar haar zuiver gehalte: dat is de voorwaarde zoowel voor

ocr page 128

120

het ingaan in als voor de vestiging en uitbreiding van het Koninkrijk Gods.

Men lette ook hier weder op de rangschikking, die onze in het eerste Deel verdedigde stelling bevestigt: eerst moet de eisch der zedelijkheid worden gehoorzaamd — dan volgt de godsdienst. Dit is de genetische ontwikkelingsgang van het geestelijk leven: uit de zedelijkheid ontwikkelt zich de godsdienst , en niet omgekeerd! Eerst de wet en dan het evangelie! Eerst het plichtgebod met zijnen categorischen imperativus, dan het leven in gemeenschap met God, dat zijn bron en oorsprong vindt in de liefde!

Wij gaan thans over tot de nadere uiteenzetting van het fundamenteele begrip der leer aangaande de (ixvileix roïi Beoü. Welke is — ziedaar de vraag nu aan de orde — welke is de grondwaarheid, de hoofdgedachte, het centraalbegrip van jezus' leer aangaande het Koninkrijk van God? Die hoofdgedachte zie ik uitgedrukt in het slotwoord van het Mattheus-evangelie en het slotwoord van den tweeden brief aan de Corinthiers, terwijl we ook in het evangelie naar johannes en de overige brieven tal van woorden vinden, waar diezelfde gedachte wordt uitgesproken. De idee van het godsrijk, de „Reichs-ideequot;, gelijk men in 't Duitsch zegt, vind ik in al hare volheid en al haren omvang neergelegd in het woord, waarmede de verheerlijkte Christus zijne jongeren als zijne evangelieboden in de wereld uitzendt, en in de apostolische zegenbede, waarmede paulijs zijnen tweeden Corinthicrbrief eindigt, en die wij ook inde

ocr page 129

121

andere brieven, zij het ook niet volledig, herhaald vinden. Het zijn de twee woorden, die gedurende den loop der eeuwen altijd het grootste gezag hebben gehad en van den verrijkendsten invloed zijn geweest voor de christelijke kerk. Geen ander schriftwoord kan worden genoemd van zulk eene beteekenis voor de ontwikkeling der christelijke kerk dan Math. XXVIII : 19, en geen ander woord, dat met zooveel eerbied, zooveel religieuse pieteit van den apostolischen tijd tot op onze dagen toe door de christelijke kerk werd behandeld, dan 2 Cor. XIII: 13, een woord dat van 't begin der christelijke jaartelling af in bijna elke gemeente en bijna iedere openbare godsdienstoefening do zegenbede placht te wezen en meerendeels nog is, waarmede de evangelieprediker de samenkomst inwijdde en sloot.

Wat het eerste woord betreft: „Gaat dan henen, onderwijst (of maakt tot mijne volgelingen of discipelen) alle volken, ze doopende tot den naam (si? Ti 'óvcu.y. niet èv -w ovipzTt, wat geen zin zou hebben) des Vaders, des Zoons on des Heiligen Geestesquot; — het moge eene zaak zijn, die voor de nieuwere theologen geene nadere defensie behoeft, dat het verhaal, in welks verband ons dit woord wordt medegedeeld, kennelijk een legendarisch karakter draagt — evenzeer is ook dit eene zaak, die mijns inziens aan geenen redelijken twijfel onderhevig kan geacht worden, dat dit woord, hetzij door jezus persoonlijk is uitgesproken, hetzij althans door zijnen geest den schrijver is in do pen gegeven. Ten slotte doet dit historisch-critisch vraagstuk hier ook minder ter zake (men

ocr page 130

122

vergelijke hierover de verhandeling van scholten). Al moesten we ook toegeven, dat jezus dit woord niet letterlijk zoo kan hebben gezegd —- dat het èn van de vroegste tijden af als het instellingswoord is beschouwd van de stichting der christelijke kerk, èn als zoodanig bij den christelijken waterdoop negentien eeuwen lang is gehandhaafd, is, dunkt mij, bewijs genoeg, dat wij hier te doen hebben met een woord dieper van be-teekenis en rijker van inhoud dan eenig ander. En — moge het van jeztjs rechtstreeks afkomstig zijn of niet — zijne leer van het Godsrijk ligt er in opgesloten naar haren vollen inhoud en hare verhevenste strekking.

Geheel hetzelfde geldt ook van 2 Cor. XHI: 13: „de genade van onzen Heer jezus chkistus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met Uliedenquot;. Wat de exegese van dit woord aangaat, zoo heb ik, ter voorkoming van misverstand, hierbij slechts ééne opmerking te maken; n.1. deze, dat le genitivus 'Ivjo-oO geen genitivus subjectivus, maar een gen. objectivus is. Het is niet de genade, die jezus heeft betoond (in dien zin kan bij hem van genade geen spraak wezen) maar die hij heeft geopenbaard, of die in hem is openbaar geworden. Het is dus de genade van God in jezus christus , die bedoeld wordt. Eigenlijk staat dus de tweede term, „de liefde God'squot;, in appositie van de eerste, zij is de nadere omschrijving van de genade. De genade, die in jezus' evangelie aan de menschheid is geopenbaard, bestaat in de liefde van God den Vader. In eene leerrede drukte ik mij eens ongeveer zoo uit: „de genade van jezus

ocr page 131

123

is de wet der genade, door hem ontdekt, dat de zondaar die zich bekeert niet verloren is, maar bij God genade vindt. Even als men nu de wet van de zwaartekracht ook wel de wet van newton noemt, niet omdat zij van hem afkomstig is, maar omdat hij de uitvinder en ontdekker dier natuurwet is geweest, zoo ook wordt hier onder de genade van jezus cheis-tus de genadew e t bedoeld, omdat hij, gelijk newton op natuurkundig gebied een ontdekker was, zoo hij op geestelijk gebied deze nieuwe wet heeft ontdekt.quot;

Het grondbeginsel en de hoofdinhoud der leer van het Koninkrijk Gods bestaat dus volgens deze synoptische en paulinische getuigenis, waarbij ook tal van Johanneïsche en andere N. Tische uitspraken zich aansluiten, in het drievoudig geloof, het geloof in den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Dit dient eenigszins nader te worden toegelicht, en wij moeten daarbij de hulp inroepen van de Religions-filosofie.

Immanuel kant, de Vader der nieuwere godsdienstwijsbegeerte , heeft in zijne Kritik der practischen Vernunft, die wederom gebouwd is op den grondslag van zijne Kritik der Eeinen Vernunft, den grond gelegd voor de Eeligions-filosofie van den lateren tijd. Eene proeve van zulk eene religions-filosofisische studie heeft hij zelf geleverd in zijne „Eeligion innerhalb der Grenzen der bloszen Vernunftquot;, een werk, dat dooiden auteur voor theologen bestemd, ook in Duitschland veelal als leiddraad bij de wijsbegeerte van den godsdienst aan de universiteit wordt gebezigd.

Maar welk verband bestaat er toch tusschen het

ocr page 132

124

wijsgeerig stelsel van kant en het geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest, dat wij het fundamenteele geloofsartikel van het evangelie dor fixadzix zov fooD hebben genoemd? Laat mij dit met een paar woorden trachten aan te toonen en daartoe kortelijk het in § 3 gezegde releveeren!

Men zal zich herinneren, hoe wij er daar reeds op wezen, dat de menschelijke geest — volgens het in de „Kritiek der znivere redequot; ontwikkeld systeem, drie verschillende faculteiten of organen heeft, nl. gevoel of het zinnelijk vermogen; verstand of het denkvermogen, en de rede of het zedelijk of ook godsdienstig vermogen. Dit laatste verwarren wij soms met het verstand; het moet er echter streng van worden onderscheiden. Het zedelijk vermogen is iets totaal anders, dan het verstandelijk vermogen, wa^ ons uit het volgende blijken zal. Het gevoel of de sensibiliteit werkt mot de zintuigen en ziet zich als haar gebied toegewezen de wereld der empirische verschijnselen, welke gebonden zijn aan de zuivere aanschouwingsvormen van tijd en ruimte.

Het tweede vermogen, het verstand werkt met begrippen, de z.g. zuivere verstandsbegrippen, in navolging van aristoteles categoriëu genoemd, twaalf stam- of ele-mentaarbegrippen, die onafhankelijk van alle ervaring a priori in den menschelijken geest ontstaan; in ver-eeniging met het eerste is dit de bron van alle ervaring en van de exacte wetenschap.

Het laatste orgaan, de rede, is het hoogste vermogen van den mensch; zoo veel hooger als het verstandelijk vermogen staat boven het zin-

ocr page 133

125

nelijk, zooveel hooger staat het redelijk vermogen boven het verstandelijk. Zooals het verstand orde, eenheid en samenhang brengt in de verschillende gewaarwordingen en indrukken. die wij van de zinnenwereld ontvangen; zooals dit dus organiseerend en systematiseerend optreedt tegenover het zinnelijk vermogen, zoo noemt kant de rede, de „Vernunftquot;, die faculteit van onzen geest , waardoor wederom de verschillende verstandsbegrippen tot eene hoogere, of de hoogste eenheid worden herleid. Gelijk het eerste orgaan met de zuivere aanschouwingsvormen (tijd en ruimte), het tweede met de zuivere verstandsbegrippen (categoriën) werkt, zoo vormt zich de rede zuivere rede-begrippen of ideën.

Zijn de categoriën twaalf in getal (1), van de ideën der rede, die K. in tegenstelling tot de op de empirie betrekking hebbende beide andere organismen „transcendentaalquot; noemt (waarom ook zijn systeem den naam draagt van „Transcendentaal Idealismequot;) — van deze bestaan er slechts drie, niet meer en niet minder; het zijn nl. de theologische, de cosmologische en de psychologische (of anthropologische) ideën, de ideën van den den zss-p.c; en den dvO-pMnog. Dit zijn de eenige

1

Over de deductie en de volledigheid der categoriën-taf el vergelijke men het ten vorigen jare door albrecht krause gepopulariseerde onuitgegeven laatste werk van kant , getiteld: „Uebergang von den metaphysischen Anfangsgründen der Natur-wissenschaft zur Physikquot;, een geschrift, waarin K. tegenover de onbekookte aanvallen eener door hare bekrompenheid zich zelve compromitteerende critiek schitterend wordt gerechtvaardigd, en dat nu eens zonneklaar aan 't licht heeft gebracht, wat er aan is van zijn geincrimineerd subjectivisme.

ocr page 134

126

rede-ideën, die er bestaan. Buiten deze trias zijn er geene transcendentale ideën. Zij hebben betrekking op de drie levensvragen: wie of wat ben ik? (liet an-thropologisch of psychologisch vraagstuk) van waar ben ik? wie of wat is de grond van mijn bestaan ? (het theologisch vraagstuk) waar ben ik? Wat is de wereld. waarin ik ben geplaatst? (het cosmologisch probleem).

Deze drie vragen zijn natuurlijk de vragen, die de mensch in zijn godsdienstig geloof zoekt te beantwoorden ; de transcendentale ideën zijn dus het drievoudig object van 's menschen religie. Dit te hebben aangetoond, en tevens die vragen met eene ongeëvenaarde scherpzinnigheid te hebben ontleed en naar alle zijde te hebben toegelicht en ontwikkeld — is het onsterflijk verdienste van den Koningsberger, en daarom moet hij als de vader van de tegenwoordige Eeligionsfilosofie worden beschouwd. Zijn stelsel der Transcendental-Philosofie uit te werken, was hem niet meer vergund; maar wel blijkt ons uit het daareven genoemd manuscript, dat het in zijne bedoeling lag om daaraan zijne laatste krachten te wijden. Hij wilde dat systeem splitsen in drie af-deelingen, die zouden handelen over: „Gott, die Welt und das Subject, das Beide imrealem Verhalt-nisz zu einander denkt: der Mensch, als moralisches und vernünftiges Weltwesen.quot;

Het object van het godsdienstig geloof is dus altijd drievoudig, het heeft altijd betrekking tot God, de wereld, natuurlijk de geestelijke wereld, en ons zeiven.

Dit drievoudig geloof nu ontvangt door den

ocr page 135

137

godsdienst van jezus oen eigenaardig licht. Jezus leerde, dat God onze Vader is, dat de mensch Gods kind is en dat de menschenwereld een (niet actueel, maar potententieel) rijk van God is. God is mijn Vader, ik ben Gods Zoon (zoowel jjiS; als T.oaz) de menscliheid is een Godsrijk; zie daar wat wij reeds boven leerden kennen als de grondgedachte zijner leer van het Koninkrijk Gods.

De menschheid een Godsrijk — natuurlijk niet in werkelijkheid, maar naar haren aard en aanleg is zij dit; het is hare roeping om het te worden. — En waardoor moet zij het worden? Het antwoord dat jezus hierop gaf, was: door denHeiligenGeest. Zoowel volgens de synoptische, Johanneïsche, als Paulinische uitspraken is de Heilige Geest de werkende kracht, waardoor het rijk van God moet tot stand komen. Door den t.-jz'ju.x d'yiov moet het ware rijk des geestes worden gesticht en voltooid.

De laatste term dus van het drievoudig geloof, volgens de leer van het christendom , kan in de taal van het N. T. ook nog anders worden uitgedrukt. Het geloof in de menschheid, of eigenlijk in de geheele geestelijke wereld (de menschenwereld vormt natuurlijk slechts een zeer, zeer klein deel van dat geestelijk heelal, dien immaterieelen kosmos, die object is van de cosmologische idee) — het geloof in de menschheid als een godsrijk is dus hetzelfde als wat in het N. T. wordt genoemd: het geloof in den Heiligen Geest.

Wat nu nog aangaat het tweede moment van het christelijk geloof, het geloof door jezus verkondigd, dat de mensch een kind is van den Hemelvader — de

ocr page 136

128

Schrift noemt dit ook kortweg liet geloof in den Zoon, of in den Zoon van God. Ook volgens de streng rechtzinnige kerkleer komt toch het geloof in den Christus als Zoon van God in 't wezen der zaak neer op het geloof in den mensch als kind van God. Het geloof in het Zoonschap Gods van den Christus is het geloof in het kindschap Gods van ons zelven.

Al meent men ook met hand en tand het geloof in de Godheid van jezus te moeten vasthouden — toch is het ook voor den stijl rechtzinnigen Calvinist zoo klaar als de dag, dat dit geloof voor hem persoonlijk alleen dan waarde en beteekenis kan hebben, als het gepaard gaat met, of liever als het de vertolking is van zijn geloof, dat ook hij een kind is van God. Den Christus noemt paulus den eerstgeborene van vele broederen. Allen, die in hem gelooven, d. i. die zijn levensbeginsel tot het hunne hebben gemaakt, zijn zijne broeders en zusters. Telkens en telkens weder wordt die gedachte uitgesproken; en talloos vele zijn de plaatsen in de evangelieën, waarop men zich kan beroepen ten bewijze, voor zoover men nl. eene zaak, die zoo van zelve spreekt, nog te bewijzen noodig mocht achten: dat jezus persoonlijk zich zeer dikwijls in dien zin moet hebben uitgelaten. Eens, zoo luidt het synoptisch verhaal, was jezus leerende tot eene schare, die — of het was in eene synagoge of in eene particuliere woning, wordt niet gemeld — in grooten getale zich om hem verdrong; en terwijl hij nog sprak, werd hem bericht, dat zijne naaste bloedverwanten, zijne moeder en broeders, buiten stonden en hem wenschten te spreken. Maar hij zich wendende

ocr page 137

129

tot de bijeenverzamelde menigte antwoordde en zeide, aldus lezen we: „dit zijn mijne broeders, mijne zusters en mijne moeder, die den wil doen mijns Vaders, die in de hemelen is. (Lc. VITt; 20 en 21, Mtli. XTTT : 50 e. a. pl.)quot; Alle menschen, ziedaar dus de gedachte van het Koninkrijk Gods, zijn bestemd om door den reinen liefdeband des Heiligen Geestes verbonden, als broeders en zusters van den Heiland, als kinderen van God, als zonen en dochteren van den hemelvader één groot, geheiligd rijk van God te vormen. Die gedachte, en dit is het, wat ons thans zal zijn duidelijk geworden, zij is het zelfde, als wat het N. T. noemt: het geloof in den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.

Dat geloof, hoewel het drievoudig wordt genoemd, is toch, — wie zon het niet terstond inzien — in den grond der zaak slechts één geloof. De drie geloofsartikelen van den christen smelten samen tot één enkel artikel! Het geloof in God als onzen Vader sluit in het geloof in ons zeiven als kind van dien Vader, en het geloof in ons zeiven d. w. z. het geloof in ons innerlijk wezen in het menschelijke in ons, in den zin , waarin kant spreekt (zie boven) van het „Ich, als moralisches Weltwesen,quot; dit geloof in den mensch als kind van God, sluit wederom in zich, voor zoover het nl. religieus, en geen egoïstisch utiliteitsgeloof is, — het geloof in de menschen als kinderen van God. „Gaat dan henen, maakt tot mijne volgelingen alle menschenkinderen (nxSnzsiiaxre nmrsc zz sSv/i), ze doopende tot den naam des Vaders. des Zoons en des Heiligen Geestesquot; dit

it

ocr page 138

130

woord tot de discipelen bevat dus de fundamenteele gedachte, het centraalbegrip, het hoofdbeginsel en de grondwaarheid der leer van het Koninkrijk Gods. Doopt ze tot den naam van het vaderschap Gods, van het zoonschap en het kindschap van den Vader — beteekent dus eenvoudig: doopt alle menschen tot kinderen van God, laat de doop het zinnebeeld, het inwijdingsteeken zijn, waarmede zij, hun vroeger zinnelijk of wettelijk standpunt verlatende, worden bevestigd tot naamdragers van Gods kinderen en tevens tot beelddragers van den Hemelvader.

Dit wel niet rechtzinnig, maar daarom toch echt evangelisch triniteitsgeloof, waarop ook het woord 1 Joh. V 7b. van toepassing is: ou-oi oi zpslc, êv siaiv, dit geleof in God als onzen Vader, in ons zeiven als Gods kind, en in al onze medemenschen als onze medeburgers in Gods Koninkrijk — dit drievoudig en tegelijk enkelvoudig geloof in het godsrijk het is de kern en het wezen van heel den christelijken godsdienst. Het is, gelijk wij het noemden, het centraalbegrip, het middenpunt van den geheelen geloofsinhoud voor den christen, het punt, waarin al de verschillende denkbeelden, overtuigingen, voorstellingen en leerstellingen van onzen godsdienst als zoovele stralen zich vereenigen. Het is het uitgangspunt en eindresultaat van onze dogmatiek, de alpha en de omega van den christelijken catechismus. Eet evangelie van het Koninkrijk Gods — niets meer, maar ook niets minder — is de inhoud der godsdienst-prediking van den christenleeraar. Die leer heeft hij als

ocr page 139

131

een ware blijde boodschap der gemeente te brengen en met al de kracht, met al den gloed van een door den heiligen geest bezield gemoed altijd en altijd weder haar te verkondigen. Gelijk zij voor negentien eeuwen de geestelijke wereldhervorming in de menschheid heeft tot stand gebracht, zoo gaat zij nog voortdurend met onverminderde kracht, met onver-doofden gloed voort de menschenwereld te vernieuwen, te verjongen, te reinigen, te heiligen, door haar haren goddelijken levensadem aan te blazen, en haar daardoor te vormen, te hervormen en te herscheppen tot een rijk van God, tot een heiligen tempel Gods in den geest. (Ef. II 21 en 22.)

Deze juiste waardeering der leer van het Koninkrijk en dit rechte inzicht in de plaats, welke haar in onze godsdienstige bewustheid moet worden toegekend, is van het hoogste belang met het oog op de vraagstukken, die tegenwoordig op kerkelijk en godgeleerd, om niet te zeggen: godsdienstig gebied de gemoederen in beweging brengen.

Wanneer wij van een onbevooroordeeld standpunt uit de beide groote legerkampen monsteren, die de godgeleerde wereld in tweeën verdeelt, dan zien wij aan de rechterzijde bij de zich noemende orthodoxen eene verstijving der leer van het godsrijk tot eene dorre dogmatiek; aan de linkerzijde echter, bij de modernen, maar al te vaak eene miskenning van het zuiver evangelisch gehalte dezer leer; intra et extra muros peccatur! Hiér ziet men eenen aller-noodlottigsten teruggang tot het wettisch, particularistisch exclusivisme, in welks overwinning juist het ken-

9*

ocr page 140

132

merk van den christelijken godsdienst gelegen was, — daar zien wij een niet minder betreurenswaardig cn, als liet voortwoekerend onkruid niet in zijne ontwikkeling wordt gestuit, allerverderflijkst prijsgeven van het specifiek clmstelijk element in het Christendom. Hiér achteruitgang in de historie in plaats van ontwikkeling — daar verloochening van de wet der continuïteit in de geschiedkundige ontwikkeling en daardoor stilstand en verspilling van levenskracht! Dat zijn de beide uitersten, de ultra-confessioneelen en hyper-supranatureelen ter eener — de radicaal vrijzinnigen en pantheïstische vrijdenkers ter anderer zijde! Gelukkig echter staan tusschen die beide uitersten ter rechter en ter linker velen, die het drijven der orthodoxe Calvinisten moede, tevens echter ernstig beducht voor de consequenties van een radicalisme, dat den historischen bodem van het christendom verlatend , zich geroepen waant tot het stichten van eenen nieuwen godsdienst (alsof die zich zoo maar liet stichten, alsof die niet veeleer van zelf moest geboren worden en wel geenszins door eenigerlei invloed van buiten, maar door de spontane werking van God's geest!) — die voor de tallooze kwalen en gebreken van het maatschappelijk en godsdienstig leven onzer dagen alleen heil verwachten van de ethisch-religieuse verheffing, van de geestelijke levensvernieuwing, die er uitgaat van jezus' evangelie aangaande het Koninkrijk Gods.

Van groot belang moet het worden geacht, vooral met het oog op die velerlei richtingen en partijen , waarin de christelijke kerk in ons kleine vader-

ocr page 141

133

land is verdeeld, dat de door de geschiedenis dei-eeuwen beproefde leer van het godsrijk wederom hare rechten handhave en haar gezag over de door partijschap en godsdiensthaat van elkaar vervreemde harten herwinne. Want reeds heh ik er in 't begin van mijn geschrift op gewezen: deze leer geeft ons eenen on-feilbaren maatstaf en eenen onbedrieglijken toetssteen aan de hand ter bepaling van, wat wel en wat niet als behoorende tot den inhoud van het christelijk godsdienstig geloof moet worden aangemerkt. Het kenmerk van eene geloofswaarheid is,dat zij uit het drievoudig geloof in God ons zeiven en de menschheid, bestraald door het licht van jezüs' evangelie — onmiddellijk voortvloeit of ermede in onverbreekbaren samenhang staat. Alleen dan is eenige meening of voorstelling, eenig begrip of denkbeeld, eenige overtuiging of leerstelling christelijk, en behoort zij tot den inhoud van het christelijk geloof, als zij kan beschouwd worden als rechtstreeks afgeleid en als noodwendig verbonden met het cen-traalbegrip van den christelijken godsdienst. Kan die oorsprong en dat directe verband niet worden aangetoond, dan behoort eene zoodanige overtuiging of voorstelling ook niet tot den inhoud van ons godsdienstig geloof. Elke stelling, ieder denkbeeld en iedere geloofsovertuiging, die niet cohaereert met de grondwaarheid en de hoofdgedachte van het christendom, maar als daarvan onafhankelijk, als los daar nevens staande moet worden aangezien — is ook geene godsdienstige geloofswaarheid, maar behoort voor den belijder der christelijke religie óf tot de adiaphora, of zelfs tot die schadelijke en het zuivere

ocr page 142

134

geloof bezoedelende en verontreinigende voorstellingen, die door het christelijk-evangelisch en protestantsch. bewustzijn — zij het dan ook niet op de wijze dei-conciliën of pauselijke decretaliën — toch als ketterijen moeten worden gebrandmerkt.

Als ik dus van eene of andere leerstelling weten wil, of ik haar voor eene godsdienstige geloofswaarheid heb te houden of niet, of zij bijgevolg door den godsdienstigcn mensch behoort te worden aangenomen en beleden, dan wol of hij haar mag of zelfs moet verwerpen — dan heb ik mij slechts de vraag voor te leggen, of die leerstelling met logische consequentie volgt uit, en in oorzakelijken samenhang staat met mijn geloof in mij zeiven, mijne medemenschen en God, voor zoover het nl. getint is met dien eigenaardig religieusen gloed, dien de leer des evangelies daaraan verleent. Blijkt dat verband, en wel met zulk eene evidentie, dat er bij mij geen twijfel kan rijzen omtrent de onverbiddelijke noodzakelijkheid, waarmede die leerstelling door dat geloof wordt gepostuleerd — dan is dit voor mij een voldingend bewijs, dat ik hier te doen heb met eene geloofswaarheid, die door mij ook als zoodanig moet worden aanvaard. Is daarentegen een dergelijk verband niet aan te wijzen, dan kan zich het geval voordoen, dat de erkenning of ontkenning er van uit het oogpunt van mijn godsdienstig geloof onverschillig is; meestal echter zal het aannemen van een dergelijk dogma niet indifferent wezen voor de zuiverheid van mijn geloof, en moet het beslist als ongeloofwaardig door mij worden ter zijde gesteld. De stelregel: „baat het niet, dan schaadt het nietquot;

ocr page 143

135

is ten opzichte van den geloofsinhoud geheel onwaar. Het reine gehalte van het godsdienstig geloof duldt geene overtollige bestanddeelen en geene heterogene bijmengsels; door het opnemen van vreemde elementen wordt de zuiverheid er van bevlekt en besmet.

Is de hier voorgedragene zienswijze juist, (en dat men mij van het tegendeel zal kunnen overtuigen, behoef ik niet te vreezen) dan komt het mij voor dat zij van groot gewicht is ten opzichte van het bijbelsch supranaturalisme. Over het supranaturalisme hebben we in § 7 afzonderlijk gehandeld. We wezen er daar op, dat dit woord eigenlijk een gevaarlijk woord is, 'twelk aanleiding kan geven, en maar al te dikwijls werkelijk geeft tot het ergste misverstand en de noodlottigste begripsverwarring. Twee zeer uiteen-loopende beschouwingen, zagen we, worden gewoonlijk door dit ééne woord aangeduid en daardoor soms als aan elkander verwante en van elkander afhankelijke voorstellingen aangezien, te weten: het geloof in wonderen en de meening, dat de christelijke en de Jood-sche godsdienst door eene wonderdadige werking van tegen het gewone natuurverband indruischende krachten zal zijn ontstaan — en het geloof, dat God en godsdienst als supra naturam, d. i. als boven de stoffelijke natuur liggend moet worden beschouwd, of populair uitgedrukt: het geloof, dat God heerscht over de natuur, de Schepper is des heelals, en de veroorzaker en tevens handhaver van de z. g. natuurwetten. Dit laatste betreft , 't is duidelijk, de transcendentie Gods en het geloof in de metaphysische of bovenzinnelijke wereld.

Voor deze twee voorstellingen — ge kunt er U

ocr page 144

136

dagelijks van overtuigen — bezigt men dat ééne woord, behoudens natuurlijk vele loffelijke uitzonderingen onder de in het logisch denken meer geoefende mannen van 't vak. Ten gevolge daarvan worden die twee zienswijzen met elkaar verward, en ontstaat het dwaze vooroordeel, dat, waar de eene als onjuist moet worden ter zijde gesteld, ook de andere onherroepelijk is komen te vallen. Zelfs onder ontwikkelde theologen van de nieuwere richting wordt deze ongerijmde meening soms aangetroffen.

Met het oog op dit blijkbaar onvermijdelijk misverstand en de hierdoor ontstane logische, en de hieruit weder voortvloeiende theo-logische wanorde — achtte ik het gewenscht, om ter kenschetsing van het eerst genoemde standpunt niet van supra-, maar van con-tra-naturalisme te spreken (1); of wil men de uit het Grieksch afgeleide kunsttermen bezigen, dan niet in bedoelden zin van een hyper-physische, maar van eene anti-physische wereldbeschouwing te gewagen. Want het eigenlijk wezen van het wondergeloof bleek ons niet boven-, maar zonder twijfel tegen-natuurlijk te zijn. Niet, zooals men 't wel eens ten onrechte wil doen voorkomen, niet in de werking van hoogere,

1

Vergelijk hierover reeds spinoza. Tract, theol. pol. CVI. „Ook maak ik geen onderscheidquot; zoo lezen we hier „tusschen het tegen natuurlijke en het boven natuurlijke. Want daar 3en wonder niet buiten de natuur, maar in de natuur zelve geschiedt — hoewel het ook bovennatuurlijk genoemd wordt, zoo moet het toch noodzakelijk de natuurorde verbreken, van welke wij weten, dat zij anders overal naar het raadsbesluit van God vast cn onveranderlijk is.

ocr page 145

137

ons onbekende natuurwetten — maar zeer bepaald in de opheffing van de bestaande natuurwet ligt het eigenaardig kenmerk van het wonder, zooals van zeer bevoegde zijde door de voorstanders van het geloof aan wonderen wordt erkend.

Dit contranaturalisme nu — en ziehier wat we reeds boven beweerden, maar wat thans op de meest overtuigende wijze aan het licht treedt — is in strijd met de zuivere opvatting der leer van het Koninkrijk Gods. Als wij ons n.1. de vraag voorleggen, of het geloof aan wonderen, met name aan de bijbelsche wonderverhalen rechtstreeks voortvloeit uit of in continueelen samenhang staat met het geloof in mijne en mijner medemenschen kinderlijke betrekking tot God, met het geloof in Gods Vaderliefde — dan springt het terstond in het oog, dat die oorsprong en dat verband niet is aan te wijzen en dus het contranaturalisme ook niet als behoorende tot den christelijken geloofsinhoud kan worden aangemerkt. Wat heeft het geloof, dat jezus door de magische werking van zijne wonderkracht ziekten en kwalen van het menschelijk lichaam kon genezen, dat hij kon wandelen op het water, en water kon veranderen in wijn, dat hij enkele weinige brooden kon doen aangroeien tot een honderd- en duizendtal, dat hij zonder natuurlijke conceptie werd ter wereld gebracht, dat zijn lijk (want volgens het verhaal zelf was zijn dood wel geconstateerd) kon opstaan uit het graf, dat hij daarna door de muren van een vertrek kon binnendringen en verschijnen in de vergadering der apostelen (waarbij tevens de gedachte aan docetisme wordt

ocr page 146

138

buitengesloten door de vermelding, dat hij at en dronk, en dus zijn lichaam alle organische functies verrichtte), welke apotheose dan ten slotte eindigt met de mededeeling van het feit, dat hij werd opgenomen door eene wolk en door haar in de oneindige ruimte des heelals werd weggedragen — wat heeft, zeg ik, dit geloof te maken met het geloof (niet van dezen wonderdoenden godmensch, of halfgod — maar) van don profeet uit Galilca, dat God een eeuwig liefdevol Vader is en alle menschen in zijne ontfermende zondaarsliefde doet deelen!

Waarlijk het wordt wel tijd, dat de christelijke kerk, wat het meerendeel harer leden betreft, deze waarheid, die reeds voor eene eeuw door den genoemden wijsgeer met zulk oen onovertroffen bondigheid van betoog en helderheid van redeneering is in 't licht gesteld, eens in hare volle beetekenis leere inzien en met al de uit haar voortspruitende consequenties leere toepassen! Is het niet bedroevend, is het niet een betreurenswaardig bewijs van der menschheid slakkengang ten opzichte van hare geestelijke ontwikkeling, dat er nog altijd de duizenden en tienduizenden christenen worden gevonden, die, ik zeg niet: aan die wonderen geloven, maar den christennaam durven ontzeggen aan allen, die de geschiedkundige werkelijkheid var, de wonderverhalen in twijfel trekken! Mochten toch eens de oogen open gaan van zoovele in eigen schatting geloovigen! Mochten zij 't eens leeren begrijpen, hoe zij met het uitspreken van hun verketterend oordeel over anderen hun eigen vonnis bezig zijn te vellen!

ocr page 147

139

Het contranatureele geloof toch is op verre na niet zoo onschuldig als het er uitziet. Menigeen, die voor zich zeiven dit standpunt als overwonnen mag beschouwen, is toch van meening, dat hij anderen in hun geloof moet laten en het recht of althans de verplichting niet heeft om het geloof aan de wonderen bij anderen te bestrijden. Ik zelf behoorde vroeger ook tot hen, die zoo dachten; maar ik ben in dit opzicht van overtuiging veranderd. Als dat geloof in het tegennatuurlijke niet tot den inhoud van het christelijk geloof behoort, dan mag het daartoe ook niet worden gerekend; en laat men anderen in hunnen verkeerden waan, dan zal die misplaatste toegeeflijkheid zich wreken in eene verbastering en ontaarding van het specifiek christelijk geloof in het godsrijk. Het opnemen en aankweeken van heterogene bestand-deelen geschiedt altijd, wij zeiden het reeds, ten koste van de zuiverheid en louterheid van het geloof!

Gaat men het kwaad niet tijdig te keer, dan kan het gebeuren, dat het aanvankelijk nauwlijks merkbaar bederf zoo in omvang toeneemt en langzamerhand zulk eene schrikbarende afmeting vertoont dat het wezen van de christelijke religie er door wordt vervalscht en bedorven, dat het zwaartepunt van het godsdienstig geloof ten laatste geheel is verlegd, dat, gelijk het immers in onze dagen het geval is in zekere welbekende kringen, de toekenning van den christen-naam niet langer afhankelijk wordt gesteld van uw antwoord op de vraag; gelooft gij in het evangelie van het Koninkrijk Gods? — maar van de vraag: gelooft gij in de bovennatuurlijke (dat is hier in de

ocr page 148

140

auti-physische) openbaring van den christelijken godsdienst, neergelegd in de Schrift?

Hoe klaarder wij ons rekenschap geven van de grondgedachte der leer van het Koninkrijk Gods, des te vaster en onwrikbaarder wordt de overtuiging in ons gevestigd, dat het wondergeloof niet te huis behoort in de christelijke geloofsbelijdenis. Het geloof aan wonderen en het geloof in het godsrijk zijn twee zaken, die niet het minste met elkaar gemeen hebben. Heeft eens iemand meer vernuftig, dan, om eene germaansche woordspeling te bezigen „vernünftigquot; van het wonder gezegd, dat het was „des Glaubens liebstes Kindquot;, ik neem op mij om daartegenover do stelling te verdedigen, dat het echt godsdienstig geloof het wonder zonder hoop op begenadiging van zich zal stooten; want het is eene vreemde indringer, die zijn op onwettige wijze zich aangematigd recht schandelijk misbruikt, het zuiver gehalte der religie verontreinigt en in den grond bederft. Wie gevoelt niet, dat het geloof in mij zei ven en het geloof aan een wonder twee zaken zijn, die evenveel overeenkomst met elkaar hebben als een cirkel en een driehoek! Eeeds lessing maakte de bekende onderscheiding van „zu-fallige Geschichtswahrheitenquot; en „nothwendige Ver-nunftwahrheitenquot;. Had hij echter in onzen tijd geleefd, en had hij kennis mogen nemen van de resultaten, die door den noesten vlijt en de taaie volharding van de mannen der nieuwere wetenschap op het gebied van het historisch-critisch onderzoek zijn aan 't licht gebracht, hij zou, doelende op het opstandingsverhaal, zeker niet van een toevallig feit der historie hebben

ocr page 149

14J

kunnen gewagen, zij het ook dat die uitdrukking op zich zelf nog geenszins eene erkenning van de geschiedkundige werkelijkheid van het als historisch geboekte verhaal in zich sluit. Neen, consequent is men op dit standpunt alleen in het Eoomsch-Catholi-cisme, dat de reeks der wonderen laat doorloopen tot op onzen tijd, en dat nog zijne Maria-verschijningen heeft, als te Lourdes (1), en zijne wonderdoende Mariabeeldjes als te Kevelaar.

Wat mij zei ven betreft, ik kom er open voor uit, dat ik, hoezeer het ook mijn ernstig streven is, om in mijne toespraken tot de gemeente en bij mijn catechetisch onderwijs niet af te breken, maar op te bouwen, hoezeer ik er ook naar tracht om in de harten èn mijner gemeenteleden, èn mijner leer-linngen oen echt positief, christelijk, evangelisch-gods-dienstig geloofsleven aan te kweeken — niettegenstaande dit, of laat mij 't mogen zeggen: juist daarom, juist om het religieus geloof op hechten grondslag te kunnen bouwen, met kracht en klem het geloof ia de wonderen bestrijd. Want het is duidelijk, dat dit de Achilleshiel is van het dogmatisch confes-

1

Nog voor weinig weken las ik in de Kerkel. Courant het bericht, dat te Lourdes tal van kerkelijke en staatkundige autoriteiten waren vereenigd geweest om der moeder-maagd mama hunne hulde en hunnen dank te brengen voor het feit, dat zij door de wonderdadige kracht van de wateren van Lourdes de pest in Asia had laten verdwijnen. Te recht vroeg de redacteur, of niet eigenlijk het wonder hierin gelegen was, dat in onze negentiende eeuw dergelijke van het grofste bijgeloof getuigende demonstraties konden plaats hebben!

ocr page 150

142

sionalisme, waarvan sommige woordvoerders den naam van calvijn zoo hoog verheffen, dat men soms den indruk verkrijgt, alsof in hun oog calvinisme en christendom twee woorden waren van synonieme be-teekenis. Het wondergeloof is bij hen de spil, waarom hunne gansehe godsdienstige overtuiging zich beweegt; op het wonder, het contranatureele, is hun geloof gegrond; de ontwikkelingstheorie of evolutieleer is hun eene misdadige aanranding van Gods almacht, alsof het niet integendeel eene beperking ware van die almacht, als men de mogelijkheid van deze verklaringshypothese des heelals aprioristisch aan het Opperwezen wilde ontzeggen! Alleen het plotsling, tegennatuurlijk ingrijpen in den loop der wereldgeschiedenis of in het causaalverband van den natuur-samenhang — alleen dat, meenen zij, bewijst, constateert en sanctioneert het albestuur van God; maar eene langzame, geleidelijke ontwikkeling van het lagere tot het hoogere kan niet de wijze zijn, waarop God werkt. Een nevelvlek : de oorspronkelijke toestand der aarde, eene cel: het protoplasma van den mensch — alleen het uitspreken van zulke stellingen is reeds de droeve vrucht en het duidelijk bewijs der afdwalingen van den menschlijken geest, — het is profanie en blasphemie! (1)

1

Over het causaalverband in natuur en geschiedenis en het dezen oorzakelijken samenhang ontkennend wondergeloof ver gelijke men de kristalheldere en scherpzinnige uiteenzettingen in kant's „Religionquot; en zijne „Naturgeschichte des Himmels.quot; Vergl. ook spinoza. „Ethicaquot; O. a. de 28ste stelling, en het zesde hfdst. van zijn „Tractatus.quot;

ocr page 151

143

Zoo zien we dus dat de eigenlijke inhoud der leer van het Koninkrijk Gods volgens het N. T. bestaat in het geloof,dat God de Hemelvader is,dat de mensch een kind is van God, en dat de menschheid door den Heiligen Geest gevormd wordt tot een rijk van liefde en vrede, van reinheid en heiligheid — of m. a. ww. in het geloof in den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.

Hoe hoog verheven deze opvatting van het gods-rijk was ook boven de voortreffelijkste en uitmuntendste uitspraken der profeten omtrent het messiasrijk, behoeft nauwelijks te worden aangetoond. Hun universalisme was hierin gelegen, dat de God, dien zij vereerden, niet uitsluitend de God was van Israël, en dat dus hun godsdienst niet tot hun volk bepaald bleef, maar zich ook uitstrekte tot de heidenwereld; jezus' universalisme was dit, dat de ware godsdienst de gansche menschheid omvat, alle volkeren der aarde, in welks midden het volk Israël een zeer bescheiden plaats bekleedde. Men ziet: het uitgangspunt is hier een geheel ander! de profeten gingen uit van den godsdienst van Israël, jezus gaat uit van den godsdienst der menschheid. De eersten kwamen ook in hunne schoonste en heerlijkste profetiën niet verder dan tot de voorstelling van een messiasrijk, een koninkrijk gesticht en geregeerd door den Messias; jezus kwam tot de conceptie der idee van het godsrijk, een rijk waarin God, waarin zijne eeuwige Vaderliefde het heerschend beginsel was.

Het verschil van beider standpunt kan m. i. niet duidelijker worden in 't licht gesteld, dan door eene vergelijking van den tegenwoordigen stand der astronomische wetenschap met het standpunt, dat vroeger

ocr page 152

144

op 't gebied der sterrenkunde door de mcnschlieid werd ingenomen. Het stelsel van ptolèmaeus, volgens hetwelk de aarde het middenpunt was des heelals en achter den hemel der vaste sterren het empyreum of de sfeer van de gewesten der gezaligden zich bevond, kan men vergelijken met het exclusief Joodsch-parti-cularistisch standpunt van het Mozaïsme, volgens hetwelk Israël het uitverkoren volk Gods was, en al do Gojim slechts eene zeer ondergeschikte plaats in het wereldplan van God bekleedden, ja als vijanden van Jahveh werden aangemerkt. Israël was het middenpunt en do heiden-volken waren in geestelijk en godsdienstig opzicht op oneindig verren afstand verwijderd van dat Godsvolk, van den door Jahveh zelf gegenereerden zoon, den miTquot;(3-

Toen men nu verder kwam in de astronomie, en do stereometrische onderzoekingen altijd meer omtrent den sterrenhemel aan het licht brachten, toen rees langzamerhand het vermoeden, dat onder die duizenden sterren wellicht eenige zich zouden bevinden, die in aard en samenstel enkele trekken van overeenkomst konden bezitten met de aarde; al bleef natuurlijk de aarde, de woonplaats van het uitverkoren geslacht der inenschen, de vorstelijke zetel van den koning der schepping, den heerscher en gebieder der wereld, — al bleef zij het middenpunt des heelals (1). Deze

1

Men denke aan de nog in 1582 door tycho de bkahb uitgedachte theorie, volgens welke de zon met alle planeten (in overeenstemming met het astronomisch standpunt der H. S.) zich beweegt om de stilstaande aarde.

ocr page 153

145

anthropocentrische wereldbeschouwing komt op religieus gebied overeen met de denkbeelden en de zienswijze der profeten. Het exclusivisme hebben zij in zoover overwonnen, als zij leeren, dat ook heidenen deel kunnen hebben aan het heil van den Messias; de theocratie strekt zich ook uit over de omliggende volken; de troon van den Messiaskoning zal ook hen tot een Messiasrijk vereenigen; — maar met dat al: de Jood-sche Messias is de heerscher in het wereldrijk, Israël is er het centrum van, en Jeruzalem, de heilige Sions-stad, is de hoofdstad van den kosmopolitischen godsstaat.

Het Copernicaansche zonnestelstel heeft als met een tooverslag al de dwaüngen en wanbegrippen, die het stelsel van ptolemaeus aankleefden, weggevaagd; en de stereometrie op haar huidig standpunt haalt glimlachend de schouders op over de naieve ongerijmdheden, die onze voorvaderen hielden voor wetenschappelijke resultaten. Niet enkele van die hemellichamen, zijn wellicht bijna zoo groot als de aarde — maar — dat vermeende middenpunt des heelals — het is een stip in de onmetelijke ruimte. Met een zevental (of liggen achter neptunus nog planeten?) zusterpla-neten, van welke de meeste veel grooter zijn, ééne zelfs honderd maal grooter is dan zij zelf (1) en een kleine driehonderd planetoïden wentelt zij zich om de zon, die één millioen driehonderd duizend maal grooter is dan zij zelve. En deze zon wentelt zich met hare

10

1

De oppervlakte van Jupiter is 114 maal grooter dan die der aarde, terwijl haar volume 1230 maal grooter is dan dat van onze planeet.

ocr page 154

146

planeten wederom om eene andere zon als middenpunt. Al de 'Sterren, die wij zien, zijn met uitzondering van de zeven planeten, niet als de aarde, ook slechts planeten — maar zonnen, centraalpunten van zonnestelsels, meerendeels veel grooter dan die colossale zon, welks halve middenlijn nog 307000 kilometers grooter is dan de geheele afstand der aarde tot de maan. Wat blijft er nu over van die koningin des heelals, gelijk men zich vroeger de aarde voorstelde? — „Saturnusquot; zoo zegt ïlammarion in zijn Astronomie populaire, „Saturnus is de laatste planeet, van waar men de aarde kan onderscheiden, voor het overige gedeelte van het heelal, voor de geheele oneindige ruimte is het alsof de aarde niet bestond.quot;

In dezelfde verhouding nu als de astronomische wereldbeschouwing van heden staat tot de geocentrische wereldbeschouwing van de middeleeuwen, in diezelfde verhouding staat de ethisch-religieuse wereldboschcu-wing van het absolute universalisme des Christendoms tot de zinnelijk-eudaemonistische wereldbeschouwing van het exclusicf-particularisme van den Israëlitischen godsdienst. En nu moge het zeker waar zijn, dat vele uitspraken der profeten betrekking hebben op de bekeering van het heidendom tot Jahveh, dat vele hunner profetiën universalistisch getint zijn —losgemaakt van den nationalen volksgodsdienst, in de wet van MozEs neergelegd, hebben zij zich niet. Van een aanbidding van God in geest en in waarheid, onafhankelijk van Israël ontstaan en geheel buiten Israël om zich handhavend, van eene vereering van den

ocr page 155

147

eenig waarachtigen God in hemel en op aarde geheel en al afgescheiden van Israels toekomst — konden de profeten zich geen flauw begrip vormen; evenmin als onze voorvaderen in de middeleeuwen, ook al vermoedden zij, dat sommige sterren hemellichamen zouden zijn, niet ongelijkvormig aan de gestalte der aarde, eenig hesef konden hebben van die duizelingwekkende grootte ook van de kleinste ster, welke wij met het bloote oog kunnen waarnemen, en van die verdwijnende nietigheid van dat stipje in 't heelal, van dat stofje aan de weegschaal, van dien zandkorrel aan het zeestrand, dien wij onze aarde noemen. Inderdaad, het verschil tusschen het godsrijk van jezus en het messiasrijk der Joden is niet minder groot dan het verschil tusschen onze kennis van het universum en die van den voortijd. De Hemelvader van jezus en de Jahveh van Israël zijn door eene niet minder diepe klove van elkaar gescheiden, dan het zonnestelsel van Copernicus , aangevuld met de resultaten der onderzoekingen en ontdekkingen van latere eeuwen en het stelsel van ptolemaeus.

Wij zagen dus, dat de fundamenteele grondgedachte, het cardinale grondbeginsel en het alle geloofswaarheden en godsdienstige voorstellingen in zich vereenigend centraalbegrip van jezus' leer aangaande het Koninkrijk Gods moet gesteld worden in het drievoudig geloof van het Vaderschap ten opzichte van God, van het kindschap Gods ten opzichte van den individueelen mensch, en van het burgerschap in het Godsrijk ten opzichte van de menschheid in haar geheel, welk geloof neerkomt op het in de geschiedenis

10*

ocr page 156

148

van het Christendom wegens het daaruit voortgevloeid dogmatisch getwist en geharrewar, niet gunstig aangeschreven geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest.

Wij zagen, dat dit geloof de christelijk religieuse vertolking is van, wat kant in zijn wijsgeerige taal noemde de postulaten der practische rede, en dat dit evangelisch geloof in God, ons zeiven en de menschen-wereld, correspondeert met, wat zijn systeem van het Transcendentaal Idealisme noemt de transcendentale ideën van de zuivere rede. De drie momenten der leer van het Godsrijk hebben dus tot hun object de theologische, de psychologische en de cosmologische idee, bij welke wij in de drie laatste paragrafen afzonderlijk willen stil staan.

ocr page 157

§ 15.

BEKNOPT OVERZICHT VAN DE NIEUW TESTAMENTISCHE UITSPRAKEN OMTRENT HET KONINKRIJK GODS.

Voordat wij overgaan tot de nadere bespreking van de drie ideën des Koninklijks, willen wij eerst volledigheidshalve een kort overzicht geven van de belangrijkste uitspraken omtrent de Pxaddx züv ovpxvüv der verschillende N. Testamentische geschriften, waarbij 't ons zal blijken, dat inderdaad het drievoudig geloof in God, ons zei ven en de medemenschen de grondgedachte en de hoofdinhoud is der leer aangaande het godsrijk.

Wij maakten boven de opmerking, dat de uitdrukking (ixïiltix -oü Beov in twee verschillende be-teekenissen in het N. T. voorkomt; dat zij soms beteekent het beginsel, waardoor het godsrijk tot stand moet komen, en soms het rijk zelf van God. In po-tentieelen en in reëelen zin wordt het afwisselend door de N. T.ische schrijvers gebezigd. Na de vaststelling en ontwikkeling van het grondbegrip der leer des Koninkrijks levert dit verschijnsel voor ons geene

ocr page 158

150

moeilijkheid ter verklaring op. Nu wij gezien hebben, dat die leer neerkomt op het geloof in God, ons zeiven en onze medemenschen, beschouwd uit het oogpunt der hoogere zuivere godsdienstige liefde, begrijpen wij, hoe jezus en de apostelen niet alleen van een burgerschap en van een ingaan in dat rijk konden spreken, maar tevens het Koninkrijk Gods per metonymiam konden noemen eene kracht, eene kiem, een beginsel. Dit laatste is nl. meestal in die uitspraken het geval, waarin de psychologische of anthropologische idee op den voorgrond staat, terwijl het in den aard der zaak ligt, dat overal, waar de kosmologische idee de over-heerschende is, de fixailsix meer als een werkelijk of althans als een wordend of zich ontwikkelend rijk wordt voorgesteld.

Alle plaatsen te behandelen, waarin over hot Koninkrijk Gods wordt gesproken of waaraan de idee des Koninkrijks ten grondslag ligt — kan niet in de bedoeling van het door ons in te stellen onderzoek liggen. Reeds wezen wij er op; hoe deze leer het leidend beginsel is en de bezielende gedachte van allo geschriften des N. T.'s met uitzondering wellicht van de Apocalypse. Doch ook daargelaten, dat dus het getal der exegetisch te interpreteeren plaatsen vcol te groot zou zijn, dan dat wij van don lezer zouden kunnen vergen ons op die, altijd toch eenigszins dorre paden van de tekstkritiek te volgen — zou het m. i. ook een tamelijk overtollig werk zijn om ons met eene breedvoerige bespreking op te houden van die plaatsen, die voor elk meer ontwikkeld theoloog van zelf gemakkelijk te verstaan zijn; terwijl wij

ocr page 159

151

andere, vooral vele sterk eschatologisch gekleurde plaatsen met stilzwijgen voorbijgaan, omdat zij te veel den stempel van de onechtheid dragen, dan dat wij ze behoorende tot de N. Tische leer van het godsrijk mede in rekening zouden mogen brengen.

Wij moeten vooral bij de beoordeeling der synoptische uitspraken met name der jeztts in den mond gelegde woorden met veel oordeel des onderscheids te werk gaan. Daar zijn van die woorden, en ook het Joannes-evangelie is daar lang niet vrij van, die aan jezus worden toegeschreven, terwijl zij toch onmogelijk van jezus afkomstig kunnen zijn. Men denke b. v. aan die Joodsch-messiaansche en chiliastische denkbeelden van Mtth. XXIV en gelijkluidende plaatsen. In zulke gevallen moeten wij het kaf van het koren weten te scheiden niet uit negatie-zucht — maar integendeel, uit piëteit voor den stichter van onzen godsdienst.

Met de meeste echte uitspraken van jezus is het aldus gesteld, dat zij door den verheven, rein-ethisch-religieusen geest, dien zij ademen, zich zelf als authentieke woorden doen kennen. Die woorden — en gelukkig, zij zijn legio in getal — vormen het eigenlijk cement, waaruit onze christelijk-religieuse ge-loofs-overtuiging moet worden opgebouwd. Maar wat de pseudo-christelijke schriftuurplaatsen aangaat, die mogen — neen! die moeten wij in de christelijke leer de plaats aanwijzen, welke haar toekomt d. w. z. die moeten als daarin misplaatst uit die leer worden geécarteerd. Bij sommige woorden moge het twijfelachtig zijn, of zij met jezus evangelie van het godsrijk in

ocr page 160

152

liarmonisclien samenhang staan — welnu, laat ons deze als adiaphora beschouwen, zoolang voor ons de zaak niet is uitgemaakt; andere echter, die kennelijk in flagranten strijd zijn met het grondbegrip en hoofdbeginsel dier leer, laat ons die juist in naam en op grond van den christelijken godsdienst met beslistheid verwerpen.

Het gaat met de in de vier evangeliën vereenigde echte en onechte woorden, of laat mij liever zeggen: „gedachtenquot; van jeztts (want niet op den vorm, het woord, maar op den inhoud, de gedachte, komt hot aan), even als — men veroorloove mij de vergelijking — met eene collectie schilderijen, die alle den naam van eenen beroemden meester dragen. Even beslist als een kenner bij den eersten oogopslag van tal van stukken weet te bepalen, dat zij echt zijn, — even zeker weet hij het ook in menig geval te constateeren, dat het stuk óf copie is, óf niet van den meester afkomstig kan zijn. Met onfeilbare gewisheid weet hij u te zeggen, dat het niet door den grooten eembeandt, of KUBENs, of EAFAËii of, wieu ge noemeuwilt, kan zijn geschilderd; en in een ander geval met dezelfde onfeilbaarheid, dat het door hem moet zijn vervaardigd.

Met uitspraken van de laatste soort kunnen we ons hier alleen bezig houden; en dan valt onze aandacht allereerst op drie gelijkenissen; we bedoelen die van het zaad in den akker (Mc. IV: 26w) van het mosterdzaad (Mc. IV : 31 en Mth. XETI : 31 en 32 en die van den zuurdeesem (Mth. XIII : 33.)

De mysteriën (t« (j-wz-rpix rfiq (iavilzixi Mth. XIII: 11) van hot godsrijk werden door jezüs hoofdzakelijk in

ocr page 161

153

gelijkenissen neergelegd, en onderscheidene proeven van dien bij hem gebruikelijken leertrant zijn ons in de evangeliën bewaard gebleven. 0ir«c ècr-w h /3aui-lüy.; „aldus is het gesteld met het Koninkrijk,quot; of: „alzoo geschiedt het ten opzichte van het godsrijkquot; — met dezen aanhef beginnen een aantal gelijkenissen, waaronder ook de drie genoemde. „Zoo is het gelegen met de zaak van het Koninkrijk Gods (Mc. IV : 26) alsof iemand zaad op de aarde werpt, en slaapt en opstaat nacht en dag, en het zaad uitspruit en lang wordt: hij weet zelf niet hoe. quot;Want van zelf brengt de aarde vrucht voort, eerst den halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.quot; Het zaad van het Koninkrijk Gods — dit is de zin der gelijkenis — het levensbeginsel van Gods Vaderliefde, de hieruit voortvloeiende kinderlijke liefde van den mensch tot God en de hiermede weder op 't nauwst (als de practijk met de theorie) vereenigde liefde tot alle medemenschen — dat beginsel door Gods heiligen geest in het menschen hart neergelegd ontkiemt, groeit aan, wordt rijp en draagt vrucht geheel spontaan, x-jzopxrsi v yn -/.xpnofopsl. Hoe ? de mensch weet het niet! Hij slaapt, staat op nacht en dag; en intusschcn werkt het in hem levend beginsel van het godsrijk. „God werktquot;, heet het elders, „in den mensch het willen en het volbrengen naar zijn welbehagen.quot; 't Is duidelijk dat in deze gelijkenis op de psychologische idee voornamelijk het licht valt. De spontane en automatische werking van het ethisch beginsel is de hoofdgedachte; wel is ook de theologische idee van het Koninkrijk uitgedrukt in die oneindige liefde van den Vader waarmee Hij Zijnen Geest, als

ocr page 162

154

een levendmakend godszaad in het hart van den mensch laat werken, maar toch — hoofdmoment van de gelijkenis is het psychologisch ontwikkelingsproces van het zedelijk-godsdienstig leven.

Anders is het met de tweede door ons genoemde gelijkenis, met die van het mosterdzaad; in deze toch ligt niet onduidelijk de kosmologische idee opgesloten. „Gelijk het mosterdzaad, het kleinste van alle zaadkorrels, opgewassen zijnde het grootste is van alle kruiden, en een boom wordt, in welks takken de vogelen des hemels nestelen — alzoo zal hot ook zijn met het Koninkrijk der hemelen; van een kleine, nauwelijks merkbare kiem ontwikkelt het zich tot een krachtigen en omvangrijken boom, die winden en stormen trotseert.quot; Viel in de vorige gelijkenis meer op de inwendige ontwikkeling van het beginsel des Koninkrijks in 't binnenst van den individueelen mensch de nadruk, in deze wordt blijkbaar gewezen op de uitwendige ontwikkeling er van onder de menschheid. De uitbreiding van het Christendom onder de heidensche volken is het, die in deze gelijkenis wordt voorspeld.

In de derde gelijkenis eindelijk, die van den zuur-deesem, vinden beide, de psychologische zoowel als de kosmologische idee, hare uitdrukking, daar zij op het godsdienstig leven en zijne continueele ontwikkeling zoowel van den individu, als van de menschheid kan worden toegepast. „Het hemelrijk is gelijk aan een zuurdeeg, dat eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat zij geheel verzuurd waren.quot; Juist en schoon is het, wat neander in zijn „Leben Jesuquot; over de verhouding van deze gelijkenis tot de vorige

ocr page 163

155

heeft gezegd: „De gelijkenis van het mosterdzaad stelde ons de (ixaihia. voor in zijne uitwendige gevolgen, deze in zijn inwendige drijfkracht; daar was het de exten-tieve, hier de intensieve ontwikkeling. In beide gelijkenissen is het hoofdmoment de kracht, waarmee het beginsel der /Bao-iXeia daar, waar het eenmaal is doorgedrongen, zich van binnen uit naar buiten ontwikkelt; in de ééne echter wordt gewezen op de overweldigende macht, waarmee de kerk van Christus zich onder de volken der aarde uitbreidt; in de andere op de kracht; waarmee het goddelijk levensbeginsel in het Christendom de menschlijke natuur in al hare deelen tot een orgaan vormt en haar met zich vereenzelvigt.quot;

Schemert reeds in de gelijkenis van het mosterdzaad een universeele strekking door — het volstrekte uninervalisme en de algeheele overwinning van het Joodsch-particularistisch standpunt treedt eerst aan 't licht in eene andere gelijkenis, nl. die van het groote avondmaal Lc. XIV : 15—24, die blijkbaar dezelfde gelijkenis is, als welke wij eenigszins omgewerkt en gewijzigd in Math: XXII: 2—14 terugvinden. Als de bruiloftsgasten weigeren te komen, en de een na den ander zieh Iaat verontschuldigen, zendt de heer des huizes zijnen dienstknecht naar de straten en wijken der stad, en als ook zoo de ledige plaatsen niet alle bezet worden — naar de heggen en stegen buiten de stad, om alle armen en kreupelen en blinden en verminkten als gasten tot den wel toebereiden disch in te brengen. In het verhaal bij mattheus is het een koning, die voor zijnen zoon een bruilofts-maal heeft aangericht, en die als men de door hem afgezonden

ocr page 164

156

dienstknechten doodt, de genoodigden door zijne krijgslieden laat ombrengen en nn van de uitgangen der Avegen allen laat bijeenbrengen, die hij vindt.

De Israëlieten, zij zijn door de dienstknechten van Jahveh, door godsgezanten en profeten genoodigd om deel te hebben aan de zegeningen van den waren godsdienst. Zij waren de oorspronkelijk genoodigde en tot het heil van den Christus geroepene bruiloftsgasten , maar — zij hadden allen hunne verontschuldiging en weigerden om te komen, ofj erger nog: zij vergrepen zich aan de door den koning afgezondene dienstknechten, (Israël was immers steeds een profe-tendoodend volk geweest!). Daarom, zegt jeztjs, zou het Koninkrijk van hen genomen worden en aan de heidenen gegeven worden (Math. XXII: 43), niemand van hen, die genoodigd waren, zal het avondmaal smaken (Lc. XIV : 24).

Duidelijk valt in deze gelijkenis de nadruk op de wereldhervorraende strekking van jezus' evangelie des Koninkrijks. De heilige geest van het godsrijk doorbreekt de beëngende en zijn werk belemmerde perken van het Judaïsme; het christendom, op Joodschen bodem geteeld, overschrijdt de grenzen van Palestina om zijnen rijken zegen te brengen aan de armen van geest en hen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid: want de kinderen Gods en de burgers van het Koninkrijk der hemelen zij worden gevonden onder alle natiën en tongen; het licht van het evangelie moet schijnen in de gansche wereld, want in elk menschenhart gloort de vonk van het goddelijk

ocr page 165

157

vuur, • in elke menschenziel brandt de vlam der goddelijke liefde, (vgl. Mtth. V 3, 6, 9, 10 en 14.)

quot;Wordt in dit vier of vijftal gelijkenissen gewezen op de ontwikkeling van het godsrijk — tot deze zelfde categorie behoort ook de gelijkenis van den „zaaierquot; en die van „het onkruid onder de tarwe.quot; (Mth XIH 18—23 en 24—30 cf. Lc. VIII II vs. en Mc. IV 13 vs.) In beide gelijkenissen wordt even als in die van het groote avondmaal aangetoond, met hoe veel onwil, on-versehilligheid en openlijk verzet de kinderen des Koninkrijks in de wereld hebben te strijden.

Opmerkelijk is hierbij de verklaring, welke lücas jezus laat afleggen, dat hij den vorm der parabel kiest, opdat (tv«) het volk (oi lomoi, die staan tegenover de apostelen) „ziende niet zou zien en hoorende niet zou verstaan.quot; (Lc. VIII: 10 cf. ook Mc. IV: 12.) Vele nieuwere uitleggers vatten dit op, alsof het werkelijk in jezus' bedoeling had gelegen, om de (ludvnpix vhi (iaauzizq voor het volk met den sluier van het geheimzinnige te bedekken. Zij meenen de geciteerde uitspraak letterlijk te moeten verstaan. Wat mij betreft, ik houd dit voor een den persoon van jezus geheel onwaardig vermoeden. Hij sprak en leerde met geen ander doel dan om zijn evangelie van het godsrijk te openbaren, te «TOxaXuTrrsiv d. i. het van zijn sluier, zijn omhulsel te ontdoen, te „enthüllen ;quot; maar een gebruik van woorden om zijne gedachten te verbergen, was hem vreemd. Moeten wij makcus en lücas gelooven, dat jezus werkelijk het ïvx (3}.émvzeg pi plémjtjiv z. X. heeft gezegd, dan kan het niet anders dan op den toon der bitterste satyre

ocr page 166

158

en het bijtendst sarcasme zijn uitgesproken. „Zoo is het gedrag van het wispelturige volkquot; — dit ongeveer moet dan de zin zijn —, „dat men zou meenen ik sprak niet om hen de goddelijke waarheid te doen verstaan, maar om hun die te verbergen, 't is alsof ik leer, opdat zij ziende niet zullen zien en hoorende niet zullen hooren.

Aannemelijker echter dan ook deze opvatting schijnt mij te zijn, dat wij eenvoudig de lezing bij matheus voor de juiste interpretatie van jezus' nitspraak houden. Daar lezen wij Mth. XIH : 10, dat jezus volgens zijne eigene verklaring tot de discipelen, in gelijkenissen tot de schare sprak, omdat het haar niet gegeven was de verborgenheden van het hemelrijk te verstaan. Ik spreek tot hen in gelijkenissen, heet het vs. 13, omdat zij ziende niet zien en hoorende niet hooren. Aan hen wordt de profetie van jesaja vervuld :• met het gehoor zult gij hooren en niet verstaan, met de oogen zult gij zien en niet bemerken; het hart van dit volk is verhard, kwalijk hooren zij met hunne ooren, en hunne oogen houden zij dicht, opdat zij nog niet eens (uYimze) met de oogen zien, en met de ooren hooren en met het hart verstaan en zich bekeeren en ik hen geneze.quot; Hij kiest dus den vorm der parabel, omdat deze de voor zijn gehoor meest bevattelijke was; redeneeringen over den godsdienst, zooals bv. in den brief aan de Romeinen worden aangetroffen, zou het volk niet hebben begrepen — maar eene gelijkenis, en vooral als zij zoo uit het leven was gegrepen gelijk die van jezus, kon het vatten; het kon die onthouden en voor zoover ze nog duister was, door eigen nadenken verder

ocr page 167

159

ontraadselen. De reden dus, waarom jezus in gelijkenissen sprak, was, omdat het volk hardhoorig en, gelijk men het noemt, zwaar op de hand was. Het was uiterst moeilijk om hun de geestelijke dingen aan 't verstand te brengen, gelijk dit voor eeuwen reeds JBSAJA had ondervonden. Vooral uit het slot van het profetisch citaat blijkt ons, hoe absurd de onderstelling is, dat het in jezus' bedoeling zou gelegen hebben om zich onverstaanbaar uit te drukken. Neen, hier vernemen wij het ware doel van heel zijne leer en prediking, nl. om hen de waarheid „te doen inzien, hen tot bekeering te brengen en te genezen.quot; Doch, gaan wij verder met de bespreking der gelijkenissen!

Men heeft wel beweerd, dat alle gelijkenissen au fond op de leer van het godsrijk betrekking hebben, en ik geloof, dat die bewering verre van onjuist mag heeten. Als men wat dieper over inhoud en strekking der gelijkenissen nadenkt, dan blijken zij alle zonder onderscheid tot nadere uiteenzetting en ontwikkeling, tot openbaring van het evangelie des Koninkrijks te dienen.

Bestond in de daareven behandelde gelijkenissen de grondgedachte in de ontwikkeling, intensieve zoowel als extensieve, van de ftxailsix — thans komt een tweetal ter sprake, waarin het Koninkrijk wordt voorgesteld als een kleinood, dat boven alle andere dingen voor den mensch begeerlijk is, als het ééne noodige, het hoogste goed, het summum en perfectissimum bonum.

Het zijn de gelijkenissen van den „schat in den akkerquot; (Mth. XHI : 44 of Lc. XIV: 33) en van den „koopman die schoone paarlen zochtquot; (Mth. XTTT.

ocr page 168

160

45—46.) Het godsrijk wordt in de eene gelijkenis vergeleken bij een schat, gevonden in eenen akker, in de andere bij eene parel van de hoogste waarde, waarnaar de mensch moet streven met terzijdestelling en opoffering van alles, wat hij heeft en bezit. Inderdaad, die vergelijking is ten volle van toepassing op het drievoudig geloof in God, ons zeiven en de menschen, beschenen door het licht des evangelies. Wie het gevonden heeft in zijn binnenst, die bezit het als een schat in den akker zijns harten of als eene kostelijke parel, die alles in waarde ver overtreft , wat hij ook zijn eigen moge noemen. Al zijn wij de gelukkigste, de hoogst geplaatste en meest bevoorrechte van alle menschenkinderen — zonder dat geloof is het leven als een dorre zandwoestijn, zonder dat geloof zijn wij rampzalig en diep ellendig, hoezeer ons ook naar 't uitwendige de gelukszon schijnt toe te lachen. Neem daarentegen den armsten en deernis-waardigsten daglooner, die onder kommer en gebrek zijn ellendig bestaan moet voortsleepen — als hij waarlijk het evangelie van het godsrijk in zijn hart draagt, als hij waarlijk gelooft in de eeuwige liefde van God, gelooft in zich zeiven in zijne hooge en heerlijke roeping als kind van den Hemelvader, gelooft in al zijne medemenschen als zijne broeders en zusters, zijne medeburgers in Gods rijk, zijne medeerfgenamen van de heerlijkheid in het Vaderhuis, van de kroone des levens, die hem en allen kinderen Gods is weggelegd in het hemelsch Jeruzalem, in de eeuwige woningen daarboven — als hij dat geloof in zijnen boezem, onder zijn bedelaarsgewaad, verborgen houdt, heeft hij dan

ocr page 169

1(51

niet den kostelijksten schat, het dierbaarst kleinood dat op aarde voor den mensch is te verwerven? is hij in zijne schamele kleeding met zijn afgeleefd lichaam niet veel gelukkiger dan die trotsche schoone, om wier aalmoes hij smeekt, maar die haar geloof in God, haar zelve en de menschheid onder haar goud en geld heeft hegraven? (*)

Veel verwantschap met deze beide heeft de gelijkenis van „den verloren penning;quot; ook hier vinden we datzelfde rusteloos zoeken en streven naar het bezit van het godsrijk. Het onderscheid echter tusschen deze en de vorige is, dat elders werd gezocht en gestreefd naar iets, wat men vroeger niet in zijn bezit heeft gehad, hier daarentegen naar iets dat men bezat, maar verloren heeft.

Eene andere gedachte ligt ten grondslag aan de beide gelijkenissen, die in ditzelfde hoofdstuk (Lc. XV) vermeld staan, en waarin ook van een „zoeken naar het verlorenequot; wordt gesproken, nl. die van „het verloren schaapquot; en „den verloren zoon.quot; Gewoonlijk worden ze alle drie beschouwd als beheerscht door dezelfde gedachte; in de eerstgenoemde echter schijnt op hot zoeken van den mensch naar het verloren geloof in het godsrijk de. nadruk te vallen; in de beide andere daarentegen is het tertium comparationis de eeuwige zondaarsliefde van den Vader, waarmede Hij het van hem afgedwaalde kind tot zich trekt en het vol genade en barmhartigheid opneemt in zijn Vaderhuis.

(♦) Lc. XII vs. 19—31 De gelijkenis van den rijken man en den amen lazaeüs.

11

ocr page 170

162

In deze gelijkenissen treedt duidelijk de theologische idee van het Koninkrijk, nl. Gods ontfermende Vaderliefde op den voorgrond. Vooral de laatste, de gelijkenis van den verloren zoon, is buitengewoon rijk aan religieuse gedachten en diep van godsdienstig gevoel, terwijl zij, wat trouwens van al de gelijkenissen zonder onderscheid geldt, uit een letterkundig oogpunt een meesterstuk is van oratorisch talent.

De gelijkenis van den verloren zoon behoort tot die bladzijden van het N. T., die te dieper en inhoudrijker voor ons worden, hoe meer wij ze lezen, hoe ernstiger wij ze overdenken. Aangrijpender tafreel dan dat van den terugkeer van den Zoon en zijne omhelzing door den Vader is nog nooit door eenig redenaar geschetst; het: „Vader ik heb gezondigdquot; en het „deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden!quot; is van zulk eene weerga-looze verhevenheid, zulk eenen onovertrefbaren eenvoud rijkdom en diepte, dat, al hadden we van den éénigen meester niets anders dan deze ééne gelijkenis, hij reeds daardoor zich eene onvergankelijke eerezuil zou hebben gesticht in elk echt godsdienstig gemoed.

Veel punten van overeenkomst met deze biedt verder de gelijkenis van den Farizeer en den Tollenaar aan. (Le. XVIII.) Het berouw en de boetvaardigheid van den verloren zoon correspondeert met het: „O God. wees mij zondaar genadig!quot;, terwijl de hooghartige farizeër de evenknie is van den oudsten broeder met zijne eigengerechtigheid en zijne wettische rechtvaardigheid.

't Is zeker meer dan enkel willekeur of toeval, dat onmiddellijk op deze gelijkenis het verhaal volgt .

ocr page 171

163

waarin .tbzus den kinderzin als de onmisbare voorwaarde voorstelt tot het ingaan in het Koninkrijk Gods. Als de discipelen de moeders willen weren, die met hunne kinderen tot jezits komen, klinkt zijne heilandstaal: „Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Voorwaar zeg ik u, wie het Koninkrijk Gods (sc. de leer, of het evangelie van) niet aanneemt als een kind, hij zal niet ingaan tot hetzelve.quot; (1) Èn de zoon uit de gelijkenis èn de tollenaar zijn voorbeelden van dien nederigen kinderzin, van dat blijmoedig geloofsvertrouwen op Gods barmhartige genade, die hier door jezus een eerst vereischte voor den burger in het godsrijk wordt genoemd. Men moet de blijde boodschap van Gods Vaderliefde aannemen — als een kind, want gevoelt men zich geen kind, hoe zal men dan in God den Vader kunnen zien! De broeder uit de gelijkenis en de farizeërs met hunnen vormendienst, hun werkheiligheid en die rechtvaardigheid, die geen vergeving noodig heeft, zij kunnen evenmin als de wet- en schriftgeleerden van die dagen tot het geloof in God als den hemelvader komen, omdat het hun ontbreekt aan die gezindheid, die dit geloof eerst mogelijk maakt.

Sommige gelijkenissen hebben de strekking om de heerschende voorstelling van het godsrijk, met name die van een aardsch, zinnelijk eudaemonistiseh, joodsch-nationaal messiasrijk te bestrijden, welks stichting men

11*

1

Vrgl. Math. XVIII „Waarlijk ik zeg u: indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderen — gij zult het Koninkrijk Gods niet binnengaan.quot;

ocr page 172

164

in de naaste toekomst verwachtte. Zoo lezen wé Lc. XIX: 11, dat jezus de gelijkenis van de talenten gaf, omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods binnenkort zou openbaar worden. In Math. XXV vinden we dezelfde gelijkenis in eenigzins gewijzigden vorm. De klemtoon valt hier op het wegnemen van de toevertrouwde talenten van den onwaardigen dienstknecht, van Israël, en het overgeven er van aan den getrouwe. Door de zinnelijke en egoïstische, met hunne staatkundige belangen vermengde en vereenzelvigde voorstellingen van het rijk van God toonen de Israëlieten het geestelijk erfdeel hunner vaderen, de verheven godsdienstige denkbeelden van het Profetisme. als een dood kapitaal renteloos te hebben laten liggen; zij hebben hunne talenten begraven, en daarom zullen zij van hen genomen worden en gegeven aan hen, die blijken beter te hebben gewoekerd en winste gedaan. Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten. De heidenen zullen voorgaan in het Koninkrijk der hemelen, want onder hen zijn er, van wie jezus de verklaring moet afleggen, dat zij een geloof hebben, gelijk het in Israël niet werd gevonden. „Wie heeft dien zal gegeven wordenquot; (Lc. XIX : 26), zij hebben het beginsel van het Godsrijk, en zij zullen overvloedig hebben; maar van Israël, dat niet heeft, „zal genomen worden ook wat het heeft.quot;

Reeds in de gelijkenis van het groote avondmaal vonden wij diezelfde gedachte uitgesproken, en zij keert terug in ettelijke andere. Hiertoe behoort in de eerste plaats de gelijkenis van den wijnberg, (Mth. XXI vs. 33—43) welks strekking ondubbelzinnig

ocr page 173

165

wordt uitgesproken in het slotwoord „Daarom zeg ik U: het Koninkrijk Gods zal van U genomen en aan de heidenen gegeven worden, die vruchten, (acvTVi des godsrijks d. i.) geestelijke vruchten voortbrengen.quot; Onder den zoon van den heer des huizes heeft Jezus blijkbaar den messias verstaan, die even als de dienstknechten, de profeten, door het volk Israël zou worden gedood. Het spreekt echter van zelf, dat zijne voorstelling van den persoon en de roeping van den Christus eene geheel andere was dan die zijner tijdgenooten; dat hij zich in zijne redeneering aan de Messiasverwachting aansloot, moet als eene accomodatie zijnerzijds aan den tijdgeest worden beschouwd. Of hij bij de schildering van het lot, dat den menschen-zoon in Israël zou ten deel vallen, aan zich zeiven heeft gedacht — kan wel niet met zekerheid worden beslist. Nemen wij echter in aanmerking, hoe men meermalen hem de Messiaswaardigheid toekende, en men hem zelfs eene enkele maal tot den Messiaskoning, den gezalfden Davidszoon, tot den nationalen theocratischen vorst wilde proclameeren, eene poging waarop reeds in de verzoekingsgeschiedenis wordt gedoeld — dan mag de onderstelling, dat jezus reeds lang te voren met profetische zekerheid zijn uiteinde voorzag, verre van onwaarschijnlijk worden genoemd.

De verwoesting van Israël bij zijne volharding in het kwade schijnt ook te worden geleerd in de gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom (Lc. XTTT: 6 vv.). Wel is God lankmoedig en zal het volk behouden, indien het mogelijk is — maar blijft de boom onvrucht-

ocr page 174

166

baar — waarom zal hij het land van zijne teelkracht berooven ivx zi vhv yfv ■/.arapyet! (Koczapyelv verkrachten).

Ook in de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden (Math. XXV : 1 vv.) ligt dezelfde grondgedachte, dat alleen zij, die de vlam des heiligen geestes brandende hebben gehouden, in het rijk des lichts kunnen ingaan; wie daarentegen dat licht in hun binnenst hebben laten verduisteren, zij kunnen den bruidegom niet tegemoet gaan, maar blijven buitengesloten van de vreugde in 't hemelrijk.

Wat betreft de hier gegeven voorstelling, dat het ingaan in het Koninkrijk der hemelen (vs. 1) samenvalt met het „komen van den Zoon des menschenquot; van Dan. VU — wij hebben daaraan niet de minste waarde te hechten, omdat het ontbreken dier laatste woorden in de codd. A. B. C. D. etc. het vermoeden wettigt, dat wij eene interpolatie voor ons hebben. Al ware het overigens, dat wij hier aan woorden van jbzus hadden te denken, dan zou hieruit nog niets meer blijken, dan dat hij ook hier, gelijk boven, zich accomodeerde aan de heerschende denkbeelden zijner tijdgenooten.

't Is hier de plaats om een woord te spreken over dat gedeelte van den eersten synopticus, waaruit we reeds in den loop onzer verhandeling menig woord hebben aangehaald, en dat niet minder dan de gelijkenissen ons bekend maakt met aard, inhoud en strekking van jezus' evangelie der zm ov-

pavamp;v, — ik bedoel de bergrede van Mth. V—VII.

Eeeds terstond uit den aanhef: „zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelenquot; blijkt, dat de leer van het godsrijk het

ocr page 175

167

werkelijk onderwerp dezer eenige bergrede uitmaakt. De zaligsprekingen, die gelijk zij beginnen, zoo ook eindigen met dezelfde profetische verklaring, dat het godsrijk het erfdeel is van jezus' waren volgeling, behelzen de hoofdkenmerken van den toekomstigen burger der fiaadda. (V 1—12). Dat evangelie des Koninkrijks, dat hij als een levend zaad in het hart zijner discipelen heeft neergelegd, het is als het zout der aarde (vs. 13), als hot licht der wereld (14), het is geene ontbinding maar eene vervulling van de wet en de profeten. Toch staat zijn zedelijk ideaal ((Jot«io(7uvn) in scherp contrast met de eigengerechtigheid der farizeën en schriftgeleerden.

Niet slechts wie een moord begaat, maar wie het geloof in hem zeiven (zie § 7) bij den naaste tracht te dooden door hem een wMpo; te noemen, is een doodslager ; niet hij, die zich schuldig maakt aan overspel, is slechts een echtbreker, maar wie eene vrouw aanziet om haar te begoeren, hij reeds heeft den echt gebroken. Het verkeerde beginsel moet met de wortels worden uitgerukt: ergert u uwe hand, hou ze af, of uw oog — ruk het uit; want ook zonder hand of oog kan men ingaan in het godsrijk — maar niet met de kiem des verderfs in het hart. Geen echtscheiding, geen eed, geen „oog om oog en tand om tand!quot; — Dit alles gold op het standpunt der wet; maar op dat van het evangelie heet het: „Heb uwe vijanden lief, zegen, die u vloeken, doe wel aan wie u haten, en bid voor wie u geweld aandoen en vervolgen, opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de Hemelen isquot;. Streeft naar de volmaakte zedelijkheid,

ocr page 176

168

waarin het goddelijk wezen bestaat van den Hemelvader.

Geen aalmoes die gezien wordt! maar— „de rechterhand mag niet weten wat de linker doet!quot; Geen bidden op de hoeken der straten maar een bidden (van het „OnzeVaderquot; zie boven) in de binnenkamer! Geen vasten voor de menschen! maar — voor den Vader die in 't verborgene ziet! Geen vergaderen van aardsche schatten, die mot en roest verderven! maar van de hemel-sehe schatten, waar de dieven niet doorgraven en stelen! Geen nitblusschen van het licht des Heiligen Geestes in U! Geen dienen van twee Heeren! Geen bezorgd zijn voor het leven, noch voor het lichaam! God zorgt voor de vogelen des hemels en de lelien des velds — dus ook voor n!

Uw vader weet wat gij behoeft! Zoekt dus voor alle dingen het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u worden toegeworpen.

Zoo worden ook in het volgende, het VIllt;lu hoofdstuk, aan deze Suxioa-jy/i r/ji [iovjihixg nog eenige trekken toegevoegd. Wij vinden daar die antithetische uitspraken, vol van het heiligst sarcasme, van den balk en den splinter, van het brood en den steen, van de visch en de slang, van de wijde poort en den breedenweg en van de enge poort en den nauwen weg, van de wolven in de schaapskleederen, van de doornen waarvan men druiven, van de distelen waarvan men vijgen meent te zullen oogsten; en ten slotte eindigt dan de bergrede met het woord, reeds daareven genoemd, dat hij, die niet naar zijne woorden alleen luistert,

I

ocr page 177

169

maar er ook naar leeft, gelijk is aan den man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. „En de slagregen is nedergevallenquot; zoo besluit jzzüs even indrukwekkend, als de geheele rede is geweest, met eene welsprekendheid, die nooit werd geëvenaard: „en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangevallen: en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.

Wie echter deze mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die is gelijk aan een dwazen man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd; en de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangeslagen: en het is gevallen, en zijn val was groot!quot;

Wij zien het, niet minder dan in de gelijkenissen, is in de bergrede de idee van het Koninkrijk Gods de leidende gedachte. De kinderlijke betrekking van den mensch tot den Hemelvader en de hieruit voortvloeiende liefde tot alle menschen, met wie wij ons door den Heiligen Geest verbonden gevoelen als kinderen van denzclfden Vader, als broeders en zusters van denzelfden heiland, als leden van hetzelfde godsgeslacht en burgers van hetzelfde hemelrijk — ziedaar de grondgedachte van alle woorden, die ons van jezus staan opgeteekend. Was zijn Koninkrijk Gods aan de ééne zijde de vervulling van de wet en de profeten, was het de verdere ontwikkeling en voltooijng van de ethische en zuiver religieuse elementen der messiaan-sche verwachtingen — aan den anderen kant stond het scherp contrasteerend tegenover den vormendienst en de letterknechterij, die het farizeïsme zijner dagen en

ocr page 178

170

de daarmeê samenhangende godsdienstige en nationale denkbeelden en verwachtingen kenmerkten. „Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is — maar Ik zeg Uquot; — met dit woord kenschetst jezus zijn standpunt tegenover het Judaïsme, maar toont hij tevens, hoe hij zich bewust is de profeet te zijn, die meer is dan alle profeten, daar hij het niet is voor Israël alleen — maar voor de geheele menschheid.

De bekeering en het geloof, door jezus do voorwaarde genoemd voor het burgerschap van het gods-rijk , zij worden beide in de bergrede nader ontwikkeld. Die bekeering is deze, dat het vroeger standpunt wordt verlaten, dat de gerechtigheid van het Farizeïsme en de wet wordt vervangen door de duxwaóv/i zrjg (3a-(jileiocs, die op geheel nieuwe beginselen is gegrond, z. a. b. v. dat van de vijandsliefde en de zelfverloochening (Mtth. XVI : 24 en parall.) Voor het ingaan in het Koninkrijk Gods en dus voor het voldoen aan die voorwaarden, voor het verwerven van het beginsel, van de levenskiem, die dat onsterflijk leven en dat eeuwig heil ten gevolge heeft — daarvoor moet de mensch alles over hebben. Al wordt het ascetisme door jezus veroordeeld, al trad hij tegenover het Nasireërschap van don Dooper op met de leer, dat het de wil des Vaders is om een dankbaar gebruik te maken van al zijne gaven — toch moet in geval, dat het bezit er van een beletsel is voor het ingaan in het hemelrijk, van alle aardsche levensgoederen volledig afstand worden gedaan. (Men denke aan den rijken jongeling en aan jezüs' woord

ocr page 179

.171

„hoe bezwaarlijk zal een rijke ingaan in het Koninkrijk Gods!quot;)

Ook het „geloofquot; wordt in Mth. V—VII nader omschreven als het geloof in Gods vergevende zondaarsliefde (c. VI ; 12 en 13). God, de milde Hemelvader, die zorgt voor de vogelen des hemels en de bloemen des velds, Hij ziet met teedere liefde neer op alle mensehenkinderen. Hij vergeeft ons onze schulden, als wij Hem bidden (VU : 7 en 8). Indien reeds wij, die boos zijn, weten onzen kinderen goede gaven te geven — hoeveel te meer zal de Vader zijnen Heiligen Geest (Lc. XI: 13) schenken dengenen, die Hem daarom bidden!

üe zondaarsliefde — zij is het, die telkens door Jezus op den voorgrond wordt geplaatst. Het gevoel van zonde is daarom een onmisbaar vereischte voor zijnen volgeling. Hij zelf kwam als een vriend van tollenaren en zondaren; allen die vermoeid en belast waren onder den drukkenden zondenlast — hij riep ze als de Christus consolator tot zich; voor de gezonden echter, voor de braven en deugdzamen, van welke hij met flijmende ironie verklaart, dat zij den medicijnmeester niet van noode hebben (*) - - voor hen is zijn evangelie niet bestemd; want dit is immers de blijde boodschap, die hij als een hemelbode, als een ayyeXo; SioO aan de menschheid verkondigt, dat de zondaar die zich bekeert, niet verloren is — maar door God begenadigd het eeuwige leven zal ontvangen.

Doch, wie gevoelt niet, dat wij zoo doorgaande

O Vgl. Job. IX : 39.

ocr page 180

172

nog een boekdeel zouden kannen vullen! Het voornaamste uit de synoptische evangeliën is echter door ons genoemd, en zoo willen we dan nog eene korte bespreking laten volgen van de overige N. T.sehe uitspraken omtrent de fiaatleia.

Reeds hebben we er op gewezen, dat deze uitspraken omtrent het godsrijk in vergelijking tot die der synoptici slechts gering in getal zijn. Wel is het geheele N. T. door de idee des Koninkrijks als geïnspireerd, maar de eigenlijke leer van jezus hierover vinden wij toch in de drie eerste evangeliën.

De lezer verwacht natuurlijk niet van mij, dat ik hier den geheelen leerstellingen-inhoud van het N. T., die men toch als gebaseerd op jezus' evangelie moet beschouwen, ga ontwikkelen. Het spreekt van zelf, dat, waar ik van het eerste een overzicht heb gegeven,, ik thans niet veel meer heb te doen dan eenige punten aan te stippen tot aanvulling en opheldering van het boven behandelde. Hiermede kan ik eerder volstaan, aangezien wij in den loop van ons onderzoek reeds menig woord èn uit het Johannes-evangelie, èn uit de brieven van paulus (men herinnere zich o. a. het over 2 Cor. XUI vs. 13 gezegde!) hebben moeten ter sprake brengen.

Wat nu het vierde evangelie betreft — opmerkelijk genoeg komt de formule (iauilda ioD 5zoü slechts éénmaal in het zelve voor, n.1. in c. IH, waar wij het nachtelijk gesprek van jezus met nicodemus lezen. Over c. XVIH : 36 hebben wij reeds gehandeld; het „mijn koninkrijk enzquot; is slechts terugslag op de vraag

ocr page 181

173

Van piLATus: „zijt Gij een koning?quot;, mag echter niet als een bewijs worden aangehaald, dat jeztjs zich voor koning in het rijk van God wilde gehouden hebben, noch zich daarvoor hield. Wij meenen genoeg hierover gezegd te hebben, om ons van de verdere weerlegging dezer traditioneele opvatting eener oude en in ons oog verouderde dogmatiek ontheven te achten.

Die ééne maal echter, dat hier over hetgodsrijk rechtstreeks gesproken wordt, geschiedt dit op zulk eene wijze, dat wij ons aan een onvergeeflijk verzuim zouden schuldig maken, als wij deze plaats met stilzwijgen voorbijgingen. „Voorwaar, voorwaar, zeg ik Uquot; aldus luidt het woord tot den hooggeplaatsten farizeër, „indien Gij niet («vmS-ev of èx zov trveufxatoc) door den geest van God als op nieuw geboren wordt. Gij zult het Koninkrijk Gods niet zien.quot; (1) De geestelijke wedergeboorte is het, die hier de voorwaarde wordt genoemd voor het burgerschap van hetgodsrijk!

Voor den opmerkzamen lezer keert die gedachte telkens in het logosevangelie terug. De zoon des Vaders, die uit God geboren is, hij keert weder tot den Vader; en wie in dien Zoon gelooft, wie zich in dat geloof ook een utó; of ttscu of réwov van God gevoelt — hij heeft het eeuwige leven. Wie in den Zoon gelooft — stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien. Het vleesch geworden

1

avoaamp;sv beteekent eigenlijk: „van bovenquot;, en ziet dus op den heiligen geest, die van boven als uit den hemel tot ons nederdaalt.

ocr page 182

174

woord — is het manna, het brood, dat uit den hemel is nedergedaald; dat woord — het is het bronwater des levens, hetwelk in eeuwigheid niet doet dorsten. Niemand heeft ooit God gezien, maar de Zoon, (patjlus zegt „de ehristus in mijquot;) die heeft Hem ons verklaard. Het is dezelfde gedachte als die van de bergrede: „Het godskind, dat rein van hart (Matth. V) is, ziet den Vader.quot;

Dit is het, wat hier wordt genoemd „het uit den geest geboren wordenquot;, dat wij het geloof in het godsrijk als een nieuw levensbeginsel in ons hart opnemen, dat wij ons zóó door het geloof in God als onzen Vader, in ons zeiven als Gods kind, in onze medemenschen als onze medeburgers in Gods rijk, zóó door dit geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest laten doordringen en bezielen, dat wij er door als worden hervormd en herboren.

De waterdoop, die volgens de synoptici wordt toegediend tot den naam des Vaders, Zoons en des Heiligen geestes — is volgens johannes het zuivere beeld van de geestelijke wedergeboorte. De cheistus, wiens komst de Dooper voorspelt, zal de menschen met den heiligen geest doopen. Met den geest van het godsrijk, den geest der heilige liefde, die in allen broeders en zusters erkent als kinderen van één en hetzelfde Vaderhuis — met dien geest wordt de volgeling van jezüs gedoopt en ingelijfd in de gemeenschap van alle ware leden des Koninkrijks.

De doop geschiedt Joh. I : 33 èv mevpau dyicp, de meü[j.x iyiov is even als het water het element, waarin of waarmede men gedoopt wordt. Dit „met

ocr page 183

175

den geestquot; is proleptisch gebezigd voor het si? zb ovopa. zov meófxazog in de synoptische evangelien, waarin de genadegifton van het kindschap G-ods niet gelijk hier actueel, maar slechts potentieel is gesymboliseerd.

Wat de doopformule betreft: wil men aan de drie verschillende lezingen van het év tw èvófxart, het sig zó 'óvofxae en den dativus instrumentalis, dien wij door „metquot; vertalen (naar analogie van het vSazi kan men hier en in Hand. 1: 6 het iv vóór mevuatn weg laten) wil men aan alle drie recht laten wedervaren, dan kan de laatste, de mediale vorm, alleen bij het derde lid, den Heiligen Geest, gebezigd worden, de tweede lezing, het sig zó ovopx, het best op den tweeden term worden toegepast, terwijl het eerste, het „in den naamquot;, alleen bij het eerste lid der formule kan worden gebruikt. De doopeling toch wordt „metquot; den Heiligen Geest, „in den naamquot; des Vaders, „tot den naam des Zoonsquot; of den „kindernaamquot; gedoopt.

Wegens de innerlijke verwantschap echter der drie transcendentale ideeën, op welke immers het ovzoi ot zpeig ëv shiv van toepassing was, kan men de lezing ei; zó ovo[j.x van Matth. XXVIII, de oude traditie reeds ten tijde van een Teetullianus in zwang, volgend als de voor het drievoudig voorwerp des christelijken geloofs meest geschikte uitdrukking bij de toediening van den doop ook in onze dagen bijbehouden.

Reeds uit die scherpe tegenstellingen, die wij bij Johannes aantreffen, van het licht en de duisternis, van de kinderen en de werken zoü yonóg, en de kinderen en de werken zov axózou, van het leven bij en in den Vader en het leven in en naar de wereld,

ocr page 184

176

van den duivel, den vader der leugenen, (VII : 45) en den Hemelvader, den God des lichts en der waarheid, van het vleesch en den geest (VI: 63, IH: 6) enz. blijkt, dat het een wezenlijk nieuw standpunt is, 't welk door den volgeling van jezus wordt ingenomen. Dit nieuwe standpunt wordt terstond op de eerste bladzijde van het logos-evangelie aangekondigd, waar het c. 1:12 en 13 heet: „Zoovelen christus hebben aangenomen... die zijn niet geboren uit bloed of uit den wil des vleesches of uit den wil des mans — maar die zijn „uit Godquot; geboren.quot;

Dat dit hooger leven, 't welk uit den aard der zaak eerst in een volgend bestaan volle realiteit kan verwerven, hoofdstrekking is van het Johannes-evan-gelie, blijkt o. a. uit. c. XX 31, waar de schrijver zegt, dat hij deze dingen vermeldt, opdat men gelooven zou in jezus als den Christus, den Zoon van God en in dit geloof als zijne naamdragers (kv tm ivbuLoczi xi/zov) het leven zou hebben?

Dat men dus als kinderen van God het leven moge ontvangen — dat is het, waarom men in jezus moet gelooven als Zoon van God. Geen dogmatisehen, maar een zuiver ethisch-religieusen inhoud heeft derhalve die belijdenis van den naam des Zoons. In het kennen van den eenig waarachtigen God en den door Hem gezonden Christus (vgl. hierbij het boven pag. 86 gezegde) ligt het „eeuwige levenquot;; want het kennen van God als den Vader, gelijk de Zoon Hem kende, is een kennen van zich zeiven, een zich weten als

kind van God.

Al zijne woorden en zijne werken — hij spreekt ze

ocr page 185

en liij doet ze, opdat de Vader in bem zal geopenbaard worden, opdat men bekennen zal, dat de Vader hem gezonden heeft; en dat is het ook, wat de de van den Vader uitgezonden Heilige Geest, zijnen discipelen leeren zal. Hoe dogmatisch, soms zelfs theosolisch-gnosticistisch ook onderscheidene plaatsen luiden mogen — telkens breekt door den bolster van het anthropotheisme der Johanneïsche christologie de echt psychologische kern van de idee des Koninkrijks heen, en treedt de rein menschelijke natuur van den persoon van jezus te voorschijn.

Dit blijkt vooral uit de laatste pericoop van caput X. Op het feest der tempelwijding komen do Joden, de stereotype benaming voor de schare, met welke jezus in aanhoudend twistgesprek is gewikkeld, tot hem met den dringenden eisch, dat hij hun rond en open zal te kennen geven, of hij de Christus is of niet ? Als jezus hierop antwoordt: „ik heb het ü reeds gezegd (nl. in welken zin gij den Christus-naam moet opvatten, niet in den Joodsch-messiaanschen, maar in den ethisch-religieusen zin van den hi; rcj Uxzpbz), maar gij kunt mij niet verstaan, omdat gij niet tot mijne schapen behoortquot;, en vervolgens wijst op die innige betrekking, waarin hij zich bewust is tot God te staan, eene betrekking van zulk eenen heiligen aard, van zulk eene liefdevolle gemeenschap, dat hij haar niet beter weet te kenschetsen dan door te zeggen, dat „de Zoon (men leze den derden naamval i. pl. van den eersten, vgl. pag. 86) en de Vader één zijnquot; — dan, zoo lezen we in vs. 31, dragen de Joden wederom (evenals in c. X : 59) steenen aan om hem te steenigen.

ocr page 186

178

Hierop nu geeft xezus deze merkwaardige eu voor het juiste iuzicht in zijn anthropologiseh Messias-bewustzijn zoo hoogst belangrijke verklaring ter zijner verantwoording : „Indien de Schrift, waarin gij gelooft, (volgens de uitspraak van Ps. 82 vs. 6: gij zijt goden, kinderen des Allerhoogsten) de menschen goden noemt — hoe beschuldigt gij mij van godslastering, omdat ik zog; ik ben een zoon van God? (its; toü Szov eiu.i.)quot;

Kan het duidelijker worden gezegd, in welken zin jezüs het geloof in den Zoon des Vaders wil verstaan hebben! Bestrijdt hij hier niet zelf het geloof in zijne god-menschelijke natuur! 't Is, alsof men hier en op tal van andere plaatsen telkens tusschen de regels door kan lezen, hoe de logos-evangelist te worstelen heeft met zijne elders gegeven voorstelling van jezus' persoon als den SrexvSpconos of als den demiurg, die met den God des hemels en der aarde eenswezend in den beginne als het woord van God mede de wereld heeft geschapen en al wat daarin is. 't Is, alsof het hem niet langer mogelijk is de verzenen tegen de prikkels te slaan. De wereldschepper van hoofdstuk I wordt een mensch van vleesch en bloed, van gelijke beweging als wij! De jezus , van wien de Joden vragen (VI: 41): „is deze niet de zoon jozef's, wiens vader en moeder wij kennen ?quot; — hoe oneindig ver hij ook moge verheven zijn in ethisch-religieus heroïsme boven de besten en voortreffelijksten van al zijne mede-menschen zoo van vroeger als later dagen — hij is en blijft de üws mSpumov, een 's menschen zoon! Ach, dat de tijd toch eens mocht aanbreken, dat men dit allerwege leerde inzien! Thans vindt men zelfs onder

ocr page 187

179

de modernen, die niet betrekking tot deze zaak tot allerlei onverklaarbare inconsequenties hun toevlucht nemen.

Hoog hoort men gewoonlijk opgeven van de diepzinnigheid dér orthodoxe kerkleer ; — ik beken eerlijk ze niet te kunnen ontdekken. Of was soms de geocentrische wereldbeschouwing een bewijs van den diepen blik onzer voorvaderen in de astronomie! Wie nu nog meent, dat de aarde het middenpunt is van het heelal om 't welk zon, maan en sterren zich wentelen — dien noemen wij toch zeker te recht een zeer bekrompen astronoom, om het eens wat euphemis-tisch uit te drukken! Maar hoe moeten wij dan toch denken over die theologen, die het theïsme of monotheïsme van den christelijken godsdienst door middel van allerlei dogmatisch geknutsel en allerlei theosofische kunstgrepen tot een tritheïsme of bithéisme vervormen!

Gaan wij thans over tot de bespreking van enkele Paulinische uitspraken omtrent het Koninkrijk Gods!

Ook in de brieven, de algemeen als echt erkende vier hoofdbrieven van paülus wordt slechts uiterst zelden (vijf of zes maal) over de fizvileix zoö 9-eoü gesproken, en toch zal door niemand kunnen worden ontkend, dat zij geheel door den geest van jezus' leer des Koninkrijks zijn doordrongen en bezield. Eeeds het slotwoord van den 2den Corinthierbrief, waarvan wij eene gedeeltelijke herhaling of wijziging ook aan het einde der overige brieven terug vinden, bewijst dit voldingend. Dat ook bij paulus , even als in het Johannes-evangelie, het geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest geen doctrinaire geloofsleer is, maar

12quot;

ocr page 188

180

slechts de vertolking van !t g-eloof in God als den barmliartigen over zondaars zich ontfermenden hemelvader, in ons zeiven als de geliefde kinderen van dien Vader, en in onze medemenschen als onze medeburgers in Gods rijk en inedeërfgenamen Zijner heerlijkheid — één blik in die geschriften zoo diep van zin, zoo rijk van inhoud kan er ons reeds van overtuigen .

Ook hier kunnen we dus na het boven reeds over de Paulinische leer gezegde volstaan met tot aanvulling en nadere toelichting van hot daar ontwikkelde eenige punten aan te stippen.

Gelijk bekend is, komt de geheele leer van paülus neder op dit hoofdbeginsel: do recht vaardige, 2 oixxio:, t/. TitsTiw; 'CnTizzL (R0111 1:17). De rechtvaardigheid uit het geloof, staande tegenover de diy-xioauvn è/. zou vbu.ov, is natuurlijk hetzelfde, wat jezus in de drie eerste evangelien noemt „de gerechtigheid van het Koninkrijk Godsquot;, waarnaar de mensch moet zoeken als naar het ééne noodige (Mth. VI: 33) „Gods toorn wordt van den hemel geopenbaard over de goddeloosheid en de a'^wtia der menschen, die de goddelijke waar» beid in hunne ongerechtigheid tegenhouden en verduisteren.quot; (Rom. L: 18, 21) Met het oog hierop zien wij de grondgedachte van de Paulinische leer omtrent het Koninkrijk Gods uitgedrukt in 1 Cor. VI: 9: „Oj/. OÏlJaTE, OTL aSlXOl Ssov [3x(Tl/.ci.XV OLI zXv/CovouviTsu-o-tv; wat positief uitgedrukt aldus luidt: „alleen de door God gerechtvaardigde en in dien zin „rechtvaardigequot; kan het burgerschap in het godsrijk deelachtig worden.quot; Ook uit de andere plaatsen, die over de

ocr page 189

181

(ixiilzix handelen, zien wij, dat dit defundamenteele gedachte is van pad-lus' leer dienaangaande. Eom. XIV; 17 : „het Koninkrijk (rods is niet spijs on drank (ligt niet in uitwendige wetsbetrachting) maar is Sixtxioaüvn y.xi eip-fivo y.xi /zox èv nvsiiuxri aytw. 1 Cor. II: 20: „het is niet gelegen in woorden, maar in krachtquot; (d. i. in eene geloofskracht, die zich openbaart in eenen zedelijken wandel, vs. 16); vergelijk ook Gal. V vs. 21.

Die rechtvaardigheid, als de eene en alles bevattende voorwaarde voor het beërven des Koninkrijks, komt ook volgens paulüs , even als bij de synoptici en Johannes, alleen tot stand door „bekeeringquot; en „wedergeboorte.quot; Nog sterker, zoo mogelijk, dan bij den laatste, treedt bij hem dit begrip op den voorgrond. Hij, de saxtlus van vroeger, die tegen den naam des heeren je/uw vele wederpartijdige dingen had meenen te moeten doen, maar wien, als hij dreiging en moord blazende tegen de volgelingen van jezus op den weg naar Damascus liet hooger licht des evangelies was opgegaan — hij wist het bij eigen ervaring, dat men alleen door bekeering en wedergeboorte het ware leven des geestes kon deelachtig worden. De identiteit toch van den paulus der Handelingen en den schrijver der vier eerste brieven (enkele interpolaties uitgezonderd) acht ik op uit- en inwendige gronden genoegzaam gewaarborgd.

Dat nieuwe leven bestaat in „een afsterven van de zonde en de begeerlijkheden des vleeschesquot;, in een afleggen van den ouden mensch en een daarmede corres-pondeerend opgewekt worden en opstaan met Christus , eeu waudüleu ia nieuwigheid des geestes en een

ocr page 190

182

aandoen van den nieuwen mensch. Onder de wet was de mensch dood, door cheistus is hij levend gemaakt; door de wet was de zonde en door de zonde de dood, maar door Christus is de dood verslonden tot overwinning. Door de wet des geestes en des levens zijn wij vrij gemaakt van de wet der zonde en des doods.quot; De doop nn als het in wijdingsteeken tot het burgerschap in het rijk van God (zie boven § 5) is het zinnebeeld van dit nieuwe leven. „Zoovelen wij in christus gedoopt zijn (Rom. VI; 3), zijn wij in zijnen dood gedoopt (1), opdat gelijk hij is opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders (gedacht is klaarblijkelijk aan de opwekking tot het eeuwige leven, niet aan de lichamelijke opstanding uit het graf, dat hier geen zin zou hebben), alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden, (vs. 4) Indien wij nu met cheistus gestorven zijn, zoo gelooven wij ook, dat wij met hem leven zullen.quot;

Ziedaar slechts een enkel voorbeeld, hoe paulus spreekt over de wedergeboorte! Men leze er zijne brieven op na, en men zal spoedig bemerken, dat die gedachte het leidend beginsel is van alles, wat hij leerde en schreef.

Wat wij echter reeds in een vorig hoofdstuk hebben opgemerkt, dat nl. dit leven des geestes en bij gevolg ook het eigenlijk ingaan in het Koninkrijk Gods eerst in een volgend leven tot volle realiteit kan komen-— dat zien wij bij paulus telkens op het krachtigst bevestigd. (2) Daarom spreekt hij ook in de boven

1

Cf. de verleden jaar in liet Theol. Tijdschr. oves deze uitdrukking geplaatste exegetische verklaring van prof. hoekstra.

2

Zie vooral I Cor. XV : 50.

ocr page 191

18:?

geciteerde plaatsen van een „beërven een y-l-npovoailv vhi fta.viküa.q zcv dsov.quot; Ook volgens hem kunnen wij reeds hier de levenskiem in ons opnemen en reeds hier de werking van het hoogere leven gevoelen. Cheistus kan in onze harten wonen door het geloof, en wij kunnen in de liefde geworteld en gegrond zijn, — maar de openbaring des levens geschiedt eerst hiernamaals, de kroon des levens valt ons eerst ten deel, als dit sterflijke onsterflijkheid en dit verderflijke onverderflijk-heid zal aangedaan hebben. Van een ingaan in het godsrijk kan dus ook volgens hem eerst in den eigenlijken zin des woords spraak zijn, wanneer wij met een hemelsch lichaam omkleed (1 Cor. XV) erfgenamen worden van de heerlijkheid der kinderen Gods.

Zijn er nu volgens dePaulinische leer ook menschen, die van eeuwigheid door God van dit heil zijn buitengesloten? Naar mijne vaste overtuiging: neen! Moge het voor het tijdelijke ook gewettigd zijn om te onderscheiden tusschen de „vaten ter eerequot; en de „vaten ter oneerequot; —nergens heeft paulus geleerd, dat sommige menschen de vatbaarheid zouden missen om de goddelijke genade deelachtig te kunnen worden. Moge de geest op verschillende wijze werken, mogen er ook maar weinige uitverkorenen zijn, die het in dit leven zoover brengen, dat zij met hem kunnen roemen „niet meer ik, maar cheistus leeft in mijquot; — hij zou geen heidenapostel kunnen geweest zijn, als hij niet het profetisch geloof het zijne had kunnen noemen „dat de geest uitgestort was op alle vleesch.quot; Neen, ook de heiden, die de wet niet heeft, leert hij, is zich zeiven eene wet; omdat hij de wet Gods in zijn hart en geweten

ocr page 192

184

met zich omdraagt. Paulus is universalist van den echten stempel. Niet bij dezen of genen bevoorrechte, maar bij allen „getuigt de geest van God met den geest des menschen, dat hij een kind van God isquot; God is geen aannemer des persoons (Gal. II: 6); juist omdat men door de werken der wet niet gerechtvaardigd kan worden, daarom is God een God der heidenen evenzeer als der Joden; de dy.po(iva-ix is hem Tcerjizow geworden; — mij dunkt, dergelijke uitspraken, die in, zijne brieven maar voor het grijpen liggen, bewijzen genoeg, dat het aan hem ontleende dogma der verkiezing en verwerping met zijn grondbeginsel geheel en al in strijd is.

Wat voorts de tegenwoordig meer aan de orde gestelde vraag betreft, of in de Paulinische brieven het geloof aan het contra-natureele wonder wordt geleerd, met name, of paulus aan de lichamelijke opstanding van jezüs hoeft geloofd — ik houd mij overtuigd , dat het historisch-kritisch onderzoek aan 't licht zal brengen, dat men zich ten onrechte voor het geloof aan de vleeschlijke opstanding noch van jezus noch van eenig christen op hem beroept. „Vleesch en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërvenquot; (1 Cor. XV: 50) zegt hij met nadruk, en met geen mogelijkheid kan men volgens het tekstverband daaraan eenen anderen zin hechten, dan dezen, dat ons zinnelijk organisme, onze gmu-z r?,; dzpy.osizi. bestemd is om weder te keeren tot de stof, waarvan zij genomen is. Ik kan in al de plaatsen, waar paulus van jezus' opstanding spreekt, niets anders vinden dan een geloof aan de opstanding tot hot eeuwige leven. Volgens hem

ocr page 193

185

is Jezus opgestaan tot het leven bij don Vader, waar hij volgens de sehoone profetie (ook door jezus op den menschenzoon toegepast) is zittende ter rechterhand der kracht Gods. In eenen anderen zin kan zijn woord „indien cheistus niet is opgewekt uit de dooden, zoo is ijdel onze prediking en ijdel is ook ons geloof' — onmogelijk worden opgevat, dan in dezen; „als Jezus de kroon des levens niet heeft verworven — dan is onze prediking en ons geloof ijdel — want: wie zal dan zalig worden!quot;'

Het beroep op de hem ten deel gevallene christo-phanie is m. i. juist een bewijs voor de waarheid onzer stelling, aangezien immers deze verschijning, hoe men haar ook overigens wenscht te verklaren, altijd posterieur is aan de hemelvaart. Blijkt niet ten duidelijkste uit zijne identifleeering van dit (psychologisch te verklaren) feit met de Christus-verschijning aan de twaalven, dat hij de grofzinnelijke opvatting van een weder levend worden van een lijk (de dood was immers geconstateerd, en moest dat ook zijn) niet met den of de redacteurs der synoptische wonderverhalen heeft gedeeld!

Wat de kleinere brieven betreft zoowel van Pau-linischen, als van pseudo-paulinischen oorsprong — hun aard en strekking brengen het mede, dat zij minder leerstellig dan paraenetisch zijn. Nieuwe gezichtspunten voor de leer van het evangelie van liet Koninkrijk openen zij dan ook over 't algemeen weinig. Hun hoofdinhoud bestaat in woorden van stichting, opwekt king, troost, vermaning enz., terwijl veel op persoonlijke en plaatselijke toestanden slaat. Daardoor komt het dan

ocr page 194

186

ook, dat behalve op een paar plaatsen in de pastorale brieven en ééns in dien aan de Colossenzen (IV, 11) de uitdrukking fixtrdeix zoü ■d-soü verder in de brieven niet gevonden wordt. (*) Toch herhalen wij het reeds boven gezegde, dat zij alle door den geest van het godsrijk zijn bezield. Telkens wordt de zegenbede, zij 't ook eenigszins gewijzigd, aan het begin of het einde uitgesproken, en telkens blijkt het, dat voor den schrijver het geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest neerkomt op het evangelie van het Koninkrijk Gods, dat God aller menschen Vader is, en alle menschen door den Heiligen geest tot zijne kinderen worden herboren.

Vooral geldt dit van de drie eerstvolgende brieven, die aan de Efeziers, aan de Philippensen en de Colossenzen, en wel van den eersten het meest, Vgl. Ef. I : 9—14; II ; 4-7, 17—24; IV : 5 en 6; VI: 13—20; Ph. 111:12, 14 en 20; Col. 111:1—3.

Wat nu de verdere N. Tische brieven aangaat, zoowel de brief aan de Hebreen, als die van jacobus als ook de beide laatste brieven van johannes en die van judas, als eindelijk ook de Apocalypse kunnen voor de ontwikkeling der leer van het Koninkrijk

(♦) Behalve hier woidt nog ééns in Col. 1: 13 van de toj vto'j k'/aiiyii koto'j gesproken» Houdt men dit woord voor echt, dan is bedoeld, niet het rijk, dat hij gesticht heeft, (de stichter is de Heilige Geest) veel minder het rijk, waarin hij koning zou zijn, maar — het rijk, dat hij verkondigd heeft, waarvan hij het evangelie heeft gepredikt. De uitdrukking moet even zoo worden opgevat als de y/spt; ypmcü (zie boven!) De gnostische voorstelling echter, welke de volgende verzen bevatten, maakt het meer dan waarschijnlijk, dat die uitdrukking niet van paulüs afkomstig is.

ocr page 195

187

Gods niet in aanmerking komen. Hebr. I vs. 8 dient slechts om de anthropotheïstische christologie van den schrijver door een citaat uit het O. T. en een vrij willekeurige interpretatie van Ps. 45:7 te steunen. Onder „het onbeweeglijk Koninkrijkquot; wordt wel de door jezus geleerde [ixeihix zoïi Bsoj verstaan; dit woord echter staat tamelijk op zich zelf, en verder wordt dan ook in den brief niet over het godsrijk gesproken Evenmin geschiedt dit in de vier brieven , daareven door ons genoemd, terwijl ook de eschatologie van den schrijver der Openbaring hier met stilzwijgen door ons mag worden voorbijgegaan. Spreekt hij ook al enkele malen over een Koninkrijk (1:9, XI: 15, XVII: 12, 17 en 18) 't is duidelijk, dat hier iets geheel anders wordt bedoeld, dan wat wij ons hebben voor te stellen onder de fixvilcix tsD Bsoü.

Ons resten nog de brieven van petrus , de eerste brief van johannes en de Handelingen der Apostelen.

In deze vier geschriften treedt de leer van het godsrijk weer geheel op den voorgrond. Het geloof in Gods Vaderliefde, in de eigen kinderlijke betrekking tot God en in den heiligen liefdeband des geestes, die alle menschen vereenigt tot „een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volkquot; (1 Petr. II : 9) treedt hier weer als het centraalbegrip des evangelies met kracht op den voorgrond. Ook het geloof aan de wedergeboorte, gelijk dit in het Johannes-evangelie en de brieven van paultjs wordt gevonden, is eene van de hoofdgedachten in de brieven van petrus en •tohannes (1 Petr. I : 23, II: 2, 2 Petr. 1:4), al

ocr page 196

188

moet worden toegestemd, dat er ook veel in voorkomt,, wat niet met de leer der fixuilsix in verband staat, zooals de eschatologische verwachtingen van den eerste (2 Petr. Ill: 12 waar gesproken wordt van de ■Kscpouaix tri; toü Srsov r,ij.Éca.c) en het eveneens met dien dag des Heeren in verband staand geloof aan den antichrist. (1 Joh. 11 : 18, VI : 3) De verwantschap van dezen laatsten brief met het logos-evangelie is reeds bij oene vluchtige kennismaking duidelijk merkbaar. Ook hier echter geldt dezelfde waarschuwing als daar, dat wij niet al te veel gewicht moeten hechten aan het soms wat sterk dogmatisch getint karakter van den brief. Niet de leer, maar het zede-lijk-godsdienstig leven is bij den schrijver de hoofdzaak. De ethisch-religieuse kern treedt overal van uit het christologisch dogma te voorschijn. Het evangelisch geloof in God, ons zeiven en den naaste is ook hier de eigenlijke kern en het wezen waarop het triniteits-geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest neerkomt. Bij eene uitspraak toch als b.v. 1 Joh. TI: 23 „een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet,quot; hebben wij m. i. niet te denken aan eene erkenning van de godmenschelijke natuur van den Christus, maar aan zijn Zoonschap in ethischen en psychologischen zin (vgl. § 7); en wie zou dan niet toestemmen, dat dit woord eene diep religieuse waarheid bevat! (zie bl. 188 en 89). Het is dezelfde waarheid, als die wordt uitgesproken in het reeds door ons behandelde 7de vs. van c. V. Het geloof in den Zoon van God is niet een uitwendig, maar een inwendig geloof, wat duidelijk aan 't licht

ocr page 197

189

treedt in vs. 10, waar het heet: „wie in tien Zoon gelooft heeft de getuigenis in zich zeiven.quot;

Het geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest of het geloof in de ^xaileix -sD d-zoü is in dezen inderdaad schoonen en diepzinnigen brief, even als bij de synoptici, den vierden evangelist en bij paulus, op 't innigst verbonden niet alleen, gelijk we reeds zagen, met de 7raXiyy£V£(7to£, maar tevens met die tweede geboorte in het eeuwige leven, met het geloof aan de onsterflijkheid der menschelijke ziel. „Wie den Zoon heeft, die heeft het leven (V : 12); wie in den naam van den Zoon Gods gelooft, d. i. wie zich in dit geloof bewust is van zijn kindschap Gods — die heeft het eeuwige leven (vs. 13). Gelijk de Zoon uit God geboren is, zoo is een iegelijk die in hem (d. i. in zich zeiven) gelooft, uit God geboren (IV: 6, V: 18 e. a. pil.)

Dat goddelijk levensbeginsel in ons is de liefde; (IV:7) maar niet dit is het wezen der liefde, dat wij God lief gehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft (vs. 10). God is de liefde, wie in de liefde blijft, die blijft in Hem (vs. 16). En hierin is die liefde geopenbaard, dat wij door Zijnen zoon (nl. in het leven-wekkend en leven-vernieuwend geloof des evangelies) het leven zouden hebben (vs. 9).

Ten slotte nog een woord over de Handelingen der Apostelen! We hadden dit ook terstond na de behandeling der synoptische evangeliën kunnen laten volgen, 't Was echter wel zoo eigenaardig om ons eerst te bepalen bij de zooveel belangrijker uitspraken der Johanneïsche en Paulinische leer. In vergelijking

ocr page 198

190

tot de overige N. T. geschriften, als wij de drie eerste uitzonderen, komt de uitdrukking fixsiXüx toD jsci hier betrekkelijk vaak voor; te weten acht maal. C. I: 3en 6, VIH: 12, XIV: 22, XIX: 8, XX : 25, XXVin : 23 en 31. Het Koninkrijk Gods is voor den schrijver der Acta de benaming, waardoor de geheele inhoud van jezus' leer en prediking wordt uitgedrukt (1: 3). Dat Koninkrijk Gods wordt, evenals bij de synoptici, genoemd een e-jxyyéhov {XX: 2i—25. vni: 12) Behalve echter de beteekenis van een geloof, oen beginsel, eene kracht, eene geestelijke levenskiem in ons, heeft het tevens, gelijk elders, de beteekenis van een werkelijk bestaand rijk, zij het dan ook van een toekomstig karakter, waarvan wij lid moeten worden en dat wij moeten ingaan (XIV: 22). De doop geldt ook in de Handl. als het zinnebeeldig in-wijdingsteeken, waardoor men potentieel een burger van het godsrijk wordt (XIX: 5 en 8, VIH : 12 e. a.) Dat Koninkrijk Gods is het, wat de apostelen verkondigen; de formule (Sxuihix toü 3-soD is de benaming, waarmede ook zij in navolging van den meester hunnen geestesarbeid aanduiden. Het evangelie van het Koninkrijk Gods, dat hij had gepredikt, dat zij van hem hadden ontvangen, dat is het, wat zij brengen aan Joden en aan heidenen (XXVIH : 23 en 31 en de andere aangehaalde plaatsen).

Ook eenige proeven van de wijze, waarop zij hot evangelie predikten, worden ons medegedeeld, onder welke, als bovenal door den geest van het godsrijk bezield, buiten twijfel eene eerste plaats inneemt die heerlijke rede van paolus op den Areopagus te Athene,

ocr page 199

191

die wel bewijst, over welke schitterende redenaarstalenten deze grootste der apostelen had te beschikken. Vooral aan XVII: 26—28 ligt de gedachte der (ixTileiac ten grondslag: „Uit éénen bloede heeft Hij alle volken der menschen op den aardbodem doen wonen... opdat zij God zouden zoeken of zij Hem tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet verre is van een iegelijk onzer, want in Hem leven wij, bewegen we ons, en zijn wij, gelijk ook sommige van uwe dichters (aeatus en cleanthes) gezegd hebben: „Wij zijn van zijn geslacht.quot;

Gaan wij thans over tot de nadere behandeling van de drie ideën des Koninkrijks!

ocr page 200

' § 16.

HET GELOOF ONS ZELVEN ALS KIND VAN GOD (DE YIO0E2IA., HET GELOOF IN DEN ZOON) —DE PSYCHOLOGISCHE OF ANTHROPOLOGISCHE IDEE VAN HET GODSRIJK

Wij beginnen met de psychologische idee en niet met de theologische, omdat ons reeds vroeger is gebleken, dat het geloof in ons zeiven de grondslag is, waarop het geloof in God berust.

Alleerst vragen de hierboven in parenthesis geplaatste woorden onze aandacht. Zij geven den lezer te verstaan, dat wij als den wezenlijken inhoud van, wat het N. T. noemt het geloof in den Zoon van God, den vièg tov szoü beschouwen het geloof in ons zeiven als kind van God, of om een Paulinisch woord te bezigen: het geloof in de i/ioSeeix, in onze aanneming tot kinderen. Daarover thans het nadere!

Waarom bestaat het geloof in jezus als zoon van God voor mij in het geloof, dat ik een kind van God ben ? Eenvoudig hierom, wijl het laatste onmiddelxjk in het eerste ligt opgesloten. Als ik geloof in jezüs als wió; ■zoïi dan wil dat zeggen, dat ik dit ge

loof van jezus, als eene ware, eene echt-menschlijke, eene zuiver religieuse geloofsovertuiging beschouw; en

ocr page 201

193

op dien grond zijn geloof tot het mijne maak. In jezüs te gelooven is zijn geloofsleven als voor mij gezaghebbend, of (neemt men aanstoot aan het woord „gezagquot;) als voor mij vorm- en richtinggevend te erkennen. Als ik dus in hem geloof, geef ik hiermee te verstaan, dat ik zijn geloof wensch over te nemen; en als ik dus in hem geloof als Gods Zoon, dan wil dit zeggen, dat ik dat geloof van hem als kind of zoon (jraï;, tékvov, vise) van God als de juiste en ware vertolking beschouw der godsdienstige idealen van den ethisch-religieusen mensch, dat bijgevolg ieder mensch, en dus ook ik, krachtens mijn natuur en aanleg in diezelfde kinderlijke betrekking tot het Hoogste wezen sta, als hij stond. Wel te verstaan: potentieel en essentieel is er tusschen jezüs en alle overige menschen geen het minste verschil, het echt-menschlijke juist is in den menschenzoon der synoptici gerealiseerd; gradueel echter is tot nog toe geen menschenkind hem nabij gekomen in zedelijk heröisme en zielenadel, en zal volgens menschelijke berekening ook wel niemand ooit hem evenaren. (1)

Hoe breed men echter ook dien afstand uitmete, die hem van alle geschiedkundige personen, ook de grootste profeten, godsmannen, godsdienst-hervormers en -stichters niet uitgezonderd, scheidt, — zoodra men iets goddelijks in hem meent te ontdekken, iets goddelijks n.1. in eenen zin als het aan geen ander

13

1

Als de schrijver van de brochure „Modern of christen?quot; beweert, dat men tot deze onderstelling geen recht heeft, dan vergeet hij de wereldhistorische beteekenis van den persoon van

jbzus cheistus.

ocr page 202

194

luensch wordt toegekend, noch ooit kan worden toegeschreven, zoodra men hem goddelijke attributen bijlegt — houdt het gelooven in hem volgens de zoo even verklaarde beteekenis voor ons op. Was jezus Gods zoon in contranatureelen zin, dan is het, wie gevoelt het niet ? eene ongerijmdheid, om het geloof van jezus tot het onze te willen maken. Dan is hij voor ons niet een voorbeeld, hoe wij in God moeten gelooven, maar dan wordt hij zelf object van ons geloof en dientengevolge van onze godsdienstige vereering.

En Avat nu het geloof in jezus als den Zoon van God iloyjiv, betreft, de beteekenis hiervan

volgt gereedelijk uit de eerste. Jezus kan ,.de Zoonquot; genoemd worden om twee verschillende redenen. Primo: omdat hij de eerste was, die dit geloof in zijn hart omdroeg en deze zijne religieuse ontdekking aan zijne medemensehen openbaarde; secundo; omdat hij dat ideaal, waarnaar wij allen met eenen paulus moeten jagen of wij 't ook grijpen mochten, dat wij moeten trachten te verwezenlijken — omdat hij dit in die mate verwezenlijkt heeft, dat hij voor ons, voor allen, die na hem geboren werden en ooit zullen geboren worden, een vlekkeloos exempel is ter navolging. Om de eerstgenoemde reden heet hij de eerstgeborene (TrpwTÓrox.o?) van vele broederen, (Kom. Vin 29 Col. T, 15) om de laatste reden heet hij vooral in het Logos-evangelie do ééngeborene Gods (povoywrii).

Zooals reeds werd opgemerkt, is dit geloof in ons zeiven als kind van God slechts de keerzijde van 't geloof in God als onzen Vader. Wie den Vadernaam met een oprecht geloovig gemoed uitspreekt.

ocr page 203

195

draagt den kindernaam in zijn hart. Het is eene miskenning van den geest des evangelies, wanneer men meent, dat in het zieh toeeigenen van den kindernaam een religiense hoogmoed zon verscholen liggen. Neen, in de verste verte niet! Wat in de Paulinische brieven op tal van plaatsen zoo ondubbelzinnig wordt geleerd, dat wij nl. door het geloof in christüs den geest der aanneming tot kinderen hebben ontvangen, en wat volgens de uitspraken van jezus in de evangeliën altijd weer op den voorgrond treedt, o. a. nog in de bergrede (Mtth. V : 9 en 45) en vooral in het Johannes-evangelie (vgl; ook den Isten brief van Johannes en den brief aan de Eomeinen), dat de kinderlijke liefde tot God, in tegenstelling tot de vrees op het standpunt der Mozaïsche wet, het levensbeginsel is van den waren volgeling van jezus — dat is ook het geloof, 't welk weerklank vindt in elk vroom en godsdienstig gemoed. In zich zeiven te gelooven als kind van God, wel verre dat het hooghartigheid zou zijn of van geestelijke arrogantie zou getuigen, kan en zal zelfs altijd, wanneer het maar van zuiver gehalte is, gepaard gaan met nederigheid en ootmoed des harten, eigenschappen, waarop immers juist het bijvoegelijk naamwoord van „kinderlijkquot; inzonderheid toepasselijk is.

Alle godsdienstig geloof is in de allereerste plaats geloof in ons zeiven. Te weinig wordt dit in den regel begrepen. Veelal bepaalt men er zich toe, om God als het eenig object van het religieus geloof voor te stellen. Dit is echter eene zeer eenzijdige opvatting. Voorwerp van de godsdienstige vereering is uitsluitend het

13*

ocr page 204

196

Hoogste Wezen; en wordt nevens God aan een ander wezen goddelijke hulde toegebracht, dan is dat idolatrie in den ruimeren zin des woords, want ook de Christus is slechts het „beeldquot; des onzienlijken Gods. Voorwerp echter van het geloof is de psychologische idee evenzeer als de theologische. Ook de idee der men-schelijke ziel is niet minder metaphysisch naar haar innigst wezen, dan die van God. Beide ontsnappen aan de empirische waarneming niet alleen; maar beider bestaan is door geen bewijs, van welken aard ook, gelijk in § 6 werd aangetoond, te constateeren. Werd door kant de onhoudbaarheid van alle mogelijke bewijzen voor het bestaan van God aangetoond, door de critische ontleding en de ontdekking van den dialec-tischen schijn (de z. g. transcendentale subreptie) in het cosmologisch, ontologisch en theologisch argument — aan dienzelfden wijsgeer hebben we 't ook te danken, dat wij tot dieper inzicht zijn gekomen omtrent het wezen van de menschelijke ziel. Ook daarvan, hij heeft het op de klaarste en onweerlegbaarste wijze in 't licht gesteld, ook daarvan kan men het bestaan door geen mathematische bewijzen en geen syllogistische redeneeringen demonstreeren. Ook hare existentie is geen weten in den zin van exacte wetenschap, maar even als die van God „Glaubens-sachequot;. Niet, alsof daarom onze overtuiging omtrent de werkelijkheid van haar bestaan minder zeker ware dan die, welke wij óf door zinnelijke waarneming, óf door logische sluitredenen kunnen sanctioneeren — maar die overtuiging is van anderen aard, dan de wetenschappelijke. Hare gewisheid, hare objectieve

ocr page 205

197

geldigheid, hare onbedriegelijke zekerheid is even groot en in geen enkel opzicht een minder betrouwbare, dan die der wetenschap; maar zij is alleen andersoortig , zij wordt op andere wijze verkregen en draagt een geheel ander karakter (zie boven bl. 112 en 113).

't Is inderdaad van het hoogste belang, dat we ons eene heldere voorstelling vormen aangaande den aard en het wezen der drie geloofsvoorwerpen, door kant transcendentale ideën genoemd, en ons duidelijk rekenschap leeren geven omtrent de wijze, waarop bij ons de overtuiging van de realiteit harer objecten gevestigd wordt. Want zien wij den ouderlingen samenhang der religieuse ideën in, en begrijpen wij, in welk een nauw en innig verband zij tot elkander staan, dan begrijpen we tevens, dat wij op dezelfde wijze, waarop wc ons bewust worden van de niet maar imaginaire, noch voorbijgaande, maar de werkelijke , de blijvende existentie van onze ziel — wij op diezelfde wijze ons ook kunnen bewust worden omtrent het bestaan van God; dat op soortgelijke wijze, waarop het geloof in ons zeiven in ons ontstaat en zich vestigt — ook het geloof in God in ons tot stand komt. Dan begrijpen we, dat wij met hetzelfde vaste geloofsvertrouwen, waarmede wij ge-looven in de waarheid van ons eigen innerlijk wezen (gelijk HOEKSTiiA zich uitdrukt), met datzelfde onwrikbaar vertrouwen kunnen golooven in het bestaan van dat Wezen, dat bron en oorsprong is van ons bestaan. Dan begrijpen wij eindelijk, dat even hecht, even onwankelbaar als bij ons de grondslag is van ons geloof in ons zeiven, even vast, even onbewegelijk en

ocr page 206

198

ouomstootclijk het fundament is voor ons geloof in God.

Omtrent het object van de theologische idee, n.1. God, hebben wij eenen even betrouwbaren grond en kunnen wij eene even stellige geloofsverzekérdheid erlangen, als omtrent het voorwerp van de psychologische idee, het eigen wezen, onze onsterflijke ziel.

„Alle godsdienstig geloof is geloof in de waarheid van ons eigen innerlijk wezenquot;, luidt, we herhalen het nogmaals, de grondstelling vanhoekstea's „Bronnen en Grondslagenquot;, en inderdaad: dit is geheel in overeenstemming met de leer des evangelies omtrent het Koninkrijk Gods.

„Zoek God niet boven zon en maan en morgen-sterre,

„Noch vraag uw priesters uit — de Godheid is niet verre:

„Keer mensch, keer tot ü zeiven in! Want inü ligt Gods beeld!quot; — Zelden zeker is eene diepere waarheid in eenen schooneren vorm uitgedrukt, dan in dit verheven dichterwoord van den jongen abraham pes amokie van deb hoeven ; en niet onwaarschijnlijk zal hij hier gedacht hebben aan Lc. XVII: 21, aan het woord van jezus : „het Koninkrijk Gods is binnen in U.quot; Dit toch is m. i. de eenig juiste vertaling van het è-jri; vumv. Vatten sommigen dit woord op als beteekende het „onder Uquot;, alsof het dus eene aanwijzing op den persoon van jezus behelsde, in wien het godsrijk als verpersoonlijkt zou zijn voorgesteld — deze interpretatie wordt èn door het tekstverband èn door de grammaticale beteekenis der woorden gelogenstraft. Op de vraag der Farizeërs: „Wanneer

ocr page 207

199

komt het Koninkrijk?quot; antwoordt jezus: „Het Koninkrijk Gods komt niet, zooals gij het u voorstelt, op uitwendig zichtbare wijze (jj-zzd Kxpavip-fazui), zoodat men zou kunnen zeggen: „Zie, hier is het, of daar is het!quot; Want zie, het godsrijk is èvtèsü^wv.quot; Deze woorden moeten dus kennelijk eene tegenstelling behelzen tegen de zinnelijk-messiaansche verwachtingen der Joden; „het is niet iets uitwendigs, maar het is iets inwendigsquot; wil jezus zeggen „het is binnen in u!quot; Mij dunkt, dit is de eenig rationeele zin, dien wij aan genoemde woorden kunnen hechten, en die ook volgens de grammatica en het gewone spraakgebruik de eenig juiste kan wezen. „Niet als den plaatsver-vangenden koning en stichter van dit rijkquot; zooals lange beweert, wil jezus zichzelven hier aan de Fari-zeërs voorstellen. Dit strijdt al te zeer tegen den geest van jezus, daar hij immers, gelijk wij boven gezien hebben, tegen elke messiasvereering van zijn persoon zeer nadrukkelijk en gedurig zich verzette; bovendien is dit al te veel in tegenspraak met zijne opvatting van het godsrijk. Trouwens, hoe raadselachtig zou hij zich dan hebben uitgedrukt! Zijn antwoord zou dan voor de Farizeërs, die hem toch zeker onmogelijk ais zoodanig konden erkennen, op zijn minst iets geheel onverstaanbaars en onbegrijpelijks zijn geweest!

Doch nemen we na dit exegetisch oponthoud den draad weder op! Het geloof in ons zeiven is de conditio sine qua non voor ons godsdienstig geloof. Dit geloof is een geloof in onzen zuiver ethischen aanleg en onze zedelijk-religieuse bestemming. Ook voor de hoogero opvatting der zedelijkheid wordt geloof ver-

ocr page 208

200

eischt. Is zedelijkheid niets meer dan een gehoorzamen aan de burgerlijke zedewet, dan spreekt het van zelf dat zij geheel onafhankelijk van den godsdienst kan optreden. Verstaat men er echter onder het handelen naar de wet van ons eigen binnenst, de ongeschreven wet, die zich doet gelden in het heiligdom van ons hart, dan Is het duidelijk, dat zich hierin de werking van eenen hoogeren factor openbaart.

Op het standpunt van de anomie, waarop de zedewet geheel door de zinnelijkheid en de zelfzucht wordt onderdrukt, het standpunt, dat volgens de vulgaire beschouwing door het „heidendomquot; wordt ingenomen, is van godsdienst, of laat mij liever het betere woord „religiequot; gebruiken, in den grond der zaak geen spoor te vinden. „Macht zijnquot; is iets anders dan „God zijnquot; zeide wijlen professor baüwenhoff in zijn laatste standaardwerk. De heiden, natuurlijk niet een abistotelbs, een plato, soceates, cakija-muni of andere hoogstaande mannen van zedelijken aanleg, maar de door zinnelijke natuurdriften en lagere hartstochten beheerschte wilde, de inboorling van de binnenlanden van Afrika of Australië — hij heeft wel vrees en schrik voor die macht, die zich aan hem openbaart in de voor zijn zinnelijk welzijn soms zoo noodlottige werking der natuur, maar zijn godencultus , hier en daar gepaard gaande met cannibalisme en anthropofagisme, heeft natuurlijk niets, in den letterlijken zin niets gemeen met eens christens aanbidding van God in geest en in waarheid.

Op het standpunt van de heteronomie, dat wij in de ontwikkelingsgeschiedenis van den gods-

ocr page 209

201

dienst zien vertegenwoordigd door het volk van Israël en dat als de overgangstrap, hettnsschenstadiummoet worden aangemerkt van den laagsten tot den hoogsten godsdienstvorm, doet men het goede en laat men het kwade gedrongen door motieven, half zinnelijk en half zedelijk van aard.

Eene zedewet heeft men, maar men erkent die nog niet als de wet van den eigen geest. Wel beschouwt men haar als de wet van God, maar niet, omdat men haar in het eigen binnenst als zoodanig heeft erkend, maar omdat zij op gezag van priesters of van als „heiligquot; vereerde oorkonden als de goddelijke wet wordt geïnterpreteerd. Het is dus eene wet, die door een ander wordt gegeven (heteronomie), die van buiten af tot den mensch komt. Wel kan men het op dezen trap van geestelijke ontwikkeling brengen tot een braaf, onberispelijk leven, tot eene duxoia-j-vr, yj iy. vópsu, maar het booger zedelijk, en daardoor echt religieus leven blijft hier eene verborgenheid.

Voor de rechtvaardigheid uit de wet (of de werken der wet) is de wet der rechtvaardigheid d. 1. de ware zedewet een ondoorgrondelijk mysterie en nooit te ontraadselen geheim, gelijk paulus zoo treffend juist heeft gezegd. Van geloof in ons zeiven enbijge-gevolg ook van godsdienstig geloof op zuiver ethisch-religieusen grondslag — hier dus ook geen spraak.

Op het standpunt echter van de autonomie, dat wij zeker met het volste recht belichaamd zien in den godsdienst van jezus, in het christendom, is de reine zedewet, die zich uitspreekt in de stem van ons geweten, de eenige bepalingsgrond van onzen

ocr page 210

202

wil. Niet van buiten komt de wet, niet door een ander, eenen s-reps;, wordt ons eenig gebod voorgeschreven, maar uit de zuivere bron van reine plichtsbetrachting vloeit hier de zedelijke daad voort, en in 't binnenst heiligdom van ons zeiven vinden we de wet. „Het Koninkrijk Gods is binnen in ü.quot;

Zeer ten onrechte en geheel in strijd met de waarheid — ik herhaal het nogmaals! - - heeft men kant's autonomie van den wil gelaakt als irreligieus en onchristelijk, en op deze theorie den naam toegepast van „morale indépendante.quot;

Zij is juist het tegendeel van eene zedeleer, onafhankelijk van Gods wil: in het zedelijke erkent zij het goddelijke. Niet uit ons zei ven, maar van God hebben wij dat rusteloos streven naar verwezenlijking van het zedelijk ideaal, dat zoeken naar het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid — maar onafhankelijk is zij van menschel ij ke inzettingen en verordeningen, onafhankelijk van priesterheerschappij of schriftgezag. Men ziet terstond, dat de hartader van deze autonomie gelegen is in „geloof in ons zei venquot;, geloof in de waarheid, in de onbedriegelijkheid van de aspiratiën en inspraken van ons gemoed. Dus ook voor de ware zedelijkheid is geloof een onmisbaar vereischte, geloof n.1. in ons zedelijk ideaal, of in de taal van het christendom: geloof in het godsrijk, in dat Koninklijk Gods, dat binnen in ons is.

Dit geloof in ons zeiven is een geloof in den Zoon van God in den zin, waarin patjlus gelooft in den Christus, die in hem is. De uitspraak Gal. 11:20 is kenschetsend voor de Paulinische christologie. Zijn

ocr page 211

203

leven èv axpxi, in den aardschon tabernakel zijns lichaams, is een leven èv niazzi zov viov toü Beov, en dat geloofsleven, dat leven, bezield en geheiligd door het geloof in den Zoon van God, is een leven van den Christus in hem. Chkistus,. door het geloof in zijn hart wonende, is zijn levensbeginsel geworden: „niet meer ik, maar Christus leeft in mijquot;. Is het niet een merkwaardig bewijs, hoe reeds van de allervroegste tijden af in de christelijke bewustheid het dogmatisch geloof in jezus als den bovenzinnelijken Zoon van God, als een wezen van eene goddelijke natuur en als toegerust met metaphysische eigenschappen — geheel op den achtergrond werd gedrongen door hot geloof, dat hij Gods Zoon was in zedelijken zin, door het zuiver ethisch, religieus geloof in het Cbristusideaal, naar welks vervulling te streven levensroeping is van iederen mensch!

Zoo kunnen we ons dus ook op paulus, den grootsten leerling van jbzüs , beroepen tot staving van onze bewering, dat de kern van het geloof in den Zoon van God voor ons gelegen is in het geloof in ons zeiven als kind van God. Paulus, wiens historisch bestaan en wiens auteurschap der vier eerste brieven op enkele interpolaties na — ook door de hypothese-pieeson-naber omtrent den Paulus Episcopus niet het minst wordt in gevaar gebracht, maar volgens de jongste onderzoekingen van de eerste en kundigste theologen als boven alle bedenking verheven wordt geacht, paulus vertolkt het geloof in den Christus als Gods Zoon voor ons aldus, dat het wordt een ge-luoven in het kindschap Gods aangaande ons zeiven.

ocr page 212

204

En die vertolking is de eenige, waarmede de religieuse mensch en de godvruchtige christen vrede kan hebben. Wat hebben wij toch ter wereld aan eene leerstellige belijdenis van den Christus, als deze niet het geloof in ons zeiven in zich sluit? Er is geen godsdienstig geloof, hoe ook genaamd, mogelijk zonder het laatste. Zelfs de erkenning van Gods bestaan is voor ons uit een godsdienstig oogpunt waardeloos, als wij daarmede niet het geloof in ons zeiven verbinden. Wie niet in zich zeiven gelooft, in de oneindige waarde van den mensch in hem, in de hooge roeping en heilige levensbestemming, die hij heeft te vervullen, hij is erger dan de grootste atheïst en de meest drieste godloochenaar. Het bestaan van God kan men ontkennen, op zekere hoogte althans, zonder daarbij alle streven in 't zedelijke op te geven; men kan het ontkennen, dit is ten minste mogelijk, met het verstand alleen, zonder dat het hart en de grond van het gemoed daardoor wordt bedorven — maar ongeloof aangaande zichzelven, zijnen zedelijken aanleg en zijne roeping voor het gods-rijk, verlamt alle veerkracht en energie, ondermijnt de zedelijkheid en doodt alle religieus idealisme. Wee den ongelukkige, die 't geloof in zich zeiven heeft verloren! Maar wee niet minder den broedermoordenaar, die dit geloof in den naaste tracht te verstikken en uit te dooven! Zou dit ook zijn de zonde tegen den Heiligen Geest, waarvan de Johanneïsche Christus zegt, dat zij nooit vergeven zal worden?

Het geloof in zich zeiven is het onvervreemdbaar recht van iederen sterveling. Het is het heerlijkst en heiligst goed, dat de mensch bezit. Dat Koninkrijk

ocr page 213

gos

Gods, dat in ons is en in ons werkt, noemt jezus een parel van onschatbare waarde, een kostelijke scliat, verborgen in een akker; en op tal van plaatsen wordt bet door hem in 't licht gesteld, hoe de mensch met overwinning van alle belemmerende omstandigheden, met verbreking zelfs van alle ook nog zoo innige en geliefde betrekkingen, met geringschatting en tevens opoffering van alles, wat hem lief en dierbaar is — daarnaar moet streven, standvastig, onvermoeid, zonder ophouden, gedurende zijn gansche leven, eenig en alleen daarnaar als het ééne noodige. Van de mate, waarmee dat geloof in ons werkt, hangt ook de mate af en de intensiteit van ons geheele godsdienstig geloof. Hoe sterker en krachtiger, hoe rijker en in-houdvoller ons geloof is in ons zeiven — des te werkzamer en invloedrijker, des te heerlijker en heiliger zal ook ons geloofsleven zijn. En zoo worden we hier van zelf gebracht tot de bespreking van nog een laatste kenmerk van het geloof in ons zeiven, dat bestaat in het onsterflijkheidsgeloof.

Het geloof aan de onsterflijkheid der menschelijke ziel noemt kant een postulaat van de „practische rede,quot; of, gelijk we deze uitdrukking zouden kunnen vertalen, van 's menschen „zedelijken aanleg.quot; Die zedewet derhalve, die in ons haren categorischen im-perativus doet vernemen, die met onverbiddelijke gestrengheid gebiedt, beveelt en dwingt om hare voorschriften en eischen te gehoorzamen, de zedewet met haar onverzettelijk „du solistquot;, haar „heilig moetenquot; — zij postuleert d. w. z. met onafwijsbare consequentie en bindende noodzakelijkheid impliceert en involveert

ocr page 214

206

zij een toekomstig voortbestaan van den mensch. Zijne redeneering is natuurlijk gebouwd op deze grondstelling , dat de eischen en voorschriften van de zedewet, dat de op zedelijk gebied na te streven doeleinden en de te verwezenlijken ethische levensidealen eene strekking hebben, die verder reikt dan het aardsclie leven, en derhalve voor hare vervulling een levensduur noodzakelijk maken, welke de grenspalen van het leven op onze planeet overschrijdt. Of wij dus aan zijn postulaat onze adhaesie zullen schenken, hangt voor ons af van de vraag: of de zedelijkheid alleen maar dient tot regeling en handhaving van het maatschappelijk leven, m. a. ww. of zij alleen maar is „die Polizei im Staatquot; — dan wel of zij hoogere levensgoederen najaagt, of zij recht heeft te spreken van een streven naar karaktervorming, zelfverwezenlijking of het burgerschap in het godsrijk? Om ons anders uit te drukken: onze erkenning van de juistheid der postulaats-theorie hangt af van de vraag: of er alleen maar eene burgerlijke, eene wettelijke of legale zedelijkheid is — dan wel of wij mogen gelooven in eene hoogere, eene godsdienstige, eene zuiver ethisch-religieuse zedelijkheid, in eene moraliteit, die kant stelt tegenover de legaliteit? Natuurlijk is ook dit weer eene zaak, die ter laatster instantie niet door de ervaring, of door redeneering kan worden uitgemaakt, maar die als eene zaak des geloofs door 's menschen gemoed en den inwendigen rechter moet worden beslist. Taak van het wetenschappelijk onderzoek kan hier alleen zijn, om na te gaan, of dit geloof aan een

ocr page 215

207

volgend leven ook in strijd is 't zij met de empirische waarneming, 't zij met de wetten van het denken of met de resultaten, die men door de waarneming van de zinnenwereld of door logische sluitredenen heeft verkregen. Een dergelijk contrast echter met de natuurwetenschap en de logica is in het onsterflijk-heidsgeloof in 't minst niet te ontdekken — integendeel (1) èn de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschengeslacht, èn de natuurkunde, èn de sterrenkunde , èn de practische wijsbegeerte zij bevatten alle ondubbelzinnige aanduidingen en vingerwijzingen op een bestaan van den mensch, in vergelijking waarmee het kortstondig aanzijn hier op aarde slechts een zeer geringe en beperkte afmeting vertoont, 't Spreekt van zelf: een logisch bewijs, met wiskunstige zekerheid aan te toonen, uit zuivere syllogismen te herleiden, kan voor de onsterflijkheid der ziel niet worden gegeven. We hebben hierover reeds het noodige in § 6 gezegd. Nóch bewijzen, nóch als een wel geconstateerd feit observeeren laat zich ons toekomstig voortbestaan , zoodat een ieder het voor waar moet houden, wien gezonde zinnen en normale hersenen ten dienste staan; — maar het is toch eene persoonlijke convictie,die zoo vast, zoo muurvast in het gemoed van den vrome, den diep religieusen mensch kan zijn gevestigd, dat

1

Men vergelijke hierbij het zeer lezenswaardig, populair geschreven werkje van prof schmick ; „1st der Tod ein Ende oder nicht?quot; en mijne bespreking van dit geschrift in „Geloof en Vrijheidquot; 23ste jaarg. 3de afl. 1889.

ocr page 216

908

zij van eene geloofsovertuiging bij hem wordt tot een levensbeginsel. (*)

Het schijnt mij toe, dat wij met het vraagstuk der onsterflijkheid het hart raken van den waren godsdienst. Dat het uit een godsdienstig, ja reeds uit een maatschappelijk oogpunt niet onverschillig is, hoe wij hierover denken, is duidelijk, en slechts door onnadenkendheid kan het tegendeel worden beweerd. Het geheele leven van den mensch, zijn gansche wereld en levensbeschouwing is eene totaal andere bij de meening, dat de aardsche bestaansvorm de eenige is, waarin de ziel des menschen kan verschijnen en leven, dan bij het geloof, dat ook het langste mensehenleven slechts een onbeduidend kort tijdsbestek is tegenover de eeuwigheid, die voor hem is weggelegd. Inderdaad, het leven heeft eene geheel andere beteekenis voor den consequenten materialist, die een onderscheid tusschen stof en geest niet erkent, maar beweert, dat het levenseinde van het lichamelijk organisme ook het einde is van het leven der ziel, en dat met het sterfproces ook de geest, de ziel, de eigenlijke mensch, de goddelijke levensvonk in hem wordt uitgeblazen, gelijk men eene vlam uitblaast — en voor den godsdienstigen mensch, die dat ontbindingsproces van zijn lichaam voor een gelijksoortig physisch verschijnsel en natuurproces houdt, als hetgeen bij zijne geboorte plaats greep, die het beschouwt als eene ontbinding, eene verlossing, eene ontkluistering

(♦) „Sie ist keine erklarbare, sondern eine erlebbare Wirk-lichkeif' hoorden we lipsius boven zeggen.

ocr page 217

209

uit de enge en benauwde cel, waarin zijne ziel was gekerkerd. De blik op de wereld is bij den eerste een volslagen andere dan bij den laatste. (1)

Voor den eerste valt het zwaartepunt van al zijn doen en denken, zijn willen en wenscben, zijn leven en streven in dit ondermaanscbe. Idealen, die verder reiken, kent hij niet. Is bij gekomen aan den grenspaal van dit aardsche, dan is het voor hem uit, uit voor goed, voor altijd, voor eeuwig! Voor den laatste daarentegen valt het zwaartepunt van zijn leven, van al zijne gedachten, woorden en daden, van heel zijnen handel en wandel, van al zijn lijden, strijden en bidden niet in dit, maar in het volgend leven. Al het eindige en tijdelijke beschouwt hij, gelijk hoekstea ergens zoo treifend juist het godsdienstig geloof beschrijft, in het licht van het oneindige en eeuwige. „Het leven is mij Christus — het sterven mij gewinquot; getuigt hij met paulus. „Zijn leven is in Christus verborgen bij God,quot; „hij weet, dat als zijn aardsche tabernakel zal verbroken zijn, hij een gebouw heeft bij God, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.quot; 'tls voor hem eene sinds lang uitgemaakte zaak, dat „dit sterfllijke onsterflijkheid moet aandoen en dit verderflijke onverflijkheidquot;; hij roemt met den apostel: „de dood is verslonden tot overwinning! dood waar is uw prikkel, graf waar is uwe overwinning!quot; en hij jaagt met dezen geloofsheld

1

Men herinnere zich b.v. de levensbeschouwing in van hoüten's „Causalitatsgesetz enz.quot; verdedigd, waarvan wij in § 5 gewaagden

lé

ocr page 218

210

des evangelies naar de „onvenvelkelijke kroone des levens!quot;

Voorzeker niet in een iegelijk kan dit geloof aan liet volgend leven zoo krachtig werken als in paulus, die voor zicli zeiven „begeerde, om ontbonden te worden, maar ter wille van zijne gemeenten het wensehelijker achtte om te blijvenquot; (Phil. 1: 23 en 24, den Paulinischen oorsprong van den brief aan de Philippensen acht ik genoegzaam gelegitimeerd); en dit zon ook voor de meesten zeker niet verkieslijk zijn, omdat men bij gemis van die zielskracht en dien geloofsmoed, eigen aan een heros des geestes als paulus , licht zou vervallen tot een ziekelijk verlangen naar den hemel en een verwaarloozen van de tijdelijke belangen, die immers dienstig moeten zijn aan de eeuwige.

Dit laatste vooral mag niet worden voorbijgezien! Wel verre, dat dit leven door het geloof aan het toekomstige iets van zijn waarde voor ons zou verliezen, verkrijgt het juist door het onsterflijkheidsgeloof eerst recht eene hooge en heilige beteekenis. Verzinkt de menschlijke individu in de oneindigheid, gelijk de golf van den Oceaan, die verschijnt en verdwijnt om geen spoor van zijn bestaan achter te laten — wat betee-kenen dan voor ons de weinige dagen, waarin wij door 't zonnelicht worden bestraald! Daarentegen — leef ik voor een hooger doel, is mijne ziel onsterflijk, zal dit leven in een volgend worden voortgezet en tot steeds rijper ontwikkeling, tot steeds rijker ontplooing worden gebracht, is mij hier in dit aardsche bestaan de taak en de roeping gegeven, om mij voor te be-

ocr page 219

211

reiden en mij te vormen voor dat „leven, eindloos heerlijk, dat mij na dit leven wachtquot; — dan verkrijgt iedere dag, ieder uur, ja elk oogenblik zijne beteekenis, zijne oneindige waarde, en zeggen wij met dat andere woord onzer evangelische gezangen: „geen uur, mij tot mijn nut gegeven — ga immer ongebruikt voorbij!quot;

Wat ons bovenal kant's postulaat der onsterflijkheid met de grootste ingenomenheid doet begroeten, is, dat het ten volle overeenstemt met inhoud en strekking-van evangelie en christendom; en als een verblijdend verschijnsel van onzen tijd mag het zeker worden aangemerkt , dat men die overeenstemming niet alleen erkent, maar haar ook steeds meer waardeert en ook eerbiedigt. Wat ik boven sprekende over het modernisme reeds aanteekende, is inderdaad meer dan een los vermoeden! Er is onder de vertegenwoordigers der nieuwere richting na het critisch overgangstijdperk van ontleding en veelal ontkenning van oude en verouderde geloofsmeeningen en leerstellingen duidelijk eenemeer positief-religieuse geestesstrooming waar te nemen, eene behoefte en een drang naar wat meer warmte en gloed, wat meer verheffing en bezieling, wat meer religieus idealisme, in één woord — meer geloof. Vooral [vgl. de aant. Dl. I bl. 49j is die drang merkbaar in het standpunt, dat door de edelste woordvoerders en de meest begaafde schrijvers van de moderne richting wordt ingenomen tegenover het vraagstuk van de onsterflijkheid. Wie las niet met instemming en hooge ingenomenheid de schoone bladzijden uit de „Wijsbegeerte van den Godsdienstquot; over het geloof aan het „jenseitsquot;! Wie werd niet weldadig gestemd

14*

ocr page 220

212

door de reeds gememoreerde verklaring van mijnen leermeester op de predikanten-vergadering te Amsterdam, dat hij, hoe ouder hij werd, des te vaster en sterker werd in zijne overtuiging aangaande het toekomstig voortbestaan van den mensch! (het was naar aanleiding van zijn referaat: „Ligt het doel der zedelijkheid in het individu of in de gemeenschap?quot;) en eindelijk, wie hoorde het niet met groote voldoening en sympathie op de ten vorigen jare gehouden predi-kantenvereeniging te Leeuwarden uit den mond van een modern theoloog: „zooveel is zeker, men zal er een te beter christen om zijn, naar mate men meer gelooft aan de persoonlijke onsterflijkheid!quot; (1)

Men behoeft slechts even door te dringen in den geest van het evangelie, om er zich terstond van te overtuigen, dat dit geloof aan het hiernamaals een van de meest wezenlijke en fundamenteele elementen is van jezus' leer aangaande het godsrijk.

Dit kan reeds blijken uit hetgeen wij opmerkten over de uitdrukking Koninkrijk der hemelen, die zeker niet minder door jezus moet zijn gebezigd dan die van Koninkrijk Gods. Wij zien hieruit, dat de voorstelling van het „Himmelreichquot;, z. a. de Duitschers bij voorkeur het godsrijk noemen, met het geloof aan den hemel onafscheidelijk verbonden was. Trouwens, de geheele persoon van jezus is als 't ware de verper-

1

Het was Ds. veendenberg van warga, die de vraag inleidde: „Kan men christen zijn zonder het geloof aan de persoonlijke onsterflijkheid ?'■ en opmerking verdient het, dat zelfs een aanwezig doleerend predikant, Dr. wagenaak, in zijne repliek van het referaat moest getuigen, dat het hom gesticht had.

ocr page 221

213

soonlijking van de onsterflijkheidsidee. Of gij het beeld neemt van den Johanneïschen of van den Pan-linisehen cheistüs of dat van den cheistds consolator der synoptici — overal treedt hij op als de verkondiger van de blijde boodschap aangaande het eeuwig vaderhuis daarboven. Beproef het eens U den persoon van jezuts voor te stellen met eene wereldbeschouwing, die alleen tot het tijdelijke en aardsche leven beperkt bleef en waarin de gedachte aan een leven na den dood geen plaats vond. Gevoelt ge niet, dat U dit even onmogelijk zou zijn als U de zon voor testellen niet als een licht- en warmte-uitstralend hemellichaam, maar als eene duistere en donkere massa! Schier in elk woord, dat ons van hem staat opgeteekend, straalt zijne overtuiging omtrent 's menschen eeuwige bestemming door. Voorbeelden als de gelijkenis van „den rijken man en den armen LAZAEtrsquot; behoeven we niet opzettelijk aan te halen, — zijne geheele leer des evangelies wordt gedragen door zijn geloof aan „het huis zijns Vaders,quot; waar plaats is voor al Gods kinderen, ook al dwaalden ze als de verloren zoon nog zoover af van het vaderhuis.

Alleen daaruit laat het zich dan ook verklaren, hoe dit geloof in de eerste evangeliepredikers zoo onuitroeibaar diepe wortels had geschoten, en hoe het met name in zijnen grooten discipel paulus zulk eene bezielende en heiligende levenskracht was geworden!

Wat betreft de meening van sommigen, dat de meeste uitspraken, waarin op den toekomstigen geluksstaat der burgers van het godsrijk wordt gedoeld. zien op do eschatologische verwachtingen, die jezus

ocr page 222

214

met zijne tijdgenooten moet hebben gedeeld — ik houd het er voor, dat zij een te hypothetisch karakter draagt, dan dat wij er ons bij zouden behoeven aan te sluiten. De voorstelling van de «twv is

niet „diesseitigquot;, maar „jenseitigquot;, gelijk duidelijk blijkt uit Mc.: X 30, waar het eeuwige leven als een erfdeel in de toekomende eeuw wordt „voorgesteld. En wat aangaat de plaatsen, waarin gesproken wordt van een wederkomst van den Zoon des menschen en wel binnen een niet al te langen tijd, zoodat sommigen zijner tijdgenooten het nog zouden beleven — ik moet eerlijk bekennen, dat het er bij mij niet best in wil, dat wij hier aan eene zuivere vertolking van jezus' gedachten en woorden zouden moeten denken. Veeleer houd ik er mij vast van overtuigd, dat wij hier eenvoudig de voorstellingen en verwachtingen van den schrijver of liever de schrijvers voor ons hebben, die zich van het Joodsch particularisme, exclusivisme, eudaemonisme en het zinnelijk-egoistischnationaliteits-gelool niet hebben kunnen losmaken. De eschatologische uitspraken der synoptici staan diametraal tegenover het ethisch-universalisme, dat elders in de leer van het godsrijk doorstraalt. Zoover ik zien kan, zijn zij daarmede in lijnrechte tegenspraak en in flagranten strijd. Dat de evangclieschrijvers zulke voorstellingen hadden, mag ons niet verwonderen, waar wij, gelijk we reeds zagen, het bewijs in handen hebben, dat ook de discipelen tot het laatst toe hun zinnelijk-utili-teits- en nationaliteitsgeloof niet hebben kunnen overwinnen.

Hoe hot zij, dat het godsrijk van jezus niet alleen

ocr page 223

215

'een geestelijk rijk van liefde en vrede op aarde, maar ook wel degelijk (1) een „hemelrijkquot; was, acht ik aan geenen redelijken twijfel onderhevig. Het tegendeel te willen volhouden, ware de geschiedenis in het aangezicht slaan. Van den persoon van jezus zich eene zooveel mogelijk met de historie overeenkomende voorstelling te willen vormen, maar het geloof aan het eeuwige leven daarbij uit zijne godsdienstige bewustheid te illumineeren —is eene even ongerijmde poging als de maan te willen waarnemen zonder behulp van het zonlicht. De geheele leer van het godsrijk ontleent aan dat geloof der persoonlijke onsterflijkheid haar wijding en hoogere bezieling, en hij, die haar verkondigde, werd geheel gedragen door de geloofsverzekerd-heid, dat hij henenging, vanwaar hij gekomen was, dat hij terugkeerde tot Hem, aan wien hij den oorsprong zijns levens had te danken. Gelijk de zoon is uit den Vader, zoo komt hij weder tot den Vader, en — in 't huis zijns Vaders zijn vele woningen.

Van de zijde der bestrijders wordt gewoonlijk tegen het onsterflijkheidsgeloof in 't algemeen en tegen kant's postulaatstheorie in 't bijzonder de beschuldiging te berde gebracht, dat dit geloof in den grond der zaak op utilisme en egoisme neerkomt. „Het goede,quot; zeggen ze, „moet worden gedaan, enkel en alleen ter

1

Wij mogen zelfs verder gaan en zeggen, dat het dit in de eerste en voornaamste plaats was. Het zou mij inderdaad niet moeilijk kunnen vallen dit met de stukken aan te toonen. Alle N. T.ische geschriften pleiten voor de juistheid dezer bewering.

ocr page 224

216

wille van liet goede, maar niet om er den hemel mede te verdienen.quot; Voorzeker die grondstelling geef ik hun van ganscher harte toe! Maar wat ik niet toegeef, is het recht der bewering, dat dit eudaemonismeper se uit de hope des beteren levens voortvloeit; of erger nog, dat het geloof aan de onsterflijkheid der ziel alleen een uitvloeisel is van een dergelijk utiliteitsbeginsel; 't is m. i. niets dan groote oppervlakkigheid, zoo te oordeelen. Op deze wijze kan men wel den geheelen godsdienst uit zelfzuchtige motieven ontstaan laten en uit egoïsme doen geboren worden, 'tgeen dan ook trouwens van materialistische zijde wel geschiedt. Maar noemt men den dorst der ziel naar het bronwater des levens, noemt men den. drang naar zelfverwezenlijking, het streven naar de vervulling van onze zedelijke idealen zelfzucht — men noeme het dan ook zelfzucht, dat de rivier van den bergtop nederstroomt en zich uitstort in de zee, zelfzucht, dat de bloem haar aangezicht wendt naar de stralen van het koesterend zonnelicht, zelfzucht, dat het nog tot geen zelfbewustheid ontwaakte kind bij het ontwaren van het gelaat der moeder zijne onschuldige lipjes plooit tot een blijden glimlach!

Was het zelfzucht, dat de eerste bloedgetuigen den marteldood trotseerden, dat een paulus alle denkbare verdrukkingen verdroeg, om ten slotte in ballingschap en gevangenschap te sterven „voor den naam van hem, aan wien hij zijne ziel had overgegeven?quot; Was het zelfzucht, dat een jezus op Golgotha's heuvel zich aan het kruis liet nagelen?

Of zoudt gij willen beweren, dat ceno dergelijke

ocr page 225

217

zuiver-religieuse geloofsdaad niets te maken heeft met het onsterflijkheidsgeloof ? Laat mij u dan ernstig mogen waarschuwen tegen zelfmisleiding. „Geloofsdadenquot; noemt ge ze immers? Wat wilt ge daarmeê anders zeggen, dan dat ze naar uwe meening voortkomen uit het geloof, het geloof, dat, wie zijn leven (het zinnelijk en tijdelijk) verliest, het, ware (het geestelijk en eeuwig) leven vindt.

Ik maak mij sterk om tegenover alle mogelijke bezwaren en bedenkingen, die door de sceptici tegen het geloof aan 's menschen persoonlijke onsterflijkheid kunnen worden ingebracht, vol te houden, dat de echt religieuse mensch niet kan gelooven, dat hij na zijnen dood gelijk zal zijn aan eenen zielloozen steenklomp , of dat de gevoelende, denkende en willende mensch gelijk zou zijn aan de wezenlooze materie, die zijn stoffelijk omhulsel omgeeft, als het in de groeve is neergedaald.

De godsdienstige mensch kan niet gelooven, dat een louter physisch proces als het sterven het levensbeginsel in hem zou kunnen vernietigen. Stofwisseling is het voor hem, en niets meer; — dezelfde stofwisseling, waaraan zijn zinnelijk organisme op eiken dag zijns levens is onderworpen. De stof keert weder tot de stof, waaruit zij genomen is; maar de uit God geboren menschenziel keert terug tot die wereld, waaruit ook zij haren oorsprong nam, die zij als haar ware vaderland beschouwt. De zoon van God keert weder tot den Vader, en alle kinderen van God zullen ingaan in de eeuwige woningen van het hemelsch Vaderhuis.

ocr page 226

218

Waarom gelooven wij dit? Uit egoïsme? — Neen, duizendmaal neen, —- juist uit een contradictorisch hiertegenover staand beginsel: uit een zedelijk principe! De zedelijkheid postuleert de onsterflijkheid! God kan niet den heiligen plicht om te streven naar vervulling van onze zedelijke levensidealen — God kan niet den drang naar zedelijke zelfverwezenlijking in ons gelegd hebben zonder tevens de mogelijkheid voor ons open te stellen om dien drang te volgen, om dat ideaal te verwezenlijken. God kan het werk zijner handen niet laten varen! „Wie heeft, dien zal gegeven wordenquot;: wie hier het ware leven heeft gegrepen, het leven van den Zoon van God — die heeft het eeuwige leven. (Joh. Ill: 36.) (1)

Alle godsdienstig geloof is altijd in de eerste plaats geloof in ons zeiven. Waar het geloof in zich zeiven bij den mensch ontbreekt — daar kan ook geen godsdienstig geloof in hem aanwezig zijn. Dit

1

Men bedenke hierbij toch vooral, dat het onsterflijkheids geloof qua talis niet postuleert, dat het volgend leven voor alle stervelingen terstond na den dood juist een beter leven zijn moet. Neen, wie het zedelijk doel, waartoe God hem het leven schonk, niet heeft bereikt, wie zijne geestelijke talenten begroef zonder er mede te woekeren en winste te doen, wie in stede van vooruit te gaan in zijn ethisch-religieuse ontwikkeling, achteruit ging in 't zedelijke, — hij heeft geen den minsten grond voor de hoop, dat het volgend leven beter voor hem zijn zal. Integendeel, er is voor hem maar al te veel oorzaak, om te vreezen, dat hij, vóórdat hij tot een hoogeren bestaansvorm kan overgaan, de leerschool nog eens zal moeten doorloopen, (hoe — weet God alleen!) die hij hier op aarde ongebruikt heeft lateu voorbijgaan.

ocr page 227

219

geloof is de grootste schat, welke de mensch kan bezitten. 't Is het kostelijkst kleinood, dat hij kan verwerven. 't Is de bron, waaruit zijn waar geluk voortvloeit, zijne gemoedsrust, zijn zielevrede, en tevens de bron, waaruit hij de krachten put tot het aanvaarden van zijnen levensstrijd, de krachten tot verrichting van al wat goed en groot is. Dit geloof is de drijfveer van zijn zedelijk leven en streven, de hefboom van zijn willen en werken, de draagkracht van heel zijn geestelijk leven.

Laat het u daarom heilig zijn! Kweek het aan met al de middelen, die u ten dienste staan! Want als het verflauwt of kwijnt, dan wordt uw kracht verlamd, uwe energie gedoofd, uw levensmoed gebroken en de levensgeest in u gebluscht. Daarom houd het heilig en eerbiedig het niet alleen bij u zeiven, maar ook bij anderen!

't Is het onvervreemdbaar recht van iederen mensch, om in zich zeiven te mogen gelooven. Wie dit recht bij den naaste miskent, die vergrijpt zich aan het heiligst eigendomsrecht, dat er bestaat; die maakt zich schuldig aan de grootste misdaad, welke men tegenover zijnen medemensch kan plegen, 't Is hierbij geheel onverschillig, wie de persoon is, tegenover welken gij uw onrecht begaat. Wie hij ook zij, hoe diep gezonken, op hoe laag een standpunt staande van intellectueele, moreele en religieuse ontwikkeling — al wat mensch beet, heeft recht om te mogen gelooven in de oneindige en eeuwige waarde zijner onsterflijke ziel. Of men een geestelijken moord pleegt aan eenen bloedverwant of aan eenen vreemde — ?t is beide uit een zedelijk

ocr page 228

22Ö

oogpunt even afschuwelijk; een moord als zoodanig, d. i. de doodslag, die willens en wetens geschiedt, en waarbij elk geval van zelfverdediging of iets dergelijks blijft buitengesloten, is altijd een moord en blijft onder alle omstandigheden eene onmenschelijke daad.

Wilt gij iets degelijks tot stand brengen in de wereld, wilt ge iets goeds verrichten in uw leven, wilt ge uwe gaven gebruiken, uwe krachten ontwikkelen, uwe talenten ontplooien; wilt gij uwe taak volbrengen, uwe roeping vervullen, uwe bestemming bereiken — geloof dan in u zeiven, en laat u door niets en door niemand ter wereld in dit uw geloof aan 't wankelen brengen!

Maar wilt ge meer, wilt ge niet slechts iets doen, maar wilt ge iets zijn, stelt ge u zeiven den eisch der zuivere, godsdienstige zedelijkheid, om te jagen naar de reinste en hoogste levensidealen , ga dan nog iets verder en tracht dit geloof niet slechts bij u z e 1 v e n, maar ook bij den naaste te versterken en aan te kweeken. Ontmoet ge op uwen levensweg eenen broeder of eene zuster, bij wie dit geloof aan 't kwijnen is, zie dan den levensgeest weder op te wekken. Grooter weldaad kunt ge niemand bewijzen, rijker zegen kunt ge nimmer uwen naaste schenken, dan door dit geloof in hem wakker te roepen. Geen sterveling, die er niet voor ontvankelijk zou zijn! Niemand zonk ooit zoo diep in de ongerechtigheid, niemand werd ooit zoo verhard van hart, of de vatbaarheid voor dit geloof bleef altijd nog bij hem aanwezig. De vonk gloort in den boezem van elk menschenkind, ge l ehoeft ze slechts aan te blazen om haar tc doen ontvlammen.

ocr page 229

221

Vooral met het oog op dien vernieuwenden en herlevenden invloed van het christelijk godsdienstig geloof, op die hervormende en herscheppende kracht des evangelies is de taak van ons godsdienstpredikers zoo schoon. Verhevener roeping is er niet dan die van den waren dienaar des evangelies, zij het dan ook, dat aan die verhevene strekking en die hooge eischen van zijn ambt de ernst en de moeilijkheid van zijnen werkkring geëvenredigd is.

Dit geloof in ons zeiven is dus de wezenlijke inhoud, de kern van het geloof in den Zoon van God. De psychologische idee van het godsrijk vindt hare volledige realiseering in den cheistus. Het christüs-ideaal, waarin de christelijke kerk gelooft, heeft natuurlijk slechts den naam gemeen met het Israëlitisch ideaal van den Messias. Is het laatste altijd, ook in zijn verhevenste en universalistische vormen van het profetisme altijd „diesseitigquot;, altijd met aardsche, tijdelijk-eudaemonistische, zelfs nationaal-particularis-tische bestanddeelen vermengd — onze voorstelling van den cheistus is rein geestelijk, zuiver zedelijk, volkomen ethisch-religieus van aard. Wij zien in den cheistus de volle verwezenlijking van den volmaakten, Gode welgevalligen mensch, den mensch zooals hij nergens (buiten hem) in de werkelijkheid gevonden wordt, maar zooals hij naar zijne hooge roeping, zijne eeuwige bestemming wezen moet.

Als den drager van dit ideaal beschouwt de christelijke kerk met het volste recht den historischen jezus van Nazareth. Jezus was het, die den mensch het ware geloof in zichzelven heeft geschonken, die hem

ocr page 230

iu zichzelveii leerde gelooven als kind vau God. Dat geloof was als 't ware in hem belichaamd; en wel in die mate, dat al zijn donken en doen, al zijn willen en wenschen, heel zijn strijden, lijden en bidden door dit geloof werd gedragen, dat al zijne gedachten, woorden en daden zich in dit geloof concentreerden, uit dit geloof voortvloeiden en door dit geloof werden geïnspireerd en geheiligd. Jezus geloofde niet slechts, dat hij een kind van God, een koüc, een -jibc, een zt/.vcv SeaiJ was, maar hij leefde als een kind, een zoon van den Hemelschen Vader. Vandaar dat men in hem ziet den zoon bij nitnemenheid; den eerstgeborene, omdat hij de eerste was, in wien èn het geloof èn het leven als Gods kind tot werkelijkheid kwam, en den ééngeborene, dewijl het van hem alleen, en van niemand buiten hem geldt, dat het reeds hier in het aardsche leven tot zulk eene heilige liefdesbetrekking tot God kwam, dat hij den wil des Vaders in alles volbracht, dat hij als kind van God zich zóó geheel en al voegde naar het goddelijk raadsbesluit van zijnen Hemelvader, dat hij met kinderlijke onderwerping zich bereidwillig overgaf aan den smartelijksten en smadelijksten dood des kruises.

Deze voorstelling van het drama op Golgotha's kruisheuvel strookt m. i. ten volle met de door ons verdedigde, aan alle anthropotheisme vreemde opvatting van jbzüs' persoon en werkzaamheid. Zijn kruisdood toch was eene bereidwillige overgave aan God. Had hij gewild, en had hij gehoor gegeven aan den raad van petbus „Heer, dit zal U geenszins geschiedenquot; — hij had zijn tragisch uiteinde kunnen voorkomen.

ocr page 231

223

Niets gemakkelijker voor bem, dan Jeruzalem op liet paasehfeest te mijden. Doch zijn levensleuze was; ei/ wc èyw S'i/co, lt;xlV wc aii' yev/iS'/iTM ró SéXyiy-sé acv. (Math. 26, 39 en 42.)

Doch wat hij was, moet elk volgeling van hem worden. Het geloof in ons zeiven is, dat wij ons in staat achten tot bereiking van diezelfde hoogte in het zedelijk-godsdienstig leven, als waarop hij stond. Wij moeten chbisïus gelijkvormig worden, Christus moet eene gestalte in ons verkrijgen, cheistus moet in ons leven —- zietdaar het doel, waarnaar wij als christenen hebben te streven. En dat doel houden we niet voor onbereikbaar, want het geloof aan de mogelijkheid om het te bereiken ligt opgesloten in het geloof èv tw vim zov 3c5D. Dat geloof zou voor ons geenen zin hebben, als wij hierdoor geen uitdrukking gaven aan ons geloof, on ó Szig r:u.x~ T:pcupi(7£v r/j?

eiy.cvoq zov viov aiToü. (Eom.VIII. 29.) Datwij in jezuszullen gelooven als Zoon van God, is alleen mogelijk op voorwaarde, dat wij in ons zelvcn gelooven als Gods kinderen.

Ziedaar dan ook de beteekenis van den doop! Als christen wordt men gedoopt ei; zö övcpx zev vicv, tot het aanvaarden van denzelfden kindernaam, dien wij aan dezen itó; zov Bsov toekennen. De zinnebeeldige beteekenis van het doopwater is dus met betrekking tot dit eerste moment van de idee des Koninkrijks (in de doopformule volgt de psychologische idee op de theologische) deze, dat men daardoor te kennen geeft een naamdrager te willen worden van den cheistus, den Zoon van God, en alzoo als een kind, als een zoon of dochter van den hemelvader, als een broeder

ocr page 232

224

of zuster van den heiland (zijne eurnpix bestaat nl. juist hierin) onder de toekomstige leden van het godsrijk, dat immers eerst hier namaals ten volle kan worden verwezenlijkt, opgenomen te willen worden. Door het ondergaan van de doopplechtigheid geeft men te verstaan, dat men volgens zijn beste weten, met zijn geheele vermogen, in allen ootmoed, maar met kinderlijk vertrouwen op Gods hulp en don bijstand zijns Heiligen Geestes er naar wil streven om een volgeling te worden van Jezus. Het water des doopsels is eenerzijds het symbool der reiniging van zonde, der afwassching van alle smetten der zinnelijkheid en zelfzucht, anderzijds is 't het zinnebeeld der goddelijke sanctie van de wedergeboorte, van het nieuwe leven waartoe de godsdienstige menseh ontwaakt. De strekking van den doop is dus een ethische zoowel als een religieuse.

Wat deze opvatting van den doop betreft, de lozer bemerkt natuurlijk, dat hier een voorstander van den doop der bejaarden aan 't woord is, van den doop, gelijk die bij de stichting der eerste christengemeente in zwang was, en gelijk die door joannes den Dooper, door jezus (want we wezen er reeds op , dat ook jezüs, evenals joannes, doopte) en de apostelen werd toegereikt. De beteekenis echter van deze plechtigheid blijft ook voor hen dezelfde, die met de overgroote meerderheid der christelijke kerk da voorkeur geven (hoeveel hierbij op rekening komt van opvoeding en gewoonte, laten we in 'tmidden) aan den kinderdoop.

Deze doop toch op den kinderleeftijd, meestal zelfs, als dringende omstandigheden het niet verhinderen, zeer

ocr page 233

223

kort na de geboorte toegediend, verkrijgt eerst (men vergelijke hierover het reeds boven geciteerde geschrift van prof. scholten over „de doopformnlequot;) zijn kracht en beteekenis voor den mensch, als hij tot jaren van onderscheid gekomen, na afgelegde belijdenis als lid in de christelijke gemeente wordt opgenomen. Zal nl. het nieuwe geestelijke leven, dat door den doop wordt gesymboliseerd, al moet, gelijk van zelf spreekt, elke gedachte aan eene bovennatuurlijke, contranatureele of magische werking daarbij worden buitengesloten — zal dit leven in den doopeling worden gewekt, dan moet men toch ook onderstellen kunnen, dat hij voor de opneming van dit nieuwe levensbeginsel de vatbaarheid kan bezitten. Met voordacht druk ik mij zoo voorzichtig mogelijk uit, opdat men niet meene, dat volgens de voorstelling van den bejaarden doopeling, de wedergeboorte door eene uitwendige handeling werkelijk en actueel in hem zou kunnen ontstaan. Nochtans moet de geestelijke ontwikkeling van een mensch zulk een stadium zijn ingetreden, dat de wedergeboorte, dat het afleggen van den ouden en het aandoen van den nieuwen mensch, ook wat den ouderdom betreft, in hem kan tot stand komen. Van de ethisch-religieuse geboorte der nahyyevsaix kan — wat behoeft het gezegd? — terstond na de physische geboorte geen spraak zijn. Het standpunt van de anomie en de heteronomie, van het zinnelijk animale en van het wettelijk, zinnelijk-zedelijk leven moot eerst overwonnen zijn, zal het zuiver-zedelijk leven van de autonomie en de theonomie in den mensch een aanvang kunnen nemen. De kinderdoop geschiedt

15

ocr page 234

22f)

dus proleptisck met het oog op de wedergeboorte, die later in den mensch moet plaats grijpen.

Wie dus wat dieper nadenkt en de zaak wel overweegt, zal, ook al liecht hij voor zich zeiven het meest waarde aan het inderdaad schoon en zinrijk gebruik van den kinderdoop, toch het goed recht van den bejaarddoop moeten erkennen, want ook de doop van het jonge kind ontvangt eerst zijne wijding als het op later leeftijd het lidmaatschap der gemeente uit vrije keuze, uit eenen heilbegeerigen drang des harten aanvaardt.

We spraken daar over de wedergeboorte; — ik meen, dat het hier de plaats is om dit begrip wat nader te ontwikkelen. Wat verstaan wij op ethisch-evangelisch standpunt onder de wedergeboorte? Eeeds hebben we 't duidelijk als ons gevoelen uitgesproken, dat we 't als een zeer verwerpelijke, onchristelijke en met den waren godsdienst strijdige opvatting van de wedergeboorte beschouwen, als men de, T:xliy/£veaix beperkt tot een grooter of kleiner deel van de menschheid en haar houdt voor het uitsluitend voorrecht, voor een bijzonder privilegie van sommige bijzonder door God begenadigde gunstelingen. Het dogma van de verkiezing en verwerping is eene treurige afdwaling van den geest van het oorspronkelijk christendom, volgens welken Gods Vaderliefde zich ïdtstrekt over alles en allen, en Zijn Heilige Geest is uitgestort over alle vleesch.

Het „velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkorenquot; van Mth. XXII: 14 geeft geen recht om er dit

ocr page 235

227

tot de ergerlijkste eigengereclitiglieid, den verfoeilijk-sten geestelijken hoogmoed en de meest liefdelooze hardvochtigheid leidende leerstnk op te baseeren. Het woord slaat immers op dien é énen gast, die zonder bruiloftskleed aanzat, en dus met uitzondering van dien ééne behoorden immers alle gasten tot de £xXe-/.Toi! Ook de andere plaatsen, waarop men zich ter verdediging van het dogma beroept als b. v. Eom. IXvs. 21, VIII; 33, Mc. XIII: 27 kunnen onmogelijk tot rechtvaardiging dienen van eene leer zoo irreligieus als deze.

De wedergeboorte is eene vrucht der religie, welke in iederen mensch bij eene normaal menschelijke ontwikkeling van zijnen geestelijken aanleg als het resultaat van zijn zedelijk-godsdienstig leven kan en moet tot stand komen. Wat is dan dit weder-, dit op nieuw-, dit ten tweeden male-geboren worden, dat door jezus als onafwijsbare eisch werd gesteld voor het burgerschap van het godsrijk, toen hij bij hot nachtelijk onderhoud met NicoDEMus tot dezen zeide; „Voorwaar, voorwaar zeg ik U, indien Gij niet geboren wordt uit water en geest (men herinnere zich, wat wij zoo juist opmerkten omtrent het doopwater als symbool van de wedergeboorte, vgl. voorts Dl. I bl. 130), Gij zult het Koninkrijk Gods niets ingaan?quot; (Ioeïv Joh. 111:3.)

De meeste menschen stellen zich onder de wedergeboorte iets zeer geheimzinnigs voor, en velen meenen zelfs, dat het inzicht in deze zaak tot de z.g. mysteriën van den godsdienst behoort. Hoeden we ons toch voor alle mystificaties en voor alle bespiegelingen, welke voor eene gezonde ontwikkeling van het religieuse leven zeer nadeelig zijn! Wij hebben hier tedoen met de eenvoudigste

15*

ocr page 236

228

zaak van de wereld, die ieder menscli, ook de intellectueel minst begaafde, in staat is te begrijpen. Zij komt nl. — om het zoo kort en duidelijk mogelijk te zeggen — neer op het volgende:

De mensch komt als een louter zinnelijk wezen ter wereld. Door zijne eerste geboorte wordt het aminale leven in hem gewekt, het leven dat hij gemeen heeft met al zijne natuurgenooten in het dierenrijk. In het eerste stadium zijns levens heeft hij geene andere behoeften, dan die gegrond zijn op zijne lichamelijke constitutie. De zuigeling kent geen hoogere behoeften, dan zinnelijke, geen andere begeerten en neigingen, dan die voortvloeien uit den drang naar iustandliouding van zij a zintuigelijk organisme en naar ontplooiing van zijne physische levenskrachten. Het heeft slechts behoefte aan licht en lucht, aan voedsel en deksel, aan rust en beweging, kortom van geheel dezelfde natuurlijke neigingen en aandoeningen , die ge waarneemt bij de dieren. Het zinnelijk of zintuigelijk leven is bij hem de spil, waarom zich alles beweegt.

Ook al begint het intellectueele leven in het kind te ontwaken, zoodat het vatbaar wordt voor indrukken van anderen aard, waarvoor het dier, ook het fijnst bewerktuigde en verstandelijk meest ontwikkelde, onaandoenlijk blijft — dan nog is en blijft het in zijne eerste levensjaren de bevrediging van genoemde behoeften als het hoogste doel beschouwen van al zijn begeeren en verlangen, van al zijn denken en doen. En dit is niet iets laakbaars in hem; integendeel! hoe sterker deze zinnelijke natuurdriften in hem werken.

ocr page 237

229

hoe krachtiger en intensiever deze lichamelijke belangen door hem worden nagestreefd, des te heter zal hij beantwoorden aan de eischen en de voorwaarden welke het animale leven stelt voor de ontplooiing der lichaamskrachten.

Wat is nu de wedergeboorte ? Zij is hierin gelegen, dat het zwaartepunt van 's menschen leven en streven, van zijn willen en wenschen, zijnen handel en wandel, zijn doen en laten uit het zinnelijke wordt verlegd in het zedelijke. De natuurlijke geboorte, die hem als een zinnelijk wezen het aanzijn schonk, moet worden gevolgd door eene geestelijke geboorte, waardoor hij eerst mensch wordt in den waren zin des woords. Wat nu aanvankelijk doel was — en ziehier het eigenlijk wezen van de wedergeboorte — moet later slechts de ondergeschikte plaats bekleeden van een middel, een middel ter bereiking van een ander en hooger doel. Al het stoffelijke en lichamelijke moet dienstbaar worden aan het geestelijke en zedelijke. Streefde hij aanvankelijk alleen naar het behoud en welzijn van het lichamelijk leven, naar de instandhouding en voorspoedige ontwikkeling van zijne zintuigelijke constitutie, naar verhooging van het zinnelijk levensgevoel, naar vermeerdering van zijn physisch levensgenot — later dient dit leven naar het lichaam tot niets anders en niets meer, dan tot een middel om er zijne geestelijke gaven en krachten naar eisch door te kunnen ontwikkelen. Het doel mag nu niet meer zijn dat physisch leven, maar het doel is het psychische, het geestelijke, het etisch-religieuse leven, en het eerste strekt hem tot medium, tot werktuig en instrument om dit doel te

ocr page 238

230

bereiken. Treffend juist drukt paulus in zijne verheven diepzinnige taal deze waarheid uit met de woorden

„t5 aamp;jfta uxii dyiov trveüfzato?.quot;

Dat dit doel, zij het dan ook niet in die mate als het woord van paulus het wil, niettemin als voor den mensch bereikbaar moet worden geacht, zal mij door niemand, die redelijk denkt en de inspraken van zijn hart en geweten eerbiedigt, kunnen worden tegengesproken. Dat hij het bereiken kan, gevoelt de mensch als instinctmatig; en dat hij het bereiken moet, zal hij niet te vergeefs hebben geleefd, maar beantwoorden aan de bestemming, waartoe hem het levenslicht werd geschonken — waar zou iemand kunnen gevonden worden, die dit in ernst zou durven in twijfel trekken!

Men hoort tegenwoordig veel spreken, en wel voornamelijk door hen, die, ontevreden met de maatschappelijke toestanden, de sociaal-democratische denkbeelden als het evangelie der menschheid begroeten, van het recht op een „menschwaardig bestaan.quot; Maar inderdaad, een mensch, die in de bevrediging van de stoffelijke levensbelangen het ééne noodige ziet, die haar beschouwt als het doel, liet eenige en hoogste doel van zijn streven, dat hij met inspanning van al zijne krachten, zijne edelste geestesgaven niet uitgezonderd , moet trachten te verwezenlijken — die mensch leidt een bestaan, don mensch „onwaardig.quot; Daar zijn dingen, die hij oneindig hooger moet stellen, dan welvaart, eer en uitwendig geluk. En dat de welgezinde en rechtgeaarde christen, dat ieder mensch, die het hart op de rechte plaats heeft, dit inderdaad doet — blijkt uit die tallooze voorbeelden van zelfopofferende

ocr page 239

231

liefde, waarbij hij zijn eigen leven in de waagschaal stelt of zelfs het vrijwillig en bereidwillig prijs geeft , om dat van zijnen naaste te redden. Ware het aardscho leven hot hoogste, dan zou men mot het volste reeht zulk eene uiting van zelfverloochenende li efde voor een blijk van groote bekrompenheid of zelfs van idiotisme moeten houden. Waar men dit niet doet, waar ze integendeel als daden van heldenmoed en heroïsme onzen reeht-matigen lof inoogsten, onze geestdrift wekken en ons enthousiasme gaande maken, daar is het duidelijk, dat wij krachtens onze natuur en onzen aanleg ons hoogere doeleinden stellen dan de tijdelijke en eindige.

Uit deze eenvoudige voorstelling der zaak volgt dus wederom, wat wij reeds in de vorige § sprekende over de „bekeeringquot; hebben in 't licht gesteld, dat de wedergeboorte evenals deze, welke als op 't innigst met haar samenhangend en het nauwst aan haar verwant moet worden beschouwd, nooit realiter en totaliter , nooit werkelijk en volkomen, maar altijd slechts potentieel en in beginsel in ons kan tot stand komen. Ook de wedergeboorte is, om met kant te spreken, geen constitutief, maar een regulatief begrip; zij is altijd voor ontwikkeling, verhooging en volmaking vatbaar, en zij wordt bij de verschillende individuën en tevens op verschillende tijdperken van het leven, op de verschillende trappen der zedelijk-religieuse ont-wikkeling in verschillende graden aangetroifen. Wij mogen dus nooit meenen, „het alreeds gegrepen te hebben, of alreeds volmaakt te zijnquot;, maar moeten er steeds met paulcts „naar jagen, of wij 'took grijpen mochten, het doel, waartoe wij geroepen zijn. zóv ny.onöv

ocr page 240

232

si; zb fipaftciov v'nc, «vm zAviTcm; toü ^gt;coO èv Xporoi 'lïjdoü (Philpp. 111:14). Want de zedelijke levenstaak is voor den menseh nooit vervuld, zoolang hij nog in dit ondermaansclie leven is. Altijd blijft er nog voor hem te doen over, en nimmer mag hij voor zieh zeiven meenen zijne wedergeboorte reeds volledig in zich tot stand te hebben gebracht.

Ook die andere opmerking, die wij omtrent het begrip der bekeering maakten, dat zij nl. niet in een enkel oogenblik of op een bepaald punt des tijds in het leven wordt geroepen en dan als een voldongen feit in ons aanwezig is, als eene zaak, waaraan niets valt af of toe te doen — die opmerking geldt ook natuurlijk van de wedergeboorte. Niet plotseling worden we wedergeboren, maar ons geestelijk leven is hier altijd „im Werden begriffen,quot; de toestand van dit leven is gelijk aan die van het embryo, welks heerlijke vrucht hier niet wordt aanschouwd.

Van het grootste belang is het, dat we dit nimmer uit het oog verliezen. De wedergeboorte kan altijd slechts potentieel ons deel worden, actueel kan het leven des geestes eerst hiernamaals werkelijkheid worden. De hoogere levenskiem moeten we hier verwerven, het goddelijk zaad moeten we hier in den akker des harten opnemen, — maar het ontspruiten en rijpen er van kan eerst in een volgend leven worden gewacht. Men kan het dus als mensch nooit verder brengen dan tot een wedergeboren worden in beginsel; in de daad en in waarheid kunnen we eerst „ingaan in het Koninkrijk Godsquot; als onze geest niet meer

ocr page 241

233

door de kluisters en de knellende banden van het lichaam gebonden zal zijn.

En hiermede willen we onze bespreking van het eerste object van het christelijk godsdienstig geloof, onze ontvouwing van de psychologische idee van het godsrijk als afgehandeld beschouwen. Het eerste stuk van den drieledigen inhoud van ons godsdienstig geloof hebben we leeren kennen en gaan thans over het tweede.

ocr page 242

§ 17.

HET GELOOF IN GOD ALS ONZEN VADER — DE THEOLOGISCHE IDEE VAN HET KONINKRIJK GODS.

Als tweede object van ons religieus geloof noemden wij de theologische idee, de idee van God. — Hadden wij, kan men vragen, de bespreking van het geloof in God niet aan de behandeling van het geloof in ons zeiven moeten laten voorafgaan? M. i. neen! Naar mijne meening is de door ons gekozen volgorde do juiste en voor de logische behandeling der stof ver-eischte. Laat mij de gronden, waarop deze overtai-ging berust, in 't kort mogen ontvouwen.

Wie den gedachtengang van ons godsdienst-wijsgeerig onderzoek met eenige aandacht heeft gevolgd , zal deze gronden gemakkelijk kunnen begrijpen. Is de grondslag van de religie te stellen in de zedelijkheid, is het geloof in God een postulaat van de practische rede, van onzen ethischen aanleg, dan — meer dan eens vestigden wij er reeds de aandacht op — dan is hoekstea's grondstelling het ware uitgangspunt voor den theoloog, dat „alle godsdienstig geloof ter laatster instantie is: geloof aan de Waarheid van ons eigen inwendig wezen of geloof

ocr page 243

235

in ons zeiven!quot; Dit geloof in ons zeiven is hetzelfde als het geloof in onze ethiseh-religiense bestemming, het geloof in onze ware, (niet tijdelijke en voorbijgaande, maar) onze werkelijke, onze onvergankelijke, onsterflijke , oneindige en eeuwige existentie. Een bestaan, dat de kiemen in zich draagt van, en dus altijd noodzakelijk gevolgd wordt door een „vergaan,quot; een „zijnquot; dat het „niet zijnquot; potentieel in zich sluit en met onverbiddelijke consequentie na zich sleept, is geen wezenlijke, geen rëeele existentie. Alleen wie gelooft in zulk een bestaan van zich zeiven, dat het „vergaanquot; buiten sluit, gelooft in waarheid in zich zeiven.

Is dus de door ons verdedigde, aan immanuel kant's Transcendentaal-Idealisme ontleende postulaatstheorie juist, dan is de psychologische idee het eerste object van ons geloof, en wordt eerst door dit geloof het geloof aan de objectieve realiteit der tweede transcendentale idee, het geloof aan het bestaan van God gepostuleerd; en kreeg derhalve het eerste met recht in de aan dit hoofdstuk voorafgaande paragraaf zijne plaats. Waarom het onderzoek naar de derde religieuse idee op deze § moet volgen — zal ons van zelf duidelijk worden, als wij tot dit punt zijn genaderd.

Toen ik ten vorigen jare in eene vergadering van predikanten mijne thans uitvoeriger ontwikkelde denkbeelden in den 'vorm eener korte schets voordroeg en daarbij ook de quaestie, die ons hier bezig houdt, ter sprake bracht, werd door éénen der aanwezige broeders de opmerking gemaakt, dat in de genetische ontwikkeling van het religieuse leven in den mensch aan het geloof in God de prioriteit

ocr page 244

236

moest worden toegekend boven dat aan de persoonlijke onsterflijkheid. De meening van mijnen opponent — en wellicht zullen er meerderen zijn, die bij eene oppervlakkige beschouwing der zaak, van hetzeltde gevoelen zijn als hij — was, dat eerst het geloof in God als onzen Vader in ons was ontstaan, en daaruit eerst het onsterflijkheidsgeloof en het geloof aan het toekomstig voortbestaan van ons persoonlijk wezen zich had ontwikkeld.

Wat de spreker zeggen wilde, was waarschijnlijk dit, dat het geloof aan Gods bestaan eene voorwaarde is voor alle religieus geloof, en dat er, waar dit ontbreekt, van godsdienst in 't algemeen geen spraak zijn kan. Bedoelde hij dit, dan kan ik het volkomen met hem eens zijn. Maar dit was niet, 't geen i k bedoelde, en 't geen kant in zijne postulaatsleer heeft betoogd. De algemeene erkenning van Gods bestaan moge de voorwaarde zijn van het godsdienstig geloof, toch is zij op zich zelf nog niet, wat wij religieus geloof noemen. Het afhankelijkheidsgevoel als zoodanig, het besef, dat wij als menschen van eene macht buiten en boven ons afhankelijk zijn, sluit nog niet het kenmerk in van het specifiek religieuse. Als ik den bliksemstraal door het luchtruim zie flikkeren en den donder hoor rollen, dan gevoel ik mij afhankelijk van de macht, die de natuur beheerscht; want ik weet maar al te goed, dat deze eleetriciteitsontlading op mijn hoofd zou kunnen neerdalen, mij de grootste schade zou kunnen berokkenen of zelfs mijn leven of dat mijner dierbaren zou kunnen treffen. De erkenning, dat er eene macht is buiten mij, en het bewustzijn, dat ik tegenover haar even

ocr page 245

237

machteloos ben als het riet, dat door den stormwind wordt geknakt, dit alleen, ook al gaat het gepaard met het toekennen van den naam „Godquot; aan die macht, is nog geen religie en heeft nog niets gemeen met de religieuse convictie. Yan dit laatste mag eerst worden gesproken, als ik geloof en vertrouwend belijd, dat de macht, die mij beheerscht, en aan welke de natuurwetten onderworpen zijn, „liefdequot; is, en dat Gods wezen voor mij bestaat in Zijne „Vaderliefde.quot; Dit laatste nu geloof ik op grond van mijn geloof in mij zeiven, van mijn geloof in mijne eeuwige bestemming voor Gods Koninkrijk.

Men herinnere zich toch, wat wij boven hebben gezegd over het onderscheid tusschen eene ratio essendi en eene ratio cognoscendi. Om de laatste alleen is het ons hier te doen. Wij zoeken hier naar de wijze van het ontstaan van ons geloof, maar het gaat hier niet om eenen verklaringsgrond van Gods bestaan zelf. Wij hielden ons in Dl. I bezig met de vraag naar den oorsprong, de wording, de ontleding van een zielkundig verschijnsel, maar zochten niet de existentie van God zeiven op rationeele gronden te bewijzen noch te verklaren. De verklaring van het laatste is niets anders dan het leven van Gods Heiligen Geest in ons. Misschien drukken we ons nog juister uit, als we niet zeggen, dat wij 't antwoord zochten op de vraag: „Hoe ontstond ons geloof?quot;, maar; „hoe werden we ons bewust van zijn ontstaan in ons?quot; En dan geloof ik, dat ons antwoord moet luiden: „Wij werden ons daarvan bewust, doordat wij in ons de werking der zedewet waarnamen, die ons

ocr page 246

238

onophoudelijk drong en dwong cn nimmer naliet, met ijzeren volharding, met onverzettelijke standvastigheid en onverbiddelijke gestrengheid zijne gebiedende eischen te doen gelden, zijne eischen om rusteloos en onverpoosd te streven naar het bezit van die zedelijke en geestelijke levensgoederen, naar verwezenlijking van die religieuse idealen, die onzen door 't aardsche benevelden blik verhelderen en onzen door 't eindige en tijdelijke belemmerden gezichtskring verruimen, zoodat wij aan den horizont den dageraad ?ien aanbreken van het eeuwig en onsterflijk leven.

Overigens acht ik deze geheele vraag niet van een overwegend belang. Er wordt vaak over dergelijke vraagstukken gediscussieerd en gedisputeerd, alsof der zielen zaligheid er van afhankelijk ware. Dwaze inbeelding! Wat inderdaad van 't uiterst gewicht is, is de vraag, of wij beide, èn het geloof in ons zeiven en onze eeuwige bestemming, èn het geloof in de Vaderliefde van het heilig Opperwezen bezitten? Maar, welke van die beide geloofsvoorstellingen het eerst in ons ontstaat, is eene vraag, die, als het eerste maar werkelijk het geval is, ons onze gemoedsrust niet behoeft te ontnemen.

Dit neemt echter niet weg, dat ik daarom toch het hier verdedigd gevoelen als juist wenseh te handhaven; al ware 't alleen maar hierom, dat de conceptie der idee van Gods Vaderliefde eenen hoogeren trap van religieuse ontwikkeling vereischt dan die van het geloof aan het toekomstig voortbestaan van ons persoonlijk wezen. Om de diepte te peilen en den rijkdom der gedachte te beseffen, die in het begrip der allesom-

ocr page 247

239

vattende Vaderliefde van God ligt opgesloten, moet men op een veel verder gevorderd standpunt van het ethiseli-religieuse leven staan, dan om enkel te gelooven, dat 's menschen leven hier, dat zijne luttele levensdagen vol strijd en zorgen, vol teleurstelling en ontgoocheling niet het eeuwig leven, en dat het aardsclie'lichaam met de kiem des verderfs, der vergankelijkheid en ontbinding in zich niet de eenige bestaansvorm is, dien zijne ziel kan aannemen. Het denkbeeld toch mag niet onaannemelijk worden genoemd, dat ook in een volgend leven, waarin dus de hope aangaande het „hiernamaalsquot; in vervulling is gegaan, maar waarin het geloof in Gods Vaderliefde altijd ons levensbeginsel zal moeten blijven, dit laatste, even als hier, voor gestadige vermeerdering, versterking en verhooging vatbaar zal zijn.

Dat onze opvatting inderdaad de juiste is, treedt nog duidelijker aan 't licht, als wij ons rekenschap geven omtrent de drie vragen, waarop de mensch in zijn religieus geloof het antwoord zoekt. De drie vragen door mij bedoeld zijn die, welke betrekking hebben 1° op het wezen van den mensch, 2° op de bron en oorsprong van zijn ontstaan en 30 op de wereld, waarin hij zich geplaatst ziet en waarin zijne bestemming ligt. De mensch vindt zich zeiven geplaatst in de wereld; en het levensprobleem,1 waarvoor hij staat, is dus dit: Wat ben ik voor een wezen? Door wat oorzaak ben ik geworden? en; Hoe heb ik te oordeelen over de wereld, waarin ik leef en waarin ik leven zal, de wereld zoowel voor het tegenwoordige, als het toekomende?

m

ocr page 248

240

De mensch begint natuurlijkerwijs bij zich zeiven. Hij zelf is zich zeiven een voorwerp van bespiegeling; hij, als denkend subject, maakt zich zeiven tot het object zijner beschouwing; en de eerste vraag, die hem het zelfbewuste denken oplegt, is dus de vraag: wie ben ik?- Wat is dat ik, waarover ik reflecteer? quot;Wat is het eigenlijk wezen van dit geobjectiveerde subject, dat ik als „ikquot; onderscheid van alle dingen buiten mij, van die geheele verschijningswereld, welke met al hare substanties en enkelvoudige atomen en individuën het „niet ikquot; vormt? De tweede vraag, die bij hem opkomt, is dan: „Hoe, door welke oorzaak, door welke macht ben ik geworden, wat ik ben? als hoedanig heb ik mij die macht voor te stellen, die mijn leven in stand houdt, mij schenkt al 't geen ik van noode ben, mij behoedt in gevaar, en mij overlaadt met weldaden en zegeningen?quot; Deze tweede vraag volgt met ijzeren consequentie op de eerste. De mensch is zich nl. bewust, dat hij niet zijne eigene oorzaak, niet de causa sui is, maar dat hij werd veroorzaakt; dat hij niet zelf de schepper is van zijn leven, maar dat hij werd geschapen; dat hij bijgevolg den grond van zijn bestaan moet zoeken in eene macht, die buiten en boven hem staat.

De derde en laatste vraag eindelijk heeft tot voorwerp die wereld, waarin hij zich bevindt, waarin hij zich niet zelf geplaatst heeft, maar waarin hij buiten zijnen wil om, dus door eenen anderen en hoogeren wil dan de zijne geplaatst werd, die wereld, waarvan hij een deel uitmaakt, de menschenwereld, waarin hij zich beweegt, en de geheele wereld des

ocr page 249

241

geestes, welke zich uitstrekt over heel het onmetelijk heelal met zijne millioenen wereldbollen, die geestenwereld, waarin hij zich voor nu en altijd burger gevoelt.

De eerste vraag omtrent de psychologische idee werd door ons in de vorige paragraaf beantwoord, de laatste zal ons punt van bespreking vormen in het volgende en laatste hoofdstuk; en met de tweede houden we ons hier bezig.

Boven (Dl. I bl. 170—185) hebben wij gehandeld over de bewijzen voor het bestaan van God, en trachtten we er ons van te overtuigen, dat al deze pogingen, al mogen ze voor proeven van menschelijke scherpzinnigheid gelden, niettemin als mislukt moeten worden beschouwd, daar de waarheid der religie voor geen verstandelijk betoog vatbaar is en ook niet zijn kan. Het is beide, een fout van het denken en een vergrijp aan het gemoedsleven gepleegd, als men de religieuse waarheden wil gaan demonstreeren. Een fout van het denken; want men maakt zich daarbij altijd schuldig aan eene transcendentale subreptie, aan eene „Er-schleichungquot;, doordat men het empirisch en het transcendentaal gebied met elkaar verwart, en onbemerkt van het eene op het andere overspringt, niettegenstaande zij door eene onoverkomelijke klove van elkander zijn gescheiden. Op het gebied van de religie tot geloofsversterking zich van de logica te willen bedienen is een even onbegonnen en onmogelijk werk als voor het vliegen de zwemvliezen, voor het zwemmen de vleugels te willen gaan gebruiken.

Maar ook een vergrijp aan het gemoedsleven is

16

ocr page 250

242

dit intellectualisme. Wie de godsdienstige waarheid tracht te bewijzen, toont daardoor het recht gevoel voor de religie te missen. Even als uwe moeder of uwe echtgenoote, wanneer gij haar door dialectische redeneeringen en logische gevolgtrekkingen uwe liefde tot haar wildet „andemonstrirenquot;, juist ter oorzake van uwe redeneeringen, ook al kunnen zij niet het minste tegen uwe logica inbrengen, uwe liefde zouden gaan in twijfel trekken, en dit op maar al te goede gronden — evenzoo hebben wij het recht om de z. g. bewijzen voor het bestaan van God als een dekmantel aan te merken voor een heimelijk scepticisme, dat er zich tegen wil en dank achter verbergen wil.

Wie lief heeft, dien komt het niet in de gedachten, om zijne liefde 'tzij voor zich zeiven, 'tzij voor anderen te willen beredeneeren. De liefde leeft in zijn hart, zij gloeit en brandt in zijn binnenst, zij werpt hare stralen van zich, zij verwarmt en koestert het voorwerp, waarop zij gericht is, ja — wekt daarin het leven der wederliefde, evenals de lentezon met hare verwarmende en koesterende stralen de natuur uit haren winterslaap wakker roept,, en de als in den sluimer des doods verzonkene en verstorvene schepping met nieuw leven bezielt en als verjongd en herboren doet opstaan uit den doode.

Juist zoo is het met het godsdienstig geloof. Het geloof is geene verstandelijke overtuiging en heeft daarmede zelfs niet het minste temaken; maar het is eene levenskiem, een levensbeginsel. Geloof en liefde laten zich in den diepsten grond tot dezelfde bron herleiden, te weten de werking des Heiligen Geestes Gods.

ocr page 251

243

Beide zijn zo eene goddelijke levensvonk, beide een sprank van hemelseh vuur, afkomstig uit eene lioogere wereld. Ziedaar het bewijs voor de waarheid van den godsdienst! De dorst uwer ziel naar den levenden God, de onuitroeibare en onweerstaanbare drang naar gemeenschap met den God uws levens, die godskiem in u is voor u het bewijs, dat de religieuse behoefte geene inbeelding is.

„Maar indien dit alzoo is, hoe dan te verklaren, dat er zijn, in wie die behoefte niet gevonden wordt, en bij wie van zulk eenen heiligen drang niets te bespeuren valt ?quot; — Zou het inderdaad waar zijn, dat er zulke mensehen kunnen gevonden worden ? Wat mij betreft, ik neem de vrijheid, om het, zoolang ik er mij niet zelfstandig van kan overtuigen, sterk in twijfel te trekken. Ik ben er vast van overtuigd, dat beslist ongeloof, werkelijke ontkenning van Gods bestaan, wezenlijke godloochening vrij wat zeldzamer in de wereld wordt aangetroffen, dan het wellicht oppervlakkig den schijn heeft. Ik houd het er stellig voor, dat een mensch au fond niet in staat is een consequent atheist te zijn; ik zeg niet, „als een atheist te redeneerenquot; (dat kunnen er velen), maar inderdaad en in waarheid een atheist te zijn en als een atheist, geheel en al, voor goed en voor altijd , in alle omstandigheden des levens, onder vreugde en smart, in lief en leed, aan den bruiloftsdisch en aan de lijkbare overal en altijd als een atheist te leven. Dit houd ik eenvoudig voor onmogelijk.

Dat er gevonden worden, die het voor anderen willen schijnen, dat er zijn, die er geheele atheïstische

16*

ocr page 252

244

theoriën op na houden, er een beklagenswaardig behagen in scheppen, om ten bewijze van hunne scherpzinnigheid het bestaan van het Hoogste Wezen weg te redeneeren, die er een eer in stellen, om voor een ongeloovige te kunnen doorgaan, om voor een materialist, een Darwinist (waartoe men toch ook dezen naam niet al kan misbruiken!) gehouden te worden — 't is mij helaas maar al te goed bekend. Maar als deze dilettanten-atheisten (en dit zijn ze zonder onderscheid, deze marktschreeuwers!) — als zij meenen mij daardoor in den waan te kunnen brengen, dat zij inderdaad het bestaan van eene hoogere macht buiten hen, waarvan ook zij zich immers als elk menschenkind afhankelijk moeten gevoelen, ontkennen, dan bedriegen zij zich deerlijk. Het heeft altijd op mij den indruk gemaakt, als ik radicale vrijdenkers van zulk qualiber hunne groote woorden en veelal ook holle klanken hoorde uitspreken of liever uitschreeuwen (want dit is het toch gewoonlijk;'), dat zij daarmede geen ander doel hebben, dan om niet slechts anderen, maar ook zich zeiven diets te maken, dat zij geloofden, wat zij zeiden. Indien ergens uw vermoeden omtrent de aanwezigheid van zelfbedrog en zelfmisleiding gewettigd is, dan zeker hier, waar de zelfverblinding de menschen voor den lichtindruk van de geestelijke wereld onontvankelijk maakt. Zij zijn in mijn oog het welsprekendst bewijs voor de waarheid van de van diepe menschenkennis getuigende regelen uit het bekende gezang:

Ach 't hart is vol van boozo listen,

Vol van bedrog in eiken hoek!

Dus past de waakzaamheid den christen. En dagelijks ernstig onderzoek!

ocr page 253

245

Zij trachten zich zeiven te bedriegen en te misleiden en zich het moedwillig ongeloof op te dringen; doch het einde moet den last dragen (want de natuur is sterker dan de leer), en door gewetenswroeging en gewetensangst gekweld komen zij terug tot het geloof, dat alleen in staat is, om hen de sedert lang gewe-kene en toch zoo vurig begeerde rust en zielenvrede te hergeven.

Gods bestaan ontkennen doen wel sommigen met de lippen, maar niemand, zoolang hij althans bij gezonde zinnen is en de stem van zijn geweten niet geheel en al heeft kunnen smooren — niemand met

het hart. □«n^ m ïsSs IftK alleen de

- V I •• • - T .T

dwaas of —■ de booswicht (want ook dit beteekent, gelijk bekend is dat is dus hij, die zich zeiven

daarbij bewust is logentaal te spreken, alleen hij kan het zeggen; doch bewijst daardoor juist de waarheid van 't geen hij ontkent.

Over de gronden, op welke ons geloof in God berust, over den weg, waarlangs en de wijze, waarop dit geloof in ons tot stand komt, hebben wij boven uitvoeriger gehandeld en ons hierbij aangesloten aan de postulaatstheorie van kant. Wij kunnen derhalve dit punt als reeds genoegzaam door ons toegelicht thans laten rusten, om ons hier meer bepaaldelijk bezig te houden met een onderzoek naar het wezen van God.

Wat den naam „Godquot; betreft, hierover alleen dit, dat zij door sommigen, o. a. ook door luthek wordt afgeleid van het woord „goedquot;, door anderen echter, zoo b. v. door u. mbuee (vgl. hierover hot artikel

ocr page 254

246

„G-ottquot; in herzog's Realene yclopaedie van köstlin , tweede nitg. Bd. V bl. 290), van het zelfde stamwoord als waarvan de Hebreenwsehe, Latijnsche, Grieksche en Indische benaming van God afkomstig is. Volgens

deze hypothese ligt in de woorden en DThx, die oorsprondelijk „krachtquot; beteekenen, tevens de alge-raeene notie van do voorwaarde van het geheelephysische leven, welke voor het „lichtquot;, het levenwekkend licht wordt gebezigd. Ook aan de woorden deus, fcs;, zeus en het Germaansche zio, het Indische deva en het ju-piter ligt volgens genoemde etymologische verklaring overal dezelfde wortel ten grondslag, welke in deze verschillende talen in het woord „lichtquot; is opgesloten.

Het komt mij voor, dat de eene opvatting de andere niet behoeft te verdringen of buiten te sluiten. De beide begrippen toch zoowel dat van het „goedequot;, als dat van het „lichtgevendequot; zijn op het allerinnigst aan elkaar verwant, want het licht is voor den mensch de bron van alle goed. De lichten warmte-uitstralende zon is voor den zoon der aarde de onmisbare voorwaarde voor zijn bestaan. Zonder de zon zou van de aarde gelden, wat wij lezen Gen. 1: 2

in'Di nn nrrn pan, zij ware

duister, ledig en dood, zij ware niets dan eene donkere massa van steen en ijs, die aan geen levend wezen tot woonplaats zou kunnen verstrekken, en waarop zelfs geen zweem van plantengroei zou kunnen gevonden worden. Zoo is het in de stoffelijke wereld, maar zoo is het ook in overdrachtelijken zin in de geestelijke wereld. Waar geen licht is, daar heerscht

ocr page 255

247

de duisternis; en waar geen enkele lichtstraal, hoe zwak en flauw ook, kan doordringen — daar heerscht de dood. God is de bron van alle licht. Hij, de schepper des lichts, is zelf het licht. „Dit is het evangeliequot;, lezen we I Joan. 1:5, „'twelk wij van hem gehoord en u verkondigd hebben — órt ó tpw? inzlv y.cti (xzoTta iv aeiizM ouy. ètrziv cjJsu.ia.quot;

Als wij nu met dit schoone tekstwoord God het licht noemen, hebben we daarmede dan eene eigenschap van God genoemd, of eene bepaalde voorstelling van God gewonnen, of een godsbegrip gesteld? Ziedaar eene vraag, die mij noopt enkele opmerkingen aan haar vast te knoopen, welke ik met bescheidenheid meen, dat met het oog op het groote aantal der dogmatici onder de theologen wel der behartiging waard zijn.

Gewoonlijk vindt men in de handboeken der dogmatiek een gedeelte, soms van vrij aanzienlijken omvang, gewijd aan de bespreking van de eigenschappen Gods. Deze uitdrukking echter is aangaande het Hoogste Wezen geheel misplaatst. Onder eene eigenschap verstaan wij altijd eene qualificatie, waardoor eenig wezen in onderscheiding van andere wezens wordt gekenschetst. Uit den aard der zaak is eene eigenschap altijd iets beperkends, het is n.1. iets, waardoor een bepaald wezen (of ook verschillende wezens, want het geldt natuurlijk niet slechts van den individu, maar ook, van soorten, geslachten en generaties) met uitsluiting van andere wezens wordt gekarakteriseerd. Het bepalen van eene eigenschap is altijd toekenning van eene bepaalde eigenaardigheid, waardoor andere

ocr page 256

248

hoedanigheden worden buitengesloten. Als ik het de eigenschap van een vogel noem, dat hij vliegt, van een visch, dat hij zwemt, van een worm, dat hij kruipt, dan springt het in 't oog, dat door het noemen van die eigenschappen een bepaald gebied van levende wezens wordt afgebakend en door een kenteeken van een ander gebied wordt onderscheiden. Daarom noemt men het opgeven van eigenschappen ook eene definitie, d. w. z. dat daardoor de „fines,quot; de grenzen van het gedefinieerde worden aangegeven. Eene eigenschap is daarom altijd iets relatiefs en nimmer iets absoluuts. Eene absolute eigenschap is eene contradictio in ad-jecto. Eene eigenschap is altijd zoowel een grensbegrip als een betrekkingsbegrip, en kan derhalve alleen worden toegekend aan eindige en beperkte wezens, die aan bepaalde kenteekenen van andere wezens kunnen worden onderkend. Uit een en ander is het zonneklaar, dat dit begrip niet past voor het in volstrekten zin absolute wezen.

Nog minder gepast en geoorloofd is het om te spreken van „de deugdenquot; Gods, zooals het békende kerklied doet, dat „den luister van Gods deugden grootquot; noemt. Van deugden mag redelijkerwijs alleen gesproken worden ten opzichte van geestelijke wezens als de mensch er een is, die voor zedelijke ontwikkeling vatbaar zijn; maar toegepast op God zou dit woord een anthropotheïsme doen blijken van de allergrofste soort.

Maar wij moeten nog verder gaan. Niet alleen dat wij aan God geene eigenschappen en geene deugden kunnen toeschrijven , maar ook het vormen

ocr page 257

249

van een begrip van God en eene voorstelling van het Hoogste Wezen is ons onmogelijk. Door alles toch wat wij omtrent Gods wezen vaststellen wordt Hij in zijn eigenlijk wezen door ons verkleind. Dit kan niet anders. Wij menschen kunnen nu eenmaal niet anders donken dan door middel van onze verstandsbegrippen , onze denkcategoriën. Een begrip echter van het verstand, reeds werd het elders door ons in navolging van kant aangetoond, is altijd te klein voor eene idee der rede; en zoo geschiedt het dat wij, als wij eene transcendentale idee willen samenpersen in het enge keurslijf van een begrip, dat wij dan altijd met onvermijdelijke consequentie stuiten op antinomieën of foutieve en eenen transcendentalen schijn behelzende syllogismen. De zaak is voorwaar duidelijk genoeg! Want wie zou het niet gevoelen, dat het woord „godsbegripquot; eene inwendige tegenstrijdigheid bevat? God is groot, en wij begrijpen Hem niet; — maar van hetgeen wij niet begrijpen, daarvan kunnen we ons immers geen begrip vormen?

Precies hetzelfde geldt van de uitdrukking, „voorstelling van God.quot; Denken we goed over dezen term na, dan gevoelen we, dat hij in letterlijken zin niet alleen iets ongerijmds behelst, maar zelfs iets, wat naar ontwijding van Gods heilig wezen zweemt. Wat gij u voorstelt, is altijd iets, dat zich voor u stellen laat, zij het ook niet voor uw lichamelijk, dan toch voor uw geestlijk oog. Maar is het dan geen absurditeit de gedachte alleen, dat de nietige mensch het eeuWig, onbegrijpelijk Wezen, den Schepper des heelals zich zou willen voorstellen?

ocr page 258

250

Door elke begripsbepaling, door iedere voorstelling en het vaststellen van eigenschappen Gods wordt aan het quot;Wezen van God te kort gedaan, wordt het verzwakt en verkleind, 't Is met de theologische idee even als met de cosmologische idee. Beproef het eens om n het inbegrip van den kosmos (dit woord thans genomen in materieelen, niet in geestelijken zin), voor te stellen, om u eene adaequate voorstelling te vormen van de absolute totaliteit van al het bestaande, van het heelal met zijne millioenen wereldbollen — gevoelt Ge niet, dat iedere voorstelling die Ge daarvan maakt, in verhouding tot den werkelijken kosmos staat als de stip in verhouding tot eene in 't oneindige verlengde lijn! De geheele oppervlakte der aarde is niets dan eene verdwijnende stip in 't heelal, die van welke ster ook uit van alle sterrenbeelden gezien , door ons niet zou kunnen worden waargenomen.

Houden we dit wel in 't oog, dan zullen we het ijdele en nuttelooze inzien van alle metaphysische bespiegelingen omtrent het Wezen Gods. Men kan zijnen tijd nuttiger besteden dan zich te verliezen in dergelijke onvruchtbare speculaties, waardoor ge wel velen van den godsdienst afkeerig zult kunnen maken, maar nimmer iemand voor de behartiging van zijne ware religieuse belangen zult kunnen winnen.

Een godsbegrip en eene voorstelling van Gods Wezen kunnen wij niet bezitten en hebben wij ook niet noodig. Wij hebben er als mensch niet de minste behoefte aan; en wie waande er wel behoefte aan te hebben, zou daardoor op het ondubbelzinnigst blijken op een zeer laag standpunt te staan der religieuse ontwikkeling.

ocr page 259

251

't Is ten aanzien van ons godsgeloof eveneens gesteld als ten opzichte van ons onsterflijkheidsgeloof. Ook hierbij hebben wij 't niet noodig ons eene voorstelling te kunnen maken van het leven hiernamaals. De vraag: „hoe zullen de dooden worden opgewekt en met hoedanig een lichaam zullen zij omkleed worden ?quot; werd noch door paulus, noch door jezus beantwoord. Niet hoe? maar dat wij zullen leven, ook nadat wij gestorven zijn, is de inhoud van ons geloof aan de persoonlijke onsterflijkheid. Zoomin wij dus eene voorstelling noodig hebben, van het

Eeuwig leven, eindloos heerlijk.

Dat ons na dit leven wacht;

evenmin, of nog veel minder hebben wij die noodig van het

Heilig, heerlijk Opperwezen,

Die het groot heelal gebiedt,

Meent ge in ernst, dat, als de wijsbegeerte eene nieuwe begripsbepaling van de godheid heeft gevonden, zij daarmede eenen nieuwen steun aan het godsdienstig geloof komt bijzetten? Gelooft ge inderdaad, dat zulk eene nieuw ontdekte formule van de speculatieve phi-losophie als de steen der wijzen zou moeten worden begroet, waardoor men tot oplossing van 's menschen levensraadselen zou kunnen komen? Ik bid u, zeg mij toch eens, wat u al dergelijke kunsttermen der dogmatiek baten? Wordt uw godsdienstig geloof er door vermeerderd of versterkt? of zoo uw gemoedsleven er niet bij wint, wordt uw verstandsleven er door gevoed, uw dorst naar kennis er door gestild, uw denken er door bevredigd?

ocr page 260

252

Weet ge, hoe het gaat met soortgelijke z. g. resultaten van het wetenschappelijk onderzoek? Als n de wijsbegeerte komt betuigen, dat God is „dat Wezen, dat niet veroorzaakt werd door iets anders, maar de oorzaak in zich zeiven vindende als de causa sui moet worden beschouwd; dat aan hetzelve, daar het niet bestaat door iets buiten zich zeiven, maar zijne existentie alleen te danken heeft door zich zelf, de aseïteit (het esse a se) moet worden toegekend, dat het is een ens extramundum en als zoodanig transcendent, als ook een van de wereld onafhankelijk en als zoodanig immanent wezen is, dat het is een wezen, hetwelk wij ons als in 't bezit van tijd- en ruimte-vrijheid moeten voorstellen, terwijl wij in al ons denken en voorstellen aan de vormen (kant noemde ze zuivere aanschouwingsvormen) van tijd en ruimte gebonden zijn; dat het is dat Wezen, dat als het ens realissimum de hoogste realiteit met de absolute noodzakelijkheid in zich vereenigt etc. etc....quot; — dan neemt ge dergelijke theosophische uitspraken eener „vernünf-telndequot; rede, (dergelijke entia rationis ratiocinantis, die ons niets zeggen omtrent het ens rationis ratioci-natae) (1) aan voor kennisgeving, maar gaat vervolgens over tot de orde van den dag zonder in 't minsï eenigen invloed te bespeuren van deze vermeende slotsommen der wetenschap noch op uw denken, noch op uw handelen. Het gebied uwer kennis wordt or geen duimbreed verder door uitgebreid, en evenmin

1

Vgl. kant „Kritik der reinen Vernunftquot; uitg. kehrb.. bl. 521 en 528.

ocr page 261

253

wordt er de inhoud van uw geloof iets door verrijkt. Wij herhalen het nogmaals: de godsdienstige mensch redeneert niet over God, maar — hij oefent gemeenschap met God, hij bidt tot God en ervaart de werking van den geest van God in het heiligdom zijns harten.

Brachten ons bovenstaande overwegingen tot het resultaat, dat wij niet in staat zijn, en geen mensch ooit in staat zal zijn, welke vorderingen en ontdekkingen de wetenschap ook immer zal maken, om begrippen en voorstellingen te vormen van God, hiermede — wat behoeft het gezegd? — is natuurlijk in 't minst niet ontkend, dat wij ons rekenschap zouden kunnen geven van ons geloof in God. De strekking van dit geheele geschrift is immers geene andere, dan om ons bewust te worden zoowel omtrent de gronden, waarop ons godsdienstig geloof berust, als omtrent de objecten, op welke het betrekking heeft. Met het tweede object nu van ons geloof houden we ons thans bezig; wij noemden het de idee van God, en voegden er in het opschrift boven deze paragraaf terstond de christelijke vertolking van deze idee aan toe, doordien wij haar kenschetsten als het geloof in God als onzen Vader.

„Maarquot; — zoo is wellicht iemand geneigd mij te vragen — „vormt ge u dan niet eene voorstelling van God, als ge Hem met jezus den -xzvp èv toï; oypavoï? noemt? Stelt ge u God dan niet voor onder het beeld van eenen Vader?quot;

Mijn antwoord echter luidt beslist ontkennend. Als wij God Vader noemen, dan is deze uitspraak als

ocr page 262

254

geheel identisch te bescliouwen met de erkenning, dat „God liefde is.quot; Omdat wij nu nergens een reiner en zuiverder werking van de liefde ontwaren dan in de ware verhouding van den rechtgeaarden vader tot zijn kind, daarom noemen wij de verpersoonlijking van de goddelijke Liefde den Hemelvader, zonder daarmede ook maar de geringste gedachte te verbinden van iets, dat zweemt naar een bepaald godsbegrip of eenecon-creete voorstelling van het Hoogste Wezen. Zoodra ge u God gaat voorstellen, vervalt ge noodzakelijk tot anthropomorflsme; en wie God tot een mensch maakt, handelt als de consequente trinitariër, die God belichaamd waant in den mensch jezus en met dezen verheerlijkten hemeling op ongeveer dezelfde wijze eenen persoonlijken omgang meent te kunnen hebben, als de lijder aan hallucinaties zich verbeeldt met zijne afgestorvene bloedverwanten te verkeeren. Ja, de menschvergoding gaat bij tal van orthodoxen zoowel onder de laici als onder de clerici zoover, dat men jezus in de plaats stelt van het almachtig Opperwezen en tot hem in de eenzaamheid, evenzeer als van den kansel, zijne gebeden richt. Blasphaemie en ergerlijke godslastering noem ik zulke openbaringen van het negen-tiende-eeuwsch bijgeloof. Wanneer zullen dan toch de oogen van deze naam-christenen opengaan voor hunne verguizing en ontheiliging van jezus' evangelie! Wanneer zullen zij het inzien, dat zij, waar zij meenen den cheistus te huldigen, hem bezig zijn andermaal te kruisigen ! Wie jezus tot God maakt, al is hij voor 't uitwen dige nog zoo vroom en godvruchtig, hij staat nog niet eens op den drempel van het voorportaal, dat hem den toe-

ocr page 263

255

gang moet verleenen tot den tempel van den christe-lijken godsdienst, tot het heiligdom van jezus' evangelie van het Koninkrijk Gods. Wie de goddelijke vereering van zijnen persoon niet met de wortel uit zijn hart heeft uitgeroeid, die wordt, — dat men het toch ter harte neme in beide afdeelingen der christelijke kerk! — die wordt door jezus uit den door hem in den aanvang onzer jaartelling opgerichten tempel des geestes geweerd en verdreven en niet eerder toegelaten , voordat hij dien afgod heeft weggedaan uit zijn hart. Wie nederknielt voor jezus en hem aanbidt als zijnen God, die drukt met elk woord, dat hij aldus tot hem richt, een doorn in zijn vleesch en een nagel door zijn gebeente.

Elke menschvormige personificatie van God is idolatrie en superstitie. Waarlijk, de vrome, die in de eenzaamheid zijne knieën buigt voor den Vader, die in de hemelen is, hij heeft het niet noodig, ten einde. te weten, dat deze handeling niet gegrond is op zinsbegoocheling of inbeelding, om de goddelijke Liefde, waaraan hij zijn hart overgeeft, zich te denken in de gestalte van een plaatselijk tegenwoordig hemelwezen in eene geïdealiseerde menschlijke gedaante.

„Jezus heeft zich nooit in bespiegelingen over het wezen en den wil van God verdieptquot; zegt hoek-stea zeer te recht (Bronnen en Grondslagen van het godsd. gel. bl. 285); en eenige bladzijden verder: „Al wat jezus leerde over den Vader, die in de hemelen is, over de teedere liefde van God jegens verlorenen, over de oneindige waarde in Gods oogen van Iedere

ocr page 264

256

inenschenziel, ook van de zielen van kleinen en verachten , over de vergeving der zonden, over het zoeken van het eeuwige en het hemelsche, over het nietige van wat op aarde is, over de kenmerken van de ware godsvrucht, over zelfverloochening en kruis-dragen, over de liefdebetrekking tusschen alle kinderen des koninkrijks, over onze hemelsche bestemming enz. — geheel zijne prediking getuigt door inhoud en vorm van de hooge en heerlijke bewustheid, waarin hij sprak en op welke hij door zijn leven zelf het zegel heeft gedrukt.quot;

Alles wat jezus leerde van God vond zijn bron en oorsprong in zijn eigen, rein, godvruchtig en liefdevol gemoed; zijne uitspraken omtrent God waren de vertolking van zijn eigen zieleleven. In het eigen kinderhart ontdekte hij het Vaderhart van God. Zoo is het met iederen mensch. Alleen wie, evenals jezus, zich in die liefdevolle afhankelijkheid weet van God, als waarin het kind staat tot den in liefde volmaakten vader — alleen hij kan in zijn hart tot de ontdekking komen van Gods Vaderliefde. „Niemand kent den Vader dan de Zoonquot;, dat beteekent: alleen wie zich een tzxïc, eenen üióg, een zkwov toü tfeoü gevoelt, kan in God zijnen Vader erkennen.

Inderdaad acht ik het van groot belang voor onze dagen, dat men tot het inzicht kome in deze den wijzen en verstandigen (in eigen oog) verborgene, maar voor „de kinderkous naar den geesf' gemakkelijk verstaanbare waarheid. Klaagt men, dat de tegenwoordige geestesrichting van duizenden, z. g. ontwikkelden, tot een diep treurig materialisme en hier en daar tot

ocr page 265

257

een aau het cynische grenzend realisme leidt (men denke aan sommige producten der hedendaagsche schilderkunst en vooral van de belle trie, waarbij natuurlijk ieder den naam van emile zola noemt), en is die klacht alles behalven ongegrond — houd u er dan van verzekerd, dat ge deze richting nooit zult kunnen veranderen door abstracte bespiegelingen over het oneindige en absolute, veel minder door dogmatische begripsbepalingen omtrent het wezen en de eigenschappen van God, maar alleen — door den mensch te doen inkeeren tot zich zeiven en tengevolge daarvan te doen terugkeeren, als denzoon uit die heerlijkste aller gelijkenissen, terugkeeren tot den Vader en het huis des Vaders, dat eens ter onzaliger stonde, in een oogenblik van zelfvergeten loszinnigheid, werd verlaten.

Een groote hinderpaal echter zult ge u bij dit uw streven in den weg zien gesteld; en dat is — de algemeen vigeerende meening, dat de w e t en s c h a p p e-lijke en de godsdienstige wereldbeschouwing twee verschillende wereldbeschouwingen zijn , die los nevens elkander staan en niets met elkaar gemeen hebben. Dit is een van de grootste beletselen voor de christelijke opvatting der theologische idee, of, om het anders uit te drukken, voor de geloovige erkenning, dat God der menschen Hemelvader is, te weten — de onjuiste zienswijze, die de wetenschap van den godsdienst als totaal onafhankelijk en daarvan als geheel ongeïnfluenceerd wil opgevat hebben. Dit nu acht ik een grondfout van de moderne beschaving, zonder daarbij te willen over 't hoofd zien, dat er vele lof-

ocr page 266

258

felijke uitzonderingen op don regel gemaakt moeten worden. De godsdienstige mensch is godsdienstig in al zijn denken, -willen en handelen; heel zijn geestesleven , ook zijn verstandelijk inzicht, zijne theoretische en intellectneele opvatting der dingen zal door het licht van zijn religieus geloof worden besehenen en bestraald.

Er zijn tal van grootere en kleinere geleerden, die meenen, dat zij als religieuse menschen hebben te gelooven in God en zijn Albestuur, dat zij echter tevens als mannen van de wetenschap verplicht zijn, om dit geloof bij hun wetenschappelijk onderzoek ter zijde te stellen en van de werking Gods in de natuur ook bij tijd en wijle moeten weten te abstraheeren.

Alsof zulk eene tweeslachtigheid niet inderdaad de onwetenschappelijkheid zelve ware! Als godsdienstig mensch te erkennen: „er heerscht orde, regel, schoonheid en doelmatigheid in de natuur, en die gansche harmonisch gerangschikte schepping correspondeert met den geestelijken aanleg van den mensch en moet alzoo dienstbaar worden gemaakt aan de bereiking van zijne hoogere bestemming, aan de verwezenlijking van zijne ethisch-religieuse idealenquot; (de consequentie van de teleologie is de ethico-teleologie); als wetenschappelijk man evenwel daar tegenover te beweren: „de onderscheiding tusschen de doelmatigheid en den chaos is eene wilie-keurige distinctie; in de natuur heerscht geene orde en regel, maar al wat zij voortbrengt, vernietigt zij weer; al de schepselen der aarde zijn de speelbal van hare verwoestende elementen en eene prooi van hare blind werkende en alle leven ten doode doemende krach-

ocr page 267

259

tenquot; — aldus met de ééne hand te nemen, wat men met de andere geeft, is de grootste tegenstrijdigheid, die zich denken laat, en eene verloochening en verkrachting van eigen beginselen, den man der ware wetenschap te eenen male onwaardig. En toch — hoe velen worden er gevonden, en wel niet het minst onder hen, die anders prijs stellen op den naam van recht-zinnigen en confessioneelen, die het godsdienstig geloof, 'twelk zij belijden, in de practijk des levens zonder schroom en zonder bedenken verloochenen!

Wat ik voor waar erken — of ik dit doe gedrongen door de eischen en inspraken van mijn gemoed (of, om met kant te spreken, gedrongen door een postulaat mijner practische rede), dan wel of ik dit doe op grond van de kennis en wetenschap, die ik heb vergaard, of van de ervaringen, die ik heb opgedaan of de waarnemingen, die ik heb gemaakt — wat ik voor waar erken, dat is voor mij waar, en dat blijft, moet althans waar blijven op ieder tijdstip van mijn leven, in iedere omstandigheid, waarin ik mij bevind, voor ééns en voor altijd; het is voor mij waar niet minder in mijne qualiteit als man van de wetenschap, dan in mijne hoedanigheid als godsdienstig mensch. Wie in het eerste geval zijn religieus geloof kan verzaken, wie zijn godsdienstig geweten (en 's menschen geweten is altijd godsdienstig, want het is de stem van God) bij het onderzoek der natuur kan tot zwijgen brengen, dien ontbreekt het per se aan de tweede eigenschap, die is niet godsdienstig, die is nimmer in 't bezit van het zuiver godsdienstig geloof.

Dit gevaar echter van verloochening en verzaking

17*

ocr page 268

260

in de praetijk van 'tgeen in theorie voor cene geloofswaarheid wordt erkend, bestaat niet enkel voor den natuurvorscher of in 't algemeen voor den geleerde, den man van studie, maar het dreigt evenzeer iederen mensch, die niet zorgvuldig waakt over den toestand van zijnen geestelijken akker, en er niet nauwlettend acht op geeft, dat niet het zoo licht ontkiemend onkruid van het scepticisme in den bodem zijns harten wortel schiet. Ook zij, die het reeds tot eene niet onaanzienlijke hoogte gebracht hebben in de ontwikkeling van hun religieus leven, zullen 't nog telkens tot hunne beschaming moeten ondervinden, hoe onderhevig de mensch blijft aan den invloed van de twijfelzucht, hoe licht hij soms, zich zeiven onbewust, er toe vervalt om zijn geloof in God in de praetijk des levens prijs te geven.

Inderdaad, welk eene mate van geloofskracht wordt er niet toe vereischt, om nimmer eenig lotgeval, nimmer eenige gebeurtenis of eenig feit van welken aard ook, als strijdig met Gods albestuur te beschouwen! Hoevelen toch, om eens iets te memoreeren, wat ons nog versch in 't geheugen ligt, hoevelen zouden er niet gevonden worden, die een ongeval als voor korten tijd in Zwitserland plaats greep, waarbij een paar honderd menschen op de noodlottigste wijze om het leven, kwamen (en hoe talloos vele van dergelijke rampen gebeuren er niet in ééne eeuw, vooral in eene eeuw als de onze, waarin de stoom zulk een groote rol speelt!) — die een dergelijk ongeluk beschouwen als buiten het gebied liggend van Gods voorzienigheid en daardoor dus feitelijk het albestuur van God ontkennen!

ocr page 269

261

En toch — welk een bewijs van de zwakheid en verregaande fragibiliteit van ons geloof zou het zijn, als wij op zulke gronden onzen twijfel aan Gods bestaan wilden baseeren! Dat eene catastrophe als de door ons genoemde meer dan eenig ander feit geeigend is een diepen indruk op ons te maken, ja voor het eerste oogenblik ons met ontzetting en huivering vervult — niets natuurlijker dan dit! Wij zouden geen mensehen moeten zijn, als we niet begaan waren met zoo droevig een lot als hetwelk den armen slachtoffers dezer ramp trof, waaronder eene groote menigte zich bevond, die midden in den bloei der jaren, terwijl zij juist met volle teugen hun hart ophaalden aan den beker der vreugde — plotseling hunnen levensdraad zagen afgesneden en op de ontzet-tendste wijze in de golven hun graf vonden! Nog eens: wij zouden geen menschen moeten zijn, maar een hart van steen moeten hebben, als wij niet bewogen en ontroerd werden bij 't vernemen van zulke deerniswaardige berichten. Lezen we dan niet, dat ook jezüs kon weenen, waar hij getuige was van het lichamelijk lijden zijner medemensehen! Edoch — wie door deze en dergelijke dingen aan het wankelen wordt gebracht in zijn godsdienstig geloof en meent, dat zulke feiten indruisehen tegen het goddelijk albe-stuur, die heeft het gebouw van zijn geloof niet op het ware fundament gevestigd, maar die is gelijk aan den man, om de woorden van de bekende gelijkenis te bezigen, o; Mzodóu-oaev x-jtoü vfiv cUixv èrcl t/iv aauov zat zaTSjSïj ■/) (ipo/jr) xxi rilthv oi nozauoi xaci stivzvjxv

ocr page 270

262

ot ave^st zat tipoasKOipexv oi/Ja. rfi èy.eivn, zat èmaev, xcei riv r, müeig aüvric, jxtyakn. (Mth. VII: 26 en27).

Wie ook maar eenigermate op den naam van een geloovig christen wil aanspraak maken, mag door gebeurtenissen van dezen aard in 't minst niet worden geschokt; want hier geldt hem het woord van jezüs, welks zin voor geenen belijder van het onsterflijk-hoidsgeloof (1) verborgen zijn kan; wh cpojSeteto d-nb twv «nozTei/vèvrMv xb aüpx („voor hetgeen het lichaam doodt de vorm is nentrius en niet masculini generis), r/iv oé [j.-n djvaepévcov dmy.-cïvxi (Matth. X: 28).

Ware iets in staat, om het geloof in God en de zedelijke wereldorde voor den mensch te verzwakken,

1

't Zij mij vergund nog even terug te komen op dit reeds meermalen ter sprake gebracht onderwerp en hier eene plaats uit j. g. FicHTE „Die Bestimmung des Menschenquot; (uitg. van k. kehrbach) te citeeren, waaruit blijkt, hoezeer ook deze groote filosoof het geloof aan 's menschen persoonlijke onsterflijkheid beschouwde als behoorende tot den hoofdinhoud van het godsdienstig geloof, en hoe hij begreep, dat in de erkenning van deze waarheid het zwaartepunt gelegen was van kant's systeem van het Transcendentaal Idealisme. Op bl. 146 van het a. w. trof mij de volgende zinsnede; „Diejenigen die da sagen dürfen: Unser Biirgerrecht ist im Himmel, wir haben hier keine bleibende Statte, sondern die zukünftige suchen wir;.... setzen ohne Zweifel in alles Sinnliche nicht den miudesten Werth, und sind um des Ausdruckes der Schule (al. die der Kantiaansche filosoüe, van welke hij in de volgende pericope zegt, dat hij ze eerst nu goed begrijpt) mich zu bedienen, practisch transcendentale Idealistenquot; vgl. bl. 152 en 53 „Fiir mich selbst (dat is voor het ware zelf, het „ikquot; afgescheiden gedacht van zijnen physischen bestaansvorm) ist die Todesstunde Stunde der Geburt zu einem neuen hcrrlichcrn Lebcn.quot;

ocr page 271

263

dan zou men geheel andere feiten moeten noemen, dan zou men moeten wijzen niet op hetgeen het lichaam doodt, maar op tó 5-jvxu.zvov v.m v.m

aamp;vj.ot. dr.oV-aM èv yeéw/i, bij welk woord wij natuurlijk nóch aan eenen persoonlijken duivel, nóch aan eene plaatselijke hel te denken, hebben. Waren er gronden te vinden ter verdediging van het scepticisme, dan zouden zij op ethisch, maar niet op physisch gebied moeten worden gezocht. Wie dieper nadenkt en fijner gevoelt, vindt veel minder grond tot religieusen twijfel in rampen, die veroorzaakt worden door wat men in't dagelijks leven toeval noemt (al kan op ethisch-religieus standpunt ook volgens kant van toeval niet gesproken worden), of die 't gevolg zijn van de werking der natuurkrachten, — dan in de rampen en verwoestingen, die worden aangericht door de slechtheid en boosheid, door de zelfzucht en de zonde , door de zinnelijkheid en de zedeloosheid der mensehenkinderen.

De noodlottige gevolgen, de diep-treurige en rampzalige toestanden, die in 't leven worden geroepen door, om maar eens een paar dingen op te noemen, door de geldzucht, door de drankzncht, door de prostitutie en dergelijke kankers van het volksleven — zijn het geen problemen voor den religieusen mensch, die, wat de moeilijkheid der verklaring aangaat, met bovenvermelde evenementen niet in vergelijking kunnen komen!

Maar hier raken we dan ook juist het punt, dat ons van zelf de oplossing geeft van het bedoelde levensraadsel, 't Zijn dus niet de stoffelijke nooden

ocr page 272

264

en de materieele tegenspoeden (waaronder de goloo-vige ook het verlies van het aardsche leven, wat immers niets anders is dan stoornis van het lichamelijk organisme, dan stilstand van den bloedsomloop, mag rekenen), maar het is de zedelijke en geestelijke ellende, waarin zich de mensehheid bevindt, die hem tot twijfelmoedigheid aan Gods wereldbestuur zou kunnen brengen. Die zedelijke levensnooden echter — met groote scherpzinnigheid en treffende duidelijkheid werd het in het zooeven geciteerd werk van hoekstea in 't licht gesteld — zij behooren juist tot de werkzaamste factoren en de krachtigste motieven, die het zuiver zedelijk geloof in God, het geloof in zijne Vaderliefde, doen ontstaan. Want — en dit is de cardo rei, waarop het noodig is den meesten nadruk te leggen en het volle lichtte doen vallen — mogen wij ons ook al bedroeven, en onze droefheid uiten door klachten over de verdorvenheid en verkeerdheid der ons omringende menschenwereld — de eigenlijke oorzaak van ons zedelijk smartgevoel ligt niet in de wereld daarbuiten, maar in de wereld hier binnen, die wij met ons omdragen in eigen boezem. Groot moge het leed zijn, dat wij dragen over de zonde der menschen-kinderen, en rechtmatig de klaagtoon, dien wij aanheffen over de wereld die in 't booze ligt — het grievendst leed, het bitterst lijden, het kwellendst verdriet, de snijdendste wonde, het zwaarste kruis, de diepste smart — zij vindt haren grond niet in de zedeloosheid van anderen, maar in de zonde en zedelijke onmacht, waaraan wij ons zei ven schuldig weten. Dit zedelijk noódgevoel en de daaruit geboren ver-

ocr page 273

265

lossingsbelioefte - ik ben het in spijt van de door anderen gemaakte tegenwerpingen, volkomen met mijnen leermeester; prof. hoekstea, eens, en het in Dl. I geleverd betoog moge hiervan ten bewijze strekken — zij zijn de echte en zuivere bron voor het ontstaan van de ware religie.

Eerst waar het bewustzijn van eigen zonde in den menseh ontwaakt, kan in zijn hart plaats zijn voor het geloof in Gods vergevende zondaarsliefde. Geen eisch dan ook, waarop door jezüs krachtiger wordt aangedrongen , dan op dien van ootmoed en berouw; en geen kwaad, dat door hem strenger wordt gekastijd en onbarmhartiger wordt gegeeseld, dan de eigengerechtigheid der Farizeërs, die in hun priesterornaat op hem don indruk maken van witgepleisterde graftomben, welke achter haar naar buiten schitterend omhulsel de aan vermolming en verrotting prijsgegeven doodsbeenderen verbergen. Aiyw yap xjuiv, aldus klinkt zijn woord tot de schare: o-.i èxv pi r.epiaae-ja-n 'n duoliosbvr] jumj ttXeïov tmv yrjyjj.ij.x-iw xcci Qacpurxicóv, oCi [rn drriAtïri-i et; zbv ftxrjCküxv twv oxjpxvwj. (Mth. V : 20).

De Farizeesche eigengerechtigheid is eene kwaal, die hij voor ongeneeslijk houdt, daar immers de aangebodene geneesmiddelen moedwillig en hardnekkig door den lijder worden geweigerd. „Die gezond zijnquot; zegt hij, met bittere ironie, waarachter echter de smartelijkste weemoed verborgen ligt „de gezonden hebben den medicijnmeester niet van noode.quot;

Altijd zijn het de tollenaren en zondaren, tot wie hij zich aangetrokken gevoelt, de Magdalena's, voor wie hij zijn hart ontsluit, de vermoeiden en ge-

ocr page 274

266

brokeneu van hart, tot welke hij het troostwoord van zijn evangelie richt, de armen van geest, die hij zalig prijst en wien hij den ingang in het godsrijk voorspelt.

Eerst moet het komen tot een uit den diepsten grond des harten opwellend: „O God. wees mij zondaar genadig,quot; eerst moet eene van oprecht schuldbesef en innig berouw getuigende belijdenis van de lippen, als het „Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U, ik ben niet meer waardig uw kind genaamd te worden, maak mij als een uwer huurlingen,quot; eerst dan gevoelen we iets van die zaligheid der vreugde, waaraan de dichter met zulke gevoelvolle woorden uitdrukking gaf in het bekende kerklied;

„Hoe zalig Vader, is ons lot, Hoe onuitspreek'lijk 't heilgenot,

Dat bier uw kind mag smaken!

Nergens is dit zondaarsbewustzijn, dit besef van eigene zedelijke zwakheid, dit zonde- en schuldgevoel treffender en aangrijpender geteekend dan ia het wat rijkdom aan gedachte en diepte van gemoed aangaat, door niets geëvenaarde zevende en achtste hoofdstuk van den brief aan de Eomeinen, die, hoe overbekend zij ons zijn, toch altijd weer op nieuw even als eene boeiende sonate van beethoven de snaren van ons hart in trilling brengen. Ou yxp o d-slu) Tïotw dyxd-bv, xllx o ov d-éloy xxxóv toüto Ttpaiuiju). ei ès 'b cv MIm rovzo ttoiü), oó/.stl èyu zaTipyo-^cuar. ccvzo dllx ri ohoï/ax sv èfxoi xuxpvix. svpiaxco xpx tsv vbaov tm èpol tïolzvj zb v.y.Vov ozi éuoi zb

■/.x/.bv Tzxpxy.üzxC (7uyr.oou.xi. ydp tm vóum zov iïsoïi y.zzx zbv i(Tco xvamp;pwnevi piéizw §i êzepov vbjxov èv xctg fj.éltviv

ocr page 275

267

fwu aèvult;TTparevi[jLSVov zü vipu) roïi voóc, fj-ou /.ai Xwri£ovta fie tw vóaw T'n; dcpxp'ixi tw ovrt èw rot? uélslt;jiv fxo-j. TaXatrrwpo? èyw avd-pumi- ri? fie pvTzrai t/. rov (TtófAatog TOÜ ■3-xvmov TOUTOV ; X'*f3quot;= amp;SV Xpiuzói

i xvpioi -fip-üv. (sc. pucre-ai fxs; paulus sclirijft cTia Tflaoü x.. t. maar het is duidelijk, gelijk wij boven reeds aanstipten, dat hij in het vuur zijner rede onbewust van den actieveu in den passieven vorm overgaat, en dus een antwoord op de door hem zeiven gestelde vraag geeft, als had zij geluid: twos pvco^xi è* rsü x. t. /. Dit is dunkt mij bij eenig nadenken, de eenig juiste opvatting dezer woorden, die met den stijl van paultjs en zijne wijze van uitdrukking volkomen in overeenstemming is.) (Rom. Vii: 19—25.)

Deze door chbistüs den mensch aangebrachte verlossing wordt nu in het beroemde achtste hoofdstuk nader ontwikkeld, welks slotsom neerkomt op wat wij in vs. 15 lezen, dat de tsjvju.x Souleixq ei; tpó/3ov heeft moeten plaats maken voor den Trveü^a viod-saixg, èv « •/.pxCopsv 'A jS j3a o Tixzvip. Zietdaar het verlossingswerk door den heiland, don o-wr/ip -oü y.b(juov, tot stand gebracht, die als de roü dzov (niet in meta-physischen, maar in ethischen zin) de vioSmix den mensch openbaarde, den kindergeest in zijn hart wakker riep, den geest, waardoor hij het 'Ab ■Kxvhp kan stamelen. Dit geloof in God als onzen Vader was het, dat die wereldhistorische reorganisatie van den godsdienst ten gevolge had, welke aan het begin van onze jaartelling haren aanvang nam.

We merkten het echter reeds op: het eigenaardig kenmerkende van dit geloof bij jezps lag niet in de

ocr page 276

268

nieuwheid en oorspronkelijkheid van het denkbeeld; die gedachte toeh was èn bij andere volken, èn in het oude Israël meermalen reeds uitgesproken. Maar het lag in de wijze, waarop dat geloof door den stichter van het christendom als het hoofdbeginsel van zijnen godsdienst op den voorgrond werd geplaatst. Die gedachte, ja, zij was wel eens hier en daar, sporadisch in de ontwikkelings-geschiedenis van den menschelijken geest aan het daglicht gekomen, maar ze was ook telkens weer na eene kortstondige opflikkering ondergedoken in den stroom van polutheïstische en pantheïstische denkbeelden ginds, en van wettisch-mozaische beginselen elders. De heilige geest van eenen jezus was eerst in staat, om demenschheidtot het bewustzijn te brengen, dat hierin alleen het eigenlijk wezen van den waren godsdienst gelegen was. „Het menschenhartquot; zoo hoorde ik eens een begaafd, spreker (1) in eene leerrede zich uitdrukken „het menschenhart was voor jezus als een palimpsest: van het onechte schrift werd het door hem gezuiverd, en na verwijdering van die bovenste laag kwam het oorspronkelijke , echte handschrift, n.1. de door God zeiven in het menschelijk hart geschreven Vadernaam weder te voorschijn.quot; „Het onuitsprekelijk woord stond in het hart geschreven — en Christus gaf er klanken aan!quot;

Het zou een onbegonnen werk zijn om hier te willen in 't licht stellen, hoe jezus dit geloof in God als den Hemelvader in de harten van al zijne hoorders en volgelingen heeft doen ontwaken. Wij zouden hier-

1

Het was Dr. W. franckêk Az.

ocr page 277

269

toe bijna den geheelen inhoud der vier evangeliën moeten bespreken. Schier in elk woord straalt zijn geloof in die innig liefdevolle betrekking tot den Vader door. Reeds als twaalfjarige knaap moest hij zijn „in de dingen zijns Vadersquot;, en stervende aan het kruis was nog zijn laatste woord: „Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot; De Zoon en de Vader —- zij zijn één; de wil Zijns Vaders is ook zijn wil. Wordt hij van de menschen verlaten, nemen zijne leerlingen de vlucht, wordt hij verloochend door zijnen trouw-sten vriend, verraden door eenen discipel, laat men hem alleen op den bangen kruisweg — nogthans is hij niet alleen, want de Vader is met hem. „Ik in den Vader en de Vader in mijquot; dat is het woord waarmede hij voor ons het geheim heeft ontsluierd van die geloofskracht, die de wereld heeft overwonnen.

Zijn geheele leven was eene voortdurende gemeenschap met den Vader. Niet alleen als hij in de eenzaamheid vertoefde, als hij de schare ontweek en eenen berg beklom om te bidden — maar altijd, ook te Jeruzalem op de hooge feestdagen zich bewegend onder de ontelbare menschenmassa; ook als hij omgeven was door de ruwe krijgsbende, die hem gevangen nam; ook toen hij ten aanzien van de door de farizeërs en hunne handlangers opgezweepte volksmenigte voor het rechthuis van den Romeinschen landvoogd werd gegeeseld; ook wanneer hij straks gehoond, bespot, gelasterd en gesmaad, met schimp en schande overdekt, gebogen onder den last van het kruis wordt weggevoerd naar den Calvarienberg om daar te worden vastgenageld aan het vloekhout, om er onder de gods-

ocr page 278

270

lasteringen en de geestigheden der voorbijgangers den doodsnik te geven — overal en altijd draagt hij Gods Vaderliefde in het hart en weet hij zich gedragen door de eeuwige liefde van zijnen Hemelvader.

En waar zoo zijn leven het sprekendst getuigenis aflegde van die innige gemeenschap met zijnen Vader — daar, —hoe kon het anders? — hadden ook al zijne woorden de strekking om hot geloof in de vaderlijke liefde van God in de harten zijner hoorders te doen ontwaken, aan te kweeken en te bevestigen. Geen breedvoerige vertoogen omtrent het bestaan van dien God, dien hij als Vader vereerde en aanbad — jezüs wist te goed, dat geen afgetrokken redeneering of wijsgeerige bespiegeling ooit in staat is den mensch tot geloof te brengen, — neen, maar krachtige, en tot in de diepte van 't gemoed doordringende taal was het, waarin hij de menschen opwekte tot gemeenschapsoefening met den God der liefde. Niet gelijk de schriftgeleerden, maar als machthebbende sprak hij.

Behalve de gelijkenissen, de langere gesprekken bij johannes, de z. g. afscheidsredenen en andere schriftpericopen komt hier vooral als eene proeve van jezcts' evangelieprediking die onvergelijkelijk schoone, den Heiligen Geest ademende bergrede in aanmerking. „Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden, Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. —Wat zijt gij bezorgd voor uw leven wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij ukleedenzult — is het leven, niet meer dan het voedsel, en het lichaam

ocr page 279

271

dan de kleeding? Aanschouwt de vogelen des hemels: zij zaaien niet, zij maaien niet, noch verzamelen in de schuren — uw hemelsche Vader voedt nochthans

dezelve — gaat gij ze niet ver te boven!____ Zoekt

dan eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.quot;

Maar vooral dient hier onze aandacht te worden gevestigd op die bede om heiliging van Gods Vadernaam, waaraan men, omdat zij alles bevat, wat den mensch op zuiver religieus standpunt bidden kan, den naam van het volmaakte gebed heeft gegeven. De bede om „heiliging van Gods Vadernaamquot; noemde ik dit heilandsgebed, omdat in deze eerste bede de volgende beden om geestelijke gaven liggen opgesloten, en deze geen andere strekking hebben, dan om de eerste in vervulling te doen gaan. Door de komst van Gods Koninkrijk, door het volbrengen van Gods wil, door de vergeving van onze schulden, en de ten gevolge daarvan bij ons gewekte schuldvergeving jegens anderen, door het wegnemen van de aanleiding tot het kwade en de daardoor in ons tot stand gebrachte algeheele verlossing van de macht der zonde — door dit alles wordt Gods Vadernaam geheiligd.

Het trekt hierbij onze aandacht, dat de drie laatste beden om geestelijke levensgoederen betrekking hebben op den mensch, de drie eerste daarentegen op de verheerlijking van God, terwijl de overgang gevormd wordt door de eenige bede van materieelen aard, de onmisbare voorwaarde voor de instandhouding van het menschlijk leven. Opmerking verdient voorts, dat tusschen de beide drietallen

ocr page 280

272

eene onderlinge harmonie heersclit, welke niet te miskennen valt. De derde staat in appositie tot de tweede, want door het volbrengen van den wil van God komt het Koninkrijk van God! Evenzoo staat weder de tweede in dezelfde verhouding tot de eerste, want de vestiging van het godsrijk is — heiliging van Gods naam, vereering van den Vader, die in de hemelen is.

Een niet minder nauw verband is het, waardoor ook de drie laatste beden aan elkander zijn verbonden. Wel beschouwd zijn ook deze drie slechts ééne bede. Was de verheerlijking van Gods vadernaam inhoud der drie eerste — bevrijding, verlossing van zonde is strekking der drie laatste beden. De laatste is ingegeven door de tweede, en do tweede door de eerste. „Vergeef ons onze schuldenquot; luidt de eerste bede; maar wat baat ons de vergiffenis van het bedreven kwaad, wanneer wij terstond weer tot nieuwe zouden vervallen ? Daarom — de uitwendige aanleiding tot zonde, de verzoeking, moet worden weggenomen: „leidt ons niet in verzoeking.quot; Maar ook dat wegnemen van de verzoeking, die slechts van buiten af tot ons komt, helpt ons niet, zoolang de verleiding in ons eigen binnenst blijft bestaan, zoolang onze natuur zondig blijft, en wij door onze eigene begeerlijkheden, door onze verkeerde neigingen en booze hartstochten tot het kwade worden verlokt. En derhalve — wij moeten geheel van het zondig beginsel worden verlost, het kwaad moet met den wortel worden uitgeroeid: „Verlos ons van het boozequot; (toü mvrjpov, onzijdig, en niet metonymisch voor SidfioMv)

ocr page 281

273

is de laatste bede. En gelijk beide reeksen uit nauw aan elkander verwante gedachten bestaan, zoo staan ze ook samen in 't nauwste verband tot elkaar. Het geloof in Gods Vaderliefde toeh, 't welk de hoofdgedachte van de drie eerste beden vormt, is het geloof in de vergevende zondaarsliefde van God, dat zich in de drie laatste beden uitspreekt. En eindelijk, gelijk de idee van het Koninkrijk' Gods het leidend beginsel is van de geheele gedaehtenreeks — zoo besluit het „Onze Vaderquot; ook met de gedachte van het gods-rijk in eene doxologie, even verheven en majestueus, als innig vroom, aangrijpend bezielend en stichtend; al mag niet worden verzwegen, dat op kritisch-exe-getische gronden deze slotwoorden als eene interpolatie van later dagteekening moet worden beschouwd.

En hiermede wensehen we van de tweede idee des Koninkrijks af te stappen om ten slotte nog iets in 't midden te brengen over de derde en laatste idee, die wij op grond van kant's systeem der Transcen-dentaal-Philosophie de „kosmologischequot; noemden.

i8

ocr page 282

§ 18.

HET GELOOF IN DE MENSCHENWEEELD ALS EEN GODSRIJK OF HET GELOOF

IN DEN HEILIGEN GEEST: DE KOSMOLOGISCHE IDEE VAN HET KONINKRIJK GODS.

Het derde artikel van ons christelijk godsdienstig geloof is, wat wij noemden de kosmologische idee van het Godsrijk. Den oningewijde moet het zeker iet of wat vreemd in de ooren klinken, dat wij het geloof in den Heiligen Geest gelijk stellen met het geloof in de kosmologische idee der fixaihia^ Oppervlakkig beschouwd zou men meenen, dat er weinig verband kan bestaan tusschen de voorstelling van den Heiligen Geest en de kosmologische idee. En toch is de zaak alles behalve ingewikkeld er voor ieder, die nadenkt, gemakkelijk te begrijpen. Zetten we ons dus tot de nadere ontwikkeling van de in het hierboven geplaatste opschrift besloten denkbeelden.

Alle godsdienstig geloof is niet slechts een geloof in ons zeiven en in God, maar evenzeer een geloof in de menschenwereld. Misschien zal men ook hier,

ocr page 283

275

even als bij de ontwikkeling der psychologische idee, de bedenking willen maken, dat er tusschen het geloof in God en dat in de geestelijke wereld een soortelijk verschil bestaat, en dat zij dus niet met elkander op ééne lijn zijn te plaatsen, dat zij niet aan elkaar gecoördineerd mogen worden, maar het eene als aan het andere gesubordineerd moet worden voorgesteld. Het verschil toch, zal men mij wellicht willen toevoegen, is dit, dat bij de kosmologische idee het object, waarop zij betrekking heeft of het substraat, dat aan haar ten gronde ligt, nl. de kosmos, gegeven is, en het bestaan hiervan dus geen voorwerp des twijfels zijn kan; terwijl het ons tea opzichte van de theologische idee juist om het bestaan van een aan haar beantwoordend object, nl. om het bestaan van God, te doen is.

Deze bedenking echter schijnt gewichtiger dan zij is. Het bestaan van God toch, als men dien naam in geheel algemeenen zin opvat en daarbij niet denkt aan wat wij christenen er onder verstaan, een Liefdewezen, eenen Hemelvader, maar enkel en alleen de scheppende kracht, die het heelal te voorschijn riep, de laatste grond van al het bestaande — dit bestaan kan door geen met verstand en rede begaafd sterveling worden in twijfel getrokken. Men kan zich zeiven diets maken, dat men het bestaan van den Schepper aller dingen ontkent, maar men zou dan aan het denken zelf het zwijgen moeten opleggen, ja meer — men zou (gesteld dat het een mensch mogelijk ware) eenen geestelijken en, gelijk ons gebleken is, zelfs eenen zedelijken zelfmoord moeten plegen. Dit

is*

ocr page 284

276

vooreerst; maar ten andere is het ook niets dan gedachteloosheid, wanneer men beweert, dat het object der kosmologische idee ons gegeven is. Dit is hier evenmin het geval als bij de anthropologische idee. Ik wil mij hier niet eens beroepen op het reeds door ons genoemd argument, dat de geestelijke kosmos, die binnen het bereik valt van onzen intelleetueelen gezichtskring in verhouding tot den werkelijken kosmos, die de absolute totaliteit bevat van het rijk des geestes, staat als een onzichtbaar punt staat tot eene in 't oneindige verlengde lijn. Men zou dan wellicht nog willen blijven volhouden, dat hoe onmetelijk en ondenkbaar groot het verschil tusschen den ons bekenden en den door ons gepostuleerden kosmos ook zij, het toch altijd een quantitatief en geen qualitatief verschil is.

Neen, mijne bewering gaat veel verder; zij bedoelt n.1., dat de geestelijke wereld, die als een postulaat van de practische rede voorwerp is van ons religieus geloof, inderdaad niet als reeds bestaande door ons kan worden waargenomen; (ik denk hier natuurlijk aan eene apperceptie door middel van ons geestelijk waarnemingsvermogen.) De menschheid is geen godsrijk, en zij kan dat in den zinnelijken bestaansvorm, waaraan zij hier op aarde blijft gebonden, ook nooit worden. De maatschappelijke toestanden, waarin wij hier verkeeren, staan veelal in het schrilste contrast tegenover de idealen van ons religieus geloof. Waarlijk, het is op verre na geen misanthropisch pessimisme, waaruit deze overtuiging wordt geboren, maar het is eenvoudig de erkenning der naakte werkelijkheid; het is eene overtuiging gebaseerd op de

ocr page 285

277

objectieve, door geene subjectieve invloeden belemmerde of verduisterde waarneming van den feitelijkeu toestand.

Als we letten op al het egoïsme, het eigenbelang en de zelfzucht, waardoor de menschen over 't algemeen zich laten leiden, op al de gemaaktheid, de geveinsdheid en de onwaarheid, die het maatschappelijk leven onder alle standen en rangen kenmerken; als we zien op de oneerlijke praktijken en de met de zedelijkheid strijdige beginselen, die in den handel, het rechtswezen en de staatkunde worden geduld niet aleen, maar die daar worden gehuldigd en er algemeen burgerrecht hebben verkregen; als wij onze oogen niet sluiten voor het lage peil van zedelijkheid, waarop de meeste menschen zich bevinden, op het bedrog, de leugen, den laster en de kwaadsprekendheid, die den vrede en het geluk verbannen zoowel uit het leven in de groote menschenmaatschappij, als uit het leven in den huislijken kring, die de natuurlijke banden verbreken tusschen ouders en kinderen, broeders en zusters, man en vrouw; als wij den blik slaan op al de boosheid en verkeerdheid, de slechtheid en bedorvenheid, op al de laagzinnelijke driften, de woeste hartstochten, de booze lusten, die er woelen in de harten der menschen; als wij onze aandacht vestigen op de droevige tooneelen, die het volksleven in onze groote steden dag aan dag te aanschouwen geven als .de diep rampzalige gevolgen van den al-kohol; als wij denken aan al de drankhuizen en bor-deelen, die er dagelijks gevuld worden door individuen, wier lichamelijke, weerzinwekkende toestand slechts

ocr page 286

278

do natuurgetrouwe pliotografie is van hunne geestelijke verwaarloozing en hunne zedelijke verwildering; als wij te rade gaan met den algemeenen politieken toestand der volken, die allen tot de tanden toe gewapend zijn, omdat de vrede onderling alleen kan worden gewaarborgd en het uitbreken van den oorlog alleen kan worden tegengehouden door eene algemeene mobilisatie; als wij over deze wapenrusting der menschheid wat dieper nadenken en ons voor den geest brengen, van welk een laag zedelijk gehalte eene menschenmaatschappij toch eigenlijk in den grond der zaak is, die haar vernuft en vindingrijkheid hiertoe aanwendt om werktuigen te vervaardigen, welke op de gerieflijkste en handigste wijze den medemenseh om het leven kunnen brengen, werktuigen, (men denke aan de Crupp-kanonnen en torpedo's en al de nieuwe uitvindingen op het gebied van den krijgsdienst, tot welke het gebruik van het dynamiet hebben geleid) werktuigen, om in den kortst mogelijken tijd de grootst mogelijke menschen-massa te kunnen vermoorden; als wij er ons eens goed in verdiepen, hoe wraakgierig, hoe wreedaardig, hoe bloeddorstig eene menschheid toch eigenlijk is, die dat moorden en doodslaan van anderen en dat nog wel van dezulken, tusschen welke persoonlijk geen enkele veete bestaat, en die ieder voor zich geene enkele grief tegen den anderen zouden kunnen inbrengen, die, zeg ik, zulk eenen algemeenen broedermoord niet alleen niet verafschuwt en als het walgelijkste en afgrijslijkste, wat zij kent, verfoeit, maar zelfs onder omstandigheden volkomen goedkeurt en billijkt, ja zelfs beschouwt als eene

ocr page 287

279

zaak, die in onze maatschappelijke orde volmaakt te huis behoort, en daarom eeuw in eeuw uit voortgaat met zich te bekwamen en te volmaken in de kunst van het menschenmoorden; als wij al deze en nog onnoemelijk vele andere dingen wel en ernstig overwegen — dan behoort er toch, dunkt mij, moed toe, om te durven beweren, dat wij het godsrijk ooit op aarde gerealiseerd kunnen zien, het godsrijk, dat zuivere, reine, heilige liefde tot God, den naaste en ons zeiven (nl. tot ons zedelijk ideaal) als het eenig beginsel van ons leven en streven, als het eenig richtsnoer van onzen handel en wandel wil geëerbiedigd zien; het godsrijk, dat alle menschen wil beschouwd hebben als door den heiligsten liefdeband verbondene broeders en zusters, als zonen en doch-teren in Gods Vaderhuis!

Het is dus, om terug te keeren tot ons punt van uitgang, met de kosmologische idee niet anders gesteld dan met de theologische, — ook zij is voorwerp van g e 1 o o f, en niet van aanschouwen. Wat voorts het soortelijk en specifiek verschil betreft, dat men tusschen beide ideën meende te hebben opgemerkt, het verschil, dat men zich bij de eene van haar object kan overtuigen en bij de andere niet — het is inderdaad niet aanwezig: alle drie tracscendentale ideën moeten in geheel denzelfden zin en in gelijke mate als postulaten van het ethisch-religiens geloof worden beschouwd.

Het godsdienstig geloof is dus altijd zoowel geloof in ons zeiven, als in God, als ook in de geestelijke wereld; en het evangelie van het koninkrijk Gods

ocr page 288

280

heeft tot inhoud het geloof, dat God onze Vader is, dat wij Gods kinderen, en dat alle menschen als onze broeders en zusters leden zijn van het geestelijk rijk der Liefde.

Is dit laatste artikel naar eisch door ons in 't licht gesteld, dan hebben we hiermede hetgeheelegebouw van onze christelijke geloofsbelijdenis voltooid en den algeheelen en vollen inhoud van ons christelijk-religieus geloof leeren kennen.

Meer objecten van ons geloof zijn er niet, want er bestaan niet meer transcendentale ideën dan de psychologische (of anthropologische), de theologische en de kosmologische idee. Allo andere godsdienstige waarheden moeten zich tot deze drie geloofsvoorwer-pen laten herleiden en moeten in dit drievoudig geloof opgesloten zijn; daarentegen moet elke meening of voorstelling , van welke het verband en de samenhang met deze drie ideën niet kan worden aangetoond, óf als eene voor het zuiver religieus geloot* onverschillige, óf als eene voor dat geloof schadelijke en gevaarlijke meening van het gebied der religie worden gebannen. Het geloof b. v. aan wonderen in contra-natureelen zin (en hieronder moeten de meeste bijbelsche wonderverhalen worden gerangschikt) moet worden aangemerkt als behoorende, 't zij tot de eerste categorie , die der adiaphora, 't zij tot de laatste n.1. als de ware religie verontreinigend en bezoedelend bijgeloof.

Zal men mij soms gaan verwijten, dat de door mij voorgedragen zienswijze en de hier ontwikkelde denkbeelden eene subjectieve, persoonlijke opvatting der zaak is, en dat ik mijne eigene meening aan de

ocr page 289

281

leer der N. T.ische schrijvers opdring? Ik verwacht van ja; het zou eene bedenkelijke onkunde verraden ten opzichte van den strijd en de verdeeldheid in de theologische wereld, indien ik mij te dezen aanzien schoone illusiën voorspiegelde. Het conservatisme is te veel met sommiger wereld- en levensbeschouwing saamgeweven en vastgegroeid, dan dat men hier veel vrome wenschen zou mogen koesteren. Van hen echter, die den historischen ontwikkelingsgang der religieuse bewustheid ook van onze dagen hebben medegemaakt , die het zuiveringsproces, dat sedert de laatste decenniën het godsdienstig geloof der beschaafde wereld heeft ondergaan, ook in hunne eigene godsdienstige overtuiging hebben laten tot stand komen — van hen verwacht ik een beter en degelijker beoordeeling. De poging toch, die ik heb gedaan, was, om den geloofsinhoud van den christelijken godsdienst in overeenstemming te brengen met het tegenwoordig standpunt van de godsdienst-wijsbegeerte; waarbij ik mij aansloot aan mannen als hoekstra, kauwenhofp, lipsius en zoovele anderen, en waarbij ik tot uitgangspunt koos het systeem van den grootsten Eeli-gionsfilosoof van den nieuweren tijd.

Dat in het N. T. van geene transcendentale ideën wordt gesproken — kan dus geen verstandig mensch als een argument willen bezigen, om mijne religieuse denkbeelden als niet-evangelisch en niet-christelijk te veroordeelen. Wilde men het laatste op goede gronden doen, dan zou men moeten aantoonen, dat in de leer van jezüs en de apostelen het drievoudig geloof in God, ons zeiven en den naaste niet werd gevonden, en dat

ocr page 290

282

het centraalbegrip en de fundamenteele gedachte des evangelies niet gelegen ware in het geloof aan Gods Vaderliefde, het geloof in het eigen kindschap Gods en het geloof in der menschheid bestemming voor het godsrijk; een ondernemen, waaraan zich niet licht een christen-theoloog zal wagen. Ik wil er mij gaarne van laten overtuigen, dat ik feilen heb begaan en dat mijn werk leemten en gebreken aankleven; maar — wat ik reeds heb gezegd en nogmaals wil herhalen — dat men mijn hoofdbeginsel en mijne grondgedachte als foutief zal kunnen verwerpen en daarmede het door mij opgetrokken gebouw ook maar met eenigen schijn van recht zal kunnen omver halen — dat behoef ik niet te vreezen.

Het godsdienstig geloof qua talis is het door mij omschreven drievoudig geloof; niets meer, maar ook niets minder. Meer gelooven kan ik niet, maar minder gelooven mag ik niet. En dat ik dit drievoudig geloof, zooals het door het christendom wordt gepredikt, den inhoud noem ven het evangelie van het godsrijk — waarlijk, wie zou kunnen beweren, dat dit eene willekeurige en subjectieve voorstelling der zaak is ? De wezenlijke inhoud van het christelijk-religieus geloof is immers de leer van het Koninkrijk Gods! Als nu dit geloof — wat men mij na al het gezegde wel zal willen toegeven — neerkomt op het geloof, dat God mijn Vader is, dat ik Gods kind ben, en al mijne medemenschen mijne mededeelgenooten zijn in die goddelijke Liefde, dan — het spreekt immers van zelf — moet dit ook de hoofdgedachte zijn van het evangelie der ftxailüx? En dus één van beide: óf

ocr page 291

28S

men toone aan, dat de religie in 't algemeen en de christelijke in 't bijzonder niet de drie ideën der rede tot geloofsobjecten heeft; óf, als men dit niet vermag — en dat men het niet vermag, is boven alle bedenking verheven — dan erkenne men, dat wij de quaestie zuiver gesteld hebben, en met het volste recht de drie transcendentale ideën in het eigenaardig licht van evangelie en christendom, de hoofdmomenten der leer van de [ixailsix roü -d-sov hebben genoemd.

Ook bij de door ons gemaakte distinctie tusschen de psychologische idee en de kosmologische idee van het godsrijk mogen we ons op den synoptischen jezüs en vele andere N.T.ische uitspraken beroepen, 't Is nl. dezelfde onderscheiding als welke in de evangeliën wordt gemaakt tusschen „het Koninkrijk Gods, dat binnen in ons is,quot; en het godsrijk in collectieven zin, als een rijk, dat door de gestadige ontwikkeling der menschen in ethisch-religieus opzicht eenmaal tot stand moet komen (zij het ook niet hier op aarde, dan toch in een volgend, hooger leven), als een rijk dus, waarvan men lid moet worden en dat men moet trachten in te gaan. Deze tweeledige beteekenis van de fiaailzix in de geschriften van het Nieuwe Testament treedt overal duidelijk aan het licht. De eene maal is het eene kracht, een beginsel, eene levenskiem, die in ons hart verborgen ligt, die als een goddelijke hemelsprank in het binnenst heiligdom van ons gemoed is neergelegd; de andere maal daarentegen is het een werkelijk rijk. De eene maal is het gebezigd in pontentieelen, de andere maal in realen zin; de eene maal wordt de liefde tot God

ocr page 292

284

en zijn rijk, en dus het beginsel des koninkrijks per metonymiam voor het rijk zelf gebezigd (even als wij b. v. van hem die uit liefde voor zijn vaderland zijn leven ten offer bracht, zullen zeggen, dat hij zijn vaderland in het hart droeg); de andere maal wordt het gebruikt in de oorspronkelijke beteekenis van het woord als het rijk, dat door dit beginsel der godsdienstige liefde moet worden gevestigd.

Onder de kosmologische idee in religieusen zin wordt natuurlijk de immaterieele kosmos, de geestelijke wereld verstaan, en 't is duidelijk, dat wij ook bij het godsrijk niet uitsluitend aan de mensehen-wereld, maar aan een rijk des geestes hebben te denken, waarvan de bewoners van onze planeet slechts een zeer klein deel uitmaken. Alle geestelijke wezens, die de millioenen hemelbollen bewonen, zijn zeker door God bestemd om deel te hebben aan zijn koninkrijk. Ook de engelen, waarvan jbzus in de synoptische evangeliën gewaagt, ook de menigte des hemelschen heirlegers zijn leden van het koninkrijk der hemelen.

Dit absoluut universeel karakter van het godsrijk, dat niet, als ik mij eens van een modern woord mag bedienen slechts internationaal d. i. alle natiën en volken der aarde onder zich vereenigend is — maar het geheele universum en al zijn bewoners omvat, moet wel door ons worden in 't oog gehouden. Velen, die het anthropocentrisch standpunt in de natuur- en sterrekunde hebben overwonnen, blijven het innemen in den godsdienst. Wonderlijke inconsequentie! Het is do oude Joodsch-exclusivistische zuurdeesem, die

ocr page 293

283

nog altijd in het christendom voortwerkt, en die jezüs wel niet tot eenen nationalen, maar toch tot eenen theoeratischen messiaskoning maakt, door hem voor te stellen als den goddelijken repraesentant, als den Koning in het Koninkrijk van God. Staat deze jEzcrs-dienst, deze goddelijke vereering en aanbidding van den stichter des Christendoms in't wezen der zaak wel veel hooger dan de Roomsche Mariadienst, die in aanbidding nederknielt voor de moeder Godsl

Is dus het godsrijk in ruimeren zin volstrekt universeel — in engeren zin mogen wij de kosmologische idee der fixadsix noemen: het geloof in de menschenwereld als een rijk van God. In deze afgeleide beteekenis zijn wij gewoon, het woord „wereldquot; te gebruiken. Zoo spreken wij van eene wereld-geschiedenis, als wij bedoelen de geschiedenis der „menschheidquot;; zoo spreken we van eene wereldtaal, van eene wereldkaart, waar wij niets anders op 't oog hebben dan onze planeet en hare bewoners.

Het geloof in de menschheid als een godsrijk is dus het derde geloofsartikel van het evangelie der (iavnlda toö Bioj; en wij beweerden, dat dit geloof hetzelfde was als wat in het N. T. wordt genoemd: het geloof in den Heiligen Geest. De defensie van deze stelling kan mij niet moeilijker vallen dan die der boven verdedigde: dat het geloof in ons zeiven als Gods kind de wezenlijke inhoud is van wat in de taal des bijbels wordt genoemd „het geloof in den Zoon van God.quot;

Wat is de miD[xx «ytov van het N. T. ? Wat anders dan de geest, waardoor het godsrijk

ocr page 294

286

moet tot stand komen? „Want zoovelen dooiden Geest Gods geleid zijn, die zijn kinderen Godsquot;, „de Geest is het, die levend maaktquot; (paulus). „Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest — hij zal het Koninkrijk Gods niet ingaanquot; (joannes). „De Geest getuigt met onzen Geest, dat wij kinderen Gods zijnquot; (vgl. 1 Cor. XII; 4—11 over de werking des H. G's.). „De vruchten des Geestes zijn liefde, blijdschap , vrede.... indien wij door den Geest leven — laat ons door den Geest wandelenquot;; „door den Geest hebben wij toegang tot den Vaderquot; (Ef. en Corinth.). „De geest, die zal U in alles onderwijzenquot; (Joh. XIV: 26) „De heilige geest zal over U komenquot; (Lc. I : 35j. „Deze, nl. de cheistfs, zal U met den heiligen Geest doopenquot; (Lc. Ill: 16). „De Vader zal zijnen Heiligen Geest geven een iegelijk die Hem daarom bidtquot; (Lc. XI: 13) — uit al deze plaatsen, gemakkelijk met tal van andere te vermeerderen, blijkt, dat wij onder den Heiligen geest die kracht, dat beginsel hebben te verstaan, waardoor het Koninkrijk moet worden gesticht en gevestigd.

De Heilige Geest is de Geest van God, de geest der heiligheid; het godsrijk, het rijk des geestes, is het rijk, waarin die Geest van God, die Heilige Geest het heerschend beginsel is. Door de werking des Heiligen Geestes, door den Heiligen Geest als 'ansa officieus moet derhalve de (ixaihix züv o-jpxi/mv worden gegrond, daardoor moet zij zich uitbreiden — daardoor eindelijk hare algeheele voltooiing tot stand brengen.

Evenmin als ik het zooeven noodig achtte om het

ocr page 295

387

geloof aan den Zoon van God, als aan eene afzonderlijk nevens den Vader bestaande goddelijke persoonlijkheid, opzettelijk te gaan bestrijden, evenmin kan ik er eenig belang in zien, om thans het geloof aan het persoonlijk bestaan van den Heiligen Geest of het leerstnk van de triniteitquot; te weerleggen.

Het geloof aan eenen God Vader, God Zoon en God Heiligen Geest, alle drie als werkelijke personen, alle drie als waarlijk God gedacht — is bij mij tri-theisme. Beschouwt men daarentegen den Heiligen Geest als den éénen goddelijken geest van Vader en Zoon — dan behoudt men bij erkenning van de goddelijke natuur van jezus altijd twee goden, en is het christendom bitheisme. Beide tritheisme en bitheisme moeten met den wortel worden uitgerukt uit den chris-telijken bodem. Voordat echter de menschheid zoover is in hare religieuse ontwikkeling zal er nog veel tijd moeten verloopen. Duizenden en millioenen in den schoot der christelijke kerk, vooral natuurlijk bij de Eoomsch Catholieken, die dit in den grond geheel heidensch bijgeloof huldigen! Menschvergoding, twee-en drie-godendom, ja zelfs het Polutheisme, als men de maeia-vereering en den heiligencultus hiertoe mag rekenen, — dat alles vinden wij nog heden ten dage in het christendom! Als een welig tierende woekerplant zien wij dit onkruid allerwege op den vruchtbaren bodem van onzen godsdienst den groei en den wasdom van het door jezds in den menschlijken akker uitgestrooide goede zaad tegenhouden en belemmeren.

De Heilige Geest is de werkende kracht, waardoor het godsrijk tot stand komt. Het spreekt van

ocr page 296

288

zelf, dat wij hierbij in de verte niet denken aan de oud-supranaturalistische voorstelling, alsof op een gegeven oogenblik, in een bepaald punt des tijds de Heilige Geest werd uitgestort op de te Jeruzalem vergaderde apostelscbare, en zoo met de stichting van de christelijke kerk, welke men beschouwt als den verschijningsvorm van het godsrijk — ook dit laatste op aarde zou zijn gegrondvest. Wij moeten geheel breken met de traditioneele opvatting, als zou dat Koninkrijk Gods, dat inhoud is van onze godsdienst-prediking en voorwerp van ons godsdienstig geloof—■ eerst met en door de verschijning van jezus in de wereld zijn gekomen. Neen potentieel was het godsrijk — wie zou het als eerlijk beoefenaar der wetenschap durven ontkennen? — evenzeer in eenen socbates, toen hij, de edele en wijze leeraar der jeugd, tot loon voor zijn deugdzaam en menschlievend streven tot den giftbeker veroordeeld, met fleren heldenmoed, met onwankelbaar geloofsvertrouwen en in de hope des beteren levens de doodstraf onderging. Wie zou zich durven vermeten, om de kiem van het godsrijk te ontzeggen aan eenen aeistoteles en eenen plato, aan eenen confucius en gautama , om van eenen mozes en al de godsmannen en profeten van Israël niet eens te spreken! Waarlijk, men moet al eene zeer oppervlakkige kennis hebben van de geschiedenis der mensch-heid en eene zeer bekrompene opvatting van den godsdienst, als men kan wanen, dat eerst met onze christelijke jaartelling het Koninkrijk Gods op aarde eenen aanvang nam, en dat de Heilige Geest vóór

ocr page 297

289

de geboorte van jezus als een deus otiosus moet worden aangemerkt.

Het Koninkrijk van God komt tot stand dooide werking van den Geest Gods. Wij menschen zijn naar de treffende uitspraak van den grooten heidenapostel slechts Gods medewerkers, maar het godsrijk vestigen doen niet wij, maar — God zelf. Gods Heilige Geest is het, die zoowel in het hart van elk menschelijk individu, als ook in de collectieve menschheid als een geheel zijn Koninkrijk opricht. De menschheid is Gods akkerwerk; het levensbeginsel, het goddelijk zaad, kan niet van den mensch afkomstig zijn; God is het, die den geestelijken menschenakker van de vruchtbare levenskiem voorziet , die den regen geeft en Zijn zonnelicht doet schijnen, die de groeikracht en de voor de levensontwikkeling onmisbare elementen in den bodem neerlegt — God is het, die doet ontkiemen en ontspruiten, die doet groeien en wassen, die doet bloeien en vrucht dragen — dertig, zestig, honderdvoud (Matth. XHI, Lc. VIH). Een paulus , een kephas , een apollos — zij kunnen slechts planten en nat maken — maar God moet den wasdom geven. „Weet gij het nietquot;, zoo schrijft de eerste aan zijne gemeente te Corinthe, „weet gij het niet, dat gij een tempel Gods zijt, en dat de Geest Gods in u woont?quot; (vgl. 1 Cor. III het geheele hoofdstuk.)

De veroorzakende kracht, het middel, waardoor de [iaTiAiix bewerkt wordt, is de Heilige Geest; en daarom is het geloof in de menschheid als een gods-rijk slechts eene andere benaming voor hetgeen de

19

ocr page 298

290

N. T.ische schrijvers noemen het geloof in den Heiligen Geest. Gelooft men niet, dat de H. G. in de menschheid werkt — dan gelooft men ook niet in het Koninkrijk Gods. Het eene is met het andere onafscheidelijk verbonden. Men kan, als men dit althans niet zinnelijk, maar zinnebeeldig opvat, de [iaaileia den verschijningsvorm noemen van den Heiligen Geest: overal, waar de kiem van het godsrijk valt waar te nemen, daar treedt de werking van den H. Geest aan 't licht. Het Koninkrijk van God is de openbaring van den Heiligen Geest.

Het geloof in het godsrijk is dus in de derde plaats het geloof in de door den Heiligen Geest bezielde menschheid. Was de theologische idee der leer van het Koninkrijk Gods gelegen in het geloof in God als onzen Vader, de anthropologische (of psychologische) idee in 't geloof in ons zeiven als kind van God of in den Zoon van God — de kosmologische idee ligt in het geloof in de menschenwereld als een geestelijk rijk van God of in den Heiligen Geest. Deze deductie van de leer van 't Koninkrijk der hemelen tot de drie transcendentale ideën of grondwaarheden van de religie en de identificeering van deze laatste met het geloof in Vader, Zoon en Heiligen Geest is, ik herhaal het met nadruk, niet maar eene willekeurige schrift-interpretatie of eene subjectieve opvatting van de godsdienst-wijsbegeerte — maar zij wordt ons door de uitspraken van 't N. T. omtrent de [ixTilzix van zelf aan de hand gegeven en is een volkomen wettig en op allezins betrouwbare gronden gewaarborgd resultaat van de op het systeem der

ocr page 299

291

critische wijsbegeerte gebaseerde Eeligionsfilosofie. God, onze onsterfelijke ziel en de menschenwereld als een geestelijk rijk van God — ziedaar de drie objecten van ons godsdienstig geloof; al het meerdere als inhoud van ons geloof is bijgeloof, al het mindere ongeloof! Op meer transcendentale ideën kan ons geloof geene betrekking hebben, want die zijn er niet; heeft het op eene der genoemde ideën geene betrekking, dan is het defect en geen geloof in het Koninkrijk Gods.

Het geloof in God, ons zeiven en onze mede-menschen is eene drie-éénheid in den waren zin des woords. Erken ik één van deze drie geloofsartikelen, dan erken ik ook de beide andere. In God te geloovenquot; zonder tevens in mij zeiven en in mijnen naaste te gelooven is mij eenvoudig onmogelijk. Het geloof in den Vader, het werd reeds gezegd, is het geloof in het kindschap Gods zoowel ten opzichte van mij zeiven als van al mijne medemensehen; het geloof in den Vader is slechts de keerzijde van het geloof in den Zoon en in den Heiligen Geest.

Ook het laatste: het geloof in mijne medemen-schen is niet minder een integreerend bestanddeel van het geloof in het godsrijk als de beide eerste geloofswaarheden. Zooals wij zeiden: eene godsdienstige geloofsovertuiging, waarin dit wordt gemist, is nóch christelijk, nóch in 't algemeen religieus te noemen. Een van de grondbeginselen van het christendom, is dan ook de leer omtrent de oneindige waarde van iedere menschenziel. Met nadruk wordt het telkens door jezus op den voorgrond gesteld. De wereldhervormende kracht van het evangelie schuilt

19*

ocr page 300

292

juist in dit universeele uitgangspunt, in de kosmologische idee van de Pxethix. Het eOayyéhov was gelegen in de zalige boodschap van de s'jsc/yehamp;uévuiv dyyzkwj (eene allitteratie, die in 't Nederlandsch niet is weer te geven, cf. Lc. 11; 10), in dien heerlijken engelenzang „Aó|a Sew: èv duSpèmis südoy.taquot;(Lc.U: 14). Geloof in onze medemenschen in den ruimsten zin des woords is eene bepaald onmisbare levensvoorwaarde voor ons. Zonder dit geloof is het volstrekt onmogelijk om te leven. Niet alleen, dat wij zonder hetzelve geen levensgenot kunnen smaken, daar de misanthropie den mensch tot het jammervolste pessimisme, tot de zwaarmoedigste melancholie, tot achterdocht en zwartgalligheid en dientengevolge tot de ergste soort van levensmoeheid en levenszatheid brengt, waardoor zoo menigeen in onze dagen tot zulk eenen staat van radeloosheid en wanhoop vervalt, dat hij eindigt met de hand aan zich zeiven te slaan — maar zelfs het leven in den meest vulgairen zin, de instandhouding van ons physisch bestaan, is afhankelijk van onze medemenschen; en zonder deze in 't minste of geringste te vertrouwen of in hen te gelooven zouden we niet eens kunnen leven of in 't leven blijven. Wie geen greintje vertrouwen stelt in zijnen naaste, moet bij elke bete tot stilling van zijnen honger en bij elke teuge tot lesschiug van zijnen dorst beducht zijn, dat men hem door vergiftiging öm het leven wil brengen. Vertrouwen we niet de menschen uit onze naaste omgeving, wij zouden niet met hen kunnen leven. En geïsoleerd van anderen is het gansch on al onmogelijk te leven! Unus

ocr page 301

293

homo — nullus homo! De mensch is een gemeenschapswezen. Is hij dat reeds naar de zinnelijke, de stoffelijke of lichamelijke zijde van zijn bestaan — oneindig veel meer nog is hij het naar zijnen geestelijken, zijnon zedelijken en religieusen aanleg. De geheele inhoud van zijn denken, al zijne zedelijke of ook niet-zedelijke eigenschappen en eindelijk ook zijne religieuse begrippen en voorstellingen — zij worden al te maal bepaald en zij ontleenen alle haren vorm en haar gehalte aan zijn leven in gemeenschap met zijne medemenschen. Slechts weinig nadenken wordt er toe vereischt om in te zien, dat de mensch buiten alle gemeenschap met de menschenwereld, aangenomen eens, dat het mogelijk ware om zonder de geringste communicatie met anderen in 't leven te kunnen blijven, — dat die mensch zou ophouden mensch te zijn volgens de be-teekenis, welke aan dit woord moet worden gehecht. Het specifiek menschelijke ligt in deze zijne natuur als gemeenschapswezen. Alles wat wij zijn en vermogen — we hebben 't alles te danken aan de gemeenschap. Is dit het geval, — en dat men het mij in ernst zou willen tegenspreken, heb ik zeker niet te duchten, — welnu: dan is ook het geloof in onze medemenschen, met wie wij in gemeenschap leven, en van welker gemeenschap ons leven afhankelijk is, ons stoffelijk, maar bovenal ons geestelijk leven — dan is dat geloof een even onontbeerlijk en wezenlijk element voor ons religieus geloof, als het geloof in ons zeiven.

Te meer is het dit, dewijl het geloof in onze medemenschen de bron is van de liefde tot hen,

ocr page 302

294

de liefde tot het Godskind, dat in hem leeft, terwijl deze liefde weer de actieve zijde van het geloof is. 't Is waar, ook het geloof is op verre na geene passieve eigenschap en geene theorie. Is echter het geloof een levens-beginsel — de liefde is het leven zelf. Het geloof is de zaadkorrel, die de kiem in zich verborgen houdt — de liefde is de rijpe vrucht; zij is het uit de kiem ontplooide, volle, rijke liefdeleven. „Dat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijtquot;. (Ef. IH: 17 en 18.) „Het geloof door de liefde werkendequot; — dat noemt paultjs de wet des evangelies, welke de wet van MozEs heeft vervangen.

Deze godsdienstige liefde tot onzen naaste vindt haren grond in de hoogere religieuse liefde tot ons zeiven. Zooals wij nl. moeten gelooven in ons zeiven, in ons zedelijk ideaal, in den chbistus , die in ons is — zoo moeten we ons zeiven ook liefhebben uit het oogpunt van het religieus idealisme. De ware zelfliefde openbaart zich natuurlijk in de echte zelfverloochening, evenals de valsche zelfverloochening (het verloochenen * van het „beter ikquot;) altijd gepaard gaat met zelfzucht. Die reine, zuiver ethische, echt religieuse zelfliefde is de bron, waaruit geloof in en liefde tot den naaste voortvloeit. Waar wij in ons zeiven gelooven als kind van God , waar wij dat beeld van den Godszoon, waarnaar wij zijn geschapen en waaraan wij gelijkvormig moeten worden, (Kom. VIH: 29) lief hebben als ons heiligst levensideaal, waar dit geloof en die liefde, ontdaan van eiken zweem naar zelfzucht, zich alleen bepalen tot den mensch in ons — daar dragen wij zo van

ocr page 303

295

zelf over op onze medemenschen, of liever: daar is zij reeds een gelooven in en een liefhebben van den naaste. Daarom noemden wij de psychologische idee ook de anthropologische; en deze anthropologische idee van het godsrijk is universeel en kosmologisch. Dit is de eenheid van de goddelijke trias: het geloof in ons zeiven als Gods kind impliceert het geloof in al onze medemenschen als onze medebroeders en zusters in Christus, als onze medeburgers in Gods Koninkrijk; het geloof in den Zoon is één met het geloof in den Heiligen Geest.

Het geloof in den Heiligen Geest is dus het geloof, dat alle menschen door denzelfden liefdeband des Heiligen Geestes zijn verbonden tot leden van het zelfde godsgeslacht, tot burgers van hetzelfde gods-rijk, tot kinderen van hetzelfde Vaderhuis, tot zonen en dochteren van denzelfden Hemelvader, tot broeders en zusters van denzelfden heiland, den zoon van God bij uitnemendheid, tot erfgenamen van dezelfde heerlijkheid Gods; allen bezield en vervuld door denzelfden geest, allen doordrongen en gedragen door dezelfde liefde, allen één in liefde en vrede, in reinheid en heilig'.ieid, allen één in den heiligen geest van het Koninkrijk Gods, waarin het zijn zal: ó naivzx év TOëo-tv (1 Cor. XV: 28).

De drie ideën van de jSaaiXda zijn correlaat-begrippen , zij onderstellen elkaar, hangen onderling van elkander af en vullen elkaar aan. Het geloof in het godsrijk is niet enkel het geloof in God als den Hemelvader, noch alleen het geloof in ons eigen kindschap Gods (het eerste is slechts de theologische, het tweede

ocr page 304

296

slechts de psychologische zijde van dat geloof) maar het is evenzeer het geloof in al onze medemensehen als kinderen van God. Al treedt ook in de verschillende uitspraken omtrent het Koninkrijk nu eens de theologische, dan de psychologische en dan weer de kosmologische idee op den voorgrond — geen der drie grondwaarheden kan ooit in de voorstelling van dat rijk worden gemist.

Ik ben tot het einde gekomen van mijnen arbeid. De vragen „Avaarom ethisch?quot; en „waarom evangelisch?quot; zijn beantwoord, en het ethiseh-evangelisch standpunt, dat ik in het christelijk godsdienstig geloof wensch in te nemen, heb ik naar mijn beste vermogen trachten te ontwikkelen en toe te lichten.

Gaarne ging ik er thans toe over om aan te toonen, hoe hetzelfde drievoudig object van het godsdienstig geloof tevens voorwerp is van de christelijk-gods-dienstige liefde; hoe ook de christelijke liefde altijd is liefde tot God als onzen Vader, tot ons zeiven als kinderen van dien Vader en tot al onze medemensehen als onze broeders en zusters in cheistus, als verbonden door den liefdeband des Heiligen Geestes. Vooral bij het tweede punt, de godsdienstige liefde tot ons zeiven, de liefde tot ons zedelijk-godsdienstig ideaal, de liefde tot den cheistus, die in ons is, de reine, zuivere zelfliefde, welke diametraal staat tegenover de zelfzucht, daar zij niet is de liefde tot ons zeiven, zooals wij zijn, maar zooals wij moesten zijn, de liefde niet tot het zondig men-

ocr page 305

297

schenkind in ons met zijne booze driften en hartstochten , maar tot het heilig Godskind, dat in ons woont, naar welks beeld wij geschapen zijn en welks ideaal we moeten trachten te verwezenlijken met inspanning van al onze krachten — vooral hierbij zouden we menige opmerking te maken hebben, die ik slechts noode in de pen houd.

Voor 't oogenblik echter moet ik hiervan afzien. Trouwens met genoemd onderwerp zon ik ook de perken van dit onderzoek overschrijden, daar het ons hier alleen om den grondslag en den inhoud van het christelijk godsdienstig geloof te doen was.

En zoo neem ik dan afscheid van mijn werk, al valt mij dit afscheid met het oog op het vele, dat ik nog te zeggen had, niet gemakkelijk; en zend het de wereld in met den oprechten wensch, dat het onder Gods zegen in zijne mate moge medewerken tot de vestiging en uitbreiding van Zijn Koninkrijk op aarde; — dat het in zijne mate er toe mogen bijdragen niet alleen om menigeen tot het juiste inzicht en de rechte kennis te brengen van den grond, waarop zijn geloof berust, en den inhoud, dien het bevat, maar tevens en vooral — om bij menigeen het geloof in jezus' evangelie van het godsrijk vruchtbaar te maken voor hart en wandel, om bij menigeen het geloof in God, zich zel-ven en den naaste te vermeerderen en te versterken, te reinigen en te heiligen.

Onze tijd van twist en tweedracht in het godsdienstige ter eene, van onverschilligheid en onkunde omtrent grondslag en inhoud van den godsdienst ter

ocr page 306

298

andere zijde — heeft behoefte, dringend behoefte aan geloof, geloof niet van dogmatischen en leerstelligen aard, maar aan een geloof, dat praetisch is in den zin, dien kant aan dit woord hechtte, aan een werkdadig geloof, een ethisch-religieus geloof, een levend geloof, eene rcioris dyctn-n c èvepyovpévn (Gal. V : 6).

Dat dit geloof iv tm nxrpi, èv tm vim y.ai èv tü «yiw nvsuixxzi, hetwelk alle menschen door den liefdeband van Gods Heiligen Geest vereenigt als broeders en zusters van éénen heiland als zonen en dochteren van éénen Hemelvader, steeds meer de menschheid moge doordringen —daartoe gebiede God zijnen zegen, daartoe make Hij ook mijne zwakke krachten dienstbaar en doe alzoo meer en meer de zegenbede der apostelen in vervulling gaan:

Vader! sla ons steeds in liefde gade;

Schenk in uwen Zoon ons uw genade!

Uw gemeenschap, Geest van God —

Amen, zij ons eeuwig lot!

ocr page 307
ocr page 308
ocr page 309
ocr page 310