ocr page 1

1

ocr page 2

Kast 211

PI. G N0.50

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

W E T B O E K

VAN

BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ocr page 6
ocr page 7

Ai.amp; Sc WETBOEK 1

VAN

mmmi REGmomiiG,

ZOOALS DAT BIJ VERSCHILLENDE WETTEN, HET LAATST BIJ DE

Wet van 7 Juli 1896 (Stb. N0. 103),

IS GEWIJZIGD EN AANGEVULD,

met den tekst der ingetrokken en gewijzigde artikelen en met verwijzing naar de tot elk artikel betrekkelijke wetsbepalingen,

's - G R A V E N H A G E ,

MARTIN ÜS NIJHOFK. 1896.

ocr page 8

ZUID IIULI,. HOEK- EN' HANUEI.SURUKKBUIJ, 'S-GRAVEN li AGE.

ocr page 9

INHOUD.

WETBOEK VAN BURGERLIJKE KEGTS-VORDERING.

EERSTE BOEK. Blz.

VAN DE WIJZE VAN PROCEDEREN VOOR DE KANTON-GEREGTEN, ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN,

HOVEN EN DEN HOOGEN RAAD.

I. Titel. Aleremeene bepalingen.

1. AM. Van exploiten van dagvaarding, aanzeg

ging en heteekening........................I

2. n Van de tn-egtzittingen......................8

3. » Van de regteis en van het wraken derzelve 1!

4. o Van vonnissen in het algemeen..........14

5 » Van vrijwaring..............................19

6. « Van vonnissen bij verstek en van verzet '21

7. » Van nietigheid................ '24

II. Titel. Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze

van procedeien voor den kantonregler...... '25

III. Titel. Van de manier van procederen, bijzonder

betrekkelijk tot de arrondissements-reglbanken, de hoven en den hoogen raad, regt doende in eersten aanleg.

1. Afd. Van de dagvaardingen........... 33

2. » Van de verwering en het voldingen der

zaak.................... 30

3. » Van voorloopige verzoeken en van de

exceptie van onbevoegdheid........ 42

4. » Van de behandeling bij geschrifte.... 44

5. » Van de geschillen over de echtheid of

onechtheid van geschriften en het gereg-

telijk onderzoek deswege'......... 40

0. » Van getuigenverhoor............ 51

7. » Van geregtelijke plaatsopneming en bezig-

tiging..................... 54

8. » Van berigt van deskundigen....... 55

1). » Van het hooren der pai tijen....... 59

10. » Van incidentele vorderingen....... 61

11. » Van reconventie............... 02

12. » Van het schorsen en het hervatten van

het regtsgeding.............. 63

■

ocr page 10

INHOUD.

Ulz.

18. Af(J. Van ontkenlenis van geregtelijke veirig-

tingen.................... 64

14. » Van verwijzingen naar een ander geregt

en van jurisdictie-questien......... 66

15. » Van het doen van afstand der instantie. 66

16. » Van het vervallen dor instantie..... 67

17. o Van voeging en tusschenkomst...... 68

18. » Van het kort geding voor den president

der arrondissements-regtbank....... 69

IV. Titel. Van regtspleging in zaken van koophandel. 70

V. » Van het openbaar ministerie....... 74

VI. » Van prorogatie van regtspraak aan het ge-regtshof'........................ 75

VII. Titel. Van het regtsgeding in booger beroep bij

de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoogen raad.

1. Afd. Van de zaken aan hooger beroep onder

worpen.................... 76

2. » Van den termijn van beroep....... 77

3. » Van de regtspleging in hooger beroep en

de gevolgen van hetzelve........ 78

VIII. Titel. Van revisie................... 82

IX. » Van verzet door derden........... 84

X. i) Van requeste civiel.............. 85

XI. » Van de wijze van procederen in cassatie. 88

TWEEDE BOEK.

VAN DK TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN EN AUTHENTIEKE AKTEN.

I. Titel. Algemeene regelen omtrent geregtelijke ten

uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten 94

II. Titel. Van de geregtelijke tenuitvoerlegging op roe

rende goederen.

1. Aid. Van beslag op roerende goederen. ... 96

2. » Van executoriaal beslag onder derden. . 103

3. » Van de verdeeling van de opbrengst dei-

executie .................. 104

III. Titel. Van de geregtelijke uitwinning van onroe

rende goederen.

1. Afd. Algemeene bepalingen........... 106

2. » Van het in beslag nemen van onroerende

goederen................... 108

3. » Van opvordering van eigendom...... 118

4. » Van executoriaal beslag opgrondrenten. 119

5. » Over de regeling van den voorrang en

de verdeeling van den koopprijs..... 120

IV. Titel. Van executoriaal beslag op en verkoop van

schepen.... ................... 123

V. Titel. Van lijfsdwang en van deszelfs tenuitvoerlegging.

1. Afd. Van lijfsdwang............... '128

2. » Van de tenuitvoerlegging van lijfsdwang. 132

VI

ocr page 11

1NH0UU.

Bh..

VI. Titel. Van het vereffenen van kosten, schaden en

interessen, mitsgaders van de kosten van den proeesse...................... 134

VII. Titel. Van hot stellen van zekerheid........ 135

DEBDE BOEK.

VAN REGTSPLEGING VAN ONDERSCHEIDEN AARD.

I. Titel. Van de uitspraken van scheidsmannen.

1. Afd. Van het compromis en van de benoe

ming der scheidsmannen..................136

2. » Van het geding voor scheidsmannen. . . 138

3. » Van de uitspraak der scheidsmannen . . 138

4. » Van de voorziening tegen de beslissing

van scheidsmannen............. 140

5. » Van hetuiteindedergedingen voorscheids

mannen ................... 141

II. Titel. Van procedures betrekkelijk erfenissen.

1. Afd. Van de verzegeling............. 142

2. » Van het verzet tegen de ontzegeling. . . 145

3. » Van ontzegeling..............................145

4. i) Van inventarisatie of boedelbeschrijving. 148

5. » Van den verkoop der roerende goederen 149

0. « Van den verkoop der onroerende goederen 150

7. » Van de verdeeling............. 151

8. » Van het voorregt van boedelbeschrijving 151

9. » Van den curator over eene onbeheerde

nalatenschap................. 152

lil. Titel. Van boedelafstand ... ........... 152

IV. » Van middelen tot bewaring van zijn regt.

1. Afd. Van het beslag tot revindicatie van roe

rende goederen.............. 155

2. » Van de inbeslagneming of arrest in han

den van den schuldenaar......... 156

3. » Van arrest onder derden......... 158

4 » Van pandbeslag voor huren en pachten. 163

5. » Van beslag tegen schuldenaren, die geene

bekende woonplaats hebben, en tegen

vreemdelingen................................164

6. » Van het beslag op onroerend goed. . . . 165 V. Titel. Van het doen van rekening en verantwoording 167

VI. » Titel van eenige bijzondere regtsplegingen.

1. Afd. Van aanbieding van betaling en geregte-

lijke bewaargeving of consignatie .... iVl

2. » Van de magtiging eener getrouwde vrouw 172

3. » Van het stuiten des huwelijks............172

4. » Van de scheiding van goederen............173

5. » Van echtscheiding..........................177

6. a Van do aanvulling of verbetering van de

akten van den burgerlijken stand .... 179

7. » Van dwanguitgifte van akten....... 180

8. » Van regtsweigering............ 181

Vil

ocr page 12

INHOUD.

Blz.

9. Afd. Van overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren.............. 183

10. » Van de toelating om kosteloos te proce

deren...................... IBS

11. » Van voorloopig getuigenverhoor.. ... 187

Wet van 7 Juli 1896 (Stb. nquot;. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van BurgerlijkeRegtsvordering 189 Besluit van 31 Juli 189(5 (Stb. nquot;. 146), houdende bepaling van den dag waarop de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n®. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, in werking treedt. 189 Besluit van 16 September 1896 (Stb n'. 156), ter bekendmaking van den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zooals die is gewijzigd in verschillende wetten, laatstelijk bij de wet van 7 Juli 1896........................ 189

VERKORTINGEN.

G.

beteekent

Grondwet.

R. 0.

Regterlijke Organisatie.

A.

»

Algemeene Bepalingen.

B.

»

Burgerlijk Wetboek.

K.

»

Wetboek van Koophandel.

F.

»

Faiilissementswet.

Rv.

»

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Sv.

!)

Wetboek van Strafvordering.

Sr.

))

Wetboek van Strafrecht.

R.

))

Reglement (van openbaar bestuur).

ï.

))

Tarief.

Stb.

))

Staatsblad.

C.

))

Code Civil.

Co.

))

Code de Commerce.

Pr.

gt;)

Code de Procedure Civile.

0. E.

))

Officieele editie.

V.

))

en volgende.

ocr page 13

WETBOEK

van

B U R G E R L IJ K E R E G ï S V O R D E RIN G.

Vpr. de Wet van 25 Juli 187! (Stb. n0. 91), houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt, gewijzigd en aangevuld bij de wetten van !) November 1875 (Stb. n0. quot;iOl). van 15 April 1886 (Stb. nquot;. 63), en van 16 December 1888 (Stb. n0. 204).

EERSTE BOEK.

van de wijze van procederen voor de kantongeregten, arrondissements-regtbanken, hoven en den hoogen raad.

E E R S T E TIT E L.

Algemeene Bepalingen.

eerste a f d e e l i n g.

Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en beteekening.

Artikel 1.

Elke regtsingang vangt aan met eene dagvaarding, door eenen deurwaarder, die tot het exploiteren in de plaats bevoogd is; hij is verpligt afschrift van het exploit te laten aan den persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde.

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaarding gelden. (Pr. 4, 68; B. 1905. — R. O. 43; B 289, 490; Rv. 285, 286, 290, 486, 558, 727, 735« en 758, 770«, 778, 804, 816, 821«, 826, 847; F. 122, 152, 185; Stb. 1886 n0. 104, a. 12fo en c, 26rf en e; Stb. 1893 n0. 146, a. 96 en 10. — R. IV, a. 1, 2, 8; Stb. 1879 n0. 143; Rv. 95, 866. — B. 74 v.; Rv. 2, 3, 4, 7 v., 16, 92. 343, 453.)

2. In geval de deurwaarder noch den gedaagde, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan dengenen d-e hem vervangt, die het oorspronkelijke stuk kosteloos met «gezien» zal moeten teekenen, en het afschrift, zoo mogelijk, aan den gedaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.

De deurwaarder moet van die terhandstelling melding maken op de oorspronkelijke dagvaarding en op het af-

1

ocr page 14

2 WETBOEK VAN liURUERLIJKE RKGTSVORDERING.

schrift van dezelve. (Pr. 4, 68; Rv. 1, 4 n0. 9a en d, 80, 92, 343, 453; Stb. 1851 n». 85, a. 77.)

3. Aan elk der gedaagden moet een afschrift van het exploit gelaten worden.

Echter zal aan echtgenooten, niet van tafel en bed, of van goederen gescheiden zijnde, slechts één afschrift worden gelaten. (B. 165, 241 v., 288 v.; Rv. 1, 4 n0. 6, 92, 343.)

4. De dagvaardingen en alle andere exploilen zullen gedaan worden op de wijze als volgt;

iquot;. Ten aanzien van den Koning, de leden van het koninklijk huis en den Staat, aan den persoon of in het parket van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad, in regtsvorderingeti ivelke voor dat collegie moeten gebragt worden, en aan den persoo7i, of het huis van den commissaris der Koningin in de provincie, waarin het goed gelegen is, wanneer het zakelijke regtsvorderingen geldt-, (Rv. 6.)

Hel cursief gedrukte vervallen bij art. 2 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. nquot;. 93).

2°. Ten aanzien van openbare instellingen of stichtingen en zedelijke ligchamen, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd des bestuurs, of ter plaatse waar het bestuur deszelfs zitting of ka.ntoor houdt; (B. 1692; Stb. 1886 11°. 104, a. 5, 8 j». 37.)

3°. Ten aanzien van gemeenten, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur, jf aan den persoon of de woonplaats van dengeen die hem vervangt; (Stb. 1851 n0. 85, a. 71a, 77, \9ih, 199).

4°. Ten aanzien van vennootschappen van koophandel, aan haar gemeenschappelijk kantoor, en, zoo er geen is, aan den persoon of de woonplaats van een der besturende vennooten, en na de ontbinding, aan den persoon of de woonplaats van een der vereffenaars; (K. 17, 32, 44, 56.)

oquot;. Ten aanzien van den boedel eens gefailleerden, of van iemand die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard, aan den persoon of de woonplaats van een der bewindvoerders; (F. 14a, 23, 25, 26, 122.)

6°. Ten aanzien van overledenen, aan de gezamenlijke erfgenamen en in ééns, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, ter laatste woonplaats van den overledene; edoch niet langer dan gedurende een jaarna het overlijden; (B. 80, 880, 1002, 1147; F. 199, 201; Rv. 3.)

7°. Ten aanzien van hen, die geene bekende woonplaats in het koningrijk hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf.

Indien deze plaats niet bekend is, gelijk mede in geval in regten worden opgeroepen houders van aandeelen in geldleeningen of maatschappijen, welke niet op naam staan, en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, zal het exploit worden aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des regters, voor wien de vordering gebragt wordt of

ocr page 15

BOEK I, TITEI, 1, ARTT. 3 — 4.

), aanhangig is, a) en zal een tweede afschrift moeten

worden overgegeven aan den ambtenaar van het it openbaar ministerie bij dat regterlijk collegie, die het

oorspronkelijke met «gezien» zal teekenen. n Daarenboven moet het gedaan exploit worden aan-

n gekondigd in een der dagbladen van da plaats, waar

.) de regtbank zitting houdt, of, bij gebreke daarvan,

n van eene naburige plaats.

Gelijkelijk zal worden gehandeld ten aanzien van !t naamlooze vennootschappen, bestaande of ontbonden,

ii bij gebreke van gemeenschappelijk kantoor, bestuurder

n of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of vereffe-

e naar geen bekende woonplaats en geen bekend werke-

lijk verblijf binnen het koningrijk heeft, a) 'e Indien het exploit niet een te voeren of aanhangig

;t regtsgeding betreft, moet het worden aangeplakt aan

de hoofddeur van de gehoorzaal der regtbank, binnen «t wier ressort de verzoeker zijne woonplaats heeft, het

tweede afschrift aan den ambtenaar van het openbaar n ministerie bij die regtbank worden overgegeven en

i- de aankondiging in een der dagbladen van die woon-

le plaats of, bij gebreke daarvan, van eene naburige

t; plaats, geschieden, a) (B. 74; K. 36, 40a, 41, 44, 06a;

Rv. 9, 11, 301.)

!r 8°. Ten aanzien van hen, die in de koloniën van den Staat

r, of buiten 's lands wonen, voor zoo verre zij binnen het

ie koningrijk geen bekend verblijf hebben, aan den amb-

). tenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk

1, collegie, voor hetwelk de vordering moet gebragt

n worden of aanhangig is, b) en die het oorspronkelijke

ir met «gezien » zal teekenen en het afschrift van het

n exploit, ten behoeve der eerslgemelden aan het depar-

;; tement der koloniën, en van laatstgemelden aan dat

van buitenlandsche zaken zal toezenden. )f Indien het exploit niet een te voeren of aanhangig

n regstgeding betreft, zal het gedaan worden aan den

n ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regt-

.) bank, binnen wier ressort de verzoeker zijne woon-

e plaats heeft, welke ambtenaar daarmede zal handelen

n als in het eerste lid is omschreven, b)

Indien in het geval van het tweede en het vierde a lid van nquot;. 7 en in dat van het eerste lid van no. 8, 3, hierboven voorzien, de zaak voor den kantonregter moet dienen of dient, zal het tweede afschrift van ;s het exploit worden overgegeven aan den persoon of de woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur of van dengeen. die hem vervangt, welke hetzelve, n ten einde als bij de voorzeide nummers is vermeld, n -

e a) In art. 4 (ond) ontbraken in n». 7 tweede lid achter

it de woorden: « voor wien de vordering gebragt wordt» de

n woorden: «of aanhangig is» en ontbraken het vierde en

is vijfde lid van dat nummer.

)f b) Zie noot a op de volgende bladzijde.

3

ocr page 16

4 WETBOEK VAN UUHGERI.IJKE IIEGTSVORDERING.

moet doen toekomen aan den officier bij de arron-dissements-regtbank, binnen welker regtsgebied het kantongeregt gevestigd is. a) (Stb. 1851 nquot;. 85, a. 77.)

9°. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed geseheiden vrouw, wat betreft de dagvaardingen en alle andere exploiten, die haar ten verzoeke van haren echtgenoot worden uitgebragt, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en, wanneer dit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haai' in persoon, of, zoo de deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene, die hem vervangt, in voege als in artikel 2 van dit wetboek is voorgeschreven, terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden aangekondigd in een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke daarvan, van eene naburige plaats en een afschrift van die aankondiging zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het door hen bewoonde huis.

Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagtee-kening van het exploit, de aanwijzing van den persoon ten wiens verzoeke, en van de persoon aan wie het exploit is gedaan, de vermelding van den deurwaarder, die het gedaan heeft en van den persoon aan wien afschrift van het exploit gelaten is; voorts, indien de aankondiging eene dagvaarding betreft, de aanwijzing van den regter voor wien, en van dag en uur der teregtzitting, tegen welke gedagvaard is, en indien de aankondiging de beteekening van eene reg'erlijke uitspraak of beschikking betreft, de aanwijzing van den regter door wien, en van den dag waarop die uitspraak gewezen of die beschikking genomen is.

Hel aangeplakte afschrift der aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den deurwaarder onmiddellijk moeten verwijderd worden.

Indien de vrouw haar werkelijk verblijf niet heeft ter woonplaats van den man en de deurwaarder aan dat werkelijk verblijf niemand aantreft, zal artikel 2 moeten worden toegepast.

Indien de vrouw geen bekend verblijf binnen het koningrijk heeft, zal het exploit moeten geschieden op de wijze, bij nquot;. 7 van dit artikel omschreven, b) (B. 78; Stb. 1851 n». 85, a. 77; Pr. 69; Rv. 80, 92, 343, 430c.)

a) In art. 4 (oud) n0. 8 eerste lid ontbraken achter de woorden; « voor hetwelk de vordering moet gebiagt worden » de woorden; «of aanhangig is»; ontbrak het tweede lid en luidde het begin van het derde lid, toen tweede lid; «Indien in het geval van het tweede lid van nquot;. 7 en van nquot;. 8, hierboven voorzien, de zaak voor den kantonregter moet dienen, zal het tweede» enz.

b) In art. 4 (oud) ontbrak n0. 9.

ocr page 17

BOEK I, TITEL I, ARTT. 5—7.

5. Het exploit van dagvaarding zal inoelen behelzen: (Pr. 1, 61; Rv. 92.)

1°. Den dag, de maand en het jaar; den voornaam, den naam en de woonplaats des eisehers, met opgave van de door hem gekozene woonplaats in de gemeente waar de regler zitting houdt; (Rv. 14, 15. — R. 74 v. — R. 81, 82, 1441 n°. 6; Rv. 1 '226, 133a en b, 4ü6e, 439^, 536b, 661 nquot;. 2, 668, 672 n0. 1.)

2°. Den voornaam, den i aam en de woonplaats van den deurwaarder, den naam en de woonplaats van den gedaagde, en de vermelding van den persoon aan wien alschrift van het exploit van dagvaarding gelaten is.

Indien de eischende of verwerende partij eene corporatie, maatschap of handelsvoreeniging is, zal deze hare benaming in de plaats van naam en voornaam moeten worden uitgedrukt; (R. IV, a. 1 v. — Rv. 5 n0. i; B. J655 v, 1690 v.; K. 14 v, 286, 308, 320 v.; Stb. 1876 n». 227; Stb. 1850 nquot;. 39; Stb. 1851 n°. 85; Rv. 1 v.)

3°. De middelen en het onderwerp van den eisch, met eene duidelijke en bepaalde conclusie; (Rv. 48, 134, 343, 390b, 406.)

4°. De aanwijzing van den regter die van de zaak moet kennis nemen; (R. O. 30 v, 46 v., 60 v., 83 v.; Rv. 97, 98, 126.)

5°. Den dag en het uur waarop de gedaagde in regten moet verschijnen. (Rv. 7 v.. 13.)

Het exploit en het afschrift daarvan zullen door den deurwaarder moeten worden geteekend. (R. IV, a. 11; Rv. 133; Stb, 1843 nquot;, 47, a. 13, j». Stb. 1856 n». 165, a. 3; Loi du 22 Frim. an VII (Fortnijn, 1, 484 v.), a. 20, 49 v., (18 § I 11». 30, j». Stb. 1824 n». 36, a. 11; Stb. 1843 nquot;. 39 (Tar. a. 53 v.); R. IV, a. 12. - Rv. 92.)

6. In alle gedingen waarin de Koning als eischer optreedt, zal het exploit geschieden en de zaak worden voortgezet, ten name van en door zoodanigen gemagtigde als hij zal aanwijzen.

Alle gedingen tegen den Koning worden voortgezet ten name van de ambtenaren respectievelijk bij artikel i, n'.li, hierboven vermeld (zoodanigen gemagtigde als hij zal aanwijzen. Indien zoodanige gemagtigde ten beteekenden regts-dage niet verschijnt, woidt indien daartoe termen bestaan, het verstek verleend en vonnis gewezen ten name van den procureur-generaal bij den hoogen raad). (B, 1829 v,; Rv. 4, nquot;. 3, 75, 76.)

Aldus qewijziqd bij art. 3 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n». 93).

7. De gewone termijn van dagvaarding is voor hen, die in het koningrijk wonen ot hun verblijf houden: voor den kantonregter van ten minste vijf dagen en voor de regter-lijke collegiën van ten minste acht dagen.

In spoedeischende zaken kan de kantonregter op mondeling verzoek des eisehers vergunnen, den termijn van dagvaarding te verkorten, in welk geval de vergunning aan het

5

ocr page 18

6 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

hoofd van hef exploit gesteld en hiermede gelijktijdig gere- i

gistreerd wordt. In

Evenzeer kan de president van het regterlijk collegie in vai spoedeischende zaken op mondeling of schriftelijk verzoek

des eischers den termijn van dagvaarding verkorten; in het hie

eerste geval wordt gehandeld, zooals hierboven ten aanzien Ma

van den kantonregter is bepaald, terwijl in het laatste geval bei

de president zijn beschikking op het request plaatst, a) K. (Pr. 5, 6, 72; B. 81; Rv. 8 v., 11, -12, 92, -122a, 135amp;, 136,

291, 301, 302, 312, 321, 352, 353, 407, 611c; Stb. 1869n».

124, a. 17 (27a, al. c en d).) {Zie onder art. 97.)

8. De dag van het exploit en de dag van verschijning w( worden niet mede gerekend onder den algerneenen termijn, da bepaald voor dagvaardingen, aanzeggingen en beteekeningen. pl

Deze termijn zal met ten minste acht dagen verlengd vr

worden, wanneer de gedaagde in eene andere provincie de

(binnen het regtsgebied van een ander geregtshof) woont 7' dan waarin de regter, welke van den eisch moet kennis

nemen, zitting houdt. (Pr. 1033; Rv. 5 nquot;. 4, 7, 9, 11, 12, oi

92, 136, 301, 353, 407, 4776, 5676, 7386; K. 152.) zi

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 sc

(Stb. n0. 138). ([

9. In het geval in het tweede lid van artikel 4, n0. 7,

uitgedrukt, zal de termijn van dagvaarding zijn ten minste te

twee maanden. (Rv. 7, 8, 10 v., 186, 353, 407.1 a

10. Wanneer de gedaagde niet in het koningrijk woont, v is de termijn : zi

van ten minste eene maand, zoo hij woont in Groot-Brit- /

tannic en Ierland, Frankrijk, Belgie, Luxemburg, Duitsch- ( land, met uitzondering van Oostenrijk, of Zwitse-land;

van ten minste twee maanden, zoo hij woont elders in v

Europa; li

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in de niet- d

Europesche kustlanden der Middellandsche of der Zwarte Zee; 1lt;

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in eene der 1

koloniën Suriname of Curagao; (

van ten minste zes maanden, zoo hij woont op Java,

Sumatra of Madura ; i

a) Art. 7 (oud). De gewone termijn van dagvaarding voor den kantonregter is voor degenen, die in het koningrijk wonen of hun verblijf houden, van ten minste vijf dagen; echter zal hij in spoed vereischende zaken, op mondeling verzoek van den eischer, kunnen toestaan om Kien termijn te verkorten; zullende hij in dat geval zijne bewilliging aan het hoofil van het exploit moeten stellen.

De gewone termijn van dagvaarding voor de arrondisse-ments-regtbanken en voor de hoven is voor degenen, die in het koningrijk woonachtig zijn of verblijf houden, van ten minste acht dagen.

In gevallen, die spoed vereischen, zal de president van het hof of de regtbank, bij een op het request gegeven bevelschrift, kunnen vergunnen om op eenen korteren termijn te dagvaarden.

ocr page 19

BOEK 1, TITF.L I, ARTT. 8—IS.

van ten minste vijf maanden, zoo hij woont buiten Europa in een der hierboven niet vermelde landen aan deze zijde van de straat van Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn;

van ten minste acht maanden, zoo hij woont in een der hierboven niet vermelde landen aan gene zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn, dezen daaronder begrepen. (Pr. 73; Rv. 7, 8 v., 11 v., 92, 136, 353, 407; K. 116, '207.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij de Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 54). a)

11. Indien een exploit aan iemand, buiten het koningrijk woonachtig, aarj zijnen persoon binnen het koningrijk gedaan wordt, of indien deze in eene bepaalde z.iak, woonplaats binnen hetzelve heeft gekozen, gelden de termijnen voor ingezetenen vastgesteld, naar gelang van den afstand der plaats waar het exploit aan hem gedaan wordt. (Pr. 74; li. 81; Rv. 4 n0. 7 en 8, 7 v., 92, 439.)

12. Wanneer moer personen wegens dezelfde vordering op verschillende termijnen moeten gedagvaard worden, zullen allen gedagvaard worden tegen den dag van verschijning, voor den verst verwijderd wonenden bepaald. (Pr. 151; Rv. 7 v., 92, 136, 301, 353, 407.)

13. De dagvaardingen, aanzeggingen of oproepingen, om tegenwoordig te zijn bij deze of gene akte van procedure of van instructie, zullen alleen de plaats, den dag en het uur van de eerste teregtzitting of rol moeten uitdrukken; zij zullen niet behoeven herhaald te worden, ofschoon de teregtzitting op eenen anderen dag verlegd of voortgezet worde. (Pr. 1034; Rv. 4, 5 n0. 5. 114, 245.)

14. Geenerlei exploit zal op eenen zondag mogen gedaan worden, ten ware uit krachte van de vergunning van den kantonregter of voorzitter van het cnllegie. Indien de laatste dag van den termijn, binnen welken het exploit geschieden kan, op eenen zondag invalt, zal hetzelve des anderen daags kunnen gedaan worden. (Pr. 63, 1037; Rv. 92, '122, 289f), 601. 723; K. 154, 179b; R. 1, a. 08.)

15. Geenerlei exploit of ten uitvoerlegging van vonnissen zal kunnen geschieden vóór zeven uren des morgens en na acht uren des avonds, ten ware de kantonregter of voorzitter van het collegie, in zaken welke buitengewonen spoed ver-eischen, daartoe verlof mogt hebben verleend, b) (Pr. 1037; Rv. 5 n0. 1, 92, 430, 601.)

a) De oorspronkelijke redactie luidde: Wanneer de gedaagde niet in het koningrijk woont, zal de termijn zijn van ten minste vier maanden, indien hij woont in Europa;

Van ten minste zes maanden, indien hij woont buiten Europa, maar aan deze zijde van de kaap de Goede Hoop of van kaap Hoorn ;

En van ten minste een jaar, indien hij aan gene zijde van dezelve woonachtig is.

b) Art. 15 (oud). Geenerlei exploit of ten uitvoerlegging van vonnissen zal kunnen geschieden, in de maanden October, November, December, Januarij, Februarij en Maart

7

ocr page 20

8 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

16. Geen exploit mag door eenen deurwaarder worden vei gedaan voor zijne bloed verwanten of aangehuwden in de dei regie linie onbepaaldelijk. en in de zijdlinie tot den graad Rv van broeders- en zuslers-kinderen ingesloten. In geval van

beletsel, uit dien hoofde, zal bet exploit worden gedaan door eei

eenen deurwaarder daartoe door den regter aan te wijzen. he

De kantonregter zal, in geval er geen ander deurwaarder wi in het kanton aanwezig is, eenen bepaalden persoon tot het

doen van het exploit aanwijzen. (Pr. 4, (56; B. 345 v.; Rv. toi

92, 95; R. IV. a. 10.) ha

17. Indien een exploit door toedoen van den deurwaarder ge nietig verklaard wordt, zal hij in de kosten, van het exploit S'i en van de vernietigde procedure verwezen kunnen worden, onverminderd de schaden en interessen van de partij, naar

de omstandigheden. (Pr. 71, 1030, 1031; Rv. 58, 96: B.

1279 v., 1401 v.) 1 dt

-------- - — in

TWEED E A F D E E M N G. in

TT- ■ i)1

van ae teregtzitlmgen. ^

18. De teregtzittingen worden in het openbaar gehouden ui np den voet van de voorschriften van artikel 20 der Wet ht op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der 2 justitie. (Pr. 8, 87; G. 161; Rv. 822, 826.)

19. De regter kan in alle gevallen en in eiken stand der zaak, wanneer dezelve hem voor minnelijke schikking vatbaar schijnt, het zij op verzoek van partijen of van ééne d derzelve, het zij ambtshalve, partijen gelasten om in per- e soon of door of met derzelver praktizijns, voor zich of voor d een of meer regters-commissarissen te verschijnen, ten einde g eene vereeniging te beproeven.

Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt, 1:

wanneer partijen zulks verlangen, een proces-verbaal opge- a

maakt en geteekend door partijen, of derzelver tot dat einde c

bijzonderlijk gemagtigden, waarin de verbindtenissen, die — partijen ten gevolge dier schikking op zich nemen, worden uitgedrukt.

De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in execu- i

torialen vorm.

Indien geen minnelijke schikking tot stand komt, bepaalt de regter den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, a) (Pr. 48 v.; B 1888; Rv. 49, 430.)

20. De partijen mogen hare eigene zaak bepleiten, echter zal de regtbank of het hof de magt hebben haar dit te ontzeggen, in geval dezelve bevinden dat zij door drift of door onbedrevenheid buiten staat zijn hare zaak met de

vóór acht uren des morgens en na vijf uren des namidilags. en in de overige maanden van het jaar vóór zes uren des morgens en na acht uren des avonds, ten ware de kanton regter of voorzitter van het collegie, in zaken welke buitengewonen spoed vereischen, daartoe verlof mogt hebben verleend.

a) In art, 19 (oud) ontbrak het vierde lid.

ocr page 21

BOEK I, TITEL I, ARTT. -16—24.

vereischle betamelijkheid, en met die duidelijkheid, die tot des regters onderrigt noodig is, voor te dragen. (Pr. 85; Rv. 2-2, '296, 99)

21. De partijen mogen hare zaken doen bepleiten door een bij het regts-oollegie toegelaten procureur, onverminderd het voorschrift van art. 99 en de bepalingen omtrent de wijze van procederen in cassatie.

Wordt bet bepleiten der zaak aai; een niet als procureur toegelaten advocaat opgedragen, dan moeten niettemin, behalve in cassatie, de dingtalen door een procureur worden gevoerd. (Rv. 133, '136a, 137 v., 398 v.; R. Ill, a. 4, 7, 2*2 v.; Stb. 1843 n0. 67, a 1, 3 (Tar. a. 43, 45.); liv. 57.)

Aldus vastgesteld bij art. 1 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 75). a)

22. De partijen en hare praktizijns zullen gehouden zijn de zaak voor den regter met bezadigdheid te bepleiten, en in alles den eerbied in acht te nemen en te bewaren, dien men aan de justitie schuldig is. Wanneer zij zich daarin te buiten gaan, zal de regter hen dit herinneren; in geval dit andermaal gebeurt zal hij hen tot eene boete kunnen verwijzen, die de som van vijftig gulden niet zal mogen te boven gaan.A,Pr. 10; Rv. 20, 21; R. Ill, a. 5, 20, 21, 24, 28; R. I, a. 47; R. 11, a. 4.)

De gecursiveerde ivoorden ingetrokken bij art. 1 der Wet van 26 April 1884 (Slb. nquot;. 94).

23. De toehoorders zullen de teregtzittingen met onge-dekten hoofde bijwonen, en voorts een betamelijk ontzag en stilzwijgen bewaren; al wat de president tot handhaving der goede orde beveelt, zal stiptelijk en terstond ten uitvoer gelogd worden. (Pr. 88; R. I, a. 48; R. Ill, a. 21; R IV, a. 6.)

24. In geval een ot meer personen gedurende de openbare teregtzitting de stilte storen, of teekens van goed- of afkeuring geven, of, bet zij ter gelegenheid van de verdediging der partijen, het zij ter gelegenheid dat de regters

a) De oorspronkelijke redactie luidde:

In zaken welke, volgens de wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, tot de bevoegdheid der arrondissements-regtbanken in het hoogste ressort behooren, staat het aan partijen vrij hare zaak door cenen voor de regtbank geadmitteerden procureur te doen bepleiten.

In zaken, welke tot de bevoegdheid der arrondissements-regtbanken, volgens evengemelde wot, slechts in het eerste ressort behooren, staat het aan partijen vrij insgelijks hare zaak door eenen procureur te doen bepleiten, mits dezelve in regten gegradueerd zij; anderzins moeten zij daartoe den bijstand van eenen advokaat gebruiken.

In zaken voor de provinciale hoven en voor den hoogen raad, worden wel de dingtalen door eenen procureur gevoerd, maar het bepleiten der zaak moet aan eenen advokaat worden opgedragen. — Bij art. 8 der Wet van 26 Juni quot;1876 was, in de laatste alinea, achter de woorden:« Hoogen Raad», ingelascht: «anders dan in cassatie».

9

ocr page 22

■10 WETBOEK VAN BURGERU.IKE REGTSVORDER1NG.

of het openbaar ministerie het woord voeren, het zij bij de aanmaning of waarschuwing van den voorzitter, het zij bij het uitspreken van vonnissen of bevelschriften, op welk eene wijze ook, geraas maken of beweging verwekken, en zij, op de waarschuwing van den deurwaarder, zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken, en die zich daartegen verzet zal aangehouden en terstond in een huis van arrest in bewaring gesteld worden voor den tijd van vier en twintig uren; zij zullen aldaar ingenomen worden op vertoon van het bevelschrift van den kanton-regter of voorzitter van het collegie. d)

Dit bevel zal op het audientieblad vermeld worden. (Pr. 89; Sv. 151b; Sr. 185.)

25. Indien het geraas of de beweging veroorzaakt is door eenen deurwaarder of bediende van het regterlijk collegie, zal hij, boven en behalve de voorzeicle straf, door dat collegie in zijne bediening geschorst mogen worden. Deze schorsing zal den tijd van zes weken niet mogen te boven gaan, en aan geen hooger beroep onderworpen zijn. (Pr. 90; R. IV, a. 1 v., 14, 15 v.)

26. Wanneer de opschudding op de teregtzitting van eene arrondissements-regthank, een geregtshof of den Hcogen Raad vergezeld is geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren, welke het kenmerk van misdrijf dragen, zullen de daders dadelijk op dezelfde teregtzitting, zonder eenige dagvaarding, kuii-nen worden teregtgesteld en, nadat de feiten tot klaarheid gebracht zijn, na verhoor van het openbaar ministerie kunnen worden veroordeeld. (Sr. 267, 285; Sv. 196.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 8 der Wet van 15 April 1886 (Stb. nquot;. 64). b)

a) De strafbepaling van dit artikel is, als niet gehandhaafd bij de invoeringswet, vervallen en vervangen door die van art. 185 W. v. Sr. — De bevoegdheid van den burgerlijken rechter om de straf terstond op te leggen, is echter behouden. Zie Tijdschr. v. Strafrecht, I bl. 418 v.

b) Het oorspronkelijke artikel luidde: Wanneer de opschudding op de teregtzitting vergezeld is geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren in het waarnemen hunner bedieningen, welke gronden opleveren tot correctionnele- of policie-stnflen, zullen deze straffen op de teregtzitting en dadelijk na het tot klaarheid brengen der feiten, het openbaar ministerie, daar waar hetzelve bestaat, in deszelfs conclusien gehoord zijnde, kunnen worden uitgesproken, namelijk:

1°. De straffen van policie door de kantonregters en door de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoogen raad;

2°. De correctionnele straffen door de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoogen raad ;

De regters zullen hierbij de bepalingen in acht nemen welke door het Wetboek van Strafvordering zijn voorgeschreven.

ocr page 23

BOEK 1, TITEL J, ARTT. 25—30. I I

J de 27. Indien de beoordeeling van het misdrijf (feit) de be-

bij voegdheid van den regter te boven gaat, of wel indien de

ene daad hij de wet mogt worden verklaard te zijn misdaad,

• PP zal de regter, na, zoo daartoe gronden zijn, den dader te

'ijk hebben doen vatten, proces-verbaal van het ter teregtzit-

die ting voorgevallene opmaken, en dat stuk aan den bevoeg-

sen den ambtenaar van het openbaar ministerie ter verdere

''jd vervolging opzenden. (Pr. 92; Rv. 26; R. O. 44, 56; Sv. 196.)

len Aldus gewijzigd bij art. 2 der Wet van 26 April

fn- 1884 (Stb. n°. 94).

28. Indien de beleedigingen of bedreigingen tegen regters Fgt;r- of ambtenaren van het openbaar ministerie in het waar

nemen hunner bedieningen, doch buiten de teregtzittingen, 'P1- hebben plaats gehad, zullen deze mede, na, zoo daartoe

^egt; gronden zijn, de daders te hebben doen vatten, proces-

verbaal van het voorgevallene opmaken, en hetzelve aan !ze den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie ter

en verdere vervolging opzenden. (Pr. 91; liv. 26, 219 v., 600

0; n0. 4, C58; Sv. 80.)

np

DERDE A F DEELING.

en

n_ Van de regters en van het wraken derzelve.

29. De regters in werkelijken dienst, de procureurs-gene-raai, de advokaten-generaal, de officieren van justitie of hunne

lt;}• substituten, de griffiers en substituut-griffiers, zullen zich

'd niet mogen belasten met het verdedigen van de zaken der par-

Nquot; tijen, het zij mondeling, het zij schriftelijk, het zij onder den

naam van consultatie, zelfs niet voor andere hoven of regt-n banken dan die bij welke zij hunne functien waarnemen.

Echter zullen zij bij alle hoven en regtbanken hunne eigene zaken en die hunner vrouwen, bloedverwanten of aange-d huwden in de regte lijn en hunner pupillen mogen bepleiten.

11 Zij zullen ook geene scheidslieden mogen zijn. (Pr. 86 ; R. O.

n 8, 11 n». 4c, 23, 24, 47; R. 345 v.; Rv. 20 v., 622; R. I, a.

'■ 78 nquot;. 1c.)

30. Geen regter zal mogen gewraakt worden, dan om de navolgende redenen: (Pr. 44, 378; Rv. 273 v.; Sv. 321.)

1°. Indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft; (B. 1950 n0. 3; Rv. 30 no. 6 en 7.) i 2°. Indien hij aan eene der partijen in bloedverwantschap

• of in zwagerschap bestaat tot in den vierden graad

' ingesloten; (B. 345 v., 352, 1950 n0. 1.)

i 3°. Indien er, binnen het jaar vóór de wraking, tegen eene

' der partijen of derzelver echtgenoot of nabestaanden

en aangehuwden in de regte linie, een crimineel of een correctioneel regtsgeding op zijne klagte (eene vervolging wegens misdrijf op zijn beklag) of door zijn toedoen heeft plaats gehad; (B. 345 v., 352; Sr. 64 v.; Sv. 10 v., 31, 33, 36 v.; R. O. 73.)

Aldus qexvijziqd hij art. 3 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n°. 94).

4°. Indien hij een schriftelijk advijs in de zaak gegeven heeft; (Rv. 29.)

ocr page 24

12 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

5°. Indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heelt ontvangen, of dezelve aan hein zijn beloofd, en hij deze belofte heeft aangenomen: (U. O. 29; Rv. 30 nquot;. 8; B. 1950 nquot;. 3; Sr. 178, 364.)

6°. Jndien de regter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, een verschil over een gelijksoortig onderwerp hebben, als hetwelk tusschen partijen in geschil is; (B. 345, 352; Rv. 30 n0. 1, n0. 3 en n0. 7.)

7°. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den regter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, en eene der partijen hangende is; (B. 345 v., 352; Rv. 30 n°. 1, nquot;. 3 en n0. 6, 850.)

8°. Indien de regter voogd, toeziende voogd, curator, of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde is van eene der partijen, of indien eene der partijen zijn vermoedelijke erfgenaam is; (B. 231 v.,386 v., 422 v., 487 v., 503, 879 v., 1703 v.; Rv. 30 n0. 5.)

9°. Indien hij is bewindvoerder van eenige stichting, maatschappij of ligchaam van bestuur, welke partij in de zaak is; (B. 1655 v., 1690 v.; K. 14 v., 286, 308, 320 v.; Stb. 1855 n». 32; Stb. 1876 n°. 227.)

10°. Indien er een hooge graad van vijandschap bestaat tusschen hem en eene der partijen; (Bv. 30 n0. 11.)

11°. Indien er tusschen den regter en eene der partijen sedert den aanleg van het regtsgeding, of binnen zes maanden voor de wraking, hebben plaats gehad be-leedigingen of bedreigingen. (Rv. 30 n0. 10.)

31. Ieder regter, uitgezonderd de kan ton regter, die weet dat er eenige reden van wraking tegen hetn bestaat, zal gehouden zijn dezelve aan het collegie waarin hij zitting heeft op te geven, hetwelk beslissen zal of hij zich van de zaak onthouden moet. (l'r. 380; Rv. 30, 38, 41, 324 n0. 4; Sv. 329.)

32. De redenen om welke een regter kan gewraakt worden zijn toepasselijk op het openbaar ministerie, wanneer hetzelve geen hoofdpartij in het geschil is, mitsgaders op de griffiers en substituut-griffiers.

De wraking dezer ambtenaren geschiedt op dezelfde wijze als die der regters. (Pr. 381; Rv. 80, 33 v., 323.)

33. De partij die een regter wraken wil, moet de wraking' met redenen bekleed voorstellen, op straffe van verlies van het regt daartoe, uiterlijk vóór den aanvang der pleidooijen, of, indien de zaak in geschrifte wordt behandeld, vóór den atloop der termijnen, ten ware de redenen of aanleiding tot de wraking later mogten zijn ontstaan.

Met uitzondering van het laatste geval, moet de wraking van eenen regter-commissaris geschieden vóórdat hij zijne werkzaamheden als zoodanig aanvangt.

De akte van wraking zal moeten geteekend zijn door de partij, of derzelver bijzonderen en bij authentieke akte daartoe gevolmachtigde, en zal aan den griffier worden ter hand gesteld, die, na een bewijs van ontvangst daarvan

ocr page 25

■

BOEK I, TITEL I, ARTT. 31—Ui. 13

! bij gegeven te hebben, dezelve onmidilellijk aan den gewraakten

gen, regter zal mededeelen. (Pr. 45, 38'2; Rv. 37, 140 v., 144,

lofte 164 v., 274; Sv. 323, 328.)

950 34. De regter zal gehouden zijn, binnen den termijn van twee dagen, onder de akte eene schriftelijke ver-

iten klaring te stellen, houdende, of berusting in de wraking,

iver of weigering, om zich van de kennisneming der zaak ie

^elk onthouden, met zijn antwoord op de middelen in de akte

30 uitgedrukt. (Pr. 46, 386; Rv. 35 v.)

35. Indien de gewraakte regter in de wraking berust,

iei) moet hij zich van de zaak onthouden. (Pr. 388.)

ge- 36. Indien hij in de wraking niet berust, zal het hof

jn- of de regtbank de redenen van wraking onderzoeken, en

en dezelve bewezen en gegrond bevindende, de wraking toestaan. (Pr. 47, 389; Rv. 324 n° 4; Sv. 326a.)

of 37. Indien de wrakende partij vermeent meer dan ééne

;if- reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben,

tr- moet zij allen te gelijk voordragen. (Rv. 30, 33; Sv. 324.)

86 38. Indien eene partij meer dan één lid van hetzelfde

5.) regterlijk collegie wil wraken, kan zij de tweede of ver-g, dere wraking niet voordragen voordat over de voorafgaande tij beslist is. (Rv. 31. 32, 273 v.; Sv. 325.)

6, 39. Geen der leden van het regterlijk collegie mag zich '.) verschoonen om aan de raadplegingen over en de besiis-at sing van de wraking deel te nemen. (Rv. 31 ; Sv. 326b.)

.) 40. In geval van het wraken van een' kantonregter, zal

ii de akte van wraking eu van des regters verklaring door den

gt;s griffier, ter begeerte van do eerst gereede partij, verzonden

■- worden aan den officier van justitie bij rie arrondissements-regtbank waaronder het kantongeregt behoort, ten einde

it daarover door de regtbank beslist worde. (Pr. 47 v.; R. O.

31, 33; Rv. 31, 32, 33, Si, 35, 36, 42; Sv. 327.)

t 41. Indien tengevolge van toegelaten wraking of van

c toegegeven reden van verschooning, noch de kantonregter,

) noch zijne plaatsvervangers van een geschil kunnen kennis

l nemen, zal de meest gereede partij zich aan de arron-

dissements-regtbank wenden met verzoek om eenen anderen kantonregter binnen haar regtsgebied, tot beslissing van het geding, aan te wijzen. (Rv. 35, 36, 40, 273 v.; Sv. 330,331.)

42. De uitspraak in zake van wraking is in geen geval aan hooger beroep, revisie of cassatie onderworpen. (Pr. 391 v.; R. O. 95 v.; Rv. 332 v., 359 v., 389 v.; Sv. 334.)

43. De eischer, die in zake van wraking in het ongelijk gesteld wordt, zal verwezen worden in eene boete, die geen vijftig gulden te hoven zal mogen gaan, onverminderd de actie van den regter tot herstel van eer en vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. In geval de gewraakte regter zoodanige actie wil instellen, moet hij zich onthouden van de kennisneming der zaak, waarin hij gewraakt is geworden.

Ingetrokken hij art. 4 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55).

ocr page 26

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

VIERDE AFDEELING.

Van vonnissen in het algemeen.

44. Indien de eischer of de gedaagde ten beteekenden dage niet verschijnt, wordt gehandeld zooals bij de zesde afdeeling van dezen titel is bepaald. (Pr. 19; Rv. 75 v., 138.)

45. Indien partijen verschijnen, worden zij over en weder in hunne belangen gehoord, met inachtneming van de voorschriften der volgende, titels van dit boek.

De regter zal, na het voldingen en bepleiten der zaak, zich de stukken doen overgeven en het zij dadelijk, het zij op eenen naderen door hem te bepalen regtdag, uitspraak doen. (Pr. 13; G. 161; R. O. 20; R. 1, a. 47, 49; Rv. 47a, 77, 996. 112, 324 v.)

46. De regter kan, alvorens de zaak definitief te beslissen, eene praeparatoire of eene interlocutoire uitspraak doen.

Voor praeparatoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften welke gegeven zijn tot instructie der zaak, en welke strekken om het proces in staat van wijzen te brengen, zander dat zulks op de zaak ten principale van eenigen invloed kan zijn. (Rv. 51, 53 nquot;. 8, 56, 66, 126m n0. 3, 269, 270, 336, 337, 348 n0. 3, 632, 790.)

Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften, waarbij de regter, alvorens regt te doen, een bewijs, een onderzoek of eene instructie beveelt, waarvan de beslissing der zaak zelve kan afhankelijk zijn. (JJr. 28 v., 452; B. 1960 v., 1977 v.; Rv. 56ft, 103 v., 162, 199 v., 219 v., 222 v., 237 v, 336.)

47. Indien er geene uitspraak heeft plaats gehad uiterlijk drie maanden na het eindigen der pleidooijen en het hooren der conclusien van het openbaar ministerie (in zaken waarin dezelve worden vereischt), hebben partyen of eene derzelve de bevoegdheid om te vorderen dat de zaak andermaal worde bepleit. (Rv. 45, 144, 324, 325.)

Indien de regter den dag heeft bepaald waarop de uitspraak zal plaats hebben en partijen met elkander in onderhandeling tot een minnelijk vergelijk zijn getreden, kunnen zij den regter verzoeken de uitspraak gedurende eenen bepaalden tijd uit te stellen. (B. 1888.)

48. De regters moeten bij hunne beraadslagingen van ambtswege de regtsgronden aanvullen welke niet door de partijen mogten zijn aangevoerd. (R. O. 21, 26, 27, 28; B. 1977, 1987; Rv. 103b, 156, 157, 162, 199b, 219, 222.)

49. Indien de regter eene verschijning van partijen beveelt, zal hij den dag en het uur daartoe bij het vonnis bepalen. (Pr. 119; Rv. 19, 66, 239.)

50. Elk vonnis waarbij een eed wordt opgelegd, zal de daadzaken uitdrukken waarop de eed gedaan moet worden, en de eedsaflegging zat geschieden in tegenwoordigheid van de tegenpartij, of deze behoorlijk opgeroepen.

Indien eene partij, aan welke een eed is opgelegd, door hare wederpartij is opgeroepen om dien af te leggen, en zij niet verschijnt, zal zij geacht worden den eed te hebben

14

ocr page 27

BORK I, TITEL I, ARTT. 44—53.

geweigerd, behoudens haar verzet, in geval zij bewijst uit hoofde van een wettig beletsel te zijn verhinderd geweest. (Pr. 120, 121; B. 1966 v., 1969, 1977 v., 1979, 1981, 1982; Rv. 66, 242.)

den 51. Indien er een provisionele eisch gedaan is, en de

sde zaak zoo ten principale als op de provisie in staat van

38.) wijzen is, zal de regter op beide bij één en hetzelfde vonnis

der uitspraak kunnen doen. (Pr. 134; B. 245, 267—269, 301,

or- 511, 617, 1775; Rv. 53 n°. 8, 56fgt;, 66, 247 v., 337, 348

n». 3, 632, 718, 792.)

ich 52. De voorloopige tenuitvoerlegging der vonnissen niet-

op tegenstaande hooger beroep of verzet zal bevolen worden:

sn. 1». indien de uitspraak berust op een authentieken titel;

77, 2°. indien zij berust op een onderhandsch geschrift, het

welk erkend is door dengene, tegen wien men zich is- daarop beroept, of hetwelk regtens voor erkend wordt

n. gehouden, welke erkenning mede aangenomen wordt,

J- In geval regt wordt gedaan bij verstek;

in 3°. indien er is een voorafgegane veroordeeling bij een

i- vonnis, hetwelk voor geen verzet of hooger beroep

n vatbaar is. a)

i. Het wordt aan het oordeel van den regter overgelaten

dit bevel te geven met of zonder borgtogt. (Pr. 17, 135, 439; B. 1857 v., 1867, 1905,1907,1908, 1912,1913,1954 v.; K. 380; Rv. 53, 54, 55, 80, S-2b, 176 v., 181, 183c, 3426, 350 v., 398c en d, 590; Stb. 1840 n». 1, a. 22; Stb. 1850 n0. 63, a. 11e.)

53. De voorloopige ten uitvoerlegging der vonnissen niettegenstaande hooger beroep of verzet kan bevolen worden met of zonder borgtogt, in gevallen, betreflende:

lquot;. Verzegeling en ontzegeling of boedelbeschrijving; (Rv. 658 v., 669 v., 678 v.)

2°. Dringende reparation; (R. O. 39 n0. 2; Rv. 98n0.2; B. 1587, 1591.)

3°. Ontruiming van het gehuurde, wanneer er geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur aanwezig is, of wanneer de huur geëindigd is; (R. O. 41, 42; Rv. 123.)

4°. De benoeming van sequesters, commissarissen en bewaarders; (B. 1773,1775;Rv. 450,506,565,585 nquot;. 5.)

5°. Het aannemen van borgen en achterborgen; (B. 1857, 1860b; Rv. 619.)

6». De benoeming van voogden, curators en andere bewindvoerders en het doen van derzelver rekening; (B. 403, 417, 418. 424, 425, 467 v., 503 v., 519 v., 1026, 1173; F. 14; Rv. 771 v.)

15

7°. Jaargelden of uilkeeringen tot levensonderhoud en in

É

a) In art. 52 (oud) luidde het eerste lid: « De voorloopige ten uitvoerlegging der vonnissen niettegenstaande hooger beroep of verzet zal bevolen worden, indien er is een authentieke titel, een erkend handschrift, of eene voorafgegane veroordeeling bij een vonnis, hetwelk voor geen verzet of hooger beroep vatbaar is. »

ocr page 28

16 WETDOEIC VAN BURQEIiLUKE RKGTSVORDERING.

het algemeen voldoening eener bepaalde geldsom; ct) (B. 268 v.. 280 v., 376 v.)

8°. Alle provisionele toewijzingen; (Rv. 51.)

9». Bezitregt; (R O. 54 n». 4; Rv. 130 v.; B. 585 v.)

En verder in alle die bijzondere gevallen in welke de wet zulks heeft toegelaten of voorgeschreven. {Rv. 278c n0. 26, 293, 311, 315, 733, 835, 840; F. 4c; Stb. 1S69 n0. '124, a. 17 (27a, al. f.) (Zie onder art. 97.); Stb. 1869 nquot;. 139, a. 5. — Pr. 17, 13f, 439; Rv. 590.)

54. Indien de rcgter de voorloopige ten uitvoerlegging niet bevolen heeft, kan hij zulks niet bij nader vonnis doen, onverminderd nogtans het regt van par tijen om in hooger beroep dit te vorderen. (Pr. 136; Rv. 351, 352, 364, 398; Stb. 1840 nquot;. 1, a. 21)

56. De voorloopige ten uitvoerlegging kan geene plaats hebben ten aanzien der kosten, al waren die ook in de plaats van schaden en interessen toegewezen. (Pr. 137; B. 1279 v., 1401 v.; Rv. 56, 456, 543. 611, 732, 739, 748, 750.)

56. Al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden. Echter zullen de kosten in het geheel of ten deele gecompenseerd mogen worden tusschen echtgenooten, bloedverwanten in de regte linie, broeders en zusters of aangehuwden in denzeltden graad, mitsgaders indien de partijen over en weder op eenige punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook zal de regter de kosten, die noode-loos werden aangewend of veroorzaakt, kunnen laten voor rekening der partij, die ze aanwendde of veroorzaakte.

Bij provisionele, praeparatoire en interlocutoire vonnissen kan de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis worden voorbehouden.

Het bedrag der kosten, waarin de verliezende partij wordt verwezen, wordt, voor zooveel die kosten vóór de uitspraak en niet door haar zelve zijn gemaakt, bij het vonnis bepaald.

In zaken waarin de wet de verrigtingen van advocaten of procureurs vereischt of toelaat, worden onmiddellijk na het voldingen of bepleiten der zaak of na het nemen der conclusie door het openbaar ministerie, door de procureurs en in cassatie door de advocaten, de rekeningen der kosten aan den regter overgelegd. Bij gebreke daarvan geschiedt de bepaling van het bedrag der kosten uitsluitend volgens de begrooting des regters. (Pr. 130, 131; Rv. 21, 46, 58jis 17 en 96, 277, 278c n°. 2, 282b; B. 345 v.; Rv. 612 v., 615; Stb. 1843 n°. 37, a. 15; Stb. 1843 n«. 38, a. 7; Stb. 1843 n». 66, a. 4 v.; Stb. 1843 n°. 67, a. 10 (Tar. a. 15, 28, 32 v., 43 v.); Stb. 1886 n». 104, a. 32.)

De laatste zinsnede van het eerste lid, alsmede het derde en vierde lid bijgevoegd bij art. 2 der Wet van 23 April 1879 (Stb n», 75).

57. Van de kosten der tegenpartij kunnen in de zaken, bij de voorlaatste zinsnede van het vorig artikel bedoeld.

a) In art. 53 (oud) nquot;. 7 ontbraken de woorden; «enin het algemeen voldoening eener bepaalde geldsom.»

ocr page 29

BOEK I, TITEL 1, ARTT. 54—59.

geene andere bij de uitspraak ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebragt, dan de salarissen en verschotten van den procureur dier tegenpartij, indien alléén een procureur voor haar werkzaam was.

Werd hare zaak mede door een advokaat behandeld, dan wordt zijn salaris onder de bij het eerste lid bedoelde kosten begrepen, met dien verstande, dat in geen geval, wegens het behandelen der zaak door een advocaat, aan de in het ongelijk gestelde partij door de tegenpartij meer kosten in rekening kunnen worden gebragt, dan indien alleen een procureur met de behandeling ware belast geweest.

Ten aanzien van de zaken in cassatie komen in plaats van de salarissen en verschotten van den procureur, die ten laste van de in het ongelijk gestelde partij kunnen gebragt worden, de salarissen en verschotten van één advocaat, onverminderd de bepaling van het tweede lid van art. 418.

Voor het overige betaalt elke partij haar eigene kosten.

De salarissen worden berekend overeenkomstig bij de wet vastgestelde tarieven. (Stb. 1843 n0. 6fi, 67 (Tar. Tit. Ill •en IV); Rv. 21, 99, 133 v., 135 v., 4Ü6, 408; li. HI. a. 8.)

Aldus gewijzigd vastgestp.ld bij art. 3 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 75). a)

58. De advokaten, procureurs en deurwaarders, die zich in hunne bedieninaen te buiten mogten gaan, en alle diegenen, welke de belangen van het beheer dat htm is toevertrouwd verwaarloozen, zullen persoonlijk en uit hunne eigene beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen mogen worden, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn, zonder die op hunne principalen te kunnen verhalen. (Pr. 132; Rv. 17, 5(5, 96, 263, 271; B. 386 v., 461, 503 v., 520, 1026, enz.)

59. Het vonnis zoodanig als hetzelve door den regter wordt uitgesproken, moet behelzen; (Pr. 141 v.; Rv. 45b, 02 v., 637; li I, a. 49.)

1°. De namen en de woonplaats der partijen, en de namen der procureurs, indien partijen die gehad hebben; (Rv 5 n0. 1 en 2, 99, 133, 137.)

2°. De slotsom der conclusie van het openbaarministerie in de gevallen waarin hetzelve is gehoord geworden; (Rv. 324 v.; Stb. 1843 nü. 38, a. 4 (Tar. a. 25b).)en

3°. De gronden der uitspraak, zoo wat de daadzaken als het regtspunt, ieder afzonderlijk, betreft, en de beslissing. (G. 161; R. O. 20, 99, 105; Rv. 48, 406. 409, 410.)

17

Aan het slot van hetzelve worden vermeld de namen der regters, welke over de zaak hebben geoordeeld, en die van den ambtenaar van het openbaar ministerie, welke daarbij is tegenwoordig geweest. (R.

a) Het oorspronkelijke artikel luidde: In zaken waarin de wet de verrigtingen van advokaten en procureurs vereischt of toelaat, zijn de salarissen en verschotten van beide in de uitspraak over de kosten begrepen, volgens de tarieven, welke daarvan zullen worden gemaakt.

2

ocr page 30

18 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

O. 21, 50, 70, 100; Rv. 322; Sv. 22!c; R. I, a. 60.)

60. Het vonnis wordt door den griffier op het audientie-blad gebragt, en door den president en den griffier uiterlijk binnen tweemaal vier en twintig uren onderteekend. (Sv. 226; Sr. 462.)

Bij de kantongeregten moet de kantonregter verrigten al wat bij dit artikel aan den president is opgedragen. (Pr. 138; R. I, a. 64.)

61. Indien de president zich in de onmogelijkheid bevindt om op het audientie-blad te teokenen, wordt zulks verrigt door het oudste lid hetwelk over de zaak gezeten heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan uitdrukkelijk op het audientie-blad melding gemaakt. Indien de kantonregter zich in de onmogelijkheid bevindt om op het audientie-blad te teekenen, zal daarvan door den grilfier op dat blad melding worden gemaakt. (Rv. 60.)

62. De expeditie of uitgifte van het vonnis wordt zonder medewerking der partijen opgemaakt, en behelst, behalve betgeen bij artikel 59 is vermeld: (Pr. 142 v.; Rv. 64, 430, 838, 843.)

1°. De conclusien der partijen, en wanneer die bij den kantonregter niet schriftelijk zijn genomen, alsdan de daarvan door den griffier geboudene aanteekenin-gen: te dien einde wordt een afschrift van de schriftelijke conclusien, of, wanneer die niet schriftelijk zijn genomen, van de geboudene aanteekeningen, door den griffier aan het audientie-blad gehecht; (Rv. 99, 137, 140, 141, 142; R. I, a 44; Stb. 1843 n°. 37, a. 116 Stb 1843 nquot;. 38, a. 4b (Tar. 116, 256).)

2°. De vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken; (G. 161; R. O. 20.)

3°. Den dag der uitspraak. (Rv. 59.)

63. De griffiers, welke eene expeditie van een vonnis uitgeven vóórdat hetzelve is geteekend, kunnen in hunne bediening geschorst of daarvan ontzet worden, behoudens de vervolging tot straf ter zake van valschheid, zoo daartoe gronden zijn.

Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 26 Aorü 1884 (Stb. n0. 94). Zie Sr. 462.

64. De griffiers zijn verpligt om op aanvraag der partijen aan baar zoodra mogelijk expeditie van het vonnis uit te reiken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (Rv. 62, 838; R. I, a. 66.)

65. Alle vonnissen, welke wederkeerige verpligtingen aan beide partijen opleggen, of waaruit regten en verpligtingen ten behoeve of ten laste van beide partijen voortvloeijen, kunnen door elke van dezelve in haar belang worden ten uitvoer gelegd. (Rv. 430 v., 771 v., 816 v.)

66. De vonnissen en bevelschriften, in artikel 46 bedoeld, -behoeven niet beteekend te worden, tenzij dit ingevolge de bepalingen van het tweede boek van dit wetboek tot verhaal van geldelijke verpligtingen, welke de wederpartij krachtens

ocr page 31

BOEK I, TITEL I, ARTT. 60—68.

dezelve te vervullen heeft, noodig mogt zijn. a) (Rv. 56, 68e, 80, 86, lOGb, 430c, 439, 599.)

67- Ingetrokken, b)

V IJ F n E AFDEELING.

Van vrijwaring.

68. Indien de verweerder vermeent gronden te hebben, om iemand in vrijwaring op te roepen en hij die oproeping niet heeft gedaan vóór den dag, waarop de zaak heelt moeten dienen, zal hij zijne daartoe strekkende, met redenen omkleede conclusie vóór alle weren moeten nemen op den dag, voor het voordragen der verwering bepaald.

In die conclusie zal het, met afwijking van het behaalde in het tweede lid van artikel'Hl, geoorloofd zijn de exceptie van onbevoegdheid op te nemen, en zal deze, zoo dit niet geschied is, voor gedekt gehouden worden, tenzij de regter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp des geschils.

Indien de eischer vermeent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, zal hij het verzoek daartoe bij met redenen omkleede conclusie moeten doen ten dage bepaald voor het dienen van repliek.

Indien het verzoek toegewezen wordt, zal de regter eenen voldoenden termijn verleenen, naarmate van den afstand van des waarborgs woonplaats en den dag bepalen, waarop zoowel de oorspronkelijke zaak, als die in vrijwaring weder ter rolle zal worden opgeroepen.

Het vonnis, waarbij de dagvaarding in vrijwaring is toegestaan, zal aan den waarborg niet behoeven beteekend te worden. De dagvaarding zal den inhoud van hetzelve moeten behelzen, en daarbij zal moeten worden overgegeven kopij der stukken, welke aan of door den eischer in vrijwaring beteekend zijn.

Indien het verzoek afgewezen wordt, bepaalt de regter bij die beslissing den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, c) (Pr. 3'i, 175, 180; B. 1130 v.,

a) Art. 66 (oud). Indien er een procureur in de zaak is, zal het vonnis niet ten uitvoer kunnen worden gelegd dan nadat hetzelve aan den procureur is beteekend, op straffe van nietigheid.

De vonnissen bij voorraad en de eindvonnissen die veroordeelingen inhouden, zullen bovendien aan den persoon of aan de woonplaats van de partij beteekend worden, en daarbij zal van de beteekening aan procureur melding worden gemaakt.

b) Art. 67 (oud). Indien de procureur overleden is of zijne bediening heeft nedergelegd, zal de beteekening aan de partij genoegzaam zijn, maar zal daarbij melding moeten worden gemaakt van den dood des procureurs of van het nederleggen van deszelfs bediening.

c) Art. 68 (oud). Indien de verweerder vermeent gronden

19

ocr page 32

20 WETBOEK VAN BURGEKI.IJKE REGTSVORDKRING.

1510, 1527 v., 1570, 1594 v.; Rv. 59 n». 3, 60, 99, 133d, 137, UI, 142, 154, 156, 157, 247 v. — Rv. 7, 8 v.)

69. Indien het verzoek tot vrijwaringquot; op den bovenge-melden regtda^ niet gedaan is, of indien de dagvaarding tot vrijwaring niet gedaan is binnen den bepaalden tijd, za) er zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak worden voort-geprocedeerd. (Pr. 33, 179; Rv. 08; B. 1539.)

70. In geval van vrijwaring wegens onderzetting of andere zakelijke regten, zal de waarborg altijd de zaak van den gewaarborgde mogen overnemen, welke buiten proces zal gesteld worden, indien hij zulks vordert voordat er eenig vonnis tusschen hem en zijn oorspronkelijke wederpartij is gewezen.

Echter zal de gewaarborgde, wanneer hij zulks verkiest, in het proces kunnen blijven tot bewaring van zijn regt; ook zal de wederpartij van deu gewaarborgde tot bewaring van het zijne mogen vorderen dat de gewaarborgde in de zaak blijve. a) (Pr. 18*2; B. 584, 1252; R. O. 38 n0. 1, 54 n0. 3; Rv. 72, 247 v., 285.)

71. De vonnissen tegen de waarborgen gewezen, bij het vorige artikel vermeld, zullen tegen den gewaarborgde worden ten uitvoer gelegd.

Het zal voldoende zijn het vonnis aan de gewaarborgden te beteekenen, het zij dezelve buiten proces gesteld zijn geworden, ot dat zij in het proces gebleven zijn, zonder dat er oenige andere eiscli of regtsvordering noodig is.

Wat de kosten, schaden en interessen betreft, zal de vereffening daarvan en de ten uitvoerlegging niet 1an tegen den waarborg geschieden kunnen.

Echter zal, in geval van kennelijk onvermogen van den waarborg, de gewaarborgde de kosten moeten dragen, indien hij niet buiten proces gesteld is geworden, gelijk ook de

te hebben om iemand tot vrijwaring op te roepen, er. hij die oproeping niet reeds heeft gedaan vóór den dag waarop de zaak heeft moeten dienen, zal hij daartoe vóór of op den dag, op welken hij ten principale moet antwoorden» verzoek moeten doen.

Dit incident zal summierlijk beslist worden, en indien het verzoek toegewezen wordt zal de regter eenen voldoenden termijn verleenen, naar mate van den afstand van des waarborgs woonplaats. Gedurende dezen termijn zal de oorspronkelijke zaak geschorst worden.

Het vonnis, waarbij de dagvaarding in geval van vrijwaring is toegestaan, zal aan den waarborg niet behoeven be-teekend te worden. De dagvaarding zal den inhoud van hetzelve moeten behelzen, en daarbij zal moeten worden overgegeven kopij der stukke», welke aan den oorspronke-lijken gedaagde beteekend zijn.

a) In art. 70 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: «zijn oorspronkelijke wederpartij», gelezen de woorden: « den eischer ». In het tweede lid werden, in plaats van de woorden «de wederpartij van den gewaarborgde», gelezen de woorden: «de oorspronkelijke eischer».

ocr page 33

BOEK I, TITEL I, ARTT. 69—79.

schaden en interessen, indien de regter oordeelt dat daartoe gronden zijn. (Pr. 185; B. 1150, -1243, •1329b, 1532 n». 3; Rv. 56, 65, 70, 72. 430 v., 612 v.)

72. In zaken van eenvoudige vrijwaring, zal de waarborg zich slechts mogen voegen, zonder de zaak van den gewaarborgde over te nernen. (Pr 183; B. 1880; Bv. 70, 285.)

73. In geval de oorspronkelijke eisch en die ter vrijwaring te gelijk in staat van wijzen zijn, zal daarop gezamenlijk regt gedaan worden; is dit het geval niet, dan wordt de hoofdzaak, wanneer de oorspronkelijke eischer of verweerder dit vordert, afzonderlijk beslist, d) (Pr. 184; Rv. 2556 en c.)

74. Die ter zake van vrijwaring gedagvaard zijn, zullen gehouden zijn, voor den regter, voor wien de oorspronkelijke zaak aanhangig is, te procederen, zelfs wanneer zij ontkennen inogten waarborgen te zijn ; doch indien duidelijk bleek, dat de oorsponkelijke eisch alleen gedaan is om hen van hunnen eigen regter af te trekken, zullen zij derwaarts verwezen worden. (Pr. 181; G. '156; B. 1529 j18-1530,1531, -1711; Rv. 126o, 154.)

ZESDE AFDEELING.

Van vonnissen bij verstek en van verzet.

75. Indien de eischer ten beteekenden regtdage niet verschijnt, zal er verstek tegen hem verleend worden, en de-verweerder zal van de instantie worden ontslagen, met verwijzing van den eischer in de kosten. In dit geval zal er geen verzet mogen plaats hebben, maar zal de eischer den aanleg op nieuw knnnen beginnen, na voorafgaande betaling dier kosten van het verstek. (Pr. 19 v., 154, 434; R. I. a. 42; Rv. 44, 45, 89, 139; B. 1465.)

76. Indien de gedaagde niet verschijnt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, zal er tegen hem verstek verleend worden, en de conclusion van den eischer zullen toegewezen worden, ten ware zij den regter onregtmatiff of ongegrond voorkomen. (Pr. 19, 149r 150, 434; Rv. 1 — 16, 44, 81, 89, 89A, 926 137, 138, 140, 261.)

77. Elk verstek zal bij het uitroepen van de zaak op de teregtzitting verleend worden; echter zal de regter de stukken ter tafel kunnen doen nederleggen, om op de conclusien van den eischer op eene volgende teregtzitting uitspraak te doen. (Pr. 150; Rv. 45, 75, 76, 312; R I, a. 38 v.)

78. Alle uitgeroepene en niet verschijnende partijen zullen in een en hetzelfde vonnis van verstek begrepen moeten zijn. (Pr. 152; Rv. 75, 76, 77.)

21

79. Indien van meerdere gedaagden één of meer niet verschijnen, wordt de zaak ten opzigte van de verschijnenden aangehouden en tegen de niet-verschijnenden verstek ver-

a) In art. 73 (oud) werd de laatste zinsnede aldus gelezen: «zoo niet, zal de oorspronkelijke eischer zijne vordering afzonderlijk mogen doen uit wijzen».

ocr page 34

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

leend. Ieder der verschenen partijen heeft het regt om dit verstek aan de niet-verschenen partijen te doen beteekenen, met oproeping van alle partijen tegen den dag waarop zij de zaak op nieuw ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten in acht genomen worden de voor dagvaardingen voorgeschreven termijnen.

Tusschen al de partijen wordt uitspraak gedaan bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten. (Pr. 153; Kv. 1, 7 v., 12,89.89A, 3356, 789, 790.) liet eerste lid aldus yewijziyd vastgesteld bij art 1 der Wet van 23 December 1886 (Stb. nquot;. 230). a)

80. De vonnissen bij verstek gewezen, zullen niet ten uitvoer gelegd kunnen worden, dan na verloop van acht dagen na de beteekening aan de partij in persoon of ter harer woonplaats, op de wijze als bij artikel 2 en 4 voor de dagvaarding is bepaald.

In alle gevallen van dringende noodzakelijkheid nal de ten uitvoerlegging vóór den alloop van dezen termijn bij het vonnis mogen bevolen worden. (Pr. 155; Rv. 52 v., 86.316.)

81. De gedaagde, die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan den veroordeelde in persoon, of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen ten uitvoerlegging hem bekend is.

Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd.

De veroordeelde, die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen. (Pr. 20, 157, 158; F. 86; Rv. 506, 76, 796, 82, 87, 335, 400, 401, 403 v., 425, 641, 790, 793.)

Aldus- gewijzigd vastgesteld bij art. 2 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n0. 230.) 6)

82. Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn:

in geval van geregtelijke ten uitvoerlegging op de roerende

goederen, na den verkoop;

in geval van arrest onder derden op uit te keeren gelden, na de uitbetaling van deze aan den arrestant;

in geval van geregtelijke uitwinning van onroerende goe-

а) Het oorspronkelijke eerste lid luidde: Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt de zaak ten opzigte des verschijnenden aangehouden en tegen de niet verschijnenden verstek verleend. Dit verstek wordt aan laatstgenoemden beteekend, met dagvaarding tegen den dag, waarop de eischer de zaak op nieuw ter rolle wil doen oproepen.

б) Oorspronkelijk ontbraken het tweede en het derde lid, en luidde de tweede zinsnede van het eerste lid: Dit verzet zal ontvankelijk zijn totdat het vonnis zal zijn ten uitvoer gelegd.

22

ocr page 35

BOEK I, TITEL I, ARTT. 80—84.

i dit deren, op den veertienden dag na den aanslag of de aanplak-

nen, king der in de artikelen 515 en 517 vermelde billetten;

p zij Dit gedeelte van bet eerste lid aldus gewijzigd

leze vastgesteld bij art. 3 der Wet van 23 December 188(gt;

i'dg- (Stb. n0. 230). a)

in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed,

een nadat het aan den gedaagde beleekend is en openbaar ge-

aak maakt op de wijze, bij artikel 828 van dit wetboek voor-

irdt geschreven, en zoowel negentig dagen na de beteekening,

'0.) als dertig dagen na de laatste aankondiging, bedoeld in

't i artikel 811 3°., zijn verloopen. b)

l Het verzet binnen de bovengezegde termijnen, en in de

en hierna voorgeschrevene vormen gedaan zijnde, stuit de ten

ht uitvoerlegging, indien dezelve niet bevolen is niettegen-

er staande het verzet. (Pr. 159; Rv. 52 v., 80, 81, 89, 382,

or 403 v., 438, 462 v., 751v., 816 v., 826.)

Art. 126, Overgangsbepaling der Wet van 7 Juli

'» 1896, houdende wijzigingen in het Wetboek van Bur-

2t gerlijke Regtsvordering (Stb. n0. 103):

.) Met uitzondering der bepaling van artikel 11 (zijnde het artikel waarbij aan art. 82a de laatste zinsnede

i wordt toegevoegd) is deze wet niet van toepassing op

f gedingen, ten aanzien waarvan bij hare inwerkingtre

ding geen uiterlijk gewijsde bestaat.

83. Het exploit van verzet zal snmmierlijk behelzen de middelen van de partij, en dagvaarding aan den persoon of ter gekozene woonplaats van den oorspronkelijken eischer.

De oorspronkelijke eischer heeft de bevoegdheid om, overeenkomstig artikel 136 van dit wetboek, tegen een vroegeren dan den in het exploit van verzet uitgedmkten regtsdag op te roepen, c) (Pr. 20. 160 v., 437; B. 81.)

Het verzet zal ook kunnen gedaan worden, het zij bij buitengeregtelijke akte, het zij ter gelegenheid van de beteekening van het vonnis of van elke andere akte, dienende

a) Het oorspronkelijke eerste lid luidde; Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn, wanneer de in beslag genomene roerende goederen verkocht zijn geworden, of wanneer de veroordeelde in hechtenis gesteld of aanbevolen geworden is, of veertien dagen nadat de aanplakking der aansliig-biljelten tot verkoop van in beslag genomene onroerende goederen, vermeld bij artikel 515 en 517, zal hebben plaats gehad, of wanneer de kosten betaald zijn, of eindelijk wanneer er eenige daad is gepleegd, waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de uitvoering van het vonnis bij den defail-lant bekend was.

b) In art. 82 (oud) eerste lid ontbrak, ook na de wijziging in dat lid gebracht bij art. 3 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n0. 230), de laatste zinsnede.

e) In art. 83 (oud) ontbrak het tweede lid en volgden achter het nu laatste woord van het eerste lid de woorden: «tegen de eerstkomende teregtzitting, behoudens inachtneming van de termijnen en formaliteiten ten aanzien der dagvaardingen voorgeschreven.»

i

23

ocr page 36

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

om dat vonnis ten uitvoer te leggen, behalve de aanplakking der aanslag-billetten bij artikel vermeld, onder verpligting van den opposant om zijn verzet, overeenkomstig het vorige artikel, en binnen drie dagen te herhalen.

De deurwaarder die met de ten uitvoerlegging belast is, zal, op strall'e van kosten, schaden en interessen, gehouden zijn van het verzet melding te maken op zijn proces-verbaal. (Pr. 102, 438; Rv. 80, 83.)

85. De partij, welke verzet heeft gedaan, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie op een daartoe bestemd register te doen aanteekening houden, met vermelding dei-namen van de parlijen, de dagteekening van het vonnis bij verstek gewezen, en die van het gedaan verzet. (Pr. 163, Rv. 86, 433.)

86. Geen vonnis bij verstek kan tegen eenen derde worden ten uitvoer gelegd, dan acht dagen na deszelfs be-teekening aan den defaillant in persoon of te zijner woonplaats, en met overlegging van de verklaring des griffiers, dat er op zijne registers geen verzet tegen het vonnis is aangeteekend. (Pr. 164; Rv. 80, 85, 432.)

87. De opposant, die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, zal niet meer ontvangen worden tot het doen van een nieuw verzet. (Pr. 22, i65; Rv. 75, 400.)

88. De vonnissen bij verstek, waarvan de ten uitvoerlegging niet begonnen is binnen zes maanden na derzelver uitspraak, zullen als niet gewezen gehouden worden.

Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 23 December •1886 (Stb. n0. 230).

89. De kosten van het verstek, die van het vonnis caar-onder begrepen, mitsgaders die, welke als het gevolg der niet verschijning van den defaillant kunnen worden beschouwd, komen ten laste van den defaillant, ten ware het verstek verleend ware op eene dagvaarding, die nietig verklaard wordt. (Rv. 55, 56, 75, 76, 92b, 96)

89A. De gedaagde, tegen wien verstek verleend is, heeft, zoolang ten profijte daarvan het vonnis nog niet gewezen is, de bevoegdheid om ten dienenden dage alsnog in regten te verschijnen, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleend verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten, waarop artikel 89 van dit wetboek toepasselijk is. a) (Rv. 76, 77, 137.)

ZEVENDE A F n E E L I N G.

Van nietigheid.

90. Geenerlei exploit of akte van regtspleging kan nietig verklaard worden, indien de wel de nietigheid van dezelve niet uitdrukkelijk bevolen heeft. (Pr. 1030a; Rv. 92, 133a, 3436, 439d, 476, 536, 736.)

'24

91. In de gevallen, waarin de wet geene nietigheid

a) Art. 89A is nieuw bijgevoegd.

ocr page 37

BOEK I, TITEL I EN II, ARTT. 85—97.

bevolen heeft, zal de procureur of deurwaarder, zoo wel iveyens verzuim, als wegens overtreding, lot eene boete hunnen veroordeeld worden, welke niet minder dan twee gulden zal zijn, en geen vijftig gulden te boven zal gaan.

Ingetrokken bij art. i der Wet van 2ö April 1884 (Stb. n0. 94).

92. Al liotgeen in de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 10,11,12, 14, 15 en 16 is voorgeschreven, moet op straffe van nietigheid worden in acht genomen.

Bij niet verschijning van den gedaagde, kan de regter Seen verstek tegen denzelven verleenen, en zal de regler de nietigheid uitsprekende, den eischer veroordeelen in de kosten. (Rv. 76, 89, 94 v, 343b.)

!)3. Ingetrokken, a)

0-1- Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit inroept, kan de regter die exceptie verwerpen, wanneer het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, en al/.oo geen belang heeft zich van de nietigheid te bedienen.

De regter zal echter in die gevallen, zon daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering der onregelmatiabeden ten koste van den aanlegger bevelen. b) (Rv. 9'i, 120, 3436.)

95. Indien echter het exploit niet door eenen bevoegden deurwaarder is beteekend, is de regter verpligt de nietigheid daarvan in alle gevallen uit te spreken. (A. 14; Bv. 1, 16. 92, 94, 343b, 866; R. IV, a. 8 v.)

96. De kosten der akten c) van regtspleging, (lie nietig of overbodig zijn, zullen ten laste komen van de procureurs of de deurwaarders, die zich zoodanige akten veroorloofd hebben, en zuilen die regtsbedienden bovendien, naar ver-eisch van zaken, deswege tot vergoeding van schaden en interessen aansprakelijk zijn, en zelfs in hunne bedieninz kunnen geschorst worden. (Pr. 1031; Rv. 17, 58, 8436; 1gt; 1-70, 1401, 1837, 1838; R. Ill, 28; H. IV, a. 14.)

T W E E D E TI T E L.

Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze van procederen voor den kanlonregter.

97. In zaken die zuiver personeel zijn of tot roerende «oederen betrekking hebben, zal de dagvaarding geschieden

a) Art. 93 (oud). Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit niet inroept vóór alle weren en exception, behalve die van onbevoegdheid des regters, wordt dezelve voor gedekt gehouden.

b) In art. 94 (oud) luidden de eerste woorden: «Indien hij daarentegen bij zijne verschijning de nietigheid van het exploit inroept » enz. en volgden op het nu laatste woord nog .le woorden: «of aan den gedaagde tot zijne verdediging uitstel verleenen. »

c) O. E. 1838 en O. E. 1806: akte.

25

ocr page 38

26 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

voor den regter in wiens kanton de gedaagile woonachtig is. (Rv. 98. 126a, 129a; R. O. 38 n». 1, 40; (i. 74a.)

Indien er meer gedaagden zijn, voor den regter in wiens kanton een hunner woonachtig is, ter keiue van den eischer. (Rv. 1263.)

Indien de gedaagde geene woonplaats heeft, zal hij gedagvaard worden voor den regter van het kanton van zijn werkelijk verblijf; indien hij geen werkelijk verblijf in het koningriik heeft, voor den kantonregter van den eischer. (Rv. -1266 en c. -127b; R. 74b.)

Indien de gedaagde openbaar ambtenaar is, doch zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den kantonregter van die woonplaats of van a) dien van de plaats in welke hij zijne ambtsverrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 126/'; B. 77.)

Indien er meer eischers zijn die in verschillende kantons woonachtig zijn, voor den kantonregter der woonplaats van een hunner, Ie hunner keuze. (Rv. 97(', 1266.)

(Indien de Staat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel heeft.) (Rv. 97a, I26s. — Pr-. 2; Rv. 314'; R. O. 33 v., 43.)

Hgt;;1 taatute lid bijc/euoeyd bij art. 4 der Wet van

22 Juni 1893 (Stb. 110. 93).

Art. 27a der Wet van'i Juni 1861 (Stb. n0. 53), houdende bepalingen omtrent den doortoyt en het vervoer van landverhuizers, bijgevoegd bij art. 17 der Wet van 15 Juli 1869 (Stb. n0.124): De kantonregters ter plaatse der inscheping nemen kennis van alle persoonlijke of tot roerende zaken betrekkelijke regtsvor-deringen door of tegen landverhuizers ingesteld, voor zooveel deze regtsvorderingen ontstaan uit overeenkomsten of daden ter plaatse der inscheping of ten aanzien van vreemde landverhuizers bij hunnen doortogt hier te lande aangegaan of verricht; behoudens hooger beroep, indien de vordering meer dan f 400,— bedraagt.

Zoo ter plaatse der inscheping meer dan een kanton-geregt is, wordt do vordering ingesteld voor een van dezen ter keuze van den eischer.

De gewone termijn van dagvaarding is van ten minste twee vrije dagen.

In spoedvereischende gevallen kan de kantonregter verlof verleenen om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden op de wijze, voorgeschreven bij art. 7 van liet Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Art. 152 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is op landverhuizers niet van toepassing

De kantonregter kan in alle gevallen bevelen de voor-loopige uitvoerbaarheid van het vonnis op de minuut vóór de registratie, met of zonder borgtocht.

De in het geding overgelegde stukken zijn vrij van registratie.

a) Aldus O, E. 1838, Stb. 1837 n«. 25, a. 1 en O. E. 1896. Lees: voor.

ocr page 39

BOEK I, TITEL 11. ARTT. f)8—101.

98. De dagvaarding moet geschieden voor den regter van het kanton waarin het goed gelegen is, indien de regtsvor-dering strekt:

1°. Tot vergoeding van schade het zij door menschen, het zij donr dieren toegehragt aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten; (R. O. 30 ii0.1; B. 1401 v.)

2°. Tot zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van den huurder komt; (R. O. 39 nquot;. 2; B. 1185 n0. 2, 1619, 1620.)

3°. Tot vergoeding van schade door den huurder aan het verhuurde goed toegebragt; (6. 1600, 1602 )

4°. Tot ontruiming van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders, kelders, pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, mitsgaders tot ontbinding van huur, in de gevallen waarin de kan-tonregter, volgens artikel 41 en 42 der wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, bevoegd is.

Indien onroerende goederen, te welker aanzien de regtsvordering plaats heeft, in verschillende kantons gelegen zijn, geschiedt de dagvaarding voor den regter van het kanton onder welks gebied de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk eene hoofdplaats voor een der regters binnen wiens kanton een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 126/, 496. — Pr. 3; R. O. 43.)

99. Ten dafre en ure bij de dagvaarding bepaald of tns-schen partijen bestemd, zullen zij in persoon of bij gemag-tigde voor den kantonrechter verschijnen. De aanlegger zal zijnen eisch en de gedaagde zijne verdediging voordragen, zonder beteekening van eenige schriftelijke dingtalen.

De kantonregter zal, zoo mogelijk, de zaak op de eerste teregtzitting beslissen, of de uitspraak naar eene volgende teregtzitting verwijzen. (Pr. 9; R. I. a. 27; R. O. 43; B. 1830: Rv. 45, 62 n°. 1, 75 v.)

100. Wanneer eene der partijen verklaart een stuk als valsch of vervalscht te beschouwen, het schrift of eene handteekening ontkent, of verklaart die niet te erkennen, zal de regter daarvan akte geven, het stuk waarmerken, en de zaak naar den regter verwijzen, die daarvan, naar aanleiding van de vijfde afdeeling van den volgenden titel, kennis moot nemen, en die te gelijk over de hoofdzaak bij een en hetzellde eindvonnis uitspraak kan doen, indien de zaak voor zoodanige beslissing vatbaar is. (Pr. 14; B. 1913, 1914; Rv. 56b, 176, 178 v.; Sv. 273 v.)

101. In geval de kantonregter zich naar eene plaats in geschil begeeft, het zij tot bezigtiging, het zij tot het hooren van getuigen of van deskundigen, zal hij vergezeld zijn van den griflier, die de minuut van het vonnis, waarbij de ver-rigting bevolen is, zal mede brengen.

De deskundigen zullen bij hetzelfde vonnis ten getale van drie worden benoemd, ten ware beide partijen mog-

27

ocr page 40

'28 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ten verzoeken dat het onderzoek siechts aan éénen deskundige worde opgedragen. Zij worden door de meest ge-reede partij gedagvaard, met vermelding van de plaats, den dag en het uur en van het dispositief van het vonnis, ten aanzien dei' bevolene verrigting.

De deskundigen zullen voor (Jen aanvang hunner verrig-tingen worden beëodigd op straffe van nietigheid.

I)e kanton refter kan op de plaats zelve, na alloop der bevolen verrigting en na verhoor van partijen, dadelijk uitspraak doen. (Pr. ISO, 41 v.; Rv. 46, 103 v., '1125, fc2l9 v., k2-i!2. '223, 225 v., 230, 321 c; Sr. 192 n0. 2.)

102. Jn zaken aan beroep onderworpen, zal door den griffier proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk het berigt van de deskundigen zal inhouden en van den door hen afgelegd en eed doen blijken.

Het proces-verbaal zal dooi- den kantonregter, den griffier en de deskundigen geteekend worden, en indien deze laatste niet teekenen kunnen, zal daarvan melding worden gemaakt.

In zaken, niet aan hooger beroep onderworpen, wordt geen proces-verbaal opgemaakt, maar wordt in liet vonnis vermeld de eedsaflegging van de deskundigen en de slotsom van hun berigt. (Pr. 42, 43; R. O. 38 v.; Rv. 101, 111, 222 v., 236, 283.)

103. Indien partijen het omtrent de daadzaken niet eens zijn, het bewijs bij getuigen door de wet is toegelaten, en de daadzaken tot do beslissing der zaak kinnen leiden, zal de kantonregter, op verzoek van eene der partijen, getuigenverhoor bevelen.

Hij kan zulks in dat geval ook ambtshalve beveler,, indien hij tot de beslissing der zaak zulks dienstig en noo-dig acht.

liet vonnis zal vermelden de daadzaken welke moeten worden bewezen, mitsgaders de plaats waar en den dag en het uur waarop de getuigen zullen worden gehoord, a) (Pr. 34; B. 1932 v.; K. 1 h: Rv. 104b, '120, 199.)

104. Het tegenbewijs staat van regtswege vrij. Dit verhoor wordt gehouden op de plaats, den dag en het uur, bij liet vonnis of dadelijk na alloop van bet verhoor der voor het bewijs gehoorde getuigen te bepalen.

Indien een der partijen verlenging van de in dit ot het vorig artikel bedoelde termijnen verzoekt, zal dit incident dadelijk, zonder eenige voorziening daartegen, beslist worden. b) (Rv. 99, 103, 108a. 120, 200).

105. Ue getuigen zullen in persoon of te hunner woonplaats worden gedagvaard, ten minste drie dagen vóór den dag van bet verhoor. Deze termijn zal met éénen dag voor elke zes uren afstands worden vermeerderd.

a) In art. 103 (oud) volgde nog een vierde lid luidende: « Het tegenbewijs staat van rechtswege vrij.»

b) An. 104 (oud). Indien eene der partijen verlenging van dien termijn verzoekt, zal dit incident dadelijk beslist worden.

ocr page 41

BOEK I, TITEL II, ARTT. 102—109.

De dagvaarding zal melding maken van liet vonnis, van de plaats, van den dag en van het uur der verschijning, en de daadzaken behelzen, welke bewezen moeten worden. (Pr. 260. 408; Hv. 94. 120, 200.)

106. Oe namen en woonplaaisen der getuigen worden ten minste drie dagen vóór het verhoor aan de wederparlij beteekend.

Daarbij zal, indien het vonnis, hetwelk het getuigenverhoor beveelt, niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, afschrift van het vonnis worden overgegeven, zon dit niet reeds vroeger is geschied.

Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig zijn, zal van die tegenwoordigheid op het audientie-blad worden melding gemaakt, a) (Pr. 28; Rv. 94, 103c, 104, 120, 200; R. I, a. 04.)

107. Ten bepaalden dage zullen de getuigen, alvorens hunne getuigenis af te leggen, op straffe van nietigheid, elk op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte doen van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De kanton-iegter zal hun derzelver namen, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats of verblijf afvragen, mitsgaders of zij aan partijen of eene derzelve in den bloede of door aanhuwelijking bestaan, en zoo ja in welken graad, en of zij loon- of huisbedienden van dezelve zijn. (Pr. 35; G. 167; B. 345 v., 1946b, 1947,1948,1949a, 1950; Rv. 109b, 110, 120, 200; Sv. 161.)

108. Partijen moeten hunne wrakingen vóór het afleggen der getuigenissen voordiagen. De getuige wordt deswege gehoord en de regter doet uitspraak, zonder hooger beroep.

Indien de wraking wordt geldig verklaard, zal het getuigenis van den gewraakte niet worden afgenomen. (Pr. 36, 282; G. 1950; Rv. 33, 108A, 110, 111, 200, 225.)

108A. Indien een getuige, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt geworden, kan de belanghebbende partij aan den regter eenen naderen termijn verzoeken. b) (Rv. (oud) 217; Rv. lOlb, 105, 116, 117b, 120, 200; Sr. 192 nquot;. 2, 444.)

109. De getuigen zullen ieder afzonderlijk op de teregt-zitfing gehoord worden, het zij de partijen tegenwoordig zijn

a) Art, 100 (oud). Indien het vonnis, hetwelk het getuigenverhoor bedeelt, niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, zal hetzelve aan hare woonplaats beteekend worden, ten minste drie dagen vóór het verhoor.

Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig zijn, geldt die uitspraak voor beteekening, en zal van de tegenwoordigheid van partijen op hel audientie-blad worden melding gemaakt.

In allen gevalle, zullen de namen en woonplaatsen dei-getuigen, binnen den bij het eerste lid bepaalden termijn, aan haar beteekend worden.

b) Art. 1Ü8A is nieuw bijgevoegd.

29

ocr page 42

30 'WETBOEK VAN DURGERUJKE REGTSVORDERING.

of niet, en zullen geen geschreven opstel mogen voorlezen.

De partijen zullen de getuigen niet in do rede mogen vallen, maar de kantonregter kan ten verzoeke van de partijen, en zelfs van ambtswege, aan eiken getuige, na het afleggen van zijne getuigenis, zoodanige vragen doen als hij zal noo-dig oordeelen. (Pr. 37, 271; R. O. 20; Rv. 120, 200.)

110. In zaken die in het hoogste ressort worden beslist, zal geen proces-verbaal worden opgemaakt, maar het vonnis zal moeten inhouden, behalve de vermelding der opgaven, verklaringen en eedsaflegging bij artikel '107 aangeduid, de wrakingen en de antwoorden op dezelve, en den sum-mieren inhoud van de afgelegde getuigenissen. (Pr. 40, 410; R. O. 38 v.; Rv. IH, VI96, 121, 200a.)

111. In zaken aan hooger beroep onderworpen wordt door den grillier een proces-verbaal van het getuigenverhoor opgemaakt; hetzelve bevat al hetgeen hierboven bij artikel 110 is vermeld, met dit onderscheid alleen, dat de verklaringen der getuigen zich niet tot den summieren inhoud bepalen, maar in derzelver geheel moeten worden opgenomen.

Dit proces-verbaal zal aan ieder getuige worden voorgelezen voor dat gedeelte hetwelk hem betreft. Hij zal daarin zoodanige veranderingen en bijvoegingen mogen maken, als hem goeddunkt, en welke onder of op den kant van zijne getuigenis zullen opgeschreven worden. Dit zal aan hem worden voorgelezen.

De getuige zal zijne verklaring teekenen, of er zal melding gemaakt worden dat hij niet kan teekenen.

Het proces-verbaal zal wijders worden onderteekend dooiden regter en den griffier. (Pr. 39, 411; R. O. 38 v.; Rv. 107, 121, 200.)

112. De kantonregter zal uitspraak doen onmiddellijk na het alleggen der getuigenissen, en na verhoor van partijen of van die welke tegenwoordig is, of op eene volgende door hem te bepalen teregtzitting. (Pr. 39; Rv. 45, 202.)

113. Indien de getuige schadeloosstelling vordert, zal dezelve worden begroot door den regter op het afschrift der dagvaarding, waarvan zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal. (Pr 277; Stb. 1843 nu. 40, a. 6 en 7 (Tar. a. 65, 66 n°. 2); Rv. 200.)

114. In geval de getuigen niet op éénen dag gehoord kunnen worden, zal de regter het verdere hooren tot een' naderen dag en uur uitstellen, en er zal noch aan de getuigen, noch aan de partij, eenige nieuwe dagvaarding geschieden, ofschoon ook deze laatste niet verschenen ware. (Pr. 267; Rv. 13, 200.)

115. De partij die meer dan vijf getuigen over hetzelfde feit zal hebben doen hooren, zal de kosten der verdere getuigenissen aan hare wederpartij niet kunnen in rekening brengen. (Pr. 281; Rv. 56, 200.)

116. De gedagvaarde getuige welke niet verschijnt, of verschenen zijnde, weigert den eed of zijne verklaring af te leggen, zal worden veroordeeld tot vergoeding der vergeefs aangewende onkosten, en tot eene boete niet Ie boven

ocr page 43

BOEK I, TITEL II, ARTT. 110—119.

gaande vijf en twintig gulden, a) (Sr. 192 n0. 2, 444.)

Hij zal op nieuw worden gedagvaard te zijnen koste. (Pr. 263; B. 1946; Rv. 105, 107, 117, 200; Sv. 67 v., 157 v.; F. 66c.)

117. Indien de op nieuw gedagvaarde getuige andermaal in gebreke blijft te verschijnen, of het afleggen van den eed of van zijne verklaring weigert, zal hij ten tweeden male worden veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten, en daarenboven in de schade en interessen der partijen, en tot eene boete niet te boven gaande vijftig gulden, a) (Sr. 192 n». % 444.)

De regter kan bevelen dat de gobrekige getuige door de openbare magt worde voor hem gebragt om aan zijne ver-pligting te voldoen.

Indien de getuige ook dan weigerachtig blijft om zijne verklaring af te leggen, zal de regter ten verzoeke der belanghebbende partij kunnen bevelen, dat hij ten koste dier partij in gijzeling zal worden gesteld, totdat hij aan zijne verpligting zal hebben voldaan. (Pr. 264; Rv. 200, 585 n0. 11; Sv. 67 v., 157 v.; F. 66c.)

118. Indien de getuige bewijst dat hij door goede redenen verhinderd is geweest om op den bepaalden dag te verschenen, zal de regter hem, na het afleggen van zijne verklaring, ontheffen van alle de tegen hem gewezene veroordeelingen. (Pr. 265; Rv. 119, 200; Sv. 159; F. 66c.)

119. Indien de getuige wettiglijk verhinderd is, uit hoofde van ziekte of anderzins, om voor den regter te verschijnen, zal de laatstgenoemde zich bij hem vervoegen tol het ontvangen van zijne verklaring.

Indien de getuige in dat geval buiten het regtsgebied van den kantonregter woont, zal de regter verzoek doen aan den regter van de woonplaats des getuigen om denzelven op de aan hem opgegevene vraagpunten te hooren. Van deze ondervraging zal door laatstgeinelden regter proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan het oorspronkelijke zal worden ingezonden. (Pr. 266, 412, 1035; R. 0.25; Rv. 200; Sv. 71 v.)

Indien de getuigen buiten 's lands wonen, kan de regter aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land hunner woonplaats verzoeken het verhoor te houden, of dat verhoor opdragen aan den Nederlandschen consulairen ambtenaar, tot wiens ressor t de woonplaats dier getuigen behoort.

De regter zal dan tevens den termijn bepalen, die in acht genomen moet worden bij het beteekenen aan de weder-par-tij van dag, uur en plaats, waarop dit verhoor zal gehouden worden en mede den dag vaststellen, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen.

Het proces-verhaal van dit getuigen-verhoor heeft gelijke kracht als dat van den Nederlandschen regter. fc) (Rv. 106,

a) De strafbepaling is vervallen ingevolge art. 3d der Invoeringswet, en vervangen door die van art. 192 nquot;. 2 en 444 W. v. Sr.

b) In art. 119 (oud) ontbraken het derde, vierde en vijfde lid.

31

ocr page 44

■WETBOKK VAN BURGERLIJKE REGTS VORDER ING.

112, 120, 200; F. 66c; Stb. -1871 n». 91; Stb. 1890 n». 77; Stb. 1891 n», !78; Stb. 1892 n°. 231.)

120. Buiten hetgeen bij artikel quot;107 omtrent het afleggen van den eed is voorgeschreven, zal het nalaten van eene of andere der formaliteiten bij artikel 103 en volgende vermeld, alleen dan nietigheid des verhoors van den getuige ten gevolge hebben, wanneer de belanghebbende partij daardoor in zijne verdediging is benadeald, en de begane ongeregeldheid niet kan worden hersteld; in het tegenovergesteld geval kan de belanghebbende partij van den regter, zoo daartoe gronden zijn, de bevoegdheid bekomen om de begane ongeregeldheden te zijnen koste te herstellen. (Rv. 94b. 200.)

' 121. De kantonregter vergezeld van zijnen griflier, kan in alle gevallen, op alle plaatsen van zijn regtsgebied, en zonder voorafgaande beteekeningen of dagvaardingen, de verklaringen ontvangen vati de getuigen, welke, door de beide partijen gezamenlijk medegebragt, uit eigene beweging voor hem verschijnen.

Het proces-vei baal zal worden opgemaakt in voege quot;oor-schreven bij artikel 110 en 11 1. (R. O. 43; Rv. 103, 200.)

122. Wanneer overeenkomstig artikel 41 der wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, de omruimnig wordt gevorderd van huizen, gehouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders of van pachthoeven. tot het bedrag in bovengemeld artikel uitgedrukt, en de huurder geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur voortbrengt en in gebreke blijft het perceel te ontruimen, kan de kantonregter op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, overeenkomstig artikel- 7 van dit wetboek, de dagvaarding der wederpartij hevelen, zelfs van uur tot nur, en den zondag ingesloten.

Indien de eischer niet woonachtig is in de gemeente, waar het verhuurde gelegen is, moet hij bij de dagvaarding in die gemeente woonplaats kiezen, (li. 81 v.; Rv. ö n». 1. 14, 289; R. 1, a. 29.)

123. De kantonregter kan alsdan de onmiddellijke ten uitvoerlegging van zijn vonnis tot ontruiming bij voorraad bevelen, niettegenstaande hooger beroep of verzet met of zonder borgstelling, en zulks op de minute, ook vóór der-zelver registratie, en zonder andere formaliteit dan de vertooning dier minute ter woonplaats van de veroordeelde partij. (R. O. 41c; Rv. 53 n». 3, 297, 430 v. — Stb. 1860 nquot;. 124, a. 17 (27a, al. ƒ).)

124. De ontruiming zal daarna zonder verdere aanma-ning of andere formaliteiten door den deurwaarder, bijgestaan door twee daartoe door den kantonregter te benoemen getuigen, worden ten uitvoer gelegd, behoudens de beteekening der minute van het vonnis des noods zonder voorafgaande registratie, binnen vier en twintig uren aan ile veroordeelde partij, en onverminderd de ten uitvoerlegging van den verderen inhoud van hetzelve op de gewone wijze. (Rv. 123, 297, 430 v., 529b.)

125. De bepalingen in den derden titel voorkomende.

3-2

ocr page 45

BOEK I, TITEL II EN III, ARTT. 120—126.

opzigtelijk de voorloopige verzoeken en exception, de wrakingen van deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele vorderingen, de reconventie, het schorsen en hervatten van het regtsgeding, het doer, van afstand der instantie, het vervallen der instantie, en de vaeging en tusschenkomst, gelijk mede de bepalingen van den negenden titel van dit boek, handelende van verzet door derden, en die van den zesden titel van het tweede boek, handelende van het vereffenen van kosten, schaden en interessen mitsgaders van de kosten van den processe, zijn te dezen toepasselijk. ('Rv. 152 v., 225 v., 237 v.. 247 v., 250 v., 254 v., 277 v., 279 v., 285 v., 376 v., 612 v.)

DERDE TITEL.

Van de manier van procederen, bijzonder betrekkelijk tot de arrondissements-reytbanken, de hoven en den hoogen raad, regt doende in eersten aanleg.

EERSTE AFDEELING.

Van de dagvaardingen.

126. (a.) De verweerder zal in zuiver persoonlijke zaken, of in die welke roerend goed betreffen, worden gedagvaard voor den regter van zijne woonplaats. (Rv. 97a, 129a; R. O. 38 n0. 1, 53, 54 n0. 2, 55, 66, 89; li. 74a.)

(b.) Indien hij geene bekende woonplaats in het koningrijk heeft, voor den regter van zijn werkelijk verblijf. fRv. 4 n°. 7, 97ca; B. 74b.)

(c.) Indien hij mede geen erkend verblijf in het koningrijk heeft, voor den regter van de woonplaats des eischers. (Rv. 97i:b, 127a.)

(d.) Indien worden opgeroepen houders van aandeelen in geldleeningen of maatschappijen welke niet op naam staan en waarvan de eigenaren uit dien hoofde onbekend zijn, zullen zij insgelijks voor den regter van de woonplaats des eischers worden gedagvaard. (Rv. 4 n0. 7b.)

(e.) Indien er in de boven gemelde gevallen meer eischers zijn, voor den regter van de woonplaats van één hunner, ter hunner keuze. (Rv. 97e.)

(ƒ.) Indien de verweerder openbaar ambtenaar is, doch zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den regter van die woonplaats of voor dien van de plaats waarin hij zijne ambtsverrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 97d; B. 77.)

(g.) Bijaldien er meer verweerders zijn, voor den regter van de woonplaats van een hunner, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 976.)

(h.) In zake van aanspraak op een onroerend goed zelf, voor den regter onder wiens regtsgebied het goed waarover het geschil loopt gelegen is. (Rv. 1296; B. 562 v. ;R. O. 53, 54 n0. 3, 55, 56)

(j.) Indien de onroerende goederen in verscheidene arrondissementen gelegen zijn, zullen de voorschriften worden gevolgd van de laatste zinsnede van artikel 98. (Rv. 986.)

33

ocr page 46

34 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

(amp;.) In zaken van gemengden aard, behoudens hetgeen in dit artikel volgt ten aanzien van zaken van erfenis, voor den regter onder wiens regtsgebied het onroerend goed gelegen is, of voor dien alwaar de verweerder zijne woonplaats heeft, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 129c, 120m.)

(i.) In zaken van maatschap of vennootschap, zoo lang zij duurt, voor den regter der plaats alwaar zij gevestigd is, en na de ontbinding, het zij voor denzelfden regter, het zij voor dien van de woonplaats van een der vereffenaars. (B. 1655 v.; K. 14 v.; Rv. 4 nquot;. 4.)

(m.) In zaken van erfenis: (B. 877 v., 921 v.) 1°. Wegens onderlinge vorderingen der erfgenamen tot aan de boedelscheiding ingesloten en wegens vernietiging eener gemaakte boedelscheiding; (B. 1112 v., 1158 v., 1170; Rv. 695.)

2°. Wegens vorderingen die door des overledenen schuld-eischers, vóór de boedelscheiding, gedaan zouden mogen worden; (B. 1146 v., 1153; Rv. 4 n°. 6) en 3°. Wegens vorderingen betrekkelijk tot de uitvoering van beschikkingen ter zake van overlijden, tot aan hel eindvonnis toe; (B. 1001 v., 1004 v., 1052 v.; Rv. 133f.)

voor den regter binnen wiens regtsgebied de erfenis is opengevallen. (B. 80.)

(n.) In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen hoogeren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd. (F. 2, 3, 85, 86; Rv. (oud) 884, 885 n°. 1, 895, 896; Rv. 4 n0. 5.)

Lid ii aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a) (o.) In zaken van vrijwaring, voor den regter voor wien de oorspronkelijke vordering aanhangig is. (Rv. 74.)

(p.) In zaken van het doen van rekening, ten aanzien der van regtswege aangestelde rekenpligtigen, voor de regters welke dezelve hebben benoemd, en ten aanzien van voogden en curators, voor de regtbank binnen welker regtsgebied de voogdij of curatele is opgedragen; of in beide gevallen, voor de regtbank van de woonplaats der verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B. 467 v., 506, 519, 528, 1030; Rv 771 v.)

(ijl.) Indien er woonplaats is gekozen, voor den regter dier gekozene woonplaats, of voor den regter van de werkelijke woonplaats des verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B. 81, 82.)

(r.) In zaken wegens kosten en verdiensten door prak-

a) Het oorspronkelijke lid n luidde: «In zaken van faillissement of verklaard kennelijk onvermogen, voor den regter, in wiens regtsgebied de woonplaats van den gefailleerde of onvermogende zich bevindt. »

ocr page 47

BOEK I, TITEL HI, ARTT. '127—132.

tizijns of deurwaarders gevorderd wordende, voor den regter waar de kosten gemaakt zijn. (Rv. 57, 615; Stb. 1843 nquot;. 37, a. 14 v.; Stb. 1843 n0. 38, a. 7; Stb. -1843 n0. 66, a. 5, 11; Stb. 1843 n». 67, a, 10 (Tar. 14 v., 28, 33, 39, 52); B. 2007, 2011.)

(s.) (Indien de Staat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel heeft.) (Rv. 97/'. — Pr. 59, 60; Rv. 314; K. 567, 7576; Stb. 1869 n°. 139, a. 1, 3.)

Het laatste lid bijgevoegd bij art. 4 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n°. 93).

127. Een vreemdeling kan, zelfs wanneer hij in Nederland zijn verblijf niet houdt, voor den Nederlandschen regter worden gedagvaard ter zake van verbindtenissen door hem jegens eenen Nederlander, het zij in Nederland, of in een vreemd land, aangegaan.

Deze bepaling is ook op dagvaardigingen voor de kanton-geregten toepasselijk. (C. 14; A. 9; Rv. 97c, 126b en c, 768.)

128. In zakelijke regtsvorderingen of in regtsvorderingen van eenen gemengden aard, zal het vaste goed in de dagvaarding bij deszelfs ligging en, zoo veel mogelijk, bij des-zelfs naam en aard worden omschreven. (Pr. 64; Rv. 90, 98b, 126/i en j, 129b en c, 504 n0.-3, 515 n°. 2.)

12}gt;. De persoonlijke regtsvordering is de zoodanige, welke tot onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke ver-bindtenis, uit overeenkomst of uit de wet voortvloeijende. (B. 1269 v.)

De zakelijke regtsvordering is dezoodanige, waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak of wel eenig ander zakelijk regt geëischt wordt. (R 584.)

De gemengde regtsvordering is dezoodanige welke te gelijk persoonlijk en zakelijk is, te weten:

De vordering tot verkrijging eener erfenis; (B. 881.)

Die tot boedelscheiding; (B. 1112 v.)

Die tot deeling van gemeenschap; (B. 628.)

Die tot afpaling van bij elkander gelegene erven. (B. 678 v. — R. O. 38 v., 54 v., 65 v., 88 v.)

130. De regtsvordering over het bezitregt, en die over het regt tot de zaak (petitoir), zullen nooit vereenigd mogen worden ingesteld. (Pr. 25; B. 606, 613, 618, 619, 629; R. O. 54 n°. 4; Rv. 131, 132, 201, 250 n». 3.)

131. Die eene regtsvordering over het regt tot de zaak zelve heeft ingesteld, is niet meer ontvankelijk tot het instellen eener regtsvordering over het bezitregi. (Pr. 26; B. 621b; Rv. 130, 132.)

132. De verweerder in zake van het bezitregi zal geene regtsvordering over het regt tot de zaak zelve mogen instellen, zoo lang die ten aanzien van het bezitregt niet is afgeloopen.

Wanneer hij in de laatstgemelde is veroordeeld, zal hij niet ontvankelijk zijn ten aanzien van het regt op de zaak zelve, dan na volkomen te hebben voldaan aan de tegen hem uitgesproken veroordeeling; ten ware de uitvoering van het vonnis in gebreke gebleven of vertraagd ware

85

ocr page 48

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

door de schuld van de pai-tij, die hetzelve verkregen had; in welk geval de regter voor wien de regtsvordering tot het regt op de zaak zelve behoort, eenen termijn kan bepalen na verloop van welken die regtsvordering kan worden ingesteld. (Pr. 27; Rv. 56, 130, 131, 250 nu. 3; B. 617o, 1775 nquot;. 2.)

133. De aanlegger is gehouden bij het exploit van dagvaarding procureur te stellen, op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 90, 92, 99, 323, 343, 353, 406d; F. 122b; Loi du 27 Ventöse an IX, a. 17 (Fortuijn, 11, 153); Stb. 1859 nquot;. 36. a, 62.-)

De woonplaats, waarvan in artikel 5 nquot;. 1 van dit Wetboek gesproken wordt, wordt geacht gekozen te zijn bij dien procureur, ten ware de aanlegger eene andere keuze had uitgedrukt. (B. 81; Rv. 137c', 406e.)

Alle akten der procedure tot aan a) het eindvonnis zullen aan die woonplaats worden beteekend, en zal de procureur verpligt zijn de meraoriën en schrifturen te teekenen, waarvan in dezen titel en in den volgenden wordt melding gemaakt. (B. 81b; Rv. 135, 140, 142, 164—166, 179 v., 188, 219, 224, 237, 256, 263. 274, 278, 286 enz.; Sv. 203.)

De aanlegger zal voorts bij het exploit moeten overleggen afschrift van de stukken waarop de eisch gegrond is. Bij gebreke van deze alschriften, zullen diegene welke de aanlegger gehouden is, hangende den loop van het regtsgeding, te geven, niet mogen berekend worden onder de kosten, ten ware die stukken door de verdediging van den gedaagde mogten noodzakelijk worden of daaruit voortvloeien, of ten ware door den regter mogt bevolen zijn dat de zaken zullen worden geïnstrueerd bij geschrifte. (B. 1923, 1925; Rv. 147, 165 v., 168. — Pr. 61, 65; Rv. 21, 146, 254 n°. 4, 263 v.; B. 1971, 2011.)

134. De eischer is bevoegd tot den alloop der zaak zijnen eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nogtuns het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen. (Rv. 5 n0. 3, 348, 501; B. 1937.)

TWEEDE A F DEELING.

Van de verwering en hel voldingen der zaak. b)

(Verg. art. 9b, 10—13 der wet van 30 September 1893 (Stb. n°. 146).)

135. De procureur van den eischer doet de zaak op de rol inschrijven niet later dan daags vóór den in de dagvaarding uitgedrukten of overeenkomstig het volgend anikel vervroegden regtsdag.

a) In art. 133 (oud) derde lid werden oorspronkelijk, in plaats van de woorden: «tot aan het eindvonnis», gelezen de woorden: «tot en met het eindvonnis».

b) De artikelen 135 tot 149 van deze afdeeling hebbende oorspronkelijke artikelen 135 tot 151 van deze afdeeling vervangen.

36

ocr page 49

BOEK I, TITEL III, ARTT. 133—137.

Indien hij in zaken, waarin de dagvaarding op korte termijnen gedaan is, dientengevolge niet in staat is aan dit voorschrift te voldoen, doet hij de zaak zoo spoedig mogelijk inschrijven, a) (Rv. 5 n0. 5, 7c, 75, 133, 139, 353; R. I, a. 37, 64.)

136. De verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan den procureur des eischers beteekende akte, tevens inhoudende procureurstelling, dezen tegen een vroegeren dan den in de dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen.

Die oproeping moet op straffe van nietigheid geschieden op een termijn van ten minste vijf dagen vóór den in die akte uitgedrukten dag.

Zijn er medegedaagden, dan moet de oproeping, voor zooveel zij niet mede van hen uitgaat, bij deurwaarders-exploit ook aan hen gedaan worden, met inachtneming van zoodanigen termijn tusschen dat exploit en den vervroegden dag van verschijning, als waarop ieder hunner, als gedaagde, volgens de wet zou kunnen aanspraak maken.

Wordt door meer dan één gedaagde, niet gezamenlijk optredende, van het regt van anticipatie gebruik gemaakt, dan geldt, met inachtneming van het tweede en het derde lid van dit artikel, de oproeping tegen den vroegsten regtsdag. b) (Rv. 5 n0. 5, 7a, 8, 9, lU, 137, 139, 353, 407.)

137. Behoudens het geval in het vorig artikel bedoeld, verklaart de procureur, die voor den verweerder optreedt, dit bij de oproeping der zaak ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het audientie-blad.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur, c) (Rv. (oud) 135« en 6,137a; B. 81; Rv. 133a en b, 138, 141, 353, 408; F. 1226; R. I, a. 64.)

a) Art. 135 (oud). De verweerder is verpligt binnen het tijdverloop tusschen de dagvaarding en den dag op welken hij verschijnen moet, procureur te stellen. Dit geschiedt bij eene eenvoudige akte van wege den gestelden procureur aan dien des eischers beteekend.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur.

Tegen den verweerder die verzuimd heeft procureur te stellen, of wiens gestelde procureur ten dage dienende niet verschijnt, wordt verstek verleend en verder gehandeld zoo als in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald.

b) Art. 136 (oud). Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens eenen anderen te stellen; zoo lang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerst gestolden.

c) Art. 137 (oud). Indien de eisch overeenkomstig het derde lid van artikel 7 van dit Wetboek is ingesteld op korten termijn, volstaat de verweerder met ten dienenden dage zijnen procureur ter audientie te stellen.

Ten zelfden dage wordt door den procureur des eischers

37

ocr page 50

38 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RKGTSVORDERINÜ.

138. Tegen den verweerder, voor vvien zich geen procureur stelt, wordt verslek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, a) (Rv. (oudgt; 135c; Rv. 70, 130, \'A1, 254 nquot;. 4 v.; R. I., a. 42.)

139. Indien de in artikel 135 van dit wetboek bedoelde inschrijving niet heeft plaats gehad, is de procureur van den verweerder bevoegd, onder overlegging van de dagvaarding en van de oproeping bij anticipatie, zoo die geschied is, de zaak ter leregtzitting op de rol te doen inschrijven.

Tegen den niet-verschenen eischer wordt verstek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, tenzij ingeval van anticipatie de voorschrilten van artikel 136 niet zijn in acht genomen, h) (Rv. 75).

140. Ten dienenden dage of op eenen naderen te bepalen dag wordt door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen en bij afschrift aan den procureur des verweerders gelijktijdig ter teregt-zitting overgegeven, c) (Rv. (oud) 138; Rv. 5 n0. 5, 133a, 138, 141, 143, 145; R. I, 38, 39, 40, 44).

de met redenen omkleede conclusie van den eisch voorgedragen en afschrift daarvan aan dien des gedaagde overgegeven.

Ueze draagt terstond en met gelijke overgifte fan afschrift, zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten. IJe regter kan tol het nemen der conclusien of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der partijen in derzelver belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen.

a) Art. 138 (oud). In zaken, welke vatbaar zijn om sum-mierlijk te worden behandeld, wordt mede ten dienenden dage of op eenen naderen te bepalen dag, door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen, en bij afschrift aan den procureur des verweerders medegedeeld.

h) Art. 139 (oud). Daarna draagt deze tenzelfden dage of op eenen naderen daartoe te bepalen dag zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waarvan, alsmede van de stukken van welke hij zich ter zijner verwering wil bedienen, hij een afschrift overgeeft; vervolgens worden partijen toegelaten tot de pleidooijen of daartoe een nadere dag bepaald.

c) Art. 140 (oud). Voor summiere behandeling zijn vatbaar:

1». Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen titel waarvan het bestaan niet betwist wordt;

2°. Voorloopige vorderingen en alle vorderingen welke spoed vereischen;

3°. De vorderingen van huur- en pachtpenningen, mitsgaders die wegens koopschat van vruchten te velde;

4°. De vorderingen in zake van bezitregt; en

Squot;. In het algemeen dezoodanige, welke om derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partijen.

ocr page 51

BOEK I, TITEL III, ARTT. 138—144.

1«. Daarna draagt tenzelfden dage of op eenen naderen te bepalen dag de proonreur van den verweerder zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waarvan hij oen afschrift aan den procureur des eischers gelijktijdig Ier teregtzitting overgeeft. (Rv. (oud) 139; Rv. 136, 137, 1456; R. I, a. 44.)

Hij is gehouden alle exceptiên en zijn antwoord ten principale tegelijk voor te dragen, op straffe van verval der niet voorgedragene exceptiên, en, indien niet ten principale geantwoord is, van het regt om zulks te doen.

Echter zullen erfgenamen, weduwen en vrouwen, hetzij uit den echt, hetzij van tafel en bed of van goederen geseheiden, die in termen van beraad zijn, hunne verwering tot een beroep daarop kunnen bepalen, a) i B. 188, 189, 193, 287, 298, 1070 v., 1072; Rv. 152,154, 247b, 4116 en c.)

142. Nadat de conclusie van antwoord ter teregtzitting is voorgedragen, wordt aan den procureur van den eischer op zijn verlangen gelegenheid gegeven tot het nemen eener conclusie van repliek, welke de procureur van den verweerder des verkiezende kan beantwoorden met eene conclusie van dupliek.

De regter kan op eenparig verzoek van partijen het nemen van nog meer conclusiën toestaan, b) (Rv. 141, 143, 14i, 247c. 347.)

143. De termijnen voor het nemen der conclusiën worden door den regter bepaald in overeenstemming met hetgeen ile partijen verlangen. In geval van verschil tusschen partijen beslist de regter, daarbij ook lettende op den tijd, welken de belanghebbende partij mogt aantoonen te behoeven, ten einde zich de noodige bewijsstukken te verschaffen, a) (Rv. 140, t41a, 142, 145b, 2476, 347, 411.)

144. Na het wisselen der conclusiën worden partijen toegelaten tot de pleidooijen of wordt daarvoor een nadere dag bepaald, tenzij partijen op de stukken regt verlangen. (Rv. (oud) 139.)

of, bij verschil, door den regter voor summiere behandeling worden vatbaar geacht, of bij de wet als summier zijn aangewezen.

a) Art. 141 (oud). Incidentele vorderingen, tusschenkomst en voegingen worden in summiere zaken ten dienenden dage ter audientie ingesteld bij gemotiveerde conclusiën.

b) Art. 142 (oud). In zaken van gewone behandeling kan de verweerder volstaan met door zijnen procureur, op de oproeping der zaak ten dienenden dage, te doen aankondigen, dat laatstgemelde zich procureur gesteld heeft.

c) Art. 143 (oud). Binnen veertien dagen na den dag, op welken de procureur des verweerders is gesteld, doet de verweerder zijn antwoord of verwering, door zijnen procureur onderteekend, door eenen deurwaarder beteekenen aan den procureur des eischers.

Hij doet daarbij aanbod van een afschrift der stukken, waarop hij zijne verwering grondt, en welke hij aan den voet van zijn antwoord opgeeft.

39

ocr page 52

36 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDEBING.

door de schuld van de partij, die hetzelve verkregen had; in welk geval de regter voor wien de reglsvordering tot het regt op de zaak zelve behoort, eenen termijn kan bepalen na verloop van welken die regtsvordering kan worden ingesteld. (Pr. 27; Rv. 56, 130, 131, 250 n». 3; B. 617a, 1775 nquot;. 2.)

133. De aanlegger is gehouden bij het exploit van dagvaarding procureur te stellen, op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 90, 92, 99, 323, 343, 353, 406d; F. 1226; Loi du 27 Ventóse an IX, a. 17 (Fortuijn, II, 153); Stb. 1859 n0. 36, a. 62.)

De woonplaats, waarvan in artikel 5 n°. 1 van dit Wetboek gesproken wordt, wordt geacht gekozen te zijn hij dien procureur, ten ware de aanlegger eene andere keuze had uitgedrukt. (B. 81; Rv. 137c, 406e.)

Alle akten der procedure tot aan a) het eindvonnis zullen aan die woonplaats worden beteekend, en zal de procureur verpligt zijn de memoriën en schrifturen te teekenen, waarvan in dezen titel en in den volgenden wordt melding gemaakt. (B. 81b; Rv. 135, 140, 142, 164-166, 179 v., 188, 219, 224, 237, 256, 263. 274, 278, 286 enz.; Sv. 203.)

De aanlegger zal voorts bij het exploit moeten overleggen afschrift van de stukken waarop de eisch gegrond is. Bij gebreke van deze afschriften, zullen diegene welke de aanlegger gehouden is, hangende den loop van het regtsgeding, te geven, niet mogen berekend worden onder de kosten, ten ware die stukken door de verdediging van den gedaagde mogten noodzakelijk worden ol daaruit voortvloeien, of ten ware door den regter mogt bevolen zijn dat de zaken zullen worden geïnstrueerd bij geschrifte. (B. 1923, 1925; Rv. 147, 165 v., 168. — Pr. 61, 65; Rv. 21, 146, 254 n0. 4, 263 v.; B. 1971, 2011.)

134. De eischer is bevoegd tot den alloop der zaak zijnen eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nogtans het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen. (Rv. 5 nquot;. 3, 348, 501; B. 1937.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de verwering cn hel voldingen der zaak. b)

(Verg. art. 9ft, 10—13 der wet van 30 September 1893 (Stb. n°. 146).)

135. De procureur van den eischer doet de zaak op de rol inschrijven niet later dan daags vóór den in de dagvaarding uitgedrukten of overeenkomstig het \olgend artikel vervroegden regtsdag.

a) In art. 133 (oud) derde lid werden oorspronkelijk, in plaats van de woorden: «tot aan het eindvonnis », gelezen de woorden: «tot en met het eindvonnis».

b) De artikelen 135 tot 149 van deze afdeeling hebbende oorspronkelijke artikelen 135 tot 151 van deze afdeeling vervangen.

ocr page 53

BOEK I, TITEL III, ARTT. 133—137.

Indien hij in zaken, waarin de dagvaarding op korte termijnen gedaan is, dientengevolge niet in staat is aan dit voorschrift te voldoen, doet hij de zaak zoo spoedig mogelijk inschrijven, a) (Rv. 5 n0. 5, 7c, 75, 133, 139, 353; R. 1, a. 37, 64.)

136. De verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan den procureur des eischers beteekende akte, tevens inhoudende procureurstelling, dezen tegen een vroegeren dan den in de dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen.

Die oproeping moet. op straffe van nietigheid geschieden op een termijn van ten minste vijf dagen vóór den in die akte uitgedrukten dag.

Zijn er medegedaagden, dan moet de oproeping, voor zooveel zij niet mede van hen uitgaat, bij deurwaarders-exploit ook aan hen gedaan worden, met inachtneming van zoodanigen termijn tusschen dat exploit en den vervroegden dag van verschijning, als waarop ieder hunner, als gedaagde, volgens de wet zou kunnen aanspraak maken.

Wordt door meer dan één gedaagde, niet gezamenlijk optredende, van het regt van anticipatie gebruik gemaakt, dan geldt, met inachtneming van het tweede en het derde lid van dit artikel, de oproeping tegen den vroegsten regtsdag. b) (Rv. 5 n0. 5, 7a, 8, 9, '10, 137, 139, 353, 407.)

137. Behoudens het geval in het vorig artikel bedoeld, verklaart de procureur, die voor den verweerder optreedt, dit bij de oproeping der zaak ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het audientie-blad.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur, c) (llv. (oud) 135« en 6,137a; B. 81; Rv. 133a en b, 138, 141, 353, 408; F. 12-2b; R. I, a. 64.)

a) Art. 135 (oud). De verweerder is verpligt binnen het tijdverloop tusschen de dagvaarding en den dag op welken hij verschijnen moet, procureur te stellen. Dit geschiedt bij eene eenvoudige akte van wege den gestelden procureur aan dien des eischers beteekend.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur.

Tegen den verweerder die verzuimd heeft procureur te stellen, of wiens gestelde procureur ten dage dienende niet verschijnt, wordt verstek verleend en verder gehandeld zoo als in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald.

b) Art. 136 (oud). Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens eenen anderen te stellen; zoo lang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerst gestelden.

c) Art. 137 (oud). Indien de eisch overeenkomstig het derde lid van artikel 7 van dit Wetboek is ingesteld op korten termijn, volstaat de verweerder met ten dienenden dage zijnen procureur ter audientie te stellen.

Ten zelfden dage wordt door den procureur des eischers

37

ocr page 54

38 WETBOEK VAN' BURGERLIJKE REflTSVORUERING.

138. Tegen den verweerder, voor wien zich geen procureur stelt, wordt verstek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, a) (Rv. (oud') ISSc; Rv. 76, 13(5, 137, 254 nquot;. 4 v.; R. I., a. 42.)

139. Indien de in artikel 135 van dit wetboek bedoelde inschrijving niet heeft plaats gehad, is de procureur van den verweerder bevoegd, onder overlegging van de dagvaarding en van de oproeping bij anticipatie, zoo die geschied is, de zaak ter teregtzitting op de rol te doen inschrijven.

Tegen den niet-verschenen eischer wordt verstek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, tenzij ingeval van anticipatie de voorschriften van artikel 136 niet zijn in acht genomen, b) (Rv. 75).

140. Ten dienenden dage of op eenen naderen te bepalen dag wordt door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen en bij afschrift aan den procureur des verweerders gelijktijdig ter teregtzitting overgegeven, c) (Rv. (oud) 138; Rv. 5 n». 5, 133a, 138, 141, 143, 145; R. I, 38, 39, 40, 44).

de met redenen omkleede conclusie van den eisch voorgedragen en afschrift daarvan aan dien des gedaagde overgegeven

Ueze draagt terstond en met gelijke overgifte van afschrift, zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten. De regter kan tot het nemen der conclusien of tot de pleidooijen, op verzoek van eene dei-partijen in derzelver belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen.

a) Art. 138 (oud). In zaken, welke vatbaar zijn om sum-mierlijk te worden behandeld, wordt mede ten dienenden dage of op eenen naderen te bepalen dag, door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen, en bij afschrift aan den procureur des verweerders medegedeeld.

ft) Art. 139 (oud). Daarna draagt deze tenzelfdon dage ol op eenen naderen daartoe te bepalen dag zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waar\an, alsmede van de stukken van welke hij zich ter zijner verwering wil bedienen, hij een afschrift overgeeft; vervolgens worden partijen toegelaten tot de pleidooijen of daartoe een nadere dag bepaald.

c) Art. 140 (oud). Voor summiere behandeling zijn vatbaar:

1°. Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen titel waarvan het bestaan niet betwist wordt;

2°. Voorloopige vorderingen en alle vorderingen welke spoed vereischen;

3quot;. De vorderingen van huur- en pachtpennmgen, mitsgaders die wegens koopschat van vruchten te velde;

4quot;. De vorderingen in zake van bezitregt; en

5quot;. In het algemeen dezoodanige, welke om derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partijen.

ocr page 55

BOEK I, TITEL III, ARTT. 138—144.

141. Daarna draagt temelfden dage of op eeuen naderen te bepalen dag de procureur van den verweerder zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waarvan hij oen afschrift aan Jen procureur des eischers gelijktijdig (er teregtzitting overgeelt. (Rv. (oud) 139; Rv. 136, 137, 1456; R. I, a. 44.)

Hij Is gehouden alle exceptlên en zijn antwoord ten principale tegelijk voor te dragen, op straffe van verval der niet voorgedragene exceptlên, en, indien niet ten principale geantwoord Is, van het regt om zulks te doen.

Echter zullen erfgenamen, weduwen en vrouwen, hetzij uit den echt, hetzij van tafel en bed of van goederen gescheiden, die in termen van beraad zijn, hunne verwering tot een beroep daarop kunnen bepalen, a) (B. 188, 189, 193, 287. 298, 1070 v., 1072; Rv. 152,154, 247b, 4116 en c.)

142. Nadat de conclusie van antwoord ter teregtzitting is voorgedragen, wordt aan den procureur van den eischer op zijn verlangen gelegenheid gegeven tot het nemen eener conclusie van repliek, welke de procureur van den verweerder des verkiezende kan beantwoorden met eene conclusie van dupliek.

De regter kan op eenparig verzoek van partijen het nemen van nog meer concluslën toeslaan, b) (Rv. 141, 143, 144, 247c. 347.)

143. De termijnen voor het nemen der concluslën worden door den regter bepaald in overeenstemming rnet hetgeen de partijen verlangen. In geval van verschil tusschen partijen beslist de regter, daarbij ook lettende op den tijd, welken de belanghebbende partij mogt aantoonen te behoeven, ten einde zich de noodlge bewijsstukken te verschaffen, a) (Rv. 140, 141a, 142, 1456, 2476, 347, 411.)

144. Na het wisselen der concluslën worden partijen toegelaten tot de pleldooijen of wordt daarvoor een nadere dag bepaald, tenzij partijen op de stukken regt verlangen. (Rv. (oud) 139.)

of, bij verschil, door den regter voor summiere behandeling worden vatbaar geacht, of bij de wet als summier zijn aangewezen.

а) Art. 141 (oud). Incidentele vorderingen, tusschenkomst en voegingen worden in summiere zaken ten dienenden dage ter audlentle ingesteld bij gemotiveerde conclusion.

б) Art. 142 (oud). In zaken van gewone behandeling kan de verweerder volstaan met door zijnen procureur, op de oproeping der zaak ten dienenden dage, te doen aankondigen, dat laatstgemefde zich procureur gesteld heeft.

c) Art. 143 (oud). Rlnnen veertien dagen na den dag, op welken de procureur des verweerders is gesteld, doet de verweerder zijn antwoord of verwering, door zijnen procureur onderteekend, door eenen deurwaarder beteekenen aan den procureur des eischers.

Hij doet daarbij aanbod van een afschrift der stukken, waarop hij zijne verwering grondt, en welke hij aan den voet van zijn antwoord opgeeft.

39

ocr page 56

40 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORÜERING.

De rogter is bevoegd bij de pleidooijen aan de partijen of hare praktizijns ophelderingen te vragen omtrent den inhoud van hunne schriftelijke of mondelinge voordragten. agt; (Rv. 140, 141a, 142, 145, 247b, 255b en c, 347, 411, 412.)

145. Indien de eisch overeenkomstig het tweede b) lid van artikel 7 van dit wetboek is ingesteld op korten termijn, wordt ten dienenden dage door den procureur des eischers de met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen en gelijktijdig ter teregtzitting afschrift daarvan aan dien des gedaagden overgegeven.

Deze draagt terstond en met gelijke overgifte van afschrift zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden des verlangd daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten.

De regter kan tot het nemen der conclusiën of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der partijen in haar belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen, c) (Rv. (quot;oud) 137; Rv. 45, 135b, 137, 138, 140 v., 143, 255b en c, 291, 611c; R. I, a. 37, 38, 44, 45; R. Ill, a. 21.)

146. Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens een anderen te stellen; zoolang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerstgestelden. d) (Rv. (oud) 136; B. 1850, 1851, 2011 : Rv. 133«, 137a, 254 v., 263 v., 347, 417b.)

147. De partij, die zich bij conclusie op eenig stuk beroept, is verpligt daarvan, tegelijk met het afschrift harer conclusie, afschrift te geven, tenzij zulks reeds bij de dagvaarding geschied is, of de procureur der wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen. Rovendien is zij verpligt, indien de wederpartij bij akte van procureur tot procureur verklaart inzage te verlangen van het stuk zelf, dit het zij ter griffie neder te leggen, het zij tegen recepis aan den procureur der wederpartij over te geven.

a) Art. 144 (oud). Binnen de volgende acht dagen doet de eischer op gelijke wijze zijn repliek aan des gedaagdens procureur beteekenen, indien hij zulks in zijn belang noo-dig acht, en de verweerder heeft alsdan gelijken termijn en gelijke bevoegdheid tot het beteekenen van zijn dupliek; insgelijks met aanbod van afschrift der stukken, welke hij nader zoude willen overleggen.

b) Aldus art. 18 der Wet van 7 Juli •1896 (Stb. n0.103). Lees: derde.

c) Art. 145 (oud). Indien de verweerder zijn antwoord of verwering binnen de veertien dagen niet heeft beteekend, kan de eischer de zaak onmiddellijk vervolgan bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur, met oproeping tegen eenen bepaalden regtdag om conclusiën te nemen ter audientie.

d) Art. 146 ( oud). Na verloop der hiervoren bepaalde termijnen, of wanneer binnen dezelve geen repliek of dupliek respectievelijk is beteekend, kan de meest gereede partij de zaak vervolgen, in voege als bij het voorgaande artikel is bepaald.

ocr page 57

BOEK I, TITEL ill, ARTT. '145—150.

Imiien eene partij, nadat de dag voor het houden der pleidooijen bepaald is, nog eenig stuk in het geding wenscht te brengen, geschiedt dit door mededeeling van afschrift aan den procureur der wederpartij met gelijktijdige neder-legging van het stuk ter griffie, of overgilte daarvan tegen recepis.

Indien ten aanzien van eenig stuk aan eenig voorschrift van dit artikel niet is voldaan, of zóó laat, dat de wederpartij dientengevolge buiten staat is, daarop voldoende te antwoorden, zal zij alleen bij de pleidooijen zich op die omstandigheid kunnen beroepen. De regter zal alsdan zoodanig stuk terzijde kunnen leggen en daarmede bij zijne beslissing geen rekening behoeven te houden.

De stukken zullen ongezegeld en ongeregistreerd ter gritlie nedergelegd kunnen worden, a) (Bv. (oud) 148; B. 1923, 1925; Rv. 133d, 140, 141«, 142, -145, 148 v., ■164-166, 247b, 347, 413; Stb. 1843 n°. 47, a. 1, 8, 27; Loi du 22 Krim. an Vil (Fortuijn, 1, 484 v.), a. 42/is B. 4296, 521a en Rv. 7756.)

148. De stukken moeten worden teruggegeven binnen acht dagen na dagteekening van het recepis of van de kennisgeving aan de wederpartij, dat de stukken ter griffie zijn nedergelegd. 6) (Rv. (oud) 149; Bv. 2476.)

149. Indien de stukken niet zijn teruggegeven binnen dien termijn, zal de gebrekige bij een bevelschrift van den president daartoe worden genoodzaakt, zelfs bij lijfsdwang, onverminderd vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. c) (Rv. (oud) 150; R. 1279 v., 1401 v.; Rv. 2476, 585 nquot;. 7, 612 v., R. I, a. 75.)

150. Ingetrokken, d)

а) Art. 147 (oud). Ten dage dienende worden conclusiën genomen, even als ten aanzien van zaken van summiere behandeling bij de artikelen 138 en 139 is bepaald, en de regtbank of het hof bepaalt eenen dag van pleidooi, ten zij partijen, daarvan afziende, op het geding en de overgelegde stukken regt verzoeken.

б) Art. 148 (oud). De partijen kunnen in alle soort van zaken het zij op korte termijnen, het zij summiere, het zij van gewone behandeling, gedurende den loop van het geding, wederkeerig vragen de mededeeling of de overlegging ter griffie van de oorspronkelijke stukken welke tegen hen worden gebruikt.

In zaken op korte termijnen en in summiere zaken wordt deze mededeeling gevraagd bij eene schriftelijke conclusie ten dage dienende; in zaken van gewone behandeling bij akte van procureur tot procureur.

c) Art. 149 (oud). De stukken moeten worden terug gegeven binnen den tijd bepaald bij het recepis of bij de uitspraak waarbij de mededeeling bevolen is. Indien de termijn niet bepaald is, zal dezelve zijn van drie dagen.

d) Art. 150 (oud). Indien de stukken niet zijn teruggegeven binnen den termijn, zal de gebrekige partij of deszelfs procureur, bij een bevelschrift van den president, daartoe worden

41

ocr page 58

42 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORIIERING.

151. Ingetrokken, a)

DERDE AFUEELING.

Van voorloopige verzoeken en van de exceptie van onbevoegdheid, b)

152. Alle vreemdelingen, eischeis zijnde, of in eene aangelegde regtszaak zieli voegende, of tiisschenkoraende, zijn gehouden ten verzoeke van de wederpartij, alvorens deze eenige weren van regten of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en der schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden, c)

Ue partij, welke het stellen van zekerheid verzoekt, wordt niet geacht daardoor de competentie van den regter Ie hebben erkend. (C. 16; Pr. 16(3, 423; A. 9; B. '1864 v.; Rv. -125, 153, •154, 158, 247, 285, 353, 855; Stb. 1892 n». 268, a. '12 en overgangsbepaling, derde lid, j0. B. (oud) 8; Stb. 1869 n». -124, a. 17 ; Stb. 1884 n». 214; Stb. 1893 n°. 244.)

153- Het vonnis waarbij het stellen van zekerheid bevolen wordt, zal de som uitdrukken, tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. De eischer of tusschen-komende partij .welke deze som zal geconsigneerd hebben, of welke zal bewezen hebben dat zijne onroerende goederen, gelegen in de Nederlanden, voldoende zijn om de vastgestelde som daaraan te kunnen verhalen, zal worden ontslagen van het stellen van zekerheid, mits hij, in het laatste geval, op die goederen eene hypothekaire inschrijving toesta. (Pr. 167; B. 1217, 1867; Slb. 1843 n°. 38, a. 2fe (Tar. a. 23amp;); Rv. 353, 356, 616 v.)

154. Die voor eenen regter geroepen is welke onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen, zal mogen vorderen dat de regter zich onbevoegd verklare. (Pr. 168; G. 156; R. O. 1, 38 v., 53 v., 65, 66, 88 v., 996; Rv. 74, 125,126, 324 n». 3, 333, 353, 357 v., 421.)

155. Ingetrokken, d)

genoodzaakt, zelfs bij lijfsdwang, en op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

a) Art. 151 (oud). De termijnen, voorgeschreven bij de artikelen 137, 139, 143 en 144, moeten stip'.elijk worden nagekomen, ten zij de belanghebbende partij aantoont dat zij ter harer verdediging bewijsstnkken behoeft, en buiten de mogelijkheid is dezelve binnen den gewonen termijn voort te brengen. In dat geval kan de regter op verzoek van de belanghebbende partij statering van het geding ver-leenen gedurende eenen bepaalden tijd.

De uitspraak daarop is aan hooger beroep onderworpen.

b) Oorspronkelijk luidde het opschrift van deze afdeeling: «Van voorloopige verzoeken en van exceptiën ».

c) Uitzonderingen: Stb. 1869 n0. 37 en 75, a. 36; Stb. 1869 nquot;. 124, a. 17 dia.) (Zie onder art. 97.); Slb. 1884 ii». 214 en 227, a. 3; Stb. 1893 n». 244.

d) Art. 155 (oud). In geval de regter onbevoegd is uit

ocr page 59

BOKK I, TITEL III, AKTT. 150—'!59.

156. In geval de regter onbevoegd inogt zijn uit lioofde van het onderwerp des geschils, is hij, ook al is de exceptie van onbevoegdheid niet voorgesteld, ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren, o) (R. O. 38 v., 53 v., 65,66, 88 v. 9%; Rv. ■125, 154, -157, 324 n°. 3, 333, 421.)

157. Indien een geding, hetwelk tot de kennisneming behoort va.n den kantonregter, bij de arrondissements-regt-bank is aanhangig gemaakt, en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteld, zal de arrondisse-ments-regtbauk, als gewone regter, de zaak aan zich behouden en daarin in het hoogste ressort regt spreken, ö) (R. O. 38 v., 53, 54; Rv. 154, 156.)

158. In zaken welke reeds te voren door eene dagvaarding voor eenen anderen regter zijn aanhangig gemaakt tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of welke reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor dezelve aanhangig zijn, of in geval het geschil aan eene zaak verknocht is. die reeds voor eenen anderen regter of scheids-mannen aanhangig is, mag de verwijzing gevraagd worden naar dien anderen regter of naar de benoemde scheidsmannen. Dit moet geschieden bij met redenen omkleede conclusie vóór alle weren, op den dag voor het voordragen der verwering bepaald.

iJie verwijzing kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van eisch. c) (Pr. 171; B. 1241a; Rv. 125, 126/', lt;7, h, l, p, q, 14!b, 152, 276, 285, 353, 431, 620.)

159. Ingeval voor denzelfden regter tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp te gelijk zaken aanhangig zijn, of voor denzeltden regter verknochte zaken aanhangig zijn, kan daarvan de voegmg worden gevraagd.

Indien dit gevorderd wordt door den gedaagde, is daarop

hoofde van den persoon des verweerders, is deze gehouden deze zijne exceptie en de conclusie daartoe strekkende voor te stellen, alvorens eenige andere weren van regten of eenige andere verdediging voor te dragen.

a) Art. 156 (oud). In geval echter de regter onbevoegd mogt zijn uit hoofde van het onderwerp des geschils, zal de exceptie van onbevoegdheid in eiken stand des gedings mogen worden voorgesteld, en indien zij niet wordt voorgesteld, is de regter ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren.

b) In art. 157 (oud) werden, in plaats van de woorden: « en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteld», gelezen de woorden; «en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet overeenkomstig art. 155 hierboven heeft voorgesteld ».

c) In art. 158 (oud) ontbrak het tweede lid en luidde de laatste zinsnede van het eerste, toen eenige, lid; » Dit moet echter geschieden alvorens eenige andere weren van regten, of eenige andere verdediging voor te dragen, met uitzondering alleen van de exceptie vermeld in artikel 155 »

13

ocr page 60

» WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

toepasselijk het voorlaatste lid van het vorig artikel.

Die voeging kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van eisch. a) (Rv. 140,141b. 145a, 158, 250, 285.)

160. Ingetrokken, b)

161. Ingetrokken, c)

VIERDE A F DEEL ING.

Van de behandeling bij geschrifte.

162. Indien eene zaak niet vatbaar schijnt voor eene mondelinge voordragt, kan de regter, het zij op verzoek van eene der partijen, het zij ambtshalve, bevelen, dat zij bij geschrifte worde behandeld, om op het rapport van eenen daartoe te benoemen regter te worden afgedaan. (Pr. 95; Rv. 46b. 262. 353.)

163. Ingetrokken, d)

a) Art. 159 (oud). Dilatoire exceptien moeten gezamenlijk, en vóór de exceptien waarvan in het volgende artikel wordt gehandeld, en vóór alle antwoorden ten principale worden voorgesteld.

Niettemin zullen erfgenamen, weduwen en vrouwen, het zij uit den echt, het zij van tafel en bed, of goederen gescheiden, aanvankelijk kunnen volstaan met als dilatoire exceptie voor te dragen, dat zij nog zijn in termen van beraad.

b) Art. 160 (oud). Alle overige exceptien moeten met het antwoord te gelijk worden voorgesteld, op straffe van verwijzing in de kosten door het niet nakomen van dit voorschrift veroorzaakt.

Hiervan zijn uitgezonderd:

1°. De exceptie van gewijsde zaak, het zij door een reg-terlijk vonnis, het zij door een uitspraak van scheidsmannen;

2°. De exceptie van dading;

3°. De exceptie dat de aanlegger de hoedanigheid niet bezit welke hij zich toeschrijft, of dat de verweerder de hoedanigheid niet bezit in welke hij is gedagvaard.

Deze exceptien alleen kunnen vóór het antwoord ten principale worden voorgesteld.

Indien de verweerder van die bevoegdheid geen gebruik maakt, maar deze exceptien met zijne verdediging ten principale vereenigt, moet hij alle dezelve gezamenlijk voorstellen.

c) Art. 161. (oud). Alle exceptien, welke coor partijen vóór het antwoord ten principale moeten of mogen worden voorgesteld, zullen summierlijk worden behandeld.

Die exceptien moeten op zich zelve worden uitgewezen, en mogen niet aangehouden of gevoegd worden bij de hoofdzaak.

d) Art. 163 (oud). Het regterlijk bevel, waarbij de schriftelijke behandeling bevolen wordt, zal worden ten uitvoer

ocr page 61

BOEK I, TITEL UI, ARTT. 160—172.

164. Binnen veertien dagen na de uitspraak van hetzelve, zal de eischer aan den verweerder eene schriftuur, inhoudende zijne middelen en conclusie, doen beteekenen en afschrift daarvan doen overgeven: dezelve zal eindigen met eenen staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

Deze schriftuur en stukken zullen binnen vier en twintig uren na de beteekening ter griffie worden overgelegd.

De akte van overlegging moet worden beteekend. (Pr. 96: Rv. 66, 140.)

165. Binnen de veertien dagen na de beteekening dier schriftuur, zal de verweerder inzage nemen en afschrift kunnen vragen der ter griffie overgelegde stukken, en zal zijn antwoord, houdende zijne middelen en conclusie, aan den eischer doen beteekenen, onder hetweik zal worden gesteld een staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

Dit antwoord en deze stukken zullen insgelijks, met aanbod van afschrift, door hem worden overgelegd ter griffie, binnen vier en twintig uren na de beteekening en de akte van overlegging zal worden beteekend. (Pr. 97; Rv. 66, 141, 168, 170.')

166. Binnen gelijke termijnen kunnen de partijen schrifturen van re- en dupliek aan elkander doen beteekenen, welke op gelijke wijze, met de daartoe behoorende stukken, ter griffie moeten worden overgelegd. (Rv. 66, 142, 168.)

167. In de gevallen der drie a) voorgaande artikelen kunnen de partijen elkander onderling in der minne stukken mededeelen onder recepis; artikel 149 is hier toepasselijk, b) (Rv. 147 v., 170.)

168. Geene verdere schrifturen of stukken, welke partijen daarna mogten willen overleggen of aan elkander mededeelen, kunnen in de begrooting der kosten worden aangenomen. (Pr. 105; Rv. 96, 133d.)

169. Bijaldien binnen den hier boven bepaalden termijn, eene der partijen hare stukken niet overgelegd of medegedeeld, noch ook hare schrifturen heeft doen beteekenen, kan do zaak worden beoordeeld op de stukken van de andere partij. (Pr. 98, 99, 101; Rv. 164, 165, 167.)

170. Na alloop van den hierboven bepaalden termijn, zal de griffier, ter begeerte van de meest gereede partij, de schrifturen en stukken aan den rapporteur ter hand stellen, die dezelve tegen renversaal zal overnemen. (Pr. 109; Rv. 164 v., 175, '255rf.)

171. Bijaldien uit eenigen hoofde de rapporteur buiten staat is zijn rapport te doen, zal er een ander op de teregt-zitting worden benoemd, ten verzoeke van de meest gereede partij. (Pr. 110; Rv. 162.)

172. Bijaldien het proces moet worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, zal de rapporteur zorgen dat

gelegd zonder dat het noodig zal zijn hetzelve te ligten of te beteekenen.

a) O. E. 1838 en O. E. 1896: heide.

b) In art. 167 (oud) luidden de laatste woorden: «artikel 150 is hier toepasselijk.»

45

ocr page 62

46 WETBOEK VAN BURGERLIJKE KEGTSVORDERINI1.

deze mededeeling in tijds geschiede, opdat het vonnis daardoor niet worde vertraagd. (Pr. 112; Rv. 324.)

173. Het openbaar ministerie, na kennis genomen te hebben der stukken, zal dezelve binnen den kortst mogelijken termijn aan den rapporteur doen terugkomen. (Rv. 172.)

174. Het rapport zal op de teregtzitting worden gedaan, en zal daarvan op eene vorige teregtzitting aankondiging gedaan worden.

De rapporteur zal de daadzaken en de middelen opnemen, zonder zijn gevoelen te uiten.

De partijen mogen het woord niet voeren; zij kunnen alleenlijk aan den president schriftelijke aanteekeningen ter hand stellen, indien zij vertneenen dat de eene of de andere daadzaak onvolledig of niet juist door den rapporteur is voorgedragen.

Het openbaar ministerie zal worden gehoord in zaken waarin zulks volgens de wet wordt vereischt of toegelaten.

De regter zal uitspraak doen op eene door hem te bepalen teregtzitting. (Pr. 111, 112; R. O. 26a; Rv. 18, 46amp;, 324. 325, 328.)

175. Na het rapport zal de rapporteur de stukken ter griffie terug bezorgen en zijn renversaal terug nemen. (Pr. 114; Rv. 170.)

VIJFDE A F D E E L I N G.

Van de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften en het geregtelijk onderzoek deswege.

176. Er zal een geregtelijk onderzoek plaats kunnen hebben naar de echtheid of onechtheid van geschriften, waarvan partijen zich willen bedienen:

1°. Wanneer de partij, welke men beweert een onder-handsch geschrift geschreven of onderteekend te hebben, ontkent hetzelve te hebben geschreven of onderteekend; (B. 1912 v.; Rv. 177.)

2°. Wanneer de partij, tegen wie men gebruikt maakt van een onderhandsch geschrift door een' derde geschreven of geteekend, verklaart het geschrift of de onderteekening van dengenen, dien men beweert zulks geschreven of geteekend te hebben, niet te erkennen; (B. 1912 v.; Rv. 177.)

3°. Wanneer eene der partijen beweert dat een stuk valsch of vervalscht is. (B. 1909; Rv. 178; Sr. 225 v.; Sv. 273 v. — Pr, 14, 193, 214; Rv. 353.)

177. In de gevallen bij n°. 1 en 2 van het voorgaande artikel vermeld, zal de partij, welke de echtheid van het door haar overgelegde, doch door hare wederpartij betwiste geschrift staande wil houden en zich daarvan wil bedienen, kunnen vorderen dat zij worde toegelaten om de echtheid van hetzelve, het zij door bescheiden, het zij door deskundigen of door getuigen, te staven. (Pr. 195; B. 1904 v., 1932 v.; Rv. 179, 182, 222 v.)

ocr page 63

BOEK 1, TITEL III, ARTT. 170—182.

178. In het geval bij n0. 3 van het voorlaatste artikel vermeld, zal de partij welke beweert dat een overgelegd stuk valsch of vervalscht is, kunnen vorderen om tot bewijs daarvan te worden toegelaten, het zij door bescheiden, het zij door deskundiger., het zij door getuigen.

Zij zal echter daartoe niet worden toegelaten, dan na alvorens, onder consignatie eener som van honderd vijftig gulden, ter griffie van de regtbank te hebben overgelegd eene akte door haar zelve geteekend, of wel door eenen bijzonderen gevolmagtigde, daartoe, bij authentieke akte, bepaaldelijk gemagtigd, en inhoudende de stellige verklaring dat het bewuste stuk door haar voor valsch of vervalscht wordt gehouden, mitsgaders de daadzaken, omstandigheden en bewijsmiddelen, door welke zij zich voorstelt die valschheid of vervalsching te zullen bewijzen. (Pr. '2'20, 232; Rv. 179, 182, 222'v.; Sv. 273; B. 1904 v., 1909,1932.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 7 April 1869 (Stb. nquot;. 55).

179. In de gevallen, bij de twee laatste artikelen vermeld, zal de meest gereede partij het gerezen geschil aan des regters onderzoek en uitspraak onderwerpen, bij eenvoudige akte van procureur tot procureur. (Pr. 199, 218.)

180. Ten dage dienende zal de partij welke het stuk heeft overgelegd, moeten verklaren of zij zich daarvan wil bedienen.

Indien zij weigert te antwoorden, of verklaart zich van het stuk niet te willen bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden.

Indien zij niet verschijnt, beveelt de regter eene tweede oproeping, te beteekenen op de wijze als bij het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-verschijning op die tweede oproeping, bij weigering om te antwoorden, of bij verklaring dat zij zich van het stuk niet wil bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden. (Pr. 199, 216, 217; Rv. 133, 137, 182.)

181. Bijaldien de partij verklaart dat zij zich van het stuk denkt te bedienen, zal de andere partij moeten verklaren, of zij er bij blijft om, het zij liet geschrift of de handteekening te ontkennen, het zij dezelve niet te erkennen, het zij het stuk van valschheid te betichten.

Indien zij weigert te antwoorden of niet volhardt bij hare eerste verklaring, zal het stuk in het geding worden toegelaten.

Indien zij niet verschijnt, handelt de regter, zoo als bij het derde lid van het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-verschijning op de tweede oproeping, bij weigering om te antwoorden, of bij niet-volliarding in hare eerste verklaring, wordt het stuk in het geding toegelaten. (Pr. 194, 199, 217, 218; Rv. 176, 180, 182.)

182. Bij verschijning van beide partijen en volharding bij hare vroegere beweringen, beveelt de regter dat ten dage door hem te bepalen, doch ten minste na veertien dagen, over de echtheid of onechtheid des stuks geregtelijk onderzoek zal plaats hebben, en voor zoo verre hij niet gevoeglijk

47

ocr page 64

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORÜERING.

zelf dat onderzoek kan verrigten, benoemt hij te dien einde eenen regter-commissaris benevens drie deskundigen. (Sr. 192 n». 2.)

Voor zoo verre echter partijen raogten kunnen overeenkomen in de keus der deskundigen, zal de regter daarin kunnen berusten.

Deze uitspraak zal tevens den last inhouden dat het betwiste stuk, behoorlijk omschreven en door den voorzitter en den grillier gewaarmerkt, ter griffie overgebragt en aldaar bewaard worde, behoudens het vermogen van partijen om van hetzelve, mitsgaders van de akte van omschrijving en overbrenging ter griffie, aldaar, visie of afschrift te kunnen nemen. (Pr. 196, 198, 203, 218 v., 225 v., 228, 232; B. 1914; Rv. 176, 177, 178, 222 v., 324 nquot;. 11; Sv.273 v., 283.)

183. Ten bepaalden dage moeten de partijen voor den regter of voor den regter-commissaris verschijnen, ten einde overeen te komen wegens de stukken van vergelijking.

Indien eene der partijen niet verschijnt, beveeït de regter eene nadere oproeping tegen eenen te bepalen dag. Wanneer op dien dag de partij, welke van het stuk wil gebruik maken, niet verschijnt, wordt het stuk buiten het geding gehouden.

Bij niet-verschijning van de wederpartij, verklaart de regter dat het stuk wordt gehouden voor erkend.

Indien beide partijen voor de eerste reize wegblijven, kan de regter den aanleg in het stuk van valschheid dadelijk vervallen verklaren of eene tweede verschijning bevelen. (Pr. 199, 234, 236 n». 1; Rv. 180,181,184 v., 324 n». 11.)

184. Bijaldien de partijen niet overeenkomen over de stukken van vergelijking, zal de regter geene andere als zoodanige mogen aannemen, dan;

1°. Authentieke akten; (B. 1905 v.)

2°. Onderhandsche geschriften door de partijen erkend; (B. 1911, 1912 v.)

3°. Het overige gedeelte van het overgelegde stuk, bijaldien het verifiëren alleen een gedeelte daarvan betreft; of,

4°. Hetgeen de partij gehouden zal zijn te schrijven, achtervolgens mondelinge vóórzegging en in tegenwoordigheid van den regter of regter-commissaris.

De weigering van schrijven kan tengevolge hebben de erkenning van het stuk. (Pr. 200, 236; B. 1959; Sv. 279 v.)

185. In geval de stukken ter vergelijking dienende in handen van openbare of andere bewaarders zijn, zal de regter of regter-commissaris bevelen dat de houders dier stukken dezelve overbrengen op den door den regter of regter-commissaris vastgestelden dag en uur, en ter plaatse waar het onderzoek gedaan zal worden, op straffe dat de openbare bewaarder van zoodanige stukken bij lijfsdwang, en de andere langs den gewonen weg van regten, daartoe genoodzaakt zullen worden, behoudens ook het middel van lijfsdwang ten aanzien der laatste, in geval daartoe termen zijn. (Pr. 201; Rv. 188, 324 n°. 11, 585 n». 6, 589; B. 1275; Sv. 276 v.; Sr. 193 nquot;. 2.)

186. In geval de stukken ter vergelijking niet overgebragt

48

ocr page 65

BOEK I, TITEL III, ARTT. IBS—189.

kunnen worden, of de woonplaats der houders te zeer verwijderd is, wordt liet aan het 'doorzigt van den regter overgelaten, op het verslag van den regter-commissaris en na het openbaar ministerie gehoord te he Ij ben, te bevelen dat het onderzoek zal geschieden bij den regter ter plaatse alwaar de houder woonachtig is of van de naast daaraan gelegene plaats, of wel da*, binnen eenen bepaalden termijn ■de stukken ter griffie ingezonden zullen worden, op zoodanige wijze als de regter zal voorschrijven. (Pr. 202; B. 16 v.; R. O. 25; Rv. 187, 324 n°. 11.)

187. Bijaldien, in dit laatste geval, de houder een openbaar persoon is, zal hij vooraf een afschrift van destukken maken, hetwelk tegen het oorspronkelijke vergeleken en ^eteekend zal worden door den voorzitter der regtbank van ïijn arrondissement, die daarvan proces-verbaal zal opmaken. Dat afschrift zal door den bewaarder bij zijne oorspronkelijke stukken of minuten gelegd worden, om in de plaats te treden van het oorspronkelijke stuk of stukken, tot op de terugzending van het laatstgemelde, en hij zal daarvan grossen en uitgillen mogen uitleveren, met vermelding van het proces-verbaal daarvan opgemaakt.

De kosten worden door den eischer van verificatie aan den bewaarder te goed gedaan, volgens de begrooting of waardering daarvan te doen door den regter die het procesverbaal heeft opgemaakt, naai' hetwelk het bevel van ten uitvoerlegging uitgevaardigd zal worden. (Pr. 203; Rv. 176, 186, 189; Sv. 279; Stb. 1842 n». 20, a. 41.)

188. De meest gereede partij zal bij exploit doen oproepen de deskundigen, indien er zoodanigen benoemd zijn, en de bewaarders, om zich te laten vinden ter plaatse, ten dage en ure bij het bevelschrift van den regter of regter-commissaris bepaald, en wel de deskundigen om den eed af te leggen, en om eeneu aanvang te maken met het onderzoek en om hun berigt op te maken, voorts de bewaarders, ten einde over te leggen de stukken van verge-iijking, en van dit alles zal proces-verbaal worden opgemaakt.

De partij zal worden opgeroepen, bij eene akte beteekend ter gekozene woonplaats, ten einde daarbij tegenwoordig te zijn. (Pr. 204; Rv. 5, 13, 133, 137, 185 v., 222 v., 324 n0. 11; Sr. 444.)

189. Wanneer de stukken door de houders vertoond zijn, wordt het aan het doorzigt van den regter of regter-commissaris overgelaten te bevelen, dat zij ter bewaring van gezegde stukken bij het doen van het onderzoek tegenwoordig zullen blijven, en dezelve bij elke daartoe noodige zitting terug nemen en wederom leveren, of wel te bevelen dat de stukken in handen van den griffier ter bewaring gesteld zullen worden.

In het laatste geval zal de houder, indien hij een openbaar persoon is, afschrift daarvan mogen nemen, zoo als bij artikel 187 gezegd is, en zulks, ofschoon de plaats, waar het onderzoek geschiedt, buiten het arrondissement ligt waarin de houder het regt heeft akten te maken.

In dat geval geschiedt de vergelijking bij den voorzitter

4

49

ocr page 66

50 WETBOEK VAN BUBOERUJKE REGTSVORDERING.

der arrondissements-regtbank onder welks gebied het stuk zich lijdelijk bevindt. (Pr. 205; B. 1905; Stb. 1842 n°. 20, a. 7; Rv. 324 n°. 11.)

190. De deskundigen zullen beëedigd worden.

De stukken zullen hun worden medegedeeld, waarna zij hun berigt schriftelijk en met redenen bekleed uitbrengen.

De bepalingen van artikel 225, 227, 229, 232, 235 en 236 zijn ten deze mede toepassehik. a) (Pr. 197,207,208.210a, 236; Rv. 101c, 107, 120, 18'8, 230, 231, 232; Sv. 283; Sr. 192 nquot;. 2.)

191. Als getuigen kunnen worden gehoord de zoodanigen welke het geschrift hebben zien schrijven of teekenen, of die kennis hebben van de daadzaken, welke dienen kunnen om de waarheid te ontdekken.

De ontkende stukken, of die, welke niet erkend zijn of beticht zijn van valscliheid, worden hun vertoond, door hen gewaarmerkt, en verder worden nagekomen de voorschriften op het getuigenverhoor. (Pr. 211 v., 234: B 1932 v.; Rv. 177, 178a. 199 v.; Sv. 281; Sr. 192 n». 2, 444.)

192. Wanneer het onderzoek is afgeloopen, zal de meest gereede partij de zaak op de teregtzitting brengen, en voort-procederen bij eenvoudige akte van procureur tot procureur. 6) (Pr. 238; Rv. 182a, 186, 188a.)

193. Indien uit het geding vermoedens vai valschheid of van vervalsching tegen nog levende personen ontstaan, beveelt de regter dat de stukken in handen van het openbaar ministerie worden gesteld, ten einde bij den bevoegden regter in strafzaken te worden onderzocht.

liet burgerlijk geschil blijft geschorst tot na de beslissing van den regter in strafzaken. (Pr. 239, 240; B. 1909,1955; Rv. 325; Sv. 4, 5, 23 v., 275; Sr. 69, 225 v.)

194. Wanneer de burgerlijke regter, bij het afdoen van de beweerde valschheid, het ter zijde leggen, verscheuren of doorhalen, in het geheel of ten deele, of zelfs het verbeteren en in orde brengen der valsche of vervalscht verklaarde stukken beveelt, zal de uitvoering van dit punt van het vonnis opgeschorst blijven, zoo lang de termijn om in hooger beroep te komen, request civiel of cassatie te verzoeken, voor den veroordeelde loopende is, of hij niet in het vonnis berust heeft. (Pr. 241; Rv. 334, 339, 361, 385, 398, 399.)

195. Het vonnis waarbij uitspraak gedaan wordt over de echtheid of de onechtheid van het betwiste geschrift, zal tevens moeten bevelen den termijn, binnen welken, en de wijze waarop de door de partijen, getuigen of bewaarders overgelegde stukken moeten worden terug gegeven. (Pr. 242; Rv. 183 v., 324 n». 11; Sv. 286.)

196. In geval het bewezen is, dat het stuk geschreven

a) In art. 190 (oud) derde lid ontbrak de toepasselijk-verklaring van art. 232.

b) In art. 192 (oud) volgden aan het slot nog de woorden : t tevens met beteekening van het proces-verbaal van onderzoek ».

ocr page 67

BOEK I, TITEL III, ARTT. 190—200.

is door dengeen die het had ontkend, zal hij bij hetzelfde vonnis in eene boete van honderd rjulden worden verwezen, onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, zelfs bij lijfsdwang te verhalen.

De lijfsdwang kan zelfs ten aanzien der hoofdzaak worden uitgesproken.

197. In geval, door des regters uitspraak, een stuk, door eene der partijen van valschheid beticht, verklaard wordt niet valsch te zijn, zal die partij venvezen worden in eene boete van niet minder dan honderd vijftig enniethooger dan drie honderd gulden, en bovendien tot vergoeding van kosten, schaden en interessen aan hare partij.

Deze veroordeelingen kunnen zelfs bij lijfsdwang worden ten uitvoer gelegd.

Ten aanzien der hoofdzaak geldt de bepaling van het laatste lid des vorigen artikels.

198. De teruggave van de geconsigneerde boete zal worden bevolen in het geval waarin het stuk zal zijn verklaard valsch of vervalscht,-of wanneer hetzelve uit het geding verworpen is.

Art. 196—108 ingetrokken bij art. 1 der Wet van 7 April 1869 (Stb. u°. 55).

ZESDE A F t) E E L I N G.

Van getuigenverhoor.

199. Indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn, en liet bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, zal de regter, op verzoek van eene der partijen, een getuigenverhoor bevelen.

Hij kan dit ook ambtshalve bevelen, indien hij tot de Cquot;. beslissing dex zaak zulks diensüg en noodig acht.

Het tegenbewijs wrfrdt van regtswege toegelaten. (Pr. 253 v., 256; B. 1903,^.1932 v.; K. 16; Rv. 103, 200, 353.)

200. Het getui^enveV-Jioor wordt bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij den tweeden titel van dit boek, met uitzondering van het bepaalde bij

het eerste en het tweede lid van artikel 119 en bij artikel X 121, en met dien verstande, dat de in artikel 106 bedoelde 5^ overgifte van afschrift van het vonnis zal geschieden, ook al is de procureur der wederpartij bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig geweest. (Rv. 103—121.) ,

Indien de getuigen te verre verwijderd wonen of verhin-derd worden om te kunnen opkomen, kan de regter het verhoor opdragen aan eenen regter-commissaris of aan den kantonregter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97.)

Indien de getuigen wonen buiten het regtsgebied van het regterlijk collegie, kan dit het verhoor opdragen aan de arrondissements-regtbank of den kantonregter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97, 126.)

In de gevallen, bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel, is het bepaalde bij het vierde lid van artikel

51

ocr page 68

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

119 toepasselijk en wordt van het verhoor altijd procesverbaal opgemaakt. Niettemin vervalt het voorschrift betreffende de in artikel 119 bedoelde beteekening, indien het verhoor ten huize van den getuige plaats heeft, a) (Rv. HO, •111. — Pr. 407 v,. 1035; Rv. 226b.)

201. Wanneer in zaken van bezitregt, het bezit of de stoornis ontkend wordt, zal het verhoor van getuigen, dat dienaangaande bevolen wordt, zich niet mogen uitstrekken tot het regt op de zaak zelve (het petitoir). (Pr. 24; B. 606, 613, 618, 619, 629; Rv. 103c, 130 v., 250 n°. 3.)

202. Na alloop van het getuigenverhoor, of indien dit achterwege blijft, bepaalt de regter den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, b) (Rv. 112, 119d, 199 v.)

203. Behoudens het bepaalde bij het derde lid van artikel 119 en bij het tweede en derde lid van artikel 200, en voor zooveel ontslag, overlijden, ziekte van langdurigen aard of eene andere dergelijke oorzaak het niet noodzakelijk maakt, zullen regters, die het getuigenverhoor niet hebben bijgewoond, niet mogen medewerken tot de uitspraak over de zaak, waarin dal verhoor gehouden is.

Van de afwijking van dezen regel en de oorzaak daarvan wordt in de uitspraak melding gemaakt. De noodzakelijkheid der afwijking wordt uitsluitend door het collegie, dat haar toepast, beoordeeld, zonder dat daartegen eenige voorziening openstaat, c) (Rv. 109a j0 200a, 332; R. 1, a. 22 v., 26.) l, s-k.

204. Ingetrokken, d) 4 V lt;

205. Ingetrokken, e)

a) In art. 200 (oud) luidde het eerste lid: «In zaken van summiere behandeling wordt het getuigenverhoor bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij den tweeden titel van dit boek, met uitzondering van het bepaalde bij artikel 119 en 121», en luidde het vierde lid:

«In deze gevallen wordt altijd van het verhoor procesverbaal opgemaakt.»

h) Art. 202 (oud). In zaken van gewone behandeling moeten de daadzaken, welke eene partij door getuigen wil bewijzen, bepaaldelijk worden uitgedrukt bij eene akte van conclusie, van procureur tot procureur te beteekenen.

Zij moeten bij gelijke akte binnen acht aagen worden ontkend of erkend, en kunnen anderzins voor erkend worden gehouden.

c) Art. 203 (oud). Indien de daadzaken. die ontkend worden ter zake dienende en afdoende zijn, wordt het ge-tuigenbewijs bij vonnis bevolen.

d) Art. 204 (oud). Bij dit vonnis, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve gewezen, beveelt de regter dat het getuigenverhoor zal plaats hebben op de teregtzitting of voor eenen door hem benoemden regter-commissaris.

e) Art. 205 (oud). In de gevallen, bedoeld bij het tweede lid van artikel 200, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen daar is bepaald.

52

ocr page 69

BOEK r, TITEL HI, ARTT. 201—218.

206—218. Ingetrokken, d)

In die gevallen wordt altijd van het verhoor procesverbaal opgemaakt.

Hot getuigenverhoor zal altijd met gesloten deuren plaats hebben.

et) Deze artikelen luidden:

Art. 206 (oud). Indien het verhoor plaats heeft op de teregtzitting, moeten de regelen, voorgeschreven in summiere zaken, worden nagekomen.

Art. 207 (oud). Indien het verhoor voor eenen regter-commissaris plaats heeft, moeten de volgende regelen worden in acht genomen.

Art. 208 (oud). Het vonnis moet, behalve de daadzaken welker bewijs wordt toegelaten of bevolen, inhouden:

1°. De benoeming van eenen regter-commissaris;

2°. Den termijn binnen welken het bevel ter dagvaarding der getuigen aan den regter-commissaris moet worden gevraagd.

Deze termijn begint te loopen van den dag der beteekening van het vonnis door de meest gereede partij.

Art. 209 (oud). Binnen dezen termijn moet de partij, aan welke het getuigenverhoor is opgelegd, zich bij requeste wenden tot den regter-commissaris, ten einde te bekomen het bevel tot dagvaarding der getuigen op de plaats, den dag en het uur door denzelven te bepalen.

Bij verzuim hiervan zal zij niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten.

Art. 210 (oud). Die partij is verder verpligt, op straffe van nietigheid, ten minste vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, het bevel aan hare wederpartij te doen beteekenen, met opgave van de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren.

Deze beteekening zal geschieden aan den procureur der wederpartij, zoo er een is, en anders aan derzelver persoon of woonplaats.

Art. 211 (oud). Indien de wederpartij van hare zijde voor het tegenbewijs, waartoe de wet haar het regt geeft, insgelijks getuigen mogt willen doen hooren, kan zij dezelve mede tegen den bepaalden dag doen oproepen. Zij zullen echter niet mogen gehoord worden, indien hunne namen en woonplaatsen niet ten minste vier en twintig uren vóór den bepaalden dag aan den procureur der partij zijn beteekend.

Art. 212 (oud). Van het getuigenverhoor zal altijd procesverbaal worden opgemaakt.

Art. 213 (oud). De partijen zijn gehouden hare wrakingen met de redenen derzelve vóór het afleggen van het getuigenis op te geven; de gewraakte getuige is verpligt zich hierop te verklaren.

Art. 214 (oud). Indien de partij, die eenen getuige gewraakt heeft, in hare wraking blijft volharden, kan de gewraakte getuige voorloopig niet gehoord worden, maar zal de regter-commissaris partijen zonder nadere dagvaarding

53

i

ocr page 70

5i WETBOEK VAN DÜRGERI.UKE REGTSVORDERING.

ZEVENDE AFDEELING.

Van geregtelijke plaatsopneming en bezigtiging. a)

219. Indien het hof of de regtbank, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een of meerder leden welke over de zaak hebben gezeten, verzeld van den griffier, zich zullen begeven op de plaats welke in oogenschouw moet worden genomen, ten einde derzelver staat en gelegenheid op te nemen, en daarvan eene akte van bevinding uit te brengen, het zij alleen, het zij met behulp van deskundigen.

Op gelijke wijze en met gelijk doeleinde kan bij vonnis bevolen worden eene bezigtiging van roerende zaken, die niet of bezwaarlijk ter teregtzitting kunnen worden over-gebragt.

Het vonnis bepaalt den tijd der plaatsopneming of den

of sommatie naar eene door hem te bepalen teregtzitting verwijzen, alwaar over de wraking summierlijk zal worden beslist.

De regter-commissaris zal intusschen met het 'looren der andere getuigen kunnen voortgaan.

Indien echter partijen, zonder voorbehoud van hooger beroep, zich aan de uitspraak van den regter-commissaris over de wraking mogten willen onderwerpen, zal deze over de wraking onmiddelijk zelf kunnen beslissen.

Art. 215 (oud). De bepalingen van de artikelen 105, 107, 109, 111, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 119 en 120 zijn mede op het getuigenverhoor voor den regter-commissaris toepasselijk.

Art. 216 (oud). Indien de wederpartij ten gevolge van het getuigenverhoor noodig raogt oordeelen ora voor tegenbewijs nog nadere getuigen te doen hooren, zal zij daartoe bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor verzoek doen, •en de regter-commissaris zal haar eenen termijn verleenen, met bepaling van den dag en het uur waarop dat nader getuigenverhoor zal plaats plaats hebben. Zij is verpligt, op straffe van nietigheid, uiterlijk vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren, aan hare partij te doen beteekenen; er zal echter aan die partij geene nadere oproeping gedaan worden.

Art. 217 (oud). Indien een getuige, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt geworden, kan de belanghebbende partij bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan den regter-commissaris mede eenen naderen termijn verzoeken.

Art 218 (oud). De termijn om het verhoor te houden verstreken zijnde, zal de meest gereede partij afschrift der processen-verbaal aan de wederpartij doen beteekenen en de zaak voortzetten.

a) Oorspronkelijk ontbraken aan het opschrift van deze afdeeling de woorden: «en bezigtiging».

ocr page 71

BOEK I, TITtL ur, AHTT. 219—223. 55

tijd en de plaats der bezigtiging, den termijn, binnen welken het in artikel 220 bedoelde proces-verbaal ter griffie moet zijn nedergelegd, en de teregtzitling, waarin partijen zullen worden toegelaten om voort te procederen, a) (Pr. 295 v.; li. 565 v.; Rv. 46, 101, 202, 221n, 353.)

220. De griffier zal proces-verbaal der handelingen, welke op de plaats zijn voorgevallen, opmaken, h)

221. De reiskosten zullen door de partij, te wier verzoeke de opneming of bezigtiging geschiedt, voorgeschoten en ter griffie overgebragt worden.

Indien de regter de plaatsopneming of bezigtiging ambtshalve beveelt, zal hij tevens bevelen door wien de koste» zullen worden voorgeschoten, c) (Pr. 301; Rv. 5C.)

ACHTSTE AFDEEL1NG.

Van berirjt van deskundigen.

222. Indien het hof of de regtbank, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een onderzoek of opneming door deskundigen worde bewerkstelligd.

Dit vonnis zal het voorwerp van het onderzoek of van de opneming duidelijk uitdrukken, benevens de benoeming van drie deskundigen.

Indien echter beide partijen verzoeken dat het onderzoek zal gedaan worden door slechts éénen deskundige, zal er niet meer dan één worden benoemd. (Pr. 302 v.; B. 454d, 536, i\13d, 1124, 1264, 1605; Rv. 46, 101, 178a, 182,223, 224, 247, 353.)

223. Indien partijen op de teregtzitting overeengekomen zijn omtrent den persoon of de drie personen, welke zij als deskundigen verlangen, zullen deze bij hetzelfde vonnis worden benoemd.

Indien partijen over de personen niet zijn overeengekomen, zal het vonnis bevelen dat partijen dezelve binnen acht dagen na de uitspraak zullen noemen, en dat bij gebreke van dien tot de bevolene verrigting zal worden over-

a) In art. 219 (oud) ontbrak het tweede lid en werden in plaats van het nu derde lid gelezen het toen tweede en derde lid luidende;

«Het benoemde lid of de benoemde leden bepalen bij bevelschrift de plaats, den dag en het uur der opneming, ten verzoeke van de meeste gereede partij.

Dit bevelschrift wordt bij akte van procureur tot procureur beteekend, en geldt als oproeping. ■gt;

b) In art. 220 (oud) volgden aan het slot nog de woorden; «De meest gereede partij zal daarvan een afschrift beteeke-nen aan hare wederpartij en zal voortprocederen bij akte van procureur tot procureur.»

c) In art. 221 (oud) ontbraken in het eerste lid en in het tweede lid de woorden: «uf bezigtiging».

ocr page 72

50 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

gegaan door deskundigen bij hetzelfde vonnis ambtshalve te benoemen, d)

Binnen den bovengemelden termijn zullen partijen, wanneer zij omtrent de benoeming van deskundigen zijn overeengekomen, daarvan verklaring ter griffie doen. (Pr. 304 v.; Rv. 80, 222.)

224. Bij het vonnis in het voorgaande artikel gemeld zal bepaald worden de dag en het uur der eedsaflegging van do benoemde deskundigen.

Echter zal het hof of de regtbank mogen bevelen dat die eed worde afgelegd voor den regter van het kanton waarin de bevolene verrigting moet plants hebben.

Na verloo|i van den in het voorgaande artikel bepaalden termijn zal de meest gereede partij de deskundigen oproepen om den eed af te leggen bij een exploit, dat de regterlijke opdragt inhoudt: deze oproeping zal gedaan worden ten minste drie dagen voorden dag tot het alleggen van den eed bepaald. Partijen behoeven bij de eedsaflegging niet tegenwoordig te zijn. b) (Pr. 305, 307; Rv. 101, 228, 229. 230.)

225. De deskundigen van ambtswege benoemd, kunnen gewraakt worden uit denzelfden hoofde als de getuigen.

De deskundigen door partijen aangewezen, kunnen niet gewraakt worden dan uit hoofde van oorzaken, welke na ■de benoeming en vóór de aflegging van den eed mogten zijn opgekomen.

De wraking moet altijd vóór de eedsaflegging worden voorgesteld. De deskundige wordt, zoo hij verschijnt, gehoord; de regter doet uitspraak zonder hooger beroep, c) (Pr. 308, 310 v.; B. 1950; Rv. 42, 108, 425, lOOc, 226, •227.)

226. De wraking moet worden voorgesteld binnen drie dagen na de benoeming, bij eenvoudige akte, houdende de gronden der wraking, en de bewijzen daartoe strekkende, of het aanbod om de wraking met getuigen te staven.

In het laatste geval kan de regter het bewijs door getuigen bevelen. Na verloop van voormelden termijn wordt de wraking niet meer toegelaten, d) (Pr. 309, 311; Rv. 200, 225.)

227. In geval de wraking aangenomen wordt, zal of zullen

a) In art. 223 (oud) tweede lid werden, in piaats van de woorden; «acht dagen na de uitspraak», gelezen de woorden; «drie dagen na de beteekening».

b) In art. 224 (oud) laatste lid werden, in plaats van de woorden; « de deskundigen oproepen om den eed af te leggen bij een exploit, dat de regterlijke opdragt inhoudt», gelezen de woorden; «het vonnis aan de benoemde deskundigen doen beteekenen, met oproeping om den eed af te leggen ».

c) In art. 225 (oud) luidde de laatste zinsnede; «Zij zal summierlijk beslist worden en het vonnis zal niet vatbaar zijn voor hooger beroep ».

d) In art. 226 (oud) tweede lid volgden achter de eerste zinsnede nog de woorden; «op de wijze ten aanzien van het getuigenverhoor in summiere zaken voorgeschreven.»

ocr page 73

BOEK 1, TITEL III, AliTT. 224—230.

bij hetzelfde gewijsde van ambtswege een of meer nieuwe deskundige personen, in plaats van den gewraakten of de gewraakte, benoemd worden. (Pr. 313; Rv. 190e, 222c, 225a.)

In geval de wraking verworpen ivordt, zal de partij, die haar voorgesteld heeft, in zoodanige schaden en interessen verwezen worden als bevonden zal worden te behooren, zelfs jegens den geivraakten persoon, indien hij zulks vordert; maar in dit laatste geval, kan hij in de zaak in geschil niet als deskundige blijven.

Hel tweede lid is ingetrokken bij art. 4 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55).

228. De regter bepaalt bij eene in het proces-verbaal der eedsallegging op te nemen beslissing, na verhoor der deskundigen en der partijen, voor zooverre deze tegenwoordig zijn, de plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de deskundigen tot het onderzoek zullen overgaan, den termijn binnen welken zij hun schriftelijk berigt ter griffie zullen inleveren en de teregtzitting bestemd tot de voortzetting der zaak.

Wanneer op dien dag het berigt van deskundigen nog niet mogt zijn ingekomen, zal de regter op verzoek van partijen of eene van haar een naderen dag tot de voortzetting der zaak kunnen bepalen, a) (Pr. 315; Rv. 101, 219c, 224, 232a; Stb, 1843 n0. 37, a. 1c en 7; Stb. 1843 nquot;. 38, a. 2c nquot;. 5 en d (Tar., a. Ie en 7, 23c n0. 5 en d).)

229. Indien een benoemde deskundige de benoeming niet aanneemt, of ten opgegeven dage en ure niet verschijnt, het zij ter aflegging van den eed, het zij tot de bevo-lene verrigting, zullen partijen dadelijk overeenkomen om eenen anderen in zijne plaats te benoemen; bij gebreke van dien kan de regter de benoeming ambtshalve doen.

De benoemde die, na den eed te hebben afgelegd, de aangenomen verrigting niet uitvoert, kan door den regter, die hem benoemd heeft, verwezen worden in alle de kosten door de nalatigheid veroorzaakt, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 316; Rv. 190c, 222, 223, 233; R. 1854; Sr. 192 n0. 2, 444.)

230. Het afschrift van de regterlijke uitspraak en de benoodigde stukken zullen aan de deskundigen worden ter hand gesteld.

Partijen zullen bij het onderzoek aan de deskundigen zoodanige voordragten en vorderingen mogeu doen, als zij zullen goedvinden, en daarvan zal melding gemaakt worden bij het berigt. (Pr. 317; Rv. 224i', 235.)

a) Art. 228 (oud). Het proces-verbaal van eedsallegging moet inhouden de opgave van de plaats, den dag en het uur door de deskundigen te doen tot het verrigten hunner werkzaamheden.

Indien partijen bij de eedsaflegging tegenwoordig zijn, geldt deze opgave als oproeping.

De afwezige partij zal bij akte van procureur tot procureur, of, indien er geen procureur is, bij exploit aan den persoon of de woonplaats worden opgeroepen.

57

ocr page 74

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDFIUNO.

231. De deskundigen maken, na raadpleging, hun be-rigt met redenen bekleed schriftelijk op, bij meerderheid van stemmen.

In geval van verschil van gevoelen, mogen zij echter de onderscheidene gevoelens met de gronden van dien opgeven, zonder bekend te maken welk het persoonlijk gevoelen van ieder van hen is.

Het berigt wordt gedagteekend en door allen onderteekend.

Indien geen der deskundigen zich daartoe in staat bevindt, wordt hetzelve door den griffier van het kantongeregt van de plaats waar de werkzaamheden zijn verrigt, opgemaakt en door hem medegeteekend. (Pr. 317, 318; Rv. 102/), 11 Ie, 230b; B. S86f.)

232. De deskundigen zullen gehouden zijn, op straffe van . schaden en interessen, het berigt op de griflie van het hof of

van de regtbank, die de opneming bevolen heeft, over te brengen binnen den volgens artikel 228 van dit wetboek bepaalden termijn; de griffier zal van die overbrenging doen blijken, a) (Sr. 192 nquot;. 2.)

Hunne vacatiën zullen door den voorzitter aan den voet van de minuut begroot worden, en daarvan zal een bevelschrift van ten uitvoerlegging uitgegeven worden, ten laste van de partij die de opneming verzocht heeft, of die dezelve, in geval zij van ambtswege bevolen is geweest, vervolgd heeft. (Pr. 319; Rv. ISO, '190c, 224c, 229; Stb. quot;1843 n0 40, a. 2 v. (Tar., a. 61 v).)

233. Bij weigering of vertraging van hetgeer in het eerste lid des vorigen artikels is voorgeschreven, kunnen de deskundigen door de meest gereede partij bij den regter welke hen heeft benoemd, worden gedagvaard, ten einde zelfs bij lijfsdwang tot het ter griffie nederleggen van het berigt te worden veroordeeld.

De regter doet uitspraak, de verschenen deskundigen gehoord. zonder voorafgaande conclusiën. b) (Pr. 320; Rv. 229. 232, 585 n°. 11.)

234. Inyetrokken. c)

235. Indien de regter in bet berigt de vereischte inlichting niet bevindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, welke aan de vroegere zoodanige ophelderingen mogen vragen als zij oirbaar achten. (Pr. 322; Rv. 190^,222,230,231.)

236. De regter is in geen geval verpligt het door de deskundigen geuit gevoelen te volgen, indien zi|ne overtuiging daartegen strijdt. (Pr. 323; B. 1945; Rv. 190c, 231.)

a) In art. 232 (oud) eerste lid werden, irf plaats van de woorden: « binnen den volgens artikel 228 van dit wetboek bepaalden termijn», gelezen de woorden: « binnen den termijn door den regter te bepalen».

b) In art. 233 (oud) werd het laatste lid gelezen: «De regtspleging hierover geschiedt summierlijk en zonder verdere instructie ».

c) Art. 234 (oud). De meest gereede partij zal aan de wederpartij een afschrift van het berigt doen beteekenen, en voortprocederen bij akte van procureur tot procureur.

58

ocr page 75

BOEK I, TITEL III, ARTT. 231 — 239.

NEGENDE AFDEELING.

Van het hooren der partijen.

237. Partijen mogen bij incidentele conclusie verzoeken om elkander op ter zake dierende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren. De conclusie zal de feiten en vraagpunten inhouden.

Indien eene partij, nadat de dag voor het houden der pleidooijen reeds bepaald is, zoodanig verhoor nog wenscht te vragen, zal zij daartoe aan den regter een verzoekschrift moeten inleveren, do feiten en vraagpunten inhoudende, en dit aan de wederpartij doen beteekenen. De behandeling van dit verzoek zal alsdan, zonder nadere conclusie van de verzoekende partij, geschieden tegelijk met die pleidooijen, als wanneer de wederpartij geregtigd zal zijn op dat verzoek mondeling en ook bij conclusie te antwoorden.

Indien de wederpartij in een der gevallen, bij het eerste of tweede lid van dit artikel bedoeld, de gestelde feiten erkent, zal het verhoor vervallen, a) (Pr. 324, 325; B. ■1960 v.; Rv. -125, 133c, 144, 1456 en c, '199,247,274,287, 345, 353 )

238. De regter zal naauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn; hij zal de zooda-nigen, die hij als strikvragen beschouwt, ter zijde stellen, of het verhoor der partij, zoo daartoe termen zijn, geheel van de hand wijzen.

De regter zal dit laatste evenzeer kunnen doen, indien in het geval in het tweede lid van artikel 237 omschreven, het verzoek zoo laat is geschied, dat de wederpartij buiten staat is, zich daarover uit te laten, b) (Rv. 46, 99, '147f, 247; Sv. 1U3.)

239. Indien de regter het hooren der partijen toestaat, zal hij bij een vonnis gelasten dat dezelve, voor hem in de raadkamer, ten bepaalden dage en ure verschijnen, ten einde op vraagpunten te worden gehoord, c) (Pr. 327, 329; Rv. 46. 66, 237, 241).

d) Art. 237 (oud). De partijen mogen in alle zaken en in eiken stand van het geding verzoek doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren.

De partij, die hare wederpartij wil doen hooren, zal aan den regter een verzoekschrift inleveren, de feiten en vraagpunten inhoudende, hetwelk aan de wederpartij moet worden beteekend.

b) Art. 238 (oud). Na verhoor van de wederpartij ten aanzien van hare gehoudenheid om op vraagpunten te antwoorden, zal de regter naauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn; hij zal de zoodanige die hij als strikvragen beschouwt ter zijde stellen, of het verhoor der partij, zoo daartoe termen zijn, geheel van de hand wijzen.

c) In art. 239 (oud) volgden achter de woorden «in de

59

ocr page 76

WETBOEK VAN BURGERLMKE REGTSVORDER1NG.

240. In geval van verwijderde woonplaats of van wettige verhindering, zal het hof of de regtbank, na het hooren dei-partij te hebben toegestaan, den regter van het kanton van derzelver woonplaats daartoe mogen magtigen. (Pr. 326, 328; R. O. 25; Rv. 245.)

241. De partij zal in persoon, zonder eenig geschreven opstel te mogen voorlezen, antwoorden op de vragen, welke aan hem door den regter luidens het vonnis of ook ambtshalve zullen worden gedaan.

De partij, die het verhoor heeft verzocht, kan daarbij tegenwoordig zijn evenals de procureurs en advocaten van beide partijen.

Door de verzoekende partij of hare praktizijns zullen door tusschenkomst van den voorzitter, uitsluitend over het onderwerp in de vraag genoemd, naar aanleiding van de gegeven antwoorden vragen mogen worden gedaan; in geval van verzet der wederpartij kan de regter weigeren de vraag te doen, zonder dat daartegen eenige voorziening is toegelaten. a) (Pr. 333; B. 44), 478; Rv. -19, lOt), '238, 242; k. 44.)

242. De besturen van openbare instellingen, stichtingen en zedelijke ligchamen zullen een hunner leden benoemen om op de aan hen bij vonnis gestelde vraagpunten te antwoorden ; zij zullen te dien einde eenen bijzonderen last geven, waarbij de antwoorden opgegeven en w.iarachtig verklaard zullen worden; deze last mag worden voorgelezen. b)

De partij behoudt het vermogen om de bestuurders van zoodanige instellingen, stichtingen en zedelijke ligchamen over feiten die hen persoonlijk betreffen, te doen hooren, ten einde daarop bij den regter zoodanig te worden acht geslagen als bevonden zal worden te behooren. (Pr. 336; B. dt)9-2, 1832; Rv. 237, 241.)

243. Het proces-verbaal van ondervraging zal worden opgemaakt door den griffier en aan den ondervraagde, worden voorgelezen, welke daarin vervolgens nog kan maken zoodanige veranderingen en bijvoegingen in zijne antwoorden, als hij zal noodig oordeelen, en welke zullen geschreven worden aan het einde of op den kant van het verhoor. Hiervan zal hem insgelijks voorlezing worden gedaan, en het proces-verbaal zal worden geteekend door den onder

raadkamer» de woorden: «of voor eenen regter-commissaris daartoe aangewezen ».

a) Art. 241 (oud). De partij zal in persoon, zonder door eenen praktizijn te zijn bijgestaan en buiten de tegenwoordigheid van den verzoeker of diens praktizijn en zonder eenig geschreven opstel te mogen voorlezen, antwoorden op de vragen, welke aan hem door den regter op de aan hem beteekende feiten en vraagpunten, of zells ambtshalve, naar aanleiding van dezelve, zullen worden gedaan.

h) In art. 242 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: «bij vonnis gestelde vraagpunten», gelezen de woorden: «beteekende feiten en vraagpunten».

60

ocr page 77

BOEK I, TITEL III, ARTT. 240—248.

vraagde, den president, of den kantonregter en den griffiier. a) (Pr. 334; Rv. 111, 239, 240.)

244. Indien, zonder wettige verhindering, de partij niet verschijnt, of indien zij weigert te antwoorden, zal daarvan melding gemaakt worden ten processe-verbaal, en de daadzaken over welke de vragen loopen, zullen kunnen worden gehouden voor erkend.

Indien ecliter de niet verschenen zijnde partij zich nog vóór de uitspraak ten principale daartoe aanmeldt, kan zij worden gehoord onder verpligting tot betaling der kosten, door haar wegblijven veroorzaakt, mitsgaders van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 330, 331; B. 1912 v.; Rv. 89a, 245.)

245. In geval ten dage tot het hooren bepaald, de partij van wettige verhindering blijken doet, zal de regter eenen anderen dag tot het hooren bepalen, b) (Pr. 332; Rv. 240.)

246. De antwoorden door de partij op de vraagpunten gegeven, zullen slechts in het aanhangig geding mogen dienen, en in geen geval als eene erkenning mogen worden beschouwd, ten opzigte van andere zaken. (li. 1901—1963.)

TIENDE A F D K E L I N G.

Van incidentele vorderingen.

247. Incidentele vorderingen worden ten dienenden dage ter audientie gedaan bij gemotiveerde conclusien.

Op die tusschengeschiilen zijn de bepalingen der artikelen 141, 143, 144 en 147 tot en met 149 van dit wetboek toepasselijk.

De regter kan op eenparig verzoek van partijen het nemen van conclusien van repliek en van dupliek toestaan, c) (Pr. 337; Rv. 51, 68, 125, 142, 159, 176, 199, 219, 222, 237, 263, 273, 285, 353, 824, 8-20, j^ B. 268, 269 en 301.)

248. Alle incidentele vorderingen worden in eens gedaan. De kosten van dezulke welke naderhand mogten worden

gedaan en waarvan de oorzaken reeds te gelijker tijd met de vroegere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd. (Pr. 332; Rv. 56, 133ci, 1416.)

a) In art. 243 (oud) volgden achter de woorden: «den president» nog de woorden: «den regter-commissans».

b) In art. 245 (oud) werden, in plaats van de woorden: «de partij», gelezen de woorden: «de gedaagde partij » en volgden aan het slot nog de woorden: «zonder nieuwe dagvaarding ».

c) Art. 247 (oud). Alle incidentele vorderingen zullen geschieden bij eene eenvoudige akte, houdende de middelen en de conclusien, met aanbod van mededeeling der bewijsstukken onder recepis of bij overbrenging ter griffie.

De verweerder in dit tusschengeschil zal zijn antwoord bij eenvoudige akte, houdende zijne middelen en conclusie, indienen.

61

ocr page 78

62 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

249. De incidentele vorderingen zullen eerst en vooraf worden uitgewezen, indien de zaak het medebrengt. Voor zooveel de zaak het toelaat, zal de regter bij de beslissing op het incident tevens den dag bepalen, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, a)

In zaken, waarin schriftelijke behandeling bevolen is, zal het tusschengeschil op de teregtzitting worden gebragt, orn daarover te worden uitspraak gedaan zoo als bevonden zal worden te behooren. (Pr. 338; Rv. 51, 16'i v.)

ELFDE A F D E E L I N G.

Van reconventie.

250. De gedaagde is bevoegd om in alle zaken eisch in reconventie te doen, uitgezonderd:

1°. Wanneer de eischer in conventie is opgetreden in eene quaiiteit, en de reconventie hem persoonlijk zoude betreffen en wederkeeriglijk; (B. 441, 506, i692 v.)

2°. Wanneer de regter voor wien de eisch in conventie aanhangig is, onbevoegd is om kennis te nemen van de reconventie met betrekking tot het onderwerp van het geschil, of wanneer hij daartoe onbevoegd is met betrekking lot den persoon, tegen wien de reconventie zoude worden gerigt, ingevolge artikel 65 n0. 1 en 87 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie: (R. O. 38 v., 53 v., 65 v., 88 v.; Rv. 97 v., 126, 154, 156, 314.)

Het cursief gedrukte vervallen hij art. 5 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n0. 93).

3°. In zaken van bezitregt, wanneer de eisch in reconventie het regt, op de zaak zelve (petitoir) zoude betreffen; (Rv. 130 v.)

4°. In zaken van verschil over de ten uitvoerlegging van een vonnis. (Rv. 289, 435.)

Indien in eersten aanleg geen eisch in reconventie is gedaan, kan dezelve in hooger beroep niet meer gedaan worden. (Rv. 348. — B. 1461 v.; Rv. 125, 158.)

251. De eisch in reconventie moet dadelijk bij het antwoord van den verweerder in conventie worden gedaan, b) (Rv. 139, 141, 145b, 165.)

252. De zaken in conventie en in reconventie zullen te gelijk voldongen en bij een en hetzellde eindvonnis beslist worden, ten ware het hof of de regtbank mogt bevinden dat de eene vroeger dan de andere kon worden afgedaan, in welk geval zulks zal vermogen plaats te hebben, blijvende niettemin de alsdan nog onafgedane eisch in conventie of reconventie bij hetzelfde hof of dezelfde regtbank aan-

u) In art. 249 (oud) ontbrak de laatste zinsnede van het eerste lid.

b) Art. 251 (oud) had nog een tweede lid luidende: «In summiere zaken geschiedt zulks op de teregtzitting ».

ocr page 79

BOEK 1, TITEL m, ARTT. 2 49—257.

hangig tot het eindvonnis daarin te vallen, a) (Rv. 51,139, 141—145. 253.)

253. Het hooger beroep wordt toegelaten, indien het beloop van den eisch in conventie, gevoegd bij dien in reconventie, te boven gaat de regtsmagt van den regter, om in het hoogste ressort regt *e spreken.

Wanneer niettemin de beide gedingen mogten zijn gesplitst, en daarin afzonderlijk gevonnisd, zullen de gewone regelen opzigtelijk de bevoegdheid tot hooger beroep worden gevolgd. (R. 0. 38 v., 53 v.; Rv. 252 )

TWAALFDE A F D E E L I N G.

Van het schorsen en hel hervatten van het regtsgeding.

254. De loop van een regtsgeding wordt geschorst;

1°. Door den dood van eene der partijen;

2,,. Door verandering van den persoonlijken staat van eene der partijen; (B. 160, 161, 385, 487; F. 1, 23, 27v.)

3°. Door hel ophouden der betrekkingen waarin zij het geding voerde; (B 467 v., 516: F. 161, 193.)

4°. Door den dood of door het verlies van de betrekking van den gestelden procureur. (Rv. 133,137, 2716; R. Ill, a. 28 j0. 12 v. — Pr. 3i2, 345; Rv. 125,146, 193h, 252, 255, 266, 274c, 276, 325, 353, 378, 389b; Sv. 4.)

255. In geen dezer gevallen zal de schorsing plaats hebben of de beslissing van het regtsgeding opgehouden worden, wanneer hetzelve in staat van wijzen is.

In de drie eerste gevallen in het voorgaande artikel vermeld, wordt, wat deze schorsing betreft, een regtsgeding gehouden in staat van wijzen te zijn, zoodra de conclusien op de teregtzitting zijn genomen. (Rv. 140—142, 145.)

In het laatste geval na den alloop der pleidooijen. (Rv. 144; R. 1, a. 45; R. Ill, a. 30.)

In eene behandeling bij geschrifte staat de volledigheid der instructie, of het verloopen zijn der wettelijke termijnen daarmede gelijk. (Rv. 164—166, 169. — Pr. B42, 343.)

256. De oorzaak der schorsing van het regtsgeding moet, indien hetzelve niet is in staat van wijzen, van wege de belanghebbenden aan de partij worden beteekend, en zonder zoodanige beteekening, kan het regtsgeding, al mogten zoodanige oorzaken bestaan, worden voortgezet.

Alle procedures na deze beteekening, zijn nietig en zonder eenig gevolg. Alleen in het vierde geval van artikel 254 wordt die beteekening niet gevorderd en heeft de schorsing van zelve plaats. (Pr. 344, 345; Rv. 259, 341.)

63

257. De beteekening in het vorige artikel vermeld moet de verklaring behelzen dat het regtsgeding wordt hervat op

a) Art. 252 (oud) had nog een tweede lid luidende: «In geval een van beide gedingen van den aard is om summier te worden behandeld, zal de splitsing moeten plaats hebben ».

ocr page 80

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERINO.

de laatste gedingstukken, benevens eene nieuwe procureurstelling. (Rv. 99, 125, 183, 137.)

258. Indien de beteekening dit een en ander niet inhoudt, heeft de wederpartij het regt om op de gewone wijze te dagvaarden tot hervatting van het regtsgeding, achtervolgens de laatste gedingstukken.

Hetzelfde heeft plaats in het geval dat de gestelde procureur, die overleden is of zijne betrekking heeft verloren, niet is vervangen. (Pr. 346; Rv. 1 v., 146, 256, 279.)

259. Het regtsgeding wordt herrat en zoodanige procureur vervangen bij eene eenvoudige beteekende akte. (Pr. 347; Rv. 133, 137, 256, 257, 258.)

260. Ingetrokken, a)

261. Indien op de dagvaarding tot hervatting van het regtsgeding verstek wordt verleend, zal, als het profijt van hetzelve, het regtsgeding hervat worden verklaard, achtervolgens de laatste gedingstukken.

Bij het niet vervangen zijn van den procureur, zal bij verstek ten principale dadelijk kunnen worden regt gedaan. (Pr, 349; Rv. 75 v., 80 v., 138, 258.)

262. Het verzet tegen de uitspraken bij verstek in het vorige artikel vermeld, zal zelfs in eene behandeling bij geschrifte op de feregtzitting kunnen worden behandeld. (Pr. 351; Rv. 81, 162 v.)

DERTIENDE A F D E E LING.

Van ontkentenis van rjeregtelijke verrigtinger..

263. Indien gedurende den loop van een geding, in naam van eene der partijen, eenige aanbiedingen zijn gedaan en aangenomen, erkenningen hebben plaats gehad, toestemmingen zijn gegeven en aangenomen, zonder dat die partij daartoe eene bijzondere en bepaalde schriftelijke volmagt gegeven heeft, zal deze zoodanige verrigtingen in het ge-regt kunnen ontkennen, en bij eene eenvoudige akte, be-teékend zoo wel aan den procureur van de wederpartij als aan den procureur wiens daden zijn ontkend, den regter kunnen verzoeken, dat die daden zullen worden beschouwd als niet gepleegd, en dat alle daaruit voortgevloeide akten van den processe en vonnissen, gewezen om de zaak in staat van wijzen te brengen, zullen worden verklaard van onwaarde. (B. 1834, 1844^, 1971; Rv. 33c, 278, Silb; F. 214.)

De beteekening aan den procureur geldt voor dagvaarding tot verwering op de ontkentenis.

Dezelve moet den dag van verschijning in regten aanwijzen. (Rv. 5 n°. 5. — Pr. 352—354; Rv. 247, 353.)

264. In gevalle de procureur uit zijne bediening is getreden. zal de ontkentenis aan zijne woonplaats door eenen

a) Art. 200 (oud). De geschillen over dat hervatten van het geding en de vervanging van procureur worden sum-mierlijk behandeld en afgedaan.

64

ocr page 81

BOEK I, TITEL III, ARTT. 258—'272.

deurwaarder worden beteekend, en indien de procureur overleden is, aan zijne erfgenamen met dagbeteekening voor den regter voor welken de zaak hangende is, en aan de partijen in de zaak worden bekend gemaakt bij akte van procureur tot procureur. (Pr. 355; Rv. 1, 4 n0 6, 146, 234 nquot;. 4, 267.)

265. De ontkentenis moet altijd gebragt worden voor den regter voor welken de ontkend wordende verrigting in regten is gebragt, ofschoon ook de zaak waarin zij voorvalt voor eenen anderen regter hangende is.

Zij zal aan partijen in de hoofdzaak moeten worden beteekend, en deze moeten in het geding van ontkentenis opgeroepen worden. (Pr. 356; Rv. 264, 267, 269.)

266. Het geding in de hoofdzaak wordt geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis, op straffe van nietigheid.

De regter kan echter de ontkennende partij bevelen dat zij het geding van ontkentenis binnen zekeren te bepalen tijd voortzette, of dat anders zal worden regt gedaan. (Pr. 357; Rv. 254, 324 nquot;. 12.)

267. Indien de ontkentenis eene zaak betreft, waarover geen regtsgeding hangende is, moet de eisch worden gebragt voor den bevoegden regter van den verweerder. (Pr. 358; Rv. 97, 126, 264, 265, 314.)

268. Indien de ontkentenis deugdelijk verklaard wordt, zal de ontkende verrigting en het vonnis hetwelk daarop mogt zijn gewezen of hetgeen in de bepalingen van het vonnis betrekking heeft tot de punten waarover de ontkentenis gaat, nietig en van onwaarde zijn. (Pr. 360; Rv. 466, 263, 271.)

269. Bijaldien echter in de zaak reeds een eindvonnis is gevallen, en zoo de termijnen van appel nog niet zijn verloopen, kan de partij de nietigheid der in het voorgaande artikel vermelde akten en vonnissen doen uitspreken in appel en de zaak ten principale doen vervolgen. (Rv. 46a, 268, 339.)

270. Bijaldien dat eindvonnis is gewezen in het hoogste ressort of in kracht van gewijsde zaak gegaan is, zal de benadeelde partij tot op het oogenblik dat het vonnis ten uitvoer gelegd is, van den regter, die hetzelve heeft gewezen, de intrekking daarvan kunnen vorderen.

Hangende het geding daarover, wordt de ten uitvoerlegging van het vonnis geschorst. (Pr. 362; R. O. 54 v., 65 v., 88 v.; Rv. 334, 359 v.)

271. De procureur tegen wien de eisch tot ontkentenis wordt toegewezen, zal jegens den eischer en jegens de andere partij in de kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn.

Hij kan ook, naarmate van het vergrijp, door den regter in zijne bediening worden geschorst of daarvan ontzet.

Indien de eischer in het ongelijk wordt gesteld, zal hij ter vergoeding van kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 360, 361; Rv. 58, 96; R. Ill, a. 28 jif 11 v.)

272. Indien eene der partijen ontkent, dat de voor haar

5

65

ocr page 82

G6 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

opgetreden procureur van haar daartoe opdragt gekregen heeft, zijn de bepalingen dezer afdeeling toepasselijk, a) (Rv. 133, 136a, 137, 267.)

VEERTIENDE AFDEELING.

Van verwijziyigen naar een ander geregt en van jurisdictie-quaestien.

273. Indien ten gevolge van toegelaten wraking of van toegelaten reden van verschooning, de leden der,hoven of der regtbanken niet meer in genoegzamen getale zijn om van het geschil kennis te nemen, zal de eisch tot verwijzing naar een ander hof of eene andere regtbank, in het eerste geval aan den hoogen raad, en in het laatste geval aan het geregtshof kunnen worden gedaan. (Pr. 368; R. O 21, 47, 50, 70; Rv. 29 v., 41; R. I, a, 78 1». d.)

274. De eisch zal vóór de pleidooi, en, in zaken van schriftelijke behandeling, vóór den geheelen afloop der instructie worden ingesteld bij een verzoekschrift, inhoudende de middelen. Hetzelve zal worden beteekend aan de wederpartij, met aanmaning om daarop, binnen veertien dagen, te dienen van antwoord met middelen, en daarna ter griffie van het hof of van den hoogen raad worden nedergelegd.

Het antwoord van de wederpartij zal binnen gelijken termijn insgelijks ter griffie worden gebragt.

De loop van het regtsgeJing zal worden geschorst van den dag der beteekening in het tweede lid b) van dit artikel vermeld. (Pr. 364 v., 369 v.; Rv. 33, 41,140,141,170, 254.)

275. Na afloop des termijns zal het hof of de hooge raad uitspraak doen over den eisch, en zoo daarvoor redenen zijn, den regter aanwijzen die van hel geschil zal moeten kennis nemen. (Pr. 373, 375; Rv. 41, 324 n0. 4, 358 ; O. 54).

276. De twee voorgaande artikelen zijn insgelijks toepasselijk op de behandeling van jurisdictie quaestien, welke bij de Wel op de zamenstelling der regterlijke magl en hel beleid der justitie, respectievelijk aan de beslissing der arrondissements-regtbanken, der hoven en van den hoogen raad zijn opgedragen. (Pr. 363 v.; R. O. 54 n0. 1, 65, 88; Rv. 158, 324 n». 4; R. I, a. 78 1°. b.)

VIJFTIENDE AFDEELING.

Van het doen van afstand der instantie.

277. De eischer kan onder betaling der kosten afstand doen van de instantie, mits zulks geschiede vóór hel antwoord.

Na het antwoord kan de afstand slechts plaats hebben met de toestemming der wederpartij. (Rv. 56, 99, 125,141, 1456, 353.)

a) Art. 272 (oud). Alle gedingen in zaken van ontkentenis van gereglelijke ven iglingen worden behandeld als summiere zaken, zelfs bij korte termijnen, indien daartoe gronden zijn.

b) Lees; de tweede zinsnede van het eerste lid.

ocr page 83

BOEK I, TITEL III, ARTT. 273—'283.

278. De afstand kan gedaan worden het zij op de teregt-zitting, indien partijen in persoon tegenwoordig of hunne procureurs van volmagt daartoe voorzien zijn, het zij met gelijke volmagt bij eenvoudige akte van procureur tot procureur beteekend.

Zij kan op gelijke wijze worden aangenomen. (Rv. 263.) Dezelve brengt van regtswege mede:

i'. Dat alles over en weder in denzelfden staat is terug-gebragt. als waarin de zaak was vóór de dagvaarding; (B. 2016, 2018.)

2°. Verplichting van de partij welke afstand heeft gedaan, tot betaling der kosten, waartoe zij zal worden genoodzaakt op het enkel bevelschrift van den voorzitter, gesteld aan den voet van de waardering der kosten. (Rv. 56 v., 612 v.; Stb. 1843 n0. 66, a. 11, j». Stb. 1843 n°. 67, a. 10 (Tar., a. 39 jquot;. 52.).)

Dit bevelschrift zal bij voorraad ten uitvoer kunnen worden gelegd. (Rv. 53. — Pr. 402, 403; Rv. 252, 339c.)

ZESTIENDE AFUEELINB.

Van het vervallen der instantie.

279. Alle instantie vervalt, indien de zaak binnen drie jaren tijds niet is voortgezet.

Die termijn zal worden vermeerderd met zes maanden, in gevallen 'waarin eisch tot hervatting van de zaak kan plaats hebben. (Pr. 397; B. 326: Rv. 125, 254 v., 353; R. I, a. 40 en 42.)

280. De tijd, tot het vervallen der instantie vereischt, loopt tegen den staat, de openbare instellingen, minderjarigen, en in het algemeen tegen alle personen, zonder onderscheid, behoudens het verhaal van alle de eerstgemelden tegen hunne bewindvoerders en voogden. (Pr. 398; B. 362, 443. 506, 1401, 1690, 1991, 2024.)

281. De instantie vervalt niet van regtswege. De verval-len-vorklaring kan worden voorgekomen door behoorlijke proces-akten door eene der partijen verrigt, voordat de eisch tot vervallenverklaring is gedaan. (Pr. 399; B. 1987, 2016; O. 54.)

282. Het vervallen van de instantie zal worden uitgesproken op de teregtzitting op eene eenvoudige akte, aan de partij beteekend, of ter harer woonplaats.

De vervallenverklaring van de instantie vernietigt geenszins de actie, maar alleen het aangevangen regtsgeding; de kosten van het laatste worden ten gevolge dier vervallenverklaring, voor gecompenseerd gehouden. (Pr. 400. 401; Rv. 56, 133, 137, 278, 284; B. 2018.)

283. Bij het op nieuw instellen der actie zijn de partijen over en weder geregtigd om wederom gebruik te maken van de eeden, geregtelijke erkentenissen en verklaringen, door haar in den loop van het vorige regtsgeding afgelegd, mitsgaders van de verklaringen van gestorven getuigen, wanneer

67

ocr page 84

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

dezelve blijken uit processen-verbaal in behoorlijken vorm opgemaakt. (Pr. 401; B. 1962, 1966 v.; Rv. 111 jquot;. 200,

237.)

284. Door het vervallen van de instantie in hooger beroep, verkrijgt het vonnis waarvan men in beroep gekomen is, kracht van gewijsde zaak. (Pr. 469; Rv 334, 339.quot;)

ZEVENTIENDE AFDEEL ING.

Van voeging en tusschenkomst.

285. Een ieder welke een belang heeft in een regts-geding, hangende tusschen andere partijen, kan vorderen daarin zich te mogen voegen of te mogen tusschenko-men. a) (B. 243, 1594; F. 122e; Rv. 70, 72, 125,353,376, 538 v.)

286. Dit incident wordt aangebragt bij conclusie ter teregtzitting ten dienenden dage' vóór of op dien, waarop de laatste conclusie in het aanhangig regtsgeding wordt genomen.

In zaken van schriftelijke behandeling wordt het incident aangebragt bij aan beide partijen beteekende akte met exploit van oproeping om ter teregtzitting te verschijien. b) (Rv. 140—142, 145, 162 v., 247, 255, 287, 539; Sv.202v.)

287. De conclusie, waarbij tevens procureur moet worden gesteld, houdt de opgave in van den voornaam, den naam en de woonplaats van dengene, door wien de vordering geschiedt, en van de gronden, waarop zij berust, alles op straffe van nietigheid. Hij wordt geacht bij den gestelden procureur woonplaats te hebben gekozen, ten ware in de conclusie eene andere keuze mogt zijn uitgedrukt, c) (Rv. 5 n0. 1 en 3, 92, 133.)

288. Wanneer de regter, het incident beslissende, partijen beveelt voort te procederen, bepaalt hij bij hetzelfde vonnis den dag, waarop zij gehouden zullen zijn tot dat einde ter teregtzitting te verschijnen, a) (Rv. 46, 247, 249b.)

a) In art. 285 (oud) werden, in plaats van de woorden: « kan vorderen », gelezen de woorden : « kan aan den regter verzoeken ».

b) Art. 286 (oud). Het verzoekschrift daartoe strekkende, waarbij tevens procureur moet worden gesteld en woonplaats gekozen, zal moeten inhouden de gronden op welke het verzoek wordt gedaan.

Afschrift van hetzelve zal worden beteekend aan de gekozene woonplaats van partijen, en de stukken tot staving van het verzoek zullen door den verzoeker worden overge-bragt ter griffie, met aanbod van afschriften van dezelve te geven aan de belanghebbenden op derzelver verzoek.

c) Art. 287 (oud). Indien de voeging of tusschenkomst betwist wordt, zal dit incident, zelfs indien de zaak bij geschrifte wordt behandeld, op de teregtzitting worden ge-bragt bij eenvoudige akte en summierlijk worden behandeld.

68

ocr page 85

BOEK I, TITEL III, ARTT. 284—293.

ACHTTIENDE A F DEELING.

Fan het kort geding voor den president der arrondissements-regtbank.

289. In alle zaken, waarin uit hoofde van onverwijlden spoed, eene onmiddellijke voorziening wordt vereischt, het zij ten aanzien van de ten uitvoerlegging van een vonnis of van eenen executorialen titel, het zij in geval van verschil over verzegeling of ontzegeling, het zij ten aanzien van de verpligting eens kantonregters tot het staan over eenige wettelijke akte. welke geen uitstel kan lijden, of wegens dergelijke verpligtingen van notarissen, en voorts in alle gevallen, waarin het belang van partijen eenige onverwijlde voorzieningen bij voorraad vordert, kan de vordering worden ingebragt op eene teregtzitting te dien einde door den president te houden op de daartoe door hem bepaalde vaste dagen.

Bij nog meer spoed vereischende omstandigheden, kan de dagvaarding worden bevolen op den dag en het uur, den zondag ingesloten, op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, door hem voor elk geval te bepalen.

De president kan in dit geval ook gelasten, dat de teregtzitting te zijnen huize zal worden gehouden. (Pr. 806— 808; Rv. 291, 438, 604, 665, 6746, 675 n». 8, 682, 688, 094, 724, 727, 729b, 731; G. I61c; R. O. 20. 41, 42; Rv. 18.)

290. In het laatste geval geeft de president mondelingen last aan eenen deurwaarder tot het doen der dagvaarding, waarvan deze in het hoofd van zijn exploit melding maakt.

Partijen kunnen, in de gevallen bij het vorige artikel vermeld, ook vrijwillig voor den president in kort geding verschijnen. (R. O. 43; Rv. 289; Stb. 1843 n». 67, a. 2 (Tar. a. 44).)

291. Indien aan den president op de teregtzitting blijkt dat zonder groot of onherstelbaar nadeel de zaak uitstel gedoogt om, het zij op de gewone wijze, het zij op korten termijn, voor de regtbank zelve te worden behandeld, of wanneer de zaak niet vatbaar is om op het kort geding genoegzaam te worden toegelicht, verwijst hij partijen naar de gewone wijze van regtspleging, of verleent aan den aanlegger verlof tot dagvaarding op korten termijn voor de regtbank in zaken waarin dezelve bevoegd is. (Rv. 7c, ■145, 290.)

292. De beslissingen bij voorraad brengen geen nadeel toe aan de zaak ten principale. (Pr. 809; Rv. 289, 688, 694.)

69

293. De president is bevoegd de ten uitvoerlegging zijner uitspraken te bevelen bij voorraad, met of zonder borgtogt, niettegenstaande verzet of hooger beroep in de gevallen, waarin het hooger beroep is toegelaten. (Pr. 809; R. O. 53, 54; Rv. 52 v., 297. 315.)

a) Art. 288 (oud). Nadat de conclusion door partijen op de teregtzitting genomen zijn, kan geene voeging of tusschen-komst meer plaats hebben.

ocr page 86

70 WETBOEK VAN BURGERLIJKE BEGTSVORDERING.

294. Het verzet wordt gebragt voor de arrondissements-retitbank. a) (Pr. 80'J; Rv. 81 v.)

296. Het hooger beroep kan dadelijk na de uitspraak worden ingesteld, het zij dezelve al dan niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, b)

Het wordt gebragt voor het geregtshof.

Hetzelve is niet meer ontvankelijk na verloop van veertien dagen, te rekenen van den dag van de uitspraak, c) (Pr. 809; R. O. 53, 54, 69, 95; Rv. 293, 339, 342, 343, 430.)

296. De minuten der uitspraken van den president worden ter griffie ingeschreven in een afzonderlijk register en door den president en den griffier onderteekend. (Pr. 810; Rv. 60; R. I. a. 43.)

297. Indien zulks in het belang der zaak noodzakelijk is, kan de president de ten uitvoerlegging bevelen op de minuut van de uitspraak, des noods zonder voorafgaande registratie. (Pr. 811; Bv. 123, 124, 293, 430.)

VIERDE TITEL.

Van regtspleging in zaken van koophandel.

298. Zaken van koophandel worden behandeld op de gewone teregtzitting en gelden daarin de gewone regelen van regtspleging, voor zooverre daarvan niet bij dezen tite! is afgeweken. (Pr. 414; K. 1, 3—5: R. O. 38 v., 53 v.; Rv. 563 v., 586.)

299. Ingetrokken, d)

300. De regter kan, op verzoek van eene der partijen, de behandeling eener zaak van koophandel laten voorafgaan aan die van andere zaken, e) (R i, a. 39.)

301. De gewone termijn van dagvaarding in zaken van koophandel is van ten minste twee vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen de gemeente alwaar de regter zitting houdt, voor welken hij geroepen is.

a) In art. 294 (oud) volgde aan het slot nog de zinsnede; v( Het wordt summierlijk behandeld en afgedaan ».

h) In art. 295 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: «na de uitspraak», gelezen de woorden: x na het beteekenen der uitspraak ».

c) In art. 295 (oud) derde lid werden, in plaats van de woorden; «dag van de uitspraak», gelezen de woorden; «dag der beteekening van de uitspraak». Daarop volgde nog een vierde lid luidende ; « Het wordt summierlijk behandeld en afgedaan ».

d) Art. 299 (oud). Alle zaken van koophandel zullen als summiere zaken worden behandeld, tenzij in zaken, welke om derzelver meer omslagtigen aard daarvoor niet mogten vatbaar zijn, de regter, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, de gewone behandeling rnogt bevelen.

e) In art. 300 (oud) luidden de slotwoorden: «andere, ook summiere zaken».

ocr page 87

BOEK I, TITEL Il[ EN IV, ARTT. 294-306.

Üie termijn is van ten minste vier vrije dagen, indien de gedaagde binnen eene andere gemeente van hetzelfde ari'ondissement woonachtig is.

Die termijn is van ten minste zes vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen een ander arrondissement van dezelfde provincie (onder het regtsgebied van hetzelfde geregtshot).

Wanneer de gedaagde in eene andere provincie (binnen het regtsgebied van een ander geregtshof) woont dan waarin de regter, welke van den eisch moet kennisnemen, zitting houdt, zal de termijn zijn van tien vrije dagen. Overigens zullen ten opzigte van de bovengemelde termijnen de verdere algemeene bepalingen, voorkomende in den eersten titel van dit boek, worden in acht genomen. (Pr. 415, 416, 1033; fiv. 7, 8 v.. 92 v., 567.)

Geiviiziqd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n«. 138).

302. In zaken die spoed vereischen, kan de kantonregter of de president van het regterlijk collegie, op verzoek des eischers, overeenkomstig artikel 7, verlof verleenen om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden, a) (Hr. 417; Rv. 76 en c, 312.)

303. De president kan zelfs aan den houder van eenen wisselbrief, welke van non-betaling is geprotesteerd, verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en de endossan-ten. b) (Co. 172; K. 146, 186; Rv. 306 v., 309, 321b, 727 v.. 770Aa.)

304. Gelijk verlof kan door hem verleend worden aan den houder van een orderbiljet of van eene assignatie, van non-betaling geprotesteerd, op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en de endossanten, doch alleen ten laste van diegenen welke kooplieden zijn. (Co. 172, 187; K. 2, 4 n». 2, 209, 210, 219; Rv. 306 v., 309, 321amp;, 727 v., 770Aa.)

305. Zoodanig verlof kan almede worden verleend wegens andere schuldvorderingen uit daden van koophandel voortspruitende, indien van de deugdelijkheid der schuldvordering summierlijk blijkt, en er gegronde vrees bestaat, voor verduistering van des schuldenaars roerende of onroerende goederen, c) (Pr. 417; K. 3, 4; Rv. 306 v., 309, 321b, 727 v., 770Aa.)

306. Bij het verleend verlof wordt het bedrag der schuldvordering , tot welker verzekering het beslag gevraagd wordt, uitgedrukt. (Rv. 728.)

a) In art. 302 (oud) luidden de eerste woorden: « In zaken, die spoed vereischen, kan de president, op een daartoe ingediend verzoekschrift, verlof verleenen».

b) In art. 303 (oud) werd, in plaats van de woorden: o He president», gelezen het woord: «Hij».

c) In art. 305 (oud) werden, in plaats van de woorden: «voor verduistering van des schuldenaars roerende of onroerende goederen», gelezen de woorden; «wegens verduistering van des schuldenaars roerende goederen ».

71

ocr page 88

72 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

307. De president kan in de gevallen bij artikel 305 vermeld, alvorens het verlof te verleenen, vorderen, dat de eischer zekerheid stelle voor de kosten, schaden en interessen welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt. (Pr. 417; Rv. 729a.)

308. Bij het verzoekschrift tot verkrijging van het verlof in de vijf vorige artikelen bedoeld, moet woonplaats worden gekozen binnen de gemeente waar het beslag gelegd wordt. (Pr. 415, 422; B. 81; Rv. 43M, 730.)

309. Het beslag vervalt van regtswege indien niet binnen drie dagen, nadat hetzelve is gelegd, een eisch tot van waardeverklaring is ingesteld.

Dien onverminderd kan hij tegen wien het verlof, bij de artikelen 303, 304 en 305 vermeld, verleend is, onverwijld daartegen opkomen voor de regtbank. (Rv. 302, 3216, 731, 732, 734.)

310. Re regtbank is verpligt na verhoor van partijen het beslag onverwijld op te heffen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het noodelooze of ondoelmatige van het beslag voor de zekerheid van den eischer mogl blijken.

Die opheffing moet altijd geschieden, tegen genoegzame zekerheid. (Bv. 307, 610, 732a.)

311. De uitspraak van de regtbank wegens het conservatoir beslag kan worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Pr. 417; Rv. 52 v., 826, 350, 398f en d.)

312. In zeezaken of die daarmede zijn gelijk gesteld, wanneer er partijen zijn die geene vaste woonplaats hebben, en voorts in zaken wegens scheepstuig, scheepsvoor-raad, scheepsgezellen, timmeringen aan schepen die zeilree liggen, en andere zaken die onmiddellijk voorziening bij voorraad vereischen, kan de dagvaarding van dag tot dag en van uur tot uur, zonder bevelschrift, gedaan worden, en het verstek kan dadelijk worden beslist. (Pr. 418; K. 309 v., 748 v.; Rv. 77, 302, 582.)

313. Alle dagvaardingen aan scheepsboord geëxploiteerd voor eenen schipper, of/icier of scheepsgezel of voor eenen passagier, zijn van waarde. (Pr. 419; Rv. 1, 2 v.)

314. De eischer kan te zijner keuze dagvaarden:

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de verweerder woonachtig is; (Bv. 97a v., 126a v., 127.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de varbindte-nis is aangegaan: (B. 1349.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de waar is geleverd; (B. 667 v., 1271, 1513.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de betaling had moeten geschieden. (B. 1429, 1550. — Pr. 420.)

315. Ook buiten de gevallen vermeld bij artikel 52 a), kan in handelszaken de voorloopige ten uitvoerlegging bevolen worden onder borgtogt of aanwijzing van voldoende zekerheid. (Pr. 439; Rv. 52 v,, 616 v.)

a) O. E. 1838 en O. E. 1896: 55.

ocr page 89

BOEK r, TITEL IV, ARTT. 307—321.

316. Vonnissen op verstek gewezen, kunnen worden ten uitvoer gelegd één dag na de beteekening en totdat er verzet worde gedaan. (Pr. 435; Rv. 80, 826, 439, 440, 502, 503, 599.)

317. Indien er verdeeling bij averij-grosse moet plaats hebben, zullen deskundigen, ten verzoeke van eene der partijen door de arrondissements-regtbank worden benoemd, ten ware partijen het omtrent de keuze zijn eens geworden. a) (Co. 414; K. 696 v., 699, 722 v., 7-24« en b, 726; Rv. 222 v., 321c.)

318. De schipper, en b), bij gebreke van denzelven, de scheepsreeders zijn gehouden, binnen acht dagen nadat de deskundigen, het zij door partijen, het zij door de regtbank, zullen zijn benoemd, ter griflie der arrondissements-regtbank over te leggen: (K. 357.)

1°. Het manifest der lading, inhoudende het getal, de merken en nominers der koopmanschappen, den naam der bevrachters, inladers en dien van degenen aan welke de koopmanschappen zijn geconsigneerd; (K. 357 nquot;. 5.)

2quot;. Den staat en de grootte van het schip, en melding van de verdiende vracht. (K. 455 n0. 5.)

In denzellden tijd moeten de eigenaars der lading ter griffie overleggen eenen staat der waarde, welke de goederen zoo ten tijde der lading als ten tijde der lossing hadden.

De partijen zullen, des gevorderd, de waarheid van den inhoud der door haar overgelegde stukken met eede bevestigen. (K. 727; Sr. 207.)

319. Nadat de deskundigen zullen zijn beëedigd, zal de griffier hun de stukken ter griffie nedergelegd, tegen bewijs van ontvangst, overgeven. De deskundigen zullen tot de verdeeling overgaan, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Koophandel, zelfs dan wanneer eene dei-partijen hare stukken niet ter griffie mogt hebben nedergelegd. (K. 724c, 727 v.)

320. Het verslag van de deskundigen zal met de door hen ontvangene stukken ter griffie worden ingeleverd.

De eerst gereede partij zal daarvan homologatie verzoeken bij de regtbank, welke, partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen zijnde, zal vonnissen. (K. 724d; Rv. 232,321c.)

321. De bepalingen in dezen titel voorkomende zijn mede toepasselijk op handelszaken, welke bij den kantonregter moeten worden aangebragt.

Echter zal het verlof tot het leggen van conservatoir beslag van den president der arrondissements-regtbank moe-

et) Art. 317 (oud). Indien er verdeeling bij averij-grosse moet plaats hebben en de belanghebbende partijen het niet hebben kunnen eens worden over de benoeming van deskundigen, zullen deze ten verzoeke van eene der partijen, nadat de andere behoorlijk zijn gedagvaard, door de arron-dissements-regtbank worden benoemd.

6) O. E. 1838 en O. E. 1896; of.

73

ocr page 90

74 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ten gevraagd worden en de oppositie tegen dat beslag door de arrondissements-regtbanken beslist worden, hoe gering ook het bedrag wezen moge der vordering, waarover geschil is.

Ook de benoeming van deskundigen tot de verdeeling van averij-grosse benevens de homologatie van hun rapport zal altijd door de arrondissements-regtbank geschieden. (R. O. 38, 53 v.; Rv. 303 v., 317, 320b.)

VIJFDE TITEL.

Van het openbaar ministerie.

322. Het openbaar ministerie is altijd op de teregtzitting tegenwoordig. (R. O. 3—6; Rv. 26, 32, 324, 325; R. I, a. 52—55, 57, 58.)

323. Wanneer het openbaar ministerie als hoofdpartij werkzaam is, zal het de gewone wijze van regtsvordering volgen. (R. O. 96, 99(); Rv. 6 j0. 4 n0. 1, 133 v., 854; B. 120. 141, 143—145, 147, 438, 439, 489, 512, 519, 521, 1173; F Ife; Stb. 1855 n». 32, a. 10.)

324. Het openbaar ministerie zal gehoord moeten worden in de zaken welke betreffen: (Rv. 285, 325.)

lquot;. De openbare orde, den Staat, de domeinen, de provinciën, de gemeenten, de armeninrigtingen en andere openbare stichtingen; (A. 14; Rv. 4 nquot;. 1; Stb. 1850 n°. 39; Stb. 1851 n«. 85; Stb. 1854 n». 100; B.1690.)

2*. Den staat der personen, de aanvullingen en verbeteringen der akten van den burgerlijken stand; (B. 26 v., 70 v., 305 v.; Rv. 829.)

3quot;'. De exceptie wegens onbevoegdheid van den regter; (Rv. 154 v.)

4°. Jurisdictie-geschillen, wraking van regters, het verwijzen uit hoofde van bloedverwantschap of aanhuwe-lijking, en de regtsweigeringen; (Rv. 30 v., 273 v., 276, 844 v.)

5°. Vrouwen door hare mans niet gemagtigd; (B. 167, 169; Rv. 798 v.)

6quot;. Minderjarigen, onder curatele gestelden, afwezenden en in het algemeen, alle personen die dcor eenen curator verdedigd worden; (B. 365, 385 v., 487,496, 519 v., 525, 1121, 1173; F. 85, 122, 153, 210, 236 v.; Rv. 703.)

7°. Echtscheidingen, en de scheidingen van tafel en bed, of van goederen; (B. 241 v., 258, 262 v., 288; Rv. 804 v., 816 v., 826.)

8°. Beroep in cassatie; (Rv. 398 v., 418.)

9°. Revisie; (Rv. 359 v.)

10». Requesten-civiel; (Rv. 382 v.)

11°. Geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften ; (Rv. 176 v.)

12°. Ontkenfenis van geregtelijke verrigtingen ; (Rv. 263 v.)

13°. Geschillen over ten uitvoerlegging van lijfsdwang en

ocr page 91

BOEK I, TITEL V EN VI, ARTT. 322 —331.

over ontslag uit de gijzeling; (Rv. 599 v., 604, 610, 611.)

•140. Verzoek tot boedelafstand; (Rv. 705).

En voorts in alle zaken waarin zulks door de wet is voorgeschreven (Rv. 785 enz. — Pr. 83, 202, 251, 359, 498, 795, 805, 879, 900; Stb. 1886 n». 104, a. 7c).

325. Het openbaar ministerie zal bovendien mededeeling mogen vorderen van alle zaken waarin het zulks in deszelfs betrekking noodig zal oordeelen.

De regter zal de mededeeling ook van ambtswege mogen bevelen. (Pr. 83; R. O. 4; Rv. 324.)

326. Ingetrokken, a)

327. Het openbaar ministerie zal onmiddellijk na de plei-dooijen of op eene daartoe te bepalen nadere teregtzitting condusien nemen. (R. O. 11, 14; R. 1, a. 59.)

328. De partijen of hunne verdedigers zullen, onder geen voorwendsel, na de conclusien van het openbaar ministerie, het woord bekomen.

Alleen mogen zij eenvoudige aanteekeningen tot wederlegging der feiten, waarin zij zouden mogen oordeelen dat het openbaar ministerie gedwaald heeft, onmiddellijk aan den president ter hand stellen. (Rv. 174c; R. Ill, a. 30.)

ZESDE TITEL.

Van prorogatie van regtspraak aan het geregtshof.

329. In alle voor hooger beroep aan het geregtshof vatbare geschillen, in welke dading of compromis kan plaats hebben, staat het aan partijen vrij, mits daaromtrent bij eene akte zijnde overeengekomen, die geschillen bij den aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het geregtshof, hetwelk in hooger beroep over dezelve uitspraak zoude hebben gedaan. (G. 156; R. O. 43, 55, 66; Rv. 157, 355b, 357, 358a n0. 1, 620, 623; B. 18886,1889a, 1890a.)

330- Voogden, curators of bewindvoerders zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in achtnemende de verpligtin-gen aan hen bij de wet opgelegd. (B. 362, 387, 418, 425, 441, 465, 506, 836, 1025, 1030, 1066, 1889b en c; F. 104; Rv. 620.)

331. Voor het geregtshof gelden bij deze regtsgedingen, de voorschriften, ten aanzien van het regtsgeding in eersten aanleg.

75

Hetzelve doet uitspraak in het eerste en hoogste ressort, behoudens request-civiel of cassatie, indien daartoe gronden zijn. (R. O. 66; Rv. 133 v., 382 v., 398 v.)

a) Art. 326 (oud). In zake van gewone behandeling moeten de processtukken door de partijen aan het openbaar ministerie worden medegedeeld ten minste drie dagen vóór den bepaalden dag van pleidooi.

ocr page 92

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ZEVENDE TITEL.

Va» het rcgtsgeding in hooger beroep bij de arrondisse-

ments-regtbanken, de hoven en den hoogen raad. a)

EERSTE AFDEELING.

Van de zaken aan hooger beroep onderworpen.

332. De partijen kunnen in hooger beroep komen van vonnissen, gewezen bij kantonregters, regtbanken en hoven, in zaken waarin deze allen niet anders dan in het eerste ressort kunnen oordeelen. (Pr. 453; R. O. 38—43, 53, 65, 88 v., 90; Rv. 42, 253, 295, 335, 359—361, 646, 832,875; F. 8 v., 11, 85, 154, 211, 218.)

333. In geschillen over onbevoegdheid, zal het beroep ontvankelijk zijn, ofschoon ook de regter, wiens bevoegdheid betwist wordt, mogt kunnen kennis nemen in het hoogste ressort van de zaak ten principale. (Pr. 454; R. O. 996; Rv. 154, 361.)

331. Elke partij, welke zal berust hebben in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hooger beroep. (Rv. 82. 339, 361, 399.)

335. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van liet vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.

In het geval echter bij het slot van artikel 79 voorkomende, zal de achterblijvende partij zich in hooger beroep kunnen voorzien, mits vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoende, dan zelfs wanneer bij dat vonnis de voorloopige ten uitvoerlegging niet mogt bevolen zijn. (Pr. 443, 455; Rv. 75, 81, 87, 339, 361, 6!6.)

336. Het beroep van een praeparatoir vonnis zal niet mogen worden ingesteld dan binnen denzelfden termijn, en gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis.

76

Dit beroep zal ontvankelijk zijn, zelfs wanneer het praeparatoir vonnis, zonder voorbehouding van dengene die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. (P;. 451; Rv. 466, 339a, 361, 399.)

a) Vg. het Besluit van 11 Januari 1840 (Stb. n». \),houdende vaststelling van een Reglement voor het hooger beroep aan den Hoogen Raad van vonnissen, in burgerlijke zaken gewezen door het Geregtshof in Suriname ; de Wet van 4 April 1869 (Stb. n°. 36), tot voorloopige regeling der regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken; het Besluit van 28 September 1850 (Stb. nquot;. 63), houdende vaststelling van een Reglement betreffende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog Geregtshof van Nederlandsch-Indie, alsmede de Consulaire wet, a. 47,75.

ocr page 93

BOEK I, TITEL VII, ARTT. 332—340.

337. Van vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd, kan hooger beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis geslagen is.

Hetzelfde kan plaats vinden ten aanzien van incidentele en interlocutoire vonnissen, tenzij de regter daarbij verklaard bebbe, dat bet hooger beroep daarvan niet dan tegelijk met het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld, a) (Pr. 451; Rv. 46c, 51, 52 v., 339, 361, 309.)

338, Ingetrokken, b)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van den termijn van beroep.

339. De termijn van beroep zal zijn van drie maanden, te rekenen van den dag der uitspraak van het vonnis, c) (Rv. 45, '295, 340, 361, 487, 513d, 542, 558c, 803; F. 8a, 11a en b, 154, 218a; Stb. 1886 nquot;. 104, a. 10a.)

De gedaagde in hooger beroep kan echter van zijne zijde incidenteel beroep instellen, zelfs na verloop van dezen termijn en na berusting in het vonnis. Hot incidenteel beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij de conclusie van antwoord, c) (Rv. 334, 335, 347, 412, 415.)

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen. (Pr. 443; Rv. 278, 284.)

340. Ingetrokken, d)

a) Art. 337 (oud). Het hooger beroep van een interlocutoir vonnis kan worden ingesteld voordat het eindvonnis geslagen is

Hetzelfde heeft plaats opzigtelijk vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd.

b) Art. 338 (oud). Hij die mogt willen beweren dat eene zaak, uit welken hoofde ook, niet vatbaar is voor hooger beroep, zal de exceptie van niet ontvankelijkheid daartoe strekkende, moeten instellen vóór alle andere weren van regten, en is niet verpligt zich, hangende dat geschil, in het geding over de zaak zelve in te laten.

c) In art. 339 (oud) eerste lid werden, in plaats van de slotwoorden: «den dag der uitspraak van het vonnis», gelezen de woorden: «den dag der beteekening van het vonnis, het zij aan den persoon, het zij aan deszelfs woonplaats.», en luidde het tweede lid:

De gedaagde in beroep kan echter van zijne zijde incidenteel beroep instellen, zelfs dan, wanneer hij het vonnis had doen beteekenen zonder eenige voorbehouding; hij moet dit doen bij zijne schriftuur van antwoord te voren, of bij eenvoudige akte aan den procureur zijner wederpartij beteekend.

d) Art. 340 (oud). Na verloop van den termijn, bij het vorige artikel vermeld, kan geen beroep meer plaats hebben.

Die termijn loopt tegen alle partijen, voorbehoudens hun verhaal, als naar regten.

Die termijn loopt niet tegen den minderjarige, welke

77

ocr page 94

78 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

341. Bij overlijden van de in liet ongelijk gestelde partij gedurende den loop van den termijn voor het hooger beroep, kan het beroep door hare erfgenamen of regtverkrijgenden nog worden ingesteld binnen drie maanden na het overlijden, of, zoo zij van het regt van beraad gebruik maken, binnen eene maand na afloop van den daarvoor gestelden termijn, a) (B. 1070 v., 2029; Rv. 254 nquot;. i, 339, 361, 386, 399.)

342. Het hooger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, kan niet worden ingesteld binnen de eerste acht dagen na den dag van deszelfs uitspraak; indien het hooger beroep binnen dat tijdvak plaats heeft, wordt de appellant niet ontvankelijk verklaard, behoudens zijn vermogen om zijn beroep te herhalen, indien de termijn niet verstreken is.

De uitvoering der vonnissen, welke niet bij voorraad kunnen worden ten uitvoer gelegd, wordt gedurende de acht dagen geschorst. (Pr. 449; Rv. 52 v., 295a, 339, 350, 361, 432, 513(i, 533b; B. 481; Stb. 1874 nu. 68, a. 2. Zie onder B. 365.)

DERDE AFDEELINO.

Van de regtspleging in hooger beroep en de gevolgen van hetzelve.

343. Het hooger beroep wordt aangevangen door eene dagvaarding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als die in eersten aanleg, zonder dat zij, behalve in het geval dat de dagvaarding eene nieuwe vordering behelst, zoodanig als bij artikel 348 is toegelaten, de middelen, op welke het hooger beroep gegrond is, behoeft uit te drukken noch daarbij afschrift der stukken behoeft te worden gevoegd; zij wordt op dezelfde wijze beteekend.

De bepalingen van de zevende afdeeling van den eersten titel van dit boek zijn ook op het hooger beroep toepasselijk. (Pr. 456; Rv. 1 v., 4, 5 v., 90 v., 133,349,353,364, 432, 4-33.)

344. Ingetrokken, b)

geene handligting bekomen heeft, dan van den dag waarop het vonnis aan den voogd zal zijn beteekend.

a) Art. 341 (oud). De loop der termijnen van het beroep wordt geschorst door den dood van de partij die in eersten aanleg in het ongelijk is gesteld.

Die termijnen beginnen niet weder te loopen dan na de beteekening van het vonnis ter laatste woonplaa;s van den overledene, en van het eindigen der termijnen van boedelbeschrijving en van het regt van beraad, in geval het vonnis is beteekend geweest eer deze termijnen verstreken waren.

Deze beteekening zal aan de gezamenlijke erfgenamen en in eens kunnen geschieden, zonder uitdrukking van namen en hoedanigheden.

b) Art. 344 (oud). De gedaagde in hooger beroep kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, vervroegen, door bij

ocr page 95

BOEK I, TITEL VII, ARTT. 341—348.

345. Het hooger beroep van beschikkingen op requesten wordt bij den hoogerenregter insgelijks bij requesteaangebragt.

Hetzelve moet worden ingesteld door dengeen, die zoodanige beschikking heeft verkregen, binnen twee maanden na de dagteekening der beschikking, en binnen twee maanden na derzelver beteekening door de overige belanghebbenden. a) (Rv. 364; B. 490.)

846. Ingetrokken, h)

347. In hooger beroep zal worden geprocedeerd op de wijze, als voor den eersten aanleg is voorgeschreven, met dit onderscheid alleen, dat slechts eene conclusie van eisch en eene conclusie van antwoord ter rolle worden genomen.

Niettemin zal ingeval van incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, den appellant, op zijn verlangen, een termijn verleend worden om het incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden, c) (Pr. 461, 462; Rv. 135—141, 143—149, 3396.)

848. In hooger beroep kan geen nieuwe eisch worden gedaan, ten zij het zake ware:

i0. Van interessen, renten, huren en andere zaaksgevolgen, sedert het vonnis van eersten aanleg verschenen of ontstaan; (B. 556 v., 558, 643,1286,1596 n». 2,1802.) 2''. Van kosten, schaden en interessen wegens geleden

nadeel sedert dat vonnis; (B. 1279 )

3°. Van eenen eisch bij voorraad. (Rv. 51.) De oorspronkelijke verweerder kan echter nieuwe weren van regten, eene verdediging ten principale opleverende, inbrengen, tenzij dezelve in het geding ter eerster instantie zijn gedekt, waaronder niet begrepen is het geval, dat het regt om ten principale te antwoorden ingevolge artikel 141 vervallen is, doch zal dezelve, al mogt hij ten principale

de akte van procureur-stelling den dag te bepalen op welken hij de zaak op de teregtzitting zal aanbrengen, en daartoe zijne wederpartij op te roepen.

a) In art. 345 (oud) tweede lid werden tweemaal, in plaats van de woorden: «twee maanden », gelezen de woorden : «drie maanden».

b) Art. 346 (oud). In zaken, volgens de bepalingen van dit Wetboek voor eene summiere behandeling vatbaar, zal in hooger beroep worden geprocedeerd zoo als in eersten aanleg in summiere zaken is voorgescheven.

De hoogere beroepen van vonnissen door kantonregters gewezen, z^n summiere zaken.

c) Art. 347 (oud). In zaken van gewone behandeling zal worden geprocedeerd gelijk zulks voor den eersten aanleg voor zoodanige zaken is voorgeschreven, met dit onderscheid alleen, dat slechts twee schrifturen mogen worden betee-kend, te weten: van de zijde des appellants, eene memorie, inhoudende zijne bezwaren, en daarna van de zijde des gedaagden in hooger beroep eene memorie van antwoord.

Do termijn voor de beteekening van elke dezer memorien is van veertien dagen.

79

ocr page 96

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVOHDER1NG.

worden in het gelijk gesteld, niettemin kunnen worden veroordeeld in de kosten der procedures tot op het voordragen dier weren van regten gevallen, indien hij dezelve in eersten aanleg had kunnen doen gelden, a) (B. 497, -1462, quot;1988; Rv. 69, 156, 2506, 343, 349 , 353, 364; Pr. 464.)

349. Zoo wel in het principaal als in het incidenteel beroep, kunnen de nieuwe vorderingen en verweringen, waarvan in het voorgaande artikel is gesproken, gedaan worden bij met redenen omkleede conclusiën. b) (Pr. 465; Rv.247, 343, 348, 353, 364.)

350. Het hooger beroep schorst de ten uitvoerlegging van het vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen waarin dit is toegelaten. (Pr. 457; Rv. 52 v., 3426, 364, 398cJ, 432 v., 590.)

351. Indien de ten uitvoerlegging bij voorraad niet gelast is in de gevallen, waarin dit bij de wet is bevolen of toegelaten, zal de gedaagde in beroep alsnog bij eene conclusie, de ten uitvoerlegging bij voorraad kunnen vorderen, ten dage tot de eerste teregtzitting bepaald, c) (Pr. 458: Rv. 52, 53, 54, 247, 311, 348 n». 3, 364, 398c.)

352. Wanneer buiten de gevallen bij de wet voorzien de provisionele ten uitvoerlegging van een vonnis bevolen is, kan de appellant op de teregtzitting verzoek doen dat de executie worde gestaakt; hij kan ook zijne wederpartij tot dat einde na bekomene vergunning bij dagvaarding op korte termijnen oproepen. (Pr. 459; Rv. 7c, 52, 53, 247, 311, 364, 379.)

353. De bepalingen van den derden titel van dit boek, betrekkelijk de inschrijving ter rolle, de procureur-stelling, de anticipatie, de voorloopige verzoeken en exceptien, de behandeling bij geschrift, de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften, het getuigen-verhoor, de ge-regtelijke plaatsopneming en bezigtiging, de berigten van deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele vorderingen, de schorsing en hervatting van het regtsgeding, de ontkentenis van geregtelijke verrigtingen, het doen van afstand van de instantie, het vervallen derzelve, de voeging en tusschenkomst, zijn in hooger beroep toepasselijk. (Pr. 470; Rv. 133, 135, 136, 137, 139a, 152 v., 162 v., 173 v., 199 v., 219 v., 222 v., 237 v., 247 v., 254 v., 263 v., 277 v., 279 v., 285 v. — Rv. 2506 jo. 348, 347, 364)

а) In art. 348 (oud) tweede lid luidde het eerste gedeelte: «De oorspronkelijke verweerder kan echter nieuwe weren van regten inbrengen, mits dezelve eene verdediging ten principale opleveren en niet in het geding ter eerster instantie zijn gedekt, doch » enz.

б) In art. 349 (oud) luidden de slotwoorden: « bij conclusiën met middelen aan den procureur der wederpartij be teekend ».

c) In art. 351 (oud) werden, in plaats van de woorden: «zal de gedaagde in beroep alsnog bij eene conclusie», gelezen de woorden: « zal de gedaagde in beroep suminierlijk en bij eene eenvoudige akte ».

80

ocr page 97

BOEK I, TITEL VII, APTT. 349—357.

Niettemin zijn de artikelen 152 en 153 niet anders van toepassing dan behoudens de navolgende bepalingen;

De oorspronkelijke gedaagde, eischer wordende in hooger beroep, is niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.

De gedaagde in hooger beroep is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.

De in eersten aanleg gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van hooger beroep.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van regten. a) (Rv. 339(), 343.)

354. In geval het vonnis is bekrachtigd, zal hetzelve ten uitvoer worden gelegd bij den regter die in eersten aanleg heeft uitspraak gedaan.

In geval het vonnis is te niet gedaan, het zij voor het geheel of voor een gedeelte, zal de uitspraak in hooger beroep ten uitvoer gelegd worden bij den regter die dezelve gewezen heeft, of hij dien welke bij deze uitspraak daartoe zal zijn aangewezen; behoudens de gevallen van vordering tot nietigverklaring, van gijzeling in fc) zaken van gedwongene onteigening en andere in welke de wet regts-magt opdraagt. (Pr. 472; Rv. 59, 4'26. 4566, 495,4966,611, 741, 773.)

355. In geval van beroep van een interlocutoir vonnis, of van een vonnis, bij hetwelk niet anders dan op een tus-schengeschil uitspraak gedaan is, zal de regter in beroep, wanneer hij het vonnis bekrachtigt, de zaak verwijzen naaiden regter van eersten aanleg om op de hoofd/.aak te worden beslist.

Niettemin zal de regter in beroep de hoofdzaak in het hoogste ressort zelve afdoen op onderlinge vordering van alle de partijen, en hij zal hetzelfde ook kunnen doen indien het geding in dien staat is, dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist. (Pr. 473; Rv. 46c, 247. 329, 356, 357, 358a nquot;. 1, 373.)

356. Wanneer een interlocutoir vonnis zal zijn te niet gedaan, kan de regter in hooger beroep de zaak tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale vonnissen.

Bij de te nietdoening van een vonnis op een tusschon-geschil gewezen, zal de regter in hooger beroep dit insgelijks doen in het eerste, en hij kan dit doen in het tweede der beide gevallen, in het laatste lid van het voorgaande artikel gemeld. (Pr. 473; Rv. 355, 374)

357. Wanneer in het geval van het tweede lid van artikel 68 een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de regter van eersten aanleg zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak

a) In art. 353 (oud) eerste lid ontbraken achter het woord: «betrekkelijk» de woorden: «de inschrijving ter rol Ie jj, achter de woorden: «de procureurstelling» de woorden; «de anticipatie» en achter het woord; «plaatsopneming» de woorden; «en bezigtiging». Dan ontbraken het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid.

b) Lees; nietigverklaring van gijzeling, in

81

6

ocr page 98

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NÜ.

kennis te nemen, zal de regler in hooger beroep dezelve aan hem verwijzen, om ten principale te worden beslist, ten zij partijen begeerd mogten hebben, dat de hoogere regter de hoofdzaak zal afdoen, a) (Rv. 3'29, 355, 358a nquot;. l, 375.)

358. Indien de eerste regter zich onbevoegd had verklaard en deze uitspraak wordt te niet gedaan, zal de hoogere regter de zaak ten principale naar denzelfden regter verwijzen, uitgezonderd:

1°. Wanneer beide partijen vorderen dat de hoogere regter de zaak aan zich zal houden; (Rv. 355, 357.)

'2° Wanneer de hoogere regter naar den aard van het geding gronden vindt tot verwijzing der zaak naar eenen anderen regter. (Rv. 273.)

In het laatste geval zal die verwijzing gedaan worden aan eenen regter van eersten aanleg, binnen de provincie (het regtsgebied van het geregtshof), daartoe bij de uitspraak te noemen.

Indien de provincie slechts één arrondissement bevat, kan de zaak worden verwezen naar eene arrondisse-ments-regtbank in eene aangrenzende provincie.

Indien het hooger beroep van de uitspraak van eenen kantonregter is ingesteld, zal de zaak, in het onder nquot;. '2 vermelde geval, worden verwezen naar eenen anderen kantonregter in hetzelfde arrondissement. (Rv. 374 )

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 26 April '1876 (Stb. n0. 86).

ACHTSTE TITEL.

Van revisie.

359. Partijen kunnen ingevolge de Wet op de zamen-stelling der regterlijke magt en het beleid der justil.e in revisie komen van arresten, door den hoogen raad in eersten aanleg gewezen. (R. 0. 88 v., 90.)

360. Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in die zaken, waarin, zoo zij voor den gewonen regter gebragt hadden kunnen worden, door dezen in het hoogste ressort zou zijn beslist, noch in zake van regtsweigering.

In die gevallen oordeelt de hooge raad in eersten aanleg bij arrest. (R. O. 38 v., 54 v., 88 v.; Rv. 361 jis. 333, 335, 336, 337, 846.)

Aldus geivijzigd vastgesteld bij art. 2 der Wet van 26 April 1876 (Stb. n». 86). b)

a) In art. 357 (oud) luidden de aanvangswoorden: o Wanneer een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de regter van eersten aanleg eeniglijk zich bevoegd heeft verklaard O'n » enz.

b) De oorspronkelijke redactie luidde: Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in zaken, gelijkstaande met die, welke, voor de provinciale geregtshoven ir. eersten aanleg aangelegd zijnde, door dezelven in het hoogste ressort zouden zijn beslist.

In dat geval oordeelt de hooge raad in eersten aanleg bij arrest

8-2

ocr page 99

BOEK I, TITEL VII EN VIII, ARTT. 358—368.

361. De bepalingen der eerste en tweede afdeelingen van den zevenden titel van dit boek zijn op het middel van revisie toepasselijk (Rv. 332—342.)

362. De partij welke in revisie wil komen, moet, alvorens hare wederpartij te doen dagvaarden, haar voornemen daartoe bij requeste aan den hoogen raad te kennen geven en bepaling vragen van eenen dag, tegen welken zij, met in achtneming der termijnen voor de dagvaardingen voorgeschreven, hare wederpartij kan doen dagvaarden. (Rv. 7 v., 361 jis. 339a, 341, 342, 364 jis. 343, 345.)

363. De hooge raad zal daarop onverwijld beschikken en bij een eenvoudig appointement op het request dien dag bepalen.

Hij zal tevens twee raden-commissarissen uit deszelfs midden benoemen, ten overstaan van welke de dingtalen, voor zooverre dezelve door partijen ter teregtzitting moeten worden gebragt en behandeld, zullen worden gevoerd. (Rv. 364 v.)

364. In revisie zullen alleen de vormen voor de regtsple-girg in hooger beroep voorgeschreven bij de artikelen 343, 345, 348, 349, 350, 351, 352 en 353 van de derde afdeeling van den zevenden titel van dit boek, toepasselijk zijn.

865. De termijn van dagvaarding kan niet worden vervroegd en het geding zal gevoerd worden als in eersten aanleg, a) (Rv. 135, 136, 137—149, 347, 353, 364.)

366. In geval door partijen in revisie op de teregtzitting voor raden-commissarissen eenig voorloopig verzoek wordt gedaan ol eenige exceptie wordt voorgesteld, of tusschen partijen eenig incident opkomt, hetwelk eene regterlijke beslissing vordert, wordt zoodanig geschil voor radencommissarissen voldongen, en verwijzen deze de partij naar eene teregtzitting van den hoogen raad, zamengesteld als bij artikel 368 is bepaald. (Rv. 364 j0. 353, 372.)

367. De zaak ten principale wordt mede voor raden-commissarissen voldongen, en nadat door partijen conclusiën zijn genomen, heeft gelijke verwijzing plaats. (Rv. 364 jis. 348, 349.)

368. Ten dage dienende houdt de hooge raad, zamengesteld uit elf leden, de president of de raadsheer die hem vervangt daaronder begrepen, eene openbare teregtzitting.

De zeven leden welke van de zaak in eersten aanleg hebben kennis genomen, zullen over het geding in revisie vonnissen.

De hooge raad zal tot op het bepaald getal raadsheeren worden aangevuld door de oudste leden welke niet wettig inogten verhinderd zijn.

83

Er zal op gelijke wijze worden voorzien in de aanvulling van een of meer der eerste regters, in geval van overlijden, wraking, uit hoofde van eene oorzaak sedert het vroeger gewijsde ontstaan, of wettig beletsel. (R. O. 83, 100 v.; R. 1, a. 78 n». 4; Rv. 29 v., 366.)

a) Art. 365 (oud). Dienvolgens kan de termijn van dagvaarding niet overeenkomstig artikel 344 dier afdeeling worden vervroegd, en het geding moet altijd gevoerd worden als in zaken van gewone behandeling, al ware het in eersten aanleg summierlijk behandeld.

ocr page 100

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERIKG.

369. De procureurs der partijen dragen ten dage dienende, vóór den aanvang der pleidooijen, de slotsom hunner genomen conclusiën nogmaals voor. (R. J. a. 45.)

370. Een der raden-commissarissen, ten welker overstaan het geding gevoerd is, doet summier rapport van den loop van hetzelve. (Rv. 363f).gt;

371. De hooge raad doet in revisie uitspraak in voege als ten aanzien van het hooger beroep bij de hoven is bepaald. (Rv. 324 nquot;. 9, 373 v.)

372. Verzoeken om verstek worden almede aan de uitspraak op de teregtzitting van den hoogen raad in voege vermeld verwezen en, na gehoorde conclusie van de verschenen partij, en des noods na gehouden pleidooi, beslist, a) (Rv. 75 v., 366.)

378. De bepaling van artikel 355 is ook in revisie toepasselijk.

374. In het geval van artikel 3f.6 en 358 zal de hooge raad in revisie de zaak altijd tot zich trekken, en ten principale uitspraak doen.

375. De bepaling bij artikel 357 is mede in revisie toepasselijk.

NEGENDE TITEL.

Van verzet door derden.

376. Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest. (Pr. 474; li. 354, 441, 506, 880. 1002, 1'.)54; F. 10, 25; Rv. 125, 285, 380.)

377. Dit verzet wordt beoordeeld door den regter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen. Het wordt aangebragt door eene dagvaarding tegen alle de partijen tusschen welke hetzelve is gevallen, en de algemeene voorschriften wegens de wijze van procederen zijn op dit verzet toepasselijk. (Pr. 475 v.; Rv. 1 v., 97 v., 125, 126 v.; R. 2004.)

378. Indien zoodanig vonnis aan eenen derde is tegengeworpen in een regtsgeding, en het verzet daartegen is ingesteld op den voet van het vorige artikel, staat het vrij aan den regter voor wien dat regtsgeding aanhangig is, indien daartoe gronden bestaan, de schorsing van hetzelve toe te staan, totdat het ingestelde verzet zal zijn uitgewezen. (Pr. 447; Rv. 254 v., 377, 389.)

379. De regter, die over een verzet van derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering ran hel aangevallen vonnis schorsen, totdat het verzet zal zijn uitgewezen. (Pr. 478b; Rv. 350, 392, 432.)

84

380. Rij wettiging van het verzet wordt het vonnis.

a) In art. 372 (oud) werden, in plaats van de woorden: «de verschenen partij», gelezen de woorden; « den eischer».

ocr page 101

BOEK I, TITEL VUI, IX EN X, ARTT. 369—382. 85

waartegen dit gerigt is geweest, alleen in zoo verre verbeterd als het de regten van derden heeft benadeeld, ten zij het onsplitsbare der gevallene uitspraak eene geheele vernietiging daarvan noodzakelijk mogt maken. (Rv. 376.)

381. Bij verwerping van het verzet kan hij, die hetzelve heeft ingesteld, verwezen worden in eene boete de som van f 50.— niet te boven gaande, onverminderd de vordering tegen denzelve tot vergoeding va?', kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden mogten zijn.

Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 7 April 18G1) (Stb. n0. 55).

TIENDE TITEL.

Van requests civiel.

382. De vonnissen op tegenspraak in het laatste ressort gewezen, en die welke op verstek gewezen en niet raeer vatbaar voor verzet zijn, kunnen herroepen worden, op het verzoek van degenen die partij geweest of geroepen zijn, om de volgende redenen; (R. O. 38 j0. Rv. 397; R. O. 53 v., G6 v., 88 v.; Rv. 81 v., 382 v., 336, 337,339, 397, 648.)

1°. Indien de beslissing berust op na derzelver uitspraak ontdekt bedrog of arglist der wederpartij in de procedures gepleegd of een opgelegde eed door den strafregter is verklaard valschelijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt den beslissenden eed in artikel 1°. Burgerlijk Wetboek bedoeld; a) (B. 1364, 1403, 4485, 1966 n». 2, 1973, 1977 v.; K. 10; Sr. 207; Rv. 382 nquot;. 7, 387, 397, 649 n°. 10.)

2°. Indien uitspraak is gedaan omtrent zaken welke niet waren geëischt; (Rv. 5 nquot;. 3, 649 n0. 4.)

3°. Indien meer is toegewezen dan geëischt was geworden; (Rv. 5 nquot;. 3, 649 nquot;. 4.)

4quot;. Indien verzuimd is op een der gedeelten van den eisch uitspraak te doen; (Rv. 649 n0. 6.)

5°. Indien tusschen dezelfde partijen, op dezelfde gronden en door denzelfden regter, tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort gewezen zijn; (Rv. 388, 427.)

6°. Indien in hetzelfde vonnis tegenstrijdige beschikkingen zijn; (Rv. 382 nquot;. 5.)

7°. Indien gevonnisd is op stukken, die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn; (Rv. 382 nquot;. 1, 387, 397; Sr. 225 v.)

8,,. Indien men, na het vonnis, stukken van eenen beslissenden aard nader in handen heeft bekotnen, welke door toedoen van de wederpartij waren achter gehouden. (B. 1910; Rv. 387, 649 n°. 9. — Pr. 480.)

a) In art. 382 (oud) lquot;. ontbraken de laatste woorden: «of een opgelegde eed door den strafregter is verklaard valschelijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt den beslissenden eed in artikel 1966, 1°. Burgerlijk Wetboek bedoeld».

ocr page 102

86 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGIS VORDER ING.

383. Minderjarigen zullen daarenboven tot het verzoeken van zoodanige herroeping nog ontvankelijk zijn, indien zij niet verdedigd zijn geweest. (Pr. 481; B. 354, 385, 441, 506, 1482 v.; Rv. 3856.)

384. Indien er slechts grond is om herroeping te verzoeken van een gedeelte van het vonnis, zal dat gedeelte alleen worden herroepen, ten zij de andere deelen van het vonnis daarvan afhangen. (Pr. 482; Rv. 394.)

385. Het request civiel zal beteekend worden met dagvaarding binnen drie maanden, te rekenen van den dag waarop het vonnis, waarover men zich beklaagt, is uilgesproken of, zoo dit bij verstek gewezen is, van den dag, waarop het niet meer vatbaar is voor verzet.

Deze termijn gaat in het geval van artikel 383 eerst in op den dag der meerderjarigheid, a) (Pr. 483, 484; B. 385, 474; Rv. 339, 361. 386, 387, 388, 390, 398.)

386. Indien de partij die in het ongelijk is gesteld overleden mogt zijn binnen de hierboven genoemde termijnen, is de bepaling van art. 341 toepasselijk. (Pr. 487; Rv. 254 n°. 1. 256, 385.)

387. Indien het request civiel gegrond is op vtlsch-heid, bedrog, arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, zullen de termijnen slechts loopen van den dag af, op welken het zij de valschheid, het zij het bedrog of de arglist bekend, of de stukken ontdekt zullen zijn, mits, in die laatste gevallen, die dag bij geschrifte kunne bewezen worden. (Pr. 488; Rv. 382 n°. 1, 7 en 8, 385, 650; R. 1904 v.;

388. Indien er strijdigheid van vonnissen plaats heeft, loopt de termijn sedert de uitspraak van het laatste vonnis of, zoo dit bij verstek gewezen is, van den dag, waarop het niet meer vatbaar is voor verzet, b) (Pr. 489; Rv. 81, 382 ii°. 6, 385.)

389. Het request civiel wordt aan denzelfden regter ingediend, welke het beklaagde vonnis heeft gewezen.

Indien het beklaagde vonnis wordt overgelegd in eene zaak hangende voor eene andere regtbank, kan deze naar de omstandigheden, in de behandeling dier zaak voortgaan of dezelve schorsen. (Pr. 490, 491, 493; Rv. 158, 25i, 378, 395.)

390. Het request civiel zal worden ingediend door eene dagvaarding in den gewonen vorm, en beteekend worden aan de partij of aan hare woonplaats.

a) In art. 385 (oud) eerste lid luidden de laatst? woorden: « het vonnis, waarover men zich beklaagt, aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn beteekend», terwi;,! het tweede lid werd gelezen :

« Tegen minderjarigen zal, in het geval van artikel 383, de termijn van drie maanden niet loopen dan van den dag na hunne meerderjarigheid, op welken de beteeke-ning van het vonnis aan hun persoon of ter hunner woonplaats gedaan is ».

b) Art. 388 (oud). Indien er strijdigheid van vonnissen plaats heeft, loopt de termijn sedert den dag der beteeke-ning van het laatste vonnis.

ocr page 103

BOEK r, TITEL X, ABTT. 383—397.

Hetzelve zal de middelen behelzen waarop het verzoek gegrond is; geene andere middelen dan deze kunnen, noch op de teregtzitting, noch bij schrifture. worden aangevoerd. (Pr. 492, 499; Rv. 1 v., 5 n0. 3, 140 v., 237b, 274a, 324 n0. 10, 385, 389.)

391. Alle partijen, uitgezonderd die welke voor de belangen van den Staat opkomt, zullen gehouden zijn, voordat zij het request civiel laten beteekenen, en op straffe van ver-vallen-verklaring, eene som van honderd gulden als boete, en eetie som van vijftig gulden voor schaden en interessen harer loederpartij, in consignatie te brengen, onverminderd hoogere schaden en interessen, indien hiertoe termen zijn.

Ingetrokken bij art. 2 der Wet van 7 April '1869 (Stb. n0. 55).

392. Het request civiel verhindert de ten uitvoerlegging van het beklaagde vonnis niet, en deze zal door geen reg-terlijk bevel belet kunnen worden. (Pr. 497; Rv. 82b, 350, 379,' 389b, 394.)

393. Het vonnis, waarbij het request civiel verworpen wordt, zal den eischer verwijzen in de hier-boven bepaalde boete, schaden en interessen, onverminderd hoogere schaden en interessen, indien daartoe termen zijn.

Ingetrokken bij artikel 2 der Wet van 7 April 1860 (Stb. n0. 55).

394. Indien het request civiel wordt aangenomen, zal het vonnis worden herroepen en de partijen in denzelfden staat teruggebragt, in welken zij vóór het vonnis waren; de geconsigneerde gelden, en hetgeen ten gevolge van de veroordeeling bij bet vonnis uitgesproken genoten of ontvangen is, zal worden teruggegeven.

Indien het request civiel wordt aangenomen ter zake van strijdigheid van vonnissen, wordt bij de uitspraak bevolen dat het eerst gewezen vonnis alleen van kracht zal zijn. (Pr. 501; Rv. 382 n». 5, 384, 388.)

Gewijzigd bij art. 2 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55).

395. Het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis zal gewezen zijn, zal gevoerd worden voor dezelfde regtbank, a) die over het request civiel gevonnisd heeft. (Pr. 502; Rv. 389.)

396. Na een eerst request civiel, het zij hetzelve aangenomen of verworpen zij, zal men geen tweede kunnen indienen, het zij tegen het vonnis op het request civiel gewezen, het zij tegen het vonnis, hetwelk, na de aanneming van dat request, ten principale zal hebben beslist. (Pr. 503; Rv. 87, 335, 382; R. O. 95, 99.)

87

397. Men kan geen gebruik maken van het middel van request civiel tegen de vonnissen van kantonregters. dan alleen in het geval van n0. 1 en 7 van artikel 382. (R. O. 99b; Rv. 382a, 389.)

a) Lees: denzelfden regter. Vg. art. 389a.

ocr page 104

88 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ELFDE TITEL.

Van de wijze van procederen in cassatie, a)

398. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van den dag, waarop het arrest of vonnis waartegen wordt opgekomen, is uitgesproken. 6) (G. 165; R. O. 94—99, -103; Rv. 399 jis. 336 en 337, 400, 401, 421, 423, 427; R. 1, a. 82.)

In de gevallen waarin de wet voor het hooger beroep eenen korteren termijn heeft voorgeschreven, wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort, en gesteld op het dubbeld van den termijn in die gevallen voor het hooger beroep bepaald. (Rv. 295, 339, 4286, 487,513c/, 542, 558c-, 559, 803; F. 12.)

De regter mag of moet de voorloopige ten uitvoerlegging van een vonnis of arrest niettegenstaande cassatie bevelen in dezelfde gevallen en op dezelfde wijze waarin hem is toegelaten of bevolen de voorloopige ten uitvoerlegging te gelasten, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Rv. 52,58.)

Ruiten de gevallen, waarin de regter de voorloopige ten uitvoerlegging heeft bevolen, beeft bet beroep in cassatie eene schorsende kracht. (Rv. 826, 350, 351, 352, 379,392.)

399. De bepalingen van artikel 334, 336, 337 en 341 van dit Wetboek zijn ook op het regstgeding in cassatie toepasselijk.

400. Die, het zij in bet eerste en het hoogste ressort, het zij in hooger beroep, bij verstek veroordeeld is, kan geen beroep in cassatie doen. (Rv. 76 v., 138; R. O. 103.)

401. De partij welke zoodanig vonnis heeft verkregen tegen eenen defaillant, en welke uit hoofde van de gehee!e of gedeeltelijke ontzegging van zijnen eisch, of uit hoofde van andere bezwaren tegen hetzelve, vermeent grond te hebben tot cassatie van zoodanig vonnis, moet dezelve instellen en zijne partij doen oproepen in cassatie, evenals of deze geen defaillant ware geweest, en tevens van het exploit aankondiging doen in een der openbare dagbladen van de plaats, waar de Hooge Raad zitting houdt en van de plaats waar

a) Na reeds in enkele bepalingen te zijn gewijzigd tij de Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55), onderging deze titel eene omvangrijke wijziging bij de Wet van 26 Juni 1876 (Stb. n0. 124). De oorspronkelijke tekst der vervangen bepalingen en de verdere wijzigingen zijn in de noten E.ange-geven, met cursiveering van het bij de eerste wet reeds vervallene. Rij de Wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0.103) vierden, behalve eenige noodzakelijk geworden veranderinger in de verwijzingen in den tekst naar andere artikelen, geene andere veranderingen in dezen titel gemaakt dan de aangegeven wijziging van art. 398.

h) In art. 398 (oud) werden, in plaats van de twee laatste woorden: «is uitgesproken», gelezen de woorden; « aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn beteekend, op strafl'e van verval». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. n0.103.)

ocr page 105

BOEK I. TITEL X EX XI, ARTT. 398—406.

het voorschreven vonnis is gewezen, of bij gebreke van zoodanig dagblad, in dat van eene nabij gelegene plaats. (R. O. 99; Rv. 4 n». 7, 400, 402, 403 v., 425.)

402. Indien het bestreden vonnis, het zij bij verstek tegen den gedaagde in cassatie, het zij na deszelfs tegenspraak, wordt te niet gedaan, doet de llooge Raad in cassatie uitspraak, overeenkomstig artikel ICS en 106 der Wet op de reglelijke organisatie, met in achtneming van de bepalingen in dezen titel voorgeschreven. (quot;Rv. 403 v.)

403. Indien in het geval van artikel 401 de cassatie wordt verworpen, kan de eischer die het bestreden vonnis of arrest bij verstek daartegen heeft verkregen, hetzelve ten uitvoer leggen, behoudens het verzet van den veroordeelde bij verstek, binnen den bij de wet bepaalden tijd. (Rv. 81 v., 404, 425.)

404. Indien in het geval van datzelfde artikel het beroet» in cassatie van een vonnis bij verstek gewezen, door den verkrijger van hetzelve wordt gedaan binnen den nog loopenden termijn van verzet des defaillants, kan deze alsnog, zoolang hij zich niet op de zaak in cassatie heeft ingelaten, van zijn regt van verzet tegen het bestreden vonnis gebruik maken. (Rv. 81 v., 334 j0. 399, 405.)

405. In dat geval vervalt het regtsgeding in cassatie, doch de cassatie kan tegen het vonnis op het verzet gewezen, opnieuw door den vorigen beroeper worden ingesteld, indien deze vermeent daartoe gronden te hebben. (R. O. 99: Rv. 400, 427.)

406. a) Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij eene dagvaarding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als in eersten aanleg, behoudens de volgende wijzigingen: (Rv. 1 v.)

Art. 5, n0. 3, blijft ten deze builen toepassing.

De dagvaarding bevat eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing het zij van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of van de wettelijke voorschriften, die de eischer beweert te zijn verzuimd, geschonden of verkeerdelijk te zijn toegepast, het zij van de beweerde overschrijding van regtsmagt en de daartoe betrekkelijke wetsbepalingen. (R. O. 99; Rv. 90 v.)

a) Art. 406 (oud). De verzoeker in materie van cassatie zal zijn beroep aanvangen, door ter griffie van den hoogen raad voor boete te consujneren eene som van honderd gulden, en voorts aldaar over te leggen eene memorie, in den vorm van verzoekschrift ingerigt en door zijnen procureur onderteekend. Die memorie zal inhouden;

1quot;. Alle de middelen van cassatie; geene andere dan deze kunnen, het zij op de teregtzitting, het zij bij schrifturen, door partijen worden aangevoerd;

2°. De aanwijzing der wetten, welke men beweert te zijn geschonden of verkeerdelijk toegepast;

3°. De voor het hof te nemen conclusien;

4°. Keuze van woonplaats bij eenen procureur bij den hoogen raad toegelaten.

89

ocr page 106

^10 WETBOEK VAN BURGEHLMKE REGTSVORDERINÜ

De eischer is gehouden in het exploit van dagvaarding een advokaat bij den Hoogen Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe van nietigheid. (Rv. 21, 133a),

Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij dien advokaat, ten zij het exploit eene andere binnen de gemeente 's-Gravenhage gekozen woonplaats uitdrukt. (B. 81; Rv. 5 n0. 1, 'I336, 429; Stb. 1876 n0. 124, a. 9.)

407. a) De verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan de gekozen woonplaats des eischers heteekend exploit dezen tegen een vroe-geien dan den in het exploit van dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen. (Rv. 136, 353, 365.)

408. b) De advokaat bij den Hoogen Raad, die voor den verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der zaak ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het zittingblad.

De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijnen advokaat. Hij kan echter ook eene andere woonplaats, mits binnen de gemeente 's-Gravenhage, in het zittingblad opgeven. (R. i, a. 64; Rv. 137; Stb. 1876 n». -124, a. 9.)

409. c) De feitelijke grondslag der middelen van cassatie kan alleen worden bewezen door het aangevallen arrest of vonnis en, voor zoover zij betreffen vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, ook door de stukken, waaruit van dat verzuim kan blijken. (R. O. 99; Rv. 90 v.)

410. d) De verweerder, van zijne zijde in cassatie v.'en-

a) Art. 407 (oud). Bij deze memorie zullen door den verzoeker worden gevoegd:

•10. De justificatoire bescheiden, onder inventaris;

•2quot;. Het bewijs, dat de boete is voldaan of dat kij daarvan is vrijgesteld,

3°. Het beteekend afschrift of de authentieke expeditie van het arrest of vonnis, waartegen wordt opgekomen.

b) Art. 408 (oud). Het overleggen van de memorie en stukken zal worden bevestigd door eene aanteekening, welke daarvan door den griflier zal worden gesteld en geteekend aan den voet der memorie, bij artikel 406 vermeld, met bijvoeging der dagteekening.

Deze aanteekening moet worden overgeschreveij in een daartoe bestemd openbaar register, waaruit een ieder een uittreksel zal kunnen vorderen, of wel eene verklaring dat er geen beroep in cassatie heeft plaats gehad.

c) Art. 409 (oud). De gronden, waarop de cassatie gevraagd wordt, kunnen op geene andere wijze worden bewezen dan door middel van stukken, welke gediend hebben bij het hof of de regtbank, die het vonnis of arrest, waartegen men opkomt, heeft gewezen, of wel door het vonnis of anest zelf.

De hooge raad vermag geen acht te slaan op gronden, welke niet op voorschreven wijze zijn bewezen.

rf) Art. 410 (oud). Binnen den tijd van acht dagen nadat

ocr page 107

BOEK I, TITEL XI, ARTT. 407—413.

schende te komen, doet dit, op straffe van verval, bij zijne conclusie van antwoord.

Die conclusie bevat alsdan eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in artikel 406 vermeld.

De verweerder is in dit incidenteel beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel 398 gestelde termijnen en zelfs na berusting in het arrest of vonnis.

Artikel 409 geldt ook voor het incidenteel beroep.

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen. (Rv. 334, 339.)

411. a) Wanneer de verweerder niet reeds op den eersten regtsdag zijne conclusie van antwoord neemt, wordt hem tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend.

Hij is gehouden alle exceptien met zijn antwoord ten principale te vereenigen, op straffe van verval.

Alleen de in artikel 141, derde lid, bedoelde exceptie wordt ook in cassatie, op straffe van verval, afzonderlijk vóór alle weren van regten, behalve de vordering tot zekerheidstelling, voorgedragen, b) (Rv. '141a en b, 1456, 152.)

412. c) In geval van incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, wordt den eischer, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend om het incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.

Is het een of ander het geval niet. dan wordt onmiddellijk na het nemen der conclusie van antwoord de dag van pleidooi bepaald, ten zij partijen, onder overlegging der stukken, daarop regt vragen. (Rv. 14'2, 144, 339, 3476, 410.)

413. d) Partijen zijn gehouden de stukken, waarop zij zich

de memorie ter griffie is overgelegd, zal de verzoeker afschrift van dezelve benevens opgave der overgelegde stukken doen beteekenen aan de wederpartij of aan hare woonplaats.

a) Art. 411 (oud). De wederpartij is verpligt om, binnen den lijd van ééne maand na voorschreven beteekening, hare memorie van antwoord, door eenen procureur bij den hoogen raad toegelaten onderteekend, aan den procureur van den verzoeker van cassatie te doen beteekenen, en daarvan afschrift over te geven.

b) In art. 411 (oud) werden, in plaats van de woorden: «artikel 141, derde lid», gelezen de woorden; «artikel 159, tweede lid». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. nquot;. 103.)

c) Art. 412 (oud). Kinnen den tijd van acht dagen na die beteekening zal de gedaagde gehouden zijn deszelfs antwoord met en benevens de stukken onder inventaris ter griffie van den hoogen raad over te leggen, en zijn de bepalingen van het eerste lid van artikel 408 te dezen toepasselijk,

d) Art. 413 (oud). De hooge raad kan aan den gedaagde een uitstel van ééne maand verleenen, wanneer deze doet blijken, dat hij zich buiten staat heeft bevonden om binnen den termijn, bij artikel 411 voorgeschreven, te antwoorden.

Het verzoek om uitstel zal bij een eenvoudig request

91

ocr page 108

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDEBING.

beroepen, elkander over en weder mede te deelen in afschrift of door nederletiging van het oorspronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen. (Rv. \\1, 148, 149, 167 v.)

414. De gronden door den gedaagde aangevoerd, kunnen niet anders worden bewezen dan op de wijze bij artikel 409 hierboven vermeld.

415. a) De artikelen 152 en 153 zijn van toepassing in cassatie.

Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende in cassatie, niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.

De verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.

De in vroegere instantien gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van regten. (Rv. 353, 364.) amp;)

416. c) De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie ter rolle.

De verweerder op het incident neemt in dezelfde of in eene nadere door den Hoogen Raad te bepalen teregtzitting zijne conclusie van antwoord op het incident, dat door den Hoogen Raad, na partijen, zoo zij dit verlangen, in de mondelinge toelichting harer conclusiën en het openbaar ministerie te hebben gehoord, afzonderlijk wordt beslist. (Rv. 247 v., 411, 412.)

417. d) Overlegging ter griffie of mededeeling in afschrift van de volmagt van den volgens art. 406 é) of art. 408 aangewezen advokaat kan door de wederpartij worden gevorderd.

Hij blijft de partij vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander advokaat bij den Hoogen Raad is aangewezen bij aan de wederpartij beteekend exploit, of hij zelf aan

gedaan en daarover in de raadkamer beslist worden.

Indien het uitstel verleend wordt, zal het appointement aan den procureur der wederparlij worden beteekend.

a) Art. 415 (oud). Geene andere schrifturen zullen mogen worden ingediend dan de memorie van den aanlegger en het antwoord van den gedaagde.

b) In art. 415 (oud) laatste lid werden de laatste woorden gelezen: «vóór alle andere weren van regten». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. n0. 103.)

c) Art. 416 (oud). Na verloop der termijnen zal de meest gereede partij aan den hoogen raad een verzoekschrift inleveren, ten einde door denzelve de dag der ple dooijen bepaald worde.

d) Art. 417 (oud). Binnen drie dagen na de dagteekening van het bevel, waarbij de dag der pleidooijen is bepaald, zal hetzelve door den verkrijger worden beteekend aan den procureur der wederpartij.

e) In art. 417 (oud) werd in plaats van «406» gelezen: «407». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. n0. 103.)

92

ocr page 109

BOEK I, TITEL XI, ARTT. 414—4-25.

deze laatste bij beteekend exploit of ter teregtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere behandeling der zaak onttrekt. (Rv. 146, 254 v.)

418. a) Ten dage dienende, wordt de zaak bij den Hoogen Raad bepleit, en vervolgens het Openbaar Ministerie gehoord. (R. I, a. 78, 1». e; Rv. 324 n°. 8.)

De pleidooijen kunnen ook gehouden worden door andere dan de volgens de artt. 4066) en 408 aangewezen advokaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is. (Rv. 21 v., 56, 57.)

419. Na gehoudene raadpleging doet de Hooge Raad uitspraak, het zij dadelijk, het zij op eenen daartoe te bepalen dag.

Hij zal zich te dien opzigte regelen naar de voorschriften van artt. 105 en 106 der Wet op de Regterlijke Organisatie.

Geen andere middelen van cassatie komen bij de uitspraak in aanmerking dan die, welke overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 406 en 410 zijn voorgesteld. (R. O. 100; R. I, a. 84; Rv. 45, 56, 254 j'quot; 125, 353,364, 4296). c)

420. Bij de toepassing van artikel '105 van de in het vorige artikel vermelde Wet zal de Hooge Raad in acht nemen de regelen bij de volgende artikelen aangeduid. (R. O. 99a nquot;. 2 en 3, 996; Rv. 402, 421 v.)

421. Indien het arrest wordt vernietigd ter zake van onbevoegdheid, verwijst de Hooge Raad partijen daar en waar het behoort. (R. O. 99« n0. 2, 996; Rv. 154, 422.)

422. Indien een interlocutoir vonnis wordt vernietigd, verwijst de hooge raad het geding, volgens den aard der zaak, naar den regter welke in eersten aanleg of in hooger beroep heeft kennis genomen, ten einde met in achtneming van de uitspraak var. den Hoogen Baad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen. (Rv. 46c, 424.)

423. Indien een arrest wordt vernietigd ter zake van overschrijding van regtsmagt, of van verkeerde toepassing of schending der wet, beslist de Hooge Raad de hoofdzaak even en in diervoege als de regter, welke het vernietigde arrest heeft gewezen, had behooren te doen, met in achtneming der bepaling in het volgende artikel voorgeschreven. (R. O. 99a n°. 2 en 3, 996, 105.)

424. Indien de definitieve beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of van regtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst de Hooge Raad het geding op den voet en de wijze bij artikel 422 omschreven. (R. O. 105, 423.)

425. Er wordt geen verzet toegelaten tegen arresten door den Hoogen Raad bij verstek in cassatie gewezen d) dan alleen wanneer er gronden waren tot nietigverklaring

а) Art. 418 (oud). Ten dage dienende wordt de zaak bij den hoogen raad bepleit, en vervolgens het openbaar ministerie gehoord.

б) In art. 418 (oud) werd in plaats van «406» gelezen: «407». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. nquot;. 103.)

c) Het derde lid ontbrak in art. 419 (oud).

ci) In art. 425 luidde het volgende : dan alleen wanneer de

93

ocr page 110

94 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

van de dagvaarding of het beroep was ingesteld na verloop van den wettelijken termijn en mits het verzet geschiede binnen veertien dagen na beteekening van het arrest. (R. O. 94: Rv. «1, 89, 90, 398, 41-1, 412, 419, 430.)

426. Indien de Hooge Raad, krachtensartikellOo der Wet op de Regterlijke Organistie, in de zaak zelve heeft regt gedaan, gelden ten aanzien van de tenuitvoerlegging van het vonnis de bepalingen van artikel 354. (Rv. 423.)

427. Behalve de gevallen waarin bij de Wet op de Regterlijke Organisatie voorziening in cassatie is toegelaten, zal men zich in cassatie kunnen voorzien, indien door verschil-lendf hoven of regtbanken in het hoogste ressort tegenstrijdige vonnissen gewezen zijn tusschen dezelfde partijen en op dezelfde gronden door partijen aangevoerd.

De Hooge Raad het laatstgewezen arrest of vonnis vernietigende. zal gelasten dat het eerste naar zijnen vorm en inhoud zal worden tenuitvoergelegd. (Pr. 504; G. 165;R. O. 99: Rv. 382 n°. 5, 394.)

428. a) Het beroep in cassatie tegen beschikkingen op request wordt bij den Hoogen Raad insgelijks bij request aangebiagt. (G. 165: Rv. 345a.)

De artikelen 334, 336, het tweede b) lid van art. 337, het tweede lid van art. 345, het tweede lid van art. 398 en art. 409 zijn op dit beroep van toepassing.

429. c) Het verzoekschrift bevat eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in art. 406 vermeld.

Geene andere middelen komen bij 's Hoogen Raads beslissing in aanmerking. (Rv. 419c.)

Ten aanzien van die beslissing gelden de bepalingen van de artikelen 421, 422, 423 en 424.

TWEEDE BOEK.

VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN EN AUTHENTIEKE AKTEN.

EERSTE TITEL.

Algemeen e regelen omtrent geregtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

430. De grossen van de vonnissen in de Nederlanden

memorie van den aanlegger niet is beteekend geworden binnen den termijn bij artikel 410 bepaald, en mits, enz.

a) Art. 428 (oud). Indien het verzoek in cassatie verworpen wordt, zal de aanlegyer veroordeeld worden in de boete van honderd yulden, mitsgaders in veraoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

b) In art. 428 (oud) werden, in plaats van de woorden: «het tweede lid van art. 337 », gelezen de woorden: «het eerste lid van art. 337 ». (Wijziging Wet van 7 Juli 1896, Stb. n». 103.)

c) Art. 429 (oud). Indien de hooge raad het arrest of vonnis vernietigt, zal hij de teruggave der geconsigneerde boete bevelen.

ocr page 111

BOEK I EN II, TITEL I, ARTT. 426—435.

gewezen, zullen kunnen worden ten uitvoer gelegd in het geheele Rijk. (G. 1; Rv. 4 nquot;. 8; Stb. 1854 nquot;. 129, a. d04; Stb. 1865 n0. 55, a. 140; Stb. 1865 nquot;. 56, a. 161; Stb. 1869 n°. 124. a. 17 (27a, lid f); Stb. 1871 n0. 91, a. 7 v.; Stb. 1884 nquot;. 96, a. 17; Rv. 123, 124, 297, 485b, 489, 557b, 619; F. 4c, 86, 159, 196.)

Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: «In naam des Konings (der Koningin).» (G. 149; Stb. 1891 n». 125; Rv. 436.)

Zij zullen moeten worden beteekend aan den persoon zeiven, of te zijner woonplaats, of op de wijze bij artikel 4 van dit Wetboek voorgeschreven. (Rv. 4°. 7 en 8, 66. 133c. — Pr. 545, 547 j0. 146 v.; Rv. 64, 65, 438,644,838, «41, 842, 843.)

431. Behalve in de gevallen uitdrukkelijk bij de wet vermeld, kunnen geene vonnissen door vreemde regters of regtbanken gewezen binnen het koningrijk worden tenuit-voergelegd. (K. 658, 724e; Sr. 68: Rv. 436; Stb. 1869 n'. 37, a. 40; F 203.)

De gedingen kunnen op nieuw bij den Nederlandschen regler worden behandeld en afgedaan. (B. 1954.)

In de hierboven gemelde uitgezonderde gevallen wordt het vonnis van vreemde regters of regtbanken niet in dit rijk tenuitvoergelegd, dan na een op verzoekschrift verkregen verlof van executie in den vorm bij het voorgaande artikel gemeld, van de regtbank van het arrondissement in hetwelk zoodanig vonnis moet worden tenuitvoergelegd.

Bij het verzoeken en verleenen van dit verlof, wordt de zaak zelve niet aan een nieuw onderzoek onderworpen. (Rv. 430c. — Pr. 546.)

432. Geen vonnis waarvan de voorloopige tenuitvoerlegging niet is bevolen kan tegen eenen derde worden tenuitvoergelegd, noch daaraan door dien derde worden voldaan, dan acht dagen na deszelfs beteekeoing aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van de verklaring des grilfiers, dat er op zijne registers geen hooger beroep of cassatie tegen het vonnis is aangetee-kend. (Pr. 548; Rv. 52 v., 85, 86, 350, 392, 398d, 433, 770Fc.)

433. De partij welke in hooger beroep gekomen is of zich in cassatie heeft voorzien, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het kollegie dat het beklaagde vonnis heeft uitgesproken, aanteekening te doen houden, met vermelding der namen van de partijen, de dagteeke-ning van het vonnis en die van liet hooger beroep of van de cassatie. (Pr. 549; Rv. 85, 332 v., 398 v., 432.)

434. De overhandiging van het vonnis, welks uitvoering men begeert, aan den deurwaarder, magtigt denzelve in die zaak tot het doen van de geheele executie, uit dat vonnis voortvloeijende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang, waartoe eene bijzondere volmagt vereischt wordt. (Pr. 556; R. IV, a. 1 ; B. 2011b; Rv. 436, 589, 599.)

435. De geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen van de kantonregters moeten voor de arrondisse-

95

ocr page 112

96 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ments-resftbanken worden gebrapt. (Rv. 125 j0. 612 v., 250 n0. 4, 289, 604.)

436. Aan de grossen van authentieke akten, binnen dit koningrijk verleden, en aan het hoofd voerende de woorden ; «In naam des Konings (der Koningin) » wordt dezelfde kracht toegekend als aan de vonnissen der regter-lijke magteri, en zijn de bepalingen van artikel 430, het eerste lid van artikel 431, en artikel 434 insgelijks daarop toepasselijk. (Pr. 545, 547; Stb. 1891 n0. 125; B. 1218. 1905; Stb. 1842 n°. 20, a. 40, 43, 44; Stb. 1871 n°. 91, a. 7 v.; Rv. 841, 843; F. 159, 196.)

437. Het staat aan den executant van een vonnis of akte vrij te gelijker tijd beslag op de roerende en onroerende goederen van de veroordeelde of verbondene partij te leggen. (B. 1177; Rv. 439 v., 470, 502 v., 528, 598.)

438. De wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde stuit den aanvang of de voortzetting der executie niet. behoudens de bevoegdheid van den geëxecuteerde, om daarop door den president der Arrondissements-Regtbank bij kort geding te doen beslissen, a) (Pr. 607; Rv. 82h. 84b, 250 n 0 . 4, 289, 350, 354, 379, 398d, 426,435,533, 604, 611.)

T W E E D E T 1 T E L.

Van de yeregtélijke tenuitvoerleycjing op roerende cjoederen.

EERSTE AFDE ELING.

Van beslag op roerende goederen.

439. Geen executoriaal beslag op roerende goederen zal mogen worden gelegd, dan uit krachte van een vonnis of van eene authentieke akte in executorialen vorm. (Rv. 430, 436. — Rv. 303 v., 441, 722, 727, 735a en b, 758, 764.)

Hetzelve moet zijn voorafgegaan van een exploit van eenen deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan het vonnis of aan de akte te voldoen. (Rv. 1 v.)

Indien bij het beteekenen van het vonnis of van de akte tevens het vonrgeschrevone bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt. (Rv. 66, 430.)

Bij het bevel of de beteekening moet de woonplaats worden gekozen door den executant, tot aan het uiteinde der executie, binnen de gemeente waar de executie moet plaats hebben, ten ware hij binnen die gemeente rnogt woonachtig zijn, en zulks op straffe van nietigheid var het exploit. (B. 81b.)

De schuldenaar kan aan deze gekozene woonplaats alle beteekeningen laten doen, zelfs van werkelijk aanbod,

a) In art. 438 (oud) ging aan het nu eenige lil een eerste lid vooraf luidende ;

Behoudens de bepalingen wegens het kort geding voor den president der arrondissements-regtbank en wegens het procederen op korte termijnen, worden de geschillen, ontstaan over of bij de tenuitvoerlegging van vonnissen of van akten in artikel 436 vermeld, sutnmierlijk behandeld.

ocr page 113

BOEK II, TITEL I EN II, ARTT. 436—445.

van verzet en van booster beroep. (B. 81b, 1441 n0. 6; Rv. 81, 83 v., 343. — Pr. 583,584; Rv. 437, 502, 563, 760.)

440. Na verloop dier twee dagen, kan het beslag worden gedaan. Hetzelve geschiedt bij exploit van eenen deurwaarder die houder is van het stuk, dat ten uitvoer moet worden gelegd. (Rv. 80, 316, 3426, 434, 4396, 808Ba.)

Hetzelve zal, behalve de gewone formaliteiten der exploiten, inhouden een herhaald bevel om te voldoen aan hetgeen, waarvoor het beslag gelegd wordt. (Rv. 5, 4396.)

De deurwaarder zal worden bijgestaan door twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in het proces-verbaal vermelden zal: zij zullen het oorspronkelijke stuk en de afschriften' teekenen. (Stb. '1842 nquot;. 20, a. 23; B. 20, 991. — Pr. 585, 586; Rv. 56i, 760, 808Ba.)

441. Dit beslag kan niet worden gedaan dan voor eene bepaalde schuld of vordering. Indien dezelve niet is vereffend, worden alle verdere vervolgingen gestaakt, tot dat de vereffening is geschied. (Pr. 551; Rv. 470, 499.)

442. Indien de persoon, tegen wien het beslag gedaan wordt, niet onmiddellijk betaalt, of voldoet aan hetgeen waarvoor de inbeslagneming is gedaan, met de kosten, kan de deurwaarder voorloopig, het zij in het huis, het zij aan de deur van den gearresteerde, bewaarders stellen, ten einde het verduisteren der goederen te beletten. (E v. 4406, 450; Sr. 198.)

443. De deurwaarder zal dadelijk, of uiterlijk op den volgenden dag overgaan tot de meer bijzondere aanduiding der goederen, welke hij in beslag neemt, en zal hij dezelve op de daarvan door hem te vervaardigen akte of procesverbaal naauwkeurig beschrijven, met opgave van derzelver getal, gewigt en maat, overeenkomstig derzelver aard; de partij die de inbeslagneming laat doen, mag bij het in beslagnemen niet tegenwoordig zijn. (Pr. 585. 588 v.; Rv. 442, 445 v., 450. 565, 666, 725, 808Ba.)

444. Bijaldien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede bijaldien geweigerd wordt eenige kamer of stuk huisraad te openen, mitsgaders wanneer bij niet-tegenwoordigheid van den peisoon tegen wien het beslag geschiedt, er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij het hoofd, of een lid van het gemeentebestuur, dat a) hem vervangt, of bij eenen commissaris van politie daartoe door den burgemeester aangewezen, in wiens tegenwoordigheid de opening der deuren en van het huisraad zal gedaan worden. Van de tegenwoordigheid van dezen ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de beide volgende aitikelen, zal zijn verrigt. zal melding gemaakt worden iu het proces verbaal van beslag, hetwelk, nadat hetzelve zal gesloten zijn, door denzelven zal onderteekend worden. (Pr, 587, 591; G. 158; Rv. 442, 465, 808Ba; Stb. 1851 nquot;. 85, a. 77.)

97

443. Indien er bij de inbeslagneming gereede penningen worden gevonden, zal het getal en de muntsoort vermeld

a) Stb. 1828 n». 30: die.

ocr page 114

98 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDURING.

worden; de deurwaarder zal dezelve benevens al het geldswaarde hebbende papier ter griffie overbrengen, ten ware de executant en de geëxecuteerde, bonevens de opposanten (indien er die zijn) omtrent eene andere plaats van bewaring tnogten zijn overeengekomen. (Pr. 590; B. 668c; F. 92; Rv. 435, 474.)

446. Indien er bij de inbeslagneming andere papieren worden gevonden, zal de deurwaarder dezelve moeten verzegelen. (Pr. 591; Rv. 471, 475; Sr. 199.)

447. Geen beslag op roerende goederen mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden:

1°. Op zaken, welke de wet verklaart voor onroerend goed door,bestemming; (B. 563; Rv. 491 nquot;. 1.)

2°. Op het noodige bed en beddegoed van de personen, tegen welke liet beslag gedaan wordt, of van hunne bij hen inwonende kinderen, noch op de kleederen, waarmede de eerstgenoemde en hunne kinderen gekleed en gedekt zijn;

3°. Op de toerusting van personen in krijgsdienst, volgens hunnen dienst en graad ; (Stb. 1827 n°. 17, a. 38, 41,56.)

4°. Op de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behoorende; (Rv. 448a n0. 2.)

5°. Op den in het huis voorhanden zijnden voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin, gedurende eene maand. (Pr. 592; Rv. 448, 756 n». 1, 808Ba; F. 21 n». 1; B. 1177.)

Art. 9c der Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0.124), tot regeling van het auteursrecht: Het (auteursrecht) is niet vatbaar voor beslag.

448. Insgelijks kan er geen beslag gelegd worden:

l». Op de boeken betrekkelijk tot het beroep van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt tot de som van twee honderd gulden, te zijner keuze;

2°. Op de werktuigen en gereedschappen, dienende tot eenig onderwijs, of beoefening van kunsten en wetenschappen, ten bedrage van dezelfde som en te zijner keuze; (Rv. 447 nquot;. 4.)

3°. Eindelijk, op eene koe, of twee zwijnen, of twee geiten, of vier schapen, ter keuze van dengenen tegen wien het beslag gedaan wordt, met be1., be-noodigde stroo en voeder voor dat vee gedurende eene maand. (Rv. 451.)

Echter zullen de zaken in dit artikel opgenoemd, kunnen worden in beslag genomen:

1°. Wegens levensbehoeften, verstrekt aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 1195 n0. 5.)

2''. Wegens de gelden verschuldigd aan personen welke die voorwerpen vervaardigd, hersteld of verkocht hebben; (B. 1185 n». 3—5.)

3°. Wegens huren en pachten van onroerende goederen, waarin of waarop de gemelde zaken voorhanden zijn. (B. 1186. — Pr. 592, 593; Rv. 447, 756, 8ü8Ba; F. 21 nquot;. 1.)

ocr page 115

BOEK ir, TITEL II, ARTT. 446—456.

449. Het proces-verbaal zal behelzen opgave van den dag en van het uur, waarop de in beslag genomene goederen zullen verkocht worden.

Indien die opgave niet dadelijk kan geschieden, zal de deurwaarder zulks bij beteekende akte nader kunnen doen, uiterlijk binnen driemaal vier en twintig uren na het opmaken yan voorschreven proces-verfaaal. (Pr. 595, 614; Rv. 5, 84, 438, 4406, 442, 443, 444, 450, 452, 4ti5, 467.)

450. De deurwaarder zal eenen geschikten bewaarder aanstellen.

Tot bewaarders over het goed zullen niet aangesteld mogen worden de arrestant of zijne echtgenoote, zijne bloed- en aanverwanten, tot den zesden graad ingesloten, noch zijne bedienden; maar daarentegen zullen met toestemming van den arrestant, de persoon legen wien het beslag gedaan is, zijne echtgenoote, bloed- of aanverwanten en huisgenooten, wanneer zij er in bewilligen, tot bewaarders kunnen worden aangesteld. (Pr. 596—598; li. 345 v., 1366 v., 1776; Rv. 452. 454, 760, 808b; Stb. 1843 n». 40, a. 1 (Tar. a. 60).)

461. Indien beesten of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde welke reeds van den grond zijn afgescheiden, zijn in beslag genomen, kan de kantonregter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing of inzameling zorg te dragen. (Pr. 594; Rv. 448a nquot;. 3, 450, 491 v. j0. B. 562 n». 3; Rv. 761.)

452. Het proces-verbaal zal oogenblikkelijk op de plaats zelve opgemaakt worden; het zal op het oorspronkelijke en op het afschrift door den bewaarder geteekend worden. In geval hij niet teekenen kan, zal daar melding van gemaakt worden. Afschrift van het proces-verbaal zal hem worden gelaten. (Pr. 599; Rv, 440, 449, 450, 808Ba.)

453. Afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming zal worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, of te zijner woonplaats. Bijaldien dezelve, niet tegenwoordig is, zal de beteekening gedaan worden aan den ambtenaar die de deuren zal hebben geopend. (Pr. 601, 602; Rv. 2, 444, 449, 808Ba).

454. De bewaarder mag de in beslag genomene goederen niet gebruiken, verhuren of uitleenen, op straffe van gemis van zijn bewaarloon en van schaden en interessen, tot betaling van welke hij bij lijfsdwang kan worden genoodzaakt. (Pr. 603; B. 1275 v., 1401, 1749, 1776; Rv. 450, 455, 585 n0. 5, 808Ba; Stb. 1843 n0. 40, a. 1 (Tar. a. 60); Sr. 198c en d.)

455. Indien de in beslag genomene goederen eenige voordeden of inkomsten voortgebragt hebben, is hij op dezelfde wijze als bij het vorige artikel tot verantwoording verpligt. (Pr. 604; B. 1755a; Rv. 451.)

456. Die eigenaar beweert te zijn der in beslag genomene goederen of van een gedeelte daarvan, kan zich tegen den verkoop verzetten bij eene middelen inhoudende dagvaarding van den arrestant en van den persoon, tegen wien het be-

99

ocr page 116

100 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

slag gedaan is, en aan den bewaarder beteekend: alles op straffe van nietigheid.

De regtbank van het arrondissement, in hetwelk het beslag gedaan is, zal deswege uitspraak doen. a)

De eischer, welke in het ongelijk gesteld wordt, zal worden veroordeeld, bijaldien daartoe redenen zijn, tot vergoeding van schaden en interessen aan den beslaglegger. (Pr. 608: B. 205, 210, 219, 1186, 1189, 1191, 1192,1377,1401; K. 230, 244; Rv. 56, 450, 808D.)

457. De schuldeischers van dengene wiens goederen zijn in beslag genomen, kunnen, uit welken hoofde ook, zelfs niet uit hoofde van verschuldigde huur, eenige andere oppositie doen dan tegen de afgifte der kooppenningen. Die oppositie moet worden gedaan vóór den verkoop, en zal behelzen de gronden waarop zij berust, het beloop der som waarvoor dezelve wordt gedaan, of indien dat beloop niet is uitgemaakt of verevend, het bedrag waarop dezelve dooiden opposant wordt geschat.

Die oppositie moet beteekend worden aan den arrestant en aan den deurwaarder met den verkoop belast, met keuze van woonplaats ter plaatse alwaar het beslag gelegd is; alles op straffe van nietigheid der oppositie en vergoeding van schaden en interessen tegen den deurwaarder, zoo daartoe termen zijn.

Oppositien welke na den verkoop zijn beteekend, zijn nielig en van onwaarde, en worden bij de verdeeling /liet in aanmerking genomen. (Pr. 609; B. 1186 v.; Rv. 17,122, 439d, 458 v., 461, 470, 480, 536, 578, 753, 758.)

458. De opposant kan geene andere vervolging aanvangen dan tegen de partij, welker goederen zijn in beslag genomen, ten einde vonnis tegen haar te verkrijgen; tegen den opposant zullen geene procedures worden gevoerd, behoudens het onderzoek der wettigheid van zijne oppositie ter gelegenheid van de verdeeling der penningen. (Pr. 610; Hv. 439, 482, 537, 554.)

469. Indien een deurwaarder wil beslag leggen, en bevindt dat de goederen reeds bevorens zijn in beslag genomen, zal hij niet op nieuw beslag kunnen leggen: doch hij heeft het vermogen om de in beslag genomene goederen met het proces-verbaal te vergelijken, hetwelk aan hem te dien einde door den bewaarder moet worden vertoond. Hij zal alsdan kunnen beslag leggen op de goederen welke niet in het proces-verbaal zijn begrepen, en aan den eersten arrestant hevel doen om alles gezamenlijk te verkoopen binnen den termijn bij artikel 462 bepaald; het proces-verbaal van vergelijking geldt als oppositie tegen de afgifte der kooppenningen. (Pr. 611; Rv. 440, 452, 453, 457, 461.)

460. Indien de arrestant in gebreke blijft, om binnen den termijn bij artikel 462 vermeld, den verkoop tot stand té brengen, kan ieder opposant, die eenen executorialen

a) In art. 456 (oud) tweede lid werd tusschen de woorden: «deswege» en «uitspraak» gelezen het woord: « sum-mierlijk ».

ocr page 117

BOEK II, TITEL II, ARTT. 457—466.

titel heeft, overgaan tot de vergelijking van de in beslag genomen goederen op het afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming, hetwelk de bewaarder gehouden is aan hem te vertoonen, mitsgaders tot de aanvulling der voorwerpen, welke niet bij de vroegere inbeslagneming mogten zijn opgeschreven, en dadelijk daarna tot den verkoop dei-goederen ; alles na het doen van een bevel aan den arrestant beteckend, doch zonder dat er een eisch tot subrogatie zal gevorderd worden. (Pr. 612; Rv. 450, 461).

461. Indien de arrestant het beslag opheft, of indien hetzelve te zijnen aanzien, uit welken hoofde ook. buiten het geval van nietigheid in den vorm, wordt opgeheven, blijft het beslag stand houden ten aanzien van eiken opposant, die eenen executorialen titel heeft, en zoodanig opposant heeft het vermogen in het vorige artikel gegeven.

Het regt van alle overige opposanten op de uitdeeling der kooppenningen, blijft wijders, in de gevallen bij dit en het vorige artikel uitgedrukt, in zijn geheel. (Rv. 17,58, 96, 457 v.)

462. De verkoop der in beslag genomene goederen mag geen plaats hebben vóór acht dagen, en moet geschieden binnen veertien dagen, te rekenen van den dag der inbeslagneming; in beide gevallen op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Deze termijn kan verkort of verlengd worden bij onderlinge toestemming van partijen en der opposanten, indien er zoodanige zijn, of ook door een bevel van den regter. (Pr. 613; Rv. 449, 459, 460, 465.)

463. De verkoop zal in het openbaar gehouden worden op de plaats der inbeslagneming zelve, ten zij de partijen en de opposanten onderling anders mogten overeenkomen, of de regtbank, ten verzoeke van de eene of andere derzelve, en wanneer de omstandigheden zulks vorderen, eene andere meer geschikte plaats mogt bepalen. (Pr. 614; Rv. 452, 464, 474, 573; Loi du 22 Pluviöse an VII (Fortuijn 11 bl. 2).)

464. In de gemeenten binnen welke de verkoop zal geschieden, zullen, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten worden aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats, den dag en hel uur van den verkoop, mitsgaders van den aard der voorwerpen, doch zonder bepaalde stuksgewijze beschrijving derzelve.

De biljetten worden bovendien aangeslagen aan het huis van den geëxecuteerde. (Pr. 617, 618; Rv. 466, 473.)

465. liet aanslaan der biljetten moet geschieden na het sluiten van het proces-verbaal of na het beteekenen der akte in het tweede lid van artikel 449 vermeld, en zulks ten minste vier dagen voor den verkoop; ten ware die termijn dooide regtbank mogt zijn verkort. (Pr. 617; Rv. 462, 464, 467.)

466. De verkoop zal daarenboven worden bekend gemaakt in een dagblad van de plaats alwaar de verknoping zal geschieden, en bij gebreke van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats.

Deze bekendmaking wordt echter niet vereischt, indien het bedrag der in beslag genomen goederen blijkbaar minder dan vierhonderd gulden bedraagt.

101

ocr page 118

102 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De verkoop zal in de gemeente waarin dezelve plaats moet hebben, worden afgekondigd, volgens plaatselijk gebruik bij vrijwilligen verkoop. (Pr. 617; A. 3; Rv. 464.)

467. De deurwaarder zal aan den voet van zijn procesverbaal van beslag moeten aanteekening doen van den gedanen aanslag der biljetten en van de afkondiging van den verkoop, indien zoodanige afkondiging beeft plaats gehad. (Pr. 619; Rv. 465, 466 )

468. Geen zilver of goud rnag verkocht worden, ten zij de gehalte en het gewist daarvan zij opgegeven. (Pr. 589; Stb. 1852 n». 178; Stb. 1859 n°. 31.)

469. De verkoop wordt gehouden bij opbod en de toewijzing zal geschieden aan den meestbiedende en tegen gereed e betaling.

De deurwaarder is bevoegd te vorderen, dat hem door eiken bieder de geboden koopsom worde ter hand gesteld en deze onder zich te houden, totdat het voorwerp is toegewezen. ,

Stelt een bieder, na de in het vorig lid bedoelde vordering de geboden koopsom aan den deurwaarder niet ter hand, dan wordt het bod niet aangenomen en die persoon gedurende de geheele verkooping niet meer als bieder toegelaten.

Indien de deurwaarder gebruik heeft gemaakt van de hem bij bet tweede lid toegekende bevoegdheid en er, nadat een bieder in gebreke is gebleven de geboden koopsom aan den deurwaarder ter hand te stellen, geen hooger bod wordt verkregen, blijlt de hoogste bieder, wiens bod is aangenomen, daaraan gehouden en wordt hem het goed toegewezen.

Bij gebreke van betaling zal het goed terstond weder verkocht worden ten laste van hem wien het toegewezen is. (Pr. 624; B. 1548; Rv. 470, 474, 530.)

Aldus gewijzigd bij het eenig artikel der Wet van 8 April 1893 (Stb. nquot;. 61). a)

470. Wanneer de waarde der in beslag genomene goederen het beloop van hetgeen waarvoor de in beslagneming geschied is en waarvoor de oppositien gedaan zijn, te boven gaat, zal men niet verder gaan dan tot verkoop van hetgeen genoegzaam is om de noodige som ter betaling der schulden en kosten op te brengen.

Te dien einde kan de schuldenaar tegen wien het beslag gedaan is, de orde regelen, volgens welke de goederen zullen worden geveild. (Pr. 622; Rv. 441, 457, 469, 480, 528.)

471. Indien onder de in beslag genomene goederen worden gevonden inschulden, waarvan bij titels of bescheiden blijkt, kan tot verkoop van zoodanige inschulden worden overgegaan, evenals ten aanzien van andere roerende goederen is bepaald, of wel, voor zoo verre die inschulden opeischbaar zijn, bij beslag onder derden worden geproce-

a) Het oorspronkelijk art. 469 luidde;

«De toewijzing zal geschieden aan den meestbiedende en tegen gereede betaling; bij gebreke van betaling, zal het goed terstond weder verkocht worden ten laste van hem dien het toegewezen is ».

ocr page 119

BOEK II, TITEL II, ARTT. 467—477.

deerd, op de wijze als bij de volgende afdeeling is bepaald. (B. (i68a; Rv. 446, 462 v., 464 v., 475 v.)

472. Dit beslag wordt in allen gevalle mede belcekend aan den derden schuldenaar, met verbod van betaling aan don geëxecuteerde, op strall'e van onwaarde der gedane betaling. (B. 1424; Rv. 475, 476.)

473. In geval van verkoop, moeien de titeis op de biljetten worden omschreven, met opgave van het bedrag der in-schuld, van den naam der schuldenaars, van den aard van den titel, van de renten welke daarbij mogten zijn bepaald, en van al hetgeen verder kan dienstig zijn, om rierzelver waarde te doen kennen. (Rv. 464 v., 471.)

474. De deurwaarders zijn verantwoordelijk voor den koopschat en moeten in hunne processen-verbaal de namen en woonplaatsen der koopers opteekenen.

Zij zijn insgelijks verpligt den koopschat ter griffie over te brengen, ten ware de partijen omtrent eene andere plaats van bewaring mogten zijn overeengekomen.

Zij mogen in de veilconditien niet stellen, dat de koopers een zeker gedeelte boven den koopschat moeten betalen, het zij onder den naam van kosten of' anderzins.

Zij mogen geene som ontvangen boven den prijs waarvoor het goed verkocht is, op strall'e van ter zake van knevelarij te worden vervolgd. (Pr. 625, 657; B. 1185 n0.1, 1195 n0.1, 1776c; Rv. 443, 445, 450, 480, 585 nquot;. 7; Sr. 366.)

TWEEDE AFDEELING.

Van executoriaal beslag onder derden.

475. Het beslag op inschulden welke de geëxecuteerde van derden mogt te vorderen hebben, of op goederen van hem, welke onder derden mogten berusten, moet, behalve de gewone vereischten van exploiten, inhouden de keuze van woonplaats binnen de gemeente, waaronder die derde woont, met bevel om het beslagene onder zich te houden, op stralïe van onwaarde der gedane betaling of afgifte.

Afschrift van het exploit zal aan den derden beslagene worden gegeven, met afschrift van het vonnis of den execu-torialen titel waarvan de ten uitvoerlegging geschiedt. (B. 567 n». 3, 1424; Rv. 5, 439, 446. 471 v., 545, 598, 735 v.)

476. Binnen acht dagen na het doen van dit beslag, moet hetzelve, op straffe van nietigheid, aan den geëxecuteerde worden beteekend, zonder dat tegen dezen eene deugdelijk-verklaring wordt vereischt. (Rv. 472, 479, 738.)

477. Binnen acht dagen na de beteekening in het vorige artikel vermeld, kan de geëxecuteerde, indien hij meent daartoe gronden te hebben, tegen dit beslag in verzet komen, en doet in dat geval zijn verzet binnen acht dagen daarna aan den derden beslagene beteekenen.

Deze laatste termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de derde beslagene binnen eene andere provincie (het regtsgebied van een ander geregtshof) woont (Rv. 86.)

103

ocr page 120

104 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGIS VORDERING.

Het verzet moet worden gebragt voor den bevoegden regter van den geëxecuteerde. (Rv. 435. — B. 1823 jquot;. Rv. 756 n0. 3; Rv. 438, 478.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n». 138).

478. Indien het verzet van den geëxecuteerde bevonden wordt gegrond te zijn, en hij dienvolgens opheffing van het beslag bekomt, zal de executant, indien daartoe gronden zijn, worden veroordeeld tot veigoeding van kosten, schaden en interessen, ten behoeve van den geëxecuteerde. (B. 1401 v.; Rv. 477, 739.)

479. Indien de geëxecuteerde het verzet in artikel 477 gemeld, niet heeft gedaan, of indien hetzelve, gedaan zijnde, is afgewezen, wordt de derde beslagene (in het laatste geval met beteekening van het afwijzend vonnis) gedagvaard om verklaring te doen op dezelfde wijze, en met dezelfde gevolgen, als bij de artikelen 740 en volgende is bepaald. (Rv. 741, 742, 751.)

DERDE AFDEELING.

Van de verdeeling van de opbrengst der executie.

480. Indien er geen schuldeischer is die verzet geilaan heeft, wordt aan den beslaglegger, na aftrek der kosten van executie, de som betaald welke hem verschuldigo is, tot het bedrag van de opbrengst der executie.

Indien er overschot is, wordt hetzelve aan den geëxecuteerde verantwoord. (B. 1185 n0. 1, 1195 n0. 1; Rv. 445. 451, 470, 474, 479, 562, 581b, 708b, 751, 752, S08C6.)

481. Bijaldien binnen de acht dagen, te rekenen van den afloop des verkoops, de persoon die het beslag gelegd heeft, en de geëxecuteerde en de opposanten niet kunnen overeenkomen over de verdeeling der penningen, zal degene tegen wien het beslag gedaan is, zoowel als degene die hetzelve gelegd heeft, of de meest gereede opposant, verzoek doen aan den president der regtbank, waaronder de verkoop plaats gehad heeft, dat er een regter-commissaris benoemd worde, ten overstaan van wien de verdeeling zal moeten plaats hebben.

Dit verzoek zal in een daartoe ter griffie aangelegd register worden gedaan. (Pr. 656, 657, 658; Rv. 457, 458, 479 jis. 753 en 754, 482, 551, 552, 5816.)

482. Binnen de veertien dagen, te rekénen van den dag waarop de benoeming van den regter-commissaris zal zijn beteekend aan dengenen tegen wien het beslag is gedaan, mitsgaders aan de opposanten, zullen de schuldeischers, op stralfe van in de verdeeling niet te worden begrepen, gehouden zijn aan dien regter-commissaris ter hand te stellen hunne titels. Zij zullen woonplaats bij eenen procureur moeten kiezen, en door dezen doen overleggen en teekeneu eene schriftelijke vordering, ten einde, het zij als bevoor-regte, het zij als concurrente schuldeischers te worden gerangschikt. (lJr. 659 v.; Rv. 133a en b, 457, 458, 483, 553, 554, 560, 5816; B. 1185, 1195.)

ocr page 121

BOEK U, TITEL II, ARTT. 478—487.

483. Na afloop der veertien dagen bij het voorgaande artikel bepaald, zal de regter-commissaris, naar aanleiding van de overgelegde stukken, eenen staat opmaken van verdeeling. (Pr. 663; Rv. 480, 555, 581b; B. 1185 n0. 1, 1195 nquot;. 1.)

484. De staat wordt door den regter-eommissaris ter griffie nedergelegd en van dat nederleggen binnen acht dagen daarna door hem, die de rangregeling vervolgt, aan de overige in artikel 48! bedoelde partijen bij exploit van eenen deurwaarder kennis gegeven met vermelding van dag en uur, waarop alle partijen zich bij den regter-commissaris zullen kunnen vervoegen tot het voorstellen hunner wederspraak, a) (Pr. 663; Rv. 485, 555,556,581b.)

485. Indien binnen den tijd van veertien dagen na de in het vorige artikel vermelde kennisgeving, geene wederspraak is gedaan, zal de regter-commissaris zijn procesverbaal sluiten, en bij bevelschrift den houder der penningen gelasten tot uitbetaling aan de schuldeischers van hetgeen hun, volgens den staat, toekomt.

Deze bevelschriften worden uitgegeven in den vorm, bij artikel 430 bepaald.

De wederspraak wordt gedaan op het proces-verbaal van den regter-eommissaris. (Pr. 665; Rv. 474, 480, 482, 484. 486, 489, 557, 581b, 585 n». 4.)

486. In geval van tegenspraak zal de regter-commissaris degenen, die zich bezwaard achten, zonder andere aanmaning, naar de teregtzitting, welke hij bepalen zal, verwijzen, b) (Pr. 666; Rv. 487, 489, 558.)

487. Het beroep kan onmiddellijk geschieden en moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis, c)

Het beroep moet worden beteekend aan den procureur der wederpartij, en moet inhouden de dagvaarding, benevens de uitdrukking der bezwaren van de beroepende partij.

Op dit beroep zullen geene anderen worden gedagvaard, dan die bij de wederspraak partijen zijn geweest.

a) Art. 484 (oud). Die staat wordt door den regter-commissaris ter griffie nedergelegd en van dat nederleggen binnen acht dagen daarna door den executant bij exploit van eenen deurwaarder kennis gegeven, zoowel aan den geëxecuteerde als aan de opposanten, met vermelding van de dagen en uren, waarop deze laatsten zich bij den regter-commissaris zullen kunnen vervoegen tot het voorstellen hunner wederspraak.

b) Art. 486 (oud). In geval van wederspraak verwijst de regter-commissaris bij iijn proces-verbaal partijen naar de teregtzitting.

De zaak wordt vervolgd, bij akte van procureur tot procureur, door de meest gereede partij en wordt sum-mierlijk behandeld.

c) In art. 487 (oud) luidde het eerste lid: « Het beroep moet worden ingesteld binnen tien dagen na de beteekening van het vonnis aan den procureur».

105

ocr page 122

106 WETBUEK VAN DURGKRLIJKE REGTSVOBDERING.

De beteekening van het beroep moet mede geschieden aan den griffier der Regtbank, welke het vonnis gewezen heeft. (Pr. 6(59; R. O. 54; Rv. 342, 343, 3980, 485, 486,558,5816.)

488. Het vonnis in beroep zal, ten verzoeke van de eerst gereede partij, worden beteekend aan den griffier, welke dat vonnis aan den regter-eommissaris zal ter hand stellen, a) (Pr. 669; Rv. 486, 487d, 5816.)

489. Na deze beteekening zal de regter-commissaris, indien er geen beroep in cassatie is gedaan, zijn procesverbaal sluiten, en de uitgifte bevelen van het bevelschrift tot betaling, overeenkomstig artikel 485. (Pr. 670 v.; Rv. 3986 en d, 487, 559, 5816.)

490. Na het sluiten van het proces-verbaal van ver-deeling, hebben de belanghebbenden onderling geen regt meer tot de interessen van hetgeen aan hen is aanbedeeld. (Pr. 672; B. 1551; Rv. 559, 5816.)

DERDE TITEL.

Van de geregtelijke uilwinning van onroerende goederen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

491. De schuldeischer van een vonnis of anderen execu-torialen titel voorzien, kan de onteigening bij executie vorderen :

1u. Van onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zoo verre dit laatste als onroerend goed beschouwd wordt; (R. 562 v.; Rv. 507 )

2°. Van het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehooren; (B. 564 n°. 1, 803 v.)

3°. Van de regten van opstal en erfpacht; (B. 564 n0. 3 en 4, 758, 767.)

4°. Van de grondrenten, het zij in geld, het zij in natura verschuldigd; (B. 564 n0. 5, 784 v.; Rv. 544 v.)

5°. Van het tiendregt; (B. 564 n». 6, 787 v.)

Oquot;. Van het regt van beklemming. (B. 564 nquot;. 7,1654 v. - C. 2204; B. 1210; Rv. 492.)

492. Niettemin kan het aandeel van eenen mede-erfgenaam in de onroerende goederen eener nalatenschap, door zijne personele schuldeischers niet ter koop aangeslagen worden, voordat de boedel door verdeeling gescheiden is, welke scheiding zij, zulks geraden oordeelende, mogen vorderen. (C. 2205; B. 183. 1112 v.; 1129,1177,1212; Rv. 583.)

493. Indien een met hypotheek bezwaard goed aan eenen derde is overgegaan, executeert de hypothekaire schuldeischer het goed tegen den derden bezitter, behoudens zijne

a) In art. 488 (oud) luidden de eerste woorden: «Dit beroep wordt summierlijk behandeld, en expeditie van het vonnis in beroep zal» enz.

ocr page 123

BOEK It, TITEL II EN HI, AKTT. 488—500.

verpligting tot het doen van een bevel aan den schuldenaar, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 1242 en 1243 van het Burgerlijk Wetboek. (C. 21(i6 v.; Rv 436, 502.)

494. De schuldeischer kan met den verkoop van onroerende goederen, die aan hem niet gehypothekeerd zijn, niet voortgaan, dan in geval de aan hem gehypothekeerde goederen ontoereikende zijn. (C 2209; Rv. 497.)

495. De verkoop geschiedt voor de regtbank van het arrondissement waarin het goed gelegen is. (G. 2210; Rv. 522, 537a.)

496. De verkoop van goederen, in onderscheidene arrondissementen gelegen, kan niet gedaan worden, dan van het eene goed na het andere, ten ware die goederen tot eene en dezelfde bebouwing behoorden.

Die verkoop wordt gedaan bij de regtbank onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing gelegen is, of, bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, dat gedeelte der goederen hetwelk, volgens het register der grondlasten, de meeste inkomsten opbrengt. (C. 2210; Rv. 98amp;, 126/, 495, 497, 537a.)

497. Indien de goederen aan den schuldeischer gehypothekeerd en de niet gehypothekeerde goederen of de goederen in onderscheiden arrondissementen gelegen, een gedeelte van eene en dezellde bebouwing uitmaken, wordt de verkoop van beide te gelijk vervolgd, indien de schuldenaar zich niet daartegen verzet, en men berekent den prijs volgens den regel van artikel 1264 van het Burgerlijk Wetboek. (C. 2211; Rv. 494, 496, 528.)

498. Indien de schuldenaar door authentieke huurcedullen of onderbandsche huurcedullen, die eene zekere dagteekening bekomen hebben vóór de inbeslagneming bewijst, dat de zuivere en vrije inkomsten van zijne onroerende goederen, gedurende één jaar, tot betaling van de verschuldigde hoofdsom, interessen en kosten, voldoende zijn, en indien hij aanbiedt dezelve aan den schuldeischer bij delegatie over te dragen, kan de geregtelijke vervolging door de Regtbank worden geschorst, behoudens derzelver hervatting, indien er eenig belet of belemmering in de betaling opkomt, a)

De Regtbank zal echter deze schorsing niet toestaan, indien daardoor aan den schuldeischer een merkelijk nadeel zoude worden toegebragt. (C. 2212; B. 558c, 1453, 1584 v., 1905, 19«, 1917; Rv. 758 v.)

499. De gedwongen verkoop van onroerende goederen, kan alleen vervolgd worden voor eene bepaalde en verevende schuld of vordering.

Indien de schuld of vordering betrekkelijk is tot zaken welker geldelijk beloop of waarde nog niet is bepaald, is de geregtelijke vervolging van waarde, maar de verkoop kan eerst na de verevening sreschieden. (C. 2213; Pr. 551 ; B. 1221, 1299, 1301; Rv. 439, 441, 501, 528.)

107

500. Die bij overdragt eigenaar geworden is van eenen

a) In art. 498 (oud) ontbraken de woorden : « of onderbandsche huurcedullen,die eene zekere dagteekening bekomen hebben vóór de inbeslagneming».

ocr page 124

108 WETBOEK VAN BURGEnLIJKE REGTSVORDERING.

titel of bewijs van schuld, kracht van executie hebbende, kan tot de uitwinning van vaste goederen niet overgaan, dan nadat van de overdragt aan den schuldenaar bij insinuatie kennis gegeven is. (C. 'i'214; B. 668; Rv. 502, 584.)

501. De geregtelijke vervolging kan niet vernietigd worden op grond dat de schuldeischer dezelve begonnen zoude hebben voor eene grootere som dan hij te vorderen had. (C. 2216; Rv. 134, 499, 584.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van het in beslag nemen van onroerende goederen.

502. Het beslag op onroerende goederen moet worden vooralgegaan door een bevel van betaling, hetwelk bij exploit van den deurwaarder aan den schuldenaar zal gedaan worden.

Hetzelve zal melding maken van den titel uit krachte waarvan de vervolging plaats heeft, en zal inhouden de keus van woonplaats, in de plaats waar de Regtbank die van de zaak moet kennis nemen, zitting houdt; hetzelve zal uitdrukken dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot het in beslag nemen van de onroerende goederen van den schuldenaar.

Indien bij het beteekenen van het vonnis of van de akte tevens het voorgeschrevene bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt. a) (C. 2217; Pr. 673; Rv. 90, 430. 439, 440, 495, 533, 770A v., 770D.)

503. Geen beslag zal op onroerende goederen gedaan mogen worden dan twee dagen na het bevel; indien de schuldeischer een jaar na het bevel laat verloopen, zal hij gehouden zijn het bevel te hernieuwen, b) (Pr. 674; Rv. 8a, 90, 279, 533.)

504. Na verloop van voorschreven termijn, zal het beslag gedaan worden bij een proces-verbaal van den deurwaarder, hetwelk zal inhouden:

1°. De vermelding dat de deurwaarder zich op het goed begeven heeft, en de vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den inbeslagnemer en van den schuldenaar; (Rv. 564a.)

2°. De vermelding van den titel uit krachte van weiken de vervolging plaats heeft; (Rv. 430, 5026.)

3°. Den aard van de in beslag genomen onroerende goederen, hunne ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling, en, indien het landelijke eigendommen zijn, de grootte vim dezelve, zoo veel mogelijk , (Rv. 515 n0. 2.)

a) In art. 502 (oud) eerste lid werden, achter het woord; « deurwaarder », gelezen de woorden: « aan den persoon of aan de woonplaats van », en ontbrak het derde lid.

b) In art. 503 (oud) werden, in plaats van de woorden: «twee dagen», gelezen de woorden: «dertig dagen)'.

ocr page 125

BOEK n, TITEL III, ARTT. 50!—506.

4°. De aanwijzing der regtbank waarvoor de verkoop zal geschieden, en de keuze van woonplaats bij eenen procureur bij dezelve. (Rv. 495, 496, 502, 522. — Pr. 675; Rv. 90, 533, 565, 770Ba.)

505. Afschrift van het proces-verbaal der inbeslagneming zal gelaten worden aan dengenen, tegen wien het beslag gedaan is. (Rv. '2, 453.)

Hetzelve zal overgeschreven worden in de registers van den bewaarder der hypotheken van het arrondissement waarin, (binnen den kring van wiens kantoor) de in beslag genomene goederen gelegen zijn, met aanteekening van het uur, van den dag, de maand en het jaar, waarin die overschrijving is gevraagd. (Rv. 513a.)

De bewaarder der hypotheken zal van dit uur, dien dag, die maand en dat jaar ook melding maken op het oorspronkelijke stuk, hetwelk hem zal worden aangeboden.

Te rekenen van den dag dier overschrijving, zal de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de in beslag genomen onroerende goederen niet mogen vervreemden, hypothekeren of verhuren; overeenkomsten, in strijd met dat verbod aangegaan, kunnen tegen den inbeslagnemer niet worden ingeroepen. De huurcontracten vóór dien dag aangegaan, zullen van kracht zijn, zoo zij niet zijn gemaakt otu de regten van den schuldeischer te verkorten, a) (B. 1377, 1917.)

De door artikel 671 van het burgerlijk wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken, na den dag dei' overschrijving van het proces-verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengen. (B. 1225. — Pr. 677 v., 691 v.; Rv. 507, 508, 566, 770Ba.)

Het tweede lid gewijzigd bij art. 2 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n°. 138) en het laatste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. b)

506. Gedurende de inbeslagneming, zal de partij, tegen welke dezelve gedaan is, als geregtelijke bewaarder, in het bezit blijven van de in beslag genomene en niet verhuurde of verpachte goederen.

Dezelve zal geen hout mogen hakken of eenige vermindering van waarde aan het goed mogen toebrengen, op straffe van schade en interessen, te betalen zelfs bij lijfsdwang.

De regtbank zal echter, op het met redenen bekleed verzoek van eenen of meer schuldeischers, eenen anderen

а) In art. 505 (oud) vierde lid werden, in plaats van de woorden: «overeenkomsten, in strijd met dat verbod aangegaan, kunnen tegen den inbeslagnemer niet worden ingeroepen », gelezen de woorden: «ten nadeele van den inbeslagnemer «.

б) Oorspronkelijk luidde het laatste lid: Vroeger wettig verleende hypotheken zullen in de registers kunnen worden ingeschreven tot op den dag van de overschrijving van het vonnis van toewijzing.

109

ocr page 126

■HO WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

bewaarder mogen benoemen, wiens werkzaamheden zullen eindigen op den dag van de overschrijving van het vonnis van toewijzing. (Pr. 688, 690; B. Wltib en e; Rv. 450, 451, 454, 585 n». 5, 770Ba; Stb. 1843 n°. 40, a. 1 (Tar.a.60); Sr. 198.)

507. De vruchten, welke na de overschrijving van de inbeslagneming ingezameld zijn, of in staat zijn om ingezameld te kunnen worden, zullen voor onroerend goed gehouden worden, en de schuldeischers zullen de tak- en wortelvaste te veld staande vruchten en gewassen kunnen doen inzamelen of verkoopen; de nog niet betaalde huur-en pachtpenningen zijn van regtswege in het beslag begrepen, en worden, na de aanzegging bij deurwaardersexploit aan den huurder of pachter, betaald aan den schuldeischer, teneinde dezelve met de opbrengst van het vaste goed, naaiden rang der schuldvorderingen, kunnen worden verdeeld, a) (Pr. 688, 689, 691; B. 556, 558, 562 n». 3, 810; Rv. 475 v., 491 n». 1, 505.)

508. In geval van beding bij artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, zal de executant het door hem gedaan beslag uiterlijk binnen vier dagen na de overschrijving in artikel 505 vermeld, aan den schuldeischer, die dit beding gemaakt heeft, aan de door denzelven op de registers der hypotheken gekozene woonplaats, doen beteekenen en daarvan aanteekening doen houden ter griffie derregtbank, waaronder het beslas is gelegd, b) (B. 1231 n0. 1; Rv. 8a, 504 n°. 4, 509, 511 'v., 770D6.)

509. Indien deze, krachtens het voorzeide artikel 1223, uit hoofde der niet voldoening door den schuldenaar aan de jegens hem aangegane verpligtingen, bevoegd is om het verbonden perceel te doen verkoopen, en hij van dit zijn regt wil gebruik maken, geschiedt de verkoop op de wijze bij bovengemeld artikel van het Burgerlijk Wetboek bepaald.

Hij is echter gehouden om, behalve de formaliteiten bij dat artikel voorgeschreven, den dag van den verkoop, ten minste dertig dagen vóór de toewijzing, aan den executant te doen beteekenen, ten ware met den verkoop reeds vóór de inbeslagneming een aanvang was gemaakt. (B. 81amp;, 1255; Rv. 504 n0. 4, 511, 512, 533, 537a.)

510. Hij is verder gehouden om de opbrengst van het verkochte voorwerp, na aftrek van het aan hem verschul-Higdo t©r zake der vordering waarvoor hij zijn regt uitoefent, met de interessen en kosten, ter griffie van de regtbank, waaronder het beslag gelegd is, over te brengen en daarvan

a) In art. 507 (oud) werden, in plaats van de woorden: «de nog niet betaalde huur- en pachtpenningen» tot aan de woorden: «betaald aan den schuldeischer», gelezen de woorden : «zij kunnen ook doen in beslag nemen de huur-en pachtpenningen, welke sedert hetzelfde tijdstip verschenen zijn».

h) In art. 508 (oud) ontbraken de woorden: « en daarvan aanteekening te doen houden ter griffie der regtbank, waaronder het beslag is gelegd ».

ocr page 127

BOEK n, TITEL III, AHTT. 507—514. 111

aan den executant binnen vier dagen kennis te geven aan de door denzelven gekozene woonplaats. (B. 1185 n0. 1, 1253; Rv. 504 nquot;. 4, 551 v.)

511. Indien de schuldeischer bevoegd en geneigd is om van dit aan hem toegekende regt gebruik te maken, zal hij verpligt zijn zulks binnen veertien dagen, na de beteeke-ning van het beslag met opgave van den termijn, binnen welke door hem tot den verkoop zal worden overgegaan, kenbaar te maken aan den procureur van den executant, welke bij gebreke van dien, bevoegd zal zijn om met de executie voort te gaan. (B. 1223; Rv. 508, 509, 512, 513, 537b.)

512. Indien deze termijn te lang mogt zijn gesteld of wel indien de schuldeischer mogt in gebreke blijven, om binnen denzelven tot den verkoop over te gaan, kan de executant hem in regten oproepen ten einde door den regter een termijn worde bepaald, binnen welken hij zal verpligt zijn tot den verkoop over te gaan, en na verloop van welken, hij, bij gebreke van dit te doen, van zijn regt daartoe zal zijn verstoken en de executant bevoegd zijn om met de executie voort te gaan. (Rv. 289, 506, 509, 511.)

513. Bijaldien meer schuldeischers den verkoop elschen van dezelfde goederen, zal de toeschatting plaats hebben, op de vervolging van diengenen welke het eerst het procesverbaal van beslag, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 505, zal hebben doen overschrijven, en zullen de andere beslagleggers verpligt zijn op te houden met hunne vervolging.

De regtbank kan echter bij wege van subrogatie de voorkeur geven aan eenen schuldeischer welke later het beslag gelegd heeft:

1°. Bijaldien er plaats heeft arglist van den schuldeischer, die het eerste beslag heeft gelegd, of zamen-spanning van denzelven met de partij tegen welke het beslag gedaan is;

2°. Bijaldien de eerste beslaglegger verwaarloost het in-achtnemen van eenige formaliteiten, of de voorge-schrevene termijnen heeft laten verloopen, zonder de daden te doen van vervolging. In het eerste geval kan de schuldeischer, uit hoofde van de arglist of zamen-spanning tot schadevergoeding worden veroordeeld. (B. 1364, 143G v.; Rv. 5iec, 521, 533, 534.)

Dit tusschenopkomend geschil zal worden aangebragt bij akte van procureur tot procureur, a) (Rv. 247.)

Het beroep van het daarop te wijzen vonnis zal niet meer ontvankelijk zijn na verloop van acht dagen sedert deszelfs uitspraak. (Rv. 339a, 398i).)

Degene, in wiens plaats een ander bij dat vonnis zal zijn gesubrogeerd, zal gehouden zijn de stukken aan laatst-gemelden tegen reclef over te geven, en zullen hem zijne wettlglijk gemaakte kosten niet betaald worden dan na de toewijzing van den verkoop. (Pr. 679, 719 v.)

514. ïen minste veertig dagen na de overschrijving

a) Aan het slot van art. 513 (oud) derde lid, volgden nog de woorden : « en summlerlijk worden behandeld ».

ocr page 128

112 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

van het proces-verbaal van beslag, zal openlijk bij gedrukte biljetten worden bekend gemaakt, dat de verkoop der in beslag genomene goederen, aan den meestbiedenden of hoogst afmijnenden zal plaats hebben, a) (Pr. 680 v.; Rv. 505, 515 v., 523, 530, 533, 536, 537c, 537/i, 569.)

515. De aanslag-biljetten zullen inhouden:

1°. De plaats, den dag en het uur waarop de verkoop en toewijzing zullen plaats hebben;

2°. Den aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging en omschrijving, volgens de kadastrale indeeling, en derzelver grootte zooveel mogelijk indien het landelijke goederen zijn; (Rv. 504 n0. 3.)

3°. De begrooting der opkomsten, volgens den grondslag van het register der grondbelasting; het bedrag der huren, zoo hetzelve bekend is;

4°. De vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den executant en den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 74, 81; Rv. 5026, 539.)

5°. De lasten waarmede het vaste goed mogt zijn bezwaard, ten dage der overschrijving van het procesverbaal van beslag; (Rv. 516.)

6°. Eenen inzet welken de executant gehouden is te doen, en welke de plaats vervangt van het eerste bod. (Rv. 526. — Pr. 682, 697; Rv. 82, 84, 548, 570.)

516. De executant zal zich door den bewaarder der hypotheken doen afgeven een extract van alle de bestaande inschrijvingen op de in beslag genomene goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, en hij zal hetzelve nederleggen ter griflie van de regtbank.

Een exemplaar van het gedrukte aanslag-biljet zal worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, en aan ieder ingeschreven schuldeischer ter gekozene woonplaats, in zijne inschrijving vervat.

De executant zal de veilconditien ter griffie nederleggen ten minste dertig dagen vóór den verkoop, b) (Rv. 523c. — Pr. 687, 695, 697 v.; B. 1231 n». 1, 1265; Rv. 495, 505d en e, 514 v., 533, 537d, 543.)

517. De aanslag of aanplakking der afkondigingen zal gedaan worden:

1°. Buiten aan het huis van den schuldenaar en aan de in beslag genomen gebouwen, zoo die er zijn;

2°. Op plaatsen welke bestemd zijn tot openbare aanplakking in de gemeente alwaar de persoon tegen wien het beslag gedaan is, woonachtig is; in de plaats alwaar de goederen gelegen zijn, en in die alwaar de regtbank zitting houdt, voor welke de verkoop wordt voortgezet;

a) In art. 514 (oud) werden, in plaats van de woorden: «veertig dagen», gelezen de woorden: «twintig dagen».

b) In art. 516 (oud) derde lid werden, in plaats van de woorden: «ten minste dertig dagen voor den verkoop», geleien de woorden: «op den dag van het aanslaan der eerste biljetten ».

ocr page 129

BOEK 11, TITEL III, ARTT. 515—521.

3°. Aan het gebouw en in de gehoorzaal van de regt-bank welke de toewijzing doen moet. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Pr. 684; Rv. 82, 84, 495, 549, 569.)

618. Van het aanslaan der biljetten zal moeten blijken bij eene akte, waaraan een exemplaar van het biljet vastgehecht zal zijn. Bij deze akte zal de deurwaarder verklaren dat de aanplakking geschied is op de plaatsen bij de wet voorgeschreven, zonder die plaatsen, een voor een, op te noemen. (Pr. 685; Rv. 517, 533.)

519. Ingetrokken, a)

520. Alle geschillen over de veilcondiliën moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd. aanhangig worden gemaakt tegen de eerstvolgende teregtzitting na den dag van het exploit met inachtneming van den wettelijken termijn, op straffe van verval, b) (Rv. 1, 7 v., 339, 513c, 516c, 533, 537G.)

521. Binnen acht dagen na de aanplakking, en in geval van gerezene geschillen, binnen acht dagen na de beslissing, zal in een der dagbladen der gemeente, binnen welke de verkoop zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats, eene bekendmaking worden gedaan, houdende:

1°. Vermelding van den naam, voornaam en de woonplaats van den executant en van den persoon tegen wien het beslag gedaan is;

2°. Den aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging naar aanleiding der kadastrale indeeling, en de grootte zoo veel mogelijk, bijaldien het landelijke goederen zijn;

3°. De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer-de toewijzing zal plaats hebben, c) (Pr. 683, 763; Rv. 513, 514, 520, 522, 533, 537H.)

a) Art. 519 (oud). Ten minste veertien dagen na de dagteekening der akte, voorgeschreven bij artikel 518, zullen de biljetten op nieuw worden aangeplakt op de bij artikel 517 bepaalde plaatsen. Men zal van deze aanplakking op dezelfde wijze doen blijken als ten aanzien van de eerste.

Deze tweede aanplakking zal geen plaats hebben, indien het in beslag genomen goed, volgens de kohieren der grondbelasting, geen inkomen van tweehonderd en vijftig gulden oplevert.

b) Art. 520 (oud). Alle geschillen ove^-de veilconditien moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd. op de teregtzitting worden gebragt, op straffe van vervalling.

Dezelve zullen summierlijk worden behandeld en beslist.

c) In art. 521 (oud) luidden de eerste woorden: «Binnen acht dagen na de tweede aanplakking der biljetten, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, en, in geval van » enz. en volgde nog een tweede lid luidende: « Indien er twee aanplakkingen hebben plaats gehad,

8

113

ocr page 130

quot;114 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

522. Ten minste dertig dagen na de aanplakking, zal er worden overgegaan tot den verkoop en de toewijzing der in beslag genoinene goederen voor de regtbank van het arrondissement waarin dezelve gelegen zijn. a) (Pr. 706; Rv. 495 v., 514, 529, 533, 537A v., 572, 584)

Het vonnis van verkoop en toewijzing zal niet zijn onderhevig aan hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 398 v., 551.)

528. De verkoop en toewijzing zullen op de teregtzitting der regtbank plaats hebben, eerst bij opbod en vervolgens bij afslag.

Ten minste drie dagen vóór den aanvang van den verkoop, zal een door den president der regtbank getaxeerde staat dei-kosten, waarvan in artikel 527 van dit Wetboek melding wordt gemaakt, worden aangeplakt in de gehoorzaal der regtbank.

Alvorens tot den verkoop over te gaan, worden de veileonditien door den griffier voorgelezen. (Rv. 516c.)

Het bedrag van de som waarmede men zal mogen opbieden en afslaan, zal des noods door de regtbank worden bepaald.

De opbieder is niet meer verbonden, zoodra een nieuw opbod is gedaan, al ware dit laatste van onwaarde verklaard.

Bij den afslag wordt het goed aan den eersten afmijner toegewezen.

Indien op dezelfde som door meer dan een mogt worden gemijnd, oordeelt de regtbank wie de eerste afmijner is. Indien bij de regtbank daaromtrent twijfel bestaat, kan deze dadelijk eenen vernieuwden afslag bevelen. (Pr. 707; Rv. 528. 537A, 572, 770D.)

624. De opbiedingen en de afmijning geschieden door tusschenkomst van procureurs, bij de regtbank aangesteld, of door notarissen, hun beroep uitoefenende tinnen het arrondissement der regtbank.

Zij kunnen niet worden genoodzaakt zich als gevolmag-tigden te wettigen, maar zijn verpligt binnen de vier en twintig uren welke daarop volgen, aan den voet van het proces-verbaal der toewijzing te verklaren voor wien zij geboden hebben; bij gebreke waarvan zij zullen worden gehouden voor zich zelve gekocht te hebben, en als zoodanig te voldoen aan alle de lasten en gevolgen der toewijzing. (Pr. 707, 709; B. 1504; Rv. 572.)

525. De persoon tegen wien het beslag gedaan is, kan geen kooper zijn; de verklaring dat het opbod of de afmijning voor hem en ten zijnen voordeele gedaan is, is van onwaarde. Een ieder welke voor denzelven kooper mogt zijn geworden, blijft persoonlijk en onmiddellijk verantwoordelijk voor de schaden en interessen, tot betaling waar-

zal de bekendmaking twee reizen, van acht tct acht dagen, in het dagblad geplaatst worden, doch zal in het tegenovergestelde geval slechts ééne bekendmaking worden vereischt».

a) In art. 522 (oud) luidden de eerste woorden: « Ten minste dertig dagen na de tweede aanplakking, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, zal » enz.

ocr page 131

BOEK II, TITEL III, ARTT. 522—SSI.

van hij, zelfs bij lijfsdwang, zal kunnen worden genoodzaakt.

Diegenen, welke koopers geworden mogten zijn voor rekening van personen, welke kennelijk onvermogend zijn, zullen daarvoor, zelfs bij lijfsdwang, aansprakelijk en verantwoordelijk zijn, voor hen zeiven en voor hunne eigene rekening. niettegenstaande de verklaring dat zij voor eenen ander het opbod of de afmijning gedaan hebben. (Pr 713; B. 457, 1243, 1248, 1329b, 1505, 1836; Rv. 493. 524b,530, 537C, 585 n-. 11.)

526. De executant blijft kooper voor den inzet Indien geen hooger opbod of afmijning plaats heeft. (Pr. 698; Rv. 515 n0. 6.)

527. De kosten van executie-toewijzing a) zullen bij voorregt worden betaald uit den koopprijs. (Pr. 715, 716, 768; B. 1185 n°. 1; Rv. 480, 523, 528, 529, 557.)

528. Indien door den achtervolgenden verkoop en de toewijzing van meerdere onroerende goederen In dezelfde inbeslagneming vervat, de prijs van het verkochte toereikende Is om den executant en de opposanten met de kosten te voldoen, zal de schuldenaar zich kunnen verzetten tegen den verkoop der overige goeder en, mits daartoe elsch doende op de teregtzitting.

Indien die elsch niet op de teregtzltting is gedaan, is de verkoop van waarde. (Rv. 470, 523, 527, 537.1.)

529. De eigendom der toegewezen goederen gaat op den kooper over, uit krachte van de overschrijving van het vonnis van toewijzing, hetwelk aan hem niet zal worden uitgegeven dan nadat hij aan den griffier het bewijs zal hebben geleverd van voldaan te hebben aan de voorwaarden des verkoops.

De geëxecuteerde zal tot ontruiming kunnen genoodzaakt worden op de wijze bepaald bij artikel 124. b) (Pr. 715; B. 671, 1550; Rv. 505d, 530, 535, 5371, 584.)

530. Bij gebreke van den kooper om te voldoen aan de voorwaarden van den verkoop zal men te zijnen laste, op verzoek van een leder die in de zaak belang heeft, overgaan tot de herveiling en toewijzing, en de bepalingen van artikel 514 en volgende of, indien de verkoop op de wijze als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, de artikelen 537D en volgende zullen toepasselijk zijn. c) (Pr. 715, 737 v.; Rv. 529a, 531 v., 574b.)

531. Ingeval echter degene, wien het goed bevorens was toegewezen, bewees dat hij aan de voorwaarden had voldaan, en de som, door de regtbank tot betaling der kosten van herveiling bepaald, in geregtelijke bewaring bragt, zal niet voortgegaan mogen worden tot oenen nieuwen verkoop en toewijzing. (Pr. 743; Rv. 529a, 530.)

a) O. E. 1838 en 0. E. 1896: vnn executie en van toewijzing.

b) In art. 529 (oud) tweede lid volgden op het woord : « ontruiming » de woorden : « van het gehuurde ».

c) In art. 530 (oud) ontbraken de woorden : «of, indien de verkoop op de wijze als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, de artikelen 537D en volgende».

115

ocr page 132

112 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

van het proces-verbaal van beslag, zal openlijk bij gedrukte biljetten worden bekend gemaakt, dat de verkoop der in beslag genomene goederen, aan den meestbiedenden of hoogst afmijnenden zal plaats hebben, a) (Pr. 680 v.; Rv. 505, 515 v., 523, 530, 533, 586, 537c, 537/t, 569.)

515. De aanslag-biljetten zullen inhouden;

1°. De plaats, den dag en het uur waarop de verkoop en toewijzing zullen plaats hebben;

2''. Den aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging en omschrijving, volgens de kadastrale indeeling, en derzelver grootte zooveel mogelijk indien het landelijke goederen zijn; (Rv. 504 nquot;. 3.)

3°. De begrooting der opkomsten, volgens den grondslag van het register der grondbelasting; het bedrag der huren, zoo hetzelve bekend is;

4°. De vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den executant en den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 74, 81; Rv. 502b, 539.)

5°. De lasten waarmede het vaste goed mogt zijn bezwaard, ten dage der overschrijving van het procesverbaal van beslag; (Rv. 516.)

6°. Eenen inzet welken de executant gehouden is te doen, en welke de plaats vervangt van het eerste bod. (Rv. 526. - Pr. 682, 697; Rv. 82, 84, 548, 570.)

516. De executant zal zich door den bewaarder der hypotheken doen afgeven een extract van alle de bestaande inschrijvingen op de in beslag genomene goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, en hij zal hetzelve nederleggen ter griflie van de regtbank.

Een exemplaar van het gedrukte aanslag-biljet zal worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, en aan ieder ingeschreven schuldeischer ter gekozene woonplaats, in zijne inschrijving vervat.

De executant zal de veiiconditien ter griffie nederleggen ten minste dertig dagen vóór den verkoop, b) (Rv, 523c. — Pr. 687, 695, 697 v.; R. 1231 n». 1, 1265; Rv. 495, 505d en e, 514 v., 533, 537d, 543.)

517. De aanslag of aanplakking der afkondigingen zal gedaan worden:

1°. Ruiten aan het huis van den schuldenaar en aan de in beslag genomen gebouwen, zoo die er zijn;

2°. Op plaatsen welke bestemd zijn tot openbare aanplakking in de gemeente alwaar de persoon tegen wien het beslag gedaan is, woonachtig is; in de plaats alwaar de goederen gelegen zijn, en in die alwaar de regtbank zitting houdt, voor welke de verkoop wordt voortgezet;

a) In ait. 514 (oud) werden, in plaats van de woorden; «veertig dagen», gelezen de woorden; «twintig dagen».

h) In art. 516 (oud) derde lid werden, in plaats van de woorden; «ten minste dertig dagen voor den verkoop», gelezen de woorden; «op den dag van het aanslaan der eerste biljetten ».

ocr page 133

BOEK II, TITEL HI, ARTT. 515—SSI.

Squot;. Aan het gebouw en in de gehoorzaal van de regt-bank welke de toewijzing doen moet. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Pr. 684; Rv. 82, 84, 495, 549, 569.)

518. Van het aanslaan der biljetten zal moeten blijken bij eene akte, waaraan een exemplaar van het biljet vastgehecht zal zijn. Bij deze akte zal de deurwaarder verklaren dat de aanplakking geschied is op de plaatsen bij de wet voorgeschreven, zonder die plaatsen, een voor een, op te noemen. (Pr. 685; Hv. 517, 533.)

619. Ingetrokken, a)

520. Alle geschillen over de veilcondiliën moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd. aanhangig worden gemaakt tegen de eerstvolgende teregtzitting na den dag van het exploit met inachtneming van den wettelijken termijn, op straffe van verval, b) (Rv. 1, 7 v., 339, 513e, 516c, 533, 537G.)

521. Binnen acht dagen na de aanplakking, en in geval van gerezene geschillen, binnen acht dagen na ds beslissing, zal in een der dagbladen der gemeente, binnen welke de verkoop zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats, eene bekendmaking wonien gedaan, houdende:

1°. Vermelding van den naam, voornaam en de woonplaats van den executant en van den persoon tegen wien het beslag gedaan is;

'2°. Den aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging naar aanleiding der kadastrale indeeling, en de grootte zoo veel mogelijk, bijaldien het landelijke goederen zijn;

3°. De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer-de toewijzing zal plaats hebben, c) (Pr. 683, 763; Rv. 513, 514, 520, 522, 533, 537H.)

a) Art. 519 (oud). Ten minste veertien dagen na de dagteekening der akte, voorgeschreven bij artikel 518, zullen de biljetten op nieuw worden aangeplakt op de bij artikel 517 bepaalde plaatsen. Men zal van deze aanplakking op dezelfde wijze doen blijken als ten aanzien van de eerste.

Deze tweede aanplakking zal geen plaats hebben, indien het in beslag genomen goed, volgens de kohieren der grondbelasting, geen inkomen van tweehonderd en vijftig gulden oplevert.

h) Art. 520 (oud). Alle geschillen ovep-de veilconditien moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd. op de teregtzitting worden gebragt, op straffe van vervalling.

Dezelve zullen summierlijk worden behandeld en beslist.

c) In art. 521 (oud) luidden de eerste woorden: «Binnen acht dagen na de tweede aanplakking der biljetten, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, en, in geval van» enz. en volgde nog een tweede lid luidende: « Indien er twee aanplakkingen hebben plaats gehad,

8

113

ocr page 134

•1 14 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

522. Ten minste dertig dagen na de aanplakking, zal er worden overgegaan tot den verkoop en de toewijzing der in beslag genomene goederen voor de regtbank van het arrondissement waarin dezelve gelegen zijn. a) (Pr. 706; Rv. 495 v., 514, 529, 533, 537A v., 572, 584)

Het vonnis van verkoop en toewijzing zal niet zijn onderhevig aan hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 398 v., 551.)

523. De verkoop en toewijzing zullen op de teregtzitting der regtbank plaats hebben, eerst bij opbod en vervolgens bij afslag.

Ten minste drie dagen vóór den aanvang van den verkoop, zal een door den president der regtbank getaxeerde staat dei-kosten, waarvan in artikel 527 van dit Wetboek melding wordt gemaakt, worden aangeplakt in de gehoorzaal der regtbank.

Alvorens tot den verkoop over te gaan, worden de veilconditien door den griffier voorgelezen. (Rv. 516c.)

Het bedrag van de som waarmede men zal mogen opbieden en afslaan, zal des noods door de regtbank worden bepaald.

De opbieder is niet meer verbonden, zoodra een nieuw opbod is gedaan, al ware dit laatste van onwaarde ver klaard.

Bij den afslag wordt het goed aan den eersten afmijner

toegewezen.

Indien op dezelfde som door meer dan een mogt worden gemijnd, oordeelt de regtbank wie de eerste afmijner is. Indien bij de regtbank daaromtrent twijfel bestaat, kan deze dadelijk eenen vernieuwden afslag bevelen. (Pr. 707; Rv. 528, 537A, 572, 770D.)

524. De opbiedingen en de afmijning geschieden door tusschenkomst van procureurs, bij de regtbank aangesteld, al door notarissen, hun beroep uitoefenende binnen het arrondissement der regtbank.

Zij kunnen niet worden genoodzaakt zich als gevolmag-tigden te wettigen, maar zijn verpligt binnen de vier en twintig uren welke daarop volgen, aan den voet van het proces-verbaal der toewijzing te verklaren voor wien zij geboden hebben; bij gebreke waarvan zij zullen worden gehouden vóór zich zelve gekocht te hebben, en als zoodanig te voldoen aan alle de lasten en gevolgen der toewijzing. (Pr. 707, 709; B. 1504; Rv. 572.)

525. De persoon tegen wien het beslag gedaan is, kan geen kooper zijn; de verklaring dat het opbod of de afmijning voor hem en ten zijnen voordeele gedaan is, is van onwaarde. Een ieder welke voor denzelven kooper mogt zijn geworden, blijft persoonlijk en onmiddellijk verantwoordelijk voor de schaden en interessen, to: betaling waar-

zal de bekendmaking twee reizen, van acht tot acht dagen, in het dagblad geplaatst worden, doch zal in het tegenovergestelde geval slechts ééne bekendmaking worden vereischt ».

a) In art. 522 (oud) luidden de eerste woorden : « Ten minste dertig dagen na de tweede aanplakking, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, zal » enz.

ocr page 135

BOEK 11, TITEL UI, ARTT. 522—531.

van hij, zelfs bij lijfsdwang, zal kunnen worden genoodzaakt.

Diegenen, welke koopers geworden mogten zijn voor rekening van personen, welke kennelijk onvermogend zijn, zullen daarvoor, zelfs bij lijfsdwang, aansprakelijk en verantwoordelijk zijn, voor hen zeiven en voor hunne eigene rekening. niettegenstaande de verklaring dat zij voor eeneu ander het opbod of de afmijning gedaan hebben. (Pr 713; B. 457, 1243, 1248, 1329b, 1505, 1836; Rv. 493. 524b, 530, 537C, 585 nquot;. 11.)

526. De executant blijft kooper voor den inzet indien geen hooger opbod of afmijning plaats heeft. (Pr. 698; Rv. 515 n0. 6.)

527. De kosten van executie-toewijzing a) zullen bij voorregt worden betaald uit den koopprijs (Pr. 715, 716, 768; B. 1185 nquot;. 1; Rv. 480, 523, 528, 529, 557.)

528. Indien door den achtervolgenden verkoop en de toewijzing van meerdere onroerende goederen in dezelfde inbeslagneming vervat, de prijs van het verkochte toereikende is om den executant en de opposanien met de kosten te voldoen, zal de schuldenaar zich kunnen verzetten tegen den verkoop der overige goederen, mits daartoe eisch doende op de teregtzitting.

Indien die eisch niet op de teregtzitting is gedaan, is de verkoop van waarde. (Rv. 470, 523, 527, 537.1.)

529. De eigendom der toegewezen goederen gaat op den kooper over, uit krachte van de overschrijving van het vonnis van toewijzing, hetwelk aan hem niet zal worden uitgegeven dan nadat hij aan den griffier het bewijs zal hebben geleverd van voldaan te hebben aan de voorwaarden des verkoops.

De geëxecuteerde zal tot ontruiming kunnen genoodzaakt worden op de wijze bepaald bij artikel 124. b) (Pr. 715; B. 671. 1550; Rv. 505rf, 530, 535, 5371, 584.)

530. Bij gebreke van den kooper om te voldoen aan de voorwaarden van den verkoop zal men te zijnen laste, op verzoek van een ieder die in de zaak belang heeft, overgaan tot de herveiling en toewijzing, en de bepalingen van artikel 514 en volgende of, indien de verkoop op de wijze als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, de artikelen 537D en volgende zullen toepasselijk zijn. c) (Pr. 715, 737 v.; Rv. 529a, 531 v., 574b.)

531. Ingeval echter degene, wien het goed bevorens was toegewezen, bewees dat hij aan de voorwaarden had voldaan, en de som, door de regtbank tot betaling der kosten van herveiling bepaald, in geregtelijke bewaring bragt, zal niet voortgegaan mogen worden tot eenen nieuwen verkoop en toewijzing. (Pr. 743: Rv. 529a, 530.)

a) O. E. 1838 en O. E. 1896: van executie en van toeiuijzinq.

b) In art. 529 (oud) tweede lid volgden op het woord : «ontruiming» de woorden: «van het gehuurde».

c) In art. 530 (oud) ontbraken de woorden : « of, indien de verkoop op de wijze als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, de artikelen 537D en volgende ». '

115

ocr page 136

H6 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECTSVORDERING.

532. De gebrekige kooper is bij lijfsdwang aansprakelijk wegens het verschil tusschen den prijs waarvoor hem hot goed was toegewezen en dien van de herveiling, zonder dat hij nogtans het meerdere, dat de herveiling zou mogen opgebragt hebben, zal kunnen vorderen; dit meerdere zal aan de schuldeischers, of, zoo deze niet meer te vorderen hebben, aan dengenen tegen wien het beslag gedaan is, betaald worden. (Pr. 744; Rv. 530, 562, 585 nquot;. 11.) ■ 533. Indien de formaliteiten om tot den verkoop te komen, voorgeschreven bij de vorige artikelen of bij de artikelen 537D en volgende, niet mogten in acht genomen zijn, kunnen diegenen tegen welke het beslag gedaan is, of de ingeschreven schuldeischers vorderen dat dezelve vervuld worden, maar zij zullen in deze vordering niet ontvankelijk zijn, zoo zij dezelve niet gebragt hebben op de tereglzitting ten minste twintig dagen vóór die welke tot de toewijzing is bepaald.

Het hooger beroep tegen het te wijzen vonnis moet «orden ingesteld, binnen acht dagen na den dag der uitspraak, tegen de eerstvolgende teregtzitting na den dag van het exploit met inachtneming van den wettelijken termijn, a) (Pr. 733 v.; Rv. 1, 7 v., 90 v., 94, 120, 339, 398, 502— 521, 513fgt;, 520, 534.)

534. Wanneer, in het geval van het voorgaande artikel, de regtbank beveelt dat eene verzuimde formaliteit zat hersteld worden, zullen alle formaliteiten welke daarna hebben plaats gehad, op nieuw moeter. vervuld worden, en zullen de kosten vallen ten laste van dengenen die dezehe heeft veroorzaakt. (Rv. 94b, 96.)

535. De overschrijving van het vonnis van toewijzing geeft aan den kooper geene andere regten op den eigen ■ dom, dan die, welke degene tegen wien het beslag gedaan is, heeft gehad. (Pr. 731; Rv. 529; R. 1555, 1559.)

536. De schuldeischers van hera wiens onroerende goederen zijn in beslag genomen, kunnen tot aan de toewijzing verzet doen tegen de afgifte der kooppenningen, b)

Dat • verzet moet, behalve de vereischten van de gewone exploiten, inhouden de gronden waarop het berust, en keuze van woonplaats in de gemeente alwaar het beslag gelegd is, indien de opposant aldaar niet woonachtig is.

Het wordt beteekend aan den arrestant, en aan deszelfs procureur, en de opposant doet daarvan aanteekening houden ter griffie.

a) In art. 583 (oud) eerste lid ontbraken de woorden: « of bij de artikelen 537D en volgende », werden de laatste woorden gelezen; « welke tot den verkoop en de toewijzing is bepaald » en luidde het tweede lid : « Deze vordering zal snmmierlijk beslist worden, en het beroep zal niet aangenomen worden na verloop van acht dagen sedert de uitspraak».

b) In art, 536 (oud) eerste lid werden in plaats van hel woord: «toewijzing», gelezen de woorden; «geregtelijke toewijzing »,

ocr page 137

BOEK II, TITEL III, ARTT. 532—537D.

Alles op straffe van nietigheid. (Hv. 5, 90, 457, 504 n0. 4, 528, 551, 553. 562, 5766.)

537. De bepalingen van artikel 458 zijn ook ten deze toepasselijk.

537A. Met afwijking van het bepaalde in de artikelen 522 en 523 van dit wetboek kan ten verzoeke der eerst-gereede partij of van iederen ingeschreven schuldeischer, de regtbank bevelen, dat de verkoop niet ter teregtzitting, maar ten overstaan van een door haar aan te wijzen notaris zal geschieden,, en zal alsdan de veiling moeten plaats hebben op de wijze, als bij artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, met uitzondering alleen, dat de tegenwoordigheid van den kantonregter niet vereischt wordt, a) (B. 12236; Rv. 463, 5726.)

537B. Dit verzoek zal niet vroeger dan twintig dagen na de overschrijving van het proces-verbaal van beslag kunnen worden ingediend, tenzij vóór dien tijd de hypothecaire schuldeischer, die het beding van artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek gemaakt heeft, schriftelijk mogt hebben verklaard, van zijn regt geen gebruik te willen maken, of de eerst ingeschreven hypotheek genomen zij tot zekerheid van een der verbindtenissen, bedoeld in artikel 125!) van het Burgerlijk Wetboek.

De verzoekende partij zal gehouden zijn van de indiening van het verzoek kennis te geven aan de wederpartij en de overige beslagleggers, die door den regter kunnen worden gehoord.

Tegen de beslissing op het verzoek is geen voorziening toegelaten, a) (Rv. 505, 508, 511, 5726.)

537C. In geval het verzoek wordt toegestaan blijven de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering van de artikelen 514 tot en met 510, 521 lot en met 524, 526 tot en met 528 en het eerste lid van art. 529 van dit wetboek, van toepassing, en zullen de eventueel reeds vóór de indiening van het verzoek gemaakte kosten van aanplakking eu bekendmaking der geregtelijke verknoping en die van de bekendmaking van liet vervallen dier verkooping door de verzoekende partij moeten worden gedragen en betaald.

Het verzoek zal niet worden ingewilligd voordat die kosten, tot een door den voorzitter begroot bedrag, ter griffie zijn gedeponec rd. a) (Rv. 5236, 5726.)

537D. De notaris over de verkooping staande za! binnen veertien dagen, nadat hem van de door den regter gedane aanwijzing is kennis gegeven, ter griffie van de regtbank waaronder het beslag gelegd is, een authentiek afschrift der veilconditiën nederleggen.

117

Hij zal daarbij overleggen een door den bewaarder der hypotheken afgegeven staat van alle de beslaande inschrijvingen op de in beslag genomen goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, of een door dezen afgegeven getuigschrift, dat op die goederen geene hypothecaire inschrijvingen bestaan, a) (Rv. 516a en c, 537A, 537G, 537H, 5726.)

a) De artikelen 537A—537.1 zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 138

118 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

637£. Bij de veilconditien zullen de kosten, met uitzondering van die in artikel 537C genoemd, gebragt worden voor rekening van den kooper. a) (B. 1502; Rv. 527, 537Da, 5726.)

537F. De betaling der kooppenningen zal moeten geschieden ter griffie van de regtbank, waaronder het beslag is gelegd, a) (K. -1550; Rv. 469a, 495 v., 537Da, 5371, 5726.)

537G. Op geschillen over de veilconditien is artikel 520 toepasselijk, a.) (Rv. 5726.)

587H. De verkooping zal niet kunnen geschieden dan na verloop van dertig dagen, nadat de veilconditien ter griffie zijn nedergelegd en de verkooping minstens veertien dagen te voren door aanplakking volgens plaatselijk gebruik en donr aankondiging in een dagblad der gemeente, binnen welke de verkooping zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad in dat eener naburige gemeente, zal zijn bekend gemaakt.

In die bekendmaking zal moeten worden vermeld, dat do verkooping krachtens regterlijk bevel geschiedt, a) (Rv. 462, 464, 521, 522, 537Da, 5726.)

5371. De eigendom der toegewezen goederen gaat over op den kooper door de overschrijving van een afschrift of uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing, welk afschrift of uittreksel echter aan hem niet zal worden afgegeven dan op vertoon van het door den griffier geteekend bewijs, dat de kooppenningen door hem zijn voldaan of ingevolge de bepalingen van artikel 1257, 3de lid en artikel 1260 van het Rurgerlijk Wetboek, onder hem zijn verbleven. a) (li. 671: Rv. 505d, 529, 530 v., 535, 537F, 5726.)

537J. Indien door den achtervolgenden verkoop en de toewijzing van meerdere onroerende goederen in dezelfde beslagneming vervat, de prijs van het verkochte toereikende is om den executant en de opposanten, met de kosten, te voldoen, is de notaris, over den verkoop staande, gehouden met den verkoop der overige goederen niet voort te gaan, tenzij de schuldenaar verklare dien voortgang te verlangen, a) lt;Rv. 470, 513, 528, 537E, 5726.)

DERDE AFDEEL! NG.

Van opvordering van eigendom.

538. Zij die vóór de toewijzing het geheel of een gedeelte der in beslag genomen goederen als hun eigendom willen opvorderen, kunnen zulks doen, door zich als tus-schenkomende partijen in de executie te stellen. (Pr. 727; B. 629, 1507; Rv. 285 v., 376, 456. 529, 535, 5371.)

539. De tusschenkomst zal geschieden bij een verzoekschrift, hetwelk zal inhouden;

1quot;. liene naauwkeurige opgaaf van het teruggevorderde voorwerp

a) De artikelen 537A—537J zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 139

BOEK II, TITEL III, ARTT. 537E—544.

2°. De middelen en conclusien;

3». Den dag en het uur waarop de partijen in regten moeten verschijnen.

Afschrift van hetzelfde zal beteekend worden aan den executant aan de bij het proces-verbaal van inbeslagneming gekozen woonplaats, en aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, of aan zijne woonplaats, a)

De titels en bewijsstukken van eigendom van den eischer bij tusschenkomst zullen ter griflie worden overgelegd, alwaar de partijen er inzage en afschrift van kunnen nemen, en het exploit van beteekening zal melding maken van die overlegging. (Pr. 727, 728; Rv. 286, 504 n°. 4, 521.)

540, Zoo dikwijls er eene opvordering van eigendom plaats heeft, zal de verkoop van de teruggevorderde goederen geschorst worden. (Rv. 543.)

641. Indien de opvordering van eigendom slechts een gedeelte der in beslag genomene goederen betreft, kan de regtbank óf overgaan tot den verkoop der overige goederen, óf wel de schorsing van het geheel bevelen. (Pr. 729; Rv. 543.)

542. Ten dage dienende zal de regtbank uitspraak doen over de opvordering van eigendom, en geen beroep van dat vonnis zal ontvankelijk zijn na verloop van den veertienden dag na de uitspraak, b) (Pr. 730; Rv. 45, 126ft, 128, 339, 898, 504 n0. 4.)

543. Wanneer de verkoop vertraagd is door eene opvordering van eigendom, kan men met den verkoop niet voortgaan, dan na vernieuwde bekendmaking en aanplakking der biljetten, overeenkomstig artikel 516 en volgende van dezen titel. De kosten vallen ten lasten van dengenen, die in zijne opvordering van eigendom is in het ongelijk gesteld.

Hij zal daarenboven, zoo daartoe gronden zijn, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den arrestant worden veroordeeld. (Pr. 732; B. 1401; Rv. 56, 350, 456c, 537H, 541 v., 612.)

VIERDE AFDEELING.

Van executoriaal beslag op grondrenten.

544. Behoudens de navolgende wijzigingen, zullen bij de executie op grondrenten, vermeld in artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde formaliteiten worden in acht genomen als bij de inbeslagneming en verkoop van

a) In art. 539 (oud) werden, in plaats van de woorden: « aan de bij het proces-verbaal van inbeslagneming gekozen woonplaats», gelezen de woorden; «te zijner woonplaats, bij de aangeslagene bekendmakingen gekozen».

b) In art. 542 (oud) weid, tusschen de woorden «regtbank» en «uitspraak», gelezen het woord;« summierlijk » en luidden de slotwoorden; «den veertienden dag sedert de beteekening van hetzelve aan den persoon of aan zijne woonplaats ».

119

ocr page 140

120 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVOBDERING.

andere onroerende goederen. (Pr. 638 v.; B. 564 nquot;. 5; Rv. 491 nquot;, 4, 502 v.)

645- Het beslag op grondrenten zal door exploit van eenen deurwaarder worden beteekend aan den schuldenaar en bovendien aan den rentpligtige. (Pr. 636. 637; Rv. 1 v., 475, 476, 502, 505, 547.)

546. De rentpligtige kan door den executant worden opgeroepen om verklaring te doen van den aard en de hoegrootheid der verschuldigde rente.

In dat geval, zal die verklaring geschieden overeenkomstig de voorschriften en met de gevolgen vermeld in de derde afdeeling van den vierden titel des derden hoeks van dit Wetboek. (Pr. 637. 638; Rv. 479, 742—755.)

547. Door het bovengemeld exploit, worden ook de reeds verschenen en de nog te verschijnen renten, tot het uiteinde der executie toe, in beslag genomen. (Pr. 640; Rv. 545 )

548. De verkoop zal worden voorafgegaan dooi1 eene aankondiging, welke zal moeten inhouden:

1°. De voornamen en namen van den persoon die het beslag doet, van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, en van den rentpligtige;

2°. De aanduiding van het goed waarop de rente gevestigd is;

3°. Het bedrag der rente;

4quot;. De vermelding der hypothekaire inschrijvingen, indien er zoodanige op de grondrente genomen zijn;

5°. Den inzet, welken de executant gehouden is te doen;

6quot;. De plaats, den dag en het uur van dea verkoop. (Pr. 643; Rv. 495, 515.)

549. De aankondiging zal worden aangeplakt;

1quot;. Aan de woning van den persoon tegen wien het beslag geschiedt;

2°. Üp de plaatsen daartoe bestemd, in de gemeente waar de rentpligtige woonachtig is, en in die waaide verkoop moet plaats hebben;

3°. Aan het gebouw van de regtbank ten overstaan van welke de verkoop geschiedt. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewiizing. (Pr. 644, 645; Rv. 517, 518, 544, 550.)

550. Indien de in beslag genomene rente de som van vijf en twintig gulden te boven gaat, zal eene dergelijke aankondiging, binnen acht dagen na de aanplakking, geschieden in een der dagbladen, op de wijze voorgeschreven bij artikel 521. (Pr. 646; Rv. 549.)

VIJFDE AFDEELING.

Over de regeling van den voorrang en de verdeeling van den koopprijs.

551. Indien de schuldeischers en de partij, tegen welke het beslag gedaan is, zich niet hebben verstaan over de

ocr page 141

BOEK II, TITEL III, ARTT. 545—556.

verdeeling der kooppenningen of van het in artikel 510 bedoelde overschot, zal de meest gereede schuldeischer, of de kooper, of de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de benoeming van eenen regter-comrnissaris kunnen verzoeken, voor wien tot regeling van den voorrang zal overgegaan worden, a) (Pr. 749, 750; B. 1240, 1254, 1256; Rv. 480 v., 556, 562, 581; F. 180.)

552. Te dien einde wordt ter griffie een register van toewijzingen gehouden, waarop degene, die de regeling van voorrang begeert, zijne verklaring moet stellen. De regtbank benoemt alsdan eenen regter-commissaris, en deze stelt zijn bevelschrift onder de verklaring van den verzoeker, b) (Pr. 751; Rv. 481, 553, 554.)

653. nie de regeling van den voorrang vervolgt, zal het bevelschrift van den regter-commissaris ligten, welke het proces-verbaal van regeling zal openen op den dag door hem bepaald, bij hetwelk zal gevoegd worden het uittreksel van alle de bestaande inschrijvingen en der overgeschreven beslagen, af te geven door den bewaarder der hypotheken, alsmede eenen staat der schuldeischers, welke verzet hebben gedaan, c) (Pr. 752; Rv. 505e, 516, 536, 537Dfe, 562.)

554. Uit krachte van het bevelschrift zal de verzoeker de schuldeischers ter door hem d) gekozene woonplaats doen oproepen, ten einde, binnen eene maand na het exploit, hunne bescheiden aan den regter-commissaris in te leveren, met de vordering om in de rangregeling begrepen te worden. Hij zal te gelijker tijd woonplaats bij eenen procureur moeten kiezen, ter plaatse waar de regtbank hare zitting houdt. De regter commissaris zal van de overgelegde bescheiden en vordering in zijn proces-verbaal melding maken. (Pr. 753 v.; B. 1231 n°. 1; Rv. 133, 458, 482, 536, 537, 555.)

565. Nadat de verzoeker zal hebben doen blijken dat de bij het vorige artikel bepaalde termijn verstreken is, zal de regter-commissaris, uit de overgelegde stukken, de rangregeling opmaken, en in het proces-verbaal de plaats, den dag en het uur aanwijzen, waarop de partijen moeten verschijnen (Pr. 755; Rv. 483, 553, 560.)

566. De verzoeker zal zoowel aan de geëxecuteerden.

a) Art. 551 (oud). Indien binnen eene maand na de toewijzing, of. indien daartegen binnen dien tijd beroep in cassatie is gedaan, binnen eene maand na de uitspraak daarover, de schuldeischers en de partij, legen welke het beslag gedaan is, zich niet hebben kunnen verstaan over de verdeeling der kooppenningen, zal de meest gereede schuld-fischer, of de kooper, of de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de benoeming van eenen regter-commissaris kunnen verzoeken, voor wien tot regeling van den voorrang zal overgegaan worden.

b) In art. 552 (oud) werd in plaats van het laatste woord: «verzoeker» gelezen het woord: «schuldeischer».

c) In art. 553 (oud) ontbraken de woorden; «en der overgeschrevene beslagen».

d) Lees: hen. Zie van den Honert § 554.

121

ocr page 142

•122 WETBOEK VAN liURGERLIJKE REGTSVORDERING.

als aan de schuldeischers, aan hunne bij het doen van eisch ter rangschikking gekozene woonplaats doen beteekenen, dat de rangregeling is opgemaakt, en een ieder daarvan visie ter griffie kan nemen, met aanmaning om voor den regter-commissaris op de bepaalde plaats, dag en uur te verschijnen, ten einde op het proces-verbaal de door den regter-cora-missaris gedane plaatsing tegen te spreken, indien daartoe gronden zijn. (Pr. 755; Rv. 484, 554.)

557. In geval er geene tegenspraak gedaan wordt, zal de regter-commissaris de rangregeling sluiten en de kosten vereffenen, welke als bevoorregt zullen worden gebragt. Hij zal de afgifte der borderellen van plaatsing van degenen die batig geplaatst zijn. en de doorhaling der inschrijvingen en der overgeschreven beslagen van de niet batig geplaatsten bevelen, a)

Tot de bevoorregte kosten behooren het salaris en de verschotten van de procureurs, die bij het beslagleggen en bij de rangregeling voor partijen zijn opgetreden, b)

Deze borderellen, mitsgaders die welke bij het volgende artikel worden vermeld, worden uitgegeven, overeenkomstig de voorschriften van artikel 430. (Pr. 759; 13. 1257 v.; fiv. 485, 504 nquot;. 4, 5056, 527, 554, 559.)

568. In geval van tegenspraak, zal de regter-commissaris degenen die zich bezwaard achten, zonder andere aanmaning, naar de teregtzitting, welke hij bepalen zal, verwijzen. Niettemin zal hij de rangregeling van de inschulden, welke boven de betwiste bevoorregt zijn, vaststellen, en de afgifte van de borderellen van plaatsing van die schuldeischers bevelen.

De zaak wordt hierna, op rapport van den regter-commissaris, na genomene conclusien en des noods gehoudene pleidooijen, uitgewezen.

Geen beroep van het vonnis zal ontvankelijk zijn, indien het niet binnen de veertien dagen na de uitspraak van hetzelve ingesteld is. c) (Pr. 758. 761 v.; Rv. 140 v., 339, 342, 346, 398, 581; F. 185 )

559. Veertien dagen na het uitwijzen der gedane tegenspraak, en ingeval van beroep of cassatie, veertien dagen na ile beteekening van het gewezen arrest aan den griflier, zal de commissaris de orde der schulden waarover tegenspraak gevallen is, en van die, welke na deze moeten volgen.

a) In art. 557 (oud), eerste lid, ontbraken de woorden « en der overgeschreven beslagen ».

Volgens art. 97, derde lid, der Wet van 7 Juli 1896 (Stb. ii0. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, worden in het eerste lid van art. 567 ingevoegd de woorden: «en der overgeschreven beslagen ». In plaats van « 567 » moet in dat artikel klaarblijkelijk worden gelezen «557». Zie O. E. 1896 op art. 567 noot.

b) In art. 557 (oud) ontbrak het nu tweede lid.

c) Art. 558 (oud) had nog een vierde lid luidende: «Dit beroep wordt summierlijk behandeld».

ocr page 143

BOEK II, TITEL III EN IV, ARTT. 557—564, -123

bepaaldelijk vaststellen; en zulks achtervolgens hetgeen bij artikel 557 is voorgeschreven. De interessen en renten der schuldeischers die batig geplaatst zijn, zullen ophouden tus-schen hen onderling berekend te worden, behoudens elks regt tegen den schuldenaar, a) {Pr. 767; lïv. 350, 398,433, 487 v., 558.)

560. fie schuldeischers die na de hierboven bepaalde termijnen, doch vóór de sluiting der rangregeling, stukken mogten overleggen of tegenspraak doen, zullen hunne te laat gedane overlegging of tegenspraak kunnen doen gelden, tegen betaling der kosten, schaden en interessen, uit die vertraging voortspruitende. (Pr. 757; B. 1282; Rv. 482.)

561. De bewaarder der hypotheken zal gehouden zijn de doorhalingen te doen op het bloote vertoon, het zij van het bevel van den regter, het zij van de akte van toestemming van den schuldeischer. (Pr. 773; B. 1239 v., 1257; F. 188; Stb. 1840 n». 6, a. 3.)

562. Na de betaling der hypothekaire schulden en der kosten, zal het overschot der kooppenningen worden verdeeld tusschen de personele schuldeischers, die verzet hebben gedaan ; en zoo er geen zoodanige zijn, aan den schuldenaar worden uitgekeerd; alles overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeeling van den vorigen titel. (Rv. 480 v., 530, 553 v., 8081b.)

VIERDE TITEL.

Van executoriaal beslag op en verkoop van schepen.

563. Geen executoriaal beslag op schepen kan gelegd worden, dan krachtens een vonnis of anderen executorialen titel. (Rv. 439a, 491, 584 jquot;, 500, 727 v.)

Hetzelve moet worden voorafgegaan door een bevel, vier en twintig uren bevorens te beteekenen aan den persoon of de woonplaats van den eigenaar of boekhouder, of op de wijze, bij artikel 4 van den eersten titel van het eerste boek voorgeschreven. (Rv. 2, 4396, 502a.)

Indien er echter vrees bestaat dat het schip spoedig naar eene andere plaats zal vertrekken, kan de schuldeischer, na daartoe verlof te hebben bekomen van den president der regtbank, binnen welker arrondissement hetzelve is liggende, ook zonder voorafgaand bevel, tot de inbeslagneming overgaan. (Co. 197, 198, 199, 200; B. 566; K. 309, 311; Rv. 564cf, 573, 581, 582, 584.)

564. Het beslag op schepen moet worden gedaan aan boord van dezelve. (Rv. 504 n0. 1.)

De deurwaarder zal daarbij vergezeld zijn van twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in het procesverbaal zal vermelden, en die het oorspronkelijke stuk en de afschriften zullen teekenen.

a) In art. 559 (oud) werden in plaats van de woorden : « na de beteekening van het gewezen arrest aan den griffier» gelezen de woorden: «na de beteekening van het arrest in beroep of in cassatie».

ocr page 144

124 WKTBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORUERING.

Het moet beteekend worden aan den persoon des eigenaars of boekhouders, of aan ileszelfs woonplaats, met overlegging van een afschrift des titels, indien dezelve niet reeds is beteekend. (Rv. 563a, 507, 583; K. 3'iO, 327.)

Indien het beslag gedaan wordt voor eene op het schip bevoorregte schuld, of wel voor eene schuld, waarvoor het schip, volgens do voorschriften van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel aansprakelijk is, kan het proces-verbaal van inbeslagneming aan boord aan den schipper worden beteekend. (K. 313 v., 321, 349, 372, 391,452, 750. 751. — Co. 199. 201; Rv. 502.1

565. De deurwaarder moet in zijn proces-verbaal van inbeslagneming uitdrukken: (Rv. 5.)

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van den schuldeiseher;

Den titel uit krachte van welken hij executeert; (Rv. 563a.)

De sommen waarvan hij de betaling vordert; (Rv. 584 j°. 501.)

De keuze van woonplaats door den schuldeischer gedaan, in de plaats waar het schip is liggende, en bij eenen procureur in de plaats waar de arrondissements-regtbank, voor welke de verkoop wordt vervolgd, zitting houdt; (B. 81; Rv. 133.)

De namen van den eigenaar of boekhouder, indien de een of ander bekend is, en van den schipper; (K. 320, 327.)

Den naam, de soort en de ruimte van het schip; (K. 455 nquot;. 1, 507 n0. 4, 592 n0. 1.)

De algemeene beschrijving van de sloepen, booten, tuigagie, gereedschappen, wapenen, krijgsbehoeften en levensmiddelen.

Hij moet voorts eenen bewaarder aan boord stellen, na de noodige maatregelen te hebben genomen om het vertrek van het schip te beletten. (B. 1776; Rv. 450. 506; Sr. 198. —Co. 200; Rv. 564, 567.)

566. Het proces-verbaal van inbeslagneming van schepen, grooter dan tien lasten, zal worden overgeschreven in de registers vermeld in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel.

Na den dag dier overschrijving, zullen geene nieuwe pand-of verband-brieven op het in beslag genomene schip meer mogen worden afgegeven.

Vroeger afgegeven pand- of verband-brieven kunnen (na den dag dier overschrijving niet meer worden ingeschreven.) worden ingeschreven tol de overschrijving van het vonnis van toeivijzing in de bovenvermelde registers (K. 309, 315 n«. 2, 750 nv 1 ; Stb. 1836 n». 41; Rv. 505.)

Gewijzigd bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.

567. Indien de scheeps-eigenaar of de boekhouder woont binnen het arrondissement van de regtbank waaronder het beslag gedaan is, moet de arrestant hem binnen drie dagen afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging doen beteekenen. a)

a) Zie noot a op art. 557a.

ocr page 145

BOEK II, TITEL III, ARTT. 565—570.

Die termijn is van acht dagen, indien hij woont binnen een ander arrondissement van dezelfde provincie (onder het regtsgebied van hetzelfde geregtshof), en van veertien dagen, indien hij binnen eene andere provincie (het regtsgebied van een ander geregtshof) woont.

Indien hij buiten het koninkrijk woont of onbekend is, wordt de beteekening aan den schipper of deszelfs plaats-bekleeder gedaan.

Bij gebreke van een en ander, wordt de beteekening aan het schip aangeplakt. (Co. 201; K. 320, 327, 341 ; Rv. 7 v., 564c en d.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n°. 138).

568. Er zullen twee afkondigingen worden gedaan en wel van acht tot acht dagen aan de beurs, zoo die ter plaatse des verkoops bestaat, en op het voornaamste openbaar plein van de plaats alwaar het schip is liggende.

Eene kennisgeving wordt daarenboven geplaatst in een dagblad van de gemeente, alwaar de regtbank zitting houdt voor welke de inbeslagneming vervolgd wordt en bij gebreke van zoodanig dagblad,- in dat eener naburige plaats. (Co. 202; IC. 59; Rv. 464 v., 514 v., 570, 573.)

569. Binnen twee dagen na elke afkondiging, moeten biljetten worden aangeplakt:

Aan den mast van het in beslag genomen schip;

Aan het gebouw van de regtbank;

Aan de beurs, zoo die aldaar bestaat, en ter plaatse waar het schip is liggende. (Co. 203; K. 59; Rv. 514, 517, 549, 570.)

570. De afkondigingen en biljetten moeten inhouden:

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van

dengenen die executeert;

De titels uit krachte van welke hij de vervolging doet;

Het beloop der aan hem verschuldigde som;

De keus van woonplaats door hem gedaan in de plaats der zitting van de regtbank, en in de plaats waar het schip is liggende;

Den naam en de woonplaats van den eigenaar of boekhouder van het in beslag genomen schip, indien de een of ander bekend is;

Den naam van het schip, en indien hetzelve uitgerust is, dien van den schipper;

De scheepsruimte;

De plaats waar hetzelve is liggende;

125

De eerste inzet van den executant;

a) Bij art. 10 dec Wet van 10 Mei 1837 (Stb. nquot;. 39) werden de beide laatste alinea's vastgesteld ter vervanging van twee andere. Dat art. 10 zegt bij vergissing dat de twee nieuwe alinea's het voorlaatste lid vervangen. In O. E. 1838 en eveneens in O. E. 1896 is mitsdien het vroegei e laatste lid nevens het nieuw vastgestelde laatste lid afgedrukt. Dat vroegere laatste lid luidt: De dagen van teregtzitting, op welke de opbiedingen zullen worden ontvangen en de toewijzing zal worden gedaan.

ocr page 146

126 WETBOEK VAN BURGERLMKE REGTSVORDERING.

De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de toewijzing zal plaats hebben, a) (Go. 204; K. 320 v.; Rv. 515, 526, 548, 565, 568, 569, 572, 573.)

571. Twee dagen na de eerste afkondiging zat degene die de inbeslagneming vervolgt, een afschrift van de biljetten beteekenen aan de schuldeischers, ingeschreven in het daartoe bestemde register, vermeld in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel, en wel aan de door hen bij die inschrijving gekozene woonplaats. (K. 309, 315b, 750 n0. Rv. 566, 568.)

572. Veertien dagen na de tweede afkondiging zullen de verkoop en toewijzing voor de arrondissements-regtbank, ter openlijke teregtzitting gedaan worden, op dezelfde wijze als bij den verkoop van onroerende goederen plaats heeft.

De bepalingen van de artikelen 537A tot en met J van dit wetboek zijn ook hier van toepassing, a) (Co. 205,206; Rv. 523 v., 584 j0. 522b.)

573. Indien het beslag gelegd is op schuiten, sloepen of andere vaartuigen van tien lasten of minder, zal de verkoop geschieden als van andere roerende goederen, na afkondiging op de plaats waar het vaartuig is liggende, gedurende drie achtereenvolgende dagen, met aanplakking aan den mast, of bij gebreke van dien op eene andere in het oog vallende plaats van het vaartuig. (Co. 206; Pr. 620; K. 309«, 750 nquot;. 1; Rv. 462, 463.)

574. Degene aan wien een schip, van welke grootte ook, is verkocht en toegewezen, is gehouden de kooppenningen binnen acht dagen te betalen, of zonder kosten in geregte-lijke bewaring te brengen ter griffie van de arrondissements-regtbank, op straffe van lijfsdwang.

Bij gebreke van betaling of van het in bewaring brengen, zal het vaartuig weder ten verkoop worden aangeslagen, en toegewezen na verloop van drie dagen na eene nieuwe afkondiging en aanplakking, ten laste van den eersten koo-per, welke insgelijks bij lijfsdwang verbonden is voor het te kort, mitsgaders voor de schaden en interessen en de kosten. (Co. 209; Rv. 532, 537F, 571, 578, 585 n». 11.)

575. Door den geregtelijken verkoop wordt het schip ontlast van alle bevoorregte schulden waarvoor hetzelve was verbonden. (Co. 197: K. 311 v., 313 v., 316, 750; F. 188b; Rv. 564, 578, 584 j». 529.)

576. De eischen tot reclame zullen ter griffie van de regtbank worden ingebragt vóór de toewijzing.

Indien dezelve eerst na de toewijzing worden ingebragt, zullen zij van regtswege gehouden worden voor oppositie tegen de uitbetaling der kooppenningen. (Co. 210; Rv. 456 v., 538 v., 577 v.)

577. Hij, die de reclame instelt, of de opposant, vervolgt zijn regt voor de regtbank, indien hij zulks verlangt op korten termijn, b) (Co. 211; Rv. 5, 133, 135 v., 456, 539. 543 j». B. 1401.)

a) In art. 572 (oud) ontbrak het tweede lid.

b) Art. 577 (oud). Hij, die de reclame instelt, of de op-

ocr page 147

BOEK II, TITEL III, ARTT. S?!—584.

678. Geen verzet van schuldeischers tegen de uitbetaling der kooppenningen wordt toegelaten na de toewijzing of verkoop. (Co. 212; Rv. 457, 536, 576b.)

579. De schuldeischers die verzet doen, zijn gehouden den titel van hunne inschuld ter griffie over te leggen, binnen de acht eerstkomende dagen nadat zij verzet gedaan hebben, en zonder aanmaning; bij gebreke van dien, zal men voortgaan tot de uitbetaling der kooppenningen, zonder hen daarin te begrijpen. (Co. 213; Rv. 578.)

580. De rangschikking der schuldeischers en de verdeeling der penningen, worden gedaan tusschen de bevoorregte schuldeischers, in de orde voorgeschreven in den eersten en den laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel; en tusschen de andere schuldeischers in de evenredigheid hunner inschulden.

Elk schuldeischer wordt geplaatst voor de hoofdsom, interessen en kosten. (Co. 214; K. 313 v., 750.)

581. De bepalingen vervat in de vijfde afdeeling van den derden titel van het «tweede boek, zijn mede toepasselijk op de verdeeling van de opbrengst van bij executie verkochte schepen boven de tien lasten. (Rv. 551—562.)

Ten aanzien der verdeeling van de opbrengst van kleinere schepen, gelden de bepalingen van de vierde a) afdeeling van den tweeden titel van het tweede boek. (Rv, 480—490.)

582. Een zeeschip of zoodanig schip of vaartuig dat volgens den laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel met een zeeschip is gelijkgesteld, gereed zijnde om onder zeil te gaan, kan niet worden in beslag genomen, ten zij voor schulden, gemaakt ten behoeve van de reis die hetzelve gaat ondernemen; en zelfs kan zoodanige inbeslagneming belet worden door borgstelling voor die schulden.

Het schip wordt geacht zeilree te zijn, zoodra de schipper van de noodige papieren is voorzien om te kunnen vertrekken. (Co. 215; K. 357, 748; Rv. 563c, 735(i,)

588, Schuldeischers van eenen medereeder van een schip of vaartuig, van welken aard het ook moge zijn, kunnen hetzelve niet in beslag nemen of verkoopen. maar zij kunnen de scheepsportie van hunnen schuldenaar in beslag nemen en verkoopen.

De inbeslagneming van eene scheepsportie geschiedt door een exploit beteekend aan den schuldenaar, en aan den boekhouder der reederij.

De verkooping van eene scheepsportie zal geschieden overeenkomstig de regelen in dezen titel voorgeschreven, met inachtnettiing van het onderscheid tusschen het bedrag der scheepslasten; behoudens dat de biljetten op het vaartuig niet zullen worden aangeplakt. (Co. 210; K. 321, 326, 329, 335, 336, 751; B. 1678; Rv, 492, 563, 581,)

584. De bepalingen van artikel 500 en 501, van het

posant vervolgt zijn regt voor de regtbank, het zij op korte termijnen, het zij als eene summiere zaak.

a) Lees; derde, zooals in O. E. 1838 en ü. E. 1896.

i27

ocr page 148

'128 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

tweede lid var. artikel 52'2, en van artikel 529, zijn ook op het beslag op en den verkoop van schepen toepasselijk.

VIJFDE TITEL.

Van lijfsdwang en van deszeifs tenuitvoerlegging.

EERSTE AFDEELING.

Van lijfsdwang.

685. Lijfsdwang heeft alleen plaats in de gevallen, bij dit en het volgende artikel aangeduid: (Pr. 126; C. 2059, 2060, 2065, 2066; Rv. 586, 588, 589, 591, 598, 599, 601.)

1°. Wegens stellionaat omschreven bij artikel 711 (, hel welk bestaat:

wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft dan die met welke die goederen bezwaard ziin.) (B. 671, 1224 v.)

Geivijzigd bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faiilissementswet.

2°, Ingeval van herstelling in het bezit, na en tengevolge van feitelijke ontzetting, voor de teruggave van vruchten, welke de overweldiger wederregtelijk, gedurende het bezit heeft genoten, en voor de aan de regtheb-benden toegewezene vergoeding van kosten, schaden en interessen; (B. 619, 634.)

3°. Wegens bewaargeving uit noodzaak; (B. 1740,1746.)

4quot;. Voor de teruggave van penningen, welke gesteld zijn in bewaring van daartoe op openbaar gezag aangestelde personen; (B. 1442 n0. 2; Loi du 28 Nivose an XUI (Fortuijn II, bl. 330); K. B. var I Dec. 1843 n0 45 ^Circ. v. d. Min. v. Fin., A, afd. Dom.)', Rv. 445, 474.)

5°. Voor de uitlevering van zaken, welke in handen zijn gesteld van sequesters, commissarissen en andere . bewaarders; (B. 1767, 1776; Rv. 53 n0. 4, 454,455, 5( 6, 761 )

6°. Tegen alle openbare ambtenaren, voor de vertooning van hunne minuten, wanneer dezelve in regten bevolen is; (Rv. 185.)

7°. Tegen notarissen, deurwaarders en andere openbare ambtenaren, voor de teruggave der aan hen, ter zake van hunne ambtsverrigtingen, toevertrouwde titels, en van de penningen, welke zij in dezelve hoedanigheid voor hunne meesters hebben cntvangeu; (Rv. 149, 485; B. 2011.)

Squot;. Voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, de som van een honderd en vijftig gulden te boven gaande, waartoe iemand jegens de beleedigde partij is veroordeeld, ter zake van misdrijf of (een strafbaar

ocr page 149

BOEK II, TITEL V, ARTT. 585—586.

feit of eene) onregtmatige daad; (R. O. 56c; B. 1401; Sv. 202.)

Gewijzigd bij art. 5 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 94).

9°. Voor het slot van rekening, verschuldigd door voogden, curators, geregtelijke bewaarders en beheerders van gemeentelijke en andere openbare gestichten, die tot het doen van rekening en verantwoording verpligt zijn, en voor alle teruggaven, welke, ten gevolge van gemelde rekening, moeten plaats hebben; (B. 471, 503, 506; Rv. 584 nquot;. 4 en 5, 779.)

10°. Tegen alle vreemdelingen, welke geene vaste woonplaats binnen het Koningrijk hebben, voor alle schulden, zonder uitzondering, ten behoeve van Nederlanders aangegaan; (A. 9; Stb. 1892 nquot;. 268, a. 12; Rv. 768.)

liquot;. In alle gevallen, waarin de wet uitdrukkelijk den lijfsdwang toelaat; (Rv. H7c jquot;. 200, 149. 233, 454 v., 500, 525, 532, 574, 768, 772(i, 839b; Stb. 1850 n». 45, a. 17.)

Tegen gehuwde of ongehuwde vrouwen wordt de lijfsdwang alleen toegelaten in de gevallen bij n0. 1. 2, 3, 5, 8 en 10, hierboven voorzien; (B. 408, 436 n0. 3, 505, 506; Rv. 586b.)

Tegen personen welke den vollen ouderdom van zeventig jaren hebben bereikt, heeft in burgerlijke zaken alleen lijfsdwang plaats in de gevallen bij n». 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 vermeld. (Rv. 586, 591b.)

586. Lijfsdwang heeft mede plaats: (Co. 113, 637; F. 87; Rv. 588.)

1quot;. Tegen alle kooplieden voor handels-schulden, zelfs voor de zoodanige, tot welke zij verbonden zijn jegens personen die geene kooplieden zijn; (K. 2 v.)

De orderbriefjes, assignatien en andere handelspapieren, door eenen koopman onderteekend, worden geacht voor zijnen handel te zijn aangegaan, indien daarin geen andere oorzaak is uitgedrukt; (K. 4 n*.2, 208, 209, 210 v., 221 v.; B. 1371 v., 1958.)

2°. Tegen alle personen zonder onderscheid, die eenen wisselbrief hebben geteekend, als trekkers, acceptanten of endossanten, of denzelven door den borgtogt, aval genaamd, gewaarborgd hebben; (K. 100,115,131,133v.)

3°. Tegen personen, geene kooplieden zijnde, welke orderbriefjes, assignatien of andere handelspapieren hebben geteekend, of wel zoodanige wisselbrieven, welke, naar luid van artikel 102 des Wetboeks van Koophandel, slechts voor gewone schuldbekentenissen worden gehouden, doch alleen indien de bovengenoemde personen zich verbonden hebben ter zake van koophandel; (K. 208, 209, 210 v., 221 v.)

4quot;. Tegen alle personen, zonder onderscheid, voor de uitvoering van contracten van zeehandel of van dien welke daarmede bij de wet is gelijk gesteld. (K.453 v., 568 v., 592 v. enz., 748 v.)

129

ocr page 150

130 WETBOEK VAN liURCERU.IKE REGTSVORUERING.

Tegen gehuwde en ongehuwde vrouwen, geene openbare koopvrouwen zijnde, zijn (ie bepalingen van n0. 2, 3 en 4 van dit artikel niet toepasselijk. (B. 168; Rv. 5856)

587. In geen geval wordt lijfsdwang aan kinderen en verdere afstammelingen toegestaan, tegen hunne bloed- en aanverwanten in de opgaande linie. (B. 3i5, 347.)

588. Behalve in de gevallen bij de twee vorige artikels a) vastgesteld, of die welke in het vervolg van tijd bij de wet mogten worden bepaald, kan geen lijfsdwang plaats hebben : alle hiermede tegenstrijdige overeenkomsten zijn van regtswege nietig, zelfs wanneer die buiten 's lands zijn aangegaan. (C. 2063; A. '14; Rv. 653.)

589. Lijfsdwang mag nimmer worden ten uitvoer gelegd, dan uit krachte van een vonnis, waarbij dezelve is uitgesproken. (C. 2067; Rv. 439, 491, 563, 588,590,599,653.— Rv. 117 j» 200, 149, 768.)

590. Verzet, hooger beroep of cassatie, belet geenszins het ten uitvoer leggen van den lijfsdwang, uitgesproken bij een vonnis, hetwelk bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd; mits in dit geval zekerheid worde gesteld voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, waartoe de arrestant mogt worden veroordeeld. (C. 2068; B. 1208 v., •1857 v., 1867; Rv. 52, 53, 350, 398d, 611, 768; F.33, 231.)

591. Niemand kan ter zake van dezelfde schuld langer dan vijf jaren in gijzeling worden gehouden.

Ruiten de gevallen bij het laatste lid van artikel 585 van 'lezen titel vermeld, houdt de lijfsdwang in burgerlijke zaken op, zoodra de schuldenaar den vollen ouderdom van zeventig jaren heeft bereikt. (Pr. 800 n0. 5; Rv. 611.)

592. Bij de uitoefening van lijfsdwang is de schuldeischer verpligt iedere dertig dagen voor te schieten eene toereikende som tot onderhoud van den schuldenaar, volgens oen door den Koning vastgesteld tarief.

Indien de schuldeischer in gebreke blijft voer den een en dertigsten dag aan deze verpligting te voldoen, zal de schuldenaar zijn ontslag kunnen vorderen, mits voegende bij zijn verzoek een getuigschrift door den cipier afgegeven, waaruit blijkt dat het onderhoud niet voorgeschoten is.

Indien evenwel de schuldeischer, die in gebreke is gebleven om het onderhoud voor te schieten, dit voorschot nog doet voordat de schuldenaar zijn ontslag gevraagd heeft, is die vordering niet meer ontvankelijk. (Pr. 791, 803; Rv. 595, 606 n». 5, 610, 611; Stb. 1843 n°. 36; Stb. 1856 n0. 74; Stb. 1873 n°. 40. - Stb. 1843 n0. 47, a. 27, A. 19;Besl.v. 29 Deo. 1842 n0. 95 (Bijv. t. h. Stb. nquot;. 388).)

593. De schuldenaar kan in gijzeling aanbevolen worden door anderen, die insgelijks regt hebben om lijfsdwang tegen hem uit te oefenen.

Die zich wegens een misdrijf in hechlenis (gevangenisstraf of hechtenis ondergaat of zich wegens een strafbaar feit in verzekerde bewaring) bevindt, kan ook worden aanbevolen, en hij zal, krachtens de aanbeveling, worden aan-

a) Lees: hij de artikelen 585 en 586.

ocr page 151

BOEK II, TITEL V. ARTT. 587—598.

gehouden, niettegensla imle zijn ontslag in de strafzaak mogt bevolen of de tijd van zijne gevangenis mogt geëindigd zijn. (Pr. 792; ftv. 434. 589, 594, 596 n°. 2, 608.)

Gewijzicjd bij art. 6 der Wet van 26 April '1884 (Stb. n». 94).

594. De nietigheid der gijzeling heeft, om welke reden dezelve ook moge zijn uitgesproken, geenszins de nietigheid der aanbevelingen ten gevolge. (Pr. 796; Rv. 461, 593, 597, 611.)

595. Die de aanbeveling heeft gedaan, is gehouden, des gevorderd zijnde, bij gelijke deelen tot de betaling van het onderhoud van den gearresteerde bij te dragen, en in dat geval mogen de gelden tot onderhoud verstrekt, niet zonder deszelfs toestemming door den arrestant worden teruggenomen.

Die vordering kan gedaan worden voor de regtbank van het arrondissement, in hetwelk de gegijzelde in gevangenis is gesteld. (Rv. 592, 597, 604, 606 nquot;. 3, 608, 611.)

596. De schuldenaar, die op eene wettige wijze is in gijzeling gesteld, verkrijgt zijn ontslag: (Rv. 604, 611.)

'1°. Door de toestemming van den schuldeischer, die hem heeft doen gijzelen, en van degenen die hem aanbevolen hebben, indien er zoodanige zijn;

Deze toestemming tot ontslag van den schuldenaar kan gegeven worden, het zij voor eenen notaris, het zii in het register waarin de gegijzelden zijn ingeschreven; (Rv. 589, 593, 607.)

2°. Door de betaling of geregtelijke bewaargeving der gelden, welke zoowel aan den schuldeischer, die den lijfsdwang uitgeoefend heeft, als aan degenen die hem aanbevolen hebben, verschuldigd zijn, mitsgaders van de verschenen interessen, van de vereffende kosten, van de kosten der gijzeling, en van de gelden tot zijn onderhoud voorgeschoten; (Rv. 609, 794; B. 1418 v., 1440 v.)

3°. Door den vrijwilligen of qeregtelijken boedelafstand. (Bv. 705, 706: F. 33amp;. —' Pr. 798, 800 n°. 1,2 en 3, 801 ; Rv. 591b, 5926 en c.)

Gevjijzigd bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementsivet.

597. De schuldenaar wiens gijzeling nietig is verklaard of bij gebreke van voorschot tot zijn ondi rlioud is ontslagen, kan voor dezelfde schuld niet wederom in gijzeling worden gesteld, dan ten minste één dag na deszelfs ontslag. (Pr. 797, 804; Rv. 592, 595, 610, 611.)

598. Door de uitoefening van den lijfsdwang wordt het vervolgen en ten uitvoer leggen van beslag op de goederen geenszins belet noch geschorst.

Evenmin wordt door de ten uitvoerlegging van beslag op goederen, de uitoefening van den lijfsdwang belet of geschorst. (C. 2069; Rv. 439 v., 475 v., 502 v., 544 v., 563 v., 890; I'. 33, 231.)

131

ocr page 152

132 WETBOEK VAN BURGERLIJKE P.ICGTSVORDERING.

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de ten uitvoerlegging van lijfsdwang.

599- Geen lijfsdwang kan worden ten uitvoergelegd dan eenen dag na de beteekening van het vonnis, waarbij de opneming in de gijzeling is bevolen. (Rv. 66, 430, 589.)

De president van de arrondissements-regtbank kan echter, indien daartoe gronden zijn, verlof verleenen tot de dadelijke ten uitvoerlegging van den uitgesproken lijfsdwang. (Rv. 563c, 602, 604, 758, 768.)

Deze beteekening zal behelzen een bevel om te betalen en de keus van eene woonplaats in de gemeente waarin de regtbank, waardoor het vonnis gewezen is, zitting houdt. (Pr. 780; Rv. 439b, 502a, (M l ; R. 81.)

600. De schuldenaar mag niet worden gegijzeld:

1°. In de aan den godsdienst gewijde gebouwen gedurende den eeredienst;

2°. Op de plaats en gedurende den tijd der zittingen van gestelde magten;

3°. Op de beurs, gedurende den beurstijd; (K. 59.)

4°. In het huis door hem bewoond, of in eenig bijzonder huis, dat niet voor een iegelijk openstaat, ten ware de deurwaarder vergezeld zij door den kanton-regter in de gemeente, waar deze zijne woonplaats heeft, en in andere gemeenten, door het hoofd van het gemeentebestuur of dengenen, die hem vervangt; (G. 158; Stb. 1890 n®. 127, a. 6.)

ö5. Zoo lang een vrijgeleide duurt, waarvan de tijd moet bepaald worden door den regter die hetzelve heeft afgegeven, ten einde den schuldenaar voor zich te doen verschijnen. (Pr. 781, 782.)

601. De gijzeling kan worden ten uitvoergelegd, ook op zondag en op zoodanige uren, waarop anders, volgens artikel 15 van dit Wetboek, het doen van exploiten niet wordt toegelaten. (Pr. 781 ; Rv. 14, 723.)

602. Het proces-verbaal van gijzeling moet, behalve de gewone vereischten van een exploit, bevatten;

1°. Herhaling van het bevel tot betaling;

2°. De keus van eene woonplaats in de gemeente, alwaar de schuldenaar in de gijzeiing wordt gesteld.

De deurwaarder zal door twee getuigen worden bijgestaan. (Pr. 783; B. 81; Rv. 5, 434, 599, 6046, 605, 606 n°. 6, 611; Stb. 1843 n«. 39, a. 3d (Tar. a. 55).)

603. In geval van feitelijken wederstand, kan de deurwaarder eene wacht aan de deuren plaatsen, ten einde de ontsnapping van den schuldenaar te voorkomen, en de hulp van de openbare burgerlijke magt in te roepen; onverminderd de vervolging tot straf, indien daartoe gronden zijn. (Pr. 785; Sr. 180 v.; Stb. 1843 n°. 39, a. 3e (Tar. a. 55).)

604. Ingeval de schuldenaar zich tegen de wettigheid der gijzeling verzet en vordert, dat er eene onverwijlde uitspraak geschiede, zal hij dadelijk worden gebragt voor den voorzitter van de reetbank van het arrondissement, in hetwelk

ocr page 153

BOEK II, TITEL V, ARTT. 599—609.

de gijzeling geschied is, dewelke onverwijld en bij voorraad uitspraak zal doen.

Het bevelschrift van den voorzitter moet op het procesverbaal van den deurwaarder worden gesteld, en terstond worden ten uitvoer gelegd. (Pr. 786, 787; Rv. 293, 295, 297, 324 n°. 13, 611; Stb. 1843 n». 39, a. 3e (Tar. a. 55).)

605. De gegijzelde schuldenaar die geen verzet doet, of wiens verzet wordt afgewezen, zal worden overgebragt in de gevangenis der plaats zijner aanhouding, en indien aldaar geene gevangenis bestaat, in die eener naastbijgelegene gemeente, en is de deurwaarder verpligt van de ingevangenis-stelling dadelijk eene akte op te maken en te onderteekenen.

De deurwaarder en alle anderen, die den schuldenaar mogten overbrengen, ontvangen of vasthouden in eene plaats, niet wettiglijk tot bewaring van gegijzelden verordend, zullen vervolgd worden ter zake van willekeurige gevangenhouding. (Pr. 788; Sr. 282, 283; Stb. 1843 n». 39. a. 3d (Tar. a. 55).)

606. De akte van ingevangenisstelling van den gegijzelde moet vermelden;

1quot;. Het vonnis waarbij de lijfsdwang is uitgesproken; (Rv. 589.)

2°. Den naam, voornaam en de woonplaats van den schuldeischer;

3°. De keus van eene woonplaats in de gemeente alwaar de schuldenaar in de gijzeling wordt gezet; (B. 81; Rv. 602 ii0. 2, 611.)

4°. De namen en de woonplaats van den gegijzelde;

5°. Het voorschot van onderhoud voor ten minste dertig dagen; (Rv. 592.)

6°. Eindelijk, de vermelding dat zoowel van die akte als van het proces-verbaal van gijzeling door den deurwaarder zeiven aan den gegijzelde afschriften zijn overhandigd, hetgeen onmiddellijk zal moeten plaats hebben. (Pr. 789; Rv. 605; R. IV, a. 8; Stb. 1843 nquot;. 39, a. 3d (Tar. a. 55).)

607. De cipier moet de akte van ingevangenisstelling in zijne registers overschrijven, mitsgaders een uittreksel van het vonnis waarbij de gijzeling wordt bevolen, en liet dispositief in deszelfs geheel. (Rv. 59 n°. 3, 589.)

Indien de deurwaarder in gebreke blijft om dat vonnis te vertoonen, moet de cipier weigeren den schuldenaar te ontvangen. (Pr. 790; Rv. 606 n°. 1, 611; Sr. 464.)

608. De vereischten, voor de gijzeling voorgeschreven, moeten voor de aanbevelingen worden inachlgenomen; evenwel zal de deurwaarder van geene getuigen worden vergezeld, en behoeft degene die de aanbeveling doet, geen onderhoud uit te keeren, indien hetzelve reeds voorgeschoten is. (Pr. 793; Rv. 434, 589, 592, 593, 595, 599, 602, 604, 606, 607.)

609. In het geval van artikel 596 nquot;. 2 zal de verschuldigde som aan den cipier in bewaring worden gegeven, zonder dat daartoe eenig regterlijk bevel vereischt wordt.

In geval van weigering van den cipier om die penningen

133

ocr page 154

134 WETBOKK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

in bewaring te nemen, zal hij op korten termijn voor de regtbank der plaats worden gedagvaard, krachtens een daartoe verleend verlof. (Pr. 802; Rv. 7c, 145, 794; B. 1440v.)

610. In geval het ontslag bevolen is bij gebreke van voorschot van onderhoud, mag de schuldeischer den schuldenaar niet wederom doen gijzelen, dan na hem de kosten, tot bekoming van zijn ontslag gedaan, te hebben vergoed, of dezelve, op zijne weigeiing, onder den cipier in bewaring gesteld en tevens zes maanden onderhoud te hebben voor-uitgeschoten.

Men zal de formaliteiten welke de gijzeling voorafgegaan zijn, niet behoeven te hervatten. (Pr. 804; Rv. 592, 597, 599.)

611. Bij gebreke van inachtneming der hierboven voorgeschreven formaliteiten, kan de schuldenaar de nietigverklaring der gijzeling eischen en deze vordering zal, evenals die tot ontslag, gebragt worden voor de regtbank van het arrondissement alwaar hij in gijzeling is gesteld.

De vordering tot nietigverklaring, welke gegrond is op middelen, rakende de zaak ten principale, moet gebragt worden voor de regtbank, welke met de uitvoering van het vonnis belast is.

De dagvaarding zal mogen geschieden op korten termijn, on ter woonplaatse, op het register van den cipier gekozen; de schuldeischer zal kunnen veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, inJien daartoe gronden aanwezig zijn. a) (Pr. 794, 805; Rv. 7c, 324 IIu. 13, 354, 591, 592, 594, 596, 597, 599c, 602 n0. 2, 006 nquot;. 3, 607, 609; B. 1282.)

ZESDE TITEL

Van het vereffenen van kosten, schaden en interessen, mitsgaders van de kosten van den pi-ocesse.

612. De regter, die eene partij verwijst tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, moet het beloop daarvan in het vonnis bepalen; indien hij dit beloop niet heeft kunnen bepalen, moet daarvan door de wederpartij worden opgemaakt een staat, en dezelve ter gekozene woonplaats der partij worden beteekend; de tot bewijs strekkende bescheiden zullen tegen recief aan de partij worden medegedeeld of ter griffe nedergelegd. (Pr. '128, 523; B. 81,461, 661, 663, 1279 v., 1282, 1401 v.; Rv. 125, 271, 435, 456c, 457ft, 462a, 543; R. O. 38 v.; Rv. 5 n0. 1, 133, 137.)

613. Binnen veertien dagen na de beteekening, is de verweerder gehouden een aanbod van zoodanige som tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, te doen, als hij zal te rade worden. (Pr. 524; B. 1441; Rv. 612, 794.)

614. Indien partijen zich niet kunnen verstaan, zal het geschil bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur,

o) In art. 611 (oud) derde lid luidden de eerste woordf n van de laatste zinsnede: «de zaak zal summierlijk worden uitgewezen en de schuldeischer zal» enz.

ocr page 155

BOEK II, TITEL VI EN VII, AHTT. 610—619.

op de teregtzittiug worden gebracht, o) (Pr. 524; Rv. 55, 140 v., 350, 354, 398d, 426.)

615. De vorenstaande bepalingen zijn insgelijks toepasselijk op de taxatie der proceskosten, waarin eene der partijen verwezen is, welke in voege voorschreven worden vereffend (met uitzondering van die bedoeld in het derde lid van art. 56.) (Pr. 543, 544; Rv. 56, 57, 612 v.; Stb. 1843 n*. 66, a. 3 v, (Tar. a. 31 v.); Stb. •1843 n°. 67, a. 10 (Tar. a. 52).)

Het tusschen haaltjes geplaatste bijyevoeyd bij art.

4 der Wet van 23 April 1879 (Stb. nquot;. 75).

ZEVENDE TITEL.

Van het stellen van zekerheid.

616. Het vonnis, waarbij bevolen wordt zekerheid te stellen, zal den termijn bepalen, binnen welken dezelve zal moeten zijn gesteld, en dien, binnen welken dezelve zal moeten zijn aangenomen of betwist. (Pr. 517; B. 390,506c, 528, 539c, 781, 831, 833, 836, 866, 1029, 1081, 1196,1208. 1217e, 1864, 1865, 1867; K. 163, 165, 177, 242; Rv. 52, 53, 152, 153, 293, 307, 3356, 618, 702, 729.)

617. De zekerheid zal moeten worden aangeboden bij eene enkele akte van procureur tot procureur betelt;quot;kend. Dezelve zal op gelijke wijze worden aangenomen. (iJr. 518, 519; Rv. 133.)

618. Indien de genoegzaamheid der zekerheid betwist wordt, is de partij die tegenspraak doet, verpligt de zaak binnen den bij het vonnis bepaalden termijn ter teregtzit-ting te brengen, in deh bij het vorig artikel bepaalden vorm. b) (Pr. 520; Rv. 140 v., 435, 616.)

619. Indien de zekerheid bestaat in eenen borg, en die borg aangenomen of toegelaten wordt, zal hij zich ter griflie schriftelijk verbinden bij eene akte, welke op bevelschrift van den president, uitgegeven in den vorm, bij art. 430 vooigeschreven, zal kunnen worden ten uitvoer gelegd.(Pr. 519, 522; IJ. 1217, 1864, 1865; Rv. 53 n». 5.)

a) In art. 614 (oud) volgden op het slot nog de woorden: « en sumrnierlijk worden uitgewezen, ten ware de zaak voor zoodanige summiere afdoening niet mogt vatbaar zijn. »

b) In art. 618 (oud) werden, in plaats van de woorden: «in den bij het vorig artikel bepaalden vorm », gelezen de woorden: «en dezelve summierlijk bij eene enkele akte voort te zetten».

135

ocr page 156

quot;136 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

DERDEBOE K.

VAN REGTSPLEGING VAN ONDERSCHEIDEN AARD.

EERSTE TITEL.

Van de uitspraken van scheidsmannen.

EERSTE AFDEELING.

Van het compromis en van de benoeming der scheidsmannen.

620. Ieder kan de geschillen omtrent de regten waarover hij de vrije beschikking heeft, aan de uitspraak van scheidsmannen onderwerpen. (B. 103, 249, 385 v., 487 v., •1889a en c; F. 23, 280.)

Allen die op regterlijk gezag zijn aangesteld, of die overeenkomstig de bepalingen van het liurgerlijk Wetboek, of van dat van Koophandel geregtelijke magtiging tot het aangaan eener dading, of tot verkoop van goederen behoeven, mogen, zonder dergelijke magtiging, in hunne betrekking geene zaken aan de beslissing van scheidsmannen onderwerpen. (B. 465, 479, 506. 519, 537,1026,10(i7,1081,1173, 1367, 1482, 1833, 1834, 1889b en c; Rv. 703; F. 14a, 104, 221a n0. 1; Stb. 1871 nquot;. 91, a. 6 n0. 2.)

Men kan zich zelfs vooraf verbinden om geschillen welke in het vervolg mogten kunnen opkomen, aan de uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen. (B. 1354; Rv. 654. —-Pr. 1003.)

Art. 24c der Wet van 10 Mei 1886 (Stb. n0.104), houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling der markgronden: Zij, die krachtens .ingezetenschap tot het genot gerechtigd waren, blijven zulks voor wat betreft het aan de gemeente of afdeeling toebedeelde aandeel, tenzij hun recht worde afgekocht tegen schadeloosstelling, door scheidsmannen in oneffen getal te bepalen, op wier benoeming, werkzaamheden en beslissing de artikelen 624 en volgende van den eersten titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering toepasselijk zijn.

621. Men kan, op straffe van nietigheid, geen compromis aangaan ter zake van giften en legaten tot levensonderhoud, huisvesting of kleeding, van scheidingen tusschen echtge-nooten, het zij uit den echt, het zij van tafel en bed, het zij van goederen, van geschilpunten die den staat van eenen persoon aangaan, noch van eenige andere geschillen waarover de wet geene dading toelaat. (Pr. 1004; B. 140 v., 241 v., 262 v., 288 v., 305 v., 384 v., 1890; Rv. 447 n°. 2, 649 n0. 2, 756 n0. 2.)

622. Behoudens de bepalingen van artikel 29 van dit Wetboek kan ieder die lasthebber kan wezen ook tot scheidsman worden benoemd.

Hiervan zijn uitgezonderd vrouwen en minderjarigen. (B, 385, 478, 506, 1835; Bv. 649 n». 2.)

623. De akte van compromis moet in geschrifte worden

ocr page 157

BOEK III, TITEL I, ARTT. 620— 628.

gesteld en door de partijen geteekend; indien de partijen niet teekenen kunnen, zal dezelve voor eenen notaris en getuigen worden opgemaakt.

Dezelve zal bevatten de onderwerpen van geschil en de voornamen, namen en woonplaats van de partijen, mitsgaders de namen en woonplaats van den scheidsman of der scheidsmannen, welke steeds in oneffen getal moeten zijn.

Alles op straffe van nietigheid. (Pr. 1005, 1006; B. 18886; Rv. 19, 621, 625, 629, 036, 640, 646, 649 nquot;. 2 en 6, 657; Stb. 1842 nquot;. 20, a. 21 v.)

624. Indien, in het geval bij het derde lid van artikel 620 voorzien, de partijen bij het ontstaan van het geschil niet onderling kunnen overeenkomen over de keus, zullen de scheidsmannen benoemd worden, ten verzoeke van de meest gereede partij, door den regter, welke bevoegd zoude zijn geweest om kennis te nemen van het geschil, bijallien het compromis geen plaats had gehad. (R. O. 38 v., 53 v.; Rv. 97 v., 126, 314, 317, 657b.)

625. Het compromis zal den termijn bepalen binnen welken de zaak, aan de scheidsmannen onderworpen, zal moeten beslist zijn; en bijaldien zulks niet bepaald is geworden, zal de last aan de scheidsmannen opgedragen, zes maanden voortduren, te rekenen van den dag dat zij hunne benoeming hebben aangenomen.

Gedurende dien termijn kunnen de scheidsmannen niet herroepen worden dan met eenstemmig overleg van partijen. (Pr. 1007, 1008; Rv. 628, 633, 634, 649 n°. 2, 656; B. 1374.)

626. De scheidsmannen welke niet door den regter zijn benoemd, kunnen niet worden gewraakt, ten zij om redenen na de benoeming opgekomen. (Rv. 2256.)

De scheidsmannen door den regter benoemd, kunnen, indien de partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend in hunne benoeming hebben berust, niet worden gewraakt, ten zij om redenen later opgekomen.

De redenen van wraking zijn dezelfde als voor de reg-ters; zij zullen summierlijk worden beoordeeld door de regtbank bij artikel 624 aangewezen, (liv. 30, 33, 140 v.; Pr. 1014.)

627. De aanneming van den last der scheidsmannen geschiedt schriftelijk.

Dezelve kan op de akte van hunne benoeming worden gesteld. (B. 1830; Rv. 623, 624, 656 n°. 2.)

628. De scheidsmannen welke hunnen last hebben aangenomen, kunnen zich daaraan vervolgens niet meer onttrekken, ten zij om redenen door den regter goed te keuren. Zij kunnen worden veroordeeld tot vergoeding van schaden en interessen jegens de partijen, bijaldien zij zonder wettige redenen geene uitspraak hebben gedaan binnen den termijn daartoe bepaald. (Pr. 1014; B. 1837; Rv. 625, 627, 631.)

137

ocr page 158

138 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

TWEEDE AFDEELING.

Van het geding voor scheidsmannen.

629. Het geding zal gevoerd worden op de wijze en binnen de termijnen bij het compromis, en, bij gebreke daarvan, door de scheidsmannen bepaald. (Pr. 1009; Rv. 623, ti25, 632, C49 n0. 7.)

630. Na alloop van die termijnen, zullen de scheidsmannen gehouden zijn alleen op de ingediende memorien en stukken regt te doen. (Pr. dOlO; Rv. -|(i9, 631 ; Stb. 1843 nquot;. 47, a. 8; Loi du 22 Primaire an VII (Fortuijn I, 484 v.), a. 47.)

631. Bijaldien geene der partijen eenig stuk heeft ingediend, kunnen de scheidsmannen ten verzoeke van dezelve eenen nieuwen termijn bepalen, of verklaren dat hun last geëindigd is. (Rv. 628, 630.)

632. Alle bevelen by voorraad, door de scheidsmannen afgegeven, en elke door hen gemaakte schikking nopens den aanleg van het geding, zullen zonder verdere formaliteiten kunnen worden ten uitvoer gelegd, te rekenen van den dag waarop de scheidsmannen daarvan aan partijen kennis gegeven hebben. (Pr. 1021; Rv. 46, 51, 629.)

633. Indien er geregtelijk onderzoek moet plaats hebben over de echtheid of onechtheid van geschrift, of indien eenig tusschengeschil van eenen lijfstraffelijken aard in de zaak voorkomt, zullen de scheidsmannen de partijen naar den gewonen regter verwijzen.

In dat geval zullen de termijnen hunnen loop hernemen van den dag dat het vonnis of arrest op het incident gewezen, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. (Pr. 1015; Rv. 176 v., 193, 634, 649 n0. 8; R. O. 4.)

634. De bepaling van het tweede lid vai artikel 633 is mede van toepassing wanneer door scheuis nannfMi op een incident wordt uitspraak gedaan, of door hen eene interlocutoire uitspraak wordt gegeven. Zij mogen zelfs in het laatste geval den voor de einduitspraak gestelden termijn verlengen, (iiv. 46c, 247, 625, 629.)

635. Indien een getuigenverhoor door de scheidsmannen is bevolen, en de getuigen niet vrijwillig verschijnen, of weigeren den eed of hunne verklaring af te leggen, zal de meest gereede partij zich bij requeste wenden tot de regt-baiik van het arrondissement waarin dat getuigenverhoor is bevolen, met verzoek om eenen regter-commissaris te benoemen voor wien het getuigenverhoor zal worden gehouden op dezelfde wijze als in gewone zaken.

Inmiddels wordt de loop der termijnen geschorst tot dat het getuigen-verhoor zal zijn afgeloopen. (Rv. 116, 117, 200, 244; B. 1969.)

DERDE AFDEELING.

Van de uitspraak der scheidsmannen.

636. De scheidsmannen zullen naar de regelen des regts uitspraak doen, ten ware het compromis hun de bevoegd-

ocr page 159

BOEK III, TITEL I, ARTT. 629—645.

lieid mogt toegekend nebben om als goede mannen naar billijkheid te oordeelen. (Pr. 1019; Rv. 623, 629, 630.)

637. De uitspraak moet inhouden:

De voornamen, namen en woonplaats van de partijen

De slotsom harer wederzijdsche beweringen;

De beweegredenen en de beslissing. (Rv. 636; R. O. 27.)

Dezelve wordt gedagteekend met vermelding van de plaats waar de beslissing is gevallen en door ieder der scheidsmannen onderteekend. (Pr. 1016; R. O. 20; Rv. 56 v., 59, 625, 638, 649 nquot;. 6, 655.)

638. Bijaldien de minderheid weigert te teekenen, zullen de andere scheidsmannen daarvan melding maken, en de heslissing zal dezelfde kracht hebben alsof dezelve door allen geteekend was. (Pr. 1016; Rv. 628, 637.)

639. Binnen de acht dagen, te rekenen van den dag der beslissing, zal de minuut daarvan door een der scheidsmannen worden nedergelegd ter griffie van de regtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de beslissing is gevallen. (Rv. 624, 626, 640, 642.)

De akte van nederlegging zal geschreven worden aan den voet of op den kant van de nedergelegde minuut, en geteekend worden door den griffier, alsmede door hem welke de nederlegging gedaan heeft.

De griffier zal die akte moeten opmaken; geene kosten, zoo dier akte als van registratie, noch eenige voorschotten te dier zake, mogen van de scheidsmannen worden gevorderd, doch zullen alleen door partijen zelve moeten worden verstrekt, of op dezelve kunnen worden verhaald. (Rv. 56, 57, 623, 643, 650; Pr. 1020.)

640. De scheidsmannen zijn gehouden om met en benevens hunne beslissing tevens ter griffie neder te leggen de oorspronkelijke akte van hunne benoeming, of een authentiek afschrift daarvan. (Rv. 623.)

611. Geene uitspraak van scheidsmannen van welken aard ook is voor verzet vatbaar. (Pr. 1016; Rv. 623, 629, 630, 64amp;v.)

642. De beslissing van scheidsmannen zal worden ten uitvoer gelegd uit krachte van een bevelschrift van den president der arrondissements-regtbank gemeld bij artikel 639.

Dit bevel zal geschreven worden op de minuut en worden overgeschreven op de uitgifte daarvan. (Pr. 1020; Rv. 043, 644, 650a, 652a.)

643. Indien de beslissing van eene zaak in eersten aanleg bij den gewonen regter behandeld, in hooger beroep aan scheidsmannen wordt opgedragen, zal de uitspraak van deze worden nedergelegd ter griffie van het regterlijk kol-legie, hetwelk in hooger beroep van de zaak had moeten kennis nemen, en het bevelschrift zal door den president van dat kollegie gegeven worden. (Pr. 1020; R. O. 38 v., 53, 54, 69; Rv. 332 v., 623, 629, 639 v., 642.)

644. De beslissing van scheidsmannen, voorzien met het bevelschrift van den voorzitter der daartoe bevoegde regtbank, zal worden ten uitvoer gelegd langs den gewonen weg van executie. (Pr. 1021; Rv. 430 v., 650a.)

645. Het regterlijk kollegie door welks voorzitter dit

139

ocr page 160

140 'WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

bevel gegeven is, zal kennis nemen van de geschillen rakende de ten uitvoerlegging van de beslissing der scheidsmannen. (Pr. 1021; Rv. 435, 438, 642, 643.)

VIERDE AF DEELING Yan de voorziening tegen de beslissing van scheidsmannen.

646. Geen beroep van eene beslissing van scheidsmannen zal worden toegelaten, zoo het vermogen daartoe bij het compromis niet is voorbehouden.

Deze voorbehouding zal echter nietig zijn, wanneer zij mogt plaats hebben omtrent zaken in welke de regter, voor wien het geschil anderzins had moeten gebracht zijn, zonder beroep zoude hebben moeten vonnissen. (Pr. 1010; Rv. 623; R. O. 38, 39, 54, 69.)

647. Het beroep van de beslissing van scheidsmannen zal worden gebragt voor den regter die over hetzelve kennis zoude hebben genomen, indien de uitspraak was gedaan door den gewonen regter, ter plaatse waar de nederlegging ter griffie is geschied. (Pr. 1023; Rv. 624, 639; R. O. 54 n«. 5, 09.)

648. Geene voorziening in cassatie, noch het regtsmiddel van request civiel zullen kunnen worden ingesteld tegen eene beslissing van scheidsmannen, zelfs niet al hadden de partijen dit bedongen. (Pr. 1026—1028; G. 165; R. O. 99, 104 V.; Rv. 382 v., 398 v., 647, 649, (555.»

64». De beslissing van scheidsmannen kan, wanneer zij niet vatbaar is voor beroep, als nietig bestreden worden, in de volgende gevallen : (Rv. 646.)

1°. Indien de beslissing gewezen is buiten de grenzen van het compromis; (Rv. 623.)

2°. Indien de beslissing gewezen is op een compromis hetwelk van onwaarde of vervallen is; (Rv. 621,622,

^ ' 623, 625, 656.)

3°. Indien dezelve gewezen is door eenige scheidsmannen welke niet bevoegd waren te vonnissen In afwezend-heid van de anderen; (Rv. 623b, 651b.)

4quot;. Indien er uitspraak gedaan is over zaken welke niet zijn geëischt, of wanneer daarbij meer is toegekend dan gevorderd is; (Rv. 382 n0. 2 en 3.)

5quot;. Indien de beslissing inhoudt tegenstrijdige bepalingen; (Rv. 382 n» 6.)

6°. Indien de scheidsmannen hebben nagelaten uitspraak te doen over een of meer der punten aan hun oordeel, ten gevolge van het compromis, onderworpen; (Rv. 382 n» 4, 623.)

7°. Indien de vormen der procedures welke zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, zijn overtreden, doch dit alleen in het geval wanneer, bij een uitdrukkelijk beding bij het compromis, de scheidsmannen verpligt zijn geworden de regelen der gewone procesorde na te komen; (Rv. 107, 200, 629.)

8quot;. Indien er beslist is op stukken welke na de beslis-

ocr page 161

BOEK III, TITEL I, ARTT. 646—654.

sing van scheidsmannen voor valsch zijn erkend of als zoodanig verklaard; (Rv. 382 nquot;. 7, 633, 6306.)

9°. Indien, na de beslissing afdoende stukken door toedoen van de partij teruggehouden, mogten gevonden zijn; (Rv. 382 n0. 8, 650b.)

10°. Indien de beslissing berust op ontdekt bedrog of arglist, in de procedures gepleegd (Rv. 382 nquot;. 1, 6506. — Pr. 1028; Rv. 653.)

650. De eisch tot vernietiging zal niet ontvankelijk zijn, ten zij dezelve zij ingesteld binnen de drie maanden, te rekenen van den dag der nederlegging ter griffie van de uitspraak van scheidsmannen, a)

Echter zal, in de gevallen opgenoemd onder n0. 8, 9 en 10 van het vorige artikel, de termijn van drie maanden niet beginnen te loopen dan van den dag waarop, het zij de valschheid, het zij het bedrog of de arglist zijn gebleken, of de stukken ontdekt zijn, met dien verstande dat in deze gevallen geen ander dan schriftelijk bewijs ten aanzien van dien dag zal worden toegelaten. (Rv. 387, 651 v., 653.)

651. De eisch tot vernietiging zal gedaan worden bij exploit van dagvaarding, houdende verzet tegen het bevel van uitvoering. (Pr. 1028; Rv. 1 v., 652 v.)

«52. Deze eisch zal worden gebragt voor de regtbank, door welker voorzitter het bevel tot uitvoering gegeven is. (Rv. 645.)

De regtbank zal over dien eisch uitspraak doen, en de partijen kunnen zich, zoo daartoe gronden zijn, tegen dit vonnis voorzien, evenals in gewone regtszaken. (Pr. 1028; Rv. 332 v., 382 v., 398 v., 642, 651.)

653. Indien de scheidsmannen den lijfsdwang tegen de veroordeelde partij in het hoogste ressort hebben uitgesproken, en deze vermeent dat de wet dit dwangmiddel, in het gegeven geval, niet toelaat, kan zij, bij den regter in artikel 652 vermeld, de vernietiging van dat gedeelte dei-uitspraak vorderen, binnen den termijn en op de wijze bij artikel 650 en 651 voorgeschreven, en zulks niettegenstaande alle daarmede strijdige bepalingen, welke bij _de akte van compromis mogten zijn gemaakt. (A. 14; Rv. 585 v., 588.)

VIJFDE A F D E E L I N G.

Van het uiteinde der gedingen voor scheidsmannen.

654. De dood van eene der partijen zal de gevolgen van het compromis of van het beding in het laatste lid van artikel 620 vermeld, niet doen ophouden; de macht der scheidsmannen zal ook niet geacht worden daardoor te zijn herroepen.

a) In art. 650 (oud) werden, in plaats van de woorden: « den dag der nederlegging ter griffie van de uitspraak van scheidsmannen», gelezen de woorden: «den dag der be-teekening van de uitspraak van scheidsmannen aan den persoon of te zijner woonplaats ».

141

ocr page 162

142 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De loop der termijnen van het compromis, zal echter ten aanzien van de erfgenamen van den overledene worden geschorst, tot na het einde der termijnen van boedelbeschrijving en van het regt van beraad. (Pr. 1013; Rv. 254 n0. quot;1, 2C.6; B. 1071, 1354, 1850c.)

655. De last der scheidsmannen houdt op door derzelver beslissing. (Rv. 636 v.)

656. Dezelve houdt insgelijks op:

l0. Door verloop van den termijn bij het compromis bepaald, of hangende het geding, door partijen verlengd; (Rv. 625.)

2°. Na verloop van zes maanden te rekenen van de dag-teekening der akte van aanneming indien geen andere termijn bepaald is; (Rv. 625, 627.)

3°. Door de herroeping der scheidsmannen eenstemmig door partijen gedaan. (B. 1850a, 1851; Rv. 6256 ; Pr. 1012 )

657. De last der scheidsmannen houdt insgelijks op door den dood, de aangenomen wraking of het ontslag van eenen of meer hunner. (Rv. 626, 628.)

Indien echter het tegendeel niet is bedongen, zullen in die gevallen, of door partijen, of, zoo deze deswege niet onderling kunnen overeenkomen, op de vordering van eene of van beide de partijen, door den regter bij artikel 624 aangewezen nieuwe scheidsmannen worden benoemd, met last om het geding op de laatste akten voort te zetten. (Pr. 1012.)

TWEEDE TITEL.

\an procedures betrekkelijk erfenissen.

EERSTE AFDEEL! NG.

Van de verzegeling.

658. In de gevallen waarin, na overlijden, verzegeling moet plaats hebben, geschiedt zulks door den kantonregter van de plaats waarin verzegeld moet worden, in tegenwoordigheid van den griffier. (R. O. 31; B. 880, 1174.)

Hij zal zich te dien einde van een daartoe bestemd zegel bedienen.

Hij stelt eenen bewaarder van de gelegde zegels aan, en benoemt daartoe bij voorkeur den persoon door de belanghebbenden aangeboden, indien deze hem toeschijnt de ver-eischten daartoe te bezitten. (B. 1366, 1738; Sto. 1843 n0. 40, a. 1 (Tar. a, 60). — Pr. 907, 908, 912; B. 245, 270, 301, 520, 880c, 1174; Rv. 659, 661, 666, 80«, 825; F. 7, 93; Sr. 199.)

659. De verzegeling kan worden gevorderd:

1quot;. Door den overgebleven echtgenoot en dcor alle degenen welke mogten beweren eenig regt te hebben tot de nalatenschap of de gemeenschap; (B. 181 n0. 1, 182, 441, 459 v., 506, 879, 880, 1002, 1004 v.)

2°. Door den schuldeischers der nalatenschap, voorzien van eenen executorialen titel, of anders na summier onderzoek van de gegrondheid hunner vordering en

ocr page 163

BOEK III, TITEL II, ARTT. 655—661.

van hun belang bij eene verzegeling, op een verlof van den president der arrondissements-regtbank; (B. 1153; Rv. 430, 661 n°. 3.)

3''. Ingeval de personen onder n0. 1 vermeld niet tegenwoordig mogten zijn, door diegenen die in dienst waren van den overledene, of met hem te zamen woonden; (Rv. 671, 679.)

4°. Door de uitvoerders van den uitersten wil; (li. 1052 v., 1056, 1064.)

5°. Door de naastbestaanden van belanghebbende minderjarigen, ot onder curatele gestelden, indien deze van geene voogden of curators voorzien of hunne voogden of curators niet tegenwoordig zijn. (B. 345, 352; Rv. 660, 670 v. — Pr. 909, 910; C. 820, 1031; B. 1174; Rv. 665, 671, 677, 679.)

660. De verzegeling heeft ambtshalve plaats in geval de de minderjarige of onder curatele gestelde in eene nalatenschap belang- of medebelanghebbende, geenen voogd of curator heeft, of indien de voogd of curator of de echtgenoot van den overledene of een der erfgenamen niet tegenwoordig is, of indien de overledene is openbare bewaarder van eenige zaken. (B. 478, 483, 1056; Stb. 1842 nquot;. 20, a. 62; Rv. 659 n0. 5, 670; F. 7.)

In dit laatste geval zal de verzegeling geen plaats hebben, dan ten aanzien der voorwerpen in deze bewaarhouding begrepen.

De verzegeling uit hoofde van niet tegenwoordigheid zal echter geen plaats hebben, indien de niet tegenwoordige bij schriftelijke volmagt eenen gemagtigde heelt aangesteld, ten einde hem in de nalatenschap of nalatenschappen, welke hem mogten te beurt vallen, te vertegenwoordigen, en deze zich tegen de verzegeling verzet. (B. 1830, 1833.— Pr. 911.)

661. Van de verzegeling moet door een proces-verbaal blijken, hetwelk zal inhouden:

1». De vermelding van den dag en het uur, mitsgaders van de beweegredenen der verzegeling. (Rv. 659, 660.)

Indien deze mogt gevorderd of gedaan zijn, eerst na de begrafenis, moet ook daarvan de reden worden opgegeven;

2°. Den voornaam, naam en de woonplaats van hem op wiens vordering de verzegeling gedaan mogt zijn, en de keuze van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien hij daar niet woont; (B. 81; Rv. 672 nquot;. 3b.)

3°. De magtiging van den voorzitter, indien dezelve verleend is, of wel de vermelding van den execntorialen titel, uit kracht waarvan de vordering is gedaan; (B. 659 nquot;. 2.)

4°. De verschijning en de vorderingen der partijen; (Rv. 659.)

5quot;. Be opgave der plaatsen en der voorwerpen waarop het zegel gezet is, en eene korte beschrijving der goederen welke buiten verzegeling zijn gebleven; (Rv. 660i), 662 v., 666.)

143

ocr page 164

•144 WETBOEK TAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

6°. De namen, de woonplaats en het beroep van den bewaarder; (Rv. 658c.)

7*. Den eed bij de sluiting der verzegeling, welke moet worden afgelegd door degenen welke het huis bewonen, alwaar de verzegeling is gedaan, dat zij niets verduisterd hebben, noch gezien hebben, noch weten dat er iets verduisterd is, het zij middellijk of onmiddellijk. (Pr. 913, 914.)

662. Indien bij de verzegeling eenige niet verzegelde uiterste wil mogt worden gevonden, zal daarvan in het proces-verbaal melding worden gemaakt, en indien eene zoodanige onder-handsche beschikking wordt gevonden als bedoeld is bij artikel 982 van het Burgerlijk Wetboek, zal bovendien daarmede worden gehandeld overeenkomstig artikel 983 van hetzelfde Wetboek. (Pr. 920; B. 979, 985, 990; O. 49; Stb. 1842 n°. 20, a. 41 v.; Rv. 661 n0. 5, 663 v., 681 n«. 8.)

663. Bijaldien er bij de verzegeling verzegelde papieren gevonden zijn, zal de kantonregter van den uitwendigen toestand daarvan doen blijken, gelijk mede van het zegel en van het opschrift, zoo er een is; hij zal voorts den omslag met de tegenwoordige partijen waarmerken, bijaldien dezelve kunnen schrijven, en dag en uur opgeven waarop het pakket door hem zal worden geopend. Hij zal van alles melding maken in zijn proces-verbaal, hetwelk door de partijen zal worden geteekend ; zoo niet, zal er melding gemaakt worden van hunne weigering of onvermogen.

Indien uit het opschrift of anderzins blijkt dat de papieren niet tot de nalatenschap behooren, dat derzeïver opening is verboden, of dat de overledene deswege eene bijzondere bestemming heeft aangeduid, zal de kantonregter, na oproeping der belanghebbenden, die papieren gesloten aan hen overgeven, indien niemand zich daartegen verzet, of anderzins bevelen dat dezelve ongeopend ter griffie van het kan-tongeregt zullen worden overgelegd, ten einde naderhand te worden uitgereikt aan wien zal bevonden worden te behooren. (Pr. 916, 919; B. 987d; Rv. 661 n0. 5, 662, 681 n0. 8.)

661. ïen bepaalden dage, en zonder dat er eenige dagvaarding noodig is, zal de kantonregter de pakketten openen welke niet behooren tot degene waarvan in het laatste lid van het vorige artikel wordt gehandeld; hij zal van den staat daarvan doen blijken, en de voorloopige overlegging daarvan ter griffie van het kantongeregt ter beschikking van de belanghebbenden bevelen. Alles onverminderd de formaliteiten bij den twaalfden titel des twesden hoeks van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van het openen van geheime uiterste willen voorgeschreven, a) (Pr. 918; Rv. 663a, 681 n°. 8; B. 987, 989.)

665. Indien iemand zich tegen de verzegeling verzet, of indien men bij dezelve beletselen ontmoet, of ook indien zich, hetzij vóór, het zij gedurende de verzegeling zwarigheden opdoen, zal daarover in kort geding door den presi-

a) O. E. 1838 en O. E. 1896 geven de laatste zinsnede als een tweede lid.

ocr page 165

BOEK III, TITEL II, AR TT. 662—670.

dent der arrondissement-regtbank worden beslist. Te dien einde zal de verzegeling worden gestaakt en zullen door den kantonregter, buiten of naar gelang van omstandigheden zelfs binnen het huis bewaarders worden gesteld, en hij zal de zaak onmiddellijk aan de beslissing van den president onderwerpen.

De kantonregter kar. echter, indien de zaak geen uitstel gedoogt, bij voorraad daarover beschikken, behoudens zijne verpligting om dezelve naderhand aan de beslissing van den president te onderwerpen. (Pr. 921; Rv. 53 n0. 1,289,296, 658c, 66-1, 675 n». 8.)

666. Indien er in den boedel geene roerende goederen hoegenaamd worden gevonden, zal de kantonregter daarvan bij eene op te maken akte doen blijken.

quot;Wanneer er zich in den boedel roerende goederen bevinden, welker gebruik noodzakelijk is voor de huisgenooten, of die niet gevoegelijk kunnen worden verzegeld, zal de kantonregter daarvan procesverbaal opmaken, bevattende eene summiere beschrijving dier niet verzegelde voorwerpen.

Indien handelpapier in den boedel gevonden wordt, hetwelk niet buiten schade zoude kunnen worden verzegeld, zal de kantonregter daarvan eene beschrijving doen in zijn proces-verbaal, en hetzelve aan de belanghebbenden uitreiken. (Pr. 924; Rv. 661 n». 5; F. 93.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het verzet tegen de ontzegeling.

667. Diegenen welke regt hebben om tegenwoordig te zijn bij het opmaken van den inventaris, kunnen tegen het ligten der zegels in hunne afwezendheid verzet doen. (C. 821; Rv. 668, 672 n». 3, 673, 680.)

668. Het verzet tegen het ligten der zegels zal gedaan worden bij eene geschrevene of mondelinge verklaring van den opposant, dewelke hij op het proces-verbaal van verzegeling zal doen inschrijven, en welke verklaring bevatten zal de redenen van verzet en keus van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling plaats heeft, zoo de opposant daar niet woont. (Pr. 926, 927; B. 81 v.; Rv. 53 n0.1, 90, 661.)

DERDE AFDEELING.

Van ontzegeling.

669. Het zegel mag niet worden opgeheven, behalve in het geval van dringende noodzakelijkheid, waaromtrent de kantonregter beslist, dan na drie volle dagen sedert de begrafenis, indien hetzelve vóór de begrafenis gelegd is, of sedert dat het zegel gelegd is, indien dit eerst na de begrafenis heeft plaats gevonden. (Pr. 928; Rv. 53 n0. 1, 661 n». Ib, 675; B. 1401.)

670. Indien de erfgenamen of eenigen van hen minder-

10

145

ocr page 166

146 WETBOEK VAN BURGERLIJKE BEGTSVORDERING.

jarig en zonder voogden zijn, zal er tot de ontzegeling niet mogen worden overgegaan, alvorens in derzelver voogdij voorzien is geworden. (Pr. 929; B. 444, 473, 483; Rv. 659 n0. 5, 660, 677.)

671. Alle degenen welke volgens artikel 659 van dit Wetboek regt hebben om verzegeling te laten doen, kunnen ook de ontzegeling vorderen; uitgezonderd alleen zij welke bet zegel hebben doen leggen krachtens n0. 3 van dat artikel. (Pr. 930; B. 444; Rv. 659 n«. 4 j». B. 1055; Rv. 659 n0. 5 j0. 670.)

672. De formaliteiten om tot ontzegeling te kunnen overgaan, zijn:

1°. De vordering daarvan, op het verbaal van verzegeling aangeleekend met keuze van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien de verzoeker aldaar niet woont en indien zulks niet reeds geschied is; (B. 81; Rv. 661 n0. '2, 668.)

2°. Ken bevel van den kantonregter, den dag en het uur voor de ontzegeling bepalende; (Rv. 661, 675 n0. 3.)

3°. Eene aanmaning om bij de ontzegeling tegenwoordig te zijn, welke ten minste vier en twintig uren voor de ontzegeling gedaan moet worden aan den overgebleven echtgenoot, aan de vermoedelijke erfgenamen, voor zoo verre die bekend zijn, aan de uitvoerders van den uitersten wil, aan de schuldeisehers op wier vordering de vej-zegeling gedaan is, en aan allen welke tegen eene ontzegeling buiten hunne tegenwoordigheid zijn opgekomen. (B. 441, 506; Rv. 659, 608.)

De aanmaning zal gedaan worden aan de gekozene woonplaats voor de laatstgenoemde scbuldeischers en opposanten, en het zal overigens niet noodig zijn dezelve te laten doen aan de overige opgenoemde personen, indien zij buiten het arrondissement woonachtig zijn, doch de kantonregter zal voor hen te hunnen koste, eenen notaris of ander vertrouwd persoon stellen om hen, bij hunne afwezigheid, bij de opheffing der zegels en de beschrijving dos boedels te vertegenwoordigen. (B. 1057; Rv. 13, 661 nquot;. 2, 668, 672 n». 1, 675 n». 4, 680. — Pr. 931.)

673. De overgeblevene echtgenoot, de vermoedelijke erfgenamen, of degenen die hen vertegenwoordigen, en de uitvoerders van den uitersten wil, kunnen bij alle de zittingen van ontzegeling en boedelbeschrijving tegenwoordig zijn.

Het staat den kantonregter vrij om na de eerste zitting, de overige, volgens het voorgaande artikel, geroepenen bij de volgende zittingen niet anders toe te laten dan gezamenlijk door éénen gemagtigde, en te hunnen koste, vertegenwoordigd, omtrent wien zij zonder uitstel zullen overeenkomen of die anders door den kantonregter zal worden benoemd. (B. 1848.)

Indien een dezer belanghebbenden echter bijzondere of tegenstrijdige belangen mogt beweren, kan hij op vergunning van den kantonregter, in persoon blijven verschijnen of wel zich te zijnen koste, door eenen bijzonderen gemag-

ocr page 167

BOEK III, TITEL II, ARTT. 671—677.

tigde laten vertegenwoordigen. (Pr. 932, 933; Rv. 672.)

674. De ontzegeling wordt gedaan door den kanton-regter in tegenwoordigheid van den griffier.

Indien de kantonregter, na daartoe gedane vordering, rnogt weigeren de zegels op te hellen, zal dit verschil door den voorzitter der arrondissements-regtbank in kort geding worden uitgemaakt. (Rv. 289.)

675. Het proces-verbaal van ontzegeling moet bevatten:

1°. De vermelding van dag en uur waarop die gedaan

wordt; (Rv. 661 n0. 1.)

2°, Den naarn en woonplaats of gekozene woonplaats van hem die de ontzegeling gevorderd heeft; (Rv. 671, 67-2 n°. 1.)

3°. De vermelding van het bevel tot ontzegeling; (Rv. 672 n0. 2.)

4°. De vermelding der aanmaning bij n0. 3 van artikel 672 voorgeschreven;

5°. De verschijning en alle de vorderingen of beweringen van partijen;

6quot;. De herkenning van de zegels, en de bevinding der-zelve als gaaf en ongeschonden. Indien zij dit niet mogten zijn, de vermelding van den toestand waarin zij worden gevonden en van de maatregelen welke door den kantonregter dientengevolge noodig geoordeeld en genomen mogten zijn; (Sr. 199; Sv. 10.)

7°. De benoeming van eenen notaris en van schatters, indien daartoe gronden zijn, door de belanghebbenden te kiezen, of bij verschil door den kantonregter te benoemen, mitsgaders de eedsallegging der schatters; (Rv. 289, 675 n». 8. 676, 681 n°. 1, 682.)

8quot;. De opgave der zwarigheden en verschillen bij de ontzegeling ontstaan, waarop eene uitspraak zal moeten vallen. In dat geval verwijst de kantonregter partijen voor den president der arrondissements-regtbank in kort geding. (Rv. 289, 665.)

Het bevelschrift, houdende diens beslissing, wordt op het proces-verbaal van ontzegeling ter neder geschreven. (Pr. 936.)

676. Indien bij ophelfing der zegels de reden van der-zelver legging niet is vervallen, en bij die opheffing eene boedelbeschrijving moet plaats vinden, worden de zegels opgeheven naar gelang deze beschrijving gedaan wordt; aan het einde van elke zitting worden dezelve weder op het nog niet beschrevene doch reeds ontzegelde, gelegd. (Pr. 937; Rv. 661 n». 1, 677, 679; 681.)

677. Ingeval de reden der verzegeling vervalt eer de ont-zegoling is geschied of terwijl deze geschiedt, worden de zegels ineens opgeheven en houdt de verdere tegenwoordigheid op van den kantonregter bij de boedelbeschrijving, indien deze gedaan mogt worden. (Pr. 940; B. 441, 1055 j 1056, 1057, 1071, 1174; Rv. 661 n». 1, 679.)

147

ocr page 168

148 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

VIERDE AFDEEL1NG.

Van inventarisatie of boedelbeschrijving.

678. Boedelbeschrijving zal na de opheffing der zegels, indien daaromtrent de belanghebbenden eenstemmig zijn, onderhands kunnen worden opgemaakt in alle de gevallen waarin de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel mogt hebben hebben bepaald. (B. 182, 444, 520, 830c, 1028, 1037, 1174; K. 430; F. 94.)

De akte van boedelbeschrijving door partijen onderteekend, moet ter griffie van het kantongeregt waar het sterfhuis gevallen is, na door partijen voor den kanton-regter beëedigd te zijn, worden overgebragt, op dezelfde wijze als dit ten aanzien van minderjarigen bij artikel 444 van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. (B. 80; Rv. 681.)

679. Alle degenen welke volgens artikel 659 van dit Wetboek het regt hebben om verzegeling te laten doen, hebben het regt om bij ontzegeling de inventarisatie of boedelbeschrijving te vorderen, uitgezonderd alleen zij welke het zecel hebben doen leggen krachtens n0. 3 van dat artikel. (Pr. 941; B. 1087, 1195 n°. 1; Rv. 671, 676, 680.)

680. Indien bij de opheffing der zegels tot eene boedelbeschrijving wordt overgegaan, zal dit in de tegenwoordigheid geschieden van de personen opgenoemd bij n0. 3 van artikel 672, en op den voet gelijk dat aldaar voor de ontzegeling is bepaald. (Pr. 932, 942; Rv. 673, 675 nquot;.7, 676, 679; B. 1057.)

681. In de gevallen waarin ook buiten verzegeling, eene boedelbeschrijving in de wet wordt voorgeschreven, of waarin eene boedelbeschrijving op eene ontzegeling volgt, zal de boedelbeschrijving behalve de formaliteiten van alle openbare of a) onderhandsche akten moeten bevatten: (B 182, 444; K. 430; Rv. 678b; F. 94; Stb. 1842 n». 20, a. 21 v.; B. 1905, 1911, 1917.)

1°. De voornamen, namen en woonplaatsen van de tegenwoordige of vertegenwoordigde personen en van hunne vertegenwoordigers ; van de niet tegenwoordige, indien zij bekend en daartoe opgeroepen zijn, en van de schatters; (Rv. 675 n0. 7, 680; B. 182, 4486, 830c, 1028, 1037, 1124.)

2quot;. De opgave der plaats waar de beschrijving gedaan is, en de goederen zijn gevonden; (Rv. 658.)

3°. De korte beschrijving der goederen met de vermelding der waardering van de roerende goederen; (Rv. 681 nquot;. 1.)

4°. De opgave van de muntspecien, alsmede van de hoedanigheden, het gewigt en de keur van het gouden zilverwerk; (Rv. 468; Stb. 1852 n0. 178; Stb. 1859 n0. 31.)

5°. De opgave van aanteekenings-boeken of registers, zoo er die zijn. Indien de beschrijving notarieel wordt

a) In O. E. ontbreekt het woord: of.

ocr page 169

BOEK III, TITEL II, ARTT. 678—685.

opgemaakt, zullen deze op de eerste en laatste bladzijde door den notaris worden gewaarmerkt, en indien de boedelbeschrijving onderhands is, zal dit door eenen der belanghebbenden, bij overeenkomst daartoe te kiezen, worden gedaan; (B. 1918; K. 6 v.)

6°. De vermelding der gevondene titels en de schriftelijke verbindtenissen ten laste of bate des boedels; (B. 1921 v., 1928.)

7°. De vermelding van den eed bij het sluiten der boedelbeschrijving, het zij in handen van den notaris het zij in handen van den kantonregter afgelegd, door hen die vóór dezelve in het bezit der goederen zijn geweest, of het huis bewoond hebben, waarin dezelve zich bevinden, dat zij niets hebben verduisterd, noch gezien hebben, noch weten dat iets verduisterd is; en eindelijk (B. 444, 1949; Rv. 661 n0. 7, 6781'.)

8°. Dat gehandeld is met in den boedel gevonden testamenten en met papieren niet tot de nalatenschap behoorende, overeenkomstig het voorschrift van artikel 662, 663 en 664, en de vermelding aan wien de effecten en papieren des boedels zijn overgegeven, het zij krachtens de wet, het zij volgens overeenkomst der belanghebbenden. (B. 982 v., '1054; Stb. 1842 n0. 20, a. 30, 31 j». Stb. 1878 nquot;. 29, a. 5; B. 1911. — Pr. 943.)

682. Indien bij de boedelbeschrijving zwarigheden of verschillen ontstaan, zullen de partijen, benevens de notaris die dezelve mogt opmaken, zich vervoegen voor den voorzitter der arrondissements-regtbank van de plaats waar de boedelbeschrijving gedaan wordt, om daarop in kort geding bij voorraad te doen beslissen. (Pr. 944; Rv. 289 v., 296, 6046, 665f), 6746, 675 nquot;. 86.)

VIJFDE AFDEEL! NG.

Van den verlioop der roerende goederen.

683. Indien alle de erfgenamen meerderjarig zijn, en het vrije beheer hunner goederen hebben, zal de verkoop der roerende goederen, behoorende tot eene nalatenschap, kunnen worden gedaan op zoodanige plaats en wijze als de belanghebbenden zullen overeenkomen. (Pr. 952; B. 163, 385, 478, 487 v., 10596, 1080, 1116; Rv. 684, 689, 701.)

684. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van roerende goederen waarin minderjarigen, onder curatele gestelden of afwezigen belang hebben, of wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal de verkoop in het openbaar door eenen bevoegden ambtenaar worden gedaan, overeenkomstig de plaatselijke gebruiken. (Pr. 945, 946; A. 3; Rv. 686, 690, 704; Loi du 22 Pluviose ah VII (Fortuijn II, 2).)

685. Indien echter alle belanghebbenden daarin toestemmen, zal de kantonregter, ook wanneer onder de belanghebbenden minderjarigen of onder curatele gestelden

•149

ocr page 170

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVOBUERING.

zijn, naar gelang der omstandigheden kunnen toelaten dat de verkoop geschiede op eene der andere wijzen voorgeschreven bij artikel 447 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. «45; Rv. 463 v., 691, 704.)

686. Wanneer de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de kantonregter, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan.

Hij zal daartoe den dag bepalen, en den openbaren ambtenaar aanwijzen door wien dezelve zal worden gedaan, zoo de partijen deswege niet zijn overeengekomen.

Hij zal tevens gelasten dat van dit een en ander aan de overige belanghebbenden kennis worde gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodanigen tijd als hij naar de omstandigheden zal vermeenen te behooren. (Pr. 946, 947; li. 447; Kv. 684, 687, 692.)

687. De verkoop zal plaats hebben zoo wel in afwe-zendheid als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen. (Pr. 950; Rv. 686c, 693.)

688. Ingeval er zwarigheden rijzen, zal daarop door den voorzitter der arrondissements-regtbank bij voorraad in kort geding worden beslist. (Pr. 948; Rv. 289, 29*2, 694.)

ZESDE AFDEELING.

Fan den verkoop der onroerende goederen.

689. Bijaldien de onroerende goederen alleen aan meerderjarigen toebehooren, die het vrije beheer hunner goede-ren hebben, zullen dezelve verkocht kunnen worden, op zoodanige wijze als dezelve zullen overeenkomen. (B. 163, 385, 478, 479, 4846, 487 v., 10596, 1080, 1116; Rv. 683, 690, 701.)

690. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van onroerende goederen voor het geheel of ten deele toebehoorende aan minderjarigen, onder curatele gestelden of afwezigen, of ook wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal die verkoop plaats hebben op de wijze voorgeschreven bij artikel 453 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 953, 954 ;Rv. 684, 692, 704; B. 1122.)

691. Wanneer alle de belanghebbenden er in toestemmen, zal, ook ingeval dat minderjarigen of onder curatele gestelden onder die belanghebbenden zijn, de arrondissements-regtbank, naar gelang der omstandigheden, kunnen toelaten dat de verkoop der onroerende goederen geschiede op de wijze, voorgeschreven bij artikel 45i van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 954; B. 506, 112'2; Rv. 685; Stb. 1874 n». 68.)

692. Indien de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de arrondissements-regtbank, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan.

Indien partijen deswege niet overeengekomen zijn, zal zij daartoe den dag bepalen en den notaris benoemen ten wiens overstaan de verkoop zal geschieden. Zij zal tevens gelasten dat van dit alles aan de overige belanghebbenden

150

ocr page 171

BOEK III, TITEL II, ARTT. 686—700.

kennis worde gegeven, op zoodanige? wijze en binnen zoo-danigen tijd als zij naar gelang der omstandigheden zal vermeenen te behooren. (Pr. 955 v.; B. 453,1122; Rv. 686.)

693. De verkoop zal zoowel buiten als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen plaats kunnen hebben. (B. 1122; Rv. 687, 692b.)

694. In geval er zwarigheden ontstaan, zal daarop dooiden president der arrondissements-regtbank bij voorraad en bij kort geding worden beslist. (13. 1122; Rv. 289,292,688.)

ZEVENDE AFUEEL1NG.

Van de verdeeling.

(Verg. de Wet van 10 Mei 1886 (Stb. n0. 104), tot bevordering van de verdeeling van markgronden.

De artikelen 095, 696 en 698 van deze afdeeling zijn vastgesteld bij de Wet van 31 Mei 1843 (Stb. n0. 23).

695. De regtsvordering tot boedelscheiding wordt voor de regtbank van het arrondissement ingesteld bij dagvaarding in den gewonen vorm. (Pr. 966; B. 183, 628, 1112, 1689; Rv. 126ot n0. 1, 129e.)

696. Het vonnis waarbij een boedelscheiding wordt bevolen, zal inhouden de benoeming van eenen notaris, ten wiens overstaan dezelve zal worden tot stand gebragt, indien de belanghebbenden zich over de keuze van den notaris niet kunnen verstaan.

Daarbij kan de dag bepaald worden, waarop partijen gehouden zullen zijn te verschijnen, zonder dat het in dat geval noodig zal zijn dezelve op te roepen. (Pr. 976; B. 1115, 1117, 1118 v.)

697. Bijaldien in den loop der werkzaamheden van de scheiding zwarigheden ontstaan, zal de notaris daarvan een afzonderlijk proces-verbaal opmaken, behelzende de beweringen van partijen.

Een afschrift van hetzelve zal door hem gebragt worden ter griffie, en de meest gereede partij zal hare wederpartij voor de arrondissements-regtbank doen dagvaarden. (Pr. 973; B. 1121e; Rv. 289.).

698. Wanneer, gedurende de werkzaamheden der scheiding, het noodig bevonden wordt, dat eenige roerende goederen verkocht worden, wordt daartoe overgegaan, overeenkomstig de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek en der vijfde afdeeling van dezen titel. (Pr. 970, 972; B. 447; Rv. 683 v.)

699. De notarissen zijn verpligt aan elk der partijen zoodanige afschrilten of extracten van de akte van scheiding af te geven als de belanghebbenden zullen vorderen. (Pr. 983; R. 1922; Rv. 839, 840; Stb. 1842 n». 20, a. 40.)

ACHTSTE AFDEELINQ.

Van het voorregt van boedelbeschrijving. 700. Bijaldien de erfgenaam die zich beraadt, overeen-

15't

ocr page 172

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

komstig artikel 1073 des Burgerlijken Welhoeks, zich wil doen magtigen tot den verkoop van roerende goederen tot de nalatenschap behoorende, zal hij te dien einde verzoek doen aan de regthank van het arrondissement, in wier regts-gehied de nalatenschap is opengevallen. (Pr. 986; B. 80, 10736; IC. 803; Bv. 784.)

701. Wanneer er moet worden overgegaan tot den verkoop van roerende of onroerende goederen van de nalatenschap, zal de erfgenaam, welke dezelve onder voorregt van boedelbeschrijving zal hebben aanvaard, gehouden zijn zich te gedragen naar de voorschriften, vervat in artikel 1080 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 986, 987 v.; B. 451,1075.)

702. Indien een beneficiaire erfgenaam, op de daartoe aan hem gedane sommatie van schuldeischers of belanghebbenden, weigert of nalaat de zekerheid te stellen, vermeld in artikel 1081 Burgerlijk Wetboek, kan hij daartoe, na verloop van acht dagen, in regten worden geroepen, en indien hij alsdan weigerachtig blijft of niet verschijnt, zal door de arrondissements-reglbank een curator worden benoemd, om te handelen zooals bij het tweede lid van voorschreven artikel is voorgeschreven. (Pr. 992 v.; Bv. 126»! n». 1, 616, 617 v., 700, 703.)

703. De reglsvorderingen welke een beneficiaire erfgenaam ten laste der nalatenschap mogt hebben, zullen door hem tegen de overige erfgenamen worden ingesteld, en indien er geene andere erfgenamen zijn, of indien die regts-vorderingen door allen worden ingesteld, zal dit geschieden tegen eenen curator over de onder voorregt van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, die op dezelfde wijze zal worden benoemd als de curator over eene onbeheerde nalatenschap. (Pr. 996; B. 1078 n°. 2, 1173a; Bv. 324 n0. 6.)

NEGENDE AFDEEL ING.

Van den curator over eene onbeheerde nalatenschap.

152

704. De curator van eene onbeheerde nalatenschap, die zal willen overgaan tot den verkoop van roerende of onroerende goederen tot die nalatenschap behoorende, zal gehouden zijn na te komen de formaliteiten, ten aanzien van den verkoop van goederen, aan minderjarigen toebe-hoorende, voorgeschreven bij artikel 684, 685 en 690 hierboven. (Pr. 1000, 1001; B. 1172, 1173; Bv. 784.)

DEBDE TITEL. Van boedelafstand, a) 705. Boedelafstand geschiedt, wanneer een schuldenaar,

a) Het opschrift van den derdel Titel is aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillisse-mentswet. Oorspronkelijk luidde dat opschrift: «Yan boedelafstand en de vormen van dien ».

ocr page 173

BOEK III, TITEL II EN III, ARTT. 701—710. 153

die zich buiten staat bevindt zijne schulden te betalen, alle zijne goederen aan zijne schuldeischers overlaat.

De boedelafstand is vrijwillig of geregtelijk. (C. 1265, 1266; Co. 566; B. 1177, 1178; Rv. 447 n°. 2 v., 448, 700, 708, 756 n«. 1.)

706. Boedelafstand behoeft de vrijwillige aanneming van de schuldeischers. Hij heeft geen ander gevolg dan hetgeen voortspruit uit de bepalingen van de overeenkomst zelve tusschen hen en den schuldenaar aangegaan; behoudens de bepaling van artikel 708 hieronder. (C. 1267; Co. 567; B. 1374; Rv. 596 n». 3.)

Het tweede lid van art. 705 ingetrokken en art. 706 aldus gewijzigd vastgesteld bij artt. 2 en 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

707. De geregtelijke boedelafstand is eene gunst, ivelke de ivet aan den ongelukkigen en te goeder trouw gehandeld hebbenden schuldenaar toekent, aan wien het veroorloofd wordt, tot behoud van zijne persoonlijke vrijheid, alle zijne goederen geregtelijk aan zijne schuldeischers af te staan, niettegenstaande ook het tegendeel mogt zijn bedongen.

708. Boedelafstand, het zij vrijwillig, het zij geregtelijk, draagt den eigendom aan de schuldeischers niet over; zij geeft hun alleenlijk het regt om de goederen ten hunnen voordeele te doen verkoopen, en er de vruchten van te trekken tot de verkooping toe.

Hetgeen na de voldoening van alle de schuldeischers mogt overschieten van de opbrengst van den verkoop zal aan den schuldenaar worden uitgekeerd. (C. 1269; Co. 574; Pr. 904; Rv. 4806, 562, 706.)

Art. 707 ingetrokken en het cursief gedrukte van art. 708 vervallen bij de artt. 2 en 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.

709. De schuldeischers kunnen den geregtelijken boedelafstand niet weigeren, ten zij in de gevallen door de wet uitgezonderd, of wanneer zij mogten kunnen aantoonen dat de schuldenaar net ter goeder trouw had gehandeld.

De boedelafstand brengt ontslag van lijfsdwang mede.

Dezelve bevrijdt den schuldenaar niet verder dan tot het beloop van de waarde der afgestane goederen, en wanneer deze onvoldoende mogten zijn, is hij verpligt diegene, welke hem daarna mogten aankomen, aan zijne schuldeischers over te laten tot de volle betaling toe.

Echter kan de schuldenaar, in het laatste geval, het noodige levensonderhoud voor zich en zijn huisgezin eischen.

710. Tot het voorregt van boedelafstand worden niet toegelaten:

a) Het oorspronkelijke artikel 706 luidde; «De vrijwillige boedelafstand is die, welken de schuldeischers vrijwillig aannemen en die geen ander gevolg heeft dan hetgeen voortspruit uit de bepalingen van de overeenkomst zelve tusschen henen den schuldenaar aangegaan; behoudens de bepaling van artikel 708 hieronder».

ocr page 174

154 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

1». De vreemdelingen, die geene vaste woonplaats in het koningrijk hebben;

2°. Die als hankbreukigen of ter zake van een der in de artikelen 342, 343 en 346 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven veroordeeld zijn;

3° Voogden, bestuurders, bewaarders en andere reken-plic/tige personen, indien zij in hunne veranhvoor-ding als zoodanig te kort komen;

4°. Die schuldifj zijn aan stellionaat, indien hetzelve gepleegd is ten nadeele van een der zich verzettende schuldeischers.

711. Er bestaat stellionaat:

Wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

Wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft dan die met welke die goederen bezwaard zijn.

712. De schuld,'tiaar, die den geregtelijken boedelafstand wil doen, is gehouden alvorens eenen inventaris der baten en lasten zijns boedels, door de vereischte bescheiden gestaafd, benevens eene door hem opgemaakte waardering zijner goederen en baten, ter griffie van de regtbank van het arrondissement, waarin hij woont, neder te leggen, ter inzage zijner schuldeischers.

713. Hij zal vervolgens aan de regtbank een verzoekschrift indienen om tot den boedelafstand te worden toegelaten, tevens met verzoek om zijne schuldeischers, legen eenen door de regtbank te bepalen bekwamen termijn, te mogen doen oproepen, ten einde daarop ten overstaan van eenen daartoe le benoemen regter-commissaris te ■morden gehoord.

714. De verzoeker is verpligt het hevel dvor de regtbank op dit verzoek uitgevaardigd, binnen vier dagen, bij exploit van eenen deurwaarder aan het gebouw alwaar dezelve regtbank zitting houdt, te doen aanplakken en voorts daarvan aankondiging te doen in zoodanige nieuwspapieren als de regter zal aanwijzen.

715. De regtbank kan ook de meer bijzondere oproeping bij dagvaarding der voornaamste schuldeischers bevelen.

716. Ten dage dienende zal de regter-commissaris proces-verbaal doen houden van de verschijning der schuldeischers en van der zeiver toestemming of tegenspraak.

In geval van toestemming zal de regter-commissaris, wanneer niet alle de schuldeischers zijn verschenen, bevelen dat die, welke afwezend -zijn gebleven, andermaal op dezelfde wijze worden opgeroepen. In geval van tegenspraak verwijst hij partijen zonder verdere oproeping tegen eenen bekwamen termijn naar de regtbank, en beveelt ten aanzien der schuldeischers, die niet verschenen zijn, eene tweede oproeping, op dezelfde wijze als de eerste, voor de regtbank, ten einde aldaar alsnog hunne belangen in te brengen.

ocr page 175

BOEK III, TITEL III EN IV, ARTT. 711—723. 155

717. Ter audientie van de arrondissements-reglbank doet de regter-commissaris zijn rapport; vervolgens wor den de partijen summierlijk in hunne belangen gehoord en heslist de regtbank op het aan haar ingediend verzoek.

718. Het verzoek van boedelafstand schorst geenerlei relt;ji^vervolging, onverminderd de bevoegdheid der regtbank om, na verhoor of behoorlijke oproeping van partijen, bij voorraad in het hoogste ressort eene schorsing te bevelen.

Tegen deze voorloopige uitspraak zal echter de niet verschenen partij in verzet kunnen komen.

719. De schuldenaar en de schuldeischers, welke het verzoek van boedelafstand hebben tegengesproken, kunnen van het vonnis der regtbank in hooger beroep komen ; zij, die niet zijn verschenen, zijn noch tot verzet, noch tot hooger beroep, noch tot cassatie ontvankelijk.

720. In geval de verzoeker tot den boedelafstand wordt toegelaten, benoemt de regtbank bij hetzelfde vonnis eenen of meer curators, ten einde de roerende en onroerende goederen van den schuldmaar te verkoopen en den boedel tot effenheid te brengen.

Indien de schuldenaar tot den handelstand behoort, worden te dien aanzien de voorschriften van den eersten titel des derden boeks van het Wetboek van Koophandel gevolgd, en indien hij geen koopman is, die van den laatsten titel van dit boek.

De artikelen 709—720 ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.

VIERDE TITEL.

Van middelen tot bewaring van zijn regt.

EERSTE A F DEELING.

Van het beslag tot revindicatie van roerende goederen.

721. Ieder, die regt heeft tot revindicatie of reclame vmt roerend goed, kan dit in beslag nemen, a) (13. 505 v., 62i), 037, 038, 1191, 1739. 2014; K. 230, 240,242,243,244,555 gt;

722. T ot dit beslag mag niet worden overgegaan, dan krachtens een bevelschrift door den voorzitter der regt-hiuik uitgevaardigd, op een verzoekschrift, waarbij de goe-deit-u kortelijk moeten zijn omschreven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo wel tegen de partij, als tegen den deurwaarder, die tot inbeslagneming, zonder zoodanig bevelschrift, zal zijn overgegaan. (Pr. K2ti V.; Rv, 17, 58, 96, 450.')

723. De voorzitter kan verlof verleenen om dit beslag zelfs op zondag te doen. (Pr. 828; Rv. 14,122a, 2896, 001.)

a) Art. 721 (oud.) De eigenaar van roerend goed, welke regt heeft tot revindicatie of reclame, kan hetzelve onder eiken bezitter in beslag nemen.

ocr page 176

•156 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

724. Indien degene bij wien de goederen, welke men wil in beslag nemen, zich bevinden, de deuren weigert te openen, of zich tegen de inbeslagneming verzet, zal men zich onverwijld vervoegen tot den president der arrondisse-ments-regtbank, en ter plaatse waar geene regtbank gevestigd is, tot den kantonregter, doch inmiddels het beslag moeten staken, onverminderd de bevoegdheid van den arrestant om eene wacht aan de deur te plaatsen. (Pr. 829; Rv. 289, 442 v., 603.)

726. Dat beslag zal in denzelfden vorm geschieden als de inbeslagneming bij executie van roerende goederen. (Pr. 830; Rv. 439 v., 440c, 443, 450 v.; Sr. 198.)

726. Binnen acht dagen na het beslag zal er een eisch worden ingesteld tot van-waarde verklaring van het beslag. Deze eisch, mitsgaders de eisch tot opheffing van het beslag, zullen gebragt worden voor den bevoegden regter van den persoon tegen wien de inbeslagneming gedaan is.

De dagvaarding, waarbij de eisch is ingesteld, zal, indien deze niet is gerigt tegen hem, bij wien de goederen in beslag zijn genomen, binnen acht dagen nadat zij is gedaan, aan laatstgenoemde worden beteekend.

Indien de eisch tot van-waardeverklaring niet is ingesteld en de dagvaarding, in het geval in het vorig lid bedoeld, niet is beteekend binnen de daarvoor gestelde termijnen, vervalt het beslag van regtswege. a) (Pr. 831; Rv. 7 v., 90, 126« v., 314, 7326, 738, 7G3c, 770C.)

Art. 22 der 'Wet, van 28 Juni 1881 (Stb. n0.124). tof regeling van het auteursrecht: Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslagnemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend rechl door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De arlt. 722 tot en met 726 van bet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.

TWEEDE A F U E E L I N G.

Van de inbeslagneming of arrest in handen van den schuldenaar.

727. De president van de arrondissements-regtbank kan aan iederen schuldeischer. die summierlijk van de deugdelijkheid zijner schuldvordering doet blijken, en aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering door den schuldenaar van diens roerende of onroerende goederen,

a) In art. 726 (oud) ontbraken het nu tweede en derde lid en luidde het toen tweede lid: «Indien de eisch tot van-waarde verklaring niet binnen den voorzeiden termijn is ingesteld, vervalt het beslag van regtswege».

ocr page 177

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 724—734.

verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van dien schuldenaar; hij kan ook, daartoe gronden vindende, laatstgemelde vooraf in kort geding in zijn belang hooren. a) (Co. 172; B. 1177 v.; Rv. 289, 303 v., 308, 3216, 733, 768, 770A).

728. Bij het verleend verlof, wordt het bedrag der schuldvordering tot welker verzekering het beslag verleend wordt, uitgedrukt. (Rv. 306, 44?, 736, 770A.6.)

729. De president kan, dit verlof verleenende, tevens gelasten, dat het beslag niet zal mogen geschieden dan onder het stellen van zekerheid voor de kosten, schaden en interessen, welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt.

In dat geval moet de zekerheid worden aangeboden bij het exploit van inbeslagneming, en zal het den gearresteerde vrijstaan om, de aangebodene zekerheid niet voldoende achtende, zich deswege voor den president in kort geding te voorzien. Desniettemin zal alsdan het beslag voorloopig kunnen worden gelegd. (Rv. 289, 307, 618, 732, 735c, 770Ab.)

730- De formaliteiten, voorgeschreven voor de inbeslagneming bij executie van roerende goederen, zijn ook ten deze toepasselijk. (Rv. 439 v., HOh; Sr. 198.)

731. Degeen tegen wien het verlof tot inbeslagneming zijner roerende goederen verleend is, kan onverwijld daartegen opkomen, het zij in kort geding voor den president, het zij voor de arrondissernents-regtbank. (Rv. 289, 309, 732, 770Ab.)

732. De opheffing van het beslag zal worden gelast, indien door den schuldenaar genoegzame zekerheid wordt gesteld voor de schuldvordering, waarvoor het beslag is gelegd, alsmede , indien na verhoor van partijen, summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het onnoodige van het beslag mogt blijken. (Rv. 310, 727, 728, 733.)

Van regtswege vervalt dit beslag, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen nadat hetzelve is gelegd. (Rv. 8, 309a, 734.)

In alle deze gevallen kan de arrestant worden verwezen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (B. 1282, 1401; Rv. 612 v 770A.?), 770E.)

733. De ten uitvoerlegging der bevelschriften en der uitspraken van den president, in de vorige artikelen vermeld, kan worden bevolen met of zonder borgtogt niettegenstaande verzet, hooger beroep of cassatie. (Rv. 53b, 293. 297, 311, 398c, 616 v, 770Aigt;, 808Ba.)

734. De eisch tot van-waarde verklaring van het beslag

a) In art. 727 (oud) werden, in plaats van de woorden: «en aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering door den schuldenaar van diens roerende of onroerende goederen», gelezen de woorden; «en aantoont dat zijn schuldenaar heeft aangevangen met het verduisteren van zijne roerende goederen ».

157

ocr page 178

158 WETBOEK VAN BURGER I.I.IKE BEGTSVORIIERING.

zal worden gebragt voor de arrondissoments-regtbank, welke bevoegd is, om over de schuldvordering, voor welke het beslag gedaan is, kennis te nemen. (Rv. ISGa v., 314, 321, 770A6.)

DERDE A F D E E L I N G.

Van arrest onder derden.

735. Behoudens het geval, in de tweede afdeeling van den tweeden titel des tweeden boeks van dit Wetboek vermeld, kan ieder schuldeiscber, uit krachte van authentieke of onderhandsche bescheiden, beslag leggen, onder handen van derden, op de gelden en goederen aan zijnen schuldenaar verschuldigd of toebehoorende, of zich tegen derzelver afgifte verzetten. (Rv. 475 v.; B. 1905, 1911 v.)

Indien er geene bescheiden bestaan, kan de president der regtbank van het arrondissement, waarin de schuldenaar woont, en zelfs die van het arrondissement, waarin derden, onder welke gelden en goederen zich bevinden, woonachtig zijn, op een verzoekschrift verlof geven tot het arrest.

De bepalingen van artikel 729 zijn in dit geval mede toepasselijk.

Het arrest zal echter kunnen worden opgeheven tegen behoorlijke borgstelling voor het bedrag der som, voor welke hetzelve gedaan is. (Bv. (316 v., 732. 738, 739, 757A. •— Pr. 557, 558; B. 1424; F. 232.)

736. leder exploit van arrest moet beva'ten de omschrijving van de bescheiden of de vermelding van's regters verlof, mitsgaders de som waarvoor de inbeslagneming gedaan is. (Rv. 735.)

Niet vereffende vorderingen en de kosten waarin de schuldenaar zal kunnen worden veroordeeld, worden door den regter voorloopig begroot, a) (Rv. 728.)

Het exploit moet insgelijks bevatten de verkiezing van eene woonplaats ter plaatse alwaar de derde, onder wien beslag gelegd is, woonachtig is, indien de inbeslagnemer aldaar zijne woonplaats niet heeft. (B. 81.)

Alles op straffe van nietigheid van het gedaan arrest. (Rv. 90. — Pr. 559; Rv. 5, 4406, 757B.)

737. Het exploit van eene inbeslagneming onder ontvangers of andere bewaarders van openbare kassen of gelden, moet gedaan worden aan die ambtenaren of degenen, die zich aan het hoofd van het kantoor bevinden, en door deze op het oorspronkelijke voor «gezien» worien geteekend. In geval van weigering, moet de deurwaarder daarvan melding maken. (Pr. 561; Bv. 757.)

738. Binnen acht dagen na het doen van het beslag, is de arrestant, op straffe van nietigheid van het arrest, ver-

a) In art. 730 (oud) luidde het tweede lid; «Indien de vordering niet vereffend is, zal dezelve voorloopig door den regler begroot worden ».

ocr page 179

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 735—742.

pligt hetzelve aan den schuldenaar te beteekenen, en den-zelven te dagvaarden tot van-waarde verklaring voor de regtbank van het arrondissement waarin hij woont, die ook kennis zal nemen van den eisch tot ophefling van het arrest.

De bovengemelde termijn zal met acht dagen worden verlengd, wanneer de schuldenaar niet woont binnen het regtsgebied van het geregtshof, waarbinnen de schuldeischer woont.

De arrestant is daarenboven verpligt, mede op stiaffe van nietigheid van het arrest, afschrift van de dagvaarding tot van waardeverklaring aan den derden gearresteerde te beteekenen binnen acht dagen, nadat die dagvaarding is uitgebragt. a) (Pr. 563, 567; R. O. 38, 54; Rv. 8, 126a, 726. 732, 734, 735c, 739, 740, 751, 757B, 7706.)

739. Indien de schuldenaar opheffing van het arrest bekomt, zal de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (B. 1282; Rv. 757B.)

740. Indien de inbeslagneming van-waarde verklaard is, zal het vonnis aan den derde, onder wien het beslag is gelegd, binnen den tijd van eene maand, na de uitspraak worden beteekend; wanneer de arrestant dien termijn laat verloopen, zullen de betalingen door dien derde gedaan, van waarde zijn. (B, 1424; Rv. 86, 432, 479.)

741. Te gelijk met de beteekening van het vonnis, waarbij het beslag is van-waarde verklaard, moet de derde gearresteerde voor deszelfs bevoegden regter worden gedagvaard, ten einde verklaring te doen van hetgeen hij van den gearresteerde onder zich heeft, of aan hem verschuldigd is; voorts om te worden veroordeeld, om dat, wat dienvolgens blijken zal aan den gearresteerde toe te komen, af te geven, of ter executie over te geven, ten behoeve van den arrestant, ten einde daaraan diens vordering te verhalen, en om, bij gebreke van het doen der voormelde verklaring, te worden verwezen tot de voldoening van het bedrag dei-vordering, waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, met de interessen en de kosten, evenals ware hij daarvan zuivere schuldenaar. (Rv. 126a, 432, 479, 746, 752, 754, 755.)

Bij deze dagvaarding worden de gewone termijnen in acht genomen. (Rv. 7 v. — Pr. 570, 577.)

159

742. De verklaring zal met redenen moeten omkleed zijn; zij zal inhouden: eenen staat der gelden of roerende goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak, en van het bedrag van deszelfs schuld; van de betalingen op rekening, zoo die inogten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting, indien de derde gearresteerde beweert niets meer

a) In art. 738 (oud) ontbraken het nu tweede en derde lid. Het toen tweede lid, reeds gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n0. 138), luidde: «De bovengemelde termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de schuldenaar binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woont ».

ocr page 180

160 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

schuldig te zijn, en in allen gevalle de andere inbeslagnemingen welke onder hem mogten zijn gedaan. (Pr. 573, 578; B. -1371 v., 1417; Rv. 546.)

743. Zij wordt ten dage dienende ter audientie gedaan en moet schriftelijk, door of namens den derden gearresteerde onderteekend, worden overgegeven. (Pr. 571 v.; Rv. 135 v., 141.)

744. Indien de derde gearresteerde zijne verklaring uitbrengt, en deze wordt deugdelijk bevonden, en indien hij niet betwist de gevraagde veroordeeling tot afgifte, moeten hem alle de kosten aan zijne zijde gevallen, worden goed-gedaan, en hij kan niet verpligt worden tot eenige af- of overgifte, dan tegen voldoening of onder korting derzelve. (Pr. 576; B. 1961 ; Rv. 745, 755).

745. Indien de derde gearresteerde vermeent wettige gronden te hebben, om het doen der verklaring tegen te spreken, zal hij, indien zijne gronden worden verworpen, verwezen worden, om alsnog, op eenen bepaalden dag, zijne verklaring uit te brengen, tevens met verwijzing in de kosten, a) (Rv. 56 v., 744.)

746. Indien hij op de dagvaarding ter verklaring, of op den dag bij het vorig artikel vermeld, nalatig blijft in het uitbrengen der verklaring, wordt tegen hem verleend verstek, en hij, uit krachte daarvan, verwezen in het bedrag der vordering waarvoor het beslag gedaan is, met de interessen en kosten; even als ware hij daarvan zuivere schuldenaar. (Pr. 577; Rv. 76 v., 138, 741, 744 v., 747.)

747. Tegen dit vonnis is het hem echter toegestaan in verzet te komen, mits aanbiedende om de kosten te voldoen; en indien alsdan, na gedane verklaring, bli kt dat hij aan dengenen, tegen wien beslag gedaan is, niels verschuldigd is, of dat hij van dezen niets onder zich heeft, zal hij op het verzet worden ontlast van de tegen hem gevallene verwijzing in het bedrag der vordering waarvoor bet beslag is gedaan. (Rv. 81 v., 89, 748.)

748. Indien op dit verzet blijkt dat hij minder dan het bedrag der vordering van den arrestant onder zich heeft of verschuldigd is, volstaat hij met de voldoening of afgifte daarvan, benevens de vergoeding der door zijne nalatigheid geledene kosten, schaden en interessen. (Rv. 744, 746.)

749. De arrestant kan den derde, onder wien het beslag gelegd is, noodzaken de waarheid zijner verklaring met eede te bevestigen. (Pr. 571; Rv. 742; B. 1966, 1969.)

750. Indien bij betwisting der verklaring de derde gearresteerde in het ongelijk gesteld wordt, ial de verklaring door den regter worden verbeterd, en de derde gearresteerde alzoo worden verwezen tot voldoening of afgifte van hetgeen zal zijn gebleken door hem verschuldigd te zijn of onder hem te berusten.

a) In art. 745 (oud) werden, in plaats van de woorden: «zal hij, indien zijne gronden worden verworpen», gelezen de woorden: «zal dit geschil summierlijk worden behandeld, en hij zal, indien zijne gronden worden verworpen».

ocr page 181

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 743—755.

Hij kan in dat geval bovendien worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. cO (Pr. 570; Rv. 56. 742, 745, 746, 755; 13. 1282.)

751. De gelden welke alzoo blijken van den gearresteerde onder den derde te berusten of door dezen aan den gearresteerde verschuldigd te zijn, zullen door den derden gearresteerde aan den arrestant worden uitbetaald, tot het bedrag van de aan hem bij het vonnis van deugdelijk verklaring toegewezene vordering, en des noods op den derden gearresteerde, uit krach te van het tegen hem gewezen vonnis, bij executie worden verhaald. (Rv. 82AÖ, 470, 471, 757C6.)

752- Op gelijke wijze kan de derde gearresteerde worden gedwongen tot afgifte der gearresteerde goederen, welke zijn gebleken onder hem te berusten; deze worden bij executie verkocht, en de kooppenningen aan den arrestant tot het bedrag van het aan hem verschuldigde uitbetaald. (Pr. 579 ; Rv. 462 v., 470, 480, 741, 7570.)

753. Oppositie tegen de afgifte van de opbrengst van de in beslag genomene goederen wordt niet toegelaten. (Rv. 457v.. 757Cb.)

754. Indien echter, voordat het vonnis tot afgifte tegen den derden gearresteerde, overeenkomstig de vordering bij artikel 741 vermeld, is gewezen, meerdere inbeslagnemingen door andere schuldeischers, onder den derden gearresteerde, zijn gedaan, zal het vonnis tot afgifte worden geacht, ten behoeve van allen te zijn gewezen, en het gearresteerde of de opbrengst van dien, onder allen worden verdeeld, naar het bedrag waarvoor elke vordering zal zijn deugdelijk verklaard, op de wijze, als in de derde afdeeling van den tweeden titel des tweeden boeks van dit Wetboek is bepaald. De derde gearresteerde zal tot de afgifte niet kunnen worden verpligt voordat alle de onder hem gedane beslagnemingen zullen zijn van waarde verklaard of opgeheven.

leder arrestant, wiens arrest is van waarde verklaard, kan, wanneer andere arrestanten hunne vordering tot deugdelijk-verklaring niet vervolgen op de termijnen van regtspleging bij dit Wetboek voorgeschreven, in het tot dat einde hangend geding tusschenkornen, en incidenteel vorderen, dat een termijn van afdoening worde gesteld, na verloop waarvan het arrest, voor zooverre het alsdan niet deugdelijk zal zijn verklaard, als opgeheven zal beschouwd worden. (Pr. 575, 579; Rv. 285, 480—490, 511, 512, 742, 757D.)

755. Indien deze schuldeischers mogten vermeenen niet te kunnen berusten in de verklaring, door den derden gearresteerde gedaan, of door den regter verbeterd, kunnen zij,

a) In art. 750 (oud) ging aan het nu eerste en tweede lid vooraf een toen eerste lid luidende; «Indien de verklaring wordt betwist, wordt de zaak als eene summiere zaak voortgezet en afgedaan, ten zij de regter, op verzoek van eene der partijen, mogt bevelen, dat dezelve op de gewone wijze zal worden behandeld.»

De aanvang van het nu eerste, toen tweede lid luidde : «Indien de derde gearresteerde in het ongelijk » enz.

•161

11

ocr page 182

WETBOEK VAN «URGERUJKE REGTSVORDERING.

behoudens hun regt van tusschenkomst, hangende het geding nopens de verklaring, den derden gearresteerde als noy oproepen tot nadere verklaring en verwijzing, overeen-komslig artikel 741; mits daartoe andere gronden en bewijsmiddelen bijbrengende, dan in het afgeloopene geding met andere sohuleischers zijn gebezigd. (Rv. 285, 744, 750, 754, 757D.)

756. Dit beslag zal niet gelegd mogen worden:

1°. Op de goederen, welke de wet verklaard heeft voor geene inbeslagneming vatbaar te zijn; (Rv. 447,448.)

'2». Op in regton toegewezene gelden tot onderhoud; (B. 280, 301, 37(5 v.)

3°. Op gelden en jaarwedden tot onderhoud, welke door den ei llater of schenker voor geene inbeslagneming vatbaar zijn verklaard. (D. 1823; F. 21 nquot;. 1).

Evenwel kunnen de voorwerpen, in n0. 2 en 3 begrepen, worden in beslag genomen wanneer zij mogten dienen tot verhaal van onderhoud waarop de arrestant zelf aanspraak heeft. (Pr. 581, 582; B. 1177, 1178; Rv. 757B(); F. 21.)

Art. 21c der Wet van 7 Mei 1856 (Stb. n0. 32), omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen: Op de gagie (van den schipper en de schepelingen) kan geen beslag gelegd worder.

Art. 2:ift der Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 87), tot regeling der brievenposterij: Behoudens de gevallen voorzien in art. 2S dezer wet en de gevallen bij de wet omschreven, wordt beslag op stukiien aan de zorg der posterijen toevertrouwd, niet toegelaten.

757. Bezoldigingen en pensioenen wegens ambten of bedieningen kunnen niet in beslag worden genomen dan voor zoodanig gedeelte, en op zoodanige wijze, als door de bijzondere wetlen wordt bepaald. (Pr. 580; F. 22; Rv. 737, 7578; Stb. 1815 n». 5; Stb. 1846 n». 24, a. 40; Stb. 1851 n0. 127, a. 68; Stb 1851 nquot;. 129, a. 67; Stb. 1890 n0. 78, a. 30; Stb. 1890 n». 79, a. 22.)

757A. Het beslag in deze afdeeling vermeld kan door den schuldeischer, uit krachte van authentieke of onder-handsche bescheiden, ook gelegd worden onder zich zeiven

Echter zal het beslag krachtens onderhandsche bescheiden niet kunnen worden gelegd, dan na op het daartoe ingeleverd verzoekschrift verkregen verlof van den president der regtbank van het arrondissement, waarin de beslaglegger woont.

Het arrest zal kunnen worden opgeheven tegen behoorlijke borgstelling of betaling van het bedrag der som, voor welke hetzelve gedaan is. a) (B. 1463; Rv. 735, 766.)

757B. Het arrest wordt gelegd bij een exploit gedaan aan dengene, ten wiens laste het arrest gelegd wordt.

162

Dit exploit moet bevatten de omschrijving van de bescheiden en, indien het onderhandsche bescheiden zijn, bovendien de vermelding van 's regter- verlof, voorts eene

a) De artikelen 757A, 757B, 757C en 7571) zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 183

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 756—7Ö8.

naauwkeurige vermelding van de goederen of schuldvorderingen waarop, en van de som waarvoor de inbeslagneming gedaan wordt.

Niet vereffende vorderingen en de kosten, waarin de gearresteerde zal kunnen worden veroordeeld, worden door den regter voorloopig begroot.

Het exploit moet wijders inhouden dagvaarding voor de regtbank van het arrondissement, waarin de gearresteerde woont, tot van-waardeverklaring van het arrest en tot aanwijzing van hetgeen daaronder valt. Deze regtbank zal ook kennis nemen van den eisch tot opheffing van het arrest.

De artikelen 739, 756 en 757 zijn ook op dit arrest van toepassing, a) (Rv. 736, 738, 741, 742)

757C. De regter zal over de geheele bij de dagvaarding gedane vordering bij één vonnis uitspraak doen, tenzij hij mogt bevinden, dat een deel daarvan vroeger dan het andere kan worden afgedaan, in welk geval zulks zal mogen geschieden.

Indien de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de arrestant bevoegd zijn op datgene wat volgens hel vonnis onder het arrest valt. het hem verschuldigde te verhalen overeenkomstig de bepalingen der artikelen 751, 752 en 753 van dit Wetboek, a) (Rv. 757R.)

7571). Indien echter, voordat een vonnis gewezen is, krachtens hetwelk verhaal kan plaats hebben, meerdere inbeslagnemingen door andere schuldeischers onder den arrestant zijn gedaan, zal dat vonnis ten aanzien van allen gelden, en'zullen overigens de artikelen 754 en 755 van dit Wetboek toepasselijk zijn. met dien verstande dat aan deze schuldeischers het in artikel 755 bedoelde regt toekomt, indien zij beweren, dat meer dan waarop de arrestant beslag heelt gelegd, onder hem berust of door hem verschuldigd is.

Evenzoo zal, indien voordat het beslag van artikel 757A gelegd is, onder den in dat artikel bedoelden schuldeischer door andere schuldeischers beslag is gelegd, het bepaalde in de artikelen 754 en 755 ook aan eerslgenoemden schuldeischer ten goede komen, a) (Rv. 742.)

VIERDE AFDEELING.

Van pandbeslag voor haren en pachten.

163

758. De verhuurders van gebouwen en landelijke eigendommen, hetzij daarvan eene huurcedul is opgemaakt of niet, kunnen éénen dag, na gedaan bevel, zonder verlof van den president der arrondissements-regtbank, of ook dadelijk, zonder voorafgaand bevel met zoodanig verlof, voor verschenen huren in beslag doen nemen, de goederen, welke bij artikel 1186 en 1188 van het Burgerlijk Wetboek voor de huurpenningen verbonden zijn verklaard. (Pr. 819; B. 1185 n0. 2,

a) De artikelen 757A, 757B, 757C en 757D zijn nieuw bij ge oegd.

ocr page 184

164 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

1189, 1617, 1625; Rv. 8, 4396, 447, 448amp; n0 . 3, 502, 563, 760 j». 440b.)

759. De goederen van denzelfden aard, voor zooveel die aan onderhuurders toebehooren, kunnen in beslag genomen worden voor huren, door den eersten huurder verschuldigd, maar zij zullen opheffing van het beslag bekomen, wanneer zij bewijzen dat zij zonder arglist hebben betaald.

Zij kunnen geene betalingmi doen gelden bij voorraad , gedaan, dan voor zoover zulks geschied is overeenkomstig artikel 1618 des Burgerlijken Wetboeks (Pr. 820; B. 11866.)

760. Het beslag zal gedaan worden op gelijke wijze als het beslag op roerende goederen; de persoon, tegen wien het beslag gelegd is, kan worden aangesteld tot bewaarder, ten zij het vruchten gelde, welke nog tak- of wortelvast zijn; in welk geval de veldwachter bij voorkeur tot bewaarder zal worden benoemd. (Pr. 821; Rv. 439 v., 440b, 450; Sv. 19; Sr. 198.)

761. Indien beesten, of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde, welke reeds van den grond zijn afgescheiden, of de zoodanige welke nog tak- en wortelvast zijn, in beslag zijn genomen, kan de kantonregter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing en inzameling der vruchten zorg te dragen. (Bv. 451; Sr. 198.)

762. Indien vruchten te velde, het zij dezelve reeds van den grond zijn afgescheiden, het zij dezelve nog tak- en wortelvast zijn, in beslag worden genomen, zal het procesverbaal van inbeslagneming moeten inhouden de opgave van 'ieder stuk gronds waarop dezelve zich bevinden, des-zelfs inhoud zoo na mogelijk, zijne ligging en ten minste twee belendingen, alsmede de soort der vruchten. (Pr. 627; B. 1186; Rv. 128.)

763. De in pandbeslag genomen goederen kunnen niet worden verkocht, dan nadat het beslag bij vonnis van de arrondisseinents-regtbank, en na oproeping van dengenen tegen wien hetzelve is gelegd, zal zijn van-waarde verklaard.

Indien het beslag, overeenkomstig artikel 1188 van het Burgerlijk Wetboek, onder eenen derde is gedaan, zal ook deze geroepen worden, om hetzelve van-waarde te hooren verklaren.

Het beslag vervalt van regstwege, indien de eisch tot van-waarde-verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat het is gelegd, a) (Pr. 824; Rv. 726. 732, 738, 757Bd, 767, 770, 770C.)

VIJFDE AFDEELING,

Van beslag tegen schuldenaren, die geene bekende woonplaats hebben, en legen vreemdelingen.

764. Ieder schuMeischer, zelfs die geen schriftelijk bewijs in handen heeft, kan zonder voorafgaand bevel, maar met

a) In art. 763 (oud) ontbrak het derde lid.

ocr page 185

BOEK UI, TITEL IV, ARTT. 759—770A.

3, vergunning van den president der regtbank van het arron

dissement waarin zich de goederen bevinden, en zelfs van ie den kantonregter in plaatsen waar geene arrondissements

in regtbank zitting heeft, beslag doen leggen op de goederen

J, van zijnen schuldenaar indien deze geene bekende woon-

!r plaats binnen het rijk heeft. (Pr. 822; B. 74; Rv. 305 v.,

439ft, 502, 563, 765 j». 440b, 727 v., 758, 769, 770Aa.) d . 765. De formaliteiten, in dit Wetboek voorgeschreven

g ten aanzien van het executoriaal beslag op roerende goe-

.) deren, zijn op dit beslag toepasselijk. (Pr. 825; Rv. 440 v.)

Is 766. Öe arrestant zelf is van regtswege bewaarder der

n in beslag genomene goederen, ingeval deze zich onder hem

r, bevinden: zoo niet, wordt daarover een bewaarder aange-

it steld. (Pr. 823; Rv. 450, 757A v.; B. 1185 n0. 6 en 7,

1193; Sr. 198.)

i, 767. De voorschriften van het eerste lid van artikel 763,

gelden ook voor dit beslag, en de eisch tot van-waarde ', verklaring wordt ingesteld voor de regtbank, binnen welker

regtsgebied het beslag gelegd is. (Pr. 824.)

768. Vreemdelingen, welke geen vast verblijf binnen het koningrijk hebben, kunnen, zonder dat er een vonnis ten hunnen lasle bestaat, op bevel van den voorzitter der arrondissements-regtbank, bij voorraad worden gegijzeld, ter zake eener vervallen en opeischbare schuld, jegens eenen Nederlander aangegaan.

De formaliteiten, bij de tweede afdeeling van den vijfden titel van het tweede boek van dit Wetboek voorgeschreven, zijn ook op deze gijzeling toepasselijk. (Loi du 10 Septembre 1807 (Rondonneau I, 423); A. 9;Rv. 585n0. 10, 589, 600 v., 769; Stb. 1892 nquot;. 268, a. 1—3, 12.)

769. De opheffing der inbeslagneming en gijzeling, in deze afdeeling bij de artikelen 764 en 768 vermeld, kan worden gevorderd tegen het stellen van behoorlijken burg-togt of andere voldoende zekerheid voor de schuld met de interessen en kosten. (Rv. 324 n0. 13, 616, 732, 770.)

770. De inbeslagneming en gijzeling houden van regtswege op, of de gestelde zekerheid vervalt, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat de goederen in beslag zijn genomen, of de schuldenaar is gegijzeld.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de inbeslagneming, indien zij onder derden is gedaan, wanneer de dagvaarding tot van-waarde-verklaring niet binnen acht dagen, nadat zij is uitgebracht, is beteekend aan dengene, bij wien de goederen in beslag genomen zijn. a) (Rv. 8, 738, 757lid, 763c, 764, 768, 769, 77.0C.)

ZESDE AFDEELING.

Van hel beslag op onroerend goed.

165

770A. fn de gevallen, voorzien bij de artikelen 303, 304, 305, 727 en,764 van dit Wetboek, kan ook verlof verleend

a) In art. 770 (oud) ontbrak het tweede lid.

ocr page 186

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

worden om beslag te leggen op een of meer bepaald aan te wijzen onroerende goederen van den schuldenaar.

Op dit beslag zijn van toepassing de bepalingen van de laagte zinsnede van artikel 7-27 en de artikelen 728, 729, 731, 732, 733 en 734 van dit Wetboek, a) (B. 562 v.; Rv. 502 , 544.)

770B. Het beslag wordt gelegd in den vorm en met de gevolgen in de artikelen 504, 505 en 506 van dit Wetboek vermeld, met deze uitzondering, dat de deurwaarder zich niet op het in beslag te nemen onroerend goed behoeft te begeven en dat in plaats van den titel, in artikel 504, 2°. genoemd, het verlof moet worden vermeld, uit krachte waarvan de inbeslagneming geschiedt. (Rv. SOSF.)

Bovendien moet in het proces-verbaal van inbeslagneming op straffe van nietigheid worden aangewezen de regter, voor wien de vordering tot van-waardeverklaring zal worden ingesteld, a) (Rv. 730, 770C, 770F.)

770C. De arrestant is verpligt om binnen veertien dagen, nadat dit beslag is gelegd, de door hem ingestelde vordering tot van-waardeverklaring tegen vertoon der dagvaarding te doen aanteekenen ter griffie van het in het proces-verbaal van beslag genoemd regterlijk collegie in een tot dat doel te houden register, a) (Rv. 726, 734, 738, 757Bd, 763, 770, 770R, 770F.)

770D. Zoodra na van-waardeverklaring van het beslag overgegaan wordt tot uitvoering van het vonnis, wordt dat beslag als een executoriaal beslag aangemerkt en geschiedt de verkoop overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeeling van den derden titel van het tweede boek van dit Wetboek.

De termijn van artikel 508 gaat in op den dag, waarop het vonnis van van-waardeverklaring wordt beteekend. cc) (Rv. 502 v., 523 v., 770C.)

770E. Onverminderd het bepaalde in artikel 732 van dit Wetboek is de arrestant, die het gelegd beslag niet binnen den daartoe gestelden termijn door eene vordering tot van-waardeverklaring vervolgt, verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen, zoo daartoe gronden zijn, de overschrijving in de openbare registers te doen doorhalen, binnen acht dagen, nadat de termijn voor het instellen der vordering tot van-waardeverklaring is verstreken, a) (B. quot;1401; Rv. 739, 7/0Bfc, //0C, 770F.)

■166

770F. Indien de arrestant niet voldaan heeft aan het voorschrift van hel vorig artikel, wordt de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming in de openbare registers doorgehaald uit kracht van eene verklaring van den griffier van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 770B, in het proces-verbaal van beslag aangewezen regterlijk collegie, vermeldende, dat binnen den in het vorig artikel vermelden termijn bij hem geen aanteekening is geschied van het instellen der vordering tot van-waardeverklaring.

a) De artikelen 770A—770G zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 187

BOEK III, TITEL IV EN V, AKTT. 770B—772.

De doorhaling der overschrijving in de openbare registers zal evenzeer geschieden;

1°. uit kracht van de toestemming tot doorhaling der overschrijving van hem, ten wiens verzoeke zij is geschied, blijkende in voege als bepaald in artikel 1'240 Burgerlijk Wetboek. (Rv. 770A.)

2°. uit kracht van liet vonnis, houdende last tot opheffing van het beslag. (Rv. 770A6 j0. 732.)

Builen de toesteimnii g der belanghebbenden wordt de overschrijving niet doorgehaald dan met inachtneming der bepaling van artikel 432 van dit Wetboek met deze wijziging, dit de termijn van acht dagen na de beteekening van het vonnis vervangen wordt door dien van ééne maand na de uitspraak.

3quot;. uit kracht van eene verklaring van den griffier, vermeldende, dat van de instantie is afstand gedaan of dat dezelve is vervallen. (Rv. 277 v., 279 v.)

Indien de zaak naar een ander regterlijk collegie verwezen is, moet de hier bedoelde verklaring, met vermelding van het vonnis der verwijzing, worden algegeven door den griffier van het collegie, waar de zaak ten gevolge dei-verwijzing behandeld is. a) (Rv. 273 v. — Rv. 770Ba j0. 505, 808G; B. 1239 v.)

770G. De akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemag-tigd of een authentiek afschrift van zoodanige akte, alsmede de verklaringen, in het vorig artikel vermeld, blijven onder den hypotheekbewaarder berusten.

Een authentiek uitlreksel van het vonnis houdende last tot ophelfiug van het beslag wordt hem ter hand gesteld, o) (B. 1240, 1905; Rv. 770A6 j» 732, 770F, 808G.)

V JJ F D E TITEL.

Van het doen van rekening en verantwoording.

771. Rekenpligtigen, die nalatig zijn in het doen van rekening, worden daartoe door de belanghebbenden, bij gewone dagvaarding, opgeroepen, en het geding wordt op de gewone wijze gevoerd. (Pr. 527; B 160, 179, 362, 363, 387b, 467, 503, 506, 521, 528, 532, 538, 541, 837, 1061, 10X2, 1176, 1390, 1839; Rv. 1 v., 126a en p, 135 v., 782.)

772. Bij het vonnis, waarbij het doen van rekening gelast wordt, moet de tijd worden bepaald, binnen welken dit geschieden moet, en een regter-commissaris benoemd, ten wiens overstaan de rekening zal worden gedaan.

De regter-commissaris bepaalt den dag, waarop de rekening zal worden gedaan.

167

Indien de rekenpligtige in gebreke blijft om op den bepaalden dag te verschijnen, of rekening te doen, zal hij, indien dit geêischt is, daartoe worden genoodzaakt, door de inbeslagneming en den verkoop zijner goederen, tot zoodanig bedrag, als bij het vonnis zal worden bepaald.

a) De artikelen 770A—770G zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 188

168 WETEOElv VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De lijfsdwang kan ook tegen hem worden uitgesproken, indien de regter zulks noodig oordeelt. (Pr. 530 v., 534:Ri'. 56. 441,, 499, 585 n°. 4, 9 en 11, 598; B. 468, 1064.)

773. Indien in hooger beroep een vonnis wordt vernietigd, waarbij een eisch tot het doen van rekening en verantwoording was afgewezen, zal de rekening gedaan en beoordeeld worden voor den regter, voor wien de eisch is ingesteld geweest, of voor zoodanigen anderen regter, als bij de uitspraak in hooger beroep daartoe zal worden aangewezen. (Pr. 528; Rv. 354, 772.)

774. De rekening moet de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten. In geval de ontvangsten de uitgaven te boven gaan, kan degene, aan wlen de rekening gedaan wordt, van den regter commissaris vorderen een bevelschrift tot de uitbetaling van dat meerdere; zonder dat hij geacht wordt daardoor de rekening te hebben goedgekeurd. Dit bevelschrift zal worden uitgegeven in den vorm vermeld in artikel 430. (Pr, 533, 535; Rv. 778, 781, 79-2.)

775. De rekening zal aan de wederpartij worden be-teekend, en de tot bewijs strekkende bescheiden tegen recief, of door middel van de griffie, worden medegedeeld. Deze beteekening zal binnen een termijn, door den regter-commis-saris bij het doen der rekening vast te stellen, moeten geschieden.

Deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overlegd.

Ingeval binnen voorzegden termijn de beteekening niet heeft plaats gehad, zijn op den rekenpligtige van toepassing bet derde en het vierde lid van art. 772 van dit Wetboek, a) (Pr. 536, 537; Loi du 22 Frim. an VII (Fortuijn I, 484 v.) a. 42; Stb. 1843 n°. 47, a. 8, 27iis. B. 429b en 521a en Rv. 147d; Rv. 773, 776, 777c, 787b.)

776. Indien zij, aan wie de rekening gedaan moet worden, verschillende procureurs hebben gesteld, en echter hetzelfde belang hebben, zal de hierboven vermelde beteekening en mededeeling alleen aan den oudsten procureur gedaan worden.

Indien zij echter verschillende belangen hebben, zal die mededeeling afzonderlijk geschieden aan ieder der door hen gestelde procureurs. (Pr. 529, 536; Rv. 775.)

777. Binnen den tijd van eene maand na de beteekening zal degene, aan wien de rekening gedaan wordt, dezelve goedkeuren, of anders aan ziine wederpartij eene schriftuur van debat doen beteekenen, ten zij de regter-commissaris, om billijke redenen, aan hem een langer uitstel verleend hebbe. (Rv. 775a,)

Binnen eenen gelijken termijn, na de beteekening dei-schriftuur van debat zal het aan hem, die de rekening gedaan heeft, vrijstaan aan zijne wederpartij een memorie van contre-debat te doen beteekenen, tot regtvaardiging van zijne rekening en oplossing van de daar tege:i ingebragte beden-

o) In art. 775 (oud) eerste lid ontbrak de laatste zinsnede ; ook ontbrak het derde lid.

ocr page 189

BOEK III, TITEL V, ARTT. 777—784.

kingen. De wederzijdsche bescheiden zullen aan het slot der memorie worden vermeld, en zal daarvan mededeeling worden gegeven, tegen recief of door middel van de griffie.

Ook deze beseheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overgelegd. (Uv. 775b, 7870. ■—- Pr. 537, 538; Rv. 781.)

778. Veertien dagen ten langste na de beteekening van deze memorie van contra-debat, of dadelijk na het verloop van den daartoe verleerden termijn, zal de regler commis-saris, ten verzoeke van de eerstgereede partij, gelasten dat partijen, op den dag en het uur bij het bevelschrift bepaald, voor hem zullen verschijnen, ten einde zich omtrent de betwiste artikelen te verklaren, en, ware het mogelijk, het daaromtrent eens te worden. Indien partijen niet kunnen overeenstemmen, zal de regter-commissaris van alles proces-verbaal opmaken, hij zal op den door hem te bepalen dag zijn verslag ter teregtzitting uitbrengen, en partijen zullen gehouden zijn zich, zonder nadere aanmaning, aldaar te bevinden, ten einde hare belangen mondeling te kunnen voordragen. (Pr. 539; Rv. 174b, 781.)

779. Bij het vonnis, dat op het debat van rekening valt, zal het bedrag van den geheelen ontvang en uitgaaf opgemaakt. en het saldo bepaald worden. (Pr. 540; Rv. 585 n°. 9, 774. — R. O. 54; Rv. 354b, 773.) ^

780. Geene herrekening zal toegestaan worden, op grond van misslagen van berekening, weglatingen, valsche of dubbel gebragte posten, maar het zal partijen alleen vrijstaan daarvan de herstelling voor dezelfde regters te vorderen. (Pr. 541 ; Rv. 779.)

781. Indien hij, aan wien de rekening gedaan moet worden, verzuimd heeft zijne schriftuur van debat te doen betee-kenen, of later op de bij artikel 778 bepaalde wijrer^ijne belangen voor te dragen, wordt uitspraak gedaan op de overgelegde stukken, zonder dat tegen deze uitspraak verzet wordt toegelaten. (Rv. 81, 777, 778.)

Indien, ten gevolge van deze uitspraak, de rekenpligtige eenige gelden verschuldigd is, zal hij dezelve, totdat zij worden opgevorderd, zonder daarvoor interressen verschuldigd te zijn, onder zich kunnen behouden. (B. 471, 1286c, 1842, — Pr. 542.)

782. Alle rekenpligtigen, die verlangen rekening te doen, kunnen bij weigering of nalatigheid van de belanghebbenden, om dezelve op te nemen en te sluiten, deze op de gewone wijze daartoe doen dagvaarden voor den regter waarvoor de rekenpligtige tot het doen van rekening zou kunnen worden geroepen. (Rv. I2(3a en p, 771.)

783. In dit geval, wordt tot het benoemen van eenen regter-commissaris, ten wiens overstaan de rekening kan geschieden, en tot het opnemen, debatteren en sluiten derzelve geprocedeerd, op de gewone wijze, en met inachtneming dei-bijzondere voorschriften van dezen titel. (Rv. 771 v., 788.)

784. Indien echter beneficiaire erfgenamen, curators in nalatenschappen, welke onder het voorregt van boedelbeschrijving zijn aanvaard, curators in onbeheerde nalatenschappen of andere rekenpligtigen, verlangen rekening te

169

ocr page 190

170 WETBOEK VAN BURGERLIJKE KEGTSVORDERINfl.

doen, en dezelve moet gedaan worden, het zij aan eene massa van belanghebbenden, het zij aan belanghebbenden welke slechts ten deele bekend zijn, het zij er eindelijk afwezigen onder dezelve behooren, vervoegen zich de reken-pligtigen bij requeste tot den regter in artikel 78'2 vermeld, met verzoek om bepaling van eenen bekwamen termijn, tegen welken alle, zoo bekendp als onbekende ot afwezige belanghebbenden bij openbare dagvaarding zullen worden opgeroepen. (B. 1081, 1082, 1176; Rv. 4 n°. 76, 786,793.)

786. Die termijn wordt, nad.it het openbaar ministerie is gehoord, bepaald naar gelang van den vermoedelijken afstand der woon- of verblijfplaatsen van de belanghebbenden, en tevens bevolen dat de dagvaarding, naar mate der meerden- of mindere belangrijkheid der ?aak, het zij eens het zij meermalen, zal worden geplaatst in een of meer dagbladen, bij het bevel aan Ie wijzen, en tevens, dat afschrift daarvan worde aangeplakt aan de vergaderplaats van het regterlijk kollegie. (li. 5'23. 108'2 ; Rv. b'24b, 784, 787, 789.)

786. Het bevel houdt in den last om daarenboven de bekende belanghebbenden op te roepen, bij circulaire brieven, door middel der griflie; de verzoeker duidt te dien einde, bij zijn verzoekschrift, de namen en woonplaatsen derzelve aan. (F. 109; Rv. 78i. 787, 789.)

787. De rekenpligtlge legt zijne te doene rekening met de bescheiden, tegen recief gedurende den loop des termijns. ter griffie neder, ter inzage der belanghebbenden, en kondigt zulks aan in de dagvaarding en in c'e circulaire. (Rv. 785, 786.)

Deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overffclegd. (Rv. 775b. 777c.)

788. Ten dage dienende, wordt, tot het eir de bij artikel 783 uitgedrukt, tusschen de verschijnende partijen, op de gewone wijze, en met inachtneming der verdere bijzondere bepalingen van dezen titel, geprocedeerd. (Rv. 784, 785, 789,790.gt;

789. Tegen alle andere zoo bekende als onbekende belanghebbenden wordt verstek verleend en voor het profijt van dien, eene tweede oproeping bevolen, op gelijke wijze als bij de artikelen 785 en 786 is voorgeschreven, en zal de zaak len opzigte der gedaagden die verschenen zijn, worden aangehouden, tot den dag waarop dezelve op nieuw moet dienen om alsdan tusschen deze te worden voorlgepro-cedeerd, en tegen alle anderen een tweede verstek te erlangen (Rv. 79, 135c, 141, 142, 788, 790.)

790. Het eindvonnis daarna te vallen is tusschen alle partijen verbindende, en geen verzet daartegen wordt aan de defaillanten toegelaten. (Rv. 79,335,778,779,788,789,793 )

791. Indien er rangregeling moet plaats hebben, geschiedt dezelve overeenkomstig de voorschriften daaromtrent in dit Wetboek voorkomende. (B. 1083, 1084; Rv. 48'2 v., 551 v.)

792. De rekenpligtigen kunnen zich, hangende de geschillen over de rangregeling ontlasten van liet onder hen berustende saldo, door overstorting in de kas der geregtelijke consignation, en die overstorting kan ook op de vordering van belanghebbenden bevolen worden. (B. 1442 n0. 2; Rv. 774).

ocr page 191

BOEK III, TITEL V EN VI, AKTT. 785—796.

793. Indien, in de gevallen bij artikel 784 vermeld, op de dagvaarding aldaar voorgeschreven niemand verschijnt, wordt verstek verleend, en voor het profijt van dien, eene tweede dagvaarding en oproeping bevolen, en indien daarop mede niemand verschijnt, de rekening gesloten en het saldo zoodanig bepaald als de regter overeenkomstig de bescheiden regtmatig oordeelt. Tegen dit vonnis wordt geen verzet toegelaten. (Rv. 7%, 790.)

ZESDE TITEL.

Vaü eetiige bijzondere regtspleginqen.

EERSTE AFDEELING.

Van aanbieding van betaling en geregtelijke bewaargeving of consignatie.

794. Het proces-verhaal van aanbod van betaling moet de zaken of den aard der geldspecien welke men aanbiedt behelzen. (B. 1441 n0, 7, 1442 n0. 3; Slb. 1842 n0. 20, a. 23 v., 26; Rv. 5, 408, 681 n°. 4.)

Hetzelve moet geschieden aan den persoon of de woonplaats van den schuldeischer, en in hetzelve moet vermeld worden het antwoord van den schuldeischer of indien hij afwezig is van den persoon aan wien het aanbod is gedaan. (B. 1441 nquot;. 6; Rv. 2.)

Dit antwoord wordt door den schuldeischer of bij des-zelis afwezendheid door den persoon die het antwoord gegeven heeft onderteekend.

Indien de schuldeischer of de persoon die het antwoord gegeven heeft weigeren te teekenen of verklaren zulks niet te kunnen doen, moet daarvan melding worden gemaakt in het proces-verbaal hetwelk door den notaris of deurwaarder moet worden gedagteekend en geteekend en waarvan afschrift aan den persoon of de woonplaats van den schuldeischer moet worden gelaten, alles op straffe van nietigheid. (Rv. 56; Stb. 1842 n°. 20, a. 30. —- Rv. 90.)

Ingeval de notaris of deurwaarder noch den schuldeischer, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, handelt hij als in artikel 2 van dit Welhoek is bepaald. (Pr. 812, 813; B. 1431, 1443.)

795. Indien de aangebodene zaak of geldsom door den schuldeischer niet wordt aangenomen, mag de schuldenaar dezelve in geregtelijke bewaring stellen, mits in acht nemende hetgeen voorgeschreven is in de tweede af-deeling van den vierden titel des derden hoeks van het Burgeilijk Wetboek. (Pr. 814; B. 1440, 1442, 1448; Loidu 28 Nivose an XIII, a. 7 (Fortuijn II, 330); K. B. v. 1 Dec. 1843 (Circ. van den Min. v. Fin., A, afd. Dom.).)

796. Be eisch tot van-waarde of tot nietigverklaring der gedane aanbiedingen of der bewaargeving wordt als eene gewone vordering behandeld. Indien zoodanige aanbieding of bewaargeving in eene hangende zaak voorkomt, wordt

'171

ne en af-m-Id,

in,

ge en

is if-m,

T-

et g-

ift et

gt;•)

ie e-5n 311

Je is.

n-v.

in

lt;3 ie n-

'.)

e-jl Is Ie m üt )-;e

Ie

ie

•)

It

i

•gt;

1-

e n )•

ocr page 192

172 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

zij als een incident behandeld, a) (Pr. 815; R. O. 38, 54; B. '1441 nquot;. 6, '1442; Bv. 1260 v., 133, '135 v., 247, 314.i 797. De vrijwillige of geregtelijke bewaargeving verkort geenszins de regten welke uit gedane inbeslagneming, zoo die heeft plaats gehad, zijn ontstaan, en moet aan de arrestanten en opposanten worden beteekend. (Pr. 817; B. 1442, 1445, 1448; Rv. 6G, 430, 475, 735, 796.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de magliging eener yetromvde vrouw.

798. Indien een man, (het zij omdat hij) onder curatele gesteld is, of (om andere redenen) zich in de onmogelijkheid bevindt om zijne vrouw te magtigen, of indien hij een tegenstrijdig belang heeft, moet de vrouw, die magti-ging noodig heeft, daartoe aan de Regtbank cm verzoekschrift indienen, waarop in de raadkamer zal worden beschikt, (om deze te verkrijgen eer. verzoekschrift indienen aan den kantonregter, die daarop zijne beschikking stelt.) (Pr. 863, 864; B. 78, 163 v., 169,180; Stb. 1874 n«. 68, a. 2; Sv. 202ft.)

Gewijzigd bij art. 3 der Wet van 18 April 1874 (Stb. n». 68). Zie bl. 485.

799. Indien de vrouw beweert dat de man die de mag-tiging kon geven dezelve weigert, kan de regtbank op het verzoek geen uitspraak doen, dan na der man te hebben gehoord of nadat hij behoorlijk zal zijn opgeroepen. (Pr. 861 ; B. 78, 167; Rv. 324 n». 5, 332 v., 345.)

800. Wanneer in een regtsgeding tegen eene getrouwde vrouw, de man is opgeroepen om haar te magtigen, en deze niet verschijnt, zal de regter die magtiging verleenen. (C. 218; B. 160, 165 v.)

DERDE A F DEELING.

Van het stuiten des huwelijks.

801. Bij stuiting des huwelijks moet het verzet gedaan worden bij eene akte, zoowel aan den ambtenaar van den burgerlijken stand, als aan de partij tegen welke het verzet gerigt is, door eenen deurwaarder beteekend. (Rv. 1 v., 5; B. 43, 107. 125, 12G n° 6.)

Deze akte zal bevatten de gronden van het verzet, en de

a) In art. 796 (oud) werden, in plaats van de woorden: « als eene gewone vordering behandeld », gelezen de woorden: «summierlijk behandeld».

Volgens de letter van art. 112 der Wet van 7 Juli 1896 (Stb. nquot;. 103), waarbij dit arikel werd gewijzigd, in verband met den vroegeren tekst van dit artikel, volgt abusievelijk achter de woorden: « gewone vordering» tweemaal het woord «behandeld». Zie de noot op dit artikel in O. E. 1896.

ocr page 193

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 797—806.

hoedanigheid welke aan den opposant regt geeft om tegen het huwelijk op te komen. (B. 115 v., 1'22.)

Dezelve zal insgelijks bevatten de keus van eene woonplaats in de gemeente of gemeenten, waar het huwelijk moest voltrokken worden; alles op stralïe van nietigheid. (B. 81, 108, 131. — G. 176; B. 114 v., 123.)

802. De eisch tot opheffing van het verzet moet op do gewone wijze worden aangebragt en behandeld voor de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort woonplaats is gekozen, en welke daarop met den meest mo-gelijken spoed beslissen zal. (B. 121; Rv. 1 v., 801c-.)

Indien woonplaats is gekozen onder het ressort van meer dan ééne arrondissements-regtbank, zal de zaak worden aangebragt voor eene dier regtbanken ter keuze van den aanlegger. (B. 81, 108, 131 ; Rv. 801c. — C. 177; B. 124; Rv. 56.)

803. Van het vonnis, waarbij op de vordering tot opheffing van het verzet tegen het huwelijk is uitspraak gedaan, kan onmiddelijk het hooger beroep geschieden en moet het worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak; en ook voor het hooger beroep geldt de bepaling des vorigen artikels, a) (C. 178; Rv. 8, 81 v., 339, 342, 382 v., 398 v., 430.)

VIERDE A F DEELING.

Van de scheiding van goederen,

804. Geen regtsgeding tot scheiding van goederen zal door de vrouw kunnen worden aangevangen, zonder autorisa'.ie van den president der regtbank van het arrondissement binnen hetwelk haar man woonachtig is. (Pr. 865: B. 165, 166 n°. 2, 241, 298.)

805. Tot dat einde zal de vrouw welke scheiding van goederen vraagt, zich tot den president wenden met een verzoekschrift hare gronden bevattende, en zal deze bij bevelschrift op hetzelve geplaatst, partijen gelasten om op eenen bepaalden dag en een bepaald uur in persoon voor hem te verschijnen, ten einde tusschen dezelve, zoo mogelijk, eene bevrediging door zijne tusschenspraak te bewerken.

Van dit bevelschrift en verzoekschrift zal ten minste drie dagen vóór den bepaalden dag van verschijning een afschrift aan den man beteekend worden. (Pr. 865; Rv. 8, 806, 808A. 817, 818.)

173

806. Ingeval de vrouw ten bepaalden dage niet verschijnt, zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt haar verzoek beschouwd als vervallen.

a) In art. 803 (oudgt; werden, in plaats van de woorden: «kan onmiddelijk het hooger beroep geschieden en moet het worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak », gelezen de woorden: «kan het hooger beroep alleen binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis worden ingesteld ».

ocr page 194

174 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORUERING.

Indien partijen, beide verschenen zijnde, niet veroenigd hebben kunnen worden, of indien de man behoorlijk geroepen, niet is verschenen, verleent de president aan de vrouw de gevraagde autorisatie tot dagvaarding voor de regtbank.

Van den uitslag dezer verschijning wordt een procesverbaal opgemaakt, a) (Rv. 819.)

807. De eisch tot scheiding zal openbaar worden bekend gemaakt, door middel van aankondigingen, aangeplakt in de gehoorzaal en aan het gebouw van de regtbank, en geplaatst in een der dagbladen van de provincie, of, bij gebreke daarvan, in dat eener naburige provincie.

Die aankondigingen moeten behelzen:

i0. De vermelding van den eisch tot scheiding van goederen, en de dagteekening daarvan;

2°. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten.

De aanplakking geschiedt door eenen deurwaarder, en deze zal daarvan proces-verbaal opmaken. (Pr. 866—868. 871 ; Rv. 1 v., 5 v., 7 v., 286, 809, 81 I ; 13. 242, 243,247.)

808. De maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek mag in het werk stellen, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering van goederen, conservatoir beslag op do roerende goederen van de gemeenschap of van de vrouw, en conservatoir beslag op de onroerende goederen der gerr. eenschap, overeenkomstig de bepalingen van de tien volgende artikelen, b) (Rv. 247, 658 v., 678 v., 681 n». 3, 727 v., 770A v., 809, 825.)

808A. liet verlof om een of meer dezer .maatregelen te nemen zal aan den president der regtbank kunnen worden gevraagd bij of na het indienen van het verzoekschrift in artikel 805 bedoeld.

De president kan alvorens die bewilliging te verleenen, indien hij dit noodig oordeelt, den man oproepen, c) (B. 245; Rv. 289, 727, 770A, 825.)

808B. Op het beslag op de roerende goederen van de gemeenschap of van de vrouw zijn toepasselijk de tweede zinsnede van het eerste lid en het derde lid van artikel 440, de artikelen 443, 444, 447, 448, het eerste lid van artikel 450, de artikelen 452, 453, 454 en 733 van dit Wetboek.

Tot bewaarders van het goed zullen niet mogen worden aangesteld de arrestante, noch de kinderen of kleinkinderen der beide echtgenooten of van een hunner tenzij met uitdrukkelijke toestemming van den gearresteerde, c) (Rv. 450ft, 808, 825.)

808C. Onder het beslag zullen niet begrepen worden de roei ende goederen, welke door den gearresteerde worden

a) In art. 806 (oud) ontbrak het derde lid.

b) Art. 808 (oud). De maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek, met bewilliging van den regtor mag in het werk stellen, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering van goederen.

c) De artikelen 808A—808J zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 195

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 807 —808H.

aangetoond, niet tot de gemeenschap of niet aan de vrouw te behooren, alles behoudens ieders regt, waarover hetzij krachtens artikel 8081), het zij bij de toepassing van het laatste lid van artikel 808E, de beslissing des regters kan worden ingeroepen, a) (Rv. 289, 448, 449, 825.)

808D. Die eigenaar beweert te zijn der in beslag ge-nomene goederen of van een gedeelte daarvan, kan tegen de inbeslagneming opkomen op de wijze in artikel 456 bedoeld, a) (Rv. 808, 808E, 825.)

S08E. Het vonnis houdende afwijzing van den eisch tot scheiding beveelt tevens de opheffing van het beslag.

Bij toewijzing der scheiding houdt het beslag op door de werkelijke verdeeling der goederen van de gemeenschap of door de afgifte aan de vrouw van hare goederen, a) (B. 246, 249; Rv. 808B, 812, 825.)

808F. Op het beslag op de onroerende goederen van de gemeenschap is het bepaalde bij het eerste lid van artikel 7701i toepasselijk, a) (Rv. 504, 505, 506, 808G, 825)

8ooe. De overschrijving van het beslag op de onroerende goederen wordt in de openbare registers doorgehaald:

1°. uit kracht van de toestemming der vrouw tot doorhaling van de overschrijving, blijkende in voege als bepaald in artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek. (Rv. 808A.)

2°. uit kracht van het vonnis houdende afwijzing van den eisch tot scheiding of last tot opheffing van het beslag. Buiten de toestemming der belanghebbenden wordt de overschrijving niet doorgehaald dan met inachtneming der bepaling van artikel 432 van dit Wetboek met deze wijziging, dat de termijn van acht dagen na de beteekening van het vonnis vervangen wordt door dien van ééne maand na de uitspraak.

3°. uit kracht van eene verklaring van den grillier bij het regterlijk collegie, waar de eisch tot scheiding laatstelijk aanhangig was, dat van de instantie is. afstand gedaan of dat dezelve is vervallen. (Rv. 277 v., 279 v.)

4quot;'. ambtshalve door den hypotheekbewaarder bij de overschrijving van de akte van scheiding der huwelijksgemeenschap of een uittreksel daarvan. (B. 181 v )

Aitikel 770G van dit wetboek is ook hier van toepassing. a) (B. 1239 v.; Rv. 808F j0. 770Ba en 505, 808II, 825.)

808H. Opheffing van het beslag op de roerende of onroerende goederen, hetzij geheel, of ten deele. wordt tegen voldoende zekerheidsstelling op verzoek van den man bevolen door den regter, voor wien de eisch tot scheiding aanhangig is.

Magtiging tot vervreemding of bezwaring van de in beslag genomen goederen kan door denzelfden regter worden verleend, onder zoodanige voorwaarden, als door hem noodig zullen worden geacht om te voorkomen, dat de belangen der vrouw daardoor worden benadeeld.

a) De artikelen 808A—808J zijn nieuw bijgevoegd.

175

ocr page 196

176 WETBOEK VAN B0RGERU.IKE UEGTSVOKDERING.

In beide gevallen wordt de vrouw vooraf gehoord of moet blijken, dat zij tot dat einde behoorlijk is opgeroepen, a) (Rv. 732a, 769, 770Ab, 808B, 808F, 825.)

8081. Het beslag op de roerende of onroerende goederen verhindert niet de inbeslagneming en uitwinning daarvan door derden wegens schulden vóór de inbeslagneming aangegaan.

Het overschot van de opbrengst eener door derden vervolgde uitwinning wordt ten behoeve van de belanghebbenden geconsigneerd, a) (Rv. 439 v., 480b, 491 v., 562, 194 v., 808 v., 825.)

808J. Het beslag op de roerende of onroerende goederen laat ongedeerd het aan den man toekomend genot der inkomsten, onverminderd zijne verpligtingen tegenover zijne vrouw krachtens de wet of huwelijksche voorwaarden, a) (13. 162, 177, 195b, 201; Rv. 808, 8081.)

809. Behoudens de voorzieningen, strekkende tot bewaring van regt, mag er op den eisch van scheiding geen vonnis worden uitgesproken, dan eene maand nadat de hierboven voorgeschrevene formaliteiten zullen zijn in acht genomen. (Pr. 869; Rv. 324 n». 7, 807, 808 v.; B. 243.)

810. De enkele bekentenis van den man geldt niet als bewijs, al ware het ook dat er geene schulileischers mogten zijn. (Pr. 870; B. 241b, 243, 196-2; Rv. 237.)

811. De scheiding van goederen zal openbaar worden aangekondigd :

1°. Door een uittreksel van het vonnis, hetwelk gedurende een jaar aangeplakt zal zijn in de gehoorzaal der regtbank van het arrondissement, alwaar de man zijne woonplaats heeft ; (Rv. 812.)

2°. Door het aanplakken van een gelijk uittreksel in de gemeente alwaar de man zijne woonplaats heeft, op de plaatsen alwaar zulks te doen gebruikelijk is;

3°. Door de driemaal herhaalde plaatsing van zoodanig uittreksel in een der dagbladen der provincie, of, bij gebreke van dien, in een dagblad, van eene naburige provincie, en zulks met tusschenpozing van eene maand t'elken reize.

Dat uittreksel moet bevatten de dagteekening van het vonnis en de aanduiding der regtbank, door welke hetzelve gewezen is; de namen, voornamen, het beroep an de woonplaats der echtgenooten. (Pr. 872.— B. 244a: Rv 804, 807, 828.)

812. De vrouw mag niet beginnen het vonnis ten uitvoer te leggen dan van den dag af, waarop de bij het voorgaande artikel voorgeschrevene formaliteiten zullen vervuld zijn, zonder dat zij echter behoeve te wachten totdat de termijn van een jaar, vastgesteld bij n0. 1 van het voorgaande artikel, verloopen zij. (Pr. 872 ; B. 246 ; Rv. 809.)

813. Indien de vereischten, in deze afdeeling voorgeschreven, inachtgenomen zijn, zal, nadat de termijn waarvan in het voorgaande artikel gesproken wordt, verschenen is, het vonnis van scheiding ook ten aanzien van de schuld-

a) De artikelen 808A.—808J zijn nieuw bijgevoegd.

ocr page 197

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 808J—819.

eischers van den man geldig zijn. (Pr. 873; B. 243, 244f), 247, 1377; Rv. 376.)

814. De van goederen gescheiden vrouw, die van de gemeenschap wil afstand doen, moet deswege hare verklaring afleggen ter griffie van de regtbank, door welke op den eisch van scheiding is regt gesproken. (Pr. 874; B. 78,181 u0, 5, 183, 187; Rv. 804.)

815. De akte, waarhij de gemeenschap van goederen wordt hersteld, moet op dezelfde wijze worden bekend gemaakt als bij artikel 811, n0. 2 en 3, ten aanzien der scheiding van goederen is voorgeschreven. (B. 251, 252, 2536.)

VIJFDE AFDEELING.

Van echtscheiding.

816, De echtgenoot, die eenen eisch tot echtscheiding wil doen, is verpligt aan de regtbank in te dienen een verzoekschrift, bevattende de opgave der daadzaken en der te nemen conclusiën, met bijvoeging der tot bewijs strekkende stukken. (B. 78, 165, 166 n0. 2, 262, 264,266.)

Dit verzoekschrift moet aan den voorzitter, of aan den regter die deszelfs plaats vervult, overhandigd worden door den eischenden echtgenoot in persoon, aan welken de voorzitter zoodanige bedenkingen zal voorhouden, als hij zal oordeelen te behooren.

Indien de eischer wettiglijk verhinderd is om zich bij den president te vervoegen, zal deze zich naar deszelfs woonplaats begeven, om hem zijne bedenkingen onder het oog te brengen.

Indien de eischer woonachtig is buiten de plaats alwaar de regtbank is gevestigd, kan de president dit aan den kan-tonregter opdragen, welke daarvan een proces-verbaal zal opmaken en dit zonder verwijl aan hem inzenden. (R. O. 25. - C. 236; Pr. 875, 1035 ;'B. 265; Rv. 804.)

817. Indien de eischer volhardt, zal de voorzitter aan den voet of kant van het verzoekschrift gelasten, dat beide echtgenooten op eenen bepaalden dag en uur voor hem zullen verschijnen. (Rv. 816.)

Een afschrift van dat bevel zal door den griffier aan den verweerder worden toegezonden. (Rv. 4 nquot;. 7, 786, 805; F. 109 ; C. 237, 238 ; Pr. 876.)

818. De echtgenooten zijn gehouden in persoon te verschijnen, zonder zich door nabestaanden of raadslieden te kunnen doen bijstaan. (Pr. 877.)

819, Op den bepaalden dag maakt de president aan beide echtgenooten of aan den eischer, indien deze alleen verschenen is, zoodanige aanmerkingen als hij raadzaam oordeelt om eene verzoening te weeg te brengen. Ingeval de eischer niet verschijnt zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt het verzoek van echtscheiding gehouden voor vervallen.

Van den uitslag van deze verschijning wordt een procesverbaal opgemaakt. (C. 239; Pr. 878; Rv. 806, 821.)

177

12

ocr page 198

178 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

820. De president kan. bij niet-vereeniging, de vrouw magtigen in hetzelfde proces-verbaal, om bij voorraad haren intrek te nemen in zoodanig huis, als partijen zullen zijn overeengekomen of als hij van ambtswege zal aanwijzen, en tevens bevelen dat de goederen tot haar dage-lijksch gebruik strekkende, aan haar zullen worden ter hand gesteld. Insgelijks kan hij bij voorraad bepalen bij wien der echtgenooten de kinderen inmiddels zullen verblijven.

De president zal ook, daartoe gronden vindende, de som kunnen bepalen welke voorloopig door den echtgenoot zal worden verstrekt, tot onderhoud van de vrouw en de kinderen welke bij laatstgemelde mogten verblijven.

Deze beschikkingen behouden gedurende het regtsgeding hare kracht, totdat de regter omtrent het onderwerp dier beschikkingen mogt hebben uitspraak gedaan, a) (C. 267, 268; Pr. 878; B. 78, 1616, 267 v., 280 v.; Rv. 821, 824.)

821. Indien de president de echlgenooten niet heeft kunnen vereenigen, verleent hij aan den eischer verlof om bij gewone dagvaarding den eisch tot echtscheiding in te stellen.

Indien de vrouw eischeres is, zal zij dien eisch moeten instellen binnen veertien dagen na het daartoe verleende verlof; bij gebreke van dien zullen de voordeden vervallen, welke haar krachtens het vorige artikel mogten zijn toegekend. (C. 240; Pr. 878; Rv. 1 v., 5, 8, 820.)

822. De zaak zal behandeld worden in denzelfden vorm, welke voor andere vorderingen is vastgesteld; zij zal met geslotene deuren worden bepleit, doch het quot;onnis zal in het openbaar worden uitgesproken. (C. 241; Pr. 879, 881; Rv. 133 v., 135 v., 324 nquot;. 7; B. 262, 263 ,j°. Rv. 76; R. O. 20 j0. Rv. 18.)

823. Indien er gronden zijn om bewijs bij getuigen toe te laten, zal het verhoor der getuigen op de teregtzitting, doch met gesloten deuren, plaats hebben. CC. 253; Rv. 199 v., 827: R. O. 20 j». Rv. 18.)

824. De incidentele vorderingen, gedaan naar aanleidinc van artikel 268 en 269 van het Burgerlijk Wetboek en die tot wijziging of opheffing der presidiale beschikkingen bedoeld bij artikel 820 van dit Wetboek, zullen bij met redenen omkleede conclusiën worden gedaan, b) (Pr. 878; B. 267; Rv. 247 v.)

825. Ile maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 270 van het Burgerlijk Wetboek mag nemen tot bewaring van haar regt, zijn dezelfde als die, welke haar ingeval van aangevraagde scheiding van goederen in artikel 808 van dit Wetboek zijn toegekend. Zij zal echter tot het leggen van conservatoir beslag alleen verlof kunnen

a) In art. 820 (oud) ontbrak het derde lid.

b) Art. 824 (oud). De incidentele vorderingen, gedaan naar aanleiding van artikel 268 en 269 van het Burgerlijk Wetboek, zullen bij eene eenvoudige akte ter rolle worden gebragt en summier beslist.

ocr page 199

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 820—832.

bekomen in geval van gegronde vrees voor verduistering, a) (C. 270; Rv. 727, 808A—808J, 826.)

826. De formaliteiten vnor de echtscheiding voorgeschreven, zijn mede toepasselijk op de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning, wegens bepaalde oorzaak. (Pr. 881 ; B. 288a j». 264, 289, 301 üs 267 en 268 ; Rv. 822, 827. 828; B. 265 j». 301. — B. 291—296./

827. Het voorschrift van artikel 1951 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk, zoowel bij de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning wegens bepaalde oorzaak, als bij de vordering van echtscheiding; met deze bepaling echter voor de beide regtsgedingen, dat de ouders en kinderen der echtgenooten zich van het geven van getuigenis zullen kunnen verschoonen. (C. 251 ; B. 262 v., 288a, 1947, 1950; Rv. 816 v.)

828. De vonnissen, waarbij echtscheiding of de scheiding van tafel en bed uitgesproken wordt, moeten openbaar worden gemaakt op de wijze bij artikel 811 hiervoren vastgesteld. (Pr. 880; B. 48, 276; Rv. 334, 339.)

ZESDE A F DEELING.

Van de aanvulling of verbetering van de akten van den burgerlijken stand.

820. Degene die, krachtens artikel 70 van het Burgerlijk Wetboek, de aanvulling of verbetering van eene akte van den burgerlijken stand in regten wil doen bevelen, moet daartoe aan de regtbank, waarvan in artikel 71 van hetzelve Wetboek is melding gemaakt, een met redenen bekleed verzoekschrift indienen. (Pr. 855; B. 26; Rv. 830.)

830. Indien de regtbank beveelt dat de belanghebbende partijen zullen opgeroepen worden, geschiedt zulks bij dagvaarding of indien het verzoek gedaan wordt in een aanhangig regtsgeding bij akte van procureur tot procureur. (Pr. 856; Bv '1, 5 v., 133c.)

831. De zaak zal op den bepaalden dag ter rolle gebragt en als eene gewone vordering behandeld worden, b) (li. I, a. 37 v.; Rv. 133 v., 135 v.. 324 nquot;. 2; B. 71, 72.)

832. Het vonnis is aan hooger beroep onderworpen, al ware ook de verzoeker van aanvulling of verbetering alleen in het geding.

In het laatstgemelde geval zal het hooger beroep worden vervolgd op een eenvoudig verzoekschrift, (Pr. 858; B. 71, 72, 73; Rv. 345.)

a) Art. 825 (oud). De maatregelen, welke de vrouw, naar aanleiding van artikel 270 van hetzelve Wetboek, bij reg-terlijke magtiging mag nemen tot bewaring van haar regt, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering dei-goederen.

b) In art. 831 (oud) werd, in plaats van de woorden; « als eene gewone vordering», gelezen het woord « summierlijk».

179

ocr page 200

180 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ZEVENDE AFDEELING.

Van dwanguitgifte van akten.

833. Die zich in den loop van een geding een afschrift of uittreksel wil doen afleveren van eene akte, waarin hij geene partij is geweest, moet zijnen eisch tot dwanguitgifte doen bij eene eenvoudige akte van procureur lot procureur. (Pr. 846, 847; Stb. 1842 n». 20, a. 42; B. 1923: Rv. 5, 834, 836, 838, 839.)

834. De eisch zal ten dage bij de akte bepaald, op de teregtzitting gebragt worden, a) (Pr. 847; R. I, a. 37 v.)

835. De tenuitvoerlegging van hel vonnis, niettegenstaande verzet of hooger beroep, kan, indien de regter daartoe gronden vindt, bevolen worden. (Pr. 848; Rv. 52 v., 833.)

836. Op de vertooning van het vonnis moet het afschrift of uittreksel der akte door den notaris of bewaarder worden afgeleverd, en daarvan proces-verbaal door hem worden opgemaakt.

Partijen kunnen bij het opmaken van dat proces-verbaal tegenwoordig zijn, en hunne aanmerkingen in hetzelve bijvoegen. b) (Pr. 849, 850; Rv. 432.)

837. Indien er geschillen deswege mogten ontstaan, zullen dezelve op eene bij het proces-verbaal bepaalden dag en zonder eenige nadere aanzegging ter rolle worden gebragt; de bewaarder der akte zal dezelve moeten medebrengen, indien gronden daartoe aanwezig zijn.

De regtbank zal in dat geval, na de oorspronkelijke akte met het afschrift of het uittreksel vergeleken te hebben, deswege uitspraak doen.

De kosten van het proces-verbaal, en die van de reis of verplaatsing des bewaarders, benevens die van het afschrift of uittreksel, moeten door den eischer voorgeschoten worden. (R. I, a. 37; Rv. 133d, 289, 585 n°. 6, 836a; Stb. 1847 n0. 12, a. 7. — Pr. 851, 852.)

838. De griffiers en andere bewaarders van openbare registers moeten daarvan, zonder regterlijk bevel, tegen betaling der hun toekomende regten, afschrift of uittreksel afleveren aan alle degenen die zulks vorderen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. Niettemin zullen aan hen die geene partijen in de zaak zijn geweest geene uitgiften van arresten of vonnissen in strafzaken kunnen worden uitgereikt, zonder niagtiging van den voorzitter van het hof of de regtbank, welke dezelve geveld heeft, en het verzoek daartoe zal alleen worden toegestaan op het bewijs, dat de verzoeker daarbij belang heeft. (Pr. 853; R. I, a. 61 v.; Rv. 433; B. 24, 265, 1265a, 1268,1274,1441.gt;

839. De notarissen of andere houders van minuten of

a) In art. 834 (oud) werden, in plaats van de woorden : « op de teregtzitting gebragt worden », gelezen de woorden: «op de teregtzitting gebragt, en summierlijk behandeld worden ».

b) Lees: doen bijvoegen.

ocr page 201

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 833—845.

akten moeten daarvan tegen betaling der kosten afschrift uitreiken, zoowel aan de onmiddellijk belanghebbende personen als aan hunne erfgenamen of regtverkrijgenden.

In geval van weigering, kunnen zij daartoe veroordeeld worden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn, en zelfs bij lijfsdwang. (Pr. 839, 843; Stb. 1842 n0. 20, a. 42, 43; B. 879, 880, 1002, 1004, 1279 v., 1354; Rv. 56, 585 n0. 11, 841.)

840. Het geschil deswege wordt als eene gewone vordering behandeld, en de regter kan, indien hij daartoe gronden vindt, de ten uitvoerlegging van het vonnis bij voorraad bevelen, niettegenstaande verzet of hooger beroep, a) (Rv. 53, 133 v., 185 v., 836, 837.)

Ten aanzien van de schadevergoeding echter is dit laatste alleen toegestaan tegen voldoende zekerheid. (Rv. 55. - Pr. 840.)

841. De partij, welke zich eene tweede of verdere grosse wil doen afgeven, zal tot dat einde een verzoekschrift indienen bij de regtbank van het arrondissement waarin de bewaarder zijne woonplaats heeft; zij moet, krachtens het bevelschrift dat daarop vallen zal, bevel doen aan den bewaarder om op eenen bepaalden dag en uur de afgifte te doen en aan de belanghebbende partijen, om bij de afgifte tegenwoordig te zijn; aan den voet van de tweede fc) grosse moet melding worden gemaakt van dat bevelschrift, mitsgaders van de som voor welke het stuk ten uitvoer kan worden gelegd, indien de schuldvordering gedeeltelijk is voldaan of afgestaan. (Pr. 844; Stb. 1842 n0. 20, a. 43, 44; Rv. 7. 10, 430, 836.)

842. In geval van tegenspraak wordt liet geschil voor de regtbank gebragt. c) (Pr. 845; Rv. 135 v., 432, 837; Stb. 1842 n°. 20, a, Ub.)

843. Aan dezelfde partij mag geene tweede of verdere uitgifte in executorialen vorm van een vonnis gedaan worden, dan krachtens een bevelschrift van den voorzitter der regtbank, door welke hetzelve gewezen is; en moeten hieromtrent daarenboven worden in acht genomen de vormen welke voorgeschreven zijn ter bekoming van tweede b) grossen van akten. (Pr. 854; Rv. 430, 841 v.)

ACHTSTE AFDEELING.

Vun regisweigering.

844. Er bestaat regtswoigering, indien de regters weigeren op verzoekschriften te beschikken, of een voor hen aanhangig regtsgeding te beslissen. (Pr.'öOö; A. 13; R. 1, a. 59; Rv. 628, 846.)

845. Het bewijs van regtsweigering wordt daargesteld

a) In art. 840 (oud) eerste lid werd, in plaats van de woorden: «als eene gewone vordering», gelezen het woord: « summierlijk ».

b) Lees: iiveede of verdere.

c) In art. 842 (oud) volgden nog de woorden: «en summierlijk behandeld».

•181

ocr page 202

182 WETBOEK VAN BURGERLIJKE HEGTSVORDER1NG.

door twee geregtelijke aanmaningen aan de regters gedaan in den persoon van den griffier, en beteekend van drie tot Irie dagen ten minste, ten aanzien van de kantonregters, en van acht tot acht dagen ten minste ten aanzien der andere regters. Alle deurwaarders, daartoe verzocht, zijn gehouden deze aanmaningen te doen. op straffe van afzetting.

De regter kan, zes dagen na de tweede aanmaning, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden vervolgd. (Pr. 507, 508; Rv. I v., 8; R. IV, a. 8, 10, 14; B. -1274, 1282, 1401, 1402.)

846. De regtsvordering uit hoofde van regtsweigering tegen eenen kantonregter, tegen eene arrondissements-regt-bank of tegen iemand van hare leden, zal gebragt worden in het eerste en hoogste ressort voor het geregtshof.

De regtsvordering tegen een geregtshof, of tegen een van deszelfs leden, mitsgaders tegen een lid van den hoogen raad. zal gebragt worden voor den hoogen raad. (Pr. 509; G. 165; R. O. 65; Rv. 360.)

847. De voorschreven regtsvordering zal worden aangelegd bij wege \an een verzoekschrift, ingediend bij het hof hetwelk er kennis van moot nemen.

Het verzoekschrift zal, behalve door den procureur, ook geteekend worden door den verzoeker of zijnen bij authentieke en bijzondere volmagt daartoe gemagtigde, en welke volmagt bij het verzoekschrift zal worden gevoegd; alles op stvaffe van nietigheid

De bewijsstukken, indien er eenige zijn, zullen er worden bijgevoegd, en de verzoeker zal woonplaats kiezen in de plaats daar het hof zitting houdt. (Pr. 511 ; B. 81,1971; Rv. 90, 133, 278, 743; V. 214.)

848. Het hof zal bevelen, dat het verzoekschrift worde medegedeeld aan den regter tegen wien het gerigt is. Daartoe zal een afschrift van dat bevelen van het verzoekschrift, inet de daarbij gevoegde bewijsstukken, binnen eenen termijn van veertien dagen, ter griffie van dien regter worden beteekend. (Pr. 514; Rv. 8.)

849. Binnen veertien dagen na die beteekening, is deze regter gehouden zijne middelen van verdediging in te brengen bij een schriftelijk antivoord ter griffie van het hof, dat over de aanklagte oordeelt, en dat antwoord aan den verzoeker te beteekenen. (Pr. 514; Rv. 8, 851.)

850. De regters, tegen welke de vordering gerigt is, zullen zich, gedurende het onderzoek daarvan, onthouden van de kennisneming van het bij hen aanhangig geding, waarin de beweerde regtsweigering heeft plaats gehad, mitsgaders van alle zaken, welke hij, die vordering heeft gedaan, bij hunne regtbank mogt aanhangig hebben, op straffe van nietigheid der vonnissen.

Zij zullen zich, op gelijke wijze en mede op straffe van nietigheid, moeten onthouden van de kennisneming dei-bij hunne regtbank aanhangige zaken waarin naastbestaan-den in de regte linie van hem die de vordering gedaan heeft of deszelfs echtgenoot partij zijn, indien zulks door deze wordt gevorderd. (Pr. 514; Rv. 30 nu. 790.)

ocr page 203

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 846—855.

851. Het hof, waarvoor de vordering wegens regtsweige-ring aanhangig is gemaakt, zal op de stukken, na den afloop van de hiervoren bepaalde termijnen, uitspraak doen, ten zij hetzelve het indienen van nadere memorien raogt toelaten.

Die memorien zullen beteekend worden op dezelfde wijze als bij de artikelen 847 en 848 a) is voorgeschreven. (Pr. 515; Rv. 170 v., 324 n». 4, 398, 846. 849.)

852. Indien de regtsvordering gegrond is, zal de regter worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen Jegens den verzoeker.

Het geding waarin eene regtsweigering heeft plaats gehad, zal, zoo daartoe gronden zijn, naar eenen anderen regter worden verwezen. (B. 1282; Rv. 612.)

853. Indien hel verzoek wordt afyewezen, zal de verzoeker verwezen worden in eene boete van honderd gulden.

Ingetrokkeyi bij art. 4 der Wet van 7 April 1869 (Stb. nquot;. 55).

NEGENDE A F D E E L I N G.

Van overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren.

854. De overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren, waarvan, volgens de wet, de burgerlijke regter kennis neemt, zullen, zoowel in den eersten aanleg als in hooger beroep, op dezelfde wijze als correctionele zaken (strafzaken Ier kennisneming van de arrondissements-regtbank) worden vervolgd en beregt. (C. 50: Loi du 25 Ventóse an XI, a. 53 (Fortuijn 11, 231); Stb. 1S42 n». 20, a. 54 j0. Inv. 10 n0. 6: Stb. 1853 nquot;. 102, a. 9 en 10a |0. Inv. 10 n0. lO, 11a; R. O. 50, 70, 100; Sv. 141 v.; Stb. 1843 n°. 37, a. 19 (Tar. a. 19) j». Inv. 10 n1'. 7; Stb. 1869 n0. 57, a. 30 j0. Inv. 10 n°. 22 en 11a; Sr. 468D.)

Aldus gewijzigd bij art. 1.1°. der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265).

TIENDE A F D E E L I N G.

Van de toelating om kosteloos te procederen.

Vg. de Besluiten van 2 Februari 1814 no. 4 (Stb.

1821 n0. 27) en van 26 Mei 1824 (Stb. nquot;. 35).

855. Aan zoodanige personen, welke, eischende of verwe-remle, in regten mogten willen optieden, en die van hun onvermogen om proceskosten te dragen kunnen doen blijken, kan door den regter, bij wien het regtsgeding of geschil moet worden aangevangen of hangende is, vergunning worden verleend om kosteloos te procederen. (B. 1690, 1692.)

•183

Arme of onvermogende vreemdelingen, mitsgaders buiten-

a) Waarschijnlijk bedoeld; 848 en 849.

ocr page 204

■184 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGISVORDERIKG.

landsche armen-direcliën of kerkbesturen zijn hiervan uitgesloten, ten zij bij uitdrukkelijke overeenkomst anders mogt zijn bedongen. (Stb. 1892 n». 268, a. 12; Stb. 1884 no. 214; Stb. 1884 n°. 227; Stb. 1822 n». 41; Stb. 1826 n». 40; Stb. 1841 n°. 27; Stb. 1884 n». 214 en 227; Stb. 1893 nu. 244; Stb. 1894 n». 10; — F. 16; R. UI, a. 13—17.)

856. Die vergunning wordt verzocht, bij requeste op ongezegeld papier geschreven, en door eenen procureur, des noods door den president daartoe aangewezen, onderteekend, indien het verzoek aan een hof of aan eene arrondisse-ments-regtbank is gerigt. (llv. 133 v., 857 v., 859, 860, 867, 871 nquot;. 1.)

857. Hetzelve bevat de voordragt der daadzaken en surn-mlere opgave van de gronden der vordering of verdediging des verzoekers.

858. Bij hetzelve moet worden overgelegd een certificaat van het onvermogen des verzoekers, afgegeven door het hoofd van het bestuur zijner woonplaats, op het getuigenis, het zij van wijk- of buurtmeesteren, het zij van ten minste twee bekende en geloofwaardige manspersonen. (Rv. 855; Stb.J827 nquot;. 6; Stb. 1843 n°. 47, a. 27, A. 6»; Sr. 230.)

859. Het hof of de regtbank beveelt, bij eenvoudig appointe-ment op het request, de oproeping van de wederpartij des verzoekers tegen eenen bekwamen termijn, voor twee commissarissen uit haar midden, bij het appointement benoemd, en voegt, naar gelang der zaak, aan den verzoeker, eenen procureur of eenen advokaat en procureur toe, om hem op de comparitie bij te staan. (Rv. 21, 860, 864, 867, 871, n0. 2 en 3; R. Ill, a. 17 v.)

860. Het request en appointement wordt van wege den verzoeker, door eenen deurwaarder ten mins e vier dagen vóór den bepaalden dag der comparitie, aan den persoon of aan de woonplaats der wederpartij kosteloos beteekend, met achterlating van een afschrift van hetzelve.

Dit exploit zal gratis worden geregistreerd en, evenals het daarvan te geven afschrift, vrij van zegel zijn. (Rv. 1 v., 7, 8, 856, 859, 866 v., 871 nquot;. 2.)

861. Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd voor commissarissen verschijnt, zal zij het verzoek kunnen tegenspreken, a) (Rv. 137, 859, 860, 862, 871 nquot;. 2.)

862. Het hof of de regtbank onderzoekt, op rapport van commissarissen, of genoegzaam van het onvermogen des verzoekers blijkt, en staat in dat geval hat verzoek toe, tenzij de regter reeds bij voorraad mogt bevinden, dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van

a) Art 861 (oud). Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd niet voor commissarissen verschijnt en alzoo geene tegenspraak doet, onderzoekt het hol' of de regtbank op rapport van commissarissen, of genoegzaam van het onvermogen des verzoekers blijkt, en staat in dat geval het verzoek toe, ten zij de regter reeds bij voorbaat mogt bevinden, dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot.

ocr page 205

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 856—868.

allen grond is ontbloot, a) (Rv. 855, 858, 871 n0. 2, 874; B. 1904; K. 444.)

863. Ingetrokken, b)

864. Bij toewijzing wordt aan den verzoeker een procureur of een advokaat en een procureur toegevoegd, indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos bij te staan, c) (Rv. 856, 859, 871 n°. 3, 875.)

865. Indien de verkrijger der kostelooze toelating in eersten aanleg is in het ongelijk gesteld, zal hij in hooger beroep of in cassatie, niet kosteloos kunnen procederen, alvorens van den hoogeren regter op nieuw daartoe te zijn toegelaten, op dezelfde wijze als voor den eersten aanleg is voorgeschreven.

Indien hij echter in eersten aanleg in het gelijk is gesteld, behoeft hij geene nadere toelating om in hooger beroep of cassatie kosteloos te procederen, en wordt hem alleen op zijn verzoek een advocaat en procureur toegevoegd. (Rv. 855, 862.)

866. Alle exploiten zullen worden gedaan door eenen deurwaarder, woonachtig in het kanton, binnen hetwelk het exploit moet geschieden, of indien er geen is, door eenen deurwaarder uit een nabij gelegen kanton. (Rv. 860, 867.)

867. Het vonnis van toelating om kosteloos te procederen, mitsgaders al de akten, welke hetzelve zijn voorafgegaan, zijn vrij van zegel en zullen gratis worden geregistreerd; ook zullen daarvan geene salarissen van deurwaarders, procureurs of advokaten kunnen worden berekend, noch in eenig geval, het zij op den verzoeker, het zij op de weder-parlij, kunnen worden verhaald. (Rv. 856, 860, 864, 866, 869.)

868. Het gevolg van de verleende toelating om kosteloos te procederen, is, dat de geregtelijke akten van do zijde des verkrijgers in debet voor zegel zullen worden geviseerd en geregistreerd, en dat ook de daarop verschuldigde griffie-regten enjudiciële boeten in debet zullen worden gesteld, d)

a) Art. 862 (oud). Bij verschijning der geroepenene wederpartij, kan zij het verzoek tegenspreken, op grond dat reeds aanvankelijk volkomen van de ongegrondheid van des verzoekers beweren blijkt, het zij wat de daadzaken betreft, door afdoende bewijsstukken, het zij wat het regt betreft, uit hoofde van uitdrukkelijke wetsbepaling.

b) Art. 863 (oud). De tegenspraak kan ook geschieden op grond dat het bewijs van onvermogen ontbreekt of gebrekkig is, of op grond eener aanwijzing van genoegzaam bezit van vermogen des verzoekers.

c) Art. 864 (oud). Op het rapport van commissarisse-wordt het verzoek toe- of afgewezen, en bij toewijzing aan den verzoeker een procureur of een advocaat en een procureur toegevoegd, indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos bij te staan,

d) Vervallen ten gevolge van de afschaffing der griffierechten enjudiciële boeten bij de Wetten van 31 December 1846 (Stb. nquot;. 165) en van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). Zie de noot op dit artikel in O. E. 1896.

185

ocr page 206

186 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

mitsgaders dat aan hem, die de toelating vérkregen heeft, geen salaris van praktizijns of deurwaarders, aan zijne zijde gevallen, kan worden in rekening gebragt. (Stb. 1843 nquot;. 37, a. 21; Stb. 1843 n°. 38, a. 7 (Tar. a. 21, 28); Stb. 1869 nquot; 55; B. 498, 523c, 549 enz,; Rv. 869.)

869. Indien de wederpartij van hein die de toelating verklagen heeft in het ongelijk gesteld, en dienvolgende in de ko-iten verwezen wordt, zullen de salarissen van practi-zijns en deurwaaiders, mitsgaders de griffie , a) zegel- en registratie-regten ere judiciële boeten a) op dezelve kunnen worden verhaald, evenals of er niet kosteloos ware geprocedeerd. (Rv. 56 v,, 866, 867, 808; Stb. 1843 n°. 37, a. 21 (Tar. a. 21).)

870. Indien daarentegen de verkrijger der toelating bij eindvonnis in het ongelijk gesteld, en in de kosten verwezen wordt, staat het de wederpartij vrij, om de kosten van hare zijde gevallen, op hen., zoo mogelijk, te verhalen. (Rv. 56, 868, 869.)

871. Indien er grond is om bij eenen kantonregter kosteloos te procederen, gelden ook daar de vorenstaande bepalingen, onder de navolgende wijzigingen:

10. Dat het verzoekschrift alleen door of namens den verzoeker behoeft te zijn onderteekend; b) (Rv. 856.)

2quot;. Dat de wederpartij voor den kantonregter wordt opgeroepen, en door dien wordt gehandeld en beslist overeenkomstig de artikelen 860, 861 862 en 863;

3°. Dat geene- toevoeging van praktizijn, bij artikel 864 vermeld, plaats heeft. (Rv. 859.)

872. Indien in het algemeen behoeftigen in dezen titel omschreven, buiten eigenlijk regsgeding, eenige geregtelijke magtiging, goedkeuring of andere regterlijke beschikking op eenvoudige requesten of andere aanvragen behoeven, kunnen zij, voorzien van het bewijs van onvermogen, bij artikel 858 vermeld, hunne requesten daartoe strekkende, met overlegging van dat bewijs, op ongezegeld papier indienen, en zal de beschikking vrij zijn van zegel en gratis worden geregistreerd, en wijders vrij van alle andere kosten aan hen worden uitgereikt.

Ook kan aan behoeftigen vergunning worden verleend tot het kosteloos tenuitvoerleggen van regterlijke beschikkingen en executeeren van grossen, c) (R. 70 v.. 169, 431, 451 v., 458, 475; Rv. 430 v., 439 v., 491 v., 563 v., 585 v., 798, 829 v, 858, 868, 873; Sib. 1843 n». 37, a. 21; Stb. 1843 n0. 38, a. 7 (Tar. a. 21, 28); Stb. 1815 nquot;. 24; Stb. 1842 n0. 20, a. 6b.)

873. Zoo noodig wordt aan de behoeftigen, indien zij niet van eenen procureur vooriien zijn, door den president een procureur aangewezen en toegevoegd, d) (R864, 868, 872 )

o) Zie noot d op de vorige bladzijde.

b) In art. 871 (oud) 1°. ontbraken achter het woord: vdoorr, de woorden «of namens».

c) In art. 872 (oud) ontbrak het tweede lid.

d) In art. 873 (oud) werden, in plaats van de aanvangs-

ocr page 207

BOEK III, TITEL VI, AUTT. 869—879.

874. Armeninrigtingen, besturen van gods-en gaslhuizen. benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het rijk, kunnen op gelijke wijze, met gelijk gevolg als in dezen titel, ten aanzien van onvermogen-den is bepaald, kostelooze toelating vragen en erlangen, zonder verpligt te zijn tot overlegging van een bewijs van onvermogen. (Rv. 855 v., 858; Stb. 1854 nquot;. 100, a. 76.)

875. De uitspraken der hoven, regtbanken en kanton-regters, aangaande de toelating om kosteloos te procederen, zijn aan geen hooger beroep onderworpen. ((■. 165; R. O. 95; Rv. 333, 398.)

ELFDE A F D E E L I N G.

Van voorloopig getuigenverhoor.

87G. Wanneer in de gevallen, waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, er, vóórdat nog een geding aanhangig is (of vóórdat in een aanhangig geding het verhoor kan plaats hebben), gevaar bestaat, dat dit bewijsmiddel zoude verloren gaan, het zij uit hoofde van den ouderdom of ziekte der personen, die als getuigen zouden moeten worden gehoord, het zij uithoofde dat zij hebben voorgenomen het rijk (land te verlaten, liet zij om andei'e dergelijke, door den regter te beoordeeien, redenen, kan de belanghebbende zic/i bij verzoekschrift tot den regter wenden, ten einde onverwijld tot het getuigenverhoor te worden toegelaten (vragen, dat onverwijld een getuigenverhoor zal worden bevolen.) (B. 193-2 v.; K. 16; Rv. 880.)

Aldus gewijzigd bij art. 5 der Wet van 23 December 1886 (Stb n°. 230).

877. Het verzoek wordt gedaan aan de regtbank van het arrondissement, waarin de personen, die men als getuigen wil doen hooren, of het grootste getal van dezelve woonachtig zijn. (B. 74 v.)

Het verzoekschrift houdt in:

1quot;. De redenen, welke een voorloopig getuigenverhoor noodzakelijk maken; (Rv. 87G.)

-u. De daadzaken, welke men wil bewijzen; (Rv. 103t' j». 200.)

Squot;1. De namen en woonplaatsen der personen, die men als getuigen wil doen hooien. (Rv. 106 jquot;. 200.)

878. Indien de regtbank hel verzoek toestaat, bepaalt zij den dag en het uur, waarop het getuigenverhoor zal plaats hebben, en benoemt een harer leden als regter-commissaris, voor wien hetzelve zal moeten worden gehouden. (Rv. 103c j0. 200. 203.)

879. De bepalingen van artikel 105, 107, 108, 109, 111, 113, 114, 116, 117, 118, in verband met artikelSyi, a)

woorden: « Zoo noodig », gelezen de woorden: « In dat geval ».

o) De cursief gedrukte woorden vervallen tengevolge van de intrekkina van art. 214.

187

ocr page 208

■188 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVOHDERING.

zijn mede op dit getuigenverhoor toepasselijk, met uitzondering van hetgeen aldaar ten aanzien van de wederpartij is bepaald. (Rv. 881.)

880. Indien er later een geding ontstaat, waarin men van het getuigenverhoor zou ivillen gebruik maken, zal de verklaring der getuigen, op de hierboven gemelde wijze afgelegd, (De verklaringen der getuigen, in een voor-loopig verhoor afgelegd, mogen) niet als bewijs mogen worden aangenomen zoolang het mogelijk is, deze getuigen

, (hen) op de gewone wijze in het geding te hooren. (Rv. 103-121 j». 200, 876 v.)

Aldus gewijzigd bij art. 6 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n°. 230).

881. Indien zulks door overlijden of afwezigheid der getuigen, of uit hoofde van andere dergelijke redenen, niet meer mogelijk mogt zijn, zal het proces-verbaal ingevolge artikel 879 opgemaakt, in het geding mogen worden overgelegd. Aan hetzelve zal zoodanige bewijskracht worden toegekend, als de regter naar de omstandigheden zal vermeenen te behoo-ren. (B. 1945, 1959.)

Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (Rv. '103f/ jquot;. 200.)

ZEVENDE TITEL.

Van den staat van kennelijk onvermogen. 882-899.

Deze Titel ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.

ocr page 209

WiiT van 7 JULI 1896.

WET

van 7 Juli 1896 (Stb. n». 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Artikel 1.

Artikel 4 n0quot; 7 en 8 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden gelezen als volgt:

(Zin art. 4 Rv.)

2. enz.

125. Bij de toepassing van wetten en wettelijke verordeningen, waarin bepalingen voorkomen, waaraan de onderscheiding tusschen de gewone en de summiere procesorde ten grondslag ligt, wordt, met afwijking van die bepalingen, deze wet gevolgd.

Overgangsbepaling.

126- Met uitzondering der bepaling van artikel 11 a) is deze wet niet van toepassing op gedingen, ten aanzien waarvan bij hare inwerkingtreding geen uiterlijk gewijsde bestaat.

Slothepaling.

127. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Gegeven te Soestdijk, 7 Juli 1896.

• BESLUIT

van 31 Juli 1896 (Stb n0. 146), houdende bepaling van den dag waarop de wet iicm 7 JWt 1896 (Stb. nquot;. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, in werking treedt.

Wij Emma, enz.

Gelet op artikel 127 der wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0.103); Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen, dat de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zal in werking treden op 1 Januari 1897.

•189

Soestdijk, 31 Juli 1896.

a) Bij art. 11 werd art. 82a Rv. gewijzigd. Zie aldaar.

ocr page 210

Besluit van 16 September 1896.

BESLUIT

van 16 September 1896 (Stb. n0. 156), ter bekcndniakimj van den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering, zooals die is gewijzigd in verschillende wetten, laatstelijk bij de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n». 103).

Wij Emma, enz.

Gelet op de wetten van 31 Mei 1843 (Stb. n0. 23), 7 April 1869 (Stb. nquot;. 54), 7 April 1869 (Stb. n». 55), 18 April 1874 (Stb. n0. 68), 10 November 1875 (Stb. n0. 204), 26 April 1876 (Stb. n0. 86), 26 Juni 1876 (Stb. nquot;. 124), 30 Mei 1877 (Stb. n». 138), 23 April 1879 (Stb. n». 75), 26 April 1884 (Stb. n0. 94), 15 April 1886 (Stb. n°. 64), 23 December 1886 (Stb. n0. 230), 31 December 1887 (Stb. n0. 265), 8 April 1893 (Stb. n». 61), 22 Juni 1893 (Stb. n0. 93), ^0 Januari 1896 (Stb. n0. 9) en 7 Juli 1896 (Stb. nquot;. 103), waarbij het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering, zooals dit op 1 October 1838 is ingevoerd, achtereenvolgens is gewijzigd;

Hebben goedgevonden en verstaan, den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zooals die bij de hierboven genoemde wetten is gewijzigd, algemeen bekend te maken, door bijvoeging van dien gewijzigden tekst in zijn geheel, bij dit besluit, a)

190

Soestdijk, 16 September 1896.

a) De als bijlage tot dit Besluit in het Staatsblad opge-men tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is in deze uitgave aangehaald als O. £. 1896.

ocr page 211
ocr page 212
ocr page 213
ocr page 214
ocr page 215
ocr page 216

J