ï O.L VROUW in'tZAND,
«IJ «iKI.KliKNIIEIl) VAN 11KI
-v
:M* N ici' lunitlcnl en \ ijIIi'iii' â¢IiiIm'I-IVcsl tier viiidius \;tii liet Miracult'ii/.c Im-cIiI .
in IQR
11 1 \' (gt; T L S.
Hcvira .1 M.nia Vileine Vita ipsa t-sl in iniimlo int roti nota . ut Vivenlen» parial et vivesilium Maria sit nia!i-r.
Door di' Maag»! Maria is in w erktlijkhcnl hot wart» I.im ii aan de wi-n-ld jjcgcv.-n. om-.i.il Zij lirii I . vcntlinakfr lu'flt voorl^fhrat lit en alt!us tlt- Moeder van alle levenden ït-wurden is. S. Ki'il'llAMI'S. Atlvtrs. hae-rt ses. Lib. 111. liacres. I.XXVIII.
A'OAVv'J/O.W).
^r. w ArrK i * i\ k x
1885.
.21 eh .T. A. Wartcnbenjh, Roermond
ïllmihuUnui van O.'ï'.^rouiu m't HauMc^wrnunui.
VAK W GEDENKSCHRIFT
VAN
Onze Lieve Vrouw in 't Zand,
BIJ GELEGENHEID VAN HET
Vier honderd en vijftig jarig Jubelfeest der vinding van het Mirakuleuze Beeld,
DOOR
IDEquot;VOTXJS.
Revera a Maria Virgiue Vita ipsa est in iminilo introducta , ut Vivcntein pariat ct vivintium Maiia sit mater.
Door de Maagd Maria is in werkelijkheid het ware Leven aan de wcield gegeven, omdat Zij den Levendmaker heeft voortgebracht ea aldus de Moeder van alle levenden geworden is.
S. Epipuanics. Advers. hacreses. Lib. III.
haeres. LXXVIII.
ROERMOND. M. WATERREUS. 1885.
IMPRIMATUR.
J. M. SCHOLTIS, par. et dec.
ad hoc delegatus.
Galopice, hac 20 Apr Hits 1885.
SNELPERSDRUK VAN M. ALBERTS EN ZONEN, TE GULPEN.
San btrbt ^fst^rnurs bait fjct ^tiraluiUnje llctllï;
ZIJNE DOORLUCHTIGE HOOGWAARDIGHEID
91£.o hjc kj-neut-
JOANNES AUGUSTINUS PAREDIS,
Vijftienden Bisschop van Roermond
EN
DEN EDELACHTBAREIM MAGISTRAAT
der stad Roci-uiond,
jij bit tórbênksrljrift nwt «rbitïr fit bankbaarbtttr opgfbragcit
DOOR
1 gt;e votns:.
ven, moge U, godvruchtige lezer, bewegen om a het te lezen. Indien iemand ons de opmerking maken mocht, dat wij ons die moeite hadden kunnen besparen, dewijl reeds zoovele boeken en boekjes over dit onderwerp uitgegeven zijn, laten wij dan met den H. Alphonsus de Liguori, wien wij deze eerste regelen ontleenen , mogen antwoorden, dat de lof van Maria eene zoo onuitputbare bron is, dat te meer zij overvloeit, te voller zij wordt. â Zoo wij slagen mogen, in U eene groote liefde tot O. L. Vrouw van het Zand te ontsteken en U een groot vertrouwen in te boezemen op hare machtige voorspraak, dan zullen wij ons rijkelijk beloond achten, en het doel, waarnaar wij streefden, hebben bereikt.
YOORREDK.
VOORREDE.
Welke middelen wij aanwendden , daarvoor ligt het geheele boek open. Alleen dit zij ter verklaring gegeven, dat wij bij de geschiedkundige herinneringen van het mirakuleuze Beeld voornamelijk het oog hadden op den zichtbaren invloed , door Maria in den loop van vier honderd en vijftig jaren op Roermond en middellijk op Limburg en Nederland uitgeoefend. Voor ons was het Genadebeeld de bron van bovennatuurlijke en natuurlijke zegeningen, die Maria over stad en land wilde uitstorten, â zijne geschiedenis eene bladzijde uit het boek van Gods Heilbestuur, voor zoover Christus gewild heeft, dat zijne Goddelijke Moeder daarin zou medewerken.
Dat wij de geschiedenis van Roermond en zijn doorluchtig Episcopaat om die reden niet uit het oog mochten verliezen, ligt voor de hand. De geestelijkheid en de magistraat der stad oefenden sedert 1435 op de waardigste wijze hun beschermrecht over het Wonderbeeld en de Genadekapel uit. Zij vertegenwoordigden de stad, die Maria had uitverkoren, aan welke Zij in alle volgende eeuwen hare liefde en macht wilde openbaren.
Gelijk doorgaans met alle oude wonderbeelden der Allerheiligste Maagd het geval is, zoo ook met dat van 't Zand, â de omstandigheden, waaronder die merkwaardige gebeurtenissen, als hier die der Vinding, plaats vonden, zijn veelal schaars en
VI
VOORREDE.
min of meer in den nevel van het ver verleden gehuld. De dankbare eenvoudigheid zet zich niet dadelijk neder om de genaden Gods te boek te stellen. Alleen het hoofdzakelijke bij dusdanige wonderbare feiten staat ontwijfelbaar vast. De overlevering getuigt, wat mirakelen bevestigen. En geen treffender mirakel dan eene openbare vereering, die den toets van vier honderd vijftig jaren doorstaat, doorstaat in weerwil van geloofsverflauwing en harde vervolging, doorstaat trots alle wisselingen van tijden en zeden. 2ulk eene vereering viel het Wonderbeeld van O. L. Vrouw in 't Zand ten deel in 1435; en als heden de gedachtenis aan die overgroote weldaad door zoovele duizenden met den meesten luister gevierd wordt, dan voorzeker is die vereering het zichtbare bewijs van de bovennatuurlijke tusschenkomst der Allerheiligste Maagd bij de vinding van haar afbeeldsel daar ter plaatse.
Schijnen wij in het verhalen der bijomstandigheden en wel voornamelijk betrekkelijk den herder-edelman van den tot heden gevolgden weg te zijn afgeweken , dan geven wij hier te verstaan, dat die afwijking in geenen deele geweld pleegt aan de nog bestaande overlevering. Dat wij verband meenden te vinden tusschen het sedert twaalf eeuwen beroemde St. Odiliënberg, waar ten tijde van de komst der HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus reeds eene Maria-
Vil
VOORREDE.
kapel bestond, tusschen dat vermaarde beêvaartoord en de opkomende stad Roermond, zal gewis evenmin gewraakt kunnen worden, als de veronderstelde ontmoeting tusschen den jongen edelman en den toenmaals levenden Kanunnik Gerardus Van Mng-genbroeck. De overlevering wijst de hoeve van den waardigen Kanunnik aan als de woning, waarin de bevoorrechte herder-edelknaap zou geleefd hebben. Overigens hebben wij uitdrukkelijk op die plaats verklaard, dat wij slechts wilden in beeld brengen, wat ons uit de overlevering en de geschiedenis bekend was.
Ten slotte leggen wij hier de verklaring af, dat wij aangaande alle bovennatuurlijke feiten in dit boek voorkomende, alsmede het toevoegsel van heilig aan personen, door de H. Kerk niet gecanoniseerd, ons geheel onderwerpen aan het voorschrift van Paus Urbanus VIII.
Zij allen, die wij mogen opwekken tot een vuriger vereering van O. L. Vrouw van het Zand, de vervulling van den wensch, hetgeen ook wij van de H. Moeder Gods voor ons zeiven afsmeeken, dat wij allen de eeuwige zaligheid mogen vergaren door Maria te vereeren â honorare Mariam est thesauri-sare Vit am aetemam.
Egg____Maria-Boodschap 1885.
vin
INLEIDING.
Nu ongeveer honderd jaren geleden boden de heeren J. Theunissen, J. Eckmiller en R. Beckers, namens de Mariaansche Broederschap der Kapel van O. L. Vr. in 't Zand, den Magistraat der stad Roermond het volgende verzoekschrift aan;
âVerthoonen reverentelijk de Jeveraers der devotie tot O. L. Vr. in de Capelle in 't Sand, ressorteerende onder dese stadt, hoedat men eijndelijck soo veel mogelijck agterhaelt heeft, dat de devotie op geseijde plaetse , sedert drij hondert vijftigh jaeren begonst, tot nu toe gecontinueert heeft, en hierom eenen Jubilé geviert sal worden , om de geloovige tot meerdere vereeringe van Maria aen te moedigen, dat sijne doorluchtige Hoogweerdigheit tot grooteren luijster deses Jubilé geordonneert heeft eene Processie van devotie, dewelcke op den feestdagh van O. L. Vrouw Hemelvaert aenstaende, ten negen uhren uijt de Ca-thedrale tot geseijde Capelle sal geschieden; hierom keeren de supplianten hun {zich) tot dese edele Magistraet, ootmoedelijck versoeckende dat deselve concurrerende tot meerderen luijster van geseijden
â 10 â
Jubilé in processie het Alderheijligste met flambouwen gelieven te vergeselschappen tot de Capelle in 't Sant, alwaer hetselve sal blijven tot den vijftienden Septembris daerop volgende, alsmede wanneer het Alderheijligste op den 15 September 's avonts naer het Loff wederom processionelijck van de Capelle tot de parochiale kercke sal gebroght worden en te besorgen dat de ampten met flambouwen hun {zieli) in de selve processien laeten vinden. Dit is de gratie.quot; 1)
Wij mogen het antwoord van den Stedelijken Raad op bovenstaand verzoekschrift, dat dien âedelen Magistraetquot; volkomen waardig is, aan onze belangstellende lezers niet onthouden. Het luidde:
De magistraet gesien dese (gratie), verklaert dat hetselve in corpore, op den voeth als hier bij vermeit , het Alderheiligste in de processien met flambouwen sal vergeselschappen , belastende tot dijen alle de ampten binnen deese stadt, op de gewoone-lijcke maniere, hun in de geseijde processien te laeten vinden, en insgelijkx hetselve Alderheijligste met flambouwen gestichtelijck t' accompagneren , ten ef-fecte van welck, sal deese aan den thienmans gaffelknecht worden aengeseijt, om de selve aen de respectieve ampten kenbaer te maecken, en sal deese requeste wie mede deese ordonnantie tot eene eeuwighe gedaghtenisse in 't donderdaghs prothocol worden geregistreert. Actum op den raedthuijse binnen Ru-remunde den 11 Augusti 1785.
1
Deze en meerdere bijzonderheden zijn ontleend aan de hoogst verdienstelijke geschiedenis van Onze Lieve Vrouw in V Zand te Roermond, geschreven door den Eerw. Pater Redemptorist H. van Krugten en uitgegeven door J. J. Romen en Zonen, drukkers van Z. H. den Paus, te Roermond.
â II â
Veel is sedert honderd jaren in de goede stad Roermond veranderd; raadsbesluiten, als hier gemeld, kunnen misschien bij onze hedendaagsche wetgeving niet genomen, noch ten uitvoer gelegd worden. Doch zich zijner voorgangers waardig toonen in eerbied en gehechtheid aan Roermonds grootsten schat en daarvan openlijk blijk geven bij het naderend Jubilé, geen enkele wet, die dat verbiedt. En daarom, Roermonds echt katholieke bevolking staat er ons borg voor, zullen de eersten onder hare burgers dien alouden roem handhaven , zich scharen aan de zijde van hunnen veel beminden Kerkvoogd, dien grooten vereerder van de Schutspatrones der Bisschopsstad, en, allen een voorbeeld gevende van prijzenswaardigen naijver, zal hun eendrachtig voorgaan de geheele bevolking tot navolging aansporen en aldus het jubilé van 1785 in luister en vruchtbaarheid doen overtreffen door het herinneringsfeest van 1885.
Tot heden is Roermond gebleven, wat het was sedert hare opkomst, â eene Marias tad. Aan de stichting van de O. L. Vrouw Munsterkerk dankt zij haar ontstaan en bloei, aan de vinding en vereering van het mirakuleuze Beeld in 't Zand â wij durven het zonder schroom neerschrijven, â het ongeschonden behoud van het Katholiek Geloof.
Wondere samenloop van omstandigheden, zouden wij zeggen, indien wij daarin met de oogen des Ge-loofs niet veeleer de duidelijke beschikking zagen van een Alwijzen God, â Roermond, schoon de jongste en minste onder hare zustersteden, wordt de zetelplaats van den eersten Limburgschen Bisschop, van den roemrijken Lmdanus, den vriend en raadsman
â 12 â
van Pausen, het voorbeeld van de Bisschoppen en Priesters zijns tijds, â van Lindanns, den trouwen herder zijner kudde in het midden der gevaren van afval en ongeloof, den bewaarder van den schat des geloofs, de vrees der ketters door zijn diepe en alles overwinnende geleerdheid, de steunt tevens door zijn eenvoudige en heilige wijsheid van de geheele katholieke wereld, â van Lindanns, den hersteller der kerkelijke tucht, den waarachtigen Missionaris, den vader van armen en weezen, een der weinige Apostelen, die door woord en voorbeeld het Roomsch Katholiek Geloof in Limburg, in Nederland, ja in geheel Europa hebben behouden voor het nageslacht in de donkere jaren der hervorming.
Roermond, u zij eere, gij vereerster der Vlekkelooze Moeder Maagd , gij uitverkoren stad in ons vaderland, waarin Maria immer bemind en geëerd werd, van waar de liefde en eerbied voor de H. Moeder Gods door alle gewesten van Nederland is doorgedrongen, â Roermond u zij eer! maar toon, gelijk gij deedt honderden jaren voorheen, u die eere waardig, laat niets u te veel zijn om Haar te verheerlijken , die u zoo groote eere bewezen heeft.
/lagteekent de vinding van het mirakuleuze Beeld in het Zand uit het begin der vijftiende eeuw, 9^ niet alzoo de vereering van de Moeder des Heeren in die bevoorrechte landstreek.
Roermond â wij noemden het boven , en terecht, gelooven wij, eene Mariastad â Roermond biedt iederen opmerkzamen vreemdeling, die deze onder vele opzichten merkwaardige plaats bezoekt, het verblijdend schouwspel aan van houw en trouw aan het voorvaderlijk geloof. Zou er, om maar iets te noemen, wel ééne stad zijn in ons vaderland, waar naar evenredigheid der bevolking meer godshuizen, kloosters en scholen bloeien? Waar zooveel monumenten getuigen van de liefdadigheid en den godsdienstzin der burgers? Wij gelooven het niet. En toch was Roermond vele eeuwen lang een brandpunt van den strijd
â 14 â
tusschen de hertogen van Gelder en Brabant; in den tachtigjarigen oorlog een verleidelijk lokaas voor de Staatschen en terzelfdertijd om hare getrouwheid aan haren wettigen koning een machtelooze prooi van de plunderende huurbenden in Spaanschen dienst. Nijpend was vaak hare armoede, bitter haar lijden, uitgemoord soms, meermalen bezocht door pest en hongersnood, ja tot tweemalen schier geheel in de asch gelegd , ontbrak er niets om haar in het lot van zoovele steden te doen deelen, die bij minder tegenspoed ten gronde gegaan zijn.
Koning Philips II van Spanje had wel juist gezien en geoordeeld, toen hij aan Paus Paulus IV deze in trouw door lijden beproefde stad tot zetelplaats voordroeg van een der veertien bisdommen, zoo noodzakelijk voor de wering der ketterij in zijne Vereenigde Nederlandsche Staten en voor de herstelling der kerkelijke tucht. Beiden, Opperpriester en koning, konden niet onbekend zijn met het wereldkundig feit van Roermonds standvastige gehechtheid aan haren voormaligen hertog, toen geheel Gelderland den grijzen Arnoud afviel en diens ontaarden zoon Adolf als zijn heer huldigde, toen âalle dat lant,quot; om de woorden van den ouden kroniekschrijver te bezigen, âsteden ende dorpen gemeynelijck den alden hertoch afgijngen, inde hulden den jongen hertoch , ende all meyneydich werden, sonder alleyn die edele staet van Ruremonde, die en wolde den jongen nyet hulden, noch also meyneydig werden.quot; Schoone lof, voorwaar ! maar die tevens eene wel verdiende hulde wordt, als wij lezen tot welken zwaren prijs zij die eere verwierf, âende hyr oemquot;, dus be-
â IS â
sluit diezelfde schrijver, âso leyden die van Ruremonde alte voel noetz, er sy te vrede quam.quot;
Daarom was Roermond den bisschopszetel ten volle waardig, gaf haar verleden meer dan ééne reden tot het vast vertrouwen, dat hare toekomst daaraan beantwoorden zou, even gehecht te zullen blijven aan de H. Kerk als getrouw aan haar koning.
Vraag niet, waarde lezer, wat die dubbele toewijding dier goede stad gekost, hoeveel zij daarvoor geleden heeft, â de toekomstige geschiedschrijver, aan beide recht doende wedervaren, geve u meer volledig het antwoord, waarom Roermond niet onderging in haren harden kamp tegen den vijand van hare rechten en plichten , van haar geloof en vaderlandsliefde , van hare Kerk en haren Vorst, â wij, voor ons, zien daarin voornamelijk een onwederspre-kelijk bewijs van Roermonds ongekrenkte trouw, van hare veelmaals beproefde, doch immer standvastig gebleken, gehechtheid aan hare verhevene Patrones, de Diva Virgo in arena, de Onbevlekte Moedermaagd , die op zichtbare wijze de kinderlijke vereering der Haar toegewijde stad door dat liefdeblijk beloonde en sedert bijna vijf eeuwen niet ophield deze bevoorrechte plaats onder hare moederlijke bescherming te bewaren.
In dit licht gezien, wordt de monumentale Munsterkerk, waarvan de herstelling alleen zou kunnen volstaan voor de blijvende glorie eener stad, worden niet het minst de tallooze kapelletjes, op schier alle hoeken der oude straten, zoovele kenteekenen van de liefde en dankbaarheid der burgers jegens de H. Moeder Gods; zoovele bewijzen van hunne innige en on-
â i6 â
verflauwde vereering. Eene vereering, die opklimt tot in het grijze verleden, toen Roermond nog hare stedelijke rechten van keizer Rudolf van Habsburg te verwachten had , toen zestig jaren vroeger de vrome hertog van Gelder, Gerardus III, in het stichten van het Munsterklooster den grondslag legde tot de opkomst en bloei der later roemruchte stad, en dit gesticht in 1224 uit eerbied voor de Moeder van barmhartigheid toewijdde aan âBcatce Maries perpetua Virgini,quot; tot wier eere een zijner doorluchtige voorzaten , vermoedelijk een andere Gerardus, tegen het einde der twaalfde eeuw de prachtvolle Mariakerk â later Munsterkerk geheeten â had opgericht.
Wij willen ons niet in gissingen verliezen naar het tijdstip, waarop de eerste bewoners zich vestigden aan den mond van de Roer, al mogen wij veilig veronderstellen, dat, nog vele eeuwen voor de eerste graven en hertogen van Gelder daar ter plaatse eene sterkte bouwden, op dien voor landbouw en scheepvaart zoo uiterst geschikten bodem , een nijvere bevolking geleefd heeft. Stroomt trouwens de Roer niet langs St. Odiliënberg , dat onder den naam van St. Petrusberg reeds bloeide en vermaardheid had in het begin der achtste eeuw ? De afstand van een uur gaans moge misschien geen genoegzamen grond opleveren voor de bewering , dat de vroegste volkplanting aan den mond van de Roer omwoners zouden geweest zijn van dien waarlijk heiligen Berg, voor meer dan waarschijnlijk houden wij het nochtans , dat in de bijkans onmiddellijke nabijheid van de Moederkerk des Bisdoms de aanleidende oorzaak moet gezocht worden van de bijzondere vereering
der H. Maagd, waardoor de eerste Roermondenaars schijnen uitgemunt te hebben en die in de vinding van het mirakuleuze Beeld hare belooning heeft gevonden.
Op den St. Petrusberg, werwaarts de drie groote Apostelen van Zuid-Nederland, de H.H. Wiro, Ple-chelmus en Otgerus (706), zich hadden begeven in hunnen hoogen ouderdom, ten einde hunne laatste levensdagen op waardige wijze in den dienst der H. Moeder Gods te eindigen , was bij hunne aankomst reeds eene kapel aan de H. Maagd toegewijd. Zij bouwden daar een klooster en een kerk ter eere van den H. Petrus, doch noch in deze noch in gene verlangden zij begraven te worden, â hunne laatste rustplaats moest zijn in het heiligdom van Haar, wier macht en glorie zij hun heel leven lang verkondigd, wier vereering zij door woord en daad alom verbreid hadden.
Waar Pepijn van Herstal jaarlijks barrevoets ter beevaart heentoog, om aan de voeten van den H. Wiro belijdenis af te leggen en vergiffenis te bekomen van zijn zonden , daar ook zullen ongetwijfeld scharen pelgrims van heinde en verre zijn saamge-stroomd, om uit den mond dier heilige mannen, aan wier prediking de meesten hunner de onschatbare gave des geloofs verschuldigd waren, nogmaals de woorden des eeuwigen levens te hooren verkondigen, om door de wijze lessen en vermaningen dier onvermoeide apostelen vertroost en versterkt te worden in het geloof, om van die vurige dienaren van Maria te leeren, hoe op waardige wijze de gezegende Moeder des Heeren te beminnen en te vereeren. En wat zij
â 18 â
medenamen van die heilige plaats, wat zij, in hunne haardsteden weergekeerd, als een kostbaar pand bewaarden, als een hemelsch zaad verspreidden en aankweekten in de harten hunner kinderen en magen? Het was eene groote liefde tot Maria en een onwankelbaar vertrouwen op hare machtige voorspraak.
Heerlijk schoone kroon op een leven van deugd en heiligheid, waardig besluit van een glorievol Apostolaat, na deleer van Jezus gepredikt te hebben, te eindigen met de verbreiding der vereering van Jezus' Heilige Moeder!
âAan Odiliënberg,quot; schrijft de ijvervolle en geleerde Pastoor van de Moederkerk des Bisdoms, âheeft de stad Roermond niet alleen haren kostbaarsten schat, het Geloof, maar ook hare uitstekende waardigheid boven alle andere steden van Limburg, namelijk hare verheffing tot Bisschopsstad te danken.quot; Wij aarzelen geen oogenblik hieraan toe te voegen; aan de prediking der H.H. Wiro, Plechelmus en Otgerus is de bijzondere vereering der H. Maagd hier alles verplicht; de stad Roermond heeft in die devotie steeds uitgemunt, daaraan mag zij het toeschrijven, dat zij in latere tijden den eervollen titel van Mar ins tad verwierf, dien Maria zelve op zoo wonderdadige wijze heeft bevestigd.
Niets bestaat zonder genoegzame reden, zelfs niet de vinding van het mirakuleuze Beeld in het Zand. Wij meenen daarom in de aêloude vereering der Moeder Gods in de omstreken van Roermond en zelfs ter plaatse, waar Roermond eenmaal verrijzen zou, eene aanleidende oorzaak te mogen zien van
â 19 â
Maria's buitengewone genadegunst ten opzichte van deze stad en hare omgeving. Als zoodanig beschouwen wij die wonderbare vinding, waarvan de gevolgen zoo onuitsprekelijk zegenrijk geweest zijn voor volk en land. Waarom zouden ook voor eene hemelsche beschikking, gelijk de vinding van het mirakuleuze Beeld buiten allen twijfel er eene is, geene verklarende redenen (rationes convenientise) kunnen gelden, indien er feiten aanwezig zijn, waaruit zij zonder veel moeite zijn af te leiden? Het geloovige hart is in zulke, aan het bovennatuurlijke zoo na verwante zaken dikwijls een veiliger gids dan een scherp verstand Hoeveel zou oogenschijnlijk de kritiek van het geestelijk gebouw dezer traditie kunnen afbreken en, vruchtelooze arbeid! ten slotte toch moeten bekennen, dat zij redelijker wijze geen kans ziet verder haar sloopings-werk voort te zetten dan tot het verwijderen van enkele overtollige sieraden uit dien eerbiedwaardigen tempel! Het bovennatuurlijke laat zich niet als men-schelijke zaken, kunsten en wetenschappen door het mes der kritiek ontleden, het is in den waren zin des woords verheven boven alle menschelijke kritiek.
Daarom is het gezegde van den H. Joh. Chry-sostomus even diep als waar en hier gewis van toepassing : Est traditio, nihil quacrat aniplius, âonderzoek niet verder, waar de overlevering heeft bevestigd;quot; daarom ook waarschijnlijk is ons zoo luttel met zekerheid bekend betrekkelijk den juisten tijd der vinding van het mirakuleuze Beeld, en de omstandigheden, zoo persoonlijke als plaatselijke, waaronder deze gewichtige gebeurtenis voorviel. Het feit alleen is aan niet den minsten twijfel onderhevig en evenmin
â 20
de plaats, waai' het geschied is. Dit was onzen voorouders in het geloof voldoende, hun dankbaar hart vroeg niet meer, in hun eenvoudig en groot geloof knielden zij bij het Beeldeke neer, vroegen en verwierven hulp en troost van hunne lieve Moeder Maria. De zieke, die hier zijne gezondheid terugvond, de blinde, die hier het licht zijner oogen, de lamme, die zijn gang, de doove, die zijn gehoor hier weer kreeg , zij dachten er in hunne opgetogen vreugde slechts aan, om Maria te zegenen en te loven voor de ontvangen genezing, â wat was er hun aangelegen, van waar het wonderbeeld afkomstig was, wie het kon vervaardigd hebben en hoe het daar ter plaatse kon gebracht zijn ? â Maria had hare macht en liefde getoond, Zij had dit wonderbeeld en de plaats, waar het gevonden was, uitverkoren, om hare dienaren op bijzondere wijze deelachtig te maken aan hare he-melsche gunsten en weldaden. Geen andere gedachte, die hun geest vervulde, geen andere wensch, die in hun van dankbaarheid kloppend harte oprees, dan zooveel mogelijk den roem van dit genadeoord te verbreiden en tevens een passend verblijf voor het genadebeeld te stichten. Eerst later, misschien wel veel later, toen de kerkelijke overheid zich deze wonderbare zaak aantrok, begon men aanteekening te houden van de wonderen, die bij het mirakuleuze Beeld geschiedden en een onderzoek in te stellen naar de herkomst daarvan en de omstandigheden der vinding. Zoo ten minste stellen wij ons het verloop dezer bovennatuurlijke gebeurtenis voor. Veel daarom moet ook zelfs in dien tijd uit den mond van geloofwaardige getuigen zijn opgeteekend, die alleen
â 21 â
bij traditie kennis droegen van de verschillende bijomstandigheden, waaronder het wonderfeit had plaats gegrepen. â Bestaan die oudste oorkonden nog, of zijn zij met andere voor de geschiedenis van Roermond onwaardeerbare bronnen in den dubbelen brand, waardoor die stad geteisterd werd, onherstelbaar verloren geraakt?
Bij gemis daarvan zij het ons derhalve vergund naar aanleiding van eene nog altijd onder het volk bestaande overlevering, alsmede van eenige uitgege-vene en onuitgegevene bescheiden, die middellijk met ons onderwerp in verband staan, de eerste geschiedenis dezer merkwaardige gebeurtenis in beeld te brengen.
Wat mocht den jeugdigen vreemdeling bewogen hebben, om in zulke gevaarlijke en onrustige tijden, â want dat waren zij voor het hertogdom Gelder in de laatste helft der veertiende eeuw, â het land zijner vaderen te verlaten en het Zuider kwartier der Maasgouw binnen te treden? Wie was hij, van waar kwam hij, wat was zijn doel? Het eerste zult gij uit zijn mond niet vernemen, al dunkt het u als ons, dat zijn slanke gestalte, zijne welgevormde leden en de fijne trekken van zijn gelaat weinig voegen bij het grove kleed en de half versleten sandalen van den lijfeigene, waarin hij zich gestoken heeft. Uit zijn taal, zoo gij die verstaat, zult gij al even weinig zijn afkomst kunnen afleiden, â hij spreekt u slechts toe in het Latijn, dat grooten en geringen van zijn volk een tweede moedertaal is. De derde vraag valt lichter te beantwoorden, al verwondert gij u ook misschien.
â 22 â
dat de vreemde , die de oude Romeinsche heerbaan van Xanten schijnt gevolgd te hebben, bij het riviertje de Roer links in stede van rechts afslaat. Hij is dus op een pelgrimstocht, meent gij terecht en betreurt het, dat hij zich zoo deerlijk zal bedrogen vinden.
Wat wist die edele pelgrim van den krijg der Heekerens en Bronkhorsten, die geheel Gelderland en vooral de omstreken van Montfort en Maasgouw had geteisterd en verwoest? Kon hij denken, dat een heiligdom, waarvan de roem tot in het land zijner geboorte was doorgedrongen, aan roof en ontheiliging van muitzieke huurlingen ten prooi zou gelaten zijn ? Hadden ook hier de ridders en edelen niet gezworen, kerken en bedehuizen door hun zwaard tegen iedere aanranding te verdedigen?
Schoon de weg, sedert het krieken van dien dag onafgebroken voortgezet, hem lang en moeilijk moet gevallen zijn en het reeds middag geworden is, hij gunt zijn vermoeide leden geen rust, nu het doel van zijn pelgrimsreize zoo nabij is. Met de oogen onafgewend van het voorwerp zijner vereering, den knoestigen pelgrimsstaf in de rechter, den rozenkrans in de linker, schrijdt hij al biddende met forschen tred voort. Ware hij minder in het gebed verslonden geweest, ongetwijfeld zou hij in de braak liggende velden â- de oogstmaand was niet verre meer â , in de berooide bosschen, waarlangs zijn weg liep, in de luttel arme stulpen, tusschen de halfverbrande overblijfselen van lang vergane welvaart, zoovele onheilspellende voorteekenen ontdekt hebben van wat hem op Udelenberg te wachten stond.
Wij willen den pijnlijken indruk niet schetsen,
â 23 â
dien meer dan de verlatenheid rondom, dien de verwoesting binnen de grijze St. Petrustempel op het godsdienstig hart van den vromen jongeling uitwerkt. Wij vergeven het hem, dat in een opwelling van heiligen toorn de christelijke edelman zich onverholen openbaart en een oogenblik het gemis betreurt van zijn zwaard en zijn getrouwen, om den hoon te wreken, God en zijn H. Moeder aangedaan.
En hij meende nog wel, dat de oude Mariakapel herrezen was in de gedaante van de prachtige baze-liek, wier lichte en hooge toorens hij in den vroegen morgen reeds had zien blauwen en als blijde voorboden van eene zalige vreugde begroet had! âTranen ontspringen aan zijn oog, de stem stikt hem in de keel, hij kan slechts neerknielen en weenen.
Eene lange wijle met zijn zielesmart alleen, heeft hij vóór hem in de zijbeuk geen gerucht gehoord, vermoedt hij evenmin, dat belangstellende oogen hem sedert zijn binnentreden aandachtig gadesloegen. Eerst bij het geluid van naderende voetstappen komt hij tot de ontdekking, dat de kerk niet zoo geheel verlaten was, als hij waande; hij blikt om zich heen en wordt de rijzige, schoon eenigszins gebogene gestalte gewaar, die op hem toetreedt. Oprijzen en met eerbiedigen groet den grijzen Priester naderen, is het werk van een oogenblik, want het innemend en vriendelijk glimlachend gelaat van den bedaagde, zoowel als diens zwarte overkleed , dat tot den grond reikt en waarover een kort schoudermanteltje van gelijke kleur en stof neerhing, hadden iederen twijfel aan het heilig ambt door dezen bekleed, weggenomen.
âUw zegen. Heer,quot; sprak de jonkman met bewo-
- 24 -
gen stem in gebroken Duitsch, terwijl hij het hoofd buigende neerknielde en de hand van den eerbied-waardigen grijze kuste.
......et maneat semperquot;, klonk zacht maar duidelijk
de priesterlijke zegen uit den mond des ouden, die eene korte poos de opgeheven hand op het hoofd van den nederigen pelgrim liet rusten.
âSta op, mijn zoonquot;, ging hij in de Duitsche taal voort, terwijl hij hem met welgevallen beschouwde, âgij komt van verre, naar ik vermoed , verhaal mij eens, zoo gij wilt, uw wedervaren.quot;
Er lag zooveel minzaamheid en vaderlijke deelneming in dien toon, de jongeling voelde zich zoo onweerstaanbaar tot dien edelen Priester aangetrokken, dat hij geen oogenblik aarzelde den grijsaard het doel zijner reize en de wreede teleurstelling, die hij hier ondervond , meê te deelen.
âEen maand geleden , Eerwaarde Vader, verliet ik Polen , waar ik geboren ben , om eene gelofte gestand te doen aan de Heilige Moeder Gods, onze Koningin, van eenige jaren in haren dienst door te brengen. In mijn prilste jeugd heb ik van Udelen-berghe hooren spreken, waar sedert onheugelijke tijden Onze lieve Vrouwe vereerd werd. Het verlangen kwam daarom in mijn hart op, naar dit gezegend oord te reizen tot vervulling mijner belofte. Helaas, ons arm Polen wordt zoo zwaar bezocht, onze wreede koning, Wenceslaus, doet zijn roemrijken voorgangers schande aan, hij heeft zelfs niet geschroomd de heiligschennende hand uit te steken naar Godsgezalfde , ja den vroomsten en geleerdsten onder de Priesters van zijn rijk, den biechtvader onzer god-
â 25 â
vruchtige koningin Joanna, heeft hij aan zijn dierlijken wraak opgeofferd.quot; â Onwillekeurig sloeg de jongeling zijn oogen op en schouwde in de betraande oogen van den ouden Priester.
âGij kent dus, Eerwaarde Vader,quot; zet hij zijn verhaal, dat hij in het Latijn begonnen had, in dezelfde taal voort, âgij kent dus den glorieuzen marteldood van den zaligen Johannes Nepomucenus ?quot;
âAl te wel, dierbare zoon, schoon wij eerst kortelings de oorzaak van zijn roemrijk martelaarschap vernamen. â Gezegend zij God in zijn Heiligen! â Gij hebt den onverschrokken belijder, die zijn leven véil had ter wille van het geheim der biecht, misschien persoonlijk gekend?quot; eindigt de grijsaard al vragende zijn antwoord en werpt een uitvorschenden blik op den Poolschen pelgrim.
âNeen, Eerwaarde Vader; mij heugt slechts het verhaal van dien gruwzamen moord uit den mond mijner moeder, zij was in de hoofdkerk van Breslau, toen Johannes zijn marteldood voorspelde en de rampen voorzegde, die de goddeloosheid des konings over ons arm vaderland zou doen neerdalen. â O dikwijls heb ik in mijn prilste jeugd met mijne goede moeder neergeknield in dezelfde kapel der H. Maagd, waar ook die verheven Martelaar zoo vaak lange uren vertoefde , als hij het dubbel zware ambt van biechtvader in het nabijgelegen paleis ging vervullen, waar hij ook geduld en standvastigheid van de Koningin der Martelaren kwam afsmeeken, weinige stonden vóór hij op last van den onmenschelijken Wen-ceslaus in de Moldau geworpen werd en daar de kroon der Zaligen verwierf.quot; Andermaal sloeg hij de
â 26 â
oogen op naar het minzaam gelaat van den Priester, als wilde hij zich een beeld uit lang vervlogen jaren voor den geest roepen, en met kinderlijke openhartigheid vervolgde hij:
âHet was in die heilige plaats en voor het beeld mijner Hemelsche Moeder dat ik de gelofte aflegde, waarvan ik u zoo even sprak. O, moge door haren machtigen bijstand de gevaren afgewend worden, die mijn ongelukkig vaderland bedreigen!
âThans weet gij, mijn Vader,quot; besluit de brave jongeling zijne vertrouwelijke meedeeling op gedruk-ten toon, want hij kon nauwelijks zijn tranen bedwingen, âthans weet gij, waarom ik het ouderlijk dak en mijn geboortegrond ontvlucht ben en niet terugkeeren zal tot de tijd mijner boete voorbij is.quot;
âGod en de zoete Moeder Maria zullen u beschermen , mijn kind,quot; sprak de beminnelijke oude met bemoedigende stem , wederom zijne hand zegenend over het hoofd van den jeugdigen pelgrim uitstrekkende , âik heb er meer gekend, die ter eere Gods ouders en land verlieten, sommigen zelfs die het voorbeeld volgden van den H. Wendelinus, even hoog als deze van rang en afkomst. Wandel voor het oog van God, mijn zoon, en wees getrouw in den dienst der H. Maagd Maria, volbreng met moed , wat gij op hemelsche ingeving zoo loffelijk begonnen zijt.quot;
Er sprak diepe ernst uit de anders zoo zachte trekken van het vriendelijk gelaat; hij had meer ontdekt dan wij maar in de verte durfden vermoeden, niets was den ondervindingrijken en door beproeving meer dan door ouderdom gerijpten Priester ontgaan. Hij had zich evenmin vergist in de adellijke afkomst
â 27 â
als in de kloeke deugd van dezen eenvoudigen en godsdienstigen jongeling. Hier was bovennatuurlijke leiding, die tot een bovennatuurlijke bestemming moest voeren. Hij gevoelde het, hij mocht zich aan het lot van dien bevoorrechten vreemdeling niet onttrekken en overlegde daarom bij zich zeiven op wat wijze hij het geschikst die moeilijk te vervullen verplichting zou nakomen. Het schiet hem thans te binnen, dat zijn beschermeling, want wij mogen den jongeling van nu af gerust dus noemen, terstond bij het binnentreden der kerk door zoo groote ontroering overmeesterd was. Eveneens herinnert hij zich, dat de pelgrim hier een Mariakapel had gezocht. Waarschijnlijk dus had hij de ontblooting der collegiaal-kerk, bij gelegenheid van de verplaatsing des kapittels naar de H. Geestkerk binnen Roermond geschied, voor de verwoesting van het Mariaheiligdom aangezien.
âHoe akelig leeg. Eerwaarde Vader, is deze schoone kerk,quot; voorkomt de jongeman den wensch des Priesters, âhelaas, ook hier hebben heiligschennende handen het huis van God en de H. Moeder Gods niet gespaard!quot; laat hij er met een zucht op volgen.
âWat gij zoo terecht betreurt, mijn goede vriend,quot; verbetert de grijsaard, wiens gelaat wederom verhelderd wordt door een glimlach , diens vergeeflijke misvatting, âheeft God zij dank niet plaats gehad. Al licht zou het geschied zijn, hadden de kanunniken van het kapittel niet bij tijds zorg gedragen, om wat hier kostbaars was over te brengen naar gindsche stad , waar zoowel de vervoerde schatten als de leden van het kapittel in veiligheid
â 28 â
zijn. Ik zelf behoor onder het getal der kapittelheeren, die de noodige vergunning daartoe aan de hoogwaardigste Bisschoppen van Luik en Utrecht en aan onzen voormaligen hertog van Gelderland, Reinoud III, hebben aangevraagd en verkregen. Het was zoo ver gekomen, dat wij met have en goed in deze kerk moesten schuilen om beveiligd te zijn tegen roof en brandstichting. Menigen brandbrief met negen kruisen geteekend heb ik 's morgens op de deur mijner woning gevonden en ik dank den goeden God dat Hij mij gespaard heeft in die benarde dagenquot;....
ââ Een collegiaal of stiftskerk noemt uw eerwaarde dit gebouw,quot; onderbrak de pelgrim met klimmende verbazing de treurige herinneringen van den ouden kanunnik, niet lettende op het onvoegzame zijner interruptie, âmaar ik meende en had gehoord... maar de Mariakapel dan?....quot; brengt hij vrij onsamenhangend en aarzelend uit, als vreest hij het antwoord.
......Die ligt buiten aan de noordzijde der kerk,
mijn zoon,quot; haast de geestelijke zich die pijnlijke onzekerheid weg te nemen , âvolg mij , wij zullen er zoo dadelijk heengaan.quot;
Vreugde straalt uit het gelaat van den overge-lukkigen edelman bij die blijde tijding, hij draalt geen oogenblik om aan de gedane uitnoodiging gehoor te geven en volgt zijn eerbiedwaardigen geleidér op den voet naar buiten.
Gaarne had hij de hymne aangeheven door Sint Adelbert ter eere van de Moeder Gods vervaardigd en door de Poolsche edelen bij hun ten strijde trekken gezongen, vreesde hij niet zijn adellijke afkomst te verraden.
Weinig vertoonde uit- en inwendig de zeldzame schat van de heden half bouwvallige en toen reeds in vervallen toestand verkeerende kapel. De schenners, die de aangrenzende kerk hadden geplunderd, nadat het kapittel naar Roermond verplaatst was, waren niet minder woest en barbaarsch te werk gegaan in dit oudste heiligdom van Maria, dat al hoog in eere was voor aleer de H. Willebrord hier, op zijn weg van Susteren naar Utrecht, vertoefde. Het hechte metselwerk had wel is waar weerstand geboden aan het ruw geweld, maar al het overige was grootendeels vernield of weggeroofd. Open en bloot lag het daar, door niets beschut tegen den moedwil der voortdurend terugkeerende rooverbenden, noch tegen de niet minder sloopende werking der afwisselende weersgesteldheid. â Het zonlicht, dat onbelemmerd door de kleine Romaansche boogvensters naar binnen drong, maakte den aanblik onder de lage booggewelven al even somber. Naakte en verweerde muren, een half verbrijzeld altaar, waarvan de steen in een hoek gewenteld,was, een geopende grafkelder, waarin eertijds de laatste overblijfsels van drie doorluchtige personen moesten neergelegd zijn, ziedaar de eenige treurige herinneringen, die de geesel der verwoesting aan het roemrijk verleden dezer heilige plaats heeft achtergelaten.
âGebenedijd zij de Heilige Moeder Maagd,quot; heeft de grijze Priester met diepmeêwarige stemme geuit op het oogenblik, dat hem de verheugde pelgrim vooruitschrijdt en de havelooze kapel binnentreedt.
âIn alle eeuwigheid, Amen,quot; antwoordt ^de laatste; terwijl hij te midden van puin en steenen
â 3o â
neerknielt en met hartstochtelijkheid den gewijden grond kust.
Met stijgende bewondering aanschouwt hem de godvruchtige kanunnik; hij had een niet minder krachtige uiting van ontroering en verontwaardiging verwacht, als waarvan hij even te voren in de groote kerk getuige was geweest; en hij ziet den jongeling vreugdetranen storten, schier in geestverrukking ver-keeren, starelings het oog gevestigd op een kleine nis, boven de plaats waar het altaar gestaan had, en waarin een vrome hand een oud Mariabeeld, in zittende houding met het Goddelijk Kindeke op den schoot, schijnt geplaatst te hebben. Onwillekeurig ontbloot de grijsaard zijn besneeuwden schedel, legt den breedgeranden zwarten hoed en den stevigen wandelstok naast zich, knielt ter zijde van den gods-dienstigen edelman en blijft met dezen geruimen tijd in een vurig gebed vereenigd.
Wat al herinneringen, blijde en droevige, rijzen hier in den geest van den ouden Priester op! Drie gestalten treden uit de geopende groeve voor hen op: drie mannen, die hier leefden in versterving en gebed, drie apostelen, die hier hunne laatste levensdagen doorbrachten in den dienst der Allerzaligste Moeder Gods, en wier drievoudig graf in dit eenvoudig bedehuis door God verheerlijkt was door menigvuldige wonderen. â
Niet zonder moeite staat hij op, tikt zijn bidden-den metgezel zacht op den schouder en wijst met zekeren trots naar den grafkelder vóór hem.
âRuim zes eeuwen geleden, mijn zoon,quot; vangt de grijze met jeugdig vuur zijn meest geliefkoosd
verhaal aan, waarvan wij boven genoeg hebben meegedeeld, zoodat wij ons veilig tot het slot mogen bepalen, âruim zes eeuwen geleden werden achtereenvolgens in dezen grafkelder drie Heiligen bijgezet: Wiro, Otgerus en Plechelmus. â Zet u een oogenblik hier naast mij neder, dan zal ik u in het kort hunne belangrijke en stichtende geschiedenis leeren kennen,quot; en beiden namen plaats op de eenige uit ruwe planken vervaardigde bank, die de roofzucht het wegvoeren niet waard had geacht.
In ademlooze stilte luisterde de vrome pelgrim naar het belangwekkend verhaal, dat tot zijn blijkbaar genoegen herhaaldelijk gekruid was door de persoonlijke herinneringen uit het lange en vruchtbare leven van den edelen Priester.
......En nu begrijpt gij, mijn zoon,quot; voltooide de
onuitputtelijke spreker zijne gulden historie, âdat de Aartsbisschop van Utrecht, Hungerus, â die voor het moordend staal der Noormannen gevlucht was en Udelenberg van koning Lotharius tot schuilplaats ontvangen had, bij den altijd toenemenden vloed van beevaartgangers naar deze door voortdurende wonderen verheerlijkte plaats, â er op bedacht was, de heilige relikwiën naar de aangrenzende Petruskerk, die deze groote apostelen zeiven gebouwd hadden, over te voeren en in een prachtig bewerkt schrijn onder het kooraltaar te bewaren. Gij herinnert u stellig nog wel, wat ik u vroeger gezegd heb van de overbrenging derzelfde heilige overblijfselen naar de H. Geestkerk binnen de stad Roermond. O, moge de tijd spoedig aanbreken en mogen de jammeren een einde nemen, opdat Udelenberg weer in zijn ouden luister
hersteld worde en in het rechtmatig bezit kome van zijn hoogsten schat!quot;
âDat geve God en zijne Heilige Moeder , mijn Vaderstemt van ganscher harte de godvruchtige jongeling in dien vurigen wensch in.
De grijze kanunnik, inmiddels opgerezen , heeft hoed en stok opgenomen en maakt zich gereed om de genadekapel te verlaten.
âVergeef mij , Hoogwaardige Heerbrengt de pelgrim met eenige moeite aarzelend uit, zou ik hier niet verblijven en door uwe tusschenkomst geen onderkomen kunnen verkrijgen in een dier omliggende armoedige hutten! Met den nederigsten handarbeid zal ik volgaarne in mijn onderhoud willen voorzien. Mij dunkt, in de nabijheid van deze kapel moet mij de vervulling mijner gelofte aan Maria niet zwaar vallenquot;.
De edelmoedige Priester, op zoo zichtbare wijze uitvoerder geworden van Gods wil in dezen dienaar van Maria, had reeds besloten in zijn hart het geheim te bewaren, dat hij zonder moeite geraden had; tevens had hij bij zich zeiven overlegd hoedanig zich van den zoeten plicht te kwijten, dien hij zoo goedwillig aanvaard had. Het nederig verzoek vair den jeugdigen pelgrim bood de meest welkome gelegenheid voor de uitvoering van zijn vooraf beraamd plan. Hij greep met beide handen de hand van dit bevoorrecht kind van Maria, die een oogenblik op zijn arm rustte, en met lieftalligheid op de eerbiedig neergeslagen oogen van den beminnelijken boeteling neerziende, sprak hij:
âGroot, mijn kind, is het offer, dat gij op dezen
stond aan de gezegende Moeder des Heeren brengt, maar weet, dat Zij zich niet in edelmoedigheid laat overtreffen : als geen gebed, tot Haar gestierd, onverhoord blijft, zooals de Heilige abt van Clairvaux heeft geschreven, welk een schat van genaden zal Maria u dan niet verwerven, die Haar tot zoo grooten prijs wilt dienen?
,,Ik wil echter, dat ook mij deze schoone dag tot zegen strekke; op mijn hoogen leeftijd kan de voorbede der H. Maagd soms zeer ter stade komen en ik laat mij die gelegenheid niet ontglippen. Ja, vriend, ik heb het euvel om stok stijf bij mijn eens voorgenomen besluit te blijven, en waarin dat bestaat, zult gij zoo straks vernemen, als gij u eerst ver-frischt hebt in de aan de andere zijde der kerk gelegen pastorie, waar mijn oude vriend en collega u wel het noodige verschaffen zal.quot;
Een gulle lach , vergezeld van een hartelijken handdruk, besloot deze echt oud vaderlijke toespraak.
Het Angelus had al geklept toen beiden de gastvrije woning verlieten van den manmoedigen Pastoor Godort Levekijnt, die, trots alle gevaren van plundering en moord, onbeschroomd de herderlijke bediening in de kerk en parochie van St. Odiliënberg namens het kapittel uitoefende.
âZiet gij ginds, mijn zoon, daar recht voor u uitquot; de grijsaard wees met zijn stok in de richting tus-schen Melick en Herten, âziet gij over die schrale dennen geen blauwen rook opstijgen?quot;
âJa, Hoogwaardige Heer,quot; antwoordt de jongeling, na een poos over de woeste vlakte gestaard te hebben.
âWelnu, daarheen geleid ik u,quot; vervolgt de oude
â 34 -
Priester, blijkbaar ingenomen met zijn liefdedienst, âmijn halfman is braaf en godsdienstig en zal het u aan het noodige niet laten ontbreken. Daar gij zeker een deel van den dag in gebed en overweging zult willen doorbrengen en misschien liefst in de eenzaamheid vertoeven , wil ik zorsj dragen, dat u het hoeden der schapen worde toevertrouwd, eene bezigheid die aan het bespiegelend leven zoer wel voegt.quot;
Dankbaar blikte de edelknaap den grijsaard in de oogen en kuste hem zwijgend de hand. Hij zou dus op de pachthoeve van dezen waardigen man Gods zijn boetetijd in dienstbaarheid mogen doorbrengen, op slechts weinigen afstand verwijderd van het heiligdom zijner lieve Moeder; menigmaal zal hij mogen neerknielen voor de voeten van dien heiligen Priester, voor hem zijn hart uitstorten en diens wijze lessen aanhooren. O, hoe jammert het hem thans, dat de gelofte zijn mond snoert, dat hij het geheim niet ontdekken mag van zijn naam en geslacht!
Langzaam daalt de zon achter de breede wallen van het versterkte Roermond; een gelukkig oud man, dien de poortwachter van verre herkend heeft, en voor wien hij met opzet zijn plicht van sluiten schijnt te verwaarloozen, treedt met verhaasten stap de Swartbroecker poort binnen , beantwoordt vriendelijk de beleefde groetenis van den forschen soldenier en begeeft zich met denzelfden spoed naar de Munsterkerk, waar hij neerknielt en nog lang in gebed voor het Mariabeeld verzonken blijft.
Niet verder dan tot aan den heuvel, op ruim een boogscheut afstand van de hoeve, had de jonge pelgrim, reeds in dienst aangenomen door den verwon-
derden pachter, zijn1 vaderlijken weldoener mogen vergezellen. Zijn oogen volgen hem tot aan de stadspoort, hij heft ze hooger en wordt getroffen door een indrukwekkend tempelgebouw, dat met zijn trotsche koepelgevaarte de geheele veste beheerscht en zich wonderschoon afteekent tegen het in purper overgaand blauwe azuur.
âZou dat de oude Mariakerk zijn, waarvan mijn engelachtige raadsman met zooveel ophef sprak voor het scheiden?quot; âOnwillekeurig zijgt hij op de knieën en, met de oogen gekeerd naar de O, L. Vrouw Munsterkerk, stiert hij een vurig dankgebed tot voor den troon van de Koninginne des Hemels.
Nu mag het ons duidelijk worden, waarde lezer, waarom deze nederige schaapherder zoo bij voorkeur zijne kudde hoedde op dien schijnbaar onvruchtbaren heuvel, in dien tijd reeds acn den Zande geheeten. Welke plaats toch was gedurende zijn dagelijksche bezigheid beter geschikt voor gebed en overweging ? Keerde hij zich zuidwaarts, dan zag hij van verre het aêloude heiligdom van Udelenberg met al zijn aandoenlijke herinneringen, en wendde hij zijn oogen naar de stad heen, dan kon hij zich verlustigen in de aanschouwing van de heerlijke Munsterkerk, waarheen hij wekelijks ter beevaart toog , als hij zijn vaderlijken weldoener een bezoek bracht.
De grond mocht den spaarzamen pachter te dor en onvruchtbaar toeschijnen en er hem toe brengen, om den herder het veelvuldig bezoeken dier hoogte te verbieden, het vermageren der schapen deed hem spoedig tot de erkenning komen, dat het heidekruid op den heuvel voedzamer was voor zijn kudde, dan het gras in de lage weiden.
â 36 â
Even gehoorzaam als nederig, vervulde de godvruchtige edelman den dubbelen plicht van zijn staat en gelofte met gelijken ijver en nauwgezetheid. Terecht dus bemind en bewonderd door allen , die hem leerden kennen, bleef hij niet minder het voorwerp van de liefderijke zorgen des hoogbejaarden Priesters.
Zoo spoedden de jaren der vreemdelingschap van den allengs tot man opgewassen jongeling in voortdurend gebed en versterving voorbij, geëerd door een ieder , schoon ongekend door allen. Alleen de grijze kanunnik wist meer, doch nam het geheim zijner wetenschap met zich in het graf, hij mocht alleen zijn eerste vermoeden op het einde zijns levens aan eenige vertrouwde vrienden, onder welke wij op de eerste plaats den Pastoor en Kanunnik Peuten stellen, meedeelen, â wat overigens de geheimzinnige verdwijning des herders overvloedig staafde, â dat Wendelinus de naam van een Poolsch edelman was, die door eene gelofte aan Maria zoovele jaren op zijn pachthoeve in dienstbaarheid had doorgebracht.
Wel behoorde Wendelinus nog tot het getal dier kloeke helden âuit de ridderlijke eeuwenwaarvan Dr. Smiets schoon en kernachtig getuigt,
âdat zij baden als kinderen, vochten als leeuwen.quot; Treffend beeld uit een tijd, waarin de adel, reeds grootendeels ontaard van zijn vroegere grootheid, in altijd dieper verachting daalde door zijn ongebondenheid en wreedheid; uit een tijd, waarin een meer en meer veldwinnend zedebederf den weg baande voor de opstekende ketterijen; uit een tijd, waarin de Westersche scheuring jammeren bracht over de geheele Kerk, waarin de gansche Christelijke maat-
â 37 â
schappij tot in haar diepste grondslagen geschokt werd en slechts door de tusschenkomst van haren Goddelijken Stichter van een volslagen ondergang kon gered worden; â treffend beeld, wij herhalen het met vreugde en erkentelijkheid, uit dien treurigen tijd, waarin, te midden van duizend zedelijke rampen, nog een vonk van kinderlijke liefde tot de gezegende Moeder Gods in de harten bleef smeulen, die slechts een geringe aanwakkering uit den Hemel behoefde, om over de geheele landstreek haren weldadigen gloed te doen gevoelen.
Is het niet opmerkelijk, ja, mogen wij het niet aan eene bovennatuurlijke beschikking toeschrijven, dat verreweg de meeste mirakuleuze Mariabeelden in het Christelijk Europa uit dien jammervollen tijd dagteekenen ?
Inderdaad, Maria blijkt te allen tijde de âuitdelgster van alle ketterijen,quot; de âdoor God aangestelde beschermster zijner Kerk,quot; de hoop der on-gelukkigen,quot; de âtroost der bedrukten,quot; de âMoederquot; boven alles te zijn geweest âder levende ledematen van den Goddelijken Levendmaker.quot;
Het geviel een tiental jaren waarschijnlijk na het afsterven van zijn onvergetelijken weldoener, dien Wendelinus als een tweeden vader met heel zijn ziel liefhad, â de beminnenswaardige Kanunnik, Gerardus van Muggenbroeck, was in wintermaand van het jaar O. H. 1391 in den Hemel het loon gaan ontvangen voor zijn deugd en milddadigheid *) â het geviel
â¦) In het Liber anniv. Ecclcc. S. Spir. wordt deze Kanunnik ' tevens vermeld als de stichter eener oude prebende.
- 38 -
dan omstreeks het jaar 1401, dat onze vrome herder, volgens ouder gewoonte, de kudde hoedde op zijn geliefkoosden heuvel.
Het hoogfeest van Mariageboorte was nabij en weldra het einde daar van de veeljarige pelgrimschap, waartoe de gelofte den godvreezenden edelman bond. Dezen winter zou hij weerkeeren naar het voorvaderlijk kasteel, zou hij, Maria mocht hem die kinderlijke gunst niet ontzeggen, zijn grijze ouders omhelzen en, hun het geheim zijns harten ontdekken, hen troosten over hun vermeend verlies.
Die gedachte hield Wendelinus den ganschen morgen bezig, en ook des middags bleef hij zóo lang aan Maria de vervulling van zijn zielsverlangen af-smeeken, totdat de dorstige schapen hem met hun geblaat uit zijn zoete overdenking doen ontwaken. Terstond rijst hij op van onder het lommer des eeuwenouden eiks, grijpt den langen puthaak en plonst den daaraan bevestigden emmer in het frissche water van den diepen put, die, evenals de boom den zandheuvel om nog andere redenen dan de vroeger vermelde, tot een uitverkoren plek gronds maakte voor den herder. Hij ziet rond, op weinig na heeft de gehcele kudde gedronken en voor het laatst daalt de emmer naar beneden. Gelijk altijd, bukt hij bij het ophalen eenigszins over den put en blikt onwillekeurig in den gevulden emmer. â âWat is dat!quot; âEen beeldje op den bodem van den emmer?quot; âHemelsche goedheid, ja werkelijk, ik vergis mij niet!quot; â Onder die uitroepen buigt hij nog verder voorover, trekt met voorzichtigheid den haak omhoog, knielt en grijpt en kust met verbazing en
â 39 â
aandoening het beroemde Mariabeeld, dat wij heden met zooveel innigheid vereeren in de genadekapel van het Zand.
In de overmaat van zijn onuitsprekelijk geluk, vergeet hij kudde en staf, ijlt, zoo snel hij kan, met zijn kostbaren schat in de armen naar de hoeve en verhaalt daar met opgetogenheid de wonderbare vinding van dit heerlijk Beeld.
Nooit had op het Muggenbroeck een grooter vreugde geheerscht, dan op dien onvergetelijken achtermiddag; verwanten en buren alles stroomde saam om dit onwaardeerbaar kleinood te aanschouwen en voor de honderdste maal uit den mond van Wen-delinus het luttel omstandig verhaal van dit zeldzaam hemelgeschenk te vernemen.
Maar hoe te handelen met het Beeldje? Wien behoorde het toe ?
âNoch u, Wendelinus, noch mij,quot; besliste ten slotte de oude pachter, âhet is een zegen van de H. Moeder Gods en behoort dus uitsluitend aan de bevoorrechte plaats, waar Maria gewild heeft, dat haar Beeld gevonden werd en ook vereerd zal worden.
Op last van denzelfden halfman werd nog dien avond een zoogenaamd heiligenhuisje tegen den eik getimmerd en Wendelinus plaatste daarin zijn gevonden schat.
Het duurde niet lang of de faam verspreidde rondom en binnen het nabijgelegen Roermond de eerste wonderen, die op voorbede der H. Maagd bij het mirakuleuze Beeld acii den Zande geschied waren. De geschiedenis van het feit der vinding en de spoedige ruchtbaarheid van bovennatuurlijke ge-
â 40 â
nezingen noopten de geestelijkheid der stad, tot wier gebied de op eenmaal vermaard geworden heuvel behoorde, zich deze gewichtige zaak aan te trekken en aan een gestreng onderzoek te onderwerpen.
De Hoogeerwaarde Heer Peuten, Pastoor der parochie en tegelijk Kanunnik van het kapittel van den H. Geest, dien wij boven hebben leeren kennen als den vriend van den overleden Gerardus van Muggen-broeck, belastte zich zeiven met die moeielijke taak. Hoogachting en de eerbied, dien hij den nederigen herder toedroeg, de overtuiging, die hij had van Wendelinus' deugd en waarheidsliefde, spoorden niet weinig den ijverigen Priester tot het bespoedigen van van zijn voornemen aan.
Groot derhalve was de teleurstelling, die de Pastoor ondervond, toen hij denzelfden ochtend, dat hij zijn plan wilde uitvoeren en zich op weg naar het Zand bevond, den grijzen pachter ontmoette, die hem tusschen tranen en snikken het heimelijk verdwijnen van zijn aangenomen zoon , zoo noemde de oude man Wendelinus, meedeelde.
âLanger dan hij placht, Hoogwaarde Heer,quot; bracht de pachter met moeite uit, âbleef Wendelinus gisteren avond voor het Wonderbeeld bidden. Ik ging zelf naar buiten om hem binnen te roepen, want het gure najaarweder is hem niet gunstig. Zijn oogen waren rood bekreten , toen hij in de keuken bij het plaggen vuur neerzat. Ik keek hem met aandacht aan, want ik vreesde dat hem de kilte bevangen had, mij dacht hij was koortsig. Na het avondgebed, Heer, drukte hij mij als gewoonlijk met kracht de hand en, wat hij nooit deed, hij kuste
mij herhaaldelijk de wang en ik voelde duidelijk zijn tranen op mijn gezicht vloeien----quot;
Deze laatste woorden deden hem plotseling zwijgen , want een vloed van tranen belette het voortgaan. Pastoor Feuten, in den stelligen waan , dat een groot ongeluk Wendelinus overkomen is , kan â¢zijn ongerustheid niet bedwingen en haast zich te vragen :
âHij heeft een zware ziekte gekregen? Ligt hij misschien op zijn uiterste, pachter?quot;
âNeen , Heer Pastoorantwoordt deze laatste met nog grooter moeite. Wendelinus heeft mijn huis verlaten ...
âVerlaten,quot; herhaalt de geestelijke wel tweemaal
dat woord, âverlaten____en wanneer?quot; laat hij na
een oogenblik peinzens vragend er op volgen.
âIk zou denken , Heer , in het vallen van den nacht,quot; geeft de halfman, iets kalmer geworden, ten antwoord, âvroeg in den morgen riep ik hem, kreeg geen antwoord , ik ging kijken , het was zoo, zijn bed was onaangeroerd. Ik dacht een ongeluk mocht hem overvallen zijn, maar mijn oog viel op zijn herderskleed en staf, die hij had verwisseld tegen de grove pij en den knoestigen stok, waarmee hij lange jaren voorheen in gezelschap van mijn zaligen Heer Kanunnik bij mij aankwam. Wat zullen mijn kinderen, ze weten het nog niet, een verdriet hebben als ze het hooren. Ik ben maar dadelijk naar U komen loopen, Heer Pastoor, UEerwaarde, moest ik mijn groot verlies het eerst gaan mededeelen.quot;
Pastoor Peuten bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Weldra verheldert een glimlach zijn gelaat
â 42 â
en met een schalkschen blik op den bedrukten pachter vraagt hij met schijnbare onrust;
âEn het wonderbeeldje, meester?quot;
De halfman vergeet eensklaps al zijn leed, ziet half verwonderd en half vertoornd en zegt op vrij schamperen toon:
âHoe, Heer , durft gij die eerlijke en brave ziel verdenken?
âHem juist niet, goede vriend, maar wel de H. Moeder Gods, Zij mocht haren, grooten dienaar eens gevolgd zijn...quot;
âGeen nood, Eerwaarde Heer,quot; onderbreekt de oude pachter met geestdrift de geestige opmerking, waarin hij louter ernst meent te zien, âgeen nood, van morgen heb ik er nog voor gebeden.quot;
âDan zullen wij ook aan Haar onzen groet gaan brengen,quot; voorkomt de Pastoor den stortvloed van woorden , die uit den mond van zijn weder opge-beurden vriend dreigde los te barsten. â
âWees nu niet meer bekommerd over het lot van uw pleegzoongaat de geestelijke troostend voort, âWendelinus is voor u een schat geweest, maar ver van hier in Polen wonen zijne adellijke ouders, die meer recht hebben op het bezit van hun edel kind dan gij. Laten wij veel liever de Heilige Moeder Gods bedanken, dat Zij ons door haren grooten dienaar Wendelinus het grootste en rijkste bewijs van liefde en barmhartigheid heeft willen schenken, het Wonderbeeld, waarin Zij ten eeuwigen dage onder ons zal blijven wonen.quot;
Toch scheen de wakkere Pastoor het te betreuren , dat de godvruchtige herder zoo spoedig ver-
trokken was, niet om de echtheid van het feit der vinding, dit bewezen de voorgevallen wonderen meer dan overvloedig, evenmin ter oorzake der bijomstandigheden van het gebeurde , de geloofwaardigheid van Wendelinus was boven allen twijfel verheven , â neen, hij betreurde alleen die afwezigheid , omdat hij niemand zulk een vertrouwen kon schenken voor het bewaren van dit kostbaar juweel. Hij besloot dan ook â â en met het oog op de onveiligheid der wegen had hij daartoe alle recht, -â voorloopig het Wonderbeeldje in de parochiekerk te plaatsen. âDaar was het ten minste beschermd tegen roovende en heiligschennende handen,quot; meende Pastoor Peuten en hij nam nog dienzelfden avond, zeer tegen den wensch van den vromen pachter, mogen wij veronderstellen, het Mariabeeld met zich, plaatste het zelf op een veilige plaats in zijn kerk en droeg wel veel zorg, daarna alle deuren ter deeg af te sluiten.
Menschelijke voorzorg vermag echter niets tegen de macht der Heilige Maagd. Dat ondervond tot zijn smart eerst, doch later tot zijn groote vreugde, de ijvervolle herder.
Vroeg in den morgen opent hij zelf de deur der kerk en wil eenigen tijd vóór het genadebeeld in het gebed doorbrengen. Hij gaat naar het altaar waarop hij het zelf zorgvuldig geplaatst heeft, meent het te zien en â onbeschrijfelijke teleurstelling ! â het beeld is gestolen , of..., hij onderzoekt en onderzoekt nogmaals het slot en der kerkdeur, geen spoor van inbraak is te ontdekken. Hij heeft geen rust, hij zou het uit willen schreien van
â 44 â
droefheid en spijt; misschien zijn de overige deuren der kerk dezen nacht heimelijk geopend, â ook hier laat de sluiting niets te wenschen over! â âZouquot;, â maar hij durft niet voort denken , veel minder nog uitspreken, wat hij maar half vermoedt. Hij aarzelt nog en beeft van schrik en aandoening. â Daar nadert van verre in de straat iemand met ras-sche schreden; de bedroefde Pastoor meent den man met zijn kruk te herkennen, ja, het is de oude pachter van het Muggenbroeck , âHeere God , zou het mogelijk zijn!quot; is al, wat de ontroerde Priester durft uiten.
âJa, Heer Pastoor, niet mogelijk, maar waarachtig waar.quot; Meer kan de grijsaard niet uiten, hij is buiten adem geloopen en valt schier op den kerkdor-pel neer.
âWat?quot; schreeuwde de Geestelijke als buiten zich zeiven.
âBeeld... Maria... terug,quot; stamelt de halfman in afgebroken woorden.
âGod lof! een mirakel!quot; is alles, wat de vrome Pastoor kan uitspreken. In tranen uitbarstende, knielt hij buiten de kerk neer en dankt God, die op de voorbede van Maria dit schitterend wonder wrochtte.
Allengs wies de schaar belangstellende burgers aan , die van alle zijden waren toegeschoten, toen zij het hun onbegrijpelijk schouwspel aanzagen, dat vóór de kerk plaats greep. Er moest iets buitengewoons gaande zijn , want de Pastoor haastte zich bloothoofds en van den pachter vergezeld door de Swartbroeckerpoort naar het Zand. Geen wonder
dus , dat bij aankomst op den heuvel een groote menigte parochianen hunnen herder omringden, die hem met van ontroering trillende stem de miraku-leuze terugkomst van het Wonderbeeld uit de parochiekerk naar de Waterwel verhaalde en hen aanspoorde dadelijk de handen aan het werk te slaan en een klein bedehuis bij den waterput te bouwen, daar Maria zoo duidelijk haren wil had te kennen gegeven, dat haar Gloriebeeld op deze plaats moest rusten en vereerd worden.
Zoo verrees weinig tijds na de vinding van het Beeldje eene kleine kapel ter eere van Maria, waarin het ter vereering gesteld werd en waar de vurige ijveraar voor de verbreiding dier voortreffelijke godsvrucht, de voorbeeldige Pastoor Matheus Peuten, als zijne herderlijke bediening zulks veroorloofde , het H. Offer der Mis opdroeg of andere Priesters dei-stad met die heilige taak belastte.
Groot moet wel de toevloed van pelgrims naar het Zand geweest zijn en talrijk de wonderen, daar geschied, dat het noodzakelijk beschouwd werd de kleine Kapel tei verbouwen en meer doelmatig in te richten. De goede burgers van Roermond , met hunne Burgemeesters, Schepenen en Raad aan het hoofd, trokken zich eenparig deze schoone zaak aan en boden hunnen hooggeachten herder iedere hulp tot dat doel , ja wilden zich uitsluitend dat edele werk voorbehouden.
Is het Wonderbeeld, dus oordeelden zij, niet gevonden op het grondgebied onzer stad en heeft Maria niet op bovennatuurlijke wijze haren uitdruk-kelijken wil geopenbaard, dat haar Beeld niet in de
â 40 â
parochiekerk maar alleen op het Zand behoort te blijven? Niet op de kerk daarom, noch op onzen Pastoor, maar op de stad en haar burgers rust de dure plicht, te zorgen voor een heiligdom Maria meer waardig.
Dit eens vastgesteld, won de stedelijke Magistraat den raad in van den âaendachtigen heren Johans van Boethop, Prior van den Carthuijseren , ende heren Gerart van Vlodorp, ritters erffvaigts tot Ru-remunde.quot; Het advies dezer âaendachtige herenquot; kon niet anders dan het rechtmatig gevoelen van den Raad bevestigen, en diensvolgens werden eenige leden gemachtigd om met den Hoogeerwaarden heer Matheus Peuten in een schikking te treden.
Niemand meer dan deze voorzichtige en vrome Pastoor was zoo ten volle overtuigd van de billijkheid des voorstels; hij beaamde dan ook geheel en al het recht der stad en trad met vreugde in overleg met de afgevaardigden van den Raad.
Aan deze samenspreking danken wij de twee stukken, die door den ijverigen en voorkomenden rijks- en stadsarchivaris , den heer J. B. Sivré, zijn gevonden en in de doorwrochte geschiedenis van O. L. Vr. ' in 't Zand , door den Eerw. Pater van Krugten, CSSR. staan te lezen. Het tweede behelst een akte van Pastoor M. Peuten, door hem getee-kend in den jare 1418 op Maria Visitatie en waarbij hij tegen eene jaarlijksche geldelijke uitkeering van vier overlandsche gouden Rijnschgulden door de stad en op enkele voorwaarden, betreffende de regeling der heilige diensten op hooge feestdagen, voor zich en zijne opvolgers ten eeuwigen dagen alle tijdelijke
en geestelijke rechten op de kapel ten voordeele van de stad Roermond afstaat.
De aanhef van dezen open brief, gelijk de Pastoor zijne akte van afstand betitelt, legt eene schoone getuigenis af van den heiligen ijver, die hem tot dien gewichtigen stap bewoog; hij volbracht die schoone daad âter eeren gaits (Gods) ende onse liever vrouwe sijnre moeder, ende omme haeren dijenst, ende loff te vermeren.quot;
Het eerste stuk, gedagteekend uit hetzelfde jaar en eenige dagen vroeger opgesteld, namelijk âop sent Johans dach Baptijst synre gebuert,quot; mag beschouwd worden als de eerste openbare handeling der stad tot verheerlijking harer verhevene Patrones en tot dankbare erkenning van het zegenrijke voorrecht, waarmede Maria door haar Wonderbeeld Roermond begiftigd had.
De stedelijke magistraat, neemt in dat belangrijk raadsbesluit âerfflick ende ewelickquot; de genadekapel met haren grooten schat onder zijne bescherming. Hij zal zorg dragen voor het onderhoud des heilig-doms, dat toen waarschijnlijk, met toestemming van Pastoor Peuten, reeds grootendeels door de stadsre-geering herbouwd was (van nuwes getijinrncrt), zal het doen wijden, zal uit de offers door de beevaart-gangers gestort, op de eerste plaats den Pastoor zijn jaarlijksche rente uitkeeren en het overige besteed worden tot verfraaiing der kapel, alsmede tot betaling van den Priester, die âdair mach lesen, et sij âop heijligen dagen, oft op werckdagen, buten des âpastoirs schade.quot;
âEn sij,quot; dus eindigt dit oud bewijs van Roer-
â 4^ â
/
monds kinderlijke liefde tot de gezegende Moedermaagd, âen sij , alle arglijst, ende behendicheijt hierijune uijtgescheiden , deser saicken ter konden, ende ter stedigheid, soo hebben wer burgemeister, scepenen ende raitt der statt van Ruremunde ons statzegel an desen briefif duen hangen.quot;
Wij zouden de eerste geschiedenis van de heugelijke gebeurtenis, die vóór bijna vijf eeuwen in het Zand nabij Roermond voorviel, in beeld brengen; de godvruchtige lezer vraagt evenwel nog iets meer aan den schrijver, â wij gevoelen het, gelijk hij, en daarom mogen wij geen poging onbeproefd laten om aan zijn billijk verlangen te voldoen.
De gravure , die onzen arbeid verfraait en, te recht aan het hoofd, de eereplaats inneemt, durven wij zonder vrees het getrouwe conterfeitsel noemen van het Wonderbeeld, dat duizenden jaarlijks in de Genadekapel van het Zand komen vereeren.
De technische schoonheden van het uit eikenhout gesneden en 34 centimeters hooge beeldje zijn al zoo vaak van meer bevoegde zijde aan het licht gebracht en springen iederen aandachtigen toeschouwer zoo van zelf in het oog, dat wij ons veilig de moeite mogen sparen haar te ontleden. Wij willen alleen wijzen op eene meer ideale, op eene geestelijke en daarom meer verhevene schoonheid, al zijn wij vast overtuigd, dat onze krachten maar ten halve zullen reiken.
Voor ons schijnt het Wonderbeeld allertreffendst de diepe en troostrijke gedachte te vertolken, dooiden H. Alphonsus de Liguorio, in navolging van den H. Bernardus en andere Heilige dienaren van
Maria uitgesproken en met kracht van redenen in het testament zijner vurige liefde tot de Moeder van Barmhartigheid, als wij zijne Heerlijkheden van Maria noemen mogen, bewezen, âdat God besloten heeft, dat wij alle genaden bekomen door de tusschenkomst van Maria.quot;
Eene mengeling van moederlijke teederheid en angstvallige bezorgdheid, van liefde en meewarigheid, spreekt u tegen uit de minzame oogen, uit de zachte en toch ernstige lijnen van het indrukwekkend gelaat der jeugdige Maagd. â Merkt gij wel op, dat Maria haren blik niet rusten laat op haar Goddelijk Kind, dat zij in beide armen draagt? Ook u, die voor het Beeldje geknield ligt, ziet zij niet aan. Het rustpunt harer oogen ligt veel verder. âAlles wat ik ben,quot; meenen wij in die van liefde stralende trekken te lezen, âben ik door Hem, dien ik u hier aanbiedt, alles wat ik vermag, vermag ik door Jezus, mijnen Zoon.
Geheel anders spreekt u de oogopslag van het Goddelijk Kindeke toe ; daar ligt een ernstige vermaning op zijn heilige lippen; niet zonder reden omvat zijn linkerhand den appel, die herinnert aan de verboden vrucht en de zonde in het Paradijs, aan den val en de verlossing van den mensch. Waarom , vraagt gij , die herinnering aan zonde en dood? âOpdat gij, o mensch,quot; roept Gods Zoon u toe, âtot mijne Moeder zoudt gaan, om door hare tusschenkomst genade te verwerven, om door hare voorspraak het eeuwige leven te bekomen. Want in mijne Moeder is alle hoop des levens en der deugd. Haar heb ik aangesteld tot uitdeelster van alle He-
â 5o -
melsche gaven, tot Middelares tusschen u en Mij, tot uwe Voorspreekster en Moeder,quot; â en het Goddelijk Kindje wijst met de rechterhand op Maria.
Terwijl duizenden nogmaals neerknielen aan de voeten van Jezus en Maria, genaden vragen en verkrijgen , blikt de gezegende Moeder beschermend naar hare stad, het geloof daarbinnen bewarend en vrede voorspellend aan hare veel beproefde burgers.
n de Gulden Legenden van den Zaligen Jacobus a Voragine wordt verhaald van den ouden en heiligen monnik Felix, dat hij op zekeren morgen naar het woud ging, grenzende aan het klooster, daar onder de schaduw van een eik neerzat en het beroemde Werk van Sint Augustinus, de civitate Dei, al lezende overwoog.
âIk geloof, o God , wat ik hier leessprak de oude, âmaar, helaas, ik kan het niet genoeg begrijpen.quot; En andermaal bleef hij in gedachte verzonken.... Daar hoort hij het zoete gezang van een vogel; hij ziet op en ontwaart in zijn nabijheid een prachtigen sneeuwwitten zanger. Felix, in den geest opgetogen, sluit het boek. Het is hem, als gaan de poorten der Hemelstad voor hem open. Engelen bewegen zich over de met goud geplaveide straten; en wederom hoort hij van wrre het betooverend geluid van dien
A
hemelschen vogel, hij wil hem volgen, naijlen over heuvel en dal... Plotseling ontwaakt de grijze monnik uit zijn geestverrukking, niet het gezang van den gevleugelde uit het Paradijs, maar de klanken van de kloosterklok dringen tot hem door. âDat is het teeken voor de Vespers,quot; zegt hij bij zich zeiven en spoedt zich naar de kloosterkerk.
Niemand van de broeders herkende denverbaasden en bedroefden kloosterling, want ook hem was aller gelaat vreemd.
âWie en van waar zijt gij?quot; spreekt de Prior Felix toe, âveertig jaren reeds bekleed ik het prioraat in ditzelfde klooster en nooit zag ik u hier te voren.quot;
âIk ben broeder Felix, mijn Vader,quot; antwoordt de toegesprokene op diep meewarigen toon; âdezen morgen na de Primen ging ik in het naburige bosch, zat daar neer en hoorde een prachtigen witten vogel liefelijk zingen. Ik moet wel gedroomd hebben, want toen ik het luiden der Vespers vernam , scheen het mij, als had ik maar eenige oogenblikken gezeten â en het waren uren----quot;
âJaren,quot; klonk uit een der stallen de grafstem van een hoog bejaarden monnik, âeene eeuw geleden,quot; ging de grijsaard op langzamen toon voort, terwijl hij Felix in het gelaat staarde en zich allengs bekende trekken begon te herinneren , âeene eeuw geleden, toen ik hier novice was, leefde in dit klooster een monnik , vol van Gods genade , die den naam droeg van Felix , en deze,quot; wijzende op den verstomden ouderling, âmoet dezelfde man zijn.quot;
En uit het voor hem neergelegde professieboek las de Prior aan de vereenigde broeders de beves-
â S3 â
tiging voor van het feit, dat den meer dan honderd jarigen monnik nog heugde, dat Felix, eene eeuw geleden, op zekeren dag uitgegaan, nimmer meer de heilige poort des kloosters was binnengetreden en eindelijk onder de afgestorvene broeders geteld werd.
Bijna vierhonderd jaren scheiden ons van het begin der onzaligste eeuw, die ooit in Gods verbolgenheid over Europa aanlichtte , bijna vier eeuwen, en zij schijnen ons maar één dag toe, terwijl de vereeniging van Gelderland met Bourgon.dië door de verpanding van Arnoud aan Karei den Stoute â wij noemen slechts het gewichtigste feit van de geschiedenis van Limburg uit het laatst der vijftiende eeuw â ons schier even ver verwijderd dunkt als het tijdperk der kruistochten. â Zinsbegoocheling, roept gij ons toe, en wij geven het u van harte gewonnen, doch vragen u te gelijk een juister woord om den maatschappelijken ommekeer uit te drukken, die aanving in de zestiende- en die op het einde der negentiende eeuw nog altijd gevoeld wordt.
De vorstengrootheid getaand, den ridderstand vernietigd, den vrijen burger verheven, â de wereld zag het reeds ten deele in de laatste helft der vijftiende eeuw; de Heilige Kerk in haren boezem verscheurd, â de geestelijkheid geminacht, zeden en geloof onder de groote menigte diep gedaald, â ook daarvan was zij de treurige getuige geweest; maar dat al die voortwoekerende elementen zoo op eenmaal in het hart van Europa tot een reusachtigen vuurberg zouden oprijzen en zijn verwoestende lava-
â 54 â
stroomen over geheel ons werelddeel zouden uitspuwen , â neen, dat had zij niet kunnen denken, noch zelfs vermoeden.
Wat wagen wij ons aan een schets dezer waarlijk satanische revolutie, waarbij de latere Fransche nog maar kinderspel te noemen is? Zoo ooit het woord van een beroemd schrijver gelden mag, dan is het hier, â wereldgeschiedenis is wereldgericht.
Wij, die leven onder den invloed der hervorming, zij het ook dat de H. Kerk dien grootendeels onschadelijk heeft gemaakt, wij, die in kalme rust de voordeelen genieten, welke God uit het kwade soms laat geboren worden , wij , die in beschaving en verzachting der zeden verre onze voorouders van drie honderd jaren her vooruit zijn, wij kunnen ons moeielijk eene voorstelling maken van den toestand der maatschappij voor de zestiende eeuw, â wie herkent in den verbranden puinhoop van het oogen-blik de glorie en den glans van het monument, da; duizend jaren tartte?
Wereldgeschiedenis is wereldgericht, dat ondervonden die duizenden en nogmaals duizenden, die trouw bleven aan God en zijn Kerk, die als bloedige offers vielen voor dat gericht, die het martelaren-zaad werden, waaruit Christus opnieuw zijne Goddelijke stichting wilde doen herboren worden.
In dien zin voorzeker is de zestiende eeuw geen onzalige, begroeten wij 1500 veeleer als het heiljaar Onzes Heeren, als den aanvang van een jaarhonderd, waarin veel boosheid werd uitgeboet, waarin het geloof een nieuw leven ontving, waarin de Kerk hare heiligheid en macht met ongekenden luister
zag pralen, waarin Christus zegevierde in ieder zijner bloedgetuigen..
Nog eenmaal terug, lezer tot de vrome legende, die wij niet zoo uitvoerig zouden verhaald hebben, hadden wij geen ander doel voor oogen gehad dan om louter den schijnbaar groeten afstand te verklaren tusschen 1472 en thans.
Het moet u gaan als ons, wanneer wij met de geschiedenis der stad Roermond voor ons een blik slaan op de gezegende Patrones dier stede. Gij doorleeft vier eeuwen in maar weinige oogenblikken. Het Beeldeke, waar gij eerbiedig voor neerknielt, wordt ook voor u de prachtige, witte vogel, hij zingt u met betooverende stem een heerlijk lied uit het grijs verleden.
Luister een oogenblik. Ons deert het thans niet, dat de meeste stukken betrekkelijk het Wonderbeeld en de Genadekapel door den dubbelen brand van 1554 en 1665 zijn verloren geraakt, dat zelfs het heiligdom in 't Zand door den goddeloozen moedwil van Pollwijlers opvolger, de luitenant Blasius van Vegersheim, in 1578 verwoest werd.
âToen de rampen der hervorming mijn goede stad bedreigden, was ik in haar midden. Het ongeloof en de afval van eenige honderden op vele duizenden kon het geloof en den trouw der groote menigte niet schaden. Hoe velen onder mijne burgers, die neerknielden voor mijn Beeld, standvastigheid afsmeekten in den vreeselijken strijd, die naderde, door giften en geloften mijne bescherming inriepen tegen de gevaren, die dreigden, en jaarlijks hun
- 56 -
woord gestand deden te mijner eere en tot onderhoud mijner Kapel.
âIk heb ze bijgestaan en gesterkt, de 23 geloofshelden, die, om wille van mijn Goddelijken Zoon en hunnen heiligen stand, zijn gemarteld en ter dood gebracht. Schooner offer kon mijn uitverkoren stad aan Jezus en zijne Moeder niet brengen.
âSchoon ten bloede gekastijd, schoon de stad in de asch gelegd werd, schoon pest en hongersnood de zware lasten mijner kinderen nog vertienvoudigden , toch gedachten zij mij en bleven trouw aan hun koning.
âZooveel beproefde deugd wilde ik in mijn stad beloonen en verwierf haar den Bisschopszetel, bekleed door mannen van geloof en wijsheid , door vurige dienaren hunner Hemelsche Moeder. Onderwezen en gehoed door zulke ijverige en heilige herders, werden mijne kinderen steeds inniger aan n:ij gehecht, richtten zij, nadat de troebele tijden voorbij waren , een nieuw heiligdom op, plaatsten daarin wederom het Beeld hunner lieve Moeder, kwamen mij in altijd grooter getale daar bezoeken en vereeren, en tot heden toonen zij zich waardig de gunsten en weldaden, die ik ruim 450 jaren op die bevoorrechte bedeplaats hier in het Zand over mijne beschermelingen uitstort.quot;
Zegenend blikt Maria; op hare stad en de vrome pelgrim leest in dien teederlievenden blik de treffende geschiedenis der doorluchtige Bisschopsstad.
Ongerekend de vele vergeefsche belegeringen door ⢠de staatsche legers, werd Roermond in minder dan
- 57 â
100 jaren tweemalen ingenomen door de Prinsen van Oranje. Na eene vijfde bestorming overmeesterde Prins Willem den 23sten Juli 1572 de kortelings in 1554 door een vreeselijken brand geteisterde stad. Hoe die geuzenbenden daarbinnen de zegeningen der hervorming invoerden , verhaalt ons in een paar regels de geloofwaardige kroniekschrijver van Roermond: âder burgeren, geistelicke ende weltlicke, veel erbarmlich ende insonders den Cathuser heren, doot geslaegen ende geransonneerd worden, oik eene nieuwe weth ende raedt aengestelt. Ende is de stadt in des princen gewalt gebleven bis totten 6 Octobris 1572, doen de prince selver daer vuyt die vluchte weder genomen.quot;
Niet gelukkiger was Frederik Hendrik don 3den Juni 1632 om de stad voor de oproerige Staten te behouden. Rij capitulatie was zij overgegaan, ten einde nutteloos bloedvergieten te voorkomen â en misschien bracht de bekende rechtgeaardheid van het karakter des prinsen ook het hare tot die overgave bij , â maar de Prins kon niet dan met de grootste moeite de stad behouden, al zijn pogingen tot evangelisatie, zoowel als tot het toetreden van Roermond tot de Unie van Utrecht waren vergeefsch. In het geheim zond de Magistraat den gardiaan der Franciscanen, Franciscus Pratanus, ânaer de serenissime infante op Bruessel , omme aldaer aen te halden dat de selve magistraet sampt alle borgeren ende inwooneren muchten pasporten bekomen voir 2 ofte 3 jaeren,quot; aldus te kennen gevende, dat de stad alleen voor geweld heeft kunnen zwichten, doch dat haar burgers trouw bleven aan den eed, dien zij den 2isten Oc-
- 58 -
tober 1549 in de handen van Kareis zoon, koning Philips van Spanje, hadden afgelegd.
Hadde de Kardinaal Infant Fernandus, gouverneur der Spaansche Nederlanden eerder met zijn zegevierend leger voor Roermond kunnen verschijnen, ongetwijfeld vroeger dan den 3den September 1637 zou de stad het juk van de Staten hebben afgeworpen. âBemerkenswaardigzeggen wij daarom den heer Fred. Nettersheim in zijne inleiding der Roermondsche Kroniek volmondig na, âbemerkenswaardig is het, dat de burgerij weigerde aan het gevecht deel te nemen. Verheugd, dat hare stad wederom in het bezit van haren natuurlijken Heer gekomen was, trok zij den 4 September (1637) met vliegende vanen uit, om den Kardinaal Infant in te halen.quot;
Indien iemand meenen mocht, dat tijdelijk gewin en welvaart de voorname drijfveer was van die gehechtheid aan het Spaansche koningshuis, dan behoeft hij slechts een oppervlakkigen blik te slaan in genoemde kroniek of in het werk van den Eerw. Heer van Krugten, om voor altijd van dien waan te genezen.
De plundering en knevelarij, die de burgers schier den geheelen tachtigjarigen krijg van Spaansche huurbenden, hetzij als tijdelijke bezetting, hetzij als doortrekkende troepen, hadden te verduren, tarten iedere beschrijving. Liever Staatsche dan Spaansche aarzelen wij geen oogenblik te schrijven, wanneer er hier sprake zijn mocht van louter tijdelijke belangen, liever een Maurits van Nassau, die nog door prachtig beschilderde vensters in het klooster te St. Agatha
â 59 â
toonde, dat ook ten opzichte van kloosterlingen dankbaarheid een ridderplicht was, liever een Maurits en een Frederik Hendrik dan een Poll wij Ier en een Vegersheim en zoovelen na hem, die de rampzalige stede in naam des konings tot den rand des ondergangs brachten, avontuurzoekers die zij waren, God en hun geloof vaak opofferend voor een hand gelds en een dronk wijns.
Laten wij eerlijk zijn, bekennen wij zonder omwegen , niet de bezetting der stad Roermond, niet haar staatkundige overheden, â â â alleen Maria door de Bisschoppen van die geheiligde stede, bracht zegen en welvaart over haar.
Wat een rij van mannen, âmachtig door woorden en werken,quot; van Priesters , âhunne dubbele eere waardig,quot; van Bisschoppen, âbezield met den H. Geest ter bestiering van Gods Kerk,quot; rijzen voor onzen geest op! Met onzen eerbiedwaardigen kerkvoogd Johannes Augustinus traden allen in het spoor van den on-sterfelijken Wilhelmus Damianus, gelijk deze bereid, alles ten offer te brengen voor het heil der hun toevertrouwde lammeren.
Waar toeft de veder, die ons in forscher lijnen en heller kleuren, dan in de beeltenissen dier kerk-prinsen te bewonderen valt, hun leven en daden zal schilderen? Niet in kleine kartons, hopen wij, neen, ten voeten uit, zooals dat Rembrand placht. Een dankbaren arbeid verzekeren wij den moedigen schrijver, eene hulde, voegen wij er bij, die den plicht der erkentelijkheid insluit.
Inderdaad de handelingen van het Roermondsch Episcopaat zijn zóo saam geweven met de geschie-
â 6o â
denis der stad, dat ook wij, naar het voorbeeld van Pater van Krugten, in den loop van ons geschrift niet mogen nalaten eenige bladzijden aan de nagedachtenis dier kloeke en ijverige apostelen te wijden. Want gelijk onze voorganger, zien wij in het Kpis-copaat en in de stad de door Maria uitverkoren beschermers van haar genadebeeld in 't Zand.
Hier hebt gij dus, lezer, de reden, die ons bewoog tot de oogenschijnlijk misplaatste apostrophe op den beroemden Bisschop Lindanus bij den aanhef van dit werk.
De vermaarde Kardinaal Baronius schrijft van dezen eersten Roermondschen Kerkvoogd; âLindanus is een man, schitterend niet alleen door zijne diepe en alzijdig wetenschappelijke kunde, maar bovenal door de bewijzen van den adel zijns geloofs, die hij als een uitstekénd belijder gegeven heeft.quot;
In het tot viermalen beleggen van eene vergadering zijner gansche geestelijkheid, in de wijze en doeltreffende verordeningen daar gemaakt, in de lange lijst zijner talrijke theologische en apologetische geschriften moge de geleerde en de voorzichtige Bisschop uitschijnen; de doortastende maatregelen tot herstel der kerktucht, het vervolgen der halstarrige ketters â Weert dankt daaraan het behoud van haar geloof! â de uitvoering der Trentsche hervormings-regels mogen misschien herinneren aan den voorma-ligen geloofsonderzoeker: â onze achting en eerbied stijgt tot bewondering, wanneer wij dezen uit be-' ginsel zoo strengen Bisschop door de stad gedwongen teo-en wil en dank Roermond zien verlaten , over Heel naar Meersen, van daar over Maastricht naar
Douai zien vluchten, schreiende dat hij niet blijven mag om de kroon der martelaren te verwerven. Ja, wanneer wij hem zien terugkeeren naar zijn bisschopsstad nog in hetzelfde jaar der uitmoording, wanneer wij hem vergezellen door zijn geheel diocees, zelf preekende en troostende, duizenden tot het waar geloof bekeerende, alle gevaren trotseerende om een enkele ziel te winnen, â o dan vergeten wij den geleerde en den wijze, dan denken wij ons een Paulus , die voor het heil zijner broeders nnathenia wilde zijn. Verwondert het u nog, lezer, dat Lin-danus een manslast rozenkransen meevoerde op zijne apostolische reizen ? Dienaar van Maria, beschermster van haar Wonderbeeld, wist hij geen beter behoedmiddel tegen het gift der ketterij, geen zekerder behoud tegen afval, geen veiliger schuts tegen zede-bederf dan den Rozenkrans!
Lindanus was in den vollen zin des woords een man der Voorzienigheid. Niet alleen op staatkundig gebied, ook in het geestelijke, in het godsdienstige behoorde een ijzeren arm de teugels van het bestuur in handen te hebben. De kanker van onwetendheid en zedeloosheid, de twee machtigste hefboomen der hervorming, was diep doorgedrongen in het Bisdom, toen Lindanus geroepen werd om in de hachelijkste tij dsomstandigheden het bestuur daarover te aanvaarden.
Bood Roermond zelve niet een korten tijd het schouwspel aan van schuldige lafheid tegenover een handvol beeldstormers ? Heerschte ook binnen die echt Katholieke stad niet een wijle de onheilige geest der hervorming? En al waren zij, die laaghartig hun geloof verzaakten, betrekkelijk weinig in getal en
voornamelijk uit de laagste volksklasse, toch was bij zeer velen het geloof verzwakt en de godsdienstijver gedaald. Hoe buiten de bisschoppelijke residentie de toestand er uit zag, hoe door het geheele diocees de schromelijkste misbruiken de hervorming in de hand werkten â onze pen weigert tot die beschrijving haren dienst, het onderwerp, dat haar bezighoudt, duldt geen aanhaling uit oude kronieken ter bevestiging dezer treurige waarheden.
Wel juist had Paus Pius IV dus gezien, toen hij de keuze van koning Philips goedkeurde en Lin-danus benoemde tot Bisschop van Roermond. Een man van strenge zeden was noodig, om door voorbeeld en daad de vervallen tucht te herstellen, een man van groot geloof vereischte de terugkeer tot den vroegeren godsdienstijver, een man van diepe kunde en wijsheid vroegen de verachterde kerkelijke wetenschap en de opleiding tot den geestelijken stand, â en zoodanig een man was Lindanus: met wortel en al rukte hij het onkruid uit den veronachtzaamden akker Gods; vrees voor eigen leven kende hij evenmin als oogluikende toegevendheid, waar de eer van God en het heil der geloovigen op het spel stonden; rechtvaardig zonder aanzien des per-soons, ontzag hij zich niet den gevreesden Alva tot teruggave van onteigende kerkelijke goederen te dwingen, excommuniceerde hij zelfs om die reden Alva's boezemvriend, den geduchten voorzitter van den raad der twaalven, Johannes Vergas.
De rampen, die later na den dood van Lindanus Roermond en het Bisdom troffen, kon de edele Bisschop niet voorkomen, maar ze onschadelijk maken.
â 63 â
maar een uitstekende priesterschap vormen, maar met een nieuw geloofsleven bezielen, maar een zekeren weg banen en hechte grondslagen leggen, waarop zijne waardige opvolgers in het Bisschopsambt konden voortbouwen, dat heeft hij gedaan tot eere van Gods Kerk en tot glorie van zijn Bisdom. Terecht dus beminde Paus Gregorius XIII hem en koos hij Lindanus tot zijn raadsman, ontving koning Philips den grooten Roermondschen Bisschop met allen luister op het Esquiraal, ontbood Sixtus V hem naar Rome en verplaatste dezen voorbeeldigen herder, schoon gebogen onder den last van 63 harde jaren en uitgeput door een afmattend apostolaat, naar den zetel van den beroemden Cornelius Jansenius, met wien Lindanus voorheen als boezemvriend geleefd had en van wien hij niet meer scheiden zou in den dood (1 580). Een zelfde grafgesteente bedekt in de Gendsche kathedraal de gewijde stof dezer twee roemrijke Ne-derlandsche Bisschoppen.
Wij zagen wat Roermond was bij de komst van Bisschop Lindanus, wat zij werd onder dien wijzen Kerkvoogd leert de geschiedenis. In 1580 werd de Geldersche kanselarij van Arnhem op koninklijk bevel overgebracht naar Roermond, jaarmarkten werden ingesteld, ten behoeve der stad werd een tol geheven op de Maas, omdat, dus luidt de oorkonde in het stadsarchief, omdat âsie in allen voerigen inlendischen oirlogen, wie dan noch in diesen jegenwoirdigen, vast die beste, redelichste unde rechtveerdigste partije ge-standen, die gevolcht ende daarby lyff, goet ende bloet unde wat sy suust gehadt guetwillich ja begeerlich opgesatt hebben.quot;
â 64 â
Als met profetischen blik voorzag Lindanus de herleving en bloei der stad , voorzag hij, dat zij op den goeden weg zou blijven voortgaan en altijd het Katholiek geloof ongeschonden bewaren. In het stedelijk archief berust nog een brief van dien Bisschop aan den stadsraad, een waar herderlijk schrijven, waarin de magistraat wordt aangemaand in groot ornaat aan de processie op den aanstaanden Sacramentsdag van 1583 deel te nemen, opdat hun goed voorbeeld anderen opwekken moge tot eerbied voor het Hoogheilig Sacrament,
âdan is het te verhopen,quot; zoo besluit die apostolische brief, âdat ghij cortelijck selt moghen (sien) van Godt den Heere.... (dat Hij) dese stadt sal met vaderlijcke genade wederom als eertijts gebenedyen èn van den jainmerlycken staedt daer sy nu in ver-druckt leyt, verlichten, opheffen èn verlossen èn syn salighmakende ghunstè ryckelyck uitstorten.quot;
Misschien, neen, zeker zal de wel befaamde schrijver , dien wij op het oog hebben, ons later een ruimer blik vergunnen te slaan in het uitsluitend priesterlijk leven van Bisschop Lindanus, ons met hem bekende stukken bewijzen, dat die Kerkvorst, wiens kinderlijke liefde tot de H. Moeder Gods voldoende gekenmerkt is door zijn ijver en het verspreiden van den H. Rozenkrans, dat hij menigmaal in stilte neerknielde voor het verborgen Wonderbeeld der H. Maagd, dat hij daar zijne zeldzame standvastigheid , onverschrokken moed en vaderlijke voorzichtigheid putte, dat hij eindelijk . .. ach, vul het zelf in, geachte auteur, de tweede brand van 1665, die ook het Bisschoppelijk paleis niet spaarde, belet ons voort
- 65 -
te gaan, waar gij uit zijn werken en briefwisseling dat verlies kunt herstellen. â Wij zouden zoo gaarne het stellige bewijs zien voor wat voor ons boven iederen twijfel verheven is , dat Lindanus de vereering van O. L. Vrouw in het Zand bevorderd en verspreid heeft.
Wij schreven â boven allen twijfel verheven, â de Eerw. Heer van Krugten geeft ons de reden tot dat gegrond vermoeden. De lange lijst van de jaarlijksche inkomsten, door de parochiekerk en door de geestelijken, in bezit van beneficiën der kapel â in den tijd zelfs dat het bedehuis verwoest was â genoten, die lijst van den Pastoor der St. Christoffel, Martinus Luncenius , uit het jaar 1610, en die aan een Bisshop als Lindanus niet onbekend kon zijn, spreekt luide van de herleefde vereering tot de gebenedijde Moeder des Heeren.
Alle standen zijn daarin vertegenwoordigd; brieven van den Magistraat getuigen, dat de stad nog in 1610 aan de genadekapel, onder meer, de X rintsche gulden betaalde, die zij op het feest van Maria Zuivering 1467 jaarlijks aan het heiligdom had toegelegd. Twintig familiën volgden dat voorbeeld, rijken en minderge-goeden binnen en in de omstreken der stad. De jaarlijksche bijdragen verschillen tusschen V merk, V rider, IIIgoltgidden, 1 mal rog, X stuijver, I alden schilt en 1 stuijver.
Waarom wij in die dorre lijst zooveel zien, waarom wij dien écneii stuijver niet zouden willen missen voor alle goudguldens, door de stad aan het Beel-deke geschonken ? omdat het ons herinnert aan het penninkske van de weduwe uit het Evangelie,
omdat wij in die duistere jaren van godsdienst-
amp;
â 66 â
strijd nog een lichtstraal zien van kinderlijke liefde tot Maria, van dankbaarheid voor groote genade-gunsten, door hare voorspraak verworven, omdat wij het als een heerlijke eereboete beschouwen voor de gruwelen der hervorming binnen Roermonds muren.
Vonden wij niet meer dan die geniale bouwkunstenaar, toen hij uit een enkel contrefort, dat meer dan duizend jaren onder puin bedolven lag, een oud Romeinschen tempel formeerde? Zoete tranen van dankbaarheid gingen de gift der wreed beproefde moeder vooraf, die zoo lang de bekeering van man en kinderen van de âTroosteresse van bedruktenquot; had afgesmeekt en in het eind verhoord was geworden; blijde jubelkreten vergezelden de gave aan het Wonderbeeld , toen de schier wanhopige vader van die âBijstand der krankenquot; de gezondheid terug kreeg zijner haast stervende vrouw; weinig kon hij maar ten offer brengen, de arme priester , die, nadat hij alle jammeren zijner stad overleefd had, niet tevergeefs van de âMoeder van barmhartigheidquot; vergiffenis en genade voor zijne dierbare stede had afgebeden ____
Ave, o blijde Morgen!
De zonne brengt gij aan!
't Is met geschrei en zorgen En doffe smart gedaan.
Geloofd, gedankt, geprezen,
Zij God in Eeuwigheid!
Die U heeft uitgelezen,
En ons den Dag bereid. *)
*} Oud Marialiedje uit het Kerkboekjen van J. A. en L. J.
Alberdingh Thijm.
Wat moet er wel in het hart van den Paus zijn omgegaan, toen hij op den vooravond van den eersten dag dier eeuw de heilige poorte opende der Vaticaansche Basiliek van Sint Pieter en daarmede de geheele wereld uitnoodigde om binnen te treden in de eenige schaapstal van Christus, om deelachtig te worden aan al de zegeningen van het heuglijk Jubilé? â Hoevele rampen waren in de afgeloopen eeuw over Gods Kerk gekomen, hoe diepe wonden had de hervorming in de Christelijke maatschappij geslagen? â In het Oosten dreigde de fanatieke Turk het Duitsche keizerrijk met den ondergang, in het Noorden nam het protestantisme hand over hand in macht en uitgebreidheid toe, in het Westen voor-
â 68 â
spelde het Edikt van Nantes een bron van jammeren, spande het afvallige Engeland met Hugenooten en Geuzen zamen, om het hechtste bolwerk der Kerk in het Zuiden, het Katholieke Spanje, te ondermijnen en te slechten.
Wat Paus Clemens VIII op dien gewichtigen stond gevoelde?
Vrees noch twijfel, maar alleen hoop en moed. En zijn moed steeg naarmate hij zijn hoop zag vervuld worden. Niet bij honderden, maar bij duizenden telde hij immers op dien grooten dag de van alle streken der aarde toegestroomde pelgrims. Vóór nog het jubeljaar gesloten was, hadden drie millioencn Katholieken zijn Pauselijken zegen ontvangen.
Zeer tegen hunne verwachting was het Ccheld-woord der hervormers in geheel tegenovergestelden zin verwezenlijkt. â¢â Rome bleek werkelijk een Christelijk Babyion, waar de vertegenwoordigers uit alle stammen en natiën der wereld de schatting hunner kinderlijke liefde en gehoorzaamheid kwamen brengen aan de voeten van den verguisden Roomschen Opperpriester!
Wel een schouwspel, derhalve, grootsch en indrukwekkend als in honderd jaren binnen Petrusstad niet gezien was, waarop Europa met verbazing, maar uit den Hemel God en zijn Engelen met welgevallen neerzagen, want tallooze afgedwaalden keerden in dat heilig jaar in den schoot der Kerk terug.
Wie vooral vertroost en versterkt onder die ontzaggelijke scharen van pelgrims na volbrachten beêvaartsplicht huiswaarts toog, was voorzeker de tweede Bisschop van Roermond. Zijn ijver behoefde
~ 6g â
wel is waar zoo min als zijn geloof zulk een buitengewoon heilmiddel tot opwekking en volharding, de hooge leeftijd van Mgr. Henricus Cuyckius was hem des noods een genoegzame reden geweest om zich van zoodanig een vermoeienden tocht ontheven te achten. Maar de groote Kerkvoogd wilde Gods zegen op zijn Apostolaat doen neerdalen , wilde de hem toevertrouwde kudde een voorbeeld geven van gehechtheid en trouw aan den plaatsbekleeder van Christus; hij wenschte den wijzen raad van den Paus in te winnen tegen de gevaren , waaraan zijn dierbaar Bisdom blootstond, en daarom telde hij ouderdom noch moeilijkheden, raadpleegde alleen zijn godsvrucht en zielenijver, nam den pelgrimsstaf en begon zijne bedevaart naar de heilige stad.
De ontvangst, den grijzen Bisschop ten deel gevallen van de zijde des Pausen en der Kardinalen, bewijst hoezeer zijn komst op prijs gesteld en hoe hoog zijn doorluchtige persoon geacht werd. Niet Cuyckius maar Clemens beschouwde zich de gelukzaligste, toen hij vernam dat niet slechts in het Bisdom Roermond, maar in al de Spaansche Nederlanden het Katholiek geloof herleefde. Beladen met geestelijke, zoowel als met stoffelijke bewijzen van 's Pausen liefdadigheid, keerde de verheugde Bisschop van Rome terug.
Dertien jaren â van 1596 â1609 â bekleedde Mgr. Cuyckius den Bisschoppelijken zetel van Roermond. En wat bracht hij tot stand, wat deed hij voor de vereering van het Wonderbeeld? vraagt gij ons.
Dat hij Petrus Pollius aanstelde tot Deken van
â /O â
het kapittel en tot zijn Vicarus Generaal zou genoeg zijn om u te overtuigen, dat deze Bisschop een groot minnaar was van O. L. Vrouw in 't Zand, al kon hij zelf, wat hij stellig verlangde, uithoofde van den rampzaligen oorlog, niet herstellen, wat hij zijn opvolger moest overlaten, de herbouwing der Genadekapel.
Zou hij ooit buiten zijn Bisdom wel gezocht hebben , wat vóór hem lag, wanneer geen onoverkoombare hinderpalen in den weg hadden gelegen ? Zou hij, weinige jaren voor zijn dood, aan Michiel Swerin hebben opgedragen, een zilveren Sint Chris-toffel te maken volgens het model, dat in hout op het stadhuis berustte, en dat ter eere van Maria te Scherpenheuvel door een magistraatspersoon hebben laten offeren, indien hij niet waarlijk een groot vereerder der H. Moeder Gods ware geweest?
Es to Fidclis , âWees getrouwquot; luidde de spreuk onder het wapen van dezen Prins der Kerk, â levensregel , zouden wij haar veeleer mogen noemen , levensregel en kort begrip der groote daden van zijn bisschoppelijk leven.
Esto Fidclis, een zelfde geest als zijn roemruch-tigen voorganger bezielde, spreekt uit de handelingen van Henricus Cuyckins. Orde en tucht vonden ook in hem een onverbiddelijken handhaver; gelijk Lin-danus was hij een voorbeeld en een licht voor zijne geestelijkheid; de hervorming van het brevier en ritueel, waaraan hij tot in zijn laatste uur arbeidde en die hij nog bij zijn leven tot stand bracht, iegt, beter dan woorden vermogen, getuigenis af van zijn echt priesterlijken geest.
â 71 â
Esto Fidelis mocht hij aan Prins Mauritis schrijven, gedenk uwe voorvaderen, hoe trouw zij waren in hun geloof, word als zij en keer terug in den schoot der eenig ware Kerk. De uitslag mocht niet beantwoorden aan zijn vurigen ijver, de Katholieken der overmeesterde steden en gewesten beklaagden zich de tusschenkomst van Bisschop Cuyckius niet.
Esto Fidelis, dat leerde die trouwe herder zijne in het geloof nog zwakke kinderen, als hij maanden achtereen dagelijks den kansel beklom en de geloo-vigen in allen eenvoud de grondbeginsel van geloof en zedeleer onderwees.
Esto Fidelis, daaraan erkende de vrome en wijze Albertus van Oostenrijk in den onverschrokken Bisschop den teederlievenden Vader, toen de grijze Prelaat zelf te Brussel de hachelijke zaak van muitende benden kwam bepleiten en den aartshertog bezwoer barmhartig en genadig te wezen. Zijn vaderlijk woord vond een gunstig gehoor en het koninklijke leger telde honderden getrouwen meer.
Esto Fidelis eindelijk, en Roermond, Limburg, neen geheel België en Nederland hebben reden den wijzen en geleerden Bisschop dankbaar te zijn, die hun een monument van onvergankelijke trouw in het geloof achterliet. â Henricus Cuyckius schreef op last van het provinciaal Concilie, in het jaar 1607 te Mechelen gehouden en door Paus Paulus V goedgekeurd, den Mechclschen Catechismus.
Toch ontbreekt nog een enkele trek om het beeld van den tweeden Roermondschen Bisschop te voltooien. Wij hebben zijn liefde tot de H. Maagd nog te weinig leeren kennen. Cuyckius is ook de
â 72 â
insteller van de Gulden Mis in het Bisdom van Roermond. 1)
Diep moest hij doordrongen zijn van de hooge waardigheid der Moeder Gods, diep overtuigd ëVen-zeer van de noodzakelijkheid voor den Christen, om het verhevenste voorrecht van Maria te kennen en te vereeren, toen de godvruchtige Bisschop het besluit nam , in zijn diocees op den Quatertemperwoensdag van den Advent met alle plechtigheid de gedachtenis te vieren van Maria's medewerking in het aanbiddelijk geheim der Menschwording, de gedachtenis van haar Goddelijk Moederschap.
Zoo zichtbaar zegende Maria haar uitverkorene stad en Zij wilde door haren grooten dienaar Henricus een blijk geven harer moederlijke bescherming, dat hare dankbare kinderen ten eeuwigen dage bij de nadering van het blijde Kerstfeest zouden herdenken.
1
Bij deze misschien opzienbarende bijzonderheid mogen wij niet nalaten den geheelen tekst van den gezaghebbenden schrijver der Historia Ecclesiastica Ducatus Geldriae, Knippenbergh , aan te halen. Want tot en met Mgr. R. Cools ontleenden wij de korte schetsen der Roermondsche Bisschoppen grootendeels aan dezen verdienstelijken historiograaf. Op bladzijde 204 (lib. VI. cap. II.) lezen wij het volgende van Mgr. Cuyckius:
i693. âCaeterum ut populum ad praecipua fidei fundament a atque mysteria manu quasi duceret, in memoriam annuntiatae sa-lutis nostrae leria quarta Quatuor temporum in Adventu Missam ut vocant Auream de Guide Messe solemni ritu celebravit, mansuro ajgt;ud posteros exemjploy wij cursifeeren, quemadmodum in tanti bene-ficii memoriam haec eadem celebritas a populo ad nostra usque tempora frequentatur.quot; Dat die votiefmis De Beata wordt gelezen, is algemeen bekend.
â 73 â
Mgr. Cuyckius had wel het einde mogen zien van het eerste tijdperk van den tachtigjarigen krijg, doch niet de jaren van rust en verademing tijdens het twaalfjarig bestand mogen beleven. Hij stierf op 65 jarigen leeftijd in de maand October van het jaar 1609.
Twee jaren bleef de Bisschopszetel onbezet, middelerwijl was de Deken van het kapittel, Petrus Pol-lius, met het bestuur des Bisdoms belast. âZoolang de Kapel van O. L. Vr. in 't Zand bestaan zal,quot; schrijft de Eerw. Heer van Krugten, âzal ook zijne nagedachtenis in zegen blijven.quot; Deken Pollius moet zich dan wel hoogst verdienstelijk gemaakt hebben voor dat heiligdom, besluit gij, tevens uw verlangen te kennen gevende naar de oorzaak van die zeldzame lofspraak. Wij schrijven daarom de volgende regelen uit de meermalen aangehaalde kroniek der stad Roermond voor u af:
Anno 1610. Den 7 Septembris is den iersten stein aen ons lieue Vrouwe int Sandt vande nieuwe cap-pelle doir den heer deken Pollio ende burgemeister Butgens gelaght worden.
Anno 1613. Op onser lieuer Vrouwen hemel-vhaerts dach heeft den eerwaerdigen heer deken, doctor Pollius , in onse lieue Vrouwen cappelle int Sandt, naer het opbouwen der seluer, die ierste misse seer solemnelycken gecelebreert.
Gij herinnert u immers, dat de door Pastoor Peuten gebouwde Kapel in 1578 op bevel van den snooden Vegersheim verwoest was, niettegenstaande de vijanden haar altijd hadden gespaard. De put alleen was onverlet gebleven en daaromheen schaarden zich, dikwijls niet zonder lijfsgevaar in die benarde tijden, de vrome pelgrims van heinde en ver,
â 74 -
baden met vuur, dronken met vertrouwen het door Maria gezegend water en vonden altijd troost, dikwerf zelfs wonderdadige genezing van ziekten en kwalen. Dat reeds dadelijk na het sluiten van het Bestand de hand aan den herbouw werd geslagen, bewijst voldingend het lang gekoesterd verlangen van de geestelijkheid en de burgers der stad, om voor het Genadebeeld, dat in de Sint Christoffelkerk voortdurend bewaard en vereerd werd, een nieuw en waardig heiligdom te stichten. Toen derhalve de tijdsomstandigheden de uitvoering van dien volks-wensch niet meer in den weg stonden, konden de schaarsche hulpmiddelen, die ten dienste waren, den ijverigen en godvruchtigen Deken Pollius niet weerhouden zoo spoedig mogelijk de grondslagen te leggen van eene nieuwe kapel , die bij het ruimer toevloeien van offers en schenkingen gemakkelijk voor uitbreiding vatbaar was.
Gij zult u niet verwonderen , lezer, over die schaarschheid, u herinnerende den vreeselijken brand der stad en de afpersingen en brandschattingen, waaraan hare burgers in de zestiende eeuw voortdurend ter prooi waren.
O, zoo wij ze mochten kennen, die ongelukkigen, die hun penninkske offerden voor den herbouw der Kapel, â daar kleefden tranen van dankbaarheid aan die koperen muntstukken; zieken, die hunne gezondheid , zondaren, die hunne bekeering kwamen dank weten aan de Moeder van Jezus! Gering was maar hunne bijdrage, â wat nood! hunne namen, al zijn ze vergeten door de nakomelingsschap, staan met gouden letteren geschreven in het Boek des Levens.
â 75 â
De nieuwe Kapel bleek alras te klein, om het vierde deel der bedevaartgangers te bevatten. Een grootere verrees en nog moest de derde Bisschop in de open lucht preken, om allen het woord Gods te kunnen verkondigen.
Wij hebben daar Mgr. Jacobus a Castro genoemd, gij moogt ook weten wat hij deed. Hij wijdde drie altaren en de uit één stuk geschut gegoten klok der herbouwde kapel. â Eerstelingen van een negenentwintigjarig Episcopaat , die reeds half doen vermoeden, dat de vereering van het Wonderbeeld onder zulk een aanmoediging een heerlijke toekomst te gemoet zal gaan!
Eene opmerking echter moet ons allereerst uit de pen. Zij betreft het feit der eerste steenlegging. De kerkelijke en de stedelijke overheid namelijk kweten zich gezamenlijk van dien eervollen plicht-Eendrachtig hadden zij saamgewerkt tot het behoud en de aankweeking der Maria-vereering in de stichting van het eerste bedehuis, het tweede behoorde ook onder beider medewerking te verrijzen. Het legt een schoone getuigenis af van den godsdienstzin der Roermondsche magistraten uit die dagen, dat zij de belangen van de Kapel met zoo prijzenswaardige voortvarendheid behartigden. Uit de weinige officieele bescheiden, die tot ons zijn gekomen, blijkt ten overvloede , dat het stadsbestuur rusteloos ijverde voor den opbouw en de verfraaiing van het heiligdom, dat niet enkel uit'eigen middelen ruim werd geput, maar dat ook bij den Aartshertog Albertus en andere bevriende edelen met gunstigen uitslag op bijdragen werd aangedrongen. Dat alles geschiedde door en
- 76 -
op last van burgemeester, schepenen en raad, gelijk ook bij iedere processie, die sedert den opbouw meermalen 's jaars en vooral onder de octaven van Maria Hemelvaart en Maria Geboorte plaats hebben, de geheele magistratuur zonder fout vertegenwoordigd was. De zorg door hen besteed in overleg met het Episcopaat aan het vergeven der beneficiën van de Kapel, de maatregelen, door hen herhaaldelijk genomen tot het bewaren van de rust en den eerbied in de nabijheid dier heilige plaats , alsook tot het passend ontvangen en herbergen der duizenden pelgrims op de hoogtijden der H. Maagd, zijn zoovele sprekende bewijzen voor hetgeen wij in het licht willen stellen, dat Roermond en hare burgers zich de eere waardig toonden, het patroonaat over het Wonderbeeld te bezitten. En als wij er bijvoegen, dat heden, ruim 250 jaren na de heuglijke gebeurtenis der eerste steenlegging, nog diezelfde liefde en ijver voor O. L. Vr. in het Zand het stedelijk bestuur en de burgerij dier schoone stad bezielen, dan kunt gij met ons slechts woorden van lof spreken over zooveel standvastige trouw aan hunne verhevene Patrones en Moeder.
Gaarne zoudt ⢠gij, gelooven wij , met ons hebben neergeknield in de pas half voltooide Kapel op den gedenkwaardigen morgen van 15 Augustus 1613, toen het Genadebeeldje boven het hoogaltaar ten troon geheven werd, toen onder een ontzaggelijken toevloed geloovigen voor de eerste maal op plechtige wijze de aanbiddelijke geheimen werden gevierd.
Mgr. A Castro vertoefde reeds twee jaren in zijn
â 77 â
_ Bisschopsstad, gij verwacht dus, dat die de Pontificale Mis zal opdragen. Gij kent nog te weinig dien werkelijk grooten Bisschop, zoo gij een oogenblik zoudt twijfelen, dat hij uitnemende verdienste niet op prijs wist te stellen, dat hij niet zijn vromen Vicaris generaal het heilig werk bekronen liet, door dezen met zoo grooten godvruchtigen ijver begonnen.
In tegenwoordigheid van den derden Roermond-schen Bisschop â vergun ons dit vermoeden â droeg Petrus Pollius dien vijftienden Augustus het Heilig Misoffer op. â Petrus Pollius, zijn naam blijft onafscheidelijk verbonden aan dien van een Neder-landschen Heilige, den Zaligen Petnis Canisius. Deze was het, die zijn naamgenoot had leeren kennen en en hoogachten te Nijmegen, die hem gesteund had, toen tijdelijke middelen ontbraken, die hem van Keulen naar Leuven, van Leuven naar Rome, naar het Germdansch College, door Canisius gesticht, deed opgaan, die in één woord Petrus Pollius gevormd had tot een godvruchtigen, ijverigen en geleerden Priester. â Zoo koos Maria hare dienaren uit om hare eer te bevorderen in de Haar toegewijde stede, en hare kinderen voor te lichten op den moeielijken weg, waarvan duizenden landgenooten, helaas! waren afgeweken, den eeuwigen weg, die ter zaligheid leidt!
Wanneer wij voor een omzien de teekenstift mochten leenen van den beroemden Amsterdamschen schrijver van palet en harp, dan zouden wij u vergasten op een echt Amsterdamsche Binnenkamer uit het midden der zestiende eeuw. Neem onzen goeden
- 78 -
wil voor lief, lezer, want de bronnen en de gaven, die den hooggeleerden heer Jos. Alberdingk Thijm ten dienste staan, zijn ons ten eenenmale ontzegd. Mocht hij er zich toe aangespoord gevoelen, om op de hem eigene wijze het familieleven te schetsen van Gerard Pietersoon van den Borgh en diens huisvrouw, Anna Janssen de Boys; wij hooren liever van hem dan uit den mond van Sir William Temple de onvergankelijkheid van Amsterdam voorspellen uit kracht van hare liefdadigheid voor armen en weezen, hij vindt er stof te over voor, want de familie van den Borgh, inzonderheid de godvruchtige huismoeder, stond bekend om hare milddadigheid. Knippenbergh verhaalt zelfs, dat het lichaam dier brave vrouw na haar afsterven een aangenamen geur verspreidde , wel een bewijs , dat degelijkheid en eenvoudig groot geloof het sieraad waren van dit vrome huisgezin.
Toch nog niet het grootste sieraad, waarde lezer, de geachte heer Thijm zal u verhalen, dat hun zoon Jacob reeds in zijn prilste jeugd beloofde wat hij later werd, dat, wie weet welke geleerde Priester voorzag, wat in het jongske stak, hem al vroeg aan den dienst van het altaar verbond, en , den gelukkigen aanleg bespeurende, hem zelf opleidde in de klassieke letteren, waarna hij de ouders van zijn dankbaren leerling aanried hun dierbaren zoon voor het priesterschap te bestemmen en tot verdere bekwaming naar de Leuvensche hoogeschool te zenden. Misschien had die edele Priester wel gewenscht dat na voltooide studiën Amsterdam een ijverigen Missionaris rijker zou zijn, want aan de
79 â
geleerdheid van den toekomstigen Priester viel na de hooge onderscheiding , die Jacob als prunus der wijsbegeerte was ten deel gevallen, niet meer te twijfelen. Zijn verwachting echter, hoe hoog ook terecht gespannen, werd, zoo hij te vroeg overleed, maar ten halve verwezenlijkt, â Jacob werd Priester, maar nimmer missionaris in zijn geboortestad , â zij werd evenwel nog overtroffen , zoo hij den een-voudigen Pastoor van Linden bij Leuven tot Doctor Lovaniensis bevorderd, tot Hoogleeraar te Leuven benoemd, zoo hij zijn grooten leerling tot Bisschop heeft verkozen mogen zien.
Jacob van den Borgh, meer bekend als Jacobus a Castro, was de derde Noord-Nederlander, die den Bisschopszetel van Roermond mocht beklimmen.
Wonderbare beschikking Gods, het Calvinistisch Dordrecht, het meineedige Kuilenburg en het afvallige Amsterdam moesten in hun edelste zonen Maria eerboete geven, voor den smaad en den hoon Haar in ons Noordelijk Vaderland aangedaan.
Hadden wij geen andere beweegredenen om den aartshertog Albertus den wijsten en braafsten der Europeesche vorsten te noemen, de keuze der Bisschoppen , die hij deed voor zijne Zuidelijke Nederlanden, zou ons een voldoende waarborg zijn voor de gegrondheid van den eertitel, hem door zijn tijd-genooten gegeven. Wij prijzen die keuze, maar de keuze van den eenvoudigen en nederigen Jacobus bovenal, wij juichen den aartshertog van harte toe, dat noch hij, noch Paus Paulus V door zijne voorgewende ongeschiktheid en bittere droefheid bewogen werden op hunne opdracht en benoeming
â 8o â
terug te komen. De vermaarde Mechelsche Aartsbisschop, Math. Hovius, wijdde den ootmoedigen Hoogleeraar in de St. Rumolduskerk te Mechelen op beloken Paschen 1611 tot Bisschop en den 9d°n Mei daaropvolgend deed Mgr. Jacobus a Castro in gezelschap van Petrus Pollius zijn plechtige intrede in de rijk versierde stad Roermond.
Tijden van rust en vrede waren voor de stad en het Bisdom aangebroken, de gevaren voor geloofsafval, zoo manmoedig door de twee eerste Bisschoppen afgeweerd, hadden nagenoeg opgehouden te bestaan, alom herleefde het geloof, de geestelijkheid was hervormd, de geloovigen van het gevaarlijk pad, waarop onwetendheid en verontzedelijking allengs tot bijge-geloof en afval voerden, teruggekeerd, met de opnieuw bloeiende vereering der H. Maagd hadden welvaart en vertier een immer overvloediger stroo-mende bron van inkomsten gekregen , â⢠er werd dus aan het hoofd van het diocees een man gevorderd, die met zachte en tegelijk doortastende hand leiden, voorkomen en des noods beteugelen kon,
Hier teekende de naam het karakter en de daden van den man. Als trouwe waker op de tinne van Gods tempel zag hij van verre en van nabij wat zijne kudde bedreigde, ging hij zelf haar voor in de beoefening der deugden, die hij predikte, maakte haar sterk in de korte jaren van vrede, ten einde gewapend te zijn als de geestelijke oorlog op nieuw zou ontbranden, hij ontzag zich niet met strafheid te keer te gaan, waar zijn vaderlijke vermaning in den wind werd geslagen, in een woord Jacobus a Castro was een Bisschop, die met het volste recht de betee-
â 8i â
kenis bij de wapenspreuk mocht voeren Esto vi-gilans.
Inderdaad hij was de goede Herder, die zijn leven veil heeft voor zijne schapen. Armen en ongeluk-kigen kenden den goeden Bisschop het best van allen. Meer nog door zijn innemende zachtaardigheid dan door zijn diepe geleerdheid bracht hij op zijn veelvuldige herdersreizen, want dat waren zijne tochten door het ver uitgestrekt diocees, de ketters tot de waarheid terug. Spreekwoordelijk was de uitdrukking geworden, waarmee deze Bisschop de afgedwaalde broeders betitelde: â onze naburen noemde hij hen.
Als Mariavereerder kent gij Mgr. A Castro reeds. Er zou geen avond voorbij gaan of al zijn huisge-nooten knielden om hem heen om den Rozenkrans en de Litanie der H. Maagd gezamenlijk te bidden. Geen processie trok naar het Genadebeeld in het Zand of hij zelf schaarde zich het eerst onder de pelgrims. Het was zijn lust met eigen hand de beelden der H. Moeder Gods te versieren, en niets was hem te veel als het maar tot luister strekken kon van Maria.
Zoo naderde het einde van het twaalfjarig Bestand, waarna de wreede oorlog met vernieuwde bitterheid werd voortgezet. Tot overmaat van smart had koning Philips IV zijn bekwaamsten veldheer, Spinola, den eenigen, die tegen den krijgshaftigen Maurits was opgewassen, naar Spanje teruggeroepen. Daarenboven was de edele aartshertog den 10 Juli 1621 aan de liefde zijner onderdanen ontvallen, de brave vorst, die, even als zijne godvruchtige gemalin, zoo wel in
6
staatmankunst als in teedere minne voor Maria had uitgeblonken. En al restte de heldhaftige Isabella Eugenia, de sterke vrouw bij uitnemendheid, wier heiligheid en grootheid van ziel nog immer in zegening is gebleven, wat vermochten haar kloek beleid en onbeschroomd optreden tegen den gruwel van het verraad ? â Het werpt een blaam op de krijgseer van Frederik Hendrik, die zijn broeder Maurits in 1625 als Stadhouder was opgevolgd, dat hij zich van twee verraders bediend heeft om zijn krijgsgeluk te verzekeren. Van een Paauw kon men verwachten, dat hij den Staten ten wille was, om het bloedgeld naar Venlo te brengen en het den meineedigen minister van Isabella, Warfusée, en haren eervergeten bevelhebber, Hendrik van den Bergh, ter hand te stellen, maar van den overigens edelmoedigen prins, wiens godsdienstige onpartijdigheid gunstig afstak tegen den geloofshaat van zijn vader en zoon, van Frederik Hendrik, hadden wij meer eergevoel verondersteld.
In Zutphen stierf weinig jaren na zijn openlijke woordbreuk 1633, de ontaarde zoon van Hermanus van den Bergh, veracht en vergeten, beladen met den vloek van zijn wettigen koning, omdat hij zijn God en zijn vorst voor een handvol gouds had verkocht.
Al ware de markgraaf van Santa Crux, de opperbevelhebber der Spaansche troepen, een tweeden Spinola gebleken, het had ons niet verbaasd dat het schier onneembare den Bosch overging aan den Prins van Oranje, dat geheel het boven en beneden-kwartier van de Maas in weinige jaren den Staten in handen viel. Aangevallen in het Zuiden door
- 83 -
Frankrijk, door eigen vertrouwelingen in het Noorden overgeleverd aan hare grootste vijanden, verstoken van alle hulp uit Oostenrijk, dat een kamp op leven en dood voerde tegen de Protestantsche liga, stond Isabella bijkans weerloos tegenover de steeds verder voortdringende Staatsoliën, bood zelfs Brussel haar een oogenblik geen veilige schuilplaats meer aan.
Eere den Belgen, wij schamen ons niet als Nederlander dezen lof neer te schrijven, eere den Vlamingen vooral, die hunne beminde Vorstin een sterker schuts hebben geboden dan de Spaansche legerbenden vermochten. Lier weerstond den machtigen vijand. Leuven volgde met zijn studenten het voorbeeld en sloeg het Staatsche leger op de vlucht, en in luttel tijds was België verlost van den aartsvijand van zijn geloof.
Roermond, wij wezen er in een vorig hoofdstuk bereids op, bleef vijf jaren in de macht der Staten. Toch hadden wij gaarne ook daar de Kenau's Hasselaar uit Venlo aan het werk gezien, om de H. Geestkerk, de kathedraal, aan de ontheiliging der weinige protestanten te onttrekken, gelijk het die uit de naburige stad, met latere instemming zelfs der Staten, met hare parochiekerk had mogen gelukken.
Gebogen misschien onder den last van 72 jaren, doch jeugdig nog van kracht, had Mgr. A Castro met diepen weemoed en onuitsprekelijk zielelijden de rampen, met meer dan vertienvoudigde macht dan hij voorzien had, over zijn pas hervormd diocees en zwaar beproefde bisschopsstad zien neerkomen. Roermond verlaten? Voor geen duizend steenen, die zijn heiligen Patroon het martelaarschap verwierven, had
- 84 â
hij een stap bulten hare poorten gezet. â Hij bleef en gij weet, lezer, hoe vruchtenrijk zijn blijven was. Had hij de kroon van een H. Jacobus ge-wenscht, die van den apostel Johannes werd hem geschonken.
Hij bracht Roermond en zijn geheel Bisdom, zooals hij het ontvangen had uit de handen van den inmiddels overleden Pollius (1626), gelouterd doch ongeschonden onder den schepter van den zegevierenden Kardinaal Fernandus terug.
Op gevaar af dat gij onze uitvoerigheid zult laken, mogen wij nog niet scheiden van dit toonbeeld van ootmoed en liefde.
Schoon hoogbejaard, was zijn verstorven leven er niet op verminderd; hij die de armen zoo lief had, beminde zelf de armoede. Zijn tafel mocht gekruid zijn door vrome en onderhoudende gesprekken, als gij van een uitgezochten disch houdt, zoudt gij u deerlijk teleurgesteld vinden. In den Advent moest gij vleesch-spijzen missen en in de groote Vasten zelfs melk en eieren derven. Tot op het eind van zijn lang leven omgordde hij op de vooravonden van hooge feesten zijne lendenen met een ijzeren keten en bracht op harden grond den nacht door.
Bewondert gij die gestrengheid in den grijzen Kerkvoogd, hoe moet uwe bewondering dan niet klimmen, als gij hem in de laatste jaren van zijn Bisschopsambt, toen de pest woedde in zijn stad en diocees, nacht en dag op den weg of in de huizen der lijders ontmoet, met eigen hand de genademiddelen der H. Kerk ziet uitreiken en toedienen, zich zeiven vergetende, alle schatten van zijn huis in zoo-
- 85 -
vele aalmoezen voor die ongelukkigen doet overgaan even onuitputtelijk in balsemenden troost als in stoffelijke ondersteuning!
Virtutcm Viri immortalcm, âonsterfelijk was zijn deugd,quot; stemt gij van ganscher harte met het grafschrift van dien grooten Bisschop in, charitatcm ho-norum, scd ct vita subinde pro ovibtisprodigam, âmaar ook onsterfelijk in zijn liefdadigheid , waarmee hij cn goederen èn leven voor zijn schapen veil had,quot; besluit gij die treffende lofprijzing.
â Gaiideainus omnes in Domino, alleluiaquot; âalleluia, verheugen wij ons allen in den Heer,quot; ruischten in een zoete hemelmuziek die engelenwoorden door de arme bidcel van Joanna van Randenraedt, eene godgewijde maagd , wie Roermond ten vorigen jare een gedenkteeken heeft opgericht, â toen zij in den nacht, den Vigiliedag van den H. Apostel Matthias voorafgaande , als naar gewoonte lag neergeknield voor het beeld der H. Moeder Maagd.
Den geheelen nacht hoorde zij dat heerlijk gezang. Welke Heilige mag gestorven zijn? vroeg zij zich af, want de Hemclingen verheugen zich over de komst van een der hunnen.
Als dagelijks had de 79 jarige Bisschop dien morgen kort na vijf uren de H. offerande opgedragen. Eene ziekte overviel hem en na een godvruchtig ontvangen der laatste H. Sacramenten, ontsliep Jacobus A Castro zalig in den Heer. 1639.
Zes weken na zijne begrafenis moest het kostbaar lijk worden opgegraven, omdat de pastoor van Nijkerk een looden tablet met den naam en den datum van het overlijden des gestorven Bisschops in
â 86 -
de kist had te leggen. Doodslucht noch eenige verandering kon genoemde geestelijke, konden evenmin de vele getuigen bij en aan de dierbare overblijfselen bespeuren.
Niet waar, lezer, een Johanneskroon was dien anderen Apostel van liefde weggelegd na een voorbeeldig priesterlijk leven van 54 jaren, waarvan hij ruim het halve aantal den Bisschopszetel van Roermond door den glans zijner deugden en daden versierd had.
De Westfaalsche vrede, waarvan de onderhandelingen in Osnabrück 1643 waren aangevangen en ten slotte te Munster in 1648 ten einde gebracht werden, mocht het Protestantisme bevredigen, op de onschendbare rechten der H. Kerk maakte hij de meest onrechtvaardige inbreuk. Het waardig protest van Paus Innocentius X tegen de schandelijke vredesvoorwaarden, waarbij door onbevoegde gevolmachtigden vrijelijk beschikt werd over opheffing en inlijving van talrijke bisdommen in Noordelijk en Midden Duitschland, kon geen zegen doen dalen over die werken des vredes, scheen z'elfs de voorspelling te bevatten van een veel bloediger en jammerlijke!' krijg, dan die nu in een gewapenden vrede geëindigd werd geacht. Toch mogen wij er Spanje noch Oostenrijk te hard om vallen, dat zij zich te :oe-geefelijk toonden.
Terwijl het oproerige Hongarije had saamgespan-nen met den geduchten sultan van Turkije en beiden den ondergang van het keizerrijk hadden gezworen, zag Spanje zijn macht en grootheid met ieder jaar
â 8/ â
dieper wegzinken. Portugal had zich losgemaakt en zijn koning Johannes IV was de bondgenoot geworden der machtige vijanden van Spanje. De rijzende republiek der Vereenigde Provinciën overmeesterde met Engelsche hulp Spanjes bezittingen in Azië en Amerika en trad in verbond met Frankrijk ter overrompeling van de Spaansche Nederlanden. Bij deze dreigende rampen ten minste mag een daad van zelfbehoud niet te straf worden beoordeeld.
Het jaar 1643 mocht aan Frankrijk een koning gegeven hebben , die het een weergaloozen krijgsroem verschafte, zijn eigen land, geheel Europa, der H. Kerk niet het minst, wier allcrcluistclijkstc zoon hij er op boogde te zijn, berokkende Lodewijk XIV een zee van jammeren. De man , die zich niet ontzag den gevreesden Turk te steunen, waar zijn heerschzucht de macht van Oostenrijk zocht te fnuiken, deinsde er evenmin voor terug het Opperhoofd der Kerk in Rome zelfs door zijne gewapende trawanten te doen beleedigen, toen hij zijn gewaande grootheid door een hoogst billijk besluit des Pausen in gevaar gebracht waande. Vreeselijk zwaar heeft Louis le grand voor zijn onverzadelijke heerschzucht en belachelijke aanbidding van eigen grootheid geboet, geboet tot in zijn verste nageslacht. Zoo wij hem den eeretitel van groot niet onthouden, dan is het, omdat hij eigen ongeluk met christelijken heldenmoed heeft gedragen.
Oostenrijk en Spanje waren de grootste hinderpalen voor de volvoering der heerschzuchtige plannen van den Franschen koning. Gij vermoedt dus dat, de Zuidelijke Nederlanden tot aan den vrede van Utrecht
â 88 â
in 1713 het hoofdtooneel waren van den schier nooit onderbroken strijd.
Zoo is het, en de stad Roermond deelde met het Bisdom van dien naam niet het minst in de rampen van dien voortdurenden oorlog. Heden in de handen der Franschen, morgen in de macht der gealliëerden, want Lodewijk had bijna gansch Europa tegen zich in 't harnas gejaagd , bleef de nauwelijks herleefde stad gedurende een halve eeuw met slechts korte tusschenpoozen aan onrust en geldafpersingen ten prooi. â Een was er, die de goede stad beschermen bleef, hare Hemelsche Patrones!
Nadat van de vier benoemde Bisschoppen voor den zetel van Roermond een bedankt had, een naar een anderen zetel verplaatst en twee gestorven waren â - onder welke de groote Roermondenaar Pcregri-7ins Vogels â â vooraleer zij het Bisschopsambt konden aanvaarden, werd eindelijk na 15 jaren door Philips IV van Spanje de geleerde en godvruchtige Andreas Creusen, Maastrichtenaar van geboorte en Aartsdiaken van Kamerijk, aan Paus Innocentius X voorgedragen en door dezen gepreconiseerd als vierde Bisschop van Roermond.
Slechts vier jaren bekleedde Mgr. Andreas dien luisterrijken zetel, doch hij bracht in dien korten tijd zooveel tot nut der geestelijkheid en tot heil der zielen tot stand, dat zijne verplaatsing naar Mechc-len met reden door allen diep betreurd werd. Dezen volijverigen Bisschop was het voorbehouden de laatste hand te leggen aan de uitvoering der Trentsche kerkregels. Iedere parochie behoorde haar eigen dienstdoende Priesters te onderhouden, iets wat bij
â 89 â
de van oudsher bestaande rechten van vergeving der parochiale bedieningen vaak veel te wenschen had overgelaten. Mgr. Crusenius ging nog een schrede verder, hij rustte niet vooraleer in elke parochie, waar volgens zijn oordeel een enkele Pastoor voor het vervullen der herderlijke plichten onvoldoende was, een of meerdere kapelaniën gevestigd en deze door degelijke Priesters vervuld werden. Kon de gemeente in sommige gevallen die lasten niet dragen, de wakkere Bisschop putte liever zijn eigen middelen uit om de noodige fundaties te stichten dan aan geldelijke bezwaren het heil der hem toevertrouwde schapen op te offeren. Oplettend op de volksmisbrui-ken , die vooral op het platteland waren ingeslopen, met open oor voor de rechtmatige klachten zijner geestelijkheid daartegen, belegde de onvermoeide Kerkvoogd in 1652 te Roermond eene kerkelijke vergadering, waarin zulke wijze voorschriften en doeltreffende maatregelen werden uitgevaardigd, dat vele daarvan nog heden kracht van wet hebben in dit Diocees en een richtsnoer zijn voor het geestelijk bestuur.
Voorwaar een wijs en voorzichtig Bisschop, die in éen adem met zijne Doorluchtige voorgangers mag genoemd worden, wiens daden de kortheid van zijn Episcopaat doen vergeten , wiens verplaatsing naar den Aartsbisschoppelijken zetel van Mechelen zeker het welsprekendst bewijs is voor zijne groote verdiensten!
Genoot Limburg de eer, den vierden Bisschop aan Roermond te hebben geschonken, België mocht zich verheffen een zijner edelsten zonen als vierden
â 90 â
opvolger van Lindanus dien roemrijken zetel te hebben zien bestijgen. Eugenius Albertus d'Allamont was de vijfde Bisschop van Roermond. Paus Alexander VII had de keuze des konings in het begin van 1659 bekrachtigd en den 18 Juni van dat jaar hield de voormalige Luiksche Kanunnik van St. Lam-bertus zijn plechtigen intocht in de opgetogen Bisschopsstad.
Wat nu de kathedraal is van Roermond, waarvan gij uit de verte den prachtig aangelegden, schoon onvoltooiden toren met zijn reusachtigen Christusdrager ziet prijken, was voorheen niet meer dan de parochiekerk. Mgr. d'Allamont nochtans deed een zeer goede daad, toen hij met toestemming van den koning en onder toejuiching van Kapittel en Magistraat den Bisschoppelijken zetel uit de onaanzienlijke H. Geestkerk, nog onlangs onteerd door protestantsche predikers, naar de Sint Christophorus overbracht.
Die eerste handeling voorspelde dat de nieuwe Kerkvorst veel voor den luister van den godsdienst zou verrichten, dat hij blaakte van een heiligen ijver voor de schoonheid van het huis des Heeren , ongetwijfeld ; maar ook een eerste bevorderaar blijken zou van dé vereering der gezegende Moeder Gods.
Een tweede feit volsta ter bevestiging van het eerste , het andere spreekt uit geheel zijn Bisschoppelijk leven.
Mgr. d'Allamont hield in alle kerken van zijn Bisdom de strenge afscheiding op tusschen leeken-kerk en priesterkoor. Alleen de communiebank mocht de geheimzinnige afsluiting uit vroegere eeuwen ver-
â gi â
vangen. â Gispt niet, bewonderaars der aloude kerkgebruiken, al vermoeden wij wat u op de lippen ligt. Het is beter en wijzer te breken met verouderde gewoonten, dan ze tot iederen prijs en tot mogelijke schade der zielen te handhaven.
Waarheid is, dat de hervorming onder meer euveldaden ook achterdocht had weten op te wekken tegen het geheimzinnige vooral der H. Misofferande, dat het geloof der Katholieken begon te herleven, ja, maar nog verre was van dat der eerste bekeerlingen uit Sint Wiro's tijd. Hier hebt gij twee beweegredenen uit honderd, waarom wij het doorzicht en de wijsheid van den vijfden Roermondschcn Bisschop in dit gewichtig besluit slechts kunnen toejuichen.
Het was een treurige stoet, die bij het vallen van den avond op Drievuldigheidszondag 1665 uit de Swartbroekerpoort opging naar O. L. Vrouw in 't Zand. Aan het hoofd trad de diepbedroefde Bisschop Eugenius Albertus, omringd en gevolgd door onafzienbare schreiende menigte.
De geheele stad, op ongeveer 100 huizen na, lag in de asch. Het paleis van den Bisschop, dat van den Gouverneur, de Kanselarij, de Rekenkamer en verscheidene kloosters waren mede een prooi dei-vlammen geworden. Een noodlottig afvuren van een geweer tijdens het trekken der jaarlijksche processie op dien dag had dit onmetelijk onheil berokkend.
Schoon zelf van alles beroofd , dacht de liefderijke herder alleen aan het verlies, dat zijne dierbare kinderen hadden geleden. Jammerend op de
puinhoopen van have en goed, was het volk schier aan wanhoop ten prooi. Met moeite vereenigt de teedere Vader de ongelukkigen om zich heen , weet nog woorden van troost en opbeuring te spreken, ofschoon zijn hart van wee dreigt te breken, en wijzende naar het genadeoord, smeekt hij hen, hem te volgen en heul te zoeken bij de barmhartige Moeder, die nog nimmer hare stad had verlaten, die duizendvoudig hergeven zal, wat de vreeselijke ramp hun ontnomen heeft, die zegent zelfs te midden der wreedste beproeving, die.... â maar de tranen, met geweld zijn oogen ontsprongen, beletten den mee-warigen Bisschop vcort te gaan, hij spoedt zich voort naar het Miraculeuze Beeldje, en duizenden volgen hem op zijn schreden.
Een hartverscheurend schouwspel daarbinnen cn daarbuiten de Kapel! Moeders met hare zuigelingen, grijsaards steunende op den arm hunner kleinkinderen , mannen , sprakeloos van stomme smart, allen daar neergeknield voor de Troosteresse der bedrukten en de Hoop der wanhopenden, allen met tranen smeekende om hulp, redding en uitkomst. O hadden wij de troostwoorden mogen opvangen, die hier de in het lijden zoo grootmoedige Kerkvoogd tot deze hulpelooze menigte sprak!
Hij heeft hun hart getroffen, want allen zwijgen en staren met hoopvol vertrouwen op het Wonderbeeld. Nu is het oogenblik van handelen daar. Hij splitst volgens staat en stand, den volkshoop in kleine afdeelingen, wijst aan elk dezer het dorp aan , waar zij hulp en huisvesting zullen erlangen, plaatst de talrijke kloosterzusters in de huizen rondom de Ka-
=- 93 â
---â
pel, gelast zijn Priesters en kloosterbroeders zich over de verspreide dorpen, waar hunne stadgenooten zouden verblijven, te verdeden, en eerst toen allen in kalme berusting zijne wijze beschikking hadden opgevolgd en naar hunne bestemming vertrokken waren, kon de edele en opofferende Bisschop besluiten de gastvrijheid van den heer van Daelenbroeck te aanvaarden.
Paticns csto, zoudt gij een ander devies onder het wapen van dien Prins der Kerk verlangen? Wij kennen geen treffender spreuk, die tegelijk juister de.i zieleadel, de wijsheid en de degelijke godsvrucht van dien grooten Bisschop tot de Allerheiligste Maagd zou kunnen uitdrukken. Geduld in lijden toch was immer het kenmerk van ware grootheid en heiligheid.
Paus Alexander VII wist den waardigen Kerkvoogd van Roermond op prijs te stellen, overtuigd als hij was van diens wijze voorzichtigheid, toen de H. Vader, in hetzelfde rampjaar. Mgr. Eugenius benoemde tot Vicaris-Generaal van den niet minder hard beproefden Ophovius, die, door de Calvinisten uit zijn Bisschopsstad verjaagd, van alles ontbloot te Geldrop bij Eindhoven een schuilplaats had moeten zoeken. Met de hem eigene toewijding nam Mgr. dAllamont den zwaren last op zijne schouderen, en hij kweet zich van die moeielijke taak op een wijze, die zelfs van de hervormers eerbied afdwong. Hij schroomde evenmin te 's Bosch openlijk te verschijnen en er zijne bedieningen uit te oefenen , als in het geheele Bossche Bisdom de kerkelijke tucht naar vermogen te herstellen, de vervolgde Katholieken
door woord en daad te troosten en hen te versterken in hun Geloof.
Paticns csto, mocht die volijverige en liefderijke zijnen bedroefden Roermonders toeroepen op het oogenblik, dat hij aan het bevel des Pausen ging gehoorzamen, die hem , op aandrang van koning Karei II en koningin Maria Anna, uithoofde zijner groote verdiensten verplaatst had naar den tweeden zetel van Mgr. Lindanus, naar het Bisdom van Gend.
Was niet bijna de geheele stad, heerlijker dan vóór den ramp, door zijne onvermoeide pogingen uit hare asch verrezen, was zijn woord niet vervuld, dat Maria zich Patronesse harer geteisterde stede toonen zou, was niet hunne vereering voor het gezegend Wonderbeeld toegenomen, naar gelang de bescherming der H. Maagd zoo zichtbaar de bittere beproeving overtroffen had? Beweend wel mocht het vertrek worden van dien edelen Prelaat, die door zijn woord en zijn voorbeeld zoo talloos velen gelukkig had gemaakt naar lichaam en naar ziel.
âWanneer ik zwak ben,quot; schrijft de H. Paulus, âdan ben ik sterk.quot; Dat wil zeggen: wanneer de Christen zich ootmoedig onderwerpt onder de beproevende hand van God , dan strekt juist die beproeving tot zijn heil, dan wordt, wat zwakheid scheen, volmaakte deugd.
Dezelfde reden geldt voor de hooge vlucht, die de vereering van het Genadebeeld in het Zand genomen had, niettegenstaande de geesel van brand en pest, de bevolking sloeg, in weerwil van de ge-
varen, waaraan de veroveringskrijg van Lode wijk XIV de pelgrims voortdurend blootstelde.
Eene rekening van de Kapel boekt ten jare 1667 de volgende uitgave: voor noch tzveemads dc vaene tc draegen (de som wordt niet opgegeven), te zvetcn op den feestdagh van St. Roe Ju is en O user L. Vrou-iven geboorte. Als gij u herinnert, dat wij van pest spraken, dan valt er aan de beweegredenen tot het houden dier processie niet te twijfelen. Maar dat op den 9'11quot; September daarop volgend wordt melding gemaakt van het stellen van ante er buijtcn de Cape lie, dan bewijst dit genoegzaam voor den grooten toevloed der pelgrims , zelfs tijdens het woeden dier vreeselijke ziekte.
Een kort uittreksel uit den herderlijken br.'ef van den Vicaris Capitularis , Deken Oeveren, moge voldoende zijn om u te overtuigen, dat Roermond in 1667 gebukt ging onder menigvuldige plagen, maar dat ook te zelfder tijd de Magistraat der stad met de geestelijkheid wedijverde in godsvrucht voor het Miraculeuze Beeldje in 't Zand.
âOm Godt Almachtich te versoenen,quot; dus vermaant de Hoogeerwaarde Ueken, âsoo voor dese Stadt aengaende de smettelijcke sieckte als oock voor het vaderlandt aengaende den oirloch ende andere plagen; Soo is dat den seer Eerw. heer Deken Vicaris generael ende capittel op het versoeck van den Ed. Edel magistraet alhier sal houden eene solemnele processie met de ganse clergie naer onse L. Vrouwe int Sant toecommende dijnsdach den 16 deser, wesende den feestdagh van den H. Rochus.quot;
Dagen, maanden, jaren van lijden wegen zij niet
â 96
op tegen de zegeningen, waarmede Maria hare bevoorrechte stad overlaadde ? Zegeningen, â de talrijke windsels en krukken , de vele gouden en zilveren harten, de wassen ledematen â de gift van den dankbaren arme, die gij in die treurige tijden nabij het Wonderbeeld zaagt geplaatst en opgehangen, spraken zeker luide van de bescherming der Moedermaagd , â dat de stad , ongerekend de gevolgen van pest en oorlog, toenam in bevolking en bloei, mogen wij ongetwijfeld evenzeer aan de voorspraak van Maria toeschrijven ; het is niet de grootste zegening, waarop wij doelen, â neen, dat zij Heiligen kweekte in haar midden, Heiligen, waarvan wij er slechts twee kennen bij naam, doch wier getal misschien even groot is, als er ware vereerders van Maria huisden onder hare veertien kloosterdaken of verkeerden in den huiselijken kring, ziet, dat heeten wij het heerlijkst getuigenis van Maria's moederlijke bescherming, ook van de door lijden gezuiverde en versterkte liefde der stad voor hare genaderijke Patrones.
Gij verwacht, lezer, dat wij u meèr van nabij met die twee heilige personen zullen bekend maken, van wie de geschiedenis nog iets meer heeft bewaard dan enkel de namen , want wij noemden haar een zegen voor Roermond, een zegen uit de handen van Maria.
Vraag niet of twee eenvoudige klopjes, want dat waren zij, zulk een heilrijken invloed hebben kunnen uitoefenen in die onrustige eeuw. Geen Roermondenaar zal zich ooit die vraag veroorloven en evenmin de Katholiek, die iets meer dan oppervlakkig met
9Ã â
de kerkhistorie van Nederland uit de zestiende eii zeventiende eeuw bekend is. Het zou een dankbare taak zijn de nasporingen naar de werkzaamheden dier waardige navolgsters van een H. Cecilia te boek te stellen, daar zij onder menig opzicht veel hebben bijgedragen tot het behoud van het Katholiek Geloof in ons vaderland.
Kinderen onderwijzen in de beginselen van den godsdienst, vaak ook ouderen en bekeerlingen, zieken bezoeken en bijstaan, de geloovigen in de dagen van vervolging heimelijk te samen roepen voor het vieren der H. Geheimen â op een bovenkamertje, soms in een schuur â zorg dragen voor de versiering van altaren en beelden, ziedaar de dagelijksche bezigheden van die werkelijk heilige zielen. Maar als een klopje, ongetwijfeld nederig en eenvoudig, ging zij langs 's Heeren wegen , oogstte menigmaal ondank en smaad, liep herhaaldelijk gevaar vervolgd en gekerkerd te worden, soms in de nijpendste armoede, stierf eindelijk vergeten â vergeten? Het zij verre, van de menschen misschien, maar daarboven had de Engel, die haar nooit verliet, den wierook harer liefdewerken tot voor Gods troon doen opstijgen, het sterven van het klopje was een overgang tot de eeuwige heerlijkheid.
Ook Agnes van Heilbagh en Joanna Baptista ' van Randenraedt waren beiden, ofschoon zij in Roermond met die naam wel niet bestempeld werden, aan dusdanige klopjes gelijk. De laatste ontving een gedenkteeken, waarom werden beide vrome dochters niet te zamen verheerlijkt, zij, die op deze wereld vereenigd leefden en na haar afsterven niet meer
7
_ 98 -
gescheiden werden? Geen barer toch was Roermond-sche van afkomst noch geboorte en Joanna dankte zeer zeker aan Agnes voor een groot deel hare leiding in het geestelijk leven. Of overtrof Joanna wellicht in heiligheid en verdiensten voor Roermond hare voorbeeldige meesteres ? Gij gelooft dat evenmin als wij. Heeft men dan Joanna reeds verheerlijkt, laat men dan ten minste ook aan Agnes denken op den 7 Januari 1890 den 2 5osten Gedenkdag van haar godvruchtigen dood.
Waarin deze geestelijke dochters mogen verschild hebben, in karakter, in begaafdheden, in ouderdom, in gebreken zelfs, â â- in één zaak hield dat onderscheid op, beiden waren even ijverig in haar dage-lijksche geestelijke plichten , even vurige vereersters van het mirakuleuze Beeldje in het Zand.
Schoon haar hart steeds naar die heilige plaats haakte en haar geest daar vertoefde, kon Agnes eerst op 27 jarigen leeftijd Wassenberg, haar geboorteplaats , verlaten en zich metterwoon binnen Roermond vestigen. Als eene vaderminnende dochter wist zij dat de eerste plicht van verzorging haars vaders voor iedere andere godsvrucht ging en stelde zij zich dus tevreden met alleen des Zaterdags hare kinderlijke gebeden voor het Genadebeeld te storten.
Eerst toen zij bij het overlijden haars vaders ontheven was van die huiselijke plichten, kon zij den vurigen wensch haars harten opvolgen en haar overig leven als geestelijke dochter geheel wijden aan den dienst van Maria en aan het heil van haar evennaaste.
Gij kent reeds de verdienstelijke werkzaamheden van het klopje. Agnes was de eerste, die binnen
â 99 â
Roermond ze in beoefening bracht. âAldus is Agnesquot;, schrijft haar levensbeschrijver, âin de stadt van Rure-monde den grondsteen van soo loffelijck werck ghe-weest.quot; Wilt gij v/eten op wat wijze die vrome maagd hare verplichtingen met de vereering van het Wonderbeeld vereenigde, luister dan: âAls den Catechismus gheeyndight was, en was haer liefde noch niet vol-daen: Maer gonck alsdan, met inwendighe vreught overgoten, naer O use Lieve Vroutve op 't Sandt, alle dese kinders in haer herte besluijtende, ende alsmede draeghende, om aen de H. Maghet de selve te bevelen , opdat sij door hare Moederlijcke liefde sorghe soude draeghen, dat dese kinders haeren Sone altijt souden behaeghen ende hem in alle Eeuwigheijdt loven ende ghebenedijden.quot;
Al gebeurde het Agnes tot tweemalen, dat de H. Maagd haar op wonderdadige manier de gezondheid teruggaf, meen niet dat zij daarom niet jaren lang met ziekten en krankheden te kampen had. Het tegendeel verzekert hare levensbeschrijver. Doch dit weerhield haren vurigen ijver voor het zielenheil niet, het spoorde haar zelfs aan tot grootere versterving en meerdere gelijkvormigheid aan hare He-melsche Moeder. Waarlijk Agnes was een toonbeeld van eene Mariavereerster. Hoor nog een enkelen trek uit hare levensbeschrijving, moge ze U tot navolging aansporen:
âAlle haer ghebeden offerde sij daghelijcks aen Godt door de handen van de H. Maeghet: niet alleen haer selven, maer oock alle d'andere voor de welcke sij voorgenomen hadde te bidden, door haer Moederlijcke liefde ende sorghe aen Godt bevelende.
â
- IOO -
âS'j socht haere eere in alle geleghentheijt te vermeerderen ; ende over-al in de sielen van haeren naesten een kinderlijcke liefde tot de Moeder Godts in te drucken. Maria en was niet meer uijt haer gedachten, als uijt haer herte. Bij daghen was Agues voor de Beelden van de H. Maeghet te vinden; ende bij nachten hadde sij het Beeldt van dese liefde Moeder tusschen haere armen.quot;
Of haar invloed zegenrijk was voor de stad Roermond, die de jeugd aan zulke handen zag toevertrouwd? Als wij de vereering tot het Wonderbeeld in die bange jaren zoo buitengewoon zien toenemen, dan vinden wij in dat engelachtig voorbeeld een der voornaamste beweegredenen.
Virgincs adducentur post cam, vele maagden volgden haar spoor, haar voorbeeld van naastenliefde in den schoonsten zin des woords, hare lessen van versterving en ootmoed, haren ijver vooral voor de verspreiding van de godsvrucht tot de H. Moeder in 't Zand, nadat Agnes den 7Jen Januari 164c den Hemel was ingegaan.
Eene dezer godsdienstige maagden was Joanna Bapt. van Randenraedt. Zij werd den i8den October 1610 te Brussel geboren. Haar vader, Cornelius van Randenraedt, bekleedde later te Roermond den hoo-gen post van Raadsheer aan het hof van Gelderland, hij stond om zijne getrouwheid en oprechte katholiciteit zeer in de gunst bij den Spaanschen Koning en vertoefde vaak te Brussel, waar de landvoogd in zijn moeilijk landsbestuur gaarne den raad inwon van dezen voortreffelijken staatsdienaar. Was Cornelius bekend als ijverig Katholiek, hij moet ook een
â IOI â
warm vereerder van Maria geweest zijn , want wij lezen van hem, dat hij te midden zijner drukke werkzaamheden nog den tijd wist te vinden om lofliederen ter eere van de H. Maagd op muziek te zetten. â Ook de moeder van Joanna, Livina van der Merren, muntte uit in teere godsvrucht tot Maria en in milddadige liefde voor den arme. Het kon dus niet anders of Joanna, hunne dochter, moest van zulke ouders een schat van deugden en een innige devotie tot de H. Moeder Gods ontvangen. âZij had,quot; zegt daarom zeer juist de Eerw. heer van Krugten, âzij had beider deugden overgeërfd, en vereenigde meer bepaald het vaste karakter des vaders met de goedhartigheid der moeder.quot;
De jeugd en den verderen levenswandel van Joanna overdenkende, komt ons onwillekeurig het beeld van de groote Maagd van Senen voor den geest. Gelijk de H. Catharina wijdde Joanna zich op vijfjarigen leeftijd aan den dienst van Maria en verlangde zij de smettelooze zuiverheid van die Maagd der maagden na te volgen. Gelijk die groote Heilige, was ook het leven van Joanna een oefenschool van lijden en geduld; zelfs ontmoette zij in den huise-lijken kring van den kant haars broeders, dien zij met de grootste zelfverloochening diende en verzorgde, de pijnlijkste tegenkanting. Doch even als Sinte Catharina wist zij zich buiten de kloostermuren, in de ouderlijke woning tot eene volmaakte kloosterlinge te vormen. Mocht haar al geen reuzentaak op de schouderen gelegd worden, als de zwakke Maagd van Senen op bevel van Christus moest torsen, geen zending uitvoeren als deze, geen apostolaat ver-
â 102 â
vullen tot heil van Paus en Kerk , gelijk Catharina tot verbazing van geheel de wereld heeft volbracht, niettemin ging ook Joanna het welzijn der gansche Kerk op buitengewone wijze ter harte en mocht zij in navolging dier gestigmatiseerde Heilige ook een deel van het lijden dragen , dat Christus in zijne ledematen onderging, toen de Heiland haar in de Kapel aan 't Zand dat kruis op de schouders legde, âsoo groot ende lanck,quot; zooals zij zelf verklaart âsoe dat ick gelijck achterwaerts omsiende geen eeind en kost sien.quot; Voorspelde Catharina de zegepraal der wreed gefolterde Bruid van Christus, toen onafzienbare rampen â de Westersche scheuring â- in het verschiet waren, ook Joanna mocht in den geest getuige zijn van de grootsche overwinning der Kerk in de zeventiende eeuw, en aan de stad, in droefheid gedompeld over het jammervol lot, dat de Christenheid bedreigde, de blijde mare verkondigde van het ontzet van Weenen en den ondergang van het Turkenrijk. Dat zij op gelijke wijze â met moederlijke liefde â armen en ongelukkigen bejegende, op gelijke wijze dag en nacht aan de sponde der pestlijders vertoefde, moge de overeenkomst wettigen , die wij tusschen Joanna en Sinte Catharina durven stellen.
En waaruit putte Joanna die zeldzame geestkracht en nog veel zeldzamer heiligheid? Uit hare teedere en vurige liefde tot Maria. Deze was de bron harer schoone deugden en van hare groote verdiensten.
Was het niet te Scherpenheuvel, dat Agnes van Heilsbach op bovennatuurlijke wijze de roeping van Joanna van Randenraedt, haar persoonlijk onbekend,
â 103 â
leerde kennen ? Hier moet dan ook de reden gezocht worden, waarom Joanna het Clarissenklooster niet binnenging, waarom zij zich geheel onder de leiding stelde van de uitverkoren dienares der H. Maagd, in 1627, op 1/jarigen leeftijd, belofte van eeuwige zuiverheid aflegde en den 17 September 1630 het zwarte kleed aanvaardde der geestelijke dochters der Societeit van Jezus.
Liefelijk licht, dat straalde uit het Wonderbeeld, wanneer des avonds, na harden arbeid , die beide klopjes haar kinderlijken groet kwamen brengen aan haar lieve Moeder Maria!
Wij houden ons overtuigd, dat gij instemt met den eerbied , dien wij gevoelen voor die twee in haren eenvoud zoo heilige vrouwen, voor die twee bevoorrechte Mariakinderen, wier leven en daden de glorie mogen genoemd worden van het Wonderbeeld, de roem zullen blijven der Mariastad, Roermond.
De vereering van het Miraculeuze Beeld verheugde zich in ongekenden bloei , het geloof was werkdadiger dan ooit binnen Roermond, Bisschoppen en Priesters van het Bisdom, waren toonbeelden van ijver, godsvrucht en geleerdheid; handel en nijverheid ontwikkelden zich in weerwil van den druk der tijden, â neen, gij twijfelt niet aan de waarheid van Joanna's woorden, toen zij openlijck seydc, dat de hcjlighe Maghet dese stadt in haere bescherminghc genomen had de; geen twijfel , voert gij ons tegen, maar ontwijfelbare zekerheid, dat Maria hare stad buitengewoon heeft gezegend door die beide bevor-deraarsters harer eer, â ontwijfelbare zekerheid, gaat gij voort, ook van de hemelsche belooning, die bei-
â 104 â
den ontvingen, waar een Jacobus a Castro getuigde van de ongeëvenaarde deugdzaamheid van Agnes, waar een Reginaldus Cools de nooit te vergelden weldaden van Joanna verheerlijkt, waar het volk na twee eeuwen beiden nog als Heiligen lofprijst en vereert.
J^och het Barrière traktaat noch de vrede der Pyreneën kon toom of teugel stellen aan het C heerschzuchtig drijven van den Franschen monarch. Wat Lodewijk XIV beoogde , was het bezit der Spaansche Nederlanden, was niet minder dan de Spaansche kroon voor den hertog van Anjou, die, bij den dood van den kinderloozen Karei II, den mach-tigsten aanverwant ten deel zou komen. De Spaansche successie oorlog met al zijn jammeren brak uit. Wie herinnert zich niet het rampjaar, ten minste voor de Republiek der Vereenigde Provinciën het rampjaar 1672? â Of wel het blijvend bezit der Nederlandsche gewesten door de Franschen had opgewogen tegen de vrije uitoefening van den Katholieken godsdienst in Noord Nederland? Wij zijn van tegenovergestelde meening, â louter heerschzucht â en geweld was nimmer in de H. Kerk een middel ter bekeering, noch
â io6 â
tot herkrijging van verloren macht. De Katholieken van Utrecht mogen zich een oogenblik in het bezit van een Aartsbisschop ââ ten minste van een titularis â en van den Dom hebben verheugd, die vreugde zou alras eene bittere teleurstelling hebben gebaard , niet alleen op staatkundig maar vooral op kerkelijk gebied. â Het Jansenismus was in aantocht.
Meer dan één groot denker onzer eeuw zag in de groote Fransche revolutie het logisch gevolg van het Jansenismus. Gelijk het Pelagianismus zich uit het Arianismus ontwikkelde, even zoo was het Jansenismus de natuurlijke vrucht van het' Calvinismus der zestiende eeuw. Scheidde deze laatste ketterij bij haar eerste optreden zich openlijk van de Moederkerk af, niet zoo de verderfelijke secte, die aan den ongelukkigen Bisschop van Yperen haren naam ontleende.
Oogenschijnlijk de rechten der Kerk en het gezag des Pausen eerbiedigend, meer uit zelfbehoud dan wel uit innige overtuiging, misbruikte zij tot handhaving harer heillooze leer geloof en rede, ontzag zij zich niet, den grootsten Kerkvader van het Westen, den H. Augustinus, tot verdediger, beschermer en leeraar harer goddelooze stellingen te verlagen, ja, hulde zich zelfs in het verachtelijk kleed van schijnheilige vroomheid, om te gemakkelijker onna-denkenden en onwetenden te misleiden. Het gift van het Jansenismus, voorzeker, schuilde voornamelijk in de vijf door de Pausen veroordeelde stellingen van Jansenius; doch men wane niet, dat juist daarin het grootste gevaar gelegen was, dat Kerk en maatschappij van de zijde dezer schismatieken bedreigde.
â 107 â
De geest van verzet, van ongehoorzaamheid , van opstand tegen het hoogste leergezag, door Christus aan Petrus en diens opvolgers voor zijne Kerk gegeven , die geest gekweekt en onderhouden door spitsvondige drogredenen en valsche godsvrucht, die geest in het staatsbestuur doorgedrongen en tot richtsnoer genomen voor de verhouding, tusschen Kerk en staat, die geest, eindelijk, de volken, door een verkeerd gevoel van zelfstandigheid en onafhankelijkheid, tot het verbreken der heiligste banden van recht en plicht opruiende. â Ziedaar den geest, die belichaamd was in het Jansenismus en een zee van jammeren over heel Europa eerlang zou uitstorten. Gallicanismus, Josephismus, â in naam mogen zij verschillen, in den grond der zaak zijn zij één en dezelfde uiting van het Jansenismus op staatkundig gebied. Wat baatte het, Port Royal te slechten en de hoofden der scheurmakers uit Frankrijk te verbannen, terwijl men niet schroomde de openbaarmaking, van 's Pausen bulle Unigenitus te verbieden. Ja haar zelfs, gelijk de keizerlijke pseudohervormer. Jozef II, in het openbaar te verbranden?
Bittere naweeën, voorwaar, van de hervorming, die straks in de Fransche omwenteling een nieuwe oplossing zouden vinden, doch allereerst door den geest van het Jansenismus, in de achttiende eeuw talloos vele onheilen stichten!
Noord-Nederland had de treurige eer, door zijn stoffelijken steunen staatkundigen invloed de verbannen Jansenisten te beschermen, hen gastvrij op te nemen en, uit haat tegen den Paus, hunne zoogenaamde hierarchie te erkennen. Mogen wij thans met een
â io8 â
weemoedigen glimlach op het Utrechtsch driehoekkerkje der oude Clerccij neerzien, in het jaar 1723, toen de eerste heiligschennende wijding van een Jan-senistischen Aartsbisschop plaats greep, vervulde bezorgdheid en vrees de harten van alle rechtgeloovige Nederlandsche Katholieken.
Wat noch het ruw geweld der Geuzen, noch de plakaten der Hoogmogenden hadden kunnen teweegbrengen, zou de slang der verleiding pogen te verwezenlijken, â de vernietiging van het oud voorvaderlijk Geloof op onzen vaderlandschen bodem. De ten koste van het bloed van tallooze martelaren bewaarde schat dreigde verloren te gaan, de door een strijd van twee eeuwen beproefde trouw scheen te wankelen, de door lijden en liefde saamgesnoerde band van eenheid met den Roomschen Opperpriester stond vanéengereten te worden, door de verspreiding der verderfelijke leer van het Jansenismus. Dat het tot zulk een uiterste niet kwam, dat na een geweldigen kamp van bijkans eene eeuw het Katholiek geloof in Nederland schier ongeschonden uit het strijdperk trad, behoort zeker op de eerste plaats te worden toegeschreven aan God en de voorbede der Allerheiligste Maagd, doch op de tweede plaats ongetwijfeld aan die voortreffelijke Priesters, welke, bezield door een waren apostolischen geest, uit Zuid-Nederland naar het Noorden togen, vrijheid en leven veil hadden voor hunne wreed geteisterde geloofsgenooten en in weerwil van de zwaarste bedreigingen hunne herderlijke bedieningen in de Vereenigde Provinciën , tot zelfs binnen Utrecht, uitoefenden. Niet zonder ontroering leest men van menigen ijverigen herder, die
â log â
de hem trouw gebleven kudde iederen Zondag ver buiten stad of dorp voerde, in een schuur de H. Geheimen vierde en het Woord Gods verkondigde, opdat het gift der valsche leer niet in de harten der geloovigen zou binnen dringen.
Indien de toenmaals Oostenrijksche Nederlanden bewaard bleven voor den geloofondermijnenden invloed van het Jansenismus , indien de Leuvensche hoogeschool aan de gevaarlijke richting ontkwam, waarin zeer lichtelijk de door de Kerk veroordeelde leering van twee harcr hoogleeraren dezen terecht beroemden zetel van kerkelijke en wereldlijke wetenschap had kunnen brengen , indien het Limburgsch diocees er zich nog heden op verheffen mag, dat het immer vrij was van den smet en den kanker dezer betreurenswaardige scheuring, dan aarzelen wij geen oogenblik die zegenrijke uitkomsten hoofdzakelijk toe te schrijven aan de vaderlijke bezorgdheid en wijze voorzichtigheid van het voorbeeldig Belgische Episcopaat, waartoe ook de Roermondsche Kerkvoogd behoorde.
In alles de trouwe en gehoorzame Zonen van den Roomschen Opperherder, voegden deze Bisschoppen zich geheel naar den wil des Pausen, voorkwamen zij zelfs zijne wenschen en wisten de ontluikende beweging te stuiten, die één oogenblik dezelfde rampen deed vreezen voor het Katholieke België, als waaraan Frankrijk en later Noord-Nederland ten prooi waren. Het decreet, door het provinciaal concilie te Brussel (1697) vergaderde Episcopaat eenparig uitgevaardigd, dat in Rome de hooge goedkeuring van Paus Clemens XI mocht wegdragen,
â 110 â
kan als het diamanten schild beschouwdworden, waarop alle pijlen van het Jansenismus en Josephismus verstompt afsprongen. Het verijdelde door zijn wijze voorschriften en doeltreffende maatregelen iedere sluwe poging om de Leuvensche Alvia mater en de geestelijkheid in den jammerlijken strijd tegen Christus' plaatsbekleeder te wikkelen ; 'het beschermde het geloof, behoedde tegen scheuring, handhaafde de kerkelijke tucht, bevorderde de zedelijkheid en behield voor het nageslacht de rechtzinnige leer van onze Moeder, de H. Kerk.
Wanneer Mgr. Reginaldus Cools als zevende Bisschop van Roermond â de zesde Kerkvoogd, Mgr. Lancelot de Gottignies, was (1672) weinig tijds na zijne benoeming tot den Limburgschen Bisschopszetel te Brussel gestorven â geen andere groote daad verricht had dan medegewerkt te hebben aan de samenstelling en uitvaardiging van dat beroemde decreet, het zou ons genoeg geweest zijn, om dezen Pre'aat eene eereplaats te geven onder de vijftien doorluchtige Bisschoppen van het Roermondsche diocees. Daarin toch stralen zijn wijsheid, doorzicht en zielenijver uit, daarin liggen tevens zijn trouw en aanhankelijkheid aan den Heiligen Stoel, daaruit spreken zijn standvastig geloof en zijne werkdadige liefde ; het bevat in een kort begrip het herderlijk leven en de werken van dezen uitstekenden Prins der Kerk.
Twintig jaren reeds had Mgr. Cools zijn Bisdom bestuurd, toen hij deelnam aan dat vermaarde Concilie te Brussel; twintig jaren reeds had hij met krachtige en doortastende hand tot stand weten te brengen, wat hij in 1697 met zijne Doorluchtige medebroeders in
het Bisschopsambt tot wering van het Jansenismus zou verordenen. Het groot Seminarie te Roermond mocht onder zijne leiding zich in een ongekenden bloei verheugen. Niet slechts vermeerderde het getal theologanten derwijze , dat aanbouwing noodzakelijk was , maar de wetenschappelijke en godsdienstige vorming der aanstaande zielzorgers vooral verhief deze oefenschool van deugd en geleerdheid tot een toonbeeld vooralle Seminariën des lands en daarbuiten. Wat heden door onzen H. Vader Leo XIII zoo uitdrukkelijk aan alle Bisschoppen der wereld werd aanbevolen, bracht Mgr. Reginaldus toen ter tijd met het gunstigst gevolg in toepassing. De studie der leer van den H. Thomas van Aquinen, geleid en onderwezen door voortreffelijke hoogleeraren uit de Dominicaner Orde, plantte hij over in zijn groot Seminarie en maakte hij gebiedend noodzakelijk ter verkrijging van de H. Wijdingen. â Was hem aan de degelijke vorming van de jeugdige bedienaren der Kerk veel gelegen, ook zij, die het herdersambt uitoefenden in zijn uitgestrekt Bisdom, waren voortdurend het voorwerp van zijne waakzame bezorgdheid. Geen enkele dezer, dien hij niet zelf onderzocht en wien hij, zonder aanzien des persoons, den werkring niet aanwees, overeenkomstig zijne kennis en hoedanigheden. Deugd en geleerdheid waren voor Mgr. Cools de eenig geldende aanbeveling voor eene kerkelijke waardigheid. Met het volste recht mogen wij dezen grooten Bisschop, bij zijne op twee en tachtigjarigen leeftijd door allen betreurde verplaatsing naar den zetel van Antwerpen, met de woorden van den H. Paulus aan zijne voorbeeldige Limburgsche geeste-
â i ti â
lijkheid laten toevoegen: gij zijt mijn kroon en mijne vreugde. Als een andere Lindanus, had hij zijn dierbaar Bisdom tegen het Jansenismus gevrijwaard, gelijk zijn roemrijke voorganger de pogingen van het Protestantismus, om Limburg afvallig te maken van het Katholiek Geloof, had verijdeld. Even als de eerste bekleeder van den Roermondschen zetel, had Reginaldus Cools het spoor gebaand, dat zijne opvolgers slechts behoefden te betreden , om geestelijkheid en volk in de ware leer der Kerk te bewaren en op den goeden weg des heils te geleiden.
Maria is de âuitdelgster van alle ketterijen.quot; Zij was het, die in het midden der zestiende eeuw hare bevoorrechte stad had beveiligd tegen de grootste aller rampen, waardoor de vermetele hervormers haar treffen konden â verzaking van het in den waren zin des woords alleenzaligmakend Geloof, â onder hare moederlijke bescherming bleef Roermond, bleef het Bisdom ook bewaard tegen de meer sluwe en daarom nog meer te duchten aanvallen van het onheilig Jansenismus. Mgr. Cools, gij vermoedt het reeds, lezer, was een groot vereerder der Allerheiligste Maagd, hij beminde Maria met eene kinderlijke liefde en stelde zijn grootste eer in de aanmoediging en verbreiding van de godsvrucht voor het mirakuleuze Genadebeeld in het Zand. Daarvoor in innig gebed neergeknield, vroeg en verwierf hij dat licht en die wijsheid, waardoor al zijne daden zich kenmerkten ; daar putte hij die zeldzame gave de gestrengheid zijner voorschriften door zijne zachtaardigheid en
â ii3 â
liefde te doen vergeten, Bisschop te zijn en tegelijk zich een liefderijk Vader te toonen. Inderdaad hij leerde meer door zijn voorbeeld dan door zijn woorden. Zijne geestelijkheid had hem slechts gade te slaan : in hun Bisschop na te volgen konden zij iedere verplichting hunner verhevene roeping getrouw vervullen; â het volk behoefde geen krachtiger opwekking tot de beoefening van alle christelijke deugden dan het dagelij ksch voorbeeld van dezen goeden Herder; â beiden ook mochten zich spiegelen in zijne vurige en hartelijke liefde'tot de H. Moeder Gods.
Kon het anders, dan dat onder zulk een waardigen Kerkvoogd, trots de langdurige oorlogen, die elkaar tot den Utrechtschen vrede in 1713 schier onverpoosd opvolgden en Zuid-Nederland in een onmetelijk slagveld herschiepen, dat in weerwil van onveiligheid der wegen en van vijandelijke bezetting der stad Roermond, de vereering van het Mirakuleuze Beeldeke met iederen dag in uitbreiding toenam, de kapel zelfs door duizenden in alle oorden des lands bezocht werd, het geloof en de zedelijkheid onder het volk, in stede van onder den druk dier tijden te verflauwen, aanwies en de tijdelijke welvaart bij zooveel hindernissen niet kwijnde, maar zich nog in betrekkelijken bloei verheugen mocht?
Weinig had men het den voormaligen soldaat in Spaanschen dienst toegelegd, toen hij op dertigjarigen leeftijd de Orde der Predikheeren intrad, dat frater Reginaldus Cools in deugd en kennis zijne medebroeders ter zijde streven, de hoogste onderscheidingen in de Godgeleerdheid zich verwerven zou, dat
8
â 114 â
hij, op jaren gekomen, waarin velen zich eene welverdiende rust laten welgevallen, de eer en de luister worden zou van den Limburgschen Bisschopszetel, dat hij, zeldzamer eerebetoon van de zijde des Pausen aan een tachtigjarigen grijsaard, na een drie en twintig jaren onafgebroken apostolaat, nog moeds genoeg had om met onverflauwden ijver het Bisdom van Antwerpen te gaan bestieren.
Knippenbergh, die Mgr. Cools van nabij heeft gekend, schrijft van zijn hoogvereerden Bisschop, dat hij door zijne zachtmoedigheid aller harten won en talrijke afgedwaalden, onder welke vele hoog-geplaatsten, in den schoot der Kerk terugbracht, dat hij wekelijks honderden armen in zijn paleis spijzigde, nadat hij hun eerst den Catechismus had uitgelegd, dat zijne mildheid, naar het zuinigheidsbegrip van zijn majordomus, alle perken te buiten ging; dat inzonderheid de schamele behoeftigen het voorwerp waren van 's Bisschops onuitputtelijke liefdadigheid, dat hem geen persoon te gering , geen huis te arm was om er binnen te treden en er onvergetelijke blijken van vaderlijke bezorgdheid achter te laten.
Hij was wel âalles voor allen geworden om allen voor Christus te winnen,quot; â ja alles voor allen, want hem zeiven was iedere behoefte vreemd. Als Bisschop had hij zijn wit Ordeskleed, wel is waar, afgelegd, doch in zijn hart, in zijn paleis, in geheel zijn dagelijksch leven bleef en toonde hij zich de arme kloosterling. Noch waardigheid, noch ouderdom konden hem bewegen zijne kloosterlijke gestrengheden te matigen; altijd matig en verstorven in spijs en drank, was hij tevens een man des gebeds, bracht
- li? â
hij menig uur van den nacht in waken en lichaamskastijding door. Schoone getuigenis, voorwaar, den nederigen, minzamen en toch zoo onverschrokken apostel overwaardig, eervoller dan de hooge onderscheidingen, die hem ter oorzake van gewichtige en moeielijk te vervullen diensten der Spaansche Kroon bewezen, aan het hof van Philips IV waren ten deel gevallen! De bewonderenswaardige Bisschop, die zoo vaak in allen eenvoud de kleinen leerde bidden en in de eerste beginselen van het geloof onderwees, die meermalen door vijandelijke troepen heen naar de afgelegenste oorden van zijn Bisdom toog om in een of ander verlaten dorp het H. Vormsel toe te dienen, had op last van zijn koning een taak volvoerd, die in staatsmanskunst vergrijsde mannen tot eere zoude gestrekt hebben, waren zij daarin geslaagd gelijk hij. â Toen , namelijk, Mgr. Cools van het hof van Lodewijk XIII te Madrid terugkeerde, had hij het huwelijk tusschen de Spaansche Infante Maria Theresia en den Franschen Dauphin , den weldra gevreesden Lodewijk XIV tot stand gebracht, ten bewijze, dat de door hem gevoerde onderhandelingen weldra tot den vrede der Pyreneën zouden leiden.
Wij gewaagden van zijn strijd, van zijn kloekheid, van zijne liefdadigheid, van zijn godsvrucht, van zijn eenvoud en zijne zeldzame begaafdheden en nochtans is de flauwe schets van dezen grooten Bisschop maar ten halve voltooid. Stellen wij misschien â-wat we nauwelijks verwachten â het geduld onzer lezers te lang op de proef, dat zij tot onze verontschuldiging zich herinneren, wat wij boven zeiden, dat de geschiedenis van het mirakuleuze Beeld op
â 116 â
het nauwst verwant is met die van het Roermondsch Episcopaat, dat wij te gretiger van de gelegenheid gebruik maken langer te verwijlen bij de herdenking der groote daden van Mgr. Cools, daar alle overige Roermondsche Bisschoppen dezen roemrijken voorganger ten volle waardig zijn, doch bij wier gedach-xtenisviering wij tot grooter beknoptheid gedwongen zullen worden â uit gebrek aan de noodige vertrouwbare bescheiden, waarvan wij persoonlijk mochten kennis nemen.
Meenden wij uithoofde van het Jansenismus, door Mgr. Cools zoo glorievol bestreden, met die zegepraal dit vierde hoofdstuk te mogen aanvangen, ten einde u zijne werkzame liefde voor Maria in de vereering van haar Genadebeeld, waarvan wij slechts in 't voorbijgaan spraken, van meer nabij te leeren kennen en waardeeren, dan moeten wij u nog eenmaal terugvoeren in de laatste twintig jaren der zeventiende eeuw.
Joanna van Randenraedt en Mgr. Reginaldus Cools, â de twee schoonste en treffendste figuren uit dat tijdvak van onze geschiedenis â gij wenscht zeker met ons, godvruchtige lezer, een oogenblik de tijdsorde te verbreken om deze twee groote vereerders van de âMoeder der Schoone Liefdequot; te zien samenwerken tot meerdere verheerlijking van Roer-monds verhevene Beschermster.
Mgr. Cools, die door rijpe ervaring en eigen deugdsbeoefening zoo juist ware godsvrucht van valsche wist te onderscheiden, had alras na zijne komst te Roermond in 1677 den kostbaren schat ontdekt, die zijn stad en Bisdom in de Godgewijde
â li; â
maagd Joanna bezat. Eerbiedige bewondering en heilige liefde vervulde den Bisschop voor deze in den dienst van Maria reeds vergrijsde vrouw. Zoolang Joanna hare moederlijke zorgen aan de jeugd besteedde en dagelijks hare nederige hulp verleende aan het heiligdom in het Zand , dacht de vrome Kerkvoogd er niet aan, om, wat hij na haar dood noodig oordeelde, bij de Kapel een hermitage op te richten en daarin een in trouw en deugd beproefde kluizenaar te vestigen.
Wij kunnen ons voorstellen met welk een ziels-geneugt hij, zoo dikwijls plicht het hem niet belette, met deze buitengewoon begenadigde geestelijke dochter in godsdienstig onderhoud verkeerde. Dat ook Joanna God en Maria dagelijks smeekte, opdat haar hoogvereerde en inniggeliefde Bisschop in zijn dubbel quot;zwaren arbeid tot heil van stad en land mocht gezegend worden, niemand die er meer van overtuigd was dan Mgr. Cools zelf. Hij kende haar als door God op bovennatuurlijke wijze vaak verlicht en won daarom menigmaal in moeilijke omstandigheden haren wijzen raad in. Wanneer wij Mgr. Cools later ter oorzake van den altijd toenemenden vloed van pelgrims de Kapel in 1684 zien vergrooten en wijze verordeningen betrekkelijk de processies naar het Zand vaststellen, wanneer wij dientengevolge de vereering van het Wonderbeeld zoo bovenmate zien bloeien, dan vinden wij in den liefdevollen ijver des Bisschops en in de moederlijke bezorgdheid der verlichte dienares van Maria de beweegredenen; dan noemen wij deze de heerlijke vruchten van beider samenwerking ter bereiking van hetzelfde schoone
â 118 â
doel â niet slechts tijdgenooten, ook het nageslacht op te wekken tot eene ware godsvrucht voor de Moeder van God en menschen.
Intusschen naderde de bange zomer van het jaar 1683. De Turken bedreigden het Duitsche keizerrijk met den ondergang , â de geheele Katholieke Kerk was in diepe verslagenheid, want niet enkel het hachelijk lot van één rijk stond op het spel, ook de Christelijke maatschappij en hare beschaving hing aan de punt van het zegevierend kromzwaard. De treurige mare â âde Turk staat voor de poorten van Weenenquot;, vervulde, wel is waar de Katholieke wereld met ontsteltenis, doch spoorde haar tevens aan, om, volgens het uitdrukkelijk verlangen van Paus Innocentius XI, door gebed en boete den Hemel geweld aan te doen en de hulp af te smeeken van de alles vermogende Moeder Gods Maria. Hoe Mgr. Cools en Joanna van Randenraedt aan de stem des bedroefden Opperpriesters gehoor gaven, hoe de stad en de burgerij van Roermond beider bewonderenswaardig voorbeeld navolgden ! Vergun ons, een bladzijde uit het leven van Joanna over te schrijven :
De droeve tijdinge gekomen sijnde van dit af-grijselijck en sorgelijck belegh, heeft sij van haeren kant bijghebrocht al wat sij vermoght, om Oosten-rijck, en soo veel andere landen, in 't Gheloof te behouden , en soo de wereltsche, als gheestelijcke overheden aenghepraemt, om biddaeghen in te stellen. Sijn Hoog-weerdigheijt Rcginaldus, teghenwoor-dighen Bisschop van Ruremonde door sijn eighen beweginghe, is self in persoon gegaen, om het ver-maert Beeldt van Maria, ghenoemdt op 't Sandt,
dat ontrent Ruremonde gheëert wordt, binnen de stadt te brenghen; hetwelck hij in alle Kerken bij beurte heeft doen verheffen, en met verscheijde processien omdraegen; doende daeren-boven drijmael daegelijcks met de groote kloeke teecken gheven tot het ghebedt. Joajina dit teecken hoerende, viel op haer knien op de plaetse daer sij alsdan was; Sijn Hoogweer-digheit dede het selve in volle straeten: verweckte daer toe de Borgherije, die oock hierin haeren besten Herder naervolghde. Joanna was gheheele daeghen te vinden in de kereke daer het boven-ghemelt Beeldt vereert wiert en praemde de Heij-lighe Maghet met alle krachten tot bewaernisse van
Wc enen......âDaerna verstont sij in haer gebedt, dat
Weenen van de Turcken veriaeten wiert, ende dat de selve de nederlaege hadden teghen den legher der Christenen. Het welck sij sonder vertoeven aen haeren Biecht-vaeder ende den Biechtvaeder terstondt aen eenighe andere te kennen gaf, tot versekeringhe van de openbaeringhe, die aen Joanna geschiet was. Naer verloop van eenighe daegen wierdt de gelu-ckighe tijdinghe aen gebracht dat de stadt Weenen van het belegh der Turcken verlost was, ende men verstondt dat dese Victorie op den selven tijdt be-haelt was, als Joanna aen den Biechtvader de selve kenbaer ghemaekt hadden.quot;
Nog een laatste trek, eer wij scheiden van den onvolprezenen Bisschop Cools, een laatste herdenking van een zijner onvergetelijkste daden , die zijn Priesterlijk hart en zijn Bisschoppelijk karakter om het zeerst tot eere strekken.
âDe ijver voor Gods Huis verteerde zijne zielquot; en voor welk Huis van God wel? vraagt gij ons, niet zonder reden, daar Mgr. Reginaldus voor iedere kerk en kapel in zijn diocees de teederste zorg droeg.
Voor de oudste kerk, lezer, waarop het Bisdom van Roermond met trotsch wijzen mag , voor de Moederkerk van het Katholieke Nederland, voor de St. Petruskerk te St. Odiliënberg, welke, om de woorden van haren in die dagen rusteloos voor de herstelling van dat heilig gedenkteeken ijverenden Pastoor, Wilhelmus Basel, te bezigen, âwelke nimmer uit haren schier hopeloos vervallenen toestand zou verrezen zijn, ten ware de doorluchtige Bisschop mij door- zijn milde bijdragen hadde ondersteund.quot;
Noode onthouden wij ons om de treffende woorden in hun geheel terug te geven, waarin Knippen-bergh de droefheid des Bisschops zich laat uitstorten bij het aanschouwen van dit bijna tot puin vervallen monument, eene droefheid , die verontwaardiging wordt en eindigt in een heilige geestdrift. Hooren wij het slot dezer verhevene apostrophe:
âAan groote ondankbaarheid jegens onze Apostelen , (de HH. Wiro , Plechelmus en Otgerus , â â dat wij u die onsterfelijke namen mogen herinneren!) maken wij ons schuldig, wanneer wij deze heilige plaats, die de eerste windselen draagt onzer Christelijke kindsheid, die als het ware de moederlijke schoot is , waarin wij voor Christus werden opgevoed , wanneer wij haar niet vereeren, niet verheerlijken en herstellen. Met tranen moeten wij dien gewijden grond besproeien, onze gebeden moeten er opstijgen , onze lof moet hem roemen. Hier toch stierven als Heiligen, de Vaderen, die door het Evangelie ons in Christus hebben gebaard, hier rustte hun heilig gebeente, ons eerbiedwaardigst onderpand, hier is de altijd stralende bron der godde-
121
lijke genadegunsten, hier vinden wij bescherming tegen alle gevaren , waar de voorbede en de hulp onzer Apostelen ons immer nabij zijn.quot;
Of Mgr. Reginaldus de daad voegde bij zoo schoone woorden, of hij met alle krr.chten, hem gegeven , eere bracht aan die altijd dierbare Vaderen in het Geloof, den ouden roem herstelde op den driewerf heiligen plek gronds , waar die Apostelen leefden, predikten en stierven ?
Een der liefelijkste lentemorgens begroette in den ochtend van den twaalfden Mei 1686 eene der plechtstatigste processiën , die ooit door de straten van het opgetogen Roermond heentoog. Een eere-wacht te paard opende den grootschen stoet, alle gilden met vanen en eereteekenen volgden, de beiden burgemeesters met hunne schepenen , raad en zes-mannen, allen in groot ornaat, gingen een talrijke schaar van kloosterlingen en Priesters vooraf, achter dezen traden de Kanunniken der Kathedraal in plechtgewaad, een door een baldakijn overschaduwde en door vier Pastoors gedragen rijk versierde troon, waarop een kostbaar bewerkte metalen relikwiekast rustte, nam de eereplaats in. Mgr. Reginaldus Cools in pontificaat, omgeven van de hoogwaardigheids-bekleeders des Bisdoms, en gevolgd door eene onafzienbare ingetogen menigte, sloot den indrukwek-kenden optocht.
Een oogenblik moogt gij meenen , dat de Genadekapel van ons Miraculeus Beeld het doel is dier zeldzaam uitgeruste bedevaart, wijl de weg naar het Zand wordt ingeslagen. Doch als gij bemerkt, dat hier slechts een korte poos wordt vertoefd, om wel-
â i 22 â
dra den tocht langs Melick naar St. Odiliënberg voort te zetten, dan begrijpt gij, dat de eergisteren opnieuw gewijde tempel , waarvan Pastoor Basel bij den aanvang harer restauratie de drie eerste steenen, door hem gelegd , zeer eigenaardig Wiro , Plechel-mus en Otgerus genoemd had, dan vermoedt gij, dat al die luister en eerebetoon der verheerlijking gelden van de pas voltooide St. Wirokerk, â zij het ook maar eene voltooiing van slechts een klein gedeelte der voormalige St. Petrus Basiliek.
Sedert 1639 toch, toen de laatst overgebleven reguliere Kanunnik van het H. Graf, welke geestelijke instelling, gedurende bijna twee eeuwen, de kerk en het klooster van St. Petrus te Odiliënberg na de verplaatsing van het kapittel naar Roermond hadden bezeten, met toestemming zijner overheid de deerlijk vervallen overblijfselen dier gebouwen aan het thans kathedraal kapittel had verkocht, â sedert 1639 was het Bisdom Roermond in het volle bezit gekomen van dat kostbaar erf en poogden de Bisschoppen uit de puinhopen van de aeloude Kerk ten minste de glorie van bijna negen eeuwen te doen verrijzen. Mgr. A Castro komt de eer toe , daarvoor de grondslagen gelegd te hebben , Pastoor Basel, die, van de waardige en volijverige uitvoerder te zijn geweest, Mgr. Cools mocht het door tijdsomstandigheden en uit gebrek aan middelen gestaakte werk van liefde en schuld bekronen , bekronen door eigen offervaardigheid het meest, â bekronen bovenal door de overbrenging van een groot deel der onschatbare relikwieën van den H. Wiro en zijne beide medeapostelen naar hun straks andermaai door
â 123 â
God te verheerlijken graf, bekronen bovenal door zelf dien eigen morgen op dat heilig Gebeente de Goddelijke Geheimen te vieren. En ja bekroond ook mocht hij zien, wat wij hem hebben hooren uitspreken , dat op dezen door hunne tranen en gebeden gewijden grond âde hulp en de voorbede dezer roemrijkè Apostelen immer nabij zijn , bekroond in datzelfde uur door een schitterend wonder, â een jong kind, gedurende twee jaren volslagen blind, herkreeg het licht zijner oogen.
Hebben wij niet te vergeefs u aan deze gedenkwaardige gebeurtenis herinnerd, godvruchtige lezer, dan zult gij met ons instemmen, dat het meer dan eene gelukkige gedachte was van den tegenwoor-digen herder der St. Wirokerk, dat het als eene verplichte hulde van dankbaarheid moet beschouwd worden, om I2den Mei 1886 het tweehonderdjarig jubilé dezer overbrenging te vieren , â dan zult gij zeker ook een penningsken over hebben, om dien onvermoeiden ijveraar voor de glorie der oudste kerk van ons vaderland te steunen, opdat hij tevens de algcheele voltooiing bij dat blijde feest moge herdenken , â dan zult gij , tevens eene eerbewijzing aan de H. Moeder in 't Zand , op dien liefelijken lentemorgen tegenwoordig zijn bij de groote plechtigheden te dier plaate, opdat gij voor u en de uwen de machtige voorspraak van de HH. Wiro, Plechel-mus en Otgerus moogt verwerven.
St. Odiliënberg , Roermond en het Zand , innig vereenigd als het Geloof en de Hoop met de Liefde, â staan daar nog immer als het sprekendst getuigenis van de onvergankelijkheid onzer H. Kerk, altijd
â 124 -
vol van jeugdige kracht, schoon eeuwen lang vervolging en verwoesting over haar heentogen, kloeker en standvastiger, zij het ook niet onverlet en ongeschonden , uit den hachelijksten kamp hervoortre-dend, -â staan daar nog immer als de onverwelkte tropeeën van de macht der gezegende Moeder Maagd, van Maria, die haar voortbracht, beschermde en bewaarde !
Eere den Bisschop , die dus den roem van dit genadeoord handhaafde , eere Mgr. Cools , die derwijze zich der eerste geloofsverkondigers in Limburg waardig toonde! Veritas had hij, zich te recht de spreuk zijner Orde toeeigenende, onder zijn wapenschild mogen schrijven, â â Zclus domus Dei hadt gij misschien daaronder geplaatst, zoo u de keuze gelaten ware, -â de nederige en toch zoo groote Kerkvorst bleek tot in zijn wapendevies de arme kloosterling____ nou nobis. Ziedaar het geheim van zijn
kracht en van de vruchten zijner zegenrijke daden! Voor God had hij gearbeid, voor God en voor Maria.
Toen in Februari 1702 Philips van Anjou zich onder de gewapende bescherming van zijn grootvader , Lodewijk XIV, binnen Roermond plechtig als hertog van Gelderland had laten huldigen, was het er nog verre af, dat hij zoo maar voetstoots dentroon van Spanje zou bestijgen. Het testament van den kinderloos overleden Karei II , waarbij de kleinzoon van Louis le Grand tot uitsluitenden erfgenaam was verklaard, mocht aan den Franschen koning den uitroep ontlokken âvan nu af zijn er geen Pyreneën meer,quot; de bloedige successieoorlog, in den
â 125 â
jare 1701 uitgebroken, zou hem weldra die kortstondige vreugde in bittere nawee doen verkeeren. Hoch-stadt, Ramilly, Turin en Oudenaerde, waarbij Lode-wijks krijgsroem van honderd gelukkig gevoerde veldslagen hopeloos verzwond , verwondden zijn trots, vernederden den als halfgod bewierookte, bogen , dieper dan jaren en zielelijden het vermogen, den grijzen monarch ten gronde.
Indien in weerwil van die rampen Philips van Anjou, als de vijfde van dien naam, toch in het eind de Spaansche kroon mocht verwerven, dan had hij dit waarlijk niet dank te weten aan Lodewijks gewapende tusschenkomst, dan had hij het veeleer te wijten aan den vroegtijdigen dood van keizer Jozef I, die geen mannelijk oir naliet, waardoor Leopolds tweede zoon Karei, die reeds erkend was als Spaansche troonopvolger, Spanje verliet, en afstand deed van zijn rechten op dat koningrijk, ten einde in het ongestoord bezit te kunnen blijven van het hem ten deel gevallen keizerschap. De Spaansche successieoorlog, die een nieuw koninkrijk geboren deed worden, Pruisen, fnuikte voor immer de macht van een ander, â Spanje verloor zijn overwegende stem in den raad der groote mogendheden , verloor met zijn zedelijke kracht tegelijk alle staten en rijken in Europa , die twee eeuwen vroeger Karei V onder den Spaanschen schepter gebracht had. Oostenrijk kreeg billijkerwijze het leeuwendeel van den kostbaren buit. Niet alleen het grootste gedeelte van Italië , ook de Spaansche Nederlanden en daarmede het Bisdom met de stad Roermond wees de dubbele vrede van Utrecht en Rastadt den Habsburgers toe.
126 â
Wat der Bisschopsstad in dat onrustig tijdperk wedervoer, hebben wij boven reeds in het kort vermeld. Wij behoeven slechts daarbij te voegen, dat na de inname van Roermond (September 1702) â de stad stond met de zuidelijke Nederlanden aan de zijde van den Franschen pretendentâde Katholieke godsdienst daarbinnen vrijelijk werd uitgeoefend, 't Is waar, de H. Geestkerk onderging andermaal eene betreurenswaardige ontheiliging, daar zij voor de Protestantsche Hollanders, die tot de bondgenooten van den keizer behoorden, moest worden ingeruimd, doch daartegenover waren de Oostenrijksche soldaten, inzonderheid de veldheeren en hunne officieren over het algemeen degelijke Katholieken, zoodat voor eigenlijke geloofsvervolging weinig te vreezen was.
Dat bij het uitbreken der vijandelijkheden het mirakuleuze Beeld terstond uit de Kapel naar de stad in veiligheid gebracht werd, dat men het zelfs tijdens de belegering in het klooster der Zusters Ursulinen verborg, laat zich gemakkelijk begrijpen, men wist trouwens nog niet, wat de toekomst voor rampen zou baren. Zoodra evenwel de Bisschop Mgr. d'Ognies den feitelijken toestand had leeren kennen, gelastte hij, het Wonderbeeld tot naden oorlog boven in het H. Sacramentsaltaar der Kathedraal te plaatsen, wel overtuigd van de heilzame vruchten, welke de vereering van het genadebeeld voor zijn volk en zeker ook voor de bekeering van talrijke krijgslieden zou dragen. Mochten al enkele malen de poorten der stad voor de burgers gesloten blijven, die in de Kapel hunne vrome godsdienstoefeningen wilden houden, doorgaans stonden hun die toegangen open
â 12/ â
en konden zelfs de gewone jaarlijksche processiën naar het Zand plaats hebben. Hoe weinig voor ontheiliging te duchten viel, blijkt uit de omstandigheid, dat op last van Zijne Hoogwaardigheid het Wonderbeeld in zijn eigen koets, met zes paarden getrokken, plechtstatig naar de Kapel werd overgevoerd, om daar op de hoogfeesten der H. Maagd ter vereering gesteld te worden, waar het allengs van weken tot maanden verbleef.
Men vergete daarom niet, dat het een oorlogstijd was en dat de in de nabijheid der Kapel vaak kampeerende troepen niet altijd den noodigen eerbied voor het Heiligdom bewaarden. Ãénmaal zelfs schonden de Engelsche troepen de kapel op verregaande wijze, en ware een kerkmeester met een sterk vrijgeleide van den hoofdbevelhebber des legers niet tusschenbeide gekomen, misschien zouden wij behalve de begonnen plundering nog een tweede verwoesting als die van Vegersheim te betreuren hebben gehad.
Wij noemden met een enkel woord den achtsten Bisschop van Roermond en zagen alreeds, dat deze waardige opvolger van Mgr. Cools een groot vereerder en beschermer van het Miraculeuze Beeld zal blijken.
Angelus d' Ognies et d' Es trees uit adellijke ouders in 1650 te Brussel geboren , beloofde al vroegtijdig een sieraad van zijn beroemd geslacht te zullen worden. Niet op het slagveld, gelijk zoovelen zijner glorierijke voorzaten, zou hij onsterfelijke lauweren behalen , niet als hoveling zou hij geëerd worden , niet als staatsman zich onderscheiden, een heerlijker
128 â
kroon mocht hij verwerven, een grooter naam dien van zijn afkomst toevoegen door zijn voorbeeldig kloosterleven , een oefenschool door den waarlijk edelen jongeling ter voorbereiding van de gewichtige bedieningen, die hem op rijper leeftijd in Gods Kerk zouden worden toevertrouwd.
Achttien jaren oud, trad Angelus te Biussel in de Orde der Capucijnen. Noch de gestrenge boetvaardigheid , noch de harde armoede , waartoe de kloosterregel verplichtte , schrikten den jongen edelman af; hij, die zich van kindsbeen aan de beoefening van deugd en godsvrucht had toegewijd, zich had los gemaakt van wat aardsch was, om het volmaakte, het hemelsche aan te hangen, behoefde slechts den wil Gods te kennen , om tot elk offer bereid te zijn. Toonbeeld van religieuze nauwgezetheid in zijn plichtsbetrachting, was hij zijnen medebroeders een voorbeeld tevens van nederigheid en zielenijver. Zeventien jaren had Pater Angelus inh et klooster zijner Orde een leven van stichting en werkzaamheid geleid, toen hij in 1685 door den koning naar Bourgondië werd ontboden, om in die provincie het moeilijk ambt van koninklijk prediker te vervullen. Zijn ons, wel is waar, de bijzonderheden uit dat apostolisch leven onbekend, dat de 16 jaren, daarin doorgebracht, rijk waren in vruchten, daai-door staan ons zijne vroegere daden borg , dat zij den nederigen Capucijn leerden kennen en hoogachten als een vroom, wijs en onvermoeid Priester, dat zij Angelus in de oogen van Paus en Koning de hoogste onderscheidingen waardig maakten, zulks bewijst de keuze van Karei II en de bevestiging
daarvan door Clemens XI, waarbij Angelus d'Ognics et d'Estrces tot 8sten Bisschop van Roermond, tot opvolger van Mgr. Cools werd verheven.
In de kerk zijner Orde te Brussel ontving Mgr. Angelus op het feest van St. Johannes den Evangelist 1702 de Bisschoppelijke wijding, waarbij de grijze Bisschop van Antwerpen, zijn roemrijke voorganger op den Roermondschen zetel, tegenwoordig was. Zonder dralen maakte de 'nieuw gewijdë de noo-dige schikkingen en spoedde hij zich naar zijn Bisschopsstad, waar hij den i9den Februari van hetzelfde jaar zijn plechtige intrede hield.
Welke geest dezen Bisschop bezielde , hoe Mgr. Angelus het gewichtig ambt, hem toevertrouwd, als een zwaren plicht, die op hem rustte, beschouwde, spreekt duidelijk uit de echt apostolische wijze, waarop hij zijne verhevene bediening inwijdde.
Zijn eerste werk bestond in een onverpoosd bezoeken van bijna alle parochiën des Bisdoms. Noch de onveiligheid der wegen uithoofde van den zich allengs uitbreidenden successieoorlog, noch de verovering van een groot deel der meer noordelijk gelegen steden en gewesten door de Staatsche troepen, konden hem weerhouden zijne herderlijke plichten naar behooren uit te oefenen en zijne schapen door het H. Sacrament des Vormsels te versterken tegen de gevaren, waaraan hun geloof hoofdzakelijk bloot stond. Onverschrokken uit plichtbesef, handhaafde deze moedige Bisschop de rechten zijner diocesanen met zulk een krachtvol beleid, dat zelfs de vijanden der Kerk hem onverholen hunnen eerbied betoonden.
Grave en Nijmegen, geheel in de Staatsche macht,
9
â 130 â
waar vele jaren lang de toegang voor zijn voorgangers gesloten bleef, mocht hij ongehinderd binnen gaan ; hij verkondigde er, in weerwil van de vertogen der predikanten, onbelemmerd het Woord Gods en deelde aan de hard beproefde geloovigen alle Sacramenten toe, waaraan zij behoefte hadden. Boven iedere vrees-aanjaging verheven , schroomde Mgr. Angelus niet in persoon naar 's Hage te reizen, om bij de Calvinistische Hoogmogenden ontheffing te vragen van de onrechtvaardige schattingen, door Staatsche bevelhebbers somwijlen aan eenige gemeenten van zijn diocees opgelegd. Wel de Bisschop, voorwaar, om, in die jaren van strijd en onrust het Bisdom te besturen !
De inname en de veertienjarige bezetting van Roermond door de geallieerden openden voor den rusteloozen ijver van Mgr. d'Ognies een nieuw veld ter bearbeiding. Door zijne innemende vrijmoedigheid wist hij generaals en officieren voor zich te winnen en daardoor orde en tucht in zijn Bisschopsstad te bewaren , zoowel als den Protestantschen soldeniers achting en eerbied voor het Katholiek geloof in te boezemen. Vertrouwd met de hoofdtalen, hield hij in den Advent en gedurende de Vasten voor de van alle zijden saamgestroomde militairen in het Fransch en het Duitsch leerredenen, waarvan de zegenrijke gevolgen niet uitbleven. Talrijk vele afgedwaalden mocht de liefderijke herder in den schaapstal van Christus binnen voeren, meerderen nog van den weg der boosheid doen terugkeeren. Is het wonder, dat zijn wijs beleid over iedere moeilijkheid zegevierde, dat protestantsche vorsten en grooten dien grootmoe-
digen en tegelijk zoo edelaardiger! Kerkvoogd herhaaldelijk blijken gaven van hunne hoogachting, dat zelfs de Deensche koningin meerdere dagen in zijn paleis vertoefde, er een eer in stellende met den alom hoog geprezenen Bisschop persoonlijk te mogen omgaan? Zwoer niet, om ons bij een enkel luisterrijk voorbeeld te bepalen, zwoer Henriette Christina van Brunswijk-Lunenburg niet in zijne handen het Protestantismus af en diende Mgr. Angelus dier vorstelijke bekeerlinge niet met eigen hand het H. Vormsel toe, een maand vóór zij in de Munsterabdij den dood der rechtvaardigen stierf?
Zoo gij meenen mocht dat hooge geboorte, adellijke manieren ook het h;wen bijbrachten tot verkrijging van dien weldadigen invloed op de eersten van rijk en gewest, wij zullen de laatsten zijn om te loochenen, dat in de eeuw van Lodewijk XIV ook buiten Frankrijk de verfijnde beschaving was doorgedrongen, dat de Bisschoppelijke vertegenwoordiger uit het huis der Estrées van zijne aangeboren gaven en hoedanigheden om die reden wel degelijk partij trok, ten einde met te meer vrucht voor het heil der hem toevertrouwde kudde te kunnen werkzaam zijn. â Daden spreken luider dan woorden, â â geven wij de eersten ; gij mocht eens in den waan ver-keeren, in Mgr. Angelus een hoveling te zien, of hem op één lijn stellen met de meeste Fransche Bisschoppen uit dien tijd.
Het was in 1706 1000 jaren geleden, dat de drie H. Apostelen, van welke wij in dit hoofdstuk reeds uitvoerig gewaagden, nadat de H.H.Wiro, PlechelttiüS en Otgerus zich vestigden op den Udelenbergh, bij
â 132 ~
de bestaande Kapel der H. Maagd eene Kerk bouwden en een klooster stichtten, beide den H. Petrus gewijd, alwaar zij in prediking en gebed hunne laatste levensjaren doorbrachten en den dood der Heiligen stierven. âEen nieuw feest,quot; schrijft de Wel-Eerw. heer Wolters in zijne hoogst verdienstelijke geschiedenis dier Heiligen, âeen nieuw feest kwam in 1706 de herinnering van onze Heiligen opluisteren . . . het Duizendjarig Jubilé. Angelus d'Ognies et d'Estrées, achtste Bisschop van Roermond, had van Paus Clemens XI voor deze plechtigheid een vollen aflaat bij wijze van Jubilé bekomen. Om meer luister aan deze feestviering bij te zetten, kwam de Bisschop zelf, den 11 Juli, dit Jubilé openen; zoo groot was de toeloop der geloovigen gedurende de acht dagen, dat het werd voortgezet, dat de Bisschop aldaar niet minder dan 5000 geloovigen het Sacrament des Vormsels toediende!quot;
Het Fransche leger lag eenige jaren later in Zuidelijk Limburg gekampeerd ; schoon het vijandelijke troepen zijn, ijlt toch de volijverige Bisschop derwaarts, weet oorlof van den bevelhebber te bekomen en verblijft dagen achtereen onder de soldaten, hen leerende en hun al de diensten eens aalmoezeniers bewijzende.
Scheen Mgr. Angelus den zielenijver en de liefde voor Odiliënberg van zijn grooten voorganger ge-erfd te hebben, ook in toewijding aan de gezegende Beschermster van zijn stad en Bisdom was hij Mgr. Cools gelijk. Veel, zeer veel heeft Mgr. d'Ognies voor de verbreiding van de vereering Onzer Lieve Vrouw in het Zand gedaan. De één en twintig jaren
â 133 â
van zijn episcopaat zijn als het ware ééne reeks van liefdediensten, aan die Goddelijke Moeder bewezen. Met welk een teedere zorg bewaarde hij het kostbaar kleinood, toen bij zijn komst te Roermond eene dreigende belegering het mirakuleuze Beeld gevaar van ontheiliging kon loopen ! Pas bleek bij de inname der stad die vrees ongegrond, of s' Bisschops eerste werk was het Genadebeeld eene eereplaats op het H. Sacramentsaltaar zijner Kathedraal in te ruimen. Noemt hem een hoveling, zoo gij wilt, maar een hoveling van de Koninginne des Hemels, als hij jaarlijks meermalen het Wonderbeeld op vorstelijke wijze in zijn eigen karos met zes paarden bespannen, van de hoofdkerk naar de Kapel doet overbrengen en terugvoeren. Prijst zijn nauwkeurige zorgvuldigheid, als hij ieder jaar het rekenboek der Kapel naziet, narekent en niet eerder onderteekent, dan na zich van den goeden stand der zaken te hebben vergewist. Prijst hem, als hij eiken Zondag twee theologanten uit zijn Seminarie, hem zoo na aan het harte gelegen , naar de Kapel zendt, om er de kinderen uit die buurtschap den Catechismus uit te leggen en met dezen te bidden en liederen te zingen ter eere der H. Moeder Gods. Prijst hem, als hij naar het voorbeeld van Mgr. Cools , meerdere kluizenaars aanstelt, die âin alle occassie sullen trachten te vermeerderen de devotie tot het Miraculeus Beeldt,quot; die âin den herfst ende windertijdt.... naer noen. tusschen vier ende vijf uijrhen in de voors0 Capelle den Roosencrans sullen voorbidden, ende daertoe de inwoonders der omliggende huijsen met 't luijden der clocke vermaenen.quot; Prijst hem, als hij van de
- 134 â
Pausen Clemens XI en Innocentius XIII volle aflaten en talrijke gedeeltelijke aflaten verwerft voor allen, die op de feestdagen van Maria de Kapel zullen bezoeken, en hij daardoor zulk een toevloed van pelgrims op den 15 Aug. 1714 naar het Zand doet snellen, dat velen hunner in de open lucht den nacht moesten doorbrengen. â Hoe het schijnbaar kleine den vromen en ijverigen vereerder van Maria, den grooten bevorderaar teekent van de godsvrucht tot het genadebeeld!
Wij zeiden boven, dat, trots de twaalfjarige bezetting der stad, het geloof harer burgers niet kwijnde. Nu weet gij, waaraan die groote weldaad is toe te schrijven. De Roermondenaars , hunnen Bisschop waardig, bleven trouwe vereerders van Maria, bleven onafgebroken het oord bezoeken, waar zij kracht en moed afsmeekten en verwierven om staande te blijven in het geloof hunner vaderen. Nu weet gij, waarom deze stad na het Barrièretractaat even getrouw bleef aan den Oostenrijkschen keizer , als zij eeuwen lang den Spaanschen koning haren eed had gestand gedaan. Kent gij een schooner bewijs voor de onomstootbare waarheid, dat de vroomsten in den staat tevens zijn beste burgers zijn?
Minder gebukt onder zijn ouderdom, al bereikte de Bisschop ook den gezegenden leeftijd van 72 jaren toen hij te Brussel overleed, dan uitgeput door eene langdurige krankheid, had Mgr. Angelus, zich één jaar voor zijn afsterven in 1722 een coadjutor gekozen in den door deugd en voorzichtigheid uitmuntenden provinciaal der Recollecten, pater Fran-ciscus Ludovicus Sanguessa. Keizer Karei VI beves-
tigde die keuze, welke ook de instemming van den Paus mocht verwerven, en den 12 Augustus 1721 wijdde Mgr. Angelus d'Ognies et d'Estrées, zijnen waardigen opvolger op den zetel van Roermond in de Christoffelkathedraal tot Bisschop.
Een onvergankelijk monument had zich Mgr. d'Ognies gesticht, onvergankelijker dan uit brons kan gegoten, uit marmer kan gehouwen worden: â met de ontruiming namelijk van het garnizoen der Staten van Holland den 10 Januari 1716 verdween de Pro-testantsche eeredienst voor eene geheele eeuw uit Roermond.
Alhoewel Spanjaard van afkomst, was Mgr. San-guessa toch Belg door geboorte: te Mechelen had hij in het jaar 1662 het eerste levenslicht gezien. In 1682 trad hij te Leuven in de Franciscaner-Orde der Recollecten en onderscheidde zich dermate in zijn heiligen levensstaat, dat hem spoedig na zijne heilige Priesterwijding de gewichtigste bedieningen werden toevertrouwd. Eenvoudig in wandel , uitstekende in iedere kloosterdeugd, even zachtmoedig als voorzichtig , daarbij een grondige geleerdheid met een scherp doorzicht parende, was Pater Franciscus San-guessa als 't ware door God geroepen om zijne jeugdige medebroeders in het geestelijk leven binnen te leiden , hen te onderwijzen in de kerkelijke wetenschappen en de verschillende kloosters der Belgische provincie beurtelings als guardiaan te besturen. Niet zonder reden werd hem in die moeilijke en gevaarvolle tijden , welke Belgie â toen nog de Spaansche Nederlanden â gedurende de dwalingen van het Jansenismus en de verschrikkingen van den
â I36 â
oorlog doorleefde, de wel is waar eervolle doch uiterst zware last op de schouders gelegd van algemeen Overste over alle kloosters zijner Orde in Zuid- en Noord-Nederland. Zijn kloeke deugd en onvermoeide werkzaamheid, meer nog zijne wijsheid en waakzaamheid konden het scherpziend oog van den Roermondschen Bisschop niet ontgaan. Met het volste recht dus beschouwde Mgr. d'Ognies den voortreffelijken provincialen Overste als een waardigen plaatsvervanger, toen het hem schier ondoenlijk werd zijn uitgestrekt Diocees naar behoo-ren te besturen. De dadelijke instemming van zijn geuit verlangen door Paus en Keizer geeft genoegzaam te kennen, dat ook te Weenen en te Rome de vele verdiensten van Pater Sanguessa op hoogen prijs gesteld werden.
In de maand Mei 1722 aanvaardde Mgr. Sanguessa, als negende opvolger van Bisschop Lindanus, het volle bestuur over het Roermondsche Diocees, dat hij ruim een jaar namens Mgr. d'Ognies groo-tendeels in handen had gehad. Met vele moeilijkheden had deze Bisschop in de uitoefening van zijn herdersambt te kampen. Voor een groot deel toch strekte zich het Bisdom uit in de bij Pruisen toegevoegde boven- en beneden Maasgouw, dat voorheen tot het graafschap Gelder behoord had. In het Noorden bleven gansche streken onder de macht der Staten. Daarbij was de Bisschop tot Apostolisch Vicaris van het Bisdom 's Bosch aangesteld , dat eveneens bij Noord-Nederland was ingelijfd. Dat uit dien halfslachtigen toestand weinig heil te verwachten viel voor de staatkundig afgesneden deelen van
â 137 â
het Bisdom, is licht te denken, â de minste vijandschap tusschen den keizer en den koning van Pruisen, legde terstond het geestelijk bestuur der in Pruisen gelegene gewesten onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Daarenboven belette de Calvinistische geloofshaat, niet weinig aangewakkerd door het in Holland veldwinnend Jansenismus, iedere poging om de geestelijke belangen van het Bossche Vicariaat naar behooren te behartigen, zoodat de geheele opdracht des Pausen door den blinden onwil der Staten onuitgevoerd moest blijven. Droef te moede voorzeker was die van zielenijver brandende Herder bij het hopeloos streven, aan dien treurigen toestand, zoo geen einde te maken, althans daarin eenige verbetering te brengen. Smartelijke ervaringen zonder twijfel voor het hart van dien apostolischen man en wel mogen wij de woorden herhafen van den schrijver der Voortzetting van Knippenbergh's historie van Gelderland, âMgr. Sanguessa heeft zeer veel geleden in het besturen van zijn Bisdom.quot;
Wij vingen aan met droevige herinneringen, wij mogen onze korte schets in blijder stemming voltooien. Een zoete troost verzachtte , âvergoeddequot; hadden wij geschreven, als het leed niet onherstelbaar ware geweest, de droefheid van den godvruchtigen Bisschop. Maria vierde onder zijn episcopaat een harer heerlijkste triomfen in het Zand.
Het mirakuleuze beeld, dat tegen het einde van den successieoorlog jaarlijks langer in de Kapel van het Zand verbleef, werd na het jaar 1713 niet meer teruggebracht naar zijn tijdelijke rustplaats in de Kathedraal. Deze gelukkige ommekeer gaf een nieuw
- 138 -
leven aan de vereering van het Genadebeeld; het Zand met de Kapel werd andermaal het middenpunt, waarheen duizenden pelgrims ieder jaar saamstroomden, om de machtige voorbede van de Koningin des Hemels af te smeeken. De talrijke gebedsverhooringen, de vele wonderdadige genezingen, niet het minst de treffende bekeeringen, waren zoovele onweerstaanbare drijfveeren tot dien immer stijgenden vloed van bedevaartgangers. Steeds hunne Kerkvoogden volgende, stonden ook de Roermonders, door het voorbeeld van Mgr. Sanguessa aangemoedigd, in die dagen in de voorste gelederen der keurbenden van Maria-vereerders. Ieder huisgezin, ja elke burger beschouwde de Kapel met haar kostbaren schat als een soort van gemeenschappelijk eigendom. Geen ramp kon den huisgenooten treffen, of bij het Genadebeeld werd heul en troost gezocht; geen zieke was op het ziekbed uitgestrekt, of zeven maagden uit de buurtschap hielden éene bedevaart naar het Zand om de genezingâ dikwijls op wonderbare wijze â te verkrijgen of den stervende bijstand van de Moeder der kranken af te bidden; â eene heilige gewoonte, die nog heden door de Katholieken van Roermond en de omstreken immer in hooge eere wordt gehouden. Een kinderlijke liefde en een kinderlijk vertrouwen op hunne Hemelsche Moeder,, ziedaar in twee woorden wat wij de blijvende vrucht mogen noemen van Roermonds getrouwheid in de vereering van het Wonderbeeld. Welke andere onschatbare zegeningen daardoor over stad en Bisdom te allen tijde zijn neergedaald, hebben wij herhaaldelijk in het licht gesteld en zullen wij ook later nog gelegenheid hebben, aanschouwelijk
â 139 â
te maken. â Genoeg, Roermond bleek ook in de jaren van vrede en voorspoed, die het onder het vaderlijk bestuur van Mgr. Sanguessa beleven mocht, den eerenaam van Mariastad volkomen waardig te zijn.
De tijdelijke bloei der Kapel pleitte zeker voor de offervaardigheid der pelgrims, die uit alle oorden des lands naar het Zand togen, de talrijke schenkingen aan het Beeld door arm en rijk uit het thans welvarende Roermond , de menigte sieraden tot opluistering van de Kapel, de vele stichtingen van jaargetijden door meer gegoede inwoners der stad, getuigen beter dan lange lofredenen van de kinderlijke gehechtheid der burgers aan hunne moederlijke Beschermster. Ook de magistraat gaf de treffendste blijken van zijnen ijver en medewerking tot de bevordering en den bloei der herleefde vereering van het mirakuleuze Genadebeeld. Hoe in alle verordeningen van den stadsraad voor orde en rust bij de Kapel tijdens processicn en vooral op de hoogfeesten van O. L. Vrouw steeds een groote eerbied voor Maria doorstraalt! Scholtis, burgemeester, schepenen ende raedt, luidt immer de aanhef dier stukken, hebben tot stich-tinge der devotie aen de cape lie in 't Sandt. . . . ge-recesseert. In tijden van druk en lijden ontbraken die stadsraden evenmin in de processiën naar de Kapel als in de dagen van vrede en welvaart. Met de meeste nauwgezetheid vervulden zij hun patronaatsplicht aan het Wonderbeeld; voor het vergeven van het beneficie, later het rectoraat van de Kapel, droegen zij de grootste zorg. Dagteekent niet, om deze korte kroniek van dien edelen gemeenteraad met de herin-
â 140 â
nering aan een zijner merkwaardigste liefdedaden te besluiten, dagteekent de breede, met vier rijen linde-boomen beplante, laan, wier weêrgalooze pracht gij schaars bij weinig steden van ons vaderland over zulk een uitgestrektheid zult aantreffen , dagteekent zij niet van dien tijd, uit het jaar 1730? Uit stads-inkomsten werd zij aangelegd , beplant en tot heden uit diezelfde middelen onderhouden. Zoo begreep het die waardige magistraat, â een vorstelijke heerbaan behoorde de dankbare stad te vereenigen met het heiloord, waar hare Koninklijke Beschermster zich een troon had verkoren!
Wij gewaagden zoo even van den zoeten troost, welke de droefheid van Mgr. Sanguessa verzachtte. Welnu , in dien gezegenden vooruitgang van de Mariavereering in het Zand, in dien edelen wedstrijd tusschen de stad en hare burgers ter verheerlijking hunner Hemelsche Patrones, in al die blijde uitkomsten mocht de Bisschop de zoete vruchten genieten van aanmoedigenden ijver en eigen voorbeeld. Door zijne wijze beschikking kwam het rectoraat der Kapel tot stand , waardoor de godsdienstoefeningen aldaar meer geregeld konden geschieden. Vele processiën die vroeger bestaan hadden , herstelde hij en gelijk zijn voorganger wist hij van verschillende Pausen meerdere volle en gedeeltelijke aflaten voor de bedevaartgangers te verwerven, ten einde de âdevotie tot d'alderheijligste maget ende moeder Godts Maria nu sedert eene geheele eeuwe (1640â1740) seer aandachtelijck geplogen aan de Capelle van O. L. V. in het Sandt, te vermeerderen, ende te doen aen-groijen.quot;
â 141 â
Met kracht had Mgr. Sanguessa zijne Bisschoppelijke verplichtingen, zoo lang hij leefde, vervuld â ascende for titer, al zag hij ook tot zijn bitter leedwezen vele zijner vurigste wenschen verijdeld door den moedwil van het Rome hatend Calvinismus. Heerlijker zag hij zijne ijverige pogingen beloond door een tot dien tijd ongekenden bloei der Maria-vereering in zijn Diocees â desccndc suaviter. Het twintigjarig Bisschopsambt had ook dezen Kerkvorst bij zijn zalig verscheiden op li Augustus 1741 eene kroon der onvergankelijke lauweren gevlochten.
Vier jaar had de Bisschopszetel ledig gestaan, toen de Ypersche kanunnik, Josephus Anschmis Franciscus Werbroeck als tiende Bisschop van Roermond den isten Januari 1744 zijn intrede deed. Hij was de vierde in de rij der titularissen voor dien zetel. Een dezer, geboortig uit Venloo, Gijsbertus Josephus Hagen, schrijft Jacques Goyers in bovengenoemde Voortzetting, had uit nederigheid die eervolle benoeming geweigerd. â Kort maar had Mgr. Werbroeck het bestuur des Bisdoms in handen, â reeds na ruim twee jaren verliet hij Roermond, om, gelijk eertijds Mgr. Cools, in het Antwerpsche Diocees den Bisschopsstaf te voeren. De doeltreffende voorschriften echter, die hij tot heil der geestelijkheid had gegeven, de warme belangstelling, die hij toonde in de vereering van het Wonderbeeld en in het recht beheer van Kapel en rectoraat, beloofden genoegzaam, dat bij langer verblijf op dien zetel ook van dezen Bisschop het leven vruchtenrijk zoude geweest zijn.
â 142 â
Even ervaren in de staatkunde als stoutmoedig en beleidvol in de hachelijke oogenblikken , waarin haar kroon en schepter op het spel stonden , te midden van de grootste rampspoeden nog tijd vindende voor wijze en heilzame hervormingen in hare Slavische kroonlanden , was Maria Theresia eene der meest grootsche figuren uit de eeuwen der Christelijke beschaving, onder alle vrouwen, die ooit beheerscheressen waren van keizerrijken, de waardigste en uitstekendste. De geestvervoerende uitroep der Hongaarsche magnaten â âwij willen sterven voor onze koningin Maria Theresiaquot; â teekent de vorstin, schildert de moeder van haar volk. Nog geen vijfentwintig jaren, toen zij in 1740 haren vader, keizer Karei VI opvolgde , wachtte der jeugdige doch kloeke keizerin een erfstrijd, als geen Hbas-burger vóór haar nog te voeren had. Eene reeks van bloedige oorlogen was hare veertigjarige regeering , maar ook terzelfder tijd eene reeks van weldaden voor de vele volken van haar keizerrijk. Zij verstond het keizerin te wezen en een voorbeeld tevens van alle Christelijke deugden voor hare onderdanen. Kunsten en wetenschappen kwamen door hare aanmoediging tot ontwikkeling, het door haar gestichte Thcresianum wedijverde op theologisch gebied met de eerste universiteiten van Europa; landbouw en nijverheid bloeide als nimmer voorheen in hare staten, schoon de zwaarste offers voor den lang-durigen krijg werden gebracht; gelijkheid van allen voor dezelfde wet en het openen van altijd nieuwe bronnen van welvaart heelden de wonden, door nederlaag op nederlaag geslagen. â Dat ook de Oosten-
â 143 â
rijksche Nederlanden bloeiden onder zulk eene gezegende regeering, mag ons niet verwonderen; dat het Episcopaat onder deze vrome en verziende Be-heerscheres mannen telde van geloof en kennis , Priesters van beproefde trouw â geen die er aan twijfelen durft, die, gelijk wij , ook maar het honderdste deel der groote hoedanigheden kennen van Roermonds elfden Bisschop, Mgr. Johannes Antonius de Robiano, edeler nog van daden dan van geboorte.
Te Brussel 19 Augustus 1698 werd hij geboren; wij weten van zijn jeugd niets anders, dan dat hij te Leuven uitmuntte door eenvoud en geleerdheid. Dat hij achtereenvolgens priester werd gewijd en tot pastoor van Itterbeek werd benoemd, mag ons wel in het vermoeden sterken dat de Aartsbisschop van Mechelen in den jeugdigen geestelijke een bijzonder vertrouwen stelde, wat van vermoeden bepaalde zekerheid wordt, als wij de Robiano, na in 1732 het licentiaat in de Theologie te hebben behaald, in 1738 tot Kanunnik van Mechelen, twee jaren later tot Groot Poeniten-tiarius zien bevorderen. Wel moet hij onder zoovele uitstekende geestelijken van Zuid-Nederland hebben uitgeblonken, dat Maria Theresia den meest jeugdige van zulk een uitgelezen schaar voor den Bisschoppelij-ken zetel van Roermond bestemde, toen zij Mgr. Wer-broeck dien van Antwerpen had aangeboden. â Hoe het ons deert, dat zoo luttel gegevens ons hier ten dienste staan, om eene eenigszins voltooide schets te kunnen leveren van dien voorbeeldigen zieleherder!
In een paar regelen heeft Jacques Goyers het beeld van dien voortreffelijken Bisschop geëtst â⢠etsen van Rafael, gij weet het, wegen tegen hon-
â 144 â
derd schoone afgewerkte stukken van mindere schilders op.
âVan 1740 tot 28 Juni 1769 heeft Mgr. de Ro-biano het Bisdom Roermond bestuurd. Hij was een waar Apostolisch Prelaat met groote verdiensten voor den Paus en de H. Kerk. Maria Theresia benoemde hem in 1648 tot Bisschop van Antwerpen, alwaar inmiddels Mgr. Werbroeck overleden was. De edele Kerkvoogd wees het vereerend aanzoek beleefd doch beslist van de hand. In een brief aan de keizerin schreef hij: âik wil mijne eerste en meer behoeftige Bruid niet voor eene veel rijkere verlaten.quot; Mgr. de Robiano werd door velen beschouwd als een tweede Carolus Borromaeus, als een herder, die, zoo lang hij leefde, zijn leven opofferde voor zijne schapen, die in werkelijkheid de vader en aalmoezenier was van armen, weduwen en weezen. Bij een krankenbe-zoek deed de Bisschop eene doodelijke ziekte op, die hem den 28,iten Juli 1769 ten grave sleepte.quot;
Mgr. de Robiano een tweede Carolus Borromaeus! â wat kunnen wij aan de roerende schets toevoegen, die in luttel woorden het geheele leven van een Heilige uitdrukt? P2envoudig, liefderijk, verstorven gelijk een kloosterling, was Mgr. Johannes Antonius, naar het voorbeeld van Milaans heiligen Kardinaal Aartsbisschop , het toonbeeld zijner geestelijken , beoefende eerst wat hij dezen aanbeval of voorschreef. Om hen te hoeden voor het allengs in België veldwinnend streven naar een Fransch weeldevertoon, verbood hij ten strengste iedere wereldsche kleederdracht, opdat zij, zoo luidt het in een zijner herderlijke brieven, niet slechts in handel en wandel, maar
â 145 â
in passenden eenvoud van kleeding zouden toonen, dat zij geroepen waren tot den dienst van God en daardoor de verplichting hadden anderen door een voorbeeldig leven te stichten. Uit een andere verordening van het jaar 1749 leeren wij den praktischen blik van dezen Bisschop in het besturen zijner geestelijkheid nog beter kennen. Deugd en wetenschap moesten in zijn oog gepaard gaan, en opdat de laatste even naarstig zoude beoefend worden door zijne Priesters als de eerste, hield hij zelf jaarlijks viermalen in zijn paleis eene vergadering, waarop beurtelings met weinige uitzonderingen alle zielzorgers van zijn Bisdom moesten verschijnen om het wetenschappelijk bewijs te leveren, dat zij de noodige kennis bezaten voor hunne herderlijke bedieningen.
Mgr. de Robiano een andere Carolus Borromaeus ! Ook in zijn liefde en ijver voor de Gezegende Moeder des Heeren was hij dien eerenaam ten volle waardig. Tot den bloei van het Genadebeeld behoefde de vurige vereerder van Maria zijne opwekkende stem niet te verheffen , maar hij was er op bedacht en zag naar middelen uit dien gelukkigen toestand ook voor de toekomst te waarborgen. De aflaten , die hij , gelijk zijne voorgangers, van de Roomsche Opperpriesters voor de pelgrims op de feesten der H. Maagd, ja zelfs op iederen dag des jaars voor de bezoekers der Kapel mocht verwerven, waren zeker een krachtig middel ter aanmoediging. Zou evenwel die levendige vereering van het mirakuleuze Beeld blijven voortduren, ook wanneer er dagen mochten komen van onrust en strijd, dan behoorde nog iets meer dan louter geestelijke gunsten tot bestendiging
10
â 146 â
van dien heilzamen toestand mede te werken. Daarenboven schoten op den duur de krachten van één Priester te kort, om de vereering tot O. L. Vrouw van het Zand naar eisch te bevorderen , ook de vurigste Rector kon onmogelijk al de noodige zorgen aan de Kapel en de pelgrims besteden en tevens aan de godsdienstoefeningen dien luister bijzetten, welke met recht in dat Maria-heiligdom geeischt worden.
In al die behoeften wist de wijze Bisschop op de volkomenste wijze te voorzien. Het kostte den warmen ijveraar voor dat aan Maria zoo welgevallige werk weinig moeite , de voornaamsten onder de geestelijkheid en de burgerij van Roermond om zich heen te scharen en gezamenlijk de vrijwillige eere-wacht te vormen van de verhevene Patrones der stad. Zoo kwam in het elfde jaar van Mgr. de Ro-biano's Bisschoppelijk bestuur (1751) de vermaarde Mariaansche Broederschap tot stand, die gedurende eene eeuw onvergetelijke niet te vergelden diensten aan het Genadebeeld en de Kapel heeft bewezen, die de vereering van O. L. Vrouw in het Zand heeft levendig gehouden, toen twee vervolgingen haar ondergang zochten te bewerken , en haar een nieuwen bloei deden ingaan, toen de rampen der Fransche over-heersching in ons vaderland hadden uitgewoed. Het 350 en 400 jarig jubilé van het Wonderbeeld in 1785 en 1835 dankten aan die Broederschap hun glans en luister. De leden dezer eerewacht van Maria, onder welke Bisschoppen, Kanunniken, Priesters, magistraatspersonen en andere aanzienlijken behoorden, âlieten zich in dezelve aannemen, om beurtsgewijs en regelmatig de
â i47 â
eeredienst in deze Kapel te helpen verrichten.quot; â Of na een zoo roemrijk verleden, een even glansrijke toekomst dier Broederschap ware weggelegd,â of zij in dit jaar mocht hersteld worden, of dit heerlijk jubilé voor haar het begin mocht zijn van een nieuw en vruchtbaar leven in den avond van den derden Carolus Barromaeus!
Sicut lilium, als een lelie waren de vierentwintig jaren des grooten Bisschops voorbijgegaan, als eene lelie schoonheid en geur om zich heen verspreidende. Door allen was hij geëerd, als een vader bemind. Het geheele Diocees was dan ook in diepen rouw bij de treurmare van de doodelijke ziekte, die den onvermoeid werkzamen Kerkvoogd te Gelder naar aanleiding van een krankenbezoek was overvallen. Ziet, hoe innig deze schapen hunnen trouwen Herder liefhadden, zoo mogen wij de herinnering van dien waarlijk apostolischen Bisschop besluiten. Gedurende de vijf dagen, welke den dood van Mgr. de Robiano voorafgingen, was de Kapel in het Zand schier dag en nacht met ge-loovigen opgevuld, die Maria het behoud van hunnen dierbaren Bisschop afsmeekten. Kapittel, geestelijkheid en kloosterlingen wisselden elkander gestadig af in het godvruchtig bezoeken van het Genadebeeld, plechtige H. Missen werden in de Kapel tot herstel van Zijne Doorluchtigheid opgedragen, dagelijks werden tot diezelfde intentie processiën naar het Zand gehouden, en dat alles geschiedde, schrijft de Eerw. Heer A. van Daell, toenmaals Pastoor van Roei mond, propria motu et singularl affcchone, â uit eigen beweging en uit bijzondere genegenheid voor den Bisschop. â âZonder twijfel,quot; stemmen wij met Pater van Krugten
â I4B â
in, âzonder twijfel ontving de vrome Bisschop door de-godvruchtige gebeden zijner geestelijke schapen aan de Kapel van O. L. V. in 't Zand een allerzaligst sterfuur.quot;
Na het zalig afsterven van Mgr. de Robiano moest wederom een kloosterling den Bisschoppelijken troon bestijgen; het was de Jezuïet Henricus Johannes Kerens, twaalfde Bisschop van Roermond. Den 22sten Mei 1725 te Maastricht geboren, deed hij in zijn stille en godvruchtige jeugd weinig aan een toekomst denken, welke hem , den ingetogen en leer-zamen Henricus, tot een tweeden Servatius zoude stempelen. Niet alleen de Bisschoppelijke waardigheid zou hij met den Apostel en eersten Bisschop van zijn vaderstad gemeen hebben, ook aan het lijden en de vervolgingen van dien Heiligen Martelaar zou hij niet vreemd blijven. Nauwelijks de jongelingsjaren ontwassen, trad Henricus de Societeit van Jesus in en bewees alras, welk een aanwinst voor de Orde in dat veel belovend lidmaat gelegen was. Herhaaldelijk met het professoraat der Jezuïeten Colleges in België, Beieren en Oostenrijk bekleed, kweet hij zich dermate van dien zwaren plicht in die tijden, dat Maria Theresia niets vuriger wenschte, dan dien ijverigen en geleerden Pater aan haar Theresianum te verbinden. Van professor werd Henricus spoedig haar raadsman en biechtvader, en met zooveel wijsheid en zaakkennis lichtte de nederige Priester zijne hard beproefde Vorstin voor, dat de helderziende keizerin het voornemen maakte, haren zielzorger tot het Bisschopsambt te doen verheffen, teneinde hem een werkkring te verschaffen, waarin hij nog meer
en beter tot heil van Kerk en Staat zou kunnen arbeiden. â Het opengevallen Bisdom van Roermond bood Maria Theresia de welkome gelegenheid voor de verwezenlijking harer inzichten. Paus Clemens XIII trad volgaarne in hare wijze oogmerken, ontsloeg Pater Kerens van de beloften, die hem verhinderden de Bisschoppelijke waardigheid te aanvaarden, en benoemde in 1769 den Maastrichtschen Jezuïet tot Bisschop van Roermond. Den 2i'ten Januari 1770 werd Mgr. Henricus Johannes Kerens te Weenen tot Bisschop gewijd en den 2gsten Mei daaropvolgende deed hij de plechtige intrede in zijne Bisschopsstad.
Eene bijzonderheid, die ons Mgr. Kerens kennen doet als een groot vereerder der H. Maagd in haar Wonderbeeld van het Zand, mogen wij niet onvermeld laten. Met voordacht had de godvruchtige Bisschop zijn weg van Weenen naar Roermond zóo genomen, dat hij noodzakelijk de Kapel moest voorbijgaan. Hier toefde de nieuwe Kerkvoogd geruimen tijd en bracht allereerst zijne nederige hulde aan de machtige Beschermster van zijn stad en Bisdom, als wilde hij toonen , dat hij van hare voorbede alle zegeningen van zijn te aanvaarden bestuur verwachtte.
Verbleef deze Bisschop ook maar een viertal jaren op den Roermondschen zetel, zij waren lang en vruchtbaar genoeg om Mgr. Kerens' verplaatsing naar Neustadt bij Weenen als een gevoelig verlies te doen betreuren. Met hoeveel liefde hij de belangen der Kapel behartigde, blijkt uit de aanteekeningen van meergenoemden Pastoor van Daell. Persoonlijk onderzocht hij de rekeningen en de stichtingen der Kapel en droeg zorg, dat alle verplichtingen door
â ISO â
den Rector en de Mariaansche Broederschap met stiptheid werden nagekomen. Zelfs toen Mgr. Kerens reeds jaren lang den zetel van Neustadt-St. Polten had bekleed, vergat hij toch zijne geliefkoosde Kapel niet, maar zond (in 1784) de ruime gift van 224 gulden over voor de oprichting van het nieuwe hoofdaltaar.
Met hoevele en groote moeilijkheden deze Bisschop in Oostenrijk te kampen had, onder welk een bitter zielelijden deze zich opofferende Herder voor zijn geteisterde schapen gebukt ging, daarvoor zij het genoeg te herinneren, dat Mgr. Kerens met kalmen moed en onwrikbare standvastigheid de rechten der Kerk verdedigde tegen keizer Jozef II, den onwaar-digen zoon van Maria Theresia. Eere en onderscheidingen, 't is waar, vielen Mgr. Kerens als eenmaal den H. Servatius ten deel, doch ook loutering en beproeving als dien grooten Martelaar werden hem niet gespaard. Mogen wij niet vertrouwen, dat zijn sterk geloof en zijne onversaagde toewijding aan de H. Kerk hem eveneens in September 1792 een heerlijke kroon in den Hemel verwierven?
Het Bisschopsambt uit te oefenen is ontwijfelbaar eene der eervolste bedieningen in de H. Kerk, doch vergeten wij niet dat onze lijdende Heiland eenmaal zelf het piirpcr gedragen heeft, dat daarom de hoogste eer eens Bisschop gelegen is in gelijkvormigheid aan dien Herder aller herders; niet gelijk Hij zich vertoonde op den Thabor, maar zooals Hij met den purperen mantel omhangen den Kalvarieberg beklom. Zou, behalve aan de zichtbare bescherming van de H. Moeder Gods , niet aan het lijden en de vervol-
â i5i -
ging, waaraan de zetel van Roermond in den loop van twee en een halve eeuw ten doel heeft gestaan, moeten worden toegeschreven, dat zulk eene bewonderenswaardige trits van groote mannen dien zetel hebben bekleed ? Wij gelooven het en zien ons geloof door het Episcopaat der twee laatste opvolgers van Mgr. Kerens niet weinig versterkt.
Schoon na den dood van Maria Theresia's keizerlijken gemaal Frans I, hun zoon Jozef II tot keizer gekroond werd, toch bleef de laatste, wat zijn vader immer geweest was, niet meer dan mederegent van zijne moeder. Zoo lang zij leefde, liet zij beiden de eer van keizer , doch hield het roer van den Staat in eigen handen. Gelukkig voor de Oos-tenrijksche erfstaten, gelukkig niet het minst voor de Oostenrijksche Nederlanden, dat de groote vorstin van haren rechtmatigen invloed geen afstand deed, de rampen, die de tweede Isauriër over zijn volk zou brengen, werden er althans een vijftien jaren door verkort. Wie weet, wat al onheilen het Bisdom Roermond zouden bezocht hebben, indien de keuze van een nieuwen Bisschop uitsluitend aan den wil van Jozef II ware onderworpen geweest. â Roermond kan niet genoeg de beschikkende hand Gods zegenen, die het bewaarde tegen de onberekenbare gevolgen van eene betreurenswaardige benoeming, de hand, die het lot van Roermonds toekomst ter beslissing aan Maria Theresia had toevertrouwd. Geen vreemdeling, geen de onzalige denkbeelden van haar zoon aanklevenden Priester, maar een Limburger, maar een Roermondenaar, even geacht om zijne priesterlijke deugden in zijn geboortestad als hij daar
â lU- 'lA-Jiiü
â 152 â
buiten door zijne uitstekende bekwaamheden met de vereerendste onderscheidingen bejegend werd, bestemde de wijze keizerin voor dien gewichtigen zetel van de Oostenrijksche Nederlanden. Beter dan iemand voorzag zij de toekomst en niemand meer dan die oprechte, godsdienstige, vorstelijke moeder betreurde het heilloos streven van haren verblinden zoon. Wanneer het Jozefismus niet de rampzalige gevolgen na zich sleepte, die het uit zijn aard hebben moest, wanneer het in het geheele rijk zulk een geweldigen tegenstand ontmoette, dat Jozef in het eind al zijne hervormingswetten gedwongen herroepen moest, wilde hij niet den opstand van België zien overslaan naar zijn Katholieke kroonlanden, dan hebben wij dit grootendeels te danken aan het voorzichtig beleid en het scherp doorzicht der vrome vorstin , die met buitengewone takt de gevaarlijke verlichting wist te verhoeden door iederen opengevallen Bisschopszetel door mannen van groot geloof en vast karakter te doen bekleeden. Deze waren de zuilen, waarop haar volk en hare monarchie konden steunen , en waartegen de stormen van het Jozefismus tevergeefs de hevigste aanvallen beproefden.
Een dezer uitverkorene Bisschoppen was de Markies Philippus Dainianus van Hocnsbrock , graaf van het heilig Rijk, de dertiende kerkvoogd op den zetel van Roermond. Den 24sten Februari 1724 uit het grafelijk geslacht der van Hoensbroeksgeboren, die eeuwenlang een sieraad en een voorbeeld waren der Limburgsche ridderschap, vertoonde Philippus Damianus in zijne jeugd reeds de neiging en begeerte om door godsvrucht en deugd zich een hoogeren adel dan die des bloeds
â 153 â
waardig te maken. De rijpere leeftijd overtrof verre de schoone verwachtingen der jongelingsjaren. Mocht al hooge afkomst niet zonder invloed geweest zijn op zijne benoeming tot Kanunnik en thesaurier van het Spiersche Kapittel, de uitstekende hoedanigheden van geest en hart wettigden in den vromen Priester ten volle die ver-eerende keuze. Deze en geen andere oorzaken waren de beweegredenen voor de eervolle onderscheidingen, die Philippus Damianus den weg baanden naar de Bisschoppelijke waardigheid. Achtereenvolgens was hij tot Proost van het College der Kanunniken van Emmerik en tot Aartsdiaken van Utrecht opgeklommen, toen Maria Theresia in hem den meest geschikten Kerkvoogd zag, die aan het hoofd van het Roer-mondsche Bisdom der dreigende gevaren van het naderende Jozefismus weerstand zou kunnen bieden. Op de benoeming volgde weldra de keuze. En bevestigd door Paus Clemens XIV, werd de waardige opvolger van Mgr. Kerens den 2dequot; Juli 1775 te Spiers tot Bisschop gewijd. Den 30stlt;,n dierzelfde maand deed Mgr. Philippus Damianus van Hoensbroek zijne intrede in Roermond onder het vreugdegejuich zijner opgetogen stadgenooten en nam bezit van den zetel, die door twaalf groote Bisschoppen was opgeluisterd.
Roermondenaar van geboorte, bleek ook Mgr. van Hoensbroek in de hoogste mate de kinderlijke liefde zijner medeburgers voor de Allerheiligste Pa-tronesse der stad te bezitten. Die liefde in de harten van alle zijne diocesanen over te storten was zijn leven en streven , daarin putte hij zelf de teedere godsvrucht en vaderlijke goedheid, welke zijn geestelijk bestuur zoo bijzonder kenmerkten; die liefde
â .154 â
leerde hem de middelen kennen , waardoor hij zijne geestelijkheid en zijn volk tegen den verderfelijken invloed van het zedebedervend en het geloof ondermijnend illuminatismus kon beveiligen , die liefde eindelijk was zijn steun, zijn troost en zijn kracht te midden der harde beproevingen, waarop zijn geloof en trouw zouden gesteld worden.
Hoe na de Kapel en in het bijzonder het Mira-kuleuze Beeld den Bisschop aan het harte lagen, blijkt uit de aanteekeningen der Mariaansche Broederschap. In 1777, den 12 Maart, wijdde Mgr. van Hoens-broek de nieuwe klok der Kapel, waaraan hij den naam gaf van Maria. Den 14 Juni van datzelfde jaar vaardigde de ijvervolle Bisschop, zeker met het doe! om de vereering in het Zand aan de hervormingswoede van keizer Jozef II te onttrekken, een gewichtig mandement uit, waarin de aloude vermaardheid van het Genadebeeld wordt bevestigd en van de buitengewone godsvrucht in de Kapel voor de Allerheiligste Moeder Gods de heerlijkste getuigenis wordt gegeven. Naar aanleiding dezer authentieke akte verleende Paus Pius VI vele nieuwe aflaten aan de bezoekers der Kapel en bekrachtigde de vroegere geestelijke gunsten van zijne doorluchtige voorgangers.
Ook de Mariaansche Broederschap vond in dien vurigen Mariavereerder een warm voorstander en beschermheer. Diep overtuigd van het groote nut door deze edelmoedige vereering gesticht, liet de godvruchtige Bisschop zich opnemen onder het getal harer leden en werd alzoo de ziel van alle goede werken, die in den loop der 18 jaren van zijn Bisschoppelijk bestuur tot eer en luister van Maria
- 155 -
en haar Heiligdom verricht werden. Gaf dit schoone voorbeeld eene nieuwe levenskracht aan de Mariaansche Broederschap, het naderend driehonderdvijftigjarig Ju-bilé der vereering van den Verborgen Schat in het Zand zou, trots alle hinderpalen van den keizerlijken hervormer , door dienzelfden aanmoedigenden ijver des Bisschops en de medewerking van volk en stadsbestuur, aan de wereld het verrukkelijk schouwspel ver-toonen van eene der heerlijkste triomfen voor de Mariavereering in de achttiende eeuw.
Om onzen lezers een denkbeeld te geven van de werkelijk grootsche feestviering bij gelegenheid van genoemd Jubilé, schrijven wij voor hen uit, wat van Beringen's Kroniek er van vermeldt:
1785. Den 15 Augustus vierde men het driehonderdvijftigjarig Jubilé van O. L. Vrouw in het Zand, en hetselve heeft geduurd tot den feestdag van de Geboorte, ingesloten de Octave. De geheele stad en de Capelderweg waren beplant niet lofdichten, areken en boomtjes, en ieder godvreezende ziel heeft zich verblijdt op dit feest; den toeloop van menschen is zoo groot geweest, dat deselve niet hebben geherbergt kunnen worden.
De aanteekeningen der Mariaansche Broederschap behelzen de volgende merkwaardige bijzonderheden, die van de hooge belangstelling des Pausen in de vereering van het Mirakuleuze Beeld getuigen:
âSijne Pauselijke Heijligheid Pius VI naerdat hij menigvuldige aflaeten . . . vergunt heeft, wenschende dat de Devotie tot de alderheijligste maget en moeder Godts Maria vermeerdert worde, verleent eenen vollen aflaet bij forme van Jubilé, voor alle Christi
â 156 â
geloovigen, die de konditiën als voorschreven vol-bragt hebbende in de Kapelle in 't Zandt devotelijk zullen bidden ter intentie als boven, eens te verdienen, van de eerste vesperen van den aenstaenden Feestdag van Maria Hemelvaert, tot de tweede vesperen van den Feestdag van de Geboorte derzelve alder-heijligste imget; waerbij, zoo zijne Pauselijke Heij-ligheijd als zijne Doorluchtigste Hoogweerdigheijd , Philippus Damianus tegenwoordigen Bischop van Ruremonde, eenige bezondere Privilegiën aan de Biechtvaeders hebben vergunt.quot;
Op welke wijze de Burgemeesters met de leden van den Raad der stad Roermond aan het verzoek der Mariaansche broeders, om deel te nemen aan de plechtige processiën, voldeden, hebben wij in de inleiding van dit gedenkschrift herinnerd. Zoowel het verzoekschrift als het raadsbesluit bewijzen, dat volk en magistraat met geestdrift bezield waren en om strijd tot den luister van het heuglijk jubelfeest bijdroegen. Wij kunnen niet nalaten eenige weinige regels uit ons vroeger meegedeelde raadsbesluit te herhalen :
De magistraet gesien dese (genoemd verzoekschrift) verklaert dat hetselve in corpore, op den voet als hier vermeldt, het Alderheijligste in de processiën met flambouwen sal vergeselschappen, belastende tot dyen alle de ampten binnen deese stadt, op de ge-woonelijcke maniere, hun in de geseijde processiën te laeten vinden, en insgelijck hetselve Alderheijligste met flambouwen gestichtelijck t'accompagneren.
Na zoodanige welsprekende getuigenissen, mag iedere verdere uitweiding van onzen kant overbodig heeten; immers hoe luisterrijk de versiering van de
â i 57 â
Kapellerlaan en de Kapel ook was, u treft als ons het meest van al de geest van geloof en liefde, die arm en rijk, geringen en voornamen deed samenwerken om der allen dierbare Moeder en Beschermster de hulde van dankbare liefde te brengen.
Roermond van 1885 getuige of Maria niet honderdvoudig die kinderlijke liefdeblijken van het Maria-minnend voorgeslacht heeft vergolden ! Roermond van 1885 mag met trots op die eeuw van voorspoed en bloei terugzien, ook al bleven der stad en haren Bisschoppen vele rampen niet gespaard, -â Roermond van 1885 heeft eene eeuw lang het geloof en de liefde zijner kinderen van 1785 ongeschonden mogen bewaren, is toegenomen in welvaart en roem, heeft zijn glorievollen Bisschopszetel herkregen. Laten de stad en haar burgers daarom bij het naderend jubelfeest aan geheel het Katholieke Nederland toonen, dat zij hunne liefderijke Patrones in 't Zand weten te vereeren, die voor hen honderd jaren wederom de bron is geweest van al die zegeningen!
Een innige voldoening voorzeker was het boven verwachting welslagen van het Jubilé voor het tee-derlievend vaderhart des vromen Bisschops, doch juist die vreugde deed hem te straffer het gemis, neen, de berooving gevoelen van eene talrijke schaar zijner meest geliefde kinderen. Wat hij duchtte, was, helaas, al te spoedig verwezenlijkt. De dood van de beminde keizerin Maria Theresia, 29 November 1780, scheen het sein voor de treurige reeks van kerkvervolgingen, waardoor de lichtzinnige keizer Jozef II, ter wille van zijn humaniteitshervorming, geheel Oosten-
- 158 -
rijk in diepen rouw stortte. Eene der eerste daden van zijn heilloos bewind was de uitvaardiging van een besluit, waarbij alle uitsluitend bespiegelende kloosterorden in zijn rijk werden opgeheven. Dat besluit van 30 October 1781 werd voor de eerste maal te Roermond toegepast in 1783. De Karthuizers, de Dominicanessen en de Karmelitessen vielen als de eerste slachtoffers van dien rampzaligen maatregel, weldra gevolgd in 1784 door de Kruisheeren, Franciscanessen, Augustinessen en arme Clarissen.
Is het wonder, dat Mgr. van Hoensbroek diep bedroefd was over het zwaar verlies, dat zijn Bisschopsstad leed door die ten hemel schreiende onrechtvaardigheid , gepleegd aan Godgewijde mannen en maagden? â En nog maar een begin van de jammeren was deze tweemaal herhaalde uitdrijving van arme en hulpelooze kloosterlingen ! Van de 16 kloosters, die Roermond in het jaar 1782 telde, bleven na vijf jaren slechts een viertal overig, die in 1793 hetzelfde droevige lot ondergingen van de zijde der Fransche revolutionairen.
Dat de keizerlijke koster, die het er niet bij liet om het aantal kaarsen, bij elke kerkdienst benoodigd, te bepalen, maar zelfs de heiligschennende handen uitstak naar het Allerheiligste, eenigen eerbied zou betoonen aan de Heiligdommen van de Moeder des Heeren, was nauwelijks te verwachten. Hem was de Mariavereering een overblijfsel van het domme bijgeloof der middeleeuwen, dat met alle kracht in zijn staten behoorde uitgeroeid te worden. Die uiting van het godsdienstig leven der Christenen stond der ware verlichting zijner onderdanen in den weg
â 159 â
en moest noodwendig, des noods met geweld, onder drukt!
Nog geen jaar na het overheerlijk Jubilé, den iO'Kn Mei 1786, vaardigde Jozef II het snoode bevel uit, dat jaarlijks slechts twee processiën naar het Zand mochten plaats hebben en bij die gelegenheid geen enkel beeld, zelfs niet het allen zoo overdier-baar Genadebeeld, mocht worden rondgedragen. Zwaar moest die goddelooze maatregel het godsdienstig gevoel der Roermonders schokken, diep hun de smadelijke beleediging grieven hunner Heilige Moeder en Beschermster aangedaan.
Schoon wij de oproerige daden niet rechtvaardigen willen, zoo blijft het toch zeer begrijpelijk, dat de burgers van Roermond zich aansloten bij de getergde Belgen, toen deze den verkrachter van hunne heiligste rechten, den verdelger van hun zedelijk en godsdienstig bestaan de gehoorzaamheid opzegden, de Oostenrijksche troepen en beambten over de grenzen joegen en de onafhankelijkheid proclameerden van den Belgischen Staat.
Was Roermond de laatste, die het gezag miskende van Jozef II, zij behoorde onder de eersten, die den kleinzoon van Maria Theresia, keizer Leopold II, weder huldigden als hun rechtmatigen Vorst. De vrijheid van Godsdienst werd hergeven, de oude rechten werden erkend, de vereering van O. L. Vrouw in het Zand herleefde andermaal. Den 20sten Juli 1792 hernieuwde Z. H. Paus Pius VI de vroeger aan de Kapel verleende aflaten.
Dan, helaas, het betreurenswaardig Jozefismus was slechts een voorbode geweest van een nog
â i6o â
gruwzamer vervolging'. Op het einde van 1792 waren reeds de troepen der Fransche republiek voor de poorten van Roermond doorgedrongen, zij trokken de stad binnen en met hen de tienjarige ondergang van alle staatkundige en godsdienstige vrijheid.
Wel bitter waren de beproevingen, die den kloekmoedigen Bisschop in de laatste tien jaren zijns levens rusteloos achtervolgden. In stilte mocht hij weenen over den treurigen staat, waarin het Jozefis-mus zijn Bisdom gestort had, zijn onvervaard optreden tegen de verslapping van tucht en zeden bewees voldingend, dat zijn geestkracht en ijver niet verminderden, al brak hem het hart van weedom. Neen , hij vleide zich niet met eene spoedige uitredding uit dien donkeren toestand, en de korte verademing na den dood van Jozef II was hem slechts eene lang verhoopte gelegenheid om door woord en voorbeeld, door gebed, en boete, zijne geestelijkheid en geloovigen voor te bereiden tot den veel zwaarderen kamp, die hem weldra te voeren stond. Wie het zich verhelen mocht, niet de vooruitziende Herder; ook in zijn Diocees, dit voorzag hij, zou het verzengend vuur der Fransche over-heersching veel onkruid verteren, door den menschen-vijand in den nacht onder de tarwe gezaaid.
Gelijk eenmaal Mgr. Lindanus tot heil zijner kudde gedwongen was, zich door de vlucht aan de wraak der bloedgierige geuzen te onttrekken, eenzelfde daad maakt het behoud van het geheele Diocees aan Mgr. van Hoensbroek tot een pacht. Fene vlucht uit wijze voorzichtigheid behoort ook tot de voorschriften, die de Heer aan zijne Jongeren gaf.
â léi â
Niet zoodra echter hadden de Oostenrijksche legers de zege bevochten en Roermond van den Sansculotte bevrijd, of Mgr. Philippus Damianus kwam zijne beproefde schapen troosten en sterken. Bij het zien van hunnen geliefden Herder vergaten allen het doorgestane leed en hoopten, door de voorbede van O. L. Vrouw in 't Zand, den onder krankheid en jaren gebogen grijsaard nog vele jaren in hun midden te bezitten.
God had het anders beschikt, God wilde den getrouwen dienaar van zijne Heilige Moeder de belooning schenken voor zijne grootmoedige toewijding aan haren dienst. Hij wilde den door lijden en vervolging beproefden en standvastig gebleken Bisschop de kroon der overwinning geven en riep hem tot zich in betere gewesten. Den 1311«quot; April 1793 overleed Mgr. Philippus Damianus van Hoensbroek, door allen als een vader betreurd en beweend, wiens gedachtenis nog heden in zegening is gebleven bij zijne dankbare stadgenooten.
De veertiende Bisschop van Roermond, die de kelk van smarten, door zijn apostolischen voorganger met bereidwilligheid aanvaard, ten bodem toe ledigde, wiens geheel Bisschoppelijk leven door harden strijd en zelfverloochening gekenmerkt werd, was Baron Johannes Bapt. Robertas Van Velde van Melroy.
Den 9d 11 Juli 1743 te Brussel ââ uit een der eerste geslachten van Zuid Nederland geboren â openbaarde de toekomstige Bisschop van Roermond reeds vroeg eene teedere godsvrucht en eene ongewone zielskracht. Beide kwamen den jongeling zeer te stade in de loopbaan, die hij na de voltooiing
tl
â 102 â
zijner rechtsstudiën volgens het verlangen zijner ouders betrad. Waarborgden naam, talent en kennis den jeugdigen advocaat de eervolste betrekkingen in een kort verschiet, Johannes Baptist versmaadde alle we-reldsche eer en roem om de roeping te volgen , die hij van kindsbeen gevoeld had, zich Gode en der H. Kerk toe te wijden.
Die met zulk een groot hart zoo edelmoedig een offer bracht, toonde bij voorbaat, dat hij als Priester, als Bisschop later voor de zwaarste offers niet zou terugschrikken. Dus begreep het de Mechelsche Aartsbisschop, die den offervaardigen Priester terstond na diens wijding in 1769 aan zich verbond en hem tot Provisor aanstelde van het Kapittel des H. Ru-moldus te Mechelen. Om zijn deugd en voorbeel-digen ijver, niet minder uithoofde zijner groote bekwaamheden, als Proost van het Metropolitaan kapittel ten tijde der beroeringen in België aan den dag gelegd, was Van Velde van Melroy voor keizer Frans II en Paus Pius VI de aangewezen persoon, die in de benarde tijdsomstandigheden het herderloos geworden Bisdom van Roermond moest besturen. Den 27ston Februari 1794 volgde de benoeming op de keuze.
Verhinderd in persoon dadelijk zijn gewichtig herdersambt te aanvaarden, gelastte Mgr. Van Velde den oudsten Kanunnik van het Roermondsch Kapittel, namens hem bezit te nemen van den Bisschopszetel. Eerst den 3dPn Juli van hetzelfde jaar kwam de nieuwe Kerkvoogd, die de Bisschoppelijke wijding nog niet had kunnen ontvangen, te Roermond en nam den zwaren last des bestuurs â des kruises mochten wij veeleer schrijvenâ met de meeste bereidwilligheid op zijne schouders.
â 163 â
Geen twee maanden had de medelijdende herder zijne ter neer gedrukte kudde mogen troosten en opbeuren, toen de gevreesde vrijheidmoordende benden andermaal uit het veroverde België naar Limburg oprukten. Gevolgd door de meesten zijner Kanunniken verliet Mgr. Van Velde Roermond en nam de wijk naar Dusseldórp, alwaar Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid den Augustus 1794 tot Bisschop geconsacreerd werd.
Het wapengeluk der Fransche Republiek dwong den Bisschop een veiliger schuilplaats te zoeken en hij vond die tot het jaar 1796 hoofdzakelijk in de sterke vesting Erfürt. Van daar dreef hem zijn herderlijke plicht andermaal naar de grenzen van zijn diocees, en ten einde zooveel mogelijk in de geestelijke behoeften zijner schapen te kunnen voorzien, vestigde zich Mgr. Van Velde in 1796 te Emmerik met ter woon en bleef van daar uit zijn Bisdom besturen tot op het oogenblik, dat Paus Pius VII in het afgeperste Concordaat met Napoleon toestemde, waarbij het Bisdom Roermond in 1801 opgeheven en in 1802 met het Luiksche Diocees vereenigd werd. Met bewonderenswaardige onderwerping droeg de edele Kerkvoogd deze bittere beproeving ;â had hij met voorbeeldeloozen ijver en doodsverachting, die hem den eerenaam van tweeden Lindamis terecht verwierven , het geestelijk welzijn zijner wreed bezochte diocesanen behartigd; had hij, om van de tallooze Priesters, die hij wijdde, niet te gewagen, in zes jaren tijds â de jaren 1796â1802 zijn nog meer welsprekend â meer dan EEN MILLIOEN geloovigen het H. Vormsel toegediend, als man des offers, minnaar des
â 164 â
kruises, gaf hij het zeldzaam voorbeeld in de vernedering volgens het oog der wereld een aanmoe-diging te vinden tot grooter krachtsontwikkeling en verhevener plichtsbetrachting; Primaat van Gelderland en Apostolisch Administrator was hij in den vollen zin des woords de Apostel van Limburg, Gelderland en Noord-Brabant, den Priesters in hunnen arbeid een medebroeder, den geloovigen een vader, beiden troostende en versterkende in geloof en in hoop door herderlijke brieven vol treffenden eenvoud en zalvende kracht. Als eerste Aalmoezenier van koning Lodewijk Bonaparte, wist hij door zijn invloed bij dien edelen vorst de vrije uitoefening van den Katholieken Godsdienst in Noord-Nederland op hechtere grondslagen , dan gelegd waren vóór weinige jaren, te doen vestigen. Napoleon, wiens wil de wet was voor Europa, ondervond echter dat, behalve een Paus, ook een Bisschop tegenover zijn staatsalmacht van wikken noch buigen wist, toen hij Mgr. Van Velde tot plichtverzaking wilde dwingen. Een harde gevangenschap in Frankrijk bekroonde de gehechtheid van den onverschrokken Bisschop aan den Pauseüjken Gevangene van Fontaineblau.
âMachtig in woorden en werken ,quot; rijk in verdiensten, âbemind door God en door de menschen,quot; overleed deze onvergetelijke Apostel den 22 Januari 1824 te Brussel. Op zijn uitdrukkelijk verlangen werd hij te Grave, waar hij het grootste deel van zijn apostolisch leven had doorgebracht, in de St. Elisabeths kerk begraven. Graaf Arnoud van Gelder en de laatste Bisschop van Roermond, beiden daar in het priesterkoor de verrijzenis der zaligen verbeidende I De eerste
â I65 â
nog niet vergeten in het hem eertijds door haar trouw zoo dierbaar geworden Roermond, na vijf eeuwen ruim nog voortlevende in de dankbare herinnering dei-burgers als hun weldoende heer, als de beschermer hunner rechten, de laatste graaf uit het Gqldersch huis âAdolf die zijn erfrecht had verbeurd â naast den laatsten Bisschop van âde edele staet van Ruremunde,quot; dien wij U als een der merkwaardigste mannen uit dien merkwaardigen tijd, als een der glorierijkste Kerkvoogden der achttiende eeuw poogden te schetsen.
Lmidemus vivos gloriosos, besluiten wij de herdenking der veertien Bisschoppen, die door den glans hunner deugden en daden den Roermondschen zetel hebben opgeluisterd. Verheerlijken wij die roemrijke mannen, onze geestelijke vaders tot in het verste geslacht. Een heilig erfdeel verzekerden zij hunne nakomelingschap; in vrede daalden zij in hunne graven, doch hunne namen leven van geslacht tot geslacht. Volkeren verkondigen hunne wijsheid en de Kerk verbreidt hunnen lof.
2gt;fij herinnert u, lezer, den voortreffelijkeri Kanunnik-Pastoor nog wel, dien wij u voorstelden als den ijverigen vereerder van het mirakuleuze Mariabeeld, als den vriend en bewonderaar van den herder-edelman, als den stichter der eerste Lieve Vrouw Kapel in het Zand? â Misschien hebt gij het ons euvel geduid, dat wij het laatste hoofdstuk besloten, zonder niet een enkel woord te gewagen van de jammeren, die Maria over hare stad en haar Heiligdom zag neerdalen, â vergun ons, in korte trekken een tweeden Kanunnik-Pastoor, een anderen Peuten te schetsen, wellicht dat gij ons van achteloosheid zult vrijpleiten en ten wille van het doel met het plan zult instemmen.
Niet alle Kanunniken van het Roermondsch Kapittel hadden met Mgr. Van Velde van Melroy de
â 167 â
vlucht naar Duitschland genomen; J. Matthei, tevens Pastoor der parochie, behoorde onder het klein getal, dat met vastberadenheid en onderwerping de gevolgen eener tweede verovering der stad door de Fransche revolutiehelden afwachtte.
Zware schattingen in geld en levensmiddelen waren de eerste vruchten , die de Roermonders van den vrijheidsboom, op de groote markt geplant, mochten plukken. Het was nog maar een voorspel van het eeuwenheugend drama, dat ook binnen hunne muren zou worden uitgevoerd. Kwijning van handel en welvaart, verarming en gebrek behooren ontegenzeggelijk tot de bittere beproevingen, waarvan alle standen der burgerij de heugenis dragen uit die jaren van vrije en gelijke broederschap, den zwaarsten rampspoed leden zij in hun godsdienstig leven. â De openbare godsdienstoefeningen, eerst bemoeilijkt, werden hun weldra verboden: voor het grootste deel waren zij van de genade der H. Sacramenten verstoken, of zoo zij de nood-zakelijksten niet geheel moesten derven, de toediening ging ter sluiks en met de grootste gevaren gepaard; de kerken en kapellen nog eenigen tijd geduld als een verzamelplaats, waar de geloovigen eenparig den Rozenkrans konden bidden, werden na weinig tijds geheel gesloten, of wat erger was ten dienste afgestaan aan beëedigdc priesters; de Kapel â pijnlijk hartswee voor Roermonds ingezetenen! â het Heiligdom in het Zand werd gesloten, neen geplunderd, ontheiligd, onteerd, â de religieuzen werden verjaagd, de priesters ten bloede toe vervolgd, zoo zij trouw bleven aan hunnen heiligen
eed____â Te midden van al die rampslagen pal te staan
als een priester en een herder uit de donkerste tijden
â 168 â
der eerste kerkvervolgingen â ziedaar het kenmerk van den eenvoudigen en nederigen pastoor Matthei.
De door zorg en lijden niet ter neergedrukte maar tot grooter ijver aangespoorde zielverzorger wist nog tijd te vinden voor een dagboek, dat aan het martyrologium der tweede eeuw herinnert. Wij leeren daaruit den man Gods in zijn apostolischen arbeid volledig kennen , hij ontwerpt daarin zijn eigen beeltenis zoo duidelijk en sprekend, dat wij onzen lezers het genoegen niet mogen ontzeggen, hun eenige treffende uittreksels uit die aanteekeningen mede te deelen.
In de maand Februari 1797 was een Fransche commissaris te Roermond aangekomen, om uitvoering te geven aan de wet der kloostersuppressie. Onder de drie gesloten kloosters behoorde ook dat der Franciscanen; Pastoor Matthei beproefde schier het onmogelijke om eenige dier kloosterlingen en hunne kerk voor het zielenheil der gemeente te behouden.
Op het versoeck der burgerije bij de fransche administratie is de kereke der paters Minderbroeders den 25 Februarius wederom geopent en toegelaten de goddelijke diensten in deselve te doen onder mijne directie en heb den 26 de eerste HoOghmis in de selve gedaen, geassisteert door twee Heere Vicarien der parochie met den te Dcnui lai/dauntsquot; . . . âde biechtstoelen heb ik laten bekleeden door drij paters Minderbroeders, twee paters heb ik gestelt in onse kereke om aldaer tot gerief der gemeente biechte te hooreq en eenen in het begijnhof.
Den 2 2sten Mei begon de priestervervolging met alle geweld, het was de eerste der tien dagen, waarna
â 169 â
alle dienstdoende geestelijken den eed van ontrouw aan hunnen plicht moesten zweren; hoort, hoe de trouwe herder zich en zijne schapen tot den strijd voorbereidt.
i Junius sijnde den thienden dag.... ten seven uere heb ik gedaan eene speciale Hooghmis, ten 9 ueren isser nog eene geschiet door eenen der H'B Canonicken, ten elf uere ben ick met de kinders die dat jaer hunne eerste Communie gedaen hadden naer de keicke gegaen alwaer sig oock bevonden de kinders van alle schooien met eenen seer grooten toeloop van menschen, en wij hebben aldaer eenpaerelijck den roosencrans gebeden voor het Alderheijligste, hetwelck is blijven uijtstaen tot naermiddag ten' drij ueren, sijnde precies den tijdt op wekken het decreet moest voltrocken sijn; naer dat de benedictie begeven was, is het Alder Heijligste in het tabernakel gestelt geworden, en daar en is niet eenen van de geheele clergie die de declaratie gedaen heeft.
De standvastige weigering des Pastoors tot het a^eggen van den gevorderden eed belette hem onder zware straffen de vervulling zijner herderlijke plichten. Ware zielenijver echter is vindingrijk in het zoeken naar hulpmiddelen. Hij had den slag voorzien en de noodige maatregelen genomen.
Om mijne parochie nogthans in het heijmelijck te voorsien, heb ick mij in mijne zaele eenen autaer doen alvoorens besorgen, en heb van dien tijdt af aldaer 111 stilte misse gelesen, gelijck ook in denselven bewaert het Aider Heijligste, met het vond-water en de toebereijdselen hier toe noodig om in alle geval mijne parochianen te connen helpen
Wij hebben Pastoor Matthei een tweeden Peuten
â 170 â
genoemd, gij verwacht dus in gemelde âzaelequot; nog eene andere kostbaarheid, â terecht want: â
in den selven was oock rustende het miraculeus Beeldt van O. L. V. in 't Sandt.
Kent gij nu het geheim van opofferende liefde, van grootmoedige toewijding aan de zorgen der parochie, van heldhaftige kloekheid en onbezweken trouw ? â Hij was een ware vereerder, meer nog de bewaker en verdediger van de H. Lieve Vrouwe in het Zand, de Priester door Maria uitverkoren om het heilig vuur harer vereering brandende te houden in hare stede. Verwondert het U nog wel, dat Pastoor Matthei bij al zijn bekommernissen geen oogenblik de belangen der Kapel uit het oog verloor? Den 26sten Juni van het rampjaar 1797 ontving hij door bemiddeling van invloedrijke vrienden eene korte wijle vergunning tot de openbare uitoefening zijner herderlijke functiën: wat denkt gij is zijn eerste werk? In zijne parochiekerk een heilig dankoffer opdragen , meent gij ; het laatste voorzeker volbracht hij het eerst, doch niet in de Sint Christoffel, daar celebreerde op zijn verzoek een der Hoogeerwaarde Heeren Kanunniken een plechtigen Hoogdienst met tc Dcum en
ten half elf heb ick â schrijft hij in zijne aan-teekeningen â eene diergelijcke Hoogmis gaen singen acn de Cape 11 c van Onsc Lieve Vrouwe int Sandt, vergeselschapt door eenen seer grooten toeloop des volks.
Hoe gaarne zouden wij hier aan ons gevoel willen lucht geven, om u de teedere liefde te schetsen van
â ijl â
dezen godvruchtigen herder voor de hem toevertrouwde kudde, maar gij verlangt geen uitvoerigheid, het treffende feit roept te luide in uwen geest de herinnering terug aan den vijfden Bisschop van Roermond, Mgr. d'Allamond, toen hij zijne door den brand in rouw gedompelde kinderen naar de Moeder van barmhartigheid in het Zand voerde, â en allen daar troost en redding vonden.
De hernieuwing en verscherping van het verbod om de pastorale bedieningen uit te oefenen nog geen maand na het ontvangen oorlof, brachten Pastoor Matthei op de gedachte buiten de stad in de nabijheid der Kapel op Guliksgrondgebied een noodkerk op te richten. Meermalen wezen wij op den wonderbaren samenloop van omstandigheden, waar het de vereering of de zegeningen gold van het mirakuleuze Beeld. En ziedaar thans dezelfde plaats aangewezen en gebruikt voor de oprichting der hulpkerk , waar vóór 400 jaren de nederige herder-edel-man zijne belofte aan de gezegende Moeder des Heeren volbracht, waar Wendelinus in dienst trad van den pachter van Muggenbroeck en terzelfder tijd het bevoorrecht werktuig werd , dat Maria had uitverkoren , om hare gunsten en weldaden over hare stad uit te storten. Dus moest dit verblijf zichtbaar geheiligd worden in de dagen van rouw, die over Roermond en zijn burgers gekomen waren , nadat het gedurende vier eeuwen schier vergeten was bij de wisselingen van tijden en gebeurtenissen.
Bewonderen wij nog een oogenblik den zielenijver van den vöortreffelijken Priester.
Op den 3llen September is aldaer den eersten dienst gedaen, van 's morgens ten half ses te beginnen tot elf ueren inclus sijnder missen geschiet alle uere eene, met eene solemneele Hooghmis tusschen bijde en 's avonds het lof met eenen seer grooten toeloop van volck. Daegs daerna heb ick oock aldaer misse gelcsen om dies wil dat ik dien eersten dag tot gerief van eenige mijnder parochianen, die dien weg niet genoegelijck conden maecken, in mijnen zael had belooft in het heijmelijck voor hun te lezen.... Den 8den deser sijnde den feestdag van onse Lieve Vrouwe geboorte heb ick in die nieuwe Capelle voor den eersten keer ten half thien 's morgens eene solemneele Hooghmis gedaen met groot musieck deser stadt, geassisteert door den seer Eerw. Heer Chn Borret, Pastoir van Herten als index, en twee Heere Vicarien deser Parochie ; naer het Evangelie heeft voorseijde Heere Pastoir van Herten eene corte maer zielroerende aenspraek gedaen aen het volck, hetwelck in eene seer groote meenigte dese plegtigheijdt bijwoonde gelijck oock 's avonds ten half vijf het lof, hetwelck ick gedaen hebbe geassisteert door deselve Heeren Vicarien; den toeloop van volck, hetwelck soo dien dag als sondags onder de Octave wanneer oock denselven dienst door mij en mijne assistenten geschiet is, (tegenwoordig was) , wiert omtrent ieder keer gerekent tusschen de twee a drij Duijsent men-schen. Den 8den dag wesende het eijnde deser Octave heb ick aldaer het lof gedaen geassisteerd door de selve H1'6 Vicarien met groot musieck, naer welcke den tc Dcutn is gesongen geworden om God te be-dancken voor het groot weldaedt aen ons bewesen, ons nog believende te verleenen eene plaetse om onse goddelijcke diensten te mogen oeffenen.
Zou ooit een octaaf der H. Moeder Gods wcl-gevalliger en voor de geloovigen van Roermond genaderijker geweest zijn? Zelden toonde zich de edele
â i73 â
stad meer waardig, de Koningin des Hemels als hare Patrones te bezitten.
Toch was het einde der vervolging nog verre, de godvergeten tirannen begonnen het jaar 1798 met nog gruwzamer heiligschennissen.
Den /Jen Februari kwam; het bevel, nadat reeds alle kerken en kapellen gesloten waren, om alle beelden en kapelletjes aan den openbaren weg, die, zooals gij u herinnert, in grooten getale in Roermond worden aangetroffen â te verwijderen of te verwoesten. Zelfs werden den 2isten Februari de Marechaussées naar de Kapel gezonden met den last, het Mariabeeld uit het klein kapelleken, aau den straatweg, te nemen, daar zij vermeenden, dat dit het wonderbeeld was. Aan welk eene onteering het genadebeeld ontkomen was door de zorgen van Pastoor Matthei, blijkt uit het lot, dat het geroofde Mariabeeldje trof. De lafhartige wreedaards trokken er in spotprocessie mede naar de stad en wierpen het onder godlasteringen bij zekeren Jan Keuken op het vuur. Het weerstond echter aan de vernielende werking der vlammen, want âniet verbrand zijnde, zoo lezen wij in de kronieken der Mariaansche Broederschap, âheeft de gemelde Johannes Keuken het wederom in stilte bij den coster Wolffhagen aan de kapel terug bezorgd.quot; Geen wonder, dat nog immer dit Mariabeeld een voorwerp blijft van bijzondere en groote vereering.
Een tweede gruwel volgde spoedig den eersten â-alles van eenige waarde in de genadekapel, altaar, preekstoel, orgel, priestergewaad en wat meer aanwezig was, werd op Palmzondag den isten April na den middag publiek verkocht. Eere en lof zij echtei'
â iU -
den omwoners der Kapel, die hun duur verdiende penningen vol liefde opofferden, om die goederen aan te koopen en ze later, toen het gevaar geweken was, volgens eene overeenkomst met de Mariaansche Broederschap, aan de Kapel in eigendom terug te geven.
Daar naderde eindelijk de lang gevreesde slag, de gevangenneming en deporteering der Priesters.
An0 1798 â lezen wij in het dagboek van Pastoor Matthei â an0 1798 heb ick tot den maendt Julius des selve jaer met mijnen onder pastoir en twee minderbroeders die ick daer voor gecommitteert had, nog in 't heijmelijck bij avonden en ontijden mijne gemeente bedient, totdat den 9 Julius, wekken dag-bestemt was om de geestelijcke te vatten en in heg-tenis te nemen, alhoewel sulcx aan niemant van ons bekent was, (ick) genoodsaekt ben geweest om de stadt en mijne parochianen te veriaeten; dien selven dag 's morgens geheel vroeg sijnder seven priesters, te weten drij minderbroeders en vier wereldlijcke priesters waeronder den pastoir van Montfoid, dooi de gendarmen gevat geworden, de andere hebbende altemael de vlugt genomen.
De volslagen onmogelijkheid om zijne parochianen ten dienste te kunnen zijn, de zekerheid, dat zijn gevangenschap en wegvoering hun leed nog ver-grooten zou , wettigden niet alleen die vlucht, maar verplichtten Pastoor Matthei zijne veiligheid in het buitenland te zoeken.
En het mirakuleuze Beeld? vraagt gij met bekommering. Wees gerust, de vurige vereerder zou het niet verlaten hebben, had er^ ook maar eenig gevaar voor ontdekking van dien kostbaren schat bestaan. Het rustte, tot betere tijden aanbraken, on-
der het ouderlijk dak des herders in de Marktstraat, waar hij zelf sedert zijne verjaging uit de pastorie had vertoefd. Gelukkige familie, die dien schat zoo langen tijd onder haar dak mocht herbergen!
In Duitschland zwierf de priesterlijke balling ruim twee jaren van stad tot stad rond , en al ontbreken ons de noodige bescheiden, wij mogen zonder overdrijving schrijven, dat het de zwaarste beproeving was, die hem in zijn leven bezocht had.
Napoleon's genie, dat in luttel jaren de revolutie aan zijn zegekar geketend had, onttroonde welhaast de speelpop der verdwaasde rede. De weergalooze glorie had zijne staatmanswijsheid nog niet verblind, hij begreep nog dat de vrijheid der Kerk de zekerste schuts is van den Staat en herstelde dus het grootste onrecht door de revolutie den godsdienst aangedaan â terugkeer der verbannen en gevangen onbeëedigde priesters en vrije uitoefening der kerkelijke bedieningen waren daarvan de gelukkige gevolgen.
Den 5dquot;gt; Maart 1800 vaardigde de eerste consul het decreet der schorsing van de wet betrekkelijk de onbeëedigde Priesters uit, doch eerst op Paasch-dag 1802, een jaar na het sluiten van het Concordaat, werd te Parijs de staatswet in werking gebracht, waardoor de vrijheid van openbaren eeredienst was gewaarborgd.
Pastoor Matthei was tegen het einde van October 1800 in zijn dierbare parochie teruggekeerd en is, zooals hij zelf schrijft:
aldaer verbleven, niet uijtgaende ten sij bij den avond en 's morgens heel vroeg om de noodige func-tiën ten opzichte van mijne parochianen te verrigten.
â 176 â
Onbeschrijfelijke vreugde moet het hart van dien trouwen herder vervuld hebben en niet minder in de opgetogen stad hebben geheerscht, toen de eerste openbare dienst in de hoofdkerk mocht gehouden worden.
Den 26 Augustus (1802) â verhaalt Ramaekers in zijne Kroniek â hebben wel 100 burgers de groote kerk helpen schoon maken en sieren. Den volgenden dag heeft de oude Pastoor Matthei vergunning verkregen van om 10 uren eene musijk-hoogmis te doen met te Dciun. Dien dag was een dag van groote vreugde voor de stad. 's Avonds was alles geillumineerd. Daarna hebben de priesters hunnen dienst weder gedaen als vroeger. Den 8 September heeft de Pastoor eene musijkmis gedaen in de Kapel.
Die laatste bijzonderheid teekent weder den groo-ten vereerder van het mirakuleuze Beeld, -â gij verwacht dan ook eene heerlijke eereboete aan de gezegende Patrones van Roermond: de 8'te September moest aan eene heuglijke gebeurtenis blijven herinneren. En zoo geschiedde het, de godvruchtige schrijver van âde Verborgen Schaf' vermeldt :
In het jaar 1802 den 8lt;ten September werd, de Godsdienst hier te land hersteld zijnde , met groote plechtigheid de Kapel weder geopend en het Wonderbeeld op zijne vorige plaats hersteld. In de maand November, kwam zijne Doorluch. Hoogw. Joannes Evangelista Zaepffel, Bisschop van Luik, deze Kapel bezoeken, en hield aldaar eene solemneele Hoogmis. Vele geloovigen met nieuwen ijver aangespoord en deel willende nemen in deze zoo lang gewenschte
- 177 â
herstelling, bragten allerlei versieringen en geschenken bij.
Toch was dit nog te weinig voor den ijver van Pastoor Matthei, hij rustte niet vooraleer de oude luister van de Kapel hernieuwd was en de vereering van het Genadebeeld haren ouden roem handhaafde. Tot dat einde slaagde hij er in de vermaarde Ma-riaansche Broederschap tot een nieuw leven op te wekken, droeg zorg dat het rectoraat der Kapel spoedig door een ijverigen Priester werd bediend, benoemde ter bevordering van haren bloei twee der vlijtigste leden der Broederschap tot kerkmeesters der Kapel en wist zelfs door zijn schoon voorbeeld vele gegoede Roermonders te bewegen om de prachtige kapellerlaan , waarvan de olmen door de Fransche bezetting waren omgehouwen, van de stad tot aan de Kapel met vier rijen lindeboomen te beplanten.
Hoe Maria uit den schoonen Hemel met welgevallen op haren trouwen dienaar neerzag, die in zijn grijsheid nog met jeugdige voortvarendheid aan den geestelijken herbouw van het gedenkteeken harer moederlijke liefde arbeidde! De lidteekenen van lijden en strijden mochten in diepe voren op het voorhoofd zichtbaar zijn, in den harden dienst van Jezus en Maria had de kloeke strijder ze ontvangen, ze waren zijn eer en zijn glorie in den zonnigen avond van zijn stormachtig leven, ze zouden hierboven erkend worden door den Koning der belijders, en de Ko-ninginne des Hemels zou ze versieren met de onsterfelijke kroon van verdiensten.
Gij stemt van harte met dezen vurigen wensch in, lezer, waardoor wij de kinderlijke gevoelens van
12
- 178 -
liefde en dankbaarheid vertolkten, welke de treurende harten van Roermonds Katholieken vervulden, toen hun veelbeminde herder, de onvergetelijke Pastoor Matthei in 1829 de drievoudige belooning ging ontvangen, den waren Priester, den moedigen Apostel en den vurigen Mariavereerder, in den Hemel weggelegd.
De Voorzienigheid Gods gaat over alles. Pastoor Matthei was de man van Gods Voorzienigheid in de lotsbestemming der Maria toegewijde stad Roermond. Als vriend en medehelper van Roermonds veertienden Bisschop, had hij den rampspoed van Mgr. Van Velde van Melroy gedeeld, had hij den luisterrijken zetel der Bisschopsstad in de dagen van rouw zien omfloersen,â als priesterlijke raadsman en beschermer van Joannes Augustinus Paredis : toen hij dezen eenvoudigen en veel belovenden jeugdigen Priester tot Rector zijner dierbare Kapel, tot bewaker van zijn veel dierbaarder Genadebeeld, tot bevorderaar der herlevende Mariavereering benoemen deed, bereidde hij op de waardigste wijze zijn opvolger in het herdersambt voor, bereidde hij voor dezen den troon, waarop nog heden de eerbiedwaardige Monseigneur Paredis als vijftiende Bisschop van Roermond zetelt.
Omnia per Mariavi, â wij kennen geen grooter lof, om den Altijddurenden Bijstand van Maria te prijzen en te danken, alles door Maria, de beproeving werd een loutering, het lijden een overwinning, het kruis eene kroon, â en Roermond herleefde, bloeide op, herkreeg zijn oude glorie en viert heden den schoonsten triomf van dankbare liefde.
Geen herhaling meer van de verontschuldiging, waarmede wij dit hoofdstuk begonnen , neen , maar een vraag en een wensch.
Roermond heeft zich te allen tijde gekenmerkt door eene onbegrensde liefdadigheid; in het verledene zagen wij de treffendste bewijzen en die heden iets meer dan ter loops de liefdadige stad bezoekt, ervaart, dat het tegenwoordige zich waardig bij het verledene aansluit. Maar wij vragen geen aalmoes, wij verzoeken een offer van dankbaarheid. Voor Roermonds vijftien Bisschoppen zal, wij houden ons overtuigd, een waardig gedenkteeken verrijzen, zij zullen bij de aanstaande feestviering de plaats innemen, die hun toekomt als beschermers der Lieve Vrouwe van het Zand. â Zou ook Pastoor Matthei geen aanspraak op eene dankbare herinnering mogen doen gelden?
In de bevestiging dezer vraag is tevens onze wensch begrepen.
Voor de eerste maal komt bij ons het verlangen op, dat een andere hand de voltooiing van dit laatste hoofdstuk ware toevertrouwd. Het waarom? ligt u op de lippen, wij willen dus ronduit verklaren, waarom ons de moed, niet de wil noch de krachten ontbreken. âPrijs den mensch niet bij zijn leven,quot; staat in de H. Schrift geschreven. Begrijpt gij, hoe moeilijk het valt de gulden middelmaat te houden tusschen verdiensten en lof, waar de grijze Kerkvoogd , dien God nog vele jaren spare, het geheele tijdperk beheerscht, dat ons nog te herdenken rest?
â i8o â
Niemand zou ons het overschrijden der grenzen euveler nemen dan de Bisschop zelf, die het landa post mortem in geheel zijn leven heeft uitgedrukt en desniettemin zoovele lofredenen heeft moeten aan-hooren. â Een ander dus steke nogmaals de loftrompet, wij willen trachten de geheele waarheid in eenen aan zijn Bisschoppelijk karakter passenden eenvoud te vermelden. Pater van Krugten gaf ons het goede voorbeeld.
Op den feestdag van Sint Augustinus 1795 werd Joannes Paredis te Bree, een dorp van Zuid-Limburg, geboren. Wij mogen niet onbescheiden den sluier opheffen, â we zouden u anders uit het dagelijksch leven van den negentigjarigen Kerkvoogd bijzonderheden kunnen meededen, die bewijzen op welk een prijs Zijne Doorl. Hoogwaardigheid een nederige geboorte en eenvoudige afkomst weet te schatten. Van kindsbeen tot de priesterlijke waardigheid als 't ware voorbestemd, kostte het den godvruchtigen ouders geen geringe offers, om hunnen zoon Joannes in de gelegenheid te stellen de voorbereidende studiën te kunnen maken en voltooien voor het heilig Priesterschap.
Dit jaar is het vijf cn zestig jaren geleden, dat Joannes Augustinus Paredis al zijn wenschen, moeiten en zorgen bekroond zag in het ontvangen der H. Priesterwijding. Het eerste tooneel van zijn priesterlijken ijver was Roermond; in hetzelfde jaar zijner wijding, 1821, werd Joannes Paredis den voortreffe-lijken Pastoor Matthei als Kapelaan toegevoegd. Wij twijfelen niet, of het voorbeeld en de leiding van dien bekwamen en zeer ervaren zielenherder zullen
het apostolisch vuur in het hart van den jeugdigen Priester hebben ontvlamd , gelijk de zesjarige omgang en medewerking met zulk een toonbeeld van priesterlijke en herderlijke deugden hem ruimschoots het gemis van een seminarie zal hebben vergoed. Behalve ijver en bekwaamheid moet de ondervinding-rijke Pastoor een werkdadige liefde voor Maria in Joannes Paredis hebben ontdekt, toen hij zijn jeugdigen Kapelaan het gewichtig rectoraat van de Genadekapel den isten Januari 1827 toevertrouwde. Rector Paredis beantwoordde volkomen aan de verwachtingen , die de Hoogeerw. Heer Matthei van hem gekoesterd had, en wij kunnen ons voorstellen, met welk een innige voldoening de edele grijsaard de blijde verrassing heeft genoten, die zijn rusteloos ijverende vriend hem bereid had, door de plechtige en feestelijke gedachtenisviering van het heuglijk feit, dat vóór 25 jaren de Genadekapel vol vreugde door Pastoor Matthei heropend was.
Gaarne voorzeker had de nederige Priester lange jaren in den onmiddellijken dienst van de Heilige Moeder Gods willen doorbrengen, gaarne zijne beste krachten aan den herlevenden bloei der Kapel en aan de uitbreiding der vereering van het Genadebeeld wenschen te besteden, doch de Bisschop van Luik bestemde Joannes Paredis , wiens herderlijke bekwaamheden hem geen geheim waren, tot opvolger van den nauwelijks te evenaren Pastoor Matthei â een taak zóo zwaar, dat het gewaagd mocht schijnen haar den vijfendertigjarigen Priester op te dragen. En toch gelooven wij, hadde Roermonds grijze herder de keuze mogen doen, hij zou den jeugdigen Pastoor
van Herkenbosch, waarvan de Bisschop den Rector Paredis een jaar tevoren de pastorale bediening had toevertrouwd, als zijn plaatsvervanger hebben aangewezen.
Den i id*n Mei 1830 hield Pastoor Paredis zijne intrede te Roermond. Wat hem daarbij zeker wel het meest zal getroffen hebben, was het bewijs van dankbare vreugde, dat den beminden Oud-rector bij zijn dierbaar Heiligdom wachtte.
Aan de Kapel van O. L. V. in het Zand â lezen wij in het verslag dier feestelijke intrede â werd de nieuwe Herder door de bewoners aldaar op het heerlijkst bejegend onder eenen Triumfboog zeer sierlijk in het groen bewerkt.
Een tijd van verdeeldheid en tweedracht, van opstand en oorlog, brak in die dagen voor het ver-eenigde koninkrijk der Nederlanden aan. België scheurde zich van Noord-Nederland af; ontevredenheid was tot oproer gestegen, onwil en miskenning van beide zijden joegen burgers van een zelfde rijk tegen elkander in het harnas, de lang smeulende vonk van rassen- en geloofshaat, aangewakkerd door eene geestdrijvende staatkunde, sloeg over tot een laaie en de revolutie van het jaar '30 met haar tien-daagschen veldtocht was het begin van een oorlog, die ons vaderland onvruchtbare zegepralen, België daarentegen de zoo vurig begeerde onafhankelijkheid aanbracht.
Indien wij daaraan herinneren, het is omdat Limburg, zelfs nadat het eene provincie van ons koninkrijk geworden was , zoo lange jaren de bittere naweeën van dien treurigen strijd heeft ondervonden,
- 183 -
het is omdat de tegenwoordige Bisschop van Roermond er in geslaagd mag heeten, veel tot slechting van den scheidsmuur tusschen Noord en Zuid te hebben bijgedragen.
Dit groote werk, waaraan Mgr. Paredis 60 jaren met den gelukkigsten uitslag heeft gearbeid, ving hij aan in het eerste jaar zijner pastorale bediening te Roermond. Uitgaande van het beginsel, dat goede Katholieken ook goede burgers zijn, waren zijne eerste zorgen aan de godsdienstige opvoeding zijner parochianen gewijd. De godsdienst moest vrede en eendracht stichten in de opgewonden gemoederen en alle partijschap uitroeien. Daarna volgden de wetenschappen en kunsten, regeling van seminariën , oprichting van collegiën en scholen, waarvan de weerga schaars in ons vaderland gevonden wordt. Dit trok allengs de aandacht van Noord-Nederland. Niet alleen de Katholieken der Noordelijke provinciën zonden hunne zonen en dochters naar de Limburgsche inrichtingen van onderwijs, ook andersgezinden begonnen belang te stellen in de kostbare strook lands, die het Zuid-Oosten van Nederland scheidt van Duitschland, de oudheidkundige schatten door Limburgsche archeologen ontdekt en beschreven, de schoone natuur van Zuid-Limburg door Limburgsche schrijvers in sagen en romancen wereldkundig gemaakt , lokten geleerden en touristen derwaarts, en na weinige jaren voltooide de faam, wat recht en billijkheid vorderden. Zoo er voorheen veeten en vooroordeelen bestonden, ze behooren thans tot het verledene. In dertig jaren is Limburg bij behoud van oorspronkelijk karakter geheel van aanzien veranderd,
â 184 â
het Katholicismus bloeit er naast handel en nijverheid, vooruitgang in zielental heeft gelijken tred gehouden met ontwikkeling en beschaving , evenals het verkeer te land en te water vele nieuwe bronnen van welvaart opende. Een bloeiende en welvarende provincie van Nederland werd Limburg tijdens het geestelijk bestuur van den thans negentigjarigen Bisschop van Roermond.
Vele der middelen, waardoor Mgr. Paredis zijn levensdoel mocht bereiken , konden wij slechts ter loops aangeven, een breedvoeriger beschouwing ware in dit gedenkschrift misplaatst, het hoofdmiddel echter, dat wij op de eerste plaats noemden, eischt een wijdloopiger behandeling.
In het jaar 1830 en de tien volgende zijne parochianen op te wekken tot een werkdadig godsdienstig leven, was, zooals wij bereids met redenen staafden, eene zeer zware taak, waarvoor groote hoedanigheden en groote bekwaamheden vereischt werden. Pastoor Paredis bezat beide en op welke wijze, meent gij, wendde hij die gaven aan ? Door het werk des vredes te vereenigen met een ware godsvrucht tot de Allerheiligste Patrones zijner gemeentenaren. Dezen weg hadden sedert vierhonderd jaren al zijn voorgangers betreden , en hunne pogingen waren immer door de heerlijkste uitkomsten bekroond; hun eerbiedwaardig voetspoor volgend zou ook Pastoor Paredis rust en eendracht weldra in zijne gemeente zien wederkeeren.
Eene zijner voornaamste zorgen was daarom de vereering van O. L. Vrouw van 't Zand binnen en buiten Roermond aan te vuren, en geer. moeite was hem te veel om de godsvrucht tot het Genadebeeld
- 185 -
te verspreiden. Niet tevreden met de gewone pro-cessiën en jaarlijksche octaven van Maria Hemelvaart en Maria Geboorte feestelijk te vieren, verzuimde de volijverige Mariavereerder geen enkele gelegenheid , die zich aanbood, om door luisterrijke feestvieringen Roermond aan de dankbaarheid te herinneren, die de bevoorrechte stad in duizend ontvangene weldaden der genadevolle Moeder van het Zand verschuldigd is.
Een dier blijde vredefeesten, zeker het schitterendst, waarvan het Zand sedert 1785 getuigen mocht zijn, was het Jubilé van 400 jaren in 1835. Dat jaar namelijk gold als het meest waarschijnlijk tijdstip, waarop de openbare vereering van het mirakuleuze Beeld vóór vier eeuwen begonnen was. Bijgestaan door den Rector der Kapel, den Eerw. Heer H. Janssen van Son en de Mariaansche Broederschap, liet de inmiddels tot Deken bevorderden Pastoor van Roermond geen poging onbeproefd voor het welslagen van het grootsche huldebetoon aan Roermonds verhevene Patrones. Met woord en daad ging de onvermoeide herder zijne parochianen voor in het maken van toebereidselen voor het groote feest; om hen nog meer aan te moedigen, maar bovenal om hen aan de rijke vruchten van het Jubilé meer deelachtig te doen zijn, had hij door bemiddeling van den edelen en godvruchtigen Bisschop van Luik, Mgr. Cornelius van Bommel, van Z. H. Paus Gregorius XVI een gedurende dien heiligen tijd te verdienen vollen aflaat verkregen.
Wij mogen de herinnering aan dat vierhonderdjarig Jubilé niet voorbijgaan , zonder hierbij het verslag uit van Beringens kroniek te hebben bijgevoegd.
â 186 â
Immers wij schrijven de Gedenkschriften van Haar, die toen zoo hoog vereerd werd. Ja, Roermond handhaafde zijn ouden roem.
Het Jubilé is begonnen â lezen wij in genoemd verslag â op den vooravond van Onse L. Vrouwe Hemelvaert en geëindigd op den feestdag van Onse L. Vrouwe Geboorte. Tot lof der inwoonders van Roermond moet ik bekennen, dat de geheele stad is beplant geweest met dennenboomen, met eere-boogen, met croonen, schilderijen en andere vertooningen , met honderde jaerdichten, inschriften, gedichten en spreuken soo in het latijn , fransch , nederduitsch en hoogduitsch. De geheele weg van de Capel, beginnende van de eerste boomen aen de stad tot de laetsten aen de Capel, was verciert met eerebogen, festons, en lofdichten, alles op het prachtigste. De onkosten soo van op den Capellerweg, als rond in de stad, sijn betaeld door de inwoonders van Roermond. Gedurende de eerste acht dagen sijn de missen aan de Capel begonnen 's morgens om vijf uren en hebben geduurt tot middag; des namiddags om vier uren was er preek buiten de Capel onder de linde. Op den achtsten dag heeft sijne Doorluchtige Hoogw. Heer Cornelius van Bommel, Bisschop van Luik, het sermoon gedaen en ook het Lof. De toeloop van menschen gedurende dit Jnbilc is soo groot geweest, dat wel 200,000 menschen zijn hier geweest.
Wilt gij een verder bewijs , dat de kloeke en wijze zielenherder met kracht wist door te tasten ter bereiking van het echt apostolisch doel, waarnaar Deken Paredis met alle krachtsinspanning streefde, â het bewijs van zijn doorzicht en beleid, om het goede zaad, tijdens het Jubilé in de harten zijner gemeentenaren gestort, te doen ontkiemen en te doen op-
wassen tot een boom, die vruchten droeg van een degelijk godsdienstig leven?
Een der eerste Missiën, door de Paters Redemptoristen in ons vaderland gehouden, werd op verzoek van den Hoogeerw. heer Paredis een half jaar na het Julnlc van 2 tot 15 Maart 1836 in de Parochiekerk van Roermond gegeven. -â Ouden van dagen herinneren zich nog den onbeschrijfelijken indruk, dien de boetpredikers, gelijk het volk zoo juist die apostolische mannen noemt , bij de vele duizenden, van alle zijden toegestroomd, achterlieten. De vernieuwing der Missie gedurende de Octaaf van O. L. V. Hemelvaart deed de vruchten rijpen, die kortelings tot wasdom gekomen waren, en Roermond van 1836 weid nimmer weer, wat het was in den jare 1830.
Een stroom van zegeningen daalde ook op de betrekkelijk jeugdige Congregatie van Sint Alphonsus neder bij het sluiten dier heilige oefeningen in de herlevende Mariastad. Bereidde de komst van den beroemden Pater Bernard met zijne vier waardige medebroeders den herbloei van het religieuze leven in het kloosterrijke Roermond der vorige eeuwen, de Moeder van genade had hunne Congregatie in de toekomst een nog grooter voorrecht toegedacht. Zij zouden de uitverkorenen zijn voor den zoeten dienst der H. Moeder Gods in 't Zand; bestemd om de glorie van haar Wonderbeeld te vergrooten en wijder te verspreiden^
Zouden wij thans eene opsomming kunnen houden van al hetgeen de Hoogwaardige Deken Paredis tot heil zijner gemeente en nog ver daarbuiten tot
â i88 â
stand bracht, wij achten die moeite na het boven vermelde geheel overbodig; wij meenen echter verplicht te zijn in een paar trekken den herder te moeten schetsen vóór zijne verheffing tot de prinselijke waardigheid van Bisschop en ontleenen daartoe eenige keurige dichtregelen aan den lierzang van den Missionaris, den Eerw. Heer L. van Roosmalen, bij gelegenheid der H. Bisschopswijding van Mgr. Pa-redis voorgedragen en later met eenige andere lofdichten ten voordeele der armen uitgegeven. â Gansch Roermond treedt als getuigen op van al het goede, door den voortreffelijken Pastoor binnen zijne wallen gesticht:
Getuig het arme man, getuig het stille woning, Getuig het jong en oud. â Geen veld, geen huis,
[geen stulp,
Die, met de grootste dankbetooning,
Niet tuigt van zijne trouw en hulp.
Daar, waar de schamelheid haar leed den wanden kermde, Was Hij 't tot in de ziel begaan met haren nood. Die over haar zich mild ontfermde
Door troost en zich onttrokken brood.
Ginds, waar in d'afgrond van ellende
't Beneveld brein geene uitkomst zag.
Liep op zijn woord de nacht ten ende,
En lachte weer de blijde dag.
Getuig, o grijze stad! Getuigt gij, duizendtallen,
Die in uw prille jeugd zijn lessen hebt gehoord, Hoe Hij steeds alles was voor allen
Door eenvoud, liefde, zorg en woord.
â 189 â
Zóó groot was Hij voor u vóór dezen,
Sinds Hij u, als zijn schapen , hoedt;
Hoe groot zal Hij dan u niet wezen,
Nu gij in hem uw Bisschop groet!
Inderdaad den 3osten Juni 1841 ontving de hoogvereerde Deken en Pastoor door de handen van Z. D. H. Mgr. Wijckerslooth van Schalkwijk de Bisschoppelijke zalving. Limburg was door Z. H. Paus Gregorius XVI den 2drn Juni 1840 van het Bisdom van Luik afgescheiden, tot een Apostolisch Vicariaat verheven en den 24slel1 November daaropvolgende werd de Hoogeerw. Heer Paredis met den titel van Bisschop van Hirene i. p. i. tot Apostolisch Vicaris benoemd.
Gelijk het pastorale ambt voor Mgr. Paredis eene voorbereiding geweest was tot de hoogere kerkelijke bediening van Apostolisch Vicaris, evenzoo werd deze laatste zijne oefenschool voor nog hoogere verheffing: â bij bulle van 4 Maart 1853 herstelde Paus Pius IX het aeloude Bisdom van Roermond, als kerkelijke provincie deel uitmakende der kortelings opgerichte Bisschoppelijke Hierarchie van Nederland, en stelde Mgr. Joannes Augustinus Paredis aan tot vijftienden opvolger van Bisschop Lindanns.
Slechts noode worden wij teruggehouden binnen de grenzen, die ons gesteld zijn, eensdeels door den aard van ons geschrift, maar vooral door de bescheidenheid. Want zoo ergens in den loop onzer herinneringen gelegenheid zich aanbood om den luister van den Roermondschen zetel te doen uitschijnen, het ruim tweeëndertigjarig episcopaat van den nog
â tgó â
levenden Bisschop verschaft overvloedige stof tot verheerlijken.
âIndien ik roemen moet,quot; zegt de H. Paulus, âdan zal ik roemen op mijn zwakheden.quot; Maar die nederige erkenning des grooten Apostels was geen zwakheid; integendeel, macht en grootheid, zij was de sterkte Gods want van alle deugden grondslag en bewaarster bevruchtte zij het apostolaat in gevaren en vervolgingen, in bekommernis en lijden, in leven en dood. Dat was zijn roem; zijn zwakheid was âde kracht van het Kruis des Heeren.quot; â /« cruce salus â alle heil is het kruis, het woord kenmerkt de zaakj de spreuk des Bisschops. Met God had de Apostolische Vicaris zijn zwaren last van het bestuur aanvaard , Auspicc Deo, in het Kruis zou hij de kracht vinden het heil der hem toevertrouwde kudde van Jezus' schaapstal te bewerken. â hi het Kruis, maar âbij het Kruis stond de Moeder van Jezus,quot; van het Kruis gaf de stervende Heiland ons Maria tot Moeder. Door Maria wilde de vrome Bisschop dan ook het doel bereiken, dat hij als eenvoudig Priester reeds voor oogen had, dat hij als Rector der Genadekapel nauwkeurig leerde * kennen , als Pastoor in zijn gemeente had ten uitvoer gelegd, â het geheele Diocees op te wekken tot een werkdadig godsdienstig leven en daardoor het eeuwig en tijdelijk welzijn van Limburg te bevestigen.
Mgr. Paredis mocht dit werk des vredes bekroond zien, zeiden wij boven, behoeven wij er bij te voegen, dat het slagen den Bisschop geduld, zorgen en vele kwellingen kostte? In het Kruis zou hij geen heil gezocht, veel minder gevonden hebben, wanneer de
â 191 â
zwakheden van den Apostel niet ook zijn roem, zijn deel geweest waren. Kunnen wij hier niet in bijzonderheden treden, wij mogen het wèl bij zijne werk-dadige liefde tot Maria.
Bij zijne zorg âveler kerkenquot; bleef de nederige Kapel in het Zand eene eerste plaats innemen. Met kinderlijke liefde had hij immer het Genadebeeld vereerd, hij had ervaren dat van daaruit alle gunsten en weldaden over zijne voormalige parochie , alle zegeningen over zijn apostolischen arbeid waren neergedaald, was het niet billijk dat hij als Bisschop bescherming en hulp verwachtte van de machtige Pa-tronesse zijner mijterstad? â was het te verwonderen, dat hij zijn uitgebreide macht en invloed dienstbaar maakte aan de verbreiding der vereering van het mirakuleuze Beeld in het Zand?
De Mariaansche Broederschap had opgehouden te bastaan, geen oogenblik toefde Mgr. Paredis om den j^Jen juii 1854 die van O. L. Vr. van Salette, onder den titel van Bijstand der Christenen, in de Kapel op te richten. En in persoon leidde de Bisschop bij die gelegenheid de plechtigheden.
Een ander monument van zijne werkdadige liefde tot de Allerheiligste Maagd. â Op den altijdgedenk-waardigen 8sten December 1854 sprak Zijne Heiligheid Paus Pius IX het leerstuk uit van Marias Onbevlekte Ontvangenis. Geheel de Katholieke wereld was opgetogen van vreugde en alom rezen gedenk-teekenen ter verheerlijking dier lang verhoopte en vurig verbeide verklaring. Mgr. Paredis deelde niet minder in de ware geestdrift van zijne Bisschoppelijke ambtsbroeders: ook hij stichtte een monumentaal
â¢â 192 â
herinneringsteeken, niet in goud of zilver, noch in hout en steen, â de groote vereerder der Onbevlekte Ontvangenis stelde zijn Bisdom onder de bescherming, ja, wijdde het toe aan de Onbevlekte Moeder Maagd.
Per Mariam ad salutcm, deze was de levensspreuk geweest der veertien Roermondsche Bisschoppen , daaraan getrouw, hebben zij zooveel groots en goeds tot stand gebracht, deze was de leidende gedachte bij al hunne ondernemingen, deze het geheim van hunne deugd , grootheid en verdiensten. Dunkt het U niet, lezer, dat de vijftiende Bisschop van Roermond zich op de waardigste wijze bij die uitgele-zene rij van roemrijke Kerkvoogden aansluit ? Allen waren warme vereerders der Allerheiligste Maagd, vurige ijveraars voor de uitbreiding van de vereering hunner Hemelsche Patrones, trouwe bewakers en beschermers van den kostbaren Schat, door Maria aan hunne zorgen opgedragen. Mgr. Paredis , die langer dan een zijner doorluchtige voorgangers den Bisschoppelijken zetel mocht opluisteren, die, wel is waar, noch de vervolging van Mgr. Lindanus gekend, noch de rampen van Roermond als Mgr. dAllamont ondervonden, noch de beproevingen gedeeld heeft van Mgr. Van Velde van Melroy, â Mgr. Paredis, wien meer dan een dezer tijd en omstandigheden gunstig waren, heeft ook meer dan een der vorige Bisschoppen tot de glorie van Maria in de verheerlijking van haar Wonderbeeld bijgebracht.
Wanneer wij in de laatste jaren het aantal pelgrims naar het Zand hebben zien verhonderdvoudigen, wanneer niet enkel uit Limburg de vereerders van
â »93 â
het Genadebeeld ter beêvaart opgaan, maar uit de verst verwijderde oorden van ons vaderland , uit Duitschland, België en Frankrijk bij het Mariaheilig-dom in het Zand samenstroomen, wanneer wij de eenvoudige Kapel in een juweel van kerkelijke kunst herschapen aanschouwen en van den luister getuigen mogen zijn, waarmede de Godsdienstoefeningen en de processiën, Jezus en Zijner Heilige Moeder ter eere, gepaard gaan, â dan vinden wij daarin den ruste-loozen ijver van den Marialievenden Bisschop, die in zijne wijze voortvarendheid met het oude brak om door het nieuwe iets beters te stichten, die, het rectoraat van den Zeereerw. Heer Veltmans , bij den geheel vrijwilligen afstand zijner betrekking, opdroeg aan de Eerw. Paters Redemptoristen en dezen met de zorg vereerde voor het mirakuleuze Beeld en zijn Genadekapel.
Van 24 Juli 1863 dagteekent de vestiging van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers aan de Kapel van het Zand; van 15 Maart 1864 de eerstesteenlegging van het nieuwe klooster daar ter plaatse. In de maand Mei van laatstgenoemd jaar werd de Broederschap van O. L. Vr. van Salette vervangen door eene meer aan de plaats overeenkomstige, dat van Maria Behoudenis der Zieken.
Nauwelijks was het klooster zoover gereed, dat het den i3ten Maart 1866 door de Paters Redemptoristen kon worden betrokken, of terstond werd de hand geslagen aan de keurige restauratie van de Genadekapel. Als wij zeggen, dat de beroemde architect P. J. H. Cuijpers daarmede belast was, dan mogen wij ons vrij van alle nadere beschouwingen onthou^
13
â i94 -=â¢
den, dan zult gij, lezer, zoo gij het geluk nog niet smaaktet voor die bron van genaden neer te knielen, bij uw eerste bezoek gedurende het aanstaande Ju-bilé zonder twijfel met ons instemmen, dat de fijnste kunstsmaak bij deze restauratie heeft voorgezeten.
Corona au re a super caput ejus â â waren de tekstwoorden van de treffende feestrede, door den Hoog eerw. Pater P. Oomen , Provinciaal der EE. PP. Redemptoristen van Nederland, uitgesproken bij gelegenheid der Pauselijke kroning van het mirakuleuze Beeld. Vijf en zeventig jaren namelijk waren verloo-pen sedert de feestelijke heropening der Kapel in het jaar 1802; vijftig jaren was het geleden, dat â gelijk wij vroeger herdachten â⢠de ijverige Rector der Kapel, de Weleerw. Heer Johannes Augustinus Paredis , op plechtige wijze de vijfentwintig jarige gedachtenis vierde dier zegenrijke gebeurtenis, kon het anders dan dat met allen mogelijken luister dit blijde herinneringsfeest zou plaats vinden? En wat kon eigenaardiger zijn, wat vooral meer overeenkomstig met de dankbaarheid voor de tallooze weldaden, gedurende het drievierde dezer eeuw door de voorspraak van Maria en de vereering van haar Wonderbeeld verworven, dan in eene kroning, als alleen aan de vermaardste Mariabeelden ten deel valt, der liefdevolle Patrones de hulde te brengen van dankbare wederliefde ?
Het was eene aangename verrassing, die de Eerw. Paters zijner Doorluchtige Hoogwaardigheid bereid hadden, toen Mgr. Paredis in de maand Juli de Pauselijke Breve mocht ontvangen, waarbij Z. H. Paus Pius IX den Bisschop van Roermond mach-
â 195 -
tigde het Wonderbeeld in naam des Pausen op den 15 Augustus of den Zondag daaropvolgend te kronen. De aanhef der Breve is den grooten Verheerlijker der Onbevlekte Ontvangenis waardig; â hij luidt aldus:
Wij vereeren uit ganscher harte Gods heilige en altoos maagdelijke Moeder Maria, wier veelvermogende hulp Wij reeds zoo menigmaal mochten ondervinden. Ook beijveren Wij ons , zooveel Onze zwakke krachten vermogen, Haar door de geloovigen dagelijks meer en meer te doen vereeren en dienen. Wij laten daarom geen enkele gunstige gelegenheid voorbijgaan, om de eer te bevorderen, die aan deze hemelsche Patrones zelfs hier op aarde zoo rechtmatig toekomt.
Corona au re a super caput ejus. Door op het Genadebeeld de dubbele gouden kroon te plaatsen, bekroonde de grijze Bisschop het werk des vredes, dat hij onder de voorbede â onder ingeving durven wij schrijven â onder ingeving der gezegende Moeder Maagd had aangevangen en met den bijstand van Maria voltooien mocht. Een krans , meer waard dan goud en edelsteenen had hij gevlochten om het gebenedijde hoofd der onvolprezene Moeder van schoone Liefde , eene krans van gouden deugden en daden, omzet met vijftig van de kostbaarste juweelen, de verdiensten vertegenwoordigend van even zooveel jaren apostolischen arbeids.
Deze luisterrijke feestviering, die alle vroegere in de schaduw stelde, strekte allen, dis tot het welslagen daarvan medewerkten, tot eere. Roermond toonde op dien gedenkwaardigen negentienden Au-
â 196 â
gustus van het jaar 1877, dat niets zijn geestelijken en burgers meer ter harte gaat dan de verheerlijking hunner Hemelsche Moeder en Beschermster.
143S--1885, wat al wisselingen, wat al rampen, wat al zegeningen heeft de stad Roermond in die vierhonderdvijftig jaren ondervonden! Vigcus, ardens et rcnasccns betitelde 's Konings Raadsheer, Wilhelmus Van Blitterswijck, in 1666 zijn treurdicht op de door den brand verwoeste stad. Wij zouden geen juister motto den aanstaanden geschiedschrijver van Roermond voor zijn historieboek aan de hand kunnen doen , omdat het bij uitnemendheid eene stad is, die sedert hare grondvesting sterk was door burgertrouw en geloofsmoed, vigcns; vier eeuwen lang geteisterd werd door elkander opvolgende rampspoeden , ardens; nimmer versaagde, nimmer zijn adeldom verloochende en uit iedere beproeving altijd nieuwe krachten putte tot heldhaftiger weerstand, altijd uit de asche van stoffe-lijken en zedelijken brand tot een nieuw en roemvoller leven verrijzende â et renascens. â Wij poogden, de oudste oorkonden raadplegende, die treffende merkwaardigheden in het licht te stellen, in hoeverre wij doel troffen, beslissen ervarener historieschrijvers. Doch diezelfde gedenkstukken wezen ons op de geheimzinnige macht, op de bovennatuurlijke oorzaak, op de Hemelsche Bron, waaruit de levende wateren stroomden, die vruchtbaar maakten wat ten halve verdord was, het verzwakt geloof versterkten, de stervende hoop verlevendigden, de kwijnende liefde bezielden, den moed schraagden, het zelfvertrouwen opwekten en de aldus herboren burgers tot heldhaftige
â 197 â
verdedigers herschiepen van hun godsdienst en hun vorst.
Behoeven wij te herhalen, wat iedere bladzijde van dit boek staaft, wat het onderwerp uitmaakt van ons gedenkschrift, dat Maria die bron en oorzaak en macht is? Dat Roermond te allen tijde, onder alle omstandigheden, de zichtbare bescherming genoot dier Hemelsche Koningin?
Wij , Katholieken, die in Maria de volheid van Gods genaden verheerlijken, in de Moeder van Jezus meer zien dan het eerste en verhevenste schepsel, meer dan de heiligste onder alle uitverkorenen Gods, â wij belijden in de Moeder Gods de Moeder der menschen, hunne Middelares en voorspraak bij den richtenden Koning van Hemel en aarde, de door Christus aangestelde Uitdeelster van alle genaden, â wij gelooven aan het ondoorgrondelijke raadsbesluit der Heilige Drievuldigheid, waardoor Maria werd uitverkoren tot medewerkster van het ontzaggelijke Verlossingswerk.
, Scio cni crcdidi. ja wij weten, waarom wij Maria, meer dan aan alle Heiligen, na onzen Aanbiddelijken Verlosser, de hoogste eer bewijzen; wij weten dat de geheele Kerk, dat ieder onzer aan hare moederlijke zorgen is toevertrouwd; wij kennen de sterke Vrouw, die alle scheuringen en ketterijen heeft verdelgd, de teedere Moeder, die alle wonden der Kerk heelt; de machtige Hulp in alle lijden, de zekere Troost in alle droefheid, de Redster uit alle gevaren, de altijd blijvende Hoop van alleongelukkigen. Geen woorden, o Maria, kunnen uwen lof naar waarde verkondigen, alleen het hart uwer vereerders kan uwe liefde vertolken !
â 198 â
Limburg, neen geheel Nederland mag trotsch gaan, mag zich verheugen op het bezit van een stad, waarin de macht en de liefde van Maria zich zoo wondervol openbaarden. Verdient ieder oord van ons vaderland, waar de Allerheiligste Maagd op meer bijzondere wijze de schatten van hare liefde uitdeelt, onze dankbare vereering. Roermond, waarvan iedere steen de wonderen predikt der nooit volprezene Pa-tronesse, het Heiligdom in 't Zand met het miraku-leuze Beeld der Heilige Moeder Maagd, eischt van iederen Katholieken Nederlander eerbiedige bewondering , vraagt van elk onzer de bewijzen van kinderlijk vertrouwen , de hulde van dankbare liefde. Het kroningsfeest behoorde der stad Roermond in meer beperkten zin , het vierhonderd en vijftigjarig Jtibilê der openbare vereering van Maria's Genadebeeld is het feest bij uitnemendheid van het Mariarninnend Nederland.
'435â1885. En nu, godvruchtige lezer, dien, wij hopen het, onze zwakke, maar welgemeende, pogingen mogen hebben opgewekt tot eene blijvende liefde voor de lieve Moeder van het Zand en tot een groot vertrouwen op haren veel vermogenden bijstand , nu nog een laatsten terugblik in het ver-ledene, gelijk het zich huwt aan het heden.
Het is op den vooravond van het hoogfeest van Mariahemelvaart 1885. Alles, wat het door kunstsmaak vermaarde Roermond, door de offervaardigheid zijner bewoners gesteund, kon uitvinden en uitvoeren, is, als 't ware, belichaamd in den even rijken als har-monischen feesttooi, waarmede zich de Mariastad omhangen heeft, om den triomf te vieren van de Ko-
199 â
ninginne des Hemels. De Kathedraal in haar stille en ernstige pracht herinnert aan die lang vervlogen dagen, toen het Genadenbeeld in haar midden rustte, afwachtende de tijden van vrede en kalmte. Daar begon of eindigde iedere processie gedurende ruim vier eeuwen, het is billijk dat ook morgen Maria haren zegetocht besluite binnen die gewijde muren. De lange beevaartsweg door de stad schijnt eene verlenging van de prachtige laan, die naar het Heiligdom voert, iedere wijk verhief haar eereboog, vele daarvan zijn meesterstukken van kunst en versiering. Geen huis , dat niet door uitwendige verfraaiing van de vreugde getuigt zijner bewoners, zelfs de armste stulp heeft een feestelijk aanzien; allen, grooten en geringen, wedijveren om aan de schitterende zegepraal der glorierijke Patrones den meesten luister bij te zetten.
âAlle geslachten moeten Maria zalig prijzenquot; en aan beide zijden van den weg prijken de herinneringen aan de duizenden weldaden , die de geslachten van vier en een halve eeuw uit de moederlijke handen der zoete Lieve Vrouw ontvingen. De vertegenwoordigers van dien voortrefifelijken magistraat âder edele staete van Ruremonde,quot; die aloudste patroon van het mirakuleuze Beeld; de lange rij van Bisschoppen en Priesters, die op zoo heerlijke wijze de glorie verkondigden van de âroemwaardige Maagdquot; en met onverdroten ijver de vereering bevorderen van Maria's Genadebeeld; de adel, die er zijn eer in stelde zijn adeldom te vergrooten door de dienstknecht te zijn der Hemelkoningin. Hen volgen een onafzienbare schare Godgewijde mannen en maagden, klooster-1
â 200 â
lingen uit meer dan vijftien verschillende Orden en Congregatiën, die schoonste bloemen uit de Maria-gaarde, bloeiende en den welriekendsten geur verspreidende in de koesterende stralen der eeuwige lentezon van Maria's heerlijkheid.
Welk een loflied vol goddelijke poezie ter eere van Haar, die zegenend neerzag en genadegunsten dauwde op dezen geheiligden grond!
Zacht daalt de nacht over stad en land; de laatste pelgrim heeft het Heiligdom verlaten, als wij vol diepen eerbied de Genadekapel binnentreden en nederknielen voor den troon, waarop de Moeder van barmhartigheid zetelt. Het flauwe waslicht, dat vóór het Wonderbeeld zijn zwakke stralen werpt, verzwaart nog de duisternis om ons heen. â Ken zoete melodie, als herhaalden de Engelen het Hemelsch lied, dat de Apostelen eenmaal vernamen in dienzelfden nachtj ruischt door de gewelven. Een krans van ïicht omstraalt het mirakuleuze Beeld; het zijn geen sterren, neen, hemelsche geesten in hun lichtgestalten omringen het Beeld van de Koningin aller Heiligen.
Geen vrees bevangt ons hart bij den aanblik van zooveel glans en schoonheid; eene zalige vreugde doorgloeit onze ziel, want wij herkennen die eere-wacht van Heiligen rondom den troon van Maria. Drie en twintig Bloedgetuigen met groene palmen, die de kroon der overwinning behaalden in de Maria toegewijde stad, ontdekken wij allereerst in dien he-melschen stoet; naast dezen schaarden zich de vier eerste apostelen, die met het Geloof tevens de heerlijkheden van Maria verkondigden in ons vaderland; drie hunner waren de grondleggers van de vereering
201
der H. Moeder Gods in dit bevoorrecht oord, de vierde was Utrechts eerste Aartsbisschop, de vriend, raadsman en medearbeider van den H. Wiro.
âTelt, zoo gij kunt, het starcenheir aan den helderen nachtelijken hemel schijnt ons de Moeder van glorie toe te roepen, âtelt de uitverkorenen, zoo het u mogelijk is, telt de zaligen, die zich heiligden in mijnen dienst, in hun sterfelijk leven mij hier vereerden, mij hier leerden beminnen en navolgen!quot; âUit alle standen en rangen heb ik mijne verheerlijkte dienaren en dienaressen verkoren,quot; zoo meenden wij in de van liefde stralende blikken van Maria te lezen. âDionysius ontving uit mijne handen de kroon der Zaligen voor den lof, dien hij Mij door zijn deugden en geschriften heeft gebracht. De zonen van Franciscus hebben de belooning verworven voor de diensten, zoo lang en zoo trouw aan mijne kinderen bewezen, die hier hunne Moeder kwamen vereeren. Al die duizenden maagden waren mij gelijkvormig geworden door eene in boetvaardigheid en zelfverloochening beproefde liefde tot mij. Daar staan al die treurenden en wanhopigen, die veriatenen en afgedwaalden; hier hebben zij gebeden, hier verhoorde ik hunne smeekingen, hierboven gewerd hun de honderdvoudige vrucht van hun volhardend gebed, de zegen van hun onwankelbaar vertrouwen.quot;
Op eenmaal, daar weerklonk het zegelied van dankbare liefde, begeleid van harpen en cymbalen;
Salve Regina â Wees gegroet, o Koningin, Moeder van Barmhartigheid. U groeten wij, die ons leven waart, onze zoetheid en onze hoop. Nog verbannen kinderen van Eva, hebben wij U aangeroepen.
14
202 â
Toen hebben wij in dat dal van tranen weenend en zuchtend naar U verlangd. En Gij, onze voorspraak, sloegt op ons uwe barmhartige oogen. Gij hebt ons na dat sterfelijk leven , na die droeve ballingschap Jezus getoond, de gezegende Vrucht uws lichaams. O goedertierene, o liefderijke, o zoete Maagd Maria, zij in eeuwigheid geprezen!