y-c^
GESCHENK aan ffc frcvc affinSat.cn
VAN FENEN
«kfstclijlifn ïiinötrbvitnb.
I (Naar aanleiding der Diocesaan-Statuten van
Roermond, cap. xni, p. 47.) |
| ⢠I
Derde Druk. !
te
VENLÃO, WED. H. H. UVTTENBROKCK.
1886.
yfk*
-------
Vak 33
15 *- i./J
jpêetfi
â 7^/
GESCHE NX aaquot; ^ fia-vz SCindatan
n
VAN EENEN
.
fesfclijlmr Hinbcramp;ritnb. .
(Naar aanleiding de.- Diocesaan - Statuten van Roermond, cap. xni, p, 47.)
Derde Druk.
VENLOO, WED. H. H. UYTTENBROECK, 1886.
IMPRIMATUR.
P. J. H. HUSSEL, Can. et Prof.,
ad hoc delegatus.
KurjemunD/E, 23 Jauiiarii 1876.
VOORWOORD.
Lieve Kinderen!
De menseh is zwak on van zijne jonge jaren af geneigd tot het kwaad. Maar de goe de God heeft medelijden met ons, arme zondige schepselen, en heeft ons, wanneer wij gezondigd hebben, in Zijne barmhartigheid een krachtdadig middel voorbereid om weder bij Hem in genade te kunnen komen, zoo wij een waar berouw gevoelen over de beleedigin-gen, welke wij Hem hebben aangedaan.
Dit middel is het h. Sacrament van Boetvaardigheid.
Dit geneesmiddel voor de zonden, dit behoedmiddel tegen verdere zonden, kom ik u in deze kleine verhandeling verklaren en aanbevelen.
De dag, lieve kinderen, waarop gij tot dit h. Sacrament nadert, is voor u een heilige en gewichtige dag. De zonden worden uit uw hart weggenomen, uwe ziel wordt heilig en
4
schoon gemaakt., zoodat God en Zijne engelen vreugde aan u hebben. Is dit niet voor u een groot geluk?
Zeker zult gij gaarne alles willen doen, om u deze groote genade des hemels zoo waardig mogelijk te maken.
Luistert dan, lieve kinderen, hoe gij dit zult doen.
Reeds eenige dagen voor gij te biechten gaat, moet gij dikwijls aan deze gewichtige handeling denken.
Voegt dan ook bij uw morgengebed het volgende ;
â O goede God! verleen mij de genade eene waardige Biecht te spreken! Heilige Moeder Maria! heilige Jozef! heilige Aloysius! mijn heilige patroon! {of patrones!} en gij vooral, mijn goede engel-bewaarder, bidt voor mij!quot;
UITLEGGING van het h. Sacrament van Boetvaardigheid.
Ue Biecht is een sacrament, in hetwelk de zouden die na liet doopsel begaan zijn, door de priesterlijke macht vergeven worden. Jezus Christus, onze Zaligmaker, heeft dit sacrament ingesteld op den dag Zijner verrijzenis, toen Hij tot Zijne apostelen sprak: ,,Ontvangt den Heiligen Geest; wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij gehoudenquot;.
Ziet hier, lieve kinderen, de uitwerkselen eener waardige biecht. Zij geeft ons met de heiligmakende genade, des Heerea vriendschap terug; zij geeft ons vergiffenis der zonden, kwijtschelding der eeuwige straffen en ten minste van een deel der tijdelijke straffen; zij schenkt ons den vrede des gewetens, bijzondere genaden om niet meer te zondigen en roept onze vorige verdiensten, door de doodzonde uitgedoofd, weder in het leven terug.
6
Wij verkrijgen al deze geestelijke voor-deelen niet slechts eenmaal, maar zoo dikwijls als wij met een oprecht berouw behoorlijk biechten.
Alle zonden die men na liet doopsel heeft bedreven, kunnen in de biecht vergeven worden. Zij worden ons vergeven door de heilige absolutie of kwijtschelding, die de priester ons geeft in don naam van Jezus Christus.
Men is verplicht te biechten; 1. als men in doodzonde gevallen is en dan mag men niet lang de verzoening met God uitstellen; 2. als men in gevaar is van sterven; 3. volgens het gebod der h. Kerk moet men ten minste eens in het jaar zijne biecht spreken.
Wat moet dan wel een kind doen, dat het h. Sacrament van Boetvaardigheid op eene waardige wijze wil ontvangen ?
Het moet:
1. Den H. Geest om Zijne genade bidden;
2. Naarstig zijn geweten onderzoeken;
3. Een goed berouw verwekken en ef.n
vast voornemen maken;
4. Zijne zonden biechten;
5. Zijne penitentie volbrengen.
7
I.
Aanroeping van den Heiligen Geest.
O Heilige Geest! stort uw licht in het binnenste mijner ziel! sla voor mij het boek van mijn geweten open, zooals het voor U open ligt, opdat ik al de fouten, welke ik bedreven heb, moge kennen en aan den priester, die Gods plaats bekleedt, oprecht moge belijden. Beweeg ook mijn hart, o Heilige Geest, opdat ik mijne zonden met een innig berouw moge beweenen en verfoeien 1
Kom, Sshepper, Heil'ge Geest! daal neder. Bezoek de zielen Uwer kinderen.
Vervul met hemelsche genaden De harten, die Gij hebt geschapen!
Ontsteek Uw licht in onze zinnen.
Stort Uwe liefde in onze harten.
En sterk de ellenden van ons lichaam Door Uwe kracht, zoo groot en machtig.
Alle eer zij steeds aan God den quot;Vader, En aan Zijn Zoon, den Eengeboren,
En aan den Heil'gen Geest, den Trooster, Nu en door de eeuwen heen der eeuwen.
Amen.
8
v. Zend Uwen Geest af en alles zal geschapen worden.
r. En Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen.
Laat ons bidden.
God, die de harten der geloovigen door de verlichting des Heiligen Geestes onderricht hebt, geef ons, dat wij in dienzelfden Geest het goede mogen kennen en beminnen, en ons steeds over Zijne vertroosting mogen verblijden. Door Christus onzen Heer. Amen.
II.
Gewetenspiegel.
Eerst denke men na, wanneer men de laatste geldige biecht heeft gesproken, of men in do laatste biecht geene doodzonde vrijwillig of uit schaamte heeft verzwegen, â of men de opgelegde penitentie heeft volbracht.
Dan onderzoeke men zich nopens de zonden, welke men door woorden, werken, gedachten, begeerten of verzuimenissen heeft bedreven: Tegen het eerste der tien geboden Gods: Ik heb mijne dagelijksche gebeden, 's morgens, 's avonds, voor en na het eten verzuimd --of onaandachtig verricht.
9
ylk heb mij geschaamd het h. kruisteaken te maken, â wijwater te nemen.
Ik ben vrijwillig onder liet gebed verstrooid geweest.
Ik heb mijnen catechismus niet goed geloerd,
â onoplettend bijgewoond, â zonder reden verzuimd.
Ik ben oneerbiedig geweest jegens geestelijke personen, â jegens heilige zaken.
Ik ben nalatig geweest in het bidden der akten van geloof, hoop en liefde.
Tegen het tweede gebod.
Ik heb den naam van Jezus oneerbiedig uitgesproken. ^ '^ '
Ik heb gevloekt, y - y-/*â *-
Ik heb anderen tot vloeken oorzaak gegeven,
â aan anderen vloeken geleerd.
v Ik heb valscb, â lichtvaardig gezworen.
Ik heb aan God, â aan Maria, â aan Gods Heiligen iels beloofd en deze belofte niet gehouden.
Tegen het derde gebod.
Ik heb door mijne schuld des Zondags, of op geboden feestdagen, de h. mis verzuimd.
Ik heb op die dagen de h. mis zonder aandacht bijgewoond.
10
Ik ben vrijwillig onder een merkelijk deel der h. mis verstrooid geweest. Ik heb ook anderen door mijne slechte houding of gepraat verstrooid.
Ik ben veel te laat gekomen in do h. mis.
Ik heb 's Zondags zonder noodzakelijkheid gearbeid.
ïegen liet vierde gubod.
Ik ben ongehoorzaam, koppig, spijtig, onbeleefd, oneerbiedig tegen mijne ouders of oversten geweest.
Ik heb hen vergramd, bedroefd, bedrogen.
Ik heb hen verwenscht.
Ik heb hen bespot, geslagen, gehaat.
Ik heb niet voor hen gebeden.
Tegeii het vijfde gebod.
Ik heb mijnen evennaaste bespot, uitgescholden, geplaagd, geslagen; â met hem getwist, gevochten.
Ik heb den evennaaste gehaat, â hem kwaad gewenscht.
Ik beu vergramd, eigenzinnig, onvordragslijk tegen den evennaaste geweest.
Ik heb mijn leven door lichtzinnigheid en roekeloosheid in gevaar gesteld; â door te veel eten of drinken benadeeld.
11
Ik heb anderen tot zonde verleid, hun ergernis gegeven.
Tegen het zesde en negende gebod.
Ik heb vrijwillig behagen genomen in onzuivere gedachten.
Ik heb iets onreins begeerd te doen, te zien, te hooren.
Ik heb iets onreins gaarne gezien, gehoord, gesproken, gelezen, gezongen, toegelaten of zelf gedaan, aan mij zeiven, aan iemand anders.
Ik heb onzuivere spelen met jongens of meisjes gedaan.
Ik heb niet zedig geweest bij het aan en uit-kleeden, wassehen en reinigen.
Tegen het zevende en tiende gebod.
Ik heb gestolen, willen stelen, tot stelen geholpen.
Ik heb gevonden zaken of geleende voorwerpen niet teruggegeven.
Ik heb tegen de eer gesproken van den evennaaste.
Ik heb moedwillig andermans zaken bedorven; â de granen op de akkers beschadigd.
Tegen het achtste gebod.
Ik heb gelogen.
12
Ik heb van auderen kwaad gesproken, kwaad vermoed, kwaad geoordeeld.
Ik heb do fouten vau andoren voortverteld.
Ik heb iuts verteld, wat ik diende te zwijgen. X Ik heb gehuicheld.
Tegen het derde van de vijf geboden der h. Kerk.
Ik heb op verboden dagen willens en wetens vleesch of vet gebruikt.
Tegen de zeven hoofdzonden.
Ik ben hoovaardig, trotsch, hoogmoedig, gierig, nijdig, onkuiseh, gulzig, vergramd, lui en traag geweest.
Tegen de negen vreemde zonden.
Ik heb anderen tot zondigen geraden, geholpen, geprezen om hunne zonden, het kwaad van anderen niet belet als ik konde, het niet overgedragen als ik moest.
Bij elk dezer punten, onderzoekt men zich, ten minste bij de zware zonden, over het getal derzelve; indien gij het juiste getal niet weet, dan biecht het naaste getal, daarbij voegende âmi/ider of meerquot;.
Het dagelijksch onderzoek des gewetens maakt deze oefening zeer gemakkelijk en wordt derhalve dringend aanbevolen.
13
Nadat men aan het onderzoek des gewetens al de zorg zal besteed hebben, welke men gewoonlijk aan eeno hoogst belangrijke zaak wijdt, moet men het onderzoek staken on zich met alle krachten der ziel toeleggen tot het verwekken van een levendig berouw.
III.
Het berouw.
Het berouw is het eerste wezenlijk deel van het h. Sacrament van Boetvaardigheid. Het berouw is âeen leedwezen des harten, waardoor men zijne zonden verfoeit, met het vaste voornemen van zijn leven te beterenquot;. Het is zoo noodzakelijk, dat wij zonder berouw geene vergiffenis van onze zonden kunnen verkrijgen. Zekere omstandigheden, b. v. eene ziekte, die u het spraakgebruik zou ontnemen, de onmogelijkheid u door teekens te beschuldigen, of de afwezigheid eens priesters, kunnen van de biecht verschoonen, maar niets kan ooit het berouw over uwe zonden vervangen. Zonder berouw, zonder goed voornemen, geene hoop op vergeving. Een goed berouw moet wezen: 1. Inwendig, dat is innig of oprecht, als men namelijk zijne zonden niet alleen met den mond, maar ook met eene ware droefheid uit
14
don grond zijns harten verfoeit.
2. Bovennatunrlijk, als men zijne zonden verfoeit, niet bloot om eenig tijdelijk nadeel (b. v. uit schaamte voor zijne ouders ; omdat men zijn gezondheid hooft benadeeld), maar uit eeue beweegreden, die hel geloof ons leert (b. v. dat men God vergramd heeft, dat men do hel verdiend heeft).
Wijl wij het bovennatuurlijk berouw, dat eeue gave Gods is, uit ons zeiven niet kunneu hebben, moeten wij al zuchtende, met vurigheid en noderigheid, Gods goedheid er om bidden âbekeer ons, o Heer, en wij zullen bekeerd worden !quot; (ïiiren. v, 21.) of met David uitroepen : âik heb gezondigd togen den Heer!quot; (Reg. ii, xii, 13,) of ook; âschep, o God, oen zuiver hart in mijquot;. (Ps. l, 12.)
3. Algemeen, wanneer men ten minste al de doodzonden beweent en verfoeit, waaraan men schuldig is. Ons hart is immers niet geheel tot God bekeerd, wanneer het nog iets bemint, wat door God wordt verafschuwd.
Men behoeft editor geen berouw te hebben over iedere zonde in het bijzonder.
4. Bovenal, dat is: uw berouw moei, de zonde verfoeien meer dan elk ander kwaad of
15
ongeluk, uit droef iieid den goeden God te hebben heleedigd, en door deze beleediging Gods genade en vriendschap, het kostbaarste goed, te hebben verloren on de hel, het vreese-lijkste aller onheilen, te hebben verdiend.
5. Uw berouw moet ook \\e,i vast voornemen insluiten, om iu het vervolg teu minste alle doodzonden on alle naaste gelegenheden van doodzondon, de gevaarlijke personen, plaatsen of zaken, zorgvuldig te vermijden, het gedane onrecht wederom goed te maken, de kwade gewoonten uit te roeien en tevens de middelen om niet meer in zonden to hervallen, welke u de biechtvader zal voorschrijven, wel te gebruiken.
Zoudt gij in weerwil van uwe goede voornemens en aangoweude middelen, den goeden God nogmaals beleedigen, biecht altijd weder en verliest, nooit den mood ; de weg der zaligheid is voorzeker hobbelig, de strijd onophoudelijk, edoch! dat uwe jeugdige harten niet bezwijken; steeds zijn Gods vaderarmen in het h. Sacrament der Boete voor u geopend.
Gelukkig zijt gij, o lieve kinderen! indien gij dit reeds vroeg wilt begrijpen en dikwerf uwe jeugdige, onervaren zielen komt verbergen in de genadenrijke schuilplaats, welke de
16
goddelijke barmhartigheid u gedurig openstelt eu waarin zij u met hemelsche kracht tegen de aanvallen der vijanden uwer zaligheid wapent.
Wanneer een geneesmiddel op te lang van elkander verwijderde tijdstippen wordt gebruikt, bewerkt het slechts eene voorbijgaande hulp; wordt dat geneesmiddel integendeel dikwerf genomeu, dan wijzigt het den gemoedsaard en sterkt de gezondheid; zoo veroorzaakt eene zelden gedane biecht, wel is waar, heilzame, maar geene blijvende uitwerkselen, want zij worden spoedig verstrooid, zooals die tengere bloemen, welke de minste rukwind ontbladert, terwijl eene dikwerf en waardig afgelegde biecht den mensch in de deugd bevestigt en duurzame vruchten, wier eindvrucht de volmaaktheid is, in zijne ziel voortbrengt.
Het bovennatuurlijke berouw is tweeërlei, namelijk het volmaakt en het onvolmaakt berouw.
Het volmaakt berouw, wordt verwekt dooiden beweeggrond eener volmaakte liefde, die ons God boveu alles, om Hem zeiven, doet beminnen, omdat Hij de opperste goedheid, oneindig volmaakt, oneindig beminnenswaardig en oneindig barmhartig is.
17
Dit berouw rechtvaardigt den menscli en verzoent hem met God, zelfs voor het ontvangen van het h. Sacrament der Boetvaardigheid, mits hij een oprechten wil hebbe om dit Sacrament zoodra mogelijk te ontvangen.
Het onvolmaakt berouw spruit voort uit eene onvolmaakte liefde tot God, dat is : wanneer wij God slechts beminnen om het goede, dat wij van Hem hopen te verkrijgen, of als men zijne zonden verfoeit om hare afschuwelijkheid, of uit vrees voor de hel en de goddelijke straffen. Dit berouw kan uit zich zelf den zondaar, zonder het Sacrament van Boetvaardigheid niet tot de gerechtigheid voeren, maar het bereidt hem om in dit Sacrament Gods genade te verkrijgen.
OPWEKKING
lot een goed berouw en een vast voornemen.
1. Wat heb ik door mijne zonden verdiend? Ik heb verdiend in dit en in het ander leven gestreng bestraft te worden Ik heb verdiend ziekten en smarten, ja zelfs den dood te ondergaan, omdat ik heb gezondigd. Nog meer. Ik heb ook een groote pijn in het vagevuur verdiend. Zeker liggen er in het vagevuur vele zielen, die er onbeschrijfelijk moeten lijden, en
18
die wellicht veel braver wareu dan ik. Misschien branden ook menschen in de hel, die op aarde minder kwaad gedaan hebben dan ik. Hoe zou het mij in het oordeel wel gegaan zijn, indien God mij vóór deze biecht eens plotselijk had doen sterven en mij geenen tijd tot boetvaardigheid had gegeven?... Maar Gij, o God van barmhartigheid, Gij hebt mij tocli niet in mijne boosheid laten sterven ; ik kan nn nog Uwe barmhartigheid aanroepen, ik kan nu nog van U vergiffenis mijner zoaden verkrijgen, indien ik een goed berouw heb.
O mijn God ! zie dan hoezeer ik de zonden verfoei, omdat zij mij zulke groote straffen kunnen veroorzaken. Neen, ik wil niet voor eeuwig in de hel, noch voor langen tijd in het vagevuur van U gescheiden zijn en daarom wil ik mij beteren en geene zonden meer bedrijven.
2. ü mijn Jezus ! die voor mij gekruisigd zijt, erbarm U mijner ! Gij werdt zoo bloedig gegcesehl en met doornen gekroond. Gij hebt Uw zwaar kruis tot op den Calvarieberg gedragen, Gij zijt aan dat kruis genageld geworden, en hebt er drie uren lang, bedekt met bloed en wonden, aangehangen, tot dat Gij er
19
eindelijk aan gestorven zijt! Als ik U thans durf vrageu, o Heer, waarom hebt Gij zooveel geleden, dan antwoordt Gij mij : âMijn kind, uwe zonden zijn oorzaak dat Ik zooveel heb moeten lijden !quot;
Ja, mijn Jezus! Ik weet het, omdat ik zoo
ongehoorzaam.....lui en traag.... ongodsdienstig
enz.... ben geweest, daarom hebt Gij zooveel moeten lijden. Ach ! liet doet mij thans leed, dat ik U zooveel pijn heb veroorzaakt en U zoovele smarten heb aangedaan. Als ik niet zoozeer had gezondigd, hadt Gij ook voor mijne zonden niet zooveel behoeven te lijden.
Thans verfoei ik mijne zonden, nooit zal ik vrijwillig weer eene zoude bedrijven. Ik bid U, o liefderijke Heiland ! wil door uw kostbaar bloed mijne begane zouden afwasschen ! O miju Jezus, barmhartigheid !
3. O mijn God en Heer ! Uoevele weldaden hebt. Gij mij tot op dit uur reeds bewezen ! Gij hebt mij het leven gesehonken ; Gij hebt mij liefderijke en zorgvuldige ouders gegeven ; Gij hebt mij eenen heiligen bewaar-engel ter zijde gesteld om steeds over mij te waken. Gij zorgt eiken dag voor mij en denkt altoos aan mij, zelfs dan wanneer ik niet aan U denk.
30
Gij hebt mij in het h. doopsel van do erfzonde gewasschen en als Uw kind aangenomen, Jezus als mijnen Broeder, Maria als mijne Moeder gegeven. Gij hebt mij in de alleen zaligmakende Koomsch-Katholieke Kerk opgenomen, opdat ik eeuwig zalig zoude worden, terwijl nochtans zoovele ongelukkige heidenkinderen, die zich niet in de ware Kerk bevinden, uw goddelijk aanschijn voor eeuwig zullen derven. En waarom, o Heer! hebt Gij mij met zoovele weldaden begiftigd ? Omdat Gij mij lief hebt. Gij zijt zoo goed jegens mij, en ik ben zoo ondankbaar tegen U geweest! Welken spijt gevoel ik nu daarover !
Gij zijl het schoonste, volkoraenste, beminnenswaardigste Goed, wat men kan uitdenken, o Heer, en U heb ik veracht en beleedigd. O God, wees mij arm, zondig kind genadig en barmhartig ! Ik wil U voortaan nimmer meer door de zonde beleodigen, maar U boven alles in eeuwigheid beminnen.
Bidt nu langzaam en met een vermorzeld hart: Akt van Berouw.
Mijn Heer en mijn God, mijne zonden zijn mij leed uit den grond mijns harten, niet alleen omdat ik daardoor Uwe rechtvaardige straffen verdiend heb, maar vooral omdat ik daardoor Uwe godde-
21
lijke Majesteit en Ooedlieid, die ik bovenal bemin, vergramd heb; ik haat en verzaak die zonden uit liefde tot U, en ik maak het vast voornemen, voortaan niet meer te zondigen, alle gelegenheid van zonde te schuwen, eene rechtzinnige biecht te spreken en liever te sterven dan U nog te vergrammen.
Aanmerking. Er zijn kindereu, die zich verwonderen, bedroeven en ontstellen, wanneer zij geen berouw genoelen. Kinderen! zoudt gij geen berouw gevoelen, zoudt gij vreezen geen berouw te hebben, welnu, bidt God erom, vraagt God herhaaldelijk en vurig erom, maar stelt u daarna dan ook gerust en gaat zoo goed mogelijk biechten. God weet wel, dat gij niet komt om Hem te bedriegen. Gij wilt u beteren; dit is genoeg.
IV.
De belijdenis der zonden.
Zij is het tweede wezenlijk deel van het h. Saerament van Boetvaardigheid; eenc persoonlijke beschuldiging van zijne eigen bedrevene zonden aan eenen gemachtigden priester, ten einde vergiffenis dier zonden te bekomen.
Wij moeten onze zonden belijden om te gehoorzamen aan Jezus Christus, die wil dat ons de zonden door Zijne dienaren vergeven worden;
22
wij moeten ons verootmoedigen door onze zonden te openbaren aan den priester, die alsdan onze kwalen kan ontdekken en ons de passend-ste geneesmiddelen zal voorschrijven. Uwe biecht, lieve kinderen, moet
1° Nederig zijn, dat is, gij moet n, gelijk een sohnldige, die genade komt vragen, met eeno nederige soliaamte aan de voelen van den priester, die Gods plaats hier in den biechtstoel bekleedt, gaan nederwerpen.
2° Uwe biecht moot oprecht zijn; ds.t is: gij zijt verplicht bij de bekentenis uwer zonden geene enkele zware zonde vrijwillig te verbergen. Uat zou zijn : liegen tegen den H. Geest. Hij, die eene enkele doodzonde vrijwillig verzwijgt, is van geene enkele doodzonde vrijgesproken; hij gaat weg uit den biechtstoel beladen met al zijne zonden en daarenboven nog met eene zonde van heiligschennis. Wanneer gij u van eene zware zonde hebt te beschuldigen, zegt die dan in het begin uwer biecht ronduit zonder veinzerij, dit is eene boetvaardigheid en eene vernedering. Eene der grootste smarten voor uwen biechtvader is, wanneer hij de veinzerij in uw jeugdig hart, dat zoozeer rondborstig moest wezen, zou ontmoeten,
23
Gij schaamt u, zegt gij, alles aau den biechtvader te openbaren. Kinderen! schaamt gij u dan te zeggen, wat gij u niet hebt geschaamd te bedrijven? Wat gij, helaas! ook mocht gedaan hebben, vreest nooit voor uwen biechtvader. Hij zit daar in de plaats van Jezus Christus, die gezegd heeft: â laat de kinderen tot Mij komen, en weert hen niet af, waut hunner is het hemelrijk!quot; De biechtvader zal n genezen, troosten, raden; hij kent de bedorvenheid der menschelijke natuur en de zwakheden der jeugdige jaren. Niets onder de zon, noch smeeking, noch bedreiging, noch de afgrijselijkste folteringen, noch de wreedste dood kunnen het geheim, wat gij hem gezegd hebt, aan zijne lippen ontrukken.
3° Uwe biecht moet voorzichtig zijn, dat heet: men moet in de biecht elk grof en onvoegzaam woord vermijden, zedige en gepaste woorden gebruiken, zonder nochtans iets te verbergen of te verdraaien. Men mag ook de zonden van anderen, zonder noodzakelijkheid, niet openbaren. Zonder noodzakelijkheid zeg ik, want er kunnen gevallen zijn dat men daartoe genoodzaakt is, b. v. om de zonde, waarin men is gevallen of het gevaar, waarin men
24
verkeert,, te doen kennen.
Weest kort, klaar en duidelijk. Beschuldigt als zeker, wat gij als zeker weet, als twijfelachtig waaraan gij twijfelt.
4° Uwe biecht moet volkomen of nauwkeurig zijn. Ten dien einde moet gij:
a. Het aantal uwer zonden uitdrukken, hetzij gij ze hebt bedreven door uitwendige werken of schuldige nalatigheden, hetzij gij ze iu het hart hebt volbracht door slechte begeerten of gedachten, waarin gij u vrijwillig hebt opgehouden. Weet gij het getal zeker, dan zegt het; weet gij het niet j uist, dan zegt het naaste getal, daarbijvoegende â minder of meerquot;;
h. Gij zijt daarenboven verplicht de zonden te belijden, welke gij hebt bedreven met de omstandigheden, die er de soort van veranderen, b. v. het goed stelen van eene kerk, de ouders den dood toewenschen; of die het getal der zonden verdubbelen, b. v. oneerlijke gesprekken te voeren in tegenwoordigheid van vele personen.
Het is niet genoeg de doodzonden ta biechten, men moet ook de omstandigheden aangeven, welke iedere zonde begeleiden en er de boos-lieid van vermeerderen of verminderen. Wan-
25
neer men zich van eenen diefstal beschuldigt, moet men er de hoeveelheid van aangeven, waut hij, die een gulden steelt, is veel minder schuldig dan die er honderd of twee honderd wegneemt.... Men moet dus noodzakelijk in de biecht alle omstandigheden uitdrukken, die de boosheid der zonde aanmerkelijk vermeerderen ; die, welke haar niet aanmerkelijk vermeerderen, kan men zonder zonde achterlaten ; (l)
c. Het is niet noodzakelijk, maar zeer voordeelig de dagelijksche zonde te biechten, maar men moet dan ook een goed berouw daarover hebben, ten minste over ééne, en over alle van dezelfde soort;
d. Heeft men slechts kleine fouten te biechten, waarover men zou vreezen geen genoegzaam berouw te hebben, dan is het zeer raadzaam eenige grootere zonden die men reeds vroeger goed gebiecht heeft, b. v. tegen het vierde of zesde gebod mede in te sluiten en te berouwen.
Alvorens deze uitlegging van de voorwaarden en vereischten eener goede belijdenis te eindigen, moet ik u nog doen opmerken, lieve kinderen, dat de doodzonden, welke na
(') Cat. va a het h. Cone, van Trente. Sacr. der Boetf. N' 63.
2
26
voldoend onderzoek, onschuldigermjze vergeten zouden zijn in de biecht, nochtans op eene onreohtstreeksche wijze in dit h. Sacrament vergeven worden, behoudens de verplichting, die nog te biechten, wanneer zij n later invallen. Het is immers de wil van Christus, dat alle doodzonden, die na het doopsel gedaan zijn, gebiecht moeten worden. Deze Yerpliehting is echter zoo dringend niet, dat men oogen-blikkelijk weder tot den biechtstoel zou moeten terugkeeren; het is genoeg die vergeten doodzonde te belijden, als gij den naasten keer biechten gaat.
Treedt nu aandachtig en met gevouwen handen in den biechtstoel. Is het uwe beurt echter nog niet, wacht u dan wel rond te zien, te lachen of te praten, maar overdenk en bid nog het volgende :
1. Adam en Eva hebben slechts eene zonde bedreven en zijn daarom uit het schoon paradijs verbannen. En ik ! Ik heb zoovele zonden gedaan, o God ! hoezeer verdien ik daarvoor door U gestraft te worden ?
2. Ook de wederspanniga Engelen hebben slechts eene zonde bedreven en zijn daarvoor eeuwig ter helle gedoemd. â Ik
27
heb zoo dikwerf gezondigd en, ware ik in dien staat gestorven, o God! waar had ik naar toe gegaan ?
3. David had zwaar tegen God gezondigd, maar hij bad met een rechtzinnig berouw : â Ik heb gezondigd, erbarm U mijner, o Heer, volgens Uwe groote barmhartigheid!quot; â God heeft hem zijne zonden vergeven. â Ook ik bid thans rouwmoedig : â Erbarm ü mijner. Heer, ik hoop dat Gij mij vergiffenis zult schenkenquot;.
4. Petrus had zijnen goddel ijken Meester verloochend. De Heiland zag hem weemoedig aan; Petrus kwam tot inkeer, ging buiten en weende bitter. â Ach! had ik ook een zoo diep berouw als de h. Petrus I
5. Aan Magdalena zijn zoovele zonden vergeven geworden, omdat zij den Heiland zoo zeer bemind had. â Ook ik, o Heer Jezus! bemin U thans boven alles; vergeef ook aan mij mijne veelvuldige misdaden!
6. Gelijk de verloren Zoon zoo spreek ik ook: âO hemelsche Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U. Ik ben niet meer waardig Uw kind genoemd te worden; neem mij weder genadig op, ik zal U nimmer meer verlaten!quot;
28
7. Gelijk de Tollenaar in den tempel, sla ik ook op mijne borst en zeg: âGod, wees mij arm, zoadig kind genadig! Wees mij barmhartig nu en in de eeuwigheid. Amenquot;.
V.
De Biecht.
Zet u op de knieën in den biechtstoel, buigt het hoofd een weinig, vraagt den priester om zijn zegen: âHerwaarde vader, geef mij uwen zegenquot;, en, na het heilig kruisteeken te hebben gemaakt, spreekt
De Voorbiecht.
Ik belijd voor God almachtig, voor de heilige Maagd Maria, vooralle Heiligen, en voor u, eerwaarde Vader, dat ik zeer gezondigd heb met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld. Mijne laatste biecht is geleden.... (Zeg, hoelang).
Vervolgens biecht gij uwe zonden; gij moet noch te gauw, noch te langzaam, maar duidelijk spreken, opdat de biechtvader u goed versta.
Na uwe zonden gebiecht te hebben, zegt gij De Nabieoiit.
Deze en alle zonden van mijn geheel leven, bekend of onbekend, zijn mij van harte leed, omdat ik God, dien ik bovenal bemin, daardooi vergramd heb; ik beschuldig mij ervan en vraag de heilige absolutie met eene zalige penitentie.
29
Geeft bijzonder acht op de vermaningen van den biechtvader, en denkt intasschen niet na of gij soms iets zoudt vergeten hebben. Luistert goed naar de penitentie, die u zal worden opgelegd, zegent u eerbiedig onder de h. absolutie ; wacht zoolang tot dat u de biechtvader zal zeggen: â Geloofd zij Jezus Christusquot; ; waarop gij antwoordt: âIn eeuwigheidquot; en verlaat dan den biechtstoel.
Dankgebed na de Biecht.
O God, mijn hemelsche Vader ! hoe kan ik U genoegzaam bedanken voor de groote genade, die Gij mij hebt geschonken. Nu zijn al mijne zonden mij vergeven, mijn hart is wederom heilig en rein. Verheugt u met mij, o heilige engelen, en gij bijzonder, mijn heilige bewaar-engel! Want de Heer heeft mij barmhartigheid bewezen. Nu ben ik gerust, te vre-den en gelukkig. Verleen mij, o goede God, dat ik ook steeds braaf en deugdzaam blijve, en U voortaan nimmer meer door eene zonde beleedige!
Na dit gebed kunt gij de opgelegde penitentie volbrengen.
VI.
De voldoening.
Zij is het derde wezenlijke deel van het h. Sacrament van Boetvaardigheid; de herstelling van de beleediging, die wij aan God, en van het onrecht, dat wij onzen evenaaste hebben aangedaan.
30
Hij, die de heilige absolutie ontvangt, met het voornemen (of den wil) de hem opgelegde boete niet te volbrengen, heeft geen waar berouw, en maakt zich aan heiligschennis schuldig, door dit h. Sacrament van een zijaer wezenlijke deelen te berooven.
De boeteling is verplicht de sacramenteele boete in persoon te volbrengen, gelijk hij ook persoonlijk berouw moet hebben en biechten.
Men bedrijft eene doodzonde, wanneer men eene boete, opgelegd voor gebiechte doodzonden, vrijwillig achterwege laat.
De boeteling moet zijne penitentie op den tijd, door den biechtvader bepaald, volbrengen; zoo er geen tijd is gesteld, zoo moet men dit doen zoo haast men het gevoeglijk kan. Ook mag men zich zeiven vrijwillig [tot verdere voldoeningen, behalve de opgelegde door den biechtvader, veroordeelen, b. v. tot voldoeningen, die meer moeite kosten dan het eenvoudig opzeggen van een gebed of eene litaue, zooals : eene h. mis hooren, eenen rozenkrans of rozenhoedje, de zeven boetpsalmen van David of den h. kruisweg bidden, cenige versterving in spijs en drank oefenen, enz.
De voldoening aan onzen evennaaste bestaat
31
hierin, dat wij het onrecht, dat wij hem in zijn persoon, in zijne eer en goeden naam, of in zijne tijdelijke goederen hebben gedaan, zoo goed mogelijk herstellen. Dit is een plicht gegrond op de rede en op de rechtvaardigheid.
Wat ik u dringend aanbeveel, lieve kinderen, is uwe toevlucht te nemen tot het winnen van aflaten. Dit zijn kwijtscheldingen van tijdelijke straffen, welke de berouwhebbende zondaar nog moet ondergaan voor de zonden, die hem, wat de schuld en de eeuwige straf aangaat, vergeven zijn.
Deze kwijtschelding ontvangen wij van de kerkelijke overheid, buiten den biechtstoel, door toepassing van den geestelijken schat der h. Kerk. Gemelde schat bestaat uit de oneindige voldoening van onzen Heer Jezus Christus, en de overvloedige voldoeningen van Zijne heilige Moeder en Zijne lieve Heiligen. De h. Kerk voegt de voldoeningen der Heiligen bij die van Jezus Christus, omdat Gods goedheid zich door de Heiligen, Gods beste vrienden, ook ten onzen gunste laat bewegen, en omdat de voldoeningen der Heiligen aan die van Jezus Christus, van welke zij alleen hare waarde ontvangen, inniglijk verbonden zijn.
30
Hij, die de heilige absolutie ontvangt, met het voornemen (of den wil) de hem opgelegde boete niet te volbrengen, heeft geen waar berouw, en maakt zich aan heiligschennis schuldig, door dit h. Sacrament van een zijner wezenlijke deelen te berooven.
De boeteling is verplicht de sacramenteele boete in persoon te volbrengen, gelijk hij ook persoonlijk berouw moet hebben en biechten.
Men bedrijft eene doodzonde, wanneer men eene boete, opgelegd voor gebiechte doodzonden, vrijwillig achterwege laat.
De boeteling moet zijne penitentie op den tijd, door den biechtvader bepaald, volbrengen; zoo er geen tijd is gesteld, zoo moet men dit doen zoo haast men het gevoeglijk kan. Ook mag men zich zeiven vrijwillig [tot verdere voldoeningen, behalve de opgelegde door den biechtvader, veroordeeleu, b. v. tot voldoeningen, die meer moeite kosten dan het eenvoudig opzeggen van een gebed of eene litanie, zooals : eene h. mis hooren, eenen rozenkrans of rozenhoedje, de zeven boetpsalmen van David of den h. kruisweg bidden, eenige versterving in spijs en drank oefenen, enz.
De voldoening aan onzen evennaaste bestaat
31
hierin, dat wij het onrecht, dat wij hem in zijn persoon, in zijne eer en goeden naam, of in zijne tijdelijke goederen hebben gedaan, zoo goed mogelijk herstellen. Dit is een plicht gegrond op de rede en op de rechtvaardigheid.
Wat ik u dringend aanbeveel, lieve kinderen, is uwe toevlucht te nemen tot het winnen van aflaten. Dit zijn kwijtscheldingen van tijdelijke straffen, welke de berouwhebbende zondaar nog moet ondergaan voor de zonden, die hem, wat de schuld en de eeuwige straf aangaat, vergeven zijn.
Deze kwijtschelding ontvangen wij van de kerkelijke overheid, buiten dan biechtstoel, door toepassing van den geestelijken schat der h. Kerk. Gemelde schat bestaat uit de oneindige voldoening van onzen Heer Jezus Christus, en de overvloedige voldoeningen van Zijne heilige Moeder en Zijne lieve Heiligen. De h. Kerk voegt de voldoeningen der Heiligen bij die van Jezus Christus, omdat Gods goedheid zich door de Heiligen, Gods beste vrienden, ook ten onzen gunste laat bewegen, en omdat de voldoeningen der Heiligen aan die van Jezus Christus, van welke zij alleen hare waarde ontvangen, inniglijk verbonden zijn.
32
De aflaat is vol of gedeeltelijk.
De volle aflaat scheldt ons kwijt van alle tijdelijke straffen, die wij aan de goddelijke rechtvaardigheid verschuldigd zijn, zoodat hij, die sterft, na zulk eeneu aflaat te hebben verdiend, naar den hemel gaat, zonder in de vlammen des vagevuurs behoeven te lijden.
De gedeeltelijke aflaat vergeeft slechts een gedeelte der tijdelijke straf. Wanneer gij eenen aflaat b. v. van zeven jaren en zeven quadragenen, dat wil zeggen van zeven veer-tigdaagsche vasten, verdient, dan bekomt gij zooveel kwijtschelding van tijdelijke straf s.ls gij zoudt verdienen met zeven jaren boete te doen en zevenmaal eene veertigdaagsche vaste te houden, volgens de h. boetregelen, welke in de eerste tijden der h. Kerk waren voorgeschreven.
Stierft gij nu, na een zulken gedeeltelijken aflaat te hebben gewonnen, dan zoudt gij in het vagevuur verlost zijn van zooveel tijdelijke straf, als waarvan gij zoudt ontslagen zijn door zeven jaren boete te doen met zeven veertigdaagsche vasten, volgens de kerktucht der vroegere eeuwen.
Om de aflaten te verdienen, moet men:
33
1° In staat van genade zijn ;
2° De bedoeling en meening hebben den aflaat te winnen, wanneer men het werk doet, waaraan de aflaat verbonden is ; en
3° Het voorgeschreven werk stiptelijk volbrengen.
VII.
Nog eenige korte raadgevingen.
1° Men mag niet naar de biecht van anderen luisteren; hoort gij iets tegen uwen wil, dan moet gij dat stipt geheim houden.
2° Men mag niet schertsen of lachen over de h. biecht of den biechtvader.
3° Stelt een onbegrensd vertrouwen in den priester, dien gij tot leidsman van uw geweten hebt gekozen, want dau zal hij u met des te meer zekerheid en goed gevolg bestieren.
4° Drukt vooral in uwe biecht op uwe hoofdfouten en slechte gewoonten. Wilt gij de slang dooden, dan moet gij haar den kop verpletteren; dus, wilt gij de zonde in u uitroeien, begint dan met uw hoofdgebrek.
5° Hernieuwt dikwerf na de biecht uwe goede voornemens, beveelt ze aan Maria en onderzoekt u alle avonden of gij er aan getrouw zijt geweest. Vliedt het gevaar; bidt
34
aanhoudend; wccat vooral nooit ledig, want do ledigheid is aller deugden ondergang, aller zonden aanvang eu des duivels rastbank. Mistrouwt u zelven en weest bestendig op uwe hoede tegen de listen en lagen van den boozen vijand.
6° Schrijft maar zelden uwe biecht op, tenzij misschien in eenige gewichtige omstandigheid uws levens, zooals de eerste h. Communie en het h. Vormsel.
VIII.
De Generale Biecht.
Ik wil u niet verlaten, lieve kinderen, alvorens u een woord over de âgenerale of algemeene biechtquot; te hebben gezegd. Deze biecht, zooals gij uit haren naam kunt opmerken, is eene beschuldiging van al de zonden van het geheel leven of van af een zeker tijdstip, zelfs dan wanneer die zonden reeds gebiecht waren. Zij is noodzakelijk als de vorige biechten ongeldige zijn geweest, b. v. als men geen berouw gehad heeft of uit gebrek aan genoegzaam onderzoek, uit vrees of schaamte eene doodzonde in de vorige biecht heeft verzwegen. Men moet dan de kwade biechten herhalen en zich tevens van de gepleegde heiligschennissen beschuldigen.
35
Het is somtijds goed, mits de biechtvader zulks toelate, eeue generale biecht te doen, namelijk: 1° wanneer men zich voorbereidt tot de eerste h. Communie en bij het aanvaarden van eenen levensstaat; 2° in den tijd van missie of jabilé ; 3° als men gevaarlijk ziek is; en iquot; als men rer/en heeft om ernstig te twijfelen aan de geldigheid der voorgaande biechten.
Met opzet heb ik die woorden : ernstig te twijfelen gebruikt, om u te herinneren, dat gij niet te angstvallig moet wezen, daar menige personen door de stem der angstvalligheid worden aangezet, om onder de nietigste voorwendsels hunne vorige biechten tot in het oneindige weder te herhalen.
âDe generale biechtquot;, zegt de h. Francis-cus van Sales, âbrengt ons tot eene betere kennis van ons zeiven, zij verwekt in ons eene heilzame schaamte over ons vervlogen leven, schenkt meerderen vrede aan onze ziel, spoort ons aan tot krachtigere voornemens, doet den biechtvader onzen gewetenstoestand beter kennen en behandelen, en moedigt ons aan de zwakheden en zonden onzer ziel met volle vertrouwen aan haren geneesheer te openbaren.quot;
36 IX.
Een laatste woord.
Lieve kinderen! Wanneer gij onder het smartelijk gewicht uwer zonden gebukt gaat, haast u dan, gaat vol berouw, geloof, hoop en liefde, dien drukkenden last nederleggen aan de voeten van den biechtvader, die in den heiligen rechterstoel Gods Zoon zeiven, den eeuwigen Rechter vervangt; gaat en vernedert u, gaat en weent. Eene goddelijke hand zal uwe tranen afdrogen; en, in de genade van God hersteld, in vrede met u zeiven, zult gij vol blijdschap den lofzang der kwijtschelding zingen :
â Gelukkig hij, wiens ongerechtigheden vergeven en wiens zonden bedekt zijn geworden !
â Gelukkig de mensch, wien de Heer zijne zonden niet heeft toegerekend en wiens hart vrij van bedrog is gebleven !
âIk heb gezegd: ik zal mijne boosheid den Beere belijden ; en Gij, o Heer ! hebt de snoodheid mijner zonden kwijtgescholden. (Ps. xxxi, 1, 2, 5.) âIk zal des Heer en barmhartigheden in eeuwigheid lof zingen.quot; (Ps. lxxxviii, 1.)
Bij de Uitgeefster dezes is mede verschenen:
De heilige Biecht. Geschenk aan de lieve kinderen van eenen geestelijken Kindervriend. â Derde drul Prijs 8 c.; - 25 ex. f. 1.75; - 50 ex. f. 3.25: -100 ex. f. 6.00.
Die heilige Beichte. Geschenk u. s. P-Ijs 0 c
- 25 ex. f. 2.00: - 50 ex. f. 3.75 : - 100 ex.quot; f. 7.0(
Novene voor Kinderen die zich waardig tot hnnn â eerste H. Comimmie wenschen voor te bereiden, doo)-
G. H.lers. Vijftiende druk. Prijs 10 c.: â 25 egt; f. 2.25; - 50 ex. f. 4.25; - 100 ex. f. 8.00.
De eerste heilige Communie. Geschenk aan de lieve Kinderen, die zich waardig tot hunne eerst
H. Communie wenschen voor te bereiden, van eene^ geestelijken Kindervriend. Prijs 12 c.; â 25 ex. 1'. 2.75:quot; - 50 ex. f.. 5.25; - 100 ex. f. 10.00.
Het heilig Vormsel. Geschenk enz. Prijs 10 c.
â Hij getallen als Novene.
Het Kind van het H. Hart van Jezus. Geschenk enz. Prijs 10 c.; â Dij getallen als Novene.
Meiliedjes op wijzen genomen uit âChoix de can tiques a 1'usage des élèves de Rolducquot;, door een Oud-Professor. Zevende druk. Prijs 10 c. Bij 12 ex, wordt de âmuziekquot; gratis gegeven.
Het 11. Hart van Maria. Handboekje voor Jon ge-dochters Congreganisten van O. L. Vrouw, door il Welters. Prijs (50 c.
Verhalen, Voorreeldkn en Gei.likenissen ten ge bruike bij hot onderwijs van den Catechismus of de Christenleer, tevens een Handboek voor Chiistelijkc huisgezinnen, door H. Welters. Met een aardrijksk Aanhangsel. Prijs f. 2.00. â Gebonden met den Roermondschen Catechismus in een linnen ba id f. 2.45.
Christelijk Huis- en Volksboek. Verklaring vai iiet H. MisoHei-, dooi- M. Van Couhem, Capucijn. Derde druk. Prijs 90 c., in linnen band f. 1.20.