KORT ONDERRICHT
OVER
)E MEDITATIE
DOOK DEN'
WEL-EERW. PATER EGID1US VOGELS
RHDIiMPTORlST
UOERMOiNI)
\VATi;Hl',l.( S, DHUKKER KN KITGEVEH
ATI I,-IJ lt;T1gt; A A '1 IVO j 3 3
Vak 51
KORT ONDERRICHT
OVER
DE MEDITATIE
VM ?/ Ha
KORT ONDERRICHT
OVER
DE MEDITATIE
DOOR DEN
WEL-EERW, PATER EG1D1US VOGELS ^
REDEMPTORIST
v / Yi* rr'1
ROEUMOM)
M. W ATEHHEUS, DRUKKER EN UITGEVER N££RSTRAAT, ^u 133
1888
GOEDKEURINGEN
Imprimatur servatis servandis.
Amstelodami hac 26 Aprilis 1887.
P. OOMEN,
c. ss. k. sup. prov.
Imprimatur.
P. J. H. RUSSEL Can. Pcen. et Prof. Lirrorum Censor.
Ruraemundse, 1 Nov. 1887.
Imprimatur.
Leodii, 17 novembris 1887.
M. RUTTEN,
vic.-gen.
VOORWOORD.
ItH lort Onderricht over de Meditatie is genomen nit hel eerste deel der over-schoone meditatiën van den WelEerw. Pater E. Vogels, Redemptorist, meditatiën, welke hij vervaardigde over het Leven, het Lijden en de Verheerlijking van Onzen Heer Jezus Christus en die met elkander eene reeks voor een geheel jaar uitmaken. (1) Zij behoeven zeker geen aanprijzing van onzen kant. Pater Vogels, do man van gebed bij uitnemendheid, die zoovele nren van den dag in meditatie doorbracht, bidt en doet hier bidden, zoodat dan ook deze sehoone reeks van meditatiën een uitmuntende handleiding zijn voor allen,die zoowel in het klooster als in de wereld,
{II Hel eerste deel. hohelzcndc meditatiën van hel hegin van den Advent tot hot begin van de Vasten, verscheen reeds,de twee volgende deelen zullen, zoo hopen wij, insgelijks spoedig in druk gegeven worden.
VI VOORWOORD
eenige oogenblikken van den dag aan het overwegend gebed willen wijden, en zoo waarlijk godvr;iclilig willen leven. Het kort onderricht echter dat deze overwegingen voorafgaat, kwam ons echter zoo nuttig en praktisch voor, dat wij niets heter meenden te kunnen doen, dan daarvan ook eene afzonderlijke uitgave te bezorgen. Geheel ingericht naar de methode van den H. Kcrklecraar, den H. Alphonsus Maria de Liguori en duidelijk en klaar uiteengezet, leert het ons de meditatie als iets zeer gemakkelijks en eenvoudigs kennen; het doet ons overtuigend de noodzakelijkheid ervan inzien, maakt ons het inwendige gebed, waarlijk beminnelijk, ja doet ons de zoetheid daarvan dóór en dóór smaken. Moge dan dit « kort onderricht» dat waarlijk een volledige handleiding kan genoemd worden, in dui-zende handen komen en duizende zieler. lot het overwegend gebed overhalen.
B.
DE MEDITATIE.
§ I. Over den aard en de noodzakelijkheid der Meditatie.
1. Mediteeren is niets anders dan cenc waarheid des gcloofs of dor zedoleer godvruchtig overwegen, om daardoor heilzame gedachten, gevoelens en voornemens in zich op te wekken, ten einde ter rechter tijd goede vruchten voort te brengen.
De vrucht der meditatie bestaat voornamelijk in de goede voornemens, en in de getrouwheid, om die in beoefening te brengen, zoo dikwijls de gelegenheid er zich toe aanbiedf.
2. Mediteeren is een allerheilzaamste en
8 KORT ONDERRICHT
allernoodzakelijksle oefening. Do heilige Thcresia noemt de meditatie, « den ko-igt; ninklijken weg naar den hemel; liet ka-v naai van alle genaden en den waren i schat van alle hemelsche goederen. »
,1. De H. Augustinus vergelijkt de meditatie bij cm licht in een duisteren nacht. Zonder licht stelt men zich in gevaar van af te dwalen en in den afgrond te vallen, vooral als men zich op een onbekenden, smallen en glihberigen weg bevindt. Edoch, hoe onzeker, hoe smal en glibberig is de weg des hemels!... Christus zelf roept met verwondering uit: hoe eng is de poort en hoe nauw de weg, die. ten hemel leidt, cu hoe weinigen zijn zij, die hem vinden! (Matth. 7. /4.) Hij vermaant ons brandende hmpen in onze handen te nemen, ten einde den Bruidegom als hij komt, terstond open te doen (Lvc. lü-'SS). Deze brandende lampen, zeglde H. Bonaventura, zijn de heilige meditatiën, waardoor het verstand verlicht en het liefdevuur in onze harten ontstoken wordt. De profeet
OVER DF. MEDITATIE. 0
David, lot. God sprekende, zegt: Uw woord ü een lantaarn voor mijne voelen en een licht op mijne wegen. (Ps. 418). Maar wat nu( zal die lantaarn ons aanbrengen, als wij ze niet aansteken, of wat voordeel zal haar licht ons verschaffen, als wij er ons niet mede voorlichten ? ongetwijfeld geen; zoo ook zal het Woord Gods, of de waarheid van het Evangelie ons geen voordeel aanbrengen, tenzij wij die door de meditatie ophalen, door de goede voornemens bij ons dragen en ons er mede voorlichten.
Uit ons zeiven zijn wij blind; immers ons verstand is verduisterd door de zonde van Adam, voornamelijk in de zaken, die God en de zaliglieidaangaan : maar de meditatie gelijkt eene lantaarn, die ons verlicht om eenerzijdsde boosheid der zonde, de ijdelheid der wereld en het bedrog barer goederen, vermaken en grootheden, en anderzijds de oneindige volmaaktheden van God, de waarde der ziel, de schoonheid der deugd en het belang der zaligheid duidelijk in te zien.
1 O KORT ONDERRICHT
Zij is als een spiegel, gelijk de H. Bona-ventura schrijft. Evenals men in een spiegel de vlekken des aangezichts opmerkt, zoo merkt men in de meditatiedie der ziel np. Dikwijls verbeeldt men zicli geene go-breken of onvolmaaktheden te hebben, omdat mon er geen acht op geeft; maar, als men in de meditatie tot in het binnenste van zijn geweten doordringt, dan staat men verbaasd over de veelvuldige fouten, die te voren ons onbekend waren.
De Heiligen, die gewoon zijn, dagelijks zich toe te leggen op de meditatie, zien vele fouten, welke voor ons verborgen blijven. Wij zijn blind, omdat wij de meditatie verwaarloozen, of omdat wij ze met onachtzaamheid en overhaasting verrichten. Wij moeten gelooven, dat wij blind zijn, en daarom dikwijls tot Hod verzuchten met den blinde van het Evangelie: Jezus, zoon van David, ontferm U mijner. Mijn Zoon, vroeg Jezus, wat wilt (jijdat II,- tl doe? â Hij zeide : lieer, dat ik zien moge. Zoo ook moeten wij vurig verlangen, dat (lod
OVEn DE MEDITATIE. 1 1
ons verlichte, om te zien, hoe nietig wij zijn on hoe groot God is ; hoe ondankbaar en boos wij zijn, en hoe goed en heilig God is, om te zien, hoe nietig het aardsche en boe kostbaar het hemelsche is, ten einde voortaan niet meer voor ons zeiven jjooh voor het aardsche, maar voor God en voor den hemel te leven.
4. De 11. Alphonsus dc Liguori noemtdc meditatie onzen steun. Door de zonde van Adam is rtiet alleen ons verstand verduisterd, maar ooi; onze wil verzwakt; zoodat wij behoefte hebben, nietslechtsaan licht, maar ook aan sterkte. Deze nu krijgen wij door dc meditatie. Ons hart is in zich zelf koud en onbuigzaam, gelijk ijzer ; maar door do meditatie ontvlamt het in liefde lot God. Do profeet David zegt: In mccii-tatione wea exardescil iynis: in mijne overweging ontvimnt hel vuur. Wanneer hel vuur derGoddolijke liefdoin ons ontvlamt, wordt bet hart buigzaam, gelijk gloeiend ijzer, en hot laat zich bewogen tot het beoefenen dor deugden, waarvan hetafkee-
\ 2 KOUT ONDERRICHT
rig was; door het beoefenen der deugden, verkrijgt liet meer genade en zoo wordt het versterkt tegen de bekoringen, 'egen de gevaren, tegen de aanlokkingen der wereld en hare minnaars, on het zegeviert over al zijne vijanden, over den duivel, de wereld en het vleesch. Mij daarentegenf^e de meditatie verwaarloost, is zwak en onstandvastig en laat zich lichtelijk door de zonde overwinnen.
5. De H. Chrysostomus vergelijkt de meditatie bij eenc fontein in het midden van een tuin. Wanneer een fontein water geeft en de aarde besproeit, maakt zij die vruchtbaar; maar als zij uitdroogt, kwijnen de planten. Ditzelfde geldt van de meditatie; zij maakt de harten vruchtbaar ; maar wordt zij verwaarloosd, dan kwijnt het hart en wordt onvruchtbaar.
Gelukkig, mag ik hier met den H. Al-phonsus uitroepen, gelukkig de religieus, gelukkig ieder Christen, die den geest des gebeds en der meditatie bezit, en zijn hart gedurig tot God verheft door de meditatie!
OVER DE MEDITATIE. 1 3
Zoo iemand zal, gelijk een boom aan den oever van een vruchtbaren stroom, overvloedige vruchten van deugd voortbrengen, tc weten: vruchten van versterving, van nederigheid, van gehoorzaamheid, van milddadigheid, van liefde jegens den evennaaste, bijzonder jegens de armen, zieken e?i noodlijdenden, van liefde jegens God, van gelatenheid, of overgeving aan Gods wil, enz.
Ongelukkig daarentegen die het gebed en de meditatie verwaarloost of met onachtzaamheid verricht! De H. Alphonsus sprekende van zulk een religieuze zegt: . Zij was eertijds een voorbeeld van zedig-» heid, ootmoedigheid, nauwgezetheid, » ingetogenheid, ijver, godsvrucht, ver-» sterving, liefde, gedienstigheid enz. » maar na het gebed en de meditatie ver-» laten te hebben, ontwaart men spoedig » bij haar eene groote vrijheid en ver-» strooidheid in hare blikken, in hare » handelingen, in hare woorden en ge-» sprekken; bare eigenliefde wordt door
1 4 KORT OXDERBICIIT
» het minste woordje gekrenkt, zij krijgt » afkeer van de versterving, zij verwaar-i) loost de goede voornemens, en voeltzich » getrokken tot ijdele vermaken, tot zin-» nelijke voldoeningen, tot lichamelijke »gemakken en wereldsche uitspannin-» gen. » Zoo spreekt de H. Alphonsus van cene religieuze die hot gebed en do meditatie verzuimt.
Hetzelfde mag men even zeer of zelfs veel meer nog zeggen van iemand, die in de volle wereld leeft; wijl hij door het verkeer met de wereld meer aan verstrooiingen is blootgesteld en dus meer noodig heeft, zich door het gebeden de meditatie te versterken tegen de gevaren, die hem van alle kanten omgeven.
0. Ãc II. Chrysostomus vergelijkt do meditatie bij den wortel eens wijngaards; wanneer de wortel kwijnt, kwijnt ook de stam en blijft onvruchtbaar; even zoo gaat het met den christen, die de meditatie verwaarloost ; hij kwijnt en blijft onvruchtbaar voor den hemel. Dit bevestigt de god-
OVEB DE MEDITATIE; d b
vruchtige Rufinus, die zegt, dat alle vrucht voortspruit uit de meditatie, en liet zonder mirakel niet mogelijk is christelijk te leven, als men de meditatie achterlaat.
7. De waarheden van ons II. Gelool' worden vergeleken bij hel vuur. Ofschoon het vuur de kracht heelt om brandstollen te ontsteken, zal het evenwel die niet doen branden, tenzij ze met het vuur in aanraking komen; zoo hebben de waarheden van het geloof ook wel de kracht, om onze harten te ontvlammen; zij zullen het evenwel niet doen, tenzij die waarheden met onze harten in aanraking komen door de meditatie.
Bij voorbeeld : Wat indruk zal de dood, het oordeel, do hel, de hemel, het lijden van Jezus, de liefde van God, zijne oneindige volmaaktheden, enz. op ons maken, als wij er niet aan denken? 't Is niet genoeg, die waarheden te kennen en te ge-looven, maar men moet ze ook in zijn hart dragen, ten einde zij de gewenschte vruchten voortbrengen.
1 O KORT ONDERRICHT
a) Hoe zou iemand de goederen der wereld kunnen verachten, de moeielijklie-den, die hij op den weg der zaligheid onL-moet, overwinnen en standvastig blijven te midden der wederwaardigheden, belee-digingen en bekoringen die hem drukken, indien hij door het beschouwen dar eeuwige waarheden en der liefde Gods niet aangemoedigd en ondersteund werd ?
b) Hoe zou iemand eene ware droefheid over zijne zonden kunnen hebben, indien hij de leelijkheid en de boosaardigheid der zonde niet overwoog ?
c) Hoe zou iemand den moed hebben, zich in alles te verloochenen, zijn kruis op te nemen en Jezus te volgen, tenzij hij van derzelver nut en noodzakelijkheid innig doordrongen ware en van liefde tot Jezus brandde ? maar hoe zal hij zich daarvan doordringen en hoe zal hij dat liefdevuur in zich ontsteken, tenzij door aanhoude/i-de meditatiën ?
d) Hoe zal iemand den moed hebben, om zijne ongeregelde neigingen te be-
OVER DE MEDITATIE. 1 7
dwingen, zijnen wil af te sterven, do vermaken te vluchten, liet zoete te verwijderen, het bittere gewillig aan te nomen, bet ongelijk te vergeven, alles mot geduld to lijden eu zich in do vernederingen te verheugen; tenzij hij door vurige gebeden versterkt en door aandachtige overwegingen opgewekt worde, om over zich zolven te zegevieren?
e) Hoe zou iemand zijne plichten jegens God, jegens de II. Kerk, jegens zijne oversten, jegens zijne onderdanen, jegens den evennaaste en jegens zich zeiven kunnen kennen en onderbonden, indien bij er niet aan dacht en zich er niet toe aanspoorde door aanboudende gebeden en meditatiën.
8. Daar God, beter dan iemand, bet voordeel en de noodzakelijkheid der meditatie kent, gaf bij er een stellig gebod van, zeggende aan zijn volk: Gij zult deze mijne geboden legyen in uw hart en aan uwe kinderen keren: gij zult ze overdenken, als gij zit in uw huis of wandelt langs het veld;
2
\ 8 KOUT ONDERRICHT
gij zult er altijd nan denken, zoowel bij dag als bij nacht; gij zult ze voortdurend en op alle plaatsen voor oogen hebben. (Deutr.
vi. e.)
!). Sommigon willen zich verontschuldi-gon on zeggen : « Ik kan niet meditcoren; i ik heb er geen genoegzame kennis toe.»
De H. Theresia antwoordt, dat voorde meditatie geene kennis, noch'wetenschap . of geleerdheid, maar alleen liefde noodig is. Ad fjuam non vires corporis sed solus amor requirilur. â Doch, wie durft zeggen : ik kan niet beminnen ? Hel gebeurt zeer dikwijls, dat de eenvoudigste men-schen het host mediteeren, omdat zij het meest beminnen. Dit gaf de Zaligmaker tekennen, toen Hij zeide: II, loofü. Vader. Heer van hemel en aarde, dal Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen, en ze aan kleinen geopenbaard hebt. (Luc. X. 21.)
Ook lezen wij inde levens der heiligen, hoe sommigen van geringe afkomst, en zonder kennis of geleerdheid, in de knust
OVER DK SlEDITATIi:. I I)
van mediteeren zeer ervaren waren, en er altijd, zelfs te midden hunner bezigheden, gehruik van wisten te maken. De II. Isidorus b. v. was een arbeider, een landbouwer ; hij had weinig tijd om te bidden; maar wanneer hij werkte, dacht hij steeds aan God en hield zich altijd niQt heilige zaken bezig; hierdoor was bij (iode zoo aangenaam, dat do Engelen tot hem afdaalden en hem bij zijnen arbeid ver. gezelden. â Zoo kunnen alle menschen mediteeren. Kenvoudige menschen mediteeren over hunne affaires en over tijdelijke zaken; waarom zouden zij het ook niet kunnen over die zaken, die God en de zaligheid aangaan?
Een gierigaard mediteert overzijngeld; een koopman over zijnen handel; een landman over zijne granen; met één woord, ieder overdenkt, hoe hij zijne tijdelijke zaken het best zal regelen, welke middelen hij moet aanwenden, welke beletselen uit den weg ruimen, enz. â Zoo mediteert ieder over zijne tijdelijke
20 KOUT ÃNnERIUCHT
belangen; daarom zeidc de Zaligmaker: Deldndenn dezer wereld zijn voorzichtiger in hunnen handel d'in de hinderen des liehls...'Aou het gecne schande voor ons zijn minder zorg te hebben voor onze zici en zaligheid, clan de wereldling voor het vergankelijke?
Andoren verontschuldigen zich met te zeggen: « Ik kan geene gedachten vor-, » men; ik ben altijd verstrooid; ik doe er » geen voordeel mede. »
Ook om deze redenen mag men de meditatie niet venvaarloozen ; want oiwrij-willige verstrooidheden, dorheden, duisternissen, tegenzin, afkeer, enz. beletten de vrucht dermeditatie niet.Dell. Augns-linus zegt: (in 3 Uegula) Evufialio inenlis, qua' fit praicr piwj osilnm, orntionis frnc-tmn non loliit. » De verstrooidheid, welke » zonder onze schuld is, belet do vrucht » des gebeds niet. » De grootste heiligen zijn er mede gekweld geweest. He profeet David,een man naar Gods hart, znchtte er over, zeggende : Cor inemn derelii[iiit me.
OVER DE MEDITATIE. 21
Mijn hart heeft mij verlaten (Ps. 8a), m om daarna God lo bedanken, zcgl liij : Irweni Domine cor meum, ut orarem ad Tc. Heer, ik heb mijn hart gevonden, om tot U le hidden. Indien de heiligen zoo klagen over do verstrooidheden, dan moeien wij niet verwonderd zijn, indien ook wij er mede geplaagd worden. Wij moeten ons dan vernederen en God bidden dat Hij ons zijne genade gelieve le geven om te kunnen bidden.
Ooi; de vrijwillige verstrooidheden zijn geene redenen om de meditalie teverwanr-loozen; maar men moet zijn bestdoen, om zich niel meer aan vrijwillige verstrooidheden over te geven. !\len moet de font verbeteren, maar het goede niet achtaria-ten.
10. Daar de duivel het mil der meditatie kent, spant hij alles in, om ze ons lastig te maken, hetzij door afkeer cn dorheid, hetzij door verstrooidheden, hetzij door slapr-riglieid, moedeloosheid, onpasselijkheid of verveling, ten einde wij ze
kout rinnennirht zoudcD vcrwaarloozon. Ilior tegen wapent ons de II. (leest, als Hij zegt: nc impediaris semper ornre. « LnH u niet verhinderen altijd te bidden. » Dc profeet Jeremias zegt, dat uit liet verzuim der meditatie allo kwaad geboren wordt: desolationedesolala est omiiis term : quia nullus est. qui recogi-tet corde. Geheel de aarde is ten ecnemanl aan de verwoesting prijs gegeven, omdat er niemand is, die uit er harte nadenkt. (Jerem. 12. II.) De groote kardinaal Bellarminus bescliouwt dit. verzuim als de oorzaak, waarom sommige personen, ofschoon zij zeer godvruchtig schijnen on grooten ijver hchlien, en zelfs alle acht dagen gaan Ijiechten, evenwel aan vele fouten onderhevig zijn en blijven.
11. Daar do meditatie zoo voordoeligon zoo noodzakelijk is, zal niemand,die prijs op zijne zaligheid stelt, haar verzuimen. Hij zal dagelijks eenigen tijd weten te vinden, welke hij daartoe zal besteder. Men vindt tijd voor hot tijdelijke, vcor de kostwinning, voor liet onderhoud van zijn
OVER DE MEDITATIE. 23
lichaam ; zou mon dan ouk niet eenige oogenblikken kunnen vinden, om te denken aan die grootc zaak, aan die céne noodzakelijke zaak, aan de zaak zijner zaligheid? De zaak der zaligheid is gelijk aan den koophandel; de Zaligmaker zegt: negotiamini dum venio, « drijft handel totdat Ik koine. » (Luc. 19, 13.)
Watdoeteon koopman om winst te maken? Hij is er altijd mede bezig: bij bet opstaan en slapen gaan, bij het eten en drinken, te huis ol op reis, altijd denkt hij er aan, en overlegt, op welke wijze hij het voordeeligst zal kunnen handelen, wat hij gevaarlijk of nadeelig moet vermijden. Dit alles doet hij, vour een vergankelijke winst; zullen wij dan voor een onvergankelijke winst, voor eene eeuwige belooning ten minste niet evenveel doen ?
§ 11. Over de stof der meditatie.
12. Alles, wat geschikt is, om ons van de zonden te verwijderen, tot het Leoefe-
I
24 KOhT ONDERRICHT
nen der deugden aan te spo v n nn in de liefde tof, God te ontsteken kui dienen tot stof der meditatie, b. v. De koi te duur van 's mensdien leven, de ijdelheid der aard-sclie grootheden, goederen en vermaken, de dood, het oordeel, de hel, de hemel, enz. De II. Geest zegt: hi al uwe werken gedenk uwe uitersten,cn in eeuwigheid %idt gij niet zondigen. Ook het lijden van Jezus is daartoe bijzonder geschikt: de apostel â Paulus zegt: llmlcnht Hem, die tegen zich eene xoo groote tegenspraak van de zondaars geleden heeft, opdat gij door vermoeienis en ongeduld onder het lijden niet zoudet bezwijken. (Hebr. 12. 4.)
De apostel zegt: iierdknkt, om te kennen Ie geven dat wij gedurigaan het lijden van Jezus moeten denken. Gelijk sommige dieren do spijzen herkauwen, zoo moeten w ij het lijden van Jezus als op geestelijke wijze herkauwen door er gestadig aan te denken.
d3. De ziel heeft, zoo wel als het lichaam, voedsel noodig ; dut voedsel vindt
OVER DE MEDITATIE. 23
zij in dc overweging van hetgeen Jezus voor ons geleden heeft. Mef, er dikwijls aan te denken, wordt zij zoo versterkt, dal zij alle aanvallen harer vijanden kan we-derstaan. De apostel Paulus, die zich beroemde niets te kennen, dan Jezus en dien gekruist, was zoo geduldig, dal hij verheugd w as, voor den naam van Jezus vervolgingen,vernederingen en mishandelingen te mogen lijden. Wij zullen dezelfde genade verkrijgen, als wij ons zoo levendig doordringen van het lijden van Jezus dat wij, als het ware, niets anders kennen dan Jezus en dien gekruist. De II. Fran-ciscus van Sales zegt: a liet is eene zeld-i) zaamheid, dat men geen voordeel trekt » uit de overweging van hetgeon onze Za-» ligmaker gedaan, gezegd of geleden » heeft. Hij is de opperste Leermeester, » dien de hemelsche Vader op aarde ge-). zonden heeft, om ons Ie leeren, wat wij » moeten doen. gt; (Vraieet solide Pieté. I'. li. Cap. ii.)
1 i. Dc heiligen vonden hun vermaak
2fi KnilT 0\'DERRICHT
in Jezus' lijden te overdenken, on verwierven daardoor buitengewone genaden, vooral die van eone groote droefheid over de zonden âvan een onoverwinnelijk geduld in het lijden â en van eene vurige liefde tot Jezus. De II. Itrigilta was zoo gevoelig voor zijn lijden, dat zij er nooit aan kon denken zonder tranen te storten. Ook de II. Franciscus van Assisië weende somtijds luide, als hij aan het H. lijden dacht. Wanneer men hem eens vroeg : waarom hij zoo weende ? antwoordde hij : « Ik » ween over het lijden van mijnen Heer » Jezus-Christus.» Ook de II. Alphonsus de Liguori was or zoo van doordrongen dat hij er gedurig van sprak, in zijne geschriften er gedurig melding van maakte en zijnen geest cr steeds mede vervulde; van daar dat hij zoo geduldig was in al zijn lijden, in al zijne vernederingen, in al zijne ontberingen en in alles, wat den mensch bitter valt.
De eerbiedwaardige Gerard us Maria Mu-jella, leekc.troeder van de Congregatie des
over de: meditatie. 27
Allcrli. Verlossers, was er zoo vol van, dat liij niet, kon rnsten, zoo lang hij door het lijden niet gelijkvormig was aan Jezus; daarom was hij er op uit, om het lijden des Zaligmakers in alles na te volgen; daarom liet hij zich geeselen ten bloede toe, eene kroon van doornen oj) zijn hoofd zetten,en rnetgeweld er in drukken ; zelfs liet hij zich kruisigen, en wilde dat men hem, gelijk den Zaligmaker, met geweld op het kruis zou uitstrekken.
De kracht der liefde is waarlijkwonderbaar : zij dreef de heiligen aan om te lijden en liet lum geene rust, voor dat zij aan den gekruisten Jezus, het voorwerp hunner liefde, in allesgelijkvormigwaren. Daarom zeide de apostel Paulas : De liefde van Christus dwingt mij, dut is « de liefde van Christus laat mij geene rust; zij praamt mij, om Hem te beminnen, voor Hem te lijden, en mij geheel voor Hem te slachtolïeren : hij was er zoo vol van, dat hij zich verbeelde alles te kunuen en uitriep : Wie zal ons scheiden van de liefde
2fi KnHT ONDERRICHT
in Jozus' li jdon te overdenken, en verwierven daardoor buitengowonegenaden, vooral die van eene groote droefheid over de zonden âvan een onoverwinnelijk geduld in het lijden â en van eene vurige liefde tot Jezus. De H. Brigitta was zoo gevoelig voor zijn lijden, dat zij er nooit aan kon denken zonder tranen te storlen. Ook de II. Franciscus van Assisië weende somtijds luide, als hij aan het H. lijden dacht. Wanneer men hein eens vroeg : waarom hij zoo weende ? antwoordde hij : «Ik » ween over het lijden van mijnen Heer « Jezus-Christus. « Ook de H. Alphonsus de Liguori was er zoo van doordrongen dat hij cr gedurig van sprak, in zijne geschriften er gedurig melding van maakte en zijnen geest er steeds mede vervulde; van daar dat hij zoo geduldig was in al zijn lijden, in al zijne vernederingen, in al zijne ontberingen en in alles, wat den mensch bitter valt.
De eerbiedwaardige Gerardus Maria Ma-jtllu, leekcbroeder van de Congregatie des
nvEH DD MEDITATIE. 27
Allerh. Vcrlossois, was ei' zoo vol van, dat liij niet, kon nision, zoo lang liij door hot lijden niet gelijkvormig was aan Jezus; daarom was hij er op uit, om het lijden des Zaligmakers in alles na te volgen; daarom liet hij zich geeselen ten bloede toe, eene kroon van doornen o|) zijn hoofd zetten,en melgeweld erin drukken ; zelfs liet hij zich kruisigen, en wilde dat men hem, gelijk den Zaligmaker, met geweld op liet kruis zou uitstrekken.
Ito kracht der liefde is waarlijkwonderbaar : zij dreef de heiligen aan om te lijden en liet hun geene rust, voor dat zij aan den gekruisten Jezus, het voorwerp hunner liefde, in allesgelijkvormigwaren. Daarom zeide de apostel Pauliis : De liefde van Christus dwingt mij, dat is « de liefde van Christus laat mij geene rust; zij praamt mij, om Hem te beminnen, voor Hom te lijden, en mij geheel voor Hem te slachtolfeven : hij was er zoo vol van, dat hij zich verbeelde alles te kunnon en uitriep : Wie zal ons scheiden van de liefde
28 KOUT OXDEREICHT
vnn Christus? I'erdruhkiug ofhcnnuwdheid, of honger of nanl,lheid, of gevaar of vcrvol-ginq, of hel zwaard'! Neen, niets van dit alles is er toe in staat: in al deze dingen blijven wij overwinnaren door Hem, die ons bemind heeft, want ik ben verzekerd, dat noeh dood, noch leven, iweh engelen, noch heerschappijen, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch geweld, noch hoogte, noch laagte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen afscheiden van de liefde Gods, in Je zus-Christus onzen Heer. (Hom. VIII. 3S-3!).)
Bovenal dient do //. Maagd Maria ons tot voorlicrld ; zij dacht altijd aan Jezus, cn overpeinsde in haar hart alles wat Hij gedaan en geleden had. Zij openbaarde aan de H. Birgitta (libr. I. c. 77. Hevel.) dat â¢lezus'lijden, hetzij zij at, hetzij zij werkte, altijd levendig in haar geheugen hleef; dikwijls ging zij de plaatsen bezoeken, waar Jezus geleden, en welke hij met zr,n ' bloed besproeid had. De godvruchtige Jus-tinus Miechovins zegt, d.-it Maria de gehei-
OVER DE MEDITATIE. 29
men Van Jezus' leven cn lijden gestadig overwoog : « Al hare gedachten, woorden » en verzucliliugen waren er vol van : als )gt; zij wandelde was het niet (.1 iris lus ; als » zij weende, was hot om Christus ; als zij i) verblijd was, was het ovoren om Cbris-» tus ; niets was er in haar, waardoor zij » Cliristns niet afhcelde; met één woord, ii zij was geheel met God vereenigd en ii Chrislus geheel toegedaan. Mininer kon « zij liet leven cn lijden van haren Zoon ii vergeten; want haar hart was een aller-» helderste spiegel van het leven, het lij-ii den nn den dood dos Zaligmakers. » Daar zij geheel niet Jezus vereenigd was, altijd aan Mem dacht en alles om Hom dood, nam zij dagelijks toe in lieide tot God cn loiddeoon homolschleven opaarde, zoodat zij in volle waarheid kon zeggen ; II: leef. nu niet //, . maar ,kx,us leeft in mij.
lü. Lalon wij, naar het voorbeeld der Heiligen, dagelij ka hot lijden van Jezus overwegen en ons heijveron zijn heilig leven na te volgen, wijl Hij daarom op aar-
30 KORT ONDKHUICIIT
do gekomen is: //, heb II een voorbeeldge-ijeven, zegt Hij, opdat gij doen x-oudel, gelijk Ik gedaan heb.
Gelukkig, ja duizendmaal gelukkig, zij die dagelijks iets van Jezus' leven en lijden overwegen, on tevens inin bost doen om zijn voorbncld na te volgen !
Do II. üonaventura zegt : « O inonscli, «alsgij wilt opkliminon van deugd tot » deugd, van genade tot genade, overweeg » dan dagelijks iiot lijdon dos Hecron ; » want niets is er, dat eone zoo algoinoeiio » heiliging in onze ziel te weeg brengt. »
Ton eindo deze overweging gemakkelijker temaken, heb ik hot nuttig geoordeeld eenige meditatiën over hot leven en lijdon van Jezus, op oone eenvoudige wijze te schrijven, ton einde allen, nok de oónvoudigsce menschon, gemakkolijk on voordoolig zoudon kunnen overwogen. (I)
(I) Dczo medilatisn getiteld » -ie Eenzame Duif» Zijn reeds gedeeltelijk, gelijk wij in ons voorwoord gezegd hebban, ver-chei.e:i. Het l511. Doel word uitgegeven in 1887 voor lielgie hij II. Deauin Ie /.uil,, vour Nederland bij .1/. ll'a/erreus te Itoennond. Prijs Ir. I ,r',0 of 7.quot;. eeirs.
over de meditatie
§ III. Middelen en gesteltenis om goed U medileeren.
10. Het eerste middel om goed te nic-diteeren is iiet Gebed.
Overtuigd dut dogave van lueditecron eene allergrootste genade is, en il.il « ij uit ons zeiven daartoe niet in slaat zijn, moeten wij met een ootmoedig en leerzaam hart, om deze genade bidden, met de Apostelen zeggende : Do mine, doce nus orare. Heer, leer ons bidden; leer ons ine-diteeron, want uit eigene krachten zijn wij er niet toe bekwaam, daar wij uit ons zeiven geene goede gedachte hebben, veel minder ons gedurende een kwartier uurs of langer met goede gedachten bezig te kunnen houden, gelijk men in de meditatie doen moet.
17. Het tweede middel is het veblaxgen.
Daar de gave van mediteeren eene groote genade is, moeten wij er vurig naar verlangen ; dat verlangen moet groot
31
32 KOUT OXDEIUHCIIT.
on als oon honger zijn. De Zaligmaker zegt: Zalig zijn zij die hongerig en dorstig zijn naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden. Zoo moeten wij onk verlangen naar de gaaf van mecliteeren; want zi j is zoo noodzakelijk, dat men kan zeggen, dat er onze rechtvaardiglieid, onze. volmaaktheid, onze volharding van afhangt; wijl het bijna onmogelijk is te volharden, indien wij het gebed en do meditatie verzuimen. Ongelwijfeld zou een arm en behoeftig man eene grooto begeerte hebben om eenambacht teleeron, waardoor hij spoedig rijk zou kunnen worden; eii zeker zon hij er zich met hart en ziel op toeleggen ; moeten wij ons dan niet meteen grooter verlangen en meer vlijt op de medilalie toeleggen, ten einde daardoor voor ons, die zoo arm aan de ziel zijn, een schat van genaden, van deugden en verdiensten te vergaren en rijk te worden voor den hemel'?
18. Hot derde middel is de oei-ening.
Het gebed en het verlangen zijn niet
OVER DE MEDITATIE. 33
genoeg ; wij moeten daarenboven ons dagelijks in het mediteeren oefenen; wij mogen de meditatie uit afkeer, tegenzin, dorheid enz. niet achterlaten; wij moeten aanhouden en den tijd van genade met geduld afwachten ; maar tevens moeten wij er ons met ijver op toeleggen, zelfs dan als wij koud en ongevoelig zijn. De H. Theresia kon in het begin niet mediteeren, maar door te volharden is zij opgestegen tot een hoogen trap van beschouwing. In bet begin had zij er een afkeer van, zij kon geene gedachten vormen, en de tijd verveelde haar ; dit heeft verscheidene jaren geduurd; zij bleef evenwel volharden en volgens de voorschriften van haren biechtvader mediteerde zij dagelijks een uur lang, zonder dien tijd ouit te verkorten, ofschoon die haar zeer lang en vervelend was. God beloonde hare volharding en verleende haar in liet vervolg de gaaf van mediteeren in een zeer verheven graad. â⢠Zoo moeten wij ook doen. Ten tijde van dolheiden verveling moeten wij
3
34 kort onderricht
ons vernederen zeggende : « 0 God I Gij » ziet hoe arm, hoe ellendig en nietig »ik ben; ik kan niets doen. Ontferm U « mijner, help mij, uw wil geschiede. » enz.
Als wij zoo ons best doen en volharden, zal God medelijden met ons hebben en ons ten bekwamen tijde verhooren.
19. Het vierde middel is: het verwijde-ben der zonden, zoo wel der doodzonden als der dagelijksohe ; want zoo spreekt de Wijze man, de wijsheid zal niet ingaan in eene booze ziel, noch blijven in een lichaam onderworpen aan de zonde; wij moeten derhalve verzaken aan de zonden.
20. Het vijlde middel is: het beteugelen der kwade neigingen. De Apostel ZCgt: Een vleeschelijk mensch beseft de zaken niet die Code aangaan. (I. Cur. 2. /4 J Bijgevolg moeten wij van ons verwijderen niet alleen de zondige, maar ook de lichtzinnige en ijdele neigingen, b. v. de nieuwsgierigheid van alles te willen zien, hooren of weten, de uitgesljrtheid in onzen handel
OVEB DE MEDITATIE. 35
en wandel, de geheclitlieid aan onze gemakken, enz.
21. Met zesde middel, om meer en meer in hot mediteeren te vorderen, is : het
1IAHT VAN ALLES TE ONTHECHTEN, Opd.lt liet
zich vrijer tot God verhelle, en zicli inniger met Hem vereenige. De kleinste zaak is genoeg om ons van de volmaakte ver-eeniging met God terug te houden. Een dun draadje belet den vogel te vliegen. God verscheen aan Mozes in het brandenden braambosch ; maar het w erd hem niet vergund tot God te naderen, tenzij hij de schoenen zijner voeten zon ontbinden ; de gehechtheid der Apostelen aan de zichtbare tegenwoordigheid van Christus, was voor hen reeds een beletsel om de volheid des H. Geestes te ontvangen. Hierdoor wordtte kennen gegeven, dat de geringste gehechtheid aan iets, buiten God, genoeg is, om ons van de vereeniging met God Ie berooven.
Die volkomene onthechting, waarvan hier gesproken ixordt, en welke wij zeg-
36 KOUT ONDERBICHT
gen noodzakelijk tc zijn om goed te kunnen raediteeren, moot niet zon verstaan worden, als waren wij werkelijk van alles ontheclit, want zoo beschouwd, is zij de vrucht van veelvuldige gebeden en meditatiën, welke wij reeds gedaan hebben; maar wel, dat wij er rechtzinnig naar verlangen en er ons krachtdadig op toeleggen ; dit immers moet het doel onzer jneditatiën zijn. 't Is niet te doen om troost en zoetigheden te smaken,noch om verlicbtingen te hebben, maar om do kwade neigingen te overwinnen en uit tc roeien, om zich van de schepselen te onthechten, om zich met deugden te ven-ijken en zoo een mol God te worden. â Zonder dat verlangen en die betrachting zullen wij weinig voordeel met de meditatie doen en altijd even onvolmaakt blijven. Daar de meesten hieraan ontbreken, vindt men er ook weinigen, die de gewenschte vruchten uit de meditatie trekken. Derhalve moet ons verlangen en ons streven zijn : ten 1 »quot;â¢, onze ongeregelde neigingen
OVER DE MEDITATIE. 37
te bestrijden ; ten 2°, ons hart te onthechten van alles buiten God ; ten Squot;, ons te oefenen in alle soorten van deugden, en ten 4C, ons geheel met God te vereenigen door de liefde, om Hem alleen, en niets buiten Hem,tenzij om Hem, te heminnen.
§ IV. Over den tijd en de plants, hel be.tlegc-schikl tot dc meditatie.
22. De morgenstond is de geschiktste tijd om te mediteeren : « omdat, zegt de H. Franciscus van Sales, onze geest na » de nachtrust frisscher is en vrijer van » alle tijdelijke bekommeringen. «(Inleid, tot het Godvr. leven, II Deel. I. c.). Alle Heiligen zijn van hetzelfde gevoelen. Dc H. Vincentius a Paulo vermaant eiken christen om 's morgens vroeg op te staan, ten einde tijd te hebben, om te mediteeren, en wekt hem op, om zich door geene schijnredenen daarvan te laten afschrikken. B. v. eene lichte hoofd- of tandpijn, eene kleine ongesteldheid, een slapeloo-zen nacht, enz.
.'(8 KORT ONnERRTCHT
Als men verhinderd geweest is, om de meditatie te verrichten, moet men dat verlies nog op dienzelfden dag zien te herstellen, of als men daarin den ganschen dag verhinderd wordt, moet men zorgen dat verlies aan te vullen dooi' veelvuldige schietgebeden. (II. Fr. de Sales, Inl. tot het godvr. leren. li. D. I. Cap.)
2. De morgenstond is ook nog de geschiktste tijd, om door de meditatie den dag met God te beginnen. Alles behoort Hem toe en bijgevolg moet men alias lot Hem terugbrengen: Hij stelt er prijs op, dat wij Hem de eerstelingen van den dag geven ; daarom bad Hij in hel oude Verbond de eerstelingen van alles, zoowel menschen, als van vruchten en dieren voor zich behouden ; want mij behoort alles toe, mea enim sunt omnia, spreekt God de Heer. Do Israëlieten in de woestijn moesten 's morgens vroeg uitgaan, om bet manna vóór zonneopgang te rapen ; want zoo haast de zon opkwam, smolt het. Hier uit blijkt volgons de opmerking der HH.
OVER DE MEDITATIE. 30
Vaders, ual wij 's morgens vroeg vele genaden l)ij God kunnen vinden, welke wij naderhand te vergeefs zouden zoeken.
De duivel, die zich de eer van God wil toeëigenen, loopt altijd rond, docli bovenal 's morgens, om de eerstelingen, die aan God alléén toekomen, te ontvangen ; dit doel hij, gelijk de II. Vineentius a l'aulo opmerkt, door ons's ni .irgens, wanneer de lijd van opstaan daar is, nog oen weinig te bed te honden, hetzij uit traagheid, hetzij omdat wij niet goed geslapen hebben, of een weinig vermoeid zijn, ofeene kleine onpasselijkheid ontwaren, of afschrik hebben van de koude, enz. Wanneer wij ons om dergelijke redenen laten overwinnen en nog wat tebed blijven, dan geven wij de eerstelingen van den dag aan den duivel der traagheid, die het dan als het ware van God en Jezus-Christus afwint, wijl wij aan hem en niet aan God de eerstelingen geven. Hieruit moeten wij besluiten, 's morgens vooral goed op to passen, om onze eerste gedachten tot God
4ll KORT ONDERIUCHT
te keernn, en immer naarslig op te staan. Daarenboven moeten wij ons gewoon maken, van zoo wij 's nachts ontwaken, ons hart tot God te verheffen en ons zolven geheel aan Hom te geven, als-mode gedurende den dag, dikwijls aan Hem te denken en ons door kleine maar vurige schietgebeden met Hem te vereenigen. Eindelijk moeten wij uitersi bezorgd zijn, om bij al onze werken eene goede meening te hebben; wijl dit het middel is, om veel voor den hemel te verdienen. De H. Maria Magdalena de Pazzi beschouwt dit middel als zoo heilzaam en krachtig, dat, volgens baar, alwie het goed zal ondcrbmden hebben, hij zijn dood recht naar den hemel zal gaan en bijgevolg vrij zal zijn van het Vagevuur.
23. Hoe lang bebooren wij te meditee-ren? Vele godvruchtige schrijvers zeggen dat wij dagelijks minstens twee uren daaraan moeten besteden ; anderen spreken van één uur. (De il. Fr. de Sales. Inl. tot hel godvr . leven, II J). I cup). Zoo deden
OVER DE MEDITATIE. 41
dcHeiligen zelfs temidden der drukste bezigheden, b. v. t';ón koning David, één H. Ludovicus, koning van Frankrijk en andere heilige koningen en prinsen.
Wanneer wij er zoo veel tijd niet aan kunnen besteden, moeten wij toch bezorgd zijn om ten minste tén halfuur ol' een kwartier uurs, voor de meditatie af te zonderen.
Personen die volstrekt geen vrijen tijd hebben, moeten dit herstellen door dikwijls aan God te denken, alsmede door zich op de zon- en feestdagen op eene bijzondere wijze met God en met de zaak hunner zaligheid bezig te houden, ten einde hunne fouten der voorgaande week te boeten, en God te bidden, om in het vervolg beter en deugdzamer te leven.
24. Waar of op welke plaats moet men mediteeren ?
Men kan overal mediteeren, zelfs gaande, of werkende ; evenwel, als het zijn kan, moet men daartoe de kerken of eenzame plaatsen verkiezen. Ik zeg, als hel
1-2 KOUT ONDKnillCHT
zijn kan; want zoo iemand daartoe gccno gelegenheid heeft, liij doe het op die wijze welke hem hot geschiktste voorkomt, al ware het onder huiselijke bezigheid en amhstbedrijf; zoo deed de Patriarch Isaac. De H. Schriftuur getuigt van hem, dat hij tegen denavond langshet veld wandelende, mediteerde. Zoo doden dc II. Ilrugo. de H. Genoveva, dc. II. Isiilorns, die hij hor, werk steeds bezig waren met God en goddelijke dingen. Dc II. Catharina van Sicna, overladen met werkzaamheden, maakte eene bidplaatsin haar hart, waarzij opgesloten bleef en altijil met God bezig was. Zoo deden vele landlieden, terwijl zij op het veld werkten; vele soldaten, terwijl zij op schildwacht stonden ; vele ambachtslieden, terwijl zij methunnen arheidbezig waren; vele reizigers, terwijl zij hunne reis voortzetten ; vele scheepslieden, terwijl zij aan het roer stonden ; met één woord, de Heiligen wisten zich altijd met God bezig te houden. De 11. Josejili heeft er ons een voorbeeld van gegeven ; onder het werk
over de meditatie. 43
waren zijne gedachten altijd lot God on tot liet Kind Jezus gekeerd; doch bovenal hoeft de 11. Maagd Maria hierin uitgemunt. Niets was hekwaam haar Hart van God te verwijderen; altijd, ook als zij at of dronk, zelfs als zij sliep, was zij met God voree-nigd ; daarom zegt zij in hot Hooglied van Salomon : ik slaap, maar mijn harl waaht.
25. Ten slotte. Diegenen, welke niet kunnen lozen of geen meditatiehoek hoh-hen, moeten daarom den moed niet, verliezen, noch do meditatie verzuimen; want ook zij kunnen mediteeren, doch op eone andere wijze. Indien zij God oprecht beminnen en liefde voorde meditatie hebben, dan zal alles goed gaan; want als zij maar bidden, zal de Heer hen bijstaan. Tot stof der meditatie kunnen zij iets nemen uit Iwt sermoon dat zij Zondags gehoord hebben, of een kruisbeeld. U wat schoon boek een kruisbeeld!... Wat heilzame lessen zijn er in opgesloten !... Daar zien wij een vernederden en lijdenden
44 KORT ONDEBBICHT.
God, ons een voorbeeld geven van geduld, van gehoorzaamheid, van zachlmoedig-heid, van ootmoedigheid, van armoede, van liefde, enz. â Ook kunnen zij daartoe gebruiken den Kruisweg; telkenscéne, twee of meer shitiën overwegende ; ook het Onze Vader, met aandacht elke vraag overdenkende en op ons toepassende. Deze en soortgelijke punten kunnen zelfs de eenvoudigste menschen overwegen, en wanneer zij het doen met een goed hart en met volharding, zal God, vanwien alle goed komt, hen helpen.
Het is reeds gezegden het moet dikwijls herhaald worden : de gaaf van mediteeren is geene gaaf der natuur, noch der geleerdheid, noch van het verstand ; net. is oene gaaf van God, om welke wij dikwijls moeten bidden, en waarin wij ons voortdurend moeten oefenen, niettegenstaande wij tegenzin of moeite zouden ontwaren; want zoo de meditatie in het begin moeie-lijk en verdrietig schijnt, naderhand wordt zij zoet en aangenaam ; dit hebben
OVEn DE MEDITATIE. 45
de heiligen en vele godvruchtige personen ondervonden ; ofschoon de meditatie hun in het begin verdrietig was, vonden zij naderhand daarin een waar geluk. Troosten wij ons daarmee ; laten wij moed hehhen en volharden, denkende aan den schoo-nen hemel en aan de eeuwige he loon ing. Zouden wij ons zeiven niet eene kleine moeite willen aandoen, om eeuwig gelukkig te zijn in den hemel ?
V. Over de wijze van mediteeren.
20. De meditatie wordt in drie deelen verdeeld:
Het 1° deel is de Voorbereiding, Het 2° deel de Overweging en Het 3° deel, het Slot.
Het 1quot; deel. De Voorbereiding. De Voorbereiding is tweederlei, te weten de verwijderde en de naaste Voorbereiding.
De verwijderde voorbereiding bestaat ten eerste hierin : dat men zijn hart en
40 KORT OXDERIUCHT
zijnen geest tracht to zuiveren van alle ijdele gedachten, verbeeldingen on verlangens, ten einde zich boter met God en goddelijke dingen te kunnen bezighouden. Immers oene al to groote zorg voor het lichaam of eone al te groote bekommering voor hot tijdelijke belet ons bezig te zijn met God: do II. Geest zegt: liet lichaam, dal bederft, bezwaart de ziel, en de aardsche inwoning drukt den geest neder, die zich met vele gedachten bekommert. (Sap. !). 15.) Corpus quod cornunpitur, aggravat ani-inam,el terrenainhabitatiodeprimüscnsttm, multa cogitantem.
Ten tweede, bestaat de verwijderde voorbereiding ook hierin: dat men 's avonds to voren, het punt of de siof der meditatie aandachtig leze, en diep in zijn geheugen pronte, alsmede dat mor. denke aan de vrucht, die men uit de meditatie wil trekken, zich afvragende : wai moet ik uil dat punt keren ?... Het is van.groot belang, er goed op te letton, wijl het welslagen der meditatie er grootendeels van af-
OVEn DE MEDITATIE. 47
hangt. Om hierin met vruchtIc werkte gaan, moeten wij letten op de lonten, waaraan wij hetmcest onderhevigzijn, en op de deugden, waaraan wij de grootste behoefte hebben, ten einde die vrucht uit de meditatie te trekken, welke voor ons het meest geschikt is. In eene apotheek vindt men allo soorten van medecijnen, maar de zieke zou niet voorzichtig doen, met er eene uit te nemen, die hem het eerst in het oog viel; eveneens zijn in de meditatie alle soorten van vruchten opgesloten, maarallezijn niet goed voor eiken mensch ; wij moeten derhalve ons zelvcn goedkennen, om eenegoedekeus te doen, en daarom dikwijls om die kennis bidden in navolging van de Heiligen, zeggende: Geef, lieer, dat ik mij kenne en dal ik U kenne, en niets dan U begeere.
Ten derde, behoort nog tot de verwijderde voorbereiding, dat men denke aan de stof der meditatie, des avonds als men te bed gaat, 's nachts als men ontwaakt en 's morgens als men opstaat.
48 KORT ONDERRICHT
27. De naaste voorbereiding liestaat hierin, dal men zich meteen levendig geloof stelle in Gods tegenwoordigheid en met bijzondere aandacht het voDrberei-dingsgebcd zegge.
Wanneer dc tijd dor meditatiegekomen is, begeeft men zich eerbiedig on ingetogen naar zijne plaats ; intusschen verbeeldt men zich, God op een verheven troon te zien,omgeven van millioenen Engelen, die zich uit eerbied voor Hem neerwerpen; vereenigd met die Engelen, knielt men neder en zegt het voorbereidingsgebed.
Bemerken wij hier : ten eerste, dat wij ons God tegenwoordig moeten voov oogen stellen, voordat wij neerknielen; ten tweede, dat wij dit doen moeten met een levendig geloof, 't Is niet genoeg te den-ken: God ziet wijoiCodletop nüj; wij moeten daarvan zoo levendig doordrongen zijn, als zagen wij God op zijnen troon, omgeven van zijne Engelen; ten derde, dat wij Hem ons moeten voorsteilen, niet als afwezig, maar als bij ons; want al kun-
OVER HE MEDITATIE. 49
nen wij Hem niet zien, wij moeten toch zoo levendig van zijne tegenwoordigheid doordrongen zijn, alsof wij Hem zagen met onze oogen. Een hlinde sprekende met den koning, ziet hein niet, maar 'I is hem genoeg te weten, dat hij met don koning spreekt, om van eerbied en hoogachting doordrongen te zijn; zoo is het ook gesteld met iemand, die levendig van Gods tegenwoordigheid doordrongen is.
Om dat geloof aan Gods tegenwoordigheid altijd levendig in ons te houden, moe-ten wij trachten het bij elk werk te vernieuwen, b. v. bij den maaltijd, bij den arbeid, bij de uitspanning, bij het gebed, bij de wandeling, bij de nachtrust, bij al onze godvruchtige oefeningen, enz., denkende, dal God bij ons is, dat Hij ons ziet, op ons let en eens rekenschap van ons vragen zal, hoe en uit wat inzicht wij dit., gedaan hebben?
De gewoonte van zich altijd in Gods tegenwoordigheid te houden, is zeer voor-deelig en zeer geschikt om alles goed en
4
50 KOUT ONDERRICHT
in cl een zuiver inzicht tc doen. en een grooten schat van verdiensten voor den hemel te vergaderen. â Dit weet de duivel zeer goed, en daarom wendt hij ailes aan, um ons die oefening te doen verwaarloo-zen, hetzij door onoplettendheid, Jnachl-zaamheid of verstrooing; hetzij uoor de vrees voor die kleine moeite, ol ojk wol uit zorgeloosheid of om andere redeneiu doch laten wij er ons met alle zorg op toeleggen, denkende aan de vermaning van den wijzen man: bereid uw hnrt tol hel gebed en wil niet zijn, gelijk iemand die God verzoekt.
28. VOORHEREIUINGSGEBED.
Mijn Heer en mijn God, ik geloof dal Gij hier tegenwoordig zijt: {of voor het II. Sacrament. Ikgeloof, dat Gij hier waarlijk en wezenlijk tegenwoordig zijt in het allerh. Sacrament des Altaars). Ik geloof, dat Gij mij ziet, mij aanhoort, op mij lot en eens rekenschap van mij vragen zult.
over de meditatie. 51
Ik ben niet waardig voor uw aanschijn te verschijnen, om de menigte mijner zonden en ondankbaarheden ; maar Gij, die zoet zijt en rijk in barmliartigheid, wil dal ik tot ü kome ; daarom zal ik met vertrouwen tot IJ spreken hoewel ik maar stof en asch ben. Allerheiligste Drievuldigheid, Vader, Zoon en H. Geest, verlicht mijn verstand, en beweeg mijnen wil, om deze meditatie met godsvrucht te doen en er heilzame vruchten uil te trekken. (Uier denkt men aan de slof der meditatie en cui7i de vrucht, die men er uit wil trel.-Iwn.) Verder zegt men :
O Maria, mijne allerbeminnelijkste Moeder, bid voor mij. II. Joseph, H. Engelbewaarder, llll. Patronen en Patronessen, bidt allen voor mij hij den Heer, opdat ik deze meditatie godvruchtig verl ichte en er heilzame vruchten uittrekke Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
29. Het 2C deel. De Overweging.
Na het voorbereidingsgebed leest men
52 kort onderricht.
het punt der meditatie, hetwelk men overweegt en op zich toepast door de volgende zes vragen:
\ o Wat moet ik hier opmerken ?
2quot; Wat moet ik daaruit leeren ?
3quot; Welke beweegredenen heb ik daarvoor'?
4quot; Hoe heb ik mij tot nog toe hierin gedragen?
5quot; Wat staat mij in het vervolg te doen?
6quot; Welke beletselen moet ik uit den weg ruimen? â of â welke middelen aanwenden ?
30. Bij de lquot;quot; vraag: {Wat moet ik hieruit opmerken ?) overweegt men eenvoudig de stof die gelezen is. !gt;. v. Men denkt aan de schoonheid der deugd, die wordt aangeprezen, aan de boosheid der zonden, die gelaakt wordt,of aan de verhevenheid van het voorbeeld, dal ter navolging wordt voorgesteld, enz
Bij de2l: vraag: {wat moet ik daaruit leeren ?) denkt men aan de vrucht, die men uit de meditatie wil trekken. B v. hoogachting voor de ootmoedigheid, ge-
over de meditatie. 53
hoorzaamheid, liot geduld, de zuiverheid, zachtmoedigheid, naar gelang dezaak die men overweegt, â of integendeel, ai'kekr van deze of gene fout, hetzij van het ongeduld, van den hoogmoed, van de gulzigheid of zinnelijkheid, van deonzuiverheid, enz , volgens de stof der overweging,-â of navolging van den Heilige wiens voorbeeld men heeft overwogen, of van Jezus-Christus, of van de Allerh. Maagd Maria, enz.
Men moet de vrucht, welke men uit de mcditiitio wil trekken levendig in het geheugen cn diep in het hart prenten, wijl het anders niet mogelijk is haar in heöefc-niiifi te brengen ; dit doet men :
Bij de 3dc vraag: (welke beweegredenen Iwh ik daarvoor ?)
Bij deze vraag overweegt men de beweegredenen, welke wij hebben om die deugd te beoefenen. â die fout te verin ij den of dat voorbeeld na te volgen ; deze beweegredenen zijn:
lc Hel is billijk.
.14 KOUT ONDEnBICHT
2° Het is rechtvaardig.
3quot; Het is voordeelig of heilzaam.
4quot; liet is wet en aangenaam.
5° Het is licht en gemakkelijk.
6quot; liet is noodzakelijk,
Door deze beweegredenen, often minste, door cenige. van die beweegredenen aandachtig te overwegen, kan men zich gemakkelijk doordringen van de vrucht der meditatie, en tevens zich opwekken om er naar te streven.
De l»11, beweegreden: het is billijk. Daarbij kan men denken : ⢠Ja, zeker, het is billijk, dat ik die deugd beoefene... of die fout vermij de, of dat voorbeeld navolge... liet is billijk, dat ik, een schepsel van fiod, een leerling van Je zus-Christus, een kind des hemelschen Vaders ; dat ik, die aan God ben toegewijd door het H. Doopsel, door het Vormsel, door de H. Communie; dat ik, die zoo vele weldiden van God ontvangen heb, dat ik, die deugd, de zachtmoedigheid, de ootmoedigheid, de matigheid, het geduld, enz. beoefene, of
OVER DE MEDITATIE. Ot}
dat ik die fout, de traagheid, de gulzigheid, de onkuischheid, de gramschap, enz., vermijde, ol', dat ik dat voorbeeld na-volge, hetwelk Jezus of Maria of die heilige mij gegeven heeft »
De 2° beweegreden: het is rechtvaardig. Daarbij kan men denken: « Ja, zeker, het is rechtvaardig, dat ik die deugd betrachte of die foul vermijde; wijl God zelf, de Heer van hemel en aarde hot mij gebiedt: Hij vordert het van mij, en dus ben ik verplicht Hem daarin te gehoorzamen, wijl ik geheel aan Hem toebehoor en Hij volkomen recht over mij heeft. »
De 3C beweegreden: het ü voordeelig of heilzaam. Daarbij kan men denken: « Ja zeker, hol is mij voordeelig en heilzaam, dat ik die deugd botrachte, of die fout verfoeio ; immers, hierdoor zal ik voldoen voor mijne zonden en voor de tijdelijke straffen, die ik door mijne zonden verdiend heb; ook, zal ik er een grooten schat van genaden door verkrijgen, toenemen in dougdon en verdiensten, inni-
!)(i KORT ONDEnmr.HT
gor met God verecnigd wordon en een groot loon ontvangen in den hemel. Een wcTfldling doet zoo veel voor ( ene kleine lielooning; wat moet ik dan nietdoen voor eene eeuwige belooning ? »
De 4° beweegreden : het is xoet en aange-«aam.Daarbij kan men denken: Jazeker, liet is zoet en aangenaam deze deugd te lieoelenen of die fout te vermijden: immers Jezus-Cliristus heeft bet mij verzekerd, zeggende: neemt mijn juk op u en gij mlt niKl voor uwe zielen vinden; want mijn juk is zoet en mijn last is licht. Daar de Zaligmaker bet ons verzekert, moeten wij ook gelooven, ofscboon wij er somtijds verdriet of afkeer in vinden. De Heiligen bebben bet ondervonden en getuigen ons dal bet juk des Heeren zoet en aangenaam is. De H. Augustinus had in het begin veel strijd, veel afkeer, veel verdriex in het vluchten der zonden en in bet onderbou. den van Oods geboden; maar naziehover. wonnen en geheel aan God gegeven te hebben, kon bij zeggen: i 0 fiod, boe
OVER DE MEDITATIE. 37
ii zoel, werd hol mij eensklaps allo ijdele » zooUiedon 1o derven ! Nn was het mij » oen genoegen allo zoetigheden te veiia-»ten, die ik eerst vreesde te verliezen ; J want Gij, de waarachtige en opperste » zoetighoid. verdroeft ze uit mij; Gij die » boven alle wellusten zoet zijt, doch niet » voor vleesch en bloed. Gij verdroeft ze ii uit mij en kwaamt in hare plaats in » mij. » (Belijd. 9 Boel;. I Cap. 2 V.)
God zelf zeido aan den H. Franciscus van Assisië : » Franciscus, als gij verlangt » mijnen wil te konnon, dan moet gij ver-ii achten hetgeen gij bemind hebt: Vrees ii niet!... ilotgeen u voorheen zoet was, ⢠zal u voortaan bittor, en wat u bitter ii was, zal u aangenaam toeschijnen. »
Zoo moeten wij dan gelooven, dat wij in den dienst van God, troost en genoegen zullen vinden. â O wat troost bij het einde van den dag, van deweek, van de maand of van het jaar te kunnen denken, dat wij uit liefde van God dit of dat gedaan, gelaten of geleden hebben ? â maar vooral
.SS KORT ONDEnniCHT
wat, troost zul die godachte otis geven op
ons sterfbed'?
Dc ö0 beweegreden: 'lis licht en gemakkelijk .. Hier tracht men zich wederom te overtuigen, dat dc zaak niet zoo moeielijk is, als ze ons toeschijnt, of als de duivel ons zoekt wijs te maken. Hetgeen moeielijk is aan de natuur, wordt gemakkelijk door de genade: de grootste moeielijkhe-den worden licht door Gods genade. Jezus zelf zegt het ons : mijn last is licht. Een vleeschelijk mensch, of iemand, die leeft volgens de zinnen, kan dit niet begrijpen; hij verbeeldt zich, dat een deugdzaam leven een vervelend leven is; doch hij bedriegt zich; hetgeen lastig is voor de, natuur, wordt, gemakkelijk door de genade; daarom zegt do 11. Geest: Vinccnti dabo manna absconditum. Ik zal den overwinnaar een verborgen manna geven ; (Apoc. 2. 17.) om dat verborgen manna te genieten, moet men overwinnen, â door zich aan de wereld te onttrekken, door zich zeiven te verloochenen en Jezus t.i
OVER DF. MEDITATIE. 59
volgen. He moeielijkheid, die wij ontwaren in den dienst van God, komt niet zoo zeer voort uit den dienst zelven, als wel uit de bedorvenheid van onze natuur; gelijk de moeielijklieid, welke oen zieke op bed vindt, niet daaruit, maar uit zijne ziekte voortkomt. Ofsohoon de zieke veel smart ontwaart op zijn ziekbed, moet liij daarom niet denken, dit te verlaten, dan immers zou zijne ziekte verergeren; maar lüj moet medecijnen gebruiken en geduld hebben; als de ziekte geweken is, zal hel hem zoet en aangenaam toeschijnen. Zoo ook moeten wij onze inwendige koortsen genezen, door ons zelven te bestrijden, want, zegt de H. Ambrosius : « Onze koorts is de gierig-» beid; onze koorts is de onkuischheld; » onze koorts is de eerzucht; onze koorts ii is de gramschap. » Hetzelfde kan men van alle andere fouten, driften of hartstochten zeggen; wij moeten derhalve medecijnen tegen die koortsen gebruiken, en wanneer wij haar verdreven heliben, zul-
60 KOBT ONDERRICHT
len wij troost, in den dionst van God ontwaren ; hetgeen eerst zwaar was, zal nu licht worden; en zoo ical bewaarheid worden hetgeen David zegt: proeft en ziet dat de Heer zoet is. â De zondaars daarentegen ontwaren bitterheden: de H. Geest zegt: ér is geen vrede voor de boox-en. Zij zeiven zullen in den laatsten dag des oordeels klagend uitroepen; « wij hebben gedwaald â wij hebben moeielijke wegen bewandeld â wij zijn vermoeid geworden op den weg der boosheid. »
De 6C beweegreden: het is noodzakelijk. Hier tracht men zicli wel te doordringen van den zwaren plicht, dien men heelt om deze of gene deugd te beoefenen, of deze of gene ondeugd te vermijden of dezen plicht te volbrengen, dit moet men vooral goed overwegen, als men tegen zekere zaak grooten strijd of daarvan een afkeer ontwaart, denkende: j O ziel, dit... is u » noodzakelijk; als gij het verwaarloost, ⢠dan stelt gij u in groot gevaar van eeu-» wig verloren te ga in: indien deze zaak u
OVER DE MEDITATIE. 01
⢠reeds zoo liard valt, lioe zult gij dan den «eeuwigen brand kunnen verdragen?» enz. Deze beweegreden beeft ook kraebt in zaken, die de volmaaktbeid betreffen. Men denke niet, dat bet, onverscbillig öl' van weinig belang is, iets hetgeen de volmaaktbeid betreft, te doen of niet te doen: immers, als God er ons toe roept, dan is bet voor ons eene wezenlijke verplichting daarnaar te streven. Daarom zegt de Apostel Paulus: fVee mij, indien ik hel Evangelie niet. verkondigd zal hebben; want de noodzakelijkheid dwingt er mij toe. (1. Cor. 9. 1 (i.) Zoo kan ieder Christen, ieder priester, ieder religieus zeggen: « Wee mij indien ik niet ootmoedig, matig, zuiver, enz. zal geweest zijn; want do plicht om bette zijn, ligt op mij. »
31. Bij de 4° vraag: (Heb ik tol hiertoe zoo geleefd?), doe men een onderzoek van geweten, wegens de zaak, die men in de meditatie overwogen heeft. Dit onderzoek moet met groote zorg gedaan worden; wijl men anders de fouten niel ontdekt. Wan-
62 KOlVr ONDERRICHT
neer men de zaak slechts oppervlakkig beschouwt, verbeeldt men zich somtijds, dat men ze goed onderhouden heeft; maar als men ze wat nader inziet, bespeurt men dikwijls vele fouten, b. v. Wanneer men zich afvraagt: ben ik ootmoedig ?... Verdraag iL de verneilerinyen? â Dan zal men misschien denken : ja, ik ben ootmoedig; ik verdraag de vernederingen : â maar als men afdaalt tot bijzonderheden, dan ontwaart men dikwijls hoever men er nog van verwijderd is. Denkende,!), v. «Hoe i) gedraag ik mij, als men mij uitlacht, » bespot, veracht, miskent, vernedert, be-» rispt of bestraft ? of: Als men mij ach-» ter anderen stelt ? als men naar anderen » luistert, maar voor mij onverschillig is? ⺠âof als men mij inoeielijke, geringe » of verachtelijke bedieningen oplegt?. . » of als men mij onschuldig aanklaagt, i' bestraft of vernedert ?... of als men mij » schimpwoorden of verwijtingen toevoegt, ,1 zeggende bij voorbeeld: Hoe !... gij zijl ⢠te onwetend â te traag â te onzinde-
OVER DE MEDITATIE. (i3
» lijk â te slordig â enz ?...» Als men zoo tot bijzonderlieden afdaalt, zal men dikwijls vele fouten ontwaren, en zien dat men niet zoo ootmoedig is, alamen eerst meende; want die waarlijk ootmoedig is, verdraagt alles met geduld en liefde; wijl hij overtuigd is, niets beters te verdienen, of zelfs nog meer vernederingen en bitterheden verdiend te hebben; zoodat hij met den profeet Job zegt: Peccavi, cl veré deh-qui, et,ut er am dicjnus.non recepi.U; heb gezondigd en waarlijk misdaan; maar il; heb niet ontvangen, volgens dat ik verdiend hnd. (Job. 33. 27.) Zoo denkt en spreekt de rechtvaardige, die waarlijk ootmoedig is, zelfs dan, al erkent hij zich niet schuldig aan de zaak, waarom hij nu vernederd wordt; want hij is overtuigd, dat hij door andere fouten, waaraan hij zich schuldig kent, meer verdiend heeft, dan alles wat hij op de wereld zou kunnen lijden.
Hetgeen hier gezegd is van de ootmoedigheid kan ook toegepast worden op de liefde en op elke andere deugd... li. v. als
62 KORT ONDERHICHT
neer men do zaak slechts oppervlakkig beschouwt, verbeeldt men zich somtijds, dat men ze goed onderhouden heeft; maalais men ze wat nader inziet, bespeurt men dikwijls vele fouten, b. v. Wanneer men zich afvraagt: ben ik ooimoedig ?... Verdraag ik ile vernederingen? â Dan zal men misschien denken : ja, ik hen ootmoedig; ik verdraag de vernederingen : â maalais men afdaalt tot bijzonderheden, dan ontwaart men dikwijls hoever men er nog van verwijderd is. Denkende, b. v. ⢠Hoe » gedraag ik mij, als men mij uitlacht, » bespot, veracht, miskent, vernedert, be-ii rispt of beslraft ? of: Als men mij ach-»ter anderen stelt ? als men naar anderen » luistert, maar voor mij onverschillig is? ⺠âof als men mij moeielijke, geringe ii of verachtelijke bedieningen oplegt?. . ii of als men mij onschuldig aanklaagt, i' bestraft of vernedert ?... ofalsmenmij ii scbimpwoordenofverwijtingen toevoegt, * zeggende bij voorbeeld: Hoe !... gij zijt â « te onwetend â te traag â te onzinde-
OVER DE MEDITATIE. (i3
» lijk â te slordig â enz '?... » Als men zoo tot bijzonderheden afdaalt, zal men dikwijls vele fouten ontwaren, en zien dat men niet zoo ootmoedig is, als.men eerst meende; want die waarlijk ootmoedig is, verdraagt alles met geduid en liefde; wijl hij overtuigd is, niets betere te verdienen, of zelfs nog meer vernederingen en bitterheden verdiend te hebben; zoodal bij met den profeet Job zegt; Peccavi, cl verè deli-qui, et,ut er am digmis, non recepi.ll; heb ye-zondigd en waarlijk misdaan; maar ik heb niet ontvangen, volgens dat ik verdiend had. (Job. 33. 27.) Zoo denkt en spreekt de rechtvaardige, die waarlijk ootmoedig is, zelfs dan, al erkent hij zich niet schuldig aan de zaak, waarom hij nu vernederd wordt; want hij is overtuigd, dat hij door andere fouten, waaraan hij zicli schuldig kent, meer verdiend beeft, dan alles wat hij op de wereld zou kunnen lijden.
Hetgeen hier gezegd is van de ootmoedigheid kan ook toegepast worden op de liefde en op elke andere deugd... 1!. v. als
64 KORT ONDEBBICHT
men zioli afvraagt: bemin ik God?... zal men aanstonds zeggen : Ja zeker, ik bemin God: maar wanneer men verder gaat, dan ziet men dat die liefde zeer flauw is, en bijna den naam van liefde niet verdient. H. v. welke teckenen van liefde geef ik ? â wat doe of lijd ik uit liefde '?... welke opofferingen of verstervingen doe ik uit liefde'?... ben ik uit liefde getrouw aan mijne plichten, getrouw aan mijne voornemens; gel rouw jegens den naaste; getrouw in het vermijden van alle, ook van de kleinste zonden ?... wanneer men zicb zoo onderzoekt, ziet men dadelijk, dat onze liefde al te flauw is,quot;dan dat zij den naam van liefde verdiene. De Heiligen, die God waarlijk beminden, waren nooit over hunne liefde tevreden; zij wilden altijd meer doen en meer lijden, uit liefde van God, dien zij beminden.
Wanneer men zoo zijn geweten onderzocht heeft, verwekt men een akte van berouw cn menmaakteen goed voornemen. . Hierover in de volgende vraag.
over de meditatie.
32. Bij de 5° vraag: (Wal moei ik in hel vervolg doen ?) â maakt men het voornemen, om zich in de toekomst beter te gedragen. Dit voornemen is do vrucht der meditatie. Heeft iemand een goed voornemen gemaakt, dan kan men zeggen, dal de meditatie goed gelukt is : heeft iemand geen goed voornemen gemaakt, dan kan men zeggen, dal do meditatie niet goed gelukt is; zelfs dan, al zou hij de schoonste gedachten of verbeeldingen gehad hebben. Immers die gedachten of verbeeldingen zijn niet meer dan de bladeren en bloemen van oenen boom, ofschoon zij schoon zijn, en tot sieraad dienen ; maar dc voornemens zijn do vruchten, indien men deze op zijnen tijd in beoefening brengt
Ik heb gezegd: een goed voornemen; wat is er noodig tot een goed voornemen ?
1° Het moet werkdadig zijn ;
2° Het moet in bijzonderheden treden ;
3° Tijdig, doelmatig of loepasselijk op den
05
66 KORT ONDERRICHT
legemvoordigen toestand, waarin wij ons bevinden ;
â iquot; Standvastig;
5° Steunende up de oolnwedifilieid;
6quot; krachtdadig.
Ten 1slc liet voornenien moet werkdadig zijn, dut is, liet moet eene oefening in ziel» bevatten; b. v. om een zaligen dood te verkrijgen, zal ik niet alleen dagelijks iels bidden, maar ook iets doen, b. v. eene kleine versterving in eten, of drinken âof maandelijks, of wekelijks biecli-ten â of zicli laten inschrijven in een Congregatie; in de broederschap der M. Familie, enz.
Ten 2C het, voornemen moet in bijzonderheden treden Algcmeene voornemens baten weinig, h. v. voortaan zal ik geduldig â of ootmoedig â of gehoorzaam zijn; zulke voornemens baten weinig; â om met vrucht voornemens te maken, moet men tot bijzonderheden afdalen; dus moet men onderzoeken, wanneer of waardoor, of waarom men valt in die fout, â in die
over de meditatie. 07
deugd te kort blijft, ten einde hieromtrent zijn voornemen te maken, denkende, b. v. in dit of dat gevalâof bij deze en gene gelegenheid zal ik trachten geduldig te blijven zoo als : bij die verongelijking â beleediging â vernedering â berisping â bestraffing; â verder trachte men zich daartoe op te wekken, door eene of andere beweegreden, ten einde zich daarin te versterken, denkende b. v. dit of dat is weinig vergeleken bij de hol, die ik verdiend had â of bij het vagevuur â of bij den hemel â of bij het lijden van Jezus-Christus en van do Heiligen.
Ten 3e het voornemen moot lijilifj of doelmatig zijn, dat is, toepasselijk op don toestand, waarin men zich op dat oogen-blik bevindt: Het is eene misleiding zich bezig te houden met verbeeldingen of hersenschimmige veronderstellingen, die buiten onze betrekking zijn. B. v. « als » ik dit of dat ware â als ik hier of daar » woonde â zoo ik dit of dat bezat, dan » zou ik zoo leven. » Men boude zich in
68 kort ^onderricht
tcyeiideel bezig, mot don staal, waarin men zich op liet Hogen blik bevindt, denkende, 1). v. « Nu ben ik hiei' â nu lieb i) ik deze plicliten â deze fouten â deze » kruisen â deze zwarigheden â deze » beproevingen â deze gevaren â deze » bekoringen â doze ziekte â deze ver-» nedering â deze middelen van zalig-» beid â deze oversten â deze mede-» broeders, enz. â dus moet ik mij nu zoo » gedragen. »
Evenwol moet men hier opmerken : Ton ls,f, dat het goed en somtijds noodzakelijk is, zich voor to bereiden tot iets, wat men gaat beginnen, ten einde zich te wapenen tegen do gevaren, welke men daar zal ontmoeten, en de middelen to be-i'araen, welke noudig zullen zijn, om wel te gelukken.
Ten 2°, dat het somtijds prijsbaar is, zich voor te bereiden tot heldhaftige deugden, of tot grooto offers, welke God misschien van ons zal vorderen. Zoo zal men b v. om zich voor te bereiden tot alle
OVEn TIE MEDITATIE. 69
kruisen, moeielijkliedcn, vernederingen, opofferingen, enz., welke wij misscliicn zullen ontmoeten, zich groote en zware beproevingen voorstellen en zich opwekken om die met liefde te aanvaarden, zicli verheugende op deze wi jze de blijken zijner liefde aan God te kunnen geven.
Men denke, b. v. « hoe zou ik gesteld » zijn, als men mij,nazwaren arbeid goed p verricht te hebben, bestrafte en met ). nieuwen arbeid overlaadde '? of als men » mij na vele vermoeienissen een teug i) koud water zou weigeren, of, zoo men » mij te midden der hevigste pijnen, zon-» der medelijden, of zelfs met hardheid » zon behandelen '? » â Hij do eerste beschouwing gevoell men misschien eenige verbittering; doch aanstonds tracht men dat gevoel te bedwingen, en zich op te wekken, om al die smarten met liefde te aanvaarden, in navolging der Heiligen en vooral van Jezus-Christus. Immers Jezus-Christus, na alles welgedaan te hebben, werd door zijn eigen volk miskend, gelas-
08 kort onderhicht
tegendeel bezig, met den staal, waarin men zich op liet oogenblik bevindt, denkende, b. v. i Nu ben ik hier â nu heb i) ik deze plichten â deze fouten â deze » kruisen â deze zwarigheden â deze » beproevingen â deze gevaren â- deze » bekoringen â deze ziekte â deze ver-» nedering â deze middelen van zalig-» heid â deze oversten â deze niede-» broeders, enz. â dus moet ik mij nu zoo » gedragen. »
Evenwel moet men hier opmerken : Ten lsle, dat het goed en somtijds noodzakelijk is, zich voor te bereiden tot iets, wat men gaat beginnen, ten einde zich te wapenen tegen de gevaren, welke men daar zal ontmoeten, en de middelen te beramen, welke noodig zullen zijn, om wel te gelukken.
Ten 2°, dat liet somtijds prijsbaar is, zich voor te bereiden tot heldhaftige deugden, of tot groote offers, welke God mis-schien van ons zal vorderen. Zoo zal men b v. om zich voor te bereiden tot alle
OVER DE MEDITATIE. fifl
kruisen, moeielijklieden, vmiedcringen, npofferingen, enz., welke wij jiiissoliien zullen ontmoeten, zich groote en zware lieproevingen voorstellen en zich opwekken om die met liefde te aanvaarden, zich verheugende op deze wijze de blijken zijner liefde aan Gnd te kunnen geven.
Men denke, b. v. « hoe zou ik gesteld ii zijn, als men mij,nazwaren arbeid goed !â verricht te hebben, bestrafte en met
i nieuwen arbeid overlaadde '? of als men » mij na vele vermoeienissen een teng » koud water zou weigeren, of, zoo men
ii mij te midden der hevigste pijnen, zon-» der medelijden, of zelfs met hardheid ii zou behandelen ? » â Bij de, eerste beschouwing gevoel) men misschien eenige verbittering ; doch aanstonds tracht men dal gevoel te bedwingen, en zich op te wekken, om al die smarten met liefde te aanvaarden, in navolging der Heiligen en vooral van Jezus-Christus. Immers Jezus-Christns, na alles wel gedaan te hebben, werd door zijn eigen volk miskend, gelas-
70 KORT ONDERIIICHT
terd fin mishandeld ; en toch was Hij jegens hen goedgunstig, en minzaam, en had meer medelijden met hen dan met zich zeiven ; daarom zeide hij : Weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen; want indien zij zoo handelen met het groene hout, wat zal er dan van het dorre geworden? â Zoo moeten wij ook doen; of als er de gelegenheid zich niet toe aanbiedt, dan moeten wij ten minste het verlangen hebben om zoo te doen, en ons daartoe opwekken.
/00 deed Joannes Ximenes, een leeke-broeder der Jesuiten Den ganschen dag op het land gearbeid hebbende, en '3 avondsnaar het klooster terugkeerende, stelde hij zich voor, bestraft, vernederd, verstoeten of met nieuwen arbeid overladen te worden, en vroeg zich zeiven dan af: «Joannes, hoe zoudt gij in die geit vallen gesteld zijn ? Zoudl gij tevreden » wezen? Zoudt gij die beleediging met » liefde aanvaarden ? Zoudt gij u daarover « verheugen? » Dan trachtte hij gevoelens
OVER DE MEDITATIE. 1\
van tevredonlieid, van liefde, ja zelfs van blijdschap,_in zich op te wekken, zich verheugende, waardig gevonden te zijn, lit, liefde van Jezus versmaadheden te lijden ; en aan Hem gelijkvormig te worden.
Op soortgelijke wijze trachtte de H. Franciscus van Assisi zich zeiven en ook lijnen kloosterbroeder Leo voor te bereiden, om alles uit liefde van God te willen lijden. Met broeder Leo sprekende, veronderstelde hij, dat zij, na eene moeielij-ke reis en na voel geleden te hebben door den regen, de koude of hitte, 's avonds laat aan hot klooster kwamen, en dat zij din, in plaats van binnen te mogen komen, overladen werden met scheldwoorden en stokslagen. Dan trachtte hij zich enden broeder op te wekken, om zulks mtt blijdschap te aanvaarden, en zeide : » Let wel op, Broeder Leo, daarin bestaat » de ware, de volmaakte blijdschap. » Door zulke gedachten aangemoedigd en voorbereid, was bij in alles wat hem over
KOET ONDERBICHT
kwam verheugd en niets was in staat hem te ontstellen...
De H. Theresia verhaalt, dat een zeer godvruchtige religieus het voornemen lud gemaakt, van altijd, ook in de moeiclijk-ste omstandigheden onmiddellijk te gehoorzamen. Eens gebeurde het, dat hij 's avonds gansch vermoeid te huis kwam en zich nederzette, om wat te rusten. De overste hem daar zoo vindende, geboo3 hem aanstonds naar den tuin te gaan, on te werken. Dit gebod viel hem pijnlijk; maar ofschoon hij grooten strijd gevoelds, gehoorzaamde hij toch aanstonds, wijl hij tot alles voorbereid was : hij was nogtans inwendig een weinig ontevreden, en gehoorzaamde niet met blijdschap. Toen hij uitging, verscheen hem Jezus, met zijn kruis op de schouders, en gaf hem te verstaan, dat de arbeid, die hem zoo inocie-lijk en zoo onredelijk.scheen te zijn, niets was in vergelijking met hetgeen Jezus voor hem gedaan en geleden had, gehoor-
72
OVER PE MEDITATIE 73
zaain zijnde lol den dood, ja tol den dood des kruües.
Het is dus voordcelig zich lotgroote en verhevene deugden voor tehereiden; doch onder voorwaarde, dat men te gelijk het voornemen maakt, om zeker de kleine moeielijkheden, die dagelijks voorkomen, met liefde en blijdschap te aanvaarden. U. v. spijtige woordjes, heleedigingen, vernederingen, moeielijkheden, arbeid, ontberingen, koude, hitte, enz.
Ten 4° het voornemen moot stand vast ig zijn, dat is, men moet gedurende eenigen tijd op hetzelfde voornemen terugkomen, ten einde de fout, waaraan men liet meest onderhevig is, uit te roeien, of de deugd, waaraan men de grootste behoefte heeft, te verkrijgen. â De deugd is gelijk aan eene plant, die langzaam opgroeit â aan een kind, dat langzaam leert loopen â aan een jongeling, die langzaam zijn ambacht leert; daarom moet men zich eenigen tijd met dezelfde zaak bezighouden, ten einde door aanhoudende pogingen er
74 KORT ONDERRICHT
in te slagen. De profeet David zegt; Eene zaak heb ik van den Heer verzocht en deze zal ik blijven verzoeken, om le moeien ivo-nen in hel huis des fleeren al de dagen mijns levens. Zoo moeten wij dan één en dezelfde zaak dikwijls vragen, en blijven vragen; en hierom moeten wij dikwijls hetzelfde voornemen vernieuwen; want alleen door herhaalde oefening zullen wij onze fouten kunnen uitroeien, of de deug-dendie ons liet meest noodig zijn, kunnen verkrijgen.
Ton oquot; het voornemen moet steunen op dc ooimoedigheid, dat is, wij moeten ons zeiven mistrouwen, en ons levendig doordringen van onze eigene zwakheid en van ons onvermogen, wijl wij uit ons zeiven niets goeds ter zaligheid kunnen; zelfs kunneij wij uit ons zeiven gerne goede gedachten vormen. Een der grootste redenen, waarom wij dikwijls aan de voornemens te kort blijven, is dut wij te veel steunen op ons zeiven, en op aen goeden wil, dien wij op dat oogenblik liebben ;
OVER HE MEDITATIE. I O
even gelijk dc apostel Petrus, die zeido : llccr. al zouden allen U verloochenen ; ik z-al hel toch nimmer doen ; ik ben bereid met U in den kerker en den dood te qmn. Toen Petrus zoo sprak, sprak hij ongetwijfeld volgens de meening van zijn hart, en, daar hij niet aan zijne zwakheid dacht, vergat hij te bidden en bezweek spoedig onder dc bekoring. Had Petrus zich zeiven mistrouwd en gebeden, opdat God hem zoude gelieven te versterken, dan zou hij niet gevallen zijn ; maar dewijl hij op zich zeiven vertrouwde, het gebed verwaarloosde en zich in het gevaar begaf', viel hij bij de eerste bekoring. â Wij moeten ons zeiven mistrouwen, niet om kleinmoedig te worden, maar om ons vertrouwen te stellen op God, door wien wij alles kunnen. He apostel Paulus zegt : Ik kan allen in God die mij versterkt; en de Heiligen waren gewoon to zeggen : Tam nihil ex me, ta'it omnia ex Te, Deus! Gelijk ik niets kan uit mij zeiven, zoo kan ik alles door Umijn God.' Op God vertrouwende.
7 fi KORT ONDERRICHT
moeten wij hidden, ten einde Hij ons gelieve Itij te staan en te lielpen, opdat wij de voornemens, die wij gemaakt hebben, ook ten uitvoer brengen.
Ten 6C, het voornemen moet krachtdadig zijn, dat is, dat men bezorgd moet wezen, om het in beoefening te brengen, in weerwil van alle moeielijkheden, die men ontmoet; en de gelegenheden, die zich daartoe aanbieden, met gretigheid aanvaardt, ook dan, wanneer men daarvan een afkeer heeft of tegenzin gevoelt. Wanneer men zijne voornemens niet ten uitvoer brengt, gelijkt men aan hoornen, die jaarlijks weeldrig bloeien en voel beloven, maar nimmer vruchten dragen; en die bijgevolg verdienen uitgerooid en in het vuur geworpen te worden. â Ten einde getrouw aan de voornemens te zijn, moet men met alle mogelijke zorg de beletselen van zich verwijderen, en hierover wordt gehandeld in de zesde vraag.
33. Bij de (i1, vraag: (welke beletselen moei ik uil den weg ruimen ? of welke mid-
OVER DE MEDITATIE. / /
delen aanwenden ?), onderzoekt men zieli waarom men gewoonlijk, aan zijne voornemens te kort blijft... Somtijds is het eene kwade gewoonte, ofeene ongeregelde neiging â somtijds de verstrooidheid des geostes of eene al te groote uitgestortheid der zinnen â somtijds eonn ongeregelde nieuwsgierigheid om iets te zien, te hoo-ren, of te weten. Hierom werd de apostel Petrus, die zich te zeer over het lot van Joannes bekommerde, grootelijks door Christus berispt. Toen de Zaligmaker aan Petrus voorzegde, dat lüj den marteldood zou sterven, was hij nieuwsgierig te weten, wat er van Joannes zou geworden: doch Jezus antwoordde : .-l/i' Ik hem zoo wil laten, wat (jml u dut aan? voh/ gij mij. â Somtijds eene zekere onverstorvenheid, waardoor men te veel gehecht is aan gemakzucht, of zinnelijke voldoeningen, h. v. in eten, drinken, slapen of uitspanningen. â Somtijds eene al te groote gehechtheid aan één of ander schepsel, b. v. aan zeker persoon, aan zekere bediening
78 KOUT ONDERRICHT
of plaats, of aan iels anders, al ware liet slechts aan een prentje. âIedere geheclit-lieid isnadeeligen kan een beletsel zijn ; dus als middel om aan zijn voornemen getrouw te blijven, moet men zich er op toeleggen, om alle gehechtheid te verbreken, zich van die zaken' te verwijderen en zijne kwade neigingen of gewoonten krachtdadig te bestrijden. â Ongetwijfeld kost dit moeite; daarom moeten wij bidden, teneinde God ons versterke en wij in God en door God alle moeielijkheden te boven komen. In Deo Iransgrcdiar mu-rum ; in en door God zal ik den muur overstappen en de moeielijkheid te boven komen.
34. Ten laatste behoort men nog op te merken, dat men de overwegirgen met behulp der bovengenoemde vragen, niet op eene dorre wijze, noch enkel redenee-rende moet verrichten; maar dat men ze moet verlevendigen door godvruchtige gevoelens, verzuchtingen en gebeden, zoo dat men tusschen de overwegingen alle
OVER DE MEDITATIE. 79
soort van verzuclitingeii of gebeden menge, b. v., van geloof, van lioop, van liefde, van berouw, van ootmoedigheid, van dankbaarheid, van verwondering, van aanbidding, van lof, enz., volgens do stoi' die men overweegt, of volgens de gevoelens welke God ingeeft.
Een voorbeeld.
In de meditatie: Over Je grootheid der liefde van God tol den memch. Na de eerste vraag: Wat moet ik in dit punt bemerken, overwogen, en daarbij de grootheid van Gods liefde beschouwd te hebben, zon men kunnen zeggen :
i) O God, hoe groot is uwe liefde 1 Hoe » kunt Gij ondankbare menschen zoo zeer » beminnen... Hoe kan het zijn, dat ik » U zoo weinig bemin?... O liefde ! â O » God, hoe groot is uwe liefde !. . »
Na de Squot; vraag: 11'«/ uwet ik hieruit lee-ren ? overwogen en daarbij geleerd te hebben. God boven al te beminnen ; zou men de volgende verzuchtingen kunnen doen :
80 KORT ONDERRICHT
gt; 0 ja, mijn God, zeker mooi ik hieruit a leeren, U te beminnen ! â Wien zou ik » beminnen, indien ik LF niet beminde ? » Ack, mijn God, ik bid U, geef mij toch » uwe liefde â geef mij ccne vurige, eene ⢠standvastige,eeneeeuwigdurendeiiefde.»
Na do :iu vraag': Welke beweegredenen heb Ui daartoe '? overwogen, en daarbij gezien te hebben, dal hot billijk, rechtvaardig, heilzaam, aangenaam, gemakkelijk en noodzakelijk is God lo beminnen, kan men eenigo verzuchtingen doen, zeggende b. v. : « O ja, mijn God, zeker is het ii billijk, U te beminnen; Gij immers zijt i' mijn Vader, mijn Weldoener, mijn » Schepper, mijn Opperste en eenigsto ii goed; Gij hebt mij hot leven en alles, » wat ik heb, gegeven; Gij hebt mij dooi' » het Doopsel aangenomen voor uw kind, ii en gespaard, toen ik in zonden leefde ; ii 't is dan billijk dat ik U bominne; 't is ii daarenboven rechtvaardig, wijl Gij het » mij gebiedt, en het mot recht van mij » vordert, aangezien Gij de Heer en Mees-
OVER UE MEDITATIE. 81
» ter van alles zijt; cn dan lioe voordeelig » en heilzaam zal dit voor mij zijn ?... » wanneer ik U bemin, zal ik ook door U » bemind worden, cn alle genaden van U » verkrijgen, â O, God, hoe zoel en goed ii is het, U te beminnen ! Gij immers be-» sluit in U allo zoetigheden, en Gij alléén » zijt genoeg om ons volkomen te verza-» digen. En dan, hoe gemakkelijk is het U » te beminnen! Misschien zal iemand » zeggen : ik ben te zwak, om zoo strenge » boetvaardigheid te doen ; om zoo veel te gt; vasten; zoo lang te bidden; maar zulks i kan men niet zeggen, ten aanzien der » liefde: want niets is er gemakkelijker of » aangenamer, dan te beminnen. Daaren-» boven is dit noodzakelijk, want zonder U i; te beminnen, is dezaligheidonmogelijk. » â O God van liefde, geef mij uwe liefde » â geef mij eene vurige, eene standvas-» tige liefde, dan ben ik rijk genoeg en » vraag U niets anders. »
Na de 4C vraag: hoe heb ik wij lol nog toe hierin gedragen ? overwogen en daarbij
82 KORT ONDEBBICHT
onderzocht te hebben, hoe men tot hieitoe (iod bemind heeft, doet men wederom eenige verzuchtingen: B.v. « Helaas, mijn » (jod, hoe flauw is mijne liefde 1 Ik zog, » dat ik U bemin, maar beter zou ik zeg-» gen, dat ik U niet bemin, omdat mijne ii liefde te flauw is, en den naam van lief-» de niet verdient. Ach, hoe weinig doe of » lijd ik nog uit liefde voor U ! G.3ef mij ii eene vurige liefde, om alles uit liefde ii van U te doen en te lijden. ).
Na de !jc vraag: wat staal mij in het vervolg te doen ? overwogen en daarbij het voornemen gemaakt te hebben, cm voortaan God alleen te beminnen, en dit door werken te toonen, kan men de volgende verzuchtingen doen: « 0 mijn God, ik ii verlang vuriglijk,!]alléén te beminnen ! ii O hadde ik millioenen harten, om U » vuriglijk te beminnen. âOm U te be-ii minnen met die liefde, waarmede Maria » U beminde, toen zij nog op de aarde » was, en waarmede zij IJ bemint, nu zij » in den Hemel is !... O God, ik wil het
OVER DE MEDITATIE. 83
» thans hij gcene enkele verzuchtingen » laten; maar ik wil mijne liefde tocmen ii door de werken ; daarom zal ik uit liefde ii tot ü dit... doen â of dit... lijden â of ⢠mij van deze vermaken onthouden â of ii mij in die zaken versterven Ziedaar mijn » hesluit; ik bid U versterk mij, want ik ii hen zoo zwak. » enz.
30. Aanmerking. â De gevoelens en verzuchtingen, waarvan zoo even gesproken is, moeten kort. en eenvoudig, maar liarlelijk/A\n, zonder zich aan eenige woorden te hinden ; men volge daarin de gevoelens zijns harten en de ingeving des H. Geestes. Hetgeen in n» 34 gezegd is, dient slechts tot voorbeeld; maar niet om er zich slaafsch aan te houden.
Het is zeer voordeehg, dezelfde gedachten, of dezelfde gevoelensen verzuchtingen dikwijls te herhalen.
De H.Augustinus hield zich somtijds geheele dagen en nachten bezig met dit gebed : Geef, Heer, dat ik mij kenne, en dat ikükenne en niets dan U begeere. DeH.
84 KORT ONDERRICHT
Franciscus van Assisi herliaalde duizend nialeii : mijn God en mijn Al!
David herliaalt in den I3;)cn Psalm 27 maal deze woorden: Quoniam in cetermim misericordia ejus. Wanl zijne barnihartuj-heid is eeuwig.
De Engelen in don hemel geven zich geene rust, noch dag noch nacht, in alle eeuwigheid zingende : Heilig heilig, heilig, de Heer en God der heerkrachlcn.
Zoo kunnen wij ons dikwijls zeer voor-deelig langen tijd met dezelfde verzuchtingen bezig houden : denkende, h. v. i 0 » God, liever sterven, dan U te vergrani-» men ! ^ «O konde ik sterven, opdat allo nienschen U beminnen ! »
« O hadde ik een oneindig getal harten, brandend van liefde, om II âo beminnen!»
30. Het 3° Deel. Het Slot.
Ten ls'c. Bij het einde der meditatie dankt men God, voor do ontvangene verlichtingen, genaden en weldaden, en men vraagt Hem vergiffenis over de fouten, waaraan men zich kan schuldig gemaakt
OVER DK MEDITATIE. 85
hebben, hetzij door traagheid, dorheid, verstrooiingen, slaperigheid, enz.
Ten 2''. Men vernieuwt de voornemens, die men gemaakt heeft.
Ten 3°. Overtuigd van zijne zwakheid en van zijn onvermogen, bidt men met de meest mogelijke vurigheid om genaden, ten einde zijne voornemens ten uitvoer te brengen. â Eindelijk
Ten 4'quot;. Men stelt zich en zijne voornemens in de H. H. Harten van Jezus en Maria.
Al deze akten zijn in het volgende Sluit-gebed vervat.
SUjTIGKBEI).
Groute God, ik dank IJ voor alle ontvan-ivene weldaden en vooral voor de verlichtingen, die Gij mij gedurende deze medita-1 ie verleend hebt. â Ik vraag U ootmoedig vergifl'enis voor allo fouten, onvolmaaktheden en gebreken, waaraan ik mij gedurende deze meditatie kan schuldig gemaakt hebben.
8fi KORT ONDERRICHT
Ik draag mij zeiven en mijne voornemens aan IJ op; deze voornemens zijn... (Hier herdenkt, men zijne voornemens en vernieuwt dezelve. â Verder bidt men :) 0 lt;iod, versterk mij opdat ik deze voornemens stiptelijk ten uitvoer brenge: immers zonder uwe genade kan ik niets, zelfs niet eene goede gedachte vormen, veel minder een goed voornemen ten uitvoer brengen.
Heere Jezus, ootmoedig aan den voet. van uw heilig kruis nedergeknield, beveel ik mij en mijne voornemens aan l! aan, alsmede hei welzijn der heilige Kerk, de geestelijke en tijdelijke belangen mijner familie, de ongelukkige en arme zondaars, de rechtvaardigen, bijzonder die het god-vruchtigste zijn jegens het heilig Sacrament des Altaars en jegens de H. Maagd Maria, de bedienaars der H. Kerk en de zielen in het Vagevuur.
O Jezus, laat toe, dat ik voortaan in uw H. Hart wone, om 11 meer en meer te beminnen, om voor U te leven, voor U te
OVER DE MEDITATIE. 87
lijden, en voor II te sterven. â Verberg mij in uw II. Hart, ora nooit meer.in zonden te vallen, IJ alléén te lieminnen, in alles met Gods wil tevreden te zijn, en te volharden in het goede tot het einde mijns levens toe.
O Maria, mijne allerbeminnelijkste Moeder, bid voor mij! âII Joseph, H. Engelbewaarder, IIII. Patronen en Patronessen en alle Gods lieve Heiligen en Engelen,'bklt gezamenlijk voor mij bij den Heer, opdat ik getrouw blijve aan mijne voornemens en volharde in bet goede tot het einde toe. Amen. Salve Regina, â of â Onze Vader en Wees gegroet.
37. Bemerking.
1° i\a de meditatie, onderzoekt men zich, om te zien, of men de regels der meditatie, zoowel dc voorbereiding, als de overweging en het slot betreffende goed onderhouden heeft: vooral geve men acht op het voornemen, datmen gemaakt heeft; men beveelt het Gode andermaal aan en
{*8 KOBT ONDERRICHT
birlt Hem vuriglijk, ons 11 versterken, ten einde liet, in weerwil vim iille moeielijk-heden of liekoringcn, stipt ter uitvoer te brengen.
2''. Do H. Franciscus de Sales vermaant ons, een geestelijken ruiker uit de meditatie te verzamelen en hij ons te dragen,ten einde gedurende den dag onzen geesl er door te verkwikken, rn ons er door op te wekken, om liet voornemen Ie onderhouden.
Door den geestelijken ruiker verstaat men een goede gedachte, zinspreuk, gezegde of waarheid uit de H. Schriftuur, of uit de HH. Vaders of uit andere godvruchtige schrijvers, welke ons het meest getroffen heeft; men tracht die vast in het geheugen te prenten en bij zich tc dragen, ten einde den geest er door te verkwikken, gelijk iemand die uit eenen tuin een bloc-menruiker met zich neemt, om zich door zijnen aangenanicn geur nog van tijd tot tijd te verkwikken.
't Is zeer voordeel ig en tevens gemakke-
OVER DE MEDITATIE. 89
lijk dezen geestelijken ruiker te doen bestaan uit een schietgebed, dat op de liefde steunt; en dikwijls dnor den dag hetzelve te herhalen, b. v. allo uren of half uren of zelfs een kwartier uurs, zoo als vele heiligen gewoon waren te doen. Men laat dat schietgebed overeenkomen met liet voornemen dat men gemaakt heeft. li. v. om de ootmoedigheid te beoefenen, zegge men : « O Jezus, geef inij uwe liefde, op-» dat ik ootmoedigzij â O Jezus, geef mij » uwe liefde, opdat ik deze vernedering â » of dezen smaad â of deze verachting â » of deze verongelijking... geduldiglijde.«
Om de gehoorzaamheid te beoefenen, zegge men : « O Jezus, geef mij uwe » liefde, opdat ik gehoorzaam zij... opdat ' ik blindelings gehoorzame... opdat ik » vlijtig, zonder vertraging gehoorzame... » opdat ik voortdurend gehoorzaam zij... » enz. »
Om het geduld te beoefenen, zegge men: ⢠O Jezus, geef mij uwe liefde, opdat ik » dü ongemak â of deze pijn â⢠of dü
!)0 KORT ONDEREICHT
» verdriet â of deze moeielijkheid â of » deze oneer â of de.ie armoede â of de-» zen tegenspoed â⢠of deze beproeving â » oideze koude, enz., met geduld, ja zelfs » met blijdschap verdragc.»
Op dezelfde wijze kan mea in andere gevallen: korte schietgebeden doen; dus-dauige schietgebeden herhaalt men dikwijls gednrende den dag, en zoo wordt het voornemen steeds in ons verlevendigd en tevens versterkt door de genade, welke. God ons geeft, terwijl men Hem daarom bidt.
3°. De H. Alphonsus vermaant ons na de meditatie de ingetogenheid des geestes te bewaren, en de verstrooidheid der zinnen zoo veel mogelijk te vermijden, wijl men zich anderszins in ge va ir stelt, do zalving des H. Geestes, die men door de meditatie ontvangen had, aanstonds te verliezen. Men traebte daarentegen die zalving zorgvuldig te bewaren, door gebruik te maken van de navolgende regels, welke dr !!, Alphonsus aanduidt.
OVER DE MEDITATIE. 01
a) Nimmer beginne men eenig werk zonder hel vooraf' aan God opgedragen te hebben ;
h) Nimmer late men een kwartier uurs voorbijgaan, zonder bet hart tot God te verheffen, in welke bezigheid men zich ook moge bevinde ;
cj Men make zich gewoon, bet hart tot God te verheffen, wanneer men een werk eindigt â of zich van de cene plaats naar do andere begeeft â of werkeloos ergens moet wachten, om iemand te spreken â of eene bediening â eeno plechtigheid â of welk andere bezigheid ook te beginnen.
d) Men beware het stilzwijgen en de eenzaamheid, en men verin ij de zorgvuldig de verstrooidheid dor zinnen alsmede de nieuwsgierigheid.
4°. Eindelijk, om de vrucht der meditatie te bewaren, leeren de godvruchtige schrijvers nog, dat men de bijzondere verlichtingen, do goede gedachten, die ons het meest getroffen hebben. en de goede voornemens moet aanteckenen en
92 kort onderricht
van tijd tot. tijd herlezen, opdat ze dieper in liet hart geprent en nauwkeuriger in beoefening gebracht worden.
dquot;. Hoe zou het komen dat er velen zijn die dagelijks nieditceren, en toch altijd even onvolmaakt blijven? of welk is de oorzaak, dat sommige personen geen voordeel uit de meditatie trekken, terwijl de Heiligen er steeds met zoo vee' nut gebruik van gemaakt hebben '?
Er kan geene andere oorzaak zijn, dan dat zij de meditatie niet behoorlijk verrichten, en zich zei ven geene genoegzame moeite geven, om ze wel te doen. Daarom is het van groot belang, dat men van tijd tot tijd onderzoeke, of men ook al de regels der meditatie onderhoudt, ten einde zijne fouten te zien en zich er van te beteren.
ONDERZOEK OMTRENT DE MEDITATIE.
I. Aangaande de Voorbereiding.
Heb ik 's avonds te voren de slof der meditatie met aandacht gelezen ? Heb ik
over de meditatie. 93
gedacht aan de vrucht dor meditatie ? Heb ik. er nog aan gedacht 's avonds bij het naar lied gaan, des nachts wakker wordende, en 's morgens hij het opstaan ? Heli ik getracht, naar de meditatie gaande, mij levendig te doordringen van Gods tegenwoordiglieid '! Heb ili mij daarna, in vereeniging met de Kngelen, eerbiedig x op de knieën neergezet ? Heb ik met eerbied en vurigheid bet voorbereidingsgebed gezegd, en nederig den bijstand des Heeren afgesmeekt'?
II. Aangaande de Overweging.
Heb ik gebruik gemaakt van do zes vragen en hoe? Hob ik ernstig op hot voornemen gelet, door te overdenken, dat het zoo billijk, rechtvaardig, heilzaam, gemakkelijk, troostend en noodzakelijk is ? Heli ik getracht goede gevoelens, verzuchtingen on smeekingen in mij op te wekken ? Heb ik goede voornemens gemaakt? waren zij werkdadig, voor bijzondere gevallen, overeenkomstig met den staat,quot;
94 KOItT ONDERRICHT enz.
waarin ik mij thans bevind? âSteunden zij ook op goede beweegredenen en vooral op de ootmoedigbeid, in de overtuiging dat ik niet bekwaam ben, dezelve te vol. brengen, tenzij (!od mij helpe '? Heb ik tot God mijne toevlucht genomen door bet gebed, ten einde Hij mij gelieve bij te staan'?
111. Aangaande het slot.
Heb ik de meditatie gesloten door hartelijk te bidden, door God te bedanken, door Gode de voornemens aan te bevelen, door een geestelijken ruiker uit de meditatie mede te nemen ?
Niemand moet zicb van dit onderzoek laten afschrikken, om de menigvuldigheid der vragen, welkeer voorgesteld worden; want zoo haast men do manier van medi-teeren goed kent, zal men aanstonds zien, of men aan het een of ander punt ontbroken heelt â dit ziende, moet men zich voor God vernederen, zijne fout oprecht verfoeien en bet voornemen maken, zich er van te beteren.
BIJ DENZELFBEN UITGEVER.
De Eenzame Duif, meditatiën voor den Advent en den Kersttijd, nagelaten werk van den Weleevw. Pater Egidius Vogels, Redemptorist. Prijs ; 11. 0.75 ; fi-mcu per pos,!:, fl. 0,8fi.
V eertig verschillonde Coinmunie-oefeningen door E. Vogels. Prijs : fl. d,2fi ; franco per post tl. 1,3S.
De Meimaand ter core van O. 1..
Vrouw, van Altijddurenden lÃjsiaud door E. Vogels. Prijs : gebrocheerd, fl. 0,30 ; gebonden, 11. 0,50.
De Weg- der Goddelijke liefde door Tli. Bensdorp, Redeiuptorist. Prijs in percaline band, fl. 1,00 in fijn kalfsleder, fl. '2,50
( i