1
'7~#IR Cj /(S 846
, ...-T LEVEN
VAN
H. Jesus Christus.
Vrij naar het Fransch
DOOR I
D. A, M
CJ. gt;IOSquot;»l \XS KOON,
MARKT A. 14, 's-11 er togenboscli.
- â â â ' ; â ' w â - -
ft
-.
-
â â â «......\
1
\y-,
â ::v
gt; l'-
â :-^V ' : gt; : V £ r;
Vv-V^ l:' v - V:;'' '⢠â :vv' -
De zBEeiimSerKiiiöBPei
-r^^g/8
HET LEVEN
VAN
0. H. Jesus Christus.
Vrij naar het Fransch
dook
D. A. M.
K v
yp *
.f
-/\ » \ w ' . v -
^ ^ ^ quot; i C- Ml , 10
G. MOSMANS ZOON, Markt A. 14, 's-Hertogenbosch. RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
/
-»»» »»» »»v-*~rw-wwt www www \
I ï» R I M A T U R.
Datum BREDAï, die 19 Junii 1888.
P. J. GABRIEL.
Can. Libr. Censor.
IEEE ZET1 LE'VEINT
Hoofdstwli I.
iucis vier dnizeud jaar reeds ging de zon over de stoffelijke wereld op, toen aan den gezichteinder der zedelijke wereld de zon van rechtvaardigheid verscheen, waardoor ieder mensch bij zijne intrede in het leven verlicht wordt; â Jesns Christus namelijk, die het aanschijn der aarde is komen vernieuwen, en alles in eene verhevene eenheid is komen samensmelten, door de waarheid te brengen die alle geesten moet vereenigeu, en de liefde, die alle harten moet ontvlammen. Doch waartoe zulk een langdurig uitstel? Het kind verrukt over het licht .van den dag, zou dezelfde vraag kunnen stellen, wanneer het licht de duister-#nissen van den nacht, komt verdrijven. Men zou kunnen antwoorden: »God heeft de wereld
LEVEN VAN
6
aldus gescliapeu, men moet haar nemen, gelijk zij is.quot; Doch wie ziet de reden dezer lange alwacliling niet in? De mensch, onniiddellijk na den zondenval hersteld, zou noch zijnen val, noch de diepte zijner ellende, noch de onmetelijke weldaad der verlossing begrepen hebben. Het bewijs hiervan is, dat, ondanks de betreurenswaardige ondervinding van vierduizend jaar, hij moeite heeft die zaken te begrijpen, en dat er zelfs blinden worden aangetvoffs)!, die ze ontkennen. De mensch werd dus overgelaten aan zijne verblinding en aan zijne zwakheid, doch met de belofte van een toekomstigon Verlosser, en voldoende hulpmiddelen voor elk om niet zonder zijne eigene schuld verloren te gaan. God wekte getrouwe aanbidders op van zijnen naam, om tot geleiders te verstrekken aan diegenen welke op een dwaalspoor geraakten. Er werd een volk uitverkozen om de oorspronkelijke dogma's in al hunne zuiverheid te bewaren; en dit volk, waarvan die groote God zelf de wetgever wilde zijn, werd van tijd tot tijd onder andere volkeren over de geheele aarde verstrooid, zooals het licht hetwelk in de duisternissen schittert, zooals een fakkel in den nacht der dwaling. Zoo toont zich de wijsheid en goedheid van God, en de zondenval benevens de diepe ellende des menschen worden op onwederspre-kelijke wijze bewezen door veertig eeuwen vai^ dwaasheid en vaneen verschrikkelijk zedenbederf.
OXZEN UliKH JLSUS MïBISTCS
Een lange dageraad ging den grooten dag â der verlossing vooraf. Zoo handelt God in al zijne werken; nooit met overhaasting, doch altijd â¢met maat en gewicht. Nauwelijks is de koning lt;ler schepping van zijn troon gevallen, of eene «erste belofte doet voor zijne oogen een straal van hoop schitteren; het geslacht der vrouw zal eens den kop van de helsche slang verpletteren. Tweeduizend jaar later wordt door eene tweede belofte aan Abraham gedaan, de eerste bepaald, en tot de nakomelingschap van dien grooten aartsvader beperkt. Nieuwe beloften worden aan Isaak en Jacob gegeven. De laatste, van zijn doodsbed een zienersblik in de toekomst werpende, ziet den toekomstigen bevrijder uit den stam van Juda ontspruiten. Andere tee-kenen wijzen hem aan als nakomeling van David, doch opdat men hem niet met de andere leden van dit geslacht verwarre, zullen nog andere aanwijzingen gegeven worden.
Verscheidene malen beloofd, wordt de Messias afgebeeld door eene lange reeks van doorluchtge personen, zooals Melchisedech, Isaac, Jacob, Joseph, Moses, Josuë, Gideon, Samson, David, Salomon en Jonas, die ieder hunner hem voorstelden in eene omstandigheid van zijne geboorte, van zijn leven van zijnen dood of verrijzenis.
De voorzeggingen voltooien de kenmerken, üit de vereeniging van alle profeten ontstaat een volmaakt tafereel. De oudsten maken de
7
LKVliX V.VN
eerste schets; naarmate zij elkander opvolgen,, volmaken, de anderen de trekken en lijnen van het beeld. Hoe nader zij bij den iyd der groote gebeurtenis staan, hoe levendiger hunne kleuren worden, en wanneer het beeld geheel is afgewerkt, verdwijnen de schilders, zooals de wapendragers ophouden den koning aan te kondigen, wanneer hij verschenen is.
Otider de voorzeggingen stellen sommige den tijd van den Messias vast, terwijl andere eene menigte trekken en omstandigheden van zijn leven en dood aanwijzen.
Hoemeer de joden de dagteekeningen berekenden en de profeten overwogen, hoemeer zij zagen dat de tijden vervuld waren. Ook deden zij aan den H. Johannes Baptist de eer van hem te vragen, of hij niet degene was, die zij, verwachten. »Ik weet dat de Messias komen moet,quot; zegde de Samaritaansche vrouw tot Jesus Christus. Ieder jaar stroomden de joden uit alle deelen der bekende wereld naar Jeruzalem, verblijdden en verkwikten zich in de hoop, die allen gemeen was en keerden te midden dei-heidenen terug, bezield met een versterkt geloof en vol ijver om hunne hoop en verwachting aan anderen mede te deelen.
Doch de profeten hebben er zich niet mede tevreden gesteld met nauwkeurigheid den tijd aan te wijzen, waarop Jesus Christus zou geboren worden ; zij hebben zulk een treffend beeld
8
9
ONZEN HEEK JESUS CHH3SÃUS «
van hem geschetst, dat het onmogelijk is hem te miskenuen. Zij hebben voorzegd, dat hij geboren zou worden uit eerie maagd (1), te Bethlehem, eene kleine tot dusver onbekende stad (2), uit den stam van Juda en het geslacht van David (3); dat hij arm zou zijn en het Evangelie aan de armen zou verkondigen (4); dat hij in den beginne gering en zonder glans zon zijn, doch dat eens de koningen zich voor hem zouden nederbuigen (5); dat hy een voor-looper zou hebben (6), wiens stem in de woestijn zou weerklinken (7); dat hij de blinden zou doen zien, de dooven hooren, de kreupelen gaan cn de stommen spreken (8); dat de geest des Eeuwigen, de geest van wijsheid, van verstand, van raad, de Geest van kracht, de Geest van wetenschap en van vrees op hem zou rusten; dat hij schitteren zou met al den glans der rechtvaardigheid (9); dat hij een voorwerp zgn zou van versmading en van tegenspraak, verworpen en vervolgd door zijn volk (10); dat bij Jeruzalem zou binnenrijden, gezeten op een ezelin (11); dat hij in de plaats der oude offers een nieuw zou stellen, duurzamer en zuiverder, en hetwelk in alle landen der aarde zou worden
(I) Isaias, VII: 14. (2) Micheas, V: 2. (3) Genesis, X; Isaias, XI: 2; Samuel XVI; Ps. XXXIX; Jeremias XXIII. (4) Zacharias, IX; 10. Isaïas XI: 8. (5) Isaïas, III; 4. (0) Malnchias, III: 1. (7) Isaïas, XL: 3. (8) Isaias, XXXV : 4, 5. (9) Isaïas XI, XL, XLII. Zacharias, IX : (10) Daniël, IX: 26; Isaïas, VI: 10; LV, 2. (11) Zacharias, IX; 9.
LEVEN VA M
10
opgedragen. (1); dat hy de eeuwige priester zijn zou volgens de orde van Melcliisedech (2); dat bij door de zijnen zou verlaten worden, door een hunner verraden, en voor dertig zilverlingen verkocht (3); dat hij vol nederigheid en zachtmoedigheid zijn zou (4); dat hy noch droefgeestig, noch onstuimig zijn zou; dat men buitenshuis den klank zijner stem niet zou vernemen; dat hij het halfgebroken riet niet verder breken, noch het halfverteerde licht zou uitdooven (5); dat hy zou gelasterd worden (6); geslagen, bespuwd en met schande overdekt; ,dat men hem de voeten en handen zou doorboren (7); dat men de tanden tegen hem zou knarsen; dat de voorbijgangers het hoofd zonden schudden, en met zijne smarten den spot zouden dry ven (8); dat hij onder de boosdoeners zou gerekend, en evenals zij veroordeeld worden (9); dat bij miskend, veracht, als de laagste der stervelingen, als een melaatsche en een door God getroffen mensch zou behandeld worden; dat hij overdekt zou worden met wonden, gebroken voor onze misdaden, en misvormd door het lijden (10); dat men hem gal en edik zou aanbieden om zijnen dorst te lesschen. (11); dat zijne kleederen zouden verdeeld en over zijn (1) MalachTas; I; 10. 11. (3) Ps. IX: 10. (3) Zacha-rias, IX: 7, 12, 13; Ps. IX: 10. (4) Jereraias, IX: 19. (5) Isaïas, XLII: passim. (6) Psalmen en Klaaglieilercn, passim. (7) Psalm XXI, Isaias, Jeremias, Zachariar. (S) Psalm JCXI: 7,8,9. (9) Isaïas, LUI. (10) IsaiasLIII. (11) Psalm,XXi.
OSZBX HJSER JESUS CUUISTt'3
11
opperkleed het lot geworpen worden (1); dat hg begraven zou worden door rijke lieden; dat zijn graf roemriik zou zijn (2); dat hij de i'echtvaardige in de onderaardsche plaatsen zou gaan verlossen (3); dat hij verrijzen zou (4); dat hij na zijne verrijzenis ten hemel zou klimmen (5); dat hij vervolgens zijnen geest over alle vleesch zou uitstorten (6); dat de Joden zouden verworpen, en de heidenen in hunne plaats geroepen; dat hij een nieiiwen godsdienst zou stichten (7); dat alle volkeren in zijne Kerk zouden opgenomen worden, en dat deze Kerk zich over alle landen der aarde zou verbreiden (8); en eindelijk dat hy aldus de vader der toekomende eeuwen zijn zou (9). Niets dus wat niet voorzegd, en wat niet vervuld is geworden.
Van het begin der tijden beloofd, en door alle eeuwen heen voorbeduid en afgebeeld, waardoor zijne godheid duidelijk wordt bewezen, is Jesus Christus dat alles evenzeer door de lange voorbereiding; welke zijne komst voorafging; â eene voorbereiding, verwonderlijk van grootheid en mujesteit, en waartoe God alleen in staat was. Ouder den invloed van de werking der Voorzienigheid, ziet men de vier groote
(1) Ibid. (2) Isaïas, XI: 10. â Eea roemrijk graf na zooveel schaude 1 Kon zulks door een mensch voorzien worden? (3) Zacharias, IX: 2. (4) Psalm, XV: 9, 10. (5) 3bid, LVII: 19. (6) Joel, II: 28; Isaïas, XL; 9; L: 6. {7) Jeremias, XXXI. (8) .roremias, XXXI. (9.) Isaïas IX: 6,
LEVEN TAN
12
rijken der Assynërs, Perzen, Grieken en Ro-meiuen medewerken, de eerste op eene meer verwijderde, de laatsten op eene meer nabijziinde manier, tot de vestiging van bet algemeene rijk des Messias, door de profeten aangekondigd; en opdat men niet in verleiding gebracht worde in dit feit slechts eene min of meer geestige schikking te zien, naderhand op reeds plaats gehad hebbende gebeurtenissen bewerksteliigd, worden die vier rijken, verscheidene eeuwen te voren in den profeet Daniël voorspeld; hunne opeenvolging en voornaamste kenmerken zgn zoo duidelijk aangewezen, dat het onmogelijk is, zich op dit punt te vergissen. De Assyriërs straffen de ontrouwe joden; de Persen herstellen ze, en dragen, zonder het te weten, bij tot de vervulling der profetiën; de Grieken vertalen de gewijde schriften en verspreiden ze overal met hunne taal, opdat de Apostelen beter begrepen worden, wanneer zij het Evangelie zullen gaan prediken; de Romeinen zetten de zending der Grieken voort, doch op eene meer uitgebreide schaal. Alle hinderpalen worden omvergeworpen, alle wegen vereffend. Van het westen tot het oosten stamelen de volkeren de taal der overheerschende natie, die met reuzenpogin-gen de wereld in beroering brengt, om, zonder het te vermoeden, de godspraken ten uitvoer te brengen. Tusschen alle deelen van den aardbol komeu groote verkeerswegen tot stand, en
ONZEN HKKR JKSUS CHRISTUS 13
alle volken worden als in een onmetelijkeu bundel te samen vereenigd. Overal volgt men de wetten en gebruiken der Romeinen. Van dat oogenblik is Rome, wat het altijd zijn zou, de hoofdstad der wereld, het algemeene middelpunt, van waar alles uitgaat en waar alles samenloopt, de eeuwige koningstad. Alles is gereed en de Godsgezanten hebben nog slechts de zending te aanvaarden, die zij bij alle volkeren der aarde te vervullen hebben. ,
De verscbrikkelgke omkeeringen, die tot dan toe de aarde geteisterd hadden, zouden de ontroerde volken niet veroorloofd hebben naar Jesus Christus te luisteren; op het oogenblik van zijne geboorte schijnt de wereld te. zwijgen en in zich zelve te keeren, om naar zijn woord te luisteren. Het oorlogsgedruisch had opgehouden; driemaal werd, gedurende de lange en vreedzame regeering van Augustus, de tempel van Janus gesloten, hetgeen voor dezen keizer slechts tweemaal gebeurd was. De koningin van Ethiopië, de nieuwe koning der Arabieren, die van Armenië, die der Parten, de Seythen, de Sarmaten, de koningen van Indië, China zelfs, wareu den vrede komen vragen. Aldus was de voorspelling van Isaïas in vervulling gekomen, die aankondigde dat de lansen tot zeisen, en de zwaarden tot ploegscharen zouden gesmeed worden en dat de nieuwe heerscher
I.KVEX VAN
der volken de vorst van den vrede zon genoemd worden; aldus scheen de gelieele menschlieid zith bij de nakomelingschap van Jacob te voegen, om met de patriarchen en de Profeten uit te roepen: «Hemelen, smelt in dauw, en dat de wolken den rechtvaardige regenen! Dat de aarde zich opene en den Zaligmaker voortbrenge!quot;
Op die voorspellingen, op die lange verwachting, op die reusachtige voorbereiding; op dat stilzwijgen der wereld, antwoorden de volgende woorden van den II. Johannes: gt;ïlet Woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond!quot; Doch wie is dat woord? Luisteren wij naar denzelfden Apostel; het is het begin van zijn Evangelie: »Iü den beginne was het Woord, en het Woord was in God, en het Woord was God.... Alles wat is, is door hem, en niets van wat gemaakt is, is niet door hem gemaakt. ..Het is de waarheid, die te voorschijn schiet, zooals de bliksemstraal nit de wolk; het is een weergalm der eeuwigheid.
14
IJ oolVL-s t ii li 11.
n de kleine stad Nazareth in Gal ilea woonde eene jeugdige maagd, versierd met alle schoonheden naar lichaam en ziel en die bij alle bevalligheden van jeugd en schoonheid, bij alle hoedanigheden des harten en gaven van geest en verstand, de bovennatuurlijke gaven voegde, waarmede het God behaagd had haar te verrijken, om haaide groote zaken, waarvoor Hij haar bestemde waardig te maken. Deze jonge dochter behoorde tot den eenvoudigen arbeidenden stand. Gesproten uit den koninklijken stam van David, telde zij eene lange reeks koningen onder hare voorouders, doch wel verre van den verdwenen rang en luister van haar geslacht te betreuren, won zij met vreugde haar dagelijksch brood in het zweet haars aangezichts.
Zij had sinds korten tijd een vromen werkman gehuwd, Joseph genaamd, evenals zij uit het geslacht van David, ten einde zich aldus te voegen naar den geest der joodsche natie, bij welke het huwelijk algemeen was geworden, omdat iedere jonge dochter verlangde naar de eer van de moeder te zijn des Messias. Joseph behandelde Maria als zijne zuster, want zij hadden elkander de gelofte afgelegd van in het huwelijk te leven als in den ongehuwden staat.
LEVKN' VAN'
Dit huwelijk was noodzakelijk om de eer te bescliermen van Maria, die bestemd was moeder te worden, zonder op te houden maagd te zijn.
Van hare eerste kindsheid af in den tempel opgevoed, had Maria zich altijd door. eene tee-dere godsvrucht onderscheiden. Zonder ophouden overdacht zij de gewijde boeken. Eens dar. zij zich met die godvruchtige overwegingen bezig hield, verscheen haar de aartsengel Gabriël, te midden van een hemelsch licht, en kondigde haar aan, dat zij den Verlosser van het men-schelijk geslacht ter wereld zou brengen, zonder verlies van hare maagdelijke zuiverheid.
Maria vernam ook van den Engel, dat hare nicht Elisabeth, op reeds gevorderde jaren, ook een zoon ter wereld zou brengen, en zij besloot haar hare hulp te gaan aanbieden. Zij werd bovendien geleid door eene bijzondere in-geviag; het was noodig, dat diegene, die den weg voor den Verlosser der wereld moest voorbereiden, reeds voor zijne geboorte zou geheiligd worden. Op het oogenblik, dat na eene moeielijke reis in gezelschap van Joseph afgelegd, Maria den drempel van de woning barer nicht overschreed, en haar de gewone groetenis-sen aanbood, werd de H. Johannes geheiligd. Eensklaps met den geest Gods vervuld, riep Elisabeth uit: »Gezegend zijt gij onder ulle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams! Van waar komt mij de eer, dat de moeder des
16
OSZBN HEKR JESUS CHRISTUS
Heeren tot mij komt.quot; Toen sprak Maria dien sclioonen lofzang, hef; Magnificat, uit, die zoo heerlijk onder de gewelven onzer kerken weergalmt, en waarin zij zoo treffend den geest der Nieuwe Wet uitdrukt, wanneer zij zegt, dat God de hoogmoedigen heeft vernederd, de machtigen van hunne tronen heeft geworpen, de geringea heeft opgeheven, en de hongerigeu heeft verzadigd.
Na drie maanden in het huis barer bloedverwante vertoefd te hebben, keerde Maria naar Nazareth terug. Zacharias, de echtgenoot van Elisabeth, sprak bij de geboorte van zijn zoon, den beroemden lofzang uit, dien de Kerk, evenals het Magnificat, eiken dag in den mond legt van diegenen, welke de kerkelijke getijden bidden. Toen Johannes grooter geworden was, trok hij zich, vervuld van den geest Gods, terug in de woestijn, en bleef daar totdat zijn tijd gekomen was, om zich in Israël te toonen.
Een Engel des Heeren versclieen nu aan Joseph en kondigde hem aan, dat Maria dooide werking van den H. Geest een kind zou voortbrengen, aan hetwelk hij den naam moést geven van Jesus, omdat het zijn volk van de zouden zoii bevrijden.
Deze waarschuwing des hemels trok on getwijfeld de aandacht van Joseph op de voorspelling van Isaïas: »Eeue maagd zal ontvangen; zij zal een zoon baren, die genoemd zal
9
17
LEVEN VAN
18
worden Emmannë], dat is God met ons.quot; lu-tnsschen moest volgens eene andere voorspelling, de Messias te Bethlehem geboren worden; doch eene opwelling van ijdelheid van de zijde van keizer Augustus, of wel eene staatkundige reden, was voldoende om deze moeilijkheid op te lossen.
Te dien tijde namelijk schreef keizer Augustus eene algemeene volkstelling uit, en bepaalde dat iedereen zich moest laten opschrijven in de plaats van zijnen oorsprong. Als afstammeling van David begaf zich Joseph met Maria naar Bethlehem in Juda, De toeloop echter was daar zoo groot, dat zij geene plaats vindende in de herbergen, verplicht waren eene schuilplaats te zoeken in eenen stal. De nacht had zijne schaduwen over de stad uitgespreid; de sterren schitterden aan het uitspansel; nooit, sinds veertig eeuwen, was zulk een schoone nacht over de aarde nedergedaald; de natuur scheen stom van afwachting en bewondering; het was eene van die plechtige uren, welke de lotsbestemming der wereld veranderen. Het goddelijk Woord, nedergedaald uit den hemel en van den troon zijver heerlijkheid (1), deed zijne intrede in het leven; Maria baarde den Verlangde der volkeren, den Verlosser zoo dikwijls en zoolang aan Israël beloofd. Het wa^
(1) Boek der Wijsheid, XVIII; 41.
OSZEN HEEH JESUS CHRISTUS
tien 25 December van het jaar 4004 der wereld, Jat de Godmensch uit eene vrouw is willen geboren worden, om ons in alles te gelijken^ behalve in de zonde; om onze broeder te worden, en de heerschappij der broederlijkheid op narde 4e herstellen. In doeken gewikkeld werd het goddelijk kind in eene kribbe gelegd. Aldus een stal, een krib, een weinig stroo, de adem der dieren om hem te verwarmen, zoo treedt de Zoon des Allerhoogsten bet aardsche leven in! Alles behoort aan dit kind, omdat het alles geschapen heeft; en het ligt daar, in de uiterste behoefte geboren! Het kon geboren worden in een paleis, en het wordt geboren, in de hut der armoede zelfs niet eens, maar in een stal! quot;Welke les! welke verheffing der armoede!
Doch welk een voorbeeld terzelfdertijd van versterving en boetvaardigheid! Indien wy bij het begin het einde voegen, zullen wij ditzelfde kind, dat nu op een weinig stroo ligt uitgestrekt, naderhand door het vasten zijn onschuldig vleesch zien versterven; wij zullen het zien sterven, zonder te morren, hangende aan een kruis en met doornen gekroond! Hoe kunnen wij ons dan beklagen over het kleine deel bitterheid, dat God voor ons in den levenskelk gemengd heeft?
'Terwijl de Verlosser te Bethlehem geboren werd, zagen herders, die niet verre van daar
19
MOVEN VAS
hunne kudde hoedden (1), eensklaps .te raiddeu van een schitterend licht, een engel voor hea verschijn en, die hunnen schrik bemerkende, zegde: »Vreest niet: wat ik u verkondigen kom, zal eene oorzaak van gioote vreugde zyn voor al het volk; heden is u in de stad van,David een Zaligmaker geboren; liet is de Christus, of de Heer. Een klein kind, in doeken gewikkeld en liggende in eene kribbe, dat is het teeken, waaraan gij Hem kennen zult.quot; Bij die woorden deed een menigte engelen de lucht van welluidende gezangen weerklinken, waarin men deze woorden onderscheidde: »Glorie aan God in het allerhoogste en vrede .op de aarde aan de menschen, die van goeden wil zijn!quot; Vrede der menschen met God, vrede der menschen onder elkander en met zich zeiven; drievoudige vrede, volstrekt noodzakelijk voor het geluk der menschheid, en waarlijk de komst waardig van dengene, die algemeene verzoening is komen brengen in den hemel en op de aarde.
Toen het gezang had opgehouden, spoedden de herders zich naar Bethlehem, waar zy het kind vonden, zooals de engel hun had aangekondigd. Da verwondering was groot, toen de herders verhaalden wat zij gezien hadden. Maria bewaarde alles in haar hart, en zag met bewondering de vervulling der goddelijke orakels.
(I) De. winters zijn ia Palestina veel zachter dan in ciize streken, zapdat het vee tie velJOu 'niet behoeft te verlaten.
20
OKZÃN HEEll JESÃS CHRISTUS 21
Wiïniieer een prins ter wereld komt, verdriDgen zich de grooten van den staat rondom zijne wieg: bij de geboorte van bet goddelijk Kind, zijn bet noch de grooten, noch de wyzen, noch de machtigen, noch de rijken, maar arme herders, dat is menscben uit het volk, die bet eerst geroepen worden. Er ligt daarin eone geheele maatschappelijke omwenteling: bet is de verheffing der gevingen of van de menschen ran niets, zooals bet in de trotsche taal dei-wereld luidt.
Volgens een voorschrift der joodsche wet moest elk mannelijk kind, acht dagen na de geboorte, besneden worden. Ook het goddelijk Woord onderwierp zich aan dit gebod en werd genoemd Jesus, dat wil zeggen Zaligmaker volgens het bevel des engels, toen hij het geheim der menschwording aan Maria verkondigde. Isaïas had voorspeld dat hij Emmanuel zou genoemd worden; doch er ligt hierin geene tegenspraak. Emmanuel, of God met ons, is eene algemeene benaming, die uitdrukt wat Jesus Christus moest zijn; het is evenzoo met de volgende namen: Bewonderenswaardige Raadsheer, sterke God, Vorst van den Vrede, Vader der toekomende eeuwen, die bij volgens denzelfden profeet moest dragen. Jesus, aanbiddelijke naam, waarvoor, zooals de H. Paulus zegt, alle knieën in den hemel en op de aarde zich buigen, is de naam, die het best de verhevene
LEViSN VAN
zending uitdrukt door het menschgeworden Woord vervuld, waardoor de mensch is gered gewordea van den drievoudigen ondergang, waardoor hg bedreigd werd in zyne ziel, in zijn verstand en in zijn lichaam, en waardoor de mensch gered is uit Je afgronden van zonde, dwalingen bederf, waarin bij gedompeld lag.
Twaalf dagen waren sinds de geboorte van Jesus verloopen toen er wijzen uit het Oosten kwamen, om hem te aanbidden. De overlevering zegt, dat zij koningen waren; dit is het algenieene gevoelen. Alzoo kwamen na de armen, de rijken; na de onwetenden, de geleerden; na de herders de koningen. Het getal drie, waartoe men hen beperkt, heeft zijn oorsprong in het getal hunner geschenken, die zinnebeeldig waren: zij boden aan Jesus goud aan, als aan een koning; myrrhe, als aan een mensch; wierook als aan God. Zij werden ongetwijfeld in die keuze geleid door de bijzondere ingeving, die hun de wondervolle ster had doen onderscheiden en volgen.
De Wijzen van het Oosteü waren de eerstelingen van het heidendom, hetwelk zich eenmaal ouder den standaard van het kruis moest rangschikken. De ster, die hun tot gids strekte was of een luchtverschijnsel, of eene werkelijke ster, gelijk aan die, welke verschenen, de eene ia 1592, de andere in 1601, beide van de eerste grootte, waarneembaar op helderlichten
22
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
â dag, en die verdwenen, zooals zij gekomen waren, zonder eenig spoor achter te laten.
Bij hunne komst te Jeruzalem, vroegen de Wijzen, waar de Koning der Joden geboren was, wiens ster zjj in het Oosten gezien hadden. Die vraag bracht de gemoederen in beweging; Herodes, de Koning der Joden, ontstelde, «n de geheele stad met hem. De opperpriesters en de geleerden werden door Herodes bijeengeroepen, en de achterdochtige dwingeland, die reeds beefde voor zyn troon, stelde hun de vraag, waar de Christus moest geboren worden. Allen antwoordden, dat het te Bethlehem in Juda was. Toen bi] aldus zekerheid had omtrent de plaats, zooals hjj het reeds had omtrent den tijd, waarop de ster aan de Wijzen verschenen was, liet hij dezen gaan, hun zeggende: sGaat, neemt inlichtingen omtrent het kind, dat geboren is; en wanneer gij het ontdekt zult hebben, laat het mij weten, opdat ik ook den nieuwgeboren .koning kunne aanbidden.quot; Die verraderlijke woorden verborgen het afgrijselijkste voornemen. Toen de Wijzen het goddelijk Kind gevonden en aanbeden hadden, maakten zy zich gereed den weg naar Jeruzalem weder in te slaan, ten einde aan Herodes den uitslag hunner reis bekend te maken; doch, door een engel gewaarschuwd, keerden zij langs een anderen weg terug. Herodes, ziende dat hij bedrogen was, werd woedend.
23
LBTBX VAN
Indien bij v.ich niet oiimiJdelijk op den Messias had geworpen als de tijger op zijne prooi, dan was het uit vreeze dat hij hem ontsnappen zou, indien hij hem, in zijn eigen naam, door zijne krijgsknechten liet opsporen, terwijl niemand de Oosterlingen zou wantrouwen. Toen hij zag, dat zij niet terugkeerden, gaf hij het meedoogenlooze bevel van in Bethlehem en in de omstreken, alle kinderen van het mannelijk geslacht beneden de twee jaar te vermoorden. Aldus werd de voorspelling van den profeet Jeremïas 'vervuld, die gezegd had; »Eene stem heeft zich doen hooren in Kan a met tranen en lange klachten; het is de stem van Rachel, die hare zonen betreurt; zij wil niet vertroost worden, omdat zij niet meer zijn (I).quot; Herodes werd echter in zijne dolle woede bedrogen. Terwijl hy zijne bloeddorstige bevelen gaf, verscheen een engel aan Joseph en gelastte hem: » Sta op, neem het kind en zijne moeder en vlucht naar Egypte, waar gij blijven zult, totdat ik n opnieuw zal waarschuwen ; want Herodes wil het kind doen opsporen, om het ter dood te brengen.quot; Het was in het midden van den nacht; Joseph stond in alle haast op eii deed wat de engel hem bevolen had.
Voorde vlucht naar Egypte had de opdracht van Jesusin den tempel plaats, en de zuivering
(1) Jcremias XXXÃ: 18.
24
ONZEN FIK EU JKSUS CHRISTUS 25
der H. Maagd, overeenkomstig de voorschriften der wet van Mozes. Als eerstgeborene werd Jesns in den tempel aan God toegewijd en vrijgekocht volgens de wet. De H. Maagd offerde bij die gelegenheid twee kleine tortelduiven : dit was de offergifte der armen: de rijken offerden een lam. Toen nam de heilige grijsaard Simeon het kindje Jesus in zijne armen en sprak van vreugde vervoerd: »Laat nu, Heer, uwen dienaar in vrede gaan, volgens uw woord.quot; Zich vervolgens tot Maria wendende, zegde hij dat een zwaard van droefheid hare ziel doorboren zou ; omdat dit zelfde kind voor het heil der wereld gezonden, eens ten doel zou staan aan de hevigste tegenspraak. Van haren kant sprak Anna de profetes, die haar leven in vasten en gebed doorbracht, op even heerlijke wijze over Jesns, als zijnde de toekomstige verlosser van Israël. Het gerucht hiervan werd onder het volk verspreid; en men begrijpt gemakkelijk, dat Herodes, reeds verontrust door de komst der Wijzen, geen oogenblik meer rusten kon, voordat hij meende door den moord van Bethlehem zijnen troon verzekerd te hebben.
Wij hebben de heilige familie zien vertrekken naar Egypte, waar eertijds Abraham, de vader der geloovigen eene schuilplaats had gezocht, en waar het hebreeuwsche volk langen tijd in harde slavernij gezucht had. Volgens
LEVEN VAN
eene oude overlevering, vielen de afgoden van hunne altaren, toen Jesus bet land binnentrad, hetwelk de bakermat was geweest der afgodery. Op deze gebeurtenis past men de volgende woorden van Isaïas toe: »De Heer zal in Egypte treden en de afgodsbeelden zullen op hunne voetstukken geschokt worden.quot; Men weet niet met zekerheid. aan te geven, hoeveel jaren de heilige familie aan de oevers van den Nijl doorbracht. Intusschen is het zeker, dat zij er noch meer dan zeven, noch minder dan vier jaren vertoefde.
Toen eene verschrikkelijke ziekte, de rechtvaardige straf voor zijne misdaden. Herodes ten grave had doen dalen, verscheen dezelfde engel, die de vlucht naar Egypte gelast had, weder aan Joseph en zegde hem, dat hij nu naar het land van Israël terug zou keeren, wijl de dood recht had gedaan over diegenen die het op bet verderf van het goddelijk Kind toelegden.
Dewijl het vleeschgeworden Woord ons in alles, behalve in de zonde heeft willen gelijken, schitterde, naarmate de bloem der jeugd met de jaren in hem ontlook, eene grootere wijsheid in zijne woorden en zijne handelingen door. De schatten van genade, wetenschap en deugd, waarvan hij vervuld was, in den beginne onder .den sluier der kindschheid verborgen, kwamen trapsgewijze aan het licht, en verrukten die er getuigen van waren. Elk jaar begaven zich
26
OSZEN HEEll JESÃS CHRISTUS
Joseph en Maria vau Nazareth naar Jeruzalem, om er volgens de wet het Paaschfeest te vieren. By eene dier plechtigheden nu, waarheen de joden uit alle landstreken in menigte toestroomden, was Jesus op het oogenhlik des ver-treks verloren. Daar hij twaalf jaren oud was, ea men den tocht met groote reisgezelschappen aflegde, maakte men er zich in den beginne weinig ongerust over, omdat men meende, dat hij bij de talrijke bloedverwanten en vrienden was. Toen echter Joseph en Maria na de eerste dag-reize bemerkten, dat hij er niet was, keerden zij naar Jeruzalem terug, ten prooi aan de levendigste onrust. Zij zochten hem vier-en-twintig uren lang, voordat zij hem vonden in den tempel, gezeten te midden der leeraren, die hij beurtelings ondervroeg en beantwoordde. De wijsheid zijner vragen en antwoorden vervulde hen met verbazing en bewondering. Welk grootsch schouwspel! Een kind van twaalf jaar, de zoon van een armen werkman, zelf een werkman, een kind, dat zich niet op de studiën had toegelegd, en dat uitgebreidere kennissen bezat dan de leeraren!
Op de teedere verwijtingen der H. Maagd antwoordde Jesus alleen: sWaarom zocht gij mij ? Weet gij niet, dat ik mij bezig moet houden met de'zaken mijns Vaders?quot; Aldus begon hij zich te openbaren. Door tot zijne ouders te spreken over de zaken zijns Vaders,
27
LEVEN VAX
28
herinnerde hij hun; dat hij geen gewoon kind was, en dat hij zich met geheel andere zorgen zou bezig houden, dan die de meeste menschen bekommeren. Er ligt hierin evenwel van den kant van Jesus noch hoogmoed, noch verzet, en het Evangelie, als om alle achterdocht op dit pnnt weg te nemen, voegt er aanstonds bij, dat hij, met zijne ouders te Nazareth teruggekeerd, hun onderdanig was. Met het weinige dat voorafgaat is dit alles wat het het Evangelie ons leert van de kindschheid en van de jeugd des Zaligmakers. Dit is echter genoeg wanneer het goed begrepen wordt. Welle een heilzaam voorbeeld geeft Jesus door zijne onderdanigheid in zijne jeugd, en tot zelfs in zijn raannelijken leeftijd, niet aan de jonge Christenen, die weten dat het de eerste plicht van een Christen is zijn leven in te richten naar het goddêlijfc voorbeeld des Verlossers. Voor de jeugd is de gehoorzaamheid de eerste van alle deugden, omdat zij als van zelve tot de beoefening van alle andere geleidt. Voor de volkeren is de eerbied voor het gezag do eerste voorwaarde van hun bestaan en hunne kracht. Niet alleen voor de bijzondere personen, ook voor de volkeren heeft God in zijne wet geschreven; sgt;Eer degenen, die boven n gesteld zijn, opdat gij lang moogt leven op de aarde.quot; Het gezag is heilig, zooals de bron waaruit het voortvloeit: of het natanrlrjk zij, zoo-
OSZEJi HSEtt JK8US CilKISTÃS
als dat der ouders, of staatkundig, zooals dat der mannen, door de Voorzienigheid aan het hoofd der staten gesteld.
Eene groote omwenteling op maatschappelijk gebied begon te Nazareth. In de oude wereld werden de heerschzucht en bet najagen van eer en roem tot de deugden gerekend. Het menschgeworden Woord brengt de eerste dertigjaren van zijn leven in de diepste vergetelheid door. En waarmede houdt die p,oJdelijke jongeling zich bezig, die, als hij het wilde, het voorwerp der algemeene geestdrift en bewondering zijn kon? Hij werkt en wint met zwaren arbeid liet dagelijksch brood in het zweet zijns aan-schgns; hg oefent, evenals zijn voedstervader Joseph, het timmersmansambacht uit. Hij heeft er zich wel voor gewacht een staat van weelde nit te oefenen, omdat de weelde de maatschappij bederft. In de oude wereld versmaadde de vrije man den arbeid; hij veroordeelde daartoe den slaaf, dien hg gelijk stelde met het redelooze dier. Buiten oorlogstijd werd het leven in nuttelooze ledigheid doorgebracht. Jesns Christus heeft den haudeaarbeid in eere hersteld, door zich daaraan geheel vrijwillig te onderwerpen. De goden van.den Olympus grepen slechts naar lans en pijlkoker en naar den beker, waarin zij de onsterfelijkheid dronken; de God dei-Christenen heeft met zijue goddelijke handen de zwaarste werktuigen .aangegrepen. Mogen
29
LEVEX VAN
30
diegenen die geroepen zijn de maatschappij te leiden en te besturen, nooit den heilzamen invloed der Christelijke denkbeelden miskennen 1 Gevolg en straf der zonde, is de arbeid tege-liikertijd het zekerste voorbehoedmiddel er tegen. Het drievoudige leven van den mensch, hefc natuurlijke, het verstandelijke, het geestelijke leven, wordt slechts staande gehouden en ontwikkeld door den arbeid. .Het is even moeilgfc en even noodzakelijk het veld der ziel te bebouwen, als dat des landmans. De oude Adam werd tot den arbeid veroordeeld tot straf van zijnen opstand; de nieuwe heeft er zich'zeiven toe veroordeeld en is vrijwillig werkman geworden. Het werk is dus niet alleen eene noodzakelijkheid en eene boete, het is eene volmaaktheid voor den Christen, omdat het een middel is te gelijken aan Jesus Christus, die alles in zich zeiven is komen vernieuwen, zooals de H. Paulus zegt. Ziedaar tot welke hoogte' het Christendom den arbeid heeft opgeheven; men zou er niets bij winnen, den arbeid van die hoogte te doen nederdalen. Het is een Christen, die het eerst heeft gezegd: sgt;Dat hg niet ete, degene, die niet wil werken! (1)
(1) Ad Thcssal, III : 10.
HoofdstiTli III,
ohannes, de Voorlooper die zich aan de wereld moest toonen als de dageraad van de zon der rechtvaardigheid, leefde in de woestijn; hij droeg een Meed van kemelshaar en had zijne lendenen-omgord met een gordel van hard leder, en voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. Hij gaf aldus het voorbeeld van de boetvaardigheid, die hij zich bereidde aan de wereld te prediken. Het teeken, dat de tijd om zijne mending aan te vangen, was aangebroken, werd hem gegeven: de stem des Heeren deed zich aan hem hoeren (1), en aanstonds begon hij te prediken, wat hij het doopsel van boetvaardigheid voor de vergeving der zouden noemde. »Doet boetvaardigheid, riep hij nit, want het rijk der hemelen is nabij.quot; Alzoo werd de voorzegging van Isaïas bewaarheid: »Stem van den-gene die roept in de woestijn: »Bereidt de wegen des Heeren.quot; Op dat geroep van den Voorlooper kwam Jeruzalen in ontroering en geheel Judea met haar. Van alle kanten liep men ïoe aan de voeten van dien grooten man om zijne zonden te belijden en door hem gedoopt ie worden. De Phariseën en de Sadduceên,
(1) Lac. 11:2.
LEVKNT VAN
dat is de valsche geleerden en de slechte rijkeri, kwamen ook in menigte; doch de heilige Voor-looper ontving hen streng, en zegde hun in zijn vurige taal: »Addergebroed, hoe zult gij nun de toekomstige gramschap ' ontsnappen ? Doet dan waardige vruchten van boetvaardigheid, en rekent niet op Abraham, uwen vader; want God zal die steenen zelfs in kinderen van Abraham veranderen. Reeds is de bijl aan den wortel: elke boom die geene goede vruchten draagt, zal uitgekapt en in het vuur geworpen worden.quot;
Die bedorven menschen zwegen stil en deden niets om hun bederf voor te komen. De rijken, ^ de drogredenaars en de machtigen hebben nooit voordeel weten te trekken uit de waarschuwingen der Voorzieniffheid. De lieden van het
O O
volk, die minder verbintenissen te verbreken hebben, toonden meer goeden wil, en zegden als om strijd: »Wat moeten wij doen?quot; Dat hij die twee kleeden heeft,'antwoordde hun de H. Johannes Baptist, er een geve aan hem die er geen heeft; dat hij die iets te eten heeft, eveneens doe.quot; Dit waren als de eerstelingen van de groote wet van liefde, die spoedig zou verkondigd worden. De toeloop was zoo groot, dat de tollenaars en da soldaten, dus de menschen die 'het minst genegen zijn zich mat
â¡ geestelijke belangen bezig te houden, eveneens ⢠â kwamen om zich te laten doopen, en vroegen /, wat zij doen moesten. De H. Johannes zegde geestelijke belangen bezig te houden, eveneens ⢠â kwamen om zich te laten doopen, en vroegen /, wat zij doen moesten. De H. Johannes zegde
INC VAX J 0
rtiHACt
êrt'vssb
ONZEN .HEER JESUS CHRISTUS
tot de eersten: »Vordert slechts wat door de wet bepaald is;quot; tot de anderen; »Geen geweld â of bedrog, geen afpersingen noch lastertaal; nwe soldij en niets meer.quot;
Eene gedachte kwam in alle zielen op, het was dat de H. Joannes wel de Christus kon zijn; hij bemerkte zulks, en wel verre van er zich over te verhoovaardigen, zegde hij met diepe nederigheid; »Ik doop u wel is waar met een doopsel van water voor de boetvaardigheid; doch na mij zal Degene komen, die u het doopsel zal geven van den H. Geest en van de liefde. Zijne macht is boven de mijne; ik ben niet waardig voor hem neder te knielen om zijne schoenriemen te ontbinden. De wan is in zijne handen; hij gaat zijn dorschvloer zuiveren, de tarwe in zijne schuren verzamelen, â en het kaf in het vuur werpen dat niet wordt uil gedoofd.quot;
Jesus zelf was op de boorden van den Jor-daan gekomen, om uit de handen van Johannes het doopsel te ontvangen, doch deze verzette ^ich daartegen. »Hoe, zegde hij, ik zou door u gedoopt moeten worden, en gij komt tot mij!quot; Jesus stelde er zich mede tevreden te zeggen, dat hij alle gerechtigheid moest vervullen; hetgeen zeggen wil, dat hij, de zonden der wereld op zich genomen hebbende, onder de zondaars moest gerekend worden en hun het voorbeeld van boetvaardigheid moest geven. Johannes bood
3
33
LEVEN VAN
dat is de valsche geleerden en de slechte rijken, kwamen ook in menigte; doch de heilige Voor-looper ontving hen streng, en zegde hun in zijn vurige taal: »Addergebroed, hoe zult gij aan de toekomstige gramschap ' ontsnappen ? Doet dan waardige vruchten van boetvaardigheid, en rekent niet op Abraham, uwen vader; want God zal die steenen zelfs in kinderen van Abraham veranderen. Reeds is de bijl aan den wortel: elke boom die geene goede vruchten draagt, zal uitgekapt en in het vnur geworpen worden.quot;
Die bedorven menschen zwegen stil en deden niets om hun bederf voor te komen. De rijken, quot; de drogredenaars en de machtigen hebben nooit voordeel weten te trekken uit de waarschuwingen der Voorzienigheid. De lieden van het volk, die minder verbintenissen te verbreken hebben, toonden meer goeden wil, en zegden als om strijd: ï'Wat moeten wij doen?quot; Dat hij die twee kleeden heeft,'antwoordde hun de H. Johannes Baptist, er een geve aan hem die er geen heeft; dat hij die iets te eten heeft, eveneens doe.quot; Dit waren als de eerstelingen van de groote wet van liefde, die spoedig zou verkondigd worden. De toeloop was zoo groot, dat de tollenaars en da soldaten, dps de menschen die 'het minst genegen zijn zich met geestelijke belangen bezig te houden, eveneens kwamen om zich te laten doopen, en vroegen wat zij doen moesten. De H. Johannes zegde
ONZEN .HEER JESUS CHRISTUS
tot de eersten: »Vordert slechts wat door de wet bepaald is;quot; tot de anderen; »Geen geweld of bedrog, geen afpersingen nocli lastertaal; uwe soldij en niets meer.quot;
Eene gedachte kwam in alle zielen op, het was dat de H. Joannes wel de Christus kon zijn; hij bemerkte zulks, en wel verre van er zich over te verhoovaardigen, zegde hg met diepe nederigheid: »Ik doop u wel is waar met een doopsel van water voor de boetvaardigheid; doch na mij zal Degene komen, die u het doopsel zal geven van den H. Geest en van de liefde. Zijne macht is boven de mijne; ik ben niet waardig voor hem neder te knielen om zijne schoenriemen te ontbinden. De wan is in zijne handen; hij gaat zijn dorschvloer zuiveren, de tarwe in zijne schuren verzamelen, «n het kaf in het vuur werpen dat niet wordt uitgedoofd.quot;
Jesus zelf was op de boorden van den Jor-daan gekomen, om uit de handen van Johannes het doopsel te ontvangen, doch deze verzette zich daartegen. »Hoe, zegde hij, ik zou door u gedoopt moeten worden, en gij komt tot mij!quot; Jesus stelde er zich mede tevreden te zeggen, dat hij alle gerechtigheid moest vervullen; hetgeen zeggen wil, dat hij, de zonden der wereld op zich genomen hebbende, onder de zondaars moest gerekend worden en hun het voorbeeld van boetvaaMigheid moest geven. Johannes bood
3
33
I.ICVEN VAN
nu niet langer weerstand en doopte hem. Toen zag men den hemel opengaan, en den H. Geest,, in de gedaante eener duif, op het hoofd van den goddelijken gedoopte zweven, terwijl men deze woorden hoorde: » Gij zijt mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn behagen gesteld heb.quot;
Van de oevers van de Jordaan begaf de Zaligmaker zich naar de woestijn, waai* hij veertig dagen te midden der wilde dieren doorbracht, zonder eenig voedsel te nemen. Na aldus veertig dagen in boetvaardigheid te hebben doorgebracht, na vele bekoringen te hebben overwonnen zegt het Evangelie, dat de Zaligmaker honger gevoelde, dat wil ongetwijfeld zeggen, dat de honger die hem sinds lang kwelde, zoo groot werd, dat Satan er partij van trok, om hem te bekoren. »Indien gij de Zoon Gods zijt; zegde hem de bekoorder, die altijd gereed is de gelegenheid aan te grijpen, welke hem gunstig schijnt, zeg dan dat de steenen in brood veranderen.quot; De strik was behendig gespannen: die twijfel omtrent zijue goddelijke afkomst, en het hevige gevoel van honger waren voor den Zaligmaker krachtige beweegredenen, om er een einde aan te maken door een wonder. Doch hij antwoordde slechts; »Er staat geschreven ; De mensch leeft niet alleen van brood, maar van alle woord, dat uit den mond Gods komt.quot; (1)
(1) Deut. Cap. III.
34
OKZEN HEER JESUS CHEISTCS 35
Jesus veroorloofde den duivel hem te verplaatsen op den top des Tempels, en wilde daar eene andere bekoring ondergaan, om ons te doen begrijpen, dat â vvij den boozen geest altijd weerstand kunnen bieden, zelfs dan wanneer onze lichamen aan zijne macht zonden overgeleverd zijn, en dat het hem vergund zon zijn ons te kwellen, zooals eertijds den heiligen man Job. Indien gij de Zoon Gods zijt, zegde Satan op nieuw, tot zijn listigen twijfel terugkeerende, indien gij de Zoon Gods zijt, werp u dan naar beneden; want er staat geschreven, dat de engelen gelast zijn over u te waken en u op hunne handen te dragen, uit vreeze dat gij uwe voeten stootet aan de steenen. Eene listige bekoring: want het gold de verdrijving van een beleedigende twijfel door een teeken van vertrouwen op God, hetwelk alles scheen te rechtvaardigen: De bekoorder steunt zijne aantijgingen op de H. schrift; de Zaligmaker antwoordt met de PI. Schrift: »Er staat eveneens geschreven: Gij zult den Heer, uwen God niet beproeven.quot;
Satan gaf den moed niet op. Hij voerde den Zaligmaker naar eenen hoogen terg, en, als in een verkort tafereel, al de koninkrijken der aarde voor zijne blikken latende voorbij-gaan, met alles wat zij het geschikst bezitten om te verblinden, zegde hij hem: »Dat alles zal ik u geven...., indien gij voor mg neder-
36 IjKVEN van
knielt om mij te aanbidden. »Bekoring der eerzucht en des hoogmoeds, de gevaarlijkste van alle.quot; Ga van mij, Satan, zegde de Zaligmaker; want er staat geschreven: Gij zult den Heer uwen God aanbidden, en gij zult slechts hem dienen.quot; Bij die woorden verdween Satan, en de engelen zich rondom Jesus Christus verdringende, brachten hem voedsel. Ziedaar dus drie groote bekoringen, afgewend door eenige woorden der H. Schrift; betgeen bewijst dat het geloof het schild is, dat men tegenover de vurige pijlen der boozen stellen moet. Het verstand is altijd verzwakt in het geloof, wanneer de wil verzwakt in de zonde. Met een levendig geloof zijn de zware en vooraf bedachte overtredingen der wet Gods bijna onmogelijk.
Terwijl Jesus in de woestijn was, kwamen er priesters en levieten uit Jeruzalem om den H. Johannes den Dooper te ondervragen, doch het gelukte hun slechts zijne deugd beter te doen uitschitteren. »Wie zijt gij?quot; Hij haastte zich te verklaren, dat hij de Christus niet was. (1) »Wie zijt gij dan? Elias?quot; â Ik ben het niet. â Zijt gij een profeet? â Evenmin. â Wie zijt gij dan ? want wij moeten rekenschap geven aan die ons gezonden hebben. â Ik ben de stem desgenen, die roept in de woestijn: Maakt de wegen des Heeren recht, zooals de profeet
(1) Dit antwoord van Johannes bewijst, dat het denkbeeld vau de komst des Christus, toen in alle harten was-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
Tsaias gezegd heeft. â Waarom doopt gij dan, indien gij de Christa.s niet zijt, noch Elias, noch een profeet? â Ik geef u een doopsel van water, doch er is een ander te midden van u, dien gij niet kent; hij is voor mij, ofschoon hij na mij komen moet, en ik ben niet waardig zijn schoenriem te ontbinden.quot;
Toen den volgenden dag Johannes Jesus tot zich zag komen, riep hij uit: »Ziedaar het Lam Gods, ziedaar degene, die de zonden der wereld uitwischt! Het is van hem dat ik vroeger gesproken heb. Ik heb den H. Geest in den vorm eener duif op zijn hoofd zien nederdalen. Aan dat teeken heb ik hem herkend, enquot; ik leg gaarne getuigeuis van hem af: » hij is waarlijk de Zoon Gods.quot; Toen den volgenden dag Johannes , vergezeld van twee zijner leerlingen, Jesus nogmaals bemerkte, riep hij op nieuw uit: »Ziedaar het Lam Gods!quot; De twee leerlingen , die bij den heiligen Voorlooper waren, verlieten hem alsdan en volgden Jesus, nadat zij hem met den naam van Meester begroet hadden. Andreas, broeder van Simon, was een dier twee leerlingen. Denzelfden dag zijn broeder ontmoet hebbende, haastte hij zich hem te zeggen, dat hij den Messias had gezien; en toen Simon zich naar de aangewezen plaats had laten geleiden , zegde Jesus tot hem: » Gij zijt Simon, zoon van Jonas; .in het vervolg zult gij Cephas, dat wil zeggen Petrus of Steenrots, heeten.quot;
37
iEVEN VAN
38
Den volgenden dag, toen Jesns op liet punt stond naar Galilea terug te keeren, ontmoette hij Philippes en zegde hem: »Volg mij.quot; Philippus gehoorzaamde en op zijne beurt Na-thanaël ontmoet hebbende, zegde hij tot dezen: » Hij van wie Moses, de wet en de profeten zooveel gesproken hebben, is Jesus van Nazareth. â Kan er iets goed uit Nazareth komen?quot; aint-woordde Nathanaël, zinspelende op het onbeduidende dezer in de bergen verloren liggende stad. â Kom en zie, antwoordde Philippus eoi rekende daarbij op het onweerstaanbare overwicht, hetwelk hij zelf ondervonden had. »Ziedaar een trotiw Israëliet, zegde Jesus , toen hij Nathanaël bemerkte; te vergeefs zou men eenige arglistigheid in hem zoeken.quot; Nathanaël was zeer verwonderd, dat Jesus hem kende en tot hen: zegde: »Ik heb u onder den vijgeboom gezien, voordat Philippus n kwam roepen.quot; Er lag in de woorden van den godmensch iets, dat onweerstaanbaar aantrok. »Meester zegde Nathanaël, gij zijb de koning van Israël! â Gij 'gelooft, antwoordle hem Jesus, omdat ik n onder den vijgeboom heb gezien; maar eens zult gij iets grooter zien! In waarheid, ik zeg het n, gij zult den hemel zich zien openen , en de engelen opklimmen en nederdalen.quot; Er is hier ongetwijfeld sprake van eenige grootsehe openbaring des hemels ten gunste van het mensch-gaworden Woord; doch het Evangelie doet er
ONZEN HEEK JESUS CHRISTUS
noch de plaats, noch den tijd van kennen; hoewel men hieruit geene gevolgtrekking kan maken, want de Evangelisten zelveu hebben ons verwittigd, dat zij niet alles hebben op-geteekend.
Dewijl Jesus in alle zaken tot voorbeeld wilde dienen, had hij den manneliiken leeftijd afgewacht, om zijn openbaar leven te beginnen. Men gelooft dat de H. Joseph op dat tijdstip reeds gestorven was; zeker is het dat er in het Evangelie nieb meer over hem gesproken wordt. Sinds drie dagen had de Zaligmaker de Jordaaa verlaten, toen hij zich naar de bruiloft van Cuna in Galüea begaf, waar bij de H. Maagd aantrof. Daar deed hij zijn eerste mirakel. De H. Maagd maakte hem de opmerking, dat er wijn te kort kwam. Jesus antwoordde haar: »Vrouw wab is er tusschen u en mij?quot; of: »Wat gaat dit u en mij aan?quot; want zoowel de Grieksche als Latijnsche tekst is voor die beide opvattingen vatbaar. »Mijn uur, dat wil zeggen de tijd dat ik niet meer handelen zal als zoon van eene sterfelijke maagd, maar als God, de tijd waarin mijne Godheid door tallooze wonderen zal uitschitteren, is nog niet gekomen.quot; De wijze, waarop die woorden werden uitgesproken, verzachtte er de hardheid van, want de H. Maagd zegde tot de dienstknechten: »Doet alles wat hg u zeggen zal.quot; Jesus deed nu zes groote kruiken met water vullen, en toen de bedienden
39
LEVEN VAN
op zijn bevel daaruit putten, was het water veranderd in wijn. Toen de opperste der tafeldienaars dien wyn geproefd had, zegde hg tot den bruidegom: »Gij doet juist het tegenovergestelde van andereu! het gebruik is eerst den besten wijn aan de gasten voor te dienen, naderhand geeft men er van mindere hoedanigheid: gij echter geeft den besten laatst.quot; Dit was het eerste mirakel, waardoor Jesus blijk gaf van zijne macht.
Van Cana begaf Jesus zich met zijne heilige moeder en zijne leerlingen naar Capharnaürn. Het was eene zeer bevolkte en rijke stad, gelegen aan de monding der Jordaan, aan het meer Tiberias. Dit land wordt in Isaias aangeduid onder den naam van Galileo, der heidenen, wegens de nabuurschap der Grieken, welke in die landstreek gevestigd waren.
Tot dusverre had Jesus leerlingen, doch nog geen enkel hunner had alles verlaten om hem te volgen, omdat hij hen nog niet op bijzondere wijze geroepen had. Andreas en Simon, wiens naam hij reeds in dien van Petrus veranderd had, bemerkt hebbende, zegde hij hun: »Volgt mij, en gij zult in het vervolg menschen visschen.quot; Eenige schreden verder riep hij ook Jacobus en Johannes, zonen van Zebedeus, die bezig waren hunne netten te herstellen, en zij werden ook visschers van menschen. Aldus is op ongevoelige wijze de grootste zaak begonnnen,
40
OKZEN HEER JESUS CHRISTUS
41
die er heden onder de zon te vinden is. Nauwelijks uit den werkwinkel zijns vaders getreden, ontmoet de zoon van een timmerman vier vis-schers en beveelt hun hem te volgen. Welk een begin' voor eene instelling, die eenmaal over de geheele wereld verspreid moest worden ! Er was een wonder noodig om aan die menschen eenig vertrouwen in te boezemen; Jesus verrichtte het door hen getuigen te doen zijn van eene wonderdadige vischvangst. Na van de schuit van Petrus eenige onderrichtingen gegeven te hebben aan het volk, gelastte hij van wal te steken en de netten uit te werpen. »Meester zegde Simon Petrus, wij hebben den geheelen nacht gevischt ep niets gevangen; doch op uw woord zullen wij nogmaals de netten uitwerpen.quot; Deze taal is vol vertrouwen en volkomen dengene waardig, die het eerst het net van het Evangelie moest uitwerpen te midden van het Joodsche en Heidensche ongeloof! Hij wierp dan zijn visschersnet uit op klaarlichten dag en in volle zee , dat is op de minst gunstige plaats en tijd; doch zijn geloof werd heerlijk beloond. Nooit had hij eene overvloediger vangst gehad: het net scheurde en de beide scheepjes waren tot zinkens vol. Het mirakel was klaarblykelijk, ook waren al degenen, die op de beide schepen waren stom van verbazing. Toen wierp zich Simon aan de voeten van Jesus en zegde: Heer, verwijder u van mij, want
LKVJSN VAN
ik ben een zondaar. â Vrees niet, zegde Jesus, in het vervolg zult gij mensclien vangen. Simon, Andreas, Jacobus en Johannes omhelsden nu vastbesloten hunne nieuwe roeping en verlieten alles om dengene te volgen, die op schitterende wijze zijne macht getoond had. En dat men niet zegge, dat zij zeer weinig verlieten; want hij die slechts een schuit en netten heeft, is daaraan evenzeer gehecht als de rijke aan zijne uitgestrekte landgoederen.
Staan wij een oogenblik bij deze mirakuleuze vischvaart stil: wij zullen daarin de geheele geschiedenis der Kerk zien. De rol, dien de H. Petrus daarbij speelt, moet vooral onze aandacht trekken. Het is het schip van' Petrus, dat Jesus zich gewaardigt te bestijgen; van daar af onderwijst hij de menigte en het is ook in het schip van Petrus, dat hij voortgaat de menschheid te onderwijzen. Aan Petrus gelast bij in volle zee te steken: die zee is de wereld; eene onstuimige zee, waarin de meuschen op allen wind van leering drijven, en elkander verslinden , evenals de monsters, die de diepten der zee bewonen. Due in altum, zegt de Zaligmaker tot den H. Petrus, steek in volle zee; dat wil zeggen: geleid anderen en strek bun tot gids; wees het richtsnoer in de hoogten van het dogma, in de diepten der mysteriën en de verhevenheden der volmaaktheid. Dat alle andere schepen het uwe volgen, en aan denzelfden oever belanden.
42
OKZEN HEER JESCS CHBISTCS
Due in ahum; aan u de eerste rang, liet hoogste gezag, de eerste plaats in den strijd! Onder uw geleide zal eeue rijke lading geloovigen aan de oevers der eeuwige gelukzaligheid worden aangebracht.
Van Capharmaüm begaf zich Jesus ter bijwoning van het Paaschfeest naar Jeruzalem. Toen hij met zijne leerlingen den tempel binnentrad, bemerkte hij kooplieden en wisselaars, die daar hunnen handel dreven. Op dat gezicht ontvlamde zijn ijver, en hij dreef de ontheiligers van den tempel met eene zweep naar buiten. Hij wierp het geld der wisselaars ter aarde en zegde tot de verkoopers van duiven en tortelduiven; »Neemt dat alles weg, en maakt het huis mijns Vaders niet tot een huis van koophandel.'' Zwichtende voor de Goddelijke Majesteit van Jesus, spoedden de kooplieden en wisselaars zich uit den tempel.
De priesters en oversten der Joden hadden zich evenmin verzet, doch toen Jesus den tempel had gezuiverd, traden zij op hem toe en eischten, dat hij door een wonder zijn recht bewijzen zou, om met zulk een gezag te handelen. Jesus echter verrichtte nooit wonderen, wanneer men die van hem eischte; hij sprak dus alleen tot de joodsche priesters: »breekt dezen tempel af, en in drie dagen'zal ik hem weder oprichten.quot; Hij wilde hun doen begrijpen, dat, daar hij de macht had uit het graf te verrijzen, hij ook de
43
LEVEN VAN
macht had het huis Gods te doen eerbiedigen. De Joden echter begrepen zijne woorden niet, en Jesns gaf hun geene verdere verklaring, omdat hg wist dat de bodem huns harten slecht was.
Jesus vertoefde de geheele Paaschweek in Jeruzalem, en zeer velen, die de wonderen zagen welke hij verrichtte, geloofden in hem. Onder deze was ook Nicodemus, een der aanzienlijkste Phariseërs, leeraar der wet en lid van den hoogen raad of Sanhedrin. Ten einde niet openlijk met zijne sekte te breken, begaf hij zich laat in den avond naar Jesus, om hem omtrent verschillende moeilijke punten der wet te raadplegen. Hij groette den Zaligmaker met den naam van Meester en zegde, dat hij geloofde dat Jesus een van God gezonden leeraar was, want dat niemand zulke wonderteekenen kon 'verrichten, tenzij God met hem was. De Zaligmaker sprak hem over de wedergeboorte, die noodzakelijk was om het rijk der hemelen te kunnen binnengaan. »Hoe kan een man, die oud geworden is, herboren worden! riep Nicodemus nit. De Zaligmaker deed hem verstaan, dat hij eene geestelijke wedergeboorte bedoelde door het water en door den H. Geest, en dat Nicodemus zich, na de wonderen, waarvan hg getuige was geweest, moest verlaten op dengene, die tot hem sprak. »Op dezelfde wijze, zegde hij als Mozes de slang verhief in de woestijn, moei
44
ONZEN HEEH JESUS CHRISTUS
de Zoon des menschen verheven worden, opdat ieder mensch, die in hem gelooven zal, het eeuwig leven moge hebben; want God heeft de wereld zoozeer liefgehad, dat hij zijn eenigen Zoon heeft gegeven.... Het is niet om de wereld te veroordeelen, dat de Zoon gezonden is, maar om haar zalig te maken.... Het licht is in de wereld gekomen, en de menschen beminnep meer de duisternis dan het licht, omdat hunne handelingen slecht zijn; want wie het kwaad doet, bemint het licht niet; hij komt niet tot het licht, uit vreeze-van in zijne werken berispt te worden.quot; Dit is het geheim van den tegenstand, dien het Evangelie ontmoet. Het licht is hinderlijk, het werpt een te helderen j^lans op het verledene en op de toekomst; men zou het willen uitdooven en men vervolgt met spotternijen, en dikwijls met lasteringen, diegenen die het doen schitteren door hunne woorden en werken.
Het geheele Christendom ligt in die weinige woorden des Zaligmakers: het mysterie der H. Drievuldigheid, de Menschwording, de Verlossing, het doopsel of de noodzakelijkheid der wedergeboorte door het water en den H. Geest, het groote beginsel der liefde, de verhevene bestemming van den Christen en de bekrachtiging der wet, dat is het eeuwige leven.
De geheime genade, waarmede de Zaligmaker dit onderricht deed gepaard gaan, won Nicodemus
45
LEVEN VAN
46
geheel en al, en maakte van hem een getrouwen leerling. Wij zullen hem wedervinden aan den voet des kruises, met Joseph van Arimathea voor de begrafenis des gekruisten Verlossers zorgende, en daaraan met kwistige hand goud en reukwerken bestedende. Het gaat dus niet aan te zeggen, dat Jesus onwetende leerlingen heeft gekozen om zijne leer te verkondigen, dewijl hij er geene andere vinden ]|on. Hij kon even goed, en zelfs gemakkelijker, leeraars der wet in apostelen veranderen, maar hg heeft het niet gewild: ïijn werk moest niets gemeen hebben met de ondernemingen der menschen.
Tlooitlstiilü IV.
ij zijn vertrek uit Jeruzalem nam de Zaligmaker zijnen weg door het land der Samaritanen, een Chaldeeuwsche volksstam, die door Salmanassar, na de overbrenging der tien stammen, gezonden was om het land wederom te bevolken. Er heerschte eene groote vijandschap tusschen de Joden en deze vreemdelingen, die zich in den godsdienst van Mozes hadden laten onderrichten, waaraan zy evenwel vele heidensche bijgeloo-vigheden paarden. Te Sichem aangekomen, ging Jesus vermoeid van de reis bij eene fontein
O.N'ZKN HEEll JKSL'S ClUUSTUS
zitten, die den naam droeg van den patriarch Jacob. Het was tegen den middag. Hij vroeg nu te drinken aan eene Saraaritaanscho vrouw, die water was komen scheppen. Deze vrouw toonde zich hierover zeer verwonderd, omdat de Joden opzettelijk alle gemeenschap met de Samaritanen vermeden. Zij wist niet dat degene die tot haar sprak alle- slagboomen kwam omverwerpen. »Indien gij dengene kendet die u to drinken vraagt, zegde haar Jesus, dan zoudt gij hem dezelfde vraag doen, en hij zou u een levend water geven, â het water der genade, hetwelk den dorst der zielen lescht, de dorheden des harten besproeit, en er het vuur der begeerlijkheid uitdooft.quot; »De put is diep, zegde de vrouw, en gij hebt geene kruik om water te putten: van waar hebt gij dan dat levend water, van hetwelk gij spreekt.quot; Jesus antwoordde haar: »Al wie van dit water drinkt, zal wederom dorst krijgen; doch wie van het water drinkt, dat ik hem geven zal, zal niet dorsten in eeuwigheid; maar het water, dat ik hem geven zal, zal in hem eene bron worden van water, hetwelk springt ten eeuwigen leven.quot;
De vrouw gaf nu haar verlangen naar dat water te kennen, en Jesus haar nu aan de geheime zonden haars levens herinnerd- hebbende, sprak de vrouw vol schaamte en droefheid: sHeer, ik' zie, dat gij een profeet zijn ! Zij begon nu Jesus te ^ondervragen over het groote geschil-
47
LEVBN TAN
punt tusschen de Joden en Samaritanen. De eerste beweerden namelijk dat de orEers moesten opgedragen worden te Jeruzalem, en de laatste, dat zulks geschieden moest op den berg Garizim. »Vrouw, zegde Jesus, de tijd is nu gekomen, dat gij noch op dezen berg, noch te Jeruzalem zult aanbidden. De tijd is gekomen, dat de ware aanbidders zullen aanbidden in geest en in waarheid.quot; De leerlingen die naar de stad geweest waren om levensmiddelen te koopen, middelerwijl teruggekeerd, waren zeer verwonderd, dat zij Jesus tegen zyne gewoonte vonden spreken met eene wouw. Geen hunner echter durfde hem op dit punt ondervragen. Het is een schoon schouwspel den Zaligmaker met deze heidensche zondares te zien spreken, ten einde haar terug te voeren op het pad der deugd. Bij zijne geboorte hebben wij hem zich het eerst zien openbaren aan de armen, aan de geringen, aan de lieden uit het volk; bij het begin zijner zending hebben wij hem arme vis-schers tot zijne metgezellen zien kiezen, en nu onderwijst hij, buiten de grenzen van Judea, eene arme zondares wier leven vol ergenis is geweest. Daaraan herkent men dengene, wiens zending het was, op te heffen wat gevallen, en te redden wat verloren was.
De Samaritaansche vrouw had zich intusschen gehaast hare ontmoeting in de stad bekend te maken, en de inwoners kwamen nu in menigte
48
ONZEN HEEU JESCS CHRISTUS
toegesneld. De leerlingen van hunnen kant drongen er bij den Meester op aan, dat hij zijn maaltgd nemen zou; doch deze, die van alles partij trok om hen te onderwijzen, zegde hun, dat hij een voedsel had, hetwelk zij niet kenden; «n toen zij tot elkander zegden, dat iemand gedurende hunne afwezigheid ongetwijfeld eten had gebracht; voegde hij er bij: »Miin voedsel is den wil te doen van dengene, die mij gezonden heeft, en zijn werk te voltrekken. Zegt niet, dat het nog vier maanden is vóór5den oogst; slaat uwe blikken op en ziet hoe de velden reeds rijp worden.quot; Hij zinspeelde hiermede op de volken, die gereed waren het Evangelie te ontvangen, en vooral op de Samaritanen, die zich rondom hem verdrongen.
De getuigenissen der Samaritaansche quot;vrouw, wie het ongetwijfeld gelukt was een gedeelte harér ongeregeldheden aan de kennis harer medeburgers te onttrekken, en die zonder ophouden herhaalde, dat de Zaligmaker haar de meest verborgen geheimen haars levens had opengelegd; iets hemels in de blikken en de trekken van den jongen werkman, die sprak met de wijsheid van een grijsaard en de wetenschap van een leeraar; â dat alles gevoegd bij den geheimen invloed der genade, had âzulk een diepen indruk gemaakt op de Samaritanen, dat velen reeds by die eerste samenkomst in hem geloofden, en hem smeekten, dat hij eenigen tijd bij hen ver-
4
49
LEVEN VAM
wijlen zou. Hij bracht dan twee dagen in Sichcm door, gedurende welken tijd hij nog een groot aantal bekeeringen bewerkte. »Wij ge-looven niet meer op uw getuigenis, zegden zij tot de vrouw, wij hebben hem zalven gehoord, en wij weten dat hij waarlijk de Zaligmaker der wereld is.quot;
Van Samaria zette Jesus zijnen weg voort naar Galilea, waar hij met vreugde werd ontvangen door de inwoners, die hem op het Paasch-feest te Jerusalem hadden gezien, en getuigen waren geweest van de wonderen, die hij daar verricht had. Weldra sprak iedereen over den nieuwen wonderdoener, over den nieuwen profeet; en zij die hem in de synagogen hoorden onderwijzen, waren opgetogen van verwondering.
Op zijne tochten kwam Jesus wederom te Cana, waar een hoofdman der krijgslieden, op de eerste tijding zijner aankomst, hem kwam smeekenT dat hij zijn zoon zou genezen, die te Caphamaüm uiterst gevaarlijk ziek lag. Het schijnt dat daze krijgsman in den beginne geen groot geloof had, want de Zaligmaker zegde hem, zinspelende op de gemakkelijkheid, waarmede de Samaritanen geloofd hadden: »Gg hebt, om te gelooven» mirakelen en buitengewone dingen noodig.quot; â Heer, riep de bedroefde vader uit, wiens geloof aangroeide met zijne onrust, kom toch voordat mgn ongelukkige zoon gestorven zij! â »Ga, zegde Jesus, uw zoon is gezond.quot; De hoofdman
50
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
geloofde en ging heen. Hetzelfde woord had den zoon genezen en het geloof van den vader vermeerderd. Voordat hij zijne woning bereikte ^ ontmoette hij zijne dienaren, die hem kwamen boodschappen, dat zijn zoon genezen was. Zijn eerste zorg was naar het juiste uur te vernemen, waarop zijn zoon hersteld was. Men zegde dat het op het zevende uur was geweest, dat is op het oogenblik zelf, waarop Jesus hem gezegd had: » Ga, uw zoon is vol leven.quot; Geheel zijn huis geloofde nu met hem.
Van Cana begaf Jesus zich naar Capharnaüm en onderwees daar in de Synagoge. Allen waren verwonderd over zijne leer, want zijne woorden waren vol kracht en drongen diep in de harten door. Op zekeren keer bevond zich onder de toehoorders een mensch, die door een boozen geest bezeten was. Eensklaps riep deze uit; »Jesus van Nazareth, wat hebt gij met ons uit te staan? Ik ken u, gij zijt de Heilige Gods.quot; Jesus echter sprak op gebiedenden toon: »Verstom en ga uit van dezen mensch!quot; Aanstonds ging de booze geest, na den mensch in vree-selijke stuiptrekkingen heen en weer gesleurd te hebben, onder het aanheffen van een vervaarlyk gehuil, van hem uit. Schrik en verbazing grepen nu alle aanwezigen aan. »Wie is deze, zegden zij tot elkander, dat hg zelfs den onreinen geesten gebiedt en zich door hen quot;doet gehoorzamen ?quot; De naam van Jesus weerklonk nu in geheel Galilea.
51
LEVEN VAN
De rijkste huizen van Capharnaüm zouden gaarne hunne deuren hebben ontsloten, om den beroemden wonderdoener, wiens naam op aller lippen lag, te ontvangen. Het was dus niet zonder verbazing, dat men hem, met Jacobus en Johannes, zijne schreden zag richten naar een der armoedigste woningen, die van Simon en Andreas, waar hij gelegenheid vond een nieuw mirakel te verrichten. Eene hevige koorts hield de schoonmoeder van Simon aan haar bed gekluisterd. Op verzoek der Apostelen naderde Jesus de zieke, nam haar bij de hand en genas haar oogenblikkelijk. Eene menigte zieken -vroegen nu om dezelfde gunst, en het volk verdrong zich' in menigte voor de deur des huizes. Men droeg de zieken en sleepte de bezetenen. Jesus genas de zieken door zijne enkele aanraking, en joeg de duivelen uit, die riepen: »Gij zijt de Christus, de Zoon GodsT' Doch hij legde hun het stilzwijgen op, omdat hij niets aan hunne getuigenis wilde, verschuldigd zijn. Buitendien moest het geloof langzamerhand in de zielen geboren worden. Hier op aarde is het licht, aan den mensch geschonken, altijd gemengd met schaduwen, om de yrijheid niet te belemmeren.
De Zaligmaker begon nu Galileo, te doorlöopen, onderwijs gevende in de synagogen, hét Evangelie of de goede tijding verkondigende, en de zieken en bezetenen, die men van alle kanten naar hem
52
OK ZEN HEER JESUS CHRISTUS
53
liraeht, genezende. Eene groote menigte volks, uit Galileo., Jeruzalem, Judea en uit de landstreken aan de overzijde van de Jordaan, volgde hem. Op de oevers van het meer Genezareth gekomen liet hij de menigte gaan en zich naaiden tegenoverliggenden oever overzetten, om aan den anderen kant het woord des levens te verkondigen. Terwijl hij gedurende de overtocht sliep, stak er een hevige storm op, zoodat het scheepje dreigde te zinken. De verschrikte leerlingen wekten den Meester, roepende: » Heer, red ons, wij vergaau ! Kunt gij ons met onverschilligheid in zulk een groot gevaar zien ?quot; â Mannen van klein geloof, zegde Jesus, waartoe die vrees? â Bij stond nu op en gebood do zee en de winden te bedaren, en er volgde eene groote kalmte. Zich nu op nieuw tot zijne leerlingen wendende, zegde Jesus; »Waarom zijt gij bevreesd? Hebt gij dan geen geloof?quot; Doch zij bleven oader den indruk van hun eersten schrik, en even ontroerd over het wonder waarvan zij getuigen waren geweest, als over het gevaar, waaraan zij hadden blootgestaan, en nog geen duidelijk begrip hebbende aan de godheid huns Meesters, spraken zij tot elkander: »Wie is toch die mensch, dat hij de winden en golven gebiedt, en dat de winden en golven hem gehoorzamen?quot; Eens zullen zij het antwoord op die vraag kennen, en ondanks de schande van het kruis, zullen zij dat antwoord door het heelal doen aannemen.
\
LEVEN VAK
*
ïosn Jesus nu op den anderen oever van bet meer voet aan wal gezet had, naderde hem een schriftgeleerde, en zegde: »Meester, ik zal u overal volgen, waar gij gaat.quot; Men meent te moccen aannemen, dat die Joodsche leeraar
O '
geheel mensehelijke inzichten had, dat zijne denkbeelden omtrent den Messias even stoffelijk waren als die van de groote meerderheid der Joodsche natie, en dat zijn aaabod slechts voortvloeide uit de zucht om zijn vermogen te vermeerderen. Daarom ontving hij het volgende zeker weinig bemoedigende antwoord: »De vossen hebben hunne holen, en de vogelen des hemels hunne nesten; doch de Zoon des menschen heeft nief.s, waarop hij zijn hoofd zal nederleggen.quot;
Jesus liet den leeraar alleen met zijne overdenkingen , en zegde aan een der omstanders: »Volg mij.quot; »Veroorloof mij, zegde deze man, die Jesus reeds volgde, zonder evenwel onafscheidelijk aan hem verbonden te zijn, veroorloof mij, dat ik eerst mijn vader ga begraven.quot; â »Volg mij, zegde de Zaligmaker, en laat de dooden hunne dooden begravendat wil zeggen, laat aan de kinderen der eeuw de zorg der tijdelijke zaken, gij die geroepen zijt het koninkrijk der hemelen te verkondigen. Een andermaal verklaart de Zaligmaker in eene omstandigheid van gelijken aard, dat hij die de hand aan den ploeg slaat, en nog achterwaarts ziet, niet geschikt is het rijk der hemelen te verkondigen.
54
ONZEN HEER JESUS CllllISTÃS
Op dit oogenblik Invamen twee bezetenen tot hem; zij waren zoo woedend dat niemand meer langs dien weg durfde gaan. Zij bewoonden nog slechts de graven. Mun had hen dikwijls geketend, doch telkens hadden zij hunne boeien verbroken. Zij stieten een vervaarlijk gehuil uit, en kneusden en verscheurden hun lichaam met puntige steenen. Zoodra zij den Zaligmaker bemerkten, liepen zij naar hem toe en riepen als om strijd: sJesus, Zoon des Allerhoogste, wat hebben wij met u uit te staan? Komt gij ons hier kwellen vóór den tijd?quot; Jesus beval den duivel uit het lichaam dier ongelukkigtm te gaan, en daar de duivel aarzelde sprak Jesus: »Hoe is uw naam? â Ik heet Legio, antwoordde de booze geest, want wij zijn met velen.quot; Oedwongen te gehoorzamen, smeekten de duivels den Zaligmaker, dat hij hen niet in den helschen afgrond zou opsluiten, â zooals het hun geschieden zal in den laatsten dag, wanneer alle vrijheid en alle macht om te schaden hun zullen ontnomen wórden. Zij vroegen hem, dat hij hun veroorloven zou over te gaan in eene groote troep varkens, die in de nabijheid op het gebergte waren. Jesus stond hun dit toe, en aanstonds stortte zieh de troep, die wel uit twee duizend varkens bestond, in zee, waar zij allen verdronken. Zij, die de kudde bewaakten^ namen de vlucht en verspreidden alom het nieuws van hetgeen onder hunne oogen gebeurd was.
LEVEN VAN
Verscheidene inwoners van de omliggende steden en dorpen. kwamen toegesneld, en zij zagen hoe de onstuimigste der twee bezetenen aan de voeten des Zaligmakers zat, kalm en duidelijke blijken gevende, dat hij 'het verstand teruggekregen had. Vol vrees en verbazing, en de waarde van den schat, dien zij het geluk hadden in hun midden te bezitten, niet kennende, smeekten zij den Zaligmaker hun land te verlaten; hij strafte hen door hun verzoek in te willigen.
Jesus keerde nu weder naar Capharnaüm terug,, hetwelk zijne stad wordt genoemd, omdat hij er zeer dikwijls zijn verblijf hield. Nauwelijks had het gerucht zijner aankomst zich verspreid,, of men snelde van alle kanten naar het huis van Petrus en Andreas, waar de Zaligmaker zijnen intrek bad genomen. Jesus verkondigde het woord Gods aan de menigte, waaronder zich ook vele Phariseërs en leeraars der wet bevonden, die niet alleen uit GWiYea, maar zelfs uit Juclea en Jeruzalem waren toegestroomd. Intusschen lieten vier menschen, die,' ondanks alle moeite, niet door de deur hadden kunnen binnendringen, door eene opening in het dak een lamme naar beneden. De Zaligmaker, hun geloof ziende, zegde tot den lamme: »Mijn zoon, schep moed, uwe zonden zijn u vergeven.quot; Dit verwekte eene groote ergernis onder de Phariseërs en schriftgeleerden: »Deze mensch lastert God, want wie kan zonden vergeven dan
56
ONZEN HEER JESUS CHEISIUS
God alleen.quot; Doch Jesus doorgrondde hunne gedachten en zegde, s waarom denkt gij kwaad in nwe harten? Wat is gemakkelijker, tot een lamme te zeggen: »Uwe zonden zijn u vergeven, dan tot hem te zeggen; sta op, neem uw bed en ga? quot; Doch opdat gij wetet, dat de Zoon des menschen op aarde de macht heeft de zonden te vergeven: Lamme, sta op, neem uw bed en keer terug naar uwe woning.quot; Aanstonds richtte de lamme zich op en deed wat Jesus hem geboden had, terwijl hij God dankte en loofde.
Op zekeren dag zag de Zaligmaker een man op zijn kantoor zitten, en zegde tot hem: »Volg mij.quot; Die man, wiens naam Mattheas was, stond dadelijk op en verliet alles om zich aan zijnen nieuwen meester te hechten. Mattheas was een tollenaar of ontvanger der belastirfgen, een ambt dat bij de Joden zeer veracht was. Een zonderlinge keus voor een apostel! Bij de visschers, die reeds tot het apontelambt geroepen zijn, komt eene nieuwe roeping des Heeren een man voegen, die om zijn ambt versmaad werd. De groeten, de machtigen, de redenaars, de wijsgeeren zullen later komen, wanneer de Kerk gegrondvest zal zijn, en wanneer het volkomen duidelijk zal zijn, dat alles zontler hen, en zelfs ondanks hen, geschied is.
Jesus ging intnsschen voort aan de oevers der zee te onderwijzen, toen een hoofdman, met name Jaïrus, zich aan zijne voeten wierp
57
I.ÃVEN VAN
en hem smeekte zijne eenige dochter te genezen, die twaalf jaren oud was en op sterven lag. Terwijl de Zaligmaker zich naar de woning van Jaïrus begaf, bevond zich onder de menigte, welke zich als naar gewoonte op zijne schreden verdrong, eene vrouw, sinds lang lijdende aan eene vreeselijke kwaal, en die nu op den toon van het levendigste geloof sprak: »Indien ik slechts den zoom van zijn kleed kon aanraken, zou ik genezen zijn.quot; Sinds vijftien jaren had zij alle hulpmiddelen der kunst uitgeput, en daaraan haar geheele vermogen besteed, zonder dat zij eenige verlichting in hare kwaal mocht ondervinden. Het gelukte haar nu den zoom van des Heilands kleed even aan te raken, en op hetzelfde oogenblik was zij volkomen genezen. Jesu» had bemerkt, dat eene geheime kracht van hem was uitgegaan, en zich tot de menigte wendende, zegde hij: » Wie heeft my aangeraakt?quot; â »Meester, riep Simon Petrus uit, de menigte verdringt zich rondom u, en gij vraagt wie u heeft aangeraakt.quot; Hij zegde dat eene geheime kracht door zijn kleed was uitgegaan, en hij scheen met de oogen te zoeken wie het was. Hij wist; het wel; doch hij wilde de aandacht der menigte trekken. De vrouw kwam zich nu bevende aan de voeten des Zaligmakers werpen en bekende wat zij gedaan had. Hij stelde haar gerust, zeggende dat haar geloof haar genezen had.
Jesus sprak nog, toen men aan den hoofdman
b8
OKZEN HEER, JESUS CHRISTUS 50
kwam boodschappen, dat het nutteloos was verder te gaan, want dat zijne dochter reeds gestorven was. Jaïrus, wiens geloof nog was toegenomen door bet mirakel, waarvan bij getuige was geweest, riep uit: »Heer mijne dochter is dood! maar kom, leg haar de handen op, en zij zal leven.quot; Jesus wekte hem op tot nog meerder geloof en vertrouwen. Toen hij aan het buis gekomen was, trad hij er binnen met Petrus, Jacobus ea Johannes en de ouders van bet meisje.
Volgens de gewoonte der Joden van dien tijd hieven fluitspelers hunne treurliederen aan en was bet huis vol weeklagers; » Waarom zooveel gedruisch? zegde Jesus bij het binnenkomen.quot; »Waarover hebt gij te klagen? »Verwijdert u!quot; Toen hij zegde, dat het meisje niet dood was, maar slechts sliep, spotte de menigte met hem; want de duidelijkste teekenen van den dood waren waargenomen. De Zaligmaker nam nu de doode bij de hand en zegde: »Mijne dochter, sta op, ik gebied het n.quot; Bij die woorden keerde de ziel in bet ligchaam terug, en aanstonds richtte de jonge dochter zich op en begon te gaan.
Op zijn terugkeer naar bet buis van Simon, volgden hem twee blinden, die niet ophielden te roepen: »Zoon van David heb medelijden met ons!quot; Hun geloof op proef willende stellen, vervolgde hij zijnen weg, zonder dat bij bun verzoek scheen in te willigen. De ongelukkigen
LEVEN VAN
echter lieten niet af en verdubbelden hunne pogingen. De Zaligmaker zegde hun nu: Gelooft gij dat ik doen kan, wat gij mij vraagt? â Ja, Heer, riepen zij, gij kunt het! »Toen raakte hij hunne oogea aan, zeggende: »Dat u geschiedde volgens uw geloof.quot; Op hetzelfde oogenblik werden hunne oögen geopend. Jesns verbood hun van hunne wonderdadige genezing te spreken ; doch de dankbaarheid waaraan hun hart overvloeide, liet hun niet toe dit gebod te eerbiedigen.
Het leven des Zaligmakers ging alzoo voorbij met goed te doen, en het eene wonder volgde op het ander. Talrijke leerlingen volgden den Zaligmaker op zijne reizen. Wij hebben gezien, hoe verscheideneu op zijne stem alles verlieten. Tot dan toe echter waren allen bijna gelijk geweest. Het oogenblik was nu gekomen, om eene keuze te doen, en het aantal dergenen vast te stellen, die meer bijzonder erfgenamen moesten zijn van zijne bovennatuurlijke macht. Jesus kon door zijne kennis der menschen deze keus zonder eenige moeite doen , doch om aan zijne Kerk te toonen, hoe zij in dergelijke omstandigheden moest handelen, trok hij zich op een berg terug en bracht een geheelen nacht door in het gebed. Bij het eerste morgenlicht riep hij zijne leerlingen, en koos er twaalf, aan wie hij den naam gaf van apostelen, dat wil zeggen zendelingen, omdat hij hen naderhand
60
OUZEM HEER JESUS CHRISTUS
61
zenden moest om zijne leer te prediken. Hij gaf hun van dat oogenblik af de macht mirakelen te verrichten en den geest der duisternissen te verdrijven. Wij laten hier hunne namen volgen: Simon of Barjonas, bijgenaamd Cephas, dat wil zeggen Petrus, wias de voornaamste, ofschoon hij de derde was in de rij der geroepenen. Vervolgens de H. Jacobns de Meerdere, zoon van Zebedeus; . Johannes, broeder van Jacobus, beiden bijgenaamd Boanerges of kinderen des donders, ter oorzaak van de kracht en den glans hunner prediking; Andreas, die zich het eerst aan Jesus verbond en hem zijn broeder Simon bracht; Philippus, Bartholomeus, Mattheus, die zich in het Evangelie van zijne hand op de zevende plaats stelt, en zegt dat hij slechts een tollenaar is, een bij de Joden diep veracht beroep; Thomas, de ongeloo-vige; Jacobus de Mindere, zoon van Alpheus; Judas, de broeder dezes laatsten, bijgenaamd Libeus of ïliaddeus; Simon de Cananeër en Judas Iscai'ioth, die zijn Meester verried. Zijn die namen heden beroemd, ten dien tijde waren het de geringste van alle. De vier eersten zijn zonen van visschers; zij zijn zeiven visschers, arme schippers, die nauwelijks eene schuit weten te besturen en hunne netten te herstellen. De bijnamen, die het Evangelie aan die twaalf medearbeiders geeft, zijn bijna beleedigingen: Cephas, een steen! Barjonas, Libeus, Thaddeus, Publican us, Iscarioth,
LEVEN VAN
wat beieekent dat alles? Het zijn allen namen, ontleend aan iets gebrekkigs in de afkomst, in het karakter of in het beroep. Opmerkens- ^ waardig is het, dat de bloedverwanten des Zaligmakers, Jacobus de Mindere en Judas of Thaddeus op de tiende en elfde plaats komen. Van gunst oï bevoorrechting dus geen sprake!
Toen Jesus van den berg nederdaalde, waarop hij zich teruggetrokken had om zijne apostelen te kiezen, vond hij in de vlakte eene tallooze menigte, ' zegt het Evangelie. Men verdrong zich om hein aan te raken en deelachtig te worden aan de kracht, die van hem uitging, en die onmiddelijk de hardnekkigste ziekte deed wijken. Wat is het een schoon en roerend schouwspel den Zaligmaker te zien te midden dier ongelukkigen, die hem omringen, en die van hem gezondheid, vrijheid en leven ontvangen!
62
(3 _
Moofil stuit V.
ot dusverre heeft Jesns zich vooral bezig gehouden met de genezing der lichamen; nu zal hij het doen met de genezing der zielen. De mirakelen, door hem verricht, hebben de geesten voorbereid; het volk toont zich hoe langer zo» meer geneigd naar hem te luisteren. By beklimt nu op nieuw den berg (1) 'met zijne leerlingen, zoodat hij ver in den omtrek kan gehoord worden, zit neer en begint met de volgende woorden, die ongetwiifeld op den stoffelijken geest van velen zijner toehoorders een vreemden en zonderlingen indruk moesten maken. »Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijn de z.ichtmoedigen; want zij zullen do aarde bezitten. Zalig zijn zij, die treuren ; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn zy, die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid; want zij zullen verzadigd worden. Zalig zijn de barmhartigen; want zij zullen barmhartigheid verwerven. Zalig zijn de zuiveren van harte; want zij zuilen God zien. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kin-
(1) Deze berg ligt in de nabijheicl Tan het meer Genezareth liij is in Falestina altijd bekend geweest onder dea naam van den Berg der Zaligheden.
LEVEN VAU
deren Gods genoemd worden. Zalig zya zij, die vervolging lijdea om de rechtvaardigheid; want hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijt gij, als men u, orn mijnentwille, zal lasteren en vervolgen, en valschelijk alle kwaad tegen u zal spreken.
»Verblijdt u en juicht, want uw loon zal groot zyn in den hemel.quot;
Nooit was zulk eene leer door een mensch verkcfhdigd. Het geluk der armoede, der tranen en van den honger, het geluk van te lijden, van vervolgd en versmaad te worden! Wélke omkeering in de algemeen geldige denkbeelden. Het geluk is het oogwit van alle menscaelijk streven ; doch niemand had er nog aan gedacht den mensch tot het gelnk te voeren langs esnen weg vol disteleu en doornen. Uit een zuiver menschelijk oogpunt beschouwd schijnen de Acht Zaligheden even zoovele wonderspreukige stellingen, die tegen de gezonde rede indruischen. Maar het leven des mensclien bestaat niet enkel uit het klein getal onrustige dagen, die hg op aarde doorbrengt; dit voorbijgaande leven is slechts eene voorbereiding tot het eeuwige leven. Dat is het ware gezichtspunt, uit hetwelk men alles beschouwen moet; alsdan vertoont zich wat valsch en wonderspreukig scheen, schitterend van licht en waarheid.
De Zaligmaker sprak vervolgens, als ontwikkeling der Acht Zaligheden de zoogenaamde
64
OK ZEN HEER JESUS CHRISTUS
Bergpreek nit, die het ook met bewondering vervulde. Welk eene verbazing voor die menigte, te zien, hoe die jeugdige Galileër, de ongeletterde zoon eens timmermans, de schriftgeleerden, de leeraars en zelfs de profeten overtrof door de schoonheid, den rijkdom en de verhevenheid zijner leer! Wat hen vooral trof was het gezag, waarmede hij sprak. De waarheid vloeide van zijne lippen, zooals het water uit eene onuitputtelijke bron.
Jesus was van den berg gedaald, en eene groote menigte bleef hem volgen, toen een melaatsche, wiens melaatschheid zeker weinig merkbaar was, tot hem kwam en hem zegde; vindien gij wilt, kunt gij mij genezen.quot; Jesus strekte de band uit, raakte hem aan en zegde: »lk wil het, wees gezuiverd.quot; Bij den klank dier woorden verdwenen alle teekenen van melaatschheid. Ofschoon deze genezing te midden der menigte plaats had, was zij ongetwijfeld alleen door de discipelen opgemerkt; want de Zaligmaker vroeg wederom geheimhouding. Het was verboden de melaatschen aan te raken, omdat de melaatschheid zeer besmettelijk was; zij was zulks echter niet voor Jesus. Stipte naïever der wet, waarvan bij slechts de letter en niet den geest geschonden had, beval Jesus aan den genezen melaatsche zich aan de priesters te gaan vertoonen, om te offeren wat door Mozes was voovgeschreveu. In plaats van het stilzwijgen te bewaren, ver-
5
65
LEVEN VAN
kondigde de genezene luide wat geluk hem wedervaren was.
Ofschoon Jesus vermeed zich in de steden te vertoonen, waar zijne tegenwoordigheid de schriftgeleerden en Phariseërs tegen hem in beweging bracht, keerde hij naar Capharnaüm terug. Bij zijne aankomst, zond een honderdman of Ro-meinsch kapitein een bode naar Jesus, om hem te verzoeken, een zijner dieastknechtsn, die ziek was en aan wien hij zeer gehecht was, te komen genezen. »Ik zal komen, zegde de Zaligmaker, en den dienstknecht genezen.quot; Toen Jesus nu het huis naderde, zond de hoofdman eenigen zijner vrienden, om met evenveel geloof als nederigheid te zeggen: »Heer geef u de moeite niet verder te gaan; ik verdien niet dat gij komt onder mijn dak: spreek slechts éen woord en mijn dienstknecht zal genezen zijn; want, wanneer ik, die slechts een officier van minderen rang ben, tot een der soldaten die onder mijne bevelen staan, zeg: Ga, en tot een anderen, Kom zoo gaan en komen zij; of aan mijn dienstknecht: Doe dat, en hij doet het.quot; Bij die woorden die duidelijk lieten verstaan, dat Jesns slechts te bevelen had om door de ge-heele natuur gehoorzaamd te worden, riep de goddelijke Zaligmaker vol bewondering uit; »Voorwaar ik zeg het u, ik heb zulk groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. Velen zullen uit het Oosten en Westen komen, eu
66
OXZüN HEER JESUS CHiUSTUS.
met Abraham, Isaak en Jacob ia het koninkrijk der hemelen aan het feestmaal deel nemen 5 terwijl de kinderen des rijks zullen uitgedreven worden en geworpen in de uiterste duisternissen.quot;
»Ga, zegde Jesus tot den honderdman in den persoon zijner gezanten, Ga en dat u geschiede volgens uw geloof.quot; Op het oogenblik zelf, dat Jesus die woorden uitsprak, stond de zieke vol leven en gezondheid op, en de gezanten vonden hem bij hunne terugkomst, alsof hij niet was ziek geweest.
Van Capharnaüm begaf zich de Zaligmaker altijd door eene zeer groote menigte gevolgd, naar Nairn, waar zijne macht door een nieuw mirakel zou uitschitteren. Toen hij de poort der stad naderde ontmoette hij een lijkstoet. Het was de eenige zoon eener weduwe. Een groot aantal Joden waren getuigenis komen geven van hun medelijden met de smart der weduwe, die in tranen smolt. » Droog uwe tranen, zegde de Zaligmaker, toen hij haar bemerkte. Vervolgens nader tredende, raakte hij de kist aan, en de dragers bleven staan. Toen nam Jesus de houding en toon van gezag, die aan den oppersten Rechter van leven en dood past, en zijne hand over de kist uitstrekkende, sprak bij: »Jongeling, sta op, ik beveel hetu!quot; Terstond richtte de doode zich op, en begon te spreken, alsof hij uit een lichten slaap ontwaakte. Welke vreugde voor de arme moeder, aan wie
67
LEVEN VAN
68
de Zaligmaker haar teergeliefd kind wedergaf ! De talrijke toeschouwers werden door eene godsdienstige vrees aangegrepen. Zij verkondigden luide de grootheid Gods, terwijl zij uitriepen: sEen profeet is onder ons opgestaan; God heeft zich zijn volk herinnerd en het in zijne barmhartigheid bezocht.quot; De roep over dit mirakel had zich niet alleen verspreid in Judea, maar ook in de naburige landen, en drong ook door in de gevangenis van den H. Johannes den Dooper, dien de zedelooze Herodes in de gevangenis had geworpen. De heilige Voorlooper, die aan den Zaligmaker reeds zulke schitterende getuigenissen had afgelegd, twijfelde niet aan zijne godheid; doch dewijl er ongeloovigen onder zijne leerlingen waren, riep hij twee hunner en zond hen naar Jesus met de vraag: »Zijt gij het die komen moet, of moeten wij eenen anderen verwachten?quot; In plaats van rechtstreeks te antwoorden, begon Jesus verscheidene mirakelen te verrichten, en zegde vervolgens tot de leerlingen van den H. Johannes: »Gaat en zegt aan uwen meeser wat gij gezien en gehoord hebt; zegt hem dat de blinden zien, dat de kreupelen recht gaan, dat de melaatschen gezuiverd worden, dat de dooven hooren, dat de dooden ten leven gewekt worden, en dat het Evangelie aan de armen wordt verkondigd.quot; Isaïas had al deze wonderen voorspeld, die aldus voor de leerlingen van den H. Johannes een dubbele getuigenis werden.
ONZEN HEER JESUS CHJUSTUS
Behalve de mirakelen haalt de Zaligmaker, tot bewijs zijner godheid, de zorg aan, waarmede hij het Evangelie aan de armen verkondigt. Tot dusverre waren de armen bijna geheel vergeten gebleven. Het heidendom heelt niets voor hen gedaan; niemand of niets riep hen om het tweevoudige voedsel van ziel en lichaam te ontvangen. Het jodendom gaf hun ternauwernood het recht om de in de voren achtergebleven korenaren op te zamelen; het stond hun ook een gedeelte toe van alles wat de grond zonder bebouwing voortbracht. Doch zich bijzonder met hen bezig te houden, zooals de Zaligmaker der wereld deed, de velden te doorloopen om hunne zielen te verlichten door zijne bemelsche leer, dat was een wonder, even nieuw en groot als de genezing der zieken en de opwekkiag der dooden.
Na het vertrek van de discipelen des H. Johannes begon de Zaligmaker de strenge zeden en de standvastigheid van dezen heiligen man te prijzen. Van hem, zegde Jesus, staat geschreven : Zie ik zend mijn Engel (1) voor n af, om u den weg te bereiden. Ik zeg het u in waarheid, er is onder de kinderen der vrouw geen grooter profeet dan Johannes Baptist, en toch overtreft de geringste in het koninkrijk der Hemelen hem nog in verhevenheid.quot;
(1) Engel, omdat hij gezonden was en ook om de zaiverheid en heiligheid van zijn leven.
69
LEVEK VAN
De joden meenden, dat zij niets behoefden te doen om het erfdeel der hemelen te verwerven; zij dachten dat zij de wettige erfgenamen daarvan waren. De Zaligmaker neemt hunne verblindheid weg, zeggende: »Sedert den dag dat Johannes Baptist begonnen is te prediken, lijdt het rijk der hemelen geweld, en slechts diegenen die het geweld aandoen, zullen het binnentreden. Tot aan Johannes hebben de profeten en de wet geprofetiseerd.quot; Dat wil zegden, dat alles belofte, profetie en zinnebeeld is geweest; doch de profetie houdt op, wanneer de vervulling begint.
Het volk, dat wil zeggen de armen en de geringen begrepen dit goddelijk onderricht; maaide Phariseërs en de wetsgeleerden versmaadden het. Dit haalde hun dit harde verwijt van den Zaligmaker op den hals: «Waarmede zal ik dit soort van menschen vergelijken ? Op wie gelijken zij ? op de kinderen, op de openbare plaats vergaderd, die onder elkander zeggen? »Hebben wij niet op de fluit gespeeld? en gij hebt niet gedanst; wij hebben u treurliederen voorgezongen, en gij hebt niet geweend. â Johannes Baptist komt; noch brood noch wya maken deel uit van zijn voedsel, en gij zegt: hij wordt van den duivel bezeten. De Zoon des menschen komt op zijne heurt, hij eet en drinkt als iedereen, en gij zegt: het is een zwelger, een drinker, een vriend van zondaars en tollenaars.
70
ONZEN HEER JESUS ( HKISTÃS
De Zaligmaker verweet alsdan aan de steden, waar hij mirakelen verricht had, dat zij geen boetvaardigheid hadden gedaan. »Weeu Corozaïm, riep hij uit; wee u JBet/isaïde; want indien de mirakelen, waarvan gij getuige zijt geweest, in Tyrus en Sidon hadden plaats gehad, zouden zij sinds lang boetvaardigheid hebben gedaan, en zou men gezien hebben, dat zij zich met zak en asch bedekten. Daarom zeg ik u, dat in den dag des oordeels Tyrus en Sidon minder streng zullen behandeld worden dan gij. En gij, Capharnaüm, door uwen hoogmoed ten hemel toe verheven, gij zult vernederd worden tot de hel, omdat indien de mirakelen, die iu uw midden geschied zijn, hadden plaats gehad te Sodoma, deze stad misschien nog zou bestaan; daarom verklaar ik u, dat in den dag des oordeels, gij strenger zult behandeld worden dan de grond van Sodo7na. (1)
Ondanks de woede der Phariseërs tegen Jesns Christus, wilde een hunner hem een bewijs van achting geven; hij noodigde hem aan zijne tafel uit, en de Goddelijke Zaligmaker, die in de Phariseërs slechts hunne leer en niet hunne personen haatte, nam zijne uitnoodiging aan. Nauwelijks had de Zaligmaker plaats genomen, of eene vrouw, in de geheele stad als eene groote zon-
(1) Corozaïm, Belhsaïda en Capharnaüm waren drie stedcu aan het meer Genezareth. Zij zijn zoodanig verwoest geworden, dat hunne ware ligging niet meer met zekerheid te bepalen is.
71
LEVÃN VAN
72
dares bekend, trad de zaal binnen met eene albasten vaas vol reukwerken. Met verwondering zag men dat zij zich aan de voeten des Zaligmakers wierp , die met hare tranen besproeide, met vervoering van liefde kuste, en er haar kostbaar reukwerk over uitstortte. »Indien hij een profeet was, zegde de phariseër, zou bij weten, dat de vrouw, die zijne voeten aanraakt, eene zondares is.quot; Jesus, die in het hart van zijn gastheer had gelezen, zegde hem: »Simon, ik heb u iets te zeggen. â Meester, ik luister naar u. â Een schuldeischer had twee schuldenaars : de een was hem vijftig penningen, en de andere tachtig schuldig. Daar zij niets betalen konden, schold hij aan beiden de schuld kwijt. Wie van de twee moet hem het meest beminnen? â Ik oordeel dat het degene is, aan wien hij het meest heeft kwijtgescholden. â Zeer goed geoordeeld! Wel nu! zie deze vrouw; ik treed bij u binnen, gij geeft geen water om te wasschen en zij besproeit mijne voeten met hare tranen en droogt ze met hare haren af. Gij hebt mij den kus van vriendschap niet gegeven, en sedert zij hier is, heeft zij niet opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt mij geen olie op het hoofd gestort, en zij balsemt mijne voeten met haar reukwerk. Daarom zeg ik u, dat vele zonden haar vergeven zijn, omdat zij veel bemind beeft. Hem, die minder bemint, wordt ook minder bewezen.quot; Zich vervolgens tot de
O^ZEN HEER JESUS CHKISTUS
zondares wendende: »TJwe zonden, zijn u vergeven, zegde by; ga in vrede, uw geloof heeft u behouden!quot; â Wie is toch die man, zegden de gasten om strijd, die zoo de zonden vergeeft?quot; Zij begrepen niet wat de zondares wel begrepen had. Jesus was niet enkel gekomen om de lichamen gezond te maken, maar om de zielen te doen herboren worden, of zooals de profeet had gezegd, om zijn volk te verlossen ran de zonde.
Jesus ging voort de steden en de vlekken te doorloopen, overal het rijlc Gods verkondigende. De tivaalf volgden hem, en vormden zich, in die goddelijke leerschool, tot het predikambt. Hij werd ook gevolgd door eenige vrouwen, die hij genezen en van de booze geesten verlost had; het waren: Mana, bijgenaamd Magdalena, uit wie zeven dnivelen waren uitgedreven; Johanna, vrouw van Chusa, rentmeester van Herodes; Suzanna en verscheidene anderen, die in al zijne behoeften voorzagen. Bij de Israëlieten hadden de vrouwen, vooral de weduwen, de gewoonte aldus de profeten te volgen. Dit lag zoozeer ia de gebruiken van dien tijd, dat de Joden er nooit aan gedacht hebben er den Zaligmaker een verwijt van te maken, ofschoon zij hem op alle andere punten op de schandelijkste wijze belasterd hebben.
Jesus richtte zijne schreden naar de zee van Galilea, aan welks oever hij neerzat om de menigte te onderwijzen. En daar er eene menigte
73
LEVEN VAN
volks zich rondom hem verdrong, ging hij op een schip om van daar tot het volk te spreken. Hij stelde verscheidene gelijkenissen voor, onder andere, die van den zaaier en van het zaad, waarvan een gedeelte op den weg viel en door de vogelen des hemels werd opgegeten; een ander gedeelte viel op een steenachtigen grond, waar het ontkiemde, doch weldra onder de hitte der zon verschroeide; wederom een ander deel viel tusschen de doornen, waar het verstikt werd ; en nog een ander deel viel in de goede aarde, waar het vruchten voortbracht dertig, zestig, zelfs honderdvoud.
Toen hij alleen was met de Twaalf, vroegen dezen hem, waarom hij tot het volk in gelijkenissen sprak. »riet komt, antwoordde hij, omdat het u gegeven is, de geheimenissen van het rijk Gods te kennen. Wat diegenen betreft, die buiten staan, hun wordt alles in gelijkenissen voorgehouden; want aan dengene die heeft, zal men nog meer geven, en hij zal in overvloed zijn; wat dengene betreft, die niet heeft, men zal hem bovendien nog ontnemen wat hij heeft. Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hooren, noch verstaan. Wat u aangaat, gij zijt gelukkig, omdat uwe oogen zien en uwe ooren hooren. Ik zeg het u inderdaad, vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien;
74
ONZEN HEKE JESCS CHKISTUS
zij hebben verlangd te hooren, wat gij hoort en zij hebben het niet gehoord.quot;
Alsdan terugkeerende tot de gelijkenis, zegde hij: »Het zaad is het woord Gods; de zaaier is hij die het woord uitstrooit; zij die dicht bij den weg zijn waar het woord gezaaid wordt, zijn diegenen die het hooren; doch nauwelijks hebben zij het gehoord, of Satan rukt het weg uit hun hart, uit vreeze dat zij gelooven en geloo-vende zalig worden. Wat op de steenrots valt, zija diegenen, die het woord gehoord hebbende, het met vreugde opnemen; doch dewijl zij geen wortel hebben, gelooven zij voor een tijd, doch bezwijken op het oogenblik der bekoring. Wat tusschen de doornen valt, zijn diegenen die, na het woord gehoord te hebben, heengaan en het in zich laten verstikken door de beslommeringen, de rijkdommen en de vermaken des levens. Wat in goede aarde valt, zijn diegenen die het woord in een goed gesteld hart ontvangen hebbende, het bewaren en vruchten voortbrengen in overvloed.quot;
Zich opnieuw tot de menigte wendende, stelde hij de gelijkenis voor van het onkruid, hetwelk een vijandig mensch tusschen het goede zaad komt strooien, en dat de vader des huisgezins zijne knechten belet vóór den oogst uit te rukken, uit vreeze van ook het goede graan uit te trekken, totdat hij hun bevelen zal het eene in zijne schuren te verzamelen, en het andere in schoven
75
LEVEN VAN
te binden en in het vuur te werpen. Eene duidelijke zinspeling op de vermenging van goeden en kwaden in de Kerk, en op de behoedzaamheid waarmede men bij de uitroeiing van het kwaad moet te werk gaan.
»Het is met het koninkrijk Gods, zegde de Zaligmaker, als met een mensch, die een zaadkorrel aan de aarde heeft toevertrouwd: dat hij slape of wake, het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij het bemerkt. De aarde brengt uit zich zelve eerst den stengel en vervolgens de aar voort; en wanneer de korrel zich vertoont, begint men den oogst.quot; De vruchten eener leering te willen inzamelen, zoodra zij gezaaid is, strgdt met de rede; het zou zijn den landbouwer navolgen, die den oogst onmiddelijk na den zaaitijd zou willen stellen. Er is geduld ea een lange arbeid noodig; want de werkingen der genade en der waarheid in de zielen zijn langzaam en ongevoelig evenals die der natuur. Dit wordt nog duidelijker gemaakt door de gelijkenissen, die in het Evangelie op de voorgaande volgen.
»Waarmede zullen wij het rijk der hemelen nog vergelijken? Het is gelijk aan het mostaardzaad , hetwelk een man neemt en op zijn akker zaait; het is het kleinste van alle zaden ; maar eens gezaaid, groeit het en wordt de grootste van allé planten; hét schiet takken, die zich verre uitstrekken en waarop de vogelen des hemels
76
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
komen nederzitten om rust en schaduw te vinden. Het rijk der hemelen is nog gelijk aan een zuurdeeg, die eene vrouw onder drie maten meel mengt, en die de geheele hoeveelheid doet gisten.quot;
Die gelijkenissen waren terzelfdertijd onderwijzingen en voorzeggingen. Toen de Kerk in den beginne nog slechts eenige visschers telde, wankelend in het geloof, toen hare geheele werking bepaald was tot de stem des Zaligmakers, eenige mannen uit het volk op de oevers van het meer Genesareth onderwijzende; was zij inderdaad die verborgen zuurdeeg, die zonder gedruisch gist, doch een machtige zuurdeeg, die over de drie deelen der oude wereld verspreid, deze weldra geheel in gisting bracht. En den dag, waarop Jesus, zelfs door zijne apostelen en leerlingen verlaten, op het kruis stierf, was de Kerk voorzeker wel het mostaardzaad, het kleinste en geringste van alle zaden. Doch toen Jesus volgens zijne belofte, van zijn kruis alles tot zich getrokken had, toen de boom des kruizes zijne takken tot aan het uiteinde der wereld had uitgespreid, toen de grootste vernuften en eene tallooze menigte heiligen ouder zijne schaduw kwam uitrusten, was het toen niet die groote boom, dien het ETaugelie ons voorstelt als uit het kleinste van alle zaden voortgekomen?
Na de ontwikkeling van die verschillende gelijkenissen, na zich overtuigd te hebben, dat zijne leerlingen ze goed begrepen hadden, voegde
77
LEVEN VAN
78
de Zaligmaker er bij: »Elke leeraar onderriclit in de dingen van het rijk der hemelen, is gelijk aan een vader des huisgezins, die uit zijn schat oude en nieuwe zaken neemt; dat wil zeggen de waarheden vun het oude en nieuwe Testament. Nu begaf hij zich naar Nazareth, zijn vaderland. Daar was hij opgegroeid, daar had hij de vreugden van den huiselijken haard gesmaakt, en daar had hij zich gevormd in het moeitevolle handwerk zijns vaders. Nu was zijn rol geheel veranderd: hij die nooit de scholen had bijgewoond, onderwees zoowel de volkeren als de leeraars. Des zaterdags verzuimde hij niet de synagogen of godsdienstige vergaderingen des volks bij te wonen. Die van Nazareth binnengetreden zijnde, stond hij op om te lezen, zegt het Evangelie, en men gaf hem het boek van den profeet Isaïas. Zijne oogen vielen op de volgende plaats: »De geest des Heeren is op mij; daarom heeft hij mij geteekend met zijne zalving, eu heeft hij mij gezonden om het Evangelie te prediken aan de armen, om de bedroefden van harte te genezen, om de vrijheid aan te kondigen aan de gevangenen, en aan de blinden het vermogen om te zien, om het jaar des Heeren af te kondigen en den dag, waarop hij aan ieder geven zal volgens zijne werken.quot; Bij die woorden sloot hij het boek en zette zich neer. De heele synagoge had de oogen op hem gevestigd : het moest een schoon schouwspel zijn den
O^ZEW HEER JKSr.S CHRISTUS 79
Ziiligmaker aldus te zien, en zyne gebaren, zijn toon en houding moesten wel vertrouwen en eerbied inboezemen! »Wat gij gehoord hebt, zegde hij alsdan, gaat heden zelfs in vervulling.quot;
Een gemurmel van goedkeuring verhief zich bi] die woorden. Men bewonderde de mirakelen, welke verhaald werden door diegenen, die ze in het land van CapJiamaüm gezien hadden, men bewonderde de woorden en de leer vol genade, die van de lippen des Godmenseh vloeiden. Door een dier plotselinge en zonderlinge veranderingen, die somtijds in de denkbeelden der menigte plaats hebben, en ongetwijfeld ten gevolge der verraderlijke inblazingen der schritge-leerden en phariseërs, sloeg men eensklaps van bewondering 'over tot nijd en afgunst, van de afgunst tot de verachting, van de verachting tot het ongeloof en van het ongeloof tot drift en woede. » Waar heeft die man dat alles van daan ? zegde men. Wat is die wijsheid, die in hem schittert en die mirakelen, die door zijne handen gebeuren? Is hij niet de zoon van Joseph, den timmerman? Is hij niet de zoon van Maria? de broeder (1) van Judas, Jacobus, Joseph en Simon ?quot; Vreemde zaak, wat hen had moeten bekeeren, zegt het Evangelie, was voor hen eene reden van ergenis. Dat die man, dien zij
(1) De H. Schrift volgt hier liet spraakgebruik van dien tijd. Dc zin is neven en bloedverwanten.
LEVEN VAN
80
zijn geheele leven in de werkplaats zijns vaders hadden zien doorbrengen, zaken zegde en deed, die de wijsheid der wereldwijzen beschaamden, dat was zeker wel geschikt om iedereen met verbazing en bewondering te vervullen; doch waarom klommen zij niet op tot de bron? Is het dan moeilijker voor God een profeet en een wonderdoener uit de werkplaats van een timmerman te halen, dan van eene hoogeschool ? Dat was echter voor die menschen de ware knoop der moeilijkheid en de werkelijke oorzaak van de ergenis.
Iïoofilst«lï VI.
e Zaligmaker verliet nu Nazareth, en ging voort in de steden en dorpen te onderwijzen. Hij predikte het Evangelie van het rijk Gods, en genas allerlei ziekten en gebreken. Het volk stroomde in menigte toe en verdrong zich op zijne schreden. Bij het zien dier menigten voelde hij zich ontroerd van medelijden, omdat zij overstelpt waren van rampen, die zij zelfs niet kenden. De oogst is groot, zegde hij tot zijne leerlingen; doch er zijn weinig werklieden. Bidt den heer des oogstes.
ONZEN HEEE JESUS CHRISTUS 81
â dat hij er zende.quot; De twaalf uitverkozenen, na rondom hem verzameld zijnde, gaf hij hun de macht de duivelen uit te drijven en alle soort van ziekte te genezen; vervolgens zond hij hen twee aan twee, opdat er altijd twee getuigen der waarheid zouden zijn, doch hun aanbevelende, dat zij noch zak, noch brood, noch geld in hunne beurzen zouden mededragen, en dat zij slechts een enkel kleed zouden hebben. »Gaat niet bij de heidenen, zegde hij, noch in de steden der Samaritanen; gaat veeleer naar de verloren schapen van het huis van Israël. Predikt langs den weg, en zegt dat het rijk der hemelen nabg is. Geneest de zieken, wekt de dooden op, zuivert de melaatschen, drijft de duivelen uit. Gij hebt om niet ontvangen, geeft ook om niet. Draagt noch goud, noch zilver, noch geld in uwen gordel. Draagt geen reiszak, noch stokken, noch twee kleederen, noch verscheidene schoeisels: de werkman heeft recht op zijn onderhoud. In welke stad of dorp gij ook komt, verneemt naar den waardigsten en blijft bij hem tot aan uw vertrek. Groet bij het binnentreden met deze woorden: de vrede ruste op dit huis! Indien het huis zulks waardig is, zal uw vrede er op blijven rusten; zoo niet, dan zal uw vrede tot u terugkeeren. Indien niemand u wil ontvangen, noch naar uw woord hooren, verlaat dan die plaats, en schudt het stof van uwe voeten, ten teeken van beschuldiging. Ik zeg het u,
6
LEVEN VAN
inderdaad, in den dag des oordeels zullen Sodoma en Gomorrha met minder gestrengheid worden behandeld dan die plaats.quot;
Na nu nog zijne apostelen gewapend en aangemoedigd te hebben voor den strijd, die hun te wachten stond, ging de Zaligmaker voort de steden te bezoeken om er te prediken, terwijl de apostelen zulks in de dorpen en velden deden, Intusschen nam de roem van zijnen naam nog met den dag toe. Herodes, de viervorst, hoorde van hem spreken; hij vernam de wonderen, die Jesus uitwerkte, en hij wist niet wat te denken, want sommigen zegden : het is Johannes Baptist, die ten leven is wedergekeerd, en daarom schijnt de gaaf der wonderen in hem uit; anderen zegden: het is Elias; en weer anderen: Het is een der oude profeten, die wederom op aarde verschenen is. Herodes wist niet, waaraan zich te houden; nu eens zegde hij: het is Johannes niet: want ik heb hem het hoofd laten afslaan; dan weer: het is Johannes die teruggekeerd is. De Zaligmaker trok zich nu in de eenzaamheid terug, eensdeels omdat het niet in het plan der goddelijke Voorzienigheid lag, dat de Zoon des menschen reeds nu aan de handen zijner vijanden zou worden overgeleverd, en anderdeels omdat hij een weinig in de eenzaamheid wilde uitrusten met zijne leerlingen, die van hunne eerste apostolische zending terugkeerden. De menigte, die zich onophoudelijk rondom hen bewoog, was
82
ONZEN HEER JESUS CHIIISTUS
83
zoo groot, dat zrj zelfs den tijd niet hadden hun voedsel te nemen. Zij staken dan allen te samen over het meer Tiberias en landden op eene eenzame plaats op het grondgebied van Bethsaïda, Doch toen zij er aankwamen, vonden zij er reeds de menigte, die hen over land was vooruitgegaan, terwijl uit alle steden nog gansche scharen kwamen toegesneld. Jesus trad aan land en toen hij de menigte zag, had hij medelijden met haar, omdat zij, zegt de gewijde tekst, waren als schapen, die geen herder hebben. Hij ontving ze met goedheid, en op een heuvel geklommen zijnde, ging hij zitten en onderrichtte hen omtrent verscheidene zaken. Terzelfder tijd genas hg de zieken. Intusschen werd het laat en de leerlingen kwamen hem zeggen: Deze plaats is eenzaam en het wordt reeds laat; laat deze menschen gaan, opdat zij in de omliggende dorpen spijs voor zich kunnen koopen.â Dat is niet noodig, antwoordde Jesus, verschaft hun zeiven spijs. â De leerlingen wilden brood gaan koopen voor tweehonderd zilveren penningen, die zij bezaten, toen de Zaligmaker, van den heuvel af de scharen overziende, tot Philippus zegde: »Waarmede zullen wij levensmiddelen voor al die mensehen koopen ?quot; Hij wilde Philippus in verlegenheid brengen en zijn geloof oefenen, want hij wist zeer goed wat hij doen ging. »Voor tweehonderd penningen brood, zegde Philippus quot;zou voor ieder nog maar zeer
LKVEN VAN
weinig zijn.quot; De Zaligmaker vroeg nu hoeveel brood zij hadden, en zij wezen op een jongeling, die vijf gerstenbrooden en twee visschen had, maar wat beteekende zulks voor vijfduizend man, zonder de vrouwen en de kleine kinderen te rekenen ? Dit was de opmerking van Andreas, broeder van Simon-Petrus. De Zaligmaker gelastte nu aan zijne leerlingen, dat zij de menigte zouden verdeelen in troepen van honderd en van vijftig en ze vervolgens op het gras zouden doen nederzitten. Hij nam nu de vijf brooden en de twee visschen, en zegende ze, terwijl hij de oogen ten hemel hief. Dan brak hij de brooden en gaf de stukken aan zijne leerlingen, om ze aan het volk uit te deelen. Zij gehoorzaamden aan dit bevel. Het brood vermenigvuldigde nu in hunne handen; naarmate zij het uitdeelden, vonden zij er meer, zoodat ieder zijn deel kreeg en dat allen verzadigd warén, en er nog twaalf manden met brokkelingen overbleven.
Na het mirakel van de vermenigvuldiging der brooden, riepen de Joden vol bewondering uit: Dat is ongetwijfeld de profeet, die komen moet! Zij wilden hem nu tot koning uitroepen; want dit volk verdroeg slechts met verkropte spgt het vreemde juk. De Zaligmaker echter van hun plan onderricht, dwong zijne leerlingen naar den anderen oever over te steken. Vervolgens trok hij zich geheel alleen op het gebergte terug, waar hij tot aan den nacht in het gebed bleef.
84
OSZEN HEER JtSUS CHJUSTUS
Dit gedrag gelijkt niet op dat der eerznchtigen, die naar het bezit der maclit streven; dit zal echter niet beletten, dat de Zaligmaker eenmaal voor die vermeende misdaad zal veroordeeld worden.
De apostelen, die scheep waren gegaan, om naar Capharnai'im over te steken, vonden de rust niet, naar welke zij na de vermoeinissen van den dag verlangden. Er stak een hevige wind op en zij brachten bijna den geheelen nacht door met te worstelen tegen de golven. Zij putten zich uit in nuttelooze pogingen, toen zij, bij het schijnsel der maan, een man bemerkten, die hen over het water voorbijging. Het was omtrent drie uur in den morgen. Intusschen roeiden zij uit al hun krachten voort, en toen zij omtrent twee mijlen verder gekomen waren, bemerkten zij wederom denzelfden persoon, die over het water wandelde en ditmaal de schuit naderde. Hevig verschrikt lieten zij een luiden gil hoeren. »Weest gerust, zegde hun de Zaligmaker, ik ben het, verbant alle vrees.quot; â Heer, zegde alsdan Simon-Petrus, indien gij het zijt, beveel dan dat ik over de wateren tot u kom. Jesus beval het hem, en Petrus verliet vastberaden het schip. Doch daar het hevig woei, en Petras voelde dat hij zonk, riep hij uit: Heer, red mij! Op hetzelfde oogenblik strekte Jesus de hand uit, greep hem vast en zegde: Mensch van weinig geloof, waarom hebt gij ge-
85
LEVEN VAN
twijfeld ?quot; De Zaligmaker trad nu ia de schuit, waarop de storm onmiddelijk bedaarde. Door een nieuw wonder landden zg nu eensklaps op de plaats, waarheen zij koers zetten. Hun geloof betuigde zich nu op plechtige wijze; zij knielden aan de voeten des Zaligmakers neer en aanbaden hem, zeggende: Gij zijt waarlijk de Zoon Gods. Bij dit alles toont Petrus steeds het vurigste en grootste geloof, omdat hij het is, die eenmaal de anderen in het geloof zal moeten versterken.
De Zaligmaker doorliep nu Galilea in alle richtingen; doch, ofschoon het in den Paaschtijd was, ging hij dit jaar niet naar Jeruzalem; hij vermeed zelfs Judea, omdat de Joden het op zijn leven toelegden. Door zijne almacht had hij voorzeker hun kwaad opzet kunnen verijdelen; doch hij deed niet gaarne mirakelen voor zich zeiven, en in dit geval stelde hij er zich mede tevreden, gebruik te maken van zijn natuurlijk recht, om zijn leven niet bloot te stellen. Eenige phariseërs en schriftgeleerden waren echter opzettelijk van Jeruzalem gekomen om zijne handelingen gade te slaan en hem, indien het mogelijk ware, op eenige wetsovertreding te betrappen. Het betrof o. a. het gebruik der phariseërs van zich voor den maaltijd de handen te wasschen. Zij vroegen nu aan den Zaligmaker: »Waarom onderhouden uwe leerlingen de geboden niet, en waarom nemen zij hunne maaltijden met onzuivere handen.quot;
86
ONZEN HEER JESUS CHU1STÃS
En gij, zegde hun de Zaligmaker, -waarora overtreedt gij, ter wille van uwe overlevering, het bevel van God? Want God heeft gezegd: » Eer uw vader en uwe moeder, en al wie hen vervloeken zal, moet met den dood gestraft worden.quot; Wat leert gij integendeel? Mits iemand aan zijn vader of aan zijne moeder zegt. »Elke offerande van mijn goed die ik aan God doe, is u voordeelig, verklaart gij dat hij voldoet aan de wet, en gij eischt niet, dat hij meer voor zijn vader oi moeder doet.quot; Deze overlevering der phariseërs was eene goddeloosheid; zij misbruikten den godsdienst als een middel tot overschrijding der wet in een harer heiligste voorschriften. Dit verwijt Jesus vol verontwaardiging aan de phariseërs in de volgende woorden: »Daardoor ontduikt gij het bevel Gods, en gij maakt zijn woord ijdel door eene overlevering, die gij zeiven hebt doen ontstaan. Schijnheiligen! van u heeft Isaïas geprofetiseerd, toen hij zegde: »Dat volk eert mij met de lippen, doch hun hart is ver van mij.quot;
De Zaligmaker nam nu zijnen weg door Tyrus en Sidon, doch zonder voornemen van zich daar op te houden, omdat hij alle oogenblikken zijner korte zending voor de kinderen Israels bestemde. Doch toen hij een huis wilde binnentreden, om er eenige rust te nemen, verspreidde zich aanstonds het gerucht zijner tegenwoordigheid, en eene Cananeesche vrouw
87
LEVEN VAN
88
begon te roepen: Jesus, zoon van David r heb medelijden met mij! Mijne dochter wordt vreeselijk gekweld door den duivel! Doch de Zaligmaker zette zijnen weg voort. De vrouw echter hield niet op met roepen, zoodat Jesus zegde, dat hij slechts gezonden was naar de verloren schapen van het huis van Israël. De vrouw echter hield nog niet af, en met hem het huis binnentredende, wierp zij zich aan zijne voeten en ambad hem zeggende: Heer help mij. De zaligmaker, die haar geloof en hare nede-derigheid wilde doen uitschitteren, zegde haar op strengen toon; »Laat voor alles de kinderen zich verzadigen. Het past niet het brood der kinderen te nemen en het voor de honden te werpen.quot; Aldus waren de Joden de kinderen en de heidenen, de honden. Dit schrikte echter de Cananeesche vrouw niet af: »Wat gij zegt, is waar, zegde zij; doch de honden eten toch ook de kruimels, die van de tafel des meesters vallen. »Vrouw, zegde Jesus toen, groot is uw geloof, de woorden, die gij hebt uitgesproken, hebben den duivel uit het lichaam uwer dochter verdreven.quot; Tehuis komende, vond zij werkelijk hare dochter van den duivel verlost. - De Zaligmaker begaf zich nu wederom naar het meer van Galilea, in welke streek hij gedurig verscheen, als om er de wieg van het Christendom van te maken. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of men bracht een doofstomme tot
ONZEN HEKR JESUS CHRISTUS
hem, met verzoek dat hij hem de handen zon opleggen. Jesus nam hem terzijde, stak hem de vingers in de ooren, raakte met een weinig speeksel zijne tong aan, en de oogen ten hemel heffende, zegde hij Epheta; dat is : word geopend. En aanstonds werden de ooren van dien man geopend, zijne tong werd ontbonden, en hij sprak even goed en duidelijk, alsof hij nooit stom geweest ware. Hier vernieuwde zich wederom hetzelfde tooneel, dat wij reeds meermalen gezien hebben: verbod van over het mirakel te spreken, en overtreding van dit verbod; een strijd tnsschen de nederigheid en de bewondering. Hoemeer de Zaligmaker die menschen gebood, dat zij zwijgen zonden, hoemeer zij tot groote spijt der phariseërs, uitriepen: «Hij heeft alles wel gedaan, heeft de dooven doen hooren en de stommen doen spreken.quot;
Jesus beklom nu eeuen heuvel en zette zich daar neder, terwijl groote scharen volks tot hem kwamen en een groot getal zieken en gebrekkigen tot hem brachten; men legde dezen aan zijne voeten neder, en allen werden genezen. Het was een wonder al die kwalen voor zijne tegenwoordigheid te zien verdwijnen, zooals de nacht voor de zon : de dooven hoorden, de blinden zagen, de kreupelen gingen, de verbazing was buitengewoon groot,- en aller mond verkondigde den lof van den God van Israël. Hier vernieuwde zich het mirakel van de vermenigvuldiging der
89
LEVEN VAX
brooden in dezelfde omstandigheden als de eerste maal; alleen de cijfers verschillen.
Na de menigte, die hem met zegeningen overlaadde, te hebben lateu gaan, stak Jesus met zijne leerlingen over naar den oostelijken oever van bet meer van Galilea, naar de landstreek Magdala. Hij wilde zich overal vertoonen en zich door het geheele huis van Israël doen kennen. De Evangelisten, die ons zeiven waarschuwen, dat zij niet alles beschreven hebben, zeggen ons niets van de wonderen, die de Zaligmaker in Magdala verrichtte, doch zij spraken over de tegenspraak die hij er ondervond. Ditmaal kwamen de phariseërs niet slechts oji met de schriftgeleerden, maar zelfs met de Saddnceërs, hunne onverzoenlijke vijanden. De Sadduceërs waren de ongeloovigen en de vrijgeesten van dien tijd. Zij kwamen nu, in vereeniging met de phar-rssëró, met Jesus redetwisten. Het Evangelie zegt echter niet wat het onderwerp was van hunne redekaveling. Zij verzochten hem vervolgens, dat hij hen eenig wonder zou laten zien in den hemel? De Zaligmaker echter weigerde altijd aan de hoogmoedigen en nieuwsgierigen de wonderen, die hij zoo gaarne toestond aan de nederigen van geloof. Hij antwoordde hun slechts: »Wanneer des avond de wolken zacht rood gekleurd zijn, dan zegt gij; »het zal schoon weder zijn;quot; en des morgens: er zal storm komen, want
90
ONZEN HEEll JESÃS CHRISTUS
de lucht is rood en bewolkt.quot; Ziet gij eene wolk uit het westen komen, dan zegt gij aanstonds : het zal regenenen zoo gebeurt het. Voelt gij den wind uit het Zuiden waaien, zoo zegt gi]: 2het zal warm worden,quot; en zoo gebeurt het ook. Schijnheiligen! hoe, gij die zoo goed weet op te merken, wat er in den hemel en op de aarde plaats heeft, kent gij den tijd niet, waarin gij leeftïquot; Vervolgens voegde hij er zuchtende bij: »Waarom vraagt dit soort van menschen een mirakel? Voor dit geslacht van bedorvelingen en van overspelers zal er geen ander mirakel zijn dan dat van Jonas!
De Zaligmaker stak nu wederom naar den westelijken oever over en ging met zijne leerlingen naar Betlisaïcla. Daar werd een blinde bij hem gebracht: hg nam hem bij de hand, geleidde hem uit de stad, en hem speeksel op de oogen leggende, vroeg hij hem, of hij iets zag. De blinde zegde, dat hij menschen zag gaan, die hem toeschenen boomen te zijn; waaruib men opmaken mag, dat hij niet blind geboren was. Toen legde Jesus hem nogmaals de handen op de oogen, en de blinde begon nu beter te zien en onderscheidde weldra duidelijk alle voorwerpen. De Zaligmaker zond hem nu naar huis, hem aanbevelende van tot niemand te spreken over hetgene hem gebeurd was. Dit mirakel en een ander van dezelfde soort, zijn de eenige, die Jesus trapsgewijze verricht heeft; men schrijft
91
LEVEN VAN
dit toe aan het weinige geloof dier blinden. Wat de zorg betreft, waarmede de Zaligmaker den blinde ter zijde nam, om hem in het geheim te genezen, men gelooft, dat hij de inwoners dezer stad heeft willen straffen voor hun ongeloof; evenals die van Corosaïn, hadden zij weerstand geboden aan mirakelen, die Tyrus en Sidon zouden bekeerd hebben.
Op zekeren dag nam de Verlosser Petras, Jacobus en Johannes met zich opeenhoogenberg. Terwijl hij daar bad, nam zijn gelaat een geheel ander voorkomen aan; het werd schitterend als de zon, en zijne kleederen, glanzend van licht, waren sneeuwwit. Het was de godheid, clie door het omhulsel van vleesch en kleederen heenschitterde. Eensklaps verschenen twee mannen en spraken met hem; het waren Moses en Elias, die beiden Gods glorie op den berg Horeb gezien hadden. Petrus en de twee andere leerlingen ontwaakt zijnde, want zij waren voor den slaap bezweken, zagen de glorie van den Zaligmaker, en de twee mannen, die met hem waren. Dezen gingen hem verlaten, toen Petrus, verrukt door den glans, waarvan zijn meesier schitterde, en een voorsmaak genietende van net geluk des hemels, uitriep; »Meester, wij zijn hier goed ! indien gij wilt, zullen wij er drie tenten opslaan: eene voor u, eene voor Moses, en de andere voor Elias.quot; Was het dan om in eene tent te wonen op een berg, dat de
ONZEN HEER JKSUS CHEISÃÃS
Zaligmaker op aarde was gekomen? Ook zegt de gewijde tekst dat Petrus niet wist wat hij zegde. Verbazing, vreugde en schrik hadden hem buiten zich zeiven gebracht. Terwijl hij nog sprak, bedekte eene lichtgevende wolk hen met zijne stralende schaduw. De schrik der leerlingen werd nog grooter, toen zij Moses en Elias in de wolk zagen verdwijnen, en eene stem tot hem riep : »Dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn behagen gesteld heb; luistert naar hem.quot; De leerlingen lagen met hun aangezicht tegen deu grond. Jesus, die alleen gebleven was, naderde hen, raakte hen aan en zegde: »Staat op en vreest niet.quot; Toen zij nu hunne oogen opsloegen en hunne blikken naar alle zijden rond lieten gaan, zagen zij niemand dan Jesus, die tot zijn gewonen toestand was wedergekeerd, zoodat hij wederom in zich terughield de stroomen van licht, waarmede zijne godheid onophoudelijk op het punt stond zijne heilige menschheid te overdekken.
Toen de Zaligmaker den volgenden dag van den Thabor nederdaalde, verbood hij aan de drie leerlingen, vóór zijne verrijzenis te spreken over hetgeen zij gezien hadden. Die laatste woorden schenen hun duister toe, en konden hun eerst duidelijk worden, nadat Jesus uit het graf was opgestaan.
93
Hoofdstuk VU.
ntusschen naderde het feest der tempel-wijdiug, en Jesns begaf1 zich ter bijwoning daarvan naar Jeruzalem. Onderweg ontmoetten hem tien melaatsehe mannen. Zij bleven van verre staan, zooals de wet het hun voorschreef, en riepen: »Jesus Meester, ontferm u onzer!quot; Hij sprak tot hen! »gaat heen en vertoont u aan de priesters!'' Terwijl zij nu vol vertrouwen heengingen, werden zij allen gezuiverd. Een hunner, zoodra hij zag, dat hij gezuiverd was, keerde terug, en God met luider stem verheerlijkende, viel hij Jesns te voet en dankte hem. Deze was een Samaritaan. Toen sprak de Verlosser: »zijn er niet tien gezuiverd geworden? Waar zijn dan de negen anderen ? Er is niemand gevonden, die terugkeerde en God eere gaf, dan deze vreemdeling. »Tot den genezene zegde hij: sta op en ga, uw geloof heeft u behouden.quot;
Te Jeruzalem nu schaarden de Joden zich in den tempel rondom hem en zegden: hoe lang nog zult gij ons in twijfel laten? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons dan openlijk.quot; Jesus antwoordde: »ik heb het u reeds gezegd, doch gij gelooft het niet. De werken, die ik in den naam mijns vaders verricht, geven getuigenis van mij. Mijn Vader en ik zijn een.''
ONZEN HEI.It JESUS CHEISTUS
05
(1) Do Joden namen nu steenen op, om hem te steenigeu, doch de Heiland sprak tot hem: »in den naam mijns Vaders heb ik u vele goede werken doen zien; wegens welk dezer werken wilt gij mij steenigen?quot; De Joden riepen: »wij steenigen u niet wegens eenig goed werk, maar om uwe godslastering, daar gij u zeiven God noemt, en toch slechts een mensch zijt.quot; Jesus evenwel antwoordde: »indien ik de werken mijns Vaders niet verricht, zoo staat het u vrij mij niet te gelooven; doch verricht ik die, gelooft dan ten minste aan de werken, indien gij mij niet gelooven wilt, opdat gij moogt erkennen en gelooven, dat de Vader in mij is, on ik in den Vader ben.quot; Toen wilden zij hem gevangen nemen; doch hij ontweek hen naar de overzijde der Jordaan.
Onze goddelijke Heiland zette intusschen zijne tochten door het Heilige Land voort, op zijnen weg overal de sporen achterlatende van zijne weldaden, en door woord en voorbeeld leerende en onderwijzende. Ons bestek laat niet toe, alle mirakelen des Zaligmakers te vermelden. Evenmin veroorlooft het ons, die menigvuldige lessen van wijsheid en parabelen op te teekenen, die uit den mond der goddelijke wijsheid vloeiden, en die de aandachtige Christenen trouwens genoegzaam kennen.
(1) Dat is: écn in wezen, doch verscheiden in persoon.
LEVEN VAK
Toen de voornaamste der priesters en de plia-riseërs de menigvuldige mirakelen des Zaligmakers en vooral de opwekking van Lazarus aan de poorten van Jeruzalem vernamen, bielden zij eene eerste vergadering tegen Jesus en zegden: »Wat zullen wij doen? Deze menscli doet vele wonderen. Indien wij hem laten begaan, zal het geheele volk in hem gelooven.quot; Van dat oogenblik af besloten zij den Heiland te dooden. Daarom vertrok Jesus naar eene landstreek in de nabijheid der woestijn, en bleef daar met zijne leerlingen.
Zes dagen later zegde h:j tot de Apostelen: »Ziet, wij gaan opwaarts naar Jeruzalem, en al wat door de profeten over den Zoon des Menschen geschreven is, zal nu volbracht worden. Hij zal aan de opperpriesters en schriftgeleerden worden overgeleverd. Zij zullen hem ter dood veroordeelen en aan de heidenen overleveren, om door dezen bespot, gegeeseld, bespuwd en gekruisigd te worden; ten derden dage echter zal hij weder verrijzen.quot;
De weg des Zaligmakers leidde langs de stad Jericho. Aldaar leefde een man met name Zacheus, die overste der tollenaars en zeer rijk was. Ook hij verlangde vurig Jesus te zien, doch wegens de menigte volks vermocht hij dit niet, want hij was zeer klein van gestalte. Daarom liep hij vooruit en klom in eenen vijgenboom) die langs den weg stond. Toen Jesus daar
9G
OSZliN HEER JESUS CHRISTUS
voorbijtrok, zag hg op naar den vijgenboom â en zegde: »Zacheus, kom spoedig naar beneden, want heden moet ik in uw huis verblijven.quot; Zacheus spoedde zich naar beneden en ontving den Heer met blijdschap in zijn huis. Allen, die dit zagen, morden en zegden: »bij een zondig mensch, heeft hij zijnen intrek genomen.quot; â Zacheus echter sprak tot den Heer: »zie, de helft mijner goederen, Heer, geef ik den arme; en indien ik iemand iets te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel weder.quot; Jesus antwoordde hem: »heden is dit huis zaligheid wedervaren, want de Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken, hetgeen verloren was.quot;
Van Jericho begaf de Heiland zich naar Bethanië, dat op zijn weg gelegen was en waar hij vertoefde, evenzeer omdat hij er dierbare vrienden had, als omdat het vrijdag avond werd en dus de sabbathsrust begon. Hier werd hem een gastmaal bereid in het huis van Simon den melaatsche. Lazarus zat ook mede aan, en Martha diende den Heer. Maria, de zuster van Lazarus en Martha bracht een geheel pond kostbaren balsem, stortte dien over Jesus' hoofd uit, zalfde er zijne voeten mede en droogde deze met haar hoofdhaar af. Het geheele huis werd met den geur des balsems vervuld. Sommige leerlingen toonden zich hierover ontevreden en zearden: »waartoe dient deze verkwisting?quot; Een hunner, Judas Iscarioth, de verrader, zegde: »waarom
7
97
LEVEN VAN
is deze balsem niet voor driehonderd tieulingen verkocht en den armen gegeven?quot; Hij sprak alzoo, niet dewijl hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij voor den Heiland en de leerlingen, die van aalmoezen leefden, de beurs bewaarde, en uit gierigheid zeer dikwijls daaruit iets voor zich zeiven nam. Jesus, die wist wat er onrler de leerlingen omging, zegde: »waarom valt gy deze vrouw lastig? Zij heeft een goed werk aan mij verricht; zij balsemde reèds vooraf mijn lichaam. Armen hebt gij altijd bij u; doch mij zult gij niet immer bij u hebben.quot;
Den volgenden dag begaf de Zaligmaker zich van Seihanië naar Jeruzalem, Toen hij te Bethphage, in de nabijheid des Olijlbergs, was aangekomen, zond hij twee leerlingen en zeide hun: »gaat heen naar het vlek. Gij zult daar eene ezelin vastgebonden vinden sta.m, en een veulen bij haar; maakt ze los en brengt ze bij mij. Als iemand u iets zeggen mocht, antwoordt dan: »de Heer heeft ze noodig, en men zal ze terstond afstaan.quot; De leerlingen deden zooals Jesus hun bevolen had; zij legden nu hunne bovenkleederen op het veulen, en Jesus ging erop zitten. Het Paaschfeest was op handen, zoodat van alle kanten eene groote menigte Joden naar Jeruzalem gekomen was. Toen zij nu vernamen, dat de Zaligmaker zgn intocht in de stad zou doen, liepen zij hem, met palmtakken in de hand en
98
OJfZKIï HEER JESUS CHlilSTUS 09
jubelend te gemoet. Met luider stemme riepen zij: »Hosanna den Zoon Davids! Gezegend zij de Koning Israels, die komt in den naam desHeeren! Hosanna in liet allerhoogste!quot; Er bevonden zich onder de menigte ook eenige phariseërs, die, met het doel den Heiland te bespieden, al zijne schreden volgden. De jubel, waarmede Jesus de stad Jeruzalem werd binnengeleid, ontstak hen zoozeer in woede, dat zij zich verstoutten tot hem te zeggen: »Meester, verbied dit uwen leerlingen.quot; Doch de Zaligmaker antwoordde; »Ik zeg n, indien dezen zwijgen, zullen de steenen roepen.quot;
De Zaligmaker, in zijne gedachte de toekomst met het tegenwoordige verbindende, weende over de verblindheid der stad Jeruzalem en sprak; »indien ook gij, ten minste op dezen dag, erkendet, wat u tot vreugde strekte! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen! Want er zullen dagen over n komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omgeven, en u van alle zijden in het nauw zullen brengen. Zij zullen u en uwe kinderen ter aarde werpen en in u geenen steen op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet gekend hebt!quot; Acht en dertig jaren later werd deze verschrikkelijke voorzegging letterlijk vervuld. Titus, de zoon van Keizer Vespasianus, sloot de stad nauw in. Een vreeselijke hongersnood voegde zich bij de afgrijselijkheden van den oorlog. De stad werd
LKVKN VAN
verwoest, de tempel afgebrand; elfhonderd duizend Joden kwamen om en een nog grooter aanIal werden als slaven weggevoerd, zoodat Titus zelf erkende, dat hij slechts het werktuig was geweest der goddelijke wrake.
De Heiland trok nu door de straten der stad been naar den tempel. Van alle kanten werden daar zieken, kreupelen en blinden gebracht, die allen door hem genezen werden. De kinderen, die dit zagen, begonnen nu opnieuw te roepen: » Hosanna den Zoon van David!quot; De phariseërs zegden nu met verkropte woede tot Jesus: »hoort Gij dau niet wat dezen zeggen?quot; Doch hij antwoordde: »Ja, gewis! Doch hebt gij nooit gelezen: uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij u lof bereid?quot;
Tegen den avond keerde de Zaligmaker naar Bethanië terug, en bracht er den nacht door. De volgende dagen ging hij echter telkens naaide stad en onderwees in den tempel. Het geheele volk hing als het ware aan zijne lippen, zoodat de voornaam.sten der priesters, de phariseërs en schriftgeleerden, die zijnen dood zochten, niet wisten hoe zij bet zouden aanleggen, om hunne misdadige plannen ten uitvoer te brengen. Daar zij niets met geweld vermochten, namen zij hanaen toevlucht tot list en beproefden, den Zaligmaker in zijne eigene woorden te verstrikken, om alzoo zijne veroordeeling van denKomeinschen landvoogd te verkrijgen. Zij zonden daarom hunne
100
ONZEN JIEKR JESUS CHRISTUS
leerlingen met de Herodianeu tot hem iu den tempel. De Herodianen waren laffe aanhangers van het Romeinscli bestuur. Zij kwamen nu om hun oogmerk te bereiken, op verraderlijke wijze den rol van bewonderaars vervullen: »Meester, zegden zij, wij weten dat gij oprecht zijt en waarheid spreekt, zonder aanzien van persoon; zeg ons dan, wat dunkt u: is het geoorloofd den Keizer schatting te betalen of niet? (1) De strik was behendig gespannen. Indien de Zaligmaker de vraag bevestigend beantwoordde» dan maakte hij zich gehaat bij het volk, dat een afkeer had van de schatting en een Messias verwachtte, die hen bevrijden zou. Antwoordde hij ontkennend, dan was dit verzet tegen de heerschappij der Romeinen, en men behoefde hem nog slechts bij den landvoogd aan teldagen, door wien hij ongetwijfeld als een oproermaker zou behandeld worden. Wat vermochten echter al die listen tegen de eeuwige wijsheid? «Schijnheiligen, antwoordde de Heiland, waarom zoekt gij mij in uwe netten te vangen?quot; Vervolgens een geldstuk gevraagd hebbende, waarmede de cijns betaald werd, sprak hij: »Wiensnaamen beeldtenis is dit ? En zij antwoordden: »van den
(1) Het Joodsche volk droeg met weerzin het Romeinsche juk, en het invordeien van den cijnspenning had reeds aanleiding gegeven tot oproer; Herodes echter en zijne aanhangers waren den Romeinen genegen en handhaafden zich, door dezer gunst en steun, in het bestuur des lands.
101
LiSVEN VAN
keizer.quot; â »6eef dan, zegde Jesus, aan den keizer wat den keizer, en aan God wat God toekomt.quot; In hun eigen strik gevangen, gingen die mannen zwijgend en vol schaamte heen.
Terwijl de Heiland in den tempel was, zag hij hoe het volk offers in de schatkist wierp. Vele rijken brachten groote gaven aan. Ook eene arme weduwe kwam en wierp twee geldstukjes, ter waarde van een penning, in de offerbus. Toen de Zaligmaker dit zag, riep hij zijne leerlingen en zegde: »voorwaar, ik zeg u, deze arme weduwe, heeft meer gegeven dan alle anderen. Want alle anderen hebben van hun overvloed gegeven; deze echter wierp er alles in wat zij bezat.quot;
Bij het verlaten van den tempel, spraken de leerlingen vol bewondering over de pracht van dit gebouw: »zie eens. Meester, welke steenen en welke gebouwen!quot; De Heiland antwoordde: »Ziet gij al deze groote gebouwen? Voorwaar, ik zeg u: er zal niet een steen op den anderen gelaten worden.quot; Toen zij nu op den Olijfberg gekomen waren, zette Jesus met zijne leerlingen zich neder. Vaa deze hoogte konden zij de geheele stad en tempel overzien. Bij dit gezicht vraagden eeuige der leerlingen: » Meester, zeg ons toch, wanneer zullen deze dingen gebeuren ? en wat zal het teekeu zijn van het einde der wereld ?quot; â Jesus antwoordde hun: gt;Wanneer gij zien zult dat Jeruzalem door legers is ingesloten,
102
OSZEN HEER JESUS CHIUSTUS
-weet dan, dat de verwoesting nabij is. Dat zij, die zich buiten de stad, in bevinden,
naar het gebergte vluchten; dat hij, die op het veld is, niet terugkeere, om zijne kleederen te halen. Want alsdan zal er eene ellende wezen, zooals nooit van het begin der wereld geweest is en ook nimmer zijn zal. Velen zullen door het zwaard vallen, velen gevankelijk weggevoerd worden; Jeruzalem zelf zal door de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der natiën zullen vervuld zijn.quot;
» Voordat bet einde der wereld daar is, zullen velen komen en zeggen: »ik ben de Christus;quot; en zij zullen velen verleiden. Gij zult van oorlogen en krijgsgedraisch hooren; volk zal tegen volk, en rijk tegen ryk opstaan, er zullen pestziekten, hongersnood en aardbevingen heerschen op vele plaatsen.quot;
» Dit alles is echter slechts het begin der ellenden. Want korten tijd, nadat het Evangelie aan alle volkeren der aarde zal verkondigd zijn, zal de zon verduisterd worden, de maan zal haar licht niet meer geven, de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten der hemelen zullen beroerd worden. Op aarde zal groote angst heerschen, wegens het onstuimig bruischen der zee; de menschen zullen bijna bezwijken in de bange verwachting der schrikverwekkende dingen, die over de aarde zullen komen. Alsdan zal het teeken van den Zoon des menschen aan den
103
LEVEN VAN
hemel verschijnen en alle geslachten der aarde zullen weenen. Zij zullen den Zoon des menschen, met groote macht en heerlijkheid, zien komen op de wolken des hemels. Hij zal zijne engelen met bazuinen uitzenden, en zij zullen zijne uitverkorenen van de vier windstreken en van den eenen tot den anderen eindpaal der hemelen bijeen vergaderen. Hemel en aarde zullen voorbijgaan ; doch mijne woorden zullen niet voorbijgaan.quot;
Nadat de Zaligmaker zijne leerlingen vermaand had zich tot het laatste oordeel voor te bereiden» schilderde hij hun dit vreeselijke gericht met de volgende woorden: »Wanneer de Zoon des menschen in zijne heerlijkheid zal gekomen zijn, en alle engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner majesteit. Alle volkeren zullen vóór hem vergaderd worden, en hij zal hen van elkander scheiden, zooals de herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal hij stellen aan zijne rechter- de bokken aan zijne linkerhand. Alsdan zal de hemelsche Koning tot hen, die zich aan zijne rechterhand bevinden, zeggen: komt, gezegenden mijns vaders! bezit het rijk dat van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij te eten gegeven, ik heb dorst gehad, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd ; naakt, en gij hebt mij gekleed; ziek en gij hebt
104
ONZEN HEEK JESUS OHBISTUS 105
mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen.quot; Dan zullen de recht-vaardicfen hem vrasen: » Heer, wanneer hebben
O o '
wij u hongerig gezien en hebben wij n gespijsd, of dorstig, en hebben wij u gelaafd; wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en u geherbergd; of naakt, en hebben wij u gekleed!quot; En de Koning zal antwoorden: »voorwaar, ik zeg n, zoo dikwyls gij dit aan eenen mijner geringste broeders gedaan hebt, hebt gij het mij gedaan.quot;
»Tot hen, die ter linkerhand.staan zal hij zeggen: »Gaat van mij vervloekten in het eeuwige vuur. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet gespijsd; ik heb dorst gehad, en gij hebt mij niet gelaafd; ik was vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; ik was ziek en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht; naakt, en gij hebt mij niet gekleed.quot; Dan zullen ook dezen hem antwoorden en zeggen: »Heer, wanneer hebben wij u gezien, hongerig of dorstig, als vreemdeling of in de gevangenis, naakt of ziek, en hebben wij u niet gediend? â Dan zal hij hun antwoorden; » Voorwaar, ik zeg u: »zoo menigmaal gg het niet gedaan hebt aan eenen dezer geringsten, hebt gij het ook mij niet gedaan.quot; De laatste nu zullen gaan in de eeuwige pijnen der hel, maar de rechtvaardigen zullen opgaan ten eeuwigen leven.quot;
Tloofilstnli quot;VIII.
e Heiland zegde nu tot zijne leerlingen: » Gij weet dat het Paasehfeest over twee dagen zal gevierd worden, en dat de Zoon des menschen zal overgeleverd en gekruisigd worden.quot; De voornaamste der priesters, de schriftgeleerden en de phariseërs zochten nog steeds naar eene gelegenheid otn hem ter dood te brengen. Zij vergaderden nn bij den hoogepriester Caiphas, en kwamen tot het besluit, Jesus bij verrassing te doen gevangen nemen.
Intusschen had Satan zich meester gemajikt van Judas Iscarioth, een der twaalf; deze ellendige begaf zich naar de priesters, om hun zijnen meester over te leveren. »Wat wilt gij mij geven, zegde hij hun, indien ik hem in uwe handen lever? Dit voorstel vervulde hen met vreugde, en zij kwamen overeen, dat zij hem dertig zilverlingen zouden geven. Van dit oogen-blik zocht Judas eene gelegenheid, om zijn afschuwelijk plan ten uitvoer te brengen, zonder oproer te veroorzaken onder het volk.
Op den eersten dag van het Paasehfeest nu, waarop het paaschlam werd geslacht, kwamen de leerlingen bij Jesus en vraagden: gt; Waar zullen wij u het paaschlam bereiden?quot; De
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
Heiland zegde nu tot Petrus en Johannes: gaat naar de stad, daar zal n een man ontmoeten, die eene waterkruik draagt. Volgt dezen in het huis, waar hij binnentreedt, en zegt tot den heer des huizes: » De Meester laat u vragen: Waar is de eetzaal, waarin ik met mijne leerlingen het Paaschlam eten kan ?quot; En hij zal u terstond eene groote eetzaal aanwijzen; maakt daar alles
voor ons gereed.quot;
Zij gingen dan en vonden alles zooals de Heer het hun gezegd had, en zij bereidden het Paaschlam.
Toen het uur, door de wet bepaald, gekomen was, plaatste Jesus zich met de twaalf aan tafel en zegde: »Met vurige begeerte heb ik verlangd, dit Paaschlam met u te eten, voordat ik lijde. TVant ik zeg u: ik zal het voortaan niet meer eten, totdat het vervuld worde in het rijk Gods.
Nadat het Paaschlam gegeten was, stond de Heiland op, legde zijn bovenkleed af, bond zich een linnen doek voor en goot water in een bekken, om aldus de voeten der apostelen te wasschen en met den linnen doek af te drogen. Toen hij het eerst bij Petrus kwam, zeide deze, geheel verwonderd: »Heer, wascht gij my de voeten r1 De Zaligmaker antwoordde hem: ^hetgeen ik doe, kunt gij nog niet begrijpen; doch later zal het u duidelijk worden.quot; Petrus hernam:»in eeuwigheid zult gij mij de voeten niet wasschen 1 Doch Jesus zeide hem: indien ik unietwasch,
LEVEN VAX
zult gij geen deel met mij hebben.quot; Toen riep Petrus uit: »In dien dit zoo is Heer, wasch mij dan niet alleen de voeten, maar ook de handen en het hoofd.quot;
Toen nu de Heer aan alle Apostelen de voeten had gewassclien, trok hij weder zijn bovenkleed aan, zette zich aan tafel en sprak: »Indien ik, de Heer en de Meester, de voeten gewasschen heb, zoo moet ook gij elkanders voeten wasschen ; want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk ik u gedaan heb, gij ook alzoo moogt doen.quot;
Jesus nam nu het brood, dat nog op tafel lag, in zijne heilige en gezegende handen, hief de oogen ten hemel tot God, zijnen almaehtigen Vader, dankte hem, zegende het brood en reikte het zijnen leerlingen over met deze woorden: »Neemt en eet; dit is mijn ligchaam, dat voor u zal overgeleverd toorden.quot; Daarna nam hij den kelk met wijn, dankte wederom, zegende en gaf dien zijnen discipelen, terwijl hij zeide: »Neemt en drinkt allen; want dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden. Doet dit tot mijne gedachtenis.quot;
Eenige oogenblikken daarna werd Jesus diep in de ziel ontroerd en sprak: » voorwaar, voorwaar, ik zeg u, een uwer zal mij verraden.quot; De leerlingen zagen elkander na met diepe treurigheid aan, en de een na den anderen vraagde:
108
OK ZEN HEEK JESUS CHRISTUS
»Heer, ben ik het?quot; Jesus antwoordde: »een dergenen, die de hand met mij in den schotel doopt, zal mij verraden. De Zoon des menschen gaat wel heen, zooals het bestemd is; wee echter den mensch, door wien hij zal verraden worden. Het ware dezen mensch beter niet geboren te zijn.quot;
Johannes, de beminde Apostel, zat aan tafel naast den Heiland. Terwijl hij aan Jesus'borst leunde, vraagde hij zachtjes; »Heer, wie is het?quot; Jesus antwoordde eveneens zacht: »hij is hetgt; wien ik het ingedoopte brood zal geven.quot; Toen hij het brood had ingedoopt, gaf hij het aan Judas Iscarioth. Nadat deze de bete broods genomen had, voer de satan in hem. Judas stond nu op, en tot Jesus gaande, vroeg hij: »Heer, ben ik het?quot; De Zaligmaker antwoordde hem: »gij hebt het gezegd. Wat gij doen wilt, doe het spoedig.quot;
Nauwelijks had Judas de woorden des Zaligmakers gehoord, of hij verliet de zaal, zonder twijfel, omdat hij vreesde, dat men de uitvoering van zyn plan beletten zou. Toen Jesus den verrader zag vertrekken, sprak hij op plechtigen toon: »Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt.quot; Daarna sprak hij het dankgebed en sloeg met zijne leerlingen den weg naar den Olijfberg in.
Intusschen naderde het uur, waarop het groole werk der verlossing moest voltrokken worden.
109
LEVEN VAN
en Jesus zegde tot zijne Apostelen: gt;Dezen nacht zal ik voor u allen eene reden van ergenis zijn; want er staat geschreven: ik zal den herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden; doch na mijne verrijzenis zal ik u voorgaan in Galilea. â Al zoudt gij ook voor allen, zegde Simon Petrus, eene reden van ergenis zijn, ik zal niet verergerd worden. Ik hen bereid u te volgen in de gevangenis en in den dood. Ja, ik zal voor u sterven. â Zult gij voor mij sterven? in waarheid, ik zeg het u, vóórdat de haan driemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloocheud hebben. â Al moest ik met u sterven, ik zal u niet verloochenen, zegde Petruf, en allen legden dezelfde verklaring af.
De Zaligmaker echter voorzag de toekomst: hij wist dat in den strijd, die nu een aanvang ging nemen, hun moed bezwijken zou en zegde: »Toen ik u gezonden heb zonder beurs, zonder reiszakken zonder schoeisel, heeft het u toen aan iets ontbroken? â Aan niets. â Welnu, dat hij, die nu een beurs heeft, haar neme met zijn zak, en dat hij, die er geen heeft, zijn mantel verkoope, en een zwaard in de plaats koope. Want ik zeg u nogmaals dat wat geschreven is, in mijn persoon vervuld zal worden. â Heer, antwoorden zij, ziehier de twee zwaarden. â Dat is genoeg, zegde, de Heiland.
Het zwaard, waarmede de Zaligmaker zijne Apostelen gelast had zich te wapenen, was het
llü
OKZES HEEK JESUS CHRISTUS
'/innebeeld Tan den strijd, dien hij zou te strijden hebben. Hij wilde terzelfdertijd toonen, door dat zwaard in de schede te doen steken dat het niet geoorloofd is, zich met geweld tegen de gestelde machten te verzetten.
De Heiland troostie nu zijne Apostelen en zegde: jgt;Dat uw hart niet ontroerd worde! Tq mijns vaders huis zijn vele woningen; ik ga heen u eene plaats bereiden. Ik zal wederkomen en u tot mij nemen, opdat ook gij zijt, waar ik beu. Den weg daarheen, weet gij.quot; Toen zeide Thomas, »Hcer, wij weten niet, waarheen gij gaat; hoe kunnen wij den weg kennen?quot; De Heer hernam: »lh hen de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader, dan door mij. Ik zal den Vader bidden, en hg zal u een vertrooster geven, opdat hij, de Geest der waarheid, met u blijve in eeuwigheid. De Vertrooster, de heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zal zenden, zal u alles leeren en u alles indachtig maken, hetgeen ik tot u gesproken heb. Vrede laat ik u; mijnen vrede geef ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef ik u dien. Ik zal niet veel meer met u spreken, want de vorst dezer wereld nadert. Hij heeft op mij geene macht; doch, opdat de wereld erkenue, dat ik den Vader liefheb, en doe, gelgk de Vader mij bevolen heeft; staat op, laat ons van hier gaan.quot;
Nu ging Jesus met zijne Apostelen in eenen
111
LEViSïi VAN
hof, die bij eene pachthoeve behoorde, en Gethsemani genoemd werd. Hii liet evenwel allen, uitgezonderd Petrus, Jacobus en Johannes, aan den ingang achter. Toen begon hij treurig te worden en te beven. Hy sprak nu: »Mijne ziel is bedroefd tot den dood; verbeidt hier en waakt met mij.quot; Nadat hij zich een steenworp ver van hen Verwijderd had, viel hij op zijn aangezicht en bad: »Mijn vader, indien het mogelijk is, laat dezen kelk voor mij voorbijgaan; nochtans niet mijn, maar uw wil geschiede!quot;
Na dit gebed stond Jesus op en begaf zich tot de drie leerlingen, die allen door overmaat van droefheid in slaap gevallen waren. Hij wekte hen en zegde tot Petrus: » Simon, slaapt gij ? Koudet gij niet een uur met mij waken? Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring ! De geest is gewillig, maar het vleesch is zwak.quot; Daarop ging hij wederom heen en bad: »Mijn vader, indien deze kelk niet van mij kan-voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, dat dan uw wil geschiede!quot; Wederom keerde hij tot de leerlingen terug en vond hen nogmaals slapende. Hij verliet hen weder om ten derden male hetzelfde gebed te bidden. Nu overviel hem de doodsangst, en zyn zweet druppelde als bloed ter aarde neder. Doch hij bad nu nog langer en vuriger, en een Engel des Heeren verscheen hem, die hem troostte en versterkte.
Vervolgens keerde Jesus tot zijne leerlingen
112
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
terug en sprak tot hem: »Slaapt uu en rust! Het uui; is gekomen en de Zoon des mensehen zal overgeleverd worden in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan! Ziet, hg die mij verraden zal is nabij.quot;
Terwijl hg nog sprak, kwam Judas Iscarioth, vergezeld van eene bende Romeinsche soldaten en fakkeldragers. Zij waren gezonden door de priesters, de schriftgeleerden en de oudsten des volks, en waren met stokken en zwaarden gewapend. Judas nu kende die plaats, omdat de Zaligmaker er dikwijls met zijne leerlingen was heengegaan. De verrader had tot de soldaten gezegd: »Het zal degene zijn, aan wien ik een kus zal geven.quot;
Wel verre van te vluchten, ging de Heiland recht op zijne belagers af, zeggende: »Wien zoekt gij Vquot; â »Jesus van Nazareth,quot; was hun antwoord. â »Ik ben het,quot; zegde Jesus. Bij die woorden deinsden zij verschrikt terug en vielen achterover van schrik. De Heiland vraagde hun nu voorde tweede maal: » Wien zoekt gij ?quot; â »Jesus van Nazareth.quot; â Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben. Dewijl gij mij zoekt, laat deze mannen gaan, zegde Jesus, daarmede zijne leerlingen bedoelende. Judas, de verrader, naderde nu «n zegde: » Meester, ik groet u,quot; en te gelijkertijd kuste hij den Heiland. »Mijn vriend, zegde Jesus tot hem, wat zijt gij hier komendoen? Hoe! Judas, verraadt gij den Zoon des mensehen door een kus?quot;
8
113
I.KVEN VAN
De soldaten sloegen nu de handen aan Jesus eu bonden hem als een misdadiger. Toen de leerlingen dit zagen, vroegen zij: »Heer, zullen â wij er met het zwaard op inslaan?quot; En Petrus,, de daad bij het woord voegende, trok het zijne en sloeg een knecht des Hoogepriesters, Malchus genaamd, het rechteroor af. Doch de Zaligmaker sprak tot Petrus: »Steek uw zwaard in de schede; want alwie zich van het zwaard bedient, zal door het zwaard vergaan. Of weet gij niet, dat ik slechts mijnen Vader behoef te bidden, en dat hij mij onmiddelijk meer dan twaalf millioen engelen zal zenden ? Hoe zouden dan de schriften vervuld worden, die zeggen, dat alles aldus moet geschieden?quot; Na die woorden raakte Jesus het oor des knechts aan en genas het.
Vervolgens het woord toesturende aan de hoofden der priesters en de oudsten des volks, die gekomen waren om hem van de soldaten over te nemen, zegde hij tot hem: »Gij komt met zwaarden en stokken om mg gevangen te nemen als een dief, en toch was ik eiken dag te midden van u in den tempel, en gij hebt de hand niet op mij gelegd. Maar nu is het uw uur en dat van de macht der duisternissen.quot; Alle leerlingen namen alsdan de vlucht en verlieten hem. Aldus werd de goddelijke Zaligmaker alleen gelaten te midden zijner vijanden, zelfs door diegenen op wier trouw hij het meest kon rekenen; zelfs door den welbeminden leerling!
114
OXZEN HEER JESUS CHEISTUS
De bende voerde den Zaligmaker het eerst naar Annas, den schoonvader van den toenmaligen Hoogepriester, en die vroeger zelf met die waardigheid was bekleed geweest. Uit hetgeen de Joodsche geschiedschrijver Josephus zegt, zou men mogen opmaken, dat die twee mannen elkander beurtelings, om het jaar, op den zetel van Aaron opvolgden. Annas zond den Zaligmaker naar zijn schoonzoon, bij wien de priesters, de schriftgeleerden en de oudsten des volks vergaderd waren. Caiphas ondervraagde den Heiland over zijne leerlingen en zijne leer, en ontving ten antwoord: »Ik heb openlijk tot de wereld gesproken; ik heb altijd in de synagoge en in den tempel onderwezen: waarom ondervraagt gij mg? Ondervraag diegenen, die mij gehoord hebben. Zij weten wat ik onderwezen heb.quot; Bij die woorden sloeg een der knechten hem in het aangezicht en zegde: »Antwoordt gij aldus den Hoogepriester?quot; Jesus zegde met volkomene gelatenheid: gt;Indien ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; doch indien ik wèl heb gesproken, waarom slaat gij mij ?quot;
De leden van den hoogen raad der Joden zochten nu een voorwendsel om den Heiland ter dood te kunnen veroordeelen, doch zij vonden er geen. Zij hadden evenwel velen omgekocht, opdat zij valsche getuigenis tegen Jesus zonden afleggen; doch hunne getuigenissen kwamen niet met elkander overeen. Eindelijk kwamen nog
115
LEVEN VAN
twee valsche getuigen, die verklaarden: xgt;Wij hebben dezen hooren zeggen: ik wil den tempel Gods, die met memchenhanden gebouwd is, (1) afbreken en dien in drie dagen weder opbouwen.quot; Doch ook hunne getuigenissen weerspraken elkander in vele punten. Toen stond de Hooge-priester op, en zegde tot Jesus: Antwoordt gij niets op hetgeen deze menschen tegenu getuigen?quot; En daar de Zaligmaker het stilzwijgen in acht nana, sprak de Hoogepriester tot hem: ȕk bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus, de Zoon Godszijt?quot; â »Ja, ik hen het, antwoordde Jesus nu op plechtigen toon, en ik verklaar u, dat gij eens den Zoon des menschen zult zien, zittende aan de rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken.quot; â Na scheurde de Hoogepriester zijne kleederen en riep uit: Hij heeft God gelasterd! wat hebben wij nog getuigen noodig?quot; En allen riepen: »Hij is des doods schuldig.quot;
De hooge raad ging nu uit elkander en Jesus bleef te midden der dienstknechten en soldaten terug. Deze beschimpten en bespotten hem den geheelen nacht. Eenige der ruwe krijgslieden spuwden hem in het aangezicht, andere sloegen hem met vuisten. Ook blinddoekten zij hem,
(1) Deze woorden: die met menschenhanden ,getouwd is l waren van de valsche getuigen zeiven; laat men ze weg, zoo lieeft men de voorspelling des Zaligmakers, betrekkelijk zijne opstanding.
116
OKZEN HEEK JESUS CHRISTUS
gaven hem dan kaakslagen en zegden: » zeg ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?quot; Deze en andere lasteringen en spotternijen spraken zij tegen den Zaligmaker uit, zonder dat eene enkele klacht over de lippen van den Godmensch kwam, hoewel hij met een enkel woord die ellendelingen hadde kunnen verpletteren.
Petrus en Johannes waren van verre den Heiland gevolgd tot in het voorhof des Hooge-priesters. In het midden van het voorplein was een vnur ontstoken, waarbij de krijsgsknechten zich warmden. Petras had daar plaats genomen, om te zien, wat er met Jesns gebeuren zou. Nu kreeg eene dienstmeid hem in het oog, die tot hem zeide: »Gij waart ook met Jesus, den Nazarener.quot; Petrus verschrikte en zegde: »Ik ken hem niet.quot; De haan kraaide nu voor de eerste maal. Petrus trachtte nu in stilte weg te sluipen, toen eene andere dienstmeid hem bemerkte en tot de aanwezigen zegde: » Deze mensch was ook met Jesus van Nazareth..quot; Petrus loochende het andermaal en bevestigde zelfs met eed: »Ik ken den mensch niet.quot; Een weinig daarna kwam een derde en zeide: »Gij behoort ook tot die lieden ?quot; en allen drongen hij hem aan, zeggende: »Zijt gij niet een van zijne leerlingen?quot; Gij zijt ook een Galileër, uwe spraak maakt u bekend.quot; Nu loochende Petrus voor de derde maal en zwoer plechtig, dat hij dien mensch niet kende. Op hetzelfde oogen-
117
LEVEN VAN
blik kraaide de haan tea tweeden male. De Heer keerde zich nu om en wierp een blik op Petrus, die tot in het diepste aijner ziel drong. Toen herinnerde Petrus zich de voorzegging des Heeren, voordat de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen.quot; Vol leedwezen ging hij nu naar buiten en stortte bittere tranen.
Bij het eerste licht van den dageraad vergaderde de hooge raad andermaal en Jesus werd nogmaals ter dood veroordeeld. Zij voerden nu Jesus, met ketenen beladen, door de stad, om hem over te leveren aan den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus, wijl de hooge raad zonder dezes toestemming geen doodvonnis mocht ten uitvoer brengen.
Judas intusschen had den nacht niet rustig doorgebracht. Hetzij hij de hoop gekoesterd had, dat de Zaligmaker aan zijne vijanden zou ontsnappen, hetzij zijne oogen de afschuwelijkheid zijner misdaad hadden ingezien, de wroeging pijnigde hem hevig en onophoudelijk. Toen hij nu vernam, dat zijn Meester veroordeeld was, begaf hij zich naar de opperpriesters en ouderlingen , en bracht hun de dertig zilverlingen terug, zeggende: »Ik heb gezondigd door het bloed dezes rechtvaardigen over te leveren.quot; â »Wat gaat ons dat aan? zegden zij. Dit harde antwoord bracht den schuldige geheel tot vertwijfeling. Hij wierp de zilverlingen in den tempel en verhing zich zeiven met eenen strop.
118
ONZEN HEEE JESUS CHK1STUS li9
De opperpriesters raapten de geldstukken, die de ongelukkige in den tempel geworpen had, op en beraadslaagden onder elkander over het gebruik, dat men er van maken moest. Dezelfde mannen, die met zooveel onverschilligheid het berouw van Judas gezien hadden, toonden nu zonderlinge gewetensbezwaren. Zij zegden: »Het is ons niet geoorloofd dit geld ia de schatkist van den tempel te storten; want het is debloedprijs.quot; Dientengevolge gebruikten zij het, om een pot-â tebakkersveld te koopen, hetwelk zij bestemden als begraafplaats voor de vreemdelingen. Deze plaats werd genoemd Haceklania, dat is: bloedveld. Aldus werd de voorspelling vervuld van Zacharias, die op stelligen toon voorzegd had, dat de Messias op dertig zilverlingen zou geschat worden â¢en dat men voor die dertig zilverlingen een pottebakkersveld zou koopen. (1)
fffoofclstuls IX.
ooals wg gezien hebben, mocht deHooge-raad geen doodvonnis uitvoeren, zonder de toestemming van den Romeinschen landvoogd. Daarom voerden de opperpriesters en ouderlingen Jesus naar het gerechtshof van den landvoogd Pilatus. Deze trad nu
(1) Zacharias XI, 13 eu 13.
LEVEN VAK
naar buiten en vraagde: »Waarvan beschuldigt gij dezen mensch?quot; â »Indien hij geen boosdoener was, zouden wij hera niet aan u hebben overgeleverd,quot; antwoordden zij. â » Welnu zegde Pilatus, neemt hem dan zeiven en oordeelt hem volgens uwe wet.quot; â »Het is ons niet geoorloofd^ zoo luidde hun antwoord, iemand ter dood te brengen.quot; Door dezen schijnheiligen eerbied voor het Romeinsche gezag erkenden zij, ondanks zich zeiven dat de schepter weggenomen was van het buis van Juda, en dat de beroemde voorspelling van Jacob vervuld was. Doch zij hadden andere plannen: door het voorstel van Pilatus aan te nemen, en zeiven den Zaligmaker te vonnissen, zonden zij hem slechts hebben kunnen veroordeelen om gesteenigd te worden, en, om hunnen haat te voldoen, was er eene meer smartelijke en schandelijke doodstraf noodig. Van den anderen kant wilden zij ook al het hatelijke dezer zaak doen terugvallen op de Romeinen, wier taak het dan ook zijn zou het volk in bedwang te houden, indien het tegen de voltrekking der straf in verzet zou konen. Op die wijze brachten zij zeiven toe aan de vervulling van de voorspelling des Heilands, die gezegd had welken dood hij sterven zou.
Pilatus eischte evenwel, voordat hij Jesus veroordeelen wilde, gronden van beschuldiging en vooral staatkundige gronden. Bij gevolg begonnen de opperpriesters hunne beschuldigingen uit
120
OUZEN HEER JESUS CHRISTUS 121
te brengen. Zij zegden, dat Jesus zich bezig gehouden had met oproerige handelingen, dat hij het volk verleidde, dat hij verbood de schatting aan Cesar te betalen, en zich zeiven den naam gaf van Christus en van Koning. Alleen dit laatste woord trok de aandacht van den rechter. Hij trad het rechthuis weder binnen, en deed den Zaligmaker voor zich verschijnen, tot wien hij de vraag richtte: »Zijt gij de Koning der Joden.?quot; Jesus antwoordde: »Zegt gij dat uit u zclven, of omdat anderen het u van mij hebben gezegd? â »Ben ik een Jood? Het is uw volk, het zijn uwe opperpriesters, die u in mijne handen hebben overgeleverd; wat hebt gij gedaan?quot; â »Mijn Koningrijk is niet van deze wereld; indien miju Koningrijk van deze wereld was, zouden mijne onderdanen hebben gestreden, opdat ik niet in de handen der Joden werde overgeleverd; doch mijn Koningrijk is niet van deze aarde. Ik ben Koning; ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis te geven van de waarheid.quot;â Wat is de waarheid? vraagde Pilatus, als in verstrooidheid, want hij was geheel gerustgesteld; hij had begrepen, dat Jesus een onstoffelijk rijk bedoelde, waarover hij zich niet te bekommeren had. Hij ging dan ook naar buiten tot de oudsten des volks en sprak tot hen: »Ik vind geene schuld in dezen mensch.quot; Zij hernieuwden echter hunne beschuldigingen, en zulks op des te heviger en luider toon, omdat zij niets bewijzen
LEVJ5N VAN
konden, Jesus echter sprak geen woord, zoodat de landvoogd zeer verwonderd was. De Joden evenwel zeiden: »Hij ruit het volk op, zijne leer verspreidende door geheel Judea, van Galilca af, waar hij begonnen is, tot Jeruzalem^
Dit woord van Galilea gaf aan Pilatus eene gedachte in, waardoor hij meende-zich uit de moeilijkheid te redden. Hg vroeg aan den Zaligmaker of hij een Galileër was, en op zijn bevestigend antwoord, haastte hij zich hem te zenden naar Herodes Antipas, den viervorst van Galilea, die in die dagen, wegens het Paaschfeest te Jeruzalem verbleef. De viervorst was daarover verheugd en legde van dit oogenblik den haat af, dien hij sinds lang tegen Pilatus koesterde. Sinds lang reeds verlangde hij Jesus van Nazareth te zien, omdat hij veel over hem had hooren spreken. Hg hoopte ook, dat Jesus voor hem een mirakel verrichten zou, doch werd in zgne verwachting bedrogen. Te vergeefs richtte hg tot Jesus verscheidene vragen. Zij bleven onbeantwoord. Herodes, zijne hoop teleurgesteld ziende, dacht er nog slechts aan zich te wreken, door met zijn geheele hof dengene te bespotten, die zich niet gewaardigd had hem te antwoorden. Zij trokken Jesus, om hem te bespotten, een wit kleed aan, en zonden hem aldus naar Pilatus terug.
De Romeinsche landvoogd stond nu wederom voor dezelfde moeilijkheid. Hg kon Jesus door zijn gezag gered hebben, doch miste daartoe
122
ONZEN HEEK JESCS CHRISTUS 123
den moed. Hg trachtte de Joden door overreding te winnen, alsof de hartstochten naaide stem der rede luisterden. Hij sprak nu tot de opperpriesters en de oudsten des volks: »Gij hebt mg dezen mensch als een oproerige afgeschilderd, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en geene reden tot veroordeeling kunnen vinden. Herodes, tot wien ik hem gezonden heb, heeft evenmin eenige schuld in hem kunnen ontdekken. Ik zal hem dus loslaten, nadat ik hem heb laten kastijden.
Die kastgding was de geeseling, eene schan-delgke en smartelijke straf, waarmede de laffe Pilatus hoopte de Joden tevreden te stellen. Alvorens daartoe over te gaan deed hij eerst nog een ander voorstel. Het was namelijk de gewoonte dat men op Paaschdag aan het volk de loslating van een gevangene toestond. Er bevond zich nu een beruchte boosdoener in de gevangenis, met name Barabbas: het was een gevreesde roover en moordenaar. Pilatus sprak nu tot de volksmenigte, die, volgens oud gebruik, zijn recht was komen eischen: »Ik weet, dat ik op het Paaschfeest u een gevangene moet vrglaten; welnu! wien wilt gij dat ik u loslate Barabbas of Jesus, dien men Christus noemt?'' Jesus op éene Ign gesteld met een algemeen bekenden en verfoeiden booswicht! Pilatus hoopte een goeden uitslag van dit middel, omdat hg op het oogenblik niet de opperpriesters, wier
LEVEN VAN
haat tegen den Zaligmaker, hem bekend was, voor zich had, maar het volk, hetwelk altijd veel eerbied en geestdrift voor hem had getoond. Om de volksmenigte nog meer te winnen, voegde Pilatus bij den titel van Christus dien van koning, welke altijd aangenaam klinkt in de ooren des volks, en sprak tot hem: »Wilt gg dat ik u den koning der Joden loslate?quot;
Terwijl hij op zijn rechtsstoel het antwoord afwachte, ontving hij eene boodschap van zijne vronw, die hem liet zeggen: »Doe niets tegen dien rechtvaardige, want ik heb een droom over hem gehad, die mij veel heeft doen lijden.quot; Intusschen werd het volk door de ouderlingen en de opperpriesters bewerkt, zoodat, toen Pilatus terugkwam en zijne vraag herhaalde, de alge-meene kreet opging. »Weg met Jesus van Nazareth! laat ons Barabbas vrij!quot; â »Wat zal ik dan, zegde Pilatus, met Jesus van Nazareth doen?quot; »Kruisig hem, kruisig hem! riepen zij luidkeels. â Pilatus hernam; »Welk kwaad heeft hij gedaan ? Ik vind geene schuld des doods in hem. Ik zal hem dus kastijden en loslaten.quot;
De woeste krijgsknechten trokken nu Jesus het kleed van de schouderen, bonden hem aan eene kolom en sloegen hem wreedaardig met lederen geeselriemen, aan wier uiteinde looden ballen of ijzeren haken bevestigd waren. Zij hingen hem vervolgens uit spotternij een purperen mantel om, vlochten hem eene kroon van lange
124
ONZEN HEER JESUS CHIiJSTÃS 125
en scherpe doornen, en drukten hem die met geweld in het heilig hoofd, In plaats, van een schepter gaven zij hem een rietstok in de hand. Vervolgens de knie voor Jesus buigende, zeiden zij; »wees gegroet, koning der Joden!quot; Anderen weer spuwden hem in het aangezicht, gaven hem kaakslagen, rukten hem den rietstok uit de hand en sloegen dien met geweld op zijn hoofd, zoodat de scherpe doornen zijner bloedige kroon al dieper en dieper indrongen, en Jesus' heilig bloed van alle zijden van zijn aangezicht afgudste.
Nu meende Pilatus dat alleen door het zien van den droevigen toestand, waarin Jesus gebracht was, het hart der Joden tot medelyden zou bewogen zijn. Hij vertoonde nu den Heiland aan de Joden en sprak: »Ziet den mensch!quot; Doch de opgewonden en dolzinnige menigte riep luidkeels: »Kruisig hem, kruisig hem!quot; De opperpriesters en de ouderlingen zegden nu tot Pilatus: »Indien gij dezen loslaat, zijt gij de vriend des Keizers niet; want ieder, die zich tot Koning verheft, wederspreekt den Keizer.quot;
Pilatus, ziende dat zijne woorden niet den minsten indruk maakten op de dolle razernij en de hardvochtigheid der Joden, en by de herinnering aan zijnen keizerlijken meester met schrik bevangen, liet zich een bekken met water brengen, wiesch, ten aanschouwe van het volk, zijne handen en sprak: »Ik ben onschuldig aan het bloed van den Rechtvaardige! Gij moogt het
LEVEN VAN
verantwoorden!quot; â »Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! riep de woedende menigte.
Nu beproefde Pilatus niet langer weerstand te bieden; hg stelde den boosdoener Barrabas in vrijheid en gaf hun Jesus over om gekruisigd te worden.
lloofdsliili X.
e Zaligmaker gaf zich zonder morren over aan den gene, die hem zoo onrechtvaardig vonnisde. Als het ware Lam Gods bood hij niet den minsten tegenstand aan hen, die hem gingen slachtofferen. Hp was nu weder in de handen gekomen der soldaten, die, na hem tot een voorwerp van spot gemaakt te hebben, hem nu den spotmantel weder afrukten, zijne eigene kleederen aantrokken^ en hem het zware kruishout op de schouderen legden. De Zaligmaker reeds uitgeput door bloedverlies, bezweek weldra, tot driemalen toe, onder den last. De krijgsknechten dwongen nu een zekeren Simon van Cyrene, die van het veld huiswaarts keerde, om den Heiland het kruis te helpen dragen.
Eene groote volksmenigte volgde den treurigen stoet. Daaronder bevonden zich ook eenige god-vreezende vrouwen, die luide teekenen gaven van droefheid en rouw. » Dochters van Jeruzalem
126
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS
sprak de Zaligmaker zich tot haar keerende; weent niet over mij, maar weent over u zei ven en over uwe hinderen! Ziet, er zullen dagen komen, dat men tot de bergen zeggen zal: »Bergen valt op ons! en tot de heuvelen: verplettert ons! »Want indien zij aldus met het groene hout handelen, wat zal er dan aan Iset dorre geschieden?quot;
Met den Zaligmaker werden ook twee moorde-i! aarsnaar den kruisberg â Calvariö of Golgotha â gevoerd om daar gekruisigd te worden. In zulk gezelschap legde onze goddelijke Heiland den langen en smartelijken lijdensweg af. Toen hij op de kruin van den Kalvarieherg was gekomen, boden hem de soldaten wijn, met mirrhe en gal gemengd, te drinken aan; doch, na hem geproefd te hebben, wilde hij er niet van drinken. Wanneer een ter dood veroordeelde terecht gesteld werd, dan gaven de Joden hem wijn met wierook gemengd te drinken aan, om aldus de hevigheid zijner smarten te verzachten. De voornaamste vrouwen van Jeruzalem verschaften vrijwillig dien drank. De myrrhehad dezelfde bedwelmende kracht als de wierook, doch was veel hooger in prijs. De Zaligmaker weigerde dien wijn te drinken, omdat hij zijne pijnen niet wilde verminderen. De beulen scheurden hem nu de kleederen af, waardoor de wonden, door de geeselslagen toegebracht, weder geopend werden, doorboorden met zware spijkers
127
LEVEN VAN
zijne handen en voeten, en klonken hem aldus vast aan het kruis, dat vervolgens omhoog getrokken en in een daarnaast gegraven kuil neergelaten werd, die vervolgens met de uitgegraven aarde werd aangevuld. Dit geschiedde op het derde uur van den dag, dat wil zeggen ten negen uur in den morgen. Daar hing nu de Zoon Gods, de Heiland en Verlosser der wereld, van alles beroofd, van allen verlaten, tusschen hemel en aarde aan het kruis, terwijl het kostbare bloed van den Godmensch in volle stroomen op den grond nedervloeide. Na de kruisiging verdeelden de krijgsknechten de kleederen van den Zaligmaker onder elkander, behalve zgn bovenkleed waarover zij, omdat het zonder naad en uit een stuk vervaardigd was, het lot wierpen. Aldus werden de woorden van den profeet vervuld: »Zii hebben mijne kleederen onder elkander verdeeld en over mijn bovenkleed hebben zij het lot geworpen.quot; (1)
Het was de gewoonte op het strafwerktuig de redenen der veroordeeling aan te wijzen. Bij gevolg liet Pilatus boven aan het kruis een opschrift vasthechten met de woorden: »Jesus van Nazareth, Koning der Joden, De opperpriesters kwamen hiertegen in verzet en zegden tot Pilatus, dat er niet moest staan: Koning der Joden, maar: ik hen de Koning der Joden, opdat iedereen weten zou, dat Jesus zelf zich die hoeda-(1) Psalm XXI, 19.
128
ONZEN HEEK JESUS CHRISTUS 129
nigheid had toegeschreven. Pilatus, verheugd dat hij eene gelegenheid vond om die mannen te vernederen, welke hem eene veroordeeling hadden afgeperst, weigerde aan hun verlangen te voldoen, zeggende: »Wat geschreven is, is geschreven.quot; Hij wilde zich zeiven slechts wreken op de opperpriesters, en zonder het weten, handelde hij in zekeren zin onder de ingeving van God. Door het hout was het menscbelijk geslacht verloren gegaan, door het hout moest het weder vrijgekocht worden. Door het hout moest het vleeschgeworden woord over de wereld heerschen; door hem op het hout vast te klinken, had men hem op zijn troon geplaatst: hij behoefde nu nog slechts tot Koning te worden uitgeroepen, en Pilatus, de vertegenwoordiger der Romeinsche macht, deed dit door dit opschrift aan het kruis vast te hechten en het, ondanks het verzet der Joden, te handhaven.
Verscheidenen van hen, die Jesus op den kruisberg gevolgd waren, bespotten den Heiland en zegden op smalenden toon: »Welaan, Gij die den tempel Gods afbreekt en dien in drie dagen weder opbouwt, verlos u zeiven! Indien gij de Zoon Gods zijt, kom af van het kruis!quot; Op gelijke wijze schimpten ook de opperpriesters en de schriftgeleerden, zeggende: »Anderen heeft hij verlost, zich zei ven kan hij niet verlossen! Indien hij de Koning van Israël is, dan kome hij af van het kruis, en wij zullen in hem gelooven!quot;
9
130 ijeven van
Doch Jesus bad: »Vader, vergeef het hun. want zij weten niet wat zij doen!quot;
De krijgsknecliten beleedigden eveneens den gekruisigden Verlosser; zg boden hem azijn te drinken aan en zegden: »Indien gij de Koning der Joden zijt, tracht dan u zeiven te bevrijden.quot; Ook een der tsvee gekruisigde moordenaars lasterde hem en spi-ak: »Indien gij de Christus zijt, verlos u zeiven en ons!quot; De andere evenwel berispte hem en zeide: » Vrsest gij dan God niet ? Wij ontvangen loon naar werken, maar deze heeft niets kwaads gedaan.quot; â »Heer, zegde hij vervolgens tot Jesus, »gedenk mijner, als gij znlt komen in uw rijk!quot; Jesus antwoordde hem:
gt; Voorwaar, ik zeg u, heden zult gij met mij zijn in het paradijs!quot;
Aan den voet des kruises stonden behalve Jesus' heilige moeder en de Apostel Johannes» ook Maria-Magdalena ea eene andere Maria, de vrouw van Cleophas. Jesus wendde nu zijne blikken naar hen en sprak tot zijne Moeder:
gt; Vrouw, ziedaar uw zoon /quot; Vervolgens sprak hij tot Johannes: «ziedaar uwe moeder!quot; Van dit oogenblik af nam de welbeminde leerling de H. Maagd tot zich en vervulde jegens haar al de plichten der kinderliefde. De II. Apostel Johannes, zeggen de uitleggers der H. Schrift, stelde aan den voet van het kruis alle geloovigen voor, en van dat oogenblik af ook heeft Maria ons allen tot hare kinderen aangenomen.
ONZEN HEER JESUS CHETSTUS 131
Het was nu omtrent het middaguur. Eene dikke duisternis verspreidde zich over de geheele aarde en duurde drie uren. Achthonderd jaar vroeger, had de profeet Amos gezegd: »Op dien dag, zegt de Heer, zal de zon op den vollen middag ondergaan. Ik zal de aarde met duisternissen bedekken, terwyl zij moest schitteren van licht.quot;
Tegen drie uren in den namiddag, riep Jesus met eene sterke stem: Eli, Eli, lamma sabacthani? dat wil zeggen: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten ?quot; Deze kreet is de uitdrukking van de hevige inwendige smarten des Zaligmakers. Met de zonden der wereld beladen, moest Jesus den bitteren lijdenskelk tot den bodem toe ledigen. Eenige oogenblikken daarna sprak hij: »_Z/c /ielgt; dorst.quot; Het is inderdaad te begrijpen, dat de Zaligmaker een brandenden dorst leed, een gevolg der koorts, die altijd door groote wonden en hevige smarten veroorzaakt wordt. Een soldaat reikte hem eene in azijn gedoopte spons aan, doch nauwelijks had de azijn de lippen des Heilands bevochtigd, of hij sprak: »Alles is volbracht!' De lichamelijke dorst, die hij leed, was het afbeeldsel van een veel heviger dorst, die nu gelescht zou worden door de voltrekking van zijn ofier, â het was de dorst naar de zaligheid der zielen.
Vervolgens riep Jesus met luider stem: Vader, in mee handen levcel ik mijnen geestquot;,
LEVKN VAN
en bij liet uitspreken dier woorden, boog hij het hoofd en gaf zijnen geest. Op hetzelfde oogen-blik scheurde het voorhangsel des tempels van boven tot beneden, de aarde beefde en de rotsen spleten open. De graven werden geopend, en de lichamen van verscheidene heiligen stonden uit hot graf op en verschenen na de verrijzenis des Zaligmakers in Jeruzalem. Schrik en ontsteltenis beving nu den hoofdman en de soldaten, die met de bewaking des gekruisigden Verlossers belast waren. »Waarlijk, riepen zij, deze mensch is waarlijk de Zoon Gods!quot; Sedert achttien eeuwen heeft dit woord niet opgehouden op de aarde te weergalmen. De meesten, die aan den voet van het kruis van, alles getuige geweest waren, sloegen rouwmoedig op hunne borst kloppend en stilzwijgend den weg in naar huis.
De Zaligmaker was gestorven daags voor den sabbath van Paschen, die bij het ondergaan der zon begon, en daar de Joelen dien dag de gekruisigden niet aan het kruis wilden laten hangen, verzochten zij Pilatus, dat hij gelasten zou de lichamen van het kruis af te nemen, nadat men hun de beide beenen zou gebroken hebben. De soldaten braken nu de beenen der twee boosdoeners, doch zij raakten Jesus niet aan, omdat zij zagen, dat hij reeds gestorven was. Om evenwel volkomen zekerlieid te hebben van zijnen dood, doorboorde een der soldaten Jesus heilige zgde met eene lans, en uit de wonde
132
OK ZEN HEER JESÃS CHRISTUS 133
vloeide water en bloed. Hierdoor werd de verwezenlijking van een figuur der wet en de vervulling van eene voorzegging gegeven, de eene betrekking hebbende op het Paaschlam, waarvan in het boek des nitgangs gezegd wordt: »Gij zult deszelfs beenderen niet breken, (1) de andere , getrokken uit den profeet Zacharias, die vijfhonderd jaar, voordat de verlossing van het menscheUjk geslacht op den kruisberg voltrokken werd, had zegd: » Zij zullen hunne blikken vestigen op dengene, dien zij doorstoken hebben.quot; (2)
Tegen den avond van denzelfden dag begaf zich een der leden van den Hoogeraad, Jozef van Arimathea, een rijk en deugdzaam man, die in het geheim tot de leerlingen van Jesus behoorde, en geenerlei deel genomen had aau de samenzwering der Joden tegen den Zaligmaker, naar Pilatus, en verzocht dezen het heilig lichaam des Heeren ter begrafenis. Pilatus willigde zijn verzoek in. Joseph en Nicodemus namen nu, door Johannes geholpen, het heilig lichaam van het kruis, balsemde het met kostbare kruiden van myrrhe en aloës. Zij wikkelden het vervolgens in fijn lijnwaad en legden het daarna neer in een nieuw steenen graf, hetwelk aan Joseph van Arimathea toebehoorde. De inffans van het
O O
graf werd met een zwaren steen afgesloten.
Den volgenden dag kwamen de opperpriesters
(I) Eiod. XII, 46. (2) Zach. XII, 10.
LEV£N VAN
en pliariseërs by Pilatus en zegden: Wij herinneren ons, dat deze verleider eenigen tijd geleden, heelt gezegd, dat hij den derden dag na zijnen dood uit het graf zou opstaan. Gebied dus dat zijn graf tot den derden dag worde bewaakt, opdat zyne leerlingen het lichaam niet komen wegnemen en aan het volk zeggen: »hij 1s van den dood verrezen!quot; â »Gij hebt wachters, antwoordde Pilatus hun, laat het graf bewaken, zooals u goed dunkt.quot;
Zij gingen dus in zekeren zin bezit nemen van liet graf, door den steen aan den ingang van hun zegel te voorzien en er eene wacht bij te plaatsen. Al die voorzorgsmaatregelen keerden zich tegen hen zeiven; door de Apostelen te willen beletten het lichaam des Zaligmakers weg te nemen, hebben zij een onomstootelijk bewijs geleverd voor zijne verrijzenis.
IJoofllstïiLc XI.
e morgen van den derden dag was aangebroken. Op eens ontstond eene hevige aardbeving, en Jesus stond op uit het graf, levend en met majesteit omgeven. Een engel wiens aanschijn schitterde als de bliksem, en wiens kleed wit was als
134
OKZIN HEEE JLSVS CHBJSH'S.
sneeuw, daalde uit den liemel neer, wentelde den steen van den iugang des grafs weg en ging er op zitten. De wachters, door een geweldigen schrik aangegrepen, vielen als dood achterover op den grond, en vluchtten, toen zij het bewustzijn teruggekregen hadden, in alleryl naar de stad.
Toen de zon boven den gezichteinder kwam, verschenen juist eenige godvruchtige vrouwen aan het graf. Onderweg zegden zij tot elkander: »Wie zal den steen van den ingang des grafs wegwentelen?quot; Zij zagen nu, dat de groote en zware steen reeds weggewenteld was, en dat het lichaam des Heereu zich niet meer in het graf bevond. Zij waren hierover zeer ontsteld. Maria Magdalena haastte zich de tijding er van aan Simon-Petrus en aan den welbeminden leerling te brengen. Terwijl de overige vrouwen in verslagenheid aan het graf bleven staan, vertoonden zich eensklaps aan hare blikken twee engelen in wit gewaad. De vrouwen verschrikter, doch de engelen zeiden. »Vreest niet; gij zoekt Jesus van Nazareth, den gekruisigden; hij is opgestaan en is hier niet. Gaat heen en zegt aan zijne leerlingen en aan Petrus in het bijzonder, dat hij u voorgaat in Galilea: daar zult gij hem zien, zooals hij u zelf gezegd heeft!quot;
Petrus en Johannes kwamen toegesneld en vonden in bet graf slechts het lijnwaad, waarin het lichaam des Heeren gewikkeld was geweest.
135
136 LEVEN VAN
De H. Apostel Johannes zegde nu, dat hij zagen geloofde; want tot dan toe hadden de leerlingen, die aankondigden, dat Christus onder de dooden zou opstaan, niet begrepen. Zij keerden nu naar de overige leerlingen terug, ongetwijfeld om hun de blijde tijding mede te deelen. In-tusschen was Maria Magdaiena uit wie Jesus zeven duivelen verdreven had, teruggekeerd en bleef bij het graf stian als vastgeketend door hare vurige liefde. Terwijl zij zich over het graf boog, zag zij twee engelen in het wit gekleed, die tot haar zegden: » Vrouw waarom weent gij ?quot;â »Omdat zij mijnen Heer hebben weggenomen, antwoordde zij, en omdat ik niet weet waar zij hem hebben gelegd.quot; Na deze woorden gesproken te hebben, keerde zij zich om; Jesus stond voor haar, doch weggesleept door droefheid en door de vervoering van liefde tevens, herkende zij hem niet en meende, dat het de hovenier was. Daarom zeide zij tot hem: »Heer, zoo gij hem weggedragen hebt, zeg my dan, waar gij hem gelegd hebt.quot; â Nu sprak Jesus haar aan met de haar zoo goed bekende stem: »Maria!quot; Nu herkende Maria den Zaligmaker, viel hem te voet en riep uit: »Meester!quot; Doch Jesus zeide tot haar: Ga heen tot mijne broeders en zeg hun, dat ik opklim tot mijnen en uwen Vader.quot;
Denzelfden dag verscheen de verrezen Heiland ook aan twee zijner discipelen, die naar Emmaiis
OM ZEN HEER JESUS CHRISTUS 137
reisden, omtrent twee en een half uur van Jeruzalem. Hij kwam eensklaps by hen in de gedaante van een vreemdeling, doch zij kenden hem niet. Hij zegde tot hen: » Waarover spreekt gij met elkander en waarom zijt gij zoo treurig?quot;â Een hunner Cleophas genaamd antwoordde: » Zijt gij dan zoo geheel vreemdeling in Jeruzalem, dat gij niet weet, wat er de/,e dagen gebeurd is? Weet gij dan niet, dat de opperpriesters Jesus van Nazareth, een groot en machtig profeet, ter dood hebben doen brengen. Wij hadden van hem de verlossing van Israël gehoopt. Wel is waar hebben eenige vrouwen dezen morgen het graf ledig gevonden en zijn ons komen boodschappen, dat de engelen haar hadden aangekondigd, dat Jesus in het leven was. Daarop zijn eenigen onzer naar het graf gegaan, en hebben alles gevonden, zooals die vrouwen het verhaald hadden; maar hem hebben zij niet gezien.quot; â »0 dwazen! riep Jesus, wat is uw hart traag om alles te gelooven wat de profeten hebben voorzegd! Moest de Christus dit alles niet lijden en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?quot; Nu begon hij met Moses, doorliep al de profeten en verklaarde hun alle plaatsen der H. Schrift, waarin over den Verlosser gesproken wordt.
Intusschen waren zij het vlek genaderd, en Jesus hield zich als wilde hij verder gaan. Doch zij noodigden hem uit, zeggende: »Blijf bij ons, want het wordt reeds avond. Hij ging
LEVEN VAN
dan met de leerlingen in Luis en nam met hen plaats aan tafel. Hij nam het brood, zegende het, en het brekende, reikte hij het hun over. Nu gingen eensklaps hunne oogen open, en zij herkenden hem; doch hij verdween,onmiddelijk. »Voelden wij ons hart niet brandende in ons, terwijl hij op den weg tot ons sprak en de Schriften verklaarden ? zegden zij nu tot elkander. Denzelfden avond keerden zij naar Jeruzalem terug, en verhaalden wat hun wedervaren was. De Apostelen waren te Jeruzalem in eene zaal vergaderd, waarvan zij deuren en vensters gesloten hielden uit vrees voor de Joden, die den Meester wellicht in zijne leerlingen zouden vervolgen-Eensklaps verscheen Jesus te midden van hen en zeide; » Vrede zij met u! Ik ben het, vreest niet! »Door schrik en vrees bevangen, meenden zij eenen geest te zien. Doch Jesus zeide hun: »Beschouwt mijne handen en voeten: ik ben het zelf. Voelt en ziet. Want een geest heeft noch vleeschnog beenderen, zooals gij mij ziet hebben.quot;
Hij toonde hun daarna zijne handen en voeten, alsook zijne heilige zijde, en daar zij nog altijd twijfelden, sprak hij: »Hebt gij hier iets te eten?quot; Zij boden hem nu een stuk gebraden visch en honigraat aan. Hij at er van in hunne tegenwoordigheid, en gaf hun het overblijvende weder, zeggende: »Gij ziet nu de vervulling van hetgeen ik u zegde toen ik nog bij u was, â dat het noodig was, dat alles wat van mij in de
138
ONZEN HKEil JESUS ( HBISTÃS
wet van Moses, in de profeten en in de psalmen geschreven stond, vervuld werde.quot; Vervolgens zegde hg, nog tot hen: »Vrede zij met n! Zooals de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u.quot; Bij die woorden blies de Heer over hen en vervolgde: »Ontvangt den H. Geest! Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij wederhouden zult, dien worden zij wederhouden.quot; Om onderscheid te maken tusschen de zonden, die vergeven en die, welke weerhouden moeten worden, moet men ze kennen, en daar zij voor het meerendeel geheim zijn, kunnen zij slechts gekend worden door de biecht, welke dus een noodzake-lijk gevolg is van de macht door Jesus Christus aan zijne Apostelen gegeven.
Bij deze verschijning des Heeren was de Apostel Thomas niet tegenwoordig geweest. Toen nu de andere leerlingen hem de verschijning des Zaligmakers mededeelden, wilde bij niet gelooven en sprak: »Indien ik niet in zijne handen het merkteeken der nagelen zie, en mijnen vinger in de opening, door de nagelen gelaten, steken kan, en mijne hand in de wonde zijner zijde kan leggen, zal ik het niet gelooven.quot; Acht dagen later waren de Apostelen weder in dezelfde zaal vereenigd en Thomas met hen. Terwijl de deuren en vensters gesloten bleven, verscheen Jesus plotseling in hun midden en sprak: »Vrede zij met u!quot; Tot Thomas zeide hg in het bij-
139
LEVEN VAN
zonder: s»steek uwen vinger hierin en zie mijne handen; neem uwe hand en leg die in mijne zijde, » Wees niet ongeloovig, maar geloovig!quot; â »Mijn Heer en mijn God! riep Thomas eiudelijk overtuigd en op de knieën vallende. â »Gij hebt geloofd, Thomas, zegde de Zaligmaker , omdat gij gezien hebt. Gelukkig degenen die niet hebben gezien en toch gelooven!quot;
Daar de Zaligmaker aan zijne Apostelen bad gezegd, dat hij hun in Galilea zou voorgaan, begaven zij zich op bevel des Heeren, daarheen op weg. Op zekeren dag bevonden zij zich aan de oevers van het meer van Genezareth. Zij wierpen er de netten uit, doch vingen niets. Den volgenden dag verscheen Jesus op den oever, zonder dat hij door hen herkend werd. »Mijne vrienden, zegde hij tot hen, hebt gij niets te eten? â Neen! â Werp dan het net naar den rechterkant uit, dan zult gij iets vangen.quot; Zij gehoorzaamden, en het net was ditmaal zoo vol, dat zij het niet dan met moeite konden ophalen. Toen zij nu uit de handen des Zaligmakers gebakken visch en brood ontvangen en zich verzadigd hadden, zegde Jesus tot Simon-Petrus: »Simon, zoon van Johannes, bemint gg mij meer dan dezen?quot; â Petrus antwoordde: »Ja, Heer, gg weet dat ik u bemin !quot; Jesus zeide nu tot hem: Weid mijne lammeren!quot; Vervolgens vraagde Jesus ten tweeden male: »Simon, zoon van Johannes, bemint gij mij?quot; Petrus herhaalde:
140
quot; ONZEN HEER JESUS CHRISTUS 141
»Ja, Heer, gij weet dat ik u lief heb.quot; Jesus zeide nu nogmaals: » Weid mijne lammeren!\ Eindelijk vraagde Jesus ten derden male: »Simon, zoon van Johannes, bemint gij mij?quot; Nu werd Petrus bedroefd, omdat de Heiland deze vraag tot driemaal toe herhaalde. »Heer, antwoordde hij, gij weet alles, gij weet dat ik u bemin,quot; â »Weid mijne schapen!quot; zegde nu de Zaligmaker. » Voorwaar, ik zeg het u: toen gij jonger waart, gorddet gij u en wandeldet gij, waarheen gij wildet. Wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij de handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en geleiden, waarheen gij niet wilt!quot; Dit was eene zinspeling op den dood, waarmede Petrus eenmaal God zou verheerlijken.
De Apostelen begaven zich vervolgens op eenen berg in Galilea, waar Jesus hun bevolen had te komen. Meer dan vijfhonderd discipelen waren daar bijeen. Daar zagen zij Jesus op nieuw en aanbaden hem. De Zaligmaker naderde de Apostelen en sprak tot hen: Alle macht is mij gegeven in den hemel en op de aarde. Gaat dan, onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, hen leerende te onderhouden alles wat ik u voorgeschreven heb. Ziet, ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der eeuwen.quot;
Zoo toonde Jesus zich vol leven en gaf hij hun veertig dagen lang verscheidene bewijzen van zijne verrijzenis, hun verschijnende, hen
LEVES VAN
ouderhoadende OTOr het koninkrijk Gods en met hen spijzende. Hij gelastte hun niet uit Jeruzalem te vertrekken, maar er de belofte des Zaligmakers af te wachten, »welke, zegde hij, gij uit mijn eigen mond gehoord hebt; want, voorwaar, Johannes heeft het doopsel des waters gegeven; maar, wat u betreft, gij zult weldra het doopsel van den Heiligen Geest ontvangen.
Eindelijk, na al die onderwijzingen verhief Jesus zijne handen en zegende de leerlingen. Na werd hij voor banne oogen opgenomen en hij voer op ten hemel, te midden eener schitterende wolk, die hem omringde, zonder hem aan hunne oogen te onttrekken. Opgetogen van bewondering bleven de leerlingen zijne hemelvaart nastaren, totdat twee engelen in wit gewaad hun verschenen en zegden; »Mannen van Galilea, wat staat gij opwaarts te zien? Dezelfde Jesus, dien gij uit uw midden hebt zien ten hemel varen, zal op dezelfde wijze uit den hemel nederdalen.quot; Bij die woorden vielen de Apostelen ten teeken van aanbidding op hunne knieën, en keerden vervolgens naar Jeruzalem terug, waar zij geheele dagen in den tempel doorbrachten, God lovende en prijzende. Uit die stad vertrokken zij, na Jen H. Geest te hebben ontvangen, om over de geheele wereld het Evangelie te gaan prediken, en de Heer in hen werkende, bevestigde het woord door tallooze wonderen.
Aldus eindigt in het Evangelie de geschiedenis
142
OMZEN HEER JESTS CHRISTUS
der drie en dertig jaren, die Jesus Christus onder de menschen heeft doorgebracht, â eene wondervolle geschiedenis, welke begint bij de verschijriing van het raenschgeworden Woord op aarde, en eindigt bij zijne hemelvaart, of zijn zegevierenden terugkeer in de eeuwige woningen zijns Vaders. Al zou ook de Zaligmaker zich niet aan ons vertoonen, steunende op zestig eeuwen van voorzeggingen, die van punt tot punt bewaarheid zijn, met het bloed van tallooze martelaren, met de wereld aan zijne macht onderworpen, â dat is met al het gezag van den reusachtigsten, den meest onvoorzienen goeden uitslag, wonderlijk zoowel in zijnen oorsprong, als in zijne gevolgen; al zou ook de altijd vervolgde en altijd zegevierende Kerk van hem niet een heerlijk en blijvend getuigenis geven; â dan nog zouden zijne leer, zijne deugden, zijn dood, zijne mirakelen, en vooral zijne verrijzenis voldoende zijn om te bewijzen, dat er in hem meer was de mensch, tot welken trap van macht en verhevenheid van geest men zich den mensch ook gelieve te verbeelden. Zijne verrijzenis, welke het treffendste bewijs is van zijne godheid en het mirakel, waarop de Apostelen zich het meest beroepen, is terzelfdertijd het meest onbetwistbare feit, dat de geschiedenis ons heeft nagelaten.
Jesus Christus is God en zijne leer Goddelijk; dus is men verplicht te gehoorzamen aan de Kerk) die van hem de opdracht heeft, zijne leer te
143
/lt; j - c â
144 LEVEN VAN ONZEN HEEK JESUS CHRISTUS
verkondigen en uit te leggen, en den mensch te geleiden op de wegen der eeuwige zaligheid, overeenkomstig hetgeen geschreven is; Wze u hoort, hoort mij; wie u versmaadt, versmaadt mij;quot; (1) en op eene andere plaats : Dat hij die de Kerh niet hoort voor u zij als een heiden en een tollenaar. (2) Daaruit volgt, dat ieder zich beijveren moet om zijn gedrag in te richten naar de tien geboden Gods en de geboden der H. Kerk; dat hij zijne verplichtingen jegens God, jegens den naaste en zich zeiven moet nakomen; dat ieder zijne onmacht moet inzien om uit zicïi zeiven goed te doen, en door het gebed de hulp van boven moet afsmeeken; dat hij de genade en de vergiffenis zijner zonden aan de bron der sacramenten moet putten; dat hij het voorbeeld moet geven van de openbare godsdienstoefening, van de onderwerping aan de wetten, van het getrouwe naleven zijner verbindtenissen, van den eerbied voor de waarheid, voor de rechtvaardigheid, voor de gestelde machten en voor den goeden naam vau den evennaaste, om aldus, vol kalmte en het hart vrij van alle ongeregelde verkleefdheid, voort te gaan op den weg naar het eeuwige geluk des hemels. Daarin ligt bet geneesmiddel voor al onze rampen; Dat de wereld nog eemaal oprecht katholiek worde, en alle maatschappelijke wonden zullen worden genezen en geheell!
(â ) iucas X, 16. (3) Mattheus XVIir, 17.