UIT ÃÃN PEN.
UIT ÃÃN PEN.
â
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0889 3640
UIT ÃÃN PEN
NOVELLEN EN SCHETSEN
DOOR
JUSTUS VAN MAURIK Jr.
DERDE DRUK
AMSTERDAM
VAN HOLKEMA amp; WARENDORF.
⢠\~:'
quot;v\\ ' â¢
â '' y quot;v. X
v-
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
Toen ik nog een kleine jongen was, een bengel van een jaar of twaalf, die meer eten dan slaag kreeg, ofschoon hij 't juist andersom verdiende, woonde naast ons, in het huis, waarin onze buurman Jan Vader zijn handel in hammen, rookvleesch en saucisse de Boulogne uitoefende, als commensaal: âHerr Hagenbach.quot;
Iedereen in de buurt kende hem, iedereen noemde hem bij dien naam en 't zou niemand ooit zijn ingevallen om hem eenvoudig âHagenbachquot; of âMijnheerquot; te noemen.
Dat âHerrquot; behoorde bij zijn geheele persoonlijkheid, 't Was bepaald onmogelijk om het weg te laten, want zijn uiterlijk, zijn kleeding, bewegingen en manieren waren zóó echt Duitsch, dat men oogenblikkelijk in hem een âmofquot;, zooals de kwajongens uit de buurt hem wel eens nariepen, herkende.
Hij was inderdaad een Duitscher, die reeds jaren in Holland had gewoond â maar, evenals velen zijner landge-nooten, nooit goed Hollandsch had leeren spreken; en ik herinner mij nog hoe ik, destijds als kind, moeite had om mijn lachen in te houden, als Herr Hagenbach âEi! tausend sasa!quot; riep of voor: schoon â âsjoon,quot; â âplasierlichquot; in plaats van pleizierig en in stede van tot wederzien â âauf wiederkijkensquot; zei.
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
De persoonlijkheid van Herr Hagenbach had iets zeer gemoedelijks, bijna was ze min of meer comisch. Zijn lange bruine jas met hoogen kraag en kleppen over de zakken, de breedgerande hoed van lage drukking, dien hij gewoonlijk droeg, en zijn onafscheidelijke katoenen parapluie gaven met de zwarte cravatte en hooge staande boorden, iets ouder-wetsch grappigs en stijfs aan zijn uiterlijk, en zeker zou hij het mikpunt zijn geworden van de spotachtige vroolijkheid der jeugd uit onze buurt, wanneer zijn gelaat niet geheel in tegenspraak ware geweest met zijn kleedij.
Er lag zooveel innige goedheid in zijn trekken, zooveel ernst en vriendelijke zwaarmoedigheid in zijn donkerblauwe oogen en om zijn mond speelde gewoonlijk zulk een kalme, innemende lach, dat men zich onwillekeurig tot hem aangetrokken gevoelde. Zijn nog blozend en weinig gerimpeld gelaat stak niet slecht af tegen den bijna witten baard, die, kort geknipt, bovenlip en wangen bedekte, en de altijd zorgvuldig geschoren kin had een klein deukje, waarin iets geestigs schuilde. Het haar droeg hij kort, en ofschoon ook reeds op de grenzen van wit, was het nog zwaar en vol.
Zoodra hij zich op straat vertoonde, kwamen de kinderen, die daar rondliepen of speelden, naar hem toe, gaven hem een hand, en vroolijk klonk hun: âDag, Herr Hagenbach!quot; hem te gemoet.
Gewoonlijk bleef hij dan even staan, knikte vriendelijk en zei: âJoeten tag, kinderchen!quot; tegen de kleinsten, âJoe'n morjenquot; tegen de grooteren of: âDoe schlingelquot; tot den opgeschoten knaap.
Menigmaal kwamen uit de zakken van zijn lange jas eenige klontjes witte suiker te voorschijn, die hij dan aan de kleinsten onder de kleinen uitdeelde, terwijl hij glimlachend zei; âSo, noe knabbere dat 'mal oef; das ist ja siess i), lecker hè? Du kleiner krabbelkoter, wat hèv jij schwarte oogen; jij hèvt ze niet jewasschen, doe kleiner schmierpoets!quot;
Nooit zou hij een kind onvriendelijk bejegenen; al had hij nog zoo'n haast, één oogenblik moest er af om met âdie kleine jesellschap,quot; zoo noemde hij ze, te praten.
6
Met de menschen bemoeide hij zich weinig. Hij ging zoo-
i) Süss.
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
veel mogelijk een ieder uit den weg, sprak niet meer dan hoog noodzakelijk en was gewoonlijk kortaf, maar nooit onvriendelijk. Op gezetten tijd verliet hij zijn huis en keerde er terug. Men zou er de klok naar hebben kunnen regelen, want iederen morgen kwartier vóór negenen zag ik hem voorbijkomen en 's avonds tegen halfzes terugkeeren naar zijn kamer; dan kwam hij om zes uur nog even voorbij, waarschijnlijk om in een restauratie zijn middagmaal te gaan gebruiken.- Wat hij eigenlijk was of deed ? Ik geloof, dat ik het rechte er destijds nooit van hoorde. Hij was op een kantoor, dat wist ik, en wij, kinderen, vonden het âal héél wat,quot; als iemand op een kantoor was. Ik geloof echter, dat hij ergens correspondent, boekhouder of disponent was, â zeker weet ik het niet; het doet trouwens ook in 't minst niet af of toe aan hetgeen ik van hem vertellen wil.
't Was een zonderling huis waar hij woonde, â dat huis van Jan Vader. Somber en hol, met een onvriendelijken, onregelmatigen gevel er voor, zag het er uit alsof 't vroeger een pakhuis was geweest, waarvan een hebzuchtig huisjesmelker een woonhuis had willen maken, zoo goedkoop mogelijk en met besparing van alle uitgaven voor versiering, gemak of weelde. Het voorhuis, zooals men een dergelijk benedenhuis gewoonlijk noemt, was zeer hoog van verdieping, met een vuil-bruine zoldering vol kleine dwarsbalkjes tusschen zware karbeelen en balken, die dienden om de ijzeren hangers vast te houden, waaraan de stukken rookvleesch, hammen, spekzijden en worsten, die Jan Vader verkocht, hingen te schimmelen. Een smalle, lange, vettige toonbank, een drietal houten bankjes, een paar zwart geschilderde balansen met houten schalen, een onzindelijke vervelooze stelling, waarop eenige halve hammen, saucisses de Boulogne, wat misdruk en linnen zakken verspreid lagen, deden hun best om de menschen, die het huis binnentraden, te doen gelooven, dat zij in een winkel waren. De scherpe doordringende reuk van gerookt vleesch en worst trof iedereen, die een voet over den drempel zette, en als de eigenaar zich in zijn oude, geel-groene, veel te wijde huisjas vertoonde, wasemde een on verdragelij ke lucht van ransig spek, rookworst en duffige hammenbeenen den bezoekers tegen.
Waarschijnlijk had Jan Vader zelf last van die geuren en
7
HERR HAGENBACH S ERFENIS.
gebruikte hij daarom groote hoeveelheden snuif, die hij onophoudelijk uit een platte, hoornen doos nam en met grappigen ernst in zijn omvangrijk reukorgaan bracht, dat, als de voorsteven van een ouderwetsche brigantijn, tusschen de roodgerande oogen met fletsche, groene pupillen, in de lucht stak.
Zijn eega, een leelijk, tanig, uitgedroogd vrouwelijk wezen, dat van primo Januari tot uit0. December in haar nachtjak en met een floddermuts op 't hoofd, de ongelukkige dienstboden, die het nooit langer dan een verreljaars bij haar uithielden, achternazat, was in huis een Xantippe en op straat een âjuffrouw.quot; Wanneer zij uitging en zich gekleed had in een onmogelijk samenstel van kleeren, bestaande uit een japon vol strooken, een mantel met franje en een hoed, die gevaarlijk over haar puntigen schedel laveerde en door 't kleine bolusje van grijs haar, dat tegen haar achterhoofd was geplakt, voor vallen werd behoed, had zij zoo iets bijzonder burgerlijks, dat het zelfs den meest galanten ellenridder nog nimmer was ingevallen om haar met âMevrouwquot; aan te spreken.
Zij voerde het opperbevel in huis met schuier en stofdoek, dweil en zeemlap, en als zij âaangingquot;, zooals Jan Vader het vrij oneerbiedig noemde, koos iedereen het hazenpad, sidderend voor de kracht van haar krijschende stem en heftige gebaren.
De snuivende echtgenoot was in zijn eigen huis een nul vóór het cijfer, en slechts dan wanneer juffrouw Vader hem noodig had om als getuige bij een harer kijfpartijen te dienen, of als zij 't goedvond om hem als stroopop te gebruiken tegenover de commensalen, mocht Jan zijn meening zeggen, iets wat hij gewoonlijk deed door, als zijn vrouw had uitgesproken, met zijn rechterhand in de weinige haren, die nog op zijn schedel welkten, te krauwen, te snuiven, te knikken en dan met stille berusting te mompelen; âDe juffrouw heeft gelijk, â zoo is 't.quot;
De zaak in hammen en rookvleesch scheen nooit voor 't kinderlooze echtpaar een voldoend bestaan te hebben opgeleverd, want zoolang mij heugt waren al de beschikbare kamers verhuurd en huisde Jan Vader met zijn wederhelft in de donkere achterkamer, die hun tot slaap-, kantoor- en woonvertrek te gelijk diende.
Behalve een postambtenaar en een paar jonge menschen.
8
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
die op verschillende kantoren als bedienden werkzaam waren, woonde als commensaal op de drie kamers der eerste verdieping een ongetrouwd kantonrechter, die volgens juffrouw Vader de eenige âHeerquot; was, dien zij huisvestte. De overige â¢commensalen duidde zij, meer eigenaardig dan beleefd, met den naam van âarmoezaaiers' aan. Onder dezen rekende zij natuurlijk ook Herr Hagenbach, die een achterkamer op de tweede verdieping bewoonde.
Hoewel zij stoutweg beweerde, dat zij aan hem geen droog zout verdiende, had de Duitscher toch bij haar een paar streekjes voor, omdat hij de eenige der inwonenden was, die nu en dan een halve rauwe ham, een cervelaatworst of een stuk saucisse de Boulogne van haar kocht en contant betaalde. Daarbij was Hagenbach een man, die altijd prompt vóór 't slaan van middernacht te huis was en nooit leven op de trappen maakte, zooals de andere âarmoezaaiersquot;, die wel eens min of meer struikelend of stommelend midden in den nacht hun kamers opzochten en haar lichten slaap verstoorden. 't Eenige wat zij tegen hem had was, dat hij bloemen op zijn kamer kweekte, iets dat volgens haar meening âflauw en kinderachtig was voor een manskerel en aanleiding gaf tot morserij met aarde en water.quot;
Herr Hagenbach's kamer had twee hooge, openslaande ramen, die uitzicht gaven op de overdekte binnenplaats en den brok-kelenden keukenschoorsteen van Jan Vader's perceel, terwijl ze ongeveer op dezelfde hoogte waren als een plat van mijn ouderlijk huis, dat boven een paar kleine kamertjes was aangebracht en ons diende om eenige bakken met heesters en een paar dozijn bloempotten te bergen. Een wilde wingerd, die langs het houten hek was geleid en een paar bakken met klimop langs den achtergevel van een belendend perceel, maakten in den zomer ons plat tot een klein tuintje, dat slechts wat meer zonneschijn en wat minder hooge huizen om zich heen had moeten hebben om er lief en vroolijk uit te zien en de bloemen en planten welig te doen groeien.
Toch was het niet onaardig en waren wij, als kinderen, trotsch op onzen hangenden tuin van Semiramis, zooals wij het plat schertsend gedoopt hadden.
Niemand had er echter zooveel pleizier in als Herr Hagenbach, die dikwijls voor zijn open raam kwam staan, als ik met een paar vriendjes aan 't tuinieren was.
9
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
Mij dunkt, ik zie hem daar nog met zijn kamerjapon aan, een lange Duitsche pijp in den mond en een zwartfluweelen mutsje op 't grijze hoofd, ons toeknikkend en lachend.
'k Herinner mij nog zoo goed, dat hij mij eenmaal een Oost-Indische kers zag opbinden en met zijn rechterwijsvinger heen en weer wiegelde, terwijl hij mij, van uit zijn kamer toeriep: âDat doe jij nich joet, vrindje; so quetsch jij die bloemen, sij jaan janz kapoet. Kijk! dat must jij so jedaan hebben,quot; en terwijl hij dat zei, bracht hij een pot met geraniums voor 't raam en wees mij, hoe de dunne stengels met een biesje aan 't bloemstokje werden gebonden.
Van dat oogenblik dagteekent mijn vriendschappelijk verkeer met Herr Hagenbach; herhaaldelijk mocht ik op zijn kamer komen om zijn bloemen te bewonderen. Hij scheen een bijzondere neiging voor mij te hebben opgevat, en bijna iederen dag was ik bij hem, omdat hij altijd iets nieuws te zien of te zeggen had.
Hoe bromde juffrouw Vader, als ik, jongen als ik was, zonder eerst voeten te vegen, door haar huis liep of de trappen naar Herr Hagenbach's kamer opstormde, en meermaler; vroeg zij snibbig: âWat moet jij toch telkens bij dien ouwen mof doen? 't Is waarachtig of je permetasie van hem bent, zoo dikwijls kom jij. Allo! mijn trappen af, gauw! of ik ga naar je vader, hoor! Heb je die paar lammenadige bloemen nou nog niet genoeg gezien ?quot;
't Was ook niet alleen om die bloemen, dat ik zoo graag bij hem kwam; 't was om iets geheel anders, en wel omdat hij eenmaal, toen ik bij hem hospiteerde, aan 't vertellen was geraakt. Waarvan? Ja! toenmaals geloofde ik, dat hij mij een geschiedenis, een verhaaltje vertelde; nu ik ouder en misschien ook wat wijzer geworden ben, begrijp ik, dat hij mij destijds een stuk uit zijn eigen leven heeft verhaald.
Waarom hij 't deed? 't Valt moeielijk te zeggen. Er zijn menschen, die behoefte hebben om een ander deelgenoot te maken van hun leed en vreugde, en soms spreken zs bij voorkeur tegen een kind, omdat het meestal zoo oplettend toeluistert en in zijn eenvoudigheid zooveel belang stelt in zaken, die vaak een volwassen mensch zouden vervelen of koud laten.
't Was zóó gekomen.
In zijn kamer hing een vrouwenportret met een immor-
10
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
tellenkrans er om. Of't met crayon of pastel was geteekend, herinner ik mij niet meer, maar wel zie ik nog, in mijn verbeelding, de groote zachte oogen en de lieve uitdrukking van' dat vriendelijk vrouwengelaat voor mij.
âIs dat uw vrouw, Herr Hagenbach ?quot; vroeg ik hem eens.
âDas war meine Frau, mein joengen!quot; antwoordde hij, kwam naast mij staan en liet zijn hand op mijn schouder rusten.
âIs zij dood?quot; vroeg ik weer.
âLeider ja!quot;
Ik hoorde, hoe een diepe zucht zijn borst ontvlood, en toen ik mij omkeerde, zag ik, dat hij met zijn pink in zijn ooghoekjes veegde.
âWar sie nicht schön? Und so Heb, so lieb! Es war ein Engel, und doch hat sie so viel leiden müssen, bevor sie zu Gott ging.quot;
Herr Hagenbach sprak op dit oogenblik zijn moedertaal. Ik verstond hem daardoor maar half en zag met verwondering naar hem op. Hij glimlachte even en zei weemoedig:
âIch dachte an haar eend daaroem.....Hm ja! natier-
lich, dass verschta jij nich. Jij bint nog wel nich so weit in's Deutsche?quot;
Toen verhaalde hij mij, d^t hij zijn vrouw vroeg had verloren, en wees mij naast haar portret een kleiner, waarop een jongen van een jaar of elf was afgebeeld, en zei: âDass war mein Karl.quot;
âIs die dan ook al dood, Herr Hagenbach?quot;
âJa, mein kind, de lieve Gott nam hem weg, toen hij jerade so oud was, als wie jij; â hij leek ook so sehr op jou, â jelui hadden best voor broertjes kunnen passieren.quot;
âEn dat, is dat zijn broer?quot; vroeg ik, op een derde portret wijzend, dat een knaap iets jonger in jaren voorstelde.
âJa, dat 's zijn broer.quot;
âDie leeft toch nog, niet waar?quot;
âHm! ja! ich jeloof het wol, â ich hoffe es ten minste; hij is ver, sehr ver hier von daan.quot;
âIn de Oost?quot;
âWol möglich! â Kom, joengen, ga noe naar huis; ik heb von avond kein tijd ipeer. Adjé!quot; De anders zoo vriendelijke man werd plotseling gemelijk en kortaf. âAdjé,quot; herhaalde hij en schoof mij zachtkens de deur uit en op 't portaal.
II
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
Hij sloot de deur achter zich dicht; ik hoorde hoe hij den sleutel omdraaide, maar begreep er niets van en stond verwonderd te kijken; 'k was nog te jong om te beseffen, dat ik een wonde plek in 't hart van den ouden man had aangeraakt. Een dag of wat later zag ik hem weer als gewoonlijk voor zijn venster staan; hij keek naar mij, en ik vroeg, terwijl ik met de armen op 't hek van 'tplat leunde: âBen je boos op mij, Herr Hagenbach?quot;
âNein, joengen, wahrhaftig nich!quot;
âO! ik dacht het, omdat u mij . ..
âPapperlapap! ich was in't jeheel niet boos. â Wen jij die bloemen bejoten hèvt, komt dan mal bij mir oploopen. Ich hèv en stekje voor je, von een boente Fuchsia.quot;
Dat liet ik geen tweemaal zeggen. Vijf minuten later was ik, achtervolgd door een stroom van verwenschingen van juffrouw Vader en een mislukte slingering van haar natte dweil naar mijn hoofd, de trappen opgestormd en stond in Herr Hagenbach's kamer.
Ik kreeg 't beloofde stekje en bleef bij hem praten zooals gewoonlijk. Hij zag, dat ik telkens onwillekeurig naar het portretje keek, dat mij eenige dagen geleden in verlegenheid had gebracht, en zei plotseling:
âJa, joengen, 'k zou je viel kunnen vertellen, wenn ich wou. Ich hab' viel beleefd.quot;
âToe, Herr Hagenbach, toe, vertel eens.quot;
Glimlachend vroeg hij: âSchprookjes?quot;
âHè, dat 's zoo kinderachtig!quot;
âWas wou jij dan wol hooren, joengen?quot;
âOch, Herr Hagenbach! een geschiedenis, een verhaal, maar 't moet waar gebeurd zijn, hoor! geen sprookje!quot;
âNoen, komaan dan maar, weil jij 't bint.quot;
Ik was dol op zulk vertellen, als hij deed; 't maakte op mijn kindergemoed een onbeschrijfelijken indruk.
Gewoonlijk liet hij mij zitten in een grooten, ouderwetschen met leer bekleeden luierstoel, waarvan de zitting zoo groot was, dat mijn beenen er halverwege op konden rusten; hij zelf zat dan tegenover mij bij de tafel, meestal met zijn hand onder 't hoofd, terwijl de toppen zijner vingers zich rusteloos over 't kort geknipte haar heen en weer bewogen. Wanneer hij lachte, moest ik van harte meelachen, zóó aanstekelijk
12
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
en prettig was zijn vroolijkheid, maar ook menigmaal kreeg ik een gevoel, alsof ik een brok in de keel had, dien ik niet door kon slikken; dat was, wanneer Herr Hagenbach strak voor zich uit keek, als zag hij iets in de verte; dan rolden hem de tranen in heldere droppels over de wangen, terwijl hij toch bleef doorvertellen van den kleinen Frits, die .... Doch laat ik trachten te vertellen zooals hij 1).
â Je kent de geschiedenis van Klein Duimpje wel, niet waar? zei hij; -â 't ventje werd door zijn ouders het bosch ingestuurd, en toen 't zoover was, zuchtte zijn moeder: âOch! och! hij is zoo klein. Als hij maar niet zoo jong was; ik kan hem bijna niet alleen weg laten gaan.quot; â Nu! zoo ging het ook met dien Frits.
Op een avond lei hij wakker in zijn bedje en hoorde, hoe zijn vader in de andere kamer tot zijn moeder zei: âWanneer de jongen wat worden wil, kan hij niet langer bij ons blijven; op de dorpsschool leert hij niets degelijks.quot;
âOch!quot; zuchtte de moeder, âhij is nog zoo jong; ik wou hem nog zoo graag wat bij mij houden.quot; Maar de vader sprak: âKom! kom! hij is gezond en flink, hij wordt gauw twaalf jaar. 't Wordt hoog tijd dat hij op een goede school, in de stad, komt. Schrei niet, moeder! 't Is goed en nuttig voor den jongen.quot;
Toen hoorde Frits niets meer, maar 't werd hem bang om 't hart en hij schreide, met zijn hoofd in 't kussen, totdat hij insliep.
In den droom kwam het hem voor alsof er iets warms op zijn wang viel, en toen hij even de oogen opende, scheen het .hem toe alsof zijn moedertje bij zijn bed zat en schreide. Den anderen morgen vroeg hij er naar, maar moeder zweeg en wendde haar gelaat af; â hij had't zeker gedroomd.
't Was winter geworden en de dag naderde, waarop hij 't dorp, waar hij geboren was, zou verlaten, om met den ouden gelen postwagen naar de groote stad te rijden.
13
Hoe dikwijls had hij vroeger niet gehoopt en gewenscht om eens de stad met al die menschen en drukke bedrijvig-
}) Ik laat nu verder, om geen valsch effect in mijn verhaal te brengen, Herr Hagenbach's gebrekkig Hollandsch aan de verbeeldingskracht van den lezer over.
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
heid te zien; maar toen. hij wist, dat hij vertrekken moest, was hij toch zooveel liever te huis gebleven, bij vader en moeder en bij zijn lieve kleine zusje Bertha.
Hij ging het ouderlijke huis van boven tot onder nog eens door, als wilde hij afscheid- nemen van alle bekende plekjes. Hij kroop in eiken hoek en klauterde tot in de hanebalken; 't was alsof hij overal iets te zoeken had.
Gedurig deed hij zijn oogen wijd open en s'loot ze dan plotseling weer dicht, om te beproeven of hij zich elke plek, ieder voorwerp in huis wel goed voor den geest kon halen, als hij ze niet meer zag.
Bijna had hij den tuin achter 't huis nog vergeten. Hij liep er heen. Daar lag zijn eigen klein tuintje onder de dikke rulle sneeuw als begraven. De vlierboomen staken hun dorre takken wit berijpt omhoog en de seringeboom zag er uit alsof hij met een dik wollig kleed, vol scheuren en gaten, was omhangen; alles was koud en stom, in diepen winterslaap.
Daar waar die opening in de schutting was, waar hij zoo dikwijls doorkroop, had hij nog 't laatst met buurmans Liesje gespeeld, en zie, juist terwijl hij aandachtig naar die opening zag, keek een rond, roodwangig gezichtje met een bruin wollen mutsje op, er doorheen. Een paar heldere, blauwe oogen staarden hem aan en een klein wipneusje zag blauw en rood van de kou.
Dat was Liesje! Zij lachte hem toe; â of zij al wist, dat hij heenging?
âLiesje!quot; riep hij, âik ga morgen weg, â naar de stad.quot;
âWat ga je daar doen, Frits?quot;
âLeeren, om later op 't Gymnasium te komen.quot;
âWat is dat?quot; vroeg 't meisje.
âWat was die Liesje toch nog dom! Maar ze was ook pas negen jaren; zij kon het niet helpen. Hij lachte er om, en zij lachte mee; hij gaf haar de hand en zei: âDomme Lies!quot;
âBreng wat moois voor me mee, als je weerom komt,quot; riep 't kind en liep naar huis.
De volgende dag kwam, en daarmee het afscheid. Bertha en moeder schreiden, toen zij hem naar den postwr.gen brachten.
14
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âKom! Kom!quot; zei vader, âhou nu op met huilen; hij gaat immers niet voor goed weg. Als 't vacantie is, komt hij terug met een goed getuigschrift, niet waar. Frits?quot;
Toen kuste moeder hem nog eens en zei: âJongen, blijf goed en braaf; denk er aan, dat Onze lieve Heer je altijd hoort en ziet.quot; En Bertha vroeg: âKom je gauw weerom?quot;
Vader reikte hem de hand, kuste hem op de beide wangen en draaide zich toen eensklaps om.
De postiljon blies een vroolijk wijsje op zijn gedeukten hoorn en de oude postwagen ratelde voort.
Tot aan de kromming van den weg wuifde Frits nog met zijn zakdoek uit 't portier en toen had hij hem noodig om zijn oogen af te vegen.
Zoo kwam de kleine jongen in de groote stad. Hij keek zijn oogen bijna uit, toen hij in 't rammelend voertuig door de straten reed: De hooge torens, de groote huizen en de breede straten, de prachtige winkels waren alle nog zoo geheel anders, dan hij zich had voorgesteld. Het geheele afscheid was eensklaps vergeten door de nieuwe wereld, die zich voor hem opende.
Op de stoep van het logement, waar de postwagen stilhield, stond een oude dame, die door haar wonderlijk hoofddeksel, een zonderlinge kruising van hoed en muts, zijn aandacht trok. 't Kwam echter volstrekt niet in Frits op. dat het de oude nicht kon zijn, bij wie zijn vader hem in den kost had gedaan, zoolang hij school en gymnasium zou bezoeken; maar toen hij uit den wagen stapte en verwonderd bleef staan rondkijken, kwam het vreemde hoofdtooisel en het daaronder uitkijkende magere gelaat in beweging. Een scherp, haastig stemmetje zei: âIk geloof, dat jij Frits bent.quot;
Ja zeker! hij was 't, en daarom dribbelde zij dadelijk naast hem voort, door een doolhof van straten en pleinen, totdat zij voor een hoog, oud huis stilstonden om een oogenblik adem te scheppen, voor zij drie trappen hoog klommen naar een portaal en voor een deur kwamen, die door 't oude dametje werd opengedaan, met de woorden: âHier woon ik. Frits. Nu zul je eens zien, wat lieve kamers ik heb.quot;
't Was wezenlijk waar! De kamer was klein, maar keurig netjes. Over de ronde tafel in 't midden hing een wit gehaakt kleed, waarop een klein glazen vaasje met gemaakte
15
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
bloemen stond. In een hoek van 't vertrek prijkte een buffet vol vergulde kopjes en oud porselein en aan de wanden, tegen het gestreepte behangsel, hingen vier schilderijen, historische tafereelen, vorst Blücher en den ouden Frits voorstellende. Een kleine klok met een houten koekoek er in, die ieder uur uit zijn luikje keek en den tijd van den dag door zijn âkoekoek! koekoek!quot; verkondigde, hing, tusschen twee kleine portretjes, boven de met een bruine hoes bekleede canapé, die, met zes spiegelglad gewreven notenhouten stoelen en het veelkleurig karpet op den gladden vloer, de kamer een recht gezellig aanzien gaf. Een slaapkamer er naast was 't heiligdom van nicht en een klein hokje, van den zolder afgeschoten, werd Frits als slaapkamer aangewezen.
De oude juffrouw was erg precies, kraakzindelijk en ijseiijk bang, dat er iets van of aan haar schatten zou bederven: vandaar dan ook, dat de kleine Frits in de eerste weken van zijn verblijf bij nicht Meijer op tamelijk gespannen voet met haar bleef.
âBlijf hier af, Frits! Kom daar niet aan, jongen!â Geen boeken op 't gehaakte tafelkleed. Neen! niet op de canapé ook! Voorzichtig, dat je met je schoenen niet tegen de stoel-pooten krast!quot; waren vermaningen, die hij onophoudelijk moest hooren, evenals de klacht: âWees toch niet zoo druk!quot; en âBlijf nu toch eens één oogenblik stilzitten!quot; Hij wist niet wat hij beginnen moest, want hij had een gevoel, als ware hij een jonge spreeuw, die men in een benauwde kooi had opgesloten.
Toch was nicht een best mensch dat hem wel had willen volstoppen met eten en drinken, moraal en godsdienstzin. Zij zorgde in waarheid met moederlijke bezorgdheid voor den wilden jongen, hield hem met kracht en volharding bij zijn werk, maar bracht hem ook evengoed bij een paar familiën aan huis, waar hij vriendelijk werd opgenomen en Zondags mocht komen eten. Over't geheel was't nog zoo onaangenaam niet bij nicht Meijer, al was zij min of meer bedilziek.
Zoo werden de dagen tot maanden; de eene maand na de andere verging, en eer hij 't zelf gelooven kon, was het eerste jaar om en stond 't Kerstfeest voor de deur.
Frits had met onbeschrijfelijk groot verlangen naar dien tijd uitgezien, en telkens als hij heimwee kreeg naar vader en moeder en kleine Bertha, of als hij verlangde naar zijn
i6
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
dorp, zijn tuin, â naar alles wat hij verlaten had, â troostte hij zich met de gedachte, dat 't Kerstfeest kwam; want dat zou hij te huis gaan vieren.
Eindelijk was 't dan toch zoover en dezelfde oude gele postwagen, die hem een jaar geleden naar de stad bracht, voerde hem nu met een goed getuigschrift in den zak terug naar zijn dorp.
Wat draafden die paarden ditmaal slecht; 't was alsof ze kropen, â 't ging hem veel te langzaam, en onophoudelijk stak hij zijn hoofd uit het portierraam, om te zien hoever ze reeds gevorderd waren.
Hij had zijn zakken vol met allerlei kleinigheden, die nicht Meijer hem voor de zijnen had meegegeven, en in stilte, in het hoekje van den voortrammelenden postwagen, overdacht hij, hoe hij vader en moeder of Bertha, met het voor hen bestemde zou verrassen.
Of ze vinden zullen, dat hij gegroeid is? Of anderen hem ook dadelijk zullen herkennen ? Wat vader wel van zijn getuigschrift zeggen zal ? dergelijke gedachten gingen hem door 't hoofd onder 't rijden.
't Wordt reeds donker, de avond valt, daar ziet hij uit het eerste huis van het dorp het eerste lichtje schemeren.
Zijn hart begint sneller te kloppen.
Een poosje gaat het voertuig nog over den vasten, gelijken grindweg, dan begint het te hotsen en te schokken over de ongelijke steenen en kiezels van de dorpsstraat; 't wordt nu eens licht, dan weer donker voor de glasruiten, die oor-verdoovend trillen en rinkelen in den ouden wagen en het blazen van den postiljon bijna overstemmen.
Vroolijk schettert de hoorn; 't geluid klinkt ver, tusschen boomen en huizen door, in den kalmen winteravond; dan weerkaatst het tegen de muren van de kerk; nog een langen toon, tata-tata! en de wagen houdt stil voor 't Posthuis.
âIs Frits er in?quot; roept een krachtige mannenstem.
âJa, vader, hier, achterin! Hier ben ik!quot; Een vlugge sprong, en met beide armen pakt hij zijn vader om den hals; de kleine Bertha steekt hem, op haar teentjes staande, het mondje toe; en als hij haar gekust heeft, vraagt hij: âWaar is moeder?quot;
17
2
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âDie is in huis, Frits. Ze is erg aan 't hoesten; daarom kwam zij niet mee,quot; zegt vader met een zucht en dan: âKom, jongen! Moeder verlangt naar je.quot;
Tusschen vader en Bertha loopt hij voort.
Even den hoek om, een eind in de straat, moeten ze zijn.
âDag, Frits! Dag, Frits!quot; roept een aardig stemmetje hem vroolijk toe, als hij 't ouderlijke huis nadert.
't Is buurmans Liesje, die een venster heeft opengedaan en hem een kushand toewerpt.
âDag, Lies! â Dag, domme Lies!quot;
âHa! Ha! Ha! domme Frits!quot;
Flap! â 't venster slaat dicht.
Nu is hij thuis en vliegt moeder om den hals. En moeder? Zij kust haar Frits; ze drukt hem aan haar borst en zoent zijn haar, zijn oogen; ze heeft ook erg, heel erg naar haar jongen verlangd.
Toen kwam de Kerstavond.
Zoo mooi was de kerstboom nog niet geweest, zooveel had hij nog nooit gekregen en meer pret had hij nog nimmer gehad. Jammer maar, dat moeder zoo'n ergen hoest had, en weinig mede kon doen, omdat zij zoo gauw moe was.
In hun vreugd en opgewondenheid merkten de kinderen nauwlijks op, dat zij zoo zwak en vermagerd was. Maar vader zag het des te beter; zijn hart klopte bang en droevig, zijn blikken vielen angstig en onrustig op moeders bleek, ingevallen gelaat.
En toen 't opnieuw Kerstavond was geworden, lag de sneeuw weer een voet hoog over de velden; de maan stond helder aan den hemel en bescheen met haar stil, bleek licht een knaap, die bij een nauw gesloten graf stond en schreide .. . om zijn moeder.
II.
Lang was 't geleden, zeer lang sedert hij het laatst in zijn ouderlijk huis, was geweest. Hij had veel geleerd, veel steden en plaatsen gezien, en was na volhardenden arbeid iets geworden. De handelsfirma, waar hij zijn leertijd had doorgebracht, en waar hij langzaam aan was opgeklommen tot
i8
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
boekhouder, had hem nu procuratiehouder gemaakt, en met een gevoel van bevrediging, gelukkig over zijn veroverd bestaan, zag hij vader en zuster weer.
Hoe zagen zij hem aan, en hij hen!
Zijn vader was grijs geworden en reeds min of meer gebogen. Zuster Bertha, tenger, maar toch bloeiend in jeugdige schoonheid, liep bedrijvig heen en weer om broer Frits alles naar den zin te maken.
Daar ging de deur open.
Wie was dat, die daar bedeesd op den drempel bleel staan, beschenen door 't zonlicht, dat met haar binnenkwam ?
âKen je Liesje niet meer?quot; lachte Bertha hem toe.
âBen jij, â U â is U Liesje?quot; stotterde Frits verlegen en kleurend.
âMalle jongen!quot; riep Bertha, âspreek je haarmetU aan!quot;
Dat was dus Liesje! Wie had ook zoo iets kunnen denken ? Dat fraai besneden kopje, veel te fijn voor de zware blonde vlechten, die het droeg; die heerlijke groote donkere oogen; die kleine, fijn besneden mond en die volle zwellende vormen maakten hem een oogenblik verward en stom.
Lachend, zoodat een rij benijdenswaardige tanden zichtbaar werd, stak zij hem het sierlijke kleine handje toe en zei met een stem zoo zacht en lief als hij, naar hem toescheen, nog nimmer gehoord had: âDomme Frits!quot;
Ja hij stond waarlijk heel dom en verlegen te kijken, want hij had in al die jaren niet meer om Liesje gedacht. En nu....
't Waren gelukkige, zalige dagen voor Frits, toen hij diep en lang in die lieve oogen staarde, zóó diep dat hij er zijn eigen beeld in zag.
âDomme Frits!quot; riep Liesje guitig, toen hij haar, als bruigom, voor de trouwplechtigheid kwam afhalen.
âDomme Frits! je weet niet wat je begint om mij tot vrouw te nemen.quot;
âNoem mij gelukkige Frits,quot; zei de jonge man, toen hij zijn blozend vrouwtje omarmde.
Gelukkig, in en door elkander, ja! dat waren ze; in den volsten zin des woords gelukkig. En toen hun kleine Karei geboren was en door grootvader ten doop werd gehouden,
19
HERR HAGENBACil'S ERFENIS.
meenden beiden, dat de hemel zich voor hen had geopend op aarde.
Een paar jaren later werd Wilhelm, hun tweede zoon,' geboren, maar kort na zijn komst in die kalme woning was de droom van geluk ten einde.
Arme Frits!
AVie ooit ondervonden heeft wat het zegt, te weten dat een innig geliefd wezen, een dierbaar leven in gevaar is, begrijpt hoe, in één enkel jaar, een krachtig man kan worden geknakt, hoe verdriet zijn haar kan doen vergrijzen vóór den tijd en hoe de angst om zijn mond smartelijke voren kan ploegen.
Dag en nacht had hij op zijn knieën gebeden, geworsteld met zichzelven, om niet te morren, want hij kon het den hemel niet vergeven, dat zijn Liesbeth zóó lijden moest, dat zijn vrouw zoo vroeg en zoo jong van zijn hart werd gescheurd.
âFrits!quot; had zij bij 't heengaan nog tegen hem gelegd, âFrits, ik heb zooveel geluk door jou gehad; ik dank je er voor, beste, beste man! Ik wou wel graag nog bij jou en de kinderen blijven, maar â Gods wil geschiede!quot; Toen was ze ingeslapen, met een glimlach op de lippen en haar hand in de zijne.
En met Liesbeth was zijn geluk gestorven.
't Staat mij nog duidelijk voor den geest, hoe Herr Hagen-bach, op dien avond dat hij mij de geschiedenis van den kleinen Frits verhaalde, aan het vertellen was gebleven, niettegenstaande het reeds donker werd.
Hij sprak, geloof ik, eigenlijk meer tot zichzelven dan tot mij, en hij zag mij met verwondering aan, als wilde hij zeggen: âZit jij daar nog, jongen?!quot; toen zijn verhaal werd afgebroken door de vinnige stem van juffrouw Vader, die in het portaal voor de kamerdeur schreeuwde : âOf de jongeheer van hiernaast bij uwe is? Hij moet dadelijk thuis komen; hij moet naar bed!quot;
âJa! Ja! al goed, hij komt,quot; riep Herr Hagenbach terug, en terwijl hij een paar malen met zijn hand over voorhoofd, oogen en baard streek, zei hij eenigszins afgetrokken;
â't Is waar, 'k had bijna vergeten, dat je naar bed moet. â Wel te rusten!quot;
âEn is 't nu uit, Herr Hagenbach ?quot;
âWat bedoel je?quot;
20
HERE. HAGENBACH'S ERFENIS.
â't Verhaal van Frits. Is hij later nooit weer gelukkig ge-, worden ?quot;
Hij glimlachte flauwtjes, klopte mij zachtjes op de wang en deed de deur voor mij open, terwijl hij vriendelijk zei: âMisschien vertel ik je dat later. â Wel te rusten!quot;
Toen ik in mijn slaapkamertje kwam, was ik nog geheel en al vervuld van het gehoorde. Nog nooit had ik zóó hooren vertellen; zoo jong als ik was, begreep ik toch, dat ik iets bijzonders had gehoord, en zelfs nu nog kan ik mij bijna woordelijk herinneren, wat mijn oude vriend zei en wat hij deed.
Ik kon niet slapen. âDie arme Frits!quot; dacht ik. Onophoudelijk hoorde ik Herr Hagenbach's sombere woorden: âEn met Liesbeth was zijn geluk gestorven,quot; en den diep weemoedigen toon, waarop hij ze uitte. Ik zag voortdurend nog zijn strakke oogen en de twee groote dikke droppels, die in zijn baard rolden.
Zijn gebroken Hollandsch, â 't viel mij toen eerst op â had geen enkel oogenblik mijn lachlust gaande gemaakt, integendeel, 't scheen een bijzondere aantrekkelijkheid aan zijn verhaal te hebben verleend.
Een en ander maakte op mijn ontvankelijk kindergemoed een geweldigen indruk.
'k Beproefde te slapen; het ging niet. Nu eens zag ik den ouden gelen postwagen, dan weer het kamertje van tante Meijer voor mij. Ik hoorde telkens weer Herr Hagenbach's ontroerde stem en . . . ik schreide. Waarom, wist ik eigenlijk zelf niet, maar 'k was zenuwachtig; 'k kon 't in 't bed niet uithouden, stond daarom op en zette de deur van mijn kamertje, die op het plat uitkwam, open.
De zomeravondlucht kwam mij te gemoet; 't was warm, heerlijk weer; 'k hoorde de torenklok van de Oude-kerk elf uren slaan. Beneden mij in de achterkamer spraken mijn vader en moeder met elkaar; 't geluid hunner stemmen bereikte mij, maar wat zij zeiden verstond ik niet. 't Gedruisch van de stad was nu en dan even hoorbaar, maar overigens was 't stil, want de meeste buren waren óf reeds te bed, of nog uit, om de frissche avondlucht te genieten. Ik trok mijn pantoffels aan en ging op het plat, om eens even in Herr Hagenbach's kamer te zien of hij er nog was; een geheimzinnige macht trok mij als het ware aan, â ik moest.
21
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
Jt Was bijna geheel donker in zijn kamer, maar toch kon ik zien, dat hij met 't hoofd voorovergebogen op zijn handen en de ellebogen op zijn knieën naast de tafel zat. 't Scheen mij toe, als bewoog hij zich nu en dan zachtjes op en neer, evenals iemand, die stil zit te schreien.
Ik luisterde; geen geluid bereikte mij. Plotseling richtte hij zich op, lei beide handen op de knieën en zag naar de zoldering; toen meende ik te hooren, dat hij zachtjes âO kind! â O! kind!quot; riep.
Ik kreeg eensklaps een gevoel, waaraan ik geen naam kon geven. Was 't vrees, angst, een spontane, half onbewuste opwelling van medelijden? Ik weet het niet, maar zeker is het, dat ik, eer ik het zelf wist, zachtjes had geroepen: âHerr Hagenbach! Herr Hagenbach!quot;
Ik lag tusschen de bladeren van twee aucuba's met mijn armen over 't hek van 't plat; hij keek naar buiten. Ik herhaalde mijn roep. Toen kwam hij voor 't raam; een flauwe lichtstraal, uit een naburigve nster, viel op zijn gelaat; 'twas bleek.
âHerr Hagenbach!quot; riep ik nog eens, âscheelt er wat aan?quot;
âGodbewaarme, jongen, sta jij daar nog? Wat beduidt dat? Maak, dat je naar binnen komt, â gauw!quot;
âIk kon niet slapen: 't verhaal was zoo mooi, en ik had u ook niet bedankt voor .. .
âAl goed! al goed,quot; hij sloot 't venster en liet de gordijnen er achter neer.
't Duurde geruimen tijd, eer ik weer durfde vragen: âToe, Herr Hagenbach! vertel roe nog eens wat!quot; Een zekere schroom, een onbepaald gevoel, waaraan ik geen naam kon geven, hield mij terug, maar eindelijk waagde ik het toch, en wel op een keer dat ik op zijn kamer was gekomen om eens te zien hoe hij 't maakte.
De oude man was eenige dagen ongesteld geweest en hield nu nog zijn kamer, omdat het guur en winderig Novemberweer was. Ik zou het niet hebben geweten, indien juffrouw Vader mij niet op een middag, toen ik voor haar deur, op de stoep, met een vriendje stond te praten, van uit den winkel had toegeroepen: âHerr Hagenbach is ziek. Moet je niet ereis naar hem toe gaan, of kom jij alleen, als er wat voor je te halen is?quot;
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âAkelig mensch!quot; dacht ik en ging, zonder haar te antwoorden, naar huis.
Na het eten ging ik dadelijk naar hem toe.
âWel jongen, dat's lief van je, dat je me eens opzoekt,quot; riep hij vriendelijk, toen ik zijn kamer binnentrad.
Hij bleef zitten en schoof een ouden Duitschen quarto bijbel, waarin hij gelezen had, ter zijde, draaide de pit van zijn lamp iets hooger en zei; âGa daar over mij zitten op den grooten stoel, dan kan ik je goed zien.quot;
âHeeft u in den bijbel gelezen?quot; vroeg ik nieuwsgierig.
âJa, jongen! Verwondertje dat? Ik lees er dikwijls in. En jij ?quot;
'k Moest eerlijk bekennen, dat ik het niet deed, ten minste niet anders, dan wanneer ik op de catechisatie was of, nu en dan, als 't mijn goede moeder inviel om mij bij 't ontbijt een hoofdstuk, dat zij uitzocht, voor te laten lezen.
âKun je goed voorlezen?quot;
â'k Geloof 't wel, Herr Hagenbach!quot;
âKom, dat's goed. Laat 't mij eens hooren, â mijn Karl las me ook wel eens voor, en . . . .quot; hij schoof den opengeslagen bijbel naar mij toe, en zei, terwijl hij zijn bril afzette en achterover in den stoel ging zitten: âBegin daar maar eens,quot; hij wees met zijn vinger het hoofdstuk aan.
âLucas â 15e kapittel,quot; dat kon ik lezen, meer niet, want Duitsch had ik nog niet geleerd. Waarschijnlijk keek ik mijn vriend vrij onnoozel aan op dat oogenblik, want hij glimlachte even, ziin voorvinger aan den neus leggend en zei: â't Is waar ook, jij leest nog geen Duitsch.quot;
âNeen, Herr Hagenbach!quot;
âHm! hm! dat komt later. Weet je niet wat er in dat hoofdstuk staat?quot;
âNeen, Herr Hagenbach!quot;
âWat? Schaam je, jongen! Heb je nooit de gelijkenis gelezen van den verloren zoon?quot;
âZeker wel, maar ik wist niet, dat ze daar. . . .quot;
âO zoo! En vond je die niet mooi? Ja, hé? â Maar toch gaat het niet altijd zoo.... En wanneer de verloren zoon te trotsch is om... Of als... Och! maar dat begrijp jij nog niet, en ...quot;
Toen zag hij mij weer aan met dien half omsluierden, half afwezigen blik, evenals den vorigen keer, toen hij mij .-at te vertellen, en vervolgde;
HERE. HAGENDACH'S ERFENIS.
âWelk vader zou zijn kind niet weer opnemen en blij zijn, dat 't kwam; het opzoeken zelfs.quot; Hij zuchtte diep. âAls hij maar wist, waar die zoon was! Maar zie je,jongen! dat weet zoo'n vader niet, al doet hij er ook nog zooveel moeite voor en ...Hij zweeg en trommelde met zijn vingers op tafel.
Plotseling viel 't mij in wat hij mij eenige maanden geleden over dat portret van zijn zoon had gezegd, en daarom wees ik op de beeltenis aan den wand en vroeg rondweg: âIs die zoon van u dan ook ...quot;
âVerloren? Ja! maar niet teruggekomen.quot; Hij wachtte even en zei toen met een blik op 't portret: â't Was zoo'n lieve jongen, daarom heb ik dit bewaard. Ik hield misschien te veel van hem; hij was mijn Benjamin, mijn trots, mijn oogappel en mijn eenigste, want Karl was gestorven vóór hij twaalf jaren werd, ik heb hem bij zijn moeder begraven. Of ze nu ook bij elkaar zijn?quot; Een poosje staarde hij recht voor zich uit, en bijna onmerkbaar trilden zijn mondhoeken.
Hoe of ik het in dat oogenblik wagen durfde, weet ik nu zelfs nog niet, maar ik vroeg: âVertel mij eens van hem, Herr Hagcnbach?'
Ik geloof, dat hij 't niet of slechts half verstond, want hij gaf geen bepaald antwoord, maar zei op somberen toon:
â'k Hield niemand anders over dan Wilhelm; mijn vader was reeds voor jaren overleden, en Bertha, ze had het gestel van moeder gehad, sliep evenals zij onder de groene zoden achter de kerk.
âWat een jongen, die Wilhelm! 'k Was misschien te gek, te trotsch op hem, omdat hij zoo vlug en knap was; altijd de eerste van zijn klasse en overal haantje de voorste. Ik
heb hem bedorven, ik weet het wel____ maar dat had hij
mij niet moeten aandoen! â O! dat niet!quot;
Hij leunde achterover in zijn stoel en zag onafgebroken naar de zoldering.
âWat niet, Herr Hagenbach?quot; vroeg ik zachtjes.
Zonder mij aan te zien vervolgde hij: â't Studentenleven deugde niet voor hem; hij had te veel wild haar; dat had ik moeten begrijpen, â dat's mijn schuld geweest, maar ik wou hem zoo graag hoog en voornaam zien; 'k was blind, stekeblind voor alles wat hij deed. Eerst toen het te laat was, wou ik hem kort houden. Groote dwaasheid ! Dat maakte
24
HERR HAGENB\CH'S ERFENIS.
't nog erger. Ik heb voor hem betaald, zoolang ik kon. Dat was ook verkeerd; hij dacht daardoor, dat ik rijk was, en
toen ik niets meer had, niets meer â omdat ik.....quot; Hij
bracht zijn hand aan de oogen en streek eenige malen over zijn voorhoofd, terwijl hij bijna binnensmonds zei: â't Is me nog onmogelijk om te gelooven, dat hij die handteekeningen op die... Hm! 'k houd het er nog voor, dat een ander 't gedaan heeft, een vriend dien hij niet verraden wou, want mijn Wilhelm had een nobel hart en... God! 't is toch zoo
hard om te gelooven, dat mijn eigen zoon.....Hij wist toch,
dat 't mij ruïneeren moest en.... O, kind! o, kind: was ik toen maar gestorven....
âMaar hij had berouw, toen hij 't wist: â 'k was bang voor hem, â bang dat hij zich zou... 'k Heb hem op mijn knieën gesmeekt om 't niet te doen en God heeft hem voor die zonde bewaard, maar gevlucht is hij; weg, ver weg! Zijn laatste woorden, 'k las ze in een brief, 's morgens voor mijn bed; ze waren: âVader ik kom terug, om alles goed te maken...quot; En 'hij heeft 't niet gedaan; hij heeft mij alleen gelaten. In tien jaren niets van hem gehoord: 't is hard, â veel te hard!
âMaar hoe kon 't ook? Hij heeft misschien wel geschreven, moeite gedaan om te weten waar ik was; en â niets is tot mij gekomen. Wilhelm wist immers niet, dat ik ook weg moest; men dacht immers, dat ik zelf die wissels had ver.... Bah! wat zijn de menschen toch slecht en hard; hoe kon men van mij zoo iets gelooven!
âZeg dan, wie 't gedaan heeft!quot; zeiden ze. Dat kon ik toch niet, om hem, â en alles werd immers betaald, 'k Ben heengegaan, arm en verlaten.
âGelukkig, dat ik hier mijn brood kan verdienen. O, Wilhelm! als je 't wist, dat ik hier woon, â dan kwam je terug... O! zeker dan kwam je wel...quot;
Ik durfde mij niet verroeren; 'k zat doodstil Herr Ha-genbach aan te zien: zijn strakke blik zag als 't ware over mij heen, zijn lippen beefden en zijn neusvleugels trilden zenuwachtig boven den grijzen baard.
Eensklaps scheen hij mij weer te zien ; hij boog zich naar mij toe, zijn hand omknelde plotseling de mijne, die op de leuning van den stoel rustte, en met bevende stem vroeg hij :
25
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âNiet waar, kind, als hij 't wist, dan kwam hij wel terug?quot;
âJa, Herr Hagenbach!quot; stotterde ik, half schreiend, en verschrikt door die aanraking.
Hij bemerkte mijn verwarring en zei, dadelijk kalmer wordend: âWees niet bang, jongen! 'k Ben maar wat zenuwachtig en opgewonden door mijn ongesteldheid. Vergeet maar wat ik zei. â Komaan! nu zal ik eens wat moois vertellen: van Rübezahl, den berggeest, hè?quot;
âNeen! Neen! Herr Hagenbach, nu niet: â ik moet naar huis, â ik dank u.quot;
Ik snelde de kamer uit; 'k was angstig geworden.
III.
Juffrouw Vader was geschrikt, puur geschrikt; haar tanig gezicht had zelfs een vaal bleeke tint aangenomen en zij vergat plotseling de tweede helft van den uitbrander, waarvan haar dienstmeisje juist de eerste had genoten. Dat was nog nooit gebeurd! Een diender en nog wel een stille diender in haar huis.
Zij dacht eerst, dat 't een klant was, en veegde haar natte handen af aan haar nachtjak, in de meening dat zij een ham zou moeten wegen of een paar ons saucisse de Boulogne snijden. Zij had werktuiglijk het groote mes al in de hand genomen; 't ontzonk aan haar greep, toen de man, die voor haar stond, in plaats van de woorden ham of worst, de min of meer geheimzinnige zinsnede uitte: âIk ben van de politie, juffrouw!quot; en er aanstonds met een blik op de dweilende dienstmeid bijvoegde: âU is zeker juffrouw Vader? Kan ik u niet even alleen spreken?quot;
Zij opende haar mond een paar malen als een visch, die op 't droge ligt, en vroeg toen, zich over de toonbank heen buigend, bijna fluisterend: âMij?quot;
âà of meneer Vader, of allebei; ik kom een informatie nemen naar een van de commensaals.quot;
âVan mijn commen...?quot; âsaaisquot; wou zij zeggen, maarzij bedacht zich en overlegde: âmen kan met de politie nooit voorzichtig genoeg zijn; men kan nooit weten of men niet te veel zegt.quot; Daarom zette zij haar stem bovenmatig uit en gilde: âJan! Jan! Kom ereis voor! â Wil u ook binnengaan ?
2b
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
â Kaatje, ga naar de keuken, jij kijkt iemand altijd de woorden uit den mond; 't gaat je niets aan, wat hier gebeurt. â Gaat u asjeblief in de kamer, meneer de commissaris.quot;
âZoover heb ik 't nog niet gebracht, juffrouw,quot; antwoordde de rechercheur, glimlachend over haar verwarring. âBinnengaan ? Dank u, we kunnen 't hier wel af. â Morgen, meneer!quot; Dit laatste zei hij tot haar echtvriend, die in zijn geurende jas en op neergetrapte pantoffels kwam aansloffen, vragend zijn eega aankeek, terwijl hij een groote hoeveelheid Rappé in zijn neus werkte en den bezoeker min of meer schaapachtig aanstaarde.
âJan!quot; zei de juffrouw, zachtjes sprekend, en met geheimzinnig knipoogen: âMeneer is van de politie; hij moet ons spreken!quot;
âGaat u dan in de kamer,quot; antwoordde Jan, die zich eensklaps niet op zijn gemak voelde.
âOch neen! dank u; 't is maar een informatie naar...quot;
âNaar een van de commensaals,quot; viel juffrouw Vader haastig in. âZeker naar een van die jonge spreeuwen, die zoo in 't holst van den nacht thuis komen ? â Och heer, mijn goeie meneer, wat ik daar een last van heb; 't is een kruis voor een fatsoenlijke vrouw! En dan dat...quot;
âPardon, juffrouw, 't moet een bejaard man zijn. Heeft u een commensaal, die Hagenbach heet?quot;
âHerr Hagenbach?quot; vroeg Jan, met groote, verschrikte oogen rondziende; en zijn vrouw riep, de handen ineenslaande: âGoeie hemel, moet u die hebben?quot;
âHebben, dat is het woord niet,quot; zei glimlachend de politiebeambte; âik kom alleen maar eens informeeren, of u ook iets van hem wist, van zijn familie, zijn doen en laten en ...
âNiets, niemendal; 't is een door en door stil en bedaard mensch, een man die niemand molesteert en prompt betaalt,quot; viel Jan Vader den politieman in de rede.
Ditmaal scheen juffrouw Vader, voor een enkele maal de meening van haar echtgenoot te zijn toegedaan, want met het hoofd knikkend, zoodat de strooken van haar floddermuts snel op en neer wipten, voegde zij er bij; âGoed voor zijn geld, hoor! Nooit last van maners aan de deur, zooals bij de andere armoezaa . ... hm! commensalen bedoel ik.quot;
âU weet soms niet, waar hij vandaan is gekomen?quot;
27
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âNeen! volstrekt niet. â Zal u ook gediend wezen?quot; Jan stak zijn snuifdoos vooruit.
âDank u! â Dus dat weet u niet?quot;
âNeen!quot;
âHoe kun je nou zoo iets zeggen, Jan!quot; viel juffrouw Vader snibbig in. âWe weten 't wel.quot;
âZoo?quot;
âWel ja! hij kwam van den Achterburgwal bij de Agnie-tenstraat, boven den behanger.quot;
âDat bedoel ik niet, juffrouw!quot;
âO zoo, ik dacht.. . .quot;
âUit welke stad van Duitschland, meen ik.quot;
âNeen, m'n goeie meneer, daar weten wij niets van. Maar neemt u me niet kwalijk, waarvoor wou u dat weten?quot;
âHij wordt gezocht, vat u?quot;
âGroote goedheid! Je zoudt zeggen .... Mensch! mensch! wordt hij gezocht?quot; â Juffrouw Vader geloofde zeker, dat iemand zoeken iets verschrikkelijks was. âGod weet, wat hij in zijn moffenland heeft uitgehaald!quot; zei ze hoofdschuddend.
âOch, vrouw!quot;
âJe kunt 't niet weten. Jan! Boontje komt altijd om zijn loontje. Wie weet, wat we in huis hebben! Ja! ja! iets raars is er aan hem, dat moet 'k zeggen; hij is zoo eenzelvig, zoo .. . .quot;
âMaar, vrouw!quot;
âNeen, Jan! laat me uitspreken. Ziet u, meneer, zonder den goeien man iets ten laste te leggen, moet ik toch zeggen, dat hij een vreemd mensch is. Hij gaat zoo gezegd met niemand om; vrienden of kennissen heeft hij niet. Brieven krijgt hij zoo te hooi en te gras en dan nog altijd vreemde, met zoo'n langen haal er op; dat beteekent zooveel als âmeneer,quot; zeggen ze. Weet u niet, waarvan hij eigenlijk gezeid onder suspicie is ?quot;
De rechercheur had doodbedaard naar de welbespraakte juffrouw geluisterd en zei eenvoudig: âEr is geen quaestie van suspicie: hij wordt gezocht, dat's alles.quot;
âNeem me nou niet kwalijk, maar als iemand gezocht wordt heeft hij iets op zijn conscientie. â Neen! mijn beste man, een fatsoenlijk mensch zoeken ze niet, dat maak je mij niet wijs. â Wat zeg jij. Jan!quot;
âJa, hm! â Zal u ook gediend wezen? â O! gebruikt u
28
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
niet? â Hm! ja, ziet u, als de juffrouw 't zegt, meneer! dan zal er wel iets van aan wezen, 't Is anders vreemd, zoo'n geregeld net mensch; je zoudt zeggen zoo onschuldig, hm! zoo'n beetje onnoozel. Maar.... stille waters hebben diepe gronden, niet waar, vrouw?quot;
âZiet u, meneer! ik weet er niets van af, van welke contrije hij komt; alhoewel op zolder staat een ouwe koffer, daar zit zoo'n geel papiertje opgeplakt, daar heb ik ereis Fulda op gelezen; op avontuur is dat een stad!quot;
âFulda? Akkoord!quot; zei de politieman, even in zijn notitieboekje ziende. â âFulda! jawel, hij is't; dat komt overeen met 't geen we van den buurtcommissaris hoorden â Dank u, nu weet ik genoeg. U zal er wel verder van vernemen. â Goeie morgen!quot;
âHeb je dat gehoord, Jan!quot;
âWat?quot;
âDat wij er verder van zullen hooren?'
âMijn een zorg!quot;
âJa, natuurlijk! jou kan 't niet schelen, watje in huis hebt: âzij draait er voor op!quot; denk jij. Zie je, tegen dien man van de politie wou ik geen kwaad van hem zeggen, omdat Ha-genbach de eenige is, die me nog ereis den penning gunt, maar zuiver op de graat is hij niet. Weet je: dat niemand met hem omgaat en dat hij blommetjes kweekt op zijn kamer, dat heeft me nooit bevallen, dat doet geen manskerel, â daar moet je een stiekemerd voor wezen.quot;
Een dag of wat later hield een vigelante voor den ham-menwinkel stil.
Jan en zijn vrouw liepen elkander bijna omver door de haast, waarmee zij naar voren stormden om het portier te gaan opendoen. Zij verwachtten minstens, dat er een rechter van instructie of een commissaris van politie met een paar agenten uit zouden stappen.
Gedurig hadden zij over het zonderlinge geval, dat Herr Hagenbach âgezocht werd,quot; met elkaar gesproken, en waren eindelijk tot de gevolgtrekking gekomen, dat hij, op zijn zachtst genomen, een staatsmisdadiger moest zijn. Toen nu voor hun huis een vigilante stilhield, iets wat zoolang hun heugde, slechts eenmaal was gebeurd, namelijk toen de kantonrechter op audiëntie was gegaan, begrepen zij beiden als door inge-
29
HERR HAGENBACH S ERFENIS.
ving, dat het rijtuig in onmiddellijke betrekking moest staan tot het zoeken van den commensaal.
Niettegenstaande hun haastigen ijver kwamen zij te Iaat, want uit de vigilante stapte reeds een keurig net gekleed heer, draaide zich even om, sloot het portier en zei tot iemand binnen: âRuhig sitzen bleiben, horst du?quot;
Jan boog als een sollicitant, en juffrouw Vader snelde achter de toonbank, om voorloopig ten minste de helft van haar nachtjak onzichtbaar te maken.
De vreemde heer trad hun winkel binnen en vroeg beleefd : âHerr Hagenbach zu Hauze?quot;
Zooveel Duitsch was de hammenkoopman wel machtig, dat hij antwoorden kon:
âNein, meneer! Herr Hagenbach is aus; hij komt oem halb zes zoeruug!quot;
âSo! dann werde ich um dieze Zeit wiederkommen.quot;
âAsjeblieft!quot;
De vreemdeling keerde zich om en wilde heengaan, maar eensklaps schoot de juffrouw geheel te voorschijn, dol van nieuwsgierigheid, en vroeg:
âKan ik ook zeggen, wie er geweest is?quot;
âWie meinen Sie?quot;
âOf de juffrouw auch sagen kan an Herr Hagenbach wie doe bist?quot; zei Jan, en zachtjes voegde hij, bestraffend zijn eega toe: âLaat mij toch met meneer praten; jij kent immers geen Duitsch!quot;
Even glimlachend om Jans familiariteit tastte de vreemde heer in den zak en nam uit zijn portefeuille een kaartje, dat door juffrouw Vader voorzichtig tusschen duim en wijsvinger, in een tip van haar rok, werd aangevat.
âIch komme um halb sechs wieder; sagen Sie ihm dass, bitte!quot;
âWat staat er op. Jan?quot; vroeg de juffrouw, toen zij de vigilante had zien wegrijden, en voorzichtig hield zij hem 't kaartje voor.
âEduard Reiff, Sollicitor. Chicago. U. S. Dat is Duitsch,'' zei Jan Vader met een allergewichtigste uitdrukking op zijn gelaat; en nogmaals 't kaartje beziende, voegde hij er bij; âChicago â hm! â daar komt 't Amerikaansche vet vandaan; dus ... .quot;
âIs 't geen Duitsch, leeperd! maar Amerikaansch,quot; riep
oO
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
snibbig zijn vrouw en bracht het kaartje in de kamer, waar zij 't bewaren wilde, om 't zelf aan haar commensaal te over-handigen, als hij t'huis kwam.
Even na halfzes las Herr Hagenbach in de gang, bij de deur der achterkamer staande: âEduard Reiffquot; â en zei: âNooit van hem gehoord, juffrouw! Moet die heer mij spreken?quot;
âChicago U. S.quot; â las hij toen en een oogenblik staarde hij onbeweeglijk op die letters, 't Scheen der juffrouw toe, dat hij plotseling bleek werd; zij keek hem met eenig wantrouwen aan en zei: âHij komt zoo dadelijk terug. Ga maar gauw naar je kamer; 'k zal hem boven laten;'t is wat een fijn heer. Wil ik Kaatje ook nog even boven sturen, om stof af te nemen?quot;
âDank u!quot; Hij ging de gang door en mompelde; âGod! Wie kan dat zijn ?quot;
Juffrouw Vader zag hem hoofdschuddend na en ging in de binnenkamer, waar Jan met zijn neus op het winkelboek zat te dutten. Met haar hand op tafel slaande, zei ze : âJan! 'k laat rpe villen, als die ouwe mof niet 't een of ander op zijn conscientie heeft; want toen ik hem zei, dat er een vreemde Amerikaan naar hem had gevraagd, werd hij zoo bleek als de dood, keek me half suf aan en ging naar boven.quot;
Terwijl Hagenbach de trap opging, knikten zijn knieën; hij hield de leuning krampachtig vast.
Zijn hart begon op eens hevig te kloppen en bij 't licht van 't venster, op 't portaal, zag hij nog eens naar dat woord âChicago.quot;
Een onbestemd voorgevoel, een vermoeden dat hij iets hooren zou van Wilhelm, kwam in hem op; hij beefde. â Amerika! Hij had altijd gedacht dat hij daar was. God! wat werd hij plotseling duizelig. Hij greep zich vast aan de deurstijlen; de sleutel trilde in zijn hand; hij kon 't slot niet vinden. In één oogenblik vlogen duizend gedachten door zijn brein.
Zou hij . . . ? Groote hemel! misschien was hij 't wel zelf. Wellicht had hij in 't vreemde land zijn naam veranderd en zocht hij nu zijn ouden vader op om ... . 't Was hoog tijd dat hij den grooten leunstoel bereikte, want zijn knieën be-
31
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
gonnen te knikken; 't bloed vloog hem naar 't hoofd en in zijn slapen bonsde 't zóó geweldig, dat een donkere nevel voor zijn oogen kwam.... Als 't Wilhelm eens was, die, evenals de verloren zoon, terugkeerde en zei; âVader ....quot; Haastig dronk hij een glas water; zijn tanden klapperden tegen den rand van 't glas.
Klonk daar niet een vlugge voetstap in 't portaal? Hoorde hij daar niet kloppen op zijn deur?
Herr Hagenbach doet zich geweld aan, om met vaste stem; âHerein!quot; te roepen.
Langzaam doet iemand de deur open, en als hij den ouden man ziet, die zenuwachtig van den grooten stoel oprijst, vraagt hij uiterst beleefd: âHeb ik 't genoegen mijnheer Hagenbach te zien ?quot;
Neen! dat is Wilhelms stem niet: hij zou die zelfs nu, na zooveel jaren, onmiddellijk hebben herkend. â Neen! 't is Wilhelm niet, die daar voor hem staat.
Al 't bloed keert plotseling terug naar zijn hart; hij wordt bleek en zucht in zichzelven: âHij is 't niet! Ach God! hij is 't niet!quot;
De vreemdeling ziet Herr Hagenbach met eenige bezorgdheid aan en vraagt: âWordt u onwel?
âNeen! neen! een oogenblik duizelig, anders niet; 't is al weer over. Neem plaats, als 't u blieft.quot;
âU heeft mijn kaartje ontvangen?quot; vraagt de vreemde, plaatsnemend.
âJa!quot; Herr Hagenbach neemt 't werktuigelijk van de tafel en herleest het.
âIk kom uit Chicago,quot; zegt de bezoeker: âwellicht verwondert het u, dat ik, die u geheel onbekend ben, u heb opgezocht; maar wanneer ik u zeg, dat ik in Amerika iemand heb leeren kennen, â namens wien ik kom . ..Hagenbach legt beide handen op de leuningen van den stoel en rijst een weinig op, terwijl hij zich met wijd geopende oogen vooroverbuigt en den mond opent, als wilde hij den tegenover hem zittenden man in de rede vallen.
âIemand, die u zeer na in den bloede bestaat en die veel goed te maken heeft aan ..
Plotseling richt de oude man zich geheel overeind, strekt bevend de handen uit naar den vreemdeling en roept: âMijn
32
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
Wilhelm! â O! Zeg 't maar, mijnheer; hij heeft u hierheen gezonden, om mij te zeggen, dat. .Een zenuwachtige lach breekt zijn woorden af, maar dadelijk vervolgt hij: âIk begrijp het; ik begrijp het! Hij was bang, dat ik schrikken zou, dat 't mij misschien kwaad zou doen, als ik hem dadelijk zag, â maar u ziet immers, dat ik kalm ben. O! laat me niet langer wachten; haal hem hier. ââ Ja! ja! ik voel het hier aan mijn hart, mijn Wilhelm wil bij me terugkomen. Gauw, meneer! breng hem bij mij; â ik zal geen woord zeggen over 't verleden. .
âMaar, meneer Hagenbach! bedaar, wees kalm!quot;
âIk ben kalm, maar ik kan 't niet meer uithouden; ik heb zoo lang, zoo heel lang op hem gewacht. Of is hij misschien al daar, daar?quot; Herr Hagenbach wijst naar de deur.
âNeen! Uw Wilhelm is daar niet. â Wees een oogen-blik bedaard, meneer! Ga weer zitten en luister naar mij, wat ik u bidden raag; dan zult ge kalmer en beter kunnen hooren wat ge hooren moet.quot;
Daar springen plotseling de tranen uit Herr Hagenbach's oogen en druppelen tusschen de vingers door van zijn handen, die hij voor 't gelaat brengt.
âUw zoon is niet hier,quot; herhaalt de vreemdeling en zachtjes voegt hij er bij; âhij keert ook nimmer terug, â maar ik kom uit zijn naam om u te ...quot;
âHij is dood! O! zeg 't maar; nu begrijp ik het, hij is dood â mijn jongen, mijn Wilhelm,quot; snikt de arme man, en zijn geheele lichaam schokt op en neer, door de hevige ontroering.
âJa, meneer Hagenbach, hij is gestorven; zijn laatste woorden waren een wensch naar u en . .
âMaar waarom is hij niet eerder gekomen? Waarom niet?quot; nokt Hagenbach.
Eenige oogenblikken Jaat öe sollicitor den armen vader over aan zijn smart, en als Herr Hagenbach kalmer is geworden, verhaalt hij hem, hoe Wilhelm in Amerika heeft rondgezworven, dan hier, dan daar, altijd zoekend naar een bestaan, met die ééne gedachte bezield: Geld verdienen! om weer goed te kunnen maken, wat hij tegen zijn vader en anderen had misdreven.
Hij vertelt, hoe eindelijk na lange jaren van moeite en
33
3
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
arbeid het geluk hem begon toe te lachen, hoe hij pogingen in 't werk stelde om te weten te komen, waar zijn vader was; hoe dikwijls hij had geschreven en hoe zijn brieven telkens als âonbestelbaarquot; terugkwamen.
âDus hij heeft toch aan mij gedacht; hij had mij niet vergeten. O! ik wist het wel, mijn Wilhelm was niet slecht; hij had een nobel hart, maar 't waren de omstandigheden die ons scheidden,quot; snikt de oude man, telkens zijn bezoeker in de rede vallend.
Dan gaat de verhaler weer voort. Hij deelt mede, hoe Wilhelm, na herhaalde vruchtelooze pogingen, om 't spoor van zijn vader te ontdekken, besloot om zelf naar Duitsch-land terug te keeren en te zoeken, totdat hij hem vond.
â âHij was eindelijk zoo gelukkig, dat hij het kon doen,quot; zei de sollicitor. âMet een som, die hij door aanhoudende inspanning en onvermoeid werken had overgegaard, wilde hij naar Duitschland gaan, alles in orde maken en dan naar u terugkeeren, om u te zeggen, dat hij ...quot;
âO! meneer! was hij maar arm teruggekomen, mijn lieve jongen, mijn Wilhelm!quot;
âEen dag of drie vóór hij vertrekken zou, overviel hem plotseling een hevige ziekte. Een week later zat ik aan zijn sterfbed en beloofde ik hem: zelf naar Europa te gaan, u op te zoeken en, als ik u gevonden had, u te zeggen, dat hij met een bede om vergiffenis op de lippen, aan u denkend, was gestorven.quot;
âO God! O God! 'k had hem immers al zoo lang vergeven !quot;
âIk heb gedaan, wat hij wilde doen; 'k ben te Fulda geweest, alles is in orde; niemand had ooit geloofd, dat u...quot;
âO, Goddank! Goddank!quot; fluistert Hagenbach.
âUw naam, de naam van uw zoon is weer in eere.quot;
âBeste Wilhelm! goede zoon!quot; snikt de oude.
âToen ben ik hierheen gegaan, .omdat men geloofde, dat gij in Holland waart; en nu ik u gevonden heb, kom ik u zijn erfenis brengen.quot;
âO God! mijn arme jongen!quot;
âIk heb hem op mijn eerewoord beloofd, dat ik u zou bewegen zijn erfenis te aanvaarden en dat ge . .. .quot;
âZijn erfenis! O! mijnheer, heb ik dan geld noodig? Zijn erfenis! â Neen! â neen! â die kan, die wil ik niet aan-
34
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
nemen, dat geld zou mij iederen dag hinderen, want ik zou altijd denken: mijn arme jongen heeft er zich voor dood-gewerkt. â Neem alles weer mee, meneer; ik geef het u, omdat gij zijn vriend waart. â 01 Wilhelm, mijn kind!quot;
Snikkend valt de oude Hagenbach, met het hoofd op de handen, vóórover op tafel, en zachtkens legt de sollicitor de hand op zijn schouder, terwijl hij naast hem gaat staan en, met een meewarigen blik den ouden man beziende, zegt:
âEn zoudt ge dan willen, meneer Hagenbach ! dat ik terugging naar Amerika, zonder mijn beloften aan uw stervenden zoon te hebben vervuld, zonder te weten dat ik zijn laatsten wil had ten uitvoer gebracht, zonder zeker te zijn dat... zijn kind veilig in grootvaders handen is?quot;
Daar springt Herr Hagenbach eensklaps als met jeugdige veerkracht op van zijn stoel en ziet den man naast hem aan met een blik, die plotseling straalt van licht en leven. Hij grijpt hem bij de schouders en lacht en schreit tegelijk, terwijl hij uitroept: âZijn kind! â zijn kind! â Man! is 't waar? is 't wezenlijk waar: heb ik een kleinkind, een kind van mijn kind?quot;
âJa ! ja ! een kleindochtertje.quot;
âEen kleindochtertje! Och, God! â Maar, waar is het dan? Waarom is 't nog niet hier? Gauw! Gauw! Waar is ze? Ik wil haar zien.quot;
âZe is nog beneden; ik zal haar halen. Maar ga een oogenblik zitten; ge wordt doodsbleek.quot;
âBleek! Wel neen, ik ben niet bleek. â Maar ga dan toch !....quot;
Met sidderende hand grijpt Hagenbach het glas water dat nog onder zijn bereik staat; hij drinkt een paar teugen en drukt dan beide handen tegen zijn hart, dat klopt en bonst van opgewondenheid, vreugde en verwachting. Voor't portret met den immortellenkrans blijft hij staan, en ziet weemoedig naar 't vriendelijke vrouwengelaat, dat hem als 't ware schijnt toe te lachen, 't Is alsof hij uit die halfgeopende lippen het woord âGrootvaderquot; verneemt, en overweldigd door de aandoening van 't oogenblik, bestormd door de herinneringen aan 't verleden, valt hij neer op een stoel voor 't portret.
35
HERR HAGENBACH'S ERFENIS.
âGod! mijn God! ik dank u,quot; fluisteren zijn lippen, terwijl hij de oogen biddend omhoogslaat.
Vlugge schreden en kleine trippelende voetstappen op 't portaal doen hem opspringen en naar de deur snellen. De deur vliegt open! hij hoort de woorden: âDaar is zij!quot; en een paar seconden lang draait en warrelt al!es voor zijn oogen.
Een oogenblik later knielt Herr Hagenbach voor een allerliefst blond engeltje. Hij kust het meisje, neemt het in zijn armen, ziet het in de oogen en drukt het aan zijn hart, terwijl hij onophoudelijk lacht en schreit.
Onbevreesd slaat het kind de mollige armpjes om zijn hals, zoent zijn wangen en zegt met een zilveren stemmetje: âDu bist mein Grosspapa, und ich heisse Lieschen, wie Grosmama!quot;
âWie Grossmama!quot; herhaalt Herr Hagenbach en nogmaals drukt hij het meisje aan zijn hart, neemt het op zijn armen, loopt er mee door de kamer, blijft er mede voor den spiegel staan en lacht zijn eigen spiegelbeeld toe, met dikke droppels op de wangen. Dan zet hij 't weer neer, kust het op het lieve roode mondje en telkens ziet hij haar opnieuw in de oogjes en fluistert de woorden: âJa! Ja! wie Grossmama! Ganz wie Grossmama!quot;
* *
*
âHerr Hagenbach! Herr Hagenbach!quot; riep ik, die van al het gebeurde natuurlijk niets wist, een dag later, toen ik weer op 't plat bezig was en hem toevallig voor zijn venster zag staan.
âWas ist?quot;
âKijk eens! aan 't rozenboompje, dat ik van u gekregen heb, zijn twee knoppen opengegaan. Bloeien uw rozen ook al ?quot;
âFür mich blüht neues Leben, mein Junge!quot; riep hij mij vroolijk toe.
Ik verstond noch begreep hem op dien dag; later, toen ik Liesje zag en hij mij van zijn erfenis vertelde, begreep ik hem wel.
36
âOUDE SIENTJE.quot;
âMeneer! daar is een agent om u te spreken,' zei onlangs op een morgen mijn bediende, terwijl ik op 't kantoor met mijn correspondentie bezig was.
âLaat me met rust, asjeblieft; ik heb geen tijd, â die agenten loopen hier tegenwoordig de deur plat, â ik heb niets noodig.quot;
âMaar, meneer ...
âZeg maar, dat ik van alles ben voorzien en dus in 't eerste halfjaar geen tabak gebruiken kan. 't Is meer dan erg, ze vliegen als bromvliegen tegen de deur aan.quot;
âMaar, meneer, 't is een agent van politie!*
âWat zeg je ?quot;
â't Is een diender, meneer.quot;
âEen diender? Wat moet die hier?quot;
Een oogenblik ging ik met mijn conscientie te rade, of ik ook iets op mijn boekje had, waarvoor een broeder van de heilige Hermandad zijn weg moest vinden naar mijn vreedzaam kantoor. â Ik voelde mij geheel onschuldig! 'k Had waarlijk niets, dat mij op mijn geweten drukte, en daarom stond ik haastig op, met de woorden;
âWaar is hij ?quot;
âIn 't spreekkamertje, meneer, met een oud vrouwtje,quot; antwoordde hij, terwijl een lach op zijn gelaat kwam.
't Geval werd raadselachtig: wat ter wereld kon een
OUDE SIENTJE.
politiedienaar, met een oud vrouwtje bij mij komen zoeken ?
Een oogenblik later stond ik in 't spreekkamertje en zag een stoeren agent en een rimpelig oudje, uiterst eenvoudig in de kleeren en met een zwart kiepje op, dat een wit geplooid mutsje beschermde.
âCompelement van meneer den commissaris, en of u dit eens lezen wil,quot; zei de dienaar der gerechtigheid, terwijl hij mij een visitekaartje toereikte.
't Kleine vrouwtje knikte even met het hoofd en de knieën bij wijze van groet, en beverig schudde haar hoofd, terwijl zij met den opgevouwen zakdoek tusechen haar vingers voor mij stond. Haar garen handschoenen waren veel te wijd en de vingers er van te lang, zoodat ze op den witten doek liggend er uitzagen, als waren de toppen er van gebroken; een zwarte omslagdoek en 't paarse katoentje, dat zij droeg, gaven haar geheele uiterlijk iets diaken-huisachtigs.
Ik las 't kaartje.
Een mij zeer bevriend commissaris van politie zond mij zijn naamkaartje, waarop hij geschreven had:
âAmice! bekijk dit oude wijfje eens: â 't is precies het vrouwtje van Keesje, het Diakenhuismannetje uit de Camera Obscura. Laat haar eens vertellen, wat haar gebeurd is: misschien geeft zij u stof voor eene schets of novelle. â Geef gij haar daarvoor iets in. klinkende munt.quot;
De agent stond in positie onverschillig toe te kijken, en het oudje richtte haar kleine, maar nog vrij heldere oogjes vragend op mij.
Met opzet keek ik wat langer dan noodig was op 't kaartje â eigenlijk er overheen naar mijn bezoekster, 't Was een typisch figuurtje, dat daar voor mij stond. Een klein, verschrompeld gezichtje met uitstekende jukbeenderen, een neusje, dat nog pogingen deed om zich recht te houden, en een ingevallen mond, waarin één enkele tand, als een obelisk, op vroegere tijden wees. Rimpelig als een overjarige pippeling en sproeterig was haar gelaat, dat, begrensd door spaarzaam grijs, bijna wit haar, uit den grooten hoed opdoemde.
Ze stond mij steeds met een vragenden blik aan te zien, nu en dan knipoogend â van ouderdom, niet uit guitigheid.
38
OUDE SIENTJE.
âWel, moedertje, wat heb je me te zeggen?quot;
âWalief?quot; Ze bracht haar linkerhand aan 't oor, boog zich een klein weinig voorover naar mij toe en sprak op den eigenaardigen doffen toon, aan doove menschen eigen.
âBen je doof, vrouwtje?quot;
â'n Beetje hardhoorend, meneer. â Ja! ja! dat's door de jaren, vroeger altijd goed van gehoor geweest, â maar de zinkings, weet uwé en de noordenwind; â anders gezond, Goddank! â Meneer ook nog wel?quot;
Nota-bene, 'k had het goede mensch nog nooit te voren gezien, â maar dat deed niets ter zake: zij was belangstellend in mijn gezondheid, en dat vind ik altijd vleiend.
âWat heb je me te vertellen? â De commissaris heeft me geschreven, dat je wat op je hart hadt.quot; Ik sprak met opzet luid en duidelijk.
âOch m'n goeie mensch, 't is een ijselijkheid; bedroefd, om dat op je ouden dag te moeten beleven.quot; Zij schudde het beverige hoofd en zuchtte.
âWat dan?quot;
âWalief?quot; Weer kwam de hand aan 't oor.
âWat is je dan overkomen, vrouwtje?quot; vroeg ik luider.
âOpgebracht, meneer! â 't Is crimineel, opgebracht voor schandaal, door de pelisie.quot; De tranen kwamen haar in de oogen.
âOpgebracht, â jij?quot; Ik kon nauwelijks een lach onderdrukken.
âWat zeit uwé er van: is 't niet om te besterven, en nog wel om zooJn aap van een jongen, â zoo'n gauwdief... .quot; 't Menschje werd zenuwachtig, zweeg plotseling en begon erger te beven.
Ik gaf haar een stoel en liet haar zitten; mij docht: zóó kon ze beter vertellen.
De agent vertrok op mijn wenk, en toen zij den sterken arm der gerechtigheid niet meer in haar nabijheid zag, vatte zij moed en ontsloot haar mond en tegelijk haar hart.
â't Is een ijselijkheid,quot; herhaalde zij als in zichzelve.
âWat dan, moedertje?quot;
Ze keek mij eenige oogenblikken vlak in 't'gelaat; mij dunkt, ik kon aan haar zien, dat ze mij, zooals men dat noemt, âgoed opnam,quot; voor zij verder sprak. Ik moedigde haar nog eens aan door te zeggen: âKomaan, vertel me maar eens openhartig wat je deert.quot;
39
OUDE SIENTJE.
Even aarzelde zij nog en vroeg bedeesd: â't Komt toch niet in de krant, wèl? Want de commissaris zei, alsdat uwé van de krant is.quot;
âWel neen! Ga gerust je gang.quot;
âNou moet uwé weten, ik ben al sedert zes jaar in 't gesticht Vredenburg, â 't is een heel goed huis, meneer, â en ik werk er zoo tusschenbeide voor de naaimoeder, meneer, dat is te zeggen ... ik brei en daardoor heb ik dan af en toe een paar centen. Zoo had ik dan met zuinigheid en Gods hulp zes gulden en tien en een kleine cent bij mekaar...quot;
Die woorden deden mij weer sterk aan Keesje van Hil-debrand denken en ik overlegde bij mijzelf: âZou dat oudje ook al voor een doodshemd sparen?quot; en daarom vroeg ik:
âWel! Wel! potte jij, oudje?quot;
âWalief?quot;
âWaarvoor bewaarde je dat geld?quot;
âVoor de kinderen, meneer! â Och! voor mijzelf heb ik 't waarentig niet noodig, want we hebben 't heel goed in 't huis, â heel goed; maar die kinderen, och! die bennen zoo gewend, dat ik, als ik Zondags kom, wat meebreng.quot;
âDan toch zeker voor je kleinkinderen?quot;
âMijn kleinkinderen?quot; Ze begon te lachen en kneep haar oogjes bijna dicht. âWel neen-ik! â Nooit getrouwd geweest, meneer!quot;
âO zoo!quot;
â't Bennen de kleinkinderen van m'n zuster, maar die is al lang dood.quot;
âHoe oud ben je, vrouwtje?quot;
âWalief?quot; Terwijl zij haar hand achter 't oor hield, zag ze mij oplettend naar den mond.
âJe bent zeker al een eind in de zeventig?quot;
âTachtig, meneer, met Kersttijd geweest. â Ja, 'k mag er nog wel wezen, niet waar? 'k Lees nog zonder bril; en breien, meneer! breien! boorden met gaatjes, of 't zoo niets is. Alleen 'tgehoor is niet zuiver meer, en vandaag door de kou is 't dan al heel zuinig.quot;
âDat merk ik.quot;
âNou, zooals ik zei, ik ben in 't huis en erg naar mijn zin, ja, waarentig! â 't Is wel niet zóó als ik 't vroeger gewend was onder de menschen; â want uwé moet weten,
'4°
OUDE S1ENTJE.
dat ik vroeger altijd onder de menschen ben geweest, â Sientje mochten ze allemaal nogal graag lijden.quot; Ze knikte tevreden, als deed haar die herinnering aan vervlogen tijd aangenaam aan; toen vervolgde zij;
â'k Heb meest onder den rijkdom verkeerd en fijne huizen gehad op de Heeren- en Keizersgracht. â Och! meneer, ik heb 't altijd zoo goed onder de menschen gehad, zoo best!quot;
âZeker gediend als keukenmeid?quot;
âWalief?quot;
âDienstmeisje geweest?quot; vroeg ik luider.
âKun je begrijpen! â Neen, waarempels niet! Stopster en linnennaaister bij voorname lui. â Vraagt uwé maar eens naar Sientje bij meneer en mevrouw Van Heuvelen op de Keizersgracht; die zullen u wel zeggen wie ik ben....quot; Zij wachtte even en sprak daarop luider: âEn dan nou zoo'n schandaligheid te moeten ondervinden op je ouden dag, ââ 't is een penitentie!quot; â Zenuwachtig trokken haar mondhoeken, terwijl de rimpels in haar wangen trilden, 't Oudje kreeg de tranen weer in de oogen, en daarom vroeg ik:
âJe bent zeker geschrikt. Wat is je dan toch gebeurd?quot;
âLaat ik uwé nou maar geregeld vertellen, anders kom ik van mijn apperepo af, en meneer de commissaris heeft gezcid: alles vertellen, Sientje, net zooals je 't aan mij hebt gedaan, en daarom begin ik dan nou ook van de meet af aan.quot;
âGa je gang, Sientje; ik luister.quot;
âNou moet uwe weten, dat ik een zuster heb gehad, waar ik machtig veel van hield; ze was een jaar of tien jonger dan ik, en toen we nog bij vader thuis waren, â moeder is jong gestorven, â moest ik voor haar zorgen, vat uwé?quot;
âJawel, jawel.quot;
âZe was altijd nogal zwakkelijk van inhoud, maar een mooi meisje op 't buitenste gezicht, begrijpt u?quot;
Haar gedachten dwaalden blijkbaar af in 't verleden, en als meer tot zichzelf sprekend dan tot mij, ging ze voort:
âBet was nou eenmaal dol op den jongen, en ik â nou, ik mocht hem rojaal gezeid ook graag lijden. Och God! ja, ik hield veel van hem, en 't heugt me nog als gisteren, dat hij me 's avonds opwachtte, als ik van mijn vaste huizen kwam. â Ik zal toen â laat ik eens kijken â zoo om en bij de dertig jaar zijn geweest, en Bet even over de twintig. Ik zag er ook presentabel uit, al zeg ik 't zelf, altijd hel-
41
OUDE SIENTJE.
der als een brand en lang niet van de leelijkste, hoor!quot;
Onwillekeurig moest ik glimlachen, toen ik het kleine verschrompelde oudje voor mij aanzag. â Ze bemerkte het, lachte en knikte mij goedig toe, terwijl ze vervolgde:
âDat's lang geleden, meneer! Vijftig jaar er bovenop maken van een mensch een vogelschrik! â Nou moet uwé veronderstellen, dat ik dacht dat hij om mij kwam, en och! nou kan ik 't je wel vertellen, nou ik oud ben: ik hield veel, zielsveel van den jongen, â Janus heette hij. Hij is Goddank al lang dood....quot;
Zij keek met starenden blik recht voor zich uit, schudde herhaaldelijk met het hoofd en met haar vingers plukte zij zenuwachtig aan de franje van haar omslagdoek.
Wat!quot; vroeg ik, âzeg je Goddank?quot;
â Walief?quot;
Ik herhaalde mijn vraag iets luider. Met haar rechtervoor-vinger op mijn knie tikkende, vervolgde zij, zachtjes het hoofd schuddend:
âHij deugde niet, meneer, â neen! geen zier;'twas een... Afijn! hij heeft zijn straf gehad, en onze lieve Heer zal hem, hoop ik, hebben kwijtgescholden, wat hij aan mijn goeie Bet misdaan heeft....quot;
Haar oude oogen vestigden zich als op een onzichtbaar punt in de verte en vulden zich met tranen. Met den opgevouwen zakdoek wischte zij langzaam de ooghoekjes af en vervolgde :
âIk dacht, dat hij genie in mij had, en ik was wat erg blij r als hij me 's avonds afhaalde. Hij gaf me ook wel ereis een zoen, maar altijd in eere, meneer! en daarom was't me dan ook alsof ik in den grond zonk, toen hij op een avond tegen me zei: âSientje!quot; zei hij â â'k Heb zinnigheid in je zuster Bet, maar zij schijnt er geen erg in te hebben. Kun jij nou niet eens maken, dat ik haar te spreken krijg ?quot; â Mensch ! mensch! wat werd ik daar akelig van: 't was me net alsof er iets midden in mijn hart brak; 'k had geen asem en 'k werd zoo duizelig, ik kon haast niet verder loopen. Maar ik hield m'n eigen goed en zei: âWel zeker. Janus,quot; zei ik â âals je een eerlijke verkeering met haar wilt, dan zal ik 't wel aan Bet vragen.quot;
âEn wat zei je zuster?quot;
âOch, God! ze wou, meneer! ze wou! En ziet uwé, dat was nog 't ijselijkste van alles. â Wat ik toen gevoeld heb.
42
OUDE SIENTJE.
kan ik uwé niet vertellen, maar 't was een heel erg ongelukkig gevoel, wat ik had. Weet u, als je zoo 't idee krijgt: jou wil Janus niet, maar je zuster â o ! dat is zoo akelig. Niet dat ik jaloersch was op Bet, â onze lieve Heer weet wel, dat ik daarvoor veel te veel van haar hield, â maar 't was me toch persies alsof iemand zachtjes tegen me zei: Sientje, jij bent niet goed genoeg voor Janus; Betje is jonger, Betje is mooier, en. ... ik voelde toch, dat ik meer van hem hield dan zij. Maar dat kun je, dat mag je dan op zoo'n oogen-blik niet zeggen, â is 't niet waar, meneer? Vooral niet, als je moeder, zooals de mijne, op haar sterfbed gezeid heeft: Sien, wees jij nou moeder over Betje! En als je dan aan je stervende moeder zoo iets beloofd hebt, â wat moet je dan doen? .... Je eigen stilhouden.quot;
âVader was er altijd op tegen, dat Bet Janus kreeg, want hij wist, dat 't wel een knappe jongen was, wat zijn buiten-wendigheid van persoon betrof, maar dat hij. ... Afijn! ze hebben 't toch gedaan gekregen en ze zijn getrouwd....quot; Weer keek 't oudje stil vóór zich.
âEn is je zuster ongelukkig geworden?quot;
âWalief, meneer?quot;
âIs er iets met dien Janus gebeurd?quot;
âOch heere! meneer, als ik je dat haarfijn vertellen wou, zou 't je misschien vervelen, want 't is de ouwe geschiedenis ...quot;
âHoe zoo?quot;
âDe drank kwam 't eerst, en later .... Ziet uwé, daarom hindert 't me nou ook zoo erg, dat ze me van middag die schandaligheid hebben aangedaan .... 'k Ben als vuur voor drank, 'k heb nooit een druppel over mijn lippen laten gaan, zelfs geen anijsje, meneer! waarentig niet, en dan nou zoo in handen van de politie . . .!quot;
âWat is er dan toch wel met je gebeurd, vrouwtje?quot;
âDat zal ik uwé strakjes vertellen; laat ik nou eerst bij Janus blijven, anders kom ik van mijn geheugen af.quot; Ze tikte met haar hand weer op mijn knie, terwijl ze zachtjes zei; âJa, juistement daar waren we.quot;
âEen jaar of drie ging 't goed en Bet had een dochtertje, een wolk van een kind; 't was nog geen twee maanden, toen lachte 't al met haar heele gezicht, en door de tandjes is het finaal heengerold. Ze hebben 't naar mij genoemd: Sientje,â eigenlijk Gezina Adriana Maria. Mijn zuster Bet was en bleef
43
OUDE SIENTJE.
slapjes, en Janus begon al af en toe ereis te drinken; niet erg, â maar na-venant werd 't slimmer.quot;
âDat gaat gewoonlijk zoo, moedertje !quot; Ik begon te begrijpen, dat ik de gewone lijdensgeschiedenis zou hooren van een vrouw, wier man een dronkaard was, en daarom trachtte ik het min of meer langwijlige verhaal van de oude Stientje te bekorten door er bij te voegen: âJa! ja, dat kennen we: eerst gedronken, toen arm- geworden en ..
âWalief?quot;
âArm geworden, gebrek geleden en toen . .
Zij knikte ernstig en zei:
âIn de gevangenis. Ja, meneer, in Leeuwarden. â O God! als ik nog aan dien tijd denk! Hij had gestolen, â ingebroken, meneer, â en toen ze hem kwamen halen, zag ik hoe zus Bet in mekaar zakte; kleine Sientje was toen pas vijf jaar. 't Schaap begreep er niets van en ging nog een handje geven aan den veldwachter, die haar vader kwara ...Hier brak ze haar verhaal af met de vraag: âWil ik ook liever uitscheiden ?quot;
âNeen! neen! vertel verder!quot;
âBet was suf geworden; ze liep net als iemand, die geen verstand meer heeft, en ze riep maar al door: âSientje, dat .is m'n dood; 'k wou dat ik doodging!quot; âMaar een mensch kan maar zoo niet sterven, als hij wil, en dat's maar goed ook .... Afijn, ze heeft ook nog een jaar of zes geleefd. Janus had acht jaar gekregen; ze heeft hem dus niet teruggezien ____Dat was nog een geluk bij een ongeluk, is 't niet zoo ?quot;
âEn wat deed je zuster. Heeft zij toen den kost voor haar kind verdiend?quot;
Er kwam een onbeschrijfelijke trek van goedheid en weemoed op het gelaat der oude vrouw, terwijl zij zachtjes het hoofd schudde en vervolgde: âOch heere! dat kon ze niet, meneer! Ze was veel te zwak en te akelig. â Wat moest ik doen? Haar aan haar lot overlaten? Dat ging ook niet. Als ik 's nachts sliep, dan droomde ik soms, dat ik m'n moeder zag, en dan was 't net of ze me toeriep: Sien! denk je wel aan wat je me hebt beloofd? â En waarentig, meneer, ik had 't toch nooit vergeten, want ik had al, zoolang als Bet getrouwd was, haar van tijd tot tijd wat toegestopt; âJanus wist het niet; Godbewaarme, als hij 't gemerkt had, was dat bagatel ook nog door zijn keel gegaan.quot;
44
OUDE SIENTJE.
âDat was mooi van je, Sientje â dat is braaf geweest!' Ik vond het oudje nog veel aardiger en typischer dan te voren, en toen ik zag dat zij de hand weer aan haar oor bracht, herhaalde ik luider;
âDat's heel goed van je geweest; je bent een best wijf, hoor!quot;
- Toen lachte ze eventjes, maar zei toch dadelijk: âWalief?quot; Ik geloof echter, dat ze op dat oogenblik Oostindisch doof was, en daarom zei ik aanmoedigend: âEn verder?quot;
âWat moest ik doen? Ik had het goed, opperbest onder de menschen, iederen dag werk en altijd den kost. â Weet uwé, dat 's nog heel wat andere kost dan in 't Huis.quot; Ze lachte smakelijk, toen ze mij knipoogend aanzag en vervolgde: âJa! ja! 'k heb ook wel ereis blankmangsjée en ijs gegeten â of taart. Soms bracht ik een zak vol lekkers mee naar huis voor de kleine meid. Dat kreeg ik dan van de dames, weet u â overschot van 't nadessert â want ik werd wat dikwijls bij dezen en genen geroepen om, als er partij was, de meisjes te helpen.quot;
Haar oogen begonnen waarlijk te glinsteren, toen ze die tijden van Olim herdacht, en ze sprak als in zichzelf:
âWat hadden we 't toch goed en wat was Bet tevreden! â Nou moet uwé weten, dat me toen ter tijd nog een wonderlijk ding gebeurd is, ha! ha! ha!......quot;
't Oudje lachte alleraardigst en met beide handen tikte ze op mijn arm, terwijl ze verder vertelde:
â'k Ben op mijn negen en dertigste jaar nog ten huwelijk gevraagd. Wat zeg je daarvan, meneer?quot;
âEi! ei! Nu, dat bewijst dat je er toen nog goed uitzag .... En ben je toen getrouwd?quot;
âWalief? Getrouwd? Wel neen! â 'k heb er wel nog een oogenblik over gedacht, want 't was een door en door knap persoon, een gezeten man â een koperslager; ik mocht hem wel lijden ook, en Bet zei nog: âSien,quot; zei ze, âwaarom doe je 't -niet, 't is een brave kerel?quot; â Nou, dat 's waar, dat was hij ... . Hij is later wat best getrouwd ook en 't was een gelukkig huishouden, maar ik kon er niet toe reseleveeren, als ik het kleine kind zag en zus Bet, want toen begon ze er al miserabelder uit te zien, zoodat ik dacht: Niet doen, Sientje â niet doen! Blijf je bij je zus en.... 'k heb er ook niets geen berouw van gehad; in 't eerst wel een beetje.
45
OUDE SIENTJE.
maar later was ik er finaal overheen, finaal, meneer! en dat kwam, vanwegens dat ik met m'n eigen redeneerde.quot;
Ik keek het vrouwtje, dat daar nu zoo kalm en rustig vóór mij zat te vertellen, aan en onwillekeurig dacht ik; âWat ben je een klein, verschrompeld oud vrouwtje, en wat heb je een ziel zonder kreukje of rimpel.quot;
Zonder eenigen ophef vertelde ze verder:
âBet was een goeie, beste meid, maar erg zwak, en daardoor werd ze humeurig; nou, ze kon 't eigenlijk ook niet helpen, ze had zooveel verdriet gehad; en als ze dan mopperde om 't een of ander, dan lachte ik haar uit en zei: âHou je maar gauw koest, Bet, want van mopperen wordt je mager, â en och, mensch! de stumper had niet veel om bij te zetten. â En toen kleine Sientje elf jaar was, is Bet gestorven.quot;
âZe was als een hout, meneer, toen we haar aflegden, maar anders een mooi blank lijk. â Ze leit op 't Wester-kerhof, heel fatsoenlijk en netjes ..
Hier poosde ze even en vroeg nogmaals: âVerveelt 't uwé ook?quot;
âNeen, Sientje!quot;
âNou stond ik met 't kind alléén. Dat was lastig, want elf jaar en alleenig t'huis, dat was niet gewaagd. Een kind van elf jaar van ons stiek menschen is anders nogal bijdehand, maar zij was nog wat onbenullig. Gelukkig had ik goeie buren; die namen haar waar, als ik uit was, en zoo zoetjes aan heb ik haar hier en daar, waar de menschen me kenden, meegenomen. Ja! meneer! dat moet ik zeggen, ik heb 't onder de menschen goed gehad, en of ze nou al roepen: âde wereld wordt slecht,quot; dan zeg ik: dat's niet waar â maar je moet de goeie menschen opzoeken, en dan zijn ze er nog wel. Is 't niet zoo?quot;
Ik kreeg hoe langer hoe meer schik in het naïeve optimisme van een oudje van 80 jaar, dat 't zoo goed onder de menschen vond en zoo hard had getobd, om door de wereld te komen. Daarom zei ik:
âJe hebt een tevreden hart, moedertje, en daardoor ben je rijker dan menigeen .... Je bent een goed wijf, hoor!quot;
âWalief?quot;
't. Was zonderling: nu scheen ze op eens weer veel doo-ver dan een oogenblik te voren. Ik geloof echter, dat zij
46
OUDE SIENTJE.
mij wel had verstaan, want ze liet er dadelijk op volgen;
âMaar 'k heb ook wel eens geprutteld en opgespeeld â nou!quot;
âJa! dat was een heel ding, dat die Janus weer terugkwam. Ik was er als de dood van, meneer! toen hij op een avond plotseling voor mij stond. Ik was hem waarachtig bijna heele-maal vergeten; dat kwam doordien Bet nooit over hem sprak en 't kind vanzelfs ook niet.quot;
â'k Schrok als daaraantoe, toen ik hem zag. Foei! wat een gezicht, zoo bleek en zoo huiskleurig, met zulk kort geschoren haar. Foei! 't was net een boef, en... ja! wat zeit u er van ? Dronken was hij er nog bij; hij kon haast niet staan. âIk wil mijn kind zien,quot; â was zijn eerste woord.
âGa weg. Janus,quot; zei ik, âga weg!quot; â 'k Beefde als een riet, want hij hield vol: âIk wil mijn kind zien, ik hou van Sientje.quot; Hij had, met uwés permissie, zoo erg den hik, meneer, dat hij bijna niet spreken kon. Wat een vader!quot;
âSientje sliep in 't achterkamertje, en ik dacht, dat hij naar binnen wou; daarom ging ik vóór de deur staan, keek hem aan en riep brutaal weg; âNooit! ga heen!quot; Ja! ik kan opspelen ook, als 't er op aan komt.quot;
't Oude wijfje zette zoo'n comisch boos gezicht, dat ik er om lachen moest.
Zij vervolgde: âIk nam hem goed onderhanden, en zei;
âJanus! Janus! 't is mooi met je. 'k Wou, dat ik je nooit gekend had, of dat i k je maar had getrouwd, â versta je! want mij zou je zoo niet de dampen hebben aangedaan als aan mijn goeie Bet, waarentig niet; zij was veel te zachtzinnig en te goed voor jou .. ..quot; en m'n gemoed schoot vol, toen ik er aan dacht; ik begon zelfs te huilen, want op eens zag ik Bet weer voor me in dien nacht, toen ze stierf, en ik hoorde weer in gedachten, hoe zij me vroeg; âSientje, zul jij nou 't kind van Janus afhouden â en zul jij hem zeggen, als je hem mocht weerzien, dat ik hem vergeef en dat ik onzen lieven Heer voor hem zal bidden om hem ook te vergeven?quot;
âIk geloof, dat ik hem dat ook allemaal heb gezeid op dat oogenblik, maar zeker weet ik 't niet, want ik raakte knapjes van mijn tramontane, maar ik was toch dadelijk weelbij de hand, toen hij opnieuw begon te roepen; âIk wil mijn kind zien...quot; Wat ging hij aan, o! o! wat ging hij aan! â Ik was bang, dat zij wakker zou worden, en daarom pakte
47
OUDE SIENTJK.
ik hem reseluut bij zijn schouder en schudde hem heen en weer, terwijl ik zei:
âLuister eens, Janus: ik zal je 't kind laten zien, maar slapend, en als je haar durft wakker maken, dan ben je een misselijke vent.quot;
âEn wat deed hij, ging hij naar 't kind?quot;
âIk nam de lamp mee en bracht Janus bij 't bedje. Sientje sliep met haar handen boven 't hoofd: 't was toch zoo'n mooi gezicht, dat slapende meisje, met 't lange blonde haar, dat los over 't kussen hing. Haar bloote arm lag onder haar hoofd en ze had een kleur als een bellefleur. Hij stond voor 't bedje en sporrelde wel een beetje, maar ik hield hem vast. â 'k Wou, dat u dat eens gezien had, meneer! dien groven dronken boef, met z'n rooie opgezette gezicht, bij dat jonge lieve kind, dat zoo kalm en onschuldig sliep. Wat een verschil, dacht ik. En toen ik de lamp wat hooger hield, zei ze wat in haar slaap, maar we verstonden 't niet. Ze draaide zich om en van ons af.quot;
â't Was net of Janus een beetje nuchter werd, want hij bleef doodstil staan en kwam niet aan 't meisje. Ik zei hem: âAls je nou nog één sikkepitje gevoel hebt, dan laat je haar slapen en je gaat stiekum heen; je mag me nog wel bedanken, dat ik je van haar afhoud.quot;
âWaarom?quot; vroeg hij toen en hij was op eens heesch. Ik schrok er van, maar ik hield dadelijk weer mijn koerazie vast, en zei heel zachtjes aan zijn oor: âOmdat ze nou nog een beetje idee van haar vader heeft en niet weet, dat hij een dronkaard en een inbreker is; omdat wij, die arme, goeie Bet en ik, jouw eer nog altijd hebben opgehouden tegenover je kind. Versta je dat?quot; â zei ik.
âEn wat antwoordde hij toen ?quot; vroeg ik haastig, want 't verhaal boezemde mij belang in.
âOch, meneer! hij zei, met uwés permissie: Stik!quot; haalde zijn schouders op en ging heen. â Wat een mensch, hè, meneer? â Och! ja, 't was altijd zoo'n onverschillige.quot;
âHij is later nog een paar malen teruggekomen, quasi om zijn kind, maar eigenlijk om centen â en...quot;
âEn gaf je hem wat?quot;
âEerst niet, maar later wel...quot; Hier keek de oude Sientje even voor zich en zuchtte, terwijl zij vervolgde:
âIk deed het alléén om 't meisje; ik wou niet, dat ze
48
OUDE SIENTJE.
hem zag. En hij !... als hij maar centen kreeg, dan vroeg hij verder niet naar haar, weet u!quot;
âWat 'n slecht sujet!quot; riep ik vrij luid.
âJa, meneer, wèl een slechte vent! Hij taalde niet naar Sientje, als hij maar geld zag.quot;
âZij heeft haar vader ook nooit meer gezien, want binnen 't jaar had hij alweer een vonnis. Hij is later in de gevangenis gestorven. Och! daar heeft onze lieve Heer ons allebei een effetieve weldaad door bewezen.quot; Ze poosde een seconde of wat, zuchtte een paar malen diep en sprak op een geheel anderen, veel opgeruimder toon; âWat nou Sientje betreft, van haar heb ik pleizier gehad, â niets dan pleizier: 'twas altijd een beste meid en dat is ze nog....quot; 't gelaat der oude vrouw helderde als 't ware op; 't werd vroolijk en gelukkig en een glimlach speelde om haar lippen.
âLeeft Sientje dan nog?quot; vroeg ik verwonderd, want ik had me al voorgesteld, dat ook die Sientje reeds van 't wereldtooneel verdwenen was. De oude vrouw sprak zoo voortdurend in den volmaakt-verleden-tijd, dat ik het bijna niet begrijpen kon, dat er met den tegenwoordigen nog een verband bestond.
âAls een hart, meneer, als een hart! En engelen van kinderen, â vier jongens en twee meisjes. En een besten
man---- Ja, Zondags ga ik er altijd heen, als ik uit 't Huis
raag. Heb ik uwé al verteld, hoe ik in't Huis ben gekomen?quot;
âNeen oudje!quot;
âNou, meneer, dan moet je dat ook nog weten, en dan zul je meteen kunnen begrijpen, waarom ik nou zoo veraf-fronteerd ben geworden door de behandeling van dien agent, â niet degenige, die hier met me was, dat scheen een fatsoenlijk persoon, maar dien anderen. Nou! maar meneer de commissaris heeft hem dan ook een schrobbeering gegeven van raak!quot;
âMaar wat is je dan toch in 's hemels naam gebeurd, Sientje !quot; Ik begreep volstrekt nog niet, welke samenhang er bestond tusschen het huis Vredenburg en de politie.
âLaat ik uwé nou eerst even vertellen, hoe ik in 't Huis ben gekomen!quot;
âGoed, ik luister!quot;
âToen Sientje nou zoo'n jaar of vijf en twintig werd, â ze was altijd met me mee geweest onder de menschen, en
49
4
OUDE S1ENTJE.
knap en fatsoenlijk, hoor! daar had tante voor gezorgd, dat beloof ik je, â toen kwam er iemand om haar, een timmerman, wat een nette jongen. Hij had waarentig in zijn gezicht wel wat van Janus, maar een heel andere inwendigheid: door en door knap. Hij had idee op Sientje. âTante,quot; vroeg ze, âik mag hem graag lijden; wat denk jij er van?quot; Kind! zei ik, ga je gang maar, ik heb hem opgeselveerd en je zult er een besten man aan hebben; maar meid, denk er aan, maak 't hem t'huis pleizierig, en als je ereis mopperig bent, laat 't hem nooit merken. Kom dan liever bij tante Sien om uit te mopperen; ik kan er wel tegen; 'k ben 't gewend ... Ze bennen getrouwd, meneer, en ze hebben er geen oogen-blik berouw van gehad.quot;
âDat is een groote satisfactie voor je,quot; zei ik.
âWalief?quot;
âDat is pleizierig voor je, Sientje!quot;
âNou, waarentig! â Ja, ik heb dat huishouden van A. tot Z. gezien; ze hebben tante altijd graag bij hen gehad, want ik had zoo goed slag oiïi met de kinderen om te gaan; en zonder nou m'n eigen zelf een pluim op de muts te willen zetten, durf ik te zeggen, dat ik ze heel wat fatsoen en manieren geleerd heb. Uwé begrijpt, als je altijd met den rijkdom omgaat, dan leer je wat, en.... Zoo'n kerel!.... mij op te pakken! .... 't Is crimineel!quot;
Blijkbaar dwaalden haar gedachten weer af naar 't geval, dat haar pas overkomen was en dat zij mij nog niet had verteld : daarom vroeg ik, eigenlijk om iets te vragen;
âHoe oud zijn die kinderen?quot;
âHun oudste jongen is al twintig jaar, leerling-machinist op een boot, â 'n knappe jongen, meneer.quot;
âZoo! zoo! En de anderen?quot;
âEen jongen van zestien, een meisje van dertien, een jongen van negen en een klein aardig diertje van vijf; dat's alweer zoo'n petekindje! Dat's aardig om zoo oudtante te wezen. Och, heere ! heere! dat kind is zoo dol op me, â en daardoor is 't eigenlijk gekomen, dat ik in handen ben geweest! 't Is verschrikkelijk, en .... Maar dat's waar, uwé weet nog niet, hoe ik in 't Huis ben gekomen!quot;
âNeen! . .Ik nioest onwillekeurig lachen om de breedsprakigheid der oude vrouw.
âMartens heeft me er ingekocht, met de anderen.quot;
5°
OUDE SIENTJE.
âMartens, wie is dat?quot;
âO ja, dat's waar ook, die kent uwé niet. Dat's de man van Sientje; een beste, hoor!quot;
Het oude vrouwtje lachte met haar geheele gezicht, toen zij op mijn vraag: âZit die Martens er dan zoo goed in ?quot; antwoordde;
âNeen! dat niet, maar â och, valt uwé me nou niet zóó in m'n redens, dan raak ik de kluts kwijt; een mensch van tachtig jaar kan soms een beetje vergeetachtig worden ...
Ze wreef met haar garen handschoen langs haar voorhoofd en knikte toen een paar malen met het hoofd, als wilde zij bij zichzelve zeggen: âIk ben er weer!quot;
âOuwe Sientje was overal bekend; ik heb nog nooit een van m'n huizen verloren, anders dan door sterfgeval, of dat de menschen ieuwers anders gingen wonen; en daardoor juistement dat onze lieve Heer me mijn gezicht zoolang heeft laten behouden, heb ik tot mijn twee-en-zeventigste jaar mijn werk kunnen doen.quot;
âEn waar woonde je toen ter tijd? Zeker bij Martens binnenshuis ?quot;
âWalief?quot;
Ik herhaalde mijn vraag, en toen ze mij verstaan had, bewoog ze afwijzend de linkerhand heen en weer, glimlachte, zoodat de obelisk in haar mond een oogenblik zichtbaar werd, en zei:
âKun je begrijpen! Daar moest ik niets van hebben. Zoo wijs ben ik. Goddank, geweest, dat ik dacht: In een jong huishouden hoort geen ouwe tante ... hè! hè! hè! â Als ik nou Zondags kwam of in de week ereis aanwipte, dan waren ze blij en tante was welkom; â maar als ik er gewoond had, zouden ze me al gauw het heilige kruis hebben nagegeven.
âNeen! meneer, ik ben in mijn ouwe kamertje blijven wonen. Och! dat waren zulke goeie menschen, ik had het er zoo best, en die hebben me zoo trouw opgepast, toen ik ziek ben geworden.quot;
âOch! ben je ziek geweest, daar zóó alleen in je kamertje?quot; In gedachten zag ik de oude vrouw, eenzaam en ziek in haar vertrekje en ik voelde medelijden met het weinig benijdenswaardige lot, aan haar en haars gelijken gemeenlijk beschoren. Zeker zag zij aan mijn gezicht wat ik dacht, want
51
OUDE SIENTJE.
terwijl ze vertrouwelijk de hand op mijn arm lei, zei ze hoofdschuddend:
âNeen! denk maar niet, dat ik 't slecht had, gerust niet. De menschen van beneden waren engelen â en de kinderen brachten ze ook bij me.quot;
âWelke kinderen?quot;
âWel, die van beneden; de juffrouw moest altijd 's middags de deur uit, en dan kwamen haar kleintjes bij mij. Ik lei toch in bed en had niets te doen, dan ze stil te houden of van tijd tot tijd eens te verbieden.quot;
âTot zelfs op 't ziekbed nog geëxploiteerd!quot; riep ik onwillekeurig luid, zoodat Sientje er van schrikte en âHee-rejéquot; zei.
Ze vervolgde:
âToen ik nou een beetje beterder was, wou ik weer onder de menschen gaan, maar daar kwam niets van in. Martens en Sientje wouën 't pertoet niet hebben. Met geweld hebben ze me in huis gehaald en een kamertje gegeven; maar ik kon het niet uithouden bij hen ...quot;
âWaren ze dan niet goed voor je?quot;
âGoeie Heer! hoe kan uwé nou zoo iets denken! â Neen! ze waren me te druk, â de kinderen, weet uwé: ik had zooveel als 'n tak van een beroerte gehad; daarvan is mijn hoofd nou nog zoo beverig, weet u en .. . Och! die knapies konden zoo aangaan . . .
âDat kan ik begrijpen; zoo'n vijftal maakt heel wat leven.quot;
âEn omdat ik nou tweehonderd gulden op de spaarbank had, wou ik maar liever in een Huis gaan; verdienen kon ik toch niet genoeg om te befitaan, en van Martens afhangen mocht ik rejaa! gezegd, ook niet.quot;
âO zoo! dus je had zelf 't geld om je in 't huis Vreden-burg te koopen, â en je zei, dat Martens 't gedaan had.quot;
âDat is ook zoo; ik had niet genoeg, driehonderd gulden moest er wezen, zonder kwaad geld, zeiden de Heeren, en daarom is Martens naar al mijn oude huizen gegaan en heeft aan de dames mijn geval verteld, en âquot; 't gezicht van 't oudje straalde en zij knikte herhaaldelijk met het beverige hoofd; âvind u dat niet mooi? â ze hebben allemaal wat
gegeven voor ouwe Sientje..... Er bennen toch een boel
goeie menschen in de wereld, hé, meneer! Maar kwaaie ook.
52
OUDE SIENTJE.
â O! als ik aan dien jongen denk en de schandaligheid. Ik durf bijkans niet terug naar 't Huis; ais iemand, die 't geval gezien heeft, 't ereis vertelt, wat zal moeder wel van me denken...
't Klinkt toch wonderlijk, wanneer men een vrouw van tachtig jaren, moeder hoort zeggen; onwillekeurig krijgt men eerbied voor de groote eenvoudigheid van hen, die 't zeggen en dwingt de tegenstelling ons een glimlach af.
âMoeder is een best mensch, maar een beetje wantrouwend,quot; vervolgde Sientje; âze is ook nog niet lang genoeg âmoederquot; en, als ik 't zoo ereis zeggen mag, een beetje te jong voor 't vak; bovendien zijn er ook wel in 't Huis, die stiekum ereis olie op de lamp gieten,quot; en zij maakte de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt, en daardoor begreep ik wat zij bedoelde.
âMaar,quot; stelde zij zichzelve gerust, âmeneer de commissaris zal haar wel inlichten, â en uwé zal ook wel begrijpen, dat ik niet dronken was; anders was ik nou immers nog niet nuchteren.quot;
âOch heer! mensch, is dat het geweest: hebben ze gedacht, dat jij....? Ha! ha! ha!quot;
âLacht uwé daarom?quot;
â'k Kan 't niet helpen, Sientje; 't denkbeeld, dat jij . . .. ha ! ha ! ha! dronken . ...quot;
âJuistement, meneer, 't is een tamtasie voor me geweest. Verbeeld je eens: van morgen mocht ik het Huis uit, om naar m'n familie te gaan, en zonder erg loop ik door. In de Ouwebrugsteeg is zoo'n klein winkeltje van suikergoed,
koek en snoepgoed voor kinderen, weet uwé.....Lust uwé
kantkoek, meneer?quot;
âWablief?quot; vroeg ik nu op mijn beurt verwonderd, want ik begreep volstrekt niet wat of dit gebak met Sientjes verhaal te maken had. â âKantkoek?quot; herhaalde ik
âKan uwé je nou begrijpen, dat iemand zijn ziel en zaligheid daarvoor verspeelt en zich daarom aan een andermans goed bezondigt? Nou, zooals gezeid, ik ga in 't winkeltje, en zeg: juffrouw geef me voor een dubbeltje sjokolaadjes â (ik wou ze voor mijn petekindje meebrengen); ik leg zonder erg mijn knipje op de toonbank om er 't geld uit te nemen, en meteen komt er een jongen binnen en vraagt: âTwee centen kantkoek.quot; 'tWas zoo'n opschieteling van een jaar of
53
OUDE SIENTJE.
dertien. Meteen dat de juffrouw nou der eigen bukt om de koek te geven, pakt de jongen mijn knipje beet, trekt 't uit m'n handen en hij er van door!quot;
âMensch! mensch! 't schoot me in m'n knieën, maar ik liep hem toch na: ik zag hem staan op den hoek van den Nieu-wendijk; daar stak hij z'n tong nog tegen me uit.quot;
âIk liep hem na. Ja! loop nou eens zoo'n jongen na: ze bennen als water, meneer! â Ik wou roepen: houdt den dief! maar ik kon niet roepen, m'n keel zat dicht van de alterasie; ik werd zoo draaierig en ik zag niets meer. Ik voelde, dat ik heen en weer ging, net ais een mensch, die te veel heeft. Mijn muts was afgezakt en mijn hoed hing scheef in mijn nek, deze omslagdoek sleepte me als een staart achterna en m'n perreplu had ik bij de punt in m^n hand. Och! och! wat zag ik er uit! Daar ging me die perreplu open, ik struikelde er over en toen ben ik doodaf op een stoep neergevallen.quot;
âOch, schepsel! En heb je je niet bezeerd?quot;
âGoddank niet de peine waard om te noemen; maar een standje menschen er om, meneer! en ze zeien maar brutaal: âDat mensch is dronken. Zoo'n ouwe ziel, 't is schandalig,'' riep er een. O! 'k wou, dat ik dien ereis had, dien zou 'k wat kunnen aandoen! â En toen begonnen ze me in de maling te nemen, omdat ik weer bij me positieven kwam en in mijn boosigheid zei: jijlui bent dronken; jijlui bent schandalen en mirakels om een oud mensch in 't ootje te nemen. Maar ik kon er niet goed uitkomen, want m'n tong deed zoo raar, doordien ik geschrokken was. Toen is er een heer gekomen en die heeft aan een diender gezeid, dat hij me mee moest nemen.quot;
âIk wou niet en zei: âDank je wel, ga maar gerust door mooie, jongen! Ik heb nog nooit wat met de politie te maken gehad en .. . .quot; maar hij nam me toch mee naar den commissaris. â Maar o! dat 's een goed man, een best man: die zag dadelijk wel, dat ik niet dronken was; hij gaf me een gulden en zei:
âHou jij maar moed, Sientje; je portemonnaie â 't was eigenlijk een knipje, maar dat doet er nou niet toe, â is weg en de zes gulden tien zie je nooit terug; maar we zullen je wel helpen, hoor! Daar heb je alvast wat en er zijn zeker nog wel andere menschen ook, die je bijstaan willen.quot; â
54
OUDE SIENTJE.
En daarom heeft hij me een agent meegegeven naar uwé toe en____quot;
.... Ik gaf de oude ziel een achterwiel, en toen zij zich met een âhonderd duizendmaal dank,quot; verwijderde en er bijvoegde:
âEn als uwé in de gelegenheid is om de moeder te spreken, dan zal u toch wel zeggen, dat ik geen olie op de lamp had gedaan, niet waar?quot; â geloofde ik geen onvoor-deeligen koop te hebben gesloten, omdat mijns inziens Sientjes geschiedenis, voor een auteur, wel een rijksdaalder waard is.
55
CESAR.
Lange jaren geleden, ik was pas even in de twintig, heerschte de winter langdurig en streng. De grachten lagen weken, ja bijna maanden lang, vol ijs en over de hard bevroren sneeuw in de straien vlogen de arresleden der rijken, terwijl de kinderen uit het volk hun priksleedje niet ongebruikt lieten staan.
De werkeloosheid in de stad was groot, de koude bitter; armoe en gebrek strekten hun magere armen naar alle kanten uit en menig sjouwerman of kadraaier zag met donkeren blik op den ijsvloer neer, die hem 't brood uit den mond hield, of staarde naijverig naar den baanveger en de koeken-zoopjevrouw, die het geluk hadden gehad een baan of een standplaats te veroveren.
De weldadigheid deed wat zij kon. Een comité was gevormd om gelden in te zamelen, ten einde aan de armsten onder de armen brood en brandstof te verstrekken. Ruime giften kwamen in, maar de behoefte was groot, evenals de begeerigheid van hen, die zich verbeeldden, dat, wanneer de mildheid gaf, niet alleen de armsten maar ook d e b e-hoeftigen het eerst een gift moesten ontvangen.
Veel werd er gegeven, ontzaglijk veel, maar ook veel was er noodig, en ofschoon de sub-commissiën, die de ongeluk-kigen in hun donkere kelderwoningen of achterkamers opzochten, zooveel mogelijk trachtten op de hoogte te komen,
CESAR.
waar de nood het dringendst neep, gebeurde het ongelukkig maar al te dikwijls, dat enkelen dubbel, anderen niets kregen; want hoe medelijdend onder elkander het Amsterdamsche volk ook is, â wanneer er giften te ontvangen zijn, denkt ieder het eerst aan zichzelf en wel het liefst twee- of driemaal.
't Was waarlijk geen gemakkelijke taak voor de heeren dier commissiën van onderzoek, om in alle spelonken en holen, waar het gebrek zich schuilhield, door te dringen en zeker waren er óogenblikken, waarin het hart ineenkromp â en in 't oog een traan welde, bij 't zien van zooveel bittere armoe.
Ik had mij bij een paar heeren aangesloten en bezocht met hen verschillende wijken der stad. Op een dier tochten hadden wij een ontmoeting, die ik destijds met korte trekken heb opgeschreven en nu in deze bladzijden meer uitgewerkt wil teruggeven.
Wellicht zou in de korte schets, die ik mijn lezers aanbied, de stof voor een roman te vinden zijn. Welnu! dat hij â of zij, die er roeping toe gevoelt, er partij van trekke.
Wij waren in de Palmdwarsstraat, waar we juist een uitgehongerde kleermakersfamilie bezochten en in klinkende munt een bewijs onzer tegenwoordigheid achterlieten.
âGod zegene de heeren!quot; riep de bleeke krombeenige kleermaker ons achterna; ik hoorde nog in het vertrek de teringachtige vrouw kuchen en met zwakke stem haastig iets zeggen. De deur vloog knarsend weer open en de scherpe, dunne stem van den man riep ons toe:
âMeheeren!quot;
âWel?quot; antwoordde een onzer van beneden.
âMeheer gaat uwé assieblieft ereis kijken in de gang hiernaast; heelemaal aan 't eind op de bovenste achtervliering van 't pakhuis daar wonen menschen. O! zoo arm! Mijn vrouw zegt, dat ze zeker in drie dagen niets anders gehad hebben dan aardappelschillen.quot;
âHe?quot;
57
âJawel, meheer! schillen, die zoekt het jongentje hier en daar op. â 't Waren vroeger knappe menschen, maar nou is 't schorem, erg schorem i) en ze houën nog een com-messaal ook!quot;
i) Bargocnsch voor zeer arm.
CESAR.
âWat blief je, een commensaal?quot; We konden nauwelijks ons lachen onderdrukken en een van de heeren vroeg: âMaar man, ben je wel wijs, â een commensaal?quot; '
âNou ja, vroeger was hij zooveel als een commensaal, maar nou heeft hij niets meer en ..
Daar ging plotseling naast ons de deur open van een der andere kamers, die op het portaaltje, waar wij stonden, uitkwamen. Een zindelijk geldeede vrouw, met een klein kind op den arm, knikte ons vriendelijk toe en zei met een blik naar boven:
âIk hoorde de heeren met Markus den kleermaker praten â 't is hier zoo gehoorig weet u! â en daarom ben ik zoo astrant er even bij te komen. Markus heeft gelijk, heeren; uwé mag er wel ereis naar toe gaan, want 't is zoo erg als 't kan, en ik heb van morgen mijn kleinen jongen er nog heengestuurd met een beetje warme melk en een stuk beschuit voor den ouwen roetmop. Hij is erg ziek, de stum-perd.quot;
Wij keken elkander min of meer verwonderd aan, want hoewel roet en mop alk op zichzelf goed Hollandsch zijn, was ons toch niet duidelijk wat de juffrouw met dat samengestelde woord bedoelde.
De kleermaker, die inmiddels de trap af was gekomen en nu ook bij ons stond, zei met een glimlach om zijn smalle lippen: âOch, juffrouw, de heeren weten niet wat je bedoelt.quot;
âDe roetmop, Markus? Weten de heeren niet wat dat is? Zoo noemen wij menschen een neger. Ze hebben allemaal van die mopneuzen, weet u! En dan zoo zwart als roet. O meheeren! 't is zoo'n leelijkerd; de kinderen uit de buurt waren eerst erg bang voor hem, later niet meer en .. . Maar gaat uwé zelf liever ereis kijken. â De heeren mogen wel een lichtje meenemen, want 't wordt al donker en ze zitten daar op 't vlierinkje, bij mekaar en hebben voor de kou het raampje dichtgestopt. 't Is onder de pannen... Nou! mijn hondje, wees dan maar zoet, â lach ereis tegen de oomes.quot; Het kleine kind namelijk trok een scheef gezicht en begon te schreeuwen, â't Schaap heeft het koud, hier in 't portaal. â Ja, hondje, m'n hartje! wees maar zoet. â Ik zal de heeren een eindje kaars geven; komt uwé hier even in, maar niet naar den boel kijken: ik heb de wasch gehad en drie kleintjes over den vloer, dan begrijpt u! â Goddank
5»
CESAR.
heb ik een knappen man en heeft hij werk. Wij hebben de bedeeling niet noodig. â Zoo, meneeren, neemt dat kaarsje maar mee. Als ik 't blakertje maar terugkrijg.quot;
De vriendelijke juffrouw gaf een onzer een blikken blakertje in de hand, en toen wij ons met een: âWel verplicht, juffrouwquot; verwijderen wilden, zei ze: âMarkus! loop jij even met de heeren mee, dan komen ze sekuur terecht.quot;
De kleermaker was dadelijk bereid en eenige oogenblikken later stonden we op straat, voor den ingang van het slop of de gang.
De avond begon reeds te vallen en tusschen de daken der huizen door zag men in de lucht de koude roode tint, die veelal, bij het scheiden van den dag, een nacht aankondigt, waarin het een baksteen dik vriezen zal. Dunne stukjes ijzel, of beter gezegd kleine ijskristalletjes, prikten nu en dan als met naalden onze huid: in één woord, 't was vinnig koud.
Het slop, waar we nu binnengingen, was zoo nauw, dat we, evenals de ganzen, achter elkander moesten loopen; Markus als gids vooruit.
Halverwege de gang sprongen de huizen ter rechterzijde iets in, zoodat op die plek een kleine ruimte was ontstaan. Een oude vrouw, met een kiespijndoek om 't hoofd en een gelapten schoudermantel om, keek ons over de bouwvallige onderdeur van een armzalig huisje met half geopenden mond aan en vroeg, zoodra ze Markus zag:
âBinnen dat de heeren van de centen, snijer?quot;
âJa! â Van de bedeeling!quot; schreeuwde de snijer terug, bijna in haar oor.
't Doove mensch deed een pas terug, opende haar deur en begon plotseling een massa woorden uit te lamenteeren â spreken was het niet; 't scheen wel alsof ze hetgeen zij zeide, als een lesje van buiten had geleerd, want zij haperde geen oogenblik en hield ook niet op, voor dat ze buiten adem was.
âO! meheeren,quot; begon zij, âde heeren moesten eens weten hoe benauwd ik het heb; weduwvrouw, meheeren, vroeger uit schoonmaken geweest, altijd knap en eerlijk; vraagt uwé ereis naar vrouw Klomp bij de fennilie Verstaal op de Keizersgracht; die kennen zeggen wie ik ben, maar door een ziektestof zoo hardhoorend geworden, weet u? En nou geen werk meer en m'n man dood; erg gesukkeld aan de
59
CESAR.
maag; de dokters en meesters wisten er geen raad mee, maar anders een gezond, sterk mensch altijd geweest, ja Goddank. Als de heeren eens wisten wat het is om zoo met kinderen gezegend te wezen; want die schapen lusten wat en dan geen vader, â en moeder hardhoorend. Ja 't is wat te zeggen, meheeren, ik ben ook niet sterk, veel last van zenuwen. Wat een wonder, als je zoo in de verdrukking bent. Ja, meheeren, en aangenomen ook, geeffermeerd weet u, mijn man was katterliek, maar de kinderen ook en allemaal geënt van de pokken in 't Gasthuis, van 't kalf â als de heeren mijn pampieren willen zien, zuivere waarheid.quot;
âWillen de heeren niet binnenkomen, geen stuk goed meer in huis ; kijkt uwé maar, alles weggebracht, meheer, om centjes te krijgen, alles bij oome Jan â en geen geld om te lossen. Zouden de heeren niet een beetje brand voor me kennen geven en dan wat dekking, 't is zoo koud 's nachts, en wat brood, â en van die kaartjes voor de loods 1) weet u, en dan...quot;
âWou jij ook alles hebben?quot; vroeg een van de commissieleden droog sarcastisch.
âAsseblief, heeren,quot; was 't leuke antwoord, want de vrouw had hem niet verstaan, maar begreep toch, dat haar een vraag werd gedaan, die in verband stond met haar relaas.
De kleermaker stond ongeduldig te trappelen en riep eindelijk vrij boos: âHou toch je mond en rammel zoo niet; jij krijgt toch niets, â je hebt al je goed verstopt.quot; En tot ons gewend, vervolgde hij: âZe heeft alles wat er nog knap uitzag onder haar bedstee gestopt, om dat 't er dan armoediger bij haar uit zou zien; maar ze heeft 't niet noodig, waarentig niet. Ze hokt met een kerel, een orgeldraaier, die goed centen verdient.quot;
Wij keerden ons lachend af.
âO! snijer, leelijke lappendief!quot; riep de doove vrouw hem woedend na, toen wij een pas of wat verder de gang-in de nauwe deur binnentraden, die tot het pakhuis toegang gaf.
6o
Er bestaan nog heden ten dage in ons gezegend Amsterdam huizen, die waarlijk niet beter waard zijn dan om voor afbraak te worden verkocht of te verbranden. Holen zonde;:
') SoepUaartjes.
CESAR.
licht of lucht, overblijfselen van pakhuizen of werkplaatsen van een vroegere eeuw. Verblijven, nog te slecht voor een dier, maar bewoond door menschen, en 't eigendom van huisjesmelkers, die uit een dergelijk pand een bloedige rente weten te trekken.
Zulk een huis traden we binnen. Een duffe, muffige, vieze lucht belemmerde onze ademhaling; de treden van de trap kraakten en splinterden onder onze voeten en 't was niet dan met moeite, dat wij onzen weg opwaarts vonden, zoo duister was het daar binnen.
Het onderstuk van het huisje was aan een kleinen koomenijs-baas uit de buurt verhuurd en bevatte allerlei ouden rommel, afgekeurde botervaatjes, gebroken olieflesschen, ledige fusten, half vergane zakken en kisten, rottende kaas enz. enz. Geen wonder dus, dat deze verzameling een ranzige, vuile, ongezonde lucht door de reten en naden der zoldering liet ontsnappen.
Hoe hooger wij kwamen, des te benauwender werd de dampkring om ons heen. Eindelijk, na misschien zestig of zeventig treden te zijn opgestommeld, riep onze gids: âWacht nou even, heeren, anders stoot je je hoofd.quot; Hij sloeg met de vuist tegen het vermolmde beschot en riep: âVrouw Dekker! Vrouw Dekker! doe 't luik eens open.quot;
Wij hadden intusschen onze kaars aangestoken en konden nu het terrein eens opnemen. â 't Was een zolderportaal. Vóór ons een deur met een kattengat er in, en stroo en hooi tusschen de reten uitkijkend.
Een soort van ladder naast ons voerde naar een luik.
âWat is er op dien zolder?quot; vroeg een der heeren.
âDaar bewaart de oud-roest uit de buurt oude beenderen, afval en vodden.quot;
âEn wat is hieronder?quot;
âDat zoldertje is ook verhuurd, maar aan een verver; die heeft er ook zoo wat rommel op.quot;
âEn op die vliering boven ons wonen menschen?quot;
âJa, meneer; de huisbaas kan haar niet voor bergplaats verhuren, omdat 't er veel te vochtig is: alles bederft er onder de pannen, en dus .. ..quot;
âHm!quot;
Intusschen was boven iets verschoven en hoorden wij een zwakke stem, die naar beneden vroeg: âWie is daar ?quot;
ÃI
CESA.R.
âGoed volk, vrouw Dekker! De heeren van de bedeeling.quot;
âAch God!quot; was alles wat er geantwoord werd.
We kwamen, zonder onze hoeden al te veel te hebben ge-stooten, op de vliering.
't Was bijna donker en de kaars deed dus goeden dienst.
De wind sloeg snerpend tusschen de dakpannen door, die hier en daar, van de voegende kalk beroofd, de rood-getinte avondlucht lieten doorschemeren. Oude lappen en vodden waren op de allerergste open plekken tusschen de pannen en de latten gestopt en bewogen voortdurend hun rafels heen en weer, als wilden zij zeggen: we helpen jou wel wat, maar we blijven toch goede vrienden met de kou.
Een paar gebroken stoelen zonder leuning en een tafeltje, dat aanleg tot vallen toonde, stonden of leunden tegen het schuine dak. Een ouderwetsch ijzeren ledekant, waaruit een stroomatras naar buiten keek, stond aan het eene, het meeste beschutte einde van de vliering. Op den grond aan het andere einde lagen twee kinderen, een jongen en een meisje van een jaar of tien, twaalf in elkanders armen te slapen; een stuk karpet en eenige onmogelijk te herkennen stukken goed, bedekten halverwege hun verkleumde lichamen.
Een test met vuur stond midden op den grond en een oud blikken keteltje er naast scheen te bewijzen, dat er iets warms om te drinken was gereedgemaakt.
Hoewel alles er doodarm en ellendig uitzag op die vliering, was het daar niet bepaald onzindelijk of vervuild. Niettegeinstaande geen stuk huisraad onbeschadigd was en trots den erbarmelijk slechten toestand van het verblijf, heerschte er nog een zekere ordelijkheid, al was het dan ook maar in de wijze, waarop een en ander geplaatst was.
âVrouw Dekker?quot; vroeg een van de heeren.
âJawel, meneer!quot; antwoordde met fatsoenlijk accent en op zachten toon de vrouw, die voor ons stond.
âWaarom heb je je niet aangemeld om onderstand?quot;
âIk wist niet waar, meneer!quot;
âHebben de buren je dan niet gezegd, dat..
âWel zeker, meneer,quot; viel de kleermaker plotseling in, âmaar 't mensch kan de deur niet uit om hem, den roetmop; hij lei te apegapen. â Hoe is het nou met hem?quot;
62
CESAR.
â't Zelfde, buurman.quot; En tot het bed op den achtergrond zich wendend, vroeg zij in zeer goed uitgesproken Engelsch: âYou are asleep, Cesar?quot; *)
âNot me sleep, me listen to what strangers sayquot; 1). âHij slaapt niet. â 't Is een neger, die bij mij inwoont; ik ken hem jaren, meneer!': â een glimlach kwam over het gelaat van de vrouw, terwijl zij vervolgde: â âik moest zeggen, dat hij bij mij heeft gewoond, toen ik 't beter had dan nu. â Sedert ik het ongeluk heb gehad mijn man te verliezen, is het mij zoo slecht gegaan. Ik heb gedaan wat ik kon; mijn best, om voor mijn kinderen brood te verdienen, maar ik ben in alles ongelukkig geweest. Bedrogen en misleid door allerlei menschen, heb ik alles verteerd wat ik had en nu zit ik al ruim twee maanden hier op deze vliering, en nog uit genade en barmhartigheid, want in de laatste veertien dagen heb ik geen huur betaald.quot;
â't Is om wanhopend te worden, vooral als 't je schuld niet is;quot; ,de vrouw begon bitter te schreien.
âDon't cry, my honey! Me sad enough!quot; 2) klonk het zwak, maar met een diep geluid uit het bed.
Wij naderen de legerstede met het licht in de hand. âPray! shut off the light,quot; 3) vroeg de diepe stem, en een holle kuch volgde op de woorden.
Voor zoover het flauwe licht het toeliet, zagen we in het bed een zwarte gedaante liggen, â huiverend tusschen een rafelende deken en eenige afgedragen kleedingstukken.
Het eenige kussen, dat er was, had een verschoten, meermalen gelapt, gestreept overtrek. Met een doek op het voorhoofd lag daar een zwart gelaat, met groote ronde starende oogen, voor ons. Het dikke kroeshaar was hier en daar reeds grijs geworden en eenige bijna witte haren aan kin en wangen bewezen ons, dat de neger, die daar voor ons lag te hijgen en te steunen, de grootste helft van zijn levensbaan had afgelegd.
Nogmaals, toen de stralen van 't kaarslicht toevallig in zijn oogen vielen, vroeg hij zacht:
63
1
Neen, ik luister naar 't geen die vreemden zeggen.
2
) Schrei niet, beste! Ik ben al bedroefd genoeg.
3
*) Doe asjeblieft 't licht weg.
CESAR.
âDon't â Pray! candle hurts me, sah!quot; 1)
Een onzer, die 't Engelsch goed machtig was, boog zich over den kranke en vroeg medelijdend: âYou are very ill, I believe. How do you feel?quot;
âVery poorly, thankee! Oh! Cesar kan spreek taal van joe; ollandsch â mij sterven zal gauw. Sir! Cesar gelukkig.
â Yes, gaan naar the golden shore 2). O! Kijk â kijk!
â Kleine joey is veriangende voor mij. Zie, Massa. Zie! daar hij weer is op the golden stairs! 3) O, lieve kind!quot; Eensklaps richtte de neger zich op en strekte de handen voor zich uit; zijn oogen, in de hoekjes bloedig rood, waren wijd geopend, de donkere pupillen staarden naar één punt achter in den hoek van het dak en de breede borst zwoegde.
We konden hem nu beter zien; 't was een groote, breed gebouwde gestalte, half opgericht in 't bed. De gespierde bloote armen staken uit de omgeslagen mouwen van een rood zeemansflanel en plotseling schudde hij zijn vuisten woedend heen en weer, terwijl hij met de witte tanden blikkerde, evenals een getergde hond.
âO! bloody beast ââ damn'd, I can 't get him!quot; 4) mompelde hij en viel met een zucht achterover op zijn armzalig leger.
Wij zagen elkander zwijgend aan en onwillekeurig, instinctmatig gingen wij een weinig achteruit. Ik gevoelde het: daar op die vliering zag ik het laatste bedrijf van een zonderling levensdrama, des te raadselachtiger, omdat de handelende personen zoozeer verschillend waren.
Die bleeke vrouw, fatsoenlijk en bedaard in haar spreken; de onmiskenbare sporen dragende dat zij niet tot het plebs behoorde, â die twee kinderen, rustig slapende op hun strooleger, â en een zoon der woestijn, een kind van Afrika, bijna stervend, bij hen, op een vliering in de Palmdwarsstraat te Amsterdam!
Vreemdsoortiger samenstelling is bijna niet denkbaar.
âZoo is hij nu al sedert een dag of drie: hij ijlt en spreekt
64
1
*) Niet doen! â 't licht van de kaars doet mij zoo zeer!
2
) 't Betere land.
3
) Gouden trappen (die volgens 't begrip der negers naar hun hemel voeren.)
4
) O, ellendeling! Verdoemd! ik kan hem niet krijgen.
CESAR.
wartaal, en ga ik een oogenblik weg, dan roept hij dadelijk om mij, â dan is het dadelijk: âMammy, where are you?quot; ') Een flauw lachje speelde om vrouw Dekkers lippen, toen zij verklarend er bijvoegde: âDat komt nog van vroeger, weet u, toen noemde hij mij altijd uit gekheid mammy, dat wil zeggen moedertje.quot;
âYes, Mammy! good Mammy!quot; murmelde de zieke. Wij verleenden de noodige hulp, en toen in den eersten nood was voorzien geworden, â â⢠de kleermaker, dit zij hem ter eere gezegd, bewees ons geen geringe diensten daarbij, â hadden wij door de hulp van eenige weldadige vrienden het genoegen, vröuw Dekker met haar gezin tamelijk goed verzorgd te zien. De neger Cesar was naar het gasthuis gebracht, en terwijl hij daar verpleegd werd, vernam ik wat en wie hij was.
II.
In het jaar 1832 zette een slavenschip koers van de kust van Loango naar Noord-Amerika. De eigenaar van het schip, een Cubaan, had rum, brandewijn, snuisterijen, oude soldatenuniformen en kralen voordeelig ingeruild tegen arme, ongelukkige negers en stevende nu met zijn levende, zwarte lading noordwestwaarts op, naar de golf van Mexico.
't Waren voornamelijk krijgsgevangenen, die door den koning van Undumba naar de kust waren gevoerd om daar te worden verhandeld. Onder hen bevond zich een neger van reusachtige gestalte, breedgeschouderd en met een, voor een zwarte, zeer regelmatig gelaat, 't Was Quampanissa, een gevangengenomen negervorst, die met zijn zoon, een knaap van ongeveer vijftien jaren, door Undumba's koning aan den Cubaan als slaaf was verkocht.
In 't hol van 't zwaar beladen schip, waar nauwelijks lucht genoeg was om zooveel longen adem te geven, hurkte in een hoek Quampanissa. Zijn met bloed beloopen oogen staarden strak voor zich uit, nu en dan krulden zich zijn neusvleugels op en kwam er een trotsche trek, maar tevens een diep zwaarmoedige uitdrukking over zijn gelaat.
1) Moedertje! waar ben je?
5
CESAR.
Kiama, zijn zoon, hurkte naast hem en leunde met het hoofd tegen zijn schouder; de jongen was ziek door de vunze, bedorven lucht in 't schip. Een akelige stilte heerschte in dat scheepshol; slechts nu en dan werd zij verbroken door den smartelijken kreet van een of ander der slaven, die moeite deed om op te staan of zijn pijnlijke ledematen van houding te doen veranderen.
In een slavenhaler werden destijds de zwarten onbarmhartig op en door elkander gestuwd, zoodat de ongelukkigen dagen en weken gedwongen waren, om in bijna dezelfde houding te blijven liggen en nauwelijks ruimte vonden om zich te bewegen.
âIs Kiama ziek ?quot; vroeg Quampanissa in zijn landtaal, en, niettegenstaande het zonderlinge keelgeluid aan zijn ras eigen, klonk zijn stem teeder en zacht.
âKiama's hart is zwaar,quot; antwoordde de knaap en een zucht vergezelde zijn woorden, -â âKiama wil sterven.quot;
De onttroonde negerkoning zag zijn zoon aan, greep met de hand in diens kroezig haar en zei langzaam: âQuampanissa kan geen slaaf zijn, hij zal niet meer den mond open doen om te eten, maar zijn zoon is te jong voor den dood.quot;
En de knaap antwoordde alleen; âWaar gij gaat, ga ook ik!quot; Zwijgend wezen beiden het eten terug, dat men hun bracht. Ze hielden vol en roerden geen bete er van aan. 't Was wel een karig rantsoen wat men hun gaf, maar toch genoeg om van te leven. Zij wezen het standvastig terug, en terwijl de overige slaven bewonderend naar hen zagen, werd het voedsel, dat Quampanissa en Kiama weigerden, haastig door hen verslonden; zij waren niet zoo moedig en... . hadden honger.
't Duurde een drietal dagen eer het voorval den kapitein ter oore kwam, en 't was geen wonder, dat deze, het karakter der negers kennende, de vrees koesterde, dat hij, zoo niet twee, dan toch minstens één stuk van zijn koopwaar zou verliezen.
âPounnietta !quot; vloekte hij, âze zullen eten.'
Hij liet de twee negers aan dek brengen en sprak hen in 't Engelsch aan. Zij verstonden hem niet en de enkele woorden, die hij van hun taal kende, hielpen hem weinig; ze wilden hem niet begrijpen en daarom maakte hij korte wetten en liet zijn: âTy him up!quot; hooren.
66
CESAR.
âTy him upquot; was voor hen, die 't verstonden, 't vreese-iijkste bevel wat zij konden vernemen; het beduidde zooveel als: Bind hem aan den mast en sla met de zweep wat ge slaan kunt, â ten bloede toe.
Met wreedaardige vreugd, â ze hadden op die reis nog geen âty him upquot; gehoord, â grepen eenige matrozen Quam-panissa aan, en toen hij tegenstand bood, werd hij overweldigd, aan de gebonden handen opgeheschen en aan den mast ^vastgesjord.
âViva Dios! Give it him; I shall make him eat.'quot; 1) schreeuwde â¢de slavenhaler en 't hagelde zweepslagen op des negers rug en lenden. Kiama, vastgehouden door een paar sterke varensgasten, zag hoe zijn vader bij iederen zweepslag den rug kromde, maar hij hoorde hem geen enkelen kreet uiten; hij .zag hoe de pezen en aderen op zijn armen en hals opzwollen door de inspanning, waarmede hij zich in de touwen heen en weder wrong. Hij zag, hoe bij iederen slag het bloed door â¢de huid drong en eindelijk in dikke droppels langzaam naar â¢beneden in zijn heupdoek vloeide.
âZul je eten, zwart beest!quot; schreeuwde de Cubaan zijn â slachtoffer toe; maar Quampanissa bleef zwijgen en zag hem honend aan, terwijl hij het hoofd schudde. De kapitein, woedend door dit stoïcisme, liet nogmaals zijn Viva Dios! hooren en beval daarna: âBind den jongen ook aan den mast!quot;
Een oogenblik later was de knaap evenzoo gebonden en moest Quampanissa zien, hoe voor zijn oogen zijn kind dezelfde marteling zou ondergaan.
De jongen riep zijn vader in hun taal toe en keek met doodsangst naar den kapitein, die, met over elkander geslagen armen, bedaard tegen de verschansing leunde.
67
Daar siste de eerste zweepslag door de lucht en liet een bloedige striem op den rug van den knaap achter. Een luide, scherpe gil ontsnapte hem, en de vreeselijke pijn deed hem inkrimpen. Die gil, hartverscheurend en rauw, trof Quampanissa erger dan het buffelleder van de zweep; zijn tanden knarsten op elkander en nogmaals wrong hij zijn ledematen met de kracht der wanhoop in zijn banden. Eensklaps schoten een
Bij God! Sla er op, 'k zal hem leeren eten!
CESAR.
paar touwen los en raakte hij, hoewel nog met gebonden handen, vrij van den mast.
In één seconde had hij zich, met een woesten kreet van vreugde, als een tijger op den kapitein geworpen. Door het gewicht van zijn herculisch lichaam hield hij hem neer en met de gebonden- handen drukte hij zijn keel dicht. Kiama's pijnigers sloegen niet meer, maar schoten toe om hun meester, die toevallig ongewapend bleek, te ontzetten. De aanval van den zwarte was zoo hevig en woest, dat de kapitein een oogen-blik zijn bezinning verloor.
Als een verscheurend dier zijn prooi, zoo hield de neger met tanden en nagels den Cubaan vast, en niet dan met groote moeite gelukte het den toegeschoten matrozen, hun meester levend uit dien ijzeren greep te verlossen. Een hevige slag met een handspaak had Quampanissa's achterhoofd getroffen en bewusteloos lag hij een pas of wat van Kiama af, die onmachtig om zijn vader te helpen, zich in vruchtelooze woede en angst heen en weer wrong in de knellende koorden.
De gezagvoerder had er 't leven afgebracht, maar een stuk uit zijn wang en een gedeelte van zijn linker oor waren door den woedenden neger afgebeten.
Brullend van woede en pijn schreeuwde de kapitein, nauw-lijks weer ademhalend:
âHang hem op! Hang hem op!quot; â 't Was niet meer noodig: de handspaak had Quampanissa's hersenpan verbrijzeld, hij was reeds dood. â
âSla er op! Ransel den jongen! â Vervloekt beest! mij mijn oor af te bijten.quot;
Een oogenblik later gilde Kiama opnieuw, maar toen hij het lijk van zijn vader zag, dat roerloos aan zijn voeten lag, sloot hij de tanden vast opeen en geen geluid kwam meer over zijn lippen, totdat hij zonder bewustzijn ineenzakte.
Toen hij weer bijkwam, lag hij evenals te voren in 't vunzig scheepshol bij de andere slaven, en niemand bekommerde zich om hem, niemand vroeg hem naar zijn vader; ieder had genoeg aan zijn eigen leed en ellende.
Van dat oogenblik af zag de knaap steeds het beeld van zijn vader vóór zich en hoorde hij in gedachten weer dien ' wilden kreet, waarmede Quampanissa zich op den kapitein had geworpen, en één gedachte overheerschte hem geheel
68
CESAR.
en al: wraak! Wreken zou hij zich; het bloed van den Cubaan moest hij aan zijn handen voelen kleven; hij wilde het zien vloeien evenals dat van zijn vader; en toch.... niets van dat alles gebeurde. Kiama was meer dood dan levend : zijn jeugdig lichaam kon zooveel ellende nog niet doorstaan.
Uitgeput en afgemat van pijn en ontbering, geleek hij eerder een geraamte dan een mensch, toen het schip zijn bestemming bereikte. Voor een kleinigheid werd hij aan een planter overgedaan en kwam met andere lotgenooten op diens bezittingen in Tenessee.
III.
âOch massa! mij nooit kon vergeten dat dag,quot; zei Cesar, toen hij mij in gebroken Engelsch en Hollandsch zijn levensloop mededeelde.
Hij was in 't Gasthuis en onder de herstellende zieken waarlijk een rara avis, want hij bemoeide zich met niemand, sprak zoo min mogelijk en was met alles tevreden, De oogen van den zwarte vonkelden en zijn dikke lippen krulden zich evenals zijn neusvleugels op, toen hij van dien vreese-lijken dag uit zijn jeugd vertelde; maar terwijl hij zijn verhaal vervolgde, hernam zijn blik de gewone zwaarmoedige uitdrukking.
âWell! mij zeg: jong negro nooit vroolijk, als hij slaaf. Mij ook niet gelukkig; altijd denken aan armen vader â maar langzaam mij rustig worden. Toch niets aan te doen massa! â Mij denk: wachten. Tijd zal kom, Kiama wreek zichzelf sah!
âOp plantation van massa Brooly gebracht, mij groei op. Van kleine nigger, groote negro, met kracht heel veel â geluk heel klein. Massa Brooly goed man, heel goed man; mij houden groot van hem, van vrouw van hem en van miss Magie, dochter van massa, mij heel groot houden; groot veel, yes! So goed for nigger, so goed, eh!
âNou mistress Brooly en familie was godsdienstmenschen ; zij zeggen: Kiama heiden â moet hem Christen doopen.
âMij zeggen: ga jij maar gang van jou â mij te jong te begrijp. Zij mij doopen en zeggen: Nou jij Cesar heet. Mooie naam, eh!
69
CESAR.
âJij denken, mij verdrietig daarvan? â Oh, no! Beter te vergeet, dat mij éénmaal was Kiama.quot;
Terwijl hij dit laatste zei, omfloersde zich zijn blik; maar toen ik hem vroeg: âDus je bent Christen, Cesar?quot; richtte hij de oogen wijd geopend en met een vreemde schittering er in, op mij, terwijl hij haastig antwoordde: âOh no!â Nooit!
âAis mij was groote nigger, so bijna twintig jaar, zij maken mij leer van die Gospel (Evangelie). Onzin! for mij.
âZendeling mij vertel, dominee mij vertel. Cesar luisteren; niet begrijpen. Zij zeggen: God is goed, God barmhartig Cesar zeg; Onzin â Christengod niet is goed voor arme neger. Oh, no! â Zij vertellen: hij goed voor Christians. â Niet waar! Want Christian-slaaf wordt net zooveel geslaag als heidenslaaf.quot;
âMaar je was toch gedoopt, Cesar,quot; zei ik glimlachend om zijn zonderlinge, maar niet onlogische redeneering.
âO, ja â of course 1) mij was, maar nooit mijzelf voel Christen. Missionary vertel mij: alle menschen goede vrienden, als zij kom in Kemel; geen verschil tusschen zwart en wit mensch.
âMij lach and zeg: Cesar not zoo gek to geloof dat. Hier op Plantation verschil; in Hemel zal wel wezen 't zelfde. En als mij sterf, mij wil kom in mijn eigen Hemel, waar mij zal zijn weer Kiama, â niet langer Cesar, de slaaf.
âSah! ouwe missionary vertel: mij groot zondaar ben en mij alleen kan worden zalig door bloed van dien Zoon van God, hij noem hem Jezus. Vreemde naam, eh? Mij zeg tot dominee: onzin! Cesar niet kennen Jezus de maakzalig; niet kennen God van jou; niet kennen dat bloed. Zij noemen dat: dierbaar bloed. â Oh, sah! dat bloed van armen vader van mijn ââ dat was dierbaar for mij. Eh ? Mij zeg: Dominee schei maar uit: ik zal wel maakzalig mijzelf.
âMassa Brooly was goed man; hij zeggen: Laat Cesar met rust, maar missionary begint altijd van voren af over nieuw.
âMij worden boos, kwaad, als dominee mij vertel, Bible zeg; vergeef vijand van jou. Oh no! Kiama nooit vergeef captain, die doodsloeg armen vader Quampanissa.
7°
âToen hij. Missionary heel boos, als mij zeg; wat is Bible ?
^ Natuurlijk!
CESAR.
Goed for jou, niet for mij. Jij heel knap man, weten heel veel, maar Fetish 1) van mij is juist zoo knap als jou, en Fetish vertel: maak jij dood jouw vijand, anders hij kapot maak jou.
âToen dominee so kwaad, oh! so kwaad. Schelde op mij en zeggen: Jij gaan naar de Hel, nadat jij dood.
âMij lachen. Oh, massa! mij houdt vast mijn buik van veel lachen, om boosheid van hem en mij zeg: Ga jou zelf in jouw Hel â mij geen gebruik er van maken, dank jou. â Mij gaan naar the golden shore 2), waar mij vinden zal arme goeie vader van mij en kleine zuster Kokowina, die dïmbed the golden stairs 3) als zij was kleine picannini 4).
âMij lachen so groot en lang en zendeling gaan weg en nooit spreken met mij opnieuw. Ha! Ha! Ha!quot; Hij lachte smakelijk.
âMaar, Gesar,quot; dacht ik te moeten opmerken, âdie zendeling meende het toch goed met je, en velen van de overige slaven zullen er toch anders over hebben gedacht en.....quot;
âMag zijn, massa,quot; antwoordde hij haastig, âmaar veel van die slaaf zeggen: Yes! mij gelooven in jouw God, maar zij denk: als mij zeg zóó, van de God en de Jezus en die geloof, mij zal krijg beter hut en beter kleed aan die lijf. â Gesar kon niet schelen dat.
âMij niet vrij ben, mij slaaf ben, voor mijn werk en dat lichaam van mij; maar hierquot; â hij wees op zijn hoofd â âhier! mij zoo vrij ben als dominee of missionary hem zelf. â Gesar denken zal wat hij wil â niet wat dominee wil.'
Tegen dit argument viel niet veel te zeggen. Gesar scheen niet dom, en hoe eenvoudig zijn redeneeringen ook waren, ik zag er geen kans toe die te weerleggen. Nu en dan moest ik lachen om de allerzonderlingste wijze, waarop hij de Engel-sche en de Hollandsche taal door elkander haspelde, 't Was soms vermoeiend om aan te hooren. Derhalve geef ik zijn verhaal slechts dan in die vreemd gekleurde taal terug, wanneer de noodzakelijkheid en het eigenaardige van de omstandigheden het gebieden.
Hij verhaalde mij verder, dat hij het op Mr. Brooly's
71
1
ï) Afrikaansche Priester.
2
) 't Betere land, ('t gouden strand.)
3
) Sterven.
4
) Klein kind.
CESAR.
plantage in Tenessee niet kwaad had. Als jongen van zestien jaren was hij er gekomen en werd, na aanvankelijk verschillende werkzaamheden en huisdiensten te hebben verricht, bij den smid der plantage als helper geplaatst.
Op een plantage heeft een smid altijd veel te doen met het herstellen van ploegen en wagens, gereedschappen en zoo voort.
Bovendien geniet âthe blacksmithquot; een zeker aanzien en wordt door de overige slaven met eenige onderscheiding behandeld; ten eerste omdat hij meestal een afzonderlijke en betere woning heeft in de nabijheid van het heerenhuis, en ten tweede omdat voor de betrekking van smid gewoonlijk de krachtigsten onder de negers worden uitgekozen. Lichamelijke kracht boezemde en boezemt nog altijd aan de zwarte rassen eerbied in.
Gedurende eenige jaren deed Cesar kalm en rustig zijn plicht en, zooals hij zelf zeide: âmij was niet ongelukkig.quot; Mr. Brooly mocht hem gaarne lijden en trok hem, in veel dingen, voor bij de anderen, die, met enkele uitzonderingen, op die voorkeur niet jaloersch waren, omdat iedereen op de plantage Cesar gaarne zag : want hij was vriendelijk, gedienstig en goedhartig.
âMij was een groot, sterk, knap vent!quot; zei Cesar en lachte, toen hij mij verhaalde, dat er in het heerenhuis een jonge mulattin was, waarop hij een oogje had geslagen.
Milly, een lang niet onknap, kroesharig mulattenkind, diende als huismeid bij miss Maggie Brooly en scheen telkens iets te breken of te bederven, al was 't ook van ijzer; want herhaaldelijk kwam zij in het huisje van den smid, om zijn hulp voor een of ander in te roepen, en wachtte, de warmte der smidse trotseerend, totdat Cesar haar, zijn witte tanden toonend, lachend toeriep: âAU right! missie Lilly. Take it home and be good on mequot; 1) terwijl hij haar het herstelde voorwerp toereikte.
72
âWell sah!quot; (sah! was Cesars geliefkoosde uitroep) zei hij, âMij was een sterk, knap vent en heel veel, dikwijls mij kwam in de groote huis om te zien Lilly. O! massa, zij was so mooi, so lief! Vriendelijke oog â kleine neus, niet half
1
) In orde! juffrouw Lilly. Noem het maar mee naar huis en wees Hef tegen me.
CESAR.
zoo dik als neus van mijn. Oh! mij groot verliefd op mooie mulatto-meid. En zij verliefd met mijn net zoo goed. Lilly dol op Cesar 1
âMiss Maggie, een dag, zag Cesar zoen geven aan Lilly. Oh so zij kus mij; pure honing voor mij; zij so rond and so zachte vel. My kus her iedere maal 'twas possible. â Oh mij veel, groot veel, houd van zoenen
âWel, Cesar! zeg toen miss Maggie: Heb jij noodig een vrouw? Yes, missis; mij dol van Lilly, en als miss Maggie vraag aan Lilly hoe jij denkt van smid, en Lilly begon te lach en zeggen: mij hou van Cesar. Toen kom massa Brooly en was veel vriendelijk.
âDe ouwe smid van plantation sterf. Well! hij was genoeg oud â mij nooit hebben gehoord van missionary of zijn ziel is gekomen in Hemel; komt ook niets op aan. â Toen massa Brooly maakt mij smid op plantation en laat mij trouwen Lilly.
âWij waren getrouwd, oh massa! Lilly was de beste kleine wijf van de wereld. Yes! dat klein lief vrouw is geweest schijn van de zon in mijn leven. Cesar was gelukkig man dat tijd, mij bijna vergeet mijn arme vader Quampanissa. Oh, sah! Cesar zoo gelukkig, dat hij bijna zou hebben kan vergeef dat Cubaan. â Sah! dat is te zeg, als mij had geweest Christen. â Not nou, nooit!quot;
â âWat bedoel je daarmee, Cesar?quot; vroeg ik, want zijn laatsten uitroep had ik hem gaarne hooren toelichten. â âKomt niet op aan, massa,quot; antwoordde hij. âLater ik heb hem gehad te pakken!quot; â Des negers gelaat nam een geheel en al sombere uitdrukking aan bij die woorden en tusschen de tanden mompelde hij iets, wat ik niet verstond. Zijn trekken kwamen echter spoedig weer in de gewone plooi terug, toen hij mij verhaalde, hoe hij met Lilly drie jaren op de plantage had geleefd eer zij moeder werd, en eindelijk lachte hij bij de herinnering aan die dagen van geluk.
âWij wachtten heel lang, hoor! maar dan, wij had kleine mooie tweeling, so fijn, so mooi, so lief; wij noem hen Joey en Tommy. Yes, massa! toen Cesar was nog eenmaal gelukkig man. Maar oh! voor neger geluk is nooit lang; maar drie jaar, so kort en dan. . . Oh! â Maar mij zal eerst vertel, hoe gebeurd is.quot;
73
CESAR.
IV.
Gedurende drie jaren scheen het bijna alsof het geluk Cesar begunstigde; zijn tweelingen groeiden voorspoedig op, en als hij ze in het gras zag stoeien, terwijl hij met den hamer in de hand in de deur der smederij een oogenblik poosde, dan gevoelde hij zich waarlijk niet ongelukkig.
Daar gebeurde echter op de plantage iets, dat een ge-heelen omkeer in alle zaken teweegbracht. Mr. Brooly kwam plotseling te sterven, en korten tijd na zijn dood kwamen al zijn bezittingen onder den hamer. De plantage en de slaven werden verkocht en het eigendom van Ignaz Paraizo, een Mexicaan, die dadelijk zijn nieuwe bezittingen kwam aanvaarden.
Het afscheid van mistress Brooly en Miss Maggie van haar onderhoorigen was aandoenlijk, want Cesar verhaalde: âGoed missus en missie Maggie gaan weg. Oh! wij all zoo bedroefd. Alles was huilen en verdriet op plantation, huilen zooveel en kus die hand van missie; zij gaan weg â â⢠vervveg. Groot jammer, want nieuwe massa, niet goed; trotsche man; hij zeggen: neger is hond, niet mensch, sah!quot;
De nieuwe eigenaar was een wreed, geldzuchtig man, die noch hart, noch medegevoel voor zijn onderhoorigen had. Hij liet de slaven dubbel zoo hard werken als ze vroeger gewend waren en strafte het kleinste vergrijp met wreedaardige gestrengheid. Hij haatte al wat neger was en scheen er vermaak in te vinden om elke kleine onregelmatigheid op te merken en nooit of nimmer iets door de vingers te zien.
Onder meer veranderingen en âimprovements,quot; zooals hij het noemde, had hij een vierkant steenen huis laten bou wen, dat de negers in hun jargon âde Calaboosequot; noemden. Het was een soort van gevangenis, waarin de slaaf of de s'.avin, die iets misdreven had, bij water en brood werd opgesloten, totdat hun meester beslist had, welke dracht slagen zij zouden ontvangen.
âMij maken de slot voor de deur van de Calaboose,quot; zei Cesar, en hij voegde er bij: âheel zwaar, sterk, eh!quot; 't Was natuurlijk, dat door al deze veranderingen op de plantage, onder de negers, groote ontevredenheid en opgewondenheid
74
CESAR.
heerschte; en zeker ware het tot een opstand gekomen, wanneer de weerlooze slaven niet voortdurend in angst waren geweest voor de opzichters, die, tot de tanden gewapend, dreigden den eersten den besten, die het wagen dorst hand of vinger uit te steken, te zullen neerschieten als een dollen hond.
Lilly, Cesars vrouw, was in haar betrekking als huismeid bij de vrouw van den Mexicaan overgegaan en scheen het met haar nieuwe meesteres, die, zachter van inborst dan haar echtgenoot, de mulattin in waarde hield, goed te kunnen vinden, totdat er iets gebeurde, waardoor de verdere levensloop van Cesar bepaald werd.
Cesars gelaat teekende groote droefheid, toen hij vertelde: âDaar kwam de ongeluk, mij was misschien te veel gelukkig. Kleine Joey word ziek, oh massa, so ziek! arm kleine kind, maar drie jaar oud. Lilly was te werken voor de missus, mij in de smederij. Zoo mij gaan te zien de kleine kind, ieder moment, in mijn hut, maar kleine Joey altijd meer ziek dag bij dag; â Tommy zijn broer krabbel over de vloer naar de bed en leg kleine hand op Joey's gezicht en zeggen, so als picanini spreek; arm kleine Joey! Oh, massa, mij zoo bedroefd, 't was so hard voor mij.quot;
Op een avond kort vóór zonsondergang stond Cesar de smid met het zieke kind voor de deur van zijn woning. Hij liefkoosde den kleinen Joey, terwijl hij met bijna moederlijke teederheid het knaapje in zijn armen wiegde. Hij was moede en afgemat, want niettegenstaande hij met zijn vrouw den geheelen nacht bij 't steunende en kermende kind was opgebleven, had hij zijn dagwerk, 't was zwaar geweest, gedaan en ging nu, bijna zeker, een slapeloozen nacht te gemoet. Hij wachtte op Lilly, die spoedig van het huis moest terugkomen en suste den kleinen zieke, terwijl hij Tommy, die aan zijn voeten in 't zand speelde, bezighield.
Een luid gejoel, dat van den kant van 't huis kwam, deed hem opzien. Daar naderde een negerin met haastigen tred en riep hem toe; âCesar! Cesar! ze brengen Lilly weg!quot;
Een hevige schrik voer den neger door de leden, toen hij vroeg: âLilly? Waarom? Waarheen?quot;
âNaar de Calaboose!quot;
âEn waarom?quot;
75
CESAR.
âEr is iets verloren of gestolen in het huis, en ze zeggeh, aat zij het gedaan heeft.quot;
âDat is onmogelijk! â Hier! hou :t kind een oogenblik vast; dan zal ik zien, wat er aan de hand is. â Houd hem goed vast, hij is erg ziek; voorzichtig!quot;
De negerin nam den kleinen Joey en keek Cesar hoofdschuddend na, terwijl hij zich verwijderde. Bij het huis gekomen zag hij zijn meester en een der opzichters, die Lilly ieder bij een arm hielden. Mistress Paraizo stond voor de deur, met haar zakdoek voor de oogen.
âWat is er gebeurd ?quot; vroeg Cesar, terwijl hij zich vlak voor zijn meester plaatste.
âUit den weg!quot; schreeuwde de opzichter; âze heeft een gouden armband gestolen en ze wil niet bekennen.quot;
âNeen! neen!quot; riep mistress Paraizo. âze heefthetniet gedaan; ik geloof het niet, Ignaz! laat haar los, wat ik je bidden mag.quot;
âGekheid! ze heeft het wel gedaan; we zullen haar een dag of wat opbergen en daarna eens een kwispeling geven, dan zal ze zich wel herinneren waar het ding is,quot; en terwijl hij Lilly een duw vooruit gaf, herhaalde hij tot Cesar, die nog steeds voor hem stond: âUit den weg, zwarte hond!quot;
De oogen van den slaaf begonnen te vonkelen, en in plaats van te gehoorzamen richtte hij zich in zijn volle lengte op en zei.... Doch laat hij dit zelf vertellen.
âO, massa! mij zeg: zet niet Lilly in de Calaboose, â zij niet gestolen heeft. Oh, no ! zij te goed voor dat. â Zij zoo lange jaar bij missie Maggie, en nooit steel. Oh! laat haar vrij. Kleine Joey van ons is zoo erge ziek in hut van mijn, hij hebben noodig moeders zorg. Dat armband worden gevonden in de huis ergens. Zal weerom kom, zeker! â Mijn arme Lilly geen dief. Oh no!quot;
âUit den weg!quot; zeg de opziener en geef mij zweepslag over mijn gezicht en zij brengen weg Lilly. Oh, massa! als mij niet had gehad angst so groot for lieve Lilly mij had aangevlogen dat man.
âNou, zij zetten in de Calaboose kleine vrouw; mij bijt mijn tand op elkaar en vraag missus Paraizo : Och, mij bid u, zeg massa hij laten vrij Lilly. Missus was goed mensch, groot bedroefd, maar niets aan te doen. Als mij zien, niets kan help, mij gaan naar huis en voel de striem om mijn voorhoofd so brand, so steken.
76
CESAR.
âMaar oh, massa! oh massa! als mij komen in mijn hut, mijn kleine Joey was heengegaan â⢠dood. De vrouw, die had de kindje, houdt alleen een kleine lijk in den arm; â arme kleine Baby! Mij niet voelen meer de striemen van die zweep â mijn hart doet veel meer groot pijn. Mij zoo bedroefd, oh !
âGa naar huis 1quot; mij zeg en laat alleen mij met dood kleine kind. De negerin huil en schreeuw over mijn Joey. Zij maken wakker Tommy, en kleine jongen vraag. Daddy') waar is Joey?quot;
âToen mijn hart werd so week, massa! mij kon niet helpen â moest ook huilen, massa I Oh I 't was te veel groot verdriet.quot;
Bij die herinnering schoten Cesars oogen weer vol tranen en hij had moeite om zijn zelfbeheersching te bewaren. In dat zwarte lichaam woonde een zacht gestemde ziel, een goed hart en fijner gevoel dan in menig blanke; â dit bleek, toen hij vervolgde:
âAls mij had huilen genoeg, mij denken: Is niet goed te huilen, so lang over de kind, nou hij is vrij en worden groot in de golden fields. Beter voor hem, dan slaaf!quot;
Ik gevoelde diep medelijden met den man, die daar voor mij zat, nauwelijks hersteld en nog zwak, want terwijl hij vertelde, wischte hij met een zakdoek herhaaldelijk zijn voorhoofd af, als kostte het verhalen hem groote inspanning.
't Was reeds lang na middernacht, toen Cesar het doode kind, in een doek gewikkeld, op de bank in zijn hut neerlegde. Hij had een oogenblik van te voren in de smederij een hamer en beitel opgezocht en eenige kleine voorwerpen, die voor hem of voor zijn vrouw waarde hadden, bij zich gestoken.
Plotseling was in zijn brein de gedachte opgekomen: âJe hebt zelf het slot van de deur der Calaboose gemaakt!quot; en dadelijk daarop was zijn plan gereed.
77
In het duister van den nacht sloop hij zijn huisje uit; den kleinen Tommy had hij slapend in een wollen doek gebonden en met het kind in zijn armen ging hij omzichtig voort.
3) Daddy = vadertje.
CESAR.
Hij naderde de gevangenis; donker teekende zich het gebouw tegen den hemel af, en toen hij voor de deur stond, hield hij zich een oogenblik doodstil, om te luisteren of iemand hem misschien had opgemerkt. Alles was rustig om hem; de nacht was kil, hij huiverde en drukte het kind in den doek vaster tegen zijn borst. Voorzichtig plaatste hij den beitel tegen het slot. Het kind belemmerde zijn bewegingen, hij lei 't een oogenblik neer, greep zijn hamer en met drie of vier krachtige slagen â hij wist juist, waar hij treflen moest â deed hij 't slot openspringen.
Nogmaals luisterde hij, ditmaal langer dan te voren, of men de hamerslagen ook in den omtrek had gehoord; alles bleef doodstil. Nu opende hij behoedzaam de deur en een oogenblik daarna sloot hij Lilly in zijn armen.
âNeem het kind, gauw!quot; fluisterde hij, terwijl hij haar Tommy toereikte.
Werktuiglijk greep de vrouw naar den kleine, maar toen zij hem aan haar borst drukte, vroeg zij haastig: âEn de andere?quot; Een ondeelbaar kort oogenblik zweeg hij, en't hart klopte hem in de keel; hij moest diep ademhalen, voor hij antwoorden kon: âHeengegaan â dood!quot;
De arme moeder uitte een kreet vol vertwijfeling, maar Cesar drukte haar onmiddellijk zachtkens zijn breede hand op de lippen, terwijl hij fluisterde; âStil! schreeuw niet. Wanneer men ons hoort, is alles verloren.quot; De ongelukkige moeder onderdrukte de uiting van haar smart, maar beefde zoo hevig, dat Cesar haar moest ondersteunen. âHou je goed, Lilly, en wees moedig; we moeten vluchten. Ik wil jou niet zien slaan â ik wil niet; ik kan niet, versta je! We hebben nog drie uren tijd, eer het dag is. Vóór zonsopgang moeten we over de rivier zijn. Denk aan Tommy en aan je zelf. V ooruit!quot;
In den duisteren nacht ijlden zij voort; de weg was hun bekend en daardoor kwamen zij vrij spoedig verder. Na een vermoeienden, haastigen tocht van ongeveer een uur kwamen zij in het woud. Nog een uur later hadden zij met hun kleinen last het rietbosch bereikt. Eenmaal daar doorheen, lag de Mississippi â de vrijheid â voor hen; ten minste wanneer zij het geluk hadden om ongehinderd over de rivier te komen.
Met moeite worstelden zij voort, al verder en verder door
78
CESAR.
het hooge riet. De scherpe stoppels, de doornen van het onkruid en de planten, die er tusschen groeiden, schramden en staken hen; ze voelden het nauwelijks. Voort moesten zij: daar vóór hen lag immers de vrijheid,âhet leven! Eensklaps hielden zij, als door een gemeenschappelijke ingeving gedrongen, stil en doken ineen, zoo laag mogelijk zich bij den grond houdend, tusschen het hooge riet. 't Was een instinctmatige beweging, en werktuiglijk greep Lilly Cesars arm krampachtig vast, want uit de verte klonken kreten en duidelijk hoorden zij het hinneken van een paard.
âZe zijn ons op het spoor! Hou je doodstil en ga plat op den grond liggen. â Hou moed en wees kalm! Wanneer we verder gaan, zullen ze ons vinden; â dus stil, doodstil!quot;
Sidderend volgde de mulattin zijn bevel en met haar hand hield zij Tommy's mondje dicht, uit vrees dat een kreet of een geluid van het kind de vervolgers op hun spoor mocht brengen.
De opzichters van de plantage met hun meester aan het hoofd waren intusschen bijna in de onmiddellijke nabijheid gekomen der vluchtelingen, die duidelijk het getrappel der paarden konden vernemen.
âWanneer zij geen honden bij zich hebben, zijn wij gered, want ze zullen voorbijgaan en ons verder zoeken dan we zijn,quot; zei Cesar aan Lilly's oor; en inderdaad, het geluid veranderde van richting. Een eind verder dan zij verscholen waren, stegen de ruiters af en doorzochten het riet.
Met ingehouden adem hielden beiden zich stil. Ze hoorden in de verte het riet kraken en knappen en de stemmen van hun vervolgers; hier en daar konden zij zelfs, tusschen de boschjes door, de schemering der lantaarns zien, die de opzichters bij zich hadden.
Al verder en verder klonk het geluid, al flauwer en flauwer werd de schijn van het licht. De zoekenden waren veel te ver gekomen. Beiden herademden; zij geloofden, dat het gevaar geweken was; maar zonder dat zij 't wisten dreigde het nader dan ooit. Hun meester was achtergebleven, omdat hij niet gelooven kon, dat de vluchtelingen reeds zoo ver vooruit konden zijn. Met zijn lantaren in de hand doorzocht hij nogmaals elke plek.
Cesar noch Lilly hadden den schijn van zijn licht opgemerkt; zij letten alleen op de hoe langer hoe verderaf klin-
79
CESAR.
kende stemmen. Zij dachten er zelfs niet aan om achter zich te zien.
Plotseling uitte Tommy, die voor een oogenblik Lilly's hand niet meer op zijn mondje voelde, een zwakken kreet, en, te laat om dien geheel te smoren, drukte zijn moeder hem vaster tegen hare borst.
Die kreet, hoe flauw ook, wees Paraizo, die in de onmiddellijke nabijheid was, de richting van hun schuilplaats.
Als een tijger sloop hij nader; nog één oogenblik en hij zou- geroepen of alarm hebben gemaakt, â maar hij deed het niet.
Een verraderlijke lichtstraal uit zijn lantaarn viel juist in datzelfde oogenblik op Lilly's witkatoenen kleed. Een seconde later was Cesar opgesprongen en had zijn meester bij de keel gegrepen, voordat deze één toon had kunnen uiten.
Snel als de bliksem trok Paraizo zijn mes, maar even snel greep Cesar het vast. Het scherpe staal sneed hem in de hand; hij lette er niet op en met de kracht der wanhoop ontwrong hij hem met de linkerhand het wapen, terwijl hij. hem met de rechter de keel toekneep.
'tWas een strijd op leven en dood.
Daar in het donker, in 't rietbosch worstelde een man om 't leven van vrouw en kind, om hun vrijheid, om de zijne. Geen woord, geen verwensching, geen kreet kwam over Cesars lippen. Hij schroefde zwijgend met zijn vingers de keel van zijn vervolger dicht, totdat hij voelde, dat diens handen krachteloos werden, geen tegenstand meer boden en zijn lichaam slap en machteloos ineenzakte. Zelfs toen de Mexicaan voor zijn voeten op den grond bleef liggen, roerloos en stil, liet hij zijn greep niet los, maar krampachtig, evenals de bulhond, die zijn prooi met de tanden niet loslaten kan, drukten zich zijn vingers steeds vaster om den strot van zijn meester.
Lilly, de machtelooze, zwakke getuige van deze worsteling, had tegenwoordigheid van geest genoeg gehad om de lantaren uit te dooven, zoodra ze er kans toe zag. Ze hield haar kind zoo vast mogelijk tegen den boezem gedrukt en verroerde zich niet, voordat zij Cesars fluisterend en hijgend uitgesproken woorden: â'tls gedaanquot; vernam.
Daar klonken eensklaps weer de kreten der opzichters, nu veel naderbij; ze keerden terug van den vruchteloozen tocht.
8o
CESAR.
Bijna rakelings gingen zij aan hun schuilplaats voorbij; zij konden duidelijk aan de stemmen de personen herkennen en nogmaals stonden zij doodsangst uit, toen zij een der opzichters hoorden schreeuwen: âZe kunnen onmogelijk de rivier over zijn; hier in. den omtrek moeten ze schuilen.quot; Maar als muziek klonk hun de roep van een ander: âWe zijn veel te ver gegaan, ze zijn dichter bij de plantagequot; in de ooren.
Haastig ging de troep terug.
Hoe luisterden zij naar de langzaam wegstervende stemmen en geluiden, en eerst toen zij niets, in 't geheel niets meer hoorden, durfden zij diep ademhalen. Toen eerst liet Cesar zijn slachtoffer los, toen eerst voelde hij de scherpe pijn in zijn hand en bemerkte hij, dat een van zijn vingers bijna doorgesneden was.
âMij niet wist in dat moment of massa was dood of niet,quot; zei Cesar, âmij alleen wist: massa lag stil, heel stil. Lilly so bang en zeg mij: zie voor water, misschien massa niet dood; niet tijd om te kijken.quot; â
Tegen het aanbreken van den dag bereikten zij de rivier. Een heerlijk gevoel doorstroomde Cesars borst. Vrij! â Gered!
Zijn hand bloedde hevig, hij scheurde een stuk van den doek af, waarin Tommy gewikkeld was, doopte dat in 't water en verbond er zijn hand mede. Nog ongeveer een halve mijl gingen zij voort langs den oever; toen kon de vrouw niet verder, ze viel neer en kon geen voet meer verzetten. Met Cesars hulp sleepte zij zich nog een eind weegs, tot in een kreupelboschje. Daar hield zij zich schuil met het kind, terwijl Cesar behoedzaam langs de rivier verder ging, om te zien of hij een betere schuilplaats voor hen kon vinden.
Half verscholen in het hout aan den oever lag een huisje, âa woodmans hutquot;, en een klein bootje er naast, vastge-meerd aan een soort van steiger. Bijna uitte de vluchteling een kreet van vreugd bij die ontdekking, maar hij bedwong zijn blijdschap en voorzichtig maakte hij de boot los, sprong er in, greep een der losse planken, die op den bodem van 't vaartuig lagen, en pagaaide zoo spoedig mogelijk terug naar de plek, waar zijn vrouw en kind verborgen waren. â
't Klonk naïef, toen Cesar zei:
âDat boot niet van mij; komt niet op aan! â Mij neemt
8l
6
CESAR.
het toch. Oh, massa! mij was zoo blij, zoo groot blij. Dan mij dragen Lilly en de baby al dien weg â zet hen in de boot and paddle ^ over 't water. Oh sahl Mij nooit paddle so gauw! Yes, massa, 't was voor te redden leven van Lilly en Tommy.
âWij kwam over en niemand ons gezien. Dan wij verstop ons zelf twee dag en twee nacht in de bosch. Op vierden dag wij praaien kolenboot, dat terugkeeren naar de Ohio. Zij ophouden en neem ons aan boord.quot;
Op de kolenboot kwamen de vluchtelingen eenigermate tot rust; de kapitein was een goedaardig man, die medelijden had met de arme slaven, die half verhongerd en uitgeput bij hem aan boord waren opgenomen. Hij liet hun een slaapplaats aanwijzen en zorgde voor voedsel en eenige kleedingstukken.
Cesar en Lilly waren betrekkelijk spoedig van de doorgestane ontbering en vermoeienis bekomen, maar voor den kleinen Tommy was het verblijf aan de moerassige oevers van de Mississippi en 't gebrek aan voedsel noodlottig geweest, en één dag voordat het doel der reis, Pittsburg, bereikt was, bezweek het kind. De kapitein had al gedaan wat ïiij kon om de koorts, die het leven van den kleinen lijder sloopte, te bestrijden, maar 't mocht niet baten: de scheepsapotheek was bijna even onvoldoende als zijn medische kennis.
Toch kuste Lilly hem dankbaar de handen, en zei Cesar: âMe nebber shall forget, you captain so good for Tommy, me grateful, very grateful. 1) En toen zij eindelijk bij het lijkje van hun laatste kind zaten en de gezagvoerder hun een paar woorden van troost toesprak, vielen beiden op hun knieën en omvatten de zijne, terwijl ze slechts snikken konden.
't Was een vreeselijk harde slag voor hen; somber en stil zaten ze verder bijeen, totdat de tijd was gekomen om van boord te gaan.
Ze waren nu te Pittsburg, met een paar dollars, die de kapitein en stuurlieden voor hen hadden bijeengebracht, in den zak.
Het drukke, vreemde gewoel der groote stad maakte op
82
1
) Ik zal nooit vergeten, kaptein, dat ge zoo goed voor Tommy waart; ik ben dankbaar, zeer dankbaar.
CESAR.
beiden een zonderlingen indruk, 't Maakte hen eenigszins schuw; ze schenen verward door de menigte menschen en nauwelijks durfden zij zich door de drukke, woelige straten bewegen.
Zoolang het geld, dat zij bij zich hadden, strekte, vonden zij, geholpen door een paar âblackey'squot; 1), nachtverblijf en voedsel in een klein, onaanzienlijk en vuil kroegje in een der buitenwijken, maar reeds na een paar dagen kwamen zij tot de ontdekking, dat de zoo hulpvaardige zwarten hen beroofd hadden van 't weinige wat zij nog bezaten.
Zonder vorm van proces zette de waardin uit het loge-mentje haar gasten op straat en gaf hun als aandenken een heerlijke verzameling scheldwoorden mede; scheldwoorden, die alle zonder onderscheid haar bepaalde overtuiging uitdrukten, dat Cesars en Lilly's zielen minstens driemaal zoo zwart waren als hun wezenstrekken.
Daar stonden zij in de groote woelige stad, zonder geld, bijna zonder kleederen en hongerig. â Waar nu heen? Ze â¢wisten het zelf niet. Het verlies van Tommy drukte hen geheel en al terneder; moedeloos en zwijgend liepen zij naast elkander voort, zonder zelf te weten waarheen.
Eenige dagen reeds hadden zij doelloos door de stad gezworven, nu hier, dan daar, onder een afdak of op een erf in een loods, een nachtverblijf vindend. Cesar beproefde, evenals hij het andere negers zag doen, om aan de landingsplaatsen der stoombooten als sjouwer werk te vinden, 't Gelukte hem slechts een enkele maal om een paar stuivers te verdienen. De andere zwarten waren veel meer bijdehand en hadden er beter slag van om een âwerkjequot; te veroveren: zij â¢waren sjouwerlieden van beroep, â hij niet.
Afgemat en moedeloos van 't vruchteloos pogen was hij op een dag met Lilly, tegen het vallen van den avond, in een der buitenwijken der stad blijven zitten tegen het hek van een kleinen tuin, voor een eenvoudig gebouwd huis.
S3
Met zijn rug tegen een der stijlen van 't hek geleund, zat hij somber voor zich te staren; Lilly rustte met haar hoofd tegen zijn schouder; ook zij sprak niet, maar ze rilde en
1
) Amerikaansche benaming voor neger.
CESAR.
huiverde; haar tanden knarsten op elkaar even alsof ze de koorts had: â 't was alleen de honger, die haar zoo deed geeuwen en klappertanden, want ze had in tweemaal vier en twintig uren geen bete over de lippen gehad.
âWat scheelt er aan? Heb je zoo'n honger, Lilly?quot; vroeg Cesar, terwijl hij haar hand in de zijne lei.
â'k Ben hongerig en bedroefd, en toch is 't gelukkig, dat Tommy er niet meer is,quot; antwoordde de mulattin, terwijl ze haar handen om Cesars arm klemde. Had mij maar in de Calaboose laten gaan; â misschien leefde hij dan nog en----quot;
âEn jou laten slaan met de zweep? â Nooit!quot;
âO, Cesar! 'k zou 't voor hem wel hebben willen uitstaan.quot;
âEn je zoudt misschien later hebben moeten zien, hoe ze
hem verkochten of mishandelden...... Neen! 't is beter,
dat het kind dood is......quot; Cesar trok zijn vrouw dichter
tegen zich aan, want zij trilde en beefde over haar geheele lichaam als een riet, terwijl zij antwoordde:
âO, dat zou ik nooit gezien hebben, Cesar! 'k Zou hem eerder zelf hebben gedood. â O! Cesar, waarom moet ik leven?quot;
âOmdat ik nog leef, Lilly!quot;
Zonder dat zij 't wisten, hadden zij een toehoorster gehad; 't was een jeugdige vrouw, die achter het hek, nieuwsgierig naar de twee zonderlinge gestalten voor haar keek. Zij verstond slechts enkele woorden van 't geen Cesar en Lilly zeiden, maar zooveel begreep zij wel, dat die menschen hongerig, moede en bedroefd waren. Gehoorgevend aan de inspraak van haar gevoelig hart, ging zij in huis en keerde een oogenblik later terug met eenig voedsel, dat zij met de woorden: âHier stumperds, heb je wat te eten,quot; aan Lilly gaf.
Zonder er bij te denken, dat de negers haar niet begrijpen zouden, had de vrouw die woorden ia het Hollandsch gezegd. Met verwondering keken de ongelukkige zwervers haar en den schotel met eten aan, en eerst toen ze hoorden: âTake this; you are hungry, I believe,quot; 1) nam Cesar met een âTankee, missusquot; het voedsel.
84
Terwijl zij aten, bleef de jonge vrouw bij hen staan, en
Neem dit; je hebt honger, geloof ik!
CESAR.
vroeg deelnemend, van waar ze kwamen, wie ze waren en waarheen ze wilden.
Kort en afgebroken, min of meer voorzichtig klonken Cesar en «Lilly's antwoorden, maar gerustgesteld door het vriendelijke gelaat der vraagster en den zachten toon, waarop zij met hen sprak, vatten zij moed en verhaalden haar in 't kort hun wedervaren.
Juffrouw Dekker was een Hollandsche vrouw, die met haar man naar Amerika was gekomen en eerst sedert een drietal jaren te Pittsburg woonde.
Zij waren met een weinig geld als landverhuizers uit Nederland gegaan, en, na eenigen tijd te Baltimore te hebben doorgebracht, naar Pittsburg verhuisd, omdat Dekker zich met een Yankee, die een handel in vellen en huiden dreef, had verstaan om verder samen zaken te doen.
Voorloopig scheen hun handel vrij goed te gaan en leidden Dekker en zijn vrouw met hun tweejarig zoontje een rustig en aangenaam leven. Hij was een arbeidzaam, oppassend man, en zij een goede, huishoudelijke vrouw, die weinig behoeften had en gelukkig was in haar bescheiden omgeving.
Goedhartig en medelijdend van aard, had zij, toen zij Cesars lotgevallen vernam, met tranen in de oogen toegeluisterd, en toen haar man te huis kwam, hem het tweetal aangewezen met de woorden; âKun je niets voor hen doen. Dekker?quot; Na lang wikken en wegen en besprekingen met zijn deelgenoot, die als echte Yankee niet van de âBlackeysquot; ') hield en beweerde dat ze allen, zonder onderscheid, dom, gemeen en slecht waren, besloot Dekker om Cesar als knecht in zijn pakhuis te laten werken en bleef Lilly over dag als ânursequot; 2) bij den kleinen Karei, die dadelijk, toen hij haar .zag, de armpjes naar haar had uitgestoken, een omstandigheid die niet weinig had bijgedragen tot het nemen van Dekkers besluit.
85
Ruim anderhalf jaar ging rustig en kalm voorbij. Dikwijls nog schoten Cesars oogen vol tranen, als hij Lilly met den kleinen Karei op haar arm zag wandelen, maar langzamerhand begon toch de dubbele wonde te heelen.
') Zwarten. ~) Kindermeid.
CESAR.
Hij was ijverig, vlug en dankbaar en won daardoor langzamerhand het vertrouwen van zijn patroons, terwijl misstress Dekker zich al meer en meer aan Lilly begon te hechten.
't Scheen bijna als hadden Cesar en Lilly een bescheiden deel geluk teruggevonden; ze waren ten minste tevreden en _ vrij! Maar 't werd bewaarheid, wat Cesar zei: âOh massa! for negro geluk nebber is long!quot; ')
Op zekeren dag, dat hij bezig was om een partij goederen aan boord van een der Ohio-stoomers te brengen, hoorde hij plotseling zijn naam noemen en in 't zelfde oogenblik voelde hij een krachtige vuist, die hem bij den nek greep.
Verschrikt en ontsteld wendde hij zich om en zag met ontzetting zijn vroegeren meester Paraizo aan, die, als uit den dood herrezen, hem heesch van woede toevoegde: âHeb ik je eindelijk, zwarte hond! Je dacht, dat je me in dien nacht had geworgd, hé ? 't Had niet veel gescheeld, â maar Paraizo is taai! Nu is 't mijn beurt!quot;
Er werden destijds in de Noordelijke Staten van Amerika niet veel plichtplegingen met weggeloopen slaven gemaakt, en ofschoon de afschaffers der slavernij reeds krachtig hun stemmen begonnen te verheffen, hadden ze nog geen invloed genoeg om paal en perk te kunnen stellen aan dit mensch-onteerend bedrijf. Zonder veel moeite dus en alsof het een geheel gewone zaak was, nam Ignaz Paraizo bezit van zijn teruggevonden eigendom, den neger Cesar. Veel formaliteiten waren er niet te vervullen: de eigenaar had zelf zijn slaaf gevat, en dat was genoeg. Hij riep de hulp der politie in, die den gevangene voorloopig achter slot en grendel bracht. In zijn eersten schrik had Cesar verklaard, dat Paraizo in waarheid zijn vroegere meester was, dat hij van diens plantage was ontvlucht om de wille van zijn vrouw en kind en, om die te verdedigen, zijn meester bij de keel had gegrepen en destijds meende hem te hebben gedood.
86
De beambte, die hem ondervraagde, had bedenkelijk het hoofd geschud en medelijdend gezegd: âArme vrouw!quot; Dat woord bracht eensklaps Cesar tot bezinning en van dat oogenblik af weigerde hij hardnekkig verder antwoord '.e geven op de vragen die men tot hem richtte; en of de Mexicaan
') Oi mijnheer, voor den neger duurt 't geluk nooit lang.
CESAR.
ook al stampvoetend riep: âVervloekte hond! je zult verder spreken. Waar is de meid?quot; hij vernam geen woord meer. Of hij al schreeuwde: âZe zijn altijd samen geweest. Waar hij is, is de mulattin ook! Ik wil weten, waar zij schuilt,quot; het hielp hem niet: Cesar zweeg en niets of niemand was in staat om hem tot spreken te bewegen. Hij wist immers, welk lot Lilly wachtte, wanneer hij iets zei, en daarom bleef hij met Spartaanschen moed zwijgen, zelfs toen hij bedreigd werd, dat men hem zonder vorm van proces zou ophangen. Er was niets met hem te beginnen.
Cesar werd naar Memphis in Tenessee opgezonden, ten einde daar voor de rechtbank terecht te staan, als beschuldigd van poging tot moord op zijn meester.
âIk zal een voorbeeld voor al de anderen stellen,' riep Paraizo herhaaldelijk. âHangen, zal hij! Hangen, totdat hij door de raven wordt opgevreten! Maar eerst zal hij spreken.quot;
De jury te Memphis evenwel dacht er anders over. Cesar werd niet ter dood veroordeeld, maar tot twintig jaren gevangenisstraf. Men wist wel, wie seïior Paraizo was; men kende zijn wreedheid en onmenschelijken aard; en meer dan waarschijnlijk was het daaraan te danken, dat de neger den dood ontliep.
Gesproken had hij niet, hij had alleen gezegd: âJoey en Tommy zijn dood, en waar Lilly is, weet ik niet; hang mij maar op, wat ik u bidden mag,quot; en toen hij zijn vonnis eindelijk vernam, wendde hij zich tot den president van de jury en vroeg nogmaals smeekend: âOch! hang mij liever op.quot;
Paraizo was woedend: de uitspraak der rechters was niet naar zijn zin en herhaaldelijk verzekerde hij aan ieder die 't hooren wilde, dat niet alleen Cesar had moeten worden opgeknoopt, maar dat de geheele jury waard was om naast hem te hangen.
En Lilly? Noch zij, noch de familie Dekker begrepen op dien avond, waarom Cesar niet t'huis kwam. Zij wachtte en wachtte, en niemand bracht haar eenig bericht. Eindelijk, na eenige dagen, vernam Dekker door bij de politie onderzoek te doen, wat er gebeurd was. Hij deelde het Lilly mede, echter verzwijgend hoe en door wien hij het had vernomen; hij begreep, dat, wanneer men wist, dat de mulattin zich
87
CESAR.
bij hem aan huis bevond, ook zij niet meer veilig was, en hij had medelijden met haar, omdat hij wist, dat zij toch niets voor haar man zou kunnen doen.
Lilly's smart ging alle beschrijving te boven: ze was radeloos, half krankzinnig soms en verviel eindelijk in een doffe moedeloosheid, waaruit niemand haar kon opwekken dan het gezicht van het jonge kind. Stormachtig drukte zij dan den kleinen Karei aan haar hart, kuste en liefkoosde hem, maar meestal met zulke verwilderde oogen, dat het knaapje angstig werd en begon te schreien. Dan stootte zij het kind eensklaps ruw en heftig op zijde, om dadelijk daarop weer ineen te zakken en onverstaanbare woorden in zich zeiven murmelend, wezenloos voor zich uit de staren.
VI.
Wat er verder met Cesar gebeurde ? Laat hij dat zelf nog eens vertellen; 't is zoo moeilijk om het eigenaardige, eenvoudige, soms kernachtige van zijn verhaal met andere woorden of beschrijvend weer te geven. Zijn woordenkeus, hoe zonderling ook en gemengd, was meestal de juiste; zijn kortheid dikwijls treffend.
â â â âNot possible to zeggen wat me feel daar in dat gevangenis. In den beginne me not bedroefd. Oh, no massa! 't was meer dan dat â mij was gek in de hoofd; gek! â Mij alleen denken, wat Lilly zeg, als mij niet kom terug. Eerst mij denken, Lilly gelooven zal, Cesar loop weg. Dan mij zeg tot mijzelf; no! Lilly kennen me te veel goed. Zij zal wezen groot bedroefd; huilen om haar man, eh! O! dat was zoo bitter voor mij and niet mogelijk te maken haar weet waar mij is. â O! massa, dat gedachte voor mij erger was dan dood!
Hij bracht de handen aan het hoofd, als deden zijn hersenen hem pijn, omdat hij ze noodzaakte die vreeselijke herinnering weer te geven. Er lag dikwijls een eigenaardige duidelijkheid of juistheid in het gebaar, waarvan hij zijn. woorden vergezeld liet gaan. Zoo trof het mij ook, toen hij de rechterhand met saamgevoegde vingers midden voor zijn voorhoofd bracht, terwijl hij vervolgde: âDaar, massa! daar was niet meer plaats dan voor dat eene gedacht: Try to escape!
88
CESAR.
Zoek te kom uit de gevangenis and dan graag terug tot Lilly. Altijd mij denken zoo, â dag en nacht, â en niet mogelijk om uit te komen. Somtijds mij worden wild for wanhoop en verdriet en geen hoop! No hope!
âIn dat gevangenis mij moet werk zoo hard, zoo zwaar â mij blij voor dat, and me denk: zoo mij werk hard, mij zal hebben geen verdriet zoo groot. Onzin, verdriet, wanhoop blijf altijd dezelfd, juist als de dagen, die ook altijd blijft dezelfd een als ander. Mij niet weten hoe lang mij daar al wezen. Oh! wat bitter, bitter tijd.quot;
't Was merkwaardig om te zien, hoe de neger al vertellende zich weer verplaatste in den vervlogen tijd. 't Scheen mij soms alsof ik dat geheele leven, zooals 't voor zijn geestesoog voorbijging duidelijk voor mij zag, zoo levendig drukten zijne trekken uit, wat hij niet onder woorden kon brengen. Soms blikte hij somber of starend voor zich; dan weder vonkte en lichtte het in zijn oogen of trokken de pupillen zich samen tot een klein boosaardig schitterend sterretje.
Nu en dan balden zich zijn vuisten en knarste hij met de tanden, terwijl hij zijn verhaal door gebaren trachtte te verduidelijken.
Vooral toen hij mij zijn poging tot ontvluchten mededeelde, werd zijn verhaal aanschouwelijk.
Hij schoof zijn ziekenstoel een eind achteruit en stond met de eene hand op de tafel geleund, terwijl hij zei:
âMij wil ontvluchten. In den nacht mij kwam uit van mijn bed. Hush! â Hush! heel langzaam, heel zacht mij kruipen over den grond door de kamer. Alles slapen! Is te lang, te vertel hoe mij kwam uit. Oh! mij had gewerkt zoo groote tijd, zoo voorzichtig, te maken een opening in de muur. Niemand hooren mij; maar als mij was in de open lucht, to clime ') over de muur. Heel hoog, groot hoog, komt niet op aan, Cesar kan clime als een kat. Geen maan, donkere nacht.quot;
89
Met hand- en voetbeweging toonde hij aan, dat hij tegen den steilen, steenen muur was opgeklauterd, en hij maakte de wijze hoe, begrijpelijk door te zeggen: âMuur, oud, ruw, hier steen uit, daar steen uit, scherpe kanten; kom niet op aan! Mijn hand en voet bloed, mij niet voelen dat. Mij kwam boven, maar schildwacht ziet mij en schiet af
Klimmen.
CESAR.
geweer â raakt in den schouder. Oh! waarom niet schot in mijn hoofd! Had geweest beter, massa!quot;
Staande bij de tafel, had hij de beweging gemaakt van een soldaat, die zijn geweer afschiet, en daarna liet hij zich in den stoel neervallen evenals iemand, die getroffen wordt. Toen maakte hij een gebaar, dat aanduiden moest dat men zijn handen had geboeid en zei dof en somber: âNiet gelukt» Niet gelukt. Zij doen me in de ijzers en verbindt mijn wond.
âBijna vijf jaar mij had geweest in prison, and nooit kon wegkomen, maar eindelijk het lukt; mij komt uit âquot; vervolgde, hij en 't was een oogenblik als gleed een trek van. blijdschap over zijn gelaat. Met een zekere voldoening vertelde hij, hoe het hem na herhaalde mislukte pogingen en niettegenstaande hij strenger dan de andere gevangenen werd bewaakt, toch eindelijk gelukt was om te ontvluchten. Free once morequot;, ^ riep hij bijna luid, en in zijn stem klonk iets als de nagalm van een vreugdekreet.
Vrij! â die gedachte vervulde hem geheel, toen hij na ontzaglijke inspanning en gevaren buiten het bereik van. zijn vervolgers was gekomen. En nu naar Pittsburg!
â Naar Lilly, was het tweede denkbeeld, eigenlijk het eenige, wat hem bezielde. Hij dacht er zelfs niet aan, welke spanne tijds er lag tusschen het heden en het verleden; zijn denkvermogen had zich zoolang tot die eene, allesoverheer-schende gedachte beperkt, dat geen overwegingen, geen bedenkingen meer plaats vonden in zijn brein.
Nu eens loopend, dan weer aan boord van een of ander vaartuig, als stoker op een Ohio-boot, of verscholen tusschen de balen en vaten van hoogopgeladen vrachtkarren, kwam hij van de eene plaats naar de andere. Dikwijls honger en gebrek lijdend, levend, hij wist zelf niet hoe en waarvan, legde hij den langen weg af, altijd zijn gedachten op dat ééne punt richtend, altijd jagend naar het doel, dat hij voor oogen had.
9°
âEindelijk! Eindelijk was het bereikt, en met een kreet van vreugd begroette hij, toen hij de landingsplaats naderde, de bekende plek, waar de schepen en booten hun masten en schoorsteenen omhoogstaken, dicht opeen als stammen in een mastbosch.
') Vrij! opnieuw.
CESAR.
De volle middagzon veriichtte de huizen en torens; hij zag de witte muren van de kade blinken in de zon en lachte. De arme vluchteling vergat voor een oogenblik dat vijf jaren, vijf lange jaren verloopen waren. Hij zag alleen, dat hij naderde tot zijn doel en____ hij lachte, omdat hij hoopte, als een kind.
Nauwelijks kon hij het oogenblik afwachten, dat de loopplank werd gelegd. Hij was aan wal gesprongen, voordat iemand anders er nog aan had gedacht, en zonder om te zien, zonder een oogenblik op te houden, snelde hij voort, naar de buitenwijken.
't Werd reeds avond en nog liep hij, steeds angstiger zoekend rond. Was hij dan verkeerd gegaan? Neen! Daar was immers het hospitaal, dat stond er nog even als voorheen; daar was de brug over de gracht, en toch, het bekende tuintje kon hij niet vinden. Hooge huizen, het een juist als het ander, stonden stil en zwijgend naast elkaar en de vensters keken hem met hun groote ruiten zoo zonderling aan als koude verwonderde vierkante oogen; ze schenen te vragen: âWat doe je hier? Wat zoek je? Wij kennen je niet. â Weet je dan niet, dat wij pas een jaar of twee hier staan?quot;
Angstiger en angstiger werd de uitdrukking van Cesars gelaat; 't zweet gudste hem. van 't voorhoofd. Was dan alles zóó veranderd ? Was van al die tuintjes en hekken geen enkel meer over ?
Slechts 't groote, sombere, zwijgende hospitaal en de brug kende hij nog. Al het overige was tot één straat geworden met dwarsstraten en.... Plotseling bleef hij staan en bracht de hand aan 't voorhoofd; hij herinnerde zich, dat hij vroeger wel eens met den brugwachter gesproken had; die zou hem 't raadsel wel oplossen. Met versnelden tred naderde hij het wachtershuisje, en juist wilde hij binnengaan, toen de deur er van werd geopend en een jonge kleurling, met een uniformjas aan, naar buiten trad. Dat was de wachter niet, dien hij kende; de uniform was wel dezelfde, maar de man niet.
Verbaasd bleef Cesar hem aanstaren, en toen hij half stotterend vroeg: âBen jij de brugwachter?quot; lachte deze hem uit en zei alleen: âNatuurlijk.'
Neen! voor hem was dat niet natuurlijk, alles was hem zoo ongewoon mogelijk; maar langzamerhand begon hij toch
91
CESAR.
te begrijpen, dat in de vijf jaren, die hij afwezig was geweest, de geheele buitenwijk verdwenen en een straat geworden was,
Een doffe neerslachtigheid maakte zich van hem meester; toch herleefde voor een oogenblik zijn moed, toen hij na lang zoeken, in een zijstraat, een winkel zag, die nog onveranderd was gebleven, en hij daarin iemand vond, dien hij kende.
Hij hoopte. Waarop ? Ja, dat wist hij zelf niet, maar hij had weer moed en dat was hem voor 't oogenblik genoeg. Toen hij evenwel van den winkelier, die hem, nadat hij zijn naam en dien van de familie Dekker had genoemd, ten laatste herkende, vernam dat sedert bijna drie jaren niemand die zoo heette daar meer woonde en men zich zelfs Lilly's naam niet herinnerde, werd hij duizelig en had moeite om zich staande te houden. De winkelier haalde de schouders op en mompelde iets van âdronken neger.quot; Cesar hoorde 't niet, maar ging verder, overal rondziende, overal vragend. Na lang zoeken en vragen kwam hij te weten, dat mr. Dekker door zijn deelgenoot, den Yankee, in zaken was bedrogen geworden, failliet gegaan en eindelijk met vrouw en kinderen verarmd was vertrokken, vermoedelijk weer naar Holland.
Van Lilly wist niemand hem iets te zeggen. Maar één ding stond bij hem vast: waar âgood missus Dekkerquot; was, moest zijn vrouw ook zijn. Met kinderlijk vertrouwen kiemde hij zich vast aan dat denkbeeld; 't kon niet anders. Zoo vast hechtte hij zich aan dat geloof, dat hij, toen eindelijk iemand hem mededeelde, dat er korten tijd voor het vertrek der familie Dekker in haar huis een mulattin was gestorven, haastig en zenuwachtig uitriep; âMaar dat is Lilly niet; zij kan het onmogelijk zijn!quot;
Van dat tijdstip af had hij rust noch duur meer; hij zocht â werk aan de kaaien of landingsplaatsen en verdiende zoo veel of zoo weinig als hij noodig had om in zijn behoeften, â ze waren niet groot, â te voorzien. Iemand had hem verteld, dat Holland een land was ver, heel ver weg over de zee, oostwaarts, en voortdurend zocht hij naar een schip of boot, bestemd voor Nederland, 't Was bij hem een soort van manie geworden; âNaar Holland!quot; Daar zou hij zijn vrouw weervinden, want dood, neen! dat was zoo niet. Zijn Lilly moest immers leven, zij moest toch nog weten, waar hij zoo lang gebleven was; hij moest haar nog veel vertellen.
92
CESAR.
Ten laatste vond hij een boot in lading voor Nederland. Hij gaf zich volstrekt geen rekenschap, dat hij zelfs niet zeker wist, naar welke plaats in Holland het schip ging. 't Was hem genoeg te weten, dat het naar 't land ging, waar hij wezen wilde; eenmaal daar, zou hij wel verder zoeken. Zeer gemakkelijk ging het niet om een plaats aan boord te krijgen, want matroos was hij niet; maar het verblijf op de Ohio-booten had hem toch iets geleerd: hij kon stoken. Zijn lichaam was aan warmte en arbeid gewend, beter dan dat van den Europeaan, en daardoor gelukte het hem, na veel moeite, om op die boot als stoker te worden aangenomen.
VII.
Zooals gemakkelijk te begrijpen is, werden Cesars verwachtingen bitter teleurgesteld en vond hij, toen hij in Holland kwam, â de boot was voor Rotterdam bestemd, â geen spoor van haar, die hij zocht. Hoe zou hij ook, zonder eenige aanwijzing, zonder een enkel gegeven? Meer en meer verdween het weinigje hoop, dat hem nog restte, maar toch gaf hij den moed niet geheel en al op. 't Lag geheel in zijn zonderling karakter, dat uit een mengeling van hartstocht, kinderlijken eenvoud, bijna vrouwelijke zachtheid en mannelijke wilskracht bestond, om op den bodem van zijn ziel een greintje hoop en moed, hoe klein dan ook, te bewaren. âDan weer terug naar Amerika!quot; dacht hij. âWellicht vind ik zoodoende een spoor.quot; â Er lag iets ziekelijks in die gedachte, iets dat aan waanzin herinnerde, en toch was het zeer verklaarbaar, dat hij zóó was en niet anders. Juist dat schier wanhopig denkbeeld spoorde hem aan om zijn plicht te doen en datgene goed te verrichten, waarvoor hij scheep kwam. â Verschillende reizen deed hij heen en weer, nu met deze dan met gene boot, en telkenmale wanneer hij de Hollandsche kusten zag opdoemen, klopte zijn hart sneller en werd zijn oog helderder.
Jaren verliepen en eindelijk verdween ook het laatste vonkje moed uit zijn ziel; hij begreep nu, dat er niets meer voor hem te hopen of te verwachten viel, en te gelijk
93
CESAR.
met het verdwijnen van hoop en moed kwam in zijn hart een ander gevoel, dat lang gesluimerd had, weer boven: de haat. Hij haatte alles, omdat hij niets meer kon liefhebben.
âOh, mijn ziel was zoo bitter in mij ! Somstijds mij denken het zal doen mij goed om te vermoord iemand; â komt niet op aan wie! â alleen te koel mijn haat van de menschen.quot; Cesars oogen schoten vonken, toen hij 't mij zei, maar een seconde later knikte hij mij trouwhartig toe, terwijl hij er op liet volgen: âMaar Cesar niet heb gedaan zoo. Oh no, massa! En mij groot blij mij niet deed so, for als mij had moord gedaan, Cesar had worden opgehangen en nooit had gehoord van Lilly iets. â Nou mij hebt gehoord van haar, nou mij weet: dat arme wijf van mij is gegaan â heengegaan naar kleine Joey en Tommy en is gelukkig in de golden fields, sah!
âOh! maar eene moment mij was heel dicht bij om te doen een moord en wreken mijn armen vader Quampanissa.quot;
't Verwonderde mij hem plotseling den naam van zijn vader te hooren noemen, en daarom liet ik hem niet uitspreken, maar vroeg: âWien had je bijna vermoord? Toch nist den slavenhaler? Heb je dien dan nog terruggezien? Dat is toch meer dan toevallig.quot;
âYes, massa 't is, maar toch waarheid, oh, yesl heel vreemd. Laat mij vertel.quot;
Ik liet hem vertellen en hoorde het volgende:
Op een van zijn reizen met een boot, â ditmaal een passagiersboot, die tusschen Marseille en New-York voer â was hij op een middag na de afvaart van Marseille aan dek. 't Was rustuur en met de armen over de verschansing geleund, keek hij in de zee. Op 't voordek, waar hij stond, was niemand dan hij en een paar matrozen, die bezig waren een en ander op te redderen.
't Was prachtig, stil weer, bijna zonder wind; de passagiers zaten voor het meerendeel op het achterdek en nu en dan bewees een vroolijk gelach, dat tot op het voorschip weerklonk, dat men zich daar de zorgen des levens niet al te zeer aantrok.
Plotseling echter verstomde die vroolijkheid en ging er uit de groep een angstkreet op, dadelijk gevolgd door den roep; âMan over boord.quot;
Cesar vloog reeds bij den eersten kreet naar achteren en
94
CESAR.
zag, hoe een jonge vrouw zich handenwringend over de verschansing boog. Reeds klonk het bevel: âAchteruit,quot; maar nog voordat het in de machinekamer was ten uitvoer gebracht, had de neger een forschen sprong gedaan en zwom hij in 't zog van de boot naar de drenkelinge, â een klein meisje, dat door de kleertjes bovengehouden, eenige oogen-blikken bleef drijven. Ze had langs de verschansing op 't scheepsdek gespeeld en was in een onbewaakt oogenblik door een der openstaande reelingpoorten gegleden. Haar gillende angstkreet was 't, dien Cesar had gehoord, 't Was een stout stuk wat hij bedreef, en ware hij geen buitengewoon goed zwemmer en een man van groote lichaamskracht geweest, zeker zou hij, evenals het kind, verdronken zijn. â Nu niet! Hij wist het meisje te bereiken en hield zichzelf en haar boven, totdat een der booten, die in allerijl waren uitgezet, hen opnam en behouden weer aan boord bracht, 't Kind was bewusteloos, maar kwam spoedig bij, en de ongelukkige moeder viel op haar knieën voor Cesar, terwijl zij zijn natte, zwarte handen aan haar lippen drukte. Daar strompelde een oude man, krom van de jicht, met behulp van een stok de kajuitstrap op en riep heesch van angst: âIs 't waar, is Diana gered ? Wie heeft 't gedaan ? â Laat 'k hem bedanken! â Viva Dios! dat is een waagstuk geweest; een kerel, die 't volbracht!quot;
Wat scheelde Cesar in dat oogenblik? Zijn gelaat werd bijna vaal, zijn oogen puilden hem schier uit het hoofd, en met de woorden: âDe Cubaan!quot; sprong hij als door een adder gestoken een pas of twee achteruit. Ja, 't was de vroegere slavenhaler, die daar voor hem stond, de grootvader van het meisje, dat hij zooeven gered had, â nu een oud, bijna witharig man.
Als een tijger, gereed tot den sprong, stond Cesar daar met trillende neusveugels en hijgende borst. In een oogwenk kwamen hem zijn kindsheid, zijn ongelukkige vader, diens gewelddadige dood weer duidelijk voor den geest en werktuiglijk vond zijn hand het mes, dat hij steeds bij zich droeg: â 't schemerde hem bloedrood voor de oogen. Het hooren van die stem en dat âViva Dios!quot; deed hem den beul zijns vaders herkennen en .... langzaam trok hij zijn hand terug
95
CESAR.
van 't mes â omdat hij dacht: âNu niet! Bah! één stoot is voor dien man veel te weinig; hij moet langer lijden, evenals Quampanissa.quot; Met moordlust in de oogen ging Cesar zwijgend terug; hij had gezien, hoe de oude man zich als het ware op zijn kleinkind wierp en 't met kussen en lieve naampjes overlaadde, terwijl het, van haar kleertjes ontdaan, op den schoot der dame lag. Hij hoorde de liefkoozende woorden, die de Cubaan tot het meisje sprak, en toen keerde hij zich een oogenblik om.
Met een somberen blik, een vreemden gloed in zijn oog zag hij naar de kleine Diana; 't was hem alsof hij spijt gevoelde dat kind te hebben gered. Maar slechts een ondeelbaar korten tijd dacht hij zoo, want â 't was immers een kind, niet veel ouder dan zijn kleine Tommy was, en kinderen zijn zoo lief, zoo onschuldig; hij had er toch zelf twee verloren ; hij wist immers, hoe lief men een kind kan hebben.
Cesar ging naar het logies. Daar kwam toch weer dat vreemde gevoel in hem op. Als hij 't had laten verdrinken, wat zou die Cubaan dan hebben geleden! Had hij niet gezien, hoe die man schreide en beefde als een riet, â hij, de hardvochtige slavenhaler, de moordenaar van Quampanissa! Pijnlijker zou hij hem nooit kunnen treffen! â â â Als hij 't kind eens wegnam, of liet verdwijnen. Welk een wraak zou dat zijn! Den geheelen nacht bleef hem die gedachte bij.
Den volgenden dag liep de kleine Diana weer vroolijk spelend op 't dek rond, en toen zij Cesar, die haar niet had opgemerkt, zag, vloog zij naar hem toe. Haar handjes vertrouwelijk om zijn been slaande, terwijl zij met haar donkere oogjes vriendelijk naar hem opzag, vroeg ze: âCesar, do you like me? I like you?quot; 1)
96
Daar greep de neger eensklaps het kind om het midden, tilde, het omhoog, en terwijl de tranen met kracht uit zijn oogen sprongen, riep hij : âDat zei Tommy ook.quot; En toen de gelukkige moeder, die in de onmiddellijke nabijheid stond, omdat ze haar teruggevonden schat nu geen oogenblik meer uit het oog wou verliezen, hem vroeg: âWelke Tommy?quot; antwoordde hij met trillende lippen: âMy Tommy, â my dead child, missus!quot; 2).
1) Cesar hou je van mij ? Ik hou van jou. 8) Mijn Tommy, mijn dood kindje, juffrouwl
CESAR.
âArme man!quot; was 't antwoord, en meer dan dat âPoor fellow!quot; zei de dame niet, maar die twee woorden, terwijl zij hem hartelijk de hand reikte, deden zijn hart meer goed dan duizend andere ooit hadden kunnen doen, want het was een moederhart, dat ze klank gaf, de lippen eener vrouw, die ze uitspraken.
En toen het kind riep: âZwarte Cesar! goeie man. â Lieve mama. Diana houdt zooveel van Cesar!quot; glinsterden de oogen van den neger als van vreugd, 't Meisje klom op zijn schoot, streelde zijn wangen en vroeg vleiend; âJij mij vertellen van kleinen Tommy, Cesar! Van 't lieve doode kindje van jou!quot; â toen was ook het leven van den Cubaan gered. Cesar zag naar het kind, herinnerde zich zijn Tommy, zijn Joey en aan moord dacht hij niet meer.
Waardoor, waarom? Hij wist het zelf niet recht, maar hij maakte zichzelven wijs, dat hij het uit verfijnde wraak deed.
âZiehier, massa,quot; â zei hij, toen hij die gebeurtenis verhaalde, âmij niet steken dood dat vervloekt Cubaan, omdat hij was zoo zwaar ziek, heel erg ziek, krom, heel veel pijn. Kan niet zit, kan niet loopen zonder pijn, zonder gil of schreeuw. Als mij had gemaakt hem dood in eens, hij geen pijn meer, niet ziek, hij gelukkig. Nou mij niet maken hem kapot, hij altijd miserabel, vloeken en schreeuw van die groote pijn. Mij hoop, dat Cubaan zal word honderd jaar. â Wat jou denk, massa, was dat niet de beste straf?quot;
Jaren verliepen en Cesar zwierf nu hier dan daar; de plantageneger was allengs geheel opgegaan in den stoker en langzamerhand had zich zijn karakter evenzeer gewijzigd. Er was een soort van onverschilligheid over hem gekomen in plaats van de doorzettende kracht, die hem vroeger eigen was. Hij vroeg niets meer van 't leven en toch hechtte hij er aan. Waarom ? Misschien omdat er in zijn binnenste nog een weinig hoop bestond, zonder dat hij er zelf van bewust was. Die wonderlijke factor van de ziel is als een vonk onder de asch: ofschoon niemand haar ziet, glimt ze verder en dooft niet uit; het kleinste zuchtje doet haar telkens opnieuw ontgloeien; dan verwarmt ze het bijna doodelijk kille gemoed, en onmerkbaar, langzaam maar zeker, wordt ze gevoed, totdat plotseling die vonk opflikkert en tot een vlam wordt.
97
7
CESAR.
Zoo ging het ook Cesar; de gedachte: âNog éénmaal terug naar Hollandquot; was op den bodem van zijn ziel bewaard gebleven. Dat verlangen brandde voort in zijn hart, totdat de omstandigheden den gloed aanbliezen.
Hij was te Port-Natal met de boot, op welke hij voer, met zware averij binnengeloopen en werd daar afgemonsterd. Toevallig lag er een Engelsch stoomschip in lading voor Amsterdam; men nam volk aan, en Cesar rustte niet, voor hij, â een stokersplaats was er niet meer, â als zoogenaamde âduivelstoejagerquot; werd aangenomen.
Hij gevoelde wel met zijn vrij goed, natuurlijk verstand, dat het een hersenschim was, welke hij najaagde; hij begreep wel, dat het denkbeeld zijn vrouw te zullen terugvinden bijna waanzinnig was; maar toch, toen hij hoorde, dat hij kans had om nogmaals naar Holland te komen, vergat hij alles voor die ééne gedachte en scheepte zich in.
VIII.
Er was gevochten op den Zeedijk te Amsterdam. In een matrozen-herberg hadden een paar Engelsche matrozen en een neger het met ander zeevolk en burgers te kwaad gekregen; kortjan was uit de scheede geraakt, en de politie, die tusschenbeide kwam, had een paar burgers en den neger â de overigen hadden het hazenpad gekozen â in arrest genomen.
De eigenaar van de kroeg, een dikke, onhebbelijke wijnhuisbaas, was mede op het politiebureau verschenen en somde, met een gelaat rood van kwaadheid en verhit door de dampen van den alcohol dien hij tapte, zijn grieven op.
âMeneer de Commissaris,quot; zei hij, âu weet wel, alsdat ik 'n fatsoendelijke burgermansherberg heb en dat er bij mijn geen onvertogen woord wordt gesproken, als 't niet noodig is. Vaste prijzen, meneer! Ieder slokkie 'n dubbeltje in de zaal, en voor de toonbank 'n stuiver; of 't eigen volk is of een vreempie, dat doet er niet toe, daarin bestaat bij mij geen differentie, en aangezien en alsdat ik behoorlijk schot en lot betaal en zeivers niemand overlast aandoe, zoo verlang ik ook, dat ik assistentie krijg, als 't noodig is.quot;
De commissaris, gewoon aan den woordenvloed van der-
98
CESAR.
gelijke lieden, had bedaard gewacht, totdat de verstoorde tapper weer op adem kwam, en vroeg toen met het kalmste gezicht ter wereld; âHsb je anders niets te zeggen?quot;
Opnieuw opende de man zijn breeden mond om met een vloed van woorden te verhalen, dat gedurende eenige avonden een paar Engelsche matrozen en de in arrest genomen neger bij hem in de herberg waren geweest en, na vertering te hebben gemaakt, onaangenaamheden hadden gekregen met anderen.
âZiet uwé, meneer,quot; zeide hij, op den neger wijzend, âdeze persoon, ik bedoel dien roetmop daar, is lang niet de ergste geweest; wat waar is, móet waar blijven, en baas Hen-driksen is de allerlaatste die zijn evenmensch, al is 't ook een baviaan, een zwartsnuit, zooals die persoon daar, een klad zal aanwrijven en ik reklameer alleen tegen de politieagenten, alsdat ze, eigenlijk gezeid in hun furie de verkeerden hebben ingepikt. Afijn, ze hebben zooveel als hun plicht gedaan, maar...quot;
De lofrede op zijn dienaren scheen den commissaris overbodig toe, want hij maande baas Hendriksen aan tot kortheid, door te zeggen: âEn wat wou je nu?quot;
âWat ik wou ? â Dat U die Engelsche jantjes liet arresteeren; ik ken ze bij name, meneer, en ze hooren net als die nikker op de âPrins Albert,quot; een Engelsche boot, die in 't Oosterdok ligt. Ze hebbén mijn boel stukgeslagen en... Laat ik U ereis 't geval vertellen, dan zal U zien, meneer, dat ik recht heb op assistentie.quot;
De politiecommissaris sloeg een blik op den neger, die met de handen langs de zijden en 't hoofd vooruitgebogen met half geopenden mond oplettend stond te luisteren en glimlachte even om diens zonderlinge verschijning. Baas Hendriksen had dien trek om des commissaris mond opgemerkt en zei: âJa! kijk hem maar eens goed aan, meneer! Die zwarte kerel is halfsuf, hij deed niemand kwaad, maar de anderen namen hem in de maling; toen werd hij razend en sloeg er op; raak wat, hoor! Hij heeft vermogens in zijn handen, dat verassureer ik je; maar recht is recht: hij was niet begonnen, de man kan toch niet helpen, dat hij zooveel als een tik van den molen heeft. Uwé moet begrijpen, meneer, dat hij zijn eigen verbeeldt, dat hij hier zijn vrouw zal vinden en een zekere juffrouw Bekker of Dekker, die in Amerika is
99
CESAR.
geweest; je kunt er zoo recht niet uit wijs worden wat hij wil, want hij koetert Engelsch en Hollandsch door elkaar. Nou dat is zijn zaak; maar zooals ik zei: hij vroeg aan iedereen, of ze die juffrouw ook kenden, en als ze dan zeiden van neen, keek hij zoo simpel, zoo sentermenteel, dat je lachen moest, of je wou of niet. Toen kwamen er een paar jongmaatjes, die hem al een poos in de gaten hadden gehad, en zeien: âWij weten, waar de juffrouw Dekker of Bekker woont, en voor een paar borrels, zeggen we 't je.quot; Hij gaf borrels, een âdrinkquot; noemt hij 't; zij peerden 1) ongemakkelijk en lachten hem daarna uit. Daarop werd hij nijdig, en 't eene woord gaf 't andere, maar toen een van de lui, die hij getrakteerd had, lachte en zei: âZoek jij je vrouw, mooie jongen? Dat is ook zeker net zoo'n apenbakkes als jij,quot; â pakte hij hem beet en smeet hem de deur uit. Daar had je de poppen aan 't dansen; de Engelschen trokken partij voor Cesar, â zoo noemden ze hem, weet u â anderen gingen er tegen in, en eer dat ik benul had gehad om de agenten te waarschuwen, hadden ze mijn buffet ontrampeneerd, mijn papegaai vertrapt en was kortjan aan 't vegen. Tegen dien suffen neger heb ik 't niet, â waarachtig niet, want hij heeft royaal verteerd, al zijn centen zijn zoo goed als op, maar op die satansche Engel-sche bokkings wil ik verhaal hebben.quot;
Met aandacht luisterde de neger naar 't relaas van den herbergier. Zwijgend en somber keek hij den man aan, en toen deze eindelijk er bijvoegde: âIk geloof, dat die zwarte vent driekwart gek isquot;, en daarbij met den wijsvinger op zijn voorhoofd wees, schudde Cesar langzaam het hoofd en zei dof: âOh no, mij niet gek â in 't geheel niet!quot;
De commissaris, een menschelijk man, suste de zaak en de partijen. De herbergier vertrok even opgewonden en rood als hij gekomen was, en Cesar had, met de andere arrestanten, dien nacht vrij logies.
IOO
Den volgenden morgen werden ze weder voor den commissaris gebracht en konden, na een welwillende, vaderlijke vermaning te hebben ontvangen, vertrekken. De ontnuchterde burgers repten zich zoo spoedig mogelijk naar huis, maar de neger bleef wachten, en de politiebeambte, die geloofde,
') Dronken.
CESAR.
dat hij zich niet duidelijk genoeg had uitgedrukt, herhaalde in het Engelsch: âYou can go!quot;
âThankee, sir, but me want to speak to youquot;, i) antwoordde Cesar en nu herhaalde hij, half in 't Engelsch, half in gebroken Hollandsch, zijn vraag, of de commissaris ook een zekere juffrouw Dekker kende, die uit Amerika gekomen was.
Cesar, die wel opgewonden en driftig, maar niet dronken was geweest, had gedurende den nacht, liggende op de houten brits van het arrestantenhok, nagedacht. Toen hij allengs kalmer werd, fluisterde zijn gezond verstand hem in, dat, als iemand weten kon of de familie Dekker nog bestond, het do politiecommissaris moest zijn, en daarom vroeg hij zoo goed hij kon, wat hij weten wilde.
Er lag zooveel ernst, zooveel kalmte en drang in de manier waarop Cesar vroeg, dat de commissaris begreep, dat hij niet, zooals baas Hendriksen beweerde, met een dwaas te doen had; en daarom antwoordde hij: âWeet je niets naders aan te geven omtrent die menschen?quot;
âO yes! Heel goede missus, groote man massa Dekker â kleine jongen in huis, ook baby en jong mulattowijf,quot; was 't antwoord geweest van den neger.
Zonderling genoeg stelde deze zich nog altijd de familie Dekker voor, zooals hij haar verlaten had. Of er ook al veel jaren tusschen toen en nu lagen, daarmede rekende hij niet. Zijn voorstellingsvermogen had geen gelijken tred gehouden met den verloopen tijd en onwrikbaar stond hij hem de overtuiging vast, dat Lilly onafscheidelijk van juffrouw Dekker was. â Eerst door de vraag van den ambtenaar: âHoe lang is 't geleden, dat je hen verliet?quot; kwam hij tot nadenken; en terwijl hij antwoordde: âMij niet weet juist â maar groot lang. Well! mag zijn tien jaar â twaalf jaar,quot; schoot de gedachte door zijn brein: âdan is Lilly niet jong meer, evenmin als ik zelf,quot; en daarom voegde hij er bij: Mulatto-wijf, mijn vrouw, niet zoo jong; en missus Dekker ook niet â kleine kind groote jongen geworden â baby wezen zal kleine meisje â mij kan niet zeggen hoe groot.quot;
101
Toevallig was een der rechercheurs op het bureau aanwezig, op het oogenblik dat Cesar werd ondervraagd, en toen eindelijk de commissaris schouderophalend zei; âIk ge-
,) Dank u, mijnheer, maar ik wou u eens spreken.
CESAR.
loof nu waarlijk ook, dat die kerel malende is; laat hem maar heengaan,quot; merkte de rechercheur aan: âBij mij in de buurt woont een juffrouw Dekker, die vroeger in Amerika was. Ik ken haar wel; ze wascht en strijkt voor de men-schen; ik geloof, dat ze te Pittsburg heeft gewoond, â ze heeft het eens aan mijn vrouw verteld, die wel eens een buurpraatje met haar houdt, 't Is een fatsoenlijk mensch.quot;
Bij 't hoeren van den naam Pittsburg deed Cesar onwillekeurig een stap vooruit, zijn oogen verloren hun doffe uitdrukking en haastig riep hij: âYes, yes! â Pittsburg, dat is 't. â Oh, laat mij zien dat vrouw. â Yes, 't moet wezen missus Dekker.quot;
âGa dan maar eens met hem mee,quot; zei de commissaris, â't Is mogelijk, dat zij de vrouw is, die hij zoekt.quot;
Terwijl Cesar met zijn geleider, den rechercheur, medeging, sprak hij voordurend in zichzelven; hij glimlachte en telkens verhaastte hij zijn tred. Zijn hart bonsde en klopte van verwachting en van angst, en toen hij eindelijk het huis binnenging en, na de steile trap te zijn opgeklommen, in het portaal stond voor juffrouw Dekker's kamerdeur, moest hij een oogenblik stil blijven staan om adem te halen, en zijn stem klonk dof en heesch, toen hij vroeg: âIs 't hier?quot;
't Geluid der voetstappen op de trap en de ongewone beweging in het donkere portaal hadden de opmerkzaamheid der bewoonster gaande gemaakt. Zij opende de deur der kamer, en 't licht uit het venster er vlak tegenover viel juist op Cesar, die werktuiglijk zijn gehavende matrozenmuts had afgenomen en haar zwijgend aanstaarde.
Een paar seconden keek de juffrouw hem aan en toen riep ze, een pas terugtredend: âCesar! â Groote God! 't is Cesar! â Hoe kom jij hier?quot;
Zij had onmiddellijk den neger herkend; hij haar niet. Hoe zou hij ook? Die armoedige, vervallen, bleeke vrouw, was dat âgood missus Dekker?quot; Cesar kon het bijna niet gelooven, en toch was het zoo; zij had hem immers dadelijk bij zijn naam genoemd.
De rechercheur was heengegaan, na kortelijk aan de juffrouw te hebben verteld, hoe en waarom hij dien neger bij haar bracht; en eerst toen hij vertrokken was, kon Cesar een paar woorden uiten. Hij zag verbaasd, met groote, wijd ge-
I02
CESAR.
opende oogen, in het armoedige vertrek rond, begon te beven en vroeg zacht en angstig: âLilly, missus?quot;
't Duurde eenige seconden, vóór juffrouw Dekker antwoordde :
âGestorven, Cesar, kort voor we uit Pittsburg gingen.quot;
De trme man zag haar eerst verwonderd aan, lachte toen luid en smartelijk en zocht een steun voor zijn wankelend lichaam. Op een stoel, bij de tafel, viel hij neer en verborg zijn gelaat in de handen; â toen liet hij zijn hoofd langzaam zakken op de gekruiste armen en bleef zoo geruimen tijd op de tafel geleund liggen. Zwijgend zag juffrouw Dekker naar den neger en stoorde hem niet; maar toen zij bemerkte, dat zijn lichaam minder schokte en hij zijn hoofd niet meer zoo zenuwachtig heen en weer bewoog, raakte zij zachtkens zijn schouder aan en zei: âCesar, ze is heengegaan; ze heeft steeds op je gewacht; maar je kwaamt niet. â Ze is naar Joey en Tommy. â Kom! wees een man. Wij hebben voor haar gedaan wat we konden, want we hielden veel van haar; ze is uit ons huis begraven. We hadden het toen nog goed, maar nu...quot; Juffrouw Dekker's gemoed schoot vol en ze kon niet meer spreken.
Langzaam richtte de neger zich op, greep de handen der vrouw, die voor hem stond, en drukte er lang en eerbiedig zijn lippen op, terwijl hij fluisterde: âThankee, missus, thankee! â O! my poor little wife! â Gone, for ever!quot; 1)
I03
Het verloop van juffrouw Dekker's geschiedenis was zeer eenvoudig, zeer gewoon en zeer treurig. Verarmd in Nederland teruggekeerd, was het haar en haar man in Amsterdam hoe langer hoe slechter gegaan. Hij had nu dit, dan dat middel aangegrepen om den kost te verdienen, maar niets wilde hem gelukken. Toch scheen het een oogenblik alsof hij er weer bovenop zou komen; hij had namelijk op een fabriek een plaats gevonden, die hem zooveel opbracht, dat hij zijn gezin voor algeheelen ondergang behoeden kon; en toen hij door het opzetten van een klein winkeltje, dat zijn vrouw kon waarnemen, iets meer verdiende, begon er eenig licht in de donkere dagen der familie te komen. Onge-
') Dank ! Dank! juffrouw! â O ! mijn arme kleine vrouw! Heengegaan' voor altijd.
CESAR.
lukkig duurde dat schijnsel niet lang, want Dekker werd ziek en stierf; zijn vrouw bleef met haar twee kinderen alleen. Het winkeltje verliep al meer en meer, voornamelijk omdat eenigen der leveranciers, die den man goed hadden bediend, er geen bezwaar in vonden om de weduwe, die toch geen verstand van hun artikelen had, met datgene op te schepen wat zij gaarne kwijt waren.
Ten laatste was alles wat er van den winkel over was door een onbarmhartig schuldeischer verzwolgen en stond juffrouw Dekker op straat, zonder eenig middel van bestaan. In dien uitersten nood wendde zij zich tot een verren bloedverwant om hulp en ze ontving, met een kort briefje, waarin haar medegedeeld werd, dat dit de eerste en ook de laatste keer was, dat zij hulp kon verwachten, een kleine som gelds, die haat in staat stelde om een kamertje te huren en te beproeven als strijkster of fijnewaschvrouw voor haar en haar kinderen den kost te verdienen. Met ontzaglijke inspanning deed zij haar best, en ofschoon haar stukje brood uiterst klein en schamel was, ze hield het hoofd boven water!
't Was juist in dien tijd, dat Cesar tot haar kwam. Met aandacht had hij haar verhaal gevolgd, en toen zij eindigde met te zeggen: âZoo is 't mij gegaan, Cesar; nu weet je 't; ik ben nu misschien nog armer dan jij, â maar ik tracht moed te houden; God zal me verder helpen,quot; viel de neger haar in de rede, door te zeggen: âGod? No missus! â Cesar zal help! Jou goed geweest altijd voor mijn arme wijf, voor Lilly, voor Tommy, en mij; â nou Cesar geld verdienen wil voor jou.quot;
Er lag iets in zijn blik, dat aan dien va'n een trouwen, dankbaren hond herinnerde. Terwijl hij nogmaals haar handen kuste, herhaalde hij: âGood missus ! don't cry, my honeyquot; l), en met zijn bonten zakdoek trachtte hij een paar tranen van juffrouw Dekker's wangen af te wisschen. âCourage, missus ! Jou verdienen money met wasch and strijk; Cesar gaan werken; de boot stoken, of doen, komt niet op aan wat, en jou zal hebben all de money. Niet huilen, hoor! Oh, mij zal help jou!quot;
I04
Toen 's namiddags juffrouw Dekker's kinderen uit de school te huis kwamen, wisten ze niet wat ze zagen; want hun
ï) Goeie juffrouw! schrei niet, mijn beste.
CESAR.
moeder stond als naar gewoonte te strijken, en een neger, net zoo zwart als St.-Nicolaas' knecht, zat op den grond aardappelen te schillen. Zijn witte tanden vielen hun 't eerst in het oog, want hij lachte met zijn geheele gezicht, toen hij het tweetal gewaar werd.
Hij zette den bak met aardappelen naast zich op den grond, en met 't mes op den kleinen jongen wijzend, hief hij het hoofd op naar juffrouw Dekker en vroeg: âCharlie, eh?quot;
De kleine Karei, die zich zeker uit moeders verhalen den neger herinnerde, bleef een oogenblik beteuterd staan en riep toen: âDat is Cesar, is 't niet, moeder?quot;
âYes, dat is Cesar. Kom hier, klein jongen; dat kleine meid is zuster van jou, eh?quot; riep de zwarte opstaande. Hij zette de kleinen op zijn knieën, keek beurtelings den jongen en het meisje aan, lachte hen toe en riep met schitterende, maar vochtige oogen: âMooie kleine meid, âmooi little boy, sah!quot;
Een oogenblik later zette hij de kinderen van zijn knieën, nam zijn muts, liep de deur uit, de trap af en de straat in. Verwonderd keken allen hem na en elkander aan, maar nog grooter oogen zetten zij op, toen hij een groot kwartier later terugkwam met zijn armen en zijn handen vol. Een zak met broodjes en een stuk kaas in de eene hand, in de andere een koek onder den arm en een flesch wijn. Uit de zakken van zijn zeemansjekker staken een blikken sabel en een poppenhoofd.
âSo, dat is for de kinderen; neemt 't uit van mijn zak,quot; riep hij vroolijk, â âen dat is voor ons all te zamen,quot; voegde hij er bij, terwijl hij de eetwaren op tafel lei. âPity! jammer, dat mijn money is nou op, â geen geld meer, .^nissus, en mij wou koopen so veel for jou.quot;
Juffrouw Dekker zag hem glimlachend aan en zei: âCesar! Cesar! 't is veel te veel!quot;
âOh no! missus, nooit genoeg for jou,quot; â en zachter voegde hij er bij: âNooit genoeg, want jou gedaan voor arme Lilly zoo groot veel meer; Cesar nooit kan danken genoeg, missus.quot;
Wanneer ooit iemand onder een ongelukkig gesternte geboren werd, dan was het zeker juffrouw Dekker, want niettegenstaande zij haar best deed om voor zich en haar kinderen
IO5
CESAR.
den kost te verdienen, ging ze door gebrek aan voldoende aanbeveling en geregeld werk dag aan dag meer en meer achteruit, en toen op een noodlottigen nacht het huis waar zij woonde door brand werd vernield, verloor zij het laatste wat zij bezat en werd doodarm.
De neger was weer gaan varen; en hoewel hij trouw zijn woord hield en van zijn gage geregeld het grootste deel aan âmissusquot; zond, was het te weinig om haar voor den bedelstaf te behoeden. En toen Cesar eindelijk na een afwezigheid van ruim anderhalf jaar weer in Amsterdam kwam, vond hij de familie Dekker op het bekende vlierinkje in de Palm-dwarsstraat.
De barre koude winter, het gebrek dat hij met de Dekkers leed, â want een plaats als stoker had hij niet gevonden, â maakte hem ziek; ijlende koortsen sloopten zijn krachtig lichaam, en waarschijnlijk zou hij gestorven zijn, wanneer hij niet nog bijtijds door de heeren van de commissie ware gevonden.
En wat gebeurde er verder met Cesar? zullen misschien eenige lezers, die dit verhaal volgden, vragen. â Ronduit gezegd, ik weet het niet. Waarschijnlijk is hij weer gaan varen. Toen hij hersteld was en het gasthuis heeft. verlaten, heb ik hem uit het oog verloren. De familie Dekker is door bemiddeling van een der heeren commissieleden in beter doen gekomen. De verre neef namelijk heeft zich, door hen voorgelicht, het lot van zijn bloedverwanten aangetrokken.
Een hiermede is de geschiedenis van Cesar ten einde. Ze is niet al te vroolijk geweest, â maar ze was eenmaal zóó en niet anders.
io6
DE NACHTWACHT.
âZou ik voor den klepper vreezen? O ! die goede brave man Maakt, dat ik gerust kan wezen En ook veilig slapen kan.quot;
Zoo zong eenmaal de onsterfelijke Hiëronymus van Alphen, die er slag van had om brave versjes voor brave kinderen te schrijven, 't Was bepaald een doodouderwetsche klepperman, dien hij bezongen heeft; want van de nachtwachts uit den lateren tijd zou zelfs de grootste optimist niet hebben kunnen zeggen, dat zij er toe bijbrachten, om de slaperige burgers van de Amstelstad te doen indommelen; daarvoor was hun stem veel te schor en luid en hun ratel veel te rumoerig.
Het zou vermetel zijn, te willen beweren, dat er ooit menschen geweest zijn, die voor den nachtwacht vreesden; want het ouderwetsche Amsterdamsche âwachiequot; was een vrij onschadelijk, goedaardig conglomeraat van protoplasma en bovendien, met enkele uitzonderingen, op jaren. Niet dat er onder het gild der nachtwakers geen stoere, stevige kerels gevonden werden. O neen! er waren âwachiesquot;, die met handen als hamers, en knoken als mastodons gezegend waren, maar het gros was toch tamelijk bouwvallig. Geen wonder: de belooning voor een nachtwaker was eertijds 's winters 60 centen en 's zomers 50 centen per nacht, en alle waar is naar zijn geld.
DE NACHTWACHT.
Wilt ge het beeld van een nachtwacht, zooals ze tot voor weinig jaren nog in Amsterdam rondwaarden ?
Ziehier!
Met kleine afwijkingen was het grondtype als volgt: Een man op leeftijd, meestal gezegend met veel kinderen, stijve loopwerktuigen en dito bakkebaardjes, stevige werkhanden in groene wollen wanten of âau naturelquot;, al naar gelang van het seizoen, en een naar het kromme trekkenden rug; hij was gekleed met een duffelschen pijjakker, van boven begrensd door een wollen bouffante van onbestemde kleur, als een strop toegehaald over den adamsappel; alleen in de hondsdagen bevond zij zich niet om den nachtwacht, maar in zijn huisje. Op zijn hoofd droeg hij een karpoetsmuts met kleppen, om deze in den winter over de meestal met ringetjes versierde ooren te kunnen trekken; 's zomers dezelfde karpoetsmuts, maar zonder kleppen. Daarbij veelal een rimpelig, soms ook pokdalig gelaat, en altijd vast één uitgezette wang door een vulsel van âbeste rinsige pruim van acht stuiversquot; of negrohead van 50 centen de 5 ons. De oogen van dit individu waren dikwijls bezwaard door den druk van Morpheus' vingeren en zijn mond schuin getrokken door de inspanning, om, zonder het vulsel te verwijderen: âtwalef heit de klok, twaahalef,quot; te roepen. Wellicht was ook daardoor hun geluid iets minder melodisch en zegt men nu nog heden ten dage van iemand, die door de natuur met een weinig zangrijk orgaan bedeeld werd: âHij heeft een stem als een nachtwacht.quot; Mogelijk ook dankten zij het veelal schorre geluid van hun roep aan de voortdurende ' begeleiding van den ratel, een instrument, dat niet geschikt is om den mensch in de geheimen van de harmonie der klanken in te wijden.
Een integreerend deel van den vroegeren nachtwacht was het huisje, dat hem te gelijk als schuilplaats bij buiig weer en als bergplaats van de teekenen zijner waardigheid diende. Evenals een slak zonder huisje een armzalig, ongelukkig, akelig dier is, was een âwachiequot; zonder 't huisje met den vuurpot vol gloeiende kolen, de dreg en de walmende vetkaars, geen nachtwacht met eere. Zonder huisje was hij een minister zonder referendaris, een held zonder zwaard.
Verre van iets te willen afdingen op de rechtschapenheid of de zedelijke beginselen van den braven nachtwacht, ge-
io8
DE NACHTWACHT.
loof ik toch, dat er weinig menschen gevonden worden, die zóó innig gehecht waren aan âeen fooitjequot; als juist hij.
âEen fooitjequot; was het tooverwoord, waardoor zich vele deuren sloten, of openden, en waarmee geslagen builen en schrammen genezen werden. âEen fooi!quot; was de hoop, de verwachting, neen! bijna de eisch van den nachtwacht bij den aanvang des jaars of van de kermis. En wie gaf niet gaarne een kleine gave aan den goeden man, die zoo gezellig, 'n a v e n d, m e h e e r!quot; kon zeggen, als men hem in 't holle van den nacht op een of andere gracht of straat tegenkwam. â Er lag toch iets geruststellends in dat â'navendquot; en onwillekeurig keek men eens om naar den man, die doodbedaard en rustig, of 't mooi weer was of regende, altijd met denzelfden regelmatigen tred, met den ratel, onder den arm zijn weg vervolgde. Wie of toch den ratel uitgevonden heeft? Ik geloof zeker, dat het de een of andere boef of inbreker is geweest; want beter instrument, om de dieven reeds op verren afstand voor de nadering van den waker te waarschuwen, bestaat er niet.
't Is nog lang niet aan iedereen gegeven om den ratel met gevoel te bespelen; er hoort veel maatkennis en een krachtige gespierde pols toe, â de meeste wachts werden er eerst na jaren van studie meesters op; â daarom is het jammer, dat de ratel nu nog maar alleen wordt gebruikt door den aschman of den baas van de vuilniskar. Er ligt niets geen poëzie in die twee voertuigen, en 't dunkt mij als een ontheiliging van den ratel, dat hij in nachtelijke uren zijn waarschuwende stem niet meer laat hooren. Er was toch iets treffends in dat; âRrrrrrt! â rrrrrrrt â rrr-t! â rrr-t! â Bewaar je vuur en kaarslicht wel. Neem je liefje in je arm, dek haar toe en houd haar warm â rrrrt! â De klok heit tien 1 rrrrrr! â rrrrrt!quot;
Maar dat is lang, heel lang geleden! 't Was in den tijd toen de menschen nog om tien uur naar bed gingen.
In die dagen waren de burgers nog naïever en luisterden met stichting in den Kerstnacht naar het lied van den nachtwacht. Dan zong hij, afgewisseld door ratelmuziek:
De herders lagen in het veld En weidden hunne schapen;
Een ster in 't Oosten, daar verzeld Alle de herdersknapen.
DE NACHTWACHT.
Zij hoorden daar der Englen stem En trokken op naar Betlehem.
Tot Godes welbehagen.
Eén heit de klok geslagen!
Maria cvond daar nergens plaats,
Voor haar om te vernachten,
Als in een beestenstal hélaas!
Maria stortte klachten.
Daar zij gevoelde barensnood!
Verloste van een Koning groot,
In 'n krib naar Zijn behagen.
Twee heit de klok geslagen 1
Speelt nu op bas, viool en fluit En laat uw stemmen hoorcnj Zingt met elkander overluid,
Dat Jezus is geboren.
Te Betlehem, al in een stal.
Daar lag die groote God van al In 'n knb naar Zijn behagen.
Drie heit de klok geslagen!
In later jaren hoorde men alleen: âRrrrrt! â de klok heit twalef, twalef ure heit de klok.quot;
En thans? Niets meer dan âRrrrrt!quot; en dat nog wel over dag. Bah! iedereen loopt nu weg, als hij dat âRrrrt!quot; hoort, want hij denkt plotseling aan asch en vuilnis. âArme ratel! Sic transit gloria mundi!
De nachtwacht van vroeger was, door het bescheiden loon dat hij verdiende, meer dan half gedwongen naar meerdere en rijkere bronnen van bestaan uit te zien. Daarom oefende de een over dag, minus eenige uren slaaps, het eerzame vak van huistimmerman of zeilenmaker, en de andere dat van blikslager of schoenmaker uit, terwijl allen zonder onderscheid in de nachtelijke uren met talent het fooien vangen uitoefenden. Er bestond bij eenigen hunner een soort van onderling tarief, dat zij, geleerd en geleid door de ondervinding, bij verschillende âakefietjesquot; raadpleegden.
Een oude nachtwacht, die lange jaren dienst had gedaan, vertelde mij eens: âUwé begrijpt, meheer, een wacht, die zooals ik al zoo'n jaar of veertien meeloopt, kent z'n volk al zoo wat. â 'n Heer, die met een goed stuk in, uit de societeit komt en t'huis gebracht wil wezen, â dat's een kwartje. Voel ik nou, zoo onderwijl ik hem onder zijn arm
no
DE NACHTWACHT.
neem, dat hij een bijzonder fijne jas aanheit en is zijn gezicht naar rato, dan kam ik hem op, begrijpt uwé ? Ik zeg dan: jongens, meheer! je mag blij wezen, dat je mij treft, want een fijn man zooals uwé moet netjes behandeld worden. Me dunkt, 't zal uwé wel een gulden waard wezen, om zonder vallen thuis te komen; je ziet er dadelijk zoo erg beestig uit, hé meheer ? â Zoo hou ik hem zachtjes aan den praat, en gewoonlijk draait 't dan op twee kwartjes uit.
âEen burgermensch of zoo'n halfblanks heer, â afijn! dien breng je ook thuis, om Godswil, als 't niet anders kan! Geeft hij een dubbeltje, welnou, ik neem dankbaar mijn pet af en zeg: Dankje, meheer! bij een volgende gelegenheid asjeblieft. â Ja! 'k heb ereis eens een dominee ook thuis gebracht; ik kon hem, 't was er een van de afgescheiden gemeente, vroeger turfdrager. Hij was zoo vet als een slak, precies als een ordinair mensch. Weet u wat ik zei? Foei! een dominee en dan sikker; 't is meer dan erg. Als je gemeente het hoort, ben je geleverd. De man kroop heele-maal in zijn schulp, meheer! zoo schaamde hij z'n eigen â en hij gaf me twee gulden. Och! och! wat spijt het mij, dat ik hem nooit meer gezien heb.quot;
Er was nog een eigenaardige vorm, waarin de nachtwacht van vroeger zijn verzoek om een fooi wist te kleeden, nl. het bescheiden schelletje aan de voordeur der huizen en het daarop volgende: âDe wacht om een turffie, vrijster !quot;'t was hem niet bepaald om een spon-, steek- of meerturf te doen, maar wel om van de vrouw of heer des huizes de woorden te vernemen: âGeef den wacht maar een kwartje, Naatje!quot;
Een turf in natura was de grootste teleurstelling, die men hem kon bereiden.
Een tweede bovenhuis stond bij hem gelijk met een turf a 5 cents, een eerste bovenhuis was doorloopend getaxeerd op een turf a 10 cents, maar een beneden- of geheel huis nooit minder dan een kwartje. Hoe kouder en guurder het weer was, des te vuriger bad de nachtwaker om nog feller vorst of nog meer wind en regen, want dan begreep en gevoelde ieder rechtschapen mensch, dat de wacht zijn turf moest hebben.
Behoorlijk hield hij in iedere wijk dan ook boek van al degenen, die aan hem hun schatting in brandstof hadden te
UI
DE NACHTWACHT.
leveren, door op hun deurpost of vensterkozijn met krijt, een B te schrijven, indien zij wél, een N, wanneer zij niet voldaan hadden.
Kruideniers en koffie- of water- en vuur-huizen kregen soms een streepje met rood krijt extra, omdat die dikwijls hun turfje, in den vorm van droge of vloeibare koffie, suiker of andere victualiën voldeden. Zelfs uit het ongeluk van anderen kwam voor den nachtwacht nog een klein voordeeltje; want meer dan één burger sloot met het âwachiequot; uit de wijk een mondeling contract, om hem, zoodra ergens brand in de buurt was, op te schellen omdat hij brandpiket had en liever aan de wacht een kwartje gaf, dan een gulden boete stortte in de kast der schutterij.
âBrand! Brand! Brrra-a-a-nd!quot; Laat een van de tegenwoordige nachtpolitie dat eens zoo treffend roepen; dat kan hij niet! Daarvoor moet men nachtwacht geweest zijn. Dat âBrand!quot; moet eerst kort en dreigend, dan eenigszins brullend, en eindelijk hol, akelig en onheilspellend worden uitgebulkt. Dat kon men alleen na jarenlange oefening, 't Klonk toch veel romantischer, dat langgerekte âBra-andquot;, veel griezeliger dan het schellen van de tegenwoordige brandweerwagens ; en bovendien, schellen kan iedereen. Ik houd in dat opzicht van 't oude; al die nieuwe inrichtingen en veranderingen nemen de emotiën weg, die den spietsburger zoo noodig en nuttig zijn.
Met de porders en porsters leefde de vroegere nachtwacht meestal in minder vriendschappelijke verhouding; want hij was een gevaarlijk concurrent. Niemand dan hij kon u zoo goed porren, als gij uit visschen wildet gaan en om twee uren of drie uren moest gewekt worden.
Zeidet gij hem: âWachie! 'k ga morgen visschen! dan klonk zijn antwoord lakonisch: âHalfdrie, meheer?quot;
âDrie uur, wacht!quot;
âAkkoord, meheer.quot;
âZul je 't niet vergeten? Hard schellen!quot;
â't Is al genoteerd, meheer!quot;
âG'n avond, wacht!quot;
âWel te rusten, meheer!quot;
Dat noteeren bestond gewoonlijk in het teekenen van de volgende hieroglyphen met krijt tegen de binnenzijde der deur van 't wachthuisje: âh/3. No. 61 visse, loiën.quot;
112
de nachtwacht.
Tegen Nieuwjaar had de nachtwacht het gewoonlijk bijzonder druk; want hij maakte, evenals ieder koopman zijn balans op. Bij hem bestond die in het tellen van de N's, die hij met krijt op de deurposten der perceelen had geschreven, van welker eigenaars of bewoners hij nimmer een turfje had gehad en die hem afscheepten met de veelbelovende woorden: âMet Nieuwjaar, wachie!quot; Die N's werden op Nieuwjaarsdag het allereerst bezocht, en bij niemand zei hij met zooveel hoop en verwachting: âDe nachtwacht wenscht u veel heil en zegen in 't Nieuwjaar.quot;
De prent, met den er onder gedrukten Nieuwjaarswensch onderscheidde zich gewoonlijk van de andere wenschen door een meer artistieke uitvoering en betere versificatie, terwijl een zeker godsdienstig waas maar zelden ontbrak. Bij voorbeeld :
Geluk en voorspoed blijve U bij,
Gedurig op uw wegen ;
En daarom wenscht de nachtwacht U Gods vaderlijken zegen.
UEd. Dw. Dienaar, J. Ratelman, Nachtwacht in wijk H.
Was de Nieuwjaarsdag voorbij, dan was ook de zegen-wensch gedaan en ging de dichter weer geheel in den ambtenaar op. Plicht was dan weer het wachtwoord, een fooitje het consigne.
Waarvoor een nachtwacht eigenlijk een sabel droeg in een leeren schee, is mij nooit recht duidelijk geworden, omdat hij zelf zei: âGeslepen is hij niet en gebruiken mogen we ze ook niet.quot;
Een noodsein vond de nachtwacht in het zoogenaamde verkeerd slaan van den ratel, 't Was een onheilspellend geluid, dat aanstonds al zijn in de buurt aanwezige collega's deed toesnellen om hulp te verleenen, hetzij bij een kloppartij, hetzij bij het ophalen van een drenkeling. Dan deed ook de dreg dienst en menigmaal gelukte het hun een drenkeling te redden. Zonder aanzien des persoons was âhet wachiequot; dan in volle bezigheid. In zoo'n oogenblik dacht hij aan geen fooitje, maar hielp, omdat er hulp noodig was, en sloofde zich uit zooveel hij kon.
quot;3
8
DE NACHTWACHT.
w
Ik herinner mij, nu ik dit neerschrijf, het typisch kernachtig gezegde van een wacht, die eens in den voornacht een heer uit 't water redde. Met eigen levensgevaar haalde hij den drenkeling op den wal, en toen deze, die nog goed bij zijn zinnen was en met een nat pak en den schrik vrijkwam, zijn redder een kwartje in de hand stopte, met de woorden: âZiedaar, goede vriend, daar heb je wat voor je hulp,quot; stak de nachtwacht het geldstukje bedaard in den zak en zei â'n Kwartje! â⢠Afijn! de man zal zelf 't best weten wat hij waard is.quot;
Goedhartig voor arme stakkers, die geen onderkomen hadden, was hij ook, en menigmaal stond hij aan den een of anderen stumper zijn plaats in 't huisje bij den vuurpot af, terwijl hiquot;; âeen kommetje troostquot; met gulheid gaf, namelijk als hij zelf koffie had.
Nog eene qualiteit van den nachtwacht verdient vermelding, namelijk die van ongegradueerd vrederechter.
Was er 's nachts in eene of andere kroeg, dans- of mosselhuis dat ânachtpermissiequot; had, verschil ontstaan over de betaling, dan werd doodeenvoudig het âwachiequot; binnengeroepen en onderwierpen zoowel gasten als waardin of waard zich â om de schandaligheid of herrie voor meheertje (den commissaris van politie) te vermijden â aan de uitspraak van den nachtwacht, die dan met een zekere aartsvaderlijke deftigheid besliste : âJelui hebt allebei den beest gespeuld teugens mekaar; jij (tot den klant) mot betalen wat je verordineerd en gebruikt hebt en jij (tot den waard) jij valt er niet vies van om meer te nemen dan je van god en rechtswege toekomt; daarom hou jelui nou allebei je gemak, anders maak ik perses-verbaal en dan, ben jelui er percies bij.quot;
Met verstandige bedaardheid wachtte de vrederechter dan totdat de zaak stante pede was afgedaan en nam gewoonlijk als belooning voor zijn minnelijke tusschenkomst een of andere versnapering aan van den waard of waardin, die, hulde doende aan 's wachies onpartijdig oordeel, het toch niet onstaatkundig vond om hem een klein bewijs van achting te geven in den vorm van âdubbelgebeidequot; of âmaagelixer met onversneden.quot;
Van studenten had elke rechtgeaarde nachtwacht een zekeren afkeer, omdat, zooals mij dezelfde oude nachtwacht, die mij omtrent het fooien vangen inlichtte, verzekerde: zij zoo variabel waren als 't weer.
ii4
DE NACHTWACHT.
âVat uwé,quot; zei de man; âje kunt niet op haarlui aan: je weet nooit of ze meenens met je praten, of dat ze je te pakken nemen. â Verleden winter nog had ik een casueel geval met zoo'n jongen sprinkhaan; ik liep zoo zonder erg in de Kalverstraat, â 't was zoowat half twee, koud weer, gladde straten, je kon temet niet staan op je beenen: daar hoor ik twee studenten aankomen, mooi in de lorem; zingen, schreeuwen van belang, ze zeilden kompleet over de straat. â Ik naar ze toe. Hou jelui je gemak, zeg ik. â Stik! leelijke klabak! zeit de een. Sielvoesplee! zeit de andere en neemt zijn pet voor mijn af. â Zie je, meheer, dat zoo'n aap van een jongen âstikquot; teugens me zeit dat ben ik gewend, dat hindert me niet, daar ben ik wacht voor; maar dat ie zijn pet afneemt en sielvoesplee zeit, dat verdraag ik niet, dat tast me in m'n ponteneur; ik ben ambtenaar en niet aangesteld om me te laten verlakken door zoo'n jongen spreeuw, die nog niet droog is achter de ooren. Dien eenen heb ik laten loopen, maar dien anderen heb ik zijn Fransch praten wel afgeleerd;'k heb hem behoorlijk meegenomen en naar de Spinhuissteeg gebracht; daar hebben ze hem een poos laten brommen.quot;
't Was bepaald vermakelijk om te hooren, hoe de oude wacht zich nog innerlijk boos maakte, over het onhebbelijk âS'il vous plaitquot; van den studioos. Ik hield hem nog wat aan de praat en prikkelde zijn ijdelheid door te zeggen, dat, behoudens allen eerbied voor de oude nachtwakers, de tegenwoordige nachtpolitie toch vrij wat beter was ingericht en zekerder waarborg gaf voor de veiligheid der burgerij.
Knorrig schudde hij zijn hoofd en zei: âLuister ereis, meheer: ze praten nou veel erover, dat 't in de stad een boel sicuur-der is dan vroeger en dat ze de boeven en gauwdieven veel gauwer inpikken; maar dat 's larie, â wij konden het ook wel. Denk maar eens aan âhet kleine wachie,quot; dat Harmen Bakker inrukte. Uwé heit toch wel ereis van Harmen Bakker gehoord ? Dat was de goochemste inbreker destijds. De politie kon hem nooit snappen, omdat hij altijd een aalebie â of hoe heet zoo'n ding â kon bewijzen, totdat op een keer het kleine wachie hem ergens zag inbreken en z'n eigen koest hield, totdat Harmen Bakker binnen was; toen hij ook naar binnen en flem beetgepakt van heb ik jou daar. En of de
US
DE NACHTWACHT.
boef ook al hoog en laag sprong, 't wachie hield hem vast, net zoo lang tot er assistentie kwam en ze Harmen Bakker inrukten. Ja, ja, meneer, in de kleine potjes zit de beste zalf. â En heit uwé nooit gehoord van Manus, den wacht, die in 't Karthuizers Kerkhof door den duivel is meegenomen? Niet! Nou de menschen vertellen het en daarom zal 't wel waar wezen, zeggen ze; maar ik weet beter. Manus was zooveel als een bangelijk mensch, begrijpt u? Nou wou het geval, dat ze op het Karthuizers Kerkhof 's middags iemand hadden begraven en dat een van de aansprekers, die een paar tikkertjes te veel had genomen, ampart was gegaan en bij het hek in slaap viel. Hij poeierde zoo stiekum door, tot juistement om twaalf uur 's nachts. Daar kwam Manus langs den muur en riep: âTwalef heit de klok â twalef!quot; De kraai werd wakker, keek over den muur en vroeg nog halfsikker : âWachie, hoe laat is 't?quot; Uwé kan begrijpen, dat zoo iets een raar moevement in je maakt, vooral als je geen idee er op hebt. Manus smeet zijn ratel weg en zette de spat. De menschen vertellen, dat hij nooit terug is gezien; ze zeggen, de Satan heit hem gehaald. Maar de waarheid is dat hij van wegens het spat-zetten zijn consjé heeft gekregen. Nou 't was maargoed ook; want een nachtwacht, die voor een kraai op den loop gaat, is geen cent waard.quot;
De oude man had gelijk, â en gelukkig waren ze ook niet allen zoo; menigmaal hebben de nachtwachts bewezen, dat zij merg in hun knoken hadden, en al waren ze ook vatbaar voor financieele consideratiën, toch was het een goed slag van volk, dat bij iedereen in aangename herinnering zal blijven. En de oude van Alphen had toch gelijk, toen hij schreef:
âMoederlief, 'k geloof het vast,
Dat hij op de dieven past.
Goede klepper, houd de wacht:
Ik ga slapen. â Goeden nacht.quot;
ii6
EEN KLEINE SURPRISE.
't Is veertien dagen voor St. Nicolaas.
In de bovenkamer van het huis van Mejuffrouw de wed. Pothof staat haar commensaal, mijnheer Krent, voor den spiegel en strikt zijn das.
Met meer dan gewone oplettendheid haalt hij de slippen door de lus en kijkt, of de wit- en blauw-gestreepte cravatte wel netjes genoeg zit.
âZoo is het goed,quot; mompelt hij, en terwijl hij de hooge boorden nog wat verder uit de das haalt, vervolgt hij : âJammer, dat die soort van dingen zoo schreeuwend duur is, â een daalder! 'k Heb nog nooit van mijn leven zóóveel geld voor een das uitgegeven. Ja, als ik deed evenals de jongelui tegenwoordig; ... maar Jeremias Krent is zoo dwaas niet om zijn geld zóó te verspillen. Hij keert elk centje nog eens om, vóór hij het uitgeeft; zoodoende blijft er wat over voor den ouden dag.quot;
Hij glimlacht tegen zijn spiegelbeeld, strijkt met de rechterhand over zijn dun behaarden schedel en lief koost daarna zijn kort geknipte bakkebaardjes en zijn kin, die met buitengewone zorg geschoren is.
âHm! Hm! ik zie er voor mijn leeftijd nog niet zoo kwaad uit,quot; denkt hij, en met een snellen ruk en een pijnlijk gezicht trekt hij een paar grijze haartjes uit zijn bakkebaard en vervolgt, in zichzelven sprekend: âVoor één en vijftig jaar zie ik er waarlijk nog passabel uit; alleen wordt mijn
EEN KLEINE SURPRISE.
haar wat dun. Enfin, als zij mij daarom niet hebben wil, dan moet zij 't laten.quot;
Mijnheer Krent is verliefd, of neen verliefd is het eigenlijke woord niet; een man van één en vijftig jaren âverliefdquot; klinkt wel wat te dwaas, en toch spoken er trouwplannen door het hoofd van juffrouw Pothof's waardigen commensaal.
Weinig bevroedde de eerzame weduwe, die beneden in de kleine zijkamer van haar eigendommetje zat, dat zij het voorwerp was van Krents genegenheid. Wel scheen het haar toe, dat in den laatsten tijd haar huurder vaker beneden kwam dan strikt noodig was, of meer dan gewoonlijk met haar praatte over het weer, de regeling van het weekboekje en de nieuwtjes van den dag.
Juffrouw Pothof zag er voor een vrouw van bijna negen en veertig jaren nog vrij frisch en smakelijk uit. Sedert acht jaren weduwe van een handelaar in boter en kaas in het klein, bezat zij van het vette der aarde zooveel, dat zij een klein huisje in eigendom had, benevens eenige Oostenrijkers, die Pothof zaliger had overgewonnen. Zij leefde stil en ingetogen, zooals het een eerzame weduwe betaamt, en niemand in de buurt sprak anders van haar, dan als van eene fatsoenlijke vrouw, die er warmpjes inzat.
Gedurende ruim een jaar had zij haar bovenvoorkaraer verhuurd aan mijnheer Krent, een kalm, bedaard man, die sedert jaren boekhouder op een kassierskantoor was.
Zij was tevreden over haar commensaal, die rustig en geregeld zijn gang ging in alles, nooit lastige bezoekers ontving of veel noten op zijn zang had, maar met alles tevreden scheen.
Hij als huurder verklaarde zich voldaan over zijn hospita, omdat zij vriendelijk, voorkomend en fatsoenlijk genoeg was om hem niet op zijn weekboekje te âsnijenquot;, zooals hij beweerde, dat men hem vroeger maar al te dikwijls had gedaan.
Krent was nooit getrouwd geweest; hij had 't altijd willen doen; maar, zooals het meer gaat in de wereld, door het altijd willen was er nooit iets van gekomen. Sedert hij evenwel bij juffrouw Pothof woonde, was het hem meermalen in den zin gekomen, dat het wel zoo aardig en gemakkelijk zou zijn, indien hij, in plaats van in het kleine nette huis
118
EEN KLEINE SURPRISE.
als commensaal te wonen, er heer en meester was. De weduwe zag er nog goed uit en indien zij met hem botje bij botje lei, zouden zij het samen, dacht hij, nog wel zoo goed en veel gezelliger kunnen hebben, dan nu ieder op zich zelf.
Verschillende malen reeds had Krent op het punt gestaan om den kogel door de kerk te schieten en ronduit om Juffrouw Pothof's hand te vragen; maar een zekere schroomvalligheid en besluiteloosheid deden hem telkens het rechte oogenblik verzuimen.
Op den avond nu, dat hij voor den spiegel zijn das strikte, was hij vast besloten om zijn slag te slaan. Hij ging naar beneden, klopte bescheiden aan de zijkamer en wachtte met den knop der deur in de hand.
âBinnen!quot; riep juffrouw Pothof.
Toen Krent de zijkamer binnentrad, zat zijn uitverkorene voor het theeblad, dat op de nette mahoniehouten tafel pronkte. Een gezellige warmte en de geur der thee, die op het stoofje stond te trekken, kwamen hem te gemoet.
De weduwe had juist, na het eten, een uiltje geknapt en zag er blozend en welgedaan uit.
Krent kwam binnen, en met moeite zijn beschroomdheid overwinnend, zei hij:
â'n A vend juffrouw Pothof!quot;
â'n Avend, meneer Krent. Ga zitten, als 't u blieft.quot;
âWat zit u hier gezellig en lief.quot;
âVindt u?quot;
âO, erg!quot;
âEn wat is er van uw dienst, meneer Krent?quot;
Dat eenvoudige âwat is er van uw dienst?quot; bracht den goeden boekhouder nog meer van zijn stuk: hij had een gevoel als van iemand, die een misstap zal begaan en stotterde:
âNiets, niemendal juffrouw â hm! â eigenlijk niets; ik kwam maar eens even informeeren, hoe of u 't maakt.quot;
âO! dat is heel vriendelijk van u, meneer Krent.quot;
âDank u â hm! â heel beleefd van u.quot;
âZal u een kopje thee gebruiken?quot;
âAls ik u niet ontrief.quot;
âO! volstrekt niet. Suiker en melk ?quot;
âAsjeblieft! â Hé, juffrouw, wat heeft u allerliefste mooie theekopjes.quot;
119
een' kleine surprise.
âDat geloof ik, meneer! echte lange lijzen. Och ja! dat is nog een Sint-Niklaaspresent geweest van mijn goeien Pothof zaliger; echt blauw porselein!quot;
âKeurig, juffrouw! Keurig! Antiek!quot;
âOch ja! mijn man zaliger was altijd zoo attent; hij wist, dat ik zoo dol was op blauw porselein, en daarom gaf hij mij, als ik jarig was, of met Sint-Nicolaas, altijd het een en ander bij mijn servies.quot;
âAardig, juffrouw, heel aardig!quot;
âJa, meneer Krent, zoo was hij. Als 't voor mij was, keek hij op geen geld,quot; en terwijl de weduwe dit zei, perste zij met alle macht, om een traantje te voorschijn te brengen, maar 't lukte niet: zij had Pothof ook al volle acht jaren beweend.
âDus u houdt veel van blauw porselein?quot; vroeg mijnheer Krent, in wiens brein plotseling een plan opkwam.
âO, bijzonder! Ik heb altijd gewenscht om er eens een trekpot bij te hebben; ziet u, ik heb anders alles. Kijk, dat is het melkkannetje, en hier heb ik een suikerpot met de spoelkom en zes kopjes.quot;
âEi! dus u heeft geen trekpot ?quot;
âNeen; mijn man zaliger was altijd van plan om er een te koopen, maar hij is er overheen gestorven.quot;
âHoe jammer, juffrouw!quot;
âEn nu! Een weduwe heeft tegenwoordig het beetje wat zij bezit, wel noodig; alles kost handen vol geld en zoo'n trekpot is een duur ding. â Zal u nog een kopje thee gebruiken?quot;
âHeel graag; u schenkt ze zoo overheerlijk!quot;
âWel bedankt voor 't compliment.quot;
âThee is zoo'n gezellig drinken, juffrouw, en toch gebruik ik ze zoo weinig.quot;
âHoe dat, meheer?quot;
âOch! om alleen op mijn kamer thee te zetten is akelig,â alléén in gezelschap heb ik er smaak in.quot;
âWel, meneer Krent, als 't anders niet is, komt u maar gerust iederen dag hier thee drinken; ze is tot uw dispositie, â als u ten minste mijn gezelschap wilt voor lief nemen,quot; voegde de weduwe er met zedig neergeslagen oogen bij.
Krent straalde van genoegen, want het kwam hem voor, dat zijn uitverkorene hem gedurende het gesprek nu en dan
i20
EEN KLEINE SURPRISE.
âguitigquot; had aangekeken, en hij stond juist op het punt om te zeggen:
âLieve juffrouw, ik wou, dat ik eeuwig thee met u mocht drinken als mijn wettige vrouw,quot; toen plotseling de kamerdeur werd opengedaan, het kleine kamermeisje binnentrad en, met de woorden: âEen Sinterklaas-krant, juffrouw!quot; een geïllustreerde boek-aanbieding op tafel lei.
Dat bracht hem weer van de wijs, en opstaande zei hij: âWat maakt men tegenwoordig een drukte van dien Sinterklaas; vroeger was 't alleen een aardigheid voor de kinderen, maar nu! â de groote menschen doen het meeste er aan mee.quot;
âNu, ik heb er niet veel last van; Sinterklaas gaat gewoonlijk mijn deur voorbij, meneer Krent, en bij u zal het wel 't zelfde wezen. Als men zoo alleenig in de wereld staat, is het uit met Sint-Nicolaassurprises.quot;
âOho! dat moet u zoo gauw niet zeggen; wie weet wat er van 't jaar gebeurt!quot; antwoordde de commensaal, terwijl hij zijn woorden van een blik deed vergezeld gaan, die veel-beteekenend moest heeten.
Lachend antwoordde de weduwe, terwijl zij hem de deui uitliet: âWou u mij misschien een boterletter vereeren?quot;
âWie weet het, misschien .. 'k zal't Sint-Niklaas vragen.â Goeien avond, juffrouw!quot;
Toen de boekhouder op straat stond, dacht hij: âIk ben toch een kinderachtige vent; had ik nu maar gesproken. Mij dunkt, zij had wel.... Neen! 't is misschien nog beter zoo. â Ja! dat is een goed idee ....quot;
Van dat oogenblik af aan dacht de brave man alleen aan trekpotten met lange lijzen. Overal waar hij oud blauw porselein zag staan, informeerde hij naar een trekpot en telkenmale kreeg hij een rilling, als hij er den prijs van vernam.
Hij had nooit geloofd, dat een blauwporseleinen trekpot zooveel geld kon kosten, en zijn aangeboren zuinigheid voerde in zijn binnenste een geweldigen strijd tegen zijn liefde voor juffrouw Pothof.
Toch stond het bij hem vast: hij zou en moest een blauwen trekpot met lange lijzen hebben.
Eindelijk op een dag, door een achterbuurt gaande, zag hij in een kleinen uitdragerswinkel eenig oud porselein uitgestald, dat daar, naar hem toescheen, wel wat goedkooper verkrijgbaar kon zijn dan in andere, groote magazijnen.
121
EENE KLEINE SURPRISE.
Hij drukte zijn neus bijna plat tegen de vensterruiten om goed te zien, wat er wel stond.
âZoekt meneer iets ?quot; vroeg de winkelierster, in den deurpost staande.
âJa, juffrouw, een trekpot met lange lijzen.quot;
âToevallig heb ik er een, meneer; ze zijn heel zeldzaam. Kom binnen, dan zal ik hem u laten zien.quot;
Krent trad den winkel in.
âKijk eens hier, meneer, dat's een mooie: gaaf als een klontje, en niet duur ook. Voor uwé drie-en veertig gulden.quot;
âWablief! noem je dat goedkoop? 't Is veel te duur.quot;
âWat dacht u dan te besteden?quot;
âEen gulden of tien, hoogstens.quot;
âDankje voor 't bod, maar ik geef dien pot geen cent minder dan vijf-en-dertig gulden.quot;
Toevallig viel Krents blik op een trekpot, die tusschen andere artikelen op een plank stond, en hij vroeg: âEn die daar, wat kost die?quot;
âO ! die is defect, dien kan ik u niet verkoopen, daar is de tuit af.quot;
âIs zij er bij ?quot; vroeg haastig de boekhouder, in wiens hoofd plotseling een vernuftig plan rijpte.
âJawel, meneer; maar u heeft er niets aan. Ze kan er niet aangelijmd worden. Neemt u liever dien gaven.quot;
âNeen! Neen! met dien defecten kan ik het best doen. Voor hoeveel kan ik dien krijgen?quot;
âOch! dien geef ik voor een futje, â omdat uwé 't is, zes gulden.quot;
Na lang loven en bieden werd Krent bezitter van den trekpot voor drie gulden en vijftig cents, en hij zei:
âNu zal ik je nog vijftig cents bovendien geven, wanneer je mij dat ding netjes in een mandje met hooi verpakt met de tuit er bij, en het dan op Sint-Nikolaas avond, dat is overmorgen, bij juffrouw Pothof aan huis laat bezorgen. Maar niet zeggen, van wien 't komt, hoor! â Morgen zal ik u een adres brengen.quot;
De winkelierster zei: âBestig meneer, u kunt er op rekenen,quot; en Krent vertrok, innig tevreden, dat hij voor zoo'n koopje een stonnram had gevonden, waarmede hij het hart der weduwe zou trachten te veroveren.
Toen hij, 's avonds te huis was gekomen, zette hij zich
122
een kleine surprise.
tot schrijven. Zes, zeven malen begon hij opnieuw; 't was een gedicht dat hij wilde maken, want dat stond bij hem vast, bij den trekpot moesten een paar toepasselijke dichtregelen door Sinterklaas bezorgd worden.
't Angstzweet brak hem uit, want de moeilijkste post in het Journaal was hem niet zoo ingewikkeld, als het rijmen op liefdevuur en trekpot. Eindelijk was hij gereed en schreef met keurig klein middelsoort op een vel echt âpro-patriaquot; de volgende ontboezeming:
âGeliefde juffrouw Pothof, hoor Naar wat ik aan u breng te voor.
Mijn hart slaat in mijn boezem bang,
Want gij bezit het toch al lang.
Sint Niklaas heeft aan u gedacht En ook een trekpot u gebracht.
Al is de waarde er van klein,
Hij is toch echt blauwporselein.
Bij uw servies wis naar den aard,
En daarom meerder voor u waard.
Ontvang, geliefde weduwvrouw,
Deez' pot als pand van mijne trouw,
Daar ik u min, schoon onbekend,
En u wil maken Juffrouw Krent!
Uw dienstwillige minnaar,
Jeremias Krent.
In groote spanning zat Krent op Sint-Nicolaasavond op zijn kamer; hij hoopte en verwachtte alles van zijn goed overlegd plan. Hij dacht: âWanneer zij nu de mand opendoet, zal ze verheugd zijn den trekpot te vinden; dan ziet ze, dat de tuit er af is, vind die er bij in 't hooi en zal ge-looven dat zij er onderweg is afgebroken.quot; Handenwrijvend lachte hij in stilte om zijn eigen slimheid en mompelde: â't Kon nooit beter overlegd zijn; ik toon haar, dat ik iets voor haar overheb, en 't kost me een bagatel. Als zij nu vraagt: weet u wel, dat de tuit er af is,quot; zal ik mij erg kwaad maken en zeggen: âWat een lompe vlegels, om zoo'n kostbaar stuk zoo slecht in te pakken; dat 's onvergefelijk, maar ik
zal ze wel helpen, die ezels, die.....quot; Zijn overpeinzing werd
gestoord door een kloppen op de deur.
âBinnen!quot;
Julfrouw Pothof trad vriendelijk lachend binnen met het vers, het mandje en den trekpot in de hand. âWel meneer Krent,quot; zei ze, âwat vind ik dat lief van u om
EEN KLEINE SURPRISE.
mij zoo'n mooi cadeau te sturen; heel attent! Wel bedankt!quot;
âOch! beste juffrouw Pothof,quot; antwoordde Krent, terwijl een kleur van verlegenheid en verliefdheid zijn gelaat over-toog, â't is de moeite niet waard om van te spreken, een kleine attentie, een surprise met Sint-Nicolaas; â 't is toch al wel 't kleinste bewijs, dat ik u geven kan van......quot;
âO, 't is allerliefst van u, meneer! Maar wanneer u weer eens iets koopt, is het toch heusch jammer, als ze het zóó inpakken,quot; zei de juffrouw, terwijl zij met een zonderlinge uitdrukking op haar gelaat den defecten trekpot omhooghield.
âO! die lomperds!quot; riep de brave boekhouder eensklaps uit, met goed gespeelde verontwaardiging. âO I wat vlegels: daar hebben ze waarlijk den tuit van dien kostbaren pot afgebroken! Ach! ach! wat spijt mij dat, 't is zonde en jammer. Maar ik zal ze wel helpen; ze zullen weten, met wien ze te doen hebben ! De tuit zal dan zeker nog in 't hooi liggen, beste juffrouw.quot; En terwijl hij met moeite een glimlach onderdrukte, begon de veinzaard in het mandje te zoeken.
âZoekt u maar niet langer, meneer!quot; antwoordde de weduwe, kalmpjes glimlachend. De tuit heb ik al gevonden; die was, heel netjes in vloeipapier gepakt, binnen in den trekpot gestopt.quot;
âWa-wa-wa-wat, bin-nen-nen-in.......?quot;
âJuist, beste Krent; 't was een heele toer om ze er uit te krijgen,quot; zei de juffrouw lachend.
Verslagen viel de brave man wit van schrik op een stoel neer en stotterde, geweldig verlegen, allerlei onverstaanbare woorden, totdat juffrouw Pothof den pot op tafel zette, vertrouwelijk op zijn knie ging zitten, haar arm om zijn hals sloeg, haar kuische lippen op de zijne drukte en hem toefluisterde:
âWees er maar niet verlegen mee, Krentje! Je bedoeling was goed, en wij zullen het met elkander wel vinden.quot;
âO, juffrouw!.....quot;
âJij lijkt mij, Krentje; want jij zult, als wijquot; â hier bloosde de weduwe â âgetrouwd zijn, ons geldje niet over den balk gooien.quot;
âO, engelachtige weduwe, â lieve beste juffrouw, duizendmaal dank!quot;
â't Is goed, Jeremias, 't is goed! Ik bewaar als gedachtenis aan dezen avond den pot.quot;
124
DAVID DE LOTERIJ MAN.
âIk heb nog één twintigie! â Het laatste! God laat je gezond, meneer, de honderd-duizend zal er op vallen.quot; Ge hebt het in vroeger jaren zeker honderdmaal gehoord, als ge aangesproken werdt door een van die talrijke kooplieden in loterij, die in Amstels straten rondwandelden. Tegenwoordig hoort men hun verleidelijke stem nog maar zelden, want de loterijman, de vagebondeerende handelaar in Staatsloterij, behoort bijna tot de geschiedenis. Allengs verdwijnt het echte ras, dat, als een soort van nieuwerwetsche roofridders, den wandelaar of reiziger belaagde. De vreemdeling, die vroeger Amsterdam bezocht, had nauwelijks een voet op den Dam of in de Kalverstraat gezet, of een dier vriendelijk opdringende, lastig verlokkende wezens naderde hem met het lokaas der verleiding in de hand, en menigmaal vergalde zulk een Mephisto het eenvoudige borreltje, dat men bij âSchoonebeekquot; of in âPolenquot; gebruikte, door voor de ramen post te vatten, âhet laatste twintigiequot; tegen de ruiten te drukken, opdat men toch goed het staartnummer zou zien en daardoor voor de verleiding zou bezwijken. Wel komt nog hier en daar een enkele afstammeling van dat roemruchtig geslacht in de Amstel-stad voor, maar toch reeds min of meer gekruist of verbasterd.
Gewoonlijk zagen die door weer en wind gebruinde, goed van den tongriem gesneden mannen er niet bepaald uit, alsof zij zelf geregeld de hoogste prijzen uit de loterij trokken,
DAVID DE LOTERIJMAN.
want meestal was hun stoffelijk omhulsel verscholen in een jas, die veel had uitgestaan, terwijl hun loopwerktuigen, op diagonale basis rustend, in een zwaar beproefde pantalon huisden, die aanleg tot verzakking toonde.
Het samengevouwen stukje bordpapier, dat zij in de handen hielden en waarin âhet laatste twintigiequot; werd opgeborgen, zag er gewoonlijk vettig uit door het lange gebruik, en de groote lederen portefeuille met het koperen slot, die de overige âlaatste briefjesquot; herbergde, dook weg in de onpeilbaarheid van den binnenzak van hun âlord Raglanquot; of paletot.
Meestal schonk de speelsche natuur aan de gelaatstrekken der mannen een zekere scherpte en krulde hun de neusvleugels geestig op, terwijl in hun oogen een zeker âick en weet niet watquot; lag, dat biologisch-overredend op den argelooze werkte, die hun Sirenen-zang: âGod laat je gezond, de honderdduizend, meneer,quot; vernam.
Sommigen dier handelaars zagen er uit, alsof het niet aan hun wieg was gezongen, dat ze eenmaal met loterij zouden loopen; enkelen daarentegen hadden een uiterlijk, alsof ze er toe waren voorbeschikt, terwijl de meesten er op konden bogen, dat zij een physionomie bezaten, die oogenblikkelijk den handelaar in van alles en nog wat verried.
Gewoonlijk naderden die loterijmannen omzichtig en sluipend hun prooi, terwijl zij, evenals de Basiliscus, met hun scherpe doordringende oogjes een aanval deden op de zenuwen van. hem, dien zij wilden verschalken.
Geheimzinnig kwamen zij nader, bijna fluisterend boden zij de loten, classicale of doorgefourneerde, aan; en met bovenaardsche inspanning, allengs krachtiger en met ijzeren volharding hielden zij vol, totdat een krachtig âVetoquot; uwerzijds de uitdrukking van hun wil verlamde.
Hoe uw âVetoquot; ook werd uitgesproken,'t zij barsch, goedig, onwellevend, vriendelijk of snauwend, nooit zouden ze van u aflaten, zonder een zegenwensch, zonder een milde, zachte vermaning, als: âJe bint teugen je eigenzelvers, meneer,quot; of: âBlijf gezond, je versmaadt je geluk.quot;
Een bijzonder aardig en typisch overgebleven exemplaar van die soort van loterijman is mijn vriend David. Ik 'neb hem jarenlang gekend en menig loterijbriefje van hem gekocht, nu eens op den Dam, op 't hoekje van de Beursstraat,
120
DAVID DE LOTERIJMAN.
dan weer bij de trappen van Zeemanshoop of voor het Com-mandantshuis, maar onveranderlijk ben ik, juist op dat briefje, met een niet er uit gekomen. David kon het niet helpen, en 't was hem zelfs aan te zien, dat hij er onder leed; want als hij mij kwam zeggen; âMeneer ik kom an je vertellen, alsdat je er met een krats uit bent,quot; keek hij bepaald zwaarmoedig ; en er trilde iets droevigs in zijn stera, als hij er op liet volgen: âEen ander briefje nemen? Je moet nou juiste-ment niet opgeven. Doorspeulen! doorspeulen! meneertje; de aanhouder wint.quot;
In hoeverre dit spreekwoord' ook op de loterij van toepassing is, bleek mij ongelukkig nog niet; maar om Davids wille geef ik den moed nog niet op. De brave man werkt en sjouwt voor een groot huishouden en eindelijk zal hij toch wel eens gelijk hebben, met zijn: âZegen der op, mijnheer!quot;
Onlangs kocht ik op mijn bureau weer een nieuw lootje en moedigde David mij zelfs aan, om er een tweede bij te nemen. âKomaan! neem er dit allerlaatste briefje nou bij, meneer; 't is misschien gauw gedaan met de heele loterij.quot;
âHoe zoo, David?quot;
âGod zegen je, meneer, leest uwes geen kranten?quot;
âWel zeker; maar____quot;
âHeeft uwes 'i Vaderland wel ereis over de loterij gelezen?quot;
âNeen, David!quot;
âWeet u niet wat die meneer Goeieman Borgesius er over gezegd heeft? â God laat hem gezond! maar dat ze hem Goeieman noemen, is bepaald een abuis; voor ons loterij-menschen is 't, bij mijn leven! een kwaje man.quot;
âWaarom ?quot;
âOmdat hij de loterij wil veranderen, â wie weet, misschien afschaffen. â Voor mijn part laten ze de loterij bestaan en schaffen ze hem af: 'k wensch hem de Eerste Kamer â en een lang leven.quot;
âEi! Ei!quot;
âJa! overwat doet hij er zijn eigen mee te bemoeien; hoeft hij te speulen, als hij niet wil ? En wat raakt het hem of een ander speult? Maar dat zeg ik je, meneer! al maakt hij ook nog zoo'n matschudding en al is hij nog zoo goeie maatjes met zijn vrind Van Kerkewijk, die ook al tornen wil aan de Staatsloterij â 't speulen van de menschen kunnen ze niet tegenhouden. Speulen willen de lui, versta
127
DAVID DE LOTERIJMAN.
je, al zouden ze dan, om zoo te zeggen, maar ondermekaar gaan kienen. â Hebt uwes een oogenblikje over de hand, dan zal ik u ereis vertellen wat me onderlaatst is gebeurd met een heer van de krant, â 'n fijn man, hoor je; hij sprak als een boek en hij droeg een bril van wegens de geleerdheid.quot;
âGa zitten, David, dan vertel je gemakkelijker.quot;
âMet uwes permissie dan. Aperepo, heeft uwes niet een oude sigaar die nog nooit gerookt is?quot;
âWel zeker, David, met pleizier; rook je zwaar of licht?quot;
âGeef m'n assieblieft eerst een lichte, dan kan ik de zware opsteken, als de lichte me niet meer bevalt.quot;
âUitmuntend! Ik luister.quot;
David begon: âVoor een dag of wat geleden, sta ik op den hoek van den Dam en de Beurssteeg. Ik had nog net een paar twintigies te koop, â mooie nommertjes! Zie ik een heer aankomen, die me aankijkt. Ik op hem toe. â'n Twinti-gie, meneer?quot;
âNeen, man,quot; zeit hij weerom, âik speel niet.quot;
âKom, wat een gekheid; iedereen speult; probeer het ereis. Wat kan 't je kosten ? Drie gulden negen, dan verdien ik precies drie stuivers an je. Gaat uwes maar eerst mee bij den collecteur, dan kan uwes zien, dat het nommer er nog in is.quot;
Kijkt die man me door zijn brilleglazen aan met een paar oogen alsof hij zeggen wou: âKeer jij je ereis binnenstbuiten, David!quot; en zeit: âIk vertrouw je wel, ik zal voor de rariteit eens een brielje nemen; daar heb je / 3.45.quot;
âGfod laat je vroolijk. Zie je wel, dat je toch speult! En mag ik uwes vragen, waar uwes woont?quot; zeg ik heel beleefd.
âEn waarom wou je dat weten?quot; vraagt hij weerom.
âWaarom? Omdat, als er een hooge prijs op dat briefje komt, ik toch weten zal, waar ik mijn weldoener moet zoeken. Zie je, uwes heeft er precies een gezicht naar om me goed te bedenken als je wat trekt, want van die vijftien centen winst kan ik niet bestaan; de prijzen moeten het doen, vat u?quot;
De goede David keek mij met zijn zwarte glimmende oogen zoo guitig aan, dat ik werkelijk lachen moest.
âJa,quot; zei hij, âlacht uwes maar; 'k wou, dat 'k ook ereis lachen kon. Maar 't is tegenwoordig een tijd om te huilen. Dat zei die heer ook, toen hij met me sprak. Wat 'n geleerd
128
DAVID DE LOTERIJMAN.
man! Hij vroeg van alles. Nou, door vragen word je wijs. Verheel je: hij informeerde, of ik wel ereisprijzen had gehad op de nommers, die ik verkocht.
âPrijzen!quot; zei ik. âMeneertje, wij zullen het samen aan arme mensdien kunnen geven, wat ik van z'n leven al aan winners uitbetaald heb. Uwes zal 't alle dagen verdienen.quot; De man zette een verwonderd gezicht, kuchte een paar malen bedenkelijk, en zei: âZoo! Zoo! David. Heb je een oogen-blik tijd?quot;
âTijd? Waarom zou ik geen tijd hebben? Wou u wat van me weten om er over in de krant te schrijven ? Uwes is zeker zooveel als een redacteur of een rapporteur?quot;
âReporter!quot; zei hij toen. â âNou report of rapport, 't zal wel 't zelfde wezen; 't doet er ook niet toe, als de man, die 't geeft, maar een net mensch is, en â bij mijn gezond â dat is uwes.quot; Dat deed hem goed, want: âDavid!quot; zei hij toen, âga een beetje mee in de Café, dan zal ik je een glas bier presenteeren.quot; â Wat een engel van een man !
âAl waren 't er twee, ik zal ze wel gebruiken, meneer.quot;
Toen wij naar binnen; hij gaf me een sigaar, 't Was een dikke, overbeheerlijk, hoor, en je hoefde 'm maar één keer aan te steken.
âEn wat wou je nou weten, meneer?quot;
âHeb je ook opgemerkt, David,quot; vroeg hij, âof dat gewonnen geld aan de winners zegen heeft aangebracht ? Of was het gewoonlijk: zoo gewonnen, zoo geronnen ?quot;
âWat zal ik uwes zeggen, 't geld heeft nog nooit anders gebracht dan zegen: 't is maar de vraag, voor wie.quot;
âDat begrijp ik niet goed,quot; zei hij toen. âZie je, David, ik vraag dat niet uit nieuwsgierigheid, maar ik wil mij eens op de hoogte stellen van een en ander om te kunnen schrijven over . . . .quot;
Ik liet hem niet uitspreken, maar zei: âGod laat je gezond ! Ja, 'k heb 't daar niet gezien, dat ik met geen gewoon mensch te doen heb! Ik zal je vertellen wat David er van denkt; wil uwes 't opschrijven, mijn goed : misschien leest meneer van Borgesius of Kerkewijk het en denken ze een beetje menschelijker over alles. Ze zouen met die plannen van verandering en misschien van afschaffing nog een boel menschen een broodje uit den mond stooten.quot;
âKom, kom! Zoo erg is het nog niet, David.quot;
129
9
DAVID DE LOTERIJMAN.
âMaar zoo erg kan 't toch komen, mijn brave heer. Luister eens.quot;
âUwes vroeg,quot; zoo ging David voort, âof dat gewonnen geld zegen brengt? Natuurlijk; 't is maar de vraag, voor wie. Ik heb klantjes gehad, die een portie uit de loterij trokken en 't geld er in een ommezien hadden doorgebracht, als daardoor dat ze losbandig en roekeloos begonnen te leven; voor die lui was 't geld dus geen zegen. Integendeel, ze leerden 't werken eerst wat af, en later moesten ze er vanzelf weer aan gelooven. Zij hebben 't al weer heel gauw sjofel gehad. Maar voor de buurt, o! wai mir, daar was het een goeie tijd voor; iedereen verdiende wat aan de winners. Waar een ander niet aan durfde ruiken, dat hebben zijlui angekocht; zoodoende kwam het geld onder de menschen en was het een zegen, dat 't ze gekregen hadden. Als een gierigaard het getrokken had, was er voor niemand een voordeeltje aan geweest, maar nu had iedereen een broodje. Verbeeld u, een jaar of wat geleden betaalde ik aan een sigarenmaker een twintigste uit van de vijftigduizend. Hij speelde met een maat van hem samen! Ze kregen dus ieder zoowat een dikke duizend gulden. Die sigarenmaker, Bommers heette hij, ceed het geld in een waschkom, die op zijn latafel stond, en wie nu van de familie wat noodig had, greep in de kom. Vader greep er het meest in, moeder deed evengoed haar best en de jongens liepen met gouden vestkettingen en hooge zwarte hoeden op, totdat de kom leeg was. In drie maanden tijd grepen ze, bij mijn gezond! bijna 't glazuur van de kom, maar geen centen meer, hoor je! 't Was gedaan met Kaatje; o, p, op.quot;
âEn wat deden ze toen, David?quot; vroeg hij.
âWat ze deden? Ze hadden een joligen tijd gehad... En toen? Wel, ze gingen weer sigaren maken, en al werkten ze er de tabaksstelen bij in, om goedkoop te kunnen verkoopen, ze hadden in de buurt al wat gauw een goede klandizie. De heele straat had destijds wat aan die lui verdiend, en als het geld op was â nou! toen kwam het omgekeerd: de buren lieten die menschen weer wat an haarlui verdienen.quot;
âDie kameraad, die de andere portie getrokken had, was er zuinig op, en kocht een paar stukjes effect door een makelaar. De koorts zal die man nog krijgen!quot;
âWaarom?quot; zei de krantenheer.
DAVID DE LOTERIJMAN.
âWaarom? Omdat die stukjes effect speculatiepampierei) waren, die geen cent opbrachten later. Die stumper heit zijn-eigen bijkans doodgekniesd op die mooie pampieren, die geen mensch lezen kan als de vuilpoetsen, die ze hebben gefabriceerd. â Ja, 't waren ook loten, maar Turksche! â Laten ze de Turksche loten verbieden, afschaffen, verbranden, verscheuren voor mijn part. . . Neen, dan is ons Staatsloterijtje bepaald nog heel wat solider.quot;
âJe slaat door, David!quot; riep de heer en hij keek boos. âMaar zeg me eens: waren die menschen later niet ontevreden, toen ze 't geld ophadden en 't weer armoe bij hen werd ?quot;
âGekheid, meneer, allemaal philosophic, â dat is een artikel, dat me geen cent waard is. Begrijp je? Vroeger hadden die menschen de dalles, â notabene, dat is een d meer dan alles en dalles beteekent niets: 'n raar woord, hé? â Nou afijn! ze waren aan armoede gewoon, en een mensch is immers toch een slaaf van de gewoonte; dus, als je 't goed beschouwt, hadden ze niks te reclameeren. Die aan geld gewend is, verbrast het niet zoo licht, en die er niet aan gewend is, zit er mee verlegen, totdat hij 't op heeft; dan is hij er niets minder om. En bovendien, om die enkelen, die hun winst er doorbrengen, kun je toch geen zaak veroordee-len, die van zooveel nut is.quot;
âToen ik van nut sprak, keek mijn krantenman mij zoo vinnig aan, dat ik er bijna van verschrok, en hij vroeg; âNut? Wat voor nut heeft de Staatsloterij?quot;
âWaarom zou er geen nut in zitten? Ben ik toch altwee-en-twintig jaar loterijman; heb ik zoolang mijn brood er door verdiend. Nut, veel nut heeft de loterij. Waarom? Dat zal ik je zeggen. De loterij geeft hoop, en hoop doet leven. Ieder mensch, die in de wereld is, hoopt op 't een of ander; als iemand 't benauwd heeft in de maatschappij, een karig stukje brood eet, neemt hij toch nog een twintigste alleen of met een goeien vriend of kennis, en hij hoopt .... op een prijsje. Een werkman zal desnoods een slokje minder drinken. Waarom? Om zijn loterijbriefje te fourneeren. Waarvoor? Omdat hij hoopt op zegen. Geloof mij, meneer, ik heb niet gestudeerd met het hoofd, zooals uwes, maar ik heb toch gestudeerd in de menschheid: daaraan heb ik kennis en daarom weet ik, dat er duizenden menschen zijn, voor wie het leven dor is, voor wie geen uitzicht is op verbetering van
DAVID DE LOTERIJMAN.
hun lot. Voor die menschen is een loterijbriefje nog zoo'n soort van een luchtkasteel, dat ze bouwen. Och God!'t is toch een onschuldig vermaak. Ja, de fijnen zeggen; âJe moogt niet in de loterij speulen, want als onze lieve Heer je geld had willen geven, dan had Hij't wel gedaan; je moet Gods wil niet pogen te dwarsboomen.quot; Gekheid, vat je ? Onzin. Onze lieve Heer gunt al Zijn kindertjes wat en laat ze stil begaan, als ze fatsoenlijk en netjes trachten een fortuintje te snappen.
Wat zijn er niet een massa menschen, die van een klein trac-tement moeten leven, b. v. een politieagent, een brievenbesteller, een klein ambtenaartje, een hulponderwijzer, allemaal menschen, â zegen en geluk wensch ik ze, â die geen apperentie hebben, dat ze van vader en moeder of andere familieleden wat zullen erven. Zoo'n mensch wil in de toekomst, al is het dan ook maar een flauwe, kans zien, om zijn lot te verbeteren, om voor moeder de vrouw en zijn kinderen, als hij dood zal wezen, een bagatel na te laten.
En waar moet dat nou vandaan komen bij die menschen ?
Ze weten het niet; in de Tweede Kamer weten ze het ook niet.
Die heeren hebben gewoonlijk vermogen van papa of mama, of van 'n oom of tante; dan trouwen zulke heeren nog met een vrouwtje, dat er warmpjes inzit, hebben misschien nog een goede zaak of zoo iets er bij, en die kennen dus geen zorg, â misschien een enkele wel, maarzij hoeven toch voor 't meerendeel niet te vlassen op 'n twintigste van de honderdduizend of van 't laatste nummer.
Och ! als de heeren in de Tweede Kamer wisten hoe de burgerman gesteld is op zoo'n voddig loterijbriefje, hoe hij zich voorstelt, dat hij wat trekken zal, als hij speult, en hoe hij zich allerlei dingen in het hoofd haalt! Dat noemen de rijke lui illusiën.
Illusiën I Ieder mensch heeft ze, zelfs de armste man, al is het dan ook maar de illusie om eens in zijn leven zooveel te eten als hij lust. De heeren in Den Haag hebben ze evengoed, en de groote lui ook, â overal. Zijlui maken zich illusiën over de loterij, die ze onder elkaar spelen en waarbij de kiezers de briefjes afgeven; die loterij is in twee klassen verdeeld, die ze de Eerste en Tweede kamer noemen, en de honderdduizend er in is de groene tafel. â1 God laat alle
132
DAVID DE I.OTERIJ^IAN.
menschen gezond, maar als je ze goed bekijkt, zijn 't allemaal speulers in hun hart en geen een is er, die niet graag een illusie met 'n prijs ziet uitkomen.
Jongens! 't is zoo'n aardigheid voor iemand, die, al is 't maar een klein sommetje trekt; die winnen, kijken zoo glimmerig en lachen zoo witjes. Soms ook huilen ze; dat is te zeggen, als 't geld, zooals de menschen 't noemen, op een gloeienden steen valt.
Daar zal ik je toch ereis een moevement van vertellen.
Onderlaatst had ik een geval met een fatsoenlijke juffrouw, een weduwe, die een winkeltje van kleingoed en suikerwerk in de Jacob-Van-Campenstraat hield. Alle loterijen speelde zij een twintigje en altijd moest ik vijf keeren loopen, om 't briefje voor iedere klasse te vernieuwen; want ze had nooit geld genoeg over de hand om een doorgefourneerd te nemen.
Op een dag zie ik de lijst na. Jawel! N0. 16428 heefteen prijs, de Æ20,000; 't was 't nommertje van die weduwe.
Ik naar den collecteur.
Sedert jaren ben ik met hem bekend. De man geeft mij het geld mee, zonder het briefje; hij vertrouwt David: hij weet dat ik geen mensch een cent te kort zal doen.
In mijn-eigen denk ik: David, dat wordt een goeie dag voor je, / 850 breng je de juffrouw; zal ze jou toch goed bedenken!
Als ik in de Jacob-Van-Campenstraat kom, wat ineen je, dat ik zie? De deurwaarder in huis; de eigenaar, vloekende en razende om f 32.50 huur.
âGeld!quot; schreeuwde de dikke kerel. âGeld, of anders op straat! Subiet!quot;
Doodsbleek stond 't fatsoenlijke vrouwtje voor dien huisjesmelker; haar vijf bloedjes van kinderen huilden en kropen achter moeders rokken weg.
âIk heb het niet, meneer! maar ik zal je waarlijk betalen, zoodra ik weer wat verdiend heb. Ik ben door iemand bedrogen, aan wien ik troed heb geleverd, 't Is toch de eerste keer, dat ik niet betalen kan; geef me toch uitstel,quot; zei de arme vrouw, en de tranen liepen over haar bleeke wangen.
âGeld!quot; riep de huisbaas.
Ik was binnengekomen en zag wel aan zijn oogen, dat er geen genade van hem te wachten was.
Van kwaadaardigheid kon ik bijna niet spreken, toen ik
133
DAVID DE LOTERIJMAN.
dat tooneeltje zag. Eindelijk barstte ik los: âWat wou je, leelijke huisjesmelker? Geld van die arme vrouw? Hoeveel, hyena? Twee-en-dertig gulden?quot; â Ik ging over mijn portefeuille en gaf hem zijn centen. Iedereen keek mij verbaasd aan; de huisbaas zei: âDank je, joodje.quot; â Maar ik, ik was buiten mezelven van kwaadheid en riep: âZoo, nou heb je je geld net mensch! Maar nog zeg ik je te gelijk, dat die vrouw gaat verhuizen, 't Is hier een woning om den typhus te krijgen, 't Riool stinkt, 't is vochtig, 't lekt, 't rookt, er is hier ongedierte, en dat moet de deur uit.quot; En meteen duwde ik, â slaan wou ik niet, begrijp je, â den huisbaas op straat. â Zoo'n kerel! 'k Wensch hem een lang leven en een huis vol booien.
De weduwe stond nog verbouwereerd te huilen en riep maar al door: âDavid! David! wat ben je braaf om ons zoo te helpen!quot; De kinderen vlogen me om den hals, en ik zei bedaard; âStil maar, juffrouw! Je bent er nog niet; ik heb nog ruim f 800 voor je disponibel; No. 16428 heeft de 20,000. Je bent uit den brand, moeder!quot;
Och, och! wat was dat mensch blij. 'k Heb nog nooit zoo'n goeien dag gehad, meneer!quot;
âEi! Ei! En wat gaf ze je wel, David?quot;
âBlijf gezond! denk je, dat ik wat hebben wou? Geen cent, hoor! Ze wou me direct wat geven, maar ik zei: âHou je gemak, juffrouw; David wil vandaag ereis pleizier hebbsn, zonder dat hij er wat aan verdient.quot; Afijn! later heb ik haar weer een briefje, maar toen een doorgefourneerd vijfde lot, verkocht, en nog 't een en ander, â kleinigheden die ze noodig had in 't huishouden. Daar heb ik een masseltje aan gemaakt; dat's negotie, is 't niet zoo ? Als die meneer Goeieman Borgesius en Kerkewijk, zijn vriend, dat tafereeltje hadden gezien, zouden ze zeker zeggen: âDe loterij is, zooals alle zaken; ze heeft haar voor en haar tegen.quot;
âMaar, David, vind je 't niet dwaas om in de loterij te spelen, als men zelfs geen geld heeft om de huishuur te betalen?quot; vroeg hij me toen.
âNou ja! als je 't zoo begrijpt, is 't raar; maar zoo'n mensch speult juistement met het idee, dat ze wat trekken zal, om met dat geld een en ander te kunnen betalen; je kunt er op aan, meneer, dat zij dat twintigie, om zoo te zeggen, van haar maag had afgeknepen. Afijn! dat is haar zaak.
ï34
DAVID DE LOTERIJMAN.
De loterij is mijn zaak, en daarom zal ik zooveel mogelijk er vóór zeggen. Iedereen verdient hier in't land wat aan de loterij. Eerst de collecteurs, dan de splitters, daarna komen de debitanten, â en wie debiteert er niet tegenwoordig: van de tien barbiers zeker zes. En hosveel menschen van ons soort hebben er niet een stukje brood door? maar wacht even! Vergeet het land, den Nederlandschen staat, asjeblieft niet; die haalt van iedere loterij ruim anderhalve ton binnen. Dat is toch ook niet te versmaden !
Grootmogendste vader, als ik daaraan denk, dat ze van prijzen beneden de /100, 10 pCt. nemen en 15 pCt. van prijzen boven de Æ 100, dan zegt David: Eerbied voor de heeren, ontzag voor den staat en voor de woekerwinst, die ze nemen ! En dan klagen de menschen over den lombard, en daar wordt maar 5 pCt. gerekend!
Afijn, 't ergste er aan toe zijn de collecteurs, altijd alleen de gequalificeerde, weet u? Die zullen een verschrikkelijken boel minder winst krijgen, wanneer het ingediende wetsontwerp wordt aangenomen.quot;
âWaarom?quot; vroeg de heer van de krant. Ik keek hem er-eis aan, alsof ik zeggen wou: dat zou jij niet weten ? Maar hij zette zoo'n onnoozel gezicht, dat ik hem de zaak heel bedaard begon uit te leggen. Luister eens, meneer, zei ik: als je nou precies weten wilt, wat David er van begrijpt, zal hij 't je vertellen; maar met een droge keel slaat zijn stem zoo licht over.
Hij ordineerde nog een versch potje Beiersch en vroeg, of ik er op tegen had om nog ereis op te steken. Wonder! waarom? Een sigaar scherpt 't geheugen en daarom zei ik; âAls ik je niet ontrief, zal ik geen dankje zeggen.quot;
Ondertusschen dat ik vertelde, begon hij op te schrijven. Nou! mijn een zorg, hij moest 't weten.
âJe moet dan begrijpen,quot; zei ik, âdat de loterij al heel oud is en dat in vroeger jaren een goed collecteurskantoor een middel was om rijk te worden; !t vet is nu al wat van den ketel, maar toch drijven er nog wel een paar oogjes op.
Je hebt dan altijd twee soorten gehad van collecteurs, namelijk rentenier-collecteurs en werkende collecteurs. De rentenier-collecteurs houden geen open kantoor, de werkenden wel. De eersten steken alleen het rabat, dat de Staat geeft, in den zak; dat's altijd een heel werk, begrijp je?
1.35
DAVID DE LOTERIJMAN.
Maar de tweede soort moet, vóór het rabat in hun kas komt, er een boel meer moeite voor doen â en weer een groot gedeelte van dat rabat afstaan of verdeelen onder de splitters, de debitanten enz.
In Amsterdam zijn geen rentenier-collecteurs, in 't Haagje en op andere plaatsen wel. Nu gebeurt het dikwijls, dat een collecteur, die werkende is, meer loten noodig heeft dan hij van den Staat krijgt. Dan gaat hij ter markt bij zijn collegarentenier; die geeft hem dan over van zijn overvloed, en zoodoende krijgt de een loten genoeg en de andere geld, zonder moeite, in de tweede hand. Begrepen ? â Dat is heel lang zoo gedreven en er zijn collecteurs geweest, die met een paard en rijtuig hebben gereden. Och, wat een gouden tijd was dat!
In de Tweede Kamer staken ze toen de koppen bij elkaar en dachten: gezond zullen ze blijven, ze worden te rijk; maar ze zeiden, namelijk de orthodoxen: âDe loterij is des duivels werk; 't is zonde voor God;quot; â de liberalen riepen: âEr moet verandering in komen; de Staat heeft geld noodig, we kunnen de collecteurs wel een kies trekken en er de schatkist een massel aan laten maken.quot; De middenmannen riepen: âWe zullen de kat ereis uit den boom kijken; we houden ons neutraal;quot; zij gaven geen mensch gelijk, want tot de orthodoxen zeiën ze: âWat praat je van zonde? In den Bijbel staat, in de spreuken van Salomo: Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid er van is aan den Heer!quot; â tot de liberalen: âVeranderen, goed! â Afschaffen, gekheid!quot; en zij waren eigenlijk 't goochemst â van geld vallen ze niet vies â en van zonde houden ze niet â daarom bleven ze koest en speelden intusschen hun briefje. â Zie je, meneer! zoo vat ik de kwestie op; ik geloof, dat er in de verandering wel wat goeds is, want al moeten de collecteurs het lootje er bij leggen, er zal toch heel veel verdwijnen wat niet goed is, zooals bij voorbeeld het verkoopen van loterijbriefjes in de tapperijen. Na Mei 1885 mag geen tapper meer debiteeren in de Staatsloterij. â Spel en drank samen, 't is- 't lokaas van den satan, â gezond zal hij blijven! Maar afschaffen van de loterij, zoolang David nog één druppeltje bloed in zijn lichaam heeft, zal hij er tegen schreeuwen. Als ik wat te zeggen had, zou ik bepalen: de loterij blijft de loterij â want spelen, een
I3Ã
DAVID DE LOTERIJMAN.
kans hebben, wil het volk, â maar ik zou opruiming houden onder die vreemde snoeshanen, die de menschen voor /1 een huurlootje geven op een lot van de Oostenrijksche, Brusselsche of andere vreemde loterijen.
Zie je, meneer, ik heb ze er zeivers zien staan bij de Lands-werf, b. v. als 't volk naar huis ging. Dan verkochten ze aan die menschen voor / 1 een lot, â zoo 't heette, op de 200,000 florijnen of franken. En wat had zoo'n stumperd, die er een kocht ? Niemendal, een papiertje nog niet eens groot genoeg om er een half ons kaas in te pakken; want 't zijn doodeenvoudig huurlootjes op een ander lot, â een kans op de kans van een kans; 't is om razend van te worden, als je 't uitrekent. Trekt in werkelijkheid zoo'n buitenlandsch lot een prijs, o wai mir! dan is 't nog de vraag, óf en een hoeveelste portie van een portie die gelukkige winner krijgt. Als ze nou hier eens deden zooals in Duitschland en het spelen in buitenlandsche loterijen verboden, dan zou ik zeggen; 't is een krasse maatregel, maar 't is goochem. En als ereis een stokje werd gestoken voor al die dolligheid, om op elk artikel, dat verkocht word, een bon op de loterij toe te geven, dan zou er degelijker waar worden geleverd. Ik heb 't verleden zelf ondervonden.
Onderlaatst kom ik ergens voorbij een sigarenwinkel. Zwart van de menschen stond het voor de deur. Grootmogendste vader, dacht ik, daar heeft iemand een ongeluk gehad, misschien een drenkeling.
Een diender had moeite om de passage op straat vrij te houden.
âNeem me niet verkwalijk,quot; zeg ik fatsoenlijk, âmeheer politie, wat is er te doen? Heeft iemand een ongeluk gehouwen ?quot;
âBen je niet frisch ? zegt de man heel beleefd terug. âZe geven op ieder dubbeltje sigaren een bon toe voor een mahoniehouten schrijftafel op het nommer, waarop de /100,000 valt.quot;
David, dacht ik, dat is tof; zal jij koopen voor twee dubbeltjes, zal jij hebben twee kansen.
Ik er in. âGeef me twee dubbeltjes van de vier; zwaar, asjeblieft!quot; â Krijg ik twee bonnetjes er bij, â^ mooie, fijne, gedrukte pampiertjes.
Toen ben ik gaan rooken. Bij mijn leven, 'k heb gedacht
137
DAVID DE LOTERIJMAN.
alsdat ik over de zee ging met de Harlinger boot bij slecht weer, zoo pleizierig ben ik geworden in mijn maag vanwegens dat sigaartje.
Ben ik thuis gekomen, heeft mijn vrouw gezegd: âDavid-lief, wat ruikt 't hier op eens benauwd; heb jij je voeten wel geveegd ?quot; Toen op eens heeft ze gewezen op mijn sigaartje. O, wai! de stoom sloeg er uit; afijn, 't was niet erg,'t kwam enkel maar door een stuk van een haringkop, dat bij toeval er in was geraakt. Nou! zoo iets kan gebeuren als de sigarenmaker hem pp Maandag heeft gemaakt. Heb ik een andere opgestoken; die wou niet trekken â dat 's ook geen doodwond â daarom nog ereis geprobeerd.
De derde was beter, daar zat lucht in, fijn, hoor je! want mijn vrouw riep: âKinderen, kijkt naar Brammetje; hij staat zoo dicht bij de kachel, ik geloof dat zijn kieltje zengt. Of is 't de vaatdoek?quot; â En weet je, wat ik deed? Ik stopte de overige vijf zware, die ik nog had, stiekem weg. Als ik ereis een vrind krijg, dien ik trakteeren wil, zal ik hem zeggen : âDaar heb je een Regalia merk âRook-jij-zequot; ; steek haar asjeblieft buiten de deur op.quot;
Toen heb ik mijn twee bonnetjes bekeken voor de schrijftafel.
Goeie vader! wat een kans: één op de één en twintig duizend; als toevallig in de Staatsloterij het nommer, waarop de /100,000 valt, correspondeert met datgenige wat op mijn papiertje staat, zal ik hebben een schrijfbero.
Ben ik stilgestaan en heb gedacht; David je bent een gammor geweest; wat heb je aan die twee papiertjes? Goeie sigaren zijn wel zoo verkieselijk. Maar wat zal ik je zeggen, tegenwoordig worden de menschen mal gemaakt door al die aanbiedingen. Boeken met bons, postpapier en enveloppen met bons: â op 't laatst geven ze nog medicijnen met bons. â God geef, dat de regeering aan die bons den bons gaf, zoo waar zal ik leven!quot;
âJe hebt gelijk, David,quot; zei de rapportschrijver, âdat bonnen-systeem is immoreel.quot;
'k Heb laatst ook in de krant gelezen, dat de loterij onzedelijk is; 'k mag zelf onzedelijk wezen, als ik 't begrijp. Wat praten de menschen toch van immoreel, zooals 't op zijn Fransch heet? De loterij immoreel? Waarom? Je weet toch als je een brielje speelt, wat je kwijt bent, f 3.45 voor een
138
DAVID DE LOTERIJMAN.
twintigje. Ik noem 't onzedelijk, dat je slechte waar krijgt, oud verlegen goed en de kans op een kans, en bovendien den drang om te koopen wat je niet noodig hebt.
Al wat je koopt, als je 't niet van noode bent, heb je een kapitaal te duur. Is 't waar of niet waar?
Ik kan me niet begrij oen, dat de menschen zich zoo laten beetnemen, en zoo gemakkelijk. Weet ik toch zelf wat 't vroeger een moeite kostte om iemand een briefje te verkoopen, en dat was toch een eerlijke zaak.
'k Heb ze wel de menschen in huh vest geduwd, met de overtuiging alsdat zij er wat op zouden trekken. Hebben ze 't briefje er weer uitgegooid en gezeid: âJe bent een lastige loterijjood.quot;
God laat ze leven en vroolijk, maar waarom zeggen ze niet ook ereis loterij-protestant of loterij-krist ? Bennen er toch meer Christen-menschen, die in loterij doen, dan Israëlieten. Afijn, 'k ben koopman en daarom wil ik ze niks afnemen; 'k moet van iedereen leven, niet waar? Weet je nou genoeg, meneer? Ja? Uitmuntend. Maar 'k moet je toch, voordat ik wegga, nog een wonderlijk geval vertellen, dat me ereis gebeurd is.
Jaren geleden loop ik een heer, een oud-klant van me, dien ik in lang niet had gezien, met een twintigste doorgefourneerd voor alle klassen na. â Hij wou niet koopen.
âGa weg,quot; zeit hij.
âGeluk er op!quot; roep ik. âWaarachtig als God! je krijgt een prijs.quot;
âIk wil niet,quot; zeit mijn klant.
âJe zult en je moet; later krijg ik wel 't geld,quot; roep ik, want ik had een voorgevoel bij me, alsdat er een goeie premie op vallen zou. â Hij stribbelt nog tegen, maar ik grijp hem bij de lappel van zijn jas en steek hem het briefje â-'t was No. 19799, wat een pracht van 'n staartnommer, hé? â in zijn binnenzak.
Daar nou; hij had het, en ik er van door; schreeuwt hij me nog na: âAls ik het toch niet neem!quot;
Heb ik uit de verte geknikt van : âJawel, je neemt het toch.quot;
Ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als niet twee dagen later de Æ 30.000 er op is gevallen. Ik naar mijn klant. Wat meen je, de man had het briefje niet; hij zocht in al zijn zakken: geen lootje!
139
DAVID DE LOTERIJMAN.
Wat nou? Ik trok de haren uit m'n hoofd, want ik dacht: David je ben een schlemiel, â dat briefje, dat heerlijke mooie staartnommer is misschien buiten den zak gevallen en vertrapt in de modder! Groote goedheid! wat ben je een gammor geweest; had het liever zelf gehouden!
De man heeft dadelijk alles uitgezocht uit zijn zakken: â geen briefje. Ik heb gehuild als een kind. O, wai mir! wat een droefenis! 't Was en bleef weg; maar â veertien dagen later stuurt mijn klant zijn jas naar den kleermaker om te repareeren. En wat meen je ? Als de snijer de jas onder handen neemt, vindt hij, tusschen de voering en de stof, nummer 19799.
Goddank! 't was een eerlijk mensch, hij geeft 't briefje terug.
O! o! wat een dag is dat geweest. Mijn klant kreeg een dikke twaalf honderd gulden. David een fooi â nou! Hoeveel, dat bruik ik je niet te zeggen; maar hij heeft me royaal behandeld, en de tailleur is twee dagen lang boven zijn thee geweest.
Ik heb nog nooit zoo'n goeien dag gehad. God! wat een liberaal mensch was die heer! Ik heb 't geld op de spaarbank gezet en......
Waarom kijkt uwes me nou zoo aan ? Omdat ik van de spaarbank spreek.....?quot;
âWel, David, omdat ik geloof, dat het, wanneer men alles goed beschouwt, nog wel zoo verstandig is om in 't geheel niet te spelen en het geld, dat men anders voor een lot bestemt, liever dadelijk in de spaarbank te brengen; tegenwoordig met de Rijkspostspaarbank kun je van elke kleinigheid nog profijt hebben.quot;
Gelijk heb je, meneer: de spaarbank is een heel prachtig ding, een heerlijk ding, maar om er later 't geld, watje trekt uit de loterij, in te doen.quot;
Luister eens, menheer! ik heb je nou alles haarklein verteld, wat ik met dien heer van de krant heb gesproken, en zoo waar zal ik hier dood blijven loopen als er één woord van gelogen is. Maar ik heb nog één twintigie, 't allerlaatste, een overbeheerlijk staartnommertje; koop me dat af, en......
Nu, David, en.....
En zeg dan ereis bij gelegenheid aan het publiek wat David over de loterij denkt; misschien kan 't geen kwaad... en geen goed ook.
140
EEN KNORREPOT.
't Is avond; begin Maart; 't weer is guur en winderig, zoodat het kolenvuur, dat vroolijk in den open haard, in de vrij ruime ouderwetsch gemeubelde kamer, brandt, lang niet overbodig is.
Voor den haard, met zijn voeten in vilten pantoffels gestoken, op den haardrand gesteund, zit mijnheer Worm. Zijn chambercloack heeft hij over de knieën dichtgeslagen en zijn handen, die in den schoot rusten, spelen werktuiglijk met de kwasten en koorden van zijn huisjapon.
Zijn diepliggende grijze oogen staren in de knetterende vlammen, en 't schijnsel van 't vuur verft zijn peper- en zoutkleurig haar met een rossen tint, terwijl het op het puntje van zijn krommen neus een glimlachje doet ontstaan.
Mijnheer Worm is knorrig....
Waarom? Och! hij is altijd knorrig, en niemand ter wereld heeft hem ooit anders gezien of gekend.
âKnorrepotquot;, âBrombeerquot;, noemen de menschen hem, maar waarom weten zij niet; misschien zou hij 't zelf kunnen zeggen, indien hij wilde. Hij doet het evenwel niet, want gedachtig aan het spreekwoord: âSpreken is zilver, â zwijgen is goud,quot; zegt hij altijd zoo weinig mogelijk.
Als men juffrouw Schraper, zijn huishoudster, die achter in. de keuken, met de poes op haar schoot en een stichtelijk boek voor zich, zit te dommelen, er naar zou vragen, kan men zeker zijn van haar antwoord:
EEN KNORREPOT.
â'k Woon nu twaalf jaren bij meneer Worm, en 'k heb hem altijd knorrig gekend; den eenen dag is hij nog meer uit zijn humeur dan den anderen. De man verteert intrinsiek van chagrijnigheid. 't Is een raar mensch, en op de penning, hoor! Hij heeft kind noch kraai in de wereld, â en een oppassing!.... Afijn, ik ben zijn huishoudster, â meer hoef ik je niet te zeggen.quot;
Aan de voordeur wordt vrij driftig gescheld en de slecht gehumeurde heer Worm, ziet even op.
âAlweer gescheld, en zoo akelig hard! 't Is of de menschen er pleizier in hebben om iemand aan 't schrikken te maken,quot; bromt hij binnensmonds.
Juffrouw Schraper, uit haar zoete rust gewekt, is naar de voordeur gesloft en heeft van iemand een papier aangenomen, dat zij bij 't licht in de gang nieuwsgierig bekijkt, vóór zij 't binnenbrengt.
â'n Cirkelair,quot; zegt ze halfluid, terwijl zij het papier weer in de enveloppe steekt.
Na even aan de kamerdeur te hebben getikt en op een barsch âbinnenquot; van mijnheer Worm, nadert zij hem en overhandigt de circulaire, met de woorden;
âAsjeblieft, 'n brief!quot;
âLeg maar neer. Of neen! geef maar hier. Kijk dan toch uit, mensch; je stoot weer met je gewone lompheid tegen de tafel: de theepot rammelt op 't komfoortje. Zet hem weg. Neen! â heelemaal weg â den heelen theeboel weg. â Waar is mijn bril?quot;
âHier, meneer! asjeblieft; hij lag bij 't lepeldoosje.quot;
âDat vraag ik je niet. Geef hier!quot;
Terwijl de juffrouw schouderophalend het theegoed wegzet, ziet mijnheer den brief in en zegt, als tot zichzelf;
âBijdragen gevraagd voor een kinderspeeltuin .... Ja! dat kun je begrijpen; 'k zal zoo mal wezen om daar mijn kostelijk geld aan te besteden. Een speeltuin voor kinderen! Schommels, wippen, gymnastiektoestellen, hm ! 't is wat moois! Daar leert dat volk klimmen, â later breken ze bij je in. 't Lijkt wel of de menschen gek zijn tegenwoordig. â Spelen â Kindervreugd â Ba! laat die rakkers van kinderen werken leeren, dan zullen ze anderen minder last aandoen. â Gooi dat ding in de prullenmand, juffrouw! Geen cent krijgen ze?quot;
142
EEN KNORREPOT.
Juffrouw Schraper neemt het veroordeelde stuk papier aan, ziet 't op haar beurt in, en terwijl ze er mede op de vlakke hand slaat, zegt ze temend:
âDaar heeft uwé schoon gelijk in, meneer! 't Is of de menschen gelooven, dat iemand 't geld op den rug groeit, 't Is altijd maar bedelen en vragen. Nu nog wel voor zulke plagen van kinderen. Hoe durven ze 't doen! 't Is crimineel, voor kinderen ? Wat heb je aan kinderen ? Last is 't, anders niet. Denk maar eens aan die rakkers van hierboven. Ze maken een leven als een oordeel. Gunst nog toe! wel honderdmaal in de week ga ik naar boven om te vragen, of ze asjeblieft een beetje stil willen zijn.quot;
âBa! ze maken toch nog leven genoeg.quot;
âOch Heere! meneer, als i k er niet was, kon u 't heele-maal niet uithouden. Ik heb wat dikwijls voor uwé een standje gehad en onaangenaamheden opgegeten van de bovenburen; want die menschen willen maar niet gelooven, dat die plagen van . . ..quot;
âDankje voor de rest! Gooi dat papier weg!quot;
âBest, meneer!quot;
âOf neen! kijk eerst of 't teruggehaald wordt; anders hebben we over een paar dagen weer last, als 't weg is....quot;
De juiïrouw bekijkt met alle aandacht het stuk papier, zoekt aan 't begin, dan in 't midden en ten slotte aan het eind.
âHeb je daar een uur voor noodig? Geef hier!quot;
âAsjeblieft, meneer!quot;
âDaar staat het immers: âWordt over een paar dagen teruggehaald.quot; Heb je 't lezen verleerd? Leg 't maar op de secretaire en ga heen!quot;
âBest, meneer! Heeft meneer ook nog iets noodig? Brandt het vuur wel goed ? Hoor eens! welk een weer buiten, 't Stormt effetief; wacht ik zal er nog een paar scheppen kolen op doen,quot; â en de daad bij 't woord voegend, voorziet ze den haard van nieuwe brandstof.
âGa nu heen, mensch, â je verveelt me!quot;
âIk dacht, weet u, dat.. . .quot;
âJe hebt niets te denken. Ga heen ! â En als die man dat ding van dien speeltuin terug komt halen, zeg dan, dat hij hier nooit meer zulke bedelbrieven hoeft te brengen, 'k Geef toch nooit een cent voor die dwaasheden.quot;
âBest, mijnheer, 'k zal de boodschap doen.quot;
143
EEN KNORREPOT.
Juffrouw Schraper sloft terug naar de keuken, terwijl ze in zichzelve pruttelt: â't Is van avond weer erg met hem; zeker door den wind, hij heeft 't danig op zijn heupen. Afijn . ...quot; Een kopje koffie spoelt de rest van haar ontboezeming weg.
Mijnheer Worm blijft alleen en kijkt weer als te voren in 't vuur.
Als tot zichzelven sprekend, mompelt hij: âKinderen! De menschen bemoeien er zich tegenwoordig mee, alsof ze er den hemel mee konden verdienen. Speeltuinen, feesten, voorstellingen in komedies en zoovoorts, â van alles moeten ze
hebben. Gekheid! dwaze, ziekelijke ideeën____ In mijn tijd
keek men er nauwelijks naar om; ik ten minste heb nooit zoo iets gekend en 'k ben er toch ook gekomen; i k heb moeten werken, altijd en hard moeten werken. Ik had geen tijd om te spelen, maar daardoor ben ik er gekomen en geworden wat ik ben. Kindervreugd! Onzin, om er voor te zorgen; laat ze maar zelf maken, dat ze niet te kort komen. Ba! Ik houd niet van kinderen........
Kinderen! 't Is een zegen des hemels, zeggen de menschen. Last, verdriet geven ze, anders niet. Neem nu eens zoo'n man als hierboven woont. Een ambtenaar met f1200 traktement en vijf kinderen; 't is immers armoe lijden! En welk een last. Dan heeft er een de mazelen, dan weer een de griep; soms de geheele rommel te gelijk den kinkhoest; 't is een eeuwig gehaspel, 'k Ben blij, dat ik ze niet heb....
heel blij____ Hm! misschien zou ik toch ook, als 't anders ware
geweest.... Ba! 't was immers al 't begin der ellende. Maar toch.... Och! allemaal gekheid... groote gekheid!...quot;
Een lange poos zit mijnheer Worm in de gloeiende kolen te kijken.
Buiten loeit de wind in wilde vlagen, giert tusschen de daken, buldert in den schoorsteen en nu en dan slaat hij een rookwolk naar beneden in de kamer.
Mijnheer Worm merkt het niet, maar toch heeft hij last van den rook, want zijn oogen zien rood en beginnen te tranen. Hij buigt het hoofd hoe langer hoe meer voorover; hij zucht, en hij zucht nog eens: 't is alsof 't hem benauwd om 't harte is. Maar 't zal door den rook zijn, de wind staat ook zoo vlak op den schoorsteen.
Nog een heele lange wijl zit Worm vóórover, maar ein-
144
EEN KNORREPOT.
delijk richt hij zich op, strijkt met zijn hand over de oogen en leunt achter in zijn stoel. Hij sluit de oogleden: ze branden zoo, â maar 't is enkel door den rook, anders niet!
âBoefffquot; een dikke zwarte rookwolk slaat neer in de kamer. âBoefff!quot; nog een; 't is de bedwelmende kolendamp.
â Boefff!!quot; weer een____Mijnheer Worm haalt moeilijker
adem: de rook maakt hem benauwd. âWonderlijk,quot; denkt hij: â'k heb nog nooit zoo'n vreemden rook gezien.
âBoefff ! !quot; nogmaals zendt de wind een rookwolk in het vertrek.
Met verbazing ziet Worm, dat de rook zich hoe langer hoe meer verdikt, ronddraait en in elkaar kronkelt. Langzamerhand verkrijgt hij vorm en gestalte. Een sarcastisch lachend gezicht ziet als uit een zwart, lang golvend, half doorzichtig kleed hem aan; kronkelend en wentelend vormt zich een wezen, een gestalte.
Hoe de uitdrukking van het donkere gelaat eigenlijk is, kan mijnheer Worm moeilijk bepalen, het eene oogenblik is 't somber, terwijl het in 't volgende lacht en ironisch grijnst, om dadelijk daarop een vrome, deftige uitdrukking aan te nemen.
't Is geen wonder, want rook heeft geen bepaald karakter. Nu eens stijgt hij hoogmoedig en kaarsrecht in de lucht, dan buigt hij zich in alle richtingen als een hoveling. Soms draait hij zich langzaam en deftig als een Engelsche kurkentrekker naar boven, en een andere maal sluipt hij als een kat langs de daken. Rook heeft ontegenzeggelijk evenveel luimen als menig verwende, aristocratische jonge dame. Vluchtig van natuur, wankelend en onvast van aard, nieuwsgierig en wuft van zin, dwaalt hij rond en tracht onbeschaamd overal in te dringen, waar hij zijn kans schoon ziet.
Nooit heeft hij op eene plaats rust; wel kruipt hij nu en dan langs de aarde, maar toch haakt hij naar 't luchtruim. Zonderling genoeg, want zijn opstijgen is zijn ondergang. Hoe hooger hij in 't zwerk vliegt, des te dunner en teringach-tiger wordt hij, en zijn graf is hoog â heel hoog in de wolken.
Ditmaal nu was de Rook in de kamer van den knorrigen Worm gedrongen en nieuwsgierig lachend zag hij hem aan.
Als gekluisterd aan zijn stoel keek deze hem in 't zwarte gelaat en vroeg:
145
10
EEN KNORREPOT.
âWie ben je? Wat wil je? Hoe kom je hier?quot;
âIk ben een vriend, die medelijden met je heeft.quot;
âMedelijden met mij ?quot;
Ja!quot;
âWaarom ?quot;
âOmdat we lotgenooten zijn.quot;
âHoe zoo ?quot;
âIk heb nergens rust, â gij ook niet. Men schuwt mij overal, â u ook!quot;
âMaar!____quot;
âAls de menschen mij zien, loopen zij weg of zetten de deur wagenwijd open, in de hoop, dat ik er dadelijk weer uit zal gaan. â Dat doen ze bij u ook.quot;
âMaar hoe weet ge, dat ik.....dat....?quot;
âIk kom overal.quot;
âMaar . . .. ?
âIk doe wel tranen weenen, maar ik droog ze niet. Gij droogt ook geen tranen, al ziet gij ze van anderen.quot;
âIk begrijp niet, dat... .quot;
âIk heb een vijand, een onverzoenlijken vijand, gij ook.quot;
âWel mogelijk. Maar zeg me dan toch . ... quot;
âWie dat is? Luister!.... Mijn vijand is de Versche Lucht... . quot;
âEn de mijne?quot;
âDat zijt ge zelf!quot;
âNeen!quot;
â'k Zal u daarvan overtuigen.quot;
âHoe! ge wilt? . . . .quot;
âZwijg! en volg mij.quot; Het gelaat van den Rookwas onder 't spreken ernstig geworden. Hij naderde en raakte Worms voorhoofd aan.
Wat deze bij die aanraking gevoelde, wist hij zelf niet recht. Eerst een zware drukking op de hersenen, een hevig bonzen in de slapen en een angstig kloppen van 't hart. Toen werd het hem licht in 't hoofd en in de beenen; hij voelde zijn stoel niet meer, de grond ontzonk aan zijn voeten. Alles draaide hem voor de oogen; de rook dwarrelde verstikkend om hem heen en ontwikkelde hem al vaster en vaster met de zware plooien van zijn kleed. Eindelijk zag hij alles door een donkeren sluier.... Plotseling trof een vurige schijn zijn oogen; gloeiende hitte blakerde
14Ã
EEN KNORREPOT.
zijn gelaat en zengde zijn haren. Toen was 't eenige seconden nacht, stikdonkere nacht, maar dadelijk daarop woei hera een koele luchtstroom tegen en verfrischte zijn gelaat.
Hij ontstelde, want het werd hem duidelijk ; hij was met den Rook, door 't vuur heen, den schoorsteen uitgevlogen en dreef nu op 't golverd zwarte kleed, boven de stad.
't Was donker en de sterren stonden aan den hemel. Onder hem blonk een zee van licht, want duizenden gasvlammen maakten den indruk van een reusachtige illuminatie. Woelig en druk was 't in de straten, en een gegons, als van een groote bijenkorf, trof zijn oor.
Daar stak de wind op. Vaster omhulde hem de Rook, en in vliegende vaart, vluchtend voor den adem van Aeolus, vloog Worm met zijn geleider voort.
In een donkere straat tusschen twee lange schoorsteenen, beschut door een hoog ouderwetsch dak, bleven zij hangen, juist vóór een klein venster.
âZie naar binnen!quot; gebood de Rook, terwijl hij zich doorzichtig maakte.
Worm gehoorzaamde â en zag.
In een achterkamer, somber en kil, zat een knaapje, bleek en zwijgend voor de lei en een leerboekje. Alléén en verlaten, geen speelgoed om hem heen, geen vroolijk gelaat in zijn omgeving. Neergedrukt en mat zag 't kind er uit. Lusteloos dwaalden de oogjes over de lei en in 't boek; 't handje bestuurde onvast de griffel. Eindelijk vielen de oogjes toe, zonk 't hoofd eerst op de hand en toen op de koude lei; 't kind schrikte van die kille aanraking en zag lusteloos op.
âBen je nog niet klaar met je som, ondeugende jongen?quot; klonk plotseling een stem, hard en liefdeloos.
âMag ik nu niet eens spelen?quot; vroeg 't kind bedeesd.
âWat! spelen ? â Leeren is spelen; met spelen kom je niet door de wereld. Als je som af is, moog je gaan slapen.quot;
âSlapen, ja! Slapen...quot; knikte 't kind.
't Tooneel veranderde, 't Knaapje sliep, alléén in diezelfde sombere kamer. Geen liefderijke hand dekte hem toe of schudde zijn kussens terecht. Geen vader streelde het kleine voorhoofd en zei: âSlaap wel, ventje!quot; Geen moeder leerde hem de handjes vouwen en stamelen: âHeer! wees Gij met mij in dezen nacht!quot; Alléén â geheel alléén sliep de arme
147
EEN KNORREpOT.
wees, door 't harde noodlot aan verre bloedverwanten toevertrouwd, die hebzuchtig van aard, 't jongske slechts hadden opgenomen, omdat zijn vader en moeder iets hadden nagelaten, en zij een goed kostgeld van hem trokken. Een koud-hartige, strenge voogd voedde 't knaapje, dat naar leven, naar lucht en liefde snakte, stelselmatig op naar zijn eigen voorbeeld en leerde hem, dat er slechts één geluk bestaat, namelijk het bezit van geld, alléén om het bezit.
Worm bedekte zijn gelaat met de handen. Hij herkende in dat kind zijn eigen trekken, 't Was zijn beeld. Zóó was ook hij opgevoed, zóó waren ook zijn kinderjaren; zulk een leven zonder liefde en vreugd, zonder zonneschijn, was ook 't zijne geweest.
âLaat ons van hier gaan,quot; zei hij zacht, en zijn stem trilde.
Nauwelijks waren die woorden over zijn lippen, of hij voelde zich opgenomen en pijlsnel vloog hij voort.
âWaarheen brengt ge me nu?quot; vroeg hij.
âNaar een Tempel der liefde,quot; antwoordde de Rook, en voort ging het.
Plotseling trof een verblindende lichtglans zijn oog.
Heldere kinderstemmen hoorde hij zingen:
âZie ! de maan schijnt door de boomen.
Makkers staakt uw wild geraas:
't Heerlijk avondje is gekomen, :
't Avondje van Sint-Niklaas .
Worm gevoelde iets in zijn binnenste, waaraan hij geen naam kon geven. Zulke tonen had hij nog nimmer gehoord, 't Kwam hem voor alsof engelen juichten uit duizend lachende kindermonden. Dat kunstelooze gezang deed hem aangenaam aan. Hij werd warmer van binnen.
âHoezee! Hoezee!quot; klonk het krachtig en lang. âHiep! Hiep! Hoerah! voor Sinterklaas!quot; Nog eens âHiep! Hiep! Hoerah ! âquot; Daar verscheen de Sint, met zijn langen tabbaard aan, den hoogen mijter op en zijn zwarten knecht achter zich, in de zaal van het Paleis voor Volksvlijt. De rook noemde het een tempel der liefde, en 't was op dien avond in waarheid zoo, want vriendelijke, liefdevolle harten bereidden er aan arme kinderen een prettig Sint-Nicolaas-feest.
Worm had nog nooit zooveel stralende, blijde kindergezichtjes gezien. Hoe zou hij ook ? Hij had immers een hekel
148
EEN KNORREPOT.
aan kinderen; hij noemde ze plagen, lastige vervelende wezens en snauwde ze af, als ze hem te na kwamen. Wat de kinderen betreft, ze vluchtten gewoonlijk weg, als ze zijn knorrig gezicht te zien kregen.
Nu evenwel niet; één brommerig gelaat tusschen zooveel honderden gelukkigen werd zelfs niet opgemerkt.
Nogmaals klonk een lied: weer trilde de lucht van 'tblijde âHoezeelquot; der kinderen, want de chocolade en het krentenbrood werden rondgedeeld. Langzamerhand verstomden de juichende monden, en toch waren ze beziger dan ooit.
Daar overkwam Worm iets, wat hem in geen jaren gebeurd was. Hij glimlachte! Zóó aanstekend werkt kindervreugd, een kinderlach op 't gemoed.
Hij schaamde zich dien lach en trachtte hem te verbergen, maar ditmaal liet hij zich niet wegjagen. De glimlach werd breeder en breeder, toen Worm een kleinen jongen zag, die bijna bezweek onder den last van een groote âophaalbrugquot;, die hij gekregen had; en de knorrepot lachte eindelijk halfluid, toen hij een dreutel van een jaar of zes opmerkte, die een pop torste, bijna zoo groot als zijzelf.
âZie!quot; sprak Worms geleider, die zijn donker gelaat zooveel mogelijk verborgen hield, want de oppassers, die de kachels verzorgden, hadden reeds meermalen bedenkelijk rond gekeken en naar den Rook gesnuffeld. âZie! dat zijn de dames van 't comité, dat dit feest aan de kinderen bereidt. Ze zijn vermoeid, dat kunt ge haar wel aanzien; maar zaagt ge ooit prettiger, opgeruimder gezichten ? Zie! al die vroolijke menschen op de galerijen gaven een bijdrage, veel of weinig, voor al die kindervreugd .... Heb jij ooit iets gegeven?... Heb jij wel ooit pleizier van je geld gehad?
âZie daarheen! die eenvoudige, kleine man, met dat vriendelijke gelaat, dat is de kindervriend, die telkenmale de kosten van de zaal bestrijdt. Hij houdt zich bescheiden verborgen; zijn naam weet men niet, maar toch staat hij in duizend dankbare harten geschreven.quot;
Worm kon zijn oogen niet meer van 't vroolijke tafereel afhouden; zóóveel gelukkige kinderen en menschen had hij nooit bijeengezien. Vreemd! hij die anders naijverig was op iedereen, die er tevreden en gelukkig uitzag, hij voelde nu geen zweem van jaloezie, hij werd hoe langer hoe warmer van binnen.
149
EEN KNORREPOT.
â'k Dacht niet, dat kinderen zoo aardig konden zijn,quot; wilde hij juist zeggen, toen een der oppassers den Rook bemerkte en twee ramen tegenover elkander openzette. Dadelijk kwam de Versche Lucht naar binnen, veranderde zich in Tocht en dreef zijn vijand Rook tegen wil en dank uit de vroolijke omgeving.
Vóór het Paleis stonden honderden vaders en moeders te wachten, allen met blijde gezichten en vrooiijk pratend. Dat zag Worm nog, terwijl hij met zijn geleider langs den gevel voortvloog.
Tusschen daken en langs schoorsteenen ging 't verder in vliegende vaart; 't woei harder dan te voren en een regenbui scheen in 't Zuidwesten op te komen.
Tegen vochtigheid is rook niet bestand; vóórdat dus de dikke droppels vielen, sloeg hij neer in een ouden schoorsteen en door dezen in een nette woning.
âFoei! welk een afschuwelijke rook!quot; riep de jonge moeder, die ijverig zat te werken bij de wieg van haar zuigeling, nauwelijks een maand oud. Ze wilde 't venster openen, maar de zorg voor het kindje hield haar terug. Daar kwam de vader binnen, omhelsde zijn vrouw en keek opgetogen naar zijn eersteling, â zijn zoontje. Geluk straalde uit beider oogen.
Als door een tooverslag veranderde het tafereel. De wieg was ledig en onder een sneeuwwit laken lag de jonge moeder op schragen, en de man met 't hoofd vóórover op het lijk. . . Een doodsklok klepte in de verte.
Worm rilde. âVan hier! Weg!quot; riep hij uit. âIn Gods naam, weg! â Zóó heb ook ik eens gelegen. Zóó was mijn verleden; 't is wreed mij dat te doen zien.quot;
Ach! 't was waar; eens had ook hij een gelukkigen tijd gekend; eenmaal geloofde hij, dat er voor hem een vreugdevol heden, een blijde toekomst was, maar de typhus had hem alles geroofd, alles in éénen slag.
Toen bestond er voor hem geen levensvreugde meer. Toen had hij met het leven afgerekend, voorgoed, naar hij meende. Verbitterd door zijn noodlot, had de ontevredenheid hem in haar dorre armen gekneld en langzamerhand was de zelfzucht hem met haar ketenen genaderd.
Niemand bestond er meer, dien hij lief kon hebben; geen liefde reikte hem de hand ter hulpe, om de slagen, die hem
EEN KNORREPOT.
troffen, te boven te komen. De zelfzucht maakte hem argwanend en de ontevredenheid belette hem, in anderen iets anders te zien dan baatzucht en onverschilligheid. Niemand wees er hem op, dat het geluk van anderen te zien en te bevorderen nog een zonnestraal in het somberst leven kan brengen. Zijn hart was kil en koud, als gestorven.
âWeg! weg van hier!quot; gilde Worm nogmaals.
Medelijdend bedekte de Rook het tafereel met zijn donker kleed, terwijl hij hem terugvoerde, in het luchtruim, om eenige oogenblikken daarna langzaam met zijn last in een ander huis neer te dalen.
âHoudt u nu doodstil en luister. â Weet ge, waar ge zijt?quot;
Ontroerd en getroffen door al hetgeen hij zag en verward door den snellen tocht, antwoordde Worm aarzelend:
âIs dat niet 't kamertje van juffrouw Schraper, mijn huishoudster?quot;
âJuist.quot;
Och ja! daar zat juffrouw Schraper in haar beste japon bij de tafel. Een paar flesschen wijn en twee glazen stonden er op.
âCantemerlequot; las Worm op de etiquette â âVilleneuve Chateau de Cantemerle. â Ze drinkt van mijn wijn,quot; zei hij verbaasd.
De Rook had nu weer zijn gewone, sarcastische uitdrukking aangenomen en zei droogjes:
âEn ze rookt van uw sigaren ook. .. Kijk maar; ze liggen op tafel.quot;
âWat! rookt ze ook?... Onmogelijk!quot;
âPie-i-iep!quot; zei de deur en opende zich voor een man met een gladgeschoren, welgedaan gelaat. Een breedgerande, zwarte hoed dekte zijn hoofd, en toen hij dien afnam, zag Worm de sluike haren, die spaarzaam op zijn schedel waren geplant. Kleine groenachtige oogjes keken sluw van onder de borstelige wenkbrauwen.
Een zuiver witte das, waarschijnlijk 't evenbeeld zijner ziel, steunde zijn onderkin en een zwart pak kleeren omhulde zijn aardschen tabernakel, waarvan de leden zich met afgemeten deftigheid bewogen.
âDe vrede des Heeren zij met u, lieve zuster,quot; kwezelde de man, terwijl hij binnentrad.
EEN KNORREPOT.
Toen zag Worm, hoe juffrouw Schraper opstond en met een kuischen kus haar broeder in den Heere welkom heette. De brave man trok daarbij een gezicht, alsof hij een drankje innam, en ging zitten, terwijl hij zijn groene oogen verdraaide als een stervende kabeljauw.
âLuister nu goed,quot; zei de Rook.
De broeder kwezelde en teemde over den Godsdienst en de naastenliefde; en telkenmale, als hij het woord liefde ontheiligde, streek hij met zijn dikke, vette hand zalvend en aaiend over juffrouw Schraper's magere knoken, die op de glimmende knieën van zijn zwarte pantalon rustten.
Worms gelaat kreeg weer geheel de oude knorrige uitdrukking, toen hij zag, hoe zijn goede Cantemerle zonder ophouden in de dorstige keel van den braven man verdween, en hoe zijn sigaren tusschen diens dikke lippen als sneeuw voor de zon versmolten.
âEn hoe hebt ge 't tegenwoordig, lieve zuster? Onderworpen en geduldig als altijd?quot; vroeg, na een poos, de witdas zalvend.
Juffrouw Schraper zuchtte.
âHeeft de Heer het hart van uwen meester nog niet week gemaakt als was ? Is hij nog steeds een last voor zijn evennaasten en in 't bijzonder voor u, dierbare vriendin?quot;
Juffrouw Schraper zuchtte dieper en zag haar broeder smachtend aan.
â't Ware hem beter, zoo hij niet geboren ware, want de ontevredenen van harte zijn den Heere een gruwel!quot;
âOch, broeder!quot; antwoordde de huishoudster, âik houd hem te vrind, omdat ik weet, dat ik in zijn testament sta. De bediende van den notaris, die 't voor een jaar of wat geleden maakte, heeft 't mij in diep geheim verteld. Ware dat niet het geval, dan liet ik hem stil aan zijn lot over.quot;
âFoei! lieve zuster, zoo moogt ge niet spreken; den zachtmoedigen alleen is het hemelrijk. â Hm ! weet ge zeker, lieve vriendin, dat gij eens zijn mammon erven zult?'' Haar bezoeker schoof zijn stoel wat naderbij.
âZou je denken, dat ik anders al zijn kuren zou verdragen?quot;
âMaar heeft uw meester dan geen rechtmatige erven, â geen bloedverwanten ?quot;
âWel ja! een eigen neef en nicht, met een hok vol kinderen, â menschen, die 't best gebruiken kunnen.quot;
152
EEN KNORREPOT.
âWelnu, dan is 't nog niet zoo zeker, dat gij ...quot;
âEenige jaren geleden heeft hij onaangenaamheden met die familie gehad en voorgoed met hen gebroken; â toen heeft hij zijn testament veranderd en mij gezegd: âZe zullen hun vingers niet blauw tellen, als ik dood ben. Als jij me goed verzorgt, juffrouw, is je toekomst verzekerd. Laat mijn neef, wat mij betreft, dan barsten van spijt.quot;
âMaar die neef, lieve zuster,quot; â weer aaide de brave man met zijn vleezige hand over juffrouw Schraper's knokkels, terwijl hij vervolgde, âheeft die nooit getracht zich met den heer Worm te verzoenen ?quot;
âDe man was in zijn recht, broeder! â de oude knorrepot had hem erg slecht behandeld, â maar toch heeft hij herhaalde malen geprobeerd om weer goede vrienden te worden.quot;
âEn bleef des heeren Worm's harte voor zijn bloedverwant gesloten?quot;
âHi! hi! hi! hi! ik heb wel gezorgd, dat ze elkaar niette zien of te spreken kregen. Begrijp je: als ze weer goede vrienden werden, zou dat misschien een streep door mijn rekening halen.quot;
âNeem u in acht, zuster! dat de begeerlijkheid u niet tot zonde vervoert! Maar ach! het vleesch is zwak, en ge zorgt overigens goed voor den heer Worm.quot;
âZou je dan denken, broeder, dat 't zonde is, als ik primus nummer één voor mijn eigen zorg ? Me dunkt, ik verdien wel een belooning, dat ik naar de pijpen van zoo'n ouden, ake-ligen brompot dans. â Weet je, broeder! als ik de erfenis krijg, zal ik er veel mee doen...quot;
âAan anderen! O zuster, dat zijn Gode welgevallige woorden.quot;
âJa! maar eerst aan mij zelf.quot;
âMaar, zuster! de heer Worm is nog niet oud, zijn leven kan zeer lang zijn.quot;
, Neen! dat geloof ik niet. Menschen, die zoo sjagrijnig zijn als hij, maken 't gewoonlijk niet lang; 'k heb altijd idee, dat hij t' avond of te morgen wel eens een beroerte krijgt van nijd en dan. .
âHoor je dat? Ze hoopt, dat je gauw uit je lijden bent,quot; fluisterde de Rook, terwijl hij sarcastisch lachend om Worm heen dwarrelde.
153
EEN KNORREPOT.
âAlléén de Heere heeft leven en dood in Zijne hand,quot; kwezelde de witdas.
âDat's bepaald een groot geluk voor u,quot; zei de Rook tot Worm, die sprakeloos en ontzet alles aanhoorde.
âIk zorg wel, dat de dubbeltjes bij elkaar blijven,quot; hernam juffrouw Schraper weer. âVragen doen de menschen genoeg, brieven en cirkelaires bij de vleet; meestal geef ik ze hem niet eens, als 'k zie dat 't een bedelpartij is; en ontsnapt er mij een, dan zorg ik toch wel, dat er geen cent 't huis uitgaat. Och broeder! als de Heer hem maar tot zich nam, wat zouden wij,quot; ze keek den vetten, vromen man smeltend aan, âeen boel menschen goeddoen met zijn geld.quot;
Juffrouw Schraper meende met âeen boelquot; waarschijnlijk maar twee.
â't Geld zou zeker in onze handen velen ten zegen zijn, lieve zuster!quot;
âMisschien is 't gauwer met hem gedaan, dan wij denken! Hij is in den laatsten tijd erg in de pottenbank.quot; ;
â's Heeren ondoorgrondelijke wil geschiede, lieve zuster!quot; Een glas Cantemerle sloot den zal vend en mond.
âSchoelje!quot; riep Worm op eens halfluid.
âHa! ha! ha!quot; lachte zijn geleider, âdat is de ware broeder! Wat dunkt u er van? â Heb je genoeg gezien en gehoord?quot; en terwijl hij dit zei, ontplooide hij zijn donker kleed met alle kracht in de kamer, zoodat juffrouw Schraper en haar vriend een hevige hoestbui kregen.
Worm was woedend, maar hij kon niets doen of zeggen, want hij werd ijlings opgenomen en verplaatst, vóórdat hij recht wist wat met hem gebeurde.
âLaat mij nu gaan: 'k heb genoeg gezien,quot;'zeide hij, want de Rook vloog al weer met hem voort langs daken en huizen in dwarrelende vaart.
âZie nog even in dit vertrekje, en dan breng ik u weer terug in uw stoel,quot; en te gelijk drong de Rook met zijn last in een dakkamertje door.
't Is een kleine ruimte, door een talrijk gezin bewoond. Ijverig zit de vader, een schoenlapper, voor zijn tafeltje; onder zijn driepoot zit het jongste kind met de afsnijdsels van 't leder te spelen. Nu en dan keert de man zich om en tikt met zijn leest of een stuk leer op den blonden krullebol der kleine, die verwonderd opziet en schatert van de pret.
154
EEN KNORREPOT.
Moeder staat aan de waschtobbe en neuriet een liedje.
Een paar andere, kleine, bleeke meisjes ravotten op den grond, maar 't kamertje is zoo klein, dat ze telkens tegen vaders tafeltje of moeders tobbe stooten. Een jongen van een jaar of zeven is in de vensterbank van 't eenige raam geklommen en tuurt verlangend naar buiten; hij ziet de lucht en de toppen der boomen uit een naburigen tuin.
âKijk, va! een witje,quot; roept hij en klapt in de handen.
't Vlindertje fladdert lustig door de lucht, 't blinkt in de zon, en 't ventje ziet het na zoover het kan. Arm knaapje ! die vlinder is gelukkiger dan gij : voor hem de vrijheid, de lucht, de zon, in volle teugen, voor u slechts spaarzaam en karig. Toch klapt ge in de handjes van vreugd, want uw zieltje is nog vrij van wangunst.
âKonden de kinderen er maar eens uit,quot; zegt de moeder, even met wasschen ophoudende; âde arme schapen zien zoo bleek en schraal, maar om ze alléén op straat te laten spelen , wil ik niet; 't is te gevaarlijk.quot;
âJa, moeder!quot; antwoordt de man, die zijn els en pikdraad een oogenblik ter zijde legt, âfrissche lucht is broodnoodig voor hen, vooral voor Jantje; 't is of het kind er naar snakt: hij klimt altijd bij 't raam, kijk maar.quot;
â't Is een toer om ze hier thuis bezig te houden. â Stil^ kinderen! gooit me de tobbe niet om.quot;
âHoudt jelui toch bedaard, denk om mijn werk.quot;
âOch, laat ze hier maar spelen, man; op straat is ook maar op straat. Ze leeren er niets goeds.quot;
âFoei! daar begint 't weer te rooken,quot; zegt eensklaps de schoenmaker, en 't venster openend, voegt hij er bij : âDat moet er nog bijkomen; dan is 't heelemaal hier niet uit te houden.quot;
De Versche Lucht, die bescheiden buiten had staan wachten, stroomde plotseling in breede golven naar binnen, en of de Rook zich ook al tusschen de hanebalken trachtte te verbergen en vast te klemmen, hij moest de vlucht nemen voor zijn doodvijand.
âKijk de kinderen eens: ze happen letterlijk naar de lucht,quot; hoorde Worm den schoenmaker nog zeggen, toen hij met den Rook 't venster uitvloog.
Wat was dat? Met duizelingwekkende snelheid vloog Worm voort, maar alles was licht om hem heen geworden; de zwarte sluier van den Rook omkronkelde hem niet meer. Een heer-
155
EEN KNORREPOT.
lijke koelte woei om hem heen, balsemgeuren streelden zijn zintuigen en licht als een vogel zweefde hij door 't luchtruim. Heel ver in de verte zag hij een donker wolkje, 't Was de Rook, zijn geleider, die plotseling de vlucht nam â voor altijd! Toch gevoelde Worm, dat hij zweefde. De Versche Lucht droeg hem op haar vleugelen en haar frissche adem blies op zijn voorhoofd.
Huizen, torens en straten vlogen met de snelheid des lichts aan hem voorbij. Boomen, groene, frissche boomen stuitten eindelijk zijn vaart. Zacht streek de Versche Lucht met hem neer voor een eenvoudig getimmerde poort. âKinderspeeltuinquot; stond er boven.
Joelend, krioelend, stoeiend, lachend en gierend van pret, zag hij daar een kinderschaar. Veel bleeke, huiskleurige gezichtjes waren er onder, maar de Versche Lucht blies ze met haar verkwikkenden adem aan, en rozen bloeiden op die koontjes; gezondheid en leven begon in die eerst matte oogjes te tintelen.
Weer gevoelde Worm die eigenaardige warmte in zijn binnenste, toen hij' die onschuldige kindervreugd zag; nogmaals ondervond hij den weldadigen invloed van den gullen kinderlach. Hij stond bij den ingang en keek onafgebroken naar die jolige schaar.
Een burgervrouwtje, arm, maar rein en zindelijk gekleed, kwam naast hem staan en zag met stralend gelaat naar haar kinderen, die in den tuin speelden.
âVreemd,quot; dacht Worm, â't is alsof ik die vrouw meer heb gezien,quot; maar hij kon zich niet dadelijk herinneren wie 't was. Daar naderde een kleine jongen met blozende koonen, warm en hijgend van al de pret.
âO moe!quot; riep hij haar op een afstand reeds toe, âwat hebben wij een plezier; wat een pret!quot;
âDat's goed, Jantje! Speel maar kind; wees jij maar blij. Waar zijn je zusjes?quot;
âDaar ginds, moe! Ze springen touwtje. â O! wat hebben we een pret.quot;
Op eens herkende Worm aan haar zachte stem de schoenmakersvrouw. De bleeke kindertjes zou hij waarlijk niet meer hebben gekend, zóó goed zagen ze er nu uit.
Bescheiden richtte de vrouw het woord tot hem.
âWat een zegen voor de kinderen, meneer, zoo'n speel-
EEN KNORREPOT.
tuin. Ze leven hier heelemaal op. Ja! versche lucht en beweging is maar alles. U moest mijn kinderen vroeger eens hebben gezien; ze worden nu gezond en frisch. In ons kamertje onder de pannen hebben ze 't benauwd genoeg; daarom is 't een uitkomst, dat ze veilig hier spelen kunnen. Zijn ze de deur uit, dan zetten we 't raam open en luchten eens ferm. Mijn man kan wel tegen den tocht voor een oogenblik, maar die kleine schapen niet.
â'k Zou er uren naar kunnen kijken, meneer! Och ! ik heb zelf niet veel in mijn jeugd gehad, en daarom juist gevoel ik het: een kind moet spelen van tijd tot tijd, dat is even noodig als brood; dunkt u ook niet?quot;
Worm wist waarlijk niet, wat hij antwoorden moest. Hij zweeg.
âU is zeker ook een van de heeren, die den tuin hebben opgericht? Ja! dat begrijp ik wel. Duizendmaal dank, meneer ! voor 't geen u aan die kleinen doet.quot;
Nog een andere vrouw was genaderd en had de laatste woorden gehoord; trouwhartig stak ze hem de hand toe, en toen Worm die werktuiglijk greep, zei ze: âVrouw Bekker zegt het, meneer. Duizendmaal dank voor die stumperds; onze Lieve Heer zal 't u vergelden. â Zie je, meneer, ik gun de rijke menschen graag hun geld, â van harte, hoor! â als ze 't zóó besteden.quot;
Dat was te veel voor Worm. Bedankt te worden voor iets waar hij part noch deel aan had, maakte hem beschaamd; hij durfde de oogen haast niet opslaan tegenover die eenvoudige vrouwen, 't Is nog minder kwetsend geen dank te ontvangen voor een bewezen weldaad, dan onverdiende erkentelijkheid te oogsten, die slechts 't verwijt in zich sluit, dat men niets heeft gedaan.
Worm wilde zich haastig verwijderen, maar plotseling greep de wind hem aan, voerde hem opnieuw in de lucht en slingerde hem heen en weer, als een veder zoo licht.
Eensklaps was het hem of de aarde hem met onweerstaanbaar geweld aantrok en voelde hij, dat hij daalde. â Hooge populieren ruischten statig en ernstig naast en om hem. Heilige stilte heerschte op de plek, waar hij zich bevond. Hij huiverde : 't was een kerkhof.
Bij een geopend graf stond een lijkkist, over en over bedekt met bloemen en kransen. Een kinderkoor zong bij de groeve.
157
EEN KNORREPOT.
Dat lied klonk als een zegenbede, een vaarwel aan een dierbaren vriend.
Het koorgezang hield op, en een der velen, die met ontbloot hoofd om de lijkbaar stonden, nam het woord, 't Was een korte rede, maar innig en hartelijk klonken uit des sprekers mond de slotwoorden :
âHij was een eenzame en teruggetrokkene voor 't oog der wereld, een man, die veel harteleed gedragen had, maar juist daardoor gevoelde hij de smart van anderen des te dieper. Wat de hemel hem onthouden had, trachtte hij aan anderen te geven. Wèl te doen was zijn geluk, â vreugde om zich heen te verspreiden de troost voor zijn gewonde ziel. Zijn naam zal zegenend herdacht worden door allen, die hem met dankbare tranen nastaren. Amen!quot;
âAmen! Amen!quot; herhaalde Worm onwillekeurig, en een zachte stem, als gedragen op den adem des winds, fluisterde hem toe :
â't Is nog niet te laat; nog kunt ge zóó ten grave dalen.quot; Die stem drong door zijn hart, in zijn ziel, en voor 't eerst na lange jaren, weende hij â als een kind...
Wat was dat? De grond ontzonk aan zijn voeten, als een vuurpijl schoot hij hoog op in de lucht. Zijn hoofd brandde geweldig, al het bloed scheen hem naar de hersenen te stijgen. Hevig klopte 't in zijn slapen en 't klokte hem in de keel. 't Was hem alsof hij nu eens met het hoofd naar beneden een eind ver werd medegesleurd, dan weer recht overeind in vliegende vaart door 't luchtruim snelde. Hooger en hooger steeg hij op, hij zag niets meer. Lichtende punten vlogen zijn oogen voorbij, vuurstrepen en bloedroode plekken achterlatend.
Nog eenmaal steeg hij in de blauwe ruimte omhoog, â toen werd 't donker om hem heen, en met duizelingwekkende snelheid viel hij terug op de aarde. Hij verloor zijn bewustzijn ....
II.
âEn kan u niet nagaan, juffrouw Schraper, hoe meneer in dezen toestand gekomen is?quot; vraagt de dokter, die bij'tbed
158
EEN KNORREPOT.
staat, waarop mijnheer Worm met behulp van zijn huishoudster en een der buren is neergelegd.
Laat ik u vertellen, dokter. â Gisterenavond was de man als naar gewoonte sjagrijnig en knorrig en zat bij 't vuur te dutten. Nu moet u weten, dat hij gewoonlijk 's avonds alleen zit en mij niet meer noodig heeft. Hij gaat dan, als 't hem in den zin komt, zonder boe of ba te zeggen, naar bed. Ik dacht dus niet anders, dan dat meneer rustig en wel onder de wol lei. â Uwé kan nagaan, hoe ik van morgen schrikte, toen ik de kamer opendeed en hem naast zijn stoel op den grond vond liggen. Ik raakte haast van mijzelven. De kamer was vol rook, â een rook, dokter, om van te stikken! We hebben dadelijk gemerkt, wat 't was. Gisterenavond is door den wind een stuk van den schoorsteen afgewaaid en naar binnen gevallen. Uwé kan dus nagaan, hoe 't gerookt heeft; ruik maar eens, 't is hier nog een kolenlucht. Meneer Worm is zeker op zijn stoel in slaap gevallen, later benauwd geworden en er afgegleden. Hè, dokter! de schrik zit me nog in de knieën. Och Heere! Och Heere! die goede meneer! Zou hij er van op komen, dokter?quot;
â't Is een ernstig geval, juffrouw; de patiënt is volkomen bewusteloos; had hij een uur langer gelegen, dan ..
âOch Heere 1 dan was hij gestikt!quot; riep juffrouw Schraper halfluid.
â't Is een geluk, dat hij op den grond is gevallen; dat heeft hem voor een oogenblikkelijken dood bewaard. Zijn toestand is echter zeer gevaarlijk. lïc zou zijn familie toch in allen gevalle laten roepen.quot;
âZijn familie ? Och! dokter, de man heeft kind noch kraai in de wereld.quot;
âNiemand?quot;
âHm! ja â een neef en nicht; maar daar hield hij geen vriendschap mee, weet u! Dus ...quot;
âDus denk je, dat hij daarom maar alléén en verlaten sterven moet. ..quot;
âZou hij wezenlijk sterven, dokter?quot;
âWat vraag je dat op een wonderlijken toon, juffrouw! Sta je bij geval in zijn testament?quot;
â't Is zonde, dokter! Uwé zou iemand verlegen maken.'
âJuffrouw,quot; herneemt de medicus ernstig, âmag ik u verzoeken dien neef van meneer Worm dadelijk te laten roepen.quot;
159
EEN KNORREPOT.
âAfijn! als u 't noodig vindt....quot;
âZeker!quot;
Een uur later stonden neef Karei en zijn vrouw bij 't bed van hun bewusteloozen bloedverwant, en toen de dokter haar van de mogelijkheid verzekerde, dat de lijder in 't leven zou kunnen blijven, indien hij met de grootste zorg werd verpleegd, zei 't vriendelijke vrouwtje:
âIk zal neef wel goed verzorgen. Och! de arme man is ook altijd zoo alleen geweest en heeft in zijn leven zooveel leeds ondervonden. Hoe jammer, dat we hem niet al eens vroeger konden helpen of verplegen.quot;
Karei waakte dien nacht, en juffrouw Schraper kon geen oog dichtdoen uit angst, dat mijnheer Worm de zijne weer zou openen.
Eindelijk, na drie dagen, keerde het leven langzaam terug; de lijder herkreeg zijn bewustzijn, en toen hij zijn oogen opende, meende hij nog, dat hij droomde, want een blozend, vriendelijk vrouwengelaat boog zich over hem heen en een blonde krul raakte zijn voorhoofd aan, terwijl een zachte stem hem toefluisterde:
âGoddank, dat je weer beter wordt, neef! Ik ben het, Jeanne.quot;
Hoe dikwijls hij die lieve stem hoorde, zou Worm u niet hebben kunnen zeggen, maar 't was vele dagen lang.
â'k Ben heel onvriendelijk en slecht voor jou en je man geweest,quot; zei de lijder, toen hij weer goed spreken kon; ânu gevoel ik het: ik had schuld en ik vraag je om . . . .quot;
âStil, neef!quot; antwoordde de verpleegster. âStil! spreek er niet meer over; we weten wel, dat je't nooit zoo kwaad meendet.quot;
Karei reikte hem de hand en zeide: â't Is alsof er niets tusschen ons gebeurd is, hoor! Maak nu maar gauw, datje weer de oude wordt.quot;
âNeen, niet de oude,quot; zei Worm, en hij verwonderde zich zelf er over, dat hij 't zei, maar toch deed hij 't.
En toen hij voor 't eerst weer in zijn bed opza:, ondersteund door kussens, die o! zoo zacht en gemakkelijk door Jeannes hand geschikt waren, trad er een lief klein meisje binnen met een tuiltje versche viooltjes in de hand.
Worm zag het binnenkomen; onwillekeurig wreef hij zijn oogen. Was het door de zon, die te sterk door de geopende deur
i6o
EEN KNORREPOT.
naar binnen scheen, of knipoogde hij, omdat hij 't blijde gezichtje der kleine, dat blozend en vriendelijk lachend hem reeds van verre het bouquetje bloemen wees, zoo ongewoon stralend en glansrijk vond?
Hij richtte zich hooger op in zijn bed, om haar goed te kunnen zien; hij had in zijn jeugd wel eens gelezen van kleine engeltjes, die op de aarde kwamen om de menschen gelukkig en blij te maken. Zou dit soms...? Neen! 'twas heusch maar een kind, dat schroomvallig naderde en iets zei, dat op 't woord âfeliciteerenquot; geleek.
Worm keek het meisje aan: waarlijk 't liep niet weg, 't keek hem ook aan en lachte. De moeder zag naar beiden en wist niet, wie van de twee wel 't vriendelijkst keek.
âIs dat Jetje, â je jongste?quot; vroeg mijnheer Worm eindelijk.
âJa, neef! dat's Jetje! Ze is groot geworden, hé?quot;
Ja! ze was groot geworden, en Worm wist het niet, in zóó lang had hij haar niet gezien.
Hij keek 't kind nog eens aan: 't lachte en knikte hem toe, ging op haar teentjes bij 't bed staan en kuste hem, â den knorrigen Worm, voor wien alle kinderen vroeger de vlucht namen!
Toen 's middags neef Karei kwam zien, hoe de patiënt het maakte, kon hij zijn oogen nauwelijks gelooven. In plaats van één kind zaten er twee in het bed, een jong en een oud, en 't jongste trok schaterend van pret het oudste de slaapmuts van 't hoofd en krieuwelde hem met haar handje in de grijze haren.
Nicht Jeanne wou 't meisje van 't bed nemen, omdat Worm nog zoo zwak was, maar de patiënt zei:
âNeen! Neen! laat haar blijven, ze hindert mij niets; 't maakt mij beter. â Ben je dol, meid, niet zoo kriebelen hoor! Schei uit! of ik zal Je krijgen. Ha! Ha! Ha! jij maakt, dat ik lachen moet, ondeugende drommel! â Wat doe je nu? Kruip je nu heelemaal onder de sprei. â Wil je er wel eens gauw uitkomen, grappenmaakster, gauw! Opnieuw begon het gevecht om de slaapmuts en lachten de twee kinderen in het bed, het oudste misschien nog het meest.
Ja! de knorrige Worm had pret als een kind, en hij wist zelfs niet hoe 't gekomen was, dat hij zóó veranderen kon in korten tijd. Hij lachte en schreide nu en dan te gelijk,
161
11
EEN KNORREPOT.
maar 't meest toch lachte hij. En Karei zei tot zijn vrouw:
âWat heeft neef Worm een prettigen lach! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo'n innemend gezicht had.quot;
Kleine Jetje had nog nooit te voren zulke goede dagen gekend, want ze had een speelkameraadje gekregen, dat niet meer buiten haar kon, dat haar altijd toegaf en deed wat zij wilde en op de meest geheimzinnige wijze allerlei wonderlijke zaken, speelgoed, lekkers en moois, als met een tooverslag, uit zijn chambercloak of van onder zijn leunstoel wist te voorschijn te brengen.
Juffrouw Schraper zat alleen in haar keuken zich te verbijten van spijt over al het kostelijke geld, dat, volgens haar meening, âzoo zondig en roekeloos voor dat kleine wurm werd weggesmeten.quot;
Zij zag bleek om haar neus van spijt en afgunst, en toen zij een paar malen met Worm gesproken had en deze over een en ander had nagedacht, was zij de eenige in huis, die met een lang en benauwd gezicht rondliep. Geen wonder: langzamerhand was voor Worm een licht opgegaan, en had hij vernomen, waardoor het gekomen was, dat hij niet eerder weer goede vrienden met neef Karei werd. En hij was weer geheel de oude knorrepot, toen hij, na zijn herstel, juffrouw Schraper haar afscheid gaf met de woorden ;
âLoop naar den satan.quot;
Of de juffrouw toen naar haar dierbaren broeder in den Heere is gesneld, weet ik niet; â wel kan ik u mededeelen, dat de heilige man nooit meer dan een broeder voor haar is geweest, en dat juffrouw Schraper nog steeds âa prendrequot; is.
En Worm zelf? Hij woont bij neef Karei. Nicht Jeanne is zijn ideaal en Jetje zijn oogappel.
Eéne eigenaardigheid heeft hij behouden, namelijk deze: hij heeft het land aan circulaires of, zooals juffrouw Schraper ze noemt, âbedelbrieven,quot; want hij teekent gewoonlijk onmiddellijk voor een flink bedrag in, en heeft er dan dadelijk berouw van, omdat hij meent, dat hij er Jetje in de toekomst door te kort doet.
Dit is de geschiedenis van Mijnheer Worm! Mocht gij, waarde lezer, in uwe omgeving misschien zulk een worm kennen, ik bid u, vertreed hem niet, maar neem hem op.
102
MUZIEKKENNERS.
't Was vreeselijk slecht weer: de muziekkapel, die anders in den tuin van 't Kurhaus te Wiesbaden speelde, had nu in de zaal plaats genomen; 't gaslicht was ontstoken, en trots regen en wind, donder en bliksem, klonken weldra de eerste maten van Beethovens Symphonie Pastorale door de met menschen gevulde zaal.
Met aandacht luisterde men toe; het goed geoefende orkest speelde in waarheid voortreffelijk, en toen de laatste tonen van de finale waren weggestorven, applaudisseerde het anders vrij kalme publiek.
't Was pauze, en een naast mij zittende dame wendde zich glimlachend tot mij, met de woorden:
âDat is toch in waarheid een symphonie, die men begrijpen kan; men voelt zoo goed, wat de componist heeft bedoeld. Dunkt u ook niet?quot;
âIk ben het volkomen met u eens, juffrouw,quot; antwoordde ik. âDe Symphonie Pastorale, is een der weinige, die ik be-giijp. Misschien ben ik niet genoeg muzikaal ontwikkeld om andere toondichten te vatten; zelfs de Eroïca van Beethoven is niet zoo klaar en duidelijk voor mij als de Pastorale, die wij zooeven genoten.quot;
âDan zal Richard Wagner's muziek voor u, evenals voor mij, tamelijk onverstaanbaar zijn,quot; merkte mijn buurvrouwtje aan, terwijl ze het programma nalezend, er bijvoegde: â't Laatste No. is Marche uit Götterdammerung van Wagner.quot; Heeft u die al gehoord?quot;
MUZIEKKENNERS.
âNeen, juffrouw! maar ronduit gezegd, ik houd niet erg van Wagner; die overweldigende klankenstroom, die soms zoo wonderlijk dooreenwarrelende akkoorden en overgangen, dat onophoudelijk schetteren van het koper, die telkens weer-keerende omwerkingen van één motief spreken in het geheel niet tot mijn gemoed; ik vind in Wagners muziek te weinig melodieën, die mij aangenaam aandoen. Ik word er niet door getroffen, maar ook niet door opgewekt; ze laat mij koud, â soms zelfs verveelt zij mij. 't Is evenwel een geheel individuëele opinie en misschien is 't geen bewijs van goeden smaak of hedendaagsche beschaving, wanneer ik zeg, dat ik Beethoven, Mozart of Mendelssohn veel hooger stel....quot;
âHoe is 't mogelijk, dat u zoo iets kunt, dat u zoo iets durft, beweren meneer!quot; Met die woorden mengde zich een tamelijk bejaard heer, met een spits, scherp geteekend gezicht en een gouden bril op, in het gesprek.
âWagner, de maestro! de eenige, de onovertrefbare, is de componist der toekomst, meneer! Later, meneer! later! zal men hem vergoden; en wanneer Beethoven, Mozart en meer van die overigens niet onverdienstelijke lieden reeds lang vergeten zijn, zal men Richard Wagner's muziek eerst recht beginnen te begrijpen, spelen en genieten.quot;
âIk wil u niet tegenspreken, mijnheer,quot; zei ik half verschrikt, half lachend over den haastigen scherpen toon, waarop hij sprak, âmaar . . ..quot;
âWanneer u zegt, dat Wagners muziek u geen genoegen doet,quot; vervolgde de bejaarde heer, mij in de rede vallende en op vrij opgewonden toon, âdan is dat alléén een bewijs, dat u de muziek, die u hoort, alléén toetst aan het genot, dat u er van ondervindt. Deze wijze van oordeelen is treurig, mijnheer! â treurig, allertreurigst voor de verheven kunst. Uw oor vangt dus slechts dat gedeelte op, wat melodisch voor u klinkt, wat uw gehoorzenuwen in aangename trilling brengt; al het verdere, elke hoogere inspiratie bescaat voor u dus niet. O ! 't is te bejammeren, zeer zeker erg te bejammeren; al wat waarlijk kunst is, ontsnapt u. Misschien voelt u poëtisch genoeg, mijnheer! om 't liefelijke te begrijpen; â 't grootsche, 't verhevene voelt u niet.quot;
Niet zonder verwondering over de opgewondenheid van den goeden man, die, terwijl hij sprak, heftig gesticuleerde.
164
MUZIEKKENNERS.
zijn wenkbrauwen halverwege zijn voorhoofd trok, achter zijn brilleglazen met de oogen rolde als een treurspelspeler en met zijn parapluie bepaald gevaarlijke bewegingen maakte, antwoordde ik:
âU kunt gelijk hebben, mijnheer; wellicht ben ik niet fijn genoeg georganiseerd om de overeenkomst tusschen een point d'orgue en een ondergaande zon, de gelijkenis van een chromatische toonladder met een kudde weidende schapen te begrijpen, of een schilderachtig landschap te ontdekken
in een akkoordenreeks.....quot;
âHm! Hm! Hm!quot; zei mijn ondervrager, die mij van 't hoofd tot de voeten opnam en vroeg: âIs u dilettant, meneer? Bespeelt u een instrument?quot;
âJa! zoo wat, â 'k heb viool geleerd. Maar helaas! toen ik begon te studeeren en bescheidenlijk de gamma's speelde, zond mijn goede vader mij uit menschlievendheid naar de vliering, en later, toen ik met anderen duo's of trio's maakte, wenschte menig toehoorder mij van ganscher harte naar mijn oud verblijf terug, 'k Heb laterin een liefhebberij-orkest medegespeeld tot ergernis van mijn medeleden en tot wanhoop van mijn directeur, en daarom heb ik de lier, of liever de viool, aan de wilgen gehangen.
â'k Heb er nog ernstig over gedacht om den triangel te bespelen, een paar malen ook heb ik dat instrument met eenig talent gebruikt, maar aangezien ik eens, in een ouverture, een maat te vroeg begon, en éénmaal, in een symphonic, twee maten te laat eindigde, ben ik ontmoedigd, en van werkend lid, kunstlievend lid geworden.quot;
âAh zoo! dus geen exécutant, alleen amateur. Enfin ! Maar gevoel voor muziek beweert u toch te bezitten; gevoel, meneer!
gevoel? â Ah! pardon!____quot;
âAu! groote hemel, au! ja, gevoel heb ik____quot; De brave
man zette zijn parapluie met kracht op mijn teenen, bij dat woord...
âJa! muzikaal gevoel heb ik ook,quot; haastte ik mij er bij te voegen; âik meen er zelfs zooveel van te bezitten, dat de zachte tonen der fluit of 't klagend geluid van de hobo mij een landelijk tafereel, een herdersscène voor den geest kunnen brengen. De langgerekte of luide klanken van den waldhoorn doen plotseling, in mijn gedachten, het beeld oprijzen van een jachtpartij; zware slagen op de groote trom en 't sissend
MUZIEKKENNERS.
geluid der bekkens vertolken voor mij onweder en bliksemvuur.quot;
âHm! Hm! Zeer juist, meneer,quot; zei mijn examinator, en met zijn vingers heen en weer wiegelend voor zijn voorhoofd, vervolgde hij op min of meer gerekten toon: âMaar gedachten,- â gevoelens, â denkbeelden, â intuïtiën, hebt u die door 't hooren der muziek?quot;
âGedeeltelijk, ja! Weeke kwijnende akkoorden, zangerige melodieën, lento's en larghetto's geven mijns inziens teeder-heid, zachtheid, kalmte en waardigheid terug. Forsche tutti's, tromgeroffel, presto's van de violen, zware basnoten, unisono's in de lagere toonregisters, volle geluiden van het koper, hooge snijdende tonen der klarinetten, fluiten en hobo's kunnen mij aan wild bewogen hartstochten, een storm, of iets dergelijks doen denken.quot;
âHum! Hum! niet slecht opgevat, meneer! maar oppervlakkig, zeer oppervlakkig, ijselijk oppervlakkig. De ware componist geeft door iedere noot, door elke phrase uitdrukking aan een gedachte, een denkbeeld, een voorstelling.quot;
âIk durf,quot; zei ik, âmet bescheidenheid beweren, dat zóó iets overdreven is, en dat de componisten zelf niet alles begrijpen, of met een doel schrijven; ik geloof, dat ook voor hen alleen de hoofdgedachte duidelijk is, en dat al het overige muzikale versiering kan genoemd worden.quot;
Mijn buurmans gezicht was, terwijl ik sprak, tamelijk rood geworden. Zijn oogen schitterden en vonkten achter 't brille-glas, en heftig met zijn rechterhand gesticuleerend, zei hij:
âDwaling, meneer! dwaling! â dwaling! Iedere phrase, iedere noot, iedere modulatie is een gedachte, een beeld, een aquarel, een schilderij. Wanneer u het tegendeel durft beweren, dan zeg ik u, meneer, dat de muziek, die u hoorde, niet goed was gecomponeerd, of dat u door uwe zonderlinge opvatting de meesters beleedigt, die hun verheven, onsterfelijke gedachten tot zelfs in de kortste rusten, neen, meneer! tot zelfs in de maatstrepen, hebben neergelegd.quot;
â't Is mogelijk, meneer, maar 't gaat boven mijn begrip en . . ..quot;
âPardon! er is hier geen quaestie van begrip. Weten! meneer! weten, dat is het eenige! Door het weten komt men tot gevoelen, tot het tasten: voor mij is de bedoeling der componisten tangibel, â tastbaar. â O, meneer! er is in
MUZIEKKENNERS.
de muziek een zeker iets, dat.... Hum! enfin! zoo iets, hum!....quot; De opgewonden musicus greep met zijn rechterhand in de lucht, maakte met zijn vingers eenige krampachtige bewegingen, draaide een paar malen zijn pols heen en weer in de hooge manchet en stak toen eensklaps den wijsvinger recht vooruit, zoodat hij mijn overhemd bijna aanraakte, terwijl hij met een allergewichtigste, onbeschrijfelijk geleerde uitdrukking op zijn gelaat, met spitse lippen en hoog opgetrokken wenkbrauwen zei; âHum! ziet u, dat zekere d a t in de muziek, â begrijpt u dat?quot;
âNeen, meneer, dat begrijp ik niet.'
Ik zette zeker een zeer onnoozel gezicht, want de schouders van den muziek-enthousiast gingen plotseling een eind omhoog, een medelijdende glimlach trok over zijn geheele gelaat, en in Jt zelfde oogenblik zei hij zachtjes: âO, neen! dat is ook niet voor elk en iedereen!quot;
Ons gesprek had tamelijk wel de aandacht getrokken van de naastbij zittende personen, waarvan enkelen den opgewonden heer schenen te kennen; en nadat het tweede gedeelte van het programma was afgespeeld, zetten wij de discussie voort, daar Jupiter Pluvius nog steeds zijn mildheid aan 't aardrijk bewees, en we niets beters te doen hadden dan praten.
Mijn buurvrouwtje, dat 't gesprek begon, was heengegaan; een deftige Geheimrath met hooge stijve boorden en een allergewichtigste uitdrukking op zijn glad gezicht, had haar plaats ingenomen.
Zijn kaal hoofd glom als een spiegel en zijn dunne lippen bewogen zich zenuwachtig, als hij sprak.
âPermitteer mij, mag ik u zeggen, wie die heer is?quot; vroeg hij, zich naar mij overbuigend, met zachte stem en op geaf-fecteerden toon.
âGaarne!'
âDat is mijnheer Boems, de directeur van de Muziekschool te Flörsheim, â een genie, mijnheer! Heeft u wel eens een genie gezien? Niet? Nu dan kunt u nu kennis maken met een musicus bij de gratie der muzen, een geniaal mensch van top tot teen. Zie hem eens goed aan, mijnheer! â Every inch een genie! Hij componeert prachtig; ik heb de eer hem te kennen.quot;
âHa zoo! Dat is een groot voorrecht.quot;
167
MUZIEKKENNERS.
âO! mijnheer! wanneer u slechts éénmaal een compositie van mijn hooggeschatten vriend Boems gehoord had, zou u zóó niet spreken. Boems heeft volkomen gelijk, mijnheer! Boems heeft altijd gelijk, geachte heer.'
âO, ja! o, zeker!quot; viel op eens de vrouw van den Geheimrath op smeltenden toon in. âIedere noot van Boems composities is voor mij eene heerlijke gedachte, een schitterende uiting van zijn rijk en goddelijk talent.quot;
âZoo, mevrouw?quot;
âAch! wanneer men niet begrijpt, wat men hoort, is 't genot zoozeer problematisch,quot; voegde zij er sentimenteel bij.
âDat spreekt vanzelf,quot; liet nu een jongmensch met lange blonde haren en zwemmende blauwe oogen, die melancholisch langs een opgespelden neus zagen, zich hooren. âElk dichterlijk gemoed is ontvankelijk voor muziek; elk gevoelig hart verstaat haar.quot;
âDaar heb je schoon gelijk in; je bent een aardige kerel! En hij is 'n fameuse vent!quot; riep plotseling achter mij een dikke heer met een vervaarlijken knevel. Als ik een marsch hoor, dan begrijp ik, dat 't soldaten of een oorlog moet voorstellen; zoo'n flink bombardebom! op de keteltrom zijn de kanonnen, â en als de fluit zoo gilt, piejiejie-iet, is het 't fluiten van de geweerkogels! Die die muziek niet begrijpt, is bepaald een ezel.quot;
âDat is een oude majoor!quot; dacht ik, terwijl ik verwonderd omzag, zonder te antwoorden. Ik was niet voorbereid tot een spiegelgevecht met zoovéél verschillende strijdkrachten, en trachtte dus mijn terugtocht eervol te dekken door eindelijk maar te zeggen, dat 't zeer licht mogelijk kon zijn, dat mijn opmerkingsvermogen nog niet genoeg ontwikkeld was.
âNeen! mijnheer, neen!quot; riep eensklaps mijnheer Boems er tusschen. âBeschuldig u niet te snel; 't ligt ook dikwijls aan de muziek: er zijn componisten, die te vroeg beginnen muziek te schrijven, vóórdat hun talent tot rijpheid is gekomen. Wat leveren zij u dan, meneer? Onverstaanbare toonmengelingen, embryonische melodieën, onvoldragen harmonievruchten! â Ik! waarde heer....quot; hier greep de heer Boems theatraal met zijn rechterhand tusschen zijn vest en overhemd ... âIk ben pas op mijn dertigste jaar begonnen te componeeren; mijn eerste opus was een Marche Funèbre in Es met een solo voor verdekte trom : â 'n foudroyant effect, dat âbrrrrom!
r68
MUZIEKKENNERS.
brrrrom ! brom! brom! bom!quot; hier bootste de goede man 't â¢doffe geluid der omfloerste trom treffend na. â24 maten brrrrom! Dan op eens jubelende tonen in G-dur voor de violen; soli voor klarinet en cornst-a-pistons. Ziedaar, meneer! een beeld van den dood en overgang tot beter leven!quot;
âO! hoe heerlijk, â hoe goddelijk schoon en treffend,quot; zuchtte de Geheimrathin.
âRealistisch opgevat, waar, zeer waar,quot; lispte de blonde jonkman.
âJe bent een fameus aardige kerel!'' schetterde de majoor.
âWat zei ik u?quot; fluisterde de Geheimrath, terwijl hij mij aanstootte. âHeb ik nu iets 'te véél gezegd? Is dit geen genie! â geen groot man?quot;
âBepaald!quot; antwoordde ik.
âDie marche funèbre was mijn entrée in de muzikale wereld, meneer!quot; En Boems' oogen vonkelden, toen hij vervolgde: âIk werd opgemerkt. Men benoemde mij tot directeur van de Koninklijke Muziekschool te Flörsheim, en sedert 22 jaren heb ik de eer gehad de meeste onderscheiding te genieten.quot; De man deed mij, terwijl hij deze gedenkwaardige woorden zei, onwillekeurig denken aan een acrobaat, die zijn toeren begint en de attentie van het âgedistingeerde publiekquot; inroept. âIn de volgende week dirigeer ik voor 't eerst mijn jongste symphonic. Opus 128, meneer! Al zeventien repetitiën gehad! Nog drie repetitiën, dan zit het er bij mijn orkest in als een muur. Ja, meneer! 't is een moeielijke taak om een orkest als dat van 't Kurhaus te Flörsheim zoodanig te inspireeren, dat zij uit de symphonic halen, wat er inzit.quot;
De Geheimrathin zag hem met bewonderende blikken aan en zei zachtkens:
âWelk een geduld, welk een groot geduld, welk een tact, moet die man hebben! 't Is grootsch! verheven!quot;
âWanneer de heeren en dames mij de eer willen bewijzen,quot; zoo ging Boems voort op denzelfden gezwollen kunstenma-kerstoon, âom mijn nieuwe symphonie te komen hooren, ben ik geheel overtuigd, dat ge onmiddellijk, indien ge ten minste slechts eenig muzikaal begrip hebt, zult vatten, welk tafereel, welk beeld, welke aandoeningen en denkbeelden ik er in heb gelegd. Mijn compositie is geheel plastische muziek, dat durf ik zonder onbescheidenheid beweren; iedere noot
MUZIEKKENNERS.
is door en door overdacht, elke phrase bestudeerd. Mijne gedachten storten zich onmiddellijk in uwe zielen over, oogenblikkelijk ontrolt zich voor uw oog het tafereel, dat mij bezielde.
Herhaaldelijk had de Geheimrath, gedurende deze laatste woorden, met het hoofd geknikt: toen reikte hij Boems de hand, schoof zijn kin een eind achteruit in zijn stijven boord en sprak op bijna geroerden toon, knipoogend en met een klein blosje van zelfgenoegzaamheid:
âBeste vriend! ge hebt gelijk, volkomen gelijk. Uw muziek is altijd verstaanbaar voor mij geweest; ge hebt mij altijd a priori zóó goed alles uitgelegd en verklaard, dat ik later bij de uitvoering geen enkele gedachte miste en uw heerlijk talent steeds meer moest bewonderen. â Wat behandelt uw nieuwe symphonic, waarde Boems!quot;
âHm! Hm! dat is nog een geheim. Maar doe mij de eer en kom mijn Symphonie expressive plastique hooren; â op 't oogenblik zeg ik niets meer,quot; antwoordde de musicus; en een trotsche glimlach zetelde op zijn lippen, toen hij vervolgde: â't Moet voor allen een verrassing blijven: de oorspronkelijkheid der gedachte zult ge onmiddellijk voelen bij de uitvoering. Adieu!quot; en, even met het hoofd knikkend, verliet de maestro ons met majestueusen tred.
âWelk een talent! Zoo zeker te zijn van zijn werk, is ontegenzeggelijk grootsch!quot; hoorde ik den blondharigen zwem-oog zeggen.
â't Is een genie, een groot genie!quot; lispte de Geheimrathin. â'n Eminent man, 'n talent zooals er in iedere eeuw slechts één wordt geboren,quot; fluisterde de Geheimrath mij toe, terwijl zijn lippen zenuwachtig trilden, en met een zucht besloot hij: â't Is een genie in optima forma.quot;
Ik twijfelde er geen oogenblik aan, want Boems was er pedant genoeg voor.
â'n Verduiveld aardige kerel, 'n fameuse vent!quot; klonk 't nogmaals uit des majoors mond, en opstaande zei hij:
âIk ga aanstaande week naar Flörsheim; 'k wil dat nieuwe ding, dat hij gefabriceerd heeft, â hum! hoe heet 't ook weer? â enfin! dat getoeter, dat hij laat spelen, eens hooren.quot;
quot;Wij gaan er immers ook heen, niet waar, beste man?quot; vroeg de Geheimrathin met een blik op haar echtvriend, een blik als een bevel.
170
MUZIEKKENNERS.
âZeker,quot; antwoordde de geheimrath.
Na een kort gesprek besloten wij om ons te vereenigen en op den dag der uitvoering gezamenlijk naar Flörsheim te sporen, om maestro Boems' jongste werk te hooren en â zoo mogelijk â te begrijpen.
II.
De gewichtige avond was daar. De concertzaal te Flörsheim was overvol; maar dank zij de bemiddeling van den gevier-den componist, hadden wij op de voorste rij stoelen mogen plaats nemen.
Zwijgend stonden de lessenaars op het orkest, totdat eert voor een de musici hun plaatsen innamen. Een zacht stemmen van een enkele viool of alt, of 't warmblazen van een fluit, drongen door het gegons van fluisterende stemmen, dat gewoonlijk voor den aanvang van elk concert in de zaal heerscht.
Geduldig wachtten we een kwartier, totdat het den componist beliefde te verschijnen. Daar kwam hij! Een prachtige zwarte rok en dito dito pantalon omhulden zijn magere, beenige gestalte; een heerlijk wit vest en een coquet wit dasje begrensden een onberispelijk overhemd, waarin drie groote brillanten fonkelden. Op den linkeroverslag van zijn rok schitterden twee ridderorden, die hij de Hemel weet van welken Duitschen vorst, present gekregen had.
Een donderend applaus als welkomstgroet, en daarna â doodelijke stilte.
't Allegro van de symphonic begon met kleine, vroolijke, tintelende trekjes voor fluit, violoncel, klarinet en hoorn. Hier en daar klonken, tusschen de classieke phrases van den componist Boems levendige, opgewekte reminiscenzen, als stemmen van goede bekenden tusschen een menigte schreeuwende en joelende landslieden en vreemdelingen. De Geheimrath genoot; onophoudelijk wiegde hij zijn hoofd heen en weer of knikte goedig, alsof hij zeggen wilde: âAh, bonjour f Hoe maak je 't? Verheugd je weer te ontmoeten.quot;
Boems boog, keerde zich om, nam zijn dirigeerstokje, en met een koninklijke beweging van den rechterarm ging hij voort. *
Een vol en breed akkoord als overgang tot het adagio
MUZIEKKENNERS.
klonk door de zaal en eindigde in een tremolo van de eerste violen; de fluit viel in met een zachte melodie, waarvan het thema, gesteund door de violen, eindelijk door de waldhoorns werd overgenomen. De bassen accompagneerden zachtkens en de pauken vielen nu en dan pianissimo in.
Een geweldig tutti volgde; fortissimo na fortissimo deed de glasruiten in de vensters van de zaal trillen; de trombonisten bliezen in hun instrumenten, totdat ze blauwrood in 't gezicht waren. De klarinet gilde het uit van inspanning, en de bassen snorden als razend en dol tusschen het geroffel der trom en het sissen der bekkens door.
Eén seconde tacet.
Toen klonk een liefelijke, gedragene melodie, 't Was een â solo voor cornet; de fluit antwoordde en de cello's begeleidden pizzicato. Nu en dan trilde een lange toon uit de trompetten of waldhoorns en schreeuwde de hobo schel en vinnig, als kijvend met de overige instrumenten er tusschen. De alten klonken minziek zacht in de pianissimo's en vormden een grillig contrast met de schrille tonen van den piccolo, die zware passages maakte.
't Was alsof één akkoord duizend andere in 't leven riep; chromatische toonladders voor de klarinet, klagende zangerige tonen der violen, en volle zware noten uit de tuba wekten een melodieën-stroom, die onophoudelijk voortrolde.
Nu en dan klonk de fluit, als een vogel, die zich, verscholen in 't gebladerte, doet hooren, en zong de violoncel als een jeugdige minnaar, die zijn geliefde een serenade brengt.
Allengs zwol de harmonieën-stroom; het koper overstemde alles; de kleine trom roffelde eerst dof, dan luider en luider; de triangel, de bekkens, de bassen hadden geen oogenblik rust, en de groote trom sloeg zijn arm bijna uit het !id.
Een presto prestissimo van de violen deed de gehoorzenuwen trillen.
Mijnheer Boems was âen nagequot;; zijn dirigeerstok kliefde nu eens met bliksemsnelheid de lucht, dan weer bewoog die zich statig heen en weer of trilde zenuwachtig, terwijl hij de linkerhand als bezwerend tegen de spelers uitstrekte. Zijn grijze haren vlogen hem om 't hoofd, en 't was verwonderlijk, dat zijn hals aan 't lichaam bleef, 't Was alsof zijn bril stralen schoot en in glans wedijvérde met de druppels, die aan zijn slapen parelden.
172
MUZIEKKENNERS.
Alle musici trilden van inspanning, de aderen op hun voorhoofden zwollen onrustbarend op en de oogen van de blazers puilden bijna uit de kassen. De trombonisten waren een beroerte nabij; de klarinet had het voortdurend op zijn zenuwen, en de bassisten behandelden hun instrument zoo hardvochtig, dat zij er zelf 't spit in den rug van kregen. De hobo en de fagot waren blauw en paars van 't blazen en de bekkensslager zette een vervaarlijk strijdlustig gezicht. De waldhoorn had 't schuim op de lippen, terwijl de violen streken, dat men nóch arm, noch strijkstok kon onderscheiden.
Boems vermenigvuldigde zich als het ware; de panden van zijn rok lladderden door de lucht, zijn gelaatskleur speelde afwisselend in 't violet en 't karmozijn en zijn armen beschreven alle mogelijke mathematische figuren, terwijl zijn beenen trappelen als die van een paard, dat ongeduldig is.
Geweldig, neen! overweldigend klonk dat forto, fortissimo. Bom! ââ één slag op de groote trom en als door toover-macht was plotseling alles stil.
Ademloos hoorde 't auditorium toe. Nog éénmaal trilde een langgerekte toon als een noodkreet uit de klarinet door de lucht, snijdend antwoordde de hobo en gillend viel de fluit in, terwijl de fagot bromde en knorde en een mengelmoes van tonen eindigde in een uitstervend akkoord van 't koper.....
De symphonie was uit.
Onder 't donderend applaudissement der aanwezenden boog mijnheer Boems, terwijl hij zijn gloeiend gelaat met zijn zakdoek koelte toewaaide. De man glom letterlijk van transpiratie, trots en aandoening.
âHeerlijk! Verheven! Goddelijk! Welk een uitdrukking in die akkoorden! Welk een meesterschap over de instrumentatie! 't Is onbegrijpelijk!quot; klonk het nu afwisselend van alle zijden. âGod! wat een hartstocht ligt in dat stuk! Hoe roerend waren die passages voor de fluit!quot; riep de een. âMen voelt onmiddellijk, wat de componist bedoelt,quot; zei een ander. âHoe schildert die man met tonen,quot; merkte verrukt een derde aan.
Iedereen zei wat en niets; kortom men was opgetogen en de loftuitingen schenen geen einde te willen nemen.
173
MUZIEKKENNERS.
Langzaam aan verliet het publiek de zaal, want het tweede gedeelte van het concert vond 's zomers te Flörsheim ia den Kurgarten plaats.
Wij en nog een paar vrienden en vereerders van den gevierden Boems bleven, om den componist de hand te drukken.
Met de eene hand een glas water aan de lippen brengend, in de andere zijn doorweekten zakdoek houdend, naderde hij ons.
âWelnu?quot; vroeg hij met een triomfantelijken glimlach.
âGoddelijk! beste vriend, heerlijk! prachtig! Dank je! Dank je!quot; zei de Geheimrath, terwijl hij hem met beide handen de rechterhand drukte; toen nam zijn gelaat een diepzinnige uitdrukking aan, hij trad een pas terug, de kin schoot weg tusschen de punten der stijve boorden, en een kleine buiging makend, wuifde hij zijn rechterhand heen en weer, nam uit de geopende snuifdoos in de linker een snuifje, snoof, hoestte, humde en zei eindelijk plechtig:
â't Is een bewonderenswaardig kunstwerk! Die dat stuk niet begrijpt, is op mijn woord van eer geen knip voor den neus waard.quot;
âWelnu?quot; zei Boems, en zijn lach werd nog triomfantelijker.
âWaarde vriend ! reeds bij de eerste maten begreep ik waar je heen wildet; 'k had onmiddellijk de intuïtie wat het is; natuurlijk het beeld van het menschelijk leven, prachtig weergegeven. Eenig van opvatting! Dat allegro in 't begin, is, dat spreekt vanzelf, de kindsheid; 't woord alleen is al duidelijk: allegro = vroolijk kinderlijk; ergo de vroolijke kindsheid. Dan komt het zachte fluitthema en 't adagio, dat is de overgang tot de jongelingschap; langzamerhand ontwikkelt zich de melodie tot een beeld van den mannelijken leeftijd, treffend weergegeven door de krachtige tutti's. Dan komt de strijd der hartstochten, â de liefde. O! hoe heerlijk geef: ge dat terug door die klagende, zangerige tonen der violen... Neen, heusch, beste vriend! 't Is volmaakt. Permitteer me, maar voor die âliefdequot; moet ik je nog een extra dankbaren handdruk geven.quot;
âHm! Hm!quot; zei mijnheer Boems, en zijn gezicht werd lang, terwijl hij haastig zijn hand uit die van den Geheimrath bevrijdde.
âDan komt die prachtige passage van het koper;'t is alsof
174
MUZIEKKENNERS.
men den geheelen mannelijken leeftijd voor het oog des geestes ziet voorbijtrekken ....
âPardon! dat ik u in de rede val, beste heer! maar dat's niet om uit te houden: u hoort en neemt onmogelijke dingen waar in die muziek, 'n Menschenleven? Gekheid!quot; riep de majoor. âU is er niet, â in 't geheel niet; naar mijn meening geeft de symphonic â hum! zoo noemen ze dat ding immers, â volkomen 't beeld van een veldslag. Eerst hoort men duidelijk het optrekken der troepen; dan tirailleeren ze, dat's duidelijk ; en daarna dat gebibber van de violen, â dat's verduiveld goed, hoor ! â dat's precies de angst, dien de kerels hebben, als ze voor 't eerst in 't vuur komen. Dan hoor je duidelijk vuren met geschut, en als ze die bekkens tegen mekaar slaan, is 't verdoemd natuurlijk 't sissen van de granaten, die aanvliegen. Als die allemachtige herrie van alles door elkaar komt, heb je de mêlee, â zie je, beste Geheimrath, dat heb i k meegemaakt, daar moet je militair voor zijn, om dat zoo te kunnen voelen. En dan dat laatste Bom! â dat's 't laatste schot. Daarna, die jankere tonen, â keurig hoor: 't is alsof je de gewonden hoort kermen. Mijnheer Boems, ik maak je wel mijn compliment; 't was verdoemd mooi!quot; Boems was gaan zitten; hij werd bleek.
âMaar, mijn beste majoortje! hoe kun je nu zoo afschuwelijk oordeelen?' viel de Geheimrathin bescheiden in. âU beschouwt de symphonie geheel van een militair standpunt, dat's affreus! Ik geloof, dat u de plank geheel en al mis slaat, â niet waar, beste vriend Boems?quot;
De componist knikte mat en droevig met het hoofd.
âIk geloof, dat ik 't beter gevat heb,quot; vervolgde zij glimlachend; âonze gewaardeerde componist geeft zonder twijfel een idylle, een landelijke bruiloft te hooren en te aanschouwen. Dat zachte, liefelijke begin o! dat is delicieus, dat is de invitatie tot het feest; de fortopassage, die volgt, is de bijeenkomst der gasten; die heerlijke soli voor cornet-a-pistons en fluit, door de cello's zoo zangerig geaccompagneerd, zijn ontwijfelbaar de liefdesverklaringen van de jongelieden. O! beste Boems, wat was dat innig schoon; die erotische toon van de violen was delicieus, â iedere vrouw moet dat onmiddellijk gevoelen; 't is waar, alleen een vrouw en moeder kan het ideale schoon van die passage begrijpenquot;. â Zij zweeg een oogenblik en keek met een sentimenteelen blik naar haar
*75
MUZIEKKENNERS.
echtvriend, die een snuifje nam en den majoor aanzag, als wilde hij zeggen: âWat dunkt u van zoo'n gade!quot;
De Geheimriithin vervolgde: âDe waldhoorns duiden aan, dat een jagersstoet nadert om !t jonge paar te begroeten. O! ik vond het verrukkelijk, toen ik dat vogeltje zoo natuurlijk door de fluit hoorde nabootsen. Heusch ! dat was délicieus. Allengs komt er een onweder op; overweldigende harmonieën en schrille klanken geven den strijd der elementen te kennen; en eindelijk die triangel, â o, mon Dieu! die triangel, quite charming! â 't klokje van de dorpskerk, dat in de verte luidt, als de natuur weer tot rust is gekomen; die triangel was om te kussen, heusch, heusch! Alles vroolijkt op, de dans begint en eindelijk komt 't vertrek van 't bruidspaar. En nu komt het meest typische uit de geheele symphonie. Dat Bom I die slag op de groote trom, â dat is het pistoolschot ter eere der jongelui: dat doet men hier altijd op een bruiloft; dat wist je waarschijnlijk niet eens, waarde Boems, maar dat is hier zoo landsgebruik, en daarom is 't zoo treffend juist, dat Bom! Wat zegt ge er van, waarde maestro, heb ik 't niet volkomen gevat?quot;
Boems antwoordde niet: hij zat, met 't hoofd op de borst gezonken, vóór zich te staren.
De blonde jongeling keek den componist medelijdend aan en wendde zich tot de Geheimnlthin, met de woorden langzaam en gewichtig met klem op ieder woord geuit.
âVeroorloof mij, mevrouw, dat ik met u van meening verschil. Ik heb eenige ondervinding op het punt van muziek, en mij schijnt de symphonie eerder eene phantastische voorstelling te zijn. 't Begin is duisternis, â een chaos. Liefelijke tonen doen zich hooren, heerlijke melodieën wekken duizenden echo's in een betooverend landschap, â een prachtig toover-paleis wordt zichtbaar. Feeën en Elfen zweven rond, en jubelend naderen de vogelen, die hunne zoetste liederen kweelen. Alles ademt vrede, genot en geluk. Plotseling verschijnt, onder donder en bliksemvuur, een booze geest, gevolgd door een schaar van monsters en draken. Een geweldige strijd vangt aan; de helsche machten willen het rijk van geluk en vrede verstoren. De elementen mengen zich in den strijd, alles woelt en krioelt dooreen, maar eindelijk triomfeeren de goede geesten ! Bom! â die slag op de trom is de val van den Booze; hij stort in den afgrond, en weeklagend vluchten zijn tra-
i76
MUZIEKKENNERS.
wanten. Een langgerekte vreugdetoon verkondigt ten slotte de bevrijding der Elfen . . .
Ik had met Boems te doen, want plotseling stond hij op, bleek en ontdaan; hij wilde spreken, maar bracht geen enkel woord uit.
âJe ziet wel aan Mijnheer, dat 't mis is, jongmensch,quot; zei een Kurgast, een oud zeekapitein, die zich bij ons had gevoegd. âIk zal je wel zeggen, wat zijn bedoeling is; 'k heb het dadelijk gesnapt. De symphonie stelt niets anders voor dan een schip, dat uitzeilt, zwaar weer op zee krijgt en naar den kelder gaat. Dat Bom! is 't noodschot, en dat akelig geluid, dat. ze aan 't eind maken, is 't geschreeuw van Janmaat en de passagiers, die naar de haaien gaan......quot;
Nog vóórdat de goede zeerob geheel had uitgesproken, stormde Boems de zaal uit, liep een paar stoelen omver, die bij den ingang stonden, en zijn concertmeester, de eerste viool, tegen het lijf, die wilde komen vragen, of de Orkestdirecteur niet kwam om 't tweede deel te dirigeeren.
Allen stonden verslagen, 't Was klaarblijkelijk, dat geen der muziekkenners volkomen juist had geoordeeld.
Ik kwam op 't denkbeeld de eerste viool, die verbaasd stond rond te kijken, even in ons midden te brengen.
De Geheimrath zette hem kortelijk onzen toestand uiteen en zei met een nederbuigend lachje:
âZiet u, mijnheer, 't is alleen maar omdat we in enkele détails wat verschillen van meening, dat we uwe opinie willen weten. Over de grondgedachte zijn wij 't volmaakt eens, maar er zijn van die détails, die hum! hum ! Weet u, welk événement den componist bezield heeft bij 't samenstellen van de symphonie, die we zooeven genoten. Begrijpt u het kunstwerk geheel en al?quot;
Met een pedanten glimlach, zijn directeur waardig, antwoordde de eerste viool:
âNatuurlijk! Mij dunkt, een kind kan ze begrijpen: ik heb herhaaldelijk met meneer Boems de symphonie besproken. Hij dacht er nog over om er een soort van verklaring van te geven op het programma, evenals dat bij de symphonie pastorale van Beethoven wel gedaan wordt. Maar ik zei: doe 't niet, meneer Boems; Beethoven en die soort lieden hadden dat nog noodig, maar tegenwoordig spreekt de muziek voor
177
12
MUZIEKKENNERS.
zichzelf. Waarom zou u zulk een veroudert! middel te baat nemen, dat bovendien geheel overbodig is bij dit kunstwerk ?quot;
âNatuurlijk! Natuurlijk!quot; zei de Geheimrath en, als'tware zonder erg, voegde hij er diplomatisch bij: âJuist mijn opinie : geen gedrukte verklaring, maar verbaal, dafs ontegenzeggelijk te verkiezen. En wat is nu uwe opvatting?quot;
âAch ja! wees zoo vriendelijk ons voor te lichten,quot; voegde zijn eega er bij.
âWat ze voorstelt!quot; lispte de blonde.
âWanneer ik het u zeg, zult ge dadelijk erkennen, dat de symphonie niets anders kan weergeven, dan dat. 't Is de arrestatie en terechtstelling van Troppman.quot;
âHé! â Wat! â Hoe! Is 't mogelijk!quot; klonk het dooreen.
â't Is mij onverklaarbaar, dat niemand uwer 't begrepen heeft; 't is toch zoo duidelijk.quot;
Doodkalm antwoordde de Geheimrath, terwijl hij den concertmeester een snuifje aanbood:
âWie zegt u, dat wij 't niet begrepen hebben, mijnheer! Au fond hebben wij allen dadelijk een arrestatie enzcovoort er uit begrepen, maar â we willen eerlijk zijn, nietwaar? â dat 't Troppman betrof, neen! dat hebben we niet geweten. Maar nu u 't zegt, moeten we erkennen, dat 't nooit een ander kon zijn. Hum! Hum!quot;
âZou u niet een weinig willen toelichten wat u zegt?quot; vroeg de Geheimrilthin, die met een blik van onverholen schrik haar echtgenoot aanzag.
âZeker, mevrouw, met genoegen,quot; antwoordde de eerste viool, en na even te hebben gehumd en gekucht, vervolgde hij; â't Allegro â hum! dit is eenvoudig 't allegro: een symphonie heeft altijd een allegro, en daarom ook deze, begrijpt u?quot;
âVolkomen, meneer. En verder?quot;
âDe overgang naar 't adagio is â hum! â een overgang, meer niets. Dan komt het tremolo van de eerste violen; daar begint de expressieve plasticiteit van het kunstwerk. Dat tremolo drukt treffend en waar den angst van den misdadiger uit. â 't Zacht adagio van de fluit, overgenomen door den waldhoorn en gesteund door de bassen, met 't pianissimo der pauken, is een beeld van zijn heimelijke vlucht.
178
MUZIEKKENNERS.
âVoelt u wel, dat pom! pam! pom! pam! van de pauken is duidelijk Jt geluid van zijn voetstappen: pom! pam! pom! pam! â daar gaat hij !
âHet tutti, fortissimo, dat daarop volgt, is de gerechtigheid, die hem achterhaalt. Het slot daarvan: tra! tra! poeng! la! la! la! met het staccato der violen, en 't accompagnement der cello's: zroem! zroem! zroemmm ! en eindelijk de langgerekte lage G van de contrabas Gé-é-é! is, dunkt mij, duidelijk genoeg zijn arrestatie.
â't Solo voor cornet met accompagnement voor fluit en cello Laïtoe! la! la! duïdoedoe! la! hi! toe !quot; schildert merkwaardig getrouw de eenzaamheid en afzondering in de gevangenis.
âDe klagende tonen van de alt: ohio! ohio! laïloe! laïloe ! geven treffend berouw en wroeging terug, terwijl de zware passages van den piccolo: pi! pi! pi! pillipippipi! ontegenzeglijk aanduiden, daj; hij weent; men hoort de tranen vallen : pi! pi! pi! pillipippipi! Ieder tweeëndertigste is één traan.
âEen akkoordenreeks en verschillende passages voor klarinet hobo en cello geven afwisselend beelden van de zitting van het gerecht, 't Neuzige solo van de fagot is de stem van den president van 't gerechtshof; een solo voor groote trom is het pleidooi der advocaten; de klagende soli van de hobo en de Es-clarinet zijn Tromppman's bekentenis en veroordeeling en eindelijk de korte slagen op de pauken vertolken treffend 't opslaan van 't schavot.
âHet rinforzando aan 't einde der symphonie verbeeldt natuurlijk* de opgewonden menschenmassa, die om en bij de guillotine de terechtstelling bijwoont.
â't Staccato voor de strijkinstrumenten en 't roem! poem! roemderideroem! poem! poem! van de trommen, is 't beklimmen van 't schavot. Een oogenblik pianissimo â en dan: âBOM!quot; de slag op de groote trom, dat is de slag van de bijl! 't Hoofd van Troppman is gevallen, - aan de aardsche gerechtigheid is voldaan. Een kreet van ontzetting klinkt door de lucht, en alles is afgeloopen.
âZiet ge nu wel, dat de symphonie brillant, heerlijk, expressief en duidelijk is? Begrijpt ge haar nu?quot; zoo besloot de eerste viool met een vriendelijk medelijdenden glimlach.
âVolkomen! 't Is treffend, ongelooflijk juist!quot; antwoordde de Geheimrath, terwijl hij een snuifje nam.
I/O
MUZIEKKENNERS.
âAch! welk een heerlijk toongedicht!quot; zei mevrouw.
âUitmuntend!quot; riep de blonde.
âJa! onze maestro is een genie!quot; merkte de eerste viool aan, die zich met een buiging verwijderde.
â't Is een verduiveld aardige kerel, 'n kapitale muzikant!quot; riep op eens de majoor, die tot dusverre gezwegen had; en met zijn hand de knevels opzettende, voegde hij er bij : â'n Fameus kranig stuk, hoor! En weet je, wat't kranigste is? â Niet? â Wel! dat ding, die symphonie, â zoo heet het immers? â stelt blikslagers goed een veldslag voor, maar nu die violist het uitlegt, lijkt het precies evenveel op de onthoofding van Troppman.quot;
âEn Boems, â wat zei hij?quot; Boems zei niets, maar hij gevoelde des te meer.
Zijn sympathie voor de toekomstmuziek groeide bij den dag, en hij dacht: âIk en Wagner worden beiden riet begrepen door de groote menigte, â maar 't nageslacht zal oordeelen!quot;
i8o
INHOUD.
Biz.
HERR HAGENBACH'S ERFENIS....................5
âoude sientjequot;..............37
CESAR....................................56
DE NACHTWACHT..............IO7
EEN KLEINE SURPRISE............11/
DAVID DE LOTERIJMAN............I25
EEN KNORREPOT..............I4I
MUZIEKKENNERS..............163
WILLEM VAN ZUIJLEN, Voordrachten ruim 180 pagina's druks, prijs f 1.50, geb. f 1.90. Tevens verkrijgbaar in nummers van 50 Cents.
INHOUD: No. i. WILLEM V. ZUIJLEN, Kermisreizigers. â WILLEM V. zltijlkn, Een rustig studieuurtje. â willem V. zuijlen, Verloren geluk. âjac. de vos, De afgevaardigde. â jan C. DE VOS, De hoed. â piccolo, besluiteloos. â jacobus de vos, De ambtenaar. â w. C. Goteling Vinnes, Bij den rechter.
INHOUD: No. 2. piccolo, Een uitstapje.âjan C. DE VOS, Meesters straf. â piccolo, Het vrijbiljet. â Jacobus de VOS, Een lijdend mensch. â JAN C. de vos, De vlieg.â willem Van korlaar, Een gewichtige rol. â boontje, Een lastig geval. â C. N. DEVOS, Kalm. â bruno, *De pop. â x. y. z. Wat ik in mijn zakken vond. â L. H. Chrispijn, Een zaak van eer. â Jan C. DEVos, Het leven.
INHOUD: No. 3. A. van Sprinkhuizen, Een zindelijk mensch. â piccolo, Eerste liefde. â boontje, Listen en lagen. â Jan C. de Vos, Op reis. â jac. de vos, De pianist. â jac. de VOS, Het paard. â jan c. de vos, De portefeuille. â jac. de Vos, Specialiteit van onze zaak. â p. peti, de Zigeuner. â Solo voor fluit. â Een vrouw die niet komt. â E. grenet dancourt, Een man, die geeuwt. â G. moynet, Onder familie.
WILLEM VAN ZUIJLEN, Nieuwe Voordrachten,
ruim 220 pagina's druks, prijs Æ i.50, geb. y i.go, of in drie nummers elk slechts 50 Cents.
INHOUD: No. I. WILLEM VAN ZUIJLEN, Ik ben op de ijsbaan geweest. â Een slachtoffer der wetenschap. â jacq. normand, Kennisgeving. â leon supersac, Hyppolyte of de vier bruidjes.â A. van sprinkhuizen, Een heer die verhuizen moet. â F abies, Een Amsterdamsche markt. â Arm and sllvestre, Het hoekje.â l. h. Chrispijn, De werktuigkundige. â Jacq. Normand, Ger-vaise. â In den waggon.
INHOUD: No. 2. A. van sprinkhuizen, Lang geleden. â henri Conti, Een zelfmoord. â JANUS, Tien minuten te laat. â Ku, Mijn vriend Naz. â Ku, Infanterie en Kavallerie. â GrOSCLAL DE, Mijn photografie. â george c. verenet, De vriend van den huize van Charles Cros. âJANUS, Bankbreuk. â charles DE monselet, Rhumatisme. â A. van sprinkhuizen, Het geweten.
INHOUD: No. 3. L. H. Chrispijn, Een gewichtig vraagstuk. â De vrouwenvriend. â janus, De opsnijder. â L. H. chrispijn, De kunstrechter. â Een koppig man. â janus, Hij. â De kapitalist. â Ku, De schermmeester. â L. H. chrispijn, De blinde. â janus, Geen geluk.
F. GOUPIL, Practische Handleiding bij het schilderen met waterverf in deszelfs geheelen omvang, 2e dr., bevattende:
Het schilderen met waterverf op papier, ivoor, hout, perkament, leder, zijde en fluweel. Het wasschen met Oost-Indischen inkt van bouwkundige en topographische plannen en kaarten. â Decoratie-» schilderen met waterverf. â Sepia, Fresco. â Miniatuur. â Toepassing van het schilderen met waterverf op voorwerpen van kunstnijverheid.
Prijs.................75 Cents.
A. VAN DEN STEMPEL Jr., Schat van practische
Handelskennis, 2e goedk. uitgave, bevattende:
Opgaven omtrent hel wezen van den handel in het algemeen: den Goederenhandel, het Bankwezen, den Effecten-, Wissel- en Geldhandel, het Assurantie- en Transportwezen, Rechten en Accijnsen; de voornaamste bepalingen van het Wisselrecht, de Kantoorwerkzaamheden, Correspondentie, Handelsrekenkunde; verklaring der in den handel gebruikelijke termen en vreemde woorden, benevens de usancen van den handel en een Aanhangsel.
Tevens bevat dit boek eene complete handleiding voor het boekhouden met voorbeelden.
Prijs in omslag 50 Cents, keurig g-ebonden 75 Cents.
E. M. A. VAN ONSENOORDâOTTO, Handleiding voor het maken van Papieren Bloemen, met
10 platen {54 diverse figuren), prijs .... /quot;i.â.
Deze 2e druk bevat tevens de handleiding tot 't maken van bloemen van doek, 't welk nog in geen enkele handleiding voorkomt.
Het beste Kookboek is:
AALTJE, Nieuw Nederlandsch Kookboek. i8de opnieuw bewerkte druk van Aaltje de volmaakte, zuinige keukenmeid, door Mej. O. A. Corver, directrice der Amsterdamsche Kookschool.
Prijs yi.25. Geb. y 1.65.
Uitgaven van VAN HOLKEMA amp; WARENDORF te Amsterdam.
De goedkoopste en~meest -populaire uitgave in Nederland is
WARENDORF'S Novellen-Bibliotheek.
Jaarlijkse li debiet mim 100000 nummers. Prijs io cents per nummer.
Iedere maand verschijnt een nummer van dz 48 bladz. druks. Van de versclioncn zijn nog tc bekomen:
Nos.
34. AUG. STRINDBERG, Gewetensknaging.
36. NATH. VON ESCHTRUTH, Wilde Rozen.
37/38. JUSTUS VAN MAURIK Jr., Mijne lezing te Boschwijkenz. 39. Mevr. S. LA CHAPELLEâROOBOL, Eene misrekening. 41. VIRG1NIE LOVELING, De troon van Engeland.
43. LOUISE AHNâDE JONG, Rozewangen.
44. CYRIEL BUYSSE, Het Huwelijk van neef Perseyn.
45. Mevr. A. M. HIRSCHMAN, Miskend.
46. Ph. WIJSMAN, De tooverheks.
47. WILH. HEIMBURG, Het zijdeworm-huisje.
48. FOKKO BOS, Een Avontuur.
49/5°. JUSTUS VAN MAURIK Jr., Huisvaders en Huismoeders.
51. CATH. ALBERDINGK THIJM, Huwelijks-Campagne.
52. HERM. SUDERMANN, De sterren, die men niet begeert.
53. ROSIER FAASSEN, Mie de Mof.
54. CATO HENSTÃDT, Mijn neef Dolf en ik.
55. A. PRELL, Een Losbol.
56. S. J. SCHÃNBERG, Heléne's Moeder.
57. A. VON WINTERFELD, De Schoonvader.
58. C. DIJKSTRA, Eigen Rechter.
59. A. VAN RAMSHORST, Twee Zusters.
60. H. HARMS, Zuster Annet.
61/62. JUSTUS VAN MAURIK Jr., Het Genootschap Letterburg.
63. CHARL. A. DE VRIES, Lazzarone.
64. G. A. GEERLIGS, Gewonnen.
65. ARTOPÃ, Twee Moeders.
66. CATO HENSTÃDT, Ongenoodigde Gasten.
67. CONRAD VAN DE L1EDE, Een Krijgsraadzaak.
68. FOKKO BOS, Trotsche Harten.
69. A. WINKLER PRINS, Het Duivelsvuur van Schiermon
nikoog.
70. THÃRÃSF HOVEN, Kleine Gerrit.
71. M. POTT, Op Waarneming.
72. TOR HEDBERG, Oom Agathon.
73/74. JUSTUS VAN MAURIK Jr., Een feestavond.
75. CORNÃLIE NOORDWAL, Een Indische Neef.
76. WM DE BRUIJN, Wanhoop.
77. G. NORDENSVAN, Baronesse Barinsky.
78. H. RUTGERS, Een harde strijd.
79. THÃRÃSE HOVEN, Een boek dat inslaat.
80. MARIA VERKERK, Bijtijds bedacht.
Uitgaven van VAN HOLKEMA amp; WARENDORF te Amsterdam.
7amp;