ocr page 1
ocr page 2

Kast 1 SS PI. H Nquot;.46

ocr page 3

T quot;• '' ■

5 . . %l:3F itr *gt;-.% rfc

• • ... *: ' ,. ; quot; / IV ■gt; gt;a '■■ ^ '■■: * quot;' ^ •'

. .- - •-• : . -.■ -lt; :

,

- quot; ■' , ■--: -: gt; .: rtüfe ' V - ■■ — ' ■

■• •♦. '■ ■« -•■■'■* * ^ i4-* jr -H-. - • »• ■.• ■: ■, -. « ' .•• -• ■

V' : 1* -• 'y •gt;. V'ir' •- ^ •'''

•iii

i ■ }■

ocr page 4
ocr page 5

Wetten en Koninklijke Besluiten,

betreffende

S lUJKS WATEHSÏ VAÏSWERKEN

en de

SCHEEPVAART OP DE OPENBARE

WATEREN IN HET RIJK,

die voor de scheepvaart openstaan.

Alpen (Z.-H.), N. SAMSOM.

1895.

£

ocr page 6
ocr page 7

INHOUD.

Wet houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. (St.bl. No. 91 van 1891)......

Reglement ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in het Rijk, die voor do scheepvaart openstaan. (St.bl. No. 102 van 1892)........

Wet tot vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken. (St.bl. No. 69 van 1891).........

Algemeen Reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe be-hoorende werken, onder beheer van het Rijk. (St.bl. No. 158 van 1891, gewijzigd bij St.bl. No. 57 van 1894)........

Overeenkomst betreffende wijziging en verbetering van de verlichting en betonning der Wester-Schelde. (St.bl. No, 54 van 1892).

Reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op den llijn, met inbegrip van de Waal en de Lek. (St.bl. No. 80 van 1892, gewijzigd en aangevuld bij St.bl. No. 29 van 1893, en nader gewijzigd bij St.bl. No. 219 van 1898 en No. 1 van 1895)........

ocr page 8

INHOUD.

Reglement van politie voor de schipbrug en het veer over de rivier de Lek tusschen Vreeswijk on Vianen. (St.bl. No. 88 van 1892) .

Reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op de Merwede, de Noord en de Nieuwe Maas. (St.hl. No. 97 van 1892, gewijzigd en aangevuld bij St.bl. No. 28 van 1893 en nader gewijzigd bij St.bl. No. 214 van 1893).

Reglement van politie op het ankeren op de rivieren de Beneden-Merwede en de Oude Maas, van de Kerk te Papendrecht tot het veer van Zwijndrecht op Dordrecht. {St.bl. No. 98 van 1892)

Reglement voor de scheepvaart ter beveiliging van de beweegbare brug in den Staatsspoorweg Schiedam —Hoek van Holland, over de haven te Maassluis. (St.bl. No. 130 van 1893) .

Reglement op het gebruik van de spoorweghaven en den havenmond te Stavoren met de daartoe behoorende werken. (St.bl. No. 147 van 1893) .

Reglement op het gebruik van de spoorweghaven te Enkhuizen niet de daartoe behoorende werken en van het gedeelte van hot Krabbersgat tegenover den mond van die haven. (St.bl. No. 148 van 1898j........

Bijzonder Regiement van politic voor de Keulsche Vaart. (St.bl. No. 100 van 1892)....

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal van Dokkum naar het voormalig Gerben-Alles-Verlaat aan het Kolonelsdiep met zijtak naar Kollum in de provincie Friesland. (St.bl. No. 104 ! van 1892, gewijzigd bij St.bl. No. 217 van 1892). : 126

IV

ocr page 9

INHOUD.

Bijzonder Reglement van politie voor hot Apeldoorn-sche kanaal. {St.bi. No. 105 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor de Drentsche Hoofdvaart en het Veenhuizerkanaal (Norger- en Kolonievaart). {St.hl. No. 106 van 1892, gewijzigd bij St.U. No. 3 van 1894) ....

Bijzonder Reglement van politie voor het Mejppeler diep. {St.U. No. 107 van 1892) .

Bijzonder Reglement van politie voor de Willems vaart. (St.bl. No. 108 van 1892) .

Bijzonder Reglement van politie voor het Afwate ringskanaal. {St.bl. No. 109 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor de Noorder vaart. {St.bl. No. 110 van 1892) .

Bijzonder Reglement van politie voor den gekana liseerden Hollandschen IJssel. {St.bl. No. 111 van 1892) .......

Bijzonder Reglement van politie voor het Noord-hollandsch kanaal. {St.bl. No. 112 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor het Noordzeekanaal. {St.bl. No. 113 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal door Voorne. {St.bl. No. 114 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal door het benedeneind van Rozenburg. {St.bl.No. 115 van 1892).......;

v

ocr page 10

INHOUD.

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal door Walcheren. (St.bl. No. 116 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal door Zuid-Beveland. {St.bl. No. 117 van 1892) .

Bijzonder Regiement van politic voor sluizen en beweegbare bruggen, ouder beheer van het Rijk in de provincie Frieslmid. (SY.6Z. No. 118 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor sluizen en bruggen, onder beheer van hot Rijk, in don Waterweg van. Amsterdam naar Rotterdam (St.bl. No. 119 van 1892).....

Bijzonder Reglement van politic voor de haven te Moerdijk. [SIM. No. 120 van 1892) .

Bijzonder Reglement van politie voor de havens der eilanden Terschelling, Vlieland, Wieringen, Urh en Marleen. [SLM. No. 121 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor de schutsluis te St. Andries en hare havens. (St.bl. No. 122 van 1892, gewijzigd en aangevuld bij St.bl. No. 46 van 1894) ........

Bijzonder Reglement van politie voor de schutsluizen in de afgesloten killen van het Bergsche Veld, ten zuiden van de rivier de Merwede, met hare havens. (St.bl. No. 123 van 1892)

Bijzonder Reglement van politie voor de draaibrug over de Donge te Raamsdonk, gelegen in den Rijks grootcn weg der 1ste klasse No. 3 van Sleemvijk naar Breda. (St.bl. No. 124 van 1892).

VI

ocr page 11

INHOUD.

Bijzonder Reglement van politie voor de rolbrug over de rivier de Donge bij Geertruidenhcrg. (St.bl. No. 125 van 1892) . .

Bijzonder Reglement van politie voor de schipbrug en het veer over de rivier de Maas tusschen Hedel en Empel. (St.bl. No. 126 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor de scheepvaart door de Koningshaven en de Niemve Maas onder de gemeente Rotterdam. {St.bl. No. 128 van 1892)........

Bijzonder Reglement van politie voor de scheepvaart op de rivieren beneden Botterdam tot in Zee. (St.bl. No. 128 van 1892, aangevuld en gewijzigd bij St.bl. No. 235 van 1894)

Bijzonder Reglement van politie voor het Neder-landsch gedeelte van het kanaal van Luik naar Maastricht. (St.bl. No. 174 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor het Neder-landsch gedeelte van de Zuid-Willemsvaart en de gekanaliseerde Dieze. (St.bl. No. 175 van 1892).........

Bijzonder Reglement van politie voor het Neder-landsch gedeelte van het kanaal van Gent naar Ter Neuzen. (St.bl. No. 176 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor den gekana-Useerden Krommen Rijn. (St.bl. No. 218 van 1892).

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal van Amsterdam naar de Merwede. (St.bl. No. 8 van 1894) ........

VII

ocr page 12

INHOUD.

Bijzonder Reglement van politie voor het kanaal, uitgaande van het kanaal van Amsterdam naaide 'Mer wede bij Schotdeuren, langs de Linge en door Gorinchem naar de Merwede. (Si.hl. No. 9 van 1894)........

Bijzonder Reglement van politie voor de krachtens de Wet van 2G Januari 1883 (St.hl. No. 4), in aanleg zijnde rivier de Maas, voor zoover die voor hot openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, en het Ileusdensch kanaal. (St.hl. No. 170 van 1894).......

Bijzonder Reglement van politie voor de ophaalbrug over het Oude Maasje onder Capelle en de rolbrug onder Besoijen. (St.hl. No. 171 van 1894) .

Bijzonder Reglement van politie voor de beweegbare bruggen over de Mark en Dintel te Stand-daarbuiten, te Stampersgat en nabij Dinteloord. (St.bl. No. 172 van 1894).....

VIII

ocr page 13

ETTEN

EN

Koninklijke Besluiten.

ocr page 14
ocr page 15

WET

HOUDENDE BEPALINGEN TOT VOORKOMING VAN AANVARING OF AANDRIJVING OP DE OPENBARE WATEREN IN HET RIJK, DIE VOOR DE SCHEEPVAART OPENSTAAN.

(Wet van den loden April 1861, Staatsblad Ho. 91).

Artikel I. Door Ons worden bij algemeonen maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld, door schippers of schepelingen in acht te nemen, tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan.

2. De besturen der provinciën en gemeenten zijn bevoegd tot het vaststellen van bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op eenig voor de scheepvaart openstaand vaarwater of gedeelte daarvan, onder hun beheer, voor zoover die niet in strijd zijn met de krachtens art. 1 dezer wet door Ons uitgevaardigde voorschriften.

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen zoodanige bepalingen ook worden vastgesteld door de besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders, die tot het maken van verordeningen van politie bevoegd zijn.

3. Deze wet treedt in werking met den dag harer afkondiging.

ocr page 16

REGLEMENT ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan.

(Vastgesteld bij Koninklijk besluit van den 18den Mei 1892, Staatsblad No. 102, met intrekking van de Koninklijke besluiten van 13 Juni 1875, Staatsblad No. 119, en van 30 November 1878, Staatsblad'No. 171).

(In werking tredende I September 1892).

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen.

Artikel I. Voor de toepassing van dit reglement geldt: ieder vaartuig bestemd om de zee te bevaren als zeeschip, en ieder vaartuig niet bestemd om de zee tc bevaren als binnenvaartuig;

ieder stoomvaartuig onder zeil en niet onder stoom, als zeilvaartuig, en ieder stoomvaartuig onder stoom, al of niet zeil voerende, als stoomvaartuig;

ieder vaarwater waarvan de doorgaande bevaarbare breedte tusschen de betonning, en bjj gebreke daarvan in de vaargeul, minder dan 300 meter bedraagt, als nauw vaarwater;

do tijd tusschen zonsopgang en zonsondergang als dag; de tijd tusschen zonsondergang en zonsopgang als nacht.

2. Dit reglement geldt, binnen de uitertonnen, voor alle wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan; met uitzondering van de rivieren, genoemd in de Koninklijke besluiten van 12 April 1892 {Staatsblad No. 8G) en van 6 Mei 1892 (Staatsblad No. 97).

Voor niet-betonde toegangen tot zee geldt als grens de dieptelijn van 80 decimeter, indien deze binnen de territoriale grens ligt, anders die territoriale grens zelve.

3. De schepelingen zijn verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, die hun ter uitvoering van dit reglement door den schipper worden gegeven.

ocr page 17

5

4. Bij de toepassing van dit reglemeut moeten de schippers letten op de eischen van goede zeemanschap, indien deze, onder bijzondere omstandigheden, afwijking van de daarin vervatte bepalingen medebrengen.

5. De handhaving van dit reglement is opgedragen aan de ambtenaren en beambten der Rijks- en gemeentepolitie, aan die van den waterstaat en het loodswezen, aan de ambtenaren door of vanwege den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid met eenig toezicht of beheer over de vaarwaters of eenig deel daarvan belast, aan de ambtenaren van de ambulante recherche te water, en aan de ambtenaren belast met het toezicht op de visscherij.

De schippers zijn verplicht op de vaarwaters, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere voorzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de voorschriften en bevelen op te volgen , door de daartoe aangewezen ambtenaren en beambten met betrekking tot de doorvaart te geven.

HOOFDSTUK II.

Voorschriften omtrent het voeren van lichten en seinen.

Aet. 6. De schippers zorgen dat hunne vaartuigen des nachts, welke ook de weersgesteldheid zij , de lichten voeren voorgeschreven in do volgende artikelen.

Het voeren van andere lichten is verboden.

7. 1°. Ieder stoomvaartuig onder stoom moet voeren: a. Aan of voor den fokkemast op eene hoogte boven don romp van niet minder dan de breedte van het vaartuig, doch in geen geval lager dan 3 meter, eene lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken helder wit licht doet schijnen, hetzij rondschijnend, of ten minste over een boog van den horizon van 20 kompasstreken , en in het laatste geval zoodanig geplaatst, dat zij licht werpt over ten minste 10 stroken ter wederzijde van het vaartuig, te weten van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars, aan elke zijde.

Het licht moet bij donkeren nacht en goed zicht op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in den breedtegraad, 3704 meter) zichtbaar zijn.

h. Aan stuurboordszijde eene lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken groen licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken, on wel van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars.

c. Aan bakboordszijde eene lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken rood licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken , en wel van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars.

ocr page 18

6

Do lichten onder h en c vermeld moeten bij donkeren nacht en goed zicht, op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van 60 in don breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn. Zij moeten zoo gesteld zijn, dat bet bakboords of roods licht van stuurboordszijde, en het stuurboords of groene licht van bakboordszijde niet kan gezien worden.

Deze lichten mogen op kleine stoomvaartuigen gevoerd worden in eene lantaarn bij den voorsteven, mits voldaan worde aan de bovengemelde éischen van zichtbaarheid.

2°. Ieder stoomvaartuig moet gedurende het uitoefenen van eenigen sleepdienst, behalve de lichten hierboven voorgeschreven, een tweede wit toplicht voeren.

Dit licht moet in alle deelen overeenkomen met het toplicht onder 1°. a omschreven, en op een afstand van niet minder dan 0.50 meter, en niet meer dan 1 meter, loodrecht boven het eerstgenoemde gehangen worden.

8. 1°. Alle vaartuigen, die onder zeil of drijvende zijn, of gesleept, gejaagd, geroeid, geboomd of getrokken worden, moeten een helder wit licht van den grooten top voeren. Van de vaartuigen, die onder zeil zijn of gesleept worden, moet het licht bij donkeren nacht en goed zicht, op ten minste 1 zeemijl (van (i0 in don breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn.

Vaartuigen met gestreken mast moeten het licht ter hoogte van ton minste 3 meter boven den romp voeren. Op vaartuigen zonder mast moet het licht zoodanig zijn aangebracht, dat het van alle zijden goed zichtbaar is.

Zeilvaartuigen mogen op ruime vaarwaters, in stede van het bovenbepaalde toplicht, de in art. 7 genoemde zijlichten voeren.

2°. Visschersvaartuigen die in span aan de netton liggen moeten een helder wit licht aan don voorsteven voeren.

9. Gierponton, zoomede de veerponten die zich bewegen langs oen dwars door hot vaarwater gelogdon kabel, raooten dos nachts, op oone hoogte van ten minste 6 meter boven water, van oen helder groenlicht, en 1 motor loodrecht daaronder, van een helder wit licht voorzien worden.

Bij gierponten moet bovendien hot bovenste schuitje, en wanneer in plaats van schuitjes boeien gebezigd worden, do bovenste boven water uitstekende boei, van een helder wit licht voorzien zijn, dat bij schuitjes ten minste 3 meter boven water moet hangen.

yoov de naleving van de bovenstaande bepalingen wordt de veerman als schipper beschouwd.

ocr page 19

7

Do schippers van stoumvaartuigen, den dienst doende in overzetveren, moeten, in stede van de lichten in art. 7 voorgeschreven, de lichten, die hierboven voor gierponten en veerponten zijn bepaald, doen voeren.

10. Vlotten, onverschillig waar zij zich bevinden, of zij stil liggen dan wel in de vaart zijn, moeten zoowel bij voorals achtereinde, aan den kant van het vaarwater twee helder witte lichtm voeren, naast elkander geheschen, met niet meer dan 4 en niet minder dan 2 meter tusschenruimte, en niet lager dan 4 meter boven het vlot.

11. Vaartuigen in eenig vaarwater ten anker of gemeerd liggende, mogen niet de lichten voeren, die voor in do vaart zijnde schepen zijn voorgeschreven. Zoodanig vaartuig voert ter plaatse waar zulks het beste kan gezien worden, evenwel niet lager dan 3 meter en niet hooger dan 6 meter boven den romp, een helder wit licht, dat aan alle zijden goed zichtbaar is.

Dit licht moet bij donkeren nacht en goed zicht op ten minste 1 zeemijl (van 60 in den breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn.

Dit artikel is niet van toepassing op vaartuigen, liggende:

1°. in vaarwaters, waarin de vaart door ijs of andere oorzaken gestremd is;

2°. aan een behoorlijk verlichte lig-, laad- of losplaats.

12. De schippers van bagger vaartuigen, werkvaartuigen en dergelijke moeten al hunne ankers, die in of nabij het vaarwater uitstaan, aanduiden door eene roode ton, des nachts van een helder wit licht voorzien.

Deze verplichting rust, voor zooverre de zijankers betreft op de schippers van alle vaartuigen, die zulke ankers hebben uitstaan in of nabij het vaarwater.

Indien het niet doenlijk is, de ankers of zijankers des nachts door een licht aan te duiden, zorgen de schippers, dat op hunne vaartuigen de lichten worden geplaatst, voorgeschreven in het laatste lid van art. 13, voor vaartuigen geplaatst bij wrakken.

13. Een vaartuig, dat in het vaarwater vastzit of waarmede door eenige oorzaak niet kan worden gemanoeuvreerd, voert des daags de vlag in sjouw, en raag des nachts niet de lichten voeren, die voor in de vaart zijnde schepen zijn voorgeschreven, doch moet in stede daarvan het licht voeren in art. 11 bepaald, en loodrecht daarboven, met eene tusschenruimte van niet minder dan 0.50 meter en niet meer dan 1 meter, een rood licht, dat aan de eischen voldoet voor het witte licht voorgeschreven.

ocr page 20

8

Gelijke bepaling geldt voor wrakken, met dien verstande dat de lichten, zoo zij niet op het wrak zelf geliesehen kunnen worden, in nauwe vaarwaters op een boven het wrak geplaatst vaartuig worden vertoond.

Wordt het vaartuig geplaatst terzijde van het wrak, dan voert het, behalve de hierboven omschreven lichten, aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, een rood licht. Des daags worden deze lichten vervangen door zwarte bollen.

14. Van alle vaartuigen zonder onderscheid, hetzij zij in do vaart zijn of stil liggen, die door een ander vaartuig in eene richting genaderd worden, waarin huil licht of hunne lichten moeilijk of in het geheel niet kan of kunnen gezien worden, moeten de schippers tijdelijk een helder wit licht ver-toonen, in zoodanigen stand dat dit van het naderende vaartuig tijdig kan worden waargenomen.

15. Wanneer door mist, sneeuwjacht of andere oorzaken het goed zicht belemmerd wordt, zorgen de schippers van vaartuigen, die zich in het vaarwater bevinden, dat zoowel bij dag als bij nacht de volgende seinen van huiine vaartuigen gegeven worden:

a. Een stoomvaartuig onder stoom doet met de stoomfluit met tusschenpoozen van niet meer dan 2 minuten, een aangehouden stoot hooren;

b. Ieder ander vaartuig, dat varende is, doet met don misthoorn korte stoeten geven, met kleine tusschenpoozen;

c. Ten anker liggende vaartuigen doen ten minste iedere minuut, en tevens wanneer geluidsignalen de nadering van andere vaartuigen aanduiden, de klok luiden of dergelijk geluid hooren.

Waar in dit en volgende artikelen gesproken wordt over een aangehouden stoot, wordt daarmede bedoeld een geluidsignaal van ten minste 5 seconden duur. Met korte stooten worden bedoeld geluidsignalen, die niet langer dan 2 seconden duren.

16. De schippers van stoomvaartuigen, die in het gezicht van elkander naderen met gevaar van aanvaring, kunnen door de volgende seinen aanwijzing doen omtrent de plaats hebbende manoeuvre:

Een korte stoot beteekent: „Ik wijk naar stuurboord uitquot;.

Twee korte stooten beteekent: „Ik wijk naar bakboord uitquot;.

Drie korte stooten beteekent: „Ik sla met volle kracht achteruitquot;.

Indien een vaartuig niet manoeuvreeren kan, is de schipper bevoegd om dit dooiquot; vier korte stooten te kennen te geven;

ocr page 21

9

welk suiii alsdan zoowel tegenover het stoom- als tegenover het zeil vaartuig boteekent: „Ghj moet uitwijken, ik kan niet manoeuvreeren.quot;

17. Tot verkenning tussclicn den schipper der sleepboot en die der gesleept wordende vaartuigen wederzijds, dient eeno roode vlag met een wit vierkant in het midden.

Als seinen worden bepaald: de vlag in top beduidt op do sleepboot, dat de machine met volle kracht zal werken; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat met volle kracht gewerkt zal worden;

de vlag half gestreken beduidt op de sleepboot, dat do machine slechts met halve kracht zal werken; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat met halve kracht gewerkt zal worden;

de vlag geheel gestreken beduidt op de sleepboot, dat de machine dadelijk gestopt zal worden; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat de machine dadelijk gestopt zal worden.

18. De schippers van zeeschepen moeten de lichten doen voeren en de seinen geven, voorgeschreven bij het Koninklijk besluit van 26 Juli 1885 [Staatsblad No. 108) tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, of wel die, welke bij latere besluiten voor die vaartuigen mochten worden voorgeschreven.

De schippers van kleine en onoverdekte vaartuigen, bedoeld in de artt. 7 en 10 van bovengenoemd besluit, doen echter do lichten voeren en de seinen geven, voorgeschreven bij dit reglement, tenzij die vaartuigen van vaste zijlichten zijn voorzien.

Worden die zijlichten aan boord bevestigd gevoerd, dan blijven de schippers, voor zooveel betreft het voeren van lichten en het geven van seinen, onderworpen aan de voorschriften van het in het eerste lid van dit artikel genoemde Koninklijk besluit.

De bevoegdheid bij de artt. 7 en 10 van bedoeld besluit verleend, om losse lichten te voeren, vervalt voor de aldaar genoemde vaartuigen binnen het gebied van dit reglement.

HOOFDSTUK III.

Voorschriften omtrent de vaart, het uitwijken en ankeren.

Art 19. De schipper van elk stoomvaartuig, dat een ander vaartuig nadert, moet, wanneer er gevaar voor aanvaring bestaat, zijne vaart verminderen, of zoo noodig stoppen en de werktuigen achteruit doen slaan.

y

ocr page 22

10

20. Wanneer door mist, sneeuwjacht of andere oorzaken het goed zicht belemmerd wordt, matigen de schippers de snelheid zooveel als de omstandigheden medebrengen.

21. Do schipper van een stoomvaartuig doet de machines stilstaan vóórdat de booten langs zijde komen om af te halen of aan boord te brengen.

22. De schippers van vaartuigen, die onder zeil of stoom zijn, of gesleept, geroeid of beiden langs denzelfden oever gejaagd worden, moeten, indien de vaartuigen elkander in tegenovergestelde of bijna tegenovergestelde koersen tegemoet gaan, zoodat zij gevaar loopen elkander aan te varen, beiden ter voorkoming daarvan naar stuurboord houden, en elkander aan bakboord voorbijvaren.

Wanneer echter een vaartuig, dat gejaagd wordt, een ander vaartuig, niet aan de lijn, in tegenovergestelden koers ontmoet, houdt de schipper van het gejaagde binnendoor langs het jaagpad, en die van het vaartuig dat niet gejaagd wordt buitenom.

23. Wanneer twee zeil vaartuigen met kruisende koersen elkander naderen, zoodat gevaar voor aanvaring bestaat, moeten de schippers zich houden aan de volgende regelen:

a. een vaartuig dat met ruimen wind zeilt, moet wijken voor een vaartuig dat bij den wind zeilt;

b. een vaartuig dat over stuurboord bij don wind ligt, moet wijken voor een vaartuig dat over bakboord bij den wind ligt;

6'. wanneer beiden mot ruimen wind zeilen, doch over verschillende boegen liggen, moet het vaartuig dat overstuur-boord ligt wjjken voor het vaartuig dat over bakboord ligt;

d. wanneer beiden met ruimen wind zeilen, over denzelfden boeg liggende, moet het loefwaartsche vaartuig wijken voor het lijwaartsche vaartuig;

e. een vaartuig dat voor den wind zeilt moet voor ieder ander zeilvaartuig wijken.

24. Wanneer in ruime vaarwaters twee stoomvaartuigen met zoodanige koersen elkander naderen, dat het blijven volgen dier koersen gevaar van aanvaring oplevert, moet de schipper van het vaartuig dat het andere aan stuurboord van zich heeft, wijken.

Naderen een stoomvaartuig en een zeilvaartuig onder die omstandigheden elkander in zoodanige koersen, dat daaruit gevaar voor aanvaring ontstaat, dan is de schipper van het stoomvaartuig verplicht voor het zeilvaartuig te wijken.

ocr page 23

11

25. Op plaatsen, waar het nauwe vaarwater Sterke bochten vormt, moeten de schippers van alle stoomvaartuigen de sluui'hoonlszijde van het vaarwater, en die van zeilvaartuigen, indien de windrichting het toelaat, het midden van het vaarwater of stuurboordswal houden.

26. Indien in nauwe vaarwaters stoomvaartuigen do stuurboordszijde van het vaarwater houden, moeten de schippers van alle andere vaartuigen, uitgezonderd die bedoeld in het tweede lid van art. 22 en de stoomvaartuigen bedoeld in hot eerste lid van art. 27, zich zorgvuldig wachten van tusschen de stoomvaartuigen en den wal dien deze houden, te geraken.

De schippers van stoomvaartuigen, die in een nauw vaarwater den stuurboordswal niet kunnen houden, moeten wijken voor laveerende vaartuigen.

Steken zij het nauwe vaarwater geheel of gedeeltelijk over, dan mogen zij de koerslijnen niet snijden van andere vaartuigen, indien deze daardoor verplicht zouden worden van den koers af te wijken om aanvaring te voorkomen.

De schippers van twee stoomvaartuigen, die beiden het vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteken, gedragen zich onderling naar de regelen gesteld in het eerste lid van art. 24.

De schippers van met ruimen wind zeilende vaartuigen moeten, bij het geheel of gedeeltelijk oversteken van een nauw vaarwater, wijken voor stoomvaartuigen, die zich in de richting van het vaarwater bewegen.

27. De schipper van een stoomvaartuig, dat een ander stoom- of zeilvaartuig oploopt en voorbij vaart, moet het vaartuig, dat voorbij gevaren wordt, aan bakboord houden.

Loopt een zeilvaartuig een ander vaartuig op en voorbij, dan moet de schipper van het eerste boven's winds voorbijvaren.

Wordt het opgeloopen vaartuig, dat voorbij gevaren moet worden, gejaagd, dan houdt dit den wal van het jaagpad.

Bij het oploopcn en voorbijvaren van een vaartuig aan de lijn door een ander vaartuig aan de lijn, houdt de schipper van het voorbijvarende binnendoor, en laat die van het andere vaartuig in tijds de lijn vallen.

De schipper van het opgeloopen vaartuig is verplicht, het oploopende vaartuig de ruimte te laten en, zeilvoerende, naar omstandigheden zeil te verminderen.

De schipper van een vaartuig, dat een ander vaartuig oploopt en wil voorbijvaren, geeft, op een afstand van ten minste 200 meter, van zijn verlangen kennis door praaien, roepen of door een aangehouden stoot op de stoomfluit. Zoo noodig wordt dit sein herhaald.

ocr page 24

12

28. Indien ilc omstanJiglieden den schipper vau eonig stoomvaart uig noodzaken om naar bakboord uit te wijken, is hij in dit opzicht niet gehouden aan do voorschriften der artikelen 22, 25 en 27 eerste lid, en geeft hij van zijn voornemen tijdig kennis, des daags door het vertoonen eener blauwe vlag op een goed zichtbare plaats; des nachts door telkens herhaalde twee korte stooten. Bovendien moet hjj, in de gevallen van afwijking van de artikelen 22 en 25, de vaart aanmerkelijk verminderen.

29. Wanneer in vaarwaters alwaar stroom loopt, twee vaartuigen elkander bij eene engte, brug of bocht ontmoeten, waarvan de doortocht zoo nauw is, dat het doorvaren van beiden tegelijk gevaar zou opleveren, moet de schipper van het stroomopvarend vaartuig het gaande houden, totdat het stroomafvarend vaartuig de engte, brug of bocht is doorgevaren.

Wanneer in een vaarwater waar geen stroom loopt, vaartuigen bij eene bocht elkander ontmoeten, zoodat er gevaar bestaat indien de vaartuigen elkander in die bocht voorbijgaan, moeten de schippers van het vaartuig of van de vaartuigen, die de groote bocht aan hunne stuurboordszijde hebben, den weg vervolgen, en de schippers van het andere of van do andere vaartuigen wachten totdat de bocht vrij is.

30. De schipper van een vaartuig is verplicht uit te wijken voor vaartuigen, die voor stroom afdrijven. Bij gebrek aan voldoende ruimte, is de schipper van het voor stroom drijvende vaartuig verplicht, ruimte te laten door hulp van ankers of riemen.

31. Het is op nauwe vaarwaters verboden een vaartuig dwarsstrooms te laten afdrijven.

32. De schippers van veerponten, die zich bewegen langs een dwars door het vaarwater gelegden kabel, benevens die van gierponten, moeten bij het oversteken voor alle vaartuigen het vaarwater vrijlaten.

33. Wanneer overeenkomstig de bestaande voorschriften een der beide vaartuigen moet wijken, moet de schipper van het andere zijnen koers blijven volgen.

STRAFFEN.

Wordt herinnerd aan art. 473 van het Wetboek van Strafrecht, luidende:

De schipper of schepeling, die niet In acht neemt de wettelijke voorschriften vastgesteld tot voorkoming van aanvaring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

ocr page 25

WET

TOT VASTSTELLING VAN BEPALINGEN BETREFFENDE 'S RIJKS WATERSTAATSWERKEN.

(Wet van den 28sten Februari 1891, Staatsblad No 69).

Artikel I. Door Ons worden, ter bescherming van 's Rijks waterstaatswerken, alsmede ter verzekering van hei doelmatig en veilig gebruik dier werken, voor zoover daarin niet door eene wet of door Ons krachtens eene wet is voorzien, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld door straffen te handhaven bepalingen, betreffende:

1°. het met vaartuigen, vlotten of andere voorwerpen gebruik maken van openbare wateren, onder beheer van het Rijk, waaronder in deze wet mede verstaan worden de territoriale wateren;

2°. het gebruik maken van kribben, dammen, steigers, veerponten, veerbooten, duikers, dukdalven, remmingswerken en andere werken in, over of onder de sub 1°. vermelde wateren, alsmede van sluizen en bruggen, alles voor zoover die werken zijn waterstaatswerken onder beheer van het Rijk;

3°. het gebruik maken van de zeestranden, zeekeerende duinen en andere zeeweringen en van kaden, losplaatsen, meerpalen, (lijken, bermen, glooiingen, wallen en oevers, onder beheer van het Rijk;

4°. het veranderen of het opzettelijk belemmeren van den loop van de wateren, sub 1°. vermeld;

5°. het baggeren, graven en slikkeren, alsmede het visschon, aalgeeren of rapen van schelpdieren of mosselzaad op of langs de sub 2°. en 3°. vermelde werken en in de sub 1°. vermelde wateren, of de daarin opgekomen slikken, gorzen of gronden, voor zoover de laatste onder beheer zijn van het Rijk;

6°. het gebruik maken van wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken;

7°. het werpen of nederleggen van vaste stoffen in de sub 1°. vermelde wateren en op of in waterstaatswerken onder

ocr page 26

14

beheer van het Rijk, alsmede op de tot die werken behoorende gronden, voor zoover deze tot het gebruiken of het instandhouden dier werken vereischt worden;

8°. het maken van werken tot het afieiden van water uit kanalen onder beheer van het Rijk.

2. Op de overtreding van krachtens art. 1 gemaakte bepalingen kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur straf worden gesteld, doch geene andere of hoogere dan:

a. hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, voor zooveel betreft eene overtreding der in art. 1, sub 1°. bedoelde bepalingen, indien zjj gepleegd is ten aanzien van wateren, bestemd om te worden bevaren met zeeschepen, en die van de in art. 1, sub 2°. en 3°. bedoelde bepalingen, indien zij gepleegd is in, op, onder of tegen werken als daarbij vermeld, liggende in, over, onder, langs of bij genoemde wateren ;

h. hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete vaa ten hoogste honderd vijftig gulden, voor eene overtreding der in art. 1, sub 4°. en 8°. bedoelde bepalingen, gelijk mede van die sub 1°., 2°. en 3°. bedoeld, niet begrepen onder letter ö;

c. geldboete van ten hoogste honderd gulden, voor eene overtreding der in art. 1, sub 5°., 6°. en 7°. bedoelde bepalingen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in den algemeenen maatregel van bestuur bepaalde maximum uitspreken.

3- De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, desnoods bijgestaan door de ambtenaren van de Rijks- of gemeente politie en op kosten der overtreders, te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen hetgeen in strijd met de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

4. De schippers van vaartuigen en vlotten zijn, onverminderd hun recht van verhaal, verantwoordelijk voor de betaling van alle kosten, zoo wegens de schade, welke door hunne schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid of door die van opvarenden aan de in art. 1, sub 2°. en 3°. vermelde werken wordt toegebracht, als wegens de te hunnen aanzien krachtens art. 3 genomen maatregelen.

ocr page 27

15

Die kosten worden door de ambtenaren door Ons aan te wijzen, geraamd en vermeld in een proces-ver baal.

De schipper is verplicht de geraamde sommen in handen van den ambtenaar, door wien het proces-verbaal is opgemaakt, te storten of daarvoor tot diens genoegen borg te stellen, onverminderd zijne verpliqjiting om ook de meerdere kosten van herstelling te voldoen, en behoudens zijne bevoegdheid om de beslissing van een hoogeren, door Ons aan te wijzen ambtenaar in te roepen.

Bij gebreke van betaling of borgstelling zijn de in art. 3 bedoelde ambtenaren bevoegd, desnoods met behulp van den sterken arm, het voortzetten der reis, het ondernemen van den terugtocht of het aanvangen eener nieuwe reis, ook zoo het vaartuig of vlot, inmiddels binnen eene andere gemeente is gebracht, te beletten,

5. Zoo de werkelijke kosten blijken minder te bedragen dan hetgeen door den schipper is gestort, wordt het meerdere op last van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Njj-verheid ter beschikking van den schipper gesteld.

6. De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, voor zoover daarin niet bij andere wetten is voorzien, ter verzekering der uitvoering en handhaving van de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften, zich te allen tijde te begeven aan boord der vaartuigen en vlotten die zich in de in art. 1 vermelde wateren bevinden.

Zij zullen evenwel niet tegen den wil des bewoners binnentreden in de gedeelten van het vaartuig of vlot, tot woning bestemd, dan op vertoon van een schriftelijken last van den kantonrechter of van den burgemeester der gemeente, waarin het vaartuig of vlot zich bevindt.

Van dit binnentreden wordt door dengene, die deze handeling heeft verricht, proces-verbaal opgemaakt en aan dengene, in wiens woning is binnengetreden, binnen tweemaal vier en twintig uren in afschrift medegedeeld.

7. De strafbare feiten, in deze wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen.

8. Deze wet treedt in werking met den dag harerafkon-diging.

ocr page 28

ALamp;EMEEF REamp;LEMENT van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken, onder beheer van het Rijk.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 13den Augustus 1891, Staatsblad No. 158 en gewijzigd bü Koninklijk besluit van den 17den April 1894, Staatsblad No. 57).

(In werking tredende — met intrekking van bestaande bepalingen - den I September 1892).

(Koninklijk besluit van den 28sten Juni 1892, Staatsblad No. 169).

TITEL I.

Algemeene bepalingen.

Artikel I. Dit reglement is toepasselijk:

1°. op do hierna genoemde rivieren en de Rijkskanaïen, met hunne oevers, havens, grond- en kunstwerken, beplantingen, gebouwen en wat daartoe verder behoort;

2°. op de hierna genoemde verspreide havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken;

alles voor zoover die wateren en werken zijn onder beheer van het Rijk en voor zoover van dit reglement bij bijzondere reglementen niet is afgeweken.

De rivieren onder 1°. bedoeld, zijn: de IJssel met zijne uitmondingen in de Zuiderzee, de Nieuwe Merwede, het Wantij, het Maïlegat, de Dordtsche Kil, de Krabbe, de Maas, het Heusdenseh kanaal, de krachtens de Wet van 26 Januari 1883 {Staatsblad No. 4) in aanleg zijnde rivier de Maas, voor zoover die voor het openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, het Oude Maasje, de Donge van het separatieplint met den linkeroever der 's Grave moer sche vaart tot hare uitmonding in den Amer, de A nier, de Killen in het Berg sche Veld, het Hollandsch Diep, de Koningshaven, de Oude Maas, As Nieuwe Maas onder de gemeente Rotterdam, de rivieren beneden Botterdam tot in zee, het 'Spui met het Beerengat, het Har-telsche gat, de Holla ndsehe IJssel met de Sliksloot, het Zwarte Water en het Zwolsche Diep.

De verspreide werken onder 2°. bedoeld, zijn : a. de havens te Moerdijk, Breskens en Veere en die der eilanden Terschelling, Vlieland, Wieringen, Urk en Marken-

ocr page 29

17

h. de Rijkssluizen en beweegbare bruggen in de provincie

Friesland;

c. de Rijkssluizen en bruggen in den waterweg van Ainsterdain naar Rotterdam;

d. de schutsluizen te St. Andries en in de afgesloten killen van het Bergsche Veld, met hare havens;

e. de draaibrug te Raamsdonk en de rolbrug bij Geer-tmidenberg, beide over de rivier de Don je; de ophaalbrug over het Oude Maasje, onder Capelle en de rolbrug onder

Besoijen;

f. de beweegbare bruggen over de rivier de Mark en Dintel te Standdaarhuiten te Stampersgat en nabij Dinfeloord.

2. In dit reglement wordt, evenals in de bijzondere reglementen, verstaan onder zeüvaartuig, elk vaartuig onder zeil on niet onder stoom, on onder xtoommartiiitj, elk stoomvaai'tuig onder stoom, al of niet zeilvoerende;

onder schipper, ieder gezagvoerder van een vaartuig of vlot of die dezen vervangt;

onder dag, de tijd tusschen op- en ondergang der zon;

onder nacht, de tijd tusschen onder- en opgang der zon;

onder Minister, de minister möt de uitvoering van dit besluit belast;

onder Onzen Commissaris, de Commissaris der Koningin in de provincie, waarin de rivier, het kanaal, het betrokken gedeelte van de rivier of het kanaal of de werken zijn gelegen;

onder hoofdingenieur en ingenieur, de hoofdingenieur en ingenieur, met het beheer van de rivier, het kanaal, het betrokken gedeelte van de rivier of het kanaal of van de werken belast; .

onder ambtenaren van den waterstaat, do inspecteurs, hoofdingenieurs, ingenieurs, adspirant-ingenieurs en .opzichters van 's Rijks Waterstaat, en de Rijksbakenmeesters;

onder kanaalbeambten, de havenmeesters, sluis- en hulp-sluismeesters, sluis- en hulpsluis-, stuw-, brug-, pont-, kanaal-en dijkwachters, sluis- en brugknechten, in dienst van het Rijk,

3. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Engelsche, Iloogduitsche. Fransche en Noorsche talen gedrukt en evenals de bijzondere reglementen, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Elk schipper, die eeu der in artikel 1 genoemde wateren bevaart of van de aldaar bedoelde werken gebruik maakt, moet van een exemplaar van dit reglement en van het bijzonder reglement, benevens van de bepalingen tot het voor-

ocr page 30

18

komen van aanvaring op de openbare wateren in het Rijk, voorzien zijn. Hij moet deze, desgovorderd, aan de ambténaren en beambten, in art. 88 bedoeld, vertoonen.

TITEL II.

Bepalingen, betrekkelijk het gebruik maken van rivieren, kanalen en havens.

Abt. 4. Alle vaartuigen van meer dan één meter diepgang moeten aan den achtersteven voorzien zjjn van eene schaal, waarop de diepgang duidelijk leesbaar is.

Noch de schroef, noch eenig ander gedeelte van een stoom-vaartuig mag beneden de kiel uitsteken, tenzjj de schaal van den onderkant van dat deel beginne te tellen.

5. Vaartuigen zonder vast dek en van grooter inhoud dan 10 M3. moeten voorzien zijn van waterdichte borden, boorden of wanden, welke ten minste 0.25 M. boven den waterspiegel reiken.

6. De naam van het vaartuig, en bij vaartuigen, niet bestemd om de zee te bevaren, ook de 7iaam en woonplaats van den gezagvoerder of don eigenaar, moeten op eene in het oog vallende plaats aan de buitenzijde van het vaartuig duidelijk leesbaar zijn aangegeven.

Deze bepaling is alleen van toepassing op vaartuigen van grooter inhoud dan 10 M3.

7. Het is verboden in eenig kanaal of in eenige haven elders dan op de daartoe bestemde aanlegplaatsen aan te leggen of met vaartuigen, naast elkander vastgemaakt, .te varen, tenzij met vergunning of op uitdrukkelijk bevel van een ambtenaar van den waterstaat of van een kanaalbeambte.

Evenzoo is het verboden een vaartuig dwars in het vaarwater te laten liggen of drijven.

8. Elk zeeschip moet, zoolang het zich op eenig Rijkswater of in eene zijner havens bevindt, over dag de vlag voeren van de natie, waartoe het behoort. Hiervan zijn uitgezonderd de ingevrozen schepen.

Vaartuigen van meerderen diepgang dan 4 M. voeren bovendien eene kleine vlag aan den fokkemast. Voor vaartuigen van minderen diepgang is dit verboden.

Koopvaai-dijschepen mogen nimmer den wimpel voeren.

9. De schipper, zijn vaartuig verlatende, doet zich door een geschikt persoon vervangen. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen van minderen inhoud dan 10 M3 of die van den wal met den boom worden voortgeduwd.

ocr page 31

19

Het is verboden vaartuigen van 10 en meer M3 inhoud onbewoond op een Rijkswater tc laten liggen, tenzij met vergunning van den havenmeester of van een ambtenaar van den waterstaat.

Het is mede verboden vaartuigen onbeheerd op een Rijkswater te laten drijven.

10. De schipper van een vaartuig, dat overladen of naar het oordeel van den havenmeester of van een ambtenaar van den waterstaat onvoldoende bemand of getuigd is, moet op door hen gedane aanzegging de vaart staken en zijn vaartuig naar eene door hen aan te wijzen plaats vervoeren.

De schipper van een vaartuig, dat in onmiddellijk gevaar van zinken verkeert, moet het, zoodra mogelijk, buiten het vaarwater brengen.

11. De schippers van vaartuigen, niet bestemd om de zee te bevaren, moeten het kluifhout vóór de aankomst in de sluizen doen toppen.

Do havenmeester, de sluismeester of de ambtenaren van den waterstaat kunnen bevelen, dat van vaartuigen, welke geheel of gedeeltelijk lossen, de bram raas en de bramstengen worden gestreken.

12. Het is verboden eenig vaartuig derwijze te plaatsen, dat de in- of uitvaart van een kanaal of van eene haven of de doorvaart van eene sluis of eene brug wordt belemmerd.

De schipper van een zoodanig geplaatst vaartuig is verplicht, op bevel van een ambtenaar van den waterstaat of van een kanaalbeambte, terstond te verhalen.

13. Het aandoen eener haven is verboden, wanneer des daags eene roode vlag of des nachts een rood licht op een van de hoofden dier haven is geplaatst, ten teeken dat do toegang tot die haven door aanwezige vaartuigen of door andere oorzaken is belemmerd.

(4. Het openen eener sluis tot spuiing wordt ten minste een uur te voren aangeduid, des daags door eene blauwe vlag, waarin met witte letters het woord „spuienquot;, des nachts door drie roode lichten, geplaatst in de hoekpunten van een gelijkzijdigen driehoek, met den top naar boven gericht.

De vaartuigen, in eene haven of een kanaal aanwezig, moeten door de schippers, bij vertoon van dit sein, of wanneer hun de spuiing door een kanaalbeambte wordt aangekondigd, stevig worden vastgemeerd en, zoo noodig, worden vertuid, otn hot aan den grond vallen te voorkomen.

ocr page 32

20

De kanaalbeambten zijn in dit geval bevoegd aan de schippers eene ligplaats voor hunne vaartuigen aan te wijzen en hun omtrent de wijze van vastleggen daarvan bevelen te geven.

Bij gebrek aan geschikte ligplaats, hebben de geladen vaartuigen de voorkeur boven de ledige.

(5. Bij het naderen van sluizen en bruggen moet do schipper de vaart van het vaartuig zoodanig verminderen, dat het desnoods op 100 M. afstand van de sluis of brug kan stoppen. Bjj de daartoe gestelde handwijzers of teekenen moeten de zeilen gestreken of in de gei gebracht worden. De sluis- of brugwachters moeten met de stoomfluit, de scheepsklok of den misthoorn, of wel door roepen worden gewaarschuwd.

De schipper moet het vaartuig doen stoppen, indien des daags een roode bol, bord of vlag, of des nachts een rood licht op de sluis of brug geplaatst is. Hij moet dan, desge-vorderd, zijn vaartuig ter plaatse, hem door den sluis- of brugwachter aan te wijzen, vastleggen.

De beheerders der sluizen en bruggen zijn verplicht, zoo noodig, ter beoordeeling van den Minister, de doorvaartope-ningen des nachts door groene lichten aan te duiden.

Het tweede en het derde lid van dit artikel hebben geen betrekking op de schipbruggen.

16. Wanneer twee of meer vaartuigen tegelijk eene sluis of brug naderen, regelt de sluis- of brugwachter de volgorde, waarin zjj mogen naderen, en den afstand, dien zij daarbij onderling moeten bewaren.

17. Elk vaartuig wordt, behoudens het bepaalde in het volgend artikel, geschut naar de orde van aankomst.

Het vaartuig welks bemanning zich schuldig maakt aan het doorsnijden van de jaaglijnen of trossen van eens anders vaartuig, wordt eerst doorgelaten na het laatstgemelde.

Indien van weerszijden zich vaartuigen ter doorschutting aanmelden, worden zij beurtelings van de eene en de andere zijde doorgelaten, te beginnen met het vaartuig komende van den kant, waar de waterstand gelijk is aan dien der schutkolk. Bij drukke scheepvaart geven de sluismeesters voor het bewaren der orde nummers af.

18. Eecht op voorschutting hebben, in de na te noamon volgorde:

vaartuigen, die den wimpel voeren;

Rijksvaartuigen en vaartuigen, dienende tot vervoer van in dienst zijnde ambtenaren van den waterstaat of kanaalbeambten ;

ocr page 33

21

vaartuigen, dicnciulc tot geregeld vervoer van personen; vaartuigen, met vcrsche visoh geladen;

vaartuigen, dienende tot geregeld vervoer van goederen of vee, met hunne lichters en bijliggers.

Vaartuigen met buskruit, vuurwerken, schietkatoen, nitroglycerine of andere ontplofbare of licht ontvlambare stoften geladen, worden zooveel mogelijk vóór alle andore en steeds afzonderlijk geschut.

19. Elk vaartuig, dat zich in of in de nabijheid van do schutkolk bevindt, moet voor en achter behoorlijk gemeerd zijn, ter plaatse door de kanaalbeambten aangewezen.

De vaartuigen, welke geschut of doorgelaten moeten worden, naderen de sluis of de brug niet vóórdat do kanaalbeambte daartoe het sein geeft.

Wordt, naar het oordeel van don kanaalbeambte, aan het sein niet spoedig genoeg gevolg gegeven, dan kan hij bevelen dat een ander vaartuig voorga.

Wanneer oen vaartuig, na geschut to zijn, niet spoedig genoeg uit de sluis haalt, of, eene brug doorvarende, hierbij niet genoog spoed maakt, naar het oordeel van den kanaalbeambte, kan daarin door hem worden voorzien.

20. Bij de vaart door eene sluis moeten alle zeilen gestreken en vastgebonden, en bij do vaart door eene brug moeten zij opgegeid zijn.

Het verhalen, het in- en uitwinden en hot vastleggen van vaartuigen en vlotten mag alleen geschieden aan de daartoe bestemde voorwerpen.

Bij het varen door sluizen of bruggen mogen de vaartuigen niet meer vaart hebben, dan voor het besturen noodig is.

liet sleepen van kettingen of trossen is verboden bij hot doorvaren van sluizen en bruggen, het kruisen van telegraafkabels en pont veren en het voorbijvaren van in werking zijnde baggerinrichtingen.

Het is, behoudens het bepaalde in hot tweede lid, verboden, met haken of boomen in do kunstwerken te steken, of daaraan, zonder vergunning van don sluis- of den brugwachter, eenig vaartuig of vlot vast te maken.

vi

21. Indien de doorvaart door eene sluis of brug, wegens onstuimig weder, spuiing, aftapping of inlating van water onraadzaam is, wordt die door den sluis- of brugwachter

geweigerd.

ocr page 34

22

Het is verboden door eeiie sluis of door eeno beweegbare brug, die voor de doorvaart geopend moet worden, te varen, bij afwezigheid van den betrokken kanaalbeambte of in strijd met diens verbod.

22. Telkenmale nadat twee vaartuigen achtereen eene brug zijn doorgevaren, wordt deze, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.

Sleeptreinen worden in hun geheel in eens doorgelaten.

Bij het doorvaren eener brug hebben de vaartuigen, die stroomafwaarts gaan, de voorkeur boven de opvarende. Wanneer er geen stroom gaat, hebben de vaartuigen, die vóór den wind gaan, de voorkeur boven die, welke gesleept of gejaagd worden.

23. Wordt een vaartuig in een kanaal of in eene haven door vorst ingesloten, dan is de schipper verplicht te zorgen dat rondom het vaartuig eene bijt van ten minste een halven meter breedte worde gehakt en opengehouden.

Het bevaren van een kanaal bij besloten water kan door Onzen Commissaris worden verboden.

Het is verboden in strijd met zoodanig verbod te handelen.

24. Bij het invallen van vorst of bij aanhoudende tegenwinden, moeten de vaartuigen, die zich in eene buitenhaven bevinden, zoodra de havenmeester zulks beveelt, naar de reede verhaald of naar de binnenhaven geschut worden.

In dit geval, zoomede wanneer bij besloten water in het kanaal vaartuigen naar binnen geschut worden, zijn de in het kanaal zich bevindende vaartuigen verplicht, zoo noodig, volgens aanwijzing der kanaal beambten te verhalen.

25. Bjj het vervoeren, laden en lossen van licht ontvlambare of ontplofbare goederen of ongebluschte kalk, is de schipper, onverminderd de naleving der omtrent het vervoer bestaande wetten en verordeningen, verplicht de bijzondere voorzorgsmaatregelen na te leven, die hem door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden voorgeschreven.

26. Indien van een vaartuig eenig voorwerp verloren raakt, hetwelk, drijvende of gezonken, voor de vaart gevaarlijk of hinderlijk kan zijn, is de schipper gehouden, hiervan zoo spoedig mogelijk kennis te geven aan den ambtenaar van den waterstaat, onder wiens ressort het vaarwater behoort of aan een kanaalbeambte.

De plaats, waar zoodanig gezonken voorwerp ligt, moet door den schipper terstond door een boei worden aangewezen.

ocr page 35

23

I)c schippers zorgen, dat geen lichters,-vlotten of balkon, bij hunne vaartuigen in gebruik, zich los of ongeraeerd bevinden.

27. Wanneer een vaartuig aan den grond raakt en de lading naar het oordeel der ambtenaren van den waterstaat of der kanaalbeambten moot gelost worden om het weder vlot te brengen, is de schipper verplicht onmiddellijk tot het lossen over te gaan.

28. De schipper van een gezonken of aan don grond geraakt vaartuig geeft van het ongeval terstond kennis aan den naastbijzijnden kanaalbeambte.

29. Tot op het oogenblik, dat van overheidswege, krachtens de wet van 23 Juli 1885 {Staatsblad No. 151}, tot opruiming wordt overgegaan, bljjven belanghebbenden bevoegd het gezonken vaartuig te lichten of hot aan den grond zittend vaartuig weder vlot te maken.

30. Bij het voorbijvaren van diep geladen vaartuigen, baggermolens, in lossing of lading liggende vaartuigen, vlotten of andere drijvende inrichtingen, voor welke de golfslag ge-vaarlijk kan zijn en die tot teeken daarvan mooten vertoonen des daags eene roode vlag, des nachts twee helder roodo lichten loodrecht boven elkander geheschen, met eene tusschen-ruimte van niet minder dan 0.50 M. en niet meer dan 1 M., moeten stoomvaartuigen hunne vaart zooveel verminderen als noodig is om nadeeligen golfslag te voorkomen.

Hetzelfde moet geschieden op die gedeelten van rivieren of kanalen, waar op last van de daartoe bevoegde ambtenaren van den waterstaat of dijkbesturen door de bedoelde seinen is aangeduid, dat door golfslag schade of onheil zou kunnen ontstaan.

31. Stoomvaartuigen, die stoomtuigen van hooge drukking hebben, moeten hun afgewerkten stoom afvoeren door een afvoerpijp, welke buiten den schoorsteen uitmondt, tenzij die schoorsteen bedekt is met eene kap van ijzordraad, met openingen van ten hoogste 5 millimeter. Zoodanige bedekking moet aanwezig zijn op alle stoombooten, welker ketels mot cokes, turf of hout gestookt worden.

32. De vlotten moeten zoodanig zijn vastgemaakt en aan beide zijden verbonden, dat zij de vaart niet hinderen, noch andere vaartuigen of vlotten of de werken kunnen beschadigen. Zij moeten zoo zijn samengesteld, dat de balken gemakkelijk kunnen gesteld worden en niet kruiselings.

De tengels, dienende tot koppeling der balken, mogen niet buiten het vlot uitsteken.

ocr page 36

24

Ieder vlot moet voorzien zijn van een langs sclieeps geplaatst wit bord, waarop aan beide zijden, mot zwarte letters van ten minste 30 centimeter hoogte en 5 centimeter breedte, do naam en woonplaats van den gezagvoerder of den eigenaar zijn te lezen.

33. De houtlading van een vaartuig mag niet te water worden gelaten om er een vlot van samen te stellen, dan na bekomen vergunning van den betrokken beambte.

In geen geval mogen meer balken uit een vaartuig gelost worden dan dadelijk tot een vlot of tot vlotten kunnen worden vereenigd, waartoe de noodige manschappen moeten aanwezig zijn.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing, wanneer balken tot samenstelling van vlotten van den wal te water worden gelaten.

34. Schippers mogen met hunne vlotten dc ligplaats daarvan niet vroeger verlaten dan één uur voor zonsopgang. Zij mogen hunne reis niet later voortzetten dan één uur na zonsondergang, tenware zij door onvoorziene omstandigheden verhinderd worden om vóór dat tijdstip de aanlegplaats te bereiken.

Bij mist, sneeuwjacht, storm, drijfijs en ijsgang mogen vlotten niet varen. quot;Worden zij er onderweg door overvallen, dan moeten zij op de eerste bereikbare aanlegplaats worden ten anker gebracht of vastgemeerd.

Evenmin mag een vlot zich in eene haven ophouden, zonder vergunning van den havenmeester.

35. Een vlot wordt bij bruggen en sluizen eerst na dc aanwezige vaartuigen doorgelaten, tenzij het, aan een schip vastgekoppeld, te zatnen met het schip in de schutkolk kan worden toegelaten.

36. Een vlot mag een vooruitvarend vlot niet naderen op kortoren afstand dan van 500 meter.

37. De artikelen 7, 9, 10, 12, 14 tot en met 17 19, 22 tot en met 26, 28 en 29 van dit reglement zijn evenzeer ten aanzien van vlotten als van vaartuigen toepasselijk.

38. Voor zoover de bijzondere reglementen daaronritrent geene bepalingen inhouden, is een ieder bevoegd do jagerij uit te oefenen.

39. De jagers zorgen zooveel mogelijk de lijn strak te houden als zij over eenig vaartuig of vlot jagen, en de lijn tijdig te laten vallen, wanneer zij niet overjagen.

ocr page 37

25

Voorts moeten zij bij de daat'toe gestolde téekoiion de lijn laten vallen, bij hot naderen van bruggen en sluizen de vaart verminderen 071 zich voorts in alles gedragen naar de aanwijzingen van de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten.

Zij maken den schipper opmerkzaam op al wat bij de vaart hinderlijk kan zijn.

De schippers van de aan het jaagpad liggende vaartuigen moeten de masten, zoo mogelijk, strijken en bij het overbrengen der jaaglijnen van de voorbijgaande vaartuigen en vlotten behulpzaam zijn.

40. Jagers, die wegens overtreding der bepalingen van dit reglement zijn veroordeeld, of die zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden, kunnen door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbearabten worden geweerd.

41. De schippers van de gesleept wordende vaartuigen zijn gehouden de orders van den schipper der sleepboot ten opzichte van het sleepen op te volgen.

Bij weigering of nalatigheid om do touwen te vieren of door te halen heeft de laatste het recht do touwen los te gooien of te kappen.

42. Het loslaten der sleeptrossen mag door de schippers dor gesleept wordende vaartuigen slechts beurtsgewijze geschieden, in dier voege dat het achterste vaartuig het eerst loslaat en het voorste het laatst.

De schipper der sleepboot geeft telkenmale het sein tot het loslaten, door een slag op de klok.

43. Ken loods of als zoodanig dienstdoend persoon, aan boord van een vaartuig, dat zich op eene rivier, een kanaal of in eene haven bevindt, is verplicht zich, voor zooveel de politie op die wateren betreft, te gedragen naar de aanwijzingen der ambtenaren van den waterstaat en kanaalbeambten.

44. Een ieder, als loods aan boord van een vaartuig dienstdoende, moet steeds voorzien zijn van een exemplaar van dit reglement en van het toepasselijk bijzonder reglement benevens van de „bepalingen tot voorkoming van aanvaring.quot;

45. Als loods dienstdoende personen, die zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden, kunnen door do ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden geweerd.

46- Wanneer een vaartuig schade heeft gevaren aan eenig werk of wanneer overtredingen van dit reglement of van het betrokken bijzonder reglement zijn gepleegd, geeft de loods

ocr page 38

2(gt;

hiervau ten spoedigste kennis aan den havenmeester of een der andere zich in de nabijheid bevindende ambtenaren van don waterstaat of kanaalbeambten.

47. Het is den schippers verboden, te ankeren of vast te meren op plaatsen waar dit de scheepvaart zoude belemmeren.

48. De schippers van stilliggende vaartuigen en vlotten zjjn verplicht op een kanaal of in eene haven te verhalen naar de ligplaatsen die hun door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden aangewezen en die, zoo noodig, door dezen kunnen worden veranderd.

49. Het is verboden dichter bij de sluizen of bruggen te liggen dan de daarbij geplaatste stoppalen aanduiden, tenzij met vergunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte.

50. Behalve ingeval van eenig onheil en in de gevallen waarvoor dit verplichtend is gesteld, mag aan boord van een vaartuig of vlot des nachts geen klok geluid worden.

51. De schipper op wiens vaartuig brand is ontstaan, moet terstond de klok doen luiden of een daarmede overeenkomstig geluid doen hooren, en het vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen verhalen.

52. Niemand mag aan boord van eenig in een kanaal of in eene haven vertoevend vaartuig of vlot licht ontvlambare of bij ontvlamming fel brandende stoffen smelten, koken of warmen, tenzij met vergunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte.

Het is insgelijks verboden, tenzij dit door het bevoegd gezag voor een bepaald doel is voorgeschreven of toegestaan, aan boord van vaartuigen of van vlotten te schieten, buskruit te ontbranden of eenig vuurwerk af te steken.

53. De schipper, die eene haven wil verlaten, geeft hiervan kennis aan den havenmeester, die, zoo noodig, de orde bepaalt, waarin de vaartuigen en vlotten moeten verhalen.

54. Het is verboden zonder vergunning van den Minister:

1°. zich met eenig vaartuig of vlot in eene rivier, een

kanaal of eene haven te vestigen tot liet drijven van handel, het houden van herberg, het verleenen van huisvesting of het houden van vast verblijf;

2°. in een kanaal of in eene haven vaartuigen te sloopen.

De ingenieur, met de uitvoering van een werk belast, kan vergunning geven tot het verleenen van huisvesting, van het daartoe behoorende personeel in een vaartuig.

ocr page 39

27

TITEL III.

Bijzondere bepalingen voor het gebruik maken van rivieren.

Akt. 55. Het is verboden eenig riviervak te bevaren met oen vaartuig' van meer diepgang dan de ondiepste plaats van de vaargeul toelaat, blijkens de tijdens lage waterstanden afgekondigde opgaven.

Daarenboven zijn de schippers verplicht op de door tonnen, bakens of andere teekenen voor de scheepvaart aangeduide riviervakken, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere omzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de aanwijzingen en bevelen door de ambtenaren van don waterstaat of de kanaalbeambten nopens de vaart op deze riviervakken gegeven op te volgen.

De vaart bij nacht kan op deze riviervakken door den Minister verboden worden.

Zoodanig verbod wordt door openbare aankondiging tijdig ter kennis van de belanghebbenden bij de scheep- en vlotvaart gebracht.

Het is verboden in strijd met zoodanig verbod te handelen.

56. Wanneer een stoomvaartuig, stroomopwaarts gaande zonder eenig vaartuig te sleepen, liet laatste vaartuig van een sleepkonvooi beneden cene engto op een afstand van 120 M. genaderd is, mag dat sleepkonvooi de engte niet binnenvaren, voordat het door het eerste stoomvaartuig is voorbij-gevaren.

57. Elk vlot moet ten minste eene bemanning hebben van 2 man voor elke 75 M3. hard hout en 2 man voor elke 150 M3. zacht hout.

Als hard hout wordt onder anderen beschouwd: eiken-, beuken-, olmen-, esschen-, kersen-, peren-, appel- en kornoeljehout; als zacht hout: onder anderen popel-, elzen-, dennen-, sparren-, pijnboomen- en lorkenhout, alsmede andere harsachtige houtsoorten.

58. Voor vlotten, die door stoomvaartuigen gesleept worden, is de helft der in art. 57 genoemde verplichte bemanning voldoende, mits het vlot aan de voorzijde van eene doelmatige stuurinrichting voorzien zij en de sleepboot do volgende kracht bezitte:

1°. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning niet meer dan 50 man bedraagt, ten minste 25 werkelijke paardenkrachten ;

ocr page 40

28

2°. bjj vlotten, van welke do verplichte bemanning meer dan 50 tot en met 80 man bedraagt, ten minste 35 werkelijke paardenkrachten;

3°. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning moer dan 80 man bedraagt, ten minste 45 werkelijke paardenkrachten.

59. Geen vlot mag eene bemanning hebben van minder dan 3 man, den vlotvoerder inbegrepen.

60. Vlotten, van welke do verplichte bemanning moer dan 4 man bedraagt, moeten voorzien zijn van hot volgend materieel:

Voor

vlotten, waarvan

p

O *3

O

D

Groote kabels, j

Kleine kabels.

CC

O

bu

dc vorplichto bemanning bedraagt:

O 1)

^ cc

ü 1

O 'ü

i—! co

M 5-1

lt;D

5 tot

9

man

_

i

_

2

2

--

10

n

13

rgt;

—

i

1

i

3

--

14

V

25

W

—

2

1

i

4

--

26

P

35

7)

2

1

2

2

6

1

3(5

V

40

V

3

1

2

3

7

1

41

w

45

3

1

3

3

8

1

46

V

50

5?

3

2

3

3

9

1

51

V

60

V

4

2

3

3

10

2

61

n

70

5)

4

2

4

3

11

2

71

n

80

Yl

4

2

4

4

12

3

81

•n

90

v

5

2

5

4

13

3

91

V

100

5

2

5

4

14

3

101

V

110

V

6

2

6

5

16

4

111

»

120

77

6

2

6

5

18

4

121

V

130

W

7

2

7

5

20

4

131

u

140

V

7

2

7

5

22

5

141

w

150

V

7

2

8

5

24

5

151

IJ

160

V

8

2

8

5

26

5

161

V

170

V

8

2

8

5

28

7

171

V

180

v

8

2

8

5

30

7

181

V

190

V

9

3

9

6

32

8

Aanmerkingen :

1°. Groote ankerschuiten zijn die van een ladingsvermogen van meer dan 1750 K.G.; kleine ankerschuiten die van een ladingsvermogen van 1750 of minder K.G.

ocr page 41

29

2°. Vlotten, waarvan de verplichte bemanning- niet meer dan 7 man bedraagt, mogen in plaats van de kleine anker-scliuit, een schuitje hebben, zoogenaamd „Dreibordquot; van 8 M. lengte en van 1 tot 1.4 M. breedte aan den bovenkant.

De schuit van den waarschuwer is niet in bovenvermeld aantal schuiten begrepen.

61. De beheerders der schipbruggen zijn verplicht de doorvaartopeningen aan te duiden overeenkomstig de volgende bepalingen:

1°. Zoodra de brugvakken zijn uitgevaren en doorvaart kan plaats hebben, moet ieder van do beide zijden der opening hij dag door een rood-witte vlag, hij nacht door twee roode lantaarns, boven elkander geplaatst, worden aangeduid.

De lantaarns mogen slechts uitstralen naar de zijde, aan welke het vaartuig zich bevindt, dat het eerst tot doorvaren wordt toegelaten.

2°. Indien eene brug wegens een beletsel, bij voorbeeld, storm, beschadiging enz., tijdelijk niet kan geopend worden, moet deze omstandigheid aan de tot doorvaart toe te laten vaartuigen worden te kennen gegeven, hij dag door een blauw-witte vlag, bij vacht door twee groene lantaarns, boven elkander geplaatst.

3°. De volgende waarschuwingsseinen moeten gegeven worden, om de naderende vaartuigen op grooteren afstand te verwittigen, dat zij de brug kunnen doorvaren:

a. ten teeken, dat de brug afwaarts kan doorgevaren worden, hij dag een roode vlag, hij nacht eene roode lantaarn;

h. ten teeken, dat de brug opwaarts kan doorgevaren worden, hij dag een witte vlag, bij nacht twee roode lantaarns.

4°. De lantaarns moeten met voldoende helderheid branden cn de vlaggen mogen, om beter te kunnen uitwaaien, slechts zoo groot zijn, dat zij op den afstand, waarvoor zij bestemd zijn, nog duidelijk zijn te onderkennen.

De breedte der vlaggen moet ten minste gelijk zijn aan de hoogte, doch mag deze slechts met de helft overschrijden.

Ook moeten de vlaggen aan schuins of horizontaal aangebrachte stokken of lijnen gevoerd worden of gedeeltelijk op een raam gespannen zijn.

Tweekleurige vlaggen moeten horizontaal verdeeld, cn de onderste helft wit, de bovenste rood, of, bij het gebruik van blauw-witte vlaggen, blauw zijn.

Indien door mist of andere oorzaken de bovengenoemde seinen niet duidelijk te onderscheiden of niet zichtbaar zijn, mag niet doorgevaren worden voordat van den brugwachter op andere wijze vergunning is verkregen.

ocr page 42

30

62. Hot. is verboden eenig op of in den bodem of den oever met ankers of andere voorwerpen bevestigd vischtuig te plaatsen of te doen verblijven:

10. in het vaarwater, tenzij met vergunning van den Minister;

2°. buiten het vaarwater, tenzij duidelijk aangewezen des daags door helder geschilderde boeien, des nachts door een helder wit licht en loodrecht daarboven op een afstand van ten minste 0.50 Meter en ten hoogste 1 Meter een helder rood licht, welke beide lichten van alle zijden duidelijk zichtbaar moeten zijn.

Dit verbod is niet toepasselijk op aan een vaartuig verbonden blijvende vischtuigen (ankerkuilen). Bij het bezigen daarvan moet echter het vaartuig zoodanig worden geplaatst dat het met het vischtuig de vaart niet belemmert.

TITEL IV.

Bijzondere bepalingen voor het gebruik maken van kanalen en havens.

Art. 63. De bijzondere reglementen geven voor elk kanaal aan het maximum van de geoorloofde afmetingen der vaartuigen.

Bij het ontstaan van ondiepten of bij lage waterstanden hebben de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten het recht den bij het bijzonder reglement bepaalden diepgang der vaartuigen te beperken.

Het is verboden het kanaal te bevaren met vaartuigen van grootere afmetingen dan volgens het eerste en tweede lid van dit artikel zijn toegelaten, tenzij krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur.

64. Behalve in de buitenhavens, uitkomende in rivieren, stroomen, reeden, zeegaten of andere vaarwaters, alwaar hot ankeren geoorloofd is, mag de schipper nimmer ankers buiten boord laten hangen, tenzij hem dit door den sluismeester of den havenmeester is vergund.

Het is verboden langs de berghouten, aan de stootklossen of voor aan de zwaarden van de vaartuigen uitstekende ijzers of punten te hebben.

65. Bij het doorvaren van eenig kanaal mogen geene ra- of lijzeilen gevoerd worden.

Schippers van raschepen op eenig kanaal of in eene haven varende of liggende, moeten do raas, zooveel mogelijk, bakboord doen aanbrassen en de uitgaande vaartuigen bakboord, de binnenkomende vaartuigen stuurboord optoppen, en don lossen kluiverboom en het jaaghout inhalen of zooveel noodig inschieten.

ocr page 43

31

66. Indien in de nabijheid van eenig kanaalboord wordt gereden, is het verboden de giek, boegspriet of ander scheepstuig over het kanaalboord te laten uitsteken, of de zeilen aan die zijde van het kanaal over te doen vallen of te strijken.

67. De bijzondere reglementen bepalen het maximum dei-snelheid, waarmede de stoomvaartuigen zich mogen bewegen.

In het belang der scheepvaart of der werken kan deze snelheid door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten tijdelijk worden beperkt.

Het is verboden met grooter snelheid te varen dan volgens liet eerste en tweede lid van dit artikel is toegelaten, tenzij krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur.

68. Stoomvaartuigen mogen niet varen met eene grootere snelheid dan 75 nieter in de minuut:

1°. bij het varen tusschen de bij sluizen, bruggen en ponten geplaatste handwijzers of teekenen;

2°. bij het voorbijvaren van in tegengestelde richting varende stoomvaartuigen.

De kanaalbeambten zijn, zoo noodig, bevoegd den schippers te bevelen, de boven aangegeven snelheid nog te verminderen.

69. De bijzondere reglementen geven voor elk kanaal aan; do geoorloofde afmetingen der vlotten en de snelheid waarmede zij vervoerd mogen worden.

Het is verboden, het kanaal te bevaren met vlotten van grootere afmetingen, of vlotten met grootere snelheid te vervoeren dan volgens de vorige zinsnede zijn toegelaten, tenzjj krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur.

70. Terstond na de samenstelling van een vlot moet het buiten het kanaal of, indien de plaats zijner bestemming aan het kanaal gelegen is, naar die plaats worden gevoerd, waar liet binnen tweemaal 24 uren na de aankomst moet worden gebroken en uit het kanaal verwijderd. Tenzij ingeval van overmacht, mogen de vlotten slechts stilliggen op de bij het bijzonder reglement aangewezen plaatsen en op die, daartoe door de kanaal beambten aan te wijzen.

71. Een vlot van niet meer dan 25 balken mag, mits daarop één man ter besturing is, aan een vaartuig worden vastgekoppeld.

Overigens moeten alle vlotten afzonderlijk gejaagd of gesleept worden.

Elk niet aan een vaartuig vastgekoppeld vlot van 25 Meter of mindere lengte moot door ten minste t,wee bekwame mannen bestuurd worden.

ocr page 44

32

Voor elke 20 Meter meerdere lengte of een gedeelte daarvan moet één man meer ter besturing aanwezig zijn.

Te zamen gekoppelde vlotten worden als één vlot beschouwd.

72. De vlotten mogen geene raasten of jaagstokken voeren, hooger dan 4 Meter boven den waterspicgél.

73. Het is verboden meer dan twee paarden naast elkander aan de jaaglijnen te spannen.

74. Het grootste getal vaartuigen, dat door eene sleepboot raag worden gesleept, wordt bij bijzondere reglementen aangewezen.

Het is verboden een grooter aantal vaartuigen te sleepen dan krachtens het eerste lid van dit artikel is bepaald.

75. De gesleept wordende vaartuigen mogen op het kanaal geen groot of klein zeil voeren. Van die vaartuigen moeten gedurende de vaart alle zeilen gestreken of opgeborgen zijn.

76. Stilliggende vaartuigen en vlotten moeten, waar dit mogelijk is, worden vastgelegd aan de daartoe bestemde meerpalen en dukdalven.

Bij het naderen van vaartuigen moeten de kettingen en touwen, zoo noodig, tijdig losgegooid en zoover uitgestoken worden, dat de doorvaart niet belemmerd wordt.

77. In een kanaal of haven raag niet geankerd worden, tenzij bij sterke strooming, tengevolge van spuiing, en in noodzakelijke gevallen.

De schippers van vaartuigen, niet bestemd om de zee te bevaren, mogen zich echter ter plaatse, waar geen meerpalen of dukdalven zijn, van katankers bedienen, geheel in den grond en nabij het kanaalboon! geplaatst.

78. Vaartuigen mogen alleen geladen en gelost worden op de daartoe bestemde of door de kanaal beambten aangewezen plaatsen.

Het is verboden eenig voorwerp op de boorden der havens te brengen of te ontladen, zonder . vergunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte.

79. Bij het laden of lossen van vaartuigen mogon do wegen en bermen niet versperd worden.

Do schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht, ten gerieve van elkander, de noodige ruimte te maken tot het bezisen van lichters en tot het verhalen.

ocr page 45

33

80. De schipper van een vaartuig, liggende bij eene aanlegplaats, moet gedoogen dat een ander vaartuig ter zijde van het zijne komt en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of te lossen.

81. De schipper moet zijn vaartuig, zoodra het geladen of gelost is, terstond doen verhalen, wanneer een ander vaartuig terzelfder plaatse moet geladen of gelost worden.

Ingeval van gebrek aan ruimte hebben, bij gelijktijdige aankomst, de vaartuigen, welke komen laden, den voorrang boven die, welke komen lossen.

82. De hoofdingenieur en, wanneer er onmiddellijke noodzakelijkheid bestaat, de ingenieur is bevoegd het kanaal op te zetten of af te laten.

TITEL V.

g

Bepalingen ter instandhouding van de kanalen en van hetgeen daartoe behoort.

Art. 83. Behoudens verkregen rechten, is het verboden,

zonder vergunning van den Minister:

1°. water uit een kanaal of de daartoe behoorendc waterleidingen af te leiden; en

2°. in, op, onder of over het kanaal, zijne havens, berm-slooten, bermen, dijken, jaagpaden, wogen of andere, tot het kanaal beboerende gronden, eenig werk uit te voeren. In afwijking van voorgaande bepaling is het geoorloofd, niet vergunning van Onzen Commissaris, een trap, stoep, voetpad,

oprit, leuning of uitweg langs den kanaaldijk of -weg te maken, te veranderen of op te ruimen met inbegrip van do daartoe noodige werken in de bermsloot.

84. Het is verboden:

1°. het gebruik van de werken te belemmeren of te beletten;

2°. in het kanaal, met inbegrip van do daartoe behoorende gronden, vaste stoffen te werpen of te laten vallen, tenzij met schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur;

3°. over de bruggen te loepen of te rijden, voordat zij geheel gesloten en vastgezet zijn, of over de sluisdeuren te loopen, voordat zij geheel gesloten zijn;

4°. anders dan stapvoets over de bruggen te rijden;

5°. de vóór een brug geplaatste afsluiting zonder vergunning van den brugwachter te openen;

1

ocr page 46

34

G0. over een brug eene vracht te vervoeren, waarvan het gewicht, naar het oordeel van den brugwachter, de brug aan beschadiging blootstelt;

7°. in de ponten te gaan of daarin iets te brengen, in strijd met het verbod van den pontwachter;

8°. zich op eenig werk te begeven, waartoe de toegang op eene voor ieder blijkbare wijze verboden is;

9°. zonder daartoe door de kanaalbeambten te zijn aangezocht, bruggen te wippen, te draaien, te openen of te sluiten; sluisdeuren te openen of te sluiten, schuiven te lichten of te sluiten, schotbalken te lichten of andere werkzaamheden der kanaalbeambten te verrichten;

10°. op de los- of laadplaatsen andere goederen of voorwerpen neder te leggen, dan welke moeten worden ingescheept of zijn ontladen, of goederen te laten liggen, na verloop van den door de kanaal beambten voor de inlading of wegvoering bepaalden termijn.

85- Behoudens verkregen rechten, is het verboden, zonder vergunning van Onzen Commissaris, over de kanaalgronden, welke geen openbare wegen zijn, met paarden of voertuigen te rijden.

Dit verbod is niet toepasselijk op de voertuigen van de ambtenaren van den waterstaat of van de kanaalbeambten en op de jaagpaarden voor zooveel de jaagpaden betreft.

86. Tenzij daartoe bepaaldelijk bij voorwaarden van pacht-contracten vergunning is verleend, is het verboden, zonder vergunning van Onzen Commissaris, paarden of ander vee te weiden op de kanaalgronden. Vee zonder begeleiding aangetroffen, kan door de kanaalbeambten worden verwijderd.

TITEL VI.

Bepalingen voor de verspreide Rijkswerken.

Art. 87. Voor de doorvaart en het verder gebruik van do in art. 1, dorde lid, sub h, r, d, c, en f genoemde werken gelden de voorschriften, die omtrent het gebruik maken van sluizen, bruggen en verdere werken in Titel II, III en IV van dit reglement zijn opgenomen.

Voor de in het eerste lid genoemde werken alsmede voor do in art. 1, derde lid, sub u genoemde havens gelden voorts de voorschriften, die ter instandhouding van de sluizen, bruggen, havens en verdere werken, tot de kanalen behoorende, in Titel V zijn opgenomen.

ocr page 47

35

TITEL VII.

Bepalingen tot handhaving van dit reglement en de bijzondere reglementen en strafbepalingen.

A rt. 88. Met de handhaving van dit algemeen reglement on van de bijzondere reglementen zijn belast de ambtenaren on beambten der Rijks- en gemeentepolitie, do ambtenaren van den waterstaat, die van het loodswezen, van de ambulante recherche te water, die belast met het toezicht op de visscherij, en de kanaalbeambten.

De ambtenaren en beambten, in het eerste lid bedoeld, zijn bevoegd tot de handelingen in art. 6 der wet van 28 Februari 1891 {Staatsblad No. 69) omschreven.

De door hen opgemaakte processen-verbaal worden gezonden aan den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht en in afschrift aan den hoofdingenieur medegedeeld.

89. De ambtenaren van den waterstaat en de havenmeesters zijn bevoogd tot de handelingen in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad No. 09) omschreven.

90. De schippers zijn verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, welke hun door de ambtenaren van den waterstaat en de kanaalbeambten in het belang van de vaart of van de werken worden gegeven.

Van de bevelen der in het eerste lid genoemde ambtenaren en beambten is, onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hooger beroep op Onzen Commissaris.

91. Van alle schade, welke aan de werken in dit en in de bijzondere reglementen bedoeld, wordt toegebracht, wordt door den ambtenaar van den waterstaat of den kanaalbeambte, die zulks bemerkt of verneemt, proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt in:, den staat, waarin het beschadigde zich vóór het ongeval bevond, de omstandigheden waaronder de beschadiging heeft plaats gehad, de vermoedelijke kosten der herstelling, den persoon, die tot de vergoeding gehouden wordt geacht, en het bedrag, dat door dezen is verschuldigd.. Tot vaststelling van dit bedrag wordt achtgeslagen op den toestand, waarin de werken zich vóórdat dc schade was toegebracht, bevonden.

Dit proces-verbaal wordt door tusschenkomst van den ingenieur, gezonden aan den hoofdingenieur en, zoo mogelijk, in afschrift aan den betrokken schipper medegedeeld.

Van de beslissing van den in het eerste lid bedoelden

ocr page 48

36

ambtenaar of beambte is, overeenkomstig art. 4 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad No. G9), beroep op den hoofdingenieur.

92. Overtreding van de bepalingen van dit algemeen reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt:

«. met hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, de overtreding van art. 10 eerste lid, 12, 13, 55 tweede lid, 67 derde lid en 68 eerste lid, indien zij gepleegd is ton aanzien van een rivier, kanaal of haven, bestemd om te worden bevaren met zeeschepen ;

h. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden:

1°. de overtreding van de onder a genoemde bepalingen, indien zij gepleegd is ten aanzien van eenig vaarwater, niet bestemd om met zeeschepen te worden bevaren;

2°. de overtreding van art. 15 tweede lid, 25, 27, 48, 51 en 83 1°.;

c. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 7, 8, 10 tweede lid, 14 tweede lid, 15 derde lid, 19 eerste lid, 21 tweede lid, 24, 30, 34 tweede lid, 42, 43, 47, 54, 55 eerste lid, 56, 61, 62, 63 derde lid, 69 tweede lid, 74 tweede lid, 77, 83 2°., 84 1°. en 90 eerste lid;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 28. 31, 32, 34 eerste lid, 46, 49, 57, 58, 59, 60, 66, 70, 71, 81 en 84 50.;

e. met geldboete van ton hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 4, 5, 6, 9, 15 eerste lid, 19 tweede lid, 20, 26, 39 tweede en vierde lid, 52 eerste lid, 64, 65, 76, 79, 80 en 84 2°. en 9°.;

f. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 3 tweede lid, 11 eerste lid, 23 eerste lid, 33, 34 derde lid, 36, 39 eerste en derde lid, 44, 50, 52 tweede lid, 53, 72, 73, 75, 78, 84 30., 40., 60., 70., 80. en 100., 85 en 86.

Overtreding van de artt. 7, 9, 10, 12, 13, 14 tweede lid, 15, 19 eerste en tweede lid, 20, 21 tweede lid, 23 eerste lid, 24, 25 en 26 met vlotten gepleegd, wordt gestraft met de straffen hierboven op overtreding dier bepalingen gesteld

Overtreding van het verbod, krachtens art. 23 tweede lid uitgevaardigd, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, en van het verbod, krachtens art. 55 derde lid uitgevaardigd, met de straften onder a en h No. 1 gesteld naar de aldaar gemaakte onderscheiding.

ocr page 49

37

Slotbepalingen.

Art. 93. Do Minister is gemachtigd afwijking toe te staan of te bovclon van ile bepalingen ilcr artt. 4, 5, 6, 8, 18, 31, 32 derde lid, 61, 73, 75, 79 en 84 van dit reglement.

94. Yoor vaartuigen, bij het in werking treden van dit

reglement reeds in de vaart, wordt, om te voldoen aan het

voorschrift van art. 4 eerste lid, een termijn van twee jaar toegestaan.

ocr page 50

OVEREENKOMST betreffende wijziging en verbetering van de verlichting en betonning der Wester-Schelde.

(Wot van den 4den April 1892, Staatsblad No. 54).

Artikel i.

VERLICHTING.

A. Reede van Antwerpen.

Des nachts de plaats aanduiden bestemd voor den dienst van don overtocht door twee roode geleidelichten, geplaatst op den rechteroever boven en beneden deze plaats.

Do dagmerken worden geplaatst op den linkeroever.

B. Reede van Austruweel.

Op de sluis van de Schijn een wit licht plaatsen, voorzien van een rood scherm ter bedekking der Palenhoofden.

C. Fort Philippe.

Een wit licht plaatsen op de peilschaal rechteroever.

D. Frédéric.

Een licht van grootere sterkte plaatsen in den zuidelijken opstand.

Het thans in gebruik zijnde hooge licht zal worden benut voor het lage geleidelicht.

E. Bath.

Een licht van grootere sterkte plaatsen in den noordelijken opstand, die verhoogd zal moeten worden.

Het thans in gebruik zijnde licht zal benut worden voor het lage licht.

F. Rilland.

De lichtsterkte van beide thans in gebruik zijnde lichten vergrooten.

G. Groenendijk.

Het thans in gebruik zijnde hooge licht, verwisseld mot oen licht van grootere sterkte, zal benut worden als geleidelicht in de plaats van het thans in gebruik zijnde lage licht.

11. Hocdekenskerke.

Het plaatsen van een tweede licht zoodanig, dat het met het bestaande licht inéén den te volgen koers naar de roode ton 14 aangeeft.

1

ocr page 51

39

I. Eentlragtpolder.

Een licht plaatsen zoodanig, dat het met het zuidelijke licht ineen het vaarwater aanduidt.

J. Othenepolder.

Twee gelcidelichten plaatsen tot het aangeven van den te volgen weg om zich van uit het Pas van Terueuzen in de Everdingen te begeven, door het nieuwe vaarwater over de Margrietplaat.

K. Borselo.

Een tweede licht zoodanig te plaatsen, dat hot met het bestaande licht inéén juist aangeeft het midden van hot vaarwater stroomopwaarts.

Aut. 2.

BETONNING.

De afmetingen dor tonnen zullen worden vergroot van af Frédéric tot aan Vlissingen.

Tc behouden voor do zwarte tonnen (.'ide grootte) den tegenwoordigen vorm en de witte tonnen (3de grootte) te vervangen door ankerboci-tonnen.

Airr. 3.

BEBAKENIXG.

ln. een baken plaatsen op den berm van Weisoorden.

2°. id. Biezelingen.

3°. id. Margrietpolder.

4°. id. Lage Springer.

Aut. 4.

PEILSCHALEN.

Peilschalen te plaatsen;

1°. bij de sluis van de Pipe de Tabac;

'2°. bij den Doel;

3°. bij den Eendragtpolder, tegenover het middelste licht; 4°. bij Borsele.

Daarop zullen merken geplaatst worden.

ocr page 52

REGrLEMEIT VAN POLITIE voor de scheepvaart en de vlotvaart op den RIJN, met inbegrip van de WAAL en de LEK.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 12den April 1892, Staatsblad No. 86, gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van den oOsten Januari 1893, Staatsblad No. 29 en nader gewijzigd bij Koninklijke besluiten van den 23sten December 1893,

Staatsblad No. 219 en van den 5den Januari 1895, Staatsblad No. 1).

(In werking tredende (2 Februari 1893).

EERSTE AEDEELING.

Bepalingen voor den geheelen loop der rivier.

Alöemeene Voorschriftex.

Artikel I. 1°. De schippers van vaartuigen van allci'lei soort, de vlotvoerders, de bezitters van veerponten, molens op vaartuigen, badplaatsen en andere inrichtingen, aan of op den Rijn, en insgelijks zij, die belast zijn met het toezicht op of' de opening van schipbruggen, moeten waken dat alle schaden en belemmeringen wederkeerig worden vermeden.

2°. De vlotvoerders zijn gehouden om hun vlot te deen voorafgaan door een schuitje met een waarschuwer. Dit schuitje moet ten minste 3/i uur en ten hoogste l'/ü uur vóór het vlot uitvaren.

Het mag niet aan een stroom afvarend schip bevestigd worden. Het moet eene vlag voeren bestaande uit zestien ruiten afwisselend rood en wit, wanneer het vlot door een stoomschip wordt gesleept, en anders afwisselend rood en zwart. Do vlotvoerder moet op de vlotverklaring (artikel 25 van de herziene Rijnvaartakte van 17 October 1868) don naam van den waarschuwer vermelden, of dien daarop doen vermelden door de politie van de eerste haven, waar het vlot aankomt.

Indien het vlot door eenige onvoorziene omstandigheid niet kan doorvaren, moet de vlotvoerder terstond eeii tweeden waarschuwer zenden om de belanghebbenden te verwittigen dat het vlot niet komt.

De verplichting, om zich van een waarschuwer te doen voorafgaan, vervalt:

a. op het riviervak boven Munnhcim voor vlotten, welke tot 30 M. lang, 4.5 M. breed en stevig gebouwd zijn;

ocr page 53

il

b. op de riviervakkeu boneden Mannheim vuor vlotten, waarvan do verplichte bemanning volgens artikel 22 1°., niet meer dan 5 man bedraagt.

De voerders van zoodanige vlotten zijn echter gehouden om de boven voorgeschreven vlag op het vlot zelf te plaatsen.

3°. Geen schip mag zoodanig geladen zijn, dat zijn diepgang de lijn overschrijdt welke de uiterste daarvoor toegelaten grens aanwijst.

De ter aanwijzing van den grootsten toegelaten diepgang dienende krammen moeten door de schippers duidelijk zichtbaar gehouden worden met witte of gele kleur op een donkeren of met zwarte kleur op een lichten grond.

4°. Vaartuigen zonder vast dek, die bij hun grootsten toegelaten diepgang geen scheepsboordhoogte van ten minste 30 cM. boven water hebben, moeten, ook wanneer zij stilliggen, voorzien zijn van een toestel van ten minste 30 cM. hooge sterke, dichte planken, die aan den golfslag voldoenden weerstand biedt.

5°. Op stoom- en zeilschepen moet het materiëel met het oog op de veiligheid van het verkeer in den Staat, waar zij te huis behooren, voorgeschreven en in het scheepspatent vermeld, gedurende de vaart steeds volledig en in goeden staat aanwezig zijn.

Is voor een Duitsch schip het scheepspatent in Nederland uitgereikt, dan moet het patent bij het eerste aanleggen op de standplaats eener overheid voor het onderzoeken van schepen van den Staat, waar het te huis behoort, aan deze in elk geval echter binnen een jaar na de uitreiking aan eene overheid voor het onderzoeken van schepen, in een Duitschen oeverstaat voorgelegd worden, ten einde daarop de veroischte vermelding te stellen.

6°. Op stoombooten van elke grootte moet de naam van do boot of de naam en woonplaats van den eigenaar aan weerszijden op duidelijk zichtbare wijze aangebracht zijn.

Voorschriften bij de vaart In acht te nemen.

In hei algemeek.

2. 1°. Geen schip mag bij het vertrek of gedurende de vaart, de koerslijn, die een ander schip of vlot volgt, snijden on dit in zijn vaart belemmeren.

2°. De vaartuigen van allerlei soort, die de koersljjn eener stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen, overdwars kruisen, moeten zich, wanneer die stoomboot de rivier opvaart, minstens eene halve stroombreedtc, wanneer zij de rivier afvaart minstens eene volle stroombreedte van haren boegspriet verwijderd houden.

ocr page 54

42

3n. Op plaatsen, waar de rivier sterke bochten vormt en waar geen standplaats van waarschuwers bestaat, moeten alle stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen, de rechter (stuurboords)zijde van het vaarwater houden, totdat men van het roer de doorvaart in rechte lijn kan doorzien. De afvarende stoombooten moeten bovendien hare vaart verminderen.

4°. Op gedeelten waar vaartuigen aan steigers of kaaien liggen of aan den oever bezig zijn met laden of lossen, mogen stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen in het voorbijgaan of wenden tussehen die vaartuigen en het midden van de rivier met geen grooter kracht varen, dan het goed sturen der boot en hare voortbeweging vereisohen. Op dezelfde wijze moeten zij hare vaart verminderen bij het voorbijgaan van vaartuigen, die op de rivier liggen voor de uitvoering van verbeteringswerken, peilingen of metingen.

Hetzelfde geldt bij het voorbijvaren langs vlotten, die aan den oever gebouwd of gebroken worden, wanneer daarop bij het naderen van eene stoomboot door het zwaaien eener roode vlag, een teeken gegeven wordt.

Liggen zulke vaartuigen achter kribben of in het algemeen zóó dat zij van de aankomende stoombooten niet kunnen gezien worden, dan zijn deze slechts dan verplicht met verminderde snelheid te varen, wanneer hiertoe van de vaartuigen bij dag door het uitsteken van eene van verre zichtbare vlag, des nachts door het aanbrengen van eene groene lantaarn, een teeken gegeven is.

Voor de aan een kabel of ketting zonder aanwending van de schroef varende stoombooten geldt deze verplichting alleen bij het varen langs vaartuigen, die ter uitvoering van verbeteringswerken, peilingen of metingen, op de rivier liggen.

5°. Gedurende do vaart mogen nimmer meer dan twee schepen nevens elkander gekoppeld zijn.

6°. Behoudens het geval van overmacht is het aan allo vaartuigen verboden om zich dwars over de rivier te laten afdrijven.

7°. De schippers en vlotvocrders zijn verplicht op dc door tonnen, bakens of andere teekenen voor de scheepvaart aangeduide riviervakken, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere voorzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de aanwijzingen en bevelen door de beambten der rivierpolitie nopens de vaart op deze riviervakken gegeven, op te volgen.

De vaart bij nacht of met te diep gaande vaartuigen kan op deze riviervakken door genoemde politiebeambten verboden worden.

ocr page 55

43

Dergelijk verbod wordt door openbare aankondiging tijdig ter kennis van de belanghebbenden bij de scheep- en vlot-vaart gebracht.

Wanneer schepen elkander voorbijvaren.

I. In verschillende vaarwaters.

3. Schepen in verschillende vaarwaters, die elkander voorbijgaan in dezelfde of in tegenovergestelde richting, moeten het vaarwater blijven volgen, waarin zij zich bevinden.

II. In hetzelfde vaarwater.

A. Bij voldoende breedte.

Algemeene bepalingen.

4. Schepen, die zich in een en hetzelfde vaarwater bevinden, hetzij in dezelfde richting varende of niet, mogen elkander niet voorbijgaan, tenzjj, naar den waterstand op dat tjjdstip, het vaarwater blijkbaar voldoende is voor eene gelijktijdige doorvaart. In dit geval moeten zij zich gedragen naar de volgende voorschriften (artt. 5 en 6).

Voorbijvaren in hetzelfde vaarwater in dezelfde richting.

5. 1°. Wanneer een stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen, tot een afstand van 80 M. eene andere stoomboot of een sleepkonvooi genaderd is, mag zij niet naderbij komen.

Indien evenwel de schipper der achterste stoomboot wil voorbijvaren, moet hij vijf klokslagen geven, en bij dag eene blauwe vlag, des nachts een helder brandende lantaarn met wit glas ter halver mast doen hijschen, op welk sein bij het voorbijvaren de voorste stoomboot hare kracht moet verminderen en links (bakboord) uitwijken, de andere daarentegen rechts (stuurboord) uitwijken moet.

De schippers, die gedeelten der rivier beneden het Spijksche veer bevaren, moeten 's nachts de lantaarn niet ter halver mast, maar onder den boegspriet doen ophangen.

2°. Wanneer een schip, voor den wind zeilende, een ander schip, dat insgelijks voor den wind zeilt, bereikt en hot voorbij wil varen, moet de schipper van het achterste schip tijdig zijn voornemen te kennen geven, door te praaien; het voorste schip houdt dan onder den wind af, terwijl het achterste schip aan de windzijde voorbijvaart.

Voorbijvaren in hetzelfde vaarwater, in tegenovergestelde richting.

6. 1°. Stoombooten met of zonder gesleept wordende

ocr page 56

44

vaartuigen en schepen, voor den wind zeilende, moeten bij het ontmoeten rechts (stuurboord) uitwijken.

2°. Kan een schipper zich door bijzondere omstandigheden niet naar bovenstaanden regel gedragen, dan is hjj gehouden de seinen te geven, voorgeschreven bij artikel 5; do twee schepen moeten dan links (bakboord) uitwijken.

Bij nacht gelden de voorschriften van artikel 15, 5°.

B. Bij onvoldoende breedte.

7. 1°. Wanneer er te weinig ruimte is om elkander voorbij te varen (art. 4), moet hot opwaartsgaande schip, wanneer het te voorzien is dat het in de engte een afwaarts-gaand schip zal ontmoeten, beneden de engte ophouden, totdat het andere deze is doorgevaren. Indien een opwaartsgaand schip zich reeds in de engte bevindt, moet het afwaartsgaande schip voor deze ophouden en wachten, totdat het eerste er doorgekomen is.

2°. Wanneer een stoomboot opwaarts gaande zonder eenig vaartuig te sleepen, het laatste schip van een sleepkonvooi beneden de engte tot op 120 M. heeft ingehaald, mag dit sleepkonvooi de engte niet binnenvaren, dan nadat de eerste stoomboot hot voorbij is.

3°. Geene stoomboot mag een schip, dat haar in do engte voor is, tot meer dan 80 M. naderen.

III. Bijzondeee voorschriften.

Sleepkonvooies.

8. 1°. Sleepkonvooien mogen nimmer terzelfder hoogte varen, behalve wanneer zij elkander voorbijgaan.

2°. Alle stoombooten, die geen vaartuig sleepen, evenals alle schepen, die met gunstigen wind varen, moeten het vaarwater aan sleepkonvooien afstaan, als de ruimte het toelaat. Bij gebreke van voldoende ruimte moeten de schippers der sleepbooten en der gesleept wordende schepen, zelfs wanneer hun geen sein gegeven is, uitwijken overeenkomstig do voorschriften van de artt. 5 en 6.

3°. De schippers van sleepbooten met konvooi moeten hunne vaart verminderen gedurende hot voorbijvaren van andere stoombooten met of zonder gesleept -wordondc vaartuigen. Insgelijks mogen stoombooten, die geen vaartuig sleepen, slechts met verminderde kracht varen, zoolang zij sleepkonvooien voorbijvaren.

Schepen langs den oever getrokken.

9. 1°. Wanneer een schip langs den oever getrokken wordt, mag men slechts aan de tegenovergestelde zijde voorbijvaren. De getrokken schepen moeten, op de seinen, voorge-

ocr page 57

45

schreven bij artikel 5, zoo «icht mogelijk hun oever naderen.

2°. Het voorbijvaren tusschen een schip en den oever, van welken het getrokken wordt, is alleen geoorloofd, ingeval van noodzaak, aan een afwaartsgaande stoomboot, die geen vaartuig sleept, en ook dan slechts, nadat van deze de geinen gegeven zijn, voorgeschreven in art. 5 en wanneer het getrokken schip zich buiten het gewone vaarwater voor de opvaart bevindt, zoodat het onmogelijk is aan de rivierzijde er om heen te varen.

Op het sein, gegeven door de stoomboot, is de schipper van het getrokken schip verplicht de lijn te strijken en moet de stoomboot over deze heendrijven, terwijl zij zoolang mogelijk de werktuigen doet stoppen.

3°. Bij het jagen der schepen mogen nooit meer dan drie paarden aan hetzelfde sleeptouw gespannen zijn.

Schepen die voor stroom drijven.

10. Elke stoomboot is verplicht uit te wijken voor oen schip, dat voor stroom drijft zonder hulp van zeilen. Bij gebreke van voldoende ruimte is het voor stroom drijvend schip op de seinen, gegeven overeenkomstig .artikel 5, verplicht met behulp van riemen en ankers zooveel mogelijk uit te wijken.

Laveeresde schepen.

11. Schepen die laveeren, mogen niet doorvaren tusschen eene stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen en den oever, welken die stoomboot houdt. Die schepen zijn dus verplicht te wenden, vóórdat zij de koerslijn der naderende stoomboot kruisen.

Vaartuigen van een ladingsvermogen van minder dan fiOO

centenaar (30000 K.G.) en diep geladen vaartuigen.

12. 1°. De schippers van vaartuigen van alle soort, welker ladings vermogen minder dan 000 centenaar (80000 K.G.) bedraagt, mogen varende stoombooten of sleepkonvooien niet nabij komen en moeten zich buiten den daardoor veroorzaakten golfslag houden, totdat deze genoeg verminderd is, om de slingering niet gevaarlijk meer te doen zijn.

2°. Indien niettemin zulk een vaartuig een stoomboot of sleeptrein zoo nabij komt, dat het oogenschijnlijk gevaar loopt, dan mag de schipper van de stoomboot met geen grootere kracht varen, dan voor hare vaart en voor het goed sturen noodig is, en moet hij, zoo noodig, stoppen, indien hij dit zonder gevaar voor zijne boot en de gesleept wordende vaartuigen kan doen.

ocr page 58

40

3°. In de nabijheid van varende, diep geladen vaartuigen van een ladingsvermogen van 600 centenaar (150000 K.G.) of meer, moeten stoomschepen met of zonder gesleept wordende vaartuigen steeds met verminderde kracht varen.

De aan een kabel of ketting zonder aanwending van do schroef varende stoombooten zijn aan deze verplichting niet onderworpen.

Doorvaart van schepen en vlotten bij brüggen en veerponten.

13. 1°. Ieder schipper en ieder vlotvoerder is verplicht zich te onderwerpen aan de bijzondere maatregelen, voorgeschreven ten opzichte van de bruggen en de veerponten.

2°. De schippers van gierponten en van veerponten, dio zich bewegen langs een dwars door den Rijn gelegden kabel, zijn verplicht voor varende schepen en vlotten uit te wijken, en zulks in het algemeen naar de zijde tegenovergesteld aan het vaarwater, dat door deze gevolgd wordt.

Voor stoombooten, die geen vaartuig sleepen, moeten daarentegen de bovengenoemde ponten uitwijken, naar den oever, waar de ponten hare voor den nacht bepaald aangewezen ligplaats hebben.

3°. De schippers van ponten, bij 2°. genoemd, zijn verplicht voor de schepen en vlotten, die boven of beneden de gezegde ponten van den wal afsteken, uit te wijken en wol voor de stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen na de seinen, voorgeschreven bij artikel 5 en voor do andere vaartuigen en vlotten, nadat deze door den roeper gepraaid, of een roode vlag geheschen hebben.

4°. De stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen mogen de doorvaartopeningen der schipbruggen slechts met verminderde kracht doorgaan, tenzij de volle kracht noodig is voor de goede besturing der boot.

De aan een kabel of ketting zonder aanwending van de schroef varende stoombooten zijn aan deze verplichting niet onderworpen.

Bij het voorbijvaren van veerponten, die zich langs een dwars door den Rjjn gelegden kabel bewegen, moet de kracht der werktuigen zoodanig worden verminderd, dat die ponten niet in gevaarlijke schommelingen geraken.

5°. Des nachts maken de schippers van stoombooten door een kanonschot hun voornemen, om door eene schipbrug of langs een der bij 29. genoemde punten te varen, kenbaar en stoppen zij totdat de seinlantaarns op do brug geheschen zijn. In plaats van het schot kan een ander sein worden voorgo-

ocr page 59

47

schreven, wanneer het bevoegde gezag het voornemen van den schipper eener stoomboot, om door een schipbrug te varen, hij die brug door middel vaii eleetro-magnetische seintoestellen doet aanmelden.

Het stoppen van stoojibooten vook het vervoer

VAN REIZIGERS.

14. 1°. Elke stoomboot voor reizigers, die aan eene landingsplaats wil aanleggen, is verplicht de klok te luiden. Als het oponthoud moot plaats hebben op een station, dat door schuiten bediend wordt, geeft zij daartoe liet sein door bij dag eene witte vlag en des nachts een helder brandende lantaarn met wit glas te hijschen. Dezelfde seinen worden gebruikt door de schuitenvoerders, die de stoomboot willen aandoen.

2°. Bij het naderen eener schuit moet de stoomboot in tijds stoppen en mag men de werktuigen niet weder aanzetten voordat de schuit geheel buiten gevaar is.

De schuitenvoerder moet tijdig aankomen, zijne schuit evenwijdig houden met don koers, welken de stoomboot volgt, en de laatste niet eer aandoen dan nadat hare werktuigen tot stilstand zijn gebracht.

3°. Zij die zich in de schuit bevinden, moeten dadelijk gehoorzamen aan het verzoek van den schipper om te gaan zitten.

4°. De schuit moet bestuurd worden door twee kloeke varensgezellen, bedreven in hun vak en als matig bekend. Zij moet in een goeden staat zijn en voorzien zijn van al hot noodige tuig en van de aanwijzing van haren grootsten go-oorloofden diepgang.

5°. Het plaatselijk bestuur ziet toe op de stipte uitvoering der voorschriften bij 4°. gegeven, treft naar omstandigheden dadelijk de noodige voorzieningen en geeft daarvan kennis aan het bestuur der stoombooten.

G0. Geen ander dan de daartoe bepaald aangewezen schuitenvoerders mag reizigers of goederen aan boord der stoombooten brengen of ze van daar afhalen.

7°. Bij gelijktjjdige aankomst aan eene landingsplaats van twee stoombooten in tegenovergestelde richting mag do schipper der opvvaartsvarende boot de andere in het wenden niet hinderen en moet hij haar laten voorgaan.

Indien twee stoombooten in dezelfde richting varende aan dezelfde landingsplaats willen aanleggen, gaat de eerste voor en mag zij bij dat aanleggen niet door de andere worden belemmerd.

ocr page 60

48

Voorschriften voor de vaart bij nacht en

bij mistig weder.

15. 1°. Op het gedeelte der rivier boven het Spijksche veer moet elke stoomboot, die bij nacht vaart, dat is tusschen zonsondergang en zonsopgang, voorzien zijn van twee boven elkander hangende helder brandende lantaarns, bevestigd aan den top van den mast, of als er geen mast is boven aan den schoorsteen en bij het afwaarts varen bovendien van eene derde lantaarn onder den boegspriet. De aan een kabel of ketting varende stoombooten moeten aan den top van den mast of boven aan den schoorsteen in plaats van twee, drie lantaarns voeren. Voor de stoombooten, die geen vaartuig sleepen, moeten de aan den top van den mast of boven aan den schoorsteen bevestigde lantaarns wit, voor de stoombooten die vaartuigen sleepen, moeten zij rood zijn.

De lantaarns onder den boegspriet moeten een wit licht vertoonen. De gesleept wordende vaartuigen evenals alle schepen die zonder stoom varen, moeten van eene aan den top van den mast of ten minste 6 M. boven het scheepsboord aan een stok hangende witte lantaarn, de afwaartsgaande bovendien nog van een dergelijke lantaarn onder den boegspriet voorzien zijn.

Schuiten, die gedurende den nacht varen, moeten voorzien zijn van een helder brandende lantaarn van wit glas, ten minste op manshoogte boven boord aangebracht.

2°. Op het gedeelte der rivier beneden het Spijksche veer moeten de stoombooten die tusschen zonsondergang en zonsopgang varen, voorzien zijn van twee heldor brandende lantaarns, een van rood glas aan den bezaansmast of wanneer deze niet aanwezig is aan den vlaggestok op het achterschip of ook bij gemis daarvan op eene andere plaats op het achterschip, de andere van groen glas aan den fokkemast en beide op eene voldoende hoogte gesteld om op een geschikten afstand te kunnen waargenomen worden.

Alle zeilschepen, die gedurende dien tijd het bovengenoemde gedeelte der rivier bevaren, zijn verplicht bij het naderen van een stoom- of zeilschip en hetzij ze al of niet in dezelfde richting varen als dit laatste eene helder brandende lantaarn van wit glas te voeren, hoog genoeg om het naderend of genaderd wordende vaartuig de gelegenheid te geven, om zich tijdig voor alle gevaar van aandrijving te hoeden.

Gesleept wordende vaartuigen behoeven slechts één helder brandende lantaarn van wit glas te voeren, die aan den top van den grooten mast of bij gemis daarvan op andere wijze hoog genoeg bevestigd moet zijn, om van alle zijden goed gezien te kunnen worden.

ocr page 61

49

3°. Sleepkonvooien mogen bij nacht niet varen, dan wanneer do homel door sterren of maan verlicht is.

Zoodra de lucht betrekt, moeten de vaartuigen hunne vaart staken en op de eerste geschikte plaats aanleggen.

4°. Bij mistig weder mogen alle stoombooten, met of zonder gesleept wordende vaartuigen, slechts met halve kracht varen en moeten de schippers onafgebroken de scheepsklok doen kleppen, terwijl schippers van zeilschepen onafgebroken met den roeper moeten waarschuwen.

Wanneer de mist zoo zwaar wordt, dat geen der beide oevers meer kan worden gezien, zijn de varende schepen verplicht op de eerste geschikte plaats te gaan vastliggen; van dezen maatregel zijn uitgezonderd de veerponten door stoom gedreven.

5°. Wanneer schepen elkander des nachts in hetzelfde vaarwater (artikel 4) tegenkomen, moet bij het voorbijvaren steeds rechts uitgeweken worden (artikel 6, 1°.).

Wordt echter de schipper van eene opwaartsvarendo stoomboot met gesleept wordende vaartuigen door bjjzondere omstandigheden verhinderd dit voorschrift na te komen, dan moet hij vijf klokslagen doen hooren, en aan stuurboordszijde mot een helder brandende lantaarn van wit glas doen zwaaien, waarop beide vaartuigen links moeten uitwijken.

6°. Vlotten mogen hunne ligplaats niet vroeger verlaten dan één uur voor zonsopgang. Zjj mogen hunne reis niet later voortzetten dan één uur na zonsondergang, ten ware zij door onvoorziene omstandigheden verhinderd worden om vóór dat tijdstip de aanlegplaats te bereiken.

In dergelijk geval moeten na het vallen van den avond aan de zijde van het vaarwater twee helder brandende lantaarns van wit glas naast elkander op hot voorste gedeelte en twee zulke lantaarns op het achterste gedeelte van het vlot geplaatst worden ter hoogte van minstens 4 M. en naast elkander.

Bij mist, sneeuwjacht, storm, drijfjjs en ijsgang mogen vlotten niet varen.

Worden zij onderweg door dergelijk weder overvallen, dan moeten zjj op de eerste bereikbare aanlegplaats gaan liggen.

Voorschriften bij hoog en waterstand.

16. 1°. Op het gedeelte der rivier beneden Maxau dient de verhouding van den waterstand tot de merken I, II en 111 aan de aanlegplaatsen te Maxau, Spiers, Ludwigshafen, Mannheim, Mainz, Biobrich, Coblenz, Keulen, Dussoldorf, Ruhrort, Wezel, Emmerik, Nijmegen, Arnhem, Vreeswijk, Ticl en Bommel tot maatstaf voor de stoombooten gedurende

4

ocr page 62

50

de vaart van een dezer plaatsen tot de volgende naar de onderstaande voorschriften:

«. Bij een waterstand die merk I bereikt of te boven gaat, moeten de stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen bjj de afvaart het midden der rivier houden en bij de opvaart ten minste 80 M. van den gewonen oever verwijderd blijven. Wanneer het gedurende de vaart of om te landen, noodig wordt den oever nader te komen, moet do snelheid verminderd worden. De aan een kabel of ketting-zonder aanwending van de schroef varende stoombooten zjjn aan deze verplichting niet onderworpen.

h. Bij een waterstand die merk II bereikt of te boven gaat, mogen de stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen, des nachts in 't geheel niet, bij dag echter, voor zoover zij zich niet zonder aanwending der schroef langs een kabel of een ketting voortbewegen, alleen in het midden der rivier varen, met beperking, als zij stroomafwaarts gaan, van hare kracht tot hetgeen de goede besturing eischt. Zij mogen de stations naderen, wanneer de dienst het vereischt en daarbij aanleggen, mits zij hare beweegkracht verminderen.

c. Bij een waterstand, die merk III bereikt of te boven gaat, is de stoomvaart verboden, behalve om van den eenen oever naar den anderen te gaan.

2°. Op het gedeelte der rivier boven Maxau is de stoomvaart verboden, bjj een waterstand van meer dan 5.50 M. boven het nulpunt van de peilschaal te Straatsburg.

3°. Vlotten mogen niet vertrekken, wanneer de waterstand van den Rijn aan do naastbijgelegen peilschaal bij wassend water reeds de hierna te melden hoogten bereikt heeft en bij vallend water nog niet tot die hoogten gedaald is en wel aan de peilschaal te:

by wassend vallend

water. water.

Huningen.........3.9 M. 4.2 M.

Breisach (linkeroever).....3.4 „ 3.7 v

Schönau..........3.8 „ 4.1 „

Gertsheim.........3.7 „ 4.0 „

Straatsburg............4.5 „ 4.8 „

Selz............4.8 „ 5.1 „

Maxau-Maximiliansau.....5.3 „ 5.G „

Spiers...........5.5 „ 5.8 „

Mannheim-Ludwigshafen .... 5.5 „ 5.8 r

Mainz...........3.0 „ 3.2 „

Rüdesheim - . . ......3.(5 „ 3.9 „

Coblenz..........4.1 „ 4.4 „

Keulen..........4.4 „ 4.7 „

ocr page 63

51

bü wassend

vallend

water.

water.

Dusseldorf........

. 4.4 M.

4.7 M.

Ruhrort . . . •.....

• 4.6 n

5.1 „

Wezel..........

• 4.1 „

4.7 „

5.0 „

Nijmegen (plaatselijke peilschaal).

• 4.5 „

5.0 „

Arnhem (idem)....... .

. 3.5 „

4.0 „

Wanneer op oen der genoemde

plaatsen de

waterstand

zoodanig is dat do vlotten niet mogen vertrekken, moeten do vlotten die daar aankomen op de naaste geschikte aanlegplaats stilhouden.

Voorschriften bij lagen waterstand.

17. Zoodra de waterstand op het vak beneden St. Gnar gedaald is tot 1.3 M. aan do peilschaal te Keulen en op hot vak boven St. Goor tot 1 M. aan de peilschaal to Mains. is het sloepen door stoombooten gedurende den nacht verboden.

Voorschriften ingeval van vastvaren en zinken.

18. 1°. De schipper van oen vaartuig of voerder van oen vlot, dat aan den grond zit of gezonken is, moot op eene geschikte plaats aan den Rijn oen wachter of waarschuwer stellen, die in last heeft om de andere schippers en vlot voerders to praaien en hen bekend te maken mot den aard en de plaats van het ongeval.

Deze wachter moet geplaatst worden op minstens een uur gaans boven de plaats van het ongeval. Zoodanige wachter wordt ook geplaatst aan de uitmondingen van de bevaarbare nevenrivieren, die zich binnen gelijken afstand van die plaats bevinden.

Gezegde waarschuwors moeten op hun post blijven totdat zij bericht hebben gekregen, dat het vaartuig of vlot weder drijvende gemaakt is of totdat het bericht, dat onmiddellijk aan de politie moet worden gegeven, door eene bekendmaking dienovereenkomstig gevolgd is.

2°. Wanneer stoombooten mot of zonder gesleept wordende vaartuigen bij de opvaart gekomen zijn aan de plaats waar een schip of vlot aan den grond zit of gezonken is, moeten zij hare kracht verminderen tot op hetgeen hare vaart en hare goede besturing vereischen. Bij de afvaart moeten zij zoolang mogelijk met stilstaande werktuigen voorbijdrijven.

3°. Ieder schipper van een vaartuig en ieder voerder van oen vlot dat aan den grond zit of gezonken is, moet 's nachts de ligging daarvan aantoonen door eene helder brandende

ocr page 64

52

lantaarn van wit glas en zorg dragen, dat het licht in dien toestand onderhouden worde van zonsondergang tot zonsopgang.

De hoogte en plaatsing der lantaarn moeten zoodanig zijn dat men haar duidelijk uit alle richtingen kan waarnemen. In het geval dat vaartuigen of vlotten zich geheel onder water bevinden, moet de schipper of vlotvoerder ook bij dag een schuit of drijvend baken met een witte vlag daarboven plaatsen en houden.

4°. De schipper of vlotvoerder is daarenboven verplicht onmiddellijk kennis te geven aan hot bestuur der meest nabij gelegen plaats, dat en waar een vaartuig of vlot op het droge zit of gezonken is.

Ten gevolge dezer kennisgeving of wanneer zij van het ongeval langs eenen anderen weg mocht kennis dragen, moet do plaatselijke politie maatregelen nemen om, indien dit niet reeds is geschied, hot beletsel te doen aanduiden op dn wijze voorgeschreven onder 3°. ten koste van den schipper van het vaartuig of van den voerder van het vlot.

5°. Vaartuigen, vlotten en andere voorwerpen die gezonken, gestrand of aan den grond geraakt zijn, kunnen door het bevoegd gezag worden opgeruimd, wanneer dit van oordeel is, dat zij voor de scheepvaart hinderlijk of gevaarlijk zijn, onverminderd de aanspraak op vergoeding der daardoor ontstane kosten.

De opruiming heeft onmiddellijk plaats wanneer het bevoegd gezag van oordeel is, dat zij geen uitstel kan lijden, of wanneer de belanghebbenden daartoe niet willen overgaan of niet zijn te vinden. In andere gevallen wordt aan de belanghebbenden een bekwame termijn gesteld; is binnen dezen termijn de opruiming niet of niet volkomen geschied, dan heeft zij van Staatswege plaats.

Vorenstaande bepalingen maken geen inbreuk op de verder strekkende bevoegdheden, door de wetten van elk land aan liet bevoegd gezag toegekend.

C0. De bepalingen van 1°. tot 5°. moeten insgelijks in acht worden genomen, wanneer werken op de rivier (badinrichtingen, molens enz.) gezonken zijn.

De bezitters van deze zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de schippers en de vlotvoerders.

Voorschriften in acht te nemen bij het stilliggen.

19. 1°. Wanneer vaartuigen, vlotten, baggermachines of soortgelijke werktuigen buiten de havens stil of voor anker liggen, moeten zij behoorlijk vastgemeerd en te allen tijde zoodanig geplaatst zijn, dat de weg voor de scheepvaart geopend blijft en dat zij geen gevaar loopen van door den golfslag tegen den wal gestooten of anderszins beschadigd te worden.

ocr page 65

53

Op de vlotten moet bovendien bij dag en bij nacht steeds een voldoend getal wakers aanwezig zijn, eveneens op schepen, baggermolens en dergelijke werktuigen, wanneer zij in het vaarwater of in de nabijheid daarvan stilliggen op plaatsen, die in den regel niet als ligplaats gebezigd worden.

Wanneer ankers worden uitgeworpen in het vaarwater of in de nabijheid daarvan, dan moet de plaats door drijftonnen worden aangewezen. Deze tonnen moeten bij baggermolens en dergelijke toestellen, alle, bij andere vaartuigen en vlotten slechts voor zoover zij de plaatsen van zijankers aanwijzen, van zonsondergang tot zonsopgang van een helder brandende lantaarn van wit glas voorzien zijn.

2°. Buiten de havens mogen in het algemeen niet meer dan drie schepen in de richting der breedte van de rivier naast elkander liggen.

Waar de gesteldheid van het vaarwater niet toelaat dat de stoombooten op een afstand van meer dan 40 M. van den wal blijven, raag slechts eene enkele rij schepen langs den oever liggen.

De schepen en vlotten mogen zich niet ophouden of stilliggen in de engte der rivier, noch in de mondingen van de bevaarbare nevenrivieren of van de kanalen die mot den Rijn in verbinding staan, noch in het vaarwater van gierponten, of van ponten die zich bewegen langs een dwars door don Kijn gelegden kabel, noch in het vaarwater dat de stoom-ijooton volgen om tot de landingsplaats te komen of deze te verlaten, noch in het vaarwater om do schipbruggen door te varen. Het is hun insgelijks verboden boven of beneden de landingsplaatsen stil te liggen, zoodat zij geheel of gedeeltelijk voorbij deze uitsteken.

Schepen en vlotten, welke aan de door borden aangeduide aanlegplaatsen van schuitonveren aanleggen, moeten zoover van den oever verwijderd blijven, dat de veerschuiten ongehinderd kunnen af- en aanvaren.

3°. Bij het voorbijvaren van schepen die van den wal worden getrokken, moeten de schepen, die aan den oever liggen, den mast strijken of zich ver genoeg van den wal verwijderen om de treklijn onder zieh te kunnen doen doorgaan. Do bemanning van het stilliggend schip moet behulpzaam zijn bij het op deze wijze voorbijgaan van de lijn.

De vlotten, die langs do jaagpaden liggen, moeten voorzien zijn van volledige leiders of sleepleuningen voor de treklijnen.

Wanneer zij niet varen, mogen zij niet meer dan 80 M. in de rivier uitsteken. De vlotvoerders moeten dc bindbalken geheel gelijk met de breedte van het vlot doen afsnijden en de ankers zoodanig uitwerpen dat daardoor de scheepvaart niet belemmerd wordt.

ocr page 66

54

De bcmaiiiiiiig- van de vlotten is verplicht om met de jaaglijn de schepen te trekken, die anders niet in staat zouden zijn om de vlotten voorbij te varen.

4°. Wanneer schepen of vlotten voor anker zijn gegaan op plaatsen, die daartoe in den regel niet gebruikt worden of in het algemeen buiten do havens in het vaarwater of in zijne nabjjheid stilliggen, moeten bij mistig weder de stoombooten ten minste elke vijf minuten de klok luiden en alle andere schepen en vlotten even dikwijls met den roeper seinen.

5°. Alle schepen, vlotten en andere inrichtingen (badplaatsen, molens enz.) buiten de havens in open water gelegen, moeten 's nachts verlicht zijn door lantaarns, van zonsondergang-tot zonsopgang. Op de schepen moet een helder brandende lantaarn van wit glas ten minste 4 M. boven het scheepsboord zoodanig aangebracht zijn, dat zij aan de zijde van het vaarwater hangt en voortdurend zichtbaar is, zoowel bij het op-als bij het afvaren.

Gelijke wijze van verlichting is voorgeschreven voor de molens op den Eijn of andere inrichtingen op de rivier. De molens moeten hunne lichten ten minste 4 M. bovendeks hebben. Op de vlotten moeten aan elk der hoeken aan de zijde van het vaarwater twee lantaarns naast elkander gehangen worden, hoog genoeg om van verre te worden gezien.

Op de schepen, die buskruit of ongezuiverde petroleum geladen hebben, en waarop om die reden geen licht mag worden ontstoken, moet des nachts onafgebroken een waker zijn om de naderende schepen door tijdig praaien met den roeper te waarschuwen.

6°. De bepalingen van dit artikel betreffende de vlotvaart, gelden mede voor de vlotten, die in aanbouw zijn.

7°. Wanneer bagger werktuigen of soortgelijke toestellen aan het werk zijn op een gedeelte van de rivier, waar zij door de aankomende schepen niet tijdig gezien kunnen worden, moeten zij vóór en achter hunne ligplaats eene roode ton leggen. Deze bakens moeten op zoodanigen afstand gelegd worden, dat de schepen tijdig hunnen koers kunnen nemen door een vaarwater, dat door het werktuig niet versperd is. Liggen zulke werktuigen of toestellen in het vaarwater, dan moeten zij aan den kant, langs welken schepen en vlotten het best kunnen voorbijvaren, eene roode en witte vlag uitsteken.

Bepalingen betreffende de veren en andere inrichtingen.

20. 1°. De gierponten en hare schuitjes, zoomede de veerponten die zich bewegen langs een dwars door den Eijn gelegden kabel, moeten des nachts zóó liggen, dat het vaarwater vrij blijft.

ocr page 67

55

2,,. Do onder 1°. gonoemde vaartuigen moeten des nachts door den belieerder van het veer op eenc lioogte van ten minste 8 M. cn op het gedeelte der rivier boneden het Spjjk-soho veer van ton minste 6 M. boven water van oeno lantaarn mot groen glas en 1 M. loodrecht daaronder van een tweede lantaarn mot wit glas voorzien worden. Bij gierponten moet het bovenste schuitje en wanneer in plaats van schuitjes boeien gebezigd worden, de bovenste boven water uitstekende boei van eene lantaarn met wit glas voorzien zijn, welke bij schuitjes ten minste 3 M. boven water moet hangen. Deze lantaarns moeten den ganschen nacht heldor brandende en zichtbaar worden gehouden.

3°. Op de vaste bruggen moet het middelpunt dor openingen, bestemd voor de doorvaart van stroomopwaarts en -afwaarts gaande vaartuigen, insgelijks door helder brandende lantaarns met rood glas verlicht worden.

•1°. Wanneer de gewone plaats voor het nachtverblijf der ponton onder 1°. genoemd, ton gevolge van buitengewone omstandigheden veranderd is, moet de pont bij het naderen van een vaartuig ten spoedigste verwijderd worden, ton einde het vaarwater vrij te laten. Do stoombooten moeten door luiden met de klok, andere vaartuigen door praaien met den roeper het verlangen daartoe te kennen geven cn hunne vaart verminderen totdat het vaarwater weder vrij geworden is.

5°. De bad- en andere inrichtingen, die aan don jaagoever liggen en het optrekken belemmeren, moeten door de zorg des beheerders voorzien zijn van leiders of sleepleuningen voor de treklijnen.

6°. Het is verboden op het jaagpad inrichtingen te plaatsen of voorwerpen neêr te leggen, die het trekken der schepen kunnen belemmeren.

Bepalingen betreffende de vlotten.

Aanduiding en beperking van de breedte en lengte der vlotten.

21. Ieder vlot moot op het midden der lengte en ten minste 3 M. boven de oppervlakte twee aan do lengte-as evenwijdig boven elkander vast aangebrachte witte borden voeren, waarvan op het bovenste in rood de eerste letters der voornamen, de geslachtsnaam en de woonplaats van den ondernemer van het vervoer en op het onderste in zwart dezelfde opgaven betrekkelijk den vlotvoerder, alles in latjjnsche letters van ten minste 30 cM. hoogte en 5 cM. breedte, moeten zijn vermeld en wel op de beide vlakken der borden.

ocr page 68

56

Do breedte van de vlotten, die den Rijn bevaren, mag niet te boven gaan op het riviervak:

van Bazel tot Kehl...........6 M.

„ Kehl tot Steinmauorn........17 „

„ Steinmauorn tot Gerraersheim.....27 „

„ Germersheim tot Mannheim......36 „

„ Mannheim tot Coblenz........63 „

boneden Coblenz............12 »

Bovendien mag de lengte der vlotten niet te boven gaan voor het riviervak:

van Bazel tot Kehl...........27 M.

„ Kehl tot Steinmauern........'«W «

Aan de zijkanten van de vlotten mogen geen doelen van hot vlot of andere voor de schepen, bruggen enz. hinderlijke voorworpen uitsteken.

Bemanning, uitüusting en bepaling van het

gewicht der vlotten.

22. 1°. Elk vlot moet ten minste eene bemanning hebben van een man voor elke 25 M3. hard hout en eveneens van een man voor elke 50 M8. zacht hout.

Als hard hout wordt hierbij beschouwd eiken-, beuken-, olmen-, esschen-, kersen-, peren-, appel- en kornoeljehout, als zacht daaarentegen, popel-, elzen-, dennen-, sparren-, pijnboomenon lorkenhout, alsmede andere harsachtige houtsoorten.

2°. Beneden Wezel mag de hierboven onder 1°. bepaalde verplichte bemanning met een derde worden verminderd.

3°. Voor vlotten, die door stoomschepen gesleept worden, zijn boven Bingen de helft, van Biinjeu tot St. Goar drie vierden, en van St. Goar tot Wezel twee derden, beneden Wezel een derde der onder 1°. genoemde verplichte bemanning voldoende, mits het vlot aan de voorzijde van eene doelmatige stuurinrichting voorzien zij en de sleepboot de volgende kracht bezitte:

a. bij vlotten, van welke do verplichte bemanning volgens 1°. niet meer dan 50 man bedraagt, ten minste 25 werkelijke paardenkrachten;

h. bij vlotten, van welke do verplichte bemanning volgens 1°. meer dan 50 tot en mot 80 man bedraagt, ten minste 35 werkelijke paardenkrachten;

c. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning volgens 1°. meer dan 80 man bedraagt, ten minste 45 werkelijke paardenkrachten.

4°. Geen vlot mag eene bemanning van minder dan 3 man hebben, den vlotvoerder inbegrepen.

ocr page 69

57

5°. Vlotten, van welke de verplichte beniamiing volgens 1°. moer dan 4 man bedraagt, moeten voorzien zijn van het materieel vermeld in de bijlage.

6°. Ter bepaling van het in de vlotverklaring op te geven gewicht der vlotten, wordt de kubieke meter hard hout tegen 15 centenaar (750 K.G.) en de kubieke meter zacht hout tegen 11 centenaar (550 K.G.) berekend.

Onderzoek der vlotten.

23. Alle vlotten bij artikel 22 bedoeld, moeten vóór hun vertrek en de op een der nevenrivieren gebouwde vóór dat zij de reis op den Rjjn voortzetten, aan een onderzoek worden onderworpen. Uit onderzoek loopt over de samenstelling van de vlotten, hunne hechtheid en de aanwezigheid van do voorgeschreven bemanning en van het materieel overeenkonistig den inhoud der bijlage dezes.

Het onderzoek geschiedt door bevoegde ambtenaren of door deskundigen, die daarvoor beëedigd zijn.

De vlotvoerder moet vóór het vertrek van hot vlot het onderzoek aanvragen bij do overheid, die daarmede belast is. Deze zorgt dat het onderzoek zoo spoedig mogelijk en in elk geval binnen vier en twintig uren na ontvangst der aanvraag geschiedt.

De plaatsen waar het onderzoek kan geschieden, de personen die daarmede zijn belast en de overheid, bij wie het moet worden aangevraagd, worden openlijk bekend gemaakt.

24. Leidt het onderzoek tot gcenerlei aanmerking, dan vermelden de daarmede belaste personen zulks op de vlotverklaring, die de vlotvoerder moet medevoeren (art. 25 der herziene Rijnvaartakte van 17 October 1868). De vlotvoerders op wier vlotverklaring zoodanige vermelding ontbreekt, mogen niet vertrekken.

25. De bepalingen van de artikelen 23 en 24 zijn mede van toepassing voor het geval dat een vlot gedurende de reis:

«. zoodanig vergroot wordt, dat overeenkomstig den inhoud van do bijlage dezes vermeerdering van materieel vereischt wordt;

b. verkleind wordt en de vlotvoerder dientengevolge vermindering wil brengen in zijn uitrustingsmateriëel.

Geschieden die veranderingen op eene plaats, waar het vlot niet kan worden onderzocht, dan moet de vlotvoerder het onderzoek dadelijk aanvragen bij zijne aankomst op de naaste plaats waar eene daartoe bevoegde overheid aanwezig is.

ocr page 70

58

BEVOEUÜIIEII) DEK OVEKUKIL) KN DEK AMBTENAKEN.

26. De havenpolitie en allo ambtenaren, belast met het politieloezicht over de rivier, zijn bevoegd om te onderzoeken of de bemanning en het materieel, bij artikel 22 voorgeschreven, op hot vlot aanwezig zijn en om, indien dit niet het geval is, te bevelen dat het vlot op do naaste aanlegplaats zal stilhouden.

Do reis wordt alsdan niet voortgezet dan nadat de bemanning of het materieel zijn aangevuld.

27. Voor het onderzoek, voorgeschreven bij de artikelen 23 en 25 of voor dat, voorzien bij art. 26, kan geenerlei recht geheven worden.

TWEEDE AFDEELING.

Bijzondere bepalingen voor enkele vakken der rivier.

Posten van waarschuweus.

A kt. 28. Voor de veiligheid der scheej)vaart worden op het gedeelte der rivier van Bingen tot beneden Bonn posten van waarschuwcrs gevestigd op de volgende plaatsen:

1°. In het Bingerloch op den Muizentoren;

2°. Aan de Wirbellay ;

3°. Bij Oberwesel bij den Ossentoren;

4°. Tegenover den Kammereck op den rechteroever ;

5°. Boven St. Goar aan de Bank;

6°. Voor den Engersgrund bij St. Sebastiaan Engers, bij een waterstand beneden 3.2 M. aan de peilschaal te Cobleiïz;

7°. Voor de Rheindorferkehle boven de vroegere uitmonding der Sieg, bij een waterstand beneden 3.5 M. aan de peilschaal te Bonn.

De posten op die plaatsen zijn verplicht het naderen van alle strooraafwaartsgaande vaartuigen te seinen door het hijschen van vlaggen naar de volgende onderscheidingen en wel:

«. eene roode vlag als een schip nadert;

b. eene witte vlag als een sleepkonvooi nadert;

t'. eene roode en eene witte vlag als een vlot nadert.

Elk dezer seinen dient tevens om aan te toonen dat do afvaart vrij is, terwijl het niet geven van een sein aantoont dat de toegang voor de opvaart vrij is.

Voor het vertrek van een schip van Bingen stroomafwaarts moet de schipper tien minuten te voren van zijn voornemen kennis geven aan de waarschuwers van den post op den Muizentoren, door eene witte vlag ter halver mast te hijschen.

Hij mag niet afvaren dan na het vereischte seinteeken van den Muizentoren te hebben ontvangen.

ocr page 71

59

Behalve deze vaste posten is er voor den stoumsleepdiensl; stroomopwaarts een afzonderlijke waarschuwer tusschon St. Goar en Kammereck. Hij gaat voor het sleepkonvooi uit, en geeft, wanneer vaartuigen afwaarts komen, aan den bestuurder van dat konvooi het noodige sein met eene roede vlag.

Bijzonder openbaar gemaakte tarieven bepalen de rechten, welke de schippers moeten betalen voor den dienst der waar-schuwers.

VüOK HET VAK TUSSCHEN BlNGEN EN Si. GOAE.

29. 1°. Op het vak der rivier tussohen Bingen en St. Goar is het nooit geoorloofd een vaartuig aan de raderkast eener stoomboot te meren, behalve wanneer beschadigde vaartuigen niet anders kunnen vervoerd worden.

2°. Eene stoomboot die stroomopwaarts vaart, mag op het vak der rivier, aangewezen onder 1°. niet meer dan drie vaartuigen sleepen, die in eene rij achter elkander moeten gehouden worden, en eene die stroomafwaarts gaat, niet meer dan vier, twee aan twee samengekoppeld.

VOOK HET VAK BOVEN MANNHEIM.

30. «. Betreffende de posten van waarschuwers dei-vlotten :

Op het gedeelte van den Rijn tusschon Kelil en Stein-mauern behoeven de vlotten geen waarschuwingsboot vooruit te zenden, wanneer zij tot waarschuwing der vlotten gebruik maken van de aldaar langs den Rijn aangebrachte electro-magnetische seininrichting.

Zoodra de aanstaande komst van een vlot aan een der schipbruggen bij Freistett-Otfendorf, Greffern-Drüsenheim of Plittersdorf-Selz door de telegraaf is aangekondigd, wordt op die brug nabij den rechteroever de in artikel l, 2°. voorgeschreven waarschuwingsvlag gehesehen en eerst wanneer het vlot door de brug gevaren is, weder ingehaald.

Onder gelijk voorbehoud kan bij uitbreiding der bovengenoemde seininrichting beneden Plittersdorf, ook hier het waarschuwen der vlotten langs telegraphischen weg geschieden.

Wanneer vlotvoerders geen gebruik van de telegraaf willen maken of wel bij storing in de geleiding, moet het waarschuwen op de in art. 1, 2°. bepaalde wijze geschieden. Echter mogen de vlotvoerders zich daarvoor, in plaats van eene schuit, van een drijvend raam van rondhout of planken bedienen.

h. Betreffende de bemanning, de uitrusting en het onderzoek der vlotten :

De bepalingen in artt. 22 tot 25 zijn niet van toepassing

ocr page 72

60

op Jo uitoefening van do vlotvaart boven Mannheim. Wanneer vlotten van dit riviorvak Mannheim voorbijvaren, wordt deze plaats voor de toepassing van gonoerade bepalingen als punt van afvaart beschouwd.

Daarentegen moeten:

1°. Op het riviervak van Kehl tot Steinmauorn op vlotten die hoogstens 12 koppen bemanning hebben, één kabel, op grootere vlotten twee kabels elke van minstens 40 M. lengte, op het riviervak van Steinmauern tot Mannheim op ieder vlot een groote kabel van 1G0 tot 180 M. lengte en een hulpkabel van 15 tot 20 M. lengte aanwezig zijn.

2°. Op het riviervak tusschen Kehl en Steinmauorn alle vlotten bemand zijn met minstens eon man por 15 M3 inhoud der aaneengekoppelde houtmassa.

3°. Op het riviervak van Steinmauorn tot Gerniersheim moot de bemanning der vlotten bestaan uit:

A. Bij vlotten van onbezaagd hout:

«. van licht hout, minstens één man per 15 M3. inhoud;

h. van zwaar hout, minstens één man per 20 M3. inhoud.

B. Bij vlotten van bezaagd hout:

a. tot 180 M3. inhoud, minstens één man per 20 M3.;

b. van 180 tot 300 M3. inhoud, minstens één man per 25 M3.

C. Boven 300 M3. inhoud, minstens één man per SOM3.

4°. Op het riviervak van Gerniersheim tot Mannheim mag

deze bemanning overal met een vierde verminderd worden.

5°. De kleine, van het vooruitzenden van een waarschuwer vrijgestelde vlotten (artikel 1, 2°., al. 3) moeten ten minste met drie vlotters — den vlotvoerder medegerekend — bemand zijn.

De brugwachters moeten bij het doorvaren der vlotten door de bruggen onderzoeken of de noodige bemanning en de voorgeschreven kabels aanwezig zijn en wanneer de uitrusting of bemanning der vlotten niet overeenkomstig de voorschriften is, het vastleggen der vlotten aan de naastbijzijnde aanlegplaats gelasten. De vaart mag eerst na het aanvullen der uitrusting of bemanning voortgezet worden.

quot;Voor het vak tcsschen Mansheim en Mainz.

31. 1°. Op het riviervak tusschen Mannheim en Mainz behoeven vlotten, van welke de verplichte bemanning volgens artikel 22, 1°. niet meer dan 10 man bedraagt, niet voorzien te zijn van de in de bijlage van dat artikel voorgeschreven ankerschuitjes en ankers, wanneer hunne bemanning minstens het dubbel bedraagt van die, voorgeschreven in artikel 22, 1°. en de vlotvoerder kan bewijzen, dat voor alle door te varen

ocr page 73

()1

bruggen de voorgeschreven schuitjes en ankers hem tegemoet zullen gezonden worden.

2°. Do vlotten, die op het vak tusschen Mannheim en Mainz gebouwd zijn op plaatsen waar het bij artikel 23 voorgeschreven onderzoek niet kan geschieden, worden te Mainz aan dat onderzoek onderworpen.

Voor afgescheiden en tot landaanwinning bestemde

gedeelten en afsnijdingen van den RlJN.

32. 1°. Het is aan alle vaartuigen, met uitzondering1 van schuitjes, verboden te varen op door kunstwerken afgescheiden gedeelten der rivier, voldoende door bakens aangewezen en bestemd tot landaanwinning.

2°. Geen scheep- of vlotvaart mag plaats hebben op afsnijdingen van den Rijn dan nadat eene kennisgeving, afgekondigd door het bevoegd bestuur, deze voor do vaart geopend verklaard hoeft.

32a. 1°. Op het riviervak beneden het Spijksche veer gelden, in plaats van art. 15, 2°., voor do te nemen maatregelen gedurende de vaart bij nacht do volgende voorschriften:

A. Elk bij nacht onder stoom varend stoomschip, dat geen sleepdienst uitoefent moet voeren :

ff. aan of voor den fokkemast, op eene hoogte boven den romp van niet minder dan 6 meter, en indien het vaartuig meer dan 6 meter breed is, op eene hoogte van niet minder dan de breedte van het vaartuig, genieten over den scheepsromp, een lantaarn die een gelijkmatig en onafgebroken helder wit licht werpt, of over den geheelen horizon, of ten minste over een boog van den horizon van 20 kompasstreken, waarvan 10 tor wederzijde van het vaartuig vallen, zoodat de schijn, in de richting van de as van het vaartuig naar voren gerekend, nog tot op 2 streken achterlijker dan dwars van het vaartuig valt en van eene zoodanige lichtsterkte, dat het bij donkeren nacht en goed zicht op een afstand van ten minste 4 kilometer zichtbaar is;

Ij. aan stuurboordzijde een lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken groen licht werpt over een boog van den horizon van 10 kompasstreken, en wel in de richting van do as van het vaartuig naar voren gerekend, tot 2 streken achterlijker dan dwars;

r. aan bakboordzijde een lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken rood licht werpt over een boog van den horizon van 10 kompasstroken en wel in de richting van de as van het vaartuig naar voren gerekend, tot 2 streken achterlijker dan dwars;

ocr page 74

(!2

d. de hierboven onder h en c genoemde groene en roode zijlichten moeten bij donkeren nacht en goed zicht, ten minste 2 kilometer ver zichtbaar zijn. Ook moeten zij binnenboords zoodanig bedekt zijn, dat hot groene licht niet van bakboordzijde en het roode niet van stuurboordzijde kan gezien worden;

e. op kleine stoomvaartuigen mogen de onder h en c genoemde groene en roode zijlichten in een daartoe ingerichte lantaarn aan den voorsteven gevoerd worden.

B. Elk bij nacht onder stoom varend stoomschip, dat sleepdienst uitoefent, moet behalve de hiervoren onder A genoemde lichten, nog een tweede wit licht van gelijke inrichting en gesteldheid en terzelfder plaatse als het onder A a genoemde voeren en wel niet minder dan 0.8 meter en niet meer dan 1 meter loodrecht boven of beneden het eerstgenoemde.

C. Elk vaartuig, dat bij nacht gesleept wordt, of zonder stoomvermogen vaart, hetzij het zeilt, drijft, geboomd, getrokken, geroeid of op welke wijze ook zonder stoomvermogen voortbewogen wordt, moet een lantaarn met helder wit licht voor boven aan den mast, of ten minste 3 meter boven den romp aan een staak voeren. Dit licht moet bij vaartuigen die go-sleept worden of zeilen, bij donkeren nacht en goed zicht, ten minste 2 kilometer ver te zien zjjn.

Op vaartuigen zonder mast moet een licht zoodanig zijn aangebracht, dat het van alle zijden duidelijk zichtbaar is.

2°. Bovendien gelden voor het voeren van lantaarns op het riviervak beneden het Spjjksche veer nog de volgende bepalingen :

A. Voor het geval van vastvaren en zinken.

De ligplaats van een aan den grond zittend of gezonken vaartuig moet, behalve door de in art. 18, 3°. voorgeschreven witte lantaarn, nog bovendien door een roode lantaarn werden aangeduid, welke loodrecht boven de witte op een afstand van niet minder dan 0.5 meter en niet meer dan 1 meter gevoerd wordt, en waarvan de lichtsterkte voldoet aan de voor het witte licht gestelde eischen.

Ligt een geheel onder water gezonken vaartuig ter zijde van de daarbij geplaatste schuit, dan moet, aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, een tweede roode lantaarn gevoerd worden.

Bij dag moeten alle voorgeschreven lantaarns door zwarte bollen vervangen worden.

ocr page 75

63

B. Voor vlotten.

De volgens art. 15, 6°. en art. 19, 5°. op vlotten aan te brengen lantaarns moeten niet minder dan 2 en niet meer dan 4 meter afstand van elkander hebben en ook bij het stilliggen van het vlot ter hoogte van 4 meter geplaatst worden.

C. Voor Stoomveren.

De schippers van stoomvaartuigen, dienstdoende in overzetveren, moeten in plaats van de voor stoomvaartuigen voorgeschreven lichten de in art. 20 voor de veren voorgeschreven lantaarns voeren.

D. Algemeen Voorschrift.

Vaartuigen, die achter kribben of op eenige andere wijze verborgen liggen , moeten in het geval van art. 2, 4°., alinea 3 (1) in plaats van de aldaar voorgeschreven groene lantaarn, twee loodrecht boven elkander geplaatste roode lantaarns toonen.

DERDE AFDEELING.

Slotbepalingen.

Verplichting der schippers en vlotvoerders om voorzien te zijn van een exemplaar van dit reglement.

Art. 33. Ieder schipper en ieder vlotvoerder moot gedurende de uitoefening van zijn beroep een exemplaar van dit reglement bij zich hebben en het aan de beambten der politie, der invoerrechten , der havens en van den Waterstaat op hun verzoek vertoonen.

Strafbepalingen-

34 Ten aanzien van de straffen, toepasselijk voor de overtredingen van het tegenwoordig reglement, wordt verwezen naar artikel 32 van do herziene Rijnvaartakte van 17 October 18C8.

1

In den Dnitschcn tekst alinea 2.

ocr page 76

«4

BIJLAGE van artikel 22 van het reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op den Rijn.

Omschrijving van het vereischte materieel.

Voor vlotten, waarvan do verplichte bemanning volgons artikel 22, lquot;. bedraagt:

O 4-gt;

O '3 J 2 o ^

g 8 Ü5 ë M

Kleine ankerschuiten, i

Groote kabels.

Kleine kabels.

Ankers.

Kettingen.

5

tot

9

man

_

1

-

2

2

—

10

V

13

V

-

1

1

1

3

—

14

25

11

-

2

1

1

4

—

20

n

35

11

2

1

2

2

0

1

30

7gt;

40

11

3

1

2

3

7

1

41

V

45

r

3

1

3

3

8

1

40

V

50

yi

3

2

3

3

9

1

51

v

00

11

4

2

3

3

10

2

01

)1

70

11

4

2

4

3

11

2

71

V

80

v

4

2

4

4

12

3

81

Yl

90

v

5

2

5

4

13

3

91

y)

100

ii

5

2

5

4

14

3

101

v

110

v

fi

2

G

5

10

4

111

v

120

yi

rgt;

2

G

5

18

4

121

Yl

130

*i

7

2

7

5

20

4

131

Yi

140

n

7

2

7

5

22

5

141

V

150

Yl

7

2

8

5

24

5

151

v

100

Yl

8

2

8

5

20

5

101

V

170

11

8

2

8

5

28

7

171

v

180

11

8

2

8

5

30

7

181

n

190

V

9

3

9

0

32

8

Aanmerkingen :

1°. Do grooto ankevschuiten Mjii die van een ladingsvermogun van 00 tot GO centenaar (2000 tot 3000 K.G.); de kleine sclmiten, die \an eon ladings vermogen van 30 tot 35 centenaar (1500 tot 1750 K.G.).

2quot;. Do vlotten, waarvan de verplichte bemanning volgons artikel 22. 1% niet moer dan 7 man bedraagt, mogen in plaats van de kleine ankerschuiten oen schuitje hebben, zoogenaamd „Dreibordquot; van 8 M. lengte on van 1 tot 1.4 M. breedte aan den bovenkant.

3quot;. De schuit van don waarschuwer is niet in het bovongenoemd getal schuitjes begrepen.

Behoort hij het Reglement van politie voor de schoepvaart en do vlotvaart op den Rijn, vastgesteld hij Koninklijk besluit van 12 April 1892 (StruifMid No. 80).

ocr page 77

REGLEMENT VAN POLITIE voor

de schipbrug en het veer over de rivier DE LEK tusschen VREESWIJK en VIANEN.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 19den April 1892, Slaatshlad No. 88, met buiten werking stelling van het Koninklijk beshut van 24 November 1840, Staatsblad No. 75).

(In werking tredende I September 1892).

§ I. Gebruik der brug.

Artikel I. Het is verboden, zonder vergunning van den brugwachter, zich buiten de brugleuningen te begeven en do brugschepen af te dalen, en in het algemeen op do brug langer te vertoeven dan voor den overtocht noodig is. quot;Wanneer de brug tot het doorlaten van vaartuigen of vlotten geopend is, mag het geopende vak genaderd worden tot den afsluitboom of den ketting, behalve in buitengewone omstandigheden, tor beoordeeling van den brugwachter, wanneer do geheele brug moet vrij blijven.

De afsluiting mag niet zonder vergunning van den brugwachter geopend worden.

Vrachtgoederen of andere voorwerpen mogen niet op de brug of op de brugschepen worden nedergelegd.

2. Voetgangers, ruiters, rij- of voertuigen, elkander op de brug ontmoetende, zijn gehouden voldoende uit te wijken, en wol van de hand of naar de rechterzijde.

De rij- of voertuigen mogen niet anders uitwijken, dan boven een der brugschepen.

Het laatst op de brug gekomen rij- of voertuig zal te dien einde op de brug moeten stilstaan tot het andere is voorbij-gereden.

Het overgaan over de uitdrijfvakken, alvorens zij aan de brug zijn aangesloten en de kleppen zijn neergelaten, is verboden.

3. Over de brug moet stapvoets en, het geval van uit-wjjken uitgezonderd, op het midden worden gereden.

Opvolgende rij- of voertuigen mogen de vooruitrijdenden niet dichter naderen dan tot op een afstand van ten minste drie brugschepen.

ocr page 78

66

In geen geval mag worden toegelaten dat meer dan drie rij- of voertuigen tegelijk zich in dezelfde richting op de brug bewegen.

Wanneer een met meer dan twee paarden bespannen rij-of voertuig zich op de brug bevindt, mag geen soortgelijk rij- of voertuig, van de tegenovergestelde zijde komende, zich daarop begeven, zoolang het eerste de brug niet is overgetrokken.

In dezelfde richting rijdende, mogen deze rij- of voertuigen elkander niet dichter volgen dan op den afstand van ten minste een derde der lengte van de brug.

Wanneer het uithoofde van de zwaarte of den aard dei-bevrachting of om eenige andere reden door den brugwachter geraden wordt geoordeeld, om niet meer dan een enkel rij- of voertuig tegelijk op de brug toe te laten, moeten de voerlieden zich gedragen naar de daaromtrent door den brugwachter te geven bevelen, die in dat geval de beurten van overtocht zal regelen naar de orde van aankomst der rij- of voertuigen.

Het is verboden over de brug eene vracht te vervoeren waarvan het gewicht, naar het oordeel van den brugwachter, de brug aan beschadiging blootstelt.

4. Kudden rund- of ander vee, zich in tegengestelde richting bewegende, mogen zich niet gel[jktijdig op de brug bevinden, tenzij het vee stuk voor stuk bij de hand geleid wordt.

In geen geval mogen meer dan zes paarden aaneenge-koppeld of meer dan twaalf stuks hoornvee tegelijk over de brug geleid of vervoerd worden.

Het overvoeren moet altijd geschieden onder do hoede of het geleide van twee personen, waarvan een voor en een achter het vee behoort te gaan.

De drijvers of geleiders van groote kudden moeten zorgen, dat zoowel het terug-blijvende als het overgevoerde vee onder behoorlijk toezicht zij.

Gevaarlijke dieren mogen nimmer anders dan aan do hand geleid en onder behoorlijke hoede over de brug worden gevoerd.

De geleiders zijn in het algemeen verplicht de maatregelen te nemen die verder bij het overvoeren van kudden vee of van gevaarlijke dieren, tor voorkoming van onheilen, dooiden brugwachter worden noodig geacht.

5. Al hetgeen bij hoogen of lagen waterstand, of wegens andere oorzaken tot voorkoming van beschadiging der brug door den brugwachter zal noodig worden geoordeeld, waaronder het afladen of remmen van zwaar geladen rij- of voertuigen, het staken van den overgang over de brug enz., zal op zjjne eerste aanmaning moeten worden in acht genomen.

ocr page 79

67

Het is verboden vuur over de brug te dragen, of in het algemeen iets te doen wat aan de brug of de daartoe be-hoorende voorwerpen en gereedschappen schade zou kunnen veroorzaken, of ook de brugschepen los te maken.

6. Zoodra des avonds de lantaarns op de brug ontstoken zijn, zullen, ter voorkoming van ongelukken, de hekken worden gesloten en gesloten blijven totdat de dag aanbreekt.

De brugwachter is echter verplicht om, wanneer des nachts voetgangers, rij- of voertuigen de brug willen overtrekken, op het eerste geroep of gelui met de daar aanwezige bel de hekken te openen en ze na den doortocht weder te sluiten.

§ 2. Doorvaart van vaartuigen, vlotten enz.

7. Bij het naderen der brug moeten de schippers van vaartuigen en vlotten op genoegzamen afstand de zeilen strijken, en in het algemeen de vaart zoodanig verminderen, dat zij des noods het anker kunnen uitwerpen en stilliggen, tot de brug geopend is.

Bij feilen bovenwind of storm moeten de schippers der vaartuigen steeds de zeilen strijken, het anker uitwerpen en overstuur of achteruit aan een tros op de voorste bolders dooide brug vieren.

Bij het naderen der brug wordt, bij tijds, geroepen of mot de stoomfluit of bel gewaarschuwd, om door den brugwachter te worden opgemerkt en doorgelaten. Wanneer twee of meer vaartuigen tegelijk de brug naderen , regelt de brugwachter de volgorde waarin zij mogen naderen, en den afstand dien zij daarbij onderling moeten bewaren.

De schippers der vlotten zijn verplicht al de voorzorgsmaatregelen te nemen , die hun door den brugwachter in het belang der veiligheid van de brug zullen worden voorgeschreven.

In het algemeen moeten de schippers zich gedragen naaide waarschuwingsseinen, omschreven in het Koninklijk besluit van 14 April 1880 {Staatsblad No. 40), gewijzigd bij dat van 29 December 1888 (Staatsblad No. 229), welke seinen zijn als volgt:

a. Voor het doorvaren der brug:

bij dag: een rood-witte vlag aan ieder van de beide zijden der opening geplaatst;

bij nacht: twee roode lantaarns boven elkander geplaatst, aan ieder van de beide zijden der opening;

b. Voor het belet zijn van de doorvaart door storm, voorkomen van beschadiging enz.:

bij dag: door een blauw-witte vlag;

ocr page 80

68

bij nacht: door twee groene lantaarns boven elkander geplaatst;

c. Tot het verwittigen der naderende schepen op grootoren afstand, dat zij de brug kunnen doorvaren :

1°. ten teeken van doorvaart opwaarts,

bij dag: een witte vlag;

bij nacht: twee roode lantaarns;

2°. ten teeken van doorvaart afwaarts,

bij dag: een roode vlag;

bij nacht: een roode lantaarn.

Indien door mist of andere oorzaken de bovengenoemde seinen niet duidelijk te onderscheiden of niet zichtbaar zijn, mag niet doorgevaren worden, voordat van den brugwachter op andere wijze vergunning is verkregen.

8. Bij hoogwater en bij sterken bovenwind worden dooide schippers der van de aanlegplaats afvarende passagiersbooten de noodige voorzorgen genomen, om niet door den stroom tegen do brug aan te drijven of schuin voor de opening te komen.

9. Geen aan of nevens elkander of aan stoombooten gekoppelde vaartuigen mogen tegelijk, zonder vergunning van den brugwachter, door de brug varen.

Bij het naderen der brug moeten de aan elkander verbonden vaartuigen worden losgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk op stoombooten, waaraan niet meer dan één vaartuig op zijde gekoppeld is, indien do brugwachter tegen de doorvaart geen bezwaar maakt.

10. Hot is verboden met haken of boomen in de schepen, leggers of leuningen der brug te steken of daaraan, zonder vergunning van den brugwachter, eenig vaartuig of vlot vast te maken.

11. Boomen; balken, schuiten, booten of andere drijvende voorwerpen moeten door de eigenaars of door de schippers dei-vaartuigen en vlotten, waartoe zij behooren, steeds zoodanig worden vastgemaakt of bevestigd, dat zij niet door den stroom tegen de brug kunnen worden aangedreven.

12. Ingeval hevige wind, hooge waterstand of andere omstandigheden, ter beoordeeling van den brugwachter, het openen van de brug voor de doorvaart beletten of dit ter voorkoming van beschadiging ongeraden voorkomt, zal dit worden aangeduid door het vertoonen der seinen, omschreven in art. 7

ocr page 81

69

sub b. De schippers der sloombooteu, vaartuigen en vlotten moeten dan de vaart tijdig en op zoodanigen afstand van de brug stoppen, dat geene aanvaring kan plaats hebben.

13. Bij het doorlaten van vaartuigen en inzonderheid van vlotten zorgen de schippers, dat daaruit voor de gemeenschap tusschen de beide oevers, zoo min mogelijk oponthoud ontsta, en zjjn zij verplicht de deswege door den brugwachter te geven bevelen op te volgen.

Wanneer de brugwachter het noodig acht, alvorens de brug te openen, de kleine veerpont en de noodige roeibooten in gereedheid te doen brengen, om de aankomende personen, rij-of voertuigen te kunnen overzetten, moeten de vaartuigen en vlotten blijven liggen, tot de brug voor hen geopend wordt.

Voor de doorvaart van vlotten wordt het aantal vakken, dat zal worden uitgedreven, door den brugwachter bepaald.

§ 3. Gebruik van het veer.

14. De aan het veer komende personen, zoo reizigers als geleiders van dieren en van rjj- of voertuigen, worden tegelijk met hunne goederen, dieren of rij- of voertuigen overgevoerd naar de orde van aankomst en moeten zich gedragen naar do deswege door den brugwachter te geven bevelen.

liet is verboden rij- of voertuigen, vrachtgoederen ofeenig ander voorwerp op de bruggen der ponten te plaatsen, terwijl in het algemeen bij elke reis, ter beoordeeling van den brugwachter, niet meer rij- of voertuigen, dieren of vrachtgoederen zullen mogen worden ingescheept of ingeladen, dan het ruim dor pont gevoegelijk kan bevatten en wel zoodanig, dat de reizigers en geleiders behoorlijk plaats vinden om in de pont te staan.

Paarden, runderen, schapen en varkens mogen alleen met de pont worden overgebracht.

15. Ingeval bij hoogwater en bij harden wind, paarden of hoornvee worden overgevoerd, mogen geene reizigers gelijktijdig in de pont, anders dan in hun rjjtuig gezeten, plaats nemen, maar moeten zij, zulks verlangende, met de boot worden overgebracht.

16. Zoo de overtocht aan het veer met de pont of roeiboot moet geschieden, zijn de voetgangers en voerlieden in het algemeen verplicht de aanwijzingen na te komen van den brugwachter, die deze, zoowel in het belang van de veiligheid van den overgang over de rivier, als ter voorkoming van beschadiging van het veermateriëel, zal verstrekken.

ocr page 82

70

§ 4. Algemeene bepalingen.

17. Klachten over de bediening van de brug en het veer kunnen worden opgeteekend in het ten voerhuize aanwezig register, gewaarmerkt door den betrokken ontvanger der registratie en domeinen, hetwelk iedere maand aan den betrokken opzichter van den waterstaat moet worden vertoond en door dezen wordt afgeteekend.

18. De handhaving van dit reglement is onder de bevelen van de betrokken ambtenaren van 's Rijks waterstaat opgedragen aan den brugwachter.

Deze ambtenaren zijn bevoegd tot de handelingen in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 {Staatsblad No. 69) omschreven.

Zij zijn, evenals de ambtenaren der Kijks- en gemeentepolitie, bevoegd tot het opmaken van proces-verbaal van de overtredingen van dit reglement en tot de handelingen in art. 6 der aangehaalde wet omschreven.

De processen-verbaal worden gezonden aan den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht, en door tusschenkomst van den arrondissements-ingenieur in afschrift medegedeeld aan den betrokken hoofdingenieur van 's Rijks waterstaat.

19. Van alle schade, welke aan de brugwerken, ponten, booten met toebehooren enz. wordt toegebracht, wordt door den brugwachter proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt in den staat, waarin het beschadigde zich vóór hot ongeval bevond, de omstandigheden waaronder de beschadiging heeft plaats gehad, do vermoedelijke kosten der herstelling, den persoon die tot vergoeding gehouden wordt geacht, en hot bedrag dat door dezen is verschuldigd. Tot vaststelling van dit bedrag wordt acht geslagen op den toestand waarin de werken zich vóór dat de schade was toegebracht, bevonden.

Dit proces-verbaal wordt door tusschenkomst van den ingenieur gezonden aan den hoofdingenieur, en in afschrift aan den betrokken schipper medegedeeld.

20. Dit reglement wordt gedrukt en bij den brugwachter verkrijgbaar gesteld.

Aan beide uiteinden der brug en aan het veerhuis zal ecu duidelijke afdruk worden opgehangen.

21. Van de bevelen der ambtenaren van 's Rijks waterstaat en van den brugwachter is, onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hoogcr beroep op Onzen Commissaris in de provincie.

ocr page 83

71

22. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt;

a. mot geldboete van ten hoogste honderd guldon, dc overtreding van art. 3, laatste lid, 4, vijfde en zesde lid, 5, 7, eerste, tweede, derde, vierde en laatste lid. 8, 9, eerste lid, 11, 12, laatsten volzin, 13, eerste en tweede lid en 14, tweede en derde lid;

mot geldboete van ter hoogste vijf en zeventiy gulden, de overtreding van art. 1, tweede en derde lid, 2, laatste lid, 4, tweede, derde en vierde lid, 10, 14, eerste lid en 16;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 1, eerste lid, 2, eerste, tweede en derde lid, 3, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 4, eerste lid en 15.

ocr page 84

REGLEMENT van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op de MER WEDE, de NOORD en de NIEUWE MAAS.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 6den Mei 1892, Staatsblad No. 97, gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van den SOsten Januari 1893, Staatsblad No. 28 en nader gewijzigd by Koninklijk besluit van den 19den December 1893, Staatsblad No. 214).

(In werking tredende (2 Februari 1893).

A Igemeene hepulinjcn.

Artikel I. Dit reglement is toepasselijk:

1°. op de rivier de Merwede tot aan den mond der \Volie we vershaven te Dordrecht;

2°. op de rivier de Noord;

3°. op de rivier de Nieuwe Maas tot de lijn, gericht van 100 M. boven den Oostraond van het Mallegat, onder do gemeente Rotterdam, op hoekpuntpaal CCCXXXI der herziene rivierkaart onder de gemeente Kralingen.

2. 1°. De schippers van vaartuigen van allerlei soort, de vlotvoerders, de bezitters van veerponten, badplaatsen en andere inrichtingen, aan of op de in artikel 1 genoemde rivieren, moeten waken dat alle schaden en belemmeringen wederkeerig worden vermeden.

2°. De vlotvoerders zijn gehouden om hun vlot te doen voorafgaan door een schuitje met een waarschuwer.

Dit schuitje moet ten minste % uur en ten hoogste 11/2 uur voor het vlot uitvaren. Het mag niet aan een stroom-afvarend schip bevestigd worden. Het moet eene vlag voeren, bestaande uit zestien ruiten afwisselend rood en wit, wanneer het vlot door een stoomboot wordt gesleept, en anders afwisselend rood en zwart. De vlotvoerder moet op de vlotverklaring (artikel 25 van de herziene liijnvaartakte van 17 October 1868, voor zooveel noodig goedgekeurd bij de wet van 4 April 186!), Staatsblad No. 37) den naam van den waarschuwer vermelden, of dien daarop doen vermelden door de politie aan de eerste haven, waar het vlot aankomt.

ocr page 85

73

Indien het vlot door eenige onvoorziene omstandigheid niet kan doorvaren, moot de vlotvocrder terstond een tweeden waarschuwer zenden om de belanghebbenden te verwittigen dat het vlot niet komt. De verplichting, om zich van een waarschuwer te doen voorafgaan, vervalt voor vlotten, waarvan de bemanning, volgens artikel 21 1°., niet meer dan 5 man bedraagt.

De voerders van zoodanige vlotten zijn echter gehouden om de boven voorgeschreven vlag op het vlot zelf te plaatsen.

3°. Geen schip mag zoodanig geladen zijn, dat zijn diepgang de lijn overschrijdt welke de uiterste daarvoor toegelaten grens aanwijst.

De tor aanwijzing van den grootsten toegelaten diepgang-dienende krammen moeten door de schippers duidelijk zichtbaar gehouden worden met witte of gele kleur op een donkeren of met zwarte kleur op een lichten grond.

4°. Vaartuigen zonder vast dek, die bij hun grootsten toegelaten diepgang geen scheepsboordhoogte van ten minste 30 cM. boven water hebben, moeten, ook wanneer zij stilliggen, voorzien zijn van een toestel van ten minste 30 cM. hooge sterke, dichte planken, die aan den golfslag voldoenden weerstand biedt.

5°. Op stoom- en zeilschepen moet het materieel met het oog op de veiligheid van het verkeer in den Staat, waar zij te huis behooren, voorgeschreven en in hot scheepspafcent vermeld, gedurende de vaart steeds volledig en in goeden staat aanwezig zijn.

(i0. Op stoombooten van elke grootte moet de naam van de boot of de naam en -woonplaats van den eigenaar aan weerszijden op duidelijk zichtbare wijze aangebracht zijn.

Voorschriften, bij de vaart in acht te nemen.

In het algemeen.

3. 1°. Geen schip mag bij het vertrek of gedurende de vaart, de koerslijn, die een ander schip of vlot volgt, snijden en dit in zijn vaart belommeren.

2°. Do vaartuigen van allerlei soort, die do koerslijn eencr stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen, overdwars kruisen, moeten zich, wanneer die stoomboot de rivier opvaart, minstens eene halve stroombreedte, wanneer zij de rivier afvaart mii.stens eene volle stroombreedte van haren boegspriet verwijderd houden.

ocr page 86

74

3°. Op plaatsen, waar de rivier sterke bochten vormt en waar geen standplaats van waarschuwers bestaat, moeten allo Btoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen, de rechter (stuurboords)zijde van het vaarwater houden, totdat men van het roer de doorvaart in rechte lijn kan doorzien. De afvarende stoombooten moeten bovendien hare vaart verminderen.

4°. Op gedeelten waar vaartuigen aan steigers of kaaien liggen of aan den oever bezig zijn met laden of lossen, mogen stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen in het voorbijgaan of wenden tusschen die vaartuigen en het midden van de rivier met geen grooter kracht varen, dan het goed sturen dor boot en hare voortbeweging vereischen. Op dezelfde wijze moeten zij hare vaart verminderen in het voorbijgaan van vaartuigen, die op de rivier liggen voor de uitvoering van verbeteringswerken, peilingen of metingen.

Hetzelfde geldt bij het voorbijvaren langs vlotten, die aan den oever gebouwd of gebroken worden, wanneer daarop bij het naderen van eene stoomboot door het zwaaien eener roode vlag, een teeken gegeven wordt.

Liggen zulke vaartuigen achter kribben of in het algemeen zóó dat zij van de aankomende stoombooten niet kunnen gezien worden, dan zijn deze slechts dan verplicht met verminderde snelheid te varen, wanneer hiertoe van de vaartuigen bij dag door het uitsteken van eene van verre zichtbare vlag, des nachts door het aanbrengen van twee loodrecht boven elkander geplaatste roode lantaarns, een teeken gegeven is.

5°. Gedurende de vaart mogen nimmer meer dan twee schepen nevens elkander gekoppeld zjjn.

6°. Behoudens het geval van overmacht is het aan alle vaartuigen verboden om zich dwars over de rivier te laten afdrijven.

7°. De schippers en vlotvoerders zijn verplicht op de door tonnen, bakens of andere teekenen voor de scheepvaart aangeduide riviervakken, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere voorzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de aanwijzingen en bevelen door do beambten der rivierpolitie nopens de vaart op deze riviervakken gegeven, op te volgen.

De vaart bij nacht of met te diep gaande vaartuigen kan op deze riviervakken door genoemde politiebeambten varboden worden.

Dergelijk verbod wordt door openbare aankondiging tijdig tor kennis van de belanghebbenden bij de scheep- en vlot-vaart gebracht.

Het is verboden, in strijd met zoodanig verbod te handelen.

ocr page 87

75

vm

Wanneer schepen elkander voorbijvaren.

I. In verschillende vaarwaters.

4. Schepen in vorschillcndc vaarwaters, die elkander vour-

bijgaan in dezelfde of in tegenovergestelde richting, moeten het vaarwater blijven volgen, waarin zij zich bevinden.

■jÉ'

II. In hetzelfde vaarwater.

A. Bij voldoende breedte.

A lyemeene bepaling en.

5. Schepen, die zich in een en hetzelfde vaarwater bevinden, hetzij in dezelfde richting varende of niet, mogen elkander niet voorbijgaan, tenzij, naar don waterstand op dat tijdstip, het vaarwater blijkbaar voldoende is voor eene gelijktijdige doorvaart. In dit geval moeten zij zich gedragen naar de volgende voorschriften (artt. 6 en 7).

Voorbijvaren in hetzelfde vaarwater in dezelfde richtiny.

6. 1°. Wanneer een stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen, tot een afstand van 80 M. eene andere stoomboot of een sleepkonvooi genaderd is, mag zjj niet naderbij komen.

Indien evenwel de schipper der achterste stoomboot wil voorbijvaren, moet hij vijf klokslagen geven, en bij dag eene blauwe vlag, des nachts een helder brandende lantaarn met wit glas ter halver mast doen hijschen, op welk sein bij het voorbijvaren de voorste stoomboot hare kracht moet verminderen en links (bakboord) uitwijken, de andere daarentegen rechts (stuurboord) uitwijken moet.

De schippers moeten 's nachts de lantaarn niet ter halver mast, maar onder den boegspriet doen ophangen.

2°. Wanneer een schip, voor den wind zeilende, een ander schip dat insgelijks voor den wind zeilt, bereikt, en het voorbij wil varen, moet de schipper van het achterste schip tijdig zijn voornomen te kennen goven, door te praaien, het voorste schip houdt dan onder den wind af, terwijl het achterste schip aan de windzijde voorbijvaart.

Voorbijvaren in hetzelfde vaarwater in teyenoveryesteldc richtiny.

7. 1°. Stoombooten met of zonder gesleept wordende

ocr page 88

76

vaartuigen cn schepen, voor den wind zeilende, moeten bjj het ontmoeten rechts (stuurboord) uitwijken.

2°. Kan een schipper zich door bijzondere omstandigheden niet naar bovenstaanden regel gedragen , dan is hij gehouden do seinen te geven, voorgeschreven bij artikel 6; do twee schepen moeten dan links (bakboord) uitwijken.

Bij nacht gelden de voorschriften van artikel 16, 4°.

B. Bij onvoldoende breedte.

8. 1°. Wanneer er te weinig ruimte is om elkander voorbij te varen (art. 5), moet het opwaartsgaande schip, wanneer het te voorzien is dat het in de engte een afwaarts-gaand schip zal ontmoeten, beneden de engte ophouden, totdat het andere deze is doorgevaren. Indien een opwaartsgaand schip zich reeds in de engte bevindt, moet hot afwaartsgaande schip voor deze ophouden en wachten, totdat het eerste er doorgekomen is.

2°. Wanneer een stoomboot opwaarts gaande zonder eenig vaartuig te sleepen, het laatste schip van oen sleepkonvooi beneden de engte tot op 120 M. heeft ingehaald, mag dit sloepkonvooi de engte niet binnenvaren, dan nadat de eerste stoomboot het voorbij is.

3°. Geene stoomboot mag een schip, dat haar in do engte voor is, tot meer dan 80 M. naderen.

III. Bijzokdeke voorschriften.

SleepJconvooien.

9. 1°. Sleepkonvooien mogen nimmer terzelfder hoogte varen, behalve wanneer zij elkander voorbijgaan.

2°. Alle stoombooten, die geen vaartuig sleepen, ovenals allo schepen, die met gunstigen wind varen, moeten het vaarwater aan sleepkonvooien afstaan, als de ruimte het toelaat. Bij gebreke van voldoende ruimte moeten do schippers dor sleepbooten en der gesleept wordende schepen, zelfs wanneer hun geen sein gegeven is, uitwijken overeenkomstig de voorschriften van de artt. 6 en 7.

3°. De schippers van sleepbooten met konvooi moeten hunne vaart verminderen gedurende het voorbijvaren van andere stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen. Insgelijks mogen stoombooten, die geen vaartuig-sloepen, slechts met verminderde kracht varen, zoolang zij sleepkonvooien voorbijvaren.

ocr page 89

77

Schepen langs den oever getrokken.

10. 1°. Wanneer een schip langs den oever getrokken wordt, mag men slechts aan de tegenovergestelde zijde voorbijvaren. De getrokken schepen moeten, op de seinen, voorgeschreven bij artikel C, zoo dicht mogelijk hun oever naderen.

2°. Het voorbijvaren tusschen een schip en den oever, van welken het getrokken wordt, is alleen geoorloofd, ingeval van noodzaak, aan eene afvvaartsgaande stoomboot, die geen vaartuig sleept, en ook dan slechts, nadat van deze de seinen gegeven zijn, voorgeschreven in art. 6 en wanneer het getrokken schip zich buiten het gewone vaarwater voor de opvaart bevindt, zoodat het onmogelijk is aan de rivierzijde er om heen te varen.

Op het sein, gegeven door de stoomboot, is de schipper van het getrokken schip verplicht de lijn te strijken en moet de stoomboot over deze heendrijven, terwijl zij zoolang moge-Ijjk de werktuigen doet stoppen.

3°. Bij het jagen der schepen mogen nooit meer dan drie paarden aan hetzelfde sleeptouw gespannen zijn.

Schepen die voor stroom drijven.

11. Elke stoomboot is verplicht uit te wijken voor een schip, dat voor stroom drijft zonder hulp van zeilen. Bij gebreke van voldoende ruimte is liet voor stroom drijvend schip op de seinen, gegeven overeenkomstig artikel 0, verplicht met behulp van riemen on ankers zooveel mogelijk uit te wijken.

Laveerende schepen.

12. Schepen die laveeren, mogen niet doorvaren tusschen eene stoomboot met of zonder gesleept wordende vaartuigen en den oever, welken die stoomboot houdt. Die schepen zjjn dus verplicht te wenden, vóórdat zij do koerslijn der naderende stoomboot kruisen.

Vaartuigen van een laclingsvermogen van minder dan 000 centenaar (30000 K.G.) en diep geladen vaartuigen.

13. 1°. De schippers van vaartuigen van alle soort, welker ladingsvermogen minder dan 000 centenaar (30000 K.G.) bedraagt, mogen varende stoombooten of sleepkonvooien niet nabij komen en moeten zich buiten den daardoor veroorzaakten golfslag houden, totdat deze genoeg verminderd is, om de slingering niet gevaarlijk moor te doen zijn.

ocr page 90

78

2°. Indien niettemin zulk een vaartuig een stoomboot of sleeptrein zoo nabij komt, dat het oogenschijnlijk gevaar loopt, dan mag de schipper van de stoomboot met geen grootere kracht varen, dan voor hare vaart en voor het goed sturen noodig is, en moet hij, zoo noodig, stoppen, indien hij dit zonder gevaar voor zijne boot en de gesleept wordende vaartuigen kan doen.

3°. In de nabijheid van varende, diep geladen vaartuigen van een ladingsvermogen van 600 centenaar (30000 K.G.) of' meer, moeten stoomschepen met of zonder gesleept wordende vaartuigen steeds met verminderde kracht varen.

Doorvaart van schepen en vlotten hij hruygen en veerponten.

14. 1°. Ieder schipper en ieder vlotvoerder is verplicht zich te onderwerpen aan de bijzondere maatregelen, voorgeschreven ten opzichte van de bruggen en de veerponten.

2°. De schippers van veerponten, die zich bewegen langs een dwars door de rivier gelegden kabel, zijn verplicht voor varende schepen en vlotten uit te wijken, en zulks in het algemeen naar de zijde tegenovergesteld aan het vaarwater, dat door deze gevolgd wordt.

Voor stoombooten, die geen vaartuig sleepen, moeten daarentegen de bovengenoemde ponten uitvvjjken, naar den oever, waar de ponten hare voor den nacht bepaald aangewezen ligplaats hebben.

3°. De schippers van ponten, bij 2°. genoemd, zijn verplicht voor de schepen en vlotten, dje boven of beneden de gezegde ponten van den wal afsteken, uit te wijken en wel voor do stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen na de seinen, voorgeschreven bij artikel G en voor de andere vaartuigen en vlotten, nadat deze door den roeper gepraaid of eene roode vlag geheschen hebben.

4°. Bij het voorbijvaren van veerponten, die zich langs een dwars door de rivier gelegden kabel bewegen, moet de kracht der werktuigen zoodanig worden verminderd, dat die ponten niet in gevaarlijke schommelingen geraken.

Jlet stoppen van stoomlooten voor het vervoer van reizigers.

15. 1°. Elke stoomboot voor reizigers, die aan eene landingsplaats wil aanleggen, is verplicht de klok te luiden. Als hot oponthoud moet plaats hebben op een station, dat door schuiten bediend wordt, geeft zij daartoe het sein door bij dag eene witte vlag en des nachts een helder brandende

ocr page 91

79

lantaarn met wit glas te hjjschen. Dezelfde seinen worden gebruikt door de schuitenvoerders, die de stoomboot willen aandoen.

2°. Bij het naderen eener schuit moet de stoomboot in tijds stoppen en mag men do werktuigen niet weder aanzetten voordat de schuit geheel buiten gevaar is.

De schuitenvoerder moet tijdig aankomen, zijn schuit evenwijdig houden met den koers, welken de stoomboot volgt, en de laatste niet eer aandoen dan nadat hare werktuigen tot stilstand zijn gebracht.

3°. Zij die zich in de schuit bevinden, moeten dadelijk gehoorzamen aan het verzoek van den schipper om te gaan zitten.

4°. De schuit moet bestuurd worden door twee kloeke varensgezellen, bedreven in hun vak en als matig bekend. Zij moet in een goeden staat zijn en voorzien zijn van al het noodige tuig en van de aanwijzing van haren grootsten ge-oorloofden diepgang.

5°. Het plaatselijk bestuur ziet toe op de stipte uitvoering der voorschriften bij 4°. gegeven, treft naar omstandigheden dadelijk de noodige voorzieningen en geeft daarvan kennis aan het bestuur der stoom booten.

6°. Geen ander dan de daartoe bepaald aangewezen schuitenvoerders mag reizigers of goederen aan boord der stoom booten brengen of ze van daar afhalen.

7°. Bij gelijktijdige aankomst aan eene landingsplaats van twee stoom booten in tegenovergestelde richting mag de schipper der opwaartsvarende boot de andere in het wenden niet hinderen en moet hij haar laten voorgaan.

Indien twee stoombooten in dezelfde richting varende aan dezelfde landingsplaats willen aanleggen, gaat de eerste voor en mag zij bij dat aanleggen niet door de andere worden belemmerd.

Voorschriften voor de vaart hij nacht en hij mistig weder.

16. 1°. A. Elk bij nacht onder stoom varend stoomschip, dat geen sleepdienst uitoefent, moet voeren:

a. aan of voor den fokkemast op eene hoogte boven den romp van niet minder dan G Meter en, indien het vaartuig meer dan 6 Meter breed is, op eene hoogte van niet minder dan de breedte van het vaartuig, gemeten over den scheepsromp , een lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken helder wit licht werpt of over don geheelen horizon of ten

ocr page 92

80

minste over een boog van den horizon van 20 kompasstreken, waarvan 10 ter wederzijde van het vaartuig vallen, zoodat de schijn, in de richting van de as van het vaartuig naar voren gerekend, nog tot op 2 streken achterlijker dan dwars van het vaartuig valt en van eene zoodanige lichtsterkte, dat het bij donkeren nacht en goed zicht op een afstand van ton minste 4 kilometer zichtbaar is;

b. aan stuurboordzijde een lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken groen licht werpt over een boog van den horizon van 10 kompasstreken, en wel in de richting van de as van het vaartuig naar voren gerekend, tot 2 streken achterlijker dan dwars;

c. aan bakboordzijde een lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken rood licht werpt over een boog van den horizon van 10 kompasstreken en wel in de richting van de as van het vaartuig naar voren gerekend, tot 2 streken achterlijker dan dwars;

lt;1. de hierboven onder h en c genoemde groene en roode zijlichten moeten bij donkeren nacht en goed zicht, ten minste 2 kilometer ver zichtbaar zijn. Ook moeten zij binnenboord zoodanig bedekt zijn, dat het groene licht niet van bakboordzijde en het roode niet van stuurboordzijde kan gezien worden;

p.. op kleine stoomvaartuigen mogen de onder h en c genoemde groene en roode zijlichten in een daartoe ingerichte lantaarn aan den voorsteven gevoerd worden.

B. Elk bij nacht onder stoom varend stoomschip, dat sleepdienst uitoefent, moet, behalve de hiervoren onder A genoemde lichten, nog een tweede wit licht van geljjke inrichting en gesteldheid en terzelfder plaatse als het onder Ka genoemde voeren en wel niet minder dan 0.8 meter en niet meer dan 1 meter loodrecht boven of beneden hot eerstgenoemde.

C. Elk vaartuig, dat bij nacht gesleept wordt of zonder stoomvermogen vaart, hetzij het zeilt, drijft, geboomd, getrokken, geroeid of op welke wijze ook zonder stoomvermogen voortbewogen wordt, moet een lantaarn met helder wit licht voor boven aan den mast of ten minste 3 meter boven den romp aan een staak voeren. Dit licht moet bij vaartuigen, die gesleept worden of zeilen, bij donkeren nacht en goed zicht ton minste 2 kilometer ver te zien zijn.

Op vaartuigen zonder mast moet een licht zoodanig zijn aangebracht, dat hot van alle zijden duidelijk zichtbaar is.

2°. Sleepkonvooien mogen bij nacht niet varen, dan wanneer de hemel door sterren of maan verlicht is. Zoodra de

ocr page 93

81

lucht betrekt, moeten de vaartuigen hunne vaart staken en op de eerste geschikte plaats aanleggen.

3°. Bij mistig weder mogen alle stoorabooten, mot of zonder gesleept wordende vaartuigen, slechts met halve kracht varen en moeten de schippers onafgebroken de scheepsklok doen kleppen, terwijl de schippers van zeilschepen onafgebroken met den roeper moeten waarschuwen.

Wanneer de mist zoo zwaar is, dat geen der beide oevers meer kan worden gezien, moeten de varende schepen op de eerste geschikte plaats worden vastgelegd. Van dezen maatregel zijn uitgezonderd de veerponten door stoom gedreven.

4°. Wanneer schepen elkander des nachts in hetzelfde vaarwater (artikel V) tegenkomen, moet bij het voorbijvaren steeds rechts uitgeweken worden (artikel VII, 1°.).

Wordt echter de schipper van eene opwaartsvarende stoomboot met gesleept wordende vaartuigen door bijzondere omstandigheden verhinderd dit voorschrift na te komen, dan moet hij vijf klokslagen doen hooren, en aan stuurboordzijde met een helder brandende lantaarn van wit glas doen zwaaien, waarop beide vaartuigen links moeten uitwijken.

5°. Vlotvoerders mogen met hunne vlotten de ligplaats daarvan niet vroeger verlaten dan één uur voor zonsopgang. Zjj mogen hunne reis niet later voortzetten dan één uur na zonsondergang, ten ware zij door onvoorziene omstandigheden verhinderd worden om vóór dat tijdstip de aanlegplaats te bereiken.

In dergelijk geval moeten na het vallen van den avond aan de zijde van het vaarwater ter hoogte van ten minste 4 M. twee helder brandende lantaarns van wit glas naast elkander op een onderlingen afstand van niet minder dan 2 en niet meer dan 4 M. op het voorste gedeelte en twee zulke lantaarns op denzelfden afstand en hoogte, op het achterste gedeelte van het vlot geplaatst worden.

Bij mist, sneeuwjacht, storm, drijfijs en ijsgang mogen vlotten niet varen. Worden zij er onderweg door overvallen, dan moeten zij op de eerste bereikbare aanlegplaats worden ten anker gebracht of vastgemeerd.

Voorschriften iiujevul van vastvaren en zinhen.

17. 1°. De schipper van een vaartuig of de voerder van een vlot, dat aan den grond zit of gezonken is, moot op oene geschikte plaats aan de rivier een wachter of waarschuwer stollen, die in last hoeft om de andere schippers en vlotvoerders

G

ocr page 94

82

te praaien en hen bekend te maken rnet den aard en de plaats van het ongeval.

Deze wachter raoet geplaatst worden op minstens één uur gaans boven de plaats van het ongeval. Zoodanige wachter wordt ook geplaatst aan de uitmondingen van de bevaarbare nevenrivieren, die zich binnen gelijken afstand van die plaats bevinden.

Gezegde waarschuwers moeten op hun post blijven totdat zij bericht hebben gekregen, dat het vaartuig of vlot weder drijvende gemaakt is of tot het bericht, dat onmiddellijk aan de politie moet worden gegeven, door eene bekendmaking dienovereenkomstig gevolgd is.

2°. Wanneer stoombooten met of zonder gesleept wordende vaartuigen bij de opvaart gekomen zijn aan de plaats waar een schip of vlot aan den grond zit of gezonken is, moeten zij hare kracht verminderen tot op hetgeen hare vaart en hare goede besturing vereischen. Bij de afvaart moeten zjj zoolang mogelijk met stilstaande werktuigen voorbijdrijven.

3°. De schipper van een vaartuig of de voerder van een vlot, dat aan den grond zit of gezonken is, moet 's nachts de ligging daarvan aantoonen door een helder brandende lantaarn van wit glas en door een roode lantaarn, loodrecht boven de witte, op een afstand van niet minder dan 0.5 M. en niet meer dan 1 M. De lichtsterkte van deze laatste moet voldoen aan de voor het witte licht gestelde eischen. De schipper of vlotvoerder moet zorg dragen, dat deze lichten in dien toestand onderhouden worden van zonsondergang tot zonsopgang.

De hoogte en do plaatsing der lantaarns moeten zoodanig zijn, dat men ze duidelijk uit alle richtingen kan waarnemen.

In het geval, dat vaartuigen of vlotten zich geheel onder water bevinden, moet de schipper of vlotvoerder ook bij dag een schuit of drijvend baken met eeno witte vlag daarboven plaatsen en houden.

Ligt een geheel onder water gezonken vaartuig ter zijde van dc daarbij geplaatste schuit, dan moet, aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, een tweede roode lantaarn gevoerd worden.

Bij dag moeten alle voorgeschreven lantaarns door zwarte bollen vervangen worden.

4°. De schipper of vlotvoerder is daarenboven verplicht onmiddellijk kennis te geven aan hot bestuur der meest nabjj gelegen plaats, dat en waar een vaartuig of vlot op het droge zit of gezonken is.

ocr page 95

83

Tcii gevolge dezer kennisgeving of wanneer zij van het ongeval langs eenen anderen weg mocht kennis dragen, moet de plaatselijke politie maatregelen nemen om, indien dit niet reeds is geschied, het beletsel te doen aanduiden op de wijze, voorgeschreven onder 3°., op kosten van den voerder van het vlot.

5°. Wanneer een vaartuig aan den grond raakt en de lading naar het oordeel der ambtenaren van den Waterstaat moet gelost worden, om het weder vlot te brengen, is de schipper verplicht, onmiddellijk tot het lossen over te gaan.

Wanneer een vaartuig of vlot gezonken of aan den grond geraakt is blijven belanghebbenden tot op het oogenblik, dat van overheidswege, krachtens de wet van 23 Juli 1885 [Staatsblad No. 151) tot opruiming wordt overgegaan, bevoegd het te lichten of weder vlot te maken.

G0. De bepalingen van 1°. tot 5°. moeten insgelijks in acht worden genomen, wanneer werken op dc rivier (badinrichtingen, enz.) gezonken zijn. De bezitters van deze zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de schippers en vlotvoerders.

Voor schril ten, in acht tc nemen hij het stilligyen.

18. 1°. Wanneer vaartuigen, vlotten, baggermachines of soortgelijke werktuigen buiten de havens stil of voor anker liggen, moeten zij behoorlijk vastgeraeerd en te allen tijde zoodanig geplaatst zijn, dat dc weg voor de scheepvaart geopend blijft en dat zij geen gevaar loopen van door den golfslag tegen den wal gestooten of anderszins beschadigd te worden.

Op de vlotten moet bovendien bij dag en bij nacht steeds een voldoend getal wakers aanwezig zijn, eveneens op schepen, baggermolens en dergelijke werktuigen, wanneer zij in het vaarwater of in de nabijheid daarvan stilliggen op plaatsen, die in den regel niet als ligplaats gebezigd worden.

Wanneer ankers worden uitgeworpen in het vaarwater of in de nabijheid daarvan, dan moet de plaats door drijftonnen worden aangewezen- Deze tonnen moeten bij baggermolens en dergelijke toestellen, alle, bij andere vaartuigen en vlotten slechts voor zoover zij de plaatsen van zijankers aanwijzen, van zonsondergang tot zonsopgang van een helder brandende lantaarn van wit glas voorzien zijn.

2°. Buiten de havens mogen in het algemeen niet meer dan drie schepen in de richting der breedte van de rivier naast elkander liggen.

Waar de gesteldheid van het vaarwater niet toelaat dat de stoombooten op een afstand van meer dan 40 M. van don wal

ocr page 96

84

blijven, rnag slechts eene enkele rij schepen langs den oevev liggen.

De schepen en vlotten mogen zich niet ophouden of stilliggen in de engte der rivier, noch in de mondingen van de bevaarbare nevenrivieren of van de kanalen die met de rivier in verbinding staan, noch in het vaarwater van ponten, die zich bewegen langs een dwars door de rivier gelegden kabel, noch in het vaarwater dat de stoombooten volgen om tot de landingsplaats te komen of deze te verlaten. Het is hun insgelijks verboden boven of beneden de landingsplaatsen stil te liggen, zoodat zij geheel of gedeeltelijk voorbij deze uitsteken.

Schepen en vlotten, welke aan de door borden aangeduide aanlegplaatsen van schuitenveren aanleggen, moeten zoover van den oever verwijderd blijven, dat de veerschuiten ongehinderd kunen af- en aanvaren.

3°. Bij het voorbijvaren van schepen die van den wal worden getrokken, moeten de schepen, die aan den oever liggen, den mast strijken of zich ver genoeg van den wal verwijderen om de treklijn onder zich te kunnen doen doorgaan. Do bemanning van het stilliggend schip moet behulpzaam zijn bij het op deze wijze voorbijgaan van de lijn.

De vlotten, die langs de jaagpaden liggen, moeten voorzien zijn van volledige leiders of sleepleuningen voor de treklijnen.

Wanneer zij niet varen, mogen zij niet meer dan 80 M. in de rivier uitsteken. De vlotvoerders moeten de bindbalken geheel gelijk met de breedte van het vlot doen afsnijden en de ankers zoodanig uitwerpen, dat daardoor de scheepvaart niet belemmerd wordt.

De bemanning van de vlotten is verplicht om mat de jaaglijn de schepen te trekken, die anders niet in staat zouden zijn om de vlotten voorbij te varen.

4°. Wanneer schepen of vlotten voor anker zijn gegaan op plaatsen, die daartoe in den regel niet gebruikt worden of in het algemeen buiten de havens in het vaarwater of in zijne nabijheid stilliggen, moeten bij mistig weder de stoombooten ton minste elke vijf minuten de klok luiden en alle andore schepen en vlotten even dikwijls met den roeper seinen.

5°. Alle schepen, vlotten en andere inrichtingen (badplaatsen , enz.) buiten de havens in open water gelegen, moeten 's nachts verlicht zijn door lantaarns, van zonsondergang tot zonsopgang. Op de schepen moet een helder brandende lantaarn van wit glas ten minste 4 M. boven het scheepsboord zoodanig aangebracht zijn, dat zij aan de zijde van het vaarwater hangt en voortdurend zichtbaar is, zoowel bij het op-als bij het afvaren.

ocr page 97

85

Gelijke wijze van verlichting is voorgoschreven voor andere inrichtingen op do rivier. Op de vlotten moeten aan elk dor hoeken aan de zijde van het vaarwater ter hoogte van ten minste 4 M. twee lantaarns worden gehangen, op niet minder dan 2 en niet meer dan 4 M. afstand van elkander.

Op de schepen, die buskruit of ongezuiverde petroleum geladen hebben, en waarop om die reden geen licht mag worden ontstoken, moet des nachts onafgebroken een waker zijn om de naderende schepen door tijdig praaien met den roeper te waarschuwen.

6°. De bepalingen van dit artikel betreffende de vlotvaart, gelden mede voor de vlotten, die in aanbouw zijn.

7°. Wanneer baggerwerktuigen of soortgelijke toestellen aan het werk zjjn op een gedeelte van de rivier, waar zij door de aankomende schepen niet tijdig gezien kunnen worden, moeten zij vóór en achter hunne ligplaats eene roodc ton leggen. Deze bakens moeten op zoodanigen afstand gelegd worden, dat de schepen tijdig hunnen koers kunnen nemen door een vaarwater, dat door het werktuig niet versperd is. Liggen zulke werktuigen of toestellen in het vaarwater, dan moeten zij aan den kant, langs welken schepen en vlotten het best kunnen voorbijvaren, eene roode en witte vlag uitsteken.

Bepalingen betreffende de veren en andere inrichtingen.

19. 1°. De veerponten die zich bewegen langs een dwars door de rivier gelegden kabel, moeten des nachts zóó liggen, dat het vaarwater vrij blijft.

2°. De onder 1°. genoemde vaartuigen moeten des nachts door den beheerder van het veer op eene hoogte van ten minste 6 M. boven water van eene lantaarn met groen glas en 1 M. loodrecht daaronder van eene tweede lantaarn van wit glas voorzien worden. Deze lantaarns moeten den ganschen nacht helder brandende en zichtbaar worden gehouden.

3°. Op de vaste bruggen moet het middelpunt der openingen, bestemd voor de doorvaart van stroomopwaarts en -afwaarts gaande vaartuigen, insgelijks door helder brandende lantaarns met rood glas verlicht worden.

4°. Wanneer de gewone plaats voor het nachtverblijf der ponten onder 1°. genoemd, ten gevolge van buitengewone omstandigheden veranderd is, moet de pont bij het naderen van een vaartuig ten spoedigste verwijderd worden, ten einde

ocr page 98

86

hot vaarwater vrij to laten. De stoombooten moeten door luiden met de klok, andere vaartuigen door praaien met den roeper het verlangen daartoe te kennen geven en hunne vaart verminderen totdat het vaarwater weder vrij geworden is.

5°. De bad- en andere inrichtingen, die aan den jaagoever liggen en het optrekken belemmeren, moeten door de zorg • des beheerders voorzien zijn van leiders of sleepleuningen voor de treklijnen.

6°. Het is verboden op het jaagpad inrichtingen te plaatsen of voorwerpen neer te leggen, die het trekken der schepen kunnen belemmeren.

7°. De schippers van stoomvaartuigen dienstdoende in

overzetveren, moeten in plaats van de voor stoomvaartuigen

voorgeschreven lichten de hiervoren sub 2 voorgeschreven lantaarns voeren.

Bepalingen betreffende de vlotten.

Aanduiding en heperl-ing van de breedte en lengte der vlotten.

20. Ieder vlot moet op het midden der lengte en ten minste 3 M. boven de oppervlakte twee aan de lengte-as evenwijdig boven elkander vast aangebrachte witte borden voeren, waarvan op het bovenste in rood de eerste letters der voornamen, de geslachtsnaam on de woonplaats van den ondernemer van het vervoor en op het onderste in zwart dezelfde opgaven betrekkelijk den vlotvoerder, alles in latijnsche letters van ten minste 30 cM. hoogte en 5 cM. breedte, moeten zijn vermeld en wel op de beide vlakken der borden.

De breedte van de vlotten mag niet te boven gaan 72 M.

Aan de zijkanten van de vlotten mogen geen deelen van het vlot of andere voor de schepen, bruggen enz. hinderlijke voorwerpen uitsteken.

Bemanning, uitrusting en bepaling van het gewicht der vlotten.

21. 1°. Elk vlot moet ton minste eene bemanning hebben van twee man voor elke 75 M3. hard hout en eveneons van twee man voor elke 150 II8. zacht hout.

Als hard hout wordt hierbij beschouwd eiken-, beuken-, olmen-, esschen-, kersen-, peren-, appel- en kornoeljehout, als zacht daaarentegen, popel-, elzen-, dennen-, sparren-, pijnboomen-en lorkenhout, alsmede andere harsachtige houtsoorten.

2°. Voor vlotten, die door stoombooten gesleept worden, is de helft der onder 1°. genoemde verplichte bemanning

ocr page 99

voldoende, mits het vlot aan de voorzijde van eono doelmatige stuurinrichting voorzien zij en de sleepboot de volgende kracht bezitte:

a. b[j vlotten, van welke de verpliohto bemanning volgens 1°. niet meer dan 50 man bedraagt, ten minste 25 werkelijke paardenkrachten;

h. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning volgens 1°. meer dan 50 tot en met 80 man bedraagt, ten minste 35 werkelijke paardenkrachten;

c. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning volgens 1°. meer dan 80 man bedraagt, ten minste 45 werkelijke paardenkrachten.

3°. Geen vlot mag eene bemanning van minder dan 3 man hebben, den vlotvoerder inbegrepen.

4°. Vlotten, van welke de verplichte bemanning volgons 1°. meer dan 4 man bedraagt, moeten voorzien zijn van het materieel vermeld in de bijlage.

5°. Ter bepaling van het in de vlotverklaring op te geven gewicht der vlotten, wordt de kubieke meter hard hout tegen 15 centenaar (750 K.Gr.) en de kubieke meter zacht hout tegen 11 centenaar (550 K.G.) berekend.

Onderzoek der vlotten,

22. Alle vlotten bij artikel 21 bedoeld, mooten vóór hun vertrek en de op een der neven rivieren gebouwde vóór dat zij de reis op de rivier voortzetten, aan een onderzoek worden onderworpen. Uit onderzoek loopt over de samenstelling van de vlotten, hunne hechtheid en de aanwezigheid van de voorgeschreven bemanning en van het materieel overeenkomstig den inhoud der bijlage dezes.

Het onderzoek geschiedt door bevoegde ambtenaren oi door deskundigen, die daarvoor beëedigd zijn.

De vlotvoerder moet vóór het vertrek van het vlot het onderzoek aanvragen bij de overheid, die daarmede belast is. Deze zorgt dat het onderzoek zoo spoedig mogelijk en in elk geval binnen vier en twintig uren na ontvangst der aanvraag geschiedt.

De plaatsen waar het onderzoek kan geschieden, do personen die daarmede zijn belast en de overheid, bij wie het moet worden aangevraagd, worden openlijk bekend gemaakt.

23. Leidt het onderzoek tot geenerlei aanmerking, dan vermelden de daarmede belaste personen zulks op de vlotverklaring, die de vlotvoerder moet medevoeren (art. 25 der

ocr page 100

88

herziene lijjnvaartakte van 17 October 1868, voor zooveel noodig goedgekeurd bij de wet van 4 April 1869, Staatsblad No. 37). Do vlotvoerders, op wier vlotverklaring zoodanige vermelding ontbreekt, mogen niet vertrekken.

24. De bepalingen van de artikelen 22 en 23 zijn mede van toepassing voor het geval dat een vlot gedurende de reis:

«. zoodanig vergroot wordt, dat overeenkomstig den inhoud van do bijlage dezes vermeerdering van materieel vereischt wordt;

h. verkleind wordt en de vlotvoerder dientengevolge vermindering wil brengen in zijn uitrustingsmateriëel.

Geschicdcn die veranderingen op eene plaats, waar het vlot niet kan worden onderzocht, dan moet de vlotvoerder het onderzoek dadelijk aanvragen bij zijne aankomst op de naaste plaats waar eene daartoe bevoegde overheid aanwezig is.

Bevoegdheid der overheid, en der ambtenaren.

25. De havenpolitie en alle ambtenaren, belast mot het politietoezicht over de rivier, zijn bevoegd om te onderzoeken of de bemanning en het materieel, bij artikel 21 voorgeschreven, op het vlot aanwezig zjjn en om, indien dit niet het geval is, te bevelen dat het vlot op de naaste aanlegplaats zal stilhouden.

De reis wordt alsdan niet voortgezet dan nadat do bemanning of het materieel zijn aangevuld.

26. Voor het onderzoek, voorgeschreven bij de artikelen 22 en 24 of voor dat, voorzien bij art. 25, kan geenerlei recht geheven worden.

Bijzondere bepaling voor ufyescheiden en tot landaanwinning bestemde (jedeelten van de rivier.

27. Het is aan de schippers van alle vaartuigen, mot uitzondering van schuitjes, verboden te varen op door kunstwerken afgescheiden gedeelten der rivier, voldoende door bakens aangewezen en bestemd tot landaanwinning.

Slotbepalingen.

Verplichting der schippers en vlotvoerders om voorzien te zijn van een exemplaar van dit reglement.

Art. 28. Ieder schipper en ieder vlotvoerder moot gedurende de uitoefening van zijn beroep een exemplaar van dit reglement bij zich hebben en hot aan de beambten der politie, der invoerrechton, der havens en van den Waterstaat op hun verzoek vertoonen.

ocr page 101

89

SïKA FBEP ALT NG E K.

29. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt:

u. met hechtenis van ten hoogste dertiy dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artikel 3, 7°., eerste en laatste lid, 16 en 17, 3°.;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikel 2, 1°., 3°. eerste lid en 5°., 3, 1°.— 6°.; 4; 5; 8; 9; 11; 12; 13; 14; 15, 20. en 70.; 17, 10., 2«., 4°., 50. en 6°.; 18; 19, 1°. en 50.; 20 tweede lid; 22 derde lid; 23; 24; 25 tweede lid, en 27;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, do overtreding van artikel 2, 2°.: 10, 10.; 20 eerste en derde lid, en 21;

d. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artikel 2, 30. tweede lid, 4°. en 6°.; 15, 1°., 30., 40. en 60.;

e. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, do overtreding van artikel 10, 20. tweede lid en 3°.; 19, 6°. en 28.

ocr page 102

90

BIJLAGE van artikel 21 van het reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op de M er wede, de Noord en de Nieuwe Maas.

Omschrijving van het vekeischte materieel.

Voor vlotten verplichte

, waarvan de bemanning

Groote ankerschuiten.

Kleine ankerschuiten.

co

'cd d

o3 %

£gt;

rt ü

Ankers.

o

bu

volgens artikel 1quot;. bedraagt

21,

lt;d -*-3 o o

6

ffi c '3

3

cs

w

5

tot

9

man

_

1

_

2

2

_

10

•n

13

f)

—

1

i

1

3

—

14

V

25

n

—

2

i

1

4

—

26

V

35

V

2

1

2

2

6

1

36

n

40

v

3

1

2

3

7

1

41

T)

45

r

3

1

3

3

8

1

46

V

50

v

3

2

3

3

9

1

51

V

60

V

4

2

3

3

10

2

61

V

70

V

4

2

4

3

11

2

71

V

80

75

4

2

4

4

12

3

81

V

90

V

5

2

5

4

13

3

91

V

100

V

5

2

5

4

14

3

101

V

110

J)

6

2

6

5

16

4

111

V

120

v

6

2

6

5

18

4

121

V

130

V

7

2

7

5

20

4

131

V

140

V

7

2

7

5

22

5

141

??

150

V

7

2

8

5

24

5

151

V

160

v

8

2

8

5

26

5

161

n

170

v

8

2

8

5

28

7

171

V

180

v

8

2

8

5

30

7

181

t)

190

V

9

3

9

6

32

8

Aanmerkingen:

1quot;. De grooto ankerschuiten zün die van een ladingsvermogen van 50 tot 60 centenaar (2500 tot 8000 K.G.); de kleine schuiten, die van oen iadingsvermogen van 30 tot 35 centenaar (1500 tot 1750 K.G.).

2quot;. De vlotten, waarvan de verplichte bemanning volgens artikel 21, 1quot;., niet meer dan 7 man bedraagt, mogen in plaats van do kleine ankerschuit een schuitje hebben, zoogenaamden „Dreibordquot; van SM.lengte en van 1 tot 1.4 M. breedte aan den bovenkant.

3°. De schuit van den waarschuwer is niet in het bovengenoemd getal schuitjes-begrepen.

Behoort bij het Reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op de Mer wede, de Noord en de Nieuwe Maas, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 6 Mei 1892

{Staatsblad No. 97).

ocr page 103

REGLEMENT van politie op het ankeren op de rivieren de Beneden-Merwede en de Oude Maas, van de kerk te Papendrecht tot het veer van Zwijndrecht op Dordrecht.

(Vastgesteld bij Koninklijk besluit van den 6den Mei 1892, Staatsblad No. 98, met intrekking van het Koninklyk besluit van 22 November 1amp;86, Staatsblad No. 182).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel 1. Het is den schippers van vaartuigen of andere drijvende voorwerpen verboden, daarmede in het riviervak tusschon de kerk te Papendrecht en liet veer van Zwijndrecht op Dordrecht voor anker te komen of te liggen, buiten de vijf hieronder beschreven ankerplaatsen:

1°. van het verlengde der dwarskrib bij de kerk te Papendrecht tot het verlengde der dwarskrib aan de sleep-helling te Papendrecht, langs den noordelijken oever, over de halve breedte der rivier of tot 100 M. uit de koppen der dwarskribben ;

2°. langs den noordelijken oever in eene driehoekige ruimte binnen de grenslijnen, getrokken:

aan de oostzijde van den zuidwestelijken hoek van het woonhuis bij den trasrnolen, nabij de veerstoep te Papendrecht, op den noordoostelijken hoek van de woning van den directeur der gasfabriek te Dordrecht;

aan de zuidzijde door de zwarte ankerbaken, aan weerszijden van den mond van de Noord;

3°. langs den zuidelijken oever in eene driehoekige ruimte rioierwaarts begrensd door de lijn der witte ankerbaken op het gors de Staart en westwaarts door het verlengde der lijn, getrokken van den dukdalf aan de punt van de Staart op den benedenhoek van de houtloods, boven den mond der Rietdijkshaven ;

4°. voor de Merwedehade binnen de grenslijnen, getrokken: aan de- oostzijde van den noordoostelijken hoek der woning van den directeur der gasfabriek te Dordrecht op den zuid-westelijken hoek van het woonhuis bij den trasmolen, nabij de veerstoep te Papendrecht;

ocr page 104

92

aan de noordzijde door do wifcto ankerbaken op de gors de Staart ;

aan de westzijde door de hoekpuntpalen 336 en 333;

aan de zuidzijde op 50 M. afstand van en evenwijdig aan den kaaimuur;

5°. langs den linkeroever, beneden flen mond der Wollc-wevershaven begrensd:

aan de noordzijde door de lijn, die den hoek van het Damiatenbolwerk vereenigt, niet hoekpuntpaal 339;

aan de noordwestzijde door de lijn, getrokken op ongeveer 100 M. uit en evenwijdig aan den rechter normaal-oeverlijn van de Oude Maas en aangegeven door den liehtopstand op den kop van den dam aan de westzijde van den mond van de Noord en het witte ankerbaken op hot slobbengors;

aan de zuidwestzijde door de lijn uit hoekpuntpaal 340, loodrecht op de richting van den kaaimuur getrokken.

De snijpunten der grenslijnen van elke ankerplaats worden, zooveel mogelijk, aangegeven door groen geverfde boeien of door baken op den wal.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is bevoegd om, in overleg met het Gemeentebestuur van Dordrecld, tjjdelijk, ten hoogste gedurende drie maanden, wijziging in de aangewezen ankerplaatsen te brengen. Hiervan geschiedt mededeeling in de Staatscourant.

2. Vaartuigen, dienende voor opnemingen en peilingen, baggcrvaartuigen, grondschouwen en lichtervaartuigen tot het opruimen van gezonken voorwerpen, in 's Rijks dienst of met schriftelijke vergunning van den ingenieur van den waterstaat werkzaam, zijn niet aan de in art. 1 beschreven ankerplaatsen gebonden.

3. Het is den schippers van vaartuigen, geladen mot buskruit, andere ontplofbare stoffen, petroleum, benzine (naphta) of terpentijnolie, verboden daarmede te ankeren op de ankerplaatsen, in art. 1 genoemd.

4. De schippers en schepelingen zijn verplicht de hevelen tc gehoorzamen, die hun door de ambtenaren, in art, 6 genoemd, worden gegeven, ten aanzien van het leggen en verhalen hunner vaartuigen, in verband met het daaromtrent bepaalde in dit reglement.

Als overtreding van dit reglement wordt aangemerkt het niet-voldoen aan eenig bevel van bedoelde ambtenaren, ter uitvoering van het reglement of in het belang der goede orde gegeven.

ocr page 105

93

5. Dit reglement wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.

Elke schipper, die van de in art. I genoemde ankerplaatsen gebruik maakt, moet van een exemplaar van dit reglement voorzien zijn en dit, desgevorderd, vertoonen aan de ambtenaren, genoemd in art. G.

6. De handhaving van dit reglement is opgedragen aan de ambtenaren en beambten der Rijks- en gemeentepolitie, aan die van den waterstaat, aan de havenmeesters der gemeente Dordrecht, aan de commissarissen der overzetveren van Papendrecht en Zwijndrecht op Dordrecht v. v., aan de schippers der stoom vaartuigen, varende in die veren, en aan de Rijksambtenaren, door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid met eenig toezicht of beheer over het geheel of over eenig gedeelte belast.

De ambtenaren en beambten, in het eerste lid bedoeld zijn bevoegd tot de handelingen in art. 6 der wet van 28 Februari 1891 {Staatsblad No. G9) omschreven, en de ambtenaren van den waterstaat, de havenmeesters, de commissarissen der overzetveren en de Rijksambtenaren, in het slot van het eerste lid bedoeld, zijn bevoegd tot de handelingen, in art. 3 der genoemde wet omschreven.

De opgemaakte processen-verbaal worden gezonden aan de betrokken ambtenaren van het Openbaar Ministerie bjj het kantongerecht en in afschrift aan den betrokken hoofdingenieur van den waterstaat medegedeeld.

7. Overtreding van dit reglement wordt, voor zooveel daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artt. 1, 3 en 4;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en tiriutic/ gulden, de overtreding van art. 5, tweede lid.

8. Dit reglement verstaat onder ftrMppcrs hen, die op het vaartuig ot over eenig ander drijvend voorwerp het gezag uitoefenen of met de leiding belast zijn.

ocr page 106

REGLEMENT voor de Scheepvaart ter beveiliging van de beweegbare brug in den Staatsspoorweg Schiedam—Hoek van Holland, over de haven te MAASSLUIS.

(Vastgesteld b\j Koninklijk besluit van den 2Gsteii Juli 1893.

Staatsblad No. 130).

(In werking tredende 13 Augustus 1893).

Artikel 1. Alleen de brugwachter is bevoogd de brug te openen of te sluiten, of eenig deel daarvan te verzetten.

2. De beweegbare brug wordt ten dienste van do schoep-vaart zooveel mogelijk geopend gehouden. Is er tijdelijk geen schoepvaart to verwachten, dan kan de brug gesloten blijven.

Met het sluiten van do brug wordt aangevangen vijftien minuten vóór het tijdstip waarop de komst van oenen trein is bepaald of aangekondigd. Indien door weersgesteldheid of andere buitengewone omstandighodoii de sluiting vermoedelijk meer tijd dan gewoonlijk kan vorderen, wordt daarmede zooveel vroeger aangevangen, als voor de tijdige sluiting' noodig is.

Voor werktreinon wordt de brug gesloten na aankomst bij on verzoek tot gebruik van de brug. De brug kan in hot belang van don dienst worden gesloten gehouden, wanneer de schoepvaart door ijs of om andere redenon niet kan plaats hebben.

Alvorens over to gaan tot het sluiten der brug, geeft do brugwachter het sein dat do doorvaart gestremd is. Bij de brug is oen seinpaal geplaatst, hoog 4.80 Meter boven de spoorstaven, voorzien van een rood geschilderden bol, die langs den paal bewogen wordt, en van eene lantaarn met groen en rood licht, ter hoogte ten minste van 3.50 Meter boven do spoorstaven.

Is de brug geopend, dan wordt dit aangeduid:

bij day door don geheel opgehaalden roodon bol;

bjj nacht door het groene licht, gekeerd naar do zijdon van de scheepvaart.

ocr page 107

05

Is de brug gesloten, dan wordt dit aangeduid :

bij dag door den neergelaten bol;

bij nacht door het roode licht, naar de zijden van de scheepvaart gekeerd.

Nachtseinen worden gegeven van een half uur na zonsondergang tot een half uur vóór zonsopgang.

3. Bij het doorvaren van de brug gedragen de schippers zich naar de bepalingen betreffende de bevaring van de haven, voor zoover zij niet met dit reglement in strijd zijn, en naar de bevelen van den brugwachter.

4. Bij het naderen van de brug moeten de schippers do zeilen hunner schepen voorzien als bij het volgend artikel is bepaald of in de gei brengen, de ankers binnen boord brengen, den stoom geheel of gedeeltelijk afsluiten, de trekdieren zeer langzaam laten stappen en in het algemeen de vaart van het schip zoodanig verminderen, dat het buiten de remmingwerken van de brug kan worden stilgehouden, ingeval de brugwachter dit noodig acht.

Bij harden wind, sterken stroom of bij snelle vaart van het schip, zijn de schippers verplicht, door het achteruitbrengen van een lijn of tros, of van kettingen of door het terugwerken met stoom, de vaart van het schip te verminderen en de goede richting er van te verzekeren.

In geen geval mogen gedurende het gesloten zyn of gedurende het sluiten der brug, de schepen zonder schriftelijke vergunning van den brugwachter dichter dan de boven aangegeven remmingwerken tot de brug naderen.

De schippers moeten door geluidseinen of door roepen den brugwachter tijdig waarschuwen, dat hun schip de brug nadert.

Nadat de brugwachter toestemming heeft gegeven en niet vroeger, wordt het schip naar de brug gestuurd, en zoo langzaam voortbewogen, dat geen deel van de brug of van de remmingen door het stooten van het schip kan worden beschadigd.

Indien door mist of andere oorzaken de bol of de lantaarn aan den seinpaal niet duidelijk te onderscheiden of niet zichtbaar zjjn, zullen de schepen buiten de remmingwerken worden gehouden, totdat van den brugwachter vergunning tot doorvaren is verkregen.

5. Bij het doorvaren van de brug worden de schepen met geringe snelheid bewogen, door trekdieren niet dan stapvoets en stoombooten met verminderde kracht.

Zeilende schepen moeten zoodanig van zeil verminderen, dat zjj de brug langzaam doorvaren.

ocr page 108

96

De sehooten moeten zooveel aangehaald en de raas gebrast of getopt worden, dat bij het doorvaren geen touwen of zeilen met de brug- of remmingwerken in aanraking kunnen komen.

Bij het doorvaren mogen van do schepen ankers of kettingen niet buiten boord hangen of liggen en andere voorwerpen niet dan zoodanig, dat zij met de brug- of remmingwerken niet in aanraking kunnen komen.

Het is verboden met haken, boomen of andere voorwerpen het hout-, muur- of ijzerwerk van de brug aan te raken; de remmingwerken, schuifhouten, haalpennen of ringen zijn hiervan uitgezonderd.

Het verminderen der vaart of het vastmaken der schepen geschiedt alleen door het uitbrengen van kettingen of touwen aan de meerpalen (die voor niets anders mogen gebruikt worden), tenzij het uitbi-engen van een anker onvermijdelijk is.

De schippers zorgen, dat geene schade wordt toegebracht aan de vaartuigen, steigers, heien, bokken of andere werktuigen, gebezigd voor herstelling of vernieuwing van de brug-werken of voor uitdieping van het vaarwater nabij de brug.

6. Het is verboden :

schepen in de opening van de brug stil te houden;

schepen aan eenig deel der brug vast te leggen of te verhalen.

7. Voor het openen der brug wordt geene betaling gevorderd.

8. Een schip mag binnen de remmingwerken, in artikel 4 bedoeld, niet langer vertoeven dan volgens het oordeel van den brugwachter noodig is.

Binnen de brug varen de schippers elkander niet voorbij dan met toestemming van den brugwachter.

Binnen de remmingwerken, in artikel 4 bedoeld, varen de schippers elkander in de richting naar de brugopening niet voorbij, dan met toestemming van den brugwachter.

Buiten die remmingwerken wachten de schippers, totdat de schepen, welke zich nader bij de brug bevinden, zijn doorgevaren.

Rijksvaartuigen, of die in dienst zijn van den Staat, stoom-booten en beurtschepen worden voor alle andere schepen doorgelaten.

Voor gelijk aankomende schepen is de voorrang van doorvaren toegekend aan de binnenkomende, zoodat de uitgaande buiten het remmingwerk moeten wachten.

Bij geschil beslist de brugwachter.

ocr page 109

97

9. Ingeval meer dan één schip aan dezelfde zijde voor de gesloten brug aankomt, zullen de later aankomende op behoorlijken afstand achter de eerder aankomende blijven, ten einde geene opstopping of verwarring te doen ontstaan.

10. Bij het weder openen der brug varen de schepen door met vergunning van den brugwachter volgens artikel 4, van dezelfde zijde, naar volgorde van aankomst en van verschillende zijden, met inachtneming van den voorrang als in artikel 8 is omschreven.

11. quot;Wanneer een schipper weigert zjjn schip in de opening van of nabij de brug naar de aanwijzing van den brugwachter te stoppen, te bewegen of te verhalen, is deze bevoegd, desnoods ondersteund door den sterken arm, op kosten van den onwillige, het noodige te verrichten om die aanwijzing te doen uitvoeren.

12. Wanneer een vastgeraakt schip het sluiten der brug ten dienste van den spoortrein verhindert, is de spoorwegdienst bevoegd, onder toezicht van het hoofd van het bestuur der gemeente Maassluis en op kosten van den gezagvoerder of eigenaar van het schip, de oorzaak of oorzaken van die verhindering te doen opruimen.

13. Schepen, waarvan niet te vreezen is dat zij in de brugopening zullen beklemd raken, kunnen met bijzondere vergunning van den brugwachter onder de brug, tijdens die gesloten is, doorvaren.

14. Door schepen worden in dit reglement bedoeld alle soorten van vaartuigen en houtvlotten.

Door schippers worden bedoeld zij, die op het schip of houtvlot gezag uitoefenen, of met de leiding daarvan belast zijn.

Onder brugwachter worden verstaan ook die personen, welke den brugwachter vervangen of hem behulpzaam zijn.

15. Aan den brugwachter is de handhaving van de bepalingen van dit reglement opgedragen.

De brugwachter, de ambtenaren in artikel 8 sub 1°. -6°. van het Wetboek van Strafvordering bedoeld, de ambtenaren van den Staat en van de spoorwegonderneming, aan wie het toezicht op de brug is opgedragen, de rijksveldwachters en de plaatseljjke politiebeambten in de gemeente Maassluis, zijn met het opsporen van de overtredingen van dit reglement belast.

ocr page 110

98

De processen-verbaal van overtreding worden opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd, of binnen acht en veertig uren ten overstaan van den rechter van het kanton of van het hoofd van het bestuur der gemeente, waarin de overtreding is begaan, met eede bevestigd.

16. De overtreders, tegen wie proces-verbaal is opgemaakt, mogen met de schepen hunne reis niet vervolgen, dan na ten genoegen van het hoofd van het bestuur der gemeente Maassluis borgtocht te hebben gesteld tot verzekering van de vergoeding der door hen veroorzaakte schade.

Aan de ambtenaren van den spoorweg met de handhaving van dit reglement belast, wordt op hunne aanvraag door het hoofd van het bestuur der gemeente Maassluis en door allo ambtenaren met openbaar gezag bekleed, bijstand verleend.

17. Als overtreding van deze bepalingen wordt ook aangemerkt het niet voldoen aan eenig bevel van den brugwachter, tot uitvoering of naar aanleiding van deze bepalingen gegeven.

ocr page 111

REGLEMENT op het gebruik van de spoorweghaven en den havenmond te STAVOREN met de daartoe behoorende werken.

(quot;Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 2den October 1893, Staatsblad No. 147).

Artikel I. In dit reglement wordt verstaan:

onder spoorweghaven, het gedeelte beoosten de lijn, loopende van den noordelijken kant der houten beschoeiing aan den kop van de landtong, waarop do sporen liggen, in de richting van Zuid naar Noord;

onder oude haven, het gedeelte bezuiden de lijn getrokken van den kop van de landtong naar het noordoostelijko uiteinde van den zuidelijken havendam;

onder havenmond, het water dat van de Zuiderzee tusschen de dammen toegang geeft tot de beide genoemde havens; onder haven, de spoorweghaven met den havenmond;

onder spoorweghavenmeester, de ambtenaar door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, belast met het beheer van de spoorweghaven;

onder havenmeester, de ambtenaar van den Rijkswaterstaat belast met het beheer van den havenmond of de ambtenaar belast met het beheer van de spoorweghaven in die gevallen, waarin het voorschrift toepasselijk is op de beide deelen van de haven;

onder veerdienst, de stoombootveerdienst tusschen de spoorwegstations Enkhuizen en Stavoren;

onder stoomvaar tuig, elk stoomvaartuig onder stoom, al of niet zeil voerende;

onder schipper, ieder gezagvoerder van een vaartuig of die dezen vervangt;

onder dag, de tijd tusschen op- en ondergang der zon; onder nacht, de tijd tusschen onder- en opgang der zon.

2. Dit reglement wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Elke schipper die een der in art. 1 genoemde wateren bevaart of van de daartoe behoorende werken gebruikt maakt, moet voorzien zijn van een exemplaar van dit reglement,

ocr page 112

100

benevens van het reglement ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart open staan, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 18 Mei 1892 (StaatsUnd No. 102);

Hij moet deze, desgevorderd, aan de ambtenaren en beambten, in art. 31 bedoeld, vertoonen.

3. In de spoorweghaven worden toegelaten:

a. de vaartuigen behoorende tot den veerdienst;

b. de vaartuigen door het bestuur der Posterijen belast met het postvervoer;

c. de vaartuigen, geen passagiers vervoerende, geladen met goederen of vee, blijkens vrachtbrief bestemd om met den spoortrein of de veerbooten doorgezonden te worden en de vaartuigen, welke blijkens lastbrief goederen of vee, per spoortrein of veerboot aangevoerd, moeten inladen ;

cl. de vaartuigen geladen met bouwstoffen of benoodigd-heden voor den spoorweg of den veerdienst, mits daarvan blijke uit een certificaat van den spoorweg- of veerdienstondernemer of diens gemachtigde;

e. de vaartuigen van de Koninklijke Nederlandsche Marine, van den Eijkswatetstaat, die van de ambtenaren belast met de uitoefening van het toezicht op de Zuiderzee-visscherij, van de Rijkspolitie en de Recherche te water;

f. de bagger- en andere vaartuigen benoodigd voor de uitvoering van 's Bijks werken.

Andere vaartuigen mogen, behalve in geval van nood, in de spoorweghaven niet binnen komen dan met schriftelijke vergunning van den havenmeester, alleen in bijzondere gevallen te verleenen.

4. Alle vaartuigen van meer dan één meter diepgang moeten aan den achtersteven voorzien zijn van een schaal, waarop de diepgang duidelijk leesbaar is.

Noch de schroef, noch eenig ander gedeelte van een stoomvaartuig mag beneden de kiel uitsteken, tenzij de schaal van den onderkant van dat deel beginne te tellen.

5. Vaartuigen zonder vast dek en van grooter inhoud dan 10 M3 moeten voorzien zijn van waterdichte borden, boorden of wanden, welke ten minste 0.25 M. boven den waterspiegel reiken.

Het is verboden, langs de berghouten aan de stootklossen of voor aan de zwaarden van de vaartuigen uitstekende ijzers of punten te hebben.

ocr page 113

101

6. De naam van hot vaartuig moet op eene in het oog vallende plaats aan de buitenzijde van het vaartuig duidelijk leesbaar zjjn aangegeven.

Deze bepaling is alleen van toepassing op vaartuigen van grooter inhoud dan 10 M3.

7. Het is aan de schippers van allo vaartuigen verboden om met hunne schepen in den havenmond te verblijven of zich daar langer op te houden dan noodig is om, uit zee komende, do spoorweghaven of de oude haven te bereiken, of om, naar zee gaande, den havenmond te verlaten.

Deze verbodsbepaling is niet toepasselijk op voor de uitvoering van Rijkshavenwerken bestemde bagger- en andere vaartuigen, voor zoolang deze daartoe vóór of in den havenmond aan het werk zijn.

Andere naar zee gaande schepen dan de veerbooton, mogen de haven niet verlaten, zoolang het sein, op het Westeinde der landtong tusschen de oude haven en de spoorweghaven, aankomst of vertrek van een veerboot aanduidt.

Dit sein, bestaande bij dag in oen blauwe vlag en bjj nacht in twee blauwe lichten op 1.50 M. onderlingen afstand loodrecht boven elkander, zal door de zorg van don spoorweg-havemneoster ten hoogste tien minuten vóór don bij dienstregeling vastgestelden tijd van vertrok of aankomst der veerbooton worden gehoschen.

8. Aan de schippers van de vaartuigen in art. 3, sub c, il en /quot; genoemd, is het verboden mot hun schepen :

1°. gebruik te maken van den draaistoel en den aanlegsteiger in de spoorweghaven;

2°. langer in de spoorweghaven te vertoeven dan tot het innemen of lossen der lading, het voortzetten dor reis of de uitvoering der werken noodig is, tor booordeeling van den spoorweghavenmeester;

3°. in de spoorweghaven te gaan liggen op eeno plaats, die voor de uitoefening van don veerdienst hinderlijk is;

4°. trossen, lijnen of kettingen anders vast to leggen dan aan de daarvoor bestemde palen of zoodanig dat zij de vrije beweging in de spoorweghaven of over de kaden belommeren.

9. De schipper, zijn vaartuig verlatende, doet zich door een geschikt persoon vervangen.

Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen van minder inhoud dan 10 M3.

Het is verboden vaartuigen van 10 en meer M3 inhoud onbewoond in de spoorweghaven te laten liggen, tenzij met vergunning van den spoorweghavenmeester.

ocr page 114

102

Het is mode verboden vaartuigen onbeheerd in de haven te laten drijven.

10. De schipper van eenig vaartuig, dat overladen of naar het oordeel van den havenmeester onvoldoende bemand of getuigd is, moet op aanzegging van dien havenmeester de vaart staken en het vaartuig naar eene door dezen aan te wijzen plaats vervoeren.

De schipper van een vaartuig dat in onmiddellijk gevaar van zinken verkeert, moet het zoodra mogelijk buiten het vaarwater brengen.

11. Het aandoen van de haven is verboden wanneer des daags een roode vlag, of des nachts een rood licht op een der havendammen is geplaatst ten teeken, dat de toegang tot de haven door aanwezige vaartuigen of door andere oorzaken is belemmerd.

12. Wordt een vaartuig in de haven door vorst ingesloten dan is de schipper verplicht te zorgen dat rondom het vaartuig eene bijt van ten minste een halven meter breedte worde gehakt en opengehouden.

13. Bij het vervoeren, laden en lossen van licht ontvlambare of ontplofbare goederen of ongebluschte kalk, is de schipper, onverminderd de naleving der omtrent het vervoer bestaande wetten en verordeningen, verplicht de bijzondere voorzorgsmaatregelen na te leven die hem door den havenmeester worden voorgeschreven.

14. Indien van een vaartuig eenig voorwerp verloren raakt, hetwelk drijvende of gezonken voor de vaart gevaarlijk of hinderlijk kan zijn, is de schipper gehouden hiervan zoo spoedig mogelijk kennis te geven aan den havenmeester.

De plaats waar zoodanig gezonken voorwerp ligt moet door den schipper terstond door een boei worden aangewezen.

De schippers zorgen, dat geen lichters, vlotten of balken, bij hunne vaartuigen in gebruik, zich los of ongemeerd bevinden.

15. Wanneer een vaartuig in de haven aan den grond raakt en de lading, naar het oordeel van den havenmeester, moet gelost worden om het vaartuig weder vlot te brengen, is de schipper verplicht onmiddellijk tot het lossen over te gaan.

16. Het is verboden gedeelten der lading of ballast in het water te werpen, behalve met vergunning van den havenmeester of in gevallen, waarbij het behoud van het vaartuig van het overboord zetten der lading of van den ballast afhangt.

ocr page 115

103

17. De schipper van een gezonken of aan den grond geraakt vaartuig geeft van het ongeval terstond kennis aan den havenmeester.

18. Tot op het oogenblik dat van overheidswege krachtens de wet van 23 Juli 1885 (Staatsblad No. 151) tot opruiming wordt overgegaan, blijven belanghebbenden bevoegd het gezonken vaartuig te lichten of het aan den grond zittend vaartuig weder vlot te maken.

19. Bjj het voorbijvaren van diep geladen vaartuigen, baggermolens, in lading of lossing liggende vaartuigen of andere drijvende inrichtingen, waarvoor de golfslag gevaarlijk kan zijn en die tot teeken daarvan moeten vertoonen des daags een roode vlag, des nachts twee helder roode lichten, geheschen met eene tusschen ruimte van niet minder dan 0.50 M. en niet meer dan 1 M. moeten stoomvaartuigen hunne vaart zooveel verminderen als noodig is om nadeeligen golfslag te voorkomen.

20. Stoomvaartuigen die stoomtuigen van hooge drukking hebben, moeten hun afgewerkten stoom afvoeren door een afvoerpijp, welke buiten den schoorsteen uitmondt, tenzij die schoorsteen bedekt is met een kap van ijzerdraad met openingen van ten hoogste 5 mM. Zoodanige bedekking moet aanwezig zjjn op alle stoomvaartuigen welker ketels met cokes, turf of hout gestookt worden.

21. De schippers van stilliggende vaartuigen zijn verplicht te verhalen naar de ligplaatsen, die hun door den spoorweg-havenmeester worden aangewezen, en die zoo noodig door dezen kunnen worden veranderd.

22. Behalve in geval van eenig onheil en in de gevallen, waarvoor dit verplichtend is gesteld, mag aan boord van een vaartuig des nachts geen klok geluid worden.

23. De schipper op wiens vaartuig brand is ontstaan, moet terstond de klok doen luiden of een daarmede overeenkomstig geluid doen hooren en het vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen verhalen.

24. Het is verboden aan boord van een in de spoorweghaven vertoevend vaartuig licht ontvlambare of bij ontvlamming fel brandende stoffen te smelten, te koken of te warmen tenzij met vergunning van den spoorweghavenmeester.

ocr page 116

104

Het is insgelijks verboden, tenzij dit door het bevoegd gezag voor een bepaald dool is voorgeschreven of toegestaan, aan boord van vaartuigen te schieten, buskruit te ontbranden of eenig vuurwerk af te steken.

25. De schipper die de spoorweghaven wil verlaten, geeft hiervan kennis aan den spoorweghavenmeester, die zoo noodig de orde bepaalt, waarin de vaartuigen moeten verhalen.

26. De vaartuigen, in art. 3, sub c en d genoemd, mogen alleen geladen en gelost worden op de daartoe bestemde of door den spoorweghavenmeester aangewezen plaatsen.

Het is verboden eenig voorwerp op de boorden van de spoorweghaven te brengen of te ontladen, zonder vergunning van den spoorweghavenmeester.

27. De schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht ten gerieve van elkander de noodige ruimte te maken tot het verhalen.

28. De schipper van een vaartuig, liggende in de spoorweghaven, moet gedoogen dat een ander vaartuig ter zijde van het zijne komt en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of te lossen.

29. De schipper moet zijn vaartuig zoodra het geladen of gelost is, terstond doen verhalen, wanneer een ander vaartuig terzelfder plaatse moet geladen of gelost worden.

Ingeval van gebrek aan ruimte, hebben bij gelijktijdige aankomst de vaartuigen welke komen laden, den voorrang boven die welke komen lossen.

30. Het is verboden:

1°. het gebruik van de werken te belemmeren of te beletten;

2°. in de haven vaste stoffen te werpen of te laten vallen ;

3°. op de los- of laadplaatsen andere goederen of voorwerpen neder te leggen, dan welke moeten worden ingescheept of zijn ontladen, of goederen te laten liggen na verloop van den door den havenmeester voor de inlading of wegvoering bepaalden termijn.

31. Tot het opsporen van de overtredingen van dit reglement zijn bevoegd de bij art. 8 van het quot;Wetboek van Strafvordering genoemde personen en de beambten der Rijks-en gemeente-politie; voorts:

ocr page 117

105

a. in de spoorweghavon, do spoorweghavenmeestcr;

h. in den havenmond, de ambtenaar van den Rijkswaterstaat; belast met het beheer.

Do ambtenaren en beambten, in het eerste lid bedoeld, zijn bevoegd tot de handelingen in art. 6 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad No. 69) omschreven.

De door hen opgemaakte processen-verbaal worden gezonden aan den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht dien de zaak aangaat, en in afschrift medegedeeld aan den District-Inspecteur der spoorwegdiensten, voor zoover zij eene overtreding constateeren welke heeft plaats gehad in de spoorweghaven, en aan den Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 1ste district, voor zoover de overtreding plaats had in den havenmond.

32. De havenmeester en de ambtenaren van den waterstaat zijn bevoegd tot do handelingen in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 {Staatsblad No. 69) omschreven, elk voor zooveel het gedeelte betreft, waarover hem of hun het beheer is opgedragen.

33. De schippers zijn verplicht te gehoorzamen aan allo bevelen, welke hun door den havenmeester, den District-Inspecteur der spoorwegdiensten of de boheervoerende ambtenaren van den Rijkswaterstaat in het belang van de vaart of van de werken worden gegeven.

Van die bevelen is, onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hooger beroep op Onzen Commissaris in de provincie.

34. Van alle schade welke aan de havenwerken is toegebracht, wordt door den havenmeester proces-verbaal opgemaakt.

Dit proces-verbaal houdt in:

den staat waarin het beschadigde zich voor het ongeval bevond;

de omstandigheden waaronder de beschadiging heeft plaats gehad;

de vermoedelijke kosten der herstelling;

den naam van den persoon die tot de vergoeding gehouden wordt geacht, en het bedrag dat door dezen is verschuldigd.

Tot vaststelling van dit bedrag wordt acht geslagen op den toestand, waarin de werken zich, voor dat de schade was toegebracht, bevonden.

Dit proces-verbaal wordt, zoo het betrekking heeft op de spoorweghaven, aan den District-Inspecteur der spoorwegdiensten, en zoo het betrekking heeft op den havenmond, aan

ocr page 118

106

den Hoofdingenieur van den Waterstaat gezonden en zoo mogelijk in afschrift aan den schipper van het vaartuig, dat de schade berokkend heeft, medegedeeld.

35. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, de overtreding van do artt. 7, 3e lid, 10, le lid en 11;

h. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van de artt. 13, 15, 21 en 23;

c. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van de artt. 10, 2e lid, 19, 30 sub 1° en 33, le lid:

d. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van de artt. 7, le lid, 8, 17, 20 en 29;

e. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van de artt. 4, 5, 6, 9, 14, 16, 24, le lid, 27, 28 en 30 sub 2°.;

f. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van de artt. 2, 2e en 3e lid, 12, 22; 24, 2e lid, 25, 26 en 30 sub 3°.

ocr page 119

REGLEMENT op het gebruik van de spoorweghaven te ENKHUIZEN met de daartoe behoorende werken en van het gedeelte van het KRABBERSGAT tegenover den mond van die haven.

(Vastgesteld b;j Koninklijk besluit van den 2den October 1893, Staatsblad No. 148).

Artikel I. In dit reglement wordt verstaan onder haven, de spoorweghaven met den havenmond ten oosten begrensd door de lijn, gaande door het havenvuur der gemeentehavon en den kop van den havendam der spoorweghaven;

onder het gedeelte van het Krabhersgat tegenover den mond van de spoorweghaven, het deel van het Krabbersgat, grenzende aan den havenmond en begrepen tusschen twee rechte lijnen hieronder nader omschreven ;

de eene lijn is getrokken van den kop van den havendam der spoorweghaven naar een punt A van den zuidoostelijken leidam van het Krabbersgat ;

de tweede lijn is getrokken van het havenvuur der gemeentehaven naar een punt B van dienzelfden leidam.

Ter nadere bepaling van de punten A en B is eene loodlijn neergelaten uit het uiteinde der kruin van den zuidelijken dam van de spoorweghaven op de as van den zuidoostelijken leidam van het Krabhersgat;

het punt A is gelegen op 200 M. en het punt B op 300 M. uit het voetpunt der loodlijn gemeten langs de as van den dam in noordoostelijke richting. Het gedeelte van het Krabhersgat aldus bepaald, wordt op de aan dit reglement gehechte (1) kaart door een blauwe kleur aangegeven en is op het terrein zichtbaar afgebakend.

Voorts wordt verstaan:

onder havenmeester, de ambtenaar, door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid belast met het beheer in de spoorweghaven;

onder veerdienst, de stoombootveerdienst tusschen de spoorwegstations Enkhuizen en Stavoren;

1

Deze kaart is verkrijgbaar aan de Algemeene Landsdrukkerij te 's-Gravenhage.

ocr page 120

108

onder stoomvaartuiy, elk stoomvaartuig onder stoom al of niet zeil voerende;

onder schipper, ieder gezagvoerder van een vaartuig of die dezen vervangt;

onder dag, de tijd tusschen op- en ondergang der zon;

onder nacht, de tijd tusschen onder- en opgang der zon.

2. Dit reglement wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.

Elke schipper, die een der in artikel 1 genoemde wateren

bevaart of van de daartoe behoorende werken gebruik maakt, moet voorzien zijn van een exemplaar van dit reglement, benevens van het Reglement ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 18 Mei 1892 (Staatsblad No. 102).

Hij moet deze, desgevorderd aan de ambtenaren en beambten in artikel 34 bedoeld, vertoonen.

3. In de haven worden toegelaten:

a. de vaartuigen, behoorende tot den veerdienst;

h. de vaartuigen, door het bestuur der Posterijen belast met het postvervoer;

e. de vaartuigen, geen passagiers vervoerende, geladen met goederen of vee, blijkens vrachtbrief bestemd om met den spoortrein of de veerbooten doorgezonden te worden en de vaartuigen, welke blijkens lastbrief goederen of vee, per spoortrein of veerboot aangevoerd, moeten inladen;

d. de vaartuigen geladen met bouwstoffen of benoodigd-heden voor den spoorweg of den veerdienst, mits daarvan blijke uit een certificaat van den spoorweg- of veerdienst-ondernemer, of diens gemachtigde;

e. de vaartuigen van de Koninklijke Nederlandsehe Marine, van den Rijkswaterstaat, die van de ambtenaren belast met de uitoefening van het toezicht op de Zuiderzee-visscherij, van de Rijkspolitie en de Recherche te water;

ƒ. de bagger- en andere vaartuigen, benoodigd voor de uitvoering van Rijkswerken aan of nabij den havenmond of de haven.

Andere vaartuigen mogen, behalve ingeval van nood, in de haven niet binnenkomen, dan met schriftelijke vergunning van den havenmeester, alleen in bijzondere gevallen te ver-leenen.

4. De in de haven toe te laten vaartuigen mogen geen grooter diepgang hebben dan van 2 M.

Met schriftelijke vergunning van den havenmeester kunnen, wanneer de omstandigheden zulks veroorloven, schepen van meerderen diepgang worden toegelaten.

ocr page 121

109

5. Alle vaartuigen van méér dan één meter diepgang moeten aan den achtersteven voormen zijn van een schaal waarop de diepgang duidelijk leesbaar is.

Noch de schroef, noch eenig ander gedeelte van een stoomvaartuig mag beneden de kiel uitsteken, tenzij de schaal van den onderkant van dat deel beginne te tellen.

6. Vaartuigen zonder vast dek en van grooter inhoud dan 10 M3. moeten voorzien zijn van waterdichte borden, boorden of wanden, welke ten minste 0.25 M. boven den waterspiegel reiken.

Het is verboden, langs de berghouten, aan de stootklossen of vooraan de zwaarden van de vaartuigen uitstekende ijzers of punten te hebben.

7. De naam van het vaartuig moet op eene in het oog vallende plaats aan de buitenzijde van het vaartuig duidelijk leesbaar zijn aangegeven.

Deze bepaling is alleen van toepassing op vaartuigen van grooter inhoud dan 10 M3.

8. Aan de schippers van de vaartuigen in artikel 3, sub c, (l en e genoemd, uitgezonderd die van de Rjjkspolitie en van de Recherche te water, is het verboden met hunne schepen:

1°. de haven bij z waren mist binnen te komen of te verlaten;

2°. de haven binnen te komen of te verlaten en zich om eenigerlei reden in die haven, beoosten den draaistoel, op te houden van 15 minuten vóór den bij dienstregeling vastge-stelden tijd van vertrek of aankomst der veerbooten, tot het tijdstip, waarop deze den havenmond verlaten hebben of binnen gekomen zijn.

9. Aan de schippers van de vaartuigen, in artikel 3 sub t', d en f genoemd, is het verboden met hunne schepen:

1°. gebruik te maken van den draaistoel en den aanlegsteiger in de haven;

2°. langer in de haven te vertoeven dan tot het innemen of lossen der lading, het voortzetten der reis of de uitvoering der werken noodig is, ter beoordeeling van den havenmeester;

3°. in de haven fe gaan liggen op eene plaats, die voor de uitoefening van den veerdienst hinderlijk is;

4°. trossen, lijnen of kettingen anders vast te leggen dan aan de daarvoor bestemde palen of zoodanig dat zij de vrije beweging in de haven of over de kaden belemmeren.

10. Het is verboden vaartuigen in het gedeelte van het Krabbersyat tegenover den mond van do spoorweghaven stil te doen liggen of voor anker te leggen.

ocr page 122

no

11. De schipper, zjjn vaartuig verlatende, doet zich door een geschikt persoon verhangen.

Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen van minderen inhoud dan 10 M:i.

Het is verboden vaartuigen van 10 en meer M3 inhoud onbewoond in de haven te laten liggen, tenzij met vergunning van den havenmeester.

Het is mede verboden vaartuigen onbeheerd in de haven te laten drijven.

12. De schipper van een vaartuig, dat overladen of, naar het oordeel van den havenmeester, onvoldoende bemand of getuigd is, moet op aanzegging van den havenmeester dc vaart staken en het vaartuig naar eene door dezen aan te wijzen plaats verhalen.

De schipper van een vaartuig, dat in onmiddellijk gevaar van zinken verkeerd, moet het zoodra mogelijk buiten het vaarwater brengen.

13. Het is verboden eenig vaartuig derwijze te plaatsen, dat de in- of uitvaart van de haven wordt belemmerd.

De schipper van een zoodanig geplaatst vaartuig is verplicht op bevel van den havenmeester terstond te verhalen.

14. Het aandoen der haven is verboden wanneer dos daags een roode vlag of des nachts een rood licht op een van de hoofden is geplaatst, ten teeken dat de toegang tot die haven door aanwezige vaartuigen of door andere oorzaken is belemmerd.

15. Wordt een vaartuig in de haven door vorst ingesloten dan is de schipper verplicht te zorgen dat rondom het vaartuig een bijt van ten minste een halven meter breedte worde gehakt en opengehouden.

16. Bij het vervoeren, laden en lossen van licht ontvlambare of ontplofbare goederen of ongebluschte kalk, is de schipper, onverminderd de naleving der omtrent het vervoer bestaande wetten en verordeningen, verplicht de bijzondere voorzorgsmaatregelen na te leven, die hem door den havenmeester worden voorgeschreven.

17. Indien van een vaartuig eenig voorwerp verloren raakt, hetwelk drijvende of gezonken voor de vaart gevaarlijk of hinderlijk kan zijn, is de schipper gehouden hiervan zoo spoedig mogelijk kennis te geven aan den havenmeester.

De plaats, waar zoodanig gezonken voorwerp ligt, moet door den schipper terstond door een boei worden aangewezen.

ocr page 123

Ill

De schippers zorgen dat geen lichters, vlotten of balken, bij hunne vaartuigen in gebruik, zich los of ongemeerd bevinden.

18. Wanneer een vaartuig in de wateren, in artikel 1 genoemd, aan den grond raakt en de lading naar het oordeel van den havenmeester of van den ambtenaar van den Rijkswaterstaat, met het beheer over het water belast, moet gelost worden om het vaartuig weder vlot te brengen, is de schipper verplicht onmiddellijk tot het lossen over te gaan.

19. Het is verboden, gedeelten der lading of ballast in het water te werpen, behalve met vergunning van den havenmeester of in gevallen waarbij het behoud van het vaartuig van het overboord zetten der lading of van den ballast afhangt.

20. De schipper van een gezonken of aan den grond geraakt vaartuig geeft van het ongeval terstond kennis aan den havenmeester.

21. Tot op het oogenblik dat van overheidswege, krachtens de wet van 23 Juli 1885 {Staatsblad No. 151), tot opruiming wordt overgegaan, blijven belanghebbenden bevoegd het gezonken vaartuig te lichten of het aan den grond zittend vaartuig weder vlot te maken.

22. Bij het voorbijvaren van diep geladen vaartuigen, baggermolens, in lading of lossing liggende vaartuigen of andere drijvende inrichtingen, waarvoor de golfslag gevaarljjk kan zijn en die tot teeken daarvan moeten vertoonen des daags een roode vlag, des nachts twee helder roode lichten, geheschen met eene tusschenruimte van niet minder dan 0.50 M. en niet meer dan 1 M., moeten stoomvaartuigen hunne vaart zooveel verminderen als noodig is, om nadeeligen golfslag te voorkomen.

23. Stoomvaartuigen, die stoomtuigen van hooge drukking hebben, moeten hun afgewerkten stoom afvoeren door een afvoerpijp, welke buiten den schoorsteen uitmondt, tenzij die schoorsteen bedekt is met een kap van ijzerdraad met openingen van ten hoogste 5 mM.

Zoodanige bedekking moet aanwezig zijn op alle stoomvaartuigen welker ketels met cokes, turf of hout gestookt worden.

24. De schippers van stilliggende vaartuigen zijn verplicht te verhalen naar de ligplaatsen, die hun door den havenmeester worden aangewezen en die zoo noodig door dezen kunnen worden veranderd.

ocr page 124

112

25. Behalve ingeval van eenig onheil en in de gevallen, waarvoor dit verplichtend is gesteld, mag aan boord van een vaartuig des nachts geen klok geluid worden.

26. De schipper op wiens vaartuig brand is ontstaan moet terstond de klok doen luiden of een daarmede overeenkomstig geluid doen hooren en het vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen verhalen.

27. Het is verboden aan boord van een in de haven vertoevend vaartuig licht ontvlambare of bij ontvlamming fel brandende stoffen te smelten, te koken of te warmen, tenzij met vergunning van den havenmeester.

Het is insgelijks verboden, tenzij dit door het bevoegd gezag voor een bepaald doel is voorgeschreven of toegestaan, aan boord van vaartuigen te schieten, buskruit te ontbranden of eenig vuurwerk af te steken.

28. De schipper die de haven wil verlaten, geeft hiervan kennis aan den havenmeester, die zoo noodig de orde bepaalt waarin de vaartuigen moeten verhalen.

29. De vaartuigen in artikel 3, sub c en d genoemd, mogen alleen geladen of gelost worden op de daartoe bestemde of door den havenmeester aangewezen plaatsen.

Het is verboden eenig voorwerp op de boorden van do spoorweghaven te brengen of te ontladen, zonder vergunning-van den havenmeester.

30. De schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht ten gerieve van elkander de noodige ruimte te maken tot het verhalen.

31. De schipper van een vaartuig, liggende in de haven, moet gedoogen dat een ander vaartuig ter zjjde van het zijne kome en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of te lossen.

32. De schipper moet zijn vaartuig zoodra het geladen of gelost is, terstond doen verhalen, wanneer een ander vaartuig terzelfder plaatse moet geladen of gelost worden.

Ingeval van gebrek aan ruimte hebben, bij gelijktijdige aankomst, de vaartuigen welke komen laden den voorrang boven die welke komen lossen.

33. Het is verboden:

1°. het gebruik van de werken te belemmeren of te beletten;

2°. in de haven vaste stoffen te werpen of te laten vallen;

3°. op de los- of laadplaatsen andere goederen of voorwerpen neder te leggen, dan welke moeten worden ingescheept

ocr page 125

113

of zijn ontladen, of goederen te laten liggen na verloop van den door den havenmeester voor de inlading of wegvoering bepaalden termijn.

34. Tot het opsporen van de overtreding van dit reglement zijn bevoegd de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen en de beambten der Rijks-en gemeente-politie, voorts:

a. in de haven :

de havenmeester;

h. in het gedeelte van het Krahhersgat genoemd in artikel 1:

de ambtenaren van den Rijkswaterstaat, belast met het beheer.

De ambtenaren en beambten in het eerste lid bedoeld, zijn bevoegd tot de handelingen in artikel 6 der wet van 28 Februari 1891 {Staatsblad No. G9) omschreven.

De door hen opgemaakte proeessen-verbaal worden gezonden aan den ambtenaar van het openbaar Ministerie bij het kantongerecht, dien de zaak aangaat, en in afschrift medegedeeld aan den District-Inspecteur der spoorwegdiensten, voor zoover zij eene overtreding constateeren, welke heeft plaats gehad in de haven, en aan den Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 9de district voor zoover de overtreding plaats had in het gedeelte van het Krabbersgat omschreven in artikel 1.

35. De havenmeester en de ambtenaren van den Waterstaat zijn bevoegd tot de handelingen in artikel 3 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad No. 69) omschreven, elk voor zooveel het gedeelte betreft, waarover hem of hun het beheer is opgedragen.

36. De schippers zijn verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, welke hun door den havenmeester, den District-Inspecteur der spoorwegdiensten of de beheer voerende ambtenaren van den Rijkswaterstaat, in het belang van de vaart of van de werken, worden gegeven.

Van die bevelen is, onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hooger beroep op Onzen Commissaris in de Provincie.

37. Van alle schade welke aan de havenwerken is toegebracht, wordt door den havenmeester proces-verbaal opgemaakt.

Dit proces-verbaal houdt in:

den staat, waarin het beschadigde zich vóór het ongeval bevond;

ocr page 126

114

de omstandigheden, waaronder de beschadiging heeft plaats gehad;

de vermoedelijke kosten der herstelling;

den naam van den persoon, die tot de vergoeding gehouden wordt geacht en het bedrag dat door dezen is verschuldigd.

Tot vaststelling van dit bedrag wordt acht geslagen op den toestand, waarin de werken zich, vóór dat de schade was toegebracht, bevonden.

Dit proces-verbaal wordt aan den District-Inspecteur der spoorwegdiensten gezonden en zoo mogelijk in afschrift aan den schipper van het vaartuig, dat de schade berokkend heeft, medegedeeld.

38. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, de overtreding van de artikelen 10, 12 le lid, 13 en 14;

h. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van de artikelen 16, 18, 24 en 26;

c. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van de artikelen 12 2e lid, 22, 33 sub 1° en 36 le lid;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van de artikelen 8, 9, 20, 23 en 32;

e. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van de artikelen 5, 6. 7, 11. 17, 19, 27 le lid, 30, 31 en 33 sub 20;

f. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding vau de artikelen 2 2e en 3e lid, 15, 25, 27 2e lid, 28, 29 en 33 sub 3°.

ocr page 127

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het kanaal van AMSTERDAM naar de MERWEDE.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den SOsten Januari 1894, StaafsMad

No. 8, met intrekking van het Koninklyk besluit van don 13den Mei 1892, Staatsblad No. 99).

Artikel I. Onder het in dit reglement bedoeld kanaal wordt verstaan het kanaal, aanvangende aan het Noordzee-kanaal, bij de Stads Rietlanden te Amsterdam, en loopende bewesten Utrecht en Vreeswijk tot in de Lek, en van uit die rivier beoosten Vianen tot in de Merwede, ten westen van Gorinchem, benevens de vertakking naar de Oude Vecht bij Nigtevecht.

2. Do grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn :

lengte...... 85.00 M.

breedte......10.50 „

diepgang.....2.60 „

Door de Wilhelminasluis te Vianen echter worden geene vaartuigen geschut van grootere afmetingen dan;

lengte...... 53.00 M.

breedte......7.50 „

diepgang.....2.10 „

Tot het verleenen van de bij art. 63 van het Algemeen reglement van politie bedoelde vergunning tot het bevaren van het kanaal met vaartuigen van grooter afmeting, is aangewezen de hoofdingenieur in het negende district te Haarlem.

3. Er wordt niet meer geschut:

а. met de Koninginnensluis te Vreeswijk en met de Groote Schutsluis te Vianen,

zoodra en zoolang het water in de rivier de Lek aan die sluizen den stand heeft bereikt van 4.95 'M. boven Amster-damsch peil, overeenkomende met 4.81 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.) of hooger;

б. met de Wilhelminasluis te Vianen,

zoodra en zoolang het water in de rivier de Lek aan die sluis den stand heeft bereikt van 4.238 M. boven Amsterdamsch peil, overeenkomende met 4.11 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.) of hooger;

ocr page 128

116

c. met de Mer wede sluis bij Gorinchem,

zoodra en zoolang het water in de rivier de Merwede aan die sluis den stand heeft bereikt van 4.30 M. boven Amster-damsch peil, overeenkomende met 4.196 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.) of hooger.

4. De schutkolk van de Merwedesluis bij Gorinchem wordt op de rivier de Merwede afgemalen zoodra en zoolang het stoomgemaal te Steenenhoelc behoorlijk in werking is; of voor het geval dat dit stoomgemaal onverhoopt niet mocht kunnen werken, zoodra en zoolang als het water in het kanaal van Steenenhoelc, aan de sluis tussehen dit kanaal en de Linge (de Steenenhoeksche kanaalsluis), tot 1.40 M. boven Amsterdamsch peil, overeenkomende met 1.336 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.) en hooger, is gestegen.

5. Met uitbreiding van art. 18 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald dat, na de in dat artikel genoemde vaartuigen, ook recht op voorschutting- hebben de naar den Duüschen Rijn bestemde of van daar komende vaartuigen met hunne sleepers.

6. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaartuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen van meer dan 2.50 M. diepgang, 125 M.;

voor stoomvaartuigen tussehen 2.00 en 2.50 M. diepgang, 150 M.;

voor stoomvaartuigen tussehen 1.25 en 2.00 M. diepgang, 175 M.;

voor stoomvaartuigen van minder dan 1.25 M. diepgang, 200 M.

De Minister kan evenwel voor stoomvaartuigen, die in den regel het kanaal bevaren, een of meer proefvaarten doen plaats hebben, en in verband met den uitslag daarvan vaststellen, dat de toe te laten snelheid voor dat vaartuig worde bepaald naar een vast te stellen grootst aantal zuigerslagen der machine of wentelingen der schroefas in de minuut.

Het is verboden, met grooter snelheid te varen dau volgens het tweede lid van dit artikel is toegelaten.

7. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn:

lengte...... 125.00 M.

breedte..... 7.00 „

diepgang..... 1.50 „

In de Wiihelminasluis te Vianen echter worden geene grootere lengten dan van 45 M. toegelaten.

ocr page 129

117

De grootste snelheid, waarmede vlotten vervoerd mogen worden, bedraagt 75 M. per minuut.

Met afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het Algemeen reglement, \Yordt voor dit kanaal bepaald, dat elk vlot van 35 M. of minder lengte door ten minste twee bekwame mannen moet bestuurd worden en voor elke 30 M. meerdere lengte of gedeelte daarvan, één man meer ter besturing moet aanwezig zijn.

8. Het grootste aantal vaartuigen, dat gelijktijdig door eene stoomboot mag worden gesleept, bedraagt twaalf.

Vaartuigen van meer dan 250 ton inhoud tellen in den sleeptrein voor twee vaartuigen.

9. Bij bruggen met twee doorvaartopeningen moeten alle vaartuigen en vlotten de opening aan stuurboordswal doorvaren.

Gelijke bepaling geldt voor het doorvaren der twee openingen van de dubbele schutsluis nabij Amsterdam.

10. Voor bruggen met twee doorvaartopeningen wordt het eerste lid van artikel 22 van het Algemeen reglement gelezen als volgt:

,Telkenmale nadat twee vaartuigen achter elkander een brug-opening zijn doorgevaren, wordt de brug, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.quot;

11. De eerste twee volzinnen van artikel 15 van het Algemeen reglement zijn ook van toepassing bij het naderen van in overvaart zijnde ponten.

quot;Wanneer een in overvaart zijnde pont in nood verkeert en de pontwachter geen gelegenheid meent te hebben, het vaarwater tijdig vrij te maken, moet de schipper van een naderend vaartuig, op het vertoonen van een noodsein, zijn vaartuig doen stoppen, en desgevorderd, ter plaatse door den pontwachter aan te wijzen, vastleggen.

Dit noodsein bestaat in het zwaaien op de pont, bij dag van een roode vlag, en bij naoht van een rood licht.

12. Met afwijking van het laatste lid van artikel 15 van het Algemeen reglement, zijn het tweede en het derde lid van dat artikel ook van toepassing op de schipbrug onder Meerkerk.

13. Het is verboden vaartuigen met paarden te jagen, anders dan langs het daarvoor bestemde jaagpad.

Dit jaagpad loopt langs de westzijde van het kanaal, behalve voor het gedeelte tusschen de draaibrug in den Weverwijk-schen dijk onder Meerkerk en de Bazelbrug, waar het langs

ocr page 130

118

de oostzijde loopt; bij Vianen, waar het jaagpad is afgebroken door den toegang naar de Wilhelminasluis, en bij Gorinchem, waar het is afgebroken door het Steenenhoeksche kanaal.

Bovendien wordt het jagen nog toegelaten aan de oostzijde tusschen:

a. de pont in den Aeisveldschen polder en de sluizen te Nigtevecht ;

b. de draaibrug in den Groole.n weg van Utrecht naar Vreeswijk en den Vaartschen Rijn.

c. de groote schutsluis te Vianen en de draaibrug in den

Weverwijkschen dijk ;

d. de Bazelhrug en den zijtak uitgaande bezuiden de brug in den spoorweg Dordrecht-Elst naar den Arkelschen dam;

e. den evengenoemden zijtak en de schutsluis bij de alge-meene begraafplaats te Gorinchem.

14. Met uitbreiding van het tweede lid van art. 91 van het Algemeen reglement, wordt bepaald dat het proces-verbaal omtrent aan de kanaalwerken toegebrachte schade in afschrift zal worden medegedeeld :

a. wegens schade aan werken onder beheer van het Departement van Oorlog, aan den betrokken eerstaanwezend officier der genie;

h. wegens schade aan werken van bijzondere besturen of personen, aan die personen of besturen.

15. Overtreding van de bepalingen van dit bjjzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artikel 6, derde lid;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikel 9;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventij gulden, de overtreding van artikel 7, laatste lid;

d. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van de artikelen 11 en 13.

ocr page 131

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor de KEULSCHE VAART.

(Vastgesteld bjj Koninklijk besluit van den 13den Mei 1892, Staatsblad

No. 100, met intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder de Keulsche Vaart wordt verstaan het vaarwater, loopende van de hooge Amstelbruj te Amsterdam door den Am stel, de Weespcrtrekvaart, We esp, de Vecht, de grachten buiten het westelijk gedeelte van Utrecht, door den Vaartschen Rijn tot aan de rivier de Lek te Vreeswijk, met dien verstande, dat het gedeelte Vaartschen Rijn, tnsschen het Huis de Liesbosch en het Huis te Wiers, hetwelk gemeen ligt met het Merwedekanaal, gerekend wordt niet tot de Keulsche Vaart te behooren.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn :

lengte...... 52.00 M.

breedte......7.50 „

diepgang.....2.10 „

3. Wanneer het water in de Vecht, aan de sluis te Weesjj hooger staat dan 0.22 M. boven Amsterdamseh peil, kan het schutten aldaar worden beperkt. Bij een waterstand hooger dan 0.40 M. boven Amsterdamseh peil, wordt aan die sluis niet geschut.

De schuttingen door de Weerdsluis kunnen gestaakt worden, wanneer het water in den Vaartschen Rijn hooger staat dan 0.80 M. boven Amsterdamseh peil, en beperkt, wanneer het water hooger staat dan 0.60 M. boven Amsterdamseh peil.

Met de schutsluis der gemeente Utrecht te Vreeswijk wordt niet meer geschut, wanneer het water in de rivier de Lek, aan die sluis hooger staat dan 4.32 M. boven Amsterdamseh peil.

4. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoom vaartuigen van meer dan 1.50 M. diepgang, 130 M.;

ocr page 132

120

voor stoomvaartuigen van niet meer dan 1.50 M. diepgang, 150 M.;

voor stoomvaartuigen van niet meer dan 1.25 M. diepgang, 170 M.;

voor stoomvaartuigen van niet meer dan 1.00 M. diepgang, 180 M.

5. Stoomvaartuigen mogen in de bebouwde kommen dei-gemeenten met geen grootere snelheid varen dan 75 M. in de minuut.

Bij bruggen met twee doorvaartopeningen moeten alle vaartuigen en vlotten de opening aan stuurboordswal doorvaren.

6. Voor dit kanaal wordt voor bruggen met twee doorvaartopeningen het eerste lid van art. 22 van liet Algemeen reglement gelezen als volgt:

„Telkenmale, nadat twee vaartuigen achtereen eene brug-opening zijn doorgevaren, wordt de brug, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.quot;

7. De grootste geoorloofde lengte der vlotten bedraagt 125, de breedte 5, de diepte b25 M.

Bij vlotten, waarop eene hut voor de bemanning is geplaatst, mag het gedeelte, hetwelk door die hut wordt ingenomen, eene breedte hebben van ten hoogste 6.50 M.

De vlotten worden met geen grootere snelheid vervoerd, dan van 75 M. in de minuut.

Met afwijking van artikel 71 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald, dat elk vlot van 35 M. of mindere lengte door ten minste twee bekwame mannen moet worden bestuurd en, voor elke 45 M. meerdere lengte of gedeelte daarvan, één man meer fer besturing moet aanwezig zijn.

8. Ligplaatsen voor de vlotten zijn:

te Vreeswijk: de oostelijke oever van het kanaal;

onder Achttienhoven: de linkeroever;

tusschen Nieuwer sluis en Loenen: de rechteroever;

te Weesp: de linkeroever der Vecht en de noordelijke oever der Weesper vaart;

te Amsterdam: de oostelijke kanaaloever of Weesper zijde.

9. Het grootste aantal vaartuigen, dat geljjktiidig door eene stoomboot mag worden gesleept, bedraagt twaalf.

10. Met uitbreiding van artikel 78 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald, dat de eigenaren of gebruikers van aan het kanaal gelegen gronden of erven

ocr page 133

121

bevoegd zijn vóór hunnen grond vaartuigen tijdelijk ligplaats te doen nemen tot laden en lossen, mits zij het kanaalprofiel zoodanig verruimen, dat de vaartuigen den wal tot op 1.50 M. afstand, gemeten op den waterspiegel, kunnen naderen.

11. Met uitbreiding van het tweede lid van artikel 91 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald, dat het proces-verbaal omtrent aan de kanaalwerken toegebrachte schade in afschrift zal worden medegedeeld:

a. wegens schade aan werken, onder beheer van het Departement van Oorlog, aan den betrokken eerstaanwezend officier der genie;

b. wegens schade aan werken van bijzondere besturen of personen, aan die besturen of personen.

12. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden de overtreding van artikel 5, tweede lid;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artikel 7, tweede en laatste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van artikel 10.

ocr page 134

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het kanaal, uitgaande van het kanaal van Amsterdam naar de Merwede bij Schotdeuren, langs de Linge en door Gorinchem naar de Merwede.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 30sten Januari 189i, Staatsblad

No. 9, met intrekking van het Koninklük besluit vau deu 13dou Mei 1892, Staatsblad No. 101).

Artikel I. Onder het in dit reglement bedoelde kanaal wordt verstaan de zjjtak, uitgaande van het kanaal van Amsterdam naar de Merwede bezuiden de brug in den spoorweg Dordrecht—Eist, naar den Arkelschen dam, van daar de Linge volgende tot Gorinchem en door die stad tot in de Merwede.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte...... 53.00 M.

breedte......7.50 „

diepgang.....2.10 „

3. Er wordt niet meer gesehut:

a. met de sluis bij den Arkelschen dam, zoodra en zoolang het water in de rivier de Linge aan die sluis den stand heeft bereikt van 2.52 M. boven Amsterdamsch peil, overeenkomende met 2.358 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.), of hooger;

h. met de buiten- of keersluis in den mond van de haven te Gorinchem, zoodra en zoolang het water in de rivier de Merwede aan die sluis den stand heeft bereikt van 3,514 M. boven Amsterdamsch peil, overeenkomende met 3.41 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.), of hooger.

4. Met de op het kanaal liggende sluizen wordt slechts driemaal per etmaal geschut, telkens naar beide zijden, zoodra

ocr page 135

123

het water in de rivier de Linge den stand heeft bereikt van 1.423 M. boven Amsterdamsch peil, overeenkomende met 1.261 M. boven het herziene Amsterdamsch peil (N. A. P.).

Deze waterstand wordt waargenomen voor de schuttingen te Gorinchem, aan de Korenhrugsluis; en voor de schutting te Arkel aan de sluis bij den Arkelschen dam.

De uren waarop die schuttingen zullen plaats hebben worden door den hoofdingenieur geregeld.

In spoedeischende gevallen zullen buitengewone schuttingen plaats hebben, tenzij dit door den ingenieur tijdelijk verboden wordt.

5. Voor enkele vaartuigen, welke om bijzondere redenen behoefte aan voorschutting hebben, kan, bjj tijdige aanvraag, het recht van voorschutting op bepaald aangewezen dagen, door den Minister, voor eens of doorloopend, worden verleend.

6. In de haven te Gorinchem mogen de vaartuigen, welke niet laden of lossen, niet langer vertoeven dan voor de doorvaart noodig is, tenzij met vergunning en volgens aanwijzing van den Rijkshavenmeester.

Indien in de haven te Gorinchem twee vaartuigen op dezelfde plaats gelijktijdig gelost of geladen moeten worden, heeft de schipper van het eerstaangekomen vaartuig het recht, om met zijn vaartuig langs de kade te liggen. Bij verschil beslist de havenmeester.

Met afwijking in zooverre van artikel 80 van het Algemeen reglement, wordt bepaald, datquot; de aan de kade liggende schipper moet gedoogen, dat van het andere vaartuig over het zijne gelost of geladen wordt, mits de goederen draagbaar zijn, en het laden en lossen geschiedt over behoorlijke planken, welke daartoe over het aan de kade liggende vaartuig worden gelegd.

7. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen van meer dan 1.50 M. diepgang, 125 M.;

voor stoomvaartuigen van niet meer dan 1.50 M. diepgang, 150 M.;

voor stoomvaartuigen van niet meer dan 1.00 M. diepgang, 180 M.

ocr page 136

124

De Minister kan evenwel voor elk op het kanaal in de vaart zijnd of komend stoomvaartuig een of meer proefvaarten gelasten, en in verband met den uitslag daarvan vaststellen, dat de toe te laten snelheid voor dat vaartuig worde bepaald door een vast te stellen grootst aantal zuigerslagen der machine of wentelingen der schroefas in de minuut.

Het is verboden, met grooter snelheid te varen dan volgens het tweede lid van dit artikel is toegelaten.

8. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn;

lengte...... 80.00 M.

breedte......7.00 „

diepgang.....1-25 „

In de schutsluizen worden geen grootere lengten dan van 45 M. toegelaten.

De grootste snelheid, waarmede vlotten mogen vervoerd worden, bedraagt 75 M. in de minuut.

9. Het grootste aantal vaartuigen, dat gelijktijdig door eene stoomboot mag worden gesleept, bedraagt zes.

10. Bij bruggen met twee doorvaartopeningen moeten alle vaartuigen en vlotten de opening aan stuurboordswal doorvaren.

11. Voor bruggen met twee doorvaartopeningen wordt het eerste lid van art. 22 van het Algemeen reglement gelezen als volgt:

„Telkenmale nadat twee vaartuigen achter elkander eene brugopening zijn doorgevaren, wordt de brug, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.quot;

12. Met uitbreiding van het tweede lid van artikel 91 van het Algemeen reglement, wordt bepaald dat het procesverbaal omtrent aan de kanaalwerken toegebrachte schade in afschrift zal worden medegedeeld:

a. wegens schade aan werken onder het beheer van het Departement van Oorlog, aan den betrokken eerstaanwezend officier der genie;

h. wegens schade aan werken van andere besturen of bijzondere personen, aan die besturen of personen.

ocr page 137

125

13. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artikel 7, derde lid;

b. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikel 10;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artikel 6, eerste lid;

d. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artikel 6, derde lid.

ocr page 138

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het kanaal van Dokkum naar het voormalig Gerben-Alles-Verlaat aan het Kolonelsdiep met zijtak naar Kollum in de provincie FRIESLAND.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 104, met intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten en gewyzigd by Koninklyk besluit van den 5den September 1892, Staatsblad No. 217).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. De in dit reglement bedoelde kanalen zijn:

a. het kanaal van Üoli l uin naiu- het Gurbcn-A lies-Verlaat, beginnende bij de Stadsgracht te Dokkum, op 239 meter uit de as der Woudpoortslrug aldaar en eindigende aan het Kolonelsdiep gemeente A ehtkarspelen ;

h. de zjjtak van het onder a genoemde kanaal naar Kollum, beginnende bij de Kollumcrhrug over dat kanaal en eindigende bij de Koemarkt te Kollum.

2. Voor zeilvaartuigen bedraagt de grootste geoorloofde diepgang 1.40 meter, de grootste geoorloofde breedte 5 meter, voor stoomvaartuigen de grootste geoorloofde diepgang 1.20 meter, de grootste geoorloofde breedte 3.40 meter.

Bij waterstanden lager dan Friesch zomerpeil, wordt de geoorloofde diepgang evenveel verminderd.

Bij waterstanden hooger dan Friesch zomerpeil, kan de diepgang voor zeilvaartuigen zooveel meer bedragen als de waterstand boven peil staat.

3. De grootste geoorloofde snelheid van stoomvaartuigen bedraagt 125 meter per minuut.

4. De grootste geoorloofde lengte der vlotten bedraagt 250 meter, breedte 4 meter.

Zij worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 50 nieter per minuut.

ocr page 139

127

Bij het naderen van en varen door bruggen moeten de schippers de vlotten afsteken in deelen van ten hoogste 85 meter lengte.

Met afwijking van art. 71 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald, dat elk vlot, b[j eene lengte van 35 tot 50 meter, door ten minste twee daartoe bekwame mannen moet bestuurd worden, en dat voor elke 50 meter meerdere lengte of een gedeelte daarvan, ten minste één bekwaam persoon meer ter besturing aanwezig moet zijn.

5. Vlotten mogen niet stilliggen aan de trekwegszijden, bij aanlegplaatsen of in buurten.

6. Het grootste aantal vaartuigen, dat gelijktijdig door eene sleepboot mag worden gesleept, bedraagt tien.

7. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of bij het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

ff. vervallen]

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 4, vierde lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 5.

ocr page 140

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het APELDOORNSCHE KANAAL.

(Vastgesteld bü Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 105, met intrekking van het Koninklijk besluit van 17 Maart 1880, Staatsblad No. 33).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het Apelcloornsche kanaal wordt verstaan : het kanaal aanvangende aan de rivier den IJssel buiten de sluis te Dieren tot aan de rivier beneden Hattem.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn: voor de kanaalvakken van de rivier den IJssel te Dieren

tot de Apeldoornsche sluis en van de Hezenherger sluis tot de rivier den IJssel beneden Hattem:

lengte...... 30.00 M.

breedte......5.90 „

diepgang.....1.56 „

voor het kanaalvak van de Apeldoornsche tot de Hezenherger sluis:

lengte.......30 M.;

breedte voor door stoomkracht voortbewogen vaartuigen 4.15 M.;

breedte voor niet door stoomkracht voortbewogen vaartuigen 5 M.;

diepgang......1.38 M.

3. Indien een ledig vaartuig een geladen vaartuig tegenkomt op eene plaats waar zij elkander niet kunnen voorbjj-varen, moet het eerste terstond terugkeeren tot de naaste wissel- of keerplaats, en moet het andere de vaart zooveel mogelijk bespoedigen.

Indien de vaartuigen beide ledig of beide geladen zijn, moet het in de richting van Hattem naar Dieren varende vaartuig, naar de naaste wissel- of keerplaats terugkeeren, en het andere de vaart zooveel mogelijk bespoedigen.

Bovenstaande bepalingen gelden voor vaartuigen, breed 4.15 M. en daar beneden; zij zijn ook van toepassing bij de Ontmoeting van sleeptreinen onderling.

ocr page 141

128a

Bij de ontmoeting van een vaartuig' met een sleeptrein, op eene plaats waar zij elkander niet kunnen voorbijvaren, moet het eerste terstond tot de naaste wissel- of keerplaats terugkeeren, om den sleeptrein te laten voorbijvaren.

Indien twee vaartuigen, beide of een van beide breeder dan 4.15 M., elkander tegenkomen op eene plaats, waar zij elkander niet kunnen voorbijvaren, moet het breedste der beide vaartuigen, terstond tot de naaste wissel- of keerplaats terugkeeren, en het andere de vaart zooveel mogelijk bespoedigen.

Wanneer een vaartuig breeder dan 4.15 M. wordt ingehaald door een minder breed vaartuig op eene plaats waar het volgende vaartuig het voorgaande niet kan voorbijvaren, moet het breedere vaartuig aan de eerste wissel- of keerplaats wachten, om het achteropkomende vaartuig voorbij te laten varen.

4. Ingeval het tot waterbesparing noodig is, de schuttingen te beperken, is de ingenieur bevoegd daartoe de noodige voorschriften te geven, welke door aanplakking aan de sluizen zullen worden bekend gemaakt.

5. Van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang wordt aan de sluis te Dieren niet geschut.

Bij buitengewone omstandigheden, als: begin van sterke vorst, ijsgang of zeer sterk wassend water in den IJssel mag, ter beoordeeling van den sluiswachter, hierop uitzondering worden gemaakt.

6. De grootste snelheid waarmede de stoomvaartuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

Bij kanaalstanden gelijk aan of honger dan de hieronder opgegevene:

voor de kanaalvakker, boven de Apeldoornsche en beneden de Hesenberger sluis:

voor stoomvaartuigen van meer dan 1.25 M. diepgang, 80 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.25 M. diepgang, 95 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1 M. diepgang, 110 M.;

voor de kanaalpanden tusschen de Apeldoornsche en Hezenberger sluis:

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.25 M. diepgang, 55 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.25 M. diepgang, 65 M.;

ocr page 142

128amp;

■voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1 M. diepgang, 75 M.

Bij kanaalstanden heneden de hieronder opyegevene, worden deze snelheden verminderd en onderscheidenlijk teruggebracht tot 60 M., 70 M. en 83 M. en tot 40 M., 50 M. en 56 M.

Van de sluis te Bieren tot K.M.paal 2 mag nimmer met grooter snelheid dan van 50 M. in de minuut gevaren worden.

De bedoelde kanaalstanden zijn :

voor het pand van de Dierensche tot de Apeldoornsche sluis 13.42 M. A. P.;

van de Apeldoornsche tot de Koudhoornsche sluis 11 M. A. P.;

van de Koudhoornsche tot do Vaassensche sluis 8.45 M. A. P.;

van de Vaassensche tot de Bonenberger sluis 5.75 M. A. P.;

van de Bonenberger tot de Hezenberger sluis 4.12 M. A. P.;

beneden de Hezenberger sluis: A. P.

7. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn: lengte......27 M.

diepgang.....1 „

breedte:

voor de kanaalvakken boven de Apeldoornsche en beneden de Hezenberger sluis 4.50 M.;

voor do kanaalvakken tusschen de Apeldoornsche en Hezenberger sluis 3.50 M.

De vlotten worden met geen grooter snelheid vervoerd dan van 60 M. per minuut.

8. Des nachts moeten de vlotten behoorlijk aan de westzijde van het kanaal gemeerd worden.

De reis der vlotten moet tusschen Dieren en Apeldoorn in ten hoogste drie, en tusschen Apeldoorn en den IJssel bij Hattem of tusschengelegen plaatsen in ten hoogste vier dagen worden afgelegd, tenzij buitengewone omstandigheden, ter beoordeeling van den ingenieur, zulks verhinderen.

9. De westelijke kanaaldijk mag niet als jaagpad gebezigd worden.

Bij hevige westelijke winden kan door de kanaalbeambten afwijking van dit voorschrift worden toegestaan.

10. Het grootste getal vaartuigen dat gelijktijdig door eene sleepboot mag worden gesleept, bedraagt twee.

ocr page 143

129

11. In de voorhaven van de Dierensche sluis mogen de vaartuigen en vlotten niet langer vertoeven dan noodig is om geschut te worden of de haven te verlaten.

Binnen den afstand van 60 meter uit genoemde voorhaven, mag in den IJssel niet worden geankerd en mogen geen vaartuigen en vlotten aan den wal worden vastgelegd.

12. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of bij het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 11, tweede lid;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 11, eerste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftij gulden, do overtreding van artt. 3 en 8 ;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 9, eerste lid.

9

ocr page 144

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor de Drentsche Hoofdvaart en het Veenhuizerkanaal (Norger-en Kolonievaart).

{Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 106, met intrekking van het Koninklijk besluit van 15 November 1882, Staatsblad No. 145, gewijzigd bij Koninklijk besluit van 4 Januari 1894, Staatsblad No. 3).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder de in dit reglement bedoelde kanalen worden verstaan :

1°. De geheele Drentsche Hoofdvaart, van en met de havenkolk te Assen tot en met de Veene- of Galyenkainpsbruy te Meppel, met:

a. de Molenwijk, van de Hoofdvaart tot en met de Molenwijk sluis ;

b. de Witteivijk;

c. de Beiier vaart, van de Hoofdvaart tot en met de haven-kolk te Beilen;

d. het gedeelte der Lokvaart, van de Hoofdvaart tot en met de Loksluis.

2°. Het Veenhuizerkanaal, bestaande uit:

a. de Norgervaarl, van de Drentsche Hoofdvaart tot aan de Koloniesluis;

h. de Kolonievaart, van en met de Koloniesluis tot aan de Haulerw jkstervaart, met het zijkanaal naar de Rijkswerkinrichting No. 1 te Veenhuizen, het zijkanaal naar de eerste wijk te Veenhuizen, de tweede wijk, de vijfde wijk en de zesde wijk te Veenhuizen, voor zoover deze aan den Staat behooren.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn;

diepgang: 1.25 meter, behalve op het gedeelte kanaal tussehen

de Veenebruy en den steiger der bij die brug geplaatste borgloods, op welk gedeelte de diepgang 1.60 meter kan bedragen;

breedte: met inbegrip van die der lading 0.10 meter minder dan de breedte der door te varen sluizen en bruggen;

lengte: naar gelang der schutkolken.

3. Van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zons-

ocr page 145

131

opgang wordt niet door de sluizen geschut dan op vertoon van eene schrifteljjke vergunning van den hoofdingenieur of van den ingenieur.

4. Recht op voorschutting hebben, behalve de vaartuigen, bedoeld in art. 18 van het Algemeen reglement, ook die, geladen met biezen, russchen en bijen.

De sluiswachter mag ren behoeve van een vlot, tusschen 1 Maart en 1 October en zoolang de die-pgang krachtens artikel 63, tweede lid van het Algemeen reglement op minder dan 1.25 meter is bepaald, alleen dan de sluis omzetten, — dat is eene schutkolk water onbenut laten wegvloeien — wanneer van de tegenovergestelde zijde geen vaartuig in het gezicht is.

In tijden, wanneer de waterbesparing noodig is, moet met de schutting van een bij of in de sluis aanwezig vaartuig worden gewacht:

1°. op een ander van dezelfde zijde aankomend vaartuig dat met het reeds aanwezige tegelijk in de schutkolk kan en niet meer dan 500 meter van de sluis verwijderd is;

2°. wanneer de waterstand in de schutkolk niet gelijk is met dien van het pand, waarin het reeds aanwezige vaartuig zich bevindt, en een van de tegenovergestelde zijde aankomend vaartuig niet meer dan 500 nieter van de sluis verwijderd is, wordende dit laatste dan vóór het eerstgenoemde geschut.

5. Het is verboden vaartuigen, geladen met buskruit of andere ontplofbare of licht ontvlambare stoffen in het kanaal of zijne havens te laten overnachten, andei's dan aan de zijde tegenover het jaagpad of op een afstand van ten minste 500 meter van bruggen, sluizen, schutten en woningen.

6. Het maximum van snelheid waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen bedraagt per minuut:

op de Hoofdvaart en op het Veenhuizerlcanaal voorstoom-vaartuigen die in sleepdienst zijn 80 meter;

op de Hoofdvaart tusschen Assen en de Veenesluis en op het Veenhuizerlcanaal voor stoomvaartuigen met meer dan 1 meter diepgang 100 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1 meter diepgang 125 meter.

Tusschen de Veenesluis en de Galgenkampshrug:

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.25 meter diepgang 125 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1 meter diepgang 150 meter.

ocr page 146

132

7- De grootste geoorloofde lengte der vlotten is 42 meter.

Bij het doorvaren der sluizen moeten pij, voor zooveel noodig, worden gesplitst.

De grootste breedte is 4 meter.

De grootste diepgang 0.25 nieter minder dan die voor de vaartuigen voorgeschreven.

Zij worden met geen grooter snelheid vervoerd dan van 80 meter in de minuut.

Met afwijking van art. 71 van het Algemeen reglement wordt voor de in dit reglement bedoelde kanalen bepaald, dat voor 35 meter of minder lengte van een vlot, twee bekwame mannen, en voor meerdere lengte één man meer ter besturing aanwezig moet zijn.

8. De vlotten moeten 's nachts behoorlijk worden vastgelegd aan de zijde van het kanaal, waar niet of gewoonlijk het minst wordt gejaagd, ter beslissing der kanaalbeambten.

9. Het is verboden om de jaagpaarden te doen loopen over den berm van den groeten weg tusschen Assen en Meppel, en van den weg langs het Veenhuizerkanaal, behalve waar dit bij tolboomen, jaaghekken of andere plaatsen onvermijdelijk is.

10. Het grootste getal vaartuigen dat tegelijk door een stoomvaartuig mag worden gesleept, bedraagt vier.

11. Behoudens verkregen rechten, is het verboden zonder vergunning van den Minister:

Dammen, kaden, stouw- of kanaaldijken, stuwschu:ten of andere werken, dienende tot keering van water, op te graven door te steken, te openen, te verzwakken of hun waterkeerend, vermogen te verminderen.

(2. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van art. 5 en art. 11;

b. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 7, laatste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de over-' treding van art. 8;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 9.

ocr page 147

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het MEPPELERDIEP.

(Vastgesteld den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 107, met intrekking van het Koninklijk besluit van 6 April 1880, Staatsblad No. 37).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het Meppelerdiep wordt verstaan:

1°. het vaarwater van de Veem- of Galgenkanipshrug in den Rijks grooten weg van Meppel naar Assen, tot het Zwarte Water te Zwartsluis;

2°. het vaarwater, aanvangende aan de Meppelersluis te Meppel, en op korten afstand beneden die plaats, in het sub 1 genoemde vaarwater uitkomende.

Onder „vaarwaterquot; wordtin dit artikel verstaan de vaargeul in de kortste richting tussehen de genoemde plaatsen, met uitsluiting alzoo van hetzij opene, hetzjj gedeeltelijk afgedamde bochten van het vroegere vaarwater van het Meppelerdiep.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zjjn:

lengte...... 60.00 meter;

breedte......7.80 „

diepgang.....1.80 „

3. Geen vaartuig wordt door de sluizen te Zwartsluis gelaten, wanneer het buitenwater gelijk staat met, of hooger dan 1.G0 meter boven Amsterdaraseh peil.

4. Recht op voorschutting hebben, behalve de vaartuigen, bedoeld in art. 18 van het Algemeen reglement, ook die, geladen met. biezen, russchen en bijen.

5. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.50 meter diepgang 125 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 meter diepgang 130 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.25 meter diepgang 150 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.00 meter diepgang 200 meter.

ocr page 148

134

6. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn:

lengte...... 45.00 meter;

breedte......5.60 „

diepgang.....1.25 „

De vlotten worden met geen grooter snelheid vervoerd, dan van CO meter in de minuut.

Met afwijking van art. 71 van het Algeracen reglement wordt voor de in dit reglement bedoelde vaarwaters bepaald dat voor 35 meter of minder lengte van een vlot, twee bekwame mannen, en voor meerdere lengte één man meer ter besturing aanwezig moet zijn.

7. Vaartuigen mogen, buiten gevalleu van noodzakelijkheid ter beoordeeling van do kanaalbeambten, aan de jaagpadzijde niet anders stilliggen, dan wanneer zij in lading of in lossing zijn, of wanneer zij verplicht zijn te wachten om door eeno sluis of eene brug te worden doorgelaten.

De vlotten moeten des nachts behoorlijk worden vastgelegd aan de zijde van het kanaal, waar niet gejaagd wordt.

8. Het grootste getal vaartuigen, dat tegelijk door eeno stoomboot mag worden gesleept, bedraagt zes.

9. In de voorhavens te Zwartsluis mag niet worden geankerd, zonder vergunning van den sluismeester.

10. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 9;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 6, laatste lid en art. 7, eerste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 7, tweede lid.

ocr page 149

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor de WILLEMSVAART.

(Vastgesteld b\j Koninkiyk besluit van den 23steii Mei 1892, Staatsblad

No. 108, met intrekking van do bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel (. Onder de Willemsvaart wordt verstaan het kanaal van zijne vereeniging met de stadsgracht te Zwolle., bij de keersluis aldaar, tot de rivier den IJssel bij het Kater veer.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte...... 94.75 meter;

breedte......11.80 „

diepgang.....3.00 „

3. In de voorhavens te Ka ter veer raag niet worden geankerd, zonder vergunning van den sluismeester.

4. Met de sluizen te Katerveer wordt niet geschut:

1°. wanneer de keersluis te Zwolle gesloten is;

2°. wanneer het water op den IJssel hooger is dan 3 meter boven Amsterdamsch peil;

3°. wanneer het verschil in hoogte der waterspiegels op den IJssel en op de Willemsvaart meer bedraagt dan 2.25 meter.

5. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.50 meter diepgang 100 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 meter diepgang 125 meter;

voor stoomvaartuigen raet niet meer dan 1.25 meter diepgang 150 meter.

6. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn:

lengte...... 60.00 meter;

breedte......6.00 „

diepgang.....1.60 „

De vlotten mogen met geen grooter snelheid worden vervoerd dan van 60 meter in de minuut.

ocr page 150

136

Met afwijking van art. 71 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald dat voor 35 meter of minder lengte van een vlot, twee bekwame mannen, en voor meerdere lengte één man meer ter besturing aanwezig moet zijn.

7. Vlotten mogen in het kanaal niet stilliggen dan tnsschen de beide merkteekenen, staande op den noordelijken wal op de afstanden van ongeveer 150 en 275 meter, gemeten uit het binnenfront der groote sluis te Katerveer. De vlotten moeten zoo na mogelijk tegen den wal liggen.

Naast elkander stilliggende vlotten van kleiner breedte dan het in art. 6 genoemde maximum, mogen te zamen niet meerder breedte hebben dan zes meter.

8. Door een stoomvaartuig mogen niet meer dan vier binnenvaartuigen of één zeeschip tegelijk gesleept worden.

9. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 3;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 6, laatste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 7.

ocr page 151

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het

AFWATERINGSKANAAL.

(Vastgesteld by Koniukiyk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 109, met introkking van liet Koninklijk besluit van 27 Mei 1880, Staatsblad No. 99).

(In werking tredende I September 1892).

Aktikei, |. Onder het Afwateringskanaal wordt verstaan het kanaal tusschen de Noordervaart en den Eijks grooten weg van Nee fitter naar Vcnlo.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte...... 24.00 meter;

breedte......3.70 „

diepgang.....1.00 „

hoogte van schip met opperlast, boven peil 2.35 meter.

3. De bepaling van art. 15 van het Algemeen reglement, betreffende de aanwijzing der juiste plaats van doorvaring des nachts door groene lichten, is op dit kanaal niet van toepassing.

4. De stoomvaart op het kanaal is verboden.

5. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn;

lengte...... 24.00 meter;

bi-eedte......2.00 „

diepgang.....0.80 „

De vlotten mogen met geen grooter snelheid worden vervoerd dan van CO meter in de minuut.

6. Overtreding van art. 4 van dit bijzonder reglement wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

ocr page 152

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor de NOORDERVAART.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 110, met intrekking van het Koninklük besluit van 27 Mei 1880, Staatsblad No. 98).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder de Noordervaart wordt verstaan het kanaal tusschen de Zuid- Willemsvaart, beneden sluis No. 15 en den provincialen kiezelweg te Beringen, gemeente Helden.

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn : lengte......50 meter;

breedte......6 „

diepgang van sluis 15 tot de Helenavaart 1.65 meter; diepgang van de Helenavaart tot Beringen 1.50 meter; hoogte van schip met opperlast, boven peil 3.50 meter.

3. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut;

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.50 meter diepgang 60 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 meter diepgang 75 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.25 meter diepgang 90 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.00 meter diepgang 100 meter.

4. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn: lengte......40 meter;

breedte......5 „

diepgang 1.25 meter op het gedeelte der vaart van Neder-weert tot de Helenavaart, en 1.10 meter op hot gedeelte van de Helenavaart tot Beringen.

De vlotten mogen met geen grooter snelheid worlen vervoerd dan van 60 meter in de minuut.

5. Het grootste aantal vaartuigen, dat tegelijk door een stooravaartuig mag worden gesleept, bedraagt acht.

ocr page 153

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor den gekanaliseerden HOLLANDSCHEN IJSSEL.

(Vastgesteld bü Koninklijk bcsinlt van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. Ill, met intrekking var do bestaande Koninkiyko besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder den gekanaliseerden Hollandschen IJssel wordt verstaan het vaarwater van den Vaartschen Rijn, aan den Doorslag, onder Jutphaas, tot 75 nieter beneden het benedenfront der Waaijer-schutsluis. boven Gouda (gemeente Haastrecht).

2. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte..... 26.00 meter;

breedte.....5.30 „

diepgang .... 1.70 „

beneden Oudeicater; diepgang .... 1.50 meter

boven Oudewater.

3. Wanneer het water in den Beneden- of Open-IJssel hooger staat dan 1.75 meter boven Amsterdaniseh peil, wordt

aan do Waa jersluis niet geschut.

4. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaartuigen zich mogen bewegen, is per minuut:

van den Doorslag tot Oudewater:

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.20 M. diepgang 100 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.20 M. diepgang 120 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.00 M. diepgang 150 M.;

van Oudewater tot de Waaijer sluis'.

voor stoomvaartuigen met meer dan 1.50 M. diepgang 100 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 M. diepgang 120 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.20 M. diepgang 150 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.00 M. diepgang 180 M.

ocr page 154

140

5. Stoom vaartuigen mogen in de bebouwde kommen der gemeenten met geen grootere snelheid varen, dan van 75 meter in de minuut.

6. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn:

lengte.....100 meter;

breedte..........4 „

diepgang .... 1 „

Bij het doorvaren van sluizen moeten de vlotten zooveel nöodig worden gesplitst.

Zij worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 50 meter in de minuut.

7. Als ligplaats voor de vlotten wordt aangewezen de oever 'tegenover het jaagpad, buiten de bebouwde kommen der gemeenten, met uitzondering van de oevervakken van 50 meter boven tot 50 meter beneden uitwateringsluizen of duikers.

8. Het grootste getal vaartuigen, dat gelijktijdig door een stoomvaartuig mag worden gesleept, bedraagt acht.

9. Sleeptreinen mogen niet sneller varen dan 100 meter per minuut.

10. Met uitbreiding van art. 78 van het Algemeen reglement wordt aan eigenaren of gebruikers van langs het kanaal gelegen gronden of erven vergund vóór deze gronden of erven vaartuigen tijdelijk ligplaats te doen nemen tot laden en lossen, mits zij het kanaalprofiel zoodanig verruimen, dat de vaartuigen den wal tot op 1.50 meter afstand, gemeten op den waterspiegel, kunnen naderen, en voorts den oever, voor zoover het jaagpad op genoemde gronden en erven ligt, zoodanig voorzien, dat het boord van het jaagpad niet in het kanaal uitzakke of door den golfslag worde weggeslagen.

11. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 9;

Jgt;. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 10.

ocr page 155

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het

NOORDHOLLANDSCH KANAAL.

(Vastgesteld bij Koninklyk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 112, met intrekking van het Koninklijk besluit van 6 Augustus 1880, Staatsblad No. 157).

(In werking tredende I September 1892).

Artiki-x I. Onder het Noordhollandsch kanaal wordt verstaan het kanaal van het afgesloten IJ tegenover Amsterdam, tot de haven het Nieuwediep, niet inbegrip van de Koopvaar der shingt;ienJiavi;n, de voorhaven der Koopvaarders sluis en de Willemssluishavens.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Engelsche, Hoogduitsche, Fransche en Noorsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. Op het kanaal en in de havens worden alleen toegelaten vaartuigen, die geen grooter diepgang hebben dan 4.80 meter.

Met schriftelijke vergunning van den ingenieur mogen, wanneer de waterstand dit gedoogt, vaartuigen van ten hoogste 5 meter diepgang worden toegelaten.

In nood verkeerende vaartuigen en vaartuigen, die uit de zeehaven het Nieuwediep naar de Spoorweghaven of de Koop-vaardersbinnenhaveu te Nieuwediep bestemd zijn, of omgekeerd, kunnen met zoodanigen diepgang geschut worden, als de stand van het buiten- of binnenwater gedoogt, ter beoordeeling van den havenmeester en van den opzichter van den waterstaat.

Vaartuigen, die het geheele kanaal moeten bevaren, mogen geen grootere lengte hebben dan 64 meter en geen grootere breedte dan 15 meter.

Van Nieuwediep tot benoorden de schutsluis te Purmerend worden vaartuigen van 68 meter lengte, en van de Willems-sluizen tot de voormalige keersluis te Buiksloot vaartuigen van 110 meter lengte toegelaten.

Van Nieuwediep tot benoorden de draaibrug aan de Friesche poort te Alkmaar worden vaartuigen van 16.50 meter breedte toegelaten.

Door de schutsluis Willem III worden vaartuigen tot eene breedte van 18 meter geschut.

ocr page 156

142

4. Een zeeschip, dat een ander zeeschip opvaart, mag- dit niet voorbijvaren wanneer het minder dan 1500 meter verwijderd is van eene door te varen sluis of brug.

Vaartuigen, onder welke ook stoomvaartuigen worden gerekend, niet bestemd om de zee te bevaren, die elkander of een zeeschip opvaren, mogen niet voorbijvaren, wanneer zij minder dan 200 meter verwijderd zjjn van eene door te varen sluis of brug.

Deze laatste bepaling geldt ook voor een zeeschip, dat een vaartuig als daarbij genoemd opvaart.

5. In de voorhavens van de Willemssluizen en van de Koopvaardersschutsluis mogen de vaartuigen en vlotten, zonder vergunning van den haven- of sluismeester, geen ligplaats nemen en daarin niet langer vertoeven dan voor het door-schutten noodig is.

6. De orde van aankomst waarnaar de vaartuigen geschut worden, bedoeld in art. 17 van het Algemeen reglement, wordt bij de Koopvaardersschutsluis te Nieuwediep bepaald als volgt:

Voor binnenkomende vaartuigen door de volgorde, waarin de schippers zich tot schutten bij den sluiswachter aanmelden, waarbij de gezagvoerders van zeeschepen zich door den eersten stuurman kunnen doen vervangen.

Voor uitgaande vaartuigen, van het kanaal komende, door de orde van het voorbijvaren van den handwijzer.

Van het kanaal, uit de Binnenhaven en uit de Spoorweghaven, wordt om beurten naar buiten geschut.

Geen binnenkomend vaartuig wordt in de voorhaven of de sluis toegelaten, zonder het haakbriefje aan den sluiswachter te hebben vertoond.

Wanneer, ingevolge art. G4 van het Algemeen reglement, door de haven- of sluismeester vergunning is verleend, om met een of meer ankers buiten boord te schutten, moeten deze in de ankerkettingen vóór de kluis hangen, met de kat er op, als borg.

Alvorens, na geschut te zijn, de vaartuigen het kanaal opvaren, of bij aankomst in de Koopvaardersbinnenhaven, moeten de ankers terstond worden ingezet.

7. Het schutten van zeeschepen mag van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang niet geschieden zonder vergunning van den havenmeester of van den opzichter van den waterstaat.

Door de Koopvaardersschutsluis en de sluis aan het Nieuwe werk te Nieuwediep wordt niet geschut zoodra en zoolang het buitenwater hooger staat dan 0.65 meter boven volzee.

ocr page 157

143

8. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 2.75 meter diepgang, 125 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.75 meter diepgang, 3 50 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.40 meter diepgang, 200 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.00 meter diepgang, 250 meter.

9. De grootste geoorloofde lengte der vlotten bedraagt 100 meter, mits zoodanig samengesteld, dat zij in vakken van ten hoogste 50 meter kunnen worden gesplitst.

De grootste geoorloofde breedte is 7.50 meter.

De grootste geoorloofde diepgang is 2.00 meter.

De vlotten worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 80 meter in de minuut.

10. Elk zeeschip ter grootte van 1100 M3. en daarboven wordt afzonderlijk gesleept.

Meer dan twee zeeschepen mogen door hetzelfde stoom-vaartuig niet gelijktijdig gesleept worden en de gezamenlijke inhoud mag niet meer bedragen dan 1550 M8.

Bij het sleepen van vaartuigen of lichters, niet bestemd om de zee te bevaren, mag hun gezamenlijk aantal niet meer dan zeven bedragen, tenzij geen der vaartuigen of lichters langer dan 13 meter is; in dit geval mag hun aantal tien bedragen.

Met afwijking van art. 7 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal bepaald dat zandbakken, na bekomen vergunning van den havenmeester, twee aan twee naast elkander gekoppeld gesleept mogen worden; het sleepen van meer dan zes zandbakken, gekoppeld of niet, is verboden.

De hoofdingenieur is bevoegd het aantal tegelijk te sleepen vaartuigen, niet besterad om de zee te bevaren, te beperken.

11. De grootste snelheid, waarmede vaartuigen mogen worden gesleept, bedraagt, onverminderd het bepaalde bij art. 8 omtrent de snelheid van stoomvaartuigen, met meer dan 2.75 meter diepgang, 150 meter, en van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang, 100 meter in de minuut.

12. Eene sleepboot, die een vlot sleept, moet bij het naderen van een tegenkomend zeil- of stoomzeeschip, of van gesleepte zeeschepen en sleep-konvooien van meer dan drie vaartuigen

ocr page 158

144

intijds stoppen en met het vlot zoolang aan den wal vastge-meerd worden, totdat het schip of sleep-konvooi gepasseerd is.

Evenzoo moet gehandeld worden wanneer men met een achteropkomend dergelijk schip of sleep-konvooi het gesleept wordende vlot wenscht voorbij te varen.

13. Behoudens de bepaling van art. 78 van het Algemeen reglement is het stilliggen en overnachten van vaartuigen en vlotten verboden:

aan de west- en zuidzijde van het kanaal, tusschen de Willemssluizen en de vlotbrug te Westgraftdjjk en van de vlotbrug te Koedijk tot de brug bij den ingang der Spoorweghaven te Helder;

aan de oost- en noordzijde, tusschen de vlotbrug te Westgraftdjjk en de vlotbrug te Koedijk.

14. Het is verboden vaartuigen, geladen met ontplofbare of licht ontvlambare stoffen, te laten overnachten anders dan op de volgende plaatsen;

«. aan de oostzijde van het kanaal, op 800 meter benoorden den kilometerpaal 6, dat is bij den rijzendam aan het Slochter;

h. aan de oostzijde van het kanaal, op 300 meter benoorden den kilometerpaal 9, dat is bezuiden Ilpendam ;

c. aan de noordzijde, aan het Vinkenhop, tusschen Spijkerboor en Westgraftdjjk;

d. langs den rijzen schutdam aan het Alkmaardermeer bij het eiland Saskerley ;

e. aan de oostzijde van het kanaal door de Zijpe, tusschen de Jacob-Klaassensluis en de vlotbrug in den Burgerweg;

f. aan de oostzijde van het kanaal in het Kooirak bij den kilometerpaal 76.

15. De vaartuigen in de Koopvaardersbinnenhaven liggende, zijn vrijgesteld van het voorschrift van art. 8 van het Algemeen reglement, om eene natievlag, of diepergaande dan 4 meter, eene kleine vlag aan den fokkemast te voeren.

16. Bij het lossen of laden van zand, ballast, graan, steenkolen en soortgelijke ladingen moeten de schippers een zeil of kleed van den wal op het scheepsboord, of van het eene vaartuig op het andere doen leggen.

Yan één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang mag geen zand, ballast of lading ingenomen of gelost worden, dan met schriftelijke vergunning van den havenmeester, met inachtneming van hetgeen door dezen wordt voorgeschreven, en onder het door dezen te bepalen toezicht op kosten der schippers.

ocr page 159

145

17. Aan boord van elk zeeschip racet de schipper, zoowel des daags als des nachts, behoorlijk de wacht doen houden.

18. Bij het gebruik maken van uithouders mogen deze niet anders dan op de daarvoor bestemde stoelen gestut worden.

Met afwijking van art. 76 van het Algemeen reglement wordt bepaald dat de trossen, kettingen en touwen, die ten dienste van het vieren van vaartuigen in of het halen van vaartuigen uit de Koopvaardersschutsluis worden aangebracht op de bij die sluis staande dukdalven, niet behoeven losgegooid te worden, tenzij de sluiswachter zulks gelast.

Een aankomend vaartuig, dat niet achter die dukdalven kan doorvaren, moet op ten minste 100 meter voor die trossen, kettingen of touwen stoppen.

19. Ten einde aan vaartuigen, welke uit de noordzijde der haven het Nieuwediep of uit de Koopvaardersbinnenhaven de Koopvaardersschutsluis naderen, kenbaar te maken of deze sluis gereed is tot doorschutting, is op elk der sluishoofden een seintoestel geplaatst.

Het ronde bord van dezen toestel is aan de eene zijde wit, aan de andere zijde rood geverfd.

Indien aan de naderende vaartuigen de witte zijde wordt vertoond, beteekent zulks, dat de sluis van die zjjde tot schutten gereed is; de roode zijde duidt aan, dat de sluis daartoe niet gereed is.

Indien, ingevolge art. 7 van dit reglement, schutting van zeeschepen bij nacht is toegestaan, worden de bedoelde seinen aan dezelfde toestellen gegeven door middel van wit en rood licht.

20. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van art. 14;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artt. 4, 10, vierde lid, 11, 12 en 17;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 5;

d. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artt. 6, zesde en zevende lid, 13 en 18;

e. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 16.

10

ocr page 160

BIJZONDER REGLEMENT van politie . voor het kanaal door VOORNE.

(Vastgesteld bij Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 114, met intrekking van het Koninklijk besluit van 9 Maart 1880, Staatsblad No. 27).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het kanaal door Voorne wordt verstaan: het kanaal van de Nieuwe Maas, bij Nieuwesluis tot het Haringvliet bij Hellevoet sluis.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsehe, Engelsche, Hoogduitsche, Fransche en Noorsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte......110.00 M.

breedte......13.70 „

diepgang.....6.00 „

4. Vaartuigen, die wegens hunne lengte eene gelijkwater-schutting vereischen en grooteren diepgang hebben dan 5.90 meter achter, 5.70 meter vóór, worden op het kanaal niet toegelaten.

5. Vaartuigen, welker lengte het schutten tussehen eb-en vlöeddeuren toelaat, worden zoowel des daags als des nachts geschut. Zeil vaartuigen echter dan alleen des nachts, wanneer de diepgang 5.60 meter niet overtreft.

6. Stoomvaartuigen, ter lengte van ten hoogste 84 meter, worden des nachts geschut, indien de diepgang 5.70 meter achter, en 5.50 meter vóór niet overtreft.

7. Schuttingen met open deuren, van stoomvaartuigen van meer lengte of diepgang dan in het voorgaande artikel is bepaald, worden alleen des daags verricht.

8. Gelijkwaterschuttingen geschieden op rechtstreeksche aanvraag aan den opzichter-havenmeester te Hellevoetsluis, de schuttingen met open deuren niet anders dan onder zijne persoonlijke leiding.

9. De opzichter-havenmeester is bevoegd, bij gunstige omstandigheden, van de in artt. 5, 6 en 7 gestelde voorschriften af te wijken, zoowel door het toelaten van meer diepgang, als door het toestaan van nachtschutting.

ocr page 161

147

10. Met geen der sluizen wordt geschut, zoodra het buitenwater hooger is dan 1.40 meter boven Amsterdamsch peil, of bij sterken was nagenoeg dezen stand heeft bereikt.

11. Indien een opgeloopen vaartuig dieper gaat dan 4 meter, moet daarmede, wanneer het oploopend vaartuig gelijken of meer diepgang heeft, aan de eerstvolgende, daartoe geschikte meerpalen worden gestopt en het opgeloopen vaartuig worden vastgemeerd aan den oever, dien het moet houden.

Dit behoeft niet te geschieden, wanneer het opgeloopen vaartuig minder dan 800 meter verwijderd is van eene over het kanaal liggende brug of eene sluis.

12. Zeeschepen mogen de in dezelfde richting voor hen uitvarende zeeschepen, die zij niet willen of kunnen voorbijvaren, slechts op een afstand van 200 meter naderen.

13. In verband met art. 13 van het Algemeen reglement, wordt bepaald, dat de roode vlag door eene gele wordt vervangen wanneer de haven, hoewel niet geheel vrij, toch toegankelijk is.

14. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 3 M. diepgang, 125 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 3 M. diepgang, 150 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2 M. diepgang, 200 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 M. diepgang, 250 M.

15. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn:

lengte...... 50.00 M.

breedte......7.50 „

diepgang.....2.00 „

Zij worden met geen grooter snelheid vervoerd dan van 80 meter in de minuut.

16. quot;Vlotten mogen bij nacht niet anders dan in de wisselplaatsen en de scheepskommen te Nieitwesluis en Hellevoetsluis vertoeven.

Zij moeten, gejaagd wordende, voor elk voorbijvarend zeeschip van meer diepgang dan 4 meter, aan den oever worden vastgemeerd.

17. Een stoomvaartuig mag gelijktijdig niet meer dan één zeeschip of acht binnenvaartuigen sleepen.

18. Met elk opgaand, dat is van Hellevoetsluis komend vaartuig, dat dieper gaat dan 4 meter en gejaagd of gesleept

ocr page 162

148

wordt, moet voor elk tegenliggend vaartuig van gelijken of meerderen diepgang worden gestopt en moet het opgaand vaartuig worden vastgemeerd aan den oever, dien het moet houden.

Met elk gejaagd of gesleept zeilvaartuig, dieper gaande dan 4 meter, moet voor elk tegemoetkomend zeestoomvaartuig worden gestopt en het eerstgemelde worden vastgemeerd aan den oever, dien het moet houden.

19. Zoodra een vaartuig aan een der havens van het kanaal gekomen is, moet de schipper zich bij den sluis-havenmeester vervoegen, om diens bevelen te ontvangen, met betrekking tot de plaatsing en behandeling van liet vaartuig, de doorschutting enz.

De gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich door den eersten stuurman doen vervangen.

20. Vaartuigen mogen alleen vertoeven in de wisselplaatsen en de scheepskommen te Nieuwe sluis en Hellevoetsluis, en niet anders dan in de genoemde scheepskommen overwinteren.

Vaartuigen van geringen diepgang mogen met vergunning van den opzichter-havenmeester of bij zijne afwezigheid met vergunning van den sluis-havenmeester, voor korten tijd in de havens vertoeven.

21. Aan boord van elk zeeschip op het kanaal of in de havens, moet de schipper des nachts behoorljjk de wacht op het dek doen houden.

22. Vaartuigen en vlotten, zich buiten de havens doch binnen den afstand van 160 M. uit de zee-einden der haven-dammen bevindende, mogen aldaar niet ten anker liggen of aan den wal worden vastgelegd.

23. Het proces-verbaal, bedoeld bij art. 91 van het Algemeen reglement wordt, zoo de schade aan een gedeelte dei-vestingwerken is toegebracht, door tusschenkomst van den ingenieur aan den eerstaanwezenden officier der genie gezonden om daaraan verder het noodige gevolg te geven, en in afschrift aan den betrokken schipper medegedeeld.

24. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 21;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 19;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artt. 11, 12, 16, 18, 20 en 22.

ocr page 163

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het kanaal door het benedeneind van ROZENBURG.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 115, met intrekking van het Koninklijk besluit van 4 Juli 1884, Staatsblad No. 116).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het kanaal door het benedeneind van Rozenburg wordt verstaan het kanaal van het Scheur, nabij den bovenmond der doorgraving van den Hoek van Holland naar do Brielsche Maas, met de schutsluis en de noord- en zuidwaarts van de sluis gelegen voorhavens.

2. Vóór de vaartuigen, dienende tot geregeld vervoer van personen, genoemd in artikel 18 van het Algemeen reglement, hebben recht op voorschutting vaartuigen, dienende tot het vervoeren van grond, bouwstoffen enz., ter uitvoering der werken voor de verbetering en het onderhoud der Rijkswaterstaatswerken .

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte...... 100.00 meter ;

breedte......8.95 „

diepgang.....4.00 T

4. Aan de bepalingen van art. 15 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal toegevoegd de bepaling, dat bij dag het hijschen van eene driehoekige, blauwe vlag te kennen geeft, dat de waterstand aan de sluis lager is dan 0.50 meter beneden Amsterdamsch peil.

Met afwijking van het vóórlaatste lid van dat artikel wordt bepaald, dat de juiste plaats van doorvaring des nachts door witte lichten wordt aangegeven.

5. In de voorhavens mag niet worden geankerd zonder vergunning van den sluismeester.

Grondschouwen mogen niet in de noordelijk van de sluis gelegen voorhaven vertoeven, dan aan den wal vastgemeerd of van eene sleepboot voorzien.

ocr page 164

150

6. Er wordt niet geschut:

1°. wanneer de waterstand op de Brielsche Maas hooger is dan 2 meter boven Amsterdamsch peil;

2°. van 11 uur des avonds tot 4 uur 's morgens.

De ingenieur kan, onder door hem te stellen voorwaarden, schriftelijk vergunning geven tot afwijking van deze bepalingen.

7. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut 200 meter.

8. Door een stoomvaartuig mogen in de voorhavens niet meer dan tien grondschouwen, zes vaartuigen niet bestemd om de zee te bevaren, of één zeeschip tegelijk gesleept worden. Tot het binnenvaren van de schutkolk of het daaruit sleepen, mogen door een stoomvaartuig niet meer dan drie grondschouwen, twee vaartuigen niet bestemd om de zee te bevaren, of één zeeschip tegelijk gesleept worden.

De ingenieur is echter bevoegd, hierop schriftelijk uitzondering te vergunnen voor vaartuigen kleiner dan 75 M8. inhoud.

9. Geen vlotten mogen het kanaal of de voorhavens bevaren, noch daarin worden geborgen,

10. Overtreding van do bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft;

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikel 5;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artikel 9.

ocr page 165

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het kanaal door WALCHEREN.

(Vastgesteld bü Koninklijk besluit van den 28sten Mei 1892, Staatsblad No. 116, met intrekking van het Koninklijk besluit van 28 Mei 1880, Staatsblad No. 100).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het kanaal door Walcheren worden verstaan; de Eijkskanalen op het eiland Walcheren tusschen de Wester-Schelde te Vlissingen, het Veergat te Veere, Arne-muiden en Nieuwland.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Engelsche, Hoogduitsche, Fransche en IS' oorsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

voor den scheepvaartweg tusschen de Wester-Schelde te

Vlissingen en het Veergat te Veere:

lengte...... 130.00 meter;

breedte......19.75 „

diepgang..... 7.10 „

voor het verbindingskanaal en het Natte dok te Vlissingen:

lengte...... 130.00 meter;

breedte......19.75 „

diepgang..... 6.00 „

voor het zijkanaal naar Arnemuiden en Nieuwland:

lengte...... 50.00 meter;

breedte...... 7.50 „

diepgang..... 3.75 „

4. Met de sluizen wordt niet geschut, als het verval tusschen het buiten- en binnenwater grooter is dan 3.25 M. bij schutting met de ebdeuren en 3 M. bij schutting met de vloeddeuren.

5. De bruggen te Vlissingen en te Middelburg zijn gesloten gedurende 15 minuten vóór den tijd van vertrek van eiken personentrein van het locaalstation te Vlissingen en het station te Middelburg, alsmede gedurende 10 minuten na aankomst van eiken personentrein aan die stations.

ocr page 166

152

De brug te Vlissingen is mede gesloten van 20 tot 5 minuten vóór den tijd van vertrek van eiken personentrein van het havenstation.

De tijd, waarin zij niet gesloten moeten blijven, wordt des daags aangeduid door een witten bol of een wit bord.

6. De havenmeester kan vergunnen af te wijken van het bepaalde bij art. 11, 1ste lid en art. 20, 1ste lid van het Algemeen reglement.

7. Wanneer bij de roode vlag of het roode licht bedoeld in art. 13 van het Algemeen reglement nog eene groene vlag of een groen licht is geplaatst, is het aandoen der buitenhaven te Vlissingen voor vaartuigen van niet meer dan zes meter diepgang geoorloofd.

8. Wanneer opzetting of aflating van het kanaal wordt gewenscht, wordt het verzoek daartoe aan Onzen Commissaris in de provincie gedaan, die daarop, den hoofdingenieur gehoord, beschikt.

9. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 2.75 meter diepgang, 125 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.75 meter diepgang, 150 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2 meter diepgang, 250 meter.

10. Het tweede lid van art. 8 van het Algemeen reglement is op dit kanaal niet van toepassing.

11. Art. 7, eerste lid van het Algemeen reglement is niet van toepassing op vóór en achter aan elkander vastgemaakte vaartuigen, die te zamen geene meerdere breedte innemen dan 7.50 meter.

12. De grootste geoorloofde lengte der vlotten is 100 meter, de breedte 7.50 meter, de diepgang 1.00 meter.

Zij worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 75 meter per minuut.

13. Slechts bij gedwongen oponthoud mogen vlotten in het kanaal vertoeven, en dan alleen aan de oostzijde, in de binnenhaven te Veere bij de keersluis of in de binnenhavens

te Vlissingen,

ocr page 167

153

14. Het grootste aantal vaartuigen, dat tegelijk door een stoomvaartuig mag worden gesleept, bedraagt twaalf, of zooveel minder als de hoofdingenieur zal bepalen.

15. Het is verboden, in de binnenhavens te Vlissingen, zonder vergunning van den havenmeester, van 9 ure 's avonds tot 6 ure 's morgens, vuur aan boord te hebben, en van middernacht tot 6 ure 's morgens licht te branden, behalve één licht in eene behoorlijk gesloten lantaarn.

16. Overtreding van art. 15 van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

ocr page 168

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het kanaal door ZUID-BEVELAND.

(Vastgesteld by Koniukiyk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 117, met intrekking van hot Koninklijk besluit van 28 Mei 1880, Staatsblad No. 101).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het kanaal door Zuid-Beveland wordt verstaan het kanaal van de Wester-Schelde bij Hansweert tot de Ooster-Schelde bij Wemeldinge.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Engelsche, Hoogduitsche, Fransche en Noorsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte..... 100.00 meter;

breedte.....15.75 „

diepgang .... 6.20 „

4. Met de sluizen wordt niet geschut, zoolang het buitenwater hooger staat dan 2.50 meter boven Amsterdamsch peil, of lager dan 2.50 meter beneden Amsterdamsch peil, of, zoo grooter verval bestaat, bij keering met de vloeddeuren, dan 2.75 meter, en bij keering met de ebdeuren, dan 3 meter.

5. De havenmeester kan vergunnen, af te wijken van het bepaalde bij art. 11, 1ste lid en art. 20, 1ste lid van het Algemeen reglement.

6. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

voor stoomvaartuigen met meer dan 2.75 meter diepgang, 125 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.75 meter diepgang, 150 meter;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.00 meter diepgang, 250 meter.

7. De grootste geoorloofde lengte der vlotten is 100 meter, de breedte 7.50 meter, de diepgang 1 meter.

ocr page 169

155

Zij worden met geen grooter snelheid vervoerd dan van 75 meter in de minuut.

8. Slechts bij gedwongen oponthoud mogen vlotten in het kanaal vertoeven, en dan alleen in de verbreedingen bij de bruggen en bij de sluizen.

9. Het grootste aantal vaartuigen, dat tegelijk door een stoomvaartuig mag worden gesleept, bedraagt achttien. De hoofdingenieur is bevoegd het aantal te beperken.

10. Het is verboden in het kanaal te visschen en langs de werken, behoorende tot het kanaal, schelpdieren te vangen of te rapen.

11. Vaartuigen mogen in het kanaal niet langer vertoeven dan voor de doorvaart, de lossing of lading van goederen noodig is, ter beoordeeling van den havenmeester.

Tot het vertoeven in eene der buitenhavens kan de havenmeester vergunning verleenen.

Ken vaartuig, door overmacht of na verkregen vergunning in eene der buitenhavens vertoevende, moet op de eerste aanzegging van den havenmeester naar binnen schutten of de haven verlaten.

12. Overtreding van de artt. 10 en 11 van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft:

art- 10 met geldboete van ten hoogste vijf en twintig, en

art. 11. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

ocr page 170

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor sluizen en beweegbare bruggen, onder beheer van het Rijk in de provincie FRIESLAND.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1802, Staatsblad

No. 118, met intrekking van de bestaande Koninklijko besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Aetikbl I. Dit reglement is toepasselijk op de hieronder ■vermelde sluizen en beweegbare bruggen in de provincie Friesland, die bij bet Rijk in beheer en onderhoud zijn.

A. Zeesluizen.

1°. De schut- en uitwateringsluis de Nieuwe Zijlen onder Eng wierum en Oostdungeradeel, met dubbele draaibrug.

2°. De uitwateringsluis de Molkwerumerzijl in Hemelumer Oldephaert en Noordwolde.

3°. De schut- en uitwateringsluis de Schoterzijl in West-Stellingwerf.

B. Binnensluizen.

4°. De waarborgsluis de Munnikezijl in Kollumerland en Niéuw-Kruisland.

5°. De in de Leeuwarder-Hariinger trekvaart gelegen waarborgsluis de Kiestrazijl met draaibrug in Franekeradeel.

6°. De in den Koudumer Slaperdijk gelegen waarborg-sluizen te Galamadammen met draaibrug in Hemelumer Oldephaert en Noordwolde.

7°. De in denzelfden dijk en gemeente gelegen waarborgsluis de Noordersluis.

8°. De waarborgsluis de Koudumersluis in dezelfde gemeente.

C. Beweegbare bruggen.

9°. De draaibrug de Hoeksterpoortsbrug in den Rijksweg Leeuwarden-Grmingen.

10°. De draaibrug te Oude Schouw in den Rijksweg Leeuwarden-Meppel.

11°. De draaibrug te Akkrum in denzelfden Rijksweg.

12°. De ophaalbrug te Hommerts in den Rijksweg van Leeuwarden naar Lemmer.

ocr page 171

157

13°. De draaibrug de Jelteslootbrug in denzelfden Eijksweg.

14°. De draaibrug de quot;Wellebrug in denzelfden Rijksweg.

15°. De draaibrug de Follegabrug in denzelfden Rijksweg.

16°. De draaibrug de Kaatsveldsbrug te Franeker, in den Rijksweg van Leeuwarden naar Harlingen.

17°. De draaibrug over de doortrekking van de Meinersloot in den Rijksstraatweg bij Akkrum in Utingeradeel.

2. Het voor elke sluis of brug toegelaten maximum van de geoorloofde afmetingen der vaartuigen komt overeen met dat, bepaald voor het kanaal, waarin de sluis of brug is gelegen, of regelt zich , waar zoodanige bepaling niet bestaat, naar de wijdte en diepte der sluis of brug.

Het is verboden eene sluis of brug door te varen met vaartuigen van grootere afmetingen, dan volgens het voorgaande is toegelaten.

3. Vaartuigen, die overladen zjjn, in zinkenden toestand verkeeren, of naar het oordeel der beambten onvoldoende bemand of getuigd zijn, worden niet in eene sluis of brug toegelaten.

4. Bij het ploegen van de geulen voor de.sluizen, moeten alle vaartuigen en vlotten uit die geulen verwijderd worden.

5. Met afwijking van art. 15 van het Algemeen reglement wordt bepaald dat bij het naderen van eene der sluizen of bruggen, in dit reglement bedoeld, de schipper de vaart van het vaartuig zoodanig moet verminderen, dat het desnoods op 50 meter afstand van de brug of sluis kan stoppen.

Des nachts wordt bjj de gestelde handwijzers gestopt, totdat de beambte tegenwoordig is, tenzij de brug voor het vaartuig niet behoeft te worden geopend of door Onzen Commissaris in de provincie bekend is gemaakt, dat de brug 's nachts in geopenden stand wordt gehouden.

6. Wanneer twee vaartuigen van verschillende kanten gelijktijdig aankomen, om door eene brug of door denzelfden koker eener geheel openstaande sluis te varen, moet de schipper, die het laatst aan de gestelde handwijzers of waarschuwingsborden is genaderd, zijn vaartuig doen stoppen totdat het andere vaartuig is doorgevaren.

7. Met aanvulling van art. 18 van het Algemeen reglement wordt bepaald dat bovendien recht op vóórschutting hebben:

vaartuigen in dienst van de provincie Friesland;

schepen geladen met bijen cn biezen;

marktschepen.

ocr page 172

158

8. Be eerste alinea van art. 22 van het Algemeen reglement wordt voor de bruggen, in art. 1 van dit reglement genoemd, gelezen als volgt:

„Telkenmale nadat drie vaartuigen onmiddellijk achtereen eene brug zijn doorgevaren, wordt deze, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.quot;

9. Behalve hetgeen in art. 84 van het Algemeen reglement is genoemd, is het nog verboden:

met vaartuigen aan de vleugels eener sluis of brug aan te leggen of te meren, of tijdens het verblijf in de sluis of in de brug te lossen of te laden;

met paarden of ander vee, of met eenig rij- of voertuig over eene brug te gaan, terwijl een vaartuig waarvoor de brug geopend moet worden, tot de gestelde handwijzers is genaderd;

paarden of ander vee aan de leuningen bij eene sluis of van eene brug vast te maken, of daarmede op de bruggen te blijven staan.

10. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 2, tweede lid ;

b. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artt. 4, 5, 6 en 9, tweede zinsnede;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 9, derde en vierde zinsneden.

W£

eei Ei aa

ocr page 173

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor sluizen en bruggen, onder beheer van het Rijk, in den waterweg van Amsterdam naar Rotterdam.

(Vastgesteld den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 119, met intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Dit reglement is toepasselijk op de Eijkssluizen en Rijksbruggen in den waterweg van Amsterdam naar Rotterdam, zijnde:

de Mallegatsluis te Gouda;

de brug aan het Rahat te Gouda;

de schutsluis in den hoogen Rijndijk onder Alphen genaamd de Gouwesluis.

2. Het maximum der geoorloofde afmetingen der vaartuigen is:

breedte 7.50 meter;

diepgang 2.10 meter bij een waterstand op Rijnlands boezem 0.60 M. A. P. of daarboven, aan de Mallegatsluis te Gouda.

Bij lageren waterstand wordt de geoorloofde diepgang zooveel minder als de waterstand beneden 0.60 M. A. P. is gedaald.

Bij uitzondering worden vaartuigen van de Koninklijke Nederlandsche Marine toegelaten, mits de grootste breedte-afmeting nergens meer bedraagt dan 7.65 M. en onder gehoudenheid om de doorvaart met de grootst mogelijke omzichtigheid te doen plaats hebben.

3. Met de Mallegatsluis wordt niet geschut, wanneer het water in den IJssel aan de peilschaal van Rijnland te Gouda is geklommen tot 1.10 meter boven A. P.

Met de Mallegatsluis en de Gouwesluis wordt niet geschut:

а. wanneer uit een buitengewoon spoedigen val van het water in de Gouwe af te leiden is, dat er eene doorbraak in eene der Oouwekaden is gevallen;

б. wanneer door of vanwege den hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat het schutten is verboden.

Kennisgeving van dit verbod wordt onmiddellijk gedaan aan den Minister en aan Onze Commissarissen in Zuid- en Noord-Holland.

ocr page 174

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de haven te MOERDIJK.

(Vastgesteld bü Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad

No. 120, met intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Over het gedeelte der haven, ten dienste der spoorwegen bestemd , moet door de spoorwegmaatschappij, die het aangaat, behoudens gevallen van overmacht, steeds vrijelijk kunnen worden beschikt.

2. Het is verboden met meer dan halve kracht de haven in of uit te stoomen.

3. Het laden en lossen aan dat gedeelte der haven, dat tot het voor den dienst der spoorwegen bestemde terrein behoort, wordt door de directie der spoorwegmaatschappij, die het aangaat, geregeld. Deze is verplicht te zorgen, dat de op publieken grond nedergelegde goederen, onverschillig op welke wijze zij verder moeten worden gevoerd , ten spoedigste en in ieder geval binnen een termjjn, te stellen door den met de functiën van havenmeester belasten ambtenaar, worden verwijderd.

4. Het is in het algemeen verboden de ter lading bestemde of geloste voorwerpen langer dan één nacht op de steigers, kaden of bermen van eenig deel der haven te laten staan.

5. Het is verboden op de kaden of bermen van den publieken grond buiten de spoorregels zonder vergunning hout of andere voorwerpen te plaatsen.

6. Aan boord van ieder overdekt vaartuig, dat in de haven vertoeft, moet steeds een man van het scheepsvolk of een bewaker aanwezig zijn, om voor het vaartuig te zorgen, het zoo noodig te verhalen en aan de bevelen, in art. 90 van het Algemeen reglement bedoeld, gevolg te geven.

Voorts moet aan boord van ieder zoodanig vaartuig gedurende den nacht steeds eene behoorlijk toebereide lantaarn

ocr page 175

161

voorhanden zijn, die ingeval van brand of andere buitengewone omstandigheden, moet worden aangestoken, om daarmede zoo noodig dienst en hulp te bewijzen.

De schippers zijn voor een en ander verantwoordelijk.

7. Is ten gevolge van werkzaamheden in de haven hot uitvaren der vaartuigen of de invaart in de haven tijdelijk onveilig, dan wordt dit aangeduid: des daags door eene roode bolvormige mand aan den vlaggestok, geplaatst op het Oosterhavenhoofd, en des nachts door een wit licht, onmiddellijk onder het roode licht van genoemd hoofd.

De schippers zijn dan verplicht bij het in- en uitvaren der haven de noodige voorzorgen ter voorkoming van schade of onheilen in acht te nemen.

8. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bjj de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van art. 2;

b. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. G en art. 7, tweede lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 3, tweeden volzin en art. 4;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding; van art. 5.

11

ocr page 176

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de havens der eilanden TERSCHELLING, VLIELAND, WIE-RINGEN. URK en MARKEN.

(Vastgesteld bij Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 121, met intrekking van het Koninklijk besluit van 29 December 1861, Staatsblad No. 181).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel i. Bij het binnenkomen van den havenmond moeten de schippers de zeilen hunner vaartuigen strijken of met halve kracht stoomen; zoo er een stroom gaat, die de vaartuigen terug kan doen drijven, mogen de zeilen worden toegegeid of mag meerdere stoomkracht worden aangewend.

De boegspriet moet zijn getopt en de ankers, haken en hoornen moeten binnen boord liggen.

De schipper van een vaartuig, dat de haven of den havenmond zal verlaten, is verplicht, indien er gelijktijdig vaartuigen in de haven komen, die eerst binnen te laten.

2. Het is verboden de te laden of geloste voorwerpen gedurende den nacht op de steigers, kaden of havenbermen te laten staan.

Het geloste moet vóór den nacht verwijderd en het ter lading aangevoerde vóór dien tijd aan boord van het vaartuig gebracht zijn.

3. Bij naast elkander liggende vaartuigen zijn de schippers der vaartuigen; die het buitenste liggen, verplicht door het uitbrengen van trossen of van ankers op het diep de vereischte voorzorgen te nemen, dat de lichters der binnenwaarts gelegen vaartuigen, bestemd voor de lading of lossing, geen schade bekomen.

4. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artt. 1 en 3;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 2.

ocr page 177

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor de schutsluis te St. ANDRIES en hare havens.

(Vastgesteld l)ö Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 122, met intrekking van het Koninklijk besluit van den 15den Juni 1886, Staatsblad No. 111, gewyzigö en aangevuld bij Koninklijk besluit van den 17den Maart 1894, Staatsblad No. 46).

(In werking tredende i September 1892).

Artikel I. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

lengte..... 62.00 meter.

breedte.....7.60 „

2. Zoodra en zoolang het water ter beoordeeling van den sluiswachter, aan eene der peilschalen 7.50 meter of meer boven A.P. teekent, welk cijfer de hoogte van het schutpeil aanwijst, alsmede zoodra en zoolang tusschen den waterstand op de Waal en dien op de Maas een verschil bestaat van 3 meter of meer, blijft de sluis voor den doortocht van vaartuigen gesloten.

3. Schuttingen geschieden des noodig te allen tijde, uitgezonderd des nachts bij hoog opperwater, wanneer de dammen naar de sluis onder water staan.

Bij vriezend weder, wanneer de monden van de sluis en de schutkolk zijn dichtgevroren, wordt in geen geval des nachts geschut, en bij dag alleen, wanneer de sluiswachter daarin geen bezwaar ziet.

4. Het varen des nachts kan door den ingenieur, met het toezicht over de sluis belast, worden belet voor vaartuigen, waarmede aan de kunst- of andere werken van de sluis, ten gevolge van de weinige zorg der schippers bij de vaart des nachts, schade is toegebracht.

5. Het is verboden vóór den mond der toeleidingskanalen te ankeren.

Vaartuigen, die de toeleidingskanalen binnen loopen, moeten stoppen aan de daartoe bestemde meerpalen.

ocr page 178

164

Niet meer dan twee vaartuigen mogen naast elkander in de toeleidingskanalen liggen; de voorste vaartuigen moeten ten minste 30 meter van de sluis verwijderd blijven; de overige vaartuigen moeten buiten deze toeleidingskanalen wachten, en steeds ter beoordeeling en volgens de bevelen van den sluiswachter, het vaarwater vrijhouden.

Vaartuigen, die vóór de sluis komen, mogen, om meer nabij den ingang der sluis te geraken, de meer voorop gelegen vaartuigen niet voorbijvaren.

Vaartuigen die niet spoedig geschut behoeven te worden, moeten ten minste 50 meter van den mond der toeleidingskanalen verwijderd blijven.

Vaartuigen of vlotten mogen in de toeleidingskanalen niet worden vastgelegd of geankerd, of aldaar verblijven.

6. Overtreding van de bepalingen van art. 5 van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft met geldboete van ton hoogste vijftig gulden.

ocr page 179

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de schutsluizen in de afgesloten killen van het Bergsche Veld, ten zuiden van de rivier de Merwede, met hare havens.

(Vastgesteld bü Konlnklflk besluit van den 2Ssten Mei 1802, Staatsblad

No. 123, met Intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. De in het hoofd dezes bedoelde schutsluizen en havens zijn met hare verdere werken;

1°. de schutsluis met ophaalbrug te Werkendam, tusschen de Boven-Merwede en het kanaal van Werkendam naar het Steur gat, met inbegrip van hare havendijken, binnen- en buitenhavens;

2°. de Helsluis tegenover SUedrecht, tusschen de Beneden-Menvede en de Helsloot, met inbegrip van hare toeleidings-kanalen, leidammen en verdere werken;

3°. de Ottersluis nabij den kop van het eiland Dordrecht, tusschen de Niemce Merwede en het Otterkanaal, met den havendam bezuiden die sluis en de wederzijds gelegen toegangskanalen naar genoemde vaarwaters;

4°. de Spiering sluis tusschen het Spiering kanaal, uitkomende in de Nieuwe Merwede, en het Gat van de Bakens, met inbegrip van de draaikom beoosten die sluis en de havenbollen en leikaden.

2. Met de genoemde sluizen wordt dag en nacht geschut.

De schuttingen geschieden kosteloos; het is den sluis-

beambten streng verboden giften, fooien en drinkgelden aan te nemen.

3. Des nachts wordt door eene lantaarn met wit licht op de sluizen aangewezen, aan welke woning de schippers der vaartuigen zich moeten vervoegen om den dien nacht met de schutting belasten beambte om doorschutting te kunnen vragen.

Des daags zjjn de sluiswachters steeds de personen tot wie zij zich hebben te vervoegen.

ocr page 180

166

4. Wanneer de sluizen openstroomen, mogen geene vaartuigen daar doorvaren, voordat de schippers de vergunning van den sluiswachter of zijn plaatsvervanger hebben verkregen, deze zich van de grootte en de bemanning van het vaartuig heeft overtuigd en daaruit over het al of niet gevaarlijke van den doortocht heeft beslist.

Wanneer de Otter sluis doorstroomt, wordt dit des nachts door eene lantaarn met rood licht en over dag door een ge-heschen roode vlag aangewezen, welk teeken tevens eene waarschuwing is voor de schippers dat er gevaar is en voorzichtigheid gevorderd wordt bij het naderen der sluis.

5. Zoodra het verval voor de sluizen meer dan twee meter bedraagt, wordt niet meer geschut. Het schutten wordt eveneens gestaakt op lastgeving van den betrokken ingenieur, indien deze dit om andere redenen noodig oordeelt.

6. Bij vriezend weder, wanneer het water voor de sluizen en de schutkolken is dichtgevroren, wordt in geen geval des nachts geschut en bij dag alleen, wanneer de sluiswachters daarin geen bezwaar zien.

7. Het varen des nachts kan door den ingenieur, met het toezicht over de sluizen belast, worden belet voor vaartuigen, waarmede aan de kunst- of. andere werken van de sluizen, ten gevolge van weinige zorg der schippers bij de vaart des nachts, schade is toegebracht.

8. Het is verboden op minder dan 50 M. afstand vóór den mond der havens of toeleidingskanalen te ankeren.

Vaartuigen, die de toeleidingskanalen binnenloopen, moeten stoppen aan de daartoe bestemde meerpalen.

Vaartuigen, die voor de sluizen komen, mogen, om meer nabij den ingang der sluizen te geraken, de meer voorop gelegen vaartuigen niet voorbijvaren.

9. Behalve in de buitenhaven te Werkendam, mogen in de schutkolken, havens en toeleidingskanalen geen stoom- of zeilvaartuigen overwinteren.

In de buitenhaven te Werkendam mag dit alleen geschieden voor zooveel er, volgens oordeel van den sluiswachter of zjjn plaatsvervanger, daartoe voldoende ruimte is.

Voor de Eijkssleepbooten en stoombaggervaartuigen moeten steeds de noodige ligplaatsen, volgens aanwijzing van den ingenieur, worden beschikbaar gehouden. De overige in de buitenhaven liggende vaartuigen moeten daarvoor plaats maken en zoo noodig de haven verlaten.

ocr page 181

167

(0. In de havens, zijkanalon en toeleidingskanalen moeten boegsprieten of kluiverboomen worden weggenomen of getopt en voor andere vaartuigen hinderlijke gieken of uitstekende hoornen binnen boord worden gehaald.

Zij-ankers of over de haven gespannen kettingen of touwen mogen niet worden aangebracht, dan ingeval van nood ter beoordeeling van den sluiswachter of den betrokken waterstaatsambtenaar.

11. Met afwijking van art. 90, 2de lid, van het Algemeen reglement, wordt van elke beslissing van de sluiswachters of hunne plaatsvervangers beroep toegelaten op den hoofdingenieur, belast met het beheer der Merwede en killen, en van de uitspraak van dezen op den Minister, waardoor echter in geen geval de verplichting, om aan de beslissing van de sluiswachters of hunne plaatsvervangers onverwijld gevolg te geven, wordt opgeheven.

12. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 4, eerste lid;

h. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artt. 8, 9 en 10.

ocr page 182

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de draaibrug over de DONGE te Raamsdonk, gelegen in den Rijks grooten weg der 1ste klasse No. 3 van Sleeuwijk naar Breda.

(Vastgesteld by Koninklijk beshüt van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 124, met intrekking van het Koninklijk besluit van 23 October 1882, Staatsblad No. 137).

(In werking tredende f September 1892).

Artikel I. De brug wordt ten behoeve van het vervoer over den weg zooveel mogelijk gesloten gehouden en alleen geopend wanneer er vaartuigen of vlotten moeten doorvaren.

Zij is gesloten van vijf minuten vóór de aankomst van eiken trein van de stoomtraralijn, waarvan het tijdstip der aankomst aan de Zgt;o«r/e-brug bij de uit te geven dienstregeling openlijk is afgekondigd, totdat de trein de brug is overgetrokken.

2. De in de eerste alinea van art. 15 van het Algemeen reglement genoemde afstand van 100 M. wordt voor deze brug bepaald op 50 M.

Deze afstand wordt ter wederzijden van de brug aangegeven door eenen stoppaal, voorzien van het woord „haltquot;.

In geen geval mogen bij gesloten stand van de brug of vóór dat de vergunning tot doorvaren is gegeven, de vaartuigen of vlotten de brug dichter dan tot aan die palen naderen.

3. De opperlast der vaartuigen of vlotten raag bij het doorvaren der brug nergens meer breedte hebben dan 6.50 M.

4. Bij aankomst van de stoomtram, wanneer deze in het gezicht is en binnen vijf minuten aan de brug gewacht wordt, zal laatstgenoemde gesloten worden of blijven totdat de stoomtram voorbij is.

5. Vaartuigen en vlotten, waarvan het niet te vreezen is dat zij in de brugopening zullen bekneld raken, kunnen met voorafgaande vergunning van den brugwachter door de brug, tijdens die gesloten is, doorvaren.

ocr page 183

169

6. quot;Waar in dit en het Algemeen reglement gesproken wordt van brugwachter, wordt daaronder voor de hierbedoelde brug verstaan de pachter van de brug of de persoon die den pachter rechtens vervangt of bijstaat.

7. Overtreding van art. 2, laatste lid, van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

ocr page 184

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de rolbrug over de rivier de Donge bij Geertruidenberg.

(Vastgesteld bü Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad No. 125).

(In werking tredende i September 1892).

Artikel I. De brug wordt ten behoeve van het vervoor over den weg zooveel mogelijk gesloten gehouden en alleen geopend, wanneer er vaartuigen of vlotten moeten doorvaren.

Zij is of wordt niet geopend:

1°. gedurende den tijd dat de naastgelegen spoorwegbrug is of wordt gesloten;

2°. gedurende vijf minuten vóór het op de dienstregelingen vermelde tijdstip van vertrek van eiken personentrein der stoomtramlijn Geertruideubery-Breda;

3°. gedurende tien minuten vóór hetzelfde tijdstip van vertrek van locaaltreinen aan het station van den Staatsspoorweg te Geertruidenberg in de richting naar Zwaluwe.

2. De opperlast der vaartuigen of vlotten mag bij het doorvaren der brug nergens meer breedte hebben dan 11 M.

3. Vaartuigen of vlotten, waarvan niet te vreezen is, dat zij in de brugopening bekneld geraken, kunnen met voorafgaande vergunning van den brugwachter door de brug varen tijdens zjj gesloten is.

ocr page 185

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de schipbrug en het veer over de rivier de MAAS tusschen HEDEL en EMPEL.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 23sten Mei 1892, Staatsblad

No. 126, met intrekking van de bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

§ 1. Gebruik der hrug.

Aktikkl I, Het is verboden zich buiten de brugleuningen te begeven, in de brugsehepen af te dalen en in het algemeen op de brug langer te vertoeven dan voor den overtocht noodig is.

Wanneer de brug tot het doorlaten van vaartuigen of vlotten geopend is, mag het uitdrijfvak genaderd worden tot den afsluitboom of den ketting, behalve in buitengewone omstandigheden ter beoordeeling van den brugwachter, wanneer de geheele brug moet vrij blijven.

Vrachtgoederen of andere voorwerpen mogen niet op de brug worden nedergelegcü

2. Voetgangers, ruiters, rij- of voertuigen, elkander op de brug ontmoetende, zijn gehouden voldoende uit te wijken, en wel van de hand of naar de rechterzijde.

De rij- of voertuigen mogen niet anders uitwijken dan boven een der brugsehepen. Het laatst op de brug gekomen rij- of voertuig zal te dien einde op de brug moeten stilstaan tot het andere is voorbij gereden.

Het overgaan over de uitdrijfvakken, alvorens zij aan de brug zijn aangesloten en de kleppen zijn neergelaten, is verboden.

3. Over de brug moet stapvoets en, het geval van uitwijken uitgezonderd, op het midden der brug worden gereden.

Opvolgende rij- of voertuigen mogen de vooruitrijdenden niet dichter naderen dan tot op een afstand van ten minste drie brugsehepen.

In geen geval mag worden toegelaten dat meer dan drie rij- of voertuigen tegelijk zich in dezelfde richting op de brug bewegen.

Wanneer een met meer dan twee paarden bespannen rij-of voertuig zich op de brug bevindt, mag geen soortgelijk rij- of voertuig, van de tegenovergestelde zijde komende, zich daarop begeven, zoolang het eerste de brug niet is overgetrokken.

ocr page 186

172

In dezelfde richting rijdende, mogen deze rij- of voertuigen elkander niet dichter volgen, dan op een afstand van ten minste een derde der lengte van de brug.

Wanneer het door den brugwachter geraden wordt geoordeeld, om niet meer dan een enkel rij- of voertuig tegelijk op de brug toe te laten, moeten de voerlieden zich gedragen naar de daaromtrent door den brugwachter te geven bevelen, die in dat geval de beurten van overtocht zal regelen, naar de orde van aankomst der rij- of voertuigen.

4. Kudden rund- of ander vee, zich in de tegengestelde richting bewegende, mogen zich niet gelijktijdig op de brug bevinden, tenzij het vee stuk voor stuk bij de hand geleid wordt.

In geen geval mogen meer dan zes paarden aaneengekoppeld of meer dan twaalf stuks hoornvee tegelijk over de brug geleid of vervoerd worden.

Het overvoeren moet altijd geschieden onder de hoede of het geleide van twee personen, waarvan een voor en een achter het vee behoort te gaan.

De drijvers of geleiders van groote kudden moeten zorgen dat zoowel het terugbljjvende als het overgevoerde vee onder behoorlijk toezicht zij.

Gevaarlijke dieren mogen nimmes anders dan aan de hand geleid en onder behoorlijke hoede over de brug worden gevoerd.

De geleiders zijn in het algemeen verplicht de maatregelen te nemen, die verder bij het overvoeren van kudden vee of van gevaarlijke dieren ter voorkoming van onheilen door den brugwachter worden noodig geacht.

5. Al hetgeen bij hoogen of lagen waterstand of wegens andere oorzaken, tot voorkoming van beschadiging der brug door den brugwachter zal worden noodig geoordeeld, waaronder het afladen en remmen van zwaar geladen rij- of voertuigen, het staken van den overgang over de brug enz., zal op zijne eerste aanmaning moeten worden in acht genomen.

Het is verboden, vuur over de brug te dragen of in het algemeen iets te doen, wat aan de brug of de daartoe be-hoorende voorwerpen en gereedschappen schade zou kunnen veroorzaken, of ook de brugschepen los te maken.

6. Zoodra des avonds de lantaarns op de brug ontstoken zijn, zullen, ter voorkoming van ongelukken, de hekken worden gesloten, en gesloten blijven tot de dag aanbreekt.

De brugwachter is echter verplicht om, wanneer des nachts voetgangers, rij- of voertuigen de brug willen overtrekken, op het eerste geroep of gelui met de daar aanwezige bel, de hekken te openen en ze na den doortocht weder te sluiten.

ocr page 187

173

§ 2. Doorvaart van vaartuigen, vlotten enz.

7. Bij feilen bovenwind of storm moeten de schippers dei-vaartuigen altijd de zeilen strijken, het anker uitwerpen, en overstuur of achteruit aan een tros op de voorste bolders door de brug vieren.

8. Bij hoog water en bij sterken bovenwind, zullen de schippers der van de aanlegplaats afvarende passagiersbooten verplicht zijn de noodige voorzorgen te nemen, om niet door den stroom tegen de brug te worden aangedreven of schuin voor de opening te komen.

9. Geen aan of nevens elkander of aan stoombooten gekoppelde vaartuigen mogen tegeljjk zonder vergunning van den brugwachter door de brug varen, en bij het naderen der brug moeten de aan elkander gekoppelde vaartuigen worden losgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk op stoombooten, waaraan niet meer dan één vaartuig op zijde gekoppeld is, indien de brugwachter tegen de doorvaart geen bezwaar maakt.

10. Boomen, balken, schuiten, booten of andere drijvende voorwerpen moeten door de eigenaars of door de schippers der vaartuigen en vlotten, waartoe zjj behooren, steeds zoodanig worden vastgemaakt of bevestigd, dat zij niet door den stroom tegen de brug kunnen worden aangedreven.,

11. Bij het doorlaten van vaartuigen en inzonderheid van vlotten zorgen de schippers, dat daaruit voor de gemeenschap tusschen de beide oevers zoo min mogelijk oponthoud ontsta en zijn zij verplicht de deswege door den brugwachter te geven bevelen op te volgen.

Wanneer de brugwachter het noodig acht, alvorens de brug te openen, de kleine veerpont en de noodige roeibooten in gereedheid te doen brengen, om de aankomende personen, rij- of voertuigen te kunnen overzetten, moeten de vaartuigen en vlotten blijven liggen tot de brug voor hen geopend wordt.

Voor de doorvaart van vlotten wordt het aantal vakken dat zal worden uitgedreven, door den brugwachter bepaald.

§ 3. Gebruik van het veer.

12. De aan het veer komende personen, rij- of voertuigen en geleiders van vee en andere dieren worden tegelijk met hunne goederen overgevoerd naar de orde van aankomst en moeten zich gedragen naar de deswege door den brugwachter te geven bevelen.

Het is verboden rijtuigen, vrachtgoederen of eenig ander voorwerp op de bruggen der ponten te plaatsen, terwijl in

ocr page 188

172

In dezelfde richting rijdende, mogen deze rij- of voertuigen elkander niet dichter volgen, dan op een afstand van ten minste een derde der lengte van de brug.

Wanneer het door den brugwachter geraden wordt geoordeeld, om niet meer dan een enkel rij- of voertuig tegelijk op de brug toe te laten, moeten de voerlieden zich gedragen naar de daaromtrent door den brugwachter te geven bevelen, die in dat geval de beurten van overtocht zal regelen, naar de orde van aankomst der rij- of voertuigen.

4. Kudden rund- of ander vee, zich in de tegengestelde richting bewegende, mogen zich niet gelijktijdig op de brug bevinden, tenzij het vee stuk voor stuk bij de hand geleid wordt.

In geen geval mogen meer dan zes paarden aaneengekoppeld of meer dan twaalf stuks hoornvee tegelijk over de brug geleid of vervoerd worden.

Het overvoeren moet altijd geschieden onder de hoede of het geleide van twee personen, waarvan een voor en een achter het vee behoort te gaan.

De drijvers of geleiders van groote kudden moeten zorgen dat zoowel het terugblijvende als het overgevoerde vee onder behoorlijk toezicht zij.

Gevaarlijke dieren mogen nimmeï anders dan aan de hand geleid en onder behoorlijke hoede over de brug worden gevoerd.

De geleiders zijn in het algemeen verplicht de maatregelen te nemen, die verder bij het overvoeren van kudden vee of van gevaarlijke dieren ter voorkoming van onheilen door den brugwachter worden noodig geacht.

5. Al hetgeen bij hoogen of lagen waterstand of wegens andere oorzaken, tot voorkoming van beschadiging der brug door den brugwachter zal worden noodig geoordeeld, waaronder het afladen en remmen van zwaar geladen rij- of voertuigen, het staken van den overgang over de brug enz., zal op zijne eerste aanmaning moeten worden in acht genomen.

Het is verboden, vuur over de brug te dragen of in het algemeen iets te doen, wat aan de brug of de daartoe be-hoorende voorwerpen en gereedschappen schade zou kunnen veroorzaken, of ook de brugschepen los te maken.

6. Zoodra des avonds de lantaarns op de brug ontstoken zijn, zullen, ter voorkoming van ongelukken, de hekken worden gesloten, en gesloten blijven tot de dag aanbreekt.

De brugwachter is echter verplicht om, wanneer des nachts voetgangers, rij- of voertuigen de brug willen overtrekken, op het eerste geroep of gelui met de daar aanwezige bel, de hekken te openen en ze na den doortocht weder te sluiten.

ocr page 189

173

§ 2. Doorvaart van vaartuigen, vlotten enz.

7. Bij feilen bovenwind of storm moeten de schippers der vaartuigen altijd de zeilen strijken, het anker uitwerpen, en overstuur of achteruit aan een tros op de voorste bolders door de brug vieren.

8. Bij hoog water en bij sterken bovenwind, zullen de schippers der van de aanlegplaats afvarende passagiersbooten verplicht zijn de noodige voorzorgen te nemen, om niet door den stroom tegen de brug te worden aangedreven of schuin voor de opening te komen.

9. Geen aan of nevens elkander of aan stoombooten gekoppelde vaartuigen mogen tegelijk zonder vergunning van den brugwachter door de brug varen, en bij het naderen der brug moeten de aan elkander gekoppelde vaartuigen worden losgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasseljjk op stoombooten, waaraan niet meer dan één vaartuig op zijde gekoppeld is, indien de brugwachter tegen de doorvaart geen bezwaar maakt.

10. Boomen, balken, schuiten, booten of andere drijvende voorwerpen moeten door de eigenaars of door de schippers der vaartuigen en vlotten, waartoe zij behooren, steeds zoodanig worden vastgemaakt of bevestigd, dat zij niet door den stroom tegen de brug kunnen worden aangedreven.,

11. Bij het doorlaten van vaartuigen en inzonderheid van vlotten zorgen de schippers, dat daaruit voor de gemeenschap tusschen de beide oevers zoo min mogelijk oponthoud ontsta en zijn zij verplicht de deswege door den brugwachter te geven bevelen op te volgen.

Wanneer de brugwachter het noodig acht, alvorens de brug te openen, de kleine veerpont en de noodige roeibooten in gereedheid te doen brengen, om de aankomende personen, rij- of voertuigen te kunnen overzetten, moeten de vaartuigen en vlotten blijven liggen tot de brug voor hen geopend wordt.

Voor de doorvaart van vlotten wordt het aantal vakken dat zal worden uitgedreven, door den brugwachter bepaald.

§ 3. Gébruik van het veer.

12. De aan het veer komende personen, rij- of voertuigen en geleiders van vee en andere dieren worden tegelijk met hunne goederen overgevoerd naar de orde van aankomst en moeten zich gedragen naar de deswege door den brugwachter te geven bevelen.

Het is verboden rijtuigen, vrachtgoederen of eenig ander voorwerp op de bruggen der ponten te plaatsen, terwijl in

ocr page 190

174

het algemeen bij elke reis ter beoordeeling van den brugwachter niet meer rijtuigen, dieren of vrachtgoederen zullen mogen worden ingescheept of ingeladen, dan het ruim der pont gevoegelijk kan bevatten, en wel zoodanig dat de reizigers behoorlijk plaats vinden om in de pont te staan.

13. Ingeval bij hoog water en bij harden wind paarden of hoornvee worden overgevoerd, mogen geen reizigers gelijktijdig in het vaartuig plaats nemen, maar moeten zij, zulks verlangende, afzonderlijk met de boot worden overgebracht.

14. Zoo de overtocht aan het veer met de pont of roeiboot moet geschieden, zijn de voetgangers en voerlieden in het algemeen verplicht de aanwijzingen na te komen van den brugwachter, die deze zoowel in het belang van de veiligheid van den overtocht over de rivier, als ter voorkoming van beschadiging van het veermateriëel zal verstrekken.

§ 4. Algemeene bepalinyen.

15. Klachten over de bediening van de brug en het veer kunnen worden opgeteekend in het ten veerhuize aanweaige register, gewaarmerkt door den betrokken ontvanger der registratie en domeinen, hetwelk iedere maand aan den betrokken opzichter van den waterstaat moet worden vertoond en door dezen wordt afgeteekend.

16- Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artt. 4, vijfde en zesde lid, 5, 7, 8, 9, 10, 11, eerste en tweede lid, en 12, tweede lid;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artt. 1, laatste lid, 2, laatste lid, 4, tweede, derde en vierde lid, 12, eerste lid, en 14;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van artt. 1, eerste lid, 2, eerste, tweede en derde lid, 3, 4, eerste lid. en 13.

ocr page 191

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de scheepvaart door de Koningshaven en de Nieuwe Maas onder de gemeente Rotterdam.

(Vastgesteld bij Koninklyk besluit van den 25sten Mei 1892, Staatsblad No. 128, met intrekking van de bestaande Koninklyke besluiten.)

(In werking tredende I September 1892).

§ 1. Van het varen.

Artikel I. Dit reglement is van toepassing:

1°. op de Koningshaven te Rotterdam, met uitzondering van eene strook langs de kaden, ter breedte van 25 meter;

2°. op de Nieuwe Maas, van de lijn, gericht van 100 meter boven den oostmond van het Mallegat, onder de gemeente Rotterdam, op hoekpuntpaal CCCXXXI der herziene rivierkaart onder de gemeente Kralingen tot de westelijke grens der gemeente Rotterdam bij de westpunt der Ruigeplaat en het tot den linkeroever doorgetrokken zuidelijke verlengde dier grenslijn, over de geheele breedte der rivier. Het reglement is niet van toepassing op de vaartuigen, liggende aan kaden, aanlegsteigers en meerpalen, die aan de gemeente Rotterdam behooren.

2. Vaartuigen, waarvoor de golfslag gevaarlijk kan zijn, mogen niet dieper zijn geladen dan tot eene iijn, die bij geheel open vaartuigen, op 50 cM. onder het boord en, bij vaartuigen, die met luiken worden gesloten, op 30 cM. onder het boord ligt.

3. Het is verboden de stoomfluit voor andere doeleinden te gebruiken, dan tot het geven van de seinen bij dit reglement voorgeschreven, van die bij gemeenteverordening vastgesteld voor het binnenvaren van Binnenhaven en Spoorweghaven, en van die opgenomen in de Bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan.

4. De schipper van elk zeeschip draagt zorg. dat des nachts steeds een man op het dek aanwezig zij, die de wacht houdt, en die bij het aanroepen van het vaartuig door de havenpolitie verplicht is antwoord te geven.

ocr page 192

176

5. Elk zeeschip moet van een voldoend aantal goede trossen, ankers en kettingen voorzien zijn.

De ankers moeten zoodanig bezorgd zijn, dat geen hand langs de zijde van het vaartuig uitsteekt; de ankers kunnen voor de kluizen gevierd worden, mits de handen zoodanige plaats innemen, dat zij bij aanvaring niet lichtelijk op of beneden de waterlijn in het vaartuig kunnen dringen.

6. quot;Wanneer door de ligging van eenig vaartuig of vlot, de beweging van een der bruggen verhinderd wordt, moet de schipper dadelijk zoodanige maatregelen nemen, als door de havenpolitie worden noodig geacht om de beweging te kunnen bewerkstelligen.

7. Vaartuigen, geladen met buskruit of andere ontplofbare of licht ontvlambare stoffen moeten steeds door stoomkracht worden -voortbewogen van 100 M. boven de machinefabriek te Fijenoord tot 100 M. beneden het petroleum-entrepot onder Charlois en hun weg nemen onder door de vaste bruggen over de Nieuwe Maas.

Zjj mogen alleen door de Koningshaven varen, wanneer de raast niet kan gestreken worden.

Bij mistig of bij duister weder mogen geene vaartuigen geheel of grootendeels raet buskruit of andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffen geladen, tusschen 100 M. boven de machinefabriek te Fijenoord en 100 M. beneden het petroleum-entrepót onder Charlois varen.

8. Bij aankomst te Rotterdam moeten de vaartuigen, die meer dan 30.000 liter petroleum, terpentijn, naphtha of dergelijke licht ontvlambare stoffen aan boord hebben, hiervan onmiddellijk kennis geven aan de havenpolitie. Vaartuigen met bovengenoemde stoffen geladen, mogen alleen liggen aan de kade voor de petroleum-bergplaatsen en op de plaatsen door de havenpolitie daartoe nader aan te wijzen, onder nakoming van de door haar te stellen voorwaarden.

9. Het is verboden zonder vergunning der havenpolitie met een vaartuig geheel of gedeeltelijk ligplaats te nemen:

1°. In de Nieuwe Maas beoosten de spoorwegbrug:

a. In het vaarwater, loopende langs de afgebakende ankerplaats, ten dienste der Eijnvaart, tusschen de machir.efabriek te Fijenoord en het Zuid-Diep je boven en beneden het Mallegat langs de machinefabriek te Fijenoord naar het Maasstation en naar de bruggen over de rivier.

De zuidelijke grens van dat vaarwater is bij de bovenpunt van het Noordereiland 150 meter van dat eiland verwijderd

ocr page 193

177

en eindigt geleidelijk ombuigende tegen den zuidelijken pijler der midden-opening van de spoorwegbrug over de rivier op 120 meter afstand van het Noordereiland.

b. Voor den oostelijken mond dor KoningsJiavoi, tusselien de lijnen getrokken van de noordoostpunt van het Noordereiland naar den oostelijksten hoek van het hoofdgebouw op het Maasstation en die van den zuidoosthoek der Koningshaven naar het Vroutoenhrugje aan de westzijde van de O tide Plantage.

2°. In de Nieuwe Maas bewesten de spoorwegbrug:

a. van de spoorwegbrug tot 100 M. beneden de gemeente-brug over de rivier;

h. tusschen de lijn van de ligplaatsen aan de kaden langs den rechteroevér tot de -westelijke ligplaats langs de kade aan den Heuvel, van daar naar boei 18 en langs de boeien voor de liuigeplaat naar de invaart van de schutsluis in die plaat, loopende verder westwaarts langs den rechteroever en de lijn getrokken van den zuidelijken pijler der middenopening van voornoemde spoorwegbrug, naar en langs do boeien op de rivier tot de gemeentelijke Droogdokhaven en verder westwaarts langs den linker-rivieroever;

c. voor den westeljjken mond der Koningshaven, tusschen die haven en de lijn, die boei 9 vereenigt met den westelijken hoek van de Rijnhaven, zoomede in het vaarwater loopende van eerstgenoemde haven, tusschen boei 9 en 8 door en tusschen boei 4 en 5 naar de Leuvehaven. De verboden ankerplaats wordt aan de noordzijde begrensd door de lijn die de Prins Hendrikkade met boei 8 vereenigt.

Alleen aan de vaartuigen die wenschen te stoppen om door de Koningshaven te gaan bij de eerstvolgende opening van de spoorwegbrug over die haven, kan volgens aanwijzing van de havenpolitie gelegenheid gegeven worden, om zoo dicht mogelijk bij de Wilhelminakade te ankeren.

3°, In do Koningshaven, zooals die is omschreven in art. 1 sub l en voor den mond der Spoorweghaven.

Van de verbodsbepaling in dit artikel zijn uitgezonderd de vaartuigen, dienende voor opnemingen en peilingen, bagger-werktuigen, grondschouwen, sleepbooten en andere vaartuigen werkzaam in dienst van het Eijk of van de gemeente Rotterdam.

Wanneer vaartuigen op de in verband met het bovenstaande vergunde ankerplaatsen voor anker liggen, moeten zij te allen tijde zoodanig geplaatst zijn, dat de weg voor de scheepvaart geheel open blijft.

12

ocr page 194

178

De vaartuigen, die zich in de beoosten de spoorwegbrug in de Nieuwe Maas vrijgelaten ankerplaatsen bevinden, moeten zoo zijn verankerd of bevestigd, dat zij bij de tijkentering niet binnen het aangewezen vaarwater kunnen zwaaien.

10. Vaartuigen, met vergunning der havenpolitie in het vaarwater ten anker liggende, mogen aldaar geen getijde overblijven. Vóór de kentering van het getijde, moeten zij naar de voor hen bestemde ligplaats gaan, of bij gebreke van dien, gemeerd worden aan de boeien of langs de kaden, of wol buiten het vaarwater gebracht worden.

Zeeschepen, buiten de in art. 9 omschreven vaarwaters ten anker liggende en aldaar een getijde overblijvende, moeten behoorlijk vertuid zijn en steeds klare kluizen hebben.

11. De schipper van een ten anker of gemeerd liggend vaartuig moet toestaan, dat een ander vaartuig langs zijde van zijn vaartuig ten anker kome en daaraan vastgemaakt worde.

Een vaartuig raag nimmer aan een zeeschip, dat op de boeien ligt of gaat liggen, worden vastgemaakt, vóórdat het zeeschip vooruit en achteruit behoorlijk vastgemeerd ligt.

12. Zonder schriftelijke vergunning van de havenpolitie mag geen vlot de Koningshaven bevaren.

Die vergunning houdt in dc afmetingen, die worden toegestaan en de verdere voorwaarden, waaronder die verleend wordt.

13. Vlotten mogen op de Nieuwe Maas beneden het Vrouwmhrugje geen grootere afmetingen hebben dan 70 meter lengte en 18 meter breedte.

Vlotten van grootere afmetingen, die van boven komen, moeten tegen den rechteroever der Nieuwe Maas boven het Vrouwenhrugje achter elkander blijven liggen en aldaar worden gebroken tot bovenstaande of kleinere afmetingen, alvorens zij hunne reis mogen vervolgen.

De eerste Rijkshavenmeester is bevoegd schriftelijk toestemming te verleenen, om met vlotten van iets grooter afmetingen dan de hierbovengenoemde, bij gunstige gelegenheid, te zijner beoordeeling, langs Rotterdam te varen.

14. De schippers moeten maatregelen nemen, opdat bij kentering van het getijde hun vaartuig niet tegen een ander vaartuig of tegen de werken kunne aanzwaaien.

15. Geen trossen of kettingen mogen over het vaarwater worden uitgezet, dan in buitengewone gevallen en alleen met schriftelijke vergunning van de havenpolitie.

ocr page 195

179

Bij het naderen van vaartuigen moeten die trossen of kettingen losgegooid en zoo ver worden uitgestoken, dat de doorvaart onbelemmerd zij.

De havenpolitie is bevoegd trossen te kappen en kettingen los te gooien, die over het vaarwater zijn uitgezet, wanneer die niet dadeljjk op haar bevel genoegzaam worden uitgestoken en desgevorderd ingenomen.

16. Bij lossing of lading moeten, ten genoegen der havenpolitie, de noodige voorzorgen worden genomen, opdat niets van do lading of van andere zinkende stoffen in het water kan vallen.

17. Drijvende of opgevischte voorwerpen, waarvan de eigenaar onbekend is, moeten aan de havenpolitie worden afgegeven.

§ 2. Van de Komnyshaven.

18. Het is, behoudens uitzondering toe te staan door de havenpolitie, verboden in de Koningshaven'.

a. met vaartuigen te drijven, te roeien, te verhalen, te boomen, te zeilen of die door roeibooten te laten boegseeren;

h. met een vaartuig, varende of liggende, zoodanige richting ten opzichte van dien vaarweg te nemen, dat de vaart van andere vaartuigen kan worden bemoeilijkt, ter beoordeeling van de havenpolitie.

Met roeibooten niet grooter dan 25 M3. inhoud, mag alleen dan in de Koningshaven worden geroeid, als zij op de grens bljjven van de strook in artikel 1 sub 1 genoemd, en niet door de midden-openingen der bruggen varen.

Zjj mogen slechts dan dwars over de Koningshaven varen, als een aankomend vaartuig er geen belemmering door kan ondervinden.

19. Aan alle vaartuigen, die door de bepalingen van het vorig artikel belet of belemmerd worden in de Koningshaven te varen, ter beoordeeling der havenpolitie, wordt door hare zorg gelegenheid gegeven, om kosteloos door die haven te worden gesleept.

20. Zonder vergunning der havenpolitie mag door do Koningshaven eene sleepboot niet meer tegelijk op sleeptouw hebben dan: één zeeschip of drie binnenvaartuigen of vier baggeraken.

21. In de Koningshaven moeten de in oostelijke richting gaande vaartuigen, de zuidelijke, en in de westelijke richting gaande vaartuigen de noordelijke zijde van het vaarwater houden, voor zoover zij niet door de geopende noordelijke draaibrug in de gemeentebrug kunnen worden doorgelaten.

ocr page 196

180

De vaartuigen mogen niet naast elkander vastgemaakt varen, wanneer zij te zamen eene breedte innemen van meer dan 16 meter.

De zeeschepen mogen niet meer vaart hebben dan noodig is om te sturen.

Geen vaartuig mag in het vaarwater der Koningshaven vooral niet in of nabij de bruggen, het geval van overmacht uitgezonderd, stoppen, of zooveel langzamer varen, dat daardoor gevaar of belemmering voor een achteropkomend vaartuig kan ontstaan, ter beoordeeling der havenpolitie.

Een vaartuig mag de richting van den algemeenen vaarweg der Koningshaven niet kruisen of overgaan vóór den boeg van een ander vaartuig, dat dien vaarweg houdt.

22. Schippers van zeeschepen, die de Spoorweghaven of de Binnenhaven aandoen, moeten in verband met het voorschrift in artikel 21 de noodige maatregelen nemen, om de vaart in de Koningshaven zoo kort mogelijk te belemmeren.

Zij moeten van eene sleepboot gebruik maken die aan het gedeelte van het vaartuig, dat in het doorgaande vaarwater uitsteekt, is vastgemaakt, ten einde het besturen van het vaartuig gemakkelijk te maken.

De havenpolitie is bevoegd, vooral bij kleinere zeeschepen, vrijstelling te verleenen van deze laatste bepaling.

Het in de Koningshaven komen van uit die havens, is alleen geoorloofd bij gesloten stand der gemeentebrug over de Koningshaven, of wanneer geen vaartuigen in aantocht zijn, die daardoor belemmering kunnen ondervinden.

23. Het is, behoudens voor zooveel noodig bij het in- en uitvaren der Spoorweghaven of de Binnenhaven, verboden, in den algemeenen vaarweg der Koningshaven met een vaartuig te zwaaien.

Alleen in de volgende gevallen wordt aan vaartuigen, die verhinderd zijn buiten de Koningshaven te zwaaien, bij omstreeks stil water zwaaien toegestaan:

o. des nachts van anderhalf uur na zonsondergang tot anderhalf uur vóór zonsopgang;

h. voor den overigen tijd, gedurende de tijden, wanneer de spoorwegbrug, volgens de aankondiging in de dagbladen, bedoeld bij art. 29, ten minste een half uur gesloten is.

De schipper van het te zwaaien vaartuig moes bij het zwaaien twee sleepbooten bezigen, en zijne maatregelen zoodanig nemen, dat het zwaaien in den kortst mogelijken tijd geschiedt, en dat in het sub h genoemde geval het vaartuig bij het opendraaien der spoorwegbrug weder geheel binnen de

ocr page 197

181

lijn van 25 meter van den oever verwijderd is. De schipper moet van zijn voornemen om te zwaaien, ten minste één uur te voren, kennis geven aan den onderhavenmeester aan de Koningshaven gestationneerd.

Binnenvaartuigen, met bestemming door de bruggen der Koningshaven te varen, die door het sluiten der bruggen of door eene belemmering in den vaarweg tijdelijk verhinderd worden hunne reis te vervolgen, mogen, wanneer ter beoordeeling der havenpolitie de veiligheid dit vordert, in de Koningshaven rondzwaaien.

§ 3. Van de bruggen.

24. Het is verboden in een der brugopeningen langer te vertoeven dan voor de doorvaart noodzakelijk is, of te beproeven door eene niet geheel geopende brug te varen met eene grootere hoogte van het schip of tuig, dan de afstand bedraagt van de brugoverspanning tot het water.

25. Bij het varen door de middelste doorvaartopeningen der bruggen over de Nieuwe Maas, houden de oostwaarts varende vaartuigen de zijde van den zuideljjken pijler en de westwaarts varende, die van don noordelijken pijler.

26. Bij het doorvaren der bruggen over de Koningshaven gaan de oostwaarts varende vaartuigen door de zuidelijke en de westwaarts varende door de noordelijke openingen dei-draaibruggen, tenzij bij voorkomende belemmering de vaart door een der openingen is gestremd, in wolk geval gehandeld moet worden volgens art. 31.

27. De noordelijke draaibrug in de gemeentebrug over de Koningshaven wordt alleen geopend tusschen een half uur vóór zonsopgang en een half uur na zonsondergang en is bestemd voor vaartuigen, die met gestreken tuig of schoorsteen niet onder het draaiend gedeelte der spoorwegbrug kunnen doorvaren, doch wel onder het vaste gedeelte dier brug.

Met vaartuigen die hun mast of schoorsteen niet kunnen strijken en in bovengenoemd geval verkeeren, kan mede van de noordelijke draaibrug gebruik worden gemaakt. Schippers van vaartuigen in dat geval verkeerende, den wil hebbende van die opening gebruik te maken, geven daarvan bij het binnenkomen der Koningshaven sein door het toonen eener roode vlag aan een stok, die op het voorschip in beweging wordt gehouden.

Niet voordat de brugwachter der gemeentebrug toont het sein te hebben gezien door het toonen eener witte vlag op de noordelijke draaibrug, mag men met het vaartuig naderen.

ocr page 198

182

Wanneer schippers van twee in tegengestelde richting komende vaartuigen den wil hebben van die draaibrug gebruik te maken, stopt het vaartuig dat het in stroom heeft, en bij stil water het opvarende.

28. Bij het bevaren der Koningshaven moeten de schippers letten op de seinen, die van de bruggen worden gegeven en zich dienovereenkomstig gedragen.

Naohtseinen worden gegeven van een half uur na zonsondergang tot een half uur vóór zonsopgang.

Schippers van stoomvaartuigen, die door de brugopeningen in de Koningshaven willen varen, mogen van hun voornemen kennis geven door de bel.

Bij besloten water of bij ijsgang kan de vaart door de bruggen over de Koningshaven worden verboden, zoolang naar het oordeel van de havenpolitie gevaar bestaat, dat het vaartuig in de brugopeningen kan worden opgehouden.

Het is verboden in strijd met zoodanig verbod te handelen.

Bij zwaren mist worden op de bruggen nachtseinen gegeven.

Wanneer de seinen op de hoogte van de handwijzers niet zichtbaar zijn, moeten de schippers hunne vaartuigen met de meest mogelijke behoedzaamheid de bruggen doen naderen, totdat de seinen zichtbaar worden.

Door het luiden met de bel en andere geluidseinen wordt de doorvaart aan den brugwachter gevraagd en het vaartuig inmiddels gestopt, totdat de brugwachter zijne orders gegeven heeft.

29. De tijdstippen van openen en sluiten der spoorwegdraaibrug, die een gevolg zijn van de vastgestelde dienstregeling, worden in de dagbladen bekend gemaakt.

De seinen voor de scheepvaart worden op de spoorweg-draaibrug over de Koningshaven gegeven aan twee seinpalen, staande bij de brughuisjes, op den middelsten pijler.

Aan den seinpaal, bewesten de brug, worden de seinen gegeven voor de oostwaarts varende en aan die, beoosten de brug, voor de westwaarts varende vaartuigen.

Tot verlichting der doorvaartopeningen, ten dienste der scheepvaart, wordt aan de seinpalen op zeven meter boven de spoorstaaf, een wit licht geplaatst, en langs de draaibrugzijden, beneden het vlak van de draaibrug, in het midden der doorvaartopeningen, mede een wit licht.

Is de doorvaart vrij, dan wordt dit aangeduid :

hij dag: door den geheel opgehaalden rooden bol aan de seinpalen;

bij nacht: door het groene licht van de lantaarn, aangebracht onder het bovenste witte licht.

ocr page 199

183

Op 200 M. afstand boven en beneden de draaibruggen, zijn op de beide oevers handwijzers geplaatst, waarop zijn gesteld de woorden: niet voorhij varen.

30. De sluiting der spoorweg-draaibrug wordt aangekondigd, doordat drie minuten vóór met het sluiten wordt aangevangen, aan dc beide seinpalen hij dag de roode bol wordt neergelaten, en hij nacht een rood licht gevende lantaarn het groene licht vervangt.

Wordt het aankondigingssein getoond, dan mogen de vaartuigen, die niet onder de gesloten spoorweg-draaibrug kunnen of willen doorvaren, de handwijzers in artikel 29 bedoeld, niet voorbij varen in de richting naar de brug.

Vaartuigen, die bij het vertoonen van dat sein de brug reeds tot tweehonderd meter zijn genaderd, varen nog door de brug, wanneer de vaargelegenheid zoo gunstig is, dat de schippers zeker zijn binnen het tijdsverloop van drie minuten de spoorweg-draaibrug te kunnen doorvaren.

Alle overige vaartuigen stoppen buiten de handwijzers.

31. Is het vaarwater door een der brugopeningen onbevaarbaar, dan wordt dit kenbaar gemaakt door het vertoonen van een rooden bol hij dag en een rood licht gevende lantaarn hij nacht, aangebracht beneden de spoorweg-draaibrug tusschen de pijlers der spoorwegbrug, midden over het vaarwater, waarin de belemmering aanwezig is.

De vaart mag dan alleen plaats hebben door de beschikbare doorvaartopening, volgens aanwijzing van de havenpolitie met inachtneming der hierna vermelde seinen.

Bij den geopenden stand eencr spoorweg-draaibrug, is de nadering der brug toegelaten aan die zijde, waar de roode bol bij dag of groene lantaarn bij nacht aan den seinpaal is geheschen. De nadering is alsdan verboden van die zijde waar bij dag de roode bol is neergelaten en bij nacht het roode licht aan den seinpaal getoond wordt.

Bij gesloten stand der brug en hij het openen en sluiten, is de nadering der brug bij dag toegelaten voor vaartuigen, die onder de gesloten draaibrug kunnen doorvaren, doch slechts van die zijde, waar geen groene vlag aan den seinpaal is geheschen. De nadering is dan verboden van die zijde, waar een groene vlag aan den seinpaal is geheschen.

Bij nacht is bij gesloten spoorweg-draaibrug en bij het openen en sluiten aan elke zijde de nadering verboden; de vaartuigen moeten dan wachten, totdat de spoorweg-draaibrug weder geopend is en aan hunne zijde groen licht aan den seinpaal wordt getoond.

ocr page 200

184

Ingeval van belemmering in een der door vaartopeningen mag des nachts dus nimmer een vaartuig de brug naderen van die zijde, waar rood licht aan den seinpaal wordt getoond.

Vaartuigen, aan welke de nadering der brug is verboden, stoppen buiten de handwijzers.

32. De gesloten stand der gemeentebrug over de Koningshaven wordt aangeduid:

hij dag, door vertoon van een roode vlag op de brug in het midden van elke doorvaartopening;

Mj nacht, door aldaar geplaatste lichtgevende lantaarns.

De geopende stand wordt aangeduid door de afwezigheid van die seinen.

Bij geopenden stand wordt 3 minuten nadat het sein van gesloten zijn geheschen is, de brug dichtgedraaid.

Voor losse sleepbooten en kleine rivierstoomvaartuigon wordt de brug alleen dan tijdig geopend, wanneer dit naar het oordeel van den brugwachter met het belang van het gewoon verkeer over de brug is overeen te brengen.

33. In de Koningshaven mogen in dezelfde richting varende vaartuigen elkander niet voorbijvaren tusschen de ter wederzijde der bruggen geplaatste handwijzers.

34. Aan de schippers van groote zeeschepen kan de vaart vóór stroom door de bruggen door de havenpolitie worden verboden. Het in strijd handelen met zoodanig verbod is verboden.

Wanneer die vaart wordt toegelaten moeten alle zeeschepen vóór stroom eene sleepboot achter zich hebben, in staat en gereed om het vaartuig bij de bestaande gelegenheid van wind en stroom spoedig genoeg te kunnen stoppen, wanneer eene belemmering in den vaarweg zich mocht voordoen.

Bij het doorvaren der bruggen moeten de raas zooveel mogelijk aangebrast of getopt zijn, en de over de boorden uitstekende deelen, zooveel mogelijk, zijn ingenomen.

§ 4. Algemeene bepalingen.

35. Met afwijking van artikel 91 van het Algemeen reglement wordt bepaald, dat het proces-verbaal eerst wordt gezonden aan den eersten Rijkshavenmeester, die met toezonding van het proces-verliaal van elke schade onverwijld kennis geeft aan den ingenieur.

36. Met uitbreiding van artikel 88 van het Algemeen reglement, is de handhaving van dit bijzonder reglement ook opgedragen, voor zooveel betreft de bepalingen ter beveiliging

ocr page 201

185

van de beweegbare spoorwegbrug over de Koningshaven met hare seinraiddelen, telegraafleidingen en vaartuigen, aan de brugwachters, daarbij door de exploiteerende spoorwegonderneming aangesteld.

37. Met uitbreiding van artikel 90 van het Algemeen reglement, zijn de schippers verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, die tot uitvoering van het reglement of in het belang der goede orde of veiligheid door een der ambtenaren, bjj gemeld artikel en bij artikel 36 van dit reglement bedoeld, worden gegeven.

Onder die bevelen zijn ook te verstaan de tjjdeljjke, alge-meene voorschriften, die in bijzondere gevallen in het belang der goede orde of veiligheid door den eersten Rijkshavenmeester, bij openbare aankondiging, vooraf aan de schippers zijn bekend gemaakt. De wijze, waarop die aankondiging moet geschieden, wordt door den Minister vastgesteld.

'38. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wot of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artikelen 7, 8 en 9, eerste lid;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikelen 2, 4, 6, 9, derde en vierde lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 13, eerste en tweede lid, 14, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27 28, eerste, vijfde, zevende en achtste lid, 30, tweede en vierde lid, 31, tweede en laatste lid, 34, eerste lid en 37;

c. met geldboete van ten hoogste vijf ,:n zeventig gulden, de overtreding van artikelen 10, tweede lid, 18 en 34, tweede lid;

d. met geldboete van ton hoogste vijftig gulden, de overtreding van artikelen 5, 11, 15, eerste en tweede lid en 33;

e. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van artikelen 3, 16, 17 en 34, derde lid.

ocr page 202

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de scheepvaart op de rivieren beneden Rotterdam tot in zee.

(Vastgesteld b\j Koninklijk besluit van den 25sten Mei 1892, Staatsblad

No. 128, met intrekking van de bestaande Koninklyke besluiten, aangevuld en gewijzigd by Koninklijk besluit van den 14den December 1894, Staatsblad No. 235).

(In werking tredende i September 1892).

Artikel I. Dit reglement is van toepassing op:

A. de Nieuwe Maas beneden Rotterdam, het Scheur, den Nieuwen Waterweg;

B. de Botlek, do Nieuwe Maas langs Nieuwesluis en Brielle ; en

C. de monden der beide rivieren;

van de westelijke grens der gemeente Rotterdam bij de westpunt der Ruigeplaat en het tot den linkeroever doorgetrokken zuidelijk verlengde dier grenslijn tot aan de lijn van 120 dM. diepte beneden gewoon laag water in zee.

2. De schipper van elk zeeschip draagt zorg, dat des nachts steeds een man op het dek aanwezig zij, die de wacht houdt en die bij het aanroepen van het vaartuig door het daartoe bevoegd gezag verplicht is antwoord te geven.

3. Vaartuigen, waarvoor de golfslag gevaarlijk kan zijn, mogen niet dieper zijn geladen dan tot eene lijn, die bij geheel open vaartuigen op 50 eM., onder het boord en hij vaartuigen, die met luiken kunnen worden gesloten, op 30 cM. onder het boord ligt.

4. Met uitzondering van vaartuigen, dienende voor opnemingen en peilingen, baggervaartuigen en grondschouwen, werkzaam in Rijksdienst, mag geen vaartuig in het vaarwater ankeren.

Ook moet zooveel mogelijk vermeden worden, dat de vaartuigen dwars van elkander komen te liggen.

Het is bovendien verboden te ankeren, waar zoodanig verbod door borden is aangewezen.

ocr page 203

187

Bij het ankeren gedragen de schippers der vaartuigen zich naar de aanwijzing der ambtenaren, met de handhaving van dit reglement belast.

5. Het ten anker komen van vaartuigen moet in het algemeen zooveel mogelijk aan dezelfde zjjde van het vaarwater geschieden.

6. Ophooping van vaartuigen moet tusschen de hoofden van den Nieuwen Waterweg aan den Hoeh van Holland zooveel mogelijk worden vermeden.

De loodsen zijn verplicht, bij ongunstige gelegenheid van wind en weder, zoodanige ophooping te voorkomen, door tijdig eene meer geschikte plaats aan te wijzen, waar de schippers hunne vaartuigen dan ten anker moeten brengen.

7. Met buskruit, andere ontplofbare stoffen, petroleum, benzine (naphtha) of terpentijnolie geladen vaartuigen, die gedurende het getijde moeten stoppen, mogen niet anders stilliggen dan op een afstand van ten minste 1000 meter van andere vaartuigen, behoudens de bevoegdheid van de ambtenaren der Eijkspolitie, om vaartuigen met petroleum of andere oliën geladen, zoo noodig, een minderen afstand te vergunnen.

8. Het is verboden, zonder vergunning van de Directie van den waterstaat, voor een ander doel dan het lossen of laden van ontplofbare stoffen, vaartuigen van minder dan 64 dM. diepgang te leggen op de Rijksligplaats aan de dukdalven, nabij den bovensten strekdam aan den linkeroever van het Scheur beneden Vlaardingen.

De vaartuigen mogen nooit met trossen, kettingen of op andere wijze aan de dukdalven worden vastgemaakt.

Bij het aanleggen moeten door het uitzetten van ankers en zoo noodig het bezigen van een sleepbootje alle voorzorgen worden inachtgenomen ter voorkoming van schade.

De schipper is verplicht te zorgen, dat het vaartuig, zoolang het eene ligplaats aan de dukdalven inneemt, behoorlijk aan de meerpalen is vastgemaakt, ter beoordeeling van de ambtenaren met de handhaving van dit reglement belast, op wier bevel ook een anker op stroom en achteruit een zwaar werpanker moet worden uitgezet.

De schipper moet in het algemeen, zoowel bij dag als bij nacht, zorgdragen voor het behoorlijk bevestigen en vieren op de meerpalen en zorgen voor oordeelkundige ligging van het roer.

ocr page 204

188

Een vaartuig vertoevende op de in dit artikel bedoelde ligplaats moet, zoo zulks geschiedt voor het laden of lossen van ontplofbare stoffen, bij dag de buskruitvlag aan den voortop voeren.

De aanvraag, om van de ligplaats of van de in art. 9 genoemde boeien gebruik te maken, moet tijdig aan genoemde Directie geschieden.

De vaartuigen worden op de ligplaats toegelaten, naar orde van aankomst. Melden zich twee of meer vaartuigen aan, om voor hetzelfde tij van de aanlegplaats gebruik te maken, dan staat de beslissing aan den ingenieur te Rotterdam.

Geen vaartuig mag langer dan vijftien uren op die ligplaats vertoeven.

9. Het is verboden, de ankerboeien in den bovenmond van het Scheur, nabij de oostpunt van liozenhurg, te bezigen tot het vastmeren van vaartuigen, die geen ontplofbare stoffen hebben te lossen of te laden.

Evenmin raag van die ankerboeien gebruik worden gemaakt, om door het uitbrengen van een tros, bij aankomst of vertrek van een vaartuig, te zwaaien.

Vaartuigen, die ontplofbare stoffen hebben te lossen of te laden en wier lengte het meren op een der beide stellen ankerboeien toelaat, mogen geen gebruik maken van de in artikel 8 bedoelde Rijksligplaats.

Vaartuigen, wier lengte het meren aan het zuidelijk stel ankerboeien toelaat, mogen niet op het noordelijk stel meren, tenzij het eerstgenoemde reeds is ingenomen.

Zoolang de aan de oostpunt van Rozenburg voor binnenvaartuigen, die ontplofbare stoffen hebben te lossen of te laden, bestemde haven, wegens uitdieping of uitvoering van werken tijdelijk niet gebruikt kan worden, mogen de binnenvaartuigen, aan het zuidelijk stel ankerboeien meren, zijnde zulks op andere tijden niet geoorloofd.

Gedurende hot lossen of laden van ontplofbare stoffen uit of in vaartuigen, die van de in artikel 8 genoemde Rijkslosplaats gebruik maken, mogen binnenvaartuigen ook tusschen die schepen en den wal liggen.

10. Het is verboden, zonder vergunning van den Minister, de Rijksveerhoofden te Maassluis en op Rozenburg, of de daartoe behoorende werken te bezigen tot aanlegplaa's of tot het vastmaken van vaartuigen, welke niet tot den Rijksdienst of tot dien van het veer behooren.

I0W.S'. Het is verboden de ducd'alven langs den rechteroever, beneden de berghaven voor Rijksvaartuigen aan den

ocr page 205

189

Hoek van Holland, tot het vastmaken, verhalen of aanleggen van vaartuigen te bezigen.

11. Het is verboden gedeelten der lading of ballast in het water te werpen, tenzij zulks vergund wordt door den betrokken loodscomtnissaris in gevallen, waarbij het behoud van het vaartuig van het over boord zetten der lading of ballast afhangt.

12. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. niet hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artikel 7;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artikelen 2, 3 en 4;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artikelen 8, 9, 10 en lOhis;

d. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van artikel 5;

e. met geldboete van ten minste vijf en twintig gulden, do overtreding van artikel 11.

ocr page 206

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het Noordzeekanaal.

(Vastgesteld bU Koninklijk besluit van den 23stcn Mei 1892, Staatsblad

No. 113, met intrekking van do bestaande Koninklijke besluiten).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Dit reglement is van toepassing op:

a. de buitenhaven in de Noordzee;

b. het buitenkanaal of hot kanaalpand tusschen de buitenhaven en de Noordzeesluizen;

c. de Noordzeesluizen;

d. het hoofdkanaal, strekkende van de Noordzeesluizen tot de lijn getrokken loodrecht op de as van het kanaal, den zuideljjken dijk snijdende op 2500 M. noordwest van het Blauwhoofd;

e. de zijkanalen:

A. naar Beverwijk;

B en C. naar Spaarndam;

D. naar Nauerna;

E. naar Westzaan ;

F. naar Halfweg;

G. naar Zaandam, over ecne lengte van 1000 M. gemeten uit de as van het hoofdkanaal;

H. naar de Molensluis (Barndegat);

I. naar Oosfzaan ;

K. naar Nieuwendain;

f. eene strook water, breed 100 M., grenzende tegen de gronden, gelegen tusschen zijkanaal K naar Nieuwe ndam en de Oranjesluizen;

(/. de Oranjesluizen;

h. de vaargeulen binnen en buiten do Oranjesluizen, ter lengte van 500 M., zooals die bij den aanleg van het kanaal zijn gevormd;

i, eene strook water, breed 100 M. langs de oostzjjde van den afsluitdjjk te Schellinf/woude, van het noordelijk uiteinde van dien dijk tot den strekdam in het Open IJ, gelegen zuidwaarts van de Oranjesluizen, en eene strook water breed 100 M. langs de westzijde van dien afsluitdijk, voor zoover die djjk Rjjkseigendom is.

Het gebied, waarop dit reglement van toepassing is, -wordt op de aangehechte {1) kaart door eene blauwe kleur aangegeven.

1

Deze kaart is verkrijgbaar aan de Algemeene Landsdrukkery tës-Gravenhage.

ocr page 207

191

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsehe, Engelseho, Hoogduitsche, Fransche en Noorsche talon gedrukt en algemeen verkrijgbaar gestold.

3. De minste diepte in de buitenhaven on het buitenkanaal wordt, in verband met het getij, door den kustseinpost aangegeven.

Op het kanaal worden alleen toegelaten vaartuigen, die, onverschillig waar gemeten, geen grooter diepgang hebben dan:

voor het hoofdkanaal en het zijkanaal naar Zaandam;

7.30 M. bij een waterstand van 0.30 M. — A. P. en hooger;

7.20 M. bjj een waterstand van 0.40 M. — A. P.;

7.10 M. bij een waterstand van 0.50 M. — A. P.;

3.00 M. voor de zijkanalen, leidende naar Spaarndam, Nauerna en naar Halfweg tot 1100 M. benoorden de sluis aldaar;

3.50 M. voor het vaarwater beoosten Amsterdam tot en met de Oranjesluizen;

2.80 M. voor het zijkanaal naar Nieuwendam;

2.20 M. voor het zijkanaal naar West zaan ;

1.50 M. voor het zijkanaal naar Beverwijk;

1.30 M. voor do kanalen naar de Molensluis (Barndegat) en het zuidelijkste gedeelte van dat naar Halfweg;

1.80 M. voor het zijkanaal naar Oost zaan.

De voor het hoofdkanaal aangegeven diepgangen gelden ten westen van Amsterdam voor de waterstanden afgelezen aan de peilschalen aan de Noordzeesluizen; ten oosten van Amsterdam voor de waterstanden afgelezen aan de peilschalen aldaar of aan de Oranjesluizen. Als maatstaf van den diepgang, dien binnenkomende vaartuigen op het kanaal zullen verkrjjgen, wordt aangenomen hun diepgang in de buitenhaven of het buitenkanaal, vermeerderd met 0.10 M.

De voor de zijkanalen aangegeven diepgangen gelden alle bij een waterstand van 0.50 M. — A. P., en hooger, afgelezen aan de peilschaal te Amsterdam of aan de Oranjesluizen.

De maximum-breedte der vaartuigen bedraagt:

17.75 M. voor het hoofdkanaal en het water beoosten A msterdam ;

9.75 M. voor het oostelijk zijkanaal naar Spaarndam.

Het westelijk zijkanaal naar Spaarndam is alleen toegankelijk voor vaartuigen met gestreken mast, die niet meer dan 1.50 M. boven den waterspiegel uitsteken.

De maximum-lengte bedraagt:

115 M. voor de vaart door de Noordzcesluizen; en

90 M. voor de vaart door de Oranjesluizen.

ocr page 208

192

Met schriftelijke vergunning van den havenmeester kunnen, wanneer de omstandigheden zulks toelaten, vaartuigen van grootere lengte worden toegelaten.

De havenmeester kan in bijzondere omstandigheden vaartuigen tijdelijk ophouden, wanneer hij dit in het belang der scheepvaart noodig oordeelt.

4. Uit zee komende en in de buitenhaven varende of liggende vaartuigen ontvangen, wanneer de havenmeester dat noodig oordeelt, zijne orders door middel van signalen, volgens het algemeen seinboek voor alle natiën, en geheschen aan den mond van het buitenkanaal.

5. Schippers die mot hunne vaartuigen in het buitenkanaal moeten of wenschen te vertoeven, mogen den afstandspaal, geplaatst op ongeveer 500 M. bewesten de Noordzeesluizen niet voorbijvaren, noch bewesten dien paal vastmeren, zonder van of vanwege den havenmeester de noodige bevelen te hebben ontvangen omtrent de in te nemen ligplaats.

6. Art. 7 van het Algemeen reglement is niet van toepassing op naast elkander vastgemaakte vaartuigen, die te zamen geen meerdere breedte innemen dan 7.50 M. en tevens voor en achter behoorlijk aan elkander zijn vastgemaakt.

7. Art 8, 2e lid van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal gelezen als volgt:

„Vaartuigen van 6 M. of meer diepgang voeren bovendien aan den fokkemast bij dag vlag P. van het internationaal seinboek en bij nacht twee onder elkander geplaatste roode lantaarns. Voor vaartuigen van minder dan 6 M. diepgang is dit verboden.

„De bovengenoemde signalen worden bij vastgemeerde vaartuigen halverwege nedergehaald.quot;

8. Art. 65 van het Algemeen reglement is niet van toepassing op vaartuigen in de buitenhaven.

9. Wanneer bij ijsbezetting in het hoofdkanaal een slop is gemaakt, is het verboden buiten dat slop te varen, tenzij met machtiging van of vanwege den havenmeester.

10. Alle schepen moeten bij het varen langs de in het kanaal liggende stoonibaggervaartuigen den wal houden, welke bij dag door eene blauwe vlag, des nachts door een blauw licht wordt aangewezen. Bovendien moet bij het naderen van een stoombaggervaartuig, aan boord der schepen met de scheepsklok, de stoomfluit of den misthoorn, of wel door roepen gewaarschuwd worden.

ocr page 209

193

11. Een vaartuig dat een ander vaartuig oploopt mag niet voorbij varen, wanneer het minder dan vijftienhonderd meter (1500 M.) verwijderd is van eene over of in het kanaal liggende brug of sluis.

12. Indien met meer dan ééne sluis gespuid wordt, zullen de bij art. 14 van het Algemeen reglement bepaalde seinen voor iedere spuiende sluis afzonderlijk gehesehen worden.

Na het hjjschen der spuiseinen is het verboden, zonder vergunning van den sluismeester, de Noordzeesluizen dichter te naderen dan tot een op vijfhonderd meter (500 M.) afstands geplaatst bord.

Wanneer aan de Oranjesluizen het spuisein is gehesehen, zullen de sluis of sluizen, waardoor gespuid wordt, zorgvuldig worden vermeden, met inachtneming van het voorschrift, gegeven bij artikel 14, 3e lid van dit reglement.

13. Zoodra het buitenwater de hoogte bereikt heeft van één meter vijf en twintig centimeter (1.25 M.) boven Amster-damsch peil, wordt het schutten gestaakt.

Voorts wordt door de groote sluisopeningen niet geschut wanneer door de ebdeuren meer dan één meter water moet worden gekeerd.

14. Wanneer het roode seinbord bij dag, of het roode licht bij nacht, bedoeld in art. 15 van het Algemeen reglement vertoond wordt, moet de schipper zijn vaartuig op 100 M. afstand van de sluis doen stoppen.

De voor de invaart bestemde sluis wordt des daags zooveel noodig door een wit seinbord, en des nachts door groene lichten aan elke zijde aangewezen.

Indien op de Oranjesluizen eene roode vlag met wit cirkel-vlak in het midden gehesehen wordt, moet een naderend vaartuig zonder verwijl ten anker gaan. Bij nacht wordt die vlag vervangen door twee boven elkander gehesehen roode lichten.

Indien dezelfde seinen op de Noordzeesluizen worden vertoond, zal een naderend vaartuig het op vijfhonderd meter (500 M.) van de sluis geplaatste bord niet mogen voorbij varen, maar veilig moeten vastgemaakt worden.

Bij mistig weder worden bij den buitensten lichttoren te IJmuiden signalen gegeven met een misthoorn en wordt op de Oranjesluizen eene klok geluid als verkenningsteeken voor in de nabijheid varende vaartuigen.

15. De regeling bedoeld bij art, 16 van het Algemeen reglement, geschiedt bij de Noordzeesluizen door den havenmeester of den sluismeester.

13

ocr page 210

19-1

16. Het eerste lid van art. 17 van het Algemeen reglement wordt voor dit kanaal gelezen als volgt:

„Het schutten wordt geregeld door de sluismeesters, waarbij zooveel mogelijk gelet zal worden op de orde van aankomst der vaartuigenquot;.

17. Het schutten van zeeschepen door de Noordzeesluizen mag van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang niet geschieden zonder vergunning van den havenmeester of, bij diens afwezigheid, van den opzichter van den waterstaat.

Deze vergunning moet door den schipper door tusschenkomst van den sluismeester worden aangevraagd.

18. Met afwijking van art. 18 van het Algemeen reglement wordt voor de M oordzeesluizen de volgorde, waarin vaartuigen recht op voorschutting hebben, geregeld als volgt:

1°. vaartuigen die den wimpel voeren;

2°. Rijksvaartuigen en vaartuigen dienende tot vervoer van in dienst zijnde ambtenaren van den waterstaat of kanaalbeambten ;

3°. stoomschepen in geregelden dienst varende op de havens aan de Nederlandsche, Belgische of Britsche kust, op Fransche havens benoorden die van Brest, op de havens van Noorwegen, Zweden en Denemarken, op die aan de Oostzee en op de Duitsche havens aan de Noordzee;

4°. stoomschepen Nederlandsche brievenmalen vervoerende of hoofdzakelijk tot vervoer van personen ingericht en inge-regelden dienst varende op havens buiten Europa;

5°. vaartuigen met versche visch geladen.

Vaartuigen met buskruit, vuurwerken, schietkatoen, nitroglycerine of andere ontplofbare of licht ontvlambare stoffen geladen, worden zooveel mogelijk vóór alle andere en steeds afzonderlijk geschut.

Stoomschepen in geregelden dienst varende op havens in Europa, niet vallende onder de termen van 3°, en stoomschepen, geen Nederlandsche brievenmalen vervoerende en niet hoofdzakelijk tot vervoer van personen ingericht, maar in geregelden dienst varende op havens buiten Europa, kunnen op daartoe gedaan met redenen omkleed verzoek, bij beschikking van den Minister tot wederopzegging gelijkgesteld worden, respectievelijk met de stoomschepen onder 3° en 4° genoemd.

Van vaartuigen in geregelden dienst varende, moet de dienstregeling door bijzondere kennisgeving van den ondernemer aan den havenmeester en door afkondiging in ten minste twee Nederlandsche dagbladen aan het publiek bekend gemaakt worden. Afwijkingen van de in deze dienstregeling vermelde

ocr page 211

195

vertrekdagen van Amsterdam of andere plaatsen langs het Noordzeekanaal of een der zijkanalen, moeten ten minste eene week te voren op gelijke wijze ter kennis van den havenmeester en van het publiek gebracht worden.

Ingeval de genoemde bekendmakingen niet hebben plaats gehad of van de daarin aangekondigde vertrekdagen wordt afgeweken, behoeft geen voorschatting verleend te worden.

19. Bij het lossen of laden van zand, ballast, graan, steenkolen en soortgelijke ladingen, moeten de schippers een zeil of kleed van den wal op het scheepsboord of van het eene vaartuig op het andere doen leggen.

Van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang, raag geen zand, ballast of lading ingenomen of gelost worden, dan met schriftelijke vergunning van den havenmeester, met inachtneming van hetgeen door dezen wordt voorgeschreven en onder het door dezen te bepalen toezicht, op kosten der schippers.

20. Het tweede lid van art. 23 van het Algemeen reglement blijft voor dit kanaal buiten toepassing; het eerste lid wordt aldaar alleen op vaartuigen van 10 M3. en meer inhouds-grootte toegepast.

21. Het is verboden vaartuigen, geladen met buskruit, ongebluschte kalk of licht ontvlambare of ontplofbare goederen, of welke dergelijke stoffen overnemen, te laten overnachten of ligplaats nemen anders dan in de gedeelten van het hoofdkanaal tusschen de zijkanalen naar Westzaan en Halfweg tusschen het westelijk zijkanaal naar Spaarndam en Buitenhuizen, of op andere daartoe aangewezen plaatsen.

De vaartuigen moeten steeds aan den opperwal gemeerd zijn.

22. Bij mistig of donker weder mag een vaartuig met buskruit of andere ontplofbare stoffen geladen, ook niet bij dag in het kanaal varen, zoolang zijne vlaggen of seinen niet op een afstand van ten minste vijfhonderd meter (500 M.) gemakkelijk gezien kunnen worden.

23. Aan boord van elk zeeschip op het kanaal of in de havens, moet de schipper des nachts behoorlijk de wacht op het dek doen houden.

24. Aan boord van elk vaartuig moeten steeds, ter beoordeeling van den havenmeester, de noodige manschappen en hulpmiddelen aanwezig zijn om belemmering der scheepvaart en schadevaring te voorkomen.

25. Ingeval aan boord van eenig vaartuig in een der havens of in de kanalen brand ontstaat, zijn de schippers der

ocr page 212

196

niet bedreigde vaartuigen verplicht, op aanvraag van den havenmeester of andere kanaal beambten, terstond de helft hunner aanwezige manschappen af te staan ter beteugeling van den brand en tot het verrichten van hetgeen de havenmeester of andere kanaalbeambten, om verder onheil af te wenden, zullen noodig oordeelen.

26. Art. 82 van het Algemeen reglement is voor dit kanaal niet van toepassing. De hoofdingenieur is evenwel bevoegd om, ingeval dit voor het vlotbrengen van een aan den grond geraakt vaartuig door hem wordt noodig geoordeeld, het kanaal op te zetten.

27. De grootste snelheid, waarmede de stoomvaavtuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut;

voor stoom vaartuigen met meer 2 M. diepgang, 150 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2 M. diepgang, 200 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 M. diepgang, 250 M.

28. De grootste snelheid, waarmede mag worden gesleept, bedraagt 150 M.; maar van één uur na zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang, 100 M. in de minuut.

29. Elk zeeschip ter grootte van 1100 M3. en daarboven wordt afzonderlijk gesleept.

Meer dan twee zeeschepen mogen door hetzelfde stoom-vaartuig niet gelijktjjdig gesleept worden, en de gezamenlijke inhoud mag niet meer bedragen dan 1550 M8.

Bij het sleepen van vaartuigen of lichters niet bestemd om de zee te bevaren mag hun gezamenlijk aantal niet meer dan tien bedragen. De hoofdingenieur is bevoegd het aantal tegelijk te sleepen vaartuigen als genoemd te beperken.

30. De grootste geoorloofde lengte der vlotten bedraagt 100 meter, mits zoodanig samengesteld, dat zij in vakken van ten hoogste 50 meter kunnen worden gesplitst.

De grootste geoorloofde breedte is 7.50 meter.

De grootste geoorloofde diepgang is 1.00 meter.

De vlotten worden met geen grooter snelheid vervoerd dan van 80 meter in de minuut.

31. Eene sleepboot, die een vlot sleept, moet bij het naderen van een tegenkomend zeil- of stoomzeeschip, of van gesleepte zeeschepen en sleepkonvooien van meer dan drie vaartuigen, in tijds stoppen en met het vlot zoolang aan den wal vastge-meerd worden, totdat het schip of het sleepkonvooi voorbij is.

ocr page 213

197

Evenzoo moet gehandeld worden, wanneer men met een achteropkomend dergelijk schip of sleepkonvooi het gesleept wordende vlot wenscht voorbij te varen.

32. Des nachts moeten de vlotten ligplaats nemen aan de zijde van het kanaal, waar niet of gewoonlijk het minst gejaagd wordt.

33. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of bij het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van artt. 5, 21, 22 en 25;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van artt. 9, 10, 11, 12, tweede en derde lid, 14, eerste, derde en vierde lid, 23, 24 en 31;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 19.

ocr page 214

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor het Nederlandsche gedeelte van het kanaal van LUIK naar MAASTRICHT.

(Vivstgustold bü Koninklijk besluit van den 9den Juli 1892, Staatsblad No. 174, met intrekking van het Koninklijk'besluit van 2 November 1882, Staatsblad No. 140).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel t. Onder het Nederlandsche gedeelte van het kanaal van Luik naar Maastricht wordt verstaan het gedeelte van de Belgische grens, bij Klein Lanaije tot het bassin binnen de hoofdsluis der Zuid-Willemsvaart te Maastricht.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Fransuhe en Hoogduitsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn ;

lengte...... 50.00 meter

breedte......5.00 „

diepgang.....1.90 „

hoogte van schip met opperlast boven peil 4.80 meter.

Bovendien wordt op dit kanaalgedeelte eene breedte van meer dan 5 meter tot 6.60 meter toegelaten, onder voorwaarde dat door den schipper worden opgevolgd de voorzorgsmaatregelen door de kanaalbeambten in het belang der vaart voor te schrijven.

De bepaling omtrent de hoogte van den opperlast is alleen van toepassing voor kanaalvakken, waar vaste of ophaalbruggen moeten worden doorgevaren.

Met afwijking van art. 5 van het Algemeen reglement wordt bepaald, dat de waterdichte borden, boorden of wanden ten minste 0.20 meter boven den waterspiegel moeten reiken.

4. Het varen bij nacht zonder schriftelijke vergunning van de administratie der belastingen is verboden.

Vaartuigen, welke door het uur van sluiting overvallen worden, moeten zich begeven naar de naastbijzijnde wijde kanaalgedeelten of naar de plaatsen, daartoe door de kanaalbeambten aan te wijzen.

ocr page 215

199

5. Het maximum van snelheid waarmede de sfcoomvaar-tuigen zich mogen bewegen bedraagt per minuut:

voor stoom vaartuigen met meer dan 1.65 meter diepgang, 100 meter;

voor stoom vaartuigen met niet meer dan 1.65 meter diepgang, 120 meter.

De hoofdingenieur is bevoegd voor stoom vaartuigen, die blijkens gedane proeftochten geen schadelijken invloed op de oevers of den bodem uitoefenen, schriftelijk eene grootere snelheid te vergunnen tot een maximum van 180 meter in de minuut.

Dergelijke vergunningen moeten, desverlangd, aan de ambtenaren van politie, van den waterstaat en aan de kanaalbeambten worden vertoond.

6. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zjjn:

lengte...... 40.00 meter.

breedte......5.00 „

diepgang..... 1.50 „

De vlotten worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 60 meter in de minuut.

7. Als ligplaatsen voor vlotten worden aangewezen de verbreedingen in het kanaal.

8. Voor het jagen op het gedeelte kanaal tusschen don grondduiker over de Jeker en de havenkom te Maastricht mogen geen trekdieren gebezigd worden.

9. Het grootste aantal vaartuigen dat tegelijk door een stoomvaartuig mag worden gesleept bedraagt twee tusschen de sluizen No. 5 en 6, en vier op het overige gedeelte van het kanaal.

De ambtenaren van den waterstaat zijn echter bevoegd hierop schriftelijk uitzonderingen te vergunnen voor kleinere vaartuigen dan van 15 M3. inhoud.

10. Art. 4, eerste lid, en art. 31 van het Algemeen reglement zijn voor de vaart op dit kanaal niet van toepassing.

11. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 4, eerste lid;

b. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 3, laatste lid, en art. 4, tweede lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van art. 5, derde lid en van art. 8.

ocr page 216

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het Nederlandsch gedeelte van de Zuid-Willemsvaart en de gekanaliseerde Dieze.

(Vastgestolti bi) Koninklijk besluit van den Oden Juli 1892, Staatsblad No. 175, met intrekking van het Koninklijk besluit van 2 November 1882, Staatsblad No. 139).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het Nederlandsch gedeelte der Zuid-Willemsvaart wordt verstaan:

1°. het gedeelte van den mond der buitenhaven aan de Maas te Maastricht tot de Belgische grens bij Smeermaas, met inbegrip van de beide havenkommen en het Voedingskanaal te Maastricht;

2°. het gedeelte van de Belgische grens nabjj Loosen tot de gekanaliseerde Dieze te '.s Herfogenhosch.

Onder de gekanaliseerde Dieze wordt verstaan het gedeelte van de Dieze van hare vereeniging met de Zuid- Willemsvaart te ',s Hertogenhosch tot de scheepvaartgeul in de rivier de Maas bij het fort Crevecoeur.

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Fransche en Hoogduitsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen van vaartuigen zijn : Lengte:

Voor de Zuid-Willemsvaart.......50 M.

Voor de gekanaliseerde Dieze en het benedengedeelte der Zuid- Willemsvaart tot do brug bij de Orthenpoort..............56 „

breedte:

Voor de Zuid-Willemsvaart.......5 „

Voor de gekanaliseerde Dieze en gedeelte der Zuid-Willemsvaart als boven........11.80 „

Diepgang............1.90 „

Hoogte van schip met opperlast boven peil 3.50 „

ocr page 217

201

Bovendien wordt in de Zuid- Willemsvaart eene breedte van meer dan 5 M. tot 6.60 M. toegelaten, onder voorwaarde, dat door den schipper worden opgevolgd de voorzorgsniaat-regelen, door de kanaalbeambten in het belang der vaart voor te schrijven.

De bepaling omtrent de hoogte van den opperlast is alleen van toepassing voor kanaalvakken, waar ophaalbruggen moeten worden doorgevaren.

Bovendien wordt bij den gewelfden doorgang en onder de vaste bruggen te Maastricht, bij eene breedte der vaartuigen van niet meer dan 5 meter, een opperlast van 4.30 meter boven peil toegelaten.

Bjj hoogeren stand van de gekanaliseerde Dieze dan het peil van 2.10 M. boven Amsterdamsch peil, gemeten aan do boven- of binnenzijde der schutsluis te Crevecoeur, mag dit kanaal, ook zonder vergunning van den hoofdingenieur met evenveel diepergaande vaartuigen bevaren worden.

Met afwijking van art. 5 van het Algemeen reglement wordt bepaald, dat voor het kanaalgedeelte van de hoofdsluis te Maastricht tot de Belgische grens te Smeermaas de waterdichte borden, boorden of wanden ten minste 0.20 M. boven den waterspiegel moeten reiken.

4. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut:

Op de Zuid-Willemsvaart . . . . 120 M.

Op de gekanaliseerde Dieze . ... 180 „

De hoofdingenieur is bevoegd voor stoomvaartuigen, die blijkens gedane proeftochten geen schadelijken invloed op de oevers of op den bodera uitoefenen, op de Zuid-Willemsvaart schriftelijk eene grootere snelheid te vergunnen, tot een maximum van 180 M. in de minuut.

Dergelijke vergunningen moeten, des verlangd, aan de ambtenaren van de politie, van den waterstaat en aan de kanaalbeambten, worden vertoond.

5. De grootste geoorloofde afmetingen der vlotten zijn;

lengte...... 40.00 M.

breedte......5.00 „

diepgang.....1.50 „

De vlotten worden met geen grootere snelheid vervoerd dan van 60 M. in de minuut.

6. Als ligplaatsen voor vlotten worden aangewezen de verbreedingen in de Zuid-Willemsvaart.

In de gekanaliseerde Dieze liggen de vlotten op die plaatsen,

ocr page 218

202

waar de scheepvaart noch de uitwatering der op het kanaal uitloozende polders daardoor kunnen worden benadeeld, ter beoordeeling van de kanaalbeambten.

7. Het grootste aantal vaartuigen dat tegelijk door een stoomvaartuig mag worden gesleept, bedraagt vier voor de Zuid-Willemsvaart en zes voor de gekanaliseerde Dieze.

De ambtenaren van den waterstaat zijn echter bevoegd hierop schriftelijk uitzonderingen te vergunnen voor kleinere vaartuigen dan van 15 M3. inhoud.

De grootste snelheid, waarmede mag worden gesleept is per minuut:

op de Zuid- Willemsvaart .... 90 M.

op de gekanaliseerde Dieze . . 120 „

8. In de grachten van vestingen, in verbinding met de gekanaliseerde Dieze, mag niet worden gevaren, of stil gelegen dan met toestemming van den eerstaanwezend officier der genie.

Door het fort Crevecoeur mag geen vaartuig worden gevoerd, waarop vuur of licht is, wanneer op de borstwering van dat fort ten teeken, dat daar buskruit wordt gekeerd, een roode vlag waait.

9. Art. 4, eerste lid en art. 31 van het Algemeen reglement zijn voor de vaart op het gedeelte van het kanaal, in art. 1, sub 1 omschreven, niet van toepassing.

10. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van art. 7, derde lid en van art. 8, tweede lid;

h. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 8, eerste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 3, laatste lid, en van art. 4, derde lid.

ocr page 219

BIJZONDER REGLEMENT van politie

voor het Nederlandsch gedeelte van het kanaal van GENT naar TER NEUZEN.

(Vastgesteld bü Koninklijk besluit van den Oden Juli 1892, Staatsblad No. 176, met Intrekking van het Koninklyk besluit van 11 Augustus 1885, Staatsblad No. 174).

(In werking tredende I September 1892).

Artikel I. Onder het Nederlandsch gedeelte van het kanaal van Gent naar Ter Neuzen wordt verstaan het volgende:

1°. het hoofdkanaal van de Belgische grens bij Sas van Gent tot en met de westschutsluis te Ter Neuzen;

2°. de westelijke kanaalarm te Sas van Gent, van het separatiepunt tusschen het hoofdkanaal en dien arm op het bovenpand tot het separatiepunt tusschen het hoofdkanaal en dien arm op het benedenpand;

3°. de oostelijke kanaalarm te Ter Neuzen van het separatiepunt tusschen het hoofdkanaal en dien arm tot en met de oostschutsluis te Ter Neuzen;

4°. de zijtak van het hoofdkanaal tot de Passluis;

5°. de zijtak van het hoofdkanaal te Sluiskil tot de Axel-sche Sassing-,

6°. de vluchthaven te Ter Neuzen, tusschen het hoofdkanaal en den oostelijken kanaalarm, en

7°. de buitenhaven te Ter Neuzen, van de west- en oostschutsluis tot de Wester-Schelde,

2. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Fransche, Engelsche, Duitsche en Noorsche talen gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De grootste geoorloofde afmetingen der vaartuigen zijn:

voor het Nederlandsche gedeelte van het hoofdkanaal van

het bovenpand:

diepgang .... 6.30 M.

ocr page 220

204

voor den westelijken kanaalarm te Sas van Geut (bovenpand): diepgang . . . 4.20 M.

voor de oostschutsluis te Sas van Gent:

lengte .... 110.00 M.

breedte . . . . 11.50 ,

diepgang . . . 5.85 „

voor de westsohutsluis te Sas van Gent:

lengte .... 90.00 M.

breedte .... 11.50 „

diepgang . . . 4.15 ,

voor het kanaal van het benedenpand:

diepgang . . . 5.85 M.

voor den oostelijken kanaalarm te Ter Neuzen :

diepgang . . . 5.85 M.

voor de westschutsluis te Ter Neuzen :

lengte .... 90.00 M.

breedte . . . . 11.50 „

diepgang . . . 5.61 „

voor dc oostschutsluis te Ter Neuzen:

lengte .... 125.00 M.

breedte .... 7.80 „

diepgang . . . 5.66 v voor den zijtak van het hoofdkanaal naar de Pastsluis: breedte .... 6.50 M.

diepgang . . . 3.58 „

voor den zijtak van het hoofdkanaal naar de Axelsche Sassing:

diepgang . . . 3.55 M.

voor de vluchthaven tusschen het hoofdkanaal en den oostelijken kanaalarm te Ter Neuzen:

diepgang ... 5.95 M.

4. Mot de sluizen te Sas van Gent wordt niet geschut, zoodra het verschil tusschen den waterstand boven en beneden de sluizen meer bedraagt dan 2.50 M.

Met de westsluis te Ter Neuzen wordt niet geschut voor dat het buitenwater tot het Amsterdamsch peil is gewassen, en nadat het buitenwater tot 0.50 M. boven dat peil is gevallen.

Met de oostsluis te Ter Neuzen wordt niet geschut voor dat het buitenwater tot 0.50 M. onder het Amsterdamsch peil is gewassen en nadat het buitenwater tot het Amsterdamsch peil is gevallen.

Met de sluizen te Ter Neuzen wordt niet geschut zoolang het buitenwater hooger staat dan 2.50 M. boven het Amsterdamsch peil.

ocr page 221

205

Bij gebrek aan voedingswater voor het kanaal worden de schuttijden naar omstandigheden beperkt.

De schuttijd voor de sluizen te Ter Neuzen wordt aangeduid door de Nederlandsche vlag des daags en door een wit licht des nachts in den top van een vlaggestok op de buiten-sluishoofden.

Die roode vlag en het roode licht, bedoeld in art. 15 van het Algemeen reglement, worden tijdens den schuttijd geheschen halfstok onder de Nederlandsche vlag en onder het witte licht.

5. Vaartuigen, wier afmetingen de grootste geoorloofde afmetingen voor de westschutsluis te Ter Neuzen overtreffen, alsmede die zeeschepen welke niet bij de eerstvoorkomende gelegenheid wenschen op te schutten, mogen, gevallen van nooddwang uitgezonderd, de buitenhaven te Ter Neuzen niet binnen komen zonder vergunning van den havenmeester.

Bijleggers moeten, indien de havenmeester zulks gelast, bij de eerstvoorkomende gelegenheid uit die buitenhaven op het kanaal schutten.

Laat de rijzing van het buitenwater niet toe een vaartuig dat in de buitenhaven te Ter Neuzen is aangekomen, op het kanaal te schutten, dan mag de lading van dat vaartuig niet worden gelicht zonder vergunning van den havenmeester en moet daartoe, indien hij zulks gelast, dadelijk worden overgegaan.

6. De ijzeren draaibruggen te Sas van Gent over het hoofdkanaal en over den westelijken kanaalarm zijn gesloten van 20 minuten vóór tot 5 minuten vóór den tijd van vertrek van eiken personentrein.

De ijzeren draaibrug te Sluiskil blijft gesloten, zoolang de spoorwegbrug aldaar gesloten is.

De ijzeren draaibrug over den oostelijken kanaalarm te Ter Neuzen is gesloten:

a. van 20 minuten vóór tot 5 minuten vóór den tijd van vertrek van eiken personentrein; en

h. van 5 minuten na tot 20 minuten na den tijd van aankomst van eiken personen trein.

7. De havenmeester of de sluismeester kan vergunnen af te wijken van het bepaalde bjj art. 11, 1ste lid, en art. 20, 1ste lid, van het Algemeen reglement.

8. Het maximum van snelheid, waarmede de stoomvaar-tuigen zich mogen bewegen, bedraagt per minuut;

voor stoomvaartuigen met meer dan 2.75 M. diepgang, 145 M.;

ocr page 222

206

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2.75 M. diepgang, 170 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 2 M. diepgang, 200 M.;

voor stoomvaartuigen met niet meer dan 1.50 M. diepgang, 250 M.

9. De grootste geoorloofde lengte der vlotten is 50 M., de breedte 7.50 M., de diepgang 3.50 M.

Te zamen gekoppelde vlotten mogen niet langer zijn dan 100 M.

De vlotten mogen met geene grootere snelheid worden vervoerd dan van 75 M. in de minuut.

10. Het grootste aantal vaartuigen dat tegelijk door een stoomvaartuig raag worden gesleept, bedraagt twaalf.

11. Het is verboden langs de werken, behoorende tot het kanaal, schelpdieren te vangen of te rapen, tenzij met vergunning van den hoofdingenieur.

12. De ligplaats der vaartuigen die van de stationslosp laats te Ter Neuzen gebruik maken, wordt, behoudens goedkeuring van den Kjjkshavenmcester, geregeld door den stationschef.

13. Overtreding van art. 11 van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

ocr page 223

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor den gekanaliseerden KROMMEN RIJN.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den 8sten September 1892, Staatsblad No. 218).

(In werking tredende 24 October 1892).

Artikel I. Onder het gekanaliseerd gedeelte van den Krommen Rijn wordt verstaan het vaarwater van de schutsluis te Wijl- bij Duurstede langs de schutsluizen te Cothen en te Werkhoven tot de uitmonding aan de Langbroeksche wetering, alsmede het Kanaal van de schotbalksluis achter do Inundatiesluis te Wijk bij Duurstede tot bovengenoemd vaarwater, alles met de hiertoe behoorende werken.

2. De bij art. 63 en 69 van het Algemeen reglement bedoelde grootste afmetingen zijn:

a. voor vaartuigen:

lengte.....25 meter;

breedte.....4.50 „

diepgang .... 0.85 „ met uitzondering van die vaartuigen, welke de schutsluis te Wijk bij Duurstede moeten doorvaren en waarvan de lengte niet meer dan 17 en de breedte niet meer dan 3.70 M. mag bedragen;

b. voor vlotten:

lengte.....50 meter;

breedte.....4.50 „

diepgang .... 0.85 „

Bij het doorvaren van sluizen moeten de vlotten, zooveel noodig ten genoegen van den sluiswachter worden gesplitst.

3. Stoomvaart, uitgezonderd voor Rijksvaartuigen, is verboden.

4. Het samenkoppelen van vlotten en vaartuigen is verboden.

5. Door den Minister van Oorlog worden de uren vastgesteld, gedurende welke door de sluizen zal worden geschut.

Het hieromtrent vastgestelde en de daarin later te maken wijzigingen worden tijdig vooraf aan de sluizen door aanplakking en door mededeeling in de Nederlandsche Staatscourant bekend gemaakt.

ocr page 224

208

6. Bij het elkander voorbijvaren van vaartuigen en vlotten wordt door de schippers het volgende in acht genomen:

o. de schippers van de vaartuigen en vlotten, die de jaagpadzijde mogen houden, dragen zorg voor het overbrengen der jaaglijnen van de vaartuigen die buitenom varen;

h. die van vaartuigen en vlotten met staanden mast of hoogen bovenlast moeten steeds buitenom houden.

7. Met uitbreiding van het bepaalde bij art. 78 van het Algemeen reglement, wordt aan de eigenaren of gebruikers van aan dit water gelegen gronden of erven vergund, vóór hunnen grond vaartuigen of vlotten tijdelijk ligplaats te doen nemen, mits de scheepvaart hierdoor niet gestremd, of in belangrijke mate gehinderd worde; een en ander ter beoordeeling van den eerstaanwezend-ingenieur der genie te Utrecht.

Het is verboden vlotten langer dan drie etmalen te doen stil liggen, behoudens vergunning van voornoemden ingenieur.

8. Met afwijking van het Algemeen reglement worden voor dit vaarwater de funetiën volgens dat reglement opgedragen aan den Minister van Waterstaat, Handel en Njjver-heid en aan Onzen Commissaris in de provincie, uitgeoefend door den Minister van Oorlog; die, opgedragen aan den hoofdingenieur en ingenieur, door den eerstaanwezend-ingenieur der genie te Utrecht; en die, opgedragen aan de ambtenaren van den waterstaat, door den inspecteur der genie, den commandant in het 1ste genie-commandement en de onder hem ressorteerende officieren en opzichters van fortificatiën.

9. Overtreding van de bepalingen van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet of bij het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen, of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, de overtreding van art. 3;

h. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 4 en art. 7, laatste lid;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van een der bepalingen van art. 6.

ocr page 225

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de krachtens de Wet van 26 Januari 1883 (Staatsblad No. 4), in aanleg zijnde rivier de Maas, voor zoover die voor het openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, en het Heusdensch kanaal.

(Vastgesteld by Koninklijk besluit van den Sisten October 1894, Staatsblad No. 170).

Artikel I. Voor de toepassing van dit en van het Algemeen reglement worden de tot lossen en laden bestemde inrichtingen in de rivier de Maas met havens gelijkgesteld.

2. Vaartuigen mogen alleen geladen en gelost worden op de daartoe bestemde of door de kanaalbeambten aangewezen plaatsen.

3. Bij het laden of lossen van vaartuigen mogen de wegen en bermen niet versperd worden.

De schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht ten gerieve van elkander de noodige ruimte te maken tot het bezigen van lichters en tot het verhalen.

4. De schipper van een vaartuig, liggende bij eene aanlegplaats, moet gedoogen, dat een ander vaartuig ter zijde van het zijne komt en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of te lossen.

5. De schipper moet zijn vaartuig, zoodra het geladen of gelost is, terstond doen verhalen, wanneer een ander vaartuig terzelfder plaatse moet geladen of gelost worden.

In geval van gebrek aan ruimte hebben bij gelijktijdige aankomst de vaartuigen, welke komen laden, den voorrang boven die, welke komen lossen.

6. Het is verboden op de los- en laadplaatsen andere goederen of voorwerpen neder te leggen dan welke moeten worden ingescheept of zijn ontladen, of goederen te laten liggen na verloop van den door de kanaalbeambten voor de inlading of wegvoering bepaalden termijn.

ocr page 226

210

7. Behoudens verkregen rechten is het verboden, zonder vergunning van den Minister, in, op, onder of over de havens, bermslooten, bermen, dijken, kaden, jaagpaden, wegen of andere tot deze rivieren behoorende gronden of werken, eenig werk uit te voeren of te hebben.

8. Behoudens verkregen rechten is het verboden, zonder schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur over de rijks-gronden of werken, welke geene openbare wegen zijn, met paarden of andere dieren of met eenig middel van vervoer te rijden, vee te drijven of voorwerpen te vervoeren.

Dit verbod is niet toepasselijk op de voertuigen van de ambtenaren van den waterstaat en van de kanaalbeambten, en voor zooveel de jaagpaden betreft op de jaagpaarden.

9. Het is verboden, zonder vergunning van den hoofdingenieur :

1°. de rijksgronden of werken met paarden of ander vee te beweiden of daarop pluimgedierte te laten loopen;

2°. op de rijksgronden of werken, welke geen los-of laadplaatsen zjjn, voorwerpen te brengen of te doen verblijven.

Dit verbod geldt niet voor hen, die uit krach te van eene pacht- of huurovereenkomst of eene ingebruikgeving van den grond door den Minister tot die handelingen gerechtigd zijn.

10. Het is verboden:

1°. het gebruik der werken te belemmeren of te beletten ;

2°. zonder daartoe door de kanaalbeambten te zijn aangezocht, tot hunnen dienst behoorende werkzaamheden te verrichten ;

3°. zich op eenig werk te begeven, waartoe de toegang-op eene voor ieder blijkbare wijze verboden is;

4°. de aanwijzingen te overtreden, welke betreffende het gebruik der werken door den Minister zjjn gegeven en op voor ieder blijkbare wijze met vermelding der daartoe betrekkelijke ministeriëele beschikking bij of aan de werken zijn bekend gemaakt;

5°. de bevelen te overtreden, door de kanaalbeambten ter bescherming der werken of ter verzekering van hun doelmatig en veilig gebruik gegeven.

11. Met afwijking van art. 90, 2de lid, van het Algemeen reglement, wordt voor deze rivieren bepaald, dat van de bevelen of beslissingen van de kanaalbeambten of van den ingenieur, onverminderd de verplichting om aan de bevelen onmiddellijk te voldoen, hooger beroep is toegelaten op den hoofdingenieur en van dezen op den Minister.

ocr page 227

211

12. Met uitbreiding van art. 91, 2de lid, van het Algemeen reglement, wordt voor deze rivieren bepaald dat een afschrift van het proces-verbaal, zoo mogelijk ook gezonden wordt aan dengeen, die tot de vergoeding der schade gehouden wordt geacht.

13. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bjj de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft als volgt:

a. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van de artt. 7, 10, 1°., 3°., 4°. en 5°.;

b. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van art. 5;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van de artt. 3, 4 en 10, 2°.;

d. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van de artt. 2, 6, 8 en 9.

ocr page 228

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de ophaalbrug over het OUDE MAASJE onder Capelle en de rolbrug onder Besoijen.

(Vastgesteld b\j Koninklyk besluit van den Sisten October 1894, Staatsblad No. 171).

Artikel 1. De bruggen worden ten behoeve van het verkeer te land zooveel mogelijk gesloten gehouden en alleen geopend, wanneer er vaartuigen of vlotten moeten doorvaren.

2. De grootst geoorloofde breedte der vaartuigen met hun opperlast en der vlotten is 9 meter.

Het is verboden de bruggen door te varen of dit te beproeven met vaartuigen of vlotten, welke eene grootere breedte hebben.

3. Met vaartuigen of vlotten, waarvan het niet te vreezen is, dat zij onder de brug bekneld geraken, mag door de bruggen worden gevaren tijdens zij gesloten zijn, mits met vergunning van den brugwachter.

4- Overtreding van de artt. 2 en 3 van dit bijzonder reglement wordt, voor zoover daarin niet bij de wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

ocr page 229

BIJZONDER REGLEMENT van politie voor de beweegbare bruggen over de Mark en Dintel te Standdaarbuiten, te Stampersgat en nabij Dinteloord.

(Vastgesteld bvj Koninklyk besluit van den Sisten October 1894, Staatsblad No. 172, met intrekking van het KoninkHjk besluit van den 13den December 1860, Staatsblad No. 73).

Artikel I. De bruggen worden ten behoeve van het verkeer te land zooveel mogelijk gesloten gehouden en alleen geopend, wanneer er vaartuigen of vlotten moeten doorvaren.

2. De grootst geoorloofde breedte der vaartuigen met hun opperlast en der vlotten is 10 meter.

Het is verboden de bruggen door te varen of dit te beproeven met vaartuigen of vlotten, welke eene grootere breedte hebben.

3. Met vaartuigen of vlotten, waarvan het niet te vreezen is dat zjj onder de brug bekneld geraken, mag door de bruggen worden gevaren tijdens zij gesloten zijn, mits met vergunning van den brugwachter.

4. Waar in dit en in het Algemeen reglement gesproken wordt van brugwachter, wordt daaronder voor de in dit reglement genoemde bruggen verstaan de pachter van de brug of de persoon die den pachter rechtens vervangt.

5. Overtreding van de artt. 2 en 3 van dit bijzonder reglementquot; wordt, voor zoover daartegen niet bij do wet of het Algemeen reglement is voorzien, gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

ocr page 230
ocr page 231
ocr page 232
ocr page 233
ocr page 234
ocr page 235
ocr page 236