ocr page 1
ocr page 2

Kast 178

PI. H Nü.20

w

ocr page 3
ocr page 4

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2717 035 0

_lA

ocr page 5

l/f8i rCXa

mimimui

Dr. A. W. BRONSVELD.

ocr page 6

Wem Gott will reclile Gunst erweiseu,

Den schickt er in die weite Welt;

Dem will er seine Wunder weisen

In Berg und Wald, und Strom und Feld.

Die Bachlein von den Bergen springen,

Die Lerehen schwirren hoch vor Lust, Was sollt 'ich nicht mit ihnen singen,

Aus voller Kehl 'und frischer Brust?

Den lieben Gott lass ich nur walten;

Der Bachlein, Lerehen, Wald und Feld, Und Erd und Hirnmel will erhalten,

Hat auch mein Sach' aufs best' bestellt.

Jos. v. Eichendorff.

ocr page 7

Aan den lezer.

In de jaargangen 1883 en 1884 van de „Stemmen voor Waarheid en Vrede''' plaatste ik twee reisschetsen, „Buiten de Grenzen''' en „Binnen de Grenzenquot; geheeten. Zelden beleefde ik aan iets, dat door mij geschreven was, zoo veel genoegen. Van zeer vele kanten, en niet het minst uit Oosterheek, werd ik aangemoedigd, in dien trant nog eens weer en meer te schrijven. Toen ik in den zomer dezes jaars eenige weken op reis zou gaan en geweest was, kwam dan ook telkens de vraag tot mij: „Krijgen ivij er iets van te lezen?quot; Voor dien vriendelijken aandrang hen ik, na korte aarzeling, bezweken; een gedeelte van mijn reisherinneringen dezes jaars stelde ik, met een dankbaar hart, te boek, en bied ze u, mijn vriendelijke lezer, hierbij aan, onder den titel: „In meer dan één bergland.'''' De twee zoo even genoemde stukskens vindt gij hier óók. En daaraan gaat vooraf een kleine schets, welke, toen zij het licht zag, veler goedkeuring wegdroeg, en door Dr. van

ocr page 8

Vloten, in zijn „Nederlands Dicht en Ondicht uit de XIXde eeuw'''' een plaats werd waardig gekeurd.

Hartelijk zal ik mij verblijden, indien dit bescheiden bundeltje, dat met een vriendelijken groet van Gods hergen en dalen, van vele meer en en menig lieflijk plek jen tot u komt, u verkwikt en verpoost.

Jk-zelf heb nog een woord van dank en een krachtig en handdruk voor allen, die mij met hun gedachten volgden, als ik op reis was, — en voor de tromce vrienden, met wie ik, korter of langer ]geleden, de grenzen overtoog. Ik denk aan de Heeren C. F. Grone-rneijer, H. V. Hogerzeil, Jhr. E. van Weede van Dijkveld en G. A. Hulsebos. De dagen, welke wij doorbrachten aan de oevers van den Rhijn, in de Harz, in Zwitserland, of in Beieren, Tirol en Italië, blijven ons allen onvergetelijk. En bovenal is 't een onwaardeerbare zegen, waarin, naar ik hoop, zeer vele lezers van dit boeksken deelen, dat wij reizen naar de eeuwige stad, en telkens het lied mogen aanheffen, dat drie van ons eens, met duitsche broeders, zongen in het aangezicht van Eiger en Jungfrau:

Mein Leben ist ein Pilgrimstand,

Ich reise nach dem Vaterland.

A. W. BRONSVELD.

Utrecht, 4 November 1885.

ocr page 9

'

H de iden

rods t,

üij k

ich-iten 'me de ne-mn

wij OP EEN UOORDEE ZEIDIIGSFEEST.

de

ie,

en

tie

de

at

'n '

É

ocr page 10
ocr page 11

EEN INTIEME BRIEF.

Aan

Dr. Bronsveld, pred.

Carissime!

Ik ben op het derde Xoorder-Zendingsfeest geweest, en wensch u, naar aanleiding van liet vele, dat ik by die gelegenheid gezien en gehoord heb, een ver-trouwelijken brief te schrijven. Het is mijn plan niet, om n te vertellen, door hoe vele duizenden het feest werd bijgewoond; ook schets ik u niet de bekoorlijkheid van het terrein; en gij verneemt evenmin van mij, welk spreker mij het meest heeft geboeid. Doch ik wil n zeggen waaraan, of juister gesproken: aan wie ik op 9 Juli al mijn aandacht heb gewijd. Word niet hooggevoelende, als ik u verklaar, dat het de predikanten zijn geweest.

Gij hadt zeker niet vermoed, dat ik uw ambtge-

ocr page 12

4

nooten, of laat mij liever zeggen den stand, waartoe gij behoort, zoo hoog schatte, dat ik aan predikanten een ganschen dag en dat nog wel boven honderden van Friesland's schoonen en boven menig schilderachtig groepjen mijn aandacht schenken kon. Doch, ik bid u, niet te haastig te wezen in het maken van uw konkluzies. Een monsch blijft zich niet altijd gelijk. Maar het staat nu eenmaal alzoo geschapen, dat men in ons druk bepreekt, en leeraarlievend, en theologizee-rend vaderland onmogelijk de predikanten kan loochenen. Onze eerste dichters en proza-schrijvers zijn bovendien grootendeels predikanten; onze fotografen beproeven hun beste krachten nog steeds aan het lichtbeeld van een gevierd leeraar, gelijk dat voorheen onze graveurs en de teekenaars van silhouetten deden. In het afgetrokkene geeft ook het jonge Holland toe, dat gijlieden een „mooie betrekkingquot; bekleedt, als men namelijk nog gelooft wat men preekt, en niet een tweeslachtig wezen is, dat de moderne wereldbeschouwing een toga aantrekt en meesleept naar de katechizeerkamer.

Gijlieden zijt dus nog altijd merkwaardige persoontjes, en uit ons volks-leven nog niet verdwenen. Neen, niet alleen de jonge dames, die pas bij u haar belijdenis hebben geleerd; niet alleen oude dames, wier zondagen gij kort, en wier poesje spint als gij

ocr page 13

binnentreedt, — maar vele kloeke mannen, zeer verstandige vrouwen, en bovenal de kern van ons volk, zij hebben nog op met een dominé. Daar zijn nog kollega's van u, die een weinig verwend en bedorven worden.

Gij waart onlangs — wat u wel meer schijnt te overkomen — in geen besten luim, toen gij klaagdet over den geringen lust tot studie bij de jonge predikanten , en zult mij, hoop ik, niet tegenspreken, als ik het waag te beweren, dat gijlieden nog steeds, voor een groot deel, in ons land de intelligentie vertegenwoordigt en een onberekenbaren invloed hebt. Is die invloed niet positief, dan is hij negatief, doet gij geen goed, dan doet gij kwaad. Leidend of verleidend — gij, herders der schapen en der lammeren, gij zijt nog steeds een machtige faktor in het leven van ons volk; gij verdient te worden gekend.

Zoodra ik dus hoorde, dat op een der bekoorlijkste plekjes van Friesland een zendingsfeest zou gehouden worden, dacht ik bij mij zelf: welk een heerlijke gelegenheid om dominé's te zien en waar te nemen! Ik zorgde dan ook, dat ik een dag vóór 't feest te Heerenveen mij bevond, om mijn observaties bij tijds te kunnen aanvangen.

Men leert een predikant niet volmaakt kennen in zijn gemeente. Daar hoort men zooveel, en zoo ver-

ocr page 14

6

schillend over hem spreken, dat de onbevangenheid en billijkheid van 't eigen oordeel er bij ingeboet worden. Men ziet er den pastor loei bovendien steeds als officieel persoon in kostuum, en moet tot zijn huiskamer doordringen, om hem geheel vrij te zien.

Een domino op reis heeft dus veel voor op een dominé thuis — altijd voor een waarnemer zoo als ik nu goed vond te wezen.

Mijn verwachting werd vervuld. Reeds vroeg zag ik predikanten arriveeren. Ik kende ze dadelijk. Waaraan?

Uw -vraag is alleszins natuurlijk. De tijd is voorbij, waarin men niet behoefde te vragen: is u een dominé? Men ontmoet geen beenen meer alleen gedekt door korten broek en floretten kousen, en geen voeten gestoken in lage schoenen (met of zonder zilveren gespen); en do steek dreigt een voorwereldlijk voorwerp te worden. Ik heb er dezer dagen niet één gezien. En dat is in dit geval zeer opmerkelijk. Er waren op het feest-terrein onderscheiden christelijk-gereformeerde (afgescheiden) predikanten — en niet één droeg een steek. Gij hebt u deerlijk de vingeren gedeerd, toen gij voor eenigen tijd uw Afgescheiden collega's hun steek en lange pijp voor de voeten wierpt. En ik moet u bij dezen meedeelen, dat u die uit- of inval zeer euvel is geduid. Ik kan u de

ocr page 15

verzekering geven, dat achtenswaardige christelijk-gereformeerde leeraars, die de bewuste snakerij van u gelezen hadden, Woensdag 1.1. u aan elkander toonden, bijv. op deze wijze: „Daar heb je nu die Bronsveld!quot; Die zou hier in 't latijn vertaald luiden: iste! Dat hebt gij er van! Doch nog sterker bewijs voor het verdwijnen van de steek! In onze kerk zijn enkele predikanten, die in hardheid van vormen en zuiverheid van leer de Afgescheidenen verre achter zich laten, en wier bazuin een geluid geeft, waarin de scherpst-luisterende geen afwijking ontdekt van den toon der meest-ziellooze scholastieke dogmatiek, zoo ten onrechte echt-gereformeerd genoemd. Ik noem u geen namen, want ik ken u, dat gij in staat zijt, dezen brief te laten drukken, en daarom zeg ik slechts dit: ik zag een vertegenwoordiger van de daar bedoelde groep op het feest. Hij was vporheen steeds gezien met een driekanten hoed, en ontving daarvoor nog tal van welwillende en erkentelijke knikjes, en groeten van menschen, die nog altijd zeggen: „Een officier schaamt zich het uniform niet van een aardsch koningquot; enz. en nu — hol stonden nog zijn oogen, en strak was zijn mond, en bleek waren zijn wangen , maar een ronde hoed overwelfde met zijn breeden rand 's mans groote, flikkerende brilleglazen. Dat verschijnsel hoeft mij levendig getroffen. — Vader Loden-

ocr page 16

8

steijn, eerste der steekdrageude predikanten in Nederland •— lang zijt gij in dezen nagevolgd, maar nu is het gedaan! Een woord dan van afscheid aan u — oud, eerwaardig kostuum! Waardig of onwaardig gedragen, bespot of eerbiedig gegroet, — lang hebt gij, in ons midden, gepredikt dat wij leven onder de bediening des evangelies! Hoe menig jongeling heeft niet van u gedroomd, gehoopt u eenmaal het zijne te kunnen noemen; en hoe menig jonge dochter zag in haar stille mijmeringen een gestalte op den voorgrond treden — met breede, witte das en puntig driekantje, terwijl op den achtergrond een pastorie zich verhief en een kerkje, en de genius der liefde glimlachend neerzag op die zalige gepeinzen. Ook gij eerwaardig leeraars-gewaad, gij zijt gevallen voor den demon der eenvormigheid! De leeraars, zich gevoelende „van gelijke bewegingquot; als ieder ander, werden u nagenoeg allen ontrouw! ■

Ik waag mij niet aan een bespreking van de vraag, of wij over 't verdwijnen van het kostuum ons moeten verblijden of bedroeven. Voorzeker, mijn waardste, wij hebben geen geestelijken stand, en een predikant is een mensch „als ieder anderquot; en een steek was een steen des aanstoots, een bron van allerlei spot geworden; ook is het waar, dat de kleederen den man niet maken, en dat onze waarde niet afhankelijk

ocr page 17

mag zijn van 't gewaad dat wij dragen. Maar ik vind het toch wel eens jammer, dat al het karakteristieke uit kleeding en bouwstijl en leeftrant verdwijnt, om te wijken voor een vervelend eenerlei!

Doch de Heeren willen nu eenmaal zoo ; en worden boos als wij ons ergeren. Ik wil geen molensteen aan u verdienen en liever de vraag oplossen, die ik nog altijd zie spelen op uw lippen.

Zij is deze: „Waaraan kent gij ons, nu wij ons kleeden als een „gewoon mensch?quot; Wat is er aan ons, dat u doet mompelen: zeker een dominé ?quot; Mijn vriend! waaraan herkennen wij den kommies? Let er wel op, dat ik kommies zeg met een k en niet met een c, en ik herhaal mijn vraag: waaraan herkent gij hem? Is het aan het ijzeren werktuig, waarmee hij het looden bewijs van aangifte voor de belasting vasthecht aan de in slagers handen overgeleverde slachtbeesten, en welk voorwerp gij ziet uitsteken uit een zijner achterzakken? Of is het aan de kenteeke-nen die zijn kleederen aan alle zijden vertoonen, dat ze vaak werden blootgesteld aan weer en wind? Of aan de vereeniging (ze zijn meestal in dienst geweest) van burgerlijke en oud-militaire hebbelijkheden? — Waaraan herkent gij onze officieren in burgerkleedij ? Is het aan hun krijgshaftige houding, of aan hun knevels , of aan het bonte van hun uitrusting, of aan den

ocr page 18

10

glans hunner laarzen, of aan de weinige haast, waarmee zij voortwandelen ? — Waaraan herkent gij den onderwijzer? Is het aan den ietwat-dreigenden blik, den rimpel boven den neus, den bewegelijken wijsvinger der rechterhand, en den geaccentueerden toon ? Inderdaad, amice, ik weet het niet. Misschien hebben wij voor deze dingen een instinct.

Nu zoo iets heb ik ook ten opzichte van de Wel-Eerwaarden. Geheel en al is het echter geen instinct, indien gij daaronder althans iets verstaat, dat wij doen of denken louter uit natuurlijke aandrift, zonder dat wij er ons rekenschap van kunnen geven. Niet geheel weerloos sta ik tegenover uw vraag.

Ce kleederen van de meeste predikanten zijn meestal van zwarte verwe. Een uitzondering maken de pantalons, die in allerlei tinten van het donker grijs varieeren, maar jas en vest zijn bijna altijd zwart of aan het zwart verwant. Daar deze kleedingstukken nog al veel worden besteld, als een reisje op til is, en derhalve nieuw zijn, worden zij in spoorwagen en omnibus gepreserveerd door een overjas of stofjasje, dat niet nieuw is. De snede van de overkleederen, en het formaat der halsboorden is niet naar de allernieuwste mode. Een predikant verwekt niet gaarne door zijne kleeding eenig opzien. Hij is dus minstens één mode ten achter; hij draagt het formaat van

ocr page 19

11

boorden, dat voor een jaar door Perry als het nieuwste werd aanbevolen. Het spreekt van zelf, dat hier enkele dandy's en eenige ongemeen deftigen onder de predikanten moeten uitgezonderd'worden. Tot de exceptie's behooren ook de witte dassen en de rokken. De meeste leeraars haten deze zegelen der deftigheid met grooten haat. Ook is bij zeer vele jonge predikanten een groote liefde voor breede en lang uitwaaiende bakkebaarden, in welker omlijsting hun gladgeschoren kin en bovenlip gracelijk gevat zijn. Bijna allen hebben zwarte tanden van het vele rooken, koopen een courant voordat zij instappen, en verwisselen hun hoed met een pet (een zwartzijden) zoodra zij hebben plaats genomen. Hun hoed — ook op dit punt ziet gij de macht van den modernen geest! Niet alleen kwam in de plaats van den driekanten, een hooge, ronde hoed — maar op menig wei-eerwaardig hoofd ziet gij kastoren, strooien, en fantasie-hoeden. Nooit of slechts ter sluiks in het midden huns volks gedragen, worden zij met gretigheid gebruikt in de dagen van een uitstapje.

Zulk een uitstapje is den predikanten van harte gegund. Velen hunner moeten veel arbeiden; hebben een afmattend leven; en behoeven een ontspanning-niet alleec voor zich zeiven, maar ook voor hun gemeenten, met wie zij één zijn. Het is hun dan ook

ocr page 20

12

aan te zien, dat zij met wellust genieten van de reis. Zij hebben behoefte aan een gesprek. Ze zijn tegenover dames en in 't algemeen vrij genoeg, en in hun bewegingen gemakkelijk genoeg, om den naam van oud-student niet te schande te maken, maar hebben daarbij toch iets, dcit een zekere stremming veroorzaakt. Zij komen niet lichtelijk op gang. Zij verkennen zeer lang het terrein, «n spreken liefst over zich zelf. Zij vertellen u, dat zij in gindsche plaats zijn geweest; dat zij, als zij hebben mogen vragen van waar gij komt, in uw woonplaats ook nog een akademie-kennis hebben, en van de tien zijn er zeker zeven, die, als zij een gesprek aanknoopen, meedeelen, hoe zij heeten. Niet zelden ontmoeten zij een bekende.

Nu geef ik toe, dat ik te Heerenveen iets vóór had. Ik wist, dat er vele predikanten zouden komen; en ik had dus als een sterrekundige, die een ster verwacht, slechts mijn kijker (eigenlijk kijkers) te gebruiken.

Ik moet u zeggen, dat ik in de eerwaarde Mannen Broeders inderdaad genoegen heb gehad. Het was een lust om te zien, hoe joviaal en hartelijk oude bekenden elkander ontmoetten en begroetten. Arm in arm liepen zij over het schilderachtig terrein, of vleiden zij zich op een beschaduwd plekjen neder, klopten elkaêr op schouder en knie, deelden weer

ocr page 21

13

als van ouds proviand en sigaren, en vermaakten zich met niet uitgestorven ondeugendheid over enkele aan het komische verwante tooneelen. Ik moet er bijvoegen, dat zij over 't algemeen niet lang luisterden naar denzelfden spreker, maar meestal te vinden waren onder de buitenste kringen der hoorders , — om zonder stoornis zich te kunnen verwijderen, en tot een ander spreker, die aan 't woord was, overtegaan. Niet weinigen zag ik telkens omringd door een groepjen gemeente-leden, of leden eener vorige gemeente, en werkelijk aardig was die blijdschap des weerziens aan beide zijden, en dat gevraag over en weer naar ouders en kinderen. Herinneringen aan heilige, droeve, en zalige oogenblikken zweefden niet zelden om zulk oen groep menschen, die belangstelling in het heiligste, die liefde voor Jezus Christus aan elkander verbond.

Aan opgewektheid ontbrak het nergens. Men moet dan ook wel ongeneeslijk stijf en deftig zijn, als men op een zendingsfeest niet wat vrijer en blijder wordt. Menig predikant, die niet had kunnen besluiten witte das en rok af te leggen, zag ik toch op het groen-gemaakte spreekgestoelte met een diri-geer-stok in de hand geklemd, de maat aangeven van het gezang — het yezancj in tweeërlei beteekenis.

Ja, den avond vóór het feest zag ik zelfs voor het

ocr page 22

14

Heeren-logement een uwer kollega's op de stoep ver-schijnen in hagelwitte hemdsmouwen; en al werd hij door twee meer stemmige ambtgenooten naar binnen gedreven, zoo bleef toch dit teeken van zich sans gêne te gevoelen, niet onopgemerkt door mij , die mij voorstelde, dat gij het zeker zeer vermakelijk zoudt vinden.

De predikanten, van wie ik nu spreek, en wier feestelijke stemming ik hier konstateer, waren nagenoeg allen orthodox. En geen wonder! Onze zendingsfeesten zijn orthodoxe hoogtijden.

De moderne predikanten waren te Oranje-woud dan ook kennelijk minder op hun aise. Vaak zag men drie of vier hunner bij elkander, — met al de kenteekenen van ergernis. Laat mij er echter bijvoegen, dat sommige sprekers (gij zoudt wel eens willen weten wie) ook aan modernen hebben voldaan, en dat voor zoover ik weet niemand openbaar is gekrenkt geworden door een woord, dat in strijd was met zijn feestelijke stemming. Ondanks al hun eigenaardigheden zijn uw kollega's mij over 't algemeen wel bevallen. Sommigen konden wat gemakkelijker zijn in hun bewegingen en wat meer gebonden in hun spreken door de regelen der taalleer en syntaxis — anderen moeten niet verder gaan in het afleggen van den dominé. In doorsnede waren zij

ocr page 23

15

p

gt;r- fatsoenlijke lieden, wier liefde voor huiselijkheid

aij bleek uit de pantoffelen, waarmeê zij des avonds

en zonder onderscheid hun laarzen verwisselden; wier

ns ernst bleek uit de woorden, die zij spraken ; en wier

aij humaniteit bleek uit de gulheid, waarmee zij ook

dt broeders uit andere kerken dan de hunne de hand drukten. — Moge wetenschap met vroomheid en

er vroomheid met wetenschap uw stand behoeden, en de

;e- predikanten steeds meer bekwaam maken om hun

n- ernstige roeping naar den eisch te vervullen. —- Groet uwe vrouw, ook van de mijne, en geloof mij

nd

ag 1.1.

FI D E LI O.

y-

ns n,

is

Dd an je-k-n-en iet

Z1J

I

I

ocr page 24
ocr page 25

OVEH DE GRENZEN.

ocr page 26
ocr page 27

Naar Oost land willen wi varen. Oud Volkslied.

Niet veel beraad eischte voor mij de vraag, wer-waarts ik reizen zou, toen het mij vergund werd, mij eenige dagen buitenslands te begeven. Ik besloot al zeer spoedig te gaan naar Thuringen. Hartelijk verlangde ik dat hart van Duitschland te zien, met zijn bosschen en bergen, en met al zijn historische herinneringen. Daar staat de Wartburg; daar ligt Erfurt; daar rusten Schiller en Groethe... .

Vooral deze zomer maakte Thuringen voor mij aantrekkelijk, omdat men er gedurig zou worden herinnerd aan Luther, en ik gaarne aan het feest deel wilde nemen, dat men te Erfurt ter zijner eere vieren zou. En die wensch is ten volle vervuld. Ik heb een deel van Thuringer-land gezien; de Lutherfeier bijgewoond, en daarna nog zoo veel schoons en lieflijks aanschouwd en genoten, dat ik er gaarne iets van

ocr page 28

20

wil raeedeelen aan mijn getrouwe lezers. Ik kan het met blijmoedigheid doen, want van de Triendelijkste herinneringen is mij het hart vervuld.

Laat mij beginnen met de mededeeling, dat ik den overgang van ons land tot Duitschland mij geleidelijk en gemakkelijk heb gemaakt, door eerst een paar dagen te vertoeven in de omstreken van Arnhem. Het schilderachtig Oosterbeek niet minder dan het zoo schoone Beekhuizen met het aangrenzend Roozen-daal deed het hart, dat natuur en vaderland lief heeft, onuitsprekelijk goed. En wanneer men dan over den Hemelschen Berg, door Wolfhezen's bosschen, en Eoozendaal's lanen geleid wordt door goede vrienden, en onder opgewekte gesprekken, dan schudt men, als men de grenzen overtrekt, het stof niet van zijn voeten, en haalt over „dat Hollandquot; zijn schouders niet op, maar zegt eerder tot zich zelf: „Hebt gij hier niet genoeg? quot;Waarom zoo ver gezocht, terwijl nabij u zooveel schoons en lieflijks is?quot; Ik haat de houding van die landgenooten, die in hun spoorwegcoupé gezeten Grelderland's vergezichten geen blik waardig keuren, maar vriendelijk knikken tegen de vlakke velden rondom Emmerik, omdat deze behooren tot het duitsche rijk.

Ik ging op den trein te Arnhem, die mij den Rhijn over brengen zou, met een gevoel van hartelijke

ocr page 29

21

liefde voor ons dierbaar vaderland, maar hoopte in nooit of slechts zelden geziene natuur-tafereelen, en in een geheel andere dan de gewone omgeving eens andere gedachten te hebben, en andere beelden te zien, dan gewoonlijk zich plaatsen voor mijn geest. Ik gevoelde daar behoefte aan^ en weet, dat velen het mij gunden.

Nu ben ik geen reiziger geweest, zooals de voortreffelijke Riehl in zijn Wanderhuch er ons een teekent. Hij wil, dat men eerst gansch rustig in zijn kamer de streek bestudeert, welke men denkt te bezoeken. Het onderzoek moet zoowel den bodem als de men-schen gelden, zoowel de gangen der geschiedenis als de wegen, waarop men van plan is te wandelen. Alzoo toegerust, moet men, altijd volgens Riehl, den wandelstaf opvatten, den knapzak omhangen, en geheel alleen de reis aanvaarden, daar een reismakker de aandacht afleidt van hetgeen men voorbij wandelt. Men ziet dan nauwkeurig rond, maakt voortdurend schriftelijk zijn aanteekeningen, om ze, thuis gekomen te vergelijken met de studieboeken, welke men bezit, en dan eerst kan men zeggen een land bereisd te hebben. Ik ben blij, dat er zulke reizigers zijn, als prof. Riehl. Aan hen dankt men boeken, als zijn Land und Leute. Ook heb ik wel eens, hier en daar, op die wijze gereisd, doch ditmaal dacht ik daar niet

ocr page 30

22

over. Voor een goed deel wilde ik nu gaan „den weg van alle vleeschquot;, d. i. eenige plaatsen bezoeken, waarheen de meesten, die reizen, door Badeker of een anderen gids zich leiden laten. Maar ik behield toch een groote mate van vrijheid in mijn gangen, zoo als u blijken zal.

quot;Wanneer men de grenzen reeds lang is overge-spoord, bemerkt men er nog niets van, dat men zich bevindt in een ander rijk. Het landschap vertoont geen ander karakter, en de huizen zijn niet anders gebouwd dan bij ons. De invloed van ons vaderland reikt zeer ver, en grijpt diep in 't gebied van den duitschen keizer. Men kan het nog altijd zien, dat Holland eenmaal niet weinig te zeggen had in het land van Kleef en Gulik, van Berg en Mark. Men verstaat daar veel beter hollansch dan men aan onze oostelijke grenzen duitsch verstaat, en heeft er niet den afkeer van ons geld, dien wij koesteren tegen de muntstukjes onzer naaste buren, 't Is een weemoedige naglans van de glorie der oude nederlandsche Republiek, welke haar hoogtepunt bereikt had, toen het ééne Duitschland verdeeld was onder potentaatjes, die lang zooveel niet hadden te beteekenen als een burgemeester van Amsterdam of een bewindvoerder van onze oost-indische Compagnie.

quot;Wat echter dadelijk in 't oog valt aan het eerste

ocr page 31

23

duitsche station, is de militaire uniform en houding van alle beambten. De man, die onze koffers inspek-teerde, en dat deed met de grootste inschikkelijkheid , had een houding als bij ons een hoofd-offieier zelden vertoont, en droeg een puntigen degen. Dragen die ambtenaren niet den welbekenden glinsterenden helm, dan dekt hun hoofd een pet, waarvan de omvangrijke en vlakke bodem ons Hollanders dadelijk herinnert aan een nationaal tafelgerecht. — De reis over Oberhausen en Dortmund naar Soest levert weinig belangrijks op. Men bemerkt, dat men gaat door een distrikt, waar aan steenkolen geen gebrek is en de nijverheid bloeit. Eerst achter Soest begint het terrein meer te golven; maar van lieverlee begon daar ook de duisternis alles te onttrekken aan het oog, en het verlangen zeer levendig te worden, dat ik na veel Umsteigens eindelijk ««ssteigen kon te Cassel, het eindpunt van mijn eerste dagreis. Tk klaagde echter niet te luide, want ik zou mij dan hebben geschaamd tegenover een dame, die uit Londen kwam en den vorigen nacht doorgebracht had op zee. Zij was nimmer te Cassel geweest en informeerrde in den trein, waar zij er goed en goedkoop logeeren kon. Het wil mij voorkomen, dat over 't algemeen de duitsche vrouwen moediger zijn, ik bedoel er meê: gemakkelijker zich verplaatsen dan haar neder-

ocr page 32

24

landsche zusters. Meer dan eens ontmoette ik een grooter of kleiner groepje dames, die, zonder heer, op reis waren; en een „heer der scheppingquot; niet van noode hadden, om overal flink terecht te komen. Natuurlijk hebben wij hier een regel met uitzonderingen.

In 't Hotel du Nord, vlak over 't station, wenschte ik te Cassel te logeeren. Toen ik, gevolgd door den man, die mijn bescheiden bagage droeg, de trappen van 't hotel opklom, werd er plotseling een geweldige bel geluid, en, als uit den grond oprijzend, verschenen der Herr Wirth, de portier en een zwerm bedienden. Ik dacht aan de woorden uit Schiller's Wilhelm Teil:

Das Opfer 1'alU, die Raben steigen uieder____

In een oogenblik wist ik, welk nommer mijn kamer zou dragen, had de deur van dat vertrek zich ontsloten, brandden er de waskaarsen, en weinig meer tijds was verloopen, toen ik mijn vermoeide leden uitstrekte op de, naar duitsche zede gespreide legerstee. Zonder geloof kan men niet reizen. Ik beval allen, die ik liefheb en mijzelf aan de hoede van Hem, die nimmer sluimert, en sliep gerust onder het mij ten eenenmale vreemde dak

De laatste dag der week, die was aangebroken, bleek een zonnige dag te zullen zijn. Na geest en

ocr page 33

25

lichaam te hebben verfrischt, kwam ik beneden, en verlangde, als een onverbeterlijk Hollander, met thee te ontbijten. Maar gelijk de duitsche wijn in ons land anders smaakt dan op zijn geboortegrond, zoo heeft de thee in Duitsehland een anderen smaak dan bij ons. Ik raad iedereen aan, in Thuringen te ontbijten met koffie. De geur ervan komt u des morgens op de trappen van 't hotel reeds tegen, gelijk gij des avonds er nog een wolksken ontdekt, dat herinnert aan uien en Kalhsbraten. 's Lands wijs, 's lands eer; en de onverzettelijke begeerte, om eiken morgen als een Hollander te ontbijten, heb ik verloochend, mij daarbij wèl bevindende.

Dat Cassel een fraaie stad is, weet ieder. Zij is ruim en frisch gebouwd, en telt een aantal sierlijke huizen. Zeer schoon is de blik door het Priedrichsthor op het Fuldathal, dat zich uitstrekt achter den Auegarten. Hier ziet men voor 't eerst hoogten, die meer dan heuvelen zijn, en men kan de verzoeking bijna niet weerstaan, om in den sierlijken tuin af te dalen, vlak achter de Friedrichspoort gelegen. Die poort zelf is met zeer schoon beeldhouwerk versierd en gedekt door een adelaar, zóó groot en zóó grimmig, dat het hollandsch hart er bijna kleinmoedig bij wordt. Als zulk een vogel eens op onze spreeuwen en musschen aan komt vliegen! Doch ik wenschte

ocr page 34

26

de vermaarde Bildengalerie te zien, die mij van nabij reeds toewenkte. Hier zijn wij, Nederlanders, heer en meester. Green school is hier zoo uitstekend vertegenwoordigd als de onze. Rembrandt voert het koor aan der onsterfelijke meesters, wier werken hier bewaard worden. Om enkele van zijn hier aanwezige stukken te kunnen zien, daarvoor alleen zou men naar Cassel willen reizen. Ik had het voorrecht , dat de Castellan zelf mij rondleidde, en kon niet nalaten hem te betuigen, dat zijn Gallerie een gedenkteeken was van Holland's glorie op duitschen bodem.. . . Mets vermoeit echter zoo zeer als het zien van een groot aantal schilderijen. Er komt een oogenblik, waarop men verzadigd is en geen nieuwe indrukken meer in zich opneemt. De krachtigste verzekeringen dat dit stuk prachtvol en het gindsche meisterhaft is, en dat daar een waarde vertegenwoordigt van f 25.000: het laat alles koud en onverschillig, terwijl men hoopt bij eene andere gelegenheid recht te laten wedervaren aan hetgeen men nu met eenigen spoed voorbij gaat.

AVie Cassel bezoekt, verzuimt niet naar Wilhelmshöhe te gaan. Een stoomtram brengt u er binnen 't halfuur. Voordat ik instapte, wandelde ik de Köningsplatz enkele keeren op en nêer tusschen de rijen boerinnen door, die groenten en ooft te koop boden. Meestal

ocr page 35

27

waren het oude vrouwen, met een zeer eigenaardig kapsel, 't Is van zwarte stof, vrij hoog, recht opgaande, en in vorm niet ongelijk aan een kegel, waarvan de top werd afgenomen. Aan weerszijden zijn dan nog twee zwarte strikken bevestigd. Het sieraad staat op den kruin. Dit hoofddeksel beantwoordt evenmin aan zijn naam, als het iemands schoonheid verhoogt.

Ach, wat al gerimpelde en verweerde oude vrouwen gezichten! Onze duitsche zusters op het platte land moeten hard werken. Terwijl de mannen in de fabrieken arbeiden, is de akker voor hare rekening. Zij hanteeren spade en sikkel, en zijn op het veld en in de wijnbergen bezig van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Eigenaardig, dat ook de duische koe moet ploegen en de wagen trekken moet, terwijl ten onzent geen dienst van dien aard van 't vrouwelijk rundvee gevorderd wordt. Laat mij nog vermelden, dat ook te Cassel naast ooft en groente, groote en kleine bloemruikers verkocht werden, en zelfs de be-hoeftigsten tegen den zondag zich de weelde veroorloofden van een klein bouquetje te koopen. De zin voor poëzie zit bij het Duitsche volk dieper dan bij ons.

Wat quot;Wilhelmshöhe vooral aantrekkelijk maakt, zijn de waterwerken, die er eiken Woensdag en Zondag spelen. Ik was er op Zaterdag en moest dus het

ocr page 36

28

genot, dat al die hooge fonteinen en ruisende en klaterende watervallen en watervalletjes aanbieden, derven. Het genre valt, eerlijk gezegd , niet in mijn smaak. De wandeling over Wilhelmshölie vond ik echter verrukkelijk. Welk een prachtig geboomte ! Welkeen smaakvolle aanleg! Welke heerlijke vergezichten!

De geheimzinnige schim van Napoleon III zweefde mij gedurig voorbij, en ik verblijdde mij, dat die fortuinzoeker op Wilhelmshöhe niet als gebieder, maar als gevangen man heeft vertoefd. Zonder dus bijzonder zwaarmoedig gestemd te zijn, zette ik mij aan de table d' hóte van Schombardt, die het eereteeken verdient, er door Badeker aan gegeven, en wederom bij mij de vraag deed opkomen, hoe het te verklaren is, dat bijna altijd aan een table cT hóte, nog al laat, eene dame alleen binnentreedt, met een droefgeestig voorkomen, in rouwgewaad maar niet stemmig gekleed, en die zich verwijdert, eer het dessert geheel is rondgediend ?

Ik wenschte dien dag Eisenach te bereiken, en had daartoe overvloedig tijd, daar er een trein afvoer circa half 5. Eerst toen heb ik kennis gemaakt met een onvervalschten Bummelzug. Nooit zag ik zulk een langen sleep van waggons aaneengehaakt, en voortgetrokken door twee zwaarlijk zuchtende locomotieven. Ik zat in een der achterste rijtuigen en als

ocr page 37

29

ik, uit het portier ziende, in de verte den rook der machines gewaar werd, kon ik haast niet gelooven, dat ik daar de werktuigen aanschouwde, die ook mij meesleepten in hun moeitevolle vaart.

De weg werd echter hoe langer hoe schooner, en voerde mij de grenzen al nader en nader van het onvolprezen Thuringen. 't Was een heerlijke avond. Rozenrood scheen de zon op de toppen der dennen, en ik groette menig klein dorpje, met een miniatuurkerkje en torentje van allergrilligsten vorm. Ik dacht aan de collega's, die daar zich voorbereidden voor hun predikwerk van den naderenden rustdag, en wenschte in den geest hun voorspoed toe, want slechts een predikant weet, hoe moeielijk een zaturdag kan wezen voor een evangelie-dienaar, die ernstig zich prepareert voor zijn kansel-arbeid. Met welgevallen zag ik de toebereidselen voor den rustdag, de reine trappen, de geharkte tuinpaden, de huiswaartskeerendè wagens met koorn beladen, en ik verdiepte mij een pooze in de gedachte, welk een zegen voor een volk de dag des Ileeren is, of althans wezen wil.

Het was 10 uur, en dus voor Duitschland zeer laat, toen ik eindelijk te Eisenach aankwam, en met overstelpende hartelijkheid bij 't gelui der bel, ontvangen werd in Böhriys Hotel zum Grossher zog van Sachsen, tegenover het station.

ocr page 38

30

Met het vooruitzicht van bij het schoonste zomerweder den Wartburg te zullen zien, ving ik den volgenden dag aan. In de kamer, waar ik (nu met koffie) ontbeet, ontmoette ik een Hollansche familie, die mij nog eenige zeer te waardeeren wenken gaf betreffende mijn verdere reis; waarna ik mijn schreden richtte naar het Lutherhaus, om er de nagedachtenis te zegenen van de goede Frau Cotta. Welk een macht in de wereld is toch het goede; en hoe heeft de weldadigheid, in dit huis aan den armen, jongen Luther bewezen, haar duizendvuldig loon gevonden.

Laat mij nu, in alle eenvoudigheid, zeggen, dat ik niet tot de Nederlanders behoor, die alleen in hun vaderland den Zondag vieren en de kerk bezoeken. Yoor de engelsche vormelijke Sabbathsviering, en opzienbarende vroomheid hoop ik mij te wachten, maar als ik op den eersten dag der week des morgens de klokken hoor luiden in den vreemde, dan roepen zij mij toe:

Es ist der Tag des Herru!

en ik gevoel mij getrokken naar het bedehuis, hopende er een woord te hooren, dat mij opbouwt en goed doet.

Te Eisenach ging ik dan naar de Gottesacker-Kirche, gelegen aan den weg, die voert naar den Wartburg. Over een eenvoudig kerkhof leidt het pad naar de

ocr page 39

31

oude, zeshoekige kerk, waar twee gaanderijen een plaats bieden aan hen, die beneden alles bezet vinden. De kerk is heel oud; de zonderlinge predikstoel is aan de buitenzijde als bezaaid met steenen doodshoofden , en er overheen welft zich een steenen poort, onder welke de predikant staat, als hij tot de gemeente spreekt. Aan de leerrede ging de liturgie vooraf. Het koor zong uitstekend. De kerk was tot boven toe dicht bezet; en ook de gegoede stand was kennelijk trouw opgekomen. Ik hoorde een voortreffelijke leerrede over het bestraffen van onze broeders, naar aanleiding van de enkele verzen uit Matth. XVIII. Het was een kalm, maar hoog ernstig woord, dat blijkbaar de gewetens trof, en mij bijzonder stichtte.

Ik ken drie soorten van leerredenen.

Daar zijn, die mij in 't geheel niet boeien. Zij ergeren mij niet, zij stichten mij niet, maar zij gaan mij eenvoudig voorbij. Daar is een tweede soort, dat ik voor een gedeelte hoor, en dat mij brengt in een aangename peinzende stemming. Zij geven een thema aan, waarop de geest variaties maakt. Zij roepen herinneringen en beelden op, die vriendelijk, vertroostend of bemoedigend tot ons komen, en welker ontmoeting niet zonder zegen is. Het derde soort van leerredenen noem ik diegenen, welke mij van het begin tot het einde boeien, mij beschamen

ocr page 40

32

en opwekken en mij iets meegeven op de levensreize. Zulk een leerrede hoorde ik te Eisennaeh. De naam van den prediker bleef mij onbekend, maar zeker heeft hij, niet alleen voor mij, maar voor mij ongetwijfeld , met zegen gesproken. Het trof mij echter meer, dan het mij behaagde, dat de oud-testamentische zegenbede door den voorganger gezonyen en niet uitgesproken werd.

Na de godsdienstoefening toefde ik nog een oogen-blik op het kerkhof, waar velen een bezoek brachten aan een graf, ongetwijfeld de rustplaats van een hunner betrekkingen. Is er niet iets lieflijks in dat rusten onzer dooden in de schaduw vau het bedehuis, waar alle zondagen onze liederen en gebeden henen-ruisen over de graven? Blijft de band tusschen levenden en gestorvenen niet hechter, als men eiken rustdag, dicht bij hen gezeten, het hart opheft tot den hemel, dan wanneer men, na een lange wandeling nu en dan een oogenblik stilstaat bij hun graf? Mij wou het zoo voorkomen!

Doch nu naar den Wartburg! De tocht naar die vermaarde sterkte is niet erg bezwaarlijk. Maar wie weet, of men toch niet een spoorweg zal aanleggen, die ons derwaarts brengt. Niet alleen Rigi en Vesuvius, maar Gieszbach en Drachenfels worden thans niet meer beklommen, doch men laat er zich tegen optrek-

ocr page 41

38

ken door een locomotief, en zoo zal het wellicht ook geschieden met den Wartburg. Het uitzicht, dat men er aan alle zijden heeft, is meer dan eens beschreven, en blijft onbeschrijflijk schoon. Het gerestaureerde gebouw zelf ziet men van binnen slechts ten deele. Men wordt er in rondgeleid, of liever in rondgedreven door een personaadje, die do „Herr-schaftenquot; zoo spoedig mogelijk terugvoert, naar het punt van aanvang, om een nieuwe kudde denzelfden weg te doen betreden, en op dezelfde anekdoten te onthalen.

Ik zou onoprecht wezen, indien ik verklaarde, dat ik in de artistieke zangerzaal, of in de prachtige feestzaal bijzonder veel heb gevoeld. Zelfs in de kapel, zelfs in het zoo bekende vertrek, waar Luther zoo menig uur heeft doorgebracht, kwam ik, te midden van al die menschen, waaronder zich zelfs een vrouw bevond met een kind aan de borst, niet tot mij zelf. Sommige reizigers schijnen hun gemoed vooraf te laden met een goede hoeveelheid gevoel, en op een gegeven oogenblik brandt het los. Ik bezit dat vermogen niet; maar beken, dat waar zij losbarsten, mijn gemoed dikwijls wordt dichtgeschroefd. Toen het gezelschap, dat met mij den Wartburg betrad, Luther's Stühchen verliet, verzocht ik er een paar minuten alleen in te mogen zijn en rondzien. Ik

ocr page 42

36

De duitsche hotels zijn bij avond altijd ongezellig, maar vooral op een zondagavond. Home, sweet Home, There's no place like home! Gelukkig de mensch, die eer liij zich tor ruste begeeft, nog eeu brief naar

huis kan schrijven.

Dankbaar verliet ik den volgenden morgen bijtijds Eisenach, om mij over Fröttstedt te begeven naar Friedrichroda. Dat uitgelezen plekje vertoont een geheel ander karakter dan de stad, die ik had verlaten. Het heeft wel eenige gelijkenis in toon met Zeist, of met Godesberg. Iemand zegt er terecht van,'dat het geen Luxushad is, maar „eine grosse Viliegiaüirquot;. Na aan 't postkantoor een brief te hebben afgehaald, die goede tijding bracht van huis, en oen plaats te hebben besteld aan den open disch in 't hotel Zum Schauenhurg, doorwandelde ik eenige straten en wegen van het niet groote plaatsje, en za.ir tal van allerbekoorlijkste villa's, met uitlokkende balcons, en met het heerlijkst uitzicht op de schaduwrijke, dichtbegroeide bergen. Ik benijdde den heer, dien ik voorbij ging, tot wien ik van een balcon door een dame in goed hollandsch de vraag hoorde richten: „Kom je nog boven, Jan, of zullen wij maar beneden komen? 't Is net tijd, om den trein te halen.quot; — Mijn goed gesternte deed mij besluiten, om over de Gansekoppe te gaan naar de ruïne Schauenhurg. Uit

ocr page 43

37

al het schoone, waaruit ik te kiezen had, had ik dunkt mij, moeielijk een betere keus kunnen doen. De weg naar de twee Gansekoppe is tamelijk steil, maar niemand moet er zich door laten afschrikken. Nog levendig staat mij het uitzicht voor den geest, dat men heeft op de Rosstrappe in het Bodethal; maar ik geef den voorkeur aan het vergezicht van de twee genoemde punten. Op den voorgrond zag ik een groote uitgestrektheid dennenbosschen, in alle verscheidenheid van donker-groene tinten, en met den bodem zich verheffend en dalend. Daarachter bouwland, deels reeds geel deels nog groen, en opklimmend tegen de heuvelen; en daarachter in bevallige lijnen bergen, waartegen hier en daar een toren afstak, en waarlangs doorzichtbare, licht grijze wolkjes henen-dreven. De lucht was tamelijk bewolkt, maar gedurig werd in de verte een plek door het heerlijkst zonnelicht beschenen, alsof het vriendelijk oog van Boven daar met welgevallen zich op vestigde. Men doorleeft daar een dier stille oogenblikken, waarin Gods schoone schepping spreekt tot het diepst der ziel; 't is een oogenblik van heilige ontvangenis, waarin de Heer spreekt en wij hooren, Hij geeft en wij nemen. Nog vrij wat hooger is de Schauenburg, 634 meter boven de zee, en ik kan van dat punt slechts herhalen wat ik van het uitzicht op de Gansekoppe zeide; het is

ocr page 44

38

onuitsprekelijk schoon. — De open tafel in het hotel was zeer drok bezocht, maar 't genot van de uitnemende spijs werd voor mij een weinig bedorven door een allervervelendst echtpaar, dat aan mijn buurman en vóór mij heen een reisverhaal ten beste gaf door Thuringen. Hoe veel een rijtuig kostte van hier tot daar; waar en voor hoe veel zij ergens hadden gelogeerd: hoe de tafel was in dit hotel, en de wijn in dat hotel; en dat bijna overal der Aussicht wunderschön was. ... ziedaar hun reisindrukken. Ik geloof, dat kwitanties en menus hun heiligste reissou-venirs, en Speisekarten hun droomen waren. Gaarne beken ik, dat dit leed voor mij niet bijzonder groot was, en dat een bezoek aan FelsenJceller en Bein-hardtshrun het mij spoedig deed vergeten. Ik kan me begrijpen, dat vele landgenooten hun zomer-vacantie doorbrengon in Friedrichroda, en riep het, bij het heengaan, een hartelijk „tot weerzien!quot; toe.

En nu gespoord naar Weimar! In den trein had ik het genoegen twee duitsche officieren tegenover mij te zien gezeten, die mij stof gaven tot allerlei beschouwingen. Ik zal ze niet mededeelen. Mijn overburen waren jonge menschen, en nog niet hoog opgeklommen in rang. Maar zij behoorden tot dat groote, machtige leger, dat Frankrijk vernederd had! Ik bewonder de netheid van die duitsche uniformen;

ocr page 45

39

het zit alles even strak en keurig. Maar wat stappen die officiertjes daar hoogmoedig heen! Hoe recht staat het fijne kunstglas geplant op hun neus, en hoe juist geproportioneerd is hun taille! Men zegt, dat veel van die breede, mannelijke borst verdwijnt, als de uniformjas wordt afgelegd, en dat sommigen van die heeren een keurslijf dragen. Het zou toch wel een weinig belachelijk zijn, die Kruppkanonnen, in 't vuur gebracht door mannen, die hun leden persen naar droeve vrouwenzede! Maar het blijft een feit, dat het duitsche leger, op dit oogenblik, in de wereld een kracht vertegenwoordigt, die niet weinig tegenhoudt. Denk haar weg, en alles verandert, niet alleen in Europa, doch in meer dan één werelddeel. Daarom heb ik steeds met belangstelling duitsche militairen gadegeslagen, en die flikkerende Pickelhauben gaven mij steeds veel te denken. Ik zie ze liever dan de fransche ehacots of képis, en oen Landwehrman trekt mij meer aan dan een zouaaf. Nooit vliege de duitsche adelaar uit op roof — maar vast sta, dat zeg ik óók, die Wacht am Rhein!

Het hotel te Weimar, dat mij opnam, draagt den klassieken naam van Chemnitius, en ik kan het met de aangrenzende restauratie wel aanbevelen. Het is er niet grootsch, maar gemoedelijk, en zeer „billig.quot;

Den geheelen Dinsdag had ik bestemd voor het

ocr page 46

40

bezien van Weimar's kunstschatten, en voor het brengen van mijn ootmoedige hulde aan de nagedachtenis van do groote mannen, waaraan Weimar zijn grootsten luister ontleent.

Ik bewonderde de fraaie Doppelstatue van Groethe en Schiller, een dor voortreffelijkste werken van Eietschel; lang stond ik stil bij het standbeeld van Herder, en voor het huis achter de Stadt-kirche, waarin hij gestorven is; en een groot gedeelte van den voormiddag bracht ik door in het beroemde Museum. De afgietsels in gips, en de origineelen van vele beroemde boelden uit ouder en later tijd staan hier rustig en in grooten getale bijeen. De Apollo van Belvedère en de Mozes van Michel Angelo, Saturs en Madonna's, Amazonen- en Engelengestalten zijn hier vereenigd, typen van kracht en van reinheid, sprekende van een wereld, die voorbijging, en van eene, die voor ons zeker een werkelijke , maar toch ook nog de toekomende is. Wondere toovermacht van het schoone, die u lang doet stilstaan bij deze zoo rustig slapende Ariadne, of bij de vreeselijke smart van Laocoön en zijn zonen! Hoe jammer dat het schoone en het ware zoo dikwerf zijn gescheiden, en dat hier te Weimar aan het schoone een hulde is gebracht, waarbij aan het ware grootelijks onrecht werd gedaan.

De schilderijen, in dit museum bijeengebracht,

ocr page 47

41

vertegenwoordigen een groote waarde, en ook de nederlandsche school (ik denk bijv. aan Will. v. d. Velde) is er goed gerepresenteerd. Toch geef ik aan de Grallerie van Cassel den voorkeur. Maar wat hier vooral schoon is, zijn de muurschilderingen van Preller, tooneelen voorstellende uit de Odysséa van Homerus, en de illustratie van het „Sprookje van de zeven raven en de trouwe zusterquot; door von Schwind. Nog vele andere schatten bevat dit museum van allerlei aard, voor de geschiedenis en de beoefening der kunstnijverheid van de grootste waarde; maar tot rustig beschouwen en waardeeren van dat alles wordt veel meer tijd vereischt, dan waarover ik te beschikken had. Toch zal dat bezoek voor mij onvergetelijk zijn.

Het Park vond ik somber en niet keurig onderhouden , maar het paleis van den Groothertog is een bezoek overwaardig. Hier woont de zuster van onzen Koning, doch de vertrekken, die voor vreemdelingen opengesteld worden, zijn gewijd aan echt-duitsche mannen en herinneringen. Zoo zag ik dan ook de vier Dichterzimmer. Het vertrek naar Herder genoemd opende zich het eerst. Zeker, hij heeft deze vorstelijke hulde verdiend. Op het gebied des geestes is hij zelf een vorst geweest, een koninklijke gestalte. Of de weelde-teugen hem niet te zoet hebben gesmaakt?

ocr page 48

42

Of zijn prediking altijd geweest is een prediking van den Heiland, die verlorenen redden kwam? Of zijn laatste klacht, waarin hij zijn leven „misluktquot; noemde, misschien niet een kreet was van een geweten, dat getuigde van te weinig trouw, te weinig moed tegenover zoovele grooten en voortreffelijken naar de wereld ? . . .. Goethe en Schiller (de eerste vooral) zijn hier op hun plaats. De begaafde kunstenaars hebben in beider werken de tooneelen slechts voor 't grijpen gehad, om ze hier in beeld te brengen. De glans van 't genie straalt ons hier van alle zijden tegen. Hier is een der altaren, waarop geofferd wordt aan den Genius. He^; hart van den Christen gevoelt zich niet bevredigd, al geniet ons schoonheidsgevoel met volle teugen. — Het onbehagelijk gelaat van Wieland trok mij ook nu niet aan, maar wel bewonderde ik in deze vertrekken menig voorwerp, dat van zeldzame kunstvaardigheid en fijnen smaak getuigde, en zonderling werd het mij te moede in de keurige kapel vol vorstelijke geschenken. Niet de kunst, niet het schoone — slechts de waarheid, slechts Hij, die ons met God verzoent, bevredigt het hart des menschen. Hij alleen verdient, dat alle gaven worden neergelegd aan zijn voeten.

Te Weimar spreekt alles van Schiller en Goethe. Ook het kerkhof doet het, der neue Friedhof, waar

ocr page 49

43

in den vorstelijken kelder het overblijfseel rust der beide groote dichters, 't Was reeds laat in den middag, toen ik er aankwam. Juist was de begrafenis volbracht van een katholiek, en een knaap kwam van 't graf terug met een groot crucifix. Men moest nog een protestant begraven. Ik sloot mij aan bij den vrij talrijken stoet, die van den ingang van 't kerkhof de geheel met bloemen bedekte lijkkist volgde. Hetzelfde crucifix, dat zoo even dienst had gedaan, ging weêr voorop. Daarna volgde een predikant in toga, daarna de lijkbaar en eindulijk de betrekkingen, ook de vrouwen, met verdere belangstellenden. Ik vernam, dat de doode een metselaar was geweest, die van een steiger was gevallen, en dat hij vier jonge kinderen naliet. Het sterfgeval scheen veel deelneming te verwekken. Tot mijn leedwezen moet ik zeggen, dat de toespraak, welke de predikant hield, mij bitter tegenviel. Zij was meer dan koud en haar gehalte, aan het evangelie getoetst, zeer onbevredigend. Zij maakte dan ook weinig indruk.

Wonderschoon verlichtte de dalende zon den omtrek, en ik liep een der wegen op buiten de stad, om iets te zien van Weimar's onmiddelijke omgeving. De stad zelf toch trok mij niet aan, en ik nam mij voor vroeg terug te keeren naar vriend Chemnitius, toen ik aan een huis een bord bevestigd zag, waarop

ocr page 50

44

te lezen stond; Herberge zur Heimath. Reeds te Eisenach had ik verlangd een bezoek te brengen aan de aldaar geopende Herberge; nu maakte ik van de gelegenheid gebruik.

Zooals bekend is, treft men bijna in iedere stad van Duitschland een huis aan, waarin handwerksge-gezellen, die vertoeven buiten de ouderlijke woonplaats , goedkoop terecht kunnen, en in goede handen komen. De Hausvater van de Herberg te Weimar was een kloek jongman, die mij allervriendelijkst ontving. Hij had twee jaren lang een opleiding tot Hausvater ontvangen, en was dus niet iemand, van wien men niet veel meer kan zeggen, dan dat hij goedgezind is. Een gelegenheid tot opleiding van mannen sroor suppoost, weesvader, gevangenbewaarder, ziekenoppasser, enz. en dat alles in christelijken geest, missen wij in ons land zeer. De Hausvater uit Weimar liet mij zijn geheele tehuis zien, en gaf mij, behalve de huisregels, ook het tarief meê. Daaruit blijkt, dat men bij hem in de lste klasse logeeren kan voor 30 Pfge. !), een glas bier kost er 5, een bord soep met 1i2 brood 10, en een middagmaal 30 Pfge. Yoor f 1.80 kan men er een week op vrije kamer logeeren en ontbijten. De inrichting was dood-een-

') Op 60 ets. gaan 100 Pfeimige.

ocr page 51

45

voudig, maar alleszins doelmatig, frisch en net. Voor onze groote steden is zulk een huis, naar het mij voorkomt, een dringende behoefte.

De liefde is het meest. Na al het schoone, dat ik dien dag had aanschouwd, en na al de hulde, die ik meê had gebracht aan de nagedachtenis van Weimer's roemrijke dooden, was het mij onuitsprekelijk weldadig huiswaarts te gaan onder den indruk van hetgeen de liefde van Christus in onze dagen tot stand brengt. Zij alleen vergaat nimmermeer.

De Woensdag, 8 Augustus, was door mij bestemd, om uit Weimar naar Erfurt re gaan, en getuige te wezen van het groote Lutherfeest, dat aldaar zou worden gevierd. Ik zorgde bij-tijds aan 't station te wezen, werd met de grootste moeite een kaartje voor, en een plaats in den „Festzugquot; meester — en stapte circa 10 uur uit in het feestelijk getooide Erfurt.

Zooals men weet, heeft Luther op zijn reis van Wittenberg naar Worms in de stad, waar hij als student verkeerd, en na bangen strijd vrede had gevonden voor zijn hart, een wijle vertoefd. Hij werd er toen plechtig aan de poort ontvangen, en predikte er in de Augustijner-Kerk. Dit jaar nu, juist vier eeuwen na Luther's geboorte, hoopt men

ocr page 52

46

in eenige steden, waar de Hervormer lang of in gewichtige momenten van zijn leven vertoefde, de herinnering aan zijn persoon en werk zoo krachtig mogelijk te verlevendigen.

Te Erfnrt had men besloten in een gekostumeerden optocht Luther's intocht binnen de stad, terwijl hij doorreisde naar den Rijksdag, voor te stellen. Ik ben onuitsprekelijk blij, dat ik van dat feest getuige heb mogen zijn.

Erfurt, een stad van ruim 60,000 inwoners, verdient op zich zelf reeds een bezoek. Onze vriend Badeker doet haar geen volkomen recht wedervaren.

S Zelden jnag ik zulk een schoon plein als de Priedrich-quot;VVilhelms-Platz, met het uitzicht o. a. op de aan elkander grenzende prachtige Dom- en Stiftskerken. Binnen de stad troffen telkens van die oude hoekjes en bochten mijn aandacht, die onze moderne steden missen, en waarin de poëzie van 't verleden nog aan enkelen een kort renclez-vous vergunt. Doch op den 8 Augustus was voor een goed deel het eerwaardig Erfurt versierd met eiken- en met sparrengroen. Al de straten, waarlangs de optocht zich bewegen zou, waren getooid niet alleen met groen, maar met allerlei herinneringen aan Luther. Boven vele huisdeuren prijkte zijn beeldtenis in velerlei formaat, doch dezelfde type vertoonende. Overal zag

ocr page 53

47

men spreuken van hem aangebracht, en niet weinig Wirtschafte gaven naast zijn portret het wel bekende

Wer nicht liebt Weib, Wein vmd Gesaug,

Der bleibt ein Narr sein Leben lang,

den volke te lezen. Medailles, feestprogramma's, feest-couranten en bouquetten werden kwistig te toop aangeboden, en de menigte vreemdelingen, golvend door de straten, groeide steeds aan. Men schat het aantal feestvrienden, die van buiten kwamen, op 40,000.

Te 10l/2 uren was ik in de Augustijner-kerk, dezelfde waarin Luther op zijn doorreis had gepredikt. Zij was te klein om alle belangstellenden te bevatten; ik was blij dat ik er staan kon. 't Grebouw was keurig versierd met sparrengroen; een voortreffelijk koor leidde het gezang, en de leerrede van den Lie. theol. Eietschel, eondirector des theol. Seminars, Oberpfarrer und Superintendent te Wittenberg, was uitnemend. Hij nam denzelfden tekst, dien Luther had genomen, nam. de verschijning van den verrezen Heer aan de apostelen op den dag zijner opstanding. Treffend toonde hij aan, hoe de Heer ook bij Luther door gesloten deuren was binnengedrongen en tot zijn hart zijn „Vredequot; had gesproken, en hoe het werk van Luther toch eigenlijk ook een vredewerk is geweest

ocr page 54

48

en wezen wil. Het was een stichtelijk en verheffend samenzijn.

De restauratie door Badeker aanbevolen, en die mijn lichaam sterken moest tot het volgen van den optocht, was wanhopig vol. Maar er heerschte een geest, niet ongelijk aan dien van onze Zendingsfeesten; men hielp elkander voort, en was in 't wachten geduldiger dan gewoonlijk. Op den Friedr. Willi. Platz zou de stoet worden „aufgesteltquot;, om van daar naar de Schmidtstederpoort te gaan, waar men Luther plechtig ontvangen en de stad binnenleiden zou.

Het was een schoone zomerdag, en in grooten getale stroomden de Heeren en Dames toe, die aan den optocht deel zouden nemen. Te 3 uren, precies, stelde hij zich in beweging. Te midden van 't gedrang staande, zag ik hem toen slechts gebrekkig — maar bij de Augustijner-Kerk zou de stoet stilstaan, on zou door een mannenkoor Luther, in zijn wagen gezeten, een lied worden toegezongen. Ik begreep dat dit een hartverheffend moment zou wezen, en nam tijdig een plaats in de tribune naast de Kerk, welke een prachtig gezicht vergunde op het geheel, 't Was half 5 toen de stoet naderde. Laat mij zeggen, dat geheel Erfurt aan de eer om Luther in te halen, deel wou hebben. Alle gilden, alle standen waren vertegenwoordigd. Voorop gingen landsknechten uit de

ocr page 55

49

16® eeuw, gevolgd door den Stadsheraut met den Standaard; daarop kwamen schilderachtig gekleede fanfare-blazers en eenige gilden, als de mijnwerkers, bakkers, boekbinders (met een reusachtigen bijbel van Lnther), smeden, schoorsteenvegers, timmerlieden, barbiers, slagers en meesters te paard. De burgerij, de kern der bevolking, wou niet ontbreken bij het huldigen van Luther's nagedachtenis.

De tweede groep werd gevormd door studenten. Zij waren opgekomen met hunne banieren ten getale van meer dan 600, uit Bonn, Breslau, Erlangen, Freiburg, Giessen, Marburg, Gottingen, Jena, Halle, en vormden met de muziek, die zich luid hooren deed, een opwekkend en schitterend schouwspel. Zij waren allen in 't kostuum der 16° eeuw, met de eigen universiteits- of faculteitskleuren. Mij trof hot zeer, dat zij hun ouders niet tot zulke buitensporige uitgaven genoopt hadden als dat, helaas, hun Xeder-landsche broeders doen bij hun optochten. De duitsche studenten droegen degens van hout met ijzeren gevest, en hun mantels waren van de eenvoudigste stof. Zelfs heb ik harnassen gezien van karton met gouden zilverpapier beplakt; en toch verzeker ik u, dat ik nooit in ons land zoo iets schilderachtigs heb aanschouwd. De dames wierpen bij menigte aan de spes patriae groene kransen toe, die behendig met

ocr page 56

50

de degens werden opgevangn en om den hals geworpen. Men behoeft niet die onzinnige weelde van onze studenten, om iets schoons en voortreffelijks te zien te geven, en ik wenschte wel, dat alle aanstaande maskerade-commissiën te Erfurt waren tegenwoordig geweest.

Luide was het gejubel, waarmee door de studenten het beeld van Luther werd begroet, dat men bij de Augustijner kerk had geplaatst — maar het zweeg toen in de derde groep de wagen naderde, waarin Luther was gezeten. Zijn rol werd vervuld door een burger van Erfurt, wiens gelijkenis met den Hervormer inderdaad treffend was. Hij was (men vergunne mij de uitdrukking) een echte Luther-kop. Te Erfnrt heb ik gezien, hoe nauw nog altijd de betrekking is tusschen het Duitsche volk en den Hervormer. Hij is een echte duitscher geweest, de schepper van het duitsche proza, de vader van het kerkelijk volksgezang, de vertegenwoordiger van duitsche trouw en duitschen humor, de verdediger van duitsche vrijheid tegenover paus en keizer. Niet alleen als reformator, maar ook als zoon van Duitschland leeft Luther voort, en onze duitsche broeders hebben daarin een voorrecht boren ons. Onze Hervormer, ik bedoel Calvijn., is een vreemde,- die onze taal niet sprak, en wiens machtige geamp;st ons wel boheerscht heeft, maar 'och

ocr page 57

51

aan zeer veel, dat ons kenmerkt, altijd vreemd is gebleven, terwijl de duitsche Hervorming in Luther haar nationale verpersoonlijking aanschouwt.

En daar naderde de zestiende-eeuwsche lage huifwagen, waarin Luther was gezeten, met Amsdorf naast, en Pezensteiner en Suaven tegenover zich. De wagen werd begeleid door 25 studenten, en gevolgd door Crotus Rubianus, 40 professoren, raads-heeren en magisters te paard, waaronder Justus Jonas, Sturz, e. a. Vóór den ingang tot de Augustijner-kerk stond deze groep stil, en terwijl alle anderen zwegen hief het koor aan:

Wie weihevoll sind cliese Hallen!

Hier ging der als gebundner ein,

Der nach des Höchsten Rat uns allen Ein Hort der Freilieit sollte sein.

Ik doorleefde zelden een meer aangrijpend oogen-blik; ik was geheel verplaatst in Luther's tijd, en gevoelde levendiger dan ooit de grootheid, de smart, de beteekenis van zijn strijd en van zijn werk. De meesten, daar tegenwoordig, de duizenden, die daar het hoofd ontblootten, hebben daar iets van gevoeld, en al had ik dien dag niets anders aanschouwd dan dit tafereel, ik was reeds voldaan geweest. Maar eindelijk stelde de stoet zich weer in beweging, en

4'

ocr page 58

52

talrijke groepen van studenten en professoren van de duitsclie hoogescholen, met vaandels en banieren trokken bij de tonen der muziek in opgewekte stemming en teekenaclitigen dos voorbij.

De vijfde of laatste groep werd gevormd allereerst door geharnaste ridders en patriciërs te paard. Meer dan een zou ik gaarne in effigie bezitten. Daarop volgden Putriziërs, Patriziërinnen und Jungfrauen te voet. Zij heetten niet slechts patriciërs, maar waren het. Trotsch stapte daar een achtbaar raadsheer tnsschen zijn beide dochters voort, in het allerbe-valligst en kostbaar kostuum van de de IG06 eeuw. ilen betreurde het, dat zulk een groep zoo spoedig voorbij ging. Aan al de ambachten, welker vertegenwoordigers nu volgden, kwam bijna geen einde, molenaars, schoenmakers, wevers, schilders, enz.; maar allerbevalligst waren de in 't wit gekleede tuin-meisjes. Welnu, dit bedrijf was niet alleen vertegenwoordigd in den optocht door een aantal Gartnerinnen, maar in een prachtig met groen en bloemen versierde wagen zat. Flora voorstellende, een beeldschoon meisje, de dochter van den voornaamsten bloemist uit Erfurt. Dit was juist zoo aantrekkelijk in dezen optocht, dat ieder er aan meedeed, iedereen zich gedrongen gevoelde zijn hulde te brengen aan den grooten Hervormer, den grootsten zoon van Saksen. Wanderburschen und

ocr page 59

53

fahrende ScMler volgden, terwijl door landsknechten het geheel gesloten werd. Nimmer zag ik schooner historischen optocht. Hier wrerd een feit herdacht, dat vrij wat belangrijker heeten mocht, dan die on-heteekenende intochten, waarop wij altijd onthaald worden. Hier geen anonymi, hier geen voornaamheid — maar een algemeene deelneming, waarbij ieder op zijn plaats en de geestdrift niemand vreemd was. Te 6 uren was de stoet, die stevig doorstapte, terug op den Fried. Wilh. Platz. Een kolossale buste van Luther stond daar tusschen twee tribunes. Op een er van nam hofprediker liogge uit Berlijn het woord. Ik verstond hem niet, maar dat was niet zijn schuld. Den volgenden dag sprak ik hem — maar hij was volslagen heesch ten gevolge van zijn inspanning. Met het zingen van „Ein feste Burg'' door al de verzamelde duizenden aangeheven, werd de optocht ontbonden, die in alle opzichten als volkomen geslaagd kan worden aangemerkt, en er zeker krachtig toe bijdragen zal, om Luther's beeld en werk diep te prenten in het hart van allen, die op 8 Augustus te Erfurt waren.

De dag werd besloten met Gartenfeste. Ik besloot te gaan naar Steigers Etablissement, waar prof. Beyschlag uit Halle een feestrede zou houden. Gezelliger samenzijn dan in dien grooten tuin kan men zich niet

ocr page 60

54

voorstellen. Ik kwam niet laat, maar er was geen denken aan, om een stoel machtig te worden. Met de grootste kalmte werden echter de vensterluiken afgehaakt, en werd alles het huis uitgedragen, wat maar eenigzins tot zitplaats strekken kon. Ik heb op een luik gezeten, en alzoo kennis gemaakt met een erfurter familie, die er zeer mee was ingenomen, dat heel uit Holland iemand was gekomen, om met hen feest te vieren. De studenten zaten in een oogwenk boven op het dak. Vele gekostumeerden vertoonden zich te midden van het publiek. Een zangkoor gaf motetten en koralen ten beste; een muziekcorps kweet zich goed van zijn taak — en te midden van die gemoedelijk-bhjde menigte verkreeg prof. Beyschlag het woord. Ik had de vrijheid gevonden, hem te bedanken voor zijn Levensbeschrijving van zijn broeder, en had het voorrecht ieder woord van hem te kunnen verstaan. Hij drukte er zijn leedwezen over uit, dat hij niet als een volksredenaar, maar helaas! slechts als een professor kon spreken. Hij deed dat ook, talentvol, bezield, sierlijk — maar niet in overeenstemming met de plaats, waar hij stond. Zijn beschouwing over het humanisme was wel belangwekkend, maar weinigen bleven luisteren. Zijn stem was trouwens ook niet krachtig genoeg, om velen te bereiken. Ik was echter blij hem gehoord te hebben.

ocr page 61

55

Met zijn kerkelijk standpunt kan ik mij niet vereenigen — maar hij is ongetwijfeld een man, naar wien men moest luisteren, als hij spreekt. — Ik zag oceanen bier om mij henen vlieten in altijd dorstige keelen, doch van dronkenschap zag ik geen spoor. Toen ik heenging klonk mij, dicht bij den uitgang, zulk een heerlijk gezang tegen, door een groep studenten aangeheven, dat ik noode voortstapte — maar de tijd drong er toe, zou ik nog terug kunnen keeren naar Weimar. Met groote moeite veroverde ik in een spoorweg-coupé een staanplaats, en kwam behouden ongeveer middernacht weêr in 't hotel Chem-nitius aan. Hartelijk hoop ik, dat dit feest, naar den wensch van hen, die 't ontwierpen , er toe moge bijdragen om in het duitsche volk den geest des geloofs te doen herleven, door welken Luther een hervormer, een prediker der waarheid en een zegen voor de menschheid is geweest.

Het feest te Erfurt zou worden besloten met een Ausflug naar Eisenach en den Wartburg. Ik vertoefde dan ook den volgenden dag een paar uren te Eisenach, hernieuwde de kennis met Herr Röhrig, keek naar enkele gekostumeerden, die rondliepen, doch had geen lust, om bij den vallenden regen, den Wartburg op te klimmen. Mijn plan bracht bovendien meê, dat ik dien dag nog tot Cassel door-

ocr page 62

56

ging. Gegroet, gegroet lieflijk Thuringen! Als Grod het wil, zie ik u nog wel eens weer.

Op mijn bezoek aan Thuringen gebracht, volgde een verblijf van enkele dagen te Munster am Stein in het Kahedal, ruim een half uur voorbij Kreuz-nach. Op de alleraangenaamste wijze, als gast van Utreehtsche vrienden, heb ik kennis gemaakt met het lieflijk dal, waar de Nahe door heen kronkelt. Ebernburg en Rheingrafenstein, Disibodenberg en Dhaun, niet licht vergeet ik het bezoek, dat ik aan u brengen mocht, en van ganscher harte herhaal ik hier den dank voor de genoten vreugd en vriendschap, waarvan de herinnering onuitwischbaar bewaard blijft in het boek van de kronieken mijns harten.

Het slot van mijn uitstapje zou do deelneming vormen aan de Festwoche te Bannen. Wat daarmee bedoeld wordt, is voor de meeste lezers dezer bladzijden, naar ik vermoed, geen verborgenheid. Het Wupperthal vormt een centrum van christelijke werkzaamheden en vereenigingen, die gewoon zijn in 't begin van Augustus haar jaarfeest te vieren. Het middenpunt van die feesten vormt de Woensdag, waarop het lihijnsche Zendinggenootschap zijn jaarfeest viert. Meer dan eens had ik een gedeelte van

ocr page 63

57

de Festwoche te Barmen doorgebracht, en was er steeds van teruggekeerd met de aangenaamste indrukken.

Laat mij een en ander verhalen mogen, van hetgeen ik er dit jaar heb gehoord en gezien. Met verscheidene landgenooten was ik de gast van den heer Inspektor Dr. Pabri, en logeerde dus in het Missionshaus te Barmen. Onze gastheer had de vriendelijkheid gehad twee in elkander uitloopende logeerkamers aan een viertal Hollandsche goede vrienden toe te wijzen, van wie ik er één was. Wij vormden dus een nederlandsche kolonie. Dit was echter niet het eenige en grootste genot, aan 't verblijf in 't Missionshaus verbonden. Het wordt vooral daardoor aantrekkelijk gemaakt, dat men er bekende en geliefde personen ontmoet, en de gast is van een man als Dr. Fabri.

Dat laatste vooral moet men niet gering achten. Genoemde Doctor is een man van beteekenis. Aan zijn adviezen over vraagstukken van politieken en kerkrechtelijken aard hecht geheel Duitschland groote waarde. Weinigen hebben zulk een grondige kennis van de hedendaagsche staatkundige verwikkelingen en verhoudingen, vooral in Oostelijk Europa, als Dr. Pabri. Zijn Missionshaus is als een geestelijk observatorium. Bovendien is hij een diepzinnig denker en theoloog. Zijn brieven tegen het materialisme

ocr page 64

58

doen zien, welk een omvattende kennis hij bezit ook van de exacte wetenschappen, en hoe hij het wapen der dialectica weet te hanteeren.

Wanneer dan ook in 'fc Missionshaus de Abendandacht is afgeloopen, en de dames zich hebben teruggetrokken uit de eetzaal, scharen de heeren zich om de tafel, waar de heer Insp ektor aan gezeten is. Voor-treffelijk bier vervangt de thee, en Dr. Pabri is bereid, om zijne gedachten meê te deelen over 't een of ander gewichtig punt, dat ter sprake wordt gebracht. Dit geeft bijna altijd aanleiding tot een gedachten-wisseling , waaraan interessante mannen deelnemen, die tot Dr. Fabri's gasten behooren, en waarvan men geen getuige is, zonder veel te leeren. Het is bijna altjjd middernacht, als de gastheer het sein tot scheiden geeft. Eigenaardig is ook het ontbijt in 't Missionshaus. Men kan vooraf een indruk krijgen van het leven en de opleiding der Zending-kweeke-lingen. Zij dragen lichte linnen jasjes, en zien er over 't geheel allereenvoudigst uit. Een der be-kwaamsten hunner, die een goede bekende was van een der vier hollandsche kolonisten, was barbier geweest, eer hij, naar den wensch zijns harten, in 't Missionshaus werd opgenomen. Hij vroeg ons, of wij ook van zijn talent wilden gediend zijn, en ik kan getuigen, dat hij nog meesterlijk zijn vak ver-

ocr page 65

59

staat. Ik deel dit feit mee, als kenmerkende voor den geest, die te Barmen heerscht. Die kweeke-lingen ontvangen een opleiding, welke hen in kennis van Grieksch en Hebreeuwscli en van de theologie op een hoogte brengt, welke niet alle vaderlandsche predikanten bereiken; maar hoe opmerkelijk is hun bescheidenheid! Zij hebben ons bediend achter tafel, onze laarzen gepoetst en ons gebarbierd met de grootste vriendelijkheid en eenvoudigheid. Dr. Fabri is een man tegen wien ieder opziet — maar let eens op, hoe zijn kweekelingen letterlijk voor hem vliegen, en hoe gelukkig ze zijn, als hij hun een geestig of erkentelijk woord ten beste geeft. Ik weet wel, dat men hierop zal zeggen: „Dat is alles Duitsch/quot; Ik antwoord hierop; „En bij ons is alles — Nederlandsch!quot; Vóór 't ontbijt blazen eenige kweekelingen , geplaatst op een hoogte achter 't Missions-haus, op koperen instrumenten ettelijke koralen en wijden daarmeê gedurende de Festwoche eiken dag feestelijk in. In de kamer waar men ontbijt, en waarvan de wanden met tallooze portretten zijn bedekt, ontmoet men mede-gasten, en de zendelingen die er tijdelijk toeven om uit te rusten. Op ongedwongen wijs maakt men er kennis, en spreekt men er, totdat Dr. Fabri binnen komt, met een krachtig „Morgenquot; groet, en plaats neemt aan tafel.

ocr page 66

60

Dit jaar zou de zendingsrede in de Unterbarmer kerk worden gehouden door pastor Funcke uit Bremen, den bekenden en geliefden schrijver der „Rei-sehilder und Heimatklangequot; en van zoo menig gretig gelezen werk.

Ik verlangde zeer dien begaafden man te zien en te hooren. Ter bestemder ure zag ik hem verschijnen in den ontzaglijk hoogen preekstoel, waaruit men op het publiek, dat in 't ruim der kerk zit, een blik kan werpen a vol cfoiseau. Funcke is een man van ongeveer 40 jaar, van een slanke gestalte, met een donker voorkomen, hooggewelfd voorhoofd, zeer vriendelijke oogen en een alleraangenaamste stem. Hij vertelde mij, toen ik hem 's namiddags ontmoette, dat hij zich niet erg op zijn gemak had gevoeld op dien hemelhoogen kansel, en men kon het een tijdlang , terwijl hij sprak, bemerken, dat hij niet stond „in 't midden zijns volks.quot; Doch al sprekende, werd hij meer en meer zich zelf. Hij sprak, en hij preekte niet. Dat hij met enkele anekdoten zijne rede illustreerde, laat zich denken, ook al zeggen wij het niet. Maar het geheel van zijn toespraak over de woorden: „Alles wat adem heeft, love den Heer!quot; was hoogst ernstig. Karakteristiek was de aanhef. Funcke had eens aan een begaafd prediker gevraagd om een tekst voor een zendingsrede. Hij had ten

ocr page 67

61

antwoord gekregen: preek over Job I, waar wij lezen, dat de Satan verschijnt te midden van de kinderen Gods. Tot de lieden die hij hoorde zeggen: „Dus, gij zult al weer over dat domme, prozaïsche geld sprekenquot;, zeide hij: „Als gij dat geld zoo nietig en onbeduidend vindt, geeft het dan maar aan ons. De zending kan het best gebruiken. Het geld is prozaïsch , als gij het voor u zelf houdt, maar als gij het neerlegt aan Jezus' voeten, wordt het louter poëzie.quot; Dat de wereld houdt van gedruisch en ophef, lichtte hy toe met het volgend verhaal. Funcke zat onlangs in een Wirtschaft met een heer, die een grosses Skandal maakte. Niets deugde. Hjj liet de bedienden heen en weer hollen, dat zij haast wanhopig werden. En tegenover hem zat een zedig landmeisje, dat zeker voor 't eerst op reis was. Zij maakte zelfs een buiging voor den Kellner, die haar bracht wat zij besteld had. Toen zij opstond en nog wel een fooi had gegeven — werd zij door het dienend personeel achter den rug uitgelachen; maar toen die winderige mijnheer zich verwijderde, zonder een Trinkgeld te geven, boog alles voor hem, diep en eerbiedig. Dat is, zei Funcke, de wereld! Ernstig wees hij er op, hoe de arbeid van de innere Mission bijval vindt en steun bij filanthropen, en hoe zelfs vorsten en vorstinnen er aan meedoen —

ocr page 68

62

maar de zending onder de heidenen blijft voor de rekening van de gemeente alleen. Zij is dus een eerezaak der gemeente; want eenmaal moet en zal alles wat adem heeft God loven.

Eene fraaie schets, diepzinnige gedachten, stoute oratorische wendingen bracht deze leerrede niet; maar zij droeg den stempel van Puncke's persoonlijkheid, en dat deed mij onuitspx-ekelijk veel genoegen. Ik hoorde, dat vele stemmige lieden uit het Wupperthal zich met dezen preektrant niet konden vereenigen, het niet „stichtelijkquot; vonden. Het speet mij voor hen; ik was zeer gesticht, evenals de ge-heele hollandsche kolonie.

Laat mij hier nu nog bijvoegen, dat Puncke, met wien ik 's namiddags eene wandeling maakte, volstrekt niet een man is, die de eene geestigheid of anekdote na de andere ten beste goeft. Hij is een ernstig man, wien de nood van zijn volk zeer ter harte gaat, en die kennelijk zijn gave om boeiend en onderhoudend te schrijven, alleen gebruikt om het evangelie, om Jezus Christus te prediken aan hen, die geen stichtelijke boeken lezen, en geen kerk meer bezoeken.

Op den middag van den zendingsdag hielden onderscheiden sprekers, ook een van de hollandsche kolonie, vrije toespraken tot de menigte, die wederom het ruime kerkgebouw geheel vulde, en aan

ocr page 69

63

het drietal uren, des morgens binnen deze muren doorgebracht, een ander drietal toevoegde. Daarna hield min in de Vereinshduser te Barmen en Elber-feld nog bijeenkomsten, waar men tegen kleine entree in vertering veel koffie, veel rook en vele toespraken ontvangt, en geheele families vereenigd ziet, die van alles bijzonder jonisseeren. Het souper kan men genieten in meer dan één huiselijken kring, die voor gasten zeer gaarne wordt ontsloten. Ik keerde terug naar 't Missionshaus.

Daar logeerde ook prof. von Orelli uit Bazel, die op Donderdag zou spreken over „moderne Evange-lisations-methoden.quot; Hij is nog een jong man, met een oog-opslag, die u voor hem inneemt, en van de grootste bescheidenheid. Zijn hoek die Alttestament-hche Weissagung had mij zeer veel geleerd, even als zijn Reis naar Palestina mij bekoord had. Zijn referaat, dat in druk zal verschijnen, was meesterlijk, maar vernietigend voor het Leger des Heils. Aan de diskussie er over namen vele beroemde en niet-be-roemde mannen deel, en wederom werden de drie uren vol, eer de bijeenkomst uiteen ging. 's Namiddags was er weer een zendingsfeest in de open lucht, maar de hollandsche kolonie gaf den voorkeur aan een prachtige wandeling door het veel te weinig bekende en aan natuurschoon toch zoo rijke Wupperthal.

ocr page 70

64

De Vrydag-morgen was open gehouden voor de Prediger- Confer enz, waarin de heer pred. Reiff uit Stuttgart een referaat leverde, dat de theologie van Ritschl bestreed, en tot vele diskussies aanleiding gaf. Te half één uur vertrok de trein, die mij uit Bannen zou brengen over Winterswijk naar een vaderlandsche pastorie, mijn laatste station vóór het dierbaar eigen thuis. De herinnering, van daar meegebracht, was in volkomen harmonie met de stemming, waarin ik mijn uitstapje had begonnen. Ik ontmoette hartelijke vrienden, genoot gulle gastvrijheid , en bracht een schat mee van indrukken, die, naar ik vertrouw, nog dikwijls mijn hart verkwikken zullen.

ocr page 71

BIO'EÏÏ DE GREUZEI.

ocr page 72
ocr page 73

„Ons leven is een scaag verreizen en vertrekken.quot; De waarheid van dit woord wordt misschien nergens klaarder veraanschouwlijkt dan aan onze groote spoorwegstations. Ik denk het telkens, als ik wandel op het trottoir of ga door de wachtkamers van het station te Utrecht, het centraalpunt van ons land. Er zijn eiken dag tusschenpozen, waarin het daar zeer stil kan wezen, maar gedurig is het er zéér levendig en woelig. Reeds lang vóór het vertrek van de treinen, die in verschillende richting zullen wegstoomen, ziet men er reizigers arriveeren, die „liever een kwartier te vroeg dan een seconde te laat komen.quot; Doch ongemerkt groeit de menigte aan, die dikwerf zich verdringt tegen het oogenblik, waarop een trein „voorquot; komt. quot;Welk een gejaagdheid bij de passagiers, die niet gewoon zijn op weg te wezen! Welk een kalmte bij de abonnés! Welk een uitzien van vele aanwezigen naar verwachte gasten! Welk een blijdschap bij het weerzien! Er is iets verkwikkends in, als menschen elkander zoo hartelijk begroeten,

5-

ocr page 74

68

en 't is een heerlijk gevoel, zoo vriendelijk ontvangen en zoo feestelijk ingehaald te worden. Wat al vragen, en wedervragen ziet men doen! Ik verlustig mij er in, zoo dikwijls als ik er getuige van ben.

Maar ook, welk een gedurig scheiden! Men is aan een drlk station veel vrijer in de uiting van zijn gevoel dan aan een eenzame halte. Ieder moet er, in het gewoel, voor zich zelf zorgen, en men heeft geen tijd op anderen veel te letten. Hoe stil zitten sommigen in de wachtkamer hot oogenblik te verbeiden , dat hen van elkander zal doen gaan, terwijl anderen onrustig heen en weder loopen. Eindelijk vóór den waggon of van uit den waggon -— daar wordt de laatste handdruk, de laatste kus gegeven. Och, velen die daar afscheid nomen, zullen elkander op aarde niet wederzien.

Te midden van al dat komen en gaan doen de spoorbeambten hun werk. De bagage, de vrachtgoederen, de ijlgoederen, de postpaketten, do korven met geliefde honden: 't wordt alles met groote vaart, en niet altijd met groote omzichtigheid, gelost en geladen; de billetten worden „gekniptquot;; de portieren heftig dichtgeworpen; nog een enkel passagier komt aanijlen, gevolgd door een „damequot; (op onze spoorwegen kent men geen vrouwen, die geen „damesquot; zijn) zwoegend onder een kind met toebehooren; uit

ocr page 75

69

de rijtuigen „Niet rookenquot; stijgen reeds de rookwolkjes van de sigaren der passagiers, die bijzonder in de gunst zijn bij de Heeren conducteurs — en onder een demonisch gillen stelt zicli de „vurige salamanderquot; in beweging, die onmisbaar werd, en door velen tocli nog altijd niet vertrouwd wordt.

Verwonderlijk kalm staat te midden van dat alles de beambte aan de bel, die het sein geeft tot vertrekken. Geen mensch is een treffender beeld van de plaats, die onder ons de dood inneemt. Hij geeft onherroepelijk het oogenblik van scheiden aan. Hij weet, wanneer het „tijdquot; is. — Mocht ook van ons, „als wij van de aarde eens scheidenquot;, naar waarheid gezegd kunnen worden: „klaar!quot;

— Ik kom er voor uit, dat ik gaarne reis met den spoortrein, en dat mij met niet éen reisgelegenheid de tijd minder lang voorkomt. Zeker, een tochtje met een stoomboot heeft zijn aantrekkelijkheid, en wie in dezen zomer bij prachtig maanlicht heengleed over den zilveren Vecht, of bij helder zonlicht over den levendigen Vaartschen Ehijn, of welken stroom gij ook wilt, — hij genoot; maar een gevoel van onrust en ongedurigheid komt spoedig over ons ook op de ruimste salonboot. Graat gij langs een weg om te zien — wandel dan; maar begeeft gij u op reis naar een eenigzins verafgelegen plaats, de loco-

ocr page 76

70

motief is mv gewillige dienaar, en al is het hijgend, spoedig zal hij er n brengen. Inmiddels ziet gij links en rechts uit uw coupé toch nog veel , dat kan bekooren en boeien. Ik ondervond het nog in Augustus 11.

De sneltrein van Utrecht naar Arnhem rijdt, althans voor een Nederlandsche spoorwagen, vrij snel. Niet lang nadat gij een laatsten blik hebt geworpen op den Domtoren, die statig boven de stichtste stad zich verheft, ijlt gij het sierlijk kerkhof van Utrecht voorbij, en hoe dicht het stoomtuig ook heenvaart langs den akker der dooden: zij die daar rusten onder groene zoden of harde zerken, zij slapen voort.....

Gansch andere gedachten wekken de houtensche lunetten en de forten, welke een geduchten gordel

slaan om de gordels van groene waranden, die, zoo als ter Haar zich uitdrukte, de „grijze stad met haar njzigen Domquot; omringen. Geven die versterkingen ons vrijmoedigheid, om het lieve vaderland toe te roepen: „Kannst rullig sein?quot; Wij willen het hopen, en niet desespereeren. Inmiddels houden wij stil aan onze eerste en eenige rustplaats, te Zeist-Driebergen. Het is gelukkig, dat wij 't weten. De conducteurs roepen 't wel uit, maar onverstaanbaar. Ik zou wel eens weten willen, wie hen heeft leeren spreken, of onderwijs gegeven in de aard-

ocr page 77

71

vijkskunde. Abcoude klinkt in hun mond als Apollo, en Har melen als Gamelang. Maar dat wij te Zeist-Driebergen zijn, ziet gij aan de vele palfreniers in livrei, die dames met prachtige bouquetten in of uit de rijtuigen helpen, en aan de vele deftige Heeren, die gij hier uit ziet stappen en stijgen in de hen wachtende equipages. — En nu ijlt de trein voort, om eerst weer te Arnhem stil te houden. Weldra begint het terrein te golven; daar vertoonen zich de dennenhosschen, daar ziet gij de bloeiende heide. Gegroet, gegroet, gij bloeiende velden met het nederige kruid! Gij riekt van honig. Gij bekoort door uw eenvoud. Het met weinig tevreden schaap zijt gij tot spijze — terwijl het deftige rund u versmaadt, en toch bezitten uw onafzienbare velden een onuitsprekelijke bekoorlijkheid, eu kleedt gij de glooiing wonderschoon. Is uw tint misschien iets te zwaarmoedig, zij is aan afwisseling rijker dan de groene, groene weide. Gij eischt weinig zorg, maar wat gij biedt, geeft ons zachte wol en zoeten honig. Hoe vriendelijk omzoomt gij den boekweitakker, en hoe levendig kleurt gij berm en boschkant, terwijl gij uw pollen uitstoelt te midden van brem en varen. Ik weet, dat onze ekonomen u geen goed harte toedragen; vóór jaren hoorde ik reeds in een akade-mische gehoorzaal profeteeren, dat gij zoudt moeten

ocr page 78

72

verdwijnen; cn de wolrijke kudden, die u bekleeden, zijn door een Volksvertegenwoordiger de grootste vijanden van beschaving en landbouw genoemd. Gij bloeidet niettemin ook in deze Augustusmaand wonderschoon, en tusschen Maarsbergen en Ede voort-stoomende, heb ik u, als vrienden mijner jeugd, gegroet, en van u genoten. — Over den harden bodem snelt het spoortuig moedig voort; weldra ziet gij den Ilhijn; en aan den linkeroever van dien grootvorst van Europa's stroomen de Betuwe, waarboven een grijsachtig-blauwe nevel hangt; — en nu gaan u voorbij, hooger of' lager gelegen, die sierlijke buitenverblijven, welke (vóór korter of langer tijd) verrezen rondom Gelre's hoofdstad. Ik waag het niet ze te beschrijven, in hun eigenaardigen stijl of onstijl, met hun veranda's en balconnetjes, hun torentjes en serres — maar menigmaal den wensch uitlokkende: „Mocht ik daar een pooze wonen! Met dat heerlijk uitzicht over den kronkelenden Rhijn, de vruchtbare Betuwe, het schilderachtig Arnhem, de fraaie bos-

schen, de bevallig-gelegen huizingen!quot;.....

Öp eenmaal werd mijn oog levendig getroffen door een groot, grijs koepeldak, dat ik mij niet herinnerde vroeger gezien te hebben. Ik vernam, dat het een nieuwe cellulaire gevangenis was. Hoe kwam men op het denkbeeld, daar dit gebouw te plaatsen?

ocr page 79

73

De grond tegen den prijs van „bouwterreinquot; gekocht , is natuurlijk zeer kostbaar; was er geen goed-kooper plaats te vinden geweest? De omtrek wordt door dit zonderling gebouw beslist ontsierd; wat bewoog de bevoegde maclit, om dit verblijf der scliande te doen verrijzen in dit paradijs? Voor hen, die daar zijn opgesloten, ontrolt het landschap te vergeefs al zijn schoon; moet het soms voor hen, die er voorbijgaan, dienst doen als een waarschuwing, als een memento? Ik vat het niet. Zeker is 't voor hen, die in de nabijheid wonen, zeer onaangenaam, door dit grijze gevaarte telkens te worden herinnerd aan misdrijf en straf, aan verloren levens en verwoest geluk____ En zoo heeft, nu en dan, de Staat

zijn oogenblikken, waarin zijn handelingen minder gelukkig moeten heeten.

't Is heerlijk, midden in den zomer, op een schoenen zondagmorgen te ontwaken op een dorp. Wie denkt dan niet aan Uhland's: „Der Himmel ist so feierlich?quot;

De sikkel rust, en de ploeg snijdt zijn voren niet door den akker. Het werkpaard wordt niet gehaald uit de weide, en over alles ligt een waas van rust en vrede. Het is de dag des Heeren. Hoort, daar luidt de klok, en ieder weet het nu, dat over een

ocr page 80

74

uur het bedehuis de gemeente wacht, om Gods naam aan te roepen, en Gods woord te hooren. Mij klonk dat klokgelui zeer harmonisch in de ooren. Mij dunkt, het behoort bij den Zondagmorgen. Fivos vocat, het roept: komt, laat ons opgaan naar het huis des Heeren!

Velen echter houden zich als doof. Bestemmen zij den Zondag al niet voor het doen van een „rijtoerquot; — zij gaan toch niet ter kerk. Men leest nieuwsbladen , men doet een wandeling, men drentelt rond, en toont niet te willen opgaan, 't Is een pijnlijke gedachte, dat zoo velen, die £en week achter zich hebben van onuitsprekelijk genot, van genoegens, die God bereidt — geen behoefte gevoelen, om met de gemeente, den Heer openlijk te loven en te danken. Voor een gemeente, die gaarne ter kerke gaat, is alle zomers dat aantal vreemdelingen, die zich voor Gods dag en wet onverschillig betoonen, een ergernis of minstens een verzoeking, üès te aangenamer is het echter, in het bedehuis verrast te worden door de aanwezigheid van enkele „opgezetenenquot; en gasten; en niet zelden ontdekt men dan, dat men met bekenden vertoeft in hetzelfde oord.

Oosteibeek is zeker een der schoonste plekjes van oas aan natuurschoon zoo rijke vaderland. Velen, die 't gekend hebben vóór moer dan 50 jaren, be-

ocr page 81

75

weren, dat de menschen het niet fraaier hebben gemaakt. Volgens hun gevoelen is er te veel gebouwd, en wordt er niet alleen de stilte, maar ook hot uitzicht telkens gebroken door de vele daken, welke thans overal uitsteken boven, of afsteken tegen 't groen. Er kan wel iets van waar zijn. Wij, kinderen der 19e eeuw, zijn onbescheiden, en nestelen ons overal. Het schijnt ons moeielijk te vallen, een stil en lieflijk plekje te vinden, zonder in de verzoeking te komen, om er een „villaquot; of een „optrekjequot; te plaatsen, of een „hotel.quot; En is het eenmaal bekend , dat weer een uitgelezen plok gevonden werd, dan wendt zich derwaarts een stroom van landge-nooten, die wel eens „veranderenquot; willen, en achter zich aanslepen de honderden, die zich altijd laten leiden door den stroom. Nog heeft het Gooiland veel bekoorlijks, maar menig heiligdom is er ontwijd, en in menig boschje, waar vroeger een koor van nachtegalen sloeg, hoort gij nu alleen het getjilp van de prozaïsche huismusch. Eenigermate ging het ook zoo met Oosterbeek. Waar kan men nog alleen zijn? Waar ziet men geen groepen, die een pleiziertrein en stoomtram aanvoerden, en wier banale lach alle boschnymfen verschrikt? Waar ziet men geen keurig-gekleede stadskinderen met hoepeltjes, en jeu de cjrdce en crocket-spel, en nuffige homes? Waar■ drentelen

ocr page 82

76

geeu heeren in siofjasjes rond, die zich vervelen, en dames met een boek in de hand, die „een lief plekjequot; zoeken? quot;Wat al mensehen, zou Eosseau zeggen, tusschen ons en de natuur! Er is iets onuitsprekelijk weldadigs in dat alleen zijn met Grods schepping. De natuur wil waarlijk tot en met ons spreken. Dit is haar geheime tooverkracht, dat zij u uitlokt om als uit u zelf te treden, en met haar een pooze meê te leven. En hoe onbaatzuchtig is zij, zoo volkomen te vertrouwen! Zij is geen interviewer van een dagblad, die uw intiemste gedachten weten wil, om ze morgen op de hoeken der straten uit te galmen. Zij is geen onoprechte, die vriendschap veinst, en er slechts op bedacht is van u profijt te trekken. Neen, de natuur is volkomen argeloos en oprecht. Als een opengeslagen boek ligt zij vóór u, en zij fluistert u haar gedachten toe in eenvoud des harten.

Ik dacht het nog, toen ik op een morgenuur geheel alleen wandelde over den Oorsprong, de welbekende en fraaie plaats nabij Oosterbeek. Er waren nog geen menschen aan de talrijke groene tafeltjes gezeten, en niemand had er dien dag nog het Pil-zener hier geproefd, dat men er verkrijgen kon, zooals op meer dan één plaats te lezen stond. Het gedruis der fonteinen en watervallen was het eenige

ocr page 83

77

geluid, dat men er hoorde. De boomen zwegen, terwijl zij in eerbiedige stilte een vriendelijken morgenkus ontvingen van de zon. In welk een aangenaam mijmerende stemming brengt die waterstraal der fontein, die gij met uw blik volgt totdat zij iu tallooze bobbeltjes zich verdeelt en omlaag valt. Hoe sierlijk is de boog, die ook hier het water maakt! Hoe vroolijk, hoe tintelend van leven is overal dat heldere nat, dat onvolprezen element, dat uit den hemel daalt en naar don hemel streeft. Hoe harmonisch stemt met dat plassend geluid der fonteinen, het murmelend gedruisch der watervallen samen, die gij nn eens van de hoogte, dan uit de laagte beschouwt. Lang moet gij hier niet toeven, want al dat geruisch vermoeit; het maakt u stil; het geeft

niet te denken, maar doet u ophouden met denken____

En weggaande, daar ziet gij, diep en kronkelend, een beekjen wegijlen. Hier heeft ijzererts het rood gekleurd, ginds glijdt het helder over 't kiezel, en het roept u toe: „Gij ziet, dat ik al weder bezig ben. 't Leven is iets anders dan mijmeren en droo-men. Leven is stil eu moedig doen, wat de hand te doen vindtquot;... Daar schuilt het weg, terwijl gij een stijgend pad opgaat, dat u weldra brengt op het gebied van „den Hemelschen berg.quot;

— Doch we spraken over de vele woningen, welke

ocr page 84

78

in de laatste jaren verrezen in Oosterbeek. Memand zal beweren, dat al de huizen, aan den Weversweg, of aan de andere wegen, die n brengen van 't be-nedendorp naar den straatweg, uitmunten door fraaiheid van bouworde, of dat zij nergens het vergezicht benemen of bederven. Eigenaars van „bouwterreinquot; gaan zelden te rade met de aesthetica. Wat zou de voortreffelijke Cremer nu wel zeggen, die reeds in 1865 verklaarde: „Omstreeks 20 jaar geleden had het Geldersche dorpje Oosterbeek ongetwijfeld een schilderachtiger voorkomen dan nu?quot;

Doch, vruchteloos is het, daarover te pruilen. Bovendien behield Oosterbeek nog zoo veel schoons, dat gij er iederen zomer het hart aan verzadigen kunt. Hoe fier steekt de Pietersberg zijn dak boven 't hoog geboomte uit, en hoe teekenachtig schuilt in een diepte de woning weg, waarin twee begaafde schilderessen samen wonen en arbeiden! quot;Wie staat niet onwillekeurig een oogenblik stil bij de kerk, waarmee de pastorie met haar fraai geboomte zulk een goed geheel maakt. Hoe jammer, dat de spoor-wegdijk daar het vergezicht wegnam over den Rhijn, voor welk gemis de bogen van de brug, die is gespannen over de rivier, volstrekt niet schadeloos stellen. Gij gaat verder, en kunt het niet laten den eersten den. besten weg in te slaan, die omhoog

ocr page 85

79

voert. Lang stjjgt gij niet, of gij staat even stil, om terug en om u heen te zien. Aan uw voet ligt het dorp met zijn kerk en haar overhellenden toren; met zijn talrijke woningen bijna allen licht geverwd en vroohjk afstekende tegen 't groen. Verder ziei gij den Rhijn, tot aan Duno's hoogte, en aan zijn overkant de Betuwe, met haar dorpen, haar akkers, haar boomgaarden, haar weiden, zich uitstrekkende tot den Waal, die den zuider zoom der Betuwe kust. In de blauwende schemerende verte rijzen de torens van Nijmegen, onderkent gij Berg-en-Dal; en nog verder de „bergenquot; van Cleve..... 't Is alles verrukkelijk schoon en telkens staat gij stil bij 't stijgen, voordat gij den straatweg hebt bereikt, die door den stoomtram op Arnhem een bijzonder-groote levendigheid verkreeg.

quot;Wilt gij, de kerk voorbij gegaan, niet aanstonds omhoog — lang wandelt gij niet „beneden langsquot;; want gij kunt het niet laten, na een blik op de zoo gezochte „Doornkampquot; geslagen te hebben, om rechts af te slaan, en het beekje te volgen, dat met zijn watervalletjes het terras doorkronkelt vóór „Den hemelschen berg.quot; De niet-inheemsche bouwstijl van 't kasteel, met zijn tinten, torentje en transen; het frissche groen, waarin de koeien grazen met luid klinkende bellen om den hals; het glooien van 't

ocr page 86

80

terrein; de bevallige acacia's; de sierlijke zwanen in de vijvers: het vormt alles een geheel, zoo als in ons land zelden wordt aanschouwd. Dubbel gelukkig zijt gij, als gij er wordt rondgeleid door iemand, die op dit buitenverblijf thuis is. Dan zet gij u ueder op het bankje bij de „Eendenkomquot;, waaraan de geboren Oosterbeekers zulk een kluchtigen naam hebben gegeven, en wandelt op weinig betreden paden langs koornland, en door hakhout, waar plotseling nu eens de Eusebius-toren van Arnhem, dan het torentje van Oosterbeck voor uw oog te voorschijn treedt.

Is do „Hemels.che bergquot; vroolijk en opwekkend, stelt gij dat huis onwillekeurig u voor , als beschenen door het zonnelicht — hoe geheel anders is de indruk, dien op u de „Oorsprongquot; maakt, waarvan wij zoo even reeds spraken. Hier, onder de hooge boomen en bij 't overvloedige water, is het altijd koel; en doet de genoemde „Bergquot; u donken aan 's levens iveelde —• de „Oorsprongquot; wekt den weemoed op. 't Is goed, dat deze beide registers in 't menschelijk hart nu en dan worden opengetrokken, en zich hoo-ren doen.

Do Duno met zijn heerlijk uitzicht op de Betuwe was dit jaar afgesloten; maar niet de kronkelende weg, die van den Doorwerth leidt naar Oosterbeek. Deze rijweg, en ziy-zu/j aangelegd en ook de Italiaan-

ocr page 87

81

sche geheeten, behoort zeker tot de schoonste van ons land. Immers over en door het lagere hout heen , opent zich er telkens een overheerlijk vergezicht. Ik heb aan den Rhijn, in 't Harzgebergte , in Thuringen de bekendste en fraaiste gezichten mogen genieten — maar ik zag daar weinig, dat menig punt van den weg naar den Doorwerth in schoonheid overtrof. Zeker, in den vreemde ziet men dikwerf vorder, ea is het panorama meer uitgestrekt; ook zijn daar de tooneelen vaak stouter en wilder. Maar 't vader-landsch landschap heeft iets onvergelijkelijk lieflijks en vriendelijks. Waar vindt gij zulke fraai gestoffeerde weiden? Waar dat blauwachtig-grijze waas, dat alios afrondt en omsluiert? Waar die schoone luchten, die prachtige wolken, die vooral bij avond een achtergrond vormen, waarbij ieder schilder wenscht: och, of ik zóó mijn verwen mengen kon!

De uitspanning „de Zalmenquot;, als in de schaduw van 't kasteel „de Doorwerthquot;, aan den voet der heuvelen gelegen, is een rustig plekje. Met welgevallen volgt het oog er den Rhijn, en staart het op de kostelijke uiterwaarden. Wie er komt, gaat gemeenlijk ook naar een dichtbij gelegen punt, „Rolandseckquot; geheeten ter gedachtenis van een paard Roland, dat aldaar begraven werd. Men heeft er een zeldzaam fraai uitzicht. Op een der heerlijke namiddagen, die

6

ocr page 88

82

ons de Augustus-maand dezes jaars schonk, reed ik van „de Zalmenquot;, onder langs, naar den straatweg. Het doel van den tocht was „de Zonnenbergquot;, een boerderij, die de woon- en arbeidsplaats is van „ïw ami de mes amis.quot; De Zonnenberg ligt op een hoogte , en toen wij haar hadden bereikt, kon ik een kreet van bewondering en opgetogenheid niet inhouden. Aan den noordwestehjken hemel hingen de schoonste avondwolken, die men zich denken kan. Op den voorgrond breidden op oen zeer oneffen terrein den-nenbosschen zich voor mij uit, afgewisseld door bouwland, en ter zijde, op geen twee minuten afstands, stond het kerkjen van Heelsum, omringd door een krans van oud geboomte. Wie met aandacht ooit dat bedehuis zag, vergeet nooit hoe schilderachtig het is gelegen. Het kerkje van Ubbergen ligt zeer fraaiquot;, en het witte kerkje van Heilo ook — maar Heelsum's tempelken spant de kroon, 't Was elf jaar geleden, dat ik er preekte, en met de gemeente er aanzat aan 't heilig Avondmaal. Toen hoorde ik er mijn trouwen vriend Bastiaan Mossel, die thans reeds menig jaar rust op Renkum's kerkhof; toen zag ik er de baronesse van Brakel, wier graf mij nu gewezen werd bij Heelsum's bedehuis.

quot;Wie zou niet wenschen, hier, als zijn loop volbracht zal zijn, te mogen rusten, onder dit hoog geboomte.

ocr page 89

83

in deze zeldzaam gestoorde stilte, in de schaduw van dit huis des Heeren ? Ernstige, heilige gedachten vervulden mijn hart. 't quot;Was een dier oogenblikken, waarin de Heer voorbijgaat. Dan gevoelt men daarbinnen een heilig verlangen, men zou wenschen vleugelen te kunnen aanschieten — en toch, het hart is niet ongetroost. Beloften van vrede, van eeuwig leven werpen op alles, ook op den akker der dooden, een verzoenend licht.

't Verwonderde mij niet te hooren, dat een onzer beste landschapschilders dicht bij den Zonneberg zijn tent had opgeslagen; en mijn vriendelijk reisgezelschap duidde het mij niet euvel, dat ik op de terugreis langs den eenzamen straatweg plaats nam, naast de zwijgenden koetsier, op den hoogen bok van 't rijtuig, vanwaar ik menigen dankbaren blik ophief tot den wijden, helderen sterrenhemel.

Veel moet er gebeuren, indien ik, te Oosterbeek vertoevende, geen wandeling onderneem naar Wolf-hezen. Ik waag mij niet aan een beschrijving van al de heerlijkheden, die daarbij te genieten vallen. Kent gij Cremer's boeksken: „Frederik, Hendrik Hendriks?quot; 't Verscheen in 1865 bij Breijer te Arnhem, en verdient niet te worden vergeten, al ontleende 't aan een toevallige aanleiding zijn ontstaan. Cremer, die schilderde met penseel en pen, heeft in de door ons

G*

ocr page 90

84

bedoelde bladzijden met meesterlijk talent Wolfhezen geteekend. quot;Waarom zou ik het doen na hem? Ik wil hier alleen mijn dank er voor uitspreken, dat ik er op een prachtigen zomermorgen, met mede-wandelaren zoo kostelijk als men ze verlangen kan, weer het hart heb opgehaald aan de zoo menigmaal maar nooit genoeg aanschouwde ver- en boschgezichten. Thans is de winter gekomen, en de oostenwind blaast het laatste blad van boom en heester weg — maar nóg zie ik aan den zoom van 't bosch de wijduitge-strekte heidevelden golven, tot waar de Yeluwsche heuvelen verrijzen; ik zie weer die gladde beukenstammen niet zilveren mos getooid, weer de knoestige eiken, weer de bloedroode deunen, weer de altijd bevallige berken, die met een zekere coquetterie liefst een staanplekje kiezen, waar men ze wel zien moet. In gedachten waad ik weer door de hooge heide, glijd ik weer over 't gladde, met dennennaalden geplaveide pad, en volg ik het beekje, dat kalm en helder, den wandelaar verrast en verkwikt.

Maar zou ik van Wolfhezen spreken en zwijgen van onze Zendingsfeesten ? 't Kost eenige moeite, om het terrein, dat men als /eestterrein heeft gezien, te herkennen, wanneer men er komt, terwijl de stilte er slechts wordt gestoord door een enkelen bezoeker; maar toch hot is de plek, waar menigmaal duizenden

ocr page 91

85

samenkwamen, en waar in 1864 voor 't eerst een Zendingsfeest in de open lucht werd gevierd. Op het tweede feest was ik tegenwoordig en slechts zelden sloeg ik er sedert één over.

Ik wil wel bekennen, dat ik, in den aanvang, den studentenjaren nauwhjks ontwassen, dikwerf te scherp een oog had voor enkele min of meer komische momenten, die zich in deze bonte menigte voordeden. Laat mij hier ootmoedig belijden, dat het mij wel eens moeite heeft gekost, den ernst te bewaren als een lied werd aangeheven, waarvan de dichterlijke verdienste in de omgekeerde verhouding stond tot de welmeenendheid van de bedoeling des dichters. Ik heb er wel eens dingen gezien en gehoord, die niet aanschouwd en niet gezegd moesten wezen, — maar mijn ingenomenheid met de Zendingsfeesten is grooter dan ooit. Weinig vermoedde ik, toen ik te Wolf-hezen en Maarsbergen tot de feestgangers behoorde, dat ik eenmaal meê deel zou hebben in de regeling dier hoogtijden, en er zoo dikwerf als spreker zou optreden.

quot;Wat al namen en beelden komen mij hier voor den geest! Ik denk aan Heldring, in wiens praktisch brein de gedachte ook aan deze feesten verrees. Nog zie ik zijn breede gestalte op het spreekgestoelte, terwijl zijn doordringend oog de schare overziet. Ik

ocr page 92

80

denk aan Cohen Stuart, wiens bezielend woord steeds duizenden boeide; aan Schuurman, wiens slotrede te Maarsbergen ik nooit vergeet; aan van Lummel, met zijn vriendelijk oog en met zijn muziek-corps, dat zooveel blijk gaf van goeden wil; aan van Oosterzee, die meer dan eens een feest met een rede opende. Zag ik er ook niet den vermaarden doctor Duff, en den martelaar Matamoros? Het hart wordt weemoedig, bij de gedachte aan zoovele uitnemenden, die zijn heen-, die zijn. . . vooruitgegaan. Hun werk is vaa blijvenden aard geweest, en door de dennen van Wolfhezen, altijd groen, suizelt bij elk koeltje als een profetie, dat nog lang hun nagedachtenis in zegening zal zijn. —

O hoe heerlijk is het te gelooven aan een Koninkrijk van God, en aan een gemeenschap der heiligen. Bladeren vallen af, boomen worden geveld, geslachten gaan voorbij, het eene na het andere, maar wat uit God is sterft niet, en wie Hem toebehooren zullen eeuwig leven.

•1884.

ocr page 93

II MEER DAI ÉÉI BERamp;LAID

ocr page 94
ocr page 95

Met gemengde gevoelens verliet ik op een fraaien morgen in de Jnli-maand dezes jaars mijn woning, en richtte ik de schreden naar 't station van den Rhijn-spoorwcg.

Het vooruitzicht van met uitmuntend gezelschap een viertal weken te reizen door Tirol en Zwitserland, verblijdde mij zeer. Ook lachte mij het denkbeeld toe, dat ik een pooze verkeeren zou buiten den gewonen kring van denkbeelden en werkzaamheden , waarin ik mij beweeg, niet met weerzin maar ook niet zonder mij telkens afgemat te gevoelen.

Doch het afscheid nemen van hen, die mij het liefste zijn op aarde; het achterlaten van zooveel, waaraan liefde en trouw mij verbindt, viel ook nu niet meê. Er kan in een maand tijds zooveel voorvallen , zooveel veranderen.

In hoven en hoeven,

In Oost of in West,

Moog 't goed zijn te toeven,

Te huis is het hest.

ocr page 96

90

Geen plekje zoo heilig ,

Geen kerk of geen kluis,

Zoo vreedzaam en veilig

Als 't vreedzaam Tehuis.

't Zij prachtig in 't Oosten,

't Zij heerlijk in 't Zuid;

Natuur sprei er schatten En wonderen uit;

Het goud moge er lokken,

De wellust of de eer;

Genot moge er veel zijn,

Gemis is er meer.

Tehuis zijn mijn schatten,

Mijn eer en mijn lust;

Mijn smaakhjkste maaltijd.

Mijn rustigste rust.

De bloem in mijn venster.

Het vuur op mijn haard

Zijn al uw tooneelen

En lustoorden waard.....')

En desniettemin.....

Ik ben gezond en verfrischt teruggekeerd; ik kan de hoofden mijner geliefden tellen, zonder er één te

1) N. Beets.

ocr page 97

91

missen, en met groot genot terugdenken aan een reeks van heerlijke dagen, zonder de belofte af te leggen, dat ik nooit weer op reis ga. Ik wil trachten van hetgeen ik zag u iets mee te deelen. Verwacht geen uittreksels uit een dagboek; geen inlichtingen, die later dienst kunnen doen voor „reisgidsquot;; geen aanbevelingen van hotels of van een bepaalde reisroute. Ik beschrijf eenvoudig enkele indrukken, die ik ontvangen mocht, en die mij het levendigst zijn bijgebleven. Naar ik vertrouw bewijs ik er zoowel hun, die nooit kwamen waar ik ben geweest, als dengenen, die er vóór mij waren, eenig genoegen mee.

— Toen ik, eer ik den spoorwagen binnenstapte, gewapend met een vrij-lijvig groen „coupoiiquot;-boekje, het perron op- en neêrwandelde , zegende ik in gedachte de locomotief, van welker krachten ook ik weêr zooveel eischen ging. En trouw heeft zij zich gekweten. Ongeveer 2500 kilometers heb ik met haar afgelegd. Zij heeft mij gevoerd bergen over en bergen door, en al was het steunende en hijgende, zij bracht mij waar ik wezen wilde.

Zij begon met mij langs Driebergen en Arnhem, de grenzen over, te brengen in de richting van Emmerik.

Ik verzuimde niet, toen wij Zevenaar voorbij waren, een dankbaren blik te werpen op Eltenbery, den vrij

ocr page 98

92

steileu heuvel, met het fraaie kerkje opzijn top, dat men uren in 't rond kan zien. Het staat op duit-schen bodem, maar is zichtbaar over een groote uitgestrektheid in ons vaderland. Ik heb het gezien op den straatweg tusschen Wageningen en Renkum ; van meer dan één punt te Oosterbeek; achter Velp en op nog menig andere plaats. Het treft en bekoort allen, die het uitzicht genieten van Maiwald's balcon te Kleef, en als uit de verte mijn oog het ontwaart, ontlokt het mij een zucht en een groet. Het is als een ver vooruitgeschoven voorpost van de vele grooter en grootscher bergen, waarheen zoovelen reizen, die jaarlijks Eltenberg gedachteloos voorbij sporen, en doet mij steeds aan hen denken. Ik hoop nog eens dien heuvel te beklimmen, want het uitzicht moet er ver en schoon wezen.

Wit bestoven kwamen wij allen te Emmerik aan. Zonder overdrijving kan ik zeggen, dat het ons in den trein moeielijk gevallen was adem te halen. Wij „zwoegden in het stof,quot; ofschoon wij rustig zaten op onze plaats. Op de duitsche spoorbanen strooit men geen zand, gelijk dit de gewoonte is in ons land, maar kiezel, zoodat er, ook bij felle zomerdroogte, de stofwolk niet wordt gezien, waarin bij ons bijna altijd de spoortrein gehuld is. De zachtzinnige inspectie van mijn bescheiden bagage te Emmerik was

ocr page 99

93

spoedig afgeloopen, en weldra spoorden wij verder door een streek, die in natuurschoon moet onderdoen voor menig gedeelte van ons vaderland. Ik verviel dan ook in eene zekere mijmering, waarin ik door mijne reisgenooten niet werd gestoord. Wezel uit de verte ziende, dacht ik een pooze aan de belangrijke gereformeerde Synode, aldaar in 1568, waarschijnlijk onder presidium van Petrus Dathenus gehouden ; en ik dacht aan de Synode onzer Ned. Herv. Kerk, die juist in den Haag vergaderd was, en zeker hield met noodlijdende gemeenten, noodlijdende echter in een anderen zin, dan die kerken „onder 't kruis,quot; waarvan de afgevaardigden te Wezel bijeenkwamen. Doch niet lang bleef' ik met mijn gepeinzen in de Willemskerk te 's Gravenhage. Aan veel dacht ik en aan niets, en kon mij nog niet goed vinden in het „op reisquot; zijn. Ik verlangde naar het oogenblik, dat wij te Keulen konden „uitstijgenquot;, zooals vele nederlandsche conducteurs het noemen, die dagelijks tot Zevenaar of tot Emmerik een trein begeleiden. Eindelijk, daar reden wij de prachtige brug over, recht tegenover don Dom van Keulen, en weldra zaten wij in de groote restauratie-zaal van 't buitengewoon levendig station. Daar werd ons voor 't eerst de Speisekarte voorgelegd, en konden wij een keuze doen uit eenige soorten van

ocr page 100

94

„Braten,quot; „Suppen,quot; en andere gerechten, een keuze, die ons op reis somtijds hoofdbrekens genoeg heeft gekost. en niet altijd gelukkig is geweest. Toch moet elk oningewijde er zich over verwonderen, dat men in deze restauraties dag aan dag, en op elk uur van den dag, aan zooveel aanvragen voldoen, en zooveel hongerige magen tevreden stellen kan. Vanwaar komen die warme coteletten, die gebakken aardappelen, die gebraden kippen, die versche eieren, welke bijna nimmer ontbreken, maar op uw wenk u steeds worden voorgezet?

Met volkomen onverschilligheid voor ieder, die in uw nabijheid is, nuttigt gij uw maal, betaalt en offert uw eerste „Trinkgeldquot; in de hand van een „Kellner.quot;

Hoevelen van die merkwaardige personen ik wel ontmoet heb, zou ik niet kunnen zeggen. Onopgelost blijft voor mij het raadsel, van waar zij allen den zwarten lakenschen rok bekomen, waarmeê ik hen bijna altijd zag verschijnen. En frac zag ik reeds des morgens ten 6 uren, niet alleen den deftigen Oberkellner, dien men bijna geen fooi durft geven, ofschoon ze nooit geweigerd wordt, maar ook opgeschoten knapen, wie het salonkleedingstuk in ruime plooien om de tengere leden hing. Men gewent aau alles, ook aan het dragen van een zwarten lakenschen

ocr page 101

95

rok zonder een spoor van wol, — maar toch een onhuiselijk en ongezellig gevoel moet het wezen, van den morgen tot den avond te midden van menschen, die zich zoo gemakkelijk mogelijk kleeden, steeds te moeten rondwandelen in een gewaad, dat u toeroept: gij zijt niet van 't gezelschap.

Onlangs schreef een hotelhouder een stuk, waarin hij handelde over zijn maatschappelijke positie en die van zijn vakgenooten. Hij betoogde daarin, dat zij , die dagelijks verkeeren met allerlei menschen en geroepen worden zich te onderhouden met lieden , zelfs van den allerhoogsten stand, daardoor een niet geringe mate van beschaving verwerven. Hij vond het dus ongeoorloofd en onrechtvaardig, dat velen op een „Landlordquot;, zooals de heeren zich wel noemen, min of meer iiit de hoogte nederzien.

Het is niet tegen te spreken, dat er tot het bestuur en beheer van een groot hotel veel talent en bekwaamheid wordt vereischt. Uit de hoogte op iemand neerzien, mag geen Christen. En toch, de beschaving der mannen, die meestal, eer zij maitre (T hotel werden , „kellnerquot; zijn geweest, is een beschaving van een bijzondere soort.

De statistiek heeft aan het licht gebracht, dat geen betrekking in de maatschappij jaarlijks een grooter

ocr page 102

96

contingent levert van zelfmoorden dan de breede schare van bedienden in hotels en restauraties. Hoe afmattend is dan ook, althans in het reis-seizoen, hun leven! Wanneer slapen toch de menschen, die 's avonds laat dezen heer zijn slaapdrank in den vorm van groc moeten bereiden, en gene familie, die wenscht te ontbijten met thee en zachte eieren, ten 4 uren moeten wekken? — Ik beweer volstrekt niet, dat hun loon oneerlijk verdiend wordt, maar voor den man is er toch iets vernederends in, dat loon zich te zien toegereikt in den vorm van fooien, die wel niet worden geëischt, maar die men toch toont te verwachten. Onder den zwerm kellners, die ik om mij heen zag fladderen, heb ik zelden een frisch, tevreden gelaat aangetroffen.

Hoe veel aangenamer en huislijker zijn do meer bescheiden hotels, waar geen mannen met zwarte rokken aan, en witte boezelaars voor, doch vrouwen net en zindelijk gekleed, u de spijzen voordienen.

Wie vertoeft een paar uur te Keulen, en laat het na, een bezoek te brengen aan den Dom ? Gij verwacht niet, dat ik hier eenige bijzonderheden quot;ga mededeelen over deze thans voltooide schepping der bouwkunst, zoo terecht „een hymne in sf-eenquot; genoemd. Indien ik mij wèl herinner, dan is er in den loop dezer eeuw aan de herstelling en aan het

ocr page 103

97

voleindigen van dit bedehuis ruim 14 millioen guldens ten koste gelogd.

Ook al is men een gestreng Kalvinist, die met den Catechismus belijdt, dat God niet „door stomme beeldenquot; zijn christenen wil onderwezen hebben, zoo kan men toch den overweldigenden indruk niet weren, dien dit kerkgebouw bij het binnentreden teweeg brengt. Het behoeft ons niet te worden gezegd: ontbloot het hoofd, dit is een huis des gebeds. Die statige zuilen, die hooge gewelven, die ontzaglijke ruimte, dat geheimzinnige schemer, die gekleurde vensterruiten, die wegstervende galmen: dat alles werkt samen, om u tot eerbied te stemmen. Onwillekeurig spreekt gij (luisterende, en loopt ge zaditkens voort.

Cij mij is echter de vraag wel eens gerezen, of al die indrukken inderdaad godsdienstk) mogen heeten, en iets blijvends teweeg brengen. Men aanbidt in die kerk niet, maar bewondert, liet oog gevoelt zich getrokken langs slanke pijlers en spitse bogen, om hooger on liooger te staren —- maar gaat het hart meê? Spreekt God hier? Hoe velen van de duizenden, die jaarlijks deze „heilige Hallenquot; betreden, worden hier tot inkeer gebracht ? Hoe vele verlorene zonen en dochteren nemen hier het besluit , om op te staan en tot den Vader te gaan?

Zoo dikwijls ik Keulen's Dom bezocht, trok er de.

ocr page 104

98

predikstoel mijn aandacht. Hoe buiten alle evenredigheid klein en onaanzienlijk is hij! In dit grootsch gebouw is de verkondiging van het Woord niet in eere. Hier wordt niet gehandeld naar 't bevel van den Heiland: „Predikthet Evangelie aan allo schepsel.quot; Ook hier roept men uit, gelijk eens de apostelen deden met het oog op Jeruzalem's tempel: „Welke steenen en welke gebouwen!quot; Maar hoeveel heerlijker is het Evangelie, dat deu verlorene terug wil brengen, en den bedroefde troosten! Tot bekeering van zondaren, tot uitbreiding van Gods Koninkrijk, tot ware verheerlijking van Gods naam draagt menig eenvoudig kerkje, ja, menig onaanzienlijk vertrek meer bij, dan de grootsche Dom, die eenmaal vergaan zal, terwijl Gods woord blijft in eeuwigheid.

Yindt men deze beschouwing puriteinsch, brengt men er tegen in, dat de middeneeuwen en ook wij nog in zulke stoute, grootsche tempels het gevoel van aanbidding willen uitdrukken en verzinnelijken, dat wij voor den hoogen God gevoelen, dan antwoorden wij met den Heer, dat de ware aanbidding van God moet plaats hebben „in geest en waarheidquot; en dat God (zooals Salomo reeds zeide) niet woont in tempelen met handen gemaakt. De roomsche kerk denkt er anders over; maar ik ben nu eenmaal niet roomsch, en de schoonheid van Keulen's Uom

ocr page 105

99

heeft mij niet kunnen bewegen, mijn gereformeerde gevoelens te laten varen, of te verlooclienen.

Met den veel gebruikten sneltrein, die ongeveer te 5 uren na den middag vertrekt, verliet ik Keulen, en weldra gingen wij al die welbekende plaatsen voorbij, waar zoovele landgenooten van weten te spreken, alsof zij behooren tot ons eigen Vaderland. Daar is Bonn, de vriendelijke stad aan don Eliijn, met haar fraai uitzicht op den Drachenfels, en waar aan der alfe Zoll het standbeeld prijkt van Arndt, den man even kloek als vroom. Daar gaan wij Godesherg voorbij, dat zulk een diepen blik vergunt in het Zevengebergte. Aan de overzijde ligt Königs-ivinter, thans het uitgangspunt van de spoorbaan, die op den Drachenfels voert; en Honnef, dat den noordenwind niet kent. Daar hebben wij 't schilderachtige Nonnenwerth, daar Rolandseck met zijn fraai gelegen station. Wij houden even stil te Bemayen, dat wij in onze gedachten niet scheiden kunnen van Carac-ciola's „zum Fürstenberg'' en van het Ahrthal, waar in Juli en Augustus meer hollandsch wordt gesproken dan duitsch. Met welgevallen staren wij in 't voorbijgaan op de Apollinaris-kerk, door onzen vriend Beynen eens zoo keurig beschreven; 0$ Brohl, waar wij eens afstapten om van daar over Tönnisstein een bezoek te brengen aan de Laachersee. En zoo kwamen

ocr page 106

100

quot;svij, toen de zon reeds merkelijk aan 't dalen was , te Coblenz. Het geluk viel mij daar te beurt den grijzen keizer van Duitschland te zien, die in een rijtuig met keizerin Augusta gezeten, een bezoek ging brengen aan Stolzenfelz; en daarna spoorde ik nog eens weêr langs het schoonste gedeelte van den „grootvorst van Europa's stroomen.quot;

Der Abend fiillt und es dunkelt Untl ruhig fliosst dez Rheinr Der Gipfel des Bergss funkelt lm Abondsonnenschein.....

Ja, zoo was het. Wind was er niet, en spiegelglad gleed do Eli ijn tusschen de bergen aan weerszijden , wonderschoon verlicht door de ondergaande zon. Ofschoon ik do wereld der Alpen te gemoet ging, versmaadde ik het niet, onverpoosd uit te zien naar de schilderachtige ruïnes, de vriendelijke steden en dorpen, die dit fragment van den lihiju zoo vermaard en aantrekkelijk maken. Ik weet niet, wanneer deze dichterlijke rivier schooner is: des morgens als het zonlicht speelt op de golven, die hij rusteloos voortstuwt, of des avonds, als de schaduw der bergen zich afteeketit in den vloed, die, als ware hij moede, bijna niet schijnt voor te ijlen. Door de

ocr page 107

101

dalende zon werd boven en acliter de bergen de lucht helder verlicht, maar de bergen zelve werden hoe langer hoe donkerder getint, en de avond was volkomen gedaald, toen wij stilhielden in het levendige Bingerbrück.

Slechts flauw kon ik het beeld der Germania aan de overzij van den Rhijn onderscheiden, dat zoo kloek en zoo fier in 't ronde ziet, en het duitsche hart met zulk een vast vertrouwen moet doen denken aan zijn leger en zijn helden.

quot;Wij reisden verder, en kwamen na een uur spo-rens aan het aloud, bisschoppelijk Mainz. Hot uitgebreide station werd helder beschenen door het nieuwste licht dat wij kennen, ik bedoel; het elektrische. Het kwam ons zeer te stade bij het zoeken naar den trein, die ons zou brengen naar Darmstadt, dat wij ten 10 uren bereikten.

In het „Darmstadster Hofquot; vond ik een zeer goede kamer, en trachtte mij weêr te verzoenen met de eigenaardigheden van een duitsche legerstede....

Reeds vroeg reisden wij verder en wel over Aschaffenburg naar Neurenberg.

Het zag er op de velden, waar we langs reden, verrukkelijk uit. Nooit zag ik zulke uitgestrekte akkers met koorn. Soms zag ik ter linker en ter rechter zyde niets anders. Hier mocht men spreken van een

ocr page 108

102

zee van golvend graan. Nu en clan werd zij afgewisseld door geheele velden aardappelen, die in vollen bloei stonden. Dat goud en dat groen maakten samen een schoon gelieel, en ik dacht aan al de gezinnen, die door hetgeen God daar groeien liet, zouden worden gevoed en gesterkt, en 'twas mij, alsof ik van die velden een loflied hoorde opgaan ter eere van Hem, wiens hand verzadigt al wat leeft naar zijn welgevallen, en die de hongerigen mildelijk voedt.

Toen wij Aschaffenburg voorbij waren, genoten wij van het natuurschoon, waaraan het zoogenaamde Frankenland zoo rijk is. 't Gredeelte, dat wij thans doorstoomden, heet dan ook „die Frankische Schweizquot; en ik wist niet aan welke zijde van den waggon ik het meest zou uitzien, want aan weerskanten wedijverde het landschap in 't aanbieden van fraaie partijen. Het heuvelachtige terrein was bezaaid met dennen, die prachtig waren opgegroeid. Het is geen overdrijving, maar eenvoudig de waarheid, wanneer ik hier getuig, dat de eigenaardige, opwekkende geur van 't sparrenbosch doordrong tot in ons spoor-rijtuig. Ik genoot ervan, en zag in dankbare stemming, terwijl wij gedurig de rivier den Main konden gadeslaan, het aloude Würzhury naderen, met zijn universiteit, die vóór 3 jaren haar derde eeuwfeest vieren mocht.

ocr page 109

103

Het gesprek in onzen waggon was ondertnssehen zeer levendig geworden. Een hoogleeraar, wiens naam ook in ons land niet onbekend is, gaf met krachtige stem en op dien luiden toon, die den raeesten duitschers eigen is, zijn afkeuring te kennen over de thans gebruikelijke geestelooze methode van doeeeren op gymnasiën en andere scholen. Terwijl hij reeds gereed stond om uit te stappen, gaf hij nog in weinige krachtige woorden zijn advies, dat tameljjk wel eensluidend was met hetgeen in ons land over deze zaak door ons gezegd is en gedacht wordt.

In zulke ontmoetingen ligt altijd iets troostrijks, en ik was daarom blij, dat door een van mijn medereizigers aan den duitschen geleerde die verklaring ontlokt was. — Toen wij Würzburg voorbij waren, kwam ik tot de ontdekking, dat een zeer ernstige samenspraak gehouden werd tusschen twee tegenover elkander gezeten Heeren. Het bleek, dat de een den ander wilde overtuigen van de noodzakelijkheid voor ieder mensch, om in Jezus Christus te gelooven en in Hem verzoening te ontvangen van zonden. De ander vond het niet zoo moeiehjk om te doen wat goed was. Vooral sinds hij door inspanning en vlijt een man van middelen was geworden, vond hij 't gemakkelijker eerlijk en vriendelijk dan het tegenovergestelde te zijn. Dat er een God is, nam hij aan,

ocr page 110

104

maar de Kerk en haar geloofsleer meende hij te kunnen missen, De man maakte door zijn voorkomen en wijze van spreken een alleraangenaamsten indrak, en had kennelijk een ernstig gemoed, 't AVas een dier menschen, die de belijders van 't evangelie zoo gaarne zouden willen winnen voor hun Heer; een dier tijdgenooten, van wie we zeggen; „Ze zijn niet ver van Gods koninkrijk; indien hun het Evangelie maar eens recht duidelijk wierd voorgesteldquot; .. Doch we zien zelden, dat ze nader komen; en een spoorweg-coupé is ook de geschiktste plaats niet, om té theologizeeren. Ik ving echter met belangstelling een en ander op van het met groote levendigheid gevoerde gesprek, en dacht al weder: hoe vervult de groote levensvraag tegenwoordig aller hart! Niet-hopelooze tijd, die met al uw onrust toch gedurig en peinzend stilstaat voor het beeld van den Heiland der wereld!

Het landschap nam, bij het naderen van Neurenberg , in natuurschoon niet toe, maar onze aandacht werd getroffen door de groote hoeveelheid hop, welke wij te veld zagen staan. Hieraan konden wij duidelijk bemerken , dat wij niet verre meer waren van een stad, die van oudsher om haar brouwerijen is vermaard geweest, en ook heden nog meer dan een

ocr page 111

105

biersoort levert, welke om treffelijke eigenschappen geroemd wordt.

In de uren, welke ik te Neurenberg doorbracht, heb ik van die oude Rijksstad een allerlevendigsten indruk ontvangen. Het is hier de plaats niet, om uit te weiden over 't roemrijk verleden van die grijze veste aan weerszijden van de Pegnitz. Zeker, de tijd is voorbij, waarin haar stadsmuren werden afgewisseld door 160 torens, en het water van de Pegnitz niet minder dan G5 brouwerijen in beweging bracht. Daar is veel te Neurenberg gebeurd en veranderd. Zoo worden er nu geen Israëlieten meer verbrand, gelijk zulks op St. Nicolaasdag 1349 geschiedde. Hoe de tijden verkeerd zijn, blijkt onder anderen uit de prachtige Synagoge, welke thans in de voormalige Rijksstad haar koepel omhoog heft. Er is in dat „Venetië van Zuid-Duitschlandquot; niet zulk een levendig verkeer meer als in don bloei der middeneeuwen, toen de voortbrengselen van het Oosten uit Italië over Neurenberg hun weg vonden naar Noord-Duitschland en Rusland. Ook keerden de dagen niet weder van Albrecht Dürer en zijn onsterfelijke leermeesters, kunstvrienden , kunstgenooten en discipelen, die een rijkdom van meesterstukken hebben nagelaten, welke de bewondering wekken van geslacht aan geslacht. Men leze over dat alles, en over de blijdschap, waarmeê te

ocr page 112

106

\

Neurenberg de Hervorming is begroet en haar predikers zijn ontvangen, het fraaie boek van Moriz ThausinyJ) AVelk een opwekkelijke tijd en kring is dat geweest! Naast Dürer, leefden kunstenaars als Peter Vischer, met zijn zonen Johan en Herman, Adam Kraft, Veit Stoss, Hans Sachs en zoovele anderen, allen op hun gebied meesters, onsterfelijk door werken, van welke er sommigen onovertroffen mogen heeten. 1) Eu deze kunstenaars leefden niet buiten hun volk. Heel de stad, zoowel haar aristocratische regee-ringspersonen als haar eerzame burgers, hebben in het denken, het werken en worstelen van hun g mi ale medepoorters levendig belang gesteld, het beschouwd als te behooren tot liet beste deel van hun eigen leven.* En iets van dit besef, dat de kunst hot leven moet doordringen en adelen, is den burgers van Neurenberg bijgebleven tot den huidi^en dag. Met welk een piëteit wordt hier het oude bewaard , en streeft men er naar het nieuwe, dat men tot stand brengt, met het oude in harmonie te brengen. Geen stad zag ik, waarin zooveel oude woningen gespaard bleven, en zooveel nieuws bij dat

1

'2) Men zie ook: Moriz Carrière, die Kunst in Zusammenh. d. Culturent-.v. IV. B.

ocr page 113

107

oude paste. Die hooge daken van roode tegels, met vijf, ja zes dakvensters schuins boven elkander; die sierlijke balconnetjes; die omkranste vensters; die geveltoppen, rond of spits, en allen prijkende met ijzeren windvanen, grootendeels door zeer bedreven smidshanden vervaardigd: die oude houten bruggen; die prachtige goed geconserveerde kerken; die sierlijke, eeuwenoude fonteinen; die beelden in of aan de gevels der hoekhuizen: dit en nog zooveel meer is in de hoogste mate artistiek en zeldzaam. En toch krijgt men niet den indruk, alsof men hier wandelt in een ander Pompeji, in een stad van mummies en van sarkofagen. Keen, opgewekt en vroolijk gaat hier reeds om half acht 's morgens de jeugd naar school; dag aan dag stalt winkel aan winkel hier het nieuwste en fraaiste uit, wat de nijverheid onzer eeuw ons weet aan te bieden; hier ziet gij fotografiën, die gisteren werden afgewerkt, naast gravures, welke Dürer voor vierhonderd jaren uitvoerde; hier ziet gij engelschen naar do buitensporigste mode van onzen tijd gekleed, de schreden richten naar liet Gmthaus zum Bayerischen Hof, gelijk naar datzelfde huis, reeds in de 15,1(! eeuw, toen het Derrerhaus geheeten, menige patri-rische bruidstoet toog, om er lustig feest te vieren. Het heden en het verleden spelen hier in elkander, zijn hier dooreen geweven als wellicht in geen andere

ocr page 114

108

stad. Men is er uiet blijven staan; maar terwijl men voortging, heeft men hetgeen eenmaal was niet verloochend, niet afgebroken, doch den idealen zin, die er inschool, vastgehouden en zooveel mogelijk in dezelfde historische vormen weergegeven.

Ik zal hier niet opsommen alles, wat ik te Neurenberg heb gezien en bewonderd. Slechts een en ander zij hier vermeld. Natuurlijk wendde ik mijn schreden naar de Lorenz-Kirche, met haar beide merkwaardige, bijna overal in de stad zichtbare torens, en met die prachtige rosette boven 't wester-portaal, die ik telkens bewonderen moest, als ik op het balcon van ons hotel „der Straussquot; in de Caroliuerstrasse gezeten, den blik wendde naar het vlak over die straat verrijzend bedehuis. Stoss en Wohlgemut, Kraft en Dürer zijn hier door hun kunstwerken vertegenwoordigd. Vooral verdient ernstige beschouwing en bewondering het zoogenaamde Sacramentshauschen, in steen allerkunstigst bewerkt door Adam Kraft, en zijn twee zonen, G1 voeten hoog, door de levens-groote beelden der kunstenaars gedragen, en zinvol eindigende in een gekromden bloemstengel. Welk een fantazie, welk een kunstvaardigheid werden ver-eischt, om dit werk tot stand te brengen!

Voor mijn gevoel had de Lorenz-kerk, hoe indrukwekkend ook, toch iets onbevredigends. Ik vond

ocr page 115

109

haar niet net, niet rein — en de vraag rees bij mij op: wordt hier het protestantsch besef niet te veel verloochend voor het streven om, hetgeen eenmaal in deze kerk werd geplaatst, te behouden? Een kerk is geen kunstmuseum. Vlak over den kansel prijkt aan een pilaar een beeld van Maria, dat kennelijk door een roomscli kunstenaar is vervaardigd. Zelfs een lutheraan moet erkennen, dat zulk een voorstelling, in geen opzicht, aan de prediking des Evangelies te hulp komt; integendeel ze kan er schadelijk voor zijn. Waarom dan dit beeld niet liever elders bewaard?

De Sebaldus-kirche vond ik nog indrukwekkender dan die naar Laurentius genoemd. Ook zij bevat vele kunstschatten, waarvan u, bij het binnentreden, een gedrukte beschrijving wordt overhandigd. (De koster verscheen onmiddelijk, nadat er op de deur der kerk was geklopt.) Midden in het koor staat de grootste roem van dit kerkgebouw, nam. het graf-teeken van den heiligen Sebaldus, door Peter Vischer en zijn vijf zonen uit ijzer gegoten in de jaren 1508—19. Dolfijnen, apostelen, kerkvaders, profeeten, engelen en tal van andere figuren, omstrengeld door bloemen en bladeren, het is alles, even als de beeldtenis van Visscher zelf in arbeidsgewaad, allervoortreffelijkst uitgevoerd. Men verzekert, dat het

ocr page 116

110

in Duitschland dooi' geen werk van gegoten metaal wordt overtroffen. Verders treilen wij ook hier werken aan van Dürer, Wohlgemut, Kraft en anderen.

In de Sebaldus-kerk ontving ik minder sterk den indruk van iifefc niet-passende dezer oude werken bij een eeredienst, die zich houden wil aan het zuivere evangelie. Hier gevoelt men meer de continuïteit, het innerlijk verband tusschen de oude katholieke en de protestantsche kerken. Het gevoel, dat wij hier in een bedehuis waren, behield toch de overhand.

Een museum, dat niet anders wezen wil, maar dan ook niet genoeg geroemd kan worden, is het Ger-maansche Museum. ïallooze oudheden zijn hier bijeengebracht. Welke geduchte en sierlijke wapenrustingen , en welke reusachtige aarden kachels! Hier ziet gij het huiselijk leven van eenige reeksen geslachten voor uw geest voorbij gaan. Hoe men in deze of in die eeuw was gekleed, op welke stoelen men zat, uit welke kannen men dronk, in welke legersteden men sliep, met welk aardewerk en met welke teekeningen men de wanden versierde: gij kunt het hier alles aanschouwen met uw oogen, oneindig beter dan iemand het zou kunnen beschrijven, en in een overvloed, die u overstelpt. En al die schatten zijn tentoongesteld in een oud Karthuizer klooster met prachtige lange gangen, goed verlicht, en in een

ocr page 117

Ill

reeks doelmatige vertrekken. Hier zou men uren rond willen dwalen.

Wat heeft men in Duitschland, althans te Neurenberg, (zoo moest ik zeggen) veel beter en doelmatiger museums dan bij ons, waar men een energiek bouwkundige een museum laat vervaardigen, waarvan het ontwerp was afgekeurd; de kosten twee millioen bedroegen, dus juist tweemaal zooveel als de begrooting ; en dat, naar het oordeel van deskundigen, volstrekt niet aan zijn bestemming beantwoordt. Beoordeelaars, die tot de geloofsgenooten van den bouwheer behooren, roemen het hoog, maar vele onpartijdigen en bevoegden slaan met weerzin dat gebouw gade, dat nog het meest gelijkt op een klooster, maar waarvan niemand op den eersten aanblik zou raden, waartoe het dienen moet. Hoe anders was het te Neurenberg! Ik dacht het ook bij het bezoek, dat ik bracht aan het liathhaus, dat in 't begin der 17('e eeuw in italiaanschen stijl voltrokken werd.

Men was er druk bezig met restaureeren, doch deed het anders dan bij ons. In de reusachtige Raadzaal, die zoo dikwerf voorkomt in Neurenberg's geschiedenis, en waarvan de wanden nog zijn versierd met voorstellingen naar teekeningen van Dürer, gevoelt men dat men is in een oud lokaal, 't Is iets

ocr page 118

112

geheel anders dan de zoogenaamd gerestaureerde zaal, waarin de Unie van Utrecht werd gesloten, waar het bonte den dienst schijnt te moeten doen van het oude, en het grillige fraai wil heeten. Te Neurenberg heeft men eerbied voor het oude, en daarom is de harmonie, welke heerscht in de groote zaal van het Raadhuis, er ook niet verstoord.

Ook naar den Burg richtte ik mijn schreden; zag op het plein den lindeboom, dien men een ouderdom toekent van meer dan 800 jaren; keek naar een schilder, die een teekenachtigen steeuen trap met deur, op dit plein uitkomende, gelukkig op doek had gebracht; doorwandelde door een levenslustige cicerone geleid ,* de verschillende vertrekken van deze oude vorstelijke verblijfplaats; wierp gedurig een blik uit een venster op de stad, die zich hier voor ons in al haar uitgestrektheid uitbreidde, en trad door de antieke poort weêr naar buiten.

In de nabijheid van den Burg bevinden zich nog een paar merkwaardige verzamelingen. Be eene is die van den Heer vou Gemming, en kwam mij voor zeer bont, maar niet onbelangrijk te zijn. Ook zag ik de ijzingwekkende Eiserne Jtmgfrau, het bekende houten holle beeld, waarvan de openstaande voorzijde, die aan den binnenkant met lange scherpe ijzeren nagels is voorzien, dicht geslagen werd, zoodat

ocr page 119

113

de nagels op verscliillende plaatsen in het lichaam drongen van het slachtoffer, dat zich bevond in de holle achterzijde van het heeld. 't Is een marteltuig, dat een Torquemado in verrukking moet brengen.

Mede niet ver van den Burg is een verzameling van foltertuigen, zoo als ik nog nimmer had aanschouwd. Zoo zag ik er een wieg aan de binnenzijde met tallooze kleine scherpe spijkers voorzien. Daarin werden menschen onzacht gewiegd, zoodat hun zijden beurtelings vreeselijk gewond werden. — Is het ongepast, God er voor te danken, dat wij leven in een tijd, die deze hulpmiddelen der gerechtigheid beschouwt als antiquiteiten?

Wat echter aan deze verzameling een eigenaardige belangrijkheid bijzet, is de groote menigte platen en portretten allen betrekking hebbende op moordenaars, dieven, brandstichters, eu hun terechtstelling. Hier zag ik het portret van den beruchten Schinderhannes, wiens naam in menige duitsche gouwe nog de landlieden doet beven. Knipper dolling's beeldtenis zag ik hier, niet verre geplaatst van die van Carl Sand, den dweependen jongen man, die von Kotzebue neerschoot. Hoe Lodewijk XVI werd onthoofd — en menige andere executie kan men hier zien afgebeeld. Ook boeken, wetenschappelijke en populaire, die op dit droefgeestig en huiveringwekkend onder-

8

ocr page 120

114

werp betrekking hebben, zag ik hier in allerlei formaat en in groote getalen. 't Kwam mij voor een allermerkwaardigste verzameling te zijn. Ik wensch echter van ganscher harte, dat men geen mijner lezers aldaar later in efficjie zal aantreffen.

Veel aangenamer indruk maakte een bedevaart naar het huis van Albrecht Dürer; en hoe zou ik zwijgen kunnen van een herhaald bezoek, gebracht aan 't bekende huis, bekend onder den naam van Bratwurstglöcklein. Stel u voor een klein vertrek, dat wel iets heeft van een groote roef in onze oude trekschuiten. Langs de wanden staan banken, en in het midden staat een smalle tafel. Aan de muren hangen oude schenkkannen, oud porcelein, en oude portretten. Alles is hier oud. quot;Welnu in dit huis, dat reeds eeuwen een bierhuis is, was Albert Dürer „stamgast.quot; Hier kwam de groote kunstenaar alle dagen, en dronk hij met zijn vrienden het treffelijkst bier. Er is in dit vertrek zoo weinig veranderd, dat het inderdaad weinig bevreemden zou, indien Dürer het prachtige, lokkennjke hoofd werkelijk door de deur stak. In dit kleine lokaal vertoeft men echter niet lang. Men geeft den voorkeur aan een plaats op de stoep, of liever op de straat vóór het huis, om daar een glas bier te drinken, en de kleine gebraden worstjes te eten, die den ganschen dag

ocr page 121

115

warm te verkrijgen zijn met een portie zuurkool. Hoe vreemd het ons ook in de ooren klinke, midden in den zomer het zuurgeworden „kruidquot; te nuttigen, dat wij zorgvuldig voor den winter bewaren — gij moet zien, met hoe veel smaak het in het „Brat-wurstglöckleinquot; genuttigd wordt. Zeer deftige heeren en zeer elegante dames zag ik er van genieten, al was het met een preutsch lachje. Maar men geraakt in dat oude, aan historische herinneringen rijke huisje in een opgewekte stemming. Men ziet elkander aan, knikt elkander toe, en prijst een stad gelukkig, die haar roemrijk verleden zóó weet te eeren, dat het als een gouden draad loopt en heenschijut door haar heden.

Het wordt waarlijk tijd, dat wij van Neurenberg scheiden, al is het noode.

Op een namiddag legden wij, achter de locomotief gezeten, den weg af van Neurenberg over Treucht-lingen naar München. Ik kan niet zeggen, dat die weg fraai is. Wat mij vooral trof, was dat ik nergens bergen ontdekte. Te Ingolstadt zag ik voor het eerst den Donau, dien ik evenwel zeer gewoon, en evenmin wunderschön als hlau vond.

Het reusachtig station van Beieren's hoofdstad was, even als dat van Mainz, beschenen door elektrisch licht. Door das „Carlsthorquot; reden wij naar de Kan-

8*

ocr page 122

116

fingerstrasse, en vonden er in het hotel Detzer een zeer goed onderkomen.

Welk een geheel andere stad dan Neurenberg is München! Ginds is het oude een deel geworden van het nieuwe, en de kunst heeft er haar gulden draad geweven door het leven; hier, aan de oevers van de schuimende Isar, is het grootste gedeelte van de woningen nieuw of zeer nieuw, en de kunst zetelt hier, gansch afgezonderd, in tal van museums. Te Neurenberg werd de kunst geëerd en aangemoedigd door de burgers; te München is zij het troetelkind geweest van smaakvolle en bouwlustige vorsten. Opmerkelijk is, dat Neurenberg, een protestantsch geworden stad, zijn beste schatten, zijn grootste sieraden bezit en bewaart in zijn kerken, terwijl de kerken van München, dat roomsch bleef, met die van Neurenberg niet te vergelijken zijn. De kunst is te München geïmporteerd, en de uitheemsche namen der heiligdommen, waarin de kunst-produkten worden bewaard, (Maximilianeum, Glyptotheek, Pina-hotheeh, Propijleeën enz.) bewijzen genoegzaam, dat wij hier ^een kunst vinden, opgegroeid uit en saam-gegroeid met het duitsche volksleven.

Ik zeg dit volstrekt niet om den roem van München te verkleinen, doch alleen om 't verschil tusschen die residentie-stad en de oude Rijks-stad te doen uitko-

ocr page 123

117

men. Bijna drie dagen heb ik doorgebracht in de hoofdstad van Beieren, en er niet weinig gezien, 't Is een in zeer vele opzichten interessante stad, welke men met belangstelling doorwandelt. Welk een fraai plein is de Marienplatz, met zijn bevallige fontein en reeksen blauwe rijtuigjes, die altijd gereed staan u op te nemen. Daar is de hoofdwacht, waar ik de manschappen reeds 's morgens vóór 8 uur handgrepen zag verrichten met groote aarden bierkruiken, en waar ik ten 12 uren de wachtparade zag houden, opgeluisterd door fraaie militaire muziek. Niet ver van daar is het reusachtig postkantoor. Menigen gang heb ik er heen gedaan, om brieven te brengen of in ontvangst te nemen. Niet genoeg kan ik de voorkomendheid en lankmoedigheid roemen der duitsche postbeambten. Hoe menigmaal namen zij uit het loket, waar een B boven stond, de brieven op, om te zien, of er ook een onder was voor mij. Zij konden echter niet weten, hoe gelukkig zij mij maakten, als zij het voor mij bestemde mij overhandigden. Goede tijding, brieven van huis in een vreemd land! waarmee zal ik u vergelijken? Met lieflijke muziek? Met verkwikkenden

regen? Met een frissche teuge?.....O zeker, ze

hebben iets, zij hebben veel van dat alles. Neen, dat verstaat gij niet, die op reis gaat en niemand

ocr page 124

118

of slechts een enkele, uw adres opgeeft, voor 't geval „dat er iets bijzonders gebeuren mocht.quot; Gij weet niet, welk een genot het is, het zoo welbekende schrift te zien en te lezen, en te vernemen, dat „alles wel isquot;; te ontdekken, dat men u volgt, dat men zich verblijdt in uw genot, — en dat men al weêr uitziet naar het uur uwer terugkomst, 't Spreekt van zelf, dat hij, die geen brieven krijgt, er ook niet behoeft te schrijven, en dat is ongetwijfeld zeer gemakkelijk. Hefc wint tijd uit en oponthoud, en, als gij goed rekent, menigen penning. Maar weegt dat op tegen het gemis van al de zegeningen, die aan 't bezit van gade en kroost zijn verbonden ? Ik heb nooit de slak benijd, die haar eigen huis waarin zij alleen woont, met zich draagt, omnia secuni por-tans; maar wel den vogel gelukkig geprezen, die

in kan keeren tot het eigen nest.....

Doch, waar dwaal ik heen? Ik keer terug tot het postkantoor van München, waar ik de heden-daagsche postdienst menigmaal gezegend heb. Haar aktiviteit, haar spoed, haar intelligentie, in één woord, alles wat „de postquot; doet, is verre boven mijn lof verheven. Zij is een der kostelijkste vruchten van de ontwikkeling dezer eeuw; een der beste bewijzen, dat wij leven in een beschaafden tijd, in een beschaafd werelddeel. Mij heugt, dat een brief in ons land,

ocr page 125

119

na dagen reizens, bezorgd werd, en tot 30, 40 ets. aan vracht kostte — en thans zond ik uit Zuid-Duitschland en Italië briefkaarten naar 't vaderland voor de geringe kosten van ongeveer 6 ets. en ze bereikten haar bestemming, in ongelooflijk korten tijd, langs wegen, die ik niet kan naspeuren.

In de dagen, waarin Paulus Athene doorwandelde , en er zijn geest „ontstokenquot; werd, telde men in Pallas' stad niet minder dan 3000 beelden van goden en godinnen. Men zeide dan ook, dat men er meer goden dan menschen ontmoette. Mijn geest is wel niet ontstoken, maar ik ben wel ten hoogste verbaasd geweest over het groot aantal standbeelden, dat ik gezien heb, terwijl ik wandelde door München. Vorsten en burgers hebben, naar het schijnt, gewedijverd in het oprichten van deze bronzen gestalten, waarvan sommigen mij voorkwamen zeer fraai te wezen, doch tot nauwkeurig waarnemen, vergelijken en toetsen ontbrak mij inderdaad de tijd. Toch stond ik bijv. in de Maximilianstrasse voor meer dan éen beeld een pooze belangstellend en bewonderend stil; maar geraakte toch hoe langer hoe meer in verlegenheid bij het overdenken van de vraag: is het wijs , is het nut, in één stad zooveel menschen in metaal te vereeuwigen? 't Houdt alsdan zekerlijk op een bijzondere eer, een groote onderscheiding te wezen. Meer

ocr page 126

120

dan die onbewegelijke standbeelden trokken mijn aandacht de menschen, in wier midden ik mij bewoog. Levendig trof mij de zware arbeid, dien ik op den openbaren weg door vrouwen zag verrichten. Verscheidene zag ik bozig met de straatreiniging, maar ook met het zajen en kloven van brandhout. Nog nooit had ik de scherpe, puntige zaag in een vrouwenhand gezien; nu zag ik, hoe een burgeres van München tegenover ons hotel met bewonderens-waardige vaardigheid dit werktuig hanteerde, en onvermoeid arbeidde met een vuur en een vlijt, die men niet bij alle werklieden aantreft. Ik kan echter niet zeggen, dat die vrouw er gelukkig uitzag, en beter was zij dan ook, naar 't mij voorkomt, op haar plaats geweest in haar woning, om er te zorgen, dat klokke twaalf do middagspijs gereed was. Doch wij spraken er moer over, dat in Duitschland van de vrouwen zwaarder arbeid wordt geëischt dan bij ons. Toch zingt de duitscher nog altijd: „Ehret die Frauenquot;, en hij meent het. „Arbeid adelt.quot;

Een ding gunt men elkander in het groot Grermanië, dat men ten onzent meestal mist, en dat is een rustig avonduur. Op een Zaterdag namiddag toog ik naaiden even buiten München gelegen „Englischen Garten.quot; Het woord tuin is echter voor dit oord te bescheiden. Het is een zeer groot terrein, rijk aan afwisseling en

ocr page 127

121

aan schöone partijen. Men heeft er stroomend water en watervallen, vijvers en opgaand geboomte, beschaduwde plekken en fraaie vergezichten. Het middenpunt van deze waarlijk schoone plaats vormt de zoogenaamde Chinesische Thurm, vijf verdiepingen hoog. In de tweede en derde verdieping zit een muziek-corps (een burger- en een militair-) en speelt er lustig op los, zoodat het heinde en ver in 't ronde weerklinkt.

Naar dit oord nu stroomt op den Zaterdag middag een goed deel van München's bevolking, om er neer te zitten bij den Chineeschen toren, en te wandelen langs de tot wandelen uitlokkende paden. Tal van kinderen vermaakt zich hier, spelende op de groene grasperken; een oud moedertje zag ik, bezig met een kleinkind het loopen te leeren; militairen ontbraken natuurlijk niet, daar alle standen vertegenwoordigd waren. De meesten gebruikten hier het Abendbrot, dat men had meegebracht of kocht, en dat genuttigd werd met het onmisbare bier, of met de allervoortreffelijkste koffie, die in de restauratie geschonken werd. Ik zal niet beweren, dat zulk een samenkomst de geschiktste voorbereiding voor den Zondag mag heeten; maar ik heb niets onbetamelijks gezien. Over het geheel lag een bekoorlijk waas van rust, er heerschte een aangename toon; het

ocr page 128

122

was er vol, en men liep er elkander niet in den weg; er was groote verscheidenheid en toch geen oneenigheid. Men had er een stuk voor zich van dat gemoedelijke duitsche leven, dat hij alle gehechtheid aan eigen haard en huiselijk verkeer, toch het bezoek van openbare plaatsen niet missen kan. Maar de duitscher brengt dan zijn familie mee, en gebruikt het avondeten in tuin of Wirthhaus, evenzoo alsof hij thuis is.

Wij behoeven tegenwoordig niets te doen, dat in onze steden de uithuizigheid in de hand werkt; doch ik zou willen dat ons volk, indien het dan toch uit wil gaan, zich kosteloos den toegang zag geopend tot een tuin, waar armen en rijken samen komen, en waar ieder zich tehuis gevoelen kan. Ook zou ik liet een zegen achten, indien men des avonds wat vroeger de winkels sloot, en den arbeid staakte, en in alle gezinnen vader, moeder en kinderen de gelegenheid gaf om nog een uurtje rustig samen te zijn.

In den Englischen Garten zag ik een tamelijk oude dame gezeten, met een gelaat zoo vriendelijk en zoo frisch, dat ik niet kon nalaten er telkens den blik heen te richten. Ik hoop niet, dat ik haar eenig-zins gehinderd heb. In haar gelaat, zoo fraai en aantrekkelijk, trachtte ik te lezen, of er in haar hart die hoogere vrede woonde, die van den ouder-

ocr page 129

123

dom het grootste sieraad is, maar mij dacht, dat ik dien niet vond.

Dezen indruk nam ik mee van het geheele samenzijn in dit aantrekkelijk oord. Het was er vriendelijk, er viel veel te genieten, maar de vrede van den rustdag, dien wij tegemoet gingen, heerschte er niet.

Het ziet er te München op den Zondag 's morgens vóór 12 uur weinig anders uit dan in de week. Bijna alle winkels staan open, en de meeste bedrijven worden voortgezet. Die niet aan 't werk waren getogen, waren op weg naar een kerk, of — naar 't spoorwegstation.

Ten 8 ure zat ik in de nieuwe protestantsche kerk. Het kwam mij voor, dat dit gebouw vrij wel het vraagstuk oplost, hoe men een protestantsch bedehuis zoo ondoelmatig mogelijk kan inrichten. De kansel stond in een hoek, en sommige banken waren er „een gezicht verquot; van verwijderd. Heel in de verte zag ik eenige militaire uniformen — het waren leerlingen der kadettenschool, die zich hier ook juist niet met de beste plaats tevreden moesten stellen. De kerk was vol, en kennelijk was ook de beschaafde stand goed vertegenwoordigd. Wij hadden geen liturgie, maar hoorden een goede leerrede, die met groote aandacht werd aangehoord. Het

ocr page 130

124

was juist 9 uur, toen wij de kerk weder verlieten. Yoleu zullen zeggen: dat was een korte leerrede; en ik antwoord: toch altijd nog langer dan de bergrede, en lang genoog, om er nog eens over te denken, wat ik inderdaad heb gedaan, maar niet altijd over lange preeken doe.

Tot het maken van een vergelijking tusschen deze sobere, maar echt evangelische godsdienstoefening, en een roomsch-katholicke dienst, had ik reeds aanstonds gelegenheid. In de dichtbij gelogen Michaêlis Hofkirche is eiken Zondag morgen, bij de hoofddienst , een uitvoering van klassieke kerkmuziek, vooral van oude meesters. Zeer velen gaan dan ook derwaarts, niet om God te vereeren, maar om naar den fraaien zang te luisteren, 't Was er stampvol en de sopraan-stem, die ik er hoorde, was bijzonder rein en vol. Ik heb echter de dienst niet tot het einde bijgewoond. Voor mijn gevoel is de roomsche mis gansch zeer eentonig en vervelend, en iets in mij kwam er tegen op, om deel te nemen aan een schijn van Grodsvereering, die den Allerhoogste niet aangenaam wezen kan.

Het hotel Detzer heeft iets zeer rustigs; tegen den middag werden de meeste winkels gesloten, en alles werkte dus mede, om ons dat gevoel van stilte en vrede te geven, dat wij op den Zondag,

ocr page 131

125

ook op reis, zoo noode missen. Een wandeling achter liet Maximilianeum om, bij 't vallen van don avond, besloot den dag, den eersten Zondag in den vreemde.

Natuurlijk heb ik ook de voornaamste kunstverzamelingen bezocht, en menig uur doorgebracht in de beschouwing van zoo vele onovertroffen meester-stukken. Trouwens men zou wel een barbaar moeten zijn, indien men te München vertoefde, en de gelegenheid niet gebruikte, om zooveel schoons te genieten.

quot;Wat mij in 't algemeen bjj het bezichtigon van deze kunstverzamelingen heeft getroffen, is allereerst de wijze , waarop zo zijn tentoongesteld. De werken van de koningen der kunst zijn hier inderdaad koninklijk ontvangen en gehuisvest. Eu toch krijgt men hier een geheel anderen indruk dan in 't groothertogelijk paleis te Weimar; daar wordt de mensch, de persoon der kunstenaren te veel verheerlijkt, terwijl te München het werk, het beeld in marmer gebeiteld of op doek getooverd, ons geheel in beslag neemt. Welk een weelde is liet, die Grlyptotheek te doorwandelen, beginnende met de Assyrische zaal, en daarna achtereenvolgens de grieksche beeldhouwkunst in haar verschillende ontwikkelingstrappen vertegenwoordigd te zien, en dat alles tentoongesteld

ocr page 132

126

in de doeltreffendste lokalen. Hoe heerlijk staan daar die beelden in het volle licht, en in een omgeving, die met hetgeen zij uitdrukken, harmoniëert. Ik kan er niet aan denken zelfs de fraaiste beelden hier te vermelden en te beschrijven, al die heerlijke Apollo's en verdere goden en helden. Het langst heb ik stil gestaan bij den beroemden slapeilden Satyr, bekend als de „barberinische Faun.quot; Achterover leunend tegen een boomstam slaapt de krachtige Satyr, wiens linker arm langs zijn zijde afhangt, terwijl zijn rechter is geslagen achter om zijn hoofd. Welk een krachtige figuur! Welk een ontwikkeling van beenderen en spieren! Hoe geducht moet deze boschgod zijn, als hij tot den worstelstrijd zich opmaakt! Maar nu, alles aan hem slaapt, een diepen, gezonden, door niets gestoorden slaap. Op het voorhoofd, over den half geopenden mond, over de gansche houding van het lichaam, over die onuitsprekelijk fraai gebeitelde krachtige gestalte ligt de slaap uitgestrooid, en heerscht hij onweerstaanbaar en onweerstaan. Een fraaie fotografie, die ik medebracht, leg ik telkens voor mij, en zij doet mij gedurig zeggen tot mij zelf: „Alleen die Satyr reeds maakt de Glyptotheek een bezoek overwaardig.quot;

Maar hoeveel is er te zien, behalve dit ééne meesterstuk uit den tijd van Praxiteles, dat mij

ocr page 133

127

levendig herinnerde aan een slapende Ariadne, welke ik te Cassel mocht bewonderen. Welke voortreffelijke bustes trof ik hier aan van helden, denkers, dichters en vorsten! En nimmer raadt gij op wiens borstbeeld in de zaal der nieuwere werken mijn oog het laatste viel: het was op de buste van Cornelis Trom}), door Eauch. Ik nam den hoed af voor den wakkeren zeeheld, en verliet onuitsprekelijk dankbaar de Glyptotheek.

De oude en nieuwe pinakotheek bezocht ik, en hoe zal ik in woorden weergeven, wat ik daar aanschouwde en gevoelde? Het is alsof men ter audiëntie gaat van den eenen grootvorst der kunst naar den anderen. Hier zien wij Neurenberger vrienden zetelen, als Diirer en Wohlgemut; een weinig verder ziet gij de treffelijkste stukken van J'nhens, van Titiaan, van Murillo, van Paul Veronese, en van tallooze andere meesters. Rembrand is hier niet zoo uitnemend vertegenwoordigd als te Cassel, maar toch behoeft een Nederlander hier de oogen niet neer te slaan. Tallooze stukken treffen wij hier aan van landgenooten. Gerard Dou en Jan Steen, Metzu en Frans Mieris, Terburg en Brouwer, Womcerman en Pijnacker komen hier uit in al hun verdiensten. Zoo trof mij een klein paneel van Pi eter de Hoog he, een lezende vrouw voorstellende. Niet alleen is het perspektief

ocr page 134

128

van deze schilderij zeer diep, maar uitstekend is hier weergegeven de diepe, ademlooze stilte, welke deze vrouw gebruikt, om zich te verdiepen in haar lektuur. Een onbeschnjfelyk dichterlijk waas ligt over dit schijnbaar kunsteloos tafereeltje. Meer dan één schilder en schilderes was bezig kopiën te nemen. Een in 't wit gekleede jonge dame hield zich onledig met een origineel na te schilderen, waarvan de manlijke figuren bijna alle vergeten hadden zich te kleeden. Terwijl de naïeve jonge kunstenares het penseel hanteerde, voerde zij een druk gesprek met een jong man, die er volstrekt niet naïef uitzag, en dat herinnerde mij aan de boven alle sexueele bedenkingen verheven geestdrift, waarmeê ik Heeren en Dames te Amsterdam eens ïitiaan's Danaë zag bewonderen.

De verzameling grieksche en etrurische vazen, welke in de benedenverdieping van do oude Pinakotheek wordt bewaard, bracht een landgenoot, mot wien ik derwaarts ging, in sprakelooze verrukking, en ook ik had gaarne die sierlijke voorwerpen aandachtiger beschouwd, — maar mijn hart trok mij naar do schilderijen.

De nieuwe phinakotheek, alleen schilderstukken uit deze eeuw bevattende, is eveneens rijk aan allervoortreffelijkste doeken. Ik deuk o. a. aan KanlbacWs

ocr page 135

129

verwoesting van Jeruzalem; maar dagen worden ver-eischt, om eenigszins thuis te geraken in zulk eene groote verzameling en zich los te rukken uit den overweldigenden, haast bedwelmenden indruk, door die veelheid van kunstschatten teweeggebracht.

Ik hoop hartelijk, dat ik München nog eens weer zal zien. Dan hoop ik ook een bezoek te brengen aan menige kunstverzameling, waarheen ik nu de schreden niet wendde. Dat ik alsdan zal klimmen in het hoofd, en zien uit de oogen van de Bavaria, betwijfel ik. Ik sta liefst op eigen voeten, en zie liefst uit eigen oogen; maar ik heb mij vast voorgenomen dan ook weer een bezoek te brengen aan den Rathskeller, dien ik nu slechts vluchtig heb gezien. Hij is te vinden onder liet fraaie Raadhuis, dat in 1874 werd voltooid, en welks front staat op den Mariënplatz. Een groote, gothische lantaren in de Diemerstrasse wijst den ingang aan. Een vreemde vindt kwalijk beter gelegenheid te München om uit te rusten, en tegen billijker prijs iets te verkrijgen, dat het lichaam verkwikt, terwijl hot oog zich vermeien kan aan de gekleurde vensterruiten, de sierlijke tafels en stoelen, de muurschilderingen en rijmen, waarmee elk vak is versierd. Ik kan niet elk rijm, dat ik hier las, geestig vinden, doch in meer dan één steekt iets van den ouden duitschen humor.

0

ocr page 136

130

In dezen Rathskeller wordt jaarlijks bijna een half millioen flessclien wijn geschonken, en de hoeveelheid bier, die hier jaarlijks gebruikt wordt, zal zeker wel bij vaten worden opgegeven. In het drinken van bier houdt men te Münehen zeker geon maat, en ook nu nog is van toepassing op Duitschland wat eenmaal Luther zeide: „Es muss jédes Land seinen eigenen Teufel haben, Walschland seinen, Frankrcich seinen; unser Teutscher Teufel wird ein guter quot;VVein-schlauch sein, und muss „Sauffquot; heissen, der mit so grossem Saufen Weins und Diers nicht kann ge-kühlt werden, und wird solcher, fürchte ich, ewig Deutscblands Plage bleiben bis an den jüngsten Tag.quot; Toen wij Münehen verlieten zag ik uit mijn spoorwegcoupé nog lang de Bavaria, en nog langer de twee onbevallige torens der Frauenl'irche, maar veel langer hoop ik er dankbaar voor te wezen, dat ik de hoofdstad van Beieren bezoeken eii een deel van hare schatten bewonderen mocht.

Het zou mij waarlijk spijten, indien ik u te lang had doen vertoeven in de twee voornaamste steden van Beieren. In elk geval wil ik trachten u schadeloos te stellen, door u met uw gedachten te verplaatsen in het land der Oostonrijksche Alpen, in Tirol en het Salzburgsche. Ue tochten, die ik door dit be-

ocr page 137

131

koorlijk oord gemaakt heb, wijken wel eenigzins af van de „toerenquot;, welke de meeste reizigers door dit bergland ondernemen. Dientengevolge kwam ik niet, waar velen komen, en zag ik veel wat weinigen zien. quot;Winst en schade zijn hier dus, als bij zoo vele dingen , ondereen gemengd.

Over Holzhirche, Scha/lach en Gmiinde spoorden wij, altijd nog op Beiersch grondgebied, naar den noordelijken oever van de Tegernsee. Bij Schaflach begonnen zich hoe langer hoe duidelijker de bergen te vertoonen, de Tiroler Alpen, die wij zoo vurig verlangden te zien. Hoog zijn ze aldaar nog niet, maar bevallig teekenden zich hun golvende lijnen af tegen den horizont, en hartelijk heb ik ze gegroet.

Yan Gmiinde reden wij met don postwagen langs de Tegernsee naar het plaatsje, dat aan het meer zijn naam geeft, en vonden een klein maar rein nachtverblijf in het Tegernhof. Is het omdat dit meer het eerste was, dat wij op reis zagen, of om een andere reden, ik weet het niet, maar ik weet wel, dat ik niet licht de avondwandeling vergeten zal, die ik deed langs deze lichtgroene, zachtkens golvende „Seequot;, waar de wassende maan zoo vriendelijk zich in spiegelde. Ik strekte mijn wandeling uit tot het paleis van Hertog Karl, den vorst, die zulk een bekend oogheelkundige is, en die zoo gemoe-

0quot;

ocr page 138

132

delijk woont naast een kerk, aan welker andere zijde voortreffelijk bier wordt gebrouwen. Paleis, kerk, brouwerij, voorwaar, hier is het „AVeltkindquot; niet „in der Mitte,quot; maar het drietal gebouwen, helder wit van gevel, aaneengesloten en kloek oprijzend uit den grond, zoo dicht bij 't water, waarvan men de golven hoort breken op den zacht glooienden oever: het maakt een harmonischen indruk, en noode keerde ik van dat plekje terug naar mijn hotel.

Keeds vroeg stond den volgenden morgen een rijtuig voor, een open rijtuig met flinke paarden bespannen, en bestuurd door een koetsier uit Jenbach, die naar zijn rood geaderde wangen te oordeelen, geen vijand was van den Tiroler landwijn. — Op een fraaien zomerscben dag, 's morgens tijdig uiquot; te rijden, en 't vooruitzicht te hebben van een weg af te zullen leggen door een schoon, nimmer aanschouwd landschap: zie, het geeft een eigenaardig, opgewekt gevoel. De dag krijgt het karakter van een feestdag, en dankbaar heft men hart en ooquot;- omhoog tot den God zijns levens,

Over de Achensee zouden wij rijden naar Jenbach, en dus de Beiersche grenzen overschrijden, en het gebied betreden van Tirol. Wij kwamen dan ook op een punt, waar wij de Beiersche en Oostenrijksche

ocr page 139

133

grenspalen zagen. De blauw-witte ruiten van Beieren herinnerden mij levendig aan de zoo vermaarde hoeksche en kabeljauwsche twisten, en de inspektie, waaraan onze bagage door de Oostenrijksclie douanen onderworpen werd, was zeer goedhartig.

Het is een bij uitstek fraaie weg, van Tegern naar Achensee; en het plekjen waar de paarden gevoederd worden, Glashutte geheeten, waar een kleine kapel met een lieflijk kerkhof er om heen, haar memento toeroept aan de vroolijke voorbijtrekkende of even toevende kinderen der menschen, dat plekje komt mij met zijn groene bergen en heldere beekjes nog telkens weder voor den geest.

Onze koetsier vond goed, aan den oever van de Achensee niet te stallen in het hotel Scolastica, maar in Bainer's Seehof. Die heeren weten gemeenlijk wel wat zij doen, maar wij hebben ons niet over hem beklaagd. „Scolasticaquot; is een stemmig verblijf, dat zijn naam geen oneer aandoet, en waar steeds vele roomsche geestelijken vertoeven — terwijl „Seehof,quot; dat een „Schöpfungquot; is van den ook als dichter bekenden heer Rainer, een meer wereldsch karakter vertoont. Aan 't hoofd der sterk bezette table d'hote troonde een Oostennjksch veldmaarschalk, en alles was er opgewekt en vrooljjk. Maar men moet er, naar wij vernemen, 's avonds wezen! Dan kleedt

ocr page 140

134

zich Therèse, de docliter des huizes, in Tiroler kostuum, en leidt er, terwijl de muziek lustig speelt, den dans met de gasten haars vaders, en dikwerf is het reeds laat in den nacht, als de klank van dans en snaren nog heenruist over de golven van de Achensee.

Dat meer is bijna aan alle zijden door bergen ingesloten, van welke er sommige loodrecht oprijzen uit het water, en dat is diep, donker blauw, even als het meer van Genève. Twee of drie voeten langs den oever is liet water nog helder, maar dan vangt het aan blauw te worden, en als gij de roeispanen opheft, vallen blauwe droppelen er van af in het blanke nat en lossen er zich in op. Men wordt er niet verzadigd van, dit spel van golven en kleuren gade te slaan; en wie beschrijft het, hoe heerlijk het is op dat diepe meer, in de schaduw dier steile rotsen, over dat prachtig gekleurde water zich te laten voortroeien. . . .

Hoe hoog dat meer reeds ligt bleek ons, toen wij 's namiddags reden naar Jenbach. In vliegende vaart daalden wij langer dan een uur, en stapten, te Jenbach aangekomen, in den trein die ons bracht te Wörgl. Niet licht vergeet ik den schrik, die mij om 't harte sloeg, toen wij de restauratie binnentraden, waarin wij zouden overnachten. Nooit werd

ocr page 141

135

ik zulk een vermenging gewaar van allerlei geuren. Koffy, bier, gebraden vleesch, tabak, uien, en nog andere dingen verspreidden er elk zijn eigenaardig aroma, en vormden er een soort nevel of walm, waar men doorhenen moest, wilde men de trap bereiken, die naar onze slaapkamer voerde. De eigenaar der restauratie was echter zeer hupsch, onze legersteden waren rein, en welgemoed spoorden wij den anderen morgen tijdig naar Hopfgarten, om vandaar de bekende Hohe Salve te bestijgen „den Rigi van Tirolquot;. Ongeveer drie uren worden vereiseht, om dien top te bereiken. Heerlijk bronwater, vroolijk dalend van de bergen of er plotseling uit te voorschijn springend, laafde ons gedurig, en ofschoon het uitzicht boven niet zoo helder was, als wij 't wel hadden gewenscht, heeft ons die tocht niet berouwd.

Het plan was, om te Sf. Johan te overnachten, maar een reisgenoot ried ons aan, door te sporen tot Fieberhrunnen, en nu wenschte ik wel, dat ik dien onbekende danken kon voor zijn goeden raad. Fieberhrunnen is een der lieflijkste plekjes, die ik heb aangetroffen. Het dankt zijn naam aan de genezing van de koorts, welke vóór eeuwen een vorstin er vond. Ik proefde dan ook nooit heerlijker water. Maar wat reeds aanstonds ons zoo alleraangenaamst stemde, was ons hotel „Gasthof zum Obermaijerquot;

ocr page 142

130

geheeten. Het ligt aan oen schuimende beek, en ziet er zoo vriendelijk on gemoedelijk uit, dat men niet na kan laten er binnen te treden. De kamers, die wij er kregen, waren van onberispelijke reinheid. Bij ieder bed stond een paar nieuwe pantoffels gereed, en op de waschtafel lag een stel toiletbohoeften. Aan de wanden hingen crucifix, wijwaterbakje en een afbeelding van een heilige, en alles riep ons toe: hier kunt gij zoo gerust het hoofd neerleggen alsof gij thuis waart. Toen wij ons uitnemend avondeten nuttigden, kwam de kellnerin, een trouwhartige, stevige tiroolsche, bij ons staan, en vroeg ons op een aller-vriendehjksten toon; „Schmeckt 's gut?quot; Xu zij zag wel, dat de voortreffelijk toebereide „Hühnerquot; en de overheerlijke Compute ons bij uitstek smaakten, en op 't rustig balcon gezeten, besloten wij hier een geheelen dag „haltquot; te houden, want de bestijging van „die hohe Salvequot; had ons een weinig stram gemaakt.

Zoo hebben wij dan een ganschen dag doorgebracht met kleine wandeltochtjes rondom Pieberbrunnen. Yooral de weg naar St. Johan is schoon. Aan 't Noordwesten wordt er het uitzicht begrensd door het reusachtig Kaisergeb 'rye, dat zijn hooge scherpe tanden zoo helder afteekende tegen de blauwe lucht, en dat zoo fantastisch verlicht werd, toen de zon er achter

ocr page 143

137

schuil ging. Onze aandacht werd getroffen door meer dan een gedenkteeken, opgericht ter plaatse, waar iemand op den weg plotseling gestorven was en door de eigenaardige opschriften boven de huisdeuren. Zoo las ik boven zulk een ingang:

Bleib bei uns, Herr Jesu Christ,

Ob 's Morgen oder Abend ist.

De vrouwen in Tirol hebben prachtig hoofdhaar, dat kennelijk met zorg wordt onderhouden, maar de mannen schijnen er vroeg oud te worden. Vele en diepe groeven bespeurt men in 't gelaat van Tirolers, die nog lang geen 60 jaren tellen, en vaders zijn van nog zeer jonge kinderen. Van aardrijkskunde schenen zij weinig studie te hebben gemaakt Als wij vroegen, vanwaar zij wel meenden, dat wij kwamen, rieden zij achtereenvolgens Berlijn, Weenen en Frankfort. Daarmee gaven zij het op. Onze mededeeling, dat wij Hollanders waren, liet hen koud. Zij hadden nooit van Holland gehoord. Toen wij hun vertelden, dat het een land was met prachtige koeien en zoo vlak als de tafel, riepen zij uit: Das soil schön wesen! Nu ons land is schoon — maar Tirol is het óók.

Dat moesten wij getuigen, toen wij den volgenden dag wandelden van Fieberbrunnen over Waidring

ocr page 144

138

Lof er en Oberweissbach naar Hirschbiihl. Moeder Obermaijer had een veelkleurig stuk lint gekocht, de einden ervan er met een stevige speld vastgehecht, en daaraan kon ik de weinige bagage gemakkelijk dragen, welke ik verlangde mee te nemen. Onze gids was de kleine Moriz, wiens geheele uitrusting bestond uit een strooien hoed , hemd, vest en pantalon, alles echter heel en zindelijk. Onder éen van zijn bloote voeten was een pleister vastgekleefd, om een kleine wonde tegen „Kothquot; te vrijwaren. De arme jongen hinkte dus een weinig, maar was vroolijk als een lijster. Hij kende den weg dien wij langs wandelden volkomen, en was niet weinig blij, toen hij onder weg, even in een huis mocht gaan, om er zijn moeder te groeten, die daar dienstbaar was.

Nu zagen wij de „Steinerne Seequot;, rotsgevaarten, die doen denken aan hemelhooge versteende golven. Als gij er lang op ziet, is 't alsof zij waarlijk nog bewogen worden, en elkander verdringen. Nu kwamen wij langs de schoone, groene Pillersee, en traden een dal binnen, dat deed denken aan het Bodethal in de Harz. Maar hier was alles grootscher. Over 't algemeen kan men zeggen, dat Tirol het midden houdt tusschen de Harzstreek en Zwitserland. Het is stouter dan Noordduitschland, wilder en woester — maar het moet onderdoen voor plaatsen als Interlaken

ocr page 145

139

of Chamouny. quot;Wat het echter op de Harz stellig voorheeft, is de overvloed van water. Bijna nergens heb ik gewandeld, of minstens ter eener zijde van den weg trof ik een beekje aan. Meestal was dat water groen getint, en met zijn vroolijke levendige muziek, terwijl het gleed over grooter en kleiner steenen, heeft het ons vergezeld nimmer moe maar altijd vroolijk. En wat Tirol op Zwitserland voor heeft, is dat het u niet zoo overweldigt. Zonder al te veel moeite zoudt gij de meeste bergen beklimmen kunnen; het lieflijke heeft de overhand over het grootsche, ook al ziet men, zoo als te Waidring en Lofer „geweldige rotsblokkenquot; en verscheidene bergen, waar hier en daar in kille hoeken ook des zomers de sneeuw niet wegsmelt. ïe Ohenveissbach „im Aurvogelquot; gebruikten wij het middagmaal, en wandelden daarna door de Seissenberyer Klamm. 't Is een vrij diepe engte tusschen begroeide rotsen, waardoor de quot;Weissbach henenschiet in tallooze kronkelingen, 't Lichteffekt in deze „Schluchtquot; heeft iets eigenaardigs , omdat men omhoog ziende geen blauwe lucht ontwaart maar 't groen der takken, die over de rotsen heen hangen. Over een plank, waarlangs niet overal een leuning loopt, wandelt men deze diepte door, bij het luidruchtig gedruisch van het water, dat hier en daar u om de ooren spat. Huiveringwekkend

ocr page 146

140

vond ik dien tocht niet, zooals een dame, die wij te Oberweissbach ontmoetten — maar ik was niettemin blij, toen wij op den straatweg naar Hirschbühl waren. Die weg was bijna krijtwit; bij stak dus helder af tegen het overal welig groeiend sparrenhout, en voerde al hooger. O Hirschbühl, wat heb ik, bij het stijgen, naar u verlangd! Wat was ik blijde, toen wij eindelijk in het eenvoudig maar helder logement van uwen naam binnenstapten en er een goede kamer vonden! Even als te Fieberbrunnen heerschte hier geen weelde; de forsche kellnerin, die ons diende, had een klein zwart plankje, waarop zij met krijt ons onze vertering voorrekende, en was werkelijk hlij met het drinkgeld, dat zij ontving. En al zeide zij niet, zoo als een harer zuster-collega's, bij 't ontvangen van een fooi: „Danke famos!quot; zij toonde erkentelijk te zijn. Te Hirschbühl hoorden wij 's avonds voor 't eerst cither spelen, terwijl wij een levendig gesprek hadden met een lid van den Oostenrijkschen Alpen-club, die geheel als bergbeklimmer gekleed (dus ook met bloote knieën) ons vol geestdrift verhalen deed van zijn tochten door Tirol en Stiermarken.

Wij waren hier weder in de onmiddelijke nabijheid van de Oostenryksche grenzen. Het tolhek zagen wij des avonds behoorlijk sluiten, en met een ge-

ocr page 147

141

voel, dat wij goed bewaard werden, gingen wij ter ruste.

De nieuwe wandeldag, die zeer vroeg aanving, beloofde geen overmengd genot, daar de lucht, zoo als dan ook werkelijk is geschied, dreigde met regen. In 't morgenuur nog bij goed weer, voerde onze weg ons langs de groene Hintersee ,lt; waarop bergen van 7000 en 8000 voeten hoogte nederzien, en wij kwamen zeer voldaan te Ramsau.

Hier was het zeer levendig; voortdurend kwamen en gingen er gasten, en reden volgeladen rijtuigen voorbij. Maar hier begon ook de regen te vallen. Niettemin zijn wij verder gewandeld, eerst, van Ramsau naar Illsang. 't Is een verrukkelijke weg. Rechts springt over rotsblokken de vroolijke Wimbach, aan beide zijden rijzen hooge, forsche bergen op — en langs den weg staat, als „aan waterbekenquot; geplant het prachtigst houtgewas. Forsche kastanjes, bevallige acacia's, stevige eiken — ze tieren hier welig dooreen, en willen van de alleenheerschappij dei-Coniferen niet weten. Een boer kwam van een zijweg aangereden, stappend, om dicht bij het remtoestel te wezen, achter zijn met hout beladen kar. Hij was bezig zich al voortgaande te sterken aan een stevig stuk brood, waarvan hij met een mes telkens iets afnam. Wy liepen met hem voort, en met de grootste

ocr page 148

142

eenvoudigheid, als iets dat van zelf' sprak, reikte hij ons een stuk van het brood toe, dat kennelijk hem zoo wel smaakte. Een goed slag van raenschen, die Tirolers! —

Ruim een uur na den middag kwamen wij aan de vermaarde Königssee. Wij hebben dat meer, door sommigen het schoonste der duitsche meeren genoemd, niet op zijn voordeeligst gezien. Het regende, of als het niet regende, was het nevelachtig. Daarom hebben wij het kleurenspel gemist, dat zonneschijn op dit donker groene, hier en daar meer dan 600 voeten diepe water te voorschijn roept. Toch heb ik een machtigen indruk ontvangen van deze, door duizenden voeten hooge, en loodrecht uit het water oprijzende kalkbergen ingeslotene „See.quot;

Hoe schoon en majestueus zij is, gevoelde ik niet zoo zeer terwijl ik over haar oppervlakte henenvoer, als wel toen ik van den „Malers Winkelquot; haar geheel vóór mij zag. Ik genoot dat onbeschrijflijk tafereel met een duitsche dame, die luide uitriep; „Ach, lieber Gott, wie schön hast Dn dieses gemacht.quot; Ik was het geheel met haar eens, en ijlde terug naar het hotel, vanwaar de omnibus afvoer naar Salzburg, waarin ik een plaats had besteld.... De omnibus was vertrokken, tot groote ontsteltenis, naar ik vernam, van mijn reisgenooten, die vruchteloos met

ocr page 149

143

het uitgalmen van mijn naam tal van echo's, slapend aan de oevers van de Königssee, hadden wakker geroepen.

Met een haastig ingespannen rijtuigje haalde ik hen te Berchtesgaden weder in. Doch, o mijn goede vrienden! in welk gewaad moest ik u hier aantreffen? Met uw grof linnen, grauw pak om de lenden, met uw onooglijken hoed op het hoofd, — zaagt gij er uit, niet als fatsoenlijke lieden, maar als bandieten. Gij stondt gereed, den Zoutberg in te gaan, welks ingang alhier uitkomt op den straatweg. Mijn afkeer van onderaardsche wegen en dingen kon ik ook nu niet overwinnen, en ik meende, dat ik mij rijkelijk kon schadeloos stellen door het schouwspel, dat zich voordeed aan mijn oogen. Niet alleen Heeren, maar ook Dames, rijden den Zoutberg in, en ook zij worden daartoe uitgerust. Zij trekken een tamelijk korten, maar wijden witten pantalon aan, en een bruin jacquet; ook worden zij getooid met een ruim mutsje op het hoofd en een lantaarntje in de hand. Allervermakelijkst was het, te zien hoe de dames uit de kleedkamer te voorschijn traden. Verreweg de meesten waren een weinig verlegen, maar hoe verscliillend waren de wijzen, waarop zij die verlegen!; eid zochten te verbergen. Sommigen stapten stoutehjk voort, anderen drongen zich in een hoek

ocr page 150

144

op elkander; de een lachte, de ander keek boos; ginds greep een jong meisje den arm van haar papa, daar zocht hare zuster kracht in een onopgemerkt plekje. Het zonderling kostuum verhoogde de schoonheid van enkele schoenen, maar ik zag er ook, die aan dames een kreet ontlokten — niet van bewondering, doch haast van schrik.

Inmiddels dronk ik een glas bier, drentelde heen en weder, en stapte, tegen 'tvallen van den avond, in den omnibus, die door regen en nevel ons bracht naar Salzburg, waar wij in 't Hotel de V Europe onze vooruitgezonden bagage, en een hotel „ersten Rangesquot; vonden. Als ik zeg, dat het te Salzburg regende, zal zich niemand hierover verwonderen, die ooit deze om haar schoone ligging vermaarde stad bezocht heeft. Het regent er bijna altijd, — zoo ook op den Zondag, dien wij er doorbrachten. — quot;We woonden een vervelende engelsche dienst bij in de duitsche kerk (de duitsche predikant was van huis), schreven brieven, genoten van de rust, die ons hotel ons aanbood, en namen „de drooge buienquot; waar, om wandelingen te maken door de stad. Hoe vele weemoedige en droeve herinneringen wekt Salzburg op voor het protestantsch gemoed. Hier in het stift van St. Petrus, waaraan thans een goede restauratie verbonden is, bracht de vrome. maar

ocr page 151

145

zwakke von Staupitz zijn laatste levensjaren door; hier stierf hij op 28 December 1524, en hier rust zijn gebeente. Het heeft hem niet gedeerd, dat 60 jaren later een zijner opvolgers een gedeelte van zijn nagelaten geschriften op het kloosterplein heeft doen verbranden, — maar veel erger is de gruwelijke mishandeling en uitdrijving geweest der Salzburgsche protestanten in 'tjaar 1732. De geheele protestantsche christenheid en menige edele roomsche hebben tegen dat schreiend onrecht geprotesteerd — te vergeefs. Van alle ketters is het gebied van Salzburg's toenmaligen aartsbisschop gezuiverd geworden; maar als 't Grods tijd is, zal het evangelie weer zijn intocht doen in een land, dat het eens met zooveel vreugde heeft ontvangen, i)

Langs de Gissela-baan bij fraai weder, gezeten in een „Aussichts-Wagenquot;, te sporen over Hallein en Lend naar Zeil am See is een onbeschrijfelijk genot. Ik heb het met volle teugen ongestoord gesmaakt, en stapte dankbaar en voldaan uit aan 't zoo even genoemde plaatsje.

Bekoorlijk Zeil am See! Ik kan het niet nalaten, telkens aan u te denken. Hoe helder groen was de

1) Meu zie over de vervolging der Salzbuigers een opstel van v. Kessel, in 't Zeitscbr. f. lust. Theol. van 1859.

10

ocr page 152

146

tint van het Zellermeer, aan welks oever ter rechterzijde wij het eerst op onze reis een echten sneeuwberg, (en geen berg met sneeuw,) aanschouwden, die ons heerlijk tegenblonk. We hadden kamers verkregen in 't hotel die Kaiserin Elisabeth, en prijzen ons zeiven deswegen noch gelukkig. Waar kan men aangenamer nederzitten dan in die restauratie, zoo ruim en zoo frisch maar zonder tocht, en zóó dicht bij 'tmeer, dat men het in tien schreden bereikt? Iemand hoorde ik beweren, dat de kellners er zoo afgemeten waren, ja bijna trotsch. Ik heb het niet opgemerkt, en de spijzen, die men er ontving, geroemd en hoeren roemen.

Mijn aandacht werd zeer bezig gehouden door de fontein, vlak vóór de'restauratie, 't Was niet alleen de heldere, hoog opgaande waterstraal, die mij boeide, — maar ook het bassin, waarin het water nederviel. Dat bassin toch bevatte steeds een aantal forellen. Aan dien naam schijnen zich voor vele menschen de alleraangenaamste herinneringen te verbinden. Hoe dikwerf hoorde ik landgenooten, die het Ahrdal bezocht hadden, mededeelen, dat zij forellen gegeten hadden — en mij is, toen ik van deze reis terugkwam, gedurig gevraagd: „Hebt gij niet veel forellen gehad ?quot;

Arme dieren! Ik benijd u uw reputatie niet.

ocr page 153

147

Doch — om tot het bassin te Zeil am See terug te keeren — de forellen, die ik aldaar vroohjk zag rondzwemmen, werden er bewaard tot de ure huns doods. Meer dan eens verscheen de kok van 't hotel met een netje, om een van 't „schubbig watervolkquot; machtig te worden, en niet lang daarna zagen wij het ongelukkige dier gekookt voorbij dragen en nuttigen.

Dat bassin deed mij denken aan de bekende „treurkamerquot; in het Gevangenpoortje te 's Graven-hage, het klein vertrek, waar de ter dood veroordeelden de laatste uren voor hunne terechtstelling-doorbrachten. Wilde ik toegeven aan de zucht tot het leveren van spelingen des vernufts, dan zou ik hier een vergelijking maken kunnen tusschen dat bassin met forellen en ons leven. De kok zou dan treffend den dood kunnen voorstellen. Ik geef het beeld en denkbeeld voor beter.

Het Zellermeer heb ik ééns omgevaren, en meer dan eens langs zijn oevers gewandeld. Het water lokt onwillekeurig uit tot een bad, en de gelegenheid tot het nemen van zi Ik een verfrissching is er aanwezig. Later hoorde ik, dat het in de bassins aldaar niet altijd eerbaar toegaat, maar ik heb daarvan niets bespeurd of vernomen. Ik nam van Zeil am See enkel lieflijke indrukken meê, en nog zie ik het

KT

ocr page 154

148

meer, zooals het des avonds zich voor mij uitbreidde, beschenen door het licht der maan, die, ofschoon zij afnemende was, toch nog een breeden bundel van haar vriendelijke stralen liet henenglijden over het zachtkens wiegelend watervlak.

Van uit Zeil beklimt men die Schmittenhöhe, die een zeer schoon vergezicht aanbieden kan — maar het ons niet deed. Toch zagen wij er onafgebroken, diep aan onze voeten, de vriendelijke Zellersee, van welke wij met weemoed scheiddon.

Onvergetelijk blijven mij de uren, welke ik heb doorgebracht te Innsbrück. 't Is een stad van be-tooverende schoonheid en in frischheid zonder wederga. Ik heb er ook mijn eerbiedige hulde gebracht aan de nagedachtenis van den edelen Andreas Hofer, van wien in het Ferdinandeum zoo vele relieken worden bewaard; en ik heb er ook bewonderd, in de Domkerk, het gedenkteeken van keizer Maximi-liaan, omringd door tal van bronzen standbeelden, 't Is een kunstwerk van den eersten rang en een opzettelijke bestudeering overwaardig. — Aan voortreffelijker table d' hóte heb ik niet aangezeten; dit was ook de indruk van een hollandsch reisgezelschap, dat wij aan de open tafel aantroffen, en dat met ons den dood betreurde van den oud-minister Mod-

ocr page 155

149

derman, die een paar dagen te voren was overleden.

Reeds vroeg verlieten wij den volgenden morgen Innsbrück, om langs de Brennerhaan te sporen tot Franzensfest. Iemand, wiens betrekking hem noopte dikwijls dezen weg af te leggen (hij was inspecteur van het ijk-wezen) wees ons terwijl wij voortspoorden telkens nu ter rechter dan ter linkerzijde de schoonste punten aan, omlaag en omhoog, van nabij en van verre. Tunnels, die wij door, bergen, die wij op moesten; schuimende watervallen onder ons, glinsterende sneeuwtoppen boven ons; vriendelijke dalen, grillige rotsen; gedeelten van den ouden straatweg, die over den Brenner-pas voerde, lieflijk gelegen dorpen, — het ging ons alles voorbij, langzaam genoeg om het goed te zien, maar te snel eu te veel, om het goed te onthouden, en in al zijn hij zonderheden het terug te kunnen roepen voor den geest. Men ontvangt echter van dat alles een totaal-indruk, en deze laat zich samenvatten in de woorden, dat dit kunstwerk van het menschelijk genie voert door een der indrukwekkendste gedeelten van Gods schepping.

Aan schoonheden overrijk is de spoorweg van Franzensfest naar Toblach, door het Pusterthal. Te Toblach troffen wij veel reizigers aan en een prachtig hotel — maar wij reden in een gemakkelij ken

ocr page 156

150

landauer door, want wij wilden dien dag Cortina nog bereiken.

Dat het Ampezzo-dal, hetwelk bij Toblach uit het Pusterdal komt, bijzonder indrukwekkend moest zijn, hadden wij van verschillende zijden gehoord. Onze verwachting was dus hoog gespannen, en zij is niet beschaamd geworden. quot;Wel hebben wij het schoone dal niet doorwandeld, en zijn wij dus gebonden geweest aan den straatweg, maar we reden langzaam en de heirbaan voert door en langs prachtige partijen. De grootste aantrekkelijkheid van dit dal vormen de zoogenaamde Dolomyten. Het zijn reusachtige kalkbergen, tusschen de 5000 en 8000 voeten hoog. Allermerkwaardigst zijn hun verschillende kleuren en tinten, grijs, grauw, rood, groenachtig, ineenvloeiend, elkander vervangend, op de zonderlingste wijze ondereen gemengd en voor een deel overdekt door eeuwige sneeuw. En nog opmerkelijker zijn de vormen van deze reusachtige gevaarten. Hier meent gij een ont-zachlijk kasteel te zien, met torens en transen; ginds een batterij met schietgaten; elders de facade van een geducht paleis. En waar de regelmatigheid in de vormen ontbreekt, daar treedt het grillige in de plaats. Ik zag een berg, welks rug denken deed aan een bevallig gedrapeerd donkergrijs kleed, dat in breede plooien afhing, en in de nabijheid hief naakt en

ocr page 157

151

spits een berg zijn kruin in de hoogte. En al die scherpe lijnen en tinten teekenden zich af tegen een blauwen italiaanschen hemel, want Italië's grondgebied is hier en daar van 't Ampezzo-dal slechts eenige weinige minuten verwijderd. Te Schluderbach hoorden wij dan ook reeds de taal van Dante spreken, en wel door mannen, die op die indrukwekkende plaats zaten kaart te spelen. Gij draagt ook italiaansche namen, gij Monte Pian en Cristallino, en gij groot-sche Cr odd Rossa, in welks schaduw Ospitale ligt, waar men geen duitsch meer hoort, gij Monte Piano en Monte Cristallo, en hoe gij verder heeten moogt.

Men wordt bij het zien van die gevaarten stiller, en stiller, en keert tot zich zeiven in, gelijk de Dürrensee, die wij voorbij reden, des winters haar water als terugtrekt en inkeert tot de diepten der aarde. Na den opwekkehjken maar langen tocht — daar lag Cortina voor ons, Cortina Magnifica, zoo als het heette, toen het nog een parel was aan de kroon der Yenetiaansche republiek, die tot hier haar gebied eens heeft uitgestrekt.

Hoe schilderachtig schoon ligt in het niet ruime dal, tusschen de geweldige bergen, het nette vriendelijke stedeke. De rij hotels, links van den weg, met de prachtigste namen, als Croce Bianca, Aquüa Nera, Stella cV Oro, bewees dnidelijk dat het hier

ocr page 158

152

aan bezoekers niet ontbreekt. Wij hielden stil voor 't hotel, ons aanbevolen door den heer Inspecteur van 't IJkwezen uit Innsbrück, het hotel het Anker {della Ancora). Met welk een geestdrift werden wij verwelkomd! Van 't balcon, welks trap aan de straat uitkwam, daalde de huisheer af, gevolgd door zijn geheele dienende personeel. De man geleek inderdaad op Socrates, en heette Sigismondo Manaigo. Hij was burgemeester van Cortina geweest, en drijft handel in Vermouth-wijn, dien hij trekt op de kruiden, welke hij zoekt in de omstreken. Hij drukte ons de hand, alsof wij oude vrienden waren en lachte van genoegen. En een vriendelijke lach was op het gelaat van Signora Oliva, de opperste der Kellne-rinnen, met gitzwart haar, sneeuwwitte tanden, en een rooden doek, bevallig geplooid over haren boezem. Ook Rachelli, het dienstmeisje, was blij, en ieder nam iets op van onze bagage — en als in zegepraal werden wij de trap opgeleid, de houten trap, die van de straat voerde naar 't balcon en vandaar naar de ruime vestibule, waar heerlijke, welriekende planten de lucht hadden gebalsemd met haar geuren. In reinheid deden de kamers, welke ons toegewezen werden, voor die van Pieberbrunnen niet onder, en toen wij, na ons verfrischt te hebben, de eetzaal binnentraden, waar Signora Oliva ons diende, hadden wij zulk een

ocr page 159

153

aangenaam, behaaglijk gevoel, dat wij er Cortina reeds lief om kregen en bepaald genegenheid opvatten voor 't hotel della Ancora.

In dit verrukkelijk plaatsje een dag door te brengen, en zijn naaste omgeving te leeren kennen, lachte mij meer aan dan de bestijging van een der steile bergen, die op Cortina neer zien. Zoo wandelde ik dan naar Belvedère, dat een zeer schoon uitzicht biedt op het dorp en den Monte Pian, waar ik den vermouth proefde van onzen gastheer. Zoo zag ik de filigraan-school, die onder bescherming staat van keizer Frans Jozef, en waar de bevallige zuster van Signora Oliva bleek de bekwaamste arbeidster te wezen. Zoo zag ik de kerk met haar merkwaardige relieken. Immers wordt hier het gebeente bewaard van den heiligen Theophilus en dat van den heiligen Liberalis. Wie had het kunnen denken, dat wij een heilige van dien naam hier zouden aantreffen? Wat ons als zijn gebeente werd aangewezen, was 't geraamte, naar ik vermoed, van een knaap van 10 a 12 jaar. Met zorg, ja overdaad was hij gekleed; niet alleen zijn vingeren maar ook zijn voeten waren gehuld in grijze doorzichtige handschoenen, en aan ieder teen was een prachtige ring gestoken. De kosterin wees ons ook een kastje, waarin een stuksken hout bewaard werd van het kruis {„della Sancta crucequot;); ik keek eens

ocr page 160

154

op haar raad door het sleutelgat, maar zag niets; 't was donker in dat kastje.

Tot voorbij Acquahuona wandelde ik het dal door, langs de snelvlietende Boita, en rustte uit in de loggia, het door gordijnen afgeschoten deel van het balcon, waar ik het oog had op de fontein, waar steeds vrouwen en meisjes kwamen en gingen, om gebruik te maken van hét frissche water, dat er altijd in overvloed aanwezig is. Hoe schilderachtig stonden zij daar naast haar watervat, de helder witte mouwen tot boven den elleboog opgenomen, en de roode doeken geslagen om de schouders, 't Middenpunt van het dorp vormt de in 1858 voltooide krijtwitte toren, de Campanella, van welke signor Sigismondo ons vertelde, dat hij 200,000 gulden had gekost, en door de burgers zelve was bekostigd.. .. Met een en ander was de dag in een oogwenk om, en met weemoed dachten wij er 's avonds aan, dat wij wellicht nooit weer kippen zouden eten, toebereid dooide goede zorgen van Signora Oliva, de voortreffelijkste van alle kellnerinnen.

Yoor een klein gedeelte te voet, maar grootendeels per rijtuig keerden wij den volgenden dag terug naar Toblach, van daar per spoor naar Franzensfest, en vandaar over Botzen naar Méran.

ocr page 161

155

Hier leg ik voor ditmaal de pen neder, quot;Wat ik zag en gevoelde op mijn verdere reis op den woesten Stelviopas, te Bormio , te Tirano, aan den oever van 't Poschiavo-meer te Leprese, te Samaden en op zoo menig andere plaats, die ik bezoeken mocht — misschien deel ik dat later mee.

Thans verlaat ik u in dat Méran, waarheen tegen 't najaar zoo vele lijdenden en zwakken vluchten, en waar ik toch ook het kerkhof overdekt vond met zegeteekenen des doods.

Daar verrijst, als een levensteeken, thans de eerste protestantsche kerk van Tirol. Moge het niet de eenige blijven!

1685.

*

ocr page 162

inhoud.

Aan den Lezer.

Op een Noordkr Zendingsfeest . Over be Grenzen .... Binnen de Grenzen. . . • In meer dan één Bergland .

ocr page 163
ocr page 164
ocr page 165
ocr page 166