ocr page 1
ocr page 2

se?

ocr page 3

Vak SS

1E

VIEI1 UITERSTEN

van den

IVI E N S C H.

Voorafgegaan door Overwegingen over de Kortlieid, Ellende en liet Doel van

's Mensolien Leven.

TIENDE Ui TG AVE.

Vv iJ C H e N s

AMSTERDAM - LUTKIE amp; SMIT.

-3ovfi.-*fgt;0--—

Met Kerkelijke Goedkeuring.

ocr page 4
ocr page 5

E

if-

De vreeze des He er cd , zegt cle H. Schrift, is het beginsel der wijsheid. De II. Lrernars besluiten hieruit 9 dat de zondaar tot God niet bekeerd wordt, tenzij hij eerst aangegrepen worde door eene heilige vrees, die den weg iaant roor de liefde tot God., welke liefde de hek tering des harten voHrehken moet. Indien de meusch God niet begint te dienen door de vrees, zegt de H Augustinus, zal hij niet geraken tot de liefde, want de vrees des Heerenis het beginsel der vijsheid. Het is onmogelijk, zegt de H. Gr eg or in s. dat de ziel genezen worde van de ongeregekllieden , waaraan zij gehecht is, tenzij zij eerst ontroerd worde door de vrees.

De vrees voor de stra f is wel uit zich zelve alleen niet genoeg, om ons de genegenheid tot de zonde geheel af te nemen, dewijl zij door zich zelve den grond van ons hart niet kan veranderen, wnt alleen eigen is aan de liefde, en daarom zegt de H. Augmtinns,■ ódl men te vergeefs meent de zonden overwonnen te hebben , zoo men die enkel laat nil vrees. Maar de vrees nog tans heeft haar voordeel, al ware zij zelfs zonder e enige liefde; want zij weerhoudt den mcnsch van hef. uitwendige kwade werk ; zij breekt de kwade gewoonte, den wil en de drift tot de zonde, dien zij bitter en onsmakelijk ma a lit, em.

ocr page 6

voorredlquot;.

4

De vrees is niet alleen noodig roor hen, die nu eerst beginnen den weg des Heeren in te gaan ; maar ook voor hen, die daarin gevorderd zijn; want zij hel/jt hen de kwade bekoringen overwinnen; zij vernedert de hoovaardigen, en houdt hen in de ootmoedigheid. En daarom icil de II. Augustinus, dat er niemand zonder vrees zij, als die tot eene volmaakte liefde gekomen is. De reden, waarom er onder hen, die den naam willen hebben van godvruchtig te leven, zoo velen zeer ligtvaardig, ongestadig en eigenzinnig zijn, is omdat hunne godvruchtigheid met bedwongen wordt door eene zalige vrees. Want het hart van den mensch is uit zich zelf zoozeer geneigd tot opgeblazenheid en ijdele verheffing , dat hem het tegenwigt der vr. es ter neder moet houden. Om die zalige vrees nu in ons te verwekken en te bewaren, is er niets zoo geschikt als de overdenking van de vier uiteiïsïen. Lees dan dikwijls en overweeg rijpelijk iets van de gewiglige leeringen, die in dit boekje leijrepen zijn, en zij zullen u wederhoudtn van zondigen. Doch houd u niet tevreden met cemge voorbijvliegende gedachten en bewegingen , die. u roor eenen tijd ontroeren: maar tracht die gedachten in uwe ziel te vestigen, opdat zij ten allen tijde kunnen dienen, als de bekoringen u zullen overvallen. Het is van zulke geduchlen dat de II. Geest ons verzekert, dat zij den mensch als onwrikbaar in zijnen plugt zullen houden. Gedenk uwe uitersten, zegt Hij, en gij zul t in eeuw igheid met zondigen. in jbtekkoji non peccabis. eccl. VII, v, 40.

ocr page 7

L)E

VIER UITERSTEN

VAN DEN MENSOH.

VOORAFGAANDE BESCHRIJVING

VAN DE KORTHEID, ELLENDE EN HET DOEL VAN HET MENSCHEL IJK LEVEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het leven van den mensch is kort.

Het leven van den mensch wordt in de H. Schrift vergeleken bij eene bloem, die des morgens ontluikt en des avonds verwelkt; bij een rook, die door den wind wordt uiteengedreven, bij een spinneweb dat door een ademtogt vernietigd wordt; bij een damp, die in eön oogen-blik verdwenen is; bij een schip, dat de baren doorklieft of bij een pijl die door de lucht vliegt, zonder de minste sporen van hun door-; togt achter te laten. Naakt en weenend komen wij ter wereld, spelen hier slechts kort é'en geringe rol, en keeren wederom naakt tot de aarde terug, waaruit wij gekomen zijn. O leven van den mensch, hoe kort zijt gij; hoe broos, hoe ijdel, hoe ellendig en aller medelijden waardig! De eerste menschen leefden vele honderden jaren, en toch beschouwden

ocr page 8

kortheid en ellende

zij hun leven als eene schaduw, die in een oogenblik verdwijnt. De profeet Job leefde 148 jaren en hij zegt: Mijne dagen zijn een niet; ry zijn spoediger heengeoloclen dan een schip, dat door de haren snelt, dan een arend, die driftig naar zijn aas vliegt-, zij zijn als een web, dat afgesneden wordt.

Hij vergelijkt zijn leven ook bij eene scha-duw, bij eene bloem, bij een wind. En een ieder zal de waarheid zijner woorden bij den dood ondervinden. Helaas! het leven van acht honderd en meer jaren beschouwden de Oudvaders als het schieten van een pijl, als een schaduw; en, ofschoon wij nu naauwe-lijks den ouderdom van zestig of zeventig jaren bereiken, ja, ofschoon verreweg het meerendeel der menschen beneden de twintig jaren sterft, ons schijnt het leven eene eeuwigheid. Bedenk eens, wat is u overgebleven van de jaren, die gij nu reeds op aarde geleefd hebt. En al hadt gij ook geleefd van het begin der wereld af, gij zoudt met de Oudvaders moeten bekennen, dat uw leven slechts kort en als een droom geweest is. Het is waar, dat de toekomende tijd ons langer toeschijnt dan de tijd die voorbij is, doch dit is enkel zinsbedrog. De toekomende tijd zal even snel voorbijgaan als het verledene, en gij zult verslagen staan, als gij u aan het einde uws levens zult bevinden, niet wetende waar uwe jaren gebleven zijn.

Roep op alle straten en markten, zeide de Heer tot Isaïas: Alle vleesch is hooi, en al zijne glorie is gelijk aan eene bloem des velds;

6

ocr page 9

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 7

het hooi is verdord, en de bloem is verwelkt. Dat wil zeggen: Het ligchaam van den mensch met al zijn roem en sieraad is als hooi en eene verwelkte bloem. In zijne jeugd is hij frisch en levend als eene bloem, maar de zeis des doods is op zijne hielen, om hem af te maai-jen als hooi.

Des morgens hloeijen en des avonds verflensen, Is de aard van bloemen en menschen.

Ach, hoe kort is de tijd van de wieg tot aan de doodkist, en van den schoot der moeder tot aan het graf! de tranen, die wij als kind op den moederschoot storten, zijn naauwelijks afgedroogd, of de tranen van het sterfbed zijn op de wangen. Hetzij wij duizend jaren leven of een dag, als het einde gekomen is, hebben wij evenveel; alleen dat hij, die langer geleefd heeft, meestal dit leven verlaat beladen met meer zonden en eene zwaardere verantwoording. Adam leefde 930 jaren, doch al had hij tot dit uur geleefd, als hij nu moest sterven, wat zou hij dan meer hebben, dan een kind van één dag, dat heden sterft. Wat is er dan aan gelegen of gij morgen sterft of na duizend jaren? Duizend jaren zullen zijn als de dag van gisteren, en daags vóór den laatsten dag zoudt gij voor den dood staan, gelijk gij nu zoudt staan, als gij morgen sterven moest. Of zoudt gij ook na al die jaren meer bereid zijn om te sterven, en u beter aan den wil van God onderwerpen dan nu? Zoudt gij dan minder vrees hebben voor den dood dan nu? Ach misschien nog

ocr page 10

KORTHEID EN ELLENDE

meer. Doch God heeft u geen duizend jaren geschonken, en zooals wij straks zeiden sterft het grootste deel der menschen onder de twintig jaren. Uw leven is dus kort; wat is er dan aan gelegen, of gij hier wat verheven of vernederd zijt, wat meer of wat minder, wat rijker of armor? Gii zijt bestemd voor de eeuwigheid, daar zal alle onderscheid, dat op aarde bestond, als een rook verdwijnen; daar /al God ieder regtvaardig naar verdienste oordeelen.

Houd u dan met deze gedachte bezig, breng ze u dikwijls en levendig voor den geest; dan zult gij begrijpen, hoe gering de voor- of tegenspoed dezer wereld te achten is, daar zij zulk een korten duur hebben. Dan zult gij ook zoo gevoelig niet zijn, als gij eenig tijdelijk goed verliest, of als gij hier veracht en verdrukt wordt, en gij zult hierdoor uwe zaligheid zeer bevorderen.

Doe mij, o goedertieren God, de kortheid mijner dagen kennen; laat ze mij zoo besteden tot uwe heilige dienst, dat ik eene gelukkige eeuwigheid hekome.

II. HOOFDSTUK.

Ons leven is onzeker; de dood kan ons altijd en overal overkomen.

Gij weet niet waar gij zult sterven; te huis of op straat; in de stad of op reis, op het water of op liet land, op uw bed of aan tafel, enz. Gij weet niet wanneer gij zult sterven; liet jaar, de maand, de dag, het uur

8

ocr page 11

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN.

is u onbekend. Gij weet niet hoe gij zult sterven: schielijk of door ziekte, door bliksem, door het water of eenig ander ongeluk, alleen of in gezelschap van anderen, in- of buiten de genade van God. Ach! hoe onzeker is de dood, waarvan toch de eeuwigheid afhangt. Er zijn welligt zieken, die ieder oogenblik den dood verwachten en die misschien nog niet zoo spoedig zullen sterven als gij. Er is geen plaats, geen tijd, waarop gij niet kunt sterven. Gelijk de schaduw het ligchaam volgt, zoo volgt de dood u overal, gestadig lagen leggende, om u te verstrikken. O dood, hoe onzeker is uwe komst! Daarom, o mensch, wilt gij niet door den dood verrast worden, bereid u dan voortdurend voor op zijne komst en verwacht hem ieder oogenblik.

Maar de mensch is verblind door de liefde tot het aardsche; en ofschoon hij bijna dagelijks voorbeelden van andere menschen hoort en ziet, die plotseling sterven, laat hij zich voorstaan, dat dit ongeluk hem niet zal overkomen. Overweeg, om in te zien, hoe groot deze verblindheid is, de volgende punten:

1. Wat overkomen is aan zoo vele duizenden menschen, die schielijk gestorven zijn, kan ook u overkomen.

2. Het menschelijk ligchaam is broos, het is een allerzwakst uurwerk, dat uit eene menigte fijne spiertjes, kleine pijpjes en brooze deeltjes bestaat, die allen in dit uurwerk moeten leven en werken, en die, door het minste ongeval gestoord, verstopt of gebroken, den dood kunnen veroorzaken. De ervaren genees-heeren, die grootere kennis hebben van dit

21 i*

9

ocr page 12

KORTHEID EN ELLENDE

hrooze maaksel, verwonderen zich minder dat de menschen zoo spoedig en plotseling sterven, dan wol, dat zij eenigen tijd in het leven kunnen blijven. O van hoeveel kleinigheden hangt ons leven niet af! Het bersten van een ader in liet ligehaam, het openbreken van eene verzwering, eene zinking in het hoofd, een pijn aan het hart, een kwade lucht, de adem van een zieke, eene beroerte, een druppel vergif en honderden andere dergelijke dingen zijn vol gevaar, en een daarvan is genoeg, om den mensch te d-oen sterven.

3. Ook uitwendig zijt gij omringd door vele doodsgevaren, die dagelijks overkomen aan andere menschen. Hier valt er een in' het water, daar een in het vuur, deze valt van eene hoogte, gene wordt doorstoken, een derde wordt overreden of verongelukt op eene andere wijze bijv. door het vallen van een hout, een steen enz. Karei, die in het jaar 1386 koning van Navarre was, leed aan eene schrikkelijke pijn in de zenuwen en werd op raad zijner geneesheeren in linnen doeken genaaid, nat gemaakt met warmen brandewijn. Toen nu de heelmeester de doeken had vastgenaaid, en met de kaars den draad wilde afbranden, vlogen eensklaps al de doeken in brand, waardoor de koning op eene ellendige wijze stierf. Zeker raadsheer Fabius verloor zelfs het leven door een haar in de melk, die hij dronk.

Wrj lezen van menschen die gestorven zijn dot r het kwetsen van een kamtand bij het kammen, door het prikken eener speld, door het steken van een splinter of va i een doorntje

10

ocr page 13

VAN HET MENSCHEUJK LEVEN. 11

bij het plukken van rozen of beziën, namelijk als die een ader of zenuw raakten. Drutus Pompejus speelde met een peer in den mond en is daardoor versmacht. Homerus stierf van droefheid, Sophocles van blijdschap; Koning Dionysius stierf, terwijl men hem de tijding van eene groote overwinning bragt; sommigen zij a gestorven door het lagchen, en zeer velen door gramschap. Velen zijn al sprekende neergezonken en gestorven, eenigen zelfs al etende en met het eten nog in den mond. De dood vindt zoo vele wegen als er ledematen in 'smenschen ligchaam zijn, daar elk lidmaat een oorzaak kan zijn van den dood. Niemand is ooit zeker, dat hem niet een of ander ongeluk zal overkomen, en misschien wel, als hij dat het minst zal vreezen.

-4. Het zijn eigenlijk de ziekten niet, die ons doen sterven, maar de wil van God, die ons allen heeft veroordeeld tot den dood. Dezen zijn bestemd om te sterven door het zwaard, genen door het vuur, eenigen door schipbreuk, sommigen door vergift, pest, koorts of andere ziekten. De plaats, de dag, het uur en de oorzaak van uwen dood zijn van eeuwig-heid door God vastgésteld, en geene mensche-lijke kracht is in staat dit te veranderen en het leven ook maar een minuut te verlengen of te verkorten.

En zeg niet. Ik gevoel mij wel: De koning Balthasar waj nooit vrolijker, hij gevoelde zich nooit gezonder, dan toen hij door den dood verrast werd, en duizenden anderen is het eveneens gegaan. Hoe velen zijn er misschien

ocr page 14

KORTHEID EN ELLENDE

gisteren gestorven en hoe velen sterven er misschien nog op dit oogenblik, die op het onverwachtst door den dood zijn overvallen. Hoe velen zijn er jong gestorven, die nog lang dachten te leven, rijk te worden, tol een goed huwelijk te komen, enz.

De duivel zegt nu niet meer, gelijk tot Adam en Eva: gij zult niet sterven; neon, thans blaast hij ons de gedachte in: gij zult nog zoo spoedig niet sterven, gij zijt nog jong en gezond, en aldus bedriegt hij vele menschen, die sterven, als zij er het minst aan denken en dus onvoorbereid naar de eeuwigheid vertrekken. Als de visschen het meest gerust zijn, worden zij met den angel gevangen' en de vogelen met het net. Eveneens gaat het ook met de menschen. Ach, hoe broos en onzeker is toch ons leven! Welk eeneverblindheid is het dus, als wij ons verbeelden, dat geen ongeluk of schielijke dood ons zal treffen.

Zeker koning wilde eenen hoveling die zich zeer gelukkig rekende, de gevaren doen begrijpen, die aan zijn staat verbonden waren. Hij noodigde hem dan ter maaltijd, en liet boven zijn hoofd een groot zwaard, met de punt naar beneden, aan een dunnen draad ophangen. De hoveling, het gevaar van zijn toestand ziende, kon van schrik niet eten. De koning vroeg waarom hij niet at. Hoe zou ik kunnen eten, antwoordde de hoveling, daar ik gedurig verwacht. Jat dit zwaard mij het hoofd zal doorsteken? Is dit geen schoone les, welke die koning aan zijn hoveling en met hem ook aan ons gaf. Ouk wij

12

ocr page 15

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 13

verkeeren voortdurend in gevaar het leven te verliezen, cn moet de gedachte alleen aan dit gevaar niet genoeg zijn, om ons alle aardsch geluk te doen verachten, even als de hoveling de koninklijke spijzen verachtte bij het zien van het gevaar waarin hij verkeerde ? De onzekerheid van ons leven is groot, en daarom vermaant Christus ons zoo dikwijls om op onze hoede te zijn: Waakt, zegt hij, want gij weet noch dag, noch uur. Ik zal komen als een dief in den nacht, zegt Hij op eene andere plaats, waakt dan, want gij weet niet op wat uur de Heer zal ko men Iedereen weet dit, iedereen gelooft dit, maar wie, wie leeft er naar? En daar de mensch nu reeds zoo onachtzaam is om zich tot sterven te bereiden, nu de dood zoo onzeker is, wat zou het dan zijn, als hij verzekerd was, dat hij nog eenige maanden of jaren te leven had ? Daarom is het eene groote barmhartigheid, zegt de H. Augustinus, dat God den dag van onzen dood heeft verborgen gehouden, opdat wij geen oogenblik in een staat zouden blijven, waarin wij zouden vreezen te sterven.

Besluit op het voorgaande.

Wat is uw leven anders, o mensch, dan een gladde weg, die langs den rand van de eeuwigheid loopt en zeker daarin zal eindigen? Hoe is het dan mogelijk, dat gij zoo weinig aan het gevaar denkt, waarin gij verkeert? Indien gij in eene kamer wandeldet, waarin een valluik was, dat gij niet kondt zien en waarop gij den voet maar behoefdet

ocr page 16

KORTHEID EN ELLENDE

14

te zetten om in een peilloozen afgrond te vallen , zoudt gij dan niet vreezen dat elke voetstap uw laatste kon zijn? Zoo kan ook elke voetstap, dien gij zet, elk woord dat gij spreekt, elke adem dien gij haalt, uw laatste wezen op de wereld. Elke dag, elk uur kan u in den hemel of in de hel brengen. Hoe verbeeldt gij u van lang te zullen leven, gij, die geen oogenblik zekerheid hebt? Hoe durft gij er dan aan denken, om u te verheffen en rijk te maken in deze ballingschap, op deze reis, in deze herberg, die gij zoo spoedig moet verlaten , terwijl gij elk oogenblik met de eeuwigheid bedreigd wordt? O hoeveel wijzer waren die Vorsten en Bisschoppen, die zeiden; Allo uren sta ik voor de eeuwigheid; alle uren nader ik den dood! Wie zou niet vreezen, als hij aan een dun koordje boven een diepen put hing? Al wie in doodzonde leeft, hangt boven de hel aan den dunnen draad van het leven, die elk oogenblik door het minste ongeval kan afgesneden worden. O vreeselijk gevaar, waarin de zondaar verkeert, zoolang hij in doodzonde blijft! Hoe is het toch mogelijk, dat zoo vele menschen zich kunnen bezig houden met de ijdelheden der wereld, met groote plannen te maken voor de toekomst, zonder eens te denken op de onzekerheid van hun leven. Toen de Engel in Egypte al de eerstgeborenen in eenen nacht versloeg, hoe velen zullen er toen onder hen geweest zijn, die nog den vorigen dag plannen maakten tot huwelijken of anderezaken, welke ze dien dag, of die maand, of dat jaar dachten teu

ocr page 17

van het menscheltjk leven. 15

uitvoer te brengen: en niet een van lien was den anderen dag meer in het leven. Hoor wat de H. Geest bij den H. Jacobus zegt: En gy ook, die zegt: heden of morgen zullen wij naar eene stad gaan, en daar zullen wij verblijven, koophandel drijven en winst doen, terwijl gij niet weet, wat er morgen zal gebeuren; wat is toch uw leven? Het is een damp, die een oogenblik gezien wordt en daarna verdwijnt; in plaats dat gij zoudt zeggen : /lis het den Heer belieft, en als wij nog leven, dan zidlen wij dit of dat doen.

Waarom stelt gij dan uwe bekeering tot morgen uit? Duizenden menschen, die heden leven, zullen den dag van morgen niet zien. Hebben zij een zalig heden, dan hebben zij ook eene zalige eeuwigheid. Houd dan eiken dag voor den laatsten en maak van eiken dag den besten.

O goede God, gij zijt volkomen meester van mijn leven. Gij kunt mij uit deze wereld roepen, wanneer het U behaagt; geef daarom dat ik altijd wake, ü gedurig verwachte, en vol verlangen naar U, uit ganscher harte zegge: Kom, Heer Jesxjs, kom.

III. HOOFDSTUK.

Al -n-as de dood niet zeker .dan zouden wij hem toch moeten vreezen, omdat hij ons lean overkomen.

Ik ben een kind van Adam, veroordeeld tot den dood, ik draag mijn vonnis gedurig binnen en buiten mij.

Ik, die nu zulk een afschrik heb van doode

ocr page 18

KORTHEID EN ELLENDE

menschen, zal zelf eens sterven; en die zoo afkeerig ben van half verrotte ligchamen te zien, zal zelf het aas der wormen worden. Dit is ontwijfelbaar zeker.

Doch al was de dood niet zeker, en al ware het, dat hij ons alleen konde overkomen door eenig ongeluk, dan moest dit alleen genoeg zijn, om ons te doen vreezen. Stel eens, dat God zeide; Ik wil niet dat alle menschen sterven, reeds dit zou allen moeten doen beven. Hoe moeten wij nu dan vreezen, nu wij zeker weten, dat wij allen sterven moeten.

Ja, wat meer is, als God zeide: dat van alle menschen die in de wereld zijn er maar een zal sterven, zonder dien te noemen,-dan nog zou ieder moeten vreezen. Hoe is het dan mogelijk, dat ik gerust kan zijn, daar toch allen moeten sterven, en ik misschien de eerste van allen ? En als God nu zeide, wie die mensch was, die moest sterven, en die ongelukkige leefde zonder zorg, gelijk de meeste menschen nu doen, zou dan elk niet verbaasd staan en zeggen: O mensch, gij weet, dat gij sterven moet, en gij leeft nog zoo zorgeloos? gij die het aas der wormen zult zijn, waarom koestert gij u aldus? gij, die alles moet verlaten, waarom bemint gij de tijdelijke goederen zoo? Wat ons aangaat, die altijd zullen leven, wij mogen geld en goed, rijkdom en eer najagen, maar gij, die weldra sterven moet. waarom zorgt gij 3:00 voor het tijdelijke, dat gij niet noodig hebt, en dat u toch in den dood niet kan volgen? Gij moest niet eens bij ons blijven, maar naar eene

16

ocr page 19

VAN HET MÈNSCIIELIJK LEVEN. 17

■woestijn vertrekken, om uw ongeluk te be-weenen. Ziet, zoo zou ieder dien mensch aanspreken, doch waarom rigten wij die vragen niet tot ons zeiven, daar het toch zeker is, dat wij moeten sterven? Dat elk dan denke: Ik moet eens sterven, deze wereld gaat mij niet aan; ik ben hier slechts voor een korten tijd, de dood is nabij, laat ik mij dan daartoe bereiden, door den Heer te dienen, die alleen in staat is mij te helpen, te verlossen en zalig te maken.

Dit wil ik nu gaan doen, o genadige God! ik zal voortaan den dood levendig in mijne gedachten houden en zio leven, alsof ieder oogenblik het laatste mijns levens ware. Ik bid u, versterk mij. opdat ik altijd aan dit voornemen moge getrouw blijven.

IV. HOOFDSTUK.

Het leven is een gedurig sterven en eene gedurige nadering tot den dood.

Elke dag, dien gij beleeft, brengt u nader bij den dood. De dagen die gij reeds hebt doorgebragt, zijn alsof zij nooit bestonden en de toekomende jaren zijn voor u, alsof gij nog niet geboren waart. De dag van gisteren is verdwenen, ook de dag van morgen zal voorbijgaan, en zoo voert elke dag u een schrede nader tot den dood. Het leven is als een zand-looper, die immer voortloopt. Hetzij ge er op denkt of niet, hetzij gij slaapt of waakt, bij elke ademhaling komt gij den dood naderbij en na den dood het oordeel.

ocr page 20

KORTHEID EN ELLENDE

Als een misdadiger naar de strafplaats wordt geleid, om de doodstraf te ondergaan, en hij door vele straten geleid wordt, is geheel zijn weg een nadering tot den dood. Hij weet misschien niet of die plaats nog ver af is of nabij: maar zeker weet hij, dat hij bij eiken voetstap die plaats nadert; elk oogenblik vreest hij het einde van zijn weg te bereiken, en al is die weg ook lang, zijn vrees zal daarom niet verminderen.

Ook wij zijn ter dood veroordeeld om de erfzonde. Bij onze geboorte beginnen wij den weg, die naar de plaats leidt, welke God heeft uitgekozen, om het vonnis des doods tegen ons uit te voeren; ieder oogenblik van ons leven is eene schrede nader bij die plaats. Ook wij 'weten niet of wij die plaats spoedig zullen bereiken, maar wij weten, dat wij op den weg zijn, en dat elke schrede, die wij zetten, ons die plaats doet naderen. Hoe velen komen dagelijks aan die plaats, die God bestemd heeft, om het doodvonnis aan hen uit te voeren, ja, misschien, over de honderd duizend op eenen dag.

Als gij een misdadiger, die naar het schavot geleid werd, zaagt lagchen en vrolijk zijn, zoudt gij dan niet denken, dat hij krankzinnig was? En toch velen gaan naar den dood niet alleen vrolijk en lagchend, maar die zelfs nog op den weg den regter door hunne zonden durven tergen.

Hoe is het toch mogelijk, dat wij zoo weinig aan den dood denken, dien wij voortdurend met rassche schreden naderen! Helaas! wij sterven dagelijks; elke dag brengt ons nader bij den dood, en wij leven also? wij onsterfelijk

18

ocr page 21

VAN HET MENSCIIELIJK LEVEN. 19

waren. Voorwaar het is geen geringe zonde, deze schrikkelijke zaak zoo te vergeten, terwijl wij die gedurig voor oogen moesten hebben.

Uw leven gaat voortdurend voorbij; gij ziet gedurig de tijdelijke dingen voor uwe oogen veranderen en in hun' niet vallen. Waak dan, opdat het gedurig verlonpen van uw leven, en al hetgeen gij ziet verdwijnen, u gestadig doet denken, dat alles een einde heeft, en dat er geen blijvend goed of kwaad is, dan in de eeuwigheid, die ons zoo nabij is, dat wij den tusschentijd als een' niet moeten beschouwen.

Wij gaan, o groote God, door uw regt-vaardig oordeel al stervende henen, wij vloeijen weg als water, dat in de aarde dringt, zonder weder te keeren, en wij naderen gedurig den dood zonder een oogenhlik stil te staan. Geef dat wij door deze gedachten zonder ophouden aan onze kwade begeerlijkheden sterven, om hierna het geluk te hebben van eeuwig met U te leven,

V. HOOFDSTUK.

Ellenden, ziekten, ongelukken en gevaren, waaraan het menschelijk leven onderworpen is.

De dagen des mcnschcn zijn vol kwellingen en ellenden, zegt de H. Geest; het leven is er zoo vol van, dat men den dood eer moest beschouwen als eene verlossing, dan als eene straf. Het aardrijk is met rampen vervuld, want ten allen tijde hoort men van aardbevingen, brand, stormen, schipbreuk, hongersnood, landstroope-rijen, oorlog, pest, enz., zoodat de heilige Kerk

ocr page 22

20 KORTHEID EN ELLENDE

met regt het aardrijk het dal der tranen noemt. Wie is er een uur vrij van pijn, misnoegen of kwelling? Dagelijks ontdekt men nieuwe ziekten en ellenden, van welke sommige zoo zwaar zijn, dat men er niet zonder angst van kan hoo-ren spreken. Men leest van eenen zieke die in driejaren tijds niet een uur heeft kunnen slapen. Herodes had zulk eene schrikkelijke ziekte, dat de stank daarvan geheel zijn leger besmette; het gewormte krielde uit zijn vleosch, en hij werd door de pijn verteerd. Wij lezen van zekere koningin, dat haar vleesch geheel veranderd werd in wormen, waarvan zij ellendig stierf; al de magt en kunst der geneesheeren was niet in staat dit ongedierte te doen sterven. De 'ziekte van sommigen is zoo geweldig geweest, dat zij zich het hoofd tegen den muur sloegen.

Er zijn er geweest, in wier armen en heupen bijtende slangen gegroeid waren, die het vleesch doorknaagden; er is onlangs in Frankrijk een man geweest, die altijd klaagde over pijn aan de maag, doch die telkens minder was, nadat hij voedsel genomen had. Zijn ligchaam werd na zijnen dood geopend, en men vond in de maag eene levende padde, die daar eenige jaren geleefd had.

Andere vreemde ziekten hebben geheele landschappen vernield. De groote stad Constanti-nopel werd eens gestraft met eene pest, waardoor zij, die erdoor aangetast werden, meenden, dat zij gedood werden door hunne geburen, en als razenden stierven. Ten tijde van keizer Heraclius, heerschte er in hetgebied van Rome een zoo hevige pest, dat er in weinige dagen

ocr page 23

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 21

ontelbare menschen stierven en de razernij was zoo groot, dat de meesten der zieken zich in den Tiber wierpen, om den inwendigen brand des harten te blusschen. Een Grieksch schrijver verhaalt, dat in Griekenland de lucht op zekeren tijd zoo zeer bedorven was, dat er tallooze menschen stierven: en die van die ziekte genazen, bleven zoozeer van hun verstand beroofd, dat de ouders hunne kinderen en de kinderen hunne ouders niet meer kenden.

Om wat nader te komen tot onze tijden: een jaar nadat Frans I, koning van Frankrijk, met Eleonora van Oostenrijk getrouwd was, kwam er eene pest in Duitschland, die binnen de vier-en-twintig uren de menschen wegnam, zweetende een besmettend zweet. Deze ziekte begon in het Westen en verspreidde zich vervolgens zoodanig over Duitschland, dat zij een sleepnet scheen te wezen, om de menschen van het aardrijk weg te slepen, want vóór dat men het geneesmiddel konde treffen, stierven er zoovele millioenen menschen, dat er vele landen onbewoond bleven. En als deze pest op het hoogste was, werd Engeland er zoo zeer door geplaagd, dat volgens sommige schrijvers niet alleen de menschen door de kracht van het vergif v-erstikten; maar dat ook de vogels hunne nesten en jongen verlieten en de wilde dieren hunne holen; ja, mollen en slangen verzamelden zich bijeen, het venijn niet kunnende verdragen, dat in de aarde besloten was, zoodat men vele beesten te zamen onder de boomen vond, door de pest verslagen. In het jaar 1346 op

ocr page 24

KORTHEID EN ELLENDE

den laatsten dag van Mei ontstond er eene •vreeselijke pest in Frankrijk, die negen maanden lang geduurd heeft, en waaraan zoo vele mensehen, zelfs etende en drinkende stierven, dat er op de kerkhoven geen plaats meer was, om ze te hegraven; meest allen , die daarmede besmet werden, waren des anderdaags razend, en sprongen in putten of uit de vensters. De ziekte was zoo boosaardig, dat de ouders hunne kinderen verlieten, en de vrouwen hare mannen. Deze weinige staaltjes uit duizend anderen zijn genoeg om te zien, wat aan de gezonden al kan overkomen, en hoe luttel alle tijdelijke zaken te achten zijn, die ons door zoo vele rampen kunnen ontnomen worden.

Ellende van hongersnood en oorlog.

Geene mindere ellende is de hongersnood, waardoor dikwijls geheele landschappen geplaagd worden. Italië, eens door den oorlog geheel verwoest, verviel tot zoo grooten hongersnood, dat de mensehen genoodzaakt waren paarden, honden, katten, ratten, muizen, enz. te eten, en als zij die niet meer vonden, aten zij zelfs elkander op, ook de ouders hunne eigene kinderen. . .

Toen de Romeinsche veldoverste Scipio de stad Numantia belegerde, bragt hij die tot zoo grooten hongersnood, dat de belegerden dagelijks ter jagt gingen, om Romeinen te vangen, die zij zonder schroom opaten, en hun bloed als water dronken. Ten tijde van den profeet Elizeus was,, de honger zoo groot

22

ocr page 25

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 23

te Samarië, dat de moeders hare eigene kinderen opaten. Hetzelfde is geschied bij de belegering van Jerusalem, en in vele andere plaatsen.

Hetgeen wij gaan verhalen is nog vreese-lijker. Nadat God in het jaar 1320 geheel Frankrijk gestraft had met eenen bloedigen oorlog, zonder dat de inwoners tot beternis kwamen, maar integendeel erger werden, strafte Hij hen op deze wijze: In vijf geheele jaren was er geen winter, -waardoor al het veldgewas verslonden werd door de wormen. Het gebrek werd zoo groot, dat zelfs de welgezeten lieden hunne huizen verlieten, om te gaan bedelen. Het getal der armen groeide dagelijks aan, en het was eene ellende hen te zien; want behalve het gevaar van door hen beroofd en vermoord te worden, wasemden hunne ligchamen- eenen ondragelijken en bederfeiijken stank uit, omdat zij zich opvulden met alle soort van vuiligheid. Zij maakten brood van zemelen, kruiden, mos, eikels, hooizaad, enz.

Geheele benden van mannen, vrouwen en kinderen gingen langs de straten half naakt, bleek als de dood, en stierven daar. Men zag zeer vele moeders, omringd door hare kinderen, te zamen van gebrek bezwijken. De landlieden verkochten hunne landen en goederen en gaven die bijna voor niet, om bij de rijken graan te koopen. Bij dezen geesel Gods voegde zich de gierigheid der woekeraars, die deze ellendigen nog verdrukten. Immers men gaf alles om brood te koopen.

ocr page 26

KORTHEID EN ELLENDE

om niet te sterven. Duizend andere dergelijke voorbeelden, die ongelooflijk schijnen, zou men kunnen bijbrengen, om te toonen welke ellende den mensch kan overkomen.

De ellenden van den oorlog zijn onbeschrijfelijk, door de verwoesting van landen en steden, en door de ontzettende vernietiging van talrijke menschen. Wij zullen nu hier maar spreken van de rampen die er in Duitschland waren, toen de Zweden daarin vielen. Behalve vele plaatsen, die geheel verwoest werden, zijn er in Beijeren alleen wel 2000 dorpen verbrand. De moedwilligheid en de wreedheden der overwinnaars waren zoo groot, dat allen, die in hunne handen geraakten, onmenschelijk behandeld werden, om uit te vorschen of zij soms ergens iets verborgen hadden. Die des vijands handen ontkwamen, stierven door honger, of door de pest, en hadden geen ander graf, dan het ingewand der honden en der andere dieren. De hongersnood was zoo groot in vele gewesten, dat het vleesch van honden enz. voor lekkernij gehouden werd, en dat men het voor een geluk rekende als men ergens een dood beest vond. Den gevangenen sneed men het vleesch van het lijf, om te eten; de dooden werden 's nachts opgegraven om de levenden te spijzen; en de menschen vermoordden eindelijk elkander, om niet van honger te sterven. Deze en dergelijke gruwelen kunnen óók onze tijden en landen plagen, indien God zijnen regtvaardigen toorn over ons uitstort.

24

ocr page 27

VAN TIET MENSCIIELIJK LEVEN.

Ellenden van aardbeving.

De ellenden en rampen, die eene aardbeving veroorzaakt, zijn nog veel verschrikke-lijker. Zie hier eenige voorbeelden daarvan! Ten tijde van Herodes was er in Palestina cene aardbeving, waarbij wel dertig duizend menschen onder de instortende gebouwen omkwamen.

In den nacht, toen keizer Mauritius trouwde, was er in de stad Antiochie zulk eene aardbeving, dat bijna al de huizen invielen, waaronder wel zestig duizend menschen begraven werden.

In het jaar 1456 is er eene geweest in het koningrijk Napels, waardoor vele steden geheel verzonken, en svel zestig duizend menschen gedood zijn.

Plinius schrijft van eene aardbeving ten tijde van keizer Tiberius, die 12 van de voornaamste steden van Azië vernield heeft.

In het jaar 1568 was er eene te Constan-tinopel, die wel 18 dagen lang duurde, en talrijke huizen geheel omwierp, als ook het kasteel met de vijf torens, zoodat er omtrent dertien duizend menschen van het leven beroofd werden.

In het jaar 1531 was er eene aardbeving te Lissabon, die omtrent 1500 huizen en vele kerken heeft doen invallen. De zee was in den omtrek ook zoozeer ontsteld, dat zij vervaarlijk rees en daalde, en zich scheidende, vele schepen inzwolg. Dit duurde acht dagen lang, zoodat de koning met de inwoners ge-

25

ocr page 28

KORTHEID EN ELLENDE

noodzaakt werden buiten op het veld onder tenten te wonen.

In het jaar 1570 werd de stad Ferrara in Italië door eene aardbeving bijna geheel vernield, wat met tusschenpozen bijna een geheel jaar lang geduurd heeft.

In het jaar 1638 zijn er door de aardbeving in Calabrië geheele steden verzonken en veranderd in poelen, onder welke de vermaarde stad van de H. Euphemia met omtrent dertig duizend menschen, die daardoor aan hunnen dood gekomen zijn.

In het jaar 1680 hebben geheel Spanje en Portugal eene aardbeving gevoeld (doch meest omtrent Malaga) die maar eenige oogehblik-ken duurde, doch zoo geweldig was, dat de stadspoorten en muren, torens en vestingen aan den kant der zee geheel omgeworpen, 10 kloosters en 1300 huizen te gronde gesmeten, en 1200 beschadigd werden. De inwoners gingen op het veld wonen, uit vrees van verdere gevolgen; de aarde opende zich op verscheidene plaatsen, en spuwde zulk eenen overvloed van water uit, dat er de rivieren van overstroomden. In de stad Velez Malaga ging de aarde open, slokte eene rivier in, die daar voorbij liep, en de aarde, weder toegaande, wierp de ingeslokte wateren terug met zulk eene kracht, dat zij meer dan 150 voet hooger dan de huizen vliegende, deze door hunnen val deden instorten. Vele andere steden werden geheel bedolven.

In het jaar 1538 was er eene aardbeving in Champagne, die eenen berg opwierp van

26

ocr page 29

VAN HET MËKSCHELIJK LEVEN. 27

eene mijl hoog, die daarom genoemd wordt de nieuwe berg. En in het jaar 1650 is er eene geweest omtrent Bordeaux, waardoor eene groote berg is ingezakt en veranderd in een poel: Maar het ontzettendste van alles is het vergaan en verzinken van het groote Atlantisch eiland, waarvan Plato spreekt. Dat eiland was gelegen tusschen Spanje en de West-Indiën en wordt gegist grooter te zijn geweest dan Afrika en Azië, en was zeer bewoond. Het is op eenen nacht door eene vreeselijke aardbeving en eenen geweldigen watervloed geheel met al de inwoners in de zee begraven, zoodat alleen de Canarlsche eilanden, de Vlaamsche eilanden, en weinige anderen daarvan zijn overgebleven, zijnde dit groote eiland nu veranderd in de Atlantische oceaan. Men meent, dat door die aardbeving Engeland gescheurd is van Frankrijk; Afrika van Spanje; Sicilië van Italië, enz.

God heeft in onze dagen (te weten in de jaren 1753 en 1756) zijne vreeselijke magt door de aardbevingen getoond; wat schrik die herhaalde aardbevingen in deze landen, in Frankrijk, Duitschland, Spanje en elders veroorzaakt hebben, is met geene pen te beschrijven. Het ongelukkige Lissabon, de hoofdstad van Portugal, is bijna geheel door de aardbeving van den le November 1755 en de volgende dagen tot den grond verdelgd, en vele duizenden menschen zijn er onder begraven. Wie weet of ons ditzelfde van daag of morgen niet zal overkomen; er zijn geene tijden des jaars, geene dagen, geene plaat-

ocr page 30

KORTHEID EN ELLENDE

sen, waarop niet onvoorziens eene aardbeving kan ontstaan. Wij zien dan uit dit alles, aan hoe vele ellenden dit leven onderworpen is, en dat wij hier liet ware geluk niet kunnen vinden maar het elders moeten zoeken.

Wij zijn vol ellende, o groote God! en Gij laat die toe, opdat lu j op niets ons vertrouwen zouden stellen dan op ü alleen, en dat wij zonden trachten naar dat alleen gelukkige leven, waaruit alle ellenden verbannen zijn. Werk dit in ons uit, hidden wij, door uwe genade, opdat wij daardoor mogen verkrijgen hetgeen wij wenschen.

VI. HOOFDSTUK.

Dewijl ons leven kort, broos en onderworpen is aan zoo vele ellenden, is alle tijdelijk geluk zeer gering te achten.

In een huis vol rook kan men niet onderscheiden wat er in en wat er buiten is. De wereld is een huis vol van rook der begeerlijkheden, die ons verblindt en belet de ijdel-heden te zien der tijdelijke goederen, die daarin zijn, en de grootheid der eeuwige, die daar buiten zijn. Het leven gaat voorbij, zegt de H. Schrift, gelijk de overblijfsels eener wolk, en het verdwijnt gelijk de nevel. Men ziet somtijds in de wolken de gedaanten verschijnen van allerlei zaken, die men zich inbeeldt, als: van een paard, van eenen leeuw, van eenen ruiter, enz. Doch dit verdwijnt tevens in een oógenblik. Zoo ook de mensch :

28

ocr page 31

VAN HET MENSCHEUJK LEVEN,

de pracht, de rijkdom en luister der wereld schijnen iets te zijn, en in een' oogenblik is alles verdwenen. Het leven is een loind, zegt de Profeet Job. Als de wind door de lucht gedreven wordt, maakt hij groot getier en schijnt iets groots te zijn; maar als hij voorbij is, is hij een niet. Zoo ook gaat de mensch voorbij, en de wereld met al hare pracht en geraas.

Als iemand op eenen hoogen berg staat, dan schijnt hem eene stad of een dorp, die hij onder zich ziet, zeer klein. Zoo ook, als wij met ons hart in den hemel waren, verheven boven de aardsche zaken, hoe klein zouden ons die dingen schijnen, die de wereld zoo zeer acht!

Al het tijdelijke is zoo klein en ijdel, dat het niet bekwaam is, om het hart van den mensch te verzadigen. De geheele wereld met al wat er in is, zegt de H. Anselmus, is voor dos menschen hart zoo veel als een mond vol eten voor een verhongerden mensch, ja, zoo veel als een mond vol wind. Integendeel, het eeuwige goed is zoo bestendig, dat een deeltje daarvan genoeg is, om alle menschen te verzadigen. De mensch kan dat in dit leven reeds ondervinden. Iemand, die het tijdelijke verlaat om God, is inwendig meer te vreden door de heilige genade, die hij daarvoor ontvangt, dan hij, die groote rijkdommen bezit. De heidenen zelfs hebben dit gekend. De wijsgeer Diogenes woonde in een ton, tot verachting der wereldsche grootheid, en ziende, dat iemand water dronk

29

ocr page 32

KORTHEID EN ELLENDE

uit zijne hand, wierp hij zijnen drinkschotel -weg, om deze ontbering na te volgen; ja, hij was beter vergenoegd dan Alexander de Groote; want hij was tevreden met zijn ton, en Alexander was niet vergenoegd met de ge-heele wereld. Dus wordt de wereld beter overwonnen met haar te verachten, dan met hare bezitting te bekomen.

Al de eer, de rijkdommen en het geluk van de wereld duren niet langer dan dit leven. Het leven is ijdel, kort en broos, dus is ook de eer en het geluk van de wereld ijdel en broos. En al leefde de mensch duizend jaren, het wordt ten laatste het leven van eenen dag. En al dit geluk eindigt niet alleen zeer spoedig, maar het eindigt ook met de allergrootste ellende, dat is met den dood.

Dat dan niemand roeme op eereti'els, paleizen, rijkdommen, adel, enz.; want hoe rijker en gelukkiger iemand hier is, des te spoediger zal hij ellendig zijn, te weten: in den dood, die hem zal leeren, hoe het geluk van dit leven te achten is. Let dan niet op rijkdom, hoogen staat, enz., maar op het einde, wanneer alle tijdelijke grootheden van natuur veranderen en als eene schaduw verdwijnen.

Vraag het aan eenen stervende, en hij zal niets anders zeggen dan dat zijn leven , al ware het eens nog zoo voorspoed'g geweest in de wereld, ijdel is en vol bediog, dewijl het zoo arm eindigt. En waarvoor zoude hij alsdan al die eer der wereld niet geven? Niet alleen voor niet, maar hij zoude mis-

30

ocr page 33

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 31

schiunyeel willen geven als hij ze niet gehad had.

Philippus II, koning van Spanje, wenschte op zijn doodsbed deurwachter van een klein klooster geweest te zijn in plaats van koning. Aldus hebben duizenden anderen gesproken : want de dood ontdekt het bedrog en de nietigheid der tijdelijke zaken.

Indien gij tot het uur des doods alle genoegens, eer en voldoeningen genoten hadt, die ooit een koning kon smaken, wat zoudt gij daarvoor hebben als gij sterft? En wat zal een ander hebben van de boetvaardigheid en van den arbeid, dien hij om Christus onderstaan heeft ? Al had hij meer geleden dan al de Martelaren, hij zal er geen pijn meer van gevoelen. Zij, die vele jaren in wellusten geleefd hebben, en zij, die niet dan ellenden gehad hebben, staan hierin gelijk in het uur des doods, dat zij er beiden niets meer van gevoelen.

De H. Romualdus had 100 jaren God gediend in eene strenge boetvaardigheid; maar op het oogenblik dat hij stierf, was al het gevoel daarvan voorbij. Simon Stilites had 80 jaren wonderen van boetvaardigheid gedaan, doch toen hij stierf, was dit even alsof hij die jaren in alle wellust geweest ware, en nu heeft hij daarvoor eene eeuwige vreugd en glorie. \ele Martelaren hebben onmensehe-lijke pijnen geleden, sommigen zijn vele jaren lang opgesloten geweest in vervaarlijke kerkers, enz., doch toen zij stierven, was dit even alsof zij gedurende al dien tijd alle vreugden der wereld genoten hadden.

ocr page 34

KORTHEID EN ELLENDE

O wonderbare verandering in dat laatste oogenblik! De dood neemt van de zondaars al hunne wellusten weg, en brengt hun de eeuwige folteringen ! Hij neemt de pijnen der Heiligen weg, en geeft hun de eeuwige vreugd! Welaan dan, mijne ziel! de wellusten, waardoor iemand zondigt, en de pijnen der boetvaardigheid zullen gelijktijdig eindigen, en de toekomende pijnen en vreugden zullen beiden eeuwig duren.

O verblinde wereld, die zooveel doet om het tijdelijke, en zoo weinig om het eeuwige! Om een klein gewin' wordt dag en nacht gearbeid, en de arbeid valt zoet. Voor een eeuwig goed is er noch tijd, noch smaak,'en alles valt te zwaar; duizendmaal verdient dit herhaald en met bloedige tranen beweend te worden; de blindheid des harten van zoo vele menschen, die zulk eeno groote dwaasheid begaan.

Alles huiten U, o groote God! is slechts ijdelheicl. Ach, dat wij dit inzagen! en zoo zagen, dat wij ons hart van alle vergankelijke dingen aftrokken, om ti alleen te beminnen, die aller liefde waardig zijt! Geef ons, o God! deze genade opdat Gij alleen de schat van ons hart moogt zijn en blijven in eeuwigheid.

VII. HOOFDSTUK.

liet leven wordt ons verleend om aan hot groote werk van oniie zaligheid te werken.

Wij zijn door God geschapen en op deze

32

ocr page 35

VAN HET MENSCIIELIJK LEVEN. 33

wereld gesteld, niet om ons hier te verheffen en rijk te worden, noch om ons vermaak en gemak te zoeken, maar om ons bezig te houden met het groote werk van onze zaligheid. O mensch! gij zijt geschapen naar het beeld van God! gij zijt iets groots, en tot iets groots door God bestemd. Gij moet eens óf eeuwig gelukkig, óf eeuwig ellendig wezen, en noodzakelijk komjn tot den hemel of tot de hel. Wij zijn allen geschapen om te arbeiden in den wijngaard des Heeren, dat is aan het werk van onze zaligheid. Wij moeten geheel ons leven daartoe besteden, en al onze werken tot dat einde verrigten. Wij moeten geenen tijd verkwisten, en ons leven mag ons hiertoe niet te lang schijnen.

God had ons wel oogenblikkelijk in den hemel kunnen stellen; maar het heeft Hem behaagd, dat wij hier .eenigen tijd zouden leven, om aan Hem onze onderdanigheid te bewijzen, ea door onze getrouwheid in het uitstaan van den strijd dien Hij ons oplegt, den hemel te verdienen, dien wij verloren, en do hei te ontgaan die wij verdiend hadden.

Laat ons goed dooi terwijl wij tijd hebben, zeg; de Apostel: want de nacht (dat is de dood) komt aan, zegt Christus, dat niemand zal kunnen arbeiden. Besteed dan uwe dagen aan goede werken. Gelukkig zijn zij, die hier noch rijkdom, noch eer, noch arbeid, noch ook hun leven ontzien, en die maar alleen de gloiie van God en hunne zaligheid voor oogen hebben in al hun doen en laten.

2

ocr page 36

KORTHEID ÈN ELLENDE

O gruwelijke verblindheid van de wereld, zoo de eeuwige zaligheid te vergeten en te verzuimen en den kostelijken tijd met ijdel-heden en beuzelingon te verkwisten. Beeld u eens in dat God aan eenen verdoemde een uur tijds gaf, om te herstellen al wat-hij verkwist heeft. Met welk een ijver zou hij arbeiden voor zijne verlossing! O hoe beklagen zich de verdoemden te laat en te vergeefs zoo menige uren, die zij zoo onnuttig verkwist hebben! Met al het goud van de wereld kunt gij geen uur tijds af-koopen, dat gij onnuttig hebt laten voorbijgaan. Om die gewigtige zaak nog dieper in uw hart te drukken, overweeg aandachtig de volgende punten.

1. Hoe zal ik op mijn doodsbed niet wen-schen vele verstervingen, gebeden, aalmoezen beoefend te hebben, enz. en mij zei ven in alles als de minste geacht te hebben! Welk eenen troost en eene gerustheid zullen mij die dan schenken! Ik wil die dan van nu af gaan oefenen. Integendeel hoe zullen de ijdelheden, de eer en de genoegens der wereld mij alsdan bezwaren! Ik wil die dan opregt gaan vlugten en verfoeijen.

2. De zaligheid is eene zoo groote zaak dat geen Engel bekwaam is om dit uit te leggen. Hoe klein behoorde mij dan alles te schijnen wat ik er voor gedaan heb! Ach! hoe kort, ach, hoe lang! Hoe kort het leven, hoe lang de eeuwigheid! hoe kort de arbeid, hoe lang het loon!

3. Hetgeen wij in het leven zaaijen, zul-

34

ocr page 37

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN. 35

len wij ia den dood maaijen; die nu met den Apostel in tranen zaaijen, zullen met hem in blijdschap maaijen, en de schoven van goede werken met vreugd voor den regter brengen, als de wereld verschrikt zal staan over hare verblindheid.

4. Ik zal verschijnen voor den regterstoel, en daar zullen de goede werken mij volgen, en voor mijne zaken pleiten. Zij zullen niet alleen voor mij de zaligheid bekomen, maar mij ook bijblijven tot een eeuwig sieraad.

5. Wat is alles wat ik tot nu toe gedaan heb voor mijne zaligheid, in vergelijking bij hetgeen de Heiligen daarvoor gedaan hebben? Zij weenden hier, om niet te moeten weonen in de eeuwigheid; zij vreesden den voorspoed; zij schroomden de genoegens; zij ontzeiden zich vele dingen, die zij hadden mogen genieten; zij ondergingen vele vernederingen, ongemakken en kruisen: geheel hun leven was vasten, bidden, waken. Zij vreesden als zij buiten vervolging en verdrukking waren, omdat de Apostel zegt, dat al wie godvruchtig in Christus wil leven, vervolging zal lijden. Daarom wilden zij liever zich zeiven vervolgen dan geen deel te hebben in het lijden, dat aan alle regtvaardigen eigen is.

6. Indien gij wist dat gij hier nog iüO jaar zoudt leven en dat gij gedurende al dien tijd niets zoudt hebben om van te leven, dan hetgeen gij in een uur tijds uit de schatkamer van een koning zoudt verzamelen, die u daartoe goedgunstig den toegang gaf, zoudt

ocr page 38

36 KORTHEID EN ELLENDE

gij dan dat uur verkwisten of verslapen? Welnu, uwe ziel zal in eeuwigheid leven en gij zult daar niets anders vinden dan hetgeen gij in uw leren zult vergaderd hebben uit de schatten van Christus, door het oefenen van de deugd. En wat is uw leven bij de eeuwigheid? veel minder dan een uur bij 100 jaren. O dwaasheid! indien wij nu niet arbeiden, om die eeuwigdurende schatten te vergaderen!

Tot nu toe heb ik die groote verblindheid gehad, o Heer! maar uwe genade heeft mij ziende gemaakt. O mijn Zaligmaker! ik hoor ü tot mij zeggen: drijf' koophandel tot dat ik korne; de nacht komt, dat niemand meer zal kunnen werken. Ik ga met uwe genade daaraan voldoen; geef dat ik altijd daarin voortga tot het einde mijns levens.

VIII. HOOFDSTUK.

Hot is cone groote verblindheid de bereiding tot den

dood uit te stellen tot het laatste. De dood is

gewoonlijk gelijk het leven geweest is.

Vele rnenschen stellen hunne bereiding tot den dood, en ook hunne bekeering tot het laatste uit, en als de dood komt, dan zouden zij wel alles wiüen doen, als het te laat is. De H. Augustinus zegt: Hij kan niet kwalijk sterven, die wel geleefd heeft; en hij zal maar zeer moeijelijk wel sterven, die kwalijk geleefd heejt. Hij zegt ook, zulk een leven, zulk een einde. Wie zou niet roepen met Balaam: Bat mijne ziel den dood der rcglvaardigcn sterve! Wilt gij den dood

ocr page 39

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN, 37

der regtvaardigen sterven, leef dan eerst het leven der regtvaardigen. De dood is als de ■weerklank van het leven. Leeft gij wel, zoo sterft gij wel: leeft gij kwalijk, zoo sterft gij kwalijk. Die zich in zijn leven wel bereidt tot den dood, zal de dood altijd wel bereid vinden; die zich niet bereidt, zal de dood onbereid wegrukken: als het anders gaat, is het wonderbaar en zeldzaam. Die heilig leeft, zal heilig sterven; die geheel zijn leven in zonden leeft, zal in zonden sterven, gelijk Christus zeide tot de Joden: Gij zult sterven in uwe zonden. Een goede dood is het loon van een goed leven. De duivel zal in den dood zijne prooi niet ligt laten varen, die hij geheel het leven bezeten heeft. Integendeel, de helsche geesten komen in het uur des doods de boozen nog geweldiger bekoren: want zij sparen zelfs de goede zielen niet. Sommigen bekoren zij tot wanhoop, anderen tot valschen vrede, sommigen tot onverduldigheid of ongeloovigheid, tot ijdel behagen in zich zeiven, enz. Indien iemand te voren niet gewapend is door de deugd, hoe zal hij wederstaan in het uur des doods, tenzij door eene buitengewone genade van God? Maar is het niet ten uiterste te vreezen, dat God die genade niet zal geven in het uur des doods? ongetwijfeld, want de Heer zegt zelf: Als de benauwdheid hen zal bevangen, zullen zij tot mij r oepen: maar ik zal ze niet aanhooren. Als een kromme boom afgekapt wordt, langs welken kant zal hij vallen, dan langs den kant, waarnaar hij overhelt?

ocr page 40

KORTHEID EN ELLENDE

Maar eene ziel, die voor God en hare zaligheid geleefd heeft, kan de bekoringen des duivels overwinnen door eene gewone genade, en zij moet alsdan moedig volharden in het geloof, en vast vertrouwen, dat die genade haar niet zal geweigerd worden.

De duivel bedriegt vele menschen door de valsche hoop van wel te sterven, en dat de ziekte hun tijd zal laten, om zich te bereiden. Doch de zondaars, zelfs als zij gezond en wel bij hun verstand zijn, hebben groote moeite om tot eene ware bekeering te komen, al toonen zij nog zoo veel ijver. En gij, o zondaar! meent daartoe in staat te zijn in uwe ziekte, die u dikwijls zoo ongevoelig maakt als een stuk hout?

De barmhartigheid is niet beloofd aan hen, die op haar steunen om te zondigen, maar aan hen, die, uit vrees van Gods regt-vaardigheid, ophouden te zondigen, en zich tot God bekeeren.

Doch schoon eenige zondaars in hunne laatste ziekte het gebruik van hun verstand hebben, en groote voornemens en teekenen van berouw toonen, het is bedriegelijk en niet veel te achten. Dit blijkt klaar uit Antiochus. Deze koning had in zijn leven vele boosheden bedreven; hij had Jeruzalem willen.verwoesten, het Joodsche volk gevangen genomen, den Tempel geplunderd. Toen hij op zijn doodsbed lag, toonde hij hierover groot leedwezen, en beloofde alles te herstellen, schooner en kostelijker dan het te voren geweest was; ja, zelf de joodsche godsdienst

38

ocr page 41

VAN HET MENSCHELIJK LEVEN, 39

aan te nemen, en geheel de wereld door den naam van God te verkondigen: maar te vergeefs: Deze goddelooze had God, zegt de heilige Schrift, van wien hij geene barmhartigheid zou hekomen.

Indien dus een zondaar op zijn uiterste zulke teekenen toonde als Antiochus, zoude men dit niet houden voor een opregt berouw ? Nogtans het blijkt hier anders. Het is te vreezen dat zulke gesteltenis en teekenen in den zondaar niet voorkomen dan uit vrees voor de straffen, die hij verdiend heeft; en niet uit de beweging van den H. Geest, die zijn hart waarlijk veranderd heeft.

Hij is dan wijs en voorzichtig, die zich bereidt tot den dood in zijne gezondheid; maar onze bereiding en bekeering uitstellen tot het laatste, is de grootste verblindheid der wereld.

Hoevele dusdanige verblinden zijn er, o God! te vinden! Open toch de oogen van ons allen, opdat wij van nu af sterven aan onze kwade begeerlijkheden, en ons opregt tot den dood bereiden, om, als het ü zal believen, ons dien over te zenden, heilig te sterven, en door den dood het leven te bekomen.

IX. HOOFDSTUK.

Dat wij ons moeten bereiden tot den dood, omdat men maar eens sterft.

O, schrikkelijk oogenblik van den dood ! Die sterft, heeft voor zich de gelukkige of ongelukkige eeuwigheid, en de laatste snik brengt

ocr page 42

KORTHEID EN ELLENDE

Iiem in een van beiden. Geen Engel kan ons verklaren, hoe veel er gelegen is aan dien laatsten stond. Al de geheimen, die God de Vader uitgewerkt heeft op de aarde, al hetgeen God de Zoon gesproken en geleden heeft, al hetgeen God de H. Geest onderwezen heeft, heeft slechts ten doel om ons een gelukkigen dood te bezorgen.

De mensch heeft twee oogen, twee ooren, twee handen, twee voeten, en indien hij ééne van die verliest, behoudt hij nog de andere. Doch hij heeft maar ééne ziel; als die verloren is, is alles verloren. Wij moeten dan met alle zorg trachten die zalig te maken. Is eene p'eitzaak, een proefstuk, een veldslag kwalijk uitgevallen, het kan nog hersteld worden met die dingen te herdoen; maar eens kwalijk gestorven, is eeuwig kwalijk.

Het is eene vreeselijke zaak, dat dit groote werk, dat niemand kan ontvlugten, en dat elk maar eens mag doen, niet kan beproefd of herdaan worden! Niemand zal in eenen schouwburg zijn rol wel spelen, geen regtsgeleerde zal zijn proefstuk wel doen uitvallen, tenzij dit alles te voren geleerd en beproefd worde; en hoe zal iemand wel sterven, die niet heeft leeren sterven? Wij moeten dan nu leeren sterven gedurende ons leven, om wel te steryen als ons uur zal gekomen zijn. Hiertoe is noodig, dat wij ons zeiven naarstig oefenen in de volgende deugden:

Ten 4. dat wij al de kruisen en pijnen, die ons overkomen, aanzien als ons toegezonden yan God tot onze zaligheid, en die trachten

40

ocr page 43

VAN HET MENSCHELIK LEVEN', 41

te dragen in den geest van boetvaardigheid; hierdoor zullen wij het groole kruis van den dood te beter kunnen dragen.

Ten 2. dat wij ons zeiven dikwijls opofferen aan God, om alles te lijden, wat zijne vaderlijke goedheid ons zal gelieven op ta leggen, en daartoe zijne hulp verzoeken.

Ten 3. dat wij onzen lichamelijken dood door den geestelijken dood van het H. Evangelie voorkomen, dat is: door eene gestadige versterving van onze kwade driften.

Ten 4. dat wij den dood dikwijls voor oogen hebben, stervende met de gedachten, om dan eens te sterven voor goed. (Zie het volgende hoofdstuk.) De Kardinaal Bellarminus wensch-le op zijn doodsbed nog een jaar te leven, om zich zeiven beter te bereiden tot den dood, alhoewel hij het vele jaren te voren gedaan had.

Ik zie, o goedertieren God! dat alles vergankelijk is, ik voel den dood allengs naderen, daarom zal ik er voortaan ernstig op gaan denken, en mij zorgvuldig er toe voorbereiden, opdat ik, als hij komt, in den Heer moge ontslapen.

X. HOOFDSTUK,

Waarin deze geestelijke dood en deze bereiding bestaat.

1. De geestelijke dood bestaat daarin, dat wij trachten ons zeiven dagelijks te verloochenen en onzen eigen wil te onderwerpen; dat wij in ons doen sterven de kwade genegenheden, de ongeregelde liefde, alle verkleefd-21 2*

ocr page 44

KORTHEID EN ELLENDE

heid aan eenige schepsels; opdat wij aan deze niet gehecht zijn in onzen dood: dat wij leven in gestadige boetvaardigheid, en alles trachten te doen volgens God en om God.

2. Gelijk de dooden afgescheiden zijn van alle wereldsche zaken, diegvóór den dood zijn, en niets gemeens daarmede hebben, zelfs niet met de begeerte of met den wil, zoo bestaat de geestelijke dood daarin, dat wij dood zijn aan de zonde, en de zonde dood aan ons.

3. Deze geestelijke dood bestaat ook hierin, dat wij zoo leven, gelijk wij zouden willen sterven: en den dood zoo voor oogen hebben, dat wij eiken dag aanzien als den laatste van ons leven en onze voornaamste dagelij'k-sche werken zoo doen, alsot het de laatste maal ware, dat wij die zullen doen, b.v. de Biecht, de H. Communie, het bijwonen van het H. Oller der Mis, onze avond- en morgengebeden, enz. Joannes Climax zegt: De dag van heden wordt niet wel doorgebragt, tenzij wij ons laten voorstaan dat hij de laatste is. Hij is godvruchtig die alle uren den dood verwacht; maar die alle uren naar den dood wenscht, is heilig.

4. Dat wij alle maanden een dag verkiezen, of meermalen, (gelijk velen doen) dien wij bijzonder doorbrengen met te denken aan den dood, en ons daartoe te bereiden. Gedraag u dien dag als of gij gingt sterven, overleg, wat bij deze gedachte het eerst en het meest uwen geest treft; wat u het meest verontrust en beangstigt; wat gij zoudt wen-schen gedaan te hebben, en voorzie daarin

/j2

ocr page 45

VAN HET MESSCHELTJK LEVEN. 43

zoo veel als het mogelijk is. Denk dat de dood de voornaamste gelegenheid is, om aan God te voldoen voor uwe zonden, gelijk Christus allermeest voldaan heeft voor onze zonden door zijnen dood. Plaats u aldus voor een Crucifix, sla uwe oogen op Jesus, die voor onze zaligheid gestorven is, om ons teleeren wel te sterven, en opdat wij zijn voorbeeld zouden navolgen, en overdenk de inwendige gesteltenis des harten, met welke Hij zijnen geest gegeven heeft. Hij is gestorven en heeft den dood ondergaan als een slagtoffer, om zijnen Vader, die door de zonden onteerd wats, de opperste eer te bewijzen. Hij is gestorven om zijnen Vader gehoorzaam te zijn tot den dood , ja, tot den dood deskruises. Hij is gestorven in den geest van boetvaardigheid, om te voldoen voor onze zonden; wensch met Jesus hierin gelijk te zijn, en zeg;

sik ban door u, o eeuwige Vader! regt-svaardig verwezen tot den dood: ik wensch »dan te sterven met Jesus, en als een slagt-»offer opgeofferd te worden, om U met Hem »de opperste eer te bewijzen, zoo veel ik kan somdat gij door mijne zonden zijt onteerd «geweest. Dat dan mrjn lichaam en al mijne «ledematen verbrijzeld en vernietigd worden, »die de werktuigen der zonden geweest zijn; »ik wil sterven met Jesus, o mijn Vader! «gewillig den dood aannemen (ofschoon die «zoo bitter is) en dien vereenigende met zijnen «dood, tot voldoening van mijne zonden. Ik «wil sterven met Jesus om gehoorzaam te «zijn aan uw opperst en heilig gebod. Aan-

ocr page 46

KORTHEID EN ELLENDE

»zie, o Varler! zijnen dood, en zijne waardige «gebeden en dankzegging, die ik U opoffer ))voor al de weldaden, die Gij mij verleend »hebt, en wees mijne ziel, die ik te zamen smet Hem in uwe handen beveel, omzijnent »wil genadig.quot;

Gij kunt alsdan ook gebruiken de gebeden, die men bidt voor de stervenden, als: de oefening van Geloof, Hoop, Liefde, enz. Deze oefeningen zullen u leeren sterven; en als gij ziek wordt, zult gij ligtelijk kunnen oefenen wat gij te voren in uw leven zoo dikwijls geoefend hebt.

BEMERKING OP HET VOORGAANDE.

Kort ziji, o Heer! des mcnschen dagen, het getal zijner maanden is bij u bepaald, gij hebt hem grenzen gesteld, dien hij niet kan overschrijden, zegt de geduldige Job. De tegenwoordige tijd is ons gegeven, om onze zaligheid te bewerken; hij is zeer kostbaar, wij hebben hem door de verdiensten van het dierbaar Bloed van Jesus; de Heiligen hielden hem in zeer groote waarde, zij durfden naauwelijks slapen om hem niet te verliezen. De H. Antonius bragt geheele nachten door in het gebed; de H. Petrus van Alcantara sliep naauwelijks twee uren tusschen dag en nacht; zij besteedden al hunnen tijd met bidden en het oefenen van goede werken; zij zagen ieder uur aan voor het laatste; zij dachten gedurig dat zij den H. ApostelJoan-nes hoorden zeggen: het is het laatste uur. Zij rekenden al dien tijd verloren, op welken

44

ocr page 47

VAN HET MENSCHELUK LEVEN. 45

zij met God of met hunne zaligheid niet bezig ■waren. En wij daarentegen besteden hem zoo kwalijk; wij brengen dien bijna geheel door met slapen, wandelen, spelen, eten en drinken, ijdele zamenspraken en andere onnuttigheden. Wij hooren naar Christus niet, die ons waarschuwt dat er een nacht zal komen, in welken niemand meer zal kunnen arbeiden; noch naar den Apostel, die roept: Terwijl wij den tijd hebben, laat ons goed doen. Wij zijn doof voor die goddelijke uitspraak, en wij hebben geene achting voor den tijd; ja, wij weten somtijds niet wat te doen om hem kwijt te zijn. De verdoemden kennen nu veel beter, maar te vergeefs, zijne groote waarde, en beklagen zich nu het te laat is, dat zij hem niet zorgvuldiger besteed hebben; indien wij ons niet beteren in het toekomende, noch zuchten over onze voorgaande onachtzaamheid, is het zeer te vreezen, dat wij daarna met die ongelukkigen eeuwig en vruchteloos zullen zuchten.

Dit leven is ook vervuld met vele pijnen en smarten. De mensch, van eene vrouw geboren, zegt de geduldige Job, leeft weinig tijds en is vol ellenden. De goedertierene God heeft dit alles genadig willen beschikken, opdat wij ons hart aan de wereld en hare vermaken niet zouden vasthechten, maar als vreemdelingen zouden zuchten naar ons vaderland, en wij dikwijls met David zouden zeggen: Helaas! dat mijne pelgrimschap zoo lang duurt, mijne ziel is wel lang in ballingschap! En wie doet dit? Weinigen denken aan den dood; hij komt bij allen onverwachts, en bijna bij allen tegen

ocr page 48

46 KORTHEID EN ELLENDE, ENZ.

hunnen dank. Men bemint die pijnlijkheden des levens, even gelijk de kinderen hunne vuiligheid, daar zij met vermaak in wroeten, en die weenen als zij gewasschen worden. Velen zijn van het tijdelijke zoo vol, dat zij op het eeuwige niet eens denken. Dit alles komt door gebrek aan geloof en opregte liefde tot God, en omdat wij de waarde van onze ziel en de grootheid der eeuwige zaken niet kennen.

Verlos ons, Jesus! van die allergrootste verblindheid; open de oogen van ons verstand; bestraal ons met liet licht van uwe goddelijke genade; geef ons toch een levendig geloof; ontsteek in ons hart eene brandende liefde tot U, opdat wij geheel voor U levende, gedurig wenschen ontbonden te z'jn van dit sterfelijke ligchaam, om eeuwig met U te zijn.

ocr page 49

VERHAKDELIIGr OVER DM DOOD.

I. HOOFDSTUK.

Wat sterven is, en hoe pijnlijk.

Sterven is de scheiding der ziel van haar ligchaam; dat is haar overgang van den tijd tot de eeuwigheid. Sterven is het eeuwig vaarwel zeggen aan vader en moeder en alle vrienden; het is, zegt de H. Chrysostomus, alsof de stervende zeide: vaartwel, vrienden, ik ga eene groote reis doen naar een vreemd en onbekend land, dat niemand gezien heeft: en waar mij niemand uwer zal vergezellen. Ik ga tot mijnen regter, zonder dat ik weet, wat mij daar zal gebeuren, en wie mij voor hem zullen brengen, de Engelen of de duivelen, en waar mijne woning zal zijn, óf in den hemel, of in de hel. Sterven is, verlaten al wat men in de wereld bezit en bemint: huis, winkel, schrijfkamer, hof, omgang met mensclien, enz.; de gierigaard zijne schatten, de wellustige zijne genoegens, de eerzuchtige de eer, en dat voor eeuwig. Een mensch, die sterft, verliest niet alleen wat men noemt rijkdommen; maar hij verliest al wat hier oeneden is. Geheel de wereld vergaat voor hem, zonder hoop van die nog te zien.

Een mensch, die sterft, wordt de armste van alle menschen. Er is geen koning, die

ocr page 50

VERHANDELING

sterft, die niet zou wenschen de minste van zijne onderdanen te zijn; en er is niet een slaaf, die zou willen verwisselen van staat met eenen koning, die maar een kwartier uurs meer te leven heeft. Doch al is dit alles zoo schrikkelijk, wat na den dood volgt, is nog veel schrikkelijker en meer te vreezen.

Sterven is een droevig graf krijgen voor zijne woonstede, de wormen voor metgezellen, en voor de riekende waters en muskus den etter en onverdragelijken stank.

En om nu niet te spreken van eenen on-gelukkigen dood, zoo schijnt er geen gelukkiger, dan dat men sterft op zijn bed door ziekte; maar wat lijdt hij al niet, die zoo sterft? De koorts verbrandt hem. de dorst kwelt hem en beneemt hem de spraak; de hoofdpijn laat hem niet toe ergens op te letten; de lendenen zijn met pijn overvallen; de zoete slaap vliedt van hem henen; de hulpmiddelen bezwaren hem somtijds niet minder dan de ziekte; maar wie zal de bittere en pijnlijke scheiding beseffen, als de ziel haar ligchaam verlaat, met welke zij zoo vast en innig vereenigd was? Er is in da natuur geene grootere vereeniging en geen digter band te vinden, dan er is tusschen de ziel en het ligchaam; en er zijn geen dingen, die elkander zoo zeer beminnen; en daarom, als die moeien scheiden, is dit natuurlijk de bitterste scheiding van de wereld; daarom is er groote strijd in het scheiden, en de natuur spant al hare krachten in om deze scheiding te beletten, zcodat niemand de

ocr page 51

OVER DSN DOOD.

smart, den strijd en de benaauwdheid kan uitspreken, die de mensch ondergaat, als hij ster ft. En indien alsdan al die ledematen, de zenuwen en de aderen, enz. konden spreken, zij zouden uitroepen met de bedrukte Susanna: Ik hen in angst van alle kanten!

Wat den dood nog bezwaart, is de aanval der booze vijanden die zich dikwijls ver-toonen aan de stervenden onder de vreese-lijkste gedaanien; en dit is dikwijls de reden, dat sommige stervenden zoo sidderen en beven; en zulke afschuwelijke gebaren en bewegingen des ligchaams maken, dat het de omstanders doet verschrikken.

Al is het dan, dat te sterven op ;.ijn bed en door ziekte zoo schrikkelijk niet schijnt aan de zinnen, als te sterven door het zwaard, door het vuur, door schipbreuk, of door het geregt, de dood op liet bed is nogtan.3 dikwijls pijnlijker en benaauwder dan dit alles.

Hoe 'pijnlijk en hoe schrikkelijk, o God! is de dood voor onze natuur! Geef ons toch de genade, dat wij al die 'pijnlijkheden in den geest van boetvaardigheid geduldig verdragen, opdat wij daardoor aan uwe goddelijke regtvaardigheid mogen voldoen, en door eenen zaligen dood tot de aanschouwing van uw goddelijk wezen geraken.

II. HOOFDSTUK.

Van de grootc verandering, die er na den dood vol^t.

Wij hebben bijna geen ander denkbeeld van den dood, dan dat de stervende mensch zijn

49

ocr page 52

VERHANDELING

gevoel en verstand, zijne beweging en zijne werking verliest, en dat wij hem na zijne begrafenis niet meer zien. Wij letten maar op hetgeen hij ophoudt te doen, maar niet op hetgeen hij begint te doen.

Door den dood wordt er eene groote gordijn weggeschoven, en de ziel begint oneindige dingen te zien, die haar te voren onbekend waren. Zij ziet na den dood eene andere wereld, andere inwoners, andere wijsheid, andere vreugde, of andere pijnen, andere schoonheid, andere eer, alles; is anders. Zij ziet daar wat God is, wat zij zelve, wat de tijd, wat de eeuwigheid is. Zij ziet het oneindig getal van goede en kwade geesten, onder welke zij zich gemengd vindt. Zij ziet daar dat alle aardsche wijsheid maar dwaasheid ; de ligchamelijke schoonheid maar leelijk-heid; de aardsche goederen van geene waarde, en de eer maar ijdelheid is. Zij ziet daar welk een kwaad zelfs maar eene dagelij ksche zonde is, bijzonder die men wetens en willens doet; dat enkel tijdverdrijf een schrikkelijk verlies is; dat de vleeschelijke wellusten eene schandelijke vuiligheid zijn, enz. Zij ziet daar de gruwelijkheid van de doodzonde, en de wonderbare schoonheid eener ziel, die in staat van genade is. Zij ziet daar van hoe groote waarde de boetvaardigheid en de deugd is, wat eene groote wijsheid het is de wereld veracht te hebben, en hoe die heilige dwaasheid in de eeuwigheid zal geprezen worden door al de Heiligen, en door God zel-n. Immers de ziel ziet daar op dat oogenblik

50

ocr page 53

OVER DEN DOOD.

een onuitsprekelijk vertoog, waarvan wij hier de zes voornaamste punten gaan voorstellen.

Ten 1. Ds ziel ziet zich zelve in eene geheel andere gesteltenis.

De ziel is eene groote zaak, zij is niet geschapen dan om te kennen, te beminnen, te begeeren, te haten, enz. Zoo lang zij gebonden is in den duisteren kerker van haar lichaam, kent zij zich zelve niet; zij is zeer klein, traag, beperkt en flaauw in de werking van hare drie krachten, verstand, geheugen en wil, aangezien zij daarin gebonden is aan de lichamelijke werkingen vaa de vijf zinnen en van de verbeelding. Zij kent, zij vat, zij verstaat, zij gevoelt de voorwerpen of de dingen, die buiten haar zijn, door de werking der zinnen en der verbeeldingskracht, en daarom is zij niet grooter, sterker, noch levendiger in de werking van hare drie krachten dan de ligchamelijke zinnen en de verbeelding toelaten en kunnen dragen; diens volgens heelt zij zeer kleine kennis en een klein gevoel van de zigtbare dingen, en nog veel kleiner van de onzigtbare; maar als de ziel ontbonden is van haar ligchaam, is zij zeer levend en sterk in al hare werkingen en zij heeft eene ondenkbare kracht om te kennen, te beminnen, te haten, enz., immers zoo groot is hare magt om te kennen, dat zij in den dag des oordeels zal zien en kennen de zonden van alle menschen.

De ziel dan kent en vat de dingen, die buiten haar en rondom haar zijn door de

51

ocr page 54

VERHANDELING

ligchamelijke zinnen, en is er mede bezig, zij keert er zich toe met haar verstand, en zij wordt er aan vastgehecht door haren wil en hare liefde; zij rust daarop en zij geniet daar eenig verzet en voldoening in, als zij niet geheel en zuiver aan God gehecht is. Eenige van die dingen zijn zoet en aangenaam aan de zinnen; eenige voldoen hunne nieuwsgierigheid , andere vertroosten hen in hunne pijnlijkheden, andere voldoen hunne hoop, enz. Al de uitwendige en zinnelijke dingen zijn dan eenigszins hunne goederen en hun rijkdom in deze wereld. De arme menschen zijn zelfs rijk door deze goederen; want hebben zij geene huizen, zij hebben den hemel, de zon, de sterren, de lucht, de velden met hun gewas, enz. En de H. Augustinus zegt, dat het een grooter goed is voor eenen armen mensch den hemel, dan voor eenen rijken de vergulde verwelfsels van zijne paleizen te zien. Dit is dan de staat van den mensch op deze wereld, en dit kan ons dienen om te verstaan, wat de dood is en welke uitwerksels hij voortbrengt. De dood is eene berooving van al wat men bemint en bezit in deze wereld, van al hetgeen, waaraan de ziel was verkleefd; van alle verzet, verkwikking en vermaak, die men in de schepsels vond.

Doch als nu eene ziel, die door hare liefde gehecht was aan deze dingen, van haar lig-chaam scheidt, en door den dood daarvan wordt beroofd en afgerukt, dan zal zij die blijven beminnen met eene drift, die met haren nieuwen staat overeenkomt; zij zal die

ocr page 55

OVER DEU DOOD.

eeuwig met eene onverzadelijke drift begee-ren en in eeuwigheid niet bekomen. Wie kan dezen ellendigen staat begrijpen? Alles wat zij bemint, ontvalt haar; al waar zij op rust, verlaat haar voor eeuwig, zonder hoop, van dit ooit meer te genieten. Wat een schrikkelijke val voor de ziel, wanneer alles, waar zij op steunde onder haar gebroken wordt! Wat een honger door het wegnemen van al haar voedsel! Wat een afgrond door het vernietigen van al wat haar vervult! Wat eene verlatenheid door het afscheiden van alle gezelschap! Wat eene verscheuring door het pijnlijk aftrekken van alles, waaraan zij gehecht was. Dit zal voor haar een gedurige dood zijn, dien de H. Augustinus noemt: Nooit levende, nooit stervende, maar stervende zonder einde.

Maar eene ziel, die God bemint bovenal, en aan Hem gehecht is door eene heilige lielde, al is het dat zij in het sterven eenige kleine gekleefdheid aan de schepsels heeft, en dat zij in het breken van die banden eenige pijn gevoelt; de liefde enaangekleefd-heid, die zij God toedraagt, vertroost en ondersteunt haar, en hare liefde sterker wordende, hoopt zij zich weldra geheel ver. enigd te zien met God en verslonden in den afgrond zijner goedheid, die alleen hare ijdele ruimte vervullen en hare liefde verzadigen kan.

Ten 2. Do ziel ziet wat de tijd en de eeuwigheid is.

De ziel ziet daar, door een licht van God, de oneindige waarde van den tijd ten opzigte

53

ocr page 56

VERHANDELING

54

van de eeuwigheid; en de nietigheid van den tijd ten aanzien van voorspoed en tegenspoed, en van alle vergankelijke zaken. Zij ziet dat haar tijd geëindigd is, dat Gods barmhartigheid ten haren opzigte bepaald, en dat haar staat voor eeuwig gevestigd is. Zij ziet het oneindige verschil tusschen den tijd en de eeuwigheid, hoe zij den tijd en al het tijdelijke als groot en langdurig heeft aangezien, en de eeuwigheid en de eeuwige goederen als klein en nietig, door de kleine kennis, die zij daarvan gehad heeft, en zij staat verbaasd over hare verblindheid; zij verandert van oordeel, en verwijst zich zelve. Niets van al wat tijdelijk is, kan haar meer groot schijnen; niets van al wat eeuwig is, kan haar meer klein schijnen; alle tijd, vergeleken bij de eeuwigheid, schijnt haar niet alleen klein, maar een niet; en niets is er dat blijft dan het eeuwig goed en kwaad. De goeden en kwaden zullen gelijkelijk dit oordeel strijken over den tijd en de eeuwigheid; zij zullen dezelfde kennis hebben, maar niet dezelfde gevoelens. De goeden hebben geene pijn, dat zij de tijdelijke dingen verdwenen zien, omdat zij dieniet beminnen, maar zijn overgoten van blijdschap om de eeuwige goederen, die zij straks zullen genieten. Maar die gestorven zijn mét nog eenige aange-kleefdheid aan sommige aardsche zaken, zullen daarvoor pijn lijden in het vagevuur, omdat hunne zaligheid uitgesteld wordt; nog-tans de liefde, die zij God toedragen, zal hen in het midden van deze pijnen in eenen

ocr page 57

OVER DKN DOOD,

volkomen vrede houden, zoodat zij zelfs niet uit dien staat zouden willen komen, waarin Gods regtvaardigheid hen gesteld heeft, tegen den wil en het bevel van dezelfde regtvaardigheid. Ook de verdoemden zullen de nietigheid der tijdelijke dingen zien, die zij bemind hebben: doch zij zullen daarom niet nalaten ze te blijven beminnen, en dit zal in hen dien vervaarlijken honger veroorzaken. Zij zullen de grootheid der hemelsche goederen kennen, maar zich zeiven magteloos vinden om die te beminnen, schoon zij weten dat niemand die kan bezitten, dan hij die ze bemint.

De H. Franciscus de Sales zegt, dat eene van de grootste pijnen der verdoemden zal zijn, dat God hun een deel van zijne volmaaktheden zal laten kennen, maar hunnen zondigen wil tevens magteloos laten, om die te kunnen beminnen. Dus zal de brandende drift tot de tijdelijke goederen in de kwaden veel grooter zijn dan te voren, en de liefde tot het eeuwig goed, alleen maar te vinden in de goeden, schoon de eersten zoowel als de anderen de nietigheid van het tijdelijke, en de grootheid van het eeuwige zullen inzien.

De tijd zal hun daar de allergewigtigste zaak van de wereld schijnen, daar hij in zekeren zin den hemel en de hel in zich besluit, en alle uitwerksel van Gods barmhartigheid en regtvaardigheid, want niemand kan loon of straf verdienen dan in den tijd. Hoe zal dan eene ziel het minste deeltje van den tijd waar-deeren, als zij dien met de eeuwigheid ver-gelijkt?

55

ocr page 58

VERHANDELING

Hoe zal de gesteltenis van eene ongelukkige ziel zijn, die nu ziet, dat zij dienkostelijken tijd zoo zeer misbruikt heeft; en dat nu de tijd voor haar geëindigd is, en de deur van Gods barmhartigheid gesloten? O wat droefheid ! o wat verscheuring des harten! o wat afgrond van wanhoop! Wij zullen allen in dezen staat komen. Denkt en herdenkt nu, hoe gij op uw doodsbed zult gesteld zijn als er na twee of drie uren voor u geen tijd meer zal zijn? Wat oordeel zult gij alsdan over uw leven strijken? En indien u dan de keus gegeven werd, om nog eens te beginnen; hoe zoudt gij het aanleggen? Dat dit tenminste'u aanspore, om het toekomende wel te gebruiken.

Laat ons uit dit eindigen van den tijd de waarde van den tijd leeren kennen; en uit deze waarde de verblindheid der menschen, die den tijd zoo kwalijk doorbrengen; sommigen in zonden en wellusten, anderen in beuzelarijen en nuttelooze bezigheden, en anderen in hem maar zoeken te verkwisten. Laat on? dan nooit de kostbaarheid van den tijd vergeten, maar dikwijls denken hoe spoedig hij ten einde zal zijn.

Ten 3. De ziel ziet God.

Wij hebben hier in dit leven een zeer geringe kennis van God en van zijne volmaaktheden; maar zoodra de ziel verlost is van haar lig-chaam, begint zij hem te kennen op eene geheel andere wijze. Zij begint te gevoelen, hoe innig en hoe wezenlijk zij afhangt van God in haar wezen, in hare bewegingen, in haar geluk en in andere zaken. Zij begint

56

ocr page 59

OYER DEN DOOD,

alsdan de magt van God en hare eigene on-magt te kennen. Do Heer alleen, zegt de Profeet Isaïas, zal verheven worden op dien dag. God is nu klein en als veranderd voor onze oogen, omdat wij Hem zoo weinig kennen, maar op den dag van de eeuwigheid zal hij verheven worden, als wij zijne oneindige magt kennen en onze nietigheid gevoelen zullen. Van dien stond af zullen alle menschen een juist denkbeeld hebben van de grootheid Gods en van de nietigheid der schepsels, wat in de uitverkorenen een eeuwig vermaak zal veroorzaken door het aanschouwen van zijne grootheden, van zijn wezen, van zijne barmhartigheid, van zijne liefde, enz. waardoor zij van blijdschap opgetogen zullen zijn; maar in de verworpelingen zal dit eene eeuwige wanhoop veroorzaken, dewijl zij in God niets zullen zien dan de onbeweeglijkheid, regt-vaardigheid, magt om te straffen, enz., en .

Idit zullen zij eeuwig zien.dit zullen zij eeuwig zien. Zij zullen God zien als een verslindend vuur, zegt de H. Gregorius van Nazianze, omdat zij Hem. niet hebben willen zien als een licht. Zij zullen zich zien als onder de handen van eenen ongenadigen vijand, zonder hoop van hem ooit te ontkomen.

Doch aangezien de zaligheid van den mensch bestaat in God te kennen en te beminnen, en dat dit de eenige en eeuwige bezigheid zal zijn der uitverkorenen, wat moeten wij dan anders doen in dit leven, dan God meer en meer trachten te kennen en te beminnen; want naarmate yan deze kennis en

57

ocr page 60

VERHANDELING

liefde, die wij hier zullen gehad hebben, zal ook onze glorie zijn. Maar helaas! wat plaats heeft God in de gedachten, zamenspraken en betrachtingen van het meerendeel der men-schen, die hun leven doorbrengen in Godvergetenheid , en niets dan hun gemak, genoegen en eer betrachten?

Ten 4. De ziel ziet de helsehe gedrochten.

Ten vierde, de verdoemde ziel zal aanstonds na hare scheiding die groote menigte van vervaarlijke geesten zien, van welke zij deel zal uitmaken, te weten: den duivel en.de verdoemde zielen, en van den anderen kant ook iets kennen van de zalige geesten, dewijl de H. Schrift verklaart, dat de verdoemden met spijt en leedwezen zullen zeggen: Zie deze zijn het, met wie wij eertijds schimpten, en die wij tot spot stelden (Sap. 5.) De ziel ziet daar een geheelen omkeer van de wereld; zij ziet hoe het grootste deel van hen, die hier in luister en pracht hebben uitgeschenen, nu tot eene verschrikkelijke vernedering en tot de uiterste ellende gekomen zijn, dat prinsen en koningen, die de wereld hebben doen beven, geen ander onderscheid meer hebben met de andere tnen-schen, dan dat zij somtijds de ellendigste zijn. Rijkdom, adel, tijdelijke overheid heeft daar geen voordeel; maar de eeuwige gereg-tigheid stelt iedereen in de orde en plaats van geluk of ellende, die hem toekomt.

In de wereld staat de eene rrensch onder den andere, de een hangt van den andere

58

ocr page 61

OVER DEN DOOD.

af, en zij hebben elkanders hulp noodig legen de vijanden enz.; maar niemand heeft daar een ander noodig. De zaligen beminnen elkander met eene volkomene liefde, en het geluk van den eene vermeerdert het geluk van den andere door de vreugd, die zij daarin scheppen; doch de een hangt van den andere niet af, noch behoeft zijne hulp; maar allen scheppen hun geluk uit dezelfde fontein.

De verdoemden, integendeel, haten elkander, en zij verwachten noch hulp, noch troost van eenig schepsel; daarom strekt hun het aanzien van die menigte van geesten tot grootere ellende en grootere wanhoop, omdat zij elkanders onmagtzien, en de verlatenheid van een ieder. Hoe is dan eeae ziel verschrikt, als zij ziet, dat zij hare liefde gesteld heeft op zoo vele ijdele dingen, en zoo weinig de eeuwige goederen gekend heeft! Hoe veracht zij dan hetgeen zij meest gewoon was te achten; maar die verschriktheid en rouw is dan te laat. Daarom, overweegt nu ernstig dit droevig schouwspel, en die eeuwige scheiding tusschen de zaligen en de verdoemden; veracht alle tijdelijke grootheid en wereldsch geluk, en acht alleen het heimelijk onderscheid, dat God reeds in deze wereld tusschen de goeden en de kwaden maakt, door de instorting van zijne genade en gaven, die zoo groote uitwerksels hebben in het andere leven.

Ten 5, De ziel ziet de razernij der duivelen tegen haar.

Wij weten door het geloof, dat de duivels

59

ocr page 62

VERHANDELING

rondloopen als brieschende leeuwen, en talrijke listen gebruiken tegen de menschen; doch -wij weten weinig wat voor listen dit al zijn. Maar dan zal de ziel eene menigte van die schrikkelijke geesten op de aarde verspreid zien, die het grootste deel der menschen bezitten en bewegen. Zij zal zien, hoe zij de menschen bekooren en doen vallen: ook al do strikken, die de duivel haar gelegd heeft, al de struikelingen, die hij haar heeft doen begaan, en alle dolingen en hinderlijke onwetendheid, waarin hij haar gehouden heeft. Maar indien de Heer haar door zijne genadjen dien vijand heeft doen overwinnen, en zijne vervaarlijke strikken ontgaan, zoo zal zij, opgetogen van blijdschap, met David roepen; Geloofd zij de Heer, die ons niet overgeleverd heeft tot roof aan hunne handen. Onze ziel is het ontkomen als een vogeltje den strik der vogelaren: de strik is gebroken, en wij zijn het ontkomen.

Ach, wie zal de verschriktheid van eene ziel begrijpen, die ziet dat de duivel haar verleid heeft, dat zij hem gediend heeft tegen haar zelve, en zijn rijk over haar bevorderd heeft! O wat eene wanhoop voor die ziel, als de duivel met al zijne razernij bezit zal komen nemen van zijnen roof en den spot met haar zal houden door- het toonen van zijn bedrog! Het is hierover dat de H. Ber-nardus uitroept; O mijne ziel, hoe groot zal uw schrik zijn, als gij door den dood afgescheiden zijnde van al die dingen, welker gezigt u nu zoo aangenaam en ivier ge-

60

ocr page 63

OVER DÉN DOOD.

meenschctp zoo zoet is, alleen zult gaan naar dat onbekende land, en gij daar die schrikkelijke monsters u te gemoet zult zien komen ? Wie zal u op den dag van zoo grooten nood te hulp komen 9 Wie zal u beschermen tegen die luoedende beesten, die zoo bereid staan om u te verslinden 9 Wie zal u vertroosten'? Wie zal u geleiden'! Deze bemerking moet ons reeds doen schromen, en wol doen leven. Gelukkig zijn zij, die ze gedurig in hunne gedachten hebben. Wat is er krachtdadiger om ons op te wekken tot de deugd, dan de vrees van te vallen in de magt van dien vijand, en om ons te wederhouden van het kwaad, dan te denken, dat wij den duivel door de zonde heerschappij over ons geven.

Dat zich niemand bedriege, God of c'e duivel moet onze beschermer en koning zijn. God is onze Koning, als wij Hem vooroogen hebben in onze werken en gedreven worden door zijnen geest. De duivel heerscht over ons, als wij onze eigene glorie en zinnelijke voldoeningen zoeken.

Dewijl er dan vele menschen geheel hun leven bijna niets anders doen dan hunne driften volgen, zoo werken zij onophoudelijk voor den duivel. Om hiervan eenen schrik te hebben, en dien vervaarlijken vijand kloek te wederstaan, verbeeld u dikwijls de razernij, die deze helsche monsters zullen uitwerken tegen eene ziel, die zij hier bedrogen hebben, en aanzie u zelven somtijds in dien staat.

ocr page 64

Verhandeling

Ten 6. De ziel ziet hare weiken.

De ziel zal alsdan zien al hare werken, al hare gedachten en al de oordeelen, die zij gestreken heeft door geheel haar leven. Zij zal zien hoe God daarover oordeelt, en zij zelve zal er alsdan een regtmatig oordeel over strijken, en al hetgeen dan kwaad en onregt in haar geweest is veroordeelen.

De kwaden zullen duidelijk zien en overtuigd zijn van hunne dwalingen en verblindheden, en gedwongen zijn te belijden, dat zij gedwaald hebben, zeggende; Wij, uitzuinigen! zoo hebben wij dan gedwaald-, wij zijn afgeweken van den weg der waarheid, en de zon van r egt vaardigheid is in ons niet verschenen. Zij zullen zien dat zij geheel anders hadden moeten doen, dan zij gedaan hebben, en zij zullen dit eeuwig zien.

Wij zijn hier in deze wereld omringd met duisternissen; dikwijls weten wij niet wat eigenlijk goed en wat kwaad is, onze kwade driften en onze verkeerde neigingen, die voortkomen uit ons bedorven hart, veroorzaken in ons vele ijdele, bedriegelijke envalsche gedachten en inbeeldingen, en daar wij oordeelen volgens onze gedachten en inbeeldingen, zoo zjjn ook het meerendeel van onze oordeelen valsch en bedriegelijk. Doch deze oordeelen besmetten niet alleen ons verstand, maar ook ons hart; zij versterken de kwade driften, die uit het hait voortkomen, en zijn aldus oorzaak van al de zonden, die de mensch bedrijft. Gelijk dan al ons geluk gelegen is

G2

ocr page 65

OVER DEN DOOD.

in de zonden te vlugten, zoo moeten wij met Gods genade ook trachten die verkeerde en bedriegelijke oordeelen te verdrijven, door goede en heilige gedachten, waaruit de goede en opregte oordeelen voortkomen.

Doch wat is hiertoe meer dienstig dan te denken op den dood en op het gezigt, de kennis, de gevoelens en oordeelen, die de ziel alsdan zal hebben? De kwade driften schijnen zich met te durven roeren en opstaan in een hart waar de gedachte van den dood is, die onze rede, ons licht en onze kracht in gedurige vrees houdt.

Daarom, welke schepsels zich ook aan onze zinnen of aan onze verbeelding vertoonen, wij mogen, om daarover een regt oordeel te strijken, onze zinnelijke genegenheden geenszins te rade gaan, maar denken, hoe wij daarover zullen oordeelen na onzen dood, en hoe Christus er over oordeelen zal.

Ach! hoe vele twijfelingen van geweten zullen er door dit middel wijselijk opgehelderd er. geëindigd worden! hoe vele valsche en bedriegelijke voorwendsels en dekmantels zouden er niet verdwijnen.

Had ik, o Jesus! die voorzigtigheid van ten allen tijde te denken: ik zal dit of dat in het uur van mijnen dood ivenschcn gedaan of gelaten le hebben ! ach, of ik nu toch dede. luat ik alsdan zal wenschen gedaan te hebben.

63

ocr page 66

64 VERHANDELING

III. HOOFDSTUK.

Dat het ons zeer voordcelig is dikwijls op den dood te denken.

Door de zonde is de dood in de wereld gekomen, en om de zonde te verdrijven uit de wereld; moest het genoeg zijn te denken op den dood.

Gelijk het brood de noodzakelijkste is van alie spijzen, zegt Joannes Climax, zoo is het overdenken van den dood de nuttigste aller oefeningen. Zij duet den kloosterlingenden arbeid en de boetvaardigheid omhelzen, .en doet hun het grootste vermaak vinden in de vernederingen en versmaadheden. In hen die in eenzaamheid leven, brengt zij eene volkome no verzaking voort van alle aardse! ic zorgen, en een gedurige en naauwkeurige waakzaamheid op al hunne gedachten. Immers deze oefening is een algemeen hulpmiddel tegen alle kwade bekoringen.

1. Indien gij hoovaardig zijt of veel werk maakt van uw ligchaam, gedenk maar dal gij na den dood de gruwel zult zijn van alle mensdien; dat uw ligchaam zal krioelen van wormen, en eenen gruwelijken stank zal uitgeven; dit zal u welhaast uw ligchaam doen verachten, en smaak doen vinden in de vernedering.

2. Indien gij gierig zijt, gedenk maar, dat gij in uwen dood van al uw goed niets zult mededragen naar de andere wereld, en daarvan niets zult vinden dan wat de handen der armen derwaarts voor u zullen gedragen

I

ocr page 67

OVER DEN DOOD. 65

hebben door uwe milddadigheid, en dat voor het overige uwe ondankbare vrienden uw goed zullen ingaren, en de duivels uwe ziel wegrukken. Bedenk dit wel en gij zult gaarne werken van liefde doen.

3. Indien gij veel moeite hebt, om aan uwen vijand het ongelijk of de lastering te vergeven, die u aangedaan is, insgelijks om de zuiverheid te bewaren, en om den engen weg van het H. Evangelie te bewandelen, denk maar wel op den dood, en dit alles zal u gemakkelijk schijnen, en Gods geboden zeer aangenaam maken.

4. Indien gij geweldig tot zonde bekoord wordt, denk op den dood; want wie zal durven zondigen, als hij denkt, dat hij op denzelfden dag en op hetzelfde uur kan sterven, en dat God op denzelfden stond mogelijk de hand opheft, om hem in de zonden te straffen?

5. Indien gij gehecht zijt aan de aardsche zaken, denk op den dood, die u weldra van alles berooven zal en in stof veranderen, en dit zal uwe aangekleefdheid. ligtelijk breken.

6. Indien gij traag en lui zijt in het goede, denk op den dood, en die zal u wel ijverig maken en u eene zuivere meening in al uwe werken doen hebben, want niets is daartoe krachtiger dan de benauwdheid te gedenken, die eene laauwe ziel zal hebben in haren doodstrijd over hare traagheid en over den verloren tijd.

Het is van den anderen kant zeer schadelijk den dood te vergeten. Een stuurman kan zqn schip niet besturen, tenzij hij op het einde van 21 3

ocr page 68

verhandeling

het schip sta; alzoo ook, men kan zijn leven niet wel besturen, tenzij men met de gedachten op het einde van het leven, dat is: op den dood stare. Die op zee varen, hebben gestadig de oogen geslagen op de magneetnaald of het compas; welnu wij varen over de zee van deze wereld naar de eeuwigheid; de dood is ons compas; wij moeten dan de oogen van ons verstand zeer dikwijls daarop slaan. De vogels kunnen zich zeiven niet besturen in het vliegen, noch de visschcn in het zwemmen, als met den staart, waardoor zij zich keeren en wenden. Aldus wij ook niet, tenzij wij den staart van ons leven, dat is den dood, gedurig in onze gedach ten hebben.

Hoe velen zouden er in hunne zonden niet gestorven zijn, zoo zij zich tot het aanschouwen van den dood gekeerd hadden.

Die dikwijls op de eeuwigheid denkt, zal zijn hart sluiten voor de ijdelheid.

Die dagelijks met de gedachten naar de andere wereld reist, zal zich wachten van zonden in deze wereld.

Heb alle dagen den laatsten dag in uw hart, en gij zult op den laatsten dag den schrik en de vrees buiten uw hart hebben.

Denk dan op den dood, want hij is het einde van klein en groot.

Hij is sterk, die zich zei ven overwint; hij is rijk, die te vreden is met het zijne; hij is wijs, die den dood ziet komen, eer hij komt.

Daarom, daar de duivel wel weet, dat op den dood te denken en te zondigen, niet kan za-mengaan, zoekt hij op alle wüzp deze gedacht®

66

ocr page 69

OVER DEN DOOD.

n te beletten. Dus gaat het grootste deel der

gt;- menschen yerloren, omdat zij niet genoeg op

p den dood denken.

n God heeft van den anderen kant genadig

t- gewild dat deze gedachte in ons dagelijks

y zoude vernieuwd worden door vele dingen.

Ij Ten 1. door den dood van zoo vele menschen

le en dieren, die dagelijks sterven. 2. Door de

ip ziekten, die ons en anderen overkomen. 3.

et Door het gelui voor dooden. 4. Door die te

in zien dragen naar het graf. 5. Door het aan-

or zien der kerkhoven en grafsteden. Het is

ok mogelijk ook, om den dood te gedenken, dat

«t de H. Kerk gewild heeft, dat velen van hare

in. bedienaars, als: Bisschoppen, Pastoors, Ka-

iet nunniken, enz. zouden bekleed gaan met

m- pelsen in de kerkelijke dienst: want de pelsen zijn vellen van doode beesten. Dit is

zal misschien ook het inzigt van de kloosterlingen, die zich omgorden met lederen riemen. Wij

de worden dan van alle kanten vermaand om

'an op den dood te denken; als door onze schoenen en kleederen, die gemaakt zijn van vellen

uw en de wol der doode dieren, als ook door

ien de spijs, die wij op de tafels zien en nuttigen,

'en. want vele van die zijn van gedoode beesten:

het ja, ons geheel leven en al onze werkingen zijn een gedurig gevecht en eene afwering

hij van den dood; want dat wij eten en drinken,

hij dat wij slapen en rusten; het is alles om

mt. ons van den dood te bevrijden. Hoe kunnen

den wij dan den dood zoo vergeten? Want hoe

i za- kleinen indruk maken al deze dingen op ons

'hte gemoed 1 Wq zien dit bijzonder bjj de be-

I

67

ocr page 70

VERHANDELING

grafenissen en uitvaarten. Welke aandoeningen ziet men doorgaans in hen, die achter het lijk gaan of rondom het graf staan? Op de straat spreekt men met elkaar overallerlei nieuws, terwijl men in de kerk dikwijls staat te kijken en te gapen. De naaste bloedverwanten zijn somwijlen wat bewogen, maar hoe lang? Zeer dikwijls met het gelui der klokken houdt hunne droefheid op. Elk een nogtans behoorde te denken; Ten 1. de goddelijkeregtvaar-digheid heeft regt gedaan over dezen misdadige, en zij zal het ook haast doen over mij. Ik zal weldra de smarten des doods moeten ondervinden, die het ligchaam doen bezwijken en de ziel met schrik en vrees verv uilen. Ten 2. Alles is nu gedaan voor dezen niensch; er is geen tijd meer voor hem, en in de eeuwigheid geen meer te verwachten. Ten 3. Dit lot moet ook mij overkomen, en mogelijk al zeer spoedig. Helaas! indien wij zoo bedorven en zoo dom niet waren, dan moest het genoeg wezen, een' mensch te zien sterven, of een lijk te aanschouwen, om ons alles vele jaren lang te doen verfoeijen. Maar elk beeldt zich in, dat hij nog lang zal leven, én aanziet dien droevigen staat als nog verre van hem. Want hoe schrikkelijk ook eene zaak moge wezen, als die aangezien wordt, als nog verre algelegen, zoo beweegt zij ons weinig.

Doch al kreeg men nog dikwijls gedachten van den dood, hetzij door het lezen van goede boeken, of door het hooren van sermonen, zij zullen weinig uitwerking doen, indien zij in het hart niet gedrukt worden door de genade

68

ocr page 71

OVER DEN DOOD.

van God. Daarom bad David den Heer, dat hij hem zijn einde zoude doen gedenken, wel -wetende, dat ook de gedachte aan den dood weinig zal baten, tenzij die in het hart gedrukt worde donr de genade van den H. Geest. Alle planting, zegt Cliristus, die mijn hemel-sche Vader niet geplant heeft zal uitgeroeid worden. Wij zien dikwijls genoeg den dood in anderen, en wij zeiven denken er ook somtijds op; maar hoe kort duurt dit, en hoe weinig bewegingen en vruchten komen er van! En waarom? omdat wij niet bidden, dat de hemelsche Vader die in ons hart plante, en in ons de vruchten daarvan voortbrenge.

Verleen ons, o Heer! uwe H. genade, die ons dikwijls levendig doet denken op den dood, en druk die gedachte zoo diep in ons hart, dat ze daar heilige bewegingen en vruchten voortbrengen moge, waardoor wij alle ij delheden der wereld mogen verfoeijen, en de eeuwige zaken zoo groot achten als zij verdienen.

Voorbeelden van hetgeen sommige Heiligen en anderen gedaan hebben, om op den dood te denken.

De heidensche quot;Wijsgeeren zeiven stemden toe, dat de ware wijsheid bestond in de overdenking van den dood. Eenige van hen dronken uit het bekkeneel van eenen dooden mensch; andere hielden een graf open voor den ingang van hun huis, om den dood te beter te gedenken. Vele vertrokken uit het gewoel van de wereld, alleen door de gedachte

69

ocr page 72

VERHANDELING

aan den dood. Men wordt zoo veel te wijzer, zeide Plato, hoe meer men op den dood denkt. Helaas! indien de Heidenen zoo spraken en handelden, die niet wisten van een ander leven , wat moeten de Christenen doen, die gelooven, dat ze zoo spoedig naar de eeuwigheid reizen ?

Vele menschen hebben de gedachtenis van den dood gebruikt als een hulpmiddel tegen de groote verhevenheid en tegen de wellusten, die zij hier konden genieten.

Philippus, koning van Macedonië, gaf last aan een' zijner hofjonkers dat hij hem dagelijks des morgens zoude wekken, zeggende: Sire, gedenk dat gij een mensch zijt, en dat gij sterven en alles verlaten moet.

Keizer Adrianus deed zijne uitvaart houden in zijne tegenwoordigheid; en daar naar toe rijdende, werd de doodkist voor hem gedragen , overdekt met de pels, alsof hij daarin dood had gelegen; voor de kist werd het beeld van den dood gedragen met de kroon op het hoofd, den keizerlijken mantel op de schouders, en den schepter in de hand.

Keizer Maximilianus I, deed de vier laatste jaren vóór zijnen dood zijne doodkist overal met zich voeren.

Keizer Karei V had vijf jaren lang zijne doodkist bij zich, en deed die met zich voeren tot zelfs in het leger, doch heimelijk, zoodat een ieder meende, dat het eenige papieren of gewigtige geschriften waren, maar hij hield altijd wel in zijne gedachte wat het was.

70

ocr page 73

OVER OEN DOOD.

Als de keizers van Abyssinië gekroond werden, werd er voor hen gebragt een vat vol aarde, en een doodshoofd, om hen bij het begin huns rijks te waarschuwen, dat het een einde zou nemen.

De H. Ludovicus, Bisschop van Toulouse, en zoon van eenen koning, stichtte zijn jaargetijde 14 jaren vóór zijnen dood, waarbij hij jaarlijks tegenwoordig was. Hij deed ook zijne doodkist stellen nevens zijne rustplaats, tot eene gedurige gedachtenis aan den dood.

De Kardinaal Baronius had geene andere zamenspraken, buiten zijne noodige bezigheden, dan over den dood. Philippus Nerius was nooit zoo blijgeestig, dan wanneer men van den dood sprak. Albertus Magnus ging dagelijks naar zijne begraafplaats, en las daar eens de profundis voor zich zeiven, alsof hij dood geweest ware. Duizend dergelijke voorbeelden zoude men kunnen aanhalen.

O dood! o heilige leermeester 1 wiens school het graf en de plaats der doodsbeenderen is 1 Hoe wijs worden zij, die dikwijls tot uwe school komen! Komt dan naar de graven, groot en klein, rijk en arm, leert van den dood de ijdelheid der wereld, en van het graf het bedrog van haren valschen schijn. Laat er een weinig uwe oogen op spelen, opdat er eene zalige stem moge klinken in uweooren. Beziet de doodsbeenderen, die daar liggen, en zegt in u zeiven: Deze hebben hunne rol gespeeld op den schouwburg van deze wereld voor een weinig tijds. Ziet of gij nu kent, wie hij daar geweest is: burger of edelman,

71

ocr page 74

TERHANDELING

meester of knecht, wie schoon, wie leelijk, wie arm, wie rijk, waar zijn zij nu? wat doen zij ? wat denken zij ? wat wenschen zij ? wat zien zij ? wat gevoelen en wat lijden zij ? O schrikkelijke scheiding tusschen de goeden en kwaden I De een in den Hemel, de ander in de hel.

De wijs-geer Diogenes was dikwijls te vinden bij de graven en doodsbeenderen, om beter op den dood te denken. Alexander de Groote, hem daar eens ziende, vraagde wat hij daar deed. Ik zocht, zeide hij, de heenderen van uwen vader Philippus, koning van Macedonië, en ik kan ze niet onderscheiden van die mijns knechts, daardoor willende doen zien den hoogmoed der grooten.

Vele godvruchtige menschen hebben een doodshoofd in hunne kamers; het was goed, dat gij er ook een hadt, en dat gij het tot u hoordet zeggen: Let wel op mij, bezie mij wel. Hetgeen gij nu zijt, hen ik ook geweest; hetgeen ik nu hen, zult gij haast worden. Wat zoude u deze doove doen hooren! Wat zoude u deze stomme al zeggen! Wat zoude u deze blinde doen zien! Joannes Go-defridus, Bisschop van Wurtsburg, deed in al zijne kamers doodshoofden en doodsbeenderen steken, zoo geschilderd als van hout gemaakt om den dood niet te vergeten.

Hetgeen wij van den H. Jacobus, Eremiet, lezen is wonderbaar. Nadat deze veertig jaren in eene strenge boetvaardigheid geleefd, en vele mirakelen gedaan had, is hij gevallen la eene verfoeijelijke zonde, om welke hij zoo

72

ocr page 75

OVER DEN DOOD. 73

mismoedig was, dat hij ging zwerven in de wildernissen.

Doch door den raad van eenen monnik wederom zijne boetvaardigheid hernemende, vergaderde hij vele doode iigchamen in zijne spelonk, en leefde nog 14 jaren, die dagelijks aanschouwende. O wat eene versterving!

Laat daarom de dood uw raadsman wezen; raadpleeg hem in al uwe voornemens, om niets te doen of te verzuimen, dat gij niet zult willen gedaan of verzuimd hebben in het uur des doods. Paus Innocentius IX had in zijne kamer een tafereel, waarop geschilderd was een doodshoofd, en de afbeelding van eene uitvaart, en hij ging bij alle voorvallen derwaarts, om van den dood eenen zaligen raad te bekomen.

Ach hoe velen zijn er bekeerd geworden en hebben de wereld verlaten door het aanschouwen van graven en doodenl Men leest van eenen prins, wiens graf geopend werd, dat op zijn aangezigt eene padde zat, die zijn vleesch opat, en vele leelijke wormen, waardoor de omstanders zoo verschrikt werden, dat zij wegliepen. De zoon van den overledene, dit hoorende, wilde het ook zien, en is daardoor zoo bewogen geworden, dat hij zijnen hoogen staat verlatende, arm is gaan leven.

Zoo is Franciscus de Borgia ook bekeerd, want, het doode ligchaam van de keizerin Isabella, huisvrouw van Karei V, vergezeld hebbende, naar Grenada, waar het moest begraven worden, deed hij de doodkist openen, 21 3*

J

ocr page 76

VERHANDELING

omdat de inwoners haar verzochten te zien. Doch ia weinige dagen was haar aangezigt zoo veranderd, dat zij allen verschrikte, en de stank was zoo groot, dat zij daar allen van wegliepen. Toen Franciscus daar alleen gebleven was, en haar beschouwde, zeide hij bij zich zeiven; Waar is nu die schoonheid van aangezigt-, waar is die majesteit en zedigheid van haar gelaat, om welke de geheele wereld haar zoo eerde1! En hij is er zoo door bewogen geworden, dat hij de wereld verlaten heeft.

Indien gij eens de onderaardsohe plaatsen, van de kerken en kerkhoven kondt aanschmi-■wen, wat schrikkelijke dingen zoudt gij daar vinden! Wat al monsters van halfverteerde ligchamen, die in de kist dikwijls zwemmen in etter en bloed! Wat gruwelijke wormen, padden, hagedissen en slangen zijn daar bij dien onverdragelijken stank!

Met reden dan zegt de Profeet Job: Tot de rottigheid heb ik gezegd: Gij zijt mijn vader,-en tot de wormen: gij zijt mijne moederen mijne zuster. Dit is het gezelschap, dat ons allen verwacht. O toat is er schromelij her, roept de 11. Bernardus, dan de dood van eenen mensch! Wat is er meer stinkend dan een dood ligchaam! Wat helpen rijkdommen, eer en genoegen'!

Doe mij, o Jesus! deze waarheden toch wel verstaan; laai ze toch eenen diepen indruk maken op mijn hart; laat ze mij krachtig bewegen om alle ijdelheden te verfoeijen, om mij zeiven te versterven, en om gedurig

74

ocr page 77

OVER DEN DOOD.

voor mijne ziel bezorgd te zijn, opdal ik die door goede werken aan u aangenaam make.

IV. HOOFDSTUK.

De dood der zoudaren is schrikkelijk; de dood der regtvaardigen is kostelijk.

De dood van de zondaars, zegt de H. Geest, is de ellendigste. Hij is de afgrond van alle kwaad; hij verandert de tijdelijke ellende in de eeuwige; de kleine pijnen in oneindige groote, weinig smarten in eene menigte zonder getal. Hij is de allerschandelijkste in de oogen van God 1 en de schande zal zoo veel te grooter zijn, als de zondaar meer heeft uitgestoken in hoovaardigheid. Achl hoe zal de zondaar verslagen staan, als de dood aankomt; hoe zal hij zijne verblindheid beweenen en wanhopig zeggen: Helaas, mijne dagen zijn verdwenen! wat al tijd heb ik versleten met beuzelarijen in mijne kindsheid, hoeveel met spelen in mijne jeugd; hoeveel meer in mijne volgende jaren met allerlei zaken behalve met die van mijne zaligheid; en nu zijn, helaas, de dagen van genade voorbij! de dagen van* zaligheid zijn nu verloren! O verblindheid d£Kï zinnen! o bedrog der aardsche genoegeriBy O verschalking van den boozen vijand, «uTq óns ellendigen, zoo bedriegt! O dood, hoe'vreeselijk zijn uwe aanvallen voor hen, die op u niet wel hebben gedacht, en hunne hoop hebben gestelde op het aardsche goed! .X,

Integendeel, de dood dhr Ileilig£n,-.ze$t de Profeet, is kostbaar inamp;'dogen van CtQtf. Wat eene gerustheid gevoelen de regtvaardigen op

..4

ocr page 78

VERHANDELING

hun doodsbed, omdat zij Gód gediend hebben, boven al bemind, en hem voor oogen gehad in al hun doen; omdat zij Christus gevolgd hebben met veel en lang te bidden; omdat zij zijn lijden en zijne liefde dikwijls overwogen, en hem daarvoor bedankt hebben; omdat hun leven geweest is eene gestadige boetvaardigheid en verloochening van zich zei ven. O, met wat blijdschap zullen zij gedenken, dat zij de wereld veracht hebben! dat zij ootmoedig, lieftallig en gedienstig geweest zijn voor iedereen; dat zij hunnen tijd wel hebben besteed, dat zij hunne goederen of hetgeen zij konden geven, door de handen der armen hebben doen dragen naar de andere wereld, alwaar zij die zullen vinden. De sterfdag is voor hen een hooge feestdag, op welken zij aan God opdragen de laatste offerande van zich zeiven, met blijdschap zingende; lieer, gij hebt mijne handen verbroken, en ik zal u opdragen eene o/ferande van Ijf. Psalm. 113.

Hoe kostelijk is die dood! Hij moest beschouwd worden als het einde van onzen arbeid en het begin van onze rust; als de verlossing u t onzen kerker en uit alle kwaad, als de wederkeei ing uit onze ballingschap naar het vaderland, als het einde van de reis en het aankomen in de haven, als het einde van den strijd en de bekoming van het loon. Dus mogen zij met den Apostel zeggen: Het sterven is mijn gewin.

Ook voor de regtvaardigen is de dood de straf der zonde; doch sedert Christus den dood door zijn sterven geheiligd heeft, is hij be-

76

ocr page 79

OVER DEN DOOD.

minnelijk geworden voor de geloovigen, en als zij dien wel gebruiken, is hij voor hen eer een zegen dan eene straf.

Even als de landman zich verheugt, als hij na al den arbeid van den winter en van het voorjaar, in den oogst de vruchten van zijnen arbeid raag inzamelen: zoo verblijdt zich ook de regtvaardige, als hij het loon gaat ontvangen van zijne boetvaardigheid en goede werken. Hoe zal hij al zijn vasten en zijne verstervingen zegenen, en zich verheugen over de matigheid, die hij in zijn leven beoefend heeft!

Hoe blijde is de reiziger, als hij na eene langdurige reis en vele gevaren in zijn vaderland komt, en het gezelschap van zij ne ouders en vrienden mag genieten! Denk dan niet dat gij bij uw sterven al uwe vrienden verlaat; maar dat gij naar uwe beste vrienden gaat, naar bet gezelschap der Engelen en zalige zielen. Een groot getal vrienden verwacht ons daar, zegt de H. Cyprianus, een groote schaar van ouders, broeders, kinderen, verlangt daar naar ons. Zij zijn wel verzekerd van hunne onsterfelijkheid; maar nog bezorgd voor onze zaligheid. Ach, welk eene algomeene blijdschap is het voor hen, dat wij tot hun gezelschap en tot hunne omhelzing komen.' O allerliefste broeders, laat ons tot hen snellen, en wcnschen om spoedig bij hen te zijn.

Eenige voorbeelden van hen, die den dood met blijdschap te gemoet gezien en ondergaan hebben.

De zwanen zingen in haar sterven, zeggen

77

ocr page 80

VERHANDELING

de fabeldichters, en de zeemeerminnen weenen. De zwaan is door hare -witheid, eene afbeelding van de zuiverheid, onschuld en heiligheid der regtvaardigen. De zeemeermin daarentegen een afbeeldsel van de onzuiverheid en ijdelheid der boozen. Laat ons nu eenige geestelijke zwanen hooren zingen in haren dood.

De Apostelen en vele Martelaars gingen blijde naar den dood. De H. Andreas, zijn kruis van verre ziende, riep: O kruis, zoo lang geivenscht, zorgvuldig bemind, zonder ophouden gezocht, en ten laatste voor mijn begeerig gemoed bereid, ontvang mij, en geef mij over aan mijnen meester-, opdat hij mij door u ontvange, die mij door u verlost heeft.

Toen de H. Franciscus vernam dat hij zou sterven, zeide hij met blijdschap: Wees welkom, mijn broeder, de dood. Hij zong, en verzocht de omstanders, dat zij met hem zouden mede zingen; en als broeder Eüas zeide, dat men dien tijd moest doorbrengen in boetvaardigheid en leedwezen, antwoordde Franciscus: Broeder, laat mij toch verblijd zijn in den Heer; want ik ben door de beweging van den II- Geest zoo vereenigd met God, dat ik niet kan nalaten mij te verblijden in den Allerhoogste. Hij zong dan: Wees geloofd, mijn Heer om onzen broeder, den dood, luien niemand van al die leven, kan ontgaan. Verder las hij den 141 Psalm, en gekomen zijnde aan deze woorden, de regtvaardigen verwachten mij, tot dat gij mij zult vergelden, gaf hij zijnen geest.

De H. Bernardus zeide met groote vreugd:

78

ocr page 81

OVER DEN DOOD.

Mijn Jesus, ik wansch naar u duizendmaal: wanneer zult gij komen, wanneer mij verblijden, wanneer mij verzadigen door u ? Als Ge-rardus, de broeder van den heiligen Bernar-dus, stierf, lag hij in vreugde verslonden met de oogen opgeheven naar den hemel, en zeide: Vader Vader! en zich tot Bernardus keerende, die hem bijstond, zeide hij: U welk een goedheid van God, dat hij zich gewaardigt de Vader te zijn van de menschenl En wat eene glorie voor de menschen, kinderen te zijn van God. Verder zeide hij wederom: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest, en hij stierf. Waarop Bernardus uitriep: 0 dood, waar is uw dood? waar is uwe schromelijkheid 9 Ziehier een mensch, die al stervende zingt, en zingende sterft.

Rodriguez verhaalt van zeker edelman, dat hij, in een bosch jagende, een zoet gezang hoorde, en digter naderende, eenen melaatsche vond, wiens vleesch geheel verrot met stukken van zijn ligchaam viel. De edelman was verbaasd, en vroeg waarom hij zoo zong. De melaatsche antwoordde: Tusschen mij en God is er niets dan deze aarden muur, dat is mijn ligchaam, maar als die invalt, hoop ik in het andere leven altijd God te zien. Heb ik dan geene reden om blijde te zijn, nu ik zie, dat die muur aan het vallen is ?

Als de H. Bavo stierf, lag hij met de oogen en handen opgeheven naar den hemel, en als hij de Engelen te zamen met Christus hem te gemoet zag komen, zeide hij tot de omstanders: Vaartwel, dienaren Gods, Christus is hier.

79

ocr page 82

VERHANDELING gt;

Oa uit mijne ziel, ga hem te gemoet, en aldus gaf hïj zijnen geest.

De H. Hieronymus spreekt aldus tot de uitmuntende Maagd Eustachia: Vertrek uit de gevangenis uws ligchaams, en stel u het loon voor, dat n na den arbeid toekomt. Hoe gelukkig zal toch de dag zijn, dat de allerheiligste Maagd, omringd van maagden, u zal te gemoet komen, om u te ontvangen, en dat uw Bruidegom zal komen en zeggen: Kom, mijne uitverkorene, mijne bruid, de winter is nu voorbij! Met welk cene blijdschap zal de zalige ziel den dood zegenen, waardoor zij deelachtig wordt aan zulk eene groote glorie!

Eusebius verhaalt, dat de H. Hieronymus, bij zijn sterven met een blij gelaat tot zijne kinderen zeide; Dat alle geween ophoude, en de droefheid wijke; laat uioe stemmen zijn als die verheugde menschen, want ziet hier nu den aangenamen tijd, ziet hier den blijdsten dag van al de dagen mijns levens, op welken de Heer mijne ziel gaat roepen in het hemelsche vaderland.

De H. Petrus van Alcantara riep bij zijnen dood, op zijne knieën verheugd deze woorden van den 121 Psalm uit: Ik ben verheugd in hetgeen mij gezegd is; In het huis des Heeren zullen wij gaan.

De II. Catharina van Senen zeide met blijdschap tot de omstanders: Wenscht mij geluk, en weest verheugd met mij, want ik verlaat de plaats mijner pijnen, en ga naar de rust in die stille hoven vol van genoegen.

80

ocr page 83

• OVER DEN DOOD.

De H. Nicolaus Tolentinus riep zeer dikwijls: Ik wensch ontbonden te worden en met Christus te zijn. En als de dood nu naderde, toonde hij groote blijdschap. Be Broeders vraagden, waarom hij blijde was, en hij gaf ten antwoord: De Eeer Jesus Christus, leunende op de H. Maagd en op onzen U. Vader Augustinus, zegt tot mij: Welaan, o goede en getrouwe knecht, ga in de blijdschap van uwen Heer: en hij gaf aldus zijnen geest.

Be H. Antonius was op zijn doodsbed zoo verblijd, dat hij uitriep: God te dienen is koning zijn. Hoe waar is het dan niet, wat Bavid van den regtvaardige zegt: Gij hebt hem, o Heer! voorgekomen met de zegening uwer zoetheid-, gij hebt eene kroon van kostelijke gesteenten op zijn hoofd gesteld. Ps. 20.

De H. Catharina van Genua sprak den dood aan, alsof hij een levend schepsel ware geweest, terwijl zij hem haren vriend noemde en hem verweet dat hij wel wreed was, met haar zoo lang te laten kwijnen.

Duizend anderen bedroefd dat zij zoo lang van God gescheiden bleven, zeiden met den H. Joannes; Kom, Heer Jesus! kom; of zij riepen met Bavid: Wee wij, dat mijne ballingschap zoo lang duurt.'

»Be Christenen, zegt Tertullianus, spre-■»kende van zijnen tijd, zijn een zeker slag ))van menschen die altijd bereid zijn, om te «sterven, en den dood aanzien als het einde quot;'van hunr.e slavernij en het begin van hun »geluk. Hoe meer zij den dood nabij zyn,

81

ocr page 84

VERHANDELING •

»des te beter zijn zij te moede. Hetgeen an-»deren bedroeft, vertroost hen; en wel we-stende, dat zij door hun doopsel der wereld «niet meer toebehooren, verheugen zij zich, ))dat de dood hen voor altijd er van verlost. ))Hun dunkt, dat zij geen opregt geloof zou-»den hebben, indien zij dén minsten schroom «hadden voor de grootste ziekten, de meeste «gevaren en de wreedste pijnen. Is er iets »te lijden voor God, men ziet de blijdschap »op hun aangezigt. Zij verachten de dwinge-»landen, zij moedigen hunue beulen aan, zij swerpen zich met ijver in de vlammen, den-ïkende dat al hetgeen hun leven verlengt, »hun geluk vertraagt. Laat ons gaan sterven, «zeggen zij, wij zijn Christenen, wij dragen «roem daarop, en de glorie van eenen Chris-«ten is, kloekmoedig te sterven voor zijnen gt;Meester.quot;

Gij verwondert u, o zinnelijke mensch, dat de opregte Christenen, die vol zijn van deze waarheden, met meerdere vurigheid naar den dood verlangen, dan gij naar het leven. Wees beschaamd, en tracht hen na te volgen.

Beweegredenen om gaarne te sterven.

Ten i. De ellenden van dit leven zijn zoo menigvuldig, dat het leven veeleer een gedurige dood, dan een waarachtig leven moet genoemd worden; want het is gestadig vervuld met gevaren, bekommernissen, kwellingen en angst. Naauwelijks is de eene voorbij of de andere volgt op de hielen. Daarom is de H, Ambrosius verwonderd, dat sommigen zoo

82

ocr page 85

over dfn dood.

ongaarne sterven. Wat is dit leven anders, vraagt hij, dan eene gedurige strijd met de onkuischheid, met de gulzigheid, enz. Van dit alles verlost ons de dood.

Ten 2. Zoo lang wij hier leven, zijn wij nog in gevaar van God doodelijk te vergrammen, en, uit hoofde van de menschelijke krankheid, ia eene volle zekerheid, van nog vele dagelijksche zonden te bedrijven. Indien wij dit beter kenden zouden wij den dood niet zoo zeer vreezen. Indien gij waarlijk God bemint, zal niets u bedroeven, als die opperste Majesteit nog te vergrammen, ook slechts met eene zeer kleine zonde, en gij zult wenschen naar een middel, om hem niet meer te vergrammen. Doch de dood neemt geheel en dadelijk de zonden, en al'e gevaar van nog te zondigen weg. Diensvolgens den dood gaarne te ondergaan om God niet meer te kunnen vergrammen, is eene groote zaak, een teeken van groote liefde, en een werk, dat aan God ten hoogste behaagt.

Ten 3. De dood is de eenige weg om tot de aanschouwing van God te komen, en dit is dus de grootste reden, waarom wij naar den dood moesten verlangen. O welk eene edele zaak, naar den dood te wenschen, of dien gelukkig te lijden, om ons geheel met God te kunnen vereenigen!

Ten 4. De Zoon Gods is mensch geworden, om te kunnen sterven. Hij heeft altijd naar den dood verlangd, en is er naar toe gegaan met eene vurige begeerte, omdat hij daardoor zijne overgroote liefde tot ons ging toonen,

83

ocr page 86

84 VERHANDELING

J

den wil van zijnen heraelschen'' Vader volbrengen, en zich zeiven opofferen om de oneer te herstellen, die aan God door de zonde was aangedaan. Doch den dood gaarne te lijden, om Christus hierin na te volgen en aan hem gelijk te worden, is een alleredelst werk. En wat is er zoo redelijk en regtvaardig, als dat gij uw leven geven zoudt voor hem, die het zijne voor u gegeven heeft? Of wat is er verdienstelijker bij God, dan hem te schenken wat wij allermee t beminnen.

Ten 5. Het schoonste werk, dat de Heiligen ooit gedaan hebben, is hun dood geweest: want zij hebben God het meest behaagd, als zij uit liefde tot hem den dood omhelsd hebben. De reden hiervan is, dat de dood niev, alleen het kwaad van de zonde straft, en aan God zijne eer wedergeeft, maar dat hij allermeest strijdt tegen de natuur; doch volgens de regels van het geestelijk leven, hoe meer de goede werken strijden tegen de natuur, hoetvaar-dvjer en verdienstelijker zij zijn. Daarom zegt men dat de gelatenheid in den wil van God, en de verduldigheid in het lijden gewoonlijk waardiger en verdienstelijker zijn, dan vele en lange gebeden, die men naar zijne genegenheid in de kerk zoude doen. Doch waar vindt de natuur meer tegenstrijd dan in den dood? Diensvolgens den dood gewillig en verduldig te ondergaan, omdat het God zoo belieft, is een heilig werk van groote verdiensten.

Ten 6. Christus leert ons dat wij ons zeiven moeten verloochenen, ons kruis dragen.

ocr page 87

OVER DEN DOOT).

ons zeiven haten, bestrijden, geweld aandoen, enz En waar geschiedt dit meer dan in den dood ? Indien dan al wie zich zeiven haat, zoo aangenaam is aan God, hoe aangenaam moet hij hem niet wezen, die dit alles volbrengt op eene verhevene wijze in den dood? Indien niettemin de vrees u benaauwt, geef u zeiven moed, zeggende met den H. Ambrosius: Ik vrees niet te sterven, omdat ik te doen heb met een' zoo goeden meester. Ach, of wij wat beter de voordeelen kenden, die in den dood verborgen zijn, en hem aanzagen, als het geschiktste middel, om God voor de zonde te voldoen, hoe zou ons dit alles bewegen, om gaarne te sterven, en ons zeiven geheel over te geven aan den liefderijken wil van God, met een kinderlijk vertrouwen op zijne gren-zelooze barn., hartigheid en op de oneindige verdiensten van Christus, die van eeuwigheid het uur, de wijze, en al de omstandigheden van onzen dood vastgesteld heeft.

Ik ben hier, o God.' in het midden van vele gevaren, en al mijn geluk bestaat in bij u te mogen zijn. Ik wil dan geen behagen meer nemen in dit ellendig leven, maar gedurig wenschen, om daarvan ontslagen te zijn, zend mij dan den dood over, als het u belieft, ik zal hem omhelzen als den ingang tot het waarachtig leven.

V. HOOFDSTUK.

De vrees des doods is niet altijd een teeken van

een kwaad geweten.

Het gebeurt dikwijls dat iemand den dood

85

ocr page 88

VERHANDEUNQ

vreest zonder reden, of dien meer vreest dan het behoort. Toch is die vrees geen zeker teeken van zonde, of van eene kleine liefde, want al vondt gij u nergens pligtig in, gij zoudt nogtans met Paulus moeten zeggen: Daarom hen ik nog niet geregtvaardigd. Wij kunnen missen in onze oordeelen; want de ware ootmoedigheid vereischt, dat wij een nederig gevoelen hebben van ons zeiven en van onze goede werken.

De vrees van den dood kan voortkomen uit verscheidene oorzaken. Ten 1. uit een kwaad geweten, en dus vreest een Christen met reden, die kwalijk geleefd heeft. Ten 2. uit eene vreesachtige inborst of kleinmoedigheid, hetgeen de ziel doet neigen lot vrees. Ten 3. uit eenig misverstand, die dikwijls plaats heeft in goede zielen, die schuld belijden waar er geen is, of meer schuld dan er is. Ten 4. uit een ootmoedig en klein gevoelen van zich zeiven en van zijne goede werken. Derhalve is het geen zeker teeken van schuld, als iemand den dood vreest, noch een teeken, dat hij geene ware, of groote liefde tot God bezit. De H. Arsenius is buiten twijfel gestorven in eene groote en volmaakte liefde, en nogtans begon hij bij zijn sterven te weenen. De broeders vraagden: Vader, waarom weent gijquot;? vreest gij ook nog ? Hij antwoordde: In waarheid, ik vrees, en deze vrees, is altijd in mij geweest, sedert ik monnik geworden hen.

De H. Hilarion had ook eene groote volmaakte liefde, schoon hij in zijn sterven zeide;

86

ocr page 89

OVER DEN DOOD.

Wat vreest gij? Ga uit, mijne ziel. Wat twijfelt gij? Gij hebt nu 70 jaren Christus gediend, en vreest gij den doodc! Zouden deze Heiligen en meer anderen met hen, die zoo vol liefde waren, (dewijl de volmaakte liefde gewoonlijk de vrees buiten sluit), niet zonder vrees hebben kunnen zijn, of zou hunne liefde daarom minder moeten zijn, omdat God toeliet dat zij vreerden?

Het is nogtans zeker, dat de liefde zeer veel helpt tot vermindering en uitsluiting van de vree*: en dat, hoe volmaakter de liefde is, de vrees ook zoo veel minder is, en hoe minder de liefde is, de vrees ook zoo veel te grooter is; want de H. kuguslinus zegt: Hoe meer de liefde groeit, hoe meer de-vrees vermindert; meerdere liefde, mindere vrees; mindere liefde, meerdere vrees. Te weten, gewoonlijk; maar het geschiedt somtijds anders door de toelating van God, gelijk wij zien in de voornoemde Heiligen; gelijk men van den anderen kant zoo dikwijls groote zondaars ziet, die zonder vrees in eene valsche gerustheid sterven.

»Die tweederlei soort van liefde, zest Au-»gustinus, dat is: van regtvaardigen, die nog iHmvolrnaakt zijn, en van regtvaardigen, die «volmaakt zijn in de liefde, brengt tweederlei »soort van stervende menschen voort, want »er zijn er, zegt die Heilige, die met verduldigsheid sterven, en er zijn er die met verduldigsheid leven. Die stervende nog wenschen te «leven,. als de tijd van sterven gekomen is; ernaar zich niettemin geheel overgeven aan

87

ocr page 90

VERHANDELING

«God, en wel willen sterven als het hem »zoo belieft, die lijden den dood verduldig; «doch die, gelijk Paulus, wenscht ontbonden »te zijn, en met Christus te wezen die sterft sniet verduldig, maar hij leeft verduldig, en «sterft verheugd. Zie den Apostel verdul-»dig leven, dat is, hier dit leven niet bemin-»nen, maar het leven met geduld verdragen. »Ontbonden te zijn, zegt hij, en met Chris-»tMs te wezen, is mij verre het beste; maar Din het vleesch te blijven, is noodig om u.quot;

Hoe weinigen worden er gevonden, die den Apostel hierin navolgen!

Uit hetgeen boven gezegd is, kan men zien, dat de vrees van den dood, en vervolgens de begeerte om nog langer te leven, om verscheidene redenen kunnen bestaan zonder God te mishagen, en zonder de liefde te verminderen. Dus moet een stervende mensch niet kleinmoedig zijn, omdat hij vrees voor den dood gevoelt. Ja, het is somtijds loffelijk, dat iemand den dood vreest, bij voorbeeld, als die vrees voortkomt uit het klein gevoelen van zich zeiven en van zijne goede werken, als hij wenscht nog langer te leven, om zijnen roep en verkiezing te verzekeren. Zij dan, die zich niet bezwaard vinden met eenige doodzonde, moeten niet kleinmoedig zijn, omdat zij den dood vreezen, om de tegenwoordige onzekerheid: want de vrees is geen teeken, dat zij beroofd zijn van de liefde, ja, zelfs niet van de volmaakte liefde.

Doch, laat ons om door geen angst, geene kleinmoedigheid en andere bekoringen in

88

ocr page 91

OVER DEN DOOD.

onzen dood ontroerd te worden, de volgende middelen gebruiken. Ten 1. Laat ons vele deugden oefenen en trachten door goede werken onze zaligheid te verzekeren. 2. Laat ons gestadig bidden, dat God ons barmhartig gelieve te zijn, nu in ons leven en in onzen dood. 3. Laat ons de Heiligen aanroepen, en voornamelijk de H. Maagd Maria, opdat zij voor ons bidden in het uur van onzen dood. 4. Laat ons vele werken van liefde oefenen, opdat God ons ook barmhartig zij.

5. Laat ons de zieken helpen door gebeden en aalmoezen, als ook met hen te bezoeken en te troosten zoo veel het onze staat gedoogt.

6. Laat ons nu in tijds aan Gods regtvaardig-heid trachten te voldoen, om het niet te moeten doen op het laatste door angst en vrees. Indien nogtans de goddelijke Voorzienigheid ons in ons uiterste gelieft te beproeven en te zuiveren door angst en vrees, moeten wij die lijden als eene boetpleging met eene geheele over-geving van ons zeiven in zijnen H. wil, waardoor wij misschien meer zullen verdienen, dan wij ooit door eenig ander goed werk in geheel ons leven gedaan hebben. En bijaldien wij dit naarstig volbrengen, ,dan zullen wij in het uiterste met den H. Martinus kloekmoedig tegen den boozen geest mogen zeggen; Wat staat gij daar, o wreed beest/ gij zult niets in mij van het uwe vinden', de schoot van Abraham zal mij blijde ontvangen- dan zullen wij ons met vertrouwen in de armen van den gekruisigden Zaligmaker mogen werpen, zeggende met David; Op u, o Keer! heb ik

89

ocr page 92

VERHANDELING

mijn vertrouwen gesteld, laat mij nimmer beschaamd worden; of; ik zal in vrede slapen en rusten, omdat gij alleen, o Heer! mijn vertrouwen verzekerd hebt.

Zouden wij niet vreezen, goedertierenste Jesus! als zoo vele Heiligen groote vrees hebben gehad, daar wij niet weten of wij haat of liefde waardig zijn; daar uwe oor-deelen zoo streng zijn en zoo verschillen van de onzen. Ja, Hoer! wij vreezen, en geef, dat wij van nu af mogen vreezen, dat wij u nooit meer vergrammen, maar boetvaardigheid doen over ome voorgaande zonden, opdat wij eindelijk vol vertrouwen voor u mogen verschijnen.

BEMERKING

Op het voorgaantle.

De dood is eene straf voor de zonde; hij is vastgesteld voor alle menschen; maar wij weten noch dag, noch uur. Daarom ziet toe, zegt Christus, waakt en bidt: want gij weet niet wanneer de dood komen zal. Hij kan ons alle oogenblikken verrassen, hij zal komen als een dief in den nacht: daarom moeten wy altijd trachten wel te leven en in zooda-nigen staat te zijn gelijk wij zullen wenschen te sterven.

Gedenk, zegt de H. Geest, dat de dood niet vertoeft: hij nadert gedurig; wij sterven alle oogenblikken; doch wij sterven maar eens voor goed. Na den dood volgt het oordeel, en na bet oordeel eene gelukkige of ongelukkige

90

ocr page 93

OVER DEN DOOD.

eeuwigheid. AU de hoorn valt, zegt de H. Schrift, hetzij naar het zuiden, hetzij naar het noorden, daar hij valt, daar zal hij blijven.

Men sterft gewoonlijk gelijk men geleefd heeft; zulk een leven, zulk een einde. Wij mogen dan onze bekeering niet tot het laatste uitstellen: God verleent niemand tijd om te zondigen; ook is eene late bekeering zelden eene gcede bekeering. Men moet op de biecht, die op het laatste van ons leven geschiedt, niet te zeer vertrouwen. De biecht van eenen zieke, die zijne bekeering altijd uitgesteld heeft, zegt de H. Augustinus, is gewoonlijk zitk, en die van eenen stervende, sterft doorgaans met hem.

De dood van den zondaar is de allerergste: de dood der regtvaardigen is kostelijk in de oogen van God: Wij moeten dan alles doen wat mogelijk is om eenen kwaden dood te ontgaan, en eenen goeden te bekomen. Om die reden moeten wij de zonde vlugten als het allergrootste kwaad, dat ons kan overkomen.

Wij moeten vele deugden oefenen, en nu naarstig doen al wat wij doen kunnen. Want er zal, zegt de H. Geest, noch werk, noch vernuft, noch wijsheid, noch wetenschap in het graf meer wezen, daar wij naar toe gaan.

Daar zal geen tijd meer zijn. Millioenen menschen sluimeren en slapen met de dwaze maagden, en sterven onvoorziens in eenen kwaden staat. Wat aan zoo velen geschiedt,

91

ocr page 94

92 VERHANDELING OVER DEN DOOD.

kan ons ook overkomen. Ieder mensch, die sterft, vermaant ons om op den dood te denken; Wees mijn oordeel gedachtig: zoo zal ook het uwe zijn. Mij gisteren en u heden.

Hoe groot en gewigtig zijn deze waarheden, en evenwel wie overweegt ze met aandacht? Wie zegt met den Apostel: Ik sterf dagelijks •? quot;Wie houdt zich gereed? Wie tracht zijne ziel te bevrijden van de ongelukkige eeuwigheid? Helaas, zeer weinigen. Meest alle men-schen sterven zonder er aan te denken. Gelijk de visschen met den angel gevangen worden, zegt de H. Geest, en de vogelen met den strik, alzoo worden de menschen gevangen in den kwaden tijd, die hen •plotseling overvalt.

En dit is een ongeluk, welks grootheid niet uitgesproken en met eene zee van tranen niet genoeg beweend kan worden. Al wie dan niet geheel beroofd van verstand is, moet hier met aandacht op letien, die waarheden diep in zijn hart drukken, en wel leven, om wel te sterven.

Doe ons toch, o Jesus! den dood gedurig in onze gedachten hebben, en daardoor sterven aan alle kwade genegenheden. Doe ons sterven aan al wat u mishaagt; opdat wij gestorven zijnde aan alles, alleen maar leven voor u.

ocr page 95

YAMIET BIJZONDER OOBDEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

Wij moeten allen ten oordeel komen.

Wij moeten allen verschijnen voor den regterstoel van Christus, zegt de Apostel, opdat een ieder ontvange volgens hetgeen hij in Z'jn leven gedaan heeft, hetzij goed of kwaad. De dag en het uur daarvan is vastgesteld. O dag en uur! die wij behoorden voor oogen te hebben al de dagen en uren van ons leven! Want de Apostel zegt: Het is schromelijk te vallen in de handen van den levenden God. Zoodra de ziel gescheiden zal zijn uit het ligchaam, zal zij verschijnen voor den regter, om die pleitzaak te hooren bewijzen, in welke alle stukken van geheel haar leven zeer naauwkeurig zullen doorzien, en eindelijk een onherroepelijk vonnis zal uilgesproken worden van eene gelukkige of ongelukkige eeuwigheid. Wie schroomt niet, als hij dit overdenkt? en nogtans vele zondaars zijn geheel gerust. Zij lagchen, zij spelen, bedrijven vele zonden zonder eenige vrees, terwijl zij zoo veel reden hebben van te beven. Uw oordeel is niet ver van u gij zult misschien dit jaar, deze maand, deze week sterven, en door de geregtsdienaars van het opperst geregt voor die schromelijke vierschaar geleid worden.

ocr page 96

v erhandeung

O onbegrijpelijke dwaasheid van de men-schen zoo weinig op deze zoo groote dingen te denken!

ütve genade alleen, o Heer! kan deze dwaasheid en uitzinnigheid genezen. Zij moet ons wakker en wakende maken, om dikwijls te denken op dit vervaarlijk oordeel; verleen ons dit toch, o God! door uwe oneindige goedheid.

II. HOOFDSTUK.

Dc Heiligen hebben gedurig het oordeel voor oogen gehad en ook gevreesd.

Christus en zijne H. Apostelen spraken zeer dikwijls van het oordeel, zoo van het bijzondere als van het algemeene. De H. Kerk stelt ons het Evangelie van het oordeel dikwijls voor oogen. En de H. Vaders, zoo wel als de eerste Christenen, waren er ten allen tijde zeer voor bevreesd. Hun leven was zeer streng, en nogtans vreesden zij met David: Heer! treed niet in het oordeel met uwen dienaar; want niemand, die leeft, zal ge-regtvaardigd worden voor uw aanschijn. Schoon Paulus al zeide: Ik vind mij nergens in pligtig: hij voegt er niettemin bij: maar daarom ben ik nog niet geregtvaardigd. De H. Joannes zegt: Is het dat wij zeggen, dat wij geene zonden hebben, wij bedriegen ons zeiven en de waarheid is in ons niet. De gedachte aan Gods oordeel heeft de grootste Heiligen ten allen tyde doen beven. De zuiverheid van geweten gaf hun geene zekerheid

94

ocr page 97

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 95

genoeg om niet te vreezen, omdat zij den afgrond van Gods vervaarlijke oordeelen kenden. Dit deed den H. Gregorius van Nazianze zeggen, dat de vrees van het toekomende oordeel hem bijna niet toeliet adem te halen. De H. Ephraïm zegt: dat hij niet konde denken op het laatste oordeel zonder te heven in al zijne leden en schier te bezwijken.

IDe H. Hieronymus, zoo uitgemergeld door vasten en gestrengheden, zeide:De H. Hieronymus, zoo uitgemergeld door vasten en gestrengheden, zeide: Geheel mijn ligchaam beeft als ik denk op dien dag. Het zij dat hij bezig was met eten of drinken, of met iets anders te doen, hij dacht - altqd, dat hij de trompet en de stem Gods hoorde roepen: Staat op, gij, dooden, en komt ten oordeel!

Aldus spraken vele andere Heiligen; doch de H. Bernardus begrijpt alles in deze korte woorden: Ik vrees het aanschijn van dien Reg ter, zegt hij, dat de Engelen zelfs kan doen beven; ik vrees de gramschap van dien mag tig en God; ik vrees de teekenen van zijnen toorn; ik vrees het branden der elementen, dat schrikkelijke tempeest, de stem van den Aartsengel.... Wie zal eene bron van tranen aan mijne oogen geven. om dat eeuwig geschrei en dat schrikkelijk geknars der tanden te voorkomen? Wees niet verwonderd, dat de heiligen het oordeel zoo vreesden, maar wees veel meer verwonderd, dat er zoo vele menschen zyn, die op het oordeel niet denken, en dit zoo weinig vreezen.

De H. Joannes Climax verhaalt van zeke-

ocr page 98

VERHANDELING

ren Kluizenaar, die in zijnen staat onachtzaam geleefd had, dat hij, zeer ziek geworden, wel een uur lang als dood had gelegen. Daarna tot zich zeiven komende, bad hij ons, zegt hij, dat wij al te gader uit zijne cel zouden gaan. Als wij er uit waren, heeft hij zijne cel toegemaakt, en is daar gebleven 12 jaren lang, niemand sprekende en niets anders nuttigende dan water en brood, dat hij ontving door een venster, en onder het storten van vele tranen, was hij gedurig bezig met te overwegen, wat God hem getoond had wegens het oordeel. Als hij nu ging sterven, zegt de H. Climax verder, hebben wij de deur open gebroken, en hem verzocht dat hij ons iets goeds zoude zeggen. Doch wij hoorden van hem niets anders dan dit: Broeders! vergeeft het mij, niemand kan zondigen, die denkt op den dood. O verblinde zondaar, die de gedachten van den dood en het oordeel uit uw hoofd stelt, zoo vermetel gerust durft zijn!

Nu voortaan, o Jesus! tuil ik met uwe goddelijke hulp, op het oordeel denken, opdat ik hierdoor aandachtig op al mijne gedachten, woorden en werken moge letten, en wel toezien dat ik u nooit meer ver gramme. Versterk mij, minnelijke Zaligmaker, opdat ik hierin altijd volharden moge.

96

ocr page 99

OVER HET BIJZONDER OORDEEL.

III. HOOFDSTUK.

Het oordeel is schriktelijk, omdat de ziel daar al hare onbekende zonden ziet.

Zoodra de ziel verschijnen zal voor haren regler, zal zij kl.iar zien al hare werken, goede en kwade, en alle zonden van geheel haar leven, groote en kleine, en zeker een groot getal van zonden, die haar in dit leven onbekend waren, en die zij aanzag voor onverschillige dingen, dat is: noch goed, noch kwaad; ja, die haar menigmaal goed schenen. Zij zal ook zien, dat vele zonden groot waren, die zij voor klein of voor geene zonden aanzag door hare onwetendheid en verblindheid, die in zoo vele menschen te vinden is, omdat zij het woord Gods verzuimen te aanhooren en te verstaan. Zij zal er vele zonden zien, die zij geheel vergeten had, met de bezwarende omstandigheden, die als slapende waren in haar geweten gedurende dit leven, en die, in het oordeel als wakker ■wordende, haar schrikkelijk zullen pijnigen.

En wie zal de menigte van die zonden begrijpen? Al de zonden, die de zondaar wel kende, als hij die bedreef, maar die hij daarna vergeten heeft; al die hij niet kende, als hij ze bedreef, maar die eene pligtige onwetendheid niet zal verschoonen; al die ijdele gedachten en kwade bewegingen, die hij vrijwillig gehad heeft; al zijne kwade werken; al de achterlatingen van zijne pligten, al de ergernissen, die hij gegeven heeft; met al hetgeen daaruit gevolgd is, enz. Vele menschen zullen daar zien, dat zij bijna hun geheel 21 4

97

ocr page 100

VERHANDELING

leven lang niet anders gedaan hebben, dan zich beladen met zonden, en eenen schat vergaderd van vervaarlijke straffen-

Ofschoon alle zondaars dit schrikkelijk gezigt moeten vreezen. het meeste echter zij, die in overheid gesteld zijn en in eenen verhevenen staat, want deze zullen niet alleen hunne zonden zien, maar ook de droevige uitwerksels en gevolgen daarvan. Vele zonden hebben eenen vervaarlijken nasleep van vele andere zonden, die daaruit volgen; bij voorbeeld, zich in te dringen zonder roep in de geestelijke en andere ambten en bedieningen, daartoe te komen door kwade wegen; de onachtzaamheid van ouders en herders jegens hunne kinderen en onderdanen, de kwade voorbeelden die zij geven, enz. Hoe vele ontelbare zonden zullen er zich in het oordeel niet vertonnen, die het gevolg en de nasleep zijn van die eerste zon-denl Van dusdanig gevolg zijn ook de zonden van ergenis, het maken van oneerbare schilderijen en beelden, ontstichtende boeken en liedjes, van verkeeringen, daitelheden, enz.

Wij zijn allen gerust, o Jesus! in onzen staat, welks pligten zoo groot zijn, en die wij maar uit traagheid of onwetendheid niet volbrengen. Maar hoe verschrikt zullen wij staan, als al deze zonden ons voor oogen zullen gesteld worden 9 Wij hidden u ootmoedig, geef dat wij door zuchten en weene/t ens in tijds met u mogen verzoenen.

98

ocr page 101

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 99

IV. HOOFDSTUK.

Dc ziel zal ook de grootheid der zonden zien.

Ware het dat het gezigt van eenen mensch zoodanig veranderde, dat de wormpjes en vliegjes hem toeschijnen als olifanten, de stofjes als bergen, de menschen als reuzen en zoo voorts, en dat dit gezigt alzoo in hem bleef duren, hij zou zekerlijk zeer verbaasd zijn dat die dingen hem te voren zoo klein waren voorgekomen: dit gebeurt met de oogen van de ziel in het oordeel. Niet alleen zal het licht van God aan de ziel al hare zonden toonen, maar haar die doen zien in zoo eene gruwelijke grootheid, dat dit al onze gedachten te boven gaat. Wij hebben in dit leven eene kleine kennis van de zon len, omdat wij eene kleine kennis van God hebben; maar wij zullen in het andere leven eene groote kennis van God hebben, en zien hoe zeer hij de zonde haat, en hoe schrikkelijk en leelijk zij de ziel maakt. De zondaars zullen zien, dat, hoe grooter de magt van God was om hen te kunnen straffen, hun kwaad zoo veel te grooter is, omdat zij hem niet gehoorzaamd, noch gevreesd hebben. Want wie zou kunnen uitdrukken, vraagt de H. Augustinus, de grootheid van het kwaad, dat een schepsel bedrijft, als het niet gehoorzaamt aan zulk eene groote magt, en niet wederhmiden wordt van te zondigen door de vrees van zulke verschrikkelijke straffen, waarmede God het bedreigt'? Zoo zal het ook gaan met andere eigenschappen van God, maar bijzonder zal zijne goedheid en

ocr page 102

100 VERHANDELING

barmhartigheid hen beschaamd maken; want hoe meer barmhartigheden zij zullen genoten hebben, hoe pligtiger zij zich zeiven zullen kermen. Al die b/.rmhartigheden zullen tegen hen in het oordeel opstaan, en alle schepsels zich oprigten, om hunnen Schepper te wreken, terwijl aldus zal volbragt worden hetgeen de schriftuur zegt; Dat geheel de wereld zal strijden tegen de dwazen.

Zij zullen zien dat zij misbruik gemaakt hebben van al de weldaden van God, zijne kastijdingen, zijne bedreigingen, zijne beloften, en al die oneindige gunsten, die hij hun gedaan heeft nuar ziel en ligchaam: want deze dingen hadden zij moeien gebruiken om God te eeien, zich over hem te verwonderen; hem te vreezen en te beminnen.

Christus zal hun ook zijn leven, zijn lijden, zijn bloed, zijne heilige geheimen, zijne heilige Sacramenten, en al zijne genaden toonen. Hij zal hen zijne wonden toonen, en zeggen: Ziet daar de toonden, die gij mij geopend hebt; ziet daar de zijde, die gij doorstoken hebt. Het is door u, en om u, dat zij geopend werd, en gij hebt niettemin geweigerd daarin te gaan. Niet alleen zulten de Joden alsdan zien, dat zij Christus hebben doen sterven, dat zijn dood voor hen vruchteloos is geweest, maar ook al de andere zondaars.

Hoe zal daar de ziel beschaamd staan, als zij zich zal ontbloot zien van deugden en overdekt met de schroomelijke grootheid en leelljk-heid van zoo vele zonden.

O verblindheid van den mensch! die deze

ocr page 103

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 101

monsters in zijn hart laat komen, en die maar bezorgd is, hoe hij die nu verbergen zal voor de wereld, zonder te denken, om die te zuiveren en zich daarvan te onthouden, opdat ze hem in het oordeel niet overdekken met eene eeuwige schaamte.

Ik zie nu, Heer! hoe schrikkelijk de zonden zijn, en ik zal het dan nog veel klaarder zien. Ik schroom ze; geef toch dat ik ze zoo schroom, dat ik ze nimmer meer be-drijve.

V. HOOFDSTUK.

Dat het oordeel schrikkelijk is, omdat de ziel daar al de schijndeugden vernietigd ziet.

De ziel zal daar niet alleen al hare zonden zien, maar ook, dat vele van hare werken, die haar zeer goed geschenen hebben, ij «lol zijn en zonder verdiensten, ja zelfs somwijlen doodelijke zonden zijn. Zij ziet daar al die valsche deugden, waarop zij ten deele had vertrouwd. De menschen doen in hun leven verscheidene goede werken, als; gebeden, aalmoezen, het ontvangen van de H. Sacramenten, enz. maar wie zal zeggen, hoe vele van die werken zullen vernietigd worden door het vuur van Gods oordeel, dat, gelijk de Apostel zegt, alles verslinden zal wat bevonden zal worden, hooi, stroo, stoppelen, enz. te zijn. Hoe verbaasd zal eene ziel staan, die daar, door het licht van God, duidelijk de ijdelheid van hare werken zal zien?

«Hetgeen wij hier hielden voor goud, zal

ocr page 104

VERHANDELING-

»dan veranderen m schuim, zegt de H. Ber-snardus; en al de onreinheid van onze werken »zal er ontdekt worden. Vele werken, die sons hier regtvaardig schijnen en streelen, «zullen ons vertoond worden als eene vuile sen leelijke zaak.quot;

Er zal niets stand houden in het oordeel Gods dan hetgeen wij zullen gedaan hebben uit liefde tot God, en al hetgeen wij enkel tot onze voldoening doen, zal daar verbrijzeld worden.

O hoe gelukkig zijn zij, die in dit uur, dat alle mensehelijke werken verslinden zal, begaafd zullen bevonden worden met eene opregte godvruchtigheid, met de ware kennis van God, met het geloof in Christus en zijne liefde, met een vast vertrouwen op zijne verdiensten, dat is: met goud en kostelijke gesteenten, die door dit vuur niet kunnen vernietigd worden.

Maar helaas! hoe velen zijn er, die wegen ingaan, die aan den mensch regfc schijnen; maar welker einde, gelijk de H. Geest zegt, uitkomt op het verderf, en die in het onderzoek van den regter zien zullen, dat bijna al hunne werken den enkelen schijn hebben gehad van godvruchtiglieid, doch dat zij meer voortkwam uit eigenliefde.

Dit deed de t Heiligen al hunne werken mistrouwen. »Ik zal wel toezien, zegt de H. Ber-»nardus, dat ik het onkruid niet neme voor »de tarwe, noch kaf voor koorn, ik zal al mijne »wegen onderzoeken, opdat degene, die zal »komen onderzoeken, niet Babyion, dat reeds

102

ocr page 105

OVER HET BIJZONDER OORDEEL.

sverwezen is, maar Jeruzalem zelf in mij niet »vinde, dat ik het groote getal van schulden, »dat mij bezwaart, zoodanig mag doorgron-»den, dat ik geene reden meer hebbe van ïdie aldoorziende oogen van God te vreezen? »Maar helaas! hij ziet mij, en ik zie hem niet, snoch ik zie mij zeiven. Hij is de regtervan »al het verburgene, dat in mijne ziel is, dien sik moet vreezen. Hij zal ook de geregtigheden »oordeelen, zegt hij; hij die reeds zoo vele songeregtigheden in mij ziet, die ik niet zie!»

Hoe beschaamd zullen er dan velen staan, als het kleed van hunne schijndeugden zal afgetrokken worden: als zij arm. zullen bevonden worden, die meenden rijk te zijn, als alles schuim zal zijn, wat zij voor goud hielden, als zij straf voor loon zullen ontvangen.' geef toch, o Jesus! dat ik van dezen niet zij, en dat ik hierom al mijne loerken uit eene opregte liefde moge doen.

VI. HOOFDSTUK.

Door wie de mensch in het oorduel zal beschuldigd worden.

Als de ziel nu voor den Regter zal staan, zal zij hevig beschuldigd worden. Ten 1. door de duivels. De HH. Leo, Cyprianus en Augus-tinus zeggen, dat de duivels alles zullen te voorschijn brengen wat de mensch gedaan heeft, op wat dag, wat uur en op wat wijze hij gezondigd heeft, en wat goed hij alsdan had moeten doen. Zij zullen hem voor oogen stellen de beloften van het heilig Doopsel en al zijne pligten, enz. Zij zullen de onzuivere

103

ocr page 106

VERHANDELING

menschen overtuigen van al hunne onkuiscli-heden in woorden, werken en gedachten; zij zullen aan Christus den Regter schier verwijten, dat zijne gebeden, zijne weldaden, zijn bloed en dood veracht zijn geweest door de zondaars. De duivel naar wiens vervloekte inblazing gij nu zoo dikwijls luistert, zal bij Christus aandringen om het vonnis uit te spreken, zeggende: Allerregtvaardigste Regter, oordeel nu, dat deze mensch de mijne is, en met mij gestraft moet worden; want hetgeen hij hier medebrengt, is van het mijne. Oordeel dien onzuivere, dien hoovaardige; hij heefv, het mijne bemind, schoon gij hem hebt willen verlossen tot zoo grooten prijs. Wat zal de zondaar hierop durven zeggen? wat zal hij antwoorden?

2. De Engelbewaarder zal den zondaar beschuldigen: hij zal aantoonen welke weldaden hij hem gedaan, welke goede gedachten ingegeven, hoe menigmaal hij hem tot de deugd en beternis van leven heeft opgewekt, en hem dus overtuigen, dat hij de eeuwige verdoemenis verdiend heeft.

3. Zijn eigen geweten zal hem verwijten. De zondaar wordt als gedwongen voor den regterstoel van zijn geweten aanstonds te zeggen: Ik beken mijne boosheid, zegt de H. Chrysostomus. Al de zonden zullen voor de ongelukkige zielen als op orde verschijnen, tot blijken tegen haar, en de belijdenis zal haar beschamen.

■4. En in het algemeen oordeel zullen, al de geesten, goede en kwade, den zondaar beschuldigen, als ook voornamelijk zij, die

104

ocr page 107

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 105

hij beleedigd heeft in ziel of ligchaam, in eer goederen, vrienden, enz.

5. Al die hij bedorven heeft door geld, door raad, door kwade voorbeelden, of anderszins, zullen hem beschuldigen; ook zij, die hem onderwezen, berispt of versmaad hebben, als: biechtvaders, ouders, oversten en anderen. Zij zullen bijbrengen wat zij al gedaan hebben voor zijne zaligheid, enz. De heiligen: als zijne Patronen en Patronessen: en de H. Maagd, zijne Vloeder, zullen hem al de genaden en weldaden voorhouden, die hij door hunne voorspraak verkregen heeft. Gij zult staan, zegt de H. Bernardus, voor zoo vele regters als er u hebben voorgegaan in goede werken, en zoo velen zullen u beschaamd maken, als u hebben vermaand door hunne leeringen of voorbeelden.

6. Alle schepsels zullen den zondaar beschuldigen om het kwade gebruik, dat hij daarvan gemaakt heeft. En wat zal hij kunnen antwoorden, daar hemel en aarde, zon en maan, en geheel de wereld tegen hem zullen staan tot getuigenis van zijne zonden.

6. Die elkander oorzaak geweest zijn van zonde, als onkuischen, dronkaards, dobbelaars, enz., zullen elkander als wauhopigen beschuldigen, zeggende: die en deze zijn de oorzaak van mijn verderf, enz.

Ten laatste, Christus zelf zal den zondaar beschuldigen en tegen hem, gelijk de H. Auqjus-tinus zegt, deze schromelijke woorden uitiloa-deren: Waarom hcht (jij mij zoo bezwaard mee het kruis van uwe boosheden, dat mij 21 4*

ocr page 108

VERHANDELINO

zwaarder was dan het kruis, waaraan ik gehangen heb: want aan het kruis uwer zonden heb ik gedwongen met een groot verdriet gehangen; maar aan het mijne met genegenheid en liefde, uit medelijden tot u, en om den dood voor u te dooden.

Laat ons nu dan liever hooren naar onzen Engelbewaarder, biechtvader en wijze raadslieden, opdat wij daarna hunne beschuldigingen niet moeten hooren in den dag des oordeels.

Gij hebt mij, o God ! vele genaden bewezen, die ik niet heb waargenomen; gij bewijst er mij nog dagelijks; maar wat zullen ze mij helpen als ik die verzuim1? Ik bid u dus ootmoedig, doe mij toch de gunst, dat ik uwe genade getrouw waarneme, opdat z:j mij op den dag des oordeels niet hezware, maar strekke tot eene eeuwige blijdschap en ten eeuwig geluk.

VII. HOOFDSTUK.

De regter zal een naauwkeurig onderzoet doen, en eene scherpe rekening vragen.

De regter zal daar rekening vragen van geheel ons leven. Deze rekening zal niet ge-schieden over groote stukken alleen, maar van elk punt in het bijzonder van het minste tot het meeste.

Ten 1. Van al uwe werken, en a!sdanzult gjj begrijpen, wat Job heeft willen zeggen door deze woorden: lieer, gij hebt al mijne schreden geteld. Van al uwe woorden, ea

106

ocr page 109

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 107

dan zult gij verstaan wat Christus zegt: Van ieder ijdel woord, dat de mensch zal gesproken hebben, zal hij rekening geven in den dag des oordeels. Van uwe gedachten, en dan zult gij ondervinden wat dat beteekent, hetgeen de H. Geest zegt met deze woorden: De Heer is de op weger der Geesten. Al uwe gedachten, woorden en werken zullen in de weegschaal van Gods regtvaardigheid gelegd en opgewogen worden met het gewigt van het heiligdom.

2. Hij zal u rekening vragen van al zijne gaven en weldaden, als: van de schepping, verlossing, regtvaardigmaking, enz.; van al de genaden, die gij ontvangen hebt zonder voordeel. Hoe gij de ligchamelijke gaven, als sterkte, gezondheid, schoonheid, enz. besteed hebt, en hoe de geestelijke gaven van de ziel, dat is: uw verstand, vernuft en andere talenten.

3. Hoe gij uwe tijdelijke goederen, uwen rijkdom, uwen staat, uw gezag en vermogen besteed hebt.

4. Hoe gij de hulpmiddelen, die u gegeven waren tot uwe zaligheid, gebruikt hebt, als zijnde: de H. Sacramenten, de sermonen, de geestelijke boeken, de goede vermaningen, de goede voorbeelden van anderen, de heilige inspraken. En hoe gij den kostelijken tijd van uw leven doorgebragt hebt.

5. U zullen getoond .worden de vrijwillige verstrooidheden in uwe gebeden, de verkeerde inzigten en meeningen in uw vasten, in uwe aalmoezen, heilige Communiën en andere goede werken.

ocr page 110

VERHANDELING

6. Christus zal niet alleen rekening vragen van uwe eigene zonden, maar ook van de vreemde zonden, dat is van de zonden, die andere mensehen bedreven hebben door uw kwaad voorbeeld, door uwen raad, of door andere oorzaken, die gij daartoe gegeven, of in welke gij anderszins deel hebt gehad of medegewerkt. En wie weet hoe menigvuldig en hoe zwaar die zijn?

7. Hij zal rekening vragen van de zonden, die gij niet beiet hebt als gij kondt en mojst. Gelukkig zal hij zijn, die hier nederig en klein is geweest, en niet verbonden om voor anderen te zorgen. Want een allerstrengst oordeel zal geschieden over degenen, die gesteld zijn in overheid, zegt de H. Geest, maar aan de kleinen zal barmhartigheid verleend worden. O schrikkelijke overheid, die iedereen zoo zeer zoekt: indien men u wel kende, hoe zou inea u vlugten!

Sommigen van die zonden zullen bevonden worden als uitgewischt door de boetvaardigheid, eenige zullen verwezen worden tot het vagevuur, en anderen tot de hel. Zoo ook onder de deugden zullen er eenige bevonden worden als uitgeschrapt en gedood door eene volgende doodzonde, en niet wederom levend gemaakt door de boetvaardigheid, en die zullen den zondaar niet baten; eenige als wederom levend gemaakt door de boetvaardigheid, zullen haar loon niet ver'iezen.

Indien gij, o Jesus! alles zoo naauio wilt onderzoeken, icat zal ik doen? Ik zal n.et een van duizend kannen beantwoorden. Ik val

408

ocr page 111

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 109

« dan van nu af te voet, en bid ootmoedig met den schuldenaar van het H. Evangelie: heb toch wat geduld met mij, en door uwe genade zal ik mijne schidd trachten te betalen. Ik zal voortaan op mijne werken naauw-keurig gaan letten, wetende dat gij in het oordeel hen, die misdaan hébben niet zult sparen.

VIII. HOOFDSTUK.

De regter zal rekening vragen van de goede werken

Ik zal, zegt God door een' van zijne profeten, Jerusalem onderzoeken met lantaarnen. Jerusalem beduidt de goede ziel, die God naauwkeurig zal onderzoeken; niet dat God hier lantaarnen noodig heeft, maar dit betee-kent, dat hij doen zal gelijk iemand, die eene lantaarn ontsteekt, om ook bij dag alle hoekjes naauwkeurig te doorsnuffelen: want van dit onderzoek, zegt de H. Isidorus is ook de regt-vaardigheid van den regtvaardige niet vrij.

De regter zal dan ook rekening vragen van uwe goede werken en uwe regtvaardigheden. Wat de opregte goede werken en ware regtvaardigheden betreft ; voor deze is niets te vreezen; maar hij zal oordee'en: ten De geveinsde regtvaardigheden of schijnheiligheden. 2. De regtvaardigheden, die besmet zijn met kwade omstandigheden van eigenliefde, aardsche inzigten enz. 3. De regtvaardigheden, die men achterge.aten heeft door onachtzaamheid, traagheid, menschelijke vrees enz. O wat eigenliefde, ijdele glorie, en andere

ocr page 112

■VERHANDELING

gebrekkelijkheden zal Christus in vele regtvaar-digheden vinden, die gij voor goede, ja, voor uwe beste werken hieldt! Wat al verslapping van den eersten ijver en van de eerste getrouwheid! Wat al goed, dat gij moest doen en niet gedaan hebt!

Helaas, de wereld laat zich voorstaan, dat het eene groote deugd is, als men geen kwaad doet. En als iemand zich wacht van de gewone gebreken, noemt men hem heilig. Hoe dikwijls hoort men daar ook niet: wat kwaad is er in gelegen! enz., daar het genoeg is om verloren te gaan, geen goed te doen. Kap den onnutten boom af, zegt de Heer, en iverp hem in het vuur, niet omdat hij kwade, maar omdat hij geene vruchten heeft. Is er een oogenblik van uw leven, dat Gode niet toebehoort, en dat gij niet moest besteden tot zijne dienst? Wat een groot artikel van onze rekeningen zullen dan niet wezen al onze verzuitnenissen, achterlatingen en onnuttigheden van ons leven! Van den anderen kant, Christus zal u voorstellen zijne uiterste liefde tot u, zoo zelfs dat hij heeft willen sterven om u zalig te maken; en hij zal u vragen of gij hem ook bovenal bemind hebt. Hij die zich ze!ven vernederd heeft voor u, en zoo vele schande en pijnen ondergaan heeft, zal u vragen: wat kruisen hebt gij voor mij gedragen? Wat boetvaardigheid om mij gedaan? wat vernederingen omhelsd? wat zult gij antwoorden! Hij zal u zijne H. Wonden toonen, en zijn H. Bloed voor u vergoten, en al de genaden aan u verleend: Ik heb u zoo dikwijls uwe zonden

110

ocr page 113

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. dll

vergeven en u met mijn H. Ligchaam en Bloed gespijsd, wat voordeel hebt gij daarmede gedaan? Wat zult gij antwoorden? De heiligen zeiven vinden zich daartoe niet bekwaam, en daarom roepen zij met David: Heer, treed toch niet in het regt met uwen dienaar. En met Job; Wie ben ik, dat ik hem zoude kunnen antwoorden?

Ludovicus van Grenada verhaalt, hoe zeker overledene zich vertoonde aan zijnen vriend, die hem vraagde in wat staat hij was. En hij antwoordde en riep voortdurend: Niemand gelooft het! Als de vriend vraagde, wat dit beduidde, zeide hij: Niemand gelooft hoe scherp God oordeelt, en hoe scherp hij straft. quot;Wij moeten dan leven als menschen, die zeker weten, dat wij aan God eens rekenschap moeten geven van al onze woorden, werken en gedachten.

Verwek toch in mij, goedertieren Jesus! een levendig geloof aan al hetgeen gij en uwe dienaren mij voorstelt wegens de strengheid van uw oordeel, en geef, dat ik dit zelf in al mijne werken betoone.

IX. HOOFDSTUK.

Van de vrccselijke verbolgenheid van den regter.

Wanneer zich God aan de Profeten vertoonde, om hun als zijne gezanten, zijnen wil kenbaar te maken, wat meestal slechts geschiedde door de verschijning van engelen, waren die heilige menschen somwijlen zoo verschrikt, dat zij meenden te bezwijken. De

ocr page 114

VERHANDELING

piofeet Daniël, een Engel ziende, riep al bevende: Zoo haast ik u gezien heb, zijn mijne zenuwen verzwakt. De H. Joannes zag ook eenen Engel, en hij viel aanstonds neder ter aarde voor zijne voeten. Hoe zal de zondaar gesteld zijn, wanneer hij den koning der Engelen zal zien in zijne vreeselijke Majesteit? Hij, die zijne oogen niet zou durven slaan op eenen ontzaggelijken persoon, die hem betrappen zoude in zijne schandelijke zonden, hoe zal hij den vergramden Regter kunnen verdragen? Indien de ziel sterfelijk was, zij zou op dien schrikkelijken stond van schrik sterven. De zondaars zullen de Majesteit zien van den regter, zijne verbolgenheid, en hoe zeer hunne zonden strijden tegen zijr.e heiligheid, en dit gezigt zal hun zoo schrikkelijk wezen, dat zij zich in de hel zouden wenschen te kunnen verbergen. Zij zullen, gelijk de H. Ca-tharina van Senen bemerkt, zich zeiven daarin werpen als in eene plaats, die hun toekomt, en waar zij het minst zullen doorstraald worden van dat licht, dat hen zal verdrijven uit alle andere plaatsen, en hun in den afgrond alleen laten.

Zij verschijnen voor eenen allerregtvaardig-sten en al'erstrengsten Regler. Hij zal niet ééne schuld vergeven, en niet eëne zonde ongestraft laten, dan die hier zijn afgewa^schen door eene wettige boetvaardigheid. En van den anderen kant zal hij ook niet ééne opregte christelijke deugd onbeloond laten.

Hij zal zijn vonnis strijken met eene opper-magt, aan welke niemand kan wederstaan.

412

ocr page 115

OVER HET BIJZONDER OORDEEL. 413

Hoe meer Christus hen bemind heeft en hoe meer v.eldaden hij hun gedaan heeft, zooveel te prooter zal zijne verbolgenheid en gestrengheid zijn.

Maar de re^tvaardigen zal hij aanzien met een minzaam gelaat, als zijne dienaren, zijne vrienden, ziine zusters en broeders.

Indien gij wist, dat gij eens tot eenen zeer ellendigen staat zult komen, en dat er maar één mensch in de wereld was die u alsdan kon helpen, zoudt gij dan uw best niet doen om diens vriendschap te winnen? Wij weten, dat in den dood en in het oordeel niemand ons zal kunnen helpen en behoeden dan Christus alleen. Hemel en aarde vliegen weg voor zijn aanschijn, zegt de H. Joannes. Wij zullen noch van den hemel, noch van de aarde eenigen bijstand te verwachten hebben in het oordeel. Daarom moeien wij nu trachten Christus te behagen en zijne gunst te winnen. Wij moeten ons uiterste best doen, om zijn voorbeeld en zijne leering na te volgen; want het geldt eent zaak van het allergrootste belang.

W ij willen, o Jesus! voortaan ons hest gaan doen, om uwe vrienden te wezen. Doch om dit geluk te hekomen, moeten wij uwe geboden onderhouden: dewijl gij zelf' zegt: Gij zult mijne vrienden zijn, indien gij doet wat ik u gebied. Dit gaan ivij voortaan doen met uwe hulp. Versterk ons toch tot het laatste van ons leven.

ocr page 116

VEHHANDICLING

X. HOOFDSTUK.

Hoe de ziel haar vonnis ontvangt.

Zoodra de ziel gescheiden is van liet lig-cliaam, verschijnt zij voor den Regter, en ontvangt haar vonnis, d-at waarschijnlijk gebeurt op deze wijze. Haar verstand wordt door de inwendige verlichting en kracht Gods zeer klaarziende omringd van de hemelsche Geesten ; zij kent aanstonds door eene overtuigende kennis, of zij toebehoort aan den hemel of aan de hel, en zij ontvangt van dien vervaarlijken Regter een onwederroepelijk vonnis, door de spraak des verstands, dat is, zij ziet, zij weet, en zij wordt aanstonds naar de plaats geleid, die haar toekomt; de goede zielen door de Engelen naar den hemel of naar het vagevuur, en de verdoemden door de duivelen naar de hel. De verdoemden zullen wel weten, wat een geluk het is, het zoet aanschijn van Christus te mogen aanschouwen; en nu te zien, dat zij dit aanschijn nimmer meer zullen aanschouwen, zal een van hunne allergrootste kwellingen zijn.

Indien gij, o mijne ziel gedwongen waart dit vonnis te hooren uitspreken over de andere menschen, hoe zoudt gij niet beven I Maar hoe zoudt gij beven indien het vonnis over u ging uitgesproken worden? doch gij zult eens en misschien spoedig voor dezen vreeselijken regter slaan, en gij moet noodzakelijk eens uit den mond van Christus zeiven eene van deze zoo verschillende uitspraken hooren: Kom, gezegende,

114

ocr page 117

OVEn HET BIJZONDER OORDEEL. 115

enz., of Ga, vervloekte, enz., Gij behoordet te sidderen en te beven, als gij dit leest Indien men dit gevaar overwoog, wie zou er dan nog lust gevoelen, om de wereld met hare ijdel-heden te volgen?

Denk dan, terwijl het nog tijd is, hoe de goeden al de oogenblikken huns lijdens en hunner boetvaardigheid zullen zegenen, ziende dat nu al hunne pijn voorbij is, en dat zij staan om het loon daarvan te ontvangen: en hoe de kwaden integendeel al de oogenblikken van hunne wellusten zulien vervloeken, die nu ook voorbij zijn, en waarvoor zij nu de eeuwige pijnen moeten lijden.

De zaligen, die zich verstorven en naar de regels van het heilige Evangelie geleefd hebben, zullen dan uitroepen: O zalige boetvaardigheid. Do verdoemden, die hunne lusten voldaan, en de wereld gevolgd hebben, zullen roepen: O vervloekte zinnelijkheid, o rampzalige wereld! Doe ons toch, o Jesus! dit dikwijls rijpelijk hij ons zeiven overdenken, om geheel ons leven de wereld te verfoeijen, en gaarne boetvaardigheid te doen,

BEMERKING

Op het voorgaande.

Het oordeel zal uitnemend streng zijn. Geen ijdel woord, zoo als Christus leert, zal ongestraft blijven. Wat zal het dan zijn met al de menigvuldige zonden, waarover wij geene boetvaardigheid zullen gedaan hebben. De Regter zal de regtvaardigen zelfs met fakkels

ocr page 118

VERHANDELING

onderzoeken, dat is met eene allerstrengste naauwkeurigheid, waarom de H, Apostel Petrus zegt: Bijaldien de regtvaardige naau-welijks de zaligheid zal hereiken, vxit zal er toch vai^ den goddelooze en van den zondaar geworden ?

Er is bij hem geene uitzondering van personen, de vorst heeft niet meer voordeel dan zijn onderzaat, en de rijke niet meer dan de bedelaar.

De verontschuldiging zal daar ook geene plaats hebben: de verworpelingen zullen stem staan, gelijk die onnutte knecht van het H. Evangelie. Geen schoon spreken, geen bidden noch smeeken zal den Regter kunnen bewegen; hij zal onverzoenlijk zijn, en elk een geven volgens zijne werken. Die twee vervaarlijke en eeuwigdurende vonnissen: Komt gezegenden: Gaat, vervloekten, enz. waren zeer diep in de gemoederen van alle Heiligen gedrukt; zij overwogen ze dag en nacht, en zij werden er door aangespoord, om zeer naauw op zich zeiven te letten. Ik was in achterdenken in al quot;mijne werken, zegt de Profeet Job, wel wetende dat gij, wan-neer ik zondig, mij niet zoudt sparen. Zij vlugtten de bedorvenheid van de wereld; zij oefenden vele goede werken: zij verstierven en oordeelden hier zich zeiven om van den Heer daarna niet veroordeeld te worden. Daarom beschuldig ik mij zeiven, zeide Job, en ik doe boetvaardigheid in stof en asch. Hoe streng waren zij tegen zich zeiven, opdat eens de regtvaardige God jegens hen goedertieren zou zijn 1

416

ocr page 119

OVEB HET BIJZONDER OORDEEL. 117

Hoe voorzigtig om geene zonden meer te bedrijven, om alle kwade gezelschappen en gevaren te vlugten! Zij stelden een slot aan hunnen mond, volgens den raad van den Wijzen man, om geene ijdele woorden, veel min onzuivere taal of tegen de liefde van hunnen evenmensch te spreken; en zij bezetteden hunne ooren met doornen om niets dergelijks te hooren. Zij bewaarden met groote zorgvuldigheid hunne oogen om geene ijdelheid te zien, of iets dat hunne ziel zoude kunnen kwetsen; maar nog allermeest hun hart, waaruit de zonden haren oorsprong nemen. Zij hielden zich gedurig in Gods tegenwoordigheid; zij waren altijd vol vrees, zij baden zonder ophouden; en zij riepen met David tot den Heer: Bestier mijne gangen volgens uw woord: en dat er geene ongeregtijheid over mij heerschappij neme.

Wij hebben niet minder reden dan zij om zoo te vreezen, maar wel veel meer, want wij hebben veel meer het opperste goed vergramd, en wij zijn veel zwakker, om ons door dien vijand te laten verleiden, dewijl de liefde tot God en de kennis van de waarheid in ons op verre na zoo groot niet is. En evenwel, velen denken naauwelijks eens op Gods vervaarlijk oordeel; zij zijn los en vermetel in al hunne gedachten, woorden en werken, waaraan zij den vollen toom geven, en zoo gerust van hart, alsof zij de werken der regtvaurdigen gedaan hadden, en van hunne zaligheid verzekerd waren. O dwaling! o onuitsprekelijke dwaasheid! Met reden mogen wij met den treurenden Profeet uitroepen: Wïe zal aan mijn

ocr page 120

118 VERHANDELING OVER HET BIJZONDER ENZ,

hoofd water geven, en aan mijne oogen eene bron van tranen, om deze ellendigen te be-weenen! Wij mogen met den koninklijken Profeet zeggen: Beeken van tranen vloeijen uit mijne oogen ter oorzake van hen, die uwe wet niet onderhouden.

Geef toch, goedertieren Jesus.' dat wij van die onverstandig en en uitzinnigen niet zijn. Maar doe ons altijd, naar het voorbeeld van uwe opregte dienaren, uw goddelijk oordeel gedenken; opdat wij daardoor ons zorgvuldig onthouden van alles waarom wij door u zouden kunnen veroordeeld worden.

ocr page 121

VAN HET LAATSTE EN ALGEMEEN

OORDSEli.

I. HOOFDSTUK.

■Waarom ei- een algemeen oordeel zal zijn.

God heeft zijne magt getoond in de wereld te scheppen, zijne wijsheid in die te bestieren, zijne goedheid in die te verlossen, en hij zal zijne regtvaardigheid toonen in de wereld te oordeelen.

Hij heeft dan gewild, dat er een algemeen oordeel wezen zoude. Ten 1. opdat een ieder zoude kennen niet alleen zijne eigene werken, goede en kwade, maar ook die van alle andere menschen. Niets is er verborgen, zegt Christus, dat niet zal geweten worden. Ten 2. tot meerdere glorie der uitverkorenen, opdat hunne goede werken, die zij door ootmoedigheid verborgen hadden, zouden te voorschijn komen als een licht, blinkende in het duister; en dat hunne onschuld, d;e de kwade menschen verdonkerd hielden, helder als de zon zoude schijnen. Ten 3- tot meerdere schande der verdoemden, opdat hunne boosheden, die zij door geveinsdheid bedekten, in den klaren dag zouden gesteld worden, en dat aldus zoowel de zonden, als de deugden, met al hare kwade of goede gevolgen, die somtijds vele jaren en eeuwen duren, daar zouden

ocr page 122

VAN HET LAATSTE

gezien worden. Ten 4. tot eer en glorie van God, opdat zijn regtvaardig oordeel in te loonen en te straffen, naar elks verdiensten, dat in deze wereld dikwijls verborgen blijft, in het openbaar zoule komen. Dus moeten de werken van alle inensclien gezien worden met hunne goedheid en boosheid, opdat in het oordeel falijke met hoe groote wijsheid en regtvaardigheid God den eencn zal straffen en den anderen beloonen.

Op wat tijd, dag en uur dit oordeel geschieden zal, is onbekend. Van dezen dag en dit uur weet niemand, zegt Christus, de Engelen des hemels zelfs niet. De H. Schriftuur spreekt niettemin van vele dingen., die vooraf zullen gaan, of het oordeel vergezellen. Ten 1, De vervolging van den Antichrist. 2. De predikatie van Elias en Enoch. 3. De bekeering der Joden. 4, De teekenen in de zon en maan. 5. Het verbranden der wereld. 6. Het schallen van de trompet en de verrijzenis der dooden. 7. De scheiding van goeden en kwaden. 8. De komst van den regter. 9. Het vonnis. Maar wie zal nu kunnen verklaren hoe dit gebeuren zal?

Onder de teekenen, die, o Jesus! vóór het algemeen oordeel zullen gaan, is ook dit: Dat er naauweiijks geloof op de aarde te vinden zal zijn, an, helaas, hoe neemt de ongeloovigheid in onze dagen toe! Geef toch, dat wij van die ongeloovigon niet zijn. maar gestadig mogen leven door een geloof, dat duor de liefde iverkt, en aldus uwe vaderlijke komst met vertrouwen verwachten.

120

ocr page 123

EN AI-GEMEEN OORDEEL.

II. HOOFDSTUK.

quot;Van de schrikkelijke teekenen die het laatste oordeel

zullen voorafgaan.

DE ANTICHRIST.

Uit hetgeen de H. Schriftuur zegt van den Antichrist, bespeuren eenige Leeraars de volgende dingen. Hij zal eerst groeten ijver toonen voor de wet van Mozes, om de Joden tot zich te trekken; hij zal hun groote tijdelijke goederen beloven en geven, die de Joden zoo driftig verwachten van hunnen Messias. Hij zal als een valsche profeet vele valsche mirakelen deen. Hij zal leeren dat Christus de Messias, noch de Zoon Gods is, en dat al zijne leeringen, zijne instellingen en de H. Sacramenten bijgeloovigheden en bedrog zijn; hij zal den naam van Christus, het geloof in Christus en alle christelijke dienst geheel willen uitroeijen, en hierom zal hij van de Joden bemind worden. Hij zal, volgens vele leeraars, zijne heerschappij beginnen in Babylo-nië, en van daar zijn rijk vestigen in de H. stad Jerusalem. Hij zal zich zeiven uitgeven voor den Messias, dien God beloofd heeft aan de Joden. Hij zal in den tempel zitten, zich toonende alsof hij God ivare, en de Messias; hij zal als God aangebeden worden door de Joden. Hij zal zich tempels doen bouwen en sacrificiën doen opofferen; hij zal eenen voorlooper hebben, die alle menschen dwingen zal zijn beeld te aanbidden, en het teeken van zijnen aanhang op hun voorhoofd

12i

ocr page 124

VAN HET LAATSTE

122

of in de hand te dragen. Velen meenen dat dit teeken zal bestaan in deze woorden: Ik verzaak het kruis, ik verzaak het doopsel, ik verzaak Christus. Hij zal zeer groote en wreede legers vergaderen en de verzamelplaats zal zijn in de H. stad, om daar en in geheel het Joodsche land de Christenen te verderven, en hen Christus te doen verzaken: want de Christenen zullen daar aankomen van alle kanten om de predikatiën te hooren van Elias en Enoch, die aldaar zullen prediken tegen den Antichrist. Immers Christus zegt: De verdrukking zal zoo groot zijn, dat er nooit dergelijke geweest is van het begin der wereld: dat ook do uitverkorenen in dwaling zouden vallen, indien het mogelijk ware. De H. Joannes zegt: dat de duivel zal ontbonden worden, om zijne razernij uit te werken, ivetende dat de tijd kort is. Daar zullen vele martelaars sterven; maar het grootste deel Christenen zal afvallen en Christus verzaken; doch evenwel zal de H. Kerk niet vergaan; mear gelijk zij in het begin, in het midden der vervolgingen, die haar van de Heidenen en de Joden aangedaan werden, geblonken heeft in hare Martelaren en in hare andere getrouwe dienaren, zoo zal zij ook blinken en blijven bestaan in de weinigen, die zullen sUmdvastig blijven, schoon hun getal, vergeleken bij dat van de verloochenaars, zeer klein zal zijn. En om deze uitverkorenen, volgens de voorzegging van Christus, zullen de dagen der verdrukking verkort worden: want ten ware die niet ver-

ocr page 125

EN ALGEMEEN OORDEEL. 423

kort werden, zouden zij allen bezwijken. Men kan met groote waarschijnlijkheid besluiten, dat die vervolging van den Antichrist maar drie en een half jaar duren zal. Elias en Enoch zullen gedood worden en hunne lig-chamen drie dagen op de straten van Jerusalem blijven. Maar kort daarna zal de Heer Jesus dien goddelooze te niet doen door den adem zijns monds, gelijk de Apostel spreekt, dat is door zijne goddelijke kracht, die als niets, en gelijk met eenen ademtogt dien booswicht en zijnen aanhang vernietigen zal.

Elias en Enoch.

Het is eene vaste waarheid, die zoo door de heilige Schrift, als door de standvastige overlevering bevestigd wordt, dat Elias en Enoch, die twee groote Profeten, zullen komen als de voorloopers van de tweede komst van Christus, bekleed met zakken om de boetvaardigheid te verkondigen: zij zullen zich stellen tegen den Antichrist door hunne predikatien en mirakelen. Zij zullen de geloovigen versterken in het geloof, en die gevallen zijn, trachten op te helpen uit de verloochening. Zij zullen de Joden bekeeren tot Christus, welke bekeering der Joden vóór de komst van Christus, op zeer vele plaatsen zoo van het oude, als van het nieuwe Testament bewezen wordt, en tot dat einde zijn Enoch en Elias ten hemel opgenomen, en nog in het leven behouden tot die laatste tijden, doch zij zullen zeer veel moeten lijden, en ouk eindelijk gedood worden gelijk te voren gezegd is,

ocr page 126

VAN HET LAATSTE

Schrikkelijke teekenen in zon en maan, enz.

Kort na de verdrukking van die dagen, zegt Christus, zal de zon verduisterd ivorden, en de maan zal geen licht geven, de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten des hemels zullen beroerd ivorden. De profeet Joël had ook vele honderde jaren te voren voorzegd, dat de zon zoude veranderen in duisternissen, en de maan in bloed, eer de gr oo te en vervaarlijke dag des Heer en zoude komen, want de dag des Hoeren is groot, zeide hij, en bovenmate schrikkelijk. Isaïas en Ezechiël spreken ook op dezelfde wijze. De maan zal nu zwart zijn, dan bloedig en vurig rood. Draaijende winden, donkere stormen, vliegende vuren, afgrijselijke bliksems en donderslagen zullen de lucht vervullen en tus-schen al die vervaarlijke teekenen zal er, gelijk de H. Joonnes zegt, eene stem gehoord worden, die roepen zal: Het is al gedaan. Dit alles kan verstaan worden in eenen geestelijken zin: en aldus beduidt de zon Christus, de maan de H. Kerk, die aldus zullen verduisterd worden, dat is, van weinige menschen gekend en gevolgd: de sterren beduiden die verhevene en uitstekende zielen, die door hare geleerdheid en heiligheid in het uitspansel van de H. Kerk blonken als sterren, en velen van die zullen er ook vallen.

Er zal onder de menschen, zegt Christus, schrik en groote verbaasdheid zijn wegens het gehuil en het groot gedruiscli der zee. De baren zullen zich zoo verheffen en dalen, dat

124

ocr page 127

EN ALGEMEEN OOUDEEL. 125

zij zullen schijnen de aarde te willen verzwelgen. De winden zullen de aarde doen daveren, en de vervaarlijke aardbevingen zullen haar op vele plaatsen doen openscheuren en vuur doen spuwen, -waardoor geheele sleden en landen zullen verslonden worden. De dieren zeiven zullen van schrik her- en derwaarts loopen; de vogels zullen tieren, de leeuwen brullen, de wolven huilen 1 Niemand zal weten waar zich te keeren; elk zal bedwelmd zijn en bleek als de dood, in de verwachting van den schromelijken uitval van die wonderlijke tcekenen. Do nienschen zullen verdorren van schrik, zegt Christus, in de verwachting van die dingen, die hun zullen overkomen. De H. Hieronymus zegt, dat in die dagen de bladeren van de boomen een bloedig vocht zullen zweeten, en wat zullen de zondaars doen ?

Doch de wereld zal dan ook niet terstond vergaan: want Christus zegt: Gelijk het was in de dagen van Naë, zoo zal het ook zijn in de komst van den Zoon des menschen; gelijk zij dan waren etende en drinkende, trouwende en ten hutvclijk gevende tot den dag dat Noë in de ark ging, en zij hebben er niet aan gedacht, tot dat de overstrooming kwam, alzoo zal het zijn in de komst van den Zoon des menschen. Waaruit men mag besluiten, dat er nog eenige tijd zal wezen, die tot boetvaardigheid gegeven zal worden aan die gevallen waren. Maar het meerendeel der menschen zal allengskens die schrikkelijke teekenen vergeten en zich wederom begeven

ocr page 128

VAN HET LAATSTE

tot de wellusten, tot huwelijken en bruiloften» zonder te denken op het einde der wereld; en aldus zal Christus komen onverwachts, volgens deze voorzegging van den Apostel: Als zij zullen zeggen: vrede en gerustheid, dan zal de onverwachte ondergang komen; want de dag des Heeren zal komen gelijk een dief in den nacht. En Christus zegt: Alsdan zullen er twee zijn op eenen akker, de een zal opgenomen worden, de andere gelaten: twee zullen er malen in eenen molen, de een zal opgenomen worden, en de andere gelaten. Dit is: Christus zal in den dag des oordeels den mrin van de vrouw, den zoon van den vader, de moeder van de dochter, de zuster van den broeder, en den eenen vriend van den anderen scheiden.

Van het branden der elementen.

De hemel zal vergaan met een groot ge-druisch, zegt de Apostel Petrus, en de elementen zullen smelten door de hitte, en de aarde met alle werken die er in zijn, zal vernietigd worden door den brand. Geheel de wereld zal vergaan door het vuur; al wat er op is zal verbranden. Door het vuur zal de wereld gezuiverd worden. De hemelen en eleinenten, de zon en de maan, de sterren, enz. zullen eene andere gedaante, hebben, en een veel grooter licht geven dan nu. De maan zal zijn gelijk de zon en de zon zevenmaal klaarder. Al de omwentelingen van de hemelen zullen ophouden; want er zal geene verwisseling

126

ocr page 129

EK ALGEMEEN OORDEEL, 127

van dag en nacht meer zijn, maar een altijddurende dag. De aarde, die om de zonde van Adam vervloekt was, zal vernieuwd worden , en in glorie en regtvaardigheid bloeijen. De hemelen, de aarde, en de elementen aldus vernieuwd zijnde, om te dienen aan den vernieuwden mensch, zullen door deze nieuwe eigendommen passen op zijnen glorieu-zen staat. Wij venvachtcn, zegt de H. Petrus, nieuwe hemelen, en eene nieuwe aarde, volgens zijne belofte, dat is volgens de belofte van God. Gelijk dan de gelukzaligen door de oogen des verstands God zullen aanschouwen en in hem verheugd zijn, zoo zullen zij door de oogen des ligchaams alle uitwendige werken des Heeren zien en zich daarin verheugen.

Dit vuur zal ook dienen, om de regtvaardi-gen te zuiveren, die zullen leven, en nog eenige zuivering noodig hebben, opdat zij in de verrijzenis den Regter spoedig te gemoet gaan in de lucht met al de Heiligen.

O God! hoe vervaarlijk zal alles zijn in dien tijd, geef toch, dat ik van nu af daarvoor mag vreezen; en door die heilige wees christelijk leven, opdat ik alsdan met een vast vertrouwen voor u moge staan.

UI HOOFDSTUK.

Hoe op het blazen van de bazuin al de dooden venijzen zullen.

Alsdan zal God zijne Engelen afzenden, zegt Christus, met bazuinen en eene groote stem, en zij zullen zijne uitverkorenen ver-

ocr page 130

VAN HET LAATSTE

gadeven van de vier winden des Hemels, dat is van de vier hoeken der wereld. En Paulus zegt: De Heer zelf zal afkomen met hevel en met de stem van den Aartsengel en met de trompet des Heeren. Dat is, de Heer zal den Aartsengel Michael met de trompet afzenden, in eene zigtbare gedaante, gelijk de H. Gregorius meent. Op het geluid van de trompet zullen de andere Engelen verzameld worden, die, zoo het schijnt, met eene groei! e stem alsdan gezamentlijk zullen roepen: Gij, dooden, staat op en komt ten oordeel. Die trompet zal gehoord worden door geheel de wereld, van het hoogste des hemels tot liet diepste der hel. Zij zal de zalige zielen doen komen uit den hemel, de verdoemden uit de hel, en de doode ligchamen uit de graven. Het uur komt aan, zegt Christus, waarep al degenen die in de graven zijn de stem zullen hooren van den Zoon Gods, en die-ze zullen gehoord hebben zullen leven. De dooden zullen de kracht van die stem gevoelen en daaraan gehoorzamen.

Door de kracht Gods en de werking der Engelen zal ieders asch zich verzamelen, en alsdan zullen de dooden terstond en op één oogenblik verrijzen. De verdoemden zullen tegen dank en gedwongen uit de hel komen, en de zaligen snel en met blijdschap van den hemel afdalen: de verdoemden zullen wen-schen in hunnen kerker te blijven, om het aanschijn van den regter niet te zien, de cn-verd re gelijke schande van het oordeel niet te moeten ondergaan, en hun ligchaam niet te

128

ocr page 131

EN ALGEMEEN OORDEEL.

moeten aannemen; de zalipren integendeel zullen zich spoeden om hun ligchaam aan te nemen, voor den regter te verschijnen, en van hem die zoete woorden tehooren: Komt gczegenden, enz.

De duivelen zullen dan de verdoemde zielen aangrijpen, en hun woedend toeschreeuwen; Komt, vervloekten, komt met ons mede om uwe vervloekte ligchamen aan te nemen en het vonnis van uwe verdoemenis te hooren. 0 schromelijk tooneel, de duivelen met de verdoemde zielen uit de onderaardsche plaatsen te zien losstormen, hun de lucht met afgrijselijke vervloekingen en godslasteringen te hooren vervullen! Huilende zullen de verdoemden naar de plaats komen, waar hun ligchaam zal verrijzen, dat zich met eene helsche leelijkheid, geheel duister, zwaar, zwart en vol stank zal voordoen. Hoe zal alsdan die rampzalige ziel haar ligchaam, als de oorzaak van hare verdoemenis, vervloeken! Kom, zal zij zeggen, gij vervloekt ligchaam, welks vuile lusten ik heb ingevolgd! Komt, goddelooze handen, gij, werktuigen van zoovele zonden; kom vervloekte tong, die zooveel lastertaal en vuile woorden gesproken, en uwe voldoening in lekkernijen gezocht hebt; komt ongelukkige oogen en ooren, die u in zoovele onkuische zaken verheugd hebt; komt gij allen stinkende ledematen, die tot mijn verderf hebt gestrekt, en met mij ver-eenigd, deelachtig waart, in al mijne zonden: komt, weest nu ook deelachtig in al mijne pijnen.

21 5

129

ocr page 132

130 VAN HET LAATSTE

Als de venloemde zielen nu met het ligchaam vereenigd zijn, zullen zij terwijl zij op de tanden knarsen, door de duivelen naar de vallei van Josaphat gesleurd worden, nabij den Olijfberg gelegen, van waar Christus len hemel is geklommen en waarop Hij waarschijnlijk zal komen oordeelen.

De zalige zielen zullen daarentegen glinsterend als de zon van den hemel afdalen, en met groote snelheid naar de verschillende plaatsen der aarde ijlen, om hare ligchamen aan te nemen.

O wat een liefelijk schouwspel zal het zijn, zoo vele H. ligchamen schoon en klaarbfn-kende uit de aarde te zien opstaan! Hoe zal dan de stad Rome blinken, wanneer binnen haar de verheerlijkte ligchamen van de IIH. Apostelen Petrus en Paul us met die van zoo vele andere Heiligen zullen verrijzen, die aldaar voor het geloof hun bloed vergoten hebben! Hoe zal de stad Jeruzalem blinken, als binnen haar het ligchaam van den H. Joannes den Dooper en dat van zoovele andere Heiligen zullen te voorschijn komen! Hoe Egypte, alwaar de graven zullen opengaan van zooveel duizenden H. Monniken!

Wat eene blijdschap zal het voor de gelukzaligen zijn, hunne schoone ligchamen weder aan te nemen, die door de wormen verteerd of in stof veranderd waren! Hoe zullen zij hunne ligchamen loven en prijzen: met blijdschap zullen zij ze aanspriken en zeggen; Kom, mijn gezegend ligchaam, dat met mij zoo lang zijt vereenigd geweest: kom, nu

ocr page 133

EN AtGEMEEN OORDEEL.

zullen wij ons te zamen gaan verblijJen over al den arbeid en de pijnen, die wij doorstaan hebben. Komt, zal de eene zeggen, gezegende voeten, die uit liefde tot God zoovele wegen in koude dn hitte doorwandeld hebt! Komt, zal de andere zeggen, gelukzalige handen, die u zoozeer bevlijtigd hebt voor den arbeid des Heeren 1 Kom, gezegende tong, die u van vele voldoeningen onthouden, en uw vermaak genomen hebt in den Heer te loven, en den evenmensch te onderwijzen, te vermanen en te stichten! Komt, gezegende lendenen, die u zeiven ter liefde van Christus gepijnigd hebt door haren kleederen, door koorden en ketenen! Komt nu, al mijne lidmaten, om met mij het loon te genieten voor uwe boetvaardigheid, uw waken en bidden, uw vasten en lijden. O met wat gelukwenschen zullen ziel en ligchaam elkander ontrroeten op dien grooten en blijden dagl

De ligchamen der uitverkorenen dan zullen glorieus en blinkend verrijzen, en zich met eene wonderbare snelheid naar de vallei van Josaphat begeven in het gezelschap van de Engelen. Van daar zullen zij in de lucht opgenomen worden, om Christus te gemoet te gaan, gelijk de burgers eener stad hunnen koning buiten de poorten te gemoet gaan.

De trompet van uw vervaarlijk oordeel, o God! klmk gestadig in de oor en van uwen H. dienaar ÏHeronymus; daardoor werd hij opgewekt om de zonden te vlugten en boetvaardigheid te oefenen. Geef toch, o Jesus, dat zij gestadig ook in mijne ooren klinke,

131

ocr page 134

YAN HET LAATSTE

en hetzelfde uitwerksel in mij hehhe; opdat ik zoo leve, dat ik alsdan niet beschaamd behoeve te staan.

IV. HOOFDSTUK.

Dat het Kruis des Zaligmakers te voorschijn zal koincn.

Alsdan, zegt Christus, zal het tee ken van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen. Dit teeken is liet Kruis des Zaligmakers, dat de Engelen, onder aanvoering van den Aartsengel Michaël, zullen te voorschijn brengen, verheven in de lucht, waar het met meer glans zal blinken dan de zon. Dit teeken zal tot troost van de uitverkorenen dienen, die met groote blijdschap den standaard van hunnen Koning, het teeken van hunne verlossing zullen aanschouwen; maar tot ontzettende schrik voor de zondaren en ongeloovigen, doch vooral voor de Joden. Alle geslachten der iverehl, zegt Christus, zullen alsdan in weedom zijn. Welk een misbaar zullen de zondaren maken, bij het zien van het Kruis, als de roede der geregtigheid van den naderenden Regter! Zij zullen bezwijken bij de erkenning, dat zij hunnen Regter gekruisigd hebben (zoo als de Joden het met der daad hebben gedaan) of dat zij den Gekruiste veracht, en zulk eene groote verlossing verwaarloosd hebben, gelijk alle christenen doen, die om hunne zonden verloren gaan. En dewijl alle genaden en weldaden ter zaligheid, ons door Christus verleend, in zijnen dood aan het Kruis als in haren oorsprong besloten waren, zoo zullen

432

ocr page 135

EN ALGEMEEN OORDEEL.

die op den dag des oordeels in het Kruis zeer levendig vertoond worden aan de verdoemden, en vooral aan de verdoemde christenen.

Christus zal hun verwijten, dat zij de genade van zijnen dood verwaarloosd hebben, dat zij hem in zijn lijden niet hebben gevolgd, gelijk hij hun door zijne voorbeelden en woorden geleerd had, enz. Zij zullen zien, dat hunne zonden hem gekruist en allen smaad aangedaan hebben. De dronkaards en gulzigaards, dat zij hem door hunne overdaad gelaafd hebben met gal en azijn; de hoovaardige, dat hij door zijne hoovaardij aan Jesus eene doornen kroon op het hoofd gesteld heeft; de on-kuische, dat hij hem naakt gesteld heeft voor iedereen, en wreedeüjk gegeeseld, enz.

Hoe zullen de Joden gesteld zijn, die met zulk eene woede geroepen hebben: Kruis hem, Kruis hem.' Hoe Judas, die hem verraden hepft! Hoe Annas, hoe Caïphas, hoe de Opperpriesters, de Schriftgeleerden en Phariseërs, die zoo veel geweld hebben gebruikt om hem te doen kruisigen? Hoe zal Pilatus dit Kruis aanzien, en hoe verschrikt zullen zij al te gader wezen, die schuldig zijn geweest aan zijn dood ? En gij, Christenen met den naam, die vijanden geweest zijt van het Kruis van Christus, en die in uwe vleeschelijke en zinnelijke voldoeningen, eenen afkeer hebt gehad van zijne versterving, boetvaardigheid en vernedering, enz., welken schrik zal het aanschouwen van het Kruis, u aanjagen. Maar wat eer en wat troost zal er met het Kruis nederdalen in het hart der regtvaardigen, die het

133

ocr page 136

VAN HET LAATSTE

Kruis bemind en omhelsd hebben, en die door zijn kruis zijn zalig geworden.

Het zal, o Jesus! in dien dag eene allergrootste smart en schande zijn voor alle Christenen, die, in plaats van uw Kruis, de genoegens der wereld bemind hebben. Geef toch,, minnelijke Zaligmaker, dat ik van die ongelukkigcn niet zij, maar dat ik integendeel het Kruis, altijd beminne en omhelzc, en geheel mijn leven, gelijk uw Apostel, met u daaraan zoo vastgehecht blijve, dat ik mij nergens kunne keeren om u te vergrammen.

V. HOOFDSTUK.

Van de komst des regters.

De Regter zal te voorschijn treden, vergezeld van al de Engelen des Hemels, als de heirlegers en de hofstoet van dien ontzaggelijken koning. Met hem zullen komen zijne Apostelen, die te zamen met hem , volgens zijne belofte op troonen gezeten, de wereld zullen oordeelen. Zij zullen allen als door de lucht gevoerd worden, en naast Christus zal ook zijne heilige Moeder op eenen troon geplaatst worden. Het glorierijke Ligchaam van den Zaligmaker zal dat van alle heiligen in klaarheid overtrelïen, meer dan nu de zon al de sterren. De Engelen zullen komen, volgens Dionysius de Karthuiser, in zigtbare gedaanten van menschen, zoo schoon als vij die maar immer kunnen verbeelden, elk vol-

134

ocr page 137

EN ALGEMEEN OORDEEL.

gens zijne orde en waardigheid; want dewijl Christus ligchatnelijk zal versehij nen, zoo schijnt de rede te vereischen dat zijn gezelschap ook kome in eene ligchamelijke gedaante. De duivelen van den anderen kant zullen ligchamelijke gedaanten hebben, om van de zondaars gezien te worden. Hunne ligchamen zullen van vuur zijn, en door hunne leelijk-heid eene juiste afbeelding zijn van de boosheid en bedorvenheid dier gruwzame geesten.

Eene klaarblinkende wolk zal zich tot eenen troon schikken, op welken Christus zal neder-zitten. Zijn aanschijn zal liefelijk voor de zaligen, maar schrikkelijk voor de verdoemden zijn. De Regter zal onbewegelijk en onverbiddelijk zijn in zijn vonnis, en zijn oordeel strijken met de uiterste strengheid, zonder door de gruwzame ellenden der verdoemden, noch door hun gehuil en gekerm bewogen te worden.

De schrik zul zoo groot zijn, dat de verdoemden, het aanschijn des Regters niet kunnende verdragen, van zeiven in de hel zuilen willen springen als in eene schuilplaats. Het ware hun verdragelij ker, zegt de heilige Chrvsostomus, door duizende bliksems getroffen te worden, dan het aanschijn des Zaligmakers van hen afgekeerd te moeten zien. De H. Joannes beeldt ons dien schrik van de verdoemden af in zijne Openbaring op deze wijze: De Koningen der aarde, zegt hij, de prinsen, de hoofdmannen, de rijken, de •sterken: de slaven en vrijgeborenen verborgen zich in spelonken en in steenrotsen der gebergten, en zij zeiden tot de bergen en steen-

135

ocr page 138

VAN HET LAATSTK

rotsen, valt op ons, en verbergt ons voor het aanschijn van hem, die daar gezeten is op den troon.

De profeet Job was zoo vol van dezen schrik, dat hij tot God zeide: Wie zal mij geven, dat gij mij, o Heer! zoo lang in de hel verbergt, tot dat uw woedende toorn voorbij ml zijn. De verdoemden zullen nog-tans gedwongen zijn den Regter aan te zien, opdat daardoor hunne smart vermeerderd worde. De stralen, die uit zijne heilige wonden zullen komen, zullen zoete liefdestralen zijn voor de regtvaardigen; maar voor de verdoemden zullen ze wezen als gruwzame bliksems.

De duivelen met geheel hunnen aanhang, hoe zeer zij Christus ook haten, zullen gedwongen zijn hem te erkennen voor hunnen Heer en Koning en voor hem de knieën buigen, wiens H. Naam zij zoo menigmaal gelasterd hebben. Met wat eene schaamte zullen de Joden zien, dat hij dezelfde is die van hen zoo veel geleden heeft! wat zullen zij zeggen, die hem spotsgewijs gekroond, kaakslagen gegeven, in zijn aanschijn gespuwd, en hem gekruisigd hebben? En wat zullen de Christenen zeggen, die zoo weinig gevoel gehad hebben van zijn bitter lijden, en zoo weinig werk gemaakt hebben van zijn dierbaar bloed ? Ons hart behoorde te scheuren, als wij daarop denken.

Nevens Christus, den Regter, zal, gelijk wij gezegd hebben, zijne allerheiligste Moeder zitten, ook op eenen schitterenden troon, niet

436

ocr page 139

BN ALGEMEEN OORDEEL. 137

om te bidden voor de zondaars, maar tot hunne meerdere smart en schande, omdat zij hare voorspraak en haren bijstand niet waargenomen hebben, en ook opdat zij als de Moeder des Zaligmakers door geheel de wereld zoude erkend worden. Aan beide zijden zullen er insgelijks op blinkende wolken regterstoe-len zijn voor de Apostelen.

Alsdan zullen de boeken, dat is: het geweten van alle menschen, geopend worden, en zoo de goede als de kwade werken getoond worden aan geheel de wereld. De Regter, vol van een doorstralend licht, zal den aller-diepsten grond van al de gemoederen doorzien, en niets zal verborgen blijven. Al de Engelen, al de menschen en duivelen zullen uwe zonden zien, die gij nu tracht te verbergen.

Daar zullen gezien worden al de verkeerde inzigten, geveinsde deugden, de baatzucht, bedrog en veinzerij, waardoor de eene vriend den anderen bedrogen heeft, en somwijlen zoo heimelijk, dat men het aan niemand durfde vertrouwen, en zelfs beschaamd was te biechten. Hoe vele schijnheiligen, die nu van de wereld geëerd en geacht zijn, zullen daar verklaard worden voor groote booswichten! Hoe vele zonden van aanzienlijke personen zullen daar ontdekt worden! Hoe vele overspelen van mannen en vrouwen en andere gruwelijke zonden des vleesches; en wat eene onuitsprekelijke schaamte zal dit alles veroorzaken! Hoe smart het u niet. als uwe fouten maar kenbaar worden aan twee 21 5*

ocr page 140

VAN HET LAATSTE

of drie personen; velen zouden sterven van spijt, indien hnnne ouders of huisgenooten wisten hetgeen zij in het geheim gedaan hebben. Maar op dat oogenblik zullen het niet alleen de huisgenooten weten, maar geheel de wereld zal alllt;js duidelijk zien.

Doch al is het dat de zonden der zaligen daar ook gezien worden: daar nevens zal gezien worden hunne boetvaardigheid en het leedwezen, dat zij daarover gehad hebben, te zamen met het voordeel, dat zij daaruit getrokken hebben. Dus zal hun dit tot geene schaamte zijn, want hunne zonden zullen gezien worden als uitgewischi en vergeven. De koning David, bij voorbeeld, de zondares van het Evangelie, de Apostel Petrus, de H. Augus-tinus, enz. schamen zich niet dat hunne zonden nu bekend zijn aan geheel de wereld, en dat zij daar zoo dikwijls herhaald worden. De vreugd van eenen zieke na de genezing, en ook de eer van den geneesheer is zoo veel te grooter, hoe zwaarder de ziekte is geweest. Vervolgens hoe grooter de schande was voor de zaligen, dat zij zondigden, zooveel te meer eer zal het hun wezen, dat zij zijn opgestaan, en het zal een deel van hunne blijdschap uitmaken, als zij met liefde en dankbaarheid gedenken, dat hunne zonden door de boetvaardigheid zijn afgewasscher en gereinigd in het bloed van het Lam. Ook zullen zij zich eeuwig over de goddelijke goedheid verwonderen, die zoo veel goed heeft weten te trekken uit hun kwaad. Zij zullen daarom ook van andere Heiligen niet minder geacht

138

ocr page 141

EN ALGEMEEN OORDEEL.

worden, al waren zij de grootste zondaars der wereld geweest; integendeel dit zal de Heiligen opwekken, om God meer te loven over zijne barmhartigheid, en om zich met die gelukkigen zoo vee' te meer te verheugen, naarmate zij in grooter gevaar geweest zijn.

Van den anderen kant zullen daar ook al de goede werken der zaligen, de heilige gedachten, de zuivere meeningen, en vele goede werken die de wereld niet kende en voor dwaasheid aanzag, geopenbaard worden. Al de deugden zullen er vertoond worden met hare schoonheid, gelijk al de zonden met hare leelijkheid. Men zal daar zien boe treffelijk het is, zich klein te houden als men groot is; te zwijgen als men gelasterd wordt, en te vergeven, als men verongelijkt wordt, Christus te dienen en na te volgen, enz. Daar zal het ook blijken hoe schroomelijk het is, anderen te verdrukken en leed aan te doen; want aldaar zullen de klagten aangehoord worden van al die ongelijk hebben geleden. Alsdan zullen de regtvaardigen met groote standvastigheid, zegt de H. Geest, staan tegen degenen, die hen verdrukt, benaauwd en hunnen arbeid ivcggenomen hebben.

Hoe 'zal daar een koning of een magtige verslagen staan, als hij zijn dienaar zal verheven zien onder de Engelen, en zich zeiven vernederd onder de duivelen? Wat zullen de dwingelanden zeggen., als zij de glorie der Martelaren zien, die zij hier gepijnigd en wreed gedood hebben? Wat zullen zij zeggen, die de arme weduwen en weezen verdrukt heb-

139

ocr page 142

VAN HKT LAATSTE

ben, als zij deze tot hunne regters verheven zien. Hoe verbaasd zullen de rijken staan, als zij de arme verdrukte menschen, die zij hier voor zoo ongelukkig en ellendig aanzagen, met Christus in de glorie zullen zien, en zij nu integendeel zich zeiven in de uiterste ellende en den uitersten druk bevinden. Dit ziende, zegt de H. Geest, zullen zij verbaasd zijn door eenen gruwelijken schrik, zeggende hij zich zeiven: Deze zijn het, die wij tot spot hielden. Wij uitzinnigen: zagen hun leven voor dwaasheid aan, en hun einde voor eerloos. Ziet, hoe zij nu gerekend worden onder de kinderen Gods, en hun erfdeel onder de Heiligen is. Helaas! wij hehhen dan gedoold van den weg der waarheid, het licht der regtvaardigheid heeft ons niet beschenen, en de zon van wijsheid is voor ons niet opgegaan.

Jesus! geef mij toch verstand en wijsheid, doe mij die doordringende waarheden nu hegrijpen, dat ik er voortaan naar leven moge om onder het getal van die ongeluk-kigen niet te zijn, maar gerekend te worden onder uwe kinderen, die in alle eeuwigheid icw aanschijn zullen aanschouwen.

VI. HOOFDSTUK.

Christus zelf zal het vonnis uitspreken.

Ten laatste zal Christus met eene heldere stem het vonnis uitspreken: eerst over ie regtvaardigen, tot meerdere pijn van de ver-

440

ocr page 143

EN ALGEMEEN OORDEEl.. 141

doemden, die zicli zeiven beroofd zullen zien van dit overgroot geluk, dat zij ook hadden kunnen bekomen door wel te leven. Christus zal dan met eene groote liefde tot de eerste zeggen: komt gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid gemaakt is van het begin der wereld: want ik heb honger gehad en giï hebt mij gespijsd : ik heb dorst gehad, en gij hebt mij te drinken gegeven: ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd: ik was naakt, en gij hebt mij gekleed; ziek, en gij hebt mij bezocht, enz. Wie zal uitspreken met wat eerbiedige liefde de gelukzaligen Christus zullen aanbidden en erkennen, omdat zij verheven zijn tot dit groot geluk door de verdiensten van zijn H. Bloed! daarna zal Christus de zondaars aanzien in zijnen toorn met vlammende oogen, en tegen hen stralen van bliksems uitschieten, uitdonderende dit vervaarlijk vonnis: Gaat van mij vervloekten in het eeuwig vuur, enz. Ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet gespijsd, enz. O schrikkelijk vonnis, dat hemel en aarde zal doen beven! Al de Engelen te zamen met al de Heiligen zullen het vonnis van den oppersten Regter prijzen en hoog verheffen: en de verdoemden zeiven zullen moeten belijden dat het regtvaardig is.

Die dag zal de blijdste dag zijn voor de zaligen en de bitterste voor de verdoemden, geen hemel was ooit zoo schoon, als het liefelijk aanschijn van den loonenden Regter, geen geluid zoo zoet, als te hooren: Komt,

ocr page 144

VAN HET LAATSTS

gezegcnden enz. Geene hel was ooit zoo schromelijk als het grammoedige gelaat van den stralïenden Regter te zien, geen geluid zoo afgrijselijk als te hoeren: Gaat gij, vervloekten, en wie van ons bedenkt dit genoeg.

Eindelijk zullen de uitverkorenen met Chr■ tns ten hemel opvaren, en de vervloekten met de duivelen in de hel worden geworpen, waardoor in hen wederom eene dubbele foltering zal ontstaan: de eene, omdat zij de gelukzaligen zullen zien, en daar over beschaamd staan.

O wat eene zegepraal, als zoo vele prinsen met den koning door de lucht ten hemel varen! hoe schoon zullen de lauwertakken der onsterfelijkheid zijn, die zij in de hand zullen dragen! hoe schoon de kroonen, die op hunne hoofden zullen blinken! Wat zoet geschal zullen de negen kooren der Engelen aanheffen. Wat al vriendelijke gelukwen-schen zal men daar hooren! Aldus zullen zij met blijdschap klimmen boven de sterren tot in den oppersten hemel, waar zij zullen gesteld worden op de troonen van glorie, elk volgens zijne verdiensten.

Maar wat misbaar zullen integendeel de verdoemden maken? zij zullen huilen, kermen, op hunne tanden knarsen, en vol spijt en wanhoop zich zeiven en anderen vervloeken. Vervloekt, zullen zij roepen, is het uur, waarop wij ontvangen zijn! Vervloekt zijn de borsten, die wij gezogen hebben! Zij zullen als ra-zenden tegen Gods regtvaai digheid vloeken en uitvallen, als zij met liet verslindende vuur

142

ocr page 145

EN ALGEMEEN OORDEEL, I-SiS

zullen omringd -worden, als de aarde zal opengaan, en allen door eene goddelijke krachtin den afgrond worden gestort. Dan zal vol-bragt worden hetgeen de H. Joannes zegt, dat al degenen, die in het boek des leven» niet geschreven staan, zullen geworpen -worden in den poel van zwavel en vuur, om dag en nacht gepijnigd te worden met den Antichrist en al zijne valsche profeten.

O schromelijke dag! o vervaarlijke regta vaardigheid! welker schroom metaal en marmersteen zoude doen scheuren.

Niets is zoo zeker, o Jesus! als dat gij eens tegen mij zult zeggen: komt, gezegen-den, of gaat, vervloekten: en dat naar ik wel of kwalijk geleefd zal hebben. Geef toch, dat ik daarop altijd moge denken en christelijk leven, om daarna van u niet verstooten, maar met eene groote vriendschap tot u geroepen te worden.

VII. HOOFDSTUK.

Hoe voordeclig liet is dikwijls op het oordeel te denken.

Misschien zal het voor sommigen, die dooide vrees van Gods oordeel al te zeer ontsteld worden, raadzaam wezen, dat zij die overdenking wat matigen. Doch daar zijn er zeer weinigen, die deze behoedzaamheid noodig hebben, en een veel grooter getal menschen is pligtig voor God, omdat zij deze overdenking maar al te veel vergeten. De H. Basilüus noemt het oordeel de leermeester der Chris-

ocr page 146

TAN HET LAATSTE

tenen. De reden, dat een zondaar vele zonden doet, komt daarvan, zegt hij, omdat hij niet leeft onder het gezag en de berisping van (iezen zoo wijzen onderrigter. De overdenking van het oordeel doet ons ten 1. Zinken in onzen niet. 2. Zij verdrijft de liefde voor aardsche zaken. 3. Zij versterkt ons tegen de bekoringen. 4. Zij wekt ons op tot waken en bidden. 5. Zij doet ons de oordeelen der menschen, die wij ge-jvoonlijk te zeer vreezen, verachten. Gelukkia-hij, die, alle menschelijke oordeelen verachtende, God alleen maar vreest, als den getuiae van al zijne werken en gedachten.

Het was hierdoor, dat de H. Augu?tinus alle begeerte verdreef om van de menschen geprezen te worden. Die wil geprezen worden van de menschen, zegt hij, als gij hem, o Beer! misprijst, zal van hen met beschermd worden, cds gij hem zult oordeelen; noch door hen van uwe gramschap bevrijd worden, als gij hem zult verdoemen.

Dezelfde H. Vader zegt nog verder, dat wij te doen hebben met eenen strengen Regter, die ons oordeelen zal op de getuigenis van ons geweten, dat al de oordeelen van de menschen ons niet kunnen helpen of hinderen, en dat Gods oordeel alleen ons gelukkig, of ongelukkig kan maken.

De H. Kerk begint haar geestelijk jaar in den Advent, en zij eindigt het met aan de geloovigen voor te stellen het Evangelie van het oordeel: alzoo behoorden wij ook onze dagen, weken, ja, al onze werken te beginnen en eindigen met deze gedachte. De H. Au-

144

ocr page 147

EN ALGEMEEN OOEDEEL. 145

gustinus zeide tot het volk, dat hij hun bijna gedurig zoude moeten spreken over het oordeel. Wat een spoorslag zoude ons dit geven, om al onze werken te doen met groote zorgvuldigheid! Indien een -werkman wist, dat zijn werk doorzien zou worden van eenen ervaren meester, en getoond worden aan eenen koning, hoe zoude hij zijn best doen, om het wel te verrigten? Onze werken zullen eens doorzien worden van den allerhoogsten Meester, van den Koning der koningen, die ze doorsnuffelen zal, niet uit nieuwsgierigheid; maar om daarover een eeuwigdurend vonnis te strijken. Hoe moeten wij dan letten op ons zei ven en op aF onze werken. Ook is er niets zoo dienstig, om ons wel te doen oor-deelen over alle dingen, en voornamelijk bij de aanneming van eenen staat, waartoe men zich genegen vindt, of dien men ons voorstelt, als rijpelijk te overdenken, of het ons beter zal zijn voor Gods oordeel te verschijnen in dien staat, dan in eenen anderen, dien men zou kunnen aannemen, of te blijven in dien staat, waar men in is: want hetgeen ons beter zal zijn, is van nu af voor ons beter, en hetgeen ons alsdan zoude smarten en rouwen, moet van nu af aangezien worden als ongelukkig. Dit staat gelijk met alle andere mindere ondernemingen en veranderingen van staat, waartoe men zich genegen vindt.

Hoe velen zijn er niet zoo in geestelijke als wereldlijke bedieningen en ambten, die nooit in die verhevenheden, tot welke hun welligt de eer- of geldzucht gedreven heeft,

ocr page 148

VAN HET LAATSTE

zouden gekomen zijn, indien zij dit onderzoek te voren rijpelijk gedaan hadden?

Eindelijk, de gedachte aan het oordeel moet ons bewegen om nooit werken te doen, die ■wij niet willen dat daar gezien zouden worden; en indien wij misschien zulke werken gedaan hebben, om die nu uit te wisschen door eene waardige boetvaardigheid, en te vergoeden door de oefening van tegenovergestelde deugden. Het moet ons ten laatste ook bewegen om nu de gunst van den Regter te winnen met te leven naar zijne H. Leering: want, gelijk de H. Augustinus zegt: »I)ie Regter is de regtvaardigheid zelve: hij »zal zich niet laten winnen door gunst; h;j »zal niet bewogen worden door medelijden; »hij zal zich niet laten omkoopen door ge-Dschenken. Dat dan de ziel van nu af voor »zich zelve doe al wat zij kan, terwijl de stijd van barmhartigheid nog duurt, want «hiernamaals valt er niets meer te doen, »om dat de tijd der regtvaardigheid zal geko-»men zijn. Dat zij hier boetvaardigheid doe, »opdat de Regter haar vonnis nu nog veran-»dere. Dat zij aalmoezen geve, opdat zij de «zaligheid erlange. Dat zij hier barmhartigheid ))doe, om hiernamaals barmhartigheid te «verwerven.quot;

Wij weten, o Jesus! dat gij barmharthi zijt, maar dat er geene barmhartigheid meer daarna te bekomen zal zijn. Dus bidden wij u ootmoedig van nu af aan om vergiffenis van onze zonden, en om de genade van voortaan goede werken te oefenen en

ocr page 149

EN ALGEMEEN OORDEEL; W7

ons zeiven te veroordeelen, opdat wij dan van u niet veroordeeld worden.

BEMERKING

Op het voorgaande.

Nadat al die gruwelijke teekenen zullen voorafgegaan, en op het geluid van de trompet de dooden zullen verrezen zijn, zullen ze allen verschijnen op de bestemde plaats. De regtvaardige Regter zal door de bediening der Engelen de goeden van de kwaden scheiden, gelijk een herder de schapen afscheidt van de bokken. De goeden zal hij stellen aan zijn regter-, en de kwaden aan de linkerhand. De regtvaardigen zullen vol vreugde zijn, om het groote geluk, dat zij nu, vereenigd met hun ligchaam, gaan ontvangen, en daarom zegt Christus in het H. Evangelie hun allen: Als deze dingen beginnen te geschieden, ziet dan opwaarts, en heft uwe hoofden omhoog, want uwe verlossing is nabij.

Doch hoe zal die vreugd nog vermeerderen, als zij die zoete en vriendelijke woorden uit den mond van Jesus zullen hooren; Komt gezegenden mijns Vaders, enz. Maar de kwaden beven van vrees, en wenschen voor dien tijd begraven te liggen in het diepste der hel. Zij zullen eene onuitsprekelijke schaamte gevoelen, als hunne vuile zonden door alle men-schen zullen gezien worden, die zij, of alleen, of tusschen vier oogen bedreven hebben, en die zij uit schaamte aan hunnen biechtvader niet hebben durven belijden. Maar deze woor-

ocr page 150

14S VAN HET LAATSTE

den: Gaat vervloekten, enz., zullen voor hen een zoo vervaarlijke donderslag zijn, dat zij van schrik op het oogenblik zouden sterven, indien zij zoo gelukkig waren, dat zij nog sterven konden.

quot;Wie kan bedenken, wat groote vreugd de regtvaardigen naar ziel en ligchaam zullen genieten! In wat goede overeenstemming beide deelen zullen leven, die hier zich zeiven gezamentüjk verstorven, en naar de wet des Heeren geleefd hebben! Maar wie kan ook nagaan wat eene razernij de duivelen op de kwaden zullen uitwerken, en hoe de ziel en het ligchaam elkander zullen vervloeken, omdat zij hier hunne kwade lusten volbragt en te zamen den breeden weg bewandeld hebben.

Doch alles zal dan te laat zijn. Nu is het nog tijd, om aandachtig daarop te letten: nu moeten wij zorgvuldiglijk de wet des Heeren onderhouden, Jesus navolgen en vrij willig voor eenen korten tijd boetvaardigheid doen, om daarna niet gedwongen te zijn die voor eeuwig te doen.

Het is nu de tijd om blijmoedig aalmoezen te geven naar ons vermogen, om daarna barmhartigheid te bekomen, volgens den wijzen raad, dien de oude Tobias aan zijnen zoon. gaf, hem de voordeelen daarvan voorhoudende met deze woorden: Gij vergadert daardoor eenen grooten schat van vergelding tege.i den dag des noods; dewijl de aalmoes van alle zonden en van den dood bevrijdt, en niet toe zal laten, dat de ziel tot de duisternis gaat. En opdat zijne woorden eenen

ocr page 151

EN ALGEMEEN OORDEEL.

grooteren indruk zouden doen op het gemoed van zijnen zoon, zoo roept hij eindelijk uit:

O wat een groot vertrouwen zal de aalmoes voor den allerhoog sten God geven aan al degenen, die ze geven!

Docti wij moeten bovenal trachten eenegroote liefde te hebben tot God; want het is deze liefde, gelijk de H. Joannes zegt, die ons een groot vertrouwen zal geven in dien vervaarlijken dag. Hierin bestaat de volmaaktheid van onze liefde tot God, zegt hij, dat zij ons groot vertrouwen doet hebben in den dag des oordeels.

De gedachte aan het oordeel heeft velen bewogen om menigvuldige goede werken te oefenen, de wereld te verlaten, en strenge boetvaardigheid te doen

De H. Pelagia, die te voren eene groote zondares geweest was, haar voorgaand leven verfoeijende, vertrok, om het oordeel in hare gedachten te hebben, en zich zelve daardoor tot boetvaardigheid op te wekken, naar Palestina, alwaar, volgens het algemeen gevoelen, het oordeel geschieden zal. Zij sloot zich op in eene enge kluis, in welke maar een klein venstertje was, hetwelk zij telkens opende, wanneer zij in haar hart eenige kwade gedachte gewaar werd, of zich tot traagheid en vadzigheid genegen gevoelde en zij zeide alsdan bij zich zelve: Stem ik hierin toe, neem ik behagen in die vuile verbeeldingen, voldoe ik mijne zinnelijkheid, bemin ik het gemak, zoo zal ik hier moeten hooren: Ga vervloekte, enz. Aldus overwon zij die kwade

149

ocr page 152

150 VAN HET LAATSTE OORDEEL.

genegenheden, en zij ging in haar streng leven kloekmoedig voort.

Doe ons, o Jesus! dikwijls op het oordeel denken, en daardoor aangespoord worden, om alle kwade lusten te overwinnen, en gedurig voort te gaan in de deugd, tot dat wij komen tot u, die ons opperste goed, ons eenig geluk zijt.

ocr page 153

VAN DE HEL

EN HAKE SCHRIKKELIJKE PIJNEN,

EERSTE HOOFDSTUK.

Wat de hel is.

De H. Geest, spreekt ons zoo in het oude als in het nieuwe Testament, zeer dikwijls van de hel. Hij dreigt de zondaars met die vreeselijke plaats: hij noemt ze den diepen kuil; een en poel van zwavel en vuur; de plaats der tormenten, enz. Zij is gelijk eene vurige zee, en een afgrond van brandende zwavel en pek. Het is de kerker van Gods regtvaardigheid, zij is eene zoo leelijke en gruwzame plaats, dat al wat op aarde schromelijk is, als: de vuurspuwende bergen, de moord-plaatsen der dwingelanden, en de afgrijselijkste kerkers daarbij niet eens kunnen vergeleken worden.

De hemel is de plaats van alle vreugd; de hel is de plaats van alle pijnen. Niet ééne foltering alleen, niet tien, niet twintig, zullen de verdoemden overvallen, maar eene menigte zonder einde en zonder getal. In de zaligen zal er niets wezen, zoo binnen als buiten hen dat hun niet eene bijzondere vreugd zal aandoen, en in de verdoemden, zoo binnen als buiten hen, zal er niets wezen, dat hen niet zal pijnigen. Al de schepsels zullen tegen hen opstaan en hun op eene zekere wijze folteren. De glorie

ocr page 154

VAN DE HKL

des hemels is zoo groot, dat ze nooit oog gezien, noch oor gehoord heeft, en dat nooit de gedachte daarvan in 's menschen hart opgekomen is. Zoo ook, gelijk de H. Chrysostomus zegt, zijn de tormenten der hel zoo groot, dat ze nooit oog gezien, nooit oor gehoord heeft, en dat nooit de gedachte daarvan in het hart van den mensch is opgekomen.

Zeker oud schrijver, schuilende onder den naam van den H. Cynllus van Jerusalem, ;e vinden onder de onechte werken van den H. Augustiuus, maakt gewag van een persoon, die door de verdiensten van den H. Hierony-mus van den dood zoude verwekt zijn en onophoudelijk weende, en zegt: Ik vraagde hem, waarom hij zoo weende, en na veel vra-gens gaf hij eindelijk dit antwoord: indien gij wist, wat ik beproefd heb, gij zoudt nooit ophouden met weenen: want wat pijnen meent gij, dat God bereid heeft, niet alleen voor de verdoemden, maar ook voor die in het vagevuur zijn? Waarop ik antwoordde; Ik geloof, dat ze meer zijn als de pijnen van dit tegenwoordig leven. Doch hij zeide: indien al de pijnen, die in de wereld zijn, vergeleken wer-tlen bij de minste pijn die daar is, zij zouden eene vertroosting schijnen. En al wie leeft en die pijnen door ondervinding kende, zoude liever gepijnigd worden tot het einde tier wereld toe met al de menschen, die van Adat i af tot nu toe in het bijzonder geleden hebben, als één dag gepijnigd te worden in de hel ut in het vagevuur met de minste pijn. Dus verwonder u niet, dat ik zoo ween; maar ver-

152

ocr page 155

}

EN HAKE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 153

'og f wonder u, dat de mensch zoo gerust leeft:

oit !{ zinder vrees van in die pijnen te vallen, en

'p- f zonder zorg om die te ontgaan. O kerker! o

us |j diepe kuil! gesloten met duizend ijzeren traliën!

at B o, al ware de hel niets anders, dan eeuwig rt, ! gesloten te zijn in dezen kerker, het zoude rt S reeds eene afgrijselijke zaak zijn, en wie zou, om daarvan bevrijd te zijn, niet roepen met ■M Augustinus en met vele heiligen na hem:

e Brand hier, o Heer! kap en kerf hier,

I. maar spaar mij in eeuwigheid!

i, Uwe Heiligen, o God! hebben dan met

reden alle voldoening der zinnen gevlugt, i- ! - boetvaardigheid gedaan, en naar lijden ge-e wenscht, door de gedachte aan de hel. Geef

ons toch ook deze gevoelens, opdat wij daarna i in die rampzalige plaats niet komen.

II. HOOFDSTUK.

Twee soorten van pijnen, die de verdoemden in de liel lijden.

De zondaar keert door de zonde den rug tot God, en het aangezigt tot de schepsels. Hij doet eene dubbele boosheid; hij verlaat God, die de opperste goedheid is, en hij hangt de schepselen aan, die slechts boosheid , nietigheid en vuiligheid zijn; God klaagt hierover door den mond van den profeet Jeremias: mijn volk heeft twee ondeugende dingen gedaan, zegt hij, zij hebben mij verlaten, die de bron der levende waters ben: en zij hebben zich waterbakken uitgehouwen, gebarsten waterbakken, die geen water konden houden:

ocr page 156

VAN DE HEL

■waardoor duidelijk de nietigheid en slechtheid der schepselen wordt bedoeld. Het verlaten van God wordt in de hel gestraft door de berooving van Gods aanschijn. De straf wordt genoemd de straf van schade en verlies.,.. De neiging tot de schepselen wordt gestraft door de ligchamelijke pijnen en folteringen, en deze wordt genoemd de straf des gevoels. En gelijk de zondaar gezondigd heeft met ziel en ligchaam, zoo wordt ook de zoade gestraft in al de ledematen van zijn ligchaam, maar vooral in de ledematen, die meer in het bijzonder tot de zonde gediend hebben. Doch ofschoon de straffen der hel ontelbaar zijn, zullen wij hier slechts die straffen behandelen, die meer onder het bereik der zinnen vallen.

Doorsteek, o Jesus! terwijl wij over die schrikkelijke pijnen handelen, ons vleesch met uwe vrees; opdat wij altijd van de zonde wederhouden worden.

III. HOOFDSTUK.

De eerste pijn: liet helsche vuur.

De pijn van het vuur is het grootste onder al de pijnen der wereld. God heeft bij het begin der wereld een vuur geschapen, als liet werktuig van zijne regtvaardigheid, om de afgevallen Engelen en de zondige menschen te straffen. Daar nu de menschen de vervaarlijke pijnen, die het vuur veroorzaakt, zeer wel kennen, trachten zij meestal die pijnen yan bet helsche vuur te verminderen dooi'te

154

ocr page 157

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 155

zeggen, dat het slechts een geestelijk vuur is, terwijl zij zich inbeelden dat dit veel minder is. Dit hebben ook sommige ketters

geleerd onder inblazing van den duivel, om door deze quot;ingebeelde vermindering van de pijnen der hel den mensch te geruster in zijne zonden en zijn wellustig leven te houden. Het vuur van de hel is een ligchamelijk vuur; want Christus maakt duidelijk onderscheid tusschen de dgchamelijke pijn van het vuur en de geestelijke pijn des harten, als hij zegt: Waar hel vuur niet wordt ultgebluscht, en hun worm niet sterft.

Zij zullen, zegt de H. Bernardus, gepijnigd worden door het vuur in hun ligchaam, en door den worm des gewetens in hunne ziel.

Doch al is het dat dit vuur oak zeer overeenkomstig is met het vuur van deze wereld, het is nogtans zeer verschillend in eenige eigenschappen.

Ten 1. het vuur der hol is een donker vuur; het brandt zonder te lichten.

Ten 2. liet gaat nooit uit, en het heeft geen voedsel noodig. De verschrikkelijke bergen Vesuvius en Etna zijn tot nog toe vol vuur; zij branden immer voort, niettegenstaande zij reeds zoo lang gebrand hebben, maar zij zullen eindelijk eens uitgaan of instorten bij gebrek aan voedsel: ook zijn zij maar eene flaauwe afbeelding van het vuur der hel, schoon zij bij vele schrijvers de mond der hel genoemd worden.

Ten 3. het verschilt van het vuui der aarde |n kracht en geweld om te pijnigen. Het is een

ocr page 158

VAN DE HEL

vuur, dat God ontstoken heeft in zijnen toorn om de zondaars te straffen, en waarvan hij zegt: Baar is een vuur ontstoken in mijne verbolgenheid, en het zal branden tot in het diepste der hel. Het is een vuur, dat niet alleen eene natuurlijke, maar ook eene bovennatuurlijke kracht om te branden zal hebben, want het brandt niet alleen de ligchamen, maar ook de geesten, als: de duivelen en de verdoemde zielen. Hoe dit geschiedt, moeten wij niet nieuwsgierig onderzoeken. Het geschiedt, gelijk de H. Augustinus zegt, op eene wonderbare, maar waarachtige wijze.

Ten 4. het verschrikkelijkste van al is, dat dit vuur brandt zonder de gebrande zaak te vernietigen. De verdoemden zullen altijd branden zonder vernietigd te worden. Zij zullen, zegt Christus, door het vuur gezouten worden, gelijk de slagtoffers gezouten worden doe r het zout. Gelijk het zout bijt en doordringt in het vleesch, en het bewaart van bederf, zoo ook bijt en doordringt het vuur der hel de verdoemden, en bewaart ze opdat zij niet vernietigd worden; en gelijk de slagtoffers in de oude wet moesten gezouten worden met zout, zoo zijn de verdoemden als slagtoffers van de goddelijke regtvaardigheid, die gezouten worden met het zout van het helsche vuur, dat hen zal bewaren en in wezen houden. Wie zal dit begrijpen? Wie zal dit uitspreken? Wat is toch het vuur der aarde, vergeleken bij het helsche vuur? eene kleine beek, vergeleken bij eene volle zee, en, gelijk veel leeraars zeggen, een ge-

156

ocr page 159

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 157

schiklerd vuur; zoodat, indien een verdoemde uit de hel in dit aardsche vuur mopt komen, het hem eene verkoeling zoude zijn. Met reden dan vraagt de Profeet Isaïas met verbaasdheid aan de zondaars; Wie van u zal kunnen wonen met een verslindend vuur1? wie van u zal kunnen huishouden met den eeuwigen brand? Helaas het branden van eenen vinger alleen is hier ondragelijk, het branden van eenen arm of been is onverdragelijker, en nog meer het branden van geheel het ligchaam. En wat is dit alles bij het branden van ziel en ligchaam te zamen in het helsche vuur! . Elkeen is verschrikt als hij de folteringen leest of hoort, die sommige dwingelanden gebruikten, om de Martelaars te pijnigen en te doen bezwijken: om maar iets te noemen, zij staken hen naakt in eenen metalen gloeijenden stier, om ze daarin te braden. Indien gij een mensch in eenen ketel vol gloeijend metaal of ziedende pek en zwavel zaagt werpen, en dat hij daarin door Gods toedoen eenen ge-heelen dag bleef leven, zoudt gij er niet van ijzen? en nog meer indien hij daarin eene week, een jaar, ja, duizend jaren bleefleven? En wat ware dit, vergeleken bij de eeuwige pijnen der hel? schier een niet. Als een misdadiger door het geregt is veroordeeld om levend verbrand te worden, is geheel de stad in droefheid; en allen die de straf zien volbrengen, zijn ten uiterste verschrikt om de smartkreten en het gejammer, dat de lijdendein het vuur doet hooren, maar indien zij eens de folteringen za^en die een verdoemde in de hel lijdt, zij

ocr page 160

VAN DE HEL

zouden wel anders verschrikt en verbaasd zijn.

Om hunne pijnen nog te vermeerderen zullen de verdoemden van de hitte in de koude, en van de koude in de hitte gebragt worden. Christus zegt: Daar zal geschrei zijn en geknars der tanden. Door het geschrei geeft hij te kennen de hitte, door het geknars de koude.

Doch al is het helsche vuur altijd even krachtig en geweldig, toch zal het den eenen verdoemde meer pijnigen dan den anderen, naar mate hij meer en zwaarder gezondigd heeft. Hoe meer doodzonden iemand gedaan heeft en met hoe meer drift en vrijwilligheid, hoe meer vermaak en voldoening hij daarin genomen heeft, zoo veel te meer zal dit wraak-nemende vuur hem pijnigen. Kveneens, hoe meer iemand, vóór dat hij in zonde viel. God gekend heeft, en meerdere genaden en weldaden had ontvangen, zoo veel te zwaarder zal zijne verdoemenis zijn.

De verdoemden zullen ook gepijnigd worden volgens de hoedanigheid hunner zonden. De hoovaardige, bij voorbeeld, die door zijne eerzucht de ijdele eer van deze wereld heeft nagejaagd en zich in waardigheden en ambten ingedrongen heeft, zelfs waartoe hij onbekwaam was, zal gepijnigd worden door smartelijke vernederingen en versmaadheden. De onkuische, die hier van een onzuiver vuur gebrand, en de schandelijke vuiligheden bemind heeft, zal ook door afgrijselijke vuiligheden en door eenen felleren brand gepijnigd worden.

En indien iemand, die maar ééne onkuisch-heid bedreven heeft, zonder daarover boet-

158

ocr page 161

ÈN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 159

vaardigheid te doen, dien feilen brand en helschen stank en die vuiligheden zal moeten lijden, hoe zal het dan gaan met hem, die geheel zijn leven in die schandelijke vuiligheden heeft doorgebragt?

Zeg dan niet, o onverstandig mensch! indien ik wist, dat ik toch verdoemd zoude zijn, ik zou den vollen toom geven aan mijne kwade lusten; want behoudens dat uwe verdoemenis zoo veel te zwaarder zoude zijn, zoo sluit die drift tot de zonden de deur van Gods barmhartigheid, die u van de verdoemenis verlossen zou.

Zeg dan liever, gelijk een II. Kluizenaar, wien de duivel in eene valsche gedaante, als van Gods wege, wilde komen wijsmaken, dat hij te vergeefs God beminde en diende, want dat hij verdoemd zoude zijn. Indien ik dan, zeide hij. God niet meer zal kunnen dienen en beminnen na mijnen dood, ik zal het zoo veel te meer doen- zoo lang ik leef en zoo lang ik kan.

De gedachte aan die schrikkelijke foltering van hot helsche vuur heeft velen bewogen om vrijwillig en als zonder pijn, zeer groote pijnen te lijden. De H. Joannes Climax verhaalt van eenen kok, die voor vele Monniken de spijs moest bereiden, dat hij, eens gevraagd, hoe hij in den heeten zomer nog bovendien die groote hitte van het vuur kon verdragen, ten antwoord gaf: Als ik het vuur zie en zijne hitte gevoel, dan denk ik op het vuur der hel, en dan heb ik er geene pijn meer van.

Het ware goed dat velen aldus op het helsche vuur dachten; zij zouden hierdoor

ocr page 162

VAN DE HEL

aangespoord -worclen om alle andere pijnen gaarne te lijden, en het vuur der onkuisch-heid uit te blusschen; maar helaas! hoe weinigen overwegen ooit aandachtig deze zoo waarachtige spreuk: Voor kort vermaak, een eeuwig vuur.

Waarlijk, o Jesus! zeer weinigen overdenken die ivoorden aandachtig, en dit is de oorzaak dat zij de waarheid daarvan ondervinden vóór dat zij die begrepen hebben. Verlos ons toch van dit ongeluk; maar doe ons dit integendeel dikwijls en rijpelijk overwegen, opdat wij daardoor alle vergankelijke genoegens mogen verfoeijen en u onophoudelijk mogen beminnen.

IV. HOOFDSTUK.

De tweede pijn: de knagende worm.

Onder al de pijnen, zegt de H. Angustimis, die den mensch overkomen, is er geene grooter e, dan de wroeging van een boos geweten.

Die knagende worm moet wel een schrikkelijke foltering zijn, daar Christus in een en hetzelfde sermoon, sprekende van de verdoemden, tot driemaal toe deze woorden herhaalt: Hun worm zal niet sterven.

Zoo vele zonden als de mensch doet, zoo vele wormen zullen zijne ziel doorknagen. In dit leven is die knaging zoo geweldig niet, want zij wordt verdoofd door vele dingen, als: door lezingen, door handwerk en door eenige zamenspraken, door heen en weder te loopen en te reizen, door den slaap en andere bezigheden. Maar in de liel zal zij onbedea-

160

ocr page 163

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 461

kelijk grooter zijn, en daar is noch rust, noch slaap, noch troost te vinden. Dus zal die worm daar dag en nacht knagen, wat aan de verdoemden eene onuitsprekelijke smart zal veroorzaken.

Deze knaging zal voortkomen ten i. uit het verlies van de eeuwige glorie. Het is gedaan: de verdoemden zijn den hemel kwijt voor eeuwig; daar is geene hoop meer, en zulk eene glorie hebben zij verloren door een kort en klein vermaak. De deur is voor hen gesloten zoo van den hemel als van de hel. De zondaars, zullen de glorie zien van hen, .die zij veracht hebben, tot hunne grootere pijn, zegt de heilige Gregorius, ziende wat zij verloren hebben. Het knagen van het geweten zal die ellendigen, gelijk een razende hond, met een gedurig gehuil, bijten en drijven tot razernij. De zondaar zal het zien, zegt David, hij zal gram worden, hij zal op zijne tanden knarsen en hij zal verdorren. Ten iJ. Het geweten zal den verdoemden verwijten, dat zij de goddelijke genaden en inspraken niet waargenomen hebben, en dat zij verloren zijn gegaan door hunne onachtzaamheid en lafhartigheid. Hoe dikwijls, zal het zeggen, hadt gij moeten bidden, waar gij meer genegen waart tot slapen of spelen, en als gij nog badt, was het vadzig en traag. Hoe dikwijls hadt gij niet moeten vasten ? maar gij wildet liever uwe lusten en uwe gulzigheid voldoen. Hoe dikwijls hadt gij niet aalmoezen kunnen geven, maar gij hebt liever uwe gierigheid gevolgd, en nu moet gij alles be-21 6

ocr page 164

VAN DE HEL

talen. Hoe dikwijls zijt gij vermaand en gebeden gewoiden, om aan uwe vijanden eenig ongelijk te vergeven en het geschil met eene christelijke liefde bij te leggen? en gij hebt niet gewild. Hoe dikwijls hebt gij werken van liefde, van vernedering, van versterving kunnen doen, en gij hebt die verzuimd. Hoe dikwijls hebt gij de heilige Sacramenten kunnen ontvangen, een sermoon of vermaning aanhooren, en het heeft u niet gelust. Hoe ligtelijk hebt gij de gelegenheid van zonde kunnen vlieden, en gij hebt niet gewild. Hoe duur moet gij nu die kleine voldoening be-koopen? Zie, rampzalige, zal het geweten zeggen, hoe gij den hemel verloren hebt! Gij kondt voor eeuwig zalig zijn met de Engelen in de eeuwige vreugd, en cm een kort vermaak hebt gij dit alles verloren. Waar is nu de eer, waar is nu de winst, waar zijn die wellusten? Ach! het smart ons als de dood, daarop te denken. Wanhoop nu, huil en kerm nu honderdmaal, ja duizendmaal op één uur, het is al te vergeefs.

Ten 3. Het geweten toont hun de opgehoopte menigte hunner zonden; al hunne kwade gedachten, kwade begeerten, enz., die al te gader voor hunne oogen staan, en die zij ver-foeijen, maar te laat. Zoo vele zonden, zoo vele knagingen en folteringen. Zij verfoeijen hunne dwaasheden en ijdelheden, en overtolligheid in kleederen en huisraad, en al hunne ijdele glorie. Zij vervloeken als razen-den hunne gierighe'd, hunne overdaad, hunne wulpschheid, en zij roepen met een allei oit-

162

ocr page 165

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 163

terst gehuil: Al deze dingen zijn voorhij ge-cjaan gelijk een schaduw, wij zijn verdwenen in onze boosheid.

Ten 5. De worm van het geweten knaagt, om dat zij hunnen tijd verkwist hebben, die hun verleend was om hunne zaligheid te winnen, en nu roepen zij: O tijd! o allerkostelijkste zaak! o gulden dagen! o dierbare uren! gij zijt dan vervlogen voor alle eeuwigheid! o wij, blinden en uitzinnigen, waartoe zijn wij gekomen?

De gedachte aan den knagenden worm in de hel heeft aan sommigen groot voordeel gedaan. De abt Olympius woonde in eene enge kluis, die doorbrand werd van de hitte der zon, en alwaar hij gedurig doorstoken werd door vliegen en muggen. En gevraagd zijnde hoe hij al die pijnen kon lijden, gaf hij ten antivoord: Ik verdraag die om van de eeuwige pijnen vrij te zijn. Ik lijd het hij ten der vliegen en muggen, om den eeuwig knagenden worm te ontgaan, en do hitte der zon, uit vrees van de eeuwige vlammen. Deze pijnen zijn hier kort, maar die van do hel zijn eeuwigdurend.

Het grootste deel der menschen vermijden nu zulke gedachten; zondigen er vrijelijk op, en leven zonder wroeging, en aldus dalen er met menigten in de hel.

Een dokter van Parijs openbaarde zich aan den Bisschop dier stad, en zeide, zoo als Pater Nieremberg verhaalt, dat hij verdoemd was. De Bisschop vraagde onder anderen, of hij in de hel ook al zijne geleerdheid verloren had? Ik weet maar drie dingen, zeide hij, ten 1.

ocr page 166

quot;VAN DE HEL

dat ik eeuwig verdoemd ben, ten 2. dat mijn vonnis onherroepelijk is, ten 3. dat ik beroofd ben van het goddelijk aanschijn om de wellusten der wereld. Hij vraagde dan ook aan den Bisschop: is er nog eene andere wereld? De Bisschop vroeg, waarom hij dit vraagde. Omdat er, zeide hij, dezer dagen zoo eene menigte zielen in de hel gedaald zijn, dat men zou twijfelen of er nog op de wereld waren.

Het is het gevoelen van den H. Basilius, dat er in de hel eene overgroote menigte van venijnige en vleeschetende wormen zullen zijn, die de verdoemden onverdragelijk zullen pijnigen en nooit zullen kunnen verzadigd worden. De H. Anselmus zegt, dat er onsterfelijke wormen, slangen en draken zullen zijn, schromelijk om te zien, die in de vlammen zullen krielen, gelijk de visschen in het water.

De duivel waakt en wij slapen nu; maar als het geweten zal ontwaken, zal het niet meer kunnen in slaap vallen, maar knagen en pijnigen in eeuwigheid.

Verlos ons toch! o Jesus! van die valscho rust; laat ons nu den knagend n worm gevoelen. ontsteld worden en hoetvaa'digheid doen, opdat wij alsdan, van de k naging bevrijd zijnde, u eeuwig mogen Iovk-u en zegenen.

V. HOOFDSTUK.

De derde pijn: de duisternis.

Behalve de inwendige duisternissen var de ziel, die de verdoemden zullen lijden, zjllen

464

ocr page 167

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 165

zij ook lijden in de ligchamelijke duisternissen, die Christus noemt de uiterste duisternissen. De duisternissen van Egypte waren schromelijk; zij duurden drie dagen, en waren zoo dik, dat zij konden getast worden. De eene mensch zag den anderen niet, en niemand durfde zich van zijne plaats begeven. Tus-schen de duisternissen vertoonden zich zeer leelijke monsters, die den Egyptenaren eenen grooten schrik aanjoegen. Maar de duisternissen der hel gaan die oneindig te boven, zoo om de donkerheid van de plaats, als om het helsche vuur, wat niets geeft dan een duister en vervaarlijk licht. In eeuwigheid zullen de verdoemden geen licht meer zien in die vervaarlijke vlammen, maar niets anders dan verdoemden, duivelen en helsche monsters, en niemand kan den ijsselijken schrik uitspreken, die hen bevangen zal. O nacht! gedompeld in de eeuwige duisternissen, al waai de regtvaardige God wraak neemt over zijne vijanden, wie kan u beseffen! O nacht, waarna geen dag meer volgt! O ellendige kerker! O vreeselijke duisternis, waarvan geene gelijkenis op de wereld gezien of gedacht kan worden!

O genadige God! o licht, dat alle menschen verlicht, wij hidden u, verlicht ons toch inwendig en verdrijf uit ons alle duisternissen der zonde, opdat ivij, daarvan bevrijd zijnde ook de eeuwige duisternissen mogen ontgaan, en in alle eeuwigheid in uw licht het licht mogen aanschouwen,

ocr page 168

VAN DE HEL

YL HOOFDSTUK

Dc vierde pijn: het geschrei, waardoor de ooren gefolterd worden.

Hoe dikwijls zegt Christus niet: Daar zal geschrei zijn en geknars der tanden.' De verdoemden zullen als wanhopige en razende rnenschen roepen, huilen en knarsetanden. Zij zullen God en zijne Heiligen lasteren en vervloeken met eeuwige vervloekingen; zij zullen zich zeiven vervloeken, en hunne medepligti-gen met al de verdoemden.

De zoon zal zijnen vader vervloeken; de vader zijnen zoon; do dochter hare moeder, en de moeder hare dochter; zij zullen hunnen geboortedag en al de andere dagen huns levens vervloeken met ijsselijke verwenschingen. Zij zullen elkander verwijten, dat zij de oorzaak geweest zijn van hunne verdoemenis. En de duivels zullen voornamelijk aan de Christenen verwijten al de genaden, die zij ontvangen hebben. Wat zal dan dit een geschrei en gehuil wezen van zoo vele millioenen verdoemden, dat in eeuwigheid geen einde zal nemen! Nooit oor heeft zoo iets gehoord, geene woorden kunnen het uitspreken, en geene gedachten begrijpen.

Gelijk al de zinnen der zaligen verheugd zullen zijn door eene heilige en bijzondere blijdschap, zoo zullen ook al de zinnen der verdoemden gepijnigd worden met bijzondere folteringen. De zaligen zullen in het gehoor verheugd worden door een hemelsch ge/ang, en de verdoemden gepijnigd door het heLch

166

ocr page 169

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN, 467

getier; want de ooren zullen niet alleen gepijnigd worden door het vuur, maar ook dooi het gehuil. Beeld u eens in, dat er duizena rnenschen waren, elk aan een kruis genageld, geplant in het midden der vlammen, die daar eenen geheelen dag in leefden, en nog andere duizend, die, geradbraakt zijnde, levend op het rad bleven liggen, wat een ellendig geschreeuw en gehuil zouden zij maken! en wat zijn duizend gekruisten bij duizendmaal duizend rampzaligen? Of wat zijn de duizend geradbraak-ten bij de millioenen verdoemden, wier ijsselijk geschrei en gehuil elke verdoemde duidelijk zal hooren, verstaan en gevoelen?

Indien uw buurman zijne plaats vol groote honden had, die alle nachten huilden, en gij ziek te bed laagt, wat eene pijn zou u dit wezen, en nog meer, indien dit vele jaren, ja vele eeuwen moest duren? En nogtans, wat ware dit gehuil, vergeleken bij het gehuil der hel! Helaas, gij kunt nu niet verdragen, dat des nachts een hond blaft, noch het slaan van een venster of het gerammel eener deur, en wat is dit toch?

Verzamel al wat op de wereld pijnlijk is voor de ooren — het geschreeuw van al de razende menschen, het gehuil der honden, het gebriesch der leeuwen, het getier der andere dieren, het donderen der wolken, het gedruisch der waterstroomen: — dit alles is maar eene schaduwe vergeleken bij de hel, enz.

Doch zij zullen meer gepijnigd worden in de ooren, die door de ooren meer gezondigd hebben. Gij dan, die nu uw vermaak hebt

ocr page 170

VAN DE HEL

in achterklap, onkuische taal, onzuivere liedjes enz., te aanliooren, zult tot straf in die plaats het eeuwig wee moeten hooren!

O mensch, ween nu dan in den tijd, om niet te vergeefs te moeten weenen in de eeuwigheid. Zalig zijn zij, die hier weenen: want zij zullen hier namaals getroost worden. De tranen wasschen ons, terwijl wij leven; maar zij pijnigen na den dood. Zij zuiveren hier den zondaar van alle vuiligheid; maar daarna zullen zij de onboetvaardigen doen branden. De tranen, zegt de H. Gregorius Nazianzenus, zijn eene uitwiesching der zonden, eene zuivering der wereld en de vreugd der Engelen; de tranen der boetvaardigen zijn vermakelijk, zij zijn de wijn en de parelen der hemelsche geesten. »0 wat groote kracht »hebben de tranen der zondaren! zegt de •»H. Petrus Chrysologus. Zij besproeijen den »hemel, zij wasschen de aarde, zij blusschen »de hel; zij doen al de vonnissen te niet, »die God heeft doen verkondigen tegen de »zonden.quot; »0, wie zal aan mijn hoofd water »geven! roept de H. Bernardus, en aan mijne »oogen eene springader van tranen opdat ik »door weenen voorkome het geschrei en het «geknars der tanden, die harde banden aan »voeten en handen, en het gewigt der kete-»nen, die haar knellen, dwingen en branden »zonder te verbranden.quot;

De verdoemden hebben hier niet een korten tijd willen weenen en schreijen, en nu zullen zij in eeuwigheid weenen. Zij hebben niet ■willen hooren naar het geroep van hen, die

168

ocr page 171

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 1G9

hen vermaanden, en nu zullen zij roepen en niemand zal hen hooren.

Ontsteek in mijn hart, o Jesus! het vuur uwer goddelijke liefde, waardoor ik, verlicht zijnde, mijne zonden moge kennen. Doe mij daarover overvloedige tranen van leedwezen storten, opdat, mijne ziel daardoor gezuiverd zijnde, mijn tijdeljk geween het eeuwige geween voorkome.

VIL HOOFDSTUK.

De vijfde pijn: de honger en dorst.

Wij begrijpen niet, hoe de honger is, die de verdoemden lijden. InJieni de honger van acht dagen of meer zoo schrikkelijk is, wat zal de honger zijn, die niet honderd of duizend jaren, maar eeuwig duurt, zonder dat er ooit eenige spijs of eenige druppel water te bekomen zal zijn? Hoe feller de honger op deze wereld is; hoe korter hij ook is: maar de helsche honger is een razende honger en duurt in eeuwigheid.

De dorst is nog eene veel grootere pijn, en veel moeijelijker om te lijden. Zij, die in eene brandende koorts liggen, weten wat pijn het is; maar de verdoemden zullen zoo groo-ten dorst lijden dat al de beeken en fonteinen niet toereikend zouden zijn, om dien te kunnen lesschen. Doch hun zal niet een druppel waters gegund worden, gelijk blijkt in den vrek, die tot Abraham roept: Dat toch Lazurus een druppel waters op mijne brandende long late vallen, maar te vergeefs.

21 6*

ocr page 172

VAN DE HEL

De avond zal komen, zegt David, en zij zullen honger lijden als honden. Als de avond van uw leven zal komen, o gulzigaards, dronkaards en kermisgasten, dan zal alles bij u veranderen; vreugd in droefheid, overdaad in gebrek, enz,, volgens hetgeen Christus zegt: Wee u, die hier verzadigd zijt; want gij zxdt honger lijden. En ziende dat er geene hulp noch verlichting te verwachten is voor hunnen honger en dorst, zullen zij als geketende en uitgehongerde honden in de ketenen bijten, en als dollen beginnen te blaffen, te huilen en God te lasteren. Zij zullen alsdan al hunne voorgaande wellusten, brasserijen, kermissen, het gebruik van wijn en lekkere dranken, de vrolijke gezelschappen, enz., vervloeken, want Christus zegt; Wee u, gij, rijken! die uwen troost en uw vermaak hebt in deze wereld, en uw leven doorbrengt in goede dagen.

De gedachtenis der voorgaande wellusten zal hun een foltering zijn, die den hongeren dorst nog meer zal ontsteken, opdat de zonde van gulzigheid hare eigene straf hebbe, volgens hetgeen de H. Geest zegt: waardoor iemand zondigt, daardoor wordt hij gestraft. Helaas! wat zal dit voor een honger zijn, waar de gruwzaamste spijs eene lekkernij zoude wezen, en waar men altijd vrenscht te sterven en niet kan! Zij zullen den dood zoeken, zegt de H. Geest, maar zij zullen d .en niet vinden, want hij zal van hen vlugten.

En zij zullen niet alleen honger en dorst lijden, maar de tong en de smaak zullen gepijnigd worden met gruwelijke bitterheden. Gal van

170

ocr page 173

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 171

draken en het venijn der adders zal hun wijn zijn, zegt de H. Schrift. Hoe bitter zal alsdan de lekkernij en de overvloed zijn aan de gulzigen, als God hen zal spijzen met alsem, en hun den kelk zijner gramschap doen drinken! Dat dan de onmatige en gulzige men-schen, die slaven van hunnen buik zijn, wel acht slaan hoe het met hunne overdaad en lekkernijen zal afloopen. Niet dat de kleine ongeregeldheden in eten en drinken, waarover ook de regtvaardige menschen zuchten, met de hel gestraft worden: want de dagelij ksche fouten worden hier gestraft door de boetvaardigheid of hiernamaals door het vagevuur; maar als iemand om doodzonde in de hel valt, dan worden de dagelijksche zonden, waarin hij gestorven is, ook gestraft volgens dat zij verdienen: daar zal niet eene zonde zijn zonder straf.

Doch gelijk men door de tong zondigt op velerlei wijzen, als: door vleijen, knorren,lasteren, liegen, te veel spre'ien, enz., zoo zal de tcng ook op velerhande wijzen gestraft worden.

O Jcsus! ik bid u ootmoedig, doe mij hier wel opletten: geef mij de voorzigtigheid, dat ik in eten en drinken, en ook in het spreken de palen der noodzakelijkheid, niet te buiten ga,; maar alles tot uwe eer en glorie doe, en, aldus do zinnelijke voldoeningen vlugtende, ook de verdiende straffen daarvan ontga.

ocr page 174

VAN DE HEL

VIII. HOOFDSTUK,

De zesde pijn: het vervaarlijk gezelschap, waard ooi-de oogen gepijnigd worden.

Gelijk het voor de uitverkorenen eene onuitsprekelijke blijdschap is in het gezelschap van Christus en van al de Heiligen te wezen; zoo zal het ook voor de verdoemden een gruwelijke kwelling wezen, in het gezelschap der duivelen te zijn, en nooit daarvan verlost te kunnen worden. Indien gij frisch en gezond dag en nacht in eene kamer moest blijven bij etterachtige, zieke en stervende menschen, ziende aan alle kanten den stinkenden etter vloeijen, en gedwongen waart den stank en het gekerm te verdragen: zoudt gij niet zeggen: O wat is dit voor eene hel! hier zoo televen; maar hetgeen gij hier stank noemt, zal daar a's balsem zijn; hetgeen gij hier gehuil noemt, zou daar eene muziek zijn; en hetgeen gquot;j hier voor hel houdt, zou u daar een paradijs schijnen. En indien het u hier zoo pijnlijk is met weinigen te wonen, die u haten, wat kan er pijnlijker bedacht worden dan daar te zijn, waar allen elkander haten: want al die in het rampzalige rijk van den duivel wonen, zijn met haat en nijd zoozeer ontstoken, dat zij elkander als dolle honden zouden verscheuren indien zij konden.

De verdoemden zullen niet alleen de duivelen tot gezelschap hebben, maar ook tot beulen, die hen gedurig op alle denkbare wijzen zullen pijnigen volgens de grootheid van hunne zonden, om hun te doen gevoelen aan wat

172

ocr page 175

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 173

wreede meesters zij zich eertijds onderworpen hebben. Het zal dan een veel grooter foltering zijn nooit te kunnen ontslagen worden van dit gezelschap, dan te liggen in eenen kuil vol adders en slangen, waar men nooit uit kan.

Dus zullen de oogen van de verdoemden niet alleen branden, maar ook gepijnigd worden door het aanzien van al die schromelijke monsters. Doch maar éénen duivel alleen te zien, is een grooter foltering dan de dood.

De H. Bernardus zegt, dat een monnik, aan wien zich eens een duivel vertoonde, eenen geheelen dag buiten zich zeiven bleef, en zoo vervaarlijk schreeuwde, dat al de Monniken daardoor wakker werden.

God liet eens aan de H. Catharina van Senen voor een oogenblik in eene verrukking den duivel zien in zijne eigene gedaante, en tot haar zeiven gekomen zijnde, zeidezij, dat zij liever met bloote voeten op gloeijende kolen zoude wandelen tot den dag des oordeels toe, dan hem nog eens te zien.

Indien de duivels zich zoo schrikkelijk ver-toonen in dit leven, hoe zullen zij wezen in de plaats der verdoemenis? En bijaldien het zoo schromelijk is, eenen of twee van hen te zien voor een oogenblik, wat zal het wezen die al te gader te zien voor eeuwig, en met hen te moeten leven? Sommigen zijn vervaard om over een kerkhof te gaan, uit vrees van eenen geest te zien; hoe zal dan de ellendige zondaar in de hel gesteld zijn, waar hij al die helsche geesten zal zien.

Het gezigt zal nog bovendien gepijnigd wor-

ocr page 176

VAN tgt;E HEL

den door het aanzien van hen, die oorzaak geweest zijn van hunne verdoemenis, en van hen, die zij gebragt hebben tot de verdoemenis, het zij man of vrouw, het zij ouders, zus'.ers, broeders, enz., als ook hunne mede-pligtigen, met welke zij gezondigd hebben; en wat een foltering zal het zijn met zich in den afgrond te zien degenen, aan wie zij oorzaak geweest zijn van hunnen val! Ach, hoe zullen zij die vervloeken met eene eeuwige razernij! Ten laatüte zullen zij daar zien geschieden die vervaarlijke regtvaardigheid van den vergramden God, die de duivelen op hen allen zullen uitvoeren zonder ooit op te houden.

O Jcsus! hoe velen beklagen zich, dat zij hunne cogen niet wel bewaard, en dat zij den dood langs de vensters hadden laten komen in hunne ziel; ik bid u, vergun mij toch wijzer te zijn, om alsdan met hen al die schrikkelijke voorwerpen niet te moeten aanschouwen, maar te mogen genieten uw minnelijk aanschijn, waarin zich do Engelen verheugen.

IX. HOOFDSTUK.

De zevende pijn; de stank.

De stank zal in de hel onverdragelijk zijn. Ten 1. wegens de plaats. Ten 2. wegens het vuur van zwavel en pik. Ten 3. wegens de ligchamen der verdoemden. Ten 4. wegens de duivelen.

1, David zegt: Een vuur zal voor hem uitgaan, dat is vooruit voor den wraaknemen-

174

ocr page 177

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 175

den God, en rondom zijne vijanden worden ontstoken. Hieruit besluiten de leeraars, dat in het laatste oordeel het vuur zal gaan voor den Regter der wereld, en voor den reg-terstoel blijven staan, tot dat het vonnis zal uitgesproken zijn, wanneer het als een bliksem zal voortloopen, al de verdoemden ineen wentelen, en als geketende honden naar de hel sleuren. In deze verzameling zal al de vuiligheid der wereld, die nu door het vuur gezuiverd zal zijn, in de hel bijeen komen en eenen on verdragelij ken stank veroorzaken.

2. De H. Joannes zegt: Hun deel zal wezen in den poel, brandende van vuur en zwavel. De stank van een weinig zwavel, in eene kleine kamer ontstoken, is bijna onlijdelijk; maar wat is dit bij den stank van den zwavel, die in de hel brandt?

3. Van hunne doode ligchamen zal een stank voortkomen, zegt Isaïas. De ligchamen der verdoemden zullen eenen helschen stank uitgeven, naarmate van de menigte en grootte hunner zonden, en ieder verdoemde zal de stank ruiken van alle anderen: en wat zal dit voor een stank wezen?

Te Lyon in Frankrijk werd op zekeren tijd een doode begraven in eenen kelder, en na weinige dagen werd de kelder geopend om eenen anderen daarin te begraven. Doch toen de grafmaker daarin ging, is er een zoo besmettelijke stank uitgekomen, dat hij daarvan gestorven is. Bijaldien een eenig doodligchaam zulk eenen stank kan veroorzaken op deze wereld, wat stank zullen al die millioenen ver-

ocr page 178

YAN DE HEL

doemde ligcliamen in de hel werpen, alwaar zij leven om elkander te pijnigen? De H. Bona-ventura durft zeggen, dat het ligchaam van éénen verdoemde genoeg zoude zijn om de geheele wereld te besmetten.

4. De duivelen zullen dien helschen stank nog vermeerderen door eenen stank, die hun eigen is. Sulpitius Severus verhaalt, dat de booze vijand zich eens vertoonde aan den H. Martinus met eene kroon op het hoofd en met een purperen kleed. Martinus, zeide de duivel, gij moet mij ceren want ik ben Christus. Mijn Heer heeft niet beloofd, zeide Martinus, dat hij komen zal in zulke gedaante, ik erken den hloedigen Christus, gekroond met doornen, hangende aan het kruis. En op eens is de booze vijand verdwenen, latende de kamer vervuld met eenen zoo afgrijselijken stank, dat Martinus scheen in de hel te wezen, en zeide: Indien één duivel zoo leelijk stinkt, wat stank zal in de hel zijn van al de duivelen1? Elkeen is verschrikt, als hij hoort of leest de wreedheden van sommige dwingelanden, die de Christenen déden sterven door den stank. Een vermaard geschiedschrijver verhaalt, hoe de Wandaal-sche Arianen leefden met de Katholieken. Zij wierpen er, zegt hij, 4796 in eenen en denzelfden kerker, digt gedrongen op elkander. In die engte was er geene plaats, om zich te verwijderen tot de noodzakelijkheden des lig-chaams; zoodat de stank, dien daaruit voortkwam, en de gruwel, dien zij veroorzaakte, alle pijnen te boven ging. De schrijver zegt, dat

176

ocr page 179

EN ÖAfiE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 177

sommigen voor geld verlof kregen om die gevangenen te mogen zien, en dat zij, daar binnen gaande, tot aan de knieën in de walgelijke vuiligheid zonken. Voorwaar dit is schrikkelijk I

Men leest van andere dwingelanden, dat zij de levenden vastbonden aan de dooden, handen aan handen, mond aan mond, en die al-zoo lieten leven en sterven. O foltering, zoo veel te wreeder als het langzamer isl Doch wat is dit alles te vergelijken bij de hel? En al was de hel niets anders dan in zulk eenen kerker duizend jaren lang te moeten liggen, wie zou niet schromen?

En hoe weinig denkon wij op deze zaak, daar wij het nogtans gestadig behooren te doen'? De abt Arsenius liet in zijne cel vuil stinkend water staan. De broeders, dit willende ververschen, zeide hij: Doe dit niet, want het is regtvaardig, dat ik dien stank lijde, om voor al de voldoeningen, die ik aan het hof van den keizer gehad heb in de goede reuken, te boeten, en om den eeuwigen stank der hel te ontgaan.

De H. Bernardus zegt: Ik heef in al mijne ledematen, cn al mijne beenderen slaan tegen elkander, als ik denk op het duistere landschap, eene plaats, waar de worm onsterfelijk is, en de stank overdragelijk!

En gij, zinnelijke menschen, wier kleederen, kamers, enz., zoo aangenaam moeten rieken, die daartoe zoo vele onkosten doet, en die den kwaden reuk niet kunt lijden, hoe zult gij den helschen stank kunnen verdragen?

ocr page 180

VAN DE HEL

Men wordt om de zinnelijkheid van reuk of in het vagevuur of in de hel gestraft, en nogtans bijna iedereen toil die zinnelijkheid voldoen, hoe weinigen dan zullen er die straf ontgaan ? O Jesus! geef mij de sterkte om mij te beteren, opdat ik daarna met de groote menigte niet gestraft worde.

X. HOOFDSTUK.

De achtste pijn: de berooving van liet aanschijn Gods.

De pijn van r.chade bestaat in de berooving van het goddelijk aanschijn, welke berooving een zoo groote foltering zal zijn, dat het al de anderen te boven gaat. Zoo lang de mensch op aarde is, begrijpt hij dit weinig, en wordt er bijna niet door bewogen, omdat de ziel, zoo lang zij in haar ligchaam is, weinig kennis heeft van God en niet zeer tot zijne aanschouwing getrokken wordt; maar als zij ontbonden is van haar ligchaam, heeft zij groote kennis van God en van de zaligheid, en wordt met zoo groot geweld getrokken tot hem, dat het haar een allergrootste foltering zal wezen, ook maar een korten tijd van zijne aanschouwing gescheiden te zijn; maar wat een pijn zal het dan wezen, als zij hiervan beroofd wordt voor eeuwig en voor altijd?

Ik acht het meer dan alle pijn, zegt de H. Ghrysostomus, verstoeten en beroofd te worden van het aanschijn Gods.

Wat allen schrik te boven gaat, zegt de H. Bonaventura, is eeuwig gescheiden te zijn van het aanschouwen der allerheiligste

il8

ocr page 181

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 1?0

Drievuldigheid. God te aanschouwen en te genieten is het opperste geluk der zaligen. God niet te mogen aanschouwen is het grootste ongeluk en de grootste straf der verdoemden; want naar mate het goed, wat men geniet, grooter is, zoo veel te grooter is ook de vreugd dezer genieting, en zoo veel te zwaarder de pijn der berooving. God is het opperste goed, zoo is dan het gemis der genieting van God ten hoogste pijnlijk. God te aanschouwen is een zoo onuitsprekelijk genoegen, dat de verdoemden geene pijnen zouden gevoelen, ook in de hel niet, indien zij hem mog-ten aanschouwen, ja dat zij gaarne zouden aannemen, dat al hunne pijnen verdubbeld werden, indien zij God mogten zien, gelijk de Heiligen in den TIemel.

Hierdoor zal de ziel vreeselijk gepijnigd worden in hare drie krachten, verstand, geheugen en wil, waarin zij het beeld en de gelijkenis van God draagt.

1. Het verstand zal vol duisternissen zijn, die het gevolg en de straffen zullen zijn van de duisternissen, die de verdoemden hier door hunne begeerlijkheden en zonden bemind hebben. Zij zullen in eeuwigheid niets anders kunnen denken, dan wat hun pijn zal aandoen. Bij voorbeeld, dat hunne ellende eeuwig zal duren; dat er niemand Gode kan weder-staan; dat de gelukzaligen een oneindig geluk genieten; dat zij vervloekt en gehaat zijn van al wat leeft, enz.

2. Het geheugen zal gepijnigd wordendoor de gedurige gedachtenis aan al het kwaad en

ocr page 182

VAN DE HEL.

goed, dat zij ooit gedaan hebben: van het goed, omdat zij daarvan het loon verloren hebben, van het kwaad, omdat zij nu daarvan de straffen lijden En zij zullen bersten van spijt, als zij de kortheid der ijdele vreugden vergelijken zullen bij de eeuwige pijnen.

3. De wil zal gepijnigd worden, door zijnen doodelijken haat tegen God. Hij zal God en zich zeiven gruwelijk vervloeken. Hij zal ook gepijnigd wordendoorzijneverhardheidinhet kwaad en zijne afgekeerdheid van God. Want de verdoemden zullen God nimmer kunnen noch willen beminnen, schoon zij weten, dat alle geluk daarin gelegen is. Zij zullen in eeuwigheid niet de minste goede beweging tot God hebben, en nooit een traantje kunnen storten van berouw of leedwezen. O gruwelijke zaak! Zij zullen eeuwig die drift tot de schepsels behouden, waarin zij gestorven zijn. Zij zullen die schepsels eeuwig wiüen genieten en eeuwig daarvan beroofd moeten blijven. Zij zullen onophoudelijk met eene allergrootste begeerte wenschen verlost te zijn van al die gruwelijke folteringen, of te mogen sterven en vernietigd worden, zonder hoop van het een of ander ooit te bekomen.

O minnelijke Jcsns! ik begrijp van nu af eenigszins, ivat groole pijn het zal zijn, v w goddelijk aanschijn niet te mogen aanschouwen; geef toch dat ik hierdoor aangemoedigd worde, om zóó wel te leven, dat ik hiernamaals het ongeluk niet hclhe van eeuwig daarva,n beroofd te zijn.

180

ocr page 183

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 481 XI. HOOFDSTUK.

Van de eeuwigheid der pijnen.

Het allerschrikkelijkste in al deze pijnen is, dat ze eeuwig zullen duren.

De eeuwigheid heeft drie eigenschappen. 1. Zij is zonder einde, 2. zonder gelijkenis, 3. zonder verandering.

Zij is zonder einde.

Tel al de sterren des hemels, al de druppelen der zee, al de grasjes en kruidjes, bloempjes en graantjes, die de aarde ooit heeft voort-gebragt; ja tel al de zandkorrels van duizend millioenen werelden, en voegt er bij al wat het verstand der menschen kan verzinnen, gij zult in die vreeselijke optelling, noch begin, noch midden, noch einde vinden van de eeuwigheid. O oneindige eeuwigheid I o lengte zonder maat! o diepte zonder grond I wie kan u begrijpen? En zoo lang zullen de zaligen in den hemel in onbesefbare wellusten, en de verdoemden in de hel in onuitsprekelijke pijnen zijn. O zondaar! het is schromelijk te valien in de handen van den levenden God, en al spelende op een oogenblik in de hel te zinken. Zie dan wel toe, dat u dit vreeselijk ongeluk niet overkome.

Beeld u, in een marmeren zuil, zegt de H. Ambrosius, van de aarde tot aan den hemel, en dat er op Gods bevel een slak gedurig op en af kruipt van boven tot beneden; eerder zal de kolom versleten zijn door het bekruipen van die slak, dan de eeuwigheid zal eindigen: maar wanneer zal de slak eens

ocr page 184

VAN DE HEI..

gekomen zijn tot boven, en wanneer tot beneden? En hos dikwijls zal zij die kolom over-kruipen vóór men den minsten sleet bespeuren zal? Hetzelfde kan men denken van eenen metalen bol, grooter dan de aarde, op welken alle honderd jaren een vogeltje zoude komen zitten; eerder zal die bol versleten zijn door de aanraking van dit vogeltje, dan de eeuwigheid zal eindigen.

Immers, denk zoo vele jaren, als al de uitvindingen van de menschen u kunnen doen bedenken. Als die jaren eenmaal, honderdmaal en duizendmaal zullen om zijn, dan zal de eeuwigheid nog in bet allerminste niet verkort zijn. Zij zal altijd beginnen, en nimmer eindigen.

2. De tweede eigenschap van de eeuwigheid: YAj is zonder vergelijking, een zandkorreltje heeft nog eenige vergelijking meieenen grooten berg, die slechts bestaat uit een menigte van korreltjes. Een droppel water heeft nog eenige gelijkenis met de zee, want iedere droppel is een deeltje van de zee, die slechts bestaat uit een menigte druppels. Zoo heeft een oogenblik nog eenige gelijkenis met millioenen jaren; daar ieder oogenblik een deeltje is van die millioenen jaren, die niet bestaan dan in eene menigte van oogenblikken; maar millioenen jaren hebben geene gelijkenis met de eeuwigheid, daar de millioenen jaren geen het minste deel van de eeuwigheid zijn, en ontelbare millioenen jaren geene eeuwigheid maken. Hetzij dan een oogenblik, hetzij millbenen

182

ocr page 185

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 183

jaren, daar is even ^root verschil tusschen deze en de eeuwigheid, welke bij geene telbare bepaalde zaken kan vergeleken worden.

3. Derde eigenschap van de eeuwigheid: Zij is zonder vemndcring. Zij blijft altijd standvastig in een staat, altijd dezelfde, en aan zich zelve gelijk. De verandering van zijnen arbeid ivas zijne rust, zeide de H. Paulinus, sprekende van den grooten Bisschop Martinus. Ja, het veranderen alleen van den eenen arbeid in den anderen is eene verligting, ofschoon ook die tweede arbeid niet minder is. Integendeel, de allergemakkelijkste en ver-makelijkste dingen, indien zij altijd duren en zonder verandering zijn, worden onverdrage-lijk. Doch de verdoemden zullen die verandering nooit hebben: hun zal niet toegelaten worden zich eens te keeren van de eene zijde op de andere. De eerste verdoemde, heeft nu wel omtrent zes duizend jaren in de hel gelegen, en sedert al dien tijd geene verandering gehad, die hem kon dienen tot de minste verligting.

De pijnen dan van de hel zijn eeuwig, zonder einde, zonder gelijkenis, zonder verandering. Helaas! nadat de verdoemden zullen gebrand hebben zoo vele millioenen jaren als er te voren gezegd is, dan zal de pijn in het allerminste noch verkort, noch verminderd zijn, maar op nieuw beginnen als in het eerste oogenblik.

Het is dan de eeuwigheid der pijnen, die de schrikkelijkheid der hel oneindig vermeerdert. De minste pijnen, indien zij eeuwig

ocr page 186

VAN DE HEL

duren, zijn oneindig; en de allergrootste pijnen, indien zij niet eeuwig duren, zijn nog klein, vergeleken bij de minste, die eeuwig duren, want die zware pijnen zouden toch evenwel eens eindigen; maar de andere nimmermeer.

Indien iemand altijd op de eene zijde, zonder zich te keeren, moest blijven liggen op een zacht en gemakkelijk bed, dit ware onlijdelijk, en wat zal het dan zijn, eeuwig te moeten liggen in het helsche vuur.

Daar zijn, o Jesus! duizende redenen om de hel te doen schromen, maar geene zoo vervaarlijk als de gedachte aan de eeuwig-held van pijnen. Ik bid u ootmoedig laat dit toch eenen diepen indruk op mijne ziel maken, opdat ik hierdoor nimmermeer van de deugd afwijke.

XII. HOOFDSTUK.

Wat een troost het voor de verdoemden zoude zijn,

indien men hen konde verzekeren dat hunne pijnen eens zouden eindigen.

Indien de pijnen der hel niet eeuwig waren, zoo zouden zij oneindig minder te achten zijn. De drie volgende gelijkenissen zullen ons dit beter doen bevatten.

1, Indien een Engel aan eene verdoemde ziel te kennen gaf, dat zij alle honderd jaren eenen traan zou mogen storten, die door Gods toedoen zou bewaard worden, en dat zij zoude verlost worden, nadat zij aldus eene zee van tranen zoude gestort hebben; o wat een troost was dit voor haar! Maar hoe vele jaren zou-

184

ocr page 187

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 185

den niet aanloopen, vóór zij een glas tranen zoude gestort hebben! en wat is een glas bij eene groote rivier en wat is die rivier bij de zee? en wat zijn al die jaren bij de eeuwigheid? Maar helaas! dien troost hebben de verdoemden niet.

2. Indien een Engel kwam zeggen aan de verdoemden: God heeft de wereld met zand gevuld tot aan den hemel toe, en hij heeft mij belast dat ik alle jaren een zandkorrel weg zoude nemen, en als ik den laatsten zandkorrel halen zal dan zal ik een tiende deel uwer pijnen wegnemen: daarna zal God nog eens de wereld vullen met zandkorrels, van welke ik wederom alle jaren een zal wegnemen, en als die weg zijn, zal ik weder een tiende deel van uwe pijnen wegnemen. Dit zal aldus op nieuw begonnen worden tot tienmaal toe, en als ik op die wijze al die zandjes weggehaald zal hebben, dan zal uwe pijn ophouden; gij zult wel niet zalig zijn maar alsdan zult gij sterven.

Indien dit gegeven werd aan de verdoemden, het zou hun nog een troost zijn. Ja, zij zouden zeggen in dit geval: nu zullen wij onze pijnen met geduld lijden, want al zijn zij zoo on verdragelij k, en al zijn al die jaren zoo onbegrijpelijk, zij zullen evenwel eens eindigen en de pijn zal eens ophouden. Maar dit wordt aan de verdoemden niet gegeven. Wie zal, dit hoorende, niet verschrikken en gaarne hier alles lijden om de eeuwige pijn der hel te ontgaan.

3. Verbeeld u eenen put die eene halve

ocr page 188

VAN DE HEL

mijl diep en wijd is, vol gloeijende kolen en dat daar in het midden, op eenen stalen rooster, een mensch gebonden ligt, met stalen ringen aan handen en voeten, en aan den hals, en dat een Engel hem kwam boodschappen, dat God hein belast had alle honderd jaar een kool weg te nemen, en als die kolen weggenomen zijn, dat hij alsdan verlost zal worden. O gruwelijk torment! hoe lang zou het aankopen, eer dat al die kolen weggehaald zouden zijn! nogians oneindig ellendiger is de staat der verdoemden, dewijl hij eeuwig duurt.

Helaas! hoe kan de mensch dan hier zoo veel werk maken van den tijdelijken voorspoed, en zoo gevoelig zijn over den tegenspoed 1 Hoe is hij niet anders bevreesd, en hoe doet hij niet anders boetvaardigheid om de hel te ontgaan! O dwaze en uitzinnige, die zich zeiven om eenen niet in het gevaar van de hel werpt, te weten; als hij eene doodzonde begaat, en nog in grooter gevaar als hij daarin blijft.

Indien gij bedreigd werd levend verbrand of een jaar lang dagelijks doorstoken te worden met een gloeijend ijzer, wat zoudt gij niet doen om zulk een torment te ontgaan! God dreigt u met het eeuwige vuur, indien gij het kwade doet en het goede verzuimt, en wat doet gq om die dreigende straf te ontkom an?

Wij behooren verschrikt te zijn zoo dikwijls wij deze woorden hooren: Eeuwigheid on hel en nog meer als wij denken, dat wij in de hel kunnen vallen, want zoolang de mensch hier leeft, is hij in gevaar.

186

ocr page 189

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEM. 187

De H. Teresia zegt dat haar het bloed in de aderen scheen te verstijven van schrik, als zij maar dacht op hetgeen God haar had laten zien van de hel. Dus is het ook geen wonder, dat sommige heiligen gedurig weenden over de verblindheid der zondaars, die zich blindelings en al spelende in de hel wierpen.

Het is dan zeker dat wij op de hel en de eeuwigheid niet denken gelijk het behoort, en dat de vrees van de hel op al onze harten den indruk niet doet, dien zij zou moeten doen. De dwaasheid en ongevoeligheid van velen in dit gewigtige punt is onbesefbaar. Zij komt dikwijls voort uit de bedorvenheid des harten en is in velen eene vreeselijke straf van de zonden en bijzonder van de on-kuischheid.

Gij kunt ons hier, o lieer! geene groot ere straf overzenden, dan dat wij op de toekomende straffen niet denken. Geef toch, dat wij u daartoe nooit meer eenige oorzaken geven , en versterk ons, dat luij alle zonden en hijzonder die van onkuischheid vlugten, door welke de ziel zoo versteend wordt; maar dat wij door de gedachtenis van dat helsche vuur, dat schandelijk vuur in ons uitblus-schen, opdat het vuur der goddelijke liefde in ons alleen maar hrande.

Besluit van het voorgaande.

De minste gevaren en aanleiding tot een oneindig kwaad mott men zeer vreezen en vlugten, doch al hetgeen naar de hel leidt, moet aangezien worden als een groot kwaad;

ocr page 190

VAN DE HEL

eiken staat, elke levenswijze en genegenheid, waarin meer moeijelijkheid is om de hel te ontgaan en zalig te worden, moet men aanzien voor ongelukkiger. Integendeel, eiken staat, die ons voordeeliger is tot de zaligheid, moeten wij aanzien als voor ons de beste en wij moeten maar blijde of bedroefd zijn in alles, wat ons overkomt, naarmate wij daardoor ligtelijker of bezwaarlijker zullen zalig worden. De H. Augustinus zegt, dat wij de overdenkingen van de hel moeten gebruiken om de ligchamelijke pijnen ligt te maken. En gelijk de gedachte aan de hel ons al de kwellingen van dit leven moet doen verachten, zoo moeten ons ook al de pijnen van dit leven op de hel doen denken, en ons dienen tot eene gedurige waarschuwing om met alle zorgvuldigheid de hel te ontvlugten.

De H. Augustinus leert wederom, dat de kleine straffen uit dit leven ons uit geen ander inzigt worden toegezonden, dan om ons te waarschuwen, dat wij ons zouden beteren, opdat God geene reden vinde om ons te straffen, volgens zijne strenge regtvaardigheid, in de hel. Hij leert ons ook, dat de opperste Regter ons daardoor te kennen geeft, dat hij haast komen zal, en dat hij geenszins genegen is ons te verderven, indien God dit van zin ware, zegt Augustinus, hij zoude zwijgen: want als iemand van zin ^s een ander te verderven, roept hij niet, dat hij zoude toezien.

Het is dan even alsof God door elke p;jn, die bij ons toezendt, roept en zegt: Omensch f

188

ocr page 191

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 189

de hel is nabij, let op u zeiven, en ban uit uw hart al hetgeen u tot het eeuwig vuur kan doen verwijzen. Al die pijnen, kruisen, ellenden en verdrukkingen, die men de men-schen hier ziet lijden, zijn allen vonken, die uit het vuur van de hel vliegen, dat is uit de schatkamer van Gods toorn, om ons daardoor te vermanen, dat wij dit schrikkelijk vuur zouden ontvlugten.

XIII. HOOFDSTUK.

Hoe krachtig de gedachte aan de hel en aan de eeuwigheid is.

O : alige gedachte der eeuwigheid! o gedachte, waaruit zoo vele goede gedachten en voornemens voortkomen! Ach, of wij ten minste wekelijks eenigen tijd doorbragten met die heilige gedachte, wat eene verandering zou men in ons leven zien! want daardoor zalig verschrikt, zouden wij naarstig zijn, om ons zeiven en anderen te bevrijden van eene ongelukkige eeuwigheid. Het was door de gedachte aan de eeuwigheid, dat David veranderd is in eenen anderen mensch. Ik had de e uwige jaren in mijne gedachten, zegt hij zelf. Hij overwoog dit dag en nacht, en dit diende hem als een breidel tegen de wellusten van dit leven; hij verzuchtte tot den hemel, werd des nachts wakker van angst; hij ging in zijn geweten, hij schrobde en keerde dit als met bezems om het te zuiveren, en hij veranderde geheel van leven.

Het was door de gedachte aan de eeuwig-

ocr page 192

VAN DE HEL

heid, dat ook de H. Teresia zoo ontstoken werd om groote pijn te doorstaan. Zij had van jongs af met haar broertje over de eeuwigheid gesproken, en was daarvan zoo doordrongen, dat zij dikwijls luide uitriep: O eeuwigheid! o eeuwigheid! Zij verhaalt in haar laven, dat God haar iets heeft laten zien van de hel en hoe voordeelig haar dit geweest is. Eens, in liet gebed zijnde, bevond zij rich eensklaps in de hel. God wilde, zegt zij, dat ik de plaats, die de duivels mij bereid hadden, en die mijne zonden verdienden, zoude zien. Zij verhaalt verder wat zij daar gezien en gevoeld heeft, en zeg dat, al leefde zij nog vele jaren, zij dit nooit zou kunnen vergeten, omdat zij daar zoo schromelijke pijnen gevoeld had, dat het haar onmogelijk was het minste deel daarvan te kunnen beschrijven: »Ik gevoelde, zegt zij, smijne ziel branden in een zoo schrikkelijk 7)vuur, dat ik het niet kan uitspieken. En sschoon dit nu omtrent zes jaren geleden nis, ben ik niettemin nog zoo verschrikt, ter-swijl ik dit schrijf, dat mijn bloed verstijft in »mijne aderen: en daarom wat pijnen ik lijde, »het schijnt mij al gering. Ik aanzie deze zoo sschrikkelijke zaak als eene van de grootste «genaden, die God mij gedaan heeft, als ik soverdenk, hoe voordeelig zij mij geweest is, »700 om mij te wederhouden om de pijnen »van dit leven te vreezen, als om ze verduldig »te lijden, en om God te bedanken, mite ik «daardoor reden heb van te gelooven dat hij «mij wil verlossen van die vreeselijke plaats.quot;

Doch indien iemand zich inbeeldt, dat hjj

190

ocr page 193

ën Hare schrikkelijke pijnen. 191

zoo ver gevorderd is in de liefde van God, dat hem die vreeselijke gedachten aan de hel niet noodig aijn, zullen zij hem evenwel zeer voor-deelig zijn, zoo om te zien waarvoor God hem tot nog toe bewaard heeft, ais om medelijden te hebben met de verblinde zondaars, die zich zoo onbedacht in de hel werpen. De H. Te-resia drukt dit zeer krachtig uit met de volgende woorden: «Hoe zou ik kunnen uitdruk-»ken de droefheid, die ik gevoel, als ik denk ïop den staat van eene ziel, die, nadat zij in ïde wereld bemind, gediend en geëerd is ge-ïweest, zich op het laatste oogenbük van haar sleven voor eeuwig verloren vindt, afgerukt »van al hare vermaken, die zij nauwelijks «geproefd had, omringd van dat schrikkelijke «gezelschap, met hetwelk zij eeuwig zal moeten «blijven; geworpen in eenen stinkenden poel »van vreeselijke slangen, die allerlei razernij «tegen haar zullen uitwerken! O mijn Heerl «wie heeft toch de oogen van die ziel zoo met «slijk bestreken, dat zij dezen droevigen staat «niet gekend heeft eer zij daarin gebragt «werd! quot;Wie heeft haar zoo de oorengestopt, «om niet te verstaan wat haar duizend en «duizendmaal van de grootheid dezer smarten «gezegd was? Is het mogelijk, o God, dat de «menschen u niet vreezen, die nogtans het «minste ongemak van het ligchaam zoo vreezen, «dat zij niet éénen nacht zouden kunnen «doorbrengen op een bed dat wat te hard is? «O Heer! ik beklaag den tijd, dat ik deze «waarheden niet begrepen heb; maar dewijl »gjj mjjne droefheid kent, omdat er zoo velen

ocr page 194

d92 VAN DE HEL

Mijn, die er niet naar willen hooren, maak »toch iemand, bid ik u door de instortingen »van uw licht bekwaam om vele anderen des-ïaangaande te verlichten.quot;

Een krachtig middel om deze zalige droefheid over de zondaars te gevoelen, is: levendig te denken, dat er alle dagen zoo vele duizenden zielen in de hel vallen.

Het is waarschijnlijk, dat er van al de men-schen, die op de wereld zijn, alle minuten wel 50 sterven: en dit is zekerlijk op het minste genomen. Nu, er zijn 60 minuten in een uur, diensvolgens op één uur sterven er wel drie duizend: op twee uren zes duizend; en op vier uren twaalf duizend, op acht uren vier en twintig duiirend; en tusschen dag en nacht wel twee en zeventig duizend. Doch dit vallen van vijftig zielen terstond in de eeuwigheid op elke minuut, heeft nu vele eeuwen geduurd. Wat een groot getal van zielen moet er daar niet wezen! Waar zijn ze allen gebleven? Wat doen ze daar en waarmede zijn zij bezig? O, hoe moet men God vreezen, die zulke vreeselijke dingen uitwerkt ! Maar van die vijftig, die alle minuten in de eeuwigheid vallen, zijn er geene tien Katholieken, en hoeveel van de tien Katholieken zijn er zalig? diensvolgens, zie hieruit, hoe vele zielen alle dagen in de hel vallen.— Zie en bemerk dan, hoe God gedurig bezig is met zijne regtvaardigheid uit te werken over zoo vele zielen, terwijl gij in wellusten zijt, of de eer van de wereld ontvangt. Mijn hart scheurt van droefheid, zegt de H. Teresia,

als ii gaan aan ( van t den ■ achte

gij ci

wilde ■ maak heid, hoe ^ Gij d en k-werel •dezell als e( leken legen of mi of d( eeuw O

i in dc : dan aan dan waar iets % ken; dingt

O

2

ocr page 195

EN HAHE SCmilKKELIJKE PIJNEN. 193

als ik donk dat cr zoo vele zielen verloren gaan. Indien wij liier wat meer en levendiger aan dachten, wat al reden zouden wij vinden van droefheid, en wat een spoorslag zouden wij krijgen, om al het aardsche te verachten ! O zalige gedachten! hoe velen hebt gij er uit de wereld getrokken en naar de wildernissen gedreven! hoe vele martelaars gemaakt, hoe vele maagden bewaard in de zuiverheid, hoe vele versteende zondaars bekeerd, hoe velen hebt gij er getrokken uit de hel. Gij doet ons voorspoed en tegenspoed, goed en kwaad, de eer en versmaadheden en al de wereldsche ondervindingen schier als eene en ■dezelfde zaak zien; want dewijl dit leven maar als een oogenblik, ja, als een niet is, vergeleken bij da eeuwigheid, wat is er aan gelegen, of men dit oogenblik hier wat meer of minder is, wat rijker of armer, de eerste of de laatste, als wij maar de gelukkige eeuwigheid bekomen.

O God! hoe vele verdoemden liggen er nu in de hel, die veel minder gezondigd hebben dan ik; en waar zou ik nu zijn, indien gij aan mij niet eene grooter barmhartigheid dan aan hen bewezen hadt'? O eeuwige waarheid, geef ons de begeerte om dikwijls iets van de eeuwigheid te lezen en te din-ken; omdat wij daardoor alle vergankelijke dingen verfoeijen en u alleen beminnen.

BEMERKING

Op het voorgaande.

O hoe scaromelijk is de hel! hoe vreeselijk 21 9

ocr page 196

194 VAN DE HEL

zijn hare pijnen; Eeuwig te moeten beroofd zijn van het vriendelijk aanschijn Gods! eeuwig te moeten branden zonder te verbranden in een onuifbluschbaar vuur! eeuwig eenen on-verdragelijken honger en dorst te lijden! eeuwig te zijn in een land van ellende, in de schaduw des doods, waar noch orde, noch schik, maar eene altijddurende gruwelijkheid te vinden is; eeuwig te zijn in eenen onver-dragelijken stank; eeuwig den knagenden worm van het geweten te gevoelen; eeuwig te moeten weenen en te knarsen op zijne tanden! eeuwig te moeten zijn in het gezelschap van ontelbare monsters en van hen als van wreede beulen gepijnigd te worden! eeuwig te moeten hooren de gruwelijkste lasteringen tegen het opperste goed! en dit alles eeuwig, zonder einde, en voor altijd!

Dit alles kan men hier wel schrijven, maar hoe schrikkelijk het is, kan niemand begrijpen, veel minder met de pen of met de tong uitdrukken. De grootste heiligen zeiven beefden op deze gedachte, en zeiden met den koninklijken Profeet : de pijnen der hel hebben mij omringd; zij werden tegen zich zei ven ontstoken met eenen heiligen haat; zij oefenden strenge boetvaardigheid; zij weenden hier, om hierna niet te moeten weenen; zij vastten en onttrokken zich alle noodige spijs en drank, om den eeuwigen honger en dorst niet te moeten lijden; zij ondergingen veel koude en hitte, om van die onverdragelijke koude en hitte bevrijd te zijn: zij vlugtten het gezelschap der menschen, en hielden zich

ocr page 197

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 195

opgesloten in kloosters en kluizen om van dat afgrijselijk gezelschap der duivelen vrij te zijn, en niet opgesloten te worden in dien eeuwigen kerker; zij baden, zij zongen heilige lofzangen, en loofden gedurig den Heer, om hem hierna niet te moeten vervloeken : zij verstierven zich in al hunne zinnen, om in die alle niet gepijnigd te worden; zij vlugtten de glorie van de wereld en alle vergankelijke genoegens, : om niet te moeten hooren; Geef hun zoo veel pijn en smart, als zij zich zeiven in eer j verheven, en weelde aangedaan hebben. Zij gaven geloof aan deze woorden van de eeuwige . waarheid: Ik zog u, bijaldien gij geene boetvaardigheid doet gij zult allen verloren gaan. Zij schroomden voor al de lessen, waar in de H. Schrift het woordje wee bij staat, om hierna niet gedwongen te zijn dit droevig wee met al de verdoemden onophoudelijk te herhalen; zij vlugtten den breeden weg, wel wetende, dat hij op de hel uitloopt, en als getrouwe dienstknechten volbragten zij : den wil van hunnen Heer in alle zaken, om met den ongetrouwen en onnutten knecht niet voor eeuwig gestraft te worden.

Aldus behoorden wij allen te doen, en degenen, die voor deze heilige bedenkingen schrikken, behoorden wel te denken op de

I volgende woorden van den H. Bernardus tot zijnen vriend Eobertus: »Vreest gij des nachts »op te staan of het handwerk te oefenen? »0 dit is ligt aan die de eeuwige vlammen «overdeknt. De gedachtenis van de eeuwige «duisternissen maakt de eenzaamheid zoet en volgende woorden van den H. Bernardus tot zijnen vriend Eobertus: »Vreest gij des nachts »op te staan of het handwerk te oefenen? »0 dit is ligt aan die de eeuwige vlammen «overdeknt. De gedachtenis van de eeuwige «duisternissen maakt de eenzaamheid zoet en

ocr page 198

VA.N DE HEL

«aangenaam. Overdenk de strenge rekening, »die gij zult moeten geven, ook van een ijdel »woord, en gij 7Ailt geene pijn in de stil-»zwijgendheid hebben. Indien gij u dat bitter »geween en de knarsing der tanden dikwijls »voor oogen stelt, eene harde matras zal u zoo «gemakkelijk zijn, als een zacht veêren bed.quot;

Wij behooren alle traagheid af te leggen, om voortaan met grooten ijver het ligte en zoete juk des Heeren op ons te nemen, onze zinnen te versterven, onze kwade driften te bedwingen, en ons zeiven een heilig geweld aan te doen, om hierna van dat allergrootste ongeluk bevrijd te zijn, en het opperste goed eeuwig te genieten.

Maar helaas! hoe weinigen doen dit? Velen denken niet meer op de hel: alsof er geene hel ware. Zij bewandelen den weg, die er naar toe leidt, en naderen gedurig tot die afgrijselijke plaats, en verre van te beven, zij verblijden zich als zij kwaad doen, zegt de H. Geest, en zij verheugen zich in de snoodste zaken; zij brengen hunne dagen door in wellusten, en zonder dat zij het weten, dalen zij in de hel. Dus mogen wij met den treurenden Profeet zeggen: geheel het land is verwoest, omdat het niemand met er harte overlegt. Laat het ons dan allen, die dit lezen ot hooi en, met er harte wel overleggen, en al die Heiligen in hunne voorzigtigheid navolgen. Laat ons van dit oogenblik af doen al wat wij kunnen om de hel te ontgaan: want misschien binnen een uur, eenen dag of eene maand zal het te laat zijn.

196

ocr page 199

EN HARE SCHRIKKELIJKE PIJNEN. 197

Doe mij, o Jesust de barmhartigheid van

dikwijls op de hel te denken: doe mij met de gedachte in de hel nederdalen, en daar zien hoe gruwelijk het is te vallen in uwe handen; opdat ik daardoor eenen grooten afkeer krijge van alle zonden, en zoo leve, dat ik na mijnen dood van die ongelukkige plaats bevrijd moge blijven.

ocr page 200

VAN DEN HEMEL

EN DE HEMELSCHE GLORIE.

EERSTE HOOFDSTUK.

Wat de hemel is: Zijne grootheid, voortreffelijkheid en schoonheid.

Wilt gij iets kennen van den hemel? denk maar wie hem gemaakt heeft, en tot wat einde! Het is God zelf, de almogende wijsheid, die hem gemaakt heeft. 1. Om daarin zijne onbegrijpelijke rijkheid en schoonheid te toonen. 2. Tot verheffing van zijne eer en glorie. 3. Tot eeuwig loon en blijdschap van zijne uitverkorenen: «De eeuwige wijsheid, zegt Salvianus,, heeft «tot luister en pracht van den hemel alles te »werk gesteld, opdat hij zoude wezen als een «schouwburg, om daar al de schatten van «glorie en schoonheid te vertoonen! O schoonsheid, in welker tegenwoordigheid de klaarste «lichten duisterheid zijn, de schoonste fraaihe-«den leelijkheid en alle luister maar duisternis?quot;

Zijne grootheid en ruimte is onbegrijpelijk: want bijaldien de aardbol zoo wonderbaar groot is, hoe groot moet de hemel zijn, bij welken de aardbol vergeleken niet is dan een stipje, en bijaldien de minste ster onvergelijkelijk grooter is dan de aardbol, (want dat de sterren ons hier maar schijnen als vlammetjes, is door hare verte) hoe groot moet het uitspansel zijn, dat die ontelbare menigte van

ocr page 201

VAN DEN HEMEL ENZ,

sterren in zich bevat! en wat zal nu verder de hemel wezen, die het firmament onbedenkelijk verre te boven gaat! Met regt dan roept de Profeet Baruch: O Israe , hoe groot is het huis Gods, hoe ruim is de plaats van zijne bezitting. Zij is groot en zij heeft geen einde: zij is hoog en ongemeten.

God heeft eene kleine schaduw daarvan getoond aan den H. Joannes in zijne Openbaringen: Een van de zeven Engelen, zögt hij, heeft mij in den geest opgenomen naar eenen hoog en berg, en hij heeft mij getoond de heilige stad Jeruzalem. De stad had eenen _ groot en muur, hebbende twaalf poorten... en de bouw van haren muur ivas van Jaspissteen, maar de stad zelve was zuiver goud.en de fondamenten van de muren der stad waren versierd met kostelijke gesteenten, elke poort was uit eenen diamant, en de straten waren zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. Doch al is de hemel eigenlijk noch van goud, noch zilver, noch van diamanten, enz., (gelijk hierna getoond zal worden) hij bestaat evenwel uit eene ligchamelijke stof, maar die nooit een oog hier beneden gezien heeft en die in waarde te boven gaat al wat men hier kan denken.

Vele koningen hebben paleizen gemaakt: Salomo onder anderen heeft er een gemaakt , waaraan eene overgroote me-, nigte van werklieden gearbeid heeft gedurende den tijd van 13 jaren. Het goud en andere kostelijkheden waren daar zonder einde: gelijk ons in de heilige Schrift

199

ocr page 202

VAN DEN HK.MEL

■wgdloopig verhaald wordt; het was buitengewoon groot en schoon: maar Salomo's werken en zijn paleis verschillen zoo veel van Gods werken, als God van Salomo. Hadden al de menschen der aarde, en al de Engelen des hemels daaraan duizend jaren gewerkt, dit paleis zoude immers veel wonderbaarder geweest zijn. Doch wat ware dit al, en al de paleizen der wereld, vergeleken bij den hemel, als huisjes van papier en van zand, die de kinderen maken.

Indien gij in een paleis kwaamt, waar gij zaagt de paardenstallen en de kamers van de lakkeijen van louter goud, de knechten gekleed met diamanten en paarlen, enz , doch dat gij niet mogt binnen gaan, zoudt gij niet denken, indien de stallen en de kamers van de lakkeijen zoo schoon en kostelijk zijn, hoe schoon moeten dan niet wezen het paleis en de kamers van den koning! Aanzie de hemelen, de zon, de maan, het firmament met al de sterren: zij zijn wel wonderbaar schoon, en nogtans zijn zij niets dan kleine en eerste beginselen van het hemelsche paleis. Ach! hoe schoon moet het van binnen wezen, daar het van buiten zoo blinkt! Het was uit dit aanschouwen dat David riep: O Heer der Heerkrachten, hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen! Mijn geest bezwijkt van verlangen naar de voorzalen des Heeren.

O Hemel, mogten wij u een' oogenblik aanschouwen, onze ziel zoude niet alleen de aarde verlaten met al hare beuzelarijen, mpar ook haar ligchaani, om tot u op te vliegen; want

200

ocr page 203

EN DE HEMF.LSCIIE OI.ORIE.

wat is de aarde anders dan een stinkende mesthoop en een kerker, vol ellenden, eene plaats tusschen den hemel en de hel; maar die veel meer mededeelt van de hel dan van den hemel. Daarom riep de H. Ignatius de Loyola, de oogen van zijn geloof naar den hemel slaande: Hoe vuil is mij de aarde, als ik den hemel aanschouw! O christene ziel, die zoo veel moeite doet, om een klein deeltje van dien aardschen klomp te bekomen, gedenk uwe waardigheid; gij zijt iets groots en geroepen tot groote dingen; gij zijt geschikt om dit groote koningrijk te bezitten.

Wanneer ik, o goedertieren God! uwe groote liefde overdenk, dan moet ik uitroepen: wat is de mensch, dat gij hem indachtig zijt, en zoo groote goederen voor hem bereid hebt! Ontsteek toch mijn hart met eene groote liefde tot de hernelsche grootheden, opdat ik alle vergankelijke zaken daarvoor verfoeije.

II. HOOFDSTUK.

Van de heilige wellusten des Hemels.

Noch oog heeft het gezien: zegt de Apostel , noch oor heeft het gehoord, noch is het ooit gekomen in 's menschen hart, wat God bereid heeft voor die hem beminnen. O wat al schoone zaken heeft het oog gezien! wat al zoet geschal heeft het oor gehoord! En wat kan het verstand van den mensch al denken. Het kan zich inbeelden, bij voorbeeld, volgens hetgeen hier groot schijnt aan de menschen, eene wereld vol louter 21 7*

201

ocr page 204

VAN DEN HEMEL

goud, waar al fle sleenen diamanten zijn, de huizen van paarlen, versierd met goud en kostelijke gesteenten, gemaakt door de engelen ; de zee van balsem, de rivieren van kristallen waters, beter van smaak dan de beste wijn, en vloeijende over eenen gouden grond; de boomen, de bloemen en vruchten van eene onbedenkelijke lieflijkheid in reuk en smaak. Die en duizend andere dingen kan het verstand wel denken; doch dit alles beeft geene de minste gelijkenis bij den rijkdom en de eer van het huis Gods. Hetgeen God bereid heeft voor die hem beminnen, zegt de H. Augustinus, wordt door het geloof niet gevat, door de hoop niet aangeraakt, en door de liefde niet vastgegrepen, het gaat alle wen-schen en begeerten te hoven: het kan verkregen , maar niet naar waarde geschat worden.

Met reden dan roept David: O Heer der Heirkrachten, hoe liefelijk zijn moe tabernakelen: ))Die heerlijkheid, die glorie, die «verhevenheid, zegt wederom de H. Augusti-»nus, gaan mijne krachten te boven; zij over-strefl'en de welsprekendheid, zij klimmen boven »het begrip van mijn verstand.quot;

O verblinde wereld, die van de aarde uwen hemel wil maken, tracht naar het loon, dat de gelukzaligen hier boven wacht, »dat zoo sgroot is, gelijk de H. Bernardus zegt, dat »het niet gemeten, zoo menigvuldig, dat het »niet geteld, zoo kostelijk, dat het niet ge-»waardeerd kan worden. En vreest gij dan »nog de ijdele beuzelarijen daarvoor te ver-Blaten ?quot;'

202

ocr page 205

EN' DE HEMELSCHE GLORIE. 203

Wij lezen van eenige Heiligen, dat zij hier op de aarde door een bijzondere gunst van God eenen voorsmaak van den hemel gehad hebben, en zooveel van zijne zoetigheid geproefd, dat zij riepen: Het is genoeg, Heer! het is genoeg. «Doch indien God zulke g^oote dingen doet hier in dezen ellendigen kerker, «zegt wederom de H. Augustinus, wat zal »hij doen in zijn paleis? En indien hij zoo «grooten troost geeft in de dagen van tranen, «wat zal hij geven op den dag van het brui-sloftsfeest?quot; En sprekende van den H. Petrus, als hij op den berg Thabor riep: Het is ons goed hier te zijn, laat ons drie tenten maken, zoo zegt hij: Bijaldien een druppeltje van die zee van zoetigheid Petrus zoo dronken beeft gemaakt, wat zal het zijn als hij verslonden zal liggen in de volle zee, en dat voor altijd.

»0 leven, roept wederom deze groote Heilige, «dat God heeft bereid voor hen die hem ïbeminnen! O levend leven! O zalig leven! »0 gerust en verzekerd leven! O schoon leven! »0 zuiver leven! O heilig leven! O leven zon-))der dood, zonder vlek, zonder droefheid, «zonder angst, zonder bederf of veranderin-sgen! O leven vervuld met alle schoonheid I «waar de liefde volmaakt zijnde, geen vrees «meer is! O leven! de liefde tot u doet mij «bezwijken. O koningrijk! zegt hij elders, «(sprekende van dezelfde stof) waar de jeugd «nooit verdwijnt, de liefde nooit verflaauwt, «de gezondheid nooit vergaat, de vreugde «nooit vermindert, waar het leven geen einde «heeft!quot; Doch denkt niet, aardsche menschen,

ocr page 206

VAN DEN HEMEL

204

dat de hemel bestaat in een vleeschelijk geluk of in goederen, die men in dit leven genieten kan, als goud, zilver, aardschen rijkdom, eer en vermaak, of in een avondmaal, eane bruiloft, waar men met den koning aan tafel zit, enz,, bij welke zaken de hemel in de H. Schrift dikwijls vergeleken wordt; maar de H. Geest spreekt daar aldus, om zich te voegen naar onze zwakheid, opdat de mensch uit deze dingen, die hij kent en bemint, zoude opklimmen tot andere he-melsche dingen, die hij niet kent. Dus wanneer Christus zegt tot zijne Apostelen: Gij zijt het, die met mij standvastig zijt gebleven in mijne kwellingen, daarom bereid ik voor u ook een rijk, gelijk mijn vader voor mij bereid heeft, opdat gij in mijn rijk zoudet eten en drinken van mijne tafel: dit is geenszins te verstaan van eene aardsclie tafel; maar hierdoor toonde Christus, hoe hij met zijne Apostelen tot loon van hunnen arbeid zal doen, gelijk een koning doet met zijne veldoversten en zijne voornaamste prinsen na eenen hevigen strijd, waarin zij zich hebben gekweten. Hij roept die aan zijne tafel, hij plaatst hen nevens zich, hij verheft hen in eer en roem, hij onthaalt hen met pracht volgens de voortreffelijkheid van zijn rijk. Wij mogen dan niet denken, dat dit iets aardsch is. Ban die slechte gedachten uit uw gemoed, zegt wederom de H. Augus-tinus, de goederen van den hemel zijn liefde, vrede, blijdschap, verhevenheid, enz., doch die duizendmaai vermakelijker en zoeter zijn dan al de zinnelijke vermakelijkheden van de wereld.

ocr page 207

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 205

Bet loon, o God.' dat gij bereid hebt voor die u beminnen, is waarlijk groot, het is onbegrijpelijk groot; geef dan dat ik u be-minne, opvat ik dat overgroote loon ver-diene en het hiernamaals bekome.

III. HOOFDSTUK.

De wezenlijke glorie van den hemel bestaat in het aanscliouwen van God.

Het aanschouwen en het beminnen van God geschiedt door het verstand en door den wil. Het verstand is het oog van de ziel, waardoor de wil, die uit zich zeiven slechts eene blinde kracht is, verlicht wordt. De leeraars stellen de zaligheid nu eens in de werking van het verstand of in het aanschouwen, dan in de werking van den wil of in het beminnen, dan weder in de werking van beiden en dit is volkomen zaligheid.

Het goddelijk Wezen is door zijne oneindige verhevenheid onzigtbaar, niet alleen voor de ligchamelijke oogen, maar ook voor het oog der ziel. Dus kan eene zalige ziel of een Engel dit wezen niet aanschouwen zonder het licht der glorie, hetwelk God haar mededeelt, en dat lia:.r verheft en bekwaam maakt, om hem te kunnen aanschouwen. Bij voorbeeld, wij kunnen met de oogen des ligchaams niet regt naar de zon zien, dewijl zij daartoe te zwak zijn; maar indien ons het gezigt van eenen arend gegeven werd, zoo zouden wij, gelijk de arend, de zon kunnen aanschouwen met

ocr page 208

VAN DEN HEMEL

vermaak. Alzoo ook, het natuurlijk licht van ons verstand is te klein en te zwak, otn het goddelijk Wezen te kunnen aanschouwen: het kan den glans van Gods glorie niet dragen, het moet door het licht van de glorie geholpen worden.

Dit licht van glorie heeft drie voorname uitwerkingen. Ten 1. het verheft de ziel als tot eenen goddelijken staat. 2. Het verbreidt hare bekwaamheid, zoo dat zij als onmetelijk wordt om dit onmetelijk goed te genieten, en om als geheel de onmetelijkheid Gods in zich te omhelzen. 3. De ziel, aldus verheven, versterkt en verbreid, wordt door dit licht opgetogen tot liet aanschouwen van God.

Deze aanschouwing Gods zal zijn een allerklaarste en allerzuiverste kennis, niet als door eenen spiegel, of in gelijkenis, of door iets, dat ons dit Wezen zoude mogen vertoonen; maar van aanschijn tot aanschijn zonder sluijer, en het zal gezien worden in zich zeiven.

Dit goddelijk wezen zal geheel gezien worden (dewijl het onverdeelbaar is); maar het zal niet ten volle en volmaakt gezien worden, omdat het ter oorzake van zijne oneindigheid door niemand kan begrepen of gevat worden dan door God alleen.

Doch gelijk het verstand het licht van de glorie noodig heeft, om God te kunnen aanschouwen, zoo is er ook eene andere gel'jke gaaf noodig aan den wil, waardoor hij verheven, versterkt en bekwaam gemaakt wordt tot die bovennatuurlijke liefde, met welke de Heiligen in den hemel Gods oneindige goedheid beminnen.

206

ocr page 209

EN DE liEMEI.SClIE GLORIE. 207

De zaligheid bestaat in eene allervolmaaktste vereeniging met God, waardoor de ziel in hem als veranderd en aan hem gelijk wordt.

Nu, het kennen of het aanschouwen alleen, maakt ons niet volkomen gelijk aan God, maar alleen ten deele, en zooveel het verstand betreft.

De werking van het verstand, dat is de kennis, heeft wel ten deele eene gelijkmakende kracht, dat is, zij maakt de ziel wel eenigszins gelijk met haar voorwerp, en met de zaak, die zij kent en aanschouwt; maar de werking van den wil, dat is de liefde, heeft eene vereenigende kracht, waardoor zij de ziel vereenigt met haar voorwerp, of met de zaak, die zij bemint.

O liefde, hoe heilig is uwe kracht! in welke goddelijke gesteltenis brengt gij de ziel! Gelijk een gloeijend ijzer, zegt de H. Bernardus, gelijk wordt aan het vuur, en zijne vorige gedaante aflegt, alzoo zal de inenschelijke staat in de Heiligen op eene onuitsprekelijke wijze als gesmolten worden, en geheel veranderd in de gelijkenis van God.

Och! of wij eens zagen, hoe de gelukzaligen, aldus geheel veranderd in het licht en de liefde, daar staan voor het goddelijk aanschijn, en daar gedurig branden door zijne liefde, wij zouden zeggen, dat zij het niet zijn, die beminnen; maar dat God in hen, met hen, en door hen zich zeiven bemint met zijne eigene onbepaalde liefde, en dat God zelf het vuur is, waardoor zij branden. Hij trekt hunne ziel zoodanig in zich, h^j

ocr page 210

^AN DEN HEMEL

vereenigt zich zeiven zoozeer met hen, dat zij geheel in hem verslonden worden. Hij stelt ze in een bovennatuurlijk wezen; hij maakt ze goddelijk en deelachtig aan de goddelijke natuur, gelijk de H. Petrus spreekt. Maar zij verliezen nogtans hun eigen wezen niet, (gelijk het ijzer in het vuur zijn eigen wezen ook niet verliest); maar zij worden veranderd in schepse's, die als vergoddelijkt zijn; zoo dat al hunne werktuigen van liefde en kennis goddelijk schijnen.

Doch al is het dat de zaligen wel weten dat zij God om zijne oneindigheid niet geheel kunnen doorgronden, dit veroorzaakt hun g^ene pijn, integendeel, het vermeerdert hunne blijdschap; want zij zien met eene heilige verwondering, dat dit aanbiddelijk Wezen zoo oneindig is, dat het boven de onuitsprekelijke schoonheden, die zij daarin aanschouwen en beminnen, nog de oneindige schoonheden en volmaaktheden heeft, die niet ten volle gekend en gevat kunnen worden dan door God alleen; zoo dat zij uit verwondering met de Engelen roepen: Heilig, heilig, heilig! Gij zijt groot, o Heer! en bovenmate loffelijk, en wie zal uwe uitnemendheden in uwe H. stad naar waarde kunnen zingen!

Hier op de aarde wordt het ons verboden, Gods verholenheden te doorgronden, om niet overvallen te worden door de grootheid van haren luister; maar dan zullen de Heiligen, zonder die vrees, klaarlijk zien het aanbiddelijk geheim der allerheiligste Drievuldigheid, hoe het eeuwig Woord voortkomt van den

208

ocr page 211

EN DE IIEMELSOHE GLORIE. 209

Vader, hoe de Vader den Zoon bemint, en de Zoon den Vader, en hoe uit deze wederzijd-sche liefde God de H. Geest wordt voortge-bragt. Zij zullen verder met blijdschap aanschouwen het groote geheim van de Mensch-wording van den Zoon Gods, en de wonderbare vereeniging van twee naturen in éénen goddelijken Persoon.

De zaligen zullen ook aanschouwen de verborgene kracht van Gods geheime Voorzienigheid, zoo in het bestieren van de geheele wereld, als in die van elke ziel in het bijzonder, en voornamelijk het geheim van hunne eeuwige verkiezing; hoe het werk van hunne zaligheid begonnen, bevorderd en voltrokken is door de zoete en almogende kracht van Gods genade: hoe hij uit hunne zonden heeft weten het goed te trekken, en hen door zoo vele stormen gebragt heeft tot de gewenschte haven. Zij zullen God aanzien als een ervaren goudsmid, die wel weet hoe lang hij het goud in den oven moet houden om de zuiverheid en den luister te krijgen, die er noodig is om er een kunststuk van te maken. Hoe zullen zij, welke God door zijne genade van groote zondaars tot boetvaardigheid gebragt heeft, daarvoor zijne boetvaardigheid loven, en zij die hij door geene mindere genade in de onschuld van hun Doopsel bewaard heeft, hoe zullen zij hem danken, dat hij hen zoo barmhartig bevrijd heeft van den stroom der boosheid, die zoo geweldig is.

Hoe uitnemend zal ook het aanschouwen van alle dingen in God zqn 1 Het verstand der

ocr page 212

VAN DEN HEMEL

zaligen zal alle schepsels zien in het goddelijk Wezen zonder schijnsel of afbeelding, het zal die zien op eene gelijke wijze zoo als God die ziet, en honderdmaal klaarder en duidelijker als of het die zag in zich zeiven, en in hunne eigene natuur. En wat weet hij niet, die hem ziet, die alles weet, en die deze oneindige wetenschap aan zijne dienaars wel ten deele wil openbaren.

O, hoe onuitsprekelijk is het loon der zaligen ! God zeide eertijds tot Abraham : Ik hen uw beschermer en overgroot loon; waarop de H. Ber-nardus zegt: liet is zoo overgroot dat loon, dat het niet kan gemeten worden; zoo kostelijk, dat het niet kan geschat worden; zoo overvloedig, dat het niet kan eindigen. Na honderdduizend jaren zullen die zaligen zoo groote blijdschap genieten, als op het eerste oogenblik; zoo zoet en zoo wonderbaar is het, God te aanschouwen, dat zij onophoudelijk zullen dronken zijn van de volheid van zijn huis.

De booze geesten zei ven zij q grondig overtuigd van het oneindig geluk, dat er te vinden is in de klare aanschouwing van Gods Wezen en zoo hun nog eenige • hoop daarop gegeven werd, zouden zij dit groot goed veel duurder willen betalen dan wij.

Cesarias, monnik van Heisterbach in hel Bisdom van Keulen, die in de dertiende eeuw geleefd heeft, verhaalt van eene bezetene vrouw, dat de duivel die in haar was, in zijn bijzijn in St. Petrus kerk te Keulen ondervraagd, voor wat prijs hij het geluk van den

210

ocr page 213

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 211

hemel, indien hij in zijnen eersten staat nog eens mogt hersteld worden, wel zoude willen koopen, geantwoord heeft: Indien er eene kolom opgerigt was van de aarde tot aan de wolken, beslagen met groote uitstekende nagelen, messen en scharen, ik zoude mij gaarne, omkleed met een menschelijk ligchaam, laten trekken op en af die kolom tot den dag des oordeels toe, als ik daardoor maar hersteld konde worden in mijnen vorigen staat.

Indien een Heilige, zegt Franciscus Arias, (een godvruchtig schrijver, wiens werken zeer geprezen worden door den H. Franciscus de Sales) duizend jaren geleefd had, en al die jaren al de tormenten der Martelaars ondergaan had en daarbij al de verschillende pijnen, die de menschen hier op de wereld overkomen, geleden had en God hem alsdan deed ten hemel opklimmen om zijn goddelijk aanschijn te genieten, den tijd maar van een Wees gegroet, hij zoude belijden, dat al zijne pijnen overvloedig vergolden ziin, en dat hij een grooter loon ontvangen heeft, dan hij verdiend had.

Wij kunnen deze zoo wonderlijke zaken in den duisteren nacht van dit leven met ons klein versland niet bevatten: maar de heiligen zullen het duidelijk ondervinden, en alsdan met meer reden, dan de koningin van Saba over de glorie van Salomo, uitroepen: Waarlijk, hetgeen ik gehoord had in mijn land, konde ik niet gelooven, tot dat ik zelve hen gekomen, en met mijne eigene oogen gezien en beuonden heb, dat er mij de helft

ocr page 214

212 VAN DEN HEMEL

niet van geboodschapt was. De H. Thomas a Villanova, sprekende van deze koningin, die te Jerusalem komende op het zien van het paleis van Salomo, zijne rijkdommen, zijne magt, en schoone orde, het sieraad, de dienaren en omstaande vorsten bedwelmd •werd, en als bezweek van bewondering, zegt; J Indien een sterfelijk mensch zich zoo ver-swonderd heeft over eenen sterfelijken mensch, »wat denkt gij dat eene onsterfelijke ziel zal «doen, die uit de Bab3'lonische gevangenis »op eens komt in de schoonheid van het shemelsch Jerusalem, ziende niet het huis «van eenen aardschen vorst, maar het huis, »de grootheid en de glorie van den almogen-den God!quot;

Al wie het geluk hebben zal tot u te komen, o mijn God! zullen over de schoonheid van den hemel met groote verwondering uitroepen: o stad Gods! men heeft zeer treffende dingen van u verkondigd! Wij hidden u dan, o Jesus, geef ons toch dit geluk.

IV. HOOFDSTUK.

De zuligen hebben geene droefheid al zien zij anderen hoog verheven. Hunne bezigheid.

Het licht der glorie wordt aan de zaligen niet in gelijke mate medegedeeld, noch het goddelijk Wezen op gelijke wijze door hen gezien: want zij ontvangen hun licht van God volgens de verscheidenheid hunner verdiensten. En geljjk de sterren, zoo als de Apostel spreekt,

ocr page 215

EN DE HEMELSCHE GLORIE.

verschillen in licht, alzoo verschillen de zaligen in glorie en klaarheid.

De mindere Heiligen zullen nogtans geene afgunst hebben over die grootere glorie en verhevenheid van anderen. Integendeel een deel van hun geluk zal bestaan in de schoone regelmatigheid van Gods ordening te bewonderen; en uit de groote liefde tot God, waarmede zij ontstoken zijn, zal eene overgroote liefde tot elkander spruiten, waardoor zij niet alleen verheugd zijn over hun eigen geluk, maar ook over het geluk van de anderen; dewijl zij allen te zarnen in God, elk volgens , de grootheid van zijne liefde, een volle verzadiging vinden en genieten.

«Aldaar zal eene maagd, zegt de H. Bona-sventura, zich verheugen over de verdiensten svan den weduwlijken staat; en eene weduwe sover het voorregt der maagden. Aldaar zal »de belijder verblijd zijn over de overwinning ))van den martelaar en de martelaar opsprin-sgen over het loon van den belijder. Aldaar »zullen de Profeten zich verheugen over den «heiligen levenswandel der Patriarchen, en de «Patriarchen over het geloof der Profeten. «Aldaar zullen de Apostelen en de Engelen «verheugd zijn over de verdiensten der onder-«danen, en de mindere onderdanen zich ver-«heugen over de glorie der oversten.quot; En de H. Thomas zegt; In het eeuwig leven zal iedereen verheugd zijn, zoo over zijn eigen, als over eens anders goed. Hier op de aarde is er dikwijls twist en geschil, ook onder gebroeders, als zij het erfdeel huns vaders deelen,

213

i'i i-

1

ocr page 216

VAN DEN HEMEL

omdat de een zich somwijlen meer toegeeft dan hem toekomt. Maar in den hemel is het erfdeel oneindig, het wordt door de verdeeling niet verminderd. Daarom, zij, die gesteld zijn in het laatste koor der Engelen, schoon zij eene tallooze menigte van zalige geesten boven zich verheven zien in de gloiie, zijn daarover niet bedroefd, maar verblijd. Ja, wat meer is, zij zullen niet alleen dit niet benijden, maar zelfs geenen hoogeren trap van glorie kunnen begeeren, omdat aan een ieder eene glorie gegeven wordt volgens de maat van zijne verdiensten. Ziehier dit afgebeeld in eene ware gelijkenis.

Eene moeder heeft tien dochters, allen groot, elk volgens haren ouderdom; zij maakt voor elke dochter een kleed van gelijke stof; zij gebruikt voor het kleed van de oudste dochter, bij voorbeeld twintig ellen, voor dat van de jongste rr;aar tien, en voor de andere min of meer naar behooren. Doch de mindere dochters benijden niet, dat de andere meer stof hebben aan haar kleed; maar zij zijn integer deel allen tevreden, omdat elk een kleed heeft dat haar past; en niemand van de tien zoude willen verwisselen. Zoo ook in den hemel: daar zijn groote Heiligen als: de H. Joannes deDooper, Petrus en Paulus, Lauren-tius, enz. Daar zijn er ook mindere, aan welke een minder kleed van glorie toekomt en past.

O stad Gods! zalig zijn zij,dieu beminnen, en die geschikt zijn cm u te bezitten I Ach hoe verre gaat uwe vreugde ons klein verstand te boven.

244

ocr page 217

en de hemelsche glorie.

De ecnwigc bezigheid der gelukzaligen zal zijn, zich geheel te keeren om God te aan-fchouwen, al hun vermaak hem te beminnen, en al hunne glorie hem onderworpen te zijn. »Zij zullen hem altijd beminnen, met hem «altijd le zien, zegt de H. Augustinus, en smet hem altijd te beminnen, hem altijd te sloven, hetgeen tot op het einde van alle «eeuwen (dat is nimmer) geen einde zal heb-))ben. Zij zullen God bezitten. Zalig zijn zij, o Heer! die in uw huis wonen, zegt «wederom dezelfde H. Vader met David. Maar «watzullen zij daar doen? vraagt hij: Zij zullen u loven in de eeuwen der eeuwen. Daarom is «geheel hun leven maar een gedurige lof van «Gods wezen, en een eeuwig Alleluia. Denk «niet, o mijne broeders, dat zij eenige verve-«ling kunnen hebben in gedurig met dezelfde «zaak bezig te zijn, omdat gij hier niet lang «kunt bezig zijn met God te loven. Het zijn «de noodwendigheden van dit leven, die u «daarvan afkeeren; en dewijl gij God niet «aanschouwt, zoo zijt gij daarvan ook zoo «gevoelig niet geraakt. Indien men in het «ander leven koude ophouden God te beminnen, »men zou ook ophouden liem te loven. «Maareven «als de liefde eeuwig is, omdat men zich nooit kan «verzaden van de schoonheid Gods, die men aan-«schouwt, behoeft gij niets te vreezen dat gij ooit «zult kunnen ophouden van te beminnen.quot;

Zij zullen dan God loven over hetgeen zij in hem zien en kennen, te weten over zijne oneindige grooiheid, heiligheid, barmhartigheid, regtvaardigheid, enz. Óver al de genaden en

215

ocr page 218

VAN DEN HEMEL

barmhartigheden, die hij hun en al de uitverkorenen bewezen heeft, en met David zeggen: De barmhartigheid des Heeren zal ik in eeuwigheid zingen. Eindelijk zij zullen te zamen met Christus, hunnen eeuwigen Verlosser aan den Vader een eeuwig brandoffer van liefde opdragen.

Uw dienaar Awjustinus, o groote God! denkende op de bezigheden uxver Heiligen in den hemel, beschrijft die met deze korte woorden: Wij zullen hem loven, geef dat wij dit van nu af opregt mogen doen om het hierna volmaakt te doen in alle eeuwen.

V. HOOFDSTUK.

Eigenschappen van dc wezenlijke zaligheid.

1. L)c blijdschap des Hemels.

Als men eenig goed bekomt of bezit, is men er over verblijd, en hoe grooter dat goed is, des te grooter is ook de blijdschap. Hoe groot moet dan de blijdschap niet wezen, die voortkomt uit de klare aanschouwing en zoete genieting van dat oneindig goed! aide tongen der menschen met het verstand der Engelen te zamen gevoegd, zijn niet bekwaam om het ons te doen vatten.

«Wat tong zal kunnen uitspreken, of wat «verstand begrijpen, vraagt de H. Gregorius, »hoe groot de blijdschap van die opperste stad »is! Te zijn onder de kooren der Engelen en »in de glorie des Scheppers met die allerza-»ligste Geesten, het aanschijn Gods tegenwoor-»dig te aanschouwen, en dat bepaald licht met de oogen te zien.quot;

■216

ocr page 219

EN DE HEMEI.SCIIE GI OniE. 217

Deze blijdschap is eene allerwa/irachtigste,

eene allerzuiverste en eene allervolkom enste blijdschap, het is de blijdschap des Heeren.

1. Het is eene aller waarachtigste blijdschap, »bij welke, gelijk Bernardus zegt, alle andere «blijdschap geween, alle liefelijkheid droefheid, «alle zoetigheid bitterheid, alle schoonheid lee-»lijkheid, en al wat ons kan vermaken maar «enkel pijnlijkheid is.quot; Ach, konden wij die eens zien, wij zouden terstond al die blijdschap der aarde verfoeijen, en alles achten als slijk en vuiligheid om die te winnen.

2. Het is eene allerzuiverste blijdschap, zonder vermenging van droefheid, en zonder vrees van die te verliezen. God zal al de tranen afvegen van hunne oogen. Daar zal geen dood meer zijn, noch geween, noch ge-roep, noch droefheid; want dat alles is voorbij. De H. Bernardus zegt: God zal afvegen de tranen van berouw en leedwezen, want daar zal geene zonde meer zijn, de tranen van devotie, want daar zal niet zijn: Ik ga en ik kom, gelijk Christus spreekt tot zijne Discipelen hier op de aarde; dat is: God zal nooit zijn aanschijn verbergen, of ons zijn wezen onttrekken. Helaas! hoe ver van daar is de wereldsche blijdschap, die met zoo veel droef-h;id en smart gemengl is!

3. Het is eene allcrvolkornensie blijdschap, want zij komt uit het bezitten van een oneindig goed: O wie is er zoo verblijd, vraagt de H. Augustinus, gelijk hij is die gemaakt heeft al hetgeen ons verblijdt? Het is eene volle blijdschap, die Christus te kennen geeft, waar

ocr page 220

VAN nr-N HEMEL

de Heer tot zijnen getrouwen dienaar zegt: Welaan gij goede en getrouwe knecht, kom en treed in de blijdschap van uwen Heer. Die blijdschap zal niet in uw hart gaan, om dat alleen te vervullen; maar gij zult geheel en gansch in de blijdschap gaan als in de volle zee. Blijdschap van binnen, zegt de H. Ansel-mus, blijdschap van buiten, blijdschap van boven en onder, blijdschap rondom en aan alle kanten, blijdschap in alle ledematen.

Is dit niet de blijdschap, vraagt deze heilige Vader, van welke Christus zegt: Vraagt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap volkomen zij? Ik heb dan eene blijdschap gevonden, die vol is, en meer dan vol. Als het hart, de geest, de ziel, geheel de mensch zal vol zijn van deze blijdschap, zoo zal er nog blijdschap overschieten. De geheele blijdschap zal niet gaan in hem, die verblijd wordt; maar die verblijd wordt, zal geheel in deze blijdschap gaan. Daar zal zoo veel blijdschap zijn als er liefde is, en zoo veel liefde als er kennis is. De hemelsche stad zal niet dan blijdschap zijn, hare inwoners en burgers zullen als de blijdschap zelve zijn.

4. Het is de blijdschap van den Heer, dat is, die men gevoelt, niet om het genieten van de schepselen, maar om het genieten van den Heer en Schepper zeiven en omdat het is de blijdschap, door welke God zelve verblijd is over zieh zeiven, en door welke hij de Engelen en de gelukzaligen blijde en zalig maakt.

Deze blijdschap is zoo groot, dat indien God zich aldus vertoonde aan den grootsten ver-

218

ocr page 221

EN DE HEMELSCUE GLORIE. 219

doemde, de minste klare aanschouwing genoeg zoude zijn om hem alle pijnen te ontnemen. Wat blijdschap van de wereld kan de pijn doen ophouden, die men gevoelt uit het snijden en kerven van ons ligchaam? Integendeel zulk een kleine pijn alleen is genoeg, om de grootste genoegens te verdrijven. Dit kan de hemelsche blijdschap nogtans uitwerken.

2. l)e verzadiging der ziel.

De ziel van den mensch is gemaakt naar het beeld van God; alles wat buiten hem is, kan haar niet verzadigen. Zoo groot en verheven is de ziel, dat al wat minder is dan God, ongenoegzaam is om haar te voldoen. Dit alleen weet ik, zegt de H. Augustinus, dat mij alles smart zonder u, niet alleen huiten mij zeiven, maar ook in mij zeiven: en dat alle overvloed, die mijn God niet is, slechts armoede en behoefte is.

O schoonheid van Gods Wezen, welks aanschouwing voor eeuwig de verzadiging der Heiligen wezen zal! Ziet, de brandende Serafijnen en Cherubijnen aanschouwen onophoudelijk dit wezen, zonder zich een oogenblik af te keeren, en na duizend millioenen eeuwen zullen zij nog altqd lust en honger hebben, om het te zien en om het meer en meer te zien. Denkt eens, dat in eeue koninklijke lustkamer al de schoonheden en zeldzaamheden bijeen vergaderd waren, en dat een nieuwsgierig mensch dit alles moet blijven bezien een geheel jaar lang; wat verdriet zoude

ocr page 222

VAN DEN HEMEL

hij daar vinden! Wat eene schoonheid dan

moet er in God zijn, die deze schoone geesten zoo kan verheugen en verzaden, daar zij zeiven zoo schoon zijn, dat iedereen van hen eene geheele wereld verheugen zoude, indien zij zich in hunne glorie vertoonden! sAls wij szul'en gekomen zijn, tot de fontein des levens, szegt de H. Gregorius, zal ons vermakelijk »dorst en verzadiging te zamen ingeboezemd «worden; maar een dorst vrij van gebrek, »en eene verzadiging vrij van alle verveling: gt;want zij zullen dorstende verzadigd zijn, »en verzadigd zijnde, nog dorst hebben.quot;

3. De verzekering der zaligen, dat zij niet meer kunnen zondigen.

De hoop, die ons hier in dit leven voedt, en de wanhoop uitsluit, geeft ons geene volle verzekering, maar dit is in den hemel te vinden: want de zaligheid kan zonder die verzekering niet bestaan: het is onmogelijk dat iemand zoude zalig zijn, tenzij hij gerust en verzekerd ware dat zijne zaligheid eeuwig zal duren. De zaligen dan zullen klaarlijk zien en weten dat hun geluk eeuwig duren zal.

Voorts, door het aanschouwen van de eeuwige en ongeschapene wijsheid, bekomen zij eene groote wijsheid, en volgens de maat van die wijsheid bekomen zij eene zoo groof e regt-vaardigheid en heiligheid, dat zij niet meer zullen willen noch kunnen zondigen, daar zij God zien, dat opperste en oneindige goed. Zij zullen van hem niet een oog kunnen afkeeren,

220

ocr page 223

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 221

noch opbonden van hem met eene allervurigste liefde te beminnen. »De engelen en ook de «gelukzaligen, zegt de H. Augustins, aan-sschouwen zoodanig bet onveranderlijk wezen »des Scheppers, dat zij door het aanschouwen sen door de liefde hetboven alle dingen «stellen, volgens dat over alle dingen oor-»deelen, en daaruit al wat zij doen besstieren.quot;

4. Dc heerlijkheid der zaligen.

De mensch zoekt hier geëerd te worden van de measchen, door hunne woorden en werken; door hunne woorden, als zij hem ' prijzen; door hunne werken, als zij zich voor hem vernederen. En wat is dit anders, alsof de eene muis van de andere geëerd en geprezen wilde worden. Doch niemand kan hier zelfs die ij dele eer ten volle hebben; want er is geen keizer noch koning ter wereld, die van een ieder geprezen wordt en boven alles gesteld. Maar de zaligen worden geëerd van al wat in den hemel is. Zij zullen begaafd zijn met de koninklijke waardigheid, en koningen zijn in den hemel, die daarom door den H. Geest zoo dikwijls het rijk der hemelen genoemd wordt. En hoe zouden zij geene koningen zijn, daar de H. Petrus hen hier noemt een koninklijk 'priesterdom, hetgeen zij worden in het H. Doopsel, beginnende dan van hun koninklijk gebied met te heer-schen over hunne kwade driften, welke waardigheid hen verheft boven de grootste monarchen der wereld.

ocr page 224

222 VAN DEN HEMEL

Christus is niet alleen Koning der koningen, omdat hij het oppergebied heeft over al de koningen der aarde, maar ook omdat al zijne onderdanen en dienaren koningen zijn. De H. Geest noemt ze medeërfgenamen, broeders en ledematen van Christus en deelgenoten van zijn erfdeel, en diensvolgens zijn zij het ook van zijn rijk, van zijne koninklijke waardigheid, van zijne magt en rijkdommen, en van alles wat in zijn koningrijk is.

Ach! hoe treffelijk zijn de troonen, daar zij op zitten; hoe glinsteren de kroonen, die zij dragen; hoe onbegrijpelijk is de eer, die zij ontvangen van de Engelen, van al de Heiligen, van de allerheiligste Maagd en van God zeiven.

Wat eene eer zoude het niet zijn, dat een mensch koning werd van al de koningrijken der wereld, en dat hij door al de menschen der aarde geëerd en bemind werd 1 nogtans is het eene grootere eer en geluk, geëerd en bemind te worden door éénen Heilige of door éénen Engel alleen. Wat zal het dan zijn geëerd te worden door al de Heiligen en Engelen te zamen, en wat meer is, geëerd te worden door God.

Als God zich maar gewaardigt een gunstig oog te slaan op eenig schepsel, is dit eene veel grootere eer en goed, dan dat al de menschen der wereld te zamen met al de Heiligen en Engelen des Hemels aan dit schepsel kunnen geven; wat zal het dan zijn, als God zelf aan de zaligen zal geven, niet eene kleine eer, maar hen koningen des hemels zal maken, en hen zal stellen op den troon

ocr page 225

EN DE HEMELSCHE GLOEIE. 223

van zijnen Zoon, gelijk Christus zelf zegt door den H. Joannes: die gewonnen zal hebben, zal ik op mijnen troon laten zitten, gelijk ik ook heb gewonnen, en zit met mijnen Vader op zijnen troon. O wat eene eer is dit! dat een mensch gesteld wordt op den troon van Christus, en dat door God zei ven verkondigd wordt, dat hij een overwinnaar der wereld is! O wat blijdschap, zich zoo geëerd en verheven te zien, en deelachtig te worden aan al de goederen van zijnen Heer, zijn troon zelf niet uitgenomen! met reden dan roept de Apostel: Indien wij met Christus lijden wij zullen met hem heerschen. Doch al is het dat dit rijk bezeten wordt van zoo vele koningen, de verhevenheid en de magt van eiken koning wordt daardoor niet verminderd, maar vermeerderd, omdat zij al te gader maar één hart en éénen geest hebben; en omdat alzoo dit koningrijk van ieder gansch en geheel bezeten zal worden.

De kardinaal Bellarminus meent dat de gelukzaligen, bij hunne aankomst in den hemel, met lofzangen ontvangen worden, en dat de Engelen tot hunne eer deze woorden van Christus zingen: Welaan, o goede en getrouwe knecht, omdat gij getrouw zijt geweest over weinig, zal ik u stellen over veel; ga in de blijdschap van uwen Heer. Dat zal eene eer zijn, die alle eer te boven gaat, die hun zoude kunnen gegeven worden van de wijsste en heiligste der menschen der wereld en van de koningen zei ven. Aldaar zal de glorie opregt zijn, zegt de H. Augus-

ocr page 226

VAN DEN H^MEL.

tinus, aldaar zal niemand geprezen worden door bedrog of vleijerij van dengene, die prijst: en de eer waarachtig, die men niet zal weigeren aan die ze verdient, en niet zal geven aan die ze niet verdient.

Daar zal in dit koningrijk geene kronijk noodig zijn om de kloeke daden aan te teekenen, maar al de deugden en voortreffelijke werken, die een ieder gedaan heeft, zullen hem bijblijven en eeuwig versieren, en zij zullen in hem gezien en gelezen worden door al de Heiligen en Engelen, tot zijne eeuwige glorie en blijdschap.

Indien God de doode ligchamen en dorre beenderen van zijne dienaren zoo vereert hier op deze wereld, wat zal hij doen in den hemel met de zielen? De H. Chrysostomus vraagt: waar is nu het graf van Alexander den grooten? wanneer is hij gestorven? Alles is vergeten. Maar de graven der dienaren van Christus zijn zoo kostelijk, dat de beroemdste steden zich tot eer rekenen, hunne ligchamen te mogen bezitten, zij worden in de kerken geëerd en gevierd. En hoe vele mirakelen en wonderen heeft God niet uitgewerkt om hunne reliquiën te vereeren. Deze H. Vader zegt ook, dat de doode ligchamen van de H. Juventiusen Maximus zoo blonken, dat de oogen den glans hunner klaarheid niet konden verdragen. Sulpitius Severus zegt, dat het ligchaam van den H. Martinus zoo vol glans was, dat zijn vleesch zuiverder blonk dan kristal. En hoe vele andere ligchamen heeft God niet onbeschadigd ge-

224

ocr page 227

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 225

houden vele jaren lang? Indien hij dit doet met de ligchamen van zijne dienaren, die onder de aarde zijn, wat zal hij doen met hunne zielen, die boven de hemelen zijn ? En wat zal hij doen met ligchaam en ziel als de ligchamen roemvol verrezen zijn? Uit dit alles blijkt dat al de eer, die ooit een monarch op deze wereld in zijne zegepraal ontvangen heeft, maar ijdelheid en kinderspel is bij de minste eer, die een zalige in den hemel ontvangt. Met regt dan geeft men aan het geluk der zaligen den naam van glorie, en met reden roep David: Al te zeer, o Heer! zijn uwe vrienden verheerlijkt, al te zeer is hun prinsdom bevestigd en verheven!

Ziet, o kinderen van Adam! die hier de ijdele eer zoekt, daar is de waarachtige en onwaardeerbare eer te bekomen, als men van den Koning der koningen de kroon van glorie ontvangen zal, ten aanschouwe van al zijne Engelen en Heiligen, om met hem een koning des hemels te zijn in alle eeuwigheid.

Ach, hoe zullen zij geëerd worden in den hemel, die nu ter liefde van Christus de ijdele eer verachten en gaarne versmaadheid en vernedering lijden, ja, die zoeken en beminnen; en die, volgens de leering en het voorbeeld van Christus en zijne Heiligen, de minste plaats verkiezen zoo veel als hun beroep het kan toelaten. Want als zij voor Christus zullen verschijnen, zal hij tot hen zeggen: Klim hooger op Vriend: omdat gij om mij de laagste plaats in de wereld verkozen hebt, zult gij de hoogste hebben in den hemelt 21 8

ocr page 228

VAN DEN HEMEL

Gij hebt, o Heer! op vele plaatsen van do H. Schrift de groote voordeelen der ootmoedigheid voorgesteld, en het grootste van al is, dat de ootmoedige.n zullen verheven worden in den hemel, omdat zij zich vernederd hebben op de aarde. Geef toch, dat wij altijd ootmoedig van harte zijn, dat is, klein en slecht in onze eigene oogen, opdat wij eens mogen groot ivezen hij u.

VI. HOOFDSTUK.

Van de vier begaafdheden der glorieuse ligchamen.

Als de ziel in haar ligchaam is, geeft zij daaraan vier volmaaktheden: 1. dat het schoon van kleur is; 2. dat het onbederfelijk is; 3. dat het kloek en sterk is; 4. dat het licht en snel is. Alzoo zal eene verheerlijkte ziel die haar ligchaam weder aanneemt daaraan vier begaafdheden mededeelen, die de Apostel ons uitdrukt als hij zegt: Het ligchaam werd gezaaid in bederfelijkheid, het zal opstaan in onbederfelijkheid: dat is onsterfelijk. (Het ligchaam wordt als gezaaid, als het in het graf gelegd wordt, en het zal opstaan als het verrijzen zal.) Ten 2. Het wordt gezaaid in onedelheid, het zal opstaan in glorie. (Dit beduidt de gaaf van klaarheid.) Ten 3. Het wordt gezaaid in krankheid, het zal opstaan in kracht. (Dit is de gaaf van snelheid.) Ten -4. Het wordt gezaaid in een vleeschelijk ligchaam, het zal opstaan in een geestelijk, (Dit is de gaaf van doorschijnendheid.)

226

ocr page 229

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 227

1. Van de gaaf van klaarheid.

De regtvaardigen zegt Christus, zullen blinken gelijk de zon in het rijk huns Vaders.

De klaarheid zal niet alleen bestaan in een klaarschijnend licht, maar ook in eene wonderbare en zeer aangename mengeling en gematigdheid van kleuren. En hoe groote schoonheid van kleur zal er wezen, roept de H. Augustinus, daar de regvtaardigen zullen blinken gelijk de zon in het huis huns Vaders.

Dit licht zal hun dienen als een kleed van ■glorie, waarmede zij zullen omhangen zijnen schooner blinken dan al hetgeen demenschen kunnen uitvinden door goud, zilver en door allerlei kostelijke gesteenten om eenen koninklijken mantel op het allerprachtigst te versieren: want zij zullen blinken gelijk de zon zelve.

Indien eenig koning, opgepronkt met al zijne kostelijke steenen bij nacht uitgaande, verlicht werd met duizende fakkels, die hem omringden, die zouden immers eenen grooten glans en luister geven, en nog meer indien voor hem zoo vele flonkerende sterren gedragen wierden, en nog zoude dit alles te klein zijn om ons de klaarheid der uitverkorenen af te beelden.

Indien dan eene eenige zon, die de wereld beschijnt, zulk eene vreugd aan de oogen en aan de harten geeft, wat eene vreugd zal het zijn, zoo vele duizende zonnen bijeen te zien, die een goddelijk licht zullen uitstorten, ge-

ocr page 230

228 VAN DEN HEMEL

matigd door eene onbegrijpelijke aangenaamheid en schoonheid?

God heeft iets van deze klaarheid laten zien in het aanschijn van Mozes, die, toen hij met God gesproken had op den berg Sinaï, van den berg afkwam met zoo klaarblinkende stralen, dat de kinderen van Israël hunne oogen op hem niet konden slaan, en dat hij verpligt was zijn aanschijn te dekken, als hij tot hen sprak. Hij heeft het ook getoond in Christus, als zijn aangezigt blonk als de zon op den berg Tabor. Doch, indien het aanschijn van Mozes in dit sterfelijk leven zoo geblonken heeft uit eene zamenspraak met God, wat eene klaarheid zal een glorieus ligchaam niet hebben in den hemel als het bestraald is door het oorspronkelijk licht, dat God zelf is.

Deze klaarheid zal grooter of minder zijn naarmate van ieders verdiensten: zij zal grooter zijn in hen, die hun ligchaam in dit leven meer verstorven en gepijnigd hebben om God, of die in het verborgen heilig geleefd en vele heimelijke goede werken gedaan hebben. Ook zullen allermeest blinken die ledematen van de Martelaars en Belijders, die door de beulen en de dwingelanden om Christus wil meer zijn gepijnigd geweest.

Wat doet gij dan, o ijdele zielen! met al dat wereldsch sieraad, waarmede gij nu uwe stinkende ligchamen oppronkt? uwe parelen en diamanten en al uwe ijdele kleederen zijn eer een teeken dat u de schoonheid ontbreekt, die gij door de optooijing meent te bekomen.

ocr page 231

___ li1 EM DE HEMELSCHE GLORIE, 229

De kleederen zijn u gegeven tot u-we schande en tot een gedurig verwijt uwer wederspan-nigheid tegen God. Zij moeten u doen denken op Adam die met beestenvellen bekleed schandelijk uit het Paradijs gejaagd werd.

Wilt gij dan dat uw ligchaam hiernamaals zal blinken, denk nu om het te versterven en te kastijden volgens uwen staat. Het tegenwoordige leven is daarom voornamelijk te achten, omdat gij daardoor eene zoo groote glorie kunt winnen. Indien gij het doorbrengt in ijdelheden en in onnuttigheden, de gelegenheid van die te verdienen is voor eeuwig voorbij.

2. De gaaf van onlijdelijklieid.

De ligchamen der zaligen zullen niet kunnen bederven, noch onderworpen zijn aan eenige pijn of lijden, zij zullen eene eeuwige jeugd en gezondheid genieten, zij zullen van alle kanten onlijdelijk en onsterfelijk zijn. Gelijk de ziel hare begeerte vervuld zal zien door het genieten van God en van alle goed, zoo zal hare begeerte ook vervuld worden door het afwezen van alle kwaad gelijk de H.

Joannes zegt: Geen geween meer, geen geschrei : geene droefheid meer, want dit alles is voorbij.

S. De gaaf van doorschijnendheid.

De ziel des gelukzaligen, dewijl zij God

j_/C fci.ci UCÖ gciuivAaii^cii, UCWJJI

geniet, zal hem op het allervolmaaktste aanhangen en deelachtig zijn aan zijne oneindige volmaaktheden, volgens haren staat en ba-

■J

É '

ocr page 232

230 VAN DEN HEMEL

kwaamheid. Het ligchaam zal geheel onderworpen zijn aan de ziel, en mededeelen in hare eigenschappen, zoo veel als het mogelijk is, waardoor het als een geestelijk ligchaam zal worden. Dus zal het ligchaam der uitverkorenen kunnen gaan door muren, rotsen, hergen enz., even gelijk de stralen van de zon gaan door het glas, zonder het te breken of te verdeelen: geene sloten noch deuren zullen hun den ingang kunnen beletten, naar het voorbeeld van Christus, die tot zijne Discipelen binnen kwam met gesloten deuren. Het zal nogtans zigtbaar en voelbaar blijven, zoo als Christus van zijn ligchaam zeide na zijne verrijzenis: Tast en ziet: een geest heeft noch vleesch noch beenderen, gelijk gij mij ziet hebben. Hij had te voren de snelheid van zijn ligchaam nog getoond, als hij, verrijzende uit het graf, den steen die er op lag ongehinderd liet, met zijn glorieus ligchaam kunnen gaan door de hardste rotsen, even gelijk een pijl door de lucht, en zoo licht doordringen door de aarde tot aan haar middenpunt, als door de lucht tot aan de maan.

4. De gaaf van snelheid.

De ziel, uit hare eigene natuur snel, vlug en bekwaam zijnde, om op eenen stond op verafgelegene plaatsen te kunnen zijn, zoude nog als ligchamelijk zijn, indien haar ligchaam, zwaar en traag blijvende, hare snelheid konde beletten. Dus zullen de glorieuse ligchamen zoo snel zijn, dat een gelukzalige op een oogen-blik tjjds zal kunnen zijn waar het hem be-

ocr page 233

EN DE HEMELSCHE GLORtE.

lieft, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde. Indien God toeliet, dat een mensch op een uur tijds Rome mogt zien, vandaar aanstonds voortreizen naar Constantinopel, en van daar naar Goa in Indië, en zoo voorts, en daar alles bezigtigen in dien korten tijd, wat een vermaak en wat een wonder zou dat zijn! En zoo zal de snelheid der zaligen wezen. Waar de geest zal willen wezen daar zal het ligchaam dadelijk zijn, zegt de H. Au-gustinus. Zij zullen even gelijk de Engelen, met eene onbegrijpelijke snelheid bewogen worden. Zij zullen van den hemel komen tot op de aarde, gelijk de Engelen, bijna met de snelheid der gedachte. Een Engel nam den Profeet Habacuc bij zijn haar (nog zijnde in zijn sterfelijk ligchaam) en voerde hem in een oogenblik van het Joodsche Land naar Babylonie, en bragt hem van daar wederom in eens terug, doende alsdus met de snelheid van eenen geest in eene wijle tijds wel vierhonderd en vijftig mijlen. Daar zal geene mindere snelheid zijn in de uitverkorenen aan welke beloofd is, dat zij aan de Engelen zullen gelijk zijn.

Gij hebt, o Heer! vele en onbegrijpelijke goederen voor mij bereid; ach, of mijn hart met zoo eene liefde daarvoor ontstoken werd, dat ik geene moeite spaarde, om ze te verkrijgen.

231

ocr page 234

VAN DEN HEMEL

VII. HOOFDSTUK.

Van het vermaak der uitwendige zinnen bij de gelukzaligen.

1. Van het vermaak van het gezigt.

Het is buiten allen twijfel, dat de uitwendige zinnen hunne werking zullen hebben in de uitverkorenen, zoo als in Christus gebleken is na zijne verrijzenis. Zij zullen hooren en zien, reuk, smaak en gevoel hebben, doch op zulk eene wijze, dat al de voorwerpen der zinnen hun tot een onuitsprekelijk en heilig vermaak zullen strekken. De inwendige glorie en het vermaak van de ziel zal zich uitwendig uitstorten over al de zinnen, en de uitwendige schoonheden, die het voorwerp zijn van de zinnen, zullen wederom de vreugd van ds ziel vermeerderen.

De voorwerpen van het gezigt zijn de schoonheid, het licht, de kleuren. De oogen zullen daar zien de onbeschrijfelijke schoonheid van den hemel, dat onuitsprekelijk schoon paleis van den oppersten Koning, waar hij zijne glorie en zijne grootheid vertoont aan zijne Heiligen. Zij zullen zien die wonderbare orde en overeenstemming van al de deelen van dit goddelijk Huis. Zij zullen de schoonheid van al de gelukzaligen zien, waarvan een alleen genoeg zou zijn, om onze ziel uii haar ligchaam te rukken, zoo als de H. Birgitta verklaart in hare openbaringen. Wat zal het dan zijn, al die hemelsche scharen te zamen te zien, de Patriarchen en Profeten, r'e Martelaars, de Maagden, enz.

232

ocr page 235

EN DE HEMELSCI1E GLORIE. 233

hij.

Zij zullen het ligchaam van de allerheiligste Maagd aanschouwen, welke de H. Joannes in zijne openbaring ons afbeeldt als eene Vrouw, bekleed met de zon, de maan aan hare voeten, en gekroond met flikkerende sterren. Zij zullen eindelijk de glorieuse menschheid van Christus aanschouwen, die alles ver te boven gaat, zoodat zelfs de Engelen, volgens de H. Schrift er hun geluk in vinden dit te aanschouwen. Het geestelijk licht van zijne Godheid zal de ziel verlichten en de ligchamelijke klaarheid van zijne glorieuse menschheid zal de ligchamelijke oogen bestralen, volgens hetgeen de H. Joannes zegt van de heerlijke stad: Zij heeft noch zon noch maan noodig: want de klaarheid Gods bestraalt haar, en het Lam is haar verlichtende fakkel. De klaarheid Gods voor de zielen is de verlichte fakkel van het Lam, dat is het ligchaam van Christus, tot een licht der ligchamelijke oogen van die uitverkorenen.

De ligchamen van alle zaligen zullen daarenboven die hemelsche stad verlichten, als zoo vele zonnen. Denkt eens, indien al de sterren veranderden in zonnen, hoe schitterend licht zou de wereld zijn! Wat zal dan het licht des hemels zijn, dat voortkomt van zoo vele lichten, of om beter te zeggen van zoo vele zonnen! f.

Elke Heilige zal daar nog bovendien eene ijj

bijzondere schoonheid hebben, volgens de ver- S

scheidenheid van zijne deugden en verdiensten,

even gelyk nu op de wereld bijna geen twee menschen in alles aan elkander gelijk zijn. Die

21 8* |

ocr page 236

VAN DEN HEMEL

wonderbare verscheidenheid zoo in verdiensten als in glorie zal ook hunne vreugd vermeerderen, en zoo vele medegezellen, zoo vele nieuwe vreugden. O wat wonderbaar vermaak zal het zijn, dat glorieus en edel gezelschap van zoo vele millioenen gelukzalige menschen te zien! Als men wel bedacht en vastelijk geloofde, zoude men dan zijne oogen nog willen leenen, om de ijdelheden der wereld, de ijdele en zielbedervende vertooningen, oneerbare beelden, enz. te zien met die oogen, met welke hij eens hoopt al die wonderbare schoonheid te aanschouwen, die bewaard wordt voor hen die hier heilig en zuiver hunne oogen gebruikt hebben, en zooveel te meer, naarmate zij die meer zullen verstorven hebben ?

2. Vermaak van het gehoor.

Het gehoor zal verheugd worden door het hooren van de lofzangen ter eere van God. De Heiligen zullen zich verheugen in de glorie, Gods verheffingen zijn in hunnen mond, want zij zullen hem onophoudelijk loven en verheften over al zijn volmaaktheden en groote werken. Men zal, zegt Tobias, door al de wijken van het hemelsche Jeruzalem zingen: Alleluja. De H. Joannes insgelijks: Ik heb, zegt hij, in den hemel eene stem gehoord als van vele trompetten, zeggende: Alleluja, lof, glorie kracht en eer zij aan onzen God.'

O wat vreugd zal het zijn, roept da H. Anseltnus, die hemelsche welluidendheid, die muziek der Engelen en de lofzangen der Heiligen te hooren! een muziek, welke nooit

234

ocr page 237

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 235

een oor heeft gehoord, en waarbij al het kunstig en liefelijk gezang der aarde slechts woest geschreeuw en ruw geraas is.

Indien de H. Augustinus van zich zeiven zegt, dat hij door de schoone lofzangen der H. Kerk zoo zeer en zoo krachtig bewogen werd, dat de tranen hem over de wangen liepen, wat eene vreugd zal het dan zijn, die heilige, die zoete en blijde lofzangen te hooren van al die hemelsche Geesten en gelukzalige menschen in het hemelsche Jeruzalem! Welk eene overeenstemming en wat eene zielverrukkende harmonie zal er wezen tusschen al die zalige kooren.

De H. Bonaventura verhaalt in zijn leven van den H. Franciscus, dat hij ziek en op sterven liggende, eenen Engel nabij hem zoo zoet had hooren spelen, dat hem de ziel uit het ligchaam zou gerukt zijn, indien het nog eene wijle geduurd had. Wat zal dan het geluid zijn van al die duizende heilige zangers in de stad van vreugd! De minste genietingen van den hemel zijn zoo groot, dat duizend jaren maar een dag zullen schijnen, even als integendeel in de hel een uur wel honderd jaren zal schijnen om de onverdragelijkheid der helsche pijnen.

O mijne ziel, hoe gelukkig zoudt gij wezen, indien gij na uwen dood die hemelsche vreugd verdiendet te hooren! Gelukkig en al te gelukkig, indien gij met die gelukzalige Kooren den lof van uwen Koning moogt zingen, en voor zijnen troon moogt staan.

ocr page 238

VAN DEN HEMEL

3. De zoetheid van den smaak.

Het rijk der hemelen is noch spijs noch drank, zegt de H. Apostel: maar regtvaar-digheid, vrede en blijdschap in den H. Geest. De zaligen zullen dan noch eten, noch drinken in den hemel, gelijk de onwetende, de zinnelijke en vleeschelijke menschen zich zouden kunnen inbeelden. Maar nogtans de smaak zal in den hemel ook eene heilige voldoening hebben. Ik bemin noch manna, noch honig, als ik mijnen God bemin, zegt de H. Augustinus, en nogtans bemin ik eene zekere spijs, als ik hem bemin; maar eene spijs, die geestelijk is, zoet en smakelijk aan de ziel. Want het zalig leven is niet anders, zegt wederom deze H, Vader, dan vreugd en blijdschap over die waarheid, en die is voor de ziel zoo zoet en smakelijk, dat ook hetligchaam deel zal hebben aan de heilige smakelijkheid, die van de ziel in het ligchaam vloeit, gelijk hier op aarde de smaak van de lichamelijke spijs de ziel verheugt en verkwikt.

God zal dan in zijne uitverkorenen, zonder gebruik van de ligchamelijke spijs, door eene heimelijke kracht, eene bestendige zoetigheid laten proeven in hunnen smaak, die zoo veel te grooter zal zijn, als de Heiligen zich hier op de wereld in eten en drinken en in de vermakelijkheden van den smaak meer zullen verstorven hebben. Dit zal dan het verbo lgen Manna zijn, waarvan de H. Joannes spreekt, wanneer hij zegt: Aan dengene, die overwint, zal ik verborgen manna geven, dat het aard-

236

ocr page 239

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 237

sche manna van de ondankbare Joden in de woestijn zoo verre overtreft, als dehemelscbe zoetheden de zoetheid van het tranendal te boven gaan.

4. Het vermaak van den reuk.

Wij lezen van zoovele Heiligen, en door zoo vele onuitsprekelijke getuigenissen van geloofwaardige mannen, bevestigd, dat God hnnne ligchamen na hunnen dood of in hun sterven verheerlijkt heeft door eenen hemelschen zoeten geur. Men behoeft zich dus niet te verwonderen, dat de plaats der gelukzaligen en hunne glorieuse ligchamen overal eene uitmuntende zoetheid zullen uitademen. Een afgrijselijke stank in de hel maakt een deel uit van de straffen der verdoemden; eene onuitsprekelijk zoete geur zal een deel uitmaken van de belooning der uitverkorenen in den hemel. De H. Paus Gregorius schrijft van den H. Servulus, eenen armen bedelaar, die hier op de wereld deel gehad had in alle ongemakken, vuiligheden en onaangename reuken der behoeftige men-schen, dat zoodra hij den geest gaf, uit zijn ligchaam zulk een heerlijke geur voortkwam, dat al de omstanders met eene onuitsprekelijke zoetheid vervuld werden. De H. Hieronymus zegt, dat de H. Hilarion nog tien maanden na zijnen dood eenen uitnemend zoeten geur uitgaf. En zoo zijn er met duizenden. Doch indien dit door goddelijke goedgunstigheid hier op aarde geschiedt in bederfelijke ligchamen, die van de ziel beroofd zqn, wat zal het dan zijn met onbederfelijke

ocr page 240

VAN DEN HEMEL

en glorieuse ligchamen, wanneer zij met hunne gelukzalige zielen vereenigd zijn?

5. Het vermaak van liet gevoel. De gezondheid en de goede gesteltenis van de deelen des ligchaams schenkt niet alleen aan onze ligchamen op de aarde de verlossing van aile ongemakken en pijnen, maar ook zekere jeugd, vreugd, vlijtigheid en zoet gevoel, die zich verspreiden door al de deelen des ligchaams, ja zelfs tot in het merg van de beenderen.

Wat zal het dan zijn in die allerliefelijkste en bovennatuurlijke gesteldheid der glorieuse ligchamen, die de H. Anselmus de gezondheid van het toekomende leven noemt; wat eene onvergetelijke vreugd, wat een zuiver en heilig vermaak zal dit verwekken!

Gelijk de ligchamen van de verdoemden schromelijk gepijnigd zullen worden door het helsche vuur, zoo zullen de ligchamen der zaligen in hun gevoel ook beloond worden op eene onuitsprekelijke wijze En allermeest zij, die hier in hun ligchaam vele pijnen en smarten geleden hebben ter liefde van Christus.

6. Dat men zich wachten moet van in het geluk der uitverkorenen niets anders te beoogen «an het vermaak der zinnen.

Alhoewel de H. Vaders dikwijls spreken van dit overvloedig geluk der uitverkorenen, dat bestaat in een heilig vermaak van al de zinnen, hebben zij nogtans wel gezien, dat sommige onverstandige of zinnelijke men-

238

ocr page 241

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 239

schen dit zouden kunnen misbruiken, om zich geen ander geluk in te beelden, dan men ten deele op de aarde hier zou kunnen genieten in de rijkdommen, de gemakken, eer, schoonheden, en genoegens der zinnen. Dus hebben zij ook getracht die aardsche en zinnelijke verbeelding te niet te doen.

Wij moeten ons wachten, zegt de H. Au-gustinus, van ons zulke vermaken, gelijk wij hier kunnen genieten op aarde voor te stellen; anderzins zou de onthouding van de aardsche genoegens, die wij hier oefenen om den hemel te bekomen, maar eene zekere soort van gierigheid zijn, bijna gelijk aan hen, die vasten om op eenen maaltijd, waartoe zij geroepen zijn, zich met meerdere gulzigheid te kunnen opvullen, aldus de matigheid vooraf maar oefenende tot eene grootere onmatigheid. iBan uit uw verstand dergelijke »aardsche en vleeschelijke gedachten. Maak »u gereed tot de genieting van eene onuit-»sprekelijke zaak: en zuiver uw hart van »al!e wereldsche genegenheden. Wij zullen ner een voorwerp zien, dat ons volkomen «gelukkig zal maken, en dat eenig voorwerp »zal ons genoeg zijn!quot;

En wederom op eene andere plaats: Wij zullen, o Heer! vervuld worden door de goederen van uw huis, zegt uw Profeet. Uw tempel is heilig (de tempel uwer glorie) en wonderbaar in regtvaardigheid. Hij zegt niet: »Uw stempel is wonderbaar in kolommen, in mar-»mer, in gouden verwelfsels; maar hij is «wonderbaar in regtvaardigheid. Gij hebt

ocr page 242

VAN DEN HEMEL

en glorieuse ligchamen, wanneer zij met hunne gelukzalige zielen vereenigd zijn?

5. Het vermaak van liet gevoel. De gezondheid en de goede gesteltenis van de deelen des ligchaams schenkt niet alleen aan onze ligchamen op de aarde de verlossing van alle ongemakken en pijnen, maar ook zekere jeugd, vreugd, vlijtigheid en zoet gevoel, die zich verspreiden door al de deelen des ligchaams, ja zelfs tot in het merg van de beenderen.

Wat zal het dan zijn in die allerliefelijkste en bovennatuurlijke gesteldheid der glorieuse ligchamen, die de H. Anselmus de gezondheid van het toekomende leven noemt; wat eene onvergetelijke vreugd, wat een zuiver en heilig vermaak zal dit verwekken!

Gelijk de ligchamen van de verdoemden schromelijk gepijnigd zullen worden door het helsche vuur, zoo zullen de ligchamen der zaligen in hun gevoel ook beloond worden op eene onuitsprekelijke wijze. En allermeest zij, die hier in hun ligchaam vele pijnen en smarten geleden hebben ter liefde van Christus.

6. Dat men zich wacliten moet van in het geluk der uitverkorenen niets anders te beoogen dan het vermaak der zinnen.

Alhoewel de H. Vaders dikwijls spreken van dit overvloedig geluk der uitverkorenen, dat bestaat in een heilig vermaak van al de zinnen, hebben zij nogtans wel gezien, dat sommige onverstandige of zinnelijke men-

238

ocr page 243

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 239

schen dit zouden kunnen misbruiken, om zich geen ander geluk in te beelden, dan men ten deele op de aarde hier zou kunnen genieten in de rijkdommen, de gemakken, eer, schoonheden, en genoegens der zinnen. Dus hebben zij ook getracht die aardsche en zinnelijke verbeelding te niet te doen.

Wij moeten ons wachten, zegt de H. Au-gustinus, van ons zulke vermaken, gelijk wij hier kunnen genieten op aarde voor te stellen; anderzins zou de onthouding van de aardsche genoegens, die wij hier oefenen om den hemel te bekomen, maar eene zekere soort van gierigheid zijn, bijna gelijk aan hen, die vasten om op eenen maaltijd, waartoe zij geroepen zijn, zich met meerdere gulzigheid te kunnen opvullen, aldus de matigheid vooraf maar oefenende tot eene grootere onmatigheid. ïBan uit uw verstand dergelijke «aardsche en vleeschelijke gedachten. Maak »u gereed tot de genieting van eene onuit-»sprekelijke zaak: en zuiver uw hart van »alle wereldsche genegenheden. Wij zullen Der een voorwerp zien, dat ons volkomen «gelukkig zal maken, en dat eenig voorwerp »zal ons genoeg zijn!quot;

En wederom op eene andere plaats; Wij zullen, o Heer! vervuld worden door de goederen van uw huis, zegt uw Profeet. Uw tempel is heilig (de tempel uwer glorie) en wonderbaar in regtvaardigheid. Hij zegt niet : »Uw stempel is wonderbaar in kolommen, in mar-»mer, in gouden verwelfsels; maar hij is «wonderbaar in regtvaardigheid. Gij hebt

ocr page 244

VAN DEN HEMEL

»oogen van buiten om goud en marmer te kun-»nen zien; maar het oog, waarmede men de «schoonheid der regtvaardigheid ziet, is van »binnen.quot;

Wij mogen dan ons zeiven niet bedriegen en de begeerlijkheid niet uitstrekken tot in den hemel toe, met aldaar de voldoening van onze zinnelijkheid te verwachten. God zal het erfdeel zijn van zijne uitverkorenen, en hij alleen zal hun geluk zijn. Hunne eenige blijdschap zal zijn hem te zien, hem te beminnen, aan hem geheel onderworpen te zijn, zonder iets meer te hebben dat aan zijne regtvaardigheid en heiligheid wederstaat. Dit zal het wezenlijk deel zijn van'de gelukzaligen en al het overige eene mededeeling en een uitvloeisel daarvan.

Heer, uw rijk is regtvaardigheid, vrede, en hlijdschap in den II. Geest, welke zaken allen geheel geestelijk zijn. Doe rn:j dit hier op de aarde zoo beminnen, dal ik de bezitting daarvan eeuwig genieten moge, waardoor zoo de inwendige als do uitwendige mensch in volle rust en in eene onuitsprekelijke vreugd zal zijn.

VIII. HOOFDSTUK.

Welke de oorzaak is, dat velen eene zoo kleine begeerte naar den hemel toonen.

Dat de ongeloovigen hun geluk zoeken inde aardsche goederen, is geen wonder: zij kennen geen ander: maar dat de Christenen, die een eeuwig en onvergankelijk goed door het geloof kennen, met eane zoo groote drift de aard-

240

ocr page 245

EN DE 1IEMELSCHE GLORIE. '241

sche goederen zoeken, en zoo weinig op den hemel denken is onbegrijpelijk. Er zijn vele oorzaken van deze zoo groote verblindheid en verkeerdheid des harten, doch voornamelijk de drieërlei begeerlijkheid, die de H. Joannes noemt: De begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens. Deze nemen den smaak weg van het ' ' f hemelsche, en zij ontsteken den honger en dorst h tot het aardsche.

De hemelsche goederen, die het geloof ons voorhoudt, zijn afwezig, men moet ze met verduldigheid verdienen en afwachten. Maar de begeerlijkheid wil niet wachten, en zij begeert de tegenwoordige genieting van hetgeen zij bemint. De hemelsche goederen kan men met de zinnen niet vatten, en de begeerlijkheid is ongevoelig voor alles, wat men met de zinnen niet vatten kan, en daarom zoekt zij het aardsche. Om de hemelsche goederen te bekomen moet men die van de zinnen verachten, en de begeerlijkheid kan geenen smaak vinden in deze verachtingen. Als de ziel zich tot de bedenking der hemelsche zaken zoude keeren, dan vindt de begeerlijkheid daar verdriet in,

en stelt zich daartegen. Immers, zij maakt dat de mensch eenen walg krijgt van al wat noodig is om tot de eeuwige goederen te geraken.

Deze begeerlijkheid en vervolgens de walg van het hemelsche goed is in den eenen mensch grooter dan in den anderen, en in sommigen zoo groot, dat zij alle gedachten en begeerten tot den hemel verdooft.

Doch deze begeerte tot den hemel is een

__L

■

ocr page 246

VAN DEN HEMEL

noodzakelijk gevolg van de liefde tot God. Die God bovenal bemint, is begeerig om hem te zien, en die deze begeerte niet heeft, is niet in staat om met waarheid en regt-zinnigheid in het gebed des Heeren te zeggen; Dat uw rijk ons toekome; en wat is dit voor een Christen, die de taal van een Christen niet dan tegen de waarheid spreekt? Daarom zegt de H. Augustinus: dat hij, die op de aarde maar wenscht te blijven, en zijne vreugd en rust daar vindt, in den hemel niet komen zal. V/ij zuchten, zegt hij, naar het hemelsche Jeruzalem, ons zeiven hier aanziende als vreemdelingen en gevangtnen onder het juk en de slavernij van een sterfelijk ligchaam, ons vermaak en blijdschap uitstellende, tot wij in ons vaderland zullen gekomen zijn. Maar die niet verzucht als vreemdeling op de aarde, zal zich niet verblijden als burger in het hemelsche Jeruzalem omdat de begeerte tot het eeuwig leven in hem niet is. En wederom op deze woorden van den Apostel: O ongelukkige ah ik ben, wie zal mij verlossen van dit ligchaam des doods! zoo zegt hij: Dat deze hoopt het eeuwig geluk, die zich op deze wereld voor ongelukkig erkent.

En om te toonen dat zulk eene liefde tot het tegenwoordig leven, waardoor men hier wel altijd zoude willen blijven, strijdig is tegen de liefde van God, zoo zegt Augustinus al wederom: Die zijn vermaak vindt in zijne ballingschap bemint zijn vaderland niet. Indien ons daa het vaderland lief en aangenaam is, zoo moet ons de ballingschap noodzakelijk

242

ocr page 247

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 243

hard vallen, en volgens dezen grondregel van den H. Augustinus: die naar het eeuwig leven niet verlangt, bemint God niet; en die God niet bemint, verlangt ook niet naar het eeuwig leven. Ondervraag dan uw hart. Indien God u een lang leven beloofde op de aarde, en zeide: Gij zult hier rijkdommen, vermaken, eer, gezondheid, en alle goederen in overvloed hebben; maar gij zult mijn aanschijn niet aanschouwen, noch deel hebben in de goederen van mijn huis. Die op deze voorstelling in zijn hart zoude zeggen: Zie, ik heb overvloed van mijne tijdelijke goederen, ik houd mij voor gelukkig, ik verzoek niets meer, zoo iemand zegt Augustinus, zoude zelfs nog niet begonnen hebben God te beminnen, noch hier verzuchten als vreemdeling.

Helaas! hoe velen warden er zoo gevonden, en die niettemin gerust zijn, terwijl zij leven in eenen kwaden staat! O Jesus! geef ons toch eenen afkeer van de wereld, en doe ons gedurig wenschen naar den hemel, om spoedig bij u te mogen komen.

IK HOOFDSTUK.

Dat zeer vele Christenen in deze kwade gesteltenis zijn.

Vooreerst: allen die openbare doodzonden bedrijven, toonen duidelijk, dat zij de voldoening van de zonden stellen boven den hemel. Maar hoe velen zijn er voorts, die wel geene openbare doodzonden doen, doch evenwel reden hebben van te denken, dat zij geene begeerte tot het gelukkig leven heb-

ocr page 248

VAN DEN HEMEL

ben? Bij voorbeeld, die daar bijna nooit op denken; die met walg daarvan hooren spreken; die zich niet bekommeren dan om tijdelijk welvaren, wereldsche eer, enz., als ook zij, wier leven maar is als eene aaneenschakeling van allerlei vermakelijkheden. Kan men van zulken zeggen, dat zij begeerte hebben tot het eeuwig leven? Doch om nog verder te zien, of er vele menschen zijn, die waarlijk begeerte hebben, ziet maar of er velen zijn, van wie men mag zeggen, dat zij hunnen schat in den hemel hebben: want Christus zegt: Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. En wie heeft eenen schat in den hemel? al wie goede werken vergadert voor den hemel, die hij vooruit zendt naar de eeuwigheid! om daarbij te leven, bijna gelijk iemand die in een ander land wil gaan wonen. Men kan hieruit merken, dat er weinigen zijn, die den hemel aanzien voer hun vaderland; dewijl er zoo weinigen zijn, die de goederen die zij kunnen verwerven, daar naar toe zenden, en die daar eenen schat maken van goede werken. Men ziet integendeel dat al de zorgvuldigheid van het meerendeel der menschen maar uitkomt op aardsche zaken. Is het dan te verwonderen, dat hun hart niet in den hemel is; dewijl zij daar geenen schat hebben waarop zij hun hart stellen.

Gelukkig zijn zij dan, die den hemel aanzien als hun vaderland, die zuchten en zich ellendig achten, ten 1. omdat zij zna afgescheiden van God; 2. omdat zij uit hun va-

244

ocr page 249

EN DE HEMELSCIIE GLORIE. 245

derland zijn; 3. omdat zij nog onderworpen zijn aan de zonden; 4. omdat zij nog in gevaar zijn van het eeuwig goed te verliezen, waarnaar zij verlangen. Wat is het, vraagt Augustinus, dat een' opregt Christen kwelt en pijnigt1? Het is dat hij met Christus nog niet in zijn vaderland is.

De eerste Christenen verheugden zich gedurig in de hoop van den hemel. De Apostel noemt eenen Christen eenen hemelschen mensch, eenen inwoner van die heilige stad. Zoo moet hij dan een vreemdeling zijn op aarde, en is hij vreemdeling, zoo moet hij verlangen naar zijn vaderland! Ja geheel de Christen-Godsdienst is als besloten in die begeerte van het eeuwig leven; zij is de geest van al de mysteriën, en hoe verder iemand af is van dezen staat, hoe verder hij ook verwijderd is van den geest des Christendoms. Sommige Heiligen zagen nooit den Hemel aan zonder tranen te storten, denkende op het gehik dat zij verhoopten en vurig wen-schende naar hetgeen zij nog niet bezaten. Anderen woonden zonder dak, bloot voor hitte, koude en regen, om altijd den hemel te kunnen beschouwen.

Laat ons dan dikwijls roepen met den H. Augustinus: »0 Jerusalem! stad Gods, mijn «hart bemint u, mijne ziel smacht naar uwe «schoonheid. O hoe schoon en edel zijt gij? «Wat een vermaak is het mij, mijne oogen »te slaan naar uwe helderheid, en mij met «uwe goederen te verheugen: die mij zooveel «te meer doen kwijnen van liefde, naarmate

ocr page 250

VAN DEN HEMEL

»ik die meer overdenk. 0 hemel, wat een ^genoegen is het mij, de oogen mijns harten »te vestigen op u, te spreken van u, te hoo-»ren van u, te schrijven van u, en dagelijks »iets te lezen van uwe gelukzaligheid, om »mijne ziel wat te ververschen en te ver-ssterken! O heilige stad Gods wat vermaak »is het mij met ooren en oogen, met gedachate n en zinnen, met hart en ziel gestadig »op te vliegen naar u, te wonen in u, te »wandelen door u, te rusten in u. Het versstand kan het niet begrijpen, de mond kan »het niet uitspreken, de pen niet beschrijven, »hart en ziel alleen kunnen het gevoelen. O Buitzinnigheid van den zondaar, om een kort »en vuil vermaak, die altijddurende en zuivere «wellusten te verliezen!quot;

Helaas! hoe algemeen is heden deze uitzinnigheid, en hoe klein is in vele anderen de begeerte tot den hemel! Geef toch, o Je sus ! dat wij van dat getal niet zijn; beweeg en versterk ons, dat wij ons uiterste best mogen doen, om de eeuwige zaligheid te bereiken.

X. HOOFDSTUK.

Het leven is ons alleen verleend om den hemel wel te verdienen.

Wij zijn hier op deze wereld tot geen ander einde dan om het oneindig groote werk van onze zaligheid te bewerken; wij moeten die gestadig voor oogen hebben, zij moet het oogwit wezen, waartoe al onze werken moeten strekken, zonder een deeltje van den koste-

246

ocr page 251

EN DE HEMEI.SCI1E GLORIE. 247

lijken tijd te verliezen, die on.s daartoe genadig geschonken wordt.

God had met ragt van ons eene eeuwige bereiding en eene eeuwige boetvaardigheid kunnen eischen, cm dat eeuwig geluk te bekomen, zegt de H. Augustinus, indien hij met ons had willen handelen volgens zijne strenge regtvaardigheid; want eene eeuwige rust zoude met regt gekocht moeten worden door eenen eeuwigen arbeid. Maar indien God dit van den mensch vereischte, wanneer zoude de tijd komen om te rusten, en het loon te ontvangen? Zoo moet dan de tijd van den arbeid noodzakelijk bepaald wezen: maar al was de tijd nu bepaald. God had kunnen eischen duizenden jaren van eene strenge boetvaardigheid, of zoo lang te branden in een groot vuur, ja in het vuur der hel om den hemel te verdienen: en indien al deze jaren in eene weegschaal opgewogen werden tegen het eeuwig loon, zij zouden a's een niet zijn tegen den hemel en veel minder dan de geheele wereld, voor eene duit gekocht. Hetgeen nog meer is, indien God gewild had, dat niemand zijn aanschijn een uur tijds zoude aanschouwen: dan met een jaar lang al de tormenten der Martelaren te lijden, zoo zoude dit naar verdiensten nog niet genoeg betaald worden. Doch verdient een uur zooveel, wat zal de geheele eeuwigheid verdienen? Daarom, doe al wat gij kunt, lijd en geef al wat gij kunt, al ware het uw ligchaam om verbrand te worden, gelijk de Apostel spreekt, dit alles vergeleken bij den hemel, zoude zoo veel zijn,

ocr page 252

VAN DEN HEMEL

als een druppel bij eene oneindige zee. Doch liet is wel verre van daar, dat God zoo veel van ons eischen zoude: hij eischt maar den arbeid van dit kort en ellendig leven, en geheel deze arbeid bestaat in hem te beminnen en hem te dienen volgens de regels van het H. Evangelie, en daarvoor belooft hij ons dat wij hem eeuwig zullen aanschouwen: en zal ons dit te lang schijnen? Is er wel iemand onder de aardschgezinden die weigeren zou 20 jaren lang een arm leven te leiden, om voor eenen korten tijd hier op aarde koning te worden? en wat doet of lijdt gij voor den hemel ?

Wat doet de mensch niet om het leven des ligchaams te bewaren of te verlengen! Hij zal het vuur en het mes verdragen, zegt de H. Augustinus om genezen te worden van eene zweer, niet om den dood te ontgaan, hetgeen onmogelijk is, maar om wat later te sterven. En wat zou hij niet doen om verdubbeling van dit tijdelijk leven te bekomen ? en wat is toch dit leven? Waarom doen wij dan zoo veel niet voor het eeuwige leven? Wat al arbeid en gevaar ondergaat een soldaat niet op hoop van iets kleins te bekomen ? Een koopman en schipper varen over zee, en staan langdurige reizen uit, met gevaar van goed en leven; en dit alleen op hoop van eene tijdelijke winst, die zeer onzeker is, en die zij zekerlijk zeer spoedig zullen moeten verlaten. Wat doen vele andere menschen niet om een hoog ambt of eenen staat te bekomen ? En hoe denken zij niet gedurig op middelen om hun voornemen te kunnen bereiken ?

248

ocr page 253

EX DE HEMELPCHE GLORIE. 249

»Wat eene schande voor ons, zegt de H. «Barnardus, zij hebben meer ijver voor hun «ongeluk en voor hunne ellende, dan wij voor »ons goed, en zij loopen met grootere dappersheid naar den dood, dan wij naar het leven.quot;

Maar van den anderen kant, wat een geluk is het eenen heer te dienen, die zoo wonderbaar de minste dienst aan hem bewezen, beloont en die zoo nauwkeurig rekening houdt van alles, tot eene goede gedachte en tot eenen teug koud water, dien wij aan eenen behoef-tigen geven in zijnen naam? O gelukkige boetvaardigheid, o kostelijke arbeid, o heilig geweld, dat wij doen voor den hemel! Het minste is van meer waarde, dan al de overwinningen der koningen, en één traan van ware boetvaardigheid meer te waarderen, dan al de schatten der aarde. Als Petrus van Alcantara gestorven was, vertoonde zich zijne ziel aan de H. Teresia, enzeide: O gelukkige boetvaardigheid, die mij zoo groote glorie verdiend hebt! Al de tijd is dan ellendig verloren, die besteed wordt tot andere zaken, dan die daartoe strekken.

Al wat wij denken, spreken of doen, moet om den hemel zijn! maar hoe weinig doen wij daarvoor! Doe ons toch, o Jesus! onze onachtzaamheid kennen en vlijtiger voor den hemel arbeiden, dan wij tot nog toe gedaan hebben.

ocr page 254

VAN DEN HEMEL

XI. HOOFDSTUK.

Voorbeelden der Heiligen, die zichzelven in al hun

lijden en in hunne boetvaardigheid versterkt hebben

door de gedachten aan den hemel.

De H. Patriarchen Abraham, Isaak en Jacob waren hier niet vrij van kwellingen, ellenden en beproevingen. God zeide tot Abraham: Ga uit uws vaders huis, uit uw land en uit uw geslacht, en trek naar het land dat ik u toonen zal. Door het geloof, zegt de Apostel in zijnen brief tot de Hebreeuwen, heeft Abraham gehoorzaamd, en ging hij zijn verblijf nemen in het land van belofte als in een vreemd land, wonende in de tent met Isaak en Jacob. Hij wilde daar geen huis hebben, maar woonde in tenten, zich zeiven aanziende als eenen balling en eenen vreemdeling, die hier geene blijvende stad heeft, maar de toekomende zoekt, verwachtende, gelijk Pau'.us zegt, eene stad die vaste gronden heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God zeifis. O hemelsche stad, gesticht, niet door de koningen der aarde, niet door de Engelen, maai door God zeiven! O wat schoonheden en liefelijkheden! wat treffelijkheden en rijkdommen zijn er in u te vinden! Die stad die Abraham verwachtte, dat is; de levende gedachte en de vurige begeerte tot deze stad, waren hem eene versterking in zijn lijden en in alle zwarigheden van dit leven.

Door het geloof (van den hemel en van de eeuwige zaken) ontkende Mozes {nu groot geworden zijnde) dat hij de zoon van Pharao's

250

ocr page 255

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 251

dochter was, zegt -wederom de Apostel, verkiezende liever verdrukt te worden met het volk van God, dan de tijdelijke genoegens der zonde te genieten, achtende den naam van Christus (dat is de versmaadheden, die Christus verkozen heeft in zijn leven, en die Mozes als profeet in den geest voor oogen had) eenen grooteren rijkdom dan al de schatten van Egypte; ivant hij sloeg zijne oogen op de vergelding. Het was dan de gedachte aan de eeuwige vergelding, die hem het hof, het koningrijk en de kroon van Egypte deed verlaten, en liever de verdrukking in hunne plaats verkiezen.

Insgelijks de profeten in de oude wet hadden zeer veel te lijden, omdat zij de waarheid zeiden, en met vele straffen dreigden op Gods bevel. Velen van hen werden vreeselijk gedood, anderen waren verpligt te vlugten, en woonden in holen en spelonken der aarde, of op de gebergten, bekleed met vellen van schapen en geiten, om den dood te ontgaan. En wat was hun troost en hunne versterking in hunne ellenden? de gedachten en de hoop op den hemel.

Aldus, nadat Tobias aan zijnen zoon vele sehoone lessen gegeven had, voegde hij daarbij : Mijn zoon, wij leiden hier wel een arm leven, maar wij zullen groote goederen hebben, (te weten de eeuwige in den hemel) is het dat wij God vreezen, de zonde haten en doen hetgeen hem behagelijk is.

Het was uit aanmerking van den hemel, dat die kloeke moeder der zeven Machabeën

ocr page 256

VAN DEN HEMEL

hare zonen den wreeden dood zag sterven om de wet des Heeren, ja zelfs hen krachtdadig aanmoedigde om geduldig te lijden. En het was door hetzelfde inzigt, dat eene andere moeder tot haren zoon riep als hij scheen te bezwijken onder de pijnen: Mijn zoon, mijn zoon! aanzie den hemel door uw geloof, zie Christus aan, die daar heerscht: want het leven wordt u niet ontnomen, maar in een beter leven verwisseld,

Alzoo heeft Christus zijne Apostelen ook dikwijls versterkt met de beloften van den hemel, onder andereren, als hij zegt; Zalig zijt gij, als men u zal haten, vervolgen en heliegen, door alle kwaad tegen u te spreken om mijnent wil: verheugt en verblijdt u, want uw loon is overgroot in den hemel.

De H. Apostelen hebben zich zelvenen ook de geloovigen gedurig versterkt in al hunne verdrukkingen door deze gedachten. Het diende aan Paulus als een zweetdoek, zegt de H. Chrysostomus, om al de tranen en het zweet van zijnen arbeid en verdrukking af te wisschen.

Immers de overwinningen der martelaren, de zegepraal der Maagden, en de boetvaaardig-heid der Belijders zijn het uitwerksel van deze heilige gedachte. Wat hebben zij niet gedaan, gelaten en geleden uit liefde tot den hemel! de Martelaren hebben daarvoor hunne eer, hun goed en leven gegeven en onbegrijpelijke pijnen geleden. De kluizenaars en kloosterlingen, zoo mannen als vrouwen, hebben daarvoor vader en moeder, zusters en broeders,

252

ocr page 257

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 253

vaderland en goederen verlaten; zich zeiven beroovende van de genoegens en gemakken, die zij konden genieten, en daarbij nog zeer strenge boetvaardigheid plegende, zoo dat wij over het wonderbare van hun leven verbaasd staan, bij voorbeeld: Antonius, Benedictus, Augustinus, Bernardus, Dominicus, Franciscus, en talrijke anderen. De H. Seraphion zat in den winter half naakt voor de kelderdeur, en als men hem vraagde: Wie heeft u beroofd van uwe kleederen'? zoo wees hij op het Evangelie, dat hij onder zijnen arm droeg, zeggende : Dit hoek, dat mij den hemel belooft!

Nadat de H. Alexius, een der edelsten van Rome, den huwelijken staat omhelsd had volgens den wil van zijne ouders, verliet hij om de liefde van Christus zijne bruid ongeschonden, den eersten nacht van zijn huwelijk, en bezocht als een pelgrim c

in het H. Land, op welke

onbekend is gebleven. Doch te Edessa, in Syrië, werd zijne heiligheid bekend gemaakt door een beeld van de H. Maagd. Hij dan, om den ij delen roem te vlugten, ging van daar scheep, kwam te Rome, alwaar hij door zijnen vader in huis genomen werd als een arme vreemdeling. Hij heeft aldaar nog 17 jaren onbekend en zeer arm geleefd: en nadat hij zijnen naam, zijn geslacht en den loop van zijn leven in geschrift naliet, is hij daar heilig en tot na zijnen dood onbekend gestorven.

Welk een groote strijd en welke bekoringen meent gij, dat hij al dien tjjd door-

ocr page 258

VAN DEN HEMEL

staan heeft, als hij dagelijks in dat paleis, dat zijn eigen huis was, zijnen vader, zeer groote rijkdommen, genoegens, maaltijden, enz. zag, die hij kon genieten, met zich zel-veu bekend te maken? Maar hij heeft liever gekozen een allerstrengst vasten, een gedurig waken, hard en te weinig slapen, en veracht en bespot te worden van de knechten en dienstboden, dan al die eer en vermakelijkheden: want hij sloeg zijne oogen met Mozes op de eeuwige vergelding van den hemel, dien hij altijd in zijne gedachten had.

De H. Augustinus, door deze heilige begeerte ontstoken zijnde, zeide tot zichzelven; »0 mijne »ziell al moest gij dagelijks vele pijnen, ja ))zelfs de hel voor een langen tijd doorstaan, som Christus in zijne glorie te mogen zien, »en in het gezelschap der Heiligen te wezen, »zou ons dit zoo veel niet waard zijn? Zullen ïwij dan niet gaarne lijden al wat pijnlijk »is, om ons deelachtig te doen zijn, aan zoo »groot goed en zoo groote glorie? Dat dan »de duivelen ons kwellen en listen leggen; »dat zij hunne bekoringen tegen ons bereiden; »dat het vasten het ligchaam verteere, de »haren kleederen het vleesch pijnigen en de «arbeid ons bezware; dat de een tegen mij sroepe, en anderen mij verdrukken; dat de nkoude mij doe beven; dat mijn leven verga »in pijnen en mijne jaren in weenen, en dat »de verrotting kome in mijne beenderen, als »ik maar mag rusten in den dag der ver-»drukking, en opklimmen tot ons heilig volk. »0 hoe zal de glorie zijn van de regtvaardigen,

254

ocr page 259

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 255

shoe groot de blijdschap der Heiligen, alsie-»der aanschijn zal blinken als eene zon, en de »Heer al onze werken zal vergelden met het 3 beloofde loon, gevende de hemelsche goede-»ren voor de aardsche en het eeuwige voor »het tijdelijke!quot;

Hoe vele koningen hebben hun koningrijk verlaten, en zijn arm gaan leven, om den hemel te winnen! Wij lezen onder andere het volgende van eene H. Mathildis, dochter van eenen koning van Schotland. Zij had vier broeders, van welke de eerste hertog was; maar ter liefde van Christus wilde hij arm zijn, verliet zijne huisvrouw, zijne staten, de hoop op zijns vaders rijk en zijn vaderland. De tweede, die een graaf was, verfoeide insgelijks de aardsche goederen en werd kluizenaar. De derde, zijnde Aartsbisschop, verliet zijn Aartsbisdom en trok in een klooster van de orde van den H. Bernardus. Den vierde echter, genaamd Alexander, 18 jaren oud zijnde, wilde de vader, dat hij met hem zou beginnen het rijk te bestieren. Doch zijne zuster Mathilda, die 20 jaren oud was, met hem hierover sprekende, zeide: Zeg mij eens allerliefste broeder, wat zijt gij van zin ? Zie uwe broeders, al de aardsche rijkdommen en vermaken verfoei]ende om den hemel te winnen, hebben u een tijdelijk rijk nagelaten, waardoor gij in gevaar zijt, het eeuwige koningrijk te verliezen, Alexander stortte tranen, en zeide: Wat raadt gij mij dan, o allerliefste zuster! want zie ik ben bereid uwen raad te volgen 9 Mathildis was over dit antwoord

ocr page 260

VAN DEN HEMEL

256

zeer verblijd, en zij hebben beiden besloten hun vaderland te verlaten. Zij trokken andere kleederen aan en zijn te zamen naar een vreemd land gereisd, alwaar zij haren broeder de koeijen heeft leeren melken en kaas maken. Zij zijn daarna gekomen in Frankrijk, alwaar Alexander, volgens den raad van Ma-thildis ging dienen in een klooster van Cister-tien, en zich daar ook verheugde met die geringe werken. Doch de Monniken, in hem behagen hebbende, namen hem tot Leekebroeder, Mathildis zeide dan verder nog tot Alexander: De Heer, o lieve broeder! zal ons wel een groot loon geven, omdat wij om hem onze ouders en vaderland verlaten hebben; maar wij zouden nog een veel grooter ontvangen, indien wij geheel ons leven, ons zeiver, om hem wilden berooven van den troost van elkander nog te zien, tot dat wij eens voor eeuwig te zamen in den hemel zijn. Alexander weende zeer en vond dit het zwaarste van hetgeen hij tot nog toe ondervonden had. Doch ten laatste zichzelven overwinnende, zijn zij van elkander gescheiden, zonder elkander ooit meer te zien in dit leven. Mathildis ging in een dorp wonen negen mijlen van daar, alwaar zij zich in eene hut verborg, levende door het gewin barer handen, zondereenigen onderstand van aalmoezen te aanvaarden. Haar bed was de aarde, en zij bracht vele uren door in het gebed. Alexander is in zijn leven nooit gekend geweest, en is heilig gestorven, doende zoowel in zijn leven, als na zijnen dood vele mirakelen. Hij vertoonde zich eens zeer

ocr page 261

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 257

helder blinkend aan een monnik, met eene kroon op het hoofd en eene andere in de hand. En als deze hem vroeg, wat deze twee kroo-nen beteekenden, zeide hij: die ik in mijne hand draasr, is mij gegeven voor de kroon van het tijdelijke rijk, dat ik verlaten heb, en de andere, die ik op mijn hoofd draag, omdat ik den Heer getrouw gediend heb.

Hoe groot de pijnen ook zijn, die de Heiligen geleden hebben om tot u te komen, o Jesus! zij moeten toch belijden, dat dit alles zeer weinig is. Zij zijn nu vol vreugd, zij loven en danken u voor uwe genade en voor uwe oneindige grootdadigheid in hen te loonen. Geef toch, dat wij dit wel hegrijpen om hun voorbeeld hier na te volgen, en u met hen hierna voor uwe barmhartigheid te danken,

BEMERKING

Op het voorgaande.

De glorie des hemels gaat ons verstand verre te boven; de vreugd en de genoegens der gelukzaligen kan niemand uitspreken; al wat hier schoon, aangenaam groot en verheven is op de aarde, is maar drek en vuiligheid, gelijk de Apostel spreekt, vergeleken bij den hemel. Om groote reden dan, riep de TI. Paulinus, toen hij met verbaasdheid de kostelijkheid en pracht van de stad Rome bewonderde: Indien de luister van het aard-sche Rome zoo groot is, hoe groot zal dan de luister zijn van het hemelsche Jerusalem!

21 9

ocr page 262

VAN DKN IIKMEL

Daarom waren ook de Heiligen met zoo eene groote genegenheid tot den Hemel ontstoken. Geene pijnen waren hun te veel, te zwaar of te langdurig; zij ondergingen die met blijdschap om hem te bekomen, en hij was altijd in hunne gedachten. Zij zagen zich hier als vreemdelingen, als bannelingen, als gevangenen aan; zij namen nergens vermaak in, en al hunne wenschen waren naar den hemel, zeggende met David: Eene zaak alleen heb ik van den Heer verzocht, en zal die blijven verzoeken, dat is, te mogen wonen in het huis des Heeren, al de dagen mijns levens, om de genoegens des Heeren te aanschouwen. Dus riepen zij ook gedurig met denzelfden Profeet: Wanneer zal ik voor uw aanschijn verschijnen 9

De H. Teresia, nog zeer jong zijnde, en verdiept in de gedachte van de eeuwigheid, was als jaloersch over de Martelaren, dat zij zulk eene groote glorie op zoo korten tijd, en met zoo weinig lijden bekomen hadden. Dus nam zij met groeten ijver haren jongen broeder bij de band en trok te zamen met hem naar de Mooren, om aldaar een heilig martelaarschap te ontvangen, en aldus spoedig naar den hemel te vlieden. Dit werd haar alsdan belet; maar wat heeft zij naderhand geheel haar leven niet ondergaan, om daartoe te geraken?

Men zoude ontelbare dergelijke voorbeelden van Heiligen kunnen bijbrengen indien het de kleinheid van dit boekje toeliet; maar indien het weinige, tot hiertoe gezegd, ons niet

258

ocr page 263

EN DE HEMELSCHE GLORIE. 259

beschaamd maakte over onze lafhartigheid, te vergeef j zouden wij nog meer hiervan ophalen.

Vele toonen wel eenige begeerte en eenen wil om zalig te worden: maar het is geen krachtige wil, want zij gebruiken de middelen niet, die noodig zijn om deze zaligheid te bekomen; om eenen krachtigen wil te hebben, moet men de Heiligen navolgen, en alles doen hetgeen in de H. Schrift bevolen wordt. Men moet den naauwen weg ingaan, zich zeiven verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Christus volgen; zijne kwade begeerlijkheden overwinnen, het vleesch onder den geest houden; kloekmoedig strijden, zichzelven geweld aandoen, de wereld met al wat zij voorstelt, als: rijkdommen, genoegen, eer, enz., met er harte verfoeijen; in een woord, de goddelijke geboden onderhouden. Wilt gij tot het leven komen, zegt de Zaligmaker, onderhoud de geboden.

Dit alles is noodzakelijk, maar aan den laf-hartigen mensch te ongemakkelijk; hij zou den hemel beter koop willen, en gaarne hebben, dat hij met enkel wenschen te bekomen was. Maar hij bedriegt zich zeiven, want Christus zegt openlijk: Zij zullen niet allen in het rijk der hemelen gaan, die tot mij zeggen: Heer, Heer! maar die den wil van mijnen Vader, die in den hemel is, doet, die zal ingaan in het rijk der hemelen. Wij moeten hier wel op letten, indien wij het niet te laat willen beklagen en de deur des hemels voor ons gesloten vinden.

Wij mogen niet zeggen, o Jesusl dat dit

ocr page 264

VAN DEN HEMEL ENZ.

260

alles te moeijelijk is, dewijl gij zelf zegt: Mijn juk is zoet en mijn last ligt; maar wij

mceten het aan onze bedorvenheid en kleine liefde toeschrijven. Wij hidden u dan, doe de oogen van uwe barmhartigheid over ons open: en verleen ons uwe liefde om onze slapheid te overwinnen, opdat wij door het midden van 's werelds aanlokkingen en bedreigingen ongehinderd tot u gaan, om u met al uwe Heiligen eeuwig te loven en te danken. Amen.

EINDE.

ocr page 265

BLADWIJZER

DER

VIER UITERSTEN ÏAN DEN MEIÏSCH.

VOORAFGAANDE BESCHRIJVING ENZ.

BLADZ.

i. iioofds. Het leven van den mensch is kort. 5

II. „ Ons leven is onzeker; de dood kan ons

altijd en op alle plaatsen overkomen. 8

III. „ Al ware de dood niet zeker, zoo zouden

wij hem moeten vreezee, omdat hij ons kan overkomen. 15

IV. „ Het leven is een gedurig sterven en

eene gedurige nadering tot den dood. 17

V. „ Ellenden, ziekten, ongelukken en ge

varen ! waaraan het mensehelijk leven onderworpen is. 19

Ellenden van hongersnood en oorlog. 22 Ellenden van aardbeving. 25

VI. „ Dewijl ons leven kort, broos en onder

worpen is aan zoo vele ellenden, zoo is alle tij delijk geluk zeer weinig te achten. 28

VII. „ Het leven wordt ons verleend om het

groote werk van onze zaligheid uit te werken. 32

VIII. „ Het is eene groote verblinding de berei

ding tot den dood uit te stellen tot het laatste. De dood is gewoonlijk gelijk het leven is geweest. 36

IX. „ Dat wij ons moeten bereiden tot den

dood, omdat men maar eens sterft. 39

X. „ Waarin deze geestelijke dood en deze

bereiding bestaan. 41

ocr page 266

BLADWIJZER.

YBKHANDELIKG VAN DEK DOOD.

I. HOOFDS. Wat sterven is; en hoe pijnlijk. 47

II. „ Van de groote verandering die er na

den dood volgt. 49

Ten 1. De ziel ziet zich zelve in eene geheel andere gesteltenis.

Ten 2. De ziel ziet wat de tijd en de eeuwigheid ie. 53

Ten 3. De ziel ziet God. 54

Ten 4. De ziel ziet de helsche gedrogten. 58

Ten 5. De ziel ziet de razernij der duivelen tegen haar.

Ten 6. De ziel ziet hare -werken. 62

III. HOOFDS. Dat het ons zeer voordeelig is dikwijls op den dood te denken.

Voorbeelden van hetgeen sommige Heiligen en anderen gedaan hebben, om op den dood te denken. 66

IV. HOOFDS. De dood der zondaren is schrikkelij k; de dood der regtvaardigen is kostelijk.

Eenige voorbeelden van degenen, die den dood met blijdschap aangezien en ondergaan hebben.

Beweegredenen om gaarne te sterven.

262

64

71

74 78

81

V. HOOFDS. De vrees des doods is geen zeker teeken van een kwaad geweten.

VAN HET BIJZONDER OOBDEEL.

Wij moeten allen ten oordeel komen. De Heiligen hebben gedurig het oordeel voor oogen gehad en ook gevreesd. Het oordeel is schrikkelijk, omdat de ziel daar al hare onbekende zonden ziet. De ziel zal dan ook de grootheid de r zonden zien.

88

I. HOOFDS,

n. „ ra. „

86

97

IV. ..

99

ocr page 267

BLADWIJZER.

V. hoofds. Dat het oordeel schrikkelijk ie, omdat

de ziel daar al de schijndeugden vernietigd ziet. 101

VI. „ or wie de mensch in het oordeel

zal beschuldigd worden. 103

VII. „ De regter zal een naauwkeuvig on

derzoek doen, en een scherpe rekening vragen. 10G

VIII. „ De regter zal ook rekening vragen

van de goede werken. 109

IX. „ Van de vervaarlijke verbolgenheid

van den Eegter. 111

X. „ Hoe de ziel haar vonnis ontvangt. 114

II.

81

III.

IV.

V.

VI.

«

van het laatste en algemeen oordeel.

iioofds. Waarom er een algemeen oordeel

zal zijn. 119

„ Van de schrikkelijke teekenen, die het laatste oordeel zullen voorafgaan. De Antichrist. 121

Elias en Enoch. 123

Schrikkelijke teekenen in zon en maan, enz. 124

Van het branden der wereld. 12G

„ Hoe door het blazen van de trompet

al de dooden verrijzen zullen. 127 „ Dat het kruis des Zaligmakers te

voorschijn zal komen. 1,}2

Van de aankomst des Kegters. 134 Christus zelf zal liet vonnis uitspreken. 140 Hoe voordeelig het is dikwijls op het oordeel te denken. 14

263

VII.

ocr page 268

BLADWIJZER.

van de hel en hare schrikkelijke pijnen.

i. hoofds. Wat is de hel. 151

II. „ Twee soorten van pijnen, die de ver

doemden in de hel lijden. 153

III. „ De eerste pijn: het holsche vuur. 154

IV. „ De tweedo pijn: de knagende worm. 160

V. „ De derde pijn: de duisternis. 164

VI. „ De vierde pijn: het geschrei, waar

door de ooren gefolterd worden. 166

VII. „ De vijfde pijn: de honger en dorst. 169

VIII. „ De zesde pijn: het vervaarlijke gezel

schap, waardoor de oogen gepijnigd worden. 172

IX. „ De zevende pijn: de stank. 174

X. „ De achtste pijn: de berooving van

het aanschijn Gods. 178

XI. „ Van de eeuwigheid der pijnen. 181

XII. „ Wat een troost het voor de verdoem

den zoude zijn, indien men hen konde verzekeren dat hunne pijnen eens zouden eindigen. 184

XIII. „ Hoe krachtig de gedachte aan de hel

en aan de eeuwigheid is. 189

van ben hemel en de hemelsche glorie.

I. hoofds. Wat de hemel is: Zijne grootheid,

voortreffelijkheid en schoonheid. 198

II. „ Van de heilige wellusten des Hemels. 201

III. „ De wezenlijke glorie van den hemel

bestaat in het aanschouwen van God. 205

IV. „ De zaligen hebben geene droefheid al

zien zij anderen hoog verheven. Hunne bezigheid. 212

264

ocr page 269

BLADWIJZER.

V. HOOPDS. Eigenschappen van de wezenlijke za

ligheid. 1. De blijdschap des Hemels. 21{)

2. De verzadiging der ziel. 219

3. De verzekering der zaligen, dat

zij niet meer kunnen zondigen. 220

4. De heerlijkheid der zaligen. 221

VI. „ Van de vier begaafdheden der glori-

euse ligchamen. 226

1. Van de gaaf van klaarheid. 227

2. De gaaf van onlijdelijkheid. 228

3. De gaaf van doorschijnendheid, ib.

4. De gaaf van snelheid. 230

VII. „ Van het vermaak der uitwendige zin

nen in de gelukzaligen. 1. van het vermaak van het gezigt. 232

2. Vermaak van het gehoor. 234

3. De zoetheid van den smaak. 236

4. Het vermaak van den reuk. 237

5. Het vermaak van het gevoel. 238

6. Dat men zich wachten moet van in het geluk der uitverkoren niets anders

te beoogen dan het vermaak der zinnen ib.

VIII. „ Welke oorzaak het is, dat velen eene

zoo kleine begeerte tot den hemel toonen. 240

IX. „ Dat zeer vele Christenen in deze

kwade gesteltenis zijn. 241

X. „ Het leven is ons alleen verleend om

den hemel wel te verdienen. 246

XI. „ Voorbeelden der Heiligen die zich zei

ven in al hun lijden en in hunne boetvaardigheid versterkt hebben door de gedachte aan den Hemel. 250

EISDE VAN DEN IKIIOUD.

21 9*

265

ocr page 270

Goedkeuring van de eerste Uitgave.

Ach! of de menschen wijs waren! de zaak verstandig overlegden ! de uitersten voorzagen ! Zij zouden wijsselijk de zoetheid der goddelyke zaken smaken, verstaande het ijdele der wereldsche, voorziende het schromelijke der helsche zaken en alzoo nooit zondigen. Hiertoe dient bijzonderlijk het Boekje genaamd: De vier uitersten van den mensch. Zijnde vol van zielroerende beweegredenen, om den mensch van de zonde af te trekken en christelijk te doen leven Daarom zal het zeer voordeelig herdrukt en gelezen worden.

Gegeven te Gent, den 16 Februarij 1743. JE. F. ATJDENAERT, Licentiaat in de godgeleerdheid. Kanunnik en Aartspriester van S. Bavo, boekkeurder.

ocr page 271

HET

GULDEN PARADIJS,

OF

CHRISTELIJK HANDBOEKJE,

INHOUDENDE

VERSCHILLENDE GODVRUCHTIGE OEFENINGEN, GEBEDEN, LOFZANGEN, LITANIËN, DEN H. KRUISWEG , DEN H, ROZENKRANS ENZ.

ocr page 272
ocr page 273

TAFEL

DER

YEESPRINGEBDE TEESTDAGEIf.

JAREN.

ZOND. LETTER

ASCHDAG.

PASCHEN.

PINKSTER.

1885

0

18 febr.

5 aprii.

24 mei.

1886

C

10 maart.

25 april.

13 jllDlj.

1887

B

23 febr.

10 aprii.

29 mei.

1888

A G

15 febr.

1 april.

20 mei.

1889

F

6 maart.

21 april.

9 juoij.

1890

E

19 febr.

6 april.

25 mei.

1891

D

11 febr.

29 maart.

17 mei.

1892

C B

2 maart.

17 april.

5 jnnij.

1893

A

15 febr.

2 april.

21 mei.

1894

G

7 febr.

25 maart

13 mei.

1895

F

27 febr.

14 april.

2 junij.

1896

E D

19 febr.

5 aprii.

24 mei.

1897

C

3 maart.

18 april.

6 junij.

ocr page 274

JANÜAtllJ.

1 a Besnijdenis.

2 b s Alardus.

3 c s Genoveva.

4 d s Titus.

5 e s Telesphorus.

6 f Openb. des II.

7 g s Luciana.

8 a s Gudula.

9 b s Julianus.

10 c s Agalho, Paus.

11 d s Hyginus.

12 e s Arcadius.

13 f s Veronica.

14 g s Hilarius.

15 a s Paulus Erra.

16 b s Marcellus.

17 c s Antonius abt.

18 d s Pet. St. te R. 10 e s Canutus.

20 f s Sebastianus,

21 g s Agnes.

22 a s Yincentius.

23 b s Raymundus.

24 c s Timotheus.

25 d s Paulus bek.

26 e s Polycarpus.

27 f s Joan. Chrys.

28 g s Flavianus.

29 a s Cyrillus.

30 b s Aldegondis.

31 c s Pet. Nolasc.

FEBRUAR1J.

Ids Ignatius.

2 e O. L. V. Licht.

3 f s Blasius.

4 g s Rombertus.

5 a s Agatba.

6 b s Amandus.

7 c s Romualdus.

8 d s Joan, de Math.

9 e s Apollonia.

10 f s Scbolastica.

11 g s Desiderius.

12 a s Eulalia.

13 b s Gregorius.

14 c s Valentinus.

15 d s Fauslinus.

16 e s Juliana.

17 f s Sylvinus.

18 g s Leo.

19 a s Conradus.

20 b s Emilianus.

21 c s Severianus.

22 d s Pieters Stoel.

23 e s Petrus Dam.

24 f s Matthias, ap.

25 g s Victorius.

26 a s Porphyrms.

27 b s Leanden

28 c s Romanus.

In het schrikkeljaar heeft February

29 dagen.


ocr page 275

Maart.

Ids Sintebertus.

2 e s Simplicius.

3 f s Cunegundis.

4 g s Casimirus. Sas Adrianus.

6 b s Coleta.

7 c s Th. v. Aquine.

8 d s Philemon.

9 e s Fi ancisca.

10 f s De 40 Martel.

11 gs Vindicianus.

12 a s Gregorius.

13 b s Euphrasia.

14 c s Mathildis.

15 d s Louginns.

16 e s Eusebia.

17 f s Patricius.

18 g s Gabriël.

19 a s Josef.

20 b s Landoaldus.

21 c s Benedictus.

22 d s Basilius.

23 e s Tbeodosia.

24 f s Ireneus.

25 g s Maria Boods.

26 a s Ludgerus.

27 b s Rupertus.

28 c s Sixtus.

29 d s Eustachius.

30 e s Joannes Glim.

31 f s Acasius.

april.

1 g s Hugo.

2 a s Fr. de Paula.

3 b s Ricbardus.

4 c s Isidorus.

5 d s Vincent Fer.

6 e s Celestinus m.

7 f s liermanus.

8 g s Perpetuus.

9 a s Maria Egyp. lübs Macharius.

11 os Leo, Paus.

12 d s Julius.

13 e s Ilermenegild.

14 f s Tiburtius.

15 g s Anastasia.

16 a s Martialis.

17 b s Anicetus.

18 c s Apollonius.

19 d s Ursula.

20 e s Marcellinus.

21 1' s Anselmus.

22 g s Soter en Caj.

23 a s Georgius.

24 h s Egberlus.

25 c s Marcus.

26 d s Cletus.

27 e s Theopbilus.

28 f s Vitalis.

29 g s Petri s Mar.

30 a s Cath. v. Sen.


ocr page 276

MEI.

1 b ss Phil, en Jac.

2 c s Alhanasius.

3 d 1!. Kruisvind.

4 lt;; s Monica, -wed.

5 f s Pius V.

G g s Jan in de Olie.

7 a s Stanislaus.

8 b s Micliael Op.

9 c s Gregorius.

10 lt;1 s Job.

11 es Mamerlus.

12 f s Pancratius.

13 g s Servaas, biss.

14 a s Bonifacius.

15 b s Dympbna. M. 1G c s Joan Nepora.

17 d s Pascbalis Bayl.

18 e s Venanlius.

19 f s Prudenliana.

20 g s Bernardinus

21 a s Constantinus.

22 b s Julia.

23 c s Guibertus.

24 d s Susanna.

25 e s Mar. Mag D. P.

26 f s Philippus Ner.

27 g s Joann. Paus.

28 a s. Germauus.

29 b s Maximns.

30 c s Felix. Paus.

31 d s Petronill».

jimu.

les Pamphilius.

2 f s Marcellinus.

3 g s C'otildis.

4 a s Oplatus B.

5 b s Bonifacius. Ges Norbert. b.

7 d s Paulus bs.

8 e s Mcdardus b.

9 f s Prim en Fel.

10 g s Margareta k.

11 a s IWnabas ap.

12 b s Antonia.

13 c s Anton, van P.

14 d s Basilius bis.

15 e s Vitus, Mod.

16 f s Joan. Franc. R.

17 g s Alena, mart.

18 as Marcus.

19 b s Gerv. en Prot.

20 c s Sylver. Paus.

21 d s Aloys. Gonz

22 e s Paulinus b.

23 f s Agrippina.

24 g s Joan, de doop.

25 a s Adelbertus.

26 b s Joan, en Paul.

27 c s Guliëlmus.

28 d s Lio, Vigil.

29 e s Pctr. cn Paul.

30 i s Maitialis.


ocr page 277

JiJLIJ.

AUGUSTUS.

1

g s Gallus, bis.

1

c s Pieters band.

2

a s O.-L.-V. Vis.

2

d s Alphonsus.

3

b s Phocas.

3

e s Stev. vind.

i

c s TheoJorus.

4

f s Dominicus.

5

d s Bonifacius.

5

g s Maria ter sn.

6

e s Godeliva.

6

a s Transfigurat.

7

f s Willibaldus.

7

b s Dooatus.

8

g s Landrada.

8

c s Cyriacus.

9

a ss Mart. Gore.

9

d s Romanus.

10

b De 7 H. Broed.

10

e s Laurentius.

11

c s Pius Paus m.

11

f s Susanna.

12

d s Joan Gualb.

12

g s Clara.

13

e s Anaclelus.

13

a s llyppolitus.

14

f s Bonaventura.

14

b Eusebius, Fig.

15

g s Henricus.

15

c O.-L -V. Hem.

16

a s 0. L. V. Carm.

16

d s Rochus.

17

b s Alexius, bel.

17

e s Juliana.

18

c s Simphorosa.

18

f s Agapitus.

19

d s Vine, a Paulo.

19

g s Ludovicus.

20

e s Margarelha.

20

a s Bernardus.

21

f s Victor.

21

b s Anastasius.

22

g s Maria Magd.

22

c s Timotheus.

23

a s Brigitta.

23

d s Philippus, bel

24

b s Christina.

24 e s Bartholom.

25

c s Jacobus.

25 f s bodewijk, k.

26

d s Anna.

26

g s Zephyrinus.

27

e s Pantaleon.

27

a s Rufus Mart.

28

f s Innocentius.

28

b s Augustinus.

29

g s Martha.

29

c s Jan onthoofd.

30

a s Abdon.

30 d s Rosa.

31

b s Ignatius.

31

e s Raymundus.

ocr page 278

SEPTEMBER.

OCTOBER.

1 f s Egidius.

1

a

s

Bavo.

2 g s Stephan. k.

2

b

s

Engel- Bew.

3 a s Remaclus.

3

c

s

Gerardus.

4 b s Rosalia.

4

d

s

Franciscus.

5 c s Lauren tius.

5

e

s

Placidus.

G d s Zacharias, prof.

6

f

s

Bruno.

7 e s Regina.

7

g

s

Marcus.

8 f Maria geioorte.

8

a

s

Brigitta w.

9 g s Gorgonius.

9

b

s

Dionisius.

10 a s Nicolaus Tol.

10

c

s

Franc, de B.

11 b s Protus.

It

d

s

Gummarus.

12 c s Guido.

12

e

s

Maximilian».

13 d s Amatus.

13

f

s

Eduardus.

14 e H. Kruisverh.

14

g

s

Calixtus.

15 f s Nicodemus

15

a

s

Teresia.

16 g s Cornelius.

16

b

s

Gallus.

17 a s Lambertus.

17

c

s

Hedwigis.

18 b s Th. a Vil. n.

18

d

s

Lucas.

19 c s Januarius.

19

e

s

Petr. d'Alc.

20 d s Eustachius.

20

f

s

Felician.

21 e s Mattheiis. A p.

21

g

s

Ursula.

22 f s Mauritius.

22

a

s

Marcus Bis.

23 g s Thecla.

23

b

s

Joann. Cap.

24 a 0. L. V. der si.

24

c

s

Raphael.

25 b s Cleophas.

25

d

s

Grispinus.

26 c s Cyprianus.

2G

e

s

Evaristus.

27 d ss Cos. en Dam.

27

f

s

Florentinus.

28 e s Wenceslaus.

28

S

s

Sim. en Jud.

29 f s Michael.

29

a

s

Ernielicdus.

30 g s Hieronymus.

30

b

s

Marcellus.

31

c

s

Quintin.

ocr page 279

NOVEMBER.

DECEMBER.

1

d Ailehheiugen.

1

f s Eligius.

2

e Allerzielen.

2

g s Bibiana.

3

f s Hubertus.

3

a s Franc. Xav.

4

g s Carolus. Bor.

4

b s Barbara.

5

a s Zacharias.

5

c s Sabbas.

6

b s Leonardus.

6

d s Nicolaus.

7

c s Willibrordus.

7

e s Ambrosius.

8

d de 4 Gekroon.

8

f O. L. V. Ontv,

9

e s Theodorus.

9

g s Leocadia.

10

f s Tryphon.

10

a s Malchiades.

11

g s Martinus. bis.

11

b s Damasus.

12

a s Livinus.

12

c s Constantinus.

13

b s Didacus.

13

d s Lucia.

14

c s Seraphion.

14

e s Nicasius.

15

d s Leopoldus.

15

f s Eusebius.

16

e s Edmundus.

16

g s Everardus.

17

f s Gregorius.

17

a s Begga.

18

g s Romanus.

18

b s Gratianus.

19

a s Elisabeth.

19

c s Nemesius.

20

b s Felix de V.

20

d s Philogonus.

21

c 0. L. V. Pres.

21

e s Thomas.

22

d s Cecilia, maagd.

22

f s Uonorius.

23

e s Clemens.

23

g s Victoria.

24

t s Joan, a Cruce.

24

a s Irmina, Vigil-

25

g s Catbarina.

25

b Kebsdag.

26

a s Petr. Alex.

26

c s Stephanus.

27

b s Maximus.

27

d s Joan. Evang.

28

c s Sosthenes.

28

e s Onn. kind.

29

d s Saturninus.

29

f s Thorn. Cant.

30

e s Andreas.

30

g s Sabinus.

31

a s Silvester.

ocr page 280

Esse cum Jcsu, dulcis paradisus. Met Jesus te zijn, is een zoet paradijs.

ocr page 281

w WW www

MORGENPLIGTEN.

ONDERRIGTING

over hot gebed in het algeraeen en het morgengebed in het bijzonder.

Wij hebben van ons zei ven niets, dan zonde en leugentaal, gelijk de H. Vaders spreken; Alle goede gaaf komt van hier hoven, zegt de H. Jacobus. Het is door het gebed, dat wij dit vragen en verkrijgen. Het gebed is eene opheffing van ons hart tot God, waardoor wij onze aanbidding, onze dankzegging, en onzen nood aan hem te kennen geven. Het is de adem van onze ziel, en wij behoorden zoo onophoudelijk te bidden, als te ademen. De noodzakelijkheid van het gebed komt voort uit onze algemeene behoefte. Wij hebben niets, wij kunnen niets, wij zijn niets. Alles ontbreekt ons. Wij zijn daarenboven bedorven tot in den grond, bekwaam en geneigd tot alle kwaad. Wij zijn omringd, zoo binnen als buiten, van eene groote menigte van gevaarlijke en magtige vijanden. Wij zijn blind, wij zijn arm, wij zijn ziek; wij zijn mag-teloos, en tegen al die ellenden is het algemeen en krachtigste middel het gebed.

Is het dan te verwonderen, dat Christus, onze Zaligmaker, die ons zoo lief heeft, en zoo genegen om ons te helpen, ons zoo ernstig vermaant te bidden? Men moet altijd hidden, zegt hij,

ocr page 282

MOKGENPLIGTEN.

en nooit verflauwen. Vraagt, zoekt, klopt, zegt hij wederom, want al wie vraagt, verkrijgt; al wie zoekt, vindt; en aan al wie klopt, wordt opengedaan. Aan wie is het dan te wijten, dat wij arm en ellendig blijven en eeuwig verloren gaan ? als aan onze groote lafhartigheid, door welke wij zulk krachtig en goddelijk hulpmiddel verzuimen, verachtende die groote schatten, die God ons geven zoude, indien wij er hem ootmoedig om baden.

Wij kunnen hier niet wijdloopiger van deze gewichtige stofte spreken, zij wordt breeder verhandeld in andere godvruchtige boeken. Dit boekje behelst niettemin de voornaamste en nuttigste gebeden, die de geloovigen door den dag in hunne dagelijksche pligten allermeest noodig hebben. Doch wij kunnen hen niet genoeg vermanen, dat zij de morgenpligten en morgengebeden nooit verzuimen; niet dat het genoeg is, den dag wel te beginnen, want men moet den geheelen dag voor God leven; maar omdat zij, die wel beginnen, doorgaans wel eindigen, en omdat de morgengebeden als eene olie en een balsem zich over alle werken van den dag verspreiden.

De vroege morgen is verre de geschiktste tijd tot deze oefening.

Het manna, zegt de Wijze-man in het boek der Wijsheid, moet 's morgens vroeg geraapt worden; want het smelt met het opgaan der zon, om ons te leeren, zegt de H. Geest zelf, dat men vóór de zon moet opstaan, om den Heer te loven, en dat men hern aanbidden moet met het krieken van den dag. Sap 17,

278

ocr page 283

MORGENPLIGTEN.

Het is schande, o Christen mensch f zegt de H. Ambrosius, dat de stralen der zon u zonder schaamte op uw bed vinden liggen.

De liefde tot het vaderland doet den reiziger te vroeger opstaan. De gierigaard waakt, werkt van des morgens vroeg om de winst, en de ambachtsman om den kost. En zullen wij minder doen om het hemelsche vaderland, om oneindige schatten, om een eeuwig geluk? Onderhoud dan getrouw de volgende punten:

1. Bepaal eenen gestelden tijd van slapen. Zeven uren slapen, gelijk het spreekwoord zegt, is ruim genoeg voor oud en jong.

2. Stel u zeiven een vast uur van opstaan, en zooveel als het mogelijk is, heel vroeg omdat de vroege morgen, gelijk het gezegd is, de geschiktste tijd is, om God te bidden.

3. Zoodra het uur gekomen is, sta vlijtig op, zonder een oogenblik toe te geven aan de luiheid.

4. Indien gij wakker wordt voor den tijd van opstaan, houd u bezig met heilige gedachten, of indien de slaap nog noodig is, tracht liever in slaap te geraken, dan u in gevaar te stellen van in bekoring te blijven waken.

5. Wacht u van de eerste vruchten te verliezen van uwen dag. Gij zijt aan God, zegt de H. Ambrosius, de eerste vruchten van uw hart en van uwen mond schuldig.

6. Verzuim nimmer uw morgengebed. Hij verdient den naam niet van een Christen mensch, zegt de Kardinaal Bona, die ten piinste niet tweemaal daags (des morgens als

279

ocr page 284

MORGENPLIGTEN.

hij opstaat en des avonds eer hij slapen gaat) zijn hart tot God opheft, en eenigentijd bidt. God had in de oude wet bevolen, dat de Priesters des morgens en des avonds de lampen moesten ontsteken en voorzien van olie, en wierook branden op het reukofferaltaar van het Tabernakel, om ons te leeren hoe wij bijzonder op die tijden ons moeten voorzien van de olie der liefde en van den wierook des gebeds.

7. Indien het gebeurde, dat gij door eenige dringende redenen uw morgengebed moest uitstellen, haal deze schade in op het eerst geschikt oogenblik.

8. Schik al uwe zaken zoodanig, dat de noodige tijd van bidden gevonden kan worden. Hoe zeer iemand overvallen is met bezigheden, hij moet tijd vinden om te eten en te rusten, veel meer moet men tijd zien te vinden om te bidden.

Ontwakende en opstaande, zeg:

In den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Amen.

Geloofd moet gij zijn, o allerheiligste Drievuldigheid, die mij geschapen hebt, opdat ik u uit ganscher harte zou dienen en beminnen, en alzoo geraken tot het eeuwige leven. Leer mij kennen hoe dierbaar de tijd mijns levens is, die gij mij genadig vergunt om mijne eeuwige zaligheid uit te werken, en druk diep in mijn hart deze woorden van den Apostel: Wij leven voor don lieer. (Rom. 4 v. 8.)

280

ocr page 285

MORGENPLIGTEN.

Gij behoort u zeiven niet toe; niemand mag leven om zich zeiven.

TJ kleedende:

Geef mij, o Heer! dat mijne kleederen, in plaats van mij hoovaardig te maken, mij mogen beschamen en vernederen.

Of: Vergun mij den ouden mensch uit te schudden en den nieuwen aan te trekken. Bekleed mij, o Jesus! roet uwen Geest, versier mij met uwe deugden.

Gewijd water nemende, zeg:

Besproei mij. Heer! met den dauw van uwe genade en van uwen zegen.

Of: Wasch mij nog meer van mijne ongeregtigheid en reinig mij van mijne zonden. (Ps. 50.)

Gekleed zijnde, keer v. naar het Tabernakel, en u plat ter aarde werpende, of zeer diep nederbuigende zeg:

Ik aanbid u, o Jesus! rustende in het H. Sacrament, doe mij zien, dat ik mij zeiven niet toebehoor; maar u, die voor mij gestorven zijt. Geef mij dat ik voor u moge leven, en mij zeiven geheel aan u opdrage, die uw goddelijk leven voor mij ten boste gegeven hebt.

281

ocr page 286

MORGENPLIGTEN.

MORGENGEBED.

Nota. Het is eene zeer loffelijke gewoonte des morgens en des avonds het huisgezin hijeen te doen vergaderen om deze of andere gebeden te zamen te doen. Aldus zullen zij, die over het huisgezin moeten waken, verzekerd zijn, dat elk dezen pligt volbrengt, en Christus volgens zijne belofte, zal in het midden van hen zijn.

In den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Amen.

Laten wij ons stellen in Gods tegenwoordigheid, en

in stilte overwegen: ten 1. quot;Wien wij gaan aanspreken; 2. quot;Wien wij zijn; 3. Wat wij gaan vragen.

KORTE STILTE.

Laat ons den bijstand van den II. Geest verzoeken.

Kom in ons, o H. Geest! vervul de harten uwer geloovigen en ontsteek in ons het vuur van uwe goddelijke liefde.

Laat ons God aanbidden, hem bedanken voor al zijne weldaden en verzoeken de volharding van zijnen bijstand.

Wij erkennen, o God! dat gij onze opperste Heer en meester zijt, dat wij geheel in uwe magt zijn, en zonder u, die ons geschapen hebt, de allerminste zaak niet kunnen. Gij, o Heer ! hebt ons het leven gegeven, en onderhoudt ons in het leven. Gij hebt ons verlost, en door den H. Doop tot uwe H. Kerk geroepen. Gij belooft ons na dit leven de eeuwige zaligheid, en

282

ocr page 287

morgenpliqten.

gij verleent ons de middelen om daartoe te geraken. Wij bedanken u, o Heer! voor al deze uwe gunsten en genaden, die wij ontvangen hebben van het begin onzes levens af, en die wij nog dagelijks van uwe oneindige goedheid ontvangen. Houd nooit op, o God! uwen zegen over ons uit te storten. Zend ons uwen goddelijken bijstand. Verlicht ons verstand met uw goddelijk licht. Versterk onze zwakheid. Vervul ons hart met uwe liefde. Genees de bedorvenheid van onzen wil, en gun dat wij u door een heilig gebruik van uwe genade mogen behagen. Amen.

Laat ons vergiffenis vragen van onze zonden.

Allergenadigste Vader, wij hebben groote-lijks tegen u misdaan. Wij keeren ons tot uwe oneindige barmhartigheid in de bitterheid van ons hart, biddende om vergiffenis door Jesus uwen Zoon, dien wij u opdragen, hangende aan het kruis. Zie toch op zijne tranen en laat u bewegen door zijn genade-roepend bloed. Tot voldoening van uwe goddelijke regtvaardigheid offeren wij ons zeiven met hem op; om in zijnen geest te lijden al de ongemakken, pijnlijkheden en kruisen, die onze roep medebrengt, en die uwe vaderlijke goedheid ons zal believen over te zenden.

Laat ons van God de genade verzoeken om heilig te leven, en hem dezen dag niet te vergrammen.

v. Gewaardig, o Heer ! ons dezen dag van alle zonden te bewaren.

r. Ontferm u onzer, o Heer! ontferm u onzer.

283

ocr page 288

morgenpligten.

v. Stort, o Heer! uwe barmhartigheid over ons uit.

r. Gelijk wij in u gehoopt hebben, v. Heer, verhoor mijn gebed.

r. En laat mijn geroep tot u komen. Almogende, eeuwige God! die ons tot het begin van dezen dag bewaard hebt, bescherm ons van daag door den bijstand uwer genade, opdat wij in geene zonden vallen; maar dat al onze woorden, gedachten en werken door het licht uwer wijsheid bestierd worden tot onderhouding uwer regtvaardige geboden: door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon die met u leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes, God in alle eeuwigheid. Amen.

Laat ons aan God het gebed, dat de Heer Jesus ons geleerd heeft, opdragen, aandachtig lettende op elke vraag.

Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw rijk. Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwade. Amen.

Laat ons de H. Maagd Maria groeten, en verzoeken dat zij voor ons wil bidden.

Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lig-chaams Jesus. H. Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen.

284

ocr page 289

MORGENPUGTEN.

Laat ons het geloofsbegrip der Apostelen bidden en de heilige geheimen, die daarin verrat zijn, met eene volkomene onderwerping van ons verstand en onzen wil aanbidden.

4. Ik geloof in God den Vader almagtig, Schepper van hemel en aarde.

4. En in Jesus Christus, zijnen eenigen Zoon, onzen Heer.

3. Die ontvangen is van den heiligen Geest; geboren uit de Maagd Maria.

4. Die geleden heeft onder Pontius Pila-tus, die gekruist is gestorven en begraven.

5. Die nedergedaald is ter helle, en den derden dag verrezen van den dood.

6. Die opgeklommen is ten hemel, en zit aan de regterhand van God den Vader almagtig.

7. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en dooden.

8. Ik geloof in den H. Geest.

9. De heilige Katholieke Kerk: Gemeenschap der Heiligen.

40. Vergiffenis der zonden. 44. Verrijzenis des Vleesches.

42. En het eeuwige leven.

Laat ons de geboden Gods lezen, en genade verzoeken om die van daag en alle dagen onzes levens heilig te onderhouden.

4. Ik ben de Heer uw God, gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult geene gesneden beelden, noch gelijkenis maken, gij zult ze niet aanbidden, noch Godsdienst aandoen.

285

ocr page 290

MORGENPLIGTEN.

2. Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdelijk noemen.

3. Wees gedachtig dat gij den Sabbatdag heilig maakt.

4. Eert uwen vader en uwe moeder; opdat gij lang moget leven op aarde.

5. Gij zult niet doodslaan.

6. Gij zult geen overspel bedrijven.

7. Gij zult niet stelen.

8. Gij zult tegen uwen naaste geene val-sche getuigenis geven,

9. Gij zult uws naastens huisvrouw niet begeeren.

10. Noch zijn huis, noch zijnen akker, noch zijnen knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets van al ■wat hem toebehoort.

Laat ons de geboden van de heilige Kerk lezen, net een vast voornemen van ze te onderhouden.

1. De geboden heilige dagen zult gij vieren.

2. Gij zult alsdan ook mis hooren met goede manieren.

3. Geene geboden vastendagen zult gij breken.

4. Gij zult aan uwen Priester, ten minste eens des jaars, uwe biecht gaan spreken.

5. En nuttigen omtrent Paschen het Lig-chaam onzes Heeren.

De zeven H. Sacramenten.

1. Het Doopsel, 2. het Vormsel, 3. hetH. Sacrament des Altaars, 4. de Biecht, 5. het H. Oliesel, 6. het Priesterschap, 7. het Huwelijk.

286

ocr page 291

M0RQENPL1GTEN.

Laat ons al de werken ran dezen dag aan God opdragen.

Wij zijn, o Heer! tot geen ander einde in deze wereld, dan om uwen heiligen wil te volbrengen, en om u te dienen volgens den staat, in welken uwe goddelijke Voorzienigheid ons gesteld heeft. Ontvang goedertieren, o God! de offerande, die wij u opdragen, van al de werken, die ons dezen dag te doen staat. Geef ons de genade om ootmoedig en getrouw te volbrengen, al hetgeen gij van ons eischt, en maak dat wij in al onze gedachten, woorden en werken geen ander inzicht hebben, dan u te behagen en uwen heiligen naam te eeren.

Laat ons den bijstand van onzen H. Engel-Bewaarder verzoeken.

O God! die door eene onuitsprekelijke voorzienigheid u gewaardigt uwe H- Engelen tot onze bescherming te zenden, geef dat wij hier door hunne zorg gestadig tegen het geweld onzer vijanden mogen beschut worden, en hun gezelschap hierboven in den hemel eeuwig genieten. Amen.

O Heer! vergun ons uwen zegen, bescherm ons van alle kwaad, en leid ons tot het eeuwig leven.

Dat door de goddelijke barmhartigheid de zielen der overledenen in vrede rusten. Amen.

ONDERRIGTING

wegens onze verpligting van voor God te leven.

Om zalig te worden moet men voor God

287

ocr page 292

MORGENPLiaTEN.

288

leven. Wij zijn gekocht ten hoogen prijs, en hetzij wij leven of sterven wij behooren den Heer toe. Hieruit volgt, dat wij gehouden zijn al onze werken te doen tot glorie van God. Hij is onze Heer! wij zijn zijne knechten: al onze werken behooren hem toe. Hij is de eigenaar van den boom en van al zijne vruchten. Dus moeten wij dan des morgens vroeg ons zeiven en alles wat wij door den dag doen zullen, aan God opdragen met eene opregte meening om alles voor hem te doen, zijnen wil te volbrengen, en hem trachten te behagen door al de werken, die hij ons door zijne voorzienigheid door den dag zal aanwijzen, volgens de plaatsen en verbindtenissen van den staat, waarin hij ons gesteld heeft. Zij, die meenen, dat men God maar moet dienen door de werken van godvruchtigheid die door den dag voorvallen, als: bidden. Mis hooren, enz., dwalen grootelijks; want aldus zou verre het grootste deel van ons leven niet voor God, maar voor de wereld en voor ons zeiven zijn. Wij moeten dan God dienen door al onze werken, de ambachtsman door zijnen arbeid, eene dienstmaagd door hare dienst, door hare huiszaken en door haar bedrijf, elkeen door hetgeen hem door den dag te doen staat. Daarom moet men zich wachten van allo kwade werken, die God niet eeren, naar hem vergrammen. Wij moeten ook door den dag dikwijls met het hart onze goede meening van alles om God te doen, vernieuwen, die dikwijls vereenigen met de heilige meening, die Christus in al zijne werken gehad heeft.

ocr page 293

morgenpugten.

289

van daardoor den wil van zijnen hemelschen Vader in alles te volbrengen.

nota. Laat uwe dagelijksche boetvaardigheid wezen een geregeld leven te leiden: niet ligt te klagen, de zinnelijkheid, het gemak, de nieuwsgierigheid te schuwen; den naaste te verdragen, en andere deugden te oefenen, eens of tweemaal in de week te vasten, enz.

21

10

ocr page 294

v. De Engel des Heeren heeft Maria geboodschapt.

r. En zij heeft ontvangen van den H. Geest. Wees gegroet, enz.

v. Zie de dienstmaagd des Heeren. r. Mij geschiede naar uw woord. Wees gegroet, enz.

v. En het woord is vleesch geworden: B. En het heeft ouder ons gewoond. Wees gegroet, enz.

LAAT ONS BIDDEN.

Stort, o Heer! uwe genade in onze harten opdat wij, die door de boodschap des Engels de Menschwording van Christus uwen Zoon hebben gekend, door zijn lijden en kruis tot de glorie der verrijzenis mogen geraken. Door denzelfden Jesus Christus onzen Heer. Amen.

Als men de klok hoort slaan.

Heilige Drievuldigheid, onze God, ik draag u mij zeiven op en al mijne werken, zoo in dit uur, als in al de uren mijns levens. Wees

GEBEDEN

ocr page 295

GEBEDEN DOOR DEN DAG. 291

mij genadig nu en in het uur van mijnen dood. Door Christus onzen Heer. Amen.

Als men eenig werk begint.

O God! wees aavidachtig om mij te helpen, haast u, Heer om mij bij te staan.

Gelief, o Heer! onze werken door uwe genade te voorkomen, en door uwe hulp te voltrekken; opdat al onze gebeden en werken door u ook mogen voltrokken worden Door Christus onzen Heer. Amen.

Gebed na het handwerk.

Zegen, o God! het werk mijner handen; wat dienstig is ter zaligheid, komt van u, ontvang uwe gaven. Hetgeen kwalijk is komt van mij, dat ik mijne verdere werken tot uwe glorie onderneme.

Als men het beeld van den gekruisten Christus ziet.

Hij heeft mij bemind, hij heeft zich zeiven voor mij ten beste gegeven! o Jesus! die voor mij gekruist en gestorven zijt, ontferm u mijner.

Als men het beeld van de heilige Maagd Maria aanziet.

Wees gegroet, Maria! vol van genade: bid voor ons nu en in liet uur van onzen dood.

Als men de ijdelheid der wereld ziet.

Heer keer mijne oogen af, opdat zij de ijdelheid niet zien. Kinderen der menschen, waarom bemint gij de ijdelheid en zoekt gij de leu-

ocr page 296

GEBEDEN

gentaal? de wereld verdwijnt met al hare schoonheid.

Wanneer des middags de bodeklok klept.

Christus is gehoorzaam geweest, tot den dood, ja tot den dood des Kruises. Heer ontferm u onzer, Christus, ontferm u onzer Heer ontferm u onzer.

Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld achterlatende; opdat wij zijne voetstappen zouden volgen. Heer, ontferm u onzer, enz.

Christus heeft voor ons geleden, en ons gereinigd van onze zonden in zijn bloed. Heer ontferm u onzer, enz.

LAAT ONS BIDDEN.

Wij bidden u, Heer, zie nederwaarts op ons die uw volk zijn, voor hetwelk Jesus Christus, onze Heer, zich gewaardigd heeft zich in de handen der goddeloozen te leveren, en de pijnen des kruises te ondergaan.

Zegening voor het eten.

De oogen van alle menschen wachten, o Heer! naar uwe milddadigheid, en gij geeft hun spijs op den regten tijd. Gij opent uwe hand, en gij vervult alle levende harten met zegen.

Glorie zij den Vader, en den Zoon, enden H. Geest. Gelijk het was in het begin; en nu en altijd en in de eeuwigheid der eeuwigheden. Amen.

292

ocr page 297

DOOR DEN DAG.

Heer, ontferm u onzer. Christus, ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer. Onze Vader, enz.

Heer zegen ons, en deze uwe gaven, die wij door uwe milddadigheid zullen gaan nuttigen. Door Christus onzen Heer. Amen.

Dankzegging na het eten.

r Wij danken u, almagtige God! voor al uwe

weldaden, die wij door uwe milddadigheid ontvangen hebben. Die leeft en heerscht in alle eeuwen. Amen.

Heer, ontferm u onzer. Christus, ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer. Onze Vader, enz.

Geef, o Heer! om uwen naam, aan al onze weldoeners het eeuwige leven. Amen.

v. Laat ons den Heer loven.

R. God zij gedankt.

Dat de geloovige zielen door Gods barmhartigheid rusten in vrede. Amen.

Des namiddags ten drie ure, zijnde het uur wanneer Christus gestorven is aan het kruis.

O Jesus! ik aanbid u op dit dierbaar oogen-blik. Geef dat het mij trooste in het uur van mijnen dood, en dat alsdan mijn geest met den uwen ontvangen worde.

y Als onze evenmensch in zonden valt.

Heer, deze boosheid is mijne les. Er is geene zonde, die ik niet doen zoude, indien ik van u verlaten werd. Ik schrijf aan uwe barmhartigheid toe de zonden, die ik niet bedreven heb. Heer, vergeef hun die zonden, want zij weten niet wat zij doen.

293

ocr page 298

GEBEDEN DOOR DEN DAG.

Als iemand iets tegen ons misdoet.

Heer, mijne gebreken zijn veel grooter, en gij verdraagt mij: zal ik dan mijnen broeder niet verdragen? Heer verleen ons, dat wij volgens de leering van den Apostel elkanders lasten dragen, en aldus uwe wet volbrenwen. {Gal. 6.)

Gebed in onweder.

Heer, wie zal u niet vreezen! Bewaar ons van uwe gramschap en van de donderslagen van uw vervaarlijk oordeel. Beneem den boo-zen de magt om ons te hinderen.

Men zal ook zeer voordeelig het St. Jans Evangelie bidden of de Litanie van alle Heiligen; de gewijde kaars ontsteken en wijwater nemen, zijn vertrouwen stellen op de gebeden van de H. Kerk, die deze zaken len dien einde gezegend heeft.

Gebed ten tijde van bekoringen.

Heer, gedenk toch, dat ik in zonde ontvangen en in zonde geboren zijnde de bedorvenheid, de krankheid en de ellende zelf ben. De vijand heeft zijnen muil opengespannen als een leeuw, om mij te verslinden, Zonder uwe hulp, o Heer, wie kan het ontgaan ? Keer, ik Jijd geweld, haast u om mij te helpen! Behoud mij, of ik verga! Geef mij dat ik uwe heilige geboden beminne boven alle zaken, en de boosheid meer schrome dan den dood, opdat mijne ziel behouden zij door Christus onzen Heer. Amen.

294

ocr page 299

W^W'iXMXr'W

AVONDGEBED.

Nota. Laat nimmer uw Avondgebed achter, opdat Christus die in zijne uiterste benauwdheid in den hof der Olijven het bidden niet heeft achtergelaten, tot u niet zegge: Kunt gij dan niet een weinig tijds met mij waken?

Het onderzoek des gewetens mag men insgelijks niet verzuimen.

Als het huisgezin bijeen vergaderd is, gelijk des morgens gezegd is, zal men bidden.

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

Laten wij ons in Gods tegenwoordigheid stellen, en in stilte overdenken, ten 1. Wien wij gaan aanspreken. 2. AVie wij zijn. 3. quot;Wat wij gaan vragen.

KORTE STILTE.

Laat ons verzoeken den bijstand van den II. Geest.

Kom, o Heilige Geest, vervul de harten uwer geloovigen en ontsteek in ons het vuur uwer goddelijke liefde.

Laat ons God aanbidden, hem voor zijne weldaden bedanken en om de volharding van zijnen bijstand verzoeken.

Wij erkennen, o God! dat gij onze opperste Heer en Meester zijt; dat wij geheel in uwe magt zijn, en zonder u, die ons geschapen hebt,

ocr page 300

AVONDGEBED.

de allerminste zaak niet kunnen. Gij, o Heer! hebt ons het leven gegeven, en onderhoudt ons in het leven. Gij hebt ons verlost en door den H. Doop tot uwe H. Kerk geroepen. Gij belooft ons na dit leven de eeuwige zaligheid, en gij verleent ons de middelen om daartoe te geraken. Wij bedanken u, o Heer! voor al uwe gunsten en genaden, die wij ontvangen hebben van het begin onzes levens af, en die wij nog dagelijks van uwe oneindige goedheid ontvangen. Houd nooit op, o God! uwen zegen over ons uit te storten. Zend ons uwen goddelijken bijstand. Verlicht ons verstand met uw goddelijk licht. Versterk onze zwakheid. Vervul ons hart met uwe liefde. Genees de bedorvenheid van onzen wil: opdat wij overwinnende al het geweld van onze onzigtbare vijanden, u door een heilig gebruik uwer genaden mogen behagen.

Laat ons de genade verzoeten, om onze zonden te kennen en ze te verfoeijen.

O Heer! wij misdoen dagelijks in vele zaken; maar zonder uwe genade zijn wij blind en versteend, wij willen onze zonden noch zien, noch verfoeijen; verlicht ons dan, opdat wij ze kennen, en geef ons een opregt leedwezen, om ze van harte te haten en te verfoeijen. Door Christus onzen Heer. Amen.

Onderzoek uw geweten, en zie waarin gij God van daag vergramd liebt door gedachten, woorden of werken, acht nemende op de plaatsen, waar gij geweest zijt, op de menschen met wie gij gehandeld hebt, en op de genegenheden, die u het aller-meest gewoon zijn tot kwaad te trekkeE.

296

ocr page 301

AVONDGEBED.

Laat ons God bidden om vergiftenis.

O Heer! handel met ons niet volgens onze misdaden. Gedenk toch onze voorgaande zonden niet. Laat uwe barmhartigheid ons haastig voorkomen: want wij zijn ten uiterste ellendig geworden. Help ons, o God! onze Verlosser, en vergeef ons al onze zonden tot verheffing van uwen H. Naam. Wij belijden die voor u, verfoeijen ze uit ganscher harte en vragen uwe genade om ons te beteren.

Men zal hierna hidden het Gebed des Heeren, het Wees gegroet, het Geloof, de Geboden van God en van de H. Kerk, alles gelijk des morgens, bladz. 284, enz.

Laat ons bidden voor de rust der geloovige zielen, en voornamelijk voor die onzer vrienden en weldoeners.

O God! Schepper en Verlosser van alle geloovigen, geef aan uwe dienaren en dienaressen vergiffenis van al hunne zonden, opdat zij de genadige kwijtschelding, waarnaar zij altijd verlangd hebben, door onze ootmoedige gebeden mogen verwerven. Die leeft en heerscht in alle eeuwen. Amen.

Dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid rusten in vrede. Amen.

Laat ons van God vragen, dat bij ons van zonden beware en dezen nacht bescherme.

Bescherm ons, Heer! terwijl wij waken; bewaar ons terwijl wij slapen, opdat wij, met Christus gewaakt hebbende, in vrede mogen rusten.

21 10*

297

ocr page 302

avondgebed.

v. Gewaardig u, o Heer I ons dezen nacht van alle zonden te bewaren.

n. Ontferm u onzer, o Heer! ontferm u onzer.

v. Stort, o Heer! uwe barmhartigheid over ons uit

n. Gelijk wij altijd in u gehoopt hebben, v. Heer, verhoor mijn gebed.

\\ ij bidden u, o Heer! bezoek deze woning en drijf er uit al de listen en lagen van den helschen vijand. Dat uwe H. Engelen daarin ■wonen om ons in vrede te bewaren, en dat uw zegen altijd over ons zij. Door onzen Heer Jesus Christus uwen Zoon, die met u leeft en heerscht in de eenheid des H. Gees-tes. God in alle eeuwigheid. Amen.

De almogende barmhartige God, de Vader, de Zoon, en de H. Geest verleene ons eenen genisten nacht, en een zalig einde. Dat hij ons zegene en ons altijd onder zijne goddelijke bescherming beware. Amen.

298

ocr page 303

GEBEDEN

DE HEILIGE MIS.

MET EENIGE KORTE UITLEGGINGEN.

Nota. De korte verklaringen, gedrukt met kleine letters dienen tot uitlegging van de geheimen, die door de uitwendige Ceremoniën van de Mis be-teckend worden. Men moet ze maar lezen tot onderrigting buiten den tijd van de Mis.

De mensch is verpligt, God als zijnen oppersten Heer te aanbidden, hem te bedanken voor zijne weldaden, zich met hem te verzoenen over zijne zonden, hem om den noodigen bijstand te bidden, dien hij onophoudelijk noodig heeft; en eindelijk zich geheel, als eene heilige en levende offerande aan God op te dragen. Dit zijn zijne wezenlijke pligten, van welke hem niemand kan ontslaan. Doch hij was door de zonde onbekwaam geworden om epn dier pligten tot zijne zaligheid te kunnen kwijten. Hij verdiende niets dan de eeuwige verdoemenis. Hij was vervloekt voor God. Hij had niets te verwachten, dan als Caïn verstooten te worden met zijne giften, en niemand konde hem uit dien ellendi-gen staat verlossen.

God heeft medelijden met hem gehad. Hij heeft door zijne oneindige goedheid een onbedenkelijk middel uitgevonden om den mensch te behouden en te herstellen. Naauwelijks

t

ocr page 304

GEBEDEL

was de zonde bedreven of hij heeft aan Adam eenen goddelijken Verlosser beloofd, en heeft hem op den bestemden tijd in de wereld gezonden.

Ondertusschen, terwijl het Lam Gods verwacht werd, dat de zonden der wereld zoude wegnemen, en voor ons allen geslagt worden, heeft God in de oude wet verscheidene offeranden voorgeschreven bestaande in allerlei slag van dieren, die als zoo vele afbeeldingen en schilderijen zouden zijn van de eenige offerande, die alles herstellen moest, die elk door hunnen bijzonderen aard iets zouden verbeelden van de eigenschappen van den toekomenden Verlosset, als: de lammeren zijne onschuld en zachtmoedigheid, de ossen zijne sterkte en zijnen arbeid, de bokken de zonden van ons allen, die hij op zich had genomen.

De menschen, die deze offeranden opdroegen, legden hunne handen op het slagtoffer, oni te toonen dat zij dit in hunne plaats stelden. Maar het was onmogelijk, zegt de Apostel, dat door het bloed van stieren en hokken de zonden konden vergeven worden. Het bloed alleen van het onbevlekt en onschuldig Lam was daartoe bekwaam.

Eindelijk is Christus, het Lam Gods, in de wereld gekomen. God heeft ons zijnen eeni-gen Zoon gezonden, en de zonden van ons allen op hem gelegd. Hij is als de ware Izaak beladen met het hout, waarop hij zijne offerande moest voltrekken, en nog meer met den last van onze zonden, den Calvarieberg

300

ocr page 305

ONDi;R DE H. MIS.

opgetrokken, alwaar hij door eene eenige offerande op het kruis al die krachtelooze offeranden van de oude wet vervuld en ver-eenigd heeft, onze zonden uitwisschende met z\jn bloed.

Maar om ons deze offerande te bezorgen, die ten allen tijde en op alle plaatsen zou kunnen opgedragen worden tot het einde der wereld toe, waardoor ons de offerande van het kruis en de verdiensten van zijn lijden en zijnen dood gestadig zouden toegevoegd worden, en waardoor wij onophoudelijk al onze pligten tot God zouden kunnen kwijten, zoo heeft hem zijne oneindige liefde nog een ander middel doen uitdenken, te weten: het onbloedige Sacrificie van de Mis, door hetwelk hij de bloedige offerande van het kruis, die hij maar eens gedaan heeft nog dagelijks zou vernieuwen onder de gedaante van brood en wijn, en door de handen van de Priesters, zijne bedienaars, hij zelf als opperpriester en offerande zich voor ons zoude opdragen aan God zijnen hemelschen Vader. Het is door hem dan, wat wij God den Vader aanbidden, dat wij hem bedanken, dat wij ons zeiven opdragen, en dat onze offerande hem kan behagelijk zijn. Waaruit wij de waardigheid en de oneindige kracht moeten leeren kennen van dit goddelijk Sacrificie, en tevens besluiten met hoe grooten eerbied, liefde en dankbaarheid wij daarbij moeten tegenwoordig zijn.

301

ocr page 306

GEBKÜEN

GEBED VOOR DE MIS.

Ik geloof, o Güil! dat het II. Sacrificie van de Mis eene onbloedige offerande is van het ligchaam en bloed van uwen Zoon, die hij eens voor ons allen op eene bloedige wijze geofferd heeft aan het kruis.

Ik vereenig mij met Jesus, onzen oppersten Priester, met den Priester, zijnen dienaar, en met de geheele H. Kerk, om deze offerande op te dragen aan uwe goddelijke Majesteit, tot aanbidding van uwen H. Naam, tot dankzegging voor uwe oneindige weldaden, tot verzoening voor onze zonden en tot verkrijging van al de genaden, die ons ter zaligheid noo-dig zijn.

Maak mij deelachtig aan de heilige gesteltenissen van den gekruisten Jesus, opdat ik die aanbiddelijke offerande moge doen in zijnen geest, en mij zeiven met hem geheel opdragen, om voortaan mijne ziel en mijn ligchaam, mijnen tijd en mijn leven getrouw te besteden tot uwe heilige dienst.

BEGIN VAN DE MIS.

De Priester komt af tot don laatsten trap, vernedert zich on maakt een kruis.

Dit betcekent den val van Adam, die voor een weinig tijds met God vereenigd geweest zijnde, door de zonde gevallen is tot den laatsten trap van ellende en onderworpenheid. In dit gevoelen moeten de geloovigen zich met den Priester vernederen.

302

ocr page 307

onder de ii. mis.

de confiteor of Schuldbelijdenis.

In den Naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Amen.

GEBED.

Tot wat eenen diepen afgrond van duisternissen en bedorvenheid heeft ons, o God! de zonde gebragt! Gij hadt ons allen in dien afgrond van de verwerping kunnen laten. Het is door uwe barmhartigheid, dat wij niet allen te zamen zijn vergaan. Gij hebt ons genadig en zonder eenige van onze verdiensten uwen eenigen Zoon beloofd en gezonden en ons in den heiligen Doop gereinigd door zijn bloed. Maar met hoe vele vlekken hebben wij sedert het witte kleed van onzen H. Doop besmeurd! Het is voor al deze zonden, dal wij ons met den Priester voor u vernederen, zeggende met een rouwig hart.

Ik belijde voor God almagtig, de heilige Maria altijd Maagd, den H. Michaël, Aartsengel, den H. Joannes den Dooper, de H. Apostelen Petrus en Paulus, en alle Heiligen, dat ik zeer gezondigd heb met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne overgroote schuld: daarom bid ik de H. Maria altijd Maagd, den H. Michaël, Aartsengel, den H. Joannes deu Dooper, de H. Apostelen, Petrus en Paulus, en alle Heiligen, den Heer onzen God voor mij te bidden.

De almogende en barmhartige Heer ver-leene ons kwijtschelding en vergiffenis van al onze zonden.

303

ocr page 308

GEfiEDfcN

O GodI tot ons gekeerd zijnde, zult gij ons doen herleven en uw volk zal zich in u verblijden.

Toon ons, o Heer! uwe barmhartigheid, en verleen ons uwe zalige hulp.

Heer, verhoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot u komen.

De Priester treedt het altaar op en kust het.

Dit beteeient de eerste hoop van verzoening, die aan den mensch gegeven is.

Wij bidden u, oHeer! neem onze boosheden van ons weg, opdat wij tot het Heilig der Heiligen met een zuiver gemoed mogen ingaan, door Christus uwen Zoon, die door het altaar beteekend wordt, en door de voorspraak van de heilige Martelaars, wier gebeenten onder het altaar rusten, en van alle andere heiligen. r. Amen.

De Introïtus, en Kyrie eleison.

Hierdoor worden beteekend de verzuchtingen van de regtvaardigen van het oude Testament naar de komst van den Verlosser.

Hoe vurig, o Jesus! hebben de oude Patriar-chen en Profeten naar uwe komst verlangd I hoe hebben zij hunne zuchten verdubbeld.' gij zijt ten laatste gekomen om hen te verlossen.

Geef ons, bidden wij, dat wij met hen vuriglijk mogen roepen, om verlost te worden van onze zonden, zeggende met het hart:

Kyne i trrf i Heer' ontfe»m u

eleison. j ^ j onzer.

304

ocr page 309

ONCER DE 11. MIS.

305

Driemaal tot den Zoon.

Christe, eleïson.

Christus, ontferm u onzer.


Driemaal tot den H. Geest.

Kyrie, eleïson.

Heer, ontferm u onzer.


De lofzang gloria in excelsis.

Dit beteekent de blijdscliap van hemelen aarde over de geboorte van den Verlosser. Hij begint met de woorden, die de Engelen zongen bij de geboorte van den Zaligmaker; doch hij wordt in alle Missen niet gelezen.

Glorie zij God in den Hoogste, en op de aarde vrede aan de menschen van goeden wil. Wij loven u. Wij prijzen u. Wij aanbidden u. Wij verheerlijken u. Wij bedanken u om uwe groote glorie. Heer God, hemelsche Koning! God almagtige Vader! Heer Jesus Christus, eeniggeboren Zoon! Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders die wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer. Die wegneemt de zonden der wereld, ontvang onze gebeden. Die zit aan de regterhand des Vaders, ontferm u onzer. Want gij zijt alleen heilig: Gij alleen de Heer, Gij alleen de Allerhoogste, o Jesus Christus! met den H. Geest in de Glorie van God den Vader. Amen.

ocr page 310

gebeden

De Priester kust het altaar en groet het volk zeggende: De Heer zij met u.

Hij ontvangt eerst den zegen van Christus, die door het Altaar beteekend wordt, eer Hij diengeeft aan het volk. Het volk wenscht aan den Priester denzelfden zegen zeggende: De Heer zij ook met uwen geest. Dit moeten zij met het hart doen, zoo dikwijls als de Priester hen groet.

De gebeden genaamd Collecten.

Vergun ons, Heer! al hetgeen de Priester uit den naam van de H. Kerk voor ons vraagt; en geef ons voornamelijk vermeerdering van Geloof, Hoop en Liefde. Vergeef onze zonden, en verleen ons de genade om al uwe geboden heilig te onderhouden. Leer ons dat wij ons gaarne onderwerpen aan uwe goddelijke voorzienigheid, en uwen heiligen wil in alles aanbidden, en verleen ons al wat noodig en dienstig is tot het eeuwige leven, door Jesus Christus onzen Heer. r. Amen.

de epistel.

Dit beteekent het prediken van de Profeten en van do Apostelen aan de Joden, die, weinigen uitgenomen, het woord Gods verstoeten hebben en ook van God verstooten zijn geworden.

Geef rnij, o God! dat ik de lessen van uwe Profeten en uwe Apostolen altijd moge beschouwen als brieven van u uit den hemel gezonden, om ons uwen H. wil kenbaar te maken. Laat nimmer toe, dat uw H. woord door de versteendheid mijns harten mij eene nieuwe gelegenheid worde van zonde, gelijk

306

ocr page 311

onder de ii. mis.

aan de Joden, maar dat het, door uwe genade mijn verstand verlichtende, mijn hart ook ontsteke; en dat ik, gevoelen moge hetgeen de Discipelen van Emmaus gevoelden, wanneer zij zeiden: was ons hart niet brandende van liefde, als hij tot ons sprak op den weg en ons de schriftuur opende. (Luc. 24 v. 32.)

Het boek wordt omgedragen.

Dit beteeient hoe de Joden het Evangelie verworpen hebben, en de Heer het heeft doen overdragen tot de Heidenen, van welke wij onzen oorsprong hebben.

Ik heb maar al te dikwijls verdiend, oHeer! dat uwe zalige leering mij zoude afgenomen worden, en gegeven aan anderen, die er meer voordeel mede zouden doen. Heer, behandel mij niet naar mijne verdiensten. Geef mij meer liefde om uw heilig woord te aan-hooren, en meer getrouwheid om er naar te leven; doe mij het voor de vreeselijkste straf beschouwen, er van beroofd te worden.

Bemerking voor het Evangelie.

Iedereen staat op om het Evangelie tc hoi ren, tot eon teeken van bereidvaardigheid om er naar te leven. Men zegent zich het voorhoofd, den mond cn het hart; tot een teeken dat men zich niet zal schamen die heilige waarheden als op zijn voorhoofd, in den mond cn in het hart te dragen.

Zuiver mijn hart en mijne ooren, o Heer! gelijk gij eertijds de lippen van Isaïas gezuiverd hebt met eenen vurigen steen; dat de gekruiste Jesus altijd in mijn verstand, in

307

ocr page 312

gebeden

mijnen mond en in mijn hart zij, en dat ik mij nimmer over zijne heilige woorden schame.

het evangelie.

Heer, gij hebt de woorden van het eeuwig leven, gij zijt het licht en de waarheid: wij hebben geenen anderen leermeester dan u. Geef mij, dat ik onder uwe schapen zij, die naar uwe stem luisteren, en u alleen navolgen. Doe mij uwe zalige lessen met blijdschap aanhooren, met ootmoedigheid gelooven, en met vlijt volbrengen; en alhoewel zij strijden tegen mijne kwade driften, laat nooit toe, dat ik uwe heilige regels doe overeenkomen met mijne begeerlijkheden; maar doe mij liever door uwe genade mqne ongeregelde genegenheden verzaken en leven volgens den regel van uwe heilige wet

Credo (Geloofsbelijdenis.)

Be teekent hoe de Heidenen met grootcn ijver het Geloof hebben aangenomen en kloekmoedig beleden. Hij wordt niet altijd gelezen: hij behelst de gewig-tigste punten yan ons H, Geloof, die men aandachtig moet overdenken.

Ik geloof in eenen God, almagtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zigt-bare en onzigtbare dingen. En in eenen Heer Jesus Christus den eeniggeboren Zoon Gods, en uit den Vader vóór alle eeuwen geboren; God van God; licht van licht; waarachtigen God van den waarachtigen God; geboren en niet gemaakt, eenwezig met den Vader, door

308

ocr page 313

ONDER DE H. MIS.

wien alle dingen gemaakt zijn. Die om ons menschen, en om onze zaligheid nedergedaald is uit den hemel, en het vleesch heeft aangenomen, door den II. Geest uit de Maagd Maria en is mensch geworden. 1 Hij is ook voor ons gekruist onder Pontius Pilatusj hij heeft geleden en is begraven. Hij is, volgens de Schriftuur, ten derden dag verrezen. En hij is opgeklommen ten Hemel. Hij zit aan de regterhand des Vaders. En zal wederkomen met heerlijkheid om te oordeelen de levenden en dooden; van wiens rijk geen einde zal zijn. En in den H. Geest, den Heer ea levendmaker, die van den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon te zamen aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de Profeten gesproken heeft. En eene heilige Katholieke en Apostolische Kerk. Ik belijd een doopsel tot vergiffenis der zonden; en ik verwacht de verrijzenis der dooden, en het eeuwig toekomend leven. Amen.

Offerande van Brood en Wijn.

309

Nadat de Priester wederom het volk gegroet heeft, leest hij eenige verzen uit de Psalmen, genoemd het Ojjfertorium omdat de geloovigen eertijds alsdan brood en wijn gingen offeren. Deze offerande be-teekent de opdragt van Christus in den tempel. Het brood bestaande uit vele graantjes, en de wijn

1

De Priester, deze woorden lezende, knielt neder om zijne aanbidding en dankzegging te betoonen over het geheim van de mensehwording van het eeuwig TVoord. De geloovigen behooren dit ook te doen.

ocr page 314

GEBEDEN

bestaande uit vele druiven, beteekent de verceniging der geloovigen die onder elkander door de liefde moeten vereenigd zijn.

GEBED.

Ontvang, o eeuwige Vader! dit brood en den wijn, die in het Ligchaani en Bloed van uwen eeni^en Zoon zullen veranderd worden, welk H. Ligchaam en Bloed ik, onwaardige, met den Priester en met alle geloovigen zal gaan opofferen als eene onbevlekte offerande aan u, o levende en waarachtige God! voor mijne ontelbare zonden en onachtzaamheden, en voor alle geloovigen, zoo levende als iloode, opdat het mij en hun moge strekken tot zaligheid en tot het eeuwig leven. n. Amen.

liet wasschen der vingeren.

De Priester wascht de vingeren, niet de gelieele hand, om te toonen dat als men tie II. Offerande gaat opdragen, men niet moet denkon, op de zuivering der doodelijke zonden, die te voren door eene waardige boetvaardigheid behoort geschied te zijn; maar op de zuivering der dagelijksche kleine gebreken, die als eene stof aan de vingeren hangen, en die men nogtans door eene opregte droefheid moet afwasschen.

Laat niet toe, o genadige God! dat ik ooit besmet worde met doodelijke zonden, of in de dagelijksche wetens en willens blijve hangen: maar geef mij de genade, om de fouten, welke ik dagelijks uit menscheüjke zwakheid bedrijf, dagelijks af te wasschen door de boetvaardigheid en het gebed. Wasch en reinig nu ook

310

ocr page 315

ONDÊB DE II. MIS. 311

den grond mijns harten, opdat ik meer en meer gezuiverd zijnde, mijne offerande zoo veel te behagelijker zij aan uwen H. Naam.

OR ATT FRATRF.S.

De Priester kust het altaar, en zich omkee-rende, zegt: Bidt broeders, opdat mijne en uwe offerande aangenaam zij aan God den Vader almagtig.

De dienaar antwoordt:

De Heer gelieve de offerande te ontvangen uit uwe handen tot lof en glorie van zijnen Naam, tot voordeel en zaligheid van ons allen, en van geheel zijne H, Kerk.

DF. STII I-K GEBEDEN.

Heer, geef aan den Priester, die u deze offerande opdraagt, en aan ons, die ze u door hem opdragen de noodige genade, om te zamen met u eene heilige offerande te worden.

DK PREFATIK.

Of nadere bereiding tot het heiligste deel van het Sacrificie.

De priester wenscht wederom Gods zegen aan het volk en vermaant hen allen, dat zij hunne harten zouden verheffen boven al de aardsche zaken, sru-süm CORDA. Zij antwoorden door den mond van den dienaar: wij hebben ons hart tot den Heer verheven, en zij ga- n zich voegen tot de heraelsche geesten om hem met hen te danken.

ocr page 316

gededen

De Priester zegt:

Laat ons den Heer, onzen God, bedanken. Dien. Dit is gansch redelijk en regtvaardig. Priest. In waarheid het is ten minste redelijk en regtvaardig, het is onze groote pligt, en het is ons zalig dat wij u altijd en overal bedanken heilige Heer, almagtige Vader, eeuwige God, (Men kan hier op de hooge Feestdagen tusschen voegen: En voornamelijk over het geheim van ... hetwelk wij heden vieren) door Christus, onzen Heer. Door vvien de Engelen uwe Majesteit loven, de Magten u al bevende eeren, de Hemelen, de hemel-sche Krachten, en de zalige Serafijnen met eenparige blijdschap te zamen uwen lof verkondigen, met welke wij bidden, dat gij ook onze gebeden gewaardigt aan te nemen, ootmoedig roepende met hen allen; Heilig, Heilig, Heilig, zijt gij, o Heer! God der Heir-krachten: hemel en aarde zijn vol van uwe glorie, Hosanna (') aan dengene, die woont in de hoogste hemelen. Gezegend moet hij zijn die daar komt in den naam des Heeren, Hosanna aan dengene, die woont in de hoogste hemelen.

Onder den Canon.

312

De Canon, dat is het heiligste deel van het Sacrificie der Mis, wordt in stilte gelezen, tot een teeken dat alle verstand moet stilstaan voor deze uooge Geheimen en zich ten onder geven ten dienste van

ocr page 317

ONDER DE H. MIS.

het geloof. De priester maakt vooreerst drie kruisen over de offerande, en verzoekt dat God zijnen zegen zoude zenden over de offergiften en over zijne H. Kerk.

Aan u alleen, o almagtige, eeuwige God! komt het Sacrificie en de aanbidding toe, wij komen u die doen door Christus onzen Heer, met wien wij ons vereenigen, kussende in den geest te zamen met den Priester, het H. Altaar, eerst en vooral biddende, dat gij uwe H. Kerk gelieft te vereenigen, te bewaren en te bestieren. Zend uwen H. Geest over den Paus van Rome, over onzen Bisschop, en over al degenen, die in eenige geestelijke of wereldlijke overheid gesteld zijn, opdat zij hun gezag heiliglijk gebruiken tot-uwe eer en onze zaligheid. Wees ook gedachtig N. N...

De gedachtenis der levenden.

Men zal hier bijzonder aan God bevelen de personen, die nog in het leven zijn, en voor wie men gehouden of genegen is, te bidden, als: ouders, weldoeners, vrienden, enz.

Wij vereenigen ons tot dit einde met de allerheiligste Maagd Maria, met de H. Apostelen en Martelaren, en met alle Heiligen; opdat wij door hunne krachtige voorspraak mogen verkrijgen hetgeen wij door onze on -waardigheid niet verdienen.

De priester houdt zijne handen over de offerande.

God had in de oude wet bevolen, dat iedereen, die •ecne offerande zoude doen, zijne hand loude leg-

313

ocr page 318

GEBEDEN

gen op het hoofd des slagtoffers, om daardoor te toonen, dat hij zelf den dood verdiende, en het slagtoffer in zijne plaats stelde. De Priester doet dit insgelijks.

O Heer! ik had den dood verdiend door mijne zonden, maar door uwe oneindige barmhartigheid mag ik dien leggen op het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Uw eenige Zoon is de verzoening geworden voor onze zonden: hij heeft den schuldbrief te niet gedaan, die ons tegen was, en hem genageld aan het kruis. Ik offer u zijnen dood voor den eeuwigen dood, dien ik schuldig was.

Bereiding tot de Consecratie.

De Priester doet hetgeen Christus gedaan heeft in het laatste avondmaal. Hij neemt het brood in zijne handen, hij slaat zijne oogen naar den hemel, hij bedankt God, hij zegent het brood, spreekt de woorden, die Christus gesproken heeft; aldus wordt het brood veranderd in het H. Ligchaam van Jesus.

Geef mij, o Heer! een genoegzaam geloof om hier te zien hetgeen op den Calvarie-berg volbragt is. Het is dezelfde offerande, hetzelfde slagtoffer, dezelfde Opperpriester, en dezelfde liefde. Geef mij dezelfde gevoelens, alsof ik u zag sterven aan het kruis. Dat uwe overgroote liefde mijn hart doe smelten; leer inij met u sterven, en geef mij een rieuw leven door uwen dood.

De Consecratie van het Brood.

Heilige Geest, zend uwe vurige vlammen over deze gaaf, over den Priester, en over

314

ocr page 319

onder DE H. MIS.

ons; opdat wij allen te zamen eene eenige offerande worden met Christus.

Onder het opheffen van de H. Hostie.

Ik aanbid u, mijn Zaligmaker! verheven ann het kruis, trek mij tot u, volgens uwe belofte. Ik aanbid u onder de gedaante van brood, daar gij wezenlijk tegenwoordig zijt. Sla uwe oogen, o allergenadigste Vader! op de offerande van uwen Zoon, die wij u opdragen en ons te zamen met hem. Ontvang ons in genade om zijnent wil.

Onder het opheffen van den kelk.

Ik aanbid u, dierbaar Bloed van Jesus, voor ons vergoten aan het kruis, als het rantsoen van onze zonden. Laat toch, o Heer! een druppel van dit goddelijk en genaderoe-pende Bloed vloeijen op mijne ziel, om haar te reinigen van alle zonden!

Tot aan den pater noster.

Ik vcreenig mij met u, o Heer Jesus! onze opperste Priester, ik aanbid de goddelijke gesteltenissen van uwe ziel, met welke gij u zeiven aan uwen hemelschen Vader opdraagt voor ons. Laat uwe aanbidding, uwe dankzegging en uwe vernedering ook de mijne zijn! offer mij te zamen met u, en laat mijne offerande een zijn met de uwe.

Ik offer u, o hemelsche Vader ! die offerande van uwen Zoon als de eenige zaak, die u waardisr is: als een brandoffer tot erkentenis

315

ocr page 320

gebeden

van uwe oneindige weldaden; als een zoenoffer voor de zonden van de geheele wereld en voor de mijne in het bijzonder; als de band van vereeniging van al de geloovigen; als de algemeene offerande van de geheele heilige Kerk.

Ik bedank u door haar over de glorie van uwe Heiligen, ik verzoek daardoor de heiligmaking van uwe uitverkorenen, en de verlossing van de geloovige zielen uit het vagevuur.

Men zal hier aan God bevelen de zielen, voor welke men meest gehouden of genegen is te bidden,

pater noster.

Men zal het gebed des Heeren bidden met eene bijzondere aandacht en met een groot vertrouwen van daardoor te bekomen hetgeen wij vragen.

Onze quot;Vader die in den hemelen zijt, geheiligd zij uw naam. Dat uw rijk toekome. Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel. Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van den kwade. r. Amen.

Nadat de Priester verder gevraagd heeft door de voorspraak der Heiligen verlost te worden van alle kwaad en te bekomen den vrede, breekt hij de H. Hostie in drie stukken. Door het 1. •vorden beteekend de lidmaten van Christus, die hier nog leven. Door het 2. die in het vagevuur zijn. En door het 3. dat hij in den kelk laat vallen, degenen die in den hemel in God verslonden zjjn.

316

ocr page 321

onder de h, mis.

Hierna ■wcnscht hij aan het volk den vrede, ca in de tien eerste eeuwen van de Kerk gaven de ge-loovigen, de mannen aan de mannen, en de vrouwen aan de vrouwen, hierop elkander den kus van vrede, hetwelk ook somwijlen geschiedde na het Agnus Dei.

Verlos ons, o Heer! door het voorbidden van uwe Heiligen, van alle kwaad, en verleen ons genadig den drievoudigen vrede, die ons zoo noodig is tot het ontvangen van het Sacrament van vrede. Vrede met u, vrede met ons zeiven en vrede met onzen naaste; en dewijl onze zonden alleen dezen vrede kunnen storen, zoo zeggen wij ootmoedig met den Priester:

agnus dei.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verleen ons vrede.

In de Ziel-Mis zegt men: Lam Gods, enz., verleen hun rust. Lam Gods, enz., verleen hun rust. Lam Gods, enz., verleen hun de eeuwige rust.

gebed vóór de nuttiging.

O lieve Zaligmaker! geef ons den vrede, niet dien, welken de wereld geeft; maar uwen vrede, die voortkomt uit een goed geweten en uit de vergiffenis der zonden.

gebed.

O Heer Jesus 1 die door uwen dood het leven

317

ocr page 322

GEBEDEN

gegeven hebt aan de wereld, verlos mij door uw heilig Ligchaam en Bloed van al mijne zonden en van alle kwaad. Doe mij zoo vast staan in uwe liefde, dat ik door geene bekoringen van u gescheiden worde.

Ik ben, o Heer! niet waardig de allerminste van uwe genaden, veel min te ontvangen uw allerheiligst Ligchaam en Bloed. Doe mij mijne onwaardigheid nog meer kennen en gevoelen: opdat ik met eene allerdiepste ootmoedigheid met den honderdsten man en met den Priester moge zeggen:

DOMINE NON SUM DIGNUS.

Heer, ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak komt; maar spreek alleen één woord en mijne ziel zal gezond worden. Zeg dit driemaal.

Kom in mij, o mijn God! door uwen Geest en uwe genade, dewijl ik onwaardig ben u te ontvangen in dit H. Sacrament. Geef mij de noodige zuiverheid en ootmoedigheid, om heiliger en meermalen te naderen tot uwen H. Maaltijd. In vereeniging met den Priester, die het geluk heeft van u te ontvangen, bid ik met de Cananesche vrouw, om deelachiig te worden aan de brokkelingen, welke van uwe tafel vallen.

Verzuchting na de nuttiging.

Heer, maak mij deelachtig aan uwen geest.

O H. Spijs! verzaad mijne ziel, doe haar den smaak der schepselen verliezen.

318

ocr page 323

onder de h. mis.

O Jesusl geef mij dat levende water van uwen H. Geest, opdat ik niet dorste naar aardsche genoegens.

Wees in mij eene levende fontein, springende tot in het eeuwige leven!

Blusch den kwaden dorst van mijne ziel. Blusch in mij in den ongeregelden brand der begeerlijkheid!

Versterk mij, o Jesus! tegen alle gevaren en aanloksels der zonde.

Blijf in mij, en doe mij blijven in u. Dat mijne grootste droefheid zij, beroofd te worden van de heilige spijs door mijne schuld.

Het boek wordt wederom gebragt op de plaats waar het was in het begin van de Mis, tot een teeken dat eindelijk de Joden, die nu zoo vele eeuwen in hunne hardnekkige blindheid gebleven zijn door Gods genade liet Evangelie zullen omhelzen, en Christus voor hunnen Messias aanbidden.

gebed na de Nuttiging.

Ik bedank u, o mijn Zaligmaker! voor de verlossing, die gij mij verleend hebt door uwen dood. Doe mij de vruchten daarvan genieten, te weten: de vergiffenis van mijne zonden, de genade om u niet te vergrammen, en om heiliglijk te leven volgens uwe geboden, en daarin te volharden tot het einde toe. r. Amen.

Zeg eindelijk met den Priester het volgende

Gebed:

Heilige Drievuldigheid, dat u onze dienst aangenaam zij ; en verleen toch dat deze offerande, die ik, onwaardige, aan uwe opperste Majesteit door de handen van den Priester

319

ocr page 324

GEBEDEN

heb opgedragen, aan mij en aan al degenen, voor wie ze geofferd is, door uwe genade strekke tot vergiffenis der zonden, en tot een krachtig hulpmiddel voor het eeuwige leven. Door Jesus Christus onzen Heer. r. Amen.

De laatste zegen des Priesters.

Deze beteekent den zegen, dien Christus aan zijne Apostelen gegeven heeft bij zijne hemelvaart en dien hij in het laatste oordeel geven zal aan zijne uitverkorenen.

O Heer! verleen mij uwen goddelijken zegen, en doe mij zoo leven, dat ik hierna eens hooren moge: Komt gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat u bereid is van het begin der wereld.

St. Jans Evangelie.

In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zyn daardoor gemaakt, en zonder dat is er niets gemaakt van hetgeen er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen; en het licht scheen in de duisternissen en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis van het licht te geven, opdat zij allen door hem ge-looven zouden. Hij was het licht niet. maar hq was om getuigenis van het licht te geven. Dit was het waarachtig licht, dat verlicht allen mensch, komende in deze wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is doorhem

320

ocr page 325

ONDER DE H. MIS.

gemaakt, en de wereld heeft hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigen, doch de zijnen namen hem niet aan. Maar aan allen, die hem aangenomen hebben heeft hij magt gegeven om kinderen Gods te worden, degenen, die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wille des vleesches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zijn. En (dit zeggende knielt men) het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als van den eeniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid.

r. Lof zij u, Christus.

gebed na de E. Mis.

321

Hemelsche Vader ik bedank u voor uwe onuitsprekelijke gaven. Vergeef mij mijne ongetrouwheden en verstrooidheden. Vergun mij, door uwe goedheid dat de vruchten van deze waardige offerande zich uitstorten over al mjjne werken. Ik heb door het opdragen van uwen allerliefsten Zoon willen betuigen, dat ik u erken voor mijnen oppersten Heer en God. Geef dat opregtheid van mijne aanbidding uit mijnen handel blijke. Keer van mij alle boosheid af; bestier mijne gangen in alle geregtigheid en waarheid; opdat ik in het toekomende niet alleen deze aanbiddelijke ofterande met vertrouwen opoftere door de handen van uwen Priester, maar zelf ook eene behagelijke offerande voor uwe goddelijke oogen •worde. n. Amen,

11

Sl

ocr page 326

ANDERE MANIER

TAN MIS TE HCOREN DOOR HET OVERDENKEN VAN HET LIJDEN VAN CHRISTUS, DAT DOOR DE CEREMONIËN VAN DB MIS VERBEELD WORDT.

ONDERRIGTING.

Wij hebben hier eene Mis gesteld, versierd met godvruchtige prentjes, verbeeldende de Geheimen van het lijden van Christus, welke in de Mis door het gewaad van den Priester, en door de uitwendige Ceremoniën beteekend worden; opdat de geloovigen, zelfs door het enkel aanzien van deze beelden, zouden indachtig worden wat de Priester aan het altaar doet; welke Geheimen hij aldaar verbeeldt; en opdat ze hierdoor den indruk van al de deelen van het lijden van Christus te levendiger zouden ontvangen. De gebeden en bemerkingen, die daar bijgevoegd zijn, toonenhun, hoe zij de vruchten van die Geheinen moeten vragen. Doch indien deze somwijlen te lang vallen, kan men de bemerkingen ten tijde van de mis overslaan, en ze gebruiken als men het heilig lijden van Christus wil overdenken.

De beelden zijn de boeken der onwetenden, zeggen de H. Vaders; dus kunnen deze beelden ook voordeelig dienen, om de kinderen van

ocr page 327

ANDERE MANIER, ENZ.

323

jongs af, eer zij nog kunnen lezen, de geheimen van de H. Mis en van het lijden des Zaligmakers aan te wijzen, alsmede voor zieke menschen en anderen, om hun met een oogslag, zonder veel inspanning, de godvruchtige voorwerpen voor oogen te stellen, die hen kunnen helpen, om in den geest Mis te hooren en om zich te voegen met den lijdenden Jesus in alle omstandigheden van zijn lijden.

ocr page 328

324 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

I.

CHRISTUS gaat met zijne Apostelen den hof van Gethsemani.

De priester gaat naar het altaar.

ocr page 329

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 325

GEBED.

Voorbereiding om Mis te hooren.

Geef mij, o Heer! dat ik Christus, uwen Zoon, in den geest volge in de bloedige Geheimen van zijn bitter lijden, en dat ik in het H. Sacrificie van de Mis, waarin zij op eene onbloedige wijze vernieuwd worden, tegenwoordig zij met zoo veel geloof en eerbied, dat ik overvloedig deelachtig worde aan de goddelijke vruchten van zijn H. lijden.

Ik wil heden die allerwaardigste offerande te zamen met Christus, door de handen van den Priester gaan opdragen aan uwe goddelijke Majesteit, tot erkentenis van uwe opperste magt over alle geschapen zaken; tot dankzegging voor al uwe weldaden; tot voldoening van mijne zonden; tot troost der bedrukten ; tot verlichting der ongeloovigen; tot oprigting der gevallen; tot verkwikking der geloovige zielen; tot verwerving van alle genaden, die mij, mijnen vrienden en vijanden ter zaligheid noodig zijn, immers in denzelfden geest, gelijk Christus, uw Zoon, deze heeft opgedragen aan het kruis en nog dagelijks opdraagt in de H. Mis; die, met u en den H. Geest God zijnde, leeft en heerscht door alle eeuwen. Amen,

ocr page 330

De Priester begint de Misdaan den voet van het Altaar.

ocr page 331

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 327

GEBED

O Heer! die in den hof tot driemaal toe uwen hetnelschen Vader gebeden hebt, dat de kelk van uw bitter lijden zoude mogen voorbijgaan, en nogtans u zeiven volmaakt aan zijnen H. Wil hebt onderworpen; geef mij door dit H. Gebed, dat ik in al mijn lijden met eene volle overgeving van mijn hart tot u mijne toevlugt neme en met uwen H. wil in alles tevreden zij. Amen.

BEMERKING.

Wie zal mij geven dat ik tot liefde en medelijden ontstoken worde gelijk de H. Ca-rolus Borromeus, wanneer hij in de wildernissen van Verallen, al de geheimen van het lijden van Jesus, die aldaar zeer levendig uitgedrukt stonden, met tranen ging bezoeken! wie zou, o mijne ziel! staande voor dien gloeijenden oven van liefde, niet smelten in tranen?

Bemerk, o mijne ziel!

Wat Jesus hier gaat lijden: Onz' zonden zijn de schuld

Van al zijn bloedig strijden, Hoe hitter komt hem op

Die paradijsche vrucht.' Die lusthof wordt voor hem De hof vol ongeneugt.

ocr page 332

328 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

III.

CHETSTUS valt op zijn aangezigt, zweetende water en bloed.

De priester zegt het Confiteor.

ocr page 333

EN GEBEDE ONDER DE H. MIS. 3'29

GEBED.

O Heer Jesus! die, gedrukt zijnde door den last van onze zonden, op uw aanschijn neder-gevallen zijt ter aarde, zweetende uit al uwe lidmaten water en bloed, verleen mij, dat ik door de gedachtenis van uw bitter lijden, tot vergelding van dit bloedig zweet, opregte tranen van leedwezen vergieten moge. Amen.

BEMERKING.

Hoe ver zijt gij, o mijne ziel! van bloedige tranen te storten over uwe zonden, gelijk zij waarlijk verdienen, gij die in de overdenking van deze bloedige geheimen naauwelijks tranen van medelijden en leedwezen aan den lijdenden Jesus zoudt wedergeven! Ach, of ik van den goddelijken balsem van dit zielgenezend zweet in mijn hart mogt ontvangen! één druppel ware genoeg, om het te vermurwen en al mijne wonden te genezen.

O goddelijk zweet en bloed! O hemelsche koralen!

Gij die geen diamant,

Geen goud ooit kan betalen.

Hoe droef moet zijn de ziel, Hoe hang het gansch gemoed,

Wanneer de sterke God Hier water zweet en bloed.

21 XI*

ocr page 334

330 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

IV.

CHRISTUS wordt door Judas met eenen verraden.

De priester kust het altaar.

ocr page 335

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 331

GEBED.

O lieve Zaligmaker die door Judas, uwen vriend en uwen apostel, met eenen kus hebt willen verraden worden, verleen mij, door uwe genade, de geveinsdheid der valsche vrienden geduldig te lijden, en u nimmermeer door eene heiligschendige Communie, of door eenen bedriegelijken handel met mijnen naaste, te verraden. Amen.

BEMERKING.

Leer hier, o mijne ziel! standvastige verduldigheid, naar het voorbeeld van Jesus. Leer uwe vijanden beminnen; geen kwaad met kwaad vergelden, u zeiven bereid makende tot de pijnlijkste van alle beproevingen, te weten den afval en het verraad van uwe beste vrienden. Troost u alsdan met uwen Zaligmaker, die in het midden van wolven als een lam stond, en zijnen verrader zelfs met den liefderijken naam van vriend bejegende.

Verrader als gij zijt,

Kan dan het minnelijk wezen

Van dit onnoozel lam Uw hart nog niet genezen!

Hoe! Judas, levert gij Ben Zone Gods aldus;

Omhelst gij hem als vriend Met eenen moorders kus?

ocr page 336

332 GEHEIMEN YAN HET LIJDEN V.

ocr page 337

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 333

GEBED.

Het is om mijnent wil, o goddelijke Zaligmaker! dat gij als een misdadiger hebt -willen gebonden worden. Breek, bid ik u, door de kracht van uwe heilige banden, de banden van mijne zonden, en maak mij aan u vast door de banden van liefde, opdat ik de ongebondene vrijheid nimmer meer misbruike om u te vergrammen. Amen.

BEMERKING.

Wees beschaamd, wereldsche ziel! over uwe zijden en gouden strikken en snoeren, wanneer gij uwen Zaligmaker ziet gebonden worden met harde koorden en banden, en als gij zijne Heiligen, door den geest van boetvaardigheid gedreven, hun ligchaatn ziet pijnigen met ijzeren ketenen en haren kleederen. Verzaak ten minste de ijdelheid, indien gij nog geen deel kunt nemen in hunne gestrengheden.

De wreede Judas-kus

Kost aan den Heer het leven, Zoo even als de kus,

Dien Joah heeft gegeven.

Dus hinden zij hem vast.

Als gansch beroofd van kracht; Om uwe liefde, o ziel!

Heeft Samson hier geen magt.

ocr page 338

De priester leest het Introïtus.

ocr page 339

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 335

GEBED.

Ik aanbid, o zoete Zaligmaker! deze uwe eerste vernedering, die gij om mijnent wil ontvangt bij Annas, alwaar uwe heiligheid en de verdrukking van uwe onnoozelheid tot spot en vreugd dienen aan de goddeloosheid. Geef mij de genade door uwe versmading de beschimping der goddeloozen gaarne te lijden, en om door geene vernederingen van de ware godvruchtigheid immermeer af te wijken. Amen.

BEMERKING.

Annas was bij de Joden in groot aanzien, wijs, rijk, magtig, herhaaldelijk Hoogepriester geweest zijnde; vijf van zijne zonen hadden dezelfde waardigheid bediend, en Caïphas zijn schoonzoon, was toen in die bediening. On-dertusschen was hij en zijne geheele familie van de secte der Saduceërs, die geen ander geluk kenden, dan het geluk van dit tegenwoordig leven. 0 mijne ziel! schroom altijd voor een zoo gruwelijk ongeluk.

Zie hier, o mijne ziel,

Voor Annas zoo verheven,

De kleine nederig staan.

En als van vreeze heven:

Maar wees toch niet ontroerd

Door dezen ij del en schijn.

Al is 't verschil hier groot,

't Zal namaals grooter zijn.

ocr page 340

336 geheimen van 1ieï lijden VII.

■

ocr page 341

EN GEBEDEN ONDER DE II. MIS. 337

GEBED.

O Jesus die hebt willen verdragen, dat Petrus, de prins uwer Apostelen, u tot driemaal toe zoude verloochenen in het huis van Caïphas; bewaar mij bid ik u, van alle laatdunkendheid en van het vertrouwen op mijne eigene krachten; opdat ik mij nooit begeve in kwade gezelschappen en in gevaar u door de zonde te verloochenen. Amen.

BEMERKING.

Sluit uw hart, o mijne ziel! voor de ijdele vrees der menschen, en wees kloek in de belijdenis van uwen Heer. Schaam u niet over Christus en over zijn H. Evangelie; want over al degenen, die zich zullen geschaamd hebben hem voor de menschen te belijden, zal hij zich ook schamen voor zijnen hemelschen Vader.

Die in den hof door 't zwaard

Zijn' Heer trachtte te wreken, Durft nu geen enkel woord

Voor zijnen Meester spreken. Ach! Simon die vol moed

Vielt Malchus op het lijf, Wat staat gij zoo ontmand Op 't spreken van een wijf.

ocr page 342

338 geheimen van het lijden

VIII.

JESUS keert zich tot Petrus, en hij wordt bekeerd.

De priester, zich keerende tot liet volk, zegt De Heer zij met u.

ocr page 343

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 339

GEBED.

Gij slaat de oogen uwer genade op Petrus, o beminnelijke Jesus! en hij, bekeerd zijnde, begint bitterlijk te weenen. Aanzie mij, bid ik u, met de oogen van uwe barmhartigheid, opdat ik mijne zonden opregt beweene, en u, mijnen Heer en mijnen God! nimmermeer door woorden of werken verloochene. Amen.

BEMERKING.

Overweeg, mijne ziel I aandachtig dit geheim, en luister getrouw naar de stem van uw geweten, en gij zult dikwijls met Petrus en met de boetvaardige Pelagia uwe zonden beweenen en u door uwe tranen reinigen. O hoe gelukkig zoudt gij zijn, indien de Heer uwe oogen twee springaders van tranen liet worden.

Hoe goddelijk is de kracht,

O Jesus! uwer oogen,

Gij ziet maar Petrus aan

Met minn'lijk rnededoogen.

En zie de harde rots

Wordt straks als een' fontein, Waardoor hij spoedig wordt Van zijne zonden rein.

ocr page 344

340 geheimen van het lijden IX.

JESUS wordt beschuldigd voor Pilatus.

ocr page 345

en gebeden onder de h. mis. 341

GEBED.

O regtvaardige regter van alle menschen, die, om ons te ontslaan van onze zonden, wel hebt willen staan voor eenen onregtvaar-digen regter, en valschelijk beschuldigd worden, leer mij de valsche beschuldigingen der kwaadwillige menschen geduldig verdragen, en het geloof en de waarheid, naar uw voorbeeld, ook met gevaar van mijn leven, kloekmoedig belijden. Amen.

demerking.

Indien gij, o mijne ziel! dit geheim levendig in uw hart drukt, zult gij dikwijls zeggen met den H. Joannes van het kruis: Verleen mij, o Heer! dat ik van de geheele wereld gelaakt en versmaad worde, _dat ik voor u lijde, en met u strijde, opdat ik, deelachtig zijnde aan uw schande, ook deelachtig worde aan uwe glorie.

Zie hoe dat hier uw Heer,

Gekneveld en gebonden,

Als een booswicht wordt

Pilatus toegezonden.

Hier laakt men zijne deugd,

Hier stelt men God te regt: Een' vorst voor zijnen slaaf,

Den Heer voor zijnen knecht.

ocr page 346

Het boek wordt overgedragen, en de priester bidt stil in het midden van het altaar,

ocr page 347

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 343

GEBED.

O Heer Jesus! die, voor Herodes staande, en over vele dingen ondervraagd wordende, niet het minste woord hebt geantwoord; en daarom als een dwaas zijt beschimpt, verleen mij de wijsheid, om uwe heilige verborgenheden niet te openbaren aan die ze onwaardig zijn, en gaarne deel te nemen in uwe goddelijke dwaasheid. Amen.

BEMERKING.

Wanneer, o mijne ziel! zult gij eens tot die kloekmoedigheid komen, dat gij, naar het voorbeeld van uwen Zaligmaker en van zijne Heiligen, alle minachtingen, valsche beschuldigingen, verwijtingen eu lasteringen met stilzwijgen zult aanhooren, en uit liefde voor Jesus gaarne voor dwaas en uitzinnig aangezien worden?

Waarom nieuwsgierig Vorst,

Doemt gij zijn zedig zioijgen?

Wat kon zijn zoete spraak Bij Caïphas verkrijgen?

De onnoozelheid en deugd,

Al geeft zij geen geluid,

Schijnt hem met stommen mond Genoeg reeds de oogen uit.

ocr page 348

344 GEHEtMEN VAN HET LIJDEN XI.

CHRISTUS door Herodes bespot zijnde, wordt wederom naar Pilatus gezonden.

De priester leest het Evangelie.

ocr page 349

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 345

GEBED.

Het is om te voldoen voor onze hoovaardig-heid, o eeuwige -wijsheid! dat gij alle soort van vernedering wilt ondergaan; dat gij zwijgt voor Herodes; dat gij beschimpt wordt als een dwaas, en wederom met nieuwe versmaad-heden gezonden wordt naar Pilatus; verleen mij hierdoor de genade om mij te vernederen, ootmoedig te zwijgen, en de beschimping om de godvruchtigheid niet te schuwen.

BEMERKING.

Christus verwijst door zijne stilzwijgendheid de drift en de ijdelheid van ons overvloedig spreken. De kinderen van Adam spreken dikwijls, omdat zij hunne tong niet kunnen bedwingen, om te zwijgen: aldus is hun spreken en zwijgen dikwijls maar enkele hoovaar-digheid. O mijne ziel! schuw deze ijdelheid.

Zoo wordt de onnoozelheid Behandeld door de grooten;

Nu ginder, dan weer hier Gesleurd en weggestooten.

Welaan, getrouwe ziel.

Wees daar niet voor beladn

Als Jesus regt zal doen,

Zal alles anders gaan.

ocr page 350

346 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN XII.

Men rukt CHRISTUS de kleederen uit, om hem te geeselen.

ocr page 351

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 347

GEBEL.

O allerzuiverste Jesus! die om mijne zonden van uwe kleederen hebt willen ontbloot worden, leer mij den ouden mensch uitschudden met al zijne werken, om u aan te trekken met uwe deugden; opdat ik voor u niet verschijne in eene schandelijke naaktheid door ontblooting van heilige verdiensten en goede werken. Amen.

BEMERKING.

Leer uit dit geheim, o mijne ziel, u zelve ontblooten van alle aardsche aangekleefdheid en wereldsche genegenheden, opdat gij met den H. An toni us, den naakten Jesus naakt moogt volgen, wetende dat zij, die om hem alles verlaten en hem volgen, honderdmaal zooveel ■wederom zullen krijgen, en het eeuwige leven bezitten.

Des regters laffe vrees

En moordzucht van de Joden Treedt met den voet het regt

En de heiVge geboden:

Zij vallen Jesus aan,

En stellen hem gansch naakt; Dus wordt de deugd gedrukt,

Als 't kwaad te boven raakt.

ocr page 352

348 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN XIII.

CHRISTUS wordt gegeeseldj

De priester offert aan God het brood en den wijn.

ocr page 353

1--—

EN GEBEDEN ONDER DE E. MIS. 349

GEBED.

Aanbiddelijke Zaligmaker, die om mijne zonden uw H. Ligchaam geleverd hebt aan de beulen, om gegeeseld te worden, geef mij bid ik u, dat ik de geesels van uwe vaderlijke

I kastijding gaarne omhelze, en dat ik voortaan nimmermeer door mijne zonden de schandelijke foltering van uw geeseling vernieuwe. Amen. kastijding gaarne omhelze, en dat ik voortaan nimmermeer door mijne zonden de schandelijke foltering van uw geeseling vernieuwe. Amen.

BEMERKING.

Gelukkig zijn die boetvaardige zielen, die, bewogen door medelijden tot den lijdenden I Jesus, hare tranen mengen met zijn bloed; gelukkiger, die hun bloed ook mengen met hunne tranen door vrijwillige lijfkastijdingen; maar allergelukkigst de kloekmoedige Martelaren, die tot getuigenis van hun geloof en van hunne liefde al hun bloed vergoten hebben voor hunnen God.

Zie Jesus zonder schuld

Foor uwe schulden bloeden; Van 't hoofd tot aan den voet

Verscheurd door wreede roeden. Ach of mijn hart ontvonkte

En raakte gansch in brand Door 'tgod'lijk dierbaar bloed, Dat stroomt van allen kant.

ocr page 354
ocr page 355

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 351

GEBED.

Het is om mijnentwil, o lieve Jesusl dat gij met doornen hebt willen gekroond worden, omdat ik eene slechte aarde ben, die voor u niets voortbrengt dan doornen van zonden. Ach, geef mij toch deel in uwe doornen door eene waarachtige boetvaardigheid; opdat ik hiernamaals deel moge hebben in de kroon van uwe glorie. Amen.

BEMERKING.

Jesus leert u hier, o mijne ziel! dat er geene glorie te bekomen is dan door de droefheid, geene vergelding dan door de pijnen, geen koningrijk dan door het lijden. O gelukkig hij, die geene andere glorie zoekt op de wereld, dan veracht te worden om Jesus, die naar geene andere kroon dingt, dan naar die van Christus, en naar geene andere eer, dan naar die van zijn kruis!

O hoosheid overgroot!

O meer dan helsche vonden.'

Waar haalt de nijd het scherp Om Jesus te doorwonden?

En zulke doornen ook,

Hebt gij o ziel gezocht.

Als gij, trotsch opgepronkt,

Met 't hoofd gingt in de lucht.

ocr page 356

352 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN.

XV.

Pilatus verklaart CHRISTUS onschuldig ■wascht zijne handen.

ocr page 357

EN QEBEDKN ONDER DE H. MIS. 353

GEBED.

0 Heer Jesus! Zoon van den levenden God! die, door uwen regter onschuldig verklaard zijnde, nogtans door hem tot eenen schande-delijken dood hebt willen veroordeeld worden; geef mij, dat ik alleen zorge onschuldig en onbevlekt te zijn voor uwe oogen, en dat ik voorts de onregtvaardige oordeelen der men-schen kloekmoedig verachte.

BEMERKING.

Pilatus meent de schuld en schande van zijn goddeloos vonnis af te wasschen met, water; maar wat helpt het hem de handen te reinigen, daar zijne ziel besmet blijft met het vergoten bloed van den onschuldige? Wacht u, o mijne ziel! van die schandelijke schijnheiligheid, die den beker en den schotel van buiten reinigt voor de oogen der menschen, en het binnenste vuil en besmeurd laat voor d-e oogen van God.

Al kwam de volle zee Hier stroomen door uw' handen,

Nooit wascht gij af zijn hloed,

Noch de onverdiende schande;

Hier haat noch 's keizers gunst,

Noch dwang van 'ijoodsch gewoel;

Daar vrees en hope leeft,

Wee aan den regterstoell

21 12

ocr page 358

354 geheimen van het lijden

XVI.

Pilalus vertoont JESUS aan het volk, zeggende:

ziet den mensch,

ocr page 359

EN OEBEDEN ONDEIl 1)E II. MIS. 355

GEBED.

ide: Ziedaar den Mensch, o hemelsche Vader!

dien gij ons gegeven hebt tot rantsoen van de menschen; zie den Mensch, dien gij geslagen hebt in uwe gramschap om onze zonden ; zie op het aanschijn van uwen beminden Zoon, den bedruktsten onder de menschen, laat uwe regtvaardigheid nu voldaan zijn, en doe ons genade om zijnent wil. Amen.

BEMERKING.

Het zijn uwe zonden, o mijne ziel! die dezen Godmensch zoo mishandeld hebben, dat hij geene gedaante meer heeft van eenen mensch; zult gij niet tot medelijden bewogen worden? Zal uwe boosheid tegen hem blijven roepen zoo lang als hij nog adem heeft?

'I Hemel en aarde staan verbaasd over dit droevig tooneel, blijft gij nog onbeweeglijk?

Hoe! kan dit droef vertoog De joden niet bewegen?

O neen! de wreedheid groeit:

Elkeen die schreeuwt er tegen;

In 't midden van den hoop,

De felste tegen hem,

Aan 't kruis, en geen gena,!

Roept onze zondeslem.

*

ocr page 360

356 geheimen van het lijden

XVII.

JESUS -wordt ter dood veroordeeld.

ocr page 361

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 357

GEBED.

Zaligmaker der wereld! die om ons te verlossen van den eeuwigen dood, dien wij door de zonden verdiend hadden, het onregtvaar-dig vonnis van den dood zoo gewillig hebt ontvangen, geef dat wij ons met liefde buigen onder uw regtvaardig oordeel, opdat wij door eenen gewilligen dood het vonnis van den eeuwigen dood mogen ontkomen. Amen.

BEMERKING.

Toen het vonnis des doods tegen den H. Cyprianus, dien grooten Martelaar en Aartsbisschop van Carthago, werd uitgesproken, sprak hij geene andere woorden dan deze; God zij gedankt. Ach, of gij, o mijne ziel! met dezelfde onderwerping het vonnis des doods moget omhelzen, en uit het ha't zeggen met David: Heer gij zijt regtvaardig cn uw oordeel is regt!

Als Abraham zijn' zoon

Op Gods hevel zou slagten, Tevreden met den toil,

Liet God zjn woord verzachten. Maar hier gaat Isadk zelf

't Onnoozel godd'lijk Lam,

Den slag des doods ontvaên In plaatse van den ram.

ocr page 362

358 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XVIII.

CHRISTUS zijn kruis dragende, gaat voor ons sterven, om ons te doen leven.

De priester houdt de gedachtenis der levenden.

ocr page 363

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 359

GEBED.

Leer mij o Jesus! mijn kruis dragen in uwen geest, doe mij al de kwellingen en verdrukkingen, die mij overkomen in dit leven, aanzien als mij toegezonden door de liefde van uwen Vader; dat ik ze naar uw voorbeeld gewillig omhelze en mijn kruis met u dragende, daardoor moge zalig worden. Amen.

BEMERKING.

Wie zal u geven, o mijne ziel, dat gij den H. Apostel Andreas moogt navolgen in zijne teedere omhelzing van het kruis, roepende met hem uit het binnenste des harten: ik

groet u, o minnelijk en dierbaar kruis.' zoo lang gewenscht en ten laatste aan mijn hegeer vj gemoed geschonken. Ach, of hij mij door u ontvange, die voor mijne zaligheid aan u gehangen heeft.

Zie Isadk voor u gaan,

Met 't offerhout beladen,

En volg hem op het spoor Van zijn bebloede paden.

Ons leven hangt van hem,

Hij gaat als een rantsoen Onz' dood door zijnen dood,

O mijne ziel voldoen.

ocr page 364

360 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XIX.

JESUS wordt beweend door de vrouwen, die hem volgen.

De priester legt zijne handen op den kelk.

ocr page 365

EN GEBEDEH ONDER DE H. MIS. 301

GEBED.

Druk diep in mijn hart, o lieve Zaligmaker, de gewichtige woorden, die gij op uwen kruisweg tot de medelijdende vrouwen gesproken hebt: Weent niet over mij, o Dochters van Jeruzalem! maar weent over u zeiven; want indien het groene hout aldus behandeld wordt, wat zal er van het droogc geworden'! Loer mij over mij zeiven ween en; opdat ik de vrucht van uwe tranen genieten mogé. Amen.

BEMERKING.

Te vergeefs weent gij over Jesus, o mijne ziel! indien gij niet weent over u zeiven; want liet is om u en om uwe zonden dat Jesus weent; zij zijn de oorzaak van al zijn lijden; indien gij dan den lijdenden Zaligmaker wilt troosten, beween uwe zonden. Besproei met tranen van eene ware boetvaardigheid het onvruchtbare hout, opdat het groen en jeugdig worde.

Wee mij, onvruchtbaar hout!

Belaên met booze vruchten,

Die de oorzaak ben van 'l kruis, En van mijns Hoeren zuchten.

Indien de levensboom

Hier naauio'lijks kan bestaan;

Helaas, {genade ö lieer!)

Hoe zal 't met mij dan gaan!

21

12*

ocr page 366

De priester maakt verscheidene kruisen over het brood en den wijn.

ocr page 367

KN GEBEDEN ONDER DE 11. MIS.

GEBED.

O Jesus! zoo worden dan die ■weldoende handen en die heilige voeten, die zoo dikwijis vermoeid zijn geweest door de verlorene schapen te zoeken, met wreede nagels aan het kruis gehecht! o beminde Zaligmaker! geef mij deel in dit lijden, en doorboor mijne handen en voeten door de schichten van uwe vrees; opdat zij voortaan niet meer tot eenige zonden gebruikt werden. Amen.

BEMERKING.

Welk een verschil, mijne ziel, tusschen den eersten en den tweeden Adam! de eerste Adam steekt door eene moedwillige ongehoorzaamheid de hand uit naar den verboden boom, en hij vindt er den dood. Christus, de tweede Adam, strekt met eene goddelijke gehoorzaamheid zijne armen uit op den boom des doods, en hij verandert dien in eenen boom des levens. Overweeg, o mijne ziel! dit groot geheim.

O overgroote smart!

O driemaal wreede slagen

Die door dit teeder vlecsch De felle nagels jagen.'

Wie heeft o minzaam Lam! Uw ligchaam dus doorwond'?

Mijn' liefde tot uw ziel,

O mensch, en uwe zond'.

363

ocr page 368

264

ocr page 369

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 365

GEBED.

Ik aanbid u, o Jesus! verheven aan het kruis, en hier op het H. Altaar, als de Koning van hemel en aarde, verheven op uwen troon, als de Regter der wereld, gezeten op uwen reg-terstoel, als de opperste Priester van het nieuwe Verbond, die op dit Altaar dit goddelijk offer opdraagt, waarvan gij zelf het slagtoffer en de offeraar zijt. Ik bid u, neem mijne onderwerping aan; doe mij genade en verzoen mij met uwen Vader. Amen.

BEMERKING.

Sla de oogen van uw geloof, o mijne ziel! op den gekruisten Zaligmaker, gelijk de gekwetste Israëlieten hunne oogen sloegen op de koperen slang, opdat gij genezen moogt worden van uwe wonden ; want gelijk' Mozes het serpent heeft opgerigt in de w oestijn, alzoo is nu hier de Zoon Gods verheven; opdat al wie in hem gelooft niet verloren ga.

O allerdroefste dag,

Die ooit op aarde straalde!

O allerhlijdste dag,

Die uit den hemel daalde!

De droefste, wijl alsdan Der wereld Schepper stierf;

De blijdste wijl zijn dood Der wereld heil verwierf.

ocr page 370

GEHEIMEN VAN IIEÏ LIJDÈK

366

ocr page 371

EN GECKDEN ONDER DE H. MIS. 367

GEBED.

Gezegend moeten zijn de H. wonden van Christus, uit welke, als uit zoo vele fonteinen, het zaligmakend Bloed van Jesus over onze ziel druipt. Ik verzaak de zonden en de wreedheid der beulen, die het vergieten; maar ik aanbid uwe liefde, o mijn Zaligmaker! die deze wreedheid hebt willen lijden tot eer en glorie van uwen Vader, en tot zaligheid van mijne ziel. Amen.

BEMERKING.

Zie hier het bloed van het Lam, o mijne ziel! waarmede de huizen der Israëlieten moesten geteekend zijn, om het algemeen verderf te ontgaan. Daar is geen behoud zonder dat Bloed. Elke ziel, die niet gezegeld is met dit dierbaar zegel, is onder de magt van den verderfengel. Overdenk deze voorafbeelding in hare voltrekking, o mijne ziel! en toon uwe liefde aan hem, die u door dit ontschat-baar middel heeft behouden.

O mensch, weeg in deez' schaal De zwaarte uwer zonden,

Waarvoor de Zoon van God Ontving deez' dierbre wonden.

Zie hier hoe hoog de prijs Van uwe ziel hem staat;

V/iens onwaardeerbaar Bloed Voor haar betalen gaat.

ocr page 372

3(38 ' GEHEIMEN VAN HET LTJliEN XXIII.

CHRISTUS bidt om genade voor zijne vijanden.

De priester houdt de gedachtenis der overledenen.

ocr page 373

EN GEBKDEN ONDER DE H. MIS. 3G9

GEBED,

O aller/achtmoedigste Zaligmaker! die uwen hemelschen Vader om genade gebeden hebt, zelfs voor degenen, die u kruisigden; zeggende : Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen: geef mij, dat ik naar uw gebod en voorbeeld m\jne vijanden beminne; weldoe aan degenen, die mij haten, en bidde voor hen die mij lasteren en vervolgen. Amen.

BEMERKING.

Zeg niet, o mijne ziel! dat dit boven den mensch is, en slechts mogelijk aan eenen God. David heeft het gedaan aan Saul en Absalon, eer Christus nog gestorven was, en Stephanus en zoo vele heilige Martelaren na hem. Maar zeg liever; indien ik dit niet kan uit mij zeiven, ik kan alles door Hem, die mij versterkt.

Kom lees, wraakgierig mensch,

Bcczquot; les op 't Kruis geschreven, En leer hier alle kwaad

Uit goeder hart vergeven. Die zonder wraakzucht leeft,

Den hatende bemint,

Die wordt Gods erfgenaam En 's Hoeren liefste kind.

ocr page 374

370 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXIV.

De goede moordenaar wordt bekeerd.

.

De priester klopt op zijne borst.

ocr page 375

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 371

GEBED.

Hoe vreeselijk zijn uwe oordeelen, o Heer! over de kinderen der menschen. Aan den eenen van deze twee moordenaars, die met u gekruist zijn, bewijst gij op het einde van zijn leven die groote barmhartigheid, in uwe regtvaar-digheid laat gij den' anderen in zijne zonden sterven. Geef mij o Jesus! dat ik uw regt-vaardig oordeel over den eenen zoo vreeze, dat ik de barmhartigheid, bewezen aan den anderen, verwerven moge. Amen.

BEMERKING,

Schep moed, o mijne ziel! door dit geheim. Het is nooit te laat, om boetvaardigheid te doen. Er is barmhartigheid tot den laatsten snik; maar vrees de vermetelheid van degenen, die ze uitstellen tot het laatste oogenblik; want indien Jesus aan den eenen in het laatste uur barmhartigheid bewijst, opdat niemand zoude wanhopen, hij toont in den anderen zijne regtvaardigheid, opdat niemand vermetel zoude vertrouwen.

O zondaar, wie gij zijt,

Sta op, smeek om genade

Al wie ze opregtelijk vraagt.

Komt nimmer toch te spade.

Wacht niet vermelelijk Tot uwen laatsten snik;

Soms hebt ge als gij hier ziet,

Slechts éénen oogenblik.

ocr page 376

372 geheimen van het lijden XXV.

JESUS geeft den H. Joannes voor quot;zoon aan zijne Moeder.

De prie.ter zegt: Pater noster; Onze Vader.

ocr page 377

EN GEBEDEN ONDER DE H. MtS. 373

GEBED.

Gedenk, o Heer Jesus! dat ik onder het kruis, door uwe overgroote liefde, uw broeder, en het kind van uwe Moeder geworden ben, toen gij ons allen in den persoon van uwen lieven leerling in uwe plaats gesteld hebt. Geef mij dat ik deze waardigheid nimmer vergele, en dat ik de bescherming van deze lieve Moeder nu, en in mijnen dood gewaar moge worden. Amen.

BEMERKING.

De H. Maagd is waarlijk onze Moeder, o mijne ziel! niet alleen omdat zij Christus gebaard heeft, die het hoofd is van de H. Kerk, waarvan wij de ledematen zijn; maar nog wol bijzonderlijk, omdat Jesus ons haar gegeven heeft voor onze Moeder, als een testament aan het kruis. Met wat een vertrouwen moeten wij dan tot die waarde Moeder gaan, haar eeren, hare voorspraak vragen, en alles wat haren Zoon behaagt, van hare goedheid verwachten.

Widuun, ö waarde Maagd!

Toon dat gij zijt onz' Moeder,

En dat gij alles kunt

Bij Jesus onzen broeder.

Hij is God, en uw Kind,

Want (f hebt hem voortgehragt, Hoe kan hij dan weerstaan Een' Moeder zoo'^ geacht?

ocr page 378

374 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXVI.

CHRISTUS sterft aan het kruis.

ocr page 379

EN GEBEDEN ONDEE DE II. MIS. 375

GEBED.

Wat kan ik u wedergeven, o allergena-digste Jesus! voor uw goddelijk leven, dat gij voor mij ten beste gegeven hebt? Ik aanbid uwe oneindige goedheid, ik offer u tot erkentenis mijn leven en al wat ik heb: omhelzende van nu af den dood met al de omstandigheden, waarin het u believen zal mij te laten sterven. Ontvang mij in dat uur, en doe mij genadj door de verdiensten van uwen dierbaren dood. Amen.

BEMERKING.

Aldus, o mijne ziel! voltrekt onze Hooge-priester zijn goddelijk Sacrificie bewijzende aan den Vader de goddelijke en opperste eer door de offerande van zijnen dood! Aldus geeft de goede Herder zijn leven ten beste voor zijne schapen! Aldus wordt het onschuldig Lam geslagt in plaats van bokken! overweeg dit, o mijne ziel! zucht, ween, en smelt van liefde.

Wanneer nu was volhragt

Al wat er stond geschreven Van Jesus, heeft hij stil

Aan 't kruis den geest gegeven. O goddelijke dood!

Hoe duur wordt gij verlost,

Mijn ziel, die uwen God Zijn hloed en leven kost.'

ocr page 380

376 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN'

XXVIIJ

De ziel van CHRISTUS daalt neler naar liet voorgeboigt der hel.

De püester laat een deeltje van de H. Hostie in den kelk vallen.

ocr page 381

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 377

GEBED.

O Jesus! die de eerste vruchten van uwen dood en van uw lijden aan de heilige zielen der oude Patriarchen hebt medegedeeld, hen verblijdende door de tegenwoordigheid van den zoo lang verwachten Verlosser; laat nu ook de kracht van uw dierbaar bloed nederdalen in het vagevuur, om da lijdenden uit hunnen droevigen kerker te verlossen. Amen.

BEMERKING.

Met welk eene blijdschap, o mijne ziel! ontving de regtvaardige Noë de duif in de Ark, die den jongen olijftak van de gewenschte verzoening medebragt! Deuk dan hoedanig de blijdschap van de H. Oudvaders geweest is, als de hemel met hen verzoend was, en zij na de tranen en zuchten van zoo vele eeuwen, den gewenschten Zaligmaker aanschouwden. Dank God, en neem deel in de blijdschap.

Nu ligt de dood vernield,

De hel is ook verslagen,

Haar 'poorten springen op,

Zij kan 't gezicjt niet dragen Van Jesus, haren schrik;

Maar 't schoone hemelsch Eden Is vol van vreugdefeest Om den gesloten wede-.

ocr page 382

378 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXVIII.

Velen, die CHRISTUS hadden zien sterven worden bekeerd en slaan op hunne borst.

ocr page 383

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 379

GEBED.

O God, mija Zaligmaker! terwijl de rotsen barsten, de graven opengaan, zij, die u kruisigden, bekeerd worden, en de geheele natuur in uwen dood ontroerd wordt, geef mij, dat ik alleen niet ongevoelig en versteend blijve; maar dat ik de kracht van uwen dood door boetvaardige tranen gewaar worde. Amen.

BEMERKING.

Is het geen tijd, o mijne ziel! om de zonde te verzaken, nu gij ziet, dat zij den doodsteek gegeven heeft aan den Zoon Gods? Zult gij weigeren ze uit te wisschen door tranen van boetvaardigheid, als Jesus den laatsten druppel van zijn bloed vergiet om ze te niet te doen ? Zult gij hem nog niet beminnen, die u bemint tot den dood ? Zult gij nog de wellusten zoeken, terwijl uw Zaligmaker sterft aan het kruis ?

O mensch kan deze dood Uiv' zondig hart niet breken ?

Terwijl de Dood nu zelf Zijn boos bedrijf toil wreken ?

Weet dat ge ook schuldig zijt, Met hem aan dezen dood;

Dus icas een' tranenzee

Van rouw nog niet te groot.

ocr page 384

380 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXIX.

CHRISTUS vordt begraven.

ocr page 385

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 381

GEBED.

O Jesus! die na uwe oneindige vernede-' ringen aan het kruis in een nieuw graf hebt willen begraven en met kostelijke specerijen gebalsemd worden, verleen mij een nieuw hart, gezalfd en gebalsemd door de onbedorvenheid van de deugden: opdat mijne ziel eene waardige rustplaats voor uw H. Ligchaarn moge worden. Amen.

BEMERKING.

Hoe wonderbaar is de kracht van den dood van uwen Zaligmaker, o mijne ziell Jozef en Nicodemus, twee Discipelen van Jesus, die te voren in het midden van den glans zijner mirakelen niet hadden durven te voorschijn komen, zyn vol moed. De een trekt op naar Pilatus, zoodra Christus gestorven was, en vraagt zijn ligchaam; zij nemen het te zamen van het kruis en begraven het plegtig ineen nieuw steenen graf.. Vraag, o ziell de me-dedeeling van hunne kloekmoedigheid.

Hoe wonderhaar is toch

De Heer in al zijn wegen! De Apost'len zijn gevlugt;

Elk heeft: wie nu gekregen, Om 'lt; ligchaam eer te doen,

Zoo als zulks was voorzeid 9 Zie onverwachts d-éez' twee Zijn tot die daad bereid.

ocr page 386

I

GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

382

XXX.

CHRISTUS wordt in zijne begrafenis aebalsernd.

De priester reinigt den kelk met wijn.

ocr page 387

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 383

GEBED.

Die kostelijke balsems en die sterke droo-gerijen -waren, o Jesus! aan uw goddelijk ligchaam niet noodig, dewijl het den derden dag verrijzen moest en aan geene bederfelijkheden kon onderworpen zijn; maar zij waren noodig om ons te leeren, dat wij de onbederfelijkheid van de ziel niet kunnen bewaren zonder de myrrhe en den aloë van versterving en boetvaardigheid. Druk deze les in ons hart, o Heer! en maak ons deelachtig aan uwe onbederfelijkheid. Amen,

BEMERKING.

Om bevrijd te zijn tegen het bederf van de wereld en van de zonde, o mijne ziel! moeten wij als gewenteld zijn in de myrrhe van eene algemeene versterving; want zonder die kan zij noch de onschuld bewaren, noch wederom krijgen. Die Christus toebehooren, zegt de Apostel, hebben hun vleesch gekruisigd met zijne begeerlijkheden en kwade lusten.

Maar wat beduiden hier

Deez' kostelijke droogen? Zou zonder dit het graf

Op Jesus iets vermogen1}

O neen: H is eene les:

Een7 ziel van zonden vrij,

Is voor den Heer, o mcnsch,

Eeri dierh're specerij.

ocr page 388

384

GEHEIMEN VAN HET LIJDEN XXXI.

CHRISTUS verrijst van den dood.

ocr page 389

EN GEUEDEN ONDEI! DE II, JUS, 385

GEBED.

O roemrijke Zaligmaker! die uit een gesloten en toegezegeld graf met pracht en luister verrezen zijt van den dood, om voortaan niet meer te sterven; geef mij dat ik eens voor goed moge opstnan uit de zonden van mijn voorgaand leven, en dat ik, voortaan in deugd en heiligheid wandelende, eens deel moge hebben in de glorie van uwe verrijzenis. Amen.

BEMEKKING.

Gelukkig is de zondaar, o mijne ziel! die getrouw is aan zijne beloften, van wien men zeggen mag; Hij is verrezen gelijk Hij gezegd heeft. Zijn hart, dat zijn graf is, moet hiervan getuigenis geven; en zijn werken moeten de getuigenis zijn van zijn hart. Onderzoek u zeiven: mijne ziel, en zie of gij verrezen zijt.

Verheug u, mijne ziel,

Nu is de Heer verrezen;

De smaad en schande is weg,

Hoe glinstert nu zijn wezen, Welaan, aldus zal eens

't Gekruiste vleesch uit 't slijk Verrijzen, en aan hem In klaarheid zijn gelijk.

13

ocr page 390

geheimen van het lijden

38(5

XXXII.

CHRISTUS verrezen zijnde, vertoont zich verscheidene malen.

De priester zich omkeerende, groet het volk zeggende: Dominus vobiscum.

ocr page 391

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 387

GEBED.

Heer Jesus, die uwe II. Moeder, de heilige Vrouwen, en uwe Apostelen, na zoo veel druk. en lijden, verheugd hebt door de tegenwoordigheid van uw verheerlijkt aanschijn, aan hen verschijnende op verscheidene stonden, geef mij, dat ik in al mijn lijden vertroost worde door de bestraling van uwe genade, en hiernamaals uw goddelijk aangezigt moge aanschouwen. Amen.

BEMERKING.

Leer hier de verwisseling van beproeving en vertroosting, door welke Jesus degenen, die hem toebehooren, oefent; o mijne ziel! hij verbergt zijn aanschijn voor een weinig tijds, gedurende de verdrukking, en hij verschijnt wederom, gelijk de zon na den storm ten tijde van vertroosting. Ontstel u niet, wanneer hij zich verbergt, zoek hem vuriglijk en gij zult hem vinden. Vergeet u zeiven niet ten tijde van zijne vertroosting: maar maak uw hart bereid tot de bekoring.

Hoe is de ziel verheugd,

Wanneer haar welbeminde,

Die lang verborgen bleef,

Zich wederom laat vinden!

Bedrieg u niet, o ziel,

't Is voor een weinig tijd;

Een' onvermengde vreugd Is slechts voor de eeuwigheid.

ocr page 392

388 GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXXIII.

JESUS versterkt liet geloof van zijne Apos- q telen met hen verblijvende veertig dagen.

De priester leest de laatste Collecten.

ocr page 393

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 389

GEBED.

O Jesus! die de hardgeloovigheid van uwe Apostelen hebt toegelaten, om ons geloof te versterken, en zoo vele onwederlegbare blijken hebt willen geven van uwe verrijzenis, dat niemand aan dit gewigtig punt zou kunnen twijfelen, versterk ons klein geloof en doe ons uwe H. geheimen door uw goddelijk licht zoo klaar zien, alsof wij met Thomas uwe wonden zagen en voelden. Amen.

BEMERKING.

Ach, of gij, o mijne ziel! het geluk moogt hebben van met .Tesus te verkeeren gelijk zijne Apostelen, of van met hem te spreken gelijk de twee Discipelen van Emmaus, hoe zou uw hart niet branden? Welaan, hij spreekt tot u door zijn H. Woord. Het H. Evangelie behelst zijne zamenspraak en zijne leeringen, gij zit met hem aan tafel in de H. Communie, en hij blijft met u door zijnen Geest, zoo lang als gij blijft- in zijne liefde. Acht en waardeer die overgroote weldaden gelijk zij verdienen.

Wat heeft, o mijn ziel!

Ons Jesus willen leer en,

Wanneer hij na het graf,

Met ons nog blijft verkeerenquot;'! Dat ieder die opregt

De zond' verlaten heeft,

Voortaan geen aardsch, maar wel Een hemelsch loven leeft.

ocr page 394

GEIIEIMFN VAN HET LIJDEN

XXXIV. CHRISTUS klimt ten hemel.

ocr page 395

EN GEBEDEN ONDER DE H. MIS. 39t

GEBED.

O Jesus! die in de tegenwoordigheid van uwe leerlingen ten hemel zijt opgeklommen, trek ons hart af van de liefde tot de aardsche zaken, opdat wij van nu af in den hemel met u mogen wonen Doe ons van de wereld walgen; doe ons smaken hetgeen hier boven is, en zoo leven naar uwe heilige geboden, dat wij mogen waardig zijn u hiernamaals te aanschouwen. Amen.

BEMERKING.

Dit is het einde, o mijne ziel! van Christus leven, de kroon van zijn lijden, en de troost van al die hem volgen. Alwaar Jesus is voorgegaan, die ons hoofd is, daar hopen wij, die zijne lidmaten zijn, eens te komen, indien wij een leven leiden dat Gode waardig is, en niet afwijken van den weg, dien onze Zaligmaker ons door zijn voorbeeld gebaand heeft, want hij is de weg en niemand komt tot don Vader dan door hem.

Al wie in 't eeuwig rijk

Wil gaan, moot kruisen dragen: Die rozen plukken wil,

Mag van geen doornen klagen, Welaan dan mijne ziel.

Bemoedig u door 't loon,

En vlieg dan kruis waar ts op,

Wilt gij die dierVre kroon.

ocr page 396

GEHEIMEN VAN HET LIJDEN

XXXV.

De zending van den H. Geest.

ocr page 397

EX GEBEDEN ONDER DE II. MIS. 303

GEBED,

O Heer Jesus! eenige Zoon des Vaders, die aan de regterhand Gods gezeten, uwen heiligen Geest over uwe leerlingen hebt afgezonden, vervul ons hart niet denzelfden Geest, stort over ons deü zegen, dien de Priester in uwen H. Naam ons geeft, en maak ons overvloedig deelachtig aan de vruchten van dit offer, dat wij door uwe genade hebben bijgewoond. Amen.

BEMERKING.

Wanneer de Profeet Elias ton hemel voer, vroeg Elizeus, zijn discipel, geene andere zaak van hem, dan dat de geest van zijnen meester over hem mogt komen. iVch, of gij ook voor niets anders bekommerd waart, o mijn ziel, dan hoe gij den geest van Christus bekomen zult. Want die door dezen Geest geleid worden, zijn ware kinderen Gods; integendeel, die dezen Gtest niet heeft, zegt de Apostel behoort aan Christus niet toe.

Zie, hier, voor u geknield De maaksels uwer handen;

Stort uwen geest op ons,

En doe onz' harten branden.

Vervul ons met uw licht.

Neig ons tot alle goed;

En geef dat onze ziel

Slechts uwen toil hie)' doet.

21

];i*

ocr page 398

GEBED NA DE MIS.

GEBED NA DE MIS.

Allerverduldigste Jesus, wij hebben, door uwe genade, in de geheimen van de H. Mis, u door de oogen van ons geloof als op nieuw gekruisigd gezien, geef dat wij de gevoelens van liefde en dankbaarheid, die wij u voor uwe oneindige liefde schuldig zijn, diep in ons hart mogen dragen. Doe ons van die H. offerande met zulke gevoelens wederkeeren als de heilige menschen, die onder het kruis stonden, of ten minste als de rouwige boetvaardigen, die van leedwezen op hunne borst sloegen. Doe ons de vruchten van dit heilige offer gewaar worden; laat ze dalen op al onze woorden. en werken, opdat zij, dooi' uwen geest begonnen en voltrokken zijnde, eene behagelijke cllerande mogen wezen aan uwen H. Naam, gij die met den Vader en den H. Geest, God zijnde, leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.

GEBED

VÓÓR DE PREDIKATIE.

Heer, uwe woorden zijn woorden van het eeuwig leven. Geef mij, dat ik dit goddelijk zaad, als eene goede aarde, moge ontvangen. Bereid en zuiver mijn hart door uwen H. Geest, opdat de uitwendige stem der woorden doorga tot in het merg van mijne ziel, en ik daarin troost, genezing en zaligheid moge vinden. Amen.

394

ocr page 399

GEBED NA DE PREDIKATIE,

GEBED

NA DE PREDIKATIE.

Ik bedank u, o Heer! die u gewaardigd hebt mij te voeden met uw heilig Woord. Bewaar toch uw zaad in mijn hart, opdat het niet verstikt worde door de doornen der wereldsche zorgen, dat het niet verdorre door gebrek aan daauw in den tijd van kwelling; of dat de vogelen des hemels, dat is, de hel-sche vijanden, het daaruit niet rooven. Geef, dat ik met David zegge: Ik heb uwe woorden verborgen in mijn hart, opdat ik niet zondige tegen u, en dat al mijne begeerten, woorden en werken er door mogen bestierd worden. Amen.

395

ocr page 400

ss* «es

EIECHTOEFEni £fEIflt;

Verbeeld u dat deze biecht de laatste van uw leven zal zijn: bereid u dan zoo naarstig alsof gij op uw doodsbed laagt, gereed om uwen laatsten snik te geven. Wie weet of inderdaad deze uwe laatste biecht niet zal zijn? Hoe velen ziet men er niet dagelijks schielijk uit het leven gerukt worden? Hoe schrikkelijk is het, onbereid te vallen in de handen van den levenden God.

GEBED.

Voóv dut men zijn geweten onderzoekt.

Eeuwige oorsprong' van licht, H. Geest, verlicht de duisternissen mijner ziel, geef mij eenige stralen van dat groote licht, dat mij in het uur van mijnen dood al mijne zonden zal doen zien.

Laat niet toe dat mijne hoovaardigheid deze aan mijne oogen verberge, maar maak dat ik die zie gelijk zij zijn, opdat ik ze verzake zooveel zij het verdienen.

Onderzoek zorgvuldig uw geweten. Zie of gij in uwe voorgaande biechten nergens aan ontbroken hebt, of gij met de noodige bereiding tot de H. Tafel genaderd zijt of andere Sacramenten ontvangen hebt; doorloop daarna de 10 geboden Gods, op ieder wat blijvende staan om te overdenken wat gij daartegen met gedachten, begeerten, woorden en werken bedreven hebt, zoo ook de vijf geboden der H. Kerk, de 7 hoofdzonden, de 9 vreemde zonden, .le pligten en verbindtenissen van uwen staat, denkende op welke plaatsen gij geweest zijt, en met welke personen gij verkeerd hebt.

Na het onderzoek stel u de volgende beweegredenen of ten minste eenige van deze voor:

ocr page 401

BIECHTOEFENINGEN,

BEWEEGREDENEN

om het hart op te wekken tol een waarachtig

leedwezen wer zijne zonden.

Men moet deze langzaam lozen, en gedurig de zwaarste zonden die het geweten bezwaren, overdenken.

De leelijkheid der zonde.

De doodzonde is eene vrijwillige overtreding in eene groote zaak van Gods H. Wet; zij is eene verachting van de opperste Majesteit;.... zij doodt de ziel door haar het geestelijk leven, dat is, de heiligmakende genade te benemen, die al haren glans en schoonheid uitmaakt; zij maakt haar voor de oogen van God zoo leelijk als de duivel zelf... Deze, helaas, heb ik gedaan! ja, zoo vermetel ben ik geweest die te bedrijven in de tegenwoordigheid van mijnen God! ... Nu is het oogenblik daar, dat ik er van kan verlost worden door er eene ware droefheid over te hebben, die goede God, dien ik versmaad heb, vraagt dit zelf van mij, en is bereid mij vergiffenis te geven. Zal ik dit weigeren ?

De dood.

Het is zeker, dat ik eens zal sterven, onzeker wanneer; ben ik op dut schrikkelijk oogenblik nog niet deze zonden beladen, helaas, hoe zal ik sterven!... Hoe ongelukkig zal mijn vertrek uit deze wereld zijn!... Hoe pijnlijk dit leven te verlaten!... Hoe vreeselijk met dien last te

397

ocr page 402

BIECHTOEFENINGEN.

gaan naar de eeuwigheid!... Hoe benaauwd zal dan mijne arme ziel zijn! nu kan ik daarvan ontslagen worden door die te biechten met een waar berouw; verzaak ik nu de zonde niet, in den dood zal mij misschien de tijd en de genade geweigerd worden. Zou ik zoo willen en durven sterven?

Het oordeel.

Hoe zal ik staan voor mijnen Regter, indien deze zonden mi) niet vergeven zijn I... Hoe zal ik Jesus durven aanschouwen, dien ik versmaad heb! wat schaamte zal het zijn, daar aan geheel de wereld bekend te zien, wat ik nu zöo beschaamd ben te openbaren aan eenen Priester alleen, die alles moet, en zoo aïs ik zeker weet, alles zal zwijgen! hoe zal mijne ziel gesteld zijn, op het hooren van dit schromelijk vonnis: gaat van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur!... hoe vreeselijk zal het zijn, aan de du: veis overgeleverd te worden!... Hiervan kan ik mij bevrijden, met opregt droevig te zijn over deze zonden, en ze voortaan nooit meer te bedrijven. Zal ik versteend blijven

Be Hel.

De zonden, die het geweten mij nu verwijt, zullen mij tot de verdt emenis brengen, om een ongelukkige brandstok van het helsche vuur te worden, indien ik mij niet bekeer!... heb ik toch ooit eens wel gedacht, wat pijnen de hel besluit? Waar de duivel mijn beul en gezelschap

398

ocr page 403

BIECHTOEFENINGEN.

zal zijn; waar eene gruwzame en eeuwige razernij, eene bijtende knaging des gewetens, eene eeuwige wanhoop mijne bezigheid zal zijn,.... waar mij al'.e troost zal geweigerd worden!... waar liet vuur, de stank, de honger, de dorst en al wat pijnlijk kan bedacht worden, mij nooit zullen verlaten; waar andere ontelbare verdoemden, die met mij zullen branden, mijne ellende door wedcrzijdsche vervloekingen zullen vermeerderen! nog eens, o hel! heb ik wel ooit eens wel gedacht wat de hel is?... Deze hel heb ik nu verdiend, en nu ben ikpligtig om in die hel eeuwig te branden! één middel kan mij daarvan bevrijden: te weten: nu door tranen van leedwezen mijne zonden af te wasscben; zal ik zulk gemakkelijk middel verachten ?

De eeuwigheid.

Heb ik, ongelukkige zondaar, wel ooit wel gedacht dat die pijnen der hel eeuwig zullen duren !.. . dat millioenen en mi'lioenen jaren die pijnen noch verminderen, noch verkorten zullen ?. .. Heb ik wel gelet, dat die eeuwigheid, op welke ik nu zoo weinig denk, mij dan in het midden der vlammen altijd voor den geest zal staan! Dat ik dan zal trachten er niet op te denken, doch tegen mijnen dank in de eeuwigheid zal gedwongen zijn eeuwig op de eeuwigheid te denken?... Dat mijn eigen geweten mij nooit zal gerust laten, maar zonder ophouden tot mij zal roepen : Zoo, ongelukkige, zult gij eeuwig branden;.. eeuwig;... zonder ophouden;.,.

399

ocr page 404

BIECHTOEFENINGEN.

zonder einde!... O eeuwigheid van pijnen, hoe wreed is de gedachte aan u!... nu kan ik dit voorkomen, met eene waarachtige droefheid te hebben over mijne zonden; zal ik zoo wreed blijven tegen mijne arme ziel? Zul ik de zonde niet uit geheel mijn hart verzaken?

De hemel verleren.

Hetgeen die ongelukkige eeuwigheid bovenal nog zal bezwaren, is beroofd te zijn van het eeuwig geluk des hemels, waartoe ik was geschapen, en waartoe ik regt had, zoo ik wel geleefd had ... Geen verstand kan nu bevatten hoe groot de glorie en het geluk des hemels is; wanr al wat schoon en ver-makelijk kan gedacL'. worden, gevonden ■wordt; waar alles is wat men begeert, en niets zal zijn dat mishaagt; .. maar dan zal ik tot mijn ongeluk beter bevatten, wat het is van zulk een geluk berootd te zijn; nu houden mij de tijdelijke dingen bezig, en verblinden mij; maar dan ontbloot van de bedriegelijke dingen dezer wereld, zal ik zien en kennen, wat ik verlies... Door deze zonden heb ik dien schconen hemel verloren 1 nu kan ik nog het regt tot dezen wedeikrijgen, door ze met een rouwig hart te beweenen; zal mijn hart dan niet bewogen worden?

Christus voor ons lijdende.

O mijne ziel! beschouw uwen goeden Jesus voor u aan een kruis lijdende, om u van lijden te bevrijden:... voor u stervende, om

400

ocr page 405

Pi

BlËCHTOFFENINGEN.

u van den eeuwigen dood te verlossen. Wat oneindige lieftle, o Jesus! bewijst gij mij!... gij onschuldig voor mij pligtige!... gij God zelf en Schepper voor mij ondankbaar schepsel! en verre van u dankbaarheid te bewijzen, heb ik uw lijden vernieuwd door mijne zonden ; doch gij zijt zoo goed deze te willen vergeven, indien ik ze verzaken wil door een opregt berouw; zal ik voor zulk eene liefde ongevoelig blijven?

God aller liefde waardig.

God is de opperste schoonheid, goedheid, heiligheid en volmaaktheid, die alle goed in zich besluit, en dus aller liefde waardig is. Ja, oneindig meer liefde dan alle schepselen hem kunnen bewijzen... Die opperste schoonheid heb ik versmaad;.... die opperste goedheid heb ik veracht;... die opperste heiligheid heb ik onteerd;.. die opperste volmaaktheid heb ik gehaat: ja ik zoude God zelf vernietigd hebben, zoo het mij mogelijk ware geweest;... ongelukkig mensch, wat heb ik gedaan! o mijne ziel, hoe weinig kent gij uwen GodI,.. zult gij, ellendige, uwe oogen niet openen, om die opperste en onveranderlijke schoonheid te beminnen, en tranen van leedwezen te storten over uwe zonden, die van eene oneindige boosheid zijn, omdat zij bedreven zijn tegen dien God, die van eene oneindige waardigheid is?... Is er dan geen vonk van liefde meer in mijn hart te vinden, dat ik dien God weiger te beminnen, die alle liefde waardig is? Het is nu gedaan, o mijn God! ik zie nu mijne

-401

ocr page 406

402 BIECHTOEFENINGEN.

boosheid, geef mij toch eene ware droefheid over mijne zonden; het is nu de dood niet meer, die mij benaauwt, noch oordeel, noch hel, noch eeuwigheid alleen, die mij verschrikt en in mij eenen haat tegen de zonde verwekt;

maar ik verzaak deze, omdat ik uw-e opperste goedheid, schoonheid en volmaaktheid vergramd heb. Om u, o Heer! wil ik de zonden haten; u alleen, en bovenal, wil ik voor altijd beminnen.

vera

liet hart door deze beweegredenen gerankt zijnde, (ji/f' verwek de volgende akten. mer

verc

Akle van Geloof. ■ n)iji

vnoi

Mijn Heer en mijn God, ik geloof vastelijk al hetgeen gij geopenbaard hebt, en de U. Kerk mij voorhoudt te gelooven, en in het bijzonder geloot ik, dat gij aan uwe H. Kerk de magt gegeven hebt van alle zonden, hoe groot of hoe zwaar die zouden wezen, in uwen naam te vergeven, en dat dan al mijne zonden, die mij, wanneer ik waardig bereid ben, door uwen dienaar vergeven worden op de aarde, ook van u volkomen zullen vergeven zijn in den hemel; dit geloof ik, o Heer, omdat gij,

die de opperste en onfeilbare waarheid zijt, dit geopenbaard hebt. Ach, hoe moet deze zekerheid mij troosten en opwekken om mijne zonden opregt en met een w7aar leedwezen te belijden; versterk mij, o Heer! in dit geloof;

in dit geloof wensch en wil ik door uwe genade leven en sterven.

ocr page 407

BIECHTOEFENINGEN.

403

Akte van llcop.

Mijn Heer en mijn God, ik hoop dat gij mij, armen en ellendigen zondaar, niet zult verstoeten, al is het dat ik beken meer verdiend te hebben uwe regtvaardigheid te ondervinden, dan uwe barmhartigheid te genieten, ik hoop, o mijn God ! dat gij mij, niet door mijne verdiensten, want ik beken er geene te hebben en zelfs met misdaden beladen te zijn, maar door de verdiensten van Jesus Christus zult geven vergiffenis van mijne zonden, in het H. Sacrament, dat ik nu verlang te ontvangen; ik hoop verder, dat gij, na mij gezuiverd te hebben van mijne zonden, mij ook zult geven de genade om voortaan ivel te leven, en hiernamaals zult geven het eeuwig leven, waartoe gij mij geschapen hebt, ik heb zeker de allergrootste redenen om dit te hopen, o Vader der barmhartigheid ! tot ons oneindig goed zijt, en almagtig, die doet al wat u belieft en omdat gij, die grtrouvj zijt in uwe beloften, vergiffenis en barmhartigheid aan alle zondaars, die zich waarlijk bekeeren, beloofd hebt. Mijn hart is met reden ten hoogste droevig, wanneir ik deleelijk-heid mijner zonden overdenk: maar hoezeer wordt het getroost door de zekere hoop van vergiffenis, en van u eens in uwe glorie te mogen genieten! mijne ongetrouwheid alleen kan deze hoop verijdelen. Wil toch, Tleer! mijne zonden vergeven, en mij zoo versterken door uwe genade, dat ik u altijd getrouw blijve, opdat ik zoo op u hope, dat ik in eeuwigheid niet beschaamd worde. In deze hoop, Heer! wil ik leven cnsterven.

ocr page 408

404 ÈIËCIlTOEFËNINGEN.

Aide van Liefde.

Mijn lieer en mijn God, ik beken met de grootste schaamte, dat ik u tot nu toe niet bemind heb; mijn geweten, dat mij de !ee-lijkheid mijner zonden voorstelt, overtuigt mij, dat ik u zelfs veracht en versmaad heb; maar nu wensch ik door het H. Sacrament, dat ik ga ontvangen, ontslagen te worden van mijne zonden om u voortaan met eene zuivere liefde te kunnen beminnen; gedoog, dat ik van dit oogenblik zegge voor hemel en aarde, ik bemin u hoven al uit geheel mijn hart; en ik wil voortaan toonen door mijne werken, dat ik u waarlijk bemin, en liever alles zoude verlaten, ook het leven, dan u met eene doode-lijke zonde te vergrammen; uwe oneindige goedheid en barmhartigheid tot mij, die ik rijpelijk overwogen heb, doen mijne gedachten tot u klimmen, om te gedenken hoe oneindig goed, schoon, waardig en volmaakt gij in u zei ven zijt, dit is de reden, waarom ik u uit geheel mijn hart bemin, omdat gij het opperste goed zijt, wiens volmaaktheden onbegrijpelijk zijn, die in schoonheid alles te boven gaat, waarom ik verlang u eeuwig te beminnen, en allen lof en eer te geven, en tot verder bewijs van de opregtheid mijner liefde, ik bemin mijnen evennaaste, zonder uit te nemen die mij iets misdaan hebben, gelijk mij zeiven uit liefde tot u, wenschende met hen gezamenlijk u in alle eeuwigheid te loven en te zegenen! In deze liefde, Heer! door uwe genade, wil ik leven en sterven,

ocr page 409

BIECHTOEFENINGEN. 405

Akle van Berouw.

Mijn Heer en mijn God, alhoewel ik u mijne droefheid van u vergramd te hebben meermaals betuigd heb, nogtans nu, wanneer ik mijne zonden aan den Priester, die uwe plaats bekleedt, ga belijden, verlang ik met eene opregte droefheid te zeggen: het is mij leed uit den grond des harten, dat ik uwe goddelijke majesteit door mijne zonden vergramd heb; het is mijne schuld, o Heer! het is mijne schuld, het is mijne allergrootste schuld: ik haat die nu als uwen en mijnen grootsten vijand, en verzaak die als het grootste kwaad, uit liefde tot u, die alle liefcie waardig zijt, en ik maak een vast voornemen van door uwe hulp en genade niet meer te zondigen; de naaste gelegenheden van zonden le schuwen en mij zeiven te verloochenen, niet meer te luisteren noch gehoor te geven aan de ingevingen van den boozen geest, de kwade voorbeelden der bedorvene wereld nooit meer te volgen, mijne hartstogten te bedwingen, en zoo in alles door uwe genade mij te beteren.

Vermeerder toch. Heer! dit mijn berouw; doe mij meer en meer kennen de leelijkheid mijner zonden en de oneer, die ik uwen H. Naam heb aangedaan, die ik nu verlang te herstellen, vermorzel mijn hart door een opregt leedwezen, dan mag ik vertrouwen, dat gij door dit H. Sacrament mijne zonden zult vergeven; want ik weet, Heer! dat gij een vermorzeld en verootmoedigd hart niet zult verstoeten.

ocr page 410

406 BIECHTOEFENINGEN.

Nader tot den biechtstoel, met die eerbiedigheid, in welke gij u zoudt houden, indien Jesus Christus zigtbaar en in persoon in de plaats van den Priester was. Kan men zich genoeg verootmoedigen, wanneer men de hel verdiend heeft en men genade zoekt te bekomen.

In den biechtstoel nedergelmield, vraag den zegen van den Priester: terwijl gij dezen ontvangt, maak het teeken des II. Kruises en zeg de

Voorbiecht.

Ik belijd aan God almagtig, aan de H. Maagd Maria, aan alle Heiligen en aan u, Vader, dat ik gezondigd heb, met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld. Mijne laatste biecht is geleden sedert {noem hier het getal der dagen, weken en maanden.)

Biecht uwe zonden op eene klare, eenvoudige, korte, voorzigtige en eerbare wijze, met ootmoedigheid en opregtheid alsof gij met God spraakt; en inderdaad gij spreekt met God, in den persoon van zijnen Dienaar. Zeg het getal van uwe zonden; indien gij het niet zeker weet, zeg dan het naaste: doe hetzelfde ten opzigte van den tijd, dien de zonde geduurd heeft. Druk uit de omstandigheden, die de zonden kunnen veranderen of vergrooten. Indien gij twijfelt of eene zonde, welke gij bedreven hebt, doodzonde zij, geef dit alles uwen Biechtvader te kennen, opdat hij daarover oordeele.

Na al uwe zonden beleden en eenvoudiglijk geantwoord te hebben op al de vragen van den Biechtvader, zeg met eenen verootmoedigden geest en een vermorzeld hart de

Nahiecht.

Ik beschuldig mij van deze zonden, en van die ik niet indachtig ben, als ook van al de

ocr page 411

BIECHTOKKENINGEN.

zonden van geheel mijn leven. Ik vraag aan God vergiffenis, en aan u, mijn Vader, de penitentie en de Absolutie indien gij het goedvindt.

Aanlioor met aandachtigheid en leerzaamheid de vermaningen van den Biechtvader, ontvang eerbiedig-lijk do penitentie, die hij oplegt.

Onderwerp u geheel aan het gedrag, dat de Biechtvader goedkeurt te houden ten opzigte vm de Absolutie. Indien hij deze uitstelt, zucht inwendiglijk, bekennende dat gij niet waardig zijt deze te ontvangen, en zonder tegenspreken, zonder u te beklagen, zonder den Priester lastig te vallen, ga uit den biechtstoel met het voornemen van nieuwe pogingen te doen om de Absolutie te verdienen door de verandering van leven, en eene ware boetvaardigheid; indien de Priester goedvindt u deze te geven, aanzie ze als eene genade, die gij niet waardig zijt, ontvang ze ootmoediglijk, liet hoofd nedorgebogen, verwek tevens eene akte van berouw.

Gebed van dankzegging

Hoe groot, barmhartige God, is u we goedheid tot mij! nu bemerk ik, hoe groot uwe liefde is tot den mensch, dat gij mij, ondankbaren zondaar, in genade hebt willen ontvangen, en zoo vele zonden vergeven, die ik tegen uwe Majesteit bedreven heb; wat genoegzame dankbaarheid zal ik u kunnen bewijzen? Zoo een misdadiger voor eenen wereldsclien regter de straf des doods verdiend had, en uit enkele goedheid van den regter in vrijheid gesteld werd, wat genoegzame dankbaarheid zou hij kunnen bewijzen? Ik beken, o Heer! dat ik zulk een pligtige ben, die door mijne zonden de eer van uwe goddelijke Majesteit gekwetst

407

ocr page 412

BIECHTOEFENINGEN.

408

heb, waarom ik niet alleen verdiend heb de straf des doods, naar het ligchaam, maar ook de eeuwige straf der hel; en gij hebt nogtans uit enkele goedheid mij zoowel de schuld mijner zonden, als ook de eeuwige straf, zoo ik vertrouw ten volle vergeven. O goedheid van mijnen God, welke dankbaarheid zal ik ii bewijzen! ik erken mij hiertoe geheel onbekwaam... Mij dunkt nogtans, o lieer! dat gij tot mij zegt: ga in vrede, en toil nu voortaan niet meer zondigen, en ik zal dit voor dankbaarheid aanvaarden. Zie mij, Heer! daartoe bereid, wil mij hiertoe versterken door uwe genade; ik zal ook trachten dagelijks te overwegen, hetgeen gij mij door uwen dienaar belast hebt, en dit trachten getrouw te onderhouden; ik zal die woorden van zaligheid overwegen, niet als eene les door eenen raensch, maar door u zeiven gegeven, van welke ik in den laatsten aller dagen u rekening zal moeten geven. quot;Versterk mij dan, o Heer! met uwe genade, zonder welke ik in al mijne voorgaande, ja in nog ergere zonden zoude vervallen; gij, die mij vergiffenis verleend hebt van het kwaad, geef mij ook sterkte tot het goed, opdat ik nu een nieuw leven beginne, u altijd getrouw en dankbaar blijve, en in alles uwe meerdere eer betrachte, door Christus onzen Heer. Amen.

ocr page 413

www w r-wv w ww/v

m ZEVEN BOETPSALMEN.

De woorden, die in andere letters staan, zijn cjeene

woorden van den Psalm, maar zijn bijgevoegd om

den zin beter te verstaan.

Antiph. Wees, o Heer! enz.

I. Psalm. 6. Bomine ne in furore tuo.

Heer, straf mij niet in uwe verbolgenheid, en kastijd mij niet in uwe gramschap.

Ontferm u mijner, o Heer! want ik ben krank: genees mij, Heer! want mijne beenderen zijn ontsteld.

En mijne ziel is zeer ontsteld; maar gij, Heer! hoe lang, zult gij vertoeven mij te helpen ?

Keer u tot mij. Heer! en verlos mijne ziel: behoud mij om uwe barmhartigheid.

Want er is niemand in den tlood, die uwer gedachtig is, en wie zal u in de hel loven?

Ik ben vermoeid geworden door mijn zuchten, ik zal alle nachten mijn bed wasschen, en met mijne tranen zal ik mijne rustplaats begieten.

Mijn oog is door uwe verbolgenheid, door hel sterk en gedurig toeenen, ontsteld: ik ben verouderd onder al mijne vijanden.

Gaat weg van mij allen, die boosheid bedrijft, want de Heer heeft de stem mijns weenens verhoord.

De Heer heeft mijn smeeken verhoord, de Heer heeft mijn gebed aangenomen.

ocr page 414

DE ZEVFN BOETPSALMEN.

Dat al mijne vijanden beschaamd en geheel ontsteld worden, dat zij zeer haastig terug keeren en zich schamen.

Eer zij den Vader, en den Zoon en den heiligen Geest: gelijk het was in het begin, en nu, en altijd, en in de eeuwigheid. Amen.

II, Psalm 31. Beati quorum.

Zalig zijn zij, wier boosheden vergeven, en wier zonden bedekt zijn.

Zalig is de man, aan wien de Heer de zonde niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

Omdat ik gezwegen heb, dewijl ik heb nagelaten mijne zonden ootmoedig en opregt te belijden, zijn mijne beenderen, mijne krachten verouderd, terwijl ik den geheelen dag riep.

Want dag en nacht is uwe hand op mij verzwaard; in mijne ellenden ben ik tot u bekeerd, terwijl ik met den doorn van smarten en van een knagend geweten doorstoken werd.

Ik heb mijne misdaad voor u bekend, en mijne ongeregtigheden heb ik niet verborgen.

Ik heb gezegd, ik zal tegen mij mijne on-geregtigheid voor den Heer belijden, en gij hebt de boosheid mijner zonden vergeven.

Daarom zullen alle Heiligen tot u bidden en u loven en danken ten regten tijde.

Ook wanneer er groote watervloeden, van verdrukking, komen: zullen zij hem, den regtvaardige niet genaken.

Gij zijt mijne toevlugt tegen de kwelling, die mij omringt, o God, mijne vreugd, verlas mjj van hen, die ray omringen.

410

ocr page 415

de zeven boetpsalmen. 411

Omdat gij, zegt God, tot mij uwe toevlugt genomen hebt, zal ik u verstand geven en u onderrigten in den weg, dien gij moet ingaan: ik zal mijne oogen op u gevestigd houden.

Wil, o zondaar, niet worden gelijk een paard of muilezel, die geen verstand hebben.

Dwing Heer! met breidel en toom van eene zalige vrees, de kinnebakken van de zondaars, die tot u niet komen.

De geesels des zondaars zijn menigvuldig; maar hem, die in den Heer hoopt, zal de barmhartigheid omringen.

Verblijdt u in den Heer, en verheugt u, gij regtvaardigen, en roemt in hem allen, die opregt van harte zijt.

Eere zij den Vader, enz.

II. Psalm 37. Dornine, ne in furore tuo.

Heer straf mij niet in uwe verbolgenheid; en kastijd mij niet in uwe gramschap.

Want uwe schichten steken in mij, en gij hebt uwe straffende hand op mij bezwaard.

Er is geene gezondheid in mijn vleesch door het gezigt uwer gramschap; er is geen vrede in mijne beenderen door het gezigt mijner zonden.

Want mijne boosheden zijn boven mijn hoofd gewassen, en zij hebben mij als een zware last bezwaard.

Mijne wonden der ziel zijn verrot en bedorven: ter oorzake van mijne dwaasheid i'an zoolang mijne boete uit te stellen.

Ik ben ellendig geworden en ten uiterste

ocr page 416

412 DE ZEVEN BOETPSALMEN.

neergebogen onder den last mijns lijdons; ik ging den geheelen dag bedroefd.

quot;Want mijne lendenen zijn vervuld met be-driegelijkheden: en er is geene gezondheid in mijn vleesch.

Ik ben gepijnigd en vernederd boven mate, ik biieschte van het zuchten mijns harten.

Heer, voor u is al mijne begeerte, en mijn zuchten is voor u niet verborgen.

Mijn hart is ontsteld, mijne kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner oogen is zelfs van mij afgeweken.

Mijne vrienden en mijne naasten zijn genaderd en hebben zich tegen mij gesteld.

En die naast mij waren, zijn van mij afgeweken, en die mijne ziel zochten, deden mi] geweld aan.

En die mij kwaad zochten, hebben arglistig gesproken: en bedachten bedrog den ganschen dag.

Doch ik als een doove hoorde niet, en als een stomme deed ik mijnen mond niet open.

En ik ben geworden als een mensch, die niet hoort, en die geene wederspraak heeft in zijnen mond.

Vermits ik in u, Heer! gehoopt heb: gij Heer, mijn God, zult mij verhooren.

Want ik heb gezegd, dat mijne vijanden zich over mij niet verblijden ; zij hebben alreeds, als mijne voeten wankelden, trotsch over mij gesproken.

Doch ik ben tot de geesels bereid, en mijne smart is gedurig voor mijne oogen.

ocr page 417

DE ZEVEN BOETPSALMEN. 413

Want mijne boosheid zal ik verkondigen, en denken op mijne zonden.

Doch mijne vijanden leven, en zijn magtig over mij geworden, en die mij ten onregte haten, zijn vermenigvuldigd.

Die kwaad voor goed vergelden, lasterden mij; omdaL ik het goede voigde.

Verlaat mij niet, o Heer, mijn God! ga van mij niet weg.

Denk op mijne hulp. Heer! God mijner zaligheid.

Eere zij den Vader, enz.

VI. Psalm 50. Miserere.

Ontferm u mijner, o God! volgens uwe groote barmhartigheid.

En volgens de menigte uwer barmhartigheden : wisch mijne boosheden uit.

quot;VVasch mij meer en meer van mijne onge-regtigheid, en van mijne zonde zuiver mij.

Want ik beken mijne boosheid, en mijne zonde is altijd voor mijne oogen.

Voor u alleen heb ik gezondigd, en kwaad voor uw aanschijn gedaan; zoodat het blijkt, dat gij regtvaardig zijt in uwe woorden, en de overhand behoudt als gij geoordeeld wordt.

Zie, in boosheden ben ik ontvangen, en in zonden heeft mij mijne moeder gebaard.

Want zie, gij hebt de waarheid bemind, gij hebt mij de onbekende en verborgene dingen uwer wijsheid bekend gemaakt.

Gij zult mij besproeijen met hysop, en ik

ocr page 418

414 DE ZEVEN BOETPSALMEN.

zal gezuiverd worden: gij zult mij wasschen, en ik zal boven sneeuw wit worden.

Gij zult, door mijne zonden te vergeven, aan mijn gehoor blijdschap en vreugde geven: en mijne vernederde beenderen zullen van vreugd opspringen.

Keer uw aangezigt af van mijne zonden, en wisch al mijne boosheden uit.

Schep in mij, o God! een zuiver hart en vernieuw den regten geest in mijn binnenste.

Verwerp mij niet van uw aanschijn, en neem uwen H. geest toch van mij niet weg.

Geef mij weder de blijdschap van uwe zalige hulp, en versterk mij door eeaen kloeken geest.

Dan zal ik den boo:en uwe wegen leeren, en de goddeloozen zullen tot u bekeerd worden.

Verlos mij van het bloed, dat ik onregt-vaardig vergoten heb, o God! God mijner zaligheid, en mijne tong zal met vreugd uwe regtvaardigheid verheften.

Heer, gij zult mijne lippen openen, en mijn mond zal uwen lof verkondigen.

Want haddet gij eene offerande gewild, ik zoude u die immers gegeven hebben; in brandoffers zult gij geen genoegen hebben.

Een bedrukte geest is eene offerande voor God, een vermorzeld en verootmoedigd hart zult gij, o God! niet versmaden.

Heer, volgens uwen goeden wil, handel met Sion goedertierenlijk; opdat de muren van Jeruzalem opgebouwd worden.

Dan zult gij de offerande der regtvaardigheid, de opdragten en brandoffers aan-

ocr page 419

DE ZEVEN BOETSPALMEN. 415

nemen, dan zullen zij op uw altaar kalveren leggen.

Eere zij den quot;Vader, enz.

V. Psalm 101. Domine exaudi.

Heer, verhoor mijn gebed: en laat mijn geroep tot u komen.

Keer uw aangezigt van mij niet af, op wat dag ik gekweld worde, neig uwe ooren tot mij.

Op wat dag ik u zal aanroepen: Heer, verhoor mij haastiglijk.

Want mijne dagen zijn als rook vergaan, en mijne beenderen zijn als hout dor geworden.

Ik ben verslagen als hooi, en mijn hart is uitgedroogd; omdat ik vergeten heb mijn brood te eten.

Door mijn roepen en zuchten is mijn gebeente aan mijn vleesch gekleefd.

Ik ben gelijk geworden aan den pelikaan der woestijn, ik ben geworden als eene nachtraaf in een huis.

Ik heb gewaakt en ben geworden als eene eenzame musch op het dak.

Uen geheelen dag beschimpten mij mijne vijanden, en die mij eertijds prezen, zwoeren nu tegen mij.

Omdat ik asch als brood at, en mijnen drank met tranen mengde.

Uit vrees van uwe gramschap en verbolgenheid; want mij verheffende, hebt gij mij nedergestooten.

Mijne dagen zijn als eene schaduw verdwenen, en ik ben als hooi dor geworden.

ocr page 420

I)E ZEVEN BOETl'SALMEN.

Maar g\j, Heer! blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis duurt van geslacht tot geslacht.

Gij zult opstaan, en u over Sion ontfermen: want de tijd harer te ontfermen, de gestelde tijd is gekomen.

Want hare steenen hebben aan uwe dienaren behaagd, en over hare aarde zullen zij medelijden hebben.

En de heidenen zullen uwen naam vreezen. Heer! en alle koningen der aarde uwe glorie.

Omdat de Heer Sion herbouwd, heeft; en daar in zijne heerlijkheid zal gezien worden.

Hij heeft acht gegeven op het gebed der ootmoedigen, en hun verzoek hoeft hij niet versmaad.

Dat deze dingen geschreven worden voor het volgende geslacht, en het volk dat zal geschapen worden, zal den Heer loven.

Want hij heeft nedergezien van zijne hooge heilige plaats: de Heer heeft zijne oogen van den hemel op de aarde geslagen.

Om te aanhooren de zuchten der gevangenen, om te ontbinden de kinderen dergedooden.

Opdat zij in Sion den naam des Heeren verkondigen: en zijnen lof in Jeruzalem.

Als de volkeren zullen te zamen komen, en de heideren om den Heer te dienen.

Hij, de regtvaardigc, in het midden van zijne sterkte, zeidetot God: geef mij de kortheid mijner dagen te kennen.

Neem mij niet weg in het midden mijner dagen: uwe jaren duren van geslacht tot geslacht.

Gij, Heer 1 hebt in het begin de aarde vastge-

416

{

ocr page 421

de zeven boetpsalmen. 417

steld, en de hemelen zijnïde werken uwer handen.

Zij zullen vergaan, maar gij blijft altijd: en zij zullen allen gelijk een kleed verouderen.

En als een opperkleed zult gij ze veranderen, en zij zuilen veranderd worden; maar gij zijt altijd dezelfde, en uwe jaren zullen niet eindigen.

De kinderen uwer dienaren zullen met u, Jlecrl blijven: en hunne nakomelingen zullen in eeuwigheid bestierd worden.

Eere zij den Vader, enz.

VI. Psalm 129. De Profundis.

Uit de diepten heb ik tot u geroepen, Heer, Heer, verhoor mijne stem!

Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijner smeeking.

Indien gij de boosheden gadeslaat, Heer, Heer, wie zal bestaan?

Omdat er bij u genade is, en om uwe wet heb ik u, o Heer! langmoedig afgewacht.

Mijne ziel heeft op zijn woord gewacht, mijne ziel heeft op den Heer gehoopt.

Dat van den morgenstond tot den nacht toe Israël op den Heer hope.

Want bij den Heer is barmhartigheid, en en bij hem is overvloedige verlossing.

En hij zal Israël verlossen uit al zijne boosheden. Eere zij den Vader, enz.

VIL Psalm 14-2. Domine cxaudi.

aijner Heer, verhoor mijn gebed, luister naar it tot mijn smeeken: volgens uwe waarheid; verhoor mij volgens uwe regtvaardigheid. En treed niet in het regt met uwen dienaar; 21 14

ocr page 422

418 DE ZEVEN BOETPSALMEN.

want niemand, die leeft zal voor uw aanschijn geregtvaardigd worden.

Want de vijand heeft mijne ziel vervolgd ; hij heeft mijn leven ter aarde toe vernederd.

Hij heeft mij in het duister gesteld, gelijk hen, die lang dood zijn; mijn geest is in mij beangit, mijn hart is in mij ontsteld geworden.

Ik ben indachtig geweest de oude dagen, ik ben overdacht al uwe werken! ik oefende mijne gedachten in de werken uwer handen.

Ik heb mijne handen tot u uitgereikt: mijne ziel is voor u als eene aarde zonder water.

Heer, verhoor mij haastiglij k mijn geest is bezweken.

Keer uw aanschijn van mij niet af; anderzins zal ik gelijk worden, aan die nederdalen in het graf.

Doe mij vroeg uwe barmhartigheid hoeren: want ik heb mijne ziel tot u opgeheven.

Verlos mij van mijne vijanden, Heer! tot u heb ik mijne toevlugt genomen: leer mij uwen wil doen, want gij zijt mijn God.

Uw goede geest zal mij geleiden op den regten weg: om uwen naam. Heer! zult gij mij levend maken in uwe geregtigheid.

Gij zult mijne ziel leiden uit de verdrukking; en in uwe barmhartigheid zult gij mijne vijanden vernielen.

En gij zult ze allen te niet doen die mijne ziel verdrukken; want ik ben uw dienaar.

Eere zij den Vader, enz.

Antiph. Wees, o Heer! niet gedachtig onze misdaden, noch die van onze ouders, en neem geone wraak over onze. zonden.

ocr page 423

COMMUNIE-OEFENINGEN!

ONDERRIGTING

HOE ZICH DE GOEDE CHRISTENEN ZULLEN BEREIDEN.

Dut degenen, die vrij zijn van doodelijke zonden, evenwel nog eene verdere zuivering en bereiding noodig hebben, heeft Christus genoeg getoond, als hij vóór de instelling van het H. Sacrament de voeten zijner apostelen heeft gewassehen, daarbij voegende deze woorden: Die gewassehen is, heeft niets anders noodig, dan dat hij zijne voeten wassche. (Joann. 13. v. 10). Dat is volgens de uitlegging van de H. Vaders die zuiver is van zware zonden, heeft maar te zorgen voor de zuivering der kleine gebreken en aardsche genegenheden: die door het stof, dat aan de voeten hangt, beteekend worden.

Die zuivering kan geschieden met zich voor God te vernederen, leedwezen te verwekken, vergiffenis te vragen met een opregt voornemen van tegen de gebreken kloek te strijden, en behoorlijke middelen te gebruiken om zich te beteren.

Dat het H. Sacrament van Boetvaardigheid ook een zeer bekwaam en voordeelig middel daartoe is, leert ons genoeg het H. Concilie van Trente, en het loffelijk gebruik van menige goede zielen. Zoo nog-tans dat zij die dikwijls tot de tafel des Heeren naderen, wel moeten toezien, of het dikwijls biechten van hunne dagelijksche zonden niet voortkomt uit enkele gewoonte, driften en zinnelijkheid, zonder op-regten afkeer van hunne fouten, en of zij met meerder voordeel zonden doen met de biecht somwijlen eens achter te laten om meer te zorgen voor een opregt leedwezen en werken van boetvaardigheid, waarin zij den raad moeten volgen van oenen voor-zigtiien llicchtvader.

lJc'

ocr page 424

COMMUNIE-OEFENINGEN.

Hoe veel tijds nu de goede menschen moeten besteden om zich te zuiveren van hunne dagelijksche gebreken, lean men zoo stipt niet bepalen. Zij, die op zich zeiven weinig letten en onachtzaam leveu, hebben buiten twijfel meer tijd noodig, om zich wel te bereiden. Doch zij, die hunnen dagelijksehen handel naauw gadeslaan, en in Gods tegenivoordigheid wandelen, zullen daartoe ligtelijk bereid wezen, schoon zij op den dag van hunne Communie geenen langen tijd kunnen uitvinden, om in het bijzonder veel te bidden. Zoo dat het naauwe toezigt op zich zclvcn, en liet christelijk beleven van zijnen staat, de beste bereiding is, om dit groot heilig Sacrament waardig te ontvangen.

Zij, die bij voorbeeld alle maanden, alle veertien dagen, of alle acht dagen gaan tot de H. Communie, behooren zich eenige dagen te voren bijzonder daartoe te bereiden. En zij, die meermalen in de week het H. Sacrament ontvangen, moeten minstens daags te voren, aandachtig daarop denken. De H. Franciscus de Borgia, die volgens den raad van den H. Ignatius alle zondagen de H. Communie ontving, bereidde zich daartoe drie dagen te voren door oefeningen van liefde en werken van boetvaardigheid, en de drie volgende dagen na de H. Communie besteedde hij om God te bedanken. Zoo deden ook verscheidene andere Heiligen.

Aanzie dezen dag als den gelukkigsten nws levens, des morgens wakker wordende, beeld u in dat uw Engelbewaarder u deze woorden zegt: stn hanstiglijk o}}, zie uwen bruidegom, ga hem te gemoet; kleed u met stichting, doe vurig uw morgengebed. Begeef u in stilte tot het huis Gods, kies eene stille plaats, stel alle andere gedachten ter zijde, om u alleen bezig te houden met het H. werk, waartoe gij u bereidt.

420

ocr page 425

COMMUNIE-OEFENINGEN. 421

VOOK DE H. COMMUNIE.

I. GEBED.

OEFENINGEN VAN GELOOF, EN ANDERE DEUGDEN, DIE UIT HET GELOOF VOORTSPRUITEN.

O lieve Zaligmaker! hetgeen ik van dit hoogwaardig Sacrament moet gelooven, kan geen verstand begrijpen, hoe gij ons onder eene zoo kleine gedaante waarlijk komt geven uw H. Ligchaam en Bloed, uwe Godheid en Menschheid. Maar verre zij van mij, dat ik daarom hieraan zoude twijfelen; het is mij genoeg, dat gij, die de eeuwige, onfeilbare Waarheid zijt, gezegd hebt, dat -wij hier onder de gedaante van Brood uw H. Ligchaam en Bloed ontvangen.

Ach, of ik nu, o Heer! het geloof van Mozes had, die den onzigtbaren God zag, als hij zigtbaar ivas geweest, met wat eerbied en heilige vrees zou ik naderen tot de H. Tafel? Toen hij u in het brandende braam bosch zag, dekte hij zijn aangezigt, zegt ons de H. Schrift. Want hij vreesde God aan te zien. Exod. 3. v. 6.

O mijn God! hoe durf ik dan naderen tot uw H. Altaar! Ik zie u daar door het geloof ook in eene vurige vlam. In eene vlam van liefde, die u doet uit den hemel dalen om onze spijs te worden; maar ook in eene vlam van regtvaardigheid, om de boozen te vernietigen als een verslindend vuur.

ocr page 426

COMMUNIE-OEFENINGEN.

Gij zijt de allerminnelijkste door uwe goedheid maar ook de allervreeselijkste door uwe heiligheid. De heiligste onder de kinderen der vrouwen vernedert zich ter aarde toe, belijdende dat hij niet waardig is uvoen schoenriem te ontbinden. (Luc. 3.). Hoe zal ik dan durven wagen, aan de Tafel te komen en eene spijs te nuttigen, waarvoor uwe grootste Heiligen beven? ik, die mij beladen vind met vele zonden, en zeer beslijkt door aardsche genegenheden!

Mijn deel behoorde te wezen, volgens den raad van uwen Profeet, al biddende met den mond in het stof te liggen, op hoop, dat ik mogelijk aldus verhoord mogt worden, of ten minste mij te houden van achler aan uwe voeten, om aldaar met de zondige vrouw mijne zonden te beweenen. Maar van den anderen kant hoor ik u zeggen, o minnelijke Zaligmaker! Tenzij dat gij het Vlccsch van den Zoon des menschen eet, en zijn bloed drinkt, zoo zult gij het leven in u niet hebben, (a) En hoe ellendig ik ook ben, gij noodigt mij om tot u te komen, als gij zegt: Komt tot mij, gij allen, die heiast en beladen zijt, en ik zal u verkvnkken. (b.) Uw gebod, uwe liefde, mijn nood dwingen mij tot u te naderen. Wie zal niet aangelokt worden, als hij denkt op de spijs, waartoe hij genoo-digd wordt, op den persoon, die hem noodigt, en op de liefde, met welke gij hem dwingt? Moest ik u niet zeggen, gelijk Mephiboseth tot David zeide: ik en geheel mijn geslacht (a) Joan. lt;gt;. v. 26. (b) Matth. 31. v. 18.

422

ocr page 427

COMMUNIE-OEFENINGEN.

ben den dood schuldig aan mijnen Heer en Koning, en gij hebt mij niettemin gesteld onder degenen, die eten aan uwe tafel! Wat eene barmhartigheid!

Ik kom dan tot u, o Jesus! dewijl uwe liefde mij dwingt; maar geef, dat ik er komen moge, met eene allerdiepste vernedering, en met eene eerbiedige vrees. Geef mij, dat ik ten minste van verre moge navolgen de eerbiedigheid en liefde van de hemelsche Cherubijnen, die, al hunne krachten en hunne gansche liefde tot u gekeerd houdende, nogtans uit eerbied hun aanschijn met hunne vleugels bedekken, niet durvende hunne oogen omhoog heffen. Zij vreezen en zij beminnen. Dat ook alzoo, bid ik u, mijne liefde niet zij, zonder eerbiedige vrees voor uwe verlievenheid, en mijne vrees niet zonder liefde tot uwe goedheid. Amen.

II. GEBED.

OEFENINGEN VAN VEUTROUWEN.

Heer Jesus! gij hebt een groot avondmaal aangerigt, en gij dwingt de armen, de gchrek-kigen, de kreupelen en de blinden, daar binnen te komen. (Luc. 44 v. 25.) Het zijn alleen de ellendigen, die hunnen nood gevoelen, en die tot u komen om geholpen en verzadigd te worden, die deel mogen hebben aan uwe tafel. Deze woorden van troost doen mij met vertrouwen op uwe oneindige barmhartigheid tot uw H. Avondmaal naderen; want ik ben arm, dewijl mij alles ontbreekt.

Maar geef my toch den geest van armoede,

423

ocr page 428

424 COMMUNIE-OEFENINGEN.

opdat ik die kennende, wensche van u geholpen te worden. Ik weet dat gij aan den geest van armoede al uwe goederen belooft. „Gij ))gaat de magtigen voorbij, en gij helpt de »armen. Doch hij is arm en behoeftig, die »zich zeiven niets toeschrijft, maar alles afwacht svan uwe barmhartigheid, die, aan uwe deur skioppende opengedaan wordt; naakt en bevend, »opdat hij gekleed worde; houdende de oogen snedergeslagen en slaande op zijne borst Zulk «eenen behoeftige, zulk eenen arme, zulk eenen «ootmoedige, helpt gij, o Heer!quot; {Aug.in Ps. 160.) Geef mij dan dat ik aan zulk een arme gelijk moge zijn.

Benevens de armen stelt gij aan uwe tafel de gebrekkigen, die krank en verminkt zijn, aan wie altijd iets ontbreekt. Zij zijn niet dood noch doodelijk ziek; want zij komen naar het avondmaal, en daarin zijn zij gelukkig, dat zij hunne krankheden voelende kunnen zuchten. Maar wie,, o Heer! heeft meer reden dan ik om te zuchten, daar ik zoo krank en in alles zoo gebrekkig ben! Ik vertrouw nogtans op u, want al ben ik zeer gewond, gij zijt een almogende Geneesheer, en al ben ik vol ellenden, gij zijt de God van alle genade.

Wie zijn de kreupelen, welke gij tot uw avondmaal dwingt te komen, tenzij mijns gelijken, die wel iets goeds willen en eenigszins begeerig zijn naar de hemelsche goederen, maar ook nog hellen naar de aarde, door de aardsche genegenheden en bekommeringen; o Heer! neem van mij toch weg alle begeer-lijkheden en wereldsche beuzelarijen, en doe

ocr page 429

COMMUNIE-OEFENINGEN.

mij met eene onbelemmerde vlijt in uwe wegen gaan en wandelen.

Ik stel mij ook met reden omler de blinden, want hoe weinig zie ik nog van uwesclioon-lieid, hoe duister is mijne kennis van de liefde, die ik u schuldig ben?

»0 eeuwige waarheid! o ware liefde en «lieve eeuwigheid! gij zijt mija Gcd, verlicht «mijne oogea, opdat ik zien moge, en ik dag »en nacht verzucht tot u.quot; (Awj. Conf. I. 7. c. '10. n. 2.)

Gij ziet dan hier voor u geknield, o mijn Zaligmaker! een' mensch, die arm, gebrekkig, kreupel en blind is. Éoe mij gevoelen, o Heer! düt gij mijn licht, mijne genezing, mijne sterkte, mijn rijkdom, mijne verzadiging on mijn behoud zijt, alzoo zal ik met vertrouwen durven deelachtig worden aan uwe H. Tafel.

Ill GEBED.

■VERSCHEIDENE OEFENINGEN VAN LIEFDE.

«Geef u aan mij, o mijn God! geef u aan «mij, want ik bemin u, en bijaldien ik u «te weinig bemin, vergun mij dat ik u «meer beminnen moge. Ik kan niet afmeten, «hoe veel mij van uwe liefde ontbreekt, om «uit de volheid des harten te loopen tot uwe «omhelzingen zonder af te wijken, tot dat ik «in het iicht uws aanschijns verbergen zal «zijn. Eene zaak weet ik alleen, dat ik el-

«lendig ben zonder u, zoowel binnen als buiten

«mij zeiven, en dat alle overvloed, die mijn 21 11*

425

ocr page 430

COMM'JNiE-OEFENINGKN.

God niet is, maar ware behoefte is (a). O »liefde! die altijd brandt en nimmer uitdooft! »0 liefde, die mijn God zijt, ontsteek mij »toch! (b).« Ach of gij de hemelen scheur-det en afkwaamt, riep eertijds een van de Profeten (c), de hergen zouden voor u loeg-vlieden, zij zouden als door het vuur smelten, de wateren zouden in brand geraken. Deze wensch, o Heer! is van uwe zijde vol-bragt. De hemelen zijn opengegaan, en de regtvaardige is nedergedaald. Waarom smelten de bergen dan niet? quot;Waarom wordt het ijs niet brandende? Waarom steekt het vuur van den hemel niet alles in brand? Gij hebt het in de oude wet dikwijls doen vallen op de ofïeranden die u behaagden, en het verslond ten tijde van Elias (d) niet alleen het slagtoffer dat op het altaar lag, maar ook al het water, dat in de grachten was, die men daar rondom had gegraven. Het was een afbeeldsel van hetgeen onder ons moest voltrokken worden, en hetgeen telkens volbragt wordt van uwen kant, maar zelden van den onzen. Laat niet toe, bid ik u, o mijn God! dat ik geen deel zoude hebben in het vuur, dat gij op de aarde zijt komen brengen, en dat gij zoo zeer wenscht ia mijn hart te ontsteken; ontsteek mij toch door de vlammen, die op het altaar liggen, en dewijl gij een verslindendend vuur zijt, laat mij het proeven door uwe barmhartigheid, opdat het mij hiernamaals niet verniele in uwe verbol-

(a) Aug. 1, 13, Conf. c, 8. (b) Aug. 1, 10, Conf. c, 29. fc) iBai, G4, v. 13. (d) 3 Keg. 18 v. 28.

426

ocr page 431

COMMUNIE-OEFENINGEN. 427

• genheid. Blink en schitter voor mijne oogen;

ontsteek mijne laauwheid; verspreid in mijne j ziel den geur des levens; doe mij smaken

hoe zoet gij zijt; tref den innigsten grond 3 van mijn hart, en dat het kenne aan uwe

hand, dat gij alleen verdient zijn Heer en Meester te zijn, als alleen bekwaam om het te verzaden. Overwin door een levend en

doordringend gevoel de valsche zoetheden,

e die mijnen zwakken wil verleiden en beder-

i ven. Jaag al de onregtvaardige overwel-

s digers uit uwen tempel, en gij, die de

r waarheid en het opperste genoegen zijt, neem_

t er de plaats van de leugentaal en van de

p uitzinnige blijdschap in. Breng de onregtvaardige liefde, waarmede ik mij zeiven bemin,

t tot de zalige palen, die mij uwe wet voor-

k, schrijft. In plaats van mij zeiven te beminnen

!, tot de verachting toe van uwen heiligen wil,

t maak dat ik u beminne tot de verachting van

s mij zei ven.

s üij alleen, mijn God! kunt mij leeren u

n opregtelijk te beminnen, tot alle andere we-

o tenschappen kunnen aardsche leermeesters mij

n nuttig zijn; maar mijn hart is alleen gehoor-

n zaam aan uwe stem. Zeg mij dan, wat gij

n voor mij zijt, schort voor een weinig tijds het

e gevoel op van mijne ellenden; laat mij mijne

jl kwalen voor een oogenblik vergeten, opdat ik

it mij met een vol vertrouwen geheel moge

ït overgeven aan uwe liefde. Gij wilt in mijn

1- hart komen rus!en; laat dan toe, dat ik mij

f. in het uwe werpe. Gij wilt u met mij vereenigen, maak dan, dat ik mij vereenigemet

m

ocr page 432

COMMUNIE-OEFENINGEN.

u, als met mijn opperste goed; en dat ik mij zoo vast en zoo innig aan u verbincle, dat geene zaak ter wereld bekwaam zij mij van u af te scheiiJen.

Ik ga nu zoo aanstonds het geluk genieten van u te ontvangen, niet gelijk Zachaeiis, of gelijk de zusters van Lazarus, in een uitwendig huis, maar in het binnenste van mijn hart. Zeg mij den vrede aan, bid ik u, gelijk gij bevolen hebt aan uwe discipelen, vrede zij aan dit huis: en wanneer gij zult rusten in mijn hart, laat mij dan een oogenblik gevoelen wat de beminde discipel gevoelde toen hij op uwe borst rustte. Zeg tot mijne ziel, ik ben uwe zaligheid: maar zeg het zoo verstaanbaar, de.t de troost van dit woord mij ondersteune zoo lang ik leven zal. Ik luister tegenwoordig naar u, en binnen eene wijl tijds zal ik naar u luisteren met eene nieuwe aandacht; spreek dan, o Heer! en geef dat uwe woorden mijn hart vervullen met eene hemelsche vreugd.

Uij gebiedt mij u te beminnen, en gij dreigt mij met zware ellenden, indien ik u niet bemin. Helaas! o Heer! wat ben ik dan of waarin hebt gij mij noodig, dat gij mij dit gebiedt? Zou ik niet ellendig genoeg zijn, indien ik daaraan ontbrak? Maar dewijl ik u niet beminnen kan zonder uwe genade, uw gebod en uwe bedreigingen dwingen mij om ze u te vragen, en doen mij vertrouwen, dat ik ze bekomen zal, te meer, omdat ik u hier smeek, dat gij mij liever alles zoudt weigeren, dan deze grootste gunst; verhoor slechts deze begeerte alleen; verleen mij slechts dezen

428

ocr page 433

COMMUNIE-OEFENINGEN.

eenigen troost; en leid mij dooi' zulke wegen, als het u believen zal, tot dit overgroot geluk, zonder acht te slaan op het klagen en kermen van mijnen bedorven wii, dienik voor altijd verloochen.

N.B. Degenen, die zich liever al mediterende bereid maken tot de H. Communie, kunnen met hun hart overwegen de volgende punten.

Wie is het, die tot mij komt?

Wie ben ik, die tot hem ga?

Hoe komt hij tot mij?

Hoe moet ik hem ontvangen?

Waarom moet ik hem ontvangen ?

Waarom komt hij tot mij ?

Verzuchtingen vóór de H. Communie.

Getrokken uit lt;le II. Schrift.

Ik geloof. Heer! help mijneongeloovigheid. Mare. 9.

Vermeerder mijn geloof. Luc. 17.

Gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God. Matth. 16.

Mijn Heer, mijn God! Joan. 20.

Het is mij goed aan God gehecht te zijn en in hem mijne hoop te stellen. Psalm. 72.

Op u, o Heer! heb ik vertrouwd, en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden. Psalm 30.

Gij weet, Heer! dat ik u bemin. Joan. 21.

Tot wien zal ik gaan ? gij hebt de woorden van het eeuwig leven. Joan. 5.

Heer wees mij zondaar genadig. Luc. 18.

Ontferm u mijner. Zoon van David! Marc. 10.

429

ocr page 434

430 COMMUNIE-OEFENINGEN.

Indien gij wilt, Heer! gij kunt mij genezen. h

Luc. 5. quot;

O Heer der heirkrachtenl hoe liefelijk zijn ei

uwe tabernakelen, mijne ziel wenscht en bezwijkt van verlangen naar de voorzalen van si het huis des Heeren. Ziel en ligchaam haken a. met vrolijkheid naar den levenden God. Ps. 83. u Gelijk een hert verlangt naar de bronnen di der wateren, zoo verlangt mijne ziel naar u, h mijn God! Psalm 41. gt Kom, Heer Jesus. Apoc 22. /c, Mijn hart is bereid, mijn God! mijn hart is bereid. Psalm. 56.

Wanneer het oogenhlik van de Communie gekomen is, verwek dan terwijl men het Confiteor bidt, nog eene akte van Berouw

uit het binnenste uws harten; zeg daarna tc

met de diepste ootmoedigheid, driemaal:

Heer ik ben niet waardig dat gij onder mijn bi

dak komt, maar spreek slechts één woord, en

mijne ziel zal gezond worden. al

Ga tot de communiebank met de grootste

zedigheid, de handen te zamen, de oogen et

neergeslagen, zonder ie dringen om anderen P voor te gaan.

Ontvang de 11. Hostie met den commu- bi

niedoek op de handen, het hoofd regt en la stil houdende, de oogen nederwaarts, de

mond behoorlijk geopend, de tong, tot aan C

de onderste lip. Doe den mond stil toe, wan- 1'

neer de Priester de hand terugtrekt; laat le

de H. Hostie een weinig op de tong rusten, sc

tot dat zij ivat vochtig wordt, om ze gemak- oi • kelijk door te zwelgen; ondertusschen met

ocr page 435

COMMUNIE-OEFENINGEN.

het hart zeggende: Het ligchaam van onzen Heer Jesus Chrhtus beware mijne ziel tot het eeuwige leven.

Verlaat de communiebank met dezelfde stichting. Wacht u van spuwen en van aanstonds uit de kerk te gaan; stort geheel uw hart voor Jesus Christus uit en bewonder zijne goedheid, aanbid hem, bedank hem, klaag hem uwen nood, verzoek zijne genade, offer u geheel aan hem op. Hiertoe kan men met het hart doen de volgende.

Verzuchtingen na de II. Communie.

Getrokken uit de II. Schriftuur.

Mijn Heer en mijn God! wat is de mensch toch, dat gij hem gedachtig zijt! Psalm 8.

O mijne ziel! zegen den Heer, en al wat binnen mij is, love zijnen H. Naam. Psalm 102.

O God mijns harten en mijn erfdeel voor altijd! Psalm 73.

O Heer! wat is er voor mij in den Hemel, en wat wensch ik op de aarde buiten u! Psalm o'2.

Ik heb hem gevonden dien mijne ziel bemint; en ik zal hem vasthouden en niet laten gaan. Can!. 5. -

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? De verdrukking of de benauwdheid?... Ik ben verzekerd, dat noch de dood, noch het leven, nog eenig schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus Jesus onzen Heer. Rom. 8.

Heer! zeg toch aan mijne ziel hetgeen gij

431

ocr page 436

communie-oefeningen.

tot Zacbaeüs gezegd hebt; Heden is de zaligheid over dit huis gekomen. Luc. 19.

Heer, ik zal n niet laten sraan, tenzij gij mij gezegend zult hebben. Gen. 32.

NA DE H. COMMUNIE.

I. GEBED.

OefcDingcn van verwondering, van aanbidding, van dankzegging.

O mijn God! welk eene barmhartigheid, welk eene goedheid, welk eene liefde: van waar komt mij die eer, dat mijn God en Schepper tot mij komt? De opperste Heer tot eenen eüendigen slaaf, de koning van hemel en aarde tot eenen verworpen aardworm, en een weinig stof.

Gij rust nu tegenwoordig, o Jesus! in mijne ziel als in een tabernakel, ik aanbid u, zoo in uwe goddelijke grootheden als in uwe oneindige vernederingen. Gij zijt de God van mijn hart en mijn erfdeel. Het lot van mijne eeuwige zaligheid is in uwe handen. Ik vereenig mijne aanbiddingen met die van uwe heilige Moeder en van al de Hemelsche Geesten.

Ik aanbid u, o allerheiligst ligchaam, dat zoo wreedelijk voor mijne zaligheid doorwond zijt geweest. O dierbaar en heilig bloed! dat zoo overvloedig gestort zijt geweest uit de wonden van mijnen Zaligmaker, tot afwassching van mijne ziel, zuiver en heilig haar van alle vlekken.

Wat zal ik den Heer wedergeven voor al

432

ocr page 437

COMMUNIE-OEFENINGEN. 433

wat hij mij gegeven heeft? Hij heeft mij bemind en hij heeft zich zeiven voor mij ten dood geleverd. Hij geeft zich zeiven nu wederom geheel aan mij, vervult mij met zijne genaden, en brengt het onderpand van mijn eeuwig geluk tot binnen in mijn hart. O mijne ziel! loof den Heer, en dat al wat binnen mij is, eer geve aan zijn heiligen Naam. Loof hem, en wacht u van zijne weldaden ooit te vergeten.

Het is regtvaardig, o Heer! daar gij u geheel aan mij gegeven hebt, dat ik mij ook geheel aan u geve. Ontvang dan, bid ik u, de offerande die ik u heden doe van geheel mij zeiven. Geef dat ik mijn hart slechts gebruike om u te beminnen, mijn verstand om uwe grootheden te overwegen, mijn geheugen om uwe weldaden te gedenken, mijne tong om u te loven, mijne handen om goede werken te doen, mijne voeten om den weg uwer geboden te bewandelen, en geheel mijn ligchaam om u in zuiverheid en regtvaardigheid te dienen.

II. GEBED.

Gebed om verschillende gunsten.

Heer Jesns! wanneer gij op de wereld zigt-baar met de menscben verkeerdet, gaaft gij uwen zegen aan ieder huis waar gij binnen kwaamt, en gij genaast de kwalen van allen die met geloof en vertrouwen u kwamen smeeken. Wat zult gij mij kunnen weigeren, daar gij nu binnen mij zijt, en u zeiven geheel aan mij gegeven hebt? O almogende

ocr page 438

COMMUNIE-OEFENINGEN

geneesheer, zie, ik verberg mijne wonden niet, steek uwe genezende hand uit over mijne kwalen Genees mijne hoovaardigheid door uwe nederigheid, mijne aangekleefdheid door uwe milddadigheid, maar verlos mij vooral van die en deze gebreken. (Men zal hier zijne voornaamste fouten aan Jesus vertoonen om er van genezen te worden, als ook zijne meeste bekoringen en zwaarste gevaren.)

Doe mij beminnen hetgeen gij beveelt, en verlangen naar hetgeen gij belooft Geef mij hetgeen gij gebiedt, en gebied, al hetgeen gij begeert. Blijf in mij door uwe genade, en doe mij in u blijven door uwe liefde.

Geef mij, dat ik altijd gedenke, dat hetzelfde Vleesch en Bloed, waarmede gij mij zoo goedertieren hebt gespijsd, voor mij is opgedragen aan den boom des kruises, waar gij voor mij gestorven zijt: leer mij hierdoor gedurig sterven aan alle kwade driften. Doe mij ook voordeel trekken uit de lessen, die gij ons geeft, in dit H. Sacrament. Gij verbergt u aldaar onder de gedaanten van Brood en Wijn; geef mij dat ik traclite naar de stilte en naar een verborgen leven. Gij verdraagt hier zoo vele onteeringen zonder u te wreken; doe mij ook alle verachtingen gaarne verdragen. Leer mij eindelijk, hoe heilig het leven moet zijn van een Christen, die gevoed wordt met zijnen God. Vervul mij met uwen geest, opdat ik moge zeggen; Ik leef, ik nu niet, maar Christus leeft in mij.

434

ocr page 439

COMMUNIE-OEFENINGEN.

GEBED

dat de H. Ignatius van Loyola, insteller dor Societeit van Jesus, dikwijls bad.

Ziel van Christus, heilig mij.

Ligchaam van Christus, maak mij zalig. Bloed van Christus, verheug mij.

Water der zijde van Christus, wasch mij. Lijden van Christus, versterk mij.

O goede Jesus, verhoor mij.

In uwe H. Wonden verbsrg mij En laat niet toe, dat ik van u gescheiden worde. Van den boozen vijand bescherm mij.

In het uur des doods roep mij.

En gebied, dat ik tot u koine.

Opdat ik met uwe Heiligen uin eeuwigheid love. Amen.

Gebed tot de II. Maagd.

Ik beveel mij aan u, o Koningin des hemels en der aarde, gezegende Moeder van Josus, dien ik nu ontvangen heb, en bid u om uwe genadige voorspraak bij denzelfden uwen Zoon, opdat ik van hetgeen ik in eerbiedigheid, ot' anderzins in het ontvangen van dit E. Sacrament te kort gebleven ben, vergiffenis bekome, en daarom de vruchten van deze H. Communie niet verlieze,

Gij zijt altijd zuiver geweest en onbevlekt; maar na uwen Zoon ontvangen te hebben, zijt gij nog heiliger en aangenamer aan God geworden. Ach, of ik door het ontvangen van dien Zaligmaker zoo geheiligd worde, dat ik

435

ocr page 440

436 COMMUNIE-OEFENINGEN.

mij nu altijd zuiver beware van alle doode-lijke zonden! nadat gij, o Maria uwen Zoon ontvangen hadt, hebt gij met blijdschap uitgeroepen ; Mijne ziel maakt groot den Heer: ach of ik nu ook door uwe voorspraak de genade mogt verwerven, yan niet alleen met woorden, maar ook met werken te toonen, dat ik nu den Heer groot acht, en mij in hem altijd verheug, door hem met eenen nieuwen geest te dienen, eenen geest van liefde, van godvruchtigheid, van dankbaarheid, van zuiverheid, van gebed, van versterving, van waren vrede met mijnen evenmensch; ik verzoek dan uwe voorspraak om de genade te verwerven, door welke versterkt, ik mij nooit ondankbaar toone aan dien minnelijken Zaligmaker, dien ik heb ontvangen, maar hem met eene getrouwe liefde standvastig beminne en volkomen diene al de dagen mijns levens. Amen.

LOFZANGEN NA DE H. COMMUNIE.

DE LOFZANG Magnificat.

Deze is eene allerschoonste dankzegging van de allerheiligste Maagd Maria voor het ontvangen harer goddelijke vrucht. En daar de H. Communie eene uitbreiding is van de Menschwording, waardoor Christus binnen ons en voor ons in het hijzonder als mensch wordt, zoo komt deze

ocr page 441

COMMUNIE-OEFENINGEN.

11. Lofzang hier bijzonder te pas, gelijk ook de volgende waarin de H. Zacharias God zoo uitnemend verheft over het Geheim van de menschwording van zijnen Zoon. Dus moet men deze H. Lofzangen op eene geestelijke wijze trachten toe te passen.

LOFZANG VAN MARIA. ÏAIC, i.

Mijne ziel verheft den Heer!

En mijn geest heeft zich verheugd in God mijnen Zaligmaker.

Omdat hij de nederigheid zijner dienstmaagd heeft aangezien: want ziet van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.

Omdat hij, die magtig is, aan mij groote dingen gedaan heeft en heilig is zijn naam.

En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht, over hen, die hom vreezen.

Hij heeft magt door zijnen arm gedaan: hij heeft de hoogmoedigen in de verbeelding hunner harten verstrooid.

Hij heeft de magtigen van den stoel afgezet, en de nederigen heeft hij verheven.

Hij heeft de behoeftigen vervuld met goederen, en de rijken ijdel weggezonden.

Hij heeft Israël zijnen dienaar ontvangen: indachtig zijnde zijner barmhartigheid.

Volgens hetgeen hij aan onze voorouders heeft gezegd, aan Abraham en zijn nageslacht in alle eeuwen.

Eere zij den Vader, enz.

437

ocr page 442

COMMUNIE-OEFENINGEN.

DE LOFZANG Benedictus.

Deze is eene uitstorting des harten over de Menschwording van Christus, uitgesproken door Zacharias, Vader van den II. Joannes den JJooper.

Gezegend zij de Heer, de God van Israël, omdat hij zijn volk bezocht en verlost heeft.

En ons opgewekt heeft eenen magtigen Zaligmaker, in het huis van David zijnen dienaar.

Gelijk hij had voorzegd door den mond van zijne heilige Profeten, die er van alle tijden geweest zijn.

Dat hij ons zoude verlossen van al die- ons haten.

Om barmhartigheid te doen aan onze voorvaders, en zijn heilig verbond indachtig te zijn.

Volgens den eed, dien hij gezworen had aan onzen Vader Abraham, van ons te vergunnen, Dat wij, verlost zijnde uit de handen onzer vijanden, hem zonder vrees zouden dienen,

In heiligheid en regtvaardigheid, voor zijn aanschijn, al de dagen van ons leven.

En gij, o kind, zult de profeet van den Allerhoogste genoemd worden.

Want gij zult voor het aanfehijn des Heeren gaan, om zijne wegen te bereiden.

Om aan zijn volk de kennis der zaligheid te geven tot vergiffenis der zonden.

Door de innerlijke barmhartigheid van onzen God, -waardoor hij, die opgaande zon van hier boven, ons bezocht heeft.

438

ocr page 443

COMMUNIE-OErENINGEN.

Om te verlichten die in de duisternis en in de schaduw des doods zitten, en om onze voeten te bestieren in den weg van vrede.

DE LOFZANG Nunc dimittis.

Uitgesproken door den ouden Simeon, toen hij Jesus in zijne armen ontving.

Nu zult gij, o Heer! uwen dienaar volgens uw woord, laten gaan in vrede.

Want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien.

Die gij bereid hebt ten aanzien van alle volkeren.

Om te zijn een licht tot veilichting der Heidenen en tot glorie van uw volk van Israël.

LOFZANG.

Te Deum Landarnus.

U, o God! loven wij; u o Heer! prijzen wij.

U, o eeuwige Vader, vereert de geheele aarde.

U loven alle Engelen, alle hemelen, alle magten.

U roepen de Cherubijnen en Serafijnen onophoudelijk toe.

Heilig, Heilig, Heilig, is de Heer God der heirkrachten.

Kemel en aarde zijn vol van de heerlijkheid uws Naams.

U looft het glorierijke koor der Apostelen.

U prijst de lofwaardige schaar der Profeten.

U roerat het glinsterend heir der Martelaren.

439

ocr page 444

COMMUNIE-OEFENINGEN.

U erkent de heilige Kerk over geheel de aarde.

Vader der oneindige heerlijkheid.

En uwen waren, eenigen, aanbiddenswaar-digen Zoon,

Alsmede den heiligen Geest, den trooster.

Christus! gij zijt de Koning der Heerlijkheid.

Gij zijt de eeuwige Zoon des Vaders.

Gij hebt, wanneer gij om den mensch te verlossen, de menschheid zoudt aannemen, den schoot eener maagd niet geschroomd.

Gij hebt den prikkel des doods overwonnen, en aan de geloovigen het hemelrijk geopend.

Gij zijt gezeten aan de regterhand Gods, in de heerlijkheid des Vaders.

Wij gelooven dat gij eens als regter zult wederkomen.

Daarom (onder deze woorden knielt men neder) bidden wij u, kom uwe dienaren te hulp, die gij met uw dierbaar bloed verlost hebt.

Laat hen allen in de eeuwige glorie onder uwe Heiligen eene plaats bekleeden.

Heer, behoed uw volk en zegen uw erfdeel.

Heersch over hen en verhef ze tot in eeuwigheid.

Dagelijks loven wij u.

En prijzen uwen naam in eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwigheden.

Gewaardig toch, o Heer! heden ons van alle zonden te bewaren.

Ontferm u onzer, o Heer! ontferm u onzer.

Laat, o Heer! uwe barmhartigheid over ons komen, gelijk wij op u vertrouwd hebben.

Op u, o Heer! heb ik vertrouwd; en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.

440

ocr page 445

COMMUNIE-OEFENINGEN.

LOFZANG van den H. Thomas van Aquinen.

O verborgen Godheid, U aanbidt mijn hart, U, die in deez' schijnsels oversluijerd werdt. 'k Geef mij gansch gevangen voor uw Majesteit; Zinkend, bij 't aanschouwen, in mijn magt-

loosheid.

Oogen, smaak en voelen falen in deez' stond, Maar 't geloovig hoeren biedt ons vasten grond. Ik geloof de leere, van Gods Zoon gehoord; Niets is meer onfeilbaardanhetWaarheidswoord.

Aan het kruis verborg zich 't God-zijn slechts

alleen;

Maar hier is het mensch-zijn schuilende meteen. Toch geloof ik beiden, en belijd ze meè Met den goeden moorder in een zelfde beè.

Ik beschouw, als Thomas, uwe wonden niet. Maar Gij zijt mijn God toch, dien ik hulde bied. Leer me in U gelooven, in U hopen. Heer, En U vurig minnen, immer, immer meer.

O gedachtnisteeken van des Heeren dood! Levend, en den stervling levendmakend Brood, Geef mijn arme ziele, dat zij door U Jeev', En meer hongrend immer naar U henen streev'.

Pelikaan vol liefde, Jesus naamloos goed, Wasch mij van mijn smetten in uw godlijk bloed; Één, een enkle druppel kan het wijd heelal Zuiveren van zonden, eindloos in getal.

441

ocr page 446

COMMUNIE-OEFENINGEN.

Jesus, dien mijne oogen hier verscholen zien, Laat mijn smachtend harte 't hooge heil geschiên. Dat ik zonder sluijer 't godlijk aangezigt Zien moge, eeuwig zalig in uw glorielicht. Amen.

DE LOFZANG Lauda Sion.

Loof, o Sion, den behoeder,

Loof den Leidsman uwen Voeder,

Met gedicht en zoet geklank.

Loof zoo zeer, als g' hem kunt loven;

Want hij gaat al ver te boven Al de magt van uw gezang.

O wat stof wordt ons gegeven!

't Brood dat leeft en ons doet leven.

Wordt ons heden voorgesteld;

't Welk ter Tafel des Behoeders,

Is vergund den twaalf Broeders,

Zoo als 't Evangelie meldt.

Laat dan alle droefheid zinken,

Laat de lof ten hoogste klinken.

En verheugt u in den geest:

Want 't betaamt dat wij versieren,

En met zielsgenoegen vieren,

d' Eerste instelling van dit Feest.

d' Oude schijnsels zijn verdwenen, En 't nieuw Paaschlam is verschenen,

't Oude neemt hier nu een end;

Want de nacht wijkt voor de klaarheid. En de schaduw voor de waarheid.

Van het nieuwe Testament.

Jesus gaf alsdan ook order.

Dat zijn' dienaars door zijn woorden 't Geen hy deed ook zouden doen.

442

ocr page 447

COMMUNIE-OEFENINGEN.

Dus -wordt door de Consecratie,

Brood en Wijn de bron van gratie,

En de spijs van ons rantsoen;

Want 't is d' eigen les des Heeren, Dat het Brood en Wijn verkeeren In zijn heilig Vleesch en Bloed.

Noch 't begrip; noch 't oog dit merken, 't Vast geloof moet u versterken,

Daar 't verstand voor wijken moet. Onder tweederhande schijnen.

Daar de wezens van verdwijnen,

Schuilt het allereêlste pand,

't Bloed is drank, 't Vleesch is spijze, Nogtans op een wond're wijze

Houdt hier Jesus zijnen stand. Van den nutter niet geschonden.

Zonder hinder zonder wonden,

Wordt hij gansch en heel ontvaên. Laat er een of duizend wezen.

Gene nut zoo veel als deze.

En dit Brood wordt niet verdaan, 't Wordt genut van goede en kwade; Maar tot oordeel of genade,

Volgens hun' verscheidenheid.

Voor de kwaên de dood: en 't leven Voor de goên. Wie zou niet beven Voor zoo schrikkelijk onderscheid! Als het schijnsel wordt gebroken.

Weet, dat niet meer is beloken

In het gansch als in bet deel:

Want de zaak wordt niet gehinderd, 't Teeken wordt alleen verminderd,

En het wezen blijft geheel.

Zie daar voor ons afgezonden.

443

ocr page 448

444 communie-oefeningen.

't Brood der Engelen, aan geen honden,

Maar gegund aan kinders monden,

Want 't is waarlijk 't kinderen brood !

Door figuren is 't bewezen In 't geen wij van 't Manna lezen ;

Of als Izaiik wordt verwezen.

En als 'tPaaschlam wordt gedood.

Goede Herder, brood der armen,

Jesus, toil u mij ontfermen:

Wil ons spijzen en beschermen,

Toon ons na dit aardsche kermen,

't Rijk van 't eeuwig levensgoed,

Magt'ge kenner aller dingen.

Gij voedt hier uw stervelingen,

Laat ons uwen lof eens zingen,

Mede-erven van de kringen Die uw eeuw'ge liefde voedt.

Men kan ook de volgende punten overdenken:

Wie is het, dien ik ontvangen heb? Wie ben ik die hem genuttigd heb? Wat kan hij mij doen?

Wat wil hij voor mij doen?

Wat zal ik voor hem doen ?

Wat zal ik hem vragen?

Wat zal ik hem geven?

Na uwe dankzegging geeindigd xe hebben, keer ingetogen naar huis: breng dezen dag in de grootste godvruehtigheid door, woon met meerdere vurigheid de goddelijke diensten bij. Lees de levens der Heiligen, den Rozenkrans, enz.; voorts gedraag u in het toekomende zoo heilig dat gij met den H. Paulus moogt zeggen: ik leef, ik nu niet, maar Christus leeft in mij. Gal. 10.

ocr page 449

GrSBEDEI EN LITANIEU

VOOR IE DEREN DAG VAN DE WEEK.

Gebed tot Jesus als Koning.

VOOR DEN ZONDAG.

O Jesus! goddelijke Koning, hoe zeer verschilt uw koningrijk van dat van de koningen der aarde! die koningen vragen schatten van hun volk, en gij geeft ons de allergrootste schatten. Zij vragen zware dienst voor klein loon, en gij geeft ons voor kleine dienst het eeuwige loon. Zij bezorgen den tijdelijken vrede door den dood en het bloed van hunne soldaten, en gij bezorgt ons den eeuwigen vrede door uw eigen bloed en uwen eigen dood. O gelukkige en edele onderdanen! die u, mag-en: tigen en milddadigen koning, dienen.

Indien nu de goede koningen alles betrachten tot het welzijn van hunne onderdanen, cioor hen te helpen en te beschermen tegen hunne vijanden, hoeveel grooter vertrouwen moeten wij dan niet hebben op uwe goedheid en almogendheid?

De Joden zeiden van u: wij willen niet, dat deze over ons heerschappij zal voeren; en die quot;tste val1 ^enezareth baden u, dat gij uit hunne 'heid landpalen zoudt willen vertrekken. O gruwe-keili- Hjke verblindheid! Maar ik, o Jesus! bid u, i het kom tot mij, en wees mijn Koning. Totschat-aulus ting, gelijk ik u schuldig ben, breng ik mijn hart, en offer u liet op tot eenen

ocr page 450

LITANIE TOT DE

troon. Kom, neem er bezit van als Heer en Meester. Drijf er uit al wat u mishaagt, al onze vijanden, mijne kwade driften, en heersch alleen door uwen geest en uwe liefde, o wettige Koning van alle harten! Ga toch van mij niet, o licht! o leven, o sterkte! o zoetheid van mijne ziel!

Verfoei en schuw de hoovaardigheid,

Bemin en oefen de ootmoedigheid.

LITANIE

ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

Heer, ontterm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld,

God H. Geest.

H. Drievuldigheid, één God, §

Heer, die een geest zijt, en in geest en in §-waarheid wilt aanbeden worden, g

Heer, wiens godheid noch goud, noch zilver

noch steen, of iets dergelijks is, 0

Heer, aan wien niemand gelijk is, en bui- g ten wien er geen God is. ^

Koning der eeuwen, die alleen van natuurs- * wege de onsterfelijkheid hobt,

446

ocr page 451

ALLERH. DRIEVULDIGHEID. 447

Groote God, uit wien alles voortkomt, en

door wien alles behouden wordt,

Heer, in wien wij leven, ons bewegen, en zijn.

Heer, die overal zijt en wiens voorzienigheid boven alles is.

Heer, die zoo groot zijt, dat u geene gedachten kunnen begrijpen,

Heer, wien geheel het aardrijk, noch de

hemelen kunnen bevatten,

Heer, wien geen mensch gezien heeft, noch zien kan,

Heer, wiens oordeelen ondergrondelijk zijn,

en wiens wezen onbegrijpelijk is, o

Heer, voor wiens Majesteit wij stofenasch amp;

zijn, g

Heer, die alles doet wat u belieft in den hemel, 3 op de aarde, in de zee en in de afgronden, C Heer, die de harten der menschen in uwe g hand hebt, en neigt, waar gij wilt, g Heer, die een verterend vuur zijt, wiens ^

gramschap niemand kan wederstaan.

Heer die een ieder vergeldt naar zijne werken,

Heer, die alles schikt in getal, gewigt en g maat,

Heer, die onze harten onderzoekt, en onze 3 nieren doorgrondt,

Heer, die alles bemint wat er is, en niets haat van al hetgeen gij geschapen hebt, . § Heer, die de zonden der menschen om S hunne boetvaardigheid kwijtscheldt.

Heer, die in uwe woorden waarachtig en in uwe beloften getrouw zgt,

ocr page 452

LITANIE TOT DK

Heer, die niet wilt, dat wij zullen vreezen, o omdat gij, onze God en helper, met ons 5.

zijt, . |

Allerheiligste God, door wiens glorie geheel » de wereld vervuld is, c

Heer, aan wien alle eer en heerlijkheid g toekomt, g

Heer, die zelf het loon uwer dienaren zijt, r-Wees genadig, spaar ons Heer.

Wees genadig, verhoor ons Heer.

Van alle hoovaardigheid en opgeblazenheid des

geestes, verlos ons. Heer.

Van alle onmatigheid en onzuiverheid. Van alle gramschap, nijd en kwaden wil

tegen onzen evennaaste.

Van alle traagheid, en van aardsche eh

ongeregelde droefheid, o

Van gierigheid, die de wortel is van alle Squot; kwaad, 0

Door uwe onbepaalde almogendheid, »

Door uwe oneindige wijsheid,

Door uwe ondoorgrondelijke alwetendheid, ^ Door den diepen afgrond van de oordeelen

uwer regtvaardigheid.

Door uwe volmaakte en onveranderlijke

gelukzaligheid,

In den dag des oordeels,

Wij zondaren wij bidden u, verhoor ons. Dat gij ons de genade wilt verleenen om u uit geheel onze ziel, al ons verstand en al onze krachten te beminnen, wij bidden u, verhoor ons.

Dat wij uwen H. Naam nooit ligtvaardig gebruiken, wij bidden u, verhoor ons.

448

ocr page 453

ALLEnn, DRtEVUt,DIG HEID» 449

Dat wij de zondagen en heiligdagen, die u zijn toegewijd, in godsdienstigheid en andere goede werken mogen doorbrengen en heiligen,

Dat wij aan onze ouders, en alle overheid, eer

en gehoorzaamheid otn uwent wil bewijzen. ^ Dat wij nooit het leven of de eer van onzen SI evenmensch krenken, fT

Dat onze zielen nimmermeer door onzuivere ö werken of woorden, door begeerten of gedachten besmet worden, ^

Dat wij nooit iemand door onregtvaardigheid g-beschadigen, §

Dat wij onze monden van valsche getuige-

nis en alle leugentaal zorgvuldig bewaren, 3 Dat wij de goederen der wereld niet ongeregeld begeeren.

Dat gij onze harten tot het onderhouden van uwe geboden wilt neigen.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer. Heer!

Allerheiligste Drievuldigheid, hoor ons. Allerheiligste Drievuldigheid, verhoor ons. Onze Vader, enz.

Laat ons hidden,

Almagtige, eeuwige God! die door de belijdenis van het waar geloof uwe dienaren hebt doen kennen de Heerlijkheid van de eeuwige Drievuldigheid en in de oppermagtige Majesteit 21 15

ocr page 454

LITANIE ENZ.

hebt geleerd een -wezen te aanbidden; -wij bidden u, bescherm ons altijd door de kracht van dat geloof tegen allen tegenspoed. Door Christus onzen Heer. Amen.

SCHIETGEBED.

Gezegend zij de H. Drievuldigheid en onverdeelde Eenheid, laten wij Hem belijden, omdat Hij barmhartigheid aan ons heeft bewezen.

Glorie zij den Vader, die ons geschapen heeft.

Glorie zij den Zoon, die ons verlost heeft.

Glorie zij den H. Geest, die ons geheiligd heeft.

430

ocr page 455

hjf* ï J 8 a [r^

GEBED TOT JESUS

als Vader.

VOOR DEN MAANDAG.

O zoete Jesus! minnelijke Vader, die mij uit eenen allerellendigsten staat tot uw kind en uwen erfgenaam hebt aangenomen, doe mij zien, hoe goede Vader gij voor mij zijt, die zoo goedertieren voor mij zorgt, die voorziet in al mijne noodwendigheden; en die met zoo groote verduldigheid mijne gebreken verdraagt. Doe mij voelen met hoe teedere liefde gij mij bemind hebt, als gij mij gebaard hebt aan het kruis. Helaas! o minnelijke Vader! ik ben altijd tusschen uwe armen, gij denkt altijd op mij, en ik zoo weinig op u. Ik ben altijd in uw hart, en gij zoo weinig in het mijne. Uwe schepselen dienen mij, ja gij dient mij door uwe schepselen, en hoe dien ik u? Gij hebt voor mij geleefd, en gij zijt voor mij gestorven, en wat doe ik voor u?

Integendeel, o goede Vader! ik heb u schandelijk verlaten, en het treffelijk erfdeel van uwe genade verkwist met u doodelijk te vergrammen. Maar wetende, dat gij een mede-doogende Vader zijt voor hen, die opregt tot u wederkeeren, zoo kom ik tot u met den verloren zoon. Ach ! ontvang toch in genade uw onwaardig kind, dat zich nu neder-werpt voor uwe voeten, om vergiffenis biddende. Geef mij, o Jesus! een kinderlijk hart, opdat ik u voortaan beminne als mijnen Vader.

ocr page 456

LITANIE

Dat mijne grootste en eenige vrees zij u te vergrammen, en mijne grootste en eenige zorg ii te dienen en te behagen.

Verfoei en vermijd de gierigheid.

Bemin en oefen de harmhartigheid.

LITANIE

TOT DEN

HEILIGEN GEEST.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer,

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm n onzer. God Zoon, Verlosser der wereld,

God H. Geest,

Heilige Drievuldigheid, één God,

H. Geest, die van den Vader en den Zoon

voorkomt, o

Geest der eeuwige waarheid, ^

Geest van wijsheid en verstand, g

Geest van raad en sterkte, ®

Geest der wetenschap en godvruchtigheid, s Geest van de vrees des Heeren, g

Geest der heiligmaking, g

Geest der kracht, der liefde en matigheid, ^ Geest door wiens ingevingen de Profeten

gesproken hebben,

H. Geest, wiens zalving ons alle dingen leert, H. Geest, die de dolende zondaars bekeert,

452

ocr page 457

TOT DEN H. GEEST.

H. Geest, die uwe ware geloovigen maakt

van één hart en ééne ziel,

H. Geest, die aan uwe kinderen de ware

vrijheid verleent,

H. Geest, die de dubbelhartigen en geveinsden ontvlugt,

H. Geest, die de ziel zijt van hetligchaam

der H. Kerk,

H. Geest, die ons de duisternissen van de H. Schriftuur door de H. Kerk verklaart, H. Geest, die de Apostelen vervuld, en in hunnen mond uwe woorden gesteld hebt, H. Geest, die alleen ons Gods wet kunt doen

volbrengen, o

H. Geest, die zelf ook de gever van het S bidden zijt,

H. Geest, die zelf in ons en voor ons bidt» B door onuitsprekelijke zuchten, p

H. Geest, die onze harten van droefheid o verlost en die met liefde en vrede vervult, n H. Geest, die ons de verduldigheid en goe- quot;

dertierenheid geeft,

H. Geest, die onze zielen met zachtmoedigheid en zedigheid versiert,

H. Geest, die ons de onthouding en kuisch-

heid verleent,

H. Geest, die Gods liefde in onze harten uitstort,

H. Geest, die in uwe geloovigen woont als

in uwe tempels,

H. Geest, die uit uwe geloovigen stroomen

der levende wateren doet vloeijen, H. Geest, door wien wij niet meer slaven zyn, maar Gods kinderen en erfgenamen,

453

ocr page 458

LITANIE

H. Geest door wien de slaafsche vreesachtigheid is weggenomen, en Gods kinderen met liefde en vertrouwen roepen tot hunnen Vader, ontferm u onzer.

H. Geest, die ons naar de voltrekking onzer aanneming en verlossing doet zuchten en wenschen, ontferm u onzer.

H. Geest, die in ons wonende, onze sterfelijke ligchamen zult levend maken, ontferm u onzer.

Wees genadig, spaar ons. Heer.

Wees genadig, verhoor ons, Heer.

Van alle zonde, verlos ons. Heer. Van vermetelheid en wanhoop, ^

Van ongeloovigheid en hardnekkigheid tegen S[ de bekende waarheid, gf

Van alle bekoringen en lagen des duivels, o Van afgekeerdheid, tweedragt, gramschap S en nijd tegen onzen naaste, ^

Van alle onreinheid naar ziel en ligchaam, ngt; Van onboetvaardigheid en verhardheid des r-gemoeds.

Van allen geest, die aan u tegenstrijdig is. Door uwe altijddurende voortkomst van den

Vader en den Zoon,

Door de wonderbare werking, door welke Christus in het ligchaam van de zuivere Maagd ontvangen is.

Door uwe nederdaling over Christus ten

tijde zijns Doopsels,

Door uwe komst over de discipelen van

Christus,

In den dag des oordeels,

Wjj zondaren, wij bidden u, verhoor ons.

454

ocr page 459

TOT DEN II. GEEST.

Dat wij nooit de begeerten des vleesches

volbrengen,

Dat gij den geest der regtvaardigheid in

onze harten wilt vernieuwen,

Dat gij van ons nooit weggaat.

Dat gij ons wilt versterken om vromelijk

het goede uit te werken,

Dat wij u nooit bedroeven.

Dat wij u nooit wederstaan.

Dat gij onze harten zoo wilt vervullen, dat de vermakelijkheden der wereld in ons geene plaats vinden, i

Dat wij aan alle geesten niet gelooven,01 ^ maar wijselijk onderscheiden of zij uit St

ï God zijn, c-

jf Dat wij door uwe genade in den geest der p

3 zachtmoedigheid de zondaren onderrigten c

a en vermanen, ^

Dat wij altijd arm van geest mogen zijn, £? r Dat gij ons de christelijke en heilige droef- oquot;

' heid wilt leeren, --

Dat gij ons hongerig en dorstig wilt maken g naar de geregtigheid, V

Dat gij ons de zachtmoedigheid en barmhartigheid tot alle menschen wilt instorten, Dat wij den vrede met onzen naaste zoo onderhouden, dat wij kinderen Gods genoemd worden,

Dat gij ons wilt maken zuiver van harte,

opdat wij God mogen zien,

Dat wij de vervolgingen om de geregtigheid

als een bijzonder geluk achten.

Dat gij ons tot het einde in het goed leven wilt bevestigen,

455

ocr page 460

UTANIE TOT LAFENIS

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons. Heer,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

GEBED.

Kom H. Geest, vervul de harten van uwe Geloovigen en ontsteek in ons het vuur uwer H. Liefde, opdat wij u zalig mogen kennen, vuriglijk beminnen en behagelijk altijd dienen. Amen.

LITANIE

TOT

LAFENIS DER GELOOVIGE ZIELEN.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm u over alle

geloovige zielen.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u u over alle geloovige Kielen.

456

ocr page 461

DEIÏ GEL00V1GE ZIELEN.

God H. Geest, ontferm u over alle geloovige zielen.

H. Drievuldigheid, één God, ontferm u over

alle geloovige zielen,

H.Maria, bid voor haar.

H. Moeder Gods,

H. Maagd der Maagden,

Alle II. Engelen, ^

Alle H. Patriarchen en Profeten, £

Alle H, Apostelen en Evangelisten.

Alle H. Martelaren, o

Alle H. Bisschoppen en Belijders, ~-

Alle H. Leeraars, gquot;

Alle H. Priesters en Levieten, £

Alle H. Monniken en Kluizenaars,

Alle H. Maagden en Weduwen,

Alle Gods lieve Heiligen.

Wees genadig, spaar haar. Heer.

Wees genadig, verhoor ons, voor haar Heer. Van alle straffen en pijnen, verlos haar Heer. Van de schromelijke vlammen.

Van de vervaarlijke duisternissen.

Van het droevig kermen en weenen.

Van de pijnen die zij door de dagelijksche ^ zonden verdiend hebben, g-

Van hetgeen zij moeten lijden voor de dood- m zonden, daar zij nog niet ten volle voor 5quot; hadden voldaan,

Van de straf voor hunne onachtzaamheid

in u te dienen, ^

Van het droevig zuchten over het verzui- quot; men der gelegenheden, die zij gehad hebben om in de deugd te vorderen. Van het rnisb.iar, dat zij maken over den 21 15*

457

ocr page 462

LITANIE TOT LAFENIS

tijd en de werken, die zij tot uwe dienst en glorie niet besteed hebben,

Van hetgeen zij lijden voor het verzuimen

van het gebed en andere deugden, Van hetgeen zij lijden voor hunne gebreken

tegen de overheid,

Van hetgeen zij moeten betalen voor het ont- lt;• breken in de zorg van de onderdanen, H. Van hetgeen zij lijden voor kleine onmatig- ° heden, ij dele voldoeningen en kleine be- gquot; geerlijkheden, »

Van hetgeen zij verdiend hebben door afge- quot;

keerdheid en kleine twisten,

Van de ellenden, waar zij nu in zijn om p

hunne voorgaaande onlijdzaarnheid,

Van de pijnen, die zij nu uitstaan om het

overvloedig of kwalijk spreken, Van hetgeen zij lijden voor kv.'ade gedachten, begeerten en andere inwendige zonden.

Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. Dat wij door uwe genade in de deugden mogen groeijen, en haar door goede werken behulpzaam zijn, ^

Dat wij door werken van barmhartigheid, cü barmhartigheid voor haar mogen ver- §quot; krijgen, 3

Dat wij door onze ootmoedigheid voor hare -c hoovaardigheid kwijtschelding mogen ver- ^ werven, 2.

Dat wij met ons te versterven, voor hare § zinnelijkheden en kwade driften mogen ^ voldoen, §

Dat wij door onze verduldigheid vergiffenis quot;

458

ocr page 463

DEU GEIOOVIGE ZIELEN. 459

voor hare onverduldigheid mogen bekomen, Dat wij door onze zachtmoedigheid, de zuivering van hare korzelheden en gram-schap mogen verdienen, er-

Dat wij door ijverig en naarstig bidden, u amp; over hare traagheid in het gebed mogen gquot; verzoenen,

Dat wij door het oefenen van alle deugden ver- -giffenis van al hare fouten mogen verkrijgen, J-Dat gij de zielen van onze ouders, vrienden ~-en weldoeners, die in den Heer gestorven S zijn, van de pijnen des vagevuurs wilt o verlossen, _ g

Dat gij aan alle geloovige zielen de eeuwige *

rust wilt verleenen.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar haar. Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor haar, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u over haar. Heer! Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

Psalm 120. De Profundis.

Uit de diepten heb ik tot u geroepen. Heer! Heer! verhoor mijne stem.

Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijns biddens.

Indien gij de boosheden gadeslaat. Heer! Heer! wie zal bestaan?

ocr page 464

LITANIE TOT LAFENIS

Omdat er bij u genade is, en om uwe wet heb ik u, Heer! langmoedig afgewacht.

Mijne ziel heett op zijn woord gewacht: mijne ziel heeft op den Heer gehoopt.

Dat, van den morgenstond tot den nacht toe, Israël op den Heer hope.

Want bij den Heer is barmhartigheid, en bij hem is overvloedige verlossing.

En hij zal Israël verlossen uit al ziine boosheden.

v. Heer, geef hun de eeuwige rust.

R. En het eeuwig licht verschijne hun.

v. Van de poort der helle.

r. O Heer! verlos hunne zielen.

v. Dat zij in vrede rusten.

R. Amen.

v. Heer, verhoor mijn gebed,

R En mijn geroep kome tot u.

LAAT ONS BIDDEN.

Gebed voor eenen Bisschop of Priester.

O God! verleen genadig, dat uw Dienaar N., dien gij op deze wereld onder de Apostolische Priesters tot de bisschoppelijke (priesterlijke) waardigheid verheven hebt, met het gezelschap uwer heilige Apostelen vereenigrl worde. Door Christus onzen Heer. Amen.

GEBED Voor Yader en Moeier.

O God, die ons geboden hebt vader en moeder te eeren, wees de zielen van mijnen

■460

ocr page 465

DER GELOOVIGE ZIELEN. 461

vader en mijne moeder genadig! en hunne zonden vergeven hebbende, maak dat wij hen in de vreugd der eeuwige zaligheid mogen aanschouwen. Door, enz.

GEBED

Voor Vrienden en Weldoeners.

O God! gever der genade en minnaar der menschelijke zaligheid! wij bidden uwe goedertierenheid, dat gij aan de broeders, vrienden en weldoeners van deze vergadering, die uit deze wereld gescheiden zijn, door de voorbidding der Heilige Maagd Maria, en al uwe Heiligen, genadig verleenen wilt, dat zij te zamen met hen de eeuwige zaligheid genieten mogen. Door, enz.

GEBED Voor eenen Man.

Heer, neig uwe ooren tot onze ootmoedige gebeden, door welke wij uwe goedertierenheid smeeken, dat gij de ziel van uwen dienaar N., die gij uit deze wereld hebt doen verhuizen, in het land van vrede en licht wilt stellen, en haar het gezelschap uwer Heiligen doen genieten. Door, enz.

GEBED Voor eene Vrouw.

Wij bidden u, o Heer! wees de ziel van

'

■

ocr page 466

LITANIE TOT LAFENIS

uwe dienares N. naar uwe goedertierenheid genadig! en herstel haar die nu van de besmetting der sterfelijkheid verlost is, in het erfdeel der eeuwigheid. Door, enz.

GEBED

Voor alle geloovige zielen,

O God! Schepper en Verlosser aller Geloo-vigen, verleen aan de zielen uwer dienaren en dienaressen de vergiffenis van alle zonden: opdat zij de genadige kwijtschelding, waar zij altijd naar verlangd hebben, door godvruchtige gebeden mogen verwerven. Die leeft en heerscht in alle eeuwigheid. Amen.

BEWEEGDICHT.

Dies ine, dies Ulo.

Dag van gramschap, dag des Heeren, Die heel de aarde in asch zal keeren,

Naar Sibyl en David leeren.

Wat een schrik zal elk ontwaren.

Als de Regter neêr zal varen,

'tAl ten streng verhoor vergaren.

Een bazuinslag, vreemd van toone,

Dreunt er door der dooden wone.

Daagt hen allen voor zijn troone.

Dood, natuur verslaan en beven,

Als het schepsel zal herleven,

Om Hem rekenschap te geven.

462

ocr page 467

DER GELOOVIGE ZTELEM.

t Schuldboek wordt er aangedragen, Dat van alles zal gewagen,

Waarom 't vonnis wordt geslagen.

Is de Regter dus gezeten.

Wat er schuilt wordt klaar geweten.

Niets blijft strafloos of vergeten.

Wat zal ik, rampzaalge spreken?

Wien mij dan ten voorspraak smeeken. Als regtvaardigen verbleeken?

Gij die, schrikb're Gloriekoning,

Zaligt uit geniibetooning.

Heilbron! geef me uw zaalge woning.

Goede Jesus! wil gedenken,

Dat ge om mij U zelv' kwaamt schenken,

Wil mij dan ter hel niet wenken.

Moè zat Gij van me op te sporen,

't Kruis ook hebt Ge om mij verkoren: Zóóveel werk zij niet verloren.

Regter der geregte wrake!

Ach dat ik uw gunstwoord smake,

Eer de dag der reekning nake.

'k Zucht als een der schuldenaren, 't Schaamrood op 't gelaat gevaren. Wil toch. God! een smeekling sparen.

Die Maria hebt ontheven,

En een' moordenaar deedt leven,

My ook hebt Gij hoop gegeven,

463

ocr page 468

464 litanie tot lafenis, enz.

Ze is onwaard wat bede ik slake,

Maar Gij Goede! uw liefde make.

Dat ik niet in 't helvuur blake.

Wil mij bij de schapen leiden.

En mij van de bokken scheiden,

Aan uw regter plaats bereiden.

Bij 't verdoemen der verloornen,

't Vuur ten prooi van 't eeuwig toornen, Roep mij met uwe uitverkoornen.

'k Smeek U, diep ter aard' gebogen,

't Hart verbrijzeld voor uwe oogen.

Heb toch met mijn eind' meèdoogen. .

O die dag van jammerklagen,

Die den mensch voor 't oordeel dagen. Uit het stof zal op doen rijzen,

Godl wil hem genü bewijzen;

Goede Jesus! hoor mijn beè:

Geef hun, Heer! uw eeuw'gen vree. Amen.

ocr page 469

GEBED TOT JESUS.

als onzen Leermeester.

VOOR DEN DINGSDAG.

O Jesus! uw hemelsche Vader heeft ons van u gezegd: Beze is mijn welbeminde Zoon, in ivien ik mijn behagen gesteld heb, hoort hem. Hemelsche Leermeester, gezonden van den Vader, gekomen uit den hemel, om den mensch te leeren op de aarde, gij onderwijst ons door uwe inwendige genade, door uwe goddelijke lessen; door uwe voorbeelden, door uwe H. Geheimen. Laat mij dan uit uwe heilige geboorte de armoede en de vernedering leeren beminnen. Dat uw kruis mij leere de versterving beminnen. Lat uw dood mij leere sterven aan de zonden en aan do wereld. Dat uwe verrijzenis mij leere verrijzen tot een heilig leven. Dat uwe hemelvaart mij en. leere dit leven aan te zien als eene reis naaide eeuwigheid, mij doende wonen met het hart in den Hemel, en gestadig verlangen, om eens tot .u te komen.

O goddelijke Meester, die op een oogenblik aan de ootmoedigen en de eenvoudige meer kennis geeft van de ware wijsheid, dan zij in vele jaren zouden kunnen leeren in hooge scholen, leer ons inwendig door uwe genade de grootste lessen van uw heilig Evangelie, die de wijzen van de wereld niet kunnen begrijpen.

Haat en verfoei de onkuischheid.

Bemin en omhels de zuiverheid.

ocr page 470

LITANIE TOT DEN

LITANIE

TOT DEN

ALLERHEILIGSTEN NAAM JESUS.

Heer ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Jesus, hoor ons.

Jesus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer, God Zoon Verlosser der wereld,

God H. Geest,

Heilige Drievuldigheid, één God,

Jesus Zoon, van den levenden God,

Jesus glans des Vaders,

Jesus, klaarheid van het eeuwig licht,

Jesus, koning van glorie,

Jesus, zon van regtvaardigheid, o

Jesus, Zoon van de Maagd Maria S

Beminnelijke Jesus, £?

Wonderbare Jesus, 5

Jesus, Vader der toekomende eeuw, s

Jesus, verkondiger van den grooten raad g

Magtigste Jesus, g

Geduldigste Jesus, P

Gehoorzaamste Jesus,

Jesus, zachtmoedig en ootmoedig van harte,

Jesus, minnaar der zuiverheid,

Jesus, onze minnaar,

Jesus, God des vredes,

Jesus, voorbeeld der deugden,

Jesus, ijveraar der zielen,

466

ocr page 471

ALLERII. NAAM 3ESUS.

Jesus, onze God,

Jesus, onze toevlugt,

Jesus, vader der armen,

Jesus, schat der geloovigen,

Jesus, goede Herder,

Jesus, waarachtig licht,

Jesus, eeuwige wijsheid,

Jesus, oneindige goedheid,

Jesus, onze weg en ons leven,

Jesus, blijdschap der Engelen,

Jesus, koning der Patriarchen,

Jesus, meester der Apostelen,

Jesus, leeraar der Evangelisten,

Jesus, sterkte der Martelaren,

Jesus, licht der Belijders,

Jesus, zuiverheid der Maagden,

Jesus, kroon van alle Heiligen,

Wees genadig, spaar ons, Jesus.

Wees genadig, verhoor ons, Jesus.

Van alle kwaad, verlos ons, Jesus. Van alle zonde.

Van uwe gramschap.

Van de listen des duivels.

Van den geest der onkuischheid.

Van den eeuwigen dood.

Van het verzuim uwer inspraken.

Door het geheim van uwe heilige mensch-

wording.

Door uwe geboorte,

Door uwe kindsheid.

Door uw allergoddelijkst leven.

Door uwen arbeid.

Door uwen doodstrijd en lijden.

Door uw kruis en uwe verlatenheid,

ocr page 472

468 LITANIE TOT DEN

Door uwe kwijningen, verlos ons Jesus.

Door uwen dood en uwe begrafenis, verlos

ons Jesus.

Door uwe verrijzenis, verlos ons Jesus,

Door uwe hemelvaart, verlos ons Jesus.

Door uwe vreugden, verlos ons Jesus.

Door uwe glorie, verlos ons Jesus.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Jesus!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons, Jesus!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer, Jesus!

Jesus hoor ons.

Jesus verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

v. De naam des Heeren zij gezegend. _ R. Van nu af tot in eeuwigheid.

GEBED.

O God, die den glorierijken naam uws Zoons, onzen Heer Jesus Christus, door overzoete begeerte aan uwe geloovigen zeer minnelijk hebt gemaakt, en aan de booze geesten zeer vervaarlijk en gruwelijk: verleen, dat allen, die dezen H. Naam Jesus op de aarde godvruchtig eeren, in dit tegenwoordig leven den heiligen troost, en in het toekomende leven de blijdschap, vreugde en zaligheid des hemels mogen ontvangen. Door denzelfden onzen

ocr page 473

ALLERII. NAAM JESUS. 469

' Heer Jesus Christus uwen Zoon, die met u srlos en ''eer3c'lt' 'n 'le eenheid des H. Geestes,

God in alle eeuwigheid der eeuwigheden. Am.

LOFZANG, Jcsu, dulcis rnemoria.

Aan Jesus denken is wel zoet,

'eg- 't Geeft ware vreugde aan 't blij gemoed;

Maar boven 't allerhoogste goed 'eg- Gaat, wat zijn bijzijn smaken doet.

,eg- Zoo lieflijk ruischt er geen akkoord,

Zoo zoeten klank wordt nooit gehoord.

Geen denkbeeld brengt een vreugde voort, Als Jesus, 's Vaders eeuwig Woord.

o Jesus, hoop van hem, die boet.

Wat zijt Gij voor uw smeekling goed, Hoe mild, voor wie er zoekend spoedt!

Maar wat den minnende aan uw voet!

Geen blijde tonge meldt liet luid,

Geen letter is er, die 't beduidt,

ns De ervaring weet, maar drukt niet uit, bel Wat Jesus liefde in zich besluit.

ibt

er- Wees Gij, o Jesus, onze vreugd,

:lie Die 't eeuwig loon zult zijn der deugd;

;h- In U zij onze roem alleen

ei- Door aller eeuwen eeuwen heen. Amen.

de

els -

en

ocr page 474

470 LITANIE TER EERE VAN DE

LITANIE

TEK EBBE

VAN DE H. MOEDER ANNA.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm u onzer God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer. H. Anna, bid voor ons.

Grootmoeder van onzen Zaligmaker,

Moeder van de H. Maagd en Moeder Gods

Maria,

Ark van Noë,

Regenboog des verbonds.

Wortel van Jesse,

Vruchtbare wijngaard, ^

Van koninklijke afkomst, s;

Blijdschap der Engelen, ^

Dochter der Patriarchen, §

Vervuld met genade, ^

Spiegel van gehoorzaamheid, 3

Spiegel van verduldigheid,

Spiegel van barmhartigheid,

Spiegel van godvruchtigheid.

Bolwerk der H. Kerk,

Verlosseres der gevangenen,

Toevlugt der zondaren.

Troost der gehuwden,

ocr page 475

ii. moeder anxa.

Moeder der weduwen,

Beschermster der maagden,

Haven der reizenden, ct;

Gezondheid der kranken, ^

Licht der blinden, |

Tong der stommen, ^

Oor der dooven, o

Ver troosteres der bedrukten, y

Helpster van de menschen, die u aanroepen.

Blijdschap der heilige Engelen Gods,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

spaar ons. Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

verhoor ons. Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

v. De Heer heeft de H. Anna bemind; r. En heeft haar met zijne genade vervuld.

laat ons bidden.

O God, die aan de H. Anna hebt gewaar-digd de genade te verkenen van de moeder van uwen eenigen Zoon te baren, verleen ons genadig, dat wij, die hare gedachtenis vieren, door hare voorspraak bij u mogen geholpen worden. Door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer, uwen Zoon, die, in de eenheid van den H. Geest met u. God zijnde, leeft en heerscht in alle eeuwen. Amen.

471

oquot;

BI

ocr page 476

GEBED TOT JESUS,

als onzen Geneeslieer.

VOOR DEN WOENSDAG.

O Jesus! Goddelijke Geneesheer van mijne ziel, gij weet, hoe deerlijk zij door de zonde gewond is. hoe krank, en hoe ziek, hoe genegen tot het kwaad, en hoe zwak in het goed. Wie kan zoo groote wonden genezen, als gij alleen ? Ik zou met reden wanhopen aan mijne zaligheid, indien ik de oogen slechts op mijne ellende sloeg. Maar hoe zou ik niet hopen, dewijl ik u zeiven voor Geneesheer, en uw H. Bloed heb voor geneesmiddel? daarom kom ik tot u, aanzie mijne wonder. Ik roep tot u met den melaatsche van uw H. Evangelie, (ach! ware het ook met zijnen geest): Heer, indien gij milt, gij hint mij zuiveren, genees mijne ziel, door één druppeltje van uw dierbaar Bloed, door uw algenezende genade, door uw krachtig woord, of eenen genadigen oogslag.

LITANIE

TElt EKUE

VAN DE HEILIGE ENGELEN.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

ocr page 477

LITANIE TER EERE, ENZ.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld,ontferm u onzer.

God H. Geest, ontferm u onzer.

H. Drievuldigheid één God, ontferm u onzer.

H. Maria, bid voor ons.

H. Michaël,

H. Gabriël,

H. Raphael,

H. Engelbewaarder,

Alle H. Engel en Aartsengelen,

Die uwen Schepper altijd hebt bemind met

eene uitmuntende liefde.

Die nooit zijt gevallen in eenige de minste zonde,

Goddeliike dienaars, die altijd bereid zijt tot Ht

de dienst van Gods opperste Majesteit, Die met allen eerbied u in zijne tegenwoor- g digheid houdt, lt;2

Die in alles zijnen H. Wil volbrengt, o Zuivere Geesten, aan wie God onze bewaring S

heeft bevolen.

Die gesteld zijt om de magt des duivels van

ons af te weren.

Die door het ingeven van goede gedachten,

de kwade invallen van ons verdrijft, Die ons door goede bewegingen de kwade

driften doet overwinnen,

H. Bestierders, die ons bevrijdt van de gelegenheden der zonden.

Die ons gedurig door goede ingevingen vermaant tot de deugd.

Die niets zoekt dan onze zaligheid.

Die u verblijdt in ons goed leven,

473

ocr page 478

I

474 LITANIE TER EERE

Die te zamen met ons bidt om Gods genade, Dat v

en ons tot bidden opwekt, bidt voor ons. naa

Die onze gebeden, verstervingen en goede wer- dar

ken aan God opdraagt, bidt voor ons. Dat v

Wees genadig, spaar ons, Heer- mei

Wees genadig, verhoor ons, Heer. onz

Van alle gelegenheden van zonden, door uwe Dat \

H. Engelen, verlos ons, Heer. voo

Van het misbruik uwer genade, door uwe Dat v

H. Engelen, alle

Van alle gevaren naar ziel en ligchaam, door ^ Dat ■

uwe H. Engelen, ' g- zali

Van alle kwade bekoringen, door uwe H.Eng. r/i Dat i

Van alle onzuiverheid, door uwe H. Engelen, § ons

Van alle kwade bekoringen, door uwe H.'' Dat v

Engelen, ' K ]0V(

Van alle kwaadwilligheid ten opzigte van 2 Lam

onze oversten, door uwe H. Engelen, quot; nee

Van alle onachtzaamheid ten opzigte van iJarn

onze onderdanen, door uwe H. Engelen, nee

Van alle traagheid in u te dienen, docr uwe Lam

H. Engelen. nee

Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. Chrisi

Dat wij in alles aan de bestiering van uwe Chris

H. Engelen onderdanig zijn. Heer

Dat wij de goede gedachten, die zij ons Qn

ingeven, waarnemen,

Dat wij altijd hunne bewegingen tot de deugd

involgen, £ o lt;

Dat wij door onze traagheid en onachtzaam- Squot; zienig

heid hen niet bedroeven, en van ons niet 3 gewa;

vervreemden. ■? smeel

Dat wij hen mogen navolgen in u te be- g scher

minnen en onderdanig te zijn, E* moge

ocr page 479

VAN LE H. ENGELEN,

Dat wij volgens hun voorbeeld onzen evennaaste gaarne dienen ook die minder is dan wij, ^

Dat wij verduldig de gebreken van andere menschen mogen verdragen gelijk zij de 2t onze verdragen, è

Dat wij onzen evennaaste door geene kwade S voorbeelden verergeren, c

Dat wij hem zooveel als het in ons is, van ^ alle kwaad bevrijden, £§

Dat wij door woorden en werken zijne oquot;

zaligheid trachten te bevorderen,

Dat uwe H. Engelen in het uur onzes doods § ons willen bijstaan, V

Dat wij in de eeuwigheid met hen u mogen

loven en danken.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer, Heer!

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

GEBED.

O God! die door eene onuitsprekelijke voorzienigheid uwe H. Engelen tot onze bewaring gewaardigt te zenden, verleen ons, die u smeeken, dat wij door hunne hulp altijd beschermd worden, en hun gezelschap eeuwig mogen genieten. Door Christus onzen Heer. Am.

475

ocr page 480

LITANIE TER EERE

GEBED.

Tot den H. Engel-Bewaarder.

Getrouwe leidsman, die mij van God als „ beschermer en bewaarder toegevoegd zijt, welke

dankbaarheid ben ik u niet schuldig voor al „ rlS

de zorg, getrouwheid en liefde, die gij mij p,(je.r

dagelijks bewijst! als ik slaap, bewaakt gij p?™

mij; als ik bedroefd ben, vertroost gij mij; „ ^ls

als ik kleinmoedig ben, versterkt gij mij; als p0,

ik in gevaar ben, helpt gij mij; als ik in twij- 0

fel ben, raadt gij mij. Gij wederhoudt mij p °.n

van het kwaad, gij brengt rr ij tot het goede; tt0 ^

gij wekt mij tot boetvaardigheid op, en ver- ,

zoent mij met God. Ik lag misschien sedert ,

langen tijd in den atgrond der hel gedompeld, ,

indien gij door uwe tusschenkornst de gram- tj' t

schap Gods van mij niet hadt afgekeerd. Ik ïJ'

bid u, wil mij nooit verlaten. Troost mij in Reslt;?

tegenspoed, bescherm mij in gevaar, kom mij . .rul

te hulp in de bekoringen, opdat ik er nooit pan

door overwonnen worde. Draag al mijne ge- r

beden en goede werken voor het goddelijk „e^y

aanschijn, en maak dat ik na dit vergankelijk j e.

476

leven het eeuwige bezitte. . Amen. nei

Die

Alle] Allei Allei

SCHIETGEBED

Tot den II. Engel-Bewaarder.

H. Engel, mij door de goddelijke barmhar-tigheid als mijnen bewaarder gegeven, wil ]}je mij heden verlichten, bewaren, zalig maken, geleiden en bestieren. Amen,

ocr page 481

VAN DEN H. JOSEF. 477

LITANIE

TER EERE VAN DEN H. JOSEF.

PATROON DER SEDERLAKDEN.

Heer, ontferm u onzer,

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.

God H. Geest, ontferm u onzer.

H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.

H. Maria, bid voor ons.

H. Moeder Gods,

H. Maagd der Maagden,

H. Josef,

Beschermer van Jesus,

Bruidegom van Maria,

Man naar Gods hart.

Getrouwe en wijze Dienaar,

Bewaarder der zuiverheid van Maria, 04 Medehulp van Maria, o

Leidsman en troost van Maria, °

Die om Maria met bijzondere genade be- g gunstigd zijt, £quot;

Allerzuiverste in zuiverheid,

Allernederigte in ootmoedigheid.

Allervurigste in liefde,

Allerverhevenste in wetenschappen,

Die door den H. Geest zei ven regtvaardig zijt verklaard,

T

i

ocr page 482

LITANIE TER EERE

Die in de goddelijke verborgenheden boven

anderen verlicht zijt geweest,

Die door den Engel in het geheim der

menschwording onderwezen zijt,

Die met Maria uwe Bruid, bevrucht zijnde,

naar Bethlehem zijt gereisd,

Die in de herberg geen plaats bindende,

in eenen stal zijt gaan vernachten, Die waardig geacht zijt bij Christus te wezen toen hij geboren en in eene krib ge1egd werd, Die, als Christus besneden werd, zijnen naam

Jesus genoemd hebt,

Die het kind Jesus met Maria in den tem- Squot;.

pel hebt opgeofterd, ^

Die op het woord van den Engel met Jesus o en zijne Moeder naar Egypte gevlugt zijt, ^ Die na den dood van Herodes met Jesus en § zijne Moeder naar het land van Israël •quot; wedergekeerd zijt.

Die het kind Jesus, te Jeruzalem gebleven zijnde, met Maria zijne Moeder vol droefheid hebt gezocht,

Die hem na drie dagen met blijdschap gevonden hebt, zittende in het midden der Leeraren,

Aan wien de Heer der heeren op de aarde

onderdanig is geweest,

Wiens lof in het Evangelie vermeld wordt. Man van Maria, uit wie Jesus geboren is, Onze voorspreker, hoor ons, H. Josef.

Onze Beschermer, verhoor ons, H. Josef.

In al onzen nood, help ons, H. Josef.

In al onze benaauwdheden, help ons, H. Josef. In het uur van onzen dood., help ons, H. Josef.

478

ocr page 483

VAN DEN H. JOSEF.

en Door uwe vaderlijke zorg en teederheid, help ons, H. Josef.

er Door uwen arbeid en zweet, help ons, H. Josef.

Door al uwe deugden, help ons, H. Josef, e, Door al uwe verdiensten, help ons, H. Josef.

Door uw eeuwig geluk, help ons, H. Josef, [e, ' Wij, die u als beschermer aanroepen, wij bidden

u, verhoor ons.

;n Dat gij uwen beminnelijken Jesus wilt bidden tl, om vergiffenis onzer zonden,

m Dat gij ons altijd wilt bevelen aan uwe allerheiligste Bruid,

rv gt Dat gij alle maagden en ongetrouwden de

^ gaaf van zuiverheid wilt verwerven, us o Dat gij den getrouwden eene onbevlekte ge-jt, ° trouwheid en heilige eendragtigheid wilt ïn § verkrijgen, _ 5;

,ël '.n Dat gij alle vaders des huisgezins in het g-christelijk opvoeden hunner kinderen wilt 3 ;n behulpzaam wezen, J3

if- Dat gij alle Oversten in de bestiering hunner lt; toevertrouwden wilt behulpzaam wezen, g, e- Dat gij alle vergaderingen, die u bijzonder g er toegedaan zijn, wilt begunstigen, ^

Dat gij allen, die op uwe hulp vertrouwen, § Je altijd en overal wilt beschermen.

Dat gij alle geloovige zielen door uwe voor-t, bede wilt helpen,

is. Beschermer van Maria,

Bruidegom van Maria,

Heilige Josef,

Lam Gods, dat de zonden der wereld weg-osef. neemt, spaar ons, Heer.

osef. Lam Gods, dat de zonden dor wereld weg-

479

ocr page 484

480 LITANIE TER EERE, ENZ.

neemt, verhoor ons, Heer.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer, Heer!

Christus, hoor ons Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontterm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz,

GEBED.

Wij bidden u, Heer! dat wij door de verdiensten des bruidegoms uwer allerheiligste Moeder geholpen worden, opdat ons door zijne voorspraak gegeven worde hetgeen wij door ons zeiven niet kunnen bekomen, die 'leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

GEBED.

om den H. Josef te verkrijgen tot Patroon en zich zeiven te stellen onder zijne bescherming.

Groote Heilige, ik verkies u heden, voor al den tijd mijns levens, tot eenen bijzonderen patroon, meester, leidsman en bestierder van mijne ziel en ligchaam, van mijne gedachten, woorden en werken, van mijne begeerten en genegenheden, van mijne eer en goederen, van mijn leven en mijnen dood, en ik neem vastelijk voor u nooit te verlaten, maar uwen H. Naam te verheffen, en uwe eer te bevorderen zoo veel mij mogelijk zal wezen. Ik bid u vurig, dat gij mij wilt ontvangen als uwen eeuwigen dienaar. Help mij in al mijne werken, en verlaat mij niet in het uur des doods. Amen.

ocr page 485

'es- GEBED TOT JESUS

Als onzen Herder.

VOOR DEN DONDERDAG.

O Jesus! goede Herder, gij zijt gedaald uit den Hemel, om uwe verlorene schapen te zoeken, en gij hebt uw leven ten beste gegeven om ze te behouden. Helaas! o Jesus!ik was ver- een van hen; ik doolde buiten den weg van gste mijne zaligheid, en ik zou gedoold hebben tot ijne het einde toe, zoo gij, o goede Herder! mij Joor niet hadt komtn zoeken. Gij hebt mij gezocht ft en en mij getrokken uit de tanden van den hel-nen. schen wolf. Gij hebt mij in den schaapstal van uwe H. Kerk gesteld, en op uwe schouders daarheen gedragen, alwaar gij, als op n cn eene allervetste weide, uwe schapen voedt met 'mg. uwe H. genade en uwe Evangelische leering, ir al met uw eigen Vleesch en Bloed, en met uwe eren goddelijke Geheimen, die ons aldaar zoo heivan liglijk voorgesteld worden.

iten. Haat en verfoei den nijd.

q en Oefen de lietde tot den laatste.

, van

'elijk LITANIE

! veel TOT JESUS E HET AlLERH. SACRAMENT.

, dat

iclie- Heer, ontferm u onzer.

irlaat Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

21 10

ocr page 486

LITANIE TOT JESUS

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm u onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld.

God H. Geest,

H. Drievuldigheid, één God,

Levend brood, dat uit den hemel gedaald is,

Verborgen God en Zaligmaker,

Tarwe der uitverkorenen.

Wijn, die maagden voortbrengt,

Voedzaam brood en vermaak der koningen,

Altijddurende offerande.

Zuivere opdragt,

Lam zonder vlekken,

Allerzuiverste maaltijd,

Spijs der Engelen,

Verborgen hemelsch brood,

Gedachtenis van de wonderen Gods,

Bovennatuurlijk brood,

Woord, dat vleesch geworden zijt,

Onder ons wonende,

H. Hostie,

Gezegende drinkbeker,

Geheim des geloofs,

Doorluchtig en hoogwaardig Sacrament, Allerheiligste offerande,

Waarachtige verzoening voor levenden en dooden,

Hemelsch middel tegen de zonden, Wonder mirakel boven alle anderen, Allerheiligste gedachtenis van het lijden

onzes Heeren,

Gaaf, die alle volheid te boven gaat, Gedachtenis van het wonder der liefde Gods,

482

ocr page 487

IN HET ALLERII. SACRAMENT. 483

Overvloeijendo bron fier goddelijke mildheid, Allerheiligst en verheven Geheim, Geneesmiddel tot de onsterfelijkheid,

Zeer hoogwaardig en levendmakend Sacrament,

Brood, door de almogendheid des Woords

vleesch geworden.

Onbloedige offerande,

Spijs en medegast,

Allerzoetste maaltijd, bij welken de Engelen § dienen, g;

Sacrament van godvruchtigheid, 2

Band van liefde,

Offeraar en offerande, ^

Geestelijke zoetheid, die in haren eigen § oorsprong gesmaakt wordt, S

Vermaak der H. zielen.

Teerspijs dergenen, die in den Heer sterven. Onderpand der toekomende glorie,

Wees genadig, spaar ons, HeerI Van het on waardig nuttigen uws ligchaams

en Bloeds, verlos ons. Heer!

Van de begeerlijkheid des vleesches.

Van de begeerlijkheid der oogen, lt;-

Van de hoovaardij des levens,

Van alle gevaren der zonde, °

Door het verlangen, waarmede gij het o Paaschlam met uwe Discipelen wenschtet » te nuttigen, ^

Door de diepe ootmoedigheid, met welke g gij de voeten uwer Discipelen gewasschen ü. hebt,

Door de brandende liefde, met welke gij dit goddelijk Sacrament ingesteld hebt,

ocr page 488

LITANIE TOT JESUS

Door uw dierbaar Bloed, dat gij ons op het Altaar hebt nagelaten, verlos ons, Heer! Door de vijf wonden van dit uw allerheiligst Ligchaam, die gij voor ons ontvangen hebt, verlos ons. Heer!

Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. Dat het u believe het geloof, de eerbiedig-5^] heid en de begeerte tot dit wonderlijke pj Sacrament in ons te vermeerderen en te g-bewaren, 13

Dat het u believe ons door eene ware belij- S1 denis der zonden, dikwijls tot het nuttigen lt;1 dezer geestelijke spijs te bereiden, 2,

Dat gij ons van alle ketterij, ongetrouwheid | en verblindheid des harten wilt bekeeren, ^ Dat het u believe ons aan de kostelijke en § hemelsche vruchten van dit H. Sacrament deelachtig te maken.

Dat het u believe ons in het uur des doods met deze hemelsche teerspijs te versterken en te beschermen,

Zoon Gods,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

verhoor ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

ontferm u onzer. Heer!

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

484

ocr page 489

IN HET A.LLERH. SiCRAMENT. 485

v. Heer, verhoor mijn gebed.

r. En mijn geroep kome tot u.

GEBED.

O God, die onder dit wonderlijk Sacrament ons de gedachtenis van uw lijden nagelaten hebt; wij bidden u, dat gij ons verleent, de geheimen van uw H. Ligchaam en Bloed zoo waardiglijk te eeren, dat wij altijd de vruchten uwer verlossing mogen gevoelen. Die leeft en heerscht met God den Vader en den H. Geest, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

GROETE AAN HET H. SACRAMENT.

Ave vertjm.

Wees gegroet, waarachtig Ligchaam, Uit Maria's Maagdenschoot!

Dat aan 't kruishout opgedragen,

Zich voor ons ten offer bood;

Aan wiens diep doorboorde zijde Uw waarachtig Bloed ontvloot;

Geef ons, U vooraf te smaken In den kampstrijd van den dood. O Zoete, o Goede!

O Zoon van Maria!

ocr page 490

GEBED TOT JESUS,

als onzen Verlosser.

VOOR DEN VRIJDAG.

O Jesus! mijn Zaligmaker, die u gewaardigd hebt mij te verlossen uit de ellendigste van alle slavernijen, en mij vrij te koopen onder zoo gruwelijke pijnen, door den prijs van uw dierbaar Bloed, voor mij en voor alle menschen voldoende aan de goddelijke regtvaardigheid: ik bedank u voor deze uwe oneindige goedheid en liefde tot mij, en wensch u daarvoor eene oneindige dankbaarheid te kunnen betoenen. Ik bid u, geef mij de genade van liever duizendmaal te sterven, dan u ooit doodelijk te vergrammen. Bewaar mij, o Jesus! van zoo groote ondankbaarheid.

Haat en verfoei de gramschap.

Bemin en oefen de verduldigheid.

LITANIE

OP HET LIJDEN VAN

ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer.

ocr page 491

IITANIE OP li ET LIJDEN, ENZ. 487

God Zoon, Verlosser der wereld,

God H. Geest,

H. Drievuldigheid, één God,

Jesus, om onze zonden in den hof van Olijven benaauwd en bedroefd tot den dood toe, Jesus, die van den Engel zijt getroost, opdat wij onze hulp in allen nood van den hemel zouden leeren verwachten,

Jesus, die uwen verrader met minzaamheid hebt ontvangen, om ons de zachtmoedigheid te leeren,

Jesus, van uwe discipelen verlaten, opdat wij op God alleen zouden leeren vertrouwen, § Jesus, door de Joden gebonden, om ons te a;

ontbinden van de zonden, g

Jesus, voor Annas en Caïphas valschelijk 3 beschuldigd, opdat wij alle ongelijk zou- s den leeren verdragen, §

Jesus, door Petrus verloochend, opdat wij ^ onze krankheid zouden leeren kennen, en • ons zeiven mistrouwen,

Jesus, door Herodes met een wit kleed bespot, omdat wij het kleed der onschuld hadden verloren,

Jesus, achter Barabbas gesteld, opdat wij ons nooit boven anderen zouden verheffen, Jesus, voor ons gegeeseld en gekroond, opdat wij de gemakken en alle eerzucht zouden verfoeijen,

Jesus, voor ons gelasterd, bespogen en geslagen, opdat wij onze zinnen zouden versterven,

Jesus, aan het volk ten toon gesteld, opdat

ocr page 492

LITANIE OP HET LIJDEN

wij uw voorbeeld zouden voor oogen hebben, en daarnaar leeren leven,

Jesus, van Pilatus aan uwe vijanden geleverd, om ons van onze vijanden te verlossen, Jesus, met het kruis beladen, om ons te

leeren ons kruis met vlijt te dragen, Jesus, genageld aan het kruis, opdat wij ons vleesch met al onze zonden en begeerlijkheid zouden kruisigen,

Jesus, die naakt aan het kruis hebt gehangen, opdat wij voor alle oneerbaarheid zouden schroomen,

Jesus, tusschen twee moordenaars gekruist, om ons de vernedering te leeren beminnen,

Jesus, die den goeden moordenaar in genade hebt ontvangen, opdat wij nooit zouden mistrouwen,

Jesus, die aan het kruis voor uwe vijanden hebt gebeden, om ons te leeren onze vijanden te beminnen,

Jesus, die met gal en myrrhe gelaafd zijt, opdat wij onze tong van alle zonden zouden bewaren,

Jesus, die stervende uwen geest in uws Vaders handen hebt bevolen, opdat wij stervende onzen geest ook in uwe en in zijne handen zouden bevelen,

Jesus, die voor ons den bitteren dood gestorven zijt om ons de grootheid onzer zonden te leeren kennen,

Jesus, die door uwen dood ons het leven hebt gegeven, opdat wij nu niet voor ons, maar voor u zouden leven,

488

ocr page 493

VAN ONZEN HEEK JESUS CHRISTT'S. 489

Jesus, wiens zijde na uwen dood geopend is, om daarin onze zonden en krankheden te verbergen, ontferm u onzer.

Jesus, voor ons begraven, en den derden dag verrezen, opdat wij gestorven en begraven aan de zonden, tot een deugdzaam leven zouden verrijzen, ontferm u onzer.

Wees genadig, spaar ons, Heer!

Wees genadig, verhoor ons. Heer!

Van alle zonden, verlos ons. Heer!

Door uw bloedig zweet, verlos ons. Heer! Door het lijden in uwe geeseling, verl. ons. Heer I Door uw kruis en bitter lijden, verlos ons. Heer! Door uwe vijf wonden, verlos ons, Heer! Door uwe verrijzenis, verlos ons, Heer! Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. Dat wij door uw H. Lijden leeren kennen de boosheid van onze zonden, om welke gij zooveel hebt geleden, s.

Dat wij door het overdenken van uwe pijnen*^] en smarten, alle ziekten pijnen en tegen- 5; spoed geduldig mogen verdragen, g-

Dat wij in allen angst, droefheid en nood 3 ons tot u keeren, en uwe hulp verzoeken, 5 Dat wij de schande, verachting en tegenspoed lt;• van uwe hand mogen ontvangen, g.

Dat wij de valsche beschuldigingen en on- g regtvaardige oordeelen, naar uw voorbeeld ^ mogen verdragen, §

Dat gij de vruchten van uw kruis ons wilt quot;

mededeelen,

Dat wij door de kracht van uw kruis den duivel, de wereld en het vleesch mogen overwinnen, 21 16*

ocr page 494

490 LITANIE OP HET LIJDEN, ENZ.

Dat wij in uw bloed van alle zonden mogen

gereinigd worden,

Dat gij ons wilt verleenen ons kruis dagelijks op te nemen, en u gaarna na te volgen, Dat wij eene genegenheid mogen krijgen,^' om uw H. Lijden met liefde en dankbaar- g-heid dikwijls te overdenken, g-

Dat wij overdenkende, dat gij uit liefde s voor ons gestorven zijt, door wederlietde c ontstoken worden, om niet voor ons zeiven «j maar voor u te leven, g.

Dat wij onzen troost mogen vinden in uwe g

H. wonden,

Dat gij ons door uw kruis en uwen bitteren § dood in het uur van onzen dood wilt quot; versterken.

Dat gij ons door uw H. Kruis in u we glorie

wilt brengen,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer. Onze Vader, enz,

GEBED.

Almagtige, eeuwige God! die onzen Zaligmaker het vleesch hebt doen aannemen, en den dood des kruises doen lijden, opdat de mensch het voorbeeld van zijne ootmoedigheid zoude navolgen; geef genadig dat wij leven naar de lessen zijner lijdzaamheid, en deel verkrijgen in zijne verrijzenis, door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer. Amen.

ocr page 495

LIJDENSZANG.

LIJDENSZANG.

VOOR ELKE OVERWEGING, OF ELKE AFDEE-LING VAN DIT PASSIEDICHT.

Laat mij, met uw smart voor oogen,

Goede Jesus' vol raeêcloogen Overwegen wat Gij leedt;

Hoe Gij, de Onschuld, voor mijn zondeo Overdekt van smaad en wonden.

Tot den dood toe voor mij streedt.

Dank en wederliefde vragen.

Dat ik vaak uw lijdensdagen

Met rouwmoedig hart beschouw;

Moge ik dan voor U ontgloeijen,

Meêr nog mijne schuld verfoeijen,

En haar boeten door berouw.

NA ELKE OVERWEGING, OF ELKE AFDEELING VAN HET PASSIEDICHT.

'k Dank U, Jesus! voor uw smarte, 'k Zal haar drukken in mijn harte,

Dat ik u te meer beminn';

Dat ik nimmer U verlate.

Altijd méér de zonde hate.

Met u strijde en overwinn'.

491

ocr page 496

LIJDENSZANG.

I.

JESUS VERLATEN EN VERLOOCHEND.

YOORZANO.

Laat mij, met uw smart voor oogen, enz.

'k Zie U, Jesus! voor mijne oogen Gansch van bloetzweet overtogen, Met uw aanschijn in het stof; Ach alléén, om aller schulden.

Die met doodsangst U vervulden, Zieltoogt Ge in d' Olijvenhof.

'k Hoor den stap van uw verrader; Schaamt'loos treedt U Judas nader,

Kust TJ in het aangezigt !...

En zijn bende boeit uw handen,

Trekt en sleurt U bij uw banden Voor een goddeloos gerigt.

Daar, alléén bij die U haten,

Door de Apostelen verlaten,

Is er één slechts dien Gij ziet;

Maar wie zegt, hoe Petrus' woorden U tot driewerf 't hart doorboorden: U, den mensch! U kent hij niet!...

Toen ook Jesus! bij dat lijden,

Zaagt Gij wie door alle tijden

U verlaten, looch'nen zou;

Was ik van die vlugtelingen:

Laat uw oogstraal in mij dringen Dat ik tranen schrei van rouw!

NAZANG.

'k Dank U, Jesus voor uw Smarte, enz.

492

ocr page 497

ujdenszang.

II.

JESUS VOOR DE REGTBANlvEN.

(voobzang, als hoven, bl. 491.)

Ach, wat smaad hebt Gij gedragen: 'k Zie in 't aanschijn U geslagen, U bespuwd, gehoond, bespot!...

'k Zie van Caïphas U leiden Naar de regtbank van een Heiden, U, hun regter, Zoon van God!...

Voortgerukt langs volle straten.

Zie ik U ten schimp gelaten Aan Herodes en zijn heir;

Hij, geen woord uit U erlangend, Met een spotkleed u omhangend,

Zendt U naar Pilatus weêr.

Hoor nu die ondankb're scharen,

Hoe ze een' moord'naar 't leven sparen;

Hoe zij met verwoede stem Vrijspraak voor Barabbas vergen,

Jesus met den bloetkreet tergen: «Weg met dezen! kruisig Hem!»

Onschuld! dat men U verklaagde,

U van regt- tot regtbank daagde

U dus doemde tot den dood:

't Is dat Gij, om ons gekomen,

Onze schuld hebt opgenomen!

493

U voor ons ten offer boodt!

(Nazang als boven, bl. 491.)

ocr page 498

lijdenszang.

III.

JESUS GEESELING EN SPOTKEOONING. (voorzang, als hoven.)

'k Zie U, Jesus vol van wonden,

Aan den geeselpaal gebonden,

Vol van striemen, rood van bloed; 't Vliet uit al die diepe scheuren,

Om wat smetten mij besmeuren.

Rein te wasschen in dien vloed.

Doornen tot een kroon gewrongen, .

Zijn U diep in 't hoofd gedrongen,

Dat van pijnen klopt en gloeit;

'k Zie bij dropp'len 't bloed ontschieten. En in stralen nedervlieten.

En uw aanschijn gansch besproeid.

Aan den Heer van dood en leven Is uit schimp een riet gegeven

Tot een vorstelijken staf;

Is een purperlomp gegleden Om de koninklijke leden,

's Menschen trots ten boetestraf.

En zij vallen aan zijn voeten.

Om als rijksvorst Hem te groeten,

Slaamp;n de doornen Hem in 't Hoofd; Spuwen, slaan in 't aanschijn weder. Knielend spottend voor Hem neder Als den Koning hun beloofd.

ocr page 499

lijdenszang.

Jesus neen, 't is niet te malen,

Door geen sterv'ling te achterhalen, Wat Gij van den moedwil leedt;

Hoe Ge U zeiven gansch ontledigd, 's Heeren gramschap hebt bevredigd.

Voor ons boos verzet voldeedt.

(nazang, als boven.)

IV.

JESUS KEIJISDRA.GING. (voorzang, als hoven.)

«Kruis Hem, kruis Hem!» klinkt het weder «Kome op ons zijn bloed vrij neder;»

Aan dien kreet wordt nu voldaan; Zie, den beulen prijs gegeven,

Om aan 't folterhout te sneven.

Zie het Lam ter slagtbank gaan.

Onder 't kruishout neergebogen.

Waarop alle schulden wogen,

Sleept zich Jesus moeizaam voort;

Hoor dat roepen en dat woelen,

Hoor dat schimpen en dat joelen Langs de straten tot de poort!

Uitgeput, naar d' adem hijgend.

Onder 't kruiswigt nederzijgend.

Zie ik daar mijn' God en Heer!

Door hun slagen voortgedreven.

Heeft Hij naauw zich opgeheven,

Of Hij stort ter aarde weer.

496

ocr page 500

■496 lijdenszang.

Daar treedt Simon van Cyrenen Van het veld naar 't kruispad henen.

Hem nu dringt men 't schandhout op Zoo dan komt met wank'le schreden, En weer magtloos neèrgegleden,

Jesus aan Calvarie's top.

Zóó door al de ontrouwe zielen,

Die in 't eigen kwaad hervielen,

Is Hem 't offerkruis verzwaard, l'-n slechts enk'Ie schreijende oogen Toonen zich met Hem bewogen, Den Verlosser van heel de aard'!

(nazang, als hoven.)

V.

JESUS GEKRUIST.

(voorzang, als boven.)

'k Zie den Heer zich nederstrekken, Beulen ruw zijn leden rekken,

Nagels, hamers opgevat;

Ach, ik zie met woeste slagen 't Uzer door zijn handpalm jagen, Gansch doorscheurd, van bloed omspat.

'k Zie die vastgeklonken voeten.

Voor mijn zondeschreden boeten

En mijn trouweloozen zin;

Nu met folterende schokken.

Wordt de kruisbalk opgetrokken.

Schiet er d'open rotskuil in!...

ocr page 501

tlJDENSZANG.

Ach, hoe sprongen al uw wonden Verder open, hoe verslonden

Van de pijnen, hangt Gij daar Tusschen moord'naars opgeheven, Offert Ge uw onschuldig leven Op het bloedig zoenaltaar.

Voor uw beulen biedt Ge uw beden, Als niet wetend wat zij deden,

Pieit Gij om vergiffenis;

Zegt een' moord'naar, dat hij heden 't Paradijs nog in zal treden.

Waar hij eeuwig met U is.

'k Mag dan, Jesus! vol vertrouwen Tót U op het kruishout schouwen.

Want Gij badt toen ook voor mij ; Heb ik véél helaas! misdreven, Gij toch wilt ook mij vergeven.

Hebt met mij ook medelij.

(nazang, als boven.)

VI.

JESUS STERFT.

(voorzang, als voren.)

In de drie ontzettende uren.

Blijft Gij alle smart verduren,

Alle smaadheid, schimp en spot; Zij daar, en wie niet gelooven, Willen alle kroon U rooven Als Verlosser, Koning, God!...

497

ocr page 502

41)8 lijdenszang

O die liefde, nooit volprezen,

Jesus! ons door U bewezen;

Gij ziet daar uw Moeder staan. Spreekt dan, Gij, mijn God en Broeder: »Zie uw zoon!quot; «Zie uwe Moeder!quot; En Maria nam ons aan.

Boetend voor wie God vergaten.

Klaagt Ge U als van God verlaten;

Nog geen einde is aan den hoon; In den dorst die U verschroeide.

Van al 't bloed dat U ontvloeide.

Heeft men edik U geboon!

't Al vervullend uur komt nader;

Toen bevaalt Ge uw geest den Vader ,

En [lij zag op 't ÓtTer neêr;

En nu alles was voltogen Hebt gij stervend 't hoofd gebogen; Gaaft Ge uw geest den Vader weer.

Door uw dood hebt Ge ons het leven, Vrede, vreugde weêrgegeven;

Zóó, ja zóó hebt Ge ons bemind; Op uw Hart, voor ons geopend.

Staar ik biddend, van U hopend, Dat ook ik erbarrning vind.

(nazang, als hoven.)

ocr page 503

Mrti w

HEILIG-E KRÏÏISWEamp;.

I. STATIE.

Jesus wordt tot den dood des kruises veroordeeld.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! mijne misdaden hebben het onregt-vaardige doodvonnis tegen u uitgesproken .. . Ik zou van droefheid over mijne zonden moeten sterven... Geef derhalve, liefderijke Zaligmaker! mij de genade, opdat ik niet ophoude ze te beweenen.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

II. STATIE.

Jesus neemt het kruis op zijne schouders.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! die den zwaren boom des kruises op uwe verscheurde schouders gewaardigd hebt op te nemen, verleen mij de genade om met verduldigheid de kruisen te dragen, welke uwe Voorzienigheid mij overzendt.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

oeder:

i'gt;

ocr page 504

Ö. KRUISWECl.

Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

III. STATIE.

De eerste val van Jesus onder het kruis.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! die, met den zwaren last mijner zonden beladen, vermoeid onder uw kruister aarde zijt nedergevallen; ach! laat niet toe, bid ik u, dat ik daarin nog hervalle.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

IV. STATIE.

Jesus ontmoet zijne Moeder.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O allerbedruktste Moeder! verwerf mij van uwen lieven Zoon tranen van eene ware boetvaardigheid over mijne zonden, die de oorzaak zijn geweest van zijn en u w lijden ... Sta mij bij in al de ellenden van dit leven... Verlaat mij niet in het uur des doods.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, onferm u onzer. ,

God, wees ons, zondaren, genadig.

500

i

ocr page 505

II. KRUISWEG.

V. STATIE.

Simon van Cyrene helpt Jcsushetkruisdragen.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! geef mij sterkte om met liefde het kruis mijns lijdens op te nemen en om met kloekmoedigheid u na te volgen... Ik zal mij gelukkig achten u in iets te gelijken en uwe smarten door de mijne te eeren.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer. God, wees ons, zondaren, genadig.

VI. STATIE.

Veronica droogt het aangezigt van Jesus af.

Wij aanbidden en loven u, Christus. Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt!

O Jesus! druk de gedachtenis van uw smart-

Ivol lijden zoo levendig in mijn hart, dat ik het gedurig overwege, en aangemoedigd worde, om uwe bloedige voetstappen na te volgen. vol lijden zoo levendig in mijn hart, dat ik het gedurig overwege, en aangemoedigd worde, om uwe bloedige voetstappen na te volgen. Onze Vader, Wees gegroet, enz,

rzaak Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer, tamij God, wees ons, zondaren, genadig.

irlaat \

VII. STATIE.

De tweede val van Jesus onder het kruis. Wij aanbidden en loven u, Christus.

501

ocr page 506

II. KRUISWEG.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! mijne hoovaardigheid heeft u neder-geworpen onder den last des kruises... Ach eer mij zachtmoedig en ootmoedig van harte zijn. Ik wil alle verootmoedigingen en versmadingen geduldig lijden, opdat ik u navolgende in uwe vernederingen met u deel moge hebben in de glorie.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

VIII. STATIE.

Jesus troost de weenende vrouwen.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! geef eene bron van tranen aan mijne oogen, opdat ik dag en nacht mijne zonden be-weene.. Ach, ge waardig mij meer en meer van mijne ongeregtigheden af te wasschen en mij van mijne zonden te reinigen.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

IX. STATIE.

De derde val van Jesus onder het kruis.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

502

ocr page 507

II. KRUISWEG.

reld O Jesus! reik mij eene behulpzame hand toe, i in het midden der gevaren, aan welke ik bloot-ler- gesteld ben, opdat ik in de zonden niet valle; A.ch verdedig mij tegen de vijanden mijner zalig-irte : beid, opdat ik onder het geweld hunner be-tna- koringen niet bezwijke.

nde Onze Vader, Wees gegroet enz. ben Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

;r. ! X. STATIE.

Jesus wordt van zijne kleedren ontbloot en met edik en gal gelaafd.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld , .. verlost hebt.

O Jesus! geef dat ik al mijne booze gewoonten aflegge, mijn hart onthechte van al wat '•jne aardsch en vergankelijk is, mijn dartel vleesch ' kastijde, mijn zinnen versterve en gaarne met ieeiquot; u uit den bitteren kelk des lijdens drinke. 'en Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer. r God, wees ons, zondaren, genadig.

XI. STATIE.

Jesus wordt aan het kruis gehecht.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld eld verlost hebt.

O Jesus I hecht mij met u aan het kruis

503

ocr page 508

504 H. KRUISWEG.

jk wil met u, gelijk gij, en om u lijden, opdat ik levende, lijdende en stervende in uwe liefde eeuwig met u en door u moge gelukkig zijn.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

XII. STATIE.

Jesus sterft aan het kruis.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus, door de bittere smarten, welke gij voor mij aan het kruis geleden hebt, bijzonder toen uwe ziel uit uw gezegend ligchaam is gescheiden, ontferm u over mijne ziel als zij deze wereld zal verlaten.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

XHI. STATIE.

Jesus wordt van het kruis genomen en gelegd in den schoot zijner Moeder.

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

O Maria! laat mij toe dat ik, tusschen uwe armen, mijnen gekruisten Zaligmaker, uwen lieven Zoon aanbidde en mijne tranen met de uwe menge. Door uwe mamp;gtige voorspraak.

ocr page 509

H. KRUISWEG. 505

bewaar mij van het ongeluk, van uwenJesus door mijne zonden wederom te kruisen, en dus met een nieuw zwaard uw moederlijk hart te doorsteken.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

XIV. STATIE.

Jems wordt in het graf gelegd .

Wij aanbidden en loven u, Christus.

Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

Ik zal eens sterven en begraven worden, gelijk gij, o mijn Zaligmaker! ge waardig u in mijn sterfuur mij door uwen kruisdood te vertroosten, en mijn ligchaam wanneer gij het weder zult opwekken, met uwe glorie te verheerlijken.

Onze Vader, Wees gegroet, enz.

Ontferm u onzer. Heer, ontferm u onzer.

God, wees ons, zondaren, genadig.

Hierna zal men bidden: vijfmaal het Onze Vader vijfmaal liet Tl'ces gegroet, en zooveel maal Glorie zij den Vader, ter eere van de vijf wonden van Jesus, en een Onze Vader en Wets gegroet, met Glorie zij den Vader, enz. ter intentie van Z. H. den Paus van Rome.

uwe iwen et de 'aak,

ocr page 510

GEBED TOT JESUS,

Als onzen Regter.

VOOR DEN ZATURDAG.

O Jesus! voor wien ik weldra zal moeten verschijnen, als voor mijnen Regter, om rekening te geven van al mijne werken, en om uit uwen goddelijken mond te hooren een van deze twee zoo verschillende vonnissen: Komt, gezegenden mijns Vaders, of wel: Gaat vervloekten, in het eeuwig vuur. Wie zou niet verschrikt zijn, als hij dit maar denkt! ik weet, o Jesus! dat ik u nu' nog kan bewegen, met u te dienen en te beminnen: maar dat gij daarna onbeweeglijk zult zijn. En helaas! (o schrikkelijke verblindheid!) wat doe ik hiertoe? Geef mij dan, o Jesus! dat deze zoo treffende waarheden diep in mijn hart geprent blijven; dat zij mij voor goed de boetvaardigheid en de versterving doen omhelzen, om u mijnen Regter tot mijnen beschermer in den dag van gramschap te be-bekomen, als gij zult komen oordeelen in uwe glansrijke Majesteit.

Verfoei en schuw de traagheid en ledigheid

Bemin en oefen eene vurige naarstigheid in het werk van uwe zaligheid.

ocr page 511

LITANIE VAN O. L. VROUW, ENZ. 507

LITANIE

VAN

O. L. VROUW VAN LOKETTEN.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontf u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer, H. Drievuldigheid, een God, ontferm u onzer. H. Maria, {onder wier H. Naam en bescherming de Geloovigen zich verheugen,) bid voor ons.

H. Moeder Gods, {die niet hooger kondet

verheven worden,)

H. Maagd der Maagden, (in wie de maagdelijke staat zijne verhevenheid heeft, Moeder van Christus, {die door Christus aan ons tot eene Moeder gegeven zijt,) Moeder der Goddelijke genade, {voortbren- ct;

gende den geur van alle genaden,) fr' Allerreinste Moeder, (in zuiverheid en hei- o ligheid de Engelen te boven gaande,) ° Allerzuiverste Moeder, {in zuivere liefde g Gods de Serafijnen overtreffende,) V' Ongeschondene Moeder, {die nooit iets dan

om God bemint,)

Onbevlekte Moeder, {zonder vlek van de

minste zonde,)

Zeer minnelijke Moeder, {alle liefde ivaar-difj als de verhevenste naast God,)

ocr page 512

508 LITANIE VAN O. L. VROUW

Zeer wonderbare Moeder, {pok voor de Engelen om uwe onhegrijpelijke genade,) Moeder des Scheppers, {aan wie zich alle

schepsels met alle regt onderwerpen,) Moeder des Zaligmakers, {die uit u ontvangen heeft, datgene waardoor hij de wereld zoude zalig maken,) Allervoorzigtigste Maagd, (in al utoe ivoor-

den, werken en geheel uwen handel,) Eerwaardige Maagd, {om uwe ongeloof'e-

lijke zedigheid en stichting,) Lofwaardige Maagd, {die waardig zijt van alle schepsels hemind te worden,) Magtige Maagd, {hij uwen Zoon in onzen nood,)

Zachtmoedige Maagd, {door uwe ingewanden vol van medelijden en barmhartigheid)

Getrouwe Maagd, {te voren aan Gods genade en nu aan degenen, die u aanroepen,)

Spiegel van regtvaardigheid, (ons vertoo-nende den geest en de deugden van Christus,)

Zetel der wijsheid, {ivaarin de eeuwige

Wijsheid gerust heeft,)

Oorzaak onzer blijdschap, {ons harende

den Zaligmaker der wereld,

Geestelijk vat, {vol van den H. Geest,) Eerwaardig vat, {waardiger dan de hoogste hemel zelf,)

Uitmuntend vat van devotie, (wiens zuchten als een wierook tot God zijn opgeklommen,)

ocr page 513

LITANIE VAN O. L. VROUW.

Geestelijke roos, {uitgevende den goeden

geur van Jesus leven,)

Toren van David, {tot wien geene vijanden

toegang hebben gehad,)

Ivoren toren, {in wie de bedorvenheid

geene plaats heeft gehad,)

Huis van goud, (bekleed met goud der liefde,)

Ark des verbonds, {in welke het hemelsche

Manna is besloten geweest,)

Deur des hemels, (door welke wij gaan tot ^ Christus,) s;

Morgenster, {voor die op de zee dezer we- lt;.

reld varen naar de eeuwigheid,) §

Behoud der kranken,

Toevlugt der zondaren, g

Troost der bedrukten.

Hulp der Christenen,

Koningin der Engelen,

Koningin der Patriarchen,

Koningin der Profeten,

Koningin der Apostelen,

Koningin der Martelaren,

Koningin der Belijders,

Koningin der Maagden,

Koningin van alle Heiligen,

Koningin zonder erfsmet ontvangen.

Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans,

Lam Godo, dat de zonden der wereld wegneemt,

spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

verhoor ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer.

509

ocr page 514

TREURZANG

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

GEBED.

O genadige God, die u gewaardigd hebt een Zoon des menschen te worden, eene vrouw verkiezende tot uwe Moeder op de aarde, die God tot uwen Vader liadt in den hemel, wij bidden u, geef ons, dat wij hare gedachtenis eerbiediglijk honden, haar als Moeder eeren en aan hare overgrooto waardigheid onderdanig zijn, die u van den heiligen Geest heeft ontvangen, die u, Maagd blijvende, heeft gebaard, en aan wie gij zelf op de aarde zijt onderdanig geweest. Amen.

Hl

01' DE

DROEFHEID VAN MARIA.

STABAT MATER DOLOROSA.

Naast het kruis, met schreijende oogen, Stond de Moeder, diep bewogen.

Daar de Zoon te sterven hing. En haar door het zuchtend harte. Overstelpt van wee en smarte,

't Zevenvoudig slagzwaard ging. O hoe droef, hoe vol van rouwe Was die zegenrijks te vrouwe

510

ocr page 515

OP DE DROEFHEID VAN MARIA. 511

Om Gods Eengeboren Zoon.

Ach, hoe streed zij! ach, hoe kreet zij, En wat folteringen leed zij

Bij 't aanschouwen van dien hoon. Wie, die hier niet schreijen zoude, Die het grievend leed aanschouwde.

Dat Maria's ziel verscheurt?

Wie kan zonder mee te weenen, Christus' Moeder hoorea steenen.

Daar zij met haar Zoon hier treurt? Voor de zonden van de zijnen Zag zij Jesus zoo in pijnen En in wreede geeselstraf;

Zag haar lieven Zoon zoo lijden.

Heel alleen den doodkamp strijden.

Tot Hij zijnen geest hergaf.

Geef, o Moeder! bron van liefde,

Dat ik voele wat u griefde,

Dat ik met u mede klaag;

Dat mij 't hart ontgloei' van binnen In mijn God en Heer te minnen,

Dat ik Hem alleen behaag.

Heil'ge Moeder! wil mij hoeren.

Met de wonden mij doorboren.

Die Hij aan het kruishout leed; Ach, dat ik de pijn gevoelde,

Die uw lieven Zoon doorwoelde.

Toen Hij stervend voor mij streed. Mogt ik klagen al mijn dagen,

En zijn plagen waarlijk dragen

Tot mijne jongste stervenssmart; Met u onder 't kruis te weenen. Met uw rouwe mij vereenen, Dat verlangt mijn -weenend hart.

ocr page 516

TREUR-GEZANG.

Maagd der maagden 1 nooit volprezen, Wil nu niet mij tegen wezen,

Laat mij treuren aan uw zij;

Laat mij al de wreede plagen En den dood van Christus dragen,

Laat mij sterven zoo als Hij.

Laat mij, in zijn kruis verslonden, Laat zijn wonden mij doorwonden.

Om de lietde van uw Zoon.

Dan, in wederliefde ontstoken.

Worde ik door u voorgesproken, Moeder! voor zijn regtertroon.

Maak, dat mij het kruis beware, Dat dan Christus' dood mij spare.

Dat Hij mij gena bewiiV';

En als 't ligchaam eens zal steiven, Doe mij dan de glorie erven Van het hemelsch Paradijs. Amen.

ANDER GEZANG

OVER DEZELFDE STOF.

i | Terwijl ge, o Jesusl met uw bloed Het altaar van uw kruis besproeidt,

Zie daar vol wee uw' Moeder Maagd, Die tevens ook haar hart opdraagt.

Uw' doornen zijn ook hare kroon,

Zij deelt met u het kruis voor troon, De nag'len die uw vleesch doorslaan,

Zijn haar tot in de ziel gegaan.

512

ocr page 517

TREtm-GEZANG. 513

O smarte, nooit van mensch beseft, Die uwe beide harten treft,

Houd op, o liefde, stut die pijn!

Houd op, elkanders zwaard te zijn!

't Is onze schuld, 't is onze zond', Die dus uw beider ziel doorwondt;

Vergunt ons dan in 't lijden deel,

vV ant d' oorzaak komt van ons geheel. Amen.

1.

21

ocr page 518

HEILIGE ROZENKRANS.

fu den naam des Vaders, euz.

Ik geloof' in Gud den Vader, enz.

Glorie zij den Vader, en den Zoon en don 11. Geesl, gelijk het was in liet begin, en nu, en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Onze Vader, euz.

Ik groet u. Dochter van God den Vader. Wees gegroet, enz.

Ik groet u. Moeder van God den Zoon. Wees gegroet, enz.

Ik groet u, Bruid van God den H. GeesL Wees gegroet, enz.

Glorie zij den Vader, enz.

DE V. BLIJDE GEHEIMEN.

I. DE BOODSCHAP DES ENGELS.

De namen van Jesus en Maria moeten zijn gezegend, van nu af tot in eeuwigheid. Onze Vader, enz.

1. De H Drievuldigheid heeft toegestemd in de menschwording van Christus, wees gegroet, enz.

2. Maria is tot Moeder van Christus verkoren,

3. De Engel Gabriel brengt Maria de blijde boodschap, _ g

4. Maria was in de eenzaamheid in baar gebed,

5. De Engel zeide: Wees gegroet, vol van genade,'i? de Heer is met u. 'ï?

6. Maria was verbaasd, als zij den Engel hoorde, re

7. De Engel zeide: Maria, wil niet vreezen,quot; want gij zult ontvangen van den H. Geest, S

B.Maria zeide: Zie de dienstmaagd des Heeren, ^ mij geschiede naar uw wouid,

ocr page 519

H. ROZENKRANS. 515

0. Maria is van den H. Geet l overlommerd geworden, ■wees gegroet, enz.

10. En het Woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond, wees gegroet, enz.

Glorie zij den Vader, enz.

11. HET BEZOEK VAS MARIA AAN HAKE NICHT ELISABETH.

Üe namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Maria gaatuitootmoedigheidharenichlElisabeth bezoeken, wees gegroet, enz.

2. Maria geleid door den H. Geest,

3. Maria met haast opstaande, gaat over het gebergte,

4. Maria werd met veel liefde door hare nicht Elisabeth ontvangen,

5. Joannes is gezuiverd en van blijdschap opge- ^ sprongen in zijns Moeders ligchaam, «

G.Elisabeth zeide: gezegend is de vrucht uws oq ligchaams, ^

7. Maria beeft uitgeroepen: Mijne ziel maakt 5 groot den Heer, S

8. Elisabeth zeide: wat geluk geschiedt mij, dat re de Moeder des Heereu tot mij komt, S

0. Het huis van Zacharias is door de komst van Jesus en Maria gezegend,

10. Maria heeft hare nicht drie maanden met veel liefde gediend,

Glorie zij den Vader, enz.

III. DE GEBOOHTE VAN CHRISTUS.

De namtn van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Maria heeft gebaard eu zij is Maagd gebleven,

wees gegroet, enz.

2. Maria heeft Jesus in eenen stal gebaard en in

doeken gewonden, wees gegroet, enï.

era ó

ocr page 520

H. ROZENKRANS.

3. Maria heefl Jesus met liefde en verwondering aanschouwd,

4. Maria heeft Jesus omhelsd en aan haar hart gedrukt, ^

5. Maria heeft Jesus met hare U. borsten gevoed, g

6. Maria heeft Jesus in eene krib gelegd,

7. Jesus lag op hooi en stroo, tusschen os en cngt; ezel, 'g

8. De Engelen hebben gezongen: Glorie zij » aan God in het allerhoogste, en vrede op de aarde aan de menschen, die van goeden wil zijn, b

0. De herders zijn het Kind komen bezoeken, •

10. De drie Koningen hebben het Kind komen

aanbidden en hunne giften geofferd,

Glorie zij den Vader, enz.

IV. DE OPDUAGT VAS CHRISTUS IS DEN TEMPEL.

De namen van Jesus en Maria, ecz.

Onze Vader, enz.

1. Maria gaat om haar H. Kind te offeren, wees gegroet, enz.

2. Jesus en Maria onderwerpen zich aan de •wet van Mozes,

3. Maria gaat door moeijelijke wegen naar Jeruzalem,

i. Maria heeft Jesus op hare armen gedragen, ^

5. Maria vervolgt al biddende baren weg, g

6. Maria heeft Jesus in den Tempel geofferd, cn

7. Maria heeft aan de wet voldaan, met de óa offergift der arme menschen, 3

8. Anna de Profetes loofde God voor de ver-lossing van Israël, o

9. De oude Simeon heeft Jesus omhelsd en 5 op zijne armen gedragen,

10. Simeon zeide: Heer, laat uwen dienaar gaan in vrede naar uw woord,

Glorie zij den Vader, enz.

516

ocr page 521

H. ROZENKRANS. 517

V. DE VINDING VAN HET VEHLOREN KIND JESUS.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Maria heeft haar lief Kind verloren, wees gegroet, enz.

2. Maria heeft haren schat gemist,

3. Maria heeft Hem al weenende gezocht,

4. Maria heeft Jesus langs alle wegen en straten gaan zoeken, j*

5. Maria heeft Jesus na drie dagen gevonden, ggt;

6. Maria vindt Jesus in den Tempel, m

7. Jesus, twaalf jaren oud zijnde, leerde de cl Leeraren, o

8. Maria zeide: Zoon, vraarom hebt gij ons S bedroefd, n

9 Jesus is met hen afgegaan en was hun on- 5 derdanig,

10. Maria bewaarde in haar hart al de woorden,

die Jesus tot haar sprak.

Glorie zij den Vader, enz.

GEBED.

0 Maria, allergoedertierenste Moeder! verkrijg voor mijn hart droefheid, en voor mijne oogen tranen van berouw, om te beweenen, dat ik Jesus door de zonden zoo dikwijls heb verloren, vergun mij hem weder te vinden en altijd te behouden. Am

DE V. DROEVIGE GEHEIMEN.

I. DE BENAAUWDUEID VAN CHRISTUS IN HEI HOFJE.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus gaat naar het hofje van Olijven, wees gegroet, enz.

2. Jesus valt plat ter aarde neder, wees gegr., enz

3. Jesus volhardt ia het gebed, wees gegr., en»

ocr page 522

H. ROZENKRANS.

4. Jesus is bedroefd tot den dood toe,

5. Jesus zweet -water en bloed, ^

6. Jesus stelt zijnen wil ia den wil Tan zijnen g hemelschen Vader, 01

7. Jesus vermaant zijne Leerlingen om te waken ^ en te bidden,

8. Jesus wordt door zijnen Apostel met eenen S kus verraden,

9. Jesus wordt door zijn bemind volk gevangen, S

10. Jesus wordt vreeselijk gebonden en gesleurd ^ van den eenen regter tot den anderen,

Hoe lief heeft God den menscb gehad, dat hij zijnen eenigen Zoon niet gespaard heeft, maar hein overgeleverd heeft tot den dood, ja tot den dood des kruises.

II. DE GEESEL1NG VAN CBP.ISTÜS.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus wordt door de Joden aan de Heidenen overgeleverd, wees gegroet, enz.

2. Jesus wordt bij Pilatus valschelijkebeschuldigd,

3. Jesus wordt door zijn volk achter Barabbas gesteld, ^

4 Jesus, alhoewel onschuldig verklaard, werd 5

geleverd om gegeeseld te worden, 03

5. Jesus kleederen werden uitgerukt, cS

G. Jesus stoud daar naakt en bloot, o

7. Jesus aan eene kolom gebonden, r-

8. Jesus wordt wreedelijk gegeeseld, re

9. Jesus bloed vloeit langs de aarde, n

10. Jesus is gewond om onze zonden,

Hoe lief heelt God den mensch, enz.

IU. DE KltDOONIXG VAN CHIUSTÜS.

De namen van Jesus en Maria, ens.

Onze Vader, enz.

518

ocr page 523

H. ROZENKRANS.

1. De soldalen hebben Jssus eene doornenkroon bereid, wees gegroet, enz.

2. Zij hebben de doornen kroon in Jesus hoofd gedrukt,

3. Jesus hoofd langs alle kanten doorwond,

4. Jesus hoofd druipende van het bloed, ^

5. Jesus niet eenen purperen mantel bespot, «

6. Zij hebben Jesus een riet voor scepter in quot;■ de hand gegeven. ^

7. Zij hebben met het riet op het gekroonde ^ hoofd van Jesus geslagen, (?

{!. Zij hebben in Jesus geheiligd aangezigt ge- quot; spuwd, d

9. Jesus overladen met versmaadheden, .N

10. Pilatus heeft Jesus aan het volk vertoond, zeggende: Ziet den mensch,

Hoe lief heeft God den mensch, enz.

IV. DE KRUISDIUGING VAN CHIUSTUS.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus wordt veroordeeld om gekruisigd te worden, wees gegroet, enz,

2. Jesus heeft zijn kruis met liefde omhelsd,

3. Jesus heeft zijn kruis op zijne doorwonde schouderen gedragen,

4. Jesus wordt lusschen twee moordenaars op- ^ geleid, 2

5. Jesus bezwijkt onder hel kruis om onze zonden, ac

G. Jesus, beladen met zijn kruis, ontmoet zijne oa

bedroefde Moeder, o

7. Jesus wordt beweend door de godvruchtige vrouwen van Jerusalem, g

8. Jesus zeide haar: handelt men zoo met het n groene hout, wat zal dan met het doirege-scliiedeu ?

9. Niemand wilde Jesus zijn kruis helpen dragen,

519

ocr page 524

H. ROZENKRANS.

10. Jesus klimt voor ons op den berg van Calvarie,

wees gegroet, enz.

Hoe lief heeft God den mensch, enz.

V. DE KRUISIGING VAN CHRISTUS.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus werd onmenschelijk op het kruis uitgerekt, wees gegroet, enz,

2. Jesus handen en voeten doornageld,

3. Jesus werd aan het kruis opgerigt, en zijne wonden vloeiden van het bloed,

4. Jesus bidt voor zijne vijanden,

5. Jesus belooft den moordenaar het Paradijs,

6. Jesus beveelt den H. Joannes aan zijne quot;quot; Moeder, tra

7. Jesus dorst hebbende, is met gal en edik ï gelaafd, °

8. Jesus heeft uitgeroepen: Mijn God, waarom *quot; hebt gij mij verlaten ? g

9. Jesus zeide: Het is volbragt, f

10. Jesus heeft zijnen geest gegeven, en zijn hart voor ons laten openen,

Hoe lief heeft God den mensch, enz.

GEBED.

0 Jesus! ik bid u door uwe smarten en uwen bitteren dood, door uwe doornagelde handen, doorboorde voeten, doorstokene zijde, en al uwe gezegende wonden, ontferm u mijner, en druk uw heilig lijden zo'o in mijn hart, dat mij niets anders behage dan gij, mijn Jesus! die voor mij gekruist zijt. Amen.

DE V. GLORIERIJKE GEHEIMEN.

I. DE VERRIJZENIS VAX CHRISTUS.

De namen van Jesus en Maria, enz»

Onze Vader, enz.

520

ocr page 525

H. ROZENKRANS.

1. Jesus is den derden dag heerlijk verrezen ■wees gegroet, enz.

2 Jesus heeft dood en hel overwonnen,

3. Jesus heeft de oudvaders getroost en verlost,

4. Jesus verblijdt zijne 11. Moeder, ^

5. Jesus verschijnt als een hovenier aan Maria rè Magdalena, ^

G. Jesus vertoont zich aan Petrus, 'ra

7. De Leerlingen van Emmaüs zeiden: ■waren5? onze harten niet brandende van liefde, als re hij tot ons sprak.

8. Jesus staat in het midden van zijn Leerlin- s gen en wensclit hun allen den vrede,

9. Jesus toont zijne wonden aan den II. Thomas.

10. Thomas roept uit: 0 mijn Heer en mijn God !

Geloofd en gedankt zij Christus in het allerheiligste Sacrament des altaars, de voorstander van hetzelve, de H. Vader Dominicus, met zoo veel lofzangen en eer als hij waardig is.

II DE HEMELVAART VAM CHIUSTIIS.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus vaart heerlijk ten hemel, wees gegroet enz.

2. Jesus klimt op door zijne eigene magt,

3. Jesus scheidt van zijne lieve vrienden,

4. Jesus belooft met hen te blijven, tot het einde der wereld, j|

5. Jesus belooft hun den II. Geest, S

6. De Leerlingen hebben Jesus aanschouwd, en hij heeft hen allen gezegend, 05

7. Jesus heeft voor ons den hemel geopend, 5

8. Jesus zit aan de regterhand van zijnen — bemelscben Vader, g

9. Jesus toont zijne H. Wonden voor ons aan n zijnen bemelscben Vader,

10. Jesus is onze middelaar in den hemel,

Geloofd en gedankt, enz,

21 n*

521

ocr page 526

II. ROZENKRANS.

III. DE ZENDING VAN DEN H. GEEST.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Jesus heeft den H. Geest gezonden, wees gegr., enz.

2. Jesus heeft den Trooster gezonden,

3. Jesus heeft het vuur op de wereld gezonden,

4. De II. Geest heeft de harten met liefde ont- ^ stoken. «

5. De H. Geest heeft de verstanden verlicht,

6. De H. Geest heeft de harten versterkt,

7. De H. Geest heelt verschillende talen doen ^ spreken, a

8. De II. Geest heeft zijne gaven uitgedeeld, quot;

9. Kom, II. Geest, bezoek de harten uwer ge- S loovigen, f

10. Kom, II. Geest, ontsteek in ons het vuur uwer liefde,

Geloofd en gedankt, enz.

IV. DE HEMELVAART VAN MARIA.

De namen van Jesus en Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Maria is opgenomen, ten hemel, wees gegr., enz.

2. De hemelsche Vader ontvangt zijne geliefde Dochter,

3. Jesus omhelst zijne lieve Moeder,

4. De II. Geest verwelkomt zijne lieve Bruid, j|

5. De Serafijnen groeten Maria,

6. De Engelen dienen Maria, o,

7. Geheel de hemel is verblijd door Maria, o

8. Maria zit het naast bij Jesus, 2-

9. Maria is onze Moeder en Middelares in den re hemel, S

10. Maria is onze voorspreekster bij haren lieven Zoon,

Geloofd en gedankt, enz.

522

ocr page 527

n. ROZENKRANS.

V. DE KROONING VAN MARIA.

De namen van Jesus en .Maria, enz.

Onze Vader, enz.

1. Maria is heerlijk gekroond in den hemel, wees gegroet, enz.

2. Maria gekroond om hare serafijnsche liefde,

3. Maria gekroond om hare engelachtige zuiverheid, ^

4. Maria gekroond om hare groote'oolmoedigheid, ™

5. Maria gekroond om hare volmaakte gehoor- quot;quot; zaamheid, 're

G. Maria gekroond om hare heilige voorzigtigheid,

7. Maria gekroond, om hare groole verduldigheid, «

8. Maria gekroond om hare ijverige dankbaarheid,

9. Maria gekroond om hare volharding in alle B deugden,

10. Maria hoven alle Engelen en Heiligen in den Hemel gekroond, gelijk der Moeder van God toekomt.

Gelooid en gedankt, enz.

GEBED.

In de vereeniging van al uwe deugden, verdiensten en volmaaktheden draag ik u, zuivere maagd en verheerlijkte Aioeder Gods Maria! deze geestelijke kroon van gebeden en groetenissen op; gewaardig ze met al de lofzangen, die op de aarde en in den Hemel gezongen worden aan te nemen, en vraag voor mij en allen, voor welke ik verpligt ben te bidden, van uwen beminden Zoon de genade om wel te leven en de eeuwige zaligheid te verwerven. Amen.

Een Onze Vader, tot dankbaarheid, dat God ons de genade verleend heelt van den Rozekrans te bidden. Onze Vader, enz.

Een Wees gegroet, opdat Maria ons verstand opdrage aan den hemelschen Vader, en wij in

523

ocr page 528

H. ROZENKRANS.

eeuwigheid zijuer barmhartiglieid mogen gedenken. tfees (jeyroet, enz.

Een Wees gegroet, opdat Maria ons geheugen opdrage aan haren Zoon! en wij gedurig zijn leven en hitier lijden indachtig mogen wezen. Wees gegroet, enz.

Een Wees gegroet, opdat Maria onzen wil moge toeëigenen aan den H. Geest, en hij gedurig in ons van liefde moge hranden. Wees gegroet, enz.

Hel Geloof zullen wij bidden, opdat ons gebed aan God moge aangenaam zijn, dat het moge strekken tot zijne meerdere eer en glorie, tot welzijn der 11. Kerk, tot bekeering der zondaren en afgevallene Christenen, en lot welzijn der gemeenten. Ik geloof in God den Vader, enz.

De almogendheid des Vaders beware .ons.

De wijsheid des Zoons onderwijze ons.

De liefde des H. Geesles ontsleke ons.

In den naam des Vaders, enz.

524

GEBt

Geboden o:

Goedertl uitverkorei doet strekl uitverkorei die uwe e( laten over ziekte mis gelijk ik d heid heb dat gij, i ook de mi ongeoorloo: kwalen va van de ell zijn; geef zij er ook Gij hel maker! er lijden, zij een ligchs ooit eeni heeft. M dig en im de genad hemelsche die gij hebt to zaligheid lt;

ocr page 529

6^ ^e6yAXS§G^?ircgt;3Y^.^fö(?iOJicXD^Slt;c)S^^9

GEBEDEN VÜOU DE ZIEKEN.

Geboden om van God oen heilig gebruik van -de ziekte te bekomen.

.

Goedertieren God, die alles wat gij aan uwe uitverkorenen overzendt, tot hunne zaligheid doet strekken, geef mij, dat ik dit geluk der uitverkorenen geniete in deze mijne ziekte, die uwe eeuwige voorzienigheid mij nu heeft laten overkomen. Gedoog niet, dat ik de ziekte misbruike door mijne onverduldigheid, gelijk ik de gezondheid door mijne begeerlijkheid heb misbruikt. Geloofd moet gij zijn, dat gij, mij de gezondheid benemende, mij ook de magt benomen hebt, van u nog door ongeoorloofde wellusten te vergrammen. De kwalen van mijn ligchaam zijn de afbeeldsels van de ellenden, die in mijne ziel verborgen zijn; geef mij door uwe barmhartigheid, dat zij er ook het geneesmiddel van mogen wezen.

Gij hebt het lijden bemind, o lieve Zaligmaker ! en zoo bemind, dat gij om te kunnen lijden, zijt mensch geworden, aannemende een ligchaam, dat meer zoude lijden dan ooit eenig ligchaam ter wereld geleden heeft. Maak dan, dat ik met u uitwendig en inwendig gaarne lijde. Maar geef mij de genade, dat ik, met u lijdende den hemelschen troost van uwe genade voede, die gij mij door uw lijden gewaardigd hebt te verdienen. Niet te lijden, is de zaligheid der Engelen. Zonder troost te lijden,

ocr page 530

GEBEDEN

is de verdoemenis der duivelen. Het eerste is voor mij niet, want ik heb door mijne zonden verdiend te lijden, en de tijd van loon is voor mij nog niet verschenen. Maar ik schrik voor het tweede. Ik bid u dan, o Jesus! laat mij lijden; maar als uw kind, en als een Christen, die, als hij lijdt, ook door uwe genade vertroosting gevoelt. Neem de droefheid af, die de kwade begeerlijkheid in mij veroorzaakt, opdat zij niet meer, gelijk zij plagt, de schepselen kunne grieven, en geef mij integendeel, dat ik met blijdschap lijde. Geef mij in mijn lijden den vrede des gemoeds, die mij even gaarne doet aannemen al hetgeen mij uwe goddelijke hand zal believen over le zenden.

Korte schietgebeden tot troost der ziekende Heer slaat en hij geneest: de Heer brengt ons tot aan den dood, en weder tot het leven.

Wat zal ik zeggen? Het is de Heer, die het gedaan heeft. Hij doet wat hem behage-lijk is.

Die zijn kruis niet opneemt en mij niet volgt, is mijner niet waardig.

Ik groet u, ik omhels u met geheel mijn hart, o dierbaar kruis.

Er is niets geschied, dan hetgeen de Heer gewild heeft, geloofd zij zijn H. Naam.

Ik zal den Heer loven en danken ten allen tijde. Vooral nu, terwijl hij mij uit liefde en tot welvaart van mijne ziel bezoekt.

Heer, gij wilt, dat ik myne ziekte heiliglijk

526

ocr page 531

■VOOR DE ZIEKEN.

is zal gebruiken; geef, o Heer! hetgeen gij ge-sn biedt, en gebied mij al hetgeen u belieft. 3r Ik kus met liefde de hand van de godde-jr lijke regtvaardigheid, die mij kastijdt. iij Hoe hard zij mij slaat, zij slaat mij barm-n, hartiglijk, want hare slagen zijn minder dan r- mijne zonden.

ie Gij hebt gezegd tot uwe Leerlingen, o Heer I t, dat hun de verduldigheid noodig was, ik zie p- dit nu allerbest; geel mij de noodige deugd, gt;1, opdat ik in mijne lijdzaamheid mijne ziel bezitte. jn Gelijk de pijnen, die ik met Christus lijd, ;n overvloedig zijn, laat ook zoo, o God! de ver-ze troosting door Christus in mij overvloedig wezen. q. Heer, verhoor mij spoedig; want ik word gepijnigd.

Waarom zijt gij bedroefd, mijne ziel, waarom ontroert gij mij ? Vertrouw op God: want ik ïr zal hem nog loven. Hij is mijne vreugd en 3t mijne zaligheid, hij is mijn God.

Ik aanbid, o Jesus, de pijnen, die gij gele-;e den hebt. Ik draag u mijne smarten op, 3_ vereenigd met de uwe.

Dat uwe smarten, o mijn Zaligmaker! de jt mijne heilig en verdienstelijk maken.

Als de zieken iets goeds hoort lezen.

Ik hoor wat de Heer in mij spreekt. Hij gt;r zal mij troosten en helpen.

GEBED

Dat men voor de zieke zal hidden,

O God, die de bijzondere hulp en bijstand zijt k der menschelijke krankheid, toon uwe krachtige

527

ocr page 532

GEBEDEN

genade over dezen uwen dienaar (uwe dienares), opdat hij (zij) door uwen genadigen bijstand geholpen zijnde, wederom gezond aan uwe H. Kerk vertoond moge worden.

Verklaring van den II. Carolus Borrorncils op zijn sterfbed.

De zieke kan dit verscheidene malen in zijne ziekte doen.

In den naam van de allerheilig sie Drievuldigheid.

Ik, arme zondaar, verklaar in uwe tegenwoordigheid, o H. Engelen Gods, dat ik önder uwe bescherming uit deze wereld wensch te scheiden met een volkomen vertrouwen op uwe hulp. Ik wil sterven nie1gt; het kruis gedrukt op mijn hart, opdat ik ai mijne hoop stel op de verdiensten van hem, die het kruis met zijn dierbaar bloed besproeid heeft. Ik ben bereid alles te lijden wat de goddelijke regtvaardigheid mij zal gelieven op te leggen tot voldoening van mijne zonden. Ik ben bereid alles te verlaten, ook mijne beste vrienden. Ik lever mijn ligchaam over aan de aarde tot spijs der wormen, om eens deelachtig te worden aan de heerlijke verrijzenis mijns Zaligmakers. Ik verklaar eindelijk, o lieve Engelen! dat ik u de volle magt geet over den uitersten wil van mijne ziel. Zeg op dien tijd aan Jesus in mijnen naam, al hetgeen ik mogelijk niet zal kunnen zeggen. Zeg dat ik geloof al hetgeen de H, Kerk gelooft;

528

ocr page 533

quot;VOOR STERVENDEN. Ö29

dat ik mijne zonden verzaak, omdat zij aan hem mishagen; dat ik die wensch te verdrinken in de zee van zijn dierbaar bloed, dat ik vertrouw op zijne oneindige barmhartigheid, dat ik hem meer bemin dan alle schepselen, en dat ik hem in eeuwigheid beminnen wil, dat ik gaarne sterf, omdat het hem belieft; en dat ik mijne arme ziel beveel in zijne handen, als zijnde mijn Schepper en genadige Verlosser.

GEBED

Wanneer de zieke het Licjchaam des Ileeren ontvangt.

Gelijk gij, o Jesus eertijds rondwandeldet om de zieken te genezen, de dwalenden op den regten weg te brengen, de zondaren te bezoeken en zalig te maken, om wel te doen en overal uwen zegen te verspreiden, zoo bezoekt gij ons nu nog met eene barmhartige liefde in onze woningen op ons ziekbed, en verblijdt ons met uwe wezenlijke tegenwoordigheid. Laat alzoo onzen zieken medechristen uwe genade ondervinden. Uw heilig Ligchaam en Bloed strekke hem tot krachtige versterking, tot een onderpand zijns eeuwigen levens. Verkwik hem met uwen almogenden troost, versterk hem in verduldigheid en in eene geruste onderwerping aan u. Bevestig hem in geloof en in vertrouwen. Verzacht zijne smarten, geei rust aan zijn gemoed! Dat de ziekte zijns ligchaams tot genezing zijner ziel, en hem alzoo tot zaligheid strekke.

ocr page 534

530 GEBEDEN VOOR STERVENDEN.

GEBED

Wanneer de zieke het II. Sacrament des Oliesels ontvangt.

Almagtige en eeuwige God! die door uwen Apostel Jacobus tot ons gezegd hebt; Is er iemand onder u lieden ziek, dat hij den Priester der Kerk hij zich roepe, en dat deze over hem bidde, hem zalvende met olie, in den naam des Heer en, en het gebed des geloof s zal den zieke behouden, de Heer zcd hem verkwikken, en indien hij in zonden is, zij zullen vergeven worden. (./ac.'5. v 14, 15 )

Wij bidden u, doe dezen zieke, door de heilige zalving naar het ligchaam en naar den geest uwe hulp ondervinden; versterk door de genade van den H. Geest zijne zwakheid. Verligt zijn lijden, vergeef hem zijne zonden. Weer van hem alle ziels- en ligchaamssmarten, en geef hem, indien zulks met zijne eeuwige zaligheid overeenkomt, om uwe oneindige barmhartigheid de volkomene gezondheid weder; opdat hij, door uwe genade hersteld, met nieuwen ijver ter uwer eer, zijne vorige plig-ten weder op zich neme en die getrouw vol-brenge. Door Jesus Christus uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

ocr page 535

GEEEDEI

DER H. KERK VOOR DE STERVENDEN.

LITANIE.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

H. Maria, bid voor hem (haar). Alle H. Engelen en Aartsengelen, H. Abel,

Alle Kooren der regtvaardigen, H. Abraham,

H. Joannes de Dooper,

H. Josef,

Alle H. Patriarchen en Profetin, H. Petrus,

H. Paulus,

H. Andreas,

li. Joannes,

Alle H. Apostelen en Evangelisten,

Alle H. Discipelen des Heeren,

Alle H. Onnoozele Kinderen,

H. Stefanus,

H. Laurentius,

H. Bonifacius,

Alle H. Martelaren,

H. Silvester,

H. Gregorius,

H. Augustinus,

O O

CD Ö

P P

quot;S

ocr page 536

GEBEbEiJ

Alle H. Bisschoppen en Belijders, bidt voor hem Heer

(haar). O» H. Benedictus, bid voor hem (haar.)

H. Franciscus, bid voor hem (haar.)

Alle H. Monniken en Kluizenaars, bidt voor hem \t

(haar.) den

H. Lucia, bid voor hem (haar.) u g(

H. Maria Magdalena, bid voor hem (haar.) Chri,

Alle H. Maagden en Weduwen, bidt voor hem voor

(haar.) H. C

Wees genadig, spaar hem (haar,) Heer. Aart

Wees genadig, verhoor hem (haar,) Heer. Heei

Wees genadig, verlos hem (haar,) Heer. en i

Van uwe gramschap, en 1

Van het gevaar des doods, ' ^ den

Van eenen kwaden dood, ££ den

Van de pijnen der hel, % den

Van alle kwaad, „ Heil

Van het geweld des duivels, g uwe

Door uwe geboorte, _ .lesu Door uw kruis en lijden, 'g-Door uwen dood en begrafenis, ^

Door uwe heerlijke verrijzenis, ^ B

Door uwe wonderlijke hemelvaart, M men

Door de genade van den H. Geest den Vei-- | den

trooster, • sche

In den dag des oordeels, verlt;;

quot;Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. (uw

Dat gij hem (haar) wilt sparen, wij bidden u, uit;

verhoor ons. bidt

Christus hoor ons. inh

Christus, voorhoor ons. bedlt;

Heer, ontferm u onzer. is;

Christus, ontferm u onzer. het

632

ocr page 537

\00K STERVENDEN.

Heer ontferm u onzer.

Onze Vader, enz.

DIJ HET STERYEN VAN DEN ZIEKEN.

Vertrek, o Ohnstene ziel, uit deze wereld in den naam van God den Vader almagtig, die u geschapen heeft; in den naam Van Jesus Christus den Zoon van den levenden God, die voor u geleden heeft; in den naam van den H. Geest, die in u gestort is; in den naam der Aartsengelen; in den naam der Troonen en Heerschappijen; in den naam der Cherubijnen en Serafijnen; in den naam der Patriarchen en Profeten; in den naam der Apostelen; in den naam der H. Martelaren en Belijders; in den naam der Monniken en Kluizenaars; in den naam der H. Maagden en van alle Gods lieve Heiligen; heden zij uwe plaats in vrede en uwe woning in het H. Sion, door denzelfden .lesus Christus onzen Heer. R. Amen.

GEBED.

Barmhartige God, genadige God! die door de menigvuldigheid uwer barmhartigheid de zonden der boetvaardigen uitwischt, en door kwijtschelding al de schulden der vorige misdaden vergeet, aanzie genadig dezen uwen dienaar N. (uwe dienares N.) en verhoor hem (haar,) die uit ganscher hart om vergifl'enis van alle zonden bidt. Vernieuw, o allergoedertierenste Vader! in hem (haar) al hetgeen door aardsche boosheid bedorven of door bedrog des duivels geschonden is; vasthechtende dit lidmaat der verlossing aan het ligchaam der H. Kerk. Heer, ontferm u

533

s-

p

S3 •quot;S

ocr page 538

GEBEDEN

534

over zijne (hare) tranen, en neem hem (haar) voor aan tot verzoening, die op niets dan op uwe dige: barmhartigheid vertrouwt, door Christus onzen tege Heer. R. Amen. dan Allerliefste broeder (zuster), ik beveel u aan en ' den almogenden God, en geef u aan hem, versi wiens schepsel gij zijt; opdat gij, na de alge- tus, meene schuld der menschen door den dood ven, betaald te hebben, moget wederkeeren tot Chri uwen Schepper, die u uit het slijk der aarde stelL gevormd heeft. Wanneer dan uwe ziel uit Pare het ligchaam zal gescheiden zijn, de klaar- oruk blinkende schaar der Engelen ontmoete u; zend De hooge raad der Apostelen kome u. te ge- liet moet: Het zegepralend heir der witgekleede Verl Martelaren kome u tegen: De schaar der aans Belijders omringe u als blinkende leliën. Het gen-1 koor der blijzingende Maagden ontvange u, heid en de zalige rust omhelze u in den schoot zalig der Patriarchen. Het zoete en blijde aange- win! zigt van Jesus Christus verschijne u, en deze stelle u onder degenen, die bij hem onophoudelijk tegenwoordig zijn. Wees bevrijd van H den schrik der duisternissen; van het geknet- in (' ter der vlammen en van de smart der pijnen. hoof De gevaarlijke duivel met zijn gezelschap wijke H van u: dat hij voor u beve ea in de ijsselijke dien verwarring van den eeuwigen nacht henen ken vliede, wanneer gij, vergezeld van de Engelen, . H zult aankomen. Dat God zich oprigte, en zijne dien vijanden verstrooid worden. Dat allen, die atee hem haten, voor zijn aanschijn wijken; dat H zij verdwijnen als rook. Gelijk het was smelt dien voor het vuur, dat zoo de zondaren vergaan ver^

ocr page 539

I

voor stervenden. 535

voor Gods aanschijn; maar dat de regtvaar-digen blijden maaltijd houden, en in Gods tegenwoordigheid van vreugd opspringen. Dat dan geheel het helsche heir beschaamd worde, en dat de dienaren der duivelen zich niet verstouten uwen weg te verhinderen. Christus, die zich gewaardigd heeft voor u te sterven, verlosse u van den eeuwigen dood: Christus, de Zoon van den levenden God, stelle u in de altijd groene plaats van het Paradijs. Die waarachtige Herder rekene u onder zijne schapen; ontsla u van al uwe zonden, en stelle u aan zijne regterhand in het erfdeel der uitverkorenen, waar gij uwen Verlosser van aanschijn tot aanschijn zult aanschouwen, en met zalige oogen altijd tegenwoordig zult zien de geopenbaarde waarheid, en aldus gesteld onder de schaar der zaligen, de zoetheid der Goddelijke aanschouwing zult genieten in alle eeuwigheid, n. Am.

GEBED.

Heer, ontvang uwen dienaar (uwe dienares) in de plaats der behoudenis, die hij (zij) verhoopt van uwe barmhartigheid, n. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) van alle gevaren der hel, van de strikken der pijnen en van alle kwellingen r. Am.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Enoch en Eiias van den algemeenen dood der wereld verlost hebt. r.Am.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Noë van den watervloed verlost hebt. r. Amen.

ocr page 540

536 gebeden.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Abraham uit de Chal-deeuwsche stad Ur verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Job uit zijn lijden verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Isaiik van geslagt te worden, uit de hand van zijnen vader Abraham verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Loth uit Sodoma en uit de vlammen des vuurs verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Mozes uit de handen van Pharao, koning van Egypte, verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Daniël uit den kuil der leeuwen verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij de drie kinderen uit den brandenden oven en uit de handen van den onregtvaardigen koning verlost hebt. r.Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Suzanna van de valsche beschuldiging verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij David uit de handen van den koning Saül en van Goliath verlost hebt. r. Amen.

Heer, verlos de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) gelijk gij Petrus en Paulus uit de gevangenis verlost hebt. r. Amen.

ocr page 541

VOOR STEBVENDBN.

En gelijk gij de gelukzalige Maagd en Martelares Thecla van drie zware tormenten verlost hebt, gevvaardig ook alzoo de ziel van uwen dienaar N. (uwe dienares) te verlossen, en te verleenen, dat hij (zij) met u de hemelsche vreugd geniete, r. Amen.

GEBED

Heer, wij bevelen u de ziel van uwen dienaar N. (uwe dienares N.) en wij bidden u, o Heer Jesus Christus! Verlosser der wereld, dat haar, om welke gij genadiglijk op de wereld nedergedaald zijt, niet weigert in den schoot der Patriarchen te brengen. Erken, o Heer, uw schepsel, dat van geene vreemde goden geschapen is, maar van u alleen, den waren en den levenden God; want er is geen and sre God en niemand kan uwe werken nadoen. Heer verblijd zijne (hare) ziel door uw aanschijn. Wil toch zijne (hare) oude ongeregtigheden en dwaasheden niet gedenken, die de razernij of de drift der kwade begeerlijkheid verwekt heeft, want al heeft hij (zij) gezondigd, hij (zij) heeft nogtans den Vader, den Zoon en den H. Geest niet geloochend, maar geloofd; en hij (zij) heeft den ijver Gods uwe gehad, en den Heer, die alles geschapen heeft, van getrouwelijk aangebeden.

'ebt- GEBED.

uwe Wij bidden U, o Heer! gedenk toch niet t de de misslagen en onwetendheden zijner (harer) jeugd, raaar wee? hem (haar) gedachtig

537

ocr page 542

GEBEDEN

naar uwe groote barmhartigheid in de glo- onzes rie uwer klaarheid. Laat de hemelen voor Allerh hem (voor haar) geopend worden, en dat In 1 de heilige Engelen zich met hem (met haar) kan n verblijden. Ontvang, o Heer! uwen dienaar (uwe dienares) in uw rijk: de Aartsengel Michael, die het prinsdom over de hemelsche Jesus! krachtenverdiendheeft,onthale hem (haar.) Dat „e( Gods heilige Engelen hem (haar) te gemoet Jesus! komen, en tot het hemelsche J eruzalem geleiden. 'staat De heilige Apostel Petrus, aan wien door God jesus! de sleutels van het Rijk der Hemelen gege- Jjaat ven zijn, ontvange hem (haar.) De H. Apostel Paulus, die waardig is geweest een uitverkoren Vat te worden, kome hem (haar)'te hulp. De H. Joannes, die uitverkoren Apostel, aan zo wien de verborgenheden des Hemels veropenbaard zijn, bidde voor hem (haar.) Dat al de H. Apostelen, aan wie de Heer de macht heeft Koi gegeven van te binden en te ontbinden, voor hulp. hem (haar) bidden. Dat alle Gods lieve en moet. uitverkorene Heiligen, die om den naam van tegen Christus in dit leven groote pijnen geleden Cli hebben, voor hem (haar) bidden: opdat hij (zij) dat ( wanneer hij (zij) van de banden des ligchaams van 1 ontbonden zal wezen, tot de glorie van het En hemelsch rijk moge geraken, door onzen Heer woor Jesus Christus, die met den Yaderen den H. v. Geest leeft en heerscht in alle eeuwigheid. r Am. R.

Indien de doodstrijd langer duurt, kunnen (haai zij, die de stervenden bijstaan, op verschei- teger dene tijden hidden de VII .Boetpsalmen hier Hé voren, bladz. 409, of de Litanie van alle u on Heiligen, bladz. 549, of die van het Lijden Oi

538

ocr page 543

voor stervenden.

3 glo- onzes Heeren, hladz. 486, of die van de

voor Allerheiligste Maagd, bladz. 507.

i dat In het scheiden van de ziel uit het ligchaam haar) kan men zeggen en herhalen de volgende enaar

,enge| drie schietgebeden.

ïlsche jesus! Maria! Josef!

) Dat ik geef u mijn hart, mijnen geest, mijn leven.

imoet Jesus! Maria! Josef!

iiden. staat mij bij in den doodstrijd.

rGod Jesus! Maria! Josef!

SeDe- Laat mijne ziel bij u in vrede rusten.

jostel

erko- GEBED

hulp.

aan zoodka de ziel uit het ligchaam gt;pen- gescheiden is.

il de

heeft Komt, o Gods lieve Heiligen! deze ziel te

voor hulp. Engelen des Heeren, komt haar te ge-

e en moet. Ontvangt haar en stelt haar in de

van tegenwoordigheid des Allerhoogsten.

eden Christus, die u geroepen heeft, ontvange u,

(zij) dat de Engelen u brengen tot in den schoot

iams van Abraham.

het En dat de Engelen haar stellen in de tegen-

Heer woordigheid des Allerhoogsten.

tl H. v. lieer, geef hem (haar) de eeuwige rust. Am. r. En het eeuwige licht verschijne hem

men (haar), en dat de Engelen haar stellen in de

■hei- tegenwoordigheid des Allerhoogsten.

hier Heer, ontferm u onzer; Christus, ontferm

alle u onzer; Heer, ontferm u onzer.

iden Gnze Vader, enz.

539

ocr page 544

540 GEBEDEN VOOR STERVENDEN.

v. Ea leid ons niet in bekoring.

r. Maar verlos ons van den kwade. Amen. v. Heer, geef hem (haar) de eeuwige rust. r. Enheteeuwigelicht verschijne hem (haar.) v. Van de poorten der hel.

r. O Heer! verlos zijne (hare) ziel.

v. Dat hij (zij) in vrede ruste.

r. Amen.

v. Heer, verhoor mijn gebed.

R. En mijn geroep kome tot u.

Laat ons hidden.

Heer, wij bevelen u de ziel van uwen dienaar N. (uwe dienares N.) opdat hij (zij) aan de wereld gestorven, bij u leve. Wil toch' hetgeen hij (zij) door de krankheid in den menschelijken wandel misdreven heeft, door uwe barmhartige genade afwasschen, door Christus onzen Heer. Amen.

ocr page 545

LITANIE

VAN DE

OUBEYLEKTE OïfTTAMENIS

DER ALLEHIIEIL16STE liüi iiiili

(Deze litanie is getrokken uit de Bullc der dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis der H.

Maagd Maria, gegeven door Z. H. Pius IX.)

Heer, ontferm u onzer.

Jesus Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Jesus Christus, hoor ons.

Jesus Christus, verhoor ons.

Eeuwige Vader, die in de hemelen zijt, ontferm u onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.

H. Geest, waarachtig God, ontferm u onzer.

H. Maria, bid voor ons.

Maria, van het hegin en van alle eeuwen uitverkoren en toebereid om de Moeder van Gods eenigen Zoon te worden, bid voor ons.

Maria, meer dan alle schepselen door God ^ bemind, pl

Maria, in wie God door eene geheel buitenge-wone voorliefde zijn grootste welbehagen 8 vond, _ o

Maria, onvergelijkelijk boven alle engelen en s heiligen verheven.

ocr page 546

LITANIE VAN DE

Maria, zoo wondervol begiftigd met den overvloed der hemelsche gunsten, dat gij altijd vrij bleeft van elke zondevlek, bid voor ons. Maria gansch schoon en volmaakt, verrijkt met de volheid van onschuld en heiligheid,

Maria, wier heiligheid de grootste is, die men zich beneden God kan voorstellen en welke niemand, behalve God, kan begrijpen,

Maria, zonder erfsmet ontvangen,

Maria, die eene volmaakte overwinning op

het oude serpent hebt behaald,

Maria, aan wie God de Vader zijnen eeni-gen Zoon, aan hem gelijk en uit hem delven voortgekomen, geschonken heeft, ^ Maria, door God zeiven uitgelezen om 5: wezenlijk zijne Moeder te zijn, lt;.

Maria, van wie de H. Geest gewild heeft, 8 dat door zijne medewerking ontvangen en geboren werd diegene, van wien hij § zelf voortkomt, quot;

Maria, van den eersten stond uwer ontvangenis onbevlekt,

Maria, door genade en een bijzonder voor-regt, om den wil van de verdiensten van Jesus Christus, vrij bewaard van de smet der erfzonde,

Maria, van het eerste oogenblik uwer schepping at met de genade van den H. Geest toegerust,

Maria, op eene meer wonderbare wijze

vrijgekocht dan alle andere menschen, Maria, die met uwen goddelijken Zuon in

542

ocr page 547

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS. 543

die onverzoenbare vijandschap tegen den duivel hebt gedeeld, bid voor ons.

Maria, die met uwen onbesmeurden voet

den kop der helleslang hebt verplet. Gij, de arke van Noê, die zonder letsel aan het algemeen bederf der wereld ontkomen zijt.

Gij, het braamboch, dat Mozes geheel vlammend zag, en te gelijk met groen en ^bloesem bedekt,

Gij, die gesloten tuin, waarin geen bedert

kan binnensluipen.

Gij, het huis, wat zich de eeuwige wijsheid bouwde, versierd met zeven pilaren, het zinnebeeld der zeven gaven van den H. Geest, £

Gij, dat onbederfelijk hout, waaraan de ^ worm der zonde nooit knaagde, o

Gij, die altijd heldere bron, door de kracht ° van den H. Geest verzegeld, o

Gij, die volmaakter dan Judith of Esther, uw geslacht hersteld hebt, en een levensbron voor geheel het menschdom zijt. Gij, die nooit de duisternis gekend hebt. Gij, het eigen kunstgewrocht der H. Drievuldigheid,

Gij, de onbevlekte onder alle opzigten, de onschuld zelve, de volkomene gaafheid, het beeld zelve van oorspronkelijke zuiverheid, en eenig heilige woonstede van alle genaden des H. Geestes,

Gij, die God alleen boven u, en alle schepselen beneden u hebt,

Gij, wier lof' door geene tong op aarde,

ocr page 548

544 LITANIE VAN DE

noch in den hemel naar waarde kan verkondigd worden, bid voor ons.

Gij, de lofspraak der profeten en apostelen. Gij, de eer der martelaren, de vreugdeen

kroon van alle heiligen.

Gij, de zekere schuilplaats, de onverwonnen 2t hulp van allen, die in nood zijn, ^

O alvermogende middelares, die de aarde o

met uwen Zoon verzoent,

O roem, luister, bolwerk der H. Kerk, § O uitdelgster van alle ketterijen, v

Gij, die het geloovig volk, die alle natiën aan de grootste ellenden, aan rampen van allen aard hebt onttrokken,

O Maria, ruim door uwe rnagtige bescherming alle hinderpalen uit den weg: zegevier over alle dwalingen; maak dar, onze Moeder de H. Kerk onder alle volkeren en op alle plaatsen dagelijks in kracht en bloei toeneme.

Door uwe onbevlekte ontvangenis, verkrijg voor

ons een groot berouw over onze zonden. Door uwe onbevlekte ontvangenis, verkrijg voor ons de uitstekende gunst van onze ziel zuiver en zonder smet te wasschen in het bloed van uwen Zoon Jesus Christus en in de werken eener heilige boetpleging.

Door uwe onbevlekte ontvangenis, verkrijg voor ons eene heldhaftige liefde voor de zuiverheid, en eenen grooten afschrik voor de tegenovergestelde ondeugd.

Door uwe onbevlekte ontvangenis, verkrijg voor ons eene steeds toenemende liefde tot God en eenen onverzoenbaren haat tegen de zonde.

ocr page 549

onbevlekte ontvangenis. 545

Door tiwe onbevlekte ontvangenis, verkrijg ons ver' de genade in Gods liefde te sterven.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, '' spaar ons, Heer!

11 Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

^ verhoor ons, Heer!

11 £ Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

^ ontferm u onzer.

e g Christus, hoor ons.

^ Ciiristus, verhoor ons.

ö Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

11 Heer, ontferm u onzer.

a Onze Vader, enz.

vr. Het is (heden) de onbevlekte ontvangenis

IlnS der allerheiligste Maagd Maria.

)vlt;rr ant. Van haar, wier glorievol leven alle

(le kerken oi)luistert,

;sen

laat ons bidden.

'oor

'' O God, die door de onbevlekte ontvangenis

'00' der allerheiligste Maagd Maria, voor uwen Zoon

lver eene hem waardige woon hebt bereid, geefons

door hare voorspraak, dat wij met zorg ons

en hart en ons ligchaam vlekkeloos in uwe oogen

bewaren, die haar van alle smet gevrijwaard

0.0V lebt. Door denzelfden Jesus Christus, onzen

eicl' leer. Amen.

rer-

schietgebeden.

njg

Ttot »Gezegend zij de heilige en onbevlekte ont-=en vangenis der II. Maagd Maria.quot;

21 18

ocr page 550

546 LITANIE VAN ÖE ONBEVLEKTE, ENZ.

O Mavia, zonder vlek ontvangen, bid voor ons, die onze toevlugt tot u nemen.

40 DAGEN AFLAAT.

Vidimus et approbavimus lias iitanias, Ciisqtie re-citantibus concedimng quadraginta dies indulgentiaium in forma ccclcsiae consucta.

Datum Harlemi die 8 Junii 18Ö5.

Frasciscus J. Episc. Ilarlcmcns.

ocr page 551

--1

■ ('fcïOiSÖSQES «-«sa ES^SÏJQCiCSSajsaïSSÜEX)

voor LITANIE

VAN DE

H. DB -A. IB _A. _A.,

M.iagd en Martelares, Patrones van een goeden dood.

c re- Heer ontferm u onzer.

uum Christus ontferm u onzer.

Heer ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

nis. Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.

God H. Geest, ontferm u onzer.

H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.

H. Maria, bid voor ons.

H. Maagd der Maagden,

Koningin der Martelaren,

H. Barbara, _

Getrouwe dienares des Heeren,

Zuivere Bruid van Jesus Christus, ^

Wijze en voorzigtige Maagd, §

Kloekmoedige Martelares,

Toevlugt dergenen die zich in stervensgevaar s

bevinden.

Troost der zieken,

Magtige beschermster in het uur des doods,

H. Barbara, kom ons te hulp.

H. Barbara, bid voor ons den Heer.

Opdat wij hem met een zuiver ligchaam dienen, en door een rein hart behagen, H. Barbara, bid den Heer.

Opdat geen lijden, geene smart, geen dood,

in staat zij ons van zijne liefde te scheiden.

*

ocr page 552

548 LITANIE VAN DE

Opdat wij door waken en bidden, ons op

zijne komst mogen bereid houden, F Opdat wij iederen dag zoo beleven als of td het de laatste van ons leven ware, ~.

Opdat wij van een haastigen en onver--

wachten dood bewaard worden, er

Opdat wij met het volkomen bezit van ons ^ verstand, de heilige Sacramenten vóór —■ ons sterven waardiglijk mogen ontvangen. 53 Opdat wij den dood der regtvaardigen sterven, ffi In alle gevaren, bescherm ons. H. Barbara, ®

In het uur des doods, sta ons bij, H Barbara, quot; Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

verhoor ons. Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,

ontferm u onzer. Heer!

Jesus, sterkte der Martelaren, hoor ons.

Jesus, zuiverheid der maagden, verhoor ons.

v. Bid voor ons, H. Maagd en Martelares Barbara.

R. Opdat het uur des doods ons zalig zij.

LAAT ONS BIEDEN,

Wij bidden u, Heer, dat wij door de voorspraak van uwe heilige Maagd en Martelares Alle Barbara mogen geholpen worden, opdat wij, H. F die hare bescherming in onze angsten en nood- H. F wendigheden afsmeeken, ook haren bijstand, H. A bijzonderlijk in het uur onzes dood mogen onder- H. .1; vinden. Door onzen Heer Jesus Christus, die met H- h u leeft en heerscht in de eenheid van den H.

Geest, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen-

ocr page 553

LITANIE

VAN

AliLE HE1L1GEX.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer,

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der weield, ontferm u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer. H. Maria, bid voor ons.

H. Moeder Gods,

H Maagd der Maagden,

H. Michael,

H. Gabriel,

H. Raphael,

Alle H. Engelen en Aartsengelen,

Alle Kooren der zalige Geesten,

H. Joannes de Dooper, quot;■

H. Josef, g

Alle H. Partriarchen en Profeten, %

H. Petrus, o

H. Paulus, S

H. Andreas,

H. Jacobus,

H. Joannes,

H. Thomas,

H. Philippus,

H. Bartholoniaeus,

O-

ocr page 554

LITANIE

H. Mathaeus, H. M

II. Simon, H. A

H. ïhadaeus, H. L

H. Matthias, H. A

H. Barnabas, H. C

H. Lucas, H. G

H. Marcus, H. A

Alle H. Apostelen en Evangelisten Alle

Alle II. Leerlingen des Heeren, Alle 1

Alle H. Onnoozele kinderen. Wees

H. Stephanus, Wees

H. Laurentius, Van i

H. Vincentius, Van i

H. Fabianus en Sebastianus, • Van

H. Joannes en Paulus, Van i

H. Cosmas en Damianus, Van (

H. Gervasius en Protatius, Van | Alle H. Martelaars, § Van ( H. Silvester, 0 Van 1 H. Gregorius, g Van ( H. Ambrosius, ' Van ]

H. Augustinus, Van c

H. Hieronimus, Door

II. Martinus, Door

H. Nicolaus, Door

Alle H. Bisschoppen en Belijders, Door

Alle H. Leeraars, Door

H. Antonius, Door

H. Benedictus, Door

H. Bernardus, Door

H. Dominicus, Door

H. Franciscus, troc

Alle H. Priesters en Levieten, In dei

Alle H. Monniken en Kluizenaar», Wjj 2

550

ocr page 555

VAN ALLE HEILIGEN.

H. Maria Magdalena,

II. Agatha,

II. Lucia,

H. Agnes,

H. Cecilia,

H. Catharina,

TI. Anastasia,

Alle H. Maagden en Weduwen,

Alle Gods lieve Heiligen,

Wees genadig, spaar ons, Heer.

Wees genadig, verhoor ons, lieer. Van alle kwaad, verlos ons, Heer. Van alle zonden,

Van uwe gramschap.

Van eenen haastigen en onvoorzienen dood. Van de listen en lagen des duivels, Van gramschap, haat en allen kwaden wil. Van den geest der onkuischheid. Van bliksem en onweder,

Van de geesel der aardbeving,

Van pest, hongersnood en oorlog.

Van den eeuwigen dood,

Door het geheim uwer menschwording, Door uwe komst,

Door uwe geboorte.

Door uw doopsel en H. vasten,

Door uw kruis en lijden.

Door uwen dood en uwe begrafenis,

Door uwe H. Verrijzenis,

Door uwe wonderbare hemelvaart,

Door de komst van den H. Geest, den Vertrooster,

In den dag des oordeels,

Wy zondaren, wij bidden u, verhoor on*.

ocr page 556

LITANIE

Dat gij ons wilt sparen,

Dat gij onze zonden kwijtscheldt,

Dat gij u gewaardigt ons tot eene ware

boetvaardigheid te geleiden.

Dat gij u gewaardigt uwe H. Kerk te

bestieren en te beschermen.

Dat gij u gewaardigt den Roomschen Paus en al de geestelijkheid in de heilige Godsdienst te bewaren,

Dat gij u gewaardigt de vijanden der H.

Kerk te vernederen.

Dat gij u gewaardigt den christen Koningen ^ en Vorsten vrede en ware eendragt te geven, - g

Dat gij u gewaardigt allen Christen volke-

ren vrede en eendragt te verleenen, s Dat gij u gewaardigt ons in uwe H. dienst 0 te versterken en te bewaren, *

Dat gij onze gemoederen tot hemelsche S begeerten wilt opheffen, oquot;

Dat gij u gewaardigt al onze weldoeners ° met de eeuwige goederen te vergelden, g Dat gij u gewaardigt onze zielen en de zielen van onze broeders, vrienden en weldoeners voor de eeuwige verdoemenis te behoeden,

Dat gij u gewaardigt de vruchten der aarde

te geven en te bewaren.

Dat gij u gewaardigt allen geloovigen overledenen de eeuwige rust te geven.

Dat gij u gewaardigt ons gebed te verhoeren, Zoon Gods,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wog neemt, spaar ons. Heer!

552

ocr page 557

LITANIE

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. verhoor ons, Heer!

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer. Heer!

Heer, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Onze Vader, enz.

Psalm. 69. Deus in adjutorium.

O God, kom mij te hulp, haast u Heer, om mij te helpen.

Dat zij beschaamd en bevreesd worden, die mijne ziel zoeken.

Dat zij terugwijken en zich schamen, die mij kwaad willen.

Dat zij terstond met schaamte afgekeerd worden, die zeggen : dat gaat wel, dat gaat wet.

Dat zij zichquot; allen in u verheugen en verblijden, die u zoeken; en dat zij, die uwe zaligheid beminnen, altijd zeggen, groot geacht zij de Heer.

Doch ik ben behoeftig en arm, help mij, o God! Gij zijt mijn helper en verlosser. Heer, vertoef niet.

Glorie zij den Vader, enz.

v. Maak uwe dienaren zalig,

r. Mijn God! die in u hopen.

v. Heer, wees ons een sterke toren, r. Tegen onzen vijand.

v. Laat de vijand niets tegen ons vermogen. '21 lö'

553

ocr page 558

van alle heiligen.

R. En laat de zoon der boosheid zich niet zoi

verstouten ons te beschadigen. fer

v. Heer! handel niet met ons naar onze

zonden. spr

r. En vergeld ons niet naar onze boosheden, 7/dI

v. Laat ons bidden voor onzen Paus N. die

r. De Heer behoede en spare hem in het 1

leven, geve hem voorspoed op de aarde, en do(

levere hem niet over aan den wil zijner vijanden. gei

v. Laat ons bidden voor onze weldoeners. zic'

r. Heer, gewaardig u allen, die ons goed de

doen om uwen naam met het eeuwige leven doe

te vergelden. Amen. J

v. Laat ons bidden voor de geloovigen, die uw

overleden zijn. ' vol;

r. Heer, geef hun de eeuwige rust, en het een

eeuwige licht verschijne hun. beg

Dat zij rusten in vrede. u. Amen. kra

v. Voor onze broeders die afwezig zijn. (

it. Mijn God, maak uwe dienaars zalig, die goe

in u hopen. voo

v. Zend hulp uit de heilige plaats, de

r En bescherm hen uit Sion. gen

v. Heer, verhoor mijn gebed, en

r. En mijn geroep komen tot u. r. Amen. zijn

leve

laat ons ridden. q

O God, aan wien het eigen is altijd ge- doo

nadig te zijn en te sparen, ontvang ons gebed: u n

opdat uwe goedertierene barmhartigheid ons, een

en alle uwe dienaars, die door de ketenen ^

der zonde gebonden zijn, genadiglijk ontbinde. vige

Wij bidden u, Heer, verhoor de gebeden end

der ootmoedigen, spaar degenen, die hunne zij 1

554

ocr page 559

LITANIE

^iet zonden belijden, opdat wij te zamen vergiffenis en vrede van u verwerven. nZe Toon ons genadiglijk, o Heer! uwe onuit

sprekelijke barmhartigheid, en verlos ons te len zamen van alle zonden, en van de straffen,

die wij daardoor verdiend hebben, het O God, die door de zonden vergramd, en

en door de boetvaardigheid verzoend wordt, zie Jen, genadig neder op de gebeden uws volks, dat lers. zich neder werpt voor uwe grootheid; en wend i-oed de geesels uwer gramschap van ons af die wij 3ven door onze zonden verdienen.

Almagtige eeuwige God, ontferm u over die uwen dienaar, onzen Paus N., en bestier hem volgens uwe goedertierenheid op den weg des het eeuwigen levens; opdat hij door uwe gunst begeere wat u behaagt; en liet met alle kracht volbrenge.

Li O God, van wien de heilige begeerten, de

die goede voornemens en de regtvaardige werken voortkomen, geef uwen dienaren den vrede dien de wereld niet geven kan; opdat onze harten genegen zijn tot het volbrengen uwer geboden, en wij, van de vrees der vijanden ontslagen men. zijnde, door uwe bescherming in rust mogen leven.

Ontvonk, o Heer! onze nieren en ons hart j ge. door liet vuur van den H. Geest, opdat wij ïbed: u met een zuiver ligchaam dienen, en met

ons een rein hart behagen.

tenen God, Schepper en Verlosser van alle geloo-)inde. vigen, verleen aan de zielen van uwe dienaars jeden en dienaressen vergiffenis van alle zonden, opdat mnne z\i kwijtschelding, naar welke zij altijd ver-

555

ocr page 560

VAN ALLE HEILIGEN.

langd hebben, door godvruchtige smeekingen mogen verwerven.

Wij bidden u, o Heer! voorkom onze wer-lien door den invloed uwer genade, en voltrek die door uwe medewerking, opdat alle onze gebeden en werken altijd van u beginnen, en door u begonnen, door u voltrokken worden.

Almagtige, eeuwige God, die over levenden en dooden heerscht en u ontfermt over allen, die gij te voren weet dat door liet geloof en de werken de uwen zullen zijn; wij bidden u ootmoedig, dat zij, voor welke wij voorgenomen hebben onze gebeden te storten, hetzij die nog in het leven of overleden zijn, op de voorspraak van alle uwe Heiligen, door uwe genade vergiflenis van alle hunne zonden mogen verkrijgen, door onzen Heer, enz. t. Heer verhoor mijn gebed,

li. En mijn geroep kome tot u. v. De almagtige en barmhartige Heer ver-hoore ons. p. Amen.

v. Dat de geloovige zielen door Gods barmhartigheid rusten in vrede.

r. Amen.

55(3

ocr page 561

GEBEDEi-J

©1M1 iilf mw*

WANNEER HET ALLERHEILIGSTE WORDT UITGESTELD.

Geloofd, aangebeden en gedankt zij ten alien tijde het allerheiligste Sacrament des Altaars. Zegen mij, o Heer Jesus, met den Vader en den H. Geest; versterk mij door uwe genade, om zoo te leven volgens uwen H. Wil, dat geheel mijn leven strekke tot uwe meerdere eer en glorie, geef aan alle regtvaardigen volharding, alle zondaars ver-giüenis, en alle geloovige zielen verlossing; help ons allen nu en in het uur onzes doods.

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des II. Geestes. Amen.

I. GEBED.

TOT DE II. MAAGD MARIA.

(Uit den H. üernardus Serm. op den Advent.)

Geef ons toegang tot uwen Zoon, o Maria! die de gezegendste zijt onder alle vrouwen, die de genade gevonden hebt bij den Heer, die het leven ter wereld gebragt hebt en de moeder der zaligheid geworden zijt. Dat hij, die ons gegeven is door n, ons in genade aanneme door u. Dat uwe zuiver-

ocr page 562

GEBEDEN

Jieid bij hem tot verschooning strakke van onze bedorvenheid. Dat uwe ootmoedigheid, die God zoo aangenaam is geweest, kwijtschelding verkrijge van onze hoovaardigheid. Dat de overvloedigheid uwer liefde de menigvuldigheid van onze zonden bedekke, en dat uwe wonderbare vruchtbaarheid ons vruchtbaar make in verdiensten en goede werken. Gij zijt onze Koningin, onze Middelares, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon; beveel ons aan uwen Zoon; maak, o gezegende Maagd, door de genade, die gij hebt gevonden, door het voorregt, hetwelk u is gegeven, door de barmhartigheid, daar gij de Moeder van zijt, dat Jesus Christus uw Zoon, en onze Heer, die, de menschelijke natuur uit u aannemende, deelachtig is geworden aan onze zwakheid, ons door uwe voorbede ook deelachtig make aan zijne glorie en eeuwige zaligheid.

II. GEBED.

Tot de allerheiligste Maagd, om de navolging van hare deugden te verzoeken.

De alleraangenaamste 'lof, dien wij u kunnen geven, o allerverhevenste Maagd! is uwe deugden na te volgen. God zelf gebiedt ons, dat wij zouden doen al hetgeen uw Zoon ons bevolen heeft. Hij heeft ons bevolen, o allerheiligste Moeder! dat wij God zouden beminnen boven alle zaken en onzen evennaaste gelijk ons zeiven. Gij hebt dit gebod op het al-

558

ocr page 563

ONDEB II ET LOF.

lervolmuaktste volbragt. Verkrijg ons, bidden wij u, de gratie, om dit groot gebod ook uit ganscher hart te volbrengen.

Uw leven, o allergodvruchtigste Maagd! is geweest eene gedurige overdenking van do waarheid, en een gedurig gebed; bid voor ons, opdat wij u ten minste van verre mogen navolgen met de waarheid in ons hart te bewaren, en dikwijls onze ziel op te hellen tot God.

Gij waart arm in goed en rijk in deugden, wanneer gij de Moeder Gods zijt geworden: leer ons meer trachten naar een deugdzaam leven, dan naar de wereldsche rijkdommen.

De engel vond u alleen en verre van de menschen, wanneer hij u kwam groeten, leer ons de eenzaamheid beminnen; opdat wij God aldaar tot ons hart hooren spreken.

Wie zal uw groot geloof kunnen uitdrukken, met hetwelk gij de grootheden van eenen arm geworden en vernederden God in de krib hebt aangebeden? Verkrijg ons, o zoete Maagd! dat wij u mogen navolgen, en dikwijls overdenken, hoe de Allerhoogste, de Allermagtig-ste, en de Allerrijkste zoo magteloos en zoo arm geworden is uit liefde tot ons, en wat dankbaarheid wij hem voor zoo onuitsprekelijke liefde schuldig zijn.

Gij hebt uwen Zoon aan God opgedragen in den tempel, toonende dat gij bereid waart aan God offerande te doen van hetgeen gij allermeest beminde, maak door uwe voorspraak, dat wij begrijpen, dat wij gehouden zijn alles om God te verlaten, ook de allerliefste zaken.

559

ocr page 564

GEBEDEN

Maar v;ie zal kunnen uitspreken, o Moeder ook van smarten! wat uw moederlijk hart geleden de li heeft onder het kruis, als het zwaard van droef- maar heid door uwe ziel ging ? Gedenk toch, o aller- eindii liefste Moeder! dat gij aldaar onze Moeder ge- Sacra worden zijt, en ons gebaard hebt met zoo ve!e ontst( smarten. Wij keeren ons met betrouwen tot met u, als uwe lieve kinderen. Gij kent onze ge- in te varen, gij ziet onze krankheid en onze ellenden. Wie is er ooit verstoeten geweest die opregtelijk tot u zijnen toevlugt genomen heeft. Wij roepen dan tot u, ellendige ballingen, kinderen van Eva, wij verzuchten tot Hoi u al weenende in dit dal van tranen. Welaan, vernis keer tol. ons uwe barmhartige oogen, en toon aangt ons na deze ballingschap de gezegende Vrucht schijn uws ligchaams Jesus uwen Zoon, o genadige, mijn o metledoogende, o zoete Maagd Maria! verbli

III GEBED. Zde

Om het Geloof en de liefde tol Christus was 1 op te wekken. tot u

trouw

O mijn Heer en mijn Zaligmaker, üod en uit; mensch te zamen, ik geloof wat ik niet zie, meen: en ik geef mijne zinnen en mijn verstand benau gaarne gevangen ten dienste van het Geloof, nen; ; steunende op uw goddelijk Woord. Ik geloof, begeei dat het hoogwaardig H. Sacrament, waar- verhoc voor ik nederkniel, u geheel en gansch bevat, troost en gij daar waarlijk tegenwoordig zijt. Ver- nu ni meerder mijn geloof, opdat ik u moge eeren, ik, dit gelijk het uwe grootheid betaamt, en u achtig aanbidden in geest en waarheid. Gij wordt dat 11

ocr page 565

ONDER IIILT LOF.

561

ellen-st die omen

bal-

oeilcr ook niet gediend noch aangebeden dan door leden de liefde, ik bemin u uit gansch mijn hart, Iroef- maar geef mij, dat ik overdenkende uwe on-aller- eindige liefde, die gij ons bewijst in dit H. 3r ge- Sacrament, meer en meer door wederliefde o vele ontstoken worde, en mijn behagen neme in n tot met u te zijn, gelijk gij uw vermaak neemt e ge- in te zijn met de kinderen der menschen.

IV. GEBED.

Uitstorting des harten voor Jesus.

n lot Hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen! Hoe ilaan, vermakelijk is het in uw huis te zijn! Hoe i toon aangenaam is het voor uw H. Altaar te ver-fuclit schijnen, almagtige Heer, mijn Koning, en idige, mijn God! is het te gelooven, dat een God zijn verblijf wil nemen onder de menschen ? Aldus spraken uwe Profeten van het Heiligdom der oude Wet, dat maar alleen eene afbeelding ^l(s was van hetgeen wij hier bezitten. Zij kwamen tot uwe H. Tabernakelen vol eerbied en betrouwen ; zij stortten aldaar hun hart voor u id en uit; zij spraken u aan, met eene heilige ge-t zie, meenzaamheid; zij gaven u daar al hunne ?tand benauwdheden en noodwendigheden te ken-eloof, nen; zij droegen u hunne gebeden en hunne eloof, begeerten op, en gij luisterdet naar hen: gij vaar- verhoordet ze en gij vervuldet hun hart met «vat, troost en blijdschap. Wat al genade mag ik Ver- nu niet verwachten van uwe milddadigheid, eren, ik, die hier mijn hart uitstort voor het waarin u achtig Heiligdom en het levende Tabernakel, rordt «lat niet door 's menschen handen is op-

ocr page 566

GEBEDEN

gerigt; maar van God zei ven zijn wezen ontvangen heeft? Voor u dan, o Jesvis! die al de voorafbeeldingen van het oud Tabernakel vervult, zucht ik over mijn klein geloof, help toch mijne ongeloovigheid. Geef mij dien heiligen schroom, die uit ootmoedigheid voortkomt, en die met liefde, met vrede en blijdschap vermengd is.

Doe mij met uwen H. Voorlooper verwonderd zijn over de ootmoedigheid, waarmede gij tot mij komt, die niet waardig ben uwe schoenriemen te ontbinden. Doe mij met de CananeeSche vrouw voor uwe voeten blijven, met eene volle erkentenis van mijne onwaardigheid, tot dat gij mijn gebed gelieft te verhooren en mijne ziel, die zoo deerlijk gekweld wordt te verlossen. Doe mij, gelijk uwe Engelen, en de heilige Ouderlingen, voor uwen Troon plat ter aarde vallen, en met hen zingen het nieuw Gezang, zeggende: «Omdat gij gedood zijt »geweest, en ons door uw Bloed afgekocht »hebt voor God uit alle geslachten.... en vol-»keren, en dat gij ons voor God koningen en «priesters gemaakt hebt, hierover zij aan »dengene, die cp den troon gezeten is, en «aan het Lam de dankzegging, de eer, de «glorie en de magt in alle eeuwigheid.quot; Apoc. 5. v. 2. 10. 13.

V. GEBED.

Om God voor zijne weldaden en genaden

te bedanken.

Het is mijn pligt, het is zalig en regtvaar-

562

ocr page 567

ONDER HF.T LOF.

dig, o mijn God! dat ik u op alle plaatsen en ten allen tijde bedank voor al de weldaden, die gij zoo overvloedig en zonder ophouden over mij blijft uitstorten. Wat heb ik, hetgeen ik van u niet ontvangen heb? En wat ben ik, dan hetgeen gij mij gemaakt hebt? Al de oogenblikken van mijn leven zijn zoo vele genaden die gij mij verleent. En ter wijl ik mij nu voor uwe voeten kom werpen, om u te bedanken voor uwe weldaden, komen mij de andere gaven, die ik in geheel mijn leven van u heb ontvangen, in de gedachten, en ik bedank u voor die alle te zamen. O God mijner Voorvaderen! ik ben uwe barmhartigheden onwaardig, zij gaan oneindiglijk boven alle verdiensten. Wat zal ik u wedergeven voor al wat ik van u ontvangen heb? Ik zal u ioven ten allen tijde. Ik zal alle schepselen uitnoodigen, om u met mij te loven en alle menschen, om u te beminnen. Ik zal mijn best doen, om uwe genaden zorgvuldig te bewaren, om die, door een heilig gebruik, tot mijne heiligmaking en uwe glorie te besteden.

Ik heb u gebeden en gij hebt mij verhoord. Ik heb uwen naam aangeroepen, en gij hebt mij geholpen. Wees geloofd, o mijn God! die mijn gebed niet verstoeten, en uwe barmhartigheid van mij niet weggenomen hebt. Wees geloofd door uwen Zoon Jesus Christus onzen Heer, door wien gij ons met allerhande zegeningen vervult. Amen.

563

ocr page 568

50i GEHEDEN

VI. GEBED.

Voor allerlei noodwendigheden.

Wij hebben gedurig uwe hu'p noodig, o Heer! en in wat nood wij ons bevinden, zoo keeren wij ons met reden tot u, die onze sterkte zijt in al de aanvallen die ons bestrijden. Gij kent al onze noodwendigheden, eer wij die gevoelen, eer wij die zelf kennen. Gij ziet, o Heer! in welken nood ik tegenwoordig gesteld ben; gij laat mij zulks overkomen tot uwe glorie en mijne zaligheid. Ik moet u dus bedanken over mijne zwakheden en krankheden, omdat het mij goed is, dat gij mij vernederd hebt, en opdat de kracht uwer genade in mijne zwakheid moge uitschijnen. Uit mij zeiven kan ik niets dienstig ter zaligheid; maar ik kan alles als gij mij versterkt. Gij zijt de God onzer Vaderen, bij u is de magt, en daar is niemand, die ukan wederstaan. Gij hebt ons geboden onze toe-vlugt te nemen tot u, als wij ons in be-naauwdheid en verlegenheid bevinden, en gij hebt beloofd ons te verhooren, als wij u zouden aanroepen. Neig uwe ooren en verhoor mij, want ik ben arm en behoeftig, daar is geene kracht in mij; niet wetende wat mij te doen staat, kan ik niets anders doen dan mijne oogen opheffen tot u, o God! aan wien het gebed der vernederden en zachtmoedigen altijd aangenaam is, verhoor mij, ellendige, die u bul, en geene andere toevlugt heb, dan u.

ocr page 569

T

ONDER HET LOF. 505

OP H, SACRAMENTSDAG.

Bij de Vespers.

Zing, mijn tong, 't geheim des Heeren, Maak het god'ijli Ligchaam groot,

* o En het Bloed, niet te waarderen,

zoo Dat de Spruit van d' eedlen Schoot,

mze Hij, de vorst der hemelsferen,

trij- Voor het heil der aard vergoot.

eer

Gij Ons geboren, ons gegeven,

rdig Zoon der reine Hemelbruid,

itot Strooit Hij, in zijn sterfelijk leven,

et u 't Zaad van 't godlijk leerwoord uit,

en Tot in 't end een hoog verheven

dat Werking zijne omwandling sluit.

de

loge Aan den laatsten disch gezeten

istig Met den vollen broedrenkring,

mij Biedt Hij, na het Paasehlam-eten

, bij Volgens wettige ordening,

kan Hun, die zijne broed'ren heeten,

toe- Zelf zich zelv' ter nuttiging.

. be-

n gij 't Woord in 't vleesch doet brood verkeeren

aden Door het woord in 't Vleesch, en wijn

mij, In 't aanbiddelijk Bioed des Heeren:

;eene Fale ook 't zintuig bij den schijn,

doen Voor het harte, dat wil leeren,

nijne Zal 't geloof voldoende zijn.

i het

lit ij d Kniel dan voor liet glorierijke

i biil, Sacrament aanbiddend neer;

I

ocr page 570

GEBEDEN

Voor deez' Godsvereering wijke De eeredienst der oude leer;

En, waar 't zintuig ook bezwijke,

Steune 't vast geloof ons weer.

Lof den Vader in den hoogen,

Lof zijn eengeboren Zoon;

Hun zij eer en alvermogen,

Hun ons zeegnend lied geboón;

En den Geest, aan 's hemels bogen Eén met hen, alle eerbetoon. Amen.

Men kan onder het lof ook bidden de verdere Lofzangen van het H. Sacrament, hier voren, met de Gebeden van de Communie of eenige Litaniën.

ONDER HET AYE MAMA. Bid godvruchtig driemaal het Wees gegroet, enz.

ONDER DE BENEDICTIE.

Bid hetzelfde als bij de uitstelling van het Allerheiligste.

566

ocr page 571

Er is geen voordeel te verhopen, daar, waar dat van onze zaligheid zich niet bevindt; men verliest alles, wanneer men zijne ziel verliest.

Een Christendom zonder Calvarie-berg, eenen Calvarie-berg zonder kruis, eene kroon zonder doornen willen; is zijne godsdienst miskennen ver- of er aan verzaken.

hier De hoofdstof van den christen is het kruis; lie of hij is in zijn schoot geboren, hij moet niet dan tusschen zijne armen sterven.

Een ware christen moet geene oogen hebben dan cm de heinelsche goederen te aanschouwen; geenen smaak dan voor de gaven der genade; t.enz. geene verlangens dan voor de eeuwigheid

Mijne ziel is te edel, dan dat ik van haar de slavin van mijn ligchaam zou maken, in liet O mensch! niets evenaart de waardigheid van uw wezen, tenzij de grootheid der weldaden, die gij van de hand Gods ontvangt.

Al wie in deze wereld anders leeft dan als vreemdeling, heeft van den christen niets dan den naam.

Wee hen, die zich aan vergankelijke goederen hechten; wijl zij met deze voorbijgaan.

Al wat wij te doen hebben, wanneer wij in de wereld komen, is, te zorgen heiliglijk er uit te scheiden.

De mensch is op aarde een reiziger die des

m

ocr page 572

KERKELIJKE GOEDKEURING.

I M V E I M A T € R.

Amstelodami, F. T. H. VAN OGTROP,

die 17 Junii 1885. Libr. Cens.

ocr page 573

BLADWIJZER.

BLADZ.

Morgenpligten, 263

Morgengebed. 267

Gebeden en oefeningen door den dag. 290 Avondgebed. 295

Gebeden onder de heilige Mis. 298

Andere manier van Mis te hooren door liet overdenken van het lijden van Christus, dat door de ceremoniën van de Mis verbeeld wordt. 322

Gebed voor de predikatie. 394

Gebed na de predikatie. 395

BIECHT-OEFENIXGEN.

Gebed voor dat men zijn geweten onderzoekt. 396 Beweegredenen, om het hart op te wekken, tot een waarachtig leedwezen over zijne zonden. 397

Voorbiecht. 400

Nabiecht. 406

Gebed van dankzegging. 407

l)e zeven Boetpsalmen. 409

CüMMUNIE-OEFENINGKN.

Onderrigting hoe zich de goede Christenen

zullen bereiden. 419

I. Gebed behelzende oefeningen van geloof en andere deugden, die -uit het geloof «jiruiten. 49f

ocr page 574

BLADWIJZER.

Gebed tot Jesus, als onzen Regter. Voor

den Zaturdag. 506

Litanie van O. L. Vrouw van Loretten, 507

Treur-Gezang op de droefheid van Maria. 510

Ander gezang over dezelfde stof. 512

H. Rozenkrans. 513

Gebeden voor de zieken. 525 Verklaring van den H. Carolus Borromeüs

op zijn sterfbed. 528 Gebed wanneer de zieke het Ligchaam

des Heeren ontvangt, 529 Gebed wanneer de zieke het H. Sacrament

des Oliesels ontvangt. 530

Gebeden der H. Kerk voor de stervenden. 531 Gebed zoodra de ziel uit het ligchaam

gescheiden is. 539

Litanie van de onbevlekte ontvangenis. 541

Litanie van de H. Barbara. 547

Litanie van alle Heiligen. 549

Gebeden onder het Lof. 557

Geestelijke grondstellingen. 567

574

Kerkelijke Goedkeuring. 570

EINDE VAN DEN INHOUD.

ocr page 575