Vak 89
â .A
41
Vak .CV i?
DE
(lodvniclitij) CoiiiiiiiiriiceereiKle CHRISTEN.
DOOR
HÃBEST LEBON,
-c
E. K. Pr.
-F
11
i i ?
Zeemde Druk.
Komt alleu tot mij, ilii bülast tu beladen zijt, en ik zal u verkwikken.
-^SRSSSg'S-
amp;
4
LUTKTE k CEANENBÃRG. \s-Bosch-Rotterdam.
R!quot; 'V.
| iS»Dr-JV. |
IC VViJ : £ NS
V
|
( ( | |||||||||||||||||||||||||||||
|
AAN DEN GOD
m\ HEILIGK COMMUNIE.
O Welbeminde mijns harten, wat ware eene eeuwigheid van arbeid en opoffering in ruil voor ééne heilige Communie. En evenwel, o grenze-looze goedheid, hebt gij mij, die zoo arm ben, zoo dikwijls tot uwe heilige Tafel toegelaten!... Wat zal ik U weder geven?.. Neem dan in dank aan, niet dezen nederigen arbeid van eenige dagen, die zonder uwen heiligen zegen niet vruchtbaar kan worden, maar mijn vurig verlangen, om al de harten der inenschen voor ü te winnen, en hen allen, o mijn God, te kunnen vereenigen aan het zaligste gastmaal, hetwelk gij ons in uwe bovenmatige liefde op aarde bereid hebt. Ik heb geen ander verlangen dan dit; ik
6
draag het U op, o mijn welbeminde Jesus, o God van liefde, God der H. Communie, tot dankbaarheid voor al de hemelsche gunsten, welke gij door uw aanbiddelijk Sacrament zoo overvloedig in mijn hart hebt uitgestort.
Zegen gij; o mijn God, dat klein werkje: ik ben het deels verschuldigd aan de heilige ingevingen van godvruchtige schrijvers, die u waren en nog zijn toegewijd. Indien mijn arm hart somtijds gesproken heeft, gevoel ik dat het goede, wat het heeft kunnen zeggen van U voortkomt: alleen het overige behoort aan hetzelve.
Zegen dan, o mijn God èn het werkje, èn den onwetenden geloovi-ge, die het geschreven heeft, en alle godvruchtige vrienden van de H. Tafel, die het zullen lezen.
-o--
e [.
Maa heid verc buil een 1 doo: â zoel noct waa een zak( i van
I.
Dat mijne rechterhand verdorre indien ik u o Jerusalem, ooit vergete,
Ps cxxxvi. 6.
Een God-mensch, bereidt een praclr tigen maalüjd, doet tallooze uitnoo-digingen en als alles gereed is, zendt hij bovendien zijn dienaar tot de genoodigden, opdat zij zouden komen. Maar, o onbegrijpelijke ondankbaarheid van het menschelijk hart! allon verontschuldigen zich en wijzen die buitengewone eer van de hand: de een wordt door genoegen, een ander door zaken teruggehouden; deze zoekt eene vrouw, gene wendt eenc noch dwazere reden voor: een nietswaardig buitengoed, de koop van een paar osseii; de onbeduidendste zaken, ziedaar waaraan het geluk van aan den feestdisch van een God
10
aan te zitten, wordt ten otter gebracht! Bij liet zien van zulk eene alge-meene en beleedigende verachting, moest G-ij, o Heer! voor altijd de deuren van uwe feestzaal sluiten. Dan neen, uwe goedheid kent gee-ne palen; luide roept gij er den arme heen om hem te verrijken, den zwakke om hem te versterken, den blinde om hem de oogen te openen, den kreupele om hem den gang weder te geven: gij wilt dat allen worden toegelaten, dat men er zelfs om strijd binnen kome, opdat de y.aal gevuld worde; en als men slechts met het bruiloftskleed getooid is, ontvangt gij alle gebrekkigen en behoeftigen en roept alle menschen toe: Komt tot mij, gij allen, die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken en u met de goederen mijns huizes overladen. O goddelijke liefde, gij zijt in dit Sakrament veel sterker, dan al onze ondank-
it! baarheden! O ondankbaarheid van
^e- den mensch gij zijt nog onbegrij-
ig, 1 pelijker, nog dieper dan dit hemelsch
de f geheim!
m. 14
)e* (lm Courtieii. Uitlegfjincj der Mis.)
ir- l
sn m n.
e- ;
sn is ie ts s,
m m ie u m
ii-
it
i
Dal mijne rechterhand verdorre imlien ik u ooil vergete, o Sacrament, dat al mijne genoegens uitmaakt.
Het H. Altaar sacrament: ziedaar een der geheimen van Gods liefde, hetwelk de mensch gedurende de geheelo eeuwigheid zal overwegen zonder er ooit de diepte van te kunnen peilen en hetwelk de Engel, in zijne eindelooze verrukkingen, niet anders dan kan aanbidden en zegenen....
Isaïas, die dat wonder van liefde in zijne geheimzinnige openbaringen in het verschiet zag, kon er geen anderen naam voor vinden dan em inzicht van God. En inderdaad schijnt God om zoo te spreken er zich niet op toegelegd te hebben.
I
1 »quot;»
lo
oin het middel te zoeken, waardoor hij zich zou kunnen mededeelen en verspreiden; en is dut geheim van het H. Altaar sacrament niet voort-gekomeu uit de diepste overwegingen der oneindige wijsheid?... Kon God, hoe almachtig Hij is, een middel uitvinden, dat geschikter is om zijn vurig verlangen van zich nauw niet den mensch te vereenigen, te voldoen ? En indien dat middel door hem niet â ware uitgevonden, in welken geest eens schepsels zou dan ooit de gedachte opgekomen zijn van een God, die zich aan den mensch tot voedsel wil geven?. Ook is dit niet alleen het grootste der wonderen welke God gewrocht heeft, hot is meer nog: 't is het kort begrip van alle wonderen zijner almacht. âDe God, die goed en barmhartig is â roept de koninklijke Profeet uit â heeft een kort begrip zijner wonderen gemaakt; hij
14
heeft dengenen, die hem vreezen, eene spijze gegeven.quot;
Toen de Zoon Gods dit wonder verkondigde, vraagden de Joden, bij de gedachte alleen van hetzelve, verwonderd: â Hoe kan Hij ons -zijn vleesch te eten geven?'' Hoe?. 1 Auli! hem te vragen hoe, is niet j aan zijne liefde en zijne almacht ge-looven, roept Bossuet uit... De kinderen Israels hadden ook arevraagd.
O O
âWat is dit?quot; toen zij het manna in de woestijn zagen nedervallen.
En ziedaar reeds meer dan achttien honderd jaren, dat dit gastmaal der engelen voortduurt en wij eten altijd, en onze kinderen zullen na ons aanzitten aan diezelfde Tafel, die niet weggenomen zal worden vóór de voltrekking der eeuwen. Dan, op dien laatsten der dagen, zal de eeuwige scheiding plaats hebben van de groote menschelijke familie, ter rechterzijde zullen zich
15
de uitverkorenen bevinden^ die voor eeuwig zich met God 'zullen gaan vereenigen in het verblijf zijner heerlijkheid; ter linkerzijde de verdoemden, die eeuwig van honger en dorst zullen gaan smachten in de hel.
Verschrikkelijke scheiding?.... Eu ach! schijnt zij niet reeds in dit le-\en aan te vangen'?... Waar vindt men de gezegenden des Vaders, waar anders dan aan de tafel van den Zoon? Waar treft men de vervloekten des Vaders, de onverschilligen, de ongeloovigen, de godslasteraars, al die menschea, die hunne ziel te vergeefs ontvangen hebben, waar anders dan ver van dat vreedzame gastipaal der zuivere zielen, ver, zeer verre, op oevers, welke niet door de engelen bewaakt worden, omdat zij onophoudelijk door allerlei menschelijke hartstochten bestookt en van een gereten worden.
16
Luistert naar de woorden van
onzen God :
âMijn vermaak is te zijn met, de âkinderen der menschen.. Komt al-âlen tot mij, die beladen en in lij-âdeu zijt en ik zal u verkwikken.. âIk verlang vurig dit Paaschlam âmet u te eten... Wie mijnvleesch âeet, dien zal ik opwekken in den âjongsten dagen liij zal eeuwig leaven; hij zal leven van mijn leven, âgelijk ik leef van liet leven mijns âVaders.. Voorwaar, voorwaar ik âzeg het u, indien gij het vleesch âvan den Zoon des menschen niet âeet, zult gij het leven in u niet âhebben.quot;
Welke uitnoodigingen!.. Welke beloften!.. Welke bedreigingen!..
O O .
Maar, mijn God, wanneer 'k uw aanbiddelijk Sacrament overweeg, is het minder uwe liefde die mij verwondert, dan de onverschillig-heid der menschen, die zich niet
17
aan uwe liefdevolle uitnoodigingen laat gelegen liggen, noch zich om uwe vreeselijke bedreigingen bekommert en die het geluk, van aan uwe goddelijke Tafel aan te zitten, ten offer brengt aan de nietigste zaken.
Ach! dat mijne rechterhand verdorre, dat mijne tong weigere te spreken^ indien ik u ooit vergete, indien gij, o Sacrament, dat al mijn genoegen uitmaakt, niet mijne eerste liefde zijt!... l)at ik ophoude te leven, o God van de H. Communie, indien ik ooit mocht ophouden u te beminnen!...
99
II.
11c beb vurig verlanitd dit Pa a sch! am mei u teetrn.
Li'c. xxii. 25.
Als de wereldlingen u vragen, waarom gij zoo dikwijls tot de Tafel des Heeren nadert, zeg hun, dat het is om God te leeren beminnen, om u van uwe onvolmaaktheden te zuiveren, om u van uwe ellenden te bevrijden, om u in uwe tegenspoeden te troosten, om u in uwe zwakheden te ondersteunen.Zeer hun,
O '
dat twee soorten van menschen dikwijls tot de Tafel des Heeren moeten naderen: de volmaakten, omdat dewijl zij goed voorbereid zijn, zij verkeerd zouden doen met niet te naderen tot de bron van alle volmaaktheid; en de onvolmaakten, om met recht naar de volmaaktheid te kunnen streven; de sterken om niet zwak te worden en de zwakken om sterkte te verkrijgen; de zieken om do genezing te erlangen, en de gezou-
19
den opdat zij niet ziek worden. Zeg hun, dat degenen, die niet door vele bezigheden verhinderd worden, dikwijls moeten communiceeren, omdat zij het gemakkelijk kunnen doen; en degenen, die vele zaken aan de hand hebben, omdat dit het middel is om wel te slagen, en omdat hij, die veel werkt, herhaaldelijk behoefte heeft aan voedzame spijs. Zeg liuu, dat gij dikwijls tot het H. Sacrament nadert, om hetzelve behoorlijk te leeren ontvangen, dewijl men moeielijk iets goed verricht, waaraan men zich door herhaalde oefening niet gewoon heeft gemaakt. Ga dan dikwijls tot de heilige Tafel, godvruchtige Christenen, zoo dikwijls gij slechts kunt. Het is dooide schoonheid, de goedheid en zuiverheid zelve in dit goddelijk Sacrament te aanbidden en te nuttigen dat gij geheel schoon, geheel goed en geheel zuiver zult worden.
(H. Pbanciscus van sales.)
Paschen!. .. Pasche)i!.... Het moest voor den Christen eiken dag Paschen zijn.
1
Paschen!.., O welk een schoone dag is het Paaschfeest, der Christenen!... âIk zal opstaan, zingt de Bruid in ;t Hooglied (Hf. 2 en 11,) en de stad doorloopen om het voorwerp mijner liefde te zoeken. Ik heb hem niet gevonden; ik heb de wachters der stad ondervraagd; maar nauwelijks was ik eenige schreden voortgegaan, of ik heb mijnen welbeminde gevonden. Gaat uit, dochters van Sion, en ziet uwen kbnir.ar op den dag van zijne bruiloft en van de vreugde zijns harten; de winter is voorbij, de storm is gestild.quot; De Heer heeft uwe tranen afgedroocj-d.
21
Er zullen voor u, o mijn Jesus, noeh tranen, noch dood; noch smarten meer zijn... Gij zijt de opstanding en het leven; gij hebt de sleutelen van den dood. Gij zijt voor altoos verrezen; gij leeft in de eeuwen der eeuwen. Ik zal uitgaan, ik zal zien, en gelukkiger dan Magdalena, zal ik u aanraken; ik zal u in het binnenste mijns harten ontvangen, ik zal met u herleven, en de verrijzenis en onsterfelijkheid aanschouwen, waarvan uw sacrament het zinnebeeld en hst zalige onderpand is.
Paschen!... O gelukkige dag; waarop het eerbiedwaardig Paaschlam, voor ons geslacht, in ons hart komt! Mijne ziel en geheel mijn binnenste heeft van vreugde opgesprongen. Wat zijt gij goed Heer, jegens degenen^ die ii zoeken. Welke eene aangename zoetheid stort gij uit in de harten, waarin het u behaagt n door het eer-
biedwaardig Sacrament uwer altaren te begraven!... O edelmoedige gast, die u gewaardigt, in mijne woning binnen te treden, mij te vergezellen en ii met mij te onderhouden, even.... als met de leerlingen van Emmaus; hoe goed erkent men u aan het breken des broods! Hoe spoedig gevoelt men zich in uwe tegenwoordigheid ontvlamd door het vuur uwer liefde! Verblijf altijd bij mij, goddelijke reiziger, want zonder u is elk onderhoud smakeloos, de vrienden der wereld zijn ontrouw, hunne vermaken walgelijk en vervelend, hunne rust vol kommer. Blijf altijd bij mij, opdat mijn hart altijd uwen gloed gewaar worde, opdat ik mij nimmer meer van u afscheide, en u overal bij mij drage om van uwe goedheid te spreken, uwe wonderen te loven, en op alle plaatsen uwe liefde te zegenen!...
Paschen!.,, Zou het voor den
1
33
Itii- Christen niet altoos Paschen moeten
ige zijn?... Gij verlcingt zulks, mijn God
,vo- gij noodigt ons uit, gij roept ons
ge- onophoudelijk toe; om toch dikwijls
en, 1 aan uw hemelsoh gastmaal deel te
'an ⢠.nemen, waar wij het geluk gevon-
lan den hebben^ waar al de gevoelens
3e- van geloot, hoop, lieide, dankbaar-
sn- held en getrouwheid ontboezemd
,ur ' zijn door onze zielen, die door uwe
lij, tegenwoordigheid verrukt waren...
u Waarom weigeren wij dan üoo
de hardnekkig gevolg te geven aan
w, ' zulke dringende en liefdevolle uit-
re- noodigingen? Waarom blijven wij
ijf | zoo lang van de levensbronnen ver-
jd ' wijderd? De eerste Christenen com-
at ; municeerden alle dagen, om ten al-
e, ; len tijde tegen de wreedheid hunner
m 1 vervolgers gewapend te 74inl llul'alquot;
;i- hebben onze tijdon ook niet hunne
m vervolgingen? i)e onverschilligheid, het ongeloof, de wereld, hare wel-
sn
lusten, haar ijdele roem en vermaken: zijn dat geen wreedere dwingelanden dan de Nero's, de Diocle-tianen en de Tiberiussen?
âTe vergeefsâ-zegt een godvruchtige zendeling onzer dagenâte vergeefs zoekt men uitvluchten, men moet daar altijd weer op terug komen. Jesus Christus heeft ons zijn lichaam gegeven ter versterking onzer zielen, even als hij ons het brood schenkt tot voeding en versterking onzer lichamen. Waar brood genoeg is, daar ziet men ook gezondheid en kracht heerschen; waar het ontbreekt, kan niets het vervangen, en de hongersnood spreidt daar allerwege zijne verwoesting ten toon; men ziet hem overal vergezeld gaan van verkwijning, ziekten en den dood. Zoo is het ook met het brood der Engelen; onder degenen, die het dikwijls nuttigen, ziet men de deugd en heiligheid bloeien; maar
25
degenen, die het zeldzcuini eten, zijn ter prooi aan 't bederf en den dood en men behoeft slechts een blik te slaan op den staat des Christendoms, om te bespeuren, dat de zeldzame of veelvuldige Communie bijna alleen liet getal der goede of slechte Christenen bepaalt.
âZiet gij niet, dat alle slechte lieden dezer aarde; dat de wereldlingen slechts zelden communiceeren; dat zij, zoo min hun slechts mogelijk is tot de H. Tafel naderen; en dat zij, van het oogenblik, waarop zij de deugd begonnen te verlaten ook verflauwd zijn in het gebruik der Sakramen-ten, welke zij slechts uit noodzakelijkheid en om nog eenigen uiterlij-ken schijn te behouden, ontvangen, en dat zij dikwijls zoo ver komen, dat zij zich zelfs van de Paasch-Communie verwijderd houden? Zij vluchten het geneesmiddel, waarvan hun de kracht bekend is, en waai*-
34
lusten^ haar ijdele roem en vermaken; zijn dat geen wreedere dwingelanden dan de Nero's, de Diocle-tianen en de Tiberiussen?
âTevergeefsâzegt een godvruch- (⢠tige zendeling onzer dagenâte vergeefs zoekt men uitvluchten, men moet daar altijd weer op terug komen. Jesus Christus heeft ons zijn lichaam gegeven ter versterking onzer zielen, even als hij ons het brood schenkt tot voeding en vei*- ' sterking onzer lichamen. Waar brood genoeg is, daar ziet men ook gezondheid en kracht heerschen; waar het ontbreekt, kan niets het vervangen, en de hongersnood spreidt I daar allerwege zijne verwoesting ten 1 toon; men ziet hem overal verge-zeld gaan van verkwijning, ziekten en den dood. Zoo is het ook met het brood der Engelen; onder degenen, die het dikwijls- nuttigen, ziet men de deugd en heiligheid bloeien; maar *
25
degenen, die het zeldzaam eten, '/.ijn ter prooi aan 't bederf en den dood en men behoeft slechts een blik te slaan op den staat des Christendoms, om te bespeuren, dat de zeldzame of veelvuldige Communie bijna alleen 'het getal der goede of slechte Christenen bepaalt.
âZiet gij niet, dat alle slechte lieden dezer aarde, dat de wereldlingen slechts zelden communiceeren; dat zij, zoo min hun slechts mogelijk is tot de H. Tafel naderen; en dat zij, van het oogenblik, waarop zij de deugd begonnen te verlaten ook verflauwd zijn in het gebruik der Sakramen-ten, welke zij slechts uit noodzakelijkheid en om nog eenigen uiterlij-ken schijn te behouden, ontvangen, en dat zij dikwijls zoo ver komen, dat zij zich zelfs van de Paasch-Communie verwijderd houden? Zij vluchten het geneesmiddel, waarvan hun de kracht bekend is, en waar-
26
vim zij den overwegenden invloed niet kunnen ontkennen, omdat zij al te wel gevoelen, waartoe de deelneming aan de heilige Geheimen hen brengen zou; maar zij willen niet genezen worden. Ziedaar wat ik opmerk, en hetwelk gij even goed als ik opmerken kunt.
âIs het bovendien geene waarheid,dat^hoe zeldzamer de goede Communiën zijn, de kwade des te me-nigvuldiger moeten wezen '? Die waarheid moge aanvankelijk vreemd schijnen, ze is niettemin zeker en gij moogt ons daaromtrent gelooven.
tls vooral met Paschen, dat do slechte Communiën geschieden, en wel door degenen, die niet dan met het hoogtijd van Paschen tot de heilige Tafel naderen, terwijl dit op de andere tijden des jaars, en door degenen, die dikwijls' dit heilig Sakrament ontvangen, zelden hat geval is. Van deze laatsten inao'
O
27
ik zeggen, dat wij huu zonder vrees dit lichaam en bloed van Jezus Christus uitreiken, wij zijn daar gerust op; maar met Paschen; op dien tijd, waarin men diegenen tot de heilige Tafel ziet naderen, die er zelden verschijnen, dan bieden de bedienaren en uitdeelers der heilige geheimen met bevende handen en 'huiverig het H. Sacrament aan, omdat zij maar al te wel weten, dat er zich onder de menigte dergenen, die er zelden deel aan nemen, vele onwaardigen en heiligschenners bevinden.quot;
âIndien de Kerk de geloovigen verplicht, om slechts eens 's jaars de heilige Communie te ontvangen, zegt Pater Vaubert, is zulks louter eene ' toegeeflijkheid, waaruit men niet het minste ten gunste der zeldzame Communiën besluiten kan ; want door het gebod, dat men niet meer dan eenmaal tot de heilige
28
Tafel naderen moet, verbiedt zij niet alleen niet, dat men meermalen dit Sacrament ontvangen mag, maar zij verklaart door den mond dei-Vaderen, ter Kerkvergadering van Trente vereenigd, dat zij wensclite dat alle geloovigen zoo dikwijls tot liet Altaar-Sacrament naderden, als zij de mis bijwonen.quot;
Ziehier de woorden dier Kerkvergadering :
âDe Christenen moeten dit Sa-quot; cranient niet zulk een vast geloof, â met zooveel vurigheid en godsvrucht âgelooven en vereeren, dat zij dik-âwijls dit brood, dat alle kracht quot;te boven gaat, kunnen ontvangen: quot;ten einde het waarlijk het leven quot;hunner ziel en de altijddurende âgezondheid van hunnen geest zij; âen opdat de sterkte, die zij er uit zullen trekken, hen uit de beslom-âmeringen van dit pelgrimsleven doe âovergaan in de rust van het he-
39
ânielsoli vaderland...... De heilige
âKerkvergadering wenschte, dat de âgeloovigen, onder elke Mis die zij âbijwonen, tot de heilige Tafel na-,derden, niet alleen in den geest âen door genegenheid, maar daarenboven door het wezenlijk ontvan-,gen van het allerheiligste Sacra-âment, opdat zij de overvloedige âvruchten van dit heilig offer moch-âten erlangen.quot;
De geest der Kerk op dit hoofdpunt is ten allen tijde dezelfde geweest. De H. Chrysostomus, zegt Fénélon in zijn brief over de menigvuldige Communie^ neemt geen middelweg aan tusschen den staat dergenen, die in doodzonde, 'en dien der geloovigen, die in staat van genade zijn en eiken feestdag tot de heilige Tafel naderen.â En 'tis te vergeefs, voegt Pater Quadrupani er bij, dat sommige menschen, die gezuiverd en gerechtvaardigd meenen
80
te zijn, zich desniettemin van dit heilig Sacrament onthouden dooide gedachte, dat zij niet volmaakt genoeg zijn; dit midden is zeer gevaarlijk voor den meosch, die daar in wil blijven, en het is beleedigend voor het heilig Sacrament. Welverre van het Sacrament te vereeren, met zich te onthouden hetzelve te ontvangen, beleedigt men Jezus Christus; met aan zijn gastmaal, waartoe hij ons uitnoodigt, geen deel te nemen. In één woerd, men moot of tot de H. Tafel naderen met degenen, die in staat van genade zijn, of boete doen, 0111 zich zoo spoedig mogelijk met hen te vereenigen.quot;
Hoort wat de H. Chrysostomus zegt: âVele geloovigen zijn zwak en kwijnen; velen onder hen sterven. En hoe, zult gij vragen, overkomen ons die onheilen, daar wij dit Sacrament eens 's jaars ontvangen ?
31
Maar dit is juist wat dat alles te weegbrengt! want gij verbeeldt u, dat de verdienste gelegen is, niet in zuiverheid van geweten maar in de langere tusscbenruimte van de eene Communie tot de andere. Gij beschouwt het als den grootsten eerbied en de hoogste eer voor het heilig Sacrament, om niet dikwijls, tot de hemelsche Tafel te naderen. De vermetelheid bestaat niet in te dikwijls tot de Tafel des Heerente naderen, maar in het onwaardig naderen tot dezelve, al geschiede zulks slechts eenmaal in den loop des levens.... Waarom meten wij dan tijd af? Het is de zuiverheid van geweten, die den tijd aanduidt, om tot dezelve te naderen. Dit altaar g'eheim bevat in den Faasch-tijd niets meer dan op alle andere tijden, waarin men hetzelve onophoudelijk viert. Het is altijd hetzelfde; rt is altijd dezelfde genade
des Heiligen Geestes, Pasehen duurt
het geheele jaar dooi-..... Ue Heer
heeft zijn offer niet willen beperken door het inaehtnemen van eenigen tijd,quot;
De andere heilige Vaders voeren dezelfde taal.
âIndien dit het dagelijksch brood is, zegt de H. Ambrosius, waarom eet gij het dan slechts na verloop van een jaar? ..... Ontvang
het alle dagen, opdat het u dagelijks voordeelig zij. Leef zóó, dat gij waardig zijt het alle dagen te ontvangen. Hij, die niet waardig is het alle dagen te ontvangen, is niet waardig het op het einde des
jaars te ontvangen...... Maar weet
gij niet, dat, zoo dikwerf als het heilig Offer wordt opgedragen, de dood, de verrijzenis, de hemelvaart des Heeren en de vergiffenis dei-zonden worden voorgesteld. En nochtans ontvangt gij alle dagen dit
33
brood des levens niet! Zoekt hij, die eene wonde bekomen heeft, niet naar bet geneesmiddel ? De zonde, waaraan wij verslaafd zijn, is onze wonde, en in het hemelsch en het hoogwaardig Sakrament is ons ge-â neesmiddel.quot;
,koevele twijfelmoedige geloo-vigen ziet men niet, zegt Fénélon, die bij gebrek aan dit voedsel verkwijnen ! Zij vergaan in beschouwingen en vruchtelooze pogingen; zij vreezen en sidderen; altijd zijn zij in twijfel en zoeken te vergeefs eene zekerheid, welke zij in dit | leven niet kunnen vinden. De godsvrucht is in hen niet. Zij willen voor Jezus Christus leven, zonder door hem te leven. Zij zijn dor, kwijnend, uitgeput en vallen in onmacht. Zij bevinden zich bij de bron van levend water, en sterven van dorst Zij willen alles uitwendig doen, en durven zich van 99 3
34
i
binnen niet voeden. Zij willen den last der wet dragon, zonder er den geest en de vertroosting van te putten uit het gebed en de veelvuldige Communie.quot;
O mijn God, waarom stelt de mensch zoo vele noodelooze hinderpalen, om zich het grootste geluk, dat hij in dit leven smaken kan, te verschaffen! Waaroir. is er een gebod noodig, om hem de onmetelijke weldaad der heilige Communie te doen aannemen! Waarom moet hij bedreigd worden, om hem tot de genieting van zulk eene zaligheid te dwingen ! O mijn God, waarom verlangt gij zoo zeer, u aan den mensch mede te deelen, terwijl de mensch, dat ellendig schepsel, die u zoo zeer noodig heeft, onophoudelijk voorwendsels zoekt om u te ontvluchten! O onwetendheid van den mensch, die niet nadenkt 1 O ondankbaarheid van het
35
schepsel, dat niet bemint! O diepe bedorvenheid van het menschelijke hart, wat zijt gij onverklaarbaar.
âAch! geef mij, roept de eerwaarde Vermot uit, geef mij eene ziel, die de voortreffelijkheid van haren oorsprong en de verhevenheid barer bestemming gevoelt; die gevoelt, dat zij uit God is en voor Grod alleen gemaakt is, dat God alleen haar steun, hare sterkte, haar roem, hare zaligheid is, en dat hij, onder de gedaanten van het heilig Altaargeheim, haar roept, haar verwacht met een van liefde brandend hart en de handen vervuld met weldaden. Ach ! hoe beminnelijk zullen hem dan de tabernakelen toeschijnen, waar hij verblijft! met welk eene liefde en ijver, zal hij zich daar vertoonen, om zich met haar te vereenigen! welke gevoelens van bewondering, vertrouwen, van vreugd en liefde
36
zullen haar in do rnededeeling der heilige geheimen doordringen! Mot welke verrukking zal hij zich dompelen in dien oceaan van zaligheid, waarin al de schatten der natuur, der genade en der heiligheid besloten zijn! Hoe zal zij met den H. Au-gustinus uitroepen: O mijn God ! vereenig mij voor altijd met u, heersch altoos in mijn hart, om er het ledige van aan te vullen; om het te bedwelmen door de hemelsche wellusten, welke gij aan diegenen doet smaken, die u beminnen ; om mij mijne angsten, mijn verdriet, mijne ijdele vermaken, alles te doen vergeten, en mij u alleen met uwe volmaaktheden, uwe hoogste beminnelijkheden te laten aanschouwen, en, in uw bezit, mij te verheugen, in alle goederen te zamen, u die het oneindige goed zijt, en wiens bezit het hoogste geluk is.quot;
III.
Komt allen tot mij die belast cd be-laden zijt. ik zal u vei kwikken. Math, xi, 9, 28.
Die van het ivuter drinkt, dat ik hem zal geven, zal geen dorst meer hebben. En die tot mij komt, zal geen honger meer krijgen. Hij zal nimmer naar iets anders hongeren of dorsten dan naar mij; maar naar mij zal hij een onverzadelijken honger en dorst hebben, en nooit zal hij ophouden naar mij te verlangen. Terzelfder tijd, dat hij onverzadigd zal zijn, zal hij echter verzadigd wezen; want zijn mond bevindt zich aan de bron; âDo stroomen van levend water zullen uit zijn binneste wellen. Het water dat ik hem zal geven, zal in hem eene bron worden, die ten eeuwisren leven zal vloeien.quot;
38
Hij zal derhalve altoos naar mijne waarheid dorsten; maar te gelijker tijd zal hij ook altijd kunnen drinken en ik zal hem ten leven leiden, waar hem niets meer te wenschen zal overblijven, omdat ik hem door de schoonheid van mijn wezen, verheugen en al zijne verlangens bevredigen zal. Kom dan, Heer Jesus, kom; de Geest zegt altijd: Kom, de Bruidegom zegt allijd-. Komt. Gij allen, die het behoort, zegt ook: Kom en dat hij die dorst heelt, kome: dat hij, die wil, het water des levens voor niet kome ontvangen.quot; (Openb. xxii. 17.) Kom dar., niemand wordt uitgezonderd; kom, het kost niets, men behoeft het slechts te willen. De tijd zal komen, waarop men niet meer zeggen zal: Kom. Als die zoo langg-ewenschte Bruidegom zal gekomen zijn, zal het niet meer noodig zijn te zeggen: Kom; maar iu eeuwigheid zal
T
|
ne |
men |
herhalen: Amen, het is geschied, |
|
:er |
1 alles |
is volbracht: Alleluja, laat ons |
|
in- |
| God loven: hij heeft alles goed ge- | |
|
m, |
t daan |
; hij heeft alles gedaan, wat |
|
en |
hij beloofd had; er blijft niets meer | |
|
or |
1 over |
dan hem te loven. |
|
31'- |
| |
(bossuet.) |
|
3e- | ||
|
is, | ||
|
m, | ||
|
tl) | ||
|
)k: | ||
|
i't. |
i | |
|
;er | ||
|
Lll- | ||
|
gt; | ||
|
tn, |
1 | |
|
iet | ||
|
sn, | ||
|
al: |
1 | |
|
ite | ||
|
al | ||
|
pr~ | ||
|
;ll | ||
Komt allen tot mij ... liier ben ik, Heer dewijl yij mij geroepen lubt.
Komt allen tot mijl... Welke schoone woorden, roept de H. Ba-silius van Seleuuia uit! Komt allen tot mij, ik stel geon maat aan mijne beloften: mijn hart is eene onuitputtelijke bron van goedheid, die alle misdaden kan uitwisschen.
âKomt allen tot mij en ik zal u verkwikken. Gij zijt vol van misdaden, ik heb er het geneesmiddel voor; gij zijt overdekt met wonden, ik zal ze heelen.
âKomt allen tot mij; mijn hart is ruim genoeg voor allen. De zee mijner barmhartigheid is diep genoeg, om alle zondaren, die er zich als in werpen, van liuune vlekken af te wasschen.
41
âKomt allen tot mij, komt allen in mijn hart. Kinderen, komt tot het hart van Jesus; de teederst minnende moeder gevoelt niets wat de liefde nabij komt, welke dit hart voor u heeft. Grijsaards, komt tot het hart van Jesus: hij zal uwe jeugd hernieuwen als die van den arend. Rechtvaardigen, komt tot het hart van Jesus; in die schuilplaats verborgen, zult gij dagelijks in deugden vorderen. Zondaars, ach! zondaars, komt, komt allen tot hel hart van Jesus; al ware het kleed uwer misdaden zoo rood als scharlaken, hij zal hetzelve witter doen worden dan sneeuw...
Komt ook gij allen, armen, gij die in lijden zijt en in dit leven niets dan ellende tot uw deel hebt, komt en ik zal u goederen geven.
Komt tot mij, komt allen tot mij, die den last van den dag en do hitte draagt: ik zal uwe vermoeie-
42
nissen op mij nemen en u mijne rust schenken.
âKomt tot mij, gij allen, wie de Voorzienigheid in deze wereld als wezen schijnt achtergelaten te hebben: ik zal u toonen, dat gij eenen Vader in den hemel en eenen Zaligmaker op aarde hebt.
âKom tot mij. even als ik tot u kom. Ik zal u niet zeggen: Bespaar mij de helft van den weg; want de afstand van uwe woning naar de H. Tafel is ongetwijfeld niet zoo ver, als van den hemel, waaruit ik op aarde, welke gij bewoont, ben afgedaald.
âKomt, ik ben gekomen, om er mijne wellust van te maken met u te wonen en ik heb den glans, welken gij niet zoudt kunnen verdragen, afgelegd, opdat gij mij des te dichter zoudt kunnen naderen.Komt, ik ben uw Zaligmaker, uw vader, uw herder en vriend; ik ben uwe
43
verzoening, uwe barmhartigheid, uwe vergiffenis, uwe hoop. Komt allen, ik ben de wet/, de waarheid en het leven. Ik noodig u aan mijn tafel, om u met goederen te overladen, om u met mij zeiven te voeden., 't is de eeuwige liefde, die zich aan u wil geven, hij, die de zaligheid der Engelen uitmaakt, hij die, in zijne almacht, niets meer heeft weten te doen, om van u bemind te worden, dan zich aan u te geven... Bewondert derhalve. Christenen, bewondert de overmaat mijner liefdebewijzen, bewondert de behoefte, welke ik heb, om uwe harten te bezitten; bewondert, prijst, maar bovenal komt-, het is mij aangenamer bemind, dan eenvoudig ge-eerd te worden, ik zie u liever aan mijn gastmaal zitten, dan van u slecht nederige voorwendsels te ontvangen, dat gij niet komen kunt. Komt en eet.,..
44
De getrouwe Ziel.
Hier ben ik, Heer, dewijl gij mij geroepen hebt. Hier ben ik, want dat geroep uwer teederheid, o vu-vige minnaar uwer schepselen, heeft al de krachten mijner ziel in beweging gebracht. En ziedaar, nochtans achttien honderd jaren, dat gjj zegt: homt. Ziedaar, achttien honderd jaren, dat gij gezegt hebt: ik heb een vurig verlangen gehad.. En gij hebt ons van alle eeuwigheid bemind... En sinds zes duizend jaren, sinds zestig eeuwen, houdt gij niet op te herhalen, dat het uw vermaak is te wonen met de kinderen der menschen...
Ja, ik kom, mijn God; ik kom uwe onuitsprekelijke verlangens voldoen; ik kom, want ik zo a niet weten tot wien mij te begeven, indien ik niet tot u ging, die de weg, de waarheid en het leven zijt.
45
Ik kom, o welbeminde van mjin hiirt, mijne liefde en mijn al; /ie mij hier smachtend van dorst, verkwijnend van verlangen en verwachting; zie mij hier naar u, o Heer, verzuchten. Ik kom, omdat gij het opperste goed zijt en mij roept; omdat gij alleen mij genezen kunt en . mij roept.
Ik kom, opdat gij mijne ziel uit haren slaap zoudt opwekken; opdat gij haar van uwe liefde zoudt doordringen.
Ik koni; opdat gij mijn hart moogt vormen naar het voorbeeld van het uwe: omdat ik met u slechts één moge zijn en aan allen kunnen zeggen: Ziet, wat de Heer voor mij gedaan heeft, erkent de wonderen zijner genade. Ik leef, neen ik hen het niet die leeft, maar Jesus leeft in mij.
Dat het aldus geschiede, mijn Grod: ach! men zou zoo zuiver moe-
44
De getrouwe Ziel.
Hier ben ik, Heer, dewijl gij mij geroepen liebt. Hier ben ik, want dat geroep uwer teederheid, o vurige minnaar uwer schepselen, heeft al de krachten mijner ziel in beweging gebracht. En ziedaar, nochtans achttien honderd jaren, dat gij zegt: komt. Ziedaar, achttien honderd jaren, dat gij gezegt hebt: ik heb een vurig verlangen gehad.. En gij hebt ons van alle eeuwigheid bemind... En sinds zes duizend jaren, sinds zestig eeuwen, houdt gij niet op te herhalen, dat het uw vermaak is te wonen met de kinderen der menschen...
Ja. ik kom, mijn God; ik kom uwe onuitsprekelijke verlangens voldoen; ik kom, want ik zou niet welen tot wien mij te begeven, indien ik niet tot u ging, die de weg, de waarheid en het leven zijt.
45
Ik kom, o welbeminde van mijn hart, mijne liefde en mijn al; zie mij hier smachtend van dorst, verkwijnend van verlangen en verwachting; zie mij hier naar u, o Heer, verzuchten, ik kom, omdat gij het opperste goed zijt en mij roept: omdat gij alleen mij genezen kunt en -mij roept.
Ik kom, opdat gij mijne ziel uit haren slaap zoudt opwekken; opdat gij haar van uwe liefde zoudt doordringen.
Ik kom; opdat gij mijn hart moogt vormen naar het voorbeeld van het uwe; omdat ik met u slechts één moge zijn en aan allen kunnen zeggen: Ziet, wat de Heer voor mij gedaan heeft, erkent de wonderen zijner genade. II' leef, neen ik hen het niet die leeft, maar Jesus leeft in mij.
Dat het aldus geschiede, mijn Grod; ach! men zou zoo zuiver moe-
46
ten zijn om tot. u te n.ideren! Maar ziedaar mijn hart, met al deszelfs schamele verlangens om het beter te doen: ik open het voor u, o mijn God: gij kunt het met een enkelen blik verteederen, en van uwe liefde doen branden. Kom, Heer Jesus, kom!
â In het leven van eene engelachtige minnares van Jesus, wordt verhaald, dat zij wegens ziekte, gedurende eenige dagen, zich niet naar de kerk kon begeven, om er deel te nemen aan de heilige geheimen, maar weldra kon zij niet langer wederstaan aan het brandende verlangen om het hemelsche brood dat hare dagelijksche spijze : was, te ontvangen: de liefde schenkt | haar krachten, zij gaat. Op haren weg ontmoet zij Jesus. â Verwonderd vraagt ze: Waar gaat gij heen, Heer? En 't antwoord luidt- Ik ga u opzoeken, mijne dochter dewijl gij niet kondet komen...
47
Welke liefde, welke onverklaarbare liefde! Maar is dit niet de geschiedenis van den God, die, niet tevreden met ons te roepen, zelf ons te gemoet komt en zich tot in de ziekenliuizen, in de schamele hutten en in de ellendigste verblijven begeeft, om tot den mensch .te komen, wanneer de zieke mensch niet tot hem kan gaan?... Welk oneindig verlangen, om zich aan zijne schepselen te geven!...
Ach! eens zullen de wilde volkeren de onverschillige Christenen beschuldigen; hemel en aarde zullen tegen hen om wraak roepen; de steenen zullen eenmaal opstaan, om hen voor God hunne verhardheid te verwijten, die duizendmaal onbegrijpeliiker is, dan de liefde van God zeiven.
Gij, inwoners van Jerusalem, oordeelt gij tusschen mijnen wijngaard
48
cu mij. Wat kon ik meer voor den-zeloen doen?... (isais v. 9. 4.)
Daarom zeg ik u: het zal in den day des oordeels ver dragelijker zijn voor Ti/rus en' Sidon, dan voor n. (Matth. xi. 22.)
IV.
Voorwaar , voorwaar, ik zeg u: Tenzij gij bet vleesch vaa den Zoou des Menschen eet, en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in n niet hebben.
Joan \l 54.
Halen wij, als wij willen, de kerkvaders en leeraars aan; stapelen wij gezag op gezag; zamelen wij uit hunne werken alles bijeen, wat zij wonderbaars gedacht en gezegd hebben over de verhevenheid van dit goddelijke altaargeheim; wij zullen, na over dat onderwerp al onze welsprekenheid ! eu ijver uitgeput te hebben, altijd tot de slotsom moeten komen, dat al wie
Iin staat van genade en vrij van dood-zondenis, denoodige zuiverheid bezit, welke volgens den striksten zin dei-wet vereischt wordt, om dein staat van genade en vrij van dood-zondenis, denoodige zuiverheid bezit, welke volgens den striksten zin dei-wet vereischt wordt, om de H. Com-9'J 4
50
munie te ontvangen: zoo leert ons de dag kerkvergadering van Trente, en dit is geli eene geloofswaarheid. Daar volgt uit sele dat, als ik dikwijls in dien staat van , nini genade ben, ik dan ook de noodzake- |
lijk vereischte zuiverheid heb om dik- i wijls tot de heilige Tafel te naderen ; ⢠en dat, indien ik mij al de dagen mijns j levens in diezelfde gesteltenis bt vond,
ik eiken dagmijns levens den vereisch- | ten graad van zuiverheid zou hebben, f om het lichaam van Jesus Christus,
door het ontvangen van het H. Sacrament niette ontheiligen, en niet alleen omhetniette ontheiligen,maar om aan het altaar des Heeren nieuwe krachten in te zamelen, en er eene nieuwe vermeerdering van genade te ontvangen; zoodat, in dien zin, het woord van den H.Augustinus te mijnen opzichte zou bewaarheid worden: Neem dage- ,
lijks, wat u dagelijks voordeelig is,
gebruik dit voedsel zoo dikwijls als het u nuttig is, en is het u alle
de dagen voordeelig, neem het dan da-
. is gelijks.... Ziedaar gevestigde begin-
uit selen, waartegen alle beweringen
an nimmer iets zullen vermogen,
ke- i Bourdaloue.
iki
IJdele voorwendsels.
't, Is onverklaarbaar, hoe liet m'c-gelijk is dat, in de tegenwoordigheid van een Sacrament, waarin al de wonderen der oneindige liefde van God voor demenschenvereenigd zijn, de mensch evenwel zorgeloos en wars kan zijn, en voorwendsels zoekt en uitvindt, om zich van die levensbron te verwijderen... O onderpand der eeuwige liefde; onuitputtelijke schat van eindelooze rijkdommen; afgrond van gelukzaligheden, gij, die den wellust uitmaaktet der vurigste vrienden van God; o H. Communie, waarnaar zoo vele heilige martelaren, zoo vele heilige kluizenaars, zoo vele engelachtige maagden, zoo vele hemelsche zielen zoo vurig verlangden ! moesten alle menschen, dewijl God hen uitnoodigt
53
en als 't ware dwingt, niet veeleer voorwendsels zoeken om dikwijlder, alle dagen, ja, ware het mogelijk, alle uren tot u te naderen?... En nochtans is het maar al te waar dat de menseh voorwendsels zoekt en vindt, om zich van die goddelijke Tafel te verwijderen.
Gij gevoelt geene liefde in u, zegt ge; noch eenige genegenheid voor het brood van 't heilig Altaargeheim; maar juist daarom moest gij tot de heilige Tafel naderen. Indien gij koud zijt. zult gij dan warm worden door u van het vuur te verwijderen? Ga dan tot het hemelsch gastmaal, daar zult gij dien heiligen ijver putten, wolke u ontbreekt. Uwe iifgekeerdhied zal weldra in een waren honger veranderd worden, welke, door denzelven te bevredigen, steeds grooter worden zal. Wanneer gij er u, daarentegen, meer en meer aan onttrekt, zal ook Jesus
54
Christus zich steeds meer van u verwijderen, en het eerste uitwerksel van uwe verwijdering zal zijn. dat in u alle verlangen naar de H. Communie zal verdwijnen. Droevige en verschrikkelijke staat!.... âOmdat zij ongevoelig gebleven zijn voer de dringende uitnoodigingen van God, zegt een vermaarde schrijver, zal God hen slaan met ongevoeligheid; zij zullen al de genaden, waarvan het H. Sacrament het vruchtbaar beginsel is, verliezen, en er geen berouw over hebben. Zij zullen dood zijn voor de goddelijke genade, en het niet inzien. Zij zullen het leven in zich niet hebben, en er niet naar verlangen. Zij zullen al hun recht op de eeuwige zaligheid verbeuren, en er zich niet over bekommeren. Hunne ziel, beroofd van het voedsel dat haar onderhouden moest, zal in een volkomen staat van afmatting vervallen waaruit zij niet
55
zal trachten op te staan, of -waarover zij zich, tot overmaat van ongeluk, zal verheugen, en waaruit zij niet zal worden opgewekt, dan door de stuiptrekkingen van hot stervensuui-?..quot;
Anderen wenden voor, dat zij niet volmaakt genoeg zijn; maar hoe zult gij het worden, als gij u van den oorsprong der volmaaktheid verwijdert? Een jongeling deelde eens, kort na zijne bekeering, aan een godvruchtigen geestelijke mede, dat hij eene soort van weerzin gevoelde om gebruik te maken van de toestemming, welke zijn biechtvader hem gaf, om meermalen 's weeks de H. Communie te ontvangen, bij de gedachte, dat de H. Aloysius van Gonzaga, in het noviciaat der Jesuiten, alleen Zondags tot de heilige Tafel naderde. Doch de goede geestelijke antwoordde hem glimlachende;
56
âGa, beste vriend! ga; ontvangt altijd de H. Communie, gij hebt er meer behoefte aan dan hij.quot; En inderdaad, voegt Pater Quadrupani, die dit verhaalt, er bij, het is eene zeer valsche en hoovaardige zienswijze, de veelvuldige Communie slechts te beschouwen als eene belooning, en, in zekeren zin, als een teeken van volmaaktheid: de Communie is vooral een middel om de volmaaktheid te verkrijgen, en de / eenige deugd( welke de aanwending van dit middel vordert is het ver- j langen om er voordeel uit te trek- ] ken en beter te worden. Jesus Christus heeft niet gezegd: Komt tot mij, die volmaakt zijt: maar hij heeft gezegt: Komt tot mij die heiast en heiaden zijt.
Anderen geven voor, dat zij te zwak zijn; maar is dat niet eene reden, om tot het brood der sterken te gaan?
57
Anderen zijn met bezigheden o-verladen; maar luister nogmaals: het is altijd Degene, die roept: âKomt tot mij, die belast en beladen zijt, en ik zal u verkwikken.quot; Buizende Heiligen, die van liefde tot de H. Communie verslonden werden, er al hun genoegen en meestal zelfs hun dagelijksch voedsel van maakten, hadden, even als gij, en misschien nog meer dan gij, met de lasten der familie, van eenige betrekking of zaken te kampen De groot-kanselier van Engeland, Thomas Morus, die voor het geloof den marteldood ondergaan heeft, kan u hier tot een schoon voorbeeld verstrekken. Eenige bisschoppen, reeds verdacht dat zij de katholieke godsdienst voornemens waren te verlaten, vonden het berispelijk, dat hij dagelijks ter Communie ging, en maakten het hem tot een verwijt, dat een leek, zoo als hij, niettegen-
58
staande zijn ambt, zijn veelvuldigen arbeid en beslommeringen, zoo dikwijls de H. Communie ontving. âGij noemt daar juist de redenen op, antwoordde hij, waarom ik alle dagen ter Communie ga. Mijne verstrooidheid is groot; doch in de heilige Communie keer ik weder in mij zeiven.
Alle dagen doen zich de gelegenheden voor om God te beleedigen en daarom versterk ik mij alle dagen door de Communie. Ik heb licht en wijsheid noodig, om moeijelijke zaken op te lossen; daarom ga ik alle dagen Jesus Christus in do Communie raadplegen.quot; Daardoor ook waren de eerste christenen heilige werklieden, heilige handelaars, getrouwe echtgenooteu, onderdanige dienstboden, gehoorzame ouders, onbaatzuchtige rechters, rijke, liefdadige en boetvaardige menschen in het midden der rijkdommen en ge-
59
noegens des levens, armen, die gelukkig waren in hunne ellende zelve.
Anderen geven als reden aan, dat zij onwaardig zijn. Ach! ongetwijfeld, zelfs de grootste Heiligen waren zulks. Legt de Kerk niet deze woorden in aller mond: âHeer, ik ben niet waardig, dat gij in mijne woning binnentreedt?quot; Het kost niets,te gelooven en te zeggen,datmen onwaardig is, om dikwijls de H. Com-muniete ontvangen,maarhetkostveel, om zich aan de veelvuldige Communie te onderwerpen. De heilige Cyrillus zegt: ;,Dat alle menschen, die gedoopt zijn en de genaden ontvangen hebben, weten, dat, indien zij, door eene geveinsde nederigheid, weigeren Jezus Christus dikwijls in de heilige geheimen te ontvangen, zij zich buiten het eeuwig leven sluiten.quot;
Ach ! laten wij het dan duizendmaal uit den grond onzer harten zeggen : âHeer, ik ben niet waardig, dat gij
60
in mij komt... Heer, ontferm u mijner, wees mij, armen zondaar genadig.quot; Doch naderen wij desniettemin^ tot dengene; die de ziekten onzer ziel kent, en die enkel komt om dezelve te genezen. Dit gevoelen onzer onwaardigheid is juist eeue dor heiligste gesteltenissen, om met vrucht tot de heilige Tafel te naderen; waarom zou het eene reden kunnen zijn, om er zich aan te onttrekken ? Is het eene wel gegronde nederigheid, die hot uitmuntendste aller middelen om in de heiligheid toe te nemen, van de hand wijst? âMen moet veeleer, âzegt Taulerus,quot; door liefde tot den Zaligmaker naderen, dan zich met eerbied van hem verwijderen.quot; Wanneer gij u, daarentegen, uit nederigheid aan de Communie onttrekt, dan hebt gij slechts de verdienste der ootmoedigheid; maar wanneer gij mot nederigheid tot dezelve nadert, dan hebt gij de
61
verdienste der ootmoedigheid en de verdienste der H. Communie, welke nog veel grooter is.
âZou liet mogelijk zijn,quot; vraagt de godvruchtige Pater Geramb, âdat Jezus Christus ons op eene zoo krachtige wijze het verlangen zou hebben doen blijken, hetwelk hij heeft, oni zich in de H. Communie aan ons te geven ; dat de Apostelen, die met den Heiligen Geest vervuld waren, de gewoonte om dagelijks te communiceeren, zouden hebben ingesteld, en er zelfs, volgens het gevoelen van dsn H. Thomas van Aquine en verscheidene andere godgeleerden, voor de geloovigen van hunnen tijd een voorschrift van gemaakt hebben; dat men gedurende de gouden eeuw der Kerk de heilige gewoonte, van dagelijks dit goddelijk Sacrament te naderen zou hebben onderhouden; dat de heilige vaders, de leeraars der Kerk, geen enkeleu
w
uitgezonderd, met zooveel ijver en vuur tot het dikwerf communiceeren zouden hebben aangespoord; dat de algemeene Kerkvergaderingen, en voornamelijk die van Trente, een zoo groot verlangen hadden doen blijken dat het gebruik dier eerste eeuwen weder in het Christendom mocht worden ingevoerd; dat de instellers van orden het dikwijls communiceeren tot eenen regel en eene verplichting zouden gesteld hebben; dat de Heiligen van alle landen en tijden het voorbeeld zouden hebben gegeven van die heilige oefening, indien het eerbiediger en ootmoediger, en bijgevolg roemrijker voor God en heilzamer voor ons ware, wanneer wij ons slechts zelden aan de heilige Tafel vertoonden'? Welke is dan die deugd, die tot hiertoe onbekend was in de geheele uitgestrektheid der Katholieke wereld.
â¢L
Deze soort van ootmoedigheid valt derhalve noch in den smaak van Jesus Christus, noch stemt overeen met zijne instelling, maar is eene loutere uitvinding der menschen. âIndien hij niet beoogd had ons tot voedsel te dienen, zou Hij dan onder de gedaanten van brood en wijn onder ons verblijven? Gij moet derhalve Jesus Christus in dit geheim aanbidden, hem vereeren, maar op eene wijze, overeenkomstig den staat waartoe hij zich heeft vernederd. Welnu, gij zoudt niet duidelijker de achting, welke gij voor eene spijs hebt kunnen betoonen, dan door er, zoo dikwijls het u mogelijk is gebruik van te maken.
âDe honderdman van het Evangelie beleed onwaardig te zijn, om den Zaligmaker in zijne woning te ontvangen, maar om hem zijne hulde te bewijzen, vluchtte hij niet weg; integendeel, hij ging hem te gemoet,
64
en indien de Zaligmaker in zijn huis had willen binnenkomen, zou hij zeker de deur niet voor hem toegesloten hebben zooals diegene doet, die zich zonder reden aan de H. Communie onttrekken.quot;
Anderen, die een nog slechter gevoelen hebben, wenden voor, dat zij vreezen hunne veroordeeling te ontvangen. Ongetwijfeld, indien gij u even als Adam verbergt, omdat gij gevoelt, dat gij met God in vijandschap leeft en zijne tegenwoordigheid vreest, dan hebt gij gelijk, dat ge u van het gastmaal der zuivere zielen verwijderd, gij moet u dan haasten, om u met hem te verzoenen. Maar wanneer gij in de vriendschap van God gebleven zijt, of dezelve dooide boetvaardigheid herwonnen hebt, moet gij slechts bevreesd zijn hem te mishagen; en wel verre dat die vrees u van zijne Tafel verwijdert, moet zij u integendeel aanzetten,
65
om er dikwijldei- toe te naderen.
âMaar âzegt gij â't is een God, dien men daar ontvangt. Het is de God van heiligheid, de God die vreeselijk is in zijne rechtvaardigheid, en voor wiens blik de Engelen beven. Zou Jezus zich dan alle dagen hebben willen geven, en ons van zijn aanbiddelijk lichaam een yoortdurenden en bijgevolg minder eerbiedwaardigen maaltijd willen bereiden ?quot;
Gij schijnt dus niet te weten dat wij niet meer leven onder de wet van vrees, maar onder de wet der genade. Nadat Jezus Christus dit eerbiedwaardig geheim had ingesteld, zeide hij niet tot ons: âVernedert u, beeft en verwijdert u: maar hij heeft gezegd ; Neemt en eet\ doch gij moet met reden beducht zijn voor de bedreigingen welke Jezus uitspreekt tegen degenen, die van zijne Tafel verwijderd blijven. 99 5
66
Uwe vrees is derhalve niet anders, dan eene verkeerd geplaatste kiesch-heid, ja, misschien wel, wat erger is, het gevolg uwer onwetendheid, of van eene rampzalige eigenzinnigheid. ,'t Is eene dwaasheid, zegtGerson, zich uit vrees van de H. Communie te verwijderen, terwijl het geweten ons geene enkele doodzonde verwijt; en de H. Cyrilles verzekert, dat de voorgewende eerbied; de gewaande vrees, die lichtzinnig van de veelvuldige Communie terughoudt, eene doemwaardige godsvrucht is.quot;
âDe Christenen, die van dit hulpmiddel beroofd zijn, zegt de eerwaarde Vermot, in zijne geleerde verhandelingen, waaruit wij hier alles, wat in dit hoofdstuk volgt; ontleenen, kwijnen en ondergaan eindelijk een noodlottigen dood; daardoor heeft de duivel^ in alle eeuwen, een gedeelte derzelve onder zijn juk gebracht en aan zijne helsche
67
heerschappij onderworpen. Daarom heeft hij, alle eeuwen door , onder de geloovigen een ongegron-den schrik en overdrevene vrees verspreid en doen verspreiden, om Jezus Christus te ontvangen. Die verwijdering van de veelvuldige Communie is daarenboven oorzaak, dat , er 'ketterij ontstaan is tegen de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Altaar-Sacrament. Die voorgewende vrees voor de Communie heeft de verwijdering ten gevolge gehad; van verwijdering is men gekomen tot onverschilligheid, van de onverschilligheid tot verachting, van de verachting tot de verloochening eener waarheid van ons geloof, die het duidelijkste geopenbaard en bewezen is.
In de eerste eeuwen toen men dikwijls, en zelfs alle dagen ter Communie ging, heeft men ooit uan de wezenlijke tegenwoordigheid getwijfeld; geen
68
enkele ketter heeft uitdrukkelijk dit leerstuk aangeviillen; de kerkvaders en de geloo vigen hebben er aan geloofd met eene levendigheid van geloof, welke men nietnalaten kan te bewonderen; maar toen de ijver allengs verflauwde, en de Communiën, in de elfde eeuw, steeds zeldzamer geworden waren, durfde Berengarius het eerste dit goddelijk leerstuk aanvallen en telde reeds aanhangers; driemaal werd hij veroordeeld, en driemaal herriep hij zijne dwaling; zelfs op zijn sterfbed herhaalde hij die herroeping. Sedert dien tijd tot onze eeuw toe, hebben de ketters, die rampzalige spruiten van het ze-debederf, dat leerstuk slechts dan bestreden, wanneer het door de zeldzame Communiën verzwakt was, en de Kerk heeft er overal slechts over gezegevierd, door het veelvuldig ontvangen van ditSacramentin te voeren. De verzwakking des geloofs omtrent de wezenlijke tegenwoordigheid van
69
Jesus Christus in het Altaargeheim, is derhalve niet anders veroorzaakt^ dan door het verzwakken van den ijver der Christenen voor de veelvuldige Communie; dit is de opmerking van den geleerden enoordeelkundigen Maldonatus.Laat ons vreezen,dat hetzelfde geschiede,indien men,in plaats van een vurig verlangen op te wekken, de gemoederen met schrik vervulde ten opzichtevanditSacramentvanlief-de, hetwelk de rechtvaardigen niette dikwijls ontvangen kunnen. âHet dikwerf naderen tot de heilige Tafel/' zegt Suarez, âkomt voort uit het beginsel der liefde; maar er zich aan te onttrekken, spruit voort uit nalatigheid of uit vrees; en het werk der liefde is ver verheven bovendat der vrees/' De Engelen in den hemel kunnen de tegenwoordigheid van God, wiens glans hen verblindt;nietuitstaan,maar zij zouden oneindig veel meerlijden, wanneer zij er zich van verwijderen.
70
Zij blijven derhalve^ zegt de Schriftuur, maar bedekken en verbergen hun aangezicht met hunne vleugelen^ en voldoen op die wijze aan hunnen diepen eerbied en hun van liefde brandend hart. David was met een heilige vrees bevangen over de straf van Oza, en riep uit: Wie zal voor Gods aan schijn, kunnen 6estoa«?Maar weldra getroffen door de zegeningen, die God, ten aanzien der Bonds-ark, over hot huis van Obededon uitstortte, besloot hij, om dit heilig gedenkt teoken van 's Heeren barmhartigheid in zijn paleis over te voeren.
Doch laten wij overgaan tot andere voorwendsels:
Ieder zal van mij spreken en met mij spotten, als ik dikwijls ter Communie ga, zegt gij. Maar, indien het u wezenlijk voordeelig is dikwerf tot de heilige Tafel te naderen, dan zouden zij, die u laken, onredelijk zijn. Hnu gepraat moet voor u derhalve
71
geen de minste waarde hebben, noch u afschrikken.âDoch, zegt gij verder, dat zou mij den schijn geven, als of ik den vrome wilde uithangen, en mij voor zonderling doen doorgaan. Ziedaar de dwaling: men beschouwt de veelvuldige Communie als eene bijzondere vroomheid; men zou zelfs lieden voor zeer godvruchtig houden, indien zij slechts alle maanden tot de heilige Communie naderden, terwijl men het veeleer als eene groote straf moest aanzien, er lang van verstoken te blijven. De veelvuldige Communie is eene oefening, die den Christen eigen moet zijn; zij behoort tot het wezen van den godsdiensten is derhalve geene zonderlinge godvruchtigheid. Moet men eene godvruchtigheid als zonderling bestempelen, omdat weinig personen dezelve beoefenen? Zeker neen; dan toch zou het in onze dagen tot de bijzonderheden behooren, om aan zijne zaligheid te arbeiden.
72
Integendeel, dikwijls is datgene zonderling, wat door het grootste getal gedaan wordt. Men houdt eene zaak dan voor zonderling, wanneer zij belachelijk, ongepast, gedwongen is, en aan zijnen staat niet voegt; in de veelvuldige Communie bevindt zich niets van dat alles, derhalve vervalt ook dat alles.
Maar ik vrees, dat ik, door zoo dikwijls tot de heilige Tafel te naderen, de wereld verergere, die wil dat,wanneer men ter Communie gaat, men alles verlaat en niet de minste fout meer begaat. - Ik geef toe dat het eene vorergernis zou wezen, dikwijls de H. Communie te ontvangen en daarbij een ongeregeld en wereldsch leven te leiden; maar welke verergernis kunnen die Communiën geven, als ze vergezeld gaan van eene geregelde levenswijs? Als men u uwe kleine gebreken verwijt, geef dan hetantwoord, dat de H. Franciscus van Sales u
73
aanraadt; âIk nader dikwijls tot de H. Communie, omdat ik onvolmaakt ben, en hoop daardoor volmaakt te wordenquot;
Uwe getrouwheid in liet dikwijls ontvangen van liet heilig Altaar-Sacrament, wel verre van verergernis te geven, zal de brave lieden tot stichting verstrekken, de zwakken versterken om voort te gaan met te naderen tot dit Sacrament, en zelfs de zondaren tot bekeering brengen, om zich dat zelfde geluk te verschaffen, hetwelk gij geniet, van uwen Schepper te ontvangen.
Een groote zondaar, die lange jaren in de zonde had voortgeleefd bekeerde zich; de dienaar Gods, aan wien hij zijne zonden beleed, vraagde hem, of hij zich somtijds niet gedrongen gevoelde,om tot God terug te keereii? Zeer zeker, antwoordde hij, en vooral dan, wanneer ik godvruchtige personen mot stichtingr tot de Communie-
74
bank zag naderen, dan zou ik hen. als 't mij mogelijk geweest was, wel hebben willen vermoorden.En waarom? hernam de zielzorger. Omdat alsdan mijn geweten enniijnegodsdienstmet woede tegen mij opstonden, enmrj zoo vreeselijk kwelden, datik genoodzaakt was mij op mijne kamer te gaan verbergen,waarik dan heete tranen schreide, zuchtte, mistroostig werd, mij de haren uit het hoofd trok en mij zeiven verwijtend toeriep; Ach, rampzalige! uwe misdaden zijn het, die u beletten uwen Schepper te ontvangen! uwe zouden zijn het, die u berooven van het geluk om uwen God te ontvangen! Dat alles deed mij in een be-klagenswaardigen toestand vervallen, en wekte in mij een schrikkelijken wrevel o]) tegen die vrome zielen, welke ik dikwijls tot deH.Communie zag naderen.
De rechtvaardigen doen alzoo, door hunne veelvuldige Communiën,meer
75
goed aan anderen, dan zij denken.En deze beweegreden zou reeds voldoende zijn, om hen te doen besluiten, dikwijls tot dat liefdemaal te naderen, en daardoor een goed voorbeeld te geven aan hunne kinderen, huis-genooten, vrienden en hunne mede-Christenen.
Maar is het niet te vreezen, dat men, door dikwijls te communiceeren, er crewoon aan wordt en don eerbied
o
verliest dien men aan het hoogwaardig Sacrament verschuldigd is?
Eene dergelijke vrees zou Jesus Christus, de Apostelen en heilige Kerkvaders van onvoorzichtiobeid beschuldigen, daar zij, zond^K. aat bezwaar te duchten, al de gefcovigen tot , de veelvuldige en dagélijksche .Coiq-'^ quot; munie hebben aangespoord. Zou daft de EucharistiQ door het veelvuldig gebruik ham kracht en uitwerking verliezen^iht te denken ware eene godslastering. Nimmer verloor het
Ni
76
stoffelijke brood zijne voedingskracht door de gewoonte van hetzelve te eten, en zou dan de gewoonte van te communiceeren die kracht doen verliezen aan het geestelijk brood der engelen? Het gewone verkeer en de groo-te gemeenzaamheid verminderen dikwerf de achting, welke wij sommige personen toedragen; maar zulks is het geval met ten opzichte van JesusChris-tus Hoe meer gij hem met de vereisch-te gesteldheid ontvangt, des te meer zult gij hem eerbiedigen, en des te inniger hem beminnen. Het ligtookniet in de bedoeling der Kerk; zich uit eerbied van de H. Communie verwijderd te houden; integendeel, zij roept ons toe:Hebt eene zoodanige hoogachting voor dit aanbiddelijk Sacrament, dat gij het dikwijls ontvangt. De reden, waarom wij somtijds degenen minachten, met wie wij gewoon zijn om te gaan, ligt hierin, dat wij, door hen te zien en ze nauwkeurig gade te slaan,
77
talrijke fouten opmerken, welke wij aanvankelijk niet bespeurden. Maar in Jesus Christus, is alles groot, alles beminnelijk, alles volmaakt, alles goddelijk, zonder dat er de minste onvolmaaktheid onder vermengd is. Hoe meer gij Hem bezoekt, des te beter leert gij Hem kennen; en hoe beter gij 11 em keilt, des te meer zijt gij voor Hem gestemd. En dewijl hij ons, in de H. Communie vooral, zijne aanbiddelijke volmaaktheden openbaart en ze ons doet smaken, wordt door de veelvuldige Communie, wel verre van onzen eerbied eenigermate te verminderen, dagelijks de achting grooter en de liefde verdubbeld, welke wij hem toedragen. Die herhaalde bezoeken van onzen God en Zaligmaker voeren onze teederheid steeds op, zonder onzen eerbied in iets te verminderen.De wol opgevoede kinderen weten aan de diepste achting de teederste liefde voor hunne ouders te paren. Zoo ook
78
boezemt de meest herhaalde Communie aan de getrouwe zielen, naast de nederigste gevoelens van zich zeiven, de levendigste en eerbiedigste erkentenis in voor den Koning der Konin-gen; dien zij ontvangen; en hunne eerbied, hoe groot die ook zij, verdubbelt hunne teederheid, vermeerdert hunne liefde voor eenen God ,die zoo groot en te gelijk zoo goed is... Zie wie zich in onze kerken in de tegenwoordigheid van Jesus Christus, in de eerbiedigste houding vertoonen: zijn het de personen, die zelden tot de H. Communie naderen? Of zijn het, integendeel, die godvruchtige en heilige Christenen, die hot geluk genieten, dikwijls aan dat eerbiedwaardig geheim deel te nemen?
Maar laten wij het zeggen, de meesten dergenen, die van de heilige Tafel verwijderd blijven, hebben andere redenen, redenen, die veel onteerender zijn dan degene,
79
welke wij wederlegd hebben. De zedeloosheid, delosbaudigheid, ziedaar, in 't algemeen de hoofdoorzaken van het verwijderd blijven van onze heilige geheimen; het hart is niet zuiver; men heeft zich schandelijke zonden te verwijten; en is het niet voor het tegenwoordige, dan in het verle-dene, eü dikwijls zelfs in het tegenwoordige en verledene te gelijk. Men bloost over zich zeiven, en men zou zich nog veel meer schamen, om aan aaderen te toonen wie men is en wat men gedaan heeft. Daarenboven zijn de hartstochten nog te levendig, zegt men: later, over eenige jaren, zal men weer godsdienstig worden en tot de heilige Sacramenten naderen. Er y.ijti er, volgens Bossuet, die op deze wijze, van tijd tot tijd over den slechten staat hunner ziel nadenken. Men zou gaarne een einde willen maken aan zijne ongeregeldheden, maar de hartstochten steken hun hoofd op en
80
roepen den ongelukkige, diezich aan hunne dwingelandij onderworpen heett, toe. âGa voort, ga immer voort.quot; Hij denkt echter, dat het heil der ziel niet gewaarborgd is in dit leven, dat met trouweloosheden, welke zoo dikwerf herhaald worden,vervuld is. Maar zijne bedorvene neigingen roepen hem al weer toe; âGa voort,quot; en hij vervolgt zijnen weg ondanks de levendige klachten van een geweten, dat door knagingen verscheurd wordt. Men verschuift van het eene jaar tot het andere, altijd stelt men uit; men stelt uit tot aan den dood; en van daar tot in de hel, waar geen uitstel meer is. Wee zulke Christenen!
Jesus Christus zelf leert ons door eene gelijkenis eenige andere beweegredenen kennen waarom zekere Christenen van zijnen maaltijd verwijderd blijven. Een koningszoo spreekt hij, wilde voor zijnen zoon een bruiloft
81
aanrichten, en noodigde Vele gasten ter bruiloft uit. Hij liet den genoo-den herhaalde malen zeggen, dat zij zouden komen; maar zij verschenen niet. De een ging naar zijn pachthoeve; een ander had eene vrouw getrouwd; wederom een ander had een koppel os^en gekocht, welke hij moest gaan zien; â treffend afbeeldsel der Christenen, die de Sacramenten ver-waarloozen. Een God dringt bij hen aan, verzoekt aanhoudend^ dat zij op het bruiloftsfeest van zijnen Zoon komen; maar zij zouden eenige moeie-lijkheden, die aan deze eervolle uit-noodiging in den weg staan, moeten wegruimen; zij zouden van tijd tot tijd de overdrevene zorg eener familie, van een stuk land, of eenen handel moeten afleggen; en zij blijven onverschillig!
Gij ziet, dat de redenen, die in onze dagen zoo algemeen het nalaten der H. Communie veroorzaken, niet 99 6
82
zeer eervol zijn. Goddeloosheid, gebrek aan geloof, lafheid, menschelijk opzicht, onverschilligheid, ziedaar, helaas! de kenmerken van dat groot aantal dergenen,die zich aan onze heilige geheimen onttrekken! Mochten wij overal die doodelijke onverschilligheid voor het goddelijk Altaargeheim zien wijken, zonder hetwelk wij het leven in ons n iet kunnenhebben! Mochten wij overal dien ijver voor de veelvuldige Communie zien herleven, welke de Christenen, in de schoone eeuwen der Kerk aan den dag legden!
Wee den Christenen, die zich niet voelen aangetrokken totdat goddelijk Sacrament, noch onrust en droefheid gevoelen, door er zich van gescheiden te zien: die zelden in 's Heeren tempel verschijnen, en nog zeldzamer aan het geheimzinnige gastmaal zijner uitverkorenen, en die gerust in dien staat voort leven! Rampzalige staat, die den ondergang van hun ge-
83
loof, limine onmatige verkleefdheid aan de zaken dezer wereld, de versteendheid huns harten, de verwaar-loozing hunner zaligheid en, helaas! hun eeuwigen ondergang aankondigt!
Gelukkig daarentegen degenen, die getroffen door de tegenwoordigheid van Jesus Christus op onze altaren, zich tot hem aangetrokken ge-voelen, en eene heilige Communie beschouwen als het toppunt van zaligheid! Gelukkig degenen, die men dikwijls, ingetogen en onbewegelijk, aan den voet van het heiligdom ziet bidden, of zich aan de H. Tafel met het brood der Engelen voeden! De naam van God en het zegel der uitverkorenen is op hun voorhoofd gegrift; zij zijn door den geest des geloofs bezield, bevinden zich altoos aan de bron der genaden, drukken de voetstappen van het grootste getal der heiligen, en hun ijver in het naderen tot de H. Tafel is een der zekerste teekenen van hunne voorbeschikking.
Alle goederen ziju mij met haar geworden.
Boek dhr wijsh. vii, 11.
Te recht brengen alle volkeren hunne hulde aan de goddelijke Eucharistie, dewijl dit een algemeen goed is, hetwelk zich uitstrekt tot de men-schen van alle standen, en aan de wereld hare hoogste volmaking schenkt. De geheele strijdende Kerk rust op dien grondsteen; de geheele lijdende Kerk deelt den invloed van die goddelijke zon; geheel de zegevierende Kerk versterkt zich met niets anders, dan met dit hemelsch voedsel: al de rijkdommen eindelijk van het rijk Gods vloeien voort uit dien schat der Eucharistie, en ik durf zeggen, dat, indien dit Sa-
85
cram ent niet bestond, er geen geloof zou zijn, want het is de zon die hetzelve verlicht; geene hoop want het is de steun die haar staande houdt; geene liefde, want het is de vuuroven die haar doet blaken, geene godsdienst want het is het slachtoffer dat zij opdraagt; geene martelaren, want het is het bloed dat hen aanmoedigt; geene maagden, want het is de wijn die deze voortbrengt; geene belijders, want het is het geheim dat hen heiligt; geene uitverkorenen: want 't is het brood dat hen voedt. De zondaren, zegt de H. Cyprianus, beschouwen het als de haven, waarnaar zij verzuchten; zij die een nieuw leven beginnen, als den aanvang hunner geestelijke kindsheid; de rechtvaardigen, als hunne kracht, de volmaakten, als het onderpand hunner zaligheid, de bedrukten als hunne toevlucht, de zieken als hun geneesmiddel, de
86
stervenden, als de kiem hunner wederopstanding en den wortel hunner onsterfelijkheid.
Slechts de zondaar trekt er niet het minste voordeel uit: zijn staat is zoo rampzalig, dat hij onwaardig is tot die heilige geheimen te naderen.
Pater Nouet.
.Ji. VIL JL
Met haar zijn mij allt goederen ^eworJen.
Arme zondaars, die u door de wereld hebt laten verleiden, en wie zij nu van honger en dorst laat sterven op den oever van hare moerassige wateren en harer vergiftigde regenputten; ach! rampzalige verdwaalden, die ongelukkig zoo ver van de woning uws vaders verwijderd zijt, komt met mij, komt uw ongelijk bekennen. Is het niet waar, datwij, met terug te keerentothet vaderlijke huis, den zoetsten vrede, den ruimsten o-vervloed, alle zekerheid en gelnk gevonden hebben? Is daar de hemel-sche Tafel, welke de Heer ons heden bereidt, niet prachtig en met overvloed beladen?
0 goddelijke, o edelmoedige Mee-ster;ik heb in uwen dienst ai de vreng-
88
den des hemels gevonden, maar niets kan den overvloed en de geneuchten evenaren van dien heiligen maaltijd, waaraan gij mij zoo dikwijls en met zooveel liefde noodigt! 0 brood der engelen, o goddelijke spijs, hoeveel kracht en moed hebt gij mij geschonken! welken vrede, welke inwendige vertroostingen, welke zalige verwachtingen, welke liefelijke akkoorden, welke teedere liefde voel ik in mijne ziel doorstroomen. O H. Communie, met u zijn mij alle goederen geworden!....
Godvruchtige vrienden van de Tafel van Jesus, die dit allen kunt getuigen, moet u zulks verwonderen?.
Indien over het huis van Zacharias zoovele gunsten worden uitgestort, toen de gelukzalige Maagd Maria er binnen trad; indien Abraham zoo vele genaden ontving, omdat hij drie Engelen in zijne woning onthaald had; indien Jakob zoo vele zegenin-
89
gen aan Laban braoht, die een heiden en afgodendienaar was; indien Loth van den brand van Sodoma bevrijd werd; omdat hij twee Engelen geherbergd had; indien Elias de weduwe, die hem eene schuilplaats verleend had, met goederen overlaadde; indien .Obededon zoo vele gunsten ontving, omdat hij de bonds-ark in zijn huis bewaakt had; hoe vele en groote zegeningen zullen dan in onze woningen worden uitgestort, wanneer zij dikwijls voor den Heer zeiven worden geopend?
Met de wijsheid zijn alle goederen in mijne ziel gekomen, zeide Salomon; welk een onuitsprekelijke stroom van goederen, van vrede; van genaden moet dan onze harten als overvloeien, wanneer Jesus Christus in dezelve is nedergedaald! Verwijd u dan, getrouwe zielen, verwijd u, opdat alle uitstekende gaven en alle volmaakte goederen aan de H, Tafel
90
in u binnenvloeien, enge woning onzer harten, verbreed u, want als de God des hemels ons met zijn bezoek komt vereeren, laat hij zijne schatten niet in den hemel achter: hij laat daar niet zijne blikken van barmhartigheid, zijne genaden, zijne gunsten en al die geestelijke rijkdommen, maar deelt die met de meeste milddadigheid aan zijne vrienden mede. In één woord, hij komt er niet met ledige handen, maar heeft die met alle goederen gevuld, en men mag zeggen, dat diegene, die Hem bezit, niet meer wenschen kan, want hij heeft alles.
Ja, in Jesus Christus hebben wij alles... Indien wij van onze wonden willen genezen worden, is hij de geneesheer, indien de hitte der koorts ons verteert, is hij de hron der levende wateren, indien duisternissen ons omgeven, is hij het licht en de zon der gerechtigheid; als wij vreezen.
91
door de dwaling en logentaal misleid te zullen worden, is hij de waarheid-, als wij beducht zijn het spoor bijster te worden, is hij de iveg\ hebben wij honger hij is het hrood: zijn wij uitgeput van vermoeidheid, hij biedt zich aan, om ons te verlichten: Komt allen tot mij, die beladen zijt en ik zal u verkwikken. Vreezen wij den dood, hij is hot leven. Met hem hebben wij alle goederen, welke wij wenschen kunnen..! âIn hem zijn al 'Ie rijkdommen des verstands, al de schatten der wijsheid en der diepst». kennis verborgen. (Koloss H. 2, 3), en die schatten opent hij voor ons in het H. Altaar-Sacrament, hij schenkt ons; naar gelang wij er behoefte aan hebben, die hemelsche rijkdommen, terwijl de Heilige Geest ons met zijne goddelijke vlammen ontgloeit, die de laatste sporen dei-zonde vernietigen, ons als eenen voorsmaak van de gelukzaligheid
92
des hemels schenken, en ons voorbereiden, om ze in hare volheid te genieten, wanneer wij den gelukkigen eindpaal onzer beproevingen op de aarde zullen bereikt hebben.
Begeef u derhalve tot de bron der genaden, gaat tot het altaar, gaat tot Jesus; En tot ivien anders zouden wij gaan, Heer? Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens. (Juan. VI, 69.) Gij versterkt ons, als wij kwijnen, gij vertroost ons, als wij in droefheid zijn, en wanneer wij verontrust worden door de stormen, die zich rondom ons verheffen, heveelt gij den winden, en het wordt stil. O Jesus! uwe liefde dringt mij, en mijne ziel versmacht van verlangen, om zich met u te vereenigen. Dit is mijn eenige wensch, en ik verlang niets anders, slechts naar u alleen, o mijn God, haak ik. O, mochte ik
93
altoos kunnen zeggen; mijn welbeminde behoort aan mij, en ik aan hem... Ik hen het niet die leeft, maar Jesus Christus leeft in mij!
VI.
God is eco verslindend vuur.
Deut. iv, 24.
De eerste Christenen hadden de gelukkige gedachte; om aan de diepste verborgenheden der aarde eene rustplaats voor hunne dooden, een altaar voor hunne eeredienst, en eene wijkplaats voor hunne verbannen broeders te vragen. Om zich dat drievoudig voorrecht te verschaffen, sloegen zij moedig de handen aan het werk, en maakten nu eens aan hun doel dienstbaar de oude steengroeven, waaruit de eerste bewoners van elke stad de noodige bouwstofien gehaald hadden, tot opbouwing van de bijzondere gebouwen en publieke gedenkteekenen, dan weder groeven zij, met eigen
95
handen, in hunne woningen, in hunne hoven en velden, onderaardsche gewelven, die meer veiligheid opleverden. De beroemdste en ruimste van al die onderaardsche plaatsen, welke de bakermat des Christen-doms waren, bevinden zich te Rome en in de omliggende velden. Velen zijn een uur lang en tachtig voeten hoog, maar de gangen; die dezelve in alle richtingen doorsnijden, zijn soms niet hooger dan vijf of zes voeten. Velen derzelve hebben drie of vier verdiepingen, die boven elkander zijn, even als in onze woningen, en in elkaar loopen door trappen in den grond zeiven uitgehouwen, en bieden den weet-gierigen bezoeker, die dezelve in oogenschonw neemt; het beeld aan van eene uitgestrekte stad. Zonder orde en dikwijls zonder samenhang aangelegd, vormen zij, in de veelvuldige krommingen hunner donke-
96
re straten, allerlei holen, spelonken en kroften, welke door de kerkelijke schrijvers genoemd vfordcnChri/p-ten (van krupto ik verberg) spelonken, onderaardsche gewelven^ waar men de dooden begraafde.)
Be Eerw. Heer Raffray.
$
Herinneringen aan de onderaardscbe begraafplaatsen.
Zegt het mij, als gij somtijds in uwe vurige verlangens, om den godsdienst te zien eeren en schitteren, in eene dier liet'deverrukkingen,waarin de godvruchtige ziel van vreugde juicht, omdat zij, als in het verschiet, de Kerk in al den luister harer oorspronkelijke vurigheid gelooft te zien pralen, en het groote menschelijkw gezin, door de liefde herboren, als een beeld van de schare der uitverkorenen zich voor haar vertoont: zegt het mij, of gij, in een dier hemelsche droomen, geene tranen gestort hebt, bij de herinnering aan die schoone dagen, toen alle geloovigen -- onze broeders â martelaars en heiligen waren?... 0 schoone tijden! dagen van vurig-99 7
98
held, die te ras zijn heenge.sneld, welk onuitwischbuar spoor hebben uwe herinneringen ons achtergelaten! Heilvolle dagen, zult gij niet meer wederkomen?...
De God der H. Communie was toen zoo groot, zoo bemind, en werd zoo ijverig bezocht!... Hij verborg zich, wel is waar, verre van de menigte, in onbekende schuilplaatsen, en tot in het hart der onder aardsche spelonken waar het licht dei-zon niet kan doordringen maar bij'tge-mis onzer ruime tempels, onzer dui-zende kroon kandelaren en marmeren altaren, had hij toegenegen zielen, harten die hem beminden en brand den van verlangen, om zich te zijner liefde te slachtofferen.
Ziet, hoe die verbannen Christenen eiken morgen, en veelal zelfs des nachts , vergaderen rondom het altaar, dat in de sombere gewelven, onder den grond is opge^
99
riclit. Ziet bij de flauwe schemering der lampen, die aan de steenen gewelven dier duistere schuiloorden hangen, welk eene diepe ingetogenheid er onder die talrijke vergadering heerscht. De heilige geheimen worden gevierd: de aarde is voor al die pienschen verdwenen; want men zou zeggen, dat het engelen waren, die rondom de tabernakelen nedergeknield liggen. De ernst dei-opperpriesters, de hemelsche zedigheid der maagden, de nederige oplettendheid der kinderen en moeders, de engelachtige vurigheid van allen, herscheppen die plaatsen in een anderen hemel. O, hoe schoon moesten die vergaderingen van Christenen zijn, die uit zoovele heiligen en martelaren bestonden, als er geloovigen waren ! Velen hunner, die reeds door het vuur der vervolging beproefd en met de roemrijke wonden voor 't geloof geteekend waren, putteden uit
ino
bet bloed van Jesus Christus den nondigen moed, om hun offer te voltrekken, en al die Christenen, allen, zonder uitzondering, bezield met een brandend geloof en door liefde verslonden, gingen hem aan zijne Tafel niet anders vragen, dan het geluk om de wreedste folteringen te mogen lijden, dan het geluk om duizendmaal hun leven te mogen geven voor den edelmoedigen God, die zijn leven voor hen had opgeofferd. Ach! de H. Communie was hun moed en hun kracht! Zij was het vuur, dat hunne ziel verteerde. Godsvrucht,verkleefdheid, geest van opoffering, liefde voor hunne broeders, vergeving aan vijanden, verachting van wereld en dood, liefde voor God boven die van vaders en kinderen, alles in één woord, put-teden zij uit dit aanbiddelijk Sakra-ment.... O! hoe schoon moet het geweest zijn, die vurige geloovigen te beschouwen, die dagelijks tot het
101
goddelijk gastmaal naderden, van waar zij terug kwamen met een nooit gehoorden moed, welke door geene hoegenaamde folteringen, noch door eenige uitvinding der hel kon overwonnen worden.
O Katakomben! schuilplaatsen van xoo veel geloof, geheimzinnige afzonderingen van zoo vele heiligen, uwe herinnering alleen zou ons nog met moed kunnen vervullen. âO heilige duisternissen,quot; roept de H.Cyprianus uit, âo heilige duisternissen, die met meer helderheid schittert dan de zon zelve; in uwe godvruchtige diepten zijn de Gode behaaglijkste tempels opgerezenquot; ! â âIs het te verwonderen vraagt een schrijver van onzen tijd,quot; dat de Christenen, die van uit dien met deugden vervulden dampkring kwamen, toen eene maatschap-[lij, waarin de ondeugden als gekankerd waren, verbaasden en overwonnen door het schouwspel eener
102
liefde, zonder grenzen en van eene weergalooze onversehrokkenheid ?quot;
En langen tijd na die eeuwen van vervolging en heldhaftigen ijver, vervulde het aandenken alleen aan dit eerbiedwaardig schouwspel,waarvan de onderaardsche plaatsen getuigen waren geweest, nog diegenen met ontroering, die dezelve gingen bezoeken en daar verhevene gevoelens en hemelsche gedachten opdoen De H. Hieronymus getuigt ons zelf; dat hij, in de eerste tijden van zijn verblijf te Rome, daar alle zondagen met zijne medeleerlingen vergaderde. Zij maakten er hun genoegen van, die plaatsen te bezoeken, welke nog geheel doortrokken waren van het bloed der priesters en der geloofs-leerlingen; en daar, nedergeknield op de plaats, waar zoo vele martelaren geknield hadden, schepten zij er vermaak in, zich hunne schoone toewijdingen, hunne nederige deugden en
103
hunnen roemrijken dood te herinneren. Die eerste indrukken waren levendig en diep, en de H. Hierony-mus vergat ze nimmer...
O heerlijke dagen der ontkiemende Kerk, dagen van vervolging, maar ook van vurigheid! o schoone tijden, wat is er van u geworden ? Ach! hoe diep zouden die zuivere en vurige Christenen van de eerste eeuwen der Kerk getroffen worden, indien zij voor een oogenblik onder ons terugkwamen ? Met welk eene verontwaardiging zouden zij vervuld worden, bij het zien van de schandelijke onverschilligheid van zoo vele menschen, die zich Christenen noemen, jegens de verhevenste verrichting des Christendoms ! De voortreffelijke deugden, welke wij met bewondering aanschou-wen7 en die wij, in de verrukking, waarin ze ons brengen, ons niet ter navolging durven voorstellen, die deugden putteden zij uit het menig-
104
vuldig deelnemen aan het lichaam van Jesus Christus. Neen, neen,
Zij haudeldeu zoo uict,
Die eerste ChristenhelJeu, Die zuilen van de Kerk,
wier lof wij bier vcrmtlden; Zij eerden 't hoog geheim,
verborgen op 't altaar.
En minden 't ijvervol,
en haakten braudend, daar Zich te vercenen met
hun God, voor vrien hou hulde. Bij eiken nieuwen dag,
bet heiligdom vervulde;
Zij snelden, wijl het god-
lijk vuur hun ziel doorvlood, Van 't hemelsch Gastmaal tot den wreeden marteldood.
Pater De GéitAMB.
Dan, neen, er bestaan nog altijd heiligen in de Kerk van Jesus Christus; de goddelijken Herder heeft altijd eenige schapen, die hij kent en door wie hij gekend wordt. Hij zal altijd heilige zielen hebben,
105
om Hem te aanbidden en te dienen; edelmoedige, toegenegen, liefdevolle harten^ die door de verhevenheid van hun geloof en hunne heldhaftige gevoelens de eerste tijden der Kerk waardig zijn. Zien wij niet altijd, hier en daar, op de aarde, Aartsvaderlijke en gezegende familiën,afzonderingen, die als schuiloorden der onschuld en van het gebed zijn, talrijke heilige genootschappen, die bestemd zijn ter vereeuwiging van de overlevering der christelijke deugden, welke onder de kinderen Gods moeten voortleven tot aan de voleinding der wereld? Er zijn nog heiligen... âHet zoudan,quot; roept de eerwaarde Vermot uit, sprekende over de dagelijksche Communie, âhet zou dan eene zeer verderfelijke dwaling zijn van die zielen die zoo uitmuntend gestemd zijn, te gelooven, dat die dagelijksche Cominunie aan onze eeuw niet meer
106
voegt, ter oorzake van de verflauwing der geloovigen; en indien dezelve niet meer geschikt is voor zulk een groot getal Christenen als in de eerste eeuwen, is zij ten minste toch geschikt voor degenen, die er toe voorbereid zijn of er zich toe willen voorbereiden.quot; Hun dezelve te weigeren wegens dat vooroordeel^ is hun een groot onrecht aandoen, zegt Pater Molina; 't is hen beroo-ven van een groote genade, voegt de catechismus der kerkvergadering van Trente er bij; 't is vergeten, dat de eerste Christenen niet zonder onvolmaaktheden waren, en dat zij, desniettegenstaande alle dagen de heilige geheimen ontvingen; 'tis eindelijk het doel des Sakraments niet kennen, of vergeten, dat het is ingesteld voor de volmaakten en onvolmaakten,voor de rechtvaardigen en de zondaars, die van goeden wil zijn, en dat aan allen gegeven is
107
tot eene spijze, om hen te versterken en voor de doodzonden te behoeden, gelijk de H. Alphonsus getuigt : De Communie is ook voor de onvolmaakten ingesteld, opdat zij door de Kracht van dat voedsel genezen worden.
Blosius' verhaalt, dat, toen de H. Gertrudis zag, dat er te dien tijde herders waren, die heilige zielen van de veelvuldige Communie terughielden, zij bij onzen Heer te rade ging en van Hem dit antvvoord kreeg:
âMijn vermaak is met de kinderen der inenschen te zijn, en daar ik de heilige Eucharistie tot onderpand mijner liefde heb achtergelaten, opdat men dezelve dikwijls ontvange, is het eene zekere waarheid, dat al wie de menschen ontraadt, om dikwijls tot de heilige Communie te naderen, mij van mijn vermaak berooft.quot;
108
Maar mijn God, waarom stellen ten minste de geestelijke vereenigin-gen u niet geheel en al schadeloos, voor de vergetelheid en onverschilligheid der wereld jegens uw aanbiddelijk Sacrament. Waarom voldoen die zuivere maagden, die door zulke bewonderenswaardige beloften met u vereenigd zijn, en die voor u alles verlaten hebben, ten minste niet ten volle aan het vurig verlangen, dat gij hebt, om u aan ons te geven V Waarom vernieuwen zij niet allen, door hare dagelijksche Communie, het zoo stichtend gebruik van de eerste tijden der Kerk ? Gij hebt ze, o mijn God, in eene eenzaamheid geleid, waar eiken dag het manna van den hemel nederdaalt; waarom zamelen zij het niet alle dagen in'? Zij die al de dierbaarste banden verbroken hebben, wat zijn zij anders in de afzonderingen gaan zoeken, dan u, o mijn
100
God?..,. Indien haar regel haar de dagelijksohe Communie niet gebiedt,
hij verbiedt ze die ook niet.....
Indien zij de toestemming daartoe aan de overste moeten vragen, betalen zij zulk een groot goed dan te duur met eene oefening van nederigheid En welke overste zou al de Communiën welke men verzoekt, durven weigeren aan eene ziel, die er vurig naar haakt, of er in liefde door wil toenemen, wanneer de H. Au-gustinus zegt, dat hij het niet op zich zou hebben durven nemen, de Communie te weigeren aan een eenvoudige geloovige, die er hem om zou verzocht hebben, en zich niet dan van dagelijksche gebreken te beschuldigen had'?...
âHet is vreemdquot; zeide eene heilige geestelijke dochter tot hare medezusters die er bezwaar uit maakten, om dikwerf tot de heilige Ta-
110
fel te naderen âhet is vreemd, dat wij alles verlaten, om Jesus Christus in de eenzaamheid te zoeken en te bezitten, en als wij hem gevonden hebben zulks niet meer willen.quot;
O mijn Heer en mijn God, verlevendig het geloof van al uwe kinderen; ontvlam onze harten in uwe heilige liefde, en wij zullen door ons leven het leven der eerste Christenen weder hernieuwen, en wanneer gij ons zoo liefderijk aan xiwo goddelijke Tafel noodigt zullen wij daar niets meer tegen inbrengen; wij zullen u te gemoet snellen, wij zullen gretig tot u gaan. Wij zullen ons al te gelukkig achten, U door ons zwakke liefde tevreden te stellen. O, mijn God, dat zal het wezenlijke middel zijn, om die liefde te vermeerderen. Zouden wij eiken morgen tot dien eeuwigen liefdegloed, waaraan de liefde der engelen in den hemel ontstoken wordt, kunnen
111
naderen, zonder dat wij er ten minste eenige vonken van medenamen?
Wie, vraagt de schrijver van de navolging van Christus, wie zou hij een groot vuur kunnen verblijven, zonder er eenige warmte van te ontvangen?
, dut hris-n en von-on.quot; ver-kin-uwe door hris-ivan-uwo i wij gen; â wij illen ⢠ons !len. mlij-ver-nor-oed, a in men
VIL
Ik ben het vnar op de wereld komen brengen.
Luc. xxii. 49.
Goi is liefde, de eeuwige liefde maakt zijn wezen uit: ik gevoel en begrijp het meer dan ooit aan de levendige vlammen die mijne ziel in de H. Communie verteeren; het vuur des hemels is op het altaar nedergedaald, en van het altaar heeft deszelfs levende vlam mijn binnenste doordrongen. Zoodra de God van liefde in mij woont, zou 't schijnen, dat ik noodzakelijk in de liefde wonen moest; doch 't is zoo niet, onze harten zouden niet meer verdienste hebben dan het hout, wanneer het door de vlammen aangetast en verteerd wordt. Indien
113
God door de H. Communie in ons woont, moet onze getrouwheid in God wonen door de vrucht der H. Communie: en dan woont deyene, die in de liefde woont, in God, en God in hem. Heilig vuur, door Jesus Christus op de wereld gebracht, doof in mijn hart niet uit; zie dat hart, het opent en verwijdt zich, om u een vrijen doorgang te geven; zie, het beantwoordt aan het verlangen dat de Zaligmaker had, om u levendig, schitterend eu ontvlamd te zien; gij moet in mij wonen; gij zoudt daar in een te engen kerker ingesloten en genoodzaakt zijn, met geweld daaruit te ontvluchten; maar ik moet door dat doopsel van vuur overstroomd worden. Heilige Geest, adem des levens, doe gij die goddelijke vlammen mijn hart rondom insluiten, opdat ik in den God van liefde wonende, de God van liefde altijd met mij verblijve! JU Le CoURÃlEK. 8
liet vuur dut du niurtularcu outvlanule.
Communie betenlcund vereeniying met-, maar met wien?.. Met God, met dat verteerend vuur, met dien eeuwigen vuuroven, waaraan de Serafijn eeuwig zijn hart ontvlamt, en do uitverkorenen voör altoos hunne onuithlusehbare liefde zullen ontsteken. Ach! hadden wij toch een duidelijk begrip van dien vuurgloed, dien wij de H. Communie in onze harten plaatsen, ot', om beter te zeggen, waren onze harten tocli goed bereid, hoo zouden zij ontstoken worden door die goddelijke vlam, die de grootste opofferingen en de oogenschijnlijk uioeielijkste zelfverloocheningen mogelijk en aangenaam maakt. Brengt u de martelaren te binnen. Wat deed hun het inoord-staal, de ijzeren foltertuigen en vlam-
mende vuurstapels trotseeren? Wat maakte lien ongevoelig voor de tranen hunner bloedverwanten, hunner vaders en kinderen, envoordever-Icidendo beloften hunner vervolgers? Hoe verduurden eene Perpetua, eene Agatha, eene Agnes, eene Eulalia, rii zoovele? teedere en zwakke maagden, zonder zich te beklagen, de glooiende roosters, de pijnbanken, de roeden en den tand der wilde dieren? 0, verwondert u daar niet over roept do H. Augustinus uit; verwondert u niet, zij waren door eenc.lieilige droiikerischcijt bevaiigen{l) Zie, zij hadden van den gewijden kelk gedronken, zij hadden in de H. Communie het vuur ingeademd, dat hunne harten van eene hemel-sehe en onverwinbare liefde verteert, en, in 't midden der verschrikkelijke folteringen, welke de dwinffe-
(.) Ncili Uiii'itri, cbrii erant.
116
landen hen deden ondergaan, hooide men die moedige strijders, in de heilige vervoering hunner liefde uitroepen: âWaarom heb ik niet dui zend levens, om ze, in nog duizend maal meer folteringen, voor mijnen God te kunnen geven!quot;
Toen, in die eeuwen van het opkomend geloof, waren de Christenen zoo vele slachtoffers, die reeds tot den marteldood bereid waren. Lang voor den dageraad in de diepe katakomben afgedaald, zetteden zij zieh vol van een vurig verlangen naar het brood des hemels aan de Tafel der engelen neder; vervolgens, na zich te hebben doen doordringen van dat vuur, hetwelk zij in hunne ziel droegen, verlieten zij in der haast hunne geheimzinnige afzondering, begaven zich naar hunne vrienden en naastbestaanden, en dikwijls des avonds, als Christenen aangehouden, werden zij naar wal-
117
gelijke kerkerholen gesleurd, daarna ondervraagd, vervolgens in de openbare schouwplaatsen geleid, waar onmenschelijke beulen er zich op toelegden, om tegen hen onbeschrijfelijke folteringen uit te vinden.
Die schoone herinneringen hebben aan eén prediker onzer dagen deze godvruchtige uitboezeming ingegeven; âO heilige martelaren, moedige broeders, die ons in den strijd zijt voorgegaan en ons in de heerlijkheid verwacht: zeg ons toch; waar gij die liefde ging putten, die u voor God deed leven en sterven? Waar gingt gij u, in de dagen der vervolging, eiken morgen tot de slachtofferande voorbereiden? Men zag u, voor dat de zon hare stralen op Rome, op de schouwplaats, de beulen en slachtoffers nederzond, met verhaasten tred uwe woningen verlaten: men zou gezegd hebben, dat gij ter slachtplaats heen sneldet;
I
118
maar de gerechtsdienaars waren nog niet aanwezig. Aan het uiteinde dor stad, gingt gij, in een afgelegen oord, een onbekenden tempel opzoeken, om daar den Heer te bidden en heilige lessen in te zanielsn, ten einde te loeren sterven. Jesns Christus, in de onderaardsuhe plaatsen verborgen, en gelijk do groote Bos-suet zegt, toen verholen onder geene andere sluiers en duisternissen, dan onder de geheimzinnige sluiers en duisternissen, waarmede hij zich vrijwillig in het heilig Altaar-Sacrament bedekt, riep u tot zijne Tafel, en niemand van u liet die uit-noodiging onbeantwoord. Daar, in die onderaardsche holen, waren altaren opgericht ter eere van Hem, die de zon gemaakt hoeft; een priester, door ondergane folteringen reeds verminkt, droeg het onbevlekte slachtoffer op, en gij op uwe beurt kwaamt daar als slachtoifers voor
119
het moordstaal der dwingelanden bestemd, om u mot het eeuwig slachtoffer op te dragen, en hetzelve ontvangende, to loeren, even als het geslachte Lam, uw leven ten beste te geven. Gaat thans henen, de of-fsrande is voltrokken; treedt uit uwe , schuiloorden te voorschijn, keert naar uw woningen terug, de beulen wachten u daar misschien. Dat doet er niet too! gij hebt uwen God ontvangen, vreest niets, hij zelf zal u in do kerkerholon en op do brandstapels ondersteunen; hij zal voor u tegen de woede der wilde diei'en en tegen de wreedheid der mensehen strijden, en als gij in het worstelperk bezwijkt, zal hij u de ki'oon der martelaren schenken.quot;
Ach! indien wij, even als onze broeders in de eerste tijdon der Kerk de heilige Communie ontvingen in narten, die geheel en zonder eenig voorbehoud zich slachtofferden voor
120
den heiligen wil van onzen God, dan zouden wij allen eveneens geheel ontvlammen en als in vuur ontbranden voor de grootste opofferingen. Eene enkele Communie zou voldoende wezen, om heiligen van ons te maken....
Sod,
VIII.
Wie niijti vleosch eet en mijn bloed drinkt, hlijfi in mij en ik in hem.
Joax vi. 57.
Indien ik u van eene spijs sprak, welke al degenen, die eene goede gezondheid genieten, gewoonlijk gebruiken, en dat, hoe meer zij dezelve nuttigen, zij des te welvarender zijn, zou er niemand wezen, die er niet naar verlangde, die niet zorgde er zich van te voorzien en dezelve te eten; welnu! ik zeg u, dat er in de Kerk zulk een brood is, dat de sterken het nuttigen, en dat degenen, die er het meeste gebruik van maken, het sterkste worden. Dit is mij genoeg; en moet het u ook niet voldoende wezen?
De kracht van het Altaargeheim,
ruur pof-
üou
van
122
welke door geen hinderpaal belemmerd wordt, gelijkt aan de zon, die, wanneer zich wolken aan den hemel vertoonen, zuivert, verwarmt en verblijdt; evenzoo verlicht, verwarmt, schenkt Jesus Christus, de zon der gerechtigheid in de heilige Communie kracht aan eene ziel, die aan geene doodzonde schuldig is. Laat ons dan dikwerf tot de heilige Tafel naderen, en wij zullen dikwijls in ons hart dion sterken on almachtigen God plaatsen, die tijdens zijn sterfelijk loven, de blinden genas, de dooden ten leven verwekte en de duivelen verdreef. Eene geheel goddelijke kracht zal opnieuw van hem uitgaan, en, als wij het willen, dezelfde wonderen in onze zielen uitwerken.
Vermot. In zijne Verhandelingen over de wezenlijke tegenwoordigheid van Jeaus Christus in het heilig Altaar-Sacrament, en over de veelvuldige Communie.
Het voedsel der sterken.
Toen Holofornes zag, dat hij dc stad Bethulie niet kon bemachtigen, stopte liij al de kanalen, die er het water lip.en voerden, in de overtuiging, dat hij door de krijgslist tot de overgave zou dwingen; eveneens tracht de duivel eene ziel van dc heilige Communie te verwijderen opdat hij, na haar van hare kracht berooft te hebben, er zich ten laatste des te gemakkelijker meester van zou kunnen maken. Do heilige Am-brosius paste daarom op het heilig Altaar-geheim deze woorden van den Psalmist toe; Degenen, die zich van u, o mijn, God, verwijderen, sullen-niet in gebreke blijven van om te komen. (Ps. 118)
Voorzeker, Christenen, wij zullen
124
zonder twijfel omkomen, wij zullen eene droevige schipbreuk lijden, indien wij ons, door de heilige Com-munie, hem niet tot beschermer en vriend maken; die over de golven gebiedt en de stormen stilt. Verwacht niet, dat gij elders het leven, en bijgevolg de kracht zult vinden: Indien gij het vleesch van den Zoon des menschen 71 iet eet, zult yij het leven in n niet hebben. (Joan VI. 54) Laten wij arme en zwakke kinderen, uit slijk gevormd, aan duizenden zwakheden onderhevig, en zonder ophouden tot tallooze driften geneigd, laten wij ons dan in de armen van den sterken God werpen. Laten wij ons dikwerf met zijn eigen vleesch voeden, dewijl hij het ons door een wonder zijner liefde tot spijs geeft; en door dat hemelsch brood versterkt, zullen wij den berg bestijgen, zonder te bezwijken, en opziende naar het bloed des Larns,
125
waarmede onze lippen geteekend zijn, zal de engel onze woningen sparen, en verdedigd door hem, die zich den leeuw van den stam van Juda deed noemen, zullen wij onder onze schamele tenten gerust insluimeren, omdat hij er de bewaker van zal wezen. Jesus Christus zelf zal ons hart; hetwelk hem eenige minuten tot tabernakel gediend heeft, als zijn eigendom beschermen.
O, dat men ons, vrienden der heilige Tafel, niet vrage, waar wij die kracht putten, om zoo standvastig aan de verleidingen der wereld to wederstaan. Zij bestaat geheel en alleenâwij verkondigen het luide â in de heilige Communie; daar en daar alleen doen wij al onzen moed op. De machtige en sterke God, wien wij des morgens ontvangen hebben, laat zich niet wachten, wanneer wij hem het overige van den dag, in het uur des gevaars, ter
126
liulpe roepen; Hij is het, die in ons leeft en in ons werkt. Hij heeft zich met ons vereenzelvigd en ons als in hem ingelijfd; hij heeft ons, nis 't ware, vergoddelijkt, en onder zijne hoede worden de begoochelingen der wereld zeer spoedig ontmaskerd; onder zijn toezicht, vertoont zich liet leven aan ons in deszolls ware kleuren, en wordt het aangezien voor 't geen het is. Onze geiLichteii richten zicli ten hemel en de aarde schijnt aldra zeer nietig en verachtelijk aan dengene, die zich gewent met God te verkeeren.
U Communie, heilige Communie, hoe veel kracht schenkt gij ons! Als God onze vriend is, als hij in ons nederdaalt, in ons leeft, met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?.
âliet heilig Sacrament des Altaars, zegt de kerkvergadering van Trente, is het krachtigste tegengift, waardoor wij gezuiverd worden van
127
de dagelijksche fouten en te gelijk behoed worden voor zwaardere zonden.quot;
;,De ondervinding.quot; zegt de heilige Franciscus van Sales,quot; heeft mij, in de vijf en twintig jaren, dat ik met de zielenzorg belast lien^ ten overtuigendste de alvermogende kracht van dit goddelijk Sacrament bewezen, om de harten in hot goede te versterken, ze tegen het kwaad te beveiligen, ze tc vertroosten: in een woord, om ze in deze werelfl te vergoddelijken.quot;
âDe ondervinding doet ons zien,quot; zegt de 11. Alph. do Lig., âdat degenen, die dagelijks tot de heilige Tafel naderen, nooit, of zeer zelden, in doodzonde vallen.quot;â- Ik hob.quot; zegt hij elders, âbij eigen on-dervinding geleerd, dat de personen die dikwerf do heilige Communie ontvangen, grooto vorderingen in de volmaaktheid maken, en dat de
128
Heer hen op eene wonderbare wijze tot zijne liefde aantrekt, ofschoon hij hun er zeer dikwijls^ tot hun meerder welzijn, niet de minste verzekering van geeft, en ze meermalen in (inwendige) twijfels en mistroostigheden, zonder eenige gevoelige godsvrucht, laat.quot;
âGeen beter middel bestaat er,quot; zegt de heilige Theresia, âom volmaakt te worden, dan de veelvuldige Communie; de ondervinding toont het genoegzaam aan in degenen, die dikwerf tot de heilige Tafel naderen.quot;
âWij ondervinden/' zegt de kardinaal Tolet, âdat vele Christenen, die met Uülooze ondeugden en misdaden bezwaard waren, door de veelvuldige Communie zoodanig bekeerd en veranderd zijn, dat zij in het vervolg huns levens nooit of zeer zelden meer gezondigd hebben.quot;
99
129
I
Om zich te overtuigen, dat de heilige Communie de kracht en het leven der geloovigen is, die in de vurige Heide van God volharden; dat zij de steun is van al de zuivere, minnende en edelmoedige zielen, die zich in de heilige Kerk bevinden,- dat zij de oorsprong is van de heldhaftigste daden, en zelfs van de bewonderenswaardigste werken van het Christendom, zou men slechts aan alle goede Christenen behoeven te vragen, waarin de verborgen oorzaak van hunnen ijver en volharding bestaat; waar zij geput hebben, die heilige vurigheid waarmede zij vervuld zijn en die meermalen onze bewondering gaande maakt.
De eerwaarde Gerbert, sprekende over eene der schoonste opofferingen, welke het katholiek geloof gekweekt heeft, toont ons aan, waar zij hare vlam ontsteekt, en wijst ons 99 9
130
op het geheim waardoor zij onderhouden wordt;
âDe wijsgeeren/' zegt hij, âdie de katholieke zelfopoffering bewonderen, gelijken aan de Egyptenaren, die do overstroomingen van den Nijl zegenen, zonder dat zij daarvan de oorzaak kennen.quot;
âEr is misschien niets verhevener op de aarde,quot; zegt Voltaire, âdan de opoffering, die eene teedere kunne zich getroost van de schoonheid der jeugd en dikwerf van de hoo-ge geboorte, om in de ziekenhuizen, die verzamelplaatsen der mensche-lijke ellende, welker gezicht zoo zeer onze hoovaardigheid vernedert en onze kieschheid tot walging versterkt het lijden te lenigen.quot; En dat is waar. Dan, men sta hierbij niet stil, maar zoeke er de oorzaak van. Meent gij, dat die verblijfplaatsen van ellende en afzondering ontoegankelijk zijn voor verveling, afkeer
131
en andere hartstochten? Wnant gij dat het menschelijk hart, hetwelk zoo dikwerf door vermaken vermoeid wordt, nooit vermoeid zou worden door opofferingen? Denkt gij, dat, wanneer die engelen in mcnschelij-ke gedaante die sombere ziekenzalen dooiioopen, het haar somtijds niet in de gedachte komt, dat zij, door één woord, in den schoot barer familie, welke haar met opene armen zou ontvangen, weder een gemakkelijk en schitterend leven kunnen leiden, terwijl zij nu de onreine wonden moeten verbinden, het kermen der zieken en het geluid der stervenden hooren, en de lijken van onbekenden begraven.âen dat alles niet voor eene week, eene maand; maar voor lange jaren^ voor geheel haar leven;âmeent gij, dat haar moed, bij dat vooruitzicht, soms wel niet eens op het punt staat van te bezwijken?.... En wilt
132
gij nu weten wat luiar ondersteunt en zo alles met liefde doet verdragen?... Welaan, als gij het niet weet. doe dan als anderen, vraagt liet haar /elven^ en zij zullen u eenparig antwoorden: De veelvuldü/e hei-lif/e Communie*. Zegt mij nu, gij, die u vrienden van 't menschdom noemt, zegt mij, wat kunt gij haar in plaats van dat Geheim dor liefde geven? En indien hare zelfopoffering door u zeiven als het schoonste, wat op aarde bestaat, aangeduid wordt, waarom ondersteunt en vordert gij dan zulk een schoon werk niet? Maakt eens, met al uwe hoogdravende regels van weldadigheid, slechts ééne liefdezuster, dat is, eene liefdezuster in den waren zin des woordsâen wij zullen tevreden zijn.quot;
Maar is de geheele geschiedenis der Kerk niet een voortdurend getuigenis van de zalige uitwerkse-
133
len der heilige Communie in de zielen, die dezelve dikwijls met de ver-eisclite gesteltenis ontvangen? â Nooit, zegt de schrijver van de Oefening der heilige Communie, zag men in de lieilige kerk zoo veel vurigheid, noch eene zoo algemeene heiligheid, als in de' tijden toen de geloovigeti zeer dikwijls ter Communie gingen: naar naar dezelfde mate waarin zi] zich van die bron van leven en heiligheid verwijderden, namen de liefde en vurigheid af. En spoedig zag men de ondeugden, ongebondenheden en ergernissen van alle kanten opgroeien, even als liet onkruid op eenen akker, die slecht onderhouden wordt,quot;
âMen heeft opgemerkt,quot; zegt een geloerde schrijver, âdat in de zestiende eeuw, toen het zedebederf dat groot aantal ketterijen voortbracht, die bijna de Christenwereld overstroomden, de veelvuldige Com-
134
munie bijna geheel en al in onbruik was geraakt; en dat, van het oogen-blik af, dat de veelvuldige Communie door de zorgen van verscheidene heilige personen, welke God eenigen tijd daarna opwekte, weder hersteld werd, men de godsvrucht overal weder zag bloeien; de voortgang der dwaling werd gestuit in die plaatsen zeiven, waar zij de meeste verwoestingen aanrichtte.quot;
Deze opmerking herinnert mij aan de woorden van een protestant, die kort geleden tot het geloof bekeerd was. â Als ik niet overtuigd was geworden,quot; zegt hij, âvan de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus in het heilig Sakrament des Altaars, door bewijzen die voor geene wederlegging vatbaar zijn en die mij doen gelooven, zou datgene, wat ik gevoel en wat in mijn hart omgaat aan den voet des Altaars, en
135
1
vooral in de heilige Communie, thans al mijne twijfels verdrijven.quot;
O goddelijk Altaargeheim, heilige Communie, gij zijt waarlijk het brood der sterken, het brood der moedige zielen; gij zijt de prijs van den moed en gij .schenkt dien; gij zijt eene bron waaruit men het geloof put, en waaraan het zich verlevendigt; gy gt;;ijt de vuuroven der liefde, waaraan zij zieh ontsteekt in al de kracht, waarvoor onze zwakke natuur op aarde vatbaar is!
O aanbiddelijk Sakrament, goddelijke Communie, gij doet waarlijk in alle zielen de verhevenste deugden van het Christendom bloeien!
O welzalig dan, duizendwerf zalig de mensch, die zich dikwijls voedt met dat brood, dat aan de martelaren eene heilige onverschrokkenheid mededeelde, dat de kluizenaars in hun beschouwend leven ondersteunde, en dat steeds, ja, ten
136
allen tijde, de vruchtbaarste stroom was, die de heilige Kerk van Christus voedde!
Geliukzalig do mensch, die dit geheim voor zijne zwakheden heeft weten te vinden ! gelukzalig wie dit brood der sterken dikwijls in het binnenste zijner ziel ontvangt; hij zal, in dit leven reeds, het gelukzalig leven der Engelen genieten en eens het verblijf der eeuwige zaligheid binnentreden. JF/a van dit brood eet, zal eeuwig leven.
IX
Wat maakt de goedlieM, wat de seboon-heid des Heerou uit. wat anders dan de tarwe der uitverkorenen, en de wijn, die maagden aankweekt ?
Zaeh IX, 17.
Gij bemint de zuiverheid, o Jesus-en doelt ons die door dat goddelijk Sacrament mede. Gij geeft ons uw lichaam tot spijs, om de wonden te genezen, welke de zonden van Adam in ons lichaam geslagen hebben, en om de hevigheid der zinnelijke begeerten te stillen. Uw maagdelijk lichaam deelt zijne zuiverheid mede aan degenen, die het aanraken en eten, en uw allerzuiverst bloed, dat in onze aders stroomt, reinigt het bederf van het onze.
O, wie zou tot uwe heilige Tafel durven naderen, als hij van deze waarheid niet overtuigd was ?
ins
En hoeveel ben ik aan u niet verplicht, dat gij mij zulk een krachtig middel geschonken hebt! Ik beken het, Heer, ter uwer verheer-lijking, dat, zoo ik niet door zulke hevige bekoringen ben aangevallen, ik zulks te danken heb aan uw heilig lichaam. Kom dan uw bloed mot het mijne vermengen; maak mij één met u, en ik zal in het vleesch leven, alsof ik geen vleesch meer aan mij hadde.
V.gr. de liissehop van Belly, Oiulerhouding urn den Priester met Jezns Christus
C-PpO
De wijn, die maagden kweekt.
âZaligquot; zijn de zuiveren van harte, want zij zullen Grod zien.quot; Matth. V, 8.
,Wie de zuiverheid des harten bemint, zal den koning der koningen tot vriend hebben.quot; Si'heuk. XXU, 12.
âDe zuiverheid is een schat, die boven schepters en kronen te verkiezen is; al de schatten der aarde kunnen bij haar niet vergeleken worden.quot; Eccl. XXVI.
âEene zuivere ziel, zegt de H. Bernardus, is door de deugd, hetgeen de Engel door zijne natuur is. In do zuiverheid van den Engel is meer gelukzaligheid, maar in die
140
des menscheu is meer moed gelegen.quot;
Wat /.ouden wij niet kunnen zeggen over do uitmuntendheid on de genoegens dier engelachtige deugd! Zij heeft al de beloften van het tegenwoordige en toekomende leven. Zij is de bron van de genaden des lichaams; zij is hot sieraad van kind en grijsaard: zij is do volmaaktheid der ziel, en de ziel is ons edelst doel; zij herschept onze lichamen in heiligdommen, waarin de godheid, het beeld harer heilige volmaaktheden terugvindende, behagen neemt hare gaven en gunsten ruimschoots uit te storten. Hoezeer werd die hemelsche deugd niet
door Jesus Christus bemind!.....
âIndien éen Clod moest geboren worden, zegt de heilige Augustinus, kon hij niet geboren worden dan uit eene maagd, indien eene maagd moest baren, kon zij niet baren dan
141
eeneti God.quot; Hij kiest zich tot voorloopor eon maagd, tot moeder een maagd, tot voedstervader een maagd, en tot zijn geliefkoosden leerling een maagd. Hij duldt niet, dat men op dat punt der minsten aanval doet, niet alleen op zijne eigene eer, maar zelts niet op den goeden naam zijner apostelen; en indien hij onder hen een gierigaard en een verrader geduld heeft, nimmer heeft hij toegelaten, dat er zich een ontuchtige onder bevond.
0, hoe zuiver moeten zij dan niet zijn, die door de H. Communie tot zijnen persoon naderen niot alleen, maar hem in het binnenste huns harten ontvangen, en op die wijze tabernakelen worden van den God, voor wien de Engelen zeiven niet zuiver genoeg zijn.
Ja, zonder twijfel, zij moeten zuiver zijn, veel zuiverder dan de stralen der zon, de lippen van den
142
Christen, die de H. Communie ont-vangt; maar, ziedaar juist wanrom liij dikwerf tot de heil ige Tafel moet naderen, niet omdat te Communie gaan een bewijs is, dat men de zuiverheid on do volmaaktheid der Engelen bezit, maar omdat men door de H. Communie tot de volmaaktheid geraakt.
Kelaas! somtijds woeden zulke verzengende winden in onze harten! In hot diepste dor ziel verheffen zich soms zulke vreeselijke stormen! Zoovele gevaren bedreigen ons bij elke schrede, zoovele vijanden omringen ons, om ons den broozen schat dier schoone deugd te ont-rooven ! .... Maar wat zouden wij, godvruchtige vrienden der heilige Tafel, vreezen? De duivel moge als een verslindende leeuw brioschen, maar hij zal ten allen tijde sidderen voor de heilige majesteit van een hart, dat dikwerf door den machti-
143
gen God bewoond wordt. Hier is meer dan de ark des verbonds, aan welker voet het afgodsbeeld van Da-gon viel; 't is hier do God van Israël zelf. Do heilige Joannes Damas-oenus verzekert ons, dat de duivel niets vermag tegen deu Christen, op wiens lippen hij het bloed van Jesus Christus ziet (1).
Al de kerkleeraars, al de vaders
van !t geestelijke leven, alle heilige
/esrgen ons, dat die hemelsclie Tafel . quot;gt;0 /
van het goddelijke Altaargeheim een vermogend middel is tegen allerlei bekoringen, maar meer bijzonder nog een allerkrachtigst middel tegen de bekoringen van onzuiverheid.
Hot vleesch van Jesus is een maagdelijk vleesch: het zuivert de lichamen, die hetzelve ontvangen; het
(1) ïerretur adversnrius cum Christioiü labia videt, Chrisfi cruore tincla.
144
reinigt de harten, welke het aanraakt. Dat aanbiddelijk Sacrament bevat in /.ich den Schepper en oorsprong aller zuiverheid... 't is niet meelde Engel van God die do vlammen in den vuuroven van Babylonië afwendt, maar :t is God üelt'. Is het dan wel te verwonderen, dat dit Sacrament in ons den onzuiveren brandoven der vleesohelijke begeerlijkheid uit-dooft, dat het den opstand der zinnen onderdrukt, om ze aan don geest ondergeschikt te maken, en dut het in ons de aardscho vlammen uit-bluscht, om ons slechts van de he-melsche vlam der liefde te doen leven? Zoo spreekt er de heilige Cy-rillus over, en de kerkvaders hebhen, op dit heilig en eerbiedwaardig Sacrament deze plaats van den Profeet toegepast: Wat maakt de yoed-heidj wat de schoonheid des Ileeren uit, wat anders dan de tarwe der
145
uitverkorenen, en de wijn die maagden kweekt? Zach IX, 16.
â Gelijk de kracht om te verkwikken,quot; zegt Albertus de Groote, .eigen is aan het water: even zoo is de kracht, om de hevigheid van de begeerlijkheid des vleesches te matigen, eigén aan het Sacrament des Altaars,quot;
âDe zuiverheid,quot; zegt Pater Nouet, âwordt vergeleken bij den boom van het aardsche Paradijs, die alle maanden van het jaar vruchten voortbrengt; maar het bloed van Jesus Christus bevochtigt denzelven en schenkt hem die vruchbaarheid. Uit kracht der H. Communie brengt die schoone boom in alle standen en eiken leeftijd vruchten van eene engelachtige zuiverheid, omdat hij, in den teederen leeftijd, de eerste prikkels der begeerlijkheid onderdrukt; vruchten der jeugd, omdat hij, in die onstuimige jaren, de hevige 99 10
146
driften des vleesches versmoort; zoodanig, dat men veilig kan besluiten, dat het. zonder het gebruik van 't allerheiligste Sacrament, zedelijker wijze onmogelijk is de zuiverheid, te bewaren, omdat de maagdelijk staat daaruit zijn behoud^ het huwelijk zijne zuiverheid, deongehuwde staat zijn sieraad, en de godsdienst hare wellusten put.quot;
âDe veelvuldige Communie, zegt de heilige Bernardus, geneest do wonde der aangeboren begeerlijkheid, en doet die bron van onzuiverheid opdroogen, welke de schoonheid der ziel besmeurt.quot;
â Het heilig Sacram ent des Altaars,'' zoo leest men in de Navolging van Christus, âis het heil van ziel en ligchaam, het geneesmiddel van alle geestelijke ziekten. In hetzelve worden onze gebreken verbeterd, onze driften beteugeld, onze bekoringen overwonnen of verminderd; er wordt
147
grootere genade uitgestort, de begonnen deugd wordt vermeerderd, het geloof bevestigd, de hoop versterkt en het vuur der goddelijke liefde meer en meer ontstoken en uitgebreid.
, Daarom moet ik dikwijls tot u, o mijn God, naderen, en u ontvangen als het middel, dat mij moet genezen, opdat ik niet bezwijke op den weg, als ik van dat hemelsch voedsel verstoken ben.quot;
Kom dan, zuivere zielen die nog met uwe eerste onschuld getooid zijt, komt tot hem, die onder de leliën weidt. (Hoogl. 11, 16.)
Maar komt ook gij, zielen, die door de boetvaardigheid gezuiverd zijt, al is hot dan niet door de lijfkastijdingen, vasten en nachtwaken, dan ten minste door de boetvaardigheid der liefde Gods; der beoefening van de deugd en de versterving der hartstochten hetgeen nog
t; zoo-luiten, van 't elijker rheid ieliike it hu-mwde dienst
!, zegt sst de erlijk-311 zui :hoon-
lars (j van iel en n alle wor-onze â¢ingen wordt
148
wel zoo verkieselijk is, komt dikwijls tot dien goddelijken hemeldauw. He laas! gij hebt' meer dan iemand an ders, dien regen van genade noodig; gij zijt nog onderworpen aan zoo vele zwakheden, aan zoo vele smartelijke herinneringen; komt tot hem die zich den vriend der zondaren laat noemen; tot hem, die, ten tee ken zijner vreugde, een heerlijk gast maal deed aanrichten op den dag, toen gij, arme verloren zoon, u, in tranen badend, in zijne armen kwaamt werpen.
âDe veelvuldige Communie is nuttig voor de zondaars, zegt Bos-suet. Ik spreek van die zondaars die hunne dwaling erkend hebben en tot God teruggekeerd zijn. Deze zijn verrezene dooden, want zij waren dood voor God, en de boetvaardigheid heeft hen weder levend gemaakt. Maar, alhoewel zij levend zijn, gevoelen zij nog de doodelijlw
149
wonden, welke /.ij ontvangen hebben: zij zijn niet zoodanig genezen, dat him niet eene uiterste zwakheid overblijft. En toch, hoe zwak zij zijn, hebben ze, om niet weder te vallen, vele pogingen aan te wenden, en vgle vijanden te bestrijden. Zij hebben, van hunnen kant, driften, waardoor ze beheerd worden, die hen kluisteren, rampzalige begeerten, di.3 hen medeslepen. Zij hebben, van don kant der wereld, spotternijen te verduren, het menschelijk opzicht te trotseeren, en aan de kwade voorbeelden te wederstaan. Wat zal er van al hnnne goede voornemens geworden, en hoe zullen zij kunnen volharden, zonder dat eene machtige hulp hen ondersteunt? En die hulp /ijt gij zelf. Heer, die hulp is uw Sacrament van liefde.
âHet is derhalve niet wijs en voorzichtig, den nieuwbekeerden zondaar het gebruik der H. Communie te
kwijl; v. He
id an-Doclig; n 7,00 smar-hem. daren m tee-gastdag, u, in raamt
ie , Bos-laars ^bben Deze ij wa-boet-svend ivend slijke
150
ontraden... 't Is waar, het is een zondaar; maar men hoorde weleer niemand anders dan de Phariseêrs morren en klagen, dat Jesus Christus de zondaars ontving en met hen at. 't Is een zondaar; maar als boeteling is hij de vriend van God; hij is in het vaderlijke huis weder opgenomen en onder het getal zijner kinderen geplaatst.quot;
âIk wil u verhalen,quot; zegt een missionaris, âwat mij overkomen is, toen ik aan het heil der zielen begon te arbeiden. Een jongeling kwam, nadat hij bij mij gebiecht had, aan het hoofd van verscheidene zijner vrienden mij bezoeken, en vroeg mij; âZoudt gij kunnen goedvinden, dat ik, een leek, u een zeker middel aan de hand gave, om de jeugd in het goede te bevestigen?quot; â Ik betuigde hem, dat mij dit aangenaam zou wezen, waarop hij hernam: ,Eerwaarde! gij laat de jonge
a:
Jh
I
151
lieden, die gij tot inkeer brengt, niet, genoeg tot de heilige Tafel naderen, 't Is de veelvuldige Communie, die ze in het goede zal bevestigen. Ik zal er een treffend voorbeeld van aanhalen. Ik heb drie jaren in Parijs'gewoond, en gaf mij daar nan allerlei buitensporigheden over. De laatste drie maanden, zag ik met angstige bezorgdheid op mijne ongebondene levenswijze neder, ik kon aan de knagingen mijns gewetens niet wederstaan. Alles wendde ik aan, om ze tot zwijgen te brengen. Aan mijne bekeering wanhopende uam ik het goddelooze besluit, om mij te verdrinken, en zoodoende een einde aan mijn rampzalig bestaan te maken. Ik ging op een schoonen morgen uit, om mijn plan te volvoeren. Daar ik een lang eind wegs af te leggen had, kwam ik aan een huis dat door heilige priesters bewoond werd. Ik trad daar met een
j
152
verwilderd gelaat binnen, zonder te weten, waar ik mij heen begaf. Een dier priesters bevond zich aan den ingang; hij zag mij oplettend aan, en vroeg wien ik wenschte te spreken. Ik gaf hem een barsch antwoord; hij reikte mij echter zijne hand toe en zeide: âWat deert u, mijnheer? Een groot verdriet verteert u; kan ik u van dienst zijn, en u een middel aan de hand geven, om u te helpen?quot; â âLaat mij met vrede,quot; antwoordde ik. Maar daar ik niet van hem ontslagen kon worden, ontvielen mij eindelijk deze woorden: , Ik ga een einde aan mijne kwellingen maken. quot; Toen begreep die priester den toestand mijner ziel. Hij hernam dan: Kom met mij mede, gij zult weldra gerust zijn. Hij leidde mg in zijne kamer, en liet mij biechten. En zie, ik voelde mij verlicht. Maar, zeide ik hem; ik wanhoop aan mijne verbetering. Heb
153
goeden moed, .antwoordde hij, gij zult u beteren. Hij raadde mij aan, voortaan dikwijls mijne biecht te spreken, en driemaals 's weeks de H. Communie te ontvangen. Ik heb dat gedaan, en ik heb, den hemel zij dank, mij in drie jaren tijds niets te verwijten gehad; ik geniet een volmaakten vrede. Volg diezelfde oefening. Eerwaarde, en gij zult bijna geene jonge lieden vinden, die gij niet bekeert en in het goede doet volharden. Ik ben dien regel gevolgd, en God heeft er zijnen zegen- over uitgestort. Doet allen ook zoo, en God zal uwe pogingen zegenen.quot;
Want wij, die velen zijn, zijn te zamen een ziel , een liehaam , dewijl wij allen aan hetzelfde brood deelachtig worden.
1 Corinth, x, 17.
Het voornaamste kenmerk, dat ik u geef, om te weten of gij God waarlijk bemint, is te zien, of gij uwen naaste liefhebt; want niemand kan in waarheid zeggen, dat hij God bemint, indien hij den evennaaste niet lief heeft; de H. Apostel Joannes verzekert het ons; Wie zijnen broeder, dien hij ziet, niet he-mint, hoe zal hij God, dien hij niet ziet, kunnen beminnen?
Maar hoe, en met welke liefde moeten wij onzen evennaaste beminnen? Met welke liefde, dierbare zie len? met dezelfde liefde, waarmede
155
God ons bemint; want wij moeten die liefde uit het hart zijner goddelijke majesteit gaan putten, opdat dezelve zoodanig zij, als ze wezen moet, dat is; wij moeten; voor zoo veel het ons mogelijk is, den evennaaste heminnen met eene zuivere, wezenlijke, hechte, standvastige en onveranderlijke liefde, die zich niet hecht aan de hoedanigheden of den rang der personen, maar aan het evenbeeld van God, hetwelk wij allen in ons dragen.
H. Fbasciscus van Sales.
Tafel van den Gorl van vrede.
âHet doopsel,quot; zegt de H. Thomas, âwordt het Sacrament des ge-loofs genoemd, hetwelk de grondslag is van het geestelijke leven, en het Altaargeheim wordt het Sacrament der liefde geheeten, die de band der volmaaktheid is.quot;
O heilig Altaargeheim, gedenk-teeken van een uit liefde gestorven God! o allerheiligste Sacrament, dat ons gegeven werd, toen de liefde, in zeker opzicht, haar hoogste punt van vurigheid bereikt had. Dewijl hij de zijnen beminde, heeft hij ze tot het einde toe bemind. O heilig Altaar-Sacrament, hoe luide verkondigt gij ons de liefde! Tafel van den God van vrede, van den God, die geheel liefde is, wie zou eene plaats durven vragen onder uwe genooden,
157
zoolang hij zijnen broeder nog haat toedraagt? Want hier is het niet alleen dezelfde aarde die ons draagt, dezelfde zon die ons verlicht, dezelfde God dien wij aanbidden, dezelfde Vader die ons bestiert, dezelfde Voorzienigheid die ons behoedt; 't is niet alleen hetzelfde doopsel, waarin wij herboren zijn, dezelfde hoop die ons bezielt, hetzelfde erfdeel dat wij verwachten, dezelfde hemel, welken wij wenschen te bezitten; maar 't is daarenboven hetzelfde feestmaal waar wij aanzitten, hetzelfde brcod dat ons voedt, dezelfde wijn dien wij drinken, dezelfde vreugde die ons vervult, 't is hetzelfde bloed dat onze aderen doorvloeit: moet dan ook niet dezelfde geest in ons lieerschen, dezelfde liefde ons als broeders vereenigen?
Ach! wij, die nog meer zijn dan broeders, wij de lidmaten van een zelfde lichaam, zouden wij de won-
158
derbare vereeniging, die tusschen ons heersclien moet, schenden?... Zouden wij, de genoodigden aan de Tafel van den God van vrede, daarna aan de tafel van den duivel der tweedracht gaan aanzitten?... Zouden wij het Lam Gods, de zachtmoedigheid bij uitnemendheid, ontvangen, en wraakgierig en vergramd blijven?... Zouden wij den Verlosser van alle menschen in ons hart plaatsen, en uit dat hart een van diegenen verbannen, om wien vrij te koopen hij den prijs van al zijn bloed niet te veel achtte?.... Ach! treedt terug, menschen, die altijd haat draagt en in onophoudelijke twisten leeft,
âDat brood des hemels.quot; zegt de H. Augustinus, âis niet voor de haatdragende zielen, noch voor de harten, die niet weten te vergeven/' Wijkt dan terug! dit brood der Engelen wordt slechts aan diegenen gegeven, die elkander beminnen, zoo
159
als men elkander onder de Engelen bemint.
Dat is de geest van de ware kinderen Gods, Een zelfde lichaam, een zelfde hart en eene zelfde ziel... Men haat elkander slechts in de hel. âElkander niet beminnen, is in den 'dood Mijvenquot; (H. Joan.)
âWat geeft onze God ons aan die goddelijke Tafel?
âZijn eigen lichaam, vereenigd met zijne godheid.
.âAldus gaf God/' zegt pater Nouet, âin den staat der onschuld, de vrucht des levens: in de wet der natuur het brood en do wijn van Melchisedech; in de wet dei-vrees, het manna der woestijn; maar, o onvergelijkelijke verhevenheid van het Christendom! in de wet dei-liefde is het God zelf, de God die geheel liefde is, die zich aan ons geeft, om ons tot voedsel te dienen... De anderen hebben de vrucht
160
der boomen gehad, en wij de vrucht der maagdelijke zuiverheid van Maria: gezegend is de vrucht uws li-chaams. De anderen hebben een stoffelijk en aardsch brood gehad, en wij een hemelsch brood. De anderen hebben het manna gehad dat uit de wolken viel, en wij het manna, dat voortkomt uit den schoot des eeuwigen Vaders. De anderen hebben de melk en honig gehad, die van de bergen afvloeide, en wij de melk en honig die van de godheid afstroomt...... En indien het
voedsel aan degenen, die het gebruiken, zijne eigenschappen mededeelt, welke zoetheid moet ons dan dat hemelsch manna geven, die vrticht des levens, die heerlijke melk, dat brood, dat boven alle zelfstandigheid verheven, welks geest slechts liefde en welks natuur niet dan goedheid is'?....
Een lichte regen bedaart de win-
161
den de stormen; maar wie zal dan onzen haat kunnen stillen, als de overvloedige uitstorting van dat aanbiddelijk bloed, dat den verschrik-kelijksten toorn van God zeiven doet beduren, niet bij machte is, het vuur onzer wraakzucht uit te dooven ?..* 0 Christenen, roept Tertullianns uit, zegt mij, welk is uw offer, dat u niet tot vrede heeft kunnen bewegen? Quale sacrificium a quo sine pace redicetur ?
âMaar wat zal wet diecrenen ge-
'; O O
schieden,quot; vraagt Bossuet, âdie aldus in de verdeeldheid blijven volharden, terwijl het lichaam van Jesus Christus zich met hen komt vereenigen ? Dat goddelijk lichaam kan niet zonder uitwerksel blijven : degenen, die zich niet willen verzoenen, verbrijzelt hij, en verdeelt zo in zich selvcn; hun eigen geweten veroordeelt het, hij ontneemt ze zijne vereeniging, hij scheidt ze van 99 ' li
162
y.ijti geheimzinnig lichaam at'. Indien zij er iiitwendig in blijven volhar-harden, zij zijn er volgens den geest van geseheiden; het zijn bedorven lidmaten; onvruchtbare, door en door doodc, ontwortelde hoornen, zoo als de heilige apostel Judas zegt. Zij schijnen nog overeind te staan en door hunnen wortel ondersteund te worden; maar zij dragen den dood in hunnen boezem, en hun wortel trekt geen voedsel meer aan.
âGaat dan, gelijk de Zaligmaker zelf u bevolen heeft, yaat u verzoenen met uwen broeder-, want gij zijt niet alleen onwaardig deel te nemen aan het Altaargeheim, maar gij zijt zelfs niet waardig er uwe offei'gift te doen; gij zijt niet alleen onwaardig aan de opdracht van het altaar deel te nemen, maar gij zijt niet waardig er bij tegenwoor dig te zijn. Het bloed van Jesus Christus, dat men ten hemel opheft,
168
roept wraak tegen u omdat het een bloed is, hetwelk alle dagen in den hemel en op de aarde bevredigd en verzoend heeft; en niet alleen de menschen met God, maar daarenboven de menschen onder en met elkander. En gij hoort de stem van dat bloed niet, dat zich luider verheft dan het bloed van Abel ? Want het vraagt den vrede, en het bloed van Abel roept om wraak; maar gij dwingt het om wraak te roepen, indien gij den broederlijken vrede verwerpt, waarvoor het vergoten is. Dit bloed roept om wraak tegen den moordenaar; gij zijt de moordenaar, tegen wien het roept; want diegene, die zijnen broeder haat is een moordenaar. fJoan. III 15.) Verwijderdt u, ongelukkigen, vlucht de stem van dat bloed.
Voorzeker, het zou eene droevige misleiding voor de godsvrucht, eene vreeselijke ergernis voor de wereld
164
zijn, als de Christenen, vooral diegenen, die veclvuldiger de H. Com raunie ontvangen, zich deden opmerken door hunnen geest van ver deeldbeid, of zelfs wel door oenc meer stelselmatige eigenliefde, door eene meer dan gewone bitsheid, door eene droevige gevoeligheid cd cpvliegendheid!
Mijn God ! hoe gaarne breng ik mij die schoone dagen van de eer ste tijden der Kerk te binnen, tonn do menigte der geloovigcn volhardde in de leer dor Apostelen en do vereeniging van bet breken dos broods, terwijl zij allen slechts ééne ziel en slechts éénen wil hadden Hoe schoon; o God! hoe verruk kend was in die verloopene dagen die vergadering van geloovigevi met haren liefdekus, zinnebeeld, die zoo veelbeteekenend de teederheul dc harten uitdrukte, en toen eene dot verhevenste en der vertroostendste
165
plechtiglieden dor Kerk was. 0, hoo zeer beminden toen de Chris-toueu elkander! De heidenen riepen daarom, van bewondering opgetogen, uit: Zie hoe zij elkander he-in innen.
O Sacrament vau Godsvrucht! o toeken van eenheid! o band van liefde ! waar zijt gij heden '? De eigen-liefde, do koude en meedoogenloozo eigenliefde heeft alle harten verdeeld; er heerscht zoo weinig liefde onder ons, al ware er geen Sacrament. âAch! het komt,quot; zegt de H. Pranciscus van Sales, âomdat die schoone vereeniging der eerste Christenen werd onderhouden dooide veelvuldige Communie; zoodra deze heeft opgehouden of zeldzamer is geworden, is de heilige liefde daardoor van zelve beginnen te ver-flauwen en hare kracht nn aangenaamheid te verliezen.*'
God van vrede, o Lam Gods, doe
il die
Com ;n op m vm-' r ociip
door tsheid, oid en
ig il' e oei'-i, toon 1 harden in in dc s ééno dden erruk diigcu iii met io zou d dcs 10 dot mdste
166
haar weder onder ons bloeien, die heilige gewoonte van te naderen tot een Sakrament, dat het onderpand uwer oneindige liefde voor de men-schen is en de geheiligde band der vereeniging, die onder hen heerschen moet, opdat zij, aan uwe voeten, allen slechts éên hart en éénc ziel mogen hebben?
O mijn God, ik wil van uwen liefdemaaltijd altijd een edelmoediger liefde voor u, en een overvloediger liefde voor mijne broeders mededragen.
XI.
Gij hebt uw volk met het brood der Engelen gevoed, en aan hetzelve het brood des hemels otrpid dat alle zoetheid iu zich bevat.
Boek dek wijshied xvi, 20.
uwen
icedi- ^ '10e treffend is uwe teederheid, rvloe- Weci'i die; om geheel uwe liefde je-ledors oens uwe kinderen te doen blijken, u gewaardigt, hen met een kostelijk brood, dat uit den hemel daalt, te verzaden !
Voorzeker, er is geen ander volk zoo groot, hetwelk goden heeft, die tot hetzelve naderen, gelijk gij, mijn God, al uwe geloovigen nabij zijt, aau wien gij, om hen te troosten en hun hart ten hemel te verheffen, u zeiven dagelijks te nuttigen en te genieten mededeelt.
i, die en tot rpand ! men-id der â schen gt;eten, = ziel
168
Want welk ander volk kan met liet Christenvolk vergeleken worden? of welk schepsel onder den hemel is 7.00 bemind, als eene godvruchtige ziel, bij welke God zijnen intrek neemt, om met zijn verheerlijkt lichaam te voeden?
O onuitsprekelijk genade ! o wonderbare inschikkelijkheid! o oneindige liefde, welke den mensch op eene zonderlinge wijze betoond word t!
Wat zal ik den Heer voor die genaden, door die uitstekende liefde wedergeven ?
Navolg. B. IV, Hoofdst. xm,
^ ^
Mijuc schoonste dagen.... Mijne gelukkigste uren....
Er is geen groote afstand tus-schen de wieg en het graf.... Gelukkig degene, die. in dat korte tijdsverloop, door eenige schoonc dagen zijn leven mag zien verlichten! maar die dagen, die het bestaan vervroolijken en het geluk doen ontkiemen, die gezegende dagen verrijzen niet voor de zielen, die dooide harstochten ontroerd zijn: zij verschijnen niet voor den ongeloo-vige of den onverschillige, voor den mensch, die de rijkdommen en genoegens najaagt. Neen, neen daar heerschen te dikke duisternissen, daar broeit een te donkere nacht, daar bulderen de orkanen: de schoo-ne dagen vorderen eene onbewolkte lucht. Het is slechts weggelegd voor
170
de zuivere en Godminnende ziel, voor den mensch, die de wegen des Heeren bewandelt, waarlijk gelukkig te zijn.
Ja, mijn God, zoolang ik in uwe liefde leefde, smaakte ik het geluk. Ik. die zoo lijdend, zoo gewond, door angsten zoo jammerlijk verscheurd werd, toen ik de ongebon- , denheden der wereld najoeg, ik heb, op uwe wegen, geheel de kracht der jeugd, al den vrede des hemels, al de gelukzaligheid der Engelen gevonden. Hoe schoon, o miin God, zijn de dagen, die gij mij geschonken hebt!... O, hoe liefelijk is de zon, welker stralen gij op mijn leven hebt doen afdalen!...
Maar laat ik het zeggen, o mijn goede Meester, met een hart, dat van dankbaarheid voor uwe weldaden vervuld is: mijne bij uitnemendheid gelukkige uren, die vervuld zijn met al wat in 't verblijf
171
der uitverkorenen een aangenamen geur verspreiden kan, waren voor mij die dagen; waarop ik het geluk smaakte aan uwe Tafel dei-Engelen aan te zitten. Daar werden toen, en worden steeds nog die onbeschrijfelijke oogenblikken gevonden, waarin ik de aarde vergeet en u reeds geloof te zegenen, te loven, te beminnen in den luister van het prachtige rijk hetwelk gij voor uwe kinderen bereid hebt.... Inderdaad, mijn God! wanneer de mensch, ofschoon nog op de aarde vertoevende, u echter aan zijn hart drukt, u met zijne omhelzingen en tranen overdekt, is het dan wel te verwonderen, dat hij in den Hemel meent te zijn?.... Zult gij hem dan meer geven, wanneer gij hem aan uwe eeuwige Tafel ontvangt? Wat heeft hij niet, als hij u bezit? Is zijn hart niet uw Tabernakel? Heeft hij den geheelen hemel niet in zijne
172
ziel?... O goddelijk geheim, heilige Communie, de nauwst mogelijke, de volkomenste vereeniging van het schepsel met zijnen Schepper! O wonder van liefde, liefde, die alle liefde overtreft, Sacrament der Sacramenten, waarin Jesus zich met zijn armen leerling vereenigt, waarin Jesus zich aan zijn broos kind geeft met al de volmaaktheden zijner godheid, met al de schatten zijner wijsheid, met al de oneindige rijkdommen zijner liefde! o wonder, kort begrip van al de wonderen van de goedheid des Heeren! o aanbiddelijk gastmaal, kan men u kennen zonder u te beminnen?... Kan men u kennen en elders genoegens, rijkdommen en roem gaan zoeken?
Hoe gaarne wenschte ik geleefd te hebben ten tijde van Jesus omwandeling op aarde: hoe gaarne zou ik die verhevene trekken gezien, zijne goddelijke woorden gehoord,
173
zijne kleedercn iiangoraakt hebben?...
Maar, mijne ziel, wat wenscht gij toch? Het geloof vertoont u dat alles in de H. Communie, het geloof schenkt u meer nog: Hij; Jesus Christus zelf, is in uw hart, cn wil, door de wondervolste ver-eeniging, met u slechts een geheel, een enkel lichaam uitmaken!....
Ziedaar dan gelukkige Christen, welke milde belooning Hij nog aan het geloof schenkt; in den hemel aanschouwen Hem de Engelen, maar giji gà lijft ijem bij u in, gij drukt Hem in uw binnenste, gij zijt slechts één met hem zelve.... In den hemel laat Hjj den Serafijnen aan zijne voeten nederknielen, en hora zich voor den glans zijner heerlijkheid met zijne vleugelen bedekken; maar met u, voor wien Hij meer liefde toont, met u spreekt Hij hart aan hart, Hij noemt u zijnen vriend, amica mea, en wil, dat gij even zoo
174
doet. Voelt gij niet, lioo hij u streelt en liefkoost, hoe hij u, met geluk, in zijne armen en aan zijn hart drukt?... Ach, ja! het maakt zijn genoegen, zijn wellust uit, zich met u te vereenigen... Hij, die zoo gelukkig is in zijno eeuwigheid, hij gevoelt zich ook gelukkig in uw eng hart... hij is jaloersch op dat hart. O wonder! hetzelve te bezitten maakt een der zaligheden van God uit...
O mijn God, wat zal de mensch dan zeggen bij dat wonder uwer liefde? Wat kan hij anders zeggen, wat anders doen, dan uwe oneindige goedheid verheffen, dan uwe einde-looze barmhartigheid in diepen eerbied aanbidden...
Ach! ik heb lang genoeg geleefd, geluk genoeg genoten, en kan tevreden sterven: een enkele dag, dat ik aan die goddelijke Tafel zitten mag, een enkel uur, dat daar -co spoe-
175
dig heensnelt, is meer waard, clan een lang leven op deze aarde. Het is genoeg, ik kan thans in vrede rusten, nu ik den Zaligmaker, liet licht en den roem mijner ziel, aanschouwd heb.
O Christenen, wat wilt gij meer hebben? wat kunt gij wenschen? wat zoekt gij? wat beoogt gij op de aarde, zoo gij niet een Sacrament verlangt en vurig begeert, dat den-gene in u plaatst, wiens aanschouwen alleen de hoogste zaligheid dei-ui tverkoren en uitmaakt; dengene, die door alle eeuwen heen in den hemel de eenige bezigheid uwer gedachten, het eenige doel uwer lofzangen, het eenige voorwerp uwer liefde wezen zal?... De hemelen bezitten niets meer dan hetgeen dit Sacrament ons geeft; wat kan dan de aarde ons sjeven?....
j
XII.
Blijft in mij, eo ik zal in n blijven. Gelijk een rnnk ^ocne vruebten kan dragUD uit zich zelve, ten/.ij hij met Jen boom vereenigil blijft, evenzoo kimt gij er geenc dragen, tenzij gij in mij blijft.
JOAN XV, 4
,0 heilig gastmaal,quot; zingt de heilige Kerk, ., waarin Jesns Christus ons voedsel; de gedachtenis aan /ijii lijden vernieuwd, de geest met genade vervuld wordt, en wij een onderpand der toekomende heerlijkheid ontvangen.quot; O heilig gastmaal! Die naam alleen is reeds een naam van vreugde en overvloed. O heilig gastmaal, waarin de mensch met xijnou God gevoed wordt; heilig gastmaal; dat ons opnieuw herinnert aan het lijden des Zaligmakers, en aan die overgroots liefde, welke
hem j tot de kruise gastm wordt met i gastm der t(
gen,
dat 1 belooi hemel het v dat h onder het S den 1 schijn zullen
Rodiu
99
177
hem gedwongen heeft, zich voor ons tot den dood, en tot den dood des kruises te laten overleveren! Heilig gastmaal, waarin onze ziel ten volle wordt verzadigd met God zeiven, en met genade vervuld wordt! Heilig gastmaal, waarin wij een onderpand der toekomende heerlijkheid ontvangen, een zoo kostbaar onderpand, dat het in niets verschil van dé belooning, welke ons eens in den hemel zal geschonken worden! Al het verschil bestaat alleen hierin, dat hij ons hier geschonken wordt onder de verborgene gedaanten van het Sacrament, en dat wij hem, in den hemel, van aanschijn tot aanschijn, zoo als hij is, aanschouwen zullen.
Rodriguez. Christelijke volmaaktheid.
Twrcsr t â¢^r^r^r^m.iWiaramp;fr^t
Ik «al u voor altoos toebehooreo als gij het wilt.
Welke zaligheid is het, reeds in dit sterfelijk leven dengene te bezitten, die de gelukzaligheid der eeuwigheid uitmaakt! Voorzeker, dit leven heeft zijne vermoeienissen, zijne kwellingen, zijne strijden en duizenden bitterheden; maar dat alles verandert in zeer zoete genoegens, in een onverstoorharen vrede in vredevolle verwachtingen, wanneer men u, o God bezit, die het geluk der uitverkorenen en de zaligheid der Engelen zijt.
U bezitten, ja, mijn God, u be zitten in dit leven â o, van dat oo-genblik af, wordt dit leven een voorsmaak des hemels; u in zijn hart plaatsen â o dan maakt men van zijn hart een anderen hemel;
179
met u verkeeren, zich met u ver-eenigen, zich gemeenzaam met u onderhouden â o, dan vergeet nuen spoedig, in die onuitsprekelijke oo-genblikken dat men nog in het dal van tranen is: dan gelooft men reeds onder de Engelen te verkeeren.
Neen, mijn God, ik begrijp het nu: al hadden wij al de vermaken der wereld in ons bereik, dat alles 7.ou de zuivere genoegens niet kannen evenaren, die men aan uwe goddelijke Tafel smaakt...
En dat geluk kan ik al de dagen mijns levens genieten. Ja, alle dagen, kan ik u op mijn hart drukken, dat naar u versmacht; alle dagen kan ik mij verliezen in uwe verrukkende omhelzingen, en mijn leven vergeten in het zalig en he-melsch leven uwer liefde.... Alle dagen kan ik zulk een geluk smaken, en ik zou het niet genieten!....
Ach, mgn God, zeg mij veeleer
180
wat ik doen moet, om die onschatbare gunst waardig te worden. Zie mij hier, aan uwe voeten naar uwe goddelijke woorden luisteren.Gebied, mijn God! mijn hart behoort u toe, het wil aan n alleen behagen, het wenscht u alleen te beminnen: al wat gij van hetzelve vraagt zal het te gering schijnen, om het gelukte verdienen, van u alle dagen te bezitten.
Jesus Chbisïus.â Gij doet wel, mijn zoon op aarde het hoogste geluk te doen bestaan, in mij te bezitten in 't Sacrament mijner liefde. Gij zoudt wenschen dat dit dikwijls geschiedde. Gij zoudt wenschen, dat zulks eiken morgen bij uw ontwaken plaats hadde. Gij vraagt voorzeker veel... Maar het is niet te veel voor mij, die u dag en nacht verbeidt aan dat feestmaal, hetwelk ik in mijne liefde voor u bereid heb. Het is niet veel voor mij, die
181
slechts op aarde gekomen ben, om mij mede te deelen, om bemind te worden, om door heilige zielen te worden ontvangen, en niet om enkel door hen vereerd te worden. Het is niet te veel voor mij, die tallooze wonderen en al wat ik in mijne grenzelooze goedheid gedaan heb, om u op aarde een feestmaal te geven, hetwelk geen ander is, dan dat der Engelen in den hemel.
Ja, mijn zoon, indien gij het verlangt, zal dit brood van liefde voor ii het manna wezen, dat dagelijks van den hemel viel; ja, indien gij het verlangt, moogt gij alle dagen aan mijne Tafel terugkomen; niets wensoh ik vuriger... En ik zal van u geenegesteltenis vragen, die slechts het einde on de vrucht van dit Sacrament zijn; en veel minder nog eene heiligheid, die aan de brooze menschelijke natuur niet eigen is. Luister, al wat ik van u verlang,
182
om u hot hoogste geluk toe te staan is dit.
Voed in uw hart een groot verlangen naar dit Sacrament mijner liefde.
Laat in uwe ziel eene groote begeerte aangroeien, om in de volmaaktheid meer en meer voortgang te maken.
Heb een afschrik zelfs van de schaduw van elke zonde... Ach! indien gij dan ooit met vrijen wil, de lichtste dagelijksche zonde kunnen bedrijven?...
Ziedaar, mijn zoon, alles wat ik van u vraag: u alle dagen toe te behooren, u nlle dagen niet mijn bezoek te vereeren, en van uw hart voortdurend mijn tabernakel te maken...
De Geloovigb,â O mijn God! hoe bewonderenswaardig is uwe goedheid! hoe barmhartig en liefdevol zijt gij! Sta mij dan bij. en schenk uwe genade aan dat zwakke
183
kind, dat u nog niet beminde, zooals gij het verdient, maar dat u nooit meer, neen, mijn God, nooit meer wil vergrammen, en, om u te behagen, zelfs de schaduw, zelfs den schijn der minste zonde wil vluchten. Ik wil voortaan van uwe liefde alleen leven, want ik wil u bezitten, die mijn eenig goed zijt; ik wil u bezitten al de dagen mijns levens. Al de dagen... O, bij die woorden springt mijne ziel van blijdschap op! Wij zullen dan slechts één meer zijn... Ik zal in u, en gij in mij zijn... Wij zullen voor elkander leven en innig vereenigd blijven. O mijn God, mijn God, met heete tranen smeek ik het u: maak mij waardig om dagelijks tot uwe goddelijke Tafel te mogen naderen, want dat is de hemel, dat is geheel de hemel; gij zoudt aan uwe uitverkoren en Engelen niet meer kunnen schenken....
XIII.
ü God, gij zijt de God mijus harten en mijn erfdeel in eeuwigheid.
Ps. lixxxn. 25.
Dat was op aarde de gulden spreuk van alle heiligen; in de hevigheid van het verlangen dat hen bezielde, om zich met God te vereenigen, verklaarden zij, dat hunne ziel en zelfs hun lichaam niet. meer konden wederstaan aan het goddelijk vuur dat hen verteerde. Zij riepen uit: O God mijns harten, gij alleen zijt al mijn goed, geheel mijn erfdeel, de grond van al mijne verwachtingen. Mijne broeders?â zeide de H. Augustinus in de verklaring van dezen psalm -â mijne broeders, wij hebben de ware rijkdommen gevonden. Dat de menschen, die de
185
slaven hunner hartstochten zijn, de goederen dezer wereld onder hen verdeelen; dat de een zich aan den krijgsstand, een ander aan de rechtsgeleerdheid, deze aan den koophandel, gene aan den akkerbouw toewijde: het volk van God ziet daar niet naar om, maar roept uit; Mijn, God is mijn erfdeel-, en hij is dat . niet voor zekeren tijd maar voor de eeuwigheid. Doch om dat erfdeel te bezitten, moet God de God des harten zijn, dat is: dat hij met eene zuivere liefde, en om zich zeiven bemind zij; men moet hem geene andere belooning vragen, dan hem zeiven; anders zou men meer werk maken van het goed, dat men van hem verwacht, dan van God zeiven. Pater Behthieu. In Psalm LXXII.
De eenige welbeminde mijns harten.
Is het niet billijk en rechtvaardig, dat Jesus meer dan anderen bemind wordt door degenen, die dikwerf de H. Communie ontvangen? Is het niet billijk en rechtvaardig, dat die vriend,die gemeenzame vriend der godvruchtige harten, ook geheel hun welbeminde, hun eenige welbeminde en hun al zij?.. O, ons hart is niet van zulke geringe waarde, dewijl het zoo dikwerf door God zeiven bewoond wordt: aan wien anders, dan aan hem alleen, zouden wij derhalve ooit kunnen toestemmen het te schenken?
Ja, Christenen, het is vooral aan ons, die hij aan zijne heilige Tafel voedt, dat hij deze vraag doet: Bemint gij mij meer dan dezen? Meer dan dezen, die mij niet kennen?
187
Meer dan zoo vele andoren, aan wie ik minder weldaden geschonken heb? 0, indien ik aan mijn Apostel driemaal die vraag herhaalde, om hem zijne drievoudige verloochening te doen hervatten, hoe dikwijls zou ik die vraag dan niet moeten doen aan u, die zoo dikwerf onder een vloed van genade en vergeving herboren, 'en daarna, uit gunst boven zoo vele anderen, nog zoo menigmaal tot mijne heilige Tafel toegelaten zijn? Welnu, zegt het mij, indien ik op uwe liefde niet rekenen konde. van wie zou ik dan kunnen hopen op aarde bemind te worden?
âJa, Heer, gij weet alles, en gij weet, dat ik u bemin. Handel met mij naar uw welgevallen; maar nooit zal iets, noch het leven, noch de dood, noch het tegenwoordige, noch het toekomende mij van uwe liefde afscheiden.
âAan wien anders zou ik mijn
188
hart geven, roept de H. Bernardus uit, dan aan hem, die hetzelve geschapen heeft?quot; Aan wien ook zouden wij het geven, tenzij aan den God, die ons door de H. Communie, zijn lichaam, zijne ziel. zijne godheid, geheel zich zeiven geeft?...
Wat meent gij, getrouwe ziel, roept een heilige leeraar uit, voor zulk een kostbaar geschenk te moeten wedergeven aan dengene, die er de maker van is? Gewis zoudt gij hem niets anders weten te geven, dan de belofte van hem te «uilen beminnen: want men kan niet beter vergelden hetgeen uit liefde gegeven is, dan door eene wederkeerige liefde.quot;
Ach, mijn God, indien wij weigerden u die liefde te heioven, zou de hemel om wraak tegen ons roepen, de aarde zou er van smart over zuchten, en alle schepselen zouden ons van liefdeloosheid en hardheid beschuldigen.
189
Ja, Heer, ik bemin u, mijn hart behoort u toe, en als gij er niet reeds om zoovele redenen de meester van waart, zoudt gij het zijn door de gift, die ik er u van doe. Heersch er dan alleen in, heersch er in. Heer, om het te bezitten in den tijd en in alle eeuwigheid.
â't Is onbegrijpelijkquot;, zegt een schrijver, âdat onze ziel. God kennende, niet geheel in zijne liefde verslonden is; dat zij zich nog aan de schepselen hecht, in plaats van zich in den oorspong van alle goed te dompelen en te verliezen. Wat is het geluk anders dan de liefde, en wat is het oneindige geluk anders dan eene liefde zonder einde? Ons hart heeft derhalve behoefte aan een oneindig voorwerp, aan God: niets van al wat geschapen is, zou het. ooit kunnen verzadigen. Wat gaat mij de wereld aan? Wat heb ik met haar te maken? Wat kan
190
zij mij geven? Mijn hart is grooter dan al hare goederen, en God alleen is grooter dan mijn hart (Joan III 20.) God derhalve alleen, God alleen nu en altijd: eeuwig God alleen
JK 4K. JK ^ ^
XIV
Wat heb ik iii den hemel (in wat wensch ik o|) aarde buiten u?
Ps. lxxii. H.
O wonderbare goedheid jegens ons, dat Gij, Heer, mijn God. Schepper en levensbron aller geesten, u gewaardigt tot eene arme ziel te komen en met uwe geheels godheid en menschheid haren honger te verzadigen!
0 gelukkige, duizendwerf gelukkige ziel, die u; haren Heer en God, dikwerf waardig mag ontvangen en met eene geestelijke blijdschap vervuld worden!
O, hoe groot is de Heer, dien zij ontvangt! hoe beminlijk is de gast, dien zij bezit! hoe aangenaam de gezel, dien zij krijgt! hoe getrouw de vriend, dien zij ontvangt!
hoe voortreffelijk en edel de bruidegom, dien zij omhelst, de bruidegom die vóór alle geliefden, en boven alles wat wenschelijk is moet bemind worden!
Dat dan, o mijn Welbeminde, hemel en aarde en al derzelver prachtvertoon voor uw aanschijn verstommen, wijl alles, wat zij roem rijks en schoons hebben, van uwe goedgunstige milddadigheid komt; en bij den luister van uwen naam niet zal halen, daar uive wijsheid oneindig is.
Navolg., B. VI, Hoofstuk m.
Hij is mijn ui.. Ik verlang iiiots anders.
Wij, die hot; geluk hebben, in Je II. Communie den Schepper van alios te ontvangen, hot oneindige Wezen, waaraan al wat bestaat het itiuizijn te danken heeft, dengene, die do oorspong is van alle goed, van alle zaligheid; O, Christenen! iten wij het onophoudelijk herhalen: , Waarom zouden wij den schep-ielen dan nog iets afbedelen? Wat funnen zij ons beloven, hetwelk de Schepper ons niet geven kan? welke dwaasheid, nog iets anders te verlangen! bezitten wij niet alles, wanneer wij God bezitten?
Voorzeker, ja!... Ja, mijn God, blijf gij mijn eenig erfdeel; blijf mijn ïenig goed; u alleen vraag ik, u illeen verlang ik; ik haak naar u O 13
brui-uide-i, en moet
inde, elver chijn oem-uwe omt; laam -siieid
: m.
194
alleen, w;int gij zijt cüles voor mij, gij zijt het oneindig rijke wezen, oneindig milddadig, oneindig beminnelijk, oneindig goed. In u vind ik al mijn vreugd, al mijnen troost: al mijne kracht, al mijne zaligheld, en, wanneer ik u in de H. Communie ontvang, gevoel ik, dat niets in den hemel en onder den hemel zou kunnen vergeleken worden met hetgeen in mijn hart besloten is... (Jij zijt mijn eenig goed, o mijn God, en gij zijt zulks om zoo vele redenen!
Gij zijt mijn Verlosser. Gij hebt niet een engel afgezonden, om mij van de schandelijke slavernij des duivels te verlossen; maar gij zijt zelf gekomen, en al uw bloed, o mijn God, is mijn losprijs geworden Ach! wat zou ik dan te mijner verontschuldiging kunnen inbrengen, indien ik, voor zulk een grooten prijs vrijgekocht, mij opnieuw vrij
willig leverd mijn met i vergo wig 1 zonda mus vele qgt;enc van al di kwaa te oi term G. ning den jaloe mijn ning de uwe den
105
1
willig aan de dienstbaarheid overleverde, en u, Heer, noodzaakte, mijn doemvonnis te onderteekenen met dat bloed, hetwelk gij slechts vergoten hebt, om met mij een eeuwig verbond te sluiten! âWee ons, zondaren,quot; roept de H. Chrysosto-mus uit âals, nadat God ons zoo vele wegen te onzer zaligheid geopend, en Jesus Christus ons leden van zijn lichaam gemaakt heeft, al die uitstekende weldaden niet bekwaam zijn, ons aan onze ellenden te onttrekken en ons van de zonden terug te houden.quot;
Gij zijt mijn Koiiimj. Gij, de koning der eeuwen, de koning van den tijd en eeuwigheid, gij toont u jaloersch om het klein koningrijk mijns harten; en om daar uwe woning te vestigen, drijft gij uwe liefde zoo verre, van af te dalen uit uwe eeuwige woning, waar u, in den luister uwer heerlijkheid, al de
196
koren der engelen en de tallooze scharen der uitverkorenen aanbidden. 0 goddelijke vorst, heersch dan midden in dat hart, hetwelk zoo langen tijd, zonder u, in het bezit, van vreemde meesters geweest is. Richt de bouwvallen van een rijk dat het uwe geworden is; weder op en spreid uwe overwinningen over uwe en mijne vijanden meer en meer uit. Heersch in het midden tiwei vijanden. Ps. CIX. 3.
Gij sijt mijn Vader. Ja mijn God gij hebt te onzer liefde dien naam het korte begrip van geheel uwe â roodheid e*i teederheid willen aan-
O
nemen, en hebt ons zelf dien naam in den mond gegeven. Wat immers is de mensch voor uw aanschijn? Zouden wij u ooit onzen Vader durven noemen, u, die ten ou/.o opzichte slechts een rechter zoudt kunnen zijn? Dan, daar ik u mijnen vader mag noemen, wat zal ik u dan
r
197
niet, vragen?... Indien uw verloren zoon niets dan tranen heeft, zal hij dan vreezen u dezelven te ver-toonen; en daarvoor in ruiling het lirood te vragen, hetwelk gij uwen getrouwen kinderen geeft? Indien liij niets dan verlangens heeft, zal hij dan vreezen zich voor uwe voeten te werpen, en u te smeeken, dat gij in hem niets anders, dan het voorwerp uwer oneindige barmhartigheid moet zien? O Vader vol vaif goedheid, ontvang dien verkwistenden zoon, wiens verlias gij zoo bitter betreurd hebt, ontvang hem in uwe armen, druk hem aan uw vaderhart: ik wil u nimmer meer verlaten, want verre van u verwijderd, verre van de rijkdom-men uws huizes, verre van den overvloed uwer Tafel, heb ik niets gevonden dan ellende en gebrek, wreede smarten, leed en tranen.
Gij zijt mijn Meester. Gij schept
198
or uw behagen in, tot mijne ziel te spreken en haar uwe wegen te leereu kennen: het behaagt li ook, tot in het diepste mijner duisternissen af te dalen, om ze met uw licht te verlichten; tot in het. binnenste van mijn hart, om daar, in onuitwischbare letters, de gedachtenis uwer weldaden in te prenten. Zie, Heer! hier ben ik; ik wil. evéa als Maria, de zuster van Martha, altijd aan uwe voeten blijven, om de quot; godspraken die uit uwen heili gen mond voortkomen, op te vangen. Zie, al de krachten mijner ziel en mijns lichaams luisteren naar u âLeer aan mijn geest u te kennen en zich zeiven te kennen; aan mijn wil, u te beminnen en zich zeiven te haten, aan mijn geheugen, uwev te gedenken en al het overige tf vergeten; aan mijne oogeu, slechts u alleen te aanschouwen; aan mijne ooren, naar niemand dan naar u te
199
luisteren: aan mijn mond, van niemand te spreken dan van u. Leor mij bidden en uwen heiligen wil volbrengen; Gij zijt goed, leer mij, volf/ens utre goedheid uwe gerechtig-heid kennen. Ps. OXVIII. 68.
Gij zijt mijn Herder. De goede herder, die zijn leven geeft voor zijne schapen. O God, hoe lang doolde ik, verre van den schaapstal verwijderd, blootgesteld aan de woede der wolven, bezwijkende van honger en stervende van vermoeienis en zwakheid! maar gij hebt mij achtervolgd tot in het hart der wildernissen, gij hebt mij ingehaald en teruggevoerd, en zie, thans bevind ik mij weder in den schaapstal. O goddelijke herder, die mij heden in uwe vette weiden voedt, die mij met zulk een bovenmatige liefde bemint, dat gij mij zelfs uw aanbiddelijk lichaam tot spijze geeft; o, onder uwe hoede zal ik niets vree-
200
zen; noch kracht, noch moed zullen mij ontbreken. Heerlijke spijs, levendmakend en verfrischend water, olie van vertroosting, bedwelmende kelk! plaats gij niet alles in mijn hart?... O herder, vol van goedheid; hoed mij al de dagen mijns levens, laat uwe barmhartigheid mij altijd omgeven, totdat ik eindelijk voor altoos overga in uwe eeuwige weiden.
Gij zijt mijn geneesmeester, en het geneesmiddel, dat gij mij geeft, o God, die geheel liefde zijt, is uw eigen vleesch, uw eigen bloed... Ach! kom dikwijls, hemelscho geneesmeester, kom dikwijls in mijn hart, om er dien armen blinde t( genezen, dien doove het gehoor en dien stomme de spraak terug te schenken; want zij kunnen zich zeiven niet genezen. âHet zal u. Heer, tot groote heerlijkheid strekken, zoo ik genezen worde: immers, wat
fT
201
zouden uwe vijanden zeggen, indien ik, nadat gij mij het krachtigste uwer geneesmiddelen geschonken hadt, noch ziek bleef?...
Gij zijt de Bruidegom mijner ziel. Ja, mijn Grod, zelfs van dit leven af, verbindt de onbegrijpelijk-ste vereeniging, de geheel goddelijke vereeniging der H. Communie, uwe eeuwige grootheid aan mijn niet. Ach, Heer, ik verzaak alles, ik verlaat alles voor die onverklaarbare vereeniging mijner ziel met u. want niets is gelijk aan u, die nn-eindig groot, oneindig rijk, oneindig wijs en goed zijt Duizendwerf gelukkig door uwe onuitsprekelijke toegevendheid, wil ik, op de aarde en in den hemel, naar niets anders haken, dan naar uwe zuivere omhelzingen. Ik wil u uit al de vermogens mijns harten beminnen.Mijne gedachten, mijne verlangens, mijne woorden, al mijne ondernemingen.
202
ril wat ik zal doen, alles, in één woord, zal op niets anders gericht zijn, dan ter uwer verheerlijking. Ik wil, als eens getrouwe bruid, niets bezitten, wat niet voor mijnen bruidegom is, niets in noch buiten mij hebben, wat niet voor hem, voor hem alleen is.
O Heer, ik behoor u dan, om te vele redenen toe, dan dat gij mij, of ik u ooit zou verlaten. Gij zijt alles voor mij; mijn God en mijn al. Wat zal ik in den hemel en op de aarde meer verlangen? Gij zelf verzadigt mij met u zeiven gij zijt hi«r beneden mijn leven mijn geluk, mijn rijkdom, mijn roem mijne eer, mijne rust en gij zult daarenboven, wanneer ik u getrouw blijf, mijne eeuwige zaligheid we zen. Dat hoop ik, mijn God, dat verlang ik... Altijd de uwe zijn, u altoos behooren... de uwe op aarde en in den hemel: de uwe in den
tijd e o-edun
D
en in verko altoos
203
tijd en in de eeuwigheid; de uwe gedurende dit voorLijsnollend leven, en in de eeuwige vreugd der uitverkorenen; do uwe, mijn God. voor nltoos... eeuwig!
XV.
1
TJwe voorvaders hebben het manna in de woestijn gehelen, en zijn gestorven. Dit is het brood, dat. vaa den hemel komt, opdat, wie daarvan eet,
liiH alciVf
â¢Toan. VI, 49, 50.
Mijn zaligmaker, men biedt mij uw licliaara aan,- dat onsterfelijk, dat geestelijk lichaam : ik ontvang liet in het mijne; Ik zal niet ïter-veii, hiaur leven. IVie mijn vleescJi eet, zeAjt gij, zal het eeuwig leven hehhen, en ik zal hem in den jong-.tten dag opwekken. (Joan VI, 55.) Ei- zal in dat dood lichaam eene levenskiem blijven, welke het bederf niet zal kunnen schaden; er zal een levensteeken ingedrukt blijven, hetwelk niets zal kunnen uit-wisscben. Ik wil al de dagen mijns
205
levens, in die hoop die heilige T:i-tel naderen; ik wil mij als stervend beschouwen, en als eene teerspijze op don tocht naar 't ander loven ontvangen. Ik zal den dood niet vreezen; gij hebt mij van de slavernij, die mij deze vrees inboezemde, bevrijd. Waarom zou ik het kwaad vreezen, als ik er altijd höt tegengift van bezit'? Zonder u is do dood een onverdraaglijk juk; maar met u is zij een geneesmiddel en een overgang tot het leven...
Ach, Heer, behoed mij tot aan mijn laatsten zucht, en laat mij dien in uwe armen geven.
Bossueï.
De H. Cotninuuie, hot onderpand der onsterfelijkheid.
Die dag, waarop men voor de eerste maal tot liet gastmaal des Heeren toegelaten wordt, is een sulioono dag voor den Christen. O die dag bezit vreugde, welker herinnering ons aan de vreugde des hemels doet denken: die dag heeft lichtstralen, die aan den luister van do stad der uitverkorenen gelijken Mijn God, hoe gaarne hadde ik gestorven op dien schoonen dag, waar op zooveel vrede en geluk in mijne ziel gestort wordt!....
Toen, op dien gedenkwaardigen dag, vertoonde de toekomst zich aan ons zonder stormen; de gezwol len zee scheen ons liefelijk en kalm Onvoorzichtigen, die wij waren!
Wij di
onzer dorste op de Zie de de stc Me feestn Tel t van lt; zuive
O Gi
is z: aan stem lig® waai veel verc del ij die terr
teil
207
Wij durfden die gelukkige h;iven onzer eerste onschuld verlaten, wij dorsten den kabel verbreken en ons op de baren wagen. En thans?.... Zie de vreeselijke verwoesting, welke de storm heeft aangericht.
Met hoe velen zaten wij aan het feestmaal der eerste H. Communie?.. Tel thans, hoe groot het getal is van ons; die nog aan die Tafel dei-zuivere en getrouwe kinderen zitten. 0 God, hoe verlaten, hoe eenzaam is zij nu! hoe vele plaatsen zijn aan het gastmaal ledig'. hoe vele stemmen ontbreken aan onze heilige gezangen! Ach ! hoe betreurenswaardig hebben de hartstochten veel schoons verwelkt, door de zuivere bloemen, de reine en maagdelijke zielen, die het sieraad van die Tafel des Heer en waren, er van
terug te houden !.....
Thans... Ach, laten we ze niet tellen; te nauwernood vinden wij
208
er één meer... Ãe onverschilligheid en iitViil hebben hun toppunt bereikt. De godverzaking is alge-meen.... âDie kunne,quot; roept de godvruchtige schrijver der Brieven van Eugenius uit, âwelke het meeste aan haren Meester moest gehecht â zijn, is de eerste, die van de heilige Tafel wegblijft. Welke ergernis; dat men onder eene menigte van zielen, die naijverig zijn om hun Schepper te ontvangen, te nau wernood een enkelen man ontwaart. Hoe ! achten wij de eer zoo gering, welke de Zaligmaker ons bewezen beeft, met ons, mannen, het eerste tot de mededeeling van zijn aan-aanbiddelijk lichaam te roepen? Ik zie er hem, bij de instelling van dat goddelijk Sakrament, aan de Apostelen alleen, zelfs niet aan zijn heilige Moeder, de uitdeeling van toevertrouwen, en de priester wien hij gelast heeft het aan zijne kin-
209
deren toe te dienen, ziet bijna overal niet anders dan vrouwen aan de heilige Tafel verschijnen.
âEnnoelitans zijn de mannen zijne eerste kinderen, de eersten die aan zijne Tafel zaten in den persoon der Apostelen, de eerste erfgenamen van zijn lichaam en bloed. Zou men niet zeggen, dat zij zich zeiven willen onterven verlagen en verbannen? Overal toonen zij zich naijverig op hun rang, op hunne aanspraken en voorrechten: alle belangen der maatschappij moeten door hunne handen gaan; zij weten zich zeiven zeer schrander de heerschappij, het gebied en een beslis-senden invloed in de gewichtigste belangen toe te eigenen en die voor zich te behouden. Zou er dan niets zijn, waaraan zij geen deel kunnen nemen, dan het lichaam en bloed van God, dat zij zoo lafhartig ver laten ! zouden zij van niets onkun-99 U
210
dig en vreemd blijven, dan van de
Tafel van onzen algemeenen Vader?
âO Christene vrouwen, zielen, door God verkoren, om hem in die openbare ontvluchting getrouw te blijven, vernieuwt uwen ijver, om den roem van zulk eene verhevene roeping staande te houden ! dat hel verwijt van godsvrucht u geene vrees aanjage! De kerk heeft, in het gebed tot de heilige Maagd Maria, dien schoonen titel uwer kunne toegewijd, voordat eene god-delooze eeuw er u een soort van hoon van maakte. Behaalt de zege over hare laagheid, over hare onwetendheid en al hare ongeregeldheden, door uw wijs en standvastig gedrag. Verheft, gelijk weleer eene Paula en Melania te midden van Rome, den standaard van Jesus Christus in het hart onzer bedorven steden. Dwingt die losbandi-gen en goddeloozen te bloozen, bij
211
het zien van uwen moed en uw geloof. Doet hen uwe godsvrucht eerbiedigen door uwe deugden; overtuigt ze van de zalige uitwerksels der veelvuldige Communie, door de vrachten die gij zelve er uit zult trekken: en dat, eindelijk, het schitterend voorbeeld uwer overwinningen over uwe onvolmaaktheden hun ten minste leere, de hartstochten te breidelen, die hen in de oogen der
rede zelve verlagen.'1
0 mijn God, die bemerkingen dringen door tot het binneste mijns harten, en ik gevoel, dat het thans de tranen van diepe erkentenis voor uwe oneindige barmhartigheid niet kan wederhouden; mijne broeders zijn niet meer, zij zijn in den draaikolk verdwenen en niet teruggekomen.... En ik, die de zwakheid had mij ook aan den storm te wagen; ik, die weleer uw vijand was, ben echter nog hier; ik bevind
212
r
mij weer aan het feestmaal mijnei
eerste H. Communie...... Gij, o mijn
God, hebt mij bij de hand genomen, als een kind, dat gij meer bemindet dan de anderen. Gij hebt mij bevoorrecht en mij ontrukt aan die wreede heerschappij der wereld, en aan al de begoochelingen, welke zij bezigt, om de harten, die u zouden moeten beminnen, te verleiden. Ach, Heer! gij hebt mij van zeer verre teruggevoerd... Waarom heb ik geen duizend tongen om er u dank voor te zeggen, duizend har ten, om mij door eenc overvloedige liefde schadeloos te stellen voor de dagen waarop ik u niet beminde!
En nu... nu, mijn God, zal ik u niet meer laten heengaan. Ik wil mij al de dagen mijns levens met u vereenigen, aan niets denken dan aan u, niet leven dan voor u alleen. Ik zal alle dagen tot uwe heilige ïafel naderen: Ik ben er
zoo la Alle d Coinm laatste der ui verblij nog ee kind, i te ver dóór c kornsti mijn 1 mijne schap mij n verded barmh aanbid nog t( ik in pen, c ontwa
O
ZOO t(
li
213
zoo lang van verwijderd geweest!.. Alle dagen zul ik mijne eerste H. Communie vernieuwen.. En als de laatste zal naken, de H. Communie der uitverkorenen in het eeuwige verblijf der liefde, dan zult gij u nog eenmaal schenken aan uw arm kind, dat gereed is het ballingsoord te verlaten. Gij; mijn Rechter, zult, dóór dat laatste liefdeblijk, uw toekomstig oordeel voorbereiden; gij mijn Voorspreker, zult u zeiven in mijne ziel plaatsen, opdat de gram-ichap uws Vaders den hemel voor mij niet sluite. En zoo, door u verdedigd, vol overgeving in uwe barmhartigheid, de lippen met uw nanbiddelijk bloed geteekend en u nog tegen mijn hart prangend, zal ik in uwe liefde vreedzaam inslapen, om aan de eeuwige Tafel te un twa ken.
O hoe gelukkig moet het zijn zog te sterven, terwijl men zelf het
mjnev I mijii )men lindet j be n die â i, en ke zij zou-iden. zeer heb er u har-idige )r de nde ! ik u wil iet u dan i al-uwe i er
214
brood dat uit den hemel gedaald is, van de aarde naar den hemel medevoert, en met het lichaam van den verrezen Jesus recht naar hot verblijf der heerlijkheid opstijgt!
,0 mijn Zaligmaker, zeide do H. Ephrem, ik heb u tot teergeld op de reis, welke ik doen moet. In den geestelijken honger die mij verteert, zal ik mij met u voeden, o goddelijke Verlosser der men-schen! er zal geen vuur meer zijn, dat mij genaken durft; het zou don lovendmakenden geur van uw lichaam en bloed niet kunnen uitstaan.quot;
En Bossuet riep uit; âMijn Zaligmaker, als gij mijn lichaam aan raakt zal er eene kracht van u uitgaan, en het zal aan het uwe gelijkvormig moeten worden. De ki-acht, die er uit voortkomt, zal mij niat, gelijk de vrouw van het Evangelie, eene zwakke en broze gezondheid.
schenk
zondln
stertel
Heerei
sterve:
zinnen
leven
ben il
uw li'
gij kc
zen. T
Profe
de sch
niets
En ^
lichaa
verza
veree
uhaar
zen i
sterfe
leef i
gen !
meu
215
schenken, maar de wezenlijke gezondheid, welke bestaat in de onsterfelijkheid..... Het lichaam des
Heeren is de zoete teerspijze der stervenden.quot; Ik zal sterven mijne zinnen zullen verdooven en mijn leven zal heenvluchten. Maar wat bon ik gelukkig! men brengt mij uw lichaam.... gij hemolsche gast, gij komt bij mij.... ik zal niets vreezen. Thans kan ik met den koninklijkon Profeet zingen: Als ik in het middcii vuii de schaduwen den doods wandel, zal ik niets vreezen, omdat (jij m-t mij zijl. En wat zal er geworden van dat lichaam, aldus met uw heilig vleesh verzadigd? Zie, 't is mot hot uwe vereenigd. Door uw verrezen lichaam zal ik geheel nieuw verrijzen ik zal op de aarde niets dan de sterfelijkheid achterlaten. In die hoop leef ik en wil ik sterven. Mijne dagen gaan als rook voorbij, zij stroo-men heen als eene snelle vliet wel-
216
ke men in haren loop niet ktm tegenhouden. Eens zal mon de plaats, waar ik placht te zijn, voorbijgaan, en er mij niet meer vinden. Zie, men zal zeggen, dat is zijne kamer, daar is zijn bed; en van dat alles blijft niets over dan mijn graf. waarin men zeggen zal dat ik ben: maar ik zal er niet wezen; er zal niets meer van mij zijn, dan een stoffe lijk overschot, en dat overschot zal ieder oogenblik minder worden, en ten laatste zal er niets meer van overblijven. Hoe droevig zou zulks zijn, indien ik uw lichaam niet had om mij het leven weder te geveu Die hoop ondersteunt mij.quot;
Wees dan gezegend, mijn God! wees te allen tijde gezegend voor uwe oneindige barmhartigheid, uwe grenzelooze liefde, en de goddelijke hoop, die gij in mijne ziel stort. Dat uwe engelen en uitverkorenen er u in eeuwigheid voor bedanken.
rquot;
217
Ach! schenk mij ciiin uwe Heilige Tafel het onderpand mijner onsterfelijkheid; doe mij een voorsmaak proeven van het leven des hemels, en een walg krijgen van alles op aarde, waar gij niet zijt, van alle vermaken, o mijn God, die ik er, buiten u en uwe volmaakte liefde, nog zou kunnen srenieten.
XVI.
Komt, eet het brood en drinkt den wijn: welke ik voor n bereid heb.
Sl'RE UK EN IX, 5.
Wees gezegend, mijne Moeder, dat gij mij eenen broeder geschonken hebt en welken broeder?., een God! Ondersteun mij, om hem zeiven'te loven voor de gave, welke hij mij in het heilig Altaar-Sacrament heeft medegedeeld. Aan u ben ik ongetwijfeld den honger en dorst verschuldigd, die de gedachte aau dit H. Sacrament in mij verwekken. 0, dikwerf is mijn verlangen zoo hevig, dat ik de uren tel, die mij van dat zalig oogenblik afscheiden. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, geloof ik, dat die begeerte zoo vurig is, dat men het aan mij heeft kunnen op-
219
merken... Doch, wat gaat mij de gebeele wereld aan? Ik ben voor haar niet op deze aarde. Zij mag zeggen wilt ze wil; zij mag mij voor een droomer, een nadenker en voor zonderling houden: maar hebben de hartstochten, die in haren boezem gisten, niet dat karakter'? en is zij toegevend jegens hen?.. Zij is streng jegens mij; des te beter! Het is mij genoeg, dat Jesus altijd liefderijk ten mijnen opzichte is, dat Maria altijd goed voor mij is, en dat zij beiden zich gewaardigen, de gevoelens aan te nemen, waarvan mijn hart dien dag overvloeide, terwijl het vol was van die gedachte en van hoop.
Engelvin. Bloemen Door Maria.
Hoeveel dank zijn wij u schuldig: o Moeder-Maagd, omdat gij ons dat hemclsch brood geschonken hebt.
Het zijn niet de lustwaranden des hemels, die deze tarwe der uitverkorenen zagen geboren worden; 't is geen Engel, die dat wonderbrood van het eerbiedwaardig Altaargeheim bereid heeft, neen, wij hebben het aan de gelukzalige Maagd Maria te danken; het is van haar wezen gevormd; in haren schoot heeft de godheid zich met de menschheid vereenigd, en in haren maagdelijken schoot heeft zich ook dat aanbiddelijk vleesch van den Zoon Gods gevormd.
In het geheim der menschwor-ding, gaat de godheid voor, en de menschheid komt in de tweede plaats in aanmerking; maar in het wonder.
r*
221
dat op het altaar voltrokken wordt, merkt de H. Ephrem op, bekleedt de menschheid de eerste plaats: dit is mijn lichaam, terwijl de godheid eerst daarna volgt. Waarom heeft God het aldus gewild?
Om zijne moeder te eeren, dewijl hij van haar zijn lichaam ontvangen heeft, en niet zijne ziel en zijné godheid.
âO, hoe veel zijn wij dan niet aan Maria verschuldigd,quot; roept de H. Petrus Damianus uit, âhoe vele dankzeggingen moeten wij haar, na God, dan niet brengen, omdat wij aan de heilige Tafel, hetzelfde lichaam nuttigen, dat zij in haren schoot gedragen in de kribbe gebaard en met doeken omwonden, met hare borsten gespijsd en met onuitsprekelijke teederheid opgevoed heeft! Neen, geene tong is in staat, haar waardig te loven, die ons met de vrucht van haren schoot voedt;
222
er is geen hart, dat haar kan beminnen, gelijk zij 't verdient.quot;
O goddelijke Maagd en zoete Moeder van Jesus, gij zijt het altaar waarop dit wonderbrood bereid wordt; gij zijt de priester, die het ons mededeelt, en gij zijt het ook die ons aanspoort, die ons roept en uitnood igt aan dat verrukkend feestmaal... Komt, zegt gij tot ons, komt an ent dat brood e.n drinkt dien wijn, welke ik u bereid heb. (Spreuk, IX 5.) O Maagd, mijne Moeder, die mij voeden wilt, ik wil dat goddelijk voedsel altijd uit uwe handen ont vangen. Daarentegen zal ik u, o Maria, mijn hart schenken, en daarmede verdeel ik het niet tusschen u en uwen goddelijken Zoon, want al les is tusschen u en hem gemeen en men kan in zekeren zin zeggen, dat gij te zamen ééne en dezelfde zaak uitmaakt (1).
(1) lilem est Jesus cam Maria. H. Pttr. Uamianus,
223
O Christen! hoe vurig is eene H. Commnnie wanneer men die doet aan de voeten van Maria! hoe vurig is eene H. Communie, wanneer ons dat hemelsch brood gegeven wordt door hare handen; wanneer wij, door haar dengene ontvangende, die de eeuwige liefde is, haar, die zoo weet te beminnen, de Fiefde vragen, welke wij noodig hebben, om, op zekere wijze, de oneindige liefde van haren Zoon te beantwoorden?
O Maria, hoe liefelijk is de ver-oeniging. die wij met u in dit eerbiedwaardig Sacrament aangaan!....
Ja, zoete Moeder van mijnen Jesus, uit uwe handen wil ik altijd dien aanhiddelijken kelk ontvangen.
â 0 â 0â0-
mï
VER!
In
Z(
H lerh u ( die dez( teg( 99
GEBEDEN
ONDER DE
ieïeixjJGKB nyris.
In den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Amen.
Het is in uwen heiligen naam, o allerheiligste Drievuldigheid, en om u den lof en de eer te bewijzen, die wij u schuldig zijn, dat ik in deze heilige offerande der Mis wil tegenwoordig wezen. Gedoog, mijn 99 15
226
Zaligmaker, dat ik mij met uwei dienaar, den priester vereenige, 011 u het dierbare slachtoffer mijnei zaligheid op te dragen; geef mij de zelfde gevoelens, die ik op den Kal varieberg zoude gehad hebben, in dien ik bij die bloedige offerande van uw lijden ware tegenwoordig geweest.
CONFITEOR.
Ik beschuldig mij voor u, o mijn God, van al de zonden, waaraan ik plichtig ben; ik beschuldig mij, in de tegenwoordigheid van Maria, de allerzuiverste der maagden, van al le Heiligen en van alle geloovigen dat ik met gedachten, woorden, werken en door nalaten van deugden, door mijne schuld, ja, door mijne allergrootste schuld heb gezondigd. Daarom bid ik de H. Maria, altijd Maagd, en alle Heiligen voor mij te willen bidden.
Heelden, f-kwijtsc1
227
Heer, verhoor genadig mijne gebeden, en verleen mij vergiffenis en kwijtschelding van alle zonden.
KYRIE ELEISON.
Heer, die onze zielen hebt geschapen, heb medelijden met het werk uwer handen; Vader van barmhartigheid wees uwe kinderen genadig.
Eeuwig woord des Vaders, voor ons mensch geworden en aan het kruis gestorven, maak ons aan de verdiensten van uwen dood en van uw dierbaar bloed deelachtig. Minzame Zaligmaker, zoete Jesus, heb medelijden met onze ellenden, en vergeef ons onze zonden.
GLORIA IN EXOELSIS.
Eere zij aan God in den hooge, en7 op de aarde, vrede aan de men-schen van goeden wil. Wij loven u, wij verheffen u; wij aanbidden u, wij verheerlijken u, wij danken u.
t uwen 'ge, om mijneij Mij de â n Kal 'n, in 31'ando Jordi
228
om uwe groote glorie. Heer God, hemelsche Koning! Grod almachtige Vader! Heer Jesus Christus, eenig-geboren Zoon! Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders, die de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer; die de zonden der wereld wegneemt, neem onze smeeking aan; die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm u onzer; want gij zijt alleen heilig, gij alleen Heer, gij alleen de allerhoogste, Jesus Christus, met den H. Geest in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.
GEBED.
Verleen ons, Heer, door de voorspraak van de allerheiligste Maagd en van alle Heiligen, de genade die de priester voor zich en voor ons vraagt. Ik vereenig mij met hem, en ik offer u hetzelfde gebed op voor al degenen, voor welke ik verplicht ben te bidden; en ik verzoek
229
1
u, o Heer, voor mij en voor hen al den bijstand, dien gij weet ons noodig te zijn, om liet eeuwig leven te bekomen, in den naam van Jesus Christus, onzen lieer. Amen.
EPISTEL.
Mijn God, gij hebt mij boven zoo vele volken, die in de onwetendheid leven, tot de kennis van uwe heilige wet geroepen; ik aanvaard uit geheel mijn hart die goddelijke wet, en ik luister met eerbiedigheid naar de H. Godspraken, die gij door den mond der Profeten en Apostelen hebt uitgesproken; ik eer die met al de onderwerping, die men aan het woord van eenen God schuldig is, en ik verlang met al de genegenheid mijner ziel de voltrekking daarvan.
Waarom heb ik, o mijn God, voor u niet een hart, gelijk de heiligen van het Oude Verbond? Waarom
230
verzucht ik niet naar u met den brandenden ijver der üudvaders'? Waarom, Heer, betracht ik u niet, en hecht ik mij niet ernstig aan u, gelijk de heilige Apostelen.
EVANGELIE.
Het zijn, mijn God, de Profeten noch de Apostelen, die mij mijne plichten leeren: het is uw eenige Zoon zelf; het is zijn woord, dat ik ga hooren. Maar, helaas! wat zal het mij baten te gelooven, dat het uw woord is, o Jesus Christus wanneer ik volgens mijn geloof niet leef? Wat zal het, wanneer ik voor u zal verschijnen, mij dan baten, geloofd te hebben, indien ik de verdiensten der liefde en der goede werken niet heb?
Ik geloof en leef bijna, als of ik niet geloofde, en als of ik een ander Evangelie dan het uwe geloofde: oordeel mij niet, o mijn God,
231
naar die gedurige tegenstrijdigheid, die er tusschen uwe grondregels en mijn gedrag is: ik geloof, maar geef mij ook de kloekmoedigheid, om te beoefenen hetgeen ik geloof; aan u alleen zal de eer en glorie daarvan toekomen.
CUBDO.
Ik geloof in eenen God, den al-machtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen; en in eenen Heer Jesus Christus^ den eenigge-boren Zoon van God, die voor alle eeuwen uit den Vader is geboren, God van God, licht van het licht, waarachtig God van den waar-achtigen God, geboren en niet gemaakt, van dezelfde zelfstandigheid met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn; die om ons men-schen en om onze zaligheid uit den hemel is nedergedaald: en hij heeft,
i32
door den H. Geest, uit de Maagd Maria het vleesch aangenomen, en in mensch geworden; hij is ook onder Pontius Pilatus voor ons gekruist, geleden en is Lcgriuen: en lgt;ij is ten derden dage wederom opgestaan volgens de schriftuur, is opgeklommen ten hemel, en zit aan de rechterhand des Vaders; en zal met heerlijkheid wederkomen om levenden en dooden te oordeelen; van wiens rijk geen einde zal zijn. En in den H. Geest den Hoer en levendmaker, die van den Vadelen den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon te zamen aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de Profeten gesproken heeft. En eene heilige katholieke en apostolieke Kerk. Ik belijd een doopsel tot vergiffenis der zonden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het toekomend' eeuwig leven. Amen.
233
Oneindige Vader, almachtige en eeuwige God, hoewel ik ten eene-niïial onwaardig ben, in uwe te-
genwoordigheid to verschijnen, durf ik u, door de handen des Priesters, deze offerande opdragen, met de meening die Jesus Christus, mijn Zaligmaker, gehad heeft, wanneer -bij deze offerande instelde, en die hij nog heeft, wanneer hij zich door de handen des Priesters opdraagt.
Ik draag u dezelve op, tot erkenning uwer opperheerscliappij, o-ver mij en over allo schepselen, tot dankzegging voor al de weldaden, die gij mij verleend hoht, tot verzoening voor mijne zouden, en tot verkrijging van nieuwe gunsten.
Ik draag u ook, o mijn God, dit heilig en eerbiedwaardig offer op, om voor mij, voor mijne nabestaanden voor mijne weldoeners en vriojiden, van uwe oneindige goedheid de ons noouige ffenade te bekomen, welke
234
aan ons, zondaars, niet kan gegeven worden, dan door de verdiensten van hem, die de rechtvaardigheid zelve is, en die zich tot een slachtoffer van verzoening voor ons allen gesteld heeft.
Gij, Heer, kent al de ellenden, aan welke wij naar ziel en lichaam zijn onderworpen: gij weet, aan welke gebreken wij onderhevig zijn, welke deugden wij het meeste behoeven: ach! gelief in dit alles goedgunstig te voorzien, en verleen ons, om de verdiensten van Jesus, die zich door de handen des Priesters aan u gaat opdragen, den krachti-gen bijstand uwer genaden, om ons gedrag steeds te verbeteren en naar het voorschrift van uwe heilige wet te regelen.
Vergeet ook, mijn God, uwe of mijne vijanden niet, heb medelijden met alle ongeloovigen, ketters en zondaren; verleen uwen zearen aan
235
allen, die mij vervolgen; en vergeef mij mijne zonden, gelijk ik het ongelijk vergeet', dat zij mij hebben aangedaan, of zouden willen aandoen.
PREFATIE.
Nu nadert het gelukkig oogen-blik, op 't welk de Koning dei-engelen en der menschenv.al komen; vervul mij, Heer, met uwen geest; dat mijn hart, van de aarde onthecht, aan niets anders, dan aan u, denke. Welke reden heb ik niet; om u; Schepper van hemel en aarde, oneindig groote God, al-niaclitige en eeuwige Vader, altijd en op allo plaatsen te loven en te verheerlijken?
Niets is redelijker, niets is heilzamer, dan ons met Jesus te vereenigen; het is door hem, dat de hemelen en de hemelsche krachten, vol van eerbiedige vrees, zich ver-
236
eenigen, om u te verheerlijken. Gedoog, o Heer, dat wij onze zwakke lofzangen bij die der henielsche geesten voegen, en dat wij tü za-meti met blijdschap zeggen:
SANCTUS,
Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heerkrachten; hemel en aarde zijn vol van uwe glorie: Hosanna in den hooge! Gezegend hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in den hooge!
CAM ON.
Wij bidden n ootmoedig, o goedertieren Vader, in den naam van Jesus Christus, onzen Heer, ons barmhartig te zijn, en de offerande, die wij u opdragen, aan te nemen en te zegenen, opdat het u believe de heilige kat.holieke Kerk, met al hare ledematen, den Paus van Eome, onze geestelijke oversten en allo
237
herders der zielen te bewaren, te beschermen en te besturen.
Wij bevelen u, Heer, in het bijzonder allen, voor wie wij uit rechtvaardigheid, dankbaarheid of liefde verplicht zijn te bidden, alsmede al degenen, die in deze aanbiddelijke offerande tegenwoordig zijn: en opdat ons gebed aan u aangenamer zij, vereenigen wij ons met de roemrijke Maria, altijd maagd. Moeder van Jesus Christus, onzen Heer, met alle uwe Apostelen, gelukzalige Martelaars en al de Heiligen, die met ons eene en dezelfde Kerk uitmaken.
Waarom heb ik nu, o mijn God, die vurige begeerte niet, waarmede de H. Oudvaders naar de komst van den Messias verlangden? Ach! waarom heb ik hun geloof en hunne liefde niet? Kom, Heer Jesus, kom, minzame Zaligmaker der wereld, kom voltrek dit geheim, dat
238
het korte begrip van al uwe won deren is. Zie, daar komt dat -Lam Gods, hetwelk voor de zonden der wereld voldaan heeft.
ELEVATIE.
Menschgeworden woord des Vaders, goddelijke Jesus, waarachtig God en waarachtig mensch, ik ge loof dat gij hier waarlijk tegen woordig zijt; ik aanbid u ir et ootmoedigheid; ik bemin u uit geheel mijn hart, en daar gij hier uh liefde tot mij komt, zoo offer ik mij zei ven ten eenemale aan u op.
Ik aanbid dit dierbaar bloed, hetwelk gij voor de verlossing van het menschdom vergoten hebt; en ik hoop o mijn God, dat het voor mij niet vruchteloos zal uitgestor zijn. Laat mij aan deszelfs verdien sten deelachtig worden; ik offer u mij zeiven, o liefderijke Jesus, uit dankbaarheid voor die oneindige
239
liefde, die gij gehad hebt, van uw bloed voor mijne zaligheid te vergieten.
VEEVOLG VAN DEN CANON
Hoe groot zou voortaan mijne boosheid en ondankbaarheid wezen, indien ik, na bijgewoond te hebben hetgene hier gebeurt, u nog zoude vergrammen! Neen, mijn God, nimmer zal ik vergeten, hetgene gij mij in dit aanbiddelijk geheim voorstelt, namelijk uw heilig lichaam, uw dierbaar bloed, welke hier voor de oogen mijns geloofs op het altaar tegenwoordig zijn.
Het is hier, o eeuwige Majesteit, dat wij, door uwe genade, u die zuivere, heilige en onbevlekte offerande opdragen, welke gij zelf ons hebt willen verleenen, en van welke al de anderen slechts afbeeldsels waren: hier is oneindig meer, dan al de offeranden van Abel, Abra-
240
ham en Melchisedech: hier is de eenige offerande, uw altaar waardig, onze Heer Jesus Christus, uw goddelijke Zoon, het eenig voorwerp van uw eeuwig welbehagen.
Dat allen, die hier deze heilige offerande bijwonen, aan dezelver vruchten deelachtig worden.
Dat deze zich ook uitstorte, o mijn God, over do zielen der ge-loovigen, die in vrede gestorven zijn. en bijzonderlijk over degene, voor welke ik verplicht ben te bidden; verleen Heer, door deze offerande, aan dezelve de volle verlossing van hare pijnen en smarten.
Gewaardig u ook, oneindig goe-dertierene Vader, ons eens dezelfde genade te verleenen, en maak, dat wij met uwe H. Apostelen. Martelaren en alle Heiligen deel mogen hebben, opdat wij met hen, in de glorie des hemels, u eeuwig mogen beminnen en verheerlijken.
241
l'AÃER KOSTER.
Hoe gelukkig ben ik, o mijn God, u voor vader te hebben! Welke vreugde gevoel ik, als ik denk, dat de hemel, waar gij zijt, eens mijn verblijf en mijne woning zal wezen! Dat uwe heilige naam over geheel de aarde geëerd zij; Heersch volkomen over al de harten; weiger aan uwe kinderen het geestelijke en lichamelijke voedsel niet, wij vergeven uit geheel ons hart, vergeef ons ook; ondersteun ons in de bekoringen van dit ellendig leven, en behoed ons voor alle kwaad. Amen.
AGNUS DEI.
Lam Gods, voor mij geslachtoiferd, wees mij genadig; aanbiddelijke offerande van mijne zaligheid, maak mij zalig; goddelijke Middelaar, verwerf mij genade bij uwen Vader, en geef mij uwen vrede. 99 16
242
, H. COMMUNIE
Hoe zoet ware het mij, o liefderijke Zaligmaker, onder liet getal dier gelukkige christenen te zijn, aan wie een zuiver geweten en eene teedere godvruchtigheid toelaten, thans tot uwe heilige tafel te naderen! Welk geluk ware het voor mij, indien ik u in mijn hart mocht bezitten, u daar mijne liefde betuigen, mijne noodwendigheden ver-toonen en aan de gunsten deelachtig worden, welke gij aan degenen, die u ontvangen, in dit geheim mededeelt. Gelief, Heer, hetgene mij ontbreekt goedgunstig aan te vullen; vergeef mij al mijne zonden, ik verzaak die uit geheel mijn hart omdat zij u mishagen; aanvaard de oprechte begeerte, die ik heb, om mij met u te vereenigen; reinig mij door uwe genade, en
248
maak mij bereid, om u waardig te ontvangen.
Terwijl ik dien gelukkigen dag verwacht, bid ik u, o Heer, mij aan de vruchten van de communie der priesters deelachtig te maken. Vermeerder inijn geloof door de kracht van dit goddelijk Sacrament, versterk mijne hoop, zuiver mijne liefde, vervul mijn hart met uwe liefde, opdat ik niets anders dan u betrachte en voortaan niet dan voor u alleen love.
LAATSTE COLLECTE.
O mijn God, gij slachtoflert u voor mijne zaligheid; ik begeer mij ook voor uwe glorie te slachtofferen: ik ben uw slachtoffer, ik aanvaard gewillig de kruisen, welke gij mij zult gelieven toe te zenden; ik omhels die, ik neem die van uwe hand gaarne aan, en vereenig die met uw kruis.
244
O, mocht ik nu door uw heilig geheim geheel gezuiverd henen gaan! Ik zal met zorgvuldigheid alle zonden vermijden, bijzonderlijk die zonde, waartoe mijne genegenheid mij met meerder geweld aandrijft; ik zal uwe wet getrouw blijven en heb een vast voornemen van liever alles te verliezen en alles te lijden, dan uwe geboden te overtreden.
BENEDICTIE.
Zegen, o mijn God, deze heilige voornemens; stort, door de hand van uwen dienaar, over ons uwen heiligen zegen, en doe de uitwerk seis van denzelven eeuwig over ons blijven: in den naam des Vaders fU des zoons en des Heiligen Gee.s-fps. Amen.
ST. JANS EVANGELIE.
In het begin was het Woord, en
245
het Woord was Godv Dit was in het begin bi) God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt van het-gene er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen; en het lieht schijnt in de duisternissen en de dnisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam Joannes was. Deze kwam tot getuigenis, om van het licht getuigenis te geven, opdat allen door hem zouden gelooven. Hij was het licht niet, maar hij was, om getuigenis van het licht te geven. Dit was het waarachtig licht, hetwelk allen mensch, in deze wereld komende, verlicht. Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt, en do wereld heeft hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigen, doch de zijnen namen hem niet aan. Maar aan allen, die hem aan-
246
genomen hebben, heeft hij macht gegeven, om kinderen Gods te worden, aan degenen, die in zijnen naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleescihes, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En het ivoord is vleesch geivorden, en heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als van den eeniggeboren Zoon des Vadsrs, vol van genade en waarheid.
GEBED NA DE MIS.
Ik bedank. Heer, voor de gunst, welke gij mij verleend hebt, van te gedoogen, dat ik heden in de heilige offerande der Mis ben tegenwoordig geweest, boven zoovele anderen, die zulk geluk niet gehad hebben. Ik vraag u vergiffenis voor al de gebreken, waaraan ik mij door lauwheid des harten en verstrooid-
hedei dit c verle toek( Ik de 1 roepi aan mij ten, geen ontv heili heb, Dit uwe: Ir Zooi
247
1
heden heb schuldig gemaakt. Dat dit offer o mijn God, mij van het verledens zuivere, en tegen het toekomende versterke.
Ik keer nu met vertrouwen naaide bezigheden; tot welke gij mij roept; ik zal gedurende den dag, aan de gunsten gedenken, die gij mij verleend hebt, en ik zal trachten, dat mij geen werk, geen woerd, geene begeerte, noch eenige gedachte ontvalle, die mij de vrucht van de heilige Mis, welke ik nu gehoord heb, zou kunnen doen verliezen. Dit is hetgene ik met den bijstand uwer genade voorneem.
In den naam des Vaders en dos Zoons en dos H. Geestes. Amen.
.XjIT^IDTirE
VAK DE ALLERHEILIGSTE MAAGD MAMA.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, lioor ons.
Christus, verhoor ons.
God Vader in den Hemel, ontferm u onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld
ontferm u onzer.
God Heilige Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.
H. Maria, bid voor ons. H. Moeder Gods, bid voor ons. H. Maagd der Maagden, bid voor ons. Moeder van Christus, bid voor ons. Moeder der goddelijke genade, bid
voor ons.
Allerreinste Moeder, bid voor ons.
249
Allerzuiverste Moeder. Ongescliondene Moeder, Onbevlekte Moeder,
Beminnelijke Moeder,
Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers, Allerwijste Maagd,
Eerwaardige Maagd,
Lofwaardige Maagd,
Machtige Maagd,
Goedertierene Maagd,
Gettouwe Maagd,
Spiegel der gerechtigheid.
Zetel der Wijsheid,
Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat,
Eerwaardig vat.
Uitmuntend vat van godsvrucht,
Geheimzinnige roos,
Toren van David,
Ivoren Toren.
Gulden Huis,
Ark des Verbonds,
cr
a* lt;
o
o
xjit^hstie
VAN DK ALLERHEILIGSTE MAAGD MARIA.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God Vader in den Hemel, ontferm u onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld
ontferm u onzer.
God Heilige Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.
H. Maria, bid voor ons. H. Moeder Gods, bid voor ons. H. Maagd der Maagden, bid voor ons. Moeder van Christus, bid voor ons. Moeder der goddelijke genade, bid
voor ons.
Allerreinste Moeder, bid voor ons.
249
Allerzuiverste Moeder. Ongesclionclene Moeder, Onbevlekte Moeder,
Beminnelijke Moeder, Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers, Allerwijste Maagd,
Eerwaardige Maagd,
Lofwaardige Maagd,
Machtige Maagd,
Goedertierene Maagd,
Gettouwe Maagd,
Spiegel der gerechtigheid.
Zetel der Wijsheid,
Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat.
Eerwaardig vat.
Uitmuntend vat van godsvrucht.
Geheimzinnige roos.
Toren van David,
Ivoren Toren.
Gulden Huis,
Ark des Verbonds.
250
Deur des Hemels,
Morgenster,
Behoudenis der Kranken,
Toevlucht der zondaren,
Troosteres der bedrukten.
Hulp der Christenen,
Koningin der Engelen,
Koningin der Patriarchen Koningin der Profeten,
Koningin der Apostelen,
Koningin der Martelaren,
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen, Koningin zonder vlek ontvangen, Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons, Heer, Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verhoor ons, Heer, Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, ontferm u onzer. Christus, hoor ons,
Christus, verhoor ons,
Wees gegroet, Maria, enz.
|
0 | |
|
wij | |
|
God | |
|
in | |
|
van | |
|
en c | |
|
£ | |
|
onze | |
|
lt; . O |
ster |
|
O |
beve |
|
O |
toor |
|
C/3 |
V |
|
A | |
|
Chr |
251
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, H. Moeder Gods! versmaad onze gebeden niet in onzen nood; maar verlos ons van alle gevaren, o roemwaardige en gezegende Maagd^ onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster! Verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
v. Bid voor ons, o li. Moeder Gods. a. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
laat oks bidden.
Wij bidden u, O Heer! stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des engels, de menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden, door Christus onzen Heer. Amen,
OEFENINGEN
HEILIGE COMMÃiME.
In het H. Sacrament des Altaars waarin Jesus zich zelven tot voedsel voor onze ziel geeft, zien wij voornamelijk vier zijner goddelijke eigenschappen op eene bijzondere wijze uitschitteren: zijne Wijsheid, zijne Heiligheid, zijne Almacht en zijne Liefde.
Wilt gij nu eenigszins waardig voor dit H. Sacrament verschijnen, en op eene heilige wijze met dit goddelijke brood gespijzigd worden, dan moet uwe innerlijke gesteldheid eenigermate aan de goddelijke eigenschappen beantwoorden.
253
Zijne Wijsheid vordert uw geloof: zijne Heiligheid vraagt eene groote zuiverheid uws harten; zijne Almacht vordert uwen eerbied en aanbidding; zijne Liefde verlangt van u wederliefde.
' I. God heeft in zijne oHeindiye Wijsheid het middel uitgevonden om den nienseh, die zich door eene aardsche spijs in het eeuwig ongeluk gestort had, door eene goddelijke spijs te behouden, om zich met hem op eene wezenlijke en waarachtige wijze te vereenigen. Deze wijze vordert ontegensprekelijk een vast en levendig geloof: wij moeten daarbij al onze zinnen ten offer brengen, en te recht wordt dit Sacrament het geheim des geloofs genoemd. Naderen wij tot hem volgens de vermaning des Apostels, met een oprecht hart en in de volheid des geloofs, in de vaste overtuiging, dat Jesus met ziel en li-
250
Deur des Hemels,
Morgenster,
Behoudenis der Kranken,
Toevlucht der zondaren.
Troosteres der bedrukten,
Hulp der Christenen,
Koningin der Engelen,
Koningin der Patriarchen Koningin der Profeten,
Koningin der Apostelen,
Koningin der Martelaren,
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen, Koningin zonder vlek ontvangen. Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons, Heer, Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verhoor ons. Heer, Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, ontferm u onzer. Christus, hoor ons,
Christus, verhoor ons.
Wees gegroet, Maria, enz.
|
0 | |
|
wij | |
|
God | |
|
in | |
|
van | |
|
en o | |
|
£ | |
|
onze | |
|
lt; . O |
ster |
|
§ |
bevc |
|
O |
tooi |
|
O? |
V |
|
A Chr |
251
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, H. Moeder Gods! versmaad onze gebeden niet in onzen nood; maar verlos ons van alle gevaren, o roemwaardige en gezegende Maagd, onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster! Verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
v. Bid voor ons; o li. Moeder Gods. a. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
laat ons bidden.
Wij bidden u, o Heer! stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des engels, de meiischwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden, door Christus onzen Heer, Amen,
OEFENINGEN
HEILIGE COM MIME.
In het H. Sacrament des Altaars waarin Jesus zich zelven tot voedsel voor onze ziel geeft, zien wij voornamelijk vier zijner goddelijke eigenschappen op eene bijzondere wijze uitschitteren: zijne Wijsheid, zijne Heiligheid, zijne Almacht en zijne Liefde.
Wilt gij nu eenigszins waardig voor dit H. Sacrament verschijnen, en op eene heilige wijze mei dit goddelijke brood gespijzigd worden, dan moet uwe innerlijke gesteldheid eenigermate aan de goddelijke eigenschappen beantwoorden.
253
Zijne Wijsheid vordert uw geloof: zijne Heiligheid vraagt eene groote zuiverheid uws harten; zijne Almacht vordert uwen eerbied en aanbidding; zijne Liefde verlangt van u wederliefde.
' I. God heeft in zijne oneindige Wijsheid het middel uitgevonden om den mensch, die zich door eene aardsche spijs in het eeuwig ongeluk gestort had, door eene goddelijke spijs te behouden, om zich met hem op eene wezenlijke en waarachtige wijze te vereenigen. Deze wijze vordert ontegensprekelijk een vast en levendig geloof: wij moeten daarbij al onze zinnen ten offer brengen, en te recht wordt dit Sacrament hei geheim des geloofs genoemd. Naderen wij tot hem volgens de vermaning des Apostels, met een oprecht hart en in de volheid des geloofs, in de vaste overtuiging, dat Jesus met ziel en li-
254
chaam, met Godheid en menschheid, en even verheerlijkt als in den He-mel, in de H. Hostie tegenwoordig is. Ja, wij moeten met meer zekerheid aan zijne tegenwoordigheid ge-looven, dan wanneer wij hem zagen met onze eigen oogen; die ons zouden kunnen misleiden. Zulk een geloof had de H. Lodewijk: toen men hem, kort voor zijn dood, de H. Communie bracht, antwoordde hij op de vraag, of hij wezenlijk geloofde aan de tegenwoordigheid des Heeren in het H. Sacrament: âik geloof dat zoo zeker, als of ik met de Apostelen hem ten hemel had zien opklimmen. Zoo geloofde ook de H. Theresia, die niet begreep hoe iemand kon verlangen tijdens Jesus' omwandeling op aarde te hebben mogen leven, omdat zij hem even waarachtig in het H. Altaar-Sacrament aanschouwde.
Trachten wij, naar het voorbeeld
255
der Heiligen; met een even eenvoudig en vast geloof tot dat geheim te naderen, en zoeken wij niet te begrijpen, wat God in zijne oneindige wijsheid voor ons wil verborgen houden.
-II. De Gods vraagt van
u eene groote zuiverheid des harten. Eischte God in het Oude Verbond zoo vele zuiveringen bij de verschillende Offeranden; werd er eene zoo groote voorbereiding bij de Israëlieten gevraagd, wanneer Mozes tot hen uit naam van God zou spreken; hoe veel te meer dan wordt er zuiverheid en reinheid gevorderd, wanneer de God van oneindige Majesteit zelfstandig en lichamelijk in ons hart wil afdalen.
Noodzakelijk moet dus uw hart gezuiverd zijn van alle doodzonden, want zonder dat zoudt gij u vergrijpen aan het heiligste wat er is en eene afschuwelijke heiligschennis begaan. Maar zuiver u ook van alle
256
dagelijksche zonden en van alle gehechtheid aan hetzelve, om uwen God eene zuivere rustplaats te kunnen aanbieden. Die dagelijksche zonden eu gehechtheid aan dezelve, dat gebrek aan godsvrucht, die lauwheid, die vrijwillige verstrooidheden beletten dut de H. Communie heilrijke vruchten in u voortbreuge.Ach! hoe komt het, dat zoo vele kloosterlingen, dat zoo vele priesters, dat zoo vele christenen zoo weinig of geen nut trekken uit de H. Com-munie? Omdat zij in de gewoonte van dagelijksche zonden leven; omdat zij aardsche gehechtheden hebben die zij niet willen verlaten; omdat zij flauw en met geen genoegzame voorbereiding die H. Spijs ontvangen.
Ill De almacht van God vordert uwen eerbied en aanbidding. â God komt tot u in zijne almacht.. De
257
werken der natuur zijn groot; de schepping der aarde en hare voortdurende instandhouding vereischen eene almachtige hand. De werken der genade^ zoo als de Menschwor-ding, de Sacramenten, de rechtvaardiging zijn nog grooter en volmaakter. Maar nergens zien wij Gods almacht meer uitschitteren dan in het H. Sacrament des altaars. Eene kleine geconsacreerde Hostie is een grooter wonder, dan God ooit door zich zeiven, of door zijne Apostelen verricht heeft. Daarom noemt de H. Thomas, dit Sacrament het grootste der mirakelen door Jesus Christus uitgewerkt. De almacht van God vordert van ons diepen eerbied en nederigheid. Vandaar die menigvuldige aanbiddingen en kniebuigingen des priesters bij het verrichten der H. Geheimen; vandaar de drievoudige herhaling van de woorden des hoofdmans van 99 17
258
het Evangelie; Heer! ik hen, niet ivaardiy, dat Gij onder mijn, dak komt. En niet zonder reden; want beschouwde de H. Joannes de Doo-per, die in den schoot zijner moeder reeds geheiligd was en als een engel op aarde leefde, zich niet. waardig den schoenriem van Jesus te ontbinden, met welk gevoel van eerbied, aanbidding en nederigheid moeten wij dan in het H. Sacrament onzen God in ons hart ontvangen! Vreest den Heer, zegt de Profeet, gij allen, die zijne heiligen zijt- dat wil zeggen: die zijne wet volbrengt, die u met zijn vleesch voedt, die voortgang wilt maken in de deugd.
IV. Gods liefde verlangt van u wederliefde. Nergens schittert in het rijk der genade die liefde van God sterker uit, dan in het H. Sacrament des altaars. Toen Jesus de inenschheid aannam, toen hij aan
259
een kruishout stierf, gaf hij zich voor het menschelijk geslacht in het algemeen ten offer; maar in het H. Sacrament, in de H. Communie, geeft hij zich aan iedereen, ook aan u in het bijzonder, en vereenigt hij zich met u door zijne heilige liefde.
De liefde bezit drie voorname eigenschappen; zij wekt dengene die bemint op, om alles voor het beminde voorwerp te doen; zij haalt den mensch over; om alles daaraan te geven en er zich zelf naar te schikken, en vindt alzoo in vereeni-ging hare volmaking.
Deze drie eigenschappen zien wij duidelijk in het H. Sacrament des Altaars: de God der liefde doet ten eerste voor haar de natuur stilstaan, verandert de zelfstandigheid van zijn Lichaam en Bloed, zoodat de gedaante alleen overblijft; hij gewaardigt zich op bijna onnoemelijke plaatsen tegenwoordig te zijn.
260
en is met zijquot; zichtbaar lichaam onzichtbaar in het H. Sacrament tegenwoordig.
Hij geeft zich ten tweede geheel en al; zijn lichaam, zijne ziel, zijne Godheid, zijne genade aan het beminde voorwerp.
Eindelijk ten derde vereenigt Jesus zich op ecne wonderdadige wijze mot de ziel, die hij bemint, Wie kan begrijpen wat hij zelf ons daarvan verzekerd heeft: die mij eet, blijft in mij, en ik in hem. Gelijk de levende Vader mij (jezotulen heeft en ik door den Vader leef, zoo zal hij, die mij eet, ook door mij Leven.
Welk eene wederliefde eischt de liefde van Jesus! Ach! laten wij toch vol liefde naderen, wanneer wij aan het Sacrament â van Liefde deelnemen; Iaat ons dan gedachtig wezen, dat Jesus alleen uit liefde in het H. Sacrament tegenwoordig is. Hij geeft zich geheel aan ons;
261
laten wij hem uit liefde bij elke Communie ook iets van hot onze geven^ door onzen hoogmoed, onze eigenliefde ot' eenigö andere drift te bedwingen, en telken reize eenige deugd te beoefenen.
Den dag vóór uwe Communie /.ij uw gedrag stemmiger, ingetogener dan naar gewoonte; hoed u, vooral den avond te voren, zoo veel mogelijk voor verstrooiingen. Want gij moet u reeds voor een hoogfeest voorbereiden, uw hart met deugden trachten te verrijken en denken, dat gij genoodigd zijt op de Bruiloft van het Lam: dat gij door Jesus geroepen zijt, om niet hem en zijne leerlingen tot liet avondmaal zijner liefde te naderen. Die gedachte vervulle u, als gij u ter rust begeeft; kome u voor den geest, wanneer gij des nachts ontwaakt, en houde u bezig in den morgenstond, wanneer
262
gij u kleedt en naar de kerk gaat.
Daar in aandacht neergeknield, moet gij die gevoelens opwekken, die u hiervoor zijn opgegeven: een levendig geloof, een nederigen eerbied en aanbidding, een groot berouw over uwe zonden, eene vurige liefde, eene heilige begeerte om uwen Jesus te ontvangen. Daartoe kunt gij u bedienen van de gebeden, welke hier achter volgen of die door godvruchtige mannen geschreven zijn.
irtoe Eone algemeene oorzaak vnn dwa-sden, ling en ougerustheid, bijzonder in 1: die |]0 ]-]_ Communie, is de verwarring, chre- die er heerscht tusschen de bewegingen des harten en de verrichtingen van den wil. Het vermogen van te willen is het eenige, dat wij in eigendom bezitten; het eenige, waarover wij vrij en altijd kunnen beschikken. Door dat vermogen, derhalve, alleen kunnen wij ons verdiensten verschaffen of straffen berokkenen. 13e natuurlijke deugden.
(1) Oftrokken uit de onderriehtiugen van pater Qnadrupani.
264
welke de wereld te recht acht, omdat zij van God komen : maar die zij, ten onrechte, uitsluitend hoogacht, dewijl zij ons, door zich zeiven, niet de minste aanspraak op den hemel geven, zijn slechts loutere gaven; het zijn middelen, welke God ter beschikking van onzen wil gesteld heeft, en van welke de wil even als van alle andere gaven, een goed of slecht gebruik kan maken
Men kan van deze natuurlijke deugden beroofd ziin, en desniettegenstaande door den afgetrokken, dorren en gevoelloozen wil met God in eene nauwe vereeniging leven.
Deze uitleggingen zijn bestemd, om diegenen gerust te stellen, die zich zoo licht verontrusten, wanneer zij in hun hart niets gewaar worden, wat met die uitstortingen van gevoelige liefde overeenstemt, waarvan de gebedenboeken, in de voorbereiding tot de H. Communie, zoo
265
vol zijn, en die over het algemeen, altijd ten onrechte, het gevoel veronderstellen, en zich niets anders dan tot hetzelve richten. Hoe vele ziet men zich dan niet verontrusten over den staat hunner ziel, en die meenen van de genade beroofd te zijn, ondanks hun vasten wil, om de zonde te vluchten en God te behagen? Dat zij zich derhalve gerust stellen, en zich niet te vergeefs in vruchtelooze pogingen afmatten, om in hun hart een gevoeligheid op te wekken, welke God daarin niet gelegd heeft. Wanneer hij ons met die gave heeft begunstigd, zijn wij hem daarvoor, even als voor allo andere gaven, onze hulde verschuldigd; maar God vraagt aan een ieder slechts rekenschap van hetgeen hij ontvangen heeft, en de vrije wil alleen is aan alle menschen zonder uitzondering, geschonken. Ook vinden wij bij den
266
H. Pranciscus van Sales, niettegenstaande hij de gevoelige liefde jegens God en al de natuurlijke deugden in zulk een hoogen graad bezat. deze bepaalde stelling: , Het, grootste kenteeken, dat wij in deze wereld kunnen hebben, van in de genade Gods te zijn, is niet het gevoel, dat wij van zijne liefde hebben, maar het vaste voornemen, om nimmer in eenigo zonde, noch groote noch kleine^ toe te stemmen.quot;
De godvruchtige zielen kunnen zich met vrucht van de volgende oefeningen bedienen, wanneer zij zich, hetzij gewoonlijk, hetzij bijwijlen, vóór de H. Communie in den toestand bevinden, waarvan hier gesproken is. Zij zullen daarin zien hoe de wil alleen, zonder dat het gevoel medewerkt, oefeningen van alle christelijke deugden kan voortbrengen.
Ocfeuiug van vertrouwen, van ootmoe-disheid en van overgevinsj.
. Uit gehoorzaamheid, o mijn God, nader ik tot uwe heilige Tafel; uwe liefdevolle woorden, waarmede gij ons tot uw gastmaal roept, zouden mij niet genoeg geweest zijn, om mij daartoe te doen besluiten; want in de ontroering mijner ziel, durfde ik niet veronderstellen, dat dezelve tot mij gericht waren. Ellende en zwakheid zijn geene beletsels, om tot uw liefdemaal te naderen; doch wij moeten altijd met het bruilofst-kleed versierd zijn... en wanneer ik mijne oogen tot u, o God, heb opgeheven, en ze daarna op mij zeiven vestig, ach! dan begin ik te twijfelen, te wankelen en te sidderen: want zoo ik mij van uwe liefdetafel verwijder, ontvlucht ik
»
268
het leven, en zoo ik onwaardig daartoe nader, ben ik, behalve een zondaar, noch een heiligsclieimer.
Dan, uwe goedertierene wijdheid, o mijn GodI waakt steeds zorgvuldig voor al onze behoeften, heeft in al onze zwakheden voorzien; zij heeft ons hulpmiddelen geschonken, zoo wel tegen een vermetel vertrouwen, als tegen wantrouwen: want; indien gij niet gewild hebt, dat wij, van uwe genade verzekerd, ooit, met de vermetelheid van den Parizëer zouden zeggen: âIk nader tot het altaar des Heeren, omdat ik weet, dat ik rechtvaardig ben voor zijne oogen;quot; â hebt gij ook van den anderen kant niet toegelaten, dat een Sacrament van liefde voor ons eone foltering of een valstrik zou wezen. Ik gehoorzaam dan, o mijn God! en te midden dei-duisternissen, die mij omringen, wil ik vol vertrouwen den rt.ad van
269
mijnen leidsman volgen, die zich met de zorg mijner ziel heeft willen belasten. Ik zal tot uw altaar naderen, zonder dat ik een verzekering mijner onschuld heb, dan de woorden uit zijnen, of liever uit uwen mond: Gij mooyt ter Communie (/aan. Voor het overige, o mijn God, ontvang ik het ontbrekende ; die lauwheid en verstrooiingen dio mij tot in uwe tegenwoordigheid bijblijven, terwijl al de krachten mijner ziel in een diep gevoel van aanbidding en liefde moesten verzonken en verslonden zijn â dit alles, o God, ontvang ik met onderwerping, als eene verdiende straf, of als eene zalige beproeving, van uwe liefderijke vaderhand. En wanneer geloof, hoop en liefde in mijn hart uitgedoofd schijnen, dan nog zal ik niet wankelen, omdat ik weet, dat gij deze drie goddelijke deugden nimmer aan iemand onttrekt, ten
A
270
zij hij dezelve vrijwillig verloochent.
OEFENING VAX GELOOF,
Niettegenstaande de twijfelingen, die mij somtijds bestormen, wil ik oaatelijk gelooven, o mijn God! Ja; ik geloof alles, wat uwe H. Kerk mij voorhoudt om te gelooven. Ik heb; o Heer, dat levend licht van geloof niet vergeten, det gij in dagen van barmhartigheid, in mijne ziel deed schitteren, opdat de herinnering daarvan mij, in dagen van bekoring, tot troost en toevlucht zou verstrekken. Vermeerder o Heer, mijn geloof.
OEFEMING VAN HOOP.
De vrees schijnt wel de hoop in mijne ziel te overheerscher; maar ik weet, dat gij, hoewel een sterke en verschrikkelijke God, voor wien de Cherubijnen en Serafijnen zich met hunne vleugelen bedekken.
271
nochtans hier op dit altaar niets anders zijn wilt, dan het Lam Gods, het Slachtoffer, dat de zonden dei-wereld wegneemt; niets anders dan de goede Herder, die het verloren schaap zoekt, en hetzelve gevonden hebbende, op uwe schouders naaiden schaapstal, terugbrengt, zelfs zonder het te verwijten, dat het de kudde verlaten heeft; niets anders dan de Middelaar, die tot ons (je-komen is, om ons zalig tv maken, en niet om te oordeelen. Dit weet ik, o mijn God! en daarom hoop ik. Vermeerder, o Heer, mijne hoop.
OEFENING VAN LIEFDE.
Eindelijk, niettegenstaande de koelheid en ongevoeligheid^ die ik in mijn hart ontwaar, en die mij verschrikken, weet ik echter, o mijn God! dat ik u bemin: omdat mijn wil uwen dienst en de liefde voor u boven alle vreugden der aarde stelt,
272
en ik naar uwe genade alleen en niet naar aardsche goederen verlang; te meer, omdat ik z,oo veel smart gevoel, bij de gedachte, dat ik niet genoeg van liefde voor n doordrongen ben. Vermeerder, o Heer, mijne liefde.
OEFENING VAK BEGEERTE,
Neen, o mijn God, neen, gij weet het, het is niet uit minachting jegens het allerheiligste Sacrament van liefde, dat ik het met eene zekere, doch onwillekeurige onverschilligheid ontvang, en er zoo weinig troost en genoegen in vind. Immers, gij weet, mijn Jesus, dat ik gaarne alles wil verlaten, om u slechts te ontvangen.
OEFENING VAN BEROUW.
Ik gevoel wel geen haat of afschrik voor de zonde, waaraan de wereld geene schaamte aoch ver-
achtin ne ge slagen ik w met d van 1 vast l weder dat d( en da' uwe ^ Ik (jel mijn lof'te : ijiet a hetzel' uwe weigei dig oi vertro God, lieid, al doe mijne
yy'
273
achting hecht; ik ontwaar wel gee-ne gevoelige droefheid over de misslagen, die ik bedreven heb; maar ik weet echter, dat mijn wil zich met den bijstand uwer genade, daarvan heeft afgekeerd; want ik heb vast besloten, liever te sterven dan weder te zondigen: omdat ik weet, dat de ongerechtigheid u mishaagt, en dat alle zonden oneindig tegen nvve vlekkelooze heiligheid strijden. Ik geloof dan aan mijn berouw, o mijn God! omdat ik aan uwe belofte geloof; omdat, hoewel gij ons Diet altijd den troost toestaat, van hetzelve te gevoelen, gij echter nooit uwe reehtvaardigmakende kracht weigert aan hen, die er u ootmoedig om bidden, zoo als ik met vol vertrouwen gedaan heb. Neen, mijn God, ik bid u niet om die goedheid, van als het ware geheel en al door droefheid en berouw over mijne zonden verslonden te worden, au' 18
274
en daarover in tranen te zuchten neen, o Heer, het is mij genoeg van u de genade te mogen ontvangen, om de zonden zoodanig te ver- d foeien, dat ik nimmer meer in eene . doodelijke zonde moge vallen; ach, schenk mij deze genade, o God, en ondersteun hierin mijn voornemen j.ft ^ met uwen goddelijken bijstand. ^der
Hiermede, o Heer, stel ik mijne., â â
ziel in uwe handen. v'11 ,.
dorsti
behoe
mels,
scheps
troost
ter. 1
prijs
voor
?ij sp
mijne uwe i en, d( vlamc te be
Uit de navolghiy van Christus. 4 13.
OEFENING VAN VERTROUWEN,
ehten
moeg itvan ;e ver [i eeue ; ach od, en lemen d.
mijne
Heor, op uwe goedheid en groo-te barmhartigheid vertrouwende, nader ik tot u, uls een zieke tot zijn Verlosser, een hongerige en dorstige tot de bron des levens, een behoeftige tot den koning des hemels, een knecht tot den Heer een schepsel tot den Schepper; een mistroostige tot zijn liefderijkenVertroos-ter. Ik belijd mijne onwaardigheid, prijs uwe goedheid en bedank u. voor uwe overgroote liefde. Immers, gij spijst mij met u zelven; niet om mijne verdiensten, maar opdat ik uwe teederheid beter leere kennen, en, door eene grootere liefde ontvlamd, mij, naar uw voorbeeld, des te beter leere verootmoedigen. De-
JL
276
wijl het u aldus behaagt, neem ik met vreugde liet bezoek aan, dat gij u gewaardigt mij te brengen: mocht slechts mijne onwaardigheid daaraan geen beletsel stellen!
O allerminnelijkste en goede Jesus, hoe grooten eerbied en eeuwigen lof zijn wij u niet verschuldigd voor het ontvangen van uw heilig lichaam, om welks waardigheid te verklaren, geen sterfelijke tong in staat bevonden wordt! Dan, wat zal ik bij het ontvangen dezer heilige Communie denken? ik zal mij diep voor u vernederen, en uwe oneindige goedheid voor mij verheffen. Ik loof u, mijn God, en verhef u in eeuwigheid. Bij het zien uwer grootheid veracht ik mij zeiven, en werp mij voor u in den afgrond mijner nietigheid neder. Neem dit offer mijner armoede aan.
Gij zijt mijn God en mijne harm-hartigheid! in u hoop ik, en mijne
277
hoop zal niet beschaamd worden.
(H. Schrift.)
oefening van liefde en verlangen.
Volgens den H. Bernardus.
O hoe zoet, hoe aangenaam is het, zijne woning te vestigen in het 'allerbeminnelijkste hart van Jesus! Die herinnering alleen aan dat goddelijk hart vervult ons reeds met troost en blijdschap; wat zal het derhalve zijn, het van nabij met aandacht te beschouwen, en het geheel te bezitten? 0; wanneer ik met hetzelve vereenigd zal wezen, zal ik niet meer dulden, dan men er mij van afscheide. 0 Jesus, welk een rijke schat is uw hart. wat is het een kostelijke parel! gaarne geef ik al wat ik bezit, om het te bekomen. Heilige zielen, wenscht mij geluk; ik heb het gevonden, dat hart van mijn koning, van mijn broeder
278
en vriend, en, ik durf het zeggen, dat hart is het mijne. Het is mijn goed, een gedeelte van mij zeiven, mijne rustplaats, waarin ik al de dngen mijns levens wil wonen. O hart van mijnen Jesus, gij zijt slechts geopend^ opdat wij in u zouden kunnen verblijven in eene volmaakte vrijheid, en zonder dat nog iets onzen vrede kan storen. Wie zou u derhalve niet beminnen, wie zou zich op uwe liefde niet verlaten?
Heer Jesus, gij weet dat ik u bemin. Kom spoedig: mijne ziel hrandt van verlangen, om u te zien.
(H. Schrift.)
EERHERSTELLING
VAN HET
h mmm des altaars.
De Pausen Pins VII en Leo XII hebben twee honderd dagen aflaat toegestaan, welke aan de zielen in 't vagevuur kunnen toeiie-past worden, nan degenen, die deze eerherstelling god\ruchtij; bidden.
0 Jesus, mijn God en Zaligmaker, waarachtig God en mensch ik werp mij voor het eerbiedwaardig Sacrament des Altaars, waarin gij te mijner liefde verblijft, neder, met den diepsten eerbied, welken het geloof mij inboezemt; ik aanbid en bemin u van ganscher harte: ik draag u mijne aanbidding en eerbewijzing op, ter herstelling van al de oneerbiedigheden, versmadingen en heiligschennissen, die ik het ongeluk
280
gehad heb te bedrijven, of welke anderen u aangedaan hebben^ of in 't vervolg zullen aandoen. Ja^ miin God, ik aanbid u. Ik aanbid u, wel niet zooals gij aangebeden moest worden, noch zooals ik u zou moeten aanbidden, maar zoo goed als ik vermag; en ik wenschte het met die volmaaktheid te doen, waartoe alle redelijke schepselen in staat zijn. Ik wil u heden en altoos aanbidden, niet alleen voor die Katholieken, die u niet aanbidden of beminnen, maar ook in de plaats en ter bekeering van alle afgedwaalde broeders: van de goddeloozen, god-loochenaars; godslasteraars, boosdoeners, mahomedanen, joden en heidenen.
Mocht gij; o Jesus,van alle menschen en ten allen tijde, in het allerheiligst en goddelijk Sacrament des Altaars gekend, aanbeden, bemind on geprezen worden! Amen.
GEBED VAN DEN H. IGNATIUS
na dp:
HEILIGE COM 11 LINIE.
Ziel van Jesus Christus, heilig mij.
Allerbrandendst hart van Jesus (Jhris-tus, ontvlam mij.
Allerheiligst lichaam van Jesus Christus, verlos mij.
Allerkostbaarst bloed van Jesus Christus, drenk mij.
Allerzuiverst water dat uit de zijde van Jesus Christus gevloeid is, reinig mij.
Allerheilzaamst zweet, dat van het aangezicht van Jesus Christus afdroop, genees mij.
Lijden van Jesus Christus, dat zoo geschikt is om ons de godsvrucht
282
en 't medelijden in te boezemen, versterk mij.
O goede Jesus, behoed mij.
Maak dat ik in uwe heilige wonden eene schuilplaats vinde.
Duld niet; dat iets in staat zij mij van u te scheiden.
Verdedig mij tegen de listen van mijnen vijand.
Eoep mij in mijn sterfuur, en laat mij dan tot u komen; opdat ik u, met uwe Engelen en Heiligen, in alle eeuwigheid love. Amen.
ANDER GEBED VAN DEN H. Iamp;NATIUS.
O Heer, die u gewaardigd hebt u met mij te vereenigen, ik ben uw dienaar en het kind van Maria; uwe dienstmaagd.
Ik verzaak aan den duivel, aan al zijne werken en vermaken.
Gij alleen zijt de God mijr.s harten; gij alleen, o God, zijt mijn erfdeel in eeuwigheid;
283
Ontvang mijn geheugen, mijn verstand, en geheel mijnen wil.
Al wat ik heb, al wat ik bezit, heb ik van u ontvangen, o mijn God; ik schenk u alles zonder voorbehoud, terug, en ik laat het geheel aan uwe beschikking over, opdat gij het volgens uw welgevallen beheert;
Ik vraag u niets anders, dan uwe liefde en de genaden, die mij ter zaligheid noodig zijn; schenk mij slechts uwe liefde, dan ben ik rijk genoeg.
GEBED VAX DEN H. AUGUSTINUS.
Heer Jesus, schenk mij de genade, om mij zeiven en u te kennen; niets dan u te verlangen, mij te haten en u te beminnen. Dat ik dit alles doe ter uwer liefde. Dat ik mij vernedere en u verheffe; dat ik slechts op u denke; dat ik mij yersterve; dat ik alles wat mij over-
284
komt, uit uwe hand aanneme; dat ik mij zeiven vluchte en u volge; dat ik altijd verlange uwe voetstappen te drukken, en mij uwer bescherming waardig make; dat ik u vreeze en het geluk hebbe, onder het getal uwer uitverkorenen gerekend te worden; dat ik mij zeiven mistrouwe, en al mijn vertrouwen op n stelle'; dat ik u altijd gehoorzame en dat ik mij eindelijk aan niemand vast-hechle dan aan u alleen. Zie met een gunstigen blik op mij, opdat ik u be-ininne met een leedere, kinderlijke liefde en boven alles: roep mij tot u, opdat ik u moge aanschouwen en mij in eeuwigheid in uw aanschijn verheugen. Amen.
IV. GEBEDEN
aflaat ïe
om \m
TOT GrOD DEN VADER,
VOOK DE VERHEFFING DER II. KEHK.
Gedenk, o eeuwige Vader, uwe Kerk, welke gij van den beginne af hebt bezeten. Erken haar als de bruid van Jesus Christus uwen eenigen Zoon. die al zijn bloed voor haar heeft gestort. Wil, bid ik u, haar verheffen, haar met zulk een glans van heiligheid doen schitteren, en mot zulk een overvloed van genade vervullen, dat zij in haar lijden en strijden steeds overwinne, en meer en meer haren goddelijken Bruidegom gelijkvormig worde. Geef; dat al ha-
286
re kindereu u door een levendig geloof kennen, u met een vast vertrouwen aanroepen en met eene volmaakte liefde dienen.
Onze Vader. Ween gegroet.
TOT GOD DEN ZOON,
VOOR DE UITROEIING DER KKTTKEMIiN'.
O Jesus, waarachtig licht dat alle menschen bestraalt, die in de/.e wereld komen, doe, smeek ik u, de duisternis en scheuring verdwijnen. Geef, dat allen het lich t der waarheid volgen en zich haasten, om in den schoot der ware Kerk terug te keeren. O goede Herder, breng de verdwaalde schapen tot den schaapstal terug, opdat er maar eene kudde en één herder zij.
Onze Vader. IVees gegroet. TOT GOD DEN H. GEEST.
VOOK PEN VREDE TUSSCHEN 1gt;E CHRIS-TENE VORSTEN.
O Goddelijke Geest van liefde en
287
vrede, die zoovele volkeren in de eenheid des geloofs hebt verzameld, stort de volheid uwer genaden over de vorsten en hunne dienaren uit. Vervul hunne harten met dien geest van liefde, welke gij op de aarde hebt gebracht. Geef dat zij zich nooit door eenigen hartstocht laten vervoeren; dat zij nimmer iets ondernemen, wat tegen uwe eer en de eensgezindheid u-wer Kerk strijdig is; maar dat zij integendeel al hunne krachten inspannen, om de volken, welke gij hun hebt toevertrouwd, tot de vreugde des eeuwigen levens te geleiden.
Onze Vader. Wees gegroet. TOT DE H. DRIEVULDIGHEID,
VOOR DE UITBREIDING DES GELOOFS.
Heilige Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, gedenk, dat
288
de zielen der ongeloovigeu het werk uwer handen zijn, en gij hen naar uw beeld hebt geschapen. Laat uwen rechtmatigen toorn bevredigen door de gebeden der heilige zielen en van de heilige Kerk. Maak een einde aan hunne blindheid; zend tot die onwetende volkeren echt apostolische mannen, die al hun vermogen aanwenden om hen te verlichten, en schenk hun eindelijk de genade van u te kennen, te aanbidden en te beminnen.
Onze Vader. Wees gegroet.
UEBED VOOR DÃN H. VABEll DEN PAUS.
O God, Herder en Bestuurder aller geloovigen, werp eenen gun-
stigen blik op uwen dienaar.....,
wien gij tot Hoofd uwer H. Kerk hebt aangesteld. Verleen hem de genade van door woord en voorbeeld de kudde, welke gij hem
289
hebt toevertrouwd, voor de jeugd te vormen, opdat zij met hem tot het eeuwig leven mogen geraken, door onzen Heer Jesus Christus. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
19
)9
KORTE VERZUCHTINGEN,
die kunnen dienen: om de godsvrucht tc voeden en te onderhouden op de dagen, die na de H. Communie volgen.
Wie zal mij kunnen scheiden van de liefde van Jesus Christus?
O mijne ziel, laat ons God en God alleen beminnen!
O God, eenig en hoogste goed. maak dat ik eenen afkeer hebbe van alles, wat gij niet zijt.
Mijn welbeminde heeft zich aan mij gegeven, hij is de God mijns harten, ik voel dat ik hem bemin O Jesus, er is geen geluk, dat vergeleken kan worden bij het geluk, van u te ontvangen en u te beminnen,
O liefde, die altijd brandt en nimmer uitgedoofd wordt! Liefde die God zelf zijt, ontvlam mij.
Wat heb ik u laat beginnen te
291
beminnen, schoonheid, die altijd oud en altijd nieuw zijt!
Welk een troost voor mij, o mijn God; mij alleen met u, buiten het gewoel der wereld, te kunnen onderhouden, en mijn hart in u alleen te laten rusten!
O, welke zoetigheden vindt men in u, mijn welbeminde?
Ik dank u; mijn God, in wien alleen ik mijn vermaak, mijn roem en mijn vertrouwen vind, ik dank u voor al uwe gaven, maar ik smeek u, behoud ze voor mij.
Wat is vertroostender en zoeter dan u, o mijn God, te beminnen?
Ik heb naar u verlangd. Heer, en gij zijt gekomen... En ik gevoel dat gij geheel mijne ziel nog met uwe liefelijke tegenwoordigheid vervult.
Liever wil ik sterven, o mijn God, dan u nog te beleedigen...
Wat wilt gij dat ik voor u doe,
ipl li:
292
o mijn God? Ik wil niet meer leven dan voor uwe liefde.
Jesus beminnen, door Jesus bemind worden, in Jesus verblijven! welk eene vereeniging! Welk eene gelukkige liefde, welke genade en zaligheid schenkt gij mij. o mijn God!
Wat kan mij ontbreken, of wat kan ik nog wenschon, wanneer ik u, mijn goede meester, tot vriend heb?
Ja, met uwe genade, zal ik voortaan slechts voor u leven, slechts u beminnen, alles slechts voor u doen, en nimmer meer trachten te behagen dan aan u alleen, en uwe liefde zal mijn eenig geluk en de eeni-ge schat mijns levens uitmaken.
Helaas, Heer! waar dacht ik aan toen ik op u niet dacht? Waar hield ik mij mede bezig, toen ik u had vergeten? Wat beminde ik, toen ik u niet beminde?
293
O, ik wensch Jesus te beminnen; ik hoop dat ik hem bemin; ik wil hem altijd beminnen... Ik zal elke andere liefde uit mijn hart verbannen, om plaats te maken voor de liefde van Jesas.
O God mijns| harten, wees gij voor altijd mijn meester, en laat dat hart, hetwelk ik u heb toegewijd, uwe woning en uw altaar zijn, waarop dag en nacht het vuur u-wer heilige liefde brandt.
Jesus is mijn al: hij is mijn vader, mijn koning, mijn bruidegom en broeder, mijn meester en herder, mijn hoofd en geneesheer, mijn heil en mijn Zaligmaker.
Hoe zoet was het oogenblik, toen ik u, o mijn God, aan het hemelsch gastmaal bezat: en hoe zalig is ook het oogenblik, waarop ik mij met u onderhoud!
O mijn welbeminde Zaligmaker mocht ik u beminnen gelijk gij mij
294
bemint; u beminnen, zoo als gij het verdient; ontneem mij alles, doeh laat mij mijn hart behouden, om niets dan u te beminnen, om u altijd te loven en te danken.
O Jesus, wees gij de heersehen-de en onafgebrokene neiging mijns harten, laat al mijne handelingen tot uwe liefde strekken. Maak, dat ik liever sterve, dan u met eene flauwe liefde te beminnen.
Helaas! ik heb vele jaren laten heensnellen zonder u te beminnen, doch ik wijd u mijne overige levensdagen toe. Gij hebt mij gezocht, toen ik u vluchtte; zult gij mij dan verwerpen, wanneer ik u zoek?
Ach! Wanneer zal ik u van aanschijn tot aanschijn aanschouwen; wanneer zal ik u bezitten, zonder vrees van u te verliezen'? Wanneer zal ik u uit al mijne krachtan beminnen?
Mijn God, duld niet dat mijn
295
hart aan mij zeiven toebehoore, dewijl gij het mij slechts voor u hebt gegeven.
Niets behoort mij minder toe dan ik zelf; immers, is alles, wat ik ben, niet voor u, o mijn God?
Ach! waarom heb ik niet de harten van alle menschen, om ze u, mijn God, toe te wijden... Ik bezit slechts één hart, en dat hart zal geheel voor u zijn, het zal u beminnen, en niets anders dan u alleen.
üw hart is geheel aan mij: gij hebt het mij geheel geschonken door het heilig Sacrament uwer liefde: mijn hart zal ook geheel aan u toebehooren. Uwe liefde voor mij is oneindig; mijne liefde voor u zal ook geene grenzen hebben...
Het groote blijk uwer teederheid, dat gij uwen welbeminden leerling gaaft, was, dat gij hem vergundet op uwe aanbiddelijke borst te rusten; en gij gewaardigt u, zelf
Ir
296
in mijn hart te komen rusten!
Mijn God, hoe wonderlijk is uwe macht en grootheid! maar hoe oneindig zijt gij in goedheid en barmhartigheid!...
Ja, mijn God, ik dank u; ik dank u duizendwerf voor alles, wat gij voor mij hebt gelieven te doen.
Nooit, nimmer zal ik noch den weldoener, noch de grootheiü dei-weldaad, noch de geringheid en nietigheid van dengene, die dezelve zoo weinig waardig was, vergeten.
O heilig hart van mijnen Jesus, stel u niet tevreden met tot mijn hart te spreken: maar handel in hetzelve, werk er de onuitsprekelijke wonderen uwer almacht en liefde in uit; ruk uit dat hart alles, wat u kan mishagen; laat niet toe dat er iets in blijve, wat uwe oogen kan bedriegen en uwe liefde kwetsen.
Ter uwer liefde, mijn God, en in
297
den geest van dankbaarheid, wil ik u al de offers brengen, waartoe mijn kart bekwaam is; ik wil alles uit dat hart verwijderen, en er alles in verbeteren^ wat aan uwe goddelijke liefde strijdig mocht zijn.
Ter uwer liefde, zal ik mij, in deze omstandigheid, geweld aandoen en de gevoeligheid en lichtgeraaktheid mijns harten onderdrukken.
Ter uwer liefde, draag ik u deze droefheid, dit kruis op: hoe meer het mijn hart bedroeft, des te meer zal het 't uwe verheerlijken, wanneer het u in den geest van liefde, wordt opgedragen.
Ter uwer liefde, zal ik geduld hebben in deze gelegenheid, in welke dat geduld zoo dikwerf mijn hart ontvlucht.
Ter uwe liefde, zal ik de inborst van dien persoon verdragen, met wien ik dagelijks moet verkeeren, en die mij zoo vele reden van
298
klachten en verdiensten geeft.....
O ja, mijn God, de heiligen worden nimmer moede u te loven; ik ook wil u zonder ophouden loven door mijn geduld, mijne ootmoedigheid, zachtmoedigheid, mijne onderwerping aan uwen heiligen wil, door mijne offers en liefde.
Dat; zoo lang ik leef, mijn geest uwe oneindige grootheid aanbid de; dat mijn hart uwe grenzelooze goedheid beminne; dat mijne tcng uwe tallooze weldaden verkondiare;
O '
dat al de krachten mijner ziel zich te zamen vereenigen, om uwe barmhartigheid te loven; dat al mijne dagen en al de oogenblikken mijns levens voorbijgaan in de verwachting dier gelukzalige eeuwigheid^ waar alle harten, in uw aanbiddelijk hart vereenigd, u altoos zullen loven, aanbidden en beminnen. Amen.
'JK JK. JK. jiu
nr ^ â¢vr w ^ quot;à r ^ ^ ^ -
OPDRACHT
VAN HET HART VAN JESDS AAN HET HART VAN MARIA.
Gcopeubaard aan de H. Gcrtruda.
Heilig Hart van Maria, ik bezit niets, wat uwer waardig en aangenaam is, om u op te dragen. En hoevele dankzeggingen ben ik u, niettemin, schuldig voor al de gunsten, welke gij van liet Hart van Jesus voor mij hebt verkregen, en voor al de weldaden, waarmede gij mijzonder ophouden overlaadt!Welke voldoening moet ik u niet geven voor mijne ondankbaarheid en lauwheid in uwen dienst! Ik zou u gaarne liefde voor liefde schenken, en er u, door een uwer waardig
300
geschenk, de bewijzen van geven. Het eenige goed, dat ik bezit, is de eenige schat, welken gij zeiven mij gegeven hebt, te weten: het heilig Hart van Jesus, uwen god-delijken Zoon. Dat hart, van sene oneindige waarde, draag ik u op: ik kan niets meer doen, en gij verdient niets minder. Aanvaard, :met dat u behagelijk geschenk, te gelijker tijd ook mijn hort, dat u hetzelve aanbiedt.
GKBKl) VOOR EEN KRUISBEELD, TOT DE HEILIGE YUP WONDEN VAN JESUS.
O beminnelijke en liefderijke Jesus, ik werp mij in uwe tegenwoordigheid op mijne knieën, en bid en smeek u, met al het vuur mijner liefde, dat gij u gewaardigt, in mijn hart de levendigste gevoelens van geloof, hoop en liefde te storten, eu het met een oprecht berouw
301
over mijne afwijkingen en een stand-vastigen wil om mij te beteren, te vervullen. Verleen mij die gunst; terwijl ik uwe heilige vijf Wonden met eene groote aandoening en droefheid in mij zeiven overweeg en in mijnen geest beschouw, voor oogen hebbende wat reeds de Profeet David u in den mond legde: â Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, en al mijne beenderen geteld.quot; Amen.
Z. H. Pins VÃI heeft eenen vollen aflaat verleend, toepasselijk aan eene ziel in het vagevnnr, waaneer men, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, met godsvrucht het bovenstaanrie ^ebed voor het baeld van den gekrnisten Zaligmaker zal bidden.
GEBÃD VAN DEN H. BERNARD IJS, TOT DE ALLERHEILIGSTE MAAGD MARIA.
Gedenk, o hooggezegende Maagd Maria, dat het nooit gehoord is; dat iemand, die tot u zijne toevlucht
I
302
genomen, uwen bijstand verzocht, of uwe voorspraak ingeroepen heeft, door u is verlaten geworden. Bemoedigd door dit vertrouwen, neem ik tot u mijne toevlucht, o Maagd der Maagden, Maria, Moeder van Jesus Christus; ik snel tot u, en zuchtende onder het gewicht mijner zonden, werp ik mij rouwmoedig voor uwe voeten neder. Versmaad, o Meesteres der wereld. Moeder des eeuwigen Woords, versmaad mijn gebed niet; maar neem het genadig aan, en wil mij, arme zondaar, die van uit dit tranendal uwe hulp inroept, barmhartig verhooren. Sta mij bij, smeek ik u, in allen nood, nu en altijd, maar vooral in het uur van mijnen dood: o zachtmoedige, minnelijke en zoete Maagd Maria. Amen.
GEBED TOT DEN H. ENGELBEWAARDER.
O Engel Gods, aan wiens zorg
303
ik door de goddelijke voorzienigheid ben toevertrouwd, gewaardig u mij te verlichten, te bestieren en te behoeden (heden of dezen nacht) geheel mijn leven en in het uur van mijnen dood. Amen.
Z. H. Pius VII vurleent honderd dagen aflaat aan wie dit gebed godvruchtig bidt; een vollen aflaat aan wie het, eene maand lang, dagelijks ten minste eenmaal heeft gebeden, mits men dan biechte, ter Communie ga en bidde tot inzicht van onze Moeder de heilige Kerk; en een vollen aflaat in het uur des doods, aan diegenen, die het gedurende hun leven gewoon zijn te bidden.
BESffilffl COMMill
De geestelijke Communie bestaat volgens de woorden der Kerkvergadering van Trente, in een vurig verlangen, om Jesus Christus te ontvangen en zich met dat hemelsch brood te voeden, met een levend geloof; dat door de liefde handelt, en ons deelachtig maakt aan de vruchten en genaden van het Sacrament.
Die geestelijke Communie, welke door de Christenen onzer dagen zoo zeer wordt verwaarloosd, is nochtans een ware schat, welke de ziel met oneindige goederen vervult; dezelve is zoo voordeelig, dat zij dezelfde, en somtijds noch grootere genaden kan voortbrengen als de
305
wezenlijke Communie; want de ziel, die naar de volmaaktheid streeft, kan de geestelijke Communie met zooveel ootmoedigheid, liefde en godsvrucht doen, dat zij eene groo-tere genade verdient dan die, welke eene ziel verkrijgt, die wezenlijk, doch met minder vurigheid en voorbereiding, de H. Communie ontvangt.
De geestelijke Communie heeft dit op de wezenlijke voor, dat men de laatste slechts eenmaal daags kan ontvangen, terwijl men daarentegen de eerste niet alleen kan doen in al de missen, welke men bijwoont, maar zelfs alle oogenblikken van den dag: 's morgens, 's middags, 's avonds, des nachts, in de kerk, of in zijne kamer. O, hoe vele zielen zijn, door deze zalige oefening dikwijls op den dag te herhalen, tot de uitstekendste heiligheid gekomen!
Om deze zoo heilzame oefening 99 20
306
te vergemakkelijken, diene de volgende leiddraad. Wanneer de priester op het punt is, om de H. Communie te nuttigen (en gij zelf in de zedigst mogelijke houding en diep ingetogen zijt), verwek dan uit geheel uw hart eene oefening van leedwezen; sla nederig op uwe borst, ten teeken dat gij u zulk eene groote genade onwaardig kent; doe, zoo niet met den mond, dan ten minste inwendig, alle oefeningen van liefde, opoffering nederigheid en andere, welke gij gewoon zijt te verwekken, wanneer gij tot de heilige ïafel nadert; voeg daar het vurigste verlangen bij om Jesus Christus, die zich gewaardigt onder de gedaanten van het Sacrament zich te verbergen, te ontvangen; en om uwe godsvrucht op te wekken, verbeeld u, dat de heilige Maagd, of een uwer beschermheiligen, u de heilige hcstie komt aanbieden; stel u voor dat
gÃ
herl
met
haal
sche
dooi
mijr kom kom lerzi
V gen, rust hem gew nmn gene kun) wez(
(C
gen
307
gij dezelve wezenlijk ontvangt, en herhaal, terwijl gij Jesus nauw met uw hart vereenigd houdt, herhaaldelijk en bij verschillende tus-schenpoozen deze uitboezemingen, door de liefde ingegeven:
;;Kom, mijn Jesus, liefde en leven mijner ziel, kom in dit arm hart; kom en verzadig mijn verlangen; kom en heilig mijne ziel; kom, allerzoetste Jesus, kom.'''
Wees vervolgens in stilte ingetogen, en beschouw uwen God, als rustte hij in uw binnenste; aanbid hem, bedank hem en verwek de gewone oefeningen na de H. Communie (waartoe bijzonder de volgende godvruchtige verzuchtingen kunnen dienen), evenals of gij hem wezenlijk ontvangen hadt.
(Getrokken uit de Onderrichtingen over de aflaten.)
ur
-^fck.
rlt;rj*ïr^ir ^r ^ir^r^r
Hoe heilig het levea moet zija van ten christen, die Jesus Christus ia de H. Communie heeft ontvan-gpn.
Zij, die deel hebben aan het lichaam en bloed van Jesus Christus, moeten zich dikwerf deze woorden van den Zaligmaker herinneren; Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem.
Wij verblijven in Jesus Christus, als wij zijne ledematen zijn, en Jesus Christus blijft in ons, wanneer wij zijne tempels zijn. Wij zijn de ledematen van Jesus Christus, levende, waardige ledematen, wanneer zijn geest ons bezielt en doet handelen.
De geest van Jesus Christus nu, is een geest van heiligheid, een geest van godsvrucht, een geest van liefde voor God en zijne kinderen die onze broeders zijn.
309
Degene die, na de H. Communie ontvangen te hebben, met dien geest niet is bezield, behoort hem niet toe, en verblijft niet in hem. Men kan ook niet zeggen, dat die ziel zijn tempel is, en dat hij in haar, als ih zijne woning, verblijft. De tempel des Heeren is heilig: he t is een huis van gebed, van aanbidding en offerande. Degene derhalve, die den Zaligmaker heeft ontvangen^ en wiens ziel nog bezoedeld is met zondige neigingen^ welke hij involgt; eene ziel, die God niet in geest en waarheid aanbidt, waarin de liefde tot den evennaaste niet heerscht, die deze deugden niet kent; die ziel is de tempel des Heeren niet, hij kan niet besluiten daarin te verblijven, hij verwijdert er zich uit, als uit eene plaats, die door de onzuivere offers, welke men den duivel aanbiedt, bezoedeld is,
310
Hoe moet dan het leven wezen van een Christen, aan wien de Zoon Gods zich zeiven tot voedsel geeft? Hij moet een getrouwe navolger van den Zaligmaker zijn en zich beijveren het zoo ver te brengen, dat hij met den H. Paulus ksn uitroepen: Ik hen het niet die leeft, maar Jesus leeft in mij. Hij moet, in de eerste plaats, de zaken leeren be-oordeelen, zoo als Jesus Christus er over geoordeeld heeft: hij moot de wereld klein en verachtelijk vinden, niets voor groot aanzien dan God alleen, met verachting neder-blikken op den rijkdom, roem en macht der wereld, op de genoegens en gemakken des levens, en slechts datgene zijne overdenking waardig achten, wat eeuwig is.
Ten tweede; moet hij in zijn hart de gevoelens van Jesus Christus hebben; dezelfde liefde voor zijnen Vader, dezelfde liefdadigheid voor
311
de menschen, dezelfde nederigheid, hetzelfde geduld en dezelfde zachtmoedigheid; hij moet beminnen, wat de Zaligmaker heeft bemind: de waarheid, de heiligheid en zuiverheid; en haten, wat hij verfoeid heeft: de zonde, de logen, de ongodsdienstigheid, de onzuiverheid, enz.
In de derde plaats, moet hij zich in alles gedragen even als Jesus Christus: dat wil zeggen, dat al zijne handelingen geschieden uit liefde en met een zuiver inzicht; dat ze geleid worden door de wet van God, en tot zaligheid verstrekken voor den evennaaste en voor den-gene, die ze verricht.
Zoodanig moet hij zijn, die, dewijl hij zich voedt met het vleesch van het Lam zonder vlek, verplicht is te leven volgens Jesus Christus door Jesus Christus en voor Jesus Christus: of, zoo hij dien hoogen graad van volmaaktheid nog niet
312
bereikt heeft, moet hij er aanhoudend naar streven, en zich dagelijks beijveren, om hem te behagen, dooier zich op toe te leggen, om de overblijfselen van het leven van den ouden mensch uit te roeien.
|
ou- | |
|
ijks | |
|
oor | |
|
de |
T.JSTHIOTJID |
|
den | |
|
Bk. | |
|
Aan den God der H. Communie, v. |
EERSTE GEDEELTE.
De genoegens der heilige Tafel.
I. Dat mijne rechterhand verdorre, indien ik u, o Jeruzalem ooit vergete. . 9
Dat mijne rechterhand verdorre indien ik u ooit vergete, o Sacrament, dat al mijn genoegen uitmaakt! 12
II. Ik heb vurig verlangd dit Paaschlam met u te eten 18
Paschen... Paschen !.. Het moest voor den Christen eiken dag
INHOUD.
Blz.
Piischen zijn. . . , . 20
III. Komt allen tot mij die belast en beladen zijt, en ik
zal u verkwikken . . . 37 Komt allen tot mij ... Hier ben ik, Heer, dewijl gij mij geroepen hebt.....40
IV. Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Tenzij gij hetvleesch van den zoon des menschen eet, en zijn bloed drinkt,
zult gij het leven in u niet hebben......49
IJdele voorwendsels .... 52
V. Alle goederen zijn mij met haar geworden. ... 84
Met haar zijn mij alle goederen
geworden.....87
VI. God is een verslindend
vuur....... 91
Herinneringen aan de onder-
aardsche begraafplaatsen 97
INHOUD.
Blz.
VU. Ik ben het vuur op de wereld komen brengen . .112 Het vuur dat de martelaren ontvlamde ......114
VIII. Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem . .121 Het voedsel der sterken . . .123
IX. Wat maakt de goedheid, wat deschoonheid desHee-ren uit wat anders dan de tarwe der uitverkorenen, en de wijn die maagden
kweekt?......137
üe wijn die maagden kweekt . 139
X. Want wij, die velen zijn te zamen een bi'ood, een lichaam, dewijl wij allen aan hetzelfde brood deelachtig worden . . . .154
Tafel van den God van vrede . 156
XI. Gij hebt uw volk met het brood der Engelen gevoed.
Bh. 20
37
40
49 52
84
87
91
INHOUD.
Blz.
en aan hetzelve liet brood des hemels bereid, dat alle zoetheid in zich bevat. . 167
Mijne schoonste dagen.... Mijne
gelukkigste uren . . .169 XII. Blijft in mij en ik zal in u blijven. Gelijk een raink geenevruchten kandragen uit zich zeiven, tenzij hij met den boom vereenigd blijft, evenzoo kunt gij er geene dragen, tenzij gij in mij blijft......176
Ik zal u altoos toebehooren, als
gij het wilt.....178
XIII. O God,gij zijt de God mijns harten en mijn erfdeel in eeuwigheid.....184:
De eenige welbeminde mijns
harten......186
XIV. Wat heb ik inden hemel, en wat wensch ik op aarde buiten u ?.....191
INHOUD.
Blz.
Ander gebed van den H. Ignatius 282 Gebed van den H. Augustiuus 283 (iebedeu om den aflaat te verdienen .......285
Korte verzuchtingen. . . . 290 Opdracht van het hart van Jesus aan het hart van Maria 299 Gebed voor een kruisbeeld tot de heilige vijf wonden van
Jesus.......300
Gebed van den H. Bernardus tot de allerheiligste Maagd
Maria.......301
Gebed tot denli.Engelbewaarder 302 De geestelijke Communie . . 304 Hoe heilig het leven zijn moet van een Christen, die Jesus Christus in de H.Communie heeft ontvangen . . . 308
EINDE.
_
II
.