â -M
V:-' ' ;;*:r ' V^i'
#. 'â â â .; â gt; ' ⢠'V'. .. / â â 'v, â .â I
../-â â â - - :Vr* lt;4 :^\'-''
aS*''rXV ' : :amp; ^ ;, . â : ' yr:l^:' ^ -p:^
ï :: 'U â â ' ^ â ' â â â ^ 4. 9
sfeï *, WA. éfi: ft Wl. â â r': «:- ''é10S- k ;v:
\ â :; â â quot;); :- v . j-' â quot; \ â¢
Mr. w. l. p. a. molengraaff.
DE FAILLISSEMENTSWET VERKLAARD.
/égt; $. h., ^
DE FAILLISSEMENTSWET
VERKLAARD DOOR
MR. W. L. P. A. MOLENGRAAFF.
Hoogleeraar te Utrecht.
's - G H A V E N H A O K
G E B R. B E LI N V A N ï E 1898
B'BUOTMEEK IJfCSüNI VhRSlTEIT UTR CHT
r
RIJKSUNIVERSITEIT UTHECHT
05
847:
VOORWOORD.
Dit werk wil niet meer geven dan de titel aanduidt: eene verklaring van de Faillissementswet. Het maakt in geenen deele de aanspraak een hand- of leerboek van liet faillieten recht te zijn. Men verwachte dus geen uitvoerige of volledige historische, rechtsvergelijkende of dogmatische beschouwingen. Toch vleit de schrijver zich te zijn geslaagd, waar hij trachtte aan zijn onderwerp eene wetenschappelijke behandeling ten deel te doen vallen.
Voor de bewerking is gekozen de methode, door Prof. Opzoomer gevolgd in de eerste vier deelen van zijn Burgerlijk Wetboek verklaard. Na eene algemeene Inleiding en Algemeene Beschouwingen over den eersten titel, worden van iedere afdeeling van dien titel en van den tweeden titel systematische overzichten gegeven, telkens, voor zooverre dit bleek noodig te zijn, gevolgd door aanteekeningen op enkele artikelen. Deze methode heeft het voordeel, dat het verband bewaard blijft tusschen de verschillende bepalingen der wet, dat bij den eigenlijken commentaar vorm noodwendig te loor gaat.
Naar volledigheid ten aanzien van de opgaven en van de verwerking van literatuur en rechtspraak is gestreefd, onder beperking evenwel tot die geschriften en beslissingen, die
voor de verklaring en toepassing der geldende wet van belang zijn.
Mr. A. F. K. Haktogh had de vriendelykheid bij het nazien der drukproeven behulpzaam te zijn; daarvoor en voor verschillende door hem gemaakte opmerkingen worde hem hier openlijk dank betuigd.
Utrecht 1 Februari 1898.
M.
INHOUDSOPGAVE.
lilz.
Voorwoord.......................v
ALGEMEENE INLEIDING.
§ 1. GescJiiedenis der wet........................I
§ 2. Verhouding der verschillende onticerpen tot elkander . . 9
§ 3. Aanleiding tot de herziening van het faillietenrecht ... 11
§ 4. Vorm en indeeling der icet....................15
§ 5. Hoofdbeginselen der met. Geene onderscheiding tusschen
kooplieden en niet-kooplieden....................19
§ 6. Geene onderscheiding tusschen eerlijke en oneerlijke schuldenaren 23
§ 7. Onderscheid tusschen groote en kleine boedels.....30
§ 8. Berechting door den kantonrechter of door de arrondisse-
ments-rechtbank..............32
§ 9. Homologatie van akkoord buiten faillietverklaring ... 34
TITEL I. Van faillissement. Algemeene beschouwingen.
§ 1. (Rechtskarakter van het faillissement.').......39
§ 2. {Het faillissement betreft uitsluitend de goederen van den
schuldenaar.)...............42
§ 3. (Het faillissement omvat alleen vermogensrechten^) ... 44
§ 4. (Verhouding tusschen schuldenaar, schuldeischers en curator.) 46
§ 5. [Het faillissement omvat het geheele vermogen.) .... 52
mi
Biz.
§ 6. {Het JaillüinmtiU eindigt, als de boedel vereffend is ) . . 54
§ 7. Bepalingen omtrent faillissement in andere wetten . . 59
EERSTE APDEELING. Van de faillietverklaring.
§ l. (Voorwaarden caor de faillietverklaring i) ...... 71
§ 2. [Personen die de faillietverklaring kunnen aanvragen?) . . 86
§ 3. [Bevoegde rechter voor de f'allietverklaring.).....88
§ 4. [Procedure tot faillietverklaring.)................96
§ 5. [Rechtsmiddelen tegen de beslissing over de faillietverklaring.) 102 § 6. [Foorloopige tenuitvoerlegging van het vonnis van faillietverklaring.) ................112
§ 7. [Inhoud en openhaar making van het vonnis nan faillietverklaring.') ...............116
§ 8. [Artikelen 16-19.).............119
Artikel 1 eerste lid...............126
Artikel 2 derde lid; Artikel 4 tweede lid......130
TWEEDE AFDEEL1NG. Van de gevolgen der faillietverklaring.
Inleiding..................134
§ 1. Omvang van het faillissementsbeslag (artt. 20-22j . . . 135 § 2. Invloed van het faillissementsbeslag op de handelingsbevoegdheid van den schuldenaar (artt. 23 en 24;.....148
§ 3. Invloed van het faillissementsbeslag op de handhaving van
rechten door en tegen den gefailleerde (artt. 25-34, 36) . 151 § 4. Invloed van het faillissementsbeslag op tweezijdige overeenkomsten (artt. 37-40)......................169
§ 5, Uitbreiding van het faillissementsbeslag over zaken die aan
den boedel zijn onttrokken ('artt. 42-51).......183
^ 6. Invloed van het faillissementsbeslag op betaling en schuldvergelijking (artt. 52-55)......................207
§ 7. Invloed van het faillissementsbeslag op zakelijke zekerheidsrechten (artt. 57-59)........................213
§ 8. Gevolgen van het faillissementsbeslag in verband met het
huwelijksgoederenrecht (artt. 22 al. 2, 61-63).....219
§ 9. Gevolgen van het faillissementsbeslag ten opzichte van de
onderwerpen, behandeld in de artt. 35, 41, 56 en 60 . 233
Artikel 21 n0 1................241
IX
Biz.
Artikel 25 al. 1...............24fi
Artikel 33.................247
Artikel 51.................251
Artikel 57.................253
Artikel 61 al, l en 6.............25 5
DERDE AFDBELING. van ukï bf.stuuii ovkh den f.villikten
boeuel.
§ 1. Inleiding...............258
§ 2. De rechter-commissar is ...,........259
S; 3, De curator...............2fi,i
§ 4. De commissie uit de schuldei,sellers ... .... 274
§ 5. De vergadering der sckuldeischers........2 84
§ fi. De rechterlijke beschikkingen .........288
VIERDE AFDEELING. van de voouzteningen na de faillietverklaring en van het beheer des curators.
Inleiding..................290
§ 1. Voorzieningen na dn faillietverklaring (artikelen 92-97). . 290 § 2. Voorschriften omtrent het beheer van den curator (artikelen
98-104)................................296
§ 3. Plichten van den gefailleerde en dwangmiddelen welke tegen
hem kunnen worden aangewend (artt. 91, 105, 1 06, 87-90). 302
§ 4. Artikel 1 07 ............................30 7
VIJFDE AFDEELING. van de verificatie deh schuldvorderingen.
§ 1. (Algemeene beschouwingen.)..........309
§ 2. De voorbereiding der verificatie (artt. 108-115). . . . 312
§ 3. De verijicutiecergadering (artikelen 116-127, 137) . . 317 § 4. Bijzondere bepalingen omtrent de verificatie van sommige
vorderingen (artikelen 12S-136)..................348
1°. Rentedragende vorderingen .........348
2°. Voorwaardelijke vorderingen.........349
3°. Vorderingen met tijdsbepaling, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is , of welke recht geven op periodieke uitkeeringen..............351
X
Biz.
4°. Forderingen niet van een bepaalde waarde in Neder-
landach geld..............355
5quot;. Schuldvorderingen aan toonder.........356
6quot;. Bevoorrechte schuldvorderingen en schuldvorderingen door
hypotheek of pand verzekerd.........358
7quot;. Schuldvorderingen verzekerd door borgtocht.....359
8°. Schuldvorderingen met hoofdelijke schuldenaren .... 360
Artikel 122 al. 1..............366
ZPjSDE APÃEELING. van iiet akkoord.
§ 1. Algemeene beschouwingen (art. 138)..............376
tj 2. Indiening en behandeling van het akkoord (artt. 139-149). 385
§ 3. Homologatie van het akkoord (arlt. 150-156)..........400
§ 4. Rechtsgevolgen van het akkoord (artt. 157-164). . . . 410
ij 5. Ontbinding van het akkoord (artt. 165-1 72)..........413
Artikel 138 ................................426
Artikel 153 tweede lid 3°............429
Artikel 163 eerste lid.............43S
ZEVENDE AFDEELING. van ue vekeffbning des boedels.
§ 1. üe verzilvering (artt. 173-178)................435
§ 2. De uitdeelimjstijst (artt. 179-188)................443
§ 3. De uitbetaling en het einde der vereffening (artt. 189-194). 453
Artikel 173 ................................462
Artikel 174 ..........................466
Artikel 188 eerste lid.............469
ACHTSTE AFDEELING. van den kecutstokstanü des scuulde-
denaars na afloop van de vereffening. . 47 7
NEGENDE AFDEELING. van het faillissement eener nalatenschap ............486
TIENDE AFDEELING. bepalingen van internationaal recht. 499
ELFDE AFDEELING. van rehabilitatie .......509
XI
Biz.
TITEL II Van surséance van betaling.
§ 1. Algemeeue beschouwingen...........515
§ 2. Procedure tot verkrijging der surséance van betaling ( u'tt.
213-229 eerste lid, 239)......................528
§ 3. Rechtsgevolgen der surséance van betaling (art. 229 tweede
lid - 235)........ . *............538
§ 4. Einde der surséance van betaling (artt. 236-238). . . . 549
NASCHRIFT..................554
Aanvullingen en verbeteringen....................563
Wet van 30 September 1 893 {Staatsblad li0. 140), op het Faillissement en de Surséance van betaling (tekst).....5 67
Register der behandelde artikelen..........621
Register der behandelde onderwerpen........626
ALGEMEENE INLEIDING.
§ 1. Geschiedenis der wet. â Bij K. B. van 22 November 1879, nu 26, werd, op voorstel van den Minister van Justitie Mr. A. E. J. Modderman, eene Staatscommissie ingesteld tot herziening van liet Wetboek van Koophandel. Deze Commissie bestond aanvankelijk uit de heeren: Mra J. Gr. Kist, raadsheer in (thans voorzitter van) den Hoogen Raad, als voorzitter; H. C. Verniers van der Loepp, lid van den Raad van State; J. A. Fetjin, hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Utrecht; T. M. C. Asser, advocaat en hoogleeraar aan de Universiteit te Amsterdam, en M. J. Pijnappel, advocaat te Amsterdam, als leden, Jhr. G. J. Th. Beelaerts van Blokland, referendaris aan het Departement van Justitie, als lid en secretaris, benevens Jhr. Mr. R. K. W. IJ. Diert van Melissant , als adjunct-secretaris.
De Commissie hield zich in de eerste plaats onledig met de herziening van het wisselrecht en van het vennootschapsrecht. Eerst in 1884 werd de herziening van het derde boek van het Wetboek van Koophandel, handelende, onder den titel: // van de voorzieningen in geval van onvermogen van kooplieden«, over faillissement en surséance van betaling, onder handen genomen. Reeds drie jaren later, bij i-apport van 28 Febr. 1887, werd door haar aan den Konins aan^e-
' o o
Molexgraaff, FaUlissementswet 1
2
boden het ontwerp eener Wet op liet Faillissement en de Surséance van betaling, met toelichting.
Inmiddels had de Commissie verschillende wijzigingen ondergaan. Bij K. B. van 5 Oct. 1883 n0 27 werd aan Mr. Diert van Melissant om redenen van gezondheid, op zyn verzoek, eervol ontslag verleend. Kort daarna bood ook Mr. Verniers van der Loepp zijn ontslag aan (eervol verleend bij K. B. v. 8 Juli 1884 n0 68), terwijl 1 November 1884 aan de Commissie Prof. Fruin door den dood ontviel. Daarentegen werd Mr. W. L. P. A. Molengraafp, eerst advocaat te Amsterdam, later hoogleeraar aan de Universiteit te Utrecht, bij meergemeld K. B. van 5 Oct. 1883 en bij K. B. van 24 Pebr. 1885 n0 8 achtereenvolgens benoemd tot adjunct-secretaris en tot lid der Commissie.
Met machtiging des Konings werd het ontwerp der Staatscommissie met de toelichting en het rapport der Commissie gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld (uitgave Gebrs. Belinfante, 1887 ')), teneinde deskundigen gelegenheid te geven hun oordeel te doen kennen. Achtereenvolgens werd het ontwerp besproken door Mr. S. J. Hingst , Rechtsgeleerde Bijdragen en Bijblad 1886/7, afd. JD, bl. 43-49; Mr. B. J. Polunaar, in Rechtsgeleerd Magazijn 1888 (jg. VII) , bl. 1-44; Mr. M. Th. Goüdsmit, in Themis 1888 (dl. IL), bl. 206-241 en Mr. C. E. Achterberg, in Regten Wet, dl. 41, bl. 159-212, terwijl Mr. D. Josephus Jitta, in Rechtsgeleerd Magazijn 1888 (jg. VII), bl. 406-426, de in het ontwerp voorkomende bepalingen van internationaal recht (Titel 1, afd. 10 van het Ontw.) aan een uitvoerige critiek onderwierp.
In haar rapport aan den Koning had de Staatscommissie opgemerkt, dat zij over het ontwerp niet, zooals over het ontwei-p op het Handelspapier en over andere, toen nog niet aangeboden, ontwerpen, het oordeel van de Kamers ') Deze uitgave wordt hierna steeds aangeduid door den enkelen naam Belinfante.
3
van Koophandel had gevraagd, en wel «wegens het groote tijdverlies, dat daarvan het gevolg wasquot;1). Dit gaf den inmiddels opgetreden Minister van Justitie Jhr. Mr. G. L. M. H. Rüijs van Beerenbroek aanleiding in Juli 1888 het ontwerp der Staatscommissie aan verschillende Kamers van Koophandel ter fine van advies toe te zenden. Vier-en-tw;ntig Kamers deden ingevolge deze nitnoodiging of uit eigen beweging den Minister haar advies toekomen. Het waren de Kamers van Groningen, Winschoten, Leeuwarden, Harlingen, Sneek, Assen, Zwolle, Kampen, Avereest, Deventer, Arnhem, Wageningen, Nijmegen, Apeldoorn, Utrecht, Amersfoort, Amsterdam, Haarlem, 's Gravenhage, Rotterdam , Dordrecht, Middelburg, 's Hertogenbosch en Maastricht. Nagenoeg al deze adviezen gaven blijk van groote ingenomenheid met het ontwerp, terwijl in verscheidene op eene spoedige behandeling werd aangedrongen.
Met deze adviezen en de beschouwingen, waartoe het ontwerp den Minister aanleiding had gegeven, werd de Staatscommissie in het voorjaar van 1889 in kennis gesteld 2). Het in overleg met haar gewijzigde ontwerp bereikte den l5'0quot; Maart 1890 den Raad van State wiens, later aan de Tweede Kamer overgelegd, advies is gedagteekend 24 Juni 1890. Dit advies leidde, in hernieuwd overleg met de Staatscommissie3), tot het alsnog aanbrengen van verschillende wijzigingen in het ontwerp. In hoeverre aan het advies van den Raad van State en aan de daarbij gevoegde afzonderlijke adviezen, resp. van de leden Mrs. Jhr. W. A. C. de Jonge en G. de Vries Az.; A. J. Swart; Jhr. W. F. Rochüssen en Jhr. J. F. van Humalda van Eysinga; Jhr. van Humai.da van Eysinga en J. Heemskerk Az., gevolg werd gegeven,
') Belinfante, 1)1. VII.
-) Memorie van Toelichting tot het Regeerings-Ontwerp. Belinfante T, bl. 37.
:!) Zie Rapport aan de Koningin-Regentes. Belinfante II, bl. 223.
4
blijkt uit het eveneens aan de Tweede Kamer overgelegd rapport van den Minister aan de Koningin-Regentes, dd. 20 Nov. 1890 Het aldus gewijzigde ontwerp, hierna het Eegeerings-Ontwerp genoemd, werd 9 Dec. 1890 bij de Tweede Kamer ingediend. De Memorie van Toelichting is onderteekend door den Minister Eui.ts van Beeeenbroek 1).
In de zitting van den SO2'011 Jan. 1891 werd besloten niet de gewone wijze van behandeling te volgen, maar het ontwerp te stellea in handen eener Commissie van voorbereiding. Als leden dier Commissie wees de Voorzitter der Kamer aan de HH. Mrs. H. J. Smidt, tevens voorzitter, J. A. N. Tbavagt.ino, A. F. K. Haetogh, Th. Heemskerk en J. Gr. S. Bevers. Het onderzoek in de afdeelingen geschiedde den 15den en 16lt;lequot; April 1891. De algemeene verkiezingen, die in den daarop-volgenden zomer plaats hadden, en het optreden van een nieuw Ministerie met Mr. Smidt als Minister van Justitie deden groote vertraging in den loop der behandeling ontstaan. Door do Eegeering werd zelfs bij brief dd. 9 Sept. 1891, met alle andere aanhangige wetsontwerpen, ook dat betreffende' het faillissement en de surséance van betaling ingetrokken.
Weldra echter, den 22stcn Sept. 1891, werd het ontwerp weder onveranderd ingediend 3) en den 2',cn Oct. d. a. v. door de Tweede Kamer opnieuw besloten tot de benoeming eener Commissie van voorbereiding, thans samengesteld uit de HH. Mr. J. A. N. Travaglino, tevens voorzitter, Mr. A. F. K.
1
Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1800/91, nquot; 100,1-3.
2
als Belinfante 1, II, enz.
3
Het Regeerings-Ontwerp en de Memorie van Toelichting zijn uitgegeven door
5
Haiwogh, Mr. J. Gr. S. BüVJiits, Mr. U. H. Hubek en G. H. Hintzen. Deu 12dcn en 17dcn November 1891 volgde het hernieuwde afdeelingsonderzoek, daarna een geheel jaar van schijnbare rust. Eerst den 22sten Pebr. 1893 was de Commissie van voorbereiding gereed met haar lijvig Verslag, dat tevens het Antwoord van den Minister van Justitie en de uitkomsten van het mondeling overleg tusschen den Minister en de Commissie bevatte. Eene afzonderlijke nota van het Kamerlid Mr. J A. Levy was aan het Verslag toegevoegd 1).
Buiten do Kamer had het ontwerp inmiddels weinig stof tot critiek geleverd. Alleen valt te vermelden eene bespreking van het ontwerp door Mr. B. J. Polenaak, uitgegeven bij Gebrs. Belinfante in 1891.
Naar aanleiding van het Verslag en van het mondeling overleg tnsschen den Minister en de Commissie, werden dooide Regeering in het ontwerp verschillende wijzigingen gebracht, wat den Minister er toe leidde bij brief van 23 Maart 1893 een gewijzigd ontwerp van Wet aan de Tweede Kamer toe te zenden2). Dit gewijzigde ontwerp kwam den 18dc11 April d. a. v. in openbare behandeling, welke zes dagen duurde (18-21, 25 en 26 April). Bij eindstemming op den 28sten April werd het ontwerp aangenomen met 56 tegen 12 stemmen 3).
In de Eerste Kamer werden tot rapporteurs benoemd do HH. Mrs. Jhr. A. F. de Sa vornin Lohman , E, N. Kahusen , A. E. J. Nijsingh , M. J. Pijnappel en B. M. Vlielandee Hein.
') liet Verslag en de verdere stukken zijn opgenomen in do Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 189-2/93 onder nquot; 18, 1-20.
-) Het Verslag der Commissie van voorbereiding, de Nota van Mr. Lkvv on liet gewijzigd Wetsontwerp zijn opgenomen in dl. 11 van voormelde uitgave van liet Ontwerp van Gebrs. Belinfante.
:!) Handelingen dei- Tweede Kamer, zitting 1892/93, bl. 988-1058, 10(10-1008, 1128 en 1129. De beraadslagingen in de Tweede Kamer en liet Ontwerp van Wet, zooals het door deze Kamer werd aangenomen, vormen het UIquot; deel van meergenoemde uitgave van liet Ontwerp.
6
Hun Voorloopig Verslag is gedateerd 21 Juli 1893, hun Eindverslag, uitgebraclit na ontvangst van de daarin opgenomen
Memorie van Antwoord van den Minister, 9 September 1893')⢠De openbare beraadslaging in de Kamer volgde op 25, 26 en 27 September, terwijl bet ontwerp op laatstgenoeuiden dag werd aangenomen met 30 tegen 14 stemmen 1).
Na bekrachtiging door de Koningin-Weduwe Kegentes verscheen het ontwerp als Wet van 30 September 1893 op het Faillissement en de Surséance van betaling, in het Staatsblad van 1893, n0 140.
Art. 240, het laatste artikel der wet, luidt: «Deze wot treedt in werking op een nader bij de wet te bepalen tijdstip Ter voldoening aan dit voorschrift werd den 31sten October 1893 bij de Tweede Kamer ingediend een ontwerp van Wet, h houdende bepalingen omtrent het in werking treden van de wet op het faillissement en de surséance van betaling, de wijziging van bestaande wetten in verband daarmede en den overgang van de oude wetgeving tot de nieuwe « 2). Voor de behandeling van dit ontwerp nam de Kamer dezelfde methode aan als bij de behandeling van het ontwerp der Wet op het faillissement was gevolgd : het ontwerp werd gesteld in handen eener Commissie van voorbereiding en tot leden dier Commissie benoemde de Voorzitter der Kamer in de zittini? van 15 Deo. 1893 dezelfde leden, die indertijd de tweede Commissie van voorbereiding voor het ontwerp der Wet op het faillissement hadden uitgemaakt: de HH. Tbavaglino, Hartogh, Bevers, Huber en Hintzen, Het onderzoek in de Afdeelingen had plaats den 14de° Febr. 1894. Kort daarna verviel
1
) Handelingen der Eerste Kamer, zitting 1893/94, bl. 4-50. De Verslagen der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer en de beraadslagingen, in die Kamer gevoerd, maken uit liet IVquot; deel van de aangehaalde uitgave van het Ontwerp.
2
) Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1893/04, n0102,1-3.
7
echter het ontwerp evenals alle andere aanhangige wetsontwerpen, ten gevolge van dein Maart 1894 uitgesproken Kamerontbinding.
Nagenoeg onveranderd werd het opnieuw ingediend don 20s'on Juni 1894; de Memorie van Toelichting was nu onderteekend door den in Mei bevorens opgetreden Minister van Justitie Mr W. van dek Kaay i). In de zitting der Tweede Kamer van 28 Juni d. a v. werd andermaal besloten het ontwerp in handen te stellen eener Commissie van voorbereiding, tot welker leden door den Voorzitter werden gekozen de HH. Travaglino (voorzitter), Haetogh, Hintzen, Mr. C. Lucasse en Mr. H, L. Deuckeb.
In de zitting van den 25stequot; September 1894 werd in handen van dezelfde Commissie gesteld een bij brief van 24 September door het lid van de Tweede Kamer Mr. M. J. Pijnappel ingediend voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling, en wel van de artikelen 1 eerste lid, 6 tweede lid en 198 2). Het onderzoek van de beide wetsontwerpen in de afdeelingen dei-Tweede Kamer had plaats den 2'len October 1894. Over het wetsvoorstel-pijnappel verscheen onder dagteekening van 13 Juni 1895 het Verslag der Commissie van voorbereiding, bevattende de uitkomsten van de behandeling van het voorstel in de afdeelingen, van het eigen onderzoek der Commissie, het antwoord daarop van den voorsteller ontvangen, en dc uitkomst van het mondeling overleg, met den voorsteller gehouden. Een gewijzigd voorstel van wet sloot zich aan dit Verslag aan. De openbare behandeling in de zittingen van de Tweede Kamer van den 27sten en 285'en Juni eindigde met
') Bijlagen tot de llaiidelingen der Tweede Kamer, zitting 1894, no 54, 1-4.
Alle stukken hetreflende het wetsvoorstel van deu heer Pijnappel zijn opgenomen in de Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1894/95, onder no 61, 1-C.
8
de aanneming van het voorstel met 63 tegen 10 stemmen '). In de Eerste Kamer vond het algemeene instemming. Keeds den 12den Juli werd door de Commissie van Rapporteurs (de HH. Mr. E. Fokkeij, Mr. A. E. J. Nijsingh, Jhr. Mr. K. A. Gouin de Beaufort, A. C. Wektheim en Jhr. Mr. L. van Nispen) eindverslag uitgebracht, waarna het wetsvoorstel in de vergadering van 18 Juli 1895 zonder hoofdelijke stemming werd aangenomen 2). Als Wet van 6 September 1895 vond het een plaats in Staatsblad n0 155.
Inmiddels was den 27ston Juni 1895 door de Commissie vau voorbereiding uit de Tweede Kamer het Verslag uitgebracht over het wetsontwerp, houdende bepalingen omtrent het in werking treden van de wet op het faillissement en de surséance van betaling enz. Ook dit Verslag gaf de uitkomsten van de behandeling van het wetsontwerp in de afdeelingen, en van het eigen onderzoek der Commissie, alsmede het antwoord der Eegeering. Een gewijzigd ontwerp van wet werd door den Minister van Justitie den 2'ien Juli d. a. v. ingezonden 3). Den IGquot;11 October kwam het ontwerp in de Tweede Kamer in openbare beraadslaging en werd het zonder hoofdelijke stemming aangenomen ^1).
De Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer (do HH. M1S R. Melvil Baron van Lynden, E. N. Rahusen, A. M. Sassen, D. Engelberts en R. van Boneval Fatjre) bracht 8 November haar Voorloopig Verslag 5) uit, en 25 November
') Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1894/95, bl. 1432-1437 ,1444-1447, 1449-1452.
'2) Handelingen der Eerste Kamer, zitting 1894/5, bl. 381 , 382, 384 en 385.
Alle stukken on de beraadslagingen betreffende het wetsvoorstel van don lieer Pijnappel maken het VIe deel uit van Belinfante's uitgave van het. Ontwerp van wet op het faillissement en de surséance van betaling.
3) Bijlagen tot de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1894/95, n0 22, 1-6; zitting 1895/96, n0 6, 1.
'') Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1895/96, bl. 60 en 61.
5) Handelingen der Eerste Kamer, zitting 1895/96, bl. 35.
9
d. a. v. haar Eindverslag, waarin het antwoord van don Minister was opgenomen 1). De openbare behandeling, gevolgd door aanneming van het ontwerp zonder hoofdelijke stemming 2), vond den 18den Januari 1896 plaats. Kort daarop werd de koninklijke bekrachtiging verleend en verscheen het ontwerp als Wet van 20 Januari 1896 in Staatsblad n0 9 3).
Het in werking treden der Faillissementswet werd door artikel 1 dezer Invoeringswet vastgesteld op den l8'0quot; September 1896.
Artikel 14 derzelfde wet bepaalt, in navolging van het voorbeeld, in verschillende nieuwere wetten gegeven: «De wet van 30 September 1893 (Stbl. nquot; 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Sthl. n0 155), kan worden aangehaald onder den titel van » Faillissementswetquot;, en deze wet onder den titel van » Wet ter invoering van de Faillissementswet««. Deze officieele terminologie wordt ook in dit werk gevolgd.
§ 2. Verhouding der verschillende ontwerpen tot elkander. â In de Wet op het faillissement, zooals zij is tot stand gekomen, is feitelijk het ontwerp der Staatscommissie tot wet verheven ; want al moge dit ontwerp in vele details zijn gewijzigd en aangevuld, en de redactie veelszins verbeterd, in hoofdzaak is het onveranderd gebleven. In de Memorie van Toelichting tot het eerste Regeeringsontwerp wordt dan ook vooropgesteld: «aan deze wetsvoordracht en de memorie van toelichting liggen niet slechts de voorstellen der Commissie ten grondslag, maar deze zijn daarbij zelfs, zooveel mogelijk, woordelijk gevolgdDe belangrijkste afwijkingen van den arbeid der Staatscommissie, welke in het eerste Regeerings-
1
') T. z. p., bl. 51.
2
) T. z. p.. bl. 102 v.
3
;i) Alle stukken en de beraadslagingen betrelïende de Wet ter invoering van
10
ontwerp waren aan te wijzen on daarna in de wot zijn ovor-gegaan, bestonden in weglating van de in het ontwerp der Commissie voorkomende bepalingen omtrent het akkoord na verefiening of slotuitdeeling (artt. 197â204 O. S. C ) en omtrent de gevolgen van in het buitenland uitgesproken faillietverklaringen (artt. 211â213 O. S. C.). Ook in het tweede Eegeeringsontwerp, eene nieuwe editie van het eerste ontwerp met de daarin naar aanleiding van de opmerkingen der Commissie van voorbereiding gebrachte veranderingen, komen geen ingrijpende wijzigingen voor.
De openbare beraadslagingen lieten eveneens alle hoofdbeginselen van het ontwerp onaangetast. Behalve over het zoogenaamde amendement van den heer Levy, ten doel hebbende de wet te doen voorafgaan door een nieuwen titel: » van homologatie van akkoord buiten faillietverklaring had de Tweede Kamer slechts over een zevental amendementen te beslissen. Van deze werden er vier (een van den heer Rink op artt. 8 en volg., twee van de Commissie van Voorbereiding tot invoeging resp. van de nieuwe artikelen 10 en 11 en 206â212, en een van den heer van Houten op art. 198) aangenomen. Bovendien gaven verschillende amendementen op artikel 1 den Minister aanleiding, dit a.rtikel, en in verband daarmede de artikelen 6 en 198, gedurende de beraadslaging te wijzigen, wijzigingen die later bij de wet van 6 Sept. 1895, Stbl. n0 155 (voorstel-PuNAPPEL), weder zijn ingetrokken. Overigens werden nagenoeg alle artikelen der wet zonder beraadslaging of hoofdelijke stemming goedgekeurd.
Het feit dat alle hoofdbeginselen, in het Ontwerp der Staatscommissie neergelegd, ongewijzigd zijn gebleven, maakt de kennis van dit ontwerp tot het recht verstand van de wet onontbeerlijk. Nevens dit ontwerp en de daai'bij behoorende Memorie van Toelichting zijn van het meeste belang die stukken, waarin de wijzigingen worden gemotiveerd, die
11
bedoeld ontwerp naderhand heeft ondergaan. Daartoe behooren het Advies van den Raad van State met hot daarop betrekkelijke Rapport des Ministers aan de Koningin-Reg-entes, de Memorie van Toelichting gevoegd by het Regeeringsontwerp en vooral het Verslag van de Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer. Het zijn deze documenten die, als hulpmiddelen tot uitlegging der wet, in de eerste plaats in aanmerking komen en als zoodanig groote diensten kunnen bewijzen. Zij kunnen licht verspreiden over den zin ei) do beteekenis der wet, over de bedoelingen der ontwerpers en de strekking der gemaakte wijzigingen. Daarentegen hebben de beraadslagingen, in de beide Kamers gehouden, voor den uitlegger minder waarde, tenzij voor zooverre zij gedurende de beraadslaging in de wet gebrachte wijzigingen toelichten.
De door verschillende sprekers gegeven, somwijlen zeer eenzijdige, voorstellingen omtrent geest en strekking der wet hebben geen andere beteekenis, dan aan subjectieve meeningen in het algemeen toekomt, en alleen eenige waarde voor zooverre zij op juiste waarneming berusten en door den inhoud der wet, bij onbevooroordeelde beschouwing, worden bevestigd. Do gehouden redevoeringen moeten daarom niet dan met groote voorzichtigheid en vooral niet zonder critiek worden geraadpleegd. Eene geheel verkeerde opvatting omtrent do beteekenis der wet zou anders allicht kunnen post vatten,
§ 3. Aanleiding tot de herziening van het faillietenrecht. â De redenen, die tot het ontwerpen eener nieuwe wettelijke regeling van het faillietenrecht hebben geleid, worden duidelijk en beknopt aangegeven in de Memorie van Toelichting, welke daaromtrent het volgende mededeelt:
âSedert de invoering van het Wetboek van Koophandel in 1838 is het derde boek daarvan , houdende de » voorzieningen in geval van onvermogen van kooplieden'', onver-
12
anderd gebleven; er is zelfs geen enkel artikel dat, in den loop dus van bijna een halve eeuw, ook maar de geringste wijziging beeft ondergaan. Tocb mag bieruit de schijnbaar voor de hand liggende gevolgtrekking niet afgeleid worden, dat de bestaande regeling van het faillissement voldoet aan de eischen die eener goede wetgeving mogen worden gesteld. Integendeel hare toepassing heeft reeds sedert jaren tot tal van klachten, vooral van de zijde van de meest belanghebbende personen, van den handelsstand, aanleiding gegeven '); zij bracht al spoedig aan het licht, dat aan het werk van den wetgever van 1838 talrijke gebreken aankleven; zij deed eene menigte controversen ontstaan, voor alles dooide onvolledigheid der wet, haar zwijgen waar zij behoorde te spreken, in het leven geroepen 2).
wBezat Nederland in 1838 eene faillieten wet, die in vele
') Dit bewijzen o. a. ilo vele adi-esseu tei' zake va» liet faillictenrccht door Kamers van Koophandel bij de Regeering ingediend.
-) Verg. Mr. IIingst, iels ouer de werking onzer failliet wel, in Mar/azijn van Handelsregt, dl. Ill, B, bl. 65 vlg.; Mr. Godf.froi in Mar/azijn van HandelsregI, dl. IV, B, bl. 67; Mr. G. J. M. v. Voorthuysen, over de meesi wenscheljke wijzigingen in onze failliet wet in Themis 1875, bl. 85 vlg.; Jhr. Mr. 0. Q. van Swinderen, eenige wensctielijke wijzigingen in het Ned. faillietenregt, in Tijd-schrijt v. h. Ned. liegt, dl. V. bl. 113 vlg. en '210 vlg.; Mr. J. C. de Mark/. Ovkns, de beginselen van het hedendaagsche faillietenrecht, naar aanleiding der li Konkursordnung f. d. Deutsche Reich n. 1883. Verg. verderde Handelingen van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging over liet onderwerp; welke hoofdverbeteringen zijn in het faillietrecht wenschelijk, bepaaldelijk met het oog op:
a. onderscheiding tnsschen grootere en kleinere boedels;
b. de mogelijkheid van gerechtelijke bekrachtiging van een onderhandsch akkoord buiten faillissement;
c. eene vereenvoudiging der proceduren, waartoe het faillissement aanleiding geeft.
Praeadviezen van Mrs. .1. Pols en F. S. van Nierop in Handelingen enz., 1871, dl. 1, bl. 34-80. Beraadslaging en stemming over de vraagpunten in Handelingen 1871, dl. II, bl. 94-177.
13
opzichten de meeste buitenlandsche wetten op dit stuk overtrof, thans zou die lofspraak te eenenmale misplaatst zijn. En geen wonder. Vijftig jaren van voortschrijdende rechtsontwikkeling zijn aan haar voorbijgegaan; de resultaten van eene even zoolange ervaring en toetsing aan de behoeften der praktijk, door dagelijksche toepassing verkregen, liggen nog ongebruikt. Bovendien is dit tijdperk van stilstand ten onzent juist samengevallen met een tijdperk van levendige ontwikkeling en vooruitgang in onze nabaurstaten. Zoo ontving Pruissen eene nieuwe wet op het faillissement in 1855, Oostenrijk in 1869 (9 Januari), Hongarije in 1881, het Duitsche Rijk in 1877 (10 Februari, in werking getreden 1 October 1879), Denemarken in 1872 (25 Maart, in werking getreden 1 October 1872 M), België in 1851 (18 April), Italië in 1882 (2 Aprilâ31 October, in werking geti'eden 1 Januari 1883), Spanje in 1885 (in werking getreden 1 Januari 188G). In Engeland werd het faiilietenreeht voor het eerst in zijn geheelen omvang gecodificeerd in 1849 (Bankrupt Consolidation Act), welke wet sedert driemaal werd herzien, in 18G1, 1869 en 1883 (in werking sedert 1 Januari 1884 1)).
» Het derde boek van den Code de Commerce werd in Frankrijk reeds in 1838 (wet van 28 Mei) herzien en heeft toen belangrijke verbeteringen ondergaan. Sedert 1879 zijn opnieuw verschillende voorstellen tot herziening van de geheele materie van het faillissement bij de Kamer van Afgevaardigden aanhangig. Inmiddels kwam eene vrij ingrijpende wijziging tot stand bij de wet van 4 Maart 1889 â portant modification a la législation des faillites«. Ook mag worden gewezen op de den lld⢠April 1889 door den Zwitserschen Bondsraad vast-
1
) Partieele wijzigingen zijn ingevoerd in ISST en 1888.
14
gestelde en bij de op 17 Nov. d. a. v. gehouden volksstemming aangenomen wet w Ueber Schuldbetreibung und Konkursquot;. Ten slotte verdient nog vermelding dat de « Act to establish a uniform system of bankruptcy throughout the United Statesquot; van 2 Maart 1867, welke eene codificatie van het faillietenrecht bevatte voor het geheele gebied der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, sedert weder is afgeschaft bij de wet van 7 Juni 1878, zonder vooralsnog door eene nieuwe regeling vervangen te zijn.
«Dat de Nederlandsche wet nog aan de spits zoude staan, gelijk in 1838 geval was, kan dus redelijker wijze niet meer verwacht worden. De behoefte aan herziening deed zich dan ook reeds lang gevoelen. De klachten, die van Kamers van Koophandel en van anderen het meest gehoord worden, betreffen de opdrijving der faillissementskosten, ten gevolge der vele en hooge griffie-, zegel- en registratierechten; de talrijkheid der voorgeschreven formaliteiten; den langen duur der faillissementsafwikkeling, vooral bij insolventie; den geringen invloed, den schuldeischers op den loop der zaken toegekend; de gemakkelijkheid waarmede akkoorden tot stand komen , enz. Vooral echter heeft de jurisprudentie hot bestaan van groote leemten in de wet aan den dag gebracht Zoo hebben het gemis van bepalingen omtrent den invloed van de faillietverklaring op bestaande rechtsbetrekkingen, het ontbreken van elke i-egeling bij niet-nakoming door den schuldenaar van het gehomologeerde akkoord en de onzekerheid van den toestand der schuldeischers en van den gefailleerde na het feitelijk eindigen van den faillissementstoestand door goedkeuring van de rekening en verantwoording des curators, talrijke nog steeds onopgeloste twistvragen in het leven geroepen.
//Scheen het wenschelijk, waar de grieven zoo talrijk en zoo ernstig zijn, zich niet te bepalen tot het amendeeren der
15
bestaande wet, maar veeleer eene geheel nieuwe wet te ontwerpen, anderzijds was er geen voldoende reden om de herziening tot iets anders of meer te doen strekken dan tot verbetering, verduidelijking en aanvulling van het bestaande recht, telkens waar de ervaring had aangetoond dat zulks noodig was.
«Daarmede is de richting aangewezen waarin de wetgever heeft te arbeiden. Het Ontwerp schept geen nieuw recht, is geen uitvloeisel van nieuwe theorieën, maar beoogt niets andei-s dan een loutering van het geldend recht, door verwerking van de resultaten eener ruim vijftigjarige ervaring. Alleen waar een critisch onderzoek van de werking der bestaande wet, eene gesti*enge toetsing daarvan aan de behoeften van het verkeer, eene nauwkeurige raadpleging der rechtspraak en van de literatuur wijziging van het bestaande als wenschelijk deden kennen, is daartoe in het Ontwerp overgegaan. Van daar ook dat geen der nieuwere buitenlandscho wetten tot model kon dienen. Niettemin is de hulp der rechtsvergelijking geenszins versmaad, veeleer zorgvuldig nagegaan hoe elk punt in vreemde wetgevingen is geregeld. Vooral is dit geschied ten aanzien van de » Konkursordnung für das Deutsche Reichquot; en de «Loi sur la faillite Beigequot;quot;1).
§ 4 Vorm en indeeling der wet. â De wet van 30 Sept. 1893 is vastgesteld als eene zelfstandige wet tot regeling uitsluitend van het faillissement en de surséance van betaling. Zij vervangt het derde boek van het Wetboek van Koophandel en den laatsten titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvordering, zonder in de plaats te treden van een van beide. De toepasselijkheid der wet op alle burgers belette uit den aard der zaak haar te maken tot een deel van het Wetboek van Koophandel,
') Belinfante I, bl. 37 v.
16
verzette zich daarentegen niet tegen hare inlijving' bij het Wetboek v. Burg. Regtsv.. waarvan de wet bijv. een vierde boek had kunnen uitmaken. De Staatscommissie en de Regeering gaven echter de voorkeur aan eene afzonderlijke wet. h Indeeling ervan in het Wetboek van Burg. Rechtsvorderingquot;, lezen wij in de Memorie v. Toelichting (Belinfante I, bl. 41), âin plaats van den in te trekken titel «Van den staat van kennelijk onvermogenquot;, welke als afzonderlijke instelling komt te vervallen, schijnt niet wenschelijk. Daardoor toch zoude de economie van dat wetboek te zeer verstoord worden. Het faillietenrecht bevat te vele en belangrijke bepalingen van materieelrechtelijken aard, dan dat het geacht kan worden op zijn plaats te zijn in een Wetboek, meer eigenaardig gewijd aan het formeele procesrecht«.
Dit standpunt vond reeds dadelijk bestrijding bij Mr. Polenaab, dia in zijne beschouwing over het ontwerp der Staatscommissie, in het Rechtsgeleerd Magazijn, t. a. p., bl. 5 v., zijne voorkeur voor de opueming van de wet in het Wetboek van Koophandel aan den dag legde, vooral omdat de verhouding der nieuwe wet tot de overige wetboeken, bij gebreke van een aan ai-t. 1 van het Wetboek van Koophandel analoog voorschi-ift, onzeker zou zijn (verg. het Ontwerp enz. door Mr. Pomïnaar, bl, 8). In het Verslag der Commmissie van voorbereiding werd eene dergelijke opmerking gemaakt.
⢠De aandacht werd er evenwel op gevestigd (aldus het Verslag, Belinfante II, bl. 3), dat, mocht het ontwerp in dien vorm (scil van eene afzonderlijke wet) tot wet verheven worden, er in vele gevallen twijfel zal ontstaan, of het voor zaken van koophandel geldend materieel en processueel recht van toepassing zal zijn. Eene bepaling als die van art. 1, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel, luidende: «Het Burgerlijk Wetboek is, voor zoo verre daarvan bij dit Wetboek niet bijzonderlijk is afgeweken, ook op zaken van koophandel
17
toepasselijkquot;, behoorde mutatis mutandis alsnog aan het ontwerp te worden toegevoegd. Er waren echter ook leden, die meenden, dat alléén in geval van het faillissement eens koopmans de regelen voor procedure en bewijs, in zake van koophandel toepasselijk, moesten gelden '.
Het antwoord van den Minister luidde:
,/Dat er twijfel zou ontstaan, of het voor zaken van koophandel geldend materieel en processueel recht wel van toepassing zal zijn en daarom eene bepaling, als die van art 1 , eerste lid. Wetboek van Koophandel, aan het ontwerp zou dienen te worden toegevoegd , schijnt niet juist. In de toepasselijkheid van de bijzondere bepalingen voor handelszaken wordt niet de minste wijziging gebracht door het feit, dat de schuldenaar in staat van faillissement verkeert. Van die toepasselijkheid kan alleen sprake zijn bij verificatie-geschillen en bij procedures, waarin de boedel mocht worden gewikkeld, en de oplossing zal dan gevonden worden in de artt 3â 5 Wetboek van Koophandel, die steeds beslissen, of eene zaak van koophandel aanwezig is. Nimmer is dan ook in eenige speciale wet gebleken van de behoefte aan eene bepaling, als nu in deze schijnt te zijn verlangd.
«De meening, dat alléén bij faillissement eens koopmans de regelen voor procedure en bewijs, in zake koophandel, moeten gelden, wordt niet gedeeld. Die regelen zullen, ook in geval van faillissement van een niet-koopman, blijven gelden, wanneer er geschil is bijv over eene wisselrechtelijke vordering. Omgekeerd zullen ze, zelfs bij faillissement van een koopman niet toepasselijk zijn, waar het geschil loopt over een onderwerp van zuiver burgerrechtelijken, niet com-mercieelen aardquot;.
De vrees van Mr. Poi.enaatï, dat de enkele omstandigheid dat de wet een zelfstandig geheel uitmaakt,, tal van processen in het leven zal kunnen roepen en de deur opent
Molengraaff, Faillisscmcntswet. o
18
lijk», voor allerlei chicanes, mag dan ook overdreven genoemd worden. Er is inderdaad geen enkele reden om aan te nemen, dat uit de zelfstandigheid der wet zou volgen, dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van het Wetboek van Koophandel hare kracht zouden verliezen, zoodra zij met een faillissement in aanraking komen. Integendeel zij blijven uit den aard der zaak, ieder van haar op haar eigen gebied, toepasselijk, voorzooverre in de faillieten wet niet uitdrukkelijk iets anders is voorgeschreven De tot stand gebrachte afscheiding van de andere wetboeken is, en kan ook niet anders wezen, dan bloot formeel.
Met betrekking tot den vorm der wet valt op te merken, dat zij telt 240 ai-tikels (het ontwerp der Staatscommissie bestond uit 247 artikels, het eerste en het tweede Regeerings-ontwerp ieder uit 233 artikels), verdeeld over twee titels: âvan Faillissementquot; (artt. 1-212) en »van Surséance van betaling» (artt. 213-239), terwijl art. 240, over het in werking treden der wet, de algemeene slotbepaling uitmaakt. Van de beide titels bestaat de eerste uit elf afdeelingen, van welke de derde afdeeling nog weer is onderverdeeld in 5 paragrafen.
Over de daarbij gevolgde indeeling wordt in de Memorie van Toelichting (Belinfante I, bl. 41) opgemerkt:
w In hoofdzaak heeft het ontwerp de indeeling van den bestaanden titel over faillissement behouden , althans beider indeeling berust op denzelfden gedachtengang. Zij verdient de voorkeur boven eene systematische indeeling, als in de Oostenrijksche en Duitsche Konkursordnungen is aangenomen. Materieel en formeel recht werken in het faillissement zoo op elkander in, dat eene consequente scheiding daarvan noodwendig don samenhang der verschillende wetsbepalingen in meerdere en mindere mate doet te loor gaan. Eene systematische indeeling behoort eerder thuis in een leerboek
19
dan in eene wet, bij welker samenstelling voor alles naar practische bruikbaarheid moet gestreefd worden en welke gemakkelijk te raadplegen moet zijn. Aan die vereiscbten beantwoordt de indeeling der bestaande wet ruimschoots. Zij volgt den natuurlijken gang der faillissementsafwikkeling op den voet. Zoo ook het Ontwerp. Naar gelang dat een nieuw stadium van het faillissementsproees wordt behandeld, zijn de bepalingen van proeessueelen aard, die daarop betrekking hebben, telkens in eene afzonderlijke afdeeling bij elkander gebracht, maar ook tevens die door het faillissement veroorzaakte wijzigingen van bestaande rechtsbetrekkingen en rechtsverhoudingen en in 't algemeen die bepalingen van materieelrechtelijken aard aangewezen, welke meer eigenaardig met dat stadium samenhangen.»
5; 5. Hoojdbeginselen der wet. Geene onderscheiding tusschen kooplieden cn niet-kooplieden. â De twee belangrijkste vragen van wetgevingspolitiek, welke bij het ontwerpen der nieuwe wet waren te beantwoorden, mogen de beide volgende genoemd worden: behoort te worden bestendigd het ten aanzien van het faillissement en de surséance van betaling bestaande onderscheid tusschen kooplieden en niet-kooplieden ? en: behoort te worden aangenomen een onderscheid tusschen ongelukkige of eerlijke en oneerlijke schuldenaren? Beide vragen hebben in de wet eene ontkennende beantwoording gevonden.
De onderscheiding, wat het faillissement betreft, tusschen kooplieden en niet-kooplieden is ten onzent geïmporteerd met de Fransche Wetboeken. Terecht wijst de Memorie van Toelichting van het Regeeringsontwerp (Belinfante I, bl. 41) er op, dat het Oud-Vaderlandsche recht haar niet kende. Even min het »Wetboek op de Algemeene manier van proce-deeren in civiele en crimineele zaken,« van 1799, waarvan tit. 5 afd 3 tot opschrift heeft: «van zaaken raakende Boedels
20
in welke eene rechterlijke voorziening noodig is« ; het //Wetboek op de rechterlijke instellingen en de rechtspleging in het Koningrijk Holland quot; van 1809, tit. 5 : «van zaken, rakende boedels in welke uithoofde van des schuldenaars onvermogen eene rechterlijke voorziening noodig isquot; (artt. 651âG79), en het n Ontwei'p van Wet betrekkelijk de manier van procedeeren in civiele zaken « van 1815 (artt. 150â178), welke alle burgers zonder onderscheid aan het faillissement onderwierpen. Eerst in 1826 is de historische lijn verlaten en, in slaafsche navolging van den Code de commerce, het faillissement, beperkt tot kooplieden, naar het derde boek van het Wetboek van Koophandel overgebracht. Al zeer spoedig drong zich echter aan den wetgever de noodzakelijkheid op, de algemeene executie van het vermogen eens niet-koopmans niet geheel ongeregeld te laten, en zoo vond ten slotte het faillissement van den niet-koopman, onder den naam van «staat van kennelijk onvermogen», opnieuw een plaats in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. Evenwel geschiedde dit onder zoodanige beperkende voorwaarden (artt. 882 en 883 W. v. B. Rv.), dat in vele gevallen, waarin daaraan behoefte bestond, de verklaring in staat van kennelijk onvermogen niet kon worden uitgesproken en mitsdien alle nadeelen werden ondervonden, aan eene niet-regeling van den concursus creditorum verbonden. Voor het overige werd de verklaarde staat van kennelijk onvermogen, als in aard en strekking volkomen gelijk aan het faillissement, ook nagenoeg geheel aan dezelfde bepalingen onderworpen, welke voor het faillissement waren vastgesteld. Behoudens enkele afwijkende voorschriften, bestond de titel van het derde boek van het Wetb. v. Burg. Regtsvord.: w van den staat van kennelijk onvermogenquot; uit eene doorloopende verwijzing naar de artikelen, die in het Wetboek van Koophandel den titel; «van faillissementquot; uitmaken.
21
Niet zonder tegenspraak zijn indertijd de bepalingen omtrent wat de regeering in 1837 noemde het burgerlijlc faillissement tot stand gekomen. Tegen eene regeling van dit faillissement werden in de jaren 1828, 1829 en 1837 (resp. bij de behandeling in de Tweede Kamer van het eerste en tweede ontwerp van den titel » van den staat van kennelijk onvermogen» en bij de herziening van dien titel) dezelfde argumenten aangevoerd, welke bij de beraadslaging over de tegenwoordige wet dienst deden ter bestrijding van de gelijke behandeling van hot faillissement zoowel van kooplieden als van niet-kooplieden in éene wet. Eene uiteenzetting en bespreking dier argumenten kan hier gevoegelijk achterwege blijven, daar zij voor do uitlegging der wet van geen belang zijn en de, bij de wet van 6 Sept. 1895, Sthl. n0 155, weer geschrapte wijziging, welke art. 1 gedurende de beraadslaging in de Tweede Kamer heeft ondergaan, wezenlijk de ondervanging van andere bezwaren ten doel had. 't Zij dus voldoende als een gewichtig beginsel van de nieuwe wet voorop te stollen, dat ieder schuldenaar in staat van faillissement kan worden verklaard en dat voor alle faillietverklaarde schuldenaren dezelfde bepalingen gelden.
Het voorbeeld van gelijke behandeling van alle burgers mot betrekking tot de algeheele vermogensexecutie werd reeds door verschillende moderne faillietenwetten gegeven. //Opmerkelijk is het (Mem. v. Toel., Belinfante I, bl. 41) dat juist in Duitschland. waar de kooplieden een zeer uitgebreid eigen, recht bezitten, sedert de Konkursordnung het faillissement algemeen is geworden en dat door de Engelsche Bankruptcy Act van 1883 het laatste geringe onderscheid, dat aldaar nog bestond tusschen het faillissement van den n trader « en dat van den » non-trader « , is opgeheven (verg. Sec. 4 (d.) Bankr. Act 1883 met Sec. 4 (3) Bankr. Act 1869). Ook in Oostenrijk, Denemarken, Zweden (wet van 18 Sept.
22
1862) en Noorwegen (wet van 6 Juni 1863) kan ieder schuldenaar failliet verklaard wordenquot;. Evenzoo in Hongarijf. Het stelsel van gelijke behandeling van alle burgers is in deze landen proefhoudend gebleken; er is dus alle reden om te verwachten, dat ook in Nederland de ondervinding de practische bruikbaarheid daarvan zal bevestigen.
Hetzelfde beginsel is mede aangenomen met betrekking tot de surséance van betaling. Ook dit is in overeenstemming met het Oad-Vaderlandsche recht en met het recht dat van 1814-1838 heeft gegolden. «Immers», aldus de Memorie van Toelichting (Belinfante I, bl. 164), »hetSouve-reine Besluit van 29 Januari 1814, n0 66 {Staatsblad nquot; 20), dat deze materie van 1814-1838 regelde, bepaalde in artikel 2: «Deze provisiën (namelijk surséance van betaling-, mitsgaders van procedures en executiën) zullen door ons niet worden verleend dan aan zoodanige kooplieden, corpo-ratiën of andere personen, die, buiten hun toedoen quot;, enz. Het Ontwerp van een Burgerlijk Wetboek van 1820 bepaalde nog dat atterminatie of uitstel van betaling voor een bepaalden tijd aan iederen schuldenaar verleend kon worden (artikel 3550), terwijl surséance van betaling en executie verkregen kon worden door kooplieden, reeders van schepen en winkeliers, zedelijke lichamen en corporatiën [zooals steden, collegiën van openbare administratie, gods-, wees- en armenhuizen en dergelijken] (artt. 3565 en 3574). Eerst in 1823 werd het vraagpunt van stellig recht: âzullen er, behalve in materie van koophandel, brieven van atterminatie en surséance bestaanquot;? door de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontkennend beantwoord.quot;
Op die uitspraak is de wetgever thans teruggekomen, van oordeel dat het niet aanging, nog langer de rechtsweldaad der surséance van betaling een privilege te doen zijn voor een bepaalde categorie van burgers, aangewezen naar een zoo
23
willekeurige onderscheiding als die tusschen burgerlijke en handelsdaden. is geen houdbaar motief'te geven waarom
eene cultuurmaatschappij, eene bouwvereeniging 1), eene aannemersfirma , eene omnibusmaatschappij enz. van de weldaad der surséance niet zouden mogen genieten ; anderzijds spreekt het wel van zelf, dat al kan ieder niet-koopman surséance verkrijgen, zij toch niet licht aan een rentenier zal verleend worden; de voorwaarden daartoe zullen bij dezen in den regel ontbrekenquot; 2).
^ 6. Geenc onderscheiding tusschen eerlijke en oneerlijke schuldenaren. â Een niet minder gewichtig beginsel der wet is do opzettelijke en weldoordachte verwerping van elk onderscheid tusschen eerlijke of ongelukkige schuldenaren eener- en oneerlijke schuldenaren anderzijds. Een te gewichtiger beginsel, omdat in de laatste jaren in Frankrijk en België wettelijke onderscheiding en verschillende behandeling dezer beide categorieën van schuldenaren als het middel tot verbetering van het faillieten recht is aangeprezen en als het eenig juiste uitgangspunt bij eventueele wetsherziening den wetgever is aanbevolen. Wat meer is, de Belgische wet van 29 Juni 1887 relative au concordat préventif de la faillite, steunt inderdaad op deze onderscheiding. Immers naar luid van art. 2 laatste lid dezer wet n l'homologation (du concordat préventif) nc sera accordée qu'en faveur du débiteur malheureux et de bonne foiquot;. En al kan hetzelfde niet worden gezegd van de Fransche wet van 4 Maart 1889, portant modification a la legislation des fnillites, waarvan art. 1 bepaalt: » Tout comtneryant qui cesse ses paiements peut obtenir .... Ie bénéfice de la liquidation judi-ciaire bedoelde onderscheiding maakte toch schering
en inslag uit van de beraadslagingen over deze wet, in Kamer
') Vgl. de beschikking van den Hoogen Raad van 7 Febr. 1889, W'. nquot; 5602.
-) Memorie van Toelichting, O. S C. Belinfante, bl. 255; R.O. Belinfante I, bl. 104.
24
en Senaat gevoerd. Door de jurisprudentie wordt dan ook op grond van de geschiedenis der wet de goede trouw beschouwd als eene voorwaarde tot verkrijging van de weldaad dei-nieuwe instelling 1}.
Bij de behandeling van de nieuwe wet in de Tweede Kamer werd dit standpunt ingenomen door Mr. Levy. Het gaf hem aanleiding tot het indienen van zijn amendement om aan het wetsontwerp te doen voorafgaan bepalingen: w van homologatie van akkoord buiten faillietverklaringen tot het vellen van een steeds heftiger oordeel over het aanhangige ontwerp, dat door hem, geheel ten onrechte, als de scherpste faillietenwet van gansch Europa werd uitgekreten (Belinfante ITI,bl. 1b). Tegenover deze bestrijding werd door den Minister van Justitie Smidt het beginsel van het ontwerp duidelijk uiteengezet en krachtig verdedigd, Dit beginsel laat zich aldus omschrijven: de wet beschouwt en regelt het faillissement uitsluitend als een beslag op en executie van het vermogen des schuldenaars, maakt geen onderscheid tusschen al of niet eerlijke, al of niet ongelukkige schuldenaren, laat daarom den persoon des schuldenaars geheel ongemoeid, verbindt althans aan de faillietverklaring geenerlei voor den schuldenaar onteerend gevolg 2), en laat in verband daarmede het faillissement een einde nemen, zoodra de vermogensexecutie is afgeloopen âHet faillissementquot;, aldus de Minister, â (moet) eenvoudig zijn een vermogensexecutie , zonder meer â en niet een oordeel over â veel minder eene veroordeeling van het karakter of de moraliteit
') li. Mm.ai'ERT , du régime de la liquidation judiciaire lt;1892), n0' 53â50.
'â¢') Onder do oude wet besliste reeds de Rb. te Rotterdam ü Deo. 1895, W. nquot; 0758, in een geding over beleediging: //dat door de imputatie van het feit sub 1quot; (dat deze [de eischerj tweemaal zoude zijn gefailleerd) des eiscliers eer of goede naam niet is aangerand, kunnende toch door het ruchtbaar maken van de daadzaak //dat een persoon tweemalen in staat van faillissement is verklaard//, hoogstens aan benadeeling van het erediet van dien persoon worden gedacht, maar latende die daadzaak op zich zijn eer en goeden naam volkomen onaangetast //.
25
vau den scliiildoiiaar. Die uitspraak behoort de burgerlijke wet niet aan eene burgerrechtelijke handeling te verbinden, maar moet overgelaten worden aan de publieke opinie en zoo noodig aan den strafrechter. De publieke opinie zal dr.n verder ook niet afgaan op de faillietverklaring feaar aefrye, maar rekening houden met alle handelingen, het gedrag, het karakter, het geheele leven van den persoon; en de strafrechter, die niet een moreele uitspraak heeft te geven, zal vonnissen op grond van bepaald omschreven feiten, die eene vaste basis voor een oordeel opleverenquot;. «Met allen nadrukquot;, had de Minister laten voorafgaan, » handhaaf ik dan ook de uitspraak, gewraakt door den heer Levy , die neergeschreven is in het antwoord der Regeering:« eene verstandige wetgevingspolitiek vordert dat tegen den gefailleerde niet strenger worde opgetreden , dan eene richtige doorvoering van het beslag en van de vermogensexecutie noodzakelijk maaktquot;quot; (Belinfante III, bl. 26 v.).
Op dit consequent volgehouden beginsel van de wet wordt geen inbreuk gemaakt door de, op voorstel van vier leden der Commissie van voorbereiding, door de Tweede Kamer in de wet ingelaschte bepalingen omtrent de rehabilitatie, artt. 206â212. Wel zou de naam quot;rehabilitatiequot; eenige reden tot twijfel kunnen geven, daar hij duidt op herstel in een vorigen toestand, waarbij â omdat aan de rehabilitatie geen enkel rechtsgevolg is verbonden, en die toestand dus niet kan wezen de rec/itetoestand van den schuldenaar â zou kunnen worden gedacht aan herstel in den vorigen toestand van eer, te eerder omdat aan de rehabilitatie van het Wetboek van Koophandel het element van eerherstel niet vreemd was. Let men echter op de zaak zelve en niet alleen op den naam, dan is het duidelijk , dat de instelling der rehabilitatie met eerherstel niets gemeen heeft. Feitelijk is zij niets anders dan het bij rechterlijke uitspraak constateeren, dat de schuldenaar na het einde van het
26
faillissement aati zijne verplichtingen heeft voldaan, door voldoening zijner erkende schuldeischers ten genoegen van elk hunner, en de openbaarmaking dezer daadzaak in het overeenkomstig art. 19 der wet te houden openbare register. Daar in dit register het in gebreke blijven van den schuldenaar, itntners zijne faillietverklaring, wordt aangeteekend, achtte men het een eisch der billijkheid den schuldenaar de gelegenheid te openen in ditzelfde register de bevrediging zijner schuldeischers te doen aanteekenen.
Geheel in overeenstemming met het in de wet aangenomen beginsel maken dan ook de bepalingen omtrent x-ehabilitatie niet het minste onderscheid tusschen schuldenaren, die te goeder trouw en die te kwader trouw in staat van faillissement zijn geraakt. Dit heeft te meer beteekenis, wanneer men die bepalingen vergelijkt met diegene, welke omtrent de rehabilitatie in het Wetboek van Koophandel waren opgenomen. Noch art. 850 Wetb. van Kooph., bepalende dat de rechtbank bevoegd is, bij het verleenen der homologatie van een akkoord, den ongehikkigen en ter goeder trouw gehandeld hebbenden schuldenaar dadelijk te rehabili-teeren, noch art. 893 van dit Wetboek, waarbij van rehabilitatie werden uitgesloten, zij die schuldig zijn verklaard aan stellionaat of die ter zake van bankbreuk of van een der in de artikelen 342, 343 en 346 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, diefstal, afpersing, oplichting of verduistering van eenig in bewaring gegeven goed zijn veroordeeld, is overgenomen. Ieder schuldenaar zonder eenige uitzondering kan rehabilitatie verkrijgen, waarmede nadrukkelijk het standpunt is gehandhaafd, dat de faillietenwet burgerrechtelijke straffen niet behoort uit te deelen. Onverzwakt is dus ook gebleven het beginsel, dat het faillissement als zoodanig geen onteerend karakter heeft. Alleen het gedrag van den schuldenaar beslisse, onafhanke-
27
lijk van het feit of een algemeen beslag op zijn vermogen is selesrd, over de hem toekomende eer.
O o ^
Met de hier besproken beginselen zijn evenmin in strijd de enkele bepalingen in andere wetten, die de bevoegdheid van den gefailleerde tot het bekleeden van sommige ambten of betrekkingen betreffen. Hiertoe behooren : art. 11 2° van de Wet op de Eegterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, volgens hetwelk de leden van de rechterlijke macht nit hun ambt hunnen worden ontzet o. a wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen); artt. 437 u0 5 en 506 Burg. Wetb., bepalende dat.van de voogdij, de toeziende voogdij en de curateele zijn uitgesloten zij, die in staat van faillissement (of kennelijk onvermogen) verkeeren1); artt. 437 n0 5, 506, 838 en 1069 Burg. Wetb., naar luid waarvan voogden, toeziende voogden, curators, bewindvoerders over aan vruchtgebruik onderworpen goederen, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en bewindvoerders over nagelaten goederen hunnen worden afgezet, wanneer zij, reeds werkzaam zijnde, in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) worden verklaard; art 51 al. 2 der wet op het notarisambt van 9 Juli 1842, Sthl. n0 20, gew. bij art. 7 der wet van 6 Mei 1878,/SW/i. n0 29. bepalende dat de notaris, die in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is verklaard, op requisitoir van het openbaar ministerie, na verhoor of behoorlijke oproeping, door de
') Op L'ronil van artikel 1069 B. W.. bepalende dat de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders, bij artikel 1066 vermeld, om dezelfde redenen als de voogden kunnen worden afgezet, wordt door de schrijvers algemeen aangenomen, dat het faillissement ook de bevoegdheid, als uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen of als bewindvoerder op te treden, ontneemt. Vgl. Diepiiuis, Nederlaadsch Burgerlijk Hegt, dl. !), bl. 332 v.; Opzoomer, Burgerlijk IVclbock verklaard, dl. 4, bl 348; Land, Verklaring van het Burgerlijk Wetboek, dl, 2, stuk 2, bl. 150 bij art. 1060, en het Verslag der Commissie van Voorbereiding over de wet ter invoering der Faillissementswet bij Belinfante V, bl. 22.
28
arrondisseinents-reclitbank uit zijn ambt Itan worden ontzet. Op jjrond van deze artikelen aan te nemen, dat het faillissement een onteerend karakter heeft of dat de wetgever daaraan een onteerend karakter heeft willen toekennen, is even verkeerd en kortzichtig, als op grond van het voorschrift van art. 58 der Wet tot regeling van het Hooger Onderwijs â volgens hetwelk met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar den ouderdom van zeventig jaren bereikt, hem ontslag wordt verleend â te concludeeren dat het voor een hoogleeraar onteerend is den zeventigjarigen leeftijd te bereiken of dat de wetgever het bereiken van dien ouderdom onteerend heeft willen maken. Immers evenals deze bepaling uitsluitend in het belang van het hooger onderwijs is neergeschreven, beoogen de aangehaalde bepalingen betreffende den gefailleerde uitsluitend de behartiging van de belangen eener goede rechtsbedeeling, de bevordering eener goede regeling der voogdij enz., hebben zij allerminst de strekking het faillissement voor den schuldenaar onaangenaam of vernederend te maken. Ten duidelijkste blijkt dit uit het facultatieve van de bepalingen omtrent de ontzetting van den gefailleerde, waardoor de gelegenheid wordt geopend , ja de verplichting opgelegd, met diens gedrag, met de oorzaken van het faillissement rekening te houden.
Wat eindelijk betreft de bepalingen van de Grondwet, die van de uitoefening van het recht, leden van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten of van den Gemeenteraad te kiezen, hen uitsluiten, die by rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren (resp. art. 80 al. 3, art. 127 al. 2 en art. 143 al. 2), of wel eischen dat men, om lid van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, de Provinciale Staten of den Gemeenteraad te kunnen zijn, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren (resp.
29
art. 84, art. 90, art. 127 al 4 en art. 143 al. 3), zij hebben niet uitsluitend betrekking op gefailleerden, maar zijn van eene veel ruimere strekking. Met name vallen daaronder onder-curateele-gestelden en schuldenaren wien surséance van betaling is toegestaan, en zouden daaronder ook vallen de sehulcle-nai-en die, ware het voorstel van den heer Levy over homologatie van akkoord buiten faillietverklaring aangenomen, overeenkomstig dat voorstel de rechterlijke beschikking houdende benoeming van bewindvoerders hadden verkregen. Het is dus duidelijk dat het ook hier niet geldt bepalingen van faillietenrecht.
Ook ton opzichte van de surséance van betaling heeft de wet het vereischte van het Wetboek van Koophandel: »buitengewone omstandigheden van oorlog of andere onvoorziene rampen « laten vervallen, zoodat thans niet alleen hij die geheel buiten zijn schuld, maar een ieder die buiten staat geraakt zijne opeischbare schulden te betalen, van die rechtsweldaad zal kunnen genieten. In de Memorie van Toelichting (Belinfante I, bl. 1G4) wordt omtrent dit punt opgemerkt: »» Buitengewone omstandigheden van oorlog en onvoorziene rampen « worden niet langer gevorderd, daar de ervaring aanleiding geeft het nut van dit voorschrift ten sterkste te betwijfelen Immers de toepassing, aan het artikel gegeven, heeft doen kennis maken met eene bijzondere scherpzinnigheid om tot onvoorziene rampen te verheffen, wat men op het eerste gezicht niet geneigd zou zijn daartoe te rekenen ... Surséance ^komt) vooral dan te pas . . ., indien de zaken zijn vastgeraakt. Natuurlijk is oorlog of eenige dergelijke ramp hiervan eene gereede aanleiding; maar ook al is eigen schuld oorzaak van den toestand, zoo blijft toch het belang der schuldeischers bij den eenen of bij den anderen vorm van regeling hetzelfde, en is er geen reden otn hen te laten boeten voor hetgeen hun schuldenaar in voorzichtig beleid te kort kwam.quot;
30
Bij de behandeling in de Tweede Kamer werden wel in het Verslag der Commissie van voorbereiding verschillende bezwaren tegen de instelling zelve aangevoerd, doch werd de uitbreiding der surséance tot alle schuldenaren door de voorstanders dier instelling niet bestreden.
Zoo heeft dan de wet consequent toegepast het beginsel der gelijke behandeling van alle schuldenaren, waar het betreft de regeling hunner rechtsbetrekkingen tot hunne schuldeischers en de algemeene inbeslagneming en executie van hun vermogen.
§ 7. Onderscheid tusschen (jroote en kleine boedels. â In de Algemeene Beschouwingen van de Memorie van Toelichting tot het wetsontwerp der Staats-Coinmissie werd de vraag ter sprake gebracht, of de wet onderscheid behoort te maken tusschen groote en kleine boedels, door voor de afwikkeling van deze eene bijzondere, eenvoudige faillissementsprocedure in te voeren. In de Engelsche Bankruptcy Act van 1883 heeft men getracht dit denkbeeld in toepassing te brengen Part. VII dier wet, bestaande uit de artikelen 121 en 122, handelt over a small bankruptcies« en stelt daarvoor eene -summary administration » vast. Ook ten onzent werd meermalen aangedrongen op eene zoogen. summiere afwikkeling van kleine boedels.
a Na zorgvuldige overwegingquot; werd in het ontwerp aan dit verlangen geen gevolg gegeven. »In elk faillissementquot;, aldus de Mem. van Toelichting, Belintante bl. 71 (= Memorie v. Toelichting Reg. Ontw., Belinfante I, bl. 47), «hetzij groot of klein, is een zeker stel van formaliteiten noodig tot waarborg voor de richtige behartiging van de rechten van alle belanghebbende partijen. Die formaliteiten tot een minimam terug te brengen , voor zooverre dit met rechtszeker-lieid samen kan gaan, is bij de samenstelling van het Ontwerp overal het sti'even geweest. Waar dit eenigszins mogelijk
31
was, zijn bovendien verscheidene bepalingen facultatief gesteld. Daardoor is eene regeling verkregen, die zeer eenvoudig is, zoodat in geon faillissement formaliteiten vervuld behoeven te worden , die niet geacht kunnen worden strikt noodzakelijk te zijn , en tevens elastiek genoeg om met den meer of minder ingewikkelden aard van elk concreet faillissement rekening te houden. Daarnaast is voor eene afzonderlijke faillissementsprocedure voor kleine boedels geen plaats; zij zou niet anders verkregen kunnen worden dan door opoffering van bepalingen, onmisbaar geacht ter verkrijging van rechtszekerheid en waar-borlt;nnlt;r van aller belanden.quot;
o o o
In de Memorie van Toelichting tot het Eegeeringsontwerp werd dit nog nader aangedrongen door van de eenvoudige wijze, waarop volgens het ontwerp ieder faillissement kan worden behandeld, aan de hand van de bepalingen van het ontwerp een schets te geven. âHet ware geheel overbodig maar ook onuitvoerbaar naast deze regeling nog eene andere voor kleine boedels in het leven te roepenquot;, dus luidde de conclusie.
Dit standpunt werd door de Regeering gehandhaafd èn tegenover de vele leden, die, blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer, voor kleine boedels eene nog eenvoudiger berechting wenschten, èn tegenover Mr. Levy, die in zijne Nota eene wettelijke splitsing van groote en kleine boedels verlangde. Bij de openbare beraadslaging kwam dit onderwerp niet nader ter sprake.
De wet maakt dus geen onderscheid tusschen groote en kleine boedels; op alle boedels zijn dezelfde wetsbepalingen toepasselijk. In geen en deele wil dit echter zeggen, dat nu ook alle boedels op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Juist om verschillende behandeling, naar den eisch der omstandigheden , mogelijk te maken, laten de bepalingen der wet groote ruimte van handelen aan hen, die haar hebben toe te passen. Tal van bepalingen zijn facultatief, de formaliteiten
32
â weinige. Eenvormige behandeling van alle faillissementen, waar die in het vervolg nog mocht voorkomen, zal dus niet anders wezen dan eene onverstandige toepassing der wet.
§ 8. BarerMincj door den kantonrechter of door de arrondisse-ments-rechtbank. - Bij de voorbereiding der wet heeft nog eene andere algemeene vraag een onderwerp van ernstige overweging nitgemaaakt, nl. deze: of de berechting der faillissementen in navolging van de Konknrsordnnng voor het Duitsche Rijk aan den kantonrechter behoort te worden opgedragen ? De Staatscommissie beantwoordde die vraag ontkennend op grond van de belangrijke wijzigingen , die de aanneming van dit stelsel in de Wet op de rechterlijke organisatie zou uoodig maken; immers zonder vermeerdering van het aantal kantonrechters zou aan eene dergelijke omvangrijke uitbreiding van hunnen werkkring niet kunnen worden gedacht.
Verschillende Kamers van Koophandel drongen niettemin, in hare adviezen over het ontwerp der Staatscommissie, aan op berechting door den kantonrechter, hetzij van alle faillissementen, hetzij alleen van de kleine faillissementen, of van de faillissementen van hen die wonen op plaatsen waar geen rechtbank is gevestigd, of van die faillissementen die de rechtbank aan den kantonrechter zou meenen te moeten renvooieeren.
Het Eegeerings-ontwerp sloot zich aan bij het voorstel der Staatscommissie om de berechting der faillissementen te laten bij de rechtbanken, trachtte evenwel de daartegen aangevoerde bezwaren zooveel mogelijk weg te nemen.
a Evenwel«, leest men in de Memorie van Toelichting (Belinfante I, bl. 48), « moet worden erkend dat in de uitgestrektheid der tegenwoordige arrondissementen voor de schuld-eischers eenig bezwaar is gelegen. Ora dit weg te nemen wordt vastgesteld de voor de schuldeischers gewichtigste
33
stukken rakende het faillissement ter inzage neer te leggen niet alleen ter griffie van de rechtbank, maar ook ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats of van het kantoor of het verblijf der gefailleerden (naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van woonplaats, kantoor of verblijf des schuldenaars), indien de plaats waar dit kantongerecht gevestigd is, niet tevens is de zetel van de rechtbank waar het faillissement aanhangig is. Men zie de artt. 97, 114, 139 en 183. Door deze bepalingen worden de schuldeischers in staat gesteld zich ter griffie van het kantongerecht op de hoogte te houden van den loop van het faillissement Schuldeischers van te Leiden, Hoorn, Nijmegen, Amersfoort, Eindhoven, Helmond, Harderwijk, enz., wonende gefailleerden zullen zich dus niet meer respectievelijk naar Den Haag, Alkmaar, Arnhem, Utrecht, 's-Hertogenbosch, Roermond of Zwolle behoeven te begeven om te vernemen wat voor hen van belang kan zijn. De voornaamste grief tegen de berechting door de arrondissements-rechtbanken mag hiermede als opgeheven beschouwd worden
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding (Belinfante II, bl. 20) waren niet alle leden van de Tweede Kamer het in dezen met de Regeering eens. Door sommigen werd het denkbeeld geopperd, aan de rechtbank de bevoegdheid te verleenen, wanneer dit wenschelijk voorkwam, het rechter-commissarissehap op te dragen aan eenen kantonrechter, gevestigd in eene andere plaats, dan waar zich de zetel der rechtbank bevindt, voor het geval het faillissement is opengevallen binnen den kring van dat kantongerecht en de meeste en grootste crediteuren ook daar wonen. Anderen gaven in overweging de faillissementsbemoeiingen alleen dan, maar dan ook in haar geheel, aan de rechtbank te laten, wanneer het faillissement was opengevallen binnen den kring van het kantongerecht, gevestigd ter plaatse, waar zich de zetel
Molengraaff, PaiilissemcTitsAvet, 3
34
der rechtbank bevindt; daarbuiten zouden zij het wenschelijk achten, die bemoeiingen (met uitzondering van de faillietverklaring desnoods) aan den kantonrechter op te dragen. De heer Levy eindelijk drong in zijne Nota aan op berechting door den kantonrechter, casu qno natuurlijk, met beroep.
De aandrang, van verschillende zijde uitgeoefend, bracht de Regeering niet tot andere gedachten. Van opdracht van het rechter-commissarisschap aan den kantonrechter in sommige gevallen verwachtte zij verschillende complicatiëu en ongelijke behandeling- der faillissementen , waardoor ook de afwikkeling daarvan in vele gevallen zou worden vertraagd en bemoeilijkt. De twijfel, in bet Verslag door eenige leden geopperd, of bij opdracht van alle faillissementsbemoeiingen aan den kantonrechter wel steeds voldoende waarborgen zouden bestaan voor eene richtige behartiging der daarbij betrokken belangen, kwam haar alleszins gerechtvaardigd voor. Tegenover den heer Levy deed zij gelden, dat het Staatsbelang in geen geval vorderde, de berechting der faillissementen aan de rechtbank te ontnemen, integendeel beter werd gediend door de berechting bij haar te laten.
Ook op dit punt werd bij de openbare beraadslaging niet nader teruggekomen. De wet heeft dus geen wijziging gebracht in de opdracht der faillissementsbemoeiingen aan de rechtbank. Bij de bespreking van de verschillende bepalingen dei-wet zal evenwel blijken, dat de procedure zeer is vereenvoudigd, dat talrijke leemten in de voorschriften van proces-sueelen aard zijn aangevuld en vele verbeteringen zijn aangebracht. Al bleef zij bij denzelfden rechter, ongewijzigd is de berechting dus geenszins gebleven, en het is stellig niet een der geringste verdiensten der nieuwe wet, dai juist de processueele zijde van het faillissement met zorg is herzien.
§ 9. Homologatie van akkoord huiten faillietverklariny. â In het advies van den Raad van State leest men, dat het's Raads
35
aandacht had getrokken, âdat omtrent de al of niet wensehe-lijkheid tot het stellen van regelen ten opzichte van homologatie van een akkoord buiten het faillissement, niets in het ontwerp of in de Memorie van Toelichting voorkomt Toch is van de zijde van den handel op eene dergelijke wijziging in de bestaande wetgeving aangedrongen. Ook is dit punt een onderwerp van beraadslaging geweest in de Nederlandsche Juristenvereeniging (prae-advies van Mr. ï1. S. van Nikkop . bl. 50 en vlg., betoogen van Mr. J. W. Tjjdeman , bl. 168 en Mr. J. C. Reepmakek, bl. 170, Handelingen der Juristenvereeniging II, 1871)«.
Na rijpe overweging was de Raad echter tot de slotsom gekomen, dat eene regeling van dit onderwerp geene aanbeveling verdient !).
Naar aanleiding dezer opmerking betoogde de Minister in zijn rapport aan de Koningin-Regentes, dat het onnoodig was in de Memorie van Toelichting omtrent dit onderwerp in beschouwingen te treden, â eensdeels omdat in dat opzicht geen verandering wordt voorgesteld in het thans geldende recht, anderdeels omdat zoodanige beschouwingen ongeveer eene hei-haling zouden moeten bevatten van de afdoende argumenten daartegen reeds in 1835 en 1886 ingebracht, bij gelegenheid van de behandeling van den door de toenmalige Regeering voorgestelden tweeden titel des derden boeks van het Wetboek van Koophandel onder het opschrift: »van homologatie van akkoord buiten faillietverklaring *, welke titel met 31 tegen 3 stemmen werd verworpen (Vook-duin, Geschiedenis en Beginselen der Nederlandsche Wetboeken, dl. X, bl. 839 v.)quot; 2).
In het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de
') Belinfante H, bl. 170 v. ') Belinfante t. z, p., bl. 226.
36
Tweede Kamer werd gewezen op de door de bovenaangehaalde Transche wet van 1889 ingevoerde «liquidation judi-ciaire« en op het Belgische »concordat préventif de la faillite als middelen tot voorkoming van faillissement. Naar soinmiger oordeel ware het wenschelijk, dit stelsel ook in ons recht in te voeren. De Regeering bleef dit echter nevens eene goede wet op het faillissement geheel overbodig achten ').
Anders oordeelde daarover het toenmalige kamerlid Mr. Levy. Deze beschouwde de instelling van het akkoord buiten faillissement als eene noodzakelijke aanvulling van het ingediende wetsontwerp. Daarom werd door hem bij wijze van amendement voorgesteld, de wet op het faillissement en de surséance van betaling te doen vooraf gaan door eene reeks bepalingen, vervat in 19 artikels: »Van homologatie van akkoord buiten faillietverklaringquot; 1). Uit de daarbij gevoegde toelichting bleek, dat de voorsteller van deze bepalingen verwachtte, dat ze tot de door hem zoozeer gewenschte schifting der schuldenaren in eerlijke en oneerlijke zouden leiden. Nadat in de zitting van 19 April 1893 met 40 tegen 20 stemmen was beslist, dat het Voorstel-levt moest worden beschouwd als een amendement, kwam het den volgenden dag in behandeling. Art. 1 werd toen verworpen met 41 tegen 27 stemmen, waardoor de behandeling der verdere artikelen verviel.
Mr. Levy liet evenwel het door hem voorgestane denkbeeld niet los. Den 30quot;°° Oct. 1893 werd door hem, gebruik makende van zijn recht tot het nemen van initiatief, aan de Tweede Kamer toegezonden een voorstel van eene wet op de homologatie van akkoord huiten faillietverklaring, welke wet volgens de bedoeling van den voorsteller gelijktijdig met de wet op het faillissement en de surséance van betaling
1
) Besproken in het hoofdartikel van IV. n0 ()319.
37
zou moeten in werking treden. Hot ontwerp was in hoofdzaak gelijkluidend met liet vroeger door hem, betreffende dit onderwerp, ingediende amendement. Door de ontbinding der Tweede Kamer in Maart 1894 kwam dit ontwerp te vervallen en de kiezers stelden den heer Levy niet in de gelegenheid het opnieuw aanhangig te maken. De homologatie van een akkoord buiten faillietverklaring verkreeg dus geen plaats in de wetgeving. Het is daarom onnoodig op de argumenten, vóór en tegen de instelling, in en buiten de Kamer, aangevoerd, hier nader in te gaan. De beraadslagingen over het amendement-LEvr vindt men bij Belinfante III, bl. 53-78, terwijl men over het wetsvoorstel-hwY vergelijke: M. F. de Pjnto, homologatie van akkoord buiten faillietverklaring, Prft. 1893, en Molengeaafe, het voorstel van wet van Mr. J. A. Levy â op de homologatie van akkoord huiten faillietverklaring u, in Rechtsgeleerd Magazijn 1894 (dl. 13), bl 98 v.
Titel I. Van Faillissement.
AliGEMEENE BESCHOUWINGEN.
§ 1, « Het Ontwerp gaat uit van het beginsel dat het faillissement is een gerechtelijk beslag op het geheele vermogen des schuldenaars ten behoeve zijner gezamenlijke schuldeischers. Deze opvatting beheerscht alle voorgestelde bepalingen-. Aldus lezen wij in de Memoriën van Toelichting tot de ontwerpen der Staatscommissie en der Regeering (O. S.C Belinfante, bl. 62; E. O. Belinfante I, bl. 42).
Wèl beschouwd heeft de instelling van het faillissement geen ander doel dan de toepassing, de practische verwezenlijking van de bepalingen, vervat in art. 1177 B. W.: » Alle de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar, zoo wel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor deszelfs persoonlijke verbintenissen aansprakelijkquot;, en in art. 1178 van hetzelfde wetboek: ;/Die goederen strekken totgemeenschappe-lijken waarborg voor zijne schuldeischers; derzelver opbrengst wordt onder hen, ponds ponds gelijke, naar evenredigheid van eens ieders inschuld, verdeeld, ten ware er tusschen de schuldeischers wettige redenen van voorrang mogten bestaanquot;. Verdeeling van het geheele vermogen onder de gezamenlijke schuldeischers, ziedaar dus wat wordt beoogd. Die verdeeling is het einddoel, de slothandeling. Het middel om daartoe te geraken het beslag.
40
Het beslag als rechtsmiddel, waardoor ten behoeve van een bepaalden schuldeischer een zeker verband op de goederen van den schuldenaar wordt gelegd, ter voorbereiding en ten dienste van de eigenlijke executie: de realisatie dier goederen, is een bekende instelling van het procesrecht. Het Wetboek van Burgerlijke Regts vordering kent dit beslag in tweeërlei vorm: als conservatoir beslag, als het wordt gelegd vóórdat de verificatie van des schuldeischers vordering heeft plaats gehad, ten einde te voorkomen dat, hangende het geding tot vaststelling van het vorderingsrecht, de ⢠waarborg« van den schuldeischer wordt weggemaakt, immers aan zijn verhaal onttrokken; als executoriaal beslag, als het wordt gelegd na verificatie der vordering, in. a. w. uit krachte van een execu-torialen titel. Het faillissement nu is niet anders dan een beslag, alleen daarin verschillende van de beslagen, geregeld in het Wetboek van Burg. Eegtsvordering, dat het omvat het gansche vermogen («alle de roerende en onroerende goederenquot;) van den schuldenaar, en in beginsel strekt ten behoeve van alle schuldeischers zonder onderscheid. De gevolgen van het faillissement zijn dan ook geheel van denzelfden aard als de gevolgen van ieder ander beslag, behoudens hunne grootere intensiteit en ruimere werking, uitvloeisels van den ruimeren omvang van het beslag zelf.
Het faillissement heeft zoowel het karakter van een conservatoir als van een executoriaal beslag; of liever, evenals elk conservatoir beslag, na vaststelling (verificatie) van het vorderingsrecht, overgaat in een executoriaal beslag, is ook het faillissement een conservatoir beslag, dat overgaat in een executoriaal beslag. Daardoor zyn in het faillissement twee periodes te onderscheiden : de eerste, de conservatoire, bestemd ter verificatie eenerzijds van de inschulden, van de rechten der schuldeischers, anderzijds van de goederen, die hunnen gemeenschappelijken waarborg uitmaken; de tweede, de executoriale, waarin de tegeldemaking van de in beslag genomen goederen wordt voorbereid en ten uitvoer gebracht en de opbrengst dier goederen pondspondsgewijze onder de schuldeischers wordt verdeeld. Draagt de eerste periode geen bijzonderen naam, zij is in haar wezen, evenals ieder conservatoir beslag, niet anders dan eene bewaring, sequestratie,,
41
vau den boedel, een na-aui voor deze periode van het faillissement in ons oud-vaderlandsch reclit niet onbekend (zie Mr. J. van der Linden, rechtsgeleerd, pradicaal en koopmanshandboek (1806), bl. 384; Ontwerp van een Burgerlijk Wetboek van Mr. J. van der Linden, 1807, bk. 4, tit. 7, afd. 2, art. 1 v.). De tweede periode, die der vereffening, heet in de nieuwe wet, evenals in het Wetboek van Koophandel, insolventie. Wordt aldus door de terminologie der wet het ingrijpende verschil tusschen beide perioden reeds duidelijk aangewezen, nadrukkelijker nog komt het conservatoire, voorbereidende karakter der eerste periode uit in de verschillende bepalingen der wet. Gedurende deze periode kan de curator het bedrijf van den gefailleerde voortzetten en aan dezen een som ter voorziening in het levensonderhoud uitkeeren (artt. 98 en 100), gedurende deze periode mogen de goederen niet dan in de in art. 101 genoemde bijzondere gevallen dooiden curator worden vervreemd: voorschriften die geen ander doel hebben, dan den boedel intact te houden, den bij de faillietverklaring bestaanden toestand te handhaven. Zoodra daarentegen de insolventie daar is, tot de vereffening moet worden overgegaan, eindigt de werking der bedoelde voorschriften. Het bedrijf wordt gestaakt, de schuldenaar niet langer uit den boedel onderhouden (art. 176), alle baten des boedels worden door den curator te gelde gemaakt (art 173); de curator gaat i, e. w. tot de uitwinning over.
De parallel tusschen het faillissement en een in executoriaal beslag overgaand conservatoir beslag is dus volkomen. Het verschil tusschen beide instellingen is quantitatief, niet quali-tatief. Dit verhindert echter niet, dat bij het faillissement eenc kenmerkende eigenaardigheid wordt aangetroffen: de gelegenheid die den schuldenaar wordt geboden, door een akkoord de uitwinning van zijne goederen af te wenden. Niet de bevoegdheid van den schuldenaar, met zijne schuldeischers een akkoord aan te gaan, is eigenaardig, maar het bij faillissement aangenomen beginsel, dat de beslissing van de meerderheid der schuldeischers over dit akkoord, door den rechter gefiatteerd, de minderheid bindt. Dat de eerste periode diegene is, waarin over dusdanige minnelijke opheffing van het beslag moet worden beslist, is duidelijk; voorkoming van
42
de executie, van de vereffening is immers het doel. En zoo wordt dus deze eerste periode van het faillissement volledig gekarakteriseerd door haar te noemen de periode van bewaring en beschrijving des boedels en van onderhandeling tusschen schuldenaar en schuldeischers tot voorkoming der gerechtelijke uitwinning.
Uit het vooropgestelde beginsel, dat het faillissement is een gerechtelijk beslag op het geheele vermogen des schuldenaars ten behoeve zijner gezamenlijke schuldeischers, worden in de Memoriën van Toelichting tot de ontwerpen der Staatscommissie en der Regeering eenige gevolgen afgeleid, die thans nader in oogenschouw moeten worden genomen.
§ 2. De eerste slotsom, door de beide Memoriën uit het genoemde beginsel getrokken , luidt: « het faillissement betreft uitsluitend de goederen van den schuldenaar, niet ook diens persoonHet faillissement is m. a. w. niet anders dan eene generale ïermo^ens-executie (beslag op het vermogen met executie daarvan als einddoel). De persoon van den schuldenaar blijft geheel ongemoeid, d. w. z. zijne rechtsbevoegdheid en in beginsel ook zijne bevoegdheid tot handelen. Van capitis deminutio, van burgerlijken dood is geen sprake. Rechtsadagia als; »decoctus pro mortuo habeturquot;, «decoctor habet nee veile nee nollequot;, klinken in onzen tijd, wanneer men let op de geldende wet, als een anachronisme. Evenals degene, te wiens laste op bepaalde goederen executoir of conservatoir beslag is gelegd, blijft ook de gefailleerde in het genot zijner burgerlijke rechten en bevoegdheden.
Hij staat niet, zooals wel is beweerd, onder curateele. Integendeel, hij is bekwaam om te handelen, speciaal om overeenkomsten te sluiten en verbintenissen aan te gaan; tot nakoming dier verbintenissen kan hij in rechte optreden en kan tegen hem in rechte worden geageerd. Alleen op zijne goederen. zijn vermogen rust een beslag, een verband, krachtens hetwelk die goederen tot bevrediging van de arresteerende schuldeischers (hier alle schuldeischers op het oogenblik der faillietverklaring) moeten worden aangewend Dit verband heeft een ieder te eerbiedigen, in de eerste plaats de schuldenaar zelf, maar evenzeer wie na het leggen van het beslag met dezen
4B
handelt. Vandaar dat latere handelingen van den gefailleerde, voor zooverre zij in botsing komen met het gelegde beslag, krachteloos zijn; dat de failliet, evenals ieder beslagene *), niet ten behoeve van derden over zijne goederen, als waren ze vrij, kan beschikken; dat uit verbintenissen, na de faillietverklaring door den schuldenaar aangegaan, geene aanspraken kunnen worden ontleend tegen den faillieten boedel, tenzij voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat (art. 24 der wet); dat vonnissen, ter zake dier verbintenissen tegen den gefailleerde verkregen, hoewel voor tenuitvoerlegging vatbaar, niet kunnen worden tenuitvoergelegd op het in beslag genomen vermogen, op den faillieten boedel. De gefailleerde kan dus wel handelen, zich verbinden, beschikken zelfs over de in beslag genomen goederen, maar niet dit beslag opheffen, het daardoor op de goederen gelegde verband wegnemen. Niettegenstaande zijne beschikkingen blijft het beslag op de goederen rusten, en niemand kan aan beschikkingen van den gefailleerde, na de faillietverklaring verricht, het recht ontleenen goederen aan dit verband te onttrekken. Men drukt dit alles uit, door te zeggen dat de schuldenaar de beschikking over de in beslag genomen goederen verliest (art. 23), wat dus niet anders beteekent, dan dat de schuldenaar niet zóó over die goederen kan beschikken, dat het beslag ophoudt er op te rusten.
lu verband daarmede wordt den schuldenaar door de wet ook het beheer over de in beslag genomen goederen ontnomen (art. 23), en wordt dit beheer bij faillissement aan eenen curator opgedragen, evenals bij executoriaal beslag een bewaarder kan worden aangesteld om het beheer, voor zooverre dit te pas komt, te voeren.
De Memorie van Toelichting zegt omtrent dit punt o. a. het volgende:
wAbsoluut nietig behoeft niet eene handeling van den schuldenaar te wezen, zelfs niet overeenkomsten en beschikkingen over het in beslag genomen vermogen. Het is voldoende dat dergelijke handelingen den boedel niet binden, tegenover den boedel niet werkzaam zijn. Relatieve nietigheid is noodig.
') Verg. vonnis Rb. Amsterdam 5 Juli 1892, P. v. J. 18(J4 n0. 9.
44
geen absolute. Indien dus het Ontwerp, gelijk ook thans rechtens is, den schuldenaar het beheer en de beschikking over den boedel ontneemt, wil dit niet zeggen dat alle overeenkomsten , welke de schuldenaar over bestanddeelen van den boedel mocht sluiten , absoluut nietig zijn , nietig in dien zin dat ook de mede contractant zich daarop zou kunnen beroepen, maar alleen dit, dat de schuldenaar over den boedel niet op eene den boedel, zoolang het beslag er op rust, verbindende wijze kan beschikken, en dat de curator tegen een ieder de nietigheid dier handelingen met betrekking tot den boedel kan inroepen. Verkoopt bijv. de schuldenaar een voorwerp tot den boedel behoorende, dan zal de kooper niet de nietigheid der overeenkomst kunnen beweren, doch alleen de overeenkomst niet tegen den boedel kunnen execu-teeren, zoolang het faillissement niet is opgeheven. Na de homologatie van een eventueel akkoord staat niets meer aan de volledige werking van eene dergelijke overeenkomst in den wegquot; (Belinfante I, bl. 42 v.).
§ 3. Uit het feit dat het faillissement alleen betreft de goederen, het vermogen van den schuldenaar, vloeit tevens voort dat alleen de vermogensrechten van den gefailleerde onder het beslag vallen, dat bet verlies van beheer en beschikking alleen de vermogensrechten betreft. Rechten, die niet behooren tot de vermogensrechten, blijft de failliet, tenzij eene uitdrukkelijke wetsbepaling iets anders voorschrijft, uitoefenen als voorheen De curator heeft over die rechten geen zeggen noch eenig bestel. Familierechten, rechten den man of den vader als zoodanig toekomende, komen hier in de eerste plaats in aanmerking. Zoo zal de failliet, zonder eenige inmenging van den curator, de ouderlijke macht uitoefenen in haren vollen omvang, evenzoo de maritale macht. Vermogensrechten evenwel, uit de ouderlijke of maritale macht voortvloeiende, zullen, zoolang de failliet die macht bezit, ter beheer en beschikking van den curator staan.
Soms zal de vraag, of iets een vermogensrecht uitmaakt, tot twijfel aanleiding kunnen geven De nieuwe wet treedt daaromtrent, evenmin als het Wetboek van Koophandel, in casuïstiek. Bij de behandeling der wet kwam ook slechts eenmaal de
45
quaestie ter sprake, en wel bij art. 21 4°. Naar aanleiding eener in het Verslag gemaakte opmerking, wordt in het Regeeringsantwoord gelezen: »In geen geval kan de curator dat beheer (het beheer over het kinderen-goed), een familierecht, uitoefenenquot; Hetzelfde geldt van het beheer des mans over de eigen goederen der vrouw. Ook dit zal de gefailleerde, als hoofd der echtvereeniging, blijven uitoefenen. De curator zal zich daarmede even weinig mogen bemoeien, als met het beheer over het vermogen der kinderen of met het beheer, dat de gefailleerde als voogd of curator over het vermogen van pupillen of curandi uitoefent. Daar te dezen opzichte nieuwe beginsels niet zijn aangenomen, de wetgeving dus ongewijzigd is gebleven, blijft de vroegere jurisprudentie ook voor de uitlegging der nieuwe wot hare beteekenis behouden. Ter illustratie van enkele twijfelachtige gevallen moge hier dus op eenige belangrijke beslissingen, onder vigueur van het Wetboek van Koophandel gewezen, de aandacht worden gevestigd.
Een paar malen kwam de vraag ter sprake, of de curator zich kan beroepen op de nietigheid eener handeling, dooide vrouw zonder machtiging, bijstand of toestemming van den man verricht (art. 171 B. W.j. De Hooge Raad beantwoordde haar bevestigend bij arrest van 4 Febr. 1887, W. n0. 5398, onder de volgende omstandigheden. De curator vorderde uitkeering van een legaat, besproken aan de in algeheele gemeenschap gehuwde echtgenoote van den failliet en door haar vóór de faillietverklaring zonder bijstand van haren man gebeurd. Door de Eb. te Amsterdam was de vordering van den curator bij vonnis van 29 April 1884 toegewezen, daarentegen door het Hof aldaar (arrest van 17 April 1885, TV. ii0. 5256) beslist, dat de curator niet behoort tot de categorie personen, die bevoegd zijn de vordering van art. 171 B. W. in te stellen. De Hooge Raad bevestigde, met vernietiging van 'sHofs arrest, het vonnis van de rechtbank.
Dat de curator in elk geval, gezamenlijk met den gefail-leerden man, de nietigheid eener handeling der vrouw, zonder toestemming des mans verricht, kan inroepen, oordeelde de Rb, te Amsterdam 7 Juni 1892, W. n0. 6361. Wèl werd dit vonnis vernietigd bij arrest van het Hof te Amsterdam ') Belinfante II, bl. iG.
46
Van 30 Juni 1893, W. nquot;. 6401, doch op den feitelijken grond, dat de gefailleerde de handeling zijner vronw had geratihabeerd.
Tot verschil van meening gaf ook aanleiding de vraag, in hoeverre de curator de rechten kan uitoefenen, die de gefailleerde of, in geval van gemeenschap, ook diens vrouw als legitimaris kan doen gelden. Zoowel de Kb. te Zutfen 2 Oct. 1879, W. n0. 4517, als die te Maastricht 13 Dec. 1884, W. n0. 5106, en te Groningen 9 Maart 1888, W. n0, 5642, beslisten dat de curator vermindering kan vragen van beschikkingen, waardoor het wettelijk erfdeel van den gefailleerde of van diens in gemeenschap gehuwde echtgenoote wordt benadeeld. Inderdaad mag het recht, den legitimarissen in art 967 B. W. toegekend, tot de vermogensrechten worden gerekend.
§ 4. Als tweede slotsom, uit het hierboven (bl. 39) aangegeven beginsel te trekken, stellen de Memoriën van Toelichting (O. S. C. Belinfante, bl. 64; R. O. Belinfante I, bl. 43): » de schuldenaar blijft eigenaar van het vermogen ^ blijft de gerechtigde en verplichte persoonquot;.
De toelichting dezer stelling luidt aldus;
«Het faillissement kan evenmin als eenig ander beslag den eigendom van den boedel doen overgaan. Deze blijft waar hij was, bij den schuldenaar, zoo ook blijven alle rechten en vorderingen van den schuldenaar zijne rechten, zijne vorderingen; blijven alle schulden en verplichtingen van den boedel zijne schulden, zijne verplichtingen. Wel is einddoel van het faillissementsbeslag, evenals van ieder beslag, de gearresteerde goederen ten bate van hen, te wier behoeve het beslag gelegd is (hier de gezamenlijke schuldeischers van den schuldenaar), te realiseeren, en is dan ook de vereffening een wezenlijk bestanddeel van het faillissement maar steeds zullen het de goederen, de vermogensrechten van den schuldenaar zijn, die verkocht worden door hen, aan wie door de wet de bevoegdheid is gegeven daartoe ondanks den eigenaar over te gaan. De schuldeischers, of de curator te hunnen behoeve, realiseeren niet eigen goederen en eigen rechten, maar die van hunnen schuldenaar. Hieruit volgt logisch dat zij nimmer meerdere rechten kunnen uitoefenen, dan hunnen
47
schuldenaar toekwamen, dat zij tegenover derden optreden als plaatsvervangers, vertegenwoordigers van den schuldenaar. Waar aan de rechten van den schuldenaar lasten en verplichtingen verbonden zijn, zullen die rechten niet geldend gemaakt kunnen worden dan onder gehouden heid die lasten of verplichtingen te vervullen. Alles wat een derde tegenover den schuldenaar kan doen gelden, kan hij bij faillissement ook den realiseerenden schuldeischers tegenwerpen. Elk vermogen bestaat uiteen samenstel van rechten en verplichtingen. Als vereffenaars van het vermogen huns schuldenaars treden de schuldeischers dus zoowel in de daartoe behoorende rechten als in de daaraan verbonden verplichtingen».
In het Verslag der Commissie van voorbereiding nit de Tweede Kamer werd deze opvatting bestreden. Vele leden meenden dat de schuldeischers als zoodanig den schuldenaar niet vertegenwoordigen. In haar Antwoord liet de Regeering de juistheid der benaming »vertegenwoordiger« in het midden, doch hield vast aan de hoofdgedachte der Memorie van Toelichting: «dat de schuldeischers, als executanten, met betrekking tot het in beslag genomen vermogen in de schoenen van den schuldenaar staan en niet meer rechten kunnen uitoefenen, dan deze. Het is trouwens een onloochenbaar feit, dat het vermogen, hetwelk, in beslaggenomen, tijdelijk voor de schuldeischers beheerd en ten slotte gerealiseerd wordt, het vermogen is van den schuldenaar» (Belinfante I[,bl. 15).
Inderdaad doet de naam, dien men gebruikt om de rechtspositie van de schuldeischers als executanten te karakteriseeren, er minder toe , indien men die rechtspositie zelve slechts juist opvat. Die positie nu is deze, dat de schuldeischers aan de wet het recht ontleenen de vermogensrechten van den «e-
o O
failleerde uit te oefenen en te gelde te maken. Bet komt er dus steeds op aan te weten, welke de vermogensrechten van den gefhilleerde zijn; deze blijven zijne rechten, totdat ze door den curator ten behoeve van de schuldeischers zijn vervreemd, totdat, wat art. 491, Wetb. v. Burg1. Rv, de onteigening bij executie noemt, heeft plaats gehad. Door de executie gaan die vermogensrechten van den gefailleerde op den kooper bij executie over. Deze wordt geacht onmiddellijk van den gefailleerde te hebben verkregen. Worden door den curator
48
iiisehulden van den gefailleerde geïnd, de schuldenaren, den curator betalende, worden tegenover den gefailleerde gekweten; zij worden geacht aan dezen te hebben betaald.
De curator, ten behoeve van de schuldeischers executeerende, vervult dus tegenover derden dezelfde rol als een vertegenwoordiger van den gefailleerde, treedt op als iemand die niet eigen rechten realiseert, maar bevoegd is over rechten van een ander te beschikken. Hetzelfde geldt van het 6eAeer, door den curator ten behoeve der schuldeischers uitgeoefend. Voor zooverre dit beheer hem met derden in aanraking brengt, kan de curator niet anders en niet meer doen dan de gefailleerde zelf zou kunnen verrichten. Dit alles heeft de Memorie van Toelichting door het ééne woord » vertegenwoordigen « willen uitdrukken. Het is dezelfde gedachte, welke Mr. J. C. M. van Riemsdijk, de beperkte rechtsbevoegdheid van den gefailleerde, bl. 46, die de beschouwing van de schuldeischers als vertegenwoordigers van den gefailleerde verwerpt, heeft uitgesproken in de woorden ; » de crediteuren nemen het vermogen van den gefailleerde in beslag, in den toestand, waarop het zich ten tijde der faillietverklaring bevindt. Zij erlangen aan dat vermogen niet meer of minder rechten , dan de gefailleerde daarop heeft; zij oefenen zijne rechten en rechtsvorderingen, waarvan dit vermogen het onderwerp is, uit/'. Het is juist dit uitoefenen van de rechten des gefailleerden, wat door het gewraakte woord » vertegenwoordigen « wordt uitgedrukt, en waarom vaak de curator, optredende voor de schuldeischers, en ook, bij executie buiten faillissement, de executeerende schuldeischer, voor wien volkomen hetzelfde geldt, als ver-tegenwoordiger van den failliet of van den schuldenaar wordt aangeduid !). Die aanduiding wil niets anders zeggen, dan dat de curator of de schuldeischers, bij de uitoefening en de vervreemding van de vermogensrechten van den schuldenaar, in de plaats van dezen treden, in diens schoenen komen te staan, zooals de Eegeering in haar Antwoord het noemde.
i) Men verg. Mr. Kist, Beginselen van Handelsregt, dl. 6, bl. 43://deschuldeischers oefenen door hunne vertegenwoordigers, de curators, die regten (scil. van inschuld) des schuldenaars uit en vertegenwoordigen in zooverre diens persoon tegenover zijne schuldeischers (lees; schuldenaren)//. Zie voorts het betoog van dien schrijver op bl. 70.
49
De geschetste rechtspositie van de schuldeischers als executanten brengt voor hen, die met den failliet vóór het faillissement handelden, mede, dat zij tegenover de schuldeischers staan als tegenover den failliet zeiven, mitsdien tegenover genen geen mindere rechten en geen meerdere verplichtingen hebben, dan zij tegenover dezen zouden hebben. Dit goed in het oog fce houden is vooral van belang bij wederkeerige overeenkomsten, door den schuldenaar vóór de faillietverklaring aangegaan. Bij de behandeling van de tweede afdeeling van dezen titel zal dit nader blijken.
In aansluiting aan het boven medegedeelde wordt de verhouding van den curator tot den schuldenaar en de schuldeischers in de Memorie van Toelichting nader, als volgt, geschetst:
âDe gezamenlijke schuldeischers, te wier behoeve het gerechtelijke beslag gelegd wordt, die dus de inbeslagnemers zijn, zijn, als wettelijke vereftenaars of liever als executanten optredende, de plaatsvervangers, de vertegenwoordigers van den schuldenaar. Daar zij, eene toevallige vereeniging van personen , niet zelf kunnen optreden , daaraan althans allerlei eigenaardige moeilijkheden verbonden zijn, wordt door de wet de curator aangewezen om voor en namens hen op te treden en te handelen. De curator wordt daarom in 't Ontwerp beschouwd als de wettelijke vertegenwoordiger van de schuldeischers, en, omdat hij dit is, tevens als de vertegenwoordiger van den schuldenaar. Hij toch is vertegenwoordiger van de schuldeischers alleen voor eene bepaalde zaak, en wel voor de uitoefening van hunne rechten als beslagnemers, in welke hoedanigheid hnn uit kracht der wet het recht toekomt in plaats van den schuldenaar (als zijne vertegenwoordigers) diens vermogensrechten ten eigen bate te realiseeren. Rechtens is de curator dus uitsluitend vertegenwoordiger van de schuldeischers, maar j uist daardoor ook via dezen van den schuldenaar !). Hiertegen obsteert niet, dat de curator niet alleen de belangen van de schuldeischers heeft te behartigen, maar evenzeer die van den schuldenaar. Dit toch is geene bijzondere, zelfstandige verplichting den curator als zoodanig opgelegd, maar eene die weder in primis op de schuldeischers rust. Evenals op
quot;) Verg. Mr. Kist, t. a. p., bl. 43, 70. Molengkaakf j Fuillissementswet,
50
iederen beslaglegger rust tocli op hen de verplichting bij de executie de belangen van den schuldenaar te ontzien. Zij kunnen executeeren, ten eigen bate executeeren, maar behooren daarbij, voor zooverre zich dit met eene billijke uitoefening hunner rechten verdraagt, met de belangen van den schuldenaar i'ekening te houden. Alleen zal de nakoming dezer verplichtingen door de tusschenkomst van een onpartijdigen persoon, den curator, beter verzekerd zijn.
a Tegen de hier ontwikkelde opvatting kan evenmin worden aangevoerd, dat het tot de taak van den curator behoort, indien daartoe termen bestaan, ten behoeve van de schuld-eischers de nietigheid in te roepen van sommige door den gefailleerde verrichte handelingen , en dat hij dit doende zeer zeker geen recht uitoefent dat den gefailleerde toekomt. Immers het feit, dat de schuldeischers de vermogensrechten van hunnen schuldenaar executeeren, belet volstrekt niet dat de wet hun daarnaast rechten verleene, door hen uit eigen hoofde uit te oefenen, rechten die trouwens geen ander doel hebben dan het beslag ook uit te strekken tot die goederen, welke daaraan onrechtmatig onttrokken zijn. Het spreekt dan ook vanzelf dat, voor zooverre deze rechten worden geldend gemaakt, de schuldeischers niet in plaats van den schuldenaar optreden, en de curator alleen hen vertegenwoordigt. Dit verandert echter niets in het karakter van hun optreden, waar het de realisatie en de vereffening van den boedel geldtquot;.
Verschillende artikelen der wet zijn als een uitvloeisel der aangegeven opvatting te beschouwen, zoo met name art. 13, waaruit duidelijk blijkt dat de handelingen, die door den curator in zijne hoedanigheid worden verricht, den gefailleerde binden. De practische beteekenis daarvan komt vooral uit, wanneer het faillissement een einde neemt door homologatie van een akkoord. De schuldenaar treedt dan, tenzij daaromtrent iets anders bij het akkoord is bepaald, weder in het beheer van den boedel en aanvaardt dezen van den curator in den toestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevindt. Alle beschikkingen, gedurende het faillissement door den curator gemaakt, zal de schuldenaar hebben te eerbiedigen; tegenover derden zullen die beschikkingen gelijk staan met beschikkingen door den schuldenaar zelf gemaakt, i. e. w. deze zal den
51
boedel van den curator overnemen als van iemand, die dien boedel eenigen tijd voor liem in administratie heeft gehad. Zoo zullen procedures, door of tegen den ciirator gevoerd, door of tegen den schuldenaar worden voortgezet *), zal, wat den curator verschuldigd was, den schuldenaar moeten worden voldaan, enz.
Uit het voorgaande volgt, dat de curator in geen geval kan worden beschouwd als een derde in den zin van art. 1917 Burg. Wetb. Onderhandsche akten, afkomstig van den schuldenaar, hebben dus, ook ten aanzien harer dagteekening, kracht tegen den curator. Daar echter aan rechtshandelingen , door den schuldenaar na de faillietverklaring verricht, ten gevolge van diens verlies van beheer en beschikking over zijn vermogen, geene aanspraken tegen den boedel kunnen worden ontleend, zal den curator steeds het bewijs vrijstaan, dat de akte, die eene dagteekening vóór de faillietverklaring draagt, in werkelijkheid na de faillietverklaring is opgemaakt. Evenzoo kan de gehuwde vrouw, die de nietigheid inroept eener handeling, door haar staande huwelijk verricht, zonder machtiging haars mans, aantoonen dat de vóór haar huwelijk gedagteekende akte, welke die handeling constateert, is geantidateerd en eerst na het huwelijk opgemaakt. Ook de curator over een onder curateele gestelden persoon kan bewijzen , dat onderhandsche akten, van den curandus afkomstig, gedagteekend vóór de onder-curateele-stelling, daarna zijn vervaardigd. Dat de vrouw en de curator ten opzichte van de bier genoemde akten niet zijn derden in den zin van art. 1917 B. W., zal wel niet twijfelachtig wezen.
Voor de bewering, dat de curator in een faillissement, indien hij niet is een derde, ook niet het recht zou hebben, de antidateering te bewijzen van onderhandsche stukken van den schuldenaar afkomstig, bestaat dus geen grond.
In de wet is een algemeen voorschrift, vaststellende dat de curator niet is een derde tegenover de onderhandsche
') Verg. Hof Amsterdam 14 Apr. 1893, W. n0. C381. Dit arrest werd vernietigd door II. R, 30 Nov. 1893, \V. n0. 0437, op grond dat TcriflcatieQe^chillen, aanhangig op het oogenblik, dat een faillissement door een akkoord wordt beëindigd, onvatbaar zijn voor hervatting of voortzetting. Voor andere geschillen geldt het in den tekst gezegde.
52
akten van den schuldenaar, niet opgenomen; wel vinden wij in art. 123 eene speciale bepaling voor het verificatie-proces. Het spreekt echter van zelf, dut het gezegde steeds waar zal zijn, en zijne toepassing zal moeten vinden ook in andere omstandigheden. Voor den wetgever bestond er eene bijzondere aanleiding, de quaestie voor het verificatie-proces nit te maken, omdat in verband met dit proces de positie van den curator het meest ter sprake is gebracht, en zelfs het onderwerp van eene chronische controverse was geworden.
Bij de behandeling van art. 123 zal de gelegenheid bestaan op dit punt nader terug te komen.
§ 5. Als derde slotsom vermelden de Memoriën van Toelichting (O. S. C. Belinfante, bl. 67 ; R. O. Belinfante I, bl. 44):
âHet beslag omvat niet bepaalde goederen, een bepaald gedeelte van het vermogen, maar het geheele vermogen. Elk vermogensdeel, geen uitgezonderd, is in beginsel aan het beslag onderworpen. Hieruit volgt dat alles wat gedurende het faillissement door den sclmldenaar verworven wordt, dus toetreedt tot het vermogen, waarop het beslag rust, eo ipso in het faillissement valt. Zoolang het beslag niet is opgeheven, of door realisatie van al het in beslag genomene zijn natuurlijk einde heeft genomen, moet steeds al wat bestanddeel uitmaakt van het vermogen des schuldenaars geacht worden in het beslag begrepen te zijn, juist omdat het beslag rust op het vermogen als verzamelbegrip, als algemeenheid van vermogensrechten *.
In het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer vond deze regeling geen algemeene instemming. Sommige leden achtten haar in strijd met het beginsel, dat het faillissement een beslag is. Erkennende dat het faillissement is een beslag op het geheele vermogen en dat dit rust op elk vermogensdeel, waren zij tevens van oordeel,dat âdat beslagalleen kan treffen die goederen, die vermogensdeelen, welke op het oogenblik, dat het beslag gelegd wordt, aanwezig zijn. Wel is waar zegt art. 1177 Burg. Wetb , dat alle goederen van den schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige, voor zijne persoonlijke verbintenissen aansprakelijk zijn â maar daaruit volgt alleen, dat na opheffing van dat beslag bij insolventie,
53
de uiet voldane vorderingen herleven. En dit kiemt te meer omdat het faillissement geen beslag is op den persoon, maar op de goederen; hetgeen gedurende het faillissement door dien persoon verworven wordt, moet daarom ook niet onder dat beslag gebracht worden» (Belinfante II, bl. 16).
In haar Antwoord verdedigde de Regeering het stelsel van het ontwerp, â dat in art. 20 der wet aldus is geformuleerd: »Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerftquot;, â op de volgende gronden:
»Zelfs al moesten de theoretische gronden, in de Memorie van Toelichting aangevoerd, als minder juist of afdoende beschouwd worden en al moge er ook al veel te zeggen zijn voor het in het Verslag ontwikkelde stelsel, â er bestaan praktische redenen van overwegenden aard, die voor het stelsel van het ontwerp pleiten. Duidelijk is het al dadelijk niet, hoe, bij het uitdrukkelijk voorschrift van art. 1177 Burgerlijk Wetboek, dat het geheele vermogen van den schuldenaar, //zoowel tegenwoordige als toekomstige quot; goederen, voor diens persoonlijke verbintenissen aansprakelijk zijn, ooit te verdedigen is eene splitsing van dat vermogen in twee deelen , één dat wel aansprakelijk is, en een ander (het hangende het faillissement verworven vermogen), dat voor het grootste deel der schulden niet, althans tijdelijk niet, aansprakelijk zou zijn. In geene andere wetgeving worden de goederen, door den schuldenaar verkregen gedurende het faillissement, van het faillissement uitgesloten, behalve in Duitschland, waar de bepaling niet dan na veel strijd is tot stand gekomen. De uitsluiting heeft tot noodzakelijk gevolg de mogelijkheid van een gelijktijdig tweede en derde faillissement, waarvan men de schuldeischers in het eerste faillissement, zonder onbillijkheid te plegen, niet zal kunnen uitsluiten. Dat het in het leven roepen van de mogelijkheid van twee, drie of meer gelijktijdige faillissementen deszelfden schuldenaars eene praktische oplossing der quaestie zou zijn, kan niemand beweren quot; (Belinfante II, bl. 17).
Opgemerkt moet worden , dat de Regeering en de leden, die haar stelsel bestreden, niet zóó vierkant tegenover elkander stonden, als uit het boven medegedeelde zou kunnen worden afgeleid. Integendeel, zij kwamen elkander een heel eind weegs
54
tegemoet. Immers, noch de Regeering nocli de sommige leden , die in het Verslag aan het woord waren, wenschten het resp. voorgestane stelsel tot in zijne uiterste consequenties door te voeren. De Regeering stelde in art. 21 2U van het ontwerp (onveranderd in de wet overgegaan) voor, dat buiten het faillissement zou blijven, «hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechter-commissarisquot;, uit //overweging dat de billijkheid en het welbegrepen belang der schuldeischers vorderen, dat men den schuldenaar de gelegenheid late in zijn eigen onderhoud te voorzienquot; (R. O. Belinfante I, bl. 63). De bedoelde leden wilden, hetgeen gedurende het faillissement door erfenis of legaat den gefailleerde ten deel valt, in het faillissement doen vallen.
Het stelsel der Regeering, dat alles in het faillissement valt en dat alleen wordt uitgezonderd, wat de schuldenaar voor zijn levensonderhoud en zijn bestaan niet kan ontberen, is wet geworden. Vergelijkt men het met het stelsel, in 't Verslag aanbevolen, dan moet worden erkend, dat het zich door grootere eenvoudigheid aanbeveelt. Door de mogelijkheid van gelijktijdige faillissementen uit te sluiten, bevordert het zooveel doenlijk de eenheid van de executie des boedels.
§ 6. //Het faillissement vindt zijn grens in de realisatie van Jiet vermogenquot;. Aldus luidt de vierde slotsom, in de Memoriën van Toelichting (O. S. C. Belinfante, bl. 67; R. O. Belinfante I, bl. 45) getrokken uit het beginsel: faillissement is beslag en executie van het geheele vermogen.
Ter nadere adstructie werd aangevoerd:
n Doel van het faillissement is evenals van ieder beslag realisatie van de in beslag genomen goederen des schuldenaars ten bate van de schuldeischers.
«Zoodra dit doel bereikt is, is het beslag gedaan, m. a. w. het faillissement geëindigd, en keert alles weder tot den vroegeren toestand. Het faillissement kan in beginsel na vereffening des boedels geen nawerking hoegenaamd hebben op de rechtsverhouding, waarin de schuldenaar tot zijne schuldeischers staat.
//Van een latenten faillissementstoestand na de vereffening, zoodat zij , die schuldeischers waren tijdens de faillietver-
55
klaring, geen ander rechtsmiddel tegen hunnen schuldenaar bezitten dan een aanvraag tot heropening van het faillissement (het stelsel van artikel 887 Wetboek van Koophandel), kan bij deze opvatting geen sprake zijn. De schuldeischers treden, na afloop van het faillissement, in al hunne vroegere rechten van executie tegen den persoon en op de toekomstige goederen van den schuldenaar, voor het nog onvoldaan gebleven deel hunner vorderingen. Het feit dat de in beslag genomen goederen niet genoeg opbrengen om hunne vorderingen in haar geheel te verhalen , kan hunne rechten op het ontbrekende niet wijzigen. Deze blijven volkomen intact (art. 195 Ontw.). Anderzijds staat de schuldenaar, wiens bekwaamheid om te handelen trouwens door het faillissement in het minst niet opgeheven wordt, gelijk aan ieder ander die eene executie in zijn vermogen heeft ondergaan. Over de goederen, die hij na afloop van de vereffening des boedels , nadat dus het faillissementsbeslag is geëindigd, verwerft, heeft hij onbeperkt vrije beschikkingquot;.
De bepaling, dat de schuldeischers, na het einde van het faillissement in geval van insolventie, voor het tekort-komende weer al hunne individueele rechten van verhaal tegen den schuldenaar herkrijgen, â de consequente toepassing van het beginsel, dat het faillissement is eene wijze van executie, â is misschien wel de belangrijkste verbetering, door de nieuwe wet in het faillietenrecht gebracht. De regeling van den rechtstoestand, waarin de insolvent verklaarde gefailleerde na het ontslag van den curator, zoolang hem rehabilitatie niet was verleend, onder de werking van het Wetboek van Koophandel verkeerde, liet alles te wenschen over en was een bron van rechtsonzekerheid en ongerechtigheden. In de Memorie van Toelichting tot het ontwerp der Staatscommissie werd die toestand, bij de bespreking van de achtste afdeeling van den eersten titel van het ontwerp (bl. 235 v., nagenoeg ongewijzigd overgenomen in de Memorie van Toelichting tot het ontwerp der Regeering, Belinfante I, bl. 156 v.), beknopt maar duidelijk geschetst en als onhoudbaar ten-toon-gesteld. Geen wonder dan ook dat het ontwerp der Staatscommissie, wat de regeling van de rechten der schuldeischers na afloop van het faillissement in
56
geval vim insolventie betreft, in beginsel bij alle deskundigen instemming vond. Men verg. Mr. Poi.enaar , in Bechtsgel. Magazijn, 7de jg. (1888), bl. 42; Mr. Goudsmit, in Themis 1888, bl. 207; Mr. Hingst , in Rechtsqel. Bijdraqen en Bijblad, 1886/7, afd. D, bl. 45.
Op de opmerking van sommigen, medegedeeld in liet Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer (Belinfante II, bl. 18), dat het stelsel van het ontwerp te dezen niet wenschelijk was, en dat verschil behoort gemaakt te worden ^tusschen oude en nieuwe schuld-eisehers, en de eersten slechts dan hunne onde rechten moeten kunnen doen gelden, wanneer zij, die vroeger door den faillissementstoestand, waarin zij betrokken waren, een zeker comortium vormden, wederom als zoodanig optredenquot;, kon de Regeering dan ook terecht antwoorden: /,In ieder geval is tegenover het ontwerp niet eene regeling te verdedigen, die overeenkomt met die van het bestaande recht. Indien één onderwerp verbetering behoeft, dan is het de bepaling van de rechten der schuldeischers na afloop van het faillissement. Dat die rechten thans feitelijk niet voor handhaving vatbaar zijn, ligt juist in de gedwongen vereeniging der oude schuldeischers tot wat in het Verslag een consortium wordt genoemd Onder geene bepaling heeft de geregelde gang der maatschappelijke zaken meer geleden, dan onder deze, daar zij den schuldenaar na faillissement in den regel voor eene vervolging vrijwaart, en dan ook in hooge mate heeft medegewerkt fcot de lichtvaardige faillissementen op eigen aangifte. Elders heeft men het stelsel der heropening van het faillissement dan ook algemeen laten varen
Dit wat het beginsel betreft. De uitwerking daarvan in art. 195 van het ontwerp ontmoette op één punt meer algo meene bestrijding. Het artikel bepaalde, dat de schuldeischers na afloop van het faillissement herkrijgen al hunne rechten van executie tegen den persoon of op de goederen van hunnen schuldenaar. Ook executie bij lijfsdwang zou dus toegelaten zijn. Hiertegen werden gewichtige bedenkingen aangevoerd. «Wat echter den lijfsdwang betreftquot;, aldus het Verslag (Belinfante II, bl. 137), win dat opzicht behoorde naar veler oordeel art. 195 wijziging te ondergaan. Alles, wat de
57
debiteur bezit, is gearresteerd; de daarna toegepaste lijfsdwang zal derhalve niet meer treffen een onwilligen, maar een behoeftigen schuldenaar. Art. 16 baat hem niet, want ook in het daar bedoelde geval kan terstond de lijfsdwang op hem toegepast worden. Het hier aangenomen beginsel was, meenden deze leden, in lijnrechten strijd met dat, waarvan de lijfsdwang uitgaat, dat namelijk de insolvente debiteur, tegen wien lijfsdwang is toegepast, daaruit moet ontslagen worden, indien hij aantoont niet in staat te zijn te betalen 1).
»Door anderen werd hiertegen opgemerkt, dat men ook thans vaak tot lijfsdwang zijne toevlucht neemt, niet alleen togen een onwilligen, maar ook tegen een behoeftigen schuldenaar, ten einde diens familiebetrekkingen daardoor te nopen, hem hun geldelijken steun te verschaffen. In zoover konden deze leden dus geenszins toegeven, dat deze bepaling in strijd is met den aard van den lijfsdwang. Zij waren echter met eerstgenoemde leden van oordeel, dat het voorschrift van art. 195 in zijne algemeenheid te streng moet geacht worden, en dat, blijft het bestaan, die strengheid door het behoud van de mildere bepalingen, in de artt. 890 en 891 Wetboek van Koophandel vervat, behoort te worden verzachtquot;.
De Regeering, aan deze bezwaren gehoor gevende, gaf de voorkeur aan de voor den schuldenaar meest milde oplossing, welke haar het beste voorkwam. Bij het gewijzigde Regeerings-ontwerp werden in art. 195 de woorden tegen den persoon of geschrapt.
Vermeld mag nog worden, dat bij de openbare beraadslaging over het ontwerp door Mr. de Kantee werd verklaard: win dit ontwerp wordt deze zaak (scil. het slot van het faillissement) op zoo uitnemende wijze geregeld, dat, mijns inziens, verschil van meening over de vraag wanneer een faillissement eindigt, en wat dan de rechtstoestand van den gefailleerde is, niet mogelijk is» (Belinfante III, bl. 30).
In verband met de bepaling, dat het faillissement een einde neemt met de slotuitdeeling, stond in het ontwerp der Staats-
') Tegen het voorgestelde art. 195 verklaarden zich dan ook de Kamers van Koophandel te Arnhem, 's-Gravenhage, Rotterdam en Schiedam. Vgl. ook Mi-. Hingst, Rechtsgeleerde Bijdragen en Bijblad, 1886/87, afd. D. bladz. C5,
58
commissie eu in het iiegeerings-ontwerp de afschaffing der rehabilitatie. In de Memoriën van Toelichting (O. S. C. Belinfante, hl, 236 v.; ±i. O. Belinfante I, bl. 157) wordt daaromtrent gelezen : «Volgens artikel 193 neemt het faillissement met de slotuitdeeling een einde. Voor rehabilitatie is daarom in het Ontwerp geen plaats meer. Rehabilitatie na het tot stand-komen van een akkoord, met geen ander doel dan om den gewezen gefailleerde zoogenaamd in zijn eer te herstellen, gelijk het Wetboek van Koophandel nog kent, zal wel door niemand meer verdedigd worden. Maar ook na afloop der vereffening zou rehabilitatie voortaan geen beteekenis meer hebben. Thans heeft zij deze, dat zij aan het faillissementsbeslag een einde maakt; in het stelsel van het ontwerp zal zij daartoe niet meer noodig zyn. Elke reden om haar te behouden, vervalt dus«.
Op de gronden, hier ontwikkeld, kou ook de Raad van State zich met de afschaffing der rehabilitatie vereenigen *).
Uit het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer bleek van verschil van meening. Verscheidene leden konden zich met de afschaffing der rehabilitatie ver-eenigen, anderen zouden haar gaarne behouden 2). Zooals hierboven reeds werd medegedeeld, bij de openbare beraadslaging over het wetsontwerp, werd op voorstel van vier leden van tie Commissie van voorbereiding aan den eersten titel toegevoegd eene nieuwe elfde afdeeling: «van rehabilitatie».
Het stelsel van het ontwerp bleef nochtans onveranderd. Van de wet geldt eveuzeer als van het ontwerp, dat het faillissement is een beslag, hetwelk een einde neemt zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan (art. 161) of de slotuitdeelingslijst verbindend is geworden (art. 193). De rehabilitatie van de nieuwe wet is dus geheel iets anders dan de rehabilitatie van het Wetboek van Koophandel; deze maakt een einde aan het faillissement dat tot de rehabilitatie voortduurt, gene heeft met het einde van het faillissement niets te maken, komt eerst te pas, nadat het faillissement geëindigd is. De naam is dezelfde gebleven, doch het wezen der instelling is geheel veranderd.
') Belinfante 11, bl. 207. 2) Belinfante II, bl. 19.
59
Hot karakter van do rehabilitatie der nieuwe wet werd reeds hierboven bl. 25 vlg. uiteengezet. Onder verwijzing naar het daar gezegde, worde thans alleen geconstateerd, dat deze rehabilitatie intact laat het beginsel, dat het faillissement nïi vereffening des boedels geen nawerking hoegenaamd heeft op de rechtsverhouding, waarin de schuldenaar tot zijne schuldeischers staat.
§ 7. Bepalingen omtrent faillissement in andere wetten. â De Faillissementswet bevat niet alle wettelijke bepalingen omtrent hel faillissement. Naast den eersten titel van het derde boek van het Wetboek van Koophandel kwamen nog elders in dit wetboek, en ook in andere wetboeken en wetten, bepalingen omtrent faillissement voor. De meeste daarvan heeft de nieuwe wet onveranderd gelaten. Een kort overzicht dezer verspreide voorschriften vinde hier volledigheidshalve een plaats.
Hierboven (bl. 27 v.) werden reeds besproken de artikelen 80 al. 3, 84, 90 al. 1, 127 al. 2 en 4 en 143 al. 2 en 3 dei-Grondwet , art. 11 al. 1 n0 2 1) der Wet op de regterlijke organisatie, artt. 437 5°, 506 al. 3, 838 en 1069 Burgerlijk Wetboek -) en art. 51 al. 2 der wet op het notarisambt, welke de gevolgen van het faillissement zoogen. voor den persoon van den gefailleerde behelzen. Het is overbodig daarop terug te komen.
Verschillende andere bepalingen regelen den invloed van het faillissement op bestaande rechtsbetrekkingen en strekken dus tot aanvulling van de tweede afdeeling der Faillissementswet. Daartoe behooren:
a. Art. 1307 Burg, Wetb., volgens hetwelk de schuldenaar het voorrecht eener bijgevoegde tijdsbepaling niet meer kan inroepen, o. a. wanneer hij in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is verklaard.
In artikel 3 van het eerste ontwerp der Invoeringswet werd, ter voldoening aan eene opmerking van den Raad van State2), voorgesteld, in art. 1307 Burg. Wetb. te doen ver-
1
') Op bl. 27 staat abusievelijk art. H '2quot;.
2
) Belinfante V, bl. 46 v., 53.
60
vallen lt;le woorden: »hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is«. Tot toelichting werd gezegd: » De invloed van het faillissement op eene vordering niet tijdsbepaling is opnieuw geregeld in art. 131, tweede lid, der nieuwe wet. Hetgeen art. 1307 Burg. Wetb. daaromtrent bepaalt, kan dus vervallen quot;
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding waren er in de Tweede Kamer enkele leden, die betreurden dat het tweede ontwerp der Invoeringswet art. 1307 Burg. Wetb. onveranderd liet2). De Eegeering antwoordde hierop, dat voor het behoud der in het eerste ontwerp geschrapte woorden de overweging pleit, dat het iu die woorden neder-gelegd beginsel, ook buiten het geval van aanbieding dei-schuldvordering op tijd ter verificatie, zijne toepassing kan vinden. Het brengt bijv. mede, dat ook op verkoopen op tijd, na faillietverklaring van den kooper, art. 1514 Burg. Wetb. toepasselijk zal zijn.
De verhouding van art. 1307 Burg. Wetb. tot art. 131 der Faillissementswet kan dus worden omschreven als die van het beginsel tot de uitwerking en toepassing daarvan in een speciaal geval.
h. Art. 1683 4°. Burg. Wetb. »De maatschap eindigt, indien één der vennooten in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is verklaardquot;. Hetzelfde zal gelden voor de commanditaire vennootschap, althans indien één der beheerende vennooten in staat van faillissement is verklaard, en voor de vennootschap onder eene firma.
c. Art. 1809 3°. Burg. Wetb. De schuldenaar eener al tij d-durende rente kan tot de aflossing worden genoodzaakt, indien hij in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is verklaard.
Ook van deze bepaling werd in het eerste ontwerp dei-Invoeringswet (art. 2) de afschaffing voorgesteld 3), omdat het daarbij behandelde onderwerp opnieuw is geregeld bij artikel 131 j0. artikel 195 der nieuwe wet. « irBene altijddurende rente, evenzeer als een lijfrente, is »/ eene vordering welke recht geeft op periodieke uitkeeringen« en valt dus onder artikel 131
') Belinfante V, bl. igt;. -) ï a. p., bl. tJ'J. :i) T. a. p., bl. 1.
61
éerste lid « «; aldus de Memorie van Toelichting '). Het tweede ontwerp der Invoeringswet zweeg over art 1809 3°., wat door enkele leden der Tweede Kamer werd betreurd, maar door anderen werd verdedigd, ofschoon zij toegaven, dat art. 1809 3°. niets anders bepaalt dan art. 131 der Faillissementswet. Zij meenden, dat behoud van art. 1809 3quot;. niet tot moeilijkheden aanleiding kan geven, aangezien het tegen het nieuwe recht niet indruischt1). De Rogeering stemde bij haar antwoord hiermede in.
Toch mag de juistheid dier opvatting worden betwijfeld. Het genoodzaakt worden tot aflossing, waarvan art. 1809 3°. spreekt, kan niet anders beteekenen, dan dat de schuld-eischer der rente, in geval van faillissement des schuldenaars, de hoofdsom, volgens art. 1807 bij het vestigen der rente betaald, kan vorderen. Voor de hoofdsom zal hij dus moeten worden geverifieerd. Art. 131 al. 1 der Faillissementswet verlangt daarentegen dat eene vordering, welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring. Moest deze bepaling op de tegen betaling eener hoofdsom gevestigde altijddurende rente worden toegepast, dan zou deze moeten worden geverifieerd voor hare contante waarde. Daar de begrippen contante waarde en hoofdsom elkander niet dekken, bestaat tusschen beide artikelen een verschil, dat evenwel niet tot strijd behoeft te leiden. Het gevolg van het onveranderd behoud van art. 1809 3°. zal veeleer wezen, dat de daarin vervatte bepaling, als van specialen aard, naast den algemeenen regel van art. 131 al. 1 der Faillissementswet blijft gelden, zoodat ook thans nog de schnldeischer eener tegen betaling eener hoofdsom gevestigde altijddurende rente in het faillissement zijns schuldenaars voor het bedrag van de hoofdsom zal opkomen 2). Daarentegen zullen op andere wijze gevestigde altijddurende renten, waarvoor art. 1809 3°.
1
:l) Verg. Opzoomf.r, Het Burgerlijk Wetboek verklaard, lt;11. quot;10, 1)1.249 v.; Land,
2
Verklaring van hel Burgerlijk Welhoek, dl. 3, '2quot; stuk, bl. 200 v. Volgens Dif;i'iiois, Het Nederlantlsch burgerlijk regl, dl. 12, bl. 208 v., moet het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche termijnen worden uitgekeerd, de schnldeischer dus voor dit bedrag worden geverifieerd.
62
niet is geschreven, onder den regel van art. 131 al. 1 der Faillissementswet vallen, en voor de contante waarde op den dag der faillietverklaring worden geverifieerd.
d. Art. 1850 al. 4 Burg. Wetb. Lastgeving eindigt door den staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen), hetzij van den lastgever, hetzij van den lasthebber.
Bij de toepassing lette men op art. 1855 Burg. Wetb., waardoor onbillijkheden en practische moeilijkheden worden voorkomen.
e. Art. 84 Wetb. v. Kooph., gew. door art. 4 al. 1 dei-Invoeringswet. Artt, 57 â59 der Faillissementswet bepalen, dat de hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in art. 1223 Burg. Wetb., heeft gemaakt, en de pandhouder buiten het faillissement blijven. Zij oefenen hunne rechten uit, alsof er geen fallissement ware; hun wordt de positie van zoogen. separatisten verzekerd. Dezelfde positie kent art. 84 Wetb. v. Kooph. aan den commissionnair toe. Ingeval van faillissement van den commissiegever zijn de bepalingen, bij de artikelen 57, 58 en 59 der Faillissementswet ten aanzien van den pandhouder of beleener gemaakt, op den commissionnair en tegenover dezen van toepassing. De commissionnair zal dus krachtens zijn voorrecht kunnen executeeren, alsof er geen faillissement ware.
f. Art. 684 tweede lid en 685 Wetb. v. Kooph. Separatist is ook de makelaar in zee-assurantiën, in het geval van art. 684 tweede lid Wetb. v. Kooph. «Bij faillissement van den verzekerde is de makelaar, die de polis nog in handen heeft, bevoegd om de door den verzekeraar nog verschuldigde schade te innen, ten einde daaruit aan zich zeiven het beloop der premie te voldoen, behoudens zijne verplichting om het overschietende aan den boedel van den failliet te verantwoordenquot;.
Heeft daarentegen de makelaar de polis reeds aan den verzekerde uitgereikt, dan is hij niet separatist, die zijne rechten uitoefent als ware er g-een faillissement, maar bloot bevoorrecht schuldeischer, die zich in het faillissement heeft aan te melden. «Ingeval de polis aa a den verzekerde is iiitge-reikt«, aldus art. G85 Wetb. v. Kooph., n doch de door den verzekeraar verschuldigde schade nog niet geheel aan eerst-
63
gemelde, vóór zijn faillissement, is uitbetaald, heeft de makelaar, die de premie heeft voorgeschoten, recht van voorrang op de uit dien hoofde nog te ontvangen gelden, zonder aanzien of de schade vóór of na het faillissement zij voorgevallen «.
g. Artt. 230â243 Wetb. v. Kooph. In deze artikelen wordt onder den naam van reclame geregeld: 1°. de terugvordering door den verkooper van verkochte en geleverde, doch niet ten volle betaalde koopmanschappen bij faillissement van den kooper (artt. 230â239); 2°. de terugvordering van in commissie gegeven koopmanschappen bij faillissement van den commissionnair (artt. 240 en 241); 3°. de terugvordering van wisselbrieven, handels- en ander papier bij faillissement van dengene, aan wien deze ter incasso zijn ter hand gesteld, of als fonds of als onderpand eener credietopening zijn verstrekt (artt. 242 en 243).
Eene behandeling van deze artikelen zou hier niet op haar plaats zijn. Onder verwijzing naar de desbetreffende literatuur '), zij alleen opgemerkt, dat de terugvordering van verkochte en geleverde goederen niet de ontbinding of vernietiging der koopovereenkomst ten gevolge heeft, maar enkel de partijen terugbrengt in den toestand, waarin zij verkeerden vóór de levering. Na de terugvordering is dus alsnog artikel 37 der Faillissementswet van toepassing.
h. Art. 289 der Algemeene wet van 26 Aug. 1822, Sfhl. n0 38. «Het gansche bedrag der rekeningen van ere diet op t e r m ij n e n zal in eene reis kunnen worden ingevorderd, zoodra een belastingschuldige in staat van faillissement komt De ontvanger zal dus het geheele bedrag dier rekening ter verificatie indienen.
i. Art. 7 al. 1 en 9 1quot; der wet van 22 Mei 1845, Sthl. n0 22, op de invordering van 's Rijks directe belastingen. Blijkens art. 9 zyn de directe belastingen dadelijk en in eens invorderbaar: 1° wanneer de belastingschuldige in
') DiEPiims, Handhoek voor het Nederl. Handelsreijt, dl. 3, bl. 257 v.; Kist. Ttcginselen van Handelsregt, dl. 3, 2e dr., bl. 03 v.; Moi.f.noraaff, Leiddraad hij de heopfeninri v. li. Nederl. Handelsrecht, bl. 08 v.; df, Mahf.z Ovens, De beginselen van hel hedendaagsclw faillietenreciil. bl. 'li v.; II. Trostorff, /te reclame of terugvordering in zaken van koophandel, Prft. 1801; W. 11. IIoeufft, De aard der reclame ragt;i den verkooper, Prft. 1886; .1. van Kaalte, De reclame van verkochte goederen, Prft. 1880.
64
staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is verklaard. Verificatie is voor deze schuldvorderingen niet noodig, daar art. 7 al. 1 bepaalt, dat curators in boedels van gefail-leerden (of van in staat van kennelijk onvermogen verkeerende belastingschuldigen) verplicht zijn, op de daartoe gedane vordering van den ontvanger, voor rekening van den belastingschuldige, voor zooverre de penningen, onder hen berustende, strekken, de directe belastingen, door dezen verschuldigd, te betalen, zonder daartoe eene verificatie en beëediging van schuldvordering of eene rangregeling te mogen afwachten. Zij zijn zelfs bevoegd, die betaling uit eigen beweging te doen, vóórdat zij tot de afgifte der penningen overgaan.
Aan sommige schuldvorderingen is een recht van voorrang verbonden ingeval van faillissement van den schuldenaar. Bepalingen van dien aard worden aangetroffen, behalve in het bovenvermelde art. 685 Wetb. v. Kooph., in de artt. 226 en 308 van dit Wetboek.
Volgens art. 226 mag de kassier, op wien briefjes of kwitanties zijn afgegeven door iemand die later gefailleerd is, uit de onder hem berustende penningen, met de betaling dier briefjes of kwitanties voortgaan, totdat door houders van zoodanige papieren, door den curator of eenig ander belanghebbende daartegen verzet wordt gedaan. In dit geval, of indien de kassier niet met de betaling is voortgegaan, worden de onder hem berustende penningen afgezonderd gehouden, en daaruit de houders van vóór het faillissement afgegeven briefjes of kwitanties bij voorrang boven andere schuldeischers voldaan. Alleen wat na de voldoening dezer briefjes of kwitanties mocht overblijven, komt aan de overige schuldeischers ten goede ').
Eene dergelijke bevoorrechte behandeling van een bepaalde groep van schuldeischers wordt ook in art. 308 Wetb. v. Kooph. gevonden. Ingeval van faillissement (of van kennelijk onvermogen) van den eigenaar van een schip, wordt het schip van den overigen boedel afgezonderd gehouden ten behoeve van n alle vorderingen en schulden , ten laste van het schip loopendequot;, welke uit de opbrengst van het schip worden
') Verg. .1. A. F. Geisweit v. n. Netten, Dc cheque. Prft. 1892, bl. 37 v.
65
voldaan bij voorrang boven de overige schuldeischers van den boedel. Ten bate van deze schuldeischers strekt alleen het eventueele saldo, na afbetaling van alle scheepsschulden. n De voorrang strekt zich niet uit tot de assurantie-penningen quot; en evenmin tot den koopprijs van een vóór de faillietverklaring verkocht schip (Hof den Haag 2 Maart 1891, W. n0. 6058).
In verband met art. 135 der Faillissementswet staan de artikelen 1869 4° en 1881 al. 1 Burg. Wetb. De borg kan de voorafgaande uitwinning van des schuldenaars goederen niet vorderen, indien de schuldenaar zich in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) bevindt (art. 1869 4°). Daartoe aangesproken wordende, zal de borg dus moeten betalen. Evenwel zal hij, indien hij medeborgen heeft, na voldoening der schuld, verhaal kunnen nemen op zijne mede-borgen, ieder voor zijn aandeel (art. 1881 eerste lid, Burg. Wetb , zooals het is gewijzigd bij artikel 3 der Invoeringswet).
Verschillende bepalingen omtrent faillissement komen voor in den 6de° titel des len boeks van het Wetboek van Koophandel; «van wisselbrieven».
Over faillissement van den trekker handelen de artt. 109, 110 2quot; lid en 119 4e lid. Indien een niet-geaccepteerde wissel niet tijdig van non-betaling is geprotesteerd, kan de trekker, als de houder op hem regres neemt, volstaan met dezen ten beloope van den wissel af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage in handen had; hij moet den houder, op diens kosten, de noodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Verkeert de trekker in staat van faillissement, dan heeft de curator de keuze, hetzij in voege voorschreven de vordering tegen den betrokkene aan den houder af te staan, hetzij den houder als schuldeischer, voor het beloop van den wisselbrief, toe te laten (art. 109). In elk geval behoort, als de wisselbrief niet is geaccepteerd, bij faillissement van den trekker, het fonds, dat de betrokkene in handen heeft, aan den boedel des trekkers; de houder van den wissel kan daarop geen rechten doen gelden (art. 110 al. 1 en 2).
Molengkaaff, Faillissementswet. 5
66
De betrokkene, die den wisselbrief heeft gaccepteerd, kan wtegen zijne acceptatie niet in zijn geheel worden hersteld, al ware de trekker, buiten zijn weten, vóór de acceptatie gefailleerd, tenzij de houder bedriegelijke middelen hadde in het werk gesteld om de acceptatie te verkrijgenquot; (art. 119 al. 4).
Faillissement van den betrokkene doet, naar luid van art. 155, den wissel vervallen. De houder kan, desverkiezende, dadelijk van non-betaling doen protesteeren. Trekker en endossanten zijn echter niet gehouden tot dadelijke betaling; zij kunnen de voldoening van den wissel uitstellen tot den vervaldag, in den wissel uitgedrukt, mits voor de voldoening borgstellende. Grelijksoortige bepaling geeft art. 178 Wetb. v. Kooph. voor het geval, dat de acceptant vóór den vervaldag wordt failliet verklaard.
Art. 118 quot;Wetb. v. Kooph. geeft een voorschrift in verband met het faillissement van den in eenen wissel aangewezen gedomicilieerde. Indien een gedomicilieerde en geaccepteerde wissel niet tijdig van non-betaling is geprotesteerd en de gedomicilieerde na den vervaldag failleert, kan de acceptant, aangesproken wordende, volstaan, evenals in art. 109 ten opzichte van den trekker is bepaald, met aan den houder ten beloope van den wissel af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de gedomicilieerde van hem in handen heeft.
Verspreide bepalingen, waarin van faillissement sprake is, worden nog gevonden in de volgende artikelen:
Art. 519 al. 2 Burg. Wetb.: eene volkomen overtollige verwijzing naar » de bijzondere wetsbepalingen, voor het geval van faillissement (of van kennelijk onvermogen)quot;.
Art. 1454 Burg. Wetb. «De schuldeischer, zijnen schuldenaar. door wien de overzetting geschied is, van zijne verplichting ontslagen hebbende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats gestelde in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) is geraakt, ten ware zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk mocht zijn voorbehouden, of de in de plaats gestelde schuldenaar reeds op het oogenblik der overzetting in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) mocht zijn geraakt».
Art. 11 Wetb. v. Kooph. Tot w openlegging« van boeken.
balansen en verdere daartoe betrekkelijke papieren kan «men» worden genoodzaakt o.a. ingeval van faillissement. Bedoeld is de oyerlegging of mededeeling van de geheele boekhouding, de quot;communication des livres et inventaires» van art. 14 van den Code de commerce l).
Art. 72 Wetb. v. Kooph. De makelaar, die failliet wordt verklaard, wordt daardoor in zijne bediening geschorst, «en kan daarvan vervolgens door den rechter worden vervallen verklaard «. Heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van het verbod, voor eigen rekening handel te drijven in het a vak 'i waarin hij makelaar is, of zich borg te stellen voor de «handelingen « door zijne tusschenkomst gesloten, dan moet hij, gefailleerd zijnde, van zijne bediening worden ontzet.
Art. 75 Wetb. v. Kooph. «Een kassier, zijne betaling opschortende of failleerende, wordt vermoed het verval zijner zaken door eigen schuld te hebben veroorzaaktquot;.
Art. 488 Wetb. v. Kooph. w Indien de schipper de goederen heeft gelost, zonder zich de vracht, avarij- en andere kosten te laten voldoen, of zonder te hebben gebruik gemaakt van de behoedmiddelen, bij de wetten van de losplaats veroorloofd, verliest hij zijne aanspraak op den bevrachter of inlader, indien deze doet blijken, dat hij het beloop daarvan met den ontvanger der goederen heeft verrekend, of 2) dat hij, uit hoofde van faillissement van laatstgemelde, hetzelve niet zou kunnen terug erlangen ».
Art. 4 5°. Wetb. van Burg. Kegtsv. «De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt: 5° ten aanzien van den boedel eens gefailleerden, (of van iemand die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard ,) aan den persoon of de woonplaats van een der bewindvoerders quot;.
Art. 126, 13e lid Wetb. van Burg. Eegtsv., zooals het is vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.
H Verg. Diephuis, Handboek voor het Nederl. Handelsregt, dl. I, bl. 65 v.; Kist, Beginselen v. Handelsregt, dl. 1, 2e dr., bl. 103 v.; Faure, Het Nederl. Burgerlijke Procesrecht, dl. 4, quot;Ie stuk, bl. 186 v.: R. Heidema, De openlegging can koo/mianshoeken volgens art. 11 Kooph., Prft. 1801.
-) Voor vofâ / moet gelezen worden wen'/. Verg. den Fransehen tekst van het Wetboek van 1830 en Kist, Beginselen van Handelsregt, dl 5, bl. 226.
68
De betrekkelijk bevoegde rechter is in zaken van faillissement (of van kennelijk onvermogen) de rechtbank die den schuldenaar in staat van faillissement (of van kennelijk onvermogen) heeft verklaard, en wier uitspraak tevens rechtsgevolgen heeft (zie art 2 al. 5 der Paillissementswet). Is de faillietverklaring uitgesproken door een hoogeren rechter, dan is de rechtbank, uit wier leden de rechter-commissaris is benoemd, de bevoegde.
Alleen de betrekkelijke, niet ook de volstrekte bevoegdheid wordt in art. 126 Rv. geregeld, üe volstrekte bevoegdheid der arrondissements-rechtbank volgt, ten aanzien van « zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffendequot;, uit verschillende bepalingen der Faillissementswet, met name uit art. 85; ten opzichte van verificatie-geschillen uit art. 122 eerste lid dier wet ').
Met de uitdrukking »zaken van faillissement« in art. 126 Rv. worden blijkbaar geene andere dan de genoemde in art. 85 der Faillissementswet aangeduide zaken en de verificatie-geschillen bedoeld. «Voor andere zaken «, wordt terecht opgemerkt in de Memorie van Toelichting tot het eerste ontwerp der Invoeringswet 1), »persoonlijke, zakelijke of andere rechtsvorderingen, door of tegen den curator in zijne hoedanigheid in te stellen, bestaat niet de minste aanleiding tot afwijking van de algemeene regelen omtrent de betrekkelijke bevoegdheid, in artikel 126 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering gegeven. Voor de berechting van eene reïvindicatie blijft bijv. de rechter, onder wiens rechtsgebied het goed, waarover het geschil loopt, gelegen is (artikel 126, achtste lid), de meest geschikte, ook al is eischer of gedaagde curator in een faillissement*. Tegen deze opvatting werd in het Verslag der Commissie van voorbereiding geen bezwaar gemaakt 2); zij zal ook voor het nieuwe dertiende lid van art. 126 als juist moeten worden aangenomen, al werd zij uitgesproken naar aanleiding der in het eerste (en ook in het tweede) ontwerp der Invoeringswet voor-
1
) Belinfante V, hl. 7 v.
2
) Belinfante V, bl. 27.
69
gestelde intrekking van het vroegere dertiende lid van dit artikel 1).
Art. 45 al. 1 der Consulaire wet (officieele uitgave bij K. B. van 15 Juli 1887, Stbl. n0 138). In zake van faillissement, surséance van betaling (boedelafstand of kennelijk onvermogen) van Nederlanders zijn de consulaire rechtbanken bevoegd tot het verrichten van alle handelingen, bij de Neder-landsche wetten aan de arrondissements-rechtbanken opge-di-agen. De tusschenkomst van het openbaar ministerie, waar die door de Nederlandsche wet wordt vereischt, vervalt. De faillietverklaring zal dus alleen op aangifte van den schuldenaar of op vordering van de schuldeischers kunnen geschieden.
Ten slotte zij nog vermeld, dat in artikel 9 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. n0 88, op de Rijkspostspaarbank, zooals dit artikel is vastgesteld bij art. 5 van de wet van 20 Juli 1895, StI/l. n0 135, wordt verwezen naar art 103 der Faillissementswet Over het te-goed van den gefailleerde bij de Rijkspostspaarbank kan de curator niet beschikken zonder schriftelijke machtiging of goedkeuring van den rechter-commissaris.
') Art. 55^ van het Tarief van jnstitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken, bepalende dat «aan de deurwaarders is verschuldigd: voor het bewaren van eenen gefailleerde, per dag, kost en onderhoud daaronder begrepen, Æ3. â //, wordt hier voorbijgegaan, daar deze bepaling, hoewel bij de Invoeringswet niet uitdrukkelijk afgeschaft, niettemin is vervallen, immers art. 87 al 1 der Faillissementswet wijst voor de bewaring van den gefailleerde uitsluitend aan «eenen dienaar der openbare macht//, niet zooals art. 780 al. I Weth. van Kooph. '/eenen deurwaarder of eenen dienaar der openbare macht//.
EERSTE AFDEELTNG.
Van de faillietverklaring.
§ 1. Als voorwaarde voor de faillietverklaring noemt art. 1, zooals het is gewijzigd bij de wet van 6 Sept. 1895, Stbl. n0. 155: het verkeeren in den toestand van te hebben opgehouden te betalen. »De schuldenaar», aldus luidt het artikel, //die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen wordt.... in staat van faillissement verklaardquot;.
Niet dan na veel strijd is deze redactie aangenomen In het ontwerp der Staatscommissie en in het Regeeringsontwerp werd, in navolging van art. 764 W. v. K., eenvoudig gesproken van den schuldenaar «die ophoudt te betalenquot;, welke uitdrukking op twee plaatsen in de Memoriën van Toelichting tot die ontwerpen nader werd verklaard.
In de eerste plaats in de toelichting op artikel 1. Aldaar 1) werd het ophouden met betalen omschreven als «het objectieve, naakte feit van het niet-voldoen van opeischbare schulden waarvan de betaling gevorderd wordt, terwijl de verplichting om te betalen niet ontkend wordt. Ophouden te betalen heeft dus plaats bij weigering om te betalen2), zonder aanvoering van redenen of wel op grond van het niet kunnen betalen.
1
') Belinfante, bl. 47; Belinfante I, bl. 49; v. D. Feltz, Geschiedenis van de wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, dl. I, bl. 49.
2
) In de Memorie van Toelichting der Staatscommissie werd gelezen : //Ophouden te betalen sluit dus in zich een concursus van schuldeischers aan wie de verlangde betaling geweigerd wordtquot;, enz.
Molengkaa^'F , Faillissemcntswet. 5'
72
Het eene zoowel als het andere, niet alleen het laatste. Het niet willen betalen heeft evenzeer als het niet hunnen betalen ten gevolge dat de schuldeischers niet voldaan worden, beide roepen den concursus in 't leven waarin de raison d'etre van het faillissementsbeslag is gelegenquot;.
Deze opvatting van hetgeen voorwaarde behoort te zijn der faillietverklaring werd gesteld tegenover § 94 der Duitsche Konkursordnung,» waarin de stelling wordt gehuldigd: geen faillietverklaring, tenzij er is onvermogen om te betalen, staking van betaling is prima facie, maar volstrekt niet het eenige bewijs van onvermogen , â eene stelling die, niettegenstaande de duidelijke woorden van art. 764 Wetb. van Kooph., ook hier te lande verdedigers heeft gevonden en zelfs nu en dan in rechterlijke beslissingen is aangenomen ï)quot;. Voorts werd het standpunt der Memorie: â causa van faillissement is onvermogen of onwil om te betalen, m. a. w. het ongemotiveerd weigeren om te betalen nog aangedrongen met de opmerking dat beide, zoowel onwil als onvermogen, aanleiding geven tot samenloop, concursus creditorum, en dat juist in den samenloop van executeerende of tot executie gerechtigde schuldeischers de omstandigheid wordt gevonden, die de instelling van het faillissement noodzakelijk maakt en motiveert. » Niet in den vermogenstoestand van den schuldenaar, zooals de Konkursordmmg doet, maar in den toestand waarin de schuldeischers verkeeren omdat zij niet betaald worden , vindt het faillissement zijne reden van bestaanquot;.
De Memorie van Toelichting tot het Regeeringsontwerp voegt daaraan het betoog toe, dat het ophouden te betalen een deugdelijk criterium is, ook waar het de faillietverklaring geldt van personen niet tot den handelstand beboerende, omdat deze uitdrukking dwingt rekening te houden met de
') «Men zie Oyens, t. a. p., bi. 32 vlg.; Kist, dl. 6, bl. 46; Holtius, 2de uitg. bl. 50 vlg en de noten aldaar. De beide laatste schrijvers hebben echter meer het oog op de tegenstelling van weigeren om te betalen uit ongelegenheid, met weigeren wegens betwisting der vordering of van haar bedrag, dan met weigeren uit onwil. In de noot op bl. 52 van Holtius' werk teekent dan ook de Geer aan, dat elke weigering van betalen, waarbij van geene betwisting blijkt, voldoende grond is voor faillietverklaring; men verg. ook bl. 48. Onvermogen vordert de Rb. te Amsterdam 26 April ISöO en 23 April 1862, W. n0. 2197 en M. v. ÆÆ., IV. bl. 82-85//.
73
feitelijke omstandiglieden , die zich in ieder bijzonder geval voordoen 1).
Duidelijk werd aldus aangegeven, dat als grondslag van ieder faillissement werd beschouwd de samenloop van bevrediging zoekende schuldeischers, en dat het ophouden te betalen als criterium werd gevorderd, omdat daarin de uiterlijk waarneembare omstandigheid is gelegen, waardoor die samenloop in het leven wordt geroepen.
Ophouden te betalen is het meest betrouwbare kenteeken van het aanwezig zijn van een samenloop van schuldeischers en daarom de aangewezen voorwaarde voor de faillietverklaring; ziedaar de gedachtengang der Memorie
Wanneer van ophouden te betalen kan worden gesproken, werd in de Memorie te dezer plaatse niet nader onderzocht. In het afgetrokkene zijn daaromtrent ook bezwaarlijk regels te stellen. «Ofquot;, merkt de Memorie op, » een schuldenaar heeft opgehouden te betalen, of er derhalve eene algemeene vermogens-executie moet plaats hebben, is eene feitelijke vraag, die in elk geval aan de beoordeeling van den rechter moet worden overgelatenquot;.
Artikel 6 van het ontwerp, bepalende dat van het ophouden met betalen summierlijk moet blijken, gaf aanleiding op dit onderwerp terug te komen, in verband met de vraag of het
') Tot deze uitbreiding der Memorie had het Advies van den Raad van State aanleiding gegeven. In dit advies werd bezwaar gemaakt tegen den term ophouden le betalen, in de volgende woorden: v Daar bij niet-kooplieden geene geregelde betaling op gezette tijden, als waarvan in den handel sprake is, plaats heeft, kan men niet gevoegelijk van den niet-koopman zeggen, dat hij ophoudt te betalen. Ophouden met betalen is een zuivere handelsterm, vandaar dan ook de afwijkende bepalingen voor niet-kooplieden in de artt. 882 en 883 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.// De Raad gaf daarom in overweging, '/dat in stede van den in art. 1 van het ontwerp gebezigden term die ophoudt te betalen eene bepaalde omschrijving wierd gebezigd// (Relinfante II, bl. 181; v. D. Feltz I, bl. 51). Ook de leden van den Raad .Ihr. Rochussen en Jhr. van Humalda van Evsinga verklaarden in hun afzonderlijk advies ter bestrijding van de gelijkstelling van kooplieden, dat ten aanzien van niet kooplieden de uitdrukking ophouden te betalen geen bepaalden zin heeft. Zij wenschten voor dezen den staat van kennelijk onvermogen le behouden, en als voorwaarde voor de verklaring in dien staat den toestand van Zahlungsun-fühigkeit te zien aangenomen (Belinfante II, bl. 21ft; v. d. Fri.tz I, bl. 32).
74
niet-betalen van ééne schuld ophouden met betalen kan uitmaken. De Memories ^ zeggen daarvan:
âOf ophouden met betalen plaats heeft gegrepen is eene feitelijke vraag, in elk geval aan de beoordeeling van den rechter overgelaten. Deze beslisse dus of die feitelijke toestand zich ook kan openbaren door de niet-betaling van één schuld; het Ontwerp laat de mogelijkheid om in dien zin te beslissen open. Toont het niet-betalen van één schuld onder bepaalde omstandigheden aan, dat de schuldenaar in eenen toestand verkeert, die het hem onmogelijk maakt ook zijne andere schuldeischers te voldoen, indien deze betaling verlangen, dan is er zeer zeker ophouden met betalen, en behoeft de rechter niet te aarzelen om de faillietverklaring uit te spreken 2). De meening van Holtiüs (t. a, p., bl. 50), dat de weigering van eene enkele betaling nimmer voldoende kan zijn tot het uitspreken der faillietverklaring, werd reeds bestreden door Mr. C. D. Assek c. s., Wetboek van Koophandel met aanteeke-ningen, 2de uitgave, bl. 309«.
Uitdrukkelijk wordt dus geconstateerd, dat een enkele weigering van betaling op zich zelf nooit is ophouden met betalen. De Memoriën zien daarin niet een alleenstaand feit, maar den toestand welke aanwezig is als de opeischbare schulden niet worden betaald en waarvan het bestaan kan blijken uit verschillende feiten of omstandigheden.
Eenigszins uitvoerig is hier vermeld, wat tot toelichting van de woorden ; die ophoudt te betalen, door de Staatscommissie en door de Regeering werd aangevoerd, omdat die toelichting bij de behandeling der wet op zonderlinge wijze is misverstaan en als argument gebezigd, om het ophouden te betalen als voorwaarde voor de faillietverklaring te bestrijden.
In het Verslag der Commissie van voorbereiding werd reeds gezegd, dat men van oordeel was, dat de Memorie van Toelichting de juiste stelling, dat de sauienloop van execu-teerende of tot executie gerechtigde schuldeischers de instelling van het faillissement noodzakelijk maakt, niet had vastgehouden, en dat ook de bepaling van art. 1 daarmede niet overeenstemde.
') Belinfante bl. 83; Belinfante I, bl. 56; v. d. Feltz I, bl. 270.
s) Vgl. Hof te Arnhem, 25 April -1888, W. nquot;. 5613; Hof te Leeuwarden, 22 Mei 1889. P. v. J. n0. 69: Rb. te Amsterdam, 29 Nov. -188'.). W. n0. 5828.
75
«Zooals het ontwerp er ligt, met de toelichting, zal de niet-betaling van ééne enkele schuld, zelfs uit onwil, faillietverklaring ten gevolge hebbenquot;. Men achtte dit te bedenkelijker in verband met de voorgestelde gelijkstelling van kooplieden en niet-kooplieden. «In den handel toch is de stipulatie van betaling op een bepaald tijdstip usantie; daar heeft dus het niet-betalen een ander karakter, dan bij particulieren het niet-voldoen van schulden, waarvoor bepaalde termijnen meestal niet bestaan en ook niet door onze zeden worden aangenomen « 1).
De Minister Smidt herhaalde in zijn Antwoord, dat »de vraag, of ophovden van betalen zich voordoet, van feitelijken aard is, in ieder concreet geval door den rechter te beantwoorden n. Ten sterkste betwistte hij, dat de niet-betaling van ééne enkele schuld faillietverklaring ten gevolge zal hebben. Hij verwees daarbij naar hetgeen in de Memorie van Toelichting werd gezegd over het ophouden van betalen van niet-kooplieden (zie hierboven bl. 72). Aan den rechter, meende hij, zal de beslissing over de geheel feitelijke vraag, of ophouden van betalen heeft plaats gegrepen, gerust kunnen worden overgelaten 2).
Bij de algemeene beraadslaging over het ontwerp in de Tweede Kamer werd de opvatting, door het Verslag op rekening van men gesteld, door den heer van Houten nader ontwikkeld 3). Terwijl hij uitging van het standpunt, dat faillissement te pas komt in het geval dat er is een samenloop van schuldeischers, die allen trachten er bij te zijn, ontkende hij dat ophouden te betalen een geschikt criterium voor de faillietverklaring uitmaakt, en wel omdat die. «uitdrukking is een zuiver technische handelsuitdrukking, waaraan in de voorbereiding van dit wetsontwerp echter een geheel andere beteekenis wordt gegevenquot;. In het ontwerp zou daaraan, evenals in de rechtszaal geleidelijk was gedaan, de beteekenis worden toegekend â van het eenvoudige, naakte feit dat de debiteur, onverschillig of er is onwil of onvermogen of welke andere reden ook, waarom de schuld niet
1
') Belinfante II, bl. 25; v. d. Feltz I, bl. 52.
2
J) Belinfante II, bl. 26; v. d. Feltz I, bl. 53.
3
) Belinfante III, bl. 6 v.; v. d. Feltz 1, bl. 61 v.
76
door hem betaald wordt, zijne crediteuren niet oj» aanvrage bevredigtquot;. Toegepast op kooplieden, had de spreker daartegen niet zooveel bezwaar, wél waar het geldt niet-kooplieden. n Omdat de Eegeering ... in de stukken geheel de technische beteekenis van het ophouden van betalen heeft losgelaten en niets anders meer daarin ziet dan het bloote feit, dat men eene schuld niet heeft betaaldquot;, zou de rechter ook niet meer op de feitelijke omstandigheden mogen letten, maar de faillietverklaring moeten uitspreken, zoodra van de niet-betaling van één schuld blijkt. In het ophouden met betalen wligt niet, wanneer men het ontdoet van de technische beteekenis, de aanwezigheid van den concursus creditorum. Voor deze opvatting beriep de spreker zich '), een en andermaal, op de boven bl. 71 aangehaalde zinsnede uit de Memorie van Toelichting. Hij verlangde in artikel 1 een breidel tegen lichtvaardige en onnoodige faillietverklaringen, tegen faillissementen waar geen concursus creditorum is, en dus het faillissement geen raison d'être heeft.
Het is duidelijk, dat de Memorie van Toelichting door den heer van Houten geheel werd misverstaan. Hij zag over het hoofd, dat waar in de Memorie wordt gesproken over «het objectieve, naakte feit van het niet voldoen van opeischbare schuldenquot;, woorden waaraan hij zoozeer aanstoot nam, niet de tegenstelling van niet-betalen van één schuld en niet betalen van meerdere schulden wordt behandeld, maar die van niet-betalen en niet-lcunnen-hetalen of onvermogen om te betalen 1). Het geldt daar de vraag: moet den schuldeischer, die de faillietverklaring vordert, worden opgelegd te bewijzen, dat de schuldenaar niet kan betalen, dat dezen de middelen ontbreken om te betalen, of moet het bewijs, dat de schulden niet betaald worden, voldoende zijn. Dit laatste werd voldoende geacht, omdat onvermogen niet is een objectief uiterlijk waarneembare daadzaak maar een interne toestand,
1
) In het Voorloopig Verslag der Eerste Kamer wordt dit zeer juist uiteengezet en aangetoond, dat de Memorie van Toelichting geenerlei grond geeft voor de bewering, dat, bij gelijkstelling van den niet-koopraan met den koopman , reeds het nalaten van eene enkele betaling den particulier aan faillietverklaring zou blootstellen. Zie lielinfante IV, bl. G v.; v. d. Feltz I, bl. 135 v.
77
die niet dan bij benadering gekend kan worden, en omdat de samenloop van scbuldeisebers, â volgens de Memorie de raison d'etre van bet faillissementsbeslag,, â steeds aanwezig is, als de betaling van opeiscbbare schulden wordt geweigerd, onverschillig of onvermogen of onwil de oorzaak is van het niet-betalen.
De bestrijding van het ophouden te betalen als algemeene voorwaarde voor de faillietverklaring vond steun bij hen, die, zooals de heer Kaenebeek, niets wilden weten
van de voorgestelde gelijkstelling van niet-kooplieden en kooplieden, of althans, met den heer Haete, verlangden dat de niet-koopman minder gemakkelijk dan de koopman in staat van faillissement zou kunnen worden verklaard. Tegenover al deze bedenkingen werd door den Minister en door de leden der Commissie van voorbereiding Haktogh en Hintzen volgehouden, dat bet ophouden te betalen in geenen deele is een specifieke handelsterm, dat het evenzeer van particulieren kan worden gezegd als van kooplieden, dat het een feitelijke toestand is, omtrent welks aanwezigheid in ieder geval door den rechter moet worden beslist, gelet op alle omstandigheden. Omdat ieder zal worden beoordeeld naar den feitelijken toestand waarin hij verkeert, met dien feitelijken toestand, die zeer verschillend kan wezen, door den rechter moet worden rekening gehouden, zal het verschil van feitelijken aard, dat tusschen een particulier en een koopman bestaat, tot zijn volle recht kunnen komen, n De uitdrukking ophouden van betalen is juist in de wet behouden, omdat het goed is aan den rechter de ruimte te geven, volkomen rekening te houden met alle feitelijke toestanden, zooals deze in gegeven gevallen zich voordoen «
De heer van dee Kaat 2), die ook ophouden le betalen een handelsterm noemde, duchtte de toepassing van dien term op particulieren niet. Hij was van oordeel, dat in de stukken het doel der faillietverklaring volkomen duidelijk was uiteengezet, zoodat a omtrent de opvatting van de woorden ophouden te betalen wel geen verschil van gevoelen meer mogelijk schijntquot;. Evenwel, ten einde de vrees van enkelen voor eene
') Belinfante III, bl. 52; v. d. Feltz I, bl. 106.
*) Belinfante 111, bl. 35 v.; v. d. Feltz 1, bl. 87 v.
78
verkeerde hanteering dier formule door den rechter ten aanzien van particulieren weg te nemen, achtte hij het gewenscht, in artikel 1 het eigenlijk doel van het faillissement nader aan te duiden en wel door er aan toe te voegen de woorden: indien dit in het belang zijner gezamenlijke schuld-eischers wenschelijk blijkt, n Ik geef dit denkbeeldzeide de spreker, »in overweging en meen er nog dit van te mogen zeggen, dat, wanneer die bepaling in de wet geschreven werd, de practijk ten aanzien van de kooplieden er mijns inziens niet door zou gewijzigd worden. Hetzelfde denkbeeld toch ligt ook nu reeds ten grondslag aan elk goed vonnis, waarbij een koopman in staat van faillissement wordt verklaardquot;.
De heer van der Kaat liet het woord volgen door de daad; een amendement van den aangekondigden inhoud werd door hem op art. 1 ingediend.
Zijnerzijds had de heer van Houten een amendement voorgesteld, waarvan het hoofddoel was, in plaats van »de schuldenaar die ophoudt te betalen wordt enz.«, te lezen: n de schuldenaar die blijk geeft van onvermogen om zijne opeisch-bare schulden te betalen kan enz. Bij de toelichting 1) van dit amendement handhaafde hij zijne meening, dat de formuleering ophouden met betalen speciaal bestemd is voor den handel, en dat die technische uitdrukking uit den aard der zaak eene andere beteekenis verkrijgt, nu zij voortaan zal moeten gelden voor kooplieden en voor niet-kooplieden. Uit het voorstel der Regeering zou z, i. de uitlegging geboren worden . dat ophouden van betalen zal kunnen worden afgeleid uit de wanbetaling van eene enkele schuld. Ook ontkende hij, dat door de redactie der Regeering, zooals deze wenschte, de appreciatie der feiten aan den rechter werd overgelaten. Hij zou bevredigd zijn, indien aan art. 1 de door den heer van der Kaat voorgestelde lezing werd gegeven, omdat deze eene groote speelruimte aan den rechter laat.
De heer Ttdeman 2), die, bij afwezigheid van den heer van dee Eaay, diens amendement had overgenomen, stelde op den voorgrond -/dat hetgeen het amendement wil, volkomen ligt in de denkbeelden van de Regeering, die echter niet
1
Belinfanto III, bl. 79 v.; v. d. Feltz I, bl. 107 v.
2
Belinfante III, bl. 83 v.; v. d. Feltz I, bl. Il'i v.
7!)
voldoende zijn uitgedrukt in de wet zelve. Het amendement strekt dus niet om te reageeren tegen het wetsontwerp maar om daarin eene verduidelijking aan te brengen, geheel naar de bedoelingen van de voordrachtquot;.
Ook de Minister was van oordeel dat van eenig principieel verschil niet was gebleken. ,/Tusschen hetgeen met betrekking tot art. 1 door en namens de Commissie van voorbereiding gezegd of in de gewisselde stukken uitvoerig behandeld is, en hetgeen de amendementen beougen en hunne voorstellers wenschen, bestaat eigenlijk zelfs geen zakelijk verschilquot;. Het amendement v. d. KaayâTtdeman achtte hij, met het oog op de beteekenis der technische uitdrukking ophouden te betalen, in geen enkel opzicht noodig. Als verduidelijking wilde hij het echter aanvaarden, mits, in plaats van «indien dit in het belang zijner gezamenlijke schuldeischers wenschelijk blyktquot;, werd gelezen: «indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk blijktquot;.
Hoewel eenstemmig de voorkeur gevende aan artikel 1, zooals het door de Regeering was voorgesteld, verklaarde de Commissie van voorbereiding, bij monde van den heer Huber 1), zich toch bij het amendement neer te leggen, omdat de verlangde bijvoeging h. e. zeer onschuldig was en de bezwaarden scheen te kunnen bevredigen.
Nadat de heer Ttdeman zich met de formuleering van den Minister had vereenigd, nam deze het aldus gewijzigde amendement over. De gewenschte eenstemmigheid bleek echter nog geenszins te zijn bereikt. Verschillende leden meenden, dat nu eene nieuwe voorwaarde naast het ophoiiden te betalen was gesteld, eene voorwaarde waardoor aan den aanvrager der faillietverklaring een in de meeste gevallen niet te leveren bewijs werd opgelegd. De heer de Kanter stelde zelfs voor, de oorspronkelijke redactie van het artikel te herstellen.
Ten einde deze nieuwe oppositie te bezweren en te doen uitkomen, dat niet werd bedoeld eene voorwaarde, waarvan het bestaan zou moeten worden aangetoond, verving de Minister het woord «blijktquot; aan het slot der toevoeging door
1
) Belinfante III, bl. 90 v.; v, d. Feltz I, bl. 120 v.
80
r/wordt geoordeeldquot;. Herstel der oorspronkelijke lezing ontraadde hij, omdat de aangebrachte wijziging in het artikel niets had veranderd, maar alleen de beweerde onduidelijkheid daarvan had weggenomen.
De heer de Kantee trok alsnu zijn amendement in, evenals de heer Cleecx een door hem voorgesteld amendement om de toevoeging te doen luiden: «indien dit met de gezamenlijke belangen der schuldeischers niet in strijd blijktquot;. Het gewijzigde artikel werd vervolgens aangenomen met 58 tegen 11 stemmen.
De behandeling in de Eerste Kamer leerde, dat de meening, dat de wijziging, die artikel 1 had ondergaan, van zeer on-schuldigen aard was eu geenerlei zakelijke verandering in het artikel had gebracht, door de leden van dat college geenszins algemeen werd gedeeld. Uit het Voorloopig Verslag bleek al dadelijk, dat bij vele leden ernstige bezwaren bestonden tegen de aan het artikel toegevoegde woorden. Men achtte daardoor een nieuw element van beoordeeling in de wet gebracht, waardoor hare toepassing onzeker en willekeurig zou worden, en eene bepaling in het leven geroepen, die practisch onuitvoerbaar was '). Al trachtte de Minister in zijn Antwoord1) het bewijs te leveren, dat historisch vaststaat, k dat de bijgevoegde woorden geene nieuwe voorwaarde, door den aanvrager te bewijzen, stellen, en de bedoeling hebben, niet om het artikel te wijzigen, maar eenig en alleen om het te verduidelijkenquot;; al betoogde hij uitvoerig, dat, als er is ophouden met betalen, de faillietverklaring altijd in hot gemeenschappelijk belang der schuldeischers zal zijn, wie hij mocht overtuigd hebben, niet het lid der ontbonden Staatscommissie, den heer Pijnappel.
Deze, een der auteurs van het wetsontwerp, onderwierp bij de openbare beraadslaging de bedoelde bijvoeging aan een strenge en afbrekende critiek2), waarmede bijna alle andere sprekers instemming betuigden. Alleen de heer van Lier
1
-) Belinfante IV, bl. 34 v.; v. d. Feltz I, t. a. p.
2
) Belinfante IV, bl. 58 v., i02 v.; v. d. Feltz 1, bl. 144 v., -101 v.
81
steunde den Minister in diens verdediging van de onschadelijkheid der bijvoeging.
De heer Pijnappel ontwikkelde tegen de bijvoeging drie grieven: dat het doel waarmede zij in de wet geschreven is, niet daardoor zou worden bereikt; dat zy den rechter zou plaatsen voor eene quaestie, tot welker oplossing men hem niet tevens de middelen verschafte; en dat, al was de rechter in de mogelijkheid de quaestie met kennis van zaken op t« lossen, het de zaak niet beter, maar wel slechter zou maken. De bijvoeging toch stelt een voorwaarde; de wenschelykheid, daarin genoemd, moet dus nu eens wel, dan weder niet aanwezig zijn, kan dus niet steeds aanwezig zijn, als er is ophouden met betalen. Bij eene gezonde wetsuitlegging, meende derhalve de spreker, zal de rechter de vraag moeten beantwoorden, of er meer kansen zijn voor de crediteuren een goed dividend te bekomen bij faillissement dan wel zonder faillissement. Daarom achtte hij door de bijvoeging een verderfelijk element in de wet gebracht.
Tegenover deze bezwaren werd door den Minister het door hem in zijn Antwoord op het Voorloopig Verslag aangevoerde nader ontwikkeld en opnieuw erop gewezen, dat alleen was bedoeld eene verandering in de formuleering, ten einde, ter verzekering van de juiste toepassing der wet op niet-kooplieden, duidelijk te doen uitkomen, dat het faillissement niet is een gewoon executiemiddel, maar alleen te pas komt als blijkt van een samenloop van schuldeischers. Achtte de Minister dit reeds voldoende uitgedrukt door de woorden ophouden te betalen, anderen dachten daarover anders, en daardoor werd het aanbrengen der verduidelijking gerechtvaardigd 1).
Gaat men alles na, wat over artikel 1 in de stukken en bij de beraadslagingen werd verhandeld, en hierboven zeer beknopt is geschetst, dan kan de slotsom, waartoe men komt, moeilijk een andere wezen dan deze, dat de veel besproken bijvoeging een bepaald omschreven beteekenis miste. Geen wonder voorwaar! Men wilde immers den rechter volledige vrijheid van waardeering van alle feitelijke omstandigheden laten, al zij het met de vermaning van die
M Belinfante IV, bl. 93 v., Ill v.; v. d. Feltz 1, bl. 180 v., '200 v. Molkngbaaff , Failiascmcntswet.
82
vrijheid een verstandig gebruik te maken. Ter geruststelling van hen die bezorgd waren over het lot van den in schulden stekenden particulier, meende de wetgever aan den rechter het doel van het faillissement in eene korte formule voor oogen te moeten stellen, hem daarbij als het ware toeroepende, in dit teeken zult gij vrijelijk oordeelen. Een gemoedelijke raad werd gegeven, niet een stellig voorschrift! Zoo stonden dan de woorden: indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeld, in de artt. 1, 6 en 198 ') der wet als een weinig zeggend monument, opgericht ter eere van het gemeen overleg. Gelukkig bleek dit monument niet te wezen aere perennius; het viel weldra onder de mokerslagen des heeren Pijnappel.
Bij de behandeling in de Eerste Kamer had de heer Pijnappel verklaard vdor de wet te zullen stemmen, maar tevens zich voorbehouden de invoeringswet af te stemmen, indien niet bij die invoeringswet aan zijn bezwaar ten opzichte van artikel 1 werd tegemoetgekomen. De beide ontwerpen der Invoeringswet, die achtereenvolgens in Oct. 1893 en Juni 1894 door de Regeering werden ingediend, hielden met zijn bezwaar geen rekening; zij lieten de Paillissementswet ongemoeid. Inmiddels hadden de verkiezingen in het voorjaar van 1894 den heer Pijnappel in de Tweede Kamer gebracht en daardoor in de gelegenheid gesteld, zelf tot wetswijziging het initiatief te nemen. Daartoe in Sept 1894 overgaande, stelde de heer Pijnappel voor, de bekende bijvoegingen in de artt. 1, 6 en 198 der wet weer te schrappen en, tot tegemoetkoming aan de bedenkingen, die tot die bijvoeging hadden geleid, in art. 6 te bepalen, dat de faillietverklaring wordt uitgesproken, //indien summierlijk blijkt van het bestaan van daadzaken of omstandigheden, welke aantoonen dat de toestand van het ophouden met betalen aanwezig isquot;.
Het denkbeeld, in dezen geest artikel 6 aan te vullen, was reeds bij de behandeling der wet in de Eerste Kamer door den heer Vlielandee Hein, onder verwijzing naar art. 766 Wetb. v. Kooph., den Minister Smidt aanbevolen. Door te spreken van: toestand van het ophouden met betalen, trachtte
') Toen de formule in art. 1 was opgenomen, werd zij ook in art. 6 al. '2 en in art, -198 ingelascht.
83
de heer Pijnappei, de misvatting weg te nemen, dat ophouden met betalen hetzelfde beteekende als: ééne schuld niet betalen.
Ten einde de redactie van de artt. I en 6 te doen overeenstemmen, wat nit een oogpunt van wetgevingstechniek ge-wenscht werd geacht, wijzigde de voorsteller, na afloop der schriftelijke behandeling, in overleg met de Commissie van voorbereiding, zijn voorstel in dien zin, dat ook in art. 1 het ophouden te betalen als een toestand werd aangeduid. Daartoe werd de redactie, die het artikel thans heeft, gekozen.
Bij de mondelinge beraadslaging bleek in de Tweede Kamer over de formuleering van artikel 1 nog hetzelfde verschil van meening te bestaan als twee jaren te voren. De heer Ttdeman kwam voor zijn stiefkind, de bedreigde bijvoeging in dat artikel, op1). Tusschen de uitdrukkingen: quot;die in den toestand verkeert, dat hij heeft opgehouden te betalen», en: «die ophoudt te betalen lt;â¢, kon hij geenerlei verschil ontdekken; beide uitdrukkingen beteekenen volmaakt hetzelfde. Wat het gemeenschappelijk belang der schuldeischers betreft, was hij van gevoelen, dat de rechter dit punt zeer wel zou kunnen beoordeelen. Met den heer Haete stelde hij als amendement voor, aan het eerste lid van artikel 1, zooals het door den heer Pijnappel was geformuleerd, ter vervanging van de door dezen geschrapte zinsnede: «indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeldquot;, toe te voegen de zinsnede: w tenzij dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers niet wenschelijk wordt geoordeeldquot;. Terwijl hij de redactie-wijziging in den aanhef van het artikel, betreffende het ophouden te betalen, waardoor «niets nieuws, geen enkel nieuw begrip, wel een nieuw woord, maar ook niets meer dan dat«, in de wet werd gebracht, als volkomen onschadelijk aanvaardde, hield hij tevens vast aan de thans negatief geredigeerde toevoeging over het gemeenschappelijk belang der schuldeischers, omdat daardoor in de wet wordt uitgedrukt, âdat de rechter te doen hebbe met een concursus creditorumquot;, en bij afwezigheid hiervan het middel hebbe de gevraagde faillietverklaring af te wijzen2).
') Belinfante VI, bl. 22 v.; v. d. Feltz 1, bl. 222 v.
-) Belinfante VI, bl. 32 v. ; v. d. Feltz I, bl. 23.i v.
84
Met 46 tegen 27 stemmen schaarde de Kamer zich aan de zijde van den heer Pijnappel en van die sprekers, welke met hem ook deze negatieve formuleering afkeurden, omdat daardoor, evengoed als door de positieve formuleering, bij iedere faillietaanvrage een element in het debat zou worden gebracht, althans de mogelijkheid zou worden geopend, bij iedere faillietaanvrage een element in het debat te brengen, dat door den rechter niet behoorlijk zou kunnen worden beoordeeld.
Ter aanbeveling van de uitdrukking: -die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen», boven de enkele woorden: n die ophoudt te betalen « , werd door den heer Pijnappel onder meer aangevoerd !): â toestand wijst duidelijk iets aan, dat algemeen is en eenige voortduring heeft, zóó dat niemand daaraan kan twijfelen; terwijl tegen de uitdrukking ophoudt te betalen de bedenking gerezen is, die niet uit de lucht gegrepen was, maar zeer krachtig in deze Vergadering werd uitgesproken, dat zij zou kunnen worden opgevat als niet te slaan op een algemeenen en voortdurenden toestand, maar op een enkel feit: zoodat dit enkele feit, onafhankelijk van hetgeen daarmede gepaard gaat, de verplichting aan den rechter zou opleggen het faillissement uit te spreken «. En verder: âWanneer de geachte spreker (de heer Ttdeman) verder trad in een betoog, dat het, wel beschouwd, ook onder het bestaande recht en volgens de wet van 1893 een toestand is, die vereischt wordt, dan ga ik met hem in die beschouwing geheel mede; de reden, waarom ik de gebezigde uitdrukking gewijzigd wensch te zien, is niet dat mijne rechtsovertuiging die wijziging noodzakelijk maakt, maar dat van eene tegenovergestelde rechtsovertuiging van anderen in deze Kamer uitdrukkelijk en herhaaldelijk gebleken is».
De heer Pijnappel had de voldoening zijn wetsvoorstel met 63 tegen 10 stemmen door de Tweede Kamer te zien aannemen.
De Eerste Kamer vereenigde zich met het voorstel, dat blijkens het Verslag geacht werd eene verbetering in de wet te brengen, zonder beraadslaging of hoofdelijke stemming. Herhaaldelijk werd door den heer Pijnappel, bij de toe-
') Belinfante VI, bl. 29 v.; v. d. Feltz I, bl. 230 v.
85
lichting en verdediging van zijn voorstel, verwezen naar de Memorie van Toelichting tot het ontwerp der Faillissementswet en aangetoond, dat wat hij wenschte, geheel overeenstemde met de bedoeling van dat ontwerp. Wat in die Memorie wordt gezegd tot toelichting van de woorden ophouden te betalen en hierboven is aangehaald, heeft dan ook voor het artikel, zooals het thans luidt, niets van zijne beteekenis verloren.
Of de schuldenaar in den toestand verkeert, dat hij heeft opgehouden te betalen, is, daaromtrent laat de lijdensgeschiedenis van artikel 1 stellig geen twijfel, eene feitelijke vraag, die de wet in elk geval aan de beoordeeling des rechters overlaat
Deze zal daarbij in het oog hebben te houden, dat aan de wettelijke onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden met betrekking tot de faillietverklaring geenerlei gevolg is verbonden, en dat in de wet evenmin eenig onderscheid wordt gemaakt tusschen huisschulden en andere schulden. Of de schuldenaar al of niet een koopman is in stelligrechtelijken zin, mag dus bij de beoordeeling der feiten niet in aanmerking worden genomen. Evenmin mag de aard der schulden beslissen. Hetgeen daaromtrent in de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt verdient alle aandacht.
«Het is», aldus de Memorie '), /-onverschillig, ook dit ligt in den term ophouden te betalen, welke schulden niet voldaan worden. Bene uitzondering te maken, voor welke categorie van schulden ook, bijv. voor zoogenaamde huisschulden, ware ten eenenmale verwerpelijk. De faillietenwet mag niet het denkbeeld in het leven roepen, alsof het op de betaling van sommige schulden (met name van huis-schulden) minder aan zou komen, alsof bijv. winkeliers minder recht op betaling van het hun verschuldigde zouden hebben dan andere schuldeischers. Toch ware dit eene logische gevolgtrekking, indien in dit artikel onderscheid werd gemaakt tusschen schulden en schulden, en alleen het ophouden met het betalen van sommige, met uitsluiting van andere, als voorwaarde voor faillietverklaring werd aangenomen. De faillietenwet behoort juist het beginsel van het burgerlijk
') Belinfante i, lil. 51; v. d. Ff.i.tz I, bl. 50.
86
recht, dat ten opzichte van alle opeischbare schulden tenzij voortgesproten uit spel en weddingschap, eene in rechte afdwingbare verplichting tot betaling bestaat, te bevestigen quot; !).
Dit wil nu niet zeggen, dat de niet-betaling van iedere schuld steeds op dezelfde wijze moet worden beoordeeld; integendeel het niet-terstond-betalen van niet ontkende en opeischbare schulden, waarvan betaling wordt verlangd, zal in ieder geval moeten worden getoetst aan bestaande handels-of maatschappelijke gewoonten, en in verband daarmede de feitelijke beteekenis dier niet-betaling moeten worden vastgesteld.
Maar wél wil dit zeggen, dat uitsluitend op het verschil in de feitelijke omstandigheden waaronder de weigering van betaling plaats heeft, mag worden gelet, en dat alleen voor zooverre het verschil in werkkring, stand of levenswijze van verschillende schuldenaren die feitelijke omstandigheden beheerscht of daarop invloed heeft, op dit verschil acht mag worden geslagen.
Heeft de rechter de aanwezigheid der door de wet gestelde voorwaarde: den toestand van ophouden met betalen, vastgesteld, dan houdt meteen zijne vrijheid van beoordeeling op. Artikel 1 zegt imperatief: «De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaardquot;.
§ 2. Het initiatief tot de faillietverklaring kan uitgaan, hetzij van den schuldenaar zelf (eigen aangifte), hetzij van een of meer schuldeischers, hetzij van het Openbaar Ministerie.
Art. 768 eerste lid Wetb. v. Kooph. beperkte het optreden van het Openbaar Ministerie tot de gevallen, dat de schuldenaar voortvluchtig is zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld, of bezig is zijne goederen te verdonkeren. De Staatscommissie meende, dat voor die beperking geen voldoende reden is aan te geven; »ook buiten de genoemde feiten zijn er nog vele andere kwade praktijken en strafbare handelingen, waaraan de schuldenaar zich bij staking van betaling schuldig kan
') De Raad van State had nieuwjaars rekeningen of in het algemeen huiselijke schulden, huurschulden daaronder begrepen, willen uitzonderen, /tenzij degene, die eene dergelijke schuld heeft in te vorderen, van een vonnis of anderen executorialen titel voorzien is, of wel conservatoir beslag onder den schuldenaar zeiven heeft gelegd//. Zie Belinfante II, bl. 181; v. d. Feltz I, bl. 51 v.
87
maken en die het optreden van het Openbaar Ministerie rechtvaardigen» 1).
Anders dacht de Raad van State er over. Hij achtte het bedenkelijk « eene zoodanige onbeperkte bevoegdheid aan het Openbaar Ministerie te verleenen, als thans wordt voorgesteld»2), en gaf aan de bepaling van het Wetb. v. Kooph. de voorkeur. Aan dit advies meende de Eegeering geen gevolg te moeten geven. In de Memorie van Toelichting eenige wijziging brengende, legde zij den nadruk op de taak van het Openbaar Ministerie, om steeds op te treden als het openbaar belang dit vordert. «Wanneer dit het geval is, moet aan de betrokken ambtenaren ter beoordeeling worden overgelaten. Het gaat te ver te beweren dat daartoe, buiten de gevallen in art. 768 Wetb. v. Kooph. genoemd, nimmer gegronde aanleiding zou kunnen bestaan» 3). Tot staving dezer uitspraak wees de Minister in zijn Rapport aan de Koningin-Regentes « op de gevallen, waarin de schuldenaar zich aan oplichting of verduistering van in bewaring gegeven geld of goed heeft schuldig gemaakt« ^).
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding wenschten sommigen aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid, faillietverklaring te requireeren, geheel te ontzeggen, anderen die bevoegdheid te beperken tot bepaaldelijk in de wet te noemen gevallen, althans aan de rechtbank de bevoegdheid toegekend te zien, » den ambtenaar van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijne vordering, wanneer bleek, dat bij zijne aanvrage geen openbaar belang was betrokken » 4).
De Minister Smidt, van meening dat het Openbaar Ministerie uit den aard der zaak alleen moet optreden als het openbaar belang dit vordert, en dat de rechtbank de faillietverklaring moet weigeren, indien, naar haar oordeel, dit belang niet aanwezig is, had geen bezwaar dit uitdrukkelijk in de wet te vermelden. In het gewijzigd Regeeringsontwerp werd dus
1
) Belinfante, bl. 75 v.
2
'â ') Belinfante II, bl. ISO; v. D. Feltz I, bl. 51
3
Belinfante I, bl. 51; v. d. Fei.tz 1, bl. 50.
4
) Belinfante II, bl. 27; v. d. Feltz I, bl. 54.
Molkngraaff, Faillissementswet.
88
bepaald, dat op vordering van het Openbaar Ministerie de faillietverklaring wordt uitgesproken, «om redenen van openbaar belang» 1).
Het Openbaar Ministerie zal derhalve alleen dan behooren op te treden, wanneer naar zijn oordeel zoodanige redenen aanwezig zijn, terwijl de rechtbank de faillietverklaring slechts zal uitspreken, als zij dat oordeel tot het hare maakt. Bovendien is het Openbaar Ministerie gebonden aan de algemeene voorwaarde, dat de schuldenaar in den toestand verkeert, dat hij heelt opgehouden te betalen. Het tegendeel mag niet daaruit worden afgeleid, dat in het tweede lid van artikel 1 die voorwaarde niet wordt herhaald. De splitsing van liet artikel in twee leden, bij de behandeling in de Tweede Kamer, had uitsluitend ten doel, de bekende bijvoeging over het gemeenschappelijk belang der schuldeischers niet van toepassing te doen zijn, als het Openbaar Ministerie optreedt2).
§ 3. De bevoegde rechter voor het uitspreken der faillietverklaring is de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars (art. 2 al. 1); heeft deze zich buiten het Eijk in Europa begeven, de rechtbank zijner laatste woonplaats (art. 2 al. 2).
Oorspronkelijk werd in het vierde, later in het tweede lid van het artikel gelezen: «Indien de schuldenaar, met achterlating van schulden, zich buiten het Rijk in Europa heeft begevenquot;. De Memorie van Toelichting achtte door de gecursiveerde woorden «de voorgestelde bepaling behoorlijk begrensd quot; â ,), daarmede bedoelende dat door die woorden duidelijk â wordt aangewezen, dat het niet voldoende is, dat de schuldenaar vroeger in Nederland heeft gewoond, maar dat bovendien de schulden, waarvoor de faillietverklaring wordt gevraagd, gedurende zijn verblijf in Nederland moeten zijn aangegaan. Bij de openbare beraadslaging meende de heer Hübetc, dat de bedoelde woorden overbodig waren, omdat een schuldenaar, die zich buiten het Rijk- in Europa heejt
1
lt;) Belinfantc II, bl. 27; v d. Fei.tz I, bl. 54.
2
Verg Belinfante III, bl. 00 en 02; v, d. Fei.tz I, bl. IIO v., 121; en hot antwoord van den Minister op een desbetreffende vraag in het Verslag dei-Eerste Kamer, bij Belinfante IV, bl. 10 en 30.
89
begeven, dit natuurlijk doet met achterlating van schulden, eene opmerking, welke den Minister uanleiding gaf, de geïncrimineerde woorden uit het artikel te verwijderen. Dat de schulden zijn gemaakt gedurende het verblijf in Nederland, zal dus ook nu nog als eisch mogen worden gesteld.
In twee gevallen is de rechtbank van de woonplaats niet de eenige bevoegde rechtbank, maar is daarnevens nog een andere rechtbank mede bevoegd. Het eerste geval wordt behandeld in art. 2 al. 3, luidende: «ten aanzien van vennooten onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.quot; Deze bepaling, ingevolge het mondeling overleg tusschen de Commissie van voorbereiding en de Regeering in de wet opgenomen, gaat blijkbaar uit van de opvatting, dat de vennootschap onder firma niet is een zelfstandig vermogenssubject of rechtspersoon. Niet de rechter, die bevoegd is tot faillietverklaring van de vennootschap wordt aangewezen, maar de rechter die mede bevoegd is tot faillietverklaring van de vennooten.
Te eerder verdient dit opmerking, omdat de Raad van State in zijn advies had aangedrongen op bepalingen omtrent de vennootschap onder eene firma, o. a. erop wijzende dat het ontwerp de vraag onopgelost liet: »of vennootschappen onder eene firma als zoodanig in staat van faillissement kunnen verkeeren, dan of dit alleen met de vennooten het geval kan zijn, eene vraag die verschillend beantwoord wordt*1).
Tegenover deze bedenkingen verdedigde de Minister Ritus in zijn rapport aan de Koningin-Regentes het stilzwijgen van het ontwerp, op grond dat de oplossing van die vraag in de eerste plaats afhangt van het stelsel, dat gehuldigd wordt omtrent het rechtskundig karakter dier vennootschappen, wen dat in dit opzicht tusschen de rechtsgeleerden allerminst eenheid van zienswijze bestaat, is algemeen bekend. Daaromtrent behoort in deze wet, die de rechtsinstituten van het faillissement en de surséance van betaling regelt, niet te worden gepraejudicieerd. De beslissing daaromtrent en derhalve ook omtrent het rechtsgevolg van het faillissement dier vennoot-
') Belinfante II, bl. 182; v., d. Feltz 1, bl. 251.
90
schap, blijve derhalve voorbehoeden tot eene eventueele nieuwe regeling der vennootschappen onder firma« ').
Op hetzelfde standpunt plaatste zich de Minister Smidt in zijn antwoord op het Verslag der Commissie van voorbereiding, waarin werd te kennen gegeven, dat â dringende behoefte bestaat aan eene wettelijke regeling, waarbij o. a. wordt beslist, of eene vennootschap onder firma al dan niet als een rechtspersoon is te beschouwen en in ieder geval, of zij al dan niet een afgezonderd vermogen zal hebben. Mocht deze vóór de totstandkoming van dit ontwerp niet zijn gemaakt, dan zal, meenden sommigen, de opneming van eene regeling ad hoe onvermijdelijk zijn»2). De Minister antwoordde hierop o. a.: «eene speciale aanleiding om de belangrijke, het geheele vennootschapsrecht beheerschende vraag, of de vennootschap onder firma al dan niet als een rechtspersoon is te beschouwen, althans, of zij al dan niet een afgezonderd vermogen zal hebben, bij dit ontwerp uit te maken, bestaat derhalve niet. Het zou zelfs zeer verkeerd zijn, die quaestie incidenteel en alleen voor het faillissement bij dit ontwerp uit te maken «3).
Wat de Regeering toen nog niet wilde , is door haar in het later ingevoegde derde lid van art. 2 gedaan ; implicite is daarin partij gekozen voor eene bepaalde oplossing der strijdvraag, en wel voor die welke in de vennootschap onder firma eene vereeniging ziet, welke geen rechtspersoonlijkheid heeft.
Volgens deze beschouwing, die ons voorkomt geheel in overeenstemming te zijn met de wettelijke bepalingen omtrent de vennootschap onder firmaen met degevestigdejurisprudentie, is faillissement van de vennootschap onder eene firma niets anders dan eene verkorte uitdrukking voor faillissement van de vennooten4). Verkeert; de vennootschap in den toestand dat
') Belinfante II, bi. 227; v. d. Feltz I, bl. 251 v.
J) Belinfante II, bl. 24 v.; v n. Feltz I, bl. 257.
Belinfante II, bl. 25; v. d Feltz I, t a. p.
Hof van Nil. Hollaml 20 Jan. quot;1870, vern. Rb. te Haarlem 25 Mei 1809, Mrui. v. H. 1870 bl. 3 v.; Hooge Raad 23 Dec. 1892, W nquot;. 1)287, Mag. v. II. 1893 bl. 105. Verg. art. 15 al. 1 van het ontwerp van een wetsvoorstel betreffende de vennootschap onder eene firma, enz., samengesteld door tie Staatscommissie tot herziening van het Wetboek van Koophandel, uitgave Gebrs. Belinfante 1890, .bl. 24: vindien de vennootschap ophoudt te betalen, worden, met inachtneming der wetsbepalingen omtrent het faillissement, al de ven-nooten in staat van faillissement verklaard//.
91
zij heeft opgehouden te betalen, dan wil dit zeggen dat de vennooten allen in dien toestand verkeeren. Ieder van hen zal door den rechter van zijn woonplaats kunnen worden failliet verklaard. Indien deze woonplaatsen zich in hetzelfde arrondissement bevinden, en de faillietverklaring van alle vennooten tegelijkertyd wordt aangevraagd, zal deze wel kunnen worden uitgesproken bij één vonnis en met benoeming van één curator in al die faillissemeuten. Wonen daarentegen de vennooten in het rechtsgebied van verschillende rechtbanken , dan zal het faillissement van iederen vennoot afzonderlijk aan den rechter van zijne woonplaats moeten worden aangevraagd, en zullen dan ook allicht verschillende curators worden benoemd, die gezamenlijk de zaken der vennootschap zullen moeten afwikkelen. De Commissie van voorbereiding achtte dit minder gewenscht, en om nu in alle gevallen de faillietverklaring van alle vennooten bij één vonnis en de benoeming vau één curator mogelyk te maken, is de rechtbank van het kantoor der vennootschap mede bevoegd verklaard. Afzonderlijke faillietverklaring der verschillende vennooten, ieder door den rechter van zijn woonplaats, is daardoor geenszins uitgesloten.
De wet vordert niet, wil de rechtbank van het kantoor der vennootschap bevoegd zijn, dat alle vennooten in den toestand verkeeren, dat zij hebben opgehouden te betalen; ieder vennoot die in dien toestand verkeert, kan op zich zelf door bedoelde rechtbank worden failliet verklaard, onverschillig wat met de andere vennooten gebeurt.
Het tweede geval, dat nevens den rechter van de woonplaats nog een andere rechter bevoegd is, wordt gevonden in art. 3. De woonplaats van de gehuwde vrouw, «welke niet van tafel, bed, bijwoning en goederen is gescheidenquot;, is de woonplaats van haren man (art. 78 Burg. Wetb.). Dit geldt ook van de gehuwde, openbare koopvrouw en van de vrouw, die, al of niet in gemeenschap gehuwd, een eigen vermogen bezit. Volgens den regel van art. 2 eerste lid zou dus de gehuwde, openbare koopvrouw en de gehuwde vrouw die eigen vermogen bezit, onverschillig waar zij haar bedrijf uitoefent of feitelijk woont, alléén failliet verklaard kunnen worden door de rechtbank van de woonplaats baars mans. Toch zal de failliete boedel:
92
het verinogen, en zullen de schuldeischers in den regel niet daar, maar ter plaatse van de uitoefening van het bedrijf of van de feitelijke woonplaats der vrouw worden gevonden. Op dien grond is in art. 3 de rechter van de plaats, waar een beroep of bedrijf door de vrouw zelfstandig wordt uitgeoefend, of waar zij, eigen vermogen bezittende, is gevestigd, nevens den rechter van hare woonplaats (d. w. z van de woonplaats baars mans) bevoegd verklaard haar faillissement uit te spreken.
Hoewel het artikel geheel in het algemeen spreekt van het uitoefenen van een beroep oi bedrijf, zal het toch uit dien hoofde alleen toepassing kunnen vinden, als de vrouw eene openbare koopvrouw is; immers alleen de openbare koopvrouw kan volgens art. 168 Burg. Wetb. «afzonderlijk van haren man» en «zonder zijnen bijstandquot; handelen 1). Alleen zij zal voldoen aan het door art. 3 gestelde vereischte: zelfstandig een beroep of bedrijf uit te oefenen; dit kan althans moeilijk worden gezegd van de vrouw, die met hijstand van haren man een bedrijf uitoefent, dat niet is een handelsbedrijf in den zin der wet 2).
Bezit de vrouw een eigen vermogen, dan is de wijze waarop zij schulden heeft gemaakt, onverschillig. Dat zij het beheer heeft over haar vermogen (artt. 195 al. 2 en 170 Burg. Wetb.) wordt niet gevorderd; al heeft zij niet anders gehandeld dan met bijstand of toestemming van haar man (art. 168 B. W.), toch kan artikel 3 toepasselijk zijn. Het eenige wat wordt vereischt, is, dat zij eigen schulden heeft en een eigen vermogen, dat voor die schulden aansprakelijk is.
Na scheiding van tafel en bed is er voor de toepassing van artikel 3 geen plaats meer, omdat de van tafel en bed gescheiden vrouw niet de woonplaats van haar man volgt,
1
de bevoegdheid in zicli sluit, zelfstandig een beroep of bedrijf uit te oefenen , zooals Mr Cd. Reeling Knap in Wkbl. voor Nol. en Beg. n». 1277 aanneemt, mag betwijfeld worden. Inkomsten verteeren is geheel iets anders dan schulden maken ter uitoefening van een beroep of bedrijf; en Juist de bevoegdheid schulden te maken moet vaststaan, wil faillissement mogelijk zijn.
2
'-) Oefent de gehuwde vrouw feitelijk zelfstandig, dus zonder bijstand van haar man, een beroep of bedrijf uit, dan zal zij en zal ook haar man de failliet â verklaring steeds kunnen verijdelen door de nietigheid der door haar verrichte handelingen in te roepen. Feitelijk is dus de faillietverklaring uitgesloten.
93
maar een eigen woonplaats heeft, die wel altijd zal samenvallen met de plaats, waar zij haar beroep of bedrijf uitoefent of waar zij is gevestigd.
De in artikel 3 aangewezen rechtbank kan soms de eenige bevoegde rechter zijn, namelijk wanneer de man in het buitenland woont. Ook de vrouw zal dan hare woonplaats in het buitenland hebben, zoodat een bevoegde rechter van hare woonplaats in Nederland niet te vinden zal zijn Dit geval gaf zelfs meer in het bijzonder aanleiding tot de bepaling van artikel 3. Meermalen toch was het voorgekomen, dat eene openbare koopvrouw, die in Nederland hare zaken dreef en wier schuldeischers allen in Nederland woonden, niet kon worden failliet verklaard, omdat haar man in het buitenland woonde. Daarin wilde men vóór alles voorzien.
Ook zij die, anders dan de gehuwde vrouw, een eigen woonplaats hebben, kunnen die hebben buiten het Rijk in Europa, en toch binnen het Rijk een beroep of bedrijf uitoefenen. Er bestaat dan dezelfde reden, in Nederland een bevoegden rechter aan te wijzen. Volgens het vierde lid van art. 2 zal dit wezen de rechter binnen wiens gebied de schuldenaar een kantoor heeft. Heeft deze binnen het Rijk meer dan één kantoor, in verschillende arrondissementen, dan zullen ook even zoovele rechtbanken tot het uitspreken der faillietverklaring bevoegd zijn.
De vele buitenlandsche huizen, die binnen het Rijk filialen bezitten, zijn aldus, terecht, binnen het bereik der Neder-landsche failliet en wet gebracht. Vroeger hadden zij in vergelijk met de Nederlandsche kooplieden in zooverre eene bevoorrechte positie, dat zij , met een beroep op hun domicilie buitenslands, zich aan een faillietverklaring konden onttrekken.
De beteekenis, waarin het woord n kantoor« hier wordt gebezigd, is een zeer ruime. Blijkens de Memorie van Toelichting wordt daaronder verstaan »de localiteit, waar men geregeld voor zijne zaken te vinden en te spreken is; naar omstandigheden kan dit dus ook een winkel of een pakhuis zijn; winkeliers bijv. houden in den regel hun kantoor, in den hier aangewezen zin, in den winkel « 1J.
In het ontwerp der Staatscommissie en in het oorspronkelijk
') Belinfante I, bl. 51; v. u. Fkltz 1, bl. '249.
94
Regeer in gson twerp werd als algemeene regel voorgesteld, de rechtbank, binnen welker gebied de schuldenaar zijn kantoor of, bij het bestaan van meer dan één kantoor, zijn hoofdkantoor heeft, nevens de rechtbank van de woonplaats bevoegd te verklaren, indien de schuldenaar een beroep of bedrijf uitoefent. Tegen dit voorstel, dat met veelvuldig voorkomende feitelijke toestanden rekening hield, werden èn door den Raad van State1), èn in 2), èn buiten :!) de Tweede Kamer zoovele bezwaren geopperd, dat de Minister Smidt het ten slotte prijsgaf. Toch waren de met grooten ijver en scherpzinnigheid opgeworpen moeielijkheden meer talrijk dan juist.
De aangevoerde bezwaren betroffen voornamelijk de conflicten, die het gevolg zouden zijn van gelijktijdige of opvolgende faillietverklaringen door verschillende rechtbanken. Dat deze zeer goed voor oplossing vatbaar zijn, bewijst de wet. Immers de mogelijkheid van gelijktijdige of opvolgende faillietverklaringen door verschillende rechters is blijven bestaan. Ãn ten aanzien van vennooten onder eene firma, èn ten aanzien van schuldenaren, die binnen het Rijk in Europa geen woonplaats hebben, maar aldaar, een beroep of bedrijf uitoefenende, meer dan één kantoor hebben, èn ten aanzien van gehuwde vrouwen, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen of een eigen vermogen bezitten, kunnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn. Mogelijk daaruit voortspruitende conflicten worden op eenvoudige wijze opgelost door het vijfde lid van art. 2. Bij gelijktijdige faillietverklaring op denzelfden dag, door verschillende rechtbanken, heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die in de wetten van 9 April 1877 {Stbl. nos. 74â78), tot vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der arrondissements-rechtbanken en kantongerechten binnen het ressort van de verschillende gerechtshoven, het eerst wordt genoemd, rechtsgevolgen, â een denkbeeld door Mr. van Bolhuis aan de hand gedaan'')â;
1
Belinfante II, bl. 181; v. u. Feltz I, bl. 250.
2
') Belinfante II, bl. '28; v. u. Feltz I, bl. 253.
:l) Polenaar, hel omwerp enz., bl. 50 v.; v. Bolhuis, in Rechlsgel. Magazijn 1892, bl. 272 v.
») Zie diens bespreking van Mr. Polenaar's brochure, in Rechlsgel. Magazijn 1892, bl. 274.
95
terwijl wanneer faillietverklaring op verschillende dagen door verschillende daartoe overigens bevoegde rechtbanken is uitgesproken , alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen heeft.
Uit deze bepalingen vloeit voort, dat er uuoit meer dan één uitspraak is, welke kracht heeft. De andere worden beschouwd als niet-gewezen.
Wordt de uitspraak welke alleen kracht heeft, na verzet, hooger beroep of cassatie weer vernietigd, dan is er geen faillissement. Uitspraken welke krachteloos zijn, geen rechtsgevolgen hebben, welke woorden tenslotte werden gekozen, teu einde eiken twijfel omtrent de bedoeling weg te nemen, kunnen onder geen omstandigheden eenig effect hebben, dus ook niet verkrijgen , doordat een andere rechtskrachtige uitspraak komt te vervallen. De faillietverklaring zal opnieiiw moeten worden aangevraagd.
Door in ieder geval slechts aan één uitspraak rechtsgevolgen toe te kennen, is alle aanleiding tot conflicten weggenomen '). De curator, benoemd door een rechtbank waarvan de uitspraak geen rechtsgevolgen heeft, delungeert, zoodra hem blijkt dat er een andere uitspraak is, die deze wel heeft, en zal alsdan alles wat hij als zoodanig reeds onder zich mocht hebben genomen, moeten overgeven aan den curator, benoemd bij de met rechtsgevolgen bekleede uitspraak.
Niet alleen natuurlijke personen, ook die vereenigingen, welke een zelfstandig vermogenssubject uitmaken, en stichtingen kunnen worden failliet verklaard. Bij deze is evenzeer als bij natuurlijke personen een vermogen aanwezig, vatbaar voor een algemeen beslag ten behoeve der schuldeischers voor wie dit tot gemeenschappelijken waarborg strekt.
Daar alleen van natuurlijke personen kan worden gezegd, dat zij een woonplaats hebben, is het noodig voor de bedoelde vereenigingen en voor stichtingen aan te wijzen, welke rechter in de plaats treedt van den hier niet aanwijs-
') Ten aanzien van vennooten onder eene firma heeft deze regeling dit gevolg, dat als eon der vennooten door de rechtbank van zijne woonplaats failliet verklaard is, door de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, de faillietverklaring van alle vennooten bij één vonnis, of, zooals men dit noemt, de faillietverklaring van de vennootschap niet meer kan worden uitgesproken. Zoodanige faillietverklaring zou geen rechtsgevolgen kunnen hebben voor zooveel betreft den reeds failliet verklaarden vennoot.
96
baren rechter van de woonplaats des schuldenaars. Te dien einde bepaalt het laatste lid van art. 2, dat ten aanzien van naamlooze vennootschappen, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereenigingen en van stichtingen, ter toepassing van dit artikel, de plaats waar zij haren zetel hebben, als woonplaats geldt.
De opsomming bij name van verschillende vereenigingen, die samengevat hadden kunnen worden onder den enkelen term: vereenigingen welke rechtspersoonlijkheid bezitten, vindt hare verklaring in het verschil van meening , dat in de literatuur bestaat over de vraag, of al de hier genoemde vereenigingen wel als rechtspersoon mogen worden beschouwd; het werd door de Eegeering niet raadzaam geacht bij de regeling van het faillissement incidenteel in dezen strijd partij te kiezen. Opmerking verdient daarbij, dat te dezer plaatse van de vennootschap onder eene firma wordt gezwegen; dit strookt geheel met het in het derde lid van het artikel omtrent de vennooten onder eene firma bepaalde, en bewijst, evenals die bepaling, dat in deze vennootschap door den wetgever een zelfstandig vermogenssubject niet wordt gezien l).
§ 4. De procedure tot faillietverklaring wordt aangewezen in de artikelen 4, 6 en 7.
Bij eigen aangifte 2) heeft de schuldenaar of diens gemachtigde zich ter griffie van de rechtbank te vervoegen. De aangifte kan schriftelijk maar ook mondeling geschieden. In het laatste geval zal de griffier daarvan , overeenkomstig de bestaande praktijk, eene akte opmaken, door hem en den aangever te teekenen 3).
') Op üe opmerking, in het Verslag der Commissie van voorbereiding, dut de hier voorkomende opsomming onvolledig is, als zijnde daarbij o. a. weggelaten de reederijen en burgerlijke maatschappon, antwoordde de Regeering terecht: n Reederijen en burgerlijke maatschappen mochten niet vermeld worden, omdat zij geen rechtspersonen zijn en dus alleen de leden daarvan failliet kunnen gaan«. Heiinfante 11, bl. iii ; v. n. Feltz 1, bl. 25fi.
-) Eene verplichting tot aangifte, zooals die in art. 765 Wetb v. Kooph. den schuldenaar werd opgelegd, kent de wet niet.
3) Tusschenkomst van een procureur wordt blijkens art. 5 bij eigen aangifte, waarbij een verzoekschrift niet te pas komt, niet gevorderd.
97
w Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennootenquot; (art. 4 al. 2). De bepaling, welke in het ontwerp der Staatscommissie ontbrak, werd, naar aanleiding van het advies van den Raad van State, door de Regeering uit het Wetboek van Koophandel, art. 765 al. 2, overgenomen, ten einde de bestaande wetgeving ten opzichte van de vennootschappen onder firma ongewijzigd te laten. In het oorspronkelijke Regeeringsont-werp was zij de eenigste bepaling over deze vennootschappen. Later werd daaraan toegevoegd het boven besproken derde lid van artikel 2.
Bij het mondeling overleg met den Minister wenschte de Commissie van voorbereiding de bepaling weer te laten vervallen, omdat zij het in art. 2 op te nemen nieuwe lid voldoende achtte. De Minister gaf aan dien aandrang geen gevolg. Zoowel de Commissie als de Minister verklaarden bij die gelegenheid de vraag, of de vennootschap onder firma als rechtspersoon moet worden erkend, in geen enkel opzicht te willen praejudicieeren !). Toch was dit reeds, zooals wij boven aantoonden, door de in art. 2 al. 3 aangenomen redactie gedaan. In verband daarmede kan thans het tweede lid van art. 4 geen andere beteekenis hebben dan deze: wat men noemt faillietverklaring van een vennootschap onder eene firma is niets anders dan faillietverklaring van al de vennooten bij één vonnis door den rechter van het gemeenschappelijke kantoor; bij de aangifte kunnen de vennooten niet volstaan, zooals in den regel, wanneer zij collectief handelen, met de firma, als hen allen omvattende, te noemen, maar behooren zij den naam en de woonplaats van ieder van hen te vermelden.
Den schuldeischers die de faillietverklaring der vennootschap vorderen, en het Openbaar Ministerie, dat daartoe requisitoir neemt, legt de wet niet dezelfde verplichting op, hoewel daarvoor evenveel reden bestaat. In het stilzwygen van het Wetb. v. Kooph. ligt de verklaring dezer onvolledigheid. In den regel zal de bedoelde opgave wel altijd worden gedaan; in ieder geval zal de rechter verstandig handelen door die
Belinfante II, bl 33 v . v. d. Feltz I, bl. 266 v.
Molengkaaff , Faillisscmcntswct.
7
98
opgave te vorderen en door geen faillietverklaring van ven-nooten onder eene firma uit te spreken onder de bloote vermelding van de tinna Vooral met het oog op het vijfde lid van artikel 2 is nauwkeurige vermelding van de namen der vennooten gewenscht
De vordering van faillietverklaring door een schuldeischer wordt ingesteld bij een ter griffie van de rechtbank in te dienen verzoekschrift. Art. 5 verlangt daarbij de tusschen-komst van een procureur. Wat het Openbaar Ministerie betreft, dit treedt op meteen in raadkamer te nemen requisitoir.
Het onderzoek der zaak heeft in elk geval met den meesten spoed in raadkamer plaats. In het belang van het onderzoek kan de rechtbank bevelen, dat de schuldenaar, bij brief van den griffier 1), worde opgeroepen om te zijner keuze in persoon of bij gemachtigde te worden gehoord. De wet maakt, dit bepalende (art. 6 al. I), geen onderscheid, zoodat ook in het geval van eigen aangifte de ojjroeping kan geschieden. Maar ook zonder oproeping zal de rechtbank den schuldenaar op diens verzoek gelegenheid geven zijn aangifte nader toe te lichten, evenals zij, ook zonder oproeping, den schuldenaar op de aanvrage van den schuldeischer of van het Openbaar Ministerie zal kunnen hooren.
Verplicht tot het oproepen van den schuldenaar is de rechtbank nooit. Een imperatief voorschrift, waarop werd
1
) Wat in den brief moet staan, zegt de wet niet. Een amendement van den heer de Kanter, ten doel hebbende o. tn. te bepalen, dat de brief moet inhouden den naam des verzoekers en eene opgave van de vordering, waarop deze zich beroept, werd door de Tweede Kamer verworpen. Men wilde aan den rechter volkomen vrijheid laten ten aanzien van hetgeen in den brief zal worden opgenomen.
99
aangedrongen door den Raad van State, in het Verslag dei Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer en in het Verslag van de Eerste Kamer, werd door de Eegeering ontraden, omdat het aanleiding zou kunnen geven tot de chicane, dat de oproeping niet behoorlijk heeft plaats gehad of niet is ontvangen, en omdat het tot onnoodige vertraging en noodeloozen omslag zou leiden, in gevallen waarin juist snel handelen van groot belang is, o.a. bi'; vlucht van den schuldenaar, notoire insolventie, verduistering, enz. Het behoeft overigens geen betoog, dat de rechtbank in gewone omstandigheden de oproeping niet zal nalaten.
Het onderzoek loopt over het bestaan van feiten of omstandigheden , welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook over het vorderingsrecht van dezen. Van het een en het ander behoeft alleen summierlijk te blijken (art. 6 al. 2).
In het algemeen verdient het aanbeveling, reeds bij de aangifte, in het verzoekschrift of in het requisitoir de feiten en omstandigheden aan te duiden, waarop het bestaan van den door de wet gevorderden toestand wordt gegrond. Even wel is het den rechter geenszins verboden ook acht te slaan op feiten en omstandigheden, waarvan eerst bij het onderzoek blijkt Het onderzoek is te dezen van geheel feitelijken aard, waarbij alles aan het vrije oordeel van den rechter is overgelaten. Daarom kan ook niet in het afgetrokkene worden aangegeven, wat de aangifte enz moet inhouden. Bij eigen aangifte zal het in den regel voldoende wezen te stellen, dat men door zijne schuldeischeis in of buiten rechte wordt vervolgd en niet in staat is te betalen. Indien daarentegen een schuldeiseher het verzoek doet, zal de faillietverklaring niet kunnen worden uitgesproken, indien niets anders blijkt dan de niet-betaling zijner vordering. De boven medegedeelde geschiedenis van artikel 1 laat daaromtrent geen twijfel. Maar in verband met andere omstandigheden kan de niet-betaling van één schuld mede aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert, dien de wet hier verlangt. Zoo wanneer bij de gestelde niet-betaling van des verzoekei-s vordering zich voegt de verklaring, door den schuldenaar bij
100
zijn verhoor afgelegd, dat hij in déconfiture verkeert; of wanneer de wanbetaling een wissel of promesse betreft, ter zake van handel of bedrijf door den schuldenaar geaccepteerd of geteekend; of wanneer de weigering te betalen uit onmacht om te betalen blijkt voort te spruiten '). Steeds zal de rechter indachtig moeten wezen, dat in den samenloop van schuld-eischers die niet bevredigd worden, de raison d'etre van het faillissementsbelang, de grondslag van ieder faillissement is gelegen.
Wat het vorderingsrecht van den de faillietverklaring verzoekenden schnldeischer betreft ook daarvan behoeft, gelijk gezegd, slechts sumuiierlijk te blijken. Uitdrukkelijk is het aldus bepaald, om een einde te maken aan de bij sommige rechtbanken onder de oude wet bestaande praktijk, welke van den schnldeischer volledig bewijs van zijn vorderingsrecht verlangde, en er toe leidde de faillietverklaring te weigeren, zoodra de schuldenaar, ook zonder aanvoering van eenige gronden, eenvoudig ontkende het gevorderde schuldig te zijn, en de schuldeischer geen goaccepteerden wissel, orderbiljet of ander schriftelijk bewijs, of wel een executorialen titel kon overleggen. âWil het faillissementquot;, aldus de Memorie v. Toelichting 1), » den schuldeischers eenige afdoende hulp geven tegen algeheele slooping van den boedel huns schuldenaars, dan moet de mogelijkheid worden afgesneden, eene faillietverklaring, waartoe overigens alle voorwaarden aanwezig zijn, door allerlei excepties en chicanes, die zich steeds zonder moeite laten vinden, op de lange baan te schuiven. Thans is daartoe het gewone middel de schuld eenvoudig te ontkennen, eene tegenvordering te beweren of iets dergelijks. Dit alles wordt voorkomen, indien de schuldeischer volstaan kan met den rechter zijn vorderingsrecht aannemelijk te maken. Heeft de schuldenaar gegronde verdedigingsmiddelen, dan zal hij daarvan althans summierlijk moeten do. tn blijken
Van het vorderingsrecht van den verzoeker moet blijken, dat zijne inschuld ook opeischbaar is, wordt niet gevorderd.
1
Belinfante 1, bl. 50; v. d. Feltz I, bl. 270.
101
Onder het Wetb. van Koopli. was de vraag, of de scl\uld-eischer, die eene niet-opeischbare vordering heeft, faillissement kan aanvragen, betwist, maar werd zij toch in den regel bevestigend beantwoord
Op eene desbetreffende vraag in het Verslag der Commissie van voorbereiding antwoordde de Regeering terecht: «het artikel stelt twee eischen voor de ontvankelijkheid van het verzoek tot faillietverklaring: 1°. dat blijke, dat de feitelijke toestand, door ophouden met betalen aangeduid, aanwezig is; 2°. dat blijke, dat de verzoeker sehuldeischer is. Daarmede wordt ruimte gelaten voor de opvatting van den Hoogen Raadquot; 1). Evenwel zal in dit geval uit de niet-bevrediging van den verzoeker geenerlei bewijs zijn te putten, maar de toestand van het ophouden met betalen uit andere feiten en omstandigheden moeten blijken.
Als conservatoiren maatregel kan de rechtbank den verzoeker toestaan, hangende het onderzoek den boedel te doen verzegelen. De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. In het van diens verrichting op te maken procesverbaal worden de goederen, in art. 21 n0 1 vermeld, welke als niet voor inbeslagneming vatbaar buiten het faillissement blijven, en daarom ook buiten de verzegeling, kortelijk beschreven. Indien de rechtbank daartoe termen vindt, kan zij aan het verlof tot verzegeling de voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden (art. 7).
Na sluiting van het onderzoek wordt op de aangifte van den schuldenaar of de vordering van den sehuldeischer het Openbaar Ministerie gehoord, en vervolgens de faillietverklaring bij beschikking geweigerd, of wel bij een vonnis ter openbare terechtzitting uitgesproken, welk vonnis bij voorraad en op de minute uitvoerbaar is, niettegenstaande eenige
1
'-) Belinfante II, bl. 34; v. d. Feltz I, bl. 272.
102
daartegen gerichte voorziening (art. 4 al. 3). Rechtbanken, die niet dagelijks zitting houden, zullen vertraging voorkomen door, onmiddellijk na de beslissing over de faillietverklaring, het vonnis in eene buitengewone openbare terechtzitting uit te spreken.
§ 5. Tegen de beslissing van de rechtbank kunnen de belanghebbenden verschillende rechtsmiddelen aanwenden. Men onderscheide daarbij naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken dan wel geweigerd.
Is de faillietverklaring uitgesproken, dan kan de schuldenaar tegen die uitspraak opkomen als deze niet door hemzelven, maar door een schuldeischer of het Openbaar Ministerie is uitgelokt ').
Vooreerst heeft de schuldenaar, als hij niet is opgeroepen, of opgeroepen niet is verschenen, gedurende veertien dagen, na den dag der uitspraak, recht van verzet. Deze termijn wordt verlengd tot ééne maand, indien hij tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt (art. 8 al. 2).
Vervolgens heeft hij recht van hooger beroep, hetzij tegen het vonnis van faillietverklaring, als hij op de aanvraag is gehoord, hetzij tegen het vonnis op het verzet gewezen, als daarbij de faillietverklaring wordt gehandhaafd; in beide gevallen gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak (art. 8, al. 1 en 3).
In het belang eener spoedige afdoening van zaken is een zeer summiere rechtsgang, en wel eene procedure bij verzoekschrift , voor alle voorzieningen in zake faillietverklaring voorgeschreven. Zoo geschieden het verzet en het hooger beroep bij een verzoekschrift, geteekend door een procureur (art. 5), en in te dienen ter griffie van het rechtscollege (bij verzet: de rechtbank, bij hooger beroep; het gerechtshof), dat van de zaak kennis moet nemen.
quot;De voorzitter bepaalt terstond dag en uur van de behandeling». De bedoeling van dit voorschrift is, dat de procureur van den schuldenaar zonder verwijl dien dag en dat uur ter
') Aanvraag tot faillietverklaring in art. 8 al. '1 omvat zoowel het verzoek van een schuldeischer. als het requisitoir van het Openbaar Ministerie.
103
griffie zal kunnen vernemen. De voorzitter behoeft de bepaling niet in elk geval zelf te doen, hij kan aan den griffier de noodige instructies geven, waardoor deze in staat wordt gesteld bij de indiening van het verzoekschrift dadelijk mede te deelen, wanneer het zal worden behandeld.
Van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald, wordt door den schuldenaar, uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hy zijn verzoek heeft ingediend, bij deurwaardersexploot kennis gegeven aan den procureur, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend (art. 8 al. 4). Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldeischer, die de faillietverklaring heeft uitgelokt (art. 8 al. 5).
Beteekening aan den procureur die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend â waarvan natuurlijk alleen sprake kan zijn, als een schuldeischer de faillietverklaring heeft uitgelokt â is voorgeschreven, omdat beteekening aan den schuldeischer zeiven tot groote vertraging zou leiden, ingeval deze op grooten afstand, met name in het buitenland, woont. De wetgever is hierbij uitgegaan van de stelling, dat de opdracht aan een procureur, een verzoek tot faillietverklaring in te dienen, mag worden beschouwd als opdracht, de geheele procedure te voeren, die het verzoek mogelijk na zich zal sleepen
De behandeling van het verzet en van het hooger beroep geschiedt op de wijze, bij art. 4 bepaald (art. 8 al. 6), d. w. z. in raadkamer en in tegenwoordigheid van het Openbaar Ministerie, dat moet worden gehoord. Het Openbaar Ministerie neemt dus als zoodanig kennis van ieder verzet of hooger beroep. Daarom werd het ook onnoodig geacht, beteekening van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep aan het Openbaar Ministerie voor te schrijven, ingeval dit de faillietverklaring heeft gevorderd 1).
') Van vertegenwoordiging van het Openbaar Ministerie door een procureur kan natuurlijk geen sprake zijn. Het 0. M. treedt steeds op bij monde van den ter terechtzitting aanwezigen ambtenaar. Anders dacht daarover de Officier van Justitie bij de rechtbank te Haarlem, die in zake de faillietverklaring van liuddenborg zoowel in hooger beroep als in cassatie verscheen , vertegenwoordigd door een procureur! Hof Amsterdam 27 Sept. 1895 en H. R. 24 April 1890, P. v. J. 1896, n0. 52. â Zie van Boneval Faure, hel Ned. Burr]. Procesrecht, dl. 1 , 3« dr. bl. 164.
Moi.knckaakk , Faillissenicntswet.
104
In de raadkamer worden de schuldenaar en de schuldeiseher, die de faillietverklaring heeft uitgelokt, gehoord, waarbij zij mondeling en contradictoir, in persoon of bij gemachtigde, hunne belangen kunnen voordragen 1). T)e Staatscommissie en de Regeering achtten het overbodig dit uitdrukkelijk vast te stellen. ,/ Dit is een zoo natuurlijk recht van partijen zegt de Memorie van Toelichting tot het Regeeringsontwerp 2), naar aanleiding van de bedenkingen van den Raad van State, «dat veeleer eene uitdrukkelijke bepaling noodig zou zijn, indien men dit recht wilde beperken. De in het vierde lid van het artikel voorgeschreven kennisgeving van den tijd, bepaald voor de behandeling van het verzet of het hooger beroep, heeft dan ook geen andere bedoeling dan den schuldeischer in de gelegenheid te stellen bij de behandeling tegenwoordig te zijn ter verdediging van het aangevallen vonnis en daarmede van het door hem ingediende verzoek tot faillietverklaringquot;. De Minister Smidt bleef bij deze meening, toen ook in het Verslag van de Tweede Kamer en door de Commissie van voorbereiding op bepalingen omtrent het hooren van partijen
') De schuldeischer kan bij die gelegenheid, nevens dc feiten in het verzoek tot faillietverklaring gesteld. ook andere feiten aanvoeren, ten betooge dat de schuldenaar ten tijde der faillissementsaanvrage werkelijk in den toestand verkeerde van te hebben opgehouden te betalen; tot het bewijs dier feiten moet Vlij worden toegelaten Aldus voor het geval van rerzet volgens de ruime opvatting van het Hof van Md.-Holland 31 Jan. ISOi , M. v. II. 1861, bl. 07, vern. bij arrest Hoogen Raad 1 'i Nov. 18(11, M. v. If. t. a. p., bl. 319, in strijd met de conclusie van Mr. Giikgory , W. n0. '2329. Meer dan de formeele opvatting van den Hoogen Raad achten wij de uitspraak van het Hof bevorderlijk aan een deugdelijke rechtspraak. Zie Kist, neginselen v. Handelsregt, dl. 6, bl. 54. Men verg. voorts Rb. Arnhem 10 Dec. 1800, M. v. H. 1870, bl. 19, bij welk vonnis het verzet van den schuldenaar werd aangenomen, niet op grond van het door dezen aangevoerde, maar op grond van mededeelingen, door den rechter-coinmissaris gedaan
De Hooge Raad is op de in 1861 verkondigde leer teruggekomen bij arrest van 25 Oct. 1894, IV. n». 6570; althans mag, volgens dit arrest, de schuldeischer, in hooger beroep komende, na afwijzing zijner vordering tot faillietverklaring, feiten en omstandigheden aanvoeren, niet voorkomende in zijn oorspronkelijk verzoekschrift. Men zie ook reeds het arrest van 7 Mrt. 1884, N. li. dl. CXX.XVi, bl. 251. Kr zijn o. e. geen redenen, waarom bij verzet anders zou moeten worden beslist dan bij hooger beroep.
2) Belinfante I, bl. 57 v.; verg. II, bl. 183 en 228. v. d. Feltz 1, bl. 284.
105
werd aangedrongen 1). Hij achtte het evenzeer overbodig te bepalen, dat de curator kan worden gehoord. »De bevoegdheid. om den curator te hooren, wordt den rechter in art. 8 niet ontzegd en bezit hij dus ongetwijfeldquot;.
De zienswijze der Regeering, door den Minister nader uitvoerig verdedigd in zijn Antwoord op het Verslag dei-Eerste Kamer, moet volkomen worden gebillijkt Het is \iit den aard der zaak de plicht van iederen rechter, de zaken, aan zijn oordeel onderworpen, te onderzoeken. De rechter, die weigeren zou de partijen te hooren, op grond van het ontbreken eener uitdrukkelijke wetsbepaling, zou daardoor bewijzen, zij116 roeping al zeer slecht te begrijpen en van de hem opgedragen taak weinig besef te hebben. Terecht noemde de Minister, in zijn Antwoord aan de Eerste Kamer, te eenenmale ontoelaatbaar de onderstelling, dat waar eene procedure in raadkamer is voorgeschreven, de rechter geneigd zou zijn of den toeleg zou hebben, de partijen, speciaal den debiteur, er buiten te houden en in de verdediging te belemmeren. Wie tot rechtspreken is geroepen, is daardoor tevens geroepen, zich zooveel mogelijk op de hoogte te stellen van de zaak, want recht kan alleen hij spreken, die het punt in geschil nauwkeurig kent. Dat de partijen bij de behandeling der zaak zullen worden gehoord, als zij daartoe verschijnen, behoeft dus waarlijk de wet niet met zoovele woorden te zeggen.
In de tweede plaats kunnen tegen de faillietverklaring opkomen alle schuldeischers, met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en alle belanghebbenden. Zij hebben daartoe recht van verzet gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak. Het verzet geschiedt in dezelfde vormen en wordt behandeld op dezelfde wijze als het verzet van den schuldenaar, die op de aanvraag tot faillietverklaring niet is gehoord (art. 10 al. 2â5). Het eenige punt van verschil is hierin gelegen, dat van het verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot wordt kennis gegeven aan den schuldenaar \ indien de faillietverklaring door een schuldeischer is uitgelokt, tevens aan den procureur-, die namens dezen het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.
Belinfante II, bl. 30 v.; v. D. Ff.ltz I, bl. 280.
106
Wordt het verzet door de rechtbank afgewezen, dan heeft de sehuldeischer of de belanghebbende recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing (art. 11 al. 1). De instelling en behandeling van dit hooger beroep geschiedt, volgens art. 11 al. 3, op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.
Deze regeling laat te wenschen over. Is bijv. het verzet gericht geweest tegen eene faillietverklaring, uitgesproken op verzoek van een schuldeischer, dan gaat het hooger beroep geheel buiten dien schuldeischer om, en wordt dit eenvoudig afgedaan op het verzoekschrift van den appellant, waarop het Hof den schuldenaar zal Icnnnen hooren, in gevolge art 6 al. 1. Bepaald had moeten worden, dat de instelling van het hooger beroep geschiedt op de wijze, voor het verzet in art. 10 voorgeschreven, en de behandeling daarvan op de wijze in artikel 4 aangegeven.
Tu het Wetboek van Koophandel werd in het zevende lid van art. 791 een soortgelijk recht aan «alle andere schuld-eischers en alle belanghebbendenquot; toegekend. Staatscommissie en Regeering waren beide van oordeel, dat dit rechtsmiddel veilig gemist kon worden. «Blijkens de gerechtelijke statistiek werd in tien jaren tijds, van 1879â1888, slechts éénmaal, in 1880, eene faillietverklaring ten gevolge van verzet van schuldeischers of andere belanghebbenden vernietigd; een cijfer dat welsprekender is dan lange betoogen « ').
De Commissie van voorbereiding dacht anders over de zaak. Bij amendement stelde zij voor, het hierbedoelde recht van verzet in de wet op te nemen, waartoe de Tweede Kamer, ondanks bestrijding door den Minister, met 44 tegen 16 stemmen overging. Een overwegende invloed op de meening der Commissie moet blijkbaar worden toegeschreven aan de verklaring in staat van kennelijk onvermogen van het waterschap Groot-Mijdrecht, door de rechtbank te Utrecht bij vonnis van 23 Sept. 1892, en de wederopheffing van dien staat, op verzet van eenige schuldeischers, door dezelfde rechtbank bij vonnis van 19 Nov. 1892, W n0. 6273. Althans bij de schriftelijke voorbereiding werd door de Commissie
i) Memoiie v. Toelichting; Belinfante I, bl. 58; v. d Fei.tz I, bl. 302.
107
van de wenschelijkheid, het rechtsmiddel van verzet te behouden, met geen woord gerept, terwijl bij de verdediging van het amendement in 't bijzonder op de inmiddels voorgekomen zaak van Groot-Mijdrecht een beroep werd gedaan.
Over de vraag, of het rechtsmiddel al of niet in de wet behoorde te worden opgenomen, willen wij hier niet napleiten. Men raadplege daarover de redevoeringen door den heer Haetogh en door den Minister in de Tweede Kamer uitgesproken
Weigering der faillietverklaring en vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, hetzij van den schuldenaar, hetzij van een schuldeischer of belanghebbende. geven recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag van de uitspraak der rechtbank (artt. 9 al. 1 en 2 en 11 al. 2). Het recht komt toe aan den schuldenaar bij afwijzing zijner aangifte , aan den schuldeischer en aan het Openbaar Ministerie bij afwijzing hunner aanvraag, aan dengene die de faillietverklaring heeft uitgelokt, in geval van vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet.
De instelling en de behandeling van het hooger beroep geschieden op dezelfde wijze als de instelling en de behandeling van de aangifte of de aanvraag tot faillietverklaring in eersten aanleg (artt. 9 al. 3 en 11 al. 3). Van toepassing zijn de artikelen 4 en 6. Mitsdien wordt de aangifte gedaan en het verzoek door tusschenkomst van een procureur (art. 5) ingediend ter griffie, worden ze met den meesten spoed in raadkamer behandeld, en kan de schuldenaar, bij brief van den griffier, worden opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde te worden gehoord 1).
Tegen het arrest, dat door het Hof wordt gewezen, hetzij in hooger beroep van een vonnis van faillietverklaring, hetzij in hooger beroep van eene beschikking waarbij de faillietverklaring werd geweigerd, staat slechts tweeërlei voorziening open.
1
) Voor zooveel betreft het hooger beroep van den schuldenaar, den schuldeischer of het Openbaar Ministerie, na vernietiging der faillietverklaring ingevolge verzet van deiden-schuldeischers of belanghebbenden, is deze regeling vrij zonderling Immers zij brengt mede, dat van het hooger beroep ;ian de opposanten geen ineJedeeling wordt gedaan en dat dit buiten hen om wordt behandeld.
108
Tn de eerste plaats , doch alleen dan als bij het arrest eene faillietverklaring werd uitgesproken, die door den lageren rechter was geweigerd, heeft ieder schuldeischer, met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende recht van verzet, gedurende acht dagen naden dag der uitspraak. Dit blijkt uit het laatste lid van artikel 11: -Is het verzet bij het gerechtshof gedaan, dan is hooger beroep uitgesloten », en xiit de wijziging van den aanhef van art. 12, welke oorspronkelijk luidde: «Van het arrest in hooger beroep gewezen n, in: n Van het arrest, door het gerechtshof gewezen n, op grond dat in de artikelen 10 en 11 het geval is voorzien, »dat dadelijk bij het gerechtshof in verzet is gekomenquot;, als wanneer door het Hof in eerste instantie arrest wordt gewezen ').
Buiten dit geval wordt door de wet recht van verzet tegen 's Hofs arrest niet gegeven.
Zoo kan bijv. de schuldenaar, die, bij de behandeling van het hooger beroep van den schuldeischer of van het Openbaar Ministerie tegen de weigering der faillietverklaring, door het Hof niet is gehoord , hetzij hij niet is opgeroepen of opgeroepen niet is verschenen, tegen het arrest waarbij de faillietverklaring wordt uitgesproken, niet in verzet komen Artikel 8 behandelt uitsluitend het verzet tegen en het beroep van het vonnis der Rechtbank, terwijl in geen ander artikel aan den schuldenaar een recht van verzet tegen 's Hofs arrest wordt toegekend.
Behalve het verzet door mede-schuldeischers en belanc-hebbenden, in het hierboven aangegeven geval, kan tegen het arrest van het Hof alleen het rechtsmiddel van cassatie worden aangewend. Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak kunnen in cassatie komen resp de schuldenaar, de schuldeischer die de faillietverklaring had verzocht, de schuldeischer of belanghebbende die ingevolge art. ]0 in verzet was gekomen, en het Openbaar Ministerie, als daarvan de aanvrage tut faillietverklaring was uitgegaan (art. 12 al. 1). Het spreekt van zelf, dat ieder hunner alleen dan daartoe bevoegd is, indien hij partij is geweest bij het arrest van het Hof. De
') Mr. Hartogh iu de Tweede Kamer: Uelinfante 111, bl. 132; v. d. Feltz 1, bl. 318.
109
tabel op bl. 110 en 111 geeft ter nadere oriëuteering een over-zicbt van de verschillende gevallen die zich. kunnen voordoen.
n Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4,6 en 8 bepaald « (art. 12 al. 2). Deze regeling was geheel voldoende, zoolang het rechtsmiddel van verzet door derde schuldeischers en belanghebbenden niet in het wetsontwerp voorkwam. Het is toch duidelijk, dat de artikelen 4 en 6 van toepassing zijn, zoowel wanneer de schuldenaar in cassatie komt, nadat zijne aangifte door rechtbank en Hof is afgewezen, als wanneer de schuldeischer resp. het Openbaar Ministerie, van wie de aanvrage tot faillietverklaring uitging, in cassatie komt van een arrest, waarbij de weigering of de vernietiging der failliebverklaring werd bevestigd of wel de uitgesproken faillietverklaring weder werd vernietigd. In ieder dezer gevallen wordt het beroep in cassatie op dezelfde wijze aangebracht en behandeld als resp. de aangifte, het verzoek of het requisitoir in eersten aanleg of hooger beroep '). Deze regeling is eene passende, omdat verzoeker in cassatie is öf de schuldenaar, die dan niemand tegenover zich heeft, 5f de schuldeischer of het Openbaar Ministerie, in welk geval het verzoek wel tegen den schuldenaar is gericht, maar deze ook ingevolge art. 6 al. 1 daarop zal worden gehoord.
Evenzeer is het duidelijk, dat art. 8 van toepassing is, als de faillietverklaring werd aangevraagd door een schuldeischer of door het Openbaar Ministerie eu de schuldenaar in cassatie komt van een arrest, waarbij de door de rechtbank uitgesproken of, na verzet door den schuldenaar, gehandhaafde faillietverklaring werd bevestigd, of wel de faillietverklaring werd uitgesproken, nadat deze door de rechtbank op het verzet door den schuldenaar was vernietigd. In deze gevallen treedt de schuldenaar op tegen den schuldeischer of het
l) De schuldenaar, in cassatie komende, zal kunnen volstaan met monüeling ter griffie van den lloogen Raad een daartoe strekkende verklaring af te leggen. De schuldeischer brengt het beroep aan bij oen verzoekschrift, door een procureur ter griffie in te dienen. Het Openbaar Ministerie ageert bij requisitoir. Op het verzoekschrift van den schuldeischer is art. 429 Wetb. v. B. Rv. van toepassing, terwijl het daar bepaalde ook voor de verklaring ter griffie en voor het requisitoir zal gelden, omdat het een uitvloeisel is van den aard van het rechtsmiddel van cassatie.
OVERZICHT der rechtsmiddelen tegen de bes
sing
AANVRAGE DER FAILLIETVERKLARING DOOR EEN SrtüLD
De Rechtbank
spreekt de faillietverklaring uit:
â¢ehoonl
zonder den schuldenaar gehoord te hebben.
I
De schuldenaar heeft recht van verzet. (Termijn 14 dagen of 1 maand). De Rechtbank
In
fail Zij, t
kun b 11
bevei d
faillie klar
Zij,' ven ded kunni cass! koir
en, va
bevestigt de faillietverklaring.
De schuldenaar
kan in cassatie komen.
bevestigt de faillietverklaring.
I
De schuldenaar
kan in cassatie komen.
spreekt de faillietverklaring uit.
De termijnen zijn, voorzooverre niet iets anders is aangej
AANGIFTE DOOR i
N S'
De schuldenaar kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof
vernietigt de faillietverklaring.
Hij , die de aanvrage deed, kan in cassatie komen.
na den schuldenaar te hebben.
handhaaft de faillietverklaring.
I
De schuldenaar kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof
vernietigt de faillietverklaring.
Hij , die de aanvrage deed,kan in cassatie komen.
vernietigt de faillietverklaring.
I
Hij, die de aanvrage deed, , kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof
I I
Hij, die de aan- De schuldenaar vrage deed, kan kan in in cassatie cassatie komen, komen.
bevestigt de vernietiging-
De Rechtink
-
spreekt de fallietverklaring uit.
Schuldeischers en belanghebbenden hebben recht van verzet. De Rechtbank
|
handhaaft de faillietverklaring. Zij, die verzet deden, kunnen in hooger beroep komen. Het Gerechtshof |
vernietigt de faillietverklaring. De schuldenaar kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof be De |
|
bevestigt de faillietverklaring. Zij, die verzet deden, kunnen in cassatie komen. |
vernietigt de faillietverklaring. De schuldenaar kan in cassatie komen. |
bevestigt de vernietiging. I De schuldenaar kan in cassatie komen. |
spreekt de faillietverklaring uit. Zij, die verzet deden, kunnen in cassatie komen. Alle termijnen zijn van ac/il |
besgsing op aangifte of aanvrage tot faillietverklaring.
r SaüLDEISCHER OF DÃÃR HET OPENBAAR MINISTERIE.
|
In elk geval kunnen derde-schuldeischers en belanghebbenden in verzet komen, De Rechtbank |
weigert de faillietverklaring. Hij, ilie de aanvrage deed, kan in Hooger beroep komen. Het Gerechtshof |
vernietigt de faillietverklaring.
I
Hij, die de aanvrage deed, kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof
/
Pc schuldenaar kan in cassatie komen.
ieii, men.
de eruit.
3naar ii
amen
|
bevestigt |
vernietigt |
bevestigt |
spreekt |
|
de |
de |
de |
de |
|
faillietver |
faillietver |
vernieti |
faillietver |
|
klaring. | |
klaring. |
ging-| |
klaring uit. 1 |
|
i Zij, die |
| Hij, die |
1 Hij, die |
i Zij , die |
|
verzet |
de aan |
de aan |
vei'zet |
|
deden, |
vrage deed, |
vrage deed |
deden, |
|
kunnen in |
kan in |
kan in |
kunnen in |
|
cassatie |
cassatie |
cassatie |
cassatie |
|
komen. |
komen. |
komen. |
komen. |
handhaaft de faillietverklaring.
Zij, die verzet deden. kunnen in hooger beroep komen.
liet Gerechtshof
bevestigt de weigering.
I
HÃ, die de aanvrage deed, kan in cassatie komen.
handhaaft de vernietigt de faillietver- faillietverklaring. klaring.
I i
Zij, die verzet Hij, die de aandeden, kunnen vrage deed, kan in cassatie in cassatie komen. komen.
spreekt de faillietverklaring uit.
\
Derde-schuldeischers en he-langhebbendeu hebben recht van verzet. Het Gerechtshof
aangeaen, van acht dagen na den dag der uitspraak.
OR EN SCHULDENAAR.
lechtMik
weigert de faillietverklaring.
I
De schuldenaar kan in hooger beroep komen. Het Gerechtshof
spreekt de faillietverklaring uit.
Schuldeischers en belanghebbenden hebben recht van verzet.
Het Gerechtshof
bevestigt de weigering.
De schuldenaar kan in cassatie komen.
handhaaft de faillietverklaring.
I
Zij, die verzet deden , kunnen in cassatie komen.
vernietigt de faillietverklaring.
I
De schuldenaar
kan in cassatie komen.
togen na den dag der uitspraak.
n achi
112
Openbaar Ministerie dat de aanvrage deed, en is dus de casus-positie analoog aan die, welke in art. 8 wordt behandeld.
Voor liet geval daarentegen, dat doorderde-schuldeiscbers of belanghebbenden verzet is gedaan, is de verwijzing naar de artikelen 4, 6 en 8 onvoldoende. Komt de schuldenaar, die aangifte tot faillietverklaring had gedaan , in cassatie tegen een arrest, waarbij, na verzet, de faillietverklaring werd vernietigd, of de vernietiging werd bevestigd, dan kan art. 8 zonder bezwaar nmtatis mutandis worden toegepast Niet daarentegen als zij , die het verzet deden, in cassatie komen tegen een arrest waarbij de faillietverklaring op eigen aangifte werd uitgesproken, gehandhaafd of bevestigd. Artikel 8 al. 4 past niet voor dit geval, waarin de kennisgeving niet van den schuldenaar uitgaat maar juist aan hem moet worden gedaan, en wel aan hem persoonlijk, daar voor de aangifte de tusschenkomst van een procureur niet wordt vereischt. Evenmin kan die bepaling, zooals zij luidt, worden toegepast als hij, die de aanvrage deed, in cassatie komt tegen een arrest, waarbij, na verzet, de faillietverklaring werd vernietigd , ot de vernietiging bevestigd, noch ook als zij, die verzet deden, in cassatie komen tegen een arrest, waarbij de faillietverklaring op het verzoek van een schuldeischer of het requisitoir van het Openbaar Ministerie werd uitgesproken , gehandhaafd of bevestigd.
De regeling van het verzet door derde-schuldeischers en belanghebbenden bevat dus heel wat stof voor geschillen van processueelen aard Waarschijnlijk echter zal in de toekomst evenals vroeger van dit middel weinig gebruik worden gemaakt.
§ 6. Op bl 101 werd opgemerkt, dat het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar is bij voorraad, op de minute, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening. De curator treedt dus op om te doen wat hij volgens de wet te doen heeft. Juist daarom scheen het gewenscht aan te wijzen, hoever hangende de procedure tot faillietverklaring mag worden gegaan Die aanwijzing geeft art. 13 al 2: //Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot de vereffening van den boedel buiten toestemming van den schuldenaar worden overgegaanquot;.
113
De grenzen der voorloopige tenuitvoerlegging' zijn hier zoo getrokken, dat zij alleen die maatregelen omvat, welke een voorloopig, of liever, conservatoir karakter dragen. De definitieve beslissing zal den curator eerst machtigen om definitieve stappen te doen. Ben definitief karakter bezitten in het faillissement alleen de vereffening en de raadpleging over een akkoord. Al wat daaraan voorafgaat strekt slechts tot voorbereiding van beide ')
De curator zal dus al die voorzieningen treffen en al datgene verrichten, wat in de vierde afdeeling wordt genoemd. Verder zullen de bepalingen van de tweede afdeeling, regelende de gevolgen der faillietverklaring, toepassing kunnen vinden 2), en eindelijk zal de verificatie kunnen worden voorbereid. Wel werd het voorschrift van art. 108 Keg. Ontw., dat de rechter-commissaris binnen veertien dagen na de faillietverklaring den dag der verificatie-vergadering bepaalt, door den Minister in dier voege gewijzigd, dat de rechter-commissaris bedoelden dag bepaalt binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverkhiring in kracht van gewijsde is gegaan, en zulks naar aanleiding der opmerking in het Verslag der Commissie van voorbereiding: «dat volgens art. 108 E. O. binnen veertien dagen na de faillietverklaring dag en uur der verificatievergadering moeten bepaald worden, terwijl volgens art. 141 hoogstens drie weken later over het ontwerp van akkoord zal moeten zijn geraadpleegd en beslist. Het kan voorkomen, dat tot en met de cassatie negentig dagen verloopen, zoodat daarna een akkoord uitgesloten zou zijnquot; ^); maar door die wijziging is blijkbaar alleen de termijn, binnen welken de rechter tot de dagbepaling moet overgaan, verlengd. Den dag der verificatievergadering, en in verband daarmede den termijn vau art. 108 eerste lid 1°., te bepalen , vóórdat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, is den rechter-commissaris geenszins verboden, dien daarna te be-
') Memorie v. Toelichting: Belinfante 1, bl. 59; v. u. Feltz 1 bl. 320.
'-) In liet Voorloopig Verslag der Eerste Kamer werd de wenschelijklieid uitgesproken, de toepassing van de artt. 39 en 104 te verbieden, doch op goede gronden door de Regeering in haar antwoord bestreden, lielinfante IV, bl. 13 en 43; v. d. Feltz I, bl. 3'21 v.
3) Belinfante II, bl. 39; v. ü. Feltz I, bl. 320 v.
MoLBNGitAAFF, Faillissemeutswet. ^
114
palen hem uitdrukkelijk toegestaan. De rechter-coiumissaris mag dus, maar behoeft niet, het tijdstip af te wachten, waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Hem te dwingen daarop in elk geval te wachten, zou in vele gevallen tot onnoodige vertraging aanleiding geven, en ook volkomen ongemotiveerd wezen, daar, zooals de Minister in zijn antwoord terecht opmerkte, op het aanhangige verzet, hooger beroep of cassatie door den rechter-commissaris kan worden gelet bij de vaststelling van den termijn voor de verificatie '). Het behoeft voorts geen betoog, dat eene uitlegging van art. 108, waardoor dit artikel tot noodeloos tijdverlies en groote vertraging zou dwingen, geheel in strijd zou zijn met den geest en de strekking der geheele wet. De rechter-commissaris zal overigens den dag voor de verificatievergadering in den regel wel zoo bepalen , dat de vergadering plaats heeft nadat de faillietverklaring kracht van gewijsde heeft bekomen.
Ingeval de faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie wordt vernietigd, blijven niettemin alle handelingen, door den curator uit kracht van de vooi-loopige tenuitvoerlegging verricht, geldig en verbindend voor den schuldenaar. De bevoegdheid van den curator eindigt op den dag, volgende op dien waarop de vernietiging overeenkomstig artikel 15 is aangekondigd 1) (art. 13 al. 1).
Eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin werd noodig geacht, omdat onder het Wetb. van Kooph. werd geleerd, bijv. door Kist 2) en Holtitjs k), dat het vonnis van fail-
1
'-) De aankondiging gesdiieilt door den curator. Eenige leden van de Eerste Kamer hadden in verband daarmede ernstig bezwaar tegen art. 13, omdat '/de curator het alzoo iu zijn macht zou l:ebben zijne bevoegdheden in strijd met liet opgeheven faillissement te doen voortduren./' De Regeering antwoordde, dat de curator die aan de verplichting tot aankondiging niet voldoet, zich schuldig maakt aan nalatigheid, welke hem aan eene actie tot, schadevergoeding blootstelt; zij achtte het evenwel te eenenmale onaannemelijk, dat ooit dergelijk plichtverzuim zou voorkomen, en wees er voorts op dat geen wet plichtverzaking onmogelijk vermag te maken. Belinfante IV, bl. 13 en 43; v. d. Feltz I. bl. 32'2.
2
) Beginselen van Handelsregt, dl. 6, bl. 00.
') Het Nederlandsche faillitenregt , 2de uitg. door de Geer, bl. 240 vlg. Verg. het dictum van de Rb. te Amsterdam 'H Jan. 1889, W nquot;. 5077: //verklaart den staat van laillisscment van den opposant bij dat vonnis uitgesproken, opgehouden en veruallen met lenietdoening van al de daaraan reeds gegeven gevolgenquot;.
115
li et verklaring nietig is ex tunc, zoodat alle daaraan gegeven gevolgen evenzeer nietig zijn. Volgens deze leer binden de handelingen, door den curator in den tnsschentijd verricht, den schuldenaar niet en zijn de curators zelve daarvoor evenmin aansprakelijk.
Met het oog op die opvatting zegt de Memorie van Toelichting 1):
nWat de curator krachtens dit uitdrukkelijk wetsvoorschrift (de voorloopige uitvoerbaarverklaring) verricht, verricht hij jure, en moet later niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De voorloopige tenuitvoerlegging zou elke beteekenis verliezen, het voorgestelde doel geheel missen, slechts verwarring stichten, eu een toestand van rechtsonzekerheid in het leven roepen, indien den maatregelen waarin de voorloopige tenuitvoerlegging zich juist openbaart, steeds het Damocleszwaard van latere vernietiging boven het hoofd hing. En wat zou het gevolg dier vernietiging moeten zijn? De curator kan niet aansprakelijk gesteld worden; hij handelt krachtens opdracht van de wet, gehoorzaamt slechts aan een rechterlijk bevel, wat elk denkbeeld aan een handelen suo periculo uitsluit De schuldeischers kunnen evenmin aansprakelijk zijn; zij handelen in het geheel niet, de wet handelt voor hen. Wie zullen het dan wezen? De derden, die ter goeder trouw met den tot handelen bevoegden en zelfs verplichten curator zich inlieten, kan men toch zeker niet de schade eener vernietiging laten dragenquot;.
Van de vernietiging van het faillissement geldt, in gevolge art. 13, wat hierboven (bl. 50) werd opgemerkt over het eindigen van het faillissement door akkoord. De schuldenaar treedt na de vernietiging weder in het beheer van den boedel en aanvaardt dezen van den curator in den toestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevindt. Alle beschikkingen, gedurende het faillissement door den curator gemaakt (bijv. naar aanleiding van de tweede afdeeling), zal de schuldenaar hebben te eerbiedigen; tegenover derden zullen die beschikkingen gelijkstaan met beschikkingen door den schuldenaar zelf gemaakt; i. e. w deze zal den boedel van den curator over-
â ) Belinfante I, bl. 59; v. d. Fei.tz 1, bl. 319 v.
116
nemen als van iemand, die dien boedel eenigen tijd voor hem in administratie heeft gehad.
De curator zal wegens het door hem gevoerde beheer aan den schuldenaar rekening en verantwoording hebben af te leggen; heeft hij kosten gemaakt, deze zullen hem door den schuldenaar moeten worden vergoed, die ze misschien weer op zijn beurt op den aanvrager van het faillissement zal kunnen verhalen; in welk geval daartoe termen zijn laat de wet echter onbeslist.
§ 7. Het vonnis of arrest van faillietverklaring moet uit den aard dfir zaak inhouden eene nauwkeurige aanduiding van den schuldenaar wiens faillissement wordt uitgesproken. Daartoe zal vermelding van diens naam, woonplaats (of kantoor, als de faillietverklaring door de rechtbank van het kantoor geschiedt) en beroep noodig zijn. Bovendien moet het vonnis (of arrest) bevatten, volgens art. 14 al. 1: quot;de benoeming van een der leden van de rechtbank tot rechter-commissaris in het faillissement, en de aanstelling van een of meer curators«, en kan het bevatten, blijkens art. 74, de benoeming van eene voor-loopige commissie van een tot drie leden uit de aan het college bekende schuldeischers 1).
Van eene verkiezing van den curator igt; bij voorkeur uit de schuldeischers», zooals art. 787 eerste lid 2° Wetb. v. Kooph. voorschreef, is in de wet geen sprake meer. Regel zal dus wel blijven verkiezing bij voorkeur uit de leden van de balie. Daarvoor is alle aanleiding, omdat rechtsgeleerde kennis in den curator onmisbaar is. Wordt bovendien voor de richtige afwikkeling van den boedel vakkennis gevorderd, dan kan een tweede curator uit de schuldeischers worden benoemd, of door de commissie uit de schuldeischers die kennis worden aangebracht, In kleine faillissementen zal echter zelden de aanstelling van een tweeden curator of van eene commissie uit de schuldeischers gewenscht zijn. Eene commissie zou
') Hoewel artikel 14 spreekt van het vonnis van faillietverklaring en art. 74 van ile rechtkank, lijdt het geen twijfel, dat beide artikelen mede van toepassing zijn als de faillietverklaring door het Gerechtshof of den Hoogen Raad wordt uitgesproken. Dat de rechtbank het vonnis wijst, is het meest voorkomende geval., en daarom voor den wetgever uitgangspunt bij zijne bepalingen.
117
weinig nut stichten, maar wel tot overlast, omslag en kosten leiden.
De zorg voor de openbaarmaking van het vonnis is opgedragen aan den curator. Onverwijld wordt door hem een uittreksel uit het vonnis geplaatst in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door den rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen. Dit uittreksel moet inhouden vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechter-commissaris, van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag der uitspraak , alsmede van den naam , het beroep eu de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is (art. 14 al. 3).
Daar iedere faillietverklaring in de Staatscourant moet worden aangekondigd en soortgelijk voorschrift ook elders in de wet met betrekking tot andere gewichtige gebeurtenissen in het faillissement wordt gegeven, heeft dit blad als het ware het karakter verkregen van een centraal-orgaan der faillietverklaringen en andere openbaarmakingen, het faillissement betreffende, in Nederland. Het nut daarvan is onmiskenbaar. In de Staatscourant vindt men thans alles bijeen, zoodat raadpleging van locale couranten niet meer noodig is, om op de hoogte te blijven.
Nevens de algemeene kennisgeving door middel der aankondiging inde couranten, verlangt de wet nog ééne bijzondere kennisgeving, en wel, in verband met artikel 99, aan de administratie der posteryen en der telegrafie. Deze kennisgeving wordt onverwijld gedaan door den griffier (art. 14 al. 2).
Evenals de faillietverklaring moet ook de vernietiging daarvan door den curator worden openbaar gemaakt. De curator is echter geen partij in de procedure over de faillietverklaring en zal dus niet weten, of de faillietverklaring in hooger beroep of na beroep in cassatie is vernietigd. Ter ondervanging van dit bezwaar is aan den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, de verplichting opgelegd, zoodra de uitspraak is gedaan, of, werd deze gedaan na verzet of in hooger beroep, zoodra de termijn resp. om in hooger beroep of in cassatie te komen , is verstreken zonder
118
dat daarvan gebruik is gemaakt, van die uitspraak kennis te geven aan den curator, alsmede aan de administratie der posterijen en der telegrafie (art. 15 al. 1).
De hier aangewezen griffier kan niet uit eigen waarneming constateeren, dat de termijn voor het hooger beroep of voor het beroep in cassatie is verstreken, zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, immers het hooger beroep en het beroep in cassatie worden aangebracht bij het rechtscollege, dat van de zaak kennis moet nemen, en gaan dus buiten hem om. In deze moeielijkheid is voorzien door de bepaling van art. 9 al. 2, dat de griffier van het gerechtshof, ingeval van hooger beroep tegen de vernietiging eener faillietverklaring ten gevolge van verzet door den schuldenaar, van da instelling van het hooger beroep onverwijld kennis zal geven aan den griffier van de rechtbank, die de vernietiging heeft uitgesproken; door de gelijkluidende bepaling van artikel 11 al. 2 voor het geval van hooger beroep tegen de vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet van derde-schuldeischers of belanghebbenden; en door de bepaling van art. 12 al. 3, dat de griffier van den Hoogen Raad van het verzoek tot cassatie, indien deze voorziening is gericht tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, onverwijld kennis geeft aan den griffier van het Gerechtshof, dat de vernietiging heeft uitgesproken. Het feit dat hij geen zoodanige kennisgeving ontvangt, is dus voor den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, het bewijs, dat hooger beroep of beroep in cassatie niet is ingesteld.
Zoodra de curator de kennisgeving van den griffier heeft ontvangen, doet hij van de vernietiging van het vonnis van faillietverklaring aankondiging in de bladen, in art. J4 genoemd, d. w. z. in dezelfde bladen waarin de faillietverklaring werd openbaar gemaakt. Met het einde van den dag, waarop deze aankondiging geschiedt, defungeert de curator. Dit volgt onmiddellijk uit het hierboven besproken art. 13 (zie bl. 114), bepalende dat voor den schuldenaar alleen verbindend zijn de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan.
119
§ 8. In de laatste vier artikelen van de eerste afdeelinp^ worden eenige onderwerpen behandeld, die tot de faillietverklaring waarmede de afdeoling volgens het opschrift zich bezighoudt, ook in den meest ruimen zin genomen, niet kunnen worden gebracht. Zij betreffen de kostelooze behandeling van het faillissement en de opheffing daarvan wegens gemis van actief, den vrijdom van zegel- en registratierechten en het register van faillissementen.
Een der klachten welke onder de oude wet het meest werden gehoord, betrof de opdrijving der faillissementskosten, ten gevolge der vele en hooge griffiekosten, zegel- en i-egistratie-rechten ]). â Met het oog op eene eenvoudige behandeling van het faillissement en tot wering van misbruiken, is het wenschelijk daarbij zegel- en registratierechten op te heffen, en dat de griffier geene onkosten in rekening brengtquot;; aldus luidde een der besluiten , door de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1871 omtrent de wetgeving in zake faillissement genomen. Aan den eersten wensch, opheffing der zegelen registratierechten, heeft de wetgever gemeend te mogen voldoen. Eene belangrijke vermindering van kosten zal daarvan ongetwijfeld het gevolg zijn.
,/Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie. Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten , houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel, dan die welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld in artikel 122quot; (art. 17 al. 2 en 3).
Blijkbaar is vrijstelling bedoeld van al die stukken, maar ook alleen van die stukken, welke buiten faillissement niet voorkomen, welker opmaking slechts wordt vereischt, als er en omdat er faillissement is. Volgens dit criterium zullen alle stukken betreffende de procedure tot faillietverklaring, de akten van verzegeling en boedelbeschrijving, alle stukken betreffende de verificatie, het akkoord en de homologatie
') Memorie van Toelichting, Belinfanle I, bl. 39; v. n. Fki.tz I, bl. 7.
m01.RNGRAAFF} FuilUBsementswet. ®
120
daarvan, de uit.deelingslijsten en de rehabilitatie onder de vrijstelling vallen.
Dat de curator partij is bij het stuk, is geenszins voldoende. Waar hij optreedt als beheerder van den boedel, als vereffenaar, en in die qualiteit handelt, is wel zijn bevoegdheid tot handelen een uitvloeisel der Faillissementswet, maar de stukken welke betreffende die handelingen moeten worden opgemaakt, kunnen daarom nog niet gezegd worden, opgemaakt te worden ter voldoening aan de bepalingen dier wet. De vrijstelling geldt daarvoor dus niet. Op deze stukken doelt het artikel met de woorden: «processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomstenquot;. Dat de hier aangewezen opvatting de juiste is, blijkt ook daaruit, dat ten aanzien van processtukken de vrijstelling uitdrukkelijk wordt beperkt tot de stukken betrekkelijk renvooi-processen; alleen deze processen zijn eene schepping der Faillissementswet.
Tegen de vrijstelling van griffiekosten had de Regeering bezwaar, «omdat daardoor de griffiers eene belangrijke vermindering van inkomsten zouden lijden, waarvoor een aequivalent ton laste van do schatkist zou moeten worden aangewezenquot; '). In zijn Antwoord op het Verslag der Commissie van voorbereiding rekende de Minister uit, dat gemiddeld per jaar aan griffiekosten f 16.672 is betaald, zoodat eene eventueele totale schadevergoeding aan de griffiers ongeveer dat bedrag jaarlijks zou moeten beloopen. Dit argument in cijfers bleek overtuigend. Zijn mitsdien de griffiekosten niet afgeschaft, er is toch naar gestreefd ze te vermindei'en, althans met zorg vermeden, dat ze ten gevolge der wet drukkender zouden worden. Ze zullen verminderen, omdat verschillende formaliteiten zijn afgeschaft, die vroeger tot griffiekosten aanleiding gaven, alsook omdat artikel 72 schriftelijke beschikkingen van den rechter-commissaris in de meeste gevallen overbodig maakt. Voor zooverre nieuwe formaliteiten in het leven zijn geroepen, wordt verzwaring van druk voorkomen door de bepaling, dat de griffiers voor hunne bemoeiingen te dier zake geene kosten in rekening kunnen brengen. Men verg. artt. 19 al. 3, 97, 114, 137, 148 al. 2, 183 al. 1 en 2 en 185 al. 1, volgens welke de
i) Memorie van Toelichting, Relinfante I, bl. 49; v. d. Fict.tz I, bl. 330 v.
121
daarin bedoelde stukken ter griffie voor zooveel noodig kosteloos worden nedergelegd, in elk geval kosteloos ter inzage liggen. Ook werd in het Verslag der Commissie van voorbereiding terecht opgemerkt, dat voor de kennisgevingen, waartoe de artt. 14 al. 2. 99, 120 al. 2, 124 en 185 al. 1 den griffier verplichten, door dezen uit den aard der zaak niets zal kunnen worden gerekend. Hetzelfde geldt voor de kennisgevingen, waarvan sprake is in de artt. 9 al. 2, 11 al. 2, 12 al. 3 en 15 al. I. De belooning voor dergelijke verrichtingen vindt de griffier in het hem toegekende vaste traktement.
Een niet onbelangrijke post onder de faillissementskosten wordt in den regel gevormd door de kosten van de door de wet voorgeschreven openbaarmakingen in de nieuwsbladen. Kostelooze plaatsing dezer advertenties kan de wetgever natuurlijk niet bevelen, tenzij het nieuwsblad door den Staat zelf wordt uitgegeven. In artikel 17 eerste lid wordt dan ook bepaald, dat elk in dezen titel bevolen plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant kosteloos geschiedt.
De ondervinding leert, dat bij een groot aantal faillissementen het actief zeer gering is. Daar de kosten, met name de griffiekosten, niet aan het actief evenredig zijn , maar onafhankelijk daarvan uitsluitend door de verrichte werkzaamheden worden bepaald. drukken deze kosten op een klein actief onevenredig zwaar Hiermede rekening houdende, opent de wet de gelegenheid tot de kostelooze behandeling van het faillissement.
Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft, kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, te hebben gehoord, de kostelooze behandeling van het faillissement bevelen (art. 16).
Wat die kostelooze behandeling beteekent, wordt aangegeven in art. 17 al. 4. Het bevel heeft vrijstelling van griffiekosten ten gevolge '). De griffier zal dan zijne diensten gratis moeten
') Oorspronkelijk, in het ontwerp der Staatscommissie, handelden de artt. 16âquot;18 uitsluitend over de kostelooze behandeling en de opheffing van het faillissement. Daar dit ontwerp de algemeene vrijstelling van zegel- en registratierechten niet kende, diende de kostelooze behandeling, volgens artikel 17, tot vrijstelling èn van deze rechten èn van de griffiekosten. Toen nu in het Reg. Ontw. in art. 17 de algemeene vrijstelling van de zegel- en registratierechten
122
verleenen. Omtrent don curator is niet hetzelfde bepaald, omdat de rechtbank bij de vaststelling van diens salaris (art. 71) op het gegeven bevel tot kostelooze behandeling zal kunnen letten en bet bedrag daarvan binnen de meest bescheiden grenzen beperken.
Nevens de kostelooze behandeling kent de wet de alge-lieele opheffing van het faillissement. - Waar niet alleen geen kontanten voorhanden zijn , maar zelfs in het geheel geen , zij het dan ook eerst in verloop van tijd te realiseeren actief aanwezig is, en ook waar het actief in geen geval toereikend zal zijn om de kosten te dragen , heeft kostelooze behandeling van het faillissement geen zin meer, maar moet het faillissement opgeheven kunnen wordenquot; '). Onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel, dat opheffing van het faillissement bij ontstentenis van actief niet toeliet, redde de praktijk zich, op de eene of andere wijze. Bij sommige rechtbanken werd de curator eenvoudig ontslagen, terwijl het bij andere gewoonte was geworden, dat in faillissementen zonder actief met goedvinden van den rechter-commissaris niets werd gedaan, zoolang niet een familielid van den schuldenaar of een schuld-eischer, aan de zaak een einde wenscbende te maken, zich bereid verklaarde de kosten voor te schieten. Van daar tal van slapende faillissementen, die, feitelijk gestaakt, rechtens voortduurden en een ongeordenden toestand deden ontstaan. Thans kan de opheffing van het faillissement door de rechtbank bij beschikking, in het openbaar uit te spreken, worden bevolen, w indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeftquot;. De rechter-commissaris lokt het bevel uit door daartoe eene voordracht te doen, waarop de commissie uit de schuld-eischers, zoo die er is 2), moet worden gehoord, terwijl ook
wwd opgenomen, bleef het verband tusschen dit artikel en het daaraan voorafgaande en daarop volgende alleen behouden in het laatste lid, waarin het gevolg van de kostelooze behandeling, die nu uitsluitend tot vrijstelling van griffiekosten kon leiden, werd aangewezen. Ten slotte werd in het Gew. Reg. Ontw aan artikel 17 nog toegevoegd de bepaling omtrent de Neder-landsche Staalscourant, waardoor het verband met artikel IG nog meer op den achtergrond is geschoven.
') Memorie van Toelichting, Belinfante I, bl. Oi; v. d. Fki.tz I, bl. 328.
J) Bij eene verstandige toepassing van de wet zal eene commissie uit de schuldeischers wel nooit aanwezig zijn.
123
de schuldenaar wordt gehoord of althans daartoe behoorlijk wordt opgeroepen (art. 16).
De opheffing van het faillissement heeft tengevolge, dat de zaken weer komen in den toestand, waarin zij voer de faillietverklaring verkeerden. De curator defungeert, de schuldenaar herneemt het beheer en de beschikking over zijn ... passief, en de sclmldeischers herkrijgen al hunne rechten van executie op de goederen en tegen den persoon van hun schuldenaar.
Zóó gewichtig zijn deze gevolgen, dat in art. 18 aan den schuldenaar en aan de schuldeischers het recht is toegekend, tegen de beschikking welke de opheffing beveelt, op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen op te komen, «als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaald u.
De gecursiveerde woorden zijn minder gelukkig gekozen; immers bedoeld is niet het vonnis waarbij de faillietverklaring wordt uitgesproken, maar het vonnis waarbij faillietverklaring wordt geweigerd. Dit blijkt duidelijk uit het Ontw. der Staatscommissie en uit het Eerste -Reg. Ontw., die beide in art. 18 eene nagenoeg gelijkluidende bepaling inhielden. Toch hadden volgens deze ontwerpen de schuldeischers geenerlei recht op te komen tegen een vonnis waarbij de faillietverklaring werd uitgesproken, wèl en uitsluitend het recht in hooger beroep te komen van een vonnis waarbij de faillietverklaring werd geweigerd. Eerst bij de beraadslaging in de Tweede Kamer is den schuldeischers een recht van verzet tegen de faillietverklaring toegekend. In het Ontwerp der Staatscommnissie en in het Regeeringsont-werp kon dus niet anders bedoeld zijn dan het vonnis van weigering der faillietverklaring. Door het amendement, waarbij de artikelen 10 en 11 in de wet zijn gebracht, zonder dat daarbij aan artikel 18 ook maar een oogenblik werd gedacht, is de zin van dit artikel stellig niet gewijzigd. Van toepassing, ingeval van opheffing van het faillissement, zal dus wezen artikel 9, regelende de voorziening tegen de beschikking houdende afwijzing van de aangifte of aanvraag tot faillietverklaring.
De casuspositie van artikel 9 is ook de eenige, welke met die van artikel 18 overeenkomst heeft. In beide gevallen komt
124
men op tegen eene beschikking van den rechter, zonder dat men staat tegenover een tegenpartij. Juist daarom kan de procedure, welke wordt gevolgd bij verzet of hooger beroep tegen de verklaring in staat van faillissement (artt. 8 en 10), x-ekening als zij houdt met het feit, dat de voorziening eigenlijk is gericht tegen dengene, die aangifte of verzoek tot faillietverklaring deed, als tegenpartij, bij beroep tegen de beschikking tot opheffing van het faillissement niet worden toegepast, althans niet zonder op practische bezwaren te stuiten. Ook daardoor wordt de hier voorgestane uitlegging van artikel 18 gerechtvaardigd.
De minder juiste woordenkeus van het artikel is een gevolg daarvan, dat de bepaling omtrent de rechtsmiddelen tegen de beschikking, bevelende opheffing van het faillissement, is vereenigd met een voorschrift omtrent de openbaarmaking dier beschikking. Deze moet geschieden op dezelfde wijze «als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaaldquot;, eene verwijzing die voor dit onderwerp zeer gepast is, en over het hoofd deed zien, dat zulks niet evenzeer het geval is voor het andere hier behandelde onderwerp.
Na opheffing van het faillissement kan opnieuw aangifte of aanvrage tot faillietverklaring worden gedaan. De schuldenaar, de schuldeischer of het Openbaar Ministerie, aangifte of aanvraag doende, zal dan echter verplicht zijn aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden (art. 18 i. f.). Zander deze voorwaarde zou de opheffing geen doel treffen, daar zij onmiddellijk, al ware in de omstandigheden die haar motiveerden, niet de minste verandering gekomen, zou kunnen worden gevolgd door eene nieuwe aangifte of aanvrage tot faillietverklaring, welke niet zou kunnen worden geweigerd.
Het laatste artikel van de afdeeling, artikel 19, beveelt, dat bij elke rechtbank door den griffier een openbaar register wordt gehouden , waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding der dagteekening , inschrijft: 1°. een iiittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is; 2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord; 3quot; de ontbinding van het akkooi'd;
125
4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening; 5°. de opheffing van bet faillissement in gevolge art. 16; 6°. de rehabilitatie.
Wel te onderscheiden zijn de opheffing der jaillietverMaring, waarvan onder 1° melding wordt gemaakt, en de opheffing van het faillissement, onder 5°. genoemd. Ouder opheffing der faillietverklaring wordt verstaan de vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie. Het ware zeker beter geweest, in overeenstemming met de terminologie van artt. 9, 11, 12, 13 en 15, ook hier, in art 19 1°, van vendetiijintj der faillietverklaring te spreken. De minder nauwkeurige redactie kan echter niet tot eene verkeerde uitlegging leiden.
De bedoeling van het register is een ieder in de gelegenheid te stellen, alvorens crediet te geven, uit officieele bron het financieel verleden van den credietzoekende te leeren kennen. Op eenvoudige , vertrouwbare wijze verschaft het register alle gewenschte inlichtingen omtrent den loop van ieder faillissement, dat door de rechtbank, waar het register wordt gehouden, is berecht.
Om de raadpleging te bevorderen en gemakkelijk te maken, is den griffier de verplichting opgelegd, aan ieder kosteloos inzage van het register te geven. Alleen voor het verstrekken van uittreksels kan betaling worden gevorderd, en wel, zooals de Minister in zijn Rapport aan de Koningin-Regentes opmerkte '), overeenkomstig art. 25 van het Tarief van justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken.
Voor nadere bepalingen omtrent vorm en inhoud van het register verwijst art. 19 al. 2 naar een algemeenen maatregel van bestuur. Ter voldoening aan dit voorschrift is uitgevaardigd het Koninkl. Besl. van 17 Juni 1896, Stbl. n0 97, waarbij een model van het register is vastgesteld.
Ten slotte zij nog vermeld, dat het laatste lid van art. 19 vordert, dat door den griffier bij het register een alphabetische klapper wordt gevoegd.
') Belinfante II, bl. quot;229; v. D. Feltz I, bl. 337.
126
Artikel 1 eerste lid.
De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen , wordt.... op verzoek van een of meer zijner scluildeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.
De behandeling van artikel 1, hierboven in het kort geschetst, gaf aan sommige sprekers aanleiding tot het stellen van gevallen van faillietverklaring op een daartoe strekkende volkomen ongegronde of vexatoire vordering van een schuldeischer: een niets kwaads vermoedende, prompt betalende particulier zou bijv., thuis komende van een reisje in Zwitserland, op eens ontdekken, dat hij gedurende zijne afwezigheid was failliet verklaard! Dit en soortgelijke fantasiebeelden deden den Minister er op wijzen, dat de schuldeischer, die alsdus handelt, zich blootstelt aan eene vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen op grond van onrechtmatige daad.
Inderdaad is herhaaldelijk eene vordering tot schadevergoeding wegens het onrechtmatig uitlokken der faillietverklaring toegewezen. In de practijk pleegt, bij verzet of hooger beroep tegen de faillietverklaring, door den schuldenaar aan het verzoek of de vordering tot opheffing van den staat van faillissement te worden toegevoegd het verzoek of de vordering tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen, ten gevolge van het onrechtmatig uitlokken der faillietverklaring geleden. Vaak wordt zoodanige vordering niet eens tegengesproken , in welk geval de rechter niet licht bezwaar zal maken haar toe te wijzen. Men verg. bijv. het vonnis van de Eb. te Amsterdam van 11 Jan. 1889, W. n0. 5677. Anders oordeelde echter het Hof in den Haag 14 Mrt. 1894, W. nquot;. 6497, ambtshalve de niet weersproken vordering tot schadevergoeding , gedaan bij het hooger beroep tegen een vonnis van faillietverklaring, evenals de vordering tot betaling der kosten van het geding, » als niet op de wet gegrond quot;, voor toewijzing
127
niet vatbaar verklarende. Op deze beslissingen heeft misschien invloed geoefend, dat voor de Rechtbank te A msterdain werd geprocedeerd op eene dagvaarding, daarentegen voor het Hof in den Haag op een verzoekschrift. In den vorm waarin de zaak aan â hangig was gemaakt, vond althans het Hof te Leeuwarden aanleiding de aan het hooger beroep toegevoegde schadevordering te ontzeggen, » overw. dat____de vordering van den app. tot schadevergoeding in dezen niet vatbaar is om eenzijdig bij request te worden beslistquot; (arrest v. 6 Nov. 1889, P. v. J. 1889, nquot; 135).
Evenals de combinatie van hooger beroep en vordering tot schadevergoeding, is ook die van verzet en vordering tot schadevergoeding somwijlen op formeele gronden gewraakt. Zoo overwoog de Rb. te Amsterdam 13 Sept. 1895, W. n0. 6785: ii dat het recht van verzet tegen het vonnis van faillietverklaring, dat bij art. 791 W. v. K. aan den niet verschenen faillietverklaarde, gelijk opp., is toegekend, uit den aard dei-zaak geene verdere strekking kan hebben, dan om te niet te doen het tegen den opp. gewezen vonnis van faillietverklaring en door de vernietiging van dit vonnis gezegde faillietverklaring op te heffen; dat de opp. mitsdien 1) niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn verzet, voor zooverre dit is gericht op het verkrijgen van de hierboven sub 2° omschreven veroordeeling van de geopp. quot; (d. w. z. om aan opp. te vergoeden de kosten, schaden en interessen, door opp ten gevolge van de tegen hem uitgesproken faillietverklaring reeds gehad en geleden en nog te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat).
Men kan aan de rechtbank de overweging omtrent de strekking van het recht van verzet grif toegeven, zonder te beamen dat mitsdien verboden zou wezen aan het verzet (i. c nog wel bij dagvaarding aanhangig gemaakt eu als een gewoon proces behandeld) eene accessoire vordering tot schadevergoeding te verbinden.
Doch hoe dit zij, uit de gestelde ongeoorloofdheid van de combinatie, volgt in het minst niet, dat eene zelfstandige vordering tot schadevergoeding niet zou kunnen worden ingesteld.
In de gevallen waarin ze ontvankelijk werd geacht, werd
') Wij cursiveeren.
128
over de toewijsbaarlieid der schadevordering verschillend geoordeeld. Het verst gaat wel het Hof te Amsterdam , bij arrest van 15 Apr. 1892 (PF. n0. 6196, M. v. H. 1892, bl. 293) aannemende, dat eene ten onrechte geprovoceerde faillietverklaring in hare gevolgen per se de gegrondheid eener vordering tot schadevergoeding medebrengt Ware deze beslissing juist te achten, dan zou iedere aanwending van welken rechtsmaatregel ook dengene die daartoe overgaat indien later maar blijkt, dat hij zulks ten onrechte heeft gedaan , aan eene schade-actie blootstellen: zoo bijv. het instellen van een proces, met name als het vonnis, in eersten aanleg gewezen, in hooger beroep wordt vernietigd; het vonnis blijkt dan immers ten onrechte geprovoceerd te zijn. Met het stelsel van onze wet, dat het verlies van het proces op zichzelf alleen kan leiden tot eene veroordeeling in de kosten, zou dit geheel in strijd wezen
Tegenover 's Hofs opvatting mag gesteld worden de volgende overweging van de Rechtbank te Breda, vonnis van 21 Juli 1885 , W nquot;. 5283: quot; dat het vervolgen van eigen recht en het inroepen van 's rechters beslissing op zichzelf niet onrechtmatig is, maar integendeel behoort tot een ieders rechten, terwijl daartegenover alleen staat het recht van anderen , om niet door te kwader trouw of lichtvaardig opgezette gedingen in het rustig genot van ontwijfelbare rechten gestoord te worden en daardoor schade te lijdenquot;. Niet betten onrechte aanwenden vaneen rechtsmaatregel maakt dus op zich zelf schadeplichtig, maar alleen het lichtvaardig of te kwader trouw aanwenden daarvan. Dit strookt met het bepaalde in de artt. 456 al 3,478,5413 al. 2, 732 al. 3 en 739 Wetb v. Burg. Rechtsv. omtrent de vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval van afwijzing van het verzet tegen den verkoop van in beslag genomen goederen, alsmede ingeval van opheffing van een ten onrechte gelegd executoriaal of conservatoir beslag. De opposant , resp de arrestant kan alsdan tot vergoeding van kosten, schade en interessen worden veroordeeld, -«bij aldien daartoe i-edenen of gronden aanwezig zijn quot;. Op grond alleen van de
') Verg. Rb. Rotterdam 27 Juli 1870, M. v. H. 1870, bl 200: een uitspraak gewezen onder zeer bijzondere omstandigheden (verzet van een der vennooten tegen de faillietverklaring der vennootschap onder firma op aangifte van den medevennoot).
129
afwijzing van het verzot of van de opheffing van het beslag mag dus zoodanige veroordeeling niet worden uitgesproken. Dit bewijst, dat de wet het ten onrechte gebruik maken van het rechtsmiddel van verzet en het ten onrechte leggen van een beslag op zich zelf niet als eene onrechtmatige daad beschouwt, '»watquot;, volgens van Boneval Facke1), »eene beschouwing contra rationem iuris zou zijn«.
Welnu, een ongegrond verzoek tot faillietverklaring is op zich zelf evenmin eene onrechtmatige daad. Op juiste gronden werd in dien zin beslist door de Rb. te Amsterdam 4 Dec. 1891, M. v. H 1892, bl. 195 2). Alleen als kan worden aangetoond, dat het verzoek tot faillietverklaring kwaadwillig, lichtvaardig of chicaneus werd gedaan, kan van toewijzing eener vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad sprake wezen 3)
9
1
) Het Nederl. Burgerl. Procesrecht, dl. 1, 3e dr. bl. 341. Zie ook het betoog van dien schrijver in W. n0. 3096.
2
) In denzelfden zin liet vonnis der Rb. te Amsterdam lONov. 1893, W. n0.6486, waarin wij o. m. lezen: «dat de schade waarover opp. zich beklaagt, niet het gevolg is van het Ingediend verzoekschrift, maar van de naar aanleiding daarvan gegeven rechterlijke beslissing; - dat de onjuistheid dier beslissing uitsluitend is veroorzaakt, doordien opp., door op de oproeping niet te verschijnen, den rechter het noodige licht heeft onthouden/'. Verg. Rb. te Groningen 4 Mrt. 189-2, W. n0. 6542, welke bij toewijzing van het verzet tegen de faillietverklaring niettemin den opposant qq. (den voogd van den fallietverklaarde) in de kosten veroordeelde, omdat de uitgesproken faillietverklaring was te wijten aan de onware opgave van den faillietverklaarde in een door dezen geschreven brief, aan de door hem aangenomen houding en aan diens verzuim om te verschijnen daar waar hij in zijn belang werd geroepen.
3
) Oudere jurisprudentie vindt men bij J. R. Roelfsema , de beteekenis der woorden nonrechtmatigii en //schuld/' in art. 1401 li. W., Prft. 1893, bl. 106 v.
MoLEKGKAArr, rulllisscmentswet.
130
Artikel 2 derde lid.
Ten aanzien van vennooten onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.
Artikel 4 tweede lid
Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.
üit de bepaling van art. 2 al. 3 blijkt, zooals boven bl. 89 vlg. werd aangetoond, dat, naar de opvatting der wet, niet de vennootschap failliet gaat, maar ieder der vennooten. Scliuld-eiscliers behooren dus, niet de faillietverklaring van de vennootschap, maar van de bij name aangeduide vennooten te vorderen, waarna door de rechtbank al de vennooten moeten worden opgeroepen, ten einde ieder van hen te liooren op de tegen hem persoonlijk gerichte vordering. Alleen op deze wijze kunnen practisclie moeilijkheden worden ontgaan, nu de wet zich onthouden heeft van eene nadere regeling van dit onderwerp.
Welke die moeilijkheden zijn, leert het proces over de faillietverklaring van de firma.de Erven Bloemink en Co. '). Deze firma was op verzoek van een schuldeischer failliet verklaard, nadat beide firmanten waren opgeroepen en een
') De faillietverklaring geschiedde bij vonnis van de Hb. te Amsterdam van 10 Mei f855. Zij gaf aanleiding tot de vonnissen van deze rechtbank dd. f'i Sept. 1855, 18 Juni 1857, 3 Nov. 1859 en 2G Apr. f860, tot de arresten v. h. Hof v. Nd. Holland van 28 Febr. f85C, 18 Mrt. f858 en 31 Jan. t8Cf en tot de arresten v. d. Hoogen Raad van 5 Dec. 1856, 4 Febr. 1859 en 14 Nov. 186f , M. v. H. f859, bl. 207 v., 1860, bl. 151 v. en 1861, bl. 67 v. en 318 v.Het laatste arrest van den Hoogen Raad verwees de zaak nog weer naar de Rechtb. te Amsterdam, ten einde die verder te behandelen en te beslissen! De noodzakelijkheid van de herziening der procedure tot faillietverklaring kon moeilijk beter worden geïllustreerd. Dergelijke parodie op een bruikbaar recht en eene behoorlijke rechtspraak zal onder de nieuwe wet wel niet meer vertoond kunnen worden.
131
hunner was verschenen en geen tegenspraak had gedaan. Set dictum luidde: n Verklaart de firma de Erven Bloemink en Co., waarvan de leden thans zijn J. K. J. en J. P. K., wonende enz., in staat van faillissement». Het niet verschenen lid J. kwam in verzet, doch de rechtbank achtte dit verzet niet ontvankelijk, omdat â de faillietverklaarde, dat is de firma de Erv. Bi. en Co ... . is verschenen en gehoord in den persoon van haren vennoot J. P. K ; dat derhalve aan die firma wel het recht van hooger beroep, maar niet dat van verzet kan worden toegekendquot;. Het Hof bevestigde die uitspraak, eveneens van oordeel, dat de firma in contradictor in judicia was faillietverklaard. Beide beslissingen werden door den Hoogen Raad vernietigd, omdat de eischer in zake de faillietverklaring niet geacht kon worden door zijn medevennoot vertegenwoordigd te zijn geweest, vermits art. 17 W, v. K. blijkbaar alleen op het oog heeft daden van beheer of handelingen betrekkelijk de uitoefening van den koophandel zeiven, mitsdien niet van toepassing is op de onderwerpelijke handeling van den medevennoot, waarbij het geldt het eind.igen der maatschap ten gevolge eener faillietverklaring van de firma, en alzoo mede de individueele belangen van den eischer als lid der firma. De exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het verzet des eischers werd dus verworpen.
In de leer van den Hoogen Raad vond nu de Rb. aanleiding den opposant opnieuw niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem gedaan verzet, overwegende »dat evenzeer als bij de faillietverklaring van de firma de Erven BI. en Co. de belangen van de individueele leden betrokken zijn, en daai*om de verschijning van den vennoot K. alleen, volgens de leer van den Hoogen Raad, den opposant J. niet kon binden, â bij deze actie, waarbij de buiten-elfectstelling van die faillietverklaring wordt gevorderd, de belangen van den medevennoot K. zijn betrokken, en dat dus, volgens dezelfde leer, de optreding van J alleen, al zij het ook als lid der firma, de maatschap niet kan vertegenwoordigen, en hij dus alleen voor de maatschap niet in rechte kan optredenquot;. Het Hof van Nd. Holland bevestigde deze beslissing o. a. den nadruk daarop leggende, dat het onderwerpelijk gewoon verzet is gericht tegen een vonnis, waarbij niet de appellant of diens
132
medevennoot maar hunne firma is failliet verklaard; dat dus zoodanig verzet nimmer door den appellant (die in dat vonnis geen partij is geweest), zelfs als lid dier firma, maar alleen door die firma, of namens dezelve gedaan kan worden1). Door den Hoogen Raad werd dit arrest, op processueele met ons onderwerp niet in verband staande gronden, gecasseerd en het verzoek ten slotte ontvankelijk verklaard.
Uit de leer van den Hoogen Raad schijnt te volgen, dat voor eigen aangifte van het faillissement der vennootschap onder eene firma medewerking van alle vennooten noodig is. De Rb. te Rotterdam besliste daarentegen, 22 Juni 1878, W. n0. 4269, dat aangifte tot faillietverklaring eene verplichting is, tot welker vervulling ieder vennoot 2) en, na de ontbinding der vennootschap, ieder liquidateur zonder medewerking zijner medevennooten of medeliquidateuren, is aangewezen. Reeds eerder, bij vonnis van 30 Maart 1870, M. v. H. 1870 bl. 195, had deze rechtbank aangenomen, dat iedere vennoot niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is aangifte tot faillietverklaring der firma te doen. Zij kende echter tevens aan den vennoot, die tot de faillietverklaring niet had medegewerkt, het middel van verzet toe, en liet de beide vennooten in de verzetprocedure tegen elkander optreden uit eigen hoofde en op eigen naam.
Neemt men, in overeenstemming met art. 2 al. 3 Fw.,aan, dat de vennooten failliet gaan, dat hun faillissement moet worden aangevraagd, dan kan men bezwaarlijk aan ieder vennoot de bevoegdheid toekennen, aangifte te doen van het faillissement ook zijner medevennooten 3J. Ieder vennoot individueel kan alleen van zijn eigen faillissement aangifte doen, een collectieve aangifte zal noodig wezen, willen alle vennooten failliet verklaard worden. Practische bezwaren zijn van deze opvatting niet te duchten. Men boude in het oog, dat de vennoot die schuldeischer is van zijne medevennooten.
gt;) Verg. Mr. P. van Bemmelen , Regtsgeleerde opatellen I, bl. 37 v.
^ Evenzoo Kist, Beginselen van Handelsregt, dl. 6, bl. 52.
Dan zal ook geen sprake kunnen zijn van faillietverklaring der vennootschap op verzoek van den curator in het faillissement van een der vennooten. Zie het aangehaalde vonnis der Rb. te Rotterdam van '22 Juni 1878.
133
ook als zoodanig hun faillissement zal kunnen vorderen. indien de vereischten daarvoor aanwezig zijn, terwijl des noodig het Openbaar Ministerie kan optreden, bijv. ais een der ven-nooten afwezig is.
Eon voorbeeld van behandeling der vennooten als de schuldenaren die failleeren, leveren het vonnis van de Rb. te Amsterdam van 14! Juni 1889 en de arresten van het Hof te Amsterdam en van den Hoogen Raad van 28 Juni en 27 Juli 1889, W. nquot;. 5783 Het gold echter in dit geval eene vordering tot faillietverklaring door een schnldeischer.
Wat de ontbinding der vennootschap betreft, het is duidelijk dat deze geenerlei invloed kan oefenen. In de hoofdelijke schuldplichtigheid der vennooten wordt door de ontbinding geen verandering gebracht. Mitsdien kunnen de gezamenlijke vennooten ook gedurende de vereffening op verzoek der schuldeischers failliet verklaard worden.
TWEEDE AFDEELING. Van de gevolgen der faillietverklaring.
â Een der grootste gebreken van de tegenwoordige regeling van het faillissement is wel hierin gelegen, dat bet Wetboek van Koophandel nagenoeg geheel zwijgt over de gevolgen der faillietverklaring op het gebied van het materiëele recht, over den invloed dien de faillietverklaring uitoefent op de rechtsbetrekkingen waarin de schuldenaar tot anderen staat. Welke rechten zij, wier vordering niet bloot gericht is opvoldoening uit den boedel, in het faillissement kunnen uitoefenen^ wordt nergens aangewezen; in hoeverre bestaande verbintenissen gewijzigd of ongewijzigd blijven voortbestaan, vervallen of ontbonden kunnen worden is nergens uitgemaakt. In deze, vooral in de practijk voelbare leemte, die op tal van punten tot eene zeer onvaste jurisprudentie en wetsuitlegging aanleiding heeft gegeven, tracht de tweede afdeeling te voorzien. De gevolgen van de faillietverklaring ten aanzien van het materiëele recht zijn daarin zooveel mogelijk bijeen gebracht quot;.
Aldus kenschetst de Regeering de woorden der Staatscommissie 1) tot de hare makende, in de Memorie van Toelichting de beteekenis van deze Afdeeling. De onderwerpen, welke daarin worden behandeld, werden in het Wetboek van Koophandel voor een deel geregeld in de eerste afdeeling van den eersten titel des derden boeks: »van de faillietverklaring en derzelver gevolgen in het algemeen»,
1
) Belinfante bl. 94.
135
voor een ander deel in de tweede en in de vijfde afdeeling van dien titel, immers in de artt. 813 en 854 v., terwijl verscheidene, en daaronder van de meest gewichtige, wettelijke regeling misten.
Het doel, dat bij de samenstelling der Afdeeling voor oogen stond, was den invloed te bepalen, welke door het algemeene vermogensbeslag wordt geoefend op de rechtsbetrekkingen waarin de schnldenaar tot anderen staat, of na het leggen van dit beslag komt te staan. Na aanwijzing van den omvang van het beslag, worden dus aangegeven de gevolgen welke het feit der inbeslagneming heeft voor den schuldenaar zeiven, voor degenen, die met hem hebben gehandeld en dientengevolge tot hem in eenige vermogensrechtelijke beti-ekking staan , alsmede voor diegenen die hangende het faillissement dergelijke betrekking met hem aanknoopen.
Volledig worden deze gevolgen in de Afdeeling niet opgesomd. Verschillende artikelen waarin, buiten het derde boek van het Wetb. van Kooph., de invloed der faillietverklaring ten opzichte van bepaalde onderwerpen wordt aangegeven, zijn nevens de Faillissementswet gehandhaafd. Hierboven (bl. 59 v.) werd van die artikelen een overzicht gegeven, terwijl enkele daarvan nog nader ter sprake zullen komen.
Eene nauwkeurige beschouwing van den inhoud der Afdeeling leert. dat daarin achtereenvolgens worden behandeld: de omvang van het faillissementsbeslag (artt. 20â22); de invloed van het beslag op de handelingsbevoegdheid van den schuldenaar (artt 23 en 24); de invloed op de handhaving van rechten door en tegen den gefailleerde (artt. 25â34, 36); de invloed op tweezijdige overeenkomsten (artt. 37â40); de uitbreiding van het beslag over aan den boedel onttrokken zaken (artt. 42â51); de invloed van het beslag op betaling en schuldvergelijking (artt. 52â55); de invloed op zakelijke zekerheidsrechten (artt. 57â59); de gevolgen van het beslag in verband met het huwelijksgoederenrecht (artt. 22 al. 2, 61â63); en eindelijk de gevolgen van het beslag ten opzichte van enkele andere onderwerpen (artt. 35, 41, 56 en 60).
§ 1. Omvang van het faillissementsheslag (artt. 20â22).
a Het faillissement omvat het geheele vermogen van den
Mot.kmihaavk, Faillissementswet. 9'
136
schuldenaar ten tijde van de faillietverldariiig-, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerftquot;, art. 20. Het beginsel, dat het faillissement is een beslag op het geheele vermogen (zie boven bl. 40 v.), wordt in deze woorden duidelijk uitgesproken, evenals de daaruit afgeleide, hierboven bl 52 v. nader toegelichte slotsom, dat ook alle toekomstige, d. w. z. gedurende den loop van het faillissement door den schuldenaar verworven goederen, door dit beslag worden aangegrepen. Ten einde dit laatste zoo ondubbelzinnig mogelijk uit te drukken, werd op aandrang van de Commissie van voorbereiding het woordje « hetgeen quot; in de plaats gesteld van de in het eerste Regeeringsontwerp voorkomende woorden «de goederen die«, welke aanleiding hadden gegeven tot de opmerking, dat daaronder rechten niet waren begrepen, in strijd met de bedoeling der Regeering die hier, evenals bijv. in de artt. 439 vlg. W. v. B. Rv,,van âgoederenquot; had gesproken in den zin van «zaken« ').
Het faillissement vindt als vermogensbeslag zijn grens daar waar het vermogen eindigt. Wat niet tot het vermogen behoort, valt niet in het faillissement. Hierboven (bl. 44 v.) werd reeds aangetoond, dat op dien grond buiten het faillissement blijven de rechten van den gefailleerde, welke niet zijn vermogensrechten. Om dezelfde reden behooren niet tot den faillieten boedel zaken, die de gefailleerde tijdens de faillietverklaring van of voor anderen onder zich heeft, of door den curator gedurende den loop van het faillissement in zijne hoedanigheid ten behoeve van anderen worden ontvangen.
Deze zaken kiinnen door de rechthebbenden van den curator worden opgevorderd op dezelfde wijze en met dezelfde rechtsmiddelen, als dit door hen, ware er geen faillissement, van den gefailleerde zoude kunnen worden gedaan.
Hoe eenvoudig dit ook schijnt, heeft toch de toepassing bij het commissiecontract tot eene zeer tegenstrijdige jurisprudentie aanleiding gegeven.
In het proces over de rangregeling in het faillissement-Rollandet werd de vraag, of hetgeen de curator in het faillissement van den coinmissionnair voor een bepaalden committent
lt;) Zis Helinfante II, bl. 42 v.; v. D. Feltz I, bl. 345 v.
187
ontvangt, aan dezen moet worden uitgekeerd dan wel tot den boedel behoort, het uitvoerigst behandeld. Eenige personen hadden aan Rollandet, commissionnair in effecten, effecten ter conversie gegeven, die door dezen werden opgezonden aan de firma K. en Zn. Toen de eigenaars eenigen tijd later de effecten terugverlangden en Rollandet ze derhalve opvroeg aan de firma K. en Zn., weigerde deze ze af te geven. Tot afgifte aangesproken, werd de firma daartoe veroordeeld, alsmede tot vergoeding van kosten, schade en interessen in geval van niet-uitlevering. De curator van den daarna gefailleerden Rollandet ontving ter voldoening aan dit vonnis een som van f 9,641.82 waarvan f 8,849.96 als vergoeding voor de effecten. Hij keerde dit bedrag aan de eigenaars der effecten uit, waarna door de firma K. en Zn., als sclmldeischeres in 't faillissement, verzet werd gedaan tegen de rangschikking, omdat bedoelde som daarop niet onder de baten des boedels was opgenomen. Bij vonnis v. 9 Dec. 1879 {W. n0. 44(34) wees de Rechtbank in den Haag de vordering toe. Daarentegen besliste het Hof in den Haag 20 April 1881 in hooger beroep in tegengestelden zin, terwijl de cassatie tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van den Hoogen Raad van 17 Maart 1882 {W. n0. 4759; Bechtsyel. Bijbl. 1882, Afd. B bl. 130 v.). Het Openbaar Ministerie had in iedere instantie tot toewijzing der vordering geconcludeerd De Hooge Raad overwoog o a, dat »de curator, toen hij het door Rollandet op eigen naam, doch ten behoeve van anderen verkregen vonnis uitvoerde, deed, wat Rollandet had behooren te doen en het ontvangene, hetgeen niet tot den boedel van Rollandet, maar aan diens committenten behoorde, niet aan dien boedel, maar aan die committenten moest uitkeeren».
Aan deze opvatting bleef de Hooge Raad getrouw bij zijn arrest van 5 April 1889 (W. n0. 5698). De firma Matthes en Bormeester had aan de firma Tobias, commissionnair in effecten, opgedragen voor haar op de Russische leening van 1884 in te schrijven voor een bedrag van £ 10000. De firma T. gaf aan die opdracht gevolg en haar werd £ 500 toegewezen, waarvan zij aan hare committente mededeeling deed. Na faillietverklaring der firma T., ontvingen de curators in het faillissement de recepissen over de toegewezen 500, welke
138
zij als een bestanddeel van den faillieten boedel beschouwden en op dien grond weigerden aan de firma M. en B. uit te keeren. De Rechtbank te Amsterdam stelde de curators in bet ongelijk bij een vonnis van 5 Nov. 1886 (P. w. .7.188G nquot;. öl*'), welk vonnis werd vernietigd bij arrest van het Hof te Amsterdam van 30 Maart 1888 (P. v. J. 1888 n0. 60). De Hooge Raad casseerde echter dit arrest, ditmaal nadat de advocaat-generaal in denzelfden zin had geconcludeerd. Het arrest overweegt, dat de gefailleerde vennootschap als commissionnair en dus als lasthebber, doch op eigen naam gehandeld heeft, waaruit volgt, dat de vordering, die zij tegen Leembruggen c. s. (de emittenten) had, haar wel in naam, maar inderdaad aan hare committenten toebehoorde ; »dat, toen Leembruggen c. s. ter voldoening aan die vordering de recepissen aan de curators afgaven, dezen het bezit dan ook niet verkregen voor zich zei ven of voor de schuldeischers van den faillieten boedel, maar voor de committenten, die dus volgens art. 596 B VV, op dat oogenblik door hunne tusschenkomst bezit en daarmede eigendom verkregen«.
Met deze opvatting geheel in strijd is het vonnis van de Rb. te Amsterdam van 4 Jan. 1887 (P. v. J. 1888 n0. 6). Iemand had aan de firma Reehorst en ten Cate, commissionnairs in effecten, verschillende effecten ter hand gesteld, ten einde daarop voor hem eene prolongatie te sluiten van f 5000. Na faillietverklaring der firma R. en t. C. executeerde de geldschieter het onderpand. Inmiddels bood de committent aan de curators een bedrag van f 5000 met de renten aan, zijne effecten tevens terugvorderende. In plaats van deze ontving hij mededeeling, dat de verkoop der effecten een saldo had opgeleverd van f 1019.055, van welk bedrag de uitkeering door de curators werd geweigerd, omdat het deel zoude uitmaken van den boedel. De Rechtbank deelde deze zienswijze. Indien men bedenkt, dat de effecten zonder eenigen twijfel het eigendom waren gebleven van den committent, en dat het bedoelde saldo door de curators voor dezen werd ontvangen, mag de juistheid van de beslissing der Rechtbank op goede gronden worden betwist. Met de aangehaalde jurisprudentie van den Hoogen Raad is zij stellig niet overeen te brengen.
De Commissie van voorbereiding bracht de quaestie bij art.
139
20 ter sprake. Zij schreef in haar verslag: «Natuurlijk, zoo werd voorts opgemerkt, bedoelt het ontwerp niet, dat hetgeen bijv. aan curatoren in het faillissement van een commissionnair wordt afgegeven ter voldoening aan eene overeenkomst, door den commissionnair als zoodanig en dus voor zijn committent aangegaan, tot den boedel behoort. Men meende toch, dat dit aan den committent toekwam. Aldus werd beslist door den Hoogen Raad bij arrest van 5 April 1889 quot; Met de meening, dat niet tot den boedel behoort, wat de curator ten behoeve van derden ontvangt, stemde de Eegeering bij haar antwoord in.
Niettegenstaande de volkomen algetneene bewoordingen van artikel 20 zullen toch enkele vermogensrechten buiten den boedel blijven, omdat ze uit hun aard voor inbeslagneming en dus ook voor een faillissementsbeslag onvatbaar zyn. a Daartoe behooren de zoogenaamde hoogst persoonlijke rechten, als het recht van gebruik en van bewoning, voor zooverre deze althans alleen door den gerechtigde kunnen worden uitgeoefend, artikelen 870 en 874 Burg. Wetb.quot; 1). Daar deze rechten niet kunnen worden vervreemd (niet mogen worden afgestaan noch verhuurd, heet het in de aangehaalde artikelen) kunnen zij ook niet worden geëxecuteerd, en kan de curator daai-over evenmin ten behoeve van den boedel beschikken. Uit dien hoofde werd een uitdrukkelijk voorbehoud in de wet geheel onnoodig geacht.
Tot de hoogst persoonlijke rechten rekende de Commissie van voorbereiding ook het vruchtgenot, dat door art. 366 B. W. aan den vader of den langstlevende der ouders wordt toegekend en waarvan sprake is in art. 21 4° Fw. De Minister Smidt was het met de Commissie eens, dat van verkoop van het recht van vruchtgenot ten bate van den faillieten boedel nimmer sprake kan zijn 2).
ii Hoewel moet worden vastgehouden aan het beginsel dat het faillissement is een algemeen beslag, een beslag op het geheele vermogen van den schuldenaar, kan toch niet ont-
1
-) Memorie van Toelichting R. O.: Belinfante I, bl. 62 ; v. d. Fei.tz I, bl. 341.
2
) Belinfante 11, bl. 46; v. d. Fbltz 1, bl. 355.
140
veinsd worden dat dit beginsel, streng toegepast, voert tot eene ongewenschte en onnoodige hardheid jegens den schuldenaar. Het strookt noch met de belangen van de schuldeischers, noch met die van de maatschappij den schuldenaar van alles te berooven. Hem uit zijne woning te zetten, hem alle huisraad te ontnemen, tot de laatste penning toe van hem op te eischen, is het zekerste middel om hem voor goed tot den bedelstaf te brengen, en tevens voor de schuldeischers alle kans te doen verloren gaan om na de insolventie, hetgeen zij dan nog tekort komen, ooit terug te zien De humaniteit eischt, dat de schuldenaar bij alle noodzakelijke gestrengheid toch menschelijk worde behandeld; het welbegrepen belang van de schuldeischers wordt gediend, indien men den schuldenaar de mogelijkheid laat zijn eigen kost te verdienen en later nog weer eens tot welstand te komen; het belang der maatschappij vordert dat de schuldenaar niet armlastig worde of in verzoeking kome op oneerlijke wijze zich een levensonderhoud te verschaffen.
«Het is dus in alle opzichten wensclielijk, het absolute voorschrift van artikel 20 te temperenquot; 1).
Daartoe strekken de artt. 21 en 22 , aanwijzende welke bestand-deelen van het vermogen des gefailleerden « buiten het faillissement blijven « , met andere woorden te zijner beschikking blijven.
Bij deze aanwijzing is in de eerste plaats uitgegaan van het beginsel, dat datgene, wat de wetgever elders voor beslag onvatbaar heeft verklaard en aldus aan het individueele verhaal van de schuldeischers heeft onttrokken , omdat hij het genot daarvan in elk geval aan den schuldenaar wilde verzekeren , ook aan de generale executie onttrokken moet worden. «Er is geene reden om, wat de insaisissabele goederen betreft, tusschen de gewone en de faillissements-executie te onderscheidenquot;2), bij de laatste den schuldenaar, wat dit punt betreft, gestrenger te behandelen, dan bij de eerste.
De bepalingen van art. 21 n0 1 en art. 22 eerste lid steunen op deze overweging.
1
bl. 62; v. d. Feltz 1, bl. 347 v.
2
Antwoord van den Minister op liet Verslag der Commissie van voorbereiding: Belinfante 11, bl. 48: v. u. Fkltz 1, bl. 306.
141
Volgens artikel 21 nquot; 1 blijven buiten het faillissement de goederen vermeld in artikel 447 nos 2â5 Wetb. v. B. E.v. '), de gelden of jaarwedden vermeld in art. 756 3° van dat Wetboek, de gagie, indien de gefailleerde schipper of schepeling is, en het auteursrecht; bovendien hetgeen in het eerste lid van art. 448 B. Ev. omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel.
Deze zaken hebben alle dit gemeen , dat ze niet vatbaar zijn voor inbeslagneming; men zie de aangehaalde artt van het W v. B. Rv., art. 21 al. 3 der wet van 7 Mei 1856 {Stbl. n0 32), omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen, en art. ü al. 3 der wet van 28 Juni 1881 (JSthl. nu 124), tot regeling van het auteursrecht Eene uitdrukkelijke opsomming was noodig, omdat onder de oude wet strijd bestond over de vraag, of het faillissement zich ook over de niet voor inbeslagneming vatbare zaken uitstrekt 2).
quot; Indien de gefailleerdequot;, aldus artikel 22, «wegens een ambt of bediening een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld , rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde«.Door deze bepaling worden in geval van faillissement de wettelijke voorschriften van toepassing verklaard, welke op traktementen, soldijen of pensioenen slechts in beperkte mate verhaal toelaten eu daarvoor den bijzonderen vorm van korting vaststellen, of wel elk verhaal daarop uitsluiten.
Dergelijke voorschriften vindt men in de wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n05), «betreffende het leggen van arresten en het vragen van kortingen op traktementen, soldijen en pensioenen,
') Artikel 447 no. 1 B. Rv. is niet aangeliaald, omdat op de daar vermelde goederen het beslag op onroerende goederen kan worden gelegd; ze zijn dus niet voor ieder beslag onvatbaar.
^ Zie Memorie van Toelichting; Belinfante l, bl. 63 noot 1; v. d. Fei.tz l, bl 348 noot 1.
142
bij de Loofden der onderscheidene departeineiiten van administratie», voor w de traktementen der officiereu Onzer land-en zeemacht van allen rang, mitsgaders der administrateuren en officieren van gezondheid tot dezelve belioorende *, alsmede voor â de pensioenen van gepensionneerde officieren van de land- en zeemachtquot; (art. 3) '); in art. 40 der wet van 9 Mei 1846 {Stbl. nü 24), voor « de burgerlijke pensioenenquot; ; in art. 68 der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n0 127), tot regeling dei-militaire pensioenen bij de zeemacht, voor //pensioenen verleend aan schepelingen of' mariniers beneden den rang van officier, of aan weduwen van officieren en minderenquot;, zoomede voor quot;de onderstanden bedoeld bij art. 25quot; dier wet; in art. 67 der wet van denzelfden datum {Stbl. nü 129), tot regeling der militaire pensioenen bij de laudmacht, voor * de pensioenen verleend aan militairen beneden den rang van officier of aan weduwen van officieren en verdere militairenquot;, zoomede voor ede onderstanden bedoeld bij art. 24quot; dier wet; in art. 30 der wet van 9 Mei 1890 {Stbl. nquot; 78), tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren , voor de burgerlijke pensioenen quot; ; in art. 42 der wet van 17 Aug 1878 (Stbl. nquot; 127), zooals dit luidt volgens art. 40 der aangehaalde wet van 9 Mei 1890, jquot; art. 30 dezer wet, voor «de pensioenen der onderwijzersin art. 22 der wet van denzelfden datum (Stbl. n0 79), tot regeling van het pensioen der weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren,
') Over de korting op traktementen en pensioenen van de burgerlijke ambtenaren zwijgt de wet van 1815. Wèl verbiedt art. 1 liet leggen van arrest op ordonnantiën van betaling ter zake van traktementen, soldijen of pensioenen zonder eenige uitzondering, en bepaalt art. 2 in verband daarmede dat, ingeval aanspraak wordt gemaakt, ter voldoening aan een vonnis of tot securiteit van eenige pretension, op eenige gelden of andere objecten in art. 1 vermeld (waartoe ordonnantiën van betaling ter zake van traktementen, soldijen of pensioenen behooren) op zoodanige wijze zal worden gehandeld, als Wij, op het rapport van den Secretaris van Staat of ander hoofd van administratie, aan wien het adres te dier zake zal gemaakt zijn, znllen oordeelen te behooren. Daarin ligt echter geen onvatbaarverklaring voor verhaal. Zijn wij goed ingelicht, dan passen niettemin al de betrokken departementen de bepalingen der wet van 1815. omtrent de korting op de officiers-traktementen , analogisch toe. Wettelijke regeling ware zeer gewenscht, daar thans niet zonder grond kan worden beweerd, dat het geheele traktement in het faillissement valt, juist omdat geen enkele wetsbepaling het verhaal der schuldeischers binnen bepaalde grenzen beperkt.
143
voor â lt; de (burgerlijke) weduwen- en weezenpensiocnen quot; : iu art. 34 der wet vun 18 Juli 1890 (Stbl. n0 109), tot regeling der pensioenen van de mindere geëmployeerden enz , op daggeld werkzaam bij de inrichtingen van 's Rijks Zee- en Landmacht, voor w de pensioenen en de onderstanden voor kinderen« krachtens deze wet verleend, en in art. 86 der wet van 18 Juni 1892 tStld. nu 144), tot regeling der pensioenen en onderstanden van het personeel van den loodsdienst voor zeeschepen en aan de weduwen en kinderen van dat personeel, voor de pensioenen en de onderstanden der kinderen. Voor zooverre deze wetten korting toelaten, wordt gevolgd de procedure bij de wet van 1815 vastgesteld. Voorts komen in aanmerking het arrête van 18 Nivóse an XI, «qui declare les traitemens écclésiastiques in-saisissables dans leur totalitéquot; (hier te lande executoir verklaard bij decreet van 22 Juni 1810), over welks voortdurende geldigheid echter verschillend wordt gedacht '), en verschillende Koninkl. Besl. betreffende de pensionneering enz. van burgerlijke ambtenaren en tot de landmacht behoorende militairen in de overzeesche bezittingen 2)
Voor het opnemen van art. 22 al. 1 in de Faillissementswet (waartoe op aandrang van den Raad van State werd overgegaan) pleitte dezelfde reden als voor het opnemen van art. 21 1°. Immers onder de oude wet was ook van de aangehaalde wetsbepalingen omtrent het verleenen van korting de toepasselijkheid in geval van faillissement betwist. Met name had de Hooge Raad bij een arrest van 13 Jan. 1888 ( W. n0 5506) de toepasselijkheid van de wet van 24 Jan. 1815 (SthL n0 5) ontkend ^).
Art 22 al. 1 stelt thans buiten twijfel, dat traktementen, soldijen en pensioenen, waarop alleen voor een bepaald gedeelte korting is toegestaan, ook alleen voor dat gedeelte binnen het bereik vallen van het faillissement; van het overige blijft den gefailleerde het vrije genot. De curator zal overeenkomstig de
') Zie Rapport der Commissie, ben. bij IC. B van 5 Febr. 1849 (Stbl. n0.5), I bl. 119. Van Rossem, de Nederl. rechtspraak (jebrachl op de arte. u. h. Wetb. v. li. Rv., art. 757, bl. 1301. ïh. A. Fruin, het deel ua7i het vennoyen dat niet voor executie vatbaar is, Prft. 1892, bl. 23 v.
J) Eene opsomming dezer liesluiton is te vinden in de Handelingen der Staten-Generaal, Kerste Kamer, 1895/6, bl 400 v.
3) Verg. Fruin. t. a. p., bl. 41 v.
I 14
wet van 1S15 de korting-hebben mui te vragen, terwijl kortingen vóór de faillietverklaring door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde nemen. Verbiedt de wet iedere korting, dan blijft het geheele traktement, soldij of pensioen buiten het faillissement; verbod van korting toch wil zeggen, dat de schuldeischers in het geheel geen rechten kunnen doen gelden.
De «bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld«, waarvan hierboven een overzicht werd gegeven, betreffen uitsluitend ryfestraktementen en -pensioenen. Met betrekking tot de onder die wetten niet vallende traktementen en pensioenen ten laste van provincies, gemeenten en waterschappen is, naar aanleiding van art. 757 W. v. B. Ev. de vraag gerezen, of zij al dan niet vatbaar zijn voor beslag Hoe die vraag ook beantwoord moge worden, de artikelen 21 en 22 der Faillissementswet laten in verband met art. 20 geen ruimte tot twijfel. Bedoelde traktementen en pensioenen zijn in het faillissement begrepen, omdat ze noch in art. 21 , noch in art. 22 aan het faillissementsbeslag worden onttrokken Na de faillietverklaring zal dus het traktement of pensioen door den curator worden geïnd 2). Zelfs kan de vraag worden opgeworpen, of de curator niet bevoegd is het recht op het traktement of op het pensioen ten bate van den boedel te verkoopen, indien het traktement of pensioen niet bij de wet onvervreemdbaar is verklaard, zooals uitdrukkelijk is geschied : voor de militaire pensioenen, gagementen en onderstanden bij de wet van 26 Mei 1849 (Stbl. nquot; 24)^ bij art. 67 der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n0 127) en art. 66 der wet van dien datum {Stbl n0 129) ; voor do burgerlijke pensioenen bij de reeds vermelde wetten van 9 Mei ISiG {Stbl. nquot; 24), art. 41; 9 Mei 1890 {Stbl. n0 78), art. 31; 17 Aiig. 1878 (Stbl. nquot; 127), art. 42 jis artt. 40 en 31 der wet van 9 Mei 1890 {Stbl. n0 78); 9 Mei 1890 {Stbl. nquot; 79), art. 22; 18 Juli 1890 {Stbl. n0 109), art. 33 en 18 Juni 1892 (Stbl. nquot; 144), art. 35.
Wat de traktementen betreft, heeft de vraag weinig belang; deze toch maken, bij de onzekerheid hoe lang het recht op
') v. Rossbm, t. a. p, art. 757 ri0. 5; Th. A. Fruin, a. w., bl 15vlg. Rb. WiTischoten '2'2 Mei '1895, W. uquot;. 0063; Rb. Maastricht 11 Nov. '1895, W. nn 6760.
'-) Verg. Ilooge Raad '27 Sept. 1804, W. n0. 0552.
«
145
liet genot daarvan zal voortduren, een zóó onzekere waarde uit, dat ze feitelijk niet voor vervreemding vatbaar zijn, ook al moet worden aangenomen, dat ze het niet reeds uit kun aard zijn. Pensioenen daarentegen bezitten een bepaalde, immers berekenbare waarde, zoodat do vervreemding van het recht op pensioen zeer wel mogelijk is. Zoolang nu een wet hier niet tusschenbeide komt, zal men den curator de bevoegdheid tot de vervreemding moeilijk kunnen ontzeggen, al strookt dergelijke beschikking over het pensioen in geenen deele met het doel, waarmede pensioenen worden verleend.
Mocht de pensioenverleening kunnen worden beschouwd als de schenking eener jaarwedde tot onderhoud , dan zou de autoriteit die het pensioen toekent, de inbeslagneming kunnen uitsluiten en art. 21 1quot; Fvv. jquot; art. 756 3° W. v. B. Rv. van toepassing zijn; het karakter van schenking zal de pensioenverleening echter zelden hebben.
Ook gedurende den loop van het faillissement is de tot traktement gerechtigde in betere conditie dan de pensioen-trekkende; immers op traktementen is stellig art. 21 2quot; van toepassing, terwijl dit wat de pensioenen betreft kan worden betwijfeld. Valt het pensioen niet onder art. 21 2°, dan zal de gefailleerde het geheel moeten derven en alleen krachtens art. 100 der wet eene toelage tot levensonderhoud kunnen ontvangen, evenwel niet langer dan tot den aanvang der vereffening (art. 176).
Artikel 1 der meergenoemde wet van 24 Jan. 1815 verbiedt in het algemeen het leggen van beslag â op gelden, effecten, papieren of goederen, berustende onder Onze secretarissen van Staat of andere hoofden van administratiën in hunne kwaliteit, of op eenige bureaux of kantoren tot de algemeene 's lands administratie behoorendequot; , alsmede w op gelden of andere objecten, berustende onder provinciale, plaatselijke of andere administratiën, voor zooverre die betrekking hebben tot zee-of rivierwaterkeerende werken, de sluiswerken daaronder begrepen ». Daar noch in art. 21 , noch in art. 22 Fw. wordt bepaald, dat deze gelden enz. buiten het faillissement blijven, maken ze deel uit van den faillieten boedel en zullen ze aan den curator moeten worden uitgekeerd of afgegeven. Dat het faillissementsbeslag wel rust op deze voor individueel beslag
Molenüuaait, Faillissemimtswet. ^
146
niet vatbare zaken, is volkomen rationeel. Immers het door de wet van 1815 uitgesproken verbod heeft, zooals de considerans dier wet het uitdrukt, ten doel: âden onbelemmerden loop dier administratiën te verzekerenquot;. Deze zou worden verstoord, als particulieren telkens onder de administratie beslag konden leggen, vooral om den daaraan verbonden nasleep van procedures tot verklaring Het is duidelijk, dat van het faillissementsbeslag dit gevolg niet is te duchten; de verplichting tot uitkeering of afgifte aan den curator laat den geregelden loop der administratiën ongehinderd. Het hier bedoelde verbod van beslag is dan ook van geheel anderen aard als én de verbodsbepalingen, waarop art 21 1° Fw. betrekking heeft, én het geheele of gedeeltelijke verbod van korting op traktementen of pensioenen, welke uitsluitend zijn vastgesteld in het belang van den schuldenaar en strekken om dezen te behoeden voor algeheele uitwinning en voor het verlies van al zijne verdiensten of inkomsten. Bovendien is biiiten faillissement niet ieder verhaal op de in art. 1 der wet van 1815 genoemde gelden enz. uitgesloten; uit art. 2 blijkt, dat daarop verhaal mogelijk blijft, al is het niet in den vorm van beslag '). Een reden te meer deze zaken in het faillissementsbeslag te begrijpen.
Nevens de niet voor inbeslagneming vatbare goederen blijft volgens art. 21 2° buiten het faillissement «hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechter-commissaris«. Deze bepaling ,, steunt op de overweging, dat de billijkheid en het welbegrepen belang der schuldeischers vorderen, dat men den schuldenaar de gelegenheid late in zijn eigen onderhoud te voorzien 1)quot;. Legt men op al zijne verdiensten de hand, allicht zal de failliet, â de ondervinding onder de oude wetgeving heeft het geleerd 2),â afkeerig om te werken uitsluitend ten bate zijner schuldeischers, den arbeid opgeven, in welk geval zijn werkkracht geheel verloren gaat. Het is waar, aan den gefailleerde kan eene uitkeering voor levensonderhoud worden toegelegd, maar nooit
1
-) Memorie van Toelichting: Belinfante 1, bl. 63; v. D. Feltz 1, bl. 348.
2
) Belinfante, t. a. p. n'. 3; v. d. Feltz l, bl. 349 n3. 1.
3
') Zie boven bl. 142 n'. 1.
147
langer dan tot de vereffening een aanvang neemt. Vandaar dat de bepaling van art. 21 2° voor hem een veel hoogere waarde heeft en hem een veel krachtiger prikkel geeft om ijverig te arbeiden.
Onder hetgeen door persoonlijke werkzaamheid wordt verkregen vallen alle inkomsten uit bezoldigde betrekkingen, ambten en bedieningen, voor zooverre daarop art. 22 niet van toepassing is. De bepaling van het bedrag, dat buiten het faillissement zal blijven, is aan den rechter-commissaris zonder hooger beroep overgelaten (art. 67), om den eenvoudigen aard en het geheel feitelijk karakter dezer beschikking.
Een derde groep van zaken, die buiten het faillissement blijven, wordt vermeld in de n0'. 3â5 van art. 21. Leidende gedachte was bij het vaststellen dezer nummers, dat gelden die eene bepaalde bestemming hebben, door het faillissement aan die bestemming niet mogen worden onttrokken.
Op dien grond worden hier genoemd: 1°. De gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan een wet-tolijken onderhoudsplicht Men denke aan gelden, die door ouders aan kinderen en door kinderen aan ouders worden verstrekt ingevolge art. 376 vlg. B. W., of aanuitkeeringen welke door den eeaen echtgenoot, gedurende het geding of na het vonnis tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, aan den anderen worden gedaan, ingevolge de artt. 268, 280 vlg. en 301 B. Wquot;. en 820 W. v. B. Rv. De bestemming van deze gelden is te dienen tot levensonderhoud van dengene, aan wien ze worden uitgekeerd.
2°. Een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten. Door art, 367 wordt aan de opbrengst van het vruchtgenot, in het voorgaande artikel aan den vader of aan den langstlevende der ouders toegekend , althans ten deele eene bepaalde bestemming gegeven, immers voorgeschreven tot welke doeleinden de opbrengst van dat vruchtgenot in de eerste plaats zal worden besteed. Ook, wanneer hij of zij failliet verklaard is, moet de vader of moeder zich van de vervulling dier lasten kunnen kwijten. Hoeveel daarvoor noodig is^ zal de rechter-commissaris bepalen , tegen wiens beslissing hooger beroep niet open-
148
staat (art. 67). Overigens houde men in het oog, dat, zooals de Regeering opmerkte in antwoord op het Verslag der Commissie van voorbereiding '), « het vruchtgenot en het beheer over het kinderen-goed in verschillende handen kunnen zijn 2) *). In geen geval kan de curator dat beheer, een familierecht, uitoefenen. Degene, die het beheer heeft, zal dus al, wat de goederen van den minderjarige meer opbrengen, dan het door den rechter-commissaris bepaalde bedrag, aan den curator moeten uitkeeren 3). Heeft de gefailleerde zelf, bijv. als vader. het beheer over de goederen zijner kinderen nevens het vruchtgenot, dan zal hij de vruchten ook gedurende het faillissement, omdat bij hem het beheer blijft, innen en aan den curator moeten afdragen , wat er na aftrek van het in art. 21, 4°. vermelde bedrag overblijft».
8°. l)e uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet. Ook deze uitkeering heeft eene bepaalde bestemming. Zij wordt, volgens de eigen woorden van art. 373 B. W., toegelegd »ten einde, gedurende hunne (der kinderen) minderjarigheid, tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed «
§ 2. Invloed van het faillissementsbeslag op de handelinijsbe-voegdheid van den schuldenaar (artt. 23 en 24).
Hierboven bl. 42 v. werd reeds uiteengezet, dat de rechtsbevoegdheid van den schuldenaar door het faillissement niet wordt aangetast en dat in beginsel ook zijne bevoegdheid tot handelen onverlet blijft. Evenwel moet hij het op zijne goederen rustende beslag eerbiedigen en mag hij geenerlei handeling verrichten, waardoor op dit beslag inbreuk wordt gemaakt. In zooverre kan men spreken van eene betrekkelijke handelingsonbevoegdheid. Tegenover den boedel is iedere handeling nietig, waardoor het beslag in zijne werking wordt belemmerd. âMen drukt dit alles uitquot;, aldus schreven wij op
') Belinfante II, bl. 46; v. d. Feltz I, bl. 355.
'-) Verg. Diephüis, Ned. Burg. liegt, dl. 5, bl. 184v.
') In de Memorie van Toelichting tot het ontwerp de Staatscommissie was dit uit het oog verloren. Zie Belinfante, bl. 95.
;l) Verg. Gerechtshof Amsterdam 5 December 1890. Weekblad van hel liechl tlquot;. 5968.
149
bl. 43 , r/ door te zeggen dat de schuldenaar de beschikking over de in beslag g'enomen goederen verliest //, in verband waarmede hem ook het beheer over die goederen wordt ontnomen.
Artikel 20 bepaalt dienovereenkomstig, dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen verliest en wel te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
Onder de heerschappij van het derde boek van het Wetboek van Koophandel werd vrij algemeen, met name ook door den Hoogen Raad, aangenomen, dat de faillietverklaring-met betrekking tot het verlies van beheer en beschikking terugwerkende kracht had tot op den dag van de aangifte, van het requisitoir of van het verzoek tot faillietverklaring Met dit stelsel heeft de nieuwe wet ondubbelzinnig gebroken. Eerst te rekenen van den dag, waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, gaat het recht van beschikking en beheer voor den schuldenaar verloren. Dit strookt geheel met de aan de wet ten grondslag liggende opvatting, dat het faillissement een processueele toestand is, waarin de boedel eerst door 's rechters uitspraak wordt gebracht; een beslag, dat door het vonnis van faillietverklaring, niet dooide aangifte des schuldenaars of het verzoek eens schuld-eischers wordt in het leven geroepen.
Bovendien werden door de terugwerking de belangen van derden ten zeerste benadeeld. Immers de practische beteekenis van des schuldenaars onbevoegdheid om over zijn vermogen te beschikken, bestaat in de werking daarvan tegenover derden, bestaat daarin, dat derden aan handelingen, met den schuldenaar desondanks verricht, geen rechten tegen den boedel kunnen oiitleenen. De terugwerkende kracht dei-faillietverklaring kwam dus hierop neer, dat a posteriori al die handelingen van hunne rechtskracht tegenover den boedel werden beroofd, welke in het tijdsverloop, waarover zich de terugwerking uitstrekte, met den schuldenaar door derden waren verricht, en dat onverschillig of die derden al dan
-) Zie rielinfante I, bt 65 n1. I ; v. n. Fei.tz I, bl. 358 n'. 1.
150
niot bekend waren of konden zijn met de mogelijkheid eenor toekomstige faillietverklaring. Het beginsel, dat wijzigingen in bestaande rechtstoestanden tegenover derden niet kunnen werken, dan van het oogenblik af, waarop zij bekend gemaakt zijn, werd daardoor ten onrechte geheel op zijde gezet. Tn art. 23 der wet wordt dit beginsel gehandhaafd.
Maar vordert dit beginsel niet, dat men nog verder ga dan dit artikel, en het verlies eerst met de uitspraak der faillietverklaring doe intreden , evenals art 888 eerste lid W, v. B. Rv. bepaalde met betrekking tot het vonnis houdende verklaring in staat van kennelijk onvermogen, door de woorden r/dadelijk na de uitspraakquot; te bezigen? Practische overwegingen hebben er toe geleid, van deze iiiterste consequentie af te zien, en doen besluiten alleen met den dag, niet ook met het oogenblik der uitspraak rekening te houden. Ware er anders beslist, niet alleen zou dit oogenblik moeten worden vastgesteld, maar voor eene zuivere toepassing zou ook van iedere op den dag der faillietverklaring verrichte handeling het oogenblik, waarop zij werd verricht, moeten vaststaan. Het eerste ware te bereiken, door de opteekening van uur en minuut der uitspraak te bevelen 1), het tweede zou daarentegen blijken haast nimmer bet geval te zijn 2). Rechtsonzekerheid zou dus onvermijdelijk het resultaat wezen.
Ten einde alle misverstand te voorkomen zijn aan art, 23 de woorden n die dag daaronder begrepen« op verzoek der Commissie van voorbereiding toegevoegd.
Het verlies van beschikking en beheer heeft niet alleen ten gevolge, dat de schuldenaar niet rechtstreeks over zijn in beslag genomen vermogen kan beschikken, maar ook dat hij dit niet middellijk kan doen, d. w. z. dat hij geen verbintenissen kan aangaan, die een recht van verhaal op den boedel geven. Artikel 24 drukt zoowel het een als het ander uit door te bepalen, dat uit verbintenissen, door den schuldenaar na de
1
§ lOO der Duitsche Konknrsordnung bepaalt, dat het faillissement begint met het nnr waarop het vonnis wordt uitgesproken, als dit daarin is aangegeven, anders om twaalf uur des middags van den dag der uitspraak.
2
-) De Duitsche Konkursordnung neemt daarom haar toevlucht tot een vermoeden, dat de handeling is verricht na de faillietverklaring, § 6 al. 3. De werking van § 100 wordt door dit vermoeden vrijwel geneutraliseerd.
151
faillietverklaring aangegaan, geene aanspraken tegen den faillieten boedel ontstaan, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat.
De redactie van het artikel doet tevens duidelijk uitkomen, dat de schuldenaar rechts- en handelingsbevoegdheid behoudt, en dat de door hem na de faillietverklaring verrichte handelingen in geenen deele volstrekt nietig zijn. maar slechts betrekkelijk: tegenover den boedel Noch de failliet, noch zijne wederpartij kan zich op de nietigheid beroepen, alleen de curator heeft daartoe het recht, tenzij de boedel van de handeling baat heeft getrokken. Bijv. de failliet verkoopt goederen tot den boedel beboerende en draagt den koopprijs aan den curator af; de curator, den koopprijs voor den boedel behoudende, zal moeten leveren. Dat de boedel inderdaad het voordeel van de handeling heeft genoten, moet door dengene, die den curator deswege aanspreekt, worden bewezen. Over dezen bewijslast kan hij zich niet beklagen; wie met een gefailleerde handelt, weet dat hij handelt met iemand, die het beheer en de beschikking over zijn vermogen heeft verloren.
Eene nietigverklaring van door den gefailleerde verrichte handelingen op vordering van den curator komt niet te pas, daar zij geheel overbodig zou wezen. De betrekkelijke nietigheid brengt mede , dat aan de handeling tegenover den curator geen enkel recht kan worden ontleend, dat op die handeling tegenover hem geen beroep kan worden gedaan, en wat hem zelf betreft, dat hij optreedt, alsof de handeling niet ware verricht. Door art. 24 wordt dus duidelijk aangewezen, welken invloed het faillissement heeft op de rechten van hen, die na de faillietverklaring met den schuldenaar betrekkingen van vermogensrechtelijken aard aanknoopen.
§ 3. Invloed van het faillissementsbeslag op de handhaving van rechten door en tegen den gefailleerde (artt. 25â34, 36).
Aan de regeling van dit onderwerp ligt eene tweeledige onderscheiding der rechtsvorderingen ten grondslag en wel in :
1°. vorderingen, waarbij de boedel niet rechtstreeks is betrokken ;
2°. vorderingen, waarbij de boedel wel rechtstreeks is betrokken.
MOLKM'-HA A IT, Faillisacninitswet.
152
Tot de eerste cutegorie behooren de vorderingen die familierechten betreffen, en voorts alle andere welke niet, zooals art. 25 het uitdrukt, rechten en verplichtingen tot den faillieten boedel beboorende ten onderwerp hebben, bijv, eene vordering tegen den gefailleerde tot ontruiming van een huis, waarin hij zonder titel verblijft (zie vonnissen van de Eb. te Amsterdam 15 Maart 1888, P. v. J. 1888, uQ. 66, en van de Rb. te Rotterdam 5 Mei 1893, M. v. E. 1893, bl. 214), en in het algemeen vorderingen, voortspruitende uit handelingen na de faillietverklaring door den schuldenaar verricht, uit handelingen dus die den boedel niet aangaan , uit verbintenissen , die volgens artikel 24 geen aanspraken tegen den faillieten boedel doen ontstaan â¢).
Over deze categorie van vorderingen zwijgt de wet, om de goede reden, dat ze met het faillissement niets te maken hebben, daarvan geenerlei invloed kunnen ondervinden. Zij worden, daar den gefailleerde de bevoegdheid, eischende en verwerende in rechte op te treden , nergens wordt ontzegd, voortgezet of ingesteld door of tegen den schuldenaar op dezelfde wijze als ware er geen faillissement.
Niet onmogelijk is het evenwel, dat toch de uitslag van zoodanig geding van belang is voor den boedel; in dat geval zal de curator overeenkomstig art. 285 W. v. B. Rv. zich in het geding kunnen voegen of tusschenkomen. Niet vaak zal daartoe echter aanleiding bestaan. Als voorbeeld van eene rechtsvordering, die niet rechtstreeks het tot het faillissement behoorende vermogen betreft, maar bij den uitslag waarvan toch de belangen van den boedel zijn betrokken, noemt de Memorie van Toelichting 2) eene vordering tot echtscheiding, omdat deze vordering bij toewijzing leidt tot ontbinding der huwelijksgemeenschap. Of dit voorbeeld wel goed gekozen is. kan worden betwijfeld, althans de Rb. te Haarlem besliste 7 Nov. 1893, W. n0. 6415, dat scheiding en deeling der door echtscheiding na faillietverklaring van den man ontbonden huwelijksgemeenschap door de vrouw niet vóór de vereftening
') Hierop bestaat ééne uitzondering; indien de boedel door de handeling des schuldenaars is gebaat, kan diens wederpartij den curator, immers den boedel, aanspreken.
ï) Belinfante 1, bl. 08; v. d. Fultz i, bl. 372.
1 r,3
van den faillieten boedel, mitsdien niet tegen den fnrator kan worden gevorderd. Het behoeft geen betoog, dat, als deze beslissing juist is, de boedel bij den uitslag van een echtscheidingsproces niet het minste belang heeft.
Een beter voorbeeld levert het geding tot scheiding vn.n goederen, om de bepaling van artikel 244 al. 2 B. W Het recht der schuldeischers van den man, voor wie in geval van diens faillissement de curator optreedt, in dit geding tusschenbeide te komen, wordt door artikel 243 B. W. uitdrukkelijk erkend.
De tweede categorie omvat de rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben (art. 25 al. 1). Art. 813 Wetb. v. Kooph. bedoelde de vorderingen van deze categorie met do woorden: rechtsvorderingen, //waarbij de belangen van den boedel betrokken zijnquot;. Opzettelijk is deze omschrijving niet overgenomen, maar vervangen door de evengenoemde, ten einde duidelijk te doen uitkomen , dat vorderingen welke andere rechten en verplichtingen, bijv. uit het familierecht voortspruitende , ten onderwerp hebben, doch bij welker toe- of afwijzing indirect de belangen van den boedel geacht kunnen worden betrokken te zijn, van welke vorderingen hierboven sprake was, onder deze tweede categorie niet zijn begrepen. De woordenkeus van art. 813 liet hier ruimte tot twijfel, die van art. 25 sluit de bedoelde vorderingen ondubbelzinnig uit.
Overigens is de vraag, of eene vordering rechten en verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp heeft, eene feitelijke vraag, die in ieder voorkomend geval door den rechter moet worden beslist. De Memorie van Toelichting achtte de gebruikte woorden voor de beantwoording dier vraag op zich zelve duidelijk genoeg!). In het Verslag der Eerste Kamer werd daaromtrent echter twijfel geopperd. //Het ligt echter, zoo werd gezegd, niet altijd voor de hand of de aanhangige rechtsvordering inderdaad in die categorie valtquot; 2), en de Minister gaf in zijn antwoord
') Belinfante I, bl, 08; v. d. Feltz I, bl. 37'i. -) Belinfante IV, bl. M; v. n. Fei.tz I, bl. H82,
154
toe, dat dit ook wel eens onzeker kon zijn Maar terecht Het hij daarop volgen, dat die onzekerheid, waar het eene feitelijke quaestie betreft, door geene enkele regeling is te voorkomen of te ontgaan, en tevens dat door de gebezigde uitdrukking die onzekerheid tot een minimum is teruggebracht. Inderdaad laat die uitdrukking aan duidelijkheid weinig te wen-schen over; daarom mag verwacht worden, dat de toepassing van art. 25 niet tot moeilijkheden aanleiding zal geven.
Omtrent de vorderingen dezer categorie bepaalt art. 25 eerste lid in het algemeen, dat zij zoowel tegen als door den curator worden ingesteld. Indien zij, voegt het tweede lid van het artikel daaraan toe, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht.
Het eerste lid is een noodzakelijk gevolg van den overgang van beheer en beschikking over den boedel uit handen van den schuldenaar in die van den curator. Alleen de curator kan op eene den boedel bindende wijze in rechte optreden. Wie een vonnis wil verkrijgen, executabel tegen den boedel, dient hem aan te spreken. Laat men dit na, spreekt men den failliet aan , met het vonnis, tegen dezen verkregen, zal men tegen den boedel niets kunnen beginnen; het heeft tegenover den boedel geene rechtskracht.
Degene, tegen wien door den gefailleerde eene vordering, tot deze categorie behoorende, mocht worden ingesteld, zal zich bij wijze van exceptie op artikel 25 eerste lid kunnen beroepen tot afwijzing van den rechtsstrijd Immers, hij behoeft zich niet in te laten in een geding met iemand, die de bevoegdheid heeft verloren over de rechten, die het onderwerp van den strijd uitmaken, te beschikken of beheer uit te oefenen.
Eene nadere uitwerkins van de beginselen , in art. 25 neer-
o O
gelegd, wordt in de volgende artikelen gegeven. Daarbij worden de hier bedoelde vorderingen onderverdeeld in : a vorderingen tot betaling, in de ruime beteekenis daaraan in de artt. 1418 vlg. Burg. Wetb. gehecht, vorderingen dus tot voldoening of vervulling eener verbintenis uit den boedel; h. vorderingen van anderen aard, daaronder begrepen vorderingen tot betaling
') Helinfaiite IV, 1)1. t4; v. D. Ff.i.tz T, lil, 38-2
155
aan den boedel. De eersten worden onderworpen aan het verificatie proces, voor de tweeden geldt de gewone manier van procedeeren.
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding vond deze onderscheiding niet algemeen goedkeuring. Verdedigd werd de meening, dat alle vorderingen tegen den boedel aan het verificatie-proces onderworpen behooren te worden, zonder daarbij onderscheid te maken tusschen vorderingen tot voldoening uit den boedel en vorderingen van anderen aard, als tot opvordering van eigendom, in 't algemeen tot handhaving van een zakelijk recht, tot reclame, tot ontbinding van een overeenkomst, tot nietigverklaring van een testament, en derg. Werd voor al deze vorderingen verificatie voorgeschreven, dan meende men, dat eene duidelijke en eenvoudige regeling, begrijpelijk ook voor den niet-jurist, zou worden verkregen, eene regeling die met name het voordeel zou hebben, dat vorderingen van tweeledige strekking, bijv. tot ontbinding eener overeenkomst met schadevergoeding, niet zouden behoeven te worden gesplitst, zooals art. 29 der wet voorschrijft.
Tegen deze bedenkingen handhaafde de Regeering het goed recht der onderscheiding. Zij wees erop, dat deze ook onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel werd gemaakt, dat vorderingen tot revindicatie enz. nooit ter verificatie werden aangemeld , en dat ook in geen enkele faillieten-wet het aangeprezen eenvoudige stelsel was aangenomen. Zij achtte de onderscheiding onmisbaar en betoogde, dat hij die, byv. op grond van zijn eigendomsrecht, iets uit den boedel opvordert, hij die ontbinding eener overeenkomst vraagt, niet behandeld kan worden op denzelfden voet als iemand die betaling uit den boedel vraagt, dat hij niet, na verificatie, over een akkoord kan medestemmen en niet met eene uit-keering van percenten zich behoeft te vergenoegen.
Bij de verdere behandeling van het wetsontwerp werd op de zaak niet meer teruggekomen, wat van zelf er toe leidde, dat het stelsel der Regeering werd aanvaard.
Aan het verificatie-proces zijn mitsdien alleen onderworpen de rechtsvorderingen, welke voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben. Deze kunnen, zooals art. 26 het uitdrukt, gedurende het faillissement, ook tegen den gefailleerde , op geene andere wijze worden ingesteld, dan door
156
aanmelding ter verificatie. Wordt de curator rauwelijks gedagvaard , de vordering zal moeten worden afgewezen.
wÃok tegen den gefailleerdequot;. Deze woorden staan in verband met art. 126, krachtens hetwelk de failliet partij is bij de verificatie. Daar de schuldeischers door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst voor hunne vorderingen hunne rechten van verhaal op de goederen van den schuldenaar herkrijgen (art. 195), hebben zij groot belang bij vaststelling van hun vorderingsrecht tegenover hun schuldenaar. Een eenvoudige weg om daartoe te geraken wordt door art. 126 geopend. De verificatie geldt als vaststelling van het vorderingsrecht ook tegenover den failliet, tenzij deze tegen de toelating der vordering zich verzet, in welk geval de schuld-eischer, indien hij toch vaststelling van zijn recht tegenover den failliet verlangt, dezen op de gewone wijze in rechte zal moeten roepen. Gedurende het faillissement is dus, ook tegenover den gefailleerde, aanmelding ter verificatie de weg, dien ieder schuldeischer tot handhaving van zijn vorderingsrecht heeft in te slaan
Tot de rechtsvorderingen, die voldoening een er verbintenis uit den boedel ten doel hebben, behoort iedere rechtsvordering tot nakoming eener verbintenis, onverschillig waarin de beloofde praesiatie bestaat. Indien deze niet is eene praestatie in geld, wordt zij bij de verificatie in eene geldpraestatie omgezet; volgens art. 138 geschiedt de verificatie voor de geschatte waarde in Nederlandsch geld.
Overigens houde men in het oog, dat art. 26 alleen doelt op rechtsvorderingen tot voldoening uit den boedel van verbintenissen des gefailleerden, niet ook op rechtsvorderingen tot voldoening uit den boedel van verbintenissen door den curator in zijne hoedanigheid aangegaan. De verplichtingen, uit deze verbintenissen voortspruitende, behooren tot diegenen, welke de wet m de artt. 28 al. 3, 39 en 40 boedelschulden noemt, d.w.z. schulden, die, door den curator in zijne hoedanigheid van beheerder over den boedel gemaakt, als het ware eigen schulden zijn van den boedel, en daarom ook op de gewone wijze op den boedel kunnen worden verhaald
') Verg. Memorie van Toelichting op de artt. 2riâ30 (Fielinfante I, bl. (iO: v. u. Fkltz i, bl. 384;: '/Boedelschuld, welk woord ook in ile artikelen
157
Trouwens het geheele faillissement raakt alleen den boedel als onderpand voor de op liet oogenblik der faillietverklaring bestaande verplicbtingen des gefailleerd en. Aan liet verificatie-proces als een deel van liet faillissement kunnen dus ook alleen onderworpen zijn vorderingen tot nakoming van die verplicbtingen.
Zijn de hier bedoelde vorderingen tijdens de faillietverklaring aanhangig, dan wordt het geding geschorst, om alleen voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering wordt betwist. Ook de aanhangige vorderingen worden dus naar de verificatie verwezen. Artikel 21), dit bepalende, houdt rekening met de mogelijkheid, dat de vordering tot voldoening uit den boedel verbonden is met eene van andere strekking, men denke aan eene actie tot ontbinding eener overeenkomst met schadevergoeding. Immers het beveelt de schorsing van het geding alleen, voor zooverre de aanhangige rechtsvordering voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel heeft. Voor zooverre zulks niet het geval is, blijft artikel 28 van toepassing en kan er overeenkomstig dit artikel worden voortgeprocedeerd. In het aangegeven voorbeeld zal dus het geding, watde vordering tot ontbinding der overeenkomst betreft, met inachtneming van art. 28 worden voortgezet, terwijl het, wat den eisch tot schadevergoeding aangaat, wordt geschorst, om eerst, na betwisting van de verschuldigdheid of van het bedrag der schadevergoeding ter verificatie-vergadering, verder te worden gevoerd.
Op de verificatie-vergadering kunnen de ingediende vorderingen betwist worden door den curator, door een of meer der schuldeischers, of door den schuldenaar Voor de voortzetting van het geding maakt dit geen verschil. Altijd wordt het geding voortgezet tegen dengene, die de bewisting doet. Vandaar de bepaling van artikel 29, dat hij die de bewisting doet, in de plaats van den gefailleerde partij wordt in het geding. Daarbij is alleen gedacht aan het geval van betwisting
39 en 40 voorkomt, staat tegenover schuld des gefailleerden. Boedelschulden zijn die schulden, welke eene onmiddellijke aanspraak op don boedel geven, welke, als komende ten laste van den curator in zijne qualiteit, door dezen onmiddellijk uit den boedel moeten worden voldaan, zonder dat daarvoor verificatie noodig is//.
158
door den curator of door een schuldeischer, omdat alleen daarvoor eene uitdrukkelijke bepaling noodig kou worden geacht.
In verband met de onderwerping van de vorderingen, gericht op voldoening uit den boedel, aan het verificatie-proces, staat de bepaling van art. 36: «Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge quot;.
Terwijl de faillietverklaring in het algemeen niet verhindert , de rechten, die men tegen den gefailleerde heeft, op de gewone wijze te vervolgen en daardoor de verjaring te stuiten, zijn de aan het verificatie-proces onderworpen vorderingen aan eene bijzondere wijze van rechtsvervolging gebonden. Deze neemt een aanvang met de indiening der vordering bij den curator en het is dus in overeenstemming met artikel '2016 Burg. Wetb., aan die indiening het gevolg van stuiting der verjaring te verbinden. Men hondc daarbij in het oog, dat de indiening der vordering niet behoeft te wachten op eene oproeping door den curator, maar reeds op den dag zeiven der faillietverklaring kan geschieden.
Met betrekking tot de rechtsgedingen over rechten of verplichtingen \an den faillieten boedel, welke niet het verkrijgen van voldoening uit den boedel beoogen, en dus niet onderworpen zijn aan het verificatie-proces, had zich reeds lang de dringende behoefte doen gevoelen aan eene wettelijke regeling van den invloed van het faillissement op den loop van het tijdens de faillietverklaring aanhangig geding. Het Wetboek van Koophandel zweeg over dit zoo aangelegen punt, terwijl na vijftig jaren in de praktijk nog geen overeenstemming was verkregen.
De artikelen 27 en 28 regelen thans dit onderwerp. Daarby is uitgegaan van het beginsel, dat het faillissement de voortzetting van het geding niet belet, mitsdien de faillietverklaring op zich zelf schorsende kracht niet behoort te hebben. Overigens wordt onderscheid gemaakt tusschen gedingen, waarin do failliet eischer is, en die, waarin hij gedaagde is, en wel omdat de laatste kunnen leiden tot eene veroordeeling van den failliet ten principale, de eerste daarentegen nooit.
Volgens artikel 27 kan de gedaagde in een door den schuldenaar ingesteld, tijdens de faillietverklaring aanhangig geding.
150
sohorsingquot; daarvan vragen, teu eiiide de gelegenheid te hebben, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator tot overneming van het geding op te roepen. Geeft de curator aan die oproeping gehoor, dan wordt het geding verder tus-schen hetn en den gedaagde voortgezet 1), en aan de zijde van den curator voor rekening en risico van den boedel gevoerd. Geeft de curator daarentegen aan de oproeping geen gevolg, dan heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen, uit overweging dat hij niet verplicht behoort te worden, het geding voort te zetten met een gefail-leerden eischer, in bet vrij zekere vooruitzicht, als hij het proces wint, de kosten niet op zijne tegenpartij te kunnen verhalen Het kan echter wezen, dat voortzetting van het geding juist in het belang is van den gedaagde. Bijv. als de gedaagde in eersten aanleg het proces heeft verloren, en hangende het hooger beroep het faillissement van den eischer-geïntimeerde wordt uitgesproken 2). Vroeg nu de gedaagde-appellant, als de curator ongenegen is tot overneming van het proces, ontslag van de instantie, het voor hem ongunstige vonnis van den lageren rechter zou blijven bestaan, mitsdien zijne bevoegdheid, aan het proces een einde te maken, juist tot zijn nadeel uitkomen. Vandaar dat hij, indien hij daaraan de voorkeur geeft, het proces met den gefailleerde kan voortzetten, evenwel âbuiten bezwaar van den boedelquot;, d. w. z. de kosten van het proces, wordt de gefailleerde daarin veroordeeld, komen niet ten laste van
') Een vonnis tot buitengedingstelling van den gefailleerde komt niet te pas. De curator neemt krachtens zijn recht het geding over, waardoor de failliet er huiten gesteld wordt.
-) Terecht wees de Regeering erop, in antwoord op eene opmerking der Commissie van voorbereiding, dat de rollen in het proces dezelfde blijven in hooger beroep en in cassatie (Heiinfante II, bl. 5'); v. u. Felïz I, hl. 370). De eerste aanleg bepaalt voor het geheele proces, wie eischer is en wie gedaagde. Deze opvatting blijkt duidelijk uit het artikel. Het stelt den gedaagde tegenover den gefailleerde, en vordert tevens dat vde rechtsvordering door den schuldenaar is ingesteld//. In dit feit brengen het hooger beroep en de cassatie geen verandering. Al is dus de gefailleerde geïntimeerde in hooger beroep of verweerder in cassatie, als de rechtsvordering door hem is ingesteld, is ook het artikel van toepassing, maar dan kan ook onder den gedaagde, de tegenpartij van den gefailleerde, niemand anders worden verstaan dan de appellant of de aanlegger in cassatie
KiO
den boedel) hoewel het voor den gefailleerde gunstige vonnis wèl ten voordeele komt van den boedel, krachtens den regel, dat al wat de schuldenaar verwerft gedurende het faillisse-iiient, daarin valt.
Deze bepaling omtrent de proceskosten is niet onbillijk. a De curator toch zal overneming van het proces weigeren, omdat hem de eisch onhoudbaar voorkomt, althans, omdat hij eeue voortzetting van het proces niet in het belang van den boedel acht en dien dus voor schade wil vrijwaren. Dit doel zou geheel gemist worden, indien men den gedaagde, als Lij het proces wint, recht geeft, do proceskosten op don boedel te verhalen quot; 1).
Indien do gedaagde van zijne bevoegdheid, schorsing van het geding te vragen, geen gebruik maakt, wordt dit zonder onderbreking tusschen hem en den gefailleerde voortgezet. Hot gaat alsdan geheel buiten den boedol en den curator om. Wint de gedaagde het proces, do veroordeeling van don gefailleerde in do proceskosten. -) zal overeenkomstig de bepaling van het tweede lid van artikel 25 tegenover den faillieten boedel geen rechtskracht hebben; verliest hij daarentegen het proces, de voroordooling, door den gefailleerde tegen hem verkregen, zal eene bate van den boedel uitmaken.
Daar het belang van den boedel mede kan brengen. dat do gefailleerde niet in het geding blijft, en de beslissing daarover niet aan diens tegenpartij mag worden overgelaten,
i| Belinfante II, bl. 57; v. u. Fei.tz I, bl 380, â In hot Verslag der lierste Kamer (Belinfante IV, bl. 14; v u. Feltz I. bl. 881 v.) werden de woorden vbuiten bezwaar van den boedolquot; ten onrechte in dien zin opgevat, alsof het na de voorzetting van het geding gewezen vonnis geen rechtskracht tegenover den boedel zou bezitten. Daarbij werd uit het oog verloren, dat de aangehaalde woorden enkel betrekking hebben op de voortzei ting van het geding, en dat de weigering van den curator, het geding over te nemen, in geen geval ten nadeele mag strekken van de tegenpartij des gefailleerden. Indien dus de opvatting van liet Verslag niet reeds op taalkundige gronden moest worden gewraakt, zou zij toch moeten worden verworpen als in strijd met den geest, waarin de regeling der artt. 27 en 28 is ontworpen. Verg. Mr. J. D. Vkkoens, de Wet op hel Faillissement enz., bl 53.
2) Van eene veroordeeling van den gefailleerde in iets anders dan de proceskosten kan geen sprake zijn, omdat de gefailleerde eischei is Hem kan de eisch worden ontzegd of hij kan daarin niet ontvankelijk worden verklaard; ten principale veroordeeld kan hij daarentegen nooit worden.
161
o-oeft hult hot Jerdo lid van artikel 27 aan den curator de
o ~
bevoegdheid, ook dan, wanneer hij niet is opgeroepen dooide tegenpartij van den gefailleerde, te allen tijde het proces over te nemen en den gefailleerde huiten het geding te doen stellen. Het geding wordt dan door den curator voor rekening van den boedel verder gevoerd In dit geval, alsook wanneer de tegenpartij des gefailleerden verzuimt den curator dadelijk na de faillietverklaring op te roepen, doch daartoe eerst later overgaat, zullen de processueele handelingen, in het geding verricht gedurende het tijdsverloop van de faillietverklaring tot de verschijning van den curator, slechts dan tegenover dezen gelden, indien hij ze erkent, wat met name zal mogen worden afgeleid uit het feit, dat hij zonder meer, d. w. z. zonder die handelingen te wraken, op de laatste stukken van het geding voortprocedeert.
Over de tijdens de faillietverklaring aanhangige teyen den schuldenaar ingestelde gedingen handelt artikel 28. Bedoeld zijn hier vorderingen tot revindicatie, tot reclame, tot ontbinding eener overeenkomst en derg., immers vorderingen die niet ten doel hebben de voldoening eener verbintenis uit den boedel. De eischer in het aanhangig geding van dezen aard is «bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te roepenquot;. Verschijnt de curator, dan neemt deze daardoor het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding, dat nu van de zijde des curators voor rekening en risico van den boedel verder wordt gevoerd. Is de curator van oordeel, dat tegenspraak nutteloos is en de voortzetting van het geding dus niet in het belang van den boedel, dan kan hij dezen voor schade vrijwaren door, verschijnende, dadelijk in den eisch toe te stemmen. De proceskosten van de tegenpartij zijn in dit geval geen boedelschuld, d. w. z. de curator zal ze niet als een schuld van den boedel integraal hebben te betalen. Wèl zijn die kosten een schuld van den gefailleerde, waarvoor de tegenpartij als concurrent schuldeischer in het faillissement kan opkomen door aanmelding ter verificatie.
Verschijnt de etirator niet op de oproeping, het geding zal, na utloop van den schorsingstermijn, door den eischer tegen den gefailleerde kunnen worden voortgezet. Evenwel behoort
MolkiNGamp;aait, l'aiilissciuoutswet. 11
162
de onwilligheid van den curator om te verschijnen, den oischer niet te berooven van de mogelijkheid eeu tegen den boedel executabel vonnis te verkrijgen. Vandaar de bepaling dat, als het geding, wegens de niet-verschijning van den curator, tegen den gefailleerde wordt voortgezet, en de eischer tegen dezen het proces wint, op het aldus tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 25 niet van toepassing is. Het vonnis, waarbij de eisch wordt toegewezen. zal dus tegen den faillieten boedel rechtskracht hebben.
Ook bij deze regeling mag niet worden voorbijgezien, dat wie het proces begonnen is en dus in eersten aanleg eischer is, gedurende al de phasen van het geding, dus ook in hooger beroep of cassatie, eischer blijft; immers hij blijft steeds degene dieeene veroordeeling ten principale van de tegenpartij tracht te verkrijgen, de tegenpartij steeds degene die zich daartegen verweert, degene die een vrijspraak tracht te erlangen. Dat het woord eischer in dezen zin in artikel 28 wordt gebezigd, volgt duidelijk uit de voorwaarde, dat «do rechtsvordering te yen den schuldenaar moet zijn ingesteldquot;,
â waarover alleen de dagvaarding in eersten aanleg kan beslissen
â in verband met de geheele redactie van het artikel, waarin blijkbaar de eischer wordt beschouwd als de tegenpartij van den gefailleerde.
Indien dus de schuldenaar, na het proces in eersten aanleg verloren te hebben , in hooger beroep is gekomen en hangende de procedure in beroep faillietverklaard wordt, zal de geïntimeerde de schorsing moeten verzoeken, ten einde den curator op te roepen. Verschijnt de curator op de oproeping, dan zal deze of het geding voortzetten, öf wel, het appèl ongegrond achtende, in den tegen den gefailleerde gedanen eisch toe-stemmen, mitsdien verklaren dat hij het appèl intrekt of dat hij afstand doet van de instantie. Daarentegen gaat het proces door. als de curator wegblijft. De toepassing van het artikel levert derhalve ook in dit geval geene bezwaren op.
Deze zijn, als eene vordering in reconventie is gedaan, evenmin te duchten. De artikelen 27 en 28 zijn dan beide van toepassing De tegenpartij van den gefailleerde zal, zoowel in conventie als in reconventie, schorsing van het geding vragen,
163
ten einde den curator op te roepen , terwijl deze, verschijnende, óf het proces zal voortzetten zoowel in conventie als in reconventie, öf wel gebruik zal maken van zijne bevoegdheid, de door den schuldenaar ingestelde rechtsvordering overeenkomstig artikel 27 al. 2 te abandonneeren of in de tegen den schuldenaar ingestelde rechtsvordering overeenkomstig artikel 28 al 3 te berusten. De door den schuldenaar ingestelde rechtsvordering wordt door den curator geabandonneerd, indien hij verschijnende verklaart, alleen het proces betreffende de tegen den schuldenaar ingestelde rechtsvordering over te nemen. Splitsing van conventie en reconventie zal hiervan het gevolg wezen.
Ten slotte zij er nog op gewezen, dat de vordering niet in den zin der wet aanhangig is, wanneer zij tijdens de faillietverklaring in eersten aanleg of hooger beroep is beslist en de termijn van hooger beroep of cassatie nog loopt. De alge-meene regel van artikel 25 is dan toepasselijk. Het hooger beroep of het beroep in cassatie zal zoowel tegen als dooiden curator moeten worden ingesteld.
Al werd bij de behandeling der wet herhaaldelijk erop gewezen , dat de artikelen 27 en 28 een moeilijk onderwerp behandelen, uit het gegeven overzicht blijkt, dat het gelukt is eene eenvoudige oplossing te vinden, en dat de vrees, in de Eerste Kamer uitgesproken, dat de regeling niet voldoende zou zijn, inderdaad niet was gewettigd.
Bene uitzondering op de behandelde regeling der tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen wordt gemaakt door artikel 30. Indien het geding tijdens de faillietverklaring in staat van wijzen verkeert, immers de stukken reeds tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd '), zijn het tweede lid van artikel 25 en de artikelen 27 â29 niet toepasselijk. Het geding wordt niet geschorst, maar vonnis gewezen alsof er geen faillissement ware. De reden ligt voor de hand. Zij is deze, dat, als destukken aan den rechterzijn overgelegd, het procedeeren van partijen feitelijk gedaan is. Op de te geven beslissing kan door hen geen invloed meer worden geoefend Daarom kon ook aan het te wijzen vonnis rechtskracht tegen den boedel worden toegekend ; het motief
') Tiet Openbaar Ministerie wordt gehoord, nadat de stnkken aan den rechter zijn overgelegd.
1 64
toch, om die rechtskracht te ontzeggen aan vonnissen, tegen den getailleerde gewezen, is hierin gelegen, dat de failliet beheer en beschikking over zijn boedel verliest en het proce-deeren beschikken is over den boedel. Indien dan ook het vonnis geen eindvonnis is en dientengevolge het procedeeren, na het vonnis, bij denzelfden rechter 1) woidt hervat, is er geen reden meer voor de uitzondering en worden de artikelen 2quot;â29 weder toepasselijk. Eene bepaling in dien zin is naar aanleiding eener opmerking in het Verslag der Commissie van voorbereiding aan het artikel toegevoegd.
Als het proces, door of tegen den gefailleerde gevoerd, tegen den ciirator wordt voortgezet, wordt het vervolgd op de laatste gedingstukken. «Al wat vóór de faillietverklaring verhandeld is tusschen partijen, bindt den curator. Tegenover hem kan niet als niet geschied beschouwd worden wat door den gefailleerde werd verricht toen hij nog rechtsgeldig over den boedel mocht beschikken. Alleen wanneer deze handelde met het bewustzijn daardoor zijne schuldeischers te benadeelen en indien de tegenpartij dit wist of weten kon (men denke aan erkentenissen van schuld tegen beter weten in, aan afstand van exceptiën. zooals die van verjaring, zonder eenig redelijk motief), bestaat er aanleiding den curator het recht toe te kennen de nietigheid dier handelingen in te roepenquot; 2).
Daarom bepaalt artikel 31., dat, indien een geding door of tegen den curator of, ten gevolge van verwijzing na betwisting der verificatie, tegen een sclmldeischer wordt voortgezet, door den curator of door dien schuldeischer (die dan in dezelfde positie verkeert als de curator) de nietigheid kan worden ingeroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in hot geding verricht, zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heett benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was.
Het bewijs kan voor den curator of den schuldeischer zeer
1
') Wordt het proces voor een hoogeren rechter voortgezet, dan geldt het hierboven, bl. 163, gezegde. De artikelen '27â29 zijn in dit geval niet toepasselijk. Dat de wetgever er aldus over dacht, blijkt uit de redactie van art. 30 al. '2 duidelijk.
2
) Belinfante I, bl. Tquot;! ; v. D. Fei.tz I, bl. 300 v.
165
moeilijk zijn. Toch liet het stelsel der wet, flat de faillietverklaring- geen terugwerkende kracht heeft, eene andere oplossing ni^; toe. In dat stelsel, aldus de Minister in zijn Antwoord aan de Commissie van voorbereiding, kan alleen beslissend zijn, «of de handelingen in het proces verricht werden door iemand, die daartoe bevoegd was; zoo ja, dun behooren zij ook gehandhaafd te worden, zoolang bet bewijs, in art. 31 omschreven, niet is geleverd quot;
Bene afzonderlijke vordering tot nietigverklaring behoeft niet te worden ingesteld; het artikel is zóó geredigeerd, dat op de nietigheid in het proces zelf bij incidenteele conclusie een beroep kan worden gedaan.
Groot verschil van meening bestond onder vigueur van bet Wetboek van Koophandel over de vraag, of de gefailleerde in processen, die door of tegen den curator worden gevoerd, een beslissenden of anderen gerechtelijken eed mag afleggen, op vraagpunten worden gehoord of andere handelingen verrichten, waartoe een persoonlijk optreden in het geding noodig is. De Memorie van Toelichting beantwoordt die vragen ontkennend. «Waar de curator optreedt, is de failliet geen partij in het geding. Juist omdat hij ter zake van het geschil, waarover het proces loopt, niet in rechte mag optreden , is die taak aan den curator toevertrouwd. Aan iemand nn, die buiten het geding staat, kan feitelijk in het geding geen eed opgedragen worden; hij kan evenmin in het geding op vraagpunten gehoord worden. Maar bovendien mist de failliet ook het recht om dergelijke handelingen als eedsaflegging en verhoor op vraagpunten in het proces te verrichten, omdat deze handelingen, evenals procedeeren in't algemeen, daden zijn van beheer en beschikking over den boedelquot; 2).
Tocb scheen het wenschelijk eenige uitzonderingen op dit beginsel toe te laten. Artikel 32 bepaalt, dat in de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of voortgezet, of in het geval van art. 122 tegen een schuldeiseher gevoerd, de rechter den gefailleerde de eeden kan opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek, d w.z. den aanvullenden
â¢) ffelinfante II, bl. 59; v. d. Feltz I, bl. 391. -) üelinfante I, bl. 72; v. d. Ffi.tz I, bl, 392.
166
of suppletoiren eed en den schattings- of aestimatoiren eed.
De gefailleerde wordt tot het afleggen van deze beide eeden toegelaten, op grond dat beide door den rechter worden opgelegd en alleen dan als er reeds van elders bewijs aanwezig is. Het gevaar van samenspanning tnssehen den failliet en diens tegenpartij, bij den beslissenden eed zoozeer te duchten, is hier gering en ook van minder beteekenis, omdat de rechter den eed niet behoeft op te leggen, en daartoe stellig niet zal overgaan , als hij eenig vermoeden van samenspanning heeft.
Door deze uitdrukkelijke bepaling omtrent den aanvullenden en den schattingseed komt nn tevens duidelijk uit, dat naaide opvatting der wet de gefailleerde, tenzij het tegendeel is bepaald, geen processueele handelingen kan verrichten in gedingen, waarin de curator als zoodanig of, ten gevolge van renvooi, een der schuldeischers is betrokken. Verwacht mag dus worden, dat de gefailleerde niet meer tot het afleggen van een beslissenden eed in dergelijke gedingen zal worden toegelaten !).
Voor de verschijning van den gefailleerde tot het afleggen der in art. 32 genoemde eeden zal de curator hebben zorg te dragen. Weigert de gefailleerde, dan kan artikel 87 worden toegepast.
In het Verslag der Commissie van voorbereiding werd nog gevraagd, u wat geschieden zal, indien in een vóór de faillietverklaring aanhangig proces een decisoire eed aan den latei-gefailleerde is opgedragen en door hem al of niet aangenomen, en de zaak in staat van wijzen isquot;. De Regeei-ing antwoordde, dat dan zal geschieden, wat in alle gevallen geschiedt, waarin de schuldenaar na de eedsoplegging in do onmogelijkheid komt om den eed af te leggen, bijv. door overlijden. Daar wettelijke regeling ontbreekt, is het niet zonder belang na te gaan,
') Zie voor de jurisprudentie onder de oude wet: Belinfante I, bl. 72 n'. 1; v. d. Fei.tz I, bl. 392 n'. 1; waarbij zijn te voegen: Hof den Bosch 10 Dec. 18S2 W. nquot;. 4871: noch aan de curators in een gerechtelijken boedelafstand, noch aan hem. die tot gezegden afstand is toegelaten, kan een beslissende eed worden opgedragen; en Rb, Amsterdam 25 April 1890, P. v. .1. 1890 n». 90 : in een geding tusschen een curator in een faillissement en een derde kan aan den failliet een beslissende eed niet worden opgelegd.
167
welke invloed door de jurisprudentie wordt toegekend aan het overlijden van de partij aan wie de eed was opgelegd.
In de zaak, beslist bij arrest van het Hof te Amsterdam van 18 Febr, 1887, P. v. J. 1887 n0. 28*, was de partij, aan wie de beslissende eed werd opgelegd, reeds overleden, vóór dat het vonnis tot eedsaflegging werd gewezen. Het Hof was van oordeel, dat het niet-afleggen van den eed aan de erfgenamen niet kon worden tegengeworpen, daar de dood van den gedaagde het bewijs, dat door den eischer moest worden geleverd, feitelijk en wettelijk onmogelijk had gemaakt. De vordering werd, als onbewezen, ontzegd. In gelijken geest luidt het arrest van hetzelfde Hof van 16 Mrt. 1888, TF. n0. 5557. Ook in deze zaak was aan den ged. na diens overlijden een beslissende eed opgelegd. Het Hof noemt den dood een wettig beletsel in den zin van art. 50 al. 2 W. v. B. Rv., en overweegt , dat het niet-afleggen van den eed in geen geval kan leiden tot veroordeeling van de erfgenamen. Ook de Hooge Raad beschouwde bij arrest van 17 Apr. 1891, W. nquot;. 6028, vern. Hof Arnhem 10 Sept. 1890, W n°. 5923, den dood door zelfmoord, indien niet blijkt dat de zelfmoord is gepleegd met het bepaalde oogmerk om het afleggen van den eed te ontgaan, als een wettig beletsel in den zin van art. 50 Rv., zoodat de eed niet geacht mag worden geweigerd te zijn. Op denzelfden grond ontzegde de Rb. te Haarlem 3 Apr. 1894, W. nquot;. 6478, eene vordering die bij alternatief eindvonnis was toegewezen, voor het geval een suppletoire eed door de tegenpartij zoude zijn geweigerd, toen deze partij vóór den dienenden dag was overleden. Bij een beschikking van 24 Juni 1893, W. nquot;. 6389, sprak de kantonrechter van Oud-Beijerland als zijne meening uit, dat de oplegging van den eed in een dergelijk geval (overlijden van de partij aan wie de eed is opgelegd), beschouwd moet worden als nooit te zijn geschied, zoodat de zaken terugkeeren in den staat, alsof de eedsop-dracht niet had plaats gehad. Tot deze conclusie komen eveneens Diephüis, Ned. Burg. Regt., dl. 3, bl. 190 v., en Rh. Feith, de decisoire eed, Prft. bl. 303 In gelijken zin zal moeten worden beslist in geval van faillietverklaring na oplegging
,) Verg. O ü DEM an, Itel Ned. Welb. van Burg. Bechtsv., 4C dr., dl. 1 bl. G5 v. Moi.kngeaakf , Fuillisscmentswet.
1(58
van den eed, daar ook faillietverklaring de aflegging van den eed onmogelijk maakt, althans wanneer de curator overeenkomstig de wet in liet geding is geroepen.
Aan den invloed van de faillietverklaring op de tenuitvoerlegging van vonnissen zijn de artikelen 33 en 34 gewijd. Het vonnis van faillietverklaring lieeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt. Uitdrukkelijk is beslist in den zin, dien de Hooge Raad bij arrest van 17 Mei 1878, W. n0. 42ï)0, had toegekend aan de woorden w wordt gestaakt» in art. 889 W. v. B. Rv. Het executoriale beslag vervalt, wordt geabsorbeerd door het algemeene faillissementsbeslag; na afloop van het faillissement kan van herleving geen sprake meer zijn. Indien het te pas komt, zal een nieuw beslag moeten worden gelegd.
Hetzelfde geldt natuurlijk van het conservatoir beslag, dat nevens het faillissementsbeslag evenmin bestaanbaar is als het executoriaal beslag. Trouwens, onder de in art. 33 gebruikte woorden walle gerechtelijke tenuitvoerleggingquot; is het conservatoir beslag begrepen, zooals terecht door den Hoogen Raad, naar aanleiding der gelijkluidende woorden van art. 889 Rv., bij het aangehaalde arrest werd uitgemaakt 1).
Executie tegen of op den persoon van den schuldenaar: lijfsdwang, kan na de faillietverklaring evenmin plaats hebben. Bevindt zich de schuldenaar reeds in de gijzeling, dan wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87. Deze bepalingen strooken geheel met het karakter van den lijfsdwang als indirect middel van executie. De aanwending daarvan komt niet meer te pas, als hetgeheele vermogen in beslag is genomen, en de schuldenaar feitelijk en rechtens in de onmogelijkheid verkeert, te voldoen wat hij schuldig is.
Het ontslag uit de gijzeling geschiedt niet onmiddellijk na de faillietverklaring, maar eerst als deze in kracht van gewijsde is gegaan, uit overweging dat, in geval van vernietiging der faillietverklaring in hooger beroep of cassatie, het
') Van een pamlbeslag, gelegd vóór ile faillietverklaring van den huurder, kan dus daarna de vanwaardeverklaring niet meer worden gevraagd. Anders Rb. den Haag 23 Dec. 1887, W. no. 5532.
1(59
reclit van don schuldeischer op toepassing van den lijfsdwang herleeft, en dadelijk ontslag don schuldenaar de gelegenheid zou verschaften, zich door de vlucht aan de hernieuwde toepassing van dit executiemiddel te onttrekken. Artikel 87 levert daartegen geen waarborg, omdat de rechtbank de in-bewaring-stelling van den gefailleerde niet behoeft te bevelen en het zeer de vraag zou zijn, of de rechter in het bestaan van een vonnis, uitvoerbaar bij lijfsdwang ten behoeve van een schuldeiseher, een voldoende reden zou zien, om zoodanig bevel te geven.
De bepaling, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging vervalt, lijdt schijnbaar uitzondering, als vóór de faillietverklaring de uitwinning van de roerende of onroerende goederen van den schuldenaar zóó ver is gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds is bepaald. In dat geval toch kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris '), den verkoop laten voortgaan voor rekening van den boedel (art. 34). Het karakter van den verkoop verandert dus; de gedwongen verkoop wordt een willige. De opbrengst komt niet aan den executeerenden schuldeischer maar aan den boedel. Art. 772 W. v K bepaalde hetzelfde. Behoudens vereenvoiidiging der redactie en weglating van eenige overtollige woorden, is art. 34 Fw. daarmede gelijkluidend.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat art. 33 uit den aard dei-zaak alleen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van vorderingen, die aan het verificatie-proces onderworpen zijn. Aan een revindicatoir beslag staat het geenszins in den weg Trouwens dit beslag is geen tenuitvoerlegging op eeniy deel van het vermogen van den schuldenaar. De eigenaar en de reclamant gaan juist uit van de stelling, dat het goed, hetwelk zij opvorderen en waarop zij beslag leggen, geen deel van het vermogen van den schuldenaar uitmaakt of behoort uit te maken.
§ 4. Invloed van het faillissementsbeslag op tweezijdige overeenkomsten (artt. 37â40).
Uit haren aard (zie hierboven bl. 4G v.) oefent de failliet-
') Van de beschikking van den rechter-commissaris valt geen hooger beroep, art. C7 al. 2.
170
verklaring op bestaande wederkeerige overeenkomsten niet den minsten invloed uit; de verplichtingen van den gefailleerde en van diens mede-contractant worden niet gewijzigd. Dit levert geen moeilijkheden op, wanneer aan de overeenkomst aan eene zijde geheel is voldaan; feitelijk is de positie van partijen dan dezelfde als bij eene eenzijdige overeenkomst. Heeft de gefailleerde aan zijne verplichtingen voldaan, de curator zal de contra-praestatie te zijner tijd voor den boedel ontvangen of opvorderen. Heeft de mede-contractant des ge-failleerden zijnerzijds voldaan, hij zal, indien de praestatie des gefailleerden in eene geldschnld bestaat, voor het bedrag daarvan, indien zij een anderen inhoud heeft, overeenkomstig art. 133 voor de geschatte waarde, als concurrent schnldeischer opkomen '), of wel ontbinding der overeenkomst vragen en vervolgens voor schadevergoeding als concurrent schnldeischer optreden 1).
De Eaillissementswet geeft voor het hier besproken geval evenmin voorschriften als het Wetboek van Koophandel. Het scheen geheel onnoodig uitdrukkelijk uit te spreken, dat het faillissement op zich zelf verkregen rechten noch aantast, noch wijzigt, noch vernietigt, en dat dus contractueele rechtsbetrekkingen, bij gebreke van bijzondere wetsbepalingen, ongewijzigd blijven voortbestaan. Onder de oude wet werd daaraan in het algemeen ook niet getwijfeld, hoewel het vaak uit het oog werd verloren, als het recht ter sprake kwam van de wederpartij des gefailleerden om ontbinding te vragen eener wederkeerige overeenkomst op grond van wanpraestatie. Meer dan eenmaal werd beslist, dat tegen den curator eene vordering tot ontbinding niet kan worden ingesteld, m. a. w. dat door het faillissement het recht om ontbinding te vragen verloren gaat. Aldus oordeelde over eene ontbindingsadBra door den verkooper ingesteld, de Rb. te Heeren veen 18 Febr. 188®f W. n0. 4476, op grond van de gelijkheid der schuldeischers,
1
) Verg. Memorie van Toelichting op art. 37 R. O.: Belinfante I, bl. 75; v. d. Feltz I, bl. 409.
171
welke vordert dat de één niet boven den andere worde bevoordeeld en dat allen aan het verificatieproees zich onderwerpen.
De gelijkheid der schuldeischers (paritas ereditorum) is ongetwijfeld een belangrijk beginsel van faillietenrecht; in dezen wordt daarop echter te onpas een beroep gedaan. Immers het wil alleen zeggen , dat zij, die gelijke rechten hebben, gelijk moeten worden behandeld, daarentegen in geenen deele dat allen, onverschillig welke hunne rechten zijn, dezelfde behandeling zouden moeten ondergaan. Zoo zijn aan het verificatie-proces onderworpen allen, die voldoening uit den boedel, d. w. z. nakoming een er verbintenis vorderen, maar ook alleen dezen. Degene, te wiens opzichte aan eene wederkeerige overeenkomst niet is voldaan, heeft volgens art. 1303 B. W. de keus om öf zijne wederpartij tot nakoming te noodzaken , öf de ontbinding der overeenkomst te vragen. Hij heeft dus meer recht dan zij die enkel nakoming kunnen eischen; te zijner beschikking staat althans een ander recht, dan dezen bezitten. Dit andere recht, het recht op ontbinding, kan hij ook gedurende het faillissement doen gelden, zonder dat daardoor op de gelijkheid der schuldeischers inbreuk wordt gemaakt. Terecht werd dan ook het aangehaalde vonnis vernietigd door het Hof te Leeuwarden bij arrest van 6 Dec. 1880, W. nquot;. 4615, terwijl de tegen dit arrest gerichte voorziening in cassatie werd verworpen door den Hoogen Raad 16 Dec 1881, W. n0. 4721 ').
In het behandelde geval was de failliet reeds vóór zijn faillissement in gebreke, bestond dus de wanpraestatie reeds vóór de faillietverklaring. Veelal echter zal de niet-nakoming van de verplichtingen des gefailleerden een gevolg zijn juist van het faillissement, althans in tijdsorde op de faillietverklaring volgen. De vraag is, of ook dan de ontbindingsactie door de wederpartij van den gefailleerde kan worden ingesteld. In verschillende vonnissen van de Eb. te Amsterdam 1)
1
Rb. Amsterdam 27 Mrt. 1883, W. n«. 4986; 30 Juni 1887, P. v. J. 1887
172
wordt ontkennend geantwoord, omdat na de faillietverklaring wanpraestatie niet meer mogelijk zou zijn, noch aan de zijde van den schuldenaar noch aan de zijde van den curator. Niet aan de zijde van den schuldenaar, omdat deze, in staat van faillissement verkeerende, ingevolge wettelijk voorschrift niet meer bevoegd is zijne verplichtingen na te komen; niet aan de zijde van den curator, daar ook hij , krachtens de bepalingen op het faillissement, aan aanvragen tot (integrale) betaling niet mag voldoen. Bij deze redeneering wordt vergeten, dat enkel het feit der niet-voldoening aan de uit de wederkeerige overeenkomst voortvloeiende verplichting volgens art. 1302 B. W. de ontbindende voorwaarde uitmaakt, dat dus ook dit feit alléén voldoende is om het recht op de ontbinding te doen geboren worden. Wat de redenen der niet-voldoening zijn, doet niet ter zake, daar faillissement van den schuldenaar in geen geval als overmacht kan worden beschouwd ').
De sommatie aan den gefailleerde en aan den curator om te voldoen en de daaraan verbonden ingebrekestelling dienen enkel om op authentieke wijze te constateeren, dat de door den schuldenaar aangegane verplichtingen niet worden nagekomen Op die niet-nakoming kan een vordering tot ontbinding tegen den curator worden gegrond, nu geene wetsbepaling de artikelen 1303, 1516 en 1553 Burg. Wetb. in geval van faillissement buiten werking stelt.
Uit de hier verdedigde opvatting, dat het faillissement van den eenen contractant het door art. 1303 B. W. toegekende recht van keuze voor den anderen niet opheft, hebben het Hof te Arnhem 10 Mei 1893, W. nquot;. 6357, vein. Eb. Arnhem 5 Jan. 1893, W. n0. 6326, en de Hooge Raad 4 Jan. 1894, W. n0. 6452, de consequentie getrokken, dat ook na afloop van het faillissement door homologatie van een akkoord de vordering tot ontbinding nog kan worden ingesteld1); het faillissement en het
1
) In de zaak, beslist bij het boven aangehaalde vonnis van de rechtbank te Maastricht van 28 Febr. 18Ã7, was de vordering tot ontbinding tegen den
173
akkoord mogen invloed hebben op de vordering tot nakoming of betaling, die tot ontbinding blijft daardoor ongemoeid ').
Voor de wederpartij van den gefailleerde is het practiscb belang dezer opvatting hierin gelegen, dat zij met de ontbindingsactie, volgens de jurisprudentie van den Hoogen Raad, de door haar geleverde zaak zelve weer onbezwaard en onbelast kan terugkrijgen. Immers de Hooge Raad vat de ontbinding niet aldus op, dat daardoor de partijen bij de overeenkomst verplicht worden, terug te geven wat zij ontvangen hebben, en ontheven van hunne verbintenissen, zoover zij daaraan nog niet hebben voldaan, maar hecht daaraan veeleer dezen zin, dat de zaken van rechtswege weder terugkeeren in den toestand waarin zij zich bevonden, vóórdat aan de overeenkomst eenig gevolg werd gegeven Wie geleverd heeft, treedt dus door de ontbinding, die de rechtar niet uitspreekt maar slechts declareert, weer terug in den vollen en vrijen eigendom van de geleverde zaak, ook tegenover derden. In de aangehaalde arresten van den Hoogen Raad van 16 Dec. 1881 en van het Hof te Arnhem van 10 Mei 1893 wordt in dien gedachtengang den gefailleerde slechts een voorwaardelijk recht op de hem geleverde zaak toegekend en de vordering tot ontbinding eene actie genoemd, waarbij een bepaald voorwerp als eigendom wordt opgevorderd, terwijl in het arrest van den Hoogen Raad van 4 Jan. 1894 de eischer tot ontbinding de bezitter van een voorwaardelijk zakelijk recht opeen in den faillieten boedel begrepen onroerend goed wordt geheeten. Daaruit vloeit dan voort, dat voor de ontbindingsactie plaats is, buiten de verificatie om.
Of de bedoelde voorstelling juist is, kan in het midden worden gelaten, nu door de redactie van art. 26 der Faillis-sementswet is uitgemaakt, dat de ontbindingsactie in geen geval aan het verificatie-proces is onderworpen, immers alleen
curator ingesteld en, na homologatie van het akkoord, tegen den schuldenaar voortgezet. â Het arrest van het Hof te Arnhem wordt bestreden in Wkbl v. Nol. en Rej. n0. 1'228, daarentegen verdedigd, aldaar n0. 1230.
!) Het is duidelijk dat hot recht, ontbinding te vragen, verloren gaat dooide vordering tot betaling van den koopprijs ter verificatie aan te bieden. Door nakoming te vorderen, en de aanmelding ter verificatie van den koopprijs is niets anders, wordt de keuze, door art. 1303 B. W. bedoeld, gedaan, zoodat het recht op het niet gekozene, hier de ontbinding, vervalt.
174
de vorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, moeten ter verificatie worden aangemeld , en, hoe verschillend men ook moge denken over aard en strekking der ontbindingsactie, daarover zal men het wel eens zijn , dat zij tot die categorie van vorderingen niet behoort.
Bij het vorenstaande werd verondersteld, dat aan de wederkeerige overeenkomst ten tijde der faillietverklaring door de wederpartij des gefailleerden ten volle was voldaan. Speciale bepalingen zijn voor dit geval in de wet niet opgenomen. De wederpartij des gefailleerden kan a priori weten, dat hij niet op nakoming der verbintenis van de zijde des curators heeft te rekenen. Hij weet dus waar hij aan toe is en kan daarnaar zijne maatregelen nemen.
Wanneer daarentegen de wederkeerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den gefailleerde als door den aan hem verbonden persoon nog in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen, wordt de positie van den mede-contractant door het faillissement een uiterst moeilijke. Zeer zeker zal hij zijnerzijds niet behoeven te praes-teeren, zoolang de ciirator zich niet bereid verklaart de verplichtingen des gefailleerden ten volle te vervullen, zal men nimmer kunnen beweren dat hij verplicht zoude zijn zijnerzijds na te komen, om dan voor de contra-praestatie des gefailleerden eene concurrente vordering tegen den boedel te verkrijgen ^, maar desniettemin zal hij al het nadeel daarvan ondervinden, dat hij niet a priori weet, wat de curator op den dag der vervulling zal doen, of deze zal nakomen, dan wel het in het belang van den boedel achten, in gebreke te blijven, en zich bloot te stellen aan eene ontbindings- of schadevergoedings-actie, welke laatste de mede-contractant niet anders dan als concurrent schuldeischer zal kunnen doen gelden. Die onzekerheid omtrent den definitieven uitslag, die hem noodzaakt, op beide eventualiteiten, zoowel van nakoming als niet-nakoming, voorbereid te zijn, kan hem groote schade toebrengen, vooral wanneer de overeenkomst in een koop of verkoop op termijn bestaat. Moet hij zich al dan
') Het Hof in den Haag schijnt dit aan to nemen in het arrest van 10 Apr. â¢188(j, bov, aangeh. âJuist de Marez Oyens, bl. 89 v. Zie ook het vonnis va'.i de Rb. in den Uaag van 29 Juni 1883, W. n0. 49Ã0.
175
niet gereed houden tot leveren? Zal hem al dan niet door den curator, die de zaken des gefaiileerden heeft voortgezet, geleverd worden? Moet hij in verband daarmede al dan niet maatregelen nemen om van elders te betrekken, wat hij van den failliet bedongen heeft? De billijkheid vordert den medecontractant het recht toe te kennen, dat hem kenbaar gemaakt worde, waaraan hij zich te houden heeft, als het faillissement van den kooper of verkooper hein daaromtrent in onzekerheid brengt ').
Artikel 37 omschrijft en regelt dit recht.
De wederpartij 1) des gefaiileerden is bevoegd den curator te soinmeeren, haar binnen acht dagen te verklaren , ot hij de overeenkomst gestand wil doen. Legt de curator binnen dien tijd eene verklaring van die strekking niet af, hetzij dan dat hij zwijgt, hetzij dat hij verklaart niet te kunnen nakomen, dan wordt de overeenkomst door dit enkele tijdsverloop van rechtswege, d.w.z. zonder dat daarvoor een uitspraak des rechters noodig is, ontbonden. De ontbinding heeft ten gevolge, dat »de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer kan optredenquot;. Eene terugkeer van de zaken in den toestand als ware geen overeenkomst gesloten (restitutio in integrum of zoogen. resolutie ex tune) wordt door deze bepaling uitgesloten.
Verklaart de curator zich tot de nakoming bereid â¢!), dan blijft de overeenkomst standhouden. Opdat deze weg niet lichtvaardig worde ingeslagen en ten einde de wederpartij voor schade te vrijwaren, is de curator verplicht bij die verklaring voor de richtige nakoming der overeenkomst zekerheid te stellen. De wederpartij moet, waar nakoming is gekozen, redelijkerwijze ook op de nakoming kunnen rekenen; nu hij staat tegenover een faillieten boedel, kan alleen zekerheid hem dat vertrouwen geven.
1
) In het Ontwerp Jer Staats-Commissie en in het lieg. Ontw. wonlt gesproken van den '/mede-contractant//. Tegen dit woord, dat o. a. in art. 77 W. v. K. wordt gebezigd, werd in het Versl. der C. v. V. bedenking gemaakt, waarop het in het Gew. Reg. Ontw. is vervangen door //wederpartij'/.
176
De beteekenis der geheele regeling is hierin gelegen, dat zij aan de wederpartij het recht geeft, den curator te dwingen tot het nemen van eene beslissing, welke het voor haar van groot belang kan zijn, spoedig te kennen. Verplicht, van dit recht gebruik te maken, is zij natuurlijk niet. Doet zij het niet, dan zal het boven gezegde van toepassing zyn De overeenkomst blijft dan bestaan , totdat daaraan uitvoering is gegeven of, komt de curator de verplichtingen des gefailleerden niet na, do ontbinding op vordering van de wederpartij is uitgesproken.
Het tweede lid van artikel 37 maakt eene uitzondering voor overeenkomsten, welke den gefailleerde verplichten tot eene uitsluitend door hem persoonlijk te verrichten handeling. De al- of niet-nakoming eener dergelijke overeenkomst hangt zoo geheel af van den wil des gefailleerden, dat de curator daarover geen beslissing kan nemen. De wederpartij zal den loop der dingen moeten afwachten, om in geval van niet-nakoming voor schadevergoeding in het faillissement op te komen.
Naast het algemeene voorschrift van artikel 37 geeft de wet in do artt. 38 â40 bijzondere voorschriften voor enkele speciale overeenkomsten. In do eerste plaats in artikel 38 voor overeenkomsten waarbij de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn is bedongen, mits dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring en de overeenkomst van weerszijden in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen. Bedoeld zijn dus op het oogenblik der faillietverklaring nog niet afgewikkelde ter m ij nzaken, die in hare eenvoudigste gedaante bestaan in overeenkomsten van koop en verkoop op tijd of op levering, d. w. z. tegen den prijs van den dag maar onder beding van levering en betaling op een later tijdstip.
Door de faillietverklaring worden deze overeenkomsten van rechtswege ontbonden, met dien verstande, dat de wederpartij van den gefailleerde, indien hij door de ontbinding schade lijdt, zonder meer voor vergoeding daarvan als concurrent schuldeischer kan opkomen. Lijdt daarentegen de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden
In de Memorie van Toelichting wordt erop gewezen, dat
177
deze regeling dringend noodzakelijk is in het belang van het handelsverkeer. «Bij afdoeningen op een vastgesteld tijdstip of vastgestelden termijn (Fixgeschafte, futures) van waren, die eene geregelde markt hebben '), is het voor kooper en verkooper beiden, â voor den boedel, althans wanneer de zaken worden voortgezet, zoowel als voor den mede-contractajit, â van het grootste belang steeds a priori te weten, of de overeenkomst gestand gedaan zal worden of niet. Elke onzekerheid daaromtrent kan de speculatie in gevaar brengen. Dikwijls is het gekochte vóór de levering weer verkocht, dikwijls ook bij wanpraestatie niet dadelijk van elders tn betrekken; veelal ook maakt de overeenkomst een schakel uit van eene geheele reeks op elkander volgende eu aaneensluitende transacties, zoodat wat met een dezer geschiedt allicht reageert op alle andere. Daarom maakt alleen zekerheid, voortdurende en ongestoorde zekerheid omtrent het lot der overeenkomst, den termijn-handel mogelijk. Die zekerheid nu kan niet anders verkregen worden dan door bedoelde overeenkomsten door de faillietverklaring van een der contractanten ontbonden te verklaren, wat zonder het minste bezwaar kan geschieden omdat de schade, door de ontbinding veroorzaakt, in elk geval op de meest eenvoudige wijze door betaling van het koersverschil (indien de boedel de schadevergoeding verschuldigd is, als concurrente schuld) geliquideerd kan wordenquot; 1).
De bepaling stemt geheel overeen met hetgeen in den termijnhandel gebruikelijk is. In de reglementen voor den handel in verschillende waren wordt ontbinding van de overeenkomst en verrekening van het prijsverschil uitdrukkelijk voorgeschreven, niet alleen als een der contractanten in staat van faillissement wordt verklaard, maar in het algemeen als hy in omstandigheden verkeert, die het niet-nakomen zijner
1
) Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 77; v. d. Fei.tz 1, bl. 413.
Molkngraaff, Faiilisacmcntswet.
178
verplichtingen doen verwachten. Bij wijze van voorbeeld volgt hier art. 13 van het Reglement voor den handel in olie te Ainsterdaui, zooals dit het laatst op 18 Sept. 1895 werd vastgesteld. Het luidt: w Wanneer iemand, die olie op termijn gekocht of verkocht heeft, buiten staat geraakt aan zijne verbintenissen te voldoen, zijne betalingen staakt, gerechtelijk of buitengerechtelijk uitstel van betaling vraagt of op eenige andere wijze kennelyke blijken van onveruiogen of insolventie geeft, zal de bepaalde termijn van levering en ontvangst dadelijk en van rechtswege komen te vervallen, zonder dat daartoe eenige voorafgaande sommatie of andere akte zal vereischt worden. De in gebreke gebleven contractant wordt geacht door hot enkel feit zijner wanpraestatie te hebben toegestemd in de definitieve verrekening van alle loopende koopen en verkoopen volgens de prijsbepaling, welke door de Commissie, in art. 15 bedoeld, na gedane aanvraag door belanghebbenden, zal worden vastgesteld op den dag, waarop zijn onvermogen of insolventie is gebleken, ol zoo deze geen marktdag is, alsdan op den eerstvolgenden marktdag» ').
Een gebiedend voorschrift, dat de schadevergoeding in elk geval in het koers- of prijsverschil zal bestaan, alsmede omtrent de wijze van berekening, achtte de Eegeering noch noodig noch wenschelijk. Zij meende, dat in elk concreet geval de beslissing over het een en het ander het best kan worden overgelaten aan het verstandig overleg van belanghebbenden, zoo noodig aan den rechter, en dat een vaste regel altijd gevaar loopt niet voldoende rekening te houden met de einde-looze verscheidenheid der feiten, welke hij bestemd is te be-heerschen.
In de toepassing zal dit gemis van een bepaald voorschrift geen moeilijkheden opleveren. Bij transacties in waren , die op
') Sooi-tgelijke bepalingen bevatten art. 5 van het Reglement voor den handel in tarwe op termijn te Amsterdam, vastgesteld 30 Aug. quot;1895; art, 4 van liet Reglement voor den handel iu rogge op termijn te Amsterdam, vastgesteld â¢13 Dec. quot;1890; art. 1!) van het Reglement voor den handel in oliezaad te Amsterdam, vastgesteld in 1886; art. 23 van het Reglement voor den handel in katoen te Amsterdam van 1G Febr. 1888. Men zie ook art 17 van het Reglement voor den handel in katoen te Amsterdam, voor contracten geregistreerd door de Amster-damsche Liqnidatiekas, van 24 Juni 1890, en art. 14 van het Reglement der Amsterdamsche Liquidaliekas, voor den termijnhandcl in peper, van 1 Juli 1892.
179
termijn plegen te worden verhandeld, zal de geleden schade wel nooit in iets anders bestaan dan in het verschil tusschen den prijs van den dag, waarop de overeenkomst is gesloten, en dien van den dag, waarop de faillietverklaring is uitgesproken.
Is bijv. den l8quot;quot;1 Aug. tarwe op December-levering gekocht en gaat de verkooper den 10'll'n September failliet, dan wijst het verschil tnsschen den koopprijs en den prijs, die op den 10den September voor December-levering van een gelijke hoeveelheid moet worden besteed, aan , voor wie der beide partijen, den faillieten boedel of den kooper, de ontbinding nadeelig is en hoeveel de schade beloopt. Door toch op den dag der faillietverklaring dezelfde hoeveelheid opnieuw te koopen of te verkoopen, kan zoowel de eene als de andere partij zich in volkomen dezelfde positie brengen, als waarin zij vóór de ontbinding verkeerde. Wat zij bij het nieii we contract meer of minder moet besteden of kan bedingen , wijst nauwkeurig en zuiver het door de ontbinding geleden verlies of het daardoor verkregen voordeel aan ').
Om tot een juist resultaat te komen, boude men slechts in het oog, dat de kooper bij de ontbinding wint, als op den dag der ontbinding de prijs voor contracten van gelijksoor-tigen inhoud als het ontbondene is gedaald, dat hij daarentegen verliest, als op dien dag de prijs is gestegen. Voor den verkooper geldt natuurlijk juist het tegendeel.
Op de afrekening, die op de ontbinding naar den aangegeven grondslag moet volgen, heeft het feit, dat een der partyen in staat van faillissement verkeert, dezen invloed, dat de tegenpartij van den gefailleerde het prijsverschil, indien zij dit moet bypassen, integraal aan den boedel zal hebben te voldoen, terwijl deze, indien het verschil door den boedel moet worden vergoed, slechts percenten zal uitkeeren. In artikel 38 wordt dit uitdrukkelijk gezegd. Het is eene eenvoudige toepassing van den algemeenen regel, dat het faillissement de schuldenaren van den failliet niet ontheft van hunne verplichting, hunne schulden ten volle te voldoen, al heeft het ten gevolge dat de concurrente schuldeischers niet meer ontvangen dan in den boedel aanwezig is. Ten
') Verg. Ed. Jacobson, termijnhandel in goederen, Prft. 1889.
180
onreclite werd dan ook in liet Verslag der Cominissie van voorbereiding in de voorgestelde regeling eene bevoorrechting van den boedel gezien.
Dat alleen hier en niet ook in het voorgaande artikel wordt bepaald, dat de wederpartij verplicht is den boedel de door de ontbinding te lijden schade te vergoeden , is volkomen rationeel.
»In het geval van artikel 37 heeft de curator de keuze om de overeenkomst al of niet te handhaven, naar gelang het een of het ander voor den boedel het voordeeligste is; tot ontbinding zal hij dus alleen dan overgaan, wanneer de boedel door de niet-nakoming der overeenkomst geen schade lijdt. In het geval van artikel 38 daarentegen heeft de curator geen keus; in het belang van den mede-contractant des gefailleerden wordt hier de overeenkomst in elk geval krachtens wetsvoorschrift ontbonden verklaardquot;
Door de toepassing van artikel 37 behoeft de boedel dus nooit schade te lijden, terwijl van de werking van artikel 38 schade voor den boedel een onvermijdelijk gevolg kan zijn.
In de tweede plaats is eene speciale regeling gemaakt voor de huurovereenkomst, waarbij de gefailleerde huurder is (art. 39). Onder de oude wet gaf een loopend huurcontract steeds tot de grootste moeilijkheden aanleiding. Eene gevestigde jurisprudentie of eene algemeen gevolgde praktijk bestond niet, terwijl in de literatuur de meest uiteenloopende meeningen werden voorgestaan. Ten einde hier orde en klaarheid te scheppen, bepaalt art. 39 dat, als de gefailleerde huurder is, zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds kan doen eindigen. Door de faillietverklaring wordt de huur dus niet ontbonden, maar op verlangen van een der partijen ontbindbaar of verbreekbaar. De partij die van zijn recht gebruik wil maken 2), moet de opzegging van de overeenkomst doen tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik plegen te eindigen, en bovendien den voor de opzegging overeengekomen of gebruikelijken termijn in acht nemen, met dien verstande echter, dat een termijn
') Memorie van Toelichting: lielinfante I, bl. 77; v. n. Feltz I, 1)1. 413 v.
â ) De curator hoeft volgens art G8 tweeile lid ile machtiging van den rechtercommissaris noodig, terwijl hij bovendien volgens art. 78 eerste lid het advies moet inwinnen van de commissie uit de schuldeischers, zoo er eene is.
181
van drie maanden in elk geval voldoende is. Om een voorbeeld te geven, ontleend aan het antwoord van den Minister aan de Commissie van voorbereiding: naar plaatselijk gebruik eindigen de jaarhuren op 1 Februari, 1 Mei, 1 Augustus en 1 November, terwijl in het hunrcontract is bepaald, dat de huur één maand te voren moet worden opgezegd; in dat geval zal de opzegging in gevolge art. 39 moeten geschieden uiterlijk 31 December tegen l Februari, uiterlijk 31 Maart tegen 1 Mei, enz. Was daarentegen in het contract bepaald of brengt het gebruik mede, dat de termijn van opzegging ten minste zes maanden is, dan zal kunnen worden volstaan met een termijn van drie maanden en de opzegging dus kunnen geschieden uiterlijk 31 October tegen 1 Februari, uiterlijk 31 Januari tegen 1 Mei, enz.
In verband met de opzegbaarheid van de huurovereenkomst na de faillietverklaring wordt in artikel 39 verder bepaald, dat de huurprijs van den dag der faillietverklaring af boedelschuld is, d. w. z. door den curator integraal moet worden voldaan als een schuld ten laste van den boedel.
De geschetste regeling laat aan de belangen van beide partijen recht wedervaren. Zij heeft voor den boedel het voordeel, dat de huur niet langer behoeft te worden aangehouden dan noodig is; voor den verhuurder, dat hij zich zonder kosten en omslag van een insolventen huurder kan ontslaan, terwijl hem bovendien de volle huurprijs wordt gewaarborgd gedurende den tijd, dat de huur nog blijft loopen, wat tegenover den boedel weer niet onbillijk is, juist omdat de curator aan de huur een einde kan maken ').
Vaak wordt bedongen, dat de huurpenningen vooruitbetaald zullen worden over een korter of langer termijn ; artikel 39 houdt ook daarmede rekening. In dat geval kan de huur niet eerder worden opgezegd, dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
') Op de vraag der Commissie van voorbereiding of, ingeval de gehuurde zaak nog niet geleverd is, art. .37 dan wel art. 30 van toepassing is, antwoordde de Minister; «art S'.l is als lex specialis toepasselijk/'. Of dit juist is, mag worden betwijfeld. Art. 30 ziet kennelijk op ingegane hmir. Daarbij alleen komt opzegging te pas, alsook de bepaling dat van den dag der faillietverklaring af de huurprijs boedelschuld is. Onj, kornt dus voor, dat art. 37 moet worden toegepast.
182
In de Eerste Kamer vond de regeling van dit onderwerp veel tegenkanting, omdat men haar ongewensebt achtte bij verpachting van bouwhoven voor langen termijn, bijv. 12 jaren, indien door den pachter solide borgen zijn gesteld. Het zou dan meer in het belang van den verpachter wezen, dat de pacht niettegenstaande het faillissement bleef voortduren en hij zich aan de borgen kon houden, dan dat de pacht door den curator kan worden opgezegd, zooals de wet bepaalt. Of bij deze beschouwing het belang van den verpachter juist wordt beoordeeld, worde hier in het midden gelaten; de vraag zij echter gesteld, of het een gezonden toestand mag heeten en bevorderlijk voor de belangen van den landbouw, dat een pachtcontract met een insolventen pachter jaren lang op kosten van de borgen wordt in stand gehouden ? Artikel 39 geeft oj) die vraag niet ten onrechte een ontkennend antwoord.
Ãe derde overeenkomst, waarvoor de wet eene bijzondere regeling vaststelt, is de dien s the trekking. Alle bezoldigde personen, zegt art. 40, in dienst van den gefailleerde, kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig dooiden curator hunne betrekking opgezegd worden '), met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der faillietverklaring af is het salaris boedelschuld.
Ook voor dit onderwerp is, met opheffing van alle rechtsonzekerheid, eene billijke en practische oplossing gezocht. Aan hen, die van hunne dienstbetrekking moeten leven, wordt door artikel 40 gedurende zes weken het voortbestaan dier betrekking onder genot van het volle loon gewaarborgd, tenzij bij de overeenkomst was bepaald of anders het gebruik medebrengt, dat de opzegging met inachtneming van een kor teren termijn geldig kan geschieden. Op de in artikel 1G39 B, W. bedoelde dienstbetrekkingen blijft het in dat artikel vervatte recht van toepassing, zoolang noch door den curator, noch door den dienst- of werkbode gebruik is gemaakt van het hun hier, in art. 40, toegekende recht van opzegging.
') Machtiging van den rechter-commissans en inwinning van het advies dei-commissie uit de scluildeischci's, zoo eiquot; eene is, wordt ook in dit geval vereisclit. Zie artt. G8 al. 2 en 78 al. 1.
183
De wet spreekt in het algemeen van alle «bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerdequot;; tot dezen behoort een ieder, die zijne arbeidskracht gedurende een bepaalden tijd ter beschikking van den gefailleerde heeft gesteld, onverschillig welke werkzaamheden hij als zoodanig heeft te verrichten of welke positie hij bekleedt, dus zoowel de directeur eener naamlooze vennootschap '), als een dienstbode of fabrieksarbeider 1).
Wat de boedel betreft is de beteekenis van art. 40 gelegen in de mogelijkheid, die het ai-tikel opent om tot eene behoorlijke afwikkeling der loopende verbintenissen uit dienstcon-tracten te geraken, en in het algemeen in de rechtszekerheid, die van de wettelijke regeling het gevolg is en waardoor allicht zal worden voorkomen , dat de dienstbetrekkingen plotseling en op voor den boedel ongelegen tijd worden verbroken.
Men houde overigens in het oog, dat noch art. 39 noch art. 40 dwingende voorschriften geeft. Partijen kunnen de huur, de dienstbetrekking opzeggen, zij behoeven het niette doen. Indien bijv. overeenkomstig art. 98 het bedrijf van den gefailleerde door den curator wordt voortgezet, zal er voor hem alle aanleiding bestaan, van zijne bevoegdheid tot opzegging geen gebruik te maken, terwijl voor den verhuurder en voor hen, die in dienst zijn bij den gefailleerde, allicht hetzelfde zal gelden, als er kans bestaat op het tot stand komen van een akkoord.
Bijzondere bepalingen omtrent den invloed van de faillietverklaring op loopende contracten worden, buiten de Faillis-sementswet, nog gevonden in de artt. 1683 4°, 1809 3° en 1850 al. 4 B. W., betreffende maatschap, altijddurende rente en lastgeving. Men zie hierboven bl. 00 vlg.
§ 5. Uitbreiding van hef faillissementsbeslag over zaken die aan den boedel zijn onttrokken (artt. 42â51).
Hiei'boven bl. 39 werd erop gewezen, dat de instelling van het faillissement geen ander doel heeft dan de practische verwezenlijking van het beginsel, neergelegd in art. 1177 B. W.,
1
) Zie Drucker in Rechtsgeleerd Magazijn 1894, bl. 534 v. Moi.knoraaff , Fuillisscinentswet.
184
ilat alle goederen des schuldenaars voor zijne persoonlijke verbintenissen aansprakelijk zijn.
i; Daarnevens staat dit andere rechtsbeginsel dat een ieder volkomen tot handelen bevoegd is, en dat'eene uitdrukkelijke wetsbepaling noodig is om iemand die bevoegdheid te ont-zeggen of hem daarin in het een of ander opzicht te beperken.
wis bijgevolg een ieder, ook hij die schulden heeft, volkomen bevoegd naar goeddunken over zijn vermogen te beschikken en moet derhalve de toestand waarin de schuldenaar zijn vermogen, krachtens dat beschikkingsrecht, heeft gebracht, door zijne schuldeischers bij executie op de meest volstrekte wijze geëerbiedigd worden, aan den anderen kant rust evenzeer op eiken schuldenaar de plicht het ondei-pand zijner schuldeischers niet willens en wetens te hunnen nadeele te verminderen of weg te maken. Dit doende mag hij gezegd worden te kwader trouw te handelen.
â Vandaar dat reeds in het Eomeinsche recht den schuldeischers rechtsmiddelen gegeven werden om tegen handelingen van hun schuldenaar, met dien plicht in strijd, op te komen; rechtsmiddelen ten doel hebbende het voor hen nadeelige effect dier handelingen weer op te heffen. Als zoodanig vindt men in het Komeinsche recht het fraudatorium interdictum en de actio Tauliana, welke laatste naam nog steeds gebruikt wordt ter aanduiding van de analoge rechtsmiddelen van het hedendaagsche recht. Kunnen de schuldeischers in het algemeen eene aanspraak slechts doen gelden op het voorhanden vermogen van hunnen schuldenaar, de wet ') stelt bon in staat zich onder bepaalde omstandigheden nog bovendien te verhalen op zaken, die reeds uit dat vermogen gegaan zijn, door aan de handeling huns schuldenaars, waardoor die bevreemding bewerkstelligd werd, te hunnen bate hare rechtskracht te ontnemenquot; 2).
In de artikelen 42â51 wordt, dit onderwerp behandeld. Aldaar wordt aangewezen in welken omvang, binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de schuldeischers, of
') In ile Memorie van Toelichting staat Pauliana. Nu er volgens ile Faillisse-mentswet geen sprake meer is van eene vordering tot nietigverklaring, is het beter zich niet langer te bedienen van een naam, die op eene vordering duidt.
Memorie van Toelichting; Delinfante 1. bl. 79 v.; v. it. Feltz I, bl. 433.
185
liever namens lien de curator, de nietigheid van handelingen, welke vóór de faillietverklaring door den schuldenaar zijn verricht, kan inroepen, ten einde de goederen, die ten gevolge dier handelingen in handen van derden zijn gekomen, als nog behoorende tot den faillieten boedel, in de algemeene vermogensexecutie te begrijpen. Aan het daarbij door den wetgever gekozen stelsel liggen twee, hier nader te bespreken, beginselen ten grondslag.
In de eerste plaats het beginsel, dat alleen handelingen, welke door den schuldenaar onverplicht werden verricht, nietig zijn.
â Den schuldenaar kan er geen grief van gemaakt worden, wanneer hij datgene doet, waartoe voor hem een rechtsplicht bestaat; men kan niet beweren dat hij opzettelijk het onderpand zijner schuldeischers wegmaakt, indien hij het gebruikt juist om zijne schulden te kwijten.
»Evenmin is er een redelijke rechtsgrond aan te wijzen, om hem, die datgene ontving, waarop hij krachtens zijn vorderingsrecht aanspraak had, tot teruggaaf daarvan te noodzaken. Het is eene logische tegenstrijdigheid en tevens eene gevaarlijke inconsequentie, indien de wet eenerzijds aan den schuldenaar den plicht oplegt om te voldoen, en den schuldeischer het recht geeft om zijn schuld in te vorderen, en tegelijkertijd anderzijds den mede-schuldeischers de bevoegdheid verleent om de handeling, die dus strekte tot kwijting van een wettelijken rechtsplicht en voldoening aan een wettelijk vorderingsrecht, weer ongedaan te maken» !).
Behoort derhalve de nietigheid nimmer eene handeling te treffen, waartoe de schuldenaar verplicht was, dit neemt natuurlijk niet weg, dat die handeling indirect kan worden getroffen door de nietigheid der vroegere handeling, waarbij de schuldenaar die verplichting op zich nam, indien de voorwaarden, voor de nietigheid dezer handeling gesteld, aanwezig zijn. De handeling, waardoor de rechtsplicht gevestigd wordt, kan alle elementen in zich vereenigen, die een beroep op de nietigheid daarvan wettigen, in welk geval de nietigheid evenzeer zal aantasten de latere voldoening aan dien rechtsplicht, juist omdat deze niets anders is dan uitvoering dier vroegere
') Memorie van Toelichting; Delinfante I, bl. 8!; v. d. Feltz I, bl. 434.
18G
handeling ; die voldoening op zich zelf beschoviwd kan daarentegen nooit de voorwaarden voor een nietigheidsberoep in zich vereenigen.
Ook de belangen van het verkeer verzetten zich tegen de nietigheid van verplichte handelingen. De schnldeischer wordt erdoor belemmerd in de handhaving zijner rechten, juist op het oogenblik dat hij daaraan de meeste behoefte heeft, dan nl. als hij een déconfiture van zijn schuldenaar vreest.
ffZij dwingt de schnldeischers, zoodra zij moeilijkheden bij het betalen ondervinden, een faillissement te provoceeren, uit vrees hetgeen zij door individueele executies zullen verkrijgen bij een later faillissement weer aan den curator te moeten afgeven. De zekerheid van het verkeer berust voor een groot deel op de snelheid en zekerheid der individueele executiemiddelen, en wordt bedreigd waar juist deze gekortwiekt worden. Crediet kan men niet vei-leenen, indien men er niet op kan vertrouwen dat, wanneer de schuldenaar betaalt, die betaling ook voor altijd onaantastbaar blijft, al moge hij later, misschien zelfs kort daarna, in staat van faillissement geraken« ').
Op den regel: geen nietigheid van verplichte handelingen, kent de wet slechts twee uitzonderingen, in art. 47 aangewezen en hieronder nader te beschouwen.
In de tweede plaats berust het stelsel der wet op het beginsel, dat absolute nietigheid, in den zin van onvoorwaardelijke nietigheid, van nietigheid in elk geval, in deze materie verwerpelijk is. De artikelen 773 â 777 Wetb van Kooph. verklaarden sommige handelingen van den schuldenaar absoluut nietig. De Faillissementswet daarentegen kent, naast handelingen die nietig zijn bij bewezen kwade trouw, slechts enkele categorieën van handelingen, welke nietig zijn, tenzij de goede trouw kan worden aangetoond.
wDe absolute nietigverklaring van een engeren of wijderen kring van handelingen, door den schuldenaar binnen korteren of langei'en tijd voor den aanvang van zijn faillissement verricht, steunt op de zeker niet onjuiste overweging, dat de vooravond van het faillissement gewoonlijk het tijdstip is,
') Memorie van Toelichting; Belinfante i, bl. 83 v.; v. d. Fei.tz 1, bl. 436 v.
JS7
waarop door den minder nauwgezotten schuldenaar tal van maatregelen worden getroffen, hetzij ter begunstiging van den een of anderen schuldeischer, hetzij ter verduistering van enkele vermogensdeelen, hetzij met eenig ander doel, die alle dit effect gemeen hebben, dat daardoor het onderpand der schuldeischers willens en wetens aan den concursus wordt onttrokken. Geen krachtiger middel voorzeker om deze te beteugelen dan nietigverklaring. Men kan dan zeker zijn alie handelingen te kwader trouw verricht te treffen. De Code de Commerce bereikte hetzelfde doel door den schuldenaar reeds met het oogenblik van het staken zijner betalingen beheer en beschikking over zijn vermogen te ontnemen, door de aan het vonnis van faillietverklaring voorafgaande «faillite de faitquot;. Het spreekt echter van zelf dat men zoodoende met alle handelingen, te kwader trouw verricht, tevens al diegenen treft, welke te goeder trouw verricht zijn, zelfs al blijkt de goede trouw overtuigend. De onbillijkheid van dit systeem, de talrijke practische moeilijkheden, waartoe het aanleiding gaf, leidden er toe in alle nieuwere wetten de nietigheid te beperken tot zekere met name genoemde handelingen, welke door hunnen inhoud in verband met het korte tijdsverloop, dat hen scheidt van het faillissement, een verdacht karakter bezitten, en dus meer speciaal een presumptie van kwade trouw wettigen (artikelen 773 en 774 Wetboek van Koophandel).
«Wanneer men er echter van doordrongen is, dat de wetgever niet alleen geroepen is de kwade trouw te weren en krachtig te bestrijden, maar dat het evenzeer zijne taak is de goede trouw te beschermen, en dat daarom elke presumptie, ook die van de kwade trouw, voor het bewijs van het tegendeel moet wijken, dan kan er van eene absolute nietigheid ook voor de meest verdachte gevallen geen sprake meer zijn quot;
Vandaar dat de wee zich ertoe bepaalt, voor verdachte handelingen eene presumptie van kwade trouw op testellen, in elk geval wijkende voor het bewijs van goede trouw, zoodat men zoude kunnen spreken van eene omkeering van den bewijslast.
Aan het verkeer heeft de wetgever, door de absolute uietig-
') Mfimorie van Toelichting: Delinfante I, bl. 84 v.; v. d. Feltz I, bl. 437 v.
188
heid los te laten, een grooten dienst bewezen. Tal van omstandigheden laten zich denken, waaronder eene betaling van eene niet-opeischbare schuld (nietig volgens artikel 773 Wetb. van Kooph.) of het geven van niet bij de overeenkomst bedongen zekei'heid (nietig volgens artikel 774 Wetb. van Kooph.) volkomen te goeder trouw kan geschieden. Bij voorbeeld: de schuldenaar bedingt zich van zijnen schuldeischer tegenover de betaling of zekerheidstelling bijzondere voordeden, als verlenging van een geopend crediet, de zekerheid van nieuwe bestellingen, enz. Of wel: de schuldenaar heeft beschikking noodig overgegeven onderpand, en ruilt dit nu met toestemming van zijnen schuldeischer tegen ander onderpand, wat bij beleening van effecten voortdurend voorkomt en waarbij in den regel elk denkbeeld aan kwade trouw is uitgesloten. Deze voorbeelden zouden met tal van andere te vermeerderen zijn.
In al deze gevallen, waarin het Wetb. van Kooph. nietigheid uitsprak, zal de gedaagde volgons artikel 43 zijne goede trouw kunnen bewijzen, wat hem in den regel niet moeilijk zal vallen ').
Met inachtneming van de beide uiteengezette beginsels is het leerstuk der nietigheid in de artikels 42--51 nader uitgewerkt.
Artikel 42 geeft den regel, aldus geformuleerd: ten behoeve van den boedel kan de nietigheid worden ingeroepen van alle vóór de faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn, Voor de toepassing van het artikel is noodig:
1°. dat de schuldenaar eene handeling verricht hebbe. Waarin die handeling bestaat, is onverschillig. Zij kan wezen eene eenzijdige handeling, maar evengoed eene tweezijdige; zij kan strekken zoowel tot vermindering als tot niet-vermeerdering van het vermogen; men denke bij voorbeeld aan het verwerpen van een erfenis. Maar er moet altijd eene handeling wezen. Niet-handelen, een verzuim (het Voorloopig Verslag stelde het geval, dat de langstlevende der echtgenooten verzuimt ') Verg. Momorio van Toelichting: Belinfante, t a p.; v. d. Feltz I, bl. 438.
189
overeenkomstig art. 370 B. W. een inventaris te doen opmaken), valt niet onder het artikel.
2quot;. Dat die handeling verricht zij onverplicht, d. w. z. zonder dat de schuldenaar een verplichting tot hot verrichten der handeling op zich had genomen. Het beginsel, dat in dit vereischte zijn uitdrukking vindt, is reeds hierboven besproken.
3'. Dat de schnldeischers door die handeling benadeeld z ij n. Of benadeeling werkelijk heeft plaats gehad, is eene feitelijke quaestie. Onderzocht moet worden, of de schnldeischers door de handeling in eene ongunstiger positie zijn gebracht Daarbij houde men rekening met de omstandigheid, dat de curator den geheelen boedel onder zich heeft. Het is dus mogelijk den toestand, waarin de boedel feitelijk zich bevindt, te vergelijken met den toestand, waarin hij zou hebben verkeerd, indien de handeling achterwege ware gebleven
Blijkt nu, dat het actief kleiner is, dan het anders zou geweest zijn, dan is daardoor aangetoond, dat de handeling het onderpand van de schnldeischers heeft verminderd, mitsdien dezen heeft benadeeld. Blijkt daarentegen, dat het actief er niet minder om is, dan is er geen benadeeling, maar ook geen enkele reden, de handeling ten behoeve der schnldeischers van haar rechtsgevolg te berooven. Evenwel houde men in het oog, dat in het zeldzame geval, dat het actief meer dan 100 0/0 der schulden mocht bedragen, zoodat deze ten volle kunnen worden voldaan, natuurlijk van benadeeling nimmer sprake kan zijn, ook al is het actief door de handeling verminderd. De vermindering van het actief is alleen dan eene benadeeling voor de schuldeischers, als het actief door do vermindering onvoldoende of in grootere mate onvoldoende is geworden te hunner bevrediging. Zooeven werd dit, als het bij faillissement nagenoeg steeds voorkomende geval, voorondersteld.
4quot;. Dat de schuldenaar bij het verrichten der handeling de wetenschap bezat, dat benadeeling der schnldeischers daarvan het gevolg zou zijn.
Art. 777 Wetb. van Kooph. vorderde: quot;dat de handeling ter hedriegelijhe verkorting van de regten der schuldeischers heeft plaats gehad.quot; Over de beteekenis dier woorden bestond verschil van meening. Door do meeste schrijvers en in tal van
190
rechterlijke uitspraken werden ze in dien zin uitgelegd, dat de scliuldenaar gehandeld moetbehben met de wetenschap, dat zijne handeling tot benadeeling zijner schuldeischers moest leiden. In de Memorie van Toelichting !) wordt ten bewijze daarvan eene reeks van beslissingen aangehaald. Sedert is die jurisprudentie vermeerderd met een belangrijk arrest van den Hoogen Raad van 24 Jan. 1896, W. n0. 6768, waarbij het tegen een arrest van het Hof te Arnhem van 26 Jan. 1895, W. n0. 6613, ingestelde beroep in cassatie werd verworpen.
Het Hof had aangenomen, «dat volgens de juiste en dan ook vrij algemeene opvatting der woorden ter hcdriegeiijka verkorting in het aangehaalde artikel (art. 777 W. v. K.), aan die uitdrukking geene andere beteekenis kan worden toegekend dan deze: dat zoowel de schuldenaar als d engene met w ien hij handelde, bij het verrichten der handeling de wetenschap bezaten, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zou z ij n, welk punt in ieder concreet geval naar de omstandigheden, waaronder de handeling werd aangegaan, moet worden beslistquot;. Aan deze uitlegging hechtte de Hooge Raad zijn zegel, overwegende: »dat het Hof ...dit vereischte voor de rechtsvordering van art. 777 W. v. K. (nl. dat de handeling hebbe plaats gehad ter bedrieglijke verkorting van de rechten dor schuldeischers) niet heeft voorbijgezien doch met juistheid heeft kunnen beslissen, dat waar in deze zoowel de eischeresse als de mede-verweerders bewust waren van den zeer ongunstigen stand van zaken van den medeverweerder, en van beide zijden de wetenschap bestond, dat van de bedoelde hypothekaire geldleening en de daarmede verbonden handelingen benadeeling der concurrente schuldeischers het gevolg zou zijn, door het desniettegenstaande willens en wetens doen van die handelingen is gehandeld ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischersquot;.
Ten einde nu in de wet ondubbelzinnig uitdrukking te geven aan de bedoelde opvatting, is art. 42 der Faillisse-mentswet geredigeerd, zooals het luidt.
De in het artikel gebezigde woorden toonen, beter dan de ') Belinfantc I, bl. 87; v. u. Feltz 1, bl. 440.
191
formule: rlt;ter bedriegolijko verkorting van de rogten der schuld-eischersquot;, aan, dat een //bedrieglijk oogmerkquot; of «het oogmerk om de schuldeischers te benadeelen quot; niet wordt vereischt. Hoe nauw de aansluiting is aan de jurisprudentie onder de oude wet, blijkt wel hieruit, dat in de arresten van het Hof te Arnhem en van den Hoogen Raad ter nadere omschrijving van art. 777 W. v. K. dezelfde woorden worden gebezigd, welke in art 42 der Faillissementswet zijn opgenomen.
Of de vereischte wetenschap bestond, is eene geheel feitelijke vraag, die, zooals het Hof te Arnhem terecht opmerkt, in ieder concreet geval naar de omstandigheden, waaronder de handeling werd verricht, moet worden beslist.
5quot;. Dat degene, met vvien of te wiens behoeve de schuldenaar handelde, bij het verrichten der handeling de wetenschap bezat, dat benadeeling der schuldeischers daarvan het gevolg zou zijn.
De rechtsgrond van de verplichting des derden, het door hem verkregene aan de schuldeischers terug te geven, is geen andere dan zijne medewerking aan eene handeling, of liever zijn verkrijgen ki-achtens eene handeling, waarvan hem het ten opzichte dier schuldeischers ongeoorloofde karakter bekend was. Kennis van de omstandigheden, waaronder de schuldenaar handelde, bekendheid met de voor de schuldeischers nadeelige gevolgen dier handeling, is daarom voor zooveel den derde betreft de eenige natuurlijke voorwaarde voor de nietigheid. Meer te vorderen zou even verkeerd zijn, als het vorderen van een bedrieglijk opzet bij den schuldenaar. Trouwens, het oogmerk om de schuldeischers van den schuldenaar te benadeelen, zal bij den derde niet dan bij hooge uitzondering bestaan, in de meeste gevallen zal het hein veeleer om eigen voordeel te doen zijn ').
De handeling behoeft, zooals hierboven werd opgemerkt, geen tweezijdige te wezen. Dit wordt uitgedrukt door de woorden »of te wiens behoeve de schuldenaar handeldequot;, welke wijzen op de mogelijkheid, dat de derde het profijt van de handeling des schuldenaars trekt, zonder aan die handeling zelf deel te nemen. Eeu voorbeeld van een eenzijdige handeling des schuldenaars ten bate van een derde
i) Verg. Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 88; v. D. 1'ELTZ I, bl. 441.
192
levert de verwerping van een den schuldenaar opgekomen erfenis. Door den curator kan de nietigheid der verwerping worden ingeroepen tegen hem, die door die verwerping gerechtigd werd tot de erfenis, indien deze, evenals de verwerpende schuldenaar, de wetenschap bezat van de daaruit voortvloeiende benadeeling der schuldoischers.
De wetenschap der benadeeling moet bij den derde aanwezig zijn uhij het verrichten der handelingquot; , d. w. z., wanneer de rol van den derde, zooals in het gegeven voorbeeld, een passieve is, tijdens het verricht worden der handeling. Is deze voorwaarde niet aanwezig, dan kan den derde geenerlei verwijt treffen, en zou dtis uitbreiding van het faillissementsbeslagtot de door hem krachtens de handeling des schuldenaars verworven goederen niet gerechtvaardigd zijn.
Zijn de in oogenschouw genomen vereischten aanwezig, dan kan de nietigheid van de handeling ten behoeve van boedel worden ingeroepen
Opzettelijk zegt art. 42, dat de nietigheid kan worden ingeroepen, niet, zooals art. 777 W. v. K., dat do handeling vernietigd kan worden.
Duidelijk wordt daardoor te kennen gegeven, dat de curator niet behoeft te beginnen, met de vernietiging der handeling, waarvan hij de gevolgen voorden boedel wil wegnemen, van den rechter te vragen, maar dat hy de nietigheid reeds dadelijk tot grondslag zijner actie of verdediging kan nemen. Het practischo belang ligt hierin, dat hij rauwelijks het uit den boedel in handen van een derde overgegane zal kunnen terugvorderen, zich daarbij op de nietigheid der verrichte handeling grondende, en dat hij zijn verweer tegen een ingestelde vordering, ook al heeft hij niet vooraf een geding tot nietigverklaring aangelegd, toch op de nietigheid zal kunnen doen steunen, zonder verplicht te wezen eene reconventioneele actie in te stellen ^2).
') In ile/.eu /.in bjslistu rooi* oniier de ouile wdt de lib. to Rotterdam lü December 1895, W. n0. 0754. Evenzoo Rb. te Amsterdam 22 Jan. 1891, P. v. J. 1801 n0. 30. Daarentegen oordeelde de Hb. te Amsterdam 10 Juli 1877, Æ?. B, 1878, B bl. 9, dat op grond van art. 777 Wetboek van Koophandel niet rauwelijks tot teruggave eener bepaalde geldsom kan worden gedagvaard, maar eerst de vernietiging der in fraudem creditorum aangegane overeenkomst in rechte moet worden gevraagd.
2) Verg. Memorie van Toelichting: Bellnfante 1 bl. 85 v.; v. u. Feltz I, bl. 438.
193
Zijn bijv. door den schuldenaar goederen, tot den boedel behoorende, vervreemd, de curator zal ze kunnen revindi-ceeren en daartoe van liet revindicatoir beslag gebruik maken.
Door de woorden «ten behoeve van den boedel» wordt beslist, dat de nietigheid slechts eene relatieve ') is, eene die alleen bestaat ten opzichte van den boedel, en mitsdien alleen en uitsluitend door den curator kan worden ingeroepen , niet ook door dengene, met wien de schuldenaar handelde, of door den schuldenaar zelf, nadat deze door akkoord als anderszins zijne bevoegdheid tot beschikking teruggekregen heeft. De reden hiervoor is duidelijk; het geldt hier eene nietigheid uitsluitend in het belang der schuldeischers, waaraan dus ook niemand anders dan zij eenig recht mogen ontleenen 1).
Sommige handelingen wekken, als zij worden verricht kort vóór het faillissement, het vermoeden op, niet te goeder trouw te worden verricht. «Er zijn», zegt de Memorie van Toelichting 2), » een aantal handelingen, waarvan, vooral wanneer zij inden vooravond van een faillissement verricht worden, terecht getuigd mag worden, dat zij een verdacht karakter dragen, waartoe gewoonlijk wordt overgegaan in het volle bewustzyn, dat de schuldeischers er door benadeeld worden, en die het bewijs daarvan als het ware in zich zelve dragenquot;. Voor het vaststellen van een wettelijk vermoeden (de Memorie van Toelichting spreekt van » omkeering van den bewijslast») is hier alle aanleiding
Art. 43 noemt drie categorieën van handelingen, die den wetgever aanleiding hebben gegeven tot het aannemen van het vermoeden, dat zij verricht worden met de wetenschap van de daaruit voortvloeiende benadeeling der schuldeischers.
Deze drie catagorieën van handelingen zijn, ten eerste: f overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft«. Verbintenis wordt hier gebezigd, niet in de eigenlijke beteekenis van rechtsband of rechts-
1
) Verg. Memorie van Toelichting: lielinTante 1, bl. 86; v. d. Feltz I, bl. 439. :i) Belinfante i, bl. 89; v d. Feltz 1, bl. 443
2
Mou Krui ka a yy , Faillisscmeulswct. '
194
betrekking, maar veeleer in die van verplichting, passieve zijde der verbintenis, een spraakgebruik dat, hoewel niet geheel te billijken, zeer algemeen is. Bedoeld zijn, blijkens de Memorie van Toelichting, overeenkomsten, waarbij de schuldenaar geen behoorlijke tegenwaarde voor zijne praestatie 1) bedingt; waarbij dus ten nadeele van den schuldenaar ongelijke verplichtingen tegenover elkander staan. Men kan ze omschrijven als overeenkomsten, waarbij de waarde van des schuldenaars verplichting aanmerkelijk overtreft de waarde van de daartegenover staande verplichting der wederpartij. Het type dezer handeling is de verkoop onder de waarde; een bekend middel ter verduistering van het actief des boedels
In de tweede plaats worden genoemd: »handelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor eene niet opeisehbare schuld». Deze werden door de artt. 773 en 774 Wetb. v. Kooph. onvoorwaardelijk nietig verklaard
Eindelijk vormen de derde categorie: » handelingen, dooiden schuldenaar met of ten behoeve van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot in den derden graad verrichtquot;. Omtrent deze merkt de Memorie van Toelichting2) op, w dat de ondervinding leert, dat eenerzijds de echtgenoot en de naaste bloed- en aanverwanten het eerst bereid gevonden worden om den schuldenaar behulpzaam te zijn bij verduistering zijns boedels, anderzijds de schuldenaar het meest geneigd is hen boven zijne andere schuldeischers te bevoordeelen of hun ten nadeele van dezen te voldoen. Bovendien zullen de bedoelde personen door hunne intieme relatie met den schuldenaar zelden onbekend zijn met diens vermogenstoestand. Dit rechtvaardigt ook, dat hier de omkeering van den bewijslast niet tot enkele handelingen beperkt isquot;.
Het feit, dat eene handeling tot een der drie genoemde categorieën behoort, is op zich zelf niet voldoende. De wet stelt nog twee vereischten: de overeenkomst moet zijn aangegaan of de handeling verricht binnen veertig dagen vóór
') //Door gebruik, van hot woord //praestatie// ware de bedoeling wellicht nog beter uit te drukken, maar dat woord is in wetstijl minder passend// (Antwoord van den Minister op het Verslag van de Comm. v. voorbereiding: IJelinfante II, bi. 69; v. n. Fei.tz I, bl. 444).
:) Belinfante 1, bl. 89; v. D. Fkltz I, bl. 443.
195
de faillietverklaring, en de schuldenaar zicli niet reeds vóór den aanvang van dien termijn tot Let aangaan der overeenkomst of tot de handeling hebben verplicht.
Door het eerste vereischte wordt uitgedrukt, dat de handeling, zooals reeds werd aangeduid, kort vóór het faillissement, in den vooravond daarvan, moet zijn verricht. De termijn van veertig dagen is ontleend aan het Wetboek van Koophandel. Daar iedere termijn iets willekeurigs heeft, werd de voorkeur gegeven aan handhaving van den bestaanden.
Het tweede vereischte is een uitvloeisel van het algemeene beginsel, dat alleen niet-verplichte handelingen nietig zijn Daarom ook zal het artikel niet van toepassing wezen, als de schuldenaar handelde krachtens eene wettelijke verplichting, bijv. als hij in zijne hoedanigheid van voogd of curator hypotheek heeft gesteld voor zijn beheer. Dergelijke door de wet gevorderde handelingen vallen buiten bet bereik van art. 42, a fortiori dus buiten dat van art. 43.
Onvoorwaardelijk nietige handelingen kent de TTaillisse-mentswet niet (zie boven hl. 186). Het vermoeden, waarvan hier sprake is, behoort dan ook niet tot de zoogen.prae/mmp-tiones juris et de jure maar tot de pra.esumptiones juris tantum ; het is een vermoeden behoudens tegenbewijs. De tegenpartij van den curator mag aantoonen, » dat de bestreden handeling, ten tijde waarop en met het oog op de omstandigheden waaronder zij verricht werd, niet tot benadeeling der schuld-eischers kon strekken, dat er althans voor haar geen aannemelijke reden bestond om dit te gelooven of te vermoeden. O. a. zal zij met vrucht zich daarop kunnen beroepen, dat tegenover de voldoening of de beloofde zekerheidstelling, onder 2°. alhier (scil. in art. 43) genoemd, een naar de gewone verkeersopvattingen voldoend equivalent stond. Deze aan den gedaagde toegestane bevoegdheid om tegenbewijs te leveren, stelt den rechter in staat in elk concreet geval onder appreciatie van alle feitelijke omstandigheden te beslissen en geeft voldoende bescherming aan de mogelijk bestaande goede trouw « ').
Het economische karakter der handelingen om niet heeft steeds de nietigheid daarvan eei-der doen aannemen
') Memorie van Toelichting Belinfante 1, bl. 89 v.; v. d. Fei.t/, I, bl. 443
196
dan van handelingen onder bezwarenden titel. De handeling om niet vermeerdert het vermogen van den bevoordeelde, zonder dat eene contra-praestatie ten laste van dat vermogen komt. Teruggave van het ontvangene beteekent daarom voor den bevoordeelde niet verlies, vermogen s-vermindering, maar veeleer winstderving, nie t-v er meerdering van het vermogen; zij drukt veel minder zwaar, dan waar een aeqnivalent uit het vermogen is gegaan. Deze overwegingen hebben ertoe geleid, bij het leerstuk der nietigheid van handelingen om niet, de goede trouw van den bevoordeelde niet in aanmerking te nemen. Het is tegenover hem, die op kosten van anderen werd bevoordeeld, ook wanneer hij te goeder trouw ontving, geen onbillijke eisch het genotene weer terug te geven. Artikel 44 bepaalt dus, dat de curator, om de nietigheid van door den schuldenaar gedane schenkingen in te roepen, kan volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der schenking wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.
De wet spreekt hier. het deel voor het geheel nemende, van schenkingen in de algemeene beteekenis van handelingen om niet. Het voorbeeld van de artt. 775 en 776 Wetb. v. Kooph. gaf daartoe aanleiding. Bij de behandeling der wet trok deze minder aanbevelenswaardige terminologie niemands aandacht. Wel daai-entegen bij de behandeling der Invoeringswet. De Regeering stelde in art. 3 dier wet voor, art. 1377 Burg. Wetb. in overeenstemming te brengen met de artikelen 42 en volg. der Faillissementswet.
Van art. 1377 luidde het 3,lc lid; «Indien de handeling om niet heeft plaats gehadquot;, enz. Ter wille der consequentie verving de regeering deze uitdrukking, in navolging der Faillissementswet, door schenking. Hiertegen werd opgekomen in het Verslag der Comm. van voorbereiding, waarna de terminologie van het Burgerlijk Wetboek: handeling om niet, werd hersteld Dientengevolge bestaat tusschen het nieuwe art. 1377 Burg. Welb. en de artt 44 tot 46 Faillw., wat de woordekeus betreft, hetzelfde verschil, als vi-oeger tusschen art. 1377 (oud) Burg. Wetb. en de artt 775 en 776 Wetb. v. Kooph. Aan een materieel verschil mag daarbij niet worden gedacht. De Faillissements-
197
wet noemt de sclienking alleen als het type eener handeling om niet, als de handeling om niet welke het meest voorkomt, zonder andere handelingen om niet te willen uitsluiten.
Evenals de handelingen, in art. 43 genoemd, zijn handelingen om niet, gedaan in den vooravond van het faillissement, verdachte handelingen. Er bestaat dus reden, daaraan eenzelfde wettelijk vermoeden vast te knoopen. Dit geschiedt in art. 45. Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs (dooiden begiftigde te leveren), vermoed te zijn gedaan met de wetenschap, dat de schuldeischers daardoor worden benadeeld. Deze termijn wordt nog verdubbeld, indien de begiftigde een bloed of aanverwant tot in den derden graad van den schenker is.
Het Ontwerp der Staatscommissie noemde nevens den bloedof aanverwant ook den echtgenoot. De Eaad van State achtte dit overbodig, omdat art. 1715 eerste lid B. W. schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk gedaan, in het algemeen, verbiedt. De Minister, dit beamende, verwijderde den echtgenoot uit de bepaling, doch nam in zijn plaats den aanstaanden echtgenoot daarin op, oindab ten opzichte van dezen dezelfde grond voorde bepaling bestaat als ten opzichte van den bloed- of aanverwant '). In het Verslag der Comm. v voorber. werd het begrip «aanstaande echtgenootquot; niet voldoende begrensd genoemd. «Wil de gekozen uitdrukking een duidelijk begrip vertegenwoordigen, dan dient bovendien bepaald te worden, dat ook afkondigingen van verlovingen bij den burgerlijken stand zullen plaats hebbenquot; 1). Deze opmerking gaf don Minister aanleiding de woorden, die op den aanstaanden echtgenoot betrekking hadden, weer te schrappen. Mitsdien is op schenkingen aan den verloofde alleen het eerste lid van het artikel van toepassing, tenzij de schenking is gedaan bij huwelijksche voorwaarde. Dan toch zal zij in geen geval eenige kracht bezitten; als het huwelijk nog niet is voltrokken, om art. 202 tweede lid B. W.; als de voltrekking heeft plaats gehad, om art. 02 der Faillissementswet, dat niet
1
) Belinfante II, bl. 70; v. D. Feltz I, bl. 448.
198
toelaat, van voordeden, bij huwelijksche voorwaarden besproken, genot te hebben.
De bijzondere regeling van handelingen om niet berust, zooals hierboven reeds werd gezegd, op de overweging, dat teruggave van hetgeen om niet is ontvangen, niet leidt tot eene eigenlijke vermogensvermindering, maar veeleer eene toevallige vermeerdering van het vermogen weer ongedaan maakt. Deze redeneering is alleen juist, zoolang het ontvangene door den bevoordeelde niet is verteerd; zoodra dit is geschied, verkeert het vermogen in denzelfden toestand waarin het zich ook zon bevinden, als de gift niet was ontvangen; het is althans niet meer grooter dan het zou geweest zijn zonder de gift. Hiermede dient rekening te worden gehouden. Werd den bevoordeelde de verplichting opgelegd, in elk geval alles terug te geven, men zou hem eene door niets gerechtvaardigde schade toebrengen, telkens wanneer hij te goeder trouw het ontvangene had verbruikt of verteerd. Rationeel is het dus, als de begiftigde te goeder trouw ontving, te letten op het gebruik dat hij maakte van het ontvangene. De wetgever heeft dit gedaan in artikel 46, bepalende dat de begiftigde niet verplicht is, het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre hij aantoont, dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet was gebaat, tenzij blijkt, d. w. z. door den curator wordt aangetoond, dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was.
Bekendheid met den vermogenstoestand van den schenker sluit bij den bevoordeelde goede trouw uit. Bestaat die bekendheid reeds bij het ontvangen van de gift, dan kan het later verteeren daarvan op de verplichting tot teruggave niet den minsten invloed meer uitoefenen. Er bestaat dan bij de schenking kwade trouw aan beide zijden. De casuspositie van art. 42 is aanwezig. Maar ook als te goeder trouw werd ontvangen, doch later de wetenschap verkregen van den ongunstigen vermogenstoestand, waarin de schenker ten tijde der schenking verkeerde, en eerst daarna het ontvangene werd verteerd, bestaat er geen reden de verplichting tot teruggave te beperken, ja nog meer reden haar niet te beperken, dan wanneer na de faillielverklaring van den schenker wordt verteerd.
199
In het eerste geval toch wordt stellig te kwader trouw verteerd, immers met de wetenschap dat de schenking ten nadeele der schnldeischers is gedaan, en dat men op dien grond tot teruggave kan worden aangesproken, terwijl de faillietverklaring op zich zelf bedoelde wetenschap nooit geeft, maar alleen een sterk vermoeden oplevert, dat die omstandigheden aanwezig zijn.
Op het verweer van den gedaagde: ik heb vóór de faillietverklaring, wat ik ontving, verteerd, moet de curator kunnen repliceeren, toen gij de schenking ontvingt of wel toen gij het ontvangene verteerdet, waart gij bekend met den vermogenstoestand waarin de schenker verkeerde, toen hij die schenking tleed. Het artikel laat zoowel de eene als de andere repliek toe, daar de woorden «van wien niet blijkt, dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was», niet vorderen dat die wetenschap juist ten tijde der schenking, maar veeleer dat zij in 't algemeen, dns ook daarna, heeft ontbroken
Op bl. 18G werd erop gewezen, dat de wet op den regel: geen nietigheid van verplichte handelingen, twee uitzonderingen kent. Deze worden gevonden in artikel 47. De nietigheid van de voldoening 2), door den schuldenaar, aan een opeischbare schuld kan worden ingeroepen, 1°. wanneer de voldoening geschiedde aan iemand die wist, dat het faillissement van den schuldenaar was aangevraagd 3), 2°. wanneer de voldoening
') Mr. Vkeguns, a w., bl. 71, kan dit niet in de wet lezen, al adit hij het rationeel.
J) In het Regeeringsontwerp en in de Memorie van Toelichting werd van helaling van opeischbare schulden gesproken In overleg met de Commissie van voorbereiding is, evenals in art. 20, hctaling veranderd in voldoening, ten einde duidelijk te doen uitkomen, dat niet alléén aan geldschulden moet worden gedacht. Voldoening heeft de ruime beteekenis, waarin het llurgelijk Wetboek, doch niet het spraakgebruik, betaling bezigt. Het ware zeker consequent geweest nu ook in het geheele artikel het woord betaling door voldoening te vervangen. Er staat thans ééns, in den aanhef, voldoening en verder drie-maat betaling.
'/Aangevraagd// omvat hier, evenals in andere artikelen, bijv. art. 54, de aangifte tot faillietverklaring. Deze ruimere beteekenis heeft //aanvraag// overal, waar het woord alléén voorkomt en uit den inhoud der bepaling niet het tegendeel blijkt. Zoo werd in bet Oorspronkelijke Regeeringsontwerp ook in art. 18 alleen van het //aangevraagd// worden der faillietverklaring gespro-Molengamp;aaff, ralüissementswct.
200
het gevolg was var: overleg tnssclien don schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebbende dezen boven andere schuld-eischers te bevoordeelen. Het bewijs van het bestaan van een dezer omstandigheden rust op den curator, immers op hem die zich op de nietigheid beroept.
»De eerste uitzondering: nietigheid van de betaling eener opeischbare schuld aan hem die bekend is met de aanvrage tot faillietverklaring, spreekt voor zich zelve. De schuldeischer, die niet bloot een faillissement ducht, maar de zekerheid heeft verkregen, dat daartoe aanvrage is gedaan, mag gezegd worden in strijd te handelen met de goede trouw, door hem ook jegens zijne mede schuldeischersin acht te nemen, wanneer hij onder die omstandigheden nog betaling van zijn schuldenaar vraagt en aanneemt, en zich op die wijze aan den concursus onttrekt.
â Dezelfde overweging heeft er toe geleid ook de tweede uitzondering voor te stellen. Zij laat al die gevallen onaangetast, waarin eene schuld op regelmatige wijze wordt geïnd, waarin de betaling verkregen wordt door daarop aan te dringen, vonnis te vragen, beslag te leggen of te executeeren. De bedoeling is veeleer uitsluitend de betalingen te treffen, welke hetzij oj) een afspraak berusten om, wanneer het tot een faillissement mocht komen, den schuldeischer buiten den concursus te houden, hetzij â en dat dikwijls op initiatief van den schuldenaar â gedaan worden in den vooravond van het faillissement, omdat dit zal worden aangevraagd, en terwijl de schuldeischer volkomen bekend is met den toestand waarin zijn schuldenaar verkeert. Dat van de bedoelde omstandigheden behoort te blijken, daaraan moet, daar het hier eene uitzondering op den regel geldt, streng worden vastgehouden. De bepaling mag geen aanleiding geven om als nietig te beschouwen datgene wat de schuldeischer krachtens uitoefening van zijn vorderingsrecht heeft verkregen. Vandaar dat op den curator het bewijs rust van de aan-
ken. Naar aanleiiling eenei1 opmerking der Commissie van voorbei-eiiling is later in dit artikel de aangifte nevens de aanvraag vermeld. De/.elfde opmerking werd bij andere artikelen, zooals de artikelen 47 en 54 niet herliaald; van daar dat daarin het enkele //aangevraagd// bleef staan.
201
wezigheid der omstandigheden, als voorwaarden voor de nietigheid gesteld « 1).
Mr. Veegens 2) merkt terecht op, dat het geven van surplus bij prolongatie of beleening, als voldoening aan eene opeischbare sclmld, binnen dit artikel kan vallen. In zooverre is de uitspraak, in de Memorie van Toelichting ;!) voorkomende : âhet ge ven van surplus, als uitvoering van vooraf' bedongen zekerheid, zal steeds onaantastbaar zijnquot;, niet geheel juist. Deze uitspraak werd echter gedaan met het oog op ai-t, 42, welk artikel inderdaad op het geven van surplus nooit kan worden toegepast. Wat betreft de toepasselijkheid van art. 47, waar een regelmatige gang van zaken wordt gevolgd, zullen de voorwaarden die het artikel stelt, zelden aanwezig zijn, zoodat hier voor de gebruikelijke prolongatie- en beleening-contracten geen wezenlijk gevaar schuilt.
In verband met art. 47 was te voorzien in eene eigenaardige moeilijkheid, waartoe de regeling van het regresrecht bij wissels, promessen, assignaties en sommige toonderpapieren aanleiding geeft.
Het regresrecht van den houder van een der drie eerstgenoemde papieren op zijne voormannen hangt af van een tijdig opgemaakt protest van betaling. «Jegens hen is hij verplicht op den vervaldag de betaling af te vragen, en vervolgens de weigering om te betalen binnen den door de wet bepaalden termijn bij akte van protest te doen constateeren. Verzuimt hij het een of het ander, hij verliest zijn verhaal; weigert hij de betaling aan te nemen waartoe de schuldenaar bereid is, er is van regres evenmin sprake. De houder van de genoemde stukken is dus verplicht op den vervaldag betaling te vragen en aan te nemen, ook al is het hem bekend, dat des schuldenaars faillietverklaring is aangevraagd. Niettemin zou hij in dat geval, bij toepassing van artikel 47, de ontvangen betaling in den boedel terug moeten brengen, zonder nochtans deswege recht van regres tegen zijne voormannen te verkrijgen. Hetzelfde geldt voorliet kassierspapier en ander papier aan toonder in de derde afdeeling van den achtsten titel van het Wetboek van Koop-
1
') Meiuoiie van Toelichting: Belinfante I, bl 91; v. n Kei.t/. 1. bl. 449.
2
) A. \v., bl. 'i. quot;) Belinfante 1, bl. 83; v. n, Feltz I, bl. 430.
202
handel behandeld. De houder dezer papieren is verplicht ze binnen de in de artikelen 225 en 227 Wetboek van Koophandel bepaalde termijnen ter betaling aan te bieden, wil hij zijn vei'haal op zijn voorman niet verliezen. Het resultaat zou dus bij al deze papieren zijn, dat de houder in elk geval zijn regresrecht verliest en bovendien de door hem ontvangen betaling moet teruggeven, een resultaat, lijnrecht in strijd met recht en billijkheid » ').
Op grond dezer overwegingen bepaalt art. 48 eerste lid, dat krachtens het vorige artikel geene terugvordering kan geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder 2), uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was; en, opdat dit voorschrift niet misbruikt worde tot ontduiking van ai-tikel 47, voegt het tweede lid (van artikel 48) er aan toe: «in dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeldquot;. De derde voor wiens rekening de wissel is getrokken, of de trekker die door middel van den wissel eene vordering op den betrokkene heeft geïnd, zal mitsdien kunnen worden aangesproken, indien de wisseltrekking diende om eene door art. 47 gewraakte betaling langs een omweg te verkrijgen. Door deze regeling heeft de wetgever getracht aan de rechtmatige eischen van het handelsverkeer te voldoen.
Het instellen van eene rechtsvordering tot nietigverklaring wordt door de artikelen 42â48 niet vereischt. Wèl zal de nietigheid, in deze artikelen uitgesproken, vaak den feitelijken grondslag uitmaken eencr rechtsvordering van andere strek ⢠king, bijv. van eene rechtsvordering tot temggave van hetgeen
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl 92 ; v. d. Feitz I, bl. 452 v.
'i) Deze algemeene term is gekozen, omdat men rekening wilde honden met de mogelijkheid, dat de wetgever het geraden zal achten ook bij andere order-en toonderpapieren, dan die welke genoemd worden in den G,len en T''quot;1 titel van het Eerste Boek van hel Wetboek van Koophandel, omtrent het regresrecht des houders eene gelijksoortige regeling in het leven te roepen als thans voor deze papieren bestaat.
203
door de nietige handeling aan don boedel is ontirokken of van de waarde daarvan.
Door wien gedurende het faillissement eene vordering van dien aard moet worden ingesteld, is niet moeilijk aan te wijzen. Zonder eenigen twijfel heeft men te doen met eene vordering, welke rechten tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp heeft, immers de nietigheid wordt, volgens art. 42, ingeroepen «ten behoeve van den boedel«. De curator is dus degene die de vordering heeft in te stellen. Artikel 49 eerste lid bepaalt dit uitdrukkelijk.
Aanleiding tot deze misschien overbodige uitspraak gaf de strijd, die onder vigueur van het Wetb. v. Kooph. werd gevoerd over de vraag, door wien de Pauliana moest worden ingesteld, door den curator of door de schuldeischers, dan wel of beiden gelijkelijk bevoegd waien. Nu de curator met de instelling dezer vorderingen is belast, is daardoor tevens uitgemaakt, dat de schuldeischers daartoe niet bevoegd zijn. Eu terecht. De curator is hun wettelijke vertegenwoordiger, die voor hunne belangen heeft op te treden.
Alleen bij gelegenheid der verificatie kunnen de schuldeischers zelfstandig optreden ter behartiging der boedelbo-langen, daar hun het recht is toegekend de toelating eener vordering te betwisten. Dit doende moeten zij zich kunnen gronden ook op de nietigheid der handeling, waarop de vordering steunt. Ten einde allen twijfel omtrent deze hunne bevoegdheid te voorkomen, luidt het tweede lid van artikel 49; «Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan die bepalingen (der artikelen 42â48) ontleend, de toelating eener vordering bestrijdenquot;.
De nietigheid, waarvan hier sprake is, leerden wij kennen als eene betrekkelijke, als eene nietigheid uitsluitend ten behoeve van den boedelquot;, waarop alleen door hem. die voor de belangen van den boedel optreedt, een beroep kan worden gedaan. Noch de schuldenaar, noch diens mede contractant is bevoegd tegen de handeling met een beroep op hare nietigheid op te komen, of zich op grond harer nietigheid van zijne verplichtingen ontslagen te rekenen. Na afloop van het faillissement kan derhalve van nietigheid in het geheel geen sprake meer wezen; er is dan geen failliete boedel meer, ten
204
behoeve waarvan do nietigheid kan worden ingeroepen, geen persoon meer, bevoegd de nietigheid te beweren. Vandaar dat alle rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen dei-artikelen 42â48, komen te vervallen, als het faillissement door de homologatie van een akkoord een einde neemt '),
In art. 50 wordt dit uitdrukkelijk bepaald, maar tevens eene uitzondering gemaakt voor een bijzonder geval. Houdt het akkoord boedelatstand in, dan worden de genoemde rechtsvorderingen ten behoeve van de schuldeischers vervolgd door de verefifenaars en kunnen ze door dezen zelfs worden ingesteld, als ze nog niet aanhangig zijn. De reden daarvoor is gelegen in het eigenaardige karakter van het boedelafstand-akkoord. Feitelijk beteekent dit niets anders dan vervanging der gerechtelijke vereffening voor en namens de schuldeischers door eene contractueele. Do schuldenaar treedt niet in het vrije beheer van zijn vermogen terug. De belangen der schuldeischers bij de vereffening van den boedel ondergaan geenerlei wijziging; bijgevolg blijft ook hun belang bij de nietigheid van handelingen, waardoor de te vereffenen boedel is benadeeld, onveranderd voortbestaan 1).
Met de aanwijzing van de gevallen van nietigheid en van de personen die zich daai-op kunnen beroepen, heeft de wetgever terecht zijn taak nog niet voltooid geacht. Ook de gevolgen der nietigheid, en daarmede haar practische beteekenis, heeft hij gemeend te moeten aangeven. De ervaring drong daartoe. Het Wetboek van Koojihandel toch had de bepaling dier gevolgen aan den rechter overgelaten, hetgeen geleid had tot eene voor het verkeer allernoodlottigste rechtspraak. De Memorie van Toelichting noemt ten bewijze daarvan het arrest van den Huogen Raad van 18 Maart 1884, W. n0 5019 (vervv. het beroep in cassatie tegen het arrest van het Hof te Leeuwarden van 20 Dec. 1882, fV. n0 4862), waarbij werd beslist, dat de
1
) Dat ile curator in het faillissement, liquidateur van den boedel geworden krachtens een akkoord, waarbij de failliet boedelafstand heeft gedaan, niet bevoegd is de actio Panliana, door hem als curator ingesteld, in boven vermelde qualiteit voort te zetten, besliste de Rb. te Rotterdam 12 Dec. 1877, W. n0. 4191. Uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel was dus noodig.
205
vernietiging1 eener overeenkomst van koop en verkoop van onroerend goed, op grond van bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischers, deze overeen komst bmten-effect-stelt met dien verstande, dat de kooper geenerlei recht op het onroerend goed heeft verkregen en dus ook geene rechten daarop kon verleeneu. Een door hem gegeven hypotheek is, onverschillig of hij, aan wien de hypotheek werd toegestaan, te goeder trouw was of niet, even nietig als de koop en verkoop zelve. Meer algemeen geformuleerd, luidt dus de leer van den Hoogen Raad, dat de nietigverklaring van de handeling ten gevolge heeft, dat al latere beschikkingen over het goed, dat het voorwerp was dier handeling, eveneens door nietigheid worden getroffen, onverschillig of daarbij van eene of zelfs van beide zijden te goeder trouw werd gehandeld.
De bedenkelijke gevolgen dier leer springen in het oog. Zij brengt feitelijk de nietigheid ten laste van derden, die niet alleen volkomen te goeder trouw handelden, maar ook met de omstandigheden, die recht geven tot het inroepen dei-nietigheid, niet bekend konden zijn. »Niet alleens, zegt de Memorie van Toelichting1), «is dit te eenenmale in strijd met den rechtsregel, dat de schade van het misbruikte vertrouwen moet komen ten laste van hem die het vertrouwen schonk (in casu van de schuldeischers, die hun schuldenaar crediet verleenden), maar bovendien wordt daardoor aan alle transacties met onroerend goed, speciaal aan het grondcrediet, alle rechtszekerheid ontnomen. Hoe toch kan de kooper of geldschieter ooit afdoende gewaarborgd zijn, dat niet eene vroegere overdracht van het goed later tot eene Pauliana aanleiding zal geven? De zekerheid van den eigendom on van het hypotheekrecht is eene fictie, zoolang recht zal zijn, wat het bovenaangehaalde arrest beslistequot;.
De leer van den Hoogen Raad is bovendien in strijd met den grondslag van het recht, dat de schuldeischers te dezen kunnen doen gelden, welk recht voor zooverre het niet strekt om schenkingen ongedaan te maken , juist steunt op de kwade trouw van hem tegen wien het zich keert.
Er waren dus wel overwegende reden om met het stelsel,
') Belinfante I, bl. 94: v. u. Feltz I, bl. 457.
206
dat de vernietiging van de handeling, waardoor de boedel is benadeeld, van rechtswege de zaken doet terugkceren in den toestand, waarin zij verkeerden vóór dat de handeling werd verricht, geheel te breken. In plaats daarvan is aangenomen, dat de nietigheid der handeling den boedel aanspraak geeft op herstel in den vorigen toestand, voor zooverre dit mogelijk is bij eerbiediging der rechten, inmiddels door derden te goeder trouw verkregen. Art. 51 geeft aan deze gedachte uitdrukking door het voorschrift, dat, behoudens het bepaalde i» art. 46 omtrent schenkingen , hetgeen door de nietige handeling uit het vermogen van den schuldenaar is gegaan, door hem, togen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven moet worden (al. 1). Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ontvangene niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht (al. 2). In elk geval worden de rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, geëerbiedigd (al. 3).
Uit de woorden van het artikel, speciaal tiit het gebruik van het woord «teruggeven«, mag niet worden afgeleid, dat steeds eene vordering tot teruggave zou moeten worden ingesteld. Zoo als hierboven (hl. 192) reeds werd aangeteekend, wordt in de artt. 42â51 consequent van » nietigheid» en «het inroepen der nietigheid », niet van « vernietiging « of â¢/ nietigverklaring «, gesproken, ten einde duidelijk te doen uitkomen, dat de curator zich kan stellen op het standpunt, dat de handeling ten opzichte van den boedel niet bestaat, geenerlei rechtskracht bezit. Hij zal dus ook met de revindicatie kunnen opvorderen; trouwens ook deze vordering heeft het uitleveren, afgeven der zaak ten doel. Alleen zal hij met de revindicatie niet kunnen optreden tegen hen, die inmiddels te goeder trouw rechten op de zaak hebben verkregen. De vervolgbaarheid van den eigendom (en andere zakelijke rechten) is hier beperkt tot hem die door de nietige handeling verkreeg, en diens rechtsopvolgers te kwader trouw.
Het spreekt van zelf, dat als in den boedel is teruggebracht, wat daaraan door de nietige handeling was onttrokken, de boedel daardoor niet zonder grond mag worden bevoordeeld. Den curator wordt derhalve door het laatste lid van art. 51
207
de verplichting opgelegd , het duor den schuldenaar ontvangene, of do waarde daarvan, terug te geven, voor zooverre do boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen. De boedel is niet gebaat door hetgeen krachtens de nietige handeling als contra-pracstatic word ontvangen, als die contra-praestatie, tijdens de faillietverklaring niet meer in den boedel aanwezig is, noch eenig daarvoor in de plaats gekomen aequivalent, bijv. omdat do schuldenaar de contra-praestatie heeft verteerd.
0. Invloed van het faillissementsbesl(i(j op betaiiny en sckuld-veryelijking (artt. 52â55).
Met den dag, waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, verliest de schuldenaar beheer en beschikking over zijn vermogen. Hem kan dus niet meer geldig worden betaald. Alleen wie aan den curator betaalt, is deugdelijk gekweten. Betaalt, men aan den gefailleerde, de curator zal opnieuw betaling kunnen vragen, tenzij de betaling aan den gefailleerde ten bate is gekomen van den boedel, bijv. doordat de gefailleerde het ontvangene aan den curator heeft afgedragen. Dit bijkomende feit maakt de betaling tot eene bevrijdende betaling, daar anders de boedel op kosten van dengene die de betaling deed, zonder grond, zou worden verrijkt. Artikel 52 laatste lid bepaalt dienovereenkomstig: win elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen».
De schuldenaar kan zich niet ei-op beroepen, dat hij aan den gefailleerde betaalde, onkundig van diens faillissement. De openbaarmaking van de faillietverklaring dient om dit feit algemeen bekend te maken; nadat zij heeft plaats gehad, wordt een ieder, ook in rechte, geacht met de faillietverklaring bekend te zijn. Op dien grond wordt op onbekendheid met het faillissement geen acht geslagen; maar tevens volgt daaruit, dat daarop wel moet worden gelet, als de openbaarmaking nog niet heeft plaats gehad of nog niet te algemeener kennisse kon komen.
In het eerste geval voorziet het eerste lid van artikel 52. Voldoening (in de terminologie van het Burgerlijk Wetboek:
208
betaling) aan tlou gefailleerde na de faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, ter vervulling van verplichtingen vóór de faillietverklaring aangegaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring niet wordt bewezen. Wie dus den gefailleerde betaalt vóór de bekendmaking van het faillissement, wordt vermoed met het faillissement niet bekend te zijn geweest en daarom door zijne betaling bevrijd. Den curator staat het echter vrij te bewijzen, dat de faillietverklaring aan hem, die voldeed, toch niet onbekend was, en dat mitsdien de voorwaarde voor de bevrijdende werking der betaling ontbi-eekt.
Het tweede geval, dat de bekendmaking nog niet te alge-meener kennisse kon komen, wordt behandeld in het tweede lid van art. 52. Wanneer hij, die de betaling aan den gefailleerde deed na de bekendmaking der faillietverklaring, bewijst dat deze te zijner woonplaats langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, wordt hij door die voldoening tegenover den boedel bevrijdt, behoudens het recht des curators om aan te toonen, dat de fallietverklaring hem toch bekend was. De schuldenaar kan niet volstaan met zijne eigen onwetendheid aan te toonen. In het belang der rechtszekerheid wordt vastgehouden aan het wettelijke niet voor tegenbewijs vatbare vermoeden, dat openbaarmaking bekendheid schept. Dit brengt mede, dat individueel werkende oorzaken van onwetendheid niet in aanmerking mogen komen, ook al verhinderden die oorzaken feitelijk de kennisneming van de openbaarmaking. Alleen wanneer de openbaarmaking, en wel de wettelijke, voorgeschreven in art. 14 derde lid, ter ivoonplaafsc van den schuldenaar nog niet bekend kon zijn, m. a. w. nog niet te algemeener kennisse kon komen, maakt het wettelijk vermoeden der bekendheid, dat dan eigenlijk zijn feitelijken grondslag mist, plaats voor een vermoeden van onbekendheid, dat echter weer op zijn beurt moet wijken voor het door den curator te leveren bewijs van individueele bekendheid. Dit bewijs zal o a. geleverd zijn, als wordt aangetoond, dat de schuldenaar de betaling heeft gedaan niet te zijner woon-plaatse, maar bijv. ter woonplaatse van den gefailleerde,
209
nadat aldaar de wettelijke aankondiging reeds had plaats gehad, en dus geacht moest worden algemeen bekend te zijn.
Eene eigenaardige wijze van betaling of voldoening, eene met gesloten beurzen, is de schuldvergelijking. In verband met het faillissement van een der partijen gaf de schuldvergelijking onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel tot vele moeilijkheden aanleiding. Het stilzwijgen der wet was daarvan de oorzaak. Voornamelijk liep de strijd over het hi vergelijking brengen van door het faillissement opeischbaar geworden vorderingen. Beslechting van dien strijd is Let doel van art. 53 der Faillissementswet, luidende:
quot;Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den ge-gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen vóór do faillietverklaring met den gefailleerde verricht.
â De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteldquot;.
In ruimer mate wordt door deze bepaling schuldvergelijking toegelaten dan buiten faillissement door art. 1463 B. W. In de plaats van de twee vereisehten, door dit artikel gesteld, dat de schulden wederzijds voor eene dadelijke vereffening en opeisching vatbaar zijn, treedt dit ééne vereischte, dat zij beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.
De schuldenaar van den gefailleerde, die tevens diens schuldeischer is, zal zich derhalve tegen den curator op schuldvergelijking kunnen beroepen, o. a. in de volgende gevallen:
1°. Als zijne vordering is eene vordering tot schadevergoeding op grond van de artt. 37 en 38 Fw , of op grond van de ontbinding eener vóór de faillietverklaring met den gefailleerde gesloten overeenkomst, tegen den curator uitgesproken. In deze gevallen toch vloeit de vordering tot schadevergoeding voort uit eene handeling, vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht; nl. de met dezen gesloten overeenkomst.
2°. Als zijne vordering er eene is met eene tijdsbepaling, of wel eene waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen.
Molkngk a a FaUlisscmcutswet. ^
210
Dergelijke vorderingen worden volgens artikel 131 geveri-tieerd voor de waarde, welke zij hebben bij den aanvang van liet faillissement of na verloop van één jaar na den aanvang daarvan. Het faillissement brengt ze definitief terng tot, fixeert ze op die waarde. Zo worden dus feitelijk en rechtens geconverteerd in opeisclibare vorderingen ten bedrage dier waarde. Het tweede lid van art. 53 houdt hiermede rekening door de bepaling, dat ook voor de schuldvergelijking die waarde in aanmerking komt.
3°. Als zijne vordering is eene vordering onder opschortende voorwaarde. Ook deze kan worden geverifieerd voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring (art. 130 eerste lid). Daardoor wordt zij geconverteerd in eene onvoorwaardelijke vordering voor het geverifieerde bedrag. Het is dus ook dit bedrag, dat in vergelijking wordt gebracht, zooals mede in art. 53 tweede lid wordt aangewezen.
Een dergelijke vordering kan echter nog op eene andere wijze worden geverifieerd, nl. voorwaardelijk voor het volle bedrag worden toegelaten (art. 130 tweede lid). Daar alsdan geen conversie in eene onvoorwaardelijke vordering plaats heeft, kan van dadelijke schuldvergelijking geen sprake zijn, maar zal, zoolang de voorwaarde niet is vervuld, alleen een voorwaardelijk recht op schuldvergelijking bestaan, waaraan de schuldenaar, aangesproken wordende door den curator, eene dilatoire exceptie kan ontleenen.
4quot;. Als zijne vordering er eene is, waarvan de waarde onbepaald of onzeker is, niet in Nederlandsch geld of inliet geheel niet in geld is uitgedrukt. Vorderingen van dien aard worden, voor zooveel noodig met omzetting in geldvorderingen, geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld (art. 133), en kunnen dus voor het geverifieerde bedrag in vergelijking komen.
Wat de schulden aan den boedel betreft, ook deze kunnen, evenals de vorderingen op den boedel, in vergelijking worden gebracht, wanneer daaraan eene opschortende voorwaarde of eene tijdsbepaling is toegevoegd. Eene berekening naar de regels, in de artikelen 130 en 131 Fw. gesteld, heeft echter niet plaats. Mitsdien zal, als de schuld aan den boedel eene voorwaardelijke is, ook de schuldvergelijking niet anders dan
211
voorwaardelijk kunnen wezen. Is aan de schuld eene tijdsbepaling verbonden, dan moet niet de contante waarde, maar het volle bedrag der schuld in aanmerking worden genomen
Dit resultaat mag volkomen billijk heeten. Men bedenke slechts, dat de schuldenaar van den boedel niet verplicht is, zich op vergelijking te beroepen. Doet hij het, vóórdat zijne schuld opeischbaar is, dus vóórdat hij kan worden aangesproken, hij zal het doen uitsluitend in zijn eigen belang, omdat hij daarbij voordeel heeft. Zijne schuld bij die gelegenheid tot de contante waarde terug te brengen , ware door niets gerechtvaardigd en zou eene geheel ongemotiveerde benadeeling van den boedel ten gevolge hebben. Dat de schulden van den boedel voor de contanto waarde in vergelijking komen, is geen argument om de schulden aan den boedel op dezelfde wijze te behandelen. De boedel toch verliest niet alleen het voordeel van de tijdsbepaling, maar moet zich bovendien schuldvergelijking laten welgevallen, als zijn schuldenaar het verlangt, zonder zelf in even ruime mate daarop een beroep te kunnen doen. Alleen de schuldenaar-schuldeischer van den gefailleerde kan van art. 53 gebruik maken, niet ook de curator. Deze kan zich van de schuldvergelijking slechts bedienen, als de vereischten, door art. 1463 B. W. gestold, aanwezig zijn.
De uitbreiding, die art, 53 aan het recht van schuldvergelijking heeft gegeven, heeft feitelijk deze beteekenis, dat aan ieder schuldeischer van den boedel wordt toegestaan, zijne vordering afzonderlijk te verhalen op datgene, wat hij aan den boedel schuldig is. Wat hij schuldig is, vormt als het ware een speciaal onderpand voor de richtige betaling zijner vordering. Deze regeling vindt haar grond in de overweging, dat het onbillijk zou zijn, den schuldenaar-schuldeischer van den boedel tot integrale betaling aan den boedel te dwingen, terwijl de zekerheid bestaat, dat die boedel hem niet meer dan percenten zal uitbetalen.
Het is duidelijk, dat deze overweging hare kracht verliest, waar iemand zich opzettelijk, juist met het oog op het faillissement, in depositie van schuldenaar-schuldeischer van den boedel heeft gebracht. Werd ook dan de schuldvergelijking toegelaten, zij zou een gemakkelijk middel opleveren tot
212
berooving van den boedel Vandaar dat artikel 54 liet beroep op schuldvergelijking ontzegt aan den schuldenaar-schuld-eischer van den getailleerde, die zijne vordering op den gefailleerde heeft verkregen , of zijne schnld aan den getailleerde van een derde heeft overgenomen. terwijl hij wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zon worden. Vandaar ook dat het tweede lid van dit artikel bepaalt, dat na de faillietverklaring overgenomen voideringen ot schulden nimmer in vergelijking kunnen worden gebracht.
Van het aanvragen der faillietverklaring wordt in het eerste lid van het artikel in een algemeenen zin gesproken '). Daaronder is dus ook begrepen de aangifte door den schuldenaar. In elk geval zal aan de wetenschap, dat tot faillietverklaring aangifte was gedaan of gedaan zon worden, op het recht, zich van schuldvergelijking te bedienen, dezelfde invloed moeten worden toegekend, als aan de wetenschap, dat een verzoek of een requisitoir tot faillietverklaring is ingediend of genomen.
Misbruiken tegen te gaan is eveneens het doel van artikel 55: «De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order-of toonderpapierquot;.
Eene gelijksoortige bepaling werd gevonden in het Wetb. v. Kooph., in het door art. 2 van de Wet ter invoering van de Faillissementswet afgeschafte art. 205, doch alleen voor den schuldenaar die houder is van een wissel 2).
De beteekenis van art. 55 ligt in het van den houder van het order- of toonderpapier gevorderde bewijs, dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring eigenaar was tc goeder trouw. Hierin is eene afwijking gelegen van den regel, dat goede trouw steeds wordt ondersteld. Voor die afwijking bestaat een goede reden. Order- en toonderpapieren kunnen in den vooravond van het faillissement veel gemakkelijker worden opgekocht dan schulden op naam. Men denke aan
') Verg. noot 3 op bl. 100 hierboven.
quot;-) Kraclitens art. 200 Wetb. v. Koopb. was art. 205 van ilit Wetboek ook van toepassing op promessen aan order.
213
liet geval, dat de gefailleerde obligatiën aan toonder lieeft uitgegeven. Allicht zullen deze kort vóór de faillietverklaring voor weinige percenten te koop zijn, en verleidelijk is het dan voor de schuldenaren van den gefailleerde, ze op te koopen, om ze na de faillietverklaring voor 100 percent met hunne schuld in vergelijking te bi'engen.
Dergelijke handelwijze, die neerkomt op eene berooving van den boedel ten nadeele van de overige schuldeiscliers, mag, als strijdig met de goede trouw, in geen geval worden toegelaten. Om haar te bestrijden is artikel 54 niet voldoende. Wèl volgt uit het tweede lid van dit artikel, dat de schuldenaar van den gefailleerde, die zijn schuld in vergelijking wil brengen met eene vordering uit een order- of toonderpapier ten laste van den gefailleerde, niet kan volstaan met dit papier over te leggen, maar bovendien moet bewijzen, dat hij reeds ten tijde der faillietverklaring eigenaar was van dit papier, bijv. doordat hij het vóór de faillietverklaring heeft aangekocht. Ongetwijfeld is daarin voor den boedel een waarborg gelegen tegen aankoop na de faillietverklaring, niet, echter tegen aankoop vóór en met het oog op de faillietverklaring. Ook het eerste lid helpt hier niet. Al zal de curator van zijn kant het bewijs mogen leveren van de wetenschap, in het eerste lid omschreven, juist bij order- en toonderpapier zal dit uiterst moeilijk gaan, daar het tijdstip van aankoop en de koers waarvoor werd gekocht niet zijn te controleeren. Vandaar dat den houder het bewijs van de verkrijging te goeder trouw is opgelegd; hij moet dus aantoonen , dat de aankoop niet is geschied voor de leus of met het doel bij een voor de deur staand faillissement van schuldvergelijking gebruik te maken, maar onder omstandigheden die de gedachte daaraan uitsluiten.
§ 7. Invloed van het faillissemenlsbeslag op zakelijke zekerheids-redden (artt. 57â59).
De positie van schuldeischers die een zakelijk zekerheidsrecht hebben, is buiten faillissement zeer verschillend, naar gelang dit recht hun al dan niet de bevoegdheid verleent tot eigenmachtige executie. Die bevoegdheid bezitten de pandhouder en do eerste hypotheekhouder, die het bekende
214
beding van art. 1223 B. W. heeft gemaakt. Dezen kunnen, ingeval de schuldenaar niet aan zijne verplichtingen voldoet, zonder dat voorafgaande vaststelling (verificatie) van hun vorderingsrecht bij rechterlijk vonnis noodig is, tot verkoop van de hun verbonden zaak overgaan (artt. 1201 en 1223 B. W.). Zakelijk gewaarborgde schnldeiscliers, die het recht tot eigenmachtige executie missen, zooals tweede en verdere hypotheekhouders en eerste hypotheekhouders die het aangehaalde beding uiet hebben gemaakt, staan daarentegen , wat de vervolging en de executie van hun recht betreft, geheel met alle andere schuldeischers gelijk. Tenzij hun vorderingsrecht \üt eene authentieke aUte blijkt, is gerechtelijke vaststelling of verificatie daarvan een vereischte. De weg, om tot die vaststelling te komen, is voor hen, evenals voor alle andere schuldeischers, het proces, hetzij dit aan de executie vóórafga at, hetzij het, zooals bij de conservatoire rechtsmiddelen, als het ware een incident uitmaakt in de executie. Deze zelve geschiedt op de wijze en met inachtneming der formaliteiten, in het Tweede Boek van het Wetb. v. Burg Rechtsv. vastgesteld voor de executie van executoriale titels betreffende geldvorderingen.
Dit verschil in kracht en in beteekenis van het zakelijke zekerheidsrecht doet zich ook bij faillissement van den schuldenaar gelden. De bevoegdheid tot eigenmachtige executie wijst den zakelijk gewaarborgden schuldeischer een plaats aan buiten het faillissement; het gemis dier bevoegdheid stelt hem met alle andere, voldoening uit den boedel vorderende, schuldeischers op ééne lijn. Uit dien hoofde worden, in overeenstemming met het Wetboek van Koophandel, artt. 854 en 858, alleen de hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in art. 1223 B. W., heeft gemaakt, en de pandhouder biiiteu het faillissement gelaten. Zij kunnen, volgens art. 57 eerste lid, hunne rechten uitoefenen !), alsof er geen faillissement ware 1).
1
) Artt. 57 vlg. vermelden niet, zooals de artt. 854 vlg. VV. v. K., nevens den pandhouder nog afzonderlijk den heleeitcr, omdat verpandiny en beleeniny twee woorden zijn voor dezelfde zaak.
215
Zij behoeven, om tot executie te kunnen overgaan, met in het faillissement op te komen; met verificatie hebben zij niets te maken. Slechts voor het geval, dat hunne vordering eene zoodanige is, als vermeld in de artt. 130 en 131 (d. w. z. eene vordering onder opschortende voorwaarde, met eene tyds-bepaling '), waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen) maakt het tweede lid van art. 57 eene uitzondering. Ten aanzien van deze vorderingen kunnen de bedoelde schnldeischers hunne rechten alléén uitoefenen n:\ verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag, waarvoor de vordering is erkend. In dit geval blijven zij dus niet geheel buiten het faillissement, maar bepalen hunne rechten zich tot zelfstandige executie nadat de verificatie heeft plaats gehad. Zij kunnen alsdan hun onderpand zelf verkoopen, terwijl alle andere tot den faillieten boedel behoorende zaken na de insolventie door den curator moeten worden te gelde gemaakt.
Behalve de pandhouder en de onherroepelijk gevolmachtigde eerste hypotheekhouder, kan ook de commissionnair de rechten, hem door de artt. 81â83 W. v. K. toegekend, uitoefenen, alsof er geen faillissement ware (art. 84 W. v. K.; zie hierboven bl. 62). Wel heeft de commissionnair noch pandrecht noch hypotheekrecht, doch slechts een voorrecht, maar een voorrecht, dat in zooverre van andere voorrechten afwijkt, dat daaraan een eigenaardige bevoegdheid tot executie is verbonden. De commissionnair kan zijne vordering op de zaken, waarop hein voorrecht is toegekend, óf geheel eigenmachtig verhalen (art. 81), öf althans zonder voorafgaande verificatie van zijn recht, na een eenvoudig verlof van den rechter (artt. 82 en 83). Wat de macht tot executie betreft, staat de commissionnair dus vrijwel gelijk met den pandhouder en den hypotheekhouder voornoemd; vandaar dat hij evenals dezen buiten het faillissement blijft.
Buiten het faillissement blijft ook de makelaar in zee-assurantiën , die de polis in handen heeft. Hem kent art. 684 al. 2 W. v. K., in geval van faillissement des verzekerden, het
gt;) In den regel worden hypothckairc vorderingen in geval van faillissement van den sulmldenaar opeischbaar gesteld. Art. 131 is dan niet van toepassing. Moi.enuuaaff , FiiiUisseiiieiitBwet.
21G
recht toe, de door den verzekeraar nog verschuldigde schade te innen en zichzelven daaruit te betalen, zoodat hij in het faillissement niet behoeft op te komen (zie hierboven bl. 62).
Soortgelijk recht, maar niet beperkt tot het geval van faillissement van hunnen schuldenaar, bezitten metselaars, timmerlieden en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken van eenig ander aangenomen werk gebezigd zijn. Volgens art. 1650 B. W. hebben zij eene rechtsvordering tegen dengene te wiens behoeve de werken gemaakt zijn, -/ten beloope van hetgene deze aan den aannemer schuldig is op het oogenblik waarop zij hunne rogtsvordo-ring aanleggen». Hun wordt daardoor een bijzonder recht van verhaal toegekend op hetgeen hun schuldenaar, de aannemer, te vorderen heeft, welk recht door diens faillissement niet verloren gaat. Uitdrukkelijk werd in dien zin beslist door de Eb. te Haarlem 17 A.pril 1888, P. v.J. 1888 n0. 69 (met uitvoerige conclusie van het Openb. Min.). De practijk stemt hiermede overeen, blijkens de feiten vermeld in het vonnis van de Eb. te Amsterdam van 18 Aug. 1891, P. v. J. 1891, n0. 90, en het arrest van den Hoogen Eaad van 6 April 1894, W. n0. 6485.
Ook waar elders aan schuldeischers de bevoegdheid wordt toegekend, zich op het onderpand hunner vordering, zonder voorafgaande vaststelling of verificatie van hun recht, na eenvoudig verlof van den rechter, te verhalen, zal moeten worden aangenomen, dat het faillissement van hunnen schuldenaar aan de uitoefening van hun recht niet in den weg staat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk bepaalt. Zoo zal aan den schipper de bevoegdheid, de vervoerde goederen ten beloope van de vracht, onkosten en averij te verkoopen, hem in art. 489 W. v. K. gegeven, in geval van faillissement van den bevrachter of inlader, bezwaarlijk kunnen worden ontzegd. Hetzelfde geldt voor den voerman of schipper, rivieren en binnenwateren bevarende, en den ondernemer van openbare rijtuigen en vaartuigen met betrekking tot het gelijksoortige recht, hun in art. 94 al. 2 VV. v. K. jis. artt. 96 al. 1 en 755 al. 2 W. v. K. toegekend.
De pandhouder en eerste hypotheekhouder zijn bevoegd hunne rechten uit te oefenen, alsof er geen faillissement
217
ware, daartoe verplicht zijn ze niet. Maar de afwikkeling van den boedel, waartoe ook de aan hen verbonden zaken bebooren, mag niet worden tegengehouden, doordat zij goedvinden hun recht niet te vervolgen. Daarom bepaalde art. 854 al. 2 W. v. K., dat de curators aan den rechter de bepaling van eenen termijn konden vragen, binnen welken deze schuld-eischers verplicht zouden zijn hunne rechten uit te oefenen, bij gebreke waarvan de curator zelf tot verkoop van het onderpand kon overgaan.
Art. 58 Fw. gaat verder. Het vaststellen van den fatalen termijn door den rechter kan aanleiding geven tot een misschien langdurig proces en zal steeds gepaard gaan met omslag en kosten. Ten einde het een en het ander te voorkomen , is thans de termijn in de wet zelf vastgesteld.
Naar luid van art. 58 zijn de hypothekaire schuldeischer en de pandhouder verplicht hunne rechten uit te oefenen vóór het verstrijken van eéne maand, nadat de insolventie is begonnen, behoudens de bevoegdheid van den rechter-commissaris, dien termijn te verlengen bij eene niet voor hooger beroep vatbare beschikking (art. 67 al. 2). Na verloop van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen, en deze, evenals de verhypothekeerde goederen, behoudens het recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen op de wijze bij artikel 174 omschreven, d. w. z. in het openbaar of, met toestemming van den rechter-commissaris en, zoo die er is, ook van de commissie uit de schuldeischers (art. 78 al. 1), ondershands.
De bevoegdheid, ondershands te verkoopen, maakt verkoop van de verbonden zaken op de markt of tor beurze mogelijk. Er bestond trouwens geen reden hier af te wijken van hetgeen in art. 174 in het algemeen zoowel voor roerende als onroerende goederen is bepaald, en dus ook geldt voor goederen, waarop een eerste hypotheek rust, indien althans het beding van art. 1223 B, Wquot;. niet is gemaakt, in welk geval de artt. 57 vlg. niet van toepassing zijn.
De waarde, met name van ter markt of ter beurze verhandelbare zaken, is voortdurend aan rijzing en daling onderhevig en daardoor zeer afwisselend. Voor den boedel zal het lang niet onverschillig zijn , wanneer dergelijke goederen worden
218
verkocht, en van groot belang, dat cle curator daarvoor het geschikte tijdstip kunne uitkiezen. Zijn de goederen verpand, dan beslist de schuldeischer over dat tijdstip. Zijn belang zal vaak identiek zijn met dat van den boedel, edoch niet altijd. Zit bijv. in het onderpand een groote overwaarde, zoodat de schuldeischer voor zijne vordering ruimschoots gedekt is, dan heeft hij bij het bedingen van den hoogsten prijs niet evenveel belang als de boedel. Mits zijne vordering er uit kome, zal de prijs hem onverschillig zijn, terwijl voor den boedel het grootst mogelijke overschot gewenscht is. Ten einde den curator in de gelegenheid te stellen, in een geval als dit den verkoop zelf te bewerkstelligen, bepaalt art. 58 al. 2, dat de curator 1) te allen tijde het verpande voorwerp kan lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met de interesten en kosten.
Het spreekt van zelf, dat van de hem hier verleende bevoegdheid door den curator in den regel alleen dan gebruik zal worden gemaakt, als hij overtuigd is, dat de waarde van het onderpand het bedrag der vordering overtreft.
Gelijke bevoegdheid is den curator, misschien ten onrechte, niet uitdrukkelijk toegekend, met betrekking tot onroerende met hypotheek bezwaarde goederen. De meerdere waardevastheid van onroerende goederen schijnt daarvoor het motief te zijn geweest 2).
In het wetsontwerp, zooals het bij den Raad van State aanhangig werd gemaakt, kwam de bepaling van art. 58 al. 2 in het geheel niet voor, terwijl in de toelichting werd gelezen: wart. 856 Wetb. v. Kooph. (=: art. 58 al. 2) is , als geheel overtollig, niet overgenomenquot; 3). Inderdaad is er veel voor te zeggen, dat de curator niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is, indien het belang van den boedel zulks vordert, maatregelen te nemen als de inlossing van verpande voorwerpen en de aflossing van hypotheken. Hij treedt daardoor zeker niet buiten den hem aangewezen werkkring: het beheer van den faillieten boedel, tot behoud waarvan hij veeleer
1
') Imlien eene commissie nit do schuldeischers is benoemd, moet haar advies door den curator worden ingewonnen (art. 78 at. 1). In elk gevat tiehoeft 11ij inaclitiging van den rechter-commissaris (art. 08 al. 2gt;.
2
) Betinfante II, bi. 77; v. n. Fei.tz I, bl. 477.
3
) Zie Advies van den Raad v. State: Betinfante II,bl. 191 ; v d. Feltz I. bt. 478.
219
werkzaam is. Is deze opvatting de juiste, dan mag aan de niet-vermelding van verhypothekeerde goederen in art. 58 al. 2 geen beteekenis worden gehecht, en moet derhalve het argamentum e contrario, waartoe die niet-vermelding bij eene oppervlakkige beschouwing aanleiding zou kunnen geven , worden gewraakb.
Heeft de hypothekaire schuldeischer of de pandhouder vau zijn recht tot eigenmachtige executie gebruik gemaakt, dan is hij verplicht de opbrengst van het verbonden goed, dat immers een deel uitmaakte van den boedel, aan den curator te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde met de interesten en de kosten te boven gaat (art. 59 al. 1). Ingevolge deze bepaling zal de curator van den executeerenden schuldeischer rekening en verantwoording kunnen vorderen, onverschillig of de opbrengst van het onderpand diens vordering al dan niet overtreft. Is er een saldo, d. w. z. een overschot na voldoening van het verschuldigde met rente en kosten, dan moet dit aan den curator worden uitgekeerd. Is er een tekort, de opbrengst dus niet toereikend om den hypothekairen schuldeischer of pandhouder te voldoen, dan treedt deze voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer op, '/zoo hij zijne vordering heeft doen verifieeren« (art. 59 al. 2). Deze woorden zijn ingelascht, teu einde duidelijk te doen uitkomen, dat de hypotheek- of pandhouder zijne vordering niet behoeft te doen verifieeren om tot executie van zijn onderpand te kunnen overgaan, maar alleen om na de executie voor het tekortkoinende in de opbrengst van den boedel mede te kunnen doelen. Onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel werd hierover verschillend gedacht, en door sommigen beweerd, dat de hypotheek- of pandhouder eerst kan verkoopeu na verificatie ').
Aan deze contx-overse heeft de wetgever een einde gemaakt.
§ 8. Gevolgen van het faillissementsbeslag in verband met het Imivelijksgoederenrecht (artt. 22 al. 2, 61â63).
Indien de gefailleerde gehuwd is, wordt de omvang van het
â¢) Belinfante I, bl. 100 n'. 1; v. D. Feltz I, bl. 478 n'. 1.
220
faillissement, als beslag op Let voruiogen, bepaald door het liuwelijksgoederenreebt. Is iedere gemeenschap tusschen de echtgenooten uitgesloten, dan omvat het faillissement niet anders dan de goederen van den echtgenoot die failliet verklaard is. Voor twijfel is in dit geval geen plaats.
Daar art. 201 B. W., bij gebreke van bedingen daaromtrent, alle vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter beschikking stelt van den man, wordt aangenomen, dat deze vruchten en inkomsten, bij faillissement van den man, deel uitmaken van diens faillieten boedel. De beschikking van den man moet, omdat de wet daaraan geen enkele voorwaarde verbindt, geacht worden onbeperkt te zijn, zoodat de vruchten en inkomsten het eigendom worden van don man, en volgens art. 1177 B. W. voor diens verbintenissen aansprakelijk zijn '). De man zal dus, in geval van faillissement, verplicht wezen de vruchten en inkomsten uit de goederen zijner vrouw aan den curator af te dragen; ze zelf innen, kan de curator niet, omdat het bestuur over de goederen der vrouw, den man in art. 160 al. 3 B. W. toegekend, tot de familierechten behoort, die niet door den curator kunnen worden uitgeoefend (verg. hierboven bl 45).
Niet allen echter zijn van oordeel, dat art. 201 den man een zóó exorbitant recht geeft, als hier werd aangeduid. Volgens een meer aannemelijke opvatting wil het artikel alléén zeggen, dat de man, indien niet is bepaald hoeveel de vrouw jaarlijks uit hare goederen tot de huishouding en de opvoeding der kinderen zal bijdragen, voor dit doel over al de vruchten en inkomsten uit de goederen der vrouw mag beschikken. Daarmede worden hem die vruchten en inkomsten geenszins in eigendom gegeven ; zij blijven het eigendom der vrouw. Slechts ter bekostiging van de huishouding en de opvoeding der kinderen kan de man er over beschikken, en wat er jaarlijks overschiet moet door hem ten name van de vrouw worden belegd2). Hieruit volgt, dat de vruchten en inkomsten
') Aldus Hof den Haag 24 Jan. 1887, W. n0, 545G. â Mr. J. H. Mui.ler, in Rechtsgel. Magazijn 1892, bl. 16 v. â G.ï. in W. n0. 6281.
-) In dezen zin Mr. N. F. van Nooten, in Rechtsgel. Magazijn 1883, bl. 23 v. â Verg. Land, Verklaring v. h. Burg. Welb., dl. 1, bl. 167.
221
der vrouw in geen geval deel uitmaken van den faillieten boedel des mans. Ook na zijne faillietverklaring zal hij voortgaan, ze voor zooveel noodig aan te wenden ten behoeve van de huishouding en de opvoeding der kinderen, i.h.b. door daaruit de huishoudelijke uitgaven te bekostigen.
Wordt de vrouw in staat van faillissement verklaard, dan komen ongetwijfeld het beheer en de beschikking over haar vermogen aan den curator; de man zal het beheer niet langer kunnen voeren. Ook de beschikking over de vruchten en inkomsten uit hare goederen zal hij verliezen. Deze maken deel uit van den faillieten boedel.
Indien tusschen de echtgenooten eenige gemeenschap van goederen bestaat, hetzij deze is de wettelijke algehcele gemeenschap, de gemeenschap van winst en verlies, die van vruchten en inkomsten of eenige andere beperkte gemeenschap, wordt het faillissement, hetzij de man, hetzij de vrouw failliet-verklaard is, volgens de uitdrukkelijke bepaling van art. 63, behandeld als faillissement der gemeenschap. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van art. 21, alle goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. De huwelijksche voorwaarden en bij gebreke daarvan het Burgerlijk Wetboek beslissen, welke goederen de gemeenschap omvat en mitsdien tot den faillieten boedel behooren, en wie als schuldeischers kunnen opkomen.
Het antwoord is het eenvoudigste, als de echtgenooten zijn gehuwd in wettelijke algeheele gemeenschap van goederen. Het faillissement omvat in dat geval alle aanwezige baten, terwijl alle schuldeischers, zoowel die van den failliet als die van zijn echtgenoot, daarin kunnen opkomen ').
Moeilyker wordt de beslissing bij gemeenschap van winst of verlies en bij gemeenschap van vruchten en inkomsten. Van de uitlegging der bepalingen betreffende die gemeenschappen hangt af, welke baten als gemeenschapsbaten zullen worden beschouwd, en voor welke schulden deze aanspra-
') In dien zin reeds: H. R. 4 Dec. 1891, W, n0. 6119, bev. Hof den Haag 20 Apr. 1891, W. n0. 6030 (faillissement van eene gehuwde openbare koopvrouw); Rb. Dordrecht 14 Nov. 1894, VF. n0. 6601 (faillissement van den man).
222
kelijk zullen zijn. In nadere beschouwingen over dit onderwerp van huwelijksrecht kan hier niet worden getreden.
In ieder geval heeft het faillissement van de vrouw, dat als faillissement van de gemeenschap wordt behandeld, ten gevolge dat de man het beheer en de beschikking over de goederen der gemeenschap verliest, al Avordt in het Burgerlijk Wetboek faillissement van de vrouw niet genoemd als een reden , die het beheer van den man doet eindigen. De goederen der gemeenschap maken den faillieten boedel uit, althans behooren daartoe, terwijl volgens art. 68 Fw. de curator belast is met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel. De mogelijkheid van beheer en beschikking over zaken, deel uitmakende van dien boedel, door een ander, hier door den man, wordt daardoor uitgesloten. De curator in heb faillissement van de vrouw is dus gerechtigd, de goederen der gemeenschap op te eischen van den man ') en de inschulden der gemeenschap in te vorderen 2).
Mag nu uit dit alles worden afgeleid, dat, als een dei-in algeheele gemeenschap gehuwde echtgenooten failliet verklaard is, voor faillissement van den anderen echtgenoot geen plaats meer is? Tot dit resultaat kwam de Eb. te Dordrecht 15 Juni 1882, N. Mag. v. Hr 1882, bl. 360, die de faillietverklaring der vrouw van de hand wees, op grond dat de in algeheele gemeenschap gehuwde openbare koopvrouw, wier echtgenoot failliet is verklaard, diens staat van faillissement volgt. Evenzoo weigerde het Hof te Amsterdam 30 Dec. 1881, W, nquot;. 4851; Jï 1882, B bl. 246 v., de heropening van het faillissement van den man, terwijl de vrouw eveneens in staat van faillissement verkeerde, omdat zijne schuldeischers quot; als zij op grond der tusschen man en vrouw bestaande gemeenschap rechten hebben, zich kunnen aanmelden in het faillissement van de vrouw.
Mag men voorts, omdat het faillissement ten bate strekt van alle schuldeischers der gemeenschap, waartoe alle schuldeischers
') Hof den Haag 20 Apr. 1891, hierboven aangehaald.
-j Rb. Rotterdam 9 Mei quot;1887, W. n0. 5530. Zie ook Hof Limburg 10 Mei 1875, bev. Rb. Maastricht 27 Juni 1874, {V. n0. 3998 (faillissement bij gemeenschap van vruchten en inkomsten), en Rb. Amsterdam 12 Mrt. 1879, Regis. Bijbl. 1879, B bl. 189.
223
van beido echfcgenooten beliooren, met deu ïïoogeu Raad 1) aannemen, dat het akkoord, in hot faillissement van eon der echtgeuooten tot stand gekomen, bindend is voor de schuldeischers met wie de andere echtgenoot heeft gehandeld?
Het komt ons voor, dat deze uitspraken en beslissingen te absoluut zijn. Ongetwijfeld, het faillissement van den man of van de vrouw omvat de geheele gemeenschap en deze kan niet voor de tweede maal in beslag genomen en vereffend worden, zoolang het eerste beslag er nog op rust. Maar daarnevens behoort in het oog gehouden te worden, dat ieder der echtgenooten buiten de gemeenschap goederen kan bezitten, die hem of haar persoonlijk toebehooren. Bezit de echtgenoot, die failliet verklaard is, dergelijke niet in de gemeenschap vallende goederen, dan worden ook deze, naar luid van art. 63, onder het faillissement begrepen, â¢/maar zijn alleen aansprakelijk voor de schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijkquot; (d. w z. niet enkel uit krachte der gemeenschap) «verbonden is». Bezit daarentegen de niet-gefailleerde echtgenoot goederen buiten de gemeenschap, dan blijven die goederen buiten het faillissement, wat echter niet wegneemt, dat do persoonlijke schuldeischers van dien echtgenoot daarop verhaal kunnen nemen. Verhaal door alle middelen rechtens, door individueel, maar ook door collectief beslag, d. w. z., als daartoe termen zijn, door faillissement, dat alsdan uitsluitend de hier bedoelde goederen zal omvatten en alléén zal strekken ten behoeve van de persoonlijke schuldeischers van den failliet.
Het als faillissement der gemeenschap behandeld wordende faillissement van den eenen echtgenoot kan op deze rechten der persoonlijke schuldeischers van den anderen echtgenoot op het aan dezen buiten de gemeenschap behoorende vermogen geenerlei invloed hebben. Alleen zullen de bedoelde schuldeischers, indien zij in het faillissement der gemeenschap zijn opgekomen en daaruit eene uitdeeling hebben ontvangen, voor het bedrag daarvan hiin recht tegen hun niet gefail-leerden schuldenaar verliezen. Een akkoord, totstandgekomen in het faillissement der gemeenschap, vermindert dus op zich
J) Arrest van 28 Nov. 1895, W. n0. Ã767, vem. Rb. Zutfen 18 Apr. 1895, P. v. J. 1895 ii». 53.
221
zolf huiino recliteu op do goederen buiten de gemeenschap in geen enkel opzicht; eerst , na ontvangst der akkoord-percenten wordt hun vordering ten beloope dier percenten vernietigd.
Op een en ander is bij de bovenaangehaalde beslissingen niet voldoende gelet. Dit laat zich hieruit verklaren, dat zij betrekking hebben op gevallen van algeheele gemeenschap van goederen, waarbij het eene uitzondering is, dat een der echtgenooten ook nog eigen goederen heeft buiten de gemeenschap. Toch opent art. 175 Burg. Wetb. daartoe de mogelijkheid. Met het (mogelijk) aanwezig zijn of de latere verkrijging van goederen buiten de gemeenschap behoort dus steeds, ook als er algeheele gemeenschap iSj rekening te worden gehouden. Men komt dan tot de conclusie, dat het faillissement van een der in algeheele gemeenschap gehuwde echtgenooten niet belet de faillietverklaring van den anderen echtgenoot op vordering van diens persoonlijke schuldeischers, indien maar wordt aangetoond, dat hij buiten de gemeenschap eigen goederen bezit; de faillietverklaring mag alleen worden geweigerd op grond, dat het bezit van eigen goederen niet is gebleken. Dan zal het voorts duidelijk wezen, dat het feit, dat het faillissement der gemeenschap met een akkoord is geëindigd, niet in den weg kan staan aan eene persoonlijke veroordeeling van den niet gefailleerden echtgenoot tot betaling van het door hem verschuldigde, al zal het te wijzen vonnis uitsluitend op goederen, hem alleen toekomende, kunnen worden ten uitvoer gelegd ').
Waarop het te dezen aankomt, is juist ingezien in het vonnis van de Rb. te Dordrecht van 14 Nov. 1894, W. nquot;. 6601. Gevraagd werd veroordeeling eener in algeheele gemeenschap gehuwde vrouw tot betaling eener schuld, door haar persoonlijk met machtiging van haren man aangegaan, terwijl de man in staat van faillissement verkeerde, alsmede van-waarde-verklaring van een onder een derde gelegd beslag.
De rechtbank overwoog: «dat de vrouw, al is zij in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd, goederen kan bezitten, die niet in de gemeenschap vallen en op deze goederen de vordering van de eischereskan worden geëxecuteerd;
') Verg. Mr. Quintus in iy. nquot;. 677Ã,
225
dat derhalve de eischores ontvankelijk is in hare hoofdvordering en deze haar zal moeten worden toegewezen; dat de accessoire vordering tot van-waarde-verklaring van het gelegd derde-arrest, opdat de eischeres op het gearresteerde hare schuldvordering moge verhalen, niet voor toewijzing vatbaar is, omdat niet is gesteld en evenmin uit de processtukken blijkt, dat het gearresteerde, als vallende buiten de gemeenschap, het bijzonder eigendom van de 1quot; ged. is, zoodat moet worden aangenomen, dat die gelden vallen in de gemeenschap en dus tot den faillieten boedel behooren, waarop de vordering, ten laste van een der echtgenooten, tijdens het faillissement ontstaan, niet kan worden geëxecuteerdquot;. Op deze gronden werd de hoofdvordering tot betaling toegewezen, daarentegen do accessoire vordering tot van-waarde-verklaring van het gelegd derde-arrest ontzegd.
Voor welke schulden een der echtgenooten persoonlijk ver-bunden is, beslist het Burgerlijk Wetboek. Daartoe behooren de schulden, door den echtgenoot vóór het huwelijk of staande hot huwelijk geldig aangegaan, «in één woord alle schulden, waarvoor hij aansprakelijk zou zijn, ook indien hij niet in gemeenschap van goederen ware gehuwd, in tegenstelling dus van die schulden, waarvoor hij kan worden aangesproken, alleen omdat de gemeenschap daarvoor aansprakelijk is « 'j.
Het beginsel, dat het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt behandeld als faillissement van de gemeenschap, heeft den wetgever aanleiding gegeven tot een tweetal speciale bepalingen.
In de eerste plaats tot de bepaling van art. 22 al. 2: »In dit en het vorige artikel wordt onder «gefailleerde« mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde «. De inkomsten van de beide echtgenooten vallen zoowel in de algeheele gemeenschap, als in die van winst en verlies of van vruchten en inkomsten; in geval van faillissement van den eenen echtgenoot maken dus ook de inkomsten van den anderen deel uit van den faillieten boedel. Voor zoover nu door de artikelen 21 en 22 al. 1 de inkomsten
') Antwoord van den Minister op het Verslag der Commissie van voorbereiding Belinfante II, bl. 79; v. D. Feltz I, bl. 490.
Molekgeaafï, Fiüllisscmentswet. '^
226
van den gefailleerde aaa liet faillisseuient worden onttrokken '), gebood de billijkheid de inkomsten van den niet gefailleerden echtgenoot eveneens buiten het faillissement te houden. Dit geschiedt door de aangehaalde bepaling.
Ingevolge daarvan blijft, wanneer bijv. de vrouw failliet-vex-klaard is, niet alleen wat zij zelve, maar ook wat haar man door persoonlijke werkzaamheid verdient, tot het bedrag door den rechter-commissaris vast te stellen, buiten het faillissement. Geniet de man wegens een ambt of bediening een rijks-traktement, -soldij of -pensioen, dan zal de curator in het faillissement der vrouw daarop de hand niet kunnen leggen, maar alleen de door de wet toegelaten korting kunnen aanvragen. Mutatis mutandis geldt hetzelfde als de man failliet is en de vrouw eigen inkomsten heeft uit bedrijf, beroep, ambt of bediening.
In de tweede plaats wordt in art. 63 al. 2 gezegd: »do bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van eeu in gemeenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie der echtgonooten deze verrichttequot;. Dit voorschrift houdt rekening met het feit, dat ook de vrouw, al zij het bij uitzondering, bevoegd is de gemeenschap te verbinden. Zij is ten eerste het orgaan der gemeenschap voor alles, wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft (art. 164 B. W.), en verbindt deze verder in het geval van art. 180 B. W. (als de man afwezig is of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren), alsmede wanneer zij met goedvinden van haren man openbare koopvrouw is, doch dan alleen door de handelingen hare koopmanschap betreffende. Wordt nu de man faillietverklaard, dan ondervindt de failliete boedel, die de gemeenschap omvat, de gevolgen van de door de vrouw bevoegdelijk verrichte handelingen evenzeer als die van de handelingen des mans. Daarom moet de curator, zoo noodig, ook tegen de handelingen der vrouw kunnen opkomen. In één woord, als het faillissement eene huwelijksgemeenschap omvat, moeten de bepalingen van de Faillissementswet van toepassing zijn
i) Zie hierboven bl. 140 vlg.
227
op alle handelingen , « waarbij, om het zoo eens uit te drukken , de gemeenschap wettig partij wasquot; *), onverschillig wie der echtgenooten de handeling verrichtte. De daartoe vereischte toepasselijkverklaring wordt in art. 63 al. 2 gevonden.
Het Burgerlijk Wetboek kent aan den man het bestuur toe over de goederen, aan do vrouw persoonlijk toebehoorende. Dat deze goederen in geen geval in het faillissement van den man betrokken zijn, werd hierboven reeds opgemerkt. quot;De curator zal ze ter beschikking moeten stellen van de vrouw, of liever van den man als bestuurder dier goederen. Maar dan moet den curator ook het recht van de vrouw worden aangetoond. Omtrent het daarvoor gevorderde bewijs geeft art. 6) eenige voorschriften, in hoofdzaak uit het Wetboek van Koophandel overgenomen.
In het eerste lid van het artikel wordt, bij wijze van inleiding, medegedeeld, dat, in geval van faillissement van den man de vrouw alle roerende en onroerende goederen terugneemt, welke haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen.
Volgens het tweede lid bewijst zij â de aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks buiten de gemeenschap gehoudenquot;, «zooals bij art. 205 Burg. Wetb. is voorgeschreven quot;. Raadplegen wij dit artikel, dan blijkt dat het alleen een voorschrift bevat omtrent hot bewijs van de aanbrengst van roerende goederen, met uitzondering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld en andere op naam staande effecten en inschuldeu. Op geene andere wijze kan de aanbrengst dier goederen worden bewezen, »dan door derzelver vermelding bij de huwelijksche voorwaarden, of door eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet worden gemaaktquot;. Wordt nu het hier voor roei-ende goederen geëischte door het tweede lid van art 61 der Fw. uitgebreid tot onroerende goederen en op naam staande effecten en inschulden, of wil dit voorschrift slechts zeggen, dat, voor zoover door art. 205 B. W. bijzondere bewijsregels worden opgesteld, deze ook bij faillissement van toepassing zullen zijn?
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 102: v. d. Feltz I, bi. 480,
228
Onder de heei'scliappij van liet gelijkluidende art. 880 al. 2 van het Wetb. v. Kooph. werd daarover verschillend gedacht. Dat wij te doen hebben met eene afwijking van het Burgerlijk Wetboek, met eene beperking van het recht der vrouw, te dien effecte dat zij bij faillissement van haren man ook de aanbrengst van hare onroerende goederen, van hare inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld en van andere op naam staande effecten en inschulden niet anders kan bewijzen dan door de bewijsmiddelen, in art. 205 genoemd, wordt aangenomen door M. L. van Goudoever, Opmerkingen over de gemeenschap van winst en verlies, Prft. hl. 79, en naar het schijnt ook door de Wal, dl. 3, bl. 108 vlg. Daarentegen zien de Geer, op Holtiüs, bl. 500 n'. lenDiEPHüis, Handh. v. h. Nederl. Handelsregt, dl. 3, bl. 330, in ai-t. 880 al. 2 W. v. K. blijkbaar niet anders dan eene bloote verwijzing-naar de bepalingen van het burgerlijk recht.
Voor de eerst vermelde opvatting pleiten de woorden dei-wet , pleit inzonderheid dat in het onderwerpelijke lid van de artt. 880 W. v. K. en 61 Fw. wordt gesproken van de goederen in het algemeen («aanbrengst der goederen-), en niet, zooals in het derde lid van deze artikelen, van de roerende goederen alleen. Ook moet worden toegegeven, dat naar de andere uitlegging de geheele bepaling volkomen overtollig is; art. 205 Burg. Wetb. zou, wat de daarin vermelde goederen betreft, van toepassing zijn, ook al kwam in de Eaillissementswet het tweede lid van art. 61 niet voor. Daartegenover staat, en ons komt dit beslissend voor, dat het geen redelijken zin heeft, van de vrouw liet bewijs van de aanbrengst van onroerende goederen, van inschrijvingen op het grootboek en van te haren name staande effecten, op de wijze in art. 205 Burg. Wetb. genoemd, te vorderen. Immers, uit de daarvoor bestemde registers of boeken kan blijken, of de vrouw reeds ten tijde der huwelijksvoltrekking-de rechthebbende op deze goederen was. Bijzondere voorzorgsmaatregelen om te beletten, dat. zij ze zonder deugdelijke bewijzen ten nadeele der schuldeischers tot zich neemt, zijn daarom geheel overbodig. Het Wetboek van Koophandel van 1830, dat voor de vrouw heel wat minder gnnstig was dan het Wetboek, zooals het in 1838 werd ingevoerd.
229
vorderde dan ook, wat de aanbrengst van onroerende goederen betreft, geen bijzonder bewijs. Het is niet aan te nemen, dat de wetgever daarop later heeft willen terugkomen , wèl dat wij hier te doen hebben met eene minder nauwkeurige redactie, die thans in art. G1 der Fw. is overgegaan, omdat bij de behandeling dier wet aan de besproken controverse blijkbaar niet is gedacht.
fVan de roerende goederen staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet, ingeval van geschil, blijken op eene der wijzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeveuquot; (art. 61 al. 3). Het oorspronkelijke Keg. Ontw. vorderde, in navolging van art. 880 al. 3 van het Wetb. v. Kooph., eene beschrijving dier goederen of andere voldoende bescheiden ten genoegen van den rechter, dus steeds schriftelijk bewys, in afwijking van art. 221 al. 3 B. W., dat, bij gebreke van een en ander, het bewijs door getuigen en dooide algemeene bekendheid toelaat. Op aandringen der Commissie van voorbereiding werd de desbetreffende bepaling vei'-vangen door de eenvoudige verwijzing naar art. 221 van het Burg. Wetb., die thans in de wet voorkomt.
Voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, worden nog wèl gevorderd voor het bewij s, dat de goederen, die de vrouw opeischt, zijn voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden haar buiten de gemeenschap toebehoorende (art. 61 al. 4). Dit geldt zoowel voor de onroerende als voor de roerende goederen. In het Burgerlijk Wetboek wordt dit onderwerp alleen behandeld bij de gemeenschap van winst en verlies in art. 214, volgens welk artikel onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aangekocht, op wiens naam dit ook geschied zij, worden gehouden voor winst, tenzij het tegendeel daarvan blijke. In alle gevallen, waarin dit artikel niet van toepassing is (dus altijd in het geval van aankoop van roerende goederen niet in effecten bestaande, en bovendien in het geval van aankoop van onroerende goederen en effecten, mits de gemeenschap van winst en verlies is uitgesloten), zal ieder der echtgenooten om aan te toonen, welke goederen voor zijne rekening zijn aangekocht, zich van alle bewijsmiddelen kunnen bedienen, tenzij men ten op-
230
zichte van de roerende goederen bij analogie art. 221 toepasselijk acht '). Hoe dit ook zij, in geval van faillissement van den man, moet de vrouw door bescheiden, dus door schriftelijk bewijs, aantoonen, dat de goederen, hetzij ze roerend of onroerend zijn, voor aan haar toebehoorende gelden zijn aangeschaft. Deze bepaling is thans de eenige, die de vrouw in het bewijs harer rechten bemoeilijkt, als zij staat tegenover den curator in het faillissement van haren man.
In het vijfde lid van artikel 61 wordt nog een geval behandeld, dat in artikel 880 W. v. K. niet werd vermeld. //Indien de goederen», lezen wij in dit lid, « haar (de vrouw) toebehoorende, door haren man zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met den faillieten boedel aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen quot;. Deze bepaling, welke geen nadere verklaring behoeft, //geeftquot;, om de woorden der Memorie van Toelichting te gebruiken, » der vrouw het recht, het pretium succedit in loco rei te haren faveure in te roepenquot;.
Ten slotte wordt in het zesde of laatste lid van art. Cl geconstateerd, dat de vrouw voor hare persoonlijke sclmld-vorderingen als schuldeischeres optreedt.
Veel van hetgeen in het artikel wordt gezegd, moge strikt genomen gemist kunnen worden, omdat het reeds volgt uit de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, het heeft toch zijn goede zijde, dat in de wet ondubbelzinnig wordt uitgesproken, welke rechten de vrouw, in geval van faillissement van den man, kan doen gelden. Strijd over die rechten wordt daardoor voorkomen.
Niet noodig scheen het daarentegen, ook de rechten to bepalen, die de man kan doen gelden in geval van faillissement van de vrouw. Ue toestand is dan in zooverre anders, dat de man de hem persoonlijk toebehoorende goederen niet behoeft terug te nemen, omdat ze niet onder het beheer zijn van de vrouw.
') Alitns I-ANn, Verklaring v. h. nury. UWf/., ill. 1 , bi 105. Anders Diepiiuis, hel Ned. Burg. Rei/I, lt;11. 4, bl. 357; Opzoomkr, hel Bunj. Wo.lh verklaard, dl. 1, bl. 299 n' 1.
231
Zijn de echtgenooten gehuwd in gemeenschap van winst en verlies of van vruchten en inkomsten dan zal op de wijze, aangegeven in de artt. 220 en 221 al. 1 en 2 Burg. Wetb., moeten worden uitgemaakt, welke roerende goederen, als aangebracht door den man of staande huwelijk aan hem opgekomen, buiten het faillissement blijven, terwijl, wat betreft de onroerende goederen, staande huwelijk aangekocht, de curator een beroep kan doen op het vermoeden van art. 214 B. W.
Is iedere gemeenschap uitgesloten, dan kan niettemin de curator de band leggen op alle roerende en onroerende goederen, waarvan de man niet kan bewijzen, dat ze door hem aangebracht, of staande buwelijk aan hem opgekomen of voor zijne rekening aangekocht zijn. Naar ons huwelijksrecht toch worden alle goederen, waarvan niet blijkt, dat zij de bijzondere eigendom zijn van een der echtgenooten, geacht tusschen dezen gemeen te zijn '), terwijl de goederen, ten opzichte waarvan gemeenschap bestaat, zoowel vallen in het faillissement van den man als in dat van de vrouw.
Met betrekking tot het bewijs gelden de gewone regels, behalve voor het bewijs van de aanbrengst van roerende goederen, niet bestaande in inschrijvingen op het grootboek en andere ten name staande effecten, dat slechts kan worden geleverd op de wijze, vastgesteld in art. 205 B. W.
Ten slotte moet hier vermeld worden art. 62, waarvan de inhoud overeenstemt met dien van art. 883 Wetb. van Kooph. Het bepaalt, dat de vrouw geen aanspraak heeft op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken, en wederkeerig de schuldeiscbers geen genot kunnen hebben van de voordeelen, die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd.
Men heeft hier te denken aan de giften tusschen de aanstaande echtgenooten bedongen: het onderwerp van de derde afdeeling van den achtsten titel des eersten hoeks van het Burgerlijk Wetboek. Ter zake dier giften kan de vrouw den faillieten boedel baars mans niet aanspreken, terwijl wederkeerig de boedel aan de huwelijksche voorwaarden geen vorderingsrecht tegen de vrouw kan ontleenen.
') Vorg. Land, t. a. p. bU 147 v.
Molengkaaff , Faiüissementswet. 15*
232
Art. 62 luidt algemeen; het derogeert èn aan het eerste èn aan het laatste lid van artikel 61, De vrouw kan dus niet alleen niet optreden als concurrent schuldeischeres ter verkrijging van het haar toegezegde, maar zij mag evenmin terugnemen, wat haar ter uitvoering der huwelijksche voorwaarden reeds was gegeven.
Voor het o-eval van faillissement der vrouw is niet hetzelfde
O
bepaalt. Dit vindt zijne verklaring hierin , dat de giften van den man aan de vrouw, de zoogen. douairieën, steeds in het bijzonder de aandacht van den wetgever hebben getrokken, wegens de misbruiken waartoe zij aanleiding gaven. Maar al te vaak dienden ze om een deel van liet vermogen des mans, bij diens faillissement, aan het verhaal der schuld-eischers te onttrekken.
§ 9. Gevolgen van het failUssementsbeslag ten opzichte van de onderwerpen, behandeld in de artt. 35, 41, 56 en 60.
A-Rtikel 35. â Onder de heerschappij van de oude wet was het een bekende strijdvraag, of een koopakte na de faillietverklaring nog met rechtsgevolg kon worden overgeschreven in de daarvoor bestemde registers. Werd zij in sommige rechterlijke uitspraken bevestigend beantwoord, o. a. door den Hoogen Raad bij arrest van 14 Mei 1875, W. n0. 3853, de Maeez Oyens ^ schroomde niet naar aanleiding dezer beslissingen te spreken van »tastbaar onjuiste stellingenquot;, en van «error jurisom op zijn beurt weer bestreden te worden door Mr. Land 1), die in Otens' betoog wel krasse woorden maar weinig bewijs vond.
Art. 35 heeft voor het geldend i*echt de quaestie uitgemaakt, zoowel voor koopakten als voor hypotheek-akten en pand- en verbandbrieven. Het luidt: «Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan de door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde overschrijving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de akten genoemd in artikel 315 van laatstgemeld Wetboek de inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer geschieden.quot;
1
) Rechtsgel. Magazijn 1883, bl. 603.
233
In de Memorie van Toelichting 1) lezen wij, dat de voorgestelde oplossing was gekozen, n omdat, al moge men voor de eigendomsoverschrijving medewerking van den verkooper onnoodig achten, de kooper daardoor toch nimmer het recht kan verkrijgen om goederen, waarop eenmaal krachtens het vonnis van faillietverklaring een gerechtelijk beslag rust, aan dat beslag eenzijdig te onttrekken. Het beslag toch werkt tegen derden, de bevoegdheid tot eigendomsoverschrijving slechts tegen dengene aan wien men die bevoegdheid ontleent. In werkelijkheid geeft het koopcontract naar ons burgerlijk recht aan den kooper niet anders dan een persoonlijk recht op levering jegens den verkooper. Deze persoonlijke vordering moet op gelijken voet worden behandeld met alle andere persoonlijke vorderingen. Met name zal ook artikel 37 toepasselijk kunnen zijn. Den kooper eene geprivilegeerde stelling te geven laat zich niet rechtvaardigen. Overschrijving, door den kooper na de faillietverklaring eenzijdig bewerkstelligd, is feitelijk individueele executie eener persoonlijke vordering, en dus vlak weg in strijd met het wezen van het faillissement//. Nader werd dit aangedrongen in het Antwoord der Kegeering op het Verslag der Eerste Kamer. //Over de vraagquot;, heet het daar, » welk stelsel de voorkeur verdient, het Fransche volgens hetwelk eigendom overgaat door overeenkomst, of het stelsel onzer wet, dat levering daarvoor een vereischte is, kan verschillend gedacht worden. Zoolang echter het laatste stelsel bij ons is aangenomen en dus de kooper, naar het Neder-landsch burgerlijk recht, wanneer niet isgeleverd, niet anders heeft dan een persoonlijk, geen zakelijk recht, kan en mag in de faillietenwet geene andere dan de voorgestelde bepaling worden opgenomen. Wat door eenige leden daartegen wordt aangevoerd, is dan ook inderdaad eene bestrijding der bepaling van ons burgerlijk recht, dat eigendom niet door overeenkomst, maar door levering overgaat// 2).
Het is duidelijk, dat met deze motiveering, althans met het laatste gedeelte daarvan, geen vrede kunnen hebben zij, die met Prof. Hamaker van oordeel zijn, dat naar ons recht,
') Belinfante I, bl. 74; v. n. Fei.tz I, bl, 398. ') Belinfante IV, bl. 45: v. u. Feltz l, bl. 40Ã.
234
evenals naar Fransch reclit, de eigendom wordt verkregen door de koopovereenkomst, het hypotheekrecht door de akte van hypotheekverleening, en dat de overschrijving, resp. de inschrijving dezer akten slechts dient om den rang te bepalen van de rechten, welke achtereenvolgens door verschillende personen op hetzelfde goed zijn verkregen 1).
Toch komt het mij voor, dat ook in dit stelsel het artikel past. Daaraan toch ligt de gedachte ten grondslag, dat het beslag, en dus ook het faillissement als een generaal beslag, een zakelijk karakter heeft. Als een zakelijk recht op bevrediging-uit de opbrengst van het goed neemt het een plaats in naast de overige zakelijke rechten, en wordt zijn rang, evenals van dezen, bepaalt door de openbaarmaking, welke bij individueel beslag geschiedt door de inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming in de registers van den bewaarder der hypotheken (art. 505 al. 2 Wb. v. B. Ev.) of in de scheepsregisters (art. 566 al. 1 Wb. v. B. Rv.), bij het generale beslag door de openbaarmaking van het vonnis van faillietverklaring, overeenkomstig de voorschriften van art. 14 al. 3 Fw.
Evenals, wanneer eenzelfde onroerende zaak achtereenvolgens is verkocht en met hypotheek bezwaard, na inschrijving der hypotheekakte de latere overschrijving der koopakte den hypotheekhouder niet meer van zijn recht kan berooven, zoo kan ook het faillissementsbeslag, eenmaal overeenkomstig de wet op de onroerende zaak gelegd, door de latere over-schrijving van een vroeger opgemaakte koopakte niet meer worden opgeheven; het blijft op de zaak rusten, en geeft den curator de bevoegdheid de zaak ten bate der concurrente schuldeischers te gelde te maken. Dit denkbeeld, de zakelijke natuur van het faillissementsbeslag, is in artikel 35 uitgesproken. Wie die bepaling wil bestrijden, moet zich tegen dit denkbeeld keeren.
Toen eenmaal het zakelijke karakter van het faillissementsbeslag was erkend, kon de erkenning daarvan voor het indi-vidueele beslag niet uitblijven. Zij geschiedde bij de Invoeringswet. Door art. 5 dier wet zijn de artt. 505 vijfde lid en 56C laatste lid van het Wetb. van Burg. Rv. gewijzigd in over-
') Hamaker, het negatieve en het positieve stelsel omtrent eigendom van den grond, in Hechtsgel. Magazijn 1893, bl. 43tj v.
235
eenstemming met het stelsel, in art. 35 Fw. aangenomen. Ook voor liet conservatoir beslag op onroerend goed geldt hetzelfde, krachtens art. 7706 Wetb. v. B. Ev., vastgesteld bij art. 110 der wet van 7 Juli 1896,/SW. n0. 103, j0. art. 505 al. 5 van dit Wetboek.
Bedoeld lid van art. 505 luidt thans: h De door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken, na den dag der overschrijving van het proces-verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengenquot;. In het Verslag der Eerste Kamer over de Invoeringswet werd opgemerkt, dat tusschen deze redactie en art. 35 Fw. geen volkomen overeenstemming bestaat, «daar art. 35 de overschrijvingen en inschrijvingen niet c/eldiy verklaart, terwijl zij naar art. 505 slechts betreklcelijk nietig zullen zijn, voor zoover zij namelijk gezegd worden aan de rechten van den inbeslagnemer geen nadeel te kunnen toebrengen« '). Ook werd bij de beraadslaging door den heer Melvil van Lijnden op deze »niet zeer fraaie inconsequentie « gewezen.
Toch laat art. 35 Fw. zich zeer goed verdedigen. In geval van faillissement is het de vraag, niet alleen of de executie kan doorgaan, niettegenstaande de over- of inschrijving, maar ook welk recht de kooper of de schuldeischer, wien de hypotheek werd verleend, kan doen gelden. Dat recht behoort definitief vast te staan. Het gaat toch niet aan, denzelfden persoon die als concurrent schuldeischer in het faillissement optreedt, na afloop daarvan als eigenaar van een tot den boedel behoorende zaak of als hypothekair scluildeischer te beschouwen.
Men denke slechts aan het tot-stand-komen van een akkoord. Na homologatie is het verbindend voor alle geen voorrang hebbende schiildeischers, dus ook voor den hier bedoelden kooper en voor den schuldeischer, wiens hypotheek niet is ingeschreven; beiden toch zijn, welke der twee redacties men ook aanneemt, in het faillissement concurrente schuldeischers. Het akkoord is dus voor hen verbindend, al zijn zij niet in
1) Belinfaute V, bl. 73: v. d. Feltz I, bi. 532.
236
het faillissement opgekomen (art. 157 Fw.); zij zullen zelfs, als zij wel zijn opgekomen, voor de akkoord-percenten een executorialen titel tegen den schuldenaar bezitten (art. 159 Fw.). Men mag vragen, hoe met deze positie te vereenigen zou wezen die van eigenaar van het gekochte goed of die van hypotheekhouder.
Ook bij de stemming over het akkoord zou men in moeilijkheden komen. Als concurrente schuldeischers zouden de bedoelde personen meestemmen, hoewel zij altijd belang zouden hebben bij de aanneming van het akkoord. Dit alles â in geval van insolventie heeft de quaestie geen belang, omdat dan alle goederen, tot den faillieten boedel behoorcnde, verkocht worden, zoodat na afloop van het faillissement van de uitoefening van eigendoms- of hypotheekrechten op die goederen geen sprake meer kan wezen â toout d. o. aan, dat in art. 35 Fw. terecht is bepaald, dat de overschrijving resp. inschrijving van vóór de faillietverklaring opgemaakte ver-vreemdings- en hypotheekakten, na de faillietverklaring niet geldig meer kan geschieden.
Artikel 41. â Indien aan den gefailleerde gedurende het faillissement eene erfenis opkomt, beslist de curator over aanvaarding of verwerping; evenwel is deze verplicht niet anders te aanvaarden dan onder voorrecht van boedelbeschrijving, terwijl hij tot het verwerpen de machtiging van den rechtercommissaris behoeft.
De aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft ten gevolge, dat de nalatenschap als een zelfstandig vermogen afzonderlijk wordt vereffend; de failliete boedel wordt alleen vermeerderd door het eventueele saldo, na de vereffening overblijvende. Daartegenover staat, dat de schuldeischers van den erflater geenerlei aanspraken op den faillieten boedel verkrijgen.
Indien de schuldenaar in gemeenschap van goederen is gehuwd, zal art. 41 toepasselijk zijn, zoo dikwijls de erfenis in de gemeenschap valt, onverschillig aan wien van de echt-genooten zij opkomt, immers het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt, volgens art. 63, behandeld als faillissement van de gemeenschap.
Aetikel 56. â Een gemeenschap, hetzij deze is ontstaan
237
buiten den wil der reclithebbenden, zooais tusschen mede-erfgenamen, hetzij zij berust op contractueele basis, zooals bij vennootschap, kan op tweeërlei wijze worden opgeheven. Ten eerste: door de baten en de schulden onder de rechthebbenden te verdeelen, ten andere: door uit de batei; de schulden te voldoen en daarna het saldo te verdeelen.
De eerste deelingsmethode past de wet toe bij boedelscheiding, d. w. z. bij de verdeeling van nalatenschappen (artt. 1146 , 1147 en 1113B. W.). Zij heeft evenwel in die artikelen uitsluitend het oog op de schulden van den erflater, niet ook op schulden, na het ontstaan der gemeenschap (het openvallen der erfenis) ter zake daarvan door een of meer der erfgenamen gemaakt. Om tot eene juiste afrekening te komen en de billijkheid te betrachten, zal het bedrag dier schulden, evenals het bedrag van door een of meer der erfgenamen tor zake der gemeenschap gedane voorschotten of betalingen , uit de voorhanden baten moeten worden voldaan, alvorens tot de verdeeling wordt overgegaan. Wordt niet aldus gehandeld, worden de baten verdeeld zonder te letten op de bedoelde schulden en uitgaven, dan kan dit leiden tot groote benadeeling van de erfgenamen, die deze uitgaven hebben gedaan of voor deze schulden aangesproken kunnen worden. Wèl kunnen zij voor hetgeen zij dientengevolge boven hun aandeel betalen, verhaal nemen op hunne medeerfgenamen , maar wanneer dezen inmiddels in staat van faillissement zijn verklaard, zullen zij hunne daartoe strekkende vordering slechts als concurrent schuldeischer kunnen doen gelden en zich dus slechts gedeeltelijk voldaan zien, terwijl de failliete boedels der mede-erfgenamen het volle profijt van de ten gemeenen bate aangewende kosten in het toegescheiden aandeel van het actief zullen genieten.
Wat hier wordt opgemerkt omtrent nalatenschappen, is van nog meer beteekenis bij gemeenschappen, die op contractueele basis berusten, omdat men bij deze uitsluitend te doen heeft met ten gemeenen bate, mitsdien ter zake der gemeenschap aangegane schulden en gedane uitgaven. De eenige juiste deelingsmethode bij deze gemeenschappen is de tweede der bovengenoemde: betaling van de gemeene schulden uit de voorhanden gemeene baten en verdeeling van het
238
saldo, dat daarna overblijft. Allouii daardoor is hot mogelijk do gelijkheid tusschen de deelgenooten te handhaven, en bij laillissement van een hunner verrijking van den gefailleerden boedel op kosten der medegereehtigden te voorkomen.
Deze deelingsmethode is voorgeschreven bij de ontbinding der zoogen. vennootschappen van koophandel; de zaken der gewezen vennootschap worden vereffend en na afloop daarvan wordt het saldo verdeeld (artt. 32â35 en 56 Wetb. v. Kooph.). Daarentegen wordt aangenomen, dat deze methode niet van toepassing is bij de verdeeling van eene zaak, welke aan meer dan één persoon toebehoort, noch bij de verdeeling tusschen de vennooten eener ontbonden maatschap of vennootschap, omdat de artt. 628 en 1689 B. W. voor het eene en het andere onderwerp verwijzen naar de regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen Dat de bepalingen omtrent de boedelscheiding juist zwijgen over de betaling van schulden, ter zake der onverdeelde nalatenschap door een der deelgerech tigden aangegaan, wordt daarbij over het hoofd gezien.
Ten einde nu te voorkomen, dat door toepassing der eerste deelingsmethode, in geval van faillissement van een der gerechtigden, de anderen worden benadeeld, bepaalt art. 56 JiV., dat hij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, bevoegd is van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aangegane schulden af te houden. Den curator kan mitsdien op niet meer dan het netto-aandeel des gefailleerden aanspraak maken.
Oorspronkelijk werd in het artikel gesproken van »eene gemeenschap of vereeniginy«. Later zijn door den Minister, zonder opgave van redenen, de woorden of vereeniging geschrapt, waarschijnlijk omdat ze nevens gemeenschap overtollig werden geacht. Hoe dit zij, het artikel is van toepassing bij iedere gemeenschap, ook bij die welke het gevolg is van eene overeenkomst van maatschap of andere soortgelijke vereeniging, zooals een commanditaire vennootschap of eene vennootschap onder firma.
') Mr. S. J. Hingst. in de Handelingen der Ned. Jur. Ver, 1881, dl. I, bl. 50 vlg.
239
Dc gemeenschap moet ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar worden ontbonden.
Deze voorwaarde is ook dan aanwezig, als de faillietverklaring tijdens de scheiding en deeling, d. w. z. tijdens de voorbereiding daarvan, wordt uitgesproken. De ontbinding heeft eerst plaats, krijgt eerst haar beslag als de werkzaamheden der scheiding en deeling voltooid zijn. Mr. Veegens, a. w. bl. 79, wijst, ter bestrijding van deze opvatting, ten onrechte op art. 183 B. W. »Ontbinding der gemeenschapquot; in dit artikel wil niet zeggen, dat de goederen die tusscheii de echtgenooten gemeen zijn, ophouden gemeen te wezen, maar alleen, dat de huwolijJcsgeinecnschap opüoudt te werken, evenals ontbinding eener vennootschap alleen wil zeggen, dat nieuwe zaken niet meer voor rekening van de vennootschap kunuen worden verricht. Aan het bestaan van den gemeenen boedel, van de gemeenschap, in den zin waarin dit woord in art. 56 Fw. wordt gebezigd, wordt eerst door de boedelscheiding een einde gemaakt.
Artikel 60. â /- De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houden, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van den schuldenaar dit recht van terughouding nietquot;.
Het recht van terughouding wordt in het Burgerlijk Wetboek stiefmoederlijk behandeld; van daar verschil van meening over den aard en de beteekenis van dit i*echt. Uit de artikelen waarin het wordt vermeld, valt niet veel anders af te leiden, dan dat het een recht is, in bepaalde gevallen den schuldeischer toegekend, krachtens hetwelk hij afgifte van hetgeen hij van zijn schuldenaar onder zich heeft, kan weigeren, zoolang hem, hetgeen hij heeft te vorderen, niet wordt voldaan.
Wettig verkregen rechten gaan door faillissement van den schuldenaar niet verloren. Tot afwijking van dien regel voor het recht van terughouding vond de wetgever geen aanleiding. Ook niet op grond van de zoog. paritas creditorum; immers de schuldeischer aan wien de wet een recht van terughouding toekent, heeft juist meer recht dan een gewone concurrente schuldeischer, die bedoeld recht mist.
Art. 60 spreekt mitsdien het beginsel uit, dat het recht van
240
terughouding in geval van faillissemenl van don schuklenaar blijft voortbestaan. Het zegt niet ook, welke daarvan de rechtsgevolgen zijn, of welke de positie is van den schuld-eisclier wien dit recht toekomt.
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek moeten daaromtrent beslissen. Deze zijn uiterst sober, maar zooveel staat toch vast, dat het recht van terughouding geen voorrecht geeft. In verschillende artikelen der Faillissementswet is daarmede rekening gehouden, met name in de artt. 110, 113, 119, 153 en 175.
241
Artikel 21 nquot;. 1.
Niettemin Ijlijven buiten liet i'aillissement:
1°. de goederen vermeld in artikel 447 nos. 2â5 van het Wetboek van Burgerlijke Eeclitsvordering, de gelden of jaarwedden vermeld in artikel 756 n0. 3 van dat Wetboek, de gagie, indien de getailleerde schipper of schepeling is, en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het eerste lid van artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel.
Do bepaling, dat de goederen vermeld in art. 44 7 nquot;5. 2â5 Wetb. v. B. Kv. buiten het faillissement blijven, heeft ten gevolge, dat de verkooper dier goederen liet hem in art. 1185 3°. B. W. verleende voorrecht niet kan doen gelden, zoodat hij er minder goed aan toe is, dan de ver-koopers van voor den schuldenaar niet even onmisbare artikelen. Evenwel is zijne positie buiten faillissement geen betere; op niet voor beslag vatbare zaken kan een voorrecht nooit worden uitgeoefend.
Daarentegen zal men den verkooper het reclit, de hier bedoelde goederen te reclameeren, niet kunnen ontzeggen. Reclame is geen middel van verhaal eener sclmldvordering, maar het recht eene bepaalde zaak tot zich te nemen. Zaken die gereclameerd worden, blijven juist uit kracht daarvan buiten den boedel, al wordt dit niet gezegd in art. 21. Zij staan in dit opzicht gelijk met zaken, die door den eigenaar worden opgevorderd. Zoo weinig als art. 33 Fw. in het algemeen het opvorderen van zaken krachtens eigendom of recht van reclame belet, zoo min verhindert art. 21 het met betrekking tot de daarin vermelde goederen in het bijzonder. Revindicatoir beslag op de goederen in art. 21 n0. 1 genoemd wordt dus niet uitgesloten door het faillissement van den kooper dier goederen.
De Commissie van voorbereiding en de Regeering, in haar
Molkngbaafiquot;, raillissemuntswet. ^
242
antwoord op hot Verslag dor Commissie, dachten er anders over. Do Ecgeering was van oordeel, «dat ten opzichte van do goederen, bedoeld in art. 447 2U. vlg. Wetb. van B. liv., ook buiten faillissement, door den aanhef van art. 447 wordt gederogeerd aanquot; art. 1185 3° jquot;. art. 1190 B. W., âzoodat voor den onbetaalden koopprijs van de in art. 447 2°. vlg. W. v. B.Rv. bedoelde goederen het recht van reclame en preferentie van art. 1185 3U. jquot;. art. 1190 B. W. niet bestaat#, v Immers, hoe zou men op die goederen die rechten kunnen uitoefenen, waar zij volgens art. 447 W. v. B. Ev. uit geenerlei hoofde voor beslag vatbaar zijn?quot;1). De gedachtengang is blijkbaar deze: art. 447 Ev. verbiedt ieder beslag, mitsdien ook het revindicatoir beslag, zonder hetwelk het recht van reclame waardeloos is. Door aldus te redeneeren wordt de aanhef van art. 447 Ev. echter zonderling misverstaan ; de beteekenis daarvan is niet: ieder beslag welk ook is verboden, maar veeleer: het executoriale beslag op roerende goederen, voor welke scIluUI ook, is werhoden. Omtrent het revindicatoir beslag wordt in het artikel eenvoudig niets bepaald.
De ratio van het in art 447 Ev. uitgesproken verbod brengt ook niet mede het uit te breiden tot het revindicatoir beslag. Wat toch wil dit verbod anders zeggen dan dit: de hier genoemde goederen mogen niet voor schuld verkocht worden. Vandaar dat zij ook buiten het faillissement blijven.
Geenszins echter volgt daaruit, dat nu ook zij, die deze goederen mogen opvorderen, niet om ze te verkoopen en zich op de opbrengst te verhalen, maar omdat zij recht hebben op de goederen zelve, dit hun recht niet meer zouden mogen uitoefenen en van het daartoe dienstige middel, het revindicatoir beslag, geen gebruik meer maken. De doeleinden van het op verkoop gerichte en van het revindicatoire beslag zijn zelfs zóó verschillend, dat door den wetgever het recht van reclame, en daarmede het recht revindicatoir beslag te leggen, juist is uitgebreid in geval van faillissement van den kooper, d. w. z. juist als op den geheelen boedel een algemeen op verkoop gericht beslag is gelegd, waardoor ieder afzonderlijk beslag van dien aard wordt uitgesloten. Laat het faillis-
') Belinfante II, bl. 48 v.; v. d. Feltz 1, bl. 352.
243
sement liet recht, revinclicatoir beslag te leggen, ongemoeid, dan kan a fortiori de bepaling, dat iets buiten het faillissement blijft, het recht daartoe niet opheffen.
Het auteursrecht heeft in art. 21 n0. 1 een plaats gevonden, omdat art. 9 al. 3 der wet van 28 Juni 1881. (Stbl. nquot;. 124), tot regeling van het auteursrecht, bepaalt, dat dit recht uiet vatbaar is voor beslag. Mr. A. A. de Pinto, in W. n0. 6847 bij dit voorschrift stil staande '), noemt het eene raadselachtige bepaling, waarvoor hij geene verklaring kan vinden, terwijl hij erop wijst, dat de geschiedenis dei-wet geen licht hoegenaamd verspreidt. Zonder eenige toelichting, hetzij omtrent den grond, hetzij omtrent de strekking van het daarin vervatte verbod, werd het laatste lid van art. 9 in de wet van 1881 opgenomen , naar aanleiding der mededeeling in het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer , dat naar de meening der meeste leden het niet wenschelijk was op auteursrecht beslag toe te laten1). Opmerkelijk is het daarom, dat de gelijkluidende bepaling in art. 5 al. 3 van het Ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken der beeldende kunsten, blijkens het Voorloopig Verslag derzelfde Kamer, vastgesteld 25 Maart 1885, ernstige bedenking ontmoette. Men zag geen reden, dergelijke bate, als het auteursrecht op bedoelde werken, voor mogelijke schuldeischers onaantastbaar te maken! De Eegeering vernoegde zich te antwoorden, dat de overeenkomstige bepaling in de wet van 1881 algemeene instemming had gevonden, en het toelaten van beslag bij de nitvoering tot tal van moeilijkheden zou leiden. n Deze overweging «, merkte zij op, «schijnt ook bij de wet van 1881 tot eene bepaling als de hierbedoelde te hebben geleid quot; 2).
De gronden, die de meeste schrijvers, o. a. ten onzent Mr. A. G. N. Swart ''), aanvoeren, rechtvaardigen het absolute
1
) Haiidelingen der Tweede Kamer, i877/8, Rijlagen nn. 25, 7 (Voorloopig verslag); '1880/1 , Bijlagen iiu. 15, '1 (Memorie van Antwoord).
2
:!) Handelingen der Tweede Kamer, 1884/.quot;) 2'kâ zitting. Bijlagen n0. 72, 3 (Voorloopig Verslag) en 4 (Memorie van Antwoord).
'') Opmerkinyen heti-effemle auleurarechl op werken van beeldende kunst, Prft., bl. d'21 v.
244.
verbod allerminst. In dezen omvang is het verbod inderdaad niet wel te verklaren.
Bij de beantwoording van de vraag, wat nu eigenlijk buiten het faillissement blijft, kan dus alleen op de woorden der wet worden gelet. Er buiten blijft « het auteursrecht« : a het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneel-werken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om dramatisch-mnzikale werken en too-neelwerken in het openbaar uit of op te voerenquot;.
De curator mag derhalve niet ten bate der schuldeischers overgaan tot het door den druk gemeen maken of het in het openbaar uit- of opvoeren van aan den gefailleerde be-hoorende manuscripten. Bovendien zal hij het recht daartoe niet mogen vervreemden, ook niet indien de gefailleerde reeds tot openbaarmaking was overgegaan, hetzij zelf, hetzij door tusschenkomst van een uitgever, concert- of schouwburgondernemer. Daarentegen moeten honoraria en tantièmes , die de gefailleerde zich van derden voor den afstand van het auteursrecht of voor de uitgave van zijn werk heeft bedongen, aan den curator worden uitgekeerd. Evenzoo maken voorhanden , voor den verkoop bestemde exemplaren van het reeds gedrukte werk deel uit van den faillieten boedel. Noch de bedoelde honoraria, noch deze exemplaren kunnen geacht worden te zijn begrepen onder u het auteursrechtquot;.
Vraagt men nu, of deze regeling eene rationeele is, dan kan het antwoord moeilijk bevestigend luiden. Zij werkt vooral verkeerd, als het auteursrecht is vervreemd ').
Aan de consequentie, dat, in geval van faillissement eens uitgevers, diens zoogen. «fondsartikelenquot;, voorzooverre zij in auteursrechten bestaan, door den curator niet kunnen worden verkocht, is niet wel te ontsnappen, al komt ons de toekenning eener dergelijke immuniteit aan de uitgevers onverdedigbaar voor; ook deze fondsartikelen toch zijn vermogensrechten : waren, die vaak het voornaamste bestanddeel van een uitgeverszaak uitmaken.
Bij de opneming van het auteursrecht in art. 21 nc. 1 der Faillw. is eenvoudig het beginsel toegepast, dat de zaken die
â ) Verg. Swart, a. w., bl. 1'23.
245
aan het individueele verhaal der schuldeischers zijn onttrokken , ook buiten het faillissement behooren te blijven. Wij moeten Mr. de Pinto toegeven, dat het wenschelijk ware geweest te overwegen, of het individueel verhaal hier wel terecht volstrekt is uitgesloten ').
Omti-ent de zaken, vermeld in het eerste lid van art. 448 W. v. B. Rv., wordt bepaald, dat zij voorwaardelijk buiten het faillissement blijven. Zij blijven er bniten, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel. Aan deze voorwaarde is voldaan , zoodra schuldeischers, als hier bedoeld, hunne vorderingen op de wijze, in art. 110 voorgeschreven, ter verificatie hebben ingediend. Het indienen der voi-dering is opkomen als schuldeischer; verificatie is daarvoor niet noodig.
Terwijl de voorwaardelijk buitengesloten goederen, evenals de onvoorwaardelijk uitgeslotene, buiten de verzegeling blijven (art. 93 al. 3) en niet in de beschrijving des boedels worden opgenomen (art. 95), zal de curator de eerstgenoemden als tot den boedel behoorende moeten behandelen, zoodi-a de bovenbesproken voorwaarde is vervuld. De laatstgenoemden daarentegen blijven in elk geval ter vrije beschikking van den gefailleerde.
De schuldeischer, die eene vordering heeft, vermeld in het tweede lid van art. 448 W. v. B, E.V., kan, door spoedig in het faillissement op te komen, ervoor waken, dat de bepaling van art. 21 n0. 1 Fw. hem niet tot nadeel strekt.
') Een voorbeelil van eene juistere regeling geeft art. 9 der Belgische wet, sur le droit d'auteur, van '22 Mrt. 1880 : vSont toujours insaisissables les oeuvres littóraires ou musicales, tant qu'elles sont inéilites, et, du vivant de l'auteur, les autres oeuvres d'art, tant qu'elles ne sont pas prêtes pour la vente ou la publication//. Zie ook art. 12 der Noorsche wet van 'i- Juli 1893; Annualre de legislation étrangère, 2.iquot; année, p. rgt;88. â Verg. voorts P. Daiicik, Lehrhuch des dt. lilt. künstl. unit (jewerhl. Urheherrechts, bl. I!C.
246
Aktikel 25 al. 1.
Eeclitsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel belioorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.
Het is duidelijk, dat hier alleen gedacht moet worden aan burgerlijke vorderingen. Met strafvorderingen heeft de curator niet te maken; deze kunnen slechts worden ingesteld tegen den gefailleerde
Door de administratie der belastingen werd dit uit het oog verloren in de zaak, beslist bij vonnis van de Rb. te Assen van 4 Nov. 1895, W. n0. G731. Zij dagvaarde, ter zake eener overtreding van de Wet op het Gedistilleerd, zoowel den inmiddels gefailleerden handelaar als diens curator, en concludeerde tot beider schuldigverklaring en veroordeeling solidair tot betaling eener geldboete, in elk geval tot uitvoerbaarverklaring tegen den tweeden gedaagde der tegen den eersten gedaagde uit te spreken veroordeeling. Terecht werd, naar ons voorkomt, de Minister van Financiën in zijne vordering tegen den curator niet-ontvankelijk verklaard en alleen de gefailleerde veroordeeld tot betaling der gevraagde boete, in geval van wanbetaling te vervangen door hechtenis.
Niet alleen kan er geen sprake zijn van vervolging van den curator wegens misdrijven of overtredingen, door den gefailleerde begaan, maar ook de veroordeelingen, hangende het faillissement tegen den gefailleerde in strafzaken uitgesproken, geven geen verhaal op den boedel. Wel kan, voor zooverre wegens veroordeeling tot geldboete verhaal kan worden genomen op het vermogen van den veroordeelde,ook de failliete boedel deswege worden aangesproken, maar dan toch alleen als de veroordeeling is uitgesproken vóór de faillietverklaring, omdat alleen dan de boeteschuld voor de faillietverklaring is ontstaan. Wat de gefailleerde schuldig wordt na de faillietverklaring, geeft tegen den boedel geen aanspraak.
247
Ahtiicki,
Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.
Indien de schuldenaar zich in gijzeling' bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87.
Alle gerechtelijke tenuitvoerlegging neemt dadelijk een einde. Het artikel ziet dus op eene tenuitvoerlegging, die nog niet is afgeloopen. Was zij vóór het faillissement wèl reeds afgeloopen, dan komt de opbrengst der executie uit den aard der zaak ten bate van den executant. Het is daarom van veel belang te weten, wanneer eene tenuitvoerlegging geacht kan worden te zijn geëindigd. Meer dan eens heeft zich die vraag voorgedaan.
Ten opzichte der tenuitvoerlegging door middel van beslag onder handen van een derde is herhaaldelijk beslist, dat deze tenuitvoerlegging eerst is voltooid, als door den derde afgifte is gedaan van hetgeen hij schuldig is of onder zich heeft. Zoolang dit niet is geschied, neemt dus de executie door de faillietverklaring een einde. Al was op het oogenblik der faillietverklaring het vonnis tot afgifte jegens den derde reeds verkregen, toch behoort, wat deze onder zich heeft of schuldig is, tot den faillieten boedel, en moet het aan den curator worden afgegeven ').
Moeilijker is het te bepalen, wanneer de tenuitvoerlegging door middel van executoriaal beslag op de roerende goederen
Til). Amstenlain 22 April 1880, mot uitvoerige c.onclusio v. li. Oponl). Min., Æ'. 1880, nos 2-2* en 23'; Rb. Arnhem 10 Mei 1887, W. n0. 5554; lib. den Haag 23 Sept. 1890, IK, n0. 5965,
Molengraaff, Faillissemeutawet.
248
van den sclmldenaai' is geëindigd. Het geval deed zich voor, dat, terwijl de deurwaarder bezig was met den exeeutorialers verkoop der roerende goederen, de staat van kennelijk onvermogen van den schuldenaar werd uitgesproken. Toen daarvan aan den deurwaarder mededeeling was gedaan, staakte deze den verloop en bracht hij de koopschat der reeds verkochte goederen over ter griffie van de rechtbank.
De griffier weigerde later de afgifte der koopschat aan den curator, die haar vervolgens in rechte opvorderde. De Rb. te Utrecht ') nam aan, dat, voor zoover de verkoop der in beslag genomen goederen had plaats gehad vóór bet vonnis van kennelijk onvermogen, ook het beslag kon gezegd worden te zijn geëindigd, en stelde dus den griffier in het gelijk. In hooger beroep werd dit vonnis vernietigd door het Hof te Amsterdam 1), op grond, dat de onderhavige executie » nog niet verder was gevorderd dan de verkoop dei-goederen , en bovendien slechts van een gedeelte der goederen , zoodat de gerechtelijke tenuitvoerlegging daarmede niet, ook niet voor zooverre de goederen verkocht waren, was geëindigd
Bovendien nam het Hof aan, dat de dag, waarop de staat van kennelijk onvermogen is ingegaan, evenals die waarop een faillissement is ingegaan, met betrekking tot het oogenblik van den aanvang van het kennelijk onvermogen in zijn geheel moet worden medegerekend 2). Juridiek had dus de verkoop na den aanvang van het kennelijk onvermogen plaats gehad. De griffier werd mitsdien tot afgifte aan den curator veroordeeld.
De curator had, blijkens het vonnis vau de Rechtbank te Rotterdam van 17 Juni 1895 11), nog een anderen weg kunnen inslaan. Ook in deze zaak waren de goederen executoriaal verkocht, op 23 en 24 Nov. 1893, en was de koopschat ter griffie overgebracht. Eén dag na den verkoop, op 25 Nov., werd het faillissement van den schuldenaar uitgesproken, met ingang op 23 November. Desniettemin vroeg de executant, â drie schuldeischers hadden verzet gedaan tegen de afgifte der
1
-) Arrest van -'2 Mei 1S9G, iV. n0. C845.
2
) Verg. art. '2Pgt; Fw.
249
kooppenningen â gerechtelijke verdeeling van de koopschat. De rechter-commissaris maakte vervolgens, op verzoek van den curator, den volgenden staat van verdeeling op: «op het bedrag van voorschreven kooppenningen ad f 2053.30 wordt als eerst bevoorrecht gerangschikt tot dat geheele bedrag de heer H. in zijne hoedanigheid van curator in 't faillissement van Z. te R., in staat van faillissement verklaard door de arrondisse-ments-rechtbank te Rotterdam bij haar vonnis van 25 Nov. 1893 en in die hoedanigheid alle in dat faillissement reeds geverifieerde of nog te verifieeren schuldeischers vertegenwoordigendequot;. Hiertegen deden de executant en de opposanten wederspraak, welke werd afgewezen op grond, dat de goederen verkocht waren, nadat het faillissement was ingegaan. De vraag, of de executie met den verkoop was geëindigd, werd dus niet beslist. Dat zulks niet liet geval is, integendeel de gerechtelijke verdeeling nog deel uitmaakt van de tenuitvoerlegging en deze niet is geëindigd, zoolang het proces-verbaal van den rechter-commissaris niet is gesloten, schijnt to mogen worden afgeleid uit de overwegingen van het arrest van den Hoogen Raad van 10 Mei 1894, W. n0. 6502.
Zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de schuldenaar, indien hij zich in gijzeling bevindt, daaruit ontslagen.
Het voorschrift bevat, evenals nos. 2 en 3 van art. 596 W. v. B. Rv., een bevel tot ontslag. Toestemming van den schuld-eischer (een grond tot ontslag in art. 596 n0. 1 Rv. uitdrukkelijk naast en tegenover de andere gronden van ontslag gesteld) is niet noodig. De cipier moet uit krachte van de bepaling der wet ontslaan , zoodra hem blijkt, dat aan de voorwaarde, door de wet gesteld, is voldaan. Ieder belanghebbende, een familielid of de raadsman van den schuldenaar, de rechtercommissaris of de curator, als deze van oordeel is, dat het belang van den boedel, bijv. bij voortzetting van het bedrijf, door het ontslag van den schuldenaar wordt gediend, kan den cipier het gevorderde bewijs bijbrengen. Wordt dit geleverd, dan moet het ontslag zonder eenigen vorm van proces volgen.
Mocht de cipier niettemin weigeren daartoe over te gaan, dan schijnt ons voorden schuldenaar de aangewezen weg, zich tot de rechtbank te wenden met het verzoek een bevel tot
'250
ontslag to geven. Evenwel zal liet geval zich niet licht voordoen , daar de cipier, die zou weigeren te ontslaan in een der gevallen waarin de wet het ontslag beveelt, zich schuldig zon maken aan het misdrijf omschreven in art. 282 Wetb v. Strafr. ').
Door of voor den schuldenaar moet worden aangetoond, dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Het bewijs daarvan wordt geleverd door overlegging van het vonnis van faillietverklaring en van eene verklaring van den griffier van het betrokken rechtscollege, dat een verzoekschrift houdende verzet, hooger beroep of beroep in cassatie gedurende den daarvoor gestelden termijn .niet is ingediend. Art. 611 Wetb. v. B. Rv., regelende de procedure tot ontslag, komt alleen dan te pas, als de cipier betwist, dat het vereischte bewijs is geleverd, m. a. w., dat de door de wet gestelde voorwaarde aanwezig is, een geval wel te onderscheiden van weigering om te ontslaan, niet op grond van het onvoldoende van het bewijs, maar omdat de cipier goedvindt voorwaarden te stellen, die de wet niet kent, zooals toestemming van don schuldeischer of een vonnis van den rechter.
') lu (ien/elfclen zin Carré en Giiaüvkau Auoi.i'im, Lois ilc la imiccdure civile el comm., 5quot; éd., t. 6, vol. I, art. 800 C. d. pr. civ., (j, '2730.
Artikei. 51.
Behoudens het bepaalde hij artikel 4t) moet hetgeen door de nietige handeling uit het vermogen van den schuldenaar gegaan is, doorhem, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven worden.
Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ontvangene niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht.
Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd.
Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daarvan, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen.
De wet bepaalt nergens, tegen wien de nietigheid van door den gefailleerde verrichte handelingen moet of kan worden ingeroepen, üit het stelsel der betrekkelijke nietigheid volgt, dat een beroep op de nietigheid kan worden gedaan tegenover een ieder, die aan de handeling rechten wil uitleenen, dus niet alleen tegen dengene met wien de gefailleerde handelde, maar ook tegen latere verkrijgers der zaken, die het voorwerp dier handeling waren Het beroep stuit alleen af op rechten, door derden te goeder trouw verkregen.
Een tweede kooper te goeder trouw is dus veilig, daarentegen kan van een tweeden of lateren kooper, die te kwader trouw is, worden opgevorderd, evengoed als van hem die met den gefailleerde handelde.
Onder het vroegere recht, toen in artikel 777 W. v. K. van vernietiging werd gesproken eu in art. 1377 B. W. van opkomen tegen eene handeling, was dit niet zoo duidelijk. Er werd toen geleerd, dat het geding tot nietigverklaring alleen kan worden gevoerd tegen de gehandeld hebbende personen, althans alleen tegen den mede-contractant van den schuldenaar, niet ook tegen derde verkrijgers. Ontkend werd niet, dat de Pauliana tegen derden werkt, maar wel dat zij tegen derden
252
kan worden ingesteld. Is echter de handeling eenmaal in een geding tegen den mede-contractant van den schuldenaar nietig en van onwaarde verklaard, dan kunnen zelfs derden te goeder trouw aan die handeling geen rechten meer ontleenen. Dit standpunt wordt uitvoerig uiteengezet in de conclusie van Mr. van Manen , voorafgaande aan het vonnis der Rb. te Zierikzee van 13 Jan. 1885 1
De rechtbank aanvaardde in dat vonnis het stelsel van den officier niet. Zij overwoog, dat do vordering van art. 1377 B. W., volgens de bewoordingen van het artikel, niet is een eigenlijke vordering tegen den schuldenaar of tegen andere bepaalde personen , maar een opkomen legen handelingen van den schuldenaar en, casu quo, van zijne mede-contractanten, waaruit zij verder afleidde, w dat het de bedoeling van den wetgever is geweest, aan de schuldeischers de noodige vrijheid te laten om hunne bewering nopens het bedriegelijke der handelingen, waartegen zij opkomen, in rechte aanhangig te maken of te debatteereu op zoodanige wijze en tegen of met zoodanige personen, als in ieder bijzonder geval de omstandigheden zouden medebrengen».
Voor het thans geldende recht is deze opvatting stellig de juiste, behoudens deze restrictie, dat de nietigheid der handeling niet werkt tegen derde verkrijgers te goeder trouw, derhalve ook niet met dezen kan worden gedebatteerd.
gt;) TV. nquot;. 5178.
253
Artikel 57
De hypothekaire schuldeischer, die liet beding, vermeld in artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt, en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware.
Is hunne vordering eene zoodanige als vermeld in de artikelen 130 en 131, dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag, waarvoor de vordering is erkend.
Bij de behandeling der wet kwam, naar aanleiding van dit artikel, de vraag ter sprake, hoe het moet gaan metkrediet-hypotheken, met hypotheken door voogden of curators ingevolge wettelijk voorschrift tot zekerheid van hnn beheer gegeven , met de hypothekaire rechten der vrouw (art. 881 W. v. K.), en met zakelijke borgtochten, bij het aanvaarden van ambten of betrekkingen gesteld 1). Speciale bepalingen daaromtrent achtte de Regeering onnoodig en zijn ook in de wet niet opgenomen.
Wat krediet-hypotheken betreft, is de zaak zeer eenvoudig. De kredietgever oefent zijn hypotheekrecht uit voor hetgeen hij bij den aanvang van het faillissement te vorderen heeft, d. w. z. voor het saldo zijner rekening. Voor het bedrag daarvan zal hij executeeren, als hij het beding van artikel 1223 B. W heeft gemaakt, of anders als schuldeischer opkomen.
In den zelfden zin moet worden beslist met betrekking tot de voogdij-hypotheken en de zakelijke waarborgen voor ambten of bedieningen. Voor zooverre zij, te wier behoeve de hypotheek of de zakelijke waarborg is gesteld, ten tijde der faillietverklaring uit hoofde van het gevoerde beheer iets te vorderen hebben, kunnen zij in het faillissement opkomen of overeenkomstig art. 57 Fw. hun recht uitoefenen. In het laatste geval hebben zij de opbrengst van het verbonden goed, onder aftrek
') Belinfante II, bl. 76, 190 v.; v. d. Feltz I, bl 470 v.
254
hunner vordering, aan den curator te verantwoorden, in het eerste geval verkoopt de curator de verbonden goederen en beveelt de rechter-commissaris overeenkomstig art. 188 Fw. de doorhaling der hypothekaire inschrijving, zoodra de uit-deelingslijsl, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen, verbindend is geworden. Aldus zal ook dan gehandeld worden, wanneer de hier bedoelde personen of lichamen , niets te vorderen hebbende, ook niet als schuld-eischers in het faillissement kunnen opkomen. De slotsom is, dat het faillissement van den voogd of van den ambtenaar in ieder geval ten gevolge heeft, dat de hypotheek wordt doorgehaald, en de zakelijke waarborg opgeheven, terwijl het onderpand wordt te gelde gemaakt.
Het hier gezegde geldt trouwens voor alle hypotheken tot zekerheid van beheer gesteld, mitsdien ook van de hypotheek die de vrouw zich, tot zekerheid van het beheer haars mans over hare goederen , mocht hebben bedongen. Terecht merkte de heer Vlielander Hein in de Eerste Kamer op '), dat wij hier te doen hebben niet met eene eigenaardigheid van het faillietenrecht, maar met iets wat voortvloeit uit het gemeene recht en ook van toepassing is bij elk gewoon particulier beslag. Iedere executie leidt noodzakelijk tot deze iiitkomst
') Belinfante VI. bl. 115; v. D. Feltz 1, bl. 474.
255
Artikei, til al. 1 en G.
Jn geval van faillissement van Jen man, neemt de vrouw alle roerende en onroerende goederen, welke haar toebeliooren en niet in de gemeenschap vallen, terug.
Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw als schuld-eischeres op.
Of en in hoeverre de vrouw eeno persoonlijke vordering op Laren man heeft, wordt hier niet beslist. Het antwoord op die vraag behoort te worden gegeven door het Burgerlijk Wetboek. Bestaande controversen, die haar oorsjn'ong vinden in do gebrekkige regeling van het huwelijksgoederenrecht, konden door de Faillissementswet niet worden opgelost. Zoo bijv. de bekende controverse, of de in gemeenschap van winst en verlies gehuwde vrouw in het faillissement van haren man als concurrente schuldeischeres kan opkomen voor het bedrag van door haar blijkens akte van huwelijksche voorwaarden aangebrachte contanten? Bij twee vonnissen van de rechtbank te Amsterdam, van 12 Juni 1885, P. v. J. 1885 ii0. 32*, en van 22 Juni 1894, W. n0. (5615, en bij arrest van het Hof te Amsterdam van 11 Maart 1887, P. v. J. 1887 nquot;. 24*, IV. n0. 5474, werd de vrouw als schuldeischeres toegelaten. Daarentegen was do advocaat-generaal bij het Hof, blijkens zijne conclusie in P. v. J. 1886 n0. 9*, eene andere meeuiug toegedaan, terwijl het vonnis van 1885 en 's Hofs arrest door Mr. Polenaak in Rechtsijeleerd Mayazijn 1888, bl. 18 v., worden bestreden ').
Is men van oordeel, dat de gemeenschap van winst en verlies alleen ten opzichte van de wijze van verdeeling van de algeheele gemeenschap is onderscheiden, en dat mitsdien die gemeenschap de vermogens van den man en de vrouw beide
') Zie ook M. L. van Goudoever, Opmerkingen over de gemeenschap van winst en verlies, Prft. bl. 81 v.
256
omvat 1), dan kan van een optreden van de vrouw als schuld-eischeres voor hare aanbrengst in contanten natuurlijk geen sprake wezen. Dan kan zelfs liet eerste lid van art. 61 bij de gemeenschap van winst en verlies nooit van toepassing zijn, omdat de vrouw geen goederen heeft die niet in de gemeenschap vallen.
Gaat men daarentegen niet zoover, neemt men, zooals in den regel ploegt te worden gedaan 2), het bestaan eeuer beperkte gemeenschap aan, ook dan komt ons verificatie van de vrouw voor hare aanbrengst in contanten niet juist voor. Want ook aldus opgevat, staat de gemeenschap van winst en verlies, zoolang zij duurt, aan iedere vordering van de vrouw tegen den man tot oplevering van de waarde van het door haar aangebrachte in den weg. Immers, wat van de aanbrengst der vrouw ophoudt in natura aanwezig te zijn , en contanten ziillen nooit in natura aanwezig blijven, maakt, als verlies,een deel van het passief der getneenschap uit . tenzij de herbelegging kan worden aangetoond of een der oorzaken bestaat, die eene vermindering van het verinogen der vrouw uitsluitend te haren laste doen komen.
Eerst na ontbinding der gemeenschap en na vaststelling van het geheele bedrag van de winst en van het verlies kunnen de e'ïhtgenooten te dier zake eene vordering op elkander verkrijgen. De aangehaalde jurisprudentie miskent het wezen der gemeenschap van winst en verlies als eene gemeenschap, die alle baten en lasten omvat, waarvan niet kan worden aangetoond, dat ze uitsluitend aan één der echtgenooten toe-behooren, resp. door één hunner moeten worden gedragen.
Het baat niet erop te wijzen, dat de vrouw eene vordering heeft op den man, ter zake van diens beheer over de goederen, haar persoonlijk toebehoorende. Ook deze vordering stuit af op de werking der gemeenschap van winst en verlies, krachtens welke de vermogensvermindering, die een gevolg daarvan is, dat de man de goederen der vrouw wegmaakt, ten laste komt van de gemeenschap en niet van den man alléén. Maar zelfs
1
') Zie Mi-. II. J. Koenen, Benchouwingen over rechtsgemeenschap. Prft. bl. 170 v.
2
) Thans ook Mr. Koenen, Studies over yemeenschap van winst en verlies, in Wkbl. van Not. en Rerj. n0'. 1392/6.
257
lt;lit daaro-elaten, liet beheer van den man kan slechts aanleiding geven tot eene vordering tot rekening en verantwoording, nimmer tot het rauwelijks opvorderen vau een bepaald bedrag als aanbrengst. Alleen verificatie voor een saldo van rekening ware dus mogelijk. In dien zin zal ook dan moeten worden beslist, als iedere gemeenschap is uitgesloten, of alleen gemeenschap van vruchten en inkomsten bestaat.
17
Molengkaaff , FaiUiasemeutswet.
257
dit daargelaten, het beheer van den man kan slechts aanleiding geven tot eene vordering tot rekening en verantwoording, nimmer tot het rauwelijks opvorderen van een bepaald bedrag als aanbrengst. Alleen verificatie voor een saldo van rekening ware dus mogelijk. Tn dien zin zal ook dan moeten worden beslist, als iedere gemeenschap is uitgesloten, of alleen gemeenschap van vruchten en inkomsten bestaat.
17
Molengbaaff , Faillissementawet.
DERDE AEDEELING.
Van hot bestuur over den faillieten boedel.
§ 1. â Des wetgevers oordeel over de geschiktheid der schuldeischers om zelve de algeheele vermogens-executie van den schuldenaar te bezorgen, althans die te leiden , is beslissend voor de regeling van het bestuur over den faillieten boedel. Naarmate de wetgever meer of minder vertrouwen stelt in het zelfdoen der schuldeischers, kent de wet minder of meer officieele bemoeienis met den gang van zaken, zal er, zooals het wel genoemd wordt, minder of meer officialisme zijn in het faillietenrecht.
Dat de schuldeischers niet zelf het faillissement kunnen afwikkelen is duidelijk. Aan het gezamenlijk handelen en optreden van velen zijn zóó talrijke bezwaren verbonden, dat aanwijzing van een of meer vertegenwoordigers, om voor hen te handelen, een noodzakelijkheid is. Vandaar dat men in alle faillietwetten curators aantreft, onder dezen of een anderen naam belast met de werkzaamheden, welke de algemeene vermogens-executie medebrengt.
Bij hetgeen uit dien hoofde moet worden verricht, moet rekening worden gehouden met de belangen en rechten zoowel van de gezamenlijke schuldeischers als van ieder van hen in 't bijzonder, alsmede met die van den schuldenaar. Alleen een onpartijdig en der zake kundig persoon kan die taak naar behooren vervullen. Deze overweging heeft den wetgever er toe geleid de benoeming van den curator tip te dragen aan den rechter, waardoor het onpartijdig standpunt van den curator ook tegenover de schuldeischers wordt gewaarborgd.
259
Al berust dus de leiding der faillissementsbemoeiingen noch onmiddellijk noch middellijk in handen der schuldeischers, geenszins is uit het oog verloren, dat het faillissement toch in de eerste plaats liim zaak is. Op verschillende wijzen kunnen de schuldeischers invloed op den gang van zaken oefenen: persoonlijk en gezamenlijk in de vergaderingen der schuldeischers, middellijk door de commissie uit de schuldeischers , individueel in verschillende in de wet aangewezen gevallen, met name in die van de artt. G9 en 73.
De rechter, die den curator benoemt, is tevens belast met het toezicht op de richtige vervulling van de aan dezen opgedragen taak. Namens de rechtbank wordt dit toezicht uitgeoefend door den rechter-commissaris, die bovendien heeft te beslissen omtrent tal van maatregelen, tot het nemen waarvan het beheer en de vereffening van den boedel aanleiding geven. Van de beschikkingen, welke door den rechtercommissaris worden genomen, is in den regel hooger beroep op de rechtbank.
Het bestuur over den faillieten boedel ligt dus geenszins in één hand. Verschillende factoren werken daartoe mede. De schuldeischers, de commissie uit de schuldeischers, de curator, de rechter-commissaris en de rechtbank hebben in het bestuur ieder een grooter of kleiner, meer of minder belangrijk aandeel. De bevoegdheid dezer «verschillende machten in het faillissementquot; '), zooals de Memorie van Toelichting het uitdrukt, in het alo-emeen aan te geven en af te bakenen is het doel
o o
der derde Afdeeling (artt. 64â80).
Daar die Afdeeling slechts algemeene regels stelt, kan, wie de bevoegdheid van iedere macht ook in bijzonderheden wil leeren kennen, met de raadpleging harer bepalingen niet volstaan. Kennisneming van den geheelen titel is voor hem onontbeerlijk.
§ 2. Da redder-commissaris. â «De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer eu de vei'effening van den faillieten boedelquot; (art. 04). Deze bepaling moet worden gelezen
') Gelinfante I, bl. 102; v. d. Keltz II, bi. I vlg.
260
in verband met art. 68 eerste lid: «de curator is helast met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel
De taak van den rechter-commissaris is dus, in tegenstelling met beheer, toezicht op het beheer. Toezicht sluit niet in zich medebeheer of opperbeheer, daarom kan de rechtercommissaris aan de opdracht van het toezicht op het beheer geenszins de bevoegdheid ontleenen, den curator omtrent het beheer in dezen of genen zin bevelen te geven, of wel hem verlof of toestemming te verleenen tot het verrichten van voorgenomen handelingen. De bevoegdheid tot het een of het ander bezit de rechter-commissaris slechts voor zooverre hem die door eene uitdrukkelijke wetsbepaling is toegekend.
Het houden van toezicht wil zeggen, dat de rechtercommissaris nagaat, â of de curator zich houdt bmnen de grenzen der wet, of hij handelt in het belang van den boedel, of hij zijne taak behoorlijk vervult. De middelen van invloed, die hemquot; daarbij «ten dienste staan, zijn raadgevingen, opmerkingen, berispingen, des noodig toepassing van art. 73quot; (voordracht aan de rechtbank tot ontslag van den curator) ').
Mr. A. van der Hoeven 1) meent, dat de uitdrukking van art. 64: â houdt toezicht op het beheer en de vereffening â voor tweeërlei uitlegging vatbaar is en daarom aanleiding-moet geven tot grenzenlooze verwarring. Tot deze krasse uit-spraak wordt de schrijver gebracht, doordat hij niet voldoende rekening houdt met art. 68, waarin het beheer, in zijn vollen omvang, en de vereffening aan den curator, en uitsluitend aan dezen, worden opgedragen. De door hem gestelde ruimere beteekenis van art. 64, volgens welke de rechtercommissaris bevoegd zou zijn den curator te bevelen, hoe hij zal hebben te beheeren en te vereffenen, schijnt ons althans aan dit artikel alléén te kunnen worden toegekend, als men bij de uitlegging daarvan het verband met art. 68 geheel uit het oog verliest. Stelt men daarentegen de beide artikelen naast elkander, dan zal men de uitspraak van den Minister Smfdt
1
) Dc rechter-commissaris in hel faillissement, inzonderheid naar aanleid hifi der nieuwe ontwerpen, Prft. bl. 31 v., 42.
261
in zijn Antwoord op Let Verslag dor Comuiissie van voorbereiding : u gevaar voor botsing bestaat niet; de afbakening van de taak van den rechter-commissaris eenerzijds, van den curator anderzijds, is duidelijk; ieders bevoegdheid belioor-lijk bepaald quot; ') zonder bezwaar kunnen onderschrijven.
De rechter-commissaris oefent het toezicht op den curator vanwege de rechtbank, die hem uit hare leden benoemt 2). Hij is daardoor ook de aangewezen persoon om de rechtbank voor te lichten, indien het beheer of de vereffening van den faillieten boedel tot incidenten aanleiding geeft, welke eeue beslissing van de rechtbank noodig maken. Uitdrukkelijk wordt de rechtbank door art. (55 verplicht den rechter-cominissaris te hooren, alvorens in eenige zaak, het beheer of do vereffening des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te geven.
Nevens de algemeene omschrijving van de macht van den rechter-commissaris staat een aantal bijzondere bepalingen, waarbij hem bevoegdheden worden toegekend, die in het toezicht op het beheer niet zijn begrepen, en die dus afzonderlijk moesten worden vermeld. Slechts één dezer bepalingen (art. 66) wordt gevonden in de eerste § van de derde Afdeeling, welke over den rechter-commissaris handelt; de andere zijn door de geheele wet verspreid.
Artikel 66 kent den rechter-commissaris de bevoegdheid toe, ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen. De getuigen worden namens hem (d. w. z. uit zijn naam, op zijn last of bevel) gedagvaard 3).
Een opzettelijk onderzoek naar de oorzaken van het faillissement, naar het gedrag van den schuldenaar, naar diens handelingen in den vooravond der faillietverklaring, naar den toestand van den boedel enz. kan soms gewenscht zijn. In den regel zal dit niet kunnen geschieden zonder dat getuigen worden gehoord; ook kan het zijn, dat de voor-
') Belinfante II, bl. 80; v. d. Feltz II: bl. 2.
-) Bfinoïming van een rechter-plaatsvervanger tot rechter-commissaris is wel voorgekomen en wordt nergens verboden.
:l) De dagvaarding wordt gedaan door een deurwaarder (art. I van tiet Reglement n0. IV).
262
lichting van deskundigen, bijv. van een accountant, niet kan worden gemist. Zoowel liet hooren van getuigen als liet benoeniou van deskundigen bekoort meer eigenaardig tot de rechterlijke functiën, vandaar de opdracht van het een en het ander aan den rechter-commissaris.
De artikelen 116â119 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn toepasselijk, als de gedagvaarde getuige niet verschijnt of, verschenen zijnde, weigert getuigenis af te leggen (art. 06 derde lid) 1J. Men houde daarbij in het oog dat de strafbepalingen, welke in de artt. 116 en 117 voorkwamen, door art. 3d van de Wet tot invoering van het Wetboek van Strafrecht (Wet van 15 April 1886, Stbl. n0 64) zijn afgeschaft. Betwist is, of daardoor ook de bevoegdheid van den burgerlijken rechter, den on willigen getuige straf op te leggen, is vervallen. Van Boneval Faure 2) acht dit weinig twijfelachtig, omdat door art. 3d voornoemd de laatste woorden van de beide eerste leden der artt. 116 en 117 zijn geschrapt, zonder dat daarvoor iets anders in de plaats is gesteld. Daarentegen is Pols 3) van oordeel, dat de rechtsmacht van den burgerlijken rechter is behouden en de vervallen strafbepaling vervangen door die van de artt. 192 2°. en 444 Wetb. v. Strafr. Over de bevoegdheid van den rechter-commissaris, de getuigen tot straf te veroordeelen , kan dus verschillend worden gedacht11).
Wat de deskundigen betreft, kan van eene veroordeeling tot straf door den rechter-commissaris geen sprake zijn. Indien er termen bestaan tot toepassing op een deskundige hetzij van art. 192 2°., hetzij van art. 444 Wetb. van Strafr., is alleen de strafrechter daartoe geroepen.
Van het geven van getuigenis kunnen zich verschoonen de
') Ook weigering van het afleggen van iten eed had hier bohooren te worden vermeld.
^ liet Nedeiiandsche Burgerlijk Procesrecht, dl. I, 3e dr., bl. 87.
â¢') De rechlsmachl van den burgerlijken rechter in strafzaken, in Tijdschrift voor Strafrecht, dl. I, bl. 4'23.
â ') In de officieele uitgave van liet Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, ingevolge K. li. van 10 Sept. 1890, Stbl n». 150, zijn de laatste woorden van de btide eerste leden van de artt. 110en 117, welke de strafbepalingen bevatten, eenvoudig weggelaten. De Regeering is dus blijkbaar de meening van Faure toegedaan.
263
echtgenoot of gewezen echtgenoot (weduwe, weduwnaar of gescheiden echtgenoot), de kindereu en verdere afkon;elingen en de ouders en grootouders des gefailleerden (art. 60 al. 4). Het Wetboek van Koophandel bevatte in art. 805 derde lid ten onrechte een absoluut verbod, deze personen te ondervragen. Verdient het uit een oogpunt van humaniteit goedkeuring hen niet te dwingen tot eene getuigenis, die den gefailleerde bezwaart, het was eene verkeerde consequentie, hun tevens de mogelijkheid te benemen een getuigenis af te loggen, dat tot diens ontlasting kan strekken. Deze overweging leidde er toe het verbod, ondervraagd te worden, te vervangen door het recht zich te verschoonen.
Krachtens de bevoegdheden, hem buiten § 1 der derde Afdeeling in verschillende artikelen der wet opgedragen, berust bij den rechter-commissaris de leiding der faillissementsprocedure (verificatie, akkoordbehandeling, uitdeeling), en heeft hij in verschillende gevallen den curator bevelen te geven, of wel machtiging of goedkeuring tot het verrichten van bepaalde handelingen.
Een vorm is voor deze beschikkingen van den rechtercommissaris in de wet met opzet niet voorgeschreven, opdat de goede gewoonte, welke onder de oude wetgeving bij sommige rechtbanken door de rechters-commissarissen werd gevolgd, om in den regel mondelinge beschikkingen te nemen , zou kunnen worden bestendigd. Ongetwijfeld verdient die gewoonte aanbeveling, daar zij de strekking heeft, noodeloozen omslag en kosten te vermijden. Waar de wet zwijgt, is iedere vorm, ook de mondelinge, geoorloofd; hij is ook voldoende, omdat de mondelinge beschikking, des noodig, bijv. als hooger beroep wordt ingesteld, nog altijd in geschrifte kan worden gebracht.
In haar Antwoord op het Verslag der Comm. v. voorb. liet de Regeering zich over de wenschelijkheid van een mondeling verkeer tusschen curator en rechter-commissaris, naar aanleiding eener daaromtrent geopperde bedenking bij art. 72, zeer stellig uit Door schriftelijke beschikkingen wordt alleen de beurs van den griffier gebaat, maar het behoeft wel geen betoog, dat het financieele belang van den griffier nooit een
') Belinfante 11, bl. 85; v. d. Feltz 11, bl. 18.
264
reden mag wezen om, iu strijd met de eischen eener goede rechtspleging, onnoodige formaliteiten in acht te nemen. Het is de plicht van den rechter-commissaris zich tegen ieder onnoodig kosten-maken te verzetten.
Als regel zijn alle beschikkingen, door den rechter-commissaris gegeven, behoudens de door de wet genoemde uitzonderingen, vatbaar voor hooger boroep. Uiterlijk op den vijfden dag na den dag waarop de beschikking werd genomen, moet het beroep worden ingesteld bij de rechtbank, uit welker leden de rechter-commissaris is benoemd (art. 67 eerste lid). Op welke wijze wordt hier niet gezegd. Toen in het Verslag der Comm. v. voorb. op deze vermeende leemte werd gewezen, antwoordde de Regeering, dat het hooger beroep uit den aard der zaak moet geschieden bij request, wat ook, onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel, waarin overliet geheele onderwerp werd gezwegen, in de praktijk eenstemmig werd aangenomen. Eene uitdrukkelijke bepaling mocht, naar haar oordeel, geheel overbodig heeten 1).
Een ander antwoord was niet te verwachten, daar in dezen van een rechtsgeding geen sprake is, en buiten rechtsgeding het verzoekschrift of request de eenige in het procesrecht bekende vorm is, om eene zaak bij den rechter aanhangig te maken.
Zijdelings is de quaestie uitgemaakt doorliet na het mondeling overleg tusschen de Commissie van voorbereiding en den Minister Ssiidt in de wet gebrachte artikel 5, waarin wordt aangewezen in welke gevallen de bijstand van een procureur noodig is. Het vordert indiening door een procureur o. a. van het verzoekschrift, bedoeld in artikel 67, en gaat dus uit van de vooronderstelling, dat het hooger beroep, waarvan in art. 67 sprake is, bij verzoekschrift moet worden aangebracht.
Wie in hooger beroep kan komen, wordt in art. 67 ?iiet gezegd. Alleen wordt bepaald, dat de rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden. Voor twijfel is hier trouwens geen aanleiding. Het is toch duidelijk dat, naar gelang van den inhoud der beschikking, öf
') Antwoord der Regeering in liet Verslag der Commissie van voorbereiding: Belinfante II, bl. 6; v. d. Feltz II, bl. 7.
265
liij, die de bescliikkiug heeft uitgelokt, óf degene tegen wien zij is gevraagd, het hooger beroep kan instellen. Komt bijv. een schuldeischer of de gefailleerde overeenkomstig art. 69 tegen eene handeling van den curator op en is deze handeling bij de beschikking van den rechter-commissaris gehandhaafd, dan zal de schuldeischer of de gefailleerde hooger beroep hebben; is daarentegen de handeling vernietigd: do curator. Heeft de rechter-commissaris geweigerd een dading goed tu keuren (art. 104), de curator die de goedkeuring had gevraagd, zal de eenige zijn die het beroep kan instellen. De Regeering vond dit alles zóó elementair, dat zij onnoodig achtte het in de wet xiit te drukken.
In het tweede lid van artikel 67 worden voor hooger beroep niet vatbaar verklaard de beschikkingen, vermeld in de artikelen 21 2° (bepaling dat van hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt, slechts een gedeelte buiten het faillissement blijft), 21 4° (bepaling van het bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 Burg. Wetb. bedoelde vruchtgenot, dat buiten het faillissement blijft), 34 (machtiging om den vóór het faillissement bepaalden executorialen verkoop der roerende of onroerende goederen voor rekening van den boedel te laten voortgaan), 58 eerste lid (verlenging van den termijn waarbinnen de hypothekairo schuldeischer of de pandhouder verplicht is zijn recht uit te oefenen), 79 (beslissing op het verzet van de commissie uit de schuldeischers, als de curatoi-verklaard heeft in strijd met het advies der commissie te zullen handelen), 94 (goedkeuring dat de boedelbeschrijving ondershands wordt opgemaakt en de waardeering door den curator geschiedt), 98 (machtiging dat de curator het bedrijf van den gefailleerde voortzet), 100 (vaststelling van de som aan den gefailleerde als levensonderhoud iiit te keeren), 102 (bepaling van de wijze van bewaring der gelden, kleinoodiën enz. en goedkeuring van de wijze van belegging van gereede gelden), 125 (voorwaardelijke toelating van vorderingen die betwist worden en voorwaardelijke erkenning van een betwisten voorrang), 127 vierde lid (toelating van te laat ingediende vorderingen tot de verificatie), 173 (aanwijzing van het huisraad, aan den gefailleerde in geval van insolventie over
266
tu laten), 174 (toesteuiuiiiig tot onderliandschen verkoop der goederen ten behoeve der vereffening), 175 (goedkeuring van de wijze van beschikking over alle niet spoedig of in liet liet geheel niet voor vereffening vatbare baten), 177 (vaststelling der vergoeding voor de diensten des gefailleerde ten behoeve der vereffening), 179 (bevel tot uitdeeling van penningen aan de schnldeischers) en 180 (goedkeuring der uitdee-lingslijst).
§ 3. Dc curator. â De curator wordt door art. 68, het eerste artikel van de aan den curator gewijde tweede § der derde Atdeeling, â met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel quot; belast. Daarmede is slechts eene algemeene omschrijving van zijne taak gegeven; welke in bijzonderheden zijne bevoegdheden zijn, blijkt uit tal van andere bepalingen.
Het beheer en de vereffening zijn aan den curator en aan dezen alleen opgedragen; hij kan dus naar eigen inzicht handelen, zonder aan iemands bevelen onderworpen te zijn of iemands machtiging of goedkeuring te behoeven, tenzij voor zooverre de wet zulks uitdrukkelijk voorschrijft.
Voorschriften van dien aard zijn er vele. Reeds dadelijk wordt in het tweede lid van art. 68 bepaald, dat de curator machtiging van den rechter-commissaris behoeft, alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatie-geschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 37 (al of niet gestand doen aan eene wederkeerige overeenkomst, die ten tijde der faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen), 39 (opzegging eener huurovereenkomst), 40 (opzegging eener dienstbetrekking) en 58 tweede lid (lossing van een verpand voorwerp). Bovendien is nog in verschillende andere artikelen van een bevel, machtiging of goedkeuring van den rechter-commissaris sprake. Men zie de artikelen 34 (machtiging), 41 tweede lid (machtiging), 80 tweede lid (goedkeuring), 93 eerste lid (bevel), 94 tweede lid (goedkeuring), 98 (machtiging), 102 eerste lid (bevel), 102 tweede lid (goedkeuring), 103 (goedkeuring), 104 (goedkeuring), 174 (toestemming), 175 eerste lid (goedkeuring), 179 (bevel), 180 (goedkeuring).
2(57
Eene verdere beperking ondergaat de macht van den curator, als in het faillissement eene commissie uit de schuldeischers wordt benoemd. De omvang dier beperking zal hieronder in § 4 worden nagegaan.
De macht van den curator, al moge zij niet onbeperkt wezen, is niettemin zeer groot, in aanmerking genomen, dat eene commissie uit de schuldeischers lang niet in alle faillissementen , misschien slechts in weinige zal worden benoemd. Uit dien hoofde ziju waarborgen voor een goed gebruik van die macht, voor nauwgezette plichtsbetrachting en onpartijdige behartiging van alle belangen, welke bij liet faillissement zijn betrokken, onontbeerlijk.
De Faillissementswet zoekt die waarborgen niet, zooals het Wetboek van Koophandel deed, in de aflegging van eenen eed door den curator bij de aanvaarding zijner taak, of in beperking van den rechter in de keuze van den curator. De eed is vervallen, en evenzeer het voorschrift van art. 787 eerste lid nquot;. 2 Wetb. v. Kooph.: «de curator zal bij voorkeur uit do schuldeischers gekozen wordenquot;, een voorschrift trouwens dat in de praktijk vrijwel tot een doode letter was geworden, daar feitelijk niet de benoeming van een schuldeischer, maar wèl die van een rechtsgeleerde, meer bepaald van een advocaat, de regel mocht heeten. In die praktijk verandering te brengen achtte de Regeering niet gewenscht. Zij was van meening, dat de benoeming van een schuldeischer tot curator wel altijd een zeldzaamheid zal blijven en ook behoort te blij ven, omdat de curator «voor alles een onpartijdige of liever nog een boven de partijen (schuldenaar en schuldeischers) staande persoon, en daarbij iemand van rechtsgeleerde kennisquot; ') moet wezen , aan welken dubbelen eisch de schuldeischers niet dan hoogst zelden zullen voldoen. Op dien grond laat de wet den rechter bij de benoeming van den curator geheel vrij in de keuze van den persoon 2).
Ligt reeds in de benoeming door den rechter een waarborg, dat de groote macht, den curator gegeven, niet in handen van ongeschikten zal worden gelegd, waarborgen voor eene
') Beünfaiite l, bl. 107; v. u. Feltz ü, bl. quot;20. '-) Zie hierboven bl. 116.
268
juiste aanwending van die macht, vooi een richtig en onpartijdig beheer door den benoemde zijn gelogen in het toezicht van den rechter-commissaris, en in de ruime bevoegdheid, toegekend aan allo belanghebbenden bij het faillissement, om tegen de wijze waarop de curator zijn taak vervult, op te komen.
Volgens art 69 kan ieder schuldeiseher, de commissie uit hun midden benoemd, zoo die er is, en de gefailleerde tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.
Do beslissing van den rechter-commissaris moet «bij verzoekschriftquot; worden gevraagd, waarvoor de tusschenkomst van een procureur niet noodig is, daar deze door art. 5 voor dit geval niet wordt gevorderd. Nïi den curator gehoord te hebben, beslist do rechter-commissaris binnen drie dagen. bij eene beschikking, waartegen volgens art. 67 hooger beroep op de rechtbank openstaat.
Den belanghebbenden is aldus een krachtig middel gegeven, zich te doen gelden en voor hunne belangen op te komen. Niet alleen kunnen zij bestrijden wat vei-richt is, aandringen op hetgeen huns inziens ten onrechte is nagelaten '), maar ook zich verzetten tegen een voorgenomen handeling, men denke bijv. aan een door den curator aangekondigden verkoop van tot den boedel behoorende goederen. Werd onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel, toen het zooeven aangehaalde voorschrift van art. 787 al. 1 nu. 2 vau dat Wetboek «nagenoeg de eenige wettelijke bepaling (was) waarin van de schuldeischers notitie (werd) genomenquot; 2), terecht geklaagd, dat dezen niet den minsten invloed konden oefenen op den gang van zaken, thans bestaat daarvoor geen aanleiding meer, nu zij in het door art. 69 geschapen recht
') Onder de afgeschafte wetgeving heeft zicli de vraag voorgedaan, en zelfs de stof geleverd voor een proefschrift (A. C. P. Lammebs van Toorenburg, Leiden, 1887), of aan den curator in een faillissement gelast kan worden eene vordering in te stellen Art. 09 laat daaromtrent geen twijfel meer bestaan; het bevel, dat de curator eene bepaalde Handeling verrichte, kan zeer zeker wezen een bevel tot het instellen eener rechtsvordering.
-) Memorie van Toelichting: Belinfante 1, bl. 107; v. u. Feltz 11, bl. 20.
269
van verzet het middel bezitten, zoo vaak zij grieven hebben tegen het beheer van den curator, deze kenbaar te maken en door den rechter te doen overwegen. De curator is daardoor, zooals de Memorie van Toelichting opmerkt '), onder de voortdurende controle geplaatst van hen, in wier belang hij is aangesteld.
Ook aan den gefailleerde is het recht van verzet gegeven, «omdat elke handeling van den curator z ij n e zaak geldt; het is zijn boedel die vereffend wordt ter voldoening zijner schnldeischers ; al mag hij zelf niet beheeren , het is voor hem niettemin van het grootste belang dat er goed beheerd wordequot; 2).
Wanneer de curator zijne bevoegdheid te buiten gaat door eigenmachtig te handelen in gevallen waarin hem dit niet is geoorloofd, is zijne handeling niettemin geldig, dus verbindend voor den boedel. Deze afwijking van den regel, dat machtsoverschrijding de handeling ongeldig maakt, is aangenomen in het belang van hen die met den curator handelen en moeilijk kunnen nagaan, of door dezen alle voorwaarden, door de wet gesteld, wel zijn nagekomen.
Artikel 72, waarin het betrekkelijke voorschrift wordt gevonden, luidt: »Het ontbreken van de machtiging van den rechtei'-commissaris, waar die vereischt is, of de niet-inacht-neming van de bepalingen, vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. L)e curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schnldeischers aansprakelijk. «
Hij die met den curator handelt, is dus beveiligd tegen latere bestrijding der handeling opgrond van verzuimen, dooiden curator gepleegd. Ware het anders, hij zou of de kans van de ongeldigheid der handeling op zich moeten nomen, of zich, zoo vaak hij zich met den curator in betrekking stelt, een onderzoek moeten getroosten bij don rechter-commissaris en de commissie uit de schnldeischers, of wel van den curator de schriftelijke bewijzen moeten vorderen, dat door dezen de bepalingen omtrent de machtiging door den rechter-commissaris
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 104; v. n. Fei.tz II, bl. 9. '-) Memorie van Toelichting: t. â /.. p.
270
en liet inwinnen van het advies der commissie uit de sclmld-eischers zijn nagekomen. Het verkeer tnsselien den curator en derden zou daardoor in hooge mate worden belemmerd, en tegen het belang van den boedel eene schriftelijke behande-lino- van zaken door den curator, den rechter-commissaris en
O '
de commissie nit de sctmldeischers noodzakelijk zijn.
Artikel 72 heeft de moeilijkheid opgelost door aan de beperkingen van de macht des curators, welke in het vereischte van machtiging door den rechter-commissaris en van het inwinnen van het advies der commissie uit de schuldeischers zijn gelegen, uitsluitend interne werking toe te kennen '). Al is de onbevoegdheid van den curator bekend aan hem mot wien deze handelt, do handeling is geldig. Dat dit gewild is, dat met opzet geen onderscheid is gemaakt naar gelang de derde te goeder ofte kwader trouw is, blijkt uit de weglating van de woorden: tf die daarvan onkundig waren « , welke in het oorspronkelijk Reg.-Ontwerp voorkwamen , en uit de motieven voor die weglating aangevoerd in het Antwoord der Regeering in het Verslag der Commissie van voorbereiding.
Eene leemte in het artikel schijnt ons hierin gelegen te zijn, dat daurin het niet-opvolgen eener door den rechter-commissaris ingevolge art. G9 gegeven beschikking niet wordt vermeld. Al het boven gezegde geldt ook dan, zelfs in nog sterkere mate, omdat dergelijke beschikking niet zooals eene machtiging of advies steeds in bepaalde in de wet aangegeven gevallen door den curator moet worden gevraagd, maar alleen wordt seseven onder omstandigheden, die een derde niet kan con-
O O O '
troleeren. Moet men nu op grond van het stilzwijgen der wet aannemen, dat de handeling, verricht ondanks het verbod van den rechter-commissaris, ongeldig is? Een bevestigend antwoord ware zoo geheel in strijd met de gedachte, welke aan artikel 72 ten grondslag ligt, dat wij aan eene analogische toepassing van dit artikel de voorkeur meen en te moeten
') Een voordeel van deze regeling is ook hierin gelegen, «lat aan den curator niet kan worden tegengeworpen, dat, hij de voorgeschreven formaliteiten niet heeft nagekomen. Evenmin kan in een geding, waarin do curator partij is, door do wederpartij overlegging van de machtiging van den rechter-commissaris worden gevorderd.
271
geven. ÃTevens art. 72 kan die ongeldigheid, welke juist de meest verborgene zou wezen, niet zijn gewild.
De curator is aansprakelijk wegens zijn onbevoegd handelen jegens den gefailleerde en jegens de scliuldeischers. Mitsdien kan zoowel de gefailleerde als ieder der schuldeischers, wanneer hij kan aantoonen door de handeling des curators schade te hebben geleden , dezen ter verantwoording roepen en vergoeding dier schade vorderen. Bovendien zal, indien de curator ingevolge art. 73 ontslagen en door een anderen vervangen mocht zijn, deze laatste voor de gezamenlijke schuldeischers tegen zijn voorganger kunnen optreden.
Naar gelang van de omstandigheden, i. h. b. van de mindere of meerdere belangrijkheid van den boedel, worden bij het vonnis van faillietverklaring door de rechtbank één of meer curators benoemd.
In geval van benoeming van meer dan één curator, doet zich de vraag voor, of ieder van hen afzonderlijk kan handelen dan wel of moet worden aangenomen, dat zij gezamenlijk met het beheer en de vereffening zijn belast, zoodat zij alleen collectief kunnen handelen en individueel geenerlei bevoegdheid bezitten. Moet er gezamenlijk gehandeld worden, dan ontstaat de mogelijkheid, dat er wegens verschil van meening niet gehandeld kan worden, tenzij de wet de oplossing van dergelijke conflicten regelt. Eene regeling van dien aard komt voor in artikel 70 eerste lid. Daaruit blijkt, dat de wet uitgaat van het beginsel, dat, als er meer curators zijn benoemd, het beheer door hen gezamenlijk wordt gevoerd.
Het aangehaalde artikel bepaalt, dat voor de geldigheid eener handeling toestemming van de meerderheid der curators of, bij staking van stemmen, eene beslissing van den rechtercommissaris wordt vereischt.
Zijn curators in oneven getale benoemd, dan roept dus een besluit van de meerderheid een geldig besluit in bet leven. Zijn, wat bij benoeming van een even getal wel in den regel het geval zal wezen, twee curators aangesteld, dan moeten zij bij geschil den rechter-commissaris laten beslissen. Door deze wettelijke regeling is aan het verkeer van derden met eene pluraliteit van curators een zekere grondslag gegeven. Derden weten nu, dat zij niet met één van meer
curators geldig- kunnen handelen, en dat zij alleen dan voor schade gevrijwaard zijn, als zij zich verzekerd hebben van de medewerking of toestemming van de meerderheid der curators, of, indien zij bijv. met één van twee curators handelen , en de toestemming of medewerking van den anderen ontbreekt, als zij zich eene beschikking van den rechter-commissaris doen overleggen.
Eene uitzondering op het beginsel, dat gezamenlijk handelen noodig is, maakt het tweede lid van artikel 70. De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd. Hieruit volgt, dat door aanwijzing van een bepaalden werkkring aan een van twee curators, beiden bevoegd worden tot zelfstandig handelen. Immers opdracht van een bepaalden werkkring sluit bevoegdheid tot handelen buiten dien werkkring uit. De mede-curator is dus buiten dien werkki-ing de eenige tot handelen bevoegde, terwijl binnen de grenzen van dien werkkring de daarvoor speciaal aangewezene zelfstandig optreedt.
Gedacht is aan «het faillissement van een schuldenaar, die bedrijven van verschillenden aard uitoefent, die zoowel hier te lande als in de overzeesche bezittingen van het koninkrijk, of ook in het koninkrijk zelf op verschillende plaatsen, kantoren heeft //. In zoodanig geval zal de taak van beheer en vereffening onder de curators kunnen worden verdeeld en ieder van hen worden belast met de afwikkeling der zaken, tot één dier verschillende bedrijven behoorende of op één dier verschillende plaatsen uitgeoefend wordende. Ook zal de bepaling toepassing kunnen vinden, wanneer de schuldenaar een handels- of winkelzaak drijft en de rechter het wenschelijk acht de voortzetting der affaire aan deskundige handen toe te vertrouwen ').
Kan de rechtbank reeds dadelijk bij de faillietverklaring meer dan één curator aanstellen, zij kan ook daarna, zoodra haar de wenschelijkheid daarvan wordt aangetoond, tot de benoeming van een of meer mede-curators overgaan. Art. 73, waarin dit wordt bepaald, stelt tevens de bevoegdheid der
') Memorie van Toelichting; Belinfante I, bl. 105; v. n. Feltz II, bl. IS.
273
rechtbank va,st, den curator te allen tijde te ontslaan en door een ander te vervangen. Tot ontslag of toevoeging van een mede-curator gaat de rechtbank niet over, dan hetzij op voordracht van den rechter commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeischers, van de commissie uit hun midden, of van den gefailleerde. In ieder geval wordt de curator gehoord of althans behoorlijk opgeroepen.
De ontslagen curator doet rekening en verantwoording van zijn beheer aan zijn opvolger, die, belast met de behartiging van de belangen des boedels, daarvoor zoo noodig ook tegenover zijn voorganger heeft op te komen.
Het salaris van den curator wordt in elk faillissement vastgesteld door de rechtbank , in geval van akkoord bij het vonnis van homologatie (art. 71).
Voorgelicht door den rechter-commissaris , kan de rechtbank in ieder faillissement rekening houden met alle factoren, welke bij de bepaling van het salaris des curators redelijkerwijze in aanmerking behooren te komen. Daarin is een waarborg gelegen , dat steeds een tegenover alle belanghebbenden zoo billijk mogelijk salaris zal worden vastgesteld, een waarborg, welken een maatstaf, door de wet in het afgetrokkene bepaald , nimmer kan geven.
Ook in geval van akkoord stelt de rechter het salaris vast, in tegenstelling met hetgeen vroeger rechtens was, toen aan den curator en den gefailleerde was overgelaten, het salai'is in geval van akkoord naar onderling goedvinden te bepalen. Deze vrijheid had tot bekende misbruiken geleid. In den regel werd door den curator bedongen of aan hem toegezegd een salaris veel hooger dan datgene, waarop hij in geval van insolventie kon rekenen, en aldus voor hem een rechtstreeksch geldelijk belang bij het totstandkomen van het akkoord in het leven geroepen.
Het tweede lid van artikel 71 heeft ten doel daaraan een einde te maken. Het veroordeelt ondubbelzinnig de vroegere praktijk door den curator slechts een recht toe te kennen op het door de rechtbank vastgestelde loon. Wèl kan de bepaling der wet niet verhinderen, dat de curator boven het door de rechtbank vastgestelde salaris nog een toelage van den failliet aanneemt, maar er volgt toch uit,
Molengraaï'f, raillisscmcntswct. '8
274
dat de belofte, na de homologatie eene toelage te zullen geven, als strijdig met de wet niet verbindend is, terwijl ook een nauwgezet curator niet meer zal aannemen dan hem volgens de wet toekomt. Straffer bepalingen te dezen opzichte schenen eveumin gewenscht als een uitdrukkelijk verbod, in het Verslag der Comm. v. voorb. aanbevolen, dat de curator optreedt als advocaat van den gefailleerde. In de onkreukbaarheid en het plichtbesef van den curator zijn eigenlijk de eenige afdoende waarborgen gelegen tegen onbehoorlijke handelingen, waartoe ook het aanbieden van een akkoord namens den gefailleerde door den curator terecht werd gebracht. Daarom komt het zoozeer aan op goede benoemingen, waardoor meer wordt bereikt dan door wetsbepalingen. Kwade praktijken als de hier besprokene kan de rechtbank met goeden uitslag tegengaan door hen die zich daartoe eens hebben geleend, niet meer voor eene benoeming in aanmerking te nemen. Blijkt, ook bij eene zorgvuldige keuze, onverhoopt het vertrouwen misplaatst te zijn, dan schaft nog altijd art. 73 raad.
§ 4. De commissie uit de schuldeischers. â Het Wetboek van Koophandel kende de commissie uit de schuldeischers niet; de instelling is nieuw. Over hare waarde werd bij de voorbereiding der wet zeer verschillend geoordeeld.
De Kegeering deelde in haar Antwoord in het Verslag der Comm. v. voorb. mede, â dat van de over het wetsontwerp gehoorde Kamers van Koophandel 19 zich over deze instelling hebben uitgelaten, van welke 9 te haren gunste, 8, hoezeer minder met haar ingenomen, toch adviseerden voor hare opneming, terwijl slechts ééne bepaald, eene andere in betrekke-lijken' zin zich er tegen verklaarde quot;1). De Kamer van Rotterdam behoorde tot de voorstanders, daarentegen ontwikkelde die van Amsterdam verschillende bezwaren en meende zij dat de instelling veilig, zonder schade voor het ontwerp, vervallen kon. Mr. M. Th. Goudsmit bestreed haar in zijne beoordeeling van het Ontwerp der Staatscommissie 2); evenzoo
1
Bel infante II, bl. 87; v. d. Feutz It, bl. 22.
2
J) Themis 1888, bl, 215 vlg.
275
Mr. A. van der Hoeden in zijn bovenaangehaald proefschrift '). Daarentegen werd de commissie door Mr. Poi.enaar 2) genoemd onder de â enkele groote en heilzame hervormingen, welke het Ontwerp in de bestaande wet wil brengenen kwam Mr. S. H. Mtjntz JWzn. tot de conclnsie, dat het wensche-lijk is de proef, die het ontwerp aanbiedt, te nemen 3).
Het Verslag der Commissie van voorbereiding getuigde van weinig waardeering. Naar veler oordeel mocht betwijfeld worden, of de werkzaamheid der commissie er toe zal bijdragen, den gang van zaken te verbeteren. Toch drongen anderen aan op een meer imperatief voorschrift, wat de benoeming betreft. Na het antwoord des Ministers werd op de zaak niet meer teruggekomen.
Ongetwijfeld is de opneming in de wet van de commissie uit de schuldeischers, â eene nieuwe macht in het faillissement, â te beschouwen als een experiment, waarvan het gewaagd is de uitkomst te voorspellen. Of de instelling zal voldoen en burgerrecht verkrijgen, moet de toekomst leeren. Afdoende redenen, de proef als zoodanig af te keuren, zijn er niet. Men boude in het oog dat de commissie geheel facultatief is. Blijkt zij aan de goede verwachtingen van velen te beantwoorden , de wet opent de gelegenheid in ieder faillissement waarin de commissie van nut kan zijn, er eene te benoemen. Aan de ontwikkeling der instelling staat geene enkele bepaling in den weg. Mocht daarentegen de ondervinding hen in het gelijk stellen die vreezen, dat de instelling niet aan haar doel zal beantwoorden en dat zij slechts eene belemmering en hindernis voor den goeden gang van zaken zal blijken te zijn, ook dan ligt het correctief in de wet zelve. Zij geeft den rechter en den schuldeischers volledige vrijheid, de bepalingen omtrent de commissie buiten toepassing te laten. Het komt ons voor, dat de wetgever aldus het juiste standpunt heeft ingenomen; zonder eenigen dwang is de mogelijkheid geschapen tot eene door velen ge-
') Bi. 10 vlg.
'â ') ITel Ontwerp eener tnel op het faillissement enz., in Rechtsgeleerd Mnr/azijn ISSH, bl. 39 vlg.
â ') /)e invloed van de schuldeischers op het heheer van den faillieten boedel, Prft. bl. 51 vlg.
276
wensclite vertegenwoordiging der schnldeischers te komen. Men late thans het eindoordeel aan de practijk.
De wet handelt over de commissie uit de schnldeischers in § 3 der derde Aideeling, Zij onderscheidt de voorloopige en de definitieve commissie uit de schnldeischers.
De voorloopige commissie wordt door de rechtbank uit de haar bekende schuldeischers benoemd, bij het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere beschikking, indien de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft (art. 74 eerste lid). In dezen slotzin ligt eene vingerwijzing aan den rechter, bij kleine boedels, waarvoor de commissie, zooals de Regeering terecht opmerkte1), slechts ballast zou zijn, de beaoeming achterwege te laten, tenzij de boedel van bijzonder ingewikkelden aard mocht wezen 2). Trouwens men behoeft niet te vreezen, dat de rechter de bedoeling des wetgevers in dezen zal misverstaan.
Wanneer de rechtbank niet reeds bij het vonnis van faillietverklaring eene commissie benoemd heeft, kan een verzoek om daartoe alsnog over te gaan door ieder belanghebbende tot de rechtbank worden gericht, daar de wet te dien opzichte geen beperkende bepaling bevat3).
De commissie bestaat uit een tot drie leden. Neemt een lid zijne benoeming niet aan, bedankt hij of komt hij te overlijden, dan voorziet de rechtbank in de daardoor ontstane vacature uit eene voordracht van een dubbeltal dooiden rechter-commissaris (art. 74 eerste en tweede lid).
Na afloop der verificatie-vergadering defungeert de voorloopige commissie; haar taak is geëindigd, zoodra over de benoeming eener definitieve commissie eene beslissing is genomen. Hoe die beslissing luidt, is onverschillig. De rechtercommissaris heeft, ingevolge art. 75, de schnldeischers op de verificatie-vergadering, na afloop der verificatie, te raadplegen over de vraag, niet of de voorloopige commissie al of niet zal worden vervangen door eene andere, maar of eene commissie uit hun midden, waaraan de wet bloot ter onderschei-
1
') Belinfante II, bl. 87; v. d. Fei.tz II, bl. 23.
2
'-) Verg. hierboven bl. HO.
3
) Zie het antwoord der Regeering in het Verslag der Commissie van voorbereidins: Belinfante II. bl. 89; v. n. Frltz II. bl. ^O.
277
cling van cie voorloopige commissie den naam definitieve commissie heeft gegeven, zal worden benoemd, üe raadpleging geschiedt dan ook altijd, in ieder faillissement, «hetzij al of niet eene voorloopige commissie uit de schuldeischers is benoemdquot;. Volledigheidshalve en om alle onduidelijkheid te vermijden wordt in artikel 74 eerste lid nog uitdrukkelijk gezegd, dat de voorloopige commissie fungeert, «zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie geen beslissing is genomenquot;.
Acht de vergadering, d. w. z. achten de in de verificatievergadering aanwezige schuldeischers, de benoeming eener (definitieve) commissie wenschelijk, dan gaat de rechter-com-missaris dadelijk tot de benoeming over. De commissie bestaat uit een tot drie leden (art. 75 eerste lid).
Aan de schuldeischers is alleen overgelaten te beslissen, dat eene commissie al dan niet zal worden benoemd. Hoeveel leden de commissie zal tellen en wie daarvan leden zullen zijn, bepaalt de rechter-comniissaris, die natuurlijk te rade zal gaan met ile daaromtrent door de schuldeischers geuite wenschen. Blijkt, dat de leden der voorloopige commissie, als die er is, het vertrouwen der schuldeischers bezitten, dan komen dezen ongetwijfeld in de eerste plaats voor eene benoeming in aanmerking en zal de rechter-commissaris hen niet dan om zeer overwegende redenen voorbijgaan. De benoeming is aan den rechter-commissaris opgedragen, omdat men vreesde, dat op de verificatie-vergadering de schuldeischers , âdie op de benoeming den meesten invloed behooren uit te oefenenquot;, zij nml. die door den curator op de lijst der voorloopig erkende schuldeischers zijn gebracht, wel eens afwezig zouden kunnen zijn, nu voor de verificatie de tegenwoordigheid der schuldeischeis niet meer noodig is.
Ten einde te voorkomen, dat de raadpleging der schuldeischers over de benoeming eener commissie achterwege wordt gelaten in die gevallen, waarin de rechter-commissaris haar misschien als een lastige of althans onnoodige formaliteit mocht beschouwen, is in het tweede lid van artikel 75 voorgeschreven , dat rt een verslag van het hieromtrent verhandelde in het proces-verbaal der vergadering (wordt) opgenomenquot; 1).
') Deze bepaling schijnt nog niet altijd te helpen, daar zelfs tegen het
278
De opdracht van de benoeming van de leden der commissie aan den rechter-commissaris leidde er toe, liem ook, in afwijking van het bepaalde omtrent de voorloopige commissie, te doen voorzien in de vacatures, welke ontstaan doordat een lid der definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt (art. 75 derde lid).
De commissie heeft tot taak den curator advies te geven, alsook in verschillende in de wet aangegeven gevallen in het belang van den boedel op te treden.
Het adviseerend karakter van de commissie staat op den voorgrond. In artikel 74 eerste lid wordt van de voorloopige commissie gezegd, dat zij kan worden benoemd, wten einde den curator van advies te dienenterwijl in de artikelen 77â79 nadere bepalingen omtrent de adviseerende werkzaamheid der commissie worden gegeven.
Artikel 77 van het Oorspr. Reg.-Ontw. luidde: »De curator wint liet advies der commissie in en vergadert daartoe met haar, zoo dikwijls hij zulks noodig acht. In de vergadering zit hij voor en voert hij de pen«. Naar aanleiding van dit artikel werd in het Verslag der Comm. v. voorb. gevraagd, whoe de curator de commissie ter vergadering bijeen kan brengen. Heeft hij de aanwijzing van dag en uur, waarop de vergadering zal worden gehouden? Gaat de vergadering altijd door, ook als slechts één commissielid is opgekomen? Tegen welken termijn kan hij de commissie oproepen en op welke wijze zal dat geschieden?quot; De Regeering antwoordde: »de curator behoort... de wijze van oproeping der commissie voor de hierbedoelde vergaderingen en het tijdstip, waarop deze zullen worden gehouden, te bepalen. Hij moet dit uit den aard der zaak op zoodanige wijze en met inachtneming van zoodanigen termijn doen, dat voor de leden der commissie de gelegenheid bestaat, de vergadering bij te wonen en advies uit te brengen. De aanwezigen, al zij het ook slechts één lid, zullen over het te geven advies te beslissen hebben quot; '). Tevens werd medegedeeld, dat het artikel duidelijkheidshalve in dier
plegen van een intellectueele valschlieid niet schijnt te worden opgezien. Men zie het ingezonden stuk van L. Stevens in W. nn. 6936.
') Belinfante II, bl 90 vlg.; v. d. Feltz II, bl. 30 vlg.
279
voege werd gewijzigd, dat het werd gelezen ; »Tot het inwinnen van het advies der commissie, vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. Hij roept tot dat einde hare leden ter vergadering op. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen quot; x). Nochtans worden de gecursiveerde woorden in de Bijlage C van het Verslag der Comm. v. voorb., inhoudende het h Ontwerp van wet, gelijk het is gewijzigd naar aanleiding van het Verslagquot; 2), en in het «Gewijzigd ontwerp van wetquot; van 23 Mrt. 1893 :!) niet aangetroffen. Blijkbaar zijn ze in deze stukken bij vergissing weggelaten, maar dientengevolge ook in de wet niet opgenomen. Toch lijdt het wel geen twijfel , dat het de taak is van den curator, die het advies der commissie begeert, die tot het inwinnen van haar advies met haar vergadert, zoo dikwijls hij het noodig acht, en die de vergadering voorzit, de leden der commissie bijeen te roepen.
De wet laat geheel aan den curator over, de oproeping te doen op de wijze en met inachtneming van den termijn, die hem goed dunken. Het spreekt echter van zelf, dat de wijze behoorlijk moet wezen in dien zin, dat zij inderdaad geschikt is de oproeping ter kennis te brengen van hen voor wie zij bestemd is, alsook dat de termijn een bekwame termijn moet zijn in dien zin, dat hij de mogelijkheid laat ter vergadering op te komen. De vrijheid, den curator geschonken, stelt hem in de gelegenheid naar omstandigheden te handelen en met het al of niet spoedeischende der zaak, waaromtrent hij advies verlangt, rekening te houden.
Ten aanzien van bepaalde zaken is de curator verplicht het advies der commissie in te winnen. Artikel 78 noemt de volgende onderwerpen; het instellen van eene rechtsvordering, het voortzetten van eene aanhangige rechtsvordering en het zich verdedigen tegen eene ingestelde of aanhangige rechtsvordering, verificatie-geschillen daaronder niet begrepen ; het al of niet voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; de onderwerpen vermeld in de artikelen 37 (gestand doen aan
') Verslag der Commissie van voorbereiding: Bijlagen tot de Handelingen dei-Tweede Kamer, zitting 1892/93, n0. 18. l, bl. 85.
s) Bijlagen enz. nquot;. 18, 5, bl. l'i.
3) Bijlagen enz. n». 18, 7, bl. 13.
280
eene wederkoerige overeenkomst, die ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen), 39 (opzegging eener huurovereenkomst, waarbij de gefailleerde huurder is), 40 (opzegging eener bezoldigde betrekking in dienst van den gefailleerde), 58 tweede lid (lossing van een verpand voorwerp), 73 tweede lid (rekening en verantwoording van den ontslagen curator), 100 (uitkeering van levensonderhoud aan den gefailleerde), 101 (vervreemding van goederen vóór de insolventie) en 177 (gebruikmaking van diensten dos gefailleerden ten behoeve der vereffening); en voorts in 't algemeen de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel en het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen. Bovendien wordt nog in artikel 104 het advies van de commissie gevorderd, alvorens de curator een dading treft of een akkoord of schikking aangaat.
In de genoemde gevallen kan de curator alleen dan zonder het advies van de commissie handelen, wanneer hij haar tot het uitbrengen van advies, met inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er niettemin geen advies is uitgebracht (art. 78 tweede lid), hetzij omdat de leden der commissie aan de oproeping geen gevolg gaven, hetzij omdat zij, opgekomen, het niet eens konden worden over het uit te brengen advies of wel besloten zich van een advies te onthouden.
Voor zooverre de curator niet verplicht is het advies dei-commissie in te winnen , is het duidelijk, dat hij evenmin verplicht is het op te volgen. Alleen dan zal hij het opvolgen, als hij er zich mede kan vereenigen. Maar ook in die gevallen, waarin de wet hem wèl verplicht het advies der commissie te vragen, is hij daaraan niet gebonden. Artikel 79, dit bepalende, verlangt dat de curator van zijn besluit, niet overeenkomstig het advies te handelen, onmiddellijk aan de commissie kennis zal geven. Deze kan alsdan de beslissing van den rechter-commissaris inroepen. «Zoo zij verklaart dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te schortenquot; ').
') De Memorie van Toelichting zegt ten onrechte: «De curator moet de
281
De curator moet onmiddellijk kennis geven van zijn voornemen, liet advies niet op te volgen. Na afloop der discussie, vóór het sluiten der vergadering, zal daarvoor het aangewezen oogenblik zijn; de leden der commissie zijn dan nog bijeen en daardoor in de gelegenheid te overleggen, of zij de beslissing van den rechter-commissaris zullen inroepen. Neemt daarentegen de curator zijn besluit, tegen het advies te handelen, eerst na afloop der vergadering, dan ziJ hij daarvan ieder van de leden der commissie afzonderlijk moeten verwittigen, immers hij moet kennis geven aan de commissie, die als zoodanig geen adres heeft, terwijl mededeeling aan één lid niet ook kan gelden voor mededeeling aan de andere leden.
Met opzet is in de wet niet aangegeven, op welke wijze de commissie de beslissing van den rechter-commissaris moet inroepen. De Regeering wilde het verkeer tusschen rechtercommissaris en commissie, wat den vorm betreft, geheel vrijlaten. De commissie zal zich dus zoowel mondeling, bijv. bij monde van een harer leden, als schriftelijk,bijv. bij brief, tot den rechter-commissaris kunnen wenden '). Omtrent de verdere behandeling der zaak is evenmin iets voorgeschreven. Een verstandige rechter-commissaris zal, nadat hem kennis is gegeven van het tusschen de commissie en den curator bestaande conflict, eenvoudig den curator en de ieden der commissie bij zich laten komen en , na hen te hebben gehoord, de zaak uitmaken. Van de behandeling een miniatuurproces te maken, ten bate van de beurs des griffiers, ware vierkant in strijd met de bedoeling van de wet en met de plicht van den rechter-commissaris omslag en onnoodige formaliteiten te vermijden.
voorgenomen handeling gedurende drie dagen opschoi-ten, in verband met den termijn in artikel (iO al. aan don rechter-commissaris voor zijne beslissing gegeven//. Immers, artikel 09 handelt over een geheel ander geval en is te dezen niet van toepassing. De gang van zaken is ook geheel verschillend. Art. 69 vordert een verzoekschrift, terwijl tegen de beschikking van den rechter-commissaris hooger beroep openstaat; daarentegen schrijft art. 79 voor het verzoek geen vorm voor, terwijl hooger beroep tegen de beschikking is uitgesloten Verg. Veegens, a. w., op art. 79, bl. 95.
Zie het Antwoord der Regeering in het Verslag der Commissie van voorbereiding; Belinfante 11, bl. 6 en 92; v. d. Feltz II, bl. 36.
282
De wet veronderstelt, dat de behandeling der zaak binnen drie dagen afloopt '), vandaar do bepaling, dat de curator na bet verstrijken van dien termijn tot het verrichten der voorgenomen handeling kan overgaan. Aldus wordt voorkomen, dat de instelling der commissie uit de schuldeischers belemmering van den curator in de uitoefening van zijn taak ten gevolge heeft.
Het worde hier in herinnering gebracht, dat niet-in-acht-neming van de bepalingen der artikelen 78 en 79 niet de nietigheid der door den curator verrichte handelingen ten gevolge heeft. Wat de curator doet zonder de commissie te raadplegen, hoewel hij daartoe verplicht was, doet hij geldig. Men vergelijke hetgeen omtrent dit punt, hierboven bl. 269 vlg., werd opgemerkt, en houde tevens in het oog, dat de commissie uit de schuldeischers overeenkomstig artikel 69 kan opkomen tegen hetgeen de curator doet zonder haar te raadplegen , en, wanneer deze maatregel niet mocht helpen, ingevolge art. 73 het ontslag van den curator aan de rechtbank kan verzoeken.
Ten einde de commissie uit de schuldeischers in staat te stellen hare taak van raadgeefster naar eisch te vervullen, wordt haar in artikel 76 bet recht toegekend, te allen tijde inzage te vorderen van de boeken en bescheiden op het faillissement betrekking hebbende, en tevens door hetzelfde artikel den curator de verplichting opgelegd, aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken. Bovendien is de gefailleerde verplicht voor de commissie te verschijnen en aan deze alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen (art. 105) 1).
Maar de taak der commissie is niet beperkt tot het geven van adviezen. In verschillende gevallen heeft zij de bevoegdheid en is het haar plicht voor de belangen van den boedel zelfstandig op te treden. Het recht, de boeken in te zien en van den curator inlichtingen te vorderen, kan haar ook daarbij uitnemende diensten bewij/.en. Tot het hier bedoelde
1
) Zie hieronder bl. 303.
283
deel van hare taak rekenen wij de bevoegdheid, in art. 69 mede aan de commissie gegeven, tegen de wijze van beheer door den carator op te komen, â de bevoegdheid, in art. 73 ook aan de commissie toegekend, het ontslag van den curator of de benoeming van een of meer mede-curators te vragen, â de bevoegdheid, in art. 84 eerste lid mede aan de commissie verstrekt, aan den rechter-commissaris de bijeen-roeping eener vergadering van schuldeischers te verzoeken, â het recht, in artikel 94 laatste lid aan de leden der commissie verleend, bij de boedelbeschrijving tegenwoordig te zijn, â de bevoegdheid, haar in artikel 105 geschonken, den gefailleerde voor zich te roepen en dezen te hooren, â do verplichting, in artikel 140 aan de commissie opgelegd, oen schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven. In al deze gevallen moet de commissie uit zich zelve handelen. Zoo vaak zij dit noodig acht, zal zij bijeenkomen ter vaststelling van hare gedragslijn. Van eene oproeping door den curator kan daarbij geen sprake zijn. De commissie treedt zelfstandig op, beraadslaagt buiten den curator en beslist, onafhankelijk van dezen, wat haar te doen staat. Ten einde haar volkomen vrijheid van beweging te verzekeren, het haar niet lastig te maken, is de commissie te dezen aan bepaalde voorschriften en vormen niet gebonden.
De leden der commissie ontvangen geen salaris noch schadeloosstelling voor tijdverlies. » Het ligt11, naar het oordeel dei-Memorie van Toelichting '), «meer in het karakter der commissie, als een college van mannen van vertrouwen ter behartiging der gemeene belangen, dat het lidmaatschap kosteloos worde vervuldquot;.
Voor zooverre de commissie ter vervulling van hare taak noodzakelijke uitgaven heeft te doen, zijn deze failiissements-kosten, evengoed als de uitgaven die de curator in zijne hoedanigheid maakt. Door den curator worden deze uitgaven aan de commissie vergoed ten laste van boedel.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat al het hier gezegde zoowel geldt van de voorloopige als van de definitieve com-
') Eelinfante I, bl. 108; v. ü. Feltz II, bi. 20 vlg.
284
missie uit de scliuldeiscliers, wier taak en bevoegdheden dezelfde zijn.
§ 5. De venjaderinq der schuldeischers. â Eenige algemeene voorschriften over de vergaderingen der schuldeischers maken de 4'10 paragraaf van de derde Afdeeling uit. Deze voorschriften gelden voor alle vergaderingen , ook voor die, welke meer in het bijzonder bestemd zijn voor de verificatie der schuldvorderingen of voor de raadpleging over een akkoord, behoudens de daarvoor elders in de wet vastgestelde bijzondere bepalingen.
Volgens art. 80 is de rechter-commissaris in de vergaderingen der schuldeischers voorzitter, en is de tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem vervangt met goedvinden van den rechter-commissaris, verplicht. Begaat de curator, om met Holtius ') te spreken, «de liederlijkheid» zonder kennisgeving weg te blijven, dan kan de vergadering geen voortgang hebben , tenzij iemand uit de aanwezigen door den rechter-commissaris geschikt geacht en bereid bevonden wordt als plaatsvervanger op te treden.
Stemgerechtigd zijn alle erkende of voorwaardelijk toegelaten 1) schuldeischers 2), alsmede de toonder eener ten name van «toonderquot; geverifieerde schuldvordering (artikel 82). Voor de verificatie der schuldvorderingen zal dus in eventueel te houden vergaderingen niet gestemd kunnen worden. De Memorie van Toelichting voert aan, dat dit geen bezwaar kan opleveren , « daar de noodzakelijkheid tot het houden van vergaderingen in dit stadium van het faillissement niet aannemelijk is u ; bovendien wijst zij er op, «dat de qualiteit van schuldeischer eerst vaststaat na de verificatie quot; ^). Het laatste argument zal wel het beslissende zijn geweest. Inderdaad zou
1
:l) In het oorspronkelijke Rcgeeringsontwerp werd liet stemrecht alleen toegekend aan de concurrente schuldeischers. Op advies van den Raad van State is dit woord geschrapt. Schuldeischers, aan wier vorderingen een voorrang is verbonden, staan dus ten opzichte van het stemrecht met de concurrente schuldeischers gelijk.
2
') Belinfante I, bl. 109; v. d. Feltz 11, bl. 38.
285
een stemming, vóór dat de verificatie heeft plaats gehad, in geval van strijd over de hoedanigheid van schnldeiseher van een of meer der aanwezigen, tot zeer groote moeilijkheden aanleiding kunnen geven.
Op de verificatie-vergadering zelve is reeds dadelijk na afloop der verificatie eene beslissing noodig over de vraag, of de benoeming van eene (definitieve) commissie uit de schuld-eischers wenschelijk is (zie hierboven bl. 276). De artikelen 81 en 82 zijn alsdan toepasselijk.
Besluiten worden in de vergaderingen van schuldeischers genomen met volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige stemgerechtigde schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt ieder schuldeischer ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden , wordt mede ééne stem uitgebracht (art. 81 eerste lid).
Het hier aangegeven stelsel van stemrecht-toekenning is gekozen om zoowel »den persoonlijken als den zakelijken invloedquot; tot zijn recht te laten komen. Meerderheid alleen van de personen zou den kleinen schuldeischers te grooten invloed verzekeren, meerderheid alleen van het kapitaal den grooten schuldeischers een ongewenscht overwicht bezorgen '). Het persoonlijk element komt tot zijn recht, doordat aan ieder schuldeischer, onverschillig welk bedrag hij heeft te vorderen, stemrecht wordt toegekend; hei zakelijk element, doordat het aantal uit te brengen stemmen stijgt, naarmate de vordering grooter is.
Daar bedragen van 1 tot 100 gulden voor het stemrecht gelijke waarde hebben, zou men door splitsing eener vordering in een aantal vorderingen van gering bedrag en overdracht dezer vorderingen aan verschillende personen een willekeurig aantal sbemgerechtigden in het leven kunnen roepen, ware het niet dat art. 81 tweede lid, de mogelijkheid van dit misbruik voorziende, daaraan den pas had afgesneden. « Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwervendaarentegen wèl stemrecht verliezen. Wie
') Verg. ile Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 109; v, d. Frxt? II, bl. 38.
286
dus zijne vordering voor een deel overdraagt, verliest voor dat deel zijn stemrecht, terwijl de nieuwe schuldeischer geen stemreclit verkrijgt. Hetzelfde geldt niet voor overdracht der geheele vordering; deze doet den overnemer stemrecht wèl verwerven. De reden ligt voor de handj als de geheele voide-ring overgaat, wordt het getal stemgerechtigden in geen geval grooter.
Verschillende vorderingen in de hand van één schuldeischer worden voor het stemrecht als ééne vordering beschouwd. Dit blijkt duidelijk uit het eerste lid van het artikel, dat aan iederen schuldeischer voor elke honderd gulden ééne stem toekent, en dus uitsluitend let op het bedrag, dat ieder schuldeischer, uit welken Loofde dan ook, te vorderen heeft. Indien een schuldeischer, die uit verschillende hoofden vorderingen heeft, één dezer overdraagt, valt dus ook deze overdracht onder het begrip âsplitsing van vorderingen». Het eene volgt noodwendig uit het andere.
Over de oproepingen tot de vergaderingen handelt artikel 83. Ten behoeve van de scbuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.
Het was geheel onnoodig te bepalen, dat als regel de oproepingen aan de schuldeischers zelve worden toegezonden. De uitzondering voor die schuldeischers, welke zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, is vastgesteld uitsluitend in hun eigen belang. Uitgangspunt is de veronderstelling, dat de gemachtigde, die op eene vergadering voor den schuldeischer verschijnt, is gekozen voor het geheele faillissementsproces, niet alleen voor die ééne vergadering, tenzij de schuldeischer van het tegendeel doet blijken. »Het isquot;, zegt de Memorie van Toelichting ^, âvooral voorden buitenlandschen, of liever voor eiken elders wonenden schuldeischer van groot belang, dat alle verdere oproepingen rechtstreeks gedaan worden aan zijn agent of vertegenwoordiger,
i) Belinfante I, bl. 109; v. d. Feltz II, bl. 41.
287
die door zijne tegenwoordigheid ter plaatse eerder in staat zal zijn de noodige maatregelen te nemenquot;.
Gelijke redenen hebben er toe geleid in art. 83, nevens n alle oproepingen voor latere vergaderingen //, ook te noemen «alle kennisgevingen «. Ook deze worden tot nader order, of liever tot nader schriftelijk verzoek, aan den gemachtigde gedaan ').
De vergaderingen van schuldeischers worden nitgescbreven door den rechter-commissaris; in de eerste plaats in de gevallen, waarin de wet er eene beveelt, voorts zoo dikwijls hij het bonden eener vergadering noodig oordeelt, en eindelijk als hem daartoe een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan door de commissie uit de schuldeischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen (art. 84 eerste lid).
Tot de buitengewone vergaderingen, d. w. z. niet de door de wet voorgeschrevene, voor welke de zaak afzonderlijk is geregeld, worden de stemgerechtigde schuldeischers ten minste tien dagen te voren door den curator opgeroepen, bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 (niet ook in de Staatscourant, aldaar mede genoemd) en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp. Dag, uur en plaats der vergadering bepaalt de rechter-commissaris (artikel 84 tweede lid).
Opgeroepen worden de » stemgerechtigde schuldeischersquot;. Daaruit volgt, â wat voor de vergaderingen, op verzoek van schuldeischers belegd, ook reeds voortvloeit uit de voorwaarde, dat zij erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldvoi'deringen moeten vertegenwoordigen â , dat buitengewone vergaderingen eerst na de verificatie der vorderingen kunnen worden gehouden. Eigenlijk kan er alleen in het stadium van vereffening voor deze vergaderingen aanleiding
') Artikel 828 VVetb. v, Kooph. verplichtte de opgekomen schuldeischers, wolke niet woonachtig zijn in de gemeente waar de rechtbank is gevestigd, hij het proces-verbaal der verificatie-vergadering in die gemeente woonplaats te kiezen. Bij gebreke daarvan konden alle exploten en kennisgevingen aan hen beteekend en bezorgd worden ter griffie van de rechtbank.
288
wezen. Met name kan het bij groote boedels gewenscht zijn, de scbuldeiscliers te laten beslissen over de afwikkeling der zaken of over de tegeldemaking van alle of van een deel der goederen.
De schuldeischers kunnen in de vergadering in persoon of bij gemachtigde verschijnen; zij knnnen zich ook door een raadsman doen vergezellen.
Speciale bepalingen worden in de wet gegeven voor de verificatie-vergadering, de akkoord-vergaderingen en de vergadering waarvan sprake is in artikel 178. Voor deze vergaderingen zij hier verwezen naar de betrekkelijke onderwerpen.
§ 6. De rechterlijke beschikkingen. â Aan het slot der derde Afdeeling zijn een tweetal artikelen geplaatst, die de vijfde paragraaf van de afdeeling, «van de rechterlijke beschikkingenquot; getiteld, uitmaken.
Het eerste artikel, artikel 85, heeft betrekking op beschikkingen der rechtbank niet in hooger beroep gegeven. //Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, worden door de rechtbank in het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald ». De uitsluiting van het hooger beroep wordt gemotiveerd door de overweging, dat deze beschikkingen van administratieven aard zijn en dat het niet gewenscht is, de administratie van het faillissement bloot te stellen aan de mogelijkheid, telkens door hooger beroep van dergelijke beschikkingen onderbroken te worden '). In die gevallen waarin bij uitzondering hooger beroep, om het gewicht en het ingrijpende der beslissing, scheen te moeten worden toegelaten, wordt dit afzonderlijk geregeld, zooals bij de faillietverklaring, de opheffing van het faillissement, de homologatie en de ontbinding van een akkoord.
Ter bevordering van eene geregelde en snelle beredding des boedels strekt ook artikel 86, dat op alle rechterlijke beschikkingen, ook die van den rechter-commissaris en de door de rechtbank in hooger beroep gegevene (verg. artikel 67 eerste lid), van toepassing is. Naar luid van dit artikel zijn alle
') Zie Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 11 (J; v. d. Feltz 11, bl. 44.
289
beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening ties faillieten boedels betreffende, ook die welke niet uitgaan van de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald.
Door den in de artikelen 85 en 86, in overeenstenimhio-
j o
niet artikel 65, gebezigden term: «zaken het beheer oi de vereffening des faillieten boedels betreffendequot;, worden verifi-catiegeschillen en andere gedingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, uitgesloten.
Uitzonderingen op de bepaling van artikel 86 komen in de wet niet voor.
Molenghaaff, Faillissemeutawet.
VIERDE AFDEELTNG.
Van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer des curators.
Het opschrift der Afcleeling geeft te kennen, dat hare inhoud tweeledig is. De vooi-zieningen welke na de faillietverklaring, dus in den aanvang van het faillissement, moeten worden genomen, worden aangewezen, en daarnevens eenige algemeene, deels voor de geheele eerste phase, deels voor den ganschen duur van het faillissement geldende voorschriften omtrent het beheer van den curator gegeven. Toch is daarmede de inhoud der afdeeling niet volledig genoemd; immers ook de plichten van den gefailleerde worden daarin omschreven en het dwangmiddel aangegeven, dat tegen den gefailleerde zoo noodig kan worden aangewend. Wij schenken dus de voorkeur aan eene drieledige onderscheiding.
§ l. Voorzieningen na de faillietverklaring (artikelen 92â97).
Het eerste wat den curator te doen staat, is de faillietverklaring bekend te maken op de wijze in art. 14 derde lid aangegeven, en voorts door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring des boedels te zorgen. Artikel 92 stelt hem tot plicht, de daartoe dienstige maatregelen te nemen ,, dadelijk na de a a n v a a r d i n g zijner betrekking «. Daar voor de aanvaarding geen bepaalde vorm is voorgeschreven;, noch ook eene bepaalde handeling wordt vereischt, moet de benoemde, die , na ontvangst van het bericht zijner benoeming, deze niet dadelijk afwijst, geacht worden de hem opgedragen
291
betrekking te aanvaarden, en is hij dei-halve verplicht zonder verwijl al datgene te doen, wat den curator te doen staat. Vóór alles heeft hij zich onmiddellijk naar de woning of het kantoor van den gefailleerde te begeven en de boeken , gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich te nemen (art. 92).
Dit imperatieve voorschrift werd noodig geacht, wat de boeken betreft, omdat het vangroot belang is, dat den schuldenaar terstond de gelegenheid ontnomen worde, deze alsnog te wijzigen of bij te werken, wat de andere hier genoemde voorwerpen aangaat, omdat ze eene belangrijke waarde knnnen vertegenwoordigen, terwijl ze gemakkelijk aan den boedel kunnen worden onttrokken en verzegeling of beschrijving van den boedel niet altijd op staanden voet kan plaats hebben.
De curator voldoet aan het voorschrift der wet, hij neemt de boeken enz. onder zich, door ze in zyne macht te brengen en aan de macht des gefailleerden te onttrekken. Dit geschiedt, als de cui-ator ze medeneemt en naar zijne woning overbrengt, maar ook als hij ze in de woning van den gefailleerde op een plaats bergt, die alleen voor hem toegankelijk is, bijv. in een kast of kamer, waarvan hij de sleutels onder zich houdt. Het eerste zal in den regel het meest gewenschte zijn.
Tn elk geval moet de curator een ontvangbewijs, de goederen welke hij onder zich neemt vermeldende, aan den gefailleerde ter hand stellen. Geschillen over de vraag, wat de curator onder zich heeft genomen, worden daardoor voorkomen, terwijl de gefailleerde zich te allen tijde door overlegging van het bewijs kan verantwoorden met betrekking tot do daarin genoemde voorwerpen.
Nevens »effecten« noemt de wet hier â andere papieren van waarde», waaronder, blijkens de Memorie van Toelichting, zijn te verstaan »al die documenten, wier bezit noodzakelijk is tot het uitoefenen van het daarin omschreven of daaraan verbonden recht, al is ook de inhoud van dat recht iets anders dan een praestatie in geld: bijv. cognossementen, ceelen en derg.Met name behooren daartoe «Zie papieren aan order en toonder, waarvoor het hier gezegde in het bijzonder geldt 'j.
') Verg. Moi.F.noraaff, Leiddraad hij de heoefcninrj van hel Nederlandsdie Handelsrecht, § 27, bl. 113 vlg.
292
De mogelijkheid bestaat, dat de curator voor de voorhanden gelden te zijnent geen geschikte bewaarplaats heeft. Hij zal dan niet gaarne de verantwoordelijkheid aanvaarden, die de bewaring dier gelden medebrengt. Daarmede rekening hondende bepaalt artikel 92, dat â de curator bevoegd is de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën ') in bewaring te gevenquot;.
Artikel 7 geeft aan de rechtbank de bevoegdheid den verzoeker tot faillietverklaring toe te staan , den boedel hangende het onderzoek te doen verzegelen 1); â een verlof waarvoor alleen in bijzondere omstandigheden aanleiding zal bestaan. Heeft op liet oogenblik der faillietverklaring niet reeds ingevolge deze bepaling verzegeling plaats gehad, dan moet de curator, indien hij of de rechter-commissaris zulks noodig acht, dadelijk de verzegeling doen geschieden (art. 93 eerste lid). De curator wendt zich daartoe tot den kantonrechter, die met de verzegeling is belast (art. 93 tweede lid).
Een imperatief voorschrift is niet gegeven; het â zon verzegeling noodig maken in tal van gevallen, waarin zij zeer goed gemist kan worden en tot geheel onnoodige opvoering-der kosten aanleiding zou geven« 2). De rechter-commissaris en vooral de curator zijn de personen, die het nut en de noodzakelijkheid van den bedoelden maatregel, â waaraan lang niet altijd, naar de practijk schijnt aan te wijzen, slechts bij uitzondering, behoefte bestaat, â het beste kunnen beoordeelen.
Buiten de verzegeling blijven de in artikel 21 n0. 1 genoemde goederen, welke niet tot den faillieten boedel be-hooren ^), voorts de goederen welke de curator ingevolge artikel 92 onder zich heeft genomen, alsmede de voorwerpen tot het
1
) Zie hierboven bl. 101.
2
:l) Memorie van Toelichting: Belinfante t, bl. 112; v. n. Fiïi.tz II, bl. 53.
'') Met inbegrip van de goederen, omschreven in artikel 448 eerste lid VVetb. v. Bnrgerl. Rechtsv., omdat ook deze in art. 21 n0 1 worden vermeld, en bij den aanvang van hot faillissement, als de verzegeling geschiedt, de voorwaarde, waaronder deze goederen bij uitzondering in het faillissement knnnen vallen , wel nooit vervuld zal zijn.
293
bodrijf van den gefailleerde vereisclit, indien dit bedrijf door den curator wordt voortgezet. Niettemin worden al deze goederen en voorwerpen in het jjroces-verbaal van verzegeling kortelijk beschreven (art. 93 derde lid), opdat uit dit verbaal blijke, wat buiten de verzegeling blijft en waarom dit er buiten blijft.
Onverschillig of verzegeling heeft plaats gehad of niet, maar in het eerste geval niet voordat de kantonrechter de ontzegeling heeft bewerkstelligd, gaat de curator «zoo spoedig mogelijk// over tot het opmaken van eene beschrijving dos boedels.
Hij roept daartoe de hulp in van een notaris en van een of meer deskundigen tot het doen der waardeering (in de artt. 675 n0. 7 en 681 nquot;. 1 Wetb. v. Burg. Ev. schatters genoemd), tenzij hij meent gebruik te moeten maken van de hem door de wet verleende bevoegdheid, onder goedkeuring van den rechter-commissaris *), de beschrijving zelf, immers ondershands, op te maken en do waardeering zelf te verrichten (artikel 94 eerste en tweede lid). Bij boedels van geringen omvang zal in den regel met eene onderhandsche beschrijving kunnen worden volstaan. Daarentegen zal een nauwgezet curator niet licht de waardeering op zich nemen; alleen wanneer hij zelf deskundige mocht zijn of wanneer het actief uiterst gering is, kan daarvoor aanleiding wezen. De vrijheid, die de wet in dezen aan den curator en aan den rechter-commissaris laat, maakt het voorschrift omtrent de boedelbeschrijving geschikt zoowel voor groote als voor kleine boedels.
De leden der voorloopige commissie uit de schuldeischers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn (art. 94 laatste lid). Hun zal dus door den curator mededeeling moeten worden gedaan van het tijdstip, waarop de beschrijving zal aanvangen.
In de beschrijving moeten alle goederen worden opgenomen, waarvan de failliet verklaart dat ze hem toebehooren, waar ze zicb ook bevinden, in zijn woonhuis, winkel of pakhuis, of wel onder derden, mits dezen het beweren des gefailleerden
') Van de beschikking van den rechter-commissaris is geen hooger beroep, art. 67 tweede lid.
291
met tegenspreken. Bovendien handelt de curator verstandig door daarin mede op te nemen, of door den notaris te doen opnemen, die goederen, welke zicli onder den failliet bevinden, bijv. in zijn woonhuis of magazijn, maar volgens diens opgave niet aan hom maar aan anderen toebehooren, van welke opgave alsdan bij de beschrijving melding dient te worden gemaakt. Alleen door aldus te handelen wordt op het onderzoek naar de juistheid van de opgave des gefailleerden niet vooruitgeloopen en kan worden voorkomen dat de boedel schade lijdt.
De wet zelve bepaalt, dat de beschrijving moet omvatten de goederen, welke de curator krachtens het voorschrift van artikel 92 onder zich heeft genomen (art. 95). Wat deze goederen betreft, zal natuurlijk de curator de aanwijzing hebben te doen, terwijl voor het overige de verplichting tot aanwijzing uit den aard der zaak op den gefailleerde rust.
De goederen, vermeld in art. 21 n0. 1, welke buiten het faillissement blijven en dus niet tot den boedel behooren 'j, worden niet in de beschrijving begrepen; wel moet daarvan een staat worden opgemaakt en aan de beschrijving worden gehecht, opdat vaststa, welke goederen als niet voor beslag vatbaar aan den gefailleerde zijn gelaten, en de curator zich daaromtrent te allen tijde kunne verantwoorden.
') Onder deze goederen zijn begrepen de in art. 448 eerste lid van het Wetb. v. Burg. Rechtsv. genoemde, welke voorwaardelijk buiten het faillissement blijven. Zie hierboven bl. '245. Mocht, wat niet dan hoogst zelden zal voorkomen,â in aanmerking genomen, dat de beschrijving des boedels zoo spoedig mogelijk, dus kort na de faillietverklaring. wordt opgemaakt, â ten tijde van de beschrijving de voorwaarde reeds vervuld zijn, welke deze goederen in het faillissement doet vallen, â d. w. z. mochten reeds schuldeischers wegens de vorderingen, in het tweede lid van art. 448 Rv. genoemd, zich hebben aangemeldâ, dan zullen deze goederen als behoorende tot den faillieten boedel moeten worden opgenomen in de beschrijving, en niet in den aan de beschrijving te hechten staat. Motief toch voor het niet opnemen in den staat is het blijven buiten liet faillissement, het niet behooren tot den boedel.
Uat art. 95 zich over dit punt niet uitdrukkelijk uitspreekt, vindt zijne verklaring in het feit, dat de bepaling omtrent de in art. 448 Wetb. v. Burg. Rechtsv. genoemde goederen eerst naar aanleiding van het Verslag der Commissie van voorbereiding in art. '21 n0. 1 is opgenomen.
Hierboven bl. '245 werd uitsluitend gedacht aan het meest voorkomende geval, dat bij de verzegeling en bij de beschi'ijving des boedels de hier besproken voorwaarde nog niet is vervuld.
295
De vorderingon en de schulden van den gefailleerde behoeven in de boedelbeschrijving slechts â¢pro memorie te worden vermeld, daar zij hun plaats vinden op den staat, dien de curator volgens artikel 96 dadelijk na de beschrijving van den boedel moet opmaken. Deze staat moet den aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner aangeven.
De staat der baten en lasten vervangt de balans van het vroegere recht. De samenstelling is niet, naar het voorbeeid van de artikelen 801 en 803 Wetb. v. Kooph., aan den gefailleerde overgelaten, maar aan den curator opgedragen, die alle tot den boedel behoorende boeken en papieren te zijner beschikking heeft en wien de gefailleerde, naar luid van artikel 105, alle verlangde inlichtingen moet verschaffen *). «Eventueelquot;, merkt de Memorie van Toelichting op, «kan de rechter-commissaris gebruik maken van de bevoegdheid hem in artikel 66 gegevenquot; (zie hierboven bl. 261).
Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van evengenoemden staat worden, ter kostelooze inzage van een ieder, nedergelegd ter griffie van de rechtbank en van het kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats1), het kantoor2) of het verblijf3) van den gefailleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank, waarbij het iaillis-sement aanhangig is, geschiedt de nederlegging uitsluitend ter griffie van dit college4). De nederlegging geschiedt
kosteloos ^) (art. 97).
Ongetwijteld geeft deze bepaling den curator, die voor de afschriften moet zorgen, heel wat schrijfwerk, een last
1
-) Zie artikel 2 eerste en tweede lid der wet.
2
:l) Zie artikel 2 derde en vierde lid en artikel 3.
3
1) Zie artikel 3.
4
) Verg. hierboven bl. 33.
G) Verg. hierboven bl. l'iO vlg.
296
echter zonder weikeu de zoozeer gewenselite openbaarheid van alle stukken , die voor de schuldeischers van belang zijn en den toestand des boedels doen kennen, niet ware te verkrijgen.
§ 2. Voorschriften omtrent het beheer van den curator (artikelen 98â104).
Van de aangehaalde artikelen hebben uitsluitend betrekking op de eerste phase van het faillissement de artikelen 98 eu 100, welke ophouden van toepassing te zijn als de staat van insolventie is begonnen (zie art. 176), alsmede art. 101, waarvan de inhoud niet past bij het stadium van vereffening.
Artikel 98 kent den curator de bevoegdheid toe, het bedrij 1' van den gafailleerde voort te zetten. Is in het faillissement eene voorloopige commissie uit de schuldeischers niet benoemd geworden , dan behoeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris '). Is daarentegen eene commissie uit de schuldeischers wèl benoemd, dan is de curator verplicht deze te raadplegen over de vraag, of het bedrijf al of niet zal worden voortgezet (artikel 78 , zie hierboven bl. 279). Indien hij zich met het advies der commissie kan vereenigen, is daarmede de zaak uitgemaakt; is zulks echter niet het geval, dan is artikel 79 toepasselijk, en beslist zoo noodig de rechtercommissaris.
Aan den curator is met de commissie uit de schuldeischers of met den rechter-commissaris de beslissing overgelaten, omdat zij het beste kunnen beoordeelen, of de voortzetting van het bedrijf in het belang is van den boedel. Daar met name van de commissie uit de schuldeischers geene beslissing is te verwachten in strijd met de belangen van de schuldeischers , werd de machtiging van den rechter-commissaris nevens het advies der commissie onnoodig geacht.
De voorzetting geschiedt, voor rekening en risico van den boedel, door den curator, die echter zelden de daarvoor ver-eischte werkzaamheden persoonlijk zal kunnen verrichten; onder zijn opzicht kan hij daarmede anderen belasten en zoo zal in den regel de voortzetting worden oj)gedragen aan den gefailleerde zelf. Deze blijft clan tegenover de buitenwereld
') ^al1 lle beschikking van den rechter-commissaris is geen hooger beroep, art. 67 tweede lid.
297
het bedrijf op den bestaanden voet uitoefenen, maar heeft zich te gedragen naar de bevelen van den curator en is aan dezen verantwoording schuldig van alle ontvangsten.
Komt de curator tot de overtuiging, dat de voortzetting van het bedrijf niet langer strookt met de belangen van den boedel, dan is het zijn plicht de uitoefening van het bedrijf te staken. Het advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo er eene is, zal ook in dit geval wel door hem moeten worden ingewonnen. De gefailleerde en de schuldeischers individueel kunnen te allen tijde langs den in artikel 09 aangewezen weg tegen de verdere voortzetting van het bedrijf opkomen.
Meestal zullen de ontvangsten , door de voortzetting verkregen, althans voor een deel, worden aangewend tot het uitkeer en van een levensonderhoud aan den gefailleerde. De curator toch is bevoegd, zoolang de staat van insolventie niet is aangevangen, naar omstandigheden eene door den rechter-commissaris vast te stellen som uit te keeren tor voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en van zijn gezin (art. 100).
Het voorstel tot het doen der uitkeering gaat uit van den curator, die daarover het advies der commisie uit de schuldeischers heeft in te winnen (artikel 78), terwijl het bedrag in elk geval door den rechter-commissaris wordt vastgesteld Bij het een en ander moet rekening worden gehouden, zegt artikel 100, met de omstandigheden, omdat eene uitkeering soms niet noodig, in kleine faillissementen vaak niet mogelijk is. Onnoodig kan de uitkeering zijn in de gevallen, waarop art. 21 2°. en 3°. betrekking heeft, d. w. z. als de schuldenaar gedurende het faillissement verdiensten heeft door pei-soonlijke werkzaamheid, bijv. als hij loon, salaris of traktement ontvangt wegens dienstbetrekking; niet mogelijk is de uitkeering, als geen contanten voorhanden zijn en, omdat het bedrijf niet wordt voortgezet, ook niet worden ontvangen. Gewoonlijk is het de voortzetting van het bedrijf, welke den curator, door hem de beschikking te geven over de noodige contanten , in staat stelt eene uitkeering te doen.
In geen geval mogen door verkoop van goederen contanten
') Van de beschikking van den rechter-commissaris is geen liooger beroep, art. 67 tweede lid.
298
gemaakt worden, alleen om tot eene uitkeering te kunnen overgaan. Slechts in bijzondere gevallen is de curator bevoegd reeds dadelijk na de faillietverklaring, althans vóór het stadium van vereffening, goederen te vervreemden. Art. 101 eerste lid verleent die bevoegdheid uitsluitend, a indien en voor zoo ver de vervreemding noodzakelijk is ter betrijding der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijvenquot;. Dat de bepaling van artikel 174 toepasselijk is, voegt het tweede lid er aan toe: de goederen worden mitsdien in het openbaar of met toestemming van den rechtercommissaris ') ondershands verkocht. Is eene commissie uit de schuldeischers benoemd, dan heeft de curator deze in elk geval te raadplegen, alvorens tot den verkoop over te gaan (art. 78).
Artikel 101 bevat een noodzakelijke en gerechtvaardigde inbreuk op het beginsel, dat de eerste phase van het faillissement een conservatoir karakter draagt. Waar het bewaren zou leiden tot bederf of ook maar tot nadeel voor den boedel2), of wel contanten gemaakt moeten worden ter bestrijding van de kosten van het faillissement, behoort vervreemding mogelijk te wezen, r Of een dezer omstandigheden aanwezig isquot;, een bloot feitelijke vraag, » kan uit den aard der zaak de curator het best beoordeelen, vandaar dat hem de beslissing is overgelaten« 3).
') Ook van deze beschikking is geen hoogor beroep , art. 67 tweede lid.
'J) De goederen behoeven niet lichtelijk aan bederf onderhevig te zijn; voldoende is dat bewaring niet in het belang is van den boedel, men denke aan seizoenartikelen, aan vee, enz. Ook onroerende goederen kunnen worden verkocht krachtens dit artikel, dat, in tegenstelling tot art. 800 Wetb. v. Kooph., niet spreekt van '/ waren en koopmanschappen/', maar geheel algemeen van //goederen«, terwijl de mogelijkheid niet is uitgesloten dat onroerend goed niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kan blijven.
:i) Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 114; v. n. Feltz II, bl. 64. liet Ontwerp der Staatscommissie en het Oorspr. Regeeringsontwerp kenden nog een derde geval, waarin het den curator werd toegestaan goederen te gelde te maken, nl. wanneer de gefailleerde daartoe zijne toestemming geeft. In de Memorie van Toelichting werd daaromtrent gezegd : gt;/ Stemt hij (de gefailleerde) echter zelf toe in den verkoop, wenscht hij dien in zijn belang en verzet zich daartegen het belang van de schuldeischers niet, dan is er geen reden meer het verbod van verkoop te handhaven//. Blijkens het Verslag der Comm. v. voorb. vroegen sommigen, of het niet te ver gaat, dat de curator hier de toestem-
299
Niet alleen voor de eerste conservatoire phase, nr.aar voor den g-eheelen duur van het faillissement gelden de artikelen 99, 102, 103 en 104.
Duor artikel 99 eerste lid wordt bepaald, dat de curator de brieven en telegrammen opent, welke aan den gefailleerde zijn gericht. Die, welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratie der posterijen en der telegrafie is, na van den griffier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat ') of, in geval van vernietiging der faillietverklaring, de griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, haar, ter voldoening aan art. 15, kennis geeft van die uitspraak.
In verband met deze regeling legt artikel 14 tweede lid aan den griffier van het rechtscollege, dat de faillietverklaring uitspreekt, de verplichting op, van de faillietverklaring onverwijld kennis te geven aan de administratie der posterijen en der telegrafie 1).
Bij circulaire van 28 Sept. 1896, aan heeren Procureurs-Genei-aal bij de Gerechtshoven 3), deelde de Minister van dkb Kaay als zijne zienswijze mede, dat bedoelde kennis-
1
;l) Deze circulaire is opgenomen in \V. n«. (58(54 en in Luttenberg's CUi-onoloijische Verzameliny 1896, bl. 355.
300
geving door de griffiers behoort te worden gedaan rechtstreeks aan het postkantoor en het telegraafkantoor, waaronder de woonplaats des gefailleerden ressorteert 'J. c Alleen dan wanneer de gefailleerde hier te lande geene woonplaats heeft, zal, ter voldoening aan het wettelijk voorschrift, de kennisgeving behooren te worden gericht tot het hoofdbestuur der posterijen en telegrafiequot;. De opmerking, dat de aanbevolen wijze van handelen het best beantwoordt aan het blijkens art. 99 beoogde doel, moet ten volle worden beaamd.
Eene verstandige toepassing der wet brengt ook mede, dat aan den gefailleerde geadresseerde brieven, welke, blijkens eene daarop gestelde aanteekening, van den curator af komstig zijn, niet aan dezen maar aan den gefailleerde worden afgegeven. De curator, die de bevoegdheid heeft de administratie teu opzichte van alle brieven en telegrammen te ontslaan van de verplichting deze aan hem ter hand te stellen, is stellig ook bevoegd tot het mindere: ontheffing van die verplichting voor één bepaalden brief. De overweging, dat artikel 99 eerste lid niet dient om briefwisseling tusschen den curator en den gefailleerde te belemmeren of te beletten, voert tot hetzelfde resultaat.
« Protesten, den gefailleerde betreffende, worden gedaan aan den curatorquot;. Tot deze bepaling van het tweede lid van artikel 99 gaf een arrest van den Hoogen Raad aanleiding.
Volgens artikel 180 eerste lid Wetb. v. Kooph. moet de betaling van eenen wisselbrief worden gevraagd en het daarop volgende protest worden gedaan ter woonplaatse van den beti-okkene, terwijl uit art. 209 volgt dat het protest wegens niet-betaling van een orderbiljet moet worden gedaan ter woonplaatse van den afgever. In zijn arrest van 29 Maart 1889, W. nü. 5700, leidde de Hooge Raad hieruit af, dat, »vermits nergens is bepaald dat een gefailleerde hetzij in het algemeen, hetzij voor sommige zaken zijn domicilie heeft bij den curator».
') Bij circulaire van W December IHOG ( W. n». 6899; Luttunuerg's Chron. Verz. 1896, bl.'t61) is nog een nader voorschrift gegeven voor het geval, dat v noch een post- en een telegraafkantoor, noch een vereenigil post-en telegraafkantoor//zich ter woonplaatse van den gefailleerde bevindt. De kennisgeving worde alsdan gericht aan het post- en liet telegraafkantoor of aan het vereenigd post-en telegraafkantoor ter plaatse van de rechtbank die de faillietverklaring heeft uitgesproken.
301
Wiinneer de betrokkene resp. de afgever in staat van faillisse-ment. vei'keert, het protest niet op wettige wijze aan de woonplaats van den curator kan geschieden. Alzoo zon een wettig protest alléén kunnen worden uitgebracht ter woonplaatse van den gefailleerde. Dit resultaat scheen moeilijk vereenigbaar met het feit, dat de gefailleerde het beheer en de beschikking over zijn vermogen mist. Met het oog daarop kwam het veeleer wenschelijk voor, dat protesten bij uitsluiting bij den curator geschieden, weshalve een uitdrukkelijke bepaling in dien zin in de wet is opgenomen.
Alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die de curator reeds dadelijk na zijne benoeming, bij zijn eerste bezoek aan den gefailleerde, onder zich heeft genomen (art. 92, zie hierboven bl. 291), moet hij volgens art. 102 voortdurend onder zijne onmiddellijke bewaring honden, ten/ij door den rechter-commissaris eene andere wijze van bewaring wordt bepaald, hetzij op verzoek van den curator zelf, van een of meer schuldeischers, van de commissie uit de schuld-eischers, of van den schuldenaar, hetzij op eigeninitiatief, bijv. omdat de gelegenheid tot bewai-ing die de curator bezit, hem onvoldoende toeschijnt ]).
Gereede gelden, die voor het beheer niet uoodig zijn, heeft de curator te beleggen ten name van den boedel op de wijze dooiden rechter-commissaris goed te keuren (art. 102 tweede lid).
De waarborg, welke is gelegen zoowel in de bewaring der gelden, kleinoodiën, effecten enz. door een derde als in de belegging der gelden, zou illusoir wezen, indien de curator daaraan te allen tijde naar goedvinden een einde kon maken. In art. 103 is om die reden vastgesteld, dat de curator «over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden» niet anders mag beschikken «dan door middel van door den rechtercommissaris voor gezien geteekende stukken quot; ~).
') Van ile beschikking van den rechter-commissaris is geen honger beroep op tie rechtbank, art. 07 tweede lid.
2) Dit geldt ook voor gelden door don gefailleerde belegd bij de Rijkspostspaarbank, art. 0 vijfde lid der wet op de Rijkspostspaarbank (officieele uitgave bij K. Besl. van 23 Mei 1S9C, Sthl. n0. R7). Zie hierboven bl. 09
802
Al kan het gevorderde contraseign van den reehter-com-missaris niet voorkomen, dat een plichtvergeten curator de gelden of waarden, na die onder zicli te hebben gekregen, te eigen bate aanwendt, het voorkomt wèl dat de curator ze onder zich neemt buiten voorkennis van den rechter-comniis-saris en stelt aldus de beschikkingen des curators over de in bewaring gestelde waarden en belegde gelden onder eene gewen schte controle.
Art. 104, het laatste der hier te bespreken artikels, luidt: â¢Â«de curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den reehter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en akkoorden of schikkingen aan te gaan « '). Het Wetb. v. Kooph. (art. 884) veroorloofde alleen «met de schuldenaren van den boedel dadingen te treffen, gelijk mede om accoorden of schikkingen met dezelve aan te gaanquot; Deze ongemotiveerde beperking is terecht vervallen.
§ 3. Plichten van den gefailleerde en dwangmiddelen welke tegen hem hunnen worden aangewend (artt. 91, 105, 106, 87â90).
Gedurende bet faillissement mag de gefailleerde zijne woonplaats niet verlaten zonder toestemming van den i-echter-commissaris (art. 91). Hetzelfde verbod richt art. 106 tot de bestuurders van eene gefailleerde naamlooze vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve vereeniging, andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging (waarbij men vooral heeft te denken aan de zedelijke lichamen van het Burg. Wetb.) of stichting.
De uit dit voorschrift voortspruitende beperking van des gefailleerden vrijheid van beweging wordt gerechtvaardigd door het belang, dat de boedel kan hebben bij zijne tegenwoordigheid, daar eene behoorlijke administratie van den boedel soms zeer bezwaarlijk zal wezen, als de voorlichting van den gefailleerde moet worden gemist, terwijl de curator ook om andere redenen telkens diens inlichtingen uoodig kan hebben.
lt;) He plaatsing van art. 884 Wetb v. Koopli. in de AMeeling: '/van «ie vereffening des boedels n liad den twijfel doen ontstaan, of vóór de insolvent-verklaring wel eene dading rnoc.lit worden aangegaan. Ten einde dien twijfel op te heffen, is art. lO'i Tw. een plaats gegeven in de Afdeelingover liet beheer des curators.
303
Art. 91 staat dan ook in nauw verband met art. 105, welk artikel den gefailleerde de verplichting oplegt voor den rechtercommissaris ^ den curator of de commissie uit de schuldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen. Bovendien rust, als de gefailleerde een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot is, dezelfde verplichting op den niet-gefailleerden echtgenoot, voor zoover deze gehandeld heeft.
Wat de verplichting van den echtgenoot des gefailleerden betreft, zij vindt haren w grond in de overweging, . . . dat het faillissement van den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot eigenlijk is een faillissement van de gemeenschap , en dat deze somtijds door beide echtgenooten wettig kan worden verbonden t), zoodat de noodige inlichtingen alleen verkregen kunnen worden door beide echtgenooten, ieder voor zoover hij of zij handelde, te hooren quot; 1).
Het hier gezegde geldt niet alleen voor de algeheele gemeenschap van goederen, maar evenzeer voor iedere andere meer beperkte gemeenschap, omdat ook eene beperkte gemeenschap de werking kan ondervinden van handelingen door den niet gefailleerden echtgenoot verricht. Het is dan ook aan een onwillekeurig verzuim toe te schrijven, dat in art. 105 sprake is van «een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenootquot; en niet, zooals in art. 63, van «den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenootquot;. Toen in art, 63 de uitdrukking «een in gemeenschap//, door âden in eenige gemeenschapquot; werd vervangen, â om duidelijk te doen uitkomen, dat hier niet uitsluitend sprake is van algeheele gemeenschapquot; 2), is verzuimd dezelfde wijziging aan te brengen in het tweede lid van art. 105. Beperking van de daarin vervatte bepaling tot algeheele gemeenschap mag derhalve uit het verschil in redactie der beide artikelen niet worden afgeleid ').
1
) Memorie van Toelichting; Belinfante l, bl. 115; v. n. Feltz II, bl. OS.
2
art 194 Wetb. v Strafr.. bij Celinfante V, bl. 30: v. n. Feltz I, bl. 540.
304
Wanneer eene naamlooze vennootscbap, wederkeerde vcr-zekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of eene stichting failliet verklaard is, kan de gefailleerde, d- i. de vereeniging of stichting, niet in persoon verschijnen noch inlichtingen geven. Vandaar dat art. 106 in dat geval de bedoelde verplichtingen oplegt aan de bestuurders en commissarissen, door bij het faillissement van een dezer lichamen de bepaling van art. 105 eerste lid op deze personen toepasselijk te verklaren.
De naleving van art. 105, resp. van art. 106, wordt verzekerd door de strafbepaling, opgenomen in art. 194 Wetb. van Strafr., zooals dit artikel luidt na de wijziging daarin gebracht door artikel G der Wet ter invoering van de Faillis-sementswet. quot;Hij die, in staat van faillissement (of van kenlijk onvermogen) verklaard, of als echtgenoot van een gefailleerde, met wien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.«
Een waarborg voor de nakoming der aangehaalde artikelenis bovendien gelegen in de bepalingen omtrent de inbewarin g-stelling van den gefailleerde, een dwangmiddel waaraan in de meeste faillieten wetten een plaats is geg'even , en waarover in de Faillissementswet wordt gehandeld in de artikelen 87- 90.
De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den curator of van een of meer der schuldeischers en na den rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zijne eigene woning onder het opzicht van eenen dienaar der openbare macht. Het bevel wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd (art. 87 eerste en tweede lid).
805
Eene gelijksoortige bepaling kwam in het Wetb. v. Koopli. (art. 789) voor. Niettemin werd in liet Verslag der Comm. v. voorb. bedenking geopperd tegen âeen voorschrift, waarbij, zonder aanvoering van redenen en zonder tijdsbepaling, tot inbewaringstelling wordt gemachtigd''. De Regeering achtte «opsomming van de gevallen, waarin het noodig kan zijn, het dwangmiddel aan te wenden, ... ondoenlijk w, maar ging, op aandrang der Commissie, die op art. 11G Wetb. v. Strafvoid. wees, er toe over aan het artikel een derde lid toe te voegen, luidende: «Dit bevel is voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden « ').
De rechter wordt door deze bepaling genoodzaakt zich telkens opnieuw rekenschap te geven van de wenschelijkheid en de noodzakelijkheid, de bewaring des gefailleerden te doen voortduren. Onnoodige verlenging der bewaring wordt daardoor voorkomen. Bovendien heeft de rechtbank, naar luid van art. 88, de bevoegdheid, op voordracht van den rechtercommissaris, of op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen. Het bedrag dier, uit den aard der zaak door een derde ten behoeve des gefailleerden te stellen, zekerheid wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des gefailleerden ten voordeele des boedels.
De verzekerde bewaring, de vrijheidsberooving, waarvan hier sprake is, mag noch als een lijfsdwang, noch als een straf woi-den beschouwd 2). Zij is veeleer een dwangmiddel, dat de strekking heeft te voorkomen, dat de gefailleerde zich ten nadeele van de beredding des boedels aan alles onttrekt en, in strijd met zijne plichten als schuldenaar, aan niets meer gelegen laat liggen, âIndienquot;, zegt de Memorie van Toelich-
') Belinfante II, bl. 93 vlg.; v. n. Fet.tz II, bl. 41.
-) Verg. C. .1. A. Biciion v. [.Tssei.mondr, ile afschaffinri van rlcn lijfsdwang. Prft, bl. '2ÃI vlg.
MoLFNGKAAfF, Piiillissemeutswet.
806
ting '), «de gefailleerde zich. opzettelijk verwijdert of weigert de verplichtingen, hem in het belang der schuldeischers opgelegd , na te komen, is inbewaringstelling het aangewezen dwangmiddel om hem tot zijnen plicht te brengen//. Deze opvatting leidde er toe, de in art. 789 Wetb. v. Kooph. voorkomende woorden: in een huis van gijzelingwelke tot verkeerde gevolgtrekkingen omtrent het karakter van den maatregel aanleiding konden geven, te vervangen door de meer neutrale uitdrukking: win een huis van bewaring/».
Is de inbewaringstelling geen strnf, zij is evenmin een middel tot verzekering eenor strafvervolging. Mitsdien heeft zij met preventieve hechtenis niets te maken, en mag zij ook niet als een surrogaat daarvan worden gebruikt. Men
o o
verg. de beschikking van het Hof van Noord-Holland van 2 Mrt. 1865, terecht vernietigende de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 8 Febr. 1865, Mag.v.Handelsr. 1865, bl. 36 vlg.
Het beginsel dat het faillissement alleen de goederen, niet ook den persoon treft, wordt door de bepalingen omtrent do inbewaringstelling in geenen deele aangetast. Immers, bedoelde maatregel wordt niet op den schuldenaar toegepast omdat hij failliet is verklaard, maar omdat hij, gefailleerd zijnde, zich aan plichtverzuim schuldig maakt of aanleiding-heeft gegeven tot de vrees, dat hij zich daaraan schuldig zal maken 1).
In overeenstemming met het aangewezen karakter van den maatregel is de inbewaringstelling niet imperatief maar facultatief. De rechtbank han de inbewaringstelling bevelen. Alleen dan moei het verzoek daartoe worden toegestaan, en is dns de rechtbank verplicht het bevel te geven, wanneer het verzoek gegrond is op het door den gefailleerde zor, dei-geldige reden opzettelijk niet-nakomen van de verplichtingen, hem opgelegd in de artikelen 91 (verplichting zonder toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats niet te verlaten), 105 (verplichting voor den rechter-commissaris,
1
Verg. het Antwoord van den Minister op het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer: Belinfante IV, bl. 49; v. n. Feltz II, bl. 48.
307
den curator of de commissie uit de schuldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen , zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen) ') en 116 (verplichting de verificatie-vergadering in persoon bij te wonen) (artikel 89).
De aanwezigheid van de genoemde omstandigheden bewijst, dat de gefailleerde niet gezind is vrijwillig zijn plicht te doen, en toont de noodzakelijkheid van het aanwenden van een dwangmiddel ter verzekering zijner tegenwoordigheid, zoo dikwijls deze wordt vereischt in het belang des boedels.
Nader wordt daarmede rekening gehouden in artikel 90, bepalende, dat de gefailleerde, die zich in verzekerde bewaring bevindt, in alle gevallen, waarin zijne tegenwoordigheid bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, op last van den rechter-commissaris uit de bewaarplaats kan worden overgebracht. Deze last wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.
De kosten van de verzekerde bewaring of van het opzicht over den schuldaar komen ten laste van den boedel, in het belang waarvan de maatregel wordt bevolen en te welks bate, wij merkten het zooeven reeds op, ook de in art. 88 vermelde zekerheidstelling komt, indien deze door de niet-verschijning van den gefailleerde wordt verbeurd.
De bepalingen van de artikelen 87 - 90, omtrent de inbewaringstelling, zijn bij faillissement van eene naamlooze vennootschap , wederkeerige ver-cekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, ver-eeniging of stichting van toepassing op de bestuurders (art. 10(5), op wie trouwens ook dezelfde verplichtingen rusten als anders op den gefailleerden schuldenaar zei ven.
§ 4. Artikel 107. â Aan het slot der Afdeeling is een ai-tikel geplaatst, dat, gelet op den verderen inhoud der Afdeeling, geheel op zich zelf staat. Het legt den griffier de verplichting op, aan eiken schuldeischer op diens verzoek en op diens
') Op den in art. quot;105 genoemden in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot van den gefailleerde kan de inbewaringstelling niet worden toegepast. De artt. 87 vlg. spreken alleen van inbewaringstelling va?i ilen (jpfailleertle, on nu rust wel op den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot de verplichting inlichtingen te geven, maar dit maakt hem niet tot een ge failleer de.
308
kosten afschrift te geven van de stukken, die ingevolge eenige bepaling der wet ter griffie worden nedei-gelegd of zich aldaar bevinden. Daar het artikel algemeen spreekt, rust deze verplichting zoowel op den griffier der rechtbaTik, waarbij het faillissement aanhangig is, als op den griffier van het in de artikelen 97, 114, 139 en 183 aangewezen kantongerecht, ten opzichte van de stukken te zijner griffie, ingevolge die bepalingen, nodergelegd.
VIJFDE AFDEELING.
Van de verificatie der schuldvorderingen.
§ 1. â Alleen zij beliooren in het faillissement als schnldeiscLers rechten te doen gelden en in de opbrengst van den boedel te deelen, van wie vaststaat dat zij inderdaad schnldeischers zijn. Naar de juistheid der beweerde schuldvorderingen wordt mitsdien in ieder faillissement een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek draagt den naam verificatie, een naam die bij overdracht ook wordt gegeven aan het resultaat van het onderzoek, de vaststelling der vordering, alsmede aan het geheel der Lande-lingen, het proces, dat voor het onderzoek wordt vereischt. Ook buiten het faillissement is een onderzoek naar de juistheid van een beweerd recht vaak noodig, en zijn verschillende vormen bekend, waarin dit kan geschieden.
Een dier vormen, en wel die waarvan in den regel gebruik moet worden gemaakt, is hot proces oï rechtsgeding, een andere de rangregeling bij gerechtelyke uitwinning van roerende of onroerende goederen, een derde wordt aangetroffen in do artt. 11 en vlg. der wet van 10 Mei 1886, Stbl. nu. 104, houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling van markgronden. De naam verificatie: toetsing, waarmaking, die eigenlijk steeds van pas zou zijn, heeft de wetgever echter uitsluitend gegeven aan hot onderzoek der schuldvorderingen in het faillissement. Met dit onderzoek hebben wij ons thans bezig te houden.
Het stelsel van verificatie, in het derde boek van liet Wetboek van Koophandel opgenomen, liet zeer veel te wenschen over. De regeling kwam op het volgende neer. Er werden een
310
of moer vorgaderingen gehouden, waarin de schuldeischers in persoon of bij gemachtigde himne vorderingen lor verificatie moesten aanbieden, en waarin deze worden erkend, indien daartegen niet door den curator of een der mede-schuldei schers verzet werd gedaan. Was het verzet gericht tegen eene vordering welke op de eerste vergadering ter verificatie werd aangemeld, en leidde het tot een renvooi-pioces, dan werden de werkzaamheden der verificatie geschorst tot na afloop van dit proces, en kon ook gedurende dien tijd een voorstel van een akkoord niet in behandeling worden genomen.
Voorafgaande indiening der vorderingen was niet voorgeschreven. Bleef deze, wat veelvuldig geschiedde, achterwege, dan was een behoorlijk onderzoek van de deugdelijkheid dei-vordering, waartoe de verificatie-vergadering niet veel gelegenheid bood, slechts zelden mogelijk; de curator en de inede-schuldeischers hadden doorgaans geen andere keuze, dan óf de vordering zonder onderzoek toe te laten , of zich op goed geluk tegen de erkenning te verzetten.
Daar zich nagenoeg nimmer alle schuldeischers op de eerste vergadering aanmeldden, werden steeds twee, soms nog meer verificatie-vergaderingen gehouden. Bovendien waren de vergaderingen, voor de behandeling van het akkoord belegd, tevens bestemd voorde verificatie van de vorderingen van hen, die de eigenlijk gezegde verificatie-vergaderingen niet hadden bijgewoond, zoodat vaak het gehoele getal der vergaderingen , waarop de schuldvorderingen werden geverifieerd, drie, vier of meer bedroeg.
Verzet tegen eene vordering, niet in de eerste vergadering aangemeld, had schorsing van de verdere werkzaamheden niet ten gevolge. De afwikkeling van het faillissement werd daardoor dus niet vertraagd. Een voorstel van een akkoord kon worden behandeld, maar aan de behandeling mochten de schuldeischers, wier vorderingen werden betwist, niet deelnemen. Dit gaf weer aanleiding tot hot zeer verbreide en ergerlijke misbruik, dat vorderingen werden betwist met geen ander doel dan de houders van de stemming over het akkoord uit te sluiten.
Ook in andere opzichten waren de bepalingen omtrent de verificatie onvolledig en gebrekkig. Met name had tot veel
311
ongerief aan leiding gegeven, dat de erkenning der vordering niet in zich sloot eene beslissing over liet recht van voorrang, waarop voor de schuldvordering aanspraak werd gemaakt. Eersu bij de rangregeling, en dus alleen in geval van insolventie, werd het recht van voorrang vastgesteld.
By het ontwerpen der Faillissementswet is men erop bedacht geweest, zoo mogelijk de gebi-eken der vroegere regeling weg te nemen. Ingevoerd is het stelsel van het voorafgaand onderzoek van alle vorderingen door den curator. De vorderingen worden niet meer ter verificatie-vergadering aangemeld , maar moeten vooraf bij den curator worden ingediend. Deze stelt een onderzoek in naar de deugdelijkheid van iedere incrediende vordering en maakt de resultaten van dit onder-
o cj
zoek openbaar. Eerst daarna volgt, de verificatie, waartoe slechts ééne vergadering wordt gehouden. De tegenwoordigheid der schuldeischers in deze vergadering wordt niet vereischt.
Betwisting van eene vordering, gevolgd door een renvooiproces, heeft geen schorsende kracht, zoodat daardoor nooit de gang van zaken wordt verstoord; toch kan de betwisting niet worden aangegrepen als een middel om schuldeischers te weren van de stemming over een akkoord, daar aan den rechter-commissaris de bevoegdheid is toegekend de betwiste vordering voorwaardelijk toe te laten, welke toelating recht o-eeft over een voorgesteld akkoord stem viit te brengen.
De erkenning is niet alleen eene vaststelling van aard en bedrag der vordering, maar ook van haar karakter d. w. z. door de erkenning wordt mede beslist, of aan de vordering een recht van voorrang is verbonden.
Nevens de regeling van het verificatie-j^roces bevat de Afdee-ling nog een aantal voorschriften betreffende de vaststelling zelve van verschillende schuldvorderingen, waardoor bestaande leemten zijn aangevuld en menige twistvraag is beslecht. In het bijzonder verdient de aandacht, dat de niet-opeisch-bare schuldvorderingen in den regel worden geverifieerd voor hare contante waarde.
Omtrent de in de wet aangenomen terminologie werd in de Memorie van Toelichting bij de algemeene beschouwingen over de vijfde Afdeeling opgemerkt, » dat het woord verificatie wordt gebezigd in de beteekenis van « procedure tot vaststelling van
ni2
het vorderingsrechtquot;quot;, en dat in overeenstemming daarmede van verijieeren, bijv. in de artikelen 127 en volgende, wordt gesproken, //telkens wanneer algemeene voorschriften omtrent die vaststelling worden gegevenquot;. Het voorafgaande onderzoek door den curator kan leiden tot voorloopige erken -ning der vordering (artt. 112 vlg.). De vordering, welke bij de verificatie niet wordt betwist, draagt den naam van erkende vordering (art. 121). In bepaalde gevallen (art. 121 tweede lid: eedsoplegging; art. 125: betwisting der vordering; art. 130 tweede lid: vordering onder een opschortende voorwaarde; 135 tweede lid: regresvordering van den borg; art. 136 tweede lid: regresvordering van een hoofdelijken medeschuldenaar) kan eene vordering voorwaardelijk worden toegelaten en in één artikel (art. 128) is sprake van verificatie pro memorie. Aan deze terminologie is in de geheele wet streng vastgehouden; men verg. de artikelen 159 en 196, waarin alleen van erkende vorderingen , artt. 181 en 189, waarin alleen van voorwaardelijk toegelaten vorderingen, en artt. 82, 84, 142, 145 en 183, waarin zoowel van erkende als van voortvaardelijk toegelaten vorderingen sprake is i).
§ 2. De voorbereiding der verificatie (artt. 108â115). â Het stelsel van het voorafgaand onderzoek door den curator brengt mede, dat alle schuldvorderingen bij den curator moeten worden ingediend. Den termijn, vóór welks afloop de indiening moet worden gedaan, en den dag, het uur en de plaats, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bepaalt de rechter-commissaris zoodra mogelijk, d. w. z. zoodra hij dooiden curator voldoende omtrent den boedel is ingelicht om een gesehikten termijn te kunnen kiezen. Evenwel verlangt art. 108, ter voorkoming van onnoodige vertraging, dat de rechter-com-missaris zijne beschikking neme » binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan Dit voorschrift kwam reeds hierboven, bl. 118, ter sprake. Wij toonden toen aan, dat het enkel een uitersten termijn stelt, waarbinnen de rechter-commissaris moet handelen. Deze
') Verg. het Advies van den Raad van State en liet Rapport aan de Ivoningin-Kegentes: Belinfante 11, bl. 194 v. en '234; v. u. Feltz II, bl. 39 v â Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl 119; v. u. Feltz 11, bl. 75.
313
mag zijne boscliikkiiig niet later nemen dan den veertienden dag, nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan. Overigens heeft men hem niet aan banden willen leggen. Een aanvangstenuijn is niet bepaald, lu. a. w. den rechter-commissaris is niet de verplichting opgelegd met het nemen zijner beschikking te wachten tot na het verstrijken van een in de wet aangewezen dag. Het tijdstip, waarop het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde gaat, wordt in den aanhef van het artikel alleen vermeld als dies lt;i quo voorde berekening van den laatsten beschikbaren dag, niet als dies a quo van den termijn zeiven, waarbinnen de beschikking kan worden genomen. Onder de oude wetgeving placht in eenvoudige faillissementen de rechter-commissaris veelal de verificatie-vergadering te bepalen, zoodra de curator hem verslag had gedaan van zijne eerste bevinding omtrent aard en omvang van het faillissement, zoodat de bekendmaking der faillietverklaring en die der oproeping tot de eerste verificatie-vergadering gelijktijdig konden geschieden. Deze goede gewoonte kan ook onder de tegenwoordige wet worden gevolgd; art. 108 laat den rechter-commissaris daartoe volledige vrijheid. Voor nadere toelichting worde naar het op bl. 113 aangevoerde verwezen.
Aan den rechter-commissaris is de bepaling van den duur van den termijn, voor de indiening der schuldvorderingen bestemd, geheel overgelaten. Art. 108 schrijft alleen voor, dat de termijn ingaat op den achtsten dag nadat de beschikking is genomen, en dat tusschen het einde van den termijn en den dag der verificatie-vergadering ten minste veertien dagen moeten verloopen. Indien bijv. de rechter-commissaris voor de indiening der schuldvorderingen een termijn van drie weken vaststelt, gaat deze termijn in op den achtsten dag na dien der vaststelling, en kan de verificatie-vergadering door hem niet bepaald worden op een vroegeren dag dan den drie-en-veertigsten na dien der vaststelling, immers tusschen dezen dag en den dag der vergadering moeten in dit geval verloopen 7 dagen drie weken of 21 dagen -|- veertien dagen, samen 42 dagen. Neemt men aan, dat de termijn voor de indiening der schuldvorderingen bezwaarlijk korter kan worden gesteld dan ééne week, dan volgt daaruit dat de
31 t
verificatie-vergadering o]) haar vroegst kan worden bepaald op den uegen-en-twintigsten dag na dien der faillietverklaring.
De rechter-commissaris kan den termijn aanwijzen door vermelding van een bepaald getal dagen of' weken (bijv. veertien dagen, twee of drie weken), maar ook door den eersten en den laatsten dag van den termijn te noemen (bijv. van 7â21 Januari, van 15 Januariâ1 Februari). Op deze beide vormen van aanwijzing slaat de bepaling van art. 108, dat de termijn ingaat op den achtsten dag, nadat door den rechter-commissaris zijne beschikking is genomen. Maar do termijn kan ook worden aangewezen door vaststelling alleen van het eindpunt, door het noemen hetzij van den dag vóór welken de indiening der vorderingen moet hebben plaats gehad (bijv. in dezer voege: de schuldvorderingen moeten worden ingediend vóór den 218tc,1 Januari), of wel van den laatsten dag waarop de indiening nog kan worden gedaan (bijv. de schuldvorderingen moeten worden ingediend uiterlijk op 20 Januari). Bij deze aanduiding van den termijn, die geenszins is uitgesloten, moet natuurlijk met het oog op het aangehaalde voorschrift der wet de dag zóó worden gekozen, dat tusschen dezen en den dag der beschikking een tijdsverloop ligt van meer dan acht dagen.
Hoe de termijn ook aangewezen moge zijn, zijne beteekenis is altijd hierin gelegen, dat vóór afloop daarvan de schuldvorderingen bij den curator moeten zijn ingediend, willen ze op de verificatie-vergadering geverifieerd kunnen worden. De tormijn geeft dus aan, tot hoelang de indiening kan geschieden, niet ook wanneer met de indiening kan worden begonnen. Op de bepaling van den termijn behoeven de schuldeischers niet te wachten. Van het oogenblik der faillietverklaring af kunnen zij hunne vorderingen inzenden tot op den laatsten dag van den door den rechter-commissaris vast te stellen termijn.
De beschikkingen van den rechter-commissaris omtrent den termijn van indiening der schuldvorderingen en omtrent den dag der verificatie-vergadering, â beschikkingen die, er worde aan herinnerd, mondeling kunnen en dus niet schriftelijk behoeven te worden gegeven '), â-brengtde curatoronniid-l) Zie hierboven bl. 2(33.
315
dellijk bij brieven ter kennisse van alle beui bekende schuld-eischers. Bovendien doet bij daarvan aankondiging in het nieuwsblad of'de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14 (art. 109).
De Nederlandsche Staatscourant is hier met opzet niet vermeld, zoodat daarin de aankondiging niet behoeft te worden geplaatst.
gt;. De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den curator door do overlegging eener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag dor vordering, vergezeld van do bewijsstukken of oen afschrift daarvan, en van eene opgave, of' op voorrecht, pand, hypotheek of recht van terughouding aanspraak wordt gemaakt. â De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbewijs te vorderenquot; (art. 110).
Een bepaald formulier van indiening, dat sommige buiten-landsche wetten kennen, is niet voorgeschreven. Een gewone factuur of rekening is voldoende, mits daaruit aard, bedrag en karakter der vordering voldoende blijken. Wat het laatste betreft, is het niet voldoende, dat in het algemeen een recht van voorrang of terughouding wordt beweerd, maar dient ook te worden aangegeven op welke zaken of hare opbrengst dit recht kan worden uitgeoefend, daar het alleen op deze wijze duidelijk wordt kenbaar gemaakt.
Het door den curator af te geven ontvangbewijs strekt tot bewijs van de indiening der vordering, en van het tijdstip waarop deze is geschied, waarvan de vaststelling van belang kan wezen, omdat volgens art. 36 indiening eener vordering ter verificatie stuiting der verjaring ten gevolge heeft. Zijn bij de indiening de oorspronkelijke bewijsstukken overgelegd, dan behoort in het ontvangbewijs van deze stukken melding te worden gemaakt, en strekt het dus tevens teu bewijze van de overlegging daarvan.
De indiening der vorderingen is verplicht gesteld,ten einde den curator de gelegenheid te geven hare deugdelijkheid te onderzoeken. Deze taak van den curator wordt omschreven in art. 111. Hij n toetst w, zegt dit artikel, » de ingezonden rekeningen aan de boeken en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating eener vordering bezwaar heeft, met -den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen over-
31(5
legging van ontbrekende stukken alsook inzage zijner boeken en der oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen «. Het zwaartepunt der geheele regeling is hier gelegen. Of deze op den duur zal voldoen, zal voor een groot deel afhangen van de nauwgezetheid, waarmede de curators de verplichting, in overleg te treden, nakomen.
De schuldeischer die weigert op het verzoek van den curator inzage te geven van zijne boeken of van de bewijsstukken of wol anderszins inlichtingen te verstrekken, kan tot het een of hot ander niet worden gedwongen. Maar zijne weigering zal er toe leiden, dat de curator, die een ongestaafde vordering niet kan toelaten, zich tegen de erkenning der vordering verzet, terwijl de kosten van het dan volgende verificatie-proces wel altijd, dus ook als het proces voor den schuldeischer een gunstigen uitslag heeft, te diens laste zullen komen, omdat onder deze omstandigheden die kosten als geheel noodeloos door hem veroorzaakt mogen worden beschouwd. Zie van art. 56 eerste lid Wetb. van Burgerl. Rechtsv. den slotzin 1).
Na aüoop van het onderzoek brengt de curator de vorderingen, die hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, die hij betwist, op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden der betwisting (artikel 112). Uit het zooeven gezegde volgt, dat grond van betwisting kan wezen de weigering van den schuldeischer, den curator de noodige inlichtingen te verschaffen of inzage van stukken te geven, in verband met het ontbreken van voldoend bewijs voor de vordering.
De curator moet in de genoemde lijsten van iedere daarop gebrachte vordering eene omschrijving geven, met aanteeke-ning of zij naar zijne meening bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, of wel of ter zake der vordering recht van terutrhoudingr kan worden uitsreoefend
O O o
Betwist hij niet de vordering zelve maar wèl den beweerden voorrang of het recht van terughouding, dan brengt hij de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen met vermelding van de betwisting en van hare gronden (art. 113).
') Verg. Rb. don Haag '27 Apiil 1894, W. n». 0517.
817
Ingericht overeenkomstig de bepalingen der wet vormen de lijsten als liet ware een inventai-is van de ingediende sclmld-vorderingen , waarvan ieder belanghebbende kennis kan nemen, daar van ieder der lijsten door den curator een afschrift ter griffie van do rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht 1) wordt nedergelegd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatie-vergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van een ieder. De nederlegging geschiedt kosteloos (art. 114) 2).
Van de gedane nederlegging geeft de curator aan alle hem bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waai-bij hij eene nadere oproeping tot de verificatie-vergadering voegt en tevens vermeldt, of een ontwerp-akkoord door den gefailleerde ter griffie is nedergelegd (art. 115).
De Memorie van Toelichting merkt terecht op, dat eene schriftelijke kennisgeving als hier bedoeld geen aanleiding behoeft te geven tot onnoodige of groote vermeerdering van kosten. Immers zij kan geschieden bij een gedrukten brief, of liever voor de kennisgeving kan van een gedrukt formulier gebruik worden gemaakt.
§ 3. Be verificatievergadering (artikelen 116â127, 137).
Op den door den rechter-commissaris vastgestelde n dag wordt de verificatie-vergadering gehouden. Voorzitter is do rechter-commissaris. die trouwens alle vergaderingen van schuldeischers leidt (art. 80 eerste lid). Nevens hem moeten tegenwoordig zijn de curator en de schuldenaar, terwijl de vergadering kan worden bijgewoond door alle schuldeischers.
De tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is volgens art. 80 tweede lid verplicht, zoodat de vergadering niet kan doorgaan, als de curator niet aanwezig is en niet door een ander kan worden vervangen. Dit geldt voor alle vergaderingen van schuldeischers; zie hierboven bl. 284. Mocht het geval zich voordoen, dat de verificatie-vergadering om deze reden niet kan worden gehouden , dan zal het derde lid
') Zio hierboven bl. 32 vlg. -) Zie hierboven bl. '120 vlg.
318
van artikel 119 moeten worden toegepast; er is dan belioefte aan verdaging der vergadering. De rechter-commissaris bepaalt dus dag en uur, waarop de vergadering binnen acht dagen, zonder nadere oproeping, wordt voortgezet.
I/De gefailleerdequot;, aldus de aanhef van art. 116, «woont de verificatie-vergadering in persoon bij «. Er is, en met opzet, niet gezegd, zooals in art. 80 tweede lid met betrekking tot den curator, dat de tegenwoordigheid van den gefailleerde verplicht is. Gevolg van het wegblijven van den gefailleerde is dus ook niet, dat de vergadering geen voortgang llt;an hebben. Integendeel, deze wordt alsdan buiten zijne tegenwoordigheid gehouden. Artikel 116 legt alleen eene verplichting op den gefailleerde. Komt hij die verplichting niet na, dan stelt hij zich bloot aan een bevel tot inbewaringstelling, dat in dit geval, indien daartoe het verzoek wordt gedaan, door do rechtbank niet kan worden geweigerd (zie art. 89 en hierboven hl. 306 v.). Bovendien mag art. 194 Wetb. v. Strafr. geacht worden toepasselijk te zijn ').
Het is te doen om de persoonlijke verschijning van den gefailleerde. Hij kan niet, zooals de curator, door een ander worden vervangen, en ook niet volstaan met een gemachtigde te zenden. Uitdrukkelijk bepaalt art. 116, dat de gefailleerde in persoon de vergadering bijwoont. Daarin ligt echter geen verbod, zich door een advocaat of iemand anders te laten vero-ezellen. De rechter-commissaris kan »te dien aanzien toelaten wat, naar omstandigheden, in het belang der zaak geacht wordt. In dat belang kan het bijv. ook gewenscht zijn, toe te staan, dat een gewezen boekhouder, agent enz. mede ter vergadering verschijne. Maar dit een en ander moet aan de prudentie van den rechter-commissaris worden overgelaten quot; 1).
De gefailleerde moet de vergadering bijwonen, «ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. Do schuldeischers kunnen den rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen
1
Belinfante II, bl 101: v. n. Fei.tz 11, bl. 85.
319
op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het jjroces-verbaal opgeteekend u (art. 116).
Onder de werking van de afgeschafte wet kwam het haast nooit voor, dat de gefailleerde de verificatie-vergadering bijwoonde, zelden dat hij zich liet vertegenwoordigen. -Zijne persoonlijke verschijningquot;, merkt de Memorie van Toelichting ') terecht op, gt;/is echter steeds wenschelijk. Dikwijls toch komt het voor, dat de inlichtingen, die de schuldenaar zal kunnen geven, bijv. omtrent eene vordering, door den vertegenwoordiger niet verstrekt kunnen worden. Ook mag den schuld-eischers het recht op volledige opening van zaken niet geweigerd worden. Vandaar dat de plicht, die te geven, den gefailleerde in dit artikel (116) uitdrukkelijk wordt opgelegdquot;. Vandaar ook de bepaling, dat de schuldeiscbers aan den rechtercommissaris kunnen verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen.
De ondervraging geschiedt altijd door den rechter-commis-saris, aan wien het is overgelaten te beoordeelen, of door hein aan het desbetreffende verzoek van een schuldeischer kan worden voldaan, waartoe hij bijv. geen termen zal vinden als hem de vraag ongepast, beleedigend of onnut voorkomt. Als voorzitter, belast met de leiding der vergadering, heeft hij te zorgen, dat de tegenwoordigheid van schuldenaar en schuld-eischers niet tot een minder aangename gedachtenwisseling aanleiding geeft, en alle vragen ter zijde te stellen, die zulk eene gedachtenwisseling zonden kunnen uitlokken.
Wanneer de gefailleerde weigert op de hem gedane vragen te antwoorden, is artikel 89 van toepassing, immers hij komt alsdan eene verplichting niet na, hem opgelegd in art. 11G. Uit de redactie; quot;de gefailleerde ivoont de verificatie-vergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen enz. te geven, die hem door den reehter-commissaris (/ewaar/d wortZim», blijkt voldoende, dat de gefailleerde niet alleen verplicht is te verschijnen , maar ook te antwoorden op de vragen die hem worden gesteld. Het behoeft overigens geen betoog, dat bij
') Eelinfante I, bl. -121; v. n. Feltz II, bl. 84.
320
weigei-ing om te antwoorden wel steeds aanwezig zal zijn de in art. 89 gestelde voorwaarde, dat door den gefailleerde zonder geldige reden opzettelijk de verplichting, die de wet hem oplegt, niet wordt nagekomen. Gelijke voorwaarde stelt art. 194 Wetb. van Strafr., waarin straf wordt bedreigd tegen den gefailleerde, die wettelijk is opgeroepen tot het geven van inlichtingen, niet alleen als hij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, maar ook als hij weigert de vereischte inlichtingen te geven, of opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft.
a De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opge-teekend« (art. 116 a. h. e.). Door de opteekening worden de gedane vragen en gegeven antwoorden vastgesteld, wat ge-wenscht is, omdat het doel der ondervraging niet is, dat door den rechter-commissaris met den gefailleerde een gesprek wordt gevoerd, maar het verkrijgen van inlichtingen omtrent punten , welke voor het recht van een of meer schuld-eischers of van den boedel van belang kunnen zijn. Raadpleging van die inlichtingen behoort later altijd mogelijk te wezen.
De besproken, in art. 116 omschreven, verplichtingen rusten, bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap , wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, ver-eeniging of stichting, op de bestuurders (artikel 117). Als zij deze verplichtingen zonder geldige reden opzettelijk niet nakomen, zijn ook op hen de artt. 89 Fw. (krachtens art. 106 dier wet) en 194) Wetb. v. Strafr. toepasselijk.
11 De schnldeischers «, zegt art. 118, quot; hunnen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigdequot;. Zooals hierboven reeds werd opgemerkt, zijn de schnldeischers niet verplicht de verificatie-vei'gadering bij te wonen. Indien zij afwezig blijven, heeft dit voor hen geenerlei nadeelig gevolg. De vorderingen van hen, die niet tegenwoordig zijn, worden , evengoed als die der aanwezigen, behandeld en , als niemand zich tegen de toelating verzet, erkend. Geeft de verificatie tot bezwaren aanleiding, m. a. w. wordt beëediging gevraagd of de vordering betwist, dan wordt de afwezige schnldeischer nil afloop der vergadering door den griffier van het gebeurde
321
onderricht (art. 120 tweede lid en art. 121). Wie de verificatievergadering niet bijwoont kan dus, tenzij hij van den griffier bericht ontvangt van het tegendeel, er op vertrouwen dat zijne vordering erkend is.
De schuldeischer, die de vergadering wil bijwonen, heeft de keuze zelf te gaan of een gemachtigde te zenden. « De schriftelijke volmacht ismede volgens art. 118, »vrij van zegelen van de formaliteit van registratiequot;. In het Oorspr. Reg. Ãntw. ontbrak deze bepaling. Het artikel luidde daarin : » de schuldeischers kunnen in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde verschijnen». [Jitdrukkelijk werd dus eene schriftelijke volmacht gevorderd. De practijk onder de vroegere wetgeving gaf daartoe aanleiding. Daar bij het stilzwijgen dei-wet aan den rechter-commissaris was ovei-gelaten te beslissen , hoe de gemachtigde van zijn volmacht moest doen blijken, werd te dien opzichte zeer verschillend gehandeld. De Memorie van Toelichting ') verklaart: «De eene rechter-commissaris vordert eene geregistreerde schriftelijke volmacht; de andere is met eene bloot schriftelijke, zij het ook informeele, volmacht tevreden; eene derde eindelijk, laat ook mondeling gemachtigden toe.quot; Dit laatste nu werd niet wenschelijk geacht. a Het bloote beweren, dat men volmacht heeft, kan inderdaad niet als een voldoend bewijs daarvan worden aangemerkt». Toch schijnt de tegenwoordige redactie van het wetsartikel, waarin niet meer van een schriftelijk ge(vol)machtigde wordt gesproken, de mondelinge volmacht, waarschijnlijk tegen de bedoeling van den wetgever 2), opnieuw toe te laten. Intus-schen is het financieele bezwaar, aan een schriftelijke volmacht verbonden, dat in de practijk er toe leidde met een mondelinge volmacht genoegen te nemen , door de in het artikel opgenomen vrijstelling van zegel- en registratie-recht, geheel vervallen. Het Oorspr. Reg. Ontw. bevatte die uitdrukkelijke vi-ijstelling niet, maar alleen omdat de Regeering haar nevens artikel 17 overbodig achtte. » Het financieel bezwaarquot;, aldus de Memorie van Toelichting, «dat men tegen eene schriftelijke volmacht zou kunnen doen gelden, wordt opgeheven
') Belinfante I. bl. 121 ; v. n. Fki.tz IT, bi. 8!»
-) Waarnm het woord schriftelijk vóór gemachliyde is weggelaten, blijkt niet.
01
Moukngraaff , Faillissementswet.
322
door de bepaling van art. 17.quot; De Commissie van voorbereiding-twijfelde daaraan, vdewijl toch eene procuratie ter vertegenwoordiging moeilijk kan gezegd worden een stuk te zijn, n opgemaakt fcer voldoening aan de bepalingen van dezen titel quot;« ')⢠Naar aanleiding dier opmerking is in bet Gewijzigd Ontwerp de vrijstelling in bet artikel zelf opgenomen.
Het doel der vergadering is de verificatie der scbuldvorde-ringen. Daaronder zijn te verstaan in de eerste plaats de scbuldvordei'ingen, welke, tijdig ingediend, door den curator op de in art. 112 vermelde lijsten zijn gebracht en voorts die, welke in het eerste en in het derde lid van artikel 127 worden genoemd.
Van het stelsel van voorafgaande indiening der vorderingen en onderzoek door den curator zou in de practijk niet veel terecht komen, indien het verzuim van tijdige indiening voor den schuldeischer niet een nadeelig gevolg had. Dit gevolg bestaat hierin, dat de vordering, welke niet vóór afloop van den daarvoor vastgestelden termijn bij den curator wordt ingezonden, niet dan bij uitzondering in de voor de verificatie bestemde vergadering wordt geverifieerd, terwijl de schuldeischer, die in die vergadering niet is geverifieerd, van deelneming aan de stemming over een aangeboden akkoord is uitgesloten. Berst nadat de staat van insolventie is begonnen, bestaat voor den hierbedoelden schuldeischer alsnog de gelegenheid tot verificatie zijner vordering, hetzij door toepassing van artikel 178, hetzij, en dat in elk geval, ingevolge de bepaling van artikel 186. Het recht in de opbrengst van den boedel mede te deelen gaat dus niet voor hem verloren.
Zou eene strenge toepassing van het aangenomen stelsel medebrengen, dat de niet tijdig ingediende en daarom op de in art. 112 vermelde lysten niet voorkomende schuldvorderingen , in geen geval in de verificatie-vergadering kunnen worden geverifieerd, redenen van billijkheid hebben den wetgever er toe geleid tweeërlei uitzondering toe te laten. De eerste betreft de vorderingen van schuldeischers die buiten het Rijk in Europa wonen, en daardoor verhinderd werden zich tijdig aan te melden (art. 127 derde lid). Deze vorde-
') Bplinfante II, bl. i04 vlg.; v. n. Fei.tz II, bi. 90.
323
ringen woi-den geverifieerd, niet alleen wanneer ze te laat zijn ingezonden, maar ook wanneer ze eerst in de vergadering worden aangemeld. De uitzondering steunt op de overweging, dat -/de termijn voor liet houden der verificatie-vergadering dikwijls veel te lang zoude worden, indien rekening werd gehouden met alle tmitenlandsche sclmldeischers« '). Maar het is dan ook niet voldoende dat de schuldeischer in het buitenland woont, buitendien moet worden aangetoond, dat de groote afstand inzending der vordering vóór den gestelden tijd niet wel mogelijk maakte. Ontstaat er geschil over de vraag, of de beweerde verhindering al of niet heeft bestaan, dan beslist de rechter-eomniissaris 1), na de vergadering te hebben geraadpleegd (art. 127 vierde lid).
De tweede uitzondering geldt de «vorderingen, na afloop van den in artikel 108 l'. genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den curator ingediend ». Deze worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, «indien noch de curator noch een der aanwezige sclmldeischers daartegen bezwaar maakt» (art. 127 eerste lid), of, als bezwaar wèl wordt gemaakt, de rechter-commissaris daartoe verlof geeft. Immers in het vierde lid van het artikel wordt bepaald, dat «in geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld,quot; de rechter-commissaris »fcestósiquot;, na de vergadering to hebben geraadpleegd. Zijne beslissing kan bezwaarlijk iets anders betreffen, dan het gedaan verzoek tot verificatie2).
Volstrekt uitgesloten van de verificatie zijn derhalve alleen die vorderingen, welke of één dag te voren, of op den dag zelf vóór de vergadering of staande de vergadering worden ingediend.
De Raad van State had in zijn advies gepleit voor weglating van den termijn van twee dagen, of liever van het vereischte van indiening uiterlijk op den tweeden dag vóór de vergadering, een vereischte dat in het Ontwerp der Staatscommissie niet werd gesteld, maar, blijkens de Memorie van
1
) Tegen ile beslissing van ilen rechter-commissaris staat hooger beroep niet open, art. 07 tweede lid.
2
:l) Ook van deze beslissing is hooger beroep niet toegelaten, art. 07 tweede lid.
324
Toelichting, in het Eegeeriugs-ontwerp was opgenomen, ten einde den curator in de gelegenheid te stellen over de ingediende vordering op de verificatie-vergadering prseadvies uit te brengen.
In zijn rapport aan de Koningin-Regentes verdedigde de Minister zijne zienswijze nader door er op te wijzen, dat ook volgens de Staatscommissie de uitsluiting der niet tijdig ingediende vorderingen van de verificatie vooral noodig is « om te beletten , dat op het laatste oogenblik allerlei dubiense schuldeischers door den gefailleerde bij elkander gebracht worden om een akkoord dikwijls tegen den zin der grootere schuldeischers door te drijven Daarvan kan evenzeer sprake zijn « als eene vordering eenige weinige uren , wellicht een oogenblik vóór den aanvang der verificatie-vergadering wordt ingediend, als wanneer zij staande die vergadering wordt ingediendquot; ').
In art. 119 en de daarop volgende artikelen wordt aangewezen , hoe de verificatie plaats heeft. De voorzitter, de rechtercommissaris, begint met voorlezing te doen van de lijsten der voorloopig erkende en der door den curator betwiste vorderingen (art. 119 aanhef). Deze lijsten bevatten het prseadvies van den curator over de deugdelijkheid en daarmede over de toelaatbaarheid der vorderingen.
De curator zal daarom verstandig handelen door ook alle na afloop van den in artikel 108 1°. genoemden termijn bij hem ingekomen en volgens artikel 127 voor verificatie vatbare vorderingen als nagekomen vorderingen op de lijsten te plaatsen. Immers het stelsel der wet brengt mede, dat hij zich ook over deze vorderingen uitlaat. Dat de schuldeischers niet vooraf ter griffie van de rechtbank, c. q. ook van hot in artikel 97 aangewezen kantongerecht, kennis kunnen nemen van zijn advies betreffende deze vorderingen, behoeft hem zeker niet te weerhouden om te doen wat gewenscht is.
Bindend is des curators advies voor de schuldeischers in geen enkel opzicht. quot; Ieder der op die lijsten voorkomende schuldeischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering en hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen,
â¢) Belinfante bl. if)0; Bolinfante l, bl.d'iOvlg.; IF, bl. 238 vlg. â v. n. Ficltz 11, bl. 123 vlg.
325
of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde reebt van terughouding te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit« (art. 119 eerste lid).
De recbter-coramissaris zal dus, telkens ais hij eene vorde-dering heeft opgelezen, gelegenheid geven tot debat. Daaraan kunnen uit den aard der zaak alleen de ter vergadering aanwezige scbiildeischers deelnemen. Op het denkbeeld, in het Verslag der Commissie van voorbereiding geopperd, aan de afwezigen de bevoegdheid te geven schriftelijk inlichtingen te vragen en betwisting te doen, werd door de Regeering terecht niet ingegaan. «Juistquot;, betoogde zij, «om bezwaren en grieven te bespreken en zoo mogelijk geschillen uit den weg te ruimen, dient de verificatie-vergadering. ... Dit doel is niet te bereiken, wanneer hij, die bezwaren tegen eene ingediende vordering in het midden wenscht te brengen, noch persoonlijk, noch bij gemachtigde tegenwoordig is. Hij, die, zij het ook om geldige redenen, afwezig is, kan een gemachtigde ter vergadering zendenquot;
Aanwezige, niet op de lijsten voorkomende , hoewel bekende en das ook tot de vergadering opgeroepen schuldeischers, missen het recht van betwisting. Het wordt hun nergens toegekend. Wel zal de rechter-commissaris, indien hij daartoe aanleiding vindt, hun kunnen toestaan opmerkingen te maken of inlichtingen te vragen. De gedachtengang van den wetgever is blijkbaar deze: wie eene vordering wil betwisten, anderen wil weren, behoort zelf op te komen en aan den concursus deel te nemen; wie zich daar buiten houdt, moet zich ook niet bemoeien met de deelneming van anderen. Deze opvatting is volkomen rationeel, maar brengt mede de bevoegdheid tot betwisting toe te kennen ook aan die schuldeischers, wier vorderingen, hoewel niet op de ter griffie neergelegde lijsten voorkomende, omdat ze niet tijdig werden ingediend, niettemin krachtens artikel 127 eerste en derde lid in de vergadering kunnen worden geverifieerd. Het doel, ben te begrijpen onder de in het eerste lid van art. 119 genoemde schuldeischers , wordt bereikt, indien de curator, handelende zooals
') Antwoord der Regeering in liet Verslag der Commissie van voorbereiding: Belinfante II, bl. 103; v. d. Fultz II, bl. 95.
326
hierboven werd aanbovoleu , hen als nagekomen schuldeischers alsnog op de lijst plaatst. Zij behooren dan tot de schuldeischers , voorkomende op de lijsten, zooals die in de vergadering ter tafel liggen, al ontbreken zij dan ook op de lijsten, zooals deze op de griffie ter inzage lagen.
Evenmin als de schuldeischers is de curator zelf aan het door hem uitgebrachte prseadvies gebonden. Hij «is bevoegd op de door hem gedane voorloopige erkenning of betwisting terug te komenquot; (artikel 119 tweede lid). Als er meer curators zijn, is artikel 70 eerste lid van toepassing. De meerderheid beslist dus over de toelating of betwisting, terwijl bij staking van stemmen de rechter-commissaris heeft te bepalen wat geschieden zal.
Blijkt er wbehoeftequot; te bestaan «aan verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechtercommissaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet» (art. 119 derde lid). De hier bedoelde casuspositie is aanwezig, als de werkzaamheden niet op één dag afloopen, of, om een meer waarschijnlijk geval te noemen, de cui-ator naar aanleiding van het ter vergadering omtrent een of meer vorderingen verhandelde een nader onderzoek van de boeken des gefailleerden of van overgelegde bewijsstukken noodig acht. In het laatste geval kan verdaging der vergadering het aanvragen van renvooi en daarmede een proces voorkomen.
Binnen acht dagen moet de vergadering worden voortgezet en kan dan niet opnieuw worden verdaagd. Op de opmerking in het Verslag der Commissie van voorbereiding: «Kan deze verdaging slechts éénmaal plaats hebben, zoodat hier van een laatsten en fatalen termijn sprake is? Zoo ja, dan achtte men de gelegenheid tot het onderzoek der schuldvorderingen te beperkt en zou de voorkeur geven aan een uitstel, dat telkens met acht dagen verlengd kan worden. De mogelijkheid kan toch bestaan, dat de gefailleerde voortvluchtig is en men geene boeken vindt, of dat andere oorzaken een langduriger onderzoek noodig makenquot;, gaf de Regeering het volgende, naar het ons voorkomt, afdoende antwoord:
quot;Er is overwegend bezwaar tegen het geven van vrijheid, om de vergadering ad infinitum uit te stellen, of, wat daarmede gelijk staat, om zonder eenige beperking de vergadering
327
telkens opnieuw uit te stellen. De ondervinding leert, dat de voornaamste oorzaak, waarom men zoo vaak niet gereed is mot zijne bewijsstukken als anderszins, eenvoudig is gelegen in de mogelijkheid van uitstel; men laat het er op aankomen ; er kan immers altijd uitstel verleend worden
« Voor het geval, dat de gefailleerde voortvluchtig is, er geen boeken zijn of om andere redenen het onderzoek naar de deugdelijkheid der vorderingen veel tijd zal kosten, zal de rechter-commissaris daarop te letten hebben bij de bepaling van den dag voor de verificatie-vergadering. Reden, om deze telkens uit te stellen, behoeft daarin niet te zijn gelegen. Het stelsel van bet ontwerp, slechts ééne verificatie-vergadering, zou geheel verloren gaan, indien deze ééne verificatie-vergadering tot een onbepaald aantal voortgezette vergaderingen kou uitdijen» 1).
Na afloop der verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel en geeft bij daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen (art. 137). Vervolgens 2) worden de schuldeischers door den rechter-commissaris geraadpleegd over de benoeming van eene (definitieve) commissie uit hun midden, en gaat de rechter-commissaris tot de benoeming over, als de vergadering daartoe den wensch te kennen geeft (art. 75, zie hierboven bl. 270 vlg.) Wordt door den gefailleerde een akkoord aangeboden , dan heeft in de verificatie-vergadering ten slotte ook de behandeling daarvan plaats, tenzij besloten mocht worden de raadpleging en beslissing uit te stellen (artt. 139 en vlg.).
Van al het in de vergadering verhandelde wordt een procesverbaal opgemaakt. Voor de werkzaamheden der verificatie volgt dit uit het bepaalde in art. 121 derde lid, hiidendo: «het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griffierquot;, die zich door zijn substituut of een beëedigd klerk (art. 2 der wet van 26 Mei
!) relinfantc II, bl. 103; v. D. Feltz 11, bl. 95.
-) De wet bepaalt de volgorde niet, maar het mag rationeel heeteu, dat eerst bet verslag over den toestand van den boedel wordt uitgebracht en daarna de schuldeischers worden geraadpleegd over de benoeming eener commissie uit hun midden, immers in den regel zal juist het verslag hen in staat moeten stellen met de noodige kennis van zaken over de vvenschelijkheid der benoeming te oordeelen.
328
1841, Stbl. n0. 18) kan doen vervangen. Men zie voorts art. 75 tweede lid ') en art. 148.
Het proces-verbaal der verificatie-vergadering wordt, mot liet door den curator over den toestand des boedels uitgebracht verslag, na afloop der vergadering ter griffie van de rechtbank nedergelegd ter kostelooze inzage van ieder belanghebbende. De nederlegging geschiedt kosteloos (art. 137).
De verificatie leidt öf 1°. tot erkenning der vordering, of 2°. tot eedsoplegging, of 3°. tot betwisting der vordering.
1°. Erkenning. Eene vordering is erkend, wanneer zij niet wordt betwist, noch ook hare beëediging door den curator wordt gevorderd. De erkenning geschiedt door de overbrenging der vordering op eene in het proces-verbaal der vergadering op te nemen lijst van erkende schuldeischers. Op papier aan order en aan toonder, dat de bestemming heeft verhandeld te worden, wordt bovendien door den curator de erkenning aangeteekend (art. 121 eerste lid).
Erkenning der vordering is vaststelling, deugdelijkverklaring der vordering. De erkenning heeft dus hetzelfde karakter als een vonnis. Daarmede is in geenen deele gezegd, dat de plaatsing der vordering op de lijst der erkende vorderingen nu ook een vonnis is. Vonnis heet uitsluitend de vaststelling van een beweerd recht bij rechterlijke uitspraak als slotakte van een rechtsgeding. De erkenning van een vordering in een faillissement is daarom even weinig een vonnis als bijv. de plaatsing eeuer vordering op de rangregeling bij de gerechtelijke verdeeling van den koopprijs van uitgewonnen roerende of onroerende goederen, welke plaatsing eveneens het karakter heeft van eene vaststelling der betrokken vordering. Wèl heeft de erkenning in het faillissement wegens de gelijkheid van karakter soortgelijke rechtsgevolgen als een vonnis of de plaatsing op eene rangregeling. Zij is met name eene onherroepelijke vaststelling van het vorderingsrecht des schuldeischers, waartegen alleen kan worden opgekomen in de bijzondere gevallen, waarin de wet dit toelaat. In artikel 121 vierde lid wordt dit aldus uitgedrukt: â de in het procesverbaal der vergadering opgeteekende erkenning eener vorde-
') Verg. hierboven bl. '277.
329
ring heeft in het faillissement kracht van gewijsde /aak. Alleen op grond van bedrog kan de curator vernietiging daarvan vorderen». Door dit stellige voorschrift is aan den twijfel over de rechtskracht der erkenning, waartoe het stilzwijgen van het Wetb. van Kooph. aanleiding had gegeven, een einde gemaakt.
Daar de verificatie ook loopt over het recht van voorrang, wordt dit door de erkenning mede vastgesteld. Hieruit volgt, dat de schuldeischer, die verzuimt van een voorrecht, pand-of hypotheekrecht opgave te doen, dit recht verliest. Eene onbillijke hardheid is daarin niet gelegen; van de schuldeischers mag gevorderd worden, dat zij diligent zijn, en het recht, waarop zij aanspraak maken, volledig doen kennen.
Wordt eene vordering voor een te laag bedrag opgegeven, of door verzuim of bij vergissing niet voor het volle bedrag erkend, dan kan voor het ontbrekende alsnog eene suppletoire verificatie worden aangevraagd, omdat in dii geval de erkenning niet is eene beslissing over de geheele vordering, maar alleen over een deel daarvan.
2°. B eëediging. â âDe curator is bevoegd .... te vorderen, dat de schuldeischer de deugdelijkheid zijner noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede moeten verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is« (art. 119 tweede lid).
Terwijl volgens het Wetboek van Koophandel (art. 823) en de curator èn ieder opgekomen schuldeischer de bevoegdheid had, de beëediging te vragen van iedere ter verificatie aangeboden vordering, onthielden het Ontwerp der Staatscommissie en het Oorspronkelijke Kegeerings-Ontwerp die bevoegdheid zoowel aan den een als aan den ander. In de Memorie van Toelichting 1) werd de eed een hatelijk middel genoemd, âdat gewoonlijk gebruikt wordt om een blijk van wantrouwen te geven, als de noodige gegevens om met vrucht renvooi aan te vragen te eenenmale ontbreken, als men het renvooi niet aandurft of om welke reden dan ook niet wil. De schuld-
') Belinfante bl. 184; lielinfante 1, bl. v. d. Feltz II, bl. 92.
330
eischer, toyen wiens proton se vordering mou niets positiefs weet in te brengen, behoort zonder eenige vexatie toegelaten te worden; is daarentegen het door hem geleverde bewijs onvoldoende en meent de curator of eonig mede-schuldeischer reden te hebben voor wantrouwen, dan is het aangewezen middel, om hem tot justificatie te dwingen of wel te weren, het vragen van renvooiquot;.
De Raad van State achtte geheele afschaffing van dit middel tot staving van schuldvorderingen niet gewenscht. » Waar de gefailleerde de deugdelijkheid der vordei'ing erkent en de crediteuren geen renvooi vragen, doch de curator twijfel koestert, en het tot wegneming van dien twijfel noodig acht den schuldeischer den eed op te leggen, daar behoort«, volgens het advies van den Raad, «dit bevestigingsmiddel â waarvan vooral gebruik zal worden gemaakt als de schuldeischer te goeder faam bekend staat en de vordering betrekking heeft op geleend geld â niet door de wet te zijn uitgesloten quot; 1).
Toen de Commissie van voorbereiding zich bij deze opmerking aansloot, gaf de Regeering toe en stelde zij de boven aangehaalde bepaling voor, waarbij uitsluitend aan den curator het recht, beëediging te vragen , wordt gegeven, mits de vordering noch door hem noch door een schuldeischer worde betwist. De eed is mitsdien een middel tot staving der vordering, dat dan te pas komt, wanneer de vordering wel bewezen is, maaibij den curator niettemin twijfel bestaat aan hare juistheid (er is bijv. een schuldbekentenis overgelegd, waarvan de curator de echtheid betwijfelt: men denke aan een vermoeden van antidateering), of wel wanneer zij niet afdoende is bewezen en de curator wel geen termen vindt haar te betwisten , maar zich toch ook niet voldoende verantwoord zou -achten, indien hij haar zonder meer toeliet
Het onderwerp van den eed is de /, deugdelijkheidquot; dei-vordering. Men heeft daarbij te denken aan den feitelijken grondslag der vordering. Over wat in het Verslag der Commissie van voorbereiding de juridische deugdelijkheid dei-schuld werd genoemd, kan geen eed worden opgelegd. Acht de curator die deugdelijkheid aan gegronden twijfel onderhevig,
') Belinfante II, bl. 198; v. u. Feltz II, bl. 'J'S.
331
dan moet hij de vordering betwisten. Daarentegen zal het bcdraij eener vordering, een pnnt dat eveneens bij hot mondeling overleg tusschen de Commissie van voorbereiding en den Minister ter sprake kwam, in den regel voor beëediging vatbaar zijn. Zoo kan ongetwijfeld het bedrag van ter leen gegeven gelden onder eede worden bevestigd. Evenzoo dat gestelde leverantiën gedaan, gestelde werkzaamheden verricht zijn, en daardoor indirect het daarvoor verschuldigde bedrag.
De bepaling van art. 1968 Burg- Wetb., dat de eed alleen kan worden opgedragen omtrent eene daadzaak, welke persoonlijk zoude zijn verricht door dengene, aan wiens eed de beslissing wordt ovei-gelaten, geldt, naar het ons voorkomt, ook voor den hier besproken eed, al heeft eene uitdrukkelijke bepaling van dien inhoud, eerst door de Regeering voorgesteld, ten slotte in de wet geen plaats gevonden, omdat de Commissie van voorbereiding daartegen bezwaar maakte. Overigens meenen wij, daar een onderzoek naar de beteekenis van het genoemde artikel hier te ver zou voeren, te mogen verwijzen naar van Boneval Fa ure , het Neder landsche Burgerlijk Procesrecht, dl. IV, 2, bl. 28G vlg.
Rechtverkrijgenden van een overleden schuldeischer kunnen uit den aard der zaak de deugdelijkheid hunner vordering niet bevestigen, daar de feiten, welke daaraan ten grondslag-liggen, aan hen niet persoonlijk eigen zijn. De wet houdt hiermede rekening door te hunnen aanzien te bepalen, dat zij moeten verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven, dat de schuld bestaat en onvoldaan is. Hun eed strekt dus alleen tot bevestiging van hunne goede trouw.
De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van den eed, op den daarvoor bepaalden tijd, over hare toelating definitief zal zijn beslist (art. 121 tweede lid). Wordt de eed afgelegd, dan is de vordering erkend, wordt hij geweigerd, dan is daarmede beslist, dat tegenover den boedel geen vorderingsrecht bestaat.
«De eed .... wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gemachtigde afgelegd in handen van den rechter-commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den rechter-commissaris te bepalen dag. De volmacht
332
kan ondershands wurden verleendquot; (art. 120 eerste lid). Op de vergadering kan de eed onmiddellijk worden afgelegd, als de schuldeischer in persoon aanwezig is, of als de gemachtigde, die voor hem optreedt, voorzien is van een uitdrukkelijke volmacht tot beëediging der vordering, voor het geval deze door den curator mocht worden gevorderd. Is noch het een noch het ander het geval, dan bepaalt de rechter-commissaris een dag voor de eedsaflegging. Van de eedsopdracht en den voor de eedsaflegging vastgestelden dag geeft de griffier aan den betrokken schuldeischer onmiddellijk kennis, indien deze «niet ter vergadering aanwezig isquot;, (art. 120 tweede lid).
Voor de eedsaflegging kan de rechter-commissaris een dag kiezen, waarop eene vergadering van schuldeischers wordt gehouden, hetzij tot voortzetting der verificatie, als de vergadering ingevolge artikel 119 laatste lid wordt verdaagd, hetzij tot beraadslaging over een aangeboden akkoord, hetzij tot een ander doeleinde. De eed wordt in dit geval in de vergadering afgelegd en van de aflegging aanteekening gehouden in het proces-verbaal dier vergadering (art. 120 derde lid). De rechter-commissaris kan ook een anderen dag kiezen en zal dat doen, als eene vergadering van schuldeischers niet spoedig is te verwachten, bijv. omdat geen akkoord is aangeboden of het aangeboden akkoord in de verificatie-vergadering zelve wordt aangenomen. Er is dan geen proces-verbaal, waarin de eedsaflegging kan worden aangeteekend, vandaar de bepaling, dat de rechter-commissaris eene verklaring van de eedsaflegging, ten bewijze daarvan , aan den schuldeischer moet afgeven (art. 130 derde lid). Door de aanteekening in het proces-verbaal, resp. de verklaring van den rechter-commissaris, toont de schuldeischer aan dat zijne vordering erkend is.
3°. Betwisting. â Betwisting is gemotiveerde ontkenning van de juistheid der ingediende vordering, verzet tegen hare erkenning; zij kan gericht zijn tegen de vordering zelve of alleen tegen het beweerde daaraan verbonden recht van voorrang.
Indien de rechter-coinmissaris de partijen (den schuldeischer die de erkenning vraagt, en den curator of mede-schuld-eischer die de betwisting doet) niet kan vereenigen, wordt
333
het gerezen geschil ter oplossing verwezen (gerenvoieerd) naaiden rechter. Daar de mogelijkheid bestaat, dat de schuld-eischer, wiens vordering wordt betwist, niet ter verificatievergadering aanwezig is, schrijft art. 124 voor, dat de griffier in dit geval aan den schuldeischer onmiddellijk, d. w. z. dadelijk na afloop der vergadering, kennis moet geven van de gedane betwisting en verwijzing. Aldus wordt voorkomen, dat het feit der betwisting aan den schuldeischer onbekend blijft en hij daardoor verzuimt de noodige maatregelen te nerr.en ter vervolging van zijn recht.
Een bepaalde vorm is voor de kennisgeving niet voorgeschreven. Op de vraag in het Verslag der Commissie van voorbereiding; » Waarom niet de kennisgeving bij aangetee-kenden brief voorgeschreven?quot; antwoordde de Regeering: «Indien de crediteur woont ter plaatse, waar de rechtbank zetelt, kan de griffier de kennisgeving doen door middel van een persoonlijk, bijv. door den bode der rechtbank of op andere betrouwbare wijze, bezorgden brief. Maar ook in dit geval en wanneer de schuldeiseher elders woont, levert de verzending per post voldoenden waarborg op. Het wegraken van aan de post ter bezorging toevertrouwde brieven behoort tot de zeldzaamheden, of liever, komt, indien ze geen waarde bevatten, niet voor. Voor die, zij het dan ook hoogst zeldzame gevallen, de toezending der kennisgeving steeds per aangeteekenden brief voor te schrijven, zou noodelooze omslag zijn en de kosten van het faillissement slechts vermeerderen. Een voorzichtig crediteur kan bovendien èn bij den griffier èn bij den curator te allen tijde vernemen, of zijne vordering geverifieerd is « ]).
In het geding, dat op de verwijzing volgt, kan de schuldeischer zich niet op het ontbreken der kennisgeving beroepen (art. 121 tweede lid), uit overweging dat het recht zijner wederpartij niet afhankelijk mag worden gesteld van de behoorlijke bezorging eener kennisgeving, welke uitsluitend in zijn belang, niet ook in dat dier wederpartij, is voorgeschreven. Maakt de griffier zich aan een verzuim schuldig, dan zal liij deswege aansprakelijk zijn jegens den schuldeischer, aan wien hij het bericht had moeten doen toekomen.
') Belinfante II, bl, 110; v. d. Felïz II, bl. 113.
334
De betwisting der vordering belet hare erkenning ter verificatie-vergadering. Evenwel heeft de rechter-eonnnissaris de bevoegdheid de vordering, die betwist wordt, voorwaardelijk toe te laten tot een door hem te bepalen bedrag, terwijl hij eveneens den betwisten voorrang voorwaardelijk kan erkennen (ai-t. 125).
Door de voorwaardelijke toelating zijner vordering komt de schuldeiseher, hangende het geding over de betwisting, in de positie van een erkenden sehuldeischer, zoodat hij stem kan uitbrengen over een voorgesteld akkoord '). Deze regeling, waarvan de practijk onder de vroegere wetgeving de dringende noodzakelijkheid had aangetoond, maakte het mogelijk eenerzijds de verificatie-werkzaamheden en de akkoordbehandeling niettegenstaande het geding over de betwisting voortgang te doen hebben, anderzijds aan het betwisten van wèl gestaafde vorderingen met nevenbedoelingen een einde te maken. Men vergelijke daaromtrent wat hierboven bl. 310 vlg. werd opgemerkt.
De voorwaardelijke erkenning van het betwiste recht van voorrang staat in verband met de bepaling van artikel 164, welke hieronder nader ter sprake komt.
Hooger beroep van de beslissing van den rechter-commis-saris over de voorwaardelijke toelating of de voorwaardelijke erkenning van het recht van voorrang wordt door artikel 67 tweede lid uitgesloten. Deze beslissing is ook niet anders dan een provisioneele maatregel, waardoor niemands recht wordt gepraejudiceerd. Het spreekt overigens van zelf, dat de rechter-commissaris van zijne bevoegdheid alleen dan gebruik zal maken, als de vordering of de beweerde voorrang hem voorshands voldoende gestaafd voorkomt.
Omtrent het geding, waartoe de betwisting aanleiding geeft, het zoogen. renvooiproces, worden eenige voorschriften gevonden in de artt. 122 en 123.
De rechter-commissaris verwijst de partijen, «zoo hij ze niet kan vereenigen , en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank , zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt»
'gt; Bij ilo veveffeniiiK zorgen do artikelen 1S1 cn ISO voor ilo rechten der voorwaardelijk toegelaten schuldeischers.
335
(art. 122). De woorden «voor zoover het geschil niet reeds aanhangig isquot; slaan terug op art. 29 (zie boven bl. 157), hetwelk bepaalt, dat tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen, voor zooverre zij voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, na de faillietverklaring worden geschorst, om alleen dan te worden voortgezet, wanneer de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt bij, die de betwisting doet (curator of medeschuldeischer), in de plaats van den gefailleerde partij in het geding.
Is het geschil niet reeds aanhangig , dan verwijst de rechter-commissaris naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank. Hieruit volgt, dat de rechtbank vob-,trekt bevoegd is van de verificatiegeschillen kennis te nemen, onverschillig hoe groot het bedrag der vordering is. Al behoort de berechting der vordei-ing anders tot de bevoegdheid van den kantonrechter, al zon dus het o-edins-voor den kantonrechter moeten
7 O O
worden voortgezet, als het tijdens de faillietverklaring reeds aanhangig is, in geval van verwijzing dooi den rechter-com-missaris staat de vordering als ver'ificatie-geschil ter beooi-deeling van de rechtbank '), en wel van de rechtbank tot welker leden de rechter-commissaris behoort. De betrekkelijke bevoegdheid dezer rechtbank ligt opgesloten in de bepaling over de verwijzing. « De rechtbankquot;, waarvan artikel 122 spreekt, en waarvan de rechter-commissaris eene terechtzitting moet bepalen, kan geen andere wezen dan de rechtbank, waarop de wet steeds het oog heeft: de rechtbank bij welke ingevolge de bepalingen der wet het faillissement aanhangig is. Onder het afgeschafte recht, toen art 825 Wetb. van Kooph. omtrent de verwijzing een gelijksoortig voorschrift bevatte als thans het eerste lid van art. 122 der Faillvv., werd ook door de schrijvers algemeen aangenomen, dat de verwijzing zoowel betrekkelijke als volstrekte bevoegdheid vestigt. Te allen overvloede wordt de betrekkelijke bevoegdheid van den hier bedoelden rechter nog uitdrukkelijk uitgesproken in art. 126 dertiende lid Wetb. v. Burg. Rechtsv.
') Gaat de vordering de waarde van / 400.â in hoofdsom niet te boven dan beslist de rechtbank, ingevolge art. 54 n0. 2 der Wet op de regterl. organisatie, over liet verificatie-geschil in het hoogste ressort. Aldus Hof Amsterdam 27 Febr. 1885, Ucchtagel. Bjclr. en Bjbl. 1885. 0 bl 181.
386
(gew. door artikel 5 der Wet ter invoering van de Faillissements-wet), houdende iianwijzing van de betrekkelijk bevoegde rechtbank win zaken van faillissementquot;, waartoe de verificatie-geschillen wel zullen mogen worden gebracht 1).
Het renvooi-proces wordt gevoerd als een gewoon geding De instelling eener bijzondere, meer eenvoudige pi-ocedure werd niet noodig geacht, omdat het verificatie-geschil loopt over de vraag, of een vorderingsrecht tegen den gefailleerde al of niet aanwezig is, « dezelfde vraag waarover in elk gewoon geding de strijd loopt, en die volmaakt dezelfde instructie en bewijsvoering vordert, hetzij ze in het faillissement des debiteurs rijst of daarbuiten« '2). Slechts enkele punten, die verband houden met het feit, dat het geding bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt niet door een dagvaarding maar door verwijzing, worden in art. 122 nader geregeld. Zoo wordt bepaald dat de procureurs, die voor partijen optreden, dit verklaren bij de oproeping der zaak ter terechtzitting (art. 122 tweede lid). Voorts is geregeld het gevolg van het niet verschijnen van een der partijen op de aangewezen terechtzitting 3). .-Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting-doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter de vorderingquot; (art. 122 vierde lid). Door deze bepaling wordt verstek uitgesloten. In het eerste geval, als de eischor in het renvooi-proces niet verschijnt, zal de gedaagde hetzij ontslag van de instantie kunnen vragen met
1
1) Verg. hierboven bl. 08. Memorie van Toelichting tot het Ontwerp iler Wet ter invoering van de Faillissementswet: Rclinfante V , bi 7 en 8; v. d. Fki.tz I, bl. 505 en 5'17; â Verslag iler Commissie van voorbereiding betreffende dit ontwerp: Belinfante V, bl. '27 vlg,; v. d. Fei.tz I, bl. 513.
2
) Memorie van Toelichting: Belinfante 1, bl. 123; v. d. Feltz 11, bl. 100.
3
:i) Van eene verplichting van een of van beide partijen, om de zaak op do rol te doen inschrijven, kan natuurlijk geen sprake zijn, daar de terechtzitti ig, waarop de zaak behandeld zal worden, door den rechter-comrnissaris ambtshalve wordt aangewezen en vastgesteld. De griffier die de verificatie-vergadering bijwoont, behoort te zorgen, dat de zaak ten bepaalden dage op de rol voorkomt, en maakt zich, dit nalatende, aan pliclitverzuiiu schuldig, op grond waarvan hij tot vergoeding der daardoor veroorzaakte schade kan worden aangesproken. Overigens zal, niettegenstaande het verzuim van den griffier, de zaak op vordering van partijen moeten worden behandeld.
337
veroordeeling van de tegenpartij in de kosten, hetzij roiement van de zaak. Feitelijk komt liet op hetzelfde neer, of het een dan wel het ander wordt gevraagd, omdat het geding door den eischer in geen geval opnieuw aanhangig gemaakt kan worden ; immers hij wordt geacht zijne aanvrage tot verificatie te hebben ingetrokken. Verschijnt de gedaagde, hij die zich tegen de erkenning der vordering verzet, ter terechtzitting niet, dan zal de eischer den rechter verzoeken de vordering, zooals zij is gedaan, te erkennen, met veroordeeling van den gedaagde in de kosten.
Omtrent de wijze van gedingvoering zegt het derde lid van art. 122, dat de zaak summier wordt behandeld. Tengevolge van de wijzigingen, in het Wetb. van Burg. Regtsv. gebracht door de wet van 7 Juli 1896, Stbl. n0. 103, waarbij het onderscheid tusschen de gewone en de summiere gedingvoering is afgeschaft, heeft de bedoelde bepaling sedert 1 Jan. 1897 (den dag waarop de aangehaalde wet is in werking getreden) hare beteekenis verloren.
Ten slotte wordt in het laatste lid van art. 122 bepaald , dat schuldeischers, die ter verificatie-vergadering geene betwisting hebben gedaan, zich in het geding niet kunnen voegen noch tusschenkomen. Zij, die bezwaren hebben tegen de erkenning eener vordering, behooren die te berde te brengen in de verificatie-vergadering, welke juist wordt gehouden om daartoe de gelegenheid te geven en otn de aangevoerde bezwaren te bespreken en zoo mogelijk uit den weg te ruimen.
Volgens art. 834 eerste lid Wetb. v. Kooph. waren de curators verplicht in de gedingen , opzichtelijk de verificatie der schuldvorderingen, tot bewaring van de rechten des boedels, op te treden. Met opzet is dit voorschrift niet overgenomen '). Van een optreden van den curator in «üe verificatie-geschillen is dus geen sprake meer. Alleen als hij de vordering heeft betwist, is de curator partij in het geschil en wordt het geding tegen hem of mede tegen hem gevoerd.
Door de verwijzing wordt een geschil naar den rechter overgebracht, dat feitelijk reeds in de verificatie-vergadering is begonnen. Het onderwerp van dit geschil is de erkenning
') Belinfante 11, bl. 4; v. n. Feltz II, bl. 101.
Molengra aff , Fnillissemcntswet.
338
der schuldvordering. Bij gevolg heeft het door den rechter te wijzen vonnis over de erkenning uitspraak te doen.
In kracht van gewijsde gegaan bezit het, indien de uitspraak luidt ten gunste der erkenning, dezelfde kracht als de opteekening van de erkenning der schuldvordering- in het proces-verbaal der verificatie-vergadering
Naar gelang van de gevoerde betwisting loopt het proces over de inschuld zelve of alleen over het daaraan verbonden recht van voorrang of terughouding, en beslist dienovereenkomstig het vonnis èf over de erkenning der inschuld, öf alleen over de erkenning van het recht va?! voorrang of terughouding. Het woord «vordering//, voorkomende aan het slot
o o
van art. 122 vierde lid, staat aan eene beslissing alleen over het recht van voorrang of van terughouding geenszins in den weg, daar het geen beperkende beteekenis heeft. Eene beslissing over een der genoemde rechten is óók eene beslissing over de vordering, en wel over haar karakter; de vorderincj wordt erkend als verzekerd door voorrang of recht gevende op terughouding 2).
Voortdurend is onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel strijd gevoerd over de vraag, of in het verificatieproces tegenover den curator of tegenover den schulcleischer die zich tegen de erkenning der vordering verzet, met vrucht
') Onder de afgeschafte wetgeving is herhaaldelijk beslist, dat in liet renvooi-proces van den rechter een bevel tot plaatsing op de lijst der erkende schuld-aischers niet kan worden gevraagd. Daar het vonnis de plaatsing op do lijst vervangt, is de juiste vorm voor den eisch, erkenning uf toelating als schnlil-eischer of erkenning der vordering te vragen. Terecht werd echter aangenomen dat de vraag, op de lijst der erkende schuldeischers te worden geplaatst, in zich sluit de vordering, als schuldeischer te worden erkend, zoodat de minder juiste formuleering van den eisch de toewijzing daarvan niet verhindert. Zie o. a. lib. Amsterdam !'2 Jan. ISSS, Rechtsgel. Bijbl. 1882, B bl. 200; 17 Nov. 1882, t. z. p., B bl. 210; 24 Febr. 1892. M. v JJ. 1893, bl. 156 vlg.; 30 Mrt. 1894, M. v. II. 1895, bl. 50 vlg.; 0 April 1894, Pal. v. Juut. 1895, n0. 15; Rb. Roermond 7 Jan. 1892, M. v. //. 1892, bl. 188 vlg.: Hof den Haag 14 Mei 1888, W. n0. 5504; Rb. den Haag 27 April 1894, W. n0. 6517. Verg. ook Rb Amsterdam 4 Dec. 1884, licchlsrjel. Bijdr. en Bijbl. 1885, D bl. 178 vlg.
'-) Men verg. de beraadslaging in de Tweede Kamer over eene door den Minister Simn eerst voorgestelde, later weder teruggenomen aanvulling van het vierde lid van art. 122, door toevoeging van de woorden «of den voorrang// : [ielinfanto HI, bl. 134 vlgg.; v. d. Fur.tz H, bl. 102 vlg.
339
oen beroep kan worden gedaan op eene onderhandsclie van den gefailleerde afkomstige akte, gedagfceekend vóór de faillietverklaring, indien deze akte niet, of althans niet vóór den dag der faillietverklaring, is geregistreerd. Ook buiten het verificatie-proces deed dezelfde vraag zich voor, telkens wanneer er sprake was van bewijslevering tegen den curator.
De in het dagelijksch leven meest voorkomende onderhand-sche akten, met name quitanties en schuldbekentenissen, â schuldbekentenissen aan toonder, bijv. obligatiën, daaronder begrepen ââ¢, worden in den regel niet geregistreerd; sommige, zooals wissels, orderbriefjes, assignatiën, kassiersbriefjes en ander handelspapier aan toonder zijn zelfs van de formaliteit van registratie vrijgesteld (Wet v. 22 Frimaire, an VII, art. 70 § III n0. 15; wet van 11 Juli 1882, StbL n0. 92, art. 4). Vandaar dat in geval van faillissement de sclmldeischers en de vroegere schuldenaren van den gefailleerde, voor zoover zij schriftelijke bewijsstukken van hun vorderingsrecht of van de door hen gedane betaling bezitten, in den regel niet-geregistreerde stukken in handen hebben. Deze verliezen voor hen alle beteekenis, indien de curator met een beroep op artikel 1917 Burg. Wetb. hun te gemoet kan voeren: «tegen mij als derde hebben deze stukken, ten aanzien der dagteekening, geene kracht, dan van den dag dat ze zijn geregistreerd; zijn ze niet geregistreerd vóór den dag dei-failliet verklaring , dan hebt gij mij van elders te bewijzen, dat ze inderdaad vóór dien dag zijn opgemaaktquot;. Alleen dan hebben die stukken voor hunne bezitters waarde, wanneer de daarin uitgedrukte dagteekening ook tegen den curator kracht heeft, zoodat op dezen het bewijs rust van hare onjuistheid, meer in het bijzonder van de opmaking van het stuk na de faillietverklaring. Het is dus duidelijk, dat het hier eene quaestie geldt van buitengewoon belang voor de practijk.
Onder de afgeschafte wetgeving heeft de Hooge Raad steeds beslist, dat de curator in een faillissement niet is een derde als bedoeld in art. 1917 Burg. Wetb., dat derhalve op hem het bewijs rust, dat het stuk na de faillietverklaring is oj^gemaakt. Het oudste arrest in dien zin werd gewezen 11 Dec. 1846, W. n0. 768, het jongste is van 12 Jan. 1888, W. n0. 5505. De leer van den Hoogen Raad werd echter door de lagere
340
colleges lang niet algemeen gevolgd. Was dus de jtu-ispru-dentie niet eenstemmig, ook de schrijvers zijn over de vraag voortdurend verdeeld geweest. Men verg. het daaromtrent in de Memorie van Toelichting op art. 123 in noot 2 aange-teekende ').
Om een einde te maken aan de controverse, werd in het ontwerp der Staatscommissie en in het Regeeringsontwerp , iu de Afdeeling: «van de verificatie der schuldvorderingen«, art. 123 opgenomen, welk artikel onveranderd in de wet is overgegaan, en aldus luidt: ./de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leverenquot;. Blijkens de Verslagen der Tweede en der Eerste Kamer ontmoette de voorgestelde oplossing veel tegenstand. Het beginsel, in het artikel neergelegd, werd -vicieus en voor de belangen van den boedel hoogst onbillijk genoemd, de deur openzettende voor knoeierijen en nog meer. Ook buiten de Kamer vond het artikel afkeuring 2).
Sedert het desniettegenstaande in de wet een plaats heeft gevonden, is de oude strijd voortgezet, al loopt deze niet meer over de vraag wat te dezen rechtens is, maar daarover of het artikel goedkeuring verdient.
In zijne uitgave der Paillissementswet teekent Veegens bij art. 123 aan: »Hoe breed men deze bezwaren tegen toepassing van de leer der date certaine uitmete, tegen het beginsel der wet gelden eveneens practische bedenkingen, die mijns inziens zwaarder hadden moeten wegenquot; 3); veelal zal, naar zijne meening, de curator machteloos staan tegenover kwade praktijken. Van Boneval Fatjre gaat verder; hij noemt het artikel »contra rationem juris introductum«, en verwijt daaraan, dat het de zoo rationeele en heilzame bepaling van art. 1917 Burg. ^Vetb. volkomen illusoir maakt. Daarentegen betoogt Hamaker in een opmerkelijk en oorspronkelijk opstel over artikel 1917 Burg. quot;Wetb., verschenen in IVeeamp;bl. voor Not. en Reg., nos. 1399â1403, dat het bewijs, dat
') Belinfante I, bl. -124; v. 1). Fei.tz II, bl. 104.
2) Verg. Mr. S. J. Hingst, in Rechtsfjel. Bijdr. en Ttijhl. 1880/7, afil. 1) bl.OO.
:i) Viïeoens, a. w. bl. 121.
'') Het Nederl. Burr/. Procesrecht, dl. IV, 1, 2e dr., bl. 140 vlg.
341
eene van don gefailleerde afkomstige onderliaiidsche akte na de faillietverklaring is geteekend, in elk geval zonder twijfel op den curator rust, hoewel ook hij dezen als derde beschouwt. âGelukkigquot;, lezen wij bij hem, /.is de quaestie thans in art. 123 van de Faillissementswet door een duidelijke en eenvoudige bepaling beslistquot; ').
Hierboven , bi. 51, is de theoretische grondslag aangegeven, waarop het voorschrift van art. 123 blijkens de Memorie van Toelichting steunt. De schuldeischers, en de cui-ator die voor hen optreedt, staan als executanten in de schoenen van den gefailleerde, zijn wat de uitoefening van diens vermogensrechten betreft diens plaatsvervangers of vertegenwoordigers. De curator en de schuldeischer, die de toelating eener vordering betwist, mogen daarom niet als derden in den zin van art. 1917 Burg. Wetb. worden beschouwd. De dagteekening der onderhandsche akte heeft tegen heu kracht, tenware zij hare onjuistheid bewijzen.
Bij de gangbare uitlegging van art. 1917 is het ongetwijfeld even irrationeel den curator of den betwistenden schuldeischer een derde te noemen met betrekking tot de onderhandsche akten van den gefailleerde, als het zoude wezen den curator over een krankzinnige of verkwister een derde te noemen met betrekking tot de onderhandsche akten van den curandus, of den man met betrekking tot de onderhandsche akten van de vrouw. Ja, er is evenveel grond, de getrouwde vrouw als derde te beschouwen ten opzichte van de door haar zelve geteekende akten, als den curator in het faillissement ten opzichte van die welke door den gefailleerde zijn geteekend.
Aanvaardt men daarentegen als de juiste beteekenis van art. 1917 die, welke door Hamaker in het aangehaalde opstel zoo duidelijk wordt uiteengezet, dan verliest de vraag, of de curator en de schuldeischer die de betwisting doet, derden zijn , alle beteekenis. Immers Hamaker betoogt, dat de in eene onderhandsche akte opgenomen dagteekening uit den aard dei-zaak niet de minste kracht heeft, zoodra het, ter beoordeeling van de geldigheid der handeling, aankomt op de beslissing van de vraag, of de opmaking der akte aan zeker ander feit voorafging dan wel daarop volgde , en zulks onverschillig ') Weekbl. v. Nol. en Rey. nquot;. 1402, bl. 532, kol. i.
342
of op de akte een beroep wordt gedaan tegen hem die haar onderteekende, dan wel tegen een derde. De dagteekening van door den gefailleerde geteekende onder-handsche akten heeft, in dezen gedachten gang, noch tegen den gefailleerde zelf noch tegen den curator eenige bewijskracht, maar dit neemt, volgens dezen schrijver, niet weg, dat de curator tegenover het beroep op de akte, waaraan formeel niets ontbreekt, de exceptie van onbekwaamheid, de exceptie dat de handeling des gefailleerden voor den boedel niet verbindend is, heeft op te werpen en waar te maken, en dat dus op hèm de last rust van het bewijs, dat de akte is opgemaakt na de faillietverklaring. Juist datgene wat art. 123 Fw. heeft vastgesteld.
Afgescheiden van de vraag, hoe de bepaling theoretisch kan worden gerechtvaardigd, mag er op worden gewezen, dat in ieder geval, wat door de Regeering in haar Antwoord op het Verslag der Commissie van voorbereiding over de practische zijde der voorgestelde beslissing, natuurlijk van het standpunt der algemeen gangbare opvatting van art. 1917, werd in het midden gebracht, nog geen wederlegging heeft gevonden. De door ons bedoelde plaats luidt aldus ;
wAlle onderhandsche akten, van den gefailleerde uitgegaan vóór het faillissement, alzoo, terwijl hij het vrije beheer on de volle beschikking had over zijn vermogen, zouden dan [ui. als het stelsel der bestrijders van het voorgestelde art. 123 werd aangenomen] gelijk zijn aan scheurpapier, zooals in het Verslag terecht werd opgemerkt. Alle schuldbekentenissen, wissels, promessen1), obligaties (denk aan het faillissement van eene naamlooze vennootschap, die eene obligatie-leening heeft uitgegeven), quitanties enz. zouden waardeloos worden. De curator zal nagenoeg geen enkelen schuldeischer behoeven te erkennen; zal al, wat in de dertig jaren, aan het faillissement voorafgegaan, is betaald, opnieuw
') De bewering, dat bij uitzondering de dagteekening van wissels, promessen on dergelijk papier tegenover derden bewijskracht zou hebben (Kaure, t. a. p., bl. '14S; A. Tak, de rechtsverhouding van den curator in het faillissement, Prft. bl. 7 vlg.) mist allen grond. Alleen voor de beoordeeling van den inhoud en van den omvang der uit den wissel enz. voortspruitende verbintenissen is de dagteekening beslissend.
343
kunnen invorderen; clo quitanties, door den gefailleerde gctce-kend, zullen de betaling- niet kunnen bewijzen. Wat meer zeg't; de curator aal geen sehuldeischer, die niet een vóór de faillietverklaring geregistreerd bewijs zijner schuldvordering kan toonen, mogen toelaten, zal niet de grofste onbillijkheid en rechtsongelijkheid ontstaan. Wijst hij niet allen af, dan zal willekeur beslissen, wie al dan niet als sehuldeischer wordt toegelaten; willekeur niet alleen, omdat het geheel van des curators opvatting zal afhangen, of van twee schuldeischers, die beiden eene schuldbekentenis of eene promesse in handen hebben, de een zal worden toegelaten, de ander niet, maar ook omdat ieder sehuldeischer het in zijne macht zal hebben, iederen medeschuldeischer te weren. Voor misbruiken wordt alzoo de deur wijd opengezet; de gefailleerde zal in conniventie met één sehuldeischer alle schuldeischers, die hem niet aanstaan of hem niet beloven voor het akkoord te stemmen , buiten het faillissement kunnen houden. Dit zullen de practische gevolgen zijn van het stelsel, den curator als derde te beschouwen; gevolgen, geheel ondragelijk, zoolang het nog geen gewoonte zal zijn geworden, alle schriftelijke stukken, zoodra zij zijn opgemaakt; alle schuldbekentenissen, op naam of aan order; alle quitanties; alle obligaties, tijdig te doen registreeren. En waarom zou dit onuitstaanbaar stelsel moeten worden ingevoerd? Om geen andere reden, dan omdat...met onder-handsche stukken bedrog gepleegd kan worden. Verdichte schuldbekentenissen kunnen worden overgelegd! Malversaties zijn mogelijk! Alles juist en wel, maar geene reden om een stelsel in te voeren, vierkant in strijd met den regel, dat goede trouw ondersteld wordt, kwade trouw bewezen moet worden. Het stelsel, dat de curator tegenover de schuldeischers een derde is, staat gelijk met het aannemen van een vermoeden, dat alle onderhandsche niet-geregistreerde stukken van den gefailleerde afkomstig, verdicht zijn of aan bedrog hun ontstaan te danken hebben. Beter, dan door alle schuldbekentenissen, wissels, promessen, quitanties, van den gefailleerde afkomstig, de pen te halen, is het stelsel, dat bewijs van bedrog vordert, alvorens dergelijke stukken waardeloos te verklarenquot; ').
') Belinfante II, bl. 109 vlg.; v. u. Feltz 11, bl. 108.
344
In di? hior zoo duidelijk aaugewezon behoefte van Let verkeer wordt door art. 12.3 oj) doelmatige wijze voorzien. De schuldeischer, die niet gehouden is tot ander of meer bewijs, dan hij tegen den gefailleerde zelf zou moeten leveren, kan volstaan met overlegging der schuldbekentenis, van den wissel, het orderbiljet enz., i. e. w. van de onderhandsche akte, waaruit zijne vordering blijkt.
Aan de tegenpartij in het renvooi-proces (hetzij deze de curator is dan wel een mede-schuldeischer) staat het te beweren en te bewijzen, dat de akte, waarop een beroep wordt gedaan, na de faillietverklaring is opgemaakt. Daartoe kan hij over alle bewijsmiddelen beschikken: over het schriftelijk bewijs, zoowel als het getuigen bewijs; over de vermoedens van artikel 1959 Burg. Wetb. zoowel als den decisoiren en den suppletoiren eed
Na al het gezegde zal het wel geen betoog meer behoeven, dat het beginsel, in art. 123 alleen voor het veriticatie-proces uitgesproken, in zijne toepassing niet tot dit geval is beperkt 2). Om één voorbeeld te noemer;: worden door den curator schuldenaren van den boedel aangesproken en door dezen quitanties van den gefailleerde overgelegd, de curator zal moeten aan-toonen dat ze na de faillietverklaring zijn afgegeven.
De verificatie heeft, hierboven werd het reeds opgemerkt, de vaststelling ten doel van de rechten der schuldeischers op voldoening uit den boedel, mitsdien van hunne schuldvorde-ringsrechten tegen den gefailleerde. Toch had volgens het Wetboek van Koophandel de verificatie tegenover den gefailleerde niet de minste kracht; de erkende schuldeischer kon na afloop van het faillissement op do verificatie zich niet beroepen; had hij behoefte aan vaststelling van zijn recht tegenover zijn schuldenaar of aan een tegen dezen voor tenuitvoerlegging vatbaren titel, dan moest hij op de gewone wijze tot betaling gaan procedeeren. De verificatie ging geheel buiten den gefailleerde om, die niet tegenwoordig behoefde te zijn en, zoo hij tegenwoordig was, geen tegenspraak kon doen.
Met dit stelsel heeft de wet geheel gebroken. De gefailleerde,
') Zie Hamaker, t. a. p., n0. 140'2, bl. 533.
-) In gelijken zin Veegens, a. w., bl. 121. â Zie hierboven bl. 51 vlg.
345
wiens tegenwoordigheid ter verificatie-vergadering door art. 1IG wordt gevorderd, wordt door art. 126 tot partij gemaakt bij de verificatie, terwijl in de artt. 159, 196 en 197 de daaruit voortvloeiende gevolgen worden aangewezen.
Do gefailleerde is partij bij de verificatie, immers hem wordt in art. 126 een recht van tegenspraak tegen de ter verificatie aangeboden vorderingen toegekend. â Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zich te verzetten quot;. Maakt hij van dit recht geen gebruik, dan bindt hem de erkenning der vordering, heeft deze, zooals art. 196 uitdrukkelijk bepaalt , tegen hem kracht van gewijsde zaak. Vandaar dat de erkenning aan den schuldeischer een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel tegen den schuldenaar verschaft, zoowel na het tot stand komen van een akkoord, als na het eindigen van het faillissement door het verbindend worden eener slotuitdeelingslijst (artt. 159 en 196).
Maakt de gefailleerde van zijn recht, zich tegen de toelating eener vordering te verzetten, gebruik, dan wordt daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wel niet verhinderd (art. 126 eerste lid), maar heeft deze tegen hem geen rechtskracht. De erkenning gaat den gefailleerde in dit geval even weinig aan, als hem die onder het afgeschafte recht in ieder geval aanging, zoodat na afloop van het faillissement, hetzij een akkoord tot stand komt of vereffening plaats heeft, de schuldeischer, die tegen den gefailleerde zijn recht vastgesteld wil zien of een executorialen titel wenscht te erlangen, daartoe alleen kan geraken door tegen hem in rechte op te treden.
Het verzót tegen de toelating eener vordering behoeft dooiden gefailleerde niet persoonlijk te worden gedaan. Naaralge-meene beginselen kan een gemachtigde voor hem optreden. Het tegendeel mag niet worden afgeleid uit het voorschrift van art. 116, dat de gefailleerde de verificatie-vergadering in persoon moet bijwonen. Zijne persoonlijke verschijning wordb alleen gevordei-d om inlichtingen te geven, zoodat ook alleen daarbij vertegenwoordiging is uitgesloten.
Verzet de gefailleerde zich niet tegen de toelating der vorde-ring, dan heeft de erkenning tegen hem rechtskracht. Het
34G
vorderingsrecht staat dus tog'en hem vast, zooals het is erkend. Daaruit volgt, dat de schuldeischer, die verzuimd heeft van een voorrecht, pand- of hypotheeki-echt opgave te doen en dientengevolge is geverifieerd als concurrent schuldeischer, zijn recht van voorrang ook tegen den gefailleerde niet meer kan doen gelden. Hij is dit recht onherroepelijk kwijt. Anders staat de zaak, als de gefailleerde tegen de erkenning tegenspraak heeft gedaan. Het blijft dan tusschen schuldeischer en gefailleerde eene open quaestie, welk recht van schuldvordering de eerste tegen den laatste kan doen gelden, mitsdien ook of aan de vordering een recht van voorrang is verbonden.
Yan de betwisting en van hare gronden wordt aanteekening gehouden in het proces-verbaal â zonder verwijzing van partijen naar de rechtbank quot; (art. 126 eerste lid). Verwijzing heeft niet plaats, omdat het belang van den boedel bij den uitslag van het geschil niet is betrokken, terwijl de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, alleen wanneer de schuldenaar na afloop van het faillissement in zijne betwisting Volhardt, aanleiding zal hebben zijn recht te vervolgen.
Kon de schuldenaar volstaan met verzet aan te teekenen tegen de erkenning der vordering, zonder opgaaf der gronden, zijne verklaring van betwisting zou kunnen ontaarden in eene bloote formaliteit, welke bij iedere vordering werd verricht, zoodat, tegen de bedoeling der wet, van geen enkele vordering de erkenning ooit tegen den gefailleerde zou werken. Om dit te voorkomen, is hem de verplichting opgelegd, summiere opgave te doen van de gronden van zijn verzet, welke gronden in het proces-verbaal der vergadering moeten worden vermeld, en is voorts bepaald, in het tweede lid van art. 126, dat a betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, niet als betwisting wordt aangemerkt quot;. Of het een of het ander het geval is, staat ter beoordeeling van den rechter-commissaris, die krachtens zijn ambt en als voorzitter der vergadering heeft te beslissen, of de betwisting voldoet aan de eischen door de wet gesteld, daar alleen, wanneer dit het geval is, van de betwisting aanteekening in het proces-verbaal mag worden gehouden.
347
De bot wisting- van den schuldenaar is, wanneei' men do daaromtrent gemaakte regeling1 goed beschouwd, nief; anders als een gemotiveerd voorbehoud van rechten, eene gemotiveerde reserve van de bevoegdheid zich tegen de vordering alsnog te verweren, indien de schuldeischer haar na afloop van het faillissement mocht willen doen gelden. Blijkens het Verslag der Eerste Kamer werd dit karakter der betwisting «door een aantal ledenquot; dier Kamer geheel miskend, en in de bepaling dat de gefailleerde de gronden van zijne betwisting moet opgeven, door hen een verkorting van diens verdedigings-recht gezien. â Immersleest men in het Verslag, «met welk recht, mocht men vragen, onthoudt men den failliet het
recht,.....om zonder opgave van gronden, eenvoudig te
ontkennen het recht, dat tegen hem wordt geldig gemaakt en dat degene, die het geldig maakt van te voren weet, dat hij moet bewijzen i3 En met welk recht verheft men tegen den failliet, ook na het einde van het beslag, eene erkenning der schuld, post en wellicht propter zulk een verkort verdedigings-recht door de schuldeischers verkregen, tot res judicata?quot; ').
De Regeering kon op deze vragen met recht het volgende antwoorden:
â¢/Maar buitendien komt men op tegen het «verkort verdedi-gingsrechtquot; , verhort, omdat de failliet de gronden van zijne betwisting moet opgeven. Op zijn recht van verdediging die hij eerst later, na het einde van 't faillissement, kan hebben te voeren, wordt hierdoor geen inbreuk hoegenaanid gemaakt. Zelfs het recht tot betwisting wordt er niet door verkort. Alléén heeft hij de gronden te vermelden, waarom hij de schuldvordering niet erkent. Hij heeft geeno rechtsquaestie te behandelen, maar slechts de redenen aan te voeren, waarom hij oordeelt niets of niet zooveel als gepretendeerd wordt, schuldig te zijn. Dit is alles. Of die redenen juist of gegrond zijn, daarover valt geene beslissing. Dat de eisch eener gemotiveerde betwisting noodig en niet onredelijk is, de leden, die in de voorlaatste alinea van het Voorloopig Verslag aan het woord zijn, hebben dit reeds met juistheid aangewezen2). Stelde men dien eisch niet, de betwisting
') Belinfante IV, bl. 2'i; v. u. Feltz JI, bl. 87 vlg.
-) In de bedoelde alinea van liet Voorloopig Verslag wordt, ter wederlegging
348
zou in eene ij dole vertooning ontaarden en de geheele wettelijke regeling op dit stuk illusoir gemaakt worden. En do redelijkheid van dien eiscli is onbetwistbaar .... Eene betwisting, waarvoor geene motieven bestaan, is eene chicane. Motiveering zal bij eene bona fide betwisting nooit moeilijk vallen, het meer of minder ingewikkelde der verhouding heeft daarmede niets te maken. Men heeft gronden van tegenspraak of men heeft ze niet. Maar wanneer ze er zijn, dan kan de schuldenaar, wiens eigene, door hem gedane zaken het geldt, ze ook zonder moeite aangeven. Voor hem is het dus al zeer gemakkelijk om, zoo althans aan zijne betwisting niet elke grond ontbreekt, de werking der verificatie, als res judicata te voorkomenquot; ').
De beteekenis van het stelsel der wet, dat de gefailleerde partij is bij de verificatie en daarom recht heeft zich tegen de erkenning eener vordering te verzetten, meenen wij hiermede voldoende te hebben toegelicht.
§ 4. Bijzondere bepalingen omtrent de verificatie van sommvje vorderingen (artikelen 128 â136).
Deze bepalingen betreffen: 1°. Rentedragende vorderingen. â Interesten, na de faillietverklaring loopende, worden niet geverifieerd, tenzij door pand of hypotheek gedekt (art. 128).
De uitsluiting van interessen, verschenen na de faillietverklaring, van de verificatie is een uitvloeisel van het beginsel, dat de schuldeischers in de opbrengst vau den boedel deelcn voor het bedrag, dat zij hebben te vorderen op het oogenblik der faillietverklaring. Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor het geval, dat voor het verhaal der verschuldigde interessen zakelijke zekerheid is gegeven. Als eene rentedragende vordering door pand of hypotheek is verzekerd, dient het onderpand in den regel tevens tot verhaal van alle achter-
van de beschouwingen van //een aantal ledenv, gezegd: «Dat hij (Je failliet; zijne betwisting moet motiveeren, is terecht voorgeschreven, opdat zij niet zonde ontaarden in een formulier, waarbij alle vorderingen worden betwist; maar over de door hem aan te voeren gronden kan hij zich vooruit met een rechtsgeleerden raadsman beraden. En dat hij een gedeelte der vordering betwistende, dat gedeelte noemen moet, is toch wel het minste, dat men van hem vorderen mag//.
') Belinfante IV, bl. 51; v. d. Feltz 11, t. a. p.
349
stallige interessen of althans van een deel daarvan. Men verg. de artt. 1201, 1202. 1204 en 1205 Burg. Wetb., waaruit blijkt dat do schuldeisclier leeht van verhaal heeft op het hem gegeven pand, zoowel voor de hoofdsom als voor de interessen en onkosten der schuld. Voorts bepaalt art. 1229 Burg. Wetb. dat de schuldeisclier, die ingeschreven is voor eene hoofdsom, welke interessen of renten voortbrengt, gerechtigd is om, uiterlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, wegens interessen of renten in denzelfden rang van hypotheek geplaatst te worden als voor zijne hoofdsom. Het uit krachte dezer bepalingen verkregen recht, de renten op het onderpand te verhalen, wordt door art. 128 Fw. gehandhaafd, in overeenstemming met het doel van het faillissement, dat juist regeling-van de uitoefening der door de verschillende schuldeischers op den boedel verkregen rechten beoogt, derhalve nimmer verlies van rechten ten gevolge mag hebben.
Voor de na de faillietverklaring verschijnende interessen wordt de door pand of hypotheek gedekte schuldeischer pro memorie geverifieerd. Uit deze verificatie kan hij alleen rechten ontleenen, voor zooverre de interessen op de opbrengst van het onderpand batig kunnen worden gerangschikt (art. 128). Immers alleen voor zooverre de bedoelde interessen op het onderpand kunnen worden verhaald, kan de schuldeischer daarop in het faillissement rechten doen gelden. Voor zooverre zij blijken niet op het onderpand verhaalbaar te zijn, herneemt de regel, dat interessen, na de faillietverklaring loopende, niet worden toegelaten, zijn kracht. In de verificatie pro memorie heeft de wetgever den juisten vorm gevonden om aan het recht van den zakelijk gewaarborgden crediteur uitdrukking te geven. Hij wordt, wat zijne rentevordering betreft, erkend voor het nog onbekende bedrag, dat naderhand bij den verkoop van het onderpand zal blijken op de opbrengst daarvan verhaalbaar te zijn. Als een voorshands nog onbekend bedrag kan dit niet anders dan pro memorie worden uitgetrokken.
2°. Voorwaardelijke vorderingen. â De voorwaarde heeft, naar gelang zij eene ontbindende is dan wel eene opschortende, een verschillenden invloed op de verbintenis. De ontbindende voorwaarde schort de nakoming der verbintenis niet op fart. 1301 al. 2 Burg. Wetb.); mitsdien heeft de schuldeischer, zoo-
350
lang nog- niet is beslist over de al of niet vervulling dei-voorwaarde, al de rechten van een onvoorwaardeiijken schuld-eischer, â alleenlijkquot; is hij verplicht « om hetgeen hij ontvangen heeft terug te geven, ingeval de bij de voorwaarde bedoelde gebeurtenis stand grijptquot; (aangeh. art.). Dienovereenkomstig wordt eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde voor het geheele bedrag geverifieerd, quot;Onverminderd de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordtquot; (art. 129 Fw.). Deze werking is eene verschillende naarmate vau het tijdstip, waarop de vervulling plaats grijpt. Heeft in het faillissement eene uitdeeling nog niet plaats gehad, dan bestaat de werking hierin, dat de erkenning der vordering vervalt, daaraan geen rechten meer kunnen worden ontleend; heeft daarentegen wel reeds eene uitdeeling plaats gehad, dan moet de schuld-eischer de ontvangen percenten restitueeren en kan zulks tot toepassing van art. 194 Fw. aanleiding geven.
De opschortende voorwaarde heeft ten gevolge, dat de verbintenis niet kan worden ten uitvoer gebracht, dan nadai: de toekomstige onzekere gebeurtenis, waarvan zij de verbintenis doet afhangen, heeft plaats gehad (art. 1299 tweede lid Burg. Wetb.). De schuldeischer heeft dus tot dat tijdstip een vorderingsrecht, waarvan het bestaan onzeker is. Eigenlijk is het onzeker, of hij ooit schuldeischer zal worden. Streng genomen zou daarom ook alleen eene voorwaardelijke toelating der vordering geoorloofd wezen. Evenwel is aan voorwaardelijke toelating het ongerief verbonden , dat de beslissing over de al of niet vervulling der voorwaarde moet worden afgewacht; öf er zal vóór dat tijdstip geene uitdeeling kunnen geschieden, öf althans het bedrag zal moeten worden gereserveerd, waai-op de voorwaardelijke schuldeischer bij vervulling der voorwaarde aanspraak kan maken. In elk geval blijft er, tot de beslissing valt, nog iets te vereffenen.
Vandaar dat de voorkeur is gegeven aan eene oplossing, die toelaat met den voorwaardelijken schuldeischer vóór de beslissing over de vervulling der voorwaarde definitief af te rekenen, onverschillig welke beslissing later moge volgen. Daartoe is noodig, dat de voorwaardelijke vordering wordt geconverteerd in eene onvoorwaardelijke. Deze conversie stelt artikel 180 op den voorgrond, in het eerste lid bepalende:
351
â Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor liare waarde op bet oogenblik der faillietverklaringDe hierbedoelde waarde wordt gevonden door waardeering van de kans, welke het geheele vorderingsrecht beheerscht, de kans van de al of niet vervulling der voorwaarde. Voor deze waarde is de schnldeischer nn verder in het faillissement onvoorwaardelijk schnldeischer.
Eerst wanneer de curator en de schuldeischers het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, waartoe ook wel het geval mag worden gerekend, dat eene waardeering der kans niet goed doenlijk is, en bijgevolg de tegenwoordige waarde.der vordering niet vastgesteld kan worden, wordt de vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten (art. 130 tweede lid). Met de voorwaardelijke toelating wordt bij de voorschriften over de vereffening in de artt. 181, 189 en 194 rekening gehouden').
Is de vordering door hypotheek of pand verzekerd, dan kan de schnldeischer niet tot executie overgaan, vóórdat de verificatie heeft plaats gehad. Hij executeert, naar gelang der gevolgde wijze van verificatie, voor de geschatte waarde zijner vordering, of wel voor het volle bedrag daarvan, maar zal in het laatste geval, omdat de erkenning zijner vordering slechts eene voorwaardelijke is, de opbrengst van het onderpand aan den curator moeten ter hand stellen, opdat deze daarmede handele overeenkomstig de bepaling van art. 189.
8°. Vorderingen met tijdsbepaling, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geven op periodieke uitkeeringen. â De vorderingen, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geven op periodieke uitkeeringen, worden omgezet in opeischbare vorderingen, door ze terug te brengen tot de zoogen. contante of tegenwoordige waarde, meer bepaald tot «hare waarde op den dag der faillietverklaring« (art. 13 i eerste lid).
Als vorderingen, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid
') Evenals de uit anderen hoofde voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kan ook de ingevolge art. '1-50 voorwaardelijk toegelaten schnldeischer deelnemen aan de stemming over een akkoord.
352
onzeker is, vallen o. a. onder deze bepaling de vorderingen uit overeenkomsten tot verzekering eener uitkeering bij overlijden, waarop geen premie meer verschuldigd is. Is zulks nog wèl liet geval, dan is art. 37 op deze overeenkomsten, welke , naar het ons voorkomt, tot de wederkeerige moeten worden gebracht, van toepassing.
Tot de vorderingen , welke recht geven op periodieke uit-keeringen, behooren zoowel de gevestigde of altijddurende renten (bk. 3, tit. 15 Burg. Wetb.), als de lijfrenten (bk. 3, tit. 15, afd. 2 Burg. Wetb.). Omtrent de eerste geeft art. 1809 3°. Burg. Wetb. voor het geval van faillissement van den schuldenaar een speciaal voorschrift, dat naast de Faillissementswetgehandhaafd is en hierboven bl. 60 vlg. nader werd besproken. Daarentegen is art. 1820 Burg. Wetb., dat de rechten van den renteheffer bepaalde in geval van faillissement van den renteplichtige, door art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet afgeschaft. Op alle lijfrenten is derhalve art. 131 Fw. van toepassing !).
Ten opzichte van vorderingen met tijdsbepaling wordt door het tweede lid van art. 131 eene onderscheiding gemaakt. «Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren De tijdsbepaling vervalt pier et simple; de vordering wordt geverifieerd voor het volle bedrag. Eene onbillijkheid is hierin, zooals de Memorie van Toelichting opmerkt, tegenover de opeischbare vorderingen niet gelegen, omdat de schuldeischers hun dividend nooit ontvangen op den dag zeiven der faillietverklaring, maar altijd een korteren of langeren tijd daarna 1). Bovendien zou het tot de contante waarde terugbrengen van jaarrekeningen en andere vorderingen op korten termijn veel omslag zonder evenredig nut teweegbrengen.
Alle schuldvorderingen, welke later dan één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, vervallen, worden geverifieerd voor de waarde, die zij hebben na verloop
1
) Heiinfante I, bl. vlg.; v. n. Feltz 11, bl. 130.
853
van één jaar sedert den aanvang van het faillissement (aangeh. art. tweede lid). Bij deze schuldvorderingen vervalt dus niet eenvoudig de tijdsbepaling, maar wordt de vordering tevens teruggebracht tot hare tegenwoordige of contante waarde, welke in dit geval echter niet, zooals bij de in het eerste lid genoemde vorderingen, de waarde is op den dag der faillietverklaring, maar, in verband met de bepaling omtrent de vorderingen op korten termijn, de waarde één jaar na dien dag.
De vaststelling der tegenwoordige waarde eener vordering, waar zij door de artt. 130 en 131 wordt gevorderd, geschiedt zoo noodig met behulp der waarschijnlijkheids-rekening. In het derde lid van artikel 131 wordt aangewezen, op welke factoren bij de berekening uitsluitend moet worden gelet; als zoodanig worden genoemd âhet tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoetquot;.
Het Ontwerp der Staatscommissie (zie daarvan art. 131) verlangde, dat de berekening zelve zou geschieden op den grondslag van den wettelijken rentevoet, die derhalve voor deze berekeningen als het normale rente-type werd aangenomen Op dit voorstel werd echter reeds in het Regeeringsontwerp teruggekomen en in overeenstemming met dit ontwerp laat de wet met opzet onbeslist, welke rentevoet moet worden gebezigd. Tot deze onthouding leidde de overweging, dat quot;de wettelijke rentevoet van 5 0/0 in burgerlijke en G 0/0 in handelszaken, hoewel daartoe schijnbaar aangewezen, voor het hier beoogde doel in verloop van tijd een onbruikbare maatstaf is geworden. Werd hijquot;, gaat de Memorie van Toelichting voort, n hier gebruikt, men zou tot onhoudbare uitkomsten geraken. Trouwens de wet van 1857 heeft meer bepaaldelijk het oog op de regeling der moratoire interessen en is geenszins geschreven om eene toepassing te
') In ile toelichting tot dit Ontwerp leest men : «Zij (de berekening) moet geschieden op den grondslag van den wettelijken rentevoet, jnist omdat deze is do wettelijke rentevoet. In hoeverre hij nog geacht mag worden in overeenstemming te zijn met de tegenwoordige economische toestanden, kan te dezer plaatse niet worden uitgemaakt; do regeling van den wettelijken rentevoet is geen vraag nitshiitend van fail lieten recht, maar behoort om meer dan eene reden zelfstandig onderzocht te worden.// Belinfante, bl. 192.
Molknükaaff, FaillissemeiitswL-t.
354
vinden als in dit artikel bedoeld. Bij de weinige vastheid van den rentestand scheen het niet wel mogelijk de wet in dezen te laten beslissen en werd er de voorkeur aan gegeven in elk geval de beslissing over te laten aan het gemeen overleg van partijen, desnoodig aan de deskundigen, wier advies wordt ingeroepen «.
Artikel 778 tweede lid VVetb. v. Kooph. schreef bij schulden, die in jaarlijksche termijnen moeten worden gekweten of eerst na verloop van drie jaren of later vervallen, waardeering van de hoofdsom, ânaar gelang vau derzelver daaruit voortvloeijende mindere waardequot;, alleen dan voor, als de schuldenaar niet tot het betalen van interessen gehouden was. Daarbij werd over het hoofd gezien, dat de contante waarde van eene rentedragende vordering niet tijdsbepaling verschillend is naargelang van het bedrag der bedongen rente, in verband met het tijdstip der opeischbaarheid. Eene gelijke behandeling van deze vorderingen eischt, dat ook zij worden teruggebracht tot de waarde, welke zij hebben na verloop van één jaar sedert den aanvang van het faillissement, berekend op den grondslag-van den rentevoet, welke op het tijdstip waarop de berekening-wordt gemaakt, geacht kan worden de normale te zijn. Het behoeft stellig geen betoog, dat eene vordering met geringe rente ceteris paribus minder waard is dan eene vordering met hooge rente. Een blik op de dagelijksche prijscourant van de Vereeniging voor den Effectenhandel kan daarvan overtuigen. De prijsverschillen van de fondsen welke ter beurse worden verhandeld, «worden volstrekt niet alleen bepaald door de meerdere of mindere soliditeit der schuldenaren, maar wel degelijk ook door de meerdere of mindere kans om bij uitloting kapitaalwinst te verkrijgen of kapitaalverlies -ce lijden , en door de overweging- of in de bedongen rente eene voldoende compensatie voor eventueel kapitaalverlies en in de kapitaalwinst voldoende compensatie voor gering rentegenot gevonden wordtquot; !). Wanneer 4 0/0 als de normale rente wordt aangenomen, mitsdien als de rentevoet welke aan de berekening der contante waarde ten grondslag behoort te liggen, dan is het duidelijk, dat noch de waarde eener vordering, welke 2 0/0
') Memorie \an Toelichting: Belinfantc I, bl 128; v. u. Feltz II, bi. 1'i9.
355
route geeft, noch ook die eener vordering, waarvan de rente 6 0/0 bedraagt, op 100 0/0 der nominale waarde mag worden gesteld; de waarde der eerste vordering zal geringer, die der tweede grooter zijn.
Met het beginsel, dat niet-opeischbare vorderingen tot de contante waarde worden teruggebracht, wordt rekening gehouden in artikel 57 tweede Hd. Indien de vordering door hypotheek is verzekerd, kan krachtens het hypotheekrecht ook alleen voor de contante waarde verhaal worden genomen. Men verg. hierboven bl. 215.
Ten slotte mag hier nog in herinnering worden gebracht, dat art. 131 de uitwerking bevat ten aanzien der verificatie van het beginsel, in art. 1307 Burg. Wetb. neergelegd in de woorden: â De schuldenaar kan het voorregt eener bijgevoegde tijdsbepaling niet meer inroepen, wanneer hij in staat van
faillissement.....verklaard isquot;. Bedoeld artikel kwam reeds
hierboven bl. 59 vlg. ter sprake.
4quot;. Vorderingen niet van een bepaalde waarde in Nederlandsch (jeld. â Einddoel van het faillissement als gerechtelijk beslag is de verzilvering van den boedel en de verdeeling van do opbrengst pondspondsgewijze onder de schuldeischers, nadat hunne rechten zijn vastgesteld. Vandaar dat artikel 2C alle vorderingen, welke voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, verwijst naar het verificatie-proces, dat de vaststelling dier vorderingen beoogt.
Bij die vaststelling moeten de vorderingen worden uitgedrukt in een bepaalde geldsom, immers alleen geld komt tot verdeeling, en alleen over bepaalde geldsommen kunnen uit-deelingen worden gedaan.
Voor zooverre de vorderingen niet gericht zijn op betaling van een geldsom, moeten ze derhalve in geldvorderingen worden omgezet, of, zooals de artt. 441 en 499 Wetb. v. Burg. Eegtsv. het uitdrukken, worden â verevendquot; op een bepaalde geldsom; voor zooverre ze gericht zijn op eene geldsom, waarvan het bedrag nog onbepaald of onzeker is, moet het bedrag daarvan worden vastgesteld. Eindelijk behooren alle geldbedragen in Nederlandsch geld te worden aangegeven. Artikel 133 bepaalt dit alles in de volgende woorden: //vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet
356
in quot;Nederlandsch geld of in hefc geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld «..
De gevorderde schatting of waardeering kan geschieden bij minnelijk overleg of door een deskundige. Te dien opzichte is èn hier èn in de artikelen 130 en 131 aan de belanghebbenden volledige vrijheid gelaten, naar omsta,ndigheden te handelen. Zij, d. w. z. do erkenning vragende schuldeischer, de mede-schuldeischers en de curator, kunnen de geldswaarde der vordering vaststellen op het bedrag, dat hun billijk toeschijnt. Indien bijv. eene vordering in francs of marken luidt, zal ook zonder hulp van een deskundige de waarde in Nederlandsch geld gemakkelijk te schatten of uit te rekenen zijn. Mogelijk is de curator of een der mede-schuldeischers een deskundige, aan wiens oplossing men de zaak overlaat. Maar ook het oordeel van een derde deskundige kan worden ingeroepen. Bij de toepassing van art. 131 kan bijv. allicht aanleiding bestaan tot het raadplegen van een wiskundige.
Tot de vorderingen, in art. 133 bedoeld, behooren met name alle vorderingen uit verbintenissen tot het geven van iets anders dan geld. Verg. hierboven bl. 170.
Blijkt het ondoenlijk te handelen overeenkomstig het voorschrift van art. 133, omdat de onzekere of onbepaalde waarde der vordering niet voor schatting in Nederlandsch geld vatbaar is, dan zal de verificatie niet anders kunnen geschieden dan pro memorie, in afwachting van het tijdstip waarop het juiste bedrag, dat verschuldigd is, kan worden vastgesteld. De verificatie pro memorie, waarvan een voorbeeld wordt gevonden in art. 128 (hierboven bl. 349), waarborgt den schuldeischer, dat met zijn vorderingsrecht, al is nog onzeker hoeveel verschuldigd is, rekening zal worden gehouden bij de vereffening des boedels
5°. Schuldvorderingen aan toonder. â Wanneer eene schuldvordering aan toonder wordt geverifieerd ten name van hem, die als houder der vordering hare erkenning vraagt, verliest de
') De geliligheirt der verificatie pro mcmnrie, als veen doelmatig en geoorloofd middel tor bewaring van rechten//, werd door den Hoogen Raad erkend hij arrest van 10 Jnni 1805, vorw. cass. togen het arrest van het Hof van Gelderland van '21 Dec. 1804, Maf/, v. Handclsr. 1805, bl. 100 vlg. en 03 vlg.
357
vordering door die te â naam-stelling' liare eigenschap van verliandelbaarheid, welke juist /'de essentie, de eigenaardige economische en juridische functie van het toonderpapier uitmaaktquot;
Tot die ontzieling- van het toonderpapier te dwingen, zooals het Wetb. v. Kooph. deed, is verkeerd. Artikel 134 laat daarom toe, zonder het te vorderen, dat schuldvorderingen aan toonder worden geverifieerd ten name van «toonder'''. Door beschrijving van het stuk en vermelding van de kenmerken , welke het van soortgelijke stukken onderscheiden â men denke aan de nummers van de tot ééne obligatie-leening behoorende obligaties â kan bij de opteekening der erkenning voldoende tegen verwarring worden gewaakt. Bovendien worden mogelijke bezwaren door de bepaling van art. 121, dat de curator op het papier aan toonder de erkenning moet aanteekenen, afdoende ondervangen. Deze aanteekening heeft tevens het niet geringe nut, dat daardoor latere verkrijgers van het papier bekend worden met de erkenning der vordering en aldus in de gelegenheid gesteld hunne rechten als erkende schuldeiscbers te doen gelden, zoo dikwijls dit noodig is. Het is duidelijk, dat door deze regeling de verhandelbaarheid van het stuk na de verificatie behouden blijft.
n Iedere ten name van toonder geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeischer beschouwdquot;. Deze noodzakelijke consequentie van de verificatie ten name van toonder wordt in art. 134 uitdrukkelijk uitgesproken. De verificatie ten name van âtoonderquot; bedoelt de verhandelbaarheid der vordering in stand te houden. Elk stuk nu is afzonderlijk verhandelbaar. Daaruit volgt de noodzake-heid ieder stuk ook afzonderlijk te verifieeren, en den hou dei-van het stuk als een afzonderlijken schuldeischer te beschouwen, zonder te letten op de toevallige vereeniging van verschillende stukken in de handen van één persoon. Gaf de wet aan zulk eene toevallige vereeniging invloed op het stemrecht, met behulp van stroomannen zou haar pogen gemakkelijk te verijdelen zijn , en dus het doel toch niet worden bereikt.
In verband met de verificatie ten name van toonder, wordt
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl.-12!( vlg.; v. d. feltz 11, bl. 134.
358
in artikel 82 aan den toonder der aldus geverifieerde schtild-vordering stemrecht toegekend. Men verg. hierboven bl. 284.
Over de verificatie van schuldvorderingen aan order laat de wet zich niet uitdrukkelijk uit. De erkenning van de schuldvordering geschiedt derhalve ten name van den behoorlijk gelegitimeerden houder, die de erkenning vraagt. De verhandelbaarheid van het stuk wordt daardoor niet bemoeilijkt. De rechten van erkenden schuldeischer kunnen telkens worden uitgeoefend door den houder, op wien door endossement en levering de rechten uit de erkenning zijn overgegaan. Daarom is in het belang van den houder voorgeschreven, dat op het papier aan order, evenals op het papier aan toonder, door den curator de erkenning moet worden aan-geteekend (art. 121 eerste lid).
6quot;. Bevoorrechte schuldvorderingen en schuldvorderingen door hypotheek of pand verzekerd. â â De positie van geverifieerde bevoorrechte en hypotheek- of pandhoudende schuldeischers is in het faillissement eene andere dan die dor concurrente schuldeischers. Dit komt vooral uit, als door den schuldenaar een akkoord is aangeboden. Van de stemming over het akkoord zijn de bevoorrechte en hypotheek- of pandhoudende schuldeischers uitgesloten, onverschillig welke de waarde is van de goederen, waarop het voorrecht rust, of van het onderpand. Daarin is iets onbillijks gelegen, als die waarde gering is, zoodat het vooruit is na te gaan, dat de schuldeischer zijne vordering slechts voor een gering deel op die goederen of dat onderpand zal kunnen verhalen, en voor het ontbrekende in de positie zal komen van een concurrent schuldeischer.
Ten einde die onbillijkheid weg te nemen en aan den hier bedoelden schuldeischer den hem toekomenden invloed op de behandeling van een akkoord te verzekeren, bepaalt artikel 132, dat schuldeischers, wier vorderingen door hypotheek of pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantoonen, dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeischers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang. Voor de bevoorrechte en hypotheek- of pandhoudende schuld-
359
eischers wordt aldus de weg geopend, waar langs zij, zonder van hun recht van zekerheid iets op to offeren, voor het vermoedelijk ongedekte deel hunner vordering alle de rechten van een concurrenten schuldeischer deelachtig kunnen worden.
7°. Schuldvorderingen verzekerd door borgtocht. â Dat de houder eener door borgtocht verzekerde schuldvordering in het faillissement van zijn schuldenaar kan opkomen en daarbij in mindering heeft te brengen wat hij, ook na de faillietverklaring, van den borg heeft ontvangen, is duidelijk. Evenzoo, dat de borg kan opkomen voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Uit de artt. 1876 en 1877 Burg. Wetb. volgt dit rechtstreeks. Art. 135 Fw., het een en het ander, in navolging van art. 879 Wetb. v. Kooph., bepalende, zegt dan ook niets nieuws, niets wat zonder die bepaling niet zou gelden.
Minder duidelijk was onder het vroegere recht, of de borg ook kan opkomen voor hetgeen hij den schuldeischer nog niet heeft betaald, maar waarschijnlijk zal moeten betalen. Men dacht over dit punt verschillend. Art. 1880 Burg. Wetb., dat den borg het recht toekende, zelfs vóórdat hij betaald heeft, den schuldenaar aan te spreken «om door denzelven schadeloos gesteld te worden«, o. a. «indien de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement of van kennelijk onvermogenquot;, gaf steun aan de opvatting, dat de borg, die den schuldeischer niet heeft betaald, toch voor het bedrag der hoofdschuld onder den naam van schadeloosstelling in het faillissement van den schuldenaar kon opkomen. Daar was ook niets tegen, indien de schuldeischer zelf wegbleef. In dat geval was het resultaat, dat de schuldeischer zich aan den borg hield, en dat deze de percenten over het bedrag der schuld uit den boedel ontving. Een volkomen billijk resultaat. Maar bedenkelijk mocht die oplossing heeten, als de schuldeischer wèl opkwam voor zijne vordering en daarvoor werd erkend. Dan was het resultaat, dat de boedel feitelijk met dezelfde schuld tweemaal werd belast. Immers, wat de sclmld-eischer vordert, krachtens de hoofdverbinteni.s tusschen hem en den gefailleerde bestaande, en wat de borg vordert onder den naam van schadeloosstelling', is feitelijk hetzelfde: betaling van dezelfde som, van eene som die slechts eenmaal verschuldigd
360
is, die verschuldigd is aan den scliuldeischer óf aan don borg, niet aan den scliuldeischer èn aan den borg-.
Eene goede regeling vordert mitsdien, dat niet de hoofd-schuldeischer en de borg beiden uit den boedel worden betaald, maar slechts één van hen, en dat, als beiden de betaling vragen, aan den scliuldeischer de voorkeur wordt gegeven, dat dus de borg alleen subsidiair, voor het geval dat de hoofdschuldeischer niet opkomt, worde toegelaten. Dienovereenkomstig bepaalt het tweede lid van art. 135: gt;/De borg heeft i-echt voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomtquot;.
Komt de schuldeischer op, dan verliest de borg voor het bedrag waarvoor gene erkend wordt, zijne rechten uit de voorwaardelijk gedane verificatie. M. a. w. de erkenning van den borg vervalt door de erkenning van den schuldeischer. Duidelijk volgt uit de aangehaalde bepaling, w dat hetzij de schuldeischer, hetzij de borg, doch nooit beiden tegelyk, al zij hot op verschillende gronden, de rechten uit de door borgtocht verzekerde schuld in 't faillissement kunnen doen gelden. Toont de borg aan, dat hij de schuld voldaan heeft, dan alleen is hij onvoorwaardelijk schuldeischer van den boedelquot; ').
In verband met deze regeling van art. 135 is, bij artikel 2 van de Wet ter invoering van de Faillissementswet, artikel 1880 2°. Burg. Wetb. afgeschaft.
Indien de borg zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar heeft verbonden, worden »de gevolgen van deszelfs verbintenis geregeld ... naar de beginselen, welke ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteldquot; (art. 1869 2° Burg. Wetb.); art. 135 is dus niet toepasselijk, wèl daarentegen art. 136, dat over hoofdelijke schulden handelt.
8°. Schuldvorderingen met hoofdelijke schuldenaren. â Omtrent de vraag, welke aanspraken de schuldeischer uit eene van de zijde der schuldenaren hoofdelijke verbintenis kan doen gelden, in geval twee of meer dier schuldenaren in staat van faillissement verkeeren, bestond onder de afgeschafte wetgeving groot verschil van meening.
') Memorie van Toelichting; Belinfante 1, bl. 131; v d. Feltz II, bl. 13G.
361
Zoowel artikel 878 Wotb. v. Koopli., waarin eon algeiueeno regel omtrent hoofdelijke verbintenissen werd gegeven, als art. 198 van dat Wetboek, eene toepassing van dien regel behelzende, liet ruimte tot twijfel over het daarin aangenomen stelsel. Volgens de eene meening lag aan deze artikelen het stelsel ten grondslag, door Duputs de la Sebra het eerst ontwikkeld, hetwelk medebrengt, dat de schuld-eischer wel in het faillissement van ieder der hoofdelijke schuldenaren opkomt voor hetgeen hij ten tijde der faillietverklaring heeft te vorderen, maar slechts uitkeering krijgt over dit bedrag verminderd met hetgeen hij na de faillietverklaring uit een of meer der andere faillissementen of in het algemeen van een der mede-schuldenaren heeft ontvangen. Op deze manier wordt door den schuldeischer, als alle hoofdelijke schuldenaren failliet zijn, nooit integrale betaling verkregen, daar hij telkens percenten beurt over het resteerend bedrag.
Naast het stelsel de la Sekra staat een ander, volgens hetwelk de schuldeischer in elk der boedels van zijne hoofdelijke schuldenaren voor het geheele bedrag zijner vordering niet alleen kan opkomen, maar daarover ook uitbetaling ontvangt tot aan de geheele voldoening toe. Naar veler opvatting was dit stelsel in de aangehaalde artikelen van het Wotb. v. Kooph. neergelegd.
Vaststaat dat in alle nieuwe Europeesche faillietwetten het tweede stelsel is gevolgd. De betrekkelijke bepalingen dier wetten mogen onderling verschillen, zij stemmen toch hierin overeen, dat zij het stelsel Doputs de la Serra buitensluiten, daar zij geen van alle rekening houden met betalingen door den schuldeischer van de medesehtildenaren des gefailleerden in mindering ontvangen na de faillietverklaring, tenzij voor zooverre de schuldeischer dientengevolge meer zou verkrijgen dan 100 percent. Zij laten den schuldeischer opkomen en medc-deelen, hetzij voor het volle bedrag zijner oorspronkelijke vordering '); hetzij voor het bedrag, hem nog verschuldigd ten tijde der eerste faillietverklaring 2); hetzij voor het bedrag
') Zwitsersche Bondswet over schuldvervolging en faillissement, artt. 210 en 217.
-) Artt. 542â545 Code de Comm., zooals deze artikelen luiden volgens de wet van 28 Mei 1838; zie Lyon-Caen en Renault, Précis de droit commercial dl. 2 , nquot;. 3008.
:362
hem nog verschuldigd bij den aanvang van het faillissement, waarin de uitdceling geschiedt 'j.
De laatste oplossing gaat het minste ver. Zij is aangenomen in het eerste lid van art. 136 onzer wet, luidende: u Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer in staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in ieder faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten « 1).
By de verificatie der vordering en bij het opmaken der uitdeelingslijst mag dus niet er op worden gelet, of de schuldeischer sedert de faillietverklaring van een of meer der medeschuldenaren, of uit het faillissement van een hunner, eene betaling in mindering heeft ontvangen. Het komt uitsluitend aan op het beloop der vordering bij den aanvang van het faillissement.
De aangenomen regeling beoogt de hoofdelijkheid zooveel mogelijk te doen beantwoorden aan haar doel, den schuldeischer do volledige voldoening van het hem verschuldigde te waarborgen. Ieder der hoofdelijke schuldenaren is aansprakelijk voor het geheel, is zóó schuldenaar als ware hij het alleen; in geval van faillissement komt dit karakter der hoofdelijkheid door het aanvaarde stelsel, beter dan door eenig ander, tot zijn recht.
Weinig rationeel is de eisch, welke in het artikel wordt gesteld, dat ten minste twee der hoofdelijke schuldenaren in staat van faillissement moeten verkeeren. Eedeiien die rechtvaardigen , als slechts één der schiildenaren failliet is, den schuldeischer anders te behandelen clan bij faillissement van twee of meer hunner, werden niet aangevoerd en zijn ook niet
1
j Gedurende de voorbereiding der wet is zoowel het Ontwerp der Staatscommissie als liet Regeeringsontwerp op dit punt sterk bestreden. Men verg. E. W. Insinoer, rechten van den houder en van betaald hebbende endos-santen bij faillissement van het wisselpersoneel, l'rl't. Amsterdam 1888; M'. R. Feith, in Themis 1891, bl. 310 vlg.; I. 1?. Cohen, de invloed van het faillissement op de verplichtimjen van hoofdelijke schuldenaren, Prft Groningen 1801. In anderen zin de recensie van Cohen's Prft. in liechtsrjcl. Magazijn 181)1, bl. 552 vlg.
363
te geven '). Er bestaat dus alle aanleiding tot analogische toepassing van het artikel in het geval viin faillisseuient van één der hoofdelijke schuldenaren1), waarover de wet, wèl beschouwd, geheel zwijgt.
De rechtsverhouding, waarin de hoofdelijke schuldenaren tot elkander staan, kan medebrengen, dat degene van hen die betaald heeft, verhaal kan nemen op een of meer zijner mede-schuldenaren. Verkeert de mede-schuldenaar, op wien eventueel het verhaal genomen kan worden, in staat van faillissement, dan doet zich dezelfde vraag voor, die ons bezighield bij de behandeling eener door borgtocht verzekerde schuldvordering, de vraasr nl. of en in hoeverre de mede-sclmldenaar met zijne regres vordering nevens den schuldeischer in het faillissement kan opkomen. Het antwoord kan geen ander wezen, als ten aanzien van de rechten des borgs werd gegeven. Dienovereenkomstig bepaalt het tweede lid van art. 136: «de hoofdelijke schuldenaar, dio op den faillieten boedel recht van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voor zooverre de schuldeischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toegelaten, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomtquot;.
Doordat do schuldeischer in ieder faillissement opkomt voor en ook uitdeeling ontvangt over het bedrag, hem verschuldigd bij den aanvang van het betrokken faillissement, kan het gebeuren, dat voor hem in de verschillende faillissementen achtereenvolgens uitdeelingen beschikbaar worden gesteld, welke gezamenlijk meer dan 100 0/0 bedragen. Het is duidelijk, dat de schuldeischer nooit aanspraak heeft op meer dan 100 en dat hem dus van het laatst beschikbaar gestelde dividend slechts zooveel mag worden uitgekeerd, als noodig is om, gevoegd bij de vroeger uitbetaalde dividenden, zijn ontvangst tot 100 0/0 op te voeren. Wat er boven honderd percent beschikbaar is, mitsdien, na de uitbetaling aan den schuldeischer, overblijft, wordt //naar de onderlinge rechtsverhouding verdeeldquot; (art. 136 derde lid). Bedoeld is de tusschen de
1
) Vooral dan is de toepassing van art. lofi voor den schuldeischer van gewicht, als met een hoofdschuldenaar, die gefailleerd is, een borg zich lol een bepaald bedraj hoofdelijk heeft verbonden. Men verg. Rb. Zwolle 24 Juni 18itG, bev. door Hof Arnhem 30 Dec. 1896, IV'. n0. 6043.
364
lioofdelijke schuldenaren bestaande rechtsverhouding; onder tien wordt dus verdeeld, wat er te veel is.
De wetgever heeft zich tot deze algemeene uitspraak bepaald, omdat de rechtsverhouding tusschen de hoofdelijke schuldenaren van zeer verschillenden aard kan wezen, en naar gelang daarvan ook de verdeeling op verschillende wijze moet geschieden. Een paar voorbeelden zullen dit duidelijk maken. Gesteld de trekker en de nemer van een wissel zijn beiden gefailleerd. De houder des wissels komt in beide faillissementen op voor het bedrag van den wissel. In het faillissement van den trekker wordt 70 0/0 uitbetaald, daarna komt in het faillissement van den nemer 50 0/0 ter beschikking. Van deze 50 0/0 zal de wisselhouder 30 0/0 ontvangen. De overblijvende 20 0/0 blijven in den boedel van den nemer, omdat de boedel van den trekker daarop geen aanspraak kan maken. Wordt daarentegen eerst in het faillissement van den nemer 50 0/n uitbetaald en komt daarna in het faillissement van den trekker 70 0/0 ter beschikking, dan ontvangt de schukl-eischer daarvan 50 0/0 en zullen de resteerende 20 0/0 aan den boedel van den nemer moeten worden uitgekeerd, omdat deze boedel thans op dit bedrag zijne rechten kan doen gelden krachtens de voorwaardelijke verificatie, waartoe hij, als voor het geheel recht van verhaal hebbende op den boedel van den trekker, volgens het tweede lid van art. 136 gerechtigd is. Immers de erkenning van den houder heeft voor het bedrag, waarover de beschikbare 20 % zijn uitgetrokken geen effect, waaruit volgt dat de voorwaardelijke verificatie voor hetzelfde bedrag wel effect kan hebben.
Zijn de beide hoofdelijke schuldenaren niet wisselschulde-naren maar bijv. medeschuldenaren eener gewone hoofdelijke verbintenis, dan is in een overeenkomstig geval de uitkomst een geheel andere. Gesteld de hoofdelijke borgen A. en B. zijn beiden gefailleerd. De schuldeischer komt in beide faillissementen op voor het volle bedrag van zijne vordering, terwijl nevens hem in het faillissement van A. de boedel van B. en in het faillissement van B. de boedel van A. voorwaardelijk wordt toegelaten, wegens het verhaal dat ieder boedel, na betaling van meer dan zijn aandeel in de schuld, op den anderen boedel kan uitoefenen. quot;Wordt nu eerst in het faillis-
365
sement van A. 70 0/0 uitgekeerd, en komt daarna in dat van B. 50 0/0 ter beschikking, dan ontvangt de schaldeischer daarvan 30 0/0. Van de overblijvende 20 0/0 worden 10 0/0 uitbetaald aan den boedel van A., uitmakende 50 0/0 over 20 % van de hoofdelijke schuld, welke 20 0/0 door den boedel van
A. boven het aandeel van A. in die schuld werden voidaan, en waarvoor die boedel dus verhaal heeft op den boedel van
B. De voorwaardelijke erkenning dezer vordering tot verhaal kan volledig effect hebben, omdat de schuldeischer zelf feitelijk over niet meer dan 60 % zijner vordering dividend ontvangt. De na de uitkeering aan den boedel van A. overschietende 10 0/0 blijven in den boedel van B. Wordt, in tegenstelling van hetgeen zooeven werd aangenomen, eerst in het faillissement van B. 50 0/0 uitgekeerd en komt daarna in dat van A. 70 0/0 ter beschikking, dan ontvangt de schuldeischer 50 0/0 en blijven de resteerende 20 % in den boedel van A., daar de boedel van B. niet meer dan het aandeel van B. in de schuld heeft betaald en derhalve geen verhaal kan nemen op den boedel van A. 1).
Bij artikel 2 van de Wet ter invoering van de Faillisse-mentswet is artikel 198 Wetb. v. Kooph. over het faillissement van wisselschuldenaren ingetrokken, op grond dat art. 136 Fw. een algemeenen regel stelt, die het bijzonder geval, in art. 198 Wetb. v. Kooph. behandeld, mede omvat2). De juistheid dezer opmerking zal moeten worden toegegeven.
') Men verg. over het recht van verhaal dor hoofilelijUe schuldenaren in geval van faillissement ile uitvoerige beschouwingen van Mr. F. 1!. Cohen, in Hoofdstuk ML van zijn aangeh. proefschrift (bl. 152 vlg.).
2) Memorie van Toelichting: Belinfante IV, bl. 7 en 10; v. n. Fri.t/. 1, bl. 505.
360
AflTiKRii 122 al. 1.
De vecliter-commissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt.
Door de verwijzing naar eene terechtzitting der rechtbank maakt de recliter-cominissaris bij dit college aanhangig het geschil, dat op de verificatie-vergadering door de betwisting is ontstaan. Het onderwerp van dit geschil is de erkenning der vordering: deze wordt door den sclmldeischer gevraagd, zijn goed recht daartoe door den betwister bestreden. Ten einde door den rechter te doen uitmaken wie van hen gelijk heeft, verwijst de rechter-commissaris partijen, als hij er niet in kan slagen hen te vereenigen.
Een verslag van het gebeurde moet worden opgenomen in het proces-verbaal der vergadering, dat een verhaal bevat van al hetgeen ter vergadering voorvalt. Wat dit procesverbaal omtrent bet gerezen geschil vermeldt, maakt den grondslag uit van het renvooi-proces, waarin de aangevangen strijd wordt voortgezet. Het is dus duidelijk, dat dit proces niet kan loopen over iets anders, dan hetgeen partijen , blijkens liet proces-verbaal, ter vergadering verdeeld hield. De erkenning vragende schuldeischer kan in het renvooi-proces niet erkenning vragen van eene vordering van een ander bedrag of van anderen aard dan waarvan hij ter vergadering de erkenning vroeg; de betwister moet met zijn tegenspraak blijven binnen de daaraan ter vergadering gegeven grenzen.
Dat de vordering, in de verificatie-vergadering gedaan, het renvooi-pi-oces beheerscht, werd meermalen beslist. Men verg. de vonnissen: Rb. Amsterdam 8 April 1887, Pal. v. Just. 1887, n0. 19* (met conclusie van den subst.-officier van justitie Mr. B. Oi!t); Rb. Den Haag 12 Jan. 1892, W. nquot;. 0178, en
367
Rb. Amsterdam 29 Sept. 1893, Mag. v. Handelsr. 1894 , bl. 200. In de laatste zaak was ter vergadering zuivere, daarentegen in het renvooi-proces voorwaardelijke erkenning gevraagd. De rechtbank zag hierin eene verandering van den eisch, die niet geoorloofd is en waarop geen acht mag worden geslagen ').
Dezelfde rechtbank ontzegde aan een schuldeischer, die tegen de toelating zich verzette, het recht in het renvooi-proces op te komen tegen de omschrijving van den aard der schuld, omdat hij daartegen in de verificatie-vergadering geen bedenking had gemaakt (vonnis van 12 Jan. 1894, M. v. Hr. 1894, bl. 192) 2).
Uit de bepalingen omtrent de indiening der vorderingen, met name uit de artt. 110 en 111, blijkt voldoende, dat de schuldeischer, die de erkenning vraagt, de deugdelijkheid zijner vordering heeft aan te toonen. Niet-gestaafde vorderingen behoeven niet te worden toegelaten. Het verzet kan dus eenvoudig hierop gegrond zijn, dat voor de juistheid der vordering geen bewijs is bijgebracht. De enkele betwisting, zonder aanvoering van gronden, mag daarmede worden gelijkgesteld 3). Het renvooi-proces zal dan uitsluitend loopen over de vraag, of voldoend bewijs voor de vordering was geleverd of alsnog in het proces is geleverd. Wordt de laatste vraag bevestigend beantwoord, dan moet niettemin de verzoeker der verificatie in de kosten woi-den veroordeeld, omdat hij de oorzaak is geweest van het proces, door niet eerder de noodige bewijzen te verschafien ^).
Is ten tijde der faillietverklaring reeds een geschil over de vordering tusschen den schuldeischer en den gefailleerde aanhangig, dan heeft, in geval van betwisting der vordering ter verificatie-vergadering, geen verwijzing plaats, maar wordt het tengevolge der faillietverklaring geschorste geding
') Zie in ilonzclfden zin Rb. Amsterdam 1 Mei 1896, P. v. J. 1807, n0. 24. -) Men verg. ook Rb. Amsterdam 5 Juni 1891, P. v. J. 1801, n0. 70.
â¢') Verg. Rb. Amsterdam 17 Jan. 1877, Rerjlsfinl. Hijbl. 1877, B bl. 59, en 150 April 1880, P. o. J. 1880, n0. 20*: Hof Amsterdam 31 Dec. 1880, W. n0. 4598, P,(',clilalt;iel Bijbl. 4882, B bl. 20i; Rb. den Itaag 27 April 180i, W. nquot;. 0517.
'ij Op een en ander schijnt mij niet voldoende gelet in het vonnis van de Rb. te Leeuwarden van 20 Febr. *1885, \V. u0. 5450. â Juist Rb. Amsterdam 4 Nov. 1809. W. nquot;, 3188. Zie ook Rb. Haarlem 22 Dec. 1890, W. n0. 0949.
368
voortgezet tegen dengene, die de betwisting deed en nu de rol van den gefailleerde in het proces overneemt (art. 122 eerste lid j0 art. 29).
Deze regeling is gekozen, omdat door voortzetting van het aanhangige geding het geschil over de deugdelijkheid dei-vordering kan worden uitgestreden, zonder dat het noodig is de strijd van meet af te beginnen, zooals, indien verwijzing was voorgeschreven, in het dan volgende verificatie-proces zou moeten geschieden.
Evenals bij de toepassing van de artikelen 27 en 28 (zie hierboven bl. 1G3) moet het geschil geacht worden aan-hangiij te zijn, als daarover voor den rechter wordt geprocedeerd; het is mitsdien niet aanhangig, als de faillietverklaring wordt uitgesproken, terwijl de termijn voor het instellen van hooger beroep of van beroep in cassatie tegen een in de zaak gewezen vonnis in eersten aanleg resp. in het hoogste ressort loopende is. In dit geval moet verwijzing plaats hebben, maar zal in het renvooi-proces het vóór de failliet-verklaring gewezen vonnis als bewijsmiddel dienst kunnen doen.
Wordt de vordering niet alleen door den curator of door een der schuldeischers, maar ook door den gefailleerde betwist, dan kan de schuldeischer die de erkenning vraagt, nevens den curator of den mede-schuldeischer ook den gefailleerde tot hervatting van het geding oproepen. Wel wordt hem de bevoegdheid daartoe in artikel 29 niet uitdrukkelijk verleend, maar zij wordt hem evenmin ontzegd, terwijl de mede-oproeping van den gefailleerde ongetwijfeld strekt tot vermijding van noodelooze proceduren, welke de wet nimmer geacht kan worden te willen. Slechts wanneer de gefailleerde in zijne betwisting alleen staat, blijft het proces rusten tot na afloop van het faillissement.
Evenmin als het Wetboek van Koophandel wijst de Faillisse-mentswet aan, hoe het met het verificatie-proces moet gaan na homologatie van een akkoord. Bij het onderzoek van dit punt houde men in het oog, dat het renvooi-proces kan worden gevoerd tegen den curator of tegen een mede-schuldeischer of tegen den curator èu een mede-schuldeischer, terwijl onder het vroegere recht nooit tegen een mede schuldeischer alleen
i
369 h
I
gt;
werd geprocedeerd, omdat de curator krachtens art. 834 Wefcb. v. Kooph. in alle verificatie-gedingen, tot bewaring van de rechten des boedels, moest optreden.
Door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie %
van het akkoord eindigt het faillissement (art. IC1 Fw.).
Mitsdien defungeert de cnrator; wordt nu het verificatie proces alleen of mede tegen hem gevoerd, dan is het geval,
genoemd in art. 254 3°, Wetb. v. Burg. Eegtsv., dat de betrekking ophoudt waarin een der partijen het geding voerde,
aanwezig, en wordt dus de loop van het geding geschorst.
De curator kan overeenkomstig art. 256 Wetb. v. Burg. Regtsv.
de oorzaak der schorsing (de homologatie van het akkoord en do feiten, waaruit blijkt dat. deze in kracht van gewijsde is gegaan) aan zijne wederpartij beteekenen, waarna het geding,
zoolang het niet is hervat, niet kan worden voortgezet. Eene conclusie tot schorsing is naast de beteekening van de oorzaak daarvan geheel onnoodig, al schijnt zij in de praktijk voor te komen. Men zie het vonnis van de Rb. te Alkmaar 13 Oct 1892, IF. n0. 6250, waarbij in een renvooi proces aan den curator, die na de homologatie van een akkoord had gedefun-geerd, eene incidenteele vordering tot verklaring, dat het geding is geschorst, werd toegewezen op den overigens juisten grond,
dat onder de belanghehhenden in art. 256 Rv. ook is begrepen degene die zijne betrekking heeft verloren, en niet alleen hij die na de schorsing in het geding behoort op te treden.
Mag het nemen van eene incidenteele conclusie tot geschorst-verklaring van het geding geene juiste wijze van procedeeren heeten, hetzelfde geldt van eene conclusie tot buiten-gedingstelling, van welke sprake is in het vonnis van de Rb. te A.insterdain 20 Juli 1880, W. nquot;. 1622. Althans, met het aangehaalde art. 256 is het nemen van dergelijke conclusies bezwaarlijk te rijmen
Van eene hervatting van het geding tegen den gewezen curator kan natuurlijk geen sprake zijn. Wel zou zulks passen in de leer, door de rechtbank te Amsterdam in het juist geciteerde vonnis verkondigd, »dat zoowel de rechter-com-missaris als de curator, wier functiën omtrent alles wat de verificatie van vorderingen betreft in de wet zijn omschreven ,
hunne qualiteit om deze te vervullen behouden , tot de verifi-
Molkmikaa it, Fuillissementswet. -!k
370
eatie in allen deelt! is afgeloopon welke leer de rechtbauk er toe leidde, hoewel het faillissement reeds lang was geëindigd, toch de gedane vordering tot erkenning als schuld-eischer in het faillissement toe te wijzen, met de last op den heer rechter-commissaris om dien schtildeischer op de lijst der erkende schuldeischers te brengen. Veel kans, instemming te vinden, schijnt mij deze leer niet te hebben. Waarschijnlijk zou zij nooit zijn aangenomen, indien de curator voor schorsing van het geding had gezorgd; doordat hij zich bepaalde tot eene conclusie tot buiten-geding-stelling, werd het geding-feitelijk zonder onderbreking tegen hem voortgezet.
Het is eene andere vraag, of het geding kan worden horvat tegen den schuldenaar, den gewezen gefailleerde. In een geding, waarin de Eb. te Utrecht 13 Juni 1883 , H7quot;. n0. 4929 ') vonnis wees, waren beide partijen overtuigd, dat de schuldenaar het geding heeft voort te zetten. Nadat een akkoord was gehomologeerd, nog vóór dat in het verificatie-proces conclusie van eisch was genomen, verklaarde de procureur, die voor de curators occupeerde, bij procureurs-akte, dat de betrekking van curators had opgehouden tengevolge van de homologatie van het akkoord, en dat hij zich nu procureur stelde voor den gewezen failliet en het ten name van curators aangevangen geding op de laatste gedingstukken wenschte voort te zetten. De eischer in het proces gedroeg zich overeenkomstig dien wensch; hij nam zijne conclusie van eisch tegen den ex-failliet en vorderde daarbij: te worden erkend en toegelaten als schuldeischer en voor dit bedrag te worden geplaatst op de lijst van erkende schuldeischers. In het vonnis wordt in de eerste plaats nagegaan, welken invloed de homologatie van het akkoord op het verificatie-geschil heeft geoefend. De rechtbank overweegt, dat de curators in deze hunne hoedanigheid in geen geval daden van beheer meer kunnen verrichten en dus evenmin als de rechter-commissaris zich met de verificatie van schuldvorderingen kunnen inlaten, noch ook te hunnen name rechtsvorderingen kunnen voortzetten of aanvangen; dat alzoo de nog niet geverifieerde schuldeischers tot erkenning hunner rechten zich hebben te wenden
') Ook opgenomen in Rechtsrjel Bijdr. en Dijbl. 1885, D bl. 165 vlg.
371
tot den gefailleerde, en dat derhalve de eischende firma dezen zon hebben kunnen dagvaarden ter uitbetaling van de bij akkoord bedongen percenten n of ook..., zonder den tijd der uitbetaling af te wachten, tot erkenning van het bedrag harer vordering in hot faillissement, voor welk bedrag, ;ioodra dit was vastgesteld, zij dan van zelf in de bepalingen van het akkoord zou deelenquot;; «dat de eischcr daardoor evenwel niet word verhinderd, om gevolg te geven aan den wensch van den gefailleerde om het geschil â door de verwijzing van den rechter-commissaris bereids bij de rechtbank aanhangig, en dat hetzelfde onderwerp betrof â, met hem voort te zetten, welke handelwijze zeker veel eenvoudiger was dan het aanvangen van een nieuw geding en volgens de bepalingen der wet geoorloofd was, nu artt. 154 en 119 Kv. ten deze toepassing kunnen vinden, doordien de curators, tengevolge van de homologatie van het akkoord als zoodanig haddon gedofun-geerd en de gefailleerde daardoor de beschikking over de goederen, behoorende tot hot faillissement, had herkregen en kan geacht worden do curators in het beheer van den faillieten boedel te zijn opgevolgd De rechtbank overweegt dan verder, dat door den eischer alleen kan worden gevraagd, voor een bepaald bedrag als schuldeischer m het faillissement te worden erkend, niet ook om voor dat bedrag op de lijst der erkende schuldeischers te worden geplaatst, zijnde dit, zoo al mogelijk, in elk geval doelloos. Hot dictum luidde dionover-oenkomstig: quot; erkent de roquirante als schuldeischeresso voor
eon bedrag van____ in het faillissemen van..., en laat haar
voor dit bedrag... in dat faillissement toequot;.
De gefailleerde had in deze zaak, en dit oefende een boslis-senden invloed, zelf het initiatief genomen tot voortzetting van het geding, terwijl do voortzetting ook geen punt in geschil tusschon partijen uitmaakte. Dat de rechter onder die omstandigheden geon overwegend bezwaar had tegen de gevolgde wijze van procedoeren, laat zich verklaren; anders staat de zaak, als do gewezen gefailleerde, door den eischor in zake verificatie tot hervatting van het geding gedagvaard, zich daartegen verzet. De Rb. in den Haag oordeelde bij vonnis van 22 Nov. 1887, W. n0. 5561 , dat de gefailleerde bij het renvooi-proces niet door den curator wordt vertegen-
372
woordigd, on daarom niet kan wordon gedagvaard tot hervatting van dit geding. Do eischerosso had bebooreii te vorderen uitbetaling van do bij akkoord bedongen percenten, u in welk geding dan tevens van zelf de vraag ter sprake was gekomen of en voor welk bedrag de eiseheresse creditrice was Voorts betoogt de rechtbank, «dat een eisch om te worden geplaatst op de lijst van erkende schuIdeiscbers .... alleen kan worden ingesteld tegen den curator, maar niet togen iemand, die failliet is geweest, doch wiens faillissement door een akkoord is geëindigdquot;. Bij ai-rest van het Hof in den Haag van 14 Mei 1888, W. n0. 5564, werd dit vonnis vernietigd, overwegende o. a. «dat do appellant, aan wie zeker het recht niet kan worden ontzegd, het tengevolge der vor-wijzing van den rechter-commissaris bij de rechtbank aanhangig gemaakt later geschorst rechtsgeding te zien beëindigd, tot hervatting van het geding terecht den geïntimeerde heeft gedagvaard , die na de homologatie van het akkoord de beschikking en het beboer van zijn vermogen terugkreeg eu dus zelfstandig kon optreden in het geding, waarin hij vroeger, tijdens hij in staat van faillissement verkeerde, moet worden geacht door den curator te zijn vertegenwoordigdquot;. In do on mogelijkheid van plaatsing op de lijst der schnIdeiscbers zag het Hof geen bezwaar, omdat moet worden beslist,« of voor de app., ten tijde dat zij haar gepretendeerd recht wilde geldig maken, het recht al of niet bestond, zonder dat daarop de schorsing en latere hervatting van het geding van invloed kunnen zijn; dat ook niets kan afdoen, dat door later zicli voordoende omstandigheden de uitoefening van het beweerde recht onmogelijk zon worden gemaakt, daar zulks toch niet ten gevolge kan hebben, dat de rechter zich zou mogen onttrekken aan de beoordeeling van het bij hem over het al of niet bestaan van dat recht aanhangig gomaakt geschilquot;.
De Rechtbank te Amsterdam 6 Fobr. 1891, P. v. J. 1891 nquot;. 32, verklaarde eveneens de vordering tegen den schuldenaar tot hervatting van het, na homologatie van een akkoord, geschorste verificatie-geschil ontvankelijk. Het renvooi-proces werd in dit geval gevoerd tegen een mede-sehuldeischer en tegen de curators als optredende tot bewaring van do rechten des boedels, en was geschorst door de beteekening van het
373
na homologatie van oen akkoord aan de curators verleende ontslag. In hooger beroep werd dit vonnis door het Hof te Amsterdam (14 April 1893, Mag. v. Handelsr. 1893, bl. 200 vlg.; W. n0. 6381) bevestigd, op grond dat aan den eischor hot recht op hervatting van het geding, met liet oog op art. 258 Wetb. v. Burg. Eegtsv., niet kan worden ontzegd, terwijl na beëindiging van het faillissement niemand anders voor den schuldenaar kan optreden dan deze zelf.
Anders dacht de Hooge Raad over de zaak. Bij arrest van 30 Nov. 1893 (Mag. v. Handelsr. 1894, bl 45; W. nquot;. (3437) werd het arrest van het Hof gecasseerd en de eisch tot hervatting van het geding alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Art. 258 Wetb. v. Burg. Regtsv. brengt volgens den Hoogen Baad geenszins mede, «dat elk geschorst geding vatbaar zou wezen voor hervatting, daar uit artt. 275 en 301 B. W. al reeds blijkt, dat er gedingen zijn onvatbaar voor hervatting, dat is voortzetting, en dat zulks ook het geval is met verificatie-geschillen , gelijk hier nog hangende op het oogenblik, dat het faillissement door een akkoord wordt beëindigd; â dat toch het samenstel van middelen, om bij faillissement op eene snelle, eenvoudige en min kostbare wijze tot erkenning der vorderingen togen een failliet te geraken, onverbrekelijk samenhangt met de geheele regeling van het faillissement als algemeen beslag, alzoo met het einde van dien vermogenstoestand noodzakelijk zijne toepasselijkheid verliest, en die toepasselijkheid door goene handelingen van procesvoering kan behoudenquot;.
Al wordt in het arrest nog bovendien in aanmerking go-nomen, dat de curators in het i-envooi-proces slechts waren betrokken uit kracht der bepaling van het eerste lid van art. 834 Wetb. v. Kooph., de volstrekte algemeenheid der medegedeelde overwegingen wordt daardoor niet weggenomen. Uitdrukkelijk wordt daarin uitgesproken de onvatbaarheid van verificatie-geschillen voor hervatting, onverschillig of het geschil wordt gevoerd tegen den curator dan wel tegen een inede-schuldeischer, onverschillig ook of de curator de vordering betwist of, zooals vroeger kon geschieden, zich buiten het geschil houdt.
Dat hervatting van het geding tegen den mede-schukl-eischer, die de betwisting had gedaan, niet mogelijk is,
374
had ook de Rechtbank te Amsterdam juist in deze zaak aangenomen, waarin oorspronkelijk èn de mede-scbuldeischcr èn de curator tot hervatting waren gedagvaard. Boor de rechtbank werd de vordering tegen den mede-schnldeischer niet-ontvankelijk verklaard, in welke beslissing door partijen werd berust.
Wordt het renvooi-proces, wat vroeger niet kon voorkomen, alleen tegen den mede-schuldeischer gevoerd, dan is schorsing van het geding op grond van de homologatie van het akkoord niet mogelijk, daar alsdan de homologatie ten opzichte van geen van beide partijen een der in art. 254 Wetb. v. Burg. Regtsv. genoemde omstandigheden in het loven roept. Het geding gaat dus voort, en de Rb. te Amsterdam 20 Juli 1880 (hierboven bl. 369 aangeh.) 1) meende zelfs de oorspronkelijke vordering tot ongegrondverklaring van het verzet, tot erkenning als schuldeischer in het faillissement en tot het geven van last tot plaatsing op de lijst der erkende schuldeischers te kunnen toewijzen. Tot deze onpractische en onuitvoerbare uitspraak kwam de rechtbank blijkbaar door de verkeerde opvatting, dat zij bij de beoordeeling der zaak alleen mocht letten op den toestand, zooals die was ten tijde van den aanvang van het geding door de verwijzing van den rechtercommissaris, zonder rekening te mogen houden met de veranderingen, welke na de dagvaarding daarin hadden plaats gegrepenquot;). De onjuistheid van deze meening is door Mr. J. Gekejtzen, in zijn proefschrift: Het ontstaan en tenietgaan van de actie gedurende het proces (Leiden 1892) duidelijk aangetoond (zie bl. 96 vlg.). Met den gedurende den loop van het geding door de homologatie van het akkoord in het leven getreden toestand heeft de rechter wel degelijk bij zijn uitspraak rekening te houden. Van eene erkenning als schuldeischer m /(wiits-sement kan geen sprake meer zijn. Hieruit volgt nog niet, dat het proces onvatbaar zou zijn voor voortzetting en beslissing. Als ongegrondverklaring van het verzet tegen de verificatie is
1
) In ileze zaak gotii tiet een renvooi-proces tegen een tnede-schnlileisclicr en den curator , optredende ingevolge art. 834 Wetb. v. Kooph.
-) Dezelfde verkeerde voorstelling wordt aangetroffen in het vonnis van de Rechtb. te Amsterdam van 27 Juni 1879, Itechtsijel. Bijbl. '1879, li bl. 320 (=; 26 Juni 1879, P. v. J, 1879 n0. 38*).
375
gevorderd, zal deze uitdrukkelijk kunnen worden uitgesproken , terwijl de rechter in elk geval zal moeten onderzoeken, of de betwisting gerechtvaardigd was, ten einde uitspraak te kunnen doen over de kosten. Men houde daarbij in het oog, dat de gegrondheid der vordering niet bewijst dat de betwisting niet gerechtvaardigd was; deze is ook dan gerechtvaardigd, als voor de later gegrond blijkende vordering ter verificatie geen bewijzen waren bijgebracht De betwistende schuldeischer mag in dit geval niet als de oorzaak van het proces worden beschouwd ').
Wij komen derhalve tot de conclusie, dat het verificatieproces tegen een mede-schuldeischer na de homologatie van een akkoord alleen kan loopen over de vraag wie de kosten moet betalen, en zouden meenen, dat, als het proces werd gevoerd tegen een mede-schuldeischer èn den curator en werd geschorst op initiatief van den laatste, hervatting tegen den mede-schuldeischer mogelijk is, tor beslissing ook in dit geval uitsluitend van de kosteuquaestie.
') Zie hierboven bl. 3C7.
375
gevorderd, zal deze uitdrukkelijk kunnen worden uitgesproken, terwijl de rechter in elk geval zal moeten onderzoeken, of de betwisting gerechtvaardigd was,ten einde uitspraak te kunnen doen over de kosten. Men houde daarbij in het oog, dat de gegrondheid der vordering niet bewijst dat de betwisting niet gerechtvaardigd was; deze is ook dan gerechtvaardigd, als voor de later gegrond blijkende vordering ter verificatie geen bewijzen waren bijgebracht. De betwistende schuldeischer mag in dit geval niet als de oorzaak van het proces worden beschouwd 1).
Wij komen derhalve tot de conclusie, dat het verificatieproces tegen een mede-schuldeischer na de homologatie van een akkoord alleen kan loopen over de vraag wie de kosten moet betalen, en zouden meenen, dat, als het proces werd gevoerd tegen een mede-schuldeischer èn den curator en werd geschorst op initiatief van den laatste, hervatting tegen den mede-schuldeischer mogelijk is, ter beslissing ook in dit geval uitsluitend van de kostenquaestie.
241
1
Zie hierboven bl. 367.
Mot.engraaff, FaillisseiDentswet.
ZESDE AFDEELING.
Van het akkoord
§ 1. Algemeene beschomvingen (art. 138).
Reeds de oudste faillietenwetten kenden als middel tot beëindiging van Let faillissement eene minnelijke regeling tussehen den failliet en zijne selmldeiscliers betreffende de wijze, waarop de laatsten voldoening zouden ontvangen. Niet altijd eeliter was iedere regeling toegelaten, met name niet eene welke betaling van percenten der vorderingen met kwijtschelding van de rest inhield. Wèl schijnt reeds spoedig het akkoord, de technische term voor deze regelingen, het karakter te hebben verkregen van een dwanj/akkoord, d. w. z. dat het, aangenomen door eene bepaalde meerderheid der schuldeischers, verbindend was voor de minderheid.
De moderne faillietenwetten behandelen alle het akkoord als dwangakkoord. Als zoodanig kwam het voor in het Wetboek van Koophandel, en is het ook geregeld in de geldende wet. Uitdrukkelijk zegt art. 157 : âhet gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijnquot;, en in overeenstemming daarmede wordt in art. 138 de gefailleerde bevoegd verklaard aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden.
De wet bevat geen definitie van het akkoord, bepaalt dus niet welken inhoud het moet of kan hebben. Sommige artikelen geven echter omtrent den mogelijken inhoud van het akkoord eenige aanwijzingen. Zoo woi'dt in art. 50 melding gemaakt van een akkoord dat wboedelafstand inhoudt«; spreken de artt. 153 tweede lid 1° en 171 eerste lid resp.
377
van de »som bij het akkoord bedongenquot; en van u de bij het akkoord toegezegde percenten « ; veronderstelt art. 162 tweede lid, dat bij het akkoord bepalingen zijn gemaakt, krachtens welke de goederen, gelden, boeken en papieren onder het beheer van den curator blijven. Hieruit blijkt voldoende, dat de wetgever omtrent den inhoud van het akkoord volkomen vrijheid heeft willen laten. Dat sommige regelingen in het bijzonder zijn vermeld, en met het oog daarop enkele bepalingen zijn gemaakt, vindt zijne verklaring in het feit, dat deze de meest voorkomende zijn.
Het akkoord kan dus tot inhoud hebben iedere regeling, welke geschikt is ter bereiking van het doel, waartoe de instelling in het leven is geroepen. Ten einde dit doel te leeren kennen, heeft men den toestand, welke intreedt als een akkoord niet tot stand komt, te vergelijken met dien welke door de homologatie van een akkoord wordt geschapen. Het kenmerkende verschil blijkt dan hierin gelegen te zijn, dat in het eerste geval insolventie, d. w. z. gerechtelijke vereffening van den boedel volgt, terwijl in het tweede de insolventie achterwege blijft en het faillissement een einde neemt. Het doel van het akkoord is mitsdien voorkoming van de gerechtelijke vereffening des boedels, voorkoming van de insolventie.
Tot bereiking van dit doel kan dienen; betaling van percenten met kwijtschelding van het tekortkomende, boedelafstand, betaling in termijnen, overneming van het bedrijf des gefailleerden door de schuldeischers, i. e. w. ieder denkbare wijze van bevrediging der schuldeischers.
Noodwendig bestanddeel van een akkoord mag derhalve alleen worden genoemd: de bevrediging der schuldeischers op eene buitengerechtelijke wijze, in tegenstelling tot de insolventie: de door de wet aangewezen wijze van vereffening1). Hieruit volgt, dat het akkoord een kwijtingselement kan, maar niet noodzakelijk behoeft te bevatten. Den schuldenaar wordt niets kwijt gescholden, wanneer het akkoord bijv. betaling van 100 0/0 met de rente, in termijnen, vaststelt,
') Verg. de Mmiey. Oyews, De beginselen uan hel heclenduacjsche faillietenrecht, bl. 263 v.
378
of, wat in geenen deele ondenkbaar is, al zal het niet vaak voorkomen, dadelijke betaling van 100 0/0.
Minder nauwkeurig is dan ook de Memorie van Toelichting1), waar zij zegt, dat het doel van het akkoord is, » eene buitengerechtelijke voldoening der schuldeischers met bevrijding des schuldenaars te stellen in de plaats van de gerechtelijke liquidatie met blijvende aansprakelijkheid des schuldenaars voor het tekortkomendeTe veel is bij deze omschrijving gelet op het meest voorkomende geval.
Immers, toegegeven moet worden, dat het akkoord in den regel kwijtschelding inhoudt van een deel der vorderingen. Dit geldt uit den aard der zaak van alle akkoorden, welke de betaling van percenten vaststellen, en feitelijk van de meeste akkoorden houdende boedelafstand, de zoogen. liquidatieakkoorden.
Naar aanleiding van het Ontwerp der Staatscommissie werd de vraag opgeworpen, of aan de kwijtschelding bij akkoord door de wet grenzen behooren te worden gesteld, i. h. b. wanneer het akkoord de betaling van percenten inhoudt. Door sommige Kamers van Koophandel werd daarop in hare adviezen aangedrongen. Ook in het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer vond dat denkbeeld weerklank. âTegenwoordigquot; , aldus heet het daar, «is het akkordeeren met enkele percenten geen zeldzaamheid, en hierin werd voor de crediteuren weinig voordeel, voor het publiek belang groote benadeeling gezien. Het verdiende, meenden sommigen, de voorkeur, het percentage vast te stellen, beneden hetwelk een akkoord niet tot stand mocht komen. De te trekken grens zal natuurlijk eenigszins willekeurig wezen; dit is evenwel geene reden om haar achterwege te laten. De hierbedoelde leden meenden, dat het cijfer van 10 pet. gevoegelijk daarvoor kon worden aangenomenquot;. Anderen deelden echter deze zienswijze niet. ;; Eene grens warequot;, naar hun oordeel, »hoe men haar ook trekken moge, geheel willekeurig. Waar men aan de partijen de gelegenheid laat, tot een vergelijk te komen, kan men bezwaarlijk vooraf vaststellen, op welken grondslag dat vergelijk tot stand moet komen. Het vaststellen daarvan zou
') Belinfante I, bl. 134; v. d. Feltz II, bl. 146.
379
bovendien in vele gevallen er slechts toe leiden, dat nog meer dan thans werd aangeboden en aangenomen een akkoord , waarbij een zeker aantal percenten contant wordt voldaan, en omtrent een aantal andere betaling in jaarlijkscbe termijnen wordt beloofd. De betaling in termijnen zou dan reeds aanstonds of na korten tijd achterwege blijvenquot;.
De Regeering stemde bij haar Antwoord met deze bestrijding
geheel in, onder opmerking dat: « dergelijke bepaling.....
ook het aanbieden van akkoorden, hondende boedelafstand (zoogenaamde liquidatie-akkoorden), zeer in de hand (zou) werken, veeltijds niet tot meer voordeel van de schuldeischers. Dit ware alleen tegen te gaan door de liquidatie-akkoorden bepaald te verbieden, wat zeker niet wenschelijk zou zynquot; 1).
Laat de wet dus in het algemeen den schuldeischers vrijheid zooveel van hunne vorderingen prijs te geven, als zij zei ven oorbaar achten, toch is die vrijheid niet onbeperkt. Ieder faillissement stelt daaraan zijn eigen grens. Deze wordt aangewezen in het tweede lid van art. 153. De homologatie moet worden geweigerd, «indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan«. In deze bepaling ligt opgesloten een verbod van akkoorden, bepalende de uitbetaling van een som, die aanmerkelijk blijft beneden de waarde des boedels.
Bovendien verbiedt hetzelfde artikel der wet akkoorden, waarvan de nakoming niet voldoende is gewaarborgd. Beide voorschriften houden verband met het dwingende karakter van het akkoord. Zij trachten te waken tegen verkorting van de belangen der minderheid, d. w. z. der tot het akkoord niet toegetreden schuldeischers.
Men mag zelfs verder gaan, en, lettende op de bevoegdheid des rechters om naar eigen inzicht al dan niet op het gesloten akkoord zijn fiat te verleenen, de stelling aanvaarden, dat het akkoord in het algemeen niet mag inhouden een ongemotiveerd prijsgeven van rechten door de schuldeischers. Dit te beoordeelen is de taak van den rechter. Hij heeft daarbij rekening te houden met de omstandigheden van ieder bijzonder
') Belinfante II, bl. 117 vlg.; v. d. Feltz II, bl. 146 vlg.
380
geval. Onze slotsom moet dus luiden : het akkoord lean in de plaats van de gerechtelijke vereffening {de insolventie) stellen ieder denkbare wijze van huitengerechtelijke bevrediging der schuld-eischers, ivelke in concrete naar 'srechters oordeel niet onbillijk is te achten.
Meer nog dan de mogelyke inhoud van het akkoord heeft het rechtskarakter daarvan onder de vroegere wetgeving een punt van beschouwing uitgemaakt.
Het geschil over de vraag, of het akkoord moet worden besckouwd als eene overeenkomst dan wel als een vonnis, behoorde zelfs tot de meest bekende controversen van het faillietenrecht1). Hare beantwoording was practisch van groot belang wegens het stilzwijgen van het Wetboek van Koophandel over de gevolgen van het niet-nakomen van het akkoord, en den daardoor ontstanen strijd over het recht, dat de schuldeischer kon doen gelden, jegens wien aan het akkoord niet werd voldaan, aan wien bijv. de toegezegde percenten niet werden uitbetaald.
Van een vonnis kan alleen nakoming worden gevorderd, van eene overeenkomst, als zij behoort tot de wederkeerige, hetzij nakoming, hetzij ontbinding, ter keuze van den schuldeischer. Het rechtskarakter, dat aan het gehomologeerde akkoord moest worden toegekend, was derhalve beslissend voor het recht van den niet-bevredigden schuldeischer, op grond van wanpraestatie ontbinding van het akkoord te vorderen.
De Faillissementswet heeft aan de oude strijdvraag hare practische beteekenis ontnomen. De gevolgen van de niet-na-koming van een gehomologeerd akkoord worden daarin uitdrukkelijk geregeld. In verband daarmede wordt in de Memorie van Toelichting het rechtskarakter van het gehomologeerde akkoord besproken en aangewezen welke opvatting bij het ontwerpen van de bepalingen der wet als uitgangspunt heeft gediend.
«Hoewelquot;, leest men in de Memorie, ,/het gehomologeerde akkoord in vele opzichten met een vonnis gelijkstaat, is het toch in zijn wezen niets anders dan een door den rechter, d. i. bij eene rechterlijke beschikking (vonnis in den ruimeren
') Verg. Kist, a w., dl. 6. bl. -145 vlg.; dè Marez Oyens, a. w., bl. 307 vlg.
381
zin des wocrds: Fa ure , Het Ned. burgerlijk procesrecht, dl. TL, 2de druk, bl. 127 vlg.), bekrachtigde overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne schuldeischers. Tegen deze beschouwing kan niet obsteeren, dat over het akkoord bij meerderheid van stemmen beslist wordt en dat deze beslissing ook verbindend is, niet alleen voor de niet-geverifiëerde schuldeischers , maar zelfs voor hen die tegenstemden. Dit toch vindt zijne eenvoudige verklaring daarin, dat de wet vie gezamenlijke schuldeischers van den gefailleerde als eene ver-eeniging van personen beschouwt en behandelt. Kaast de vereeniging uit overeenkomst staat die uit de wet. Met eene zoodanige heeft men hier te doen. De gemeenschap van belangen, de noodzakelijkheid besluiten mogelijk te maken die alle schuldeischers binden, rechtvaardigen deze wijze van behandeling
a Het akkoord is dus eene overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers. Zij behoeft echter rechterlijke goedkeuring, evenals in vele gevallen de overeenkomst van boedelBcheiding.
âDe rechterlijke beschikking nu, waarbij die goedkeuring gegeven wordt, heet het vonnis van homologatie, gelijk rechterlijke beschikkingen in het algemeen vonnissen genoemd worden. Daardoor kan echter nimmer aan de handeling haar karakter van overeenkomst ontnomen worden -)quot; 1).
Blijkens het Yerslag der Commissie van voorbereiding kwamen bij het onderzoek van het wetsontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer slechts â enkelen quot; tegen deze voorstelling op, en wel op grond van art. 1356 Burg. Wetb. //Het akkoord kan... tot stand komen, zonder dat alle schuldeischers hunne toestemming verleenen, en daarbij wordt dus het karakter gemist, dat volgens genoemd artikel aan alle overeenkomsten eigen moet zijn« ; aldus luidde hun bezwaar. De Regeering bepaalde zich bij haar Antwoord tot eene verwijzing naar het in de Memorie van Toelichting ontwikkelde. Zij herhaalde: u De gezamenlijke schuldeischers van den gefailleerde worden
1
Belinfante I, bl. 134; v. d. Feltz II, bl. 145 vlg.
382
door de wet beschouwd en behandeld als eene vereeniging van personen. De toekenning van het karakter eener overeenkomst aan het akkoord vindt daarin hare verklaring« 1).
Het mag overbodig heeten hier nader te onderzoeken, of naar de geldende wet het gehomologeerde akkoord inderdaad als een overeenkomst, niet als een vonnis, moet worden beschouwd 2). Immers, het werd hierboven reeds opgemerkt, het practische gewicht der vraag is vervallen door de bepalingen omtrent de niet-nakoming van het akkoord. Bovendien volgt uit die bepalingen, dat, wanneer men het vonnis van homologatie als het verbintenis-scheppende feit meent te moeten beschouwen, dan toch dit feit het karakter heeft van een quasi-contract, daar uit krachte van het vonnis de gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers tot elkander komen te staan in dezelfde positie, als hadden zij overeengekomen wat inhoud is van het akkoord. Het lijdt althans geen twijfel, dat de wet bedoelde hen te behandelen als partijen bij een overeenkomst, en het is uit dien hoofde bloot eene quaestie van constructie, of men als bron der verbintenis tusschen den gefailleerde eenerzijds en zijne gezamenlijke schuldeischers anderzijds met de Memorie van Toelichting eene overeenkomst aanneemt, dan wel een vonnis3). In elk geval zullen de bepalingen omtrent verbintenissen uit overeenkomst toepasselijk zyn, omdat de wet partijen als door overeenkomst verbonden heeft willen behandelen.
In ieder faillissement kan een akkoord tot stand komen; art. 138 luidt geheel algemeen; «De gefailleerde is bevoegd een akkoord aan te biedenquot;. Slechts twee uitzonderingen worden door de wet op dezen algemeenen regel gemaakt; in art. 202 wordt »de zesde afdeeling van dezen titelquot;, d.w.z. de Afdeeling: «van het akkoordquot;, niet toepasselijk verklaard op het faillissement eener nalatenschap, terwijl art. 170 bepaalt, dat na de heropening van het faillissement niet opnieuw een
1
') Belinfante II, bl. â¢H7; v. d. Feltz II, bl. 146 vlg.
2
) Men verg. behalve de literatuur, vermeld in de Memorie van Toelichting (Belinfante I, bl. quot;133, n41; v. d Feltz II, bl. 144, n'l); M. J. Claasf.n, de werking van het gerechtelijk dwangaccoord op borgtocht, Prft. 1887, bl. 4 v., en C. J. M. Wilde, het rechtskarakter der ichuldbevrijding door consignatie, Prft. 1893, bl. 75 v.
3
) Tot het laatste helt blijkbaar ooer Mr. Veegens, a. w., bl. 151 (op art. 156.)
383
akkoord kan worden aangeboden. De eerste uitzondering zal hieronder worden toegelicht in verband met de overige bepalingen omtrent het faillissement eener nalatenschap, de tweede houdt verband met het beginsel, voor alle faillissementen geldende, dat slechts eenmaal gelegenheid tot het aanbieden van een akkoord wordt gegeven. Dit beginsel is neergelegd in art. 158: «na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen akkoord meer aanbiedenquot;. Het faillissement nu, waarvan sprake is in art. 170, is geen nieuw, maar een heropend faillissement, eene voortzetting, wederopneming van een reeds bestaand faillissement.
De Memorie van Toelichting voert bovendien aan, dat de schuldenaar, wiens gehomologeerd akkoord wegens niet-nako-ming daarvan is ontbonden, onwaardig is, na de heropening van het faillissement andermaal te worden toegelaten tot het voorrecht, een akkoord te mogen aanbieden. /,Ook'', aldus lezen wij verder, «mogen de schuldeischers niet blootgesteld worden aan eene herhaling van het reeds ondervondene, aanneming van het akkoord en vervolgens... ontbinding daarvan op gelijken grond, waardoor wederopvatting van 't faillissement voor de tweede maal noodig zou wordenquot; â¢).
Het stelsel der wet, geen onderscheid te maken tusschen schuldenaren die al dan niet door eigen schuld hun faillissement hebben veroorzaakt, noch ook tusschen schuldenaren die te goeder dan wel te kwader trouw zijn (zie hierboven bl. 28 vlg.), brengt mede, dat ook op de bevoegdheid tot aanbieding van een akkoord bedoelde omstandigheden geen invloed oefenen. Reeds het Wetboek van Koophandel had dit aangenomen. Ook de schuldenaar, die vervolgd kan worden, vervolgd wordt of veroordeeld is wegens bankbreuk, kan een akkoord aanbieden, en dat het een of het ander het geval is, mag voor den rechter nooit een reden wezen, van een overigens aannemelijk akkoord de homologatie te weigeren.
Het akkoord wordt door den failliet aangeboden aan zijne gezamenlijke schuldeischers (art. 138). Men deukt daarbij in de eerste plaats aan de geverifieerde schuldeischers. De uit-
') Belinfante I, bl. 147; v. D. Feltz II, bl. 203 v.
384
drukking omvat echter meer, blijkens art. 157. Voor alle, óók voor de niet-geverifieerde schuldeischers, mits zij geen voorrang hebben, is het gehomologeerde akkoord verbindend. Deze vérstrekkende bepaling is noodzakelijk, ten einde het akkoord aan zijn doel te doen beantwoorden. Dit doel toch, het werd hierboven betoogd, is aan de algemeene executie van het vermogen des sclmldenaars een einde te maken, op de voorwaarden bij het akkoord aangegeven. Het zou niet worden bereikt, indien er nog schuldeischers overbleven, die, zich het akkoord niet behoevende te laten welgevallen, algeheele voldoening zouden kunnen eischen en bij gebreke daarvan tot verhaal op het vermogen overgaan.
Het akkoord is verbindend voor alle schuldeischers, mits zij geen voorrang hebben. Buiten het akkoord staan dus de bevoorrechte schuldeischers en de schuldeischers, wier vordering door pand of hypotheek is verzekerd, onverschillig of zij als schuldeischer in het faillissement bekend staan of niet. Ook de niet-geverijieerde bevoorrechte schuldeischer, pand- of hypotheekhouder heeft recht op integrale betaling, voor zoover hij kan aantoonen dat zijne vordering door het onderpand is gedekt. Daarentegen wordt, wie als concurrent schuldeischer is geverifieerd, door het akkoord gebonden, ook al kan hij bewijzen, dat hij heeft verziümd een recht van voorrang op te geven (zie hierboven bl. 829).
Herhaaldelijk is bij de behandeling der wet de vraag gedaan, of het akkoord ook verbindend is voor schuldeischers, die een recht van terughouding kunnen uitoefenen. Het Verslag der Commissie van voorbereiding bracht de quaestie ter sprake bij art. 143 en bij art. 153 tweede lid 1°.
In de Memorie van Toelichting') op art. 153 werd opgemerkt:
;/ Daar... het recht van terughouding geen voorrang geeft, staat de vordering door dit recht verzekerd ten aanzien van het akkoord, dat het vorderingsrecht zelve aantast, op eene lijn met alle andere concurrente schuldvorderingen. De goederen, waarop het recht wordt uitgeoefend, maken deel uit van den gemeeaschappelijken boedelquot;.
Dit standpunt is de Eegeering blijven innemen. Het strookt
') Belinfante I, bl. 141; v. d. Feltz II, bl. 177.
385
met den aard van het recht van terughouding volgens het Burgerlijk Wetboek.
Nergens wordt aan dit recht een voorrang verbonden, nergens bepaald dat het een bijzonder recht van executie in zich sluit. Het geeft niet meer dan de bevoegdheid, tot aan de betaling de goederen onder zich te houden. De schuld-eischer, die recht van terughouding heeft, is dns concurrent schuldeischer, al zij het met deze eigenaardigheid, dat hij de zaak, die het voorwerp is van zijn retentierecht, niet behoeft af te geven, zoolang zijne vordering niet ten volle is voldaan 1). Komt een akkoord tot stand, dan is dit voor hem als concurrent schuldeischer verbindend evenals voor alle andere concurrente schuldeischers. Hij kan als dezen alleen aanspraak maken op voldoening overeenkomstig den inhoud van het akkoord, op betaling bijv. van de akkoord-percenten. Zoolang hij die percenten niet heeft ontvangen, mag hij terughouden, maar ook niet langer. Hij moet afgeven, zoodra het akkoord jegens hem is nagekomen, hoe luttel ook het bedrag moge wezen dat hij ontvangt, omdat hij ten volle is voldaan, als hij heeft ontvangen, wat hem volgens het akkoord toekomt.
§ 2. Indiening en behandeling van het akkoord (artt. 139â149).
Omtrent de aanbieding van het akkoord geeft de wet stellige voorschriften. Zij onderscheidt tijdige en niet-tijdige aanbieding.
Onder tijdige aanbieding verstaat zij aanbieding van het akkoord ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie der schuldvorderingen. De aanbieding geschiedt alsdan door nederlegging van een ontwerp van akkoord ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht. Krachtens de bepaling van art. 17 tweede lid zijn de beide exemplaren van het ontwei-p en van de eventueel daaraan toegevoegde bijlagen vrij van zegel en van de formaliteit van registratie. Deze stukken liggen ter aangegeven plaatse ter inzage van een ieder, en wel volgens art. 139 eerste lid kosteloos.
De schuldenaar heeft bovendien een afschrift van het
') Zie hierboven bl 239 vlg.
Molengbaaff , Faillissementswet.
25
386
ontwerp van akkoord, waarop art. 17 tweede lid eveneens van toepassing is, toe te zenden aan den curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers, indien de rechtbank dergelijke commissie heeft benoemd. De curator wordt daardoor in staat gesteld, overeenkomstig de bepaling van art. 115, bij de doordat artikel voorgeschreven nadere oproeping der schuldeischers tot de verificatie-vergadering, te vermelden dat het ontwerp-akkoord ter griffie is nedergelegd.
Indien de nederlegging tijdig heeft plaats gehad wordt over het akkoord geraadpleegd en beslist op de verificatievergadering (art. 139 al. 1), behoudens het geval van art. 141 n0. 1, d. w. z. tenzij staande de vergadering eene definitieve commissie uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen, die de voorloopige commissie uitmaakten, en de meerderheid der verschenen schuldeischers van de nieuw benoemde commissie een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt.
Niet-tijdige indiening van het akkoord heeft plaats, als het door den schuldenaar minder dan acht dagen vóór de verificatievergadering ter griffie wordt neergelegd (art. 141 nquot;. 2) of wel staande de verificatie-vergadering wordt aangeboden. Dat staande de verificatie-vergadering een akkoord wordt aangeboden, wordt in art. 173 als mogelijk aangenomen. Bovendien wordt nergens nederlegging van het akkoord ter griffie verplicht gesteld. Art. 139 spreekt veronderstellenderwijze.
Over het niet tijdig ingediende akkoord wordt eveneens geraadpleegd en gestemd in de verificatie-vergadering1). Het
1
) Dit volgt uit het voorschrift van art. quot;141, dat de raadpleging en beslissing alleen in de daar genoemde gevallen mogen worden uitgesteld. In het Voorstel der Staatscommissie en in het Regeeringsontwerp handelde art. 139 over het geval, waarin het akkoord dadelijk moest worden behandeld, art. 141 over die waarin de behandeling moest worden uitgesteld, üitstel zou altijd geschieden in geval van niet-tijdige indiening; vandaar dat van de niet-tijdige indiening ook alleen werd gesproken in verband met het uitstel der behandeling. De Commissie van voorbereiding had hiertegen bezwaar; het zou den failliet te veel belang geven bij niet-tijdige indiening. Om aan deze bedenking tegemoet te komen, werd het uitstel
387
eenige gevolg van het niet-tijdige der aanbieding is hierin gelegen, dat de raadpleging en beslissing, behalve in het reeds besproken, in art. 147 n0. 1 vermelde, geval, bovendien nog worden uitgesteld als de meerderheid der verschenen schuldeisehers zulks verlangt. Feitelijk zal dus uitstel plaats hebben als, om welke redenen dan ook, de meerderheid der schuldeischers dit wenschelijk acht.
In de vergadering wordt na afloop der verificatie (art. 189 al. 1), in de eerste plaats door den curator en, zoo zij er is, ook door de voorloopige commissie uit de schuldeischers, en wel door ieder afzonderlijk, een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord voorgedragen (art. 140) '). Deze adviezen vervallen uit den aard der zaak, als het akkoord zóó kortte voren is ingediend, dat voor het opmaken van een advies de gelegenheid heeft ontbroken, alsook wanneer het akkoord staande de vergadering wordt aangeboden. Artikel 140 ziet op het normale geval van tijdige indiening van het akkoord, behandeld in het daaraan voorafgaande artikel.
De genoemde personen (curator en commissie uit de schuldeischers) zijn volgens art. 140 verplicht een schriftelijk advies te geven. Evenwel wordt de dadelijke raadpleging en beslissing over het akkoord van de nakoming dier verplichting niet afhankelijk gesteld; blijkens art. 141 is de niet-nakoming dier verplichting, het ontbreken van het advies, zelfs geen grond tot uitstel van behandeling. Verwaarloozing van de besproken verplichting kan echter, wat den curator betreft, tot toepassing
in art. 141 n0. 2 afhankelijk gemaakt van een daartoe strekkend besluit van de meerderheid der verschenen schuldeischers. De oorspronkelijke gedachtengang, aan de artikelen 130â'141 ten grondslag liggende, is daardoor eenigszins verstoord, terwijl zich daaruit tevens laat verklaren, dat de wijze van behandeling bij niet-tijdige indiening in de wet niet stellig is aangewezen, maar uitart.141 moet worden afgeleid.
') De artikelen 140 en 141 1° vorderen een //schriftelijk advies//. Even zoo art. 152 een //schriftelijk rapport/'. Deze eisch heeft ten doel te voorkomen dat het uitbrengen van advies of van rapport ontaarde in eene bloote formaliteit (Belinfante I. bl. 135; v. d. Fei.tz II, bl. 155). Het op schrift stellen van het advies of rapport dwingt meer zich rekenschap te geven van de zaak, dan eene mondelinge voordracht. Het spreekt overigens van zelf, dat het schriftelijke advies of rapport moet worden voorgedragen. Overlegging is niet voldoende. Werd het schriftelijk stuk niet voorgelezen, het zou zijn doel, te strekken tot voorlichting der aanwezigen, geheel missen.
388
van artikel 73 (ontslag van den curator) aanleiding geven. Wat aangaat de commissie uit de schuldeisehers heeft de wetgever gemeend zich te moeten verlaten op het plichtgevoel harer leden
Terwijl uitstel van de raadpleging en beslissing over het akkoord in de door de wet genoemde gevallen door een der schuldeischers kan worden voorgesteld , zoowel vóór als na het uitbrengen der adviezen, is het altijd wenschelijk eerst na het aanhooren daarvan over zoodanig voorstel te laten beslissen. De schuldeisehers zijn dan in de gelegenheid bij het uitbrengen van hun stem met den inhoud der adviezen rekening te houden.
Het uitstel heeft plaats, als de meerderheid der verschenen schuldeischers zulks verlangt (art. 141). Blijkbaar is art. 81 in dit geval dus niet van toepassing. Ieder verschenen schuldeischer brengt één stem uit. Was de meerderheid, berekend volgens artikel 81, bedoeld, de redactie (van art. 141) zou hebben moeten luiden onder 1°.: wen de vergadering (of: de schuldeisehers) van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt (verlangen) «; onder 2°.: i/en de vergadering (of: de schuldeischers) zich voor uitstel verklaart (verklaren)quot;.
Hoewel het artikel dit niet uitdrukkelijk zegt, mag toch worden aangenomen, dat met de verschenen schuldeischers alleen bedoeld zijn de verschenen tot stemming over het akkoord gerechtigde schuldeischers, m. a. w. de verschenen concurrente schuldeischers, zoowel de erkende als de voorwaardelijk toe-gelatene. Immers het ware volkomen irrationeel aan te nemen, dat schuldeischers, die buiten het akkoord staan en daarom van stemming daarover zijn uitgesloten, over het tijdstip van behandeling mede zouden beslissen. Eene verstandige uitlegging der wet vordert dus, het woord schuldeischers in art. 141 op te vatten in den aangegeven zin.
Wordt tot uitstel van behandeling besloten, dan bepaalt de rechter-commissaris onmiddellijk den dag der nadere vergadering. Deze dag mag door hem niet later worden gesteld dan ten hoogste drie weken daarna, uiterlijk dus op den één-en-twintig sten dag na dien der verificatie-vergadering (art. 141 aanhef). De verschenen schuldeischers vernemen dit vóór het sluiten der vergadering, hun wordt daarom een nadere oproeping
i) Zie het Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer: Uelinfante IV, bl. 24 en 53; v. d. Feltz II, bi. quot;156.
389
niet gezonden. Daarentegen wordt aan de niet-versclienen, erkende of yoorwaardelijk toegelaten schnldeischers ') van het uitstel van behandeling onverwijld kennis gegeven bij brief van den curator, «vermeldende den summieren inhoud van het akkoord quot; (art. 142). n Noodelooze omslag is van de vermelding van den summieren inhoud van het akkoord niet te vreezen; bij verreweg de meeste akkoorden laat zich die inhoud vermelden door de enkele opgaaf der aangeboden percenten aldus de Regeering in antwoord op eene desbetreffende opmerking in het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer 1).
Na het aanhooren der adviezen 2) wordt tot de raadpleging overgegaan. Daaromtrent bepaalt de wet alleen, dat de gefailleerde bevoegd is, tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen (art. 144). Van die bevoegdheid behoeft de gefailleerde natuurlijk geen gebruik te maken. Hij kan wegblijven, wat niet verhindert dat de raadpleging en de stemming plaats hebben; hij kan zich doen vertegenwoordigen, of wel zich door een raadsman doen vergezellen. Evenzoo kunnen eventueele borgen al of niet tegenwoordig zijn. Zijn zij tegenwoordig, dan zal men ook hen aan de raadpleging laten deelnemen.
Op de raadpleging volgt de stemming. Daaromtrent geldt bij het akkoord eene bijzondere regeling. Zoowel met betrekking
1
) Belinfante II, bl. 121; v. lgt;. Feltz II, bl. 159.
2
) Ook in de uitgestelde vergadering zullen de werkzaamheden in den regel wel beginnen met het uitbrengen van adviezen Altijd als de reden, in art. 141 n0. 1 genoemd, tot uitstel heeft geleid , maar ook vaak als er is uitgesteld op den grond van art. 141 n0. 'i, omdat het motief voor het uitstel in dit geval kan gelegen zijn in den wensch, alsnog van den curator of de benoemde definitieve commissie uit de schuldeischers een advies over het akkoord te ontvangen. Men verg. het daaromtrent bij de openbare beraadslaging in de Tweede Kamer dooiden heer Hintzen en den Minister Smidt opgemerkte. (Belinfante III, bl. 137; v. d. Feltz II, bl. 155 v.)
390
tot het stemroeht, als tot de vereischte meerderheid, wordt afgeweken van de bepalingen der artikelen 81 en 82.
Over het stemrecht handelt art. 143. Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de hypotheek- of pandhondende en bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt. Het Wetboek van Koophandel had in art. 838 al. 2 een analoog voorschrift. De strekking er van behoeft geen toelichting. De bedoelde schuldeischers staan buiten het akkoord, omdat het onderpand, dat voor hunne schuldvordering in het bijzonder is verbonden, hun integrale betaling waarborgt, althans betaling van zooveel als dit onderpand opbrengt. Daarop hebben zij in elk geval recht, maar daarom ook staan zij niet op gelijken voet met de overige concurrente schuldeischers, hebben zij niet dezelfde belangen als dezen. Naarmate hun onderpand meer waard ia, hunne vordering dus beter is verzekerd, zijn hun de vereffening des boedels en de opbrengst daarvan onverschilliger, zouden zij dus ook, zonder eenig bezwaar voor zich zelf, aan den gefailleerde voordeelen kunnen toestaan, die feitelijk ten laste zouden komen van anderen. Zij missen het stemrecht, omdat zij geen belang hebben bij de aanneming of verwerping van het akkoord.
Geheel juist is deze uitspraak alleen voor die schuldeischers, wier vordering door het onderpand ten volle is gedekt. Is dit onvoldoende, dan staat de voorrang bezittende schuldeischer, voor zooveel betreft het deel zijner vordering, dat uit de opbrengst van het onderpand niet kan worden voldaan, met een concurrent schuldeischer volkomen gelijk. Vandaar dat art. 838 tweede lid Wetb. v. Kooph. gedeeltelijken afstand van het recht van voorrang toeliet. In de practijk had dit echter tot misbruiken aanleiding gegeven ; het kwam voor, dat over een miniem deel der vordering afstand van den voorrang werd gedaan louter uit gunstbetoon jegens den gefailleerde, ten einde dezen aan een akkoord-meerderheid te helpen. De wetgever vond hierin aanleiding, aan de bevoegdheid tot gedeeltelijken afstand een einde te maken '), wat hij te eerder
') De Raad van State pleitte te vergeefs voor het behoud van de bevoegdheid tot gedeeltelijken afstand. Zie Belinl'ante II, bl. 201 vlg., 241; v. d. Feltz II, bl. -100 vlg.
391
kon doen, omdat hij met de rechtmatige belangen van den slecbts gedeeltelijk gedekten schnldeischer in art. 132 ') der wet voldoende rekening houdt. Voor zooverre aan hypotheek-of pandhoudende of bevoorrechte schuldeischers volgens dit artikel de rechten van concurrente schuldeischers zijn toegekend, nemen zij aan de stemming over een akkoord deel.
De van het stemrecht uitgesloten schuldeischers kunnen dit recht verkrijgen door, vóór den aanvang der stemming 2), van hun hypotheek, pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand te doen (art. 143 eerste lid). Een bepaalde vorm is daarvoor niet voorgeschreven; eene mondelinge verklaring, in het proces-verbaal op te nemen, is voldoende. De afstand heeft tot gevolg, dat zij, die daartoe overgaan, concurrente schuldeischers worden en derhalve vóór of tegen het akkoord hun stem kunnen uitbrengen.
De afstand geschiedt â het tweede lid van het artikel maakt dit punt uit - onherroepelijk. De schuldeischers, die afstand hebben gedaan, blijven concurrente schuldeischers, ook indien het akkoord niet mocht worden aangenomen.
In hot Wetboek van Koophandel was het anders bepaald. Het derde lid van art. 838 luidde: «Die afstand heeft geen gevolg indien het accoord niet tot stand komt.quot; De ondervinding had echter geleerd, dat ook van deze bepaling misbruik werd gemaakt. Zij stelde den voorrang bezittenden schnldeischer in de gelegenheid, zonder zijnerzijds eenige risico te loopen, de totstandkoming van een akkoord te verijdelen. Immers het stond hem vrij, afstand gedaan hebbende, tegen
') Zie hierboven bl. 358.
2) //De afstand moet gedaan worden vóór den aanvang van de stemming, omdat daardoor verandering wordt gebracht in den staat des boedels. Wat voor de concurrente schuldeischers beschikbaar is, wordt vermeerderd met het goed, waarop het voorrecht was gevestigd, terwijl het bedrag der concurrente vorderingen vermeerderd wordt met het bedrag van de vordering des schuldeischers die den afstand doet. Zal nu ieder schuldeischer in de gelegenheid zijn bij het uitbrengen van zijne stem vóór of tegen het akkoord rekening te houden met den staat des boedels, zooals die ten gevolge van den afstand z,al zijn, dan moet de afstand ook worden gedaan vóór den aanvang van de stemming-/. Memorie v. Toelichting: Belinfante I, bl. 136; v. u. Feltz 11, bl. 160 Zie ook het afzonderlijke Advies van de Staatsraden Jhr. de Jonge en dk Vries Az., en het Rapport van den Minister quot;an Justitie aan de Koningin-Regentes: Belinfante 11, bl. 215 en 241; v. d. Feltz II, bl. 162 vlg.
Molkhgeaai-f, raillissenientswet. 25*
392
het akkoord te stemmen en aldus tot verwerping daarvan mede te werken, misschien wel ten gunste der verwerping den doorslag te geven. En was het doel bereikt, het akkoord verworpen, dan herleefde het zooeven afgestane recht van voorrang. Aan dit misbruik wordt de pas afgesneden door het voorschrift, dat de afstand onherroepelijk is ').
wTen behoeve van den boedelquot; wordt de afstand gedaan. De bedoeling is, dat de afstand, wordt het akkoord gehomologeerd, uitsluitend zal strekken ten voordeele van den schuldenaar , â wordt het akkoord verworpen, ten voordeele van de concurrente schuldeischers. Derden kunnen zich dus nooit op den afstand te hunnen voordeele beroepen. Ware het anders, de tweede hypotheekhouder zou, als de eerste afstand deed van zijn hypotheek, eerste hypotheekhouder worden, en de gefailleerde of de boedel allicht niets bij den afstand winnen. Nu zal in het gestelde geval: afstand door den eersten hypotheekhouder, het effect dier handeling dit wezen, dat de schuldenaar â als het akkoord tot stand komt â of de boedel â als insolventie volgt â in de plaats treedt van den eersten hypotheekhouder en diens rechten verkrijgt. Eechtens is het dus, alsof de eigenaar (de schuldenaar) hypotheek heeft op zijn eigen goed 1).
De schuldeischer, die afstand doet, is verplicht tot royement van de hypotheek zijne medewerking te verleenen of het ontvangen pand terug te geven 2). Tn geval van insolventie wordt de doorhaling van de hypotheek door den rechter-commissaris ambtshalve bevolen, overeenkomstig de bepaling van art. 188 eerste lid.
Artikel 143 heeft niet het oog op alle voorrang bezittende
1
) Verg. Kist, a w., dl. 6, bl. 154 v.; de Marez Oyens, a. w., bl. 258 v.
2
) de Marez Oïens, t. a. p.: '/Wil de schuldenaar het i-oyement zijner hypotheek bewerken, zoo zal hij een expeditie van het proces-verbaal der stemming over en van de homologatie van het akkoord lichten en daarmede den hypotheekbewaarder benaderen//.
393
schuldeiscb.ers, maar alleen op die schuldeiscliers welke hypotheek, pandrecht of een voorrecht bezitten op eeni^ tot den boedel behoorend goed. Hij, die tot zekerheid van zijne vordering op den failliet hypotheek heeft op het goed eens derden of van een derde zaken in pand heeft gekregen, behoeft van zijn hypotheek- of pandrecht geen afstand te doen on; over het akkoord te kunnen stemmen. Hij is in het faillissement concurrent schuldeischer, evengoed als degene die nevens den gefailleerde een borg of hoofdelijken mede-schuldenaar heeft').
Men zou kunnen opmerken, dat al deze schuldeischers al even weinig belang hebben bij het akkoord, als de zoodanigen die een recht van voorrang bezitten op goederen tot den boedel beboerende, dat er dus dezelfde reden bestaat, hen van de stemming over het akkoord uit te sluiten, daar ook van hen is te verwachten dat zij, bij het akkoord niets hebbende te verliezen, allicht zich tot vóórstemmen zullen laten overhalen. Dus redeneerende verliest men echter uit het oog, dat altijd achter deze schuldeischers staat een werkelijk belanghebbende, de eigenaar van de verbonden of verpande goederen, de mede-schuldenaar of borg, wien het in geenen deele onverschillig is, hoeveel de schuldeischer uit het faillissement ontvangt, en die, als deze niet met hem in overleg wil handelen, steeds door te betalen zelf de zaak in handen kan nemen. Men verg. artt. 1418 al. 1, 1438 3°, 1329, 1331, 1876 vlg. Burg. Wetb., artt. 135 en 136 Faillw.
Sluit art. 143 bepaalde schuldeischers van het stemrecht uit, art. 145 leert, wat trouwens voor de hand ligt, dat dit recht alleen toekomt aan geverifieerde schuldeischers, maar dan ook aan ieder van hen, zoowel aan de erkende als aan de voorwaardelijk toegelatene. Dat ook aan dezen stemrecht is verleend, is in overeenstemming met de positie, welke de wet hun in het faillissement toekent en hierboven (bl. 311, 334) nader is aangegeven.
Welke meerderheid wordt vereischt voor de aanneming van een akkoord, zegt eveneens art. 145. Het Wetboek van Koophandel vorderde in art. 841 bij faillissement de toestemming van 2/3 der concurrente schuldeischers, vertegenwoor-
') Verg. Kist, a. w., dl, 0, bl. 156.
394
digende s/4 van het bedrag der concurrente schuldvorderingen, of 3/4 dier schuldeischers, vertegenwoordigende 2/3 van dit bedrag; het Wetboek v. Burg. Regtsvord. in art. 896 bij kennelijk onvermogen de toestemming van 5/6 der concurrente schuldeischers, vertegenwoordigende 7/8 der concurrente schuldvorderingen, of 7/8 dier schuldeischers, vertegenwoordigende 5/r) van bedoelde vorderingen. Het laatste als een te bezwarenden eisch verwerpende, heeft de wet de meerderheid vastgesteld op 2/3 der erkende en der voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeischers, welke 3/4 van het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek gedekte, erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. De Memorie van Toelichting motiveert die keuze aldus:
«Van het alternatief van art. 841 Wetboek van Koophandel, 2/3 van het aantal schuldeischers en 3/4 van het bedrag der schuldvorderingen of 3/,1 van het aantal schuldeischers en 2/3 van het bedrag der schuldvorderingen, is alleen het eerste behouden. Het laatste alternatief geeft te veel overwicht aan de kleine schuldeischers; immers de ondervinding leert dat de akkoorden met zeer gering dividend, die aan de orde van den dag zijn, gewoonlijk er doorgehaald worden met eene meerderheid van 3/4 der personen en van slechts 2I3 der vorderingen. Alle kleine schuldeischers, bijv. die wegens levering van huiselijke benoodigdheden, schuldeischers met pretenties van /quot;1.00 tot f 5.00 worden daartoe, meestal onder belofte van integrale betaling, in het veld gebracht, en zoo gaat het akkoord, ten spijt van het verzet dikwijls van de grootste schuldeischers, er door. Door steeds ?/4 van het bedrag te vorderen, zal de grief van het al te gemakkelijk totstandkomen van akkoorden voor een goed deel worden weggenomenquot; ').
Daar de stemming plaats heeft in de verificatie-Vergadering of de ingevolge art. 141 bepaalde nadere vergadering, kunnen alleen de in persoon of bij gemachtigde ter vergadering verschenen schuldeischers daaraan deelnemen. Dit wordt te allen overvloede bevestigd door art. 148. Schuldeischers, die wegblijven, worden geacht tegen te stemmen.
Wordt de door de wet vereischte meerderheid niet ver-
') Belinfante I, bl. 13C v.; v. d. Feltz 11, bl. 164.
395
kregen, dan is het akkoord verworpen, tenzij zich het geval voordoet, voorzien in art. 146.
Indien, zegt dit artikel, 2/3 der ter vergadering verschenen schuldeischers, vertegenwoordigende meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen , waarvoor stemrecht kan worden uitgeoefend, in het akkoord bewilligen, zal ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming worden gehouden , zonder dat daartoe eene nadere oproeping wordt vereischt.
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding ontmoette deze bepaling ernstige bestrijding. Men meende dat daardoor Jen gefailleerde eene schoone gelegenheid werd geopend, om door kunstmiddelen het in de eerste vergadering niet-aangenomen akkoord in de tweede te doen aannemen, en dat hot toelaten van eene stemming in twee achtereenvolgende vergaderingen niet in overeenstemming was met eene goede akkoordregeling. De Regeering antwoordde op deze bedenkingen:
/.-Het feit, dat de in het artikel aangegeven groote meerderheid zich vóór het akkoord verklaart, toont aan, dat dit bij de schuldeischers sympathie vindt en door die meerderheid in haar belang wordt geacht. In zoodanig geval is het toch raadzaam, zich nader te verzekeren, of niet eene onvoldoende opkomst der schuldeischers oorzaak is, dat de door art. 145 vereischte meerderheid niet werd bereikt. Men bedenke, dat, wie wegblijft, daardoor per se wordt gerekend, tot de tegenstemmers te behooren. De nieuwe stemming, door art. 146 toegelaten, geeft den schuldeischers gelegenheid, trouwer op te komen en nader duidelijk hunne meening uit te spreken. Kwade praktijken, sluipakkoorden, zijn in dien tusschentijd wel is waar mogelijk; deze zijn echter nooit geheel te voorkomen; maar het ontwerp voorkomt reeds veel, door slechts een uitstel van ten hoogste acht dagen toe te staan en vooral door verificatie van schuldvorderingen op de akkoordvergaderingen niet toe te laten. En om in sommige gevallen een mogelijk kwaad van de zijde des schuldenaars te keeren, mag men toch niet de behartiging van groote belangen der schuldeischers, welke in andere gevallen daarmede kunnen gemoeid zijn, uit het oog verliezenquot; 1).
') Belinfante II, bl. 122 v.; v. d. Feltz II, bl. 166 v.
396
In overeenstemming met het stelsel, aangenomen in het voorafgaande artikel, om meer gewicht te hechten aan het bedrag, dat zich vóór een akkoord verklaart, dan aan het getal der vóórstemmende schuldeischers, vordert art. 146 niet, zooals art. 842 Wetb. v. Kooph., eene meerderheid van 3/4 der opgekomen schuldeischers, vertegenwoordigende de helft der geverifieerde vorderingen , maar acht het eene meerderheid van ^ der verschenen schuldeischers, mits ook de helft van het geverifieerd kapitaal vertegenwoordigende, voldoende. «Aan het bedrag der vorderingen mag meerdere invloed worden toegekend, omdat het bedrag, dat ieder schuldeischer te vorderen heeft, diens belang aanwijst bij de liquidatiequot; ').
Opmerking verdient dat art. 146, in het besproken geval, alleen eene nietiwe stemming toelaat, niet ook eene herhaalde raadpleging. Naar aanleiding eener desbetreffende vraag om inlichting, voorkomende in het Verslag der Commissie van v oorbereiding, wordt in het Antwoord der Regeering uitdrukkelijk geconstateerd: «de debatten zijn op de eerste vergadering gesloten en het artikel (146) laat niet toe, ze te heropenen of het akkoord te wijzigen « -).
Wat de stemming zelve betreft, artikel 146 bepaalt nog, ten einde allen twijfel dienaangaande weg te nemen, dat niemand gebonden is aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem. Wie vóórstemde kan dus thans tegenstemmen en omgekeerd wie tegenstemde thans vóórstemmen.
Hetzij dan reeds bij de eerste stemming, hetzij bij de tweede, in elk geval wordt over het lot van het akkoord onherroepelijk beslist, althans voor zooveel de medewerking der schuldeischers betreft. Eenmaal door de vereischte meerderheid aangenomen, blijft het aangenomen; eenmaal verworpen, blijft het verworpen, al hebben tot de aanneming of verwerping gepresumeerde schuldeischers medegewerkt, die later blijken geen schuldeischers te zijn, of personen niet medegewerkt, van wie eerst later blijkt, dat zij wèl schuldeischers zijn. Zoowel het een als het ander is mogelijk. Het eerste als een voorwaardelijk toegelaten schuldeischer in het verificatie-proces
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 137; v. d. Feltz II, bl. 165. J) Belinfante II, bl. 123; v. d. Feltz II, bl. 167.
397
in het ongelijk wordt gesteld, het tweede als een schuldeischer, die niet voorwaardelijk is toegelaten, in het verificatie-proces als schuldeischer wordt erkend. Bovendien wijst de Memorie van Toelichting er op, dat de uitwijzing van het recht van voorwaardelijke schuldeischers (ax-tt, 129 en 130) of van borgen (art. 135 al. 2) soortgelijke gevolgen kan hebben. Maar welke ook de grond moge zijn, waarop later veranderingen in het getal der schuldeischers of in het bedrag der vorderingen tot stand komen, deze hebben, naar luid van art. 147, in geen geval eenigen invloed op de geldigheid van de eenmaal vastgestelde aanneming of verwerping van het akkoord. //Het tegendeel zou elk akkoord op losse schroeven stellen en de grootste onzekerheid in het leven roepen « *).
Zoowel de groote beteekenis van het akkoord voor de faillissementsprocedure als de bepalingen omtrent de stemming vorderen, dat nauwkeurig wordt geconstateerd al wat de behandeling van het akkoord betreft. Te dien einde is de griffier belast met het opmaken van een proces-verbaal der vergadering, vermeldende den inhoud van het akkoord, dt namen der verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag der stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen, zooals afstand van een recht van voorrang door een schuldeischer overeenkomstig art. 143 of wijziging van het akkoord volgens art. 144. Het proces-verbaal wordt na voorlezing onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier (art. 148 eerste lid).
In den regel zal het akkoord in behandeling komen in de verificatie-vergadering. Over het proces-verbaal dier vergadering' geeft artikel 121 eenige voorschriften. Het is duidelijk dat, waar in dit artikel wordt gesproken van //het proces-verbaal der vergaderingquot; en in art. 148 gelijkluidende woorden worden gebezigd, deze niet dezelfde beteekenis hebben of liever, dat die woorden noch in het eene noch in het andere artikel op het proces-verbaal der geheele verificatie-akkoord-vergadering kunnen doelen. In art. 121 is bedoeld het proces-verbaal van alle werkzaamheden de veri-
i) Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 137; v. d. Feltz 11, bl. 167.
398
ficatie betreffende, of juister van al wat in de vergadering geschiedt uit krachte der bepalingen van de vijfde afdeeling van den eersten titel der wet: «van de verificatie der schuldvorderingen quot;; in art. 148 het proces-verbaal van alle werkzaamheden het akkoord betreffende, juister van al wat in de vergadering geschiedt uit krachte der bepalingen van de zesde afdeeling: «van het akkoord Niet ongeoorloofd is het te achten van iedere categorie van werkzaamheden, indien ze elkaar op dezelfde vergadering opvolgen, toch een afzonderlijk proces-verbaal op te maken.
Tusschen de bepalingen van art. 121 al. 3 en van art. 148 al. 1 valt dit verschil op te merken , dat de eerste bepaling alleen vordert onderteekening van het proces-verbaal door den rechtercommissaris en den griffier, de tweede onderteekening daarvan door dezelfde personen »na voorlezing quot;, welke woorden in artikel 148 werden opgenomen naar aanleiding eener opmerking va.n den Eaad van State Het zou beter geweest zijn, indien ze in het artikel waren weggebleven; zooveel is althans zeker, dat geen voldoende reden bestaat, juist in dit geval de voorlezing in het bijzonder noodzakelijk te achten. De reden, door den Eaad van State aangevoerd, dat het procesverbaal bewijskracht zal hebben, kan bezwaarlijk afdoende heeten, indien men bedenkt, dat van het proces-verbaal eener openbare terechtzitting, het zoogen. audientie-blad, zelfs als daarin een vonnis is opgenomen, door de wet voorlezing niet wordt gevorderd en ook nimmer geschiedt. Toch heeft het audientie-blad ongetwijfeld bewijskracht.
Het tweede lid van art. 148 bepaalt, dat een ieder ter griffie gedurende acht dagen kostelooze inzage van het proces-verbaal kan verkrijgen. Dit stemt overeen met hetgeen in art. 187 omtrent het proces-verbaal der verificatie-vergadering wordt gezegd. Wat hier verder wordt gelezen: «de nederlegging geschiedt kosteloosbehoefde in art. 148 niet te worden herhaald, omdat het proces-verbaal, opgemaakt door den griffier, zich van zelf ter griffie bevindt. In art 137 was de bijvoeging noodig met het oog op het niet reeds van zelf ter griffie aanwezige verslag van den curator, van welk verslag in het
') Belinfante II, bl. 202 en 241; v. d. Feltz II, bl. 168 v.
399
artikel, zooals het oorspronkelijk luidde, ook alleen sprake was.
De akkoord-vergadering geeft tot geen enkele beslissing aanleiding, die vatbaar is voor hooger beroep. Het procesverbaal bevat geen beschikkingen maar constateert slechts wat er geschiedt, wat ten overstaan van den rechter-coiamis-saris wordt verhandeld; deze beslist niet dat het akkoord verworpen of aangenomen is, maar constateert bloot dat de door de wet gevorderde meerderheid al of niet aanwezig is. Van appèl kan dus, ook bij verwerping van het akkoord, evenmin sprake zijn als van appel van eene notarieele akte. Toch bestaat de mogelijkheid dat eene vergissing plaats heeft en dat dientengevolge door den rechter-commissaris de uitslag niet juist wordt geconstateerd, bijv. er is eene fout gemaakt in de optelling, het bedrag eener vordering, dat uit het proces-verbaal der verificatie-vergadering kan worden gekend, is niet juist overgenomen en dergelijke. Heeft deze fout aanleiding gegeven, ten onrechte het bestaan der door de wet gevorderde meerderheid aan te nemen, dan bestaat er voor de schuldeischers gelegenheid genoeg daarop te wijzen bij de behandeling van het akkoord door de rechtbank, terwijl het ook zonder dat aan de rechtbank zal blijken bij een behoorlijk onderzoek der stukken. Is daarentegen, bijv. ten gevolge eener foutieve berekening, het akkoord verworpen verklaard, dan zouden de gefailleei'de en de schuldeischers de gelegenheid missen, verbetering dier verklaring te verkrijgen en zoo tot constateering van den werkelijken uitslag te komen, indien daarin door artikel 149 niet werd voorzien Dit artikel verleent zoowel den schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als den gefailleerde de bevoegdheid, gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het proces-verbaal te verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt, dat het akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd.
«Aan de bewijskracht van het proces-verbaal der vergadering, waardoor op authentieke wijze wordt geconstateerd, wat aldaar is voorgevallen, wordt door deze bepaling in geenen deele te kort gedaan. De woorden ,/uit de stukken
') Zie Memorie van Toelichting: Belinfante i, bl. -138; v. d. Feltz II,bl. 170.
400
zelve blijkt» beperken de toepassing van het artikel tot die gevallen, waarin de stukken met zich zelve in strijd zijn, die stukken dus zelve aantoonen, dat er eene fout in schuilt« ').
Voor het verzoek aan de rechtbank is de bijstand van een procureur niet voorgeschreven (zie art. 5). Het kan zoowel mondeling als schriftelijk ter griffie worden gedaan.
In de Verslagen der beide Kamers 1) werd naar aanleiding van art. 149 nog gevraagd, op welke wijze tegen het procesverbaal zou kunnen worden opgekomen, indien daarin eenig ter vergadering voorgevallen feit onjuist was gerelateerd, bijv. ten onrechte vermeld dat een schuldeischer den in art. 14*3 bedoelden afstand van een recht van voorrang had gedaan, of wel dat een schuldeischer had tegengestemd, die vóór-stemde, en omgekeerd. De Regeering antwoordde hierop terecht, dat het proces-verbaal als authentieke akte bewijst, wat ter vergadering is voorgevallen, en alleen door het middel van betichting van valschheid daartegen kan worden opgekomen.
§ 3, Homologatie van het akkoord (artt. 150â156).
Met het karakter van het akkoord als tiwemgiakkoord staat in verband, dat het de goedkeuring, homologatie, behoeft van den rechter. Deprocedure tot verkx-ijging dier homologatie wordt geregeld in de artikelen 150â156 op eene wijze die mag worden genoemd eene hoogst belangrijke verbetering van hetgeen daaromtrent onder vigueur van het Wetboek van Koophandel rechtens was 2). De Faillissementswet heeft ook hier gestreefd naar eene prompte, goedkoope en zekere justitie, door het geven van eenvoudige en duidelijke voorschriften.
De loop der procedure is de volgende: Vóór het sluiten der vergadering bepaalt de rechter-commissaris, als het akkoord is aangenomen, de terechtzitting waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen. Hij moet daartoe uitkiezen eene terechtzitting, welke wordt gehouden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na den dag waarop de stemming over het akkoord heeft plaats gehad (art 150 eerste en derde lid).
1
) Belinfante II, bl. 123; IV bl 24; v. u. Feltz II, bl. 170 v.
2
) Men verg. de Memorie van Toelichting tot het Regeerings-ontwerp; Belinfante I, bl. 138 v.; v. d. Feltz II, bl. 171 v.
401
Heeft de rechtbank, ingevolge een verzoek tot verbetering van het proces-verbaal van de stemming over het akkoord (art. 149), geconstateerd dat het akkoord ten onrechte als verworpen werd beschouwd, doch inderdaad is aangenomen, dan bepaalt zij tevens in de beschikking, waarbij dit wordt uitgemaakt, de voor de homologatie bestemde terechtzitting. De termijnen van acht en veertien dagen loopen in dit geval van den dag dier beschikking af (art. 150 tweede en derde lid). Daar het akkoord als verworpen werd beschouwd, kunnen de schuldeischers homologatie niet verwachten; dit verklaart, dat den curator de verplichting is opgelegd den schuldeischers schriftelijk kennis te geven van de beschikking der rechtbank, welke, onder verbetering van het proces-verbaal, de aanneming van het akkoord constateert en een dag voor de homologatie vaststelt (art. 150 tweede lid).
Gedurende den tijd, die er verloopt tusschen den dag der aanneming van het akkoord (of der rechterlijke beschikking in het geval van art. 149) en den dag, bepaald voor de behandeling der homologatie, kunnen de schuldeischers aan den rechter-commis-saris schriftelijk de redenen opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenschelijk achten (art. 151). Vormen zijn hierbij niet voorgeschreven, zoodat een gewone brief voldoende is.
Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting tot de behandeling der homologatie overgegaan. De wijze van behandeling is de volgende: de rechter-commissaris brengt een schriftelijk rapport uit over de al- of niet-aanneme-lijkheid van het akkoord en daarna wordt den gefailleerde en ieder der schuldeischers de gelegenheid gegeven, in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteen te zetten, welke voor of tegen de homologatie pleiten (art. 152). u Geschreven, door procureurs genomen, conclusies komen daarbij niet te pas. Ieder schuldeischer kan in persoon mondeling zijne grieven tegen, of zijne meening over het akkoord uiteen zetten. Hij kan zich ook laten vertegenwoordigen door een procureur of een ander, terwijl schriftelijke formuleering van hetgeen hy in het midden heeft te brengen, niet is uitgeslotenquot; 1).
De rechtbank geeft, na afloop der behandeling -'), op den-
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 139; v. d. Feltz II, bl. 174.
2) Indien de behandeling niet op één dag kan alloopen of aan den schuldenaar Mülengeaatf , railliasejuentswet. 26
402
zelfden dag, in elk geval zoo spoedig mogelijk, hare met redenen omkleede beschikking (art. 153 eerste lid). In die beschikking is zij, behoudens de bepaling van het tweede lid van art. 153, geheel vrij. Aan conclusies van partijen, die de wet niet kent, is zij niet gebonden. Haar taak is, lettende op alle haar gebleken omstandigheden, naar eigen inzicht, de vraag te beantwoorden, of het voorgestelde akkoord bevat eene billijke, aanbevelenswaardige regeling van de belangen der schuldeischers eener- en des gefailleerden anderzijds. Zij kan die vraag ontkennend beantwoorden op iederen grond, die haar daartoe voldoende voorkomt, onverschillig of die grond al dan niet bij de openbare behandeling te berde is gebracht. Ambtshalve kan zij de homologatie weigeren (art, 153 derde lid). Slechts tot ééne zaak is zij steeds verplicht, zoowel bij verleening als bij weigering der homologatie, nl tot moti-veering harer beschikking.
Bovendien aal zij de homologatie weigeren:
« 1°. indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan;
a 2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
w 3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers, of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerktquot; (art. 153 tweede lid).
Het Wetboek van Koophandel liet den rechter volledige vrijheid van beslissing over de homologatie van het akkoord. De wijze waarop de rechter heeft gemeend van die vrijheid gebruik te moeten maken, leidde er toe haar op de aangegeven wijze te beperken.
Ten betooge van de noodzakelijklieid, de homologatie in bepaalde gevallen te verbieden, leest men in de Memorie van Toelichting1): win 1872 schreef Mr. Hingst: «âVergis
eenig uitstel wordt verleend voor zijne verdediging, kan een nadere dag worden bepaald voor de voortzetting der behandeling.
Belinfante I, bl. 139 vlg.; v. d. Feltz II, bl. 176 vlg.
403
ik mij niet, zoo heeft de afwezigheid van bepalingen, wanneer de homologatie mag worden geweigerd, tot de jurisprudentie geleid, dat die homologatie bijna niet werd geweigerd. De statistiek wijst dit laatste uitquot; quot; üie woorden zijn ook thans nog volkomen juist, en in allen deele door de ervaring van latere jaren bevestigd geworden 1). « âDat de baten des boedels aanmerkelijk te boven gaan de som bij het akkoord bedongenquot; quot;, in artikel 845 Wetboek van Koophandel als voorbeeld van een grond van verzet tegen de homologatie genoemd, is feitelijk, behoudens hoogst zeldzame uitzondering, de eenige grond geworden, waarop de homologatie wordt geweigerd. De rechtbank te Haarlem besliste 20 Mei 1884 (P. v. J. 1884, n0. 31*), dat de omstandigheid, dat de waarborg voor de uitbetaling der aangeboden percenten ontbreekt, geen grond oplevert, om de homologatie van een akkoord te weigeren, omdat de schuldeischers vrij zijn op dien grond het akkoord af te stemmen 2). De rechtbank te Rotterdam achtte, 28 Februari 1885 {R. Bijdr. en Bijhl., I, afd. D, blz. 197), bewezen kwade trouw (poging tot omkooping) van den gefailleerde geen grond tot weigering der homologatie, als het akkoord voor de schuldeischers vermoedelijk voordeeliger is dan eene insolventie. De rechtbank te Alkmaar overwoog, 15 October 1885 {W. n0. 5302), dat het bewezen feit dat aan eenige schuldeischers meer voordeelen waren toegekend of beloofd, dan de bij het akkoord aangeboden percenten (sluipakkoord), alsook bewezen kwade trouw van den gefailleerde (blijkende
1
) Blijkens de gerechtelijke statistiek werd in 1H7rgt; op quot;140 aangenomen akkoorden slechts van 4 de homologatie geweigerd ; in 1870 op 137 van 1 ; in quot;1877 op 481 van 1; in 1878 op 204 van 8; in 1870 op 199 van 8; in 1880 op 171 van 6; in 1881 op 200 van 0; in 1882 op 223 van 4; in 1883 op 240 van 1; in 1884 op 281 van 2; in 1885 op 342 van 7; in 1880 op 391 van 7; in 1887 op 303 van 4 en in 1888 op 388 van 3.
2
:i) In denzelfden geest Hof Groningen T) Sept 1871, W. n0. 3405, en Rb. Maastricht 1 Mei 18Ã0, W. nquot;. 5898. Zie voorts vonnis Rb. Amsterdam 21 Febr.1890, P. v. J. 1890, n0. 52, dat een merkwaardig bewijs oplevert voor de stelling dat zelfs de minst aanbevelenswaardige akkoorden worden gehomologeerd. Anders Rb. Bvedal Febr. 1848, W n0. 904; Hof den Bosch 5 Aug. 1890, W. nquot;. 5922, beslissende dat gemis van allen waarborg voor de uitbetaling der beloofde procenten voldoenden grond oplevert om de homologatie van het akkoord te weigeren; Oyens, a. w.,bl. 278.
404
uit een door den curator ingestelde actio Pauliana) geen redenen zijn om homologatie van een akkoord te weigeren'). Een dergelijke, de zedelijkheid verslappende, jurisprudentie wijst op de noodzakelijkheid om in de wet de gevallen te noemen, waarin de homologatie geweigerd moet worden1). Daartoe bestaat trouwens te gereeder aanleiding, daar het notoir is, dat in de meeste faillissementen ten behoeve van de aanneming van het akkoord de praktijk van sluipakkoorden wordt te baat genomen, en met name de kleinere schuldeischers door belofte van integrale betaling, althans van meerdere percenten, tot toetreding worden bewogen. De wet verbiede dus onvoorwaardelijk de homologatie van een akkoord, waardoor de schuldeischers benadeeld worden, dat de noodige waarborgen voor de richtige nakoming mist (akkoorden op het papier), of waarvan blijkt dat het met behulp van sluip-overeenkomsten is tot stand gekomenquot;.
In de eerste plaats dan moet de homologatie worden geweigerd, indien de baten des boedels (met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend) de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan.
Of dit geval aanwezig is, is eene feitelijke vraag en als zoodanig geheel aan het vrije oordeel des rechters overgelaten. Toch zijn enkele aanwijzingen te geven. Zoo moet om de som te vinden, bij het akkoord bedongen, rekening worden gehouden,niet met de geverifieerde concurrente schuldvorderingen alleen, maar behalve met deze ook met de niet-geverifieerde doch bekende opeischbare schuldvorderingen 2), daar het akkoord voor alle schuldeischers verbindend is en dus ook van de opeischbare niet-geverifieerde schuldvorderingen
1
N. Bijdr 1872, t a. p., en Oyens, a. w., bl. 272 vlg. Verder art. 517 Code de Comm. belg. (1851), art. 515 Code de Comm fr. (1838).
2
) De Rb. te Utrecht 27 Juni 1888, W. nn. 5600, spreekt minder nauwkeurig van do niet-geverifieerde crediteuren. Evenzoo laat de Rb. te Rotterdam 28 Febr. 1885. Rechtsgel. Bijdr. en Bijbl. 1885, afd. D, bl. -197, den gefailleerde naar de wet voor den maatstaf van een aan te bieden akkoord rekening houden met al de schuldvorderingen gezamenlijk.
405
terstond voldoening overeenkomstig den inhoud van het akkoord kan worden gevorderd.
Wat de baten des boedels betreft, moet op art. 173 tweede lid acht geslagen worden. Evenzoo, wat de wet te allen overvloede uitdrukkelijk zegt, op de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend. Door te voldoen aar. het akkoord, verkrijgt de schuldenaar de beschikking over deze zaken !). Ze behooren dus tot de baten des boedels, welke tegenover de som, volgens het akkoord uit te keeren, moeten worden gesteld, ter beoordeeling van de vraag of de schuldenaar aanbiedt, wat hij, gelet op hetgeen waarover hij zal kunnen beschikken, ook kan aanbieden.
Soms kan het twijfelachtig wezen, of en in hoeverre iets als een bate des boedels moet worden aangemerkt. Er kunnen bijv. wezen vorderingen op twijfelachtige schuldenaren. Deze moeten worden getaxeerd met het oog op de kans, dat er iets van terecht komt, en voor die getaxeerde waarde tot het actief worden gerekend. In hoeverre ook twijfelachtige baten: de uitslag van een aanhangig proces of de kans op eene legitieme portie, in aanmerking genomen mogen worden, maakte een onderwerp uit van gedachtenwisseling tusschen Mrs. J. A. Jolles Az. en A. Tak in Weekhl. v. h. Recht, n0'. 6268, 6274 en 6277 1).
In de tweede plaats moet de homologatie worden geweigerd, indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd. Ook dit is eene feitelijke quaestie ter beoordeeling des rechters.
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding 2) werd het bezwaar gemaakt, dat «noch in dit, noch in eenig ander artikel wordt geformuleerd, waaruit het voldoende van den waarborg moet blijken en welke zekerheid de schuldeiseher verkrijgen zal, dat de hem toegezegde percenten op den bepaalden tijd uitbetaald zullen worden. De nakoming van het akkoord, zoo werd opgemerkt, moet gewaarborgd worden vooral door zekere borgstelling van derden, die zich ver
1
) Verg. uf. Mar ez Oyens, a. w., bl. 2!gt;2 en de daar aangehaalile jurisprudentie.
2
) Belinfante II, bl. 125; v. d. Feltz II, bl. 180.
406
bonden hebben de percenten, welke boven de kosten uitgekeerd zullen worden, te voldoen. Het ware volgens sommigen wenschelijk, dit hier uit te drukkenquot;.
De Regeering antwoordde op deze opmerkingen: n Wanneer is nakoming van het akkoord voldoende gewaarborgd? Het ontwerp laat de beslissing aan den rechter over. Geen twijfel, dat, wanneer het akkoord niet anders bevat dan eene betalingsbelofte, de nakoming niet voldoende is gewaarborgd; geen twijfel ook, dat, wanneer solide borgen zijn gesteld, zij wel voldoende is gewaarborgd. Maar tusschen deze gevallen liggen nog veelsoortige andere. Er kan ook zijn eene hypothekaire inschrijving op het goed van derden , eene commissie van beheer en contróle uit de schuldeisehers en dergelijke. Een volkomen eerlijk en vertrouwd schuldenaar kan met zekerheid aanwijzen, dat hij op andere wijze in staat zal zijn tot voldoening der percenten. Aan den anderen kant levert borgstelling op zichzelf niet altijd een behoorlijken waarborg; dit hangt toch van de soliditeit der borgen af, enz. Feitelijk zijn de toestanden zoo verschillend en doen ze in zoo onderscheiden vorm zich voor, dat de wet daarvoor geene regels geven kan. Het is daarom niet alleen het verstandigst, maar volstrekt noodig, de beslissing aan den rechter over te laten. De wet kan ook geene volledige opsomming geven van al de middelen, die kunnen strekken tot voldoenden waarborg van de nakoming van het akkoord. De beoordeeling van deze feitelijke quaestie moet daarom aan den rechter blijvenquot;.
De derde imperatieve grond van weigering der homologatie is het feit, dat het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen. «Onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt,quot; voegt de wet er aan toe, «immers,quot; aldus de Memorie van Toelichting '), «al is de gefailleerde onschuldig aan het gebruik der oneerlijke middelen, dit neemt niet weg, dat het akkoord door die middelen tot stand gekomen, de meerderheid ver-valscht, het recht der schuldeischers derhalve geschonden is.
') Belinfante I, bl. 140; v. d. Feltz II, bl. 177.
407
en hierop alleen komt het aan bij de vraag- of de homologatie van een akkoord geweigerd moet worden.quot;
Dat er sluipovereenkoinsten zijn aangegaan, is op zich zelf niet voldoende; vereischt is, dat het akkoord dientengevolge tot stand is gekomen. Indien het akkoord ook zonder de medewerking van den omgekochten schnldeischer ware aangenomen, is de homologatie niet verboden. Er zijn dan wel oneerlijke middelen gebezigd, maar de uitslag is daarvan onafhankelijk gebleven. Het spreekt overigens van zelf, dat de rechter van zijne bevoegdheid, de homologatie te weigeren ook wanneer hij daartoe niet verplicht is, gebruik kan en allicht zal behooren te maken, als hem het bestaan van kwade trouw blijkt, maar daarvan de rechtstreeksche invloed op de stemming niet kan worden vastgesteld.
Tot de oneerlijke middelen waarop de wet hier het oog heeft, behoort ook de opkooping van vorderingen door een handlanger of vriend des gefailleerden, ten einde daarna vóór het akkoord te stemmen. Opkooping en omkooping zijn na aan elkander verwant. Geschiedt omkooping in den regel door den schnldeischer estra-voordeelen, betaling van extrapercenten of van het volle bedrag, toe te zeggen, door opkooping wordt hij eveneens boven zijne medeschuldeischers bevoordeeld, omdat het doel waarvoor de vordering wordt gekocht, daarvoor een hooger prijs doet bieden of bedingen dan de bij het aangeboden akkoord toegezegde percenten. Opkooping beoogt evenals omkooping den schuldeischers een akkoord op te dringen, dat zonder deze middelen niet door de vereischte meerderheid zou worden aangenomen.
Wanneer de omstandigheden, in art. 153 tweede lid 3°. vermeld, zich voordoen, mag op den inhoud van het akkoord niet worden gelet. Al komt het den rechter nog zoo voordeelig voor, hij is verplicht de homologatie te weigeren. Ook het voordeeligste akkoord mag niet tegen den zin der schuldeischers door bedrog of met behulp van andere slinksche middelen worden doorgedreven.
Aan de hierboven geschetste procedure tot homologatie sluit zich aan eene eenvoudige regeling van de rechtsmiddelen, die tegen het vonnis van homologatie kunnen worden aangewend. Eigenlijk geeft de wet slechts één rechtsmiddel om op te
Molengraaff, Failliasementswet. 26
408
komen tegen bedoeld vonnis, namelijk het hooger beroep, maar tegen het arrest in hooger beroep staat weer cassatie open, en daarom mag hier van rechtsmiddelen worden gesproken.
Wie hooger beroep kunnen instellen, bepaalt art. 154. Men heeft daarbij te onderscheiden tusschen weigering der homologatie en verleening daarvan. In geval van weigering kunnen in beroep komen alle schuldeischers, die vóór stemden, en de gefailleerde; in geval van verleening alle schuldeischers, die tegen stemden of bij de stemming afwezig waren, en bovendien de sclmldeischers die vóór stemden, doch dezen alleen op grond dat z.ij na de homologatie hebben ontdekt, dafc het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen (art. 154).
Deze laatste beperking steunt op de overweging, dat, wanneer de bedoelde schuldeischers eerder hebben geweten, dat; dergelijke handelingen, als bedrog enz., zijn gepleegd, zij ook op dien grond tegen het akkoord konden stemmen of de homologatie daarvan bestrijden, en dat zij, door dit niet te doen, hebben getoond het akkoord des ondanks te willen. In verband hiermede mag worden opgemerkt, dat in de wet niet had moeten worden gesproken van «het ontdekken na de homologatiequot;, maar van «het ontdekken na de behandeling der homologatiequot;, omdat het volgens art. 153 eerste lid mogelijk is, dat er eenige dagen verloopen tusschen den dag van de behandeling der homologatie en dien waarop de rechtbank hare beschikking geeft.
De termijn van hooger beroep is acht dagen na de beschikking van de rechtbank fart. 154). Het beroep geschiedt bij een verzoekschrift, dat blijkens art. 17 vrij is van zegel en van de formaliteit van registratie, en door tusschenkomst van een procureur (art. 5) moet worden ingediend ter griffie van het bevoegde gerechtshof. Voor ieder verzoekschrift bepaalt de voorzitter van het Hof, of degene dien hij daartoe aanwijst, terstond dag en uur der behandeling. Aan den procureur, die het verzoekschrift indient, moet dus dadelijk bij de indiening worden medegedeeld, welke terechtzitting voor de behandeling is aangewezen. Men heeft daarbij te denken aan ééne terechtzitting voor de behandeling van alle voorzieningen in hooger
409
beroep tegen dezelfde beschikking der rechtbank. Feitelijk behoeft derhalve maar eenmaal de dag van behandeling te worden bepaald, en wel op het eerste verzoekschrift, terwijl de behandeling van alle verzoekschriften, die later worden ingediend, op dien zelfden dag zal worden gesteld. Wel zegt art. 155 eerste lid dit niet uitdrukkelijk, maar het volgt duidelijk uit de toepasselykverklaring op bet hooger beroep van art. 152 eerste lid, in welk artikel eene wijze van behandeling is voorgeschreven, die voor herhaling niet vatbaar is !).
De dag van behandeling mag niet later worden gesteld dan twiutig dagreu na de indiening van het verzoekschrift.
O O o
Op den bepaalden dag geschiedt de behandeling geheel op dezelfde wijze als is voorgeschreven voor de behandeling van de homologatie bij de rechtbank, d. w. z. alle schuldeischers worden gehoord of liever hun wordt gelegenheid gegeven vóór of tegen de homologatie te spreken , terwijl ook de gefailleerde voor zijne belangen kan optreden en het akkoord verdedigen. Er wordt dus ten overstaan van het gerechtshof opnieuw eene beraadslaging over het akkoord gehouden, waarbij natuurlijk de beschikking van de rechtbank een voornaam punt van debat zal uitmaken, maar toch ook, onafhankelijk daarvan, nieuwe of althans in die beschikking niet overwogen gronden vóór of tegen de homologatie kunnen worden te berde gebracht. Immers ook het gerechtshof is in zijne beslissing geheel vrij. Aan eventueel in de verzoekschriften in hooger beroep aangevoerde gronden is het in geenen deele gebonden. Bij zijn met redenen omkleede beschikking kan het Hof op de gronden, die het afdoende acht, naar eigen inzicht de homologatie weigeren of toestaan. Het verschil tusschen de behandeling in eersten aanleg en in hooger beroep bestaat uitsluitend hierin, dat het rapport van den rechter-commissaris in hooger beroep wegvalt (art. 155).
Ten einde alle belanghebbenden in de gelegenheid te stellen ter griffie van de rechtbank te vernemen, of hooger beroep is ingesteld, legt art. 155 den griffier van het gerechtshof de verplichting op, van het hooger beroep, bij zijn college aan-
l) Verg. het Verslag (iev Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer: Belinfante IV, bl. 24 en 53; v. D. Feltz II, bl. ISS.
410
gebracht, onverwijld kennis te geven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven. â De appelant behoeft noch den gefailleerde, noch den curator (die als zoodanig geheel buiten het akkoord staat), noch een zijner medeschuldeischers het appel te beteekenen, en hen evenmin op te roepen quot; 1)
Ter griffie van het Hof kan iedereen vernemen, op welken dag het appèl zal worden behandeld.
Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze aangeteekend en behandeld (art. 156). Bovendien zijn, voor zooverre daaraan door deze bepaling niet wordt gederogeerd, ook de artt. 428 en 429 Wetb. v. Burg. Regtsv. van toepassing.
§ 4. Rechtsgevolgen van het akkoord (artt. 157â164).
Door de homologatie verleent de rechter zijne sanctie aan het tusschen den gefailleerde en diens schuldeischers tot stand gekomen akkoord. Aan de werking daarvan staat nu niets meer in den weg. Die werking strekt zich uit tot alle geer; voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement zijn opgekomen (art. 157), onverschillig dus ook of zij, geverifieerd zijnde, vóór of tegen hebben gestemd, dan wel geen stem hebben uitgebracht. Daarin ligt de dwang, datgene wat het akkoord doet zijn een dwangakkoord.
Gevraagd werd in het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer, wat zal gelden ten opzichte van den houder eener vordering met tijdsbepaling, die niet is opgekomen, dus niet is geverifieerd, alsmede voor niet-geverifieerde vorderingen onder ontbindende ~) of opschortende voorwaarde. « Wat de vorderingen betreftquot;, aldus werd door de Eegeering geantwoord, quot; waarvan sprake is in de artt. 129 2)â131, deze artikelen zijn alleen geschreven voorde verificatie en kunnen dus niet gelden voor vorderingen, van welke geene verificatie is gevraagd. Die eene vordering heeft
1
gt;) Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. UI; v. d. Fei.tz U, bl. 181.
2
Art. ISO had niet genoemd moeten worden.
411
met tijdsbepaling zal dus moeten wachten, totdat de vordering opeischbaar is gewordenquot; !), en dan natuurlijk alleen betaling kunnen vragen overeenkomstig de bepalingen van het akkoord. Evenzoo moet de schuldeischer onder een opschortende voorwaarde de vervulling der voorwaarde afwachten, om daarna de som te ontvangen waarop het akkoord hem aanspraak geeft. Hij, die recht heeft op eene periodieke uitkeering, bijv. op eene lijfrente, kan telkens als een termijn verschijnt vorderen, doch ook niet anders dan overeenkomstig den inhoud van het akkoord, bijv. telkens zooveel percenten van den vervallen termijn als bij het akkoord zijn toegezegd1).
Eene bekende strijdvraag 2) wordt beslist door art. 160: »niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en medeschuldenaren van den schuldenaarquot;. «Deze oplossingquot;, zegt de Memorie van Toelichting »voldoet het meest aan de behoeften van de practijk en rust op goede gronden. In de eerste plaats leidt daartoe eene juiste waardeering van het wezen en de economische functie van den borgtocht en van de solidariteit, die beide dienen om den schuldeischer veilig te stellen tegen de gevolgen van de insolventie of wanbetaling van den hoofdschuldenaar. Kent men nu aan het akkoord eene bevrijdende werking toe, dan zullen borgtocht en solidariteit in strijd met de bedoeling van partijen ophouden hunne diensten te praesteeren , juist wanneer de schuldeischer daaraan de meeste behoefte heeft. Verder houde men in 't oog, dat het akkoord niet zoozeer is eene kwijtschelding als wel eene regeling van de wijze waarop de schuldeischers buitengerechtelijk voldaan zullen worden, altijd voor zooverre voldoening mogelijk is; eene minnelijke executie, waarbij de schuldeischers alleen afstand doen van hetgeen niet te verhalen is. Het akkoord wordt door de schuldeischers aangenomen, niet om rechten prijs te geven of een geschenk te doen, maar om
1
) Uitkeemigen tot voldoening aan een wettelijken onderhoudsplicht zijn steeds in haar geheel verschuldigd. De termijnen, verschenen na de homologatie van een akkoord, kunnen ten volle worden gevorderd; Rb. Amsterdam il Oct. 1803, W. n0. 6471. Zie overigens de artt. 281 tweede lid, 380â382 Burg. Wetb.
2
3) Zie de Marez Ovens, a. w., bl. 299 vlg.
412
zooveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is. Ook om deze reden kunnen borgen en medeschuldenaren zich niet te hunner bevrijding op het akkoord beroepen quot;
In het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer wordt medegedeeld, dat omtrent het stelsel, in dit artikel gevolgd, de meeningen verdeeld bleken. «Volgens sommigen was de bepaling niet billijk en moesten zij, die vóór het akkoord hadden gestemd, geen verhaal hebben op de borgen. Deze leden wenschten het artikel aldus te formuleeren: quot;«-Tenzij de schuldeischers medegewerkt hebben tot het akkoord, behouden zij alle hunne rechten tegenover de borgen en medeschuldenaren van den gefailleerdequot;«.
i.De meeste ledenquot; daarentegen wvereenigden zich met het stelsel van het ontwerp, ook al konden zij de opmerking in de Memorie van Toelichting in verband met de belangen van den borg niet beamen, dat namelijk «âhet akkoord door de schuldeischers wordt aangenomen om zooveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is'quot;'. Immers in de praktijk zullen de hiergenoemde schuldeischers,indien zij door borgen gedekt zijn, niet nauwkeurig toezien, of bij het akkoord al dan niet schade geleden wordt. De gegoede borg kan altijd zelf voor de behartiging van zijn belangen zorg dragen, want hij zal in den regel gebruik kunnen maken van de bevoegdheid, bij art. 1877 Burgerlijk Wetboek verleend, en dus treden in de plaats van den schuldeischer. Deze bevoegdheid neemt de onbillijkheid weg, die volgens de eerstgenoemde leden in de bepaling van dit artikel gelegen zou zijnquot;3).
âTerechtquot;, antwoordde de Begeering, '/wordt gewezen op art. 1877 Burgerlijk Wetboek. De borg, die volgens art. 18o9 4°. Burgerlijk Wetboek verplicht is, den schuldeischer terstond te voldoen, kan, dank zij art. 1877 Burgerlijk Wetboek en art. 135 ontwerp, de medebeslissing over het akkoord in eigen handen nemen. Daarmede is iedere onbillijkheid weggenomen.
«Tegen de door de bestrijders van het artikel voorgestelde
â¢) Belinfante I, bl. quot;143 v.; v. d. Feltz II, bl. 189.
') Mr. L. A. De Bruyn , De werking van het accoord ten opzichte van de borgen van den failliet. Leiden 1887, bl. 42.
413
bepaling geldt, behalve het bezwaar, in het Verslag aangevoerd, nog dit, dat het in vele gevallen de borgen en medeschuldenaren meer nadeel zal berokkenen. De schuldeischer zal dan, om zijne rechten tegenover de borgen en medeamp;chnlde-naren van den gefailleerde niet te verliezen , in ieder geval tegen het akkoord moeten stemmen, ook al zonden de schuld-eischers daardoor meer erlangen, dan bij insolventie, en dit ten nadeele van die borgen en medeschuldenaren, die dan meer zullen moeten bijpassen quot;
De beteekenis van art. 160 is, gelet op de hier medegedeelde gedachten wisseling, duidelijk. De schuldeischer behoudt al zijne rechten tegen, de borgen en medeschuldenaren, d. w. z. indien door de bepalingen van het akkoord de verplichting van den sclmldenaar wordt beperkt, bijv. tot de betaling van percenten, blijven niettemin de verplichtingen der borgen of medeschuldenaren in haren oorspronkelijken omvang voortbestaan. Het akkoord moge den schuldenaar gedeeltelijk bevrijden, de borgen en medeschuldenaren worden niet bevrijd. De schuldeischer kan hen aanspreken voor al hetgeen de schuldenaar hem niet betaalt en krachtens het akkoord ook niet meer behoeft te betalen. Art. 160 stempelt aldus het beroep op het akkoord tot een middel van verdediging of exceptie, «welke w, zooals art. 1884 tweede lid Burg. Wetb. het uitdrukt, âalleen den persoon van den schuldenaarquot; betreft.
Bij de behandeling van art. 135 werd in het Verslag der Commissie van voorbereiding de vraag aangeroerd, of de borg die, na homologatie van een akkoord, aan den schuldeischer het tekortkomende heeft voldaan, het geheele bédrag daarvan of wel percenten over dit bedrag op den schuldenaar kan verhalen. De Minister gaf in zijn Antwoord te kennen, dat noch het een noch het ander zou kunnen geschieden. »Daar het akkoord scbuldbevrijdend werkt, zal noch de schuldeischer, noch de borg, na de homologatie, den schuldenaar ter zake der schuld kunnen aansprekenquot; 2). Deze zienswijze strookt met de aan art. 135 ten grondslag liggende
â¢â 1) Belinfante II, bl. 127 v.; v. D. Feltz II, bl. 189 v.
2) Belinfante II, bl. H4; v. d. Feltz II, bl. 138 v.
414
opvatting, dat wat de sclmldeischer krachtens de hoofdver-bintenis en wat de borg krachtens zijn recht van regres of zijn recht op schadeloosstelling van den hoofdschuldenaar vordert, feitelijk hetzelfde is; dezelfde som die slechts eenmaal verschuldigd is.
Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement (art. 161). De curator is verplicht, ten overstaan van den rechter-commis-saris, rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen, en hem, indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt (men denke aan een zoogen. liquidatieakkoord met aanwijzing van den curator tot liquidateur), tegen behoorlijke kwijting af te geven alle goederen, gelden, boeken en papieren tot den boedel behoorende (art. 162).
Als gevolg van de opheffing van het faillissement treedt de schuldenaar weder in het beheer en de beschikking over zijn vermogen. De schuldeischers zijn dus op hèm aangewezen ter verkrijging van het hun toekomende. Ter verzekering hunner rechten geeft de wet eenige bepalingen, en wel onderscheidenlijk voor de concurrente en voor de bevoorrechte schuldeischers.
In het belang van de concurrente schuldeischers bepaalt art 159, dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie, in verband met het proces-verbaal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voor zooverre zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel oplevert tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
Hierboven, bl. 344 vlg., werd er op gewezen, dat art. 126 den gefailleerde tot partij maakt bij de verificatie, door hem het recht toe fce kennen zich tegen de toelating eener vordering te verzetten. Maakt hij van dit recht geen gebruik, dan bindt hem de erkenning der vordering, gelijk zij den curator en de medeschuldeischers bindt. Tegen dezen, immers »;in het faillissement«, heeft de in het proces-verbaal der verificatievergadering opgeteekende erkenning eener vordering kracht van gewijsde zaak. Tegen den gefailleerde moet dus de erkenning eener vordering, welke door hem niet is betwist, eveneens kracht van gewijsde hebben. Deze consequentie van het aan-
415
genomen stelsel ligt ten grondslag aan de bepaling van art. 159, welk artikel aan de houders der erkende niet door den schuldenaar betwiste vorderingen, na beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord, een executorialen titel in handen geeft.
Daar het akkoord de rechten der schuldeischers wijzigt, levert niet het proces-verbaal der verificatie alleen de voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op, maar het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie in verband met dit proces-verbaal. » De door den griffier af te geven grosse zal dus moeten bevatten: de beschikking der rechtbank (of van het hoogere college) houdende de homologatie, waarin de inhoud van het akkoord behoort te worden opgenomen, benevens een uittreksel uit het proces-verbaal van de verificatie-vergadering, waarin de erkenning van de vordering des ageerenden schuldeischers wordt geconstateerd« 1).
Onder de heerschappij van het Wetb. v. Kooph. is wel beslist 2), dat, al bindt de verificatie den schuldenaar niet, niettemin door het aanbieden en aannemen van het akkoord de rechten der schuldeischers, zooals ze zijn geverifieerd, ook tegenover den schuldenaar komen vast te staan, omdat deze, een akkoord aan de stemming der geverifieerde schuldeischers onderwerpende, daarmede tevens de resultaten der verificatie zou aanvaarden. Het behoeft geen betoog, dat deze opvatting wordt gewraakt door artikel 159, waaraan juist de onderscheiding tusschen vorderingen, waarvan de erkenning ook in geval van homologatie van het akkoord tegenover den gefailleerde wèl, en andere waarvan de erkenning ook in dit geval tegenover hem niet verbindend is, ten grondslag ligt.
Voor de bevoorrechte schuldeischers zorgen de artikelen 163 en 164. Onder het afgeschafte recht was de positie dezer schuldeischers, in geval van homologatie van een akkoord, niet geregeld en daardoor verre van benijdenswaardig. Er was
1
') Memorie van Toelichting: Belinfanle I, bl. 143; v. d. Feltz 187 vlg.
2
) Rb. Arnhem 5 April 1877, Rechtsgel. Bijbl. 1877, B bl. 185, vern. door Hof Arnhem 5 Dec, 1877, aldaar bl. 335; W. n0. 4193; â Rb. Groningen 11 April 1890, P. v. J. 1890 nquot;. 36; â concl. Openb. Min. bij het vonnis der Rb. te Amsterdam 24 Juni 1887, W. n0. 5504. â Anders Hooge Raad 14 Jan. 1874. Mag. v. Handelsr. 1874, bl. 55.
416
niemand die met hunne rechten of belangen rekening behoefde te houden. Wel bleven deze, omdat het akkoord buiten hen omging, in theorie ongerept, maar in werkelijkheid ondervonden zij er al het nadeel van, hunne rechten te moeten doen gelden tegen eene insolvente wederpartij, die hen zelfs kon dwingen tot een proces over de deugdelijkheid van het beweerde voorrecht, omdat daarover bij de verificatie niet werd beslist. Het vooruitzicht, na veel kosten een vonnis te verkrijgen niet-uitvoerbaar wegens ontstentenis van vermogen, waarop verhaal zou kunnen worden genomen, noopte hen maar al te vaak elke voorwaarde, die de schuldenaar hun geliefde te stellen, aan te nemen of in de betaling van akkoord-percenten te berusten ').
De TTaillissementswet heeft de beslissing over de deugdelijkheid van ieder recht van voorrang overgebracht van de vroegere rangregeling in geval van insolventie naar de verificatie 'J). Ten tijde der homologatie staat dus vast welke vorderingen bevoorrecht zijn. Daardoor is het mogelijk geworden op de aanspraken der bevoorrechte schuldeischers te letten, en te zorgen dat ook zij, na homologatie van het akkoord, ontvangen wat hun toekomt. Te dien einde, en tevens ter verzekering van de betaling der kosten van het faillissement, wordt door art. 163 bepaald, dat, na de homologatie van het akkoord, het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van hot faillissement, moeten worden gestort in handen van den curator, tenzij de schuldenaar mocht verkiezen voor het een en het ander zekerheid te stellen. Zijnerzijds is de curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoorende onder zich te houden, totdat de storting der vereischte gelöen in zijne handen is geschied, öf de zekerheid is gesteld, öf het uit krachte van de erkende voorrechten verschuldigde bedrag en de kosten van het faillissement aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan (art. 163 eerste lid), ten blijke waarvan de noodige bewijsstukken zullen moeten worden overgelegd.
') Verg. Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. quot;144; v. D. Feltz II, bl. 193. â M. P. Sipkes, de loesland van den bevoorrechten schuldeischer na homologatie van het accoord, Prft. 1 ^ïl'2.
2) Zie hierboven bl. 311.
417
Wanneer éene maand ua liet in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is verloopen, zonder dat op een der genoemde wijzen is gehandeld, moet de curator overgaan tot voldoening van het uit de aangegeven hoofden verschuldigde uit de voorhanden baten des boedels (art. 163 tweede lid).
Voor vorderingen, waarvan het voorrecht slechts voorwaardelijk erkend is, dus nog niet vaststaat, was eene bijzondere regeling noodig. Wat deze vorderingen betreft, zegt art. 164, bepaalt de verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekei-heid, terwijl, wordt die verplichting door hem niet nagekomen, de curator slechts gehouden is tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag, waarop het voorrecht aanspraak geeft. Betaling geschiedt eerst, als de deugdelijkheid vau het beweerde voorrecht is uitgemaakt.
Een en andermaal werd hier gewag gemaakt van het bedrag, waarop een schuldeischer krachtens een erkend voorrecht aanspraak kan maken. Het is duidelijk dat dit bedrag eigenlijk eerst gekend kan worden, als de zaken waarop het voorrecht kleeft, zijn verzilverd en de verdeeling van den koopprijs is opgemaakt. Op het oogeiiblik, waarvan hier sprake is: bij de homologatie van het akkoord, zal die voorwaarde zelden of nooit vervuld zijn. Meestal heeft het akkoord zelfs ten doel de vervulling van die voorwaarde onmogelijk te maken, immers het beoogt in den regel den boedel in zijn geheel te houden, de tegeldemaking daarvan te voorkomen. Hot juiste bedrag, waarop het voorrecht aanspraak geeft, blijft dan onbekend. Toch moet met dat bedrag rekening worden gehouden. Dit kan geschieden door de waarde of vermoedelijke opbrengst der aan een of meer voorrechten onderworpen goederen te vergelijken met het bedrag der schuldvorderingen, waaraan de voorrechten zijn verbonden. Aldus komt men tot de waardeering van het bedrag, dat door ieder bevoorrechten schuldeischer krachtens zijn voorrecht zou kunnen worden verhaald, waarbij natuurlijk ook moet worden gelet op den rang, dien de bevoorrechte schuldeischers onderling innemen.
üe belanghebbenden: de curator, de bevoorrechte schuldeischers en de schuldenaar, zijn bij deze waardeering in de eerste plaats aangewezen op minnelijk overleg. Gewoonlijk
Molenghaaff, Faillissementswet. ^
418
zal daardoor wel eene bevredigende oplossing kunnen worden verkregen. Gelukt dit niet, dan is eene zoo eenvoudig mogelijke, voor alle partijen minst kostbare oplossing gewenseht. ;; Geen andere wegquot; staat daartoe open, « dan den rechtercommissaris aan te wijzen om in geval van verschil te bepalen, wat aan iederen schuldeischer toekomt. De rechter-cominissaris heeft, jiiist door zijne betrekking als zoodanig, de ruimste gelegenheid, zich te doen voorlichten en de zaak ten genoegen van allen te beëindigen* i). Dienovereenkomstig bepaalt het derde lid van art. 163: «het bedrag in het eerste lid bedoeld (d. w. z. het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken), en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begrootquot; 1).
§ 5. Ontbinding van het akkoord (artt. 165â172).
Zooals hierboven (bl. 380) reeds werd opgemerkt, werd in het Wetboek van Koophandel gezAvegen over de rechten der schuldeischers in geval van niet-nakoming van het akkoord. Vandaar groot verschil van meening te dien aanzien. Volgens sommigen hadden de schuldeischers alleen het recht nakoming van het akkoord te vorderen, volgens anderen kon ieder hunner wat hem betreft ontbinding van het akkoord vragen en bij wijze van schadevergoeding voldoening van het oorspronkelijke bedrag zijner vordering. De rechtspraak was in de latere jaren vrijwel in dezen zin gevestigd 2).
Aan deze belangrijke controverse heeft de Faillissementswet getracht een einde te maken, door in de artt. 165-171 uitvoerige voorschriften te geven omtrent de ontbinding van het akkoord in geval van niet-nakoming. Het stelsel der jurisprudentie: ontbinding alleen voor zooveel betreft den schuldeischer, die haar vordert, is niet gevolgd. « Het ligt in den
1
'-) Van de beschikking van den rechter-commissaris is gedurende vijf dagen beroep op de rechtbank (art. (')7 eerste lid).
2
:t) Zie daarover de Memorie van Toelichting: Belinfante 1, bl. 133 n3. 2 en 3; v. d. Feltz II, bl. 145 n' 1 en 2.
3
Antwoord des Ministers in het Verslag der Comm. van voorbereiding: Belinfante II, bl. -1*28 v.; v. d. Feltz 11, bl. 195.
419
aard der zaakmerkt de Memorie van Toelichting op, quot;dat niet-nakoming der bepalingen van het akkoord door den gefailleerde herstel der gerechtelijke liquidatie ten gevolge moet hebben; deze is alleen losgelaten in ruil voor de minnelijke regeling; zij behoort dus haar plaats te hernemen, waar die minnelijke regeling niet geheel, zooals overeengekomen, wordt uitgevoerd. Het recht op herstel van den prijsgegeven toestand kan den schuldeischers inderdaad moeilijk ontzegd worden. Volgens het Ontwerp leidt dan ook niet-nakoming van het akkoord niet tot eene relatieve ontbinding van het akkoord alleen ten behoeve van den schuldeischer die haar vraagt, maar tot eene algeheele ontbinding ten behoeve der gezamenlijke schuldeischers, m. a. w. tot eene wederopvatting, heropening, van 't faillissement. Heropening is trouwens de eenige weg, waarop gelijkheid tusschen de schuldeischers, het doel èn van het faillissement èn van elk akkoord, kan worden gehandhaafd« 1).
Dit standpiint mag juist genoemd worden. Immers het akkoord is één overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers; het bestaat geenszins uit zoovele gelijkluidende overeenkomsten als er schuldeischers zijn. Hieruit volgt dat de vordering tot ontbinding ondeelbaar is, mitsdien door ieder schuldeischer voor het geheel kan worden ingesteld. Zoolang de schuldenaar ook maar jegens één schuldeischer in gebreke blijft, is aan het akkoord niet voldaan. De ontbinding kan uit den aard der zaak niet anders wezen dan een ontbinding van het akkoord, d. w. z. van de daarin gelegen overeenkomst in haar vollen omvang.
Door den schuldeischer, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud van het gehomologeerde akkoord te voldoen, kan de ontbinding daarvan worden gevorderd (art. 165 eerste lid). Het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan, rust op den schuldenaar (art. 165 tweede lid), die het bewijsstuk der voldoening, de kwijting van den schuldeischer voor het ontvangen dividend, in handen heeft of behoort te hebben , en het aan zich zelf te wijten heeft, indien hij dit stuk mist.
De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar een
') Belinfante I, bl. 134 v.; v. d. Feltz II, bl. 146.
420
uitstel van ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen (art. 165 derde lid). Deze bepaling komt overeen met het voorschrift van art. 1302 vierde lid van het Burg. Wetb., welks toepasselijkheid zou kunnen worden betwijfeld, èn omdat de vraag of het akkoord een overeenkomst is voor verschillende beantwoording vatbaar blijft, èn omdat de ontbinding van het akkoord in de Fail-lissementswet een speciale regeling heeft verkregen.
De vordering tot ontbinding wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6â9 en 12 is voorgeschreven (art. 166). Uit art. 5 blijkt voorts, dat het verzoekschrift tot ontbinding door een procureur moet worden ingediend.
Wordt de ontbinding van het akkoord uitgesproken, dan wordt in het vonnis tevens de heropening van het faillissement bevolen, met benoeming van een recbter-commissaris en van eenen curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers, indien er in het faillissement reeds eene is geweest (art. 167 eerste lid). Bij voorkeur zullen daartoe de personen worden gekozen, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen (art. 167 tweede lid).
Voor de bekendmaking van het vonnis draagt de curator zorg; zij moet geschieden op de wijze in art. 14 derde lid voor de faillietverklaring voorgeschreven (art. 167 derde lid).
Niet alleen gelden voor de procedure tot ontbinding van het akkoord en tot heropening van het faillissement dezelfde bepalingen als voor de procedure tot faillietverklaring en wordt het vonnis van heropening op dezelfde wijze als dat van fallietverklaring openbaar gemaakt, maar ook de geheele behandeling van het heropende faillissement geschiedt zooveel mogelijk op dezelfde wijze als die van ieder ander faillissement. Artikel 168 toch bepaalt in het eerste lid, dat de artikelen 13 eerste lid, 15â18 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling (//van de gevolgen der faillietverklaringquot;; /,van het bestuur over den faillieten boedelquot; ; «van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer des curatorsquot;) van dezen titel (wvan faillissementquot;) bij heropening van het faillissement toepasselijk zijn. Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie der schuld-
421
vorderingen (de vijfde afdeeling), behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die niet reeds vroeger werden geverifieerd (art. 168 tweede lid). Niettemin worden ook de reeds vroeger geverifieerde schuld-eischers tot bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating wordt verzocht, te betwisten (art. 168 derde lid).
Deze bepalingen omtrent de verificatie zijn in overeenstemming met het karakter van het faillissement als heropend faillissement. Eenmaal vastgestelde vorderingen worden blijvend als zoodanig beschouwd. Houders van vorderingen, geverifieerd in het vroegere faillissement, treden dus in het heropende faillissement terstond in de rechten van geverifieerde schuld-eischers.
In het eerste lid van art. 168 had ook nog art. 14 tweede lid (// van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der telegrafiequot;) toepasselijk verklaard moeten worden. Dat de niet-vermelding van deze bepaling niet anders is dan een onwillekeurig verzuim, blijkt uit het wèl toepasselijk verklaren van art. 99 eerste lid, en vindt hare verklaring in het feit, dat de bedoelde bepaling, die in het oorspronkelijke Regeerings-ontwerp ontbrak, eerst in het gewijzigde Ontwerp van 23 Maart 1898 is opgenomen. Verzuimd is toen in art. 168 met het nieuwe tweede lid van art. 13 (thans het tweede lid van art. 14) rekening te houden.
Tusschen de opheffing van het faillissement door de homologatie van een akkoord en de heropening daarvan zal steeds een korter of langer, misschien zelfs een geruime tijd inliggen, gedurende welken de schuldenaar weer aan het hoofd van zijne zaken staat, nieuwe schulden maakt, over zijn vermogen beschikt. Die nieuwe schulden zijn schulden van den boedel; de nieuwe schuldeischers komen dus op in het heropende faillissement. Die beschikkingen zijn geldig als verricht door een tot handelen bevoegd persoon; de curator heeft ze dus te eerbiedigen. Uitdrukkelijk wordt dit uitgesproken in art. 169; »de handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement ven-icht, zijn voor den boedei ver-
422
bindend, behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende (de zoogen. Pauliana), zoo daartoe gronden zijn «.
De redactie dezer bepaling geeft aanleiding tot de opmerking , dat ,/ homologatie van het akkoord quot; hier een verkorte uitdrukking is voor «in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van het akkoordquot;. Immers tot dit oogenblik duurt het faillissement voort; eerst door het in kracht van gewijsde gaan der homologatie eindigt het faillissement en herkrijgt de schuldenaar beheer en beschikking over zijn tot het faillissement behoorend vermogen (art. 161). Bedoeld zijn dus de handelingen, door den schuldenaar verricht in den tijd verloopen sedert het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan tot aan de heropening van het faillissement.
Het heropende faillissement wijkt van een oorspronkelijk faillissement alleen in dit opzicht af (hierboven bl. 382 vlg. kwam dit punt reeds ter sprake), dat een akkoord niet opnieuw kan woi'den aangeboden. De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over (art. 170).
Bij die vereffening, in het bijzonder bij de verdeeling van de voorhanden baten, kan zich de moeilijkheid voordoen, dat de schuldeischers zich niet allen in dezelfde positie bevinden. Er zullen in de eerste plaats zijn oude schuldeischers en nieuwe schuldeischers, d. w. z. schuldeischers die dat reeds waren ten tijde der oorspronkelijke faillietverklaring, en schuldeischers, die met den schuldenaar hebben gehandeld in den tusschentijd tusschen het einde van het faillissement en de heropening daarvan. Voorts zal men onder de oude schuldeischers kunnen onderscheiden schuldeischers, die de akkoord-percenten ten volle hebben ontvangen, anderen jegens wie het akkoord slechts gedeeltelijk is nagekomen en eindelijk de zoodanigen die niets ontvingen, terwijl met deze laatsten de nieuwe schuldeischers gelijkstaan. De vraag is nu, welke wijze van verdeeling der baten de billijkste is, gelet op de verschillende positie van ieder dezer categorieën van schuldeischers. Art. 171 beantwoordt die vraag als volgt: indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan, worden, bij de verdeeling, aan de nieuwe schuldeischers en
423
diegenen onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald. In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alle schuldeischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld.
Tot toelichting dezer regeling leest men in de Memorie van Toelichting tot het Regeerings-ontwerp '): //üe verdeeling onder de schuldeischers van het actief, in het heropende faillissement gevonden, en de vaststelling van ieders aanspraak op dividend maken de neteligste punten uit bij de regeling van het heropende faillissement. Het systeem, in de Fransche, Belgische en Italiaansehe wetten aangenomen, sluit als schuldeischers uit diegenen der oude schuldeischers, aan wie het bij akkoord bedongen dividend volledig is uitbetaald, laat hen, aan wie dit gedeeltelijk voldaan is, alleen toe voor een deel hunner schuldvordering correspondeerende met het niet betaalde gedeelte van het dividend, terwijl eindelijk zij, die nog niets ontvingen, voor het geheele bedrag hunner primitieve schuldvordering opkomen. Dit stelsel is juist in zooverre de schuldeischers kunnen behouden, wat zij, krachtens hun recht uit het akkoord, van den schuldenaar rechtsgeldig hebben ontvangen. Het zou toch zonderling in strijd zijn met recht en billijkheid hen te noodzaken het eenmaal ontvangene weder in den boedel terug te brengen. Daaraan is steeds vast te houden, dat heropening van het faillissement geen terugwerkende kracht heeft. Minder juist is daarentegen de opvatting, waarvan bedoeld stelsel tevens uitgaat, als zoude betaling van het bij akkoord bedongen dividend of een gedeelte daarvan ook nog na heropening van het faillissement als delging der schuld voor het geheel of een evenredig deel beschouwd moeten worden. Dientengevolge toch zal het mogelijk zijn dat de schuldeischers, wien dooiden schuldenaar niets betaald werd, bij de liquidatie na heropening een hooger dividend ontvangen dan bij akkoord werd toegezegd, derhalve meer ontvangen en van beter conditie worden dan de schuldeischers, jegens wie wel aan het
') Belinfante I, bl. 147 vtg.; v. d. Felt/. II, bl. 204 vlg. Molkngraaff , Faillissementswet.
27*
424
nkkoord werd voldaan. Bovendien zouden genen (werd dit stelsel aangenomen) na het einde van het faillissement volgens de artikelen 195 en 196 Ontwerp (= artt. 195â197 der wet) Imn vorderings- en executierecht tegen den schuldenaar voor het ontbrekende behouden, terwijl dezen voor altijd als volledig gekweten zouden moeten worden beschouwd. Dergelijke rechtsongelijkheid is in strijd met het wezen van het faillissement. In het Ontwerp is daarom aangenomen, dat de heropening van 't faillissement alle schuldeischers zonder uitzondering in hunne rechten tegen den gefailleerde herstelt; het akkoord houdt voor hen allen op eenig verder effect te sorteeren; het dividend, dat reeds krachtens het akkoord ontvangen is en niet behoeft teruggegeven te worden, wordt beschouwd als eene vooruitbetaling op het dividend dat na de heropening door den curator wordt uitgekeerd. Op deze wijze wordt met eerbiediging tevens van verkregen rechten de meest billijke behandeling van allen bereikt.
* De voorgestelde regeling wijkt eenigszins af van die, welke vervat is in artikel 48 der Amsterdamsche Ordonnantie op de desolate boedelskamer van 1777, welk artikel wel eens ter navolging is aangeprezen. Het onderscheid, dat de Amsterdamsche Ordonnantie maakt tusschen de oude en de nieuwe schuldeischers (degenen wier vorderingen anterieur zijn aan het akkoord en die welke na de homologatie van het akkoord met den geakkordeerden schuldenaar hebben gecontracteerd en gehandeld) is niet gerechtvaardigd. In het heropende faillissement behooren alle schuldeischers gelijke rechten te hebben; in het feit dat de vordering anterieur is aan het akkoord, kan evenmin een reden voor preferentie liggen als in het feit dat zij daaraan posterieur is. De gelijkheid tusschen alle schuldeischers duldt geene andere afwijking, dan die welke noodzakelijk daaruit voortvloeit, dat wat eenmaal rechtsgeldig ontvangen is, behouden kan worden» ').
In het laatste artikel der afdeeling, art. 172, wordt het geval behandeld, dat de schuldenaar, terwijl hij aan het
') Zie voorts het Advies van don Raad van State op dit artikel en de bestrijding der door den Raad gemaakte bedenkingen in liet Rapport van den Minister aan de Koningin-Regentes: Belinfante II, bl. 205 en'243; v. d. Fei.tz 11, bl. 205 vlg.
425
akkoord nog niet volledig heeft voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard. Deze nieuwe faillietverklaring werkt ten opzichte van de schuldeischers, die door het akkoord gebonden worden, als eene owibinding daarvan. Zij komen nu in dezelfde positie als ware het faillissement heropend. Vandaar dat het vorige artikel (171) toepasselijk wordt verklaard. De grond voor deze regeling is de gelijkheid der feitelijke omstandigheden. Immers ook in dit geval kunnen naast elkander voorkomen: schuldeischers uit het oude faillissement, die de akkoord-percenten integraal of gedeeltelijk ontvangen hebben, schuldeischers uit het oude faillissement die niets ontvangen hebben en nieuwe schuldeischers. Deze gelijkheid van omstandigheden maakt eene gelijke behandeling noodzakelijk.
Onder vigueur van het Wetboek van Koophandel was het een strijdvraag of de gefailleerde, na verwerping of weigering van de homologatie van het aangeboden akkoord, nog een ander akkoord kon voorstellen en hoe dikwijls hij dit kon herhalen. De wet heeft die quaestie thans uitdrukkelijk beslist en wel, ten einde te voorkomen dat de liquidatie door herhaalde aanbiedingen van akkoorden zou worden gerekt, den gefailleerde de bevoegdheid ontzegd, na mislukking van het aangeboden akkoord een ander voor te stellen (art. 158). De beslissing over de vraag, wat zal plaats hebben: eene minnelijke liquidatie of eene gerechtelijke , kan dus slechts eenmaal vallen. Komt het akkoord niet tot stand, door afstemming of door weigering der homologatie, dan is daarmede eens en voor goed uitgemaakt dat door den curator de vereffening zal geschieden. Hot faillissement treedt in de periode der insolventie.
426
Artikel 138.
De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke sclmldeiscbers een akkoord aan te bieden.
In het Verslag der Commissie van voorbereiding nit de Tweede Kamer ') werd de vraag geopperd, »of ook door anderen, dan den gefailleerde, een akkoord kan worden aangebodenquot;.
âDe minste twijfel bestond omtrent het aanbieden door een gemachtigdequot;. Algemeen, ook door de Eegeering in haar Antwoord , werd dit mogelijk en geoorloofd geacht.
Maar is ook de aanbieding vergund, bij afwezigheid van den gefailleerde, door een negotiornm gestor, of wel door de daartoe door den kantonrechter gemachtigde echtgenoote van eerstgenoemde? De Regeering antwoordde op deze vraag: ,/Evenals beslist werd onder het bestaande recht, aal ook ingevolge het ontwerp een negotiornm gestor of de echtgenoote van den gefailleerde een akkoord niet kunnen aanbieden ».
Ons komt dit antwoord, althans voor zooveel betreft de echtgenoote van den gefailleerde, niet geheel juist voor. Men moet onderscheiden tusschen den gefailleerde, die buiten gemeenschap, en den gefailleerde die in gemeenschap van goederen is gehuwd. De echtgenoote des eersten staat tegenover diens vermogen, hetwelk uitsluitend den faillieter boedel uitmaakt, als ieder derde, als een vreemde. Zij kan dus ook alleen als gemachtigde een akkoord aanbieden.
Anders is het gelegen als de echtgenooten in gemeenschap zijn gehuwd. Faillissement van den man beteekent dan feitelijk faillissement van het tot de gemeen schap behoorende vermogen In art. 03 wordt dit uitdrukkelijk gezegd. De man gaat failliet als het ware in zijne qualiteit van beheerder der
') Belinfante II, bl/.. 118 v.; v. d. Fkltz II, bl. 151.
427
geineenscLap. Die hoedanigheid van beheerder der gemeenschap geeft hem ook de bevoegdheid als gefailleerde eei; akkoord voor de gemeenschap aan te bieden. Aan een ieder die hem in het beheer der gemeenschap kan vervangen, in zijn plaats voor de gemeenschap kan optreden en deze verbinden, moet dus ook de bevoegdheid, hem bij de akkoord-aanbieding te vervangen, worden toegekend. Er is dan geen geval van nego-tiorum gestio aanwezig, maar van plaatsvervanging.
Naar deze opvatting kan de vrouw van den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot zonder eenigen twijfel een akkoord aanbieden, mits aanwezig is een der gevallen, waarin volgens het Burg. Wetb. de vrouw voor de gemeenschap kan optreden. De man moet afwezig zijn of zich in de onmogelijkheid bevinden zijnen wil te verklaren (art. 180 Burg. Wetb.). Bovendien behoeft de vrouw machtiging van den kantonrechter.
Op formeele gronden werd de bevoegdheid der vrouw ontkend door de Eb. te Amsterdam bij vonnis van 2i Oct. 1890 (W. n0. 6016; Mag. van Handelsr. 1891, bi. 109). In de overwegingen van dit vonnis leest men: «dat volgens onze wet alleen de gefailleerde de bevoegdheid heeft een akkoord aan
te bieden en dat.....in ieder geval moet blijken van zijnen
wil om het akkoord aan te bieden, daar zonder dien wil de gefailleerde niet kan worden geacht het aanbod te doen; dat in casn daarvan niet alleen niet blijkt, maar dat zelfs uit de omstandigheid, dat van de personen die het akkoord
hebben aangeboden.....de andere (beweert op te treden)
als vrouw en gemachtigde door den rechter, volgt, dat de gefailleerde zijnen wil niet heeft te kennen gegeven, dewijl
.....de machtiging, waarop de vrouw zich beroept, alleen
kan worden verstrekt, wanneer de man afwezig is of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklarenquot;.
Eene letterlijke interpretatie deed de rechtbank het wezen der zaak over het hoofd zien. Blijken moet zeer zeker van den wil des gefailleerden, maar met dien wil staat gelijk de wil van dengene, die in vermogenszaken wettig in de plaats van of voor den gefailleerde kan optreden. Zoo kan zonder twijfel de curator over een verkwister een akkoord aanbieden in het faillissement van zijn curandus. Evenzeer kan de vrouw het doen in het faillissement van den met haar in gemeenschap
428
gehuwden man, mits een der gevallen aanwezig is, waarin art. 180 Burg. Wetb. der vrouw toestaat in plaats van haren man te handelen.
Daar de man de beheerder is zoowel van de goederen der gemeenschap, als van de eigen goederen der vrouw, kan hij in het faillissement van zijne echtgenoote altijd een akkoord aanbieden. Oj) dezen regel bestaat slechts ééne uitzondering: het geval dat in de huwelijksche voorwaarden het beding, omschreven in art. 195 tweede lid Burg. Wetb., is opgenomen. Is dit beding gemaakt, dan moet de vrouw zelve optreden, al zij het met bijstand of toestemming van haren man.
429
Artikel 153 tweede lid 3°.
Zij (de reclitbank) zal de homologatie weigeren:
3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van eei; of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt.
De hier afgeschreven bepaling is in de eerste plaats gericht tegen de zoogenaamde sluipovereenkomsten. Het Ontwerp der Staatscommissie trachtte het misbruik dier overeenkomsten nog op andere wijze te treffen. Art. 157 van dit Ontwerp, dat echter reeds in het Regeerings-ontwerp wordt gemist, luidde; «Wanneer de homologatie geweigerd wordt op een der gronden in artikel 153 onder 3° (= art. 153 tweede lid 3° der wet) vermeld, kan de schuldeischer, aan wien bijzondere voor-deelen zijn toegekend of die tot oneerlijke middelen de hand heeft geleend, in het faillissement geene rechten als schuldeischer meer uitoefenen quot;.
Misschien ging deze bepaling te ver; maar toch zal moeten worden beaamd, wat in de Toelichting tot dit artikel over de sluipovereenkomst werd gezegd. wDe sluipovereenkomst», aldus de Staatscommissie!), «is de worm, die aan de instelling van het akkoord knaagt; zij dient om langs slink-sche wegen en onder bedriegelijke voorgevens den schuldeischers eene overeenkomst op te dringen, waarvoor zij anders niet te vinden zouden zijn. Wel zal zij, daar zij in strijd is met goede trouw en goede zeden, daar zij een onzedelijken inhoud heeft, nietig wezen en geene actie geven, dit alles neemt niet weg, dat zij desniettegenstaande haar volle effect zal kunnen sorteeren, dat bereikt is zoodra het akkoord tot stand is gekomen. De sluipovereenkomst is boven-
') Belinfante, bl. 'ill vlg.
430
dien des te gevaarlijker, omdat zij ten doel hoeft derden te misleiden, het recht der schuldeischers op gelijke pondjwnds-gewijze voldoening krachteloos te maken. De schuldeischer, die zich voordeelen Iaat beloven, neemt tegenover zijne mede-schuldeischers den schijn aan, vóór het akkoord stemmende, eene opoffering te doen, terwijl hij in werkelijkheid ten gevolge der sluipovereenkomst niets of althans minder dan zijne mede-schuldeischers te verliezen heeft ')
De nietigheid der sluipovereenkomst brengt mede, dat in rechte eene vordering tot nakoming daarvan of tot schadevergoeding wegens wanpraestatie niet kan worden gedaan.
Ook wanneer de voordeelen zijn toegezegd in den vortn van een orderbiljet, kan de uitgever op die omstandigheid tegen den nemer of den lateren houder, die , daarmede bekend, het stuk verwierf, een beroep doen ter afwijzing van zijne verplichting tot betalen. Daarentegen gaat dit beroep niet op tegen den houder, die het stuk te goeder trouw verkreeg. Wat hij dezen heeft betaald, kan de uitgever echter terugvorderen van den nemer, die zich het orderbiljet in ruil voor zijn stem vóór het akkoord liet afgeven. In dien zin besliste terecht de Rb. te Amsterdam 21 Juni 1859, Mag. v. Handelsr. 1859, bl. 80 vlg.
Anders oordeelde dezelfde rechtbank een jaar later bij vonnis van 27 Dec. 1860, Mag. v. Handelsr. 1861, bl. 139 vlg., hoewel zij overwoog dat de orderbiljetten, waarvan het bedrag werd teruggevorderd, »geene of een ongeoorloofde oorzaak hadden en dus rechtens krachteloos waren, omdat de daarin vermelde schuld was kwijtgescholden of de premie eener onzedelijke handeling quot; !
In het algemeen moet worden aangenomen, dat hetgeen betaald is ter voldoening aan een sluipovereenkomst, als onverschuldigd betaald, kan worden teruggevorderd. Met een
') Verg. in dezen zin Kist, bl. 159; Lagebwey, t. a. p., bl. 166; Mr. Oyens , bl. 270 vlg. en de jurisprudentie aldaar aangehaald; Rechtsgel. Adviezen, -I0(lc Verz., bl. 93. Van eene andere meening is Mr. Lou. S. Boas in N. Bij dr. enz. 1884, bl. 543 vlg. Art. 345 Wetb. v. Strafr. [waarover T. M. C. Asser in Tijdsein', v. Strafr., dl. 1, bl. 68 v.J heeft thans de sluipovereenkomst strafbaar gesteld.
[Zie nog Ub. Amsterdam 25 Juni 1886 en Kgt. den Haag 3 Dec 188(1, Rechtsgel. Bijdr. en Bijbl. 1886;7, afd. D. bl. 171, alsmede Rechtsgel. Bijdr. en Bijhl. 1885, afd. D, bl. 246 v.]
431
speelschuld mag de schuld uit sluipovereenkumst met worden gelijkgesteld; do eerste is geldig, al geeft de wet geen rechtsvordering te harer handhaving, de tweede is nietig wegens strijd met de goede zeden. Aan de toepasselijkheid van art. 1395 Burg. Wetb. staat dus niets in den weg 1).
De handelingen, in art. 153 tweede lid onder 3°. vermeld, konden volgens het Ontwerp der Staatscommissie en het eerste Eegeerings-ontwerp ook aanleiding geven tot vernietiging van het akkoord. Beide ontwerpen bepaalden in art. 164, dat vernietiging van het gehomologeerde akkoord gedurende één jaar, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, kon worden gevorderd wegens het plegen van een der handelingen in art. 153 onder 3°. vermeld ,⢠mits de sclmldeischer, die de vernietiging vraagt, eerst na afloop van den termijn, vastgesteld voor het aan teekenen van hooger beroep tegen de beschikking der rechtbank over de homologatie, tot de ontdekking was gekomen van het bestaan dier handelingen.
Reeds de Raad van State had bezwaar tegen deze bepaling, die haar onpractisch voorkwam. Dit gevoelen vond weerklank bij het onderzoek van het Ontwerp in de Tweede Kamer, immers het artikel werd blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding door onderscheidene leden dier Kamer afgekeurd. Zoowel de Raad van State als deze leden achten het verkeerd, dat gedurende één jaar de toestand van den boedel een onzekere zou blijven. Ieder failliet, die een akkoord zag aannemen en homologeeren, zou daarvan de nadeelige gevolgen ondervinden. Bovendien meende men, dat lites finiri oportet, en wel hier door de homologatie van het akkoord.
De Regeering zwichtte voor deze bedenkingen en liet het artikel vallen. De vraag rijst nu, of een schuldeischer, indien hij na het verstrijken van den termijn voor het hooger beroep ontdekt, dat handelingen als vermeld in art. 153 tweede lid 3°. zijn gepleegd, op grond dier feiten eene vordering tegen den schuldenaar kan instellen.
Men denkt daarbij in de eerste plaats aan eene vordering tot nietigverklaring van het akkoord op grond van bedrog.
') Anders Ktg. Amsterdam 14 Jan. 1856, Rechtsgel. Bijbl. 1879, B bl. 67.
432
Daarvan zou alleen sprake kunnen wezen, indien het bedrog gepleegd werd door den schuldenaar (art. 1364 B. W.). Maar ook dan nog blijft de zaak aan twijfel onderhevig. De zooeven vermelde geschiedenis van art. 164 van het oorspronkelijke Regeerings-ontwerp toont aan, dat men eene vernietiging van het akkoord in zijn geheel op dezen grond niet heeft gewild. Het zou dus moeten wezen eene vernietiging van het akkoord voor zooveel den schuldeischer betreft, die de vernietiging vordert. Uitdrukkelijk uitgesloten is dergelijke vordering niet; eene partieele vernietiging van het akkoord is echter weinig in overeenstemming met het aangenomen beginsel van de eenheid van het akkoord, hetwelk heeft geleid tot verwerping van de door de jurisprudentie onder het Wetboek van Koophandel aangenomen mogelijkheid van partieele ontbinding van het akkoord in geval van wanbetaling. De schrapping van art. 164 van het oorspronkelijke Regeerings-ontwerp zonder meer heeft het dus in elk geval tot een punt van twijfel gemaakt, of en in hoeverre op grond van bedrog vernietiging van een gehomologeerd akkoord kan worden gevorderd.
Evenwel mag worden aangenomen, dat de kwestie practisch van gering belang is. Immers de handelingen, vermeld in art. ]53 tweede lid 3°.: bedrog, begunstiging van een of meer schuldeischers en andere oneerlijke middelen, zijn buiten kijf, hetzij de gefailleerde, hetzij een derde daartoe heeft medegewerkt, onrechtmatige daden. Ook hij, die de engste uitlegging van art. 1401 Burg. Wetb. voorstaat, moet dit beamen, omdat de bedoelde handelingen, de zoogenaamde sluipovereen-komsten, door art. 345 Wetb. v. Strafr. strafbaar zyn gesteld. Ieder schuldeischer kan dus op grond dier feiten een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad tegen de bij de sluipovereenkomst betrokken partijen instellen. Het deel zijner vordering, dat de schuldeischer door het akkoord heeft verloren, maakt het bedrag der doorhem geleden schade uit, zooals onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel door de jurisprudentie bij partieele ontbinding van het akkoord op grond van wanpraestatie steeds is aangenomen. Langs dezen weg komt men voor het hier behandelde geval tot een bevredigend resultaat, ondanks het stilzwijgen der wet.
433
Artikel 163 eerste lid.
Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeisohers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen van den curator worden gestort, tenzy deswege door den schuldenaar zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoorende onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.
De vraag is opgeworpen!), wat onder »een erkend voorrecht « in dit artikel moet worden verstaan: een voorrecht erkend in het faillissement, dan wel een voorrecht erkend door den failliet, of liever niet betwist door den failliet, overeenkomstig de bevoegdheid hem verleend bij artikel 126. Men heeft de vraag in laatstgemelden zin beantwoord, en daaruit afgeleid, «dat de failliet dus niet in handen van den curator zal behoeven te storten het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers aanspraak maken, terwijl zij zeggen, dat ze voor dit bedrag bevoorrecht zijn, wanneer de failliet bij de verificatie onder opgave van motieven heeft betwist, dat die vordering praeferent was w.
De juistheid dezer opvatting moet worden betwist. In de terminologie der wet kan; « een erkend voorrechtquot; niet anders beteekenen dan: een voorrecht, dat blijkens het proces-verbaal der verificatie-vergadering, in het faillissement is erkend. In dienzelfden zin wordt overal in de wet van erkende vorderingen gesproken. Waar door den failliet niet betwiste vorderingen worden bedoeld, wordt dit steeds uitdrukkelijk te kennen gegeven. Men zie art. 159 en art. 196 j0 art. 197.
Dat alle in het faillissement als bevoorrecht erkende vorderingen, ook die waarvan het voorrecht door den failliet werd
') Door Mr. Cd. Reeling Knap, in Weekblad voor Notarisambt en Registratie van 10 Mrt. 1895, n0. 1315.
Molengbaaff, FaiUiBsementawet. 28
434
betwist, iu art. 168 in aanmerking genomen worden, is ook volkomen rationeel. Immers, liet akkoord gaat geheel buiten de in liet faillissement als bevoorreclit erkende schuldeiscbers om; bet raakt alleen de als concurrente schuldeiscbers geveri-tieerden. Vandaar dat de rechtspositie van de als bevoorrecht erkende schuldeiscbers door het akkoord niet de minste wijziging ondergaat. Art. 163 nu heeft geen ander doel dan er voor te waken dat hunne positie door bet akkoord niet feitelijk worde verslimmerd. Het waarborgt hun de betaling, die zij in geval van insolventie zouden hebben ontvangen.
Het is dus duidelijk, dat de waarborg van dit artikel zich moet uitstrekken tot allen, die in geval van insolventie krachtens hun voorrecht tot eenige uitkeering gerechtigd zouden zijn, en daartoe bebooren ook die schuldeiscbers, wier in bet faillissement erlcend voorrecht door den failliet werd betwist.
ZEVENDE AEDEELING.
Van de vereffening des boedels.
§ 1. jOe verzilvering (artt. 173â178).
De zevende Afdeeling des eersten Titels is gewijd aan de tweede periode van liet faillissement, waaraan in art. 173 de naam n insolventiequot; wordt gegeven. Op de verdeeling van het faillissement in twee perioden en de beteekenis daarvan werd reeds hierboven (bl. 40 vlg.) de aandacht gevestigd. Bij de periode van vereffening of liquidatie, de insolventie, hebben wij thans meer in het bijzonder onze aandacht te bepalen.
De artt. 173â194, uitmakende de zevende Afdeeling, zijn uitsluitend toepasselijk in geval van insolventie. Daarentegen, dit mag niet worden over het hoofd gezien, zijn niet ook uitsluitend deze artikelen in dit geval van toepassing. De tweede Afdeeling; «van de gevolgen der faillietverklaringquot;, bevat bepalingen, die in iedere periode van het faillissement toepassing kunnen vinden, terwijl ook verschillende voorschriften van de vierde Afdeeling: -van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer des curatorsquot;, op het geheele faillissement betrekking hebben of wel bestemd zijn, zoo noodig ook gedurende de insolventie tot uitvoering te komen. Men zie de artt. 87â91, 99, 102â107. Uitdrukkelijk wordt dan ook in art. 176 bepaald, dat de artikelen 98 en 100 ophouden van toepassing te zijn, als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 173 is begonnen. De noodzakelijkheid eoner stellige niet-toepasselijk-verklaring van voorschriften, opgenomen in de vierde Afdeeling, ligt hierin opgesloten. Gerechtvaardigd is derhalve de conclusie, dat alle artikelen, de tweede en vierde Afdeeling uitmakende, van toepassing
436
zijn in de periode van insolventie, tenzij de inhoud van hot artikel zich daartegen verzet, of omtrent het onderwerp, daarin behandeld, bijzondere voorschriften in de zevende Afdeeling worden gegeven. Hier zullen alleen de bepalingen dezer Afdeeling nader ter sprake komen.
Nauwkeurig wordt in de wet (art. 173) aangegeven het tijdstip, waarop de periode van insolventie aanvangt. Zij vangt aan na afloop der verificatie-vergadering, als geen akkoord is aangeboden; na afloop van de vergadering, waarop de stemming heeft plaats gehad, als een akkoord is aangeboden doch verworpen; op den dag waarop de homologatie definitief is geweigerd, als een akkoord is aangeboden en aangenomen , doch de homologatie wordt geweigerd; op den dag waarop de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, als deze is gevorderd (artt. 167 en 170). De homologatie is definitief geweigerd als het desbetreffende vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
Omtrent den aanvang der periode wordt nader bepaald, dat hij van rechtswege plaats grijpt. quot;Indienquot;, zegt art. 173, «op de verificatie-vergadering geen akkoord aangeboden of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie«, d. w. z. de staat van insolventie begint, zonder dat daartoe eene rechterlijke rechtspraak noodig is. Door het enkele feit, dat eene der omstandigheden, hierboven vermeld, aanwezig is, wordt zonder meer de periode van insolventie geboren. Het vonnis van insolvent-verklaring, door het Wetboek van Koophandel gevorderd, kent de Faillissementswet niet.
Wat onder «staat van insolventiequot; moet worden verstaan, het karakteristieke van deze tweede periode van het faillissement, wordt eveneens in art. 173 eerste lid aangegeven, en wel door eene omschrijving van de taak des curators gedurende dit stadium. »De curator gaat onmiddellijk tot vereffening en tegelde-making van alle baten des boedels over, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is quot;.
In deze bepaling is eene tegenstelling gelegen tot artikel 101 eerste lid. Vóór de insolventie, gedurende de periode van seques-
437
tratie, mag de curator goederen, tot den faillieten boedel behoorende, alleen vervreemden, « indien en voor zoover de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijvenquot;; namp; den aanvang der insolventie is bij verplicht zonder verwijl alle goederen te gelde te maken. Niet langer is bewaring van den boedel het doel, juist het tegenovergestelde, verzilvering van het vermogen , is thans aan de orde. Het executoriale karakter dier verzilvering, welke recht geeft het faillissement eene vermogens-executie te noemen, komt duidelijk uit in de woorden, «zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig isquot;. Zonder zijne toestemming worden de rechten die hij op zijne goederen had aan anderen verschaft, hij wordt onteigend, uitgewonnen.
Het is duidelijk, dat de curator bij de vervulling der hier aangeduide taak heeft te letten op de bepalingen die, elders in de wet gegeven, den omvang der faillissements-executie aanwijzen en de afwikkeling van den boedel beheerschen. Zoo mag de curator de goederen, in art. 21 onder 1°. vermeld, niet vervreemden; zij vallen buiten het faillissement. Art. 173 tweede lid geeft zelfs aan de voor executie onvatbare goederen nog eenige uitbreiding. Aan den gefailleerde kan eenig huisraad, aan te wijzen door den rechter-commissaris, worden gelaten. Gaat de rechter-commissaris tot die aanwijzing over, dan onttrekt hij daarmede de aangewezen goederen aan de executie, plaatst ze feitelijk buiten het faillissement.
Deze macht verleenende '), volgde de wetgever de geboden der menschelijkheid en der billijkheid, welke verlangen dat de vermogens-executie niet ontaarde in eene volledige uitschudding des schuldenaars. Daarom zal de rechter-commissaris, â zooals werd opgemerkt door den Eaad van State, aandringende op eene facultatieve bepaling in plaats van het gebiedende voorschrift, hetwelk voorkwam in het aan den Eaad om advies toegezonden Ontwerp 1), â »wel niet nalaten van deze
1
) Evenzoo Ontwerp Staatscommissie, art. 173 tweede lid.
438
bevoegdheid gebruik te maken, tenzij liij gewichtige redenen hebbe om den gefailleerde die gunst te onthouden, bijv. als deze wegens bankbreuk zich in hechte ais bevindt of veroordeeld is, of voortvluchtig is« !) en, zouden wij er willen bijvoegen, geen gezin heeft of achterlaat, waaraan die gunst ten goede zou kunnen komen.
Het Wetboek van Koophandel was niet zoo vrijgevig, althans op dit punt niet duidelijk 2). In de practijk zal echter niet veel verandering komen , daar het reeds gewoonte was, dat de curator den gefailleerde eenig huisraad liet behouden.
Sober is de wet in het geven van voorschriften omtrent de wijze waarop de tegeldemaking van den boedel moet geschieden. Den curator is zooveel mogelijk de vrije hand gelaten. Hij regelt de vereffening naar goedvinden. Trouwens de vereffening van den boedel is nevens het beheer daarvan in het bijzonder zijn taak. Men vergelijke de omschrijving dier taak in art. 68 (zie hierboven bl. 266).
Is in het faillissement eene commissie uit de schuldeischers werkzaam , dan is de curator verplicht het advies dier commissie in te winnen. In art. 78 wordt tgt; de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel uitdrukkelijk gebracht tot de gevallen, waarin de commissie moet worden geraadpleegd. Overigens is de curator alleen onderworpen aan het toezicht van den rechter-commissaris, dat slechts in enkele in de wet genoemde gevallen wordt vervangen door eene toestemming of goedkeuring.
In de eerste plaats heeft de curator toestemming van den rechter-commissaris noodig voor den onderhandschen verkoop van goederen 3). Op eigen gezag is hij alleen bevoegd tct verkoop in het openbaar (art. 174 .
Bij de behandeling der wet ontmoette de onderhandsche verkoop, niettegenstaande den waarborg gelegen in de toestemming van den rechter-commissaris , bij sommigen bedenking. De Raad van State achtte het niet gewenscht, den onderhandschen
i) Belinfantc II, bl. 205; v. d. Feltz II, bl. 209.
ï) Verg. Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 03 n'. 2; v. d. Feltz I, bl. 348 n'. 2.
:l) Tegen Je beschikking van ilen rechter-commissaris staat hooger beroep niet open (art. 07 tweede lid).
439
verkoop van vast goed toe te laten , zonder daarvoor evenwel redenen aan te voeren, waarop de Minister van Justitie in zijn rapport aan de Koningin Regentes niet verzuimde te wijzen 1); vele leden van de Tweede Kamer waren, blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding-), van oordeel, dat door art. 174 den recliter-commissaris eene te groote vrijheid is toegekend. â Onderhandsehe verkoop «, antwoordde de Regeering, ffkan zeer gewenscht zijn voor ter beurze verhandelbare goederen en zelfs voor andere quot;; en zij voegde er bij: â kan er gegronde vrees zijn, dat de rechter commissaris van de hem gegeven vrijheid misbruik zal maken ?quot; In de wet is die vraag, evenals in het ontwerp, ontkennend beantwoord; de reehter-commissaris kan van alle goederen, de onroerende zoowel als de roerende, den onderhandschen verkoop toestaan, indien hij dit in het belang acht van de vereffening.
In de tweede plaats heeft de curator de goedkeuring van den rechter-commissaris noodig 2), indien hij wenscht te beschikken over niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten (art. 175 eerste lid). De Memorie van Toelichting dacht daarbij aan /; litigieuse, twijfelachtige of oninbare vorderingen, aan incourante of moeilijk te realiseeren artikelen en dergelijke quot; ^). Deze zouden aan de verzilvering van den boedel kunnen in den weg staan, indien de curator niet bevoegd ware daarover op de best mogelijke wijze te beschikken. Het eenigszins bijzondere karakter dier beschikking verklaart, dat hier voorafgaande goedkeuring van den rechter-commissaris wordt gevorderd. Men boude voorts in het oog, dat zoowel in dit geval als bij onderhandschen verkoop, omdat het geldt handelingen van vereffening en tegeldemaking, het advies moet worden ingewonnen van de commissie uit de schuld-eischers, indien die er is.
Omtrent de vereffening worden voor het overige slechts een tweetal bepalingen in de wet gevonden. De eerste is die van art. 175 tweede lid: »Voor zooveel dit in het belang is van den
1
) Belinfante II, bl. 132; v. d. Feltz II, bl. 232.
2
(art. 07 tweede lid).
440
boedel, brengt de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terughouding uitoefenen , door voldoening der voide-ringen, waaraan dit recht is verbonden , in den boedel terug.quot;
Deze bepaling, welke in het ontwerp der Staatscommissie en het eerste Regeeringsontwerp ontbrak, houdt verband met art. 60, volgens hetwelk de schuldeischer het recht van terughouding door faillissement van zijn schuldenaai niet verliest. Immers hieruit volgt, dat de schuldeischer, wien zoodanig recht toekomt, de afgifte der goederen, die hij onder zich heeft, aan den curator kan weigeren, totdat hem zijne vordering integraal is voldaan. De curator echter mag een concurrent schuldeischer, zooals ook de schuldeischer is/die recht heeft van terughouding, niet integraal betalen. Toch zou dit kunnen wezen in het belang des boedels, immers voor den boedel voordeeliger, en wel telkens als de goederen die teruggehouden mogen worden, eene hoogere waarde vertegenwoordigen dan het bedrag der schuld.
Art. 175 tweede lid verleent daarom den curator de bevoegdheid tot integrale betaling en stelt hem aldus in staat met bedoeld belang van den boedel te rade te gaan en dienovereenkomstig te handelen. Hij heeft nu de keuze de goederen te laten onder den schuldeischer, en over de schuld slechts de percenten te betalen die alle concurrente schuldeischers ontvangen, of de goederen in den boedel terug te brengen tegen voldoening van de geheele schuld.
De opmerking in het Verslag der Commissie van voorbereiding, dat verzuimd was in het tweede lid van art. 180 van het recht van terughouding melding te maken '), deed de Regeering de wenschelijkheid eener uitdrukkelijke bepaling inzien.
Het tweede voorschrift wordt gevonden in art. 177. Terwijl het niet twijfelachtig is, dat de curator ten behoeve dei-vereffening bezoldigde hulp van anderen kan inroepen, ook al zwijgt de wet daarvan, alsmede dat het hem vrijstaat de personen nit te kiezen, die hij daartoe het meest geschikt acht, heeft de wetgever het toch noodig gevonden ten opzichte van één persoon zich uitdrukkelijk uit te spreken. Deze persoon is de gefailleerde. Naast art. 176, hetwelk den curator
Belinfante II, bl. 134; v. d. Fkltz II, bl. 238.
441
verbiedt na aangevangen insolventie op kosten van den boedel in het levensonderhoud van den gefailleerde en diens huisgezin te voorzien, doet art. 177 uitkomen dat het den curator niettemin vrijstaat ten behoeve der vereffening zoo noodig van de diensten des gefailleerden gebruik te maken en die te beloonen. Ten einde te voorkomen dat een misplaatst medelijden of al te groote toegeeflijkheid den curator misschien zou bewegen in strijd met de belangen van den boedel een hooger bezoldiging aan den gefailleerde toe te kennen, dan waarop deze in redelijkheid aanspraak kan maken, is de vaststelling dier bezoldiging door de wet aan den rechtercommissaris opgedragen 1). Het is trouwens duidelijk, dat het gebruik maken van de diensten des gefailleerden nimmer mag worden gebezigd als middel om tot een door de wet verboden alimentatie te komen. Vertrouwd mag worden, dat de rechtercommissaris, ook door zijn toezicht, daartegen zal waken.
Indien eene commissie uit deschuldeischers in het faillissement is benoemd, is nog een bijzondere waarborg gelegen in het advies dier commissie, dat de curator ingevolge het voorschrift van art. 78 eerste lid in dit geval heeft in te winnen. Dit advies zal moeten loopen over de wenschelijkheid, van de diensten des gefailleerden gebruik te maken, niet ook over de daarvoor te betalen belooning, die door den rechtercommissaris wordt vastgesteld, al zal de commissie ook daaromtrent hare zienswijze kunnen uitspreken.
a Indien er geen commissie uit de schuldeischers is benoemd, en zelfs ook dan wanneer dit wel is geschied, zal het meermalen wenschelijk zijn de schuldeischers over de wijze van vereffening te raadplegen« 2). Deze overweging heeft den wetgever ertoe geleid den rechter-commissaris, hoewel deze reeds aan art. 84 de bevoegdheid ontleent, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt, eene vergadering van schuldeischers bijeen te roepen, in art. 178 indachtig te maken, dat hij, nadat de boedel is insolvent geworden, eene vergadering van schuldeischers kan beleggen met het bepaalde doel dezen te raadplegen over de wijze van
â¢) Van deze beschikking van den rechter-commissaris valt geen hooger beroep, art. 07 tweede lid.
'-â ) Memorie van Toelichting op art. 178: Belinfante I, bl. 150; v. D Feltz II, bl. 235.
442
vereffening des boedels, âhem aldus aansporende de wensche-lijkheid daarvan in bijzondere overweging te nemen. Tevens zal in die vergadering, en zonder de uitdrukkelijke bepaling van de wet zou de mogelijkheid daarvan kunnen worden betwijfeld '), zoo noodig de verificatie plaats hebben van de schuldvorderingen, die na afloop van den in ai'tikel 108 eerste lid n0. 1 bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 127 zijn geverifieerd (art. 178).
â De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111â114«. Indien er dus vorderingen zijn, als hier bedoeld worden, d.w.z. vorderingen die te laat werden ingediend en daarom nog niet werden geverifieerd, zal de vergadering, waarvan hier sprake is, wel altijd moeten worden uitgeschreven. Immers eene behandeling overeenkomstig de artikelen 111â114 veronderstelt eene daarop volgende verificatie. Trouwens art. 178 verbiedt geenszins, dat de raadpleging over de vereffening, als daaraan geen behoefte bestaat, achterwege blijft, en dat de vergadering dus uitsluitend wordt bestemd ter verificatie van nagekomen vorderingen. Mogelijk is het ook, dat die raadpleging reeds heeft plaats gehad, bijv. in de vergadering van art. 108 eerste lid 2°., als geen akkoord is aangeboden, of dadelijk na afloop van de stemming over het aangeboden akkoord, als dit werd verworpen. Ook dat toch is nergens verboden 2).
In elk geval, tot welk doel de vergadering van art. 178 ook worde belegd, roept de curator de schuldeischers, ten minste tien dagen te voren, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering wordt vermeld. Is dit onderwerp de verificatie van schuldvorderingen, dan wordt in die brieven tevens herinnerd aan de bepaling van art. 114, omtrent het ter-inzage-liggen van afschriften der lijsten van voorloopig erkende en van betwiste vorderingen. Bovendien, en dit weder in elk geval, wordt door den curator eene oproeping tot de vergadering geplaatst in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14. Deze in art. 178 opgenomen voorschriften
') Zie het Antwoord der Regeering in het Verslag der Comm. van voorbereiding: Belinfante II bl. 133; v. n. Feltz II, bl. 23G.
2) Verg. Belinfante II, t. z. p.; v. D. Fei.tz. II, t. z. p.
443
omtrent de bijeenroepiug der vergadering komen overeen met het bepaalde in artikel 84 tweede lid.
§ 2. De uitdeelingslijst (artt. 179â188).
Einddoel van de vereffening is verdeeling van de door de tegeldemaking van den boedel verkregen contanten onder de schuldeischers. Om daartoe over te gaan behoeft niet gewacht te worden tot alle baten zijn verzilverd. « Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene nitdeeling aan de geverifieerde schuldeischersquot; (art. 179).
Art. 78 verlangt, dat vooraf' door den curator omtrent het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeeling het advies der commissie uit de schuldeischers, zoo zij er is, wordt ingewonnen. De beslissing over het een en het ander berust echter bij den rechter-commissaris, wiens beschikking blijkens art. 67 tweede lid niet onderworpen is aan hooger beroep.
In de artt. 180-192 wordt de wijze aangegeven, waarop bij het doen eener uitdeeling moet worden te werk gegaan. Vergeleken met het Wetboek van Koophandel is de regeling zeer eenvoudig. Daartoe heeft vooral bijgedragen, dat reeds bij de verificatie over den voorrang wordt beslist, zoodat eene rangregeling in den zin van dat Wetboek, waarbij niet alleen de rang werd aangewezen, maar ook over het recht van voorrang zelf beslist, niet meer te pas komt. In de wet wordt dan ook van een rangregeling niet gesproken. In de plaats daarvan is gekomen de uitdeelingslijst. Deze wijst eenvoudig aan wat ieder schuldeischer, krachtens zijn reeds bij de verificatie uitgemaakt en dus vaststaand recht, heeft te ontvangen, gelet natuurlijk op den rang dien de wet aan de verschillende vorderingen toekent.
Dergelijke aanwijzing is telkens noodig, als eene uitdeeling plaats heeft, vandaar dat, zoo dikwijls eene uitdeeling is bevolen, een uitdeelingslijst wordt opgemaakt. In art. 180 eerste lid wordt dit uitdrukkelijk gezegd: n De curator maakt telkens de uitdeelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-commissarisquot; ').
Omtrent de inrichting der lijst wordt in hetzelfde artikel
') De beslissingen van den rechter-commissaris over de inrichting der lijst zijn niet vatbaar voor hooger beroep, art. 07 tweede lid.
444
voorgeschreven, dat zij moet inhouden een staat der ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te ontvangen uitkeering. Onder de ontvangsten behooren, ter verkrijging van een behoorlijk overzicht, netto's niet bruto's te worden vermeld, m. a. w. indien de ontvangsten worden gedetailleerd naar gelang van de bron waaruit zij vloeiden, moeten nettoopbrengsten worden gegeven, en niet bruto-opbrengsten met vermelding van de onkosten der realisatie onder de uitgaven. Zijn er onder de schuldeischers die een recht van voorrang hebben op de opbrengst van bepaalde goederen, dan is de hier aangegeven handelwijze zelfs de eenige juiste en noodzakelijk voor een nauwkeurige berekening van hetgeen aan een ieder toekomt.
Op de lijst worden voor de concurrente schuldeischers, zoowel voor de erkende als voor de voorwaardelijk toegelatene (art. 181), de door den rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken. Van de pand- en hypotheekhoudende schuldeischers worden als zoodanig op de lijst alleen zij geplaatst, die niet reeds, ingevolge de artt. 57 en 58 der wet, zelf tot executie van hun onderpand zijn overgegaan. Die dit wel deden, behooren, indien zij te kort zijn gekomen, voor dit te-kort-komende tot de concurrente schuldeischers (art. 59, tweede lid), en staan anders geheel buiten het faillissement.
Voor de als zoodanig op de lijst gebrachte pand- en hypotheekhoudende schuldeischers en voor de bevoorrechte schuldeischers wordt, onverschillig of hun recht van voorrang erkend is dan wel betwist, het bedrag op de lijst uitgetrokken, waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de door den curator ontvangen opbrengst der goederen, die aan hen verbonden of waarop zij bevoorrecht waren. Zoo dit bedrag minder is dan het geheele beloop hunner vorderingen, worden over het ontbrekende voor hen gelijke percenten als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken. Dit zelfde geschiedt over hunne geheele vordering, indien de aan hen verbonden of met het voorrecht belaste zaak nog niet verkocht is. In afwachting van den verkoop dier zaak, wordt de schuldeischer, die op de opbrengst daarvan voorrang heeft, als concurrent schuldeischer behandeld.
445
Deze voorschriften gevende omtrent de inrichting van de uitdeelingslijst, heeft de wetgever zich het geval voor oogen gesteld, dat de vereffening een saldo overlaat groet genoeg om eene uitkeering aan de concurrente schuldeischers te veroorloven. Niet altijd echter zal het saldo zoo groot wezen. Mogelijk zullen de bevoorrechte schuldeischers niet eens ten volle kunnen worden voldaan; misschien valt er, na betaling-van alle kosten, zelfs niets uit te keeren. Wel staat art. 16 toe, zonder dit te beperken tot eenige periode van het faillissement , de opheffing daarvan uit te spreken, maar het kan zijn, dat eerst blijkt na de insolventie, wellicht eerst na den verkoop der goederen, dat het voorhanden actief niet voldoende of juist voldoende is om de kosten te dekken. Dan verdient het opmaken van een uitdeelingslijst de voorkeur boven opheffing van het faillissement. Het is dus mogelijk, dat de uitdeelingslijst een bloot negatief karakter draagt, na vermelding van de ontvangsten en uitgaven eenvoudig constateert, dat aan niet één der schuldeischers eene uitkeering kan worden gedaan. Evenzeer kan daaruit blijken, dat er voor de concurrente schuldeischers niets overschiet.
Hoewel art. 180 zich noch met het eene noch met het andere geval bezig houdt, verzet het zich toch geenszins tegen het opmaken van een uitdeelingslijst in dergelijke omstandigheden. Evenmin doen dat de andere artikelen dezer afdeeling. De bepaling van art. 193, dat het faillissement eindigt met een slotuitdeelingslijst, veronderstelt veeleer, dat niet alleen als er penningen te verdeelen vallen, maar steeds als de tegeldemaking der activa, m. a. w. de vereffening is afgeloopen, een uitdeelingslijst wordt opgemaakt. Neemt men dit niet aan, aan faillissementen, die alleen aan de bevoorrechte schuldeischers eene uitkeering veroorloven, zou nooit een einde kunnen komen. Het middel der opheffing toch kan alleen baten, als er voor geen enkelen crediteur iets overschiet. Een verstandige wetsuitlegging vordert dus toepassing van de artt. 180 en volgende ook dan, wanneer, na afloop der vereffening, de staat van zaken deze is, dat op de uitdeelingslijst de door de schuldeischers of wel enkel de door de concurrente schuldeischers te ontvangen uitkeering door het nulcijfer moet worden aangewezen.
446
De algetneene kosten van liet faillissement vormen een last, die in de eerste plaats op de opbrengst van den boedel drukt. Onder de algemeene faillissementskosten hebben wij te verstaan kosten, niet gemaakt uitsluitend ten behoeve van de realisatie van een of meer tot den boedel behoorende zaken, maar in het belang van het faillissement en de vereffening in het algemeen, zooals de kosten verbonden aan de boedelbeschrijving en de verificatie, de zoogenaamde boedelschulden (waarvan o. a. sprake is in de artt. 39 en 40), de kosten eener procedure, in het belang van den boedel gevoerd, en soortgelijke. Tot die kosten behoort ook het door de rechtbank (art. 71) vastgestelde salaris van den curator, dat volgens art. 180 eerste lid, onder de uitgaven op de uitdeelingslijst wordt gebracht.
lu het Verslag der Commissie van voorbereiding werd de meening geuit, dat de vermelding van het salaris in bedoeld artikel behoorde te vervallen, dat althans de zaak beter moest worden geregeld. De Regeering antwooi-dde:
»De vermelding van het salaris behoort niet te vervallen. In den regel zal slechts ééne uitdeeling plaats hebben na afloop der vereffening; het salaris mag dan op de uitdeelingslijst niet ontbreken. In grootere faillissementen zullen wellicht somtijds meer uitdeelingen geschieden. Evenals dan op de eerste uitdeelingslijst de uitgaven aan faillissementskosten tot op dat oogenblik voorkomen en op de latere lijsten telkens de kosten, na de voorgaande uitdeeling gemaakt, zal op die lijsten ook telkens, gesteld bijv., dat het salaris percentsgewijs van de uitdeeling is toegekend, zoodanig deel van het salaris worden uitgetrokken, als behoort. Er is geen reden om den curator tot het einde van het faillissement op zijn salaris te laten wachten, terwijl men den schuldeischers in mindering van het hun toekomende uitbetalingen doetquot; ').
« De « bovengenoemde walgemeene faillissementskosten worden'-, naar luid van art. 182, «omgeslagen over ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen overeenkomstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of hypotheekhoudenden schuldeischer zelf is verkocht.quot; Tot juist verstand dezer be-
') Belinfante II, bl. 134; v. D. Feltz II, bl. 238.
447
paling wordt hier in zijn geheel vermeld, wat in de Memorie van Toelichting omtrent dit artikel werd opgemerkt.
«Meermalenquot;, aldus de Memorie, «is de vraag geopperd of hypothekaire schuldeischers, die het beding van art. 1223 Burgerlijk Wetboek niet gemaakt hebben , in de faillissements-kosten behooren bij te dragen, in dien zin namelijk dat van de opbrengst van hun onderpand in de eerste plaats een evenredig deel der faillissementskosten moet worden afgetrokken ; zij is verschillend beantwoord. Dezelfde vraag kan gedaan worden als de curator, na verloop van den fatalen termijn, tot verkoop ingevolge art. 854 al. 2 Wetboek van Koophandel (correspondeerende met artikel 58, eerste lid, van het Ontwerp [â art. 58 eerste lid der wet]) is overgegaan. Het antwoord zal gelijkluidend moeten zijn aan dat op de eerste vraag. Hoe het moet luiden schijnt inderdaad niet moeilijk aan te wijzen. De pand- of hypotheekhouder is in het faillissement en draagt er dan alle lusten en lasten van, of wel hij is er hiaten, tertium non datur. Buiten het faillissement staan alleen de pandhouder en de hypotheekhouder die onherroepelijke volmacht tot verkoopen bezit, voor zooverre zij gebruik maken van hun recht om hun onderpand zelve te realiseeren. Uit artikel 57 Ontwerp [= art. 57 der wet] blijkt voldoende dat zij, dit doende, met het faillissement hoegenaamd niets te maken hebben; van dragen in de kosten van het faillissement kan te hunnen aanzien geen sprake zijn. De hypotheekhouder, die het beding van artikel 1223 Burgerlijk Wetboek niet heeft gemaakt, staat daarentegen volkomen gelijk met alle andere schuldeischers, hij moet zich evenals ieder ander laten verifieeren en ontvangt evenals ieder ander bij de vereffening het hem toekomende uit handen van den curator. Zonder het faillissement, hetwelk dient ook ter executie van zijn onderpand, zoude hij niet tot verhaal zijner vordering kunnen komen, dan op de wijze voorgeschreven in het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvordering. Evenzeer als het niet bezwaarde gedeelte van den boedel behoort dus ook het hem verbonden goed in de kosten van de algemeene executie bij te dragen.
«Hetzelfde geldt voor den hypotheekhouder, die den termijn, in artikel 58, eerste lid,.....genoemd, laat voorbijgaan.
448
Immers daardoor toont hij van zijn recht om buiten het faillissement te blijven geen gebruik te willen maken. Het noodzakelijk gevolg van zijne handelwijze is dat hij in de positie komt van een faillissements-schuldeischer. De curator vereffent ook zijn onderpand.
«Eindelijk is bij deze vraag nog de bevoorrechte schuldeischer betrokken. Moeten de faillissementskosten ook over de opbrengst van het voorwerp, waarop het voorrecht kleeft, omgeslagen worden? Het kan niet twijfelachtig zijn dat ook hier het antwoord bevestigend moet luiden. Immers handelt men niet alzoo dan brengt men de faillissementskosten feitelijk uitsluitend ten laste van de concurrente sehuldeischers, terwijl zij worden uitgegeven ten bate van alle geverifieerde sehuldeischers. De kosten zijn een last, die op het geheele actief' drukt, op den boedel in zijn geheel en dus ook op ieder afzonderlijk bestanddeel daarvan. Zij behooren omgeslagen te worden over alle deelen van het actief, de opbrengst van elk deel met dezelfde percentage te verminderen.
«Artikel 182.....heeft ten doel dit ondubbelzinnig
uit te drukken. Het bepaalt dat de kosten omgeslagen worden over elk stuk van den boedel dat de curator heeft gerealiseerd, das ook over de opbrengst van het verhypothekeerde goed, als de hypotheekhouder het beding van artikel 1223 Burgerlijk Wetboek niet heeft gemaakt, van het verhypothekeerde of verpande goed dat de curator ingevolge de bepaling van
artikel 58, eerste lid,.....verkoopt, en van het goed
waarop een voorrecht kleeftquot; i).
Wat wil dit omgeslagen worden over ieder deel (of over elk stuk) van den boedel zeggen? «Wordt daarmede bedoeld, over elk meubel, dan wel afzonderlijk over de roerende en onroerende goederen?quot; dus werd gevraagd in het Verslag der Commissie van voorbereiding.
«Feitelijkquot;, antwoordde de Regeering, «zal de omslag slechts behoeven te geschieden over die deelen van den boedel, waarvan de opbrengst tot eene afzonderlijke verdeeling aanleiding geeft. Bij voorbeeld, er zijn geene sehuldeischers met recht van voorrang, dan is het volmaakt onverschillig, of van
â¢) Belinfante 1, bl. 150 vlg.; v. d. Feltz II, bl. 240 vlg.
449
iederen post van ontvang éénzelfde percentage voor kosten wordt afgetrokken, dan wel in eens van den totaalpost der ontvangsten gelijk percentage. Zijn er daarentegen hypotheekhouders, die door den curator hebben laten verkoopen, en bevoorrechte schuldeischers, dan zal het noodig zijn den omslag te doen: 1°. over de opbrengst van het verhypothekeerde onroerend goed, 2°. over de opbrengst van die goederen, waarop éénzelfde voorrecht kleeft, 3°. over de opbrengst dei-goederen , niet bij voorrang aan eenig schuldeischer verbonden, die het onderpand der concurrente schuldeischers uitmaken. Van ieder dezer posten, onder 1, 2 en 3 vermeld, wordt wel hetzelfde percentage afgetrokken, maar de aftrek moet telkens afzonderlijk geschieden, omdat de verschillende saldo's niet op dezelfde wijze ten bate van alle schuldeischers komen, maar naar verschillende maatstaven verdeeld worden, naarmate van ieders voorrangquot; ').
Het mag overbodig heeten aan dit betoog nog iets toe te voegen.
Is de uitdeelingslijst door den rechter-commissaris goedgekeurd, dan wordt zij door den curator ter griffie van de rechtbank neergelegd, alwaar zij gedurende tien dagen door de schuldeischers kosteloos kan worden ingezien. Tevens zorgt de curator voor de nederlegging van een afschrift der uitdeelingslijst ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht, met hetzelfde doel. De nederlegging, zoowel van de lijst als van het afschrift, geschiedt kosteloos. Eindelijk moet de curator zorgen voor eene aankondiging van de nederlegging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in art. 14, terwijl hij bovendien daarvan aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers schriftelijk kennis geeft, met vermelding van het voor den betrokken persoon uitgetrokken bedrag (art, 183). Gedrukte formulieren kunnen den curator hier goede diensten bewijzen.
De nederlegging heeft ten doel de schuldeischers in de gelegenheid te stellen van het uitdeelingsplan kennis te nemen en daartegen zoo noodig hunne bezwaren in 't midden te brengen. Naar eene eenvoudige regeling is ook hier gestreefd.
t) Belinfante II, bl. 134 vlg.; v. D. Feltz II, bl. 241, Molengraaff , Faillisscmcntswet.
29
450
Ieder schuldeischer kan gedurende de tien dagen, gedurende welke de uitdeelingslijst ter visie ligt, tegen die lijst in verzet komen. Hij levert daartoe een met redenen omkleed bezwaarschrift in ter griffie van de rechtbank, waarvoor hem door den griffier een bewijs van ontvangst wordt afgegeven. Blijkens art. 5 is de bijstand van een procureur niet vereischt, doch evenmin uitgesloten. De bezwaarschriften worden als bijlagen bij de uitdeelingslijst gevoegd en liggen als zoodanig mede ter inzage (art. 184).
Na afloop van den meergemelden termijn van tien dagen heeft de rechter-commissaris zich ter griffie te vergewissen, of verzet is gedaan. Mocht dit het geval wezen, dan bepaalt hij onmiddellijk den dag, waarop het ter openbare terechtzitting zal worden behandeld, welke dag door hem niet later mag worden gesteld dan veertien dagen na afloop van den termijn van inzage. De beschikking, houdende de dagbepaling, wordt ter griffie neergelegd ter kostelooze inzage van een ieder. De bedoeling dier bepaling is deze, dat een ieder ter griffie zal kunnen vernemen, of verzet is gedaan, en, zoo ja, den dag der behandeling. Bovendien geeft de griffier van dien dag schriftelijk kennis aan de opposanten en aan den curator (art. 185 eerste lid).
Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting het verzet behandeld. De rechter-commissaris brengt een schriftelijk rapport uit, waarin hij de gronden zal kunnen uiteenzetten, waarop de aangevallen inrichting der door hem goedgekeurde uitdeelingslijst berust. Vervolgens wordt den curator en aan ieder der schuldeischers, die in persoon of bij gemachtigde aanwezig is, de gelegenheid gegeven de uitdeelingslijst, zooals zij is opgemaakt, te verdedigen of te bestrijden. De opposant kan daarbij zijn bezwaarschrift nader toelichten. Ten slotte geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking, hetzij op denzelfden dag, hetzij op een lateren dag. maar in ieder geval zoo spoedig mogelijk (art. 185 tweede en derde lid).
De geheele behandeling van het verzet komt overeen met die van de homologatie van een akkoord, zooals deze is geregeld in de artikelen 152 en 153 eerste lid, naar welke artikelen dan ook werd verwezen in art. 186 Ontwerp Staatse, en art. 186 van het
451
eerste Reg. Ontw. In plaats van de verwijzing werd later aan een herhaling der in die artikelen vervatte bepalingen de voorkeur gegeven.
Ook een nog niet geverifieerde schuldeischer kan verzet doen tegen de nitdeelingslijst, mits hij alsnog zijne vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan, d. w. z. van de rekening of de schriftelijke verklaring van hetgeen hij te vorderen heeft (zie art, 110 eerste lid), bij zijn bezwaarschrift voege en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd te worden. De schuldeischers kunnen dus ter griffie vernemen, of aanvragen tot verificatie zijn gedaan, door wie en voor welke vorderingen.
De indiening der vordering bij den curator kan geschieden tot uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal worden behandeld 1). Zij Leeft ten doel den curator in de gelegenheid te stellen de deugdelijkheid der vordering te onderzoeken, ten einde daarover bij de verificatie zoo noodig praeadvies te kunnen uitbrengen. De verificatie geschiedt op de voor de behandeling van het verzet bestemde openbare terechtzitting, vóór de andore werkzaamheden, op de wijze bij artikel 119 en volgende voorgeschreven.
In den regel zal de nog niet geverifieerde schuldeischer zich tegen de nitdeelingslijst verzetten op geen anderen grond dan dezen, dat hij, na verificatie zijner vordering, wenscht mede te deelen. Grond van het verzet is dan feitelijk zijn eigen nalatigheid, zijn verzuim om eerder op te komen. Vandaar de bepaling van art. 186 derde lid: windien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schuldeischerquot;.
Is er meer dan één nalatige schuldeischer, zij zullen gezamenlijk de kosten van het verzet hebben te dragen, en wel voor gelijke deelen. Die kosten kunnen echter niet groot zijn , dank zij de bepaling van art. 17 tweede lid.
Door verloop van den termijn van tien dagen zonder verzet, of, zoo verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen
') De inlevering van het bezwaarschrift moet altijd overeenkomstig art. 184 eerste lid worden gedaan binnen den termijn, in art. 183 eerste lid vermeld.
452
vonnis, wordt de uitdeelingslijst verbindend (art. 187 eerste lid). Het bedoelde vonnis stelt vast. of en in welk opzicht de uitdeelingslijst wijziging behoort te ondergaan, m. a. w. het wijzigt die lijst, indien daartoe termen bestaan. Daar het tegendeel niet is bepaald, is het vonnis, krachtens art. 85, niet vatbaar voor hooger beroep. Het tweede lid van art. 187 sluit bovendien het beroep in cassatie uitdrukkelijk uit, w omdatquot;, zegt de Memorie van Toelichting1), «de uitdeelings-lijst niets anders bevat dan eene berekening van hetgeen iederen schuldeischer, overeenkomstig zijn bij de verificatie vastgesteld recht, toekomt. Het geldt hier eene uitsluitend feitelijke quaestie«, althans eene hoofdzakelijk feitelijke quaestie. Men vergelijke de bedenkingen in het Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer tegen de bepaling gemaakt, en het antwoord daarop van den Minister Smidt s).
Indien onder de ontvangsten, op de uitdeelingslijst vermeld , voorkomt de opbrengst van een tot den boedel be-hoorend, met hjpothekaire inschrijvingen bezwaard, onroerend goed, beveelt de rechter-commissaris, zoodra die uitdeelingslijst verbindend is geworden, de doorhaling dier inschrijvingen (art. 188 eerste lid). Het bedoelde geval doet zich voor, zoowel wanneer de curator het onroerend goed heeft verkocht, als wanneer de eerste hypothekaire schuldeiseher dit, ingevolge art. 57 eerste lid , zelf heeft gedaan en een overschot door hem, ter voldoening aan art. 59 eerste lid, aan den curator is ter hand gesteld.
Maar ook als de executie door den eersten hypotheekhouder geen overschot liet, deze integendeel nog te kort komt, zal er aanleiding zijn tot toepassing van art. 188, indien er nog een tweede of verdere hypotheekhouders zijn. Wel komt dan niet in den letterlijken zin van het woord de opbrengst van het verhypothekeerde goed bij de uitdeelingslijst tot verdeeling, maar in de uitdeelingslijst zal dan toch moeten worden geconstateerd, dat de opbrengst van het goed niet voldoende was om den eersten hypotheekhouder te bevredigen, immers dat die opbrengst, blijkens de door den eersten hypotheekhouder volgens art. 59 aan den
') Betinfante I, 1)1. 153; v. n. Fkt.tz If, bl. 24-7. 2) Belinfante IV, bl. 25 en 54; v. d. Feltz II, bl. 248.
453
curator gedane rekening en verantwoording, voor den boedel gelijk nul was en dat daarom de tweede en verdere hypotheekhouders op de uitdeelingslijst onder de concurrente schuld-eischers worden gebracht. Geconstateerd wordt dan toch bij de uitdeelingslijst, dat de tweede en verdere hypotheekhouders op de opbrengst van het verbonden goed niet batig kunnen worden gerangschikt, en waar dit geschiedt, bestaat dezelfde reden, de doorhaling hunner inschrijvingen te bevelen, als wanneer een misschien gering overschot valt te verdeelen, en dus een gedeeltelijk batige rangschikking kan plaats hebben. De rechter-commissaris zal daarom steeds tot de toepassing van art. 188 eerste lid moeten overgaan, wanneer in de verbindend geworden uitdeelingslijst is rekening gehouden met de opbrengst van een tot den boedel behoorend met hypothe-kaire inschrijvingen bezwaard onroerend goed, onverschillig of die opbrengst werkelijk voor den boedel een verdeelbare bate oplevert of niet.
Is door den curator een tot den boedel behoorend schip verkocht, dan is een bevel van den rechter-commissaris tot doorhaling der ingeschreven schulden niet noodig. In het tweede lid toch van art. 188 wordt artikel 575 Wetb. van Burg. Regtsv. op dien verkoop toepasselijk verklaard; mitsdien wordt het schip door den verkoop door den curator van rechtswege ontlast van alle bevoorrechte schulden, waarvoor het was verbonden.
§ 3. De uitbetaling en het einde der vereffening (artt. 189-194).
Hierboven werd opgemerkt, dat in de uitdeelingslijst worden opgenomen niet alleen de erkende maar ook de voorwaardelijk toegelaten schuldeischers, dat beiden op dezelfde wijze worden behandeld en voor beiden dezelfde percenten ter uitkeering worden uitgetrokken. Verder gaat evenwel die gelijke behandeling niet. Terwijl de erkende schuldeischer ook ontvangt wat voor hem is uitgetrokken, is het met den voorwaardelijk toegelaten schuldeischer anders. De uitdeeling, voor hem bestemd, wordt hem niet uitgekeerd, maar gereserveerd totdat omtrent zijne vordering is beslist.
Is de toelating voorwaardelijk op grond van betwisting der vordering (art. 125), de curator wacht een in kracht van
454
gewijsde gegaan vonnis op het verificatie-geschil af; is zij voorwaardelijk op grond eener aan de vordering verbonden opschortende voorwaarde (art. 130), hij wacht het tijdstip af waarop de al- of niet-vervulling der voorwaarde vaststaat; is de vordering van den borg vooi'waardelijk toegelaten op grond van het tweede lid van art. 135, de curator wacht tot aan de slotverdeeling de opkomst des schuldeischers af. Blijkt ten slotte, dat de voorwaardelijk toegelaten schuldeischer niets of minder heeft te vorderen, dan waarvoor hij is toegelaten, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel, of naar evenredigheid ten deele, ten bate van de andere schuldeischers (art. 189 eerste lid).
Wat den voorwaardelijk toegelaten borg betreft, zij nog er op gewezen, dat wanneer er in het faillissement maar ééne uitdeeling plaats heeft, de eerste uitdeeling dus tevens is de slotuitdeeling, aan hem de uitkeering terstond geschiedt, tenzij de schuldeischer zich na het opmaken der uitdeelings-lijst alsnog overeenkomstig art. 186 heeft laten verifieeren. Is de schuldeischer daarentegen reeds vóór dien tijd geverifieerd, dan wordt de borg in het geheel niet op de uitdeelingslijst als voorwaardelijk toegelaten schuldeischer gebracht. Immers, hij houdt op tot de geverifieerde schuldeischers te behooren, zoodra de schuldeischer zelf opkomt.
Op dezelfde wijze als met voorwaardelijk toegelaten vorderingen, wordt gehandeld met vorderingen waarvan de voorrang wordt betwist. Op de uitdeelingslijst staan zij gelijk met vorderingen met erkenden voorrang (zie boven bl. 444), maar de uitgetrokken bedragen worden, voor zooverre deze de percenten, uit te keeren over de concurrente vorderingen, overtreffen, gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang (art. 189 tweede lid). Naar gelang van die uitspraak heeft dan de uitkeering plaats of wel komt het gereserveerde bedrag ten bate van schuldeischers met lageren voorrang of van de concurrente schuldeischers.
De rechten der voorrang hebbende schuldeischers maken ook het onderwerp uit van art. 190.
Dit artikel houdt verband met het aan het slot van art. 180 veronderstelde geval, dat bij het opmaken der uitdeelingslijst eene zaak, waarop een bepaald voorrecht, hypotheek of pand-
455
recht rust, nog niet is verkocht. Voor den schuldeischer, wien dit recht toekomt, worden dan dezelfde percenten uitgetrokken als voor de concurrente schxildeischers. Wordt nu later dit goed te gelde gemaakt en komt dus bij een volgende uitdeeling de opbrengst daarvan tot verdeeling, dan moet rekening gehouden worden met hetgeen de uit de opbrengst bij voorrang te bevredigen schuldeiseher Jreeds vooruit heeft genoten. Vandaar de bepaling dat alsdan van het bedrag, waarvoor hij op de opbrengst van het goed batig gerangschikt kan worden, moeten worden afgetrokken de percenten, die hij reeds te voren over dit bedrag ') ontving. De curator moet deze berekening in de uitdeelingslijst opnemen, en het op de aangegeven wijze verminderde bedrag, als ter uitkeering aan den bedoelden schuldeischer bestemd, uittrekken -).
Indien achtereenvolgens verschillende uitdeelingen worden gedaan, hebben niet-geverifieerde schuldeischers telkens gelegenheid door middel van verzet tegen de uitdeelingslijst, verificatie hunner vorderingen te verkrijgen (art. 18ö). Eenmaal geverifieerd, worden zij zooveel mogelijk in dezelfde positie gebracht als de reeds vroeger geverifieerde schuldeischers; verzuim van tijdige verificatie heeft dus geen verlies van rechten ten gevolge. Wat de andere schuldeischers reeds genoten hebben, wordt hun, den nakomenden, vooruitbetaald. Art. 191 eerste
') Over dit bedrag. «Wordt de als bevoorrecht geverifieerde schuldeischer slechts voor een deel zijner vordering op de opbrengst van het aan hem bij voorrang verbonden goed batig gerangschikt, dan wordt hem ook alleen een evenredig deel der percenten . bij eene vroegere uitdeeling ontvangen, in mindering gebracht. Immers het blijkt dan dat hij concurrent schuldeischer is, voor zooverre zijne vordering op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt kan worden//. Memorie van Toelichting: Heiinfante I, bl. '154; v. u. Fei.tz II, bl. 251.
â 2) lien voorbeeld moge dit duidelijk maken. Gesteld een schuldeischer heeft te vorderen /2000, door hypotheek verzekerd Vóór den verkoop van het onderpand wordt eene uitdeeling van 10 ']ju vastgesteld. Bij eene latere uitdeelingslijst wordt de schuldeischer op de opbrengst van het onderpand batig gerangschikt voor een bedrag van /'1200, terwijl opnieuw voor de concurrente schuldeischers 10 n/0 wordt uitgetrokken. De bedoelde schuldeischer ontvangt nu in 't geheel: (10 «/â van Æ 2000 =) / 200 (/ 1200 â 10 % van / 1200 of Æ 120 =) / 10S0 (10 % van Æ 800 [voor het bedrag toch, waarvoor hij op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt kan worden, is hij concurrent schuldeischer] =) /80. totaal /4360, overeenkomende met / 1200-h 20 0/0 van/800.
Mot.kngraaff , Faillisscmentswet. 29*
456
lid drukt dit aldus uit: â Aan schnldeischers, die, tengevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeischers reeds genotene, vooruitbetaald».
Op de tengevolge van de verificatie hunner vorderingen gewijzigde uitdeelingslijst worden derhalve de nagekomen schuldeischors behandeld, als hadden zij een algemeen voorrecht op de baten, voor een bedrag evenredig aan de dooide andere schuldeischers reeds genoten uitdeelingen. Na aftrek van dit bedrag- van het saldo volgt dan weder de
O O
nieuwe vaststelling van de aan alle geverifieerde concurrente schuldeischers uit te keeren percenten.
Het beginsel, den nakomende nog zooveel mogelijk in de positie te brengen waarin hij zou geweest zijn, indien hij tijdig ware opgekomen, brengt mede dat hij, recht van voorrang kunnende doen gelden, ook al is het onderpand van zijnen voorrang reeds verkocht, uit de nog voorhanden penningen het bedrag ontvangt, waarvoor hij op het onderpand batig gerangschikt had kunnen worden. Dit kan tot moeilijkheden aanleiding- geven als de opbrengst van het onderpand reeds is toegekend aan een voorrang bezittenden schuld-eischer van lageren rang, die, als de nakomende schuldeischer op tijd ware opgekomen, concurrent schuldeischer geweest zoude zijn (bijv. aan een derden hypotheekhouder, bij niet-opkomen van den tweeden). Het Wetboek van Koophandel, art. 875, onderscheidde te dezen niet; ook in dit geval kon de nakomende schuldeischer zijn recht van voorrang op de nog voorhanden penningen doen gelden. Daar van den schuldeischer, aan wien de opbrengst van het onderpand eenmaal krachtens rangregeling was toegekend, bezwaarlijk iets teruggevorderd kon worden, betaalden dus feitelijk de concurrente schuldeischers het gelag. Dat dit in hooge mate onrechtvaardig en onbillijk was, springt in het oog. Hij, die nalatig is, behoort zelf de gevolgen van zijn verzuim te dragen, en niet ten koste van anderen, die diligent waren, schadeloos te worden gesteld.
Het tweede lid van art. 191 bepaalt daarom, dat de nagekomen schuldeischer, voorrang hebbende, dien verliest, voor
457
zooverre de opbrengst van de zaak, waarop dio voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst bij voorrang is toegekend aan andere schuldeischers. Verlies dns van recht, waar de feitelijke omstandigheden de uitoefening van dit recht niet mogelijk maken zonder krenking van anderer recht i).
De woorden : â bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij voorrang is toecjehendquot; (niet «uitgekeerdquot;), houden rekening met het feit, dat vastgestelde of toegekende uitdeelingen niet altijd ook worden uitgekeerd, maar somtijds, namelijk in de gevallen van art. 189, voorloopig worden gereserveerd.
Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij art. 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet (m. a. w. » zoodra de uitdeelingslijst verbindend is geworden quot;, zooals het heet in art. 188 eerste lid), is de curator vellicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge art. 189 gereserveerd zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën 1) gestort (art. 192).
Hieruit blijkt, dat de iritkeeringen wettelijk een haalschuld uitmaken. De schuldeischers zijn verplicht er over te beschikken. De curator handelt daarom verstandig, immers in het belang der schuldeischers, door hun kwitanties toe te zenden over het te beuren bedrag met vermelding wanneer dit kan worden ontvangen.
De storting in de consignatiekas, na verloop van één maand, is voorgeschreven, opdat de curator niet genoodzaakt zij de niet-afgehaalde dividenden gedurende dertig jaren en de gereserveerde dividenden tot de uitwijzing van het recht dei-voorwaardelijk toegelaten schuldeischers te bewaren. Tevens is daarmede eene volstrekt veilige bewaarplaats aangewezen 2).
De uitdeelingslijst die het noodzakelijk slotstuk uitmaakt van iedere vereffening (zie hierboven bl. 445), onverschillig
1
Met de ontvangsten en uitbetalingen voor de kas «Ier gerechtelijke en vrijwillige consignatiën werden iloor art 4 van het Konl. Besl. van i Doe. 1843 nquot;. 45 belast ile ontvangers der registratie van ile gerechtelijke akten, in tie hoofdplaatsen der arrondissementen.
2
quot;) Verg. Memorie van Toelichting: Belinfante 1, bl, 155; v. D. Kici.tz 11, bl.253.
458
of' er al dan niet eenig dividend kan worden uitgekeerd, heet de sioiuitdeelingslijst. Zij kan tevens de eerste en dus ook de eenige nitdeelingslijst zijn. Gewoonlijk zelfs zal dit zoo wezen, omdat in den regel de nitdeelingslijst eerst zal worden opgemaakt, immers tot uitdeeling eerst zal worden overgegaan, als de vereffening is afgeloopen.
De slotuitdeelingslijst is als besluit der insolventie tevens het besluit van het faillissement. Zoodra die lijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde.
De wet kent slechts twee uitzonderingen op deze wijze van beëindiging van het faillissement na insolventie. De eerste is opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16, welke ook na insolventie mogelijk is, al zal de toestand des boedels haar niet licht raadzaam maken. De tweede is uitkeering aan de geverifieerde schnldeischers van het volle bedrag hunner vorderingen, waaromtrent eene bepaling in art. 193 eerste lid is opgenomen naar aanleiding der vraag, in het Verslag der Commissie van voorbereiding bij art. 179 gemaakt, wat geschieden zal, wanneer 100 0/o kan worden uitbetaald, hetzij door verkoop der aanwezige goederen, hetzij uit eene erfenis of schenking !).
De beteekenis van de uitdrukkelijke vermelding van dezen grond schijnt hierin te zijn gelegen, dat, zoodra 100 0/0 kan worden uitbetaald , de uitkeering door den rechter-commissaris moet worden bevolen, en dat met het verbindend worden van de daarop betrekkelijke nitdeelingslijst het faillissement is geëindigd, ook al is de vereffening nog niet geheel afgeloopen, mitsdien de nitdeelingslijst niet een s^uitdeelingslijst in den zin der wet.
Van het feit, dat het faillissement een einde heeft genomen, wordt door den curator aankondiging gedaan op de wijze in artikel 14 voor de aankondiging der faillietverklaring voorgeschreven (art. 193 eerste lid) 1). Keeds hieruit blijkt, dat
1
) Art. 44 bepaalt, dat een uittreksel nit liet vonnis van faillietverklaring door den curator onverwijld wordt geplaatst in de Nederland ache Staatscourant en in een of meer door den rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen, liet einde van liet faillissement moet dus eveneens èn in de Staatscourant èn in de bedoelde nieuwsbladen worden aangekondigd. De plaatsing in de Staats-
459
met liet einde van liet faillissement de werkzaainheden des curators, al defungeert hij in hoofdzaak, nog niet dadelijk zijn afgeloopen. Bovendien moet hij alsnog de vastgestelde uitkeeringen doen, na verloop van eene maand de niet afgehaalde en de gereserveerde dividenden in de kas der gerechtelijke consignatiën storten (art. 192) en vervolgens aan den rechtercommissaris rekening en verantwoording afleggen van zijn beheer (art. 193 tweede lid). Voorts heeft hij de boeken en papieren, doorhem in den boedel gevonden, tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar af te geven (art. 193 derde lid).
Volgens het Wetboek van Koophandel werd door den curator de rekening en verantwoording gedaan aan de schuldeischers. Opzettelijk is dit thans anders bepaald. «De ondervinding leertquot;, zegt de Memorie van Toelichting opart. 193, u dat de
couranl behoort, krachtens het voorschrift van art. 17 eerste lid , kosteloos te geschieden. Niettemin werd gedurende eenigen tijd, blijkens luededeelingen van X. in Wkbld. v. Not. en Iteij. nquot;. 1430 bl. 380 , Mr J. VV. Zui.stha in Pal. o. Jusl 1807 n0. 54 en Mr. J. J. Uijtwerf Sterling in W. nquot;. 0987 , de kostelooze plaatsing, nog wel ingevolge beschikking van den Minister van Justitie, geweigerd.
Wij achten het niet twijfelachtig, dat deze weigering in strijd was met de wet. Daar waar de Faillw. eene aankondiging in de Staatscouranl niet verlangt, bepaalt zij zich niet tot eene verwijzing naar artikel 14 derde lid, maar spreekt zij steeds van het quot;nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14// (zie artt. 84 tweede lid, 109, 178, 183 tweede lid).
Daarentegen wordt in art. 107 derde lid en in art. 193 eerste lid gevorderd //bekendmaking, op de wijze in artikel 14 derde lid voorgeschreven//, resp. ^aankondiging op de wijze bij artikel 14 bepaald/-, kennelijk omdat hier nevens de aankondiging in de nieuwsbladen ook de aankondiging in de Staatscourant wordt vereischt. Hetzelfde geldt van artikel 18 waarin wordt gelezen //de beschikking... wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt... als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaald//'), terwijl ook in de algemeene uitdrukking van artikel 15 tweede lid: //de bladen in artikel 14 genoemd//, de Staatscowant, die, al is zij geen nieuwsblad, toch wel een blad is, geacht mag worden te zijn begrepen.
De beschikking van den Minister van Justitie heeft al spoedig plaats gemaakt voor eene van den Minister van Binnenlandsche Zaken, waarbij, naar mij van bevoegde zijde welwillend werd medegedeeld, terecht is bepaald, dat in de Staatscourant kosteloos moeten worden geplaatst de aankondigingen, bedoeld in de artt. 14, 15, 18, 107, 193 en '208 der Faillw., welke alle bekendmakingen betreffende den aanvang en het einde van het faillissement omvatten.
*) Van bekendmakingen ingevolge dit artikel werd eveneens de kostelooze plaatsing geweigerd: mededeeling van Mr. P. J. G. van der Meulen, in Pal. v. Just. 1897, ni». 52.
460
schuldeisehers op het bijwonen der rekening en verantwoording zeer geringen prijs stellen. Niet dan hoogst zelden gebeurt het dat een hunner voor het aanhooren daarvan aanwezig is. Trouwens is er geen afdoende reden, waarom men hen daarvoor zou oproepen. Gedurende het faillissement zelf geeft althans het Ontwerp hun middelen en gelegenheid genoeg eventueele grieven tegen het beheer en beleid van den curator te doen gelden; daarvoor hebben zij dus de rekening en verantwoording niet noodig; ware het zoo, het zou veeltijds te laat zijn. De rekening en verantwoording is dan ook meer eene controle op de financieele zijde van des curators werkzaamheid , speciaal om na te gaan of hij de dividenden behoorlijk heeft uitgekeerd; de contróle uit te oefenen is ongetwijfeld den rechter-commissaris het beste toevertrouwdquot;
In sommige gevallen kan het faillissement nog een naspel hebben. Dat naspel is het onderwerp van art. 194. quot; Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 gereserveerde uit-deelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en uitdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.quot;
» Heropening van het faillissement is in de hier bedoelde gevallen niet noodig. De te vroeg als afgeloopen beschouwde vereffening des faillieten boedels wordt alleen voor zooveel noodig weer opgevat. Van nieuwe schuldeischers kan geen sprake zijn, daar de schuldenaar over de gereserveerde uit-deelingen en verborgen gebleven baten geen oogenblik het beheer en de beschikking heeft gehad. Het faillissementsbeslag is er op blijven rusten, zooals in artikel 193 wordt aangewezen door de woorden «behoudens de bepaling van artikel 194quot;. Het spreekt van zelf, al zegt het artikel het niet uitdrukkelijk, dat een of meer der schuldeischers zich tot de rechtbank kunnen wenden met het verzoek om den curator het in dit artikel bedoelde bevel te geven; in dit opzicht is dus geen afwijking bedoeld van artikel 886 Wetboek van Koophandel, waarin den schuldeischers dit recht met zoovele woorden wordt
lt;) Belinfante I, bl. 155; v. D Feltz II, bl. 254 vlg.
461
toeyekend; de vermelding daarvan is alleen nagelaten omdat ook anderen, bijv. de vroegere rechter-commissaris en de curator, ja ook de schuldenaar zelf, bevoegd zijn, en aan liet noemen alleen van de schuldeischers de beteekenis gegeven zou kunnen worden van uitsluiting van alle andere personenquot;
Het geval kan zich voordoen, dat de curator inmiddels is overleden of door verandering van woonplaats of van betrekking in de onmogelijkheid verkeert de hem hier toegedachte taak te vervullen. Hoe dan moet worden gehandeld, hangt af van de omstandigheden. Is de curator overleden dan moet de rechtbank bij haar bevel tevens in plaats van den overleden curator een ander benoemen , en, mocht die benoeming achterwege blijven door onbekendheid met den dood des curators, uit eigen beweging tot de benoeming van een opvolger overgaan , zoodra zij van het overlijden kennis krijgt. Ook gedurende het faillissement heeft de rechtbank bij overlijden van den curator niet anders te handelen.
Is daarentegen de curator wel in leven, maar verhinderd weder als zoodanig op te treden, dan is het in de eerste plaats k ij n taak zich tot de rechtbank te wenden met het verzoek hem op grond daarvan door een ander te vervangen, terwijl, laat hij dit na, art. 73 Faillissementswet toepassing kan vinden. Volgens dit artikel kan de rechtbank te allen tijde, dus ook in het hier bedoelde geval, op voordracht van den rechter-commissaris, of op een met redenen omkleed verzoek van een ol meer schuldeischers of van den schuldenaar, den curator ontslaan en door een ander vervangen (zie hierboven bl. 272 vlg.).
') Memorie van Toelichting; Belinfante I, bl. 155 vlg.; v. h. Feltz 11, bl. 257.
462
Artikel 173.
Indien op de verificatie-vergadering geen akkoord aangeboden, of indien liet aangeboden akkoord verworpen, of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curator onmiddellijk tot vereU'ening en tegelde-making van alle baten des boedels over, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is.
^Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad, door den rechtercommissaris aan te wijzen, worden gelaten.
Het eerste lid van dit artikel is onveranderd uit het ontwerp der Staatscommissie in de wet overgenomen. Toch zijn er weinige bepalingen in de wet, die tot zooveel bestrijding en zooveel discussie hebben aanleiding gegeven, als de in dat lid vervatte, volgens welke de staat van insolventie van rechtswege aanvangt. De Memorie van Toelichting, behoorende bij de ontwerpen der Staatscommissie en der Eegeering, zeiden er van: «Het volkomen nuttelooze vonnis van insol-ventverklaring wordt door het Ontwerp afgeschaft. Niet-aanbieding van een akkoord binnen den daarvoor door de wet gestelden termijn, d. i. uiterlijk op de verificatie-vergadering, verwerping van het aangeboden akkoord, het in kracht van gewijsde gaan van een vonnis waarbij de homologatie geweigerd wordt, zyn alle zekere bepaalde feiten, die den staat van insolventie voor een ieder duidelijk en ondubbelzinnig in het leven roepen. Daarnaast is het volkomen onnoodig dien toestand nog eens op eene plechtige wijze bij rechterlijk vonnis te doen constateeren. Voortaan zal zij van rechtswege in 't leven treden, waardoor tevens vermindering-van faillissementskosten verkregen zal worden quot; ')
Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding konden sommigen het nuttelooze van dit vonnis niet inzien
') Belinfante, bl. 224; Belinfante I, bl. 149; v. d. Feltz II, bl. 208.
463
en achtten zij het ten behoeve van hen, die anders wellicht bereid zouden worden gevonden met den gefailleerde zaken te doen, wenschelijk, dat de staat van insolventie uitdrukkelijk werd uitgesproken. Zij wenschten zelfs verder te gaan, dan het bestaande recht, en de verplichting tot openbaarmaking van het vonnis in de wet op te nemen. De kosten zullen gering zijn. Anderen evenwel beschouwden het vonnis van insolventverklaring als eene noodelooze formaliteit, die slechts zou dienen, om een reeds duidelijk bestaanden toestand te registreeren, wat door de Eegeering in haar Antwoord ten volle werd beaamd ]).
Ook Mr. Levy verlangde in zijne aan het Verslag toegevoegde Nota behoud van het vonnis van insolventie. Dergelijke rechterlijke uitspraak maakt meer inoreelen indruk dan een toestand, die van rechtswege geacht wordt te bestaan. âHet is waarquot;, zegt de Nota, âstreng logisch past deze rechterlijke uitspraak niet in de abstractie van het vermogens-beslag of de vermogens-executie. Ook hier echter herhaalt de ondergeteekende; de werkelijkheid heeft op meer te letten dan de streng logische eischen van één enkel beginsel. Tegen het c vinculis ratiocinari waarschuwde reeds Ba.co, naar des ondergeteekenden meening, niet ten onrechtequot;-).
De Minister kon dit niet toegeven: âDe bedoelde moreele indruk bestaat bloot in theorie. Wel wil de steller der Nota gelet hebben op de âwerkelijkheidquot;, maar in werkelijkheid zijn het alleen juristen en enkele met de faillissements-praktijk vertrouwden, die weten, dat er een vonnis van insolventie bestaat en wat dit beteekent; zulke wettelijke finesses dringen niet tot de groote massa doorquot; 1).
Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer stelde Mr. Levy voor, de woorden: â verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curatorquot;, te vervangen door de woorden: â wordt de boedel door de rechtbank insolvent verklaard.
â De curator gaat » 2),
1
) Belinfante II, bl. 132; v. d. Feltz, t. a. p.
2
') Belinfante III, bl. 138; v. d. Feltz II, bl. 211.
464
De uitvoerige mondelinge toelichting kwam hierop neer, dat Mr. Levy het wenschelijk achtte, dat de gevolgen voor den persoon des gefailleerden, in andere wetten aan het vonnis van faillietverklaring verbonden, bij gelegenheid van de invoeringswet zouden worden verbonden aan de tweede phase van het faillissement, den staat van insolventie. Daartoe achtte hij een vonnis van insolventverklaring onmisbaar.
«Ten eindequot;, aldus de spreker, ,, die (gevolgen) te kunnen overbrengen en vastknoopen aan de insolventie heb ik noodigeen terminus a quo, eene date certaine, een onwedersprekelijk stuk , eene uitspraak van den rechter, waaruit blijkt dat op dit oogen-blik ontegenzeggelijk die staat van insolventie is aangevangenquot;.
De afschaffing van het vonnis van insolventverklaring zou dus wegnemen eene mogelijkheid die het vroegere recht openliet. Daartegenover betoogden de Heeren Huber, van dee Kaay en Minister Smjdt , dat het vonnis van insolventverklaring uiet anders was dan eene bloole formaliteit, die te eenenmale ijdel en nutteloos is, en dat, wat de Heer Levy wenschte, evengoed zou kunnen worden bereikt onder vigueur van een artikel als het voorgestelde, omdat niets belet de thans aan het vonnis van faillietverklaring verbonden gevolgen voortaan te verbinden aan den staat van insolventie, waarvan de aanvang ook naar de nieuwe wet steeds nauwkeurig zal vaststaan. De Kamer stelde de laatste sprekers in het gelijk door het amendement van den heer Levy te verwerpen met 58 tegen 7 stemmen.
Toch werd nog in het Eerste-Earner-Verslag op de zaak teruggekomen. âVele leden betreurden het, dat het vonnis van insolventverklaring niet in het artikel was teruggebracht. Een vonnis geeft een datum, die gemakkelijk is na te gaan. Dat vonnis had een vast punt kunnen uitmaken, waarnaar men zich later had kunnen richten, wanneer men bijv. bij de invoeringswet te rade werd sommige capitis diminutieve gevolgen van het faillissement, bijv. verlies van voogdij, eerst te verbinden aan den staat van insolventie, een staat welks juiste begin, hoewel van rechtswege geboren, thans eenigs-zins zwevend isquot; ').
i) Belinfante IV, bl. 25; v. d. Feltz II, bl. 230 vlg.
465
De Minister kon in zijn Antwoord niet anders dan herhalen: âOok bij gemis van een vonnis van insolventie zal steeds de dag, waarop de insolventie aanvangt, vaststaan, omdat het feit, waaraan de staat van insolventie zal verbonden zijn, met den bepaalden datum daarvan vaststaatquot; 1). quot;
De geschetste geschiedenis van het artikel toont overtuigend, dat de afschaffing van het vonnis van insolventverklaring inderdaad niet anders beoogde dan de afschaffing van eene schadelijke formaliteit. Schadelijk toch is iedere formaliteit, waarvan het goed recht niet kan worden aangetoond. Men pleite nimmer voor het behoud, omdat zij niet veel kwaad zou doen. Immers het kwaad steekt hierin, dat zij kosten veroorzaakt zonder noodzaak, omslag zonder nut, en dat zij altijd oorzaak kan wezen van vertraging. De afschaffing was in het gegeven geval te meer geraden, omdat toch alles in zijn geheel bleef, in het faillietenrecht geen wijziging van materieelen aard werd gebracht, en ook ten opzichte van het door Mr. Levy ter sprake gebrachte onderwerp niets hoegenaamd werd gepraejudicieerd. De groote beteekenis, door dien afgevaardigde aan art. 173 toegekend, mist dit artikel te eenenmale.
') Belinfante IV, bl. 53 vlg., v. d. Keltz, t. a. p.
30
Molengraaff , Faillisseraentswet.
466
Aktikei, 174.
De goederen worden in liet openbaar of met toestemming van den recliter-commissaris ondershands verkoclit.
In liet Weekblad voor Notaris-ambt en Registratie, iios. 1249, 1250, 1253, 1255, 1257 en 1259 (3, 10 en 31 Dec. 1893, 14, 28 Jan. en 11 Febr. 1894) wordt door F. en door Mr. Cd. Reeling Knap de vraag besproken, welke de beteekenis is van de woorden: âin het openbaarquot; in art. 174 der Faillisse-uientswet. F. is van oordeel, dat; «de goederen worden in het openbaar verbochtzoude beteekenen: »de goederen worden verkocht op zoodanige wijze;, dat iedereen in de gelegenheid wordt gesteld, hoogste bieder of kooper te worden en iedereen kan vernemen voor welken prijs is verkocht quot;, zoodat de curator de onroerende goederen, mits bij publieke veiling, zou kunnen verkoopen zonder tusschenkoinst van een openbaar ambtenaar, daar nergens, zooals ten aanzien van roerende goederen, is bepaald, dat onroerende goederen niet anders in het openbaar kunnen worden geveild en verkocht, dan ten overstaan van een ambtenaar.
Mr. Reeling Knap daarentegen verdedigt de meening, dat â verkoop in het openbaar quot; hier zou bedoelen: â verkoop ten overstaan van een bevoegden ambtenaarquot;.
De laatste meening is de juiste. «In het openbaarquot; wordt in het artikel gebezigd in tegenstelling tot âondershandsquot;. Daarom moet men voor de bepaling van de beteekenis der uitdrukking âin het openbaarquot; haar niet op zich zelf beschouwen, los van het verband waarin zij in het artikel voorkomt, maar heeft men na te gaan, welke tegenstelling in de rechtstaal door de woorden â in het openbaar« en â ondershands quot; pleegt te worden aangeduid. Welke deze is kan niet twijfelachtig wezen; zij is die van â door tusschenkomst of ten overstaan vau een openbaar ambtenaar « tegenover â niet door tusschen-
467
komst of ten overstaan van een openbaar ambtenaar In die beteekenis wordt met name de tegenstelling van » authentieke (of openbare) akten « en «onderhandsche geschriften« in de artt. 1905 en 1911 Burg. Wetb. gebezigd; wordt in de artt. 978 en volg. Burg. Wetb. gesproken van een iiitersten wil
bij openbare akte-', in tegenstelling van dien â bij eene ologra-phiesche of eigenhandig geschreven akteMaar ook is ia dezen zin de tegenstelling van â openbaren verkoopquot; en âonder-handschen verkoopquot; aan onze wetboeken niet onbekend. Wel wordt, waar sprake is van verkoop in het openbaar, in den regel er bijgevoegd »door een bevoegden ambtenaarquot;, maar meermalen wordt toch ook verkoop u in het openbaar « zonder meer voorgeschreven, waar toch stellig niet de bedoeling aanwezig is de tusschenkomst van een openbaren ambtenaar onnoodig te verklaren. Men verg. de artt. 455 en 1080 Burg. Wetb. Ook de artikelen 68G en 692 Wetb. v. Burg. Begtsv. toonen aan, dat de wetgever de tusschenkomst van een openbaren ambtenaar (spec, den notaris) beschouwt als een noodzakelijk vereischte voor een verkoop «in het openbaar//.
Dat nu in art. 174 Pw. dezelfde tegenstelling wordt bedoeld, blijkt te allen overvloede duidelijk uit de Memorie van Toelichting tot de ontwerpen der Staatscommissie en van de Regeering. De artikelen 853 en 857 Wetb. v. Kooph. luidden:
Art. 853. âDe roerende goederen, in den boedel aanwezig, worden door de curators, ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar, daartoe door den regter-commissaris benoemd, en met inachtneming der plaatselijke gebruiken, in het openbaar verkocht; ten ware de regtbank, op verslag van den regter-commissaris, mogt bepalen, dat deze of gene bepaaldelyk aan te wijzen voorwerpen, in het belang van de gezamenlijke scluildeischers, onder de hand zullen worden verkocht, of bij verkoop der onroerende goederen overgenomen, in beide gevallen voor of boven den prijs, waarop dezelve door daartoe te benoemen deskundigen zullen worden geschatquot;.
Art. 857. âDe onroerende goederen, tot den boedel behoorende, worden door de curators in het openbaar, ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar, daartoe door den regter-commissaris benoemd, met inachtneming der plaatselijke gebruiken, verkocht.
Indien dezelve met hypothekaire inschrijvingen zijn bezwaard, moeten de voorschriften van artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek worden in acht genomenquot;.
468
Voor deze beide artikelen is art. 174 Fw. in de plaats gekomen. De motieven, die daartoe hebben geleid, vermeldt de Memorie van Toelichting in deze woorden:
ii De formaliteiten, door den curator in acht te nemen bij den verkoop van de goederen tot den faillieten boedel be-hoorende, worden door dit artikel vereenvoudigd. Aanwijzing van den ambtenaar, door wien de openbare verkoop zal plaats hebben, door den rechter-commissaris, zooals de artikelen 853 en 857 Wetboek van Koophandel voorschrijven, mag geheel onnoodig heeten; de bedoelde bepaling is diis weggelaten. De onderhandsche verkoop van onroerend goed wordt toegelaten, terwijl voor onderhandschen verkoop in 't algemeen alleen toestemming van den rechter-commissaris noodig zal zijn. Eene beslissing van de rechtbank omtrent dergelijke administratieve handelingen brengt slechts onnoodigen omslag, tijdverlies en kosten mede, en is te minder noodig, daar de rechtbank toch geene andere gegevens heeft om haar oordeel op te vestigen en naar te beslissen, dan het rapport van den rechtei'-commissaris en de toelichting van den curator. Daar verwacht mag worden dat de rechter-commissaris niet lichtvaardig toestemming zal geven tot onderhandschen verkoop is evenzeer het bezwarend veroischte van eene taxatie door deskundigen weggelaten. Ingevolge bet slot van artikel 78 (eerste lid) zal de commissie uit de schuldeischers moeten worden gehoord « ').
Uit deze toelichting blijkt duidelijk dat aanwijzing van den ambtenaar, door wien de openbare verkoop zal plaats hebben, door den rechter-commissaris, niet ook de tusschenkomst zeive van dien ambtenaar overbodig werd geacht.
') Belinfante I, bl. 140; v. n. Fur.rz II, bl. 231.
U)l»
Artikel 188 eerste lid.
De recliter-comraissaris beveelt de doorhaling der liypothokaire inschrijvingen, waarmede een tot tien boedel behoorend onroerend goed is bezwaard, zoodra de uitdeelingslijst, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen, verbindend i.s geworden.
In tweeërlei opzicht wijkt deze bepaling af van het overeenkomstige voorschrift van artikel 870 Wetb. v. Kooph.
In de eerste plaats wordt niet aan de rechtbank, maar aan den rechter-connnissaris opgedragen het bevel tot doorhaling te geven. Reeds bij gelegenheid der verificatie wordt beslist over het hypotheekrecht, terwijl de uitdeelingslijst uitmaakt wie der als hypothekaire schuldeischers geverifieerden batig worden gferangschikt en voor welk bedralt;ï. Di enten Q-e vol ge
o o o o o
valt er, als de uitdeelingslijst verbindend is geworden, niets meer te beslissen; de doorhaling van alle inschrijvingen is niet anders dan eene door de verdeeling der opbrengst van het onroerend goed onder de rechthebbenden noodig geworden administratieve maatregel, waarvan de uitvaardiging meer eigenaardig behoort tot de taak van den rechter-commissaris.
In de tweede plaats verlangt art. 188 Pw. de doorhaling «der inschrijvingen, waarmee het goed is bezwaardquot;, d. w. z. van alle inschrijvingen zonder uitzondering, en ontbreekt daarin eene verwijzing naar de artt. 1258 en volg. van het Burgerlijk Wetboek, terwijl volgens art. 870 Wetb. v. Kooph. de doorhaling geschiedt »op den voet als bij art. 1257 Biirg. Wetb. is voorgeschrevenquot;, â alleen dus van die inschrijvingen, «welke niet batig zijn gerangschiktquot;, â ,/met inachtneming der bepalingen van art. 1258 en volgende van hetzelfde wetboekquot;.
Naast de bepalingen omtrent de verificatie, met name van de artt. 130 en 131 Fw., waaraan volgens art. 57 tweede lid dier wet ook de eerste hypotheekhouder onderworpen is, was voor eene verwijzing naar de aangehaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek geen plaats meer.
470
Artikel 870 Wetb. v. Kooph. had aanleiding gegeven tot de vraag, of, niettegenstaande het faillissement van den schuldenaar, door den kooper van het bezwaarde goed zuivering kon worden gevorderd, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Ook thans kan dezelfde vraag worden opgeworpen, daar de Faillissementswet haar niet uitdrukkelijk beslist.
Niet twijfelachtig komt het ons voor, dat de zuivering dooiden kooper niet kan worden gevorderd, als het bezwaarde goed na de insolventie door den curator is verkocht. Niet zoozeer omdat de verkoop door den curator noch is eene «gerechtelijke uitwinningquot;, noch eene âwillige verkooping«, in den zin van art. 1254 Burg. Wetb., maar veeleer omdat art. 188 Fw. aangeeft, hoe de zuivering plaats heeft van onroerende goederen die deel uitmaken van een insolventen boedel. De mogelijkheid van zuivering op eene andere wijze wordt daardoor uitgesloten.
Deze meening wordt echter niet algemeen gedeeld , zooals blijkt uit het verzoek, dat den kantonrechter te Steen wijk werd gedaan en aanleiding gaf tot diens beschikking van 16 Mrt. 1897, bev. door de Rechtb. te Heerenveen 19 Mrt. 1897 '). De curator over een in staat van insolventie verkeerenden boedel wenschte over te gaan tot den publieken verkoop der tot dien boedel behoorende met hypotheken bezwaarde onroerende goederen en wilde de eventueele koopers in de gelegenheid stellen de bij art. 1255 Burg. Wetb. bedoelde vordering tot ontlasting te doen. Hij verzocht te dien einde den kantonrechter dag, uur en plaats te bepalen, waarop de verkoop in diens tegenwoordigheid zou kunnen geschieden.
De kantonrechter wees het verzoek van de hand, omdat art. 174 Pw. de tegenwoordigheid des kantonrechters bij den openbaren verkoop van tot eenen insolventen boedel behoorende onroerende goederen niet meer vordert, zooals wel het geval was bij art. 857 Wetb. v. Kooph. Tevens achtte hij het, met het oog op art. 188 Fw., zeer twijfelachtig, of eventueele koopers het recht hebben bovendien eene rangregeling te doen openen.
') Weekbl. v. Not. en ft eg. nquot;. 1423; Paleis van Justitie 1807, n0. 52.
471
In zijn verzoekschrift aan de rechtbank noemde de curatorappellant dezen twijfel des kantonrechtei-s geheel ongegrond, u dat immers het recht (tot het openen eener gerechtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs) â mits aan de voorwaarden van art. 1255 B. W,. voldaan is â den koopers bij de aangehaalde artikelen van het Burg. Wetb. (a.rtt. 1254 vlg.) bepaaldelijk is toegekend en hun niet bij eenige bepaling der Faillissementswet wordt ontnomen; dat bovendien evengoed als art. 188 Pw. ook art. 870 Wetb. v. Kooph. den kooper de doorhaling der op het verkochte rustende inschrijvingen waarborgde en dat niettemin onder vigueur van deze bepaling algemeen door hen, die uit eenen faillieten boedel bezwaarde goederen kochten , de vordering tot ontlasting werd gedaan, zonder dat ooit van eenig bezwaar daartegen is gebleken
De rechtbank liet zich in hare beschikking over de quaestie niet uit; overwegende dat het der Rechtbank voorkomt, dat de tegenwoordigheid van den kantonrechter bij verkoop van tot een faillieten boedel behoorende bezwaarde onroerende goederenten verzoeke van den curator in dien gefailleerden boedel, niet noodzakelijk is, daar dit niet is voorgeschreven bij de Faillissementswetquot;, handhaafde zij de beslissing des kantonrechters.
In hoeverre de mededeeling van den appellant omtrent de onder de afgeschafte wet gevolgde practijk juist is, worde hier in het midden gelaten; navolging dier beweerde practijk is in elk geval stellig af te raden, daar het opmaken eener rangregeling, buiten het faillissement om, onafhankelijk van de uitdeelingslijst, slechts tot moeilijkheden en conflicten aanleiding kan geven.
Deze zijn evenzeer te wachten , als de verkoop is gedaan niet door den curator, maar door den eersten hypothekairen schuld-eischer krachtens zijn onherroepelijke volmacht. Voor het recht des koopers, volgens art. 1254 Burg. Wetb. ontlasting van het gekochte te vorderen, pleit in dit geval, dat de bedoelde schuldeischer zijne rechten uitoefent, «alsof er geen faillissement ware« (art. 57 eerste lid Fw.).
Dientengevolge kan deze schuldeischer verkoopen zoowel vóór als na den aanvang der insolventie en heeft hij ook
MoT-ENr.RAAl'F, Faillissementswet.
472
overigens met het faillissement, met de verificatie en de verdeeling van de opbrengst des boedels onder de schuldeischers niet te maken. De door bem bewerkstelligde verkoop gaat als bet ware buiten bet faillissement om; men zou daaruit kunnen afleiden, dat dus ook de bepalingen, gesebreven voor het faillissement, aan den kooper niet een recht kunnen ontnemen, dat het Burgerlijk Wetboek dezen toekent.
In dien zin besliste bet Hof te Amsterdam bij beschikking van 18 Sept. 1891, W. n°. 6107.
De bezwaren tegen deze opvatting zijn echter niet gering In de eerste plaats maakt het bedrag, waarmede de koopprijs het aan den eersten hypotheekhouder verschuldigde te boven gaat, onbetwistbaar een deel uit van den faillieten boedel, waarover alleen door den curator overeenkomstig de bepalingen der Faill.wet mag worden beschikt. Als deel van den boedel behoort het voor te komen op de uitdeelingslijst en op die lijst tot verdeeling te worden gebracht. Al is dus eene rangregeling opgemaakt ingevolge eene vordering tot ontlasting en daarbij de opbrengst van het verkochte goed verdeeld, toch zal andermaal in het faillissement bij de uitdeelingslijst tot verdeeling van althans een deel dier opbrengst moeten worden overgaan.
In de tweede plaats gelden voor het opmaken van de rangregeling andere regels dan voor het opmaken der uitdeelingslijst. Er wordt dus niet eenvoudig dubbel werk verricht, tweemaal hetzelfde, maar de tweede maal wordt anders verdeeld dan de eerste maal. Bij de rangregeling wordt alleen gelet op de schuldeischers, die hunne bescheiden binnen den bepaalden tijd bij den rechter-commissaris hebben ingeleverd; bij de uitdeelingslijst alleen op de geverifieerde schuldeischers. Bij de rangregeling zijn de artt. 1257 vlg. Burg. Wetb. van toepassing, worden mitsdien sommige inschrijvingen, zooals voogdij-hypotheken en hypotheken voor voorwaardelijke schulden gehandhaafd; bij de uitdeelingslijst beslissen de bepalingen omtrent de verificatie, van handhaving van inschrijvingen is geen sprake. Bij de rangschikking wordt rekening
I) Zie Mr. P. P. P. Kist, in Becht en Wet, dl. 33, bt. 2-18 vlg.; â Mr. K. W. Brkvet, realisatie van mot Injpollieken bezwaard onroerend goed ineen faillissement, in Themis quot;1897, bl. 65 vlg.
473
gehouden met de kosten, aan hare opmaking verbonden; bij de uitdeelingslijst met de faillissementskosten, die de opbrengst voor een evenredig deel verminderen. De verdeeling kan dus bij de rangregeling er heel anders uitzien dan bij de uitdeelingslijst. Men stelle zich voor, dat een schuldeischer bij de rangregeling opkomt, daarentegen verzuimt zich te doen verifieeren, of omgekeerd wel in het faillissement opkomt, doch niet bij de rangregeling '); men denke aan betwisting bij de verificatie, aan voorwaardelijke sehuldeischers, enz.
In de derde plaats doet zich de moeilijkheid voor, dat volgens de bepalingen van het Wetboek v. Burg. Regtsv. (art. 510) en van het Burg. Wefcb. (artt. 1257 vlg.) het overschot van den koopprijs boven de vordering des eersten hypotheekhouders wordt overgebracht ter griffie van de rechtbank, of verblijft onder den kooper; terwijl de Faillissementswet vordert, dat de verkooper dit overschot zal afdragen aan den curator (art. 59).
Het begrijpen van den koopprijs eerst in een rangregeling buiten het faillissement, daarna in een uitdeelingslijst in het faillissement, roept derhalve verschillende conflicten in het leven. Wanneer men daarbij bedenkt, dat de rangregeling niet alleen is eene verdeeling van de opbrengst van het goed, maar ook eene vaststelling van de rechten der tweede en verdere hypothekaire schuldeischers, en dat dezen niet ftwiiew maar in het faillissement staan (alleen de eerste hypotheekhouder staat er buiten), dan wordt het duidelijk, dat de rangregeling moet wijken voor het faillissement, dat m. a. w. de kooper van het door den eersten hypotheekhouder ten laste van den gefailleerde verkochte onroerende goed de vordering tot ontlasting niet kan doen. Het recht der schuldeischers kan slechts eenmaal, niet tweemaal naar verschillende regels, worden vastgesteld; de opbrengst van het goed slechts eenmaal, niet tweemaal op verschillende wijzen, worden verdeeld. Er moet dus een keuze tusschen de beide wijzen van vaststelling en verdeeling worden gedaan. Welke, ligt voor de hand: de wijze van vaststelling en verdeeling voor het geval
') Een voorbeeld daarvan levert Rb. Den Haag 27 Juni 1884, vern. door Hof Den Haag 29 Juni 1885, W. nquot;. 5296.
474
van faillissement des schuldenaars in het bi)zonder voorgeschreven.
Het resultaat waartoe wij zijn gekomen !), levert een goede oplossing voor het geval van insolventie; daarentegen voldoet het niet, wanneer na verkoop door den eersten hypotheekhouder in het faillissement een akkoord tot stand komt. Van een uitdeelingslijst en doorhaling der inschrijvingen krachtens art. 188 Fw. is in dit geval geen sprake, terwijl de termijn van één maand voor het openen van een rangregeling (art. 1256 Burg. Wetb.) verstreken kan zijn. Zuivering is dan niet meer mogelijk. Er is hier eene leemte in de wettelijke regeling die door uitlegging bezwaarlijk kan worden aangevuld ').
Deze staat van zaken moet ten gevolge hebben, dat het bezwaarde goed bij verkoop krachtens onherroepelijke volmacht vóór de insolventie geen behoorlijken prijs kan opbrengen. De eerste hypotheekhouder doet dus verstandig de homologatie van een akkoord of de insolventie af te wachten, alvorens zijne rechten te doen gelden.
In het boven aangehaalde opstel in Themis betoogt Mr. Brevrt, dat de bepalingen der Faillissementswet ook buitendien verhinderen , dat het bezwaarde goed, dat tot den boedel behoort, bij verkoop den hoogsten prijs bedingt, omdat het tijdstip van de in art. 188 bevolen doorhaling der hypotheken geheel onzeker is, immers afhangt van het opmaken en het verbindend worden der uitdeelingslijst. Z. i. behoorde de rechter-commis-saris de bevoegdheid te bezitten het bèvel tot doorhaling van alle hypotheken te geven, «zoodra de curator hem het bewijs had gegeven, dat de kooper aan zijne verplichting tot betaling
') In denzelfden zin P. P. P. Kist, t. a. p., en Brevet, t. a. p.; Polenaar, Hel ontwerp van wet enz., bl. 32; T(eixeira) d(e) M(attos) , in W. n». 6934 naar aanleiding van Brevet's opstel.
2) Mr P. P. P. Kist doet aan de hand: //binnen vier weken na den koop, ingevolge art. -1250 B. W. de benoeming van een rechter-commissaris te vragen, ////ten einde eene gerechtelijke rangschikking te kunnen doen openen zoodra gebleken mocht zijn, dat de staat van faillissement (of kennelijk onvermogeni door akkoord en alzoo zonder rangschikking (thans: uitdeelingslijst) zal zijn geëindigd ////.
Het verdient aanbeveling te trachten zich op deze wijze uit de moeilijkheid te redden.
475
van den koopprijs had voldaan, dat de eerste hypothekaire crediteur-verkooper art. 59 had nageleefdquot;.
Het bezwaar van den heer Brevet komt ons vrij overdreven voor, omdat alleen het tijdstip van de doorhaling der inschrijvingen, geenszins de doorhaling zelve, onzeker is. Maar ook, afgescheiden daarvan, schijnt zijn voorstel niet gelukkig, omdat het toelaat de doorhaling te bewerkstelligen op een tijdstip, waarop de verdeeling van den koopprijs nog niet heeft plaats gehad, misschien nog niet eens de rechten der schuld-eischers vaststaan. Het zou toch, werd zijn voorstel aangenomen, kunnen gebeuren, dat de doorhaling werd gelast vóór de verificatie der schuldvorderingen, waarop de eerste hypotheekhouder die het beding van art. 1223 heeft gemaakt, niet behoeft te wachten. Bovendien zouden de moeilijkheden, waartoe de homologatie van een akkoord aanleiding geeft, nog grooter worden, dan zij thans reeds zijn, daar de ingeschreven schuldeischers hun hypotheekrecht kwijt zouden wezen, zonder eenigen waarborg dat het hun toekomende aandeel in de opbrengst hun ook zou worden uitbetaald.
Alleen door de executie van met hypotheek bezwaarde goederen geheel buiten het faillissement te doen omgaan, m. a. w. alle hypothekaire schuldeischers hunne rechten te laten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware, wordt de mogelijkheid geschapen ook de verdeeling van den koopprijs buiten het faillissement te doen geschieden en eene regeling te treffen, «die de voorwaarden vervulde noodig voor de kans op hooge opbrengst, voor realisatie niet beneden de waarde* '). Aan den curator zou dan alleen verantwoord behoeven te worden het saldo van den koopprijs na afbetaling van alle hypotheken.
Een onroerend goed kan , behalve door hypothekaire inschrijvingen, ook bezwaard zijn door overschrijvingen van executoriale of conservatoire beslagen. Hetzelfde geldt van schepen, waarbij bovendien het revindicatoir beslag kan voorkomen. Omtrent de doorhaling dezer beslagen wordt door de Paillissementswet niets bepaald -). Het blijft te dien aanzien bij de toepassing
') Brevet, t. a. p., bl. 87.
In art. 870 VVetb. v. Kooph. werd gesproken van //de doorhaling van inschrijvingen op de verkochte goederen/', niet zooals in art. '188 Faillw. van
476
van het Koniiikl. Besl. van 11 Maarfc 1840 , 8tbl. n0. 6, dat alleen doorhaling kent uit krachte van een daartoe strekkend vonnis of van een authentieke akte van toestemming van den schuldeischer, die het beslag heeft gelegd.
Gewenscht ware, dat het Besluit in dien zin werd aangevuld, dat de doorhaling ook werd toegelaten op een bevelschrift van den rechter-eommissaris in het faillissement, voor zooveel betreft inbeslagnemingen , welke uit krachte van art. 33 Fw. door de faillietverklaring zijn vervallen.
// de doorhaling der hypothekaire inschrijvingen //. Op grond dier algemeene woorden kon door de rechtbank na het sluiten der algeheele rangschikking de doorhaling van inschrijvingen in het algemeen, de inbeslagnemingen daaronder begrepen, worden bevolen. Zie A. B. in IV. i\0. 0774.
ACHTSTE AFDEEL1NG.
Van den rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening.
De rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening wordt eigenlijk reeds aangewezen door art. 193 eerste lii, bepalende dat het faillissement een einde neemt, zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slotuitdeelingslijst verbindend is geworden (zie boven bl. 458). Immers, dat het faillissement een einde neemt, sluit in zich dat de schuldenaar ophoudt failliet te zijn, dat hij weer komt in denzelfden rechtstoestand waarin hij was vóór de faillietverklaring, waarin een ieder verkeert die niet failliet is. Het beginsel, dat het faillissement zijne grens vindt in de realisatie van hel vermogen, hierboven bl. 54 vlg. nader toegelicht, wordt in die bepaling duidelijk uitgesproken.
De achtste Afdeeling houdt zich veeleer bezig met de rechten der schuldeischers, wijst aan welke rechten dezen na het einde van het faillissement tegen hunnen schuldenaar kunnen doen gelden. /.Daarbij is uitgegaan van het natuurlijke beginsel, ook geldende bij het executoriaal beslag, dat de schuldeischers al hunne rechten tegen den sclmldenaar behouden voor dat deel hunner vorderingen, waarvoor het beslag hun geene bevrediging heeft geschonken. Na het faillissement treden dus de schuldeischers voor het tekort komende weder in alle executierechten aan hunne vorderingen verbondenquot; ').
') Memorie van Toelichting; Belinfante, bl. 237; Belinfante I, bl. 157; v. D. Feltz II, b'.. 259.
478
Gelet op de wet, zooals zij is tot stand gekomen, is deze uitspraak echter niet geheel juist. «Alle executiereehtenquot; werd beperkt tot «de rechten van executie op de goederenquot; (zie hierboven bl. 56 vlg.). Het aangeduide beginsel is daarmede niet prijs gegeven, maar wel is daarop eene gewichtige uitzondering gemaakt.
Artikel 195 luidt: «Door het verbindend worden der slot-uitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaarquot;.
De bepaling heeft betrekking op alle schuldeischers zonder onderscheid, onverschillig of zij in het faillissement zijn opgekomen of niet. Er wordt eenvoudig uitgesproken, dat de schuldeischers en de gewezen gefailleerde zóó tegenover elkander staan als in 't algemeen schuldeischers tegenover hunnen niet-gefailleerden schuldenaar. Alle rechten van verhaal, die schuldeischers volgens de wet hebben op de goederen van hun schuldenaar, kunnen de schuldeischers van den gewezen gefailleerde op de eventueel door dezen te verkrijgen goederen uitoefenen. Natuurlijk voorzooverre zij niet reeds, na in het faillissement te zijn opgekomen en erkend, uit den boedel werden bevredigd.
Misschien zou men kunnen opmerken, dat de bepaling van zelf spreekt; dat, als het faillissement is geëindigd, uit den aard der zaak het algemeene burgerlijke recht van toepassing is en de schuldeischers al de rechten kunnen uitoefeneu, die daaruit voortvloeien. Toch mag het artikel niet overbodig worden geacht. Het faillissement toch ontneemt aan de schuldeischers van den gefailleerde hunne individueele rechten van verhaal of executie. Zij worden onderworpen aan het verificatie-proces (artt. 26 en 29); alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar neemt dadelijk een einde (art. 33). Nevens deze voorschriften uitdrukkelijk te constateeren, wat na afloop van het faillissement rechtens is, kan nuttig wezen, al ware het alleen om misverstand te voorkomen. Bovendien mocht dit wenschelijk heeten om de ingrijpende wijziging, op dit punt in het faillietenrecht gebracht, duidelijk in het licht te stellen en boven allen twijfel te verheffen. Ten slotte heeft
479
het artikel eene daaraan oorspronkelijk niet toekomende beteeken is verkregen, nu daarin alleen sprake is van het herkrijgen van de rechten van executie op de goederen, en aldus implicite is beslist, â de geschiedenis der wet toont dit voldingend aan (zie boven bl. 56 vlg.), â dat het recht van executie op den persoon, de lijfsdwang of gijzeling , door het faillissement verloren, na afloop daarvan niet herleeft, niet mede wordt herkregen.
Schuldeischers, die zich in het faillissement niet hebben aangemeld, en niet reeds vóór de faillietverklaring in het bezit waren van een executorialen titel, zullen, willen zij na afloop van het faillissement op de goederen van den schuldenaar verhaal nemen, een executorialen titel moeten zien te verkrijgen en wel langs den gewonen weg van het proces. Zij verkeeren na het faillissement in volmaakt dezelfde positie als daarvoor, alleen het recht op tenuitvoerlegging bij lijfsdwang, in de gevallen waarin de wet deze toelaat, hebben zij verloren.
Benigszins anders is de positie van de schuldeischers die aan het faillissement hebben deelgenomen. Omtrent hen bepaalt art. 196: «De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatievergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaarquot;. Evenwel geldt deze bepaling niet, voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 is betwist (art. 197).
De erkenning der vordering in het faillissement, zonder betwisting van de zijde des gefailleerden, fixeert eens voor altijd de rechten van den schuldeischer ook tegenover den gefailleerde. De schuldeischer van een ten tijde der faillietverklaring niet-opeischbare en uit dien hoofde voor hare contante waarde geverifieerde vordering, kan dus na afloop van het faillissement zijne rechten alleen doen gelden overeenkomstig die verificatie. Hij blijft schuldeischer van eene dadelijk opeischbare vordering ten beloope van de contante waarde. In hare vroegere gedaante herleeft zijne vordering niet meer. In het ontwerp der Staatscommissie en het eerste
480
Eegeermgs-ontwerp werd, ten einde dit duidelijk uit te drukken, in art. 195 gesproken van »het onvoldaan gebleven deel hunner vorderingen , zooals die zijn geverifieerd quot; J). Later was de Eegeering van oordeel1), dat art. 196 dezelfde gedachte reeds voldoende tot uitdrukking brengt, en dat derhalve de genoemde woorden overbodig geacht konden worden. Door de weglating daarvan komt ook de algemeene strekking van art. 195, de toepasselijkheid van dit artikel op alle schuld-eischers, ook de niet-erkende, beter tot haar recht.
Met de in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erkenning (art. 121 vierde lid) staat natuurlijk gelijk de erkenning door den rechter in het verificatie-proces. Waar dit geen twijfel lijdt voor de kracht der erkenning in het faillissement, kan het evenmin twijfelachtig wezen voor de kracht der erkenning tegenover den schuldenaar. De erkenning bij vonnis is, evengoed als die ter verificatie-vergadering, vaststelling van het vorderingsrecht des schuldeischers.
Gaat echter de betwisting van de vordering van den schuldenaar zelf uit (art. 126), dan werkt de erkenning in het faillissement tegen hem niet, onverschillig of die erkenning geschiedt bij gelegenheid der verificatie dan wel in een renvooiproces tegen den curator of tegen een mede-schuldeischer Wel zal de schuldeischer, wiens vordering door den gefailleerde en tevens door den curator of door een mede-schuldeischer wordt betwist , den gefailleerde in het renvooi-proces kunnen betrekken en dan zoodoende een gewijsde ook tegen hem kunnen verkrijgen. Maar doet hij dit niet of staat de gefailleerde in de betwisting alleen, zoodat geen renvooiproces volgt, dan zal de schuldeischer, om zijn recht ook tegen den gefailleerde vastgesteld te zien, een vordering tegen dezen moeten instellen strekkende om de betwisting ongegrond te doen verklaren en te doen uitspreken, dat hij, schuldeischer, terecht erkenning vroeg. Toewijzing dier vordering
1
Zie haar Antwoord in het Verslag der Commissie van voorbereiding: Belinfante II, bl. 138; v. d. Feltz 11, bl. 2G3.
481
verleent dan aan de plaats gehad hebbende erkenning de haar ontbrekende kracht tegen den schuldenaar.
Ongegrondverklaring der betwisting moet worden gevraagd, niet betaling, nakoming der verbintenis; immers, het is de betwisting die het proces noodig maakt, en het is ook alleen langs den aangegeven weg, dat het feit, dat de erkenning in hat faillissement niettegenstaande die betwisting heeft plaats gehad en dat nitdeelingen zijn genoten over de vordering zooals zij is geverifieerd, in harmonie kan worden gebracht met de rechten, die de schuldeischer voor het tekort-komende tegen den schuldenaar kan doen gelden. Gesteld, een vordering op tijd is alleen door den schuldenaar betwist, dus erkend voor de contante waarde, dan is het duidelijk, dat de strijd tusschen schuldeischer en schuldenaar moet loepen over een opeischbare schuld tot een bedrag, uitgedrukt door die contante waarde, niet over de oorspronkelijke vordering op tijd. De uitdeelingen in het faillissement zijn over de contante waarde genoten; het te kort komende, waarvoor de schuldenaar alsnog aansprakelijk is, kan dus ook alleen een deel wezen dier contante waarde, niet van de oorspronkelijke schuld.
Het proces-verbaal der verificatie-vergadering levert don voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar. ;/ Den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel quot; geeft te kennen, dat, na de erkenning, bedoeld proces-verbaal voor de erkende vordering de eenige voor tenuitvoerlegging vatbare titel is, mitsdien vroegere voor de vordering verkregen executoriale titels (bijv. een notarieele schuldbekentenis, een vonnis) hun kracht als zoodanig verliezen. Met dit doel is opzettelijk den gesteld in de plaats van het in het ontwerp oorspronkelijk voorkomende een ').
Wat den vorm betreft, bestaat de executoriale titel uit een door den griffier in executorialen vorm, dus met inachtneming van art. 486 Wetb. v. Burg. Regtsv., uitgegeven op de vordering betrekking hebbend uittreksel uit het proces-verbaal der verificatie-vergadering.
Is de vordering slechts voorwaardelijk toegelaten op grond van betwisting door den curator of door een schuldeischer, ') Zie Belinfante II, bl. 139; v. D. Feltz II, bl. 268.
Molkngraaff , FaiUisaementawet. 31
482
het vonnis, waardoor het verificatie-g'eschil wordt beslist, levert den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op; heeft de gefailleerde de erkenning betwist, het vonnis , gewezen in het proces tot ongegrondverklaring dier betwisting, zal den schuldeischer dien titel verschaffen.
In het ontwerp der Staatscommissie en in het eerste Eegee-rings-ontwerp volgde in de achtste Afdeeling nog een artikel (205 resp. 197), luidende: «De artikelen van deze afdeeling zijn op het faillissement van de naamlooze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij (Reg. Ontw.: wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij) en coöperatieve ver-eeniging niet toepasselijkquot;.
Tot toelichting van dit artikel lezen wij in de bij het Eegee-rings-ontwerp gevoegde memorie, in hoofdzaak gelijkluidend met die, welke het ontwerp der Staatscommissie verzelde:
De in dit artikel genoemde vereenigingen en maatschappijen houden ten gevolge van het faillissement of van de insolventie op te bestaan. Een naamlooze vennootschap of wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij is zonder actief niet denkbaar. De slotuitdeeling, zoo niet reeds de insolventie, maakt een einde aan haar leven, juist omdat zij worden opgericht om met een zeker bijeengebracht kapitaal bepaalde doeleinden te bereiken, en de leden niet verder gehouden zijn tot dat kapitaal bij te dragen, dus ook in de verliezen der vereeniging te deelen, dan tot het bedrag, waartoe zij zich bij hunne deelneming verbonden hebben. De coöperatieve vereeniging eindigt reeds door hare verklaring in staat van faillissement, volgens de uitdrukkelijke bepaling van artikel 18, 3°., der wet van 17 November 1876 (Staatsblad nquot;. 227). Van eene toepassing der bepalingen, in de artikelen dezer afdeeling vervat, kan dan ook geen sprake zijn; immers tegen eene vereeniging, die niet meer bestaat, kunnen de schuld-eischers geen executie-rechten herkrijgen. Voor andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen en stichtingen geldt niet hetzelfde; vandaar dat zij in het artikel niet genoemd worden. Zoo lang eene vereeniging leden telt, eene stichting contribuanten en een bestuur heeft, blijven zij bestaan, ook al ondergaan zij eene algemeene vermogensexecutiequot; ').
') Belinfante I, bl. 158; v. d. Feltz II, bl. 268 vlg.
483
In het Verslag der Commissie van voorbereiding werd opgemerkt, dat het artikel overbodig zou zijn, indien juist ware, dat de daarin genoemde vereenigingen en maatschappijen ten gevolge van het faillissement of van de insolventie ophouden te bestaan. Maar aan de juistheid dier stelling werd getwijfeld. «Het is althansquot;, zoo werd gezegd, «geenszins zeker (dat zij juist is) ten aanzien van wederkeerige verzeke-ringmaatsehappijen. Is het zelfs, zoo vroeg men, waar ten aanzien van naamlooze vennootschappen ? Er is daaromtrent geene wetsbepaling, als ten aanzien van coöperatieve vereenigingen. Men denke aan eene gefailleerde naamlooze vennootschap , wier maatschappelijk kapitaal nog niet ten volle is gefourneerd. Maar hoe dit ook zij, het artikel scheen zonder bezwaar te kunnen vervallenquot;.
De Regeering gaf dit laatste toe en zoo werd het artikel geschrapt. Het punt in quaestie is mitsdien onbeslist gebleven. Moeilijkheden kunnen daaruit echter niet ontstaan. Het kan toch bezwaarlijk in twijfel worden getrokken, dat vereeni gingen, opgebouwd op eene vermogensrechtelijke b^asis, bestaande uit een bepaald door de leden te storten kapitaal, in dier voege dat de leden niet verplicht zijn ooit meer bijeen te brengen dan dit kapitaal, noodzakelijkerwijze ophouden te bestaan als dit kapitaal is uitgeput door algeheele uitwinning; waar een bepaald kapitaal behoort tot het wezen der vereeniging, valt deze uiteen als het kapitaal is verdwenen. Vandaar dat een naamlooze vennootschap eindigt door het verbindend worden der slotuitdeeling, ook al waren de aan-deelen tijdens de faillietverklaring niet volgestort; de'insol-ventie toch doet alle op de aandeelen nog te storten bedragen opeischbaar worden, zoodat de slotuitdeeling steeds zal geschieden na volstorting van alle aandeelen.
Vandaar ook dat een stichting, uitsluitend bestaande in een vast kapitaal, ten gevolge der slotuitdeeling ophoudt te bestaan. Anders moet meu beslissen ten aanzien van stichtingen wier fondsen worden gevormd uit regelmatig terug-keerende contributiën; de algeheele vermogens-executie sluit hier nieuwe kapitaalvorming niet uit.
Wat de coöperatieve vereenigingen betreft, wordt de zaak beslist door art. 18 der wet van 1876, waarop ook in de
484
Memorie van Toelichting (zie boven) een beroep werd gedaan.
Alleen met betrekking tot de onderlinge verzekeringmaatschappij is eenige twijfel gerechtvaardigd. Toch laat zich haar voortbestaan na eene algeheele uitwinning van hare bezittingen moeilijk denken. Feitelijk zal zij dan een einde nemen, omdat zij niet meer in staat zal wezen hare taak, de waarborging barer leden, te vervullen.
Wat in art. 197 van bet eerste Reg. Ontw. werd bepaald, is dus, niettegenstaande de weglating daarvan, als recht te beschouwen.
Het ontwerp der Staatscommissie gaf nog aan den gefailleerde de bevoegdheid ter gelegenheid van de slotuitdeeling aan zyne schuldeischers een akkoord aan te bieden voor dat gedeelte hunner vorderingen , dat na die uitdeeling onvoldaan bleef (artt. 197â204 van dit ontwerp). Tot dit voorstel werd de Commissie geleid door de overweging, dat het op economische en maatschappelijke gronden wenschelijk is den schuldenaar in de gelegenheid te stellen zich te bevrijden uit de weinig benijdenswaardige positie, waarin hij zich na de vereffening van den boedel bevindt. Door middel van bedoeld akkoord zou hij zich na afloop der insolventie voor verdere vervolging van de zijde zijner oude schuldeischers kunnen vrijwaren. Hij zou, zooals men het uitdrukt, weer met eene schoone lei kunnen beginnen en zich gemakkelijker een nieuw bestaan kunnen verwerven, in het doen van zaken niet meer door oude schulden belemmerd. De Commissie meende te mogen veronderstellen, dat familieleden of vrienden allicht bereid gevonden zullen worden, den schuldenaar na afloop van het faillissement flnancieelen steun te verleenen, indien de mogelijkheid bestaat hem daardoor weer op de been te helpen
Het denkbeeld van een akkoord na insolventie was nieuw; in geen der bestaande faillietwetten komt de instelling voor. Veel sympathie vermocht het niet te wekken. Door Mr. Goudsmit werd het in Themis 1888, bl. 230 vlg,, bestreden. De Kamers van Koophandel, die zich erover uitlieten, waren niet er mede ingenomen. Ook aan de Regeering lachte
â ) Zie Memorie van Toelichting: Belinfante, bl. 238 v.
485
het niet toe. Zy nam dus in haar ontwerp de op het besproken akkoord betrekking hebbende artikelen van het ontwerp der Staatscommissie niet over, wat door den Raad van State in zijn advies uitdrukkelijk werd goedgekeurd. Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding vond het akkoord ook in de Tweede Kamer geen verdedigers!).
De i/weinig benijdenswaardige positiequot; van den schuldenaar na afloop der vereffening onderging echter in zooverre verbetering, dat â er worde in dit verband nogmaals op gewezen â naar aanleiding van het Verslag het recht tot hernieuwde executie bij lijfsdwang aan de schuldeischers werd ontzegd.
â¢) Belinfante II, bl. '136 v., 207 en 24quot;); v. n. Ff,i-T7. II, bl. 200 v. Buiten de Kamer werd het akkoord na insolventie verdedigd door Mr. F. J. van Harencarspel. Zie diens proefschrift: Opvolgend accoord en accoord na slotuit-deeling, Amsterdam 1801.
NEGENDE A.PDEELING. Van het faillissement eener nalatenschap.
a Ten einde niet de economie van het ontwerp te verstoren », aldus lezen wij in de Memorie van Toelichting tot het Regee-rings-ontwerp '), «zijn de bepalingen omtrent het faillissement eener nalatenschap in eenen afzonderlijken titel (lees: afdeeling) bij elkander gebrachtquot;. Ook in het ontwerp der Staatscommissie was dit gedaan. Niet in dien zin echter, dat hier eene volledige regeling van het faillissement der nalatenschap wordt gegeven, maar in dier voege, dat de bijzondere bepalingen, die voor dit faillissement noodig werden geacht, in deze afdeeling zijn bijeengevoegd. Voor zoover in de artikelen dezer afdeeling daarvan niet wordt afgeweken of niet uitdrukkelijk het tegendeel wordt bepaald, zijn al die bepalingen van den eersten titel van toepassing-op het faillissement der nalatenschap, wier toepassing door het feit, dat het faillissement den boedel eens overledenen betreft, niet van zelf wordt uitgesloten 2). De negende Afdeeling bevat dus uitsluitend uitzonderings- en aanvullingsbepalingen.
Artikel 767 eerste lid van het Wetboek van Koophandel luidde: » De boedel van eenen koopman, die na de ophouding
der betaling is overleden,.....kan in staat van faillissement
worden verklaard, mitsquot; enz. Bij deze bepaling, in 1835 in het Wetboek gebracht, werd op de eischen der practijk al zeer weinig gelet; werd althans eene voorwaarde gesteld,
') Belinfante I, bl. 158; v. d. Fei.tz II, bl. 270.
quot;â ) Verg hot Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer op art. 202: Belinfante II, bl. 144; v. ü. Feltz U, bl. 289.
487
die het artikel nagenoeg voor toepassing onvatbaar maakte. a Uiterst zelden toch komt het voor, dat de dood zoo spoedig volgt op het ophouden met betalen, dat er vóór dien geen tijd is de faillietverklaring aan te vragen; als het opbonden met betalen gedurende het leven plaats heeft, zal de faillietverklaring in den regel evenzeer tijdens het leven geschieden quot; '). De ondervinding heeft dan ook geleerd, dat het artikel vrijwel nutteloos is geweest.
Aan de Staatscommissie tot herziening van het Wetboek van Koophandel kon dit natuurlijk niet ontgaan. Zij stelde voor, in art. 206 van haar ontwerp, te bepalen: »De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen dat de overledene had opgehouden te betalen, of dat de nalatenschap niet toereikend is ter betaling van de schulden des overledenen.quot; Tot toelichting werd gezegd 2) : «Herhaalde malen is het voorgekomen, dat eerst na den dood de insolventie van den schuldenaar bleek; meer dan eens ook, dat de schuldenaar, staande voor het feit zijne betalingen te moeten staken, zich van het leven beroofde. In die gevallen hebben de schuldeischers een even groot belang bij faillietverklaring als wanneer het ophouden met betalen reeds gediirende het leven is begonnen. De ontoereikendheid van den boedel om alle schulden te voldoen zal dus allicht de meest voorkomende reden worden voor de faillietverklaring van de nalatenschap eens schuldenaars, terwijl volgens het Ontwerp ditzelfde feit gedurende diens leven nooit grond voor de faillietverklaring oplevert.
«Deze verschillende behandeling laat zich gereedelijk verklaren. Gedurende het leven van den schuldenaar wordt er met het vermogen gehandeld, gewerkt, gespeculeerd; het actief en het passief van den schuldenaar wisselen aanhoudend; het feit, dat het vermogen ontoereikend is om daaruit op een gegeven oogenblik alle schulden te voldoen, kan dus zeer goed van voorbijgaanden aard zijn en mag daarom geen
') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 158; v. d. FeltzII, bl. 270. 2) Belinfante, bl. 242 vlg.
MoLENORAAyp, Faülissemcntswet.
488
grond wezen voor faillietverklaring. Bovendien is iemands vermogenstoestand gedurende zijn leven uiterst moeilijk te eonstateeren, immers voor derden niet of niet dan hoogst zelden waarneembaar. Zoowel liet een als het ander leidt er toe gedurende het leven van den schuldenaar alleen het ophouden met betalen als grond van faillietverklaring toe te laten. Na den dood zijn de omstandigheden geheel anders. De loopbaan van het vermogen is afgesloten, het ondergaat geene veranderingen, geene vermeerderingen of vermindering meer; volgens den regel â bona non intelliguntnr nisi deducto aere alienoquot; behoort het voor alles aangewend te worden om de schulden te voldoen. Den erfgenamen komt eigenlijk alleen het saldo toe, in de eerste plaats is het actief onderpand der schuldeischers van den overledene, kunnen deze daarop de beste rechten doen gelden. Is het vermogen ontoereikend om de schulden te voldoen, het zal dit steeds blijven, herstel is niet meer mogelijk. Dit feit op zich zelf bewijst dus reeds, dat er concursus creditorum bestaat, sluit het ophouden met betalen als een noodzakelijk gevolg in zich: daarom behoort het ook erkend te worden als een afdoende grond tot faillietverklaring.
âWat betreft het recht zelf der schuldeischers om faillietverklaring van de nalatenschap huns schuldenaars te vragen, het steunt op de overweging, dat hun, waar zij eigenlijk de uitsluitend gerechtigden tot den boedel zijn, het middel niet onthouden mag worden om de liquidatie in eigen handen te nemen; of liever om eene gerechtelijke liquidatie uitsluitend te hunnen behoeve en onder leiding van een onzijdig persoon (den curator) te provoceeren. In het bijzonder zullen zij daaraan behoefte hebben, als de erfgenaam zelf onvermogend is of diep in schulden steekt, of de erfenis niet aanvaard wordt. Maar ook buiten deze gevallen kan faillietverklaring wenschelijk zijn. Het is daarom het meest raadzaam voorgekomen, mits het feit van de ontoereikendheid des boedels wordt bewezen, het recht om faillietverklaring te vorderen onbeperkt toe te laten, evenals artikel 767 Wetboek van Koophandel nu reeds vaststelt ten aanzien der faillietaanvrage op grond van het ophouden met betalen gedurende het leven. Is de erfgenaam een solied persoon en aanvaardt hij zuiver, dan zullen de
489
schuldeischers van zelf geen aanleiding hebben van hun recht gebruik te maken. Practische bezwaren zijn dus niette duchtenquot;.
Door de Regeering werd het artikel der Staatscommissie (in het Regeerings-ontwerp art. 198) met de daarbij behoorende toelichting onveranderd overgenomen ').
Uit het Verslag der Commissie van voorbereiding blijkt niet, dat het voorstel bij het onderzoek in de Afdeelingen der Tweede Kamer principieele bestrijding vond. Integendeel, er wordt in geconstateerd, dat men uit een practisch oogpunt de bepalingen dezer afdeeling voorzeker kon goedkeuren 2). Alleen werden uit een theoretisch oogpunt eenige bedenkingen geopperd , waarop echter de Regeering het antwoord niet schuldig bleef. Eerst bij de openbare beraadslaging vertoonde zich eene ernstige oppositie. De heer van Houten keurde af, dat faillietverklaring zou worden toegelaten, indien de nalatenschap niet toereikend is ter betaling van de schulden des overledenen; hij stelde voor, de woorden die daarop betrekking hadden weg te laten, welk amendement, niettegenstaande bestrijding door den Minister en namens de Commissie van voorbereiding door den heer Hartogh, werd aangenomen met 56 tegen 13 stemmen.
Betwist werd niet, dat het eerste lid van art. 767 Wetb. v. Kooph. voor de practijk zonder nut is, evenmin aangetoond dat aan de voorgestelde uitbreiding geen behoefte bestaat, noch ook beproefd de gronden , in de Memorie van Toelichting voor die uitbreiding aangevoerd, te ontzenuwen. De groote grief van den heer van Houten bestond hierin, dat nieuw recht werd geschapen , en dat dit nieuwe recht b u r g e r 1 ij k recht, niet faillieten-recht was. De vraag, of dit nieuwe recht ook goed recht was, mocht zijns inziens niet in aanmerking komen. Indien de bepalingen omtrent de boedclredding van nalatenschappen herziening behoefden, behoorde eene wijziging van het Burgerlijk Wetboek te worden ontworpen, maar niet bij de faillietenwet die herziening te worden beproefd.
Geheel werd bij deze redeneering uit het oog verloren,
') Belinfante 1, bl. IBS vlg.; v. ». Feltz. II, bl. 270 vlg. -) Belinfante II, bl. 140: v. n. Fet.tz II, bl. 271.
490
eensdeels dat het Burgerlijk Wetboek de boedelredding nagenoeg uitsluitend regelt uit het oogpunt van de belangen van den erfgenaam, dat het recht van beraad en de aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving instellingen zyn te zijnen behoeve, andersdeels dat het faillissement van de nalatenschap, even als ieder faillissement, eene instelling is ten behoeve van de schuldeischers, de handhaving en doorvoering hunner rechten beoogende, en dat juist daarom de voorgestelde bepaling in de Faillissementswet volkomen op haar plaats was. Evenwel, het zoo gemakkelijk te wekken wantrouwen in het nieuwe deed zijn invloed gelden, het amendement werd, zooals gezegd, met groote meerderheid aangenomen, daarmede een dringende en wenschelijke verbetering van de baan geschoven en de onderwerpelijke afdeeling van hare beteekenis in hoofdzaak beroofd. Voor de practijk zal zij van even weinig nut zijn als het art. 767 Wetb. v. Kooph. vroeger was.
Feitelijk bepaalt thans artikel 198 der Faillissementswet., zooals het is gewijzigd bij de wet van 6 September 1895. Sthl. n0. 155, omtrent de vraag, wanneer de boedel eens overledenen failliet verklaard kan worden, hetzelfde als eertyds art. 767 eerste lid Wetb. van Kooph. Vereischt is, dat de overledene in den toestand verkeerde, dat hij had opgehouden te betalen. Wat de beteekenis van dit vereischte betreft, zij verwezen naar hetgeen hierboven (bl. 85 vlg.) naar aanleiding van artikel 1 werd opgemerkt
De wijziging, tijdens de beraadslaging in de Tweede Kamer over het ontwerp der Faillissementswet, in art. 1 aangebracht (zie hierboven bl. 75 vlg.), gaf aanleiding tot eene overeenkomstige wijziging van art. 198. De woorden: «en indien de rechtbank dit in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk oordeelt« werden daaraan toegevoegd. De aangehaalde wet van 6 September 1895, 8tbl. n0. 155, deed deze toevoeging weder vervallen, in verband met de vervanging van de woorden «had opgehouden te betalen « door de woorden «in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen« (zie hierboven bl. 82 vlg.).
In het eerste lid van art. 767 Wetb v. Kooph. werd uitdrukkelijk gezegd, dat de faillietverklaring van den boedel des overledenen kan worden uitgesproken: «om het even of
491
zijne erfgenamen van het regt van beraad al dan niet gebruik maken, de erfenis zuiver of onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard, dan of zij dezelve hebben verworpen.quot; In de Faill.wet zijn deze woorden als geheel overbodig weggelaten. «De algemeene woorden», aldus de Memorie v. Toelichting 1), «van artikel 198 dulden geen beperkende uitlegging, zy omvatten al de genoemde gevallen.quot; Dat de faillietverklaring kan worden uitgesproken ook nadat de nalatenschap is aanvaard, met name nadat zij zuiver is aanvaard, blijkt bovendien overtuigend uit de artikelen 201 en 202 2).
Het verzoek tot faillietverklaring kan alleen worden gedaan door een of meer schuldeischers; uitgesloten zijn eigen aangifte door de erfgenamen en vordering van faillietverklaring-door het Openbaar Ministerie.
a Den erfgenamen is de bevoegdheid tot eigen aangifte van 't faillissement der nalatenschap niet gegeven, daar zij voldoende bescherming hunner belangen vinden in het recht van beraad en het voorrecht van boedelbeschrijvingquot; 3). Het ontwerp der Staatscommissie, te dezen in het Eegeerings-ontwerp gevolgd, vond op dit punt reeds dadelijk bestrijding bij Mr. S. J. Hingst (Kechtsgel. Bijdr. en Bijhl. 1886/87, afd. D, bl. 56 v.). Ook in het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer wordt vermeld, dat sommigen aan den erfgenaam het recht wilden toekennen, het faillissement der nalatenschap aan te vragen. De üegee-ring volhardde echter bij hare meening, dat het bestaande recht voldoende middelen verschaft om het met dat voorstel beoogde doel te bereiken. «De erfgenaam, die zeker wil zijn, dat hij ia zijn eigen bezittingen niet kan worden aangesproken voor de schulden van den erflater, aanvaarde onder beneficie van inventaris. Aanvaardt hij zuiver, hij moet van deze daad van vrijen wil de gevolgen dragen« ''j. Door de in artikel 198 gebrachte wijziging, waardoor de mogelijkheid van
') Belinfante I, bl. 160; v. d. Feltz II, bl. 274.
-) Verg. Rb. Zierikzee 17 Nov. 1896, W. n0 0892, bij welk vonnis terecht de faillietverklaring eener onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap werd uitgesproken.
â¢') Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 159; v. D. Feltz II, bl. 274.
4) Belinfante II, bl. 141; v. d. Feltz II, bl. 273.
492
faillietverklaring der nalatenschap weder werd beperkt binnen de door het Wetb. van Kooph. getrokken enge grenzen, verloor ook deze quaestie haar belang; zij werd dan ook niet verder ter sprake gebracht.
Het verzoek tot faillietverklaring moet worden ingediend bij de rechtbank, welke tijdons het overlijden des schuldenaars bevoegd was de faillietverklaring uit te sproken (art. 199 eerste lid). De bedoelde rechtbank wordt aangewezen door de artikelen 2 en 3.
Op het verzoek worden de erfgenamen gehoord, althans zij worden daartoe opgeroepen bij een exploot, aan het sterfhuis te beteekenen, zonder dat het noodig is hen daarin bij name aan te duideu, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn , bij brieven van den griffier (art. 199 tweede lid). Behoudens het bepaalde omtrent de oproeping der bekende erfgenamen werd in het tweede lid van art. 767 Wetb. v. Kooph. hetzelfde voorschrift gevonden.
Naar aanleiding van eenige vragen, in het Verslag der Commissie van voorbereiding gesteld, verklaarde de Eegee-ring dat zullen moeten worden opgeroepen âde testamentaire erfgenamen, of, als dezen er niet zijn of verworpen hebben, de wettelijke erfgenamen. Zijn geene erfgenamen bekend of te vinden, dan zullen zij ook niet gehoord kunnen worden; het artikel mist dan op dit punt zijne toepassingquot;
Zoolang de nalatenschap niet is aanvaard noch verworpen, beschouwt de wet, zie artt. 1071 vlg. en 1096 vlg. Burg. Wetb., den persoon die tot aanvaarden of verwerpen bevoegd is, m. a. w. den door het testament of de wet tot de erfenis geroepen persoon, als den erfgenaam. Deze moet dus, als hij bekendis, bij brief worden opgeroepen; in elk geval kan hij op het exploot, aan het sterfhuis gedaan, verschijnen om gehoord te worden.
Daar eene nalatenschap als zoodanig slechts een tijdelijk bestaan heeft, ligt het voor de hand de faillietverklaring slechts gedurende een beperkten tijd toe te laten. Art. 767 eerste lid Wetb. van Kooph. vorderde, dat het verzoek uiterlijk binnen den tijd van drie maanden na het overlijden van den schuldenaar zou worden gedaan.
') Belinfante II, bl. 143; v. igt;. Feltz II, bi. 285.
493
In verband met de toelating van het faillissement eener nalatenschap, in het geval deze niet toereikend is ter betaling van de schulden des overledenen, stelde de Staatscommissie in art. 209 van haar ontwerp voor, de drie maanden te doen loopen niet van het overlijden, maar van het tijdstip van de aanvaarding der nalatenschap. //Meestentijds toch zullen de schuldeischers eerst na de aanvaarding gewaar worden dat de boedel ontoereikend isquot; !). Daar evenwel niet altijd het tijdstip der aanvaarding voor de schuldeischers gemakkelijk waarneembaar is of juist is uit te maken wanneer de aanvaarding heeft plaats gehad, â men denke aan de zoogenaamde stilzwijgende aanvaarding van art. 1094 Burg. Wetb., â werd in het Regeerings-ontvverp een dubbele termijn aangenomen. Volgens art. 201 van dit ontwerp kon de faillietverklaring worden aangevraagd, zoolang niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en zes maanden namp;, het overlijden van den schuldenaar zijn verstreken. Behoudens invoeging, duidelijkheidshalve, van het woord «tevensquot; tus-schen nenâ¢: en «zes maandenquot;, ging dit artikel onveranderd in de wet over. Inmiddels heeft het geheel en al zijn reden van bestaan verloren, zoodat het thans een vrij wonderlijk figuur maakt. Immers, motief voor het vervangen van den in art. 767 Wetb. van Kooph. aangegeven termijn was de uitbreiding van het faillissement tot nalatenschappen, die ontoereikend zijn om de schulden te betalen, en juist deze uitbreiding werd bij de beraadslaging over art. 198 geschrapt. Dit had moeten leiden tot wijziging ook van art. 201 en tot een terugkeer tot den termijn van het Wetb. v. Kooph.
Van het feit, dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen, thans de eenige grond, waarop de faillietverklaring kan worden gevraagd, kan bezwaarlijk worden beweerd, dat het vóór de aanvaarding moeilijker is te constateeren dan daarna. De aanvaarding heeft voor de waarneembaarheid van die omstandigheid eenvoudig niet de minste beteekenis. Het geldt toch niet een feit, dat, zooals het niet-toereikende van den boedel, achteraf, eerst na het overlijden, aan den dag komt en waarnaar eerst
') Memorie van Toelichting: Belinfante, bl. 245.
494
dan een onderzoek door de schuldeischers kan worden ingesteld, maar een feit dat juist vooraf, vóór het overlijden, aanwezig moet zijn en dat hoe eerder des te beter kan worden geconstateerd Daarom ook behoort de termijn kort te wezen; van de schuldeischers mag gevorderd worden, dat zij weten wat zy willen, en dat zij met bekwamen spoed beslissen, of zij op grond van des schuldenaars ophouden met betalen faillietverklaring verlangen, dan wel de bereddering des boedels aan de erfgenamen willen overlaten. Een termijn, loopende van de aanvaarding, is daarbij een onding.
Volgens de woorden van het artikel zal de faillietverklaring kunnen worden gevraagd, zoolang niet voldaan is aan beide eischen: een tijdsverloop van drie maanden na de aanvaarding èn een tijdsverloop van zes maanden na het overlijden. Heeft bijv. de aanvaarding plaats in de vijfde maand na het overlijden , het verzoek tot faillietverklaring zal kunnen worden gedaan tot in de achtste maand; heeft de aanvaarding plaats in de achtste maand, het verzoek gedaan in de elfde maand zal ontvankelijk zijn; wordt er aanvaard dadelijk na overlijden, voor het verzoek zullen zes maanden openstaan.
Omtrent de gevolgen van de faillietverklaring der nalatenschap wordt in artikel 200 eene enkele bijzondere bepaling gegeven. «De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek is omschrevenquot;.
// Ook deze bepaling wordt in de Memorie van Toelichting aangeteekend'), «is in overeenstemming met het geldende recht en overgenomen uit artikel 767 derde lid Wetboek van Koophandel». Men zou met recht kunnen beweren, dat de bedoelde afscheiding een natuurlijk en noodzakelijk gevolg is der faillietverklaring, en daarom de uitdrukkelijke vermelding van dit gevolg overbodig kunnen noemen. Toch heeft die vermelding haar nut; ware zij achterwege gebleven, dit feit zou, in verband met art. 767 derde lid Wetb. v. Kooph., tot een, al zij het ook, misplaatst argumentum a contrario aanleiding hebben kunnen geven.
') Belinfante I, bl. 160; v. d. Feltz II, bl. 286.
495
Sluiten zich de artikelen 198-201 iiamv aan de vroegere wet aan, nieuw is het voorschrift van art, 202. Het verklaart de zesde afdeeling van den eersten titel niet toepasselijk op het faillissement eener nalatenschap; âevenmin de achtste afdeeling, tenzij de erfenis zuiver is aanvaard quot;. Deze laatste restrictie kwam in het ontwerp der Staatscommissie niet voor. Art. 210 van dit ontwerp luidde: «De zesde en de achtste afdeeling van dezen titel zijn op het faillisseiLent eener nalatenschap niet toepasselijkquot;. Het Regeerings-ontwerp (art. 202) voegde daaraan toe: «met uitzondering, indien de erfenis zuiver is aanvaard, van de artikelen 195 en 196«, wat met het artikel der wet overeenstemt, daar de latere wijziging der redactie bloot een uitvloeisel was van het wegvallen van art. 197 van bedoeld ontwerp '), waardoor de geheele achtste afdeeling niet toepasselijk werd. In de verschillende ontwerpen en ook in de wet handelt de zesde afdeeling over het akkoord, de achtste over den rechtstoestand des schuldenaars na aüoop der vereffening.
De uitsluiting van het akkoord werd door de Staatscommissie en door de Regeering aldus toegelicht:
«Het spreekt vanzelf dat bij faillissement eener nalatenschap geen akkoord te pas komt. Het akkoord toch heeft ten doel niet alleen om de gerechtelijke vereffening van hetgeen er is te voorkomen en door eene minnelijke te vervangen, maar ook en vooral om den schuldenaar onder de voorwaarden daarin vastgesteld, te ontheffen van alle verdere aansprakelijkheid voor het tekort komende. De nalatenschap nu is na de vereffening voor altijd van het tooneel verdwenen, van eene latere vordering tegen de nalatenschap voor het deficit kan nooit sprake zijn en daarvan dus ook geen ontheffing verleend wox-den. Hiermede vervalt elke raison d'être voor een akkoord; met de verdeeling van de baten is het recht der schuldeischers, wat de nalatenschap betreft, uitgeput» De Memorie v. Toelichting der Regeering vervolgt daarna: «Het spreekt vanzeive dat de schuldeischers, ua afloop van het faillissement der nalatenschap, diegenen der erfgenamen.
') Zie hierboven bl. 482 vlg.
-) Belinfante, bl. 245 v.; Belinfante 1, bl. 160; v. d, Feltz II, bl. 288.
496
welke de nalatenschap zuiver aanvaard hebben , voor het tekort komende in hun eigen vermogen (persoonlijk) kunnen aanspreken. Bij zuivere aanvaarding is het faillissement van de nalatenschap als het ware de executie van een afgezonderd deel van het vermogen des erfgenaams ten behoeve van een bepaalde groep zijner schuldeischers. Het is dan ook rationeel dat deze, na afloop dier executie, voor het hun nog toekomende deel hunner vorderingen treden in de volheid hunner rechten van executie op het overige vermogen van den erfgenaam , die immers door de aanvaarding zelf schuldenaar is geworden. Vandaar de toepasselijkheid van de artikelen 195 on 19C in geval van zuivere aanvaarding der nalatenschap.
wHet verdient geene aanbeveling, een akkoord in het faillissement van de nalatenschap toe te laten, ten einde den erfgenaam te vrijwaren voor bedoeld gevolg van zijne zuivere aanvaarding, die zijne eigen vrije daad is. Door het recht van beraad en de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wordt door de wet voor de erfgenamen voldoende gezorgd; daarnaast in het akkoord nog een middel te geven tot herstel tegen eene zuivere aanvaarding ware die zorg te ver uitstrekken»
Niet anders dacht de Staatscommissie, blykens hare Memorie 3), over de aansprakelijkheid van den erfgenaam, die zuiver heeft aanvaard, al had zij daarin geen aanleiding gevonden de artt. 195 en 196 van haar ontwerp op dezen erfgenaam toepasselijk te verklaren.
Tegen de uitsluiting van het akkoord werd zoowel buiten 1) als in de Kamers der Staten-Generaal '') bezwaar gemaakt. In de afdeelingen der Tweede Kamer door hen, die mede aan de erfgenamen het recht wenschten te zien toegekend, het faillissement der nalatenschap aan te vragen. Ook in geval van zuivere aanvaarding bestond, naar hunne meening, aanleiding, het aanbieden van een akkoord toe te laten. De
1
) Mr. S. J. Hingst, t. a. p. bl. 51; Mr. B. J. Polenaar, Rechtsgeleerd Magazijn 1888, bl. 13; A. P. van Stolk Jr., Faillietverklaring na overlijden, Prft. bl. 58 vlg.
») Belinfante II, bl. 140; IV, bl 27; â v. d. Feltz II, bl, 271, 289.
497
Regeering handhaafde echter haar standpunt, dat bij de openbare behandeHng geen verdere bestrijding vond.
De negende afdeeling handelt alleen over het faillissement van den boedel van iemand, die vóór de faillietverklaring is overleden. Maar het overlijden kan ook plaats grijpen na de faillietverklaring, gedurende den loop van het faillissement. In dit geval heeft de wet niet opzettelijk voorzien. In het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer werd de meening geuit, dat een bepaling daarover niet mocht ontbreken. Gaan, werd gevraagd, al de verplichtingen van den gefailleerde dan op zijne erfgenamen over? De artikelen 198 e. v., meende men, zullen niet toepasselijk zijn, maar het laillissement zijn gewoon verloop hebben. In verband daarmede werd aangedrongen op de opneming eener bepaling in den geest van art. 486 Code Beige (wet v. 18 April 1851): i, Lorsqu'un commerfant aura été déclaré en faillite aprèa son de^ès, ou lorsque le failli viendra a décéder après 1'aveu de sa faillite, sa veuve, ses enfants ou ses héritiers pourront se présenter ou se faire représenter pour le suppleer dans la formation du bilan, ainsi que dans toutes les operations de la faillite quot; ').
De Regeering gaf aan dezen aandrang geen gevolg. Zij antwoordde1): i/Eene nadere regeling voor het geval van overlijden des gefailleerden gedurende het faillissement mag overbodig heeten; in de praktijk heeft zich daaraan geen behoefte doen gevoelen. De negende afdeeling (aitt. 198 en vlg.) zal niet toepasselijk zijn, daar zij handelt over de failliet-verhlaring na het overlijden van den schuldenaar; zoodanige verklaring komt natuurlijk niet te pas, als er reeds faillissement is.
âEene overneming van art. 486 Code Beige zou van geenerlei nut zijn. De daarin genoemde personen kunnen ook zonder dergelyke bepaling door het geven van inlichtingen en het verleenen van medewerking, waar die gewenscht wordt, den curator zijne taak gemakKelijk maken. Men denke voorts aan art. 66 van het ontwerp (= art. 66 der wet)».
1
) Belinfante II, bl. '141 v.; v. d. Feltz II, bl. 273.
Molengkaaff, FaiiUssemcutawet. 32
498
Bij het mondeling overleg met de Commissie van voorbereiding merkte de Minister Smidt nader op, dat Let aan geen twijfel onderhevig is, dat de curator in de executie niet kan worden verhinderd door de omstandigheid, dat de schuldenaar nè, de faillietverklaring overlijdt, wèl zal dan de behandeling van het akkoord moeten vervallen.
Volgens deze verklaring is derhalve art. 202 van toepassing, ook in geval van overlijden van den schuldenaar nè, de faillietverklaring. Dit strookt volkomen met de gronden, voor dit artikel aangevoerd. Door het overlijden van den gefailleerde wordt het faillissement feitelijk het faillissement eener nalatenschap. Als zoodanig moet het verder worden behandeld.
TIENDE AFDEEL ING.
Bepalingen van internationaal recht.
Onder het weidsche ') opschrift « bepalingen van internationaal recht « zijn in de tiende afdeeling een drietal artikelen bijeengevoegd, die van toepassing zijn als de in Nederland gefailleerde schuldenaar vermogen heeft in het buitenland.
In het ontwerp der Staatscommissie worden deze artikelen door nog drie anderen voorafgegaan, waarin de werking in Nederland van de in het buitenland uitgesproken faillietverklaring werd geregeld.
Bij het opstellen dezer afdeeling ging de Staatscommissie uit van de stelling, dat het faillissement als gerechtelijk beslag, als maatregel van executie, uit den aard der zaak, d. w. z. indien niet in de wet uitdrukkelijk iets anders wordt bepaald, slechts territoriale werking kan uitoefenen, eene werking dus, die beperkt blijft binnen de grenzen van het land van den rechter die de faillietverklaring uitspreekt. Wanneer het vermogen van den schuldenaar over verschillende landen is verspreid, geeft dit territorialiteitsbeginsel aanleiding tot vele bezwaren en tot onbillijkheden. Het verhindert dat het doel van het faillissement: verdeeling van h.et geheele veimogen van den schuldenaar onder al zijne schuldeischers, wordt bereikt of, zoo dit al geschiedt, dat het geschiedt op de eenvoudigste, minst kostbare wijze en zonder conflicten. Vandaar dat de Commissie voorstelde, in de wet bepalingen op te nemen die beoogden de toepassing van de zoogen. eenheid (universaliteit) van het faillissement, wat Nederland betreft, mogelijk te maken.
') Verg. het Verslag der Commissie van voorbereiding: Belinfante II, bl. 145; v. d. Feltz II, bi. 291.
500
De in het buitenland door de aldaar bevoegde macht uitgesproken faillietverklaring zou in Nederland worden erkend, zonder reciprociteit te vorderen en onafhankelijk van tractaten.
In de artikelen 211â213 werd dit nader uitgewerkt. Tevens werden in de artt. 214â216 bepalingen opgenomen om bij faillissement in Nederland, voor zooverre de Nederlandsche wet daartoe bij machte is, de gelijke verdeeling ook van het buiten Nederland zich bevindende vermogen van den schuldenaar onder al zijne schnldeischers te verzekeren.
Der Regeering gingen deze voorstellen blijkbaar te ver. Zij nam in haar ontwerp de artikelen 211 â 213 van het ontwerp der Staatscommissie niet over; dientengevolge is ook in de wet eene aanwijzing van de werking in Nederland van het biiitenlandsche faillissement achterwege gebleven. De artikelen 214 â 210 van het ontwerp der Staatscommissie werden daarentegen in het Regeerings-ontwerp behoiulen en hebben, nagenoeg onveranderd, plaats gevonden in de wet. Zij maken daarin thans in hun isolement een eenigszins zonderling figuur, en worden daardoor licht misverstaan.
De Staatscommissie beschouwde de zoogen. universaliteit van het faillissement als het ideaal, waarnaar ook in iedere nationale wet behoort te worden gestreefd. Zij nam dus bepalingen in haar ontwerp op, welke ten doel hadden, voor zoover het territoriale karakter van het faillissement aan een enkelen wetgever daartoe de mogelijkheid laat, in beide gevallen (faillietverklaring in het buitenland en faillietverklaring in Nederland) dat ideaal te verwezenlijken. De Regeering daarentegen was van oordeel dat een voorzichtig wetgevend beleid niet toelaat, voor zooveel betreft het in het buitenland uit-gesproken faillissement, het denkbeeld der universaliteit zonder meer zelfstandig toe te passen. Zij gaf blijkbaar aan collectief handelen, aan tractaten de voorkeur. Soortgelijk bezwaar achtte zij daarentegen niet aanwezig met betrekking tot de tegenwoordige artikelen 203 â 205. Het beginsel, dat aan deze artikelen ten grondslag ligt, is dus ook thans nog, evenals in het ontwerp der Staatscommissie, de territoriale werking van de faillietverklaring '); zij strekken om de vermeende onbillijk-
') Wij kunnen Prof. Jitta, de heteekeni.t van de nieuwe faillissemenlswet vnor hel nationale en hel inlernalionale rechl, bl. 10, dus niet toegeven, dat de wet
501
heden, waartoe die werking aanleiding geeft, voor het geval de faillietverklaring in Nederland is uitgesproken, zooveel mogelijk weg te nemen 1) 2).
Doordat de wet over de werking der in het buitenland uitgesproken faillietverklaring zwijgt, is de vraag eene opene geblevene, welke die werking is ^). Met de Staatscommissie
1
In het Antwoord der Regeering op het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer wordt omtrent de artt. 203 â 205 opgemerkt: // Die bepalingen zullen ... er toe leiden, de paritas creditorum ook tegenover de in den vreemde wonende crediteuren zooveel te bevorderen, als het souvereini-teitsbeginsel, krachtens hetwelk geen gezag de macht heeft, buiten zijn grondgebied het recht door dwang te handhaven, vergunt// (Belinfante II, bl. 145; v. ii. Feltz II , bl. 292). Men verg. voorts het Rapport van den Min. v. Justitie aan de Koningin-Regentes, naar aanleiding van het Advies van den Raad van State, op art. 203: Belinfante II, bl. 240; v. ü. Feltz II, bl. 294 v.
;i) Met hetzelfde doel werd door de Commissie van voorbereiding, een denkbeeld opnemende door den Staatsraad Svvart ontwikkeld in zijn afzonderlijk advies, gevoegd bij het Advies van den Raad van State, bij amendement voorgesteld, achter artikel 205 te doen volgen een nieuw art. 205 bis. luidende: //De gefailleerde, die goederen bezit in het buitenland of inschulden op in het buitenland gevestigde personen, is verplicht, indien de curator zulks noodig acht. dezen bij authentieke akte over te dragen de uitoefening van alle zijne rechten op voormelde goederen of tegen voormelde personen//.
Na bestrijding door den Minister en den heer Heemskerk, werd het ondanks de verdediging van de heeren Hintzen en Hartogh, met 3fi tegen 26 stemmen verworpen.
2
4) Men verg. over dit onderwerp: D. Josephüs Jitta. het vonnis van failliel-verklarinr/ in het inter-nationaal privaatrecht, Prft. 1880. â Ph. Kleintjes, het faillissement in hel internationaal privaatrecht, Prft. 1890, en daarover Rechtsfiel. Mw). 1801, bl. 294 vlg. â E. Thaller , des faillites en droit comparé, 2 dl. 1887. â M. Travers, la faillite et la liquidation judiciaire dansles rapports
502
behoort zij in dezen zin te worden beantwoord, dat de bui-tenlandsche faillietverklaring ten opzichte van het in Nederland aanwezige vermogen des schuldenaars geenerlei gevolg heeft. Het faillissement toch is eene algemeene vermogens-executie, een algemeen gerechtelijk beslag; de faillietverklaring: de beschikking des rechters, waarmede het beslag, de executie, wordt ingeleid, waardoor het wordt gelegd. Dit karakter van het faillissement brengt mede, dat het niet kan werken buiten de grenzen van het Rijk, welks rechter het heeft uitgesproken , tenzij en voorzooverre de wetgever van eenig land aan het buitenlandsch faillissement gevolgen verbindt. Zoolang het waar blijft, dat een rechter geen bevelen kan geven, dus ook niet eene executie kan bevelen, i. e. w. geen autoriteit kan uitoefenen, buiten de grenzen vaq het Rijk, welks regeering hem heeft aangesteld, zal het ook waar blijven, dat het faillissement niet anders kan hebben dan eene territoriale werking.
Deze opvatting is in overeenstemming met het beginsel, aan art. 431 eerste lid Wetb. v. Burg. Regtsv. ten grondslag liggende. Immers, waar dit artikel bepaalt, dat uit kracht van een buitenlandsch vonnis hier te lande geen daden van executie kunnen worden verricht, het vermogen van den schuldenaar in Nederland niet mag worden aangetast, kan nog veel minder worden aangenomen, (latten gevolge van een beschikking van den buitenlandschen rechter dat vermogen door een algemeen beslag getroffen en in eene algemeene executie begrepen zou kunnen worden. Waar het mindere: partieele executie uit krachte van een rechterlijk vonnis is verboden, kan het meerdere: algemeene executie krachtens rechterlijke beschikking niet geoorloofd zijn.
Zelfs indien ons recht de tenuitvoerlegging van buiten-landsche vonnissen toeliet, zou daaruit nog niet volgen j dat het buitenlandsche faillissement het in Nederland zich bevindende vermogen omvat. Ten hoogste zou men daaruit kunnen afleiden, dat, evenals de tenuitvoerlegging van een buitenlandsch vonnis zou moeten geschieden door, met
inlernationaux, i894 â D. Jokeihius Jitta , In codification du droit internnlional de la faillite, quot;1895. â J. KohlER, Lehrbuch des Konkm-srechls, C. Internationales Konkursrecht, bl. 001â075.
503
behulp van de Nederlandsche autoriteiten, door de Neder-landsche wet toegelaten middelen van executie aan te wenden, ook de tenuitvoerlegging van het buitenlandsche vonnis van faillietverklaring, als vaststelling van het ophouden met betalen, zou moeten geschieden door, bij de daarvoor aangewezen Nederlandsche autoriteit, de generale executie van het in Nederland zich bevindende vermogen, d. w. z. het fiiillis-sement in Nederland, aan te vragen. Het beginsel van de universaliteit van het faillissement, volgens hetwelk de faillietverklaring werkt ook buiten de grenzen van het land, alwaar zij is uitgesproken, gaat veel verder; het laab feitelijk de buitenlandsche autoriteit, die de faillietverklaring uitspreekt, beslag leggen en excuteeren in Nederland. Zoolang de Nederlandsche wet dit niet uitdrukkelijk toestaat, is geen andere conclusie geoorloofd, dan deze: dat de buitenlandsche faillietverklaring niet raakt het deel van het vermogen van den schuldenaar, dat zich hier te lande bevindt.
r Hieruit volgt geenszinsquot;, zooals de Memorie van Toelichting tot het ontwerp der Staatscommissie terecht opmerkt, r/ dat den buitenlandschen curator die qualiteit hier te lande ontzegd kan worden; het vonnis, in het buitenland gewezen, blijft altijd een feit en niet alleen dit, maar ook een wettig en authentiek bewijs van hetgeen er in staat, d. w. z. daarvan, dat er eene faillietverklaring uitgesproken, en dat iemand en wie tot curator is benoemd. Evenwel, de curator bezit die hem niet te ontzeggen qualiteit alleen voor zooverre er faillissement is; hij kan alleen in plaats van den schuldenaar optreden voor zooverre dezen het beheer over zijn vermogen ontnomen is; faillissement nu bestaat er niet ten aanzien van des schuldenaars vermogen hier te lande, zoolang er geen vonnis is van faillietverklaring van een Nederlandschen rechter; de schuldenaar blijft bevoegd dat vermogen te beheeren en erover te beschikken. Daarom mist de buitenlandsche curator de bevoegdheid hier in rechte op te treden tegen de schuldenaren des gefailleerden, mist hij de bevoegdheid de zich hier bevindende goederen te realiseerenquot; ').
De Nederlandsche jurisprudentie was geruimen tijd weifelend
32*
') Belinfante, bl. 247.
Moi.knp.kaaff, Faillissc.iuentswet.
504
(verg. Mr. S. J. Hingst, Overzicht over de jurisprudentie betreffende internationaal recht, XFII. Faillissement, in Rechtstel. Bijblad 1882, afd. B, bl. 323 v.), doch heeft zich in het laatste tiental jaren bij de hier verdedigde opvatting aangesloten. De Hooge Raad ging daartoe over bij arrest van 5 April 1888, vern. het arrest van het Hof van Amsterdam van 17 Febr. 1888, bev. het vonnis van de rechtbank aldaar van 1 Febr. 1888, W. n0. 5538. Bij dit arrest van den Hoogen Raad werd beslist, dat het feit, dat de schuldenaar in het buitenland in staat van faillissement is verklaard, niet belet hem, wanneer daartoe aanleiding bestaat, ook hier te lande failliet te verklaren, overwegende âdat het faillissement, als zijnde een bij rechterlyk vonnis bevolen algemeen beslag op de goederen des schuldenaars, op zich zelf niet verder werken kan, dan de rechtsmacht strekt van den rechter, die het bevolen heeftquot;.
Dezelfde overweging treft men aan in een vonnis van de rechtbank te Maastricht van 8 Juni 1893, M. v. H. 1894 bl. 97 , welk vonnis een in het buitenland faillietverklaarde naamlooze vennootschap toeliet hier te lande in rechte op te treden. Trouwens deze rechtbank had het territorialiteitsbeginsel reeds aangenomen in een vonnis van 2 Febr. 1888 (concl. contr., W. nquot; 5523), ook toen op grond, dat het faillissement een tot executie strekkende maatregel is, waarom zij den buiten-landschen curator het recht ontzegde op de in Nederland zich bevindende goederen van den failliet revindicatoir beslag te leggen.
Dat de schuldeischers zich kunnen verhalen op het vermogen van den in het buitenland faillietverklaarden schuldenaar, voor zooverre dit zich hier te lande bevindt, en daartoe bijv. van het derde arrest gebruik kunnen maken '), beslisten de Rb. te 's Gravenhage 14 Juni 1889, W. n0. 5750, en de Rb. te Rotterdam 27 Febr. 1893, W. nquot;. 6324, beide aanvoerende dat de bepalingen omtrent de gevolgen van het faillissement, in het Wetb. v. Kooph. voorkomende, uit den aard der zaak alleen van toepassing zijn op faillissementen hier te lande uitgesproken en er anders aan buitenlandsche wetten en aan den vreemden rechter invloed en rechtsmacht zou worden toe-
Tot hetzelfde resultaat komt de Rb. te Arnhem 29 April 1895, W. n0 6G98.
505
gekend in Nederland, welke nergens verleend zijn Bij vonnis van 30 Sept 1887 , W. n0. 549], had de Eb. in den Haag soortgelijke beslissing doen steunen op art. 431 eerste lid van het Wetb. v. Burg. Regtsv.
Het territorialiteitsbeginsel brengt mede, dat de buiten-landsche curator niet mag beschikken over de vorderingen des gefailleerden op in Nederland wonende schuldenaren, mitsdien deze vorderingen niet mag overdragen noch ook in rechte invorderen. De rechtbank in den Haag verklaarde op dien grond bij vonnis van 9 Dec. 1896, W. nquot;. 6915 , den cessionaris van een buitenlandschen curator in zijne vordering tot betaling niet-onvankelijk. Zij overwoog daarbij: «dat immers het faillissement is een algemeen gerechtelijk beslag op het geheele vermogen van den schuldenaar ten behoeve van de gezamenlijke schukleischers, ten gevolge waarvan het beheer en de beschikking over zijn vermogen den gefailleerde wordt ontnomen en gegeven aan den curator, dat evenwel dit beslag uit den aard der zaak slechts kan werken binnen het Rijk van den rechter die de faillietverklaring uitsprak en bij gebreke van desbetreffende bepalingen niet kan treffen het vermogen van den gefailleerde, dat buiten dat Rijk wordt gevonden; â dat hieruit volgt, dat de curator geen beheer en beschikking heeft over dat deel van het vermogen des gefailleerden, dat gevonden wordt buiten het land waarin het faillissement is uitgesproken en veeleer de gefailleerde het beheer en de beschikking over dat deel van zijn vermogen behoudt« 1),
Het was ook het territorialiteitsbeginsel, dat de rechtbank te Roermond aanleiding gaf, in haar vonnis van 7 Jan. 1892, PF. nquot; 6251, te overwegen, dat het in Nederland uitgesproken faillissement eener vennootschap onder firma den in Duitsch-land wonenden firmant en de goederen der vennootschap, die zich aldaar bevinden, niet kan treffen.
öit de hier ontwikkelde zienswijze vloeit voort, dat ook het akkoord slechts territoriale werking heeft, d. w. z. de schuldeischers alleen belet zich te verhalen op het deel van
') Anders oordeelde over dit punt de Kantonrechter in den Haag, 19 Febr. 1807, W. nn. 6964, die den buitenlandschen curator toeliet een in Nederland wonenden schuldenaar tot betaling aan te spreken.
506
het vermogen van den schuldenaar, dat zich bevindt in het land, alwaar zijne faillietverklaring is uitgesproken. Buiten de grenzen van dit land kunnen de schuldeischers, na ontvangst der akkoord-percenten , voor hetgeen zij te kort komen den schuldenaar aanspreken en des noodig executeeren, immers buiten die grenzen is er geen faillissement geweest en dus ook geen akkoord ter beëindiging van het faillissement. Voor eene nadere uiteenzetting van dit punt zij verwezen naar het opstel van Mr. J. Ph. Suijling , vragen van internationaal fail-lietenrecht naar aanleiding van het dwangahkoord in faillissement, opgenomen in Rechtsgeleerd Magazijn 1894, bl. 439 v.
Alleen worde nog opgemerkt, dat bij de schriftelijke voorbereiding van de behandeling der Faillissementswet in de Tweede Kamer het territoriale karakter van het dwangakkoord niet altijd voldoende in het oog is gehouden; met name wordt in hetRegeerings-antwoord op de opmerkingen, in het Verslag der Commissie van voorbereiding gemaakt betreffende de artt. 203 en 204, ten onrechte gesteld, dat het akkoord, in een in Nederland uitgesproken faillissement aan te bieden, rekening zou moeten houden met het vermogen in het buitenland 1). Het heeft alleen rekening te houden met het deel van het vermogen , in het generale beslag begrepen , met het vermogen in het buitenland dus alleen voor zooverre het Nederlandsche faillissement, krachtens de bepaling van eenige vreemde wetgeving, ook goederen, in het buitenland zich bevindende, omvat.
In het Advies van den Raad van State werd bij deze afdeeling nog in het bijzonder aangedrongen op wederzijdsche erkenning van vonnissen van faillietverklaring in Nederland en in zijne koloniën en bezittingen gewezen. De Minister van Justitie achtte blijkens zijn Rapport aan de Koningin-Regentes het doen van daartoe betrekkelijke stappen niet noodig. n De wederzijdsche uitvoerbaarheid van bedoelde vonnissen toch is reeds gewaarborgd door art. 104 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-Tndië, art. 140 van het Reglement op het beleid der Regeering in de kolonie
') Belinfante II, bl. 147 v.; v. u. Feltz II, bl. 301.
507
Suriname, en art. 161 van het Reglement op liet beleid der Regeering in de kolonie Curafaoquot; 1).
De artikelen 203â205 houden zich bezig met bet geval, dat een schuldeischer van een in Nederland gefailleerde afzonderlijk verhaal neemt op goederen van dien gefailleerde, welke zich in het buitenland bevinden. Neemt de schuldeischer daarop rechtstreeks verhaal, dan is art. 203 van toepassing, luidende; â , Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden quot;.
Dezelfde verplichting rust op den schuldeischer die zich bedient van tusschenbeide komende personen, en aldus langs een omweg verhaal neemt. Artikel 204 bepaalt te zijnen opzichte: n De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van den gefail-leei-de, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden. â De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou wordenquot;. Ten slotte wordt door art. 205 gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel op hem gelegd, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, welke daardoor in staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door de Faillisse-mentswet niet toegelaten schuldvergelijking te beroepen. Het tweede lid van het vorige artikel is daarbij toepasselijk.
Let men er op, dat schuldvergelijking feitelijk is een zich verhalen op de schuld, die men met zijne vordering in vergelijking brengt, dan wordt het duidelijk dat artikel 205 hetzelfde onderwerp behandelt als de artikelen 203 en 204, al vat het een andere schakeering daarvan in het oog.
De schuldeischer, die, hetzij dan rechtstreeks of door een
') Belinfante II, bl. 248; v. d. Feltz II, bl. 291.
508
tusschenbeide komenden persoon, zich verhaalt op goederen in het buitenland, is alzoo verplicht het verhaalde aan den boedel te vergoeden. Het doel: te voorkomen dat door de werking van het territorialiteitsbeginsel de gelijkheid der concurrente schuldeischers wordt verstoord, vordert dat deze inbrengplicht algemeen is. Hij rust op alle concurrente schuldeischers, geene uitgezonderd, onverschillig of zij in het faillissement opkomen, of wel metvoorbijgang daarvan zich uitsluitend houden aan de goederen die zich in het buitenland bevinden.
Even algemeen als het begrip â schuldeischeris in deze artikelen het begrip u goederen quot;. Volkomen toepasselijk is hier wat de Regeering, in haar Antwoord op het Verslag van de Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer, opmerkte naar aanleiding van de vraag, of het woord goederen, in art. 20 van het eerste Regeerings-ontwerp voorkomende, ook rechten omvatte. âGoederen wordt hier», luidde het antwoord, «evenals in art. 22 (r= art. 23 der wet), gebezigd in den zin van bona, van al wat deel uitmaakt van het vermogen of vermogensbestanddeden. Voor eene nauwere aansluiting aan de terminologie van het Burgerlijk Wetboek zou gelezen kunnen worden zaken, maar, hoewel erkend moet worden, dat de terminologie voor het overige wisselend is, in art. 439 vlg. van het Wetb. v. Burg. Eegtsv. wordt juist bij de regeling van het executoriaal beslag telkens van goederen gesproken in den zin van zaken» '). â Goederen quot; in de artt. 203 en 204 omvat dus «rechtenquot;, «inschuldenquot;.
Omtrent de in art. 204 eerste lid voorkomende woorden a of bij voorrang quot; wordt in het Rapport van den Minister van Justitie aan de Koningin-Regentes opgemerkt: deze woorden â worden vereischt met het oog op wetgevingen, die aan nationalen een voorrang toekennen boven vreemdelingen en met het oog op de mogelijkheid dat hij die de vordering overneemt, daarvoor een pand-, retentie- of voorrecht volgens de vreemde wet verwerft. Men denke aan het kaufmannische Pfand- und Retentionsrecht van het Allg. Dt. Handelsgesetzbuch en dergelijken« 2).
â¢) Belinfante II, bl. 42; v. d Fei.tz I. bl. 346.
ï) Belinfante II, bl. 248; v. d. Fei.tz II, bl. 298.
ELFDE AFDEELING. Van rehabilitatie.
Bepalingen over de rehabilitatie ontbraken zoowel in het ontwerp der Staatscommissie, als in het Kegeerings-ontwerp. Daarentegen werd in het W etb. van Kooph. eene instelling van dien naam aangetroffen.
De rehabilitatie van dat Wetboek was in de eerste plaats een uitspraak over de eerlijkheid en het goed gedrag van den schuldenaar. Tegelijk met de homologatie van het akkoord, kon de rechtbank den ongelukkigen en ter goeder trouw gehandeld hebbenden gefailleerde rehabiliteeren (art. 850). Was dit niet geschied of kon dit niet geschieden omdat geen akkoord tot stand kwam, dan was de schuldenaar bevoegd een verzoek van rehabilitatie bij de rechtbank in te leveren (art. 892), indien hij kon aantoonen dat hij alle schuldeischers, ieder van hen te zijnen genoegen, had voldaan Op dit verzoek werd door de rechtbank geheel naar eigen goedvinden beslist m. a. w. de rechter moest het verzoek weigeren als hij van oordeel was, dat de schuldenaar de rehabilitatie niet had verdiend. In bepaalde gevallen, in art. 893 Wetb. v. Kooph. aangewezen, was hij zelfs verplicht, het verzoek van de hand te wijzen.
In de tweede plaats diende de rehabilitatie, althans in het geval van insolventie, om aan het faillissement rechtens een einde te maken, den schuldenaar te herstellen in den toestand van vóór de faillietverklaring.
Voor rehabilitatie in den een of in den anderen zin, met het eene of met het andere doel was noch in het ontwerp der
510
Staatscommissie noch in het Ilegeerings-ontwerp plaats. Niet voor rehabilitatie als certificaat van eerlijkheid en goed gedrag, omdat de beide ontwerpen opzettelijk er van hebben afgezien, den rechter de onmogelijke taak op te dragen uitspraak te doen over de eerlijkheid en het gedrag van hen die failliet gaan; niet voor rehabilitatie als uitspraak dat het faillissement is geëindigd, omdat beide ontwerpen het faillissement een einde doen nemen als de verzilvering en verdeeling is afgeloopen.
De meerderheid der Commissie van voorbereiding kon zich niettemin met de weglating der rehabilitatie niet vereenigen. Toen zij den Minister voor het behoud der instelling niet kon winnen, werd door haar de invoeging der elfde afdeeling bij amendement voorgesteld '), met welk voorstel de Kamer zich met 38 tegen 30 stemmen vereenigde
Uit de bepalingen der afdeeling en de toelichting, namens de voorstellers gegeven door den heer Huber, blijkt, dat alleen de naam rehabilitatie is behouden, daarentegen de instelling, waaraan die naam wordt gegeven, geheel is gewy-zigd. Wat thans rehabilitatie heet, is geen uitspraak over de eerlijkheid en het gedrag van den gewezen gefailleerde, evenmin eene verklaring dat het faillissement geëindigd is, maar uitsluitend de vaststelling van het feit, dat de gewezen gefailleerde zijne erkende schuldeischers te hunnen genoegen heeft voldaan. Men verg. omtrent dit punt hetgeen hierboven bl. 25 vlg. en 58 werd opgemerkt.
De gedachtengang, waarop het amendement berustte, was deze: het ophouden met betalen, of liever het op grond daarvan uitspreken van een algemeen beslag, de faillietverklaring, wordt openlijk bekend gemaakt en ingeschreven in het register bedoeld in artikel 19 Faillw., waardoor de gedachtenis daaraan voor altijd wordt bewaard. Het feit, dat men niet betaalt wat men schuldig is en dat deswege het geheele vermogen wordt geëxecuteerd, zet iemand in zijn eer en goeden naam achteruit. Waar nu dit minder eervolle feit op de aangegeven wijze voor altijd wordt openbaar gemaakt, is het billijk en als aanmoediging tot het afbetalen der schulden gewenscht, het prijzenswaardige feit, dat de schuldenaar na afloop van het
l) Het lid der Commissie Hintzen sprak en stemde tegen het amendement.
511
faillissement zijne schulden alsnog heeft voldaan, eveneens door den rechter te doen constateereu en op dezelfde wijze openbaar te maken als de faillietverklaring.
In overeenstemming met deze opvatting wordt bij de rehabilitatie niet getreden in een onderzoek naar de oorzaken van het faillissement of naar de eerlijkheid of goede trouw van den schuldenaar; diens gedrag blijft buiten beschouwing. Evenmin wordt onderzocht, hoewel dit bij den aangegeven gedachtengang wèl zou passen, op welke wijze en door welke middelen de schulden zijn voldaan, of ze geheel zijn voldaan, en of ze zijn voldaan door den schuldenaar zelf dan wel door een derde te zijnen behoeve. Voldoende is, dat de schuldeischers hebben verklaard, dat zij te hunnen genoegen zijn voldaan. Trouwens erkend moet worden, dat, terwijl het feit, of verklaringen van dien aard zijn afgegeven, gemakkelijk is te controleeren, een onderzoek naar de betaling zelve zeer be-zwaai'lijk zou zijn.
Wordt dus niet gevraagd naar de werkelijke betaling, ook de eisch, welke art. 894 Wetb. v. Kooph. stelde, dat alle schuldeischers zijn voldaan, is losgelaten. De wet vordert alleen dat de erkende schuldeischers, zij dus, die in het faillissement zijn opgekomen en toegelaten, zich voldaan hebben verklaard.
De taak van den rechter bepaalt zich tot het constateeren, dat de vereischte verklaringen zijn afgegeven. Rechtsgevolgen zijn aan zijn uitspraak niet verbonden. Niemand of niets wordt daardoor in een vroegeren staat hersteld. De naam rehabilitatie is daarom voor die uitspraak al zeer weinig passend. Uitnemend geschikt tot misverstand te leiden, is hij allerminst in staat de zaak duidelijk te maken.
Ten einde de rehabilitatie te verkrijgen , moet de schuldenaar, nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 161 of 193 (door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord of het verbindend worden eener slotuitdeelingslijsfc) is geëindigd, een daartoe strekkend verzoek inleveren bij de rechtbank, die het faillissement heeft berecht. Bovendien zijn de erfgenamen van den schuldenaar daartoe bevoegd, niet alleen in het geval van artikel 198, als de boedel van den schuldenaar is failliet verklaard na diens overlijden , maar ook als hij is overleden na zijne faillietverklaring
512
vóór of na het einde van het faillissement (artikel 206). Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend door tusschen-komst van een procureur (artikel 5).
Bij het verzoekschrift moet, zal het verzoek ontvankelijk zijn, het bewijs worden overgelegd, «waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten genoegen van elk huuner, zijn voldaan» (artikel 207). Alleen schriftelijke verklaringen kunnen worden overgelegd; deze worden dus vereischt, hetzij in den vorm van kwitanties over het geheele bedrag der vordering, hetzij in dien van voldaan-verklaringen zondermeer.
De erfgenamen vragen de rehabilitatie van hun erflater; zij hebben derhalve verklaringen over te leggen , waarbij de schuldeischers van den overledene zich voldaan verklaren ter zake van het door dezen verschuldigde. Of de voldoening is geschied door den erflater vóór zijn overlijden of door de erfgenamen daarna, misschien vele jaren later, is onverschillig, evenals als het, naar wij zagen, onverschillig is, of de betaling is gedaan door den schuldenaar of door een derde te zijnen behoeve.
Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Neder-landsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen (art. 208). De aanwijzing zal wel het eenvoudigste geschieden bij appointement op het verzoekschrift. Daarna heeft de procureur voor de aankondiging te zorgen. In de Staatscourant geschiedt de plaatsing, ingevolge art. 17 eerste lid, kosteloos.
Binnen den tijd van twee maanden, nadat de voorgeschreven aankondiging is gedaan, kan ieder erkend schuldeischer tegen het verzoek verzet doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie, waarvoor hem door den griffier een bewijs van ontvangst wordt afgegeven (art. 209 eerste lid).
Het verzet mag alleen daarop gegrond zijn, dat door den schuldenaar niet behoorlijk is voldaan aan het voorschrift van artikel 207, m. a. w. dat door hem niet is overgelegd het bewijs van de voldoening van alle erkende schuldeischers ten genoegen van elk hunner (art. 209 tweede lid).
Indiening der bezwaarschriften door een procureur is niet voorgeschreven (verg. artikel 5).
513
if Na verloop van de voormelde twee maandenquot;, zegt art. 210, //zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toestaan of weigerenquot;.
Het artikel is gelijkluidend aan art. 897 Wetb. v. Kooph., dat door de voorstellers van het amendement is overgenomen, zonder zich voldoende rekenschap er van te geven, of Let wel goed paste bij de rehabilitatie, zooals zij die bedoelden. Ons schijnt het toe, dat zulks niet het geval is.
Zooals het artikel luidt, laat het den rechter de vrijheid op het hem gedaan verzoek naar goedvinden te beschikken, eene bepaling welke in het Wetboek van Koophandel geheel op haar plaats was, omdat het stelsel van dit Wetboek medebracht, dat de rechter naar de eerlijkheid en het gedrag van den gefailleerde een onderzoek instelde. Met het karakter van de rehabilitatie der Faillissementswet, welke volgens de voorstellers zeiven niets anders mag wezen dan de vaststelling van het feit dat de erkende schulden zijn voldaan, is daarentegen een rechterlijk waardeeringsrecht in strijd. Bij deze rehabilitatie heeft de rechter alleen na te gaan of het bewijs is geleverd , dat de erkende schuldeischers te hunnen genoegen zijn voldaan, te verifieeren of verklaringen van al deze schuldeischers zijn overgelegd en of de overgelegde verklaringen kunnen worden geacht voldoende te zijn. Loopt dit onderzoek bevredigend af, dan moet het verzoek worden toegestaan. Voor rechterlijk arbitrium is geen plaats. In art. 210 had dit behooren te worden uitgedrukt. Thans moet het worden aangenomen, ondanks de ruime woorden van het artikel, op grond van de niet twijfelachtige bedoeling der wet.
Beter strookt met het aangewezen karakter der rehabilitatie art. 211, hetwelk bepaalt dat van de beslissing der rechtbank noch hooger beroep, noch cassatie is toegelaten. De uitsluiting dezer rechtsmiddelen kan alleen berusten op de overweging, dat de beslissing des rechters geheel van feitelijken aard is.
«Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde registerquot; (artikel 212). Het laatste wordt in art. 19 eerste lid
33
Molkngraaff, Faillissementswet.
514
no» eens gezegd. Onder de feiten , waarvan aldaar de inschrijving wordt bevolen, wordt onder 6°. genoemd: de rehabilitatie.
Onder de afgeschafte wetgeving werd op de rehabilitatie, hoewel daaraan niet onbelangrijke rechtsgevolgen waren verbonden, zeer weinig prijs gesteld; blijkens de statistiek werd zij zelden aangevraagd. De ondervinding zal moeten leeren of dit anders zal worden, nu haar waarde uitsluitend bestaat in de aanteekening in het register van artikel 19 der Faillw., alsook of de vrees gegrond is, bij de beraadslaging in de Tweede Kamer door den Minister Smiut uitgesproken !) en door Mr. Vkegkns beaamd 1), dat nu juist niet de meest eerlijke, maar allicht de meest handige en minst nauwgezette schuldenaars er het eerst en het best in zullen slagen de voor de rehabilitntie vereischte verklaringen van hunne schuld-eischers machtig te worden. Mocht deze vrees bewaarheid worden, dan zou er zeker reden zijn de aanneming van het amendement van de meerderheid der Commissie van voorbereiding te betreuren.
1
) A. w., bl. 176.
Titel II.
Van Surséance van Betalingquot;.
§ 1. Algemeene beschouwingen.
De instelling der Surséance van Betaling is niet zonder tegenspraak behouden gebleven. Onder de heerschappij van het Wetboek van Koophandel had zij reeds geruimen tijd bestrijding gevonden. Zoo trachtte Mr. K. Zwaarde-makek in 1878, in zijn academisch proefschrift: Over surséance van betaling, aan de hand van een statistiek der verleende definitieve surséances van betaling over de jaren 1838â1877 , aan te toonen, dat de surséance van het Wetboek van Koophandel niet aan haar doel had beantwoord en behoorde te worden afgeschaft. Blijkens het Verslag der Commissie van voorbereiding uit de Tweede Kamer werd dit oordeel door verschillende leden van die Kamer onderschreven. Zij betreurden ten zeerste, dat de instelling der surséance in het ontwerp was behouden, immers, gelijk zij uitvoerig trachtten te betoogen, «in buitengewone omstandigheden is er weinig, dat voor het behoud der instelling pleit; in gewone omstandigheden nietsquot; '). De voorstanders 1) en de Regeering bleven echter op deze beschouwingen het antwoord niet schuldig.
1
) Niet onvermeld mag blijven, dat van de geraadpleegde Kamers van Koophandel en Fabrieken niet één zich tegen de surséance heeft verklaard, terwijl sommige, en daaronder de Kamers te Amsterdam, Utrecht, Arnhem en Groningen, uitdrukkelijk vóór het behoud der instelling hebben geadviseerd. Zie het Antwoord der Regeering in het Verslag der Comm. v. voorber.: Belinfante II, bl. i53; v. d. Feltz II. bl. 343.
Mol.KNGRAAKK, ï'uülissemciltswct. 33.
516
De surséance werd in het ontwerp gehandhaafd en de Tweede Kamer legde zich, zelfs zonder discussie, daarbij neder.
Bij beoordeeling van de instelling moet wel in het oog worden gehouden, dat de surséance van de Faill.wet in vele opzichten eene geheel andere instelling is dan de surséance van het Wetboek van Koophandel. De surséance van dit Wetboek was een buitengewone maatregel, een voorrecht of liever een gunstbewijs, dat den schuldenaar in bijzondere omstandigheden door de overheid werd verleend. Deze opvatting straalt door in de geheele regeling dier surséance. Zij kon alleen worden verkregen als buitengewone omstandigheden van oorlog of andere onvoorziene rampen oorzaak waren van het niet-kunnen-betalen; zij werd dan verleend door den Hoogen Raad, als hoogsten rechter uitoefenende een functie, vroeger aan den Souverein toekomende, en in de uitoefening dier functie nagenoeg geheel naar eigen inzicht handelende. Wel werden de schuldeischers gehoord, maar alleen om advies uit te brengen of, zooals art. 913 Wetb. v. Kooph. het uitdrukt, om van hunne gezindheid ten aanzien van het verzoek te doen blijken. Eerst als 2/3 van alle concurrente schuldeischers, vertegenwoordigende % van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen, of 3/4 dier schuldeischers, vertegenwoordigende 2/3 van dat bedrag, zich tegen het verzoek hadden verzet, werd de Hooge Raad daardoor in zijne beslissing gebonden.
De nieuwe wet heeft aan de surséance het karakter van buitengewonen maatregel, van gunstbewijs, geheel ontnomen. Vooreerst door het vereischte van »buitengewone omstandigheden van oorlog of andere onvoorziene rampenquot; te laten vallen; maar vooral door bij de beslissing over het verleenen der surséance een overwegenden invloed toe te kennen aan de schuldeischers. De surséance is geworden eene tijdelijke regeling van de zaken van den schuldenaar, op verlangen en in het belang zoowel van den schuldenaar als van de schuldeischers. «De rechterquot;, aldus de Memorie van Toelichting, «zal niet langer de persoon zijn, die namens den souverein altijd min of meer willekeurig ingrijpt in de rechtsverhouding tusschen schuldenaar en schuldeischers in het belang des eersten, maar degene onder wiens contróle en goedkeuring
517
de belanghebbende partijen zelve hunne zaken regelen. Hij zal dezelfde rol vervullen als bij het akkoord in het faillissement; als onpartijdig persoon zal hij waken voor de rechten der minderheid, omdat de beslissing noodwendig in handen der meerderheid moet berusten, wil men niet enkelen belanghebbenden de macht laten maatregelen tegen te houden, die ten doel hebben aller belang te dienen. Geheel in overeenstemming met deze denkbeelden is de beslissing over de definitieve surséance aan den gewonen rechter opgedragenquot; ').
In het Antwoord des Ministers in het Verslag der Commissie van voorbereiding werd dit nader aangedrongen met de woorden: â(De surséance) wordt niet verleend, tenzij de groote meerderheid der schuldeischers, analoog aan die, welke vereischt wordt voor de aanneming van een akkoord bij faillissement, zich er vóór verklaart. De surséance is dus volgens het ontwerp geen beneficium, maar eene instelling, waarvan de grondslag is minnelijk overleg tusschen den
schuldenaar en de schuldeischers.....De wetgever dringt
niets op, stelt alleen de gelegenheid open om, als de schuldenaar en de meerderheid der schuldeischers uitstel van betaling raadzaam achten, daartoe te kunnen geraken» 1).
Er bestaat dus tusschen de surséance der Faillissementswet en die van het Wetboek van Koophandel, al hebben beide uitstel van betaling tot inhoud, een ingrijpend verschil, zoodat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de mindere sympathie, welke het deel was van de surséance onder het Wetb. van Kooph., plaats zal maken voor meerdere ingenomenheid met die instelling in hare nieuwe of gewijzigde gedaante. In elk geval ware het oogenblik tot afschaffing dei-surséance niet gelukkig gekozen geweest, nu een voorstel tot hervorming in behandeling was, over welks praktische waarde de ervaring nog uitspraak had te doen. Deze zal alsnog moeten leeren, of de surséance in hare gewijzigde gedaante eigenschappen bezit, die haar in staat stellen in eene behoefte te voorzien, althans nut te stichten, dan wel of zij eene instelling zal blijven van weinig beteekenis voor het maatschappelijk verkeer. Zij, die het laatste vreezen, gaven blijk
1
) Belinfante II, bl. '152; v. d. Feltz II, bl. 342.
518
van bezadigdheid, door zich niet ten einde toe te verzetten tegen behoud der hervormde instelling, aldus medewerkende om het geschil te verwijzen naar de rechtbank der ervaring. Hiervoor bestond te meer reden omdat, wat men der surséance van het Wetboek van Koophandel ook moge kunnen vei'-wijten, men toch niet heeft kunnen aantoonen, dat zij kwaad heeft gedaan of onheil gesticht.
Het doel der surséance is, door middel van uitstel van betaling gedurende een bepaalden tijd, de zaken van een schuldenaar, die in moeilijkheden verkeert, in haar geheel te doen blijven, de slooping zijns boedels te voorkomen.
Vandaar de beide vereischten, in art. 213 gesteld: dat de schuldenaar moet voorzien, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, en dat vooruitzicht moet bestaan, dat hij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen. Kan met betaling der opeischbare schulden worden voortgegaan, voor slooping des boedels behoeft geen vrees te bestaan. Is er geen redelijk vooraitzicht, dat door uitstel van betaling de zaken weer in orde zullen komen, de slooping des boedels zal niet te vermijden zijn, en juist om haar te vermijden, om voorkoming of afwending der executie, niet om uitstel van executie, is het te doen. Surséance komt dus vooral te pas in geval van eene vermoedelijk tijdelijke geldverlegenheid, als er gebrek is aan kasgeld, niet ten gevolge van onvermogen, maar doordat het kapitaal is vastgelegd in moeilijk te reali-seeren of niet spoedig te realiseeren baten, als er dus gebrek is niet aan de noodige baten maar aan de noodige dadelijk beschikbare baten. Als de schuldenaar onder dergelijke omstandigheden, wat met name in tijden van crisis het geval kan wezen, crediet niet of niet op aannemelijke voorwaarden kan verkrijgen, is uitstel van betaling het aangewezen middel om faillissement te voorkomen en daarmede eene gedwongen vereffening onder ongunstige omstandigheden. Tijd gewonnen is dan soms veel, zoo niet alles gewonnen; daardoor toch wordt de gelegenheid geopend tot eene niet overhaaste, geleidelijke afwikkeling der zaken, desnoodig tot een wel overwogen en behoorlijk voorbereide schikking met de schuld-eiscbers. De surséance tracht aldus erger te voorkomen, kan
519
het zijn, de voortzetting van de zaken mogelijk te maken. Een bezwaar is, dat vooraf niet met zekerheid kan worden aangetoond, dat dit doel zal worden bereikt. De wetgever heeft dan ook door verschillende bepalingen, in het bijzonder door het verplichte onderzoek van deskundigen naar den toestand van den boedel, getracht te verhinderen, dat de surséance zou worden verleend in gevallen, waarin van dien maatregel geen heil is te verwachten en zij haar doel zou missen. Daarnevens is in eene verstandige toepassing der wet de beste waarborg gelegen tegen mogelijke misbruiken.
Staat echter aan eene verstandige toepassing der wet niet de wet zelve in den weg? Bene zonderlinge vraag zal men zeggen. Eene vraag niettemin , waartoe de redactie van artikel 225 aanleiding geeft. Dit artikel bepaalt: u Indien twee derde der verschenen schuldeischers, houders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 nOB. 1â6 genoemde schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve surséance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid, voorzien aanwezig is«; terwijl het aangehaalde derde lid van artikel 217 luidt: a Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden, indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw isquot;.
Let men alleen op de woorden van art. 225, dan leest men daarin, dat, als de vereischte meerderheid der schuldeischers zich vóór de definitieve surséance heeft verklaard, en niet blijkt van kwade trouw, de rechtbank verplicht is deze te verleenen, al zijn de deskundigen van oordeel, dat het vooruitzicht, dat de schu1 denaar na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, wat artikel 213 als vereischte stelt voor het bekomen van surséance, volstrekt niet gegrond is en al wordt dit oordeel door de rechtbank gedeeld. Men moet dan tevens aannemen, daar anders art. 225 in strijd zou komen met art. 213 , dat de eind-heslissing over het gegronde van het vooruitzicht, dat de volledige betaling der schulden na afloop van het te verleenen uitstel zal kunnen plaats hebben, aan de meerderheid der schuldeischers is opgedragen.
Deze uitlegging nu kan bezwaarlijk bevredigend heeten. Zij ontneemt aan de tusschenkomst des rechters nagenoeg alle
520
beteekenis. In de Memorie van Toelichting werd diens taak omschreven met de woorden, hierboven blz. 516 aangehaald, en vergeleken met die welke hem is opgedragen bij het akkoord in het faillissement. Welnu, bij het akkoord in het faillissement heeft de rechter zonder eenigen twijfel te be-oordeelen, of aan de door de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Bovendien zou voor de rechten der minderheid al zeer slecht zijn gezorgd, als de rechter niet anders had te doen dan het besluit van de meerderheid uitvoeren, ook al mocht het in strijd wezen met de wet. Het mag daarom rationeel worden genoemd, nevens artikel 225 ook te letten op artikel 213 en op grond van dit artikel aan te nemen, dat definitieve surséance nooit kan worden toegestaan, als de in dat artikel (213) vermelde omstandigheid niet aanwezig is, al wordt dit in art. 225 niet nog eens gezegd. Naar deze opvatting bestaat de eisch van art. 213: dat er vooruitzicht moet bestaan, dat de schuldenaar na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, krachtens dit artikel zelf, onafhankelijk van andere artikels, en doet artikel 225 niet anders dan aan dien eisch, die niet behoefde te worden herhaald, een tweeden toevoegen, den eisch: dat niet blijkt van kwade trouw.
Men zou hiertegen kunnen wijzen op de verandering, die de Regeering in het voorstel der Staatscommissie heeft gebracht. De Staatscommissie had voorgesteld, in art. 221 tweede lid van haar ontwerp, dat voorloopige surséance nimmer verleend zal kunnen worden, indien blijkt, dat de schulden de haten des boedels overtreffen, of dat de schuldenaar te kwader trouw is, en in art. 229: dat definitieve surséance, indien de vereischte meerderheid der schuldeischers daarin toestemt, «wordt verleend, tenzij een der gevallen in art. 221 tweede lid voorzien aanwezig isquot;. Van strijd tusschen de artt. 217 en 229 van dit ontwerp (overeenkomende met de artt. 213 en 225 der wet) kon, waar art. 229 luidde zooals werd aangegeven, nimmer sprake zijn.
In afwijking van deze voorstellen liet de Regeering in haar ontwerp in art. 210 derde lid (= art. 221 tweede lid Ontw. Staatse.) de vermelding van de omstandigheid, dat de schulden de baten des boedels overtreffen, weg, en sprak zij
521
in verband daarmede in art. 218 (= art. 229 Ontw. Staatse, en art. 225 der wet) niet meer van «een der gevallen«, maar van «het geval in art. 210, derde lid, voorzienquot;. Oogenschijn-lijk werd daardoor dit geval â dat van gebleken kwade trouw â de eenige uitzondering op de verplichting des ^rechters, de definitieve surséance te verleenen. Dat het echter geenszins de bedoeling was der Regeering, het in art. 206 van haar ontwerp (= art. 213 der wet) op den voorgrond gestelde vereischte prijs te geven, althans aan de beoordeeling des rechters te onttrekken, is niet twijfelachtig.
In de Memorie van Toelichting ') bleef zij er op wijzen, gelijk de Staatscommissie had gedaan in hare toelichting 1) , dat naar het stelsel, in het ontwerp aangenomen, de surséance afhankelijk is gemaakt van twee voorwaarden: »van het gegronde vooruitzicht, dat uitstel tot integrale betaling zal leiden, en van de toestemming van de groote meerderheid der schtildeischers«, niet van het laatste alleen 2). Entoen in het Verslag der Commissie van voorbereiding bij art. 210 derde lid van het ontwerp werd opgemerkt: « het ontwerp der Staatscommissie bepaalde, dat voorloopige surséance ook niet verleend zou kunnen worden, wanneer de schulden de baten des boedels overtreffen. Waarom, vroeg men, zijn deze woorden hier vervallen?quot; antwoordde de Regeering:
«De bepaling, dat de surséance niet verleend kan worden, als de schulden de baten des boedels overtreffen, is weggelaten, omdat zij niet vereenigbaar is met den eisch, in art. 206 voor het verleenen der surséance gesteld, en omdat eene alleszins vertrouwbare raming alsdan ook veelal onmogelijk zijn zou. Br zijn ook dikwerf goederen, die kostbaar en voor eene bepaalde onderneming onmisbaar zijn, maar wier waarde toch vooraf niet met eenige waarschijnlijkheid is te bepalen, daar
1
Belinfante, bl. 256.
2
Evenzoo in de toelichting op artt. 214 en 215 (= artt. 221 en 222 der wet): //voorwaarde voor de surséance is de gegronde verwachting, dat na afloop daarvan volledige betaling zal plaats hebben// (Belinfante I, bl. 166; v. d. Feltz II, bl. 365). Verg. de toelichting op artt. 225 en 226 van het Ontw. der Staatscomm.: Belinfante, bl. 259. Zie ook de Memorie van Toelichting op het Regeeringsontwerp:
Belinfante I, bl. 162 v.; v. d. Feltz II, bl. 336.
522
niet zelden eene gedwongen realisatie öf niet doenlijk blijkt, of zeer magere resultaten oplevert. Men denke ook aan concessies; aan bestaande relaties; aan eene jeugdige onderneming, die bijv. inpoldering of de exploitatie van eene uitvinding zich ten doel stelt. Het is denkbaar, dat daarbij bet vooruitzicht bestaat, dat binnen één jaar de uitkomsten van dien aard zullen zijn, dat de onderneming alsdan aan alle hare verplichtingen zal kunnen voldoen, ook al mochten op het tijdstip van de aanvrage om surséance de schulden de baten, door eene gedwongen realisatie te verkrijgen, overtreffen. Een absoluut verbod om in zoodanig geval de surséance te mogen verleenen, ware in strijd met het belang der zaak en met het door de surséance beoogde doelquot; ').
Uit dit antwoord blijkt overtuigend, dat de Regeering den eisch, welke in art. 213 voor het verleenen der surséance wordt gesteld, wenschte te handhaven en juist op dien grond de voorwaarde, dat de schulden de baten des boedels niet overtreffen, uit de artt. 217 en 225 heeft verwijderd. Zij zag echter over het hoofd, dat art. 225 de beslissing over de definitieve surséance niet, â zooals art. 217 de verleening der voorloopige surséance, â geheel aan het oordeel van den rechter overlaat, en dat het daarom in het belang eener juiste uitlegging van het artikel gewenscht ware geweest daarin den eisch van art. 213 te herhalen, terwijl dit in art. 217 gerust kon worden nagelaten.
Wij komen derhalve tot de conclusie, dat de rechter, â omdat hij niet alléén heeft te letten op de woorden van art 225, maar ook op het verband waarin dit artikel staat tot de andere artikelen van den titel, en op den aard en het doel van de instelling, welker regeling het geldt, â bij zijne beslissing over de definitieve surséance rekening behoort te houden met art. 213 en haar niet mag verleenen, als naa,r zijn oordeel do door dat artikel gestelde voorwaarde niet aanwezig is.
Wordt de wet aldus toegepast, dan kan daardoor worden voorkomen, dat de surséance buiten hare natuurlijke grenzen wordt uitgebreid en dat daarvan gebruik wordt gemaakt in gevallen, waarin dit middel niet te pas komt.
') Belinfante II, bl. 156; v. u. Feltz II, bl. 355.
523
Do juistheid der hier verdedigde opvatting wordt ten overvloede nog bevestigd door de bepaling van art. 236 eerste lid 5°. en derde lid, volgens welke de bewindvoerders verplicht zijn de intrekking der surséance te vragen, indien, hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruit gegaan, dat het vooruitzieLt is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance. Dit voorschrift veronderstelt, dat de surséance slechts dan mag worden toegestaan als dit vooruitzicht werkelijk aanwezig is. Men zou anders tot de dwaze slotsom komen, dat de rechter de surséance zou moeten verleenen onder omstandigheden, die de door hem benoemde bewindvoerders zouden verplichten, onmiddellijk na hunne benoeming, de intrekking der surséance te vragen, welke de rechter in goede justitie niet zou kunnen weigeren!
§ 2. Procedure tot verkrijging der surséance van betaling (artt. 213â229 eerste lid, 239).
Surséance van betaling kan worden verkregen door iederen schuldenaar, hij zij dan koopman of niet !), die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan , maar ook dat hij na verloop van eenigen tijd weer aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen (art. 213). De voorwaarde voor faillissement behoeft niet aanwezig te zijn. De schuldenaar behoeft dus niet in den toestand te verkeeren, dat hij heeft opgehouden te betalen, al zal zulks allicht het geval zijn.
Bewijs dat de overtuiging, met het betalen der opeischbai-e schulden niet te kunnen voortgaan, gegrond is, vordert de wet niet. De verklaring van den schuldenaar schijnt te dezen voldoende te zijn. Onnoodig zal surséance dan ook niet licht worden aangevraagd.
Wat betreft het vooruitzicht, dat na verloop van eenigen tijd aan alle verplichtingen zal kunnen worden voldaan, geldt niet hetzelfde. De schuldenaar moet de juistheid van dit vooruitzicht aantoonen, terwijl daarnaar nog bovendien een deskundig onderzoek wordt ingesteld.
') Zie hierboven bl, 22 vlg.
524
Ter verkrijging der surséance heeft de schuldenaar zich te wenden tot de rechtbank, aangewezen in artikel 2 of artikel 3 met een verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, en vergezeld van een door behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel 96 (art. 214). Deze staat moet den aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner doen kennen; gegevens, welke noodig zijn om te beoordeelen of het vooruitzicht, dat na uitstel aan alle verplichtingen zal kunnen worden voldaan, inderdaad op goeden grond steunt.
Het verzoekschrift, dat ter griffie van de rechtbank wordt ingediend, blijft aldaar met de bijbehoorende stukken liggen, ter kostelooze inzage van een ieder (art. 215 eerste lid). Vrijdom van zegel- en registratierecht wordt noch voor deze noch voor andere bescheiden, de surséance betreffende, genoten. Artikel 17 tweede lid beperkt de vrijstelling van zegel en van de formaliteit van registratie uitdrukkelijk tot alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen, d. w. z. van den eersten, titel.
Dadelijk na de indiening van het verzoekschrift beveelt de rechtbank, dat de in Nederland wonende schuldeischers, benevens den schuldenaar, tegen een door haar op korten termijn bepaalden dag, door den griffier, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoek te worden gehoord. De oproeping vermeldt dag, uur en plaats der bijeenkomst (art. 216 eerste lid). Tevens wordt door den griffier, zoowel van de indiening van het verzoekschrift als van de oproeping der schuldeischers, onverwijld aankondiging gedaan in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen (art. 215 tweede lid).
Deze aankondiging heeft het dubbele doel, aan het gedane verzoek algemeene bekendheid te verschaffen en zoowel de door den schuldenaar niet opgegeven schuldeischers als de in het buitenland wonende op te roepen tot het verhoor. Al krijgen zij geen bijzondere oproeping bij brief van den griffier, zij zijn niettemin bevoegd de bijeenkomst bij te wonen
') Zie hierboven bl. 88 vlg.
525
(art. 216 tweede lid). De, eene algemeene oproeping bevattende, aankondiging in de nieuwsbladen stelt ben daartoe in staat.
Ten bepaalden dage worden de scbuldeiscbers, die in persoon of bij schriftelijk gemachtigde zijn opgekomen, door de rechtbank in raadkamer gehoord (art. 217 eerste lid). De scbuldeiscbers moeten dus in de gelegenheid worden gesteld hunne meening over het ingediende verzoek te uiten, het te bestrijden of te ondersteunen. Dat ook de schuldenaar en diens procureur de bijeenkomst kunnen bijwonen, het gedane verzoek toelichten en verdedigen tegen de gemaakte bedenkingen, spreekt van zelf. De wet zwijgt er van, omdat het ook zonder bepaling niet twijfelachtig kan zijn.
Na de beraadslaging wordt tot stemming overgegaan. Aan de stemming kunnen alle verschenen scbuldeiscbers deelnemen met uitzondering van diegenen, wier schuldvordering behoort tot de in artikel 233 onder 1°â6° genoemde schuldvorderingen. De reden ligt voor de hand. De surséance werkt niet ten aanzien dezer vorderingen, zoodat de houders daarvan bij dien maatregel niet het minste belang hebben.
De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat geschil ontstaat over de vraag, of een der aanwezigen wel behoort mede te stemmen. Door de rechtbank wordt dit incident dadelijk beslist. Zà beslist, zegt het tweede lid van artikel 217, «over de toelating tot de stemming . . ., bij verschil». Uitgemaakt wordt dus uitsluitend, of de persoon, dien het geldt, al dan niet aan de stemming zal deelnemen. Daarentegen wordt over het bestaan van zijn vorderingsrecht niet beslist, noch ook het bedrag zijner vordering vastgesteld, al zal het verzet tegen het medestemmen van iemand, die als schuldeischer is opgekomen, in den regel wel zijn grond vinden in de bewering , dat hij inderdaad schuldeischer niet is of wel voor een geringer bedrag dan hij stelt. De beslissing van deze vragen, die het vorderingsrecht zelve raken, zou een onderzoek ver-eischen, dat staande de bijeenkomst niet kan worden ingesteld. Heeft derhalve de rechtbank zich alleen uit te spreken over bet deelnemen aan de stemming of het bedrag waarvoor dit zal geschieden, dit verhindert haar geenszins zich bij hare uitspraak te laten leiden door de overweging, dat de gestelde vordering of haar bedrag, of wel dat de gevoerde tegenspraak
526
aannemelijk is gemaakt. Trouwens bet is iets anders over de aannemelijkheid eener bewering te oordeelen, iets anders over bare gegrondbeid te beslissen. De taak van de reebtbank komt gebeel overeen met die van den recbter-commissaris in een faillissement, wanneer deze, krachtens de bevoegdheid, hem in art. 125 verleend, eene vordering, welke betwist wordt, voorwaardelijk toelaat.
De stemming loopt over de vraag, of het ingediende verzoek dadelijk zal worden van de band gewezen, dan wel, in afwachting van het nemen eener eindbeslissing, aan den schuldenaar voorloopige surséance zal worden verleend. Het eerste moet geschieden, als hetzij meer dan één derde der verschenen stemgerechtigde schuldeiscbers, betzij houders van meer dan één vierde van het bedrag der door hen vertegenwoordigde schuldvorderingen zich tegen het verzoek verklaren (artikel 217 eerste lid) ').
Met de niet-opgekomen schuldeiscbers, ook de bekende, wordt geen rekening gehouden, evenmin als bij de stemming over een akkoord in een faillissement rekening wordt gehouden met de in bet faillissement niet opgekomen, d. w. z. met de niet-geverifieerde, al zij het ook bekende, schuldeiscbers. Van hen die invloed wenschen te oefenen op den gang van zaken, mag worden gevorderd, dat zij zich de moeite getroosten aan de oproeping gehoor te geven en te verschijnen.
Verklaart de door de wet gevorderde meerderheid zich vóór het verleenen der voorloopige surséance, dan hm de rechter daartoe overgaan. Daartoe verplicht is hij in geen geval. Terwijl dus de rechtbank de voorloopige surséance niet naar goedvinden, maar alleen dan mag verleenen, als zij wordt gewenscht door een groote meerderheid der schuldeiscbers, is zij altijd bevoegd bet verzoek af te wijzen. Deze regeling
') De redactie dezer wetsbepaling is niet zeer nauwkeurig. Zij luidt; //.... kan den schuldenaar voorloopige surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der verschenen schuldeiscbers, of houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 n05 1â6 genoemde schuldvorderingen, zich daartegen verklaren». Onder de verschenen schuldeiscbers behooren zij, die een vordering hebben welke in artikel 233 noa 1â6 wordt genoemd , niet te worden medegeteld. Hoewel het niet duidelijk wordt gezegd, kan er toch niet aan worden getwijfeld, dat de bepaling aldus behoort te worden opgevat.
527
heeft het dubbele vooi'deel, dat de voorloopige surséance niet aan de schuldeischers tegen hun zin kauworden opgedrongen, en dat zij niet behoeft te worden verleend, als de door de wet gestelde voorwaarden niet aanwezig zijn.
Slechts in één geval heeft de wet weigering van het verzoek aan den rechter tot plicht gesteld. Indien blijkt dat de schuldenaar te kwader ti-ouw is, zal voorloopige surséance nimmer kunnen worden verleend (art. 217 derde lid). Als voorbeelden van handelingen te kwader trouw noemde de Regeering') het opzettelijk niet-opgeven van schulden of het verdichten van baten, onder bijvoeging dat dit punt overigens aan de beoordeeling van den rechter moet worden overgelaten.
Aan afwijzing van het verzoek tot surséance kan gepaard gaan failietverklaring van den schuldenaar bij dezelfde beschikking (art. 217 vierde lid).
In het ontwerp der Staatscommissie en in het door de Regeering aan den Raad van State toegezonden ontwerp werd aan de rechtbank de verplichting opgelegd, bij afwijzing van het verzoek den schuldenaar in staat van faillissement te verklaren. De Raad van State kon zich daarmede niet vereenigen en naar aanleiding van zijne bedenkingen 1) werd de bepaling facultatief gesteld. Zij stemt thans overeen met artikel 213 , dat het verkeeren in den toestand van opgehouden te hebben met betalen niet als vereischte stelt voor het indienen van een verzoek tot surséance, in tegenstelling met het ontwerp der Staatscommissie en het Regeeringsontwerp, die beide, resp. in art. 217 en art. 206, vorderden dat de schuldenaar, die surséance wenscht te bekomen, huiten staat zij zijne opeischbare schulden te betalen.
Er zal voor de rechtbank, die te dezen geheel vrij is in hare beslissing, alleen dan aanleiding bestaan, de faillietverklaring uit te spreken, als haar blijkt dat de schuldenaar daadwerkelijk reeds in den toestand verkeert, dat hij heeft
1
) Zie Belinfante II, bl. 210 en 249; v. o. Feltz II, bl. 353. Verg. ook het Verslag der Comm. van voorber.: Belinfante II, bl. 15G vlg.; v. d. Felïz II, bl. 355 vlg.
528
opgehouden te betalen, niet dat slechts het vooruitzicht bestaat, dat die toestand wel niet zal uitblijven.
De toestand, waarin de schuldenaar verkeert, die het verzoek tot surséance doet, kan zelfs een of meer van zijne schuld-eiscliers aanleiding hebben gegeven reeds eerder, of aanleiding geven gelijktijdig of later , maar nog vóór de afdoening van het verzoek tot surséance, eene vordering tot faillietverklaring te doen. In dat geval is de rechtbank ter zelfder tijd gesai-sisseerd van eene aanvrage tot faillietverklaring en van een verzoek tot surséance. De vraag, welk van beide het eerst moet worden berecht, wordt door het vijfde lid van artikel 217 in dezen zin beantwoord, dat het verzoek tot surséance steeds het eerst in behandeling moet komen, wat wel aldus moet worden opgevat, dat de behandeling van eene aanvrage tot faillietverklaring moet worden gestaakt, zoodra een verzoek tot surséance wordt ingediend, en niet mag worden begonnen als zoodanig verzoek gelijktijdig wordt gedaan of reeds eerder is ingediend. Eerst na weigering van het verzoek tot surséance, of in verband daarmede, kan op de aanvrage tot faillietverklaring worden beschikt.
De beschikking der rechtbank op het verzoek tot surséance, wat daarvan ook de inhoud zij: weigering van het verzoek met of zonder faillietverklaring, of wel verleening der voor-loopige surséance, wordt in elk geval uitgesproken ter openbare terechtzitting (art. 217 laatste lid).
Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, en ingeval de voorloopige surséance verleend is, ieder schuld-eischer, die zich tegen het verleenen daarvan heeft verklaard, recht van hooger beroep (art. 218 eerste lid).
Wat den rechtsgang betreft is in hoofdzaak het bepaalde omtrent het hooger beroep tegen de beschikking op een verzoek tot faillietverklaring gevolgd.
Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, door den verzoeker en zijnen procureur onderteekend, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. Door den voorzitter van het Hof worden terstond de dag en het uur voor de behandeling van het beroep bepaald (art. 218 tweede lid).
529
Indien liet hooger beroep door een scliuldeisclier is ingesteld, geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien, waarop hij zijn verzoekschrift heeft ingediend, aan den procureur, die het verzoek tot surséance heeft geteekend, bij deurwaarders-exploot kennis van het hooger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar (art. 218 derde lid).
In elk geval doet de griffier van het gerechtshof van het hooger beroep en van den voor de behandeling aangewezen tijd aankondiging in de nieuwsbladen, waarin het verzoek tot surséance, ingevolge de bepaling van artikel 215, is aangekondigd geweest. Bovendien geeft hij van het ingestelde beroep kennis aan den griffier der rechtbank, van wien hij de in artikel 214 bedoelde stukken (den staat der baten en schulden en de daarbij behoorende bescheiden) overneemt, ten einde die te zijner griffie voor een ieder ter kostelooze inzage neder te leggen (art. 218 vierde lid).
De kennisgeving van het ingestelde beroep aan den griffier der rechtbank heeft vooral dan nut, als de rechtbank bij hare beschikking de surséance heeft geweigerd, zonder tevens den verzoeker in staat van faillissement te verklaren. Hangende het hooger beroep toch zal de rechtbank eventueels aanvragen tot faillietverklaring niet in behandeling mogen nemen, krachtens het boven besproken voorschrift van artikel 217 vijfde lid, en de algemeene bepaling van artikel236 zesde lid ').
Het hooger beroep richt zich tegen de beslissing der rechtbank, niet tegen de stemming der schuldeischers. Het onderzoek voor den Hove betreft dus ook uitsluitend die beslissing. Vandaar dat artikel 219 eerste lid bepaalt, dat bij de behandeling van het hooger beroep het verzoek tot surséance niet opnieuw in stemming wordt gebracht, maar ieder schuld-eiscber (onverschillig of hij bij de behandeling in eersten aanleg is opgekomen of weggebleven, onverschillig ook of hij in eersten aanleg vóór of tegen het verzoek heeft gestemd, onverschillig eindelijk of hij al dan niet in beroep is gekomen) bevoegd is in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak des eersten rechters deel te
') Zie hieronder bl. 540.
Molknouaaff, Faillissementswet.
34
530
nemen. Hieruit volgt, dat als de rechtbank het verzoek tot surséance heeft geweigerd, op grond dat meer dan één derde der stemgerechtigde schuldeischers of houders van meer dan één vierde van het bedrag der door hen vertegenwoordigde vorderingen zich daartegen verklaarden, het hooger beroep nooit doel kan treffen. De beschikking der rechtbank zal dan altijd moeten worden bevestigd, omdat de rechtbank bij dit resultaat der stemming het verzoek moet afwijzen, terwijl de stemming zelve onaantastbaar is, immers niet door eene nieuwe stemming kan worden vervangen.
Alleen als de beslissing der rechtbank ook anders had kunnen luiden, heeft het hooger beroep zin. Dan kan van bestrijding en van verdediging van de beschikking sprake zijn. Bovendien zullen de schuldeischers, als de schuldenaar in beroep is gekomen van eene beschikking, waarbij het verzoek tot surséance zonder meer werd afgewezen, bij de behandeling van het beroep kunnen aandringen niet alleen op handhaving der weigering, maar tevens op faillietverklaring, welke ook het Hof aan zijne beschikking over de surséance kan verbinden ').
De behandeling van het beroep heeft plaats in raadkamer, terwijl het arrest van het Hof wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting (art. 219 tweede lid).
Het beroep in cassatie tegen de in hooger beroep gegeven beschikking wordt door artikel 219 derde lid uitdrukkelijk uitgesloten. In het Verslag der Commissie van voorbereiding werd daarop aangedrongen en de Regeering gaf aan dien aandrang gehoor, omdat het hier eene geheel feitelijke quaestie betreft. Evenwel worde opgemerkt, dat bij de beschikking van het Hof tevens de faillietverklaring van den schuldenaar bevestigd of voor het eerst uitgesproken kan zijn; ook daartegen is dan geen beroep in cassatie.
Evenals het vonnis van faillietverklaring wordt de uitspraak der rechtbank, waarbij de voorloopige surséance wordt verleend , niettegenstaande het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd (art. 220 eerste lid). Van tenuitvoerlegging der beschikking, waarbij het verzoek tot surséance wordt afgewezen,
') Zie het antwoord der Regeering in het Verslag der Comm. van voorber., op art. 211 eerste lid en op art. 213: Belinfante II, bl. 159 en 160; v. d. Feltz II, bl. 301 en 364.
581
kan natuurlijk geen sprake zijn. Wordt echter bij dezelfde beschikking de faillietverklaring uitgesproken, dan zal deze voorloopig ten uitvoer worden gebracht.
Zoowel aan een toestand van surséance als aan een faillissement kan dus een einde worden gemaakt door het in hooger beroep te wijzen arrest. Aan een faillissement wordt een einde gemaakt, als het Hof eene beschikking der rechtbank, waarbij de surséance werd geweigerd en de faillietverklaring uitgesproken, vernietigt en voorloopige surséance verleent, èf wel als het eene beschikking van dien inhoud handhaaft wat de weigering der surséance betreft, doch vernietigt wat de faillietverklaring aangaat. In beide gevallen zijn de artikelen 13 en 15 der wet toepasselijk (art. 220 tweede lid). Naar het omtrent deze artikelen hierboven bl. 112 vlg. en 117 vlg. aangeteekende, moge hier worden verwezen.
Aan een toestand van surséance komt een einde, als het Hof eene beschikking der rechtbank vernietigt, waarbij de voorloopige surséance werd verleend. Bij hetzelfde arrest kan de schuldenaar tevens in staat van faillissement worden verklaard. Voor dit geval bepaalt artikel 220 derde lid, dat op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van artikel 230 eerste lid, de bepaling van het tweede lid van dat artikel van toepassing blijft, d. w. z. dat handelingen, die gedurende den tijd der voorloopige surséance door den schuldenaar onbevoegd werden verricht en daarom relatief nietig zijn, den faillieten boedel niet binden. Van opheffing der surséance is anders het gevolg, dat de betrekkelijke nietigheid der hier bedoelde handelingen ophoudt te werken, omdat de personen , die zich daarop alleen kunnen beroepen : de bewindvoerders, defnngeeren. Graat echter de opheffing gepaard met faillietverklaring, dan wordt in den curator in het faillissement de persoon gevonden die, na het ophouden der surséance, in het belang der schuldeischers de nietigheid kan blijven inroepen. Dienovereenkomstig luidt het slot van artikel 220 derde lid: wde bevoegdheid, aldaar (d. w. z. in artikel 230 tweede lid) den bewindvoerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissementquot;.
Wordt door het gerechtshof, met vernietiging van de afwijzende beschikking der rechtbank, de voorloopige surséance verleend,
Molkngraavf, FuiLlissemcutswct. 1'
532
dan houdt het do zaak aan zich, ten einde ook over de verleening der definitieve surséance te beslissen. De wijze van behandeling is die, welke bij de rechtbank wordt gevolgd (art. 227 eerste lid) en hier thans nader moet worden beschouwd.
De voorloopige surséance is een voorloopige maatregel in afwachting van de definitieve beschikking op het verzoek, bestemd om te werken gedurende het onderzoek, dat aan de definitieve beschikking noodzakelijk moet voorafgaan. Vandaar dat definitieve surséance niet kan worden verkregen als voorloopige surséance niet is verleend, en dat het onderzoek, of de voorwaarden aanwezig zijn voor het definitief verleenen der surséance, alleen kan worden bevolen bij eene beschikking waarbij de voorloopige surséance wordt toegestaan. Er bestaat aanleiding hierop te wijzen, omdat in het afgeschafte recht de afwijzing der voorloopige surséance aan verleening dei-definitieve surséance niet in den weg stond.
De beschikking, waarbij voorloopige surséance wordt verleend, wordt aangekondigd op de wyze,in artikel 215 tweede lid voorgeschreven (art. 221. tweede lid), d. w. z. in de JVeder-landsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen, door de zorg van den griffier. Zij houdt de benoeming in van: 1°. een of meer bewindvoerders, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren; 2°. een of meer deskundigen, ten einde, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd kan worden, den staat en de bescheiden, door den schuldenaar overgelegd, te verifieeren, den stand des boedels te onderzoeken en een beredeneerd verslag van hunre bevinding uit te brengen (art. 221 eerste lid).
Voor de bewindvoerders moet â de keus uit den aard dei-zaak vallen op personen, die met het vak, waarin de schuldenaar werkzaam is, ten volle bekend zijn, met toevoeging allicht van een advocaat ter beoordeeling der rechtsverhoudingen »; van hen wordt commercioele of iudustrieele en rechtskennis geëischt. De deskundigen daarentegen , die de oprechtheid van de overgelegde staat en bescheiden hebben te onderzoeken, behooren voor alles kennis te bezitten van het boekhouden en met het doen van taxatiën vertrouwd te zijn. Daar een
533
juiste beoordeeling van den toestand des boedels zonder een nauwkeurig onderzoek van de geheele boekhouding in den regel niet mogelijk zai zijn, verdient het in elk geval aanbeveling althans één hunner te kiezen uit de zoogen. accountants, deskundigen op het gebied van boekhouding en administratie.
Zóó uiteenloopend is de verschillende taak van bewindvoerders en deskundigen en zóó verschillend de kennis die voor hare richtige vervulling wordt vereischt, dat de wetgever heeft gemeend de benoeming van dezelfde personen tot bewindvoerders en tevens tot deskundigen te moeten uitsluiten, in afwijking van hetgeen te dien opzichte rechtens was onder de heerschappij van het Wetb. van Kooph., dat de bewindvoerders tevens belastte niet de taak der deskundigen, en ook in strijd met het Advies van de Raad van State, die in ieder afzonderlijk geval aan het oordeel der rechtbank wilde overlaten, «of er termen zijn om naast de bewindvoerders deskundigen te benoemen « !).
Wat zal geschieden, wanneer een of meer der bewindvoerders of deskundigen hunne benoeming niet aannemen of komen te overlijden, achtte de Kegeering niet noodig te bepalen. Zij antwoordde op een desbetreffende vraag in het Verslag der Commissie van voorbereiding, dat het rechtscollege in bedoeld geval eene nieuwe benoeming moet doen. «De bevoegdheid daartoe ligt opgesloten in die tot benoemingquot;. //Is er«, vroeg zij, «redelijke grond, daaraan te twijfelen ?quot; 1).
Daarentegen is het ontslag der bewindvoerders en deskundigen wel uitdrukkelijk geregeld. Artikel 229 eerste lid zegt daaromtrent: «het rechterlijk college, dat de bewindvoerders en deskundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun verzoek, of op verzoek van een of meer der schuldeischers, of van den schuldenaar, of wel ambtshalve, ontslaan en door anderen vervangen//.
Al zwijgt de wet er van, zoo lijdt het toch geen twijfel, dat de deskundigen ten behoeve van hun onderzoek toe-
1
) Belinfante II, bl. *102; v. n. Fei.tz II, bl. 375.
534
gang hebben tot het kantoor en de kas van den schuldenaar en tot alle boeken, papieren en bescheiden, tot diens boedel behoorende of betrekking hebbende op zijn bedrijf. In overleg zoo noodig met de bewindvoerders kunnen zij zich. doen bijstaan door een ieder, wiens diensten zij ter richtige volvoering hunner taak blijken noodig te hebben. Men denke aan de hulp van een boekhouder ter contróleering der boekhouding, indien geen der deskundigen een accountant van beroep mocht wezen. Ook behoeft het geen betoog, dat zij van den schuldenaar en van de bewindvoerders alle inlichtingen kunnen verlangen , welke zij behoeven.
Bij hun onderzoek zijn de deskundigen niet aan bepaalde regels van beoordeeling gebonden; de verschillende gevallen zijn te uiteenloopend om algemeene regels met vrucht te kunnen stellen. Naar eigen inzicht hebben zij te beslissen, welke omstandigheden in elk bijzonder geval ter beoordeeling van den toestand in aanmerking behooreu te worden genomen. «Met name is het hun niet verboden de eigendommen van den schuldenaar te schatten naar de waarde, die zij hebben bij eene voortzetting van diens zaken. Surséance toch beoogt juist die voortzetting mogelijk te makenquot; gt;).
Het door de deskundigen uit. te brengen verslag moet bevatten een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en over het gegronde van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling van alle schulden zal volgen, met aanduiding van het tijdstip waarop die volledige betaling vermoedelijk zal kunnen plaats hebben (art. 222 eerste lid.) Van dit laatste hangt af, of de surséance van eenig nut kan wezen en voor welken tijd zij behoort te worden verleend. Blijkt er bijv. geen kans te bestaan op volledige betaling uiterlijk na verloop van anderhalf jaar, den langsten duur waarvoor surséance kan worden toegestaan, dan volgt daaruit dat het verleenen der surséance geen doel zou treffen. Mag daarentegen verwacht worden, dat de schuldenaar nè, een uitstel van één jaar aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, dan behoeft de surséance ook niet voor langer dan één jaar te worden toegestaan.
') Belinfante I, bl. 1C7; v. u. Feltz II, bl. 366.
535
Het verslag wordt door de deskundigen nedergelegd ter griffie van de rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder, terwijl ook de nederlegging zelve kosteloos geschiedt (art. 222 tweede en derde lid).
Onmiddellijk na de nederlegging van het verslag roept de griffier de bekende schuldeischers, den schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen bij brieven op, tegen een door de rechtbank te bepalen, uiterlijk drie weken daarna invallenden dag (art. 228).
Op dezen dag worden de verschenen schuldeischers in raadkamer geraadpleegd over het verleenen van definitieve surséance. De schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen zijn verplicht alle ophelderingen en inlichtingen te geven j welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve, hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeischers, zal vragen (ai-t. 224). De grondslag voor de beraadslaging wordt uit den aard der zaak geleverd door het verslag der deskïindigen, dat in de vergadering kan worden bestreden, maar ook nader toegelicht en verdedigd.
Na afloop der beraadslaging wordt aan de schuldeischers gelegenheid gegeven hun eindoordeel in eene stemming uit te spreken (art. 225). Aan deze stemming nemen alle verschenen schuldeischers deel, met uitzondering van hen wier vorderingen in art. 238 nos 1â6 vermeld worden. Bij verschil beslist over de toelating tot de stemming de rechtbank.
Indien meer dan een derde der stemgerechtigde schuldeischers of houders van meer dan een vierde van het bedrag dei-door dezen vertegenwoordigde schuldvorderingen zich tegen het verleenen der surséance verklaren, is de rechter verplicht haar te weigeren. Verklaren zich daarentegen twee derde der stemgerechtigde schuldeischers, tevens houders van drie vierde van het bedrag der door dezen vertegenwoordigde schuldvorderingen vóór het toestaan der surséance, dan moet de rechter haar verleenen, tenzij hij van oordeel is, dat het vereischte ontbreekt, door de wet in art. 213 gesteld : het vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van den langsten termijn waarvoor de surséance mag worden toegestaan. weer aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen. Bovendien moet de rechter de surséance weigeren indien blijkt, dat de schuldenaar te
536
kwader trouw is. Alleen het laatste wordt in art. 225 uitdrukkelijk gezegd, het eerste volgt uit het onderling verband der verschillende wetsbepalingen , zooals hierboven bl. 519 vlg. nader werd aangewezen.
De beschikking der rechtbank wordt in elk geval uitgesproken ter openbare terechtzitting (art. 225 j0. art. 217 zesde lid).
Evenals de afwijzing der voorloopige surséance kan de afwijzing der definitieve surséance gepaard gaan met faillietverklaring van den schuldenaar (art. 225). Aan het oordeel des rechters is geheel overgelaten te dien opzichte naar bevind van zaken te beslissen. De faillietverklaring kan worden uitgesproken, al is een verzoek daartoe niet aanhangig, noch ook door de schuldeischers daarop aangedrongen, indien slechts uit de feiten blijkt, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
In de beschikking, houdende verleening van de definitieve surséance, wordt de termijn vastgesteld gedurende welken zij wordt verleend. De bepaling van dien termijn is aan den rechter overgelaten, die met de gebleken wenschen van den schuldenaar en van de schuldeischers rekening zal houden, indien hem die wenschen billijk voorkomen. Evenwel mag de surséance nimmer worden verleend voor een tijdsverloop, dat langer is dan anderhalf jaar, gerekend van den dag, waarop de voorloopige surséance is toegestaan (art. 226 eerste lid).
De aanwijzing van den termijn geschiedt wel het nauwkeurigst door den dag te noemen, waarop de surséance zal eindigen.
De termijn van anderhalf jaar is gekozen, omdat deze in ieder geval voldoende is te achten »om tot eene definitieve minnelijke regelingquot; van de zaken van den schuldenaar »te komen, indien al na afloop van dien termijn de betalingen niet dadelijk in vollen omvang hervat mochten kunnen wordenquot; '). In verband met deze overweging is mede bepaald, dat gedurende één jaar na afloop der surséance deze niet opnieuw kan worden verleend (art. 225 derde lid).
Het Wetboek van Koophandel (art. 915 derde lid) liet na afloop van den voor de surséance vastgestelden termijn ver-
') Belinfante II, bt. 161; v. d. Feltz II, bl. 372,
537
lenging der surséance toe, «uit hoofde van dringende redenen en van (lees: nè,) een nieuw en volledig onderzoekquot;. In tegenstelling daarmede werd in het Regeeringsontwerp over verlenging der surséance gezwegen, ten einde haar uit te sluiten. Het beoogde doel zou echter op deze wijze slechts zeer onvolkomen zijn bereikt, daar de schuldenaar de bevoegdheid zou hebben behouden , dadelijk na afloop der surséance opnieuw surséance aan te vragen. De tegenwoordige bepaling ondervangt; dit bezwaar.
De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance, wordt aangekondigd op de wijze, voorgeschreven in artikel 215 tweede lid (art. 226 tweede lid), d. w. z. dooiden griffier in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.
Tegen de uitspraak der rechtbank, houdende verleening of weigering der definitieve surséance, staat hooger beroep open. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 omtrent de instelling en de behandeling van het hooger beroep tegen de beschikking, waarbij de voorloopige surséance wordt geweigerd of toegestaan, zijn op het hier bedoelde beroep van toepassing (art. 228 eerste lid). Men vergelijke de uiteenzetting hierboven hl. 528 vlg. gegeven.
In afwijking van het bepaalde omtrent de voorloopige beslissing over de surséance is de definitieve beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad. In verband daarmede blijft, hangende het hooger beroep tegen de definitieve beschikking, de voorloopige surséance van kracht (art. 228 tweede lid). Dit maakt practisch geen verschil, als bij de beschikking, waarvan beroep, de definitieve surséance werd verleend. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad zou dan evenzeer leiden tot bestendiging van den bestaanden toestand. Daarentegen maakt het groot verschil, als bij de beschikking, waarvan beroep, de definitieve surséance werd geweigerd. Uitvoerbaarverklaring by voorraad zou dan in elk geval een einde maken aan de voorloopige surséance en deze bovendien door faillissement vervangen, als de weigering met faillietverklaring gepaard ging, terwijl door de beslissing van het Hof de toestand van surséance weer zou kunnen worden hersteld. Eene dergelijke opeenvolging van surséance, vrije beschikking
538
van den schuldenaar of faillissement, en weer sui'séance scheen minder gewenscht. Door de voorloopige surséance te laten voortduren totdat over het hooger beroep is beslist, worden alle moeilijkheden voorkomen, zonder dat de belangen van wie ook schade lijden.
In geval van vernietiging in hooger beroep van de verleende definitieve surséance en gelijktijdige faillietvei'klaring van den schuldenaar is artikel 220 derde lid, dat hierboven bl. 531 ter sprake kwam, toepasselijk (art. 228 derde lid).
Zooals reeds werd opgemerkt '), houdt het gerechtshof, voorloopige surséance verleenende in hooger beroep van eene afwijzende beschikking der rechtbank, de zaak aan zich, ton einde ook over de definitieve verleening der surséance te beslissen, terwij] de behandeling voor het Hof geschiedt op de wijze, in de artt. 221 â 226 voor de behandeling bij de rechtbank voorgeschreven.
Het arrest, waarbij de surséance definitief wordt verleend of wel geweigerd, wordt in dit geval gewezen in het eerste en tevens in het hoogste ressort.
In geen geval staat tegen een arrest van het gerechtshof , waarbij de definitieve surséance wordt verleend of geweigerd, beroep in cassatie open. Voor het arrest, gewezen nadat het Hof de behandeling der zaak aan zich heeft gehouden, wordt het uitdrukkelijk gezegd in artikel 227 tweede lid, voor het arrest, gegeven in hooger beroep van de beschikking der rechtbank, volgt het uit de verwijzing in artikel 228 eerste lid naar artikel 219, waarvan het derde lid het beroep in cassatie tegen het arrest omtrent de voorloopige surséance uitsluit.
§ 3. Rechtsgevolgen der surséance van betaling (art. 229 tweede lidâ235).
Het verkrijgen van surséance heeft voor den schuldenaar ten gevolge, dat hij het vrije beheer en de vrije beschikking over zijn vermogen verliest, n Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders (die bij de beschikking houdende verleening der
') Zie bl. 531 vlg.
539
voorloopige surséance worden benoemd) *), eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenenquot; (art. 230 eerste lid). De bewindvoerders moeten dus öf mede-handelen, of vooraf tot het verrichten der handeling machtigen, 6f bij de handeling tegenwoordig zijn en haar goedkeuren.
Handelt de schuldenaar in strijd met deze bepaling . dan is zijne handeling relatief nietig, immers «voor den boedel niet verbindend, tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houdenquot; (art, 230 tweede lid).
Dit stemt overeen met den regel, dat, waar nietigheid wordt bedreigd in het belang of ter bescherming van bepaalde personen, de nietigheid eene betrekkelijke is, met dien verstande, dat zij alléén kan worden ingeroepen door die personen zeiven of te hunnen behoeve. Zoo zijn handelingen door een gehuwde vrouw zonder machtiging des mans verricht, handelingen eens minderjarigen en beschikkingen van een gefailleerde over den faillieten boedel alle betrekkelijk nietig, omdat de nietigheid dezer handelingen uitsluitend in het belang der gehuwde vrouw, des minderjarigen, der schuldeischers van den gefailleerde is vastgesteld.
Uitsluitend ter behartiging van de belangen der schuldeischers strekt ook de bewindvoering bij surséance, zij heeft ten doel de slooping des boedels te voorkomen. Het is dus duidelijk, dat de handelingen, door den schuldenaar verricht buiten de bewindvoeders om, ook alleen tegenover de schuldeischers nietig behooren te zijn. Daar nu de schuldeischers bezwaarlijk persoonlijk kunnen optreden, terwijl de bewindvoerders als zoodanig aangewezen zijn om hunne belangen te behartigen, is aan dezen, en ook weer alléén aan dezen, de bevoegdheid gegeven zich op de nietigheid te beroepen en de maatregelen te nemen, noodig om de gevolgen der handeling weg te nemen. Tot die maatregelen kan behooren eene vordering, bloot strekkende om de nietigheid vast te stellen of uit te spreken, een zoogen. vordering tot nietigverklaring. De nietigheid kan echter evengoed den feitelijken grondslag uitmaken van eene vordering van eene andere
') Zie boven bl. 532.
540
strekking, of ook bij wege van verweer worden tegengeworpen aan hem, die zich op de handeling beroept of daaraan rechten wil ontleenen.
Verbindend, dit volgt uit het voorafgaande, is de handeling èn voor den schuldenaar èn voor hem met wien deze heeft gehandeld. Zij kunnen zich aan de gevolgen der handeling in geen geval onttrekken en moeten de verplichtingen, daaruit voor hen voortvloeiende, nakomen. Wat den schuldenaar betreft, kan daarvan natuurlijk alleen sprake zijn na het einde der surséance, indien hij alsdan het vrije beheer en de vrije beschikking over zijn vermogen terugkrijgt.
Het behoeft geen betoog, dat wie voorzichtig is en verzekerd wil zijn van de volstrekte geldigheid zijner handeling, gedurende de surséance niet zal handelen met den schuldenaar, tenzij hom, al naar gelang der omstandigheden, op de een of andere wijze blijkt van de toestemming der bewindvoerders. Een uitdrukkelijk wetsvoorschrift, hoe die toestemming moet blijken, werd door de Regeering terecht overbodig geacht ]).
Surséance van betaling is uitstel van betaling, tijdelijke ontheffing of opschorting van de verplichting iot betaling, in den ruimen zin waarin dat woord in de artt. 1418 vlg. Burg Wetb. wordt gebezigd. Iedere dwang tot voldoening uit het vermogen is daarom gedurende de surséance uitgesloten. In artikel 231 eerste lid wordt uitdrukkelijk verklaard: «Gedurende den loop der surséance (d. w. z. van het verleeiien der voorloopige surséance af) kan de schuldenaar niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaaktquot;, en in artikel 236 zesde lid: »; Gedurende de surséance kan de faillietverklaring (van den schuldenaar) niet rauwelijks worden gevorderdquot;. Het tweede lid van artikel 231 zegt bovendien, dat alle aangevangen executiën gedurende dien tijd geschorst blijven, alsook dat gelegde beslagen vervallen.
De aangevangen executiën worden geschorst, d. w. z. zij blijven gedurende de surséance rusten, maar kunnen na afloop daarvan terstond worden voortgezet. Wat vóór den aanvang der surséance is gedaan, behoeft dus niet opnieuw te worden verricht; de executie wordt weer opgevat in den toestand, waarin zij zich op het oogenblik der schorsing bevond. Om
') Zie Belinfante II, bl. 162; v. d. Feltz U, bl 376.
541
een voorbeeld aan de Memorie van Toelichting ') te ont-leenen : »de beteekening van het vonnis, een gedaan bevel tot betaling, zal niet meer herhaald behoeven te wordenquot;. Tijdens de vaststelling der wet was dit vooral van belang bij de uitwinning van onroerende goederen, wegens de bepaling van art. 503 (oud) Wetb. v. Burg. Rechts v., volgens welke het beslag op onroerend goed eerst dertig dagen na het bevel kon worden gedaan. Sedert is deze termijn door de wet van 7 Juli 1896 (8tbl. n0. 103) tot twee dagen ingekort.
Eene belangrijke uitzondering op het beginsel, dat de aangevangen tenuitvoerlegging in stand blijft, immers slechts wordt geschoi'st, ligt in de bepaling, dat gelegde beslagen vervallen. Executiën, die in de phase van het beslag verkeeren, worden daardoor teruggebracht tot den toestand vóór het leggen van het beslag. Tot toelichting werd door de Eegeering aangevoerd: » Instandhouding van gelegde beslagen.. . ., zooals artikel 918 Wetboek van Koophandel wil, is in strijd met het wezen der surséance. Deze beoogt en brengt mede het niet verplicht zijn, niet gedwongen kunnen worden tot betaling, terwijl beslag juist is een dwangmiddel tot betaling. Het een sluit dus de bestaanbaarheid van het andere uitquot; 1). Nu kan echter van de geheele tenuitvoerlegging worden gezegd, dat zij is een dwangmiddel tot betaling. Toch vervalt de aangevangen executie niet, maar wordt zij slechts geschorst. Inderdaad is schorsing der dwangaanwending tot na afloop der surséance ook voldoende tot vermijding van conflicten. Voor gelegde beslagen geldt hetzelfde. Het aangevoerde argument is dus niet afdoende ter verklaring van het vervallen der beslagen. Daarvoor pleit veeleer, wat de Regeering subsidiair opmerkte, dat de schuldenaar de vrijheid moet hebben, met de medewerking zijner bewindvoerders, de in beslag genomen goederen te vervreemden, indien zulks mocht blijken noodig te zijn. Werd het beslag enkel geschorst, over de goederen, waarop dan toch het beslag zou blijven rusten, al zou het geeu voortgang hebben, zou gedurende de surséance niet kunnen worden beschikt. Het geheel vervallen van het
1
) Memorie van Toelichting: Belinfante I, bl. 109: v. d. Feltz 11, bl. 378.
542
beslag is noodig om den schuldenaar en den bewindvoerders te dezen de gewenschte vrijheid van handelen te verzekeren.
«Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het vonnis houdende verleening der surséance in kracht van gewijsde is gegaan« (art. 231 tweede lid). Uit het beginsel der schorsing van iedere tenuitvoerlegging vloeit het ontslag uit de gijzeling noodwendig voort. Niettemin wordt dit ontslag eerst verleend, als de beschikking '), waarbij de surséance wordt toegestaan, in kracht van gewijsde is gegaan, uit overweging dat, in geval van vernietiging der sui-séance in hooger beroep, het recht van den schuldeischer op toepassing van den lijfsdwang herleeft, en dadelijk ontslag den schuldenaar de gelegenheid zou verschaffen, zich door de vlucht aan de hernieuwde toepassing van dit executie-middel te onttrekken.
Gelijksooi-tige overweging deed in artikel 33 tweede lid bepalen, dat de faillietverklaarde schuldenaar, die zich in gijzeling bevindt, daaruit eerst wordt ontslagen, als het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan 1).
Onder /,het vonnis houdende verleening der surséance,, heeft men te verstaan âde beschikking houdende verleening der voorloopige surséance,,. Surséance zonder meer omvat zoowel de âvoorloopigequot; als de quot;definitievequot; surséance.
De loop van reeds aanhangige rechtsvorderingen wordt door de surséance niet gestuit, terwijl ook het aanleggen van nieuwe rechtsvorderingen zoowel tegen, als door den schuldenaar, daardoor niet wordt belet (art. 232 eerste lid). Echter kan de schuldenaar, voor zooveel betreft rechtsvorderingen , welke rechten en verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onderwerp hebben, niet meer alléén in rechte optreden. Hetzij hij eischer, hetzij hij verweerder is, in elk geval behoeft hij de medewerking der bewindvoerders (art. 232 derde lid). Door dezo laatste bepaling is een einde gemaakt aan een onder het afgeschafte recht door hex stilzwijgen van het Wetboek van Koophandel in het leven geroepen controverse.
1
) Zie hierboven bl. 168 vlg.
543
Met vorderingen, welke niet het vermogen van den schuldenaar betreffen, maar bijv. diens persoonlijken staat of familierechten, hebben de bewindvoerders niet te maken. Gedurende de surséance worden deze vorderingen tegen en door den schuldenaar voortgezet of ingesteld evenals te voren.
Hoewel de schuldenaar gedurende de surséance, gelijk wij zagen, niet tot voldoening uit zijn vermogen kan -worden gedwongen, is voor vorderingen tot voldoening geen uitzondering gemaakt op den regel, dat de surséance het voortzetten en instellen van rechtsvorderingen niet belet. Daartoe leidde de overweging, dat de schuldeischer belang heeft bij het instellen der vordering, immers bij de vaststelling van zijn recht, zoo dikwijls de verplichting tot voldoening door den schuldenaar wordt betwist, alsook wanneer hij een vonnis noodig heeft om rechten tegen derden te doen gelden. Ts daarentegen noch het een noch het ander het geval, dan kan het geding geen ander doel hebben dan het verkrijgen van een executorialen titel, waarvan echter gedurende de surséance geen gebruik mag worden gemaakt, en waaraan dus de schuldenaar, zoolang deze duurt, ook geen behoefte heeft. Art. 232 tweede lid bepaalt daarom, dat, wanneer de rechtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld, door den schuldenaar erkend, en de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden , de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis kan opschorten tot na het einde der surséance. Maakt de rechter van de hem hier toegekende bevoegdheid gebruik, dan komt de schuldeischer niet in het bezit van den executorialen titel vóór hij daaraan behoefte kan hebben, maar ook zoodra zulks het geval is.
De verplichting van den schuldenaar tot betalen wordt opgeschort, daarentegen de bevoegdheid te betalen hem niet ontnomen. Wel wordt die bevoegdheid beperkt door de bepaling van art. 234, dat gedurende de surséance niet anders tot betaling kan worden overgegaan dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen. Dit is volkomen rationeel; waar de wet aau de schuldeischers de
544
dwangmiddelen ontneemt, die zij anders te hunner beschikking stelt, en hen daardoor belet zich zeiven te helpen, behoort zij ook te zorgen dat allen op dezelfde wijze worden behandeld, de een niet wordt voldaan vóór den ander.
De schorsing der verplichting tot betalen betreft niet alle schulden, [n de eerste plaats is het duidelijk, dat de surséance alleen geldt die schulden, welke bestaan op het oogenblik, waarop de voorloopige surséance wordt verleend. Die, welke worden aangegaan na dien tijd, natuurlijk met inachtneming van artikel 230, moeten ten volle worden voldaan, onverschillig wat er met de andere gebeurt. Ook kan de schuldenaar tot nakoming dier schulden worden genoodzaakt door alle middelen rechtens. Ware het anders, de zaken des schuldenaars zouden niet kunnen worden voortgezet; immers niemand zou met den schuldenaar anders willen handelen dan tegen dadelijke betaling of tegen vooruitbetaling, wat in hooge mate belommerend zou werken en vele transacties onmogelijk maken. Het medebeheer der bewindvoerders levert trouwens voor de oude schuldeischers een afdoenden waarborg, dat niet lichtvaardig nieuwe schulden zullen worden gemaakt.
In de wet wordt op de gedurende de surséance te maken schulden alleen gelet in het aangehaalde art. 234, waarin de gelijke betaling van alle schulden uitdrukkelijk wordt beperkt tot de n schulden, op het oogenblik van de verleening der voorloopige surséance bestaandequot;. Daarentegen bevat het voorschrift van art. 231, dat de schuldenaar gedurende de surséance niet tot betaling zyner scluüden kan worden genoodzaakt, eene soortgelijke beperking niet. Gewicht mag aan dit verschil in redactie niet worden gehecht. Al zweeg art. 234, het boven gezegde zou toch gelden; de voortzetting van het beheer met medewerking der bewindvoerders sluit nood wendig in zich, niet alleen de bevoegdheid, maar ook de verplichting tot onverwijlde voldoening van alle schulden uit dien hoofde aangegaan. Bovendien staat art. 234 met art. 231 in het nauwste verband; uit de niet-toepasselijkheid van het eerste artikel volgt de niet-toepasselijkheid van het laatste.
Onder de op het oogenblik van de verleening der voorloopige surséance bestaande schulden zijn er ook eenige, ten aanzien waarvan de surséance niet werkt. Deze worden op-
545
genoemd in artikel 233, dat aan de werking der surséance onttreht: lquot;. i/de vordering van rijks-, provinciale of gemeentelijke belastingen , en van waterschaps-, veenschaps- of veenpolderlas-ten, met de vervolgingskosten quot; ; 2°. « schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand, of bevoorrecht op bepaalde goederenquot;; 3°. «levensonderhoud, door den schtildenaar uit kracht van de derde afdeeling van den vijftienden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek verschuldigdquot;; 4°. whuren en pachten quot;; 5°. » loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden*; 6°. w schuldvorderingen wegens noodwendigheden tot gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huisgezin geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór de surséancequot;.
Men houde wel in het oog, dat, zooals boven werd aangestipt, de bepaling alleen betrekking heeft op de genoemde vorderingen, voor zooverre zij op het oogenblik van het verleenen der surséance reeds bestaan. Ontstaan zij eerst daarna, ook dan werkt de surséance wel niet te haren aanzien, maar onafhankelijk van het voorschrift van art. 233. Zoo kunnen termijnen van levensonderhoud, onverschillig of het verschuldigd is uit krachte der wet, eener overeenkomst of eener uiterste wilsbeschikking, van huren of pachten, van loon van dienstboden, werklieden en bedienden of van andere in dienst van den schuldenaar staande personen, welke verschijnen na de verleening der surséance, ten volle worden gevorderd en des noodig op de goederen van den schuldenaar worden verhaald, niet om art. 233, maar omdat de surséance ten aanzien van na hare verleening ontstane vorderingen in het geheel niet werkt.
Wat de door hypotheek of pand gedekte of op bepaalde goederen bevoorrechte vorderingen betreft, wordt door art. 238 tweede lid nog bepaald, dat de surséance te haren aanzien wèl werkt, voor zooverre bij executie blijkt, dat ze op de verbonden zaak niet kunnen worden verhaald.
Voor deze overschietende deelen worden de bedoelde vorderingen concurrente vorderingen en komt dus de reden te vervallen, welke er toe leidde ze te onttrekken aan de werking der surséance: het aan de vordering verbonden recht van voorrang boven andere vorderingen.
Het is ook alleen voor het eventueele op het onderpand niet
Mülkngkaagt;f, FaillUaemcntBwet. 35
546
verhaalbare deel hunner vorderingen, dat de hypotheek- of pandhoudende of op eene bepaalde zaak bevoorrechte schuld-eischers aanspraak kunnen maken op gelijke uitdeelingen, als door de andere schuldeischers tijdens den duur der surséance worden ontvangen. Voor zooverre hun onderpand gerekend kan worden een voldoend verhaalsobject te zijn, kunnen zij daarnaar worden verwezen.
Ter verduidelijking van het hier gezegde, nemen wij aan dat een schuldeischer door pand is gedekt. Indien de waarde van het pand het bedrag zijner vordering overtreft, zullen de bewindvoerders de schuld betalen ter voorkoming van executie , terwijl zij, indien die waarde geringer is, het juist op eene executie zullen laten aankomen. Heeft mi, alvorens tot de executie is ovei-gegaan, eene uitdeeling aan de schuldeischers plaats , dan kan de pandhouder niet verlangen daarin voor het volle bedrag zijner vordering te deelen. Artikel 234, bevelende dat de uitdeelingen moeten worden gedaan aan alle schuldeischers gezamelijk, geldt alleen voor de schuldeischers te wier aanzien de surséance wèl werkt. Daartoe behoort de pandhouder niet, die ook jiiist daarom, als zijne vordering niet wordt voldaan, tot uitwinning van zijn onderpand kamp;.n overgaan. Eerst als hij daarna voor een overblijvend deel zijner vordering concurrent schuldeischer blijkt te zijn, moeten hem over dit restant zijner vordering gelijke uitdeelingen worden gedaan als de andere schuldeischers hebben genoten. Het is in het belang van den boedel hierop te letten, omdat de pandhouder te veel zou ontvangen, indien men hem vóór de uitwinning van zijn onderpand met de aan de surséance onderworpen schuldeischers liet mededeelen. Wenscht hij op gelijken voet als dezen behandeld te worden, dan behoort hij, om dien wensch vervuld te zien , van zijn pandrecht afstand te doen.
In het eerste lid van artikel 233 wordt nog bepaald, dat de surséance niet werkt ten aanzien â7°. van reclame en zakelijke rechtenquot;, d. w. z. dat vorderingen tot reclame of tot handhaving van een zakelijk recht gedurende den loop der surséance tegen den schuldenaar kunnen worden ingesteld en dat het te verkrijgen vonnis tegen hem kan worden tenuitvoergelegd. Naast de artikelen 231 en 232 is de bepaling geheel overbodig. De bedoelde vorderingen strekken niet tot verkrijging
547
van betaling uit den boedel, al neemt men dit woord in den ruimsten «in '). Aan hare toewijzing en tenuitvoerlegging kan dus niets in den weg staan. Het aangehaalde nummer is dan ook alleen in artikel 233 opgenomen, omdat in het overeenkomstige artikel 920 Wetb. v. Kooph. onder n0. 2 a reclame en andere zakelijke rechten quot; werden vermeld, en in de weglating daarvan ,/allicht het bewijs eener niet bedoelde wetswijziging gezien zoude kunnen worden quot; 1).
Hoofdelijke medeschuldenaren en borgen kunnen zich niet beroepen op de surséance , aan een hunner of aan den hoofdschuldenaar verleend (art. 235). Art. 921 Wetb. v. Kooph. bepaalde dit alleen voor de medeschuldenaren en voor de ii borgen, welke van het voorrecht van uitwinning hebben afstand gedaan « Het is merkt de Memorie van Toelichting op ^), «meer in overeenstemming met de hedendaagsche ver-keersbehoeften en met het economische begrip van borgtocht in dezen geen onderscheid te maken. Evenmin als het akkoord, in het faillissement van den schuldenaar tot stand gekomen, mag de surséance ten voordeele van den borg strekken. De bedoeling van den borgtocht brengt juist mede, dat de borg praesteere als de schuldenaar in gebreke blijftquot;.
De Raad van State en, blijkens het Verslag der Commissie van Rapporteurs 2), sommige leden der Eerste Kamer gaven aan het voorschrift van het Wetb. van Kooph. de voorkeur. Terecht wees de Regeering in haar Antwoord3) erop, dat de borgen, die geen afstand hebben gedaan van het voorrecht van uitwinning, dat recht verliezen in geval van faillissement van den schuldenaar, art. 1869 4°. Burg. Wetb. //Waar nu het ophouden met betalen, het faillissement, den borg.
1
-) Memorie van Toelichting, t. a. p.
2
) Belinfante IV,4 bl. 28; v. d. Feltz II, bl. 386.
3
) Belinfante IV, bl. 50 vlg.; v. D. Feltz. t. a. p.
Molkngkaakf, FaiUissenicutswet. 35*
4
') In de Memorie van Toelichting (v. D. Feltz II, bl. 383; Belinfante I, bl. 170 vlg.) wordt minder juist gezegd, //dat rechtsvorderingen tot reclame en krachtens zakelijke rechten in den regel gericht zullen zijn op het verkrijgen van eenig goed tot den boedel behoorende//. Men eischt met deze vorderingen juist op, wat ten onrechte zich in den boedel bevindt, wat daartoe niet behoort.
548
ook wanneer hij geen afstand heeft gedaan van het voorrecht van uitwinning, verplicht tot dadelijke betaling van de schuld, waarvan in den regel slechts een klein deel verhaalbaar zal zijn op den boedel, is het alleszins rationeel bij opschorting van betaling, surséance, zoodanigen borg evenzeer tot betaling te verplichten, niettegenstaande hij eerst na afloop van de surséance het betaalde kan terugvorderen «. « Het zou meende de Regeering, «eene miskenning zijn der economische functie van de solidariteit en van den borgtocht, indien men de surséance ook ten aanzien van mede-schuldenaren en borgen liet werken. Beide dienen om den schuldeischer te waarborgen tegen de nadeelige gevolgen van het feit, dat de schuldenaar, om welke reden dan ook, op den vervaldag in gebreke blijft te betalen'/.
De taak der bewindvoerders gedurende de surséance is in het voorafgaande reeds aangewezen. Zij voeren met den schuldenaar het beheer over diens zaken en hebben uit dien hoofde hunne medewerking, machtiging of bijstand te ver-leenen bij iedere door den schuldenaar te verrichten daad van beheer of beschikking over diens vermogen.
Na het verleenen der definitieve surséance brengen de bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een verslag uit over den toestand van den boedel. Dit verslag wordt door hen, ter kostelooze inzage van een ieder, neder-gelegd ter griffie van de rechtbank, die de surséance heeft uitgesproken of wier beschikking, houdende weigering der surséance, door het Hof is vernietigd. De nederlegging geschiedt kosteloos (art. 229 tweede lid).
Het loon van de bewindvoerders en van de deskundigen, die bij het verleenen der voorloopige surséance met het onderzoek van den boedel worden belast, wordt door de rechtbank bepaald. Het wordt, evenals de verschotten van de bewindvoerders, van de deskundigen en van den griffier (men denke aan de aankondigingen, door den griffier te doen ingevolge de artt. 215 tweede lid, 218 vierde lid, 221 tweede lid en 226 tweede Hd), âbij voorrang voldaanquot; (art. 239). Bij voorrang wil zeggen: bij voorrang boven andere schuldvorderingen. Het artikel maakt dus dit loon en deze verschotten tot eerst bevoorrechte schulden op de goederen van
549
den schuldenaar Voor de betaling hebben de bewindvoerders zorg te dragen.
§ 4. Einde der surséance van betaling (artt. 236â238).
De surséance eindigt door afloop van den tijd , waarvoor zij is verleend. Bovendien kan zij tusschentijds een einde nemen.
Het rechterlijk college, dat haar heeft verleend, kan haar intrekken:
A. op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer der schuldeischers:
1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop dei-surséance, aan kwade trouw in het beheer van den boedel schuldig maakt; 2°. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen; 3°. indien hij handelt in strijd met het voorschrift, dat hij zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders geen daad van beheer of beschikking over zijn vermogen mag uitoefenen; 4°. indien hij nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan moet worden;
B. op verzoek van de bewindvoerders, van een of meer der schuldeischers of van den schuldenaar zei ven, indien hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruitgegaan, dat het vooruitzicht is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance (art. 236 eerste en tweede lid).
In de gevallen, onder A. 1°. en B. genoemd, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen (art. 236 derde lid), overigens heeft de wet alles overgelaten aan het oordeel der betrokken personen en van bet rechterlyk college. Het spreekt echter van zelf, dat, als de feiten, op grond waarvan de intrekking wordt gevraagd, bewezen zijn, de rechter de intrekking niet behoort te weigeren, tenzij die feiten van zoo weinig beteekenis mochten wezen, dat zij een zoo gewichtigen maatregel als de intrekking der surséance niet rechtvaardigen. De minimis non curat praetor; het is deze vrijheid die de wetgever den rechter heeft willen verleenen.
') Verg. het Antwoord der Regeering in het Verslag der Comm. v. voorb.: Belinfaute II, bl. IGV; v. d Feltz II, bl. 400.
550
Indien zij niet zelf het verzoek hebben gedaan, worden de bewindvoerders en de schuldenaar op een door het rechterlijk college bepaalden dag daarop gehoord, althans worden zij daartoe bij brieven van den griffier behoorlijk opgeroepen (artt. 236 vierde lid en 237 tweede lid).
De beschikking, waarbij de surséance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaring van den schuldenaar inhouden. Zij wordt aangekondigd door den griffier in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen (art. 236 vijfde en zevende lid).
â¢/ In den regelzegt de Memorie van Toelichting !), zal bij de intrekking der surséance tevens de faillietverklaring «behooren te geschieden; zonder uitzondering, als de intrekking gegrond is op zoodanigen achteruitgang des boedels, dat de baten niet toereikend meer zijn om de schulden ten volle te voldoen. Toch is faillietverklaring niet imperatief voorgeschreven, daar dit punt veilig aan den rechter overgelaten kan worden'-.
Een andere van de genoemde geheel afwijkende grond tot intrekking der surséance wordt nog in artikel 237 behandeld. wDe schuldenaar is«, naar luid van dit artikel, «steeds bevoegd van het rechterlijk college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zijne betalingen te hervatten. Op dit verzoek worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen. â Deze oproeping.... geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door het rechterlijk college te bepalen dagquot;.
Ook in dit geval is de rechter geheel vrij in zijne beslissing. Hij kan de intrekking der surséance uitspreken, maar is daartoe nimmer verplicht. Omdat de surséance een maatregel is zoowel in het belang der schuldeischers als van den schuldenaar, rust op den rechter de taak, bij de beoordeeling van het verzoek tot intrekking niet alleen op de wenschen en belangen van den schuldenaar te letten, maar ook met de belangen van de schuldeischers te rade te gaan. Hij zal het verzoek moeten afwijzen, niet alleen wanneer niet duidelijk blijkt, dat de toestand des boedels verbeterd is, maar ook wanneer benadeeling der schuldeischers van de intrekking is
') Eelinfante I, bl. 171; v. d. Feltz II, bl. 388.
551
te duchten. Dat terstond na de intrekking alle schulden volledig zullen worden betaald, wordt niet gevorderd. Voldoende is, dat de betalingen kunnen worden hervat, immers tusschen den schuldenaar en de schuldeischers kan eene regeling zijn getroffen, welke den schuldenaar van de dadelijke volledige betaling zijner schulden ontheft, juist ten einde hem het hervatten zijner betalingen mogelijk te maken. Daar echter bij deze regelingen de meerderheid de minderheid niet bindt, moeten na intrekking der surséance de niet toegetreden schuldeischers ten volle worden voldaan. De schuldenaar, die dit naliet, zou zich blootstellen aan eene vordering tot faillietverklaring, welke onder deze omstandigheden allicht zou moeten worden toegewezen.
Bij de behandeling der wet in de Tweede Kamer bleek tusschen den Minister van Justitie Smidt en de Commissie van voorbereiding groot verschil van meening te bestaan over de vraag, of de surséance eindigt met den dood van den schuldenaar. De leden der Commissie waren van oordeel, n dat het uit den aard der zaak volgen zoude, dat bij overlijden van den schuldenaar de surséance van betaling van zelve komt te vervallen quot; 1); de Minister daarentegen kon dit niet inzien. Ten einde de quaestie uit te maken, stelde de Commissie als amendement voor, achter art. 229 (= art. 236 der wet), te doen volgen een nieuw artikel: «art. 229 his. De surséance eindigt met den dood van den schuldenaarquot;. Na verdediging door drie leden der Commissie (de H.H. Teavaglino, Bevers en HartoghJ en bestrijding door den Minister werd het amendement verworpen met 48 tegen 19 stemmen.
De wet noemt dus niet den dood van den schuldenaar als een oorzaak, waardoor de surséance een einde neemt. Indien daarom mag worden aangenomen , dat de surséance voortduurt, blijft toch de vraag gepast, hoe het nu moet gaan. Veel zal afhangen van de houding, die de erfgenamen aannemen. Wordt door hen de erfenis zuiver aanvaard, dan is het antwoord niet moeilijk. Zuivere aanvaarding zal niet voorkomen, als de erfgenamen niet in staat en niet van zins zijn de schulden van den erflater te betalen. Zij kunnen dus, als zij
') Rede van den heer Bevers: Belinfante UI, bl. 199; v. d. Feltz II, bl.393.
552
aan de surséance een einde wenschen gemaakt te zien, den weg volgen in art. 237 aangewezen.
Aanvaarden de erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan zal de vereffening van den boedel, die van deze aanvaarding het gevolg is, onder toezicht en medewerking van de bewindvoerders moeten geschieden. Het wezen der surséance verzet zich hiertegen niet. Minder juist is het te zeggen, dat de surséance niet vereffening maar voortzetting van de zaak wil 1). Deze uitspraak is veel te absoluut. Surséance is niet anders dan opschorting van de verplichting tot betaling. In den regel zal zij worden gevraagd om de voortzetting der zaak mogelijk te maken; zij kan echter evengoed dienen om een geregelde, niet overhaaste likwidatie te verzekeren. Surséance en aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving sluiten elkander dus geenszins uit.
Ten slotte het geval, dat de erfgenamen verwerpen. Het valt niet te ontkennen, dat de gang van zaken daardoor bemoeilijkt kan worden. Maar na verwerping door hen, die in de eerste of eene latere plaats tot de erfenis geroepen waren, zijn er toch altijd weer anderen, die nu geroepen worden. Sr is dus altijd een erfgenaam, in den zin van een tot de erfenis gerechtigden of geroepen persoon, wiens medewerking tot hetgeen in het belang van den boedel gedaan moet worden door de bewindvoerders kan worden gevorderd. Verklaart de erfgenaam zich te willen beraden, ook dan behoeven de zaken niet geheel stil te staan, daar artikel 1073 Burg. Wetb. voldoende vrijheid tot handelen laat. De bewindvoerders zijn eindelijk de aangewezen personen om in het ongetwijfeld exceptioneele geval, dat de nalatenschap onbeheerd bleef, tot curators over de nalatenschap te worden benoemd.
Zoo is het voortduren der surséance na den dood van den schuldenaar in geen geval onbestaanbaar te achten of onver-eenigbaar met de bepalingen betreffende de behandeling van nalatenschappen en het recht der erfgenamen. Desnoodig kunnen de bewindvoerders te allen tijde krachtens art. 236 eerste lid 4°. de intrekking der surséance verzoeken, als, wat naar hun oordeel in het belang van den boedel behoort te
-) Zie de aangehaalde rede van den heer Bevers.
553
worden gedaan, door het stilzitten of anderszins van de erfgenamen ongedaan mocht blijven. Voor de scLuldeischers kan het voortduren der surséance uit den aard der zaak nooit anders dan een voordeel zijn; zij vinden daarin een waarborg tegen verkeerd beheer en verslimmering van den boedel.
Het verzoek tot surséance kan uitloopen op eene faillietverklaring, de intrekking der surséance kan vergezeld gaan van faillietverklaring, of wel de faillietverklaring kan de afwijzing van het verzoek tot surséance, de intrekking of den afloop der surséance als het ware op den voet volgen. In al die gevallen scheen het wenschelijk eene voorziening te treffen omtrent de berekening van de termijnen, vermeld in de artt. 43 en 45 (over de nietigheid van handelingen waardoor de schuldeischers benadeeld zijn en van schenkingen). Uit dien hoofde wordt in art. 238, op het voetspoor van art. 923 Wetb. v. Kooph., bepaald: «Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken overeenkomstig eene der bepalingen van dezen titel (over surséance van betaling) of wel binnen ééne maand na de afwijzing van het verzoek tot surséance of na de intrekking of den afloop van de surséance, wordt het tydstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van het verzoek tot verleening van surséance is bekend gemaaktquot;.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt voorts, dat in de hier aangeduide gevallen van faillietverklaring de curator de bevoegdheid uitoefent, in het tweede lid van art. 230 aan de bewindvoerders toegekend, m. a. w. indien in de aan het faillissement voorafgegane surséance door den schuldenaar is gehandeld zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders, kunnen de curators in het faillissement zich op de nietigheid dier handeling beroepen en alsnog doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden.
Door deze voorschriften is een behoorlijk verband gelegd tusschen de surséance en een onmiddellijk, of na zeer kort tijdsverloop, daarop volgend faillissement.
N ASCH KIFT.
Gedurende de zeventien maanden, verstreken sedert baar inwerkingtreden, heeft de Faillissementswet niet tot eene eenigszins omvangrijke jurisprudentie noch ook tot eene uitgebreide literatuur aanleiding gegeven.
De meeste beslissingen betreffen de bloot feitelijke vraag, of de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en zijn daarom van weinig beteekenis. Toch zijn naar aanleiding van artikel 1 ook eenige punten van meer algemeen belang beslist. Zoo werd door het Hof te Amsterdam, in strijd met het gevoelen van de Rechtbank te Amsterdam, die in hare beschikking van 16 Nov. 1896 (IF. n0. 6911) ophouden te betalen had omschreven als het huiten staat zijn te betalen, bij beschikking van 2 Dec. d. a. v. (TF. a. n.) terecht aangenomen, dat zoowel uit de woorden als uit de geschiedenis van art. 1 Faillw. volgt, dat de oorzaak der niet-betaling te eenenmale onverschillig is. Men verg. hierboven bl. 76 vlg.
Herhaaldelijk kwam de vraag ter sprake, door ons op bl. 99 vlg. behandeld, of faillietverklaring kan worden uitgesproken als slechts van één schuld de niet-betaling wordt aangetoond. De Hooge Raad overwoog daaromtrent bij beschikking van 13 Mei 1897, W. n0. 6976: «dat het niet-betalen van eene enkele schuld slechts dan een toestand van ophouding van betaling aanwijzen kan, wanneer het wegens de omstandigheden, waaronder de niet-betaling van die schuld plaats heeft, te verwachten is, dat de schuldenaar ook tegenover zijne andere schuldeischers zijne verplichting toquot;t betaling niet zal nakomenquot;. Op dien grond werd een arrest van het
555
Hof in den Bosch van 6 April 1897 (WTchl. voor Not.-ambt en Beg. n0. 1429) bevestigd, waarbij een vonnis van faillietverklaring werd vernietigd, omdat als niet betwist tusschen partijen moest worden aangenomen, dat de faillietverklaarde geene andere schulden had dan die, op grond van welker niet-betaling het faillissement was aangevraagd. Het Hof overwoog daarbij, dat het vereischte van de artt. 1 en 6 Faillw., dat de schuldenaar verkeere in den toestand van te hebben opgehouden te betalen, in het licht van de geschiedenis dier wet beduidt, «dat er samenloop van naar bevrediging zoekende schuldeischers moet zijn en noodzakelijkheid van gelijkmatige verdeeling tusschen hen van het door het faillissement in beslag genomen vermogen van den schuldenaarquot;.
Het Hof in den Haag, beschikking van 30 Sept. 1896, vern. de beschikk. van de Eechtbank in den Haag van 11 Sept. 1896, W. n0. 6869, was daarentegen van oordeel, dat uit art. 6 Faillw. niet kan worden afgeleid, dat het bestaan van meerdere schulden steeds een vereischte zou zijn voor het verkeeren in den toestand van opgehouden te hebben met betalen, maar dat ook het niet-betalen van ééne schuld kan plaats hebben onder omstandigheden die aantoonen, dat de schuldenaar in dien toestand verkeert. Juister werd deze zienswijze door de Rechtb. te Rotterdam in de beschikking van 16 Dec. 1896, F. v. J. 1897 n0. 50, aldus geformuleerd, dat de curator het bestaan van meerdere schulden niet behoeft aan te toonen.
Meermalen werd dan ook, naar ons voorkomt terecht, het bestaan van den door de wet gevorderden toestand aangenomen op grond van de omstandigheden, waaronder de niet-betaling van één schuld plaats had; men zie de beschikkingen van het Hof te Leeuwarden van 16 Sept. en 7 Oct. 1896, W. n0.6876; van het Hof te Amsterdam van 16 Dec. 1896, W. n0. 7003; van het Hof te Arnhem van 3 Mrt. en 12 Mei 1897, W. n08. 6962 en 6983. Toch schijnt deze opvatting niet algemeen te worden gedeeld, en door sommige rechtbanken van den-gene, die het faillissement aanvraagt, nog het bewijs te worden gevorderd, dat de schuldenaar ook andere opeischbare schulden niet betaalde; althans daarover wordt geklaagd door den heer Wolfsou in W. n0. 7068.
556
Een andere vraag, waartoe art. 1 der wet aanleiding heeft gegeven, is deze, of bij één verzoekschrift de faillietverklaring van meer dan één schuldenaar kan worden gevraagd. Door de Rechtbank te 's Hertogenbosch was niet-ontvankelijk verklaard de vordering tot faillietverklaring van zeven personen, welke, omdat deze personen in onverdeeldheid waren, dezelfde baten bezaten en hun vermogen één boedel uitmaakte, bij één verzoekschrift was gedaan. Het Hof bevestigde deze uitspraak, bij beschikking van 9 Febr. 1897, W. n0. 6938, «daar de wet in artt. 1 en 4 uitgaat van de stelling, dat elke faillietverklaring wordt uitgesproken op een verzoekschrift en zulks terecht, daar tengevolge van de verschillende behandeling in geval van het niet hooren van den schuldenaar en van het mogelijk verzet van schuldeischers en belanghebbenden, bij de stukken van elk faillissement het daarop betrekkelijk request behoortquot;. Uit de toelichting van het verzoekschrift in hooger beroep bleek evenwel, quot; dat de requestranten bedoelen eene faillietverklaring vau eene groep meerderjarige en minderjarige personen, die allen gerechtigd zijn in twee nalatenschappen, welke onverdeeld zijn en met schulden bezwaard, ter zake van welke schulden deze faillietverklaring wordt uitgelokt«. Ook dit achtte het Hof niet toegelaten, «O. dat nergens in de wet de bevoegdheid verleend wordt om het faillissement van dergelijke groep bij ééne beschikking uit te lokken , terwijl de Faillissementswet uitgaat van het denkbeeld, dat slechts één schuldenaar, ééne vennootschap, één zedelijk lichaam, ééne nalatenschap worden failliet verklaard, hetgeen bijzonder uitkomt bij de regeling van de bevoegdheid in art. 2 der Faillw., welke regelin g u itsluitend op die één heid gegrond is quot;.
Met meer recht dan het Hof beriepen zich, naar ons voorkomt, de verzoekers op art. 2 der wet, aanvoerende, / dat er nimmer bezwaar is gerezen tegen de faillissements-aanvrage van verschillende vennooten eener handelsvennootschap, bij één request, ook al hadden zij, behalve de schulden der vennootschap, respectievelijk verschillende individueele schuldeischersquot;. Inderdaad is er in geval van faillietverklaring eener vennootschap onder firma niet één faillissement, maar zijn er ten minste zoovele verschillende faillissementen als er vennooten zijn, hetzij men met ons aanneemt, dat whet faillissement
557
der vennootschap « slechts eene verkorte uitdrukking is voor a de faillissementen der vennooten hetzij men een faillissement der vennootschap als zoodanig aanwezig acht, daar toch door hen, die deze opvatting voorstaan, algemeen wordt aangenomen, dat het faillissement der vennootschap het faillissement van ieder der vennooten in zich sluit en met zich brengt. Zooals wij, hierboven bl. 89 vlg., betoogden, vindt de eerste meening steun juist in art. 2 derde lid der wet, waarin gesproken wordt van de faillietverklaring van r vennooten onder eene firmaniet van u eene vennootschap onder eene firmaquot;. Maar hoe dit ook zij, dit staat vast, dat vennooten onder eene firma plegen failliet verklaard te worden op één verzoekschrift en bij ééne beschikking. Waarom, vragen wij, zou dit niet kunnen geschieden ook ten aanzien van andere schuldenaren ?
Het formeele bezwaar, door het Hof opgeworpen, schijnt ons niet van beteekenis te zijn. Wanneer dezelfde rechter bevoegd is over de verschillende faillietverklaringen te oor-deelen, ten aanzien van de verschillende schuldenaren dezelfde oorzaak van faillietverklaring bestaat, en een gemeenschappelijke band, in het onderhavige geval: het mede-erfgenaamschap, hen allen verbindt, kunnen, door op één verzoekschrift bij ééne beschikking de faillietverklaringen uit te spreken . nutte-looze kosten en noodelooze omslag worden vermeden, o i. een voldoende reden aldus te handelen, nu de wet het niet verbiedt.
Ben paar malen deed zich de vraag voor, hoe gehandeld moet worden, als de scluildenaar onder curateele staat. Bij beschikking van 13 Nov. 1896, W. n0 6893, besliste de Rb. te Zwolle, op de vordering tot faillietverklaring van den curator qq. over een wegens zwakheid van vermogens op eigen verzoek onder curateele gestelden schuldenaar, dat âeen wettelijke vertegenwoordiger (eens schuldenaars) qq. niet kan worden verklaard in staat van faillissement en het onderhavige verzoek tot faillietverklaring ten onrechte tegen den curator des schuldenaars in plaats van tegen dezen zeiven is gericht''. Anders oordeelde de Rb. te 's Hertogenbosch, die bij beschikking van 4 Dec. 1896, W. n0 6905, zoowel den curator over den wegens verkwisting onder curateele gestelden schuldenaar, in zijne
558
hoedanigheid, als dien schuldenaar zelf, in staat van faillissement verklaarde.
De Procureur-Generaal bij het Gerechtshof in den Bosch vereenigde zich geheel met deze beslissing, wat den curator betreft. Alleen deze, niet ook de curandus, behoorde z. i. te worden failliet verklaard, omdat de laatste, al moge hij de schuldenaar zijn, rechtens onbevoegd is zijne schulden te betalen en derhalve, zoolang hij onder curateele is gesteld, nimmer kan geraken in den toestand van op te houden te betalen, terwijl daarentegen de curator verplicht is de schulden van zijn curandus uit diens vermogen te betalen en als zoodanig schuldenaar is. Het Hof daarentegen besliste in denzelfden zin als de Rechtb. te Zwolle. Bij arrest van 29 Dec. 1896 (W., a. n.) werd het vonnis a quo, voor zooveel betreft de faillietverklaring van den curator qq., vernietigd.
Bij het oorspronkelijke verzoekschrift was gevraagd de faillietverklaring van den curandus en voor zooveel noodig van den curator qq. Opgeroepen om gehoord te worden was de curator; voor hem was een gemachtigde verschenen, die namens hem uitsluitend tegen zijne faillietverklaring opkwam. Toen nu, in hooger beroep van het vonnis der rechtbank, opheffing werd gevraagd ook van de faillietverklaring van den curandus, achtte het Hof dit beroep niet ontvankelijk, omdat de curandus door de rechtbank niet was opgeroepen en niet gehoord, daar de curator qq. den curandus te dezer zake, zonder speciale machtiging, niet zou kunnen vertegenwoordigen. De curandus had dus van het middel van verzet, niet van het hooger beroep, gebruik moeten maken.
Tegen deze uitspraak voorzag de curator zich in cassatie, met dit gevolg dat de Hooge Raad bij arrest van 5 Pebr. 1897, W. n0 6925, het arrest van het Hof, wat dit punt betreft, vernietigde met terugwijzing der zaak naar het Hof. De Hooge Raad overwoog, dat, volgens de artt. 506 en 441 Burg. Wetb. de curator in alle burgerlijke handelingen den onder curateele gestelde vertegenwoordigt, en dit voorschrift van (lees: , nu) de Faillissementswet niet anders bepaalt, ook moet gelden, waar een onder curateele gestelde overeenkomstig de artt. 6 en 8 der Faillissementswet wordt opgeroepen en gehoord; dat dus de oproeping en het verhoor van den curator
559
is de oproeping en het verhoor van den wettelijkeu vertegenwoordiger van den onder curateele gestelde, die slechts door zijn curator kan optreden, en het ook niet ter zake afdoet, dat de gemachtigde van den curator alleen diens verdediging tegen de aanvraag van diens faillietverklaring heeft voorgedragen, omdat dit uiet wegneemt dat de curator is gehoord en het verhoor van den curator sensu legis is het verhoor van den onder curateele gestelde, welke ook de defensie moge zijn die de curator heeft gevoerd quot;.
Het Hof bevestigde alsnu, 2 Mrt. 1897, het vonnis der rechtbank voorzooverre daarbij de curandus werd failliet verklaard, terwijl het beroep in cassatie tegen dit arrest werd verworpen, bij arrest van den Hoogen Eaad van 2 April 1897 {W. n0. 6950), onder meer op grond, dat »de schuldenaar, die heeft opgehouden te betalen, niemand anders is dan de onder curateele gestelde zelf, en dat, al is het de curator, die feitelijk de betalingen voor hem doen moet, die betalingen niet anders door den curator voor hem worden gedaan of geweigerd dan als vertegenwoordigende den curandus en als beheerder van diens vermogenquot;.
De door den Hoogen Raad aangenomen opvatting achten wij de juiste. De curandus, niet de curator, is de schuldenaar, de curandus betaalt, als de curator in zijne hoedanigheid, dus voor en namens hem, betaalt. Het is te doen om de inbeslagneming en uitwinning van zijn vermogen. Tegen hem, niet tegen den curator, gaat de executie. En wat de practische zijde der quaestie betreft, de bezwaren, welke, als de curator failliet verklaard wordt, ontstaan in geval van overlijden van den curator of van den curandus of van opheffing der curateele, zijn vrij wat gewichtiger dan de moeilijkheden, die, bij faillietverklaring van den curandus, kunnen voortvloeien uit het naast elkander werkzaam zijn van den curator over den curandus en den curator in diens faillissement. De procureur-generaal bij het Hof meende, dat de eerstbedoelde bezwaren, door eene faillietverklaring, 't zij van den nieuw benoemden curator, 't zij van den gewezen curandus, gereedelijk kunnen worden ondervangen. Daarmede is echter het eerste faillissement niet uit de wereld, tenzij men den curandus als den eigenlijken gefailleerde beschouwt; maar dan mag weer gevraagd
560
worden, waarom men dit dan ook niet in de faillietverklaring zelve zou mogen uitdrukken. Overigens is het duidelijk, dat de curator over den curandus diens vermogen tot beheer en beschikking aan den curator in het faillissement heeft af te geven, evenals de gehuwde man het beheer en de beschikking over het vermogen der huwelijksgemeenschap en over het eigen vermogen van zijne vrouw aan den curator in haar faillissement heeft over te laten. Juist omdat de curator over den curandus te dezen de plaats moet ruimen voor den curator in het faillissement, kunnen eigenlijk gezegde conflicten niet voorkomen. Toch ware het niet ondienstig bij eene eventueele novelle op de Faillissementswet enkele artikelen dier wet, met name artt. 91, 105 en 116, op den wettelijken vertegenwoordiger van den gefailleerde, immers diens voogd of curator, van toepassing te verklaren.
Buiten de artikelen 1 en 6 gaven slechts enkele andere tot jurisprudentie aanleiding. Vermelding verdient hier nog slechts een vonnis van de rechtbank te Winschoten van 17 Maart 1897, W. n0. 7035, om de verstandige toepassing daarin aan artikel 54 gegeven. De eischer, die een beroep deed op schuldvergelijking, had niet ontkend dat hij, vóór de overdracht aan hem der vorderingen op den gefailleerde, welke hij in vergelijking wilde brengen met zijn schuld aan den gefailleerde, reeds wist, dat de schuldenaar zijne betalingen had gestaakt en pogingen werden aangewend door de familie om met de crediteuren een minnelijk akkoord te treffen, zoo dat //hij ook kon weten, althans kon vermoeden, dat, gebeurde er niet iets buitengewoons, ieder oogenblik (de schuldenaar) zich failliet zou geven, althans diens faillissement zou worden aangevraagdquot;. Uit de omstandigheden, waarvan de overdracht vergezeld ging, leidde de rechtbank nader af, dat de overdracht klaarblijkelijk heeft plaats gehad met het oog op het dreigende faillissement, om, ten koste der andere crediteuren aan de overdragende crediteuren G. en B. en waarschijnlijk ook aan den cessionaris een voordeel te bezorgen, /f O.quot;, lezen wij verder, » dat de wetgever, waar hij ten behoeve van crediteuren, die te goeder trouw zijn, in het faillissement het compensatierecht uitbreidde, blijkens de geschiedenis van artt. 54 en 55 dergelijke handelingen heeft willen voorkomen;
561
Memorie van Toelichting, Belinfante I, bl. 97 vlg.; Verslag der Commissie van voorbereiding, Belinfante II, bl. 74 vlg.;
wO. dat, wil men aan art. 54 eene engere uitlegging geven en, zich vastklampende aan de letter der wet, het alleen toepassen waar althans bewezen is, dat een bepaald persoon de faillietverklaring besloten had aan te vragen en de anderen dat wisten, doch niet in een geval als het onderwerpelijke, waarin cedent en cessionaris met bijna absolute zekerheid konden weten, dat eene faillietverklaring voorde deur stond, het doel, waarmee dit artikel in het leven is geroepen, zeer zeker zal zijn gemist, daar moeilijk kan worden tegengesproken, dat de verdachte handelingen, die de wetgever heeft willen verijdelen in den regel plaats hebben onder omstandigheden als zich hier hebben voorgedaanquot;.
Uit deze overwegingen blijkt, dat de rechtbank de woorden van artikel 54: //terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist, dat de faillietverklaring . .. aangevraagd zou wordenquot;, aldus opvat, dat daardoor niet méér wordt gevorderd dan de alge-meene wetenschap, dat eene aanvrage tot faillietverklaring niet langer kan uitblijven, immers elk oogenblik kan worden verwacht, het besef dat de schuldenaar, zooals men het uitdrukt, op het springen staat.
Een veel beperktere beteekenis wordt aan dezelfde woorden toegekend door het Hof te Leeuwarden, dat bij arrest van 29 December 1897, W. n0. 7069, het vonnis der rechtbank vernietigde. Het Hof vordert op grond van de geschiedenis van artikel 54 de speciale wetenschap, dat een bepaald persoon heeft besloten de aanvrage te doen, de bekendheid met het feit eener voorgenomen faillissementsaanvrage.
Boven de meer letterlijke en formeele uitlegging van het Hof schijnt ons de ruime opvatting van de rechtbank de voorkeur te verdienen.
Zeker, het staat vast, dat in het ontwerp der Staatscommissie in artikel 54 werd gelezen: //terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist of kon weten dat de gefailleerde zyne betalingen gestaakt hadquot;, en in het gelijknamige artikel van het aan den Raad van State toegezonden Regeerings-ontwerp: «terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de gefailleerde zijne betalingen gestaakt had», alsook
Molengkaaïf, Faillissemeutswet.
562
dat naar aanleiding van de opmerking van den Raad van State, dat hier in afwij king van een hoofdbeginsel van het wetsontwerp aan de staking der betalingen rechtsgevolgen waren verbonden en aan het vonnis van faillietverklaring eene zekere terugwerkende kracht toegekend, door den Minister, onder erkenning dat de aangewezen afwijking niet gerechtvaardigd was, de in de wet overgegane redactie is voorgesteld J). Toegegeven moet voorts worden, dat daardoor het verbod van schuldvergelijking binnen enger kring is beperkt, beaamd dat uit de geschiedenis duidelijk blijkt, dat het voor de toepassing van het artikel niet voldoende is, dat de schuldenaar tydens het overnemen der vorderingen wist, dat de gefailleerde zijne betalingen had gestaakt. Maar de rechtbank heeft ook in haar vonnis de wetenschap van de staking der betalingen niet als voldoende beschouwd. Waardeering van alle omstandigheden, waaronder de overdracht der vorderingen had plaats gehad, leidde haar tot de conclusie, dat de eischer méér wist, dat hij wist, althans kon weten, dat de toestand van dien aai'd was, dat eene aanvrage tot faillietverklaring niet kon en niet zou uitblijven.
Op grond dus van verschillende vermoedens nam zij het bestaan der door het artikel gevorderde wetenschap aan.
Wanneer men nu verder bedenkt, dat het doel van het artikel, â dat steeds is geweest en ook na de daarin gebrachte wijziging is gebleven , kwade praktijken , berooving van den boedel, tegen te gaan, â ontegenzeggelijk beter wordt gediend door de opvatting van de rechtbank, dan door die van het Hof, dat 's Hofs uitlegging van den curator een bewijs vordert, dat zoo ooit niet dan uiterst zelden zal kunnen worden geleverd, en dus feitelijk het artikel zoo goed als onbruikbaar maakt, dan schijnt de keuze tusschen de beide uitleggingen niet moeilijk.
Wij althans zouden het toejuichen, indien de wet steeds werd uitgelegd en toegepast in den practischen zin, waarvan de rechtbank te Winschoten in het aangehaalde vonnis blijk gaf.
') Zie Belinfante 11, bl. 100 en 231; v. d. Feltz 1, bl. 404.
568
Aanvullingen en Verbeteringen.
BI. 2 regel 13 v. o. staat: bl. 43â49, lees: bl. 43â69.
BI. 5 â 13 v. b. Voeg bij: âen een opstel van Mr. Lou. S. Boas, in Themis 1891, bl. 58GâGOT.quot;
Bl. 18 regel 1 v. b. moet vervallen: âlijkquot;,quot;.
Bl. 24 noot 2). Voeg by: âAnders; Hof den Haag 19 Oct. 1896, PF. no. G890.quot;
Bl. 59 regel 10 v. b. staat: hel, lees: be^.
Bl. G9 â 2 v. b. Verg. v. Bone val Faüre , het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, dl. I, 3e dr., bl. 438 v.; Mr. W. vax Rossem B/,nt. , het Neder! andxch IVet hoek van Burgerlijke Rechtsvordering verklaard., dl. I, bl. 196.
Bl. 88 regel 4â6 v. b. Voeg bij: âEen voorbeeld levert Hof Amsterdam 19 Nov. 1896, W. no. 6901.quot;
Bl. 88 regel 20 v. b. Zie Hof Amsterdam 8 Dec. 1896, JF. n0. 7003.
Bl. 99 â 8 v. o. Men cursiveere de woorden: âniets andersquot;.
Bl. 100 â 8 v. b. staat: faillissementsbelang, lees: faillissements-heslag.
Bl. 100 regel 3 v. o. (van den tekst). Zie Hooge Raad 8 Jan. 1897, bev. Hof Amsterdam 2 Dec. 1896, W. no. 6911.
Bl. 103 noot '). Zie Mr. A. Tak , het Openhaar Ministerie in hei burgerlijk geding, in Themis 1897, bl. 348 vlg.
Bl. 107 regel 6 v. o. (van den tekst). Men voege in: âHet Openbaar Ministerie komt in hooger beroep bij monde van den Procureur-Generaal bij bet Gerechtshof. Anders dacht hierover de officier van justitie te Amsterdam, die, 13 Nov. 1896, by het Hof te Amsterdam een verzoekschrift indiende tot te-niet-doening van de beschikking der rechtbank, waarbij eene door hem gerequireerde faillietverklaring was geweigerd. Zie Hof Amsterdam 19 Nov. 1896, W. no. 6901.quot;
Bl. 109 regel 3 v. o. (van den tekst). Men voege tusschen â de rechtbankquot; en âop hetquot; de woorden: âwas geweigerd ofquot;.
Bl. 116 regel 21 v. b. Voeg by: âDe feiten en omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat
Molungbaaff, KaiUisgeuientswet. 36*
564
hg heeft opgehouden te betalen, behoeven in het vonnis van faillietverklaring niet te worden vermeld: Hooge Raad 13 Mei 1897, W. 6973.quot;
BI. 118 regel 3 v. b. In IF. n0. 6975 wijst R. op een leemte in artikel 15. In de gevallen, dat het hooger beroep of de cassatie tegen een vonnis of arrest houdende vernietiging der faillietverklaring wordt verworpen, is niemand aangewezen van die uitspraak aan den curator en aan de administratie der posterijen en der telegrafie kennis te geven.
BI 118 regel 7 v. o. Nii â gemaaktquot; voege men in: ,,(art. 15 tweede lid)quot;.
BI. 123 regel 9 v. b. Voeg bij: âZij kunnen hem opnieuw doen gijzelen: zie Rb. Amsterdam 25 Juni 1897, V. v. J. 1897, n0. 84.quot;
BI. 142 noot '). Voeg bij: âVerg. Mr. H. Kiiahbe, de hnrgerlijh; Sfanfx-dienst in Nederland, Prft. 1883, bl. 238 vlg. quot;
BI. 143 regel 10 v. b. Voeg in, na âkinderenquot;: âin art. 51 der wet van 2 Mei 1897 {Sthl. no. 119) op de reserve voor de landmacht, voor de pensioenen van het reserve-personeel bij de landmacht, niet beboerende tot het personeel van den geneeskundigen dienst, en de pensioenen en onderstanden van de weduwen en kinderen van dit personeel.quot;
BI. 144 regel 3 v. o. (van den tekst). Voeg bij: âvoor de pensioenen van het reserve-personeel bij de landmacht, niet behoorende tot het personeel van den geneeskundigen dienst, en de pensioenen en onderstanden van de weduwen en kinderen van dit personeel, by de wet van 2 Mei 1897 {StM. n0. 119), art. 50. â Zie ook Kbabbe, a. w., bl. 231 vlg.quot;
Bl. 149 regel 4 v. b. staat: Artikel 20, lees: Artikel 23.
Bl. 158 regel 18 v. o. Tot de hier bedoelde vorderingen behoort volgens Rb. den Haag 29 Juni 1897, IF. n0. 70U5, een inciden-teele vordering tot oproeping van den curator in vrijwaring.
Bl. 168 rege 15 v. b. Voeg bij: âZie Hof den Bosch 18 Deo. 1894, JF. no. 6603.quot;
Bl. 168 noot. Men leze deze noot als volgt: âVan een pandbeslag, gelegd vóór de faillietverklaring van den huurder, kan daarna de vanwaardeverklaring alleen worden gevraagd, voor zoover het rust op goederen welke niet tot den faillieten boedel behooren. Men denke aan art. 1186 eerste lid Burg. Wetb.: âonverschillig of de hier-boven gemelde voorwerpen al dan niet aan den huurder toebehoorenen aan art. 1188 Burg. Wetb. Voor zooverre het pandbeslag is gelegd op goederen
565
van den failliet, neemt het evenals andere beslagen een einde. Op dit onderscheid wordt niet gelet in het vonnis van de Rb. in den Haag 23 Dec. 1887, /^. nquot;. 5532, en evenmin door tgt;e Mauez Oyents, a. w., bl. 82 vlg.quot;
BI. 230 regel 14 v. o. (van den tekst). Voeg bij: âEen voorbeeld levert Rb. den Haag 12 Jan. 1897, Jf. no. (5973.quot;
Bl. 246 Men zie voorts: Rb. Rotterdam 30 Oct. 1882, Rechtsgel. Bij01.
1882, B bl. 282, bev. door Hof den Haag 15 Oct. 1883, Rechts ff. Bijdr. en Bijbl. 1885, D bl. 106; en Rb. Roermond 30 Juni 1892, AT. no. 6222.
Bl. 251 regel 17 v. o. staat: «iYleenen, lees: cw^leenen.
Bl. 253 regel 12 v. o. staat: zal hy executeeren, lees : kan hij executeeren.
Bl. 253 regel 4 v. o. Men zie Hof Noord-Holland 16 Pebr. 1871, Mag.
ii. Handelsr. 1871, bl. 27; IF. nquot;. 3363 en 3364, vern, Rb. Amsterdam 3 Maart 1870, Mag. v. Ilr. 1870, bl. 65; â Hof den Haag 27 Dec, 1882, Reehtsgel. Bijdr. en Bijbl. 1885, D bl. 99.
Bl. 261 Verg. over artikel 66: v. Boneval Fauue, Nederl. Burgerl. Procesr., dl. IV, 2, 2e dr., bl. 130 vlg.
Bl. 275 noot 1. Voeg by: âen Het ontwerp van wet op het faillissement enz. hehandeld, bl. 13 vlg.quot;
Bl. 283 regel 4 v. o. staat: van boedel, lees: van den boedel.
Bl. 296 regel 12 v. b. slaat: gafailleerde, lees: gefailleerde.
Bl. 332 regel 11 v. o. staat: (art. 130 derde lid), lees: (art. l^U derde lid).
Bl. 333 regel 2 v. b. Men voege bij: â De verwijzing moet in geval van betwisting altijd geschieden, ook dan als de vordering op de lijst der voorloopig betwiste vorderingen was geplaatst en de schuldeischer de verificatie-vergadering niet bijwoont. Zie D. J. den Beer PoobtugaeIj, in Themis 1897, bl. 518 vlg.quot;
Bl. 333 regel 8 v. o. staat: (art. 121 tweede lid), lees: (art. 124 tweede lid).
Bl. 336 regel 5 v. b. Het Openbaar Ministerie behoeft in het verificatieproces niet te worden gehoord: zie d. J. in Pal. v. Just. 1898 n0. 7 en Hof Leeuwarden 29 Dec. 1897, ff. n0. 7069.
Bl. 353 regel 8 v. b. Men voege by: âVoor wissels en orderbiljetten geldt art. 155 Wetb. v. Kooph.; deze worden dus nooit tot de contante waarde teruggebracht.quot;
Bl. 369 regel 18 v. b. Men voege bij: âZie Rb. Amsterdam 25 Juni 1897, JV. n0. 7058; P. v. J. 1897, no 66.quot;
Bl. 386 regel 3 v. o. (van den tekst). Voeg bij: âTer vergadering kan
566
het akkoord mondeling worden aangeboden: Hof Amsterdam 24 Maart 1897, W. n0. 7009; F. v. J. 1897, no. 78.quot;
BI. 387 regel 3 v. b. staat: art. 147 n0. 1, lees: art. 14i n0. 1.
BI. 431 regel 2 v. o. staat: nietigverklaring, lees: vernietiging.
BI. 449 Zie over art. 182: V. in Mag. v. Handelsr. 1897, bl. 206 vlg.
De Schrijver verliest uit het oog, dat de schuldeischer, die voor zijne vordering bevoorrecht is op de opbrengst van alle goederen, ook alleen met de opbrengst van alle goederen te maken heeft en uit die opbrengst by voorrang moet worden voldaan. Zijn critiek schijnt ons toe niet juist te zijn.
Bl. 451 regel 12 v. b. Voeg bij: â(art. 180 eerste lid).quot;
Bl. 451 regel 21 v. b. Voeg bij: â(art. 186 tweede lid).quot;
Bl. 555 regel 15 v. o. staat: de curator, lees: de schuldeischer die de faillietverklaring vordert.
WET
van 30 September 1893 (Staatsblad n0. 140) op het Paillissement en de Surséance van Betaling.
TITEL I. Van Faillisseniont.
EERSTE AFDEELING.
VAN DE FAILLIETVERKLARING.
Artikel 1.
De schuldenaar, die in den toestand verteert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard. ')
De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie.
2. De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars.
Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd.
Ten aanzien van vennooteu onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.
Indien de schuldenaar binnen het Rijk in Europa geene woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft, bevoegd.
568
Wordt in het geval van het derde of vierde lid of in dat van artikel 3 door meer dan ééne daartoe bevoegde rechtbank op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft de uitspraak van verschillende rechtbanken op denzelfden dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die in de wetten van 9 April 1877 (Staatsbladen nos. 74â78) het eerst genoemd wordt, rechtsgevolgen.
Ten aanzien van naamlooze vennootschappen, wederkeerige verzekerings- of waarboi-gmaatschappijen, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereenigingen en van stichtingen geldt, ter toepassing van dit artikel, de plaats, waar zij haren zetel hebben, als woonplaats.
3. De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of een eigen vermogen bezit, kan ook ter plaatse, waar zij dit doet of waar zij gevestigd is, in staat van faillissement worden verklaard.
4. De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met den meesten spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord.
Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.
Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad, op de minute uitvoerbaar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening.
5. De verzoekschriften, bedoeld in het vorige artikel en in de artikelen 8, 9, 10, 11, 67, 155, 166, 198 en 206, worden ingediend door een procureur.
6. De rechtbank kan bevelen, dat de schuldenaar worde opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De oproeping geschiedt bij brief door den griffier.
De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer
569
het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen. ')
7. Hangende het onderzoek kan de rechtbank den verzoeker toestaan den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden.
De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in artikel 21, n0. 1.
8. De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, heeft gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, recht van hooger beroep.
Zoo hij niet is gehoord, heeft hij gedurende veertien dagen, na den dag der uitspraak, recht van verzet. Indien hij tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot eene maand.
Van het vonnis, op het verzet gewezen, kan hij gedurende acht dagen , na den dag der uitspraak, in hooger beroep komen.
Het verzet of hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat van.de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den schuldenaar van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot aan den procureur, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, kennis gegeven.
Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuld-eischer, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.
De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
9. Bij afwijzing van de aangifte of aanvraag tot failliet-
') liet tweede lid van artikel 6, aldus gewijzigd, vastgesteld bij de Wet van (i Sept. 1805 (Slbl. n». 155). Het luidde oorspronkelijk:
De faillietverklaring, door de rechtbank in het gemeenschappelijk belamj der schuldeischers wenschelijk rjeoordeeld. wordt uitgesproken, indien iummierlijk blijkt van het ophouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.
570
verklaring bestaat recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.
Hetzelfde geldt bij vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, in welk geval van het hooger beroep dooiden griffier van het gerechtshof, waarbij het is aangebracht, onverwijld wordt kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank die de vernietiging heeft uitgesproken.
De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en G voorgeschreven.
10. Elk schuldeischer, met uitzondering van hem die do faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na den dag der uitspraak.
Het verzet geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken.
De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den verzoeker van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot kennis gegeven aan den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuldeischer is verzocht, ook aan den procureur, die namens dezen het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.
Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar en van dien schuldeischer.
De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
11. De schuldeischer of de belanghebbende, wiens in het vorige artikel bedoeld verzet door de rechtbank is afgewezen, heeft recht van hooger beroep, gedïirencle acht dagen na den dag der afwijzing.
Hetzelfde geldt, bij vernietiging der faillietverklaring dooide rechtbank ten gevolge van dat verzet, voor den schuldenaar, den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft, en het Openbaar Ministerie, in welk geval tevens het tweede lid van artikel 9 van toepassing is.
De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.
571
Is het verzet bij het gerechtshof gedaan, dan is hooger beroep uitgesloten.
12. Van het arrest, door het gerechtshof gewezen, kunnen de schuldenaar, de schaldeischor die de faillietverklaring verzocht, de in art. 10 bedoelde schuldeischer of belanghebbende en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na den dag der uitspraak, in cassatie komen.
Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4, 6 en 8 bepaald.
Indien de cassatie is gericht tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, geeft de griffier van den Hoogen Baad van het verzoek tot cassatie onverwijld kennis aan den griffier van het gerechtshof dat de vernietiging heeft uitgesproken.
13- Indien ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettenjin geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan.
Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot de vereffening van den boedel buiten toestemming van den schuldenaar worden overgegaan.
14. Het vonnis van faillietverklaring houdt in de benoeming van een der leden van de rechtbank tot rechter-commissaris in het faillissement, en de aanstelling van een of meer curators.
Van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der telegrafie.
Een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechtercommissaris , van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag der uitspraak, alsmede van den naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopigo commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is, wordt door den curator onverwijld geplaatst
572
in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door den recliter-coinmissaris aan te wijzen nieuwsbladen.
15. Zoodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie is vernietigd, en in de twee eerste gevallen de termijn, om in hooger beroep of in cassatie te komen, verstreken is zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan den curator en aan de administratie der posterijen en der telegrafie.
De curator doet daarvan aankondiging in de bladen in artikel 14 genoemd.
16. Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft, kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, gehoord te hebben, bevelen, hetzij de kostelooze behandeling, hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefailleerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit te spreken, de opheffing van het faillissement.
17. Elke in dezen titel bevolen plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant geschiedt kosteloos.
Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn vry van zegel en van de formaliteit van registratie.
Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel, dan die welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld in artikel 122.
Het bevel tot kostelooze behandeling van het faillissement heeft bovendien ten gevolge vrijstelling van griffiekosten.
18. De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen, als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaald. Indien na eene dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot failliet-
573
verklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.
19. Bij elke rechtbank wordt door den griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding der dagteekening, inschrijft:
1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is;
2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord;
3°. de ontbinding van het akkoord;
4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening;
5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16;
6°. de rehabilitatie.
Omtrent vorm en inhoud van het register worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven.
De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.
Op het register bestaat een alphabetische klapper.
TWEEDE APDEELING.
VAN DE GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.
20. Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.
21. Niettemin blijven bïiiten het faillissement:
1°. de goederen vermeld in artikel 447, nos. 2â 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de gelden of jaarwedden vermeld in artikel 756, 3°. van dat Wetboek, de gagie, indien de gefailleerde schipper of schepeling is, en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het eerste lid van artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel;
2°. hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door
574
persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechter-commissaris;
3°. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht;
4°. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten;
5°. de uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet.
22. Indien de gefailleerde wegens een ambt of bediening een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuld-eischers alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde.
In dit en het vorige artikel wordt onder «gefailleerdequot; mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.
23. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van i-echtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
24. Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faillietverklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat.
25. Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.
Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge
575
hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht.
26. Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde op geene andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.
27. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van den gedaagde geschorst, ten einde dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter te bepalen termijn , den curator tot overneming van het geding op te roepen.
Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen ; bij gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den boedel.
Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen.
28. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer bevoegd schorsing te verzoeken, t^n einde, binnen een dooiden rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te roepen.
Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.
Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toestemt, zijn de proceskosten van de tegenpartij geen boedelschuld.
Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 25 niet toepasselijk.
29. Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding.
576
30. Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 25 en de artikelen 27â29 niet toepasselijk.
De artikelen 27â29 worden weder toepasselijk, indien het geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, ten gevolge van zijne beslissing wordt voortgezet.
31. Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 29 tegen een schuldeischer wordt voortgezet, kan door den curator of door dien schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de schuld-eischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijn tegenpartij bekend was.
32. In de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of voortgezet, of in het geval van artikel 122 tegen een schuldeischer gevoerd, kan de rechter den gefailleerde de eeden opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek.
33. Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.
Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87.
34. Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning zijner roerende of onroerende goederen zoo ver was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel laten voortgaan.
35. Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan de door artikel 071 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde overschrijving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de akten
577
genoemd in artikel 315 van laatstgemeld Wetboek de inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer geschieden.
36. Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge.
37- Indien een wederkeerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen, is deze laatste bevoegd den curator te som-meeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuld-eischer opkomen; verklaart de curator zich daartoe wel bereid, dan is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de richtige nakoming der overeenkomst.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op overeenkomsten, waarbij de verbintenis van den gefailleerde eene uitsluitend door dezen persoonlijk te verrichten handeling inhoudt.
38. Indien in het geval, bedoeld bij het vorige artikel, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en kan de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
39. Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den
MüLKNr.KAAKK, Faillisaementswet.
578
dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van den dag der faillietverklaring af is de lumrprijs boedelschuld.
40. Alle bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerde, kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig door den curator hunne betrekking opgezegd worden, met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der faillietverklaring af is het salaris boedelschuld.
41. Erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefailleerde opkomende, worden door den curator niet anders aanvaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Tot het verwerpen eener nalatenschap behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris.
42. Onverminderd de bijzondere bepalingen in de artikelen 44â4G omtrent schenkingen gemaakt, kan ten behoeve van den boedel de nietigheid ingeroepen worden van alle vóór de faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn.
43. Indien de handeling, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, verricht is binnen veertig dagen vóór de failliet-verklarinquot;- en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aanvanquot;'
o O
van dien termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van het vorige artikel bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan:
1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft;
2°. bij handelingen tar voldoening van of zekerheidstelling voor eene niet opeischbare schuld;
3°. bij handelingen, door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot in den derden graad verricht.
579
44. Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane schenkingen in te roepen, kan de curator volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der schenking wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die vvetenschap al dan niet deelde.
45. Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vofa de faillietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn gedaan met de wetenschap, dat de schuldeischers daardoor benadeeld worden.
Deze termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde eei! bloed- of aanverwant tot in den derden graad van den schenker is.
46. De begiftigde, van wien niet blijkt dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was, is niet verplicht het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre hij aantoont, dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet was gebaat.
47- De nietigheid van de voldoening, door den schuldenaar, aan eene opeischbare schuld kan alleen dan worden ingeroepen, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij, die de betaling ontving, wist dat het faillissement van den schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tusschen den schuldenaar en den schuld-eischer, ten doel hebbende laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeischers te begunstigen.
48. Krachtens het vorige artikel kan geene terugvordering geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was.
In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld.
49. Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen dei-artikelen 42â48, worden ingesteld door den curator.
Molengraavf, FiiillisBeiuentswet.
580
Niettemin kunnen de sehuldeischers op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating eener vordering bestrijden.
50. Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de sehuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.
51. Behoudens het bepaalde bij artikel 46 moet hetgeen door de nietige handeling uit het vermogen van den schuldenaar gegaan is, door hem, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven worden.
Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ontvangene niet meer kan teruggeven in den toestand , waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht.
Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd.
Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daarvan, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen.
52- Voldoening na de faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, aan den gefailleerde gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóór de faillietverklaring aangegaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.
Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking der faillietverklaring aan den gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woonplaatse langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van den curator om aan te toonen, dat zij hem toch bekend was.
In elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen.
581
53. Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.
De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld.
54. Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen den gefailleerde verkregen, noch de schuldeiseher zijne vordering met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een derde overgenomen, terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.
Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen nimmer in vergelijking gebracht worden.
55- De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order-of toonderpapier.
56. Hij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap) aangegane schulden af te houden.
57. De hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in artikel 1223 van het Burgelijk Wetboek, heeft gemaakt, en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware.
Is hunne vordering eene zoodanige als vermeld in de artikelen 130 en 131 , dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag, waarvoor de vordering is erkend.
58. De hypothekaire schuldeischer en de pandhouder, in het vorige artikel bedoeld, zijn verplicht hunne rechten
582
uit te oefenen vóór het verstrijken van ééne maand, nadat de insolventie is begonnen, behoudens de bevoegdheid van den rechter-commissaris om dien termijn te verlengen. Na verloop van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen, en deze, evenals de vei-hypothekeerde goederen, behoudens het recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen op de wijze bij artikel 174 omschreven.
De curator kan te allen tijde het verpande voorwerp lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met de interesten en kosten.
59. De hypothekaire schuldeischer of pandhouder, die van zijne rechten gebruik heeft gemaakt, is verplicht de opbrengst van het verbonden goed aan den curator te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde met de interesten en kosten te boven gaat.
Indien die opbrengst niet toereikende is om den hypothekairen schuldeischer of den pandhouder te voldoen, treedt deze, zoo hij zijne vordering heeft doen verifieeren, voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer in den boedel op.
60. De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houden, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de feil liet verklai'ing van den schuldenaar dit recht van terughouding niet.
61. Tn geval van faillissement van deii man, neemt de vrouw alle roerende en onroerende goederen, welke haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen, terug.
De aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks buiten de gemeenschap gehouden, wordt bewezen zooals bij artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
Van de roerende goederen staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet, in geval van geschil, blijken op eene der wijzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven.
De goederen, voortgesproten uit de belegging of weder-belegging van gelden aan de vrouw buiten de gemeenschap toebehoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen.
583
mits die belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, zij bewezen.
Indien de goederen, haar toebehoorende, door haren man zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, ofwel de kooppenningen nog onvermengd met den faillieten boedel aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien koopprijs of op de voorhanden kooppenningen nitoefener..
Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw als schuldeischeres op.
62. De vrouw heeft geen aanspraak op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken. Wederkeerig kunnen de schuldeischers geen genot hebben van de voordeelen, die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd.
63. Het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van artikel 21, alle goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Indien de echtgenoot, die failliet verklaard is, goederen bezit, die niet in de gemeenschap vallen, worden ook deze onder het faillissement begrepen, maar zijn alleen aansprakelijk voorde schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden is.
De bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht zijn , bij faillissement van een in gemeenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie der echtgenooten deze verrichtte.
DERDE APDEELING.
VAN HET BESTUUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL.
§ 1. Van den rechter-commissaris.
64. De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.
65. Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening
584
des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te geven, is de rechtbank verplicht den rechter-commissaris te hooren.
66. De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.
De getuigen worden gedagvaard namens den rechter-commissaris.
Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen, zijn de artikelen 116 â 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.
De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere afkomelingen en de ouders en grootouders des gefail-leerden kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen.
67. Van alle beschikkingen van den rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hooger beroep op de rechtbank. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden.
Niettemin valt geen hooger beroep van de beschikkingen vermeld in de artikelen 21 2°. en 4'., 34, 58, eerste lid, 79, 94, 98, 100, 102, 125, 127, vierde lid, 173, 174, 175, 177,179 en 180.
§ 2. Van den curator.
68. De curator is belast met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.
Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatiegeschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40 en 58, tweede lid, behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris.
69. Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commis-saris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.
De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.
585
70. Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerderheid of hij staking van stemmen eene beslissing van den rechter-commissaris vereischt.
De curator, aan vvien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
71. Het salaris van den curator wordt in elk faillissement door de rechtbank vastgesteld.
In geval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.
72. Het ontbreken van de machtiging van den rechtercommissaris, waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelyk.
73. De rechtbank heeft de bevoegdheid den curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van den rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeischers, de commissie uit hun midden, of den gefailleerde.
De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator.
§ 3. Van de commissie uit de schuldeischers.
74. Bij het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere beschikking kan de rechtbank, zoo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft, uit de haar bekende schuldeischers eene voorloopige commissie van een tot drie leden benoemen, ten einde den curator van advies te dienen, zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie geen beslissing is genomen.
Indien een lid van de voorloopige commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtbank,
586
uit eene voordracht van een dubbeltal door den rechter-com-urissaris, in de daardoor ontstane vacature.
75. Hetzij al of niet eene voorloopige couimissieuitdeschuld-eischers is benoemd , raadpleegt de rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeischers, na afloop der verificatie, over de benoeming van eene definitieve commissie uit bun midden. Zoo de vergadering deze wenscbelijk acbt, gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie bestaat uit een tot drie leden.
Een verslag van bet hieromtrent verhandelde wordt in het proces-verbaal der vergadering opgenomen.
Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtercommissaris in de daardoor ontstane vacature.
76. De commissie kan te allen tijde inzage van de boeken en bescheiden, op het faillissement betrekking hebbende, vorderen. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken.
77. Tot het inwinnen van het advies der commissie vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.
78. De curator is verplicht het advies der commissie in te winnen, alvorens eene rechtsvordering in te stellen of eene aanhangige voort te zetten of zich tegen eene ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatie-geschillen; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 73, tweede lid, 100, 101 en 177, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel en het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen.
Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er geen advies wordt uitgebracht.
79 De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van
587
den rechter-commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te schorten.
§ 4. Van de vergaderingen der schaldeischers.
80. In de vergaderingen der schuldeischers is de rechtercommissaris voorzitter.
De tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is verplicht.
81. Op de vergaderingen van schuldeischers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt ieder schuldeischer ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede ééne stem uitgebracht.
Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwerven.
82. Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldeischers, alsmede de toonder eener ten name van «toonderquot; geverifieerde schuldvordering.
83. Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.
84:. Behalve de door deze wet voorgeschreven vergaderingen, wordt er eene vergadering van schuldeischers gehouden, zoo dikwijls de rechter-commissaris dit noodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuldeischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.
In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats der vergadering, waartoe de stemgerechtigde schuldeischers ten minste tien dagen van te voren door den curator
588
worden opgeroepen, bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide vermeldende bet in de vergadering- te behandelen onderwerp.
§ 5. Van de rechterlijke beschikkingen.
85. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, worden door de rechtbank in het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald.
86. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, ook die welke niet uitgaan van de rechtbank, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald.
VIERDE AFDEELHSTGr.
VAN DE VOORZIENINGEN NA DE FAILLIETVERKLARING EN VAN HET BEHEER DES CURATORS.
87. De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den curator of van een of meer der schuldeischers en na den rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zyne eigene woning onder het opzicht van eenen dienaar der openbare macht.
Het bevel hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.
Dit bevel is voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.
88. De rechtbank heeft de bevoegdheid, op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen.
589
Het bedrag der zekerheidstelling wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des gefailleerden ten voordeele des boedels.
89. Het verzoek tot inbewaringstelling van den gefailleerde moet toegestaan worden, indien het gegrond is op het zonder geldige reden opzettelijk niet nakomen van de verplichtingen hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116.
90. In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, zal hij , zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van den rechter-commis-saris uit de bewaarplaats kunnen worden overgebracht.
De last hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.
91. Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats niet verlaten.
92. De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding zijner betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de boeken, gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te geven.
93. De curator doet, zoo hij of de rechter commissaris dit noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen.
De verzegeling geschiedt door den kantonrechter.
Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het procesverbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de artikelen 21, n0.1 en 92, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit wordt voortgezet.
94. De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het opmaken van eene beschrijving des faillieten boedels.
De boedelbeschrijving kan ondershands worden opgemaakt en de waardeering door den curator geschieden, een en ander onder goedkeuring van den rechter-commissaris.
590
De leden der voorloopige commissie uit de schuldeiscliers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn.
95. Vim de goederen, vermeld in artikel 21, n0. 1, wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 92, worden in de beschrijving opgenomen.
96. De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van eenen staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner blijken.
97. Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder nedergelegd ter griffie van de rechtbank en van het kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naargelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank, waarbij het faillissement aanhangig is, geschiedt de nederlegging uitsluitend ter griffie van dit college.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
98. De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde voort te zetten. Indien er geene commissie uit de schuldeischers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris noodig.
99. De curator opent de brieven en telegrammen aan den gefailleerde gericht. Die, welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratie der posterijen en der telegrafie is, na van den griffier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld in artikel 15.
Protesten, den gefailleerde betreffende., worden gedaan aan den curator.
591
100. De curatm- is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter-eommissaris vast te stellen som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren.
101. De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zoo ver de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijven.
De bepaling van artikel 174 is toepasselijk.
102. De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijne onmiddellijke bewaring, tenzij door den rechter-oommissaris eene andere wijze van bewaring wordt bepaald.
Gereede gelden, die voor het beheer niet noodig zijn, worden door den curator belegd ten name van den boedel op de wijze door den rechter-commissaris goed te keuren.
103. Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van dooi den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken.
104. De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de sclmldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en akkoorden of schikkingen aan te gaan.
105. De gefailleerde is verplicht voor den rechter-commissaris, den curator of de commissie uit de sclmldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.
Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld heeft.
106. Bij het faillissement van eene naandooze vennootschap, wedei-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting zijn de bepalingen der artikelen 87â91 op de be-
592
stuurders, die van artikel 105, eerste lid op bestuurders en commissarissen toepasselijk.
107. De griffier is verplicht aan eiken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, die ingevolge eenige bepaling dezer wet ter griffie worden nedergelegd of zich aldaar bevinden.
VIJFDE AFDEELINGK
VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEN.
108. De rechter-commissaris bepaalt binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan :
1°. een termijn, vóór welks afloop de schuldvorderingen ingediend moeten worden ;
2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal gehouden worden.
De termijn, onder 1°. vermeld, gaat in op den achtsten dag nadat de beschikking is genomen.
Tusschen het einde van den onder 1°. vermelden termijn en den dag der verificatie-vergadering moeten ten minste veertien dagen verloopen.
109. De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeiscbers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen , bedoeld in artikel 14.
110. De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den curator door de overlegging eener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van eene opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of reclit van terughouding aanspraak wordt gemaakt.
De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbewijs te vorderen.
111. De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de boeken en opgaven van den gefailleerde , treedt, als hij tegen de toelating eener vordering bezwaar heeft, met den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ont-
593
brekende stukken alsook inzage zijner boeken en der oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
112. De curator brengt de vorderingen, die hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, die hij betwist, op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden der betwisting.
113. In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven, en aangegeven of zij naar de meening van den curator bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, of wel ter zake der vordering recht van terughouding kan worden uitgeoefend. Betwist de curator alleen den voorrang, of het recht van terughouding, zoo wordt de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen gebracht met aauteekening van deze betwisting en de gronden daarvan.
114. Van ieder der lijsten, in artikel 112 bedoeld, wordt een afschrift door den curator ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht nedergelegd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatie-vergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van een ieder.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
115. Van de krachtens artikel 114 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de verificatie-vergadering voegt en tevens vermeldt of een ontwerpakkoord door den gefailleerde ter griffie is nedergelegd.
116. De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. De schuldeischers kunnen den rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het procesverbaal opgeteekend.
117. Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöpe-
3S
Molenoraaff, Faillisaementswct.
594
ratieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorig artikel den gefailleerde opgelegd.
118. De schuldeischers kunnen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.
119. Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst der voorloopig erkende en die der door den curator betwiste schuldvorderingen voor. Teder der op die lijsten voorkomende schuldeischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering eu hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen, of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde recht van terughouding te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit.
De curator is bevoegd op de door hem gedane voorloopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuldeischer de deugdelijkheid zijner noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede moeten verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is.
Bestaat er behoefte aan verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechtercommissaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet.
120. De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gemachtigde afgelegd in handen van den rechter commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een Interen door den rechter-commissaris te bepalen dag. De volmacht kan ondershands worden verleend.
Indien de schuldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging bepaalden dag.
De rechter-commissaris geeft den schuldeischer eene verklaring van de eedsaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd
595
ia eene vergadering van schuldeiscliers, in welk geval van de aflegging aanteekening wordt gehouden in liet procesverbaal dier vergadering.
121. De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op eene in het proces-verbaal op te nemen lijst van erkende schuldeiscliers. Op het papier aan order en aan toonder wordt door den curator de erkenning aangeteekend.
De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van den eed, op den bij het eerste lid van artikel 120 bedoelden tijd, over hare toelating definitief zal zijn beslist.
Het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend dooiden rechter-commissaris en den griffier.
De in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erkenning eener vordering heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog kan de curator vernietiging daarvan vorderen.
122. De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting , de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt.
De procureurs, die voor partijen optreden, verklaren dit bij de oproeping der zaak ter terechtzitting.
De zaak wordt summier behandeld.
Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken ; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter de vordering.
Schuldeiscliers, die ter verificatie-vergadei-ing geene betwisting hebben gedaan, kunnen in het geding zich niet voegen noch tusschenkomen.
123. De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leveren.
Molenghaapf, Faillissenientawet. 38*
596
124. Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.
De schuldeischer kan zich in het geding op het ontbreken dier kennisgeving niet beroepen.
125. Vorderingen, die betwist worden, kunnen door den reehter-commissaris voorwaardelijk worden toegelaten tot een bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist wordt, kan deze door den reehter-commissaris voorwaai'delijk worden erkend.
126. Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zich te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aanteekening van de betwisting en van hare gronden , zonder verwijzing van partijen naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd.
Betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt.
127. Vorderingen, na afloop van den in artikel 108, 1°. genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.
Vorderingen, daarna ingediend, worden niet geverifieerd.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeischer buiten het Rijk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.
In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld, of van geschil over het al dan niet aanwezig zijn der verhindering , in het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
128. Interesten, na de faillietverklaring loopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt.
597
In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schnldeischer uit deze verificatie geene rechten ontleenen.
129. Eene vordering onder eene ontbiadeude voorwaarde wordt voor het geheele bedrag geverifieerd, onverminderd de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt.
130- Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring.
Indien de curator en de schuldeischers het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.
131. Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring.
Alle schuldvorderingen , vervallende binnen één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar sedert den aanvang van het faillissement.
Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.
132. Schuldeischers, wier vorderingen door hypotheek of pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantoonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeischers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.
133. Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in Nederlandsch geld of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld.
598
134. Schuldvorderingen aan toonder kunnen ten name van «toonderquot; geverifieerd worden. Iedere ten name van âtoonderquot; geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk scliuldeisclier beschouwd.
135. De schuldeischer, die door borgtocht is verzekerd, komt op voor zijne schuldvordering onder aftrek van hetgeen hij van den borg heeft ontvangen.
De borg heeft recht voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.
136. Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer in staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in ieder faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten.
De hoofdelijke schuldenaar, die op den faillieten boedel recht van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voor zooverre de schuldeischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toegelaten, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.
Indien in het geheel meer dan honderd percent beschikbaar mocht zijn, worden die meerdere percenten naar de onderlinge rechtsverhouding verdeeld.
137- Na afloop der verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel, en geeft hij daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen. Het verslag wordt, met het proces-verbaal der verificatie-vergadering, na afloop dier vergadering ter griflie nedergelegd ter kostelooze inzage van ieder belanghebbende. De nederlegging geschiedt kosteloos.
ZESDE AFDEELING.
TAN HET AKKOORD.
138. De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden.
139. Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie der
599
schuldvorderingen , ter griffie van de rechtbank en -van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht heeft nedergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 141.
Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan den curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers.
140. De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.
141. De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later te bepalen vergadering uitgesteld:
1° indien staande de vergadering eene definitieve commissie uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorloopige, en de meerderheid der verschenen schuldeischers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;
2°. indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is neergelegd en de meerderheid der verschenen schuldeischers zich voor uitstel verklaart.
142. Wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, wordt daarvan door den curator onverwijld aan de niet op de verificatievergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis gegeven, bij brieven vermeldende den summieren inhoud van akkoord.
143. Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten do hypotheek- of pandhoudende en bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt, tenzij zij, vóór den aanvang der stemming, van hun hypotheek, pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand mochten doen.
Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen.
600
144. De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging. te wijzigen.
145. Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der erkende en der voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.
146. Indien twee derde der ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen, waarvoor stemrecht kan worden uitgeoefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, zal ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming gehouden worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem.
147. Latere veranderingen, in het getal der schuldeischers of in het bedrag der vorderingen, hebben geen invloed op de geldigheid van de aanneming of verwerping van het akkoord.
148. Het proces-verbaal der vergadering vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen der verschenen stemge-rechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag der stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt na voorlezing onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.
Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kostelooze inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
149. Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het procesverbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd.
150. Indien het akkoord is aangenomen, bepaalt de rechter-commissaris vóór het sluiten der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen.
601
Bij toepassing van artikel 149 geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in hare beschikking. Van deze beschikking geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk kennis.
De terechtzitting zal gehouden worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 149, na de beschikking van de rechtbank.
151. Gedurende dien tijd kunnen de schuldeischers aan den rechter-commissaris schriftelijk de redenen opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenschelijk achten.
152. Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenscht of haar bestrijdt.
De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging zijner belangen op te treden.
153. Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.
Zij zal de homologatie weigeren:
1°. indien de baten des boedels met inbegrip van do zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan;
2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt.
Zij kan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.
154. Binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank kunnen, zoo de homologatie is geweigerd, zoowel de schuldeischers, die vóór het akkoord stemden, als de gefail-
602
leerde zoo tie homologatie is toegestaan, de schuldeisehers, die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hooger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeisehers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 153 onder 3°. genoemd.
155. Het hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. De voorzitter bepaalt terstond dagen uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen. Van het hooger beroep wordt door den griffier van het rechtscollege, waarbij het is aangebracht, onverwijld kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven.
Op de behandeling van het hooger beroep zijn, met uitzondering van het bepaalde omtrent den rechter-commissaris, artikel 152 en artikel 153, eerste lid, toepasselijk.
156. Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze aangeteekend en behandeld.
157. Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisehers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.
158. Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen akkoord meer aanbieden.
159. Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-vei'baal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
160. Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeisehers al hunne rechten tegen de borgen en medeschuldenaren van den schuldenaar.
603
161. Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.
162. Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan, is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commis-saris rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen.
Indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geeft de curator aan den schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle goederen, gelden, boeken en papieren tot den boedel behoorende.
163. Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen van den curator worden gestort, tenzij deswege door den schuldenaar zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoorende onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.
Wanneer ééne maand ua het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is vex-loopen, zonder dat vanwege den schuldenaar de voldoening van een en ander is geschied, zal de curator daartoe overgaan uit de voorhanden baten des boedels.
Het bedrag in het eerste lid bedoeld , en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begroot.
164. Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag waarop het voorrecht aanspraak geeft.
165. Ontbinding van het gehomologeerde akkoord kan door eiken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen.
Op den schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.
604
De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar uitstel van ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen.
166. De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring ir de artikelen 4, 6â9 en 12 is voorgeschreven.
167. In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van eenen rechter-commissaris en curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers, indien er in het faillissement reeds eene geweest is.
Bij voorkeur zullen daartoe de personen gekozen worden, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.
De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 14, derde lid, voorgeschreven.
168. De artikelen 13, eerste lid, 15â18 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel, zijn bij heropening van het faillissement toepasselijk.
Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie der schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen , die niet reeds vroeger geverifieerd werden.
Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeischers tot bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt, te betwisten.
169. De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende zoo daartoe gronden zijn.
170. Na de heropening van het faillissement kan niet op nieuw een akkoord aangeboden worden.
De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.
171. Indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan.
605
worden bij de verdeeling aan de nieuwe sehuldeischers en diegene onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald
In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alle schuld-eischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld.
172. Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl door hem aan het akkoord nog niet volledig is voldaan , opnieuw ia staat van faillissement wordt verklaard.
ZEVENDE AFDEELING.
VAN DE VEREFFENING DES BOEDELS.
173. Indien op de verificatie-vergadering geen akkoord aangeboden, of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curator onmiddellijk tot vereffening en tegelde-making van alle baten des boedels over, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is.
Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad, door den rechter-commissaris aan te wijzen, worden gelaten.
174. De goederen worden in het openbaar of met toestemming van den rechter-commissaris ondershands verkocht.
175. Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de wijze door den rechter-commissaris goed te keuren.
Voor zoozeel dit in het belang is van den boedel, brengt de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terughouding uitoefenen, door voldoening der vorderingen, waaraan dit recht is verbonden, in den boedel terug.
176. De artikelen 98 en 100 houden op van toepassing te zijn als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 173 is begonnen.
177. De curator kan ten behoeve der vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene door den rechter-commissaris vast te stellen vergoeding.
606
178. Nadat de boedel insolvent is geworden, kan de rechtercommissaris, op door hem te bepalen dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers beleggen, ten einde hen te raadplegen over de wijze van vereffening des boedels, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben der schuldvorderingen, die na afloop van den in artikel 108, n0. 1 bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111 â114. Hij roept de schuldeischers, ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14.
179. Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechtercommissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene uitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers.
180. De curator maakt telkens de uitdeelingskjst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-commis-saris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator,) de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te ontvangen uitkeering.
Voor de concurrente schuldeischers worden de door den rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken; voor de bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen zij, wier voorrecht betwist wordt, en de pand- en hjpotheekhoudende schuldeischers, voor zooverre zij niet reeds overeenkomstig de bepaling van artikel 57 voldaan zijn,het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen, waarop zij bevoorrecht of die aan hen verbonden waren. Zoo dit minder is dan het geheele bedrag hunner vorderingen, worden voor het ontbrekende, â zoo de met het voorrecht belaste of aan hen verbonden goederen nog niet verkocht zijn, voor hunne geheele vordering â gelijke percenten als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken.
181. Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen
607
worden op de uitdeelmgslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken.
182. De algemeene faillisseinentskosten worden omgeslagen over ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen overeenkomstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of hypotheekhoudenden schuldeischer zelf is verkocht.
183. De door den rechter-commissaris goedgekeurde uit-deelingslijst ligt gedurende tien dagen ter griffie van de rechtbank ter kostelooze inzage van de schuldeischers.
Een afschrift wordt door den curator met hetzelfde doel nedergelegd ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht. De nederlegging geschiedt kosteloos.
Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator aankondiging gedaan in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.
184. Gedurende den in het vorige artikel genoemden termijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdeelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.
Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.
185. Zoo er verzet gedaan is, bepaalt de rechter-commissaris, onmiddellijk na afloop van den termijn van inzage, den dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld zal wordeu. Deze beschikking ligt ter griffie ter kostelooze inzage van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan de opposanten en den curator schriftelijk mededeeling. De dag van behandeling mag niet later gesteld worden dan veertien dagen na afloop van den termijn van artikel 183.
Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan de curator en ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten ter verdediging of bestrijding van de uitdeelingslijst.
608
Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.
186. Ook een niet-geverifieerde schuldeischer kan verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden , zijne vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd te worden.
De verificatie der vordering geschiedt alsdan op de wijze, bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.
Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schuldeischer.
187- Door verloop van den termijn van artikel 183, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen vonnis, wordt de uitdeelingslijst verbindend.
Tegen het vonnis, op het verzet gewezen, staat geen beroep in cassatie open.
188. De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hypothekaire inschrijvingen, waarmede een tot den boedel behoorend onroerend goed is bezwaard, zoodra de uitdeelingslijst, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen, verbindend is geworden.
Op verkoop, door den curator, van tot den boedel behoorende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.
189 De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schuldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet omtrent zijne vordering beslist zal zyn. Blijkt het ten slotte dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde golden geheel of ten deele ten bate van de andere schuldeischers.
Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang betwist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan
609
de percenten over de concurrente vorderingen uit te keeren, gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang.
190. Indien eenig goed, waarop een bepaald voorreclit, een hypotheek of pandrecht rust, verkocht wordt, nadat aan den bevoorrechten hypotheek- of pandhoudenden schuldeischer, ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel 180, reeds eene uitkeering is gedaan , wordt dezen bij eene volgende uitdeeling het bedrag, waarvoor hij op de opbrengst van het goed batig gerangschikt is kunnen worden, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten, die hij reeds te voren over dit bedrag ontving.
191. Aan schuldeischers, die, ten gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeischers reeds genotene, vooruitbetaald.
Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij voorrang is toegekend.
192. Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen eene maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 189 gei'eserveerd zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consig-natiën gestort.
193. Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slot-uitdeelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 194. Door den curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 14 bepaald.
Na verloop van eene maand doet de curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan den rechter-commissaris.
De boeken en papieren, door den curator in den boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar afgegeven.
Molen gbaaff, Faülissementswet.
610
194. Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.
ACHTSTE APDEELINGK
VAN DEN RECHTSTOESTAND DES SCHULDENAARS NA AFLOOP VAN DE VEREFFENING.
195. Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.
196. De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatie-vergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.
197. De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist is.
NEGENDE AFDEELING.
VAN HET FAILLISSEMENT EENER NALATENSCHAP.
198. De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen , dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen.
199. Het verzoek wordt gericht tot de rechtbank, welke tijdens het overlijden des schuldenaars bevoegd was de faillietverklaring uit te spreken.
(!) Artikel 198, aldus gewijzigd, vastgesteld bij de Wet van 6 Sept. quot;1895 (SM. n0. 155). Het slot van het artikel luidde oorspronkelijk:
......en summier aantoonen, dat de overledene had oprjehouden Ie
betalen, en indien de rechtbank dit in het rjemeenschapijclijk belamj der schuldeischers wenschelijk oordeelt.
611
De erfgenamen worden op liet verzoek gehoord of daartoe opgeroepen bij een exploot, aan het sterfhuis te beteekenen, zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn, bij brieven van den griffier.
200. De faillietverklaring heeft van rechtswejje ten ^evolere
O o o o
de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek is omschreven.
201. De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoolang niet drie maanden na do aanvaarding van de nalatenschap en tevens zes maanden na het overlijden van den schuldenaar zijn verstreken.
202. De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillissement eener nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de achtste afdeeling, tenzij de erfenis zuiver is aanvaard.
TIENDE AFDEELING.
BEPALINGEN VAN INTERNATIONAAL RECHT.
203. Schuldeischei's, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schuldenaar , zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.
204. De schuldeischer, die zijne voi'dering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.
De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.
205. Gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel rust op hem, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of
Moi.engraaff, ynilïissementswet. 39*
612
gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, welke daardoor in staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door deze wet niet toegelaten schuldvergelijking te beroepen.
Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk.
ELFDE AFDEELING.
V A If REUABILIÃATIE.
206. Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 161 of 193 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van artikel 198, bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank, die het faillissement heeft berecht.
207. De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten genoegen van elk hunner, zijn voldaan.
208- Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Nederhuidsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wyzen nieuwsbladen.
209 Ieder erkend sclmldeischer is bevoegd om binnen den tijd van twee maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt dooiden grifBer een bewijs van ontvangst afgegeven.
Dit verzet zal alleen daarop kunnen gegrond zijn, dat dooiden verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 207 is voldaan.
210. -Na verloop van do voormelde twee maanden zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toestaan of weigeren.
211. Van de beslissing der rechtbank wordt noch hooger beroep, noch cassatie toegelaten.
212. Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde register.
613
TITEL 11.
VAN SURSÃAKOE VAN BETALING.
â¢213. De schuldenaar, die voorziet, dat hij mes betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aantoont dat er vooruitzicht bestaat, dat hij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen , kan surséance van betaline: bekomen.
214. Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel 96, bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in artikel 2 of artikel 3.
215. Het verzoekschrift niet bijbehoorende stukken wordt ter gi-iffie van de rechtbank neergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder.
De griffier doet van de indiening van liet verzoek en van den overeenkomstig bet eerste lid van het volgende artikel bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.
216. De rechtbank beveelt dadelijk, dat de in Nederland wonende schuldeischers, benevens de schuldenaar, tegen een door haar op korten termijn bepaalden dag, door den griffier, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve den dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld
Ieder sclmldeischer is bevoegd om , zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen.
217. Ten bepaalden dage worden de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers door de rechtbank in raadkamer gehoord, en kan den schuldenaar voorloopige surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der verschenen schuldeischers, of houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233, noa. 1â6 genoemde schuldvorderingen, zich daartegen verklaren.
C14
Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechtbank.
Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden, indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is.
Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren.
Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn , komt eerst het laatste in behandeling.
De beschikking op hot verzoek wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.
218. Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of ingeval de voorloopige surséance verleend is, ieder schuld-eischer, die zich tegen het verleenen daarvan verklaard heeft, recht van hooger beroep.
Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, door den verzoeker en zijnen procureur onderteekend, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling.
Indien het hooger beroep door een schuldeischer is ingesteld, geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien, waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan den procureur, die het verzoek tot surséance heeft ingediend, bij deurwaardersexploot kennis van het hooger beroep en van den tijd voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar.
De griffier van het gerechtshof doet van het hooger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald, aankondiging in de nieuwsbladen waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 215 is aangekondigd. Tevens geeft hij van het ingestelde hooger beroep aan den griffier der rechtbank kennis, neemt van dezen de in artikel 214 bedoelde stukken over en legt die op zijne griffie voor een ieder ter kostelooze inzage.
219. Bij de behandeling van het hooger beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde
615
aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.
De behandeling heeft plaats in raadkamer; het arrest wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.
Tegen het arrest, in hooger beroep gewezen, staat geen beroep in cassatie open.
220. De uitspraak der rechtbank wordt, niettegenstaande het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd.
De artikelen 13 en 15 zijn ook hier toepasselijk, indien eene krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring wordt vernietigd.
Op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van artikel 230, eerste lid, blijft, indien bij vernietiging der verleende voorloopige surséance de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, de bepaling van het tweede lid van dat artikel van toepassing. De bevoegdheid, aldaar den bewindvoerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissement.
221. De beschikking, waarbij vooidoopige surséance wordt toegestaan, houdt de benoeming in van :
1°. een of meer bewindvoerdei'S, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren;
2°. een of meer deskundigen, ten einde, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd kan worden, de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden te veritieeren, den stand des boedels te onderzoeken en een beredeneerd verslag van hunne bevinding uit te brengen.
De beschikking, houdende verleening van voorloopige surséance, wordt aangekondigd gelijk in artikel 215, tweede lid, is voorgeschreven.
222. Het verslag van de deskundigen bevat een mut redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en het gegronde van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling van alle schulden zal volgen, met aanduiding van den tijd waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben.
616
De deskundigen leggen hun verslag neder ter grillie van de rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
223. Onmiddellijk na de nederlegging van het verslag, worden de schuldeischers, benevens de schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen door den griffier bij brieven opgeroepen, tegen een door de rechtbank te bepalen, uiterlijk drie weken daarna invallenden dag.
224. Ten bepaalden dage worden de verschenen schuldeischers in raadkamer geraadpleegd over het verleenen van definitieve surséance aan den schulden aar. De schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen zijn verplicht alle ophelderingen en inlichtingen te geven, welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve, hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeischers, zal vragen.
225. Indien twee derde der verschenen schuldeischers houders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233, n08. 1â6, genoeuide schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve surséance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid, voorzien aanwezig is. Het tweede en het zesde lid van artikel 217 zijn toepasselijk. Bijaldien de definitieve surséance niet verleend wordt, kan de schuldenaar in staat van fiiillissement worden verklaard.
226. Surséance van betaling wordt verleend voor eenen tijd, niet langer dan één en een half jaar, gerekend van den dag, waarop de voorloopige surséance is toegestaan.
De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.
Gedurende één jaar na afloop der surséance kan zij niet opnieuw worden verleend.
227. Wordt door het gerechtshof, in hooger beroep van eene afwijzende beschikking der rechtbank, voorloopige surséance verleend, dan houdt het de zaak aan zich, ten einde, met inachtneming van de wijze van behandeling in de artikelen 221â226 voorgeschreven, ook over de verleening der definitieve surséance te beslissen.
Tegen het arrest staat geen beroep in cassatie open.
617
228. De bcscliikkiug van de rechtbank, waarbij definitieve surséance verleend of geweigerd wordt, is vatbaar voor hoogcr beroep. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 zijn daarop toepasselijk.
Hangende het hooger beroep blijft de voorloopige surséance van kracht.
Bij vernietiging der verleende definitieve surséance is artikel 220, derde lid, toepasselijk.
229. Ket rechterlijk college, dat de bewindvoerders en deskundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun verzoek, of op verzoek van een of moer der schuldeischers, of van den schuldenaar, of Avel ambtshalve, ontslaan en door anderen vervangen.
Na het verleenen van definitieve surséance wordt door do bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een verslag over den toestand van den boedel uitgebracht. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het tweede en derde lid van artikel 222 is voorgeschreven.
230. Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders, eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen.
Indien de schuldenaar in strijd met deze bepaling gehandeld heeft, is zoodanige handeling voor den boedel niet verbindend, tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden.
231. Gedurende den loop der surséance kan de schuldenaar niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaakt.
Alle aangevangen executiën blijven gedurende dien tijd geschorst. Gelegde beslagen vervallen. Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het vonnis houdende verleening der surséance in kracht van gewijsde is gegaan.
232. De surséance stuit den loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.
Indien niettemin de rechtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar
618
erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot na het einde der surséance.
De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onderwerp hebber, noch eischende noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der bewindvoerders.
233. De surséance werkt niet ten aanzien:
1°. van de vordering van rijks-, provinciale of gemeentelijke belastingen, en van waterschaps-, veenschaps- of veenpolderlasten, met de vervolgingskosten;
2°. van schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand, of bevoorrecht op bepaalde goederen;
3°. van levensonderhoud, door den schuldenaar uit kracht van de derde afdeeling van den vijftienden titel van hot eerste boek van het Burgerlijk W etboek verschuldigd;
4°. van huren en pachten ;
5°. van loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden;
6°. van schuldvorderingen wegens noodwendigheden, tot gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huisgezin geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór de surséance;
7°. van reclame en zakelijke rechten.
Voor zooverre bij executie blijkt dat de vorderingen, onder n0. 2 vermeld, op de verbonden zaak niet verhaald kunnen worden, werkt de surséance wel ten aanzien van deze vorderingen.
234. De betaling van alle andere schulden, op het oogen-blik van de verleening der voorloopige surséance bestaande, kan, gedurende de surséance, niet anders plaats hebben, dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen.
235. De sux-séance werkt niet ten voordeele van de medeschuldenaren en borgen.
236. Het rechterlijk college, hetwelk de surséance verleend
619
heefb, kan die, op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer der schnldeiscliers, intrekken :
1°. indien de schu'denaar zich, gedurende den loop dei-surséance, aan kwade tronw in het beheer van den boedel schuldig maakt;
2°, indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen;
3°. indien hij handelt in strijd met artikel 230, eerste lid;
4°. indien hij nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan moet worden;
5°. indien, hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruit gegaan, dat het vooruitzicht is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance.
In het laatste geval kan de intrekking ook op verzoek van den schuldenaar worden uitgesproken.
In de gevallen, vermeld onder n05. 1 en 5, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.
De bewindvoerders en de schuldenaar worden, indien zij niet zelve het verzoek gedaan hebben, daarop gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.
Indien op grond van de bepalingen van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaiing van den schuldenaar worden uitgesproken.
Gedurende de surséance kan de faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd.
De beschikking, houdende intrekking der surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in art. 215, tweede lid.
237. De schuldenaar is steeds bevoegd van het rechterlijk college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zijne betalingen te hervatten. Op dit verzoek worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.
Deze oproeping, gelijk mede die bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel, geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door het rechterlijk college te bepalen dag.
238. Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken over-
620
eenkomstiy eeue der bepalingen van dezen titel of wel binnen ééne maand na de afwijzing van bet verzoek tot surséance of na de intrekking of den afloop van de surséance, wordt bet tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van het verzoek tot verleening van sm-seance is bekend gemaakt.
De curator oefent dan de bevoegdheid uit, in het tweede lid van artikel 230 aan de bewindvoerders toegekend.
239. Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de bepaling van artikel 221 2°., en van de bewindvoerders wordt bepaald door de rechtbank en bij voorrang voldaan.
Dit laatste is ook vau toepassing op hunne verschotten en op die, door den griffier ten gevolge van de bepalingen van dezen titel gedaan.
Algemeene slotbepaling.
240. Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet te bepalen tijdstip.
REGISTER
der behandelde artikelen.
FAILLISSEMENTSWET.
|
Art. / eerste lid: blz. 7, 71â86,126 â 1 ] 129, 554â560. ( tweede lid: blz. 86â88. I eerste en tweede lid: blz. 88v. I derde lid: blz. 89â91, 97 v., ) 130â133, 050 7. ^ i vierde lid: blz. 93. I vijfde lid: blz. 94 v., zesde lid: blz. 96. 3. blz. 91â93. / eerste lid: blz. 96, 98, 101. 4 5 tweede lid: blz. 97 v., 130â133. ( derde lid: blz. 101 v. 5. blz. 9611'3, 98, 102, 107, 264, 268, 400, 408,420, 450, 512. I eerste lid: blz. 98 v., 558 v. 6 lt; tweede lid: blz. 7, 73â84, f 99â101. 7. blz. 101, 292. 8. , 102â105, 108, 112, 558 v. 9. â 107, 118, 121, 123, 563. 10. â 105â107. / eerste lid: blz. 106. I tweede lid: blz. 107, 118. 121. I derde lid: blz. 106, 107, 563. f vierde lid: blz. 108. / eerste en tweede lid: blz. 108 v, 12 j 112. ' derde lid: blz. 118, 121. jg ( eerste lid: blz. 50, 114 v., 118. ( tweede lid: blz. 112 v. |
Art. 14. blz. 11(5 v., 121, 290, 299, 420, 421, 458 n1 2, 563 v. 15. â 117 v., 121, 299, 458 n12, 564. 16. s 121, l^'i v., 445, 458. / eerste lid: blz. 121, 458 ir 2. ; tweede en derde lid: blz. 119 v., j 385, 386, 408. ( vierde lid: blz. 121 v. 18. blz. 123 v,, 45811'2. / eerste, tweede en vierde lid: 19 i blz. 124 v. ( derde lid: blz. 120. 125. 20. blz. 52 v.. 135â139,50011'1,508. / 1°: blz. lOl.UOv., 211â245, ^ 292, 294, 437. i 2°: Idz. 54, 14Cv. \ 3°â5°: blz. 147 v. 0i) C eerste lid: blz. 140â146,564. ( tweede lid: blz. 225v. 23. blz. 43, 148- 150, 508. 24. , 43, 150 v. 25. s 151â155. 246. 26. , 155 v., 173. 199 n'2, 355. 27. , 158â161, 162 v. 28. , 157, 161â163. 29. , 157, 335, 368. 30. , 163 v. 31. â 164 v 32. , 165 v. 33. , 168 v., 247â250, 564 v. |
622
|
Art. U. biz. 169. 35. , 232â236. 36. , 158, 815. 37. , 63,174-170, 180, 181 n'l, 209, 233, 352. 38. , 176-180, 209. 39. â 180â182, 183. â 40. , 182 v. 41. â 236. 42â51. biz. 183â188. 42. biz. 188â193. 43. , 193â195. 44. , 195 v. 45. , 197. 46. â 198v. 47. â 199â201. 48. r 201 v. 49. â 203. 50. , 204, 376. 51. , 204â207, 251 v. 52. , 207 v. 53. , 209â211. 54. â 19911'3, 211 v., 560â562 55. â 212 v. 56. , 236â239. 57. , 214 v., 253 v., 355, 469, 471 v., 565. gg ^ eerste lid: biz. 217. ( tweede lid: biz. 218 v. 59. biz. 219, 444, 473. 60. , 239 v., 440. 61. â 227â230, 255â257. 62. â 197, 231 v. / eerste lid; biz. 221â225, 236, 63 J 303, 426 v. ( tweede lid: biz. 226 v. 64. biz. 259 v. 65. â 261. |
Akt. 66. biz. 2«1â203, 295, 565. I eerste lid: biz. 264,268,418 n12. I tweede lid: biz. 147, 148, 169 I n11,217, 265 v., 28211'1,293 67 ' n' 1, 296 n' 1, 297 n' 1, 298iitl, I 301 n4 1, 323 n1 2 en 3, 334, [ 437 n1 1, 438 n* 3, 439 n4 3, I 441 n' 1, 443. / eerste lid: biz. 222, 260, 266, fis 438- I tweede lid: biz. 17011'3, 180 ^ n12, 182 n' 1, 21811'1, 266. 69. biz. 265, 268 v., 270, 280 n' l, 282, 283, 297. 70. â 271 v., 326. 71. â 122, 273 v. 72. â 120, 269â271. 73. â 272v., 274,282,283,388,461. 74. , 116, 276 v., 278. 75. , 276â278, 285, 327, 328. 76. , 282. 77. , 278 v. / eerste lid: biz. 17 5 n' 3, 180 n' 2, ) 182 n'l, 217, 218 n'l, 279 v., ] 296, 297, 298, 438, 441,443. ' tweede lid: biz. 280. 79. biz. 280â282, 296. 80. , 284, 317. 81. , 285v., 388. 82. , 284 v., 358. 83. , 286 v. ^ eerste lid: biz. 283, 287, 441. ( tweede lid: biz. 287, 441,458iit2. 85. biz. 68, 288 v., 452. 86. â 288 v. 87. , 69 n'l, 166, 304â306. 88. , 305. 89. , 306 v., 318, 319, 320. |
623
|
Art. 90. biz. 307. 91. â 302, 306. 92. , 290â292, 301. ( eerste en tweede lid; biz. 292. 93 ( derde lid: biz. 245,292 v. 94. biz. 283, 293â295. 95. , 245, 294. 96. , 295. 97. , 33, 120, 295. 98. , 41, 183, 296 v., 435. ( eerste lid: biz. 121, 299 v. ( tweede lid; biz. 300 v. 100. biz. 41, 297, 435. 101. â 4!, 298, 436 v. 102. â 301. 103. 3 69, 301 v. 104. , 265, 302. 105. â 282, 283. 295, 303 v., 306 v. 106. , 302, 304, 307. 107. â 307 v. ( eerste lid: biz. 113 v., 312 v. ^ k ( tweede en derde lid: biz. 313 v. 109. biz. 315, 458 n* 2. 110. â 315. 111. , 315 v. 112. B 316, 322. 113. â 316. 114. , 33, 120, 317. 115. â 317, 386. 116. B 307, 318â320, 345. 117. â 320. 118. , 320â322. / eerste lid: biz. 324â326. 119 i tweede lid: biz. 326, 329â331. ' derde lid: biz. 318, 326v. / eerste lid: biz. 331 v. 120 ] tweede lid: biz. 121.321,332. ' derde lid: biz. 332. |
Art, / eerste lid: biz. 328, 357,358. j tweede lid: biz. 331. j derde lid: biz. 327, 397 v. ' vierde lid: biz. 328 v. / eerste lid: biz. 68, 333, 334â i 336, 366â375, 565. 122 tweede en vierde lid: biz. 336 v., ] 338. [ derde en vijfde lid: biz. 337,565. 123. biz. 52, 338â344. 124. â 121, 321, 333. 125. â 334. 126. â 156, 344â348, 414, 479 v. 127. â 322â324, 325. 128. â 348 v. 129. , 350. 130. , 210, 215, 350 v., 353, 356. 131. s 60,61,210.215,351â355, 356, 565. 132. , 358 v., 391. 133. . 156, 170, 210, 355 v. 134. jf 356â358. 135. , 359 v., 393, 412, 413 v, 136. , 360 -365, 393. 137. , 120, 327 v., 398. 138. , 376, 382-384, 426â428. 139. â 33, 327, 385 v., 387. 140. , 283, 387. 141. , 386â389, 565 v. 142. , 389. 143. B 384 v., 390â393, 397. 144. jj 389, 397. 145. â 393 v. 146. B 395 v. 147. , 396 v. ( eerste lid: biz. 328, 394, 397 v. ( tweede lid; biz. 120, 398 v. 149. biz. 399 v. |
624
|
Art. 150. biz. 400 v. 151. , 401. 152. â 387 n'1, 401, 409. eerste lid: biz. 402, 408. 1 tweede lid: biz. 379, 384.402â 153 ' 4Ã7- j tweede lid 3°: biz. 40G ^..429 â f 432. derde lid: biz. 402. 154. biz. 407 v. 155. , 408â410. 15C. , 410. 157. , 376, 384, 410 v. 158. , 383, 425. 159. , 345, 414 v. 160. B 411â413. 101. , 58, 309, 414, 422. 102. , 377, 414. / eerste en tweede lid: biz. 415 â 163 \ 417. 433 v. I derde lid: biz. 417 v. 164. biz. 334, 417. 165. â 419 v. 166. â 420. 167. â 430, 458 n1 2. 168. â 420 v. 169. â 421 y. 170. , 382 v., 422. 171. â 422â424. 172. , 424 v. / eerste lid: biz. 41, 386, 436 v., 173 J 462â405. ( tweede lid: biz. 405. 437 v. 174. biz. 217, 298, 438 v., 466â468, 470. C eerste lid: biz. 439. ( tweede lid: biz. 439 v. 176, biz. 41, 435, 441. |
Art. 177. biz. 440 v. 178. , 288, 441â443, 458 n' 2. 179. â 443. 180. , 443â446. 181. , 351, 444. 182. , 446â449, 566. i eerste lid: biz. 120, 449. 183 , tweede lid: biz. 33, 120.449. ( derde lid: biz. 449, 458 n' 2. 184. biz. 450. ( eerste lid: biz. 120, 121,450. ( tweede en derde lid: biz. 450. 186. biz. 451, 454, 455. 187. ,, 451 v. / eerste lid: biz. 254, 392, 452 v., 188 ] 469-475. tweede lid; 453. ( eerste lid: biz. 351, 453 v. ( tweede lid: biz. 454.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
625
|
biz. 25 v, 458 n' 2, 512. , 25 v., 512. , 25 v., 513. â 25 v., 513. â 25 v., 513 v , â 518â522, 523. , 524. â 524. B 524 v. / eerste en tweede lid: biz. 525 v. ^ derde lid: biz. 519â522,527. (vierde, vijfde en zesde lid: biz. 527 v.vierde, vijfde en zesde lid: biz. 527 v. biz. 528 v. , 529 v. 530 v. 532 v. Art. 226. 227 228. 229 230. 231. 232. 233. 234. 235. 236 237. 238. 239. 240. Art. 208. 209. 210. 211. 212. 213. 214. 215. 216. 217 218. 219. 220. 221. 222. 223. 224. 225. 534 v. 519â522. 535 v. |
biz. 536 v C eerste lid: biz. 532, 538. ( tweede lid: biz. 538. biz. 537 v. ( eerste lid: biz. 533. { tweede lid: biz. 548. biz. 538â540. , 540â542, 544. , 542 v. , 544â547. . 543 v., 546. â 547 v. /' eerste en derde lid: biz. 523 ^ eerste, tweede, derde, vierde j vijfde en zevende lid: blz. 549 v zesde lid: blz. 529, 540. blz. 550 v., 552. â 553. , 548 v. . 6. |
Molkngraaff, ruillisscmentsw et
40
REGISTER
der behandelde onderwerpen.
A.
Aanbrengst.
Bewijs van â van goederen door de vrouw, bij faillissement van den man, blz. 227â230; door den man, bij faillissement van de vrouw, blz. 281.
Aangifte.
Eigen â tot faillietverklaring, blz. 96, 98, 99, 101.
Eigen â bij vennootschap onder eene firma, blz. 97, 132.
â na opheffing van het faillissement, blz. 121.
Aankondiging.
Vonnis van faillietverklaring, blz. 117.
Vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, blz. 117,118. Opheffing van het faillissement, blz. 124,
Vergaderingen der schuldeischers, blz. 287, 442.
Termijn voor de indiening der schuldvorderingen en bepaling
der verificatie-vergadering, blz. 315.
Heropening van het faillissement, blz. 420.
Nederlegging der uitdeelingslijst ter griffie, blz. 419.
Einde van het faillissement na vereffening, blz. 458.
Verzoek van rehabilitatie, blz. 512.
Verzoek tot surséance van betaling, blz. 524.
Hooger beroep tegen de beslissing omtrent de voorloopige
surséance, blz. 529.
Verleening van voorloopige surséance, blz. 532,
Verleening van definitieve surséance, blz. 537.
Intrekking der surséance, blz. 550.
Tvostelooze â in de Staatscourant, blz. 458 nt. 2.
Aannemer.
Rechten der ambachtslieden bij faillissement van den â, blz. 216. Aanvang.
â van het faillissement, blz. 149, 150.
627
Aanvrage tot faillietverklaring.
Ruimere en engere heteekenis van â, blz. 199 n'. 3.
â in engeren zin, blz. 98â102.
â na opheffing van het faillissement, blz. 124.
Actio Pauliana.
Zie Nietigheid.
Administratie (Algemeene 's lands).
Gelden enz. berustende onder de â, af te geven aan den curator, blz. 145, 146.
Administratie der posterijen en telegrafie.
Zie Posterijen en telegrafie.
Advies.
Adviezen der Kaniers van Koophandel: over het ontwerp van wet der Staatscommissie, blz. 3; over de instelling der commissie uit de schuldeischers, blz. 274; over het behoud der surséance van betaling, blz. öló.
Adviezen van den Raad van State en van enkele leden van den Raad: over het ontwerp van wet, blz. 3; over ophouden te betalen als voorwaarde der faillietverklaring, blz. 73.
Adviezen, uit te brengen over een aangeboden akkoord, blz. 387, 388, 389 n'. 3.
â van de commissie uit de schuldeischers, blz. 278â 282.
Afscheiding.
â van den boedel des overledenen van die zijner erfgenamen, blz. 494.
Afschriften.
Nederlegging van â van verschillende stukken ter griffie: van de boedelbeschrijving en den staat der baten en schulden, blz. 295; van de lijsten der schuldvorderingen, blz. 317, 442; van de uitdeelingslijst, blz. 449.
Verplichting van den griffier â te geven, blz. 307, 308.
Toezending van â van het ontwerp van akkoord, blz. 385, 386.
Afstand.
â van hypotheek, pand of' voorrecht vóór de stemming over het akkoord, blz. 390â392.
Akkoord bniten faillissement, blz. 34â37.
Molengbaaff, raillisseraentswet. ^'
628
Akkoord in faillissement.
Invloed van het â op rechtsvorderingen tot inroeping dei-nietigheid van handelingen des gefailleerden, blz. 204; op renvooi-processen, blz. 368â375.
Beteekenis van het â in het faillissement van een in alge-heele gemeenschap gehuwden echtgenoot, blz. 223, 224.
Inhoud, blz. 376â380.
â houdende boedelafstand, blz. 204, 376, 378.
Rechtskarakter, blz. 380â382.
Gevallen, waarin een â niet kan worden aangeboden, blz. 382, 383, 422, 425.
Schuldeischers, voor wie het â verbindend is, blz. 383â385,410.
Tijdige aanbieding, blz. 385, 386.
Niet-tijdige aanbieding, blz. 386, 387.
Adviezen over het aangeboden â- , blz. 387, 388, 389.
Uitstel van de raadpleging en beslissing, blz. 386, 387. 388, 389.
Raadpleging over en wijziging van het â , blz. 389.
Stemrecht, blz. 390, 393.
Afstand van voorrang, blz. 390â392.
Meerderheid, voor de aanneming van het â vereisclit, blz. 393â395.
Tweede stemming, blz. 395, 396.
De beslissing over het â is onherroepelijk, blz. 396, 397.
Proces-verbaal van het verhandelde, blz. 397â399.
Verbetering van het proces-verbaal, blz. 399, 400.
Werking van het â , blz. 410, 411.
Invloed van het â op de verplichtingen van borgen en medeschuldenaren, blz. 411â414.
Niet-nakoming en ontbinding van het â , blz. 418â420.
Verdeeling der baten onder de schuldeischers na ontbinding van het â en heropening van bet faillissement, blz. 422â424.
Nieuw faillissement, terwijl aan het â nog niet volledig is voldaan, blz. 425.
Aanbieding van het â door een ander dan den gefailleerde, blz. 426- 428.
Vernietiging van het - wegens sluipovereenkomst, blz. 431.432.
Voorstel der Staatscommissie omtrent een â na slotuitdee-ling, blz. 484, 485.
Uitsluiting van het â in het faillissement eener nalatenschap, blz. 495â497.
Territoriale werking van het â , blz. 505, 506.
Zie Homologatie, Voorrang.
Akten.
Zie Ontle rshandsche akten.
Altijddurende rente.
Faillissement van den renteschuklige, blz. GOâ02, 352.
Amendement.
Amendementen bij de behandeling der Faillissementswet, blz. 10.
â van Mit. Levy over de homologatie van een akkoord buiten faillietverklaring, blz. 36.
Amendementen op artikel 1, blz. 78â80.
van de H H. Tydeman en Hakte op artikel 1 bij de behandeling van het wetsvoorstel Pijnappel, blz. 83, 84.
â van de Commissie van voorbereiding tot invoeging dei-artikelen 10 en 11, blz. 106.
â van Mk. Levy op artikel 173, blz. 463, 464.
â van Mk. van Houten op artikel 198, blz. 489.
â van de Commissie van voorbereiding: tot invoeging van een artikel 205i/s, blz. 501 n'. 3; â tot invoeging van de elfde afdeeling (van de rehabilitatie), blz. 510; â tot invoeging van een artikel 229i/s, blz. 551.
Assignatie.
Nietigheid der betaling, blz. 201, 202.
Zie Papier aan order, Papier van waarde.
Auteursrecht, blz. 141, 243â245.
B.
Bedrog.
Vernietiging der verificatie op grond van â, blz. 328, 329. Weigering van de homologatie van een akkoord op grond van â, blz. 402, 406, 407, 429â432.
630
Bedrijf.
Voorzetting van het â des gefailleerden, hlz. 292, 293, 296, 297.
Beëediging van schuldvorderingen, blz. 329â332. Begunstiging.
Nietigheid van de voldoening aan eene opeischbare schuld
op grond van â. blz. 199â201.
Weigering van de homologatie van een akkoord op grond van â, blz. 406, 407, 429â432.
Beheer en beschikking.
â over den fViillieten boedel, blz. 42â44, 148â151, 260, 266.
â over den boedel van den schuldenaar, wien surséance van betaling is verleend, blz. 538â540.
Belastingen.
Crediet op termijnen bij accijnzen, blz. 63.
Directe â, blz. 63, 64.
Surséance van betaling, blz. 545.
Beleening.
Nietigheid van gegeven surplus bij â, blz. 201.
Rechten van den beleener, blz. 214, 215, 217â219.
Benadeeling.
Nietigheid van handelingen, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn: in een geding, blz. 164, 165; in het algemeen 183â193. Zie Nietigheid.
Berechting.
â der faillissementen door de arrondissements-rechtbanken, blz. 32â34.
Beschikkingen.
â der rechtbank in faillissementszaken niet .'tan hooffer beroep onderworpen, blz. 288.
Rechterlijke â uitvoerbaar bij voorraad, blz. 288, 289. Zie Rechter-Commissaris, Rechterlijke beschikkingen.
Beslag.
Met faillissement een â, blz. 39â42.
Goederen die niet in â genomen mogen worden, blz. 140â146, 241. 245, 292 n'. 1, 294.
631
Invloed der faillietverklaring op gelegde beslagen, blz. 168, 247 -249.
Revindicatoir â, blz. 169, 241, 242.
Pand -â, blz. 168, 564, 565.
Doorhaling van beslagen, blz. 475, 476.
Verval van gelegd â in geval van surséance van betaling, blz. 540â542.
Bestuur.
Het â over den faillieten boedel, blz. 258 â 289.
Betaling.
Vorderingen tot â uit den boedel, blz. 154â158
Vorderingen tot â («ai den boedel, blz. 154, 155.
Nietigheid van de - van niet-opeiscbbare schulden door den schuldenaar vóór de faillietverklaring, blz. 194, 195.
Nietigheid van de â van opeischbare schulden door den schuldenaar vóór de faillietverklaring, blz. 199â201.
â van papier aan order of toonder vóór de faillietverklaring, blz. 201, 202.
Invloed van het faillissement op betalingen aan den schuldenaar, blz. 207â209.
â van bevoorrechte schulden na de homologatie van een akkoord, blz. 415â418.
â der vastgestelde percenten nïi insolventie, blz. 457.
â van schulden gedurende de surséance van betaling, blz. 543- 546.
Hervatting der betalingen na verkregen surséance van betaling, blz. 550, 551.
Betwisting.
Invloed van de â eener vordering op de afwikkeling van het faillissement, blz. 310, 311.
Lijst van voorloopig betwiste vorderingen, blz, 316.
Welke schuldeischers het recht van â hebben, blz. 325, 326.
â door den curator, blz. 316, 326.
â van den voorrang en van het recht van terughouding, blz 316, 325, 326, 338.
Wezen en gevolg der â, blz. 332â338.
Kennisgeving der â aan afwezig gebleven schuldeischers, blz. 333.
632
Verwijzing en renvooi-proces, blz. 334â 338.
Voortzetting van aanhangige rechtsvorderingen tot betaling na â, blz. 157, 164, 165, 335, 367, 368.
â door den gefailleerde, blz. 344â348, 368, 114,480, 481.
Gronden van â, blz. 316, 367.
â op grond van de nietigheid der handeling, waarop de vordering steunt, blz. 203.
-â- van het recht mede te stemmen bij beraadslaging over een verzoek tot surséance van betaling, blz. 525, 526, 535.
Zie Renvooi-proces.
Bevoegdheid.
â des gefailleerden tot het bekleeden van ambten en betrekkingen, blz. 27â29.
â van den rechter-commissaris, blz. 259â263.
â van den curator, blz. 266.
Handelingen door den curator verricht met overschrijding zijner â, blz. 269â271.
â van de commissie uit de schuldeischers zelfstandig op te treden, blz. 282, 283.
â tot aanbieding van een akkoord, blz. 426â428.
Zie Rechterlijke bevoegdheid.
Bevoorrechte schulden.
Voldoening der â na homologatie van een akkoord, blz. 415â418.
Beteekenis van âeen erkend voorrechtquot;' in artikel 163 eerste lid, blz. 433, 434.
Verkoop door den curator van een door â bezwaard schip, blz. 453.
Zie Voorrang.
Bewindvoerders (testamentaire), blz. 27 nt. 1.
Bewindvoerders bij surséance van betaling.
Benoeming, blz. 532, 533.
Taak, blz. 532, 533, 538â540, 548.
Ontslag, blz. 533.
Loon en verschotten, blz. 548.
Bewoning (recht van) blz. 139.
Bewijs.
â te leveren bij do aanvrage tot faillietverklaring: door den
633
schuldeischer, biz. 99â101, lO-l n'. 1, 555; door het Openbaar Ministerie, blz. 88; door den schuldenaar, blz. 100.
â door onderhandsche akten, van den gefailleerde afkomstig, blz. 51, 52, 338â344.
Overlegging van bewijsstukken bij de indiening eener schuldvordering ter verificatie, blz. 315, 316.
Betwisting wegens het ontbreken van â der vordering, blz. 316, 367.
Boedel.
Onderscheid tusschen groote en kleine boedels, blz. 30â32. Omvang van den faillieten â, blz. 52â54, 135â139, 500 n1. 1. Vermogensrechten die buiten den faillieten â blijven, blz. 139â148.
Vorderingen welke rechten en verplichtingen, tot den faillieten
â behoorende, ten onderwerp hebben, blz. 153, 154. Zie Beheer en beschikking, Commissionnair.
Boedelafstand.
Akkoord houdende â, blz. 204, 376, 378.
Boedelbeschrijving.
Aanvaarding van erfenissen, aan den gefailleerde opkomende,
onder voorrecht van â, blz. 236.
Beschrijving van den faillieten boedel, blz. 293â295. Faillietverklaring van een onder voorrecht van -- aanvaarde nalatenschap, blz. 491.
Boedelschuld.
Beteeken is, blz. 156.
Proceskosten, blz. 161.
Huurovereenkomst, blz. 181.
Dienstbetrekking, blz. 182.
Boeken.
Openlegging van â, blz. 66, 67.
â en papieren tot den boedel behoorende, blz. 291, 414. 459. Recht des curators inzage te vorderen van de â der schuld-
eischers, blz. 315, 316.
Borgtocht.
Rechten van de borgen des gefailleerden, blz. 65, 359, 360, 413, 414.
634
Verificatie van schuldvorderingen verzekerd door â, blz. 359, 360, 364, 365.
Invloed van liet akkoord op de verplichtingen der borgen, blz. 411â413.
Invloed van surséance van betaling op de verplichtingen der borgen, blz. 547, 548.
Brieven.
â aan den gefailleerde gericht, blz. 299, 300.
Oproeping bij brief of â:
a. faillissement, blz. 98, 106, 107, 109, 287, 314, 315, 317, 389, 442, 449, 492;
b. surséance van betaling, blz. 524, 535, 550.
Buitenland.
Faillietverklaring: van een schuldenaar, die zich buiten het Hijk in Europa heeft begeven, blz. 88, 89; van eene vrouw, wier man in het buitenland woont, blz. 93; van een schuldenaar, die buiten liet Rijk in Europa ziju woonplaats heeft, blz. 93â95.
Verzet tegen de faillietverklaring, als de schuldenaar zich
buiten het Rijk in Europa bevindt, blz. 102. Schuldeischers, die buiten het Rijk in Europa wonen: verificatie,
blz. 322, 323.
Faillietverklaring in het â: werking, blz. 499â505. Akkoord: goederen in het â, blz. 506.
Afzonderlijk verhaal op goederen in het â-: inbrengplicht,
blz. 500, 501, 507, 508.
Surséance van betaling: oproeping van schuldeischers in het â, blz. 524.
C.
Cassatie.
Faillietverklaring, blz. 108, 109. 112.
Homologatie van een akkoord, blz. 410
Uitsluiting van beroep in â: tegen de beslissing over de uitdeelingslijst, blz. 452; tegen de beslissing over de rehabilitatie, blz. 513; tegen de beslissingen over surséance van betaling, blz. 530, 538.
685
Cessie.
Zie Overdracht van vorderingen.
Cheque.
Zie Assignatie, Papier aan order, Papier aan toonder, Papier van waarde.
Commissie uit de schuldeischers, blz. 274â2S4.
Voorloopige â, blz. 116, 276.
Definitieve â, blz. 277.
Taak van de â, blz. 278.
Onderwerpen, waaromtrent de curator verplicht is het advies
van de â in te winnen, blz. 27!), 280.
Beroep van de â op den rechter-conimissaris, blz. 280â282. Bevoegdheid van de â zelfstandig op te treden, blz. 282, 283. Advies over het akkoord, blz. 387, 388, 389 n'. 3. Noodzakelijke uitgaven, blz. 283.
Heropend faillissement, blz. 420.
Commissie van voorbereiding, blz. 4, 5, 6, 7.
Zie Amendement.
Commissie van Rapporteurs, blz. 5, 6, 8.
Commissionnair.
Hecht tot executie, blz. 62, 215.
Hetgeen de â voor anderen te vorderen of onder zich heeft behoort niet tot zijn faillieten boedel, blz. 136â139.
Compensatie.
Zie Schuldvergelijking.
Concurrente schulrteischers.
Akkoord, blz. 384, 410.
Uitdeelingslijst, blz. 444.
Consignatie.
Zie Gerechtelijke consignatie.
Consuiaire rechtbanken.
Bevoegdheid in faillissementszaken, blz. 69.
Contante waarde.
Verificatie voor de â van vorderingen : onder eene opschortende voorwaarde, blz. 350, 351; met tijdsbepaling, waarvan het
636
tijdstip der opeisclibaarheid onzeker is of welke recht geven op periodieke uitkeeringen, blz. 351â355.
Altijddurende rente, blz. 61, 62, 352.
Coöperatieve vereeuiging.
Zie Vereenigingen.
Curateele.
De gefailleerde staat als zoodanig niet onder â, blz. 42, 43.
Faillietverklaring als de schuldenaar onder â staat, blz. 557â560.
Faillietverklaring van den curator, blz. 27.
Curator.
Vertegenwoordiging van de schuldeischers en van den gefailleerde door den â, blz. 46â52.
Nietigheid van handelingen ten nadeele van de schuldeischers door den â in te roepen, blz. 203.
Benoeming, blz. 116, 267, 272, 420, 461.
Taak en bevoegdheid, blz. 266, 267.
Bevoegdheid van belanghebbenden op te komen tegen het bestuur van den â, blz. 268, 269.
Handelingen door den â verricht zonder de vereischte machtiging, blz. 269â271.
Bevoegdheid tot handelen als meer dan één â is benoemd, blz. 271, 272.
Ontslag, blz. 278, 274, 282, 283, 461.
Rekening en verantwoording, blz. 116, 273, 414, 459, 460.
Salaris, blz. 122, 273, 274.
Verplichting van den â, het advies der Commissie uit de schuldeischers in te winnen, blz. 279, 280.
â in het buitenland benoemd, blz. 503â505.
â over een onder curateele gestelden persoon, blz. 27, 557â560.
Zie Curateele.
D.
Dading.
Bevoegdheid van den curator dadingen aan te gaan, blz. 302. Dagteekening.
Onderhandsche akten, blz. 51, 52, 338â344.
637
Dagvaarding.
Dagvaardingen en exploten ten aanzien van den boedel eens gefailleerden, blz. 67.
Deel i ng (Scheiding en).
Zie Gemeenschap.
Dorden.
Werking van de nietigheid van handelingen ten nadeele van de schuldeischers tegen â, blz. 204â207, 251, 252.
Is de curator een derde in den zin van artikel 1917 Burg. Wetb., blz. 51, 52, 338â344.
Bevoegdheid van den curator tegenover â, blz. 269â272.
Deskundigen.
De rechter-cornniissaris kan â hooren, blz. 261, 262.
â voor de waardeering der goederen bij de boedelbeschrijving, blz. 293.
â ter bepaling van de waarde van schuldvorderingen, blz. 356.
â bij surséance van betaling: benoeming, blz. 532; taak, blz. 532â534; ontslag en vervanging, blz. 533; uit te brengen verslag, blz. 534, 535 ; Iconen verschotten, blz. 548.
Dienstbetrekking.
Inkomsten van den gefailleerde uit dienstbetrekkingen, blz. 146, 147.
Bezoldigde personen in dienst van den gefailleerde: opzegbaarheid hunner betrekking, blz. 182, 183.
Diensten van den gefailleerde ten behoeve van den boedel na de insolventie, blz. 440, 441.
Dienstboden, werklieden en bedienden: surséance van betaling, blz. 545.
Directe belastingen.
Zie Belastingen.
Dood.
Zie Overlijden.
Doorhaling.
â van hypothekaire inschrijvingen, blz. 392, 452, 453, 469.
â van ingeschreven beslagen, blz. 475, 476.
638
E.
Echtgenoot.
Zie Gehuwde man, Gehuwde vrouw, Huwelijks-g o e cl e r e n r e c h t.
Echtscheiding.
Vordering tot â, blz. 152, 153.
Eed.
Kan in een geding, dut door of tegen den curator of tegen een schuldeischer wordt gevoerd, aan den gefailleerde een â worden opgelegd, blz. 165, 166.
Faillietverklaring nii opdracht van een beslissenden â, blz. 166â168.
Beëediging van schuldvorderingen, blz. 329â332.
Effecten.
De curator neemt de â onder zich, blz. 291.
Verzegeling, boedelbeschrijving, blz. 292, 293, 294. Bewaring van en beschikking over â, blz. 301, 302.
Einde van het faillissement.
Door opheffing van het faillissement, blz. 122, 123.
N:i de homologatie van een akkoord, blz. 50, 115, 204, 414.
Na insolventie, blz. 54â57, 458, 477â482.
Einde van de surséance van betaling.
Door afloop van den gestelden termijn, blz. 536.
Door intrekking der surséance, blz. 549â551.
Dood van den schuldenaar, blz. 551â553.
Erfenis.
Aanvaarding of verwerping door den curator, blz. 286. Nietigheid van de verwerping eener â door den gefailleerde,
blz. 188.
Zie Nalatenschap.
Erfgenamen.
Beëediging van schuldvorderingen, blz. 329, 331.
Erkenning van schuldvorderingen.
Voorloopige â, blz. 312, 316.
Beteekenis en rechtskracht der â â, blz. 311, 312, 328, 329.
639
Voorwaardelijke â- of toelating, biz. 811. 312, 881, 884, 851, 360, 863.
Kracht der â tegen den gefailleerde, blz. 844â348, 414, 415, 479â482.
Rechten der erkende schuldeischers, blz. 284, 287, 393.
Executeur testamentair, blz. 27.
Executie.
Faillissement eene â van het vermogen des schuldenaars, blz. 24, 25, 42, 46â50, 54.
Invloed der faillietverklaring op aangevangen executiën, blz. 168. 169.
Wanneer de â van goederen is geëindigd, blz. 247â249.
Schorsing van aangevangen executiën door de surséance van betaling, blz. 540â542.
Executoriale titel.
Vonnis van homologatie in verband met het proces-verbaal der verificatie, blz. 414, 415.
Proces-verbaal der verificatie, na afloop van het faillissement in geval van insolventie, blz. 479 â 482.
F.
Faillietverklaring.
Het verkeeren in den toestand van te hebben opgehouden te betalen voorwaarde voor de â, blz. 71 â 86, 554, 555.
Onvermogen geen voorwaarde voor de â, blz. 76, 77, 554.
Vordering tot â door het Openbaar Ministerie, blz. 86â88.
â van vennooten onder eene firma, blz. 89 â 91, 130 â138. van een schuldenaar die onder curateele staat, blz. 557 -560.
â eener gehuwde vrouw, blz. 91â98.
â in Nederland van personen die buiten liet Kijk in Europa wonen, blz. 98.
Gelijktijdige of opvolgende faillietverklaringen door verschillende rechtbanken, blz. 94, 95.
ââ van vereenigingen en stichtingen, blz. 95, 96.
Procedure tot â, blz. 96â102.
640
â van meerdere schuldenaren bij één vonnnis, blz. 556, 557.
Rechtsmiddelen tegen de beslissing over de â , blz. 102â109,
112; tabellarisch overzicht, blz. 110, 111.
Aanvrage of aangifte tot â na opheffing van het faillissement, blz. 124.
Schadevergoeding wegens ongegronde vordering tot â , blz. 126â129.
Gevolgen van de â, blz. 134, 135, 148â151.
De â heeft geen terugwerkende kracht, blz. 149, 150.
Tijdens de â aanhangige gedingen, blz. 157â165.
Invloed der â : op de tenuitvoerlegging van vonnissen, blz. 168, 169, 247â250; â oj) wederkeerige overeenkomsten in het algemeen, blz. 169â176; â op termijnzaken, blz. 176â180; â op huurovereenkomsten, waarbij de gefailleerde de huurder is, blz. 180â 182; â op bezoldigde betrekkingen in dienst van den gefailleerde, blz. 182, 183; â op betalingen aan den gefailleerde, blz. 207â209; - op schuldvergelijking, blz. 209â213.
â van den in algeheele gemeenschap gehuwden echtgenoot, terwijl de andere echtgenoot reeds in staat van faillissement verkeerd, blz. 222â225.
â, uitgesproken in het buitenland, blz. 501â505.
â, uitgesproken in de Nederlandsche koloniën of bezittingen, blz. 506, 507.
â bij afwijzing van het verzoek tot surséance van betaling, blz. 527,' 553.
vordering tot â, gelijktijdig aanhangig met een verzoek tot surséance van betaling, blz. 528.
â bij vernietiging in hooger beroep van de voorloopige surséance, blz. 531, 553.
â bij afwijzing der definitieve surséance, blz. 536, 538, 553.
â bij intrekking der surséance van betaling, blz. 550, 553.
â binnen één maand na afwijzing, intrekking of afloop der surséance van betaling, blz. 553.
Zie Vonnis van faillietverklaring. Nalatenschap.
Faillissement.
Doel en karakter, blz. 39â42.
Omvang, blz. 52â54.
641
Kostelooze behandeling, blz. 121, 122.
Opheffing wegens gebrek aan actief, blz. 122â 124, 445, 458.
Register der faillissementen, blz. 124, 125.
Aanvang van het â, blz. 149, 150.
â van een buiten gemeenschap gehuwden echtgenoot, blz. 220. 221.
â van een in eenige gemeenschap gehuwden echtgenoot, blz. 221, 222, 225â227, 303, 426â428.
â van een in algeheele gemeenschap gehuwden echtgenoot, blz. 222â225.
Heropening van hut â bij ontbinding van een akkoord, blz. 420, 421.
â , uitgesproken terwijl aan het akkoord in vroeger faillissement nog niet ten volle is voldaan, blz. 425.
â eener nalatenschap, blz. 486â498.
Territoriale werking van het â, blz. 501 â 505.
Zie Einde van het faillissement.
Fiii 11 i sspiiientskosten.
Wat onder de algemeene â te verstaan, blz. 446.
Omslag der algemeene â over ieder deel van den boedel, blz. 446â449.
Bijzondere â, blz. 444, 446.
Faiuilierecliteii.
â blijven buiten het faillissement, blz. 44â46, 148. 220.
Rechtsvorderingen â betreffende, blz. 152, 153.
G.
Oagie
van schipper of schepelingen, blz. 141.
Gebruik (recht van).
Het â blijft buiten het faillissementsbeslag, blz. 139.
Geding.
Schorsing van gedingen aanhangig tijdens de faillietverklaring, blz. 157â163.
Molkkgramp;aff, Faillisscmentswet
41
642
Gedingen, tijdens de faillietverklaring in staat van wijzen verkeerende, blz. 163, 164.
Nietigheid van handelingen door den sohnldenaar in een â verricht, blz. 164, 165.
De gefailleerde niet partij in het â door of tegen den curator gevoerd, blz, 165.
Eedsoplegging aan den gefailleerde in een â, door of tegen den curator of tegen een schuldeischer gevoerd, blz. 165, 166.
Gedingen naar aanleiding van de nietigheid van handelingen des gefailleerden, blz. 202â204.
Schorsing en hervatting van het verificatie-geding na homologatie van een akkoord, blz. 368â375.
Zie Betwisting, Nietigheid, Renvooi-proces.
Gefailleerde.
Vertegenwoordiging van den â door de schuldeischers en door den curator, blz. 46â52.
Gevolgen van het faillissement voor den persoon van den â, blz. 27â29. 42â44, 59.
Rechtsbevoegdheid en handelingsbevoegdheid van den â, blz. 42â46, 148â151, 165.
Verdiensten gedurende het faillissement, blz. 146, 147.
Rechten tegenover den curator, blz. 269, 273, 801.
Uitkeering van levensonderhoud door den curator, blz. 297, 435.
Verbod de woonplaats te verlaten, blz. 302.
Verplichting inlichtingen te geven, blz. 303, 304.
Inbewaringstelling, blz. 6911' 1, 304â307.
Verplichting de verificatie-vergadering bij te wonen, blz. 318. 319.
Ondervraging in de verificatie-vergadering, blz. 319, 320.
Recht van tegenspraak bij de verificatie, blz. 344â348.
Kracht van de erkenning eener vordering tegen den â, blz. 345, 346, 414, 415, 479â482.
Bevoegdheid een akkoord aan te bieden, blz. 382, 383,426 - 428.
Verleening van diensten aan den curator in geval van insolventie, blz. 440, 441.
Overlijden na de faillietverklaring, blz. 497, 498.
Rehabilitatie, blz. 509â514.
Zie Geding.
64:J
Gehuwde mam.
Faillissement van den â, blz. 220â230.
Bewijs van aanbrengst en opkomst van goederen in geval van faillissement van de vrouw, blz. 230, 231.
Voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken, blz. 231, 232.
Verplichting inlichtingen te geven, blz. 303, 304.
Aanbieding van een akkoord door den eenen echtgenoot voor den anderen, blz. 420â428.
Gehuwde vrouw.
Faillietverklaring, blz. 91â93.
Handelingen zonder machtiging, bijstand of toestemming des mans verricht, blz. 45, 4(1.
Faillissement der â in verband met het huwelijksgoederenrecht, blz. 221â 227. 230, 231.
Bewijs van aanbrengst en opkomst van goederen in geval van faillissement van den man, blz. 227- 230.
Verlies van aanspraak op voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken, blz. 231, 232.
Verplichting inlichtingen te geven, blz. 303, 304.
Aanbieding van een akkoord, Idz. 426â428.
Zie II u w e 1 ij k s g o e deren re c h t.
Geld.
Bewaring van voorhanden gelden, blz. 291, 292, 301, 302. Geldboete.
Veroordeeling tot betaling van â, blz. 246.
Gemachtigde.
Verschijning bij â: aangifte tot faillietverklaring, blz. 9G;â behandeling van de aangifte of aanvrage tot faillietverklaring, blz. 98, 104, 105. 107; â vergaderingen van schuld-eischers, blz. 288; â verificatie-vergadering, blz. 321,322; â betwisting van vorderingen door den gefailleerden, blz. 345;â aanbieding van een akkoord, blz. 426; â behandeling van de homologatie van een akkoord, blz. 401,409: â behandeling van het verzet tegen de uitdeelingslijst, blz. 450.
Schriftelijk â: behandeling van een verzoek tot surséance van betaling, blz. 525. 529, 537.
ll 1 *
Molkngraafp, Faillisscnientswet.
644
Bijzonder â ; beëediging van schuldvorderingen, blz. 3'31. ^32. Oproepingen tot de vergaderingen der schuldeischers en kennisgevingen te doen aan den â , blz. 286. 287.
Gemeenschap.
Ontbinding eener â ten gevolge van of tijdens het faillissement, blz. 236â239.
Zie Faillissement. Huwelijksgoederenrecht.
(Jerechtelijke consignatie.
In-bewaring-geven van voorhanden gelden aan den ontvanger
voor de gerechtelijke consignatiën, blz. 292.
Storting van onafgehaalde uitkeeringen in de kas der gerechtelijke consignatiën, blz. 457.
Getuigenverhoor.
â door den rechter-commissaris, blz. 261â263.
Gijzeling.
Zie Lijfsdwang.
Goederen.
Beteekenis van â in de artikelen 203 en 204, blz. 508.
Griffiekosten.
Faillissement, blz. 120, 121.
Vrijstelling van â, blz. 121, 122.
Surséance van betaling, blz. 548, 549.
H.
Handelingen om niet.
Nietigheid, blz. 195â199.
Handelingsbevoegdheid.
â van den gefailleerde, blz. 42â46, 148â151, 165.
- van den schuldenaar aan wien surséance van betaling is verleend, blz. 538â540.
Handwerkslieden.
Hechten bij faillissement van den aannemer, blz. 216.
645
Heropening van het faillissement.
â in geval van ontbinding van het akkoord, blz. 420â422. Verdeeling der baten onder de schuldeischers na â, blz.
422â424.
Herziening.
Aanleiding tot de â van het faillietenrecht. blz. IIâ15.
Homologatie
â van akkoord buiten faillietverklaring, blz. 34â37. Procedure tot verkrijging der - van een akkoord in het
faillissement, blz. 400â402.
Beschikking over de â, blz. 402.
Gevallen waarin de â moet worden geweigerd, blz. 402â407. Sluipovereenkomsten, blz. 407, 429 432.
Rechtsmiddelen tegen het vonnis betreffende de â, blz.
407â410.
Zie Vonnis van homologatie.
Hoofdbeginselen der Faillissementswet.
Geen onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden, blz, 19â23.
Geen onderscheiding tusschen eerlijke en oneerlijke schuldenaren. blz. 23â30.
Geen onderscheiding tusschen groote en kleine boedels, blz. 30â32.
Het faillissement een beslag, een vermogens-executie, blz. 24, 25, 39â42, 46â50, 54.
Hoofdelijkheid.
Schuldvorderingen met hoofdelijke schuldenaren: verificatie, blz. 360â365.
Invloed van het akkoord op de verplichtingen van hoofdelijke
medeschuldenaren, blz. 411â413.
Invloed der surséance van betaling, blz. 547, 548. Hoofdelijke borgen: verificatie, blz. 360.
Hooger beroep.
â van beslissingen omtrent de faillietverklaring, blz. 102â 105, 106, 107.
â van de beschikkingen van den rechter-commissaris, blz. 264-266, 268.
646
â van de beslissing over de homologatie van een akkoord, blz. 408â410.
â van de beslissing over de voorloopige surséance van betaling, blz. 528â530.
â van de beslissing over de definitieve surséance van betaling, blz. 537.
Uitsluiting van â : rechterlijke beschikkingen in faillissementszaken, blz. 288; beslissing op bet verzet tegen de uitdeelings-lijst, blz. 452; beslissing over de rehabilitatie, blz. 513.
Huisraad.
â ter beschikking van den gefailleerde in geval van insolventie, blz. 437, 438.
Hnissclmldeji. blz. 85, 86.
HiniroYereeiikoinst,
Opzegbaarheid der â in geval van faillissement van den huurder, blz. 180â182.
Betaling van huur gedurende de surséance van betaling, blz. 545.
Huur van diensten.
Zie Dienstbetrekking.
Hnwelijksgoederenrecht.
Faillissement van een der echtgenooten: bij uitsluiting van iedere gemeenschap, blz. 220, 221, 231; â bij algeheele
gemeenschap van goederen, blz. 221, 222......225.225 â 227;
â bij gemeenschap van winst en verlies of van vruchten en inkomsten, blz. 221, 222, 225â227.
Bewijs van aanbrengst en opkomst der goederen, die niet in de gemeenschap vallen, blz. 227â231.
Voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken, 1)1/.. 231, 232.
Recht der in gemeenschap van winst en verlies gehuwde vrouw, in het faillissement van haren man voor haar aanbrengst op te komen, blz. 255â257.
Aanbieding van een akkoord, blz. 426â428
Hypotheek.
Onherroepelijk gemachtigde eerste hypotheekhouders: recht van executie, blz. 213â215, 219; termijn waarbinnen zij hun recht moeten uitoefenen, blz. 217.
647
Aflossing van â door den curator, blz. 218, 219.
Inschrijving van hypotheek-akten nii de faillietverklaring, blz. 232--236.
Krediet- en voogdij-hypotheken, blz. 253, 254.
Verificatie van hypothekaire schuldvorderingen, blz. 219, 315, 316.
Verlies van â door verzuim daarvan opgave te doen, blz. 329, 346.
Verificatie van interesten, blz. 348, 349.
Voorwaardelijke en niet-opeischbare vorderingen, blz. 210. 351. 355.
Toekenning aan den hypotheekhouder van het recht van concurrent schuldeischer voor het vermoedelijk uiefc-gedekte deel zijner vordering, blz. 358, 359. 390, 391.
Afstand van â vóór de stemming over het akkoord, bl/. 391, 392.
Verhouding der hypothekaire schuldeischers tot een akkoord, blz. 384, 390, 393.
Plaatsing van hypothekaire schuldeischers op de uitdeelings-lijst, blz. 444.
Omslag der faillissementskosten, blz. 446â449.
Doorhaling van inschrijvingen na vaststelling der uitdeelings-lijst, blz. 452, 453, 469, 474, 475.
Mogelijkheid zuivering te vorderen, blz. 470â474.
Surséance van betaling, blz. 545, 546.
Zie Voorrang.
I.
Inbeslagiieniiug.
Zie Beslag.
Tiibcwariiigstciliiig.
â van den gefailleerde, blz. 69 n*. 1, 804 â307.
Iixleeling der Faillissementswet, blz. 15 â 19.
Indiening.
â ter griffie: verzoek tot faillietverklaring, blz. 98: â verzet tegen of hooger beroep van de beslissing over de failliet-
648
verklaring, biz. 102, 105, 106, 107; â beroep in cassatie van de beslissing over de faillietverklaring, blz. 109; â hooger beroep en beroep in cassatie van de beslissing over de homologatie, blz. 408, 410; â vordering tot ontbinding van een akkoord, blz. 420; â verzet tegen de uitdeelings-lijst, blz. 450, 451 ; â verzoek tot rehabilitatie, blz. 511, 512; â verzet tegen de rehabilitatie, blz. 512; âverzoek tot surséance van betaling, blz. 524; â hooger beroep van de beslissing over de voorloopige surséance, blz. 528;
â hooger beroep over de beslissing omtrent de definitieve surséance, blz. 537.
â van schuldvorderingen ter verificatie: bepaling van den termijn voor de â, blz. 113, 114, 312â315; wijze van â, blz. 315; niet-tijdige â, blz. 322â324, 442;
â met verzet tegen de uitdeelingslijst, blz. 451; stuiting der verjaring, blz. 158.
Inkomsten.
â van den gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, blz. 146. 147, 225, 226.
Iiiliclitiiigcii.
Verplichting van den gefailleerde â te geven, blz. 303, 304.
Inschrijving.
â van hypotheken en van pand- en verbaudbrieven na de faillietverklaring, blz. 232 â 236.
Doorhaling van hypothekaire inschrijvingen, blz. 392, 452, 453, 469, 474, 475.
Doorhaling van ingeschreven beslagen, blz. 475, 476.
Insolventie.
Toepasselijke voorschriften, blz. 435.
Aanvang der periode van â, blz. 436.
Afschaffing van het vonnis van â, blz. 462â465.
Verzilvering van den boedel, blz. 436 â 439, 466â468.
Zaken waarop recht van terughouding bestaat, blz. 440.
Diensten van den gefailleerde, blz. 440, 441.
Verzilvering van nagekomen baten, blz. 460, 461.
Interesten.
Verificatie van â na de faillietverklaring loopende, blz. 348, 349.
649
luteruatiunaal recht.
Voorstellen der Staatscoinmissie, blz. 199, 500.
Werking eener in het buitenland uitgesproken faillietverklaring, blz. 501-506.
Bevoegdheid van den in het buitenland benoemden curator, blz. 503.
Het territorialiteitsbeginsel in de rechtspraak, blz. 504â506.
Verhaal op goederen van den gefailleerde, welke zich in het buitenland bevinden, blz. 507, 508.
Intrekking.
â van de surséance van betaling, blz. 549â551.
Inzage.
Recht van den curator â te vragen van de boeken der schuld-eischers, blz. 315, 316.
â van stukken ter griffie; in 't algemeen, blz. 33, 120, 121; â register van faillissementen, blz. 125; â boedelbe-schrijving en staat van baten en schulden, blz. 295; â lijsten der schuldvorderingen, blz. 317;âverslag van den curator en proces-verbaal der verificatie-vergadering, blz. 328; â ontwerp van het akkoord, blz. 385; â proces-verbaal van de behandeling van het akkoord, blz. 398; â uit-deelingslijst, blz. 449; â beschikking bepalende den dag van behandeling van het verzet tegen de uitdeelingslijst, blz. 450; â verzoekschrift tot bekoming van surséance van betaling, blz. 524, 529; â verslag der deskundigen betreffende de surséance, blz. 535; â verslag der bewindvoerders, blz. 548.
K.
Kantongerecht.
Nederlegging van stukken ter griffie van het â, blz. 38; - boedelbeschrijving en staat van baten en schulden, blz. 295; â lijsten der schuldvorderingen, blz. 317; â ontwerp van het akkoord, blz. 385; â uitdeelingslijst, blz. 449.
650
Kant oor.
Faillietverklaring door den rechter, binnen wiens gebied de
schuldenaar een â heeft, blz. 93- -95.
Vermelding in het vonnis van failietverklaring, blz. 116.
Kassier.
Betaling van kassierspapier, blz. 64.
Faillissement van den -â, blz. 67.
Kiesrecht en verkiesbaarheid, blz. 28, 29.
Kleinoodiën.
De curator neemt de â onder zich, blz. 291.
Bewaring van en beschikking over â, blz. 301.
Koopakte.
Overschrijving na faillietverklaring, blz. 232â236.
Kooplieden en niet-kooplieden.
Geen onderscheiding tusschen â, blz. 19â23, 85, 86.
Korting.
â op traktementen, soldijen en pensioenen, blz. 141â144, 226, 564.
Kostelooze behandeling.
â van het faillissement, blz. 121, 122.
Kostelooze nederlegging en inzage.
â van stukken ter griffie, blz. 120, 121.
Kostelooze plaatsing
van bekendmakingen in de Nederlandtsche Staatscourant, blz. 121, 45811'2.
Krediet-hypotheek, blz. 253, 254.
L.
Lastgeving.
â eindigt door faillissement, blz. 62.
Legitieme portie.
Zie Wettelijk erfdeel.
651
Levensonderhoud.
Gelden tot â dienende, blz. 141, 147.
Uitkeering van â aan den gefailleerde, blz. 207, 298. â i-ïó.
Surséance van betaling, blz. 545.
Levensverzekering.
Overeenkomst tot uitkeering bij overlijden: verificatie, blz. 352.
Levering.
Na ile faillietverklaring kan â niet worden gevorderd, blz. 170, 232, 233.
Loon.
â van den curator, blz. 273, 274, 446.
â van bewindvoerders en deskundigen bij surséance van betaling, blz. 548, 549.
â van dienstboden, werklieden en andere bedienden, blz. 545.
Lijfrenten.
Verificatie, blz. 352.
Lijfsdwang.
Geen â na afloop van het faillissement, blz. 56, 57, 479. Ontslag uit de gijzeling ten gevolge van de faillietverklaring.
blz. 168, 169, 249, 250.
Surséance van betaling, blz. 542.
Lijsten.
â van voorloopig erkende en van voorloopig betwiste schuldvorderingen, blz. 316, 317.
M.
Maatscliap.
â eindigt door faillissement, blz. 60.
Machtiging.
Gevallen waarin de curator - van den rechter-commissaris
behoeft, blz. 266.
Gevolg van het ontbreken van de vereischte â, blz. 269â271.
Makelaar.
Faillissement van den â, blz. 67.
652
Makelaar in zee-assurantiën.
Kecliten van den â in geval van faillissement des verzekerden, blz. 62, 63, 215, 216.
Man.
Zie Gehuwde man.
Medeschuldenaren.
Zie Hoofdelijkheid.
N.
Naamlooze vennootschap.
Zie Vereenigingen.
Nalatenschap.
Voorwaarden voor de faillietverklaring, blz. 486â490.
Personen die de faillietverklaring kunnen vorderen, blz. 491.
Termijn waarbinnen de faillietverklaring moet worden gevorderd, blz. 492â494.
Afscheiding van den boedel des overledenen van die zijner erfgenamen, blz. 494.
Uitsluiting van akkoord, blz. 495, 496.
Zuivere aanvaarding, blz. 496.
Zie Erfenis.
Nederlandsche Staatscourant.
Zie Staatscourant (Neder 1 andsche).
Nederlegging.
â van stukken ter griffie, blz. 295, 317, 328, 385, 449, 450, 524, 529, 535, 548.
Nietigheid.
Handelingen door de gehuwde vrouw zonder machtiging, bijstand of toestemming verricht, blz. 45, 46.
â van handelingen des gefailleerden na de faillietverklaring, blz. 43, 44, 148â151.
â van handelingen door den gefailleerde vóór de faillietverklaring in een geding verricht, blz. 164, 165.
653
â van handelingen door den gefailleerde vóór de faillietverklaring ten nadeele zijner schuldeischers verricht, hlz 183â188, 192, 193, 202, 203.
Vereischten door artikel 42 voor deze â gesteld, bïz. 188â192.
Vermoeden van de wetenschap van de benadeeling der schuldeischers bij sommige handelingen, blz. 193â195.
â van handelingen om niet, blz. 195 â199.
â van de voldoening aan opeischbare schulden, blz. 199â 201.
Papier aan order en aan toonder, blz. 201, 202.
Beteekenis der â blz. 192, 193, 202, 203, 206.
Door wie de â kan worden ingeroepen, blz. 203.
Invloed van het totstandkomen van een akkoord, blz. 203, 204.
Gevolgen van de â, blz. 204â207.
Tegen wie de â kan worden ingeroepen, blz. 251. 252.
Faillissement van een in gemeenschap gehuwden echtgenoot, blz. 226, 227.
â van sluipovereenkomsten, blz. 429 -431.
Heropening van het faillissement, hlz 421, 422.
â van handelingen door den schuldenaar na verkregen surséance van betaling verricht, blz. 539, 540.
Surséance van betaling gevolgd door faillissement, blz. 531. 538, 553.
Notaris, blz. 27, 28.
O.
Oiiderhamlsclie akten.
Kracht van de dagteekening van , afkomstig van den gefailleerde, blz. 51, 52, 338â314
Onderhamlsche m-koop, blz. 217, 298, 438, 439.
Onderhoiulsplicht.
Wettelijke â, blz. 147.
Onderlinge waarborginaatscliappij.
Zie V er een i g i n g en.
Onderscheiding.
â tusschen kooplieden en niet-kooplieden, blz. 19--23, 85, 86.
654
â tusschen eerlijke en oneerlijke schuldenaren, blz. 2oâ30. 383.
â tusschen groote en kleine boedels, blz. 30â 32.
Oudorvraging.
â van den gefailleerde in de verificatie-vergadering, blz. 318â320.
Oneerlijke middelen.
Akkoord door â tot stand gekomen, blz. 406, 407, 429â432.
Ontbinding.
Recht van de wederpartij des gefailleerden â eener weder-keerige overeenkomst te vragen, blz. 170 â174,
â van overeenkomsten, ten tijde der faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk nagekomen, blz. 63, 174 â176.
â van ten tijde der faillietverklaring nog niet afgewikkelde termijnzaken, blz. 176â180.
â van overeenkomsten van kapitaal- en van rente-verzekering, blz. 352.
â eener gemeenschap ten gevolge van of tijdens het faillissement, blz. 236 â 239.
â van het akkoord, blz. 418â420.
Ontbindende voorwaarde.
Schuldvordering met â, blz. 349, 350
Ontslag.
â uit de gijzeling, blz. 168, 169, 249, 250, 542.
â van den curator, blz. 273, 274, 282, 283, 461.
â van bewindvoerders en deskundigen bij surséance van betaling, blz. 533.
Ontslag van de instantie, blz. 159, 336.
Ontvangbewijs, blz. 291, 315, 450, 512.
Onvermogen.
â om te betalen geen voorwaarde voor de faillietverklaring, blz. 76, 77, 554.
Onvervreemdbaarheid.
â van traktementen en pensioenen, blz. 144, 145, 564.
655
Opeischbare en niet-opeisclibare vorderingen.
Verzoek tot faillietverklaring, blz. 100, 101.
Nietigheid van rle betaling van of zekerheidstelüng voor niet-opeischbare vorderingen, blz. 194, 195; van de betaling van opeischbare vorderingen, blz. 185, 180, 199 â 20!. Schnldvergelijking, blz. 209â211.
Verificatie van niet-opeiscbbare vorderingen, lilz. 851 â 355. Niet-opeischbare vorderingen door hypotheek of pand ver-zekei'd, blz. 215.
Openbaarmaking.
Vonnis van faillietverklaring, blz. 117.
Vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, blz. 117,1! 8.
Opheffing van het faillissement, blz. 124.
Heropening van het faillissement, blz. 420.
Einde van het faillissement door het verbindend-worden der
slotnitdeelingslijst, blz. 458.
Verzoek tot rehabilitatie, blz. 512.
Verzoek tot surséance van betaling blz. 524. Zie Aankondiging.
Openbaar Ministerie.
Vordering tot faillietverklaring, Ldz. 86â88, 97, 98, 107, 108, 109.
Het â wordt over de faillietverklaring gehoord, blz. 101, 10;!. Optreden van het â in hooger beroep en cassatie, blz.
103 n4!, 109, 563.
Inbewaringstelling van den gefailleerde, blz. 307. Verificatie-proces, blz. 565.
Rehabilitatie, blz. 513.
Openbare verkoop.
Beteekenis van â in artikel 174, blz. 466â468.
Openlegging van boeken.
Zie Overlegging van boeken.
Opheffing.
â van het faillissement wegens gebrek aan actief, blz. 122 â 124, 445, 458.
Beteekenis van â van de faillietverklaring in artikel 19 eerste lid 1°, blz. 125.
656
Ophouden te betsilen.
Beteekenis van de uitdrukking âtoestand van te hebben opgehouden te betalenquot;, blz. 82â86, 554. 555.
Niet-betalen van één schuld, blz. 74â76, 99, 100,554,555. Geschiedenis van artikel 1, blz. 71â85.
Oproeping.
â bij brief door den griffier, blz. 98, 107, 492, 524, 535, 550.
â van den schuldenaar, blz. 98, 99, 107, 123, 535, 550.
â van de wederpartij, blz. 103. 529.
â van de schuldeischers, blz. 286, 287, 317,421,442,524, 535, 550.
â van den curator tot overneming van een geding, blz. 1 59, 161, 162, 163.
â van de commissie uit de schuldeischers, blz. 278, 279.
â van den gefailleerde tot het geven van inlichtingen, blz. 303, 305, 307.
â van erfgenamen bij exploot, blz. 492.
â van bewindvoerders en deskundigen, blz. 535, 550. Vergadering zonder nader â, blz. 326, 395.
Opschortende voorwaarde.
Schuldvordering onder â: schuldvergelijking, blz. 210; uitoefening van hypotheek- of pandrecht, blz. 215; verificatie, blz. 350, 351; uitdeeling, blz. 454.
Opzegging.
Huurovereenkomst, blz. 180â182.
Dienstbetrekking, blz. 182, 183.
Orderbiljet.
Nietigheid van een â. afgegeven onder beding van te stemmen
vóór het akkoord, blz. 430.
Verificatie, blz. 565.
Zie Papier aan or dei*. Papier van waarde.
Orderpapier.
Zie Papier aan order.
Overdracht van vorderingen.
Invloed op het stemrecht, blz. 285, 286.
Schuldvergelijking, blz. 212, 560â-562.
657
Opkooping van vorderingen met het oog op een akkoord, blz. 407.
Verhaal op goederen in het buitenland, blz. 507, 508.
Orereeiikomsten (wederkeerige), blz. 170.
Huurovereenkomst, blz. 180 â182.
Dienstcontracten, blz. 182, 183.
Zie O n t b i n d i n g.
Overlegging van boeken, blz. 66, 67.
Overlijden.
â van den schuldenaar gedurende liet faillissement, blz. 497, 498.
â van den schuldenaar gedurende de surséance van betaling, blz, 551--553.
â van den curator, blz. 461.
â van een lid der commissie uit de schuldeischers, van een bewindvoerder of van een deskundige, blz. 276. 278. 533.
Beëediging eener vordering door de rechtverkrijgenden van een overleden schuldeischer, blz. 329. 331.
Rehabilitatie na â, blz. 511, 512.
Zie N alatenschap.
Oversclirijving.
â van akten bevattende een rechtstitel van eigendomsovergang, blz. 232â236.
Doorhaling van de â van een beslag, blz. 475, 47(5.
Ovei'zetting, blz. 66.
Plicht.
Pachtovereenkomst; opzegbaarheid na faillietverklaring van
den pachter, blz. 180â182.
Betaling gedurende surséance van betaling, blz. 545.
Pand.
De pandhouder blijft buiten het faillissement, blz.213â215,219. Termijn waarbinnen de pandhouder zijn recht moet uitoefenen, blz. 217.
Molkjcob « a ff, rni'Iifscmriitsvvet-
42
658
Lossing van verpande voorwerpen floor den curator, blz 218. Verificatie van door â verzekerde schuldvorderingen, blz.
219, 315, 316.
Verificatie van interesten, blz. 348, 349.
Voorwaardelijke en niet-opeischbare vorderingen, blz. 215, 351, 355.
Verificatie van den pandhouder, als het onderpand onvoldoende
is, blz. 358, 359, 390. 391.
Verlies van pandrecht door verzuim daarvan opgave te doen, blz. 329, 346.
Afstand van het pandrecht vóór de stemming over een akkoord.
blz. 390â392.
Uitdeelingslijst, blz. 444.
Omslag der faillissementskosten, blz. 446â4-19.
Surséance van betaling, blz. 545, 546. Zie Uitdeelingslijst, Voorrang.
Fiiiulbeslag, blz. 168, 564, 565.
Pand- en verbamlbrieveii.
Inschrijving na faillietverklaring, blz. 232â2311.
Papier aan order.
Nietigheid van de betaling van â, blz. 201, 20J. Schuldvergelijking, blz. 212, 213.
Verificatie, blz. 358.
Zie Papier van waarde.
Papier aan toonder.
Nietigheid van de betaling van â, blz. 201, 202. Schuldvergelijking, blz. 212, 213.
Stemrecht, blz. 284.
Verificatie, blz. 356â358.
Zie Papier van waarde.
Papier van waarde.
De curator neemt het â onder zich, blz. 291.
Verzegeling, boedelbeschrijving, blz. 292, 293, 294. Bewaring en beschikking over â, blz. 30 i, 302.
Pauliana.
Zie Nietigheid.
Pensioenen.
Korting op - ten behoeve van den boedel, blz. 141-144, 226,564.
659
Onvervreemdbaarheid van â, biz. 144, 145, 564.
â die in den boedel vallen, biz. 144, 145.
Periodieke uitkeeriiigen.
Schuldvorderingen welke recht geven op â, bk. 351â355.
â door hypotheek of pand verzekerd, blz. 215, 355.
Posterijen en telegrsifie.
Kennisgeving van de faillietverklaring en van de vernietiging der faillietverklaring aan de administratie der â, lilz. 117, 118, 299, 300.
Kennisgeving van de heropening van het faillissement, blz 421.
Afgifte van brieven en telegrammen, aan den gefailleerde gericht, aan den curator, blz. 299, 300.
Postspaarbank.
Zie Rijkspostspaarbank.
Proces-verbaal.
â van verzegeling, blz. 101, 293.
â der verificatie-vergadering, blz. 327, 328, 332, 346,397,398.
â van het verhandelde betreffende het akkoord, blz, 391, 397, 398.
Verbetering van dit â, indien het akkoord ten onrechte als verworpen is beschouwd, blz. 399, 400.
Executoriale kracht van het â van verificatie na afloop van het faillissement: als een akkoord is gehomologeerd, blz. 414, 415; als de boedel insolvent is geworden, blz. 479 â 482.
Procureur.
Gevallen waarin de bijstand van een â wordt vereischt, blz. 98, 102, 107, 109ntl, 264, 408, 420, 512,524,528.
Gevallen waarin de bijstand van een â niet noodig is, blz. 96 n' 3, lOSn'1, 268, 400, 450, 512.
Procureur-stelling in renvooi-processen, blz. 336.
Promesse.
Zie Orderbiljet, Papier aan order. Papier van waarde.
Protesten.
â den gefailleerde betreffende, blz. 800, 301.
Mot.enr.ra aff , Fuillissemcntswet.
660
R.
Rapport.
â van den rechter-commissaris: over het akkoord, blz, 401, 409; â over de uitdeelingslijst, blz. 450.
Reclit van terughouding.
Voortbestaan van het â in geval van faillissement van den schuldenaar, blz. 239, 240.
Verificatie, blz. 315, 316.
Betwisting, blz. 316, 338.
Verbindende kracht van het akkoord ten aanzien van den schuldeischer, die â heeft, blz. 384, 385.
Bij de beoordeeling van het akkoord te letten op de zaken, waarop â wordt uitgeoefend, blz. 404, 405.
Bevoegdheid van den curator in geval van insolventie den schuldeischer die â heeft, te voldoen, blz. 439, 440.
Rechter-comniissaris.
Benoeming, blz. 116.
Beslissinquot;- van den â over hetgeen buiten het faillissement blijft, blz. 146, 147.
Taak van den â, blz. 259â261.
De â moet in alle faillissementszaken worden gehoord, blz. 261,
Verhoor van getuigen en benoeming van deskundigen dooiden â, blz. 261â263.
Beschikkingen van den â: vorm, blz. 2G3, 264, 314.
Hooger beroep van de beschikkingen van den -, blz. 264â266.
Beschikkingen van den â zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, blz. 288, 289.
Gevallen waarin de curator de goedkeuring of machtiging van den â behoeft, blz. 266.
De__beslist over de voorwaardelijke toelating van betwiste
vorderingen, blz. 334.
Rechterlijke beschikkingen.
Uitsluiting van hooger beroep, blz. 288.
Uitvoerbaaiiieïil bij voorraad en op de minuut, blz. 288, 289.
Rechterlijke bevoegdheid.
Betrekkeliike bevoegdheid in zaken van faillissement, blz. 68.
Volstrekte bevoegdheid ten aanzien van zaken het beheer ot de vereffening des faillieten boedels betreffende, blz. 68.
(561
-- ten aanzien der faillietverklaring, ))lz. 88â90.
â in verificatie-geschillen, blz, 335, 336.
Rechtsbevoegd he id.
â van den gefailleerde, blz. 42, 148.
Ucclttsuiiddeleii.
â tegen de beslissing omtrent do faillietverkluring, blz. 102â109. 112.
Tabellarisch overzicht der â tegen de beslissing omtrent de faillietverklaring, blz. 110, 111.
â tegen de beschikking bevelende opheffing van het faillissement, blz. 123, 124.
â tegen het vonnis van homologatie, blz. 407 -410.
Hooger beroep tegen de beschikkingen van den rechter-com-
missaris, blz. 264, 265.
Hooger beroep tegen de beslissing over de voorloopige surséance. blz. 528â530.
Hooger beroep tegen de beslissing over de definitieve surséance, blz. 537, 538.
Keelitsvorderingeii.
-â. waarbij de boedel niet rechtstreeks is betrokken, blz. 151â153.
â. waarbij de boedel wH rechtstreeks is betrokken, blz. 151, 153â155.
â tot betaling of voldoening uit den boedel, blz. 154â157.
â aanhangig tijdens de faillietverklaring: a. tot betaling of voldoening uit den boedel, blz. 157; h. door den schuldenaar ingesteld, blz. 158âICl; c. tegen den schuldenaar ingesteld en voldoening uit den boedel niet beoogende, blz. 161â103.
â. tijdens de faillietverklaring in staat van wijzen verkeerende, blz. 103. 164.
â gegrond op de nietigheid van handelingen, verricht ter benadeeling der schuldeischers, blz. 192, 193, 202, 203, 206.
Verval dezer â na homologatie van een akkoord, blz. 203, 201.
Voortzetting dezer â als het akkoord boedelafstand inhoudt, blz. 204.
Invloed der surséance van betaling op het aanleggen en voortzetten van â, blz. 542, 543.
Zie Renvooi-proces.
662
lU'clame, biz. 63, 155
Revindicatoir beslag, blz. 169, 242, 243,
â van niet voor inbeslagneming vatbare goederen, blz. 241â243.
Surséance van betaling, blz. 546. 547.
Registratie.
Vrijstelling van de formaliteit van â blz. 119, 120. Volmacht tot vertegenwoordiging in de verificatie-vergadering,
blz. 321, 322.
Zie Onderhandsche akten.
Register.
Openbaar â der faillissementen, blz. 124, 125, 513, 514.
Rehabilitatie.
Karakter der â, blz. 25â27, 58, 59, 509â511.
Procedure tot verkrijging van â, blz. 511â513. Aanteekening in het faillissementsregister, blz. 513, 514.
Rekening en verantwoording.
â van den curator na vernietiging der faillietverklaring, blz. 116.
â van den ontslagen curator, blz. 273.
â van den curator na homologatie van een akkoord, blz. 414.
â van den curator na het verbindend worden der slot-uitdeelingslijst, blz. 459, 4G0.
â van den hypotheek- of pandhouder na verkoop van het onderpand, blz. 219.
Rente.
Zie Interesten.
De bedongen rentevoet een factor bij de berekening van de contante waarde ten behoeve der verificatie, blz. 353, 354.
Renvooi-proces.
Verwijzing, blz. 332, 333.
Bevoegde rechter, blz. 335, 336.
Wijze van gedingvoering, blz. 334, 336, 337.
Inhoud van het vonnis, blz. 337, 338.
Bewijs, door den schuldeischer te leveren, blz. 338â-344, 367. Gronden van betwisting, blz. 366, 367.
663
Invloed van de homologatie van een akkoord op liet â, hlz. 368â375.
Reteutierecht.
Zie Recht van terughouding.
Kevindicatoir beslag blz. 169, 242, 243.
Hijkspostspaarbiink.
Beschikking van den curator over het tegoed, blz. 69, 301 nf. 2.
s.
Salaris.
Bej)aling van het â van den curator door de rechtbank, blz. 122. 273, 274.
De leden der commissie uit de schuldeischers genieten geen â. blz. 283.
Het â van den curator behoort tot de algemeene faillissements-kosten, blz. 446.
Zie Loon.
JScliadevergoeding.
Recht op â wegens ongegronde vordering van faillietverklaring. blz. 126â129.
â bij ontbinding van wederkeerige overeenkomsten, blz. 170, 175, 177. 178â180. 209.
â wegens niet teruggave van hetgeen door eene nietige handeling uit den boedel is verkregen, blz. 206.
Schcukingeii.
Zie Handelingen om niet. Nietigheid.
Schepeling.
De gagie van den â blijft buiten het faillissement, blz. 141.
Schikkingen.
Bevoegdheid van den curator â aan te gaan, blz. 302.
Schip.
Bevoorrechte schulden bij faillissement van den eigenaar, blz. 64, 65.
6G4
Overschrijving van een koopakte en inschrijving van panden verbaiulhrieven iui de faillietverklaring, blz. 232â236.
Zuivering door verkoop na insolventie, blz. 453.
Schipper.
Hecht van den â na lossing de vracht te vorderen van den bevrachter of' inlader, blz. 67.
Recht van den â op het vervoerde goed verhaal te nemen, blz. 21G.
üe gagie van den â blijft buiten het faillissement, blz. 141.
Schorsing.
â van het geding tijdens de faillietverklaring aanhangig: a. vorderingen die voldoening uit den boedel ten doel hebben, blz. 157; â b vorderingen, tegen den schuldenaar ingesteld, van andere strekking, blz. 161 â164:â c. vorderingen. door den schuldenaar ingesteld, blz. 15Sâ101. 1G3, 1G4.
â van aangevangen executiën in geval van surséance van betaling, blz 540, 341.
Schuhloischcrs.
Vertegenwoordiging van den schuldenaar door de â, van de â door den curator, blz. 46 â52.
Vordering tot faillietverklaring, blz. 97, 08.
Verzet van - tegen du faillietverklaring, blz 105â107,108.
Rechten der â die een zakelijk zekerheidsrecht bezitten, blz. 213-219.
Rechten tegenover den curator, blz. 268, 269, 273, 301.
Commissie uit de â, blz. 274â284.
Vergadering der â, blz 284â288.
Bijwoning der verificatie-vergadering, blz. 320â322.
Betwisting der verificatie door een mede-schuldeischer, blz. 324-326.
Renvooi-proces tegen een mede-schuldeischer, blz. 157, 158, 164, 165, 203, 335, 373â375.
Gevallen waarin de â zich op de nietigheid eener handeling kunnen beroepen, blz. 164, 165, 203.
Heropend faillissement: verdeeling onder de â. blz. 422â421.
Verdeeling in geval van faillissement, terwijl aan het akkoord in een vroeger faillissement nog niet ten volle is voldaan, blz. 425.
605
Uitdeelingen bestemd voor voorwaardelijk toegelaten â, blz. 453, 454.
â, die opkomen nadat reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, blz. 455â457.
Rechten der â na afloop van het faillissement in geval van insolventie, blz. 54â57, 477â485.
De â kunnen intrekking der surséance van betaling vragen, blz 549.
Schulden.
Handelingen ter voldoening van of'zekerheidstelling voor eene niet-opeischbare schuld, blz. 194. 195.
Nietigheid van de voldoening aan opeischbareâ, blz. 185, 186, 199â201.
â aan den boedel: schuldvergelijking, blz. 210, 211.
Overneming van â, blz. 212.
â, waarvoor een der echtgenooten persoonlijk verbonden is, blz. 225.
Staat der baten en â, blz. 295, 524.
Schuldenaar.
Zie Gefailleerde.
Schuldvergelijking.
Wanneer toegelaten, blz. 209â211.
Wanneer uitgesloten, blz. 211, 212, 560â562.
Papier aan order en aan toonder, blz. 212, 213.
Beroep op â in het buitenland, blz. 507, 508.
Schuldvorderingen.
Niet-opeischbare â; opeischbare â. Zie Opeischbare en niet-opeischbare vorderingen.
â onder opschortende voorwaarde. Zie Opschortende voorwaarde.
â onder ontbindende voorwaarde: verificatie, blz. 349, 350.
â met eene tijdbepaling, waarvan het tijdstip der opeisch-baarheid onzeker is, of welke recht geven op periodieke uitkeeringen; schuldvergelijking, blz. 209, 210; â uitoefening van hypotheek- of pandrecht, blz. 215; verificatie, blz. 351 â 355.
â waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in Neder-
666
landsch geld of in het geheel niet in geld is uitgedrukt: schuldvergelijking, blz. 210; â verificatie, blz.,355, 35C.
â aan order. Zie Papier aan order.
â aan toonder. Zie Papier aan toonder.
Rente dragende â: verificatie, blz. 348, 349.
â verzekerd door borgtocht: verificatie, blz. 359, 360.
â met hoofdelijke schuldenaren: verificatie, blz. 360â365.
â ter zake van geldboete, blz. 246.
Indiening der â ter verificatie, blz. 312â315.
Onderzoek der â door den curator, blz. 315, 316.
Lijsten van voorloopig erkende en van voorloopig betwiste â,
blz. 316, 317.
Gevolg van niet-tijdige indiening der â, blz. 322â324. Verificatie, blz. 324â328, 442, 451-Erkenning, blz. 328, 329.
Beëediging, blz. 329â332.
Voorwaardelijke toelating, blz. 331, 334, 351, 360, 363. Betwisting door den curator of door een schuldeischer, blz. 332â334.
Betwisting door den gefailleerde, blz. 344â348.
Uitdeelingen bestemd voor voorwaardelijk toegelaten â, blz. 453, 454.
â te wier aanzien de surséance van betaling niet werkt, blz. 544â546.
Slotuitdeelingslijst, blz. 457, 458.
Voorstel der Staatscommissie omtrent het aanbieden van een akkoord bij gelegenheid der slotuitdeeling, blz. 484, 485. Sluipovereenkonisten.
Verbod van homologatie als het akkoord met behulp van â
is aangenomen, blz. 406, 407.
Omkooping en opkooping, blz. 407.
Nietigheid van â, blz. 429 â 431.
Orderbiljet afgegeven ter voldoening aan een sluipovereenkomst, blz. 430.
Vernietiging van het akkoord wegens â, blz. 431, 432.
â zijn onrechtmatige daden, blz. 432.
Soldijen.
Korting op â ten behoeve van den faillieten boedel, blz. 141 â 144, 226.
667
Splitsing van vorderingen.
Invloed op het stemrecht, blz. 285, 28G.
Staat der baten en schulden.
De curator maakt een â, blz. 295.
Overlegging bij het verzoek tot surséance van betaling, blz. 524. Onderzoek van den â door deskundigen, blz. 5'52.
Staatseommissie, blz. 1â3.
Staatscourant (Nederlandsche).
Kostelooze plaatsing van aankondigingen liet faillissement betreffende, blz. 121, 458 n4 2.
Stemming.
â over een akkoord: vereischte meerderheid, blz. 393â395; tweede â, blz. 395, 396.
â over het toestaan van voorloopige surséance van betaling, blz. 526.
â over het toestaan van definitieve surséance van betaling, blz. 535.
Stemrecht.
â in de vergadering van schuldeischers, blz. 284â286. Schuldvorderingen aan toonder, blz. 284.
â bij de stemming over uitstel van de raadpleging over een akkoord, blz. 388.
â bij de stemming over een akkoord, blz. 390â393.
â bij de stemming over voorloopige en bij die over definitieve surséance van betaling, blz. 525, 535.
Stichtingen.
Faillietverklaring, blz. 95, 96.
Verplichtingen van de bestuurders, blz. 302, 304, 320. Inbewaringstelling van de bestuurders, blz. 307. Voortbestaan na insolventie, blz. 483.
Strafvorderingen, blz. 246.
Stuiting.
â der verjaring door indiening ter verificatie, blz. 158.
Surséance van betaling.
Karakter en doel der â. blz. 515â519.
Voorwaarden voor het verleenen van â, blz. 518â523.
GGS
Verzoek tot verkrijging vaa â, hlz. 524.
Beraadslaging en stemming, blz. 525, 526.
Beslissing over de voorloopige â, blz. 526â528.
Verzoek tot â aanhangig gelijktijdig met eene aanvrage tot faillietverklaring, blz. 528.
Hooger beroep tegen de beslissing over de voorloopige â, blz. 528â530.
Vernietiging der beschikking, waarbij voorloopige â werd verleend, blz. 531.
Verleening der â in hooger beroep, blz. 531, 532.
Beraadslaging en stemming over de definitieve â, blz. 53').
Beslissing over de definitieve â, blz. 519â523, 535, 536.
Termijn, waarvoor de â wordt verleend, blz. 536, 537.
Hooger beroep tegen de beslissing over de definitieve â, blz. 537.
Schuldvorderingen ten aanzien waarvan de â niet werkt, blz. 544â546.
Einde der â, blz. 549â553.
Zie Bewindvoerders, Deskundigen.
T.
Telegranimen.
â aan den gefailleerde gericht, blz. 299.
Tenuitvoerlegging.
Door de faillietverklaring neemt alle gerechtelijke â een einde, blz. 168, 169.
Wanneer eene â geacht kan worden te zijn geëindigd, blz. 247â249.
Schorsing van alle gerechtelijke â door de verleening van surséance van betaling, blz. 540â542.
Terniijnzaken.
Ontbinding door de faillietverklaring van een der partijen, blz. 176â180.
Tcnighouding (Recht van).
Zie Recht van terughouding.
660
Toonder-papier.
Zie Papier aan toonder.
Traktementen,
Korting op â ten behoeve vim den boedel, blz. 141 â144, 226.
Onvervreemdbaarheid van â, blz. 144.
â die in den boedel vallen, blz. 144, 145, 147.
Tnssclienkomst.
â van den curator in een geding, waarbij de boedel niet rechtstreeks is betrokken, blz. 152, 153.
Sclmldeischers, die geene betwisting hebben gedaan, mogen in het renvooi-proces niet tusschenkomen, blz. 837.
Tijdsbepaling.
Door het faillissement van den schuldenaar vervalt de â, blz. 59, 00.
Schuldvorderingen met eene tijdsbepaling. Zie Schuld-vorder i nge n.
u.
Uitbetaling.
â aan bevoorrechte schuldeischers na homologatie van een akkoord, blz. 415â418.
â in geval van insolventie, blz. 457.
â in geval van surséance vim betaling, blz. 543, 544.
Lil deel ing na insolventie.
Voorwaardelijk toegelaten schuldeischers, blz. 453, 454. Vorderingen met betwisten voorrang, blz. 454. Schuldeischers, die recht van voorrang hebben, blz. 454. 455. Nagekomen schuldeischers, blz. 455â457.
â van 100%, blz. 458.
â van de opbrengst van nagekomen baten, blz. 160. Gereserveerde uitdeelingen, blz. 453, 454.
Uitdeelingslijst.
Inrichting der â, blz. 443â445.
Wanneer een â moet worden opgemaakt, blz. 443, 445.
670
Salaris van den curator op de â te brengen, blz. 446.
Omslag der faillissementskosten, blz. 446â449.
Ter-inzage-legging van de â, blz. 449.
Verzet tegen de â, blz. 450.
Verzet door een niet-geverifieerden schuldeischer, blz. 451.
Slot â, blz. 457, 458.
Uitkeerhig.
De â, die de gefailleerde geniet uit de inkomsten zijner kinderen, blijft buiten het faillissement, blz. 148.
â van levensonderhoud aan den gefailleerde, blz. 297, 298.
Uitstel.
â van de raadpleging en beslissing over het akkoord, blz. 386, 387, 388, 389.
De rechter kan den schuldenaar â verleenen voor de nakoming van het akkoord, blz. 420.
De curator moet handelingen, in strijd met het advies van de commissie uit de schuldeischers, drie dagen uitstellen, blz. 280.
Surséance van betaling is â van betaling, blz. 518, 540.
â- van vonniswijzing in geval van surséance van betaling, blz. 543.
Uitvoerbaarheid bij voorraad.
Vonnis van faillietverklaring, blz. 101, 112â114.
Handelingen, krachtens de â van het vonnis van faillietverklaring verricht, binden den schuldenaar, blz. 1 14â116.
Beschikkingen van den rechter-commissaris en van de rechtbank in faillissementszaken, blz. 288, 289.
Beschikking houdende verleening van voorloopige surséance van betaling, blz. 530, 531.
Beslissing over de definitieve surséance van betaling, blz. 537.
671
V.
Vennootschap (Naamlooze).
Zie Vereen i gin gen.
Vennootschap onder eene firma.
Bevoegde rechter tot faillietverklaring van vennooten onder eene firma, blz. 89â91, 96.
Aangifte tot faillietverklaring, blz. 07, 132.
Vordering tot faillietverklaring: hoe te behandelen, blz. 97, 9S, 130â132, 133.
Faillietverklaring na ontbinding, blz. 133.
Verdaging.
â der verificatie-vergaderinff, blz. 32f!. 327.
O O
Verdeciing.
ââ van het actief na heropening van het faillissement, blz. 422â424.
â van het actief in geval van faillietverklaring, terwijl aan het akkoord in een vroeger faillissement nog niet volledig is voldaan, blz. 425.
Verdiensten.
â door persoonlijke werkzaamheid gedurende het faillissement, blz. 146. 147, 226.
Vereenigingen.
Faillietverklaring, blz. 95, 96.
Verplichtingen van de bestuurders, blz. 302, 304, 320.
Inbewaringstelling van de bestuurders, blz. 307.
Voortbestaan na insolventie, blz. 482â484.
Vereffening.
Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie tegen eene beslissing over de faillietverklaring kan niet tot â worden overgegaan, blz. 112.
Rechten der schuldeisv iiers na afloop van deâ, blz. 54â57, 477â485.
Zie Insolventie.
Vergadering der schuldeischers.
Stemrecht, blz. 284â28G.
672
Oproeping, biz. 286, 287.
Uitschrijving, biz. 287.
â ua den aanvang der insolventie, blz. 441 â 443.
Verhoor.
â van den schuldenaar op de aangifte of de vordering tot faillietverklaring, blz. 98, 99.
â van den schuldenaar en van den schuldeischer in geval van verzet of hooger beroep tegen de beslissing omtrent de faillietverklaring, blz 104. 105, 107.
â van getuigen door den rechter-conunissaris, blz. 261 â 2C3.
â van den gefailleerde tot het geven van inlichtingen, blz. 303, 304.
Yerhoudiiig.
â der wetsontwerpen tot elkander, blz. 9â11.
â der Faillissementswet tot de wetboeken, blz. IGâ18.
â van den curator tot den schuldenaar en de schuldeischers. blz. 46â52.
Veriflciitie.
Vorderingen tot voldoening uit den boedel onderworpen aan het proces van â, blz. 155 â158.
Indiening ter â stuit de verjaring, blz. 158.
Regeling der â in het algemeen, blz. 309â312.
Verplichting van voorafgaande indiening der vorderingen bij den curator, blz. 312â315.
â van niet-tijdig ingediende vorderingen, blz. 322â324.
Wijze waarop de â plaats heeft, blz. 324â327.
Erkenning, blz. 328, 329.
Beëediging, blz. 329â332.
O O â¢
Voorwaardelijke toelating, blz. 331, 384, 351, 360,363.
Betwisting door den curator of door een schuldeischer, blz. 332â334.
De gefailleerde partjj bij de â: betwisting, blz. 344 â 348.
â pro memorie, blz. 349, 356.
â van interesten, blz. 348, 349.
â van voorwaardelijke vorderingen, blz. 349â351.
â van vorderingen met tijdsbepaling, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geven op periodieke uitkeeringen, blz. 351-â355.
673
â van vorderingen niet van een bepaalde waarde in Neder-landsch geld, blz. 355, 356.
â- van schuldvorderingen aan toonder, l»lz. 356â358.
â van schuldvorderingen aan order, blz. 358.
â van bevoorrechte en van hypotheek- of pandhoudende schuldeischers als concurrente schukleischers. roor een deel hunner vordering, blz. 358, 359.
â van schuldvorderingen verzekerd door borgtocht, blz. 359. 360.
â van schuldvorderingen met hoofdelijke schuldenaren, blz. 360â365.
â voor de contante waarde, blz. 60â62. 350, 351â355.
â na heropening van het faillissement, blz. 421.
â na insolventie, blz. 442.
- bij gelegenheid van verzet tegen de uitdeelingslijst, blz. 451.
â nadat reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, blz. 455. 456.
Verificatie-vergadering.
Bepaling van den dag der â, blz. 113, 114, 312, 313, 314, 315.
Wie ter â tegenwoordig moeten zijn, blz. 317, 318. De schuldeischers hunnen de â bijwonen, blz. 320â322. Ondervraging van den gefailleerde, blz. 318â320. Verdaging der â, blz. 326, 327.
Proces-verbaal der â, blz. 327. 328.
Zie Verificatie.
Verjaring.
Stuiting der â, blz. 158.
Verkiesbaarheid, blz. 28, 29.
Verkoop.
â vóór de insolventie, blz. 298.
Onderhandsche â, blz. 217, 298, 438. 439.
Openbare verkoop, blz. 438.
Beteekenis van âverkoop in het openbaarquot; in artikel 174, blz. 466â468.
â- van met hypotheek bezwaarde goederen: zuivering, blz. 470â475.
â van een schip door den curator, blz. 453.
Mm.i iu;ka akf, ruillifscmciitswct
674
Vermogen.
Het faillissement betreft alleen het â van den scliulcleivaar. blz. 42, 44â46.
Het faillissement omvat het geheele â, blz. 40, 52â54. 135â139.
Bestanddeelen van het â, die buiten het faillissement blijven, blz, 140â148.
Vernietiging.
â der faillietverklaring, blz. 107, 114. 115, 125.
Kennisgeving van de âder faillietverklaring door den griffier,
blz. 117, 118, 564.
Openbaarmaking van de â der faillietverklaring, blz. 117, 118, 45811'2.
â- van de erkenning eener vordering op grond van bedrog, blz. 328, 329.
â van het akkoord niet toegelaten, blz. 431, 432.
â van de beschikking over de voorloopige surséance, blz. 531.
â van de beschikking over de definitieve surséance, blz. 538.
Verslag.
â over den stand van den boedel, door den curator uit te brengen, blz. 327, 328.
â van de deskundigen, benoemd bij de verleening der voorloopige surséance van betaling, blz. 534, 535.
â over den toestand van den boedel door de bewindvoerders in eene surséance van betaling, blz. 548.
Zie Rapport.
Vertegenwoordiging.
â van den schuldenaar door de schuldeischers en van de schuldeischers door den curator, blz. 46â52.
â door een gemachtigde. Zie Gemachtigde.
â door een procureur. Zie Procureur.
â van den onder-curateele-gestelde door den curator bij verhoor op een verzoek lot faillietverklaring, blz. 558, 559.
Vervreemding.
Zie Verkoop.
Verwerping eener erfenis.
De curator behoeft voor â machtiging van den rechtercommissaris, blz. 236.
675
Nietigheid van de â door den schuldenaar ten nadeele zijner schuldeischers, blz. 188.
Verwerping van de erfenis van den na verkrijging van surséance van betaling overleden schuldenaar, blz. 552.
Verwijzing.
Zie Renvooi-proces.
Verzegeling.
â als conservatoire maatregel vóór d e faillietverklaring, blz. 101.
-â na de faillietverklaring, blz. 292, 293.
Verzekering.
Zie Levensverzekering.
Verzekeringinaatschappij (Ouder!inge).
Zie V'er een i g i n gen.
Verzet.
â van den schuldenaar tegen liet vonnis van faillietverklaring, blz. 102â105.
â van schuldeischers en belanghebbenden tegen het vonnis of arrest van faillietverklaring, blz. 105â107, 108.
â tegen de uitdeelingslijst, blz. 450, 451.
â tegen het verzoek van rehabilitatie, blz. 512.
Voeging.
De curator kan zich voegen in gedingen, waarbij de boedel niet rechtstreeks is betrokken, blz. 152.
Schuldeischers die geene betwisting hebben gedaan, mogen zich niet voegen in het renvooi-proces, blz. 337.
Volmacht.
De schriftelijke â tot vertegenwoordiging in de verificatievergadering is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie, blz, 321, 322.
Zie Gemachtigde.
Vonnis van faillietverklaring.
Faillietverklaring van meerdere schuldenaren bij één vonnis, blz. 556, 557.
Inhoud van het â, blz. 116.
Voorloopige uitvoerbaarheid, blz. 101, 112â114.
Openbaarmaking, blz. 117.
Molengraaff, Faillissementswct. 43*
676
Kennisgeving aan de administratie der posterijen en der telegrafie, blz. 117, 299. 300.
Buitenlandsch â: kracht in Nederland, blz. 501â503.
Wederzijdsche uitvoerbaarheid van vonnissen van faillietverklaring in Nederland en in zijne koloniën en bezittingen gewezen, blz. 506. 507.
Vonnis van homologatie.
Het â moet gemotiveerd zijn, blz. 402.
Het â levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie, een voor ten uitvoerlegging vatbaren titel, blz. 415.
Voogd, blz. 27.
Voogdij-hypotheek, blz. 253, 254.
Voorloopige comniissie uit de schuldeischers.
Zie Commissie uit de schuldeischers.
Voorloopige erkenning quot;van schuldvorderingen.
Zie Erkenning, Schuldvorderingen.
Voorloopige surséance van betaling.
Zie Surséance van betaling.
Voorloopige tenuitvoerlegging.
Zie Uitvoerbaarheid bij voorraad.
Voorrang.
Beslissing over den â bij de verificatie, blz. 311, 329,338.
Voorloopige erkenning en betwisting, blz. 316.
Erkenning, blz. 329.
Verlies van â door verzuim van opgave, blz. 329, 346.
Betwisting en voorwaardelijke toelating, blz. 332, 334, 338.
Toekenning van het recht van concurrent schuideischer voor het vermoedelijk niet gedekte deel der vordering, blz. 358, 359.
Schuldeischers, die â hebben, stemmen niet mede over het akkoord, blz. 390.
Schuldeischers die â hebben op goederen, niet tot den boedel behoorende, stemmen wel mede, blz. 393.
Afstand van â vóór de stemming over het akkoord, blz. 390â392.
077
Plaatsing der â hebbende scliuldeischers op de uitdeelings-lij.st, blz. 444.
Omslag der algemeene faillissementskosten, Llz. 446â449.
Uitdeelingen, bestemd voor vorderingen met ^betwisten â, blz. 454.
Uitdeelingen aan â hebbende scliuldeischers, blz. 454, 455.
Verlies van â in geval van verificatie nadat reeds uitdeelinareu
w O
zijn gedaan, blz. 456, 457.
Positie der scliuldeischers met recht van â in geval van surséance van betaling, blz. 545, 546.
Zie Bevoorrechte schulden. Hypotheek, Pand.
Voorrecht.
Zie Bevoorrechte schulden. Voor rans.
Voorrecht van boedelbeschrijving.
Curator aanvaardt onder â, blz. 236.
Faillissement van eene onder â aanvaarde nalatenschap, blz. 491.
Aanvaarding onder â van de nalatenschap van een schuldenaar, die gedurende de surséance van betaling overlijdt, blz. 552.
Voorstellen van wet.
Zie Wetsontwerpen en voorstellen.
Voortzetting.
â van het bedrijf des gefailleerden, blz. 293, 296, 297.
Voorwaarde,
Voorwaarden voor de faillietverklaring. Zie Faillietverklaring.
Voorwaarden voor de surséance van betaling. Zie Surséance v a n 1) e t a 1 i n g.
Schuldvorderingen onder eene â. Zie Ontbindende voorwaarde, Opschortende voorwaarde. Schuldvorderingen.
Voorwaardelijke toelating.
Zie Verificatie.
Voorzieningen.
â na de faillietverklaring, blz. 290â296.
Vorderingen.
Zie Rechtsvorderingen, Schuldvorderingen.
678
Vorm.
â der Faillissementswet, blz. 15â18.
Tracht.
Aanspraak van den schipper op den bevrachter of inlader
wegens de â, blz. 87.
Verkoop van de vervoerde goederen tot verhaal van de vracht, blz. 216.
Vrouw.
Zie Gehuwde vrouw.
Vruchten en inkoiiisteii (Gemeenschap van). Zie Huwelijksgoederenrecht.
Vruchtgenot.
â van den vader of den langstlevenden der ouders, blz. 139. De opbrengst van het â blijft voor een deel buiten het
faillissement, blz. 147, 148.
w.
Waardeering.
â der goederen bij de boedelbeschrijving, blz. 293.
â van schuldvorderingen, blz. 351, 353â355, 356.
â door den rechter-commissaris van het bedrag, waarop schuldeischers na homologatie van een akkoord, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, blz. 417,418.
Wanpraestatie.
Recht van de wederpartij des gefailleerdeu, ontbinding eeuer wederkeerige overeenkomst wegens â te vorderen, blz. 170â174.
Wederkeerige overeenkomsten.
Zie Ontbinding, Overeenkomsten, Wanpraestatie.
Wetenschap.
â van de benadeeling der schuldeischers, blz. 189â192.
Vermoeden dier â bij sommige handelingen, blz. 193â195.
679
Wetsontwerpen en âvoorstellen.
Ontwerpen der Faillissementswet, blz. 1â6
Verhouding der verschillende â wetsontwerpen tot elkander, blz. 9â11.
Ontwerpen der wet tor invoering van de Faillissementswet. blz. 6 â 9.
\ oorstel van Mr. Pijnappel tot wijziging der Faillissementswet. blz. 7, 8, 82-85.
\ oorstel van wet van Mr. Lew op de homologatie van akkoord buiten faillietverklaring, blz. 36. 37.
Wettelijk erfdeel, blz. 46.
Wettelijke onderhoutlsplicht, blz. 147.
Winst en verlies (Gemeenschap van).
Zie H u w e 1 ij k s g o e d e r e n r e c h t.
Wisselbrieven, blz. 65. 66.
Verificatie, blz. 565.
/ie Papier aan order. Papier van waarde, Protesten.
Woonplaats.
Bevoegdheid van den rechter van de â van den schuldenaar, blz. 88, 93, 95. 9G.
De gefailleerde mag zijn â niet verlaten, blz. 302, 306.
Z.
Zaken.
â welke buiten het faillissement blijven, blz. 140â148. Zakelijke rechten.
â worden niet geverifieerd, blz. 155, 169.
Surséance van betaling, blz. 546, 547.
Zakelijke zekerheidsrechten.
Invloed van het faillissementsbeslag op â, Idz. 213â219. 253, 254.
Zie Hypotheek. Pand, Voorrang.
680
Zegel- en registratie-rechten.
Vrijstelling, blz. 119. 120, 321. 322.
Zekerheidstelling.
Voorwaarde van â bij verlof tot verzegeling vóór de faillietverklaring, blz. 101.
Ontslag van den gefailleerde uit de verzekerde bewaring tegen â. blz. 305.
Verplichting van den curator tot â voor de nakoming eener overeenkomst, blz. 175.
Zuivering.
Verkoop van een met bevoorrechte schulden bezwaard schip door den curator, blz. 453.
Kan de kooper van een met hypothekaire inschrijvingen bezwaard onroerend goed van den gefailleerde â vorderen, blz. 470â475.
J'i-S'-ï 40? èv^ï:' : 'â v00^MiiSMk mSKà 1 MNfilSamp;k⢠» â gt; quot;.â â 'â .. te%é - -S:,:
(:â :' . X. V--:'
^ - ^ ; :â â ^ -V/S
â â â â , , ' ' ⢠;:.lt;s â ' â â â v â ' â ' â¢â¢â â â¢gt; ' 'v' 'd
' , gt; gt; . ' ⢠i .( - 'â J -de ,
JOO
^ ' 1
V
f