BULLETIN
VAN HET
Koloniaal Museum te Haarlem
isr0. 20*)
APRIL â 1899
I N H OUD:
VERSLAG DER INDIGO-ONDERZOEKINGEN
verricht
in het Laboratorium van het Koloniaal Museum
door
J. E. TULLEKEN
Docts. Pharm. en Apotheker
Met voorwoord van C. J. VAN LOOKEREN CAMPAGNE
Vitgegeoen voor rekening' tan de Vereeniging: .'Het Tndigo-proefstation te KLatten, *) Inboudsopgnve der Bulletins 1â20, zie biz. SO.
Amsterdam â J. H. de BUSSY â 1S99
BULLETIN
VAN HET
Koloniaal Museum te Haarlem
isr0. so*)
A P RIL â 18 9 9
INHOUD:
VERSLAG DER INDIGO-ONDERZOEKINGEN
verricht
in het Laboratorium van het Koloniaal Museum
door
J. E. TULLEKEN
Doet'. Pharm. en Apotheker
Met voorwoord van C. J.VAN LOOKEREN CAMPAGNE
fJitgegeveri voor rekening van de Vereeniging: Het Indigo-proefstation te KLatten
*) Inhoudsopgave der Bulletins 1â20, zie blz. 80.
Amsterdam â J. H. de BUSSY â 1899
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0958 5849
INHOUD.
Pag.
Voorwoord ..........
............... o
Programma van het onderzoek............ g
Algemeene inleiding tot het indigo-onderzoek.....10
Journaal der werkzaamheden:
T otaal-analysen......................... j ^
Bereiding van rood, lijm, en bruin................
Colorimetrische bepaling van indigotine..........................28
Titrimetrische bepaling van indigotine..............
Bereiding van indigotine langs natten weg enz......................^
Carmijn-verfproeven......................
Groen-ververij, om den invloed van het rood nategaan...... ^
Kuipververij....................................................^
Omzetting van rood in blauw in de kuip..........................^ j
Resultaten van het onderzoek van Indigorein B. A. amp; S. F..........^
Opmerkingen over de echtheidsproeven in het laboratorium .... ^
Beoordeeling der verfproeven door verschillende practici........................
Slotconclusie....................
Aanhangsel: Verslag van Gustave Schwartz ...... 67
Verhandeling van Philippe Schwartzenberg........73
VOORWOORD.
Op voorstel van den ondergeteekende werd, nu ongeveer anderhalf jaar geleden, door de deelhebbers aan het proef station voor Indigo te Klatten (Java), dus door diegenen van de Java-indigoplanters, die de Natal- in digo-proccdés toepassen, besloten, verf proeven te laten nemen, in de eerste plaats om de waarde te leeren kennen van verschillende indigosoorten, voorzoover deze afhankelijk is van de stoffen, die naast indigo tine in planten-indigo voorkomen. Aan het indigorood, dat in Natal-indigo, volgens het warmwaterprocédé bereid, tn grootere hoeveelheid voorkomt dan in de Guatemala oud-procedé zou de bijzondere aandacht worden geschonken, en tevens aan de waarde van het âIndigoreinquot; van de Badische Anil in- and Sodafabrik, in vergelijking met de planten-indigo. Zooals uit het onder medegedeelde programma van het onderzoek blijkt, is de oplossing gezocht van vragen, die wel is waar ten deele reeds door de praktijk ivaren beantwoord, maar waarbij de inzichten van verschillende practici zóó sterk uiteenliepen, dat een meer beslissend antwoord zeer zeker niet overbodig kon worden geacht.
Om dit antwoord te verkrijgen werd het den ondergeteekende op de meest onl'ekrompen wijze mogelijk gemaakt, de bewuste proeven op zoodanige wijze te laten nemen, dat welslagen verzekerd kon zijn. Daarbij werd tevens de organisatie geheel aan den ondergeteekende overgelaten, die te dezer plaatse voor dit bewijs van vertrouwen zijn welgemeenden dank wenscht uit te spreken.
Het aanvankelijk plan van den ondergeteekende was, de proeven min of meer in het groot, bijv. (zoo mogelijk) aan eene ververijschool ie laten nemen. Dit had echter het bezwaar, dat de gewenschte chemische voorbereiding der proeven, als de bereiding der verschillende nevenbestanddeelen van planten-indigo en het volledig analyseeren van de te beproeven indigosoorten, minder gemakkelijk was. Als het gevolg van een gesprek met Dr. M. Gr es ho ff, den bekwamen onderdirecteur-scheikundige van het Koloniaal Museum te Haarlem, werd daarom van dit plan afgezien en van zijn welwillend aanbod, daartoe gemachtigd door het bestuur van genoemde instelling, om het onderzoek in het nieuwe laboratorium van het museum te doen plaats hebben, gaarne gebruik gemaakt. De goede leiding van het onderzoek was dan tevens verzekerd. In verband met dit besluit zou een ijverig jong scheikundige voor den tijd van 6 maanden voor de uitvoering der te nemen proeven worden aangesteld Daarbij zou Dr. Greshoff het gewenschte toezicht op het werk houden en te zamen met ondergeteekende de leiding op zich nemen. Niet tegen-
6
staande de zeer drukke bezigheden, die uit deze regeling zouden voortvloeien, welke o. a. ook tot eene drukke correspondentie zou aanleiding geven, was de Heer Greshoff zoo welwillend deze taak geheel belangeloos op zich te nemen.
In verband met eventueel meeningsverschil en om met nog meer kans op welslagen werkzaam Ie kunnen zijn, werd Professor Dr. H. F. Wijsman te Leiden uitgenoodigd, zijne gewaardeerde medewerking bij de uitvoering der proeven te willen verleenen, aan welk verzoek de Heer Wijsman zoo wehvillend was te voldoen. Een wootd van dank aan Professor Wijsman voor zijne belangrijke hulp is hier zeker niet misplaatst.
De Heer J. E. Tulleken, Doctorandus in de Pharmacie en Apotheker, trad nu op i Mei 1898 aan het nieuwe voortreffelijk ingericht laboratorium van het Koloniaal Museum in functie.
Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat niet direct met de praktische uitvoering der eigenlijke verf proeven kon worden begonnen en eerst eene uitgebreide voorbereiding noodig was, vóórdat tot de uitvoering van het programma der verf proeven kon worden overgegaan, het journaal levert hiervan het bewijs.
Gedurende den gang van het onderzoek hadden herhaaldelijk besprekingen over den loop der werkzaamheden plaats, niet alleen tusschen de Heeren Dr. Greshoff, Prof. Wijsman, Tulleken en ondergeteekende, maar tevens hadden wij het genoegen, den gang van zaken nog met de Heeren Dr. W. F. Koppeschaar, M. E. Bervoets en Thomassen a Thuessink van der Hoop, de beide laatsten groot belanghebbenden bij de indigocultuur op Java, en J. P. Schalkwijk, indigo-makelaar, te bespreken. Ook de Heer J. Muilemeister, Oud-lid in den Raad van N.-Indïè, nam, namens het bestuur van het Koloniaal Museum, deel aan een dezer besprekingen, terwijl nog de Heeren M. en R. de Monchy uit Rotterdam en Jhr. Ch. van de Poll, van hunne belangstelling blijk gaven. De genoemde Heeren brachten een door ons zeer gewaardeerd bezoek aan het laboratorium te Haarlem en de Heer Koppeschaar was zoo goed ons zijne methode van indigo-onderzoek reeds vóór de publicatie te leeren kennen en in zijn laboratorium te 'jr Gravenhage te demonstreer en. Wij brengen hun allen dank voor de belangstelling en de medewerking aan het indigo-onderzoek verleend.
Om gegevens te verzamelen, die bij de uitvoering der verf proeven van dienst konden zijn, werd over enkele punten het oordeel van practici gevraagd en door de Heeren Wijsman, Greshoff, Tulleken en ondergeteekende een bezoek gebracht aan de Industrieschool te Enschedé, waaraan ook eene af deeling voor ververij is verbonden. Met de grootste welwillendheid werd ons door den Directeur Dr. A. Borgmann en de betreffende docenten datgene medegedeeld en aangewezen, wat voor ons doel dienstig was. Met voldoening kunnen wij dus op dit bezoek terugzien. Wij bezochten eene nuttige inrichting, die ongetwijfeld tot de best georganiseerde inrichtingen van ondenvijs in ons land behoort.
7
Zooals boven is medegedeeld was de bedoeling, aan de uitvoering der verf proeven met voorbereiding enz. 6 maanden te besteden. Toen echter ultimo November bleek, dat niettegenstaande de groote ijver en toewijding van den Heer Tulleken, sommige punten nog niet geheel tot klaarheid waren gebracht, werd besloten er ééne maand langer aan te besteden, en zoo bleef de Heer Tulleken tot i Januari 1899 aaquot; het werk.
Met dien datum waren dus de werkzaamheden afgeloopen. Toen bleef echter nog over de beoordeeling van de met verschillende indigosoorten geverfde stalen katoen en wol, zocnvel kuipververij als Saksisch blauw en groen. Voor zoover het echtheidsbepalingen betrof, kon het onderzoek door eenvoudige laboratoriumproeven geschieden, maar waar het de verkregen nuancen betrof, daar diende dit niet aan ons leeken, maar aan onpartijdige deskundigen, fabrikanten van geverfde katoenen en wollen stoffen, tc worden overgelaten. Om eene zuivere en niet door bijomstandigheden geïnfluenceerde beoordeeling te verkrijgen, hebben wij zelfs gemeend aan de beoordeelaars niet te moeten mededeelen, welke indigosoort voor het nemen der afzonderlijke stalen was gebruikt en deze dus alleen te nummeren, zonder de beteekenis der nummers, in Haarlem tot eene code ver-eenigd, mede te deelen.
De resultaten van deze beoordeeling zijn door den Heer Tulleken eenigszins gegroepeerd en als een afzonderlijk hoofdstuk achter het journaal gevoegd.
Den fabrikanten, die zoo welwillend waren ons in deze hulp te verkenen, zijn wij grooten dank verschuldigd.
Deze nuancebeoordeeling heeft ons de meeste moeite gekost, wat volgens ondergeteekende niet het minst daaraan is toe te schrijven, dat, waar als het gevolg van verschillende samenstelling der gebruikte indigo's mogelijke verschillen zich voordoen, deze verschillen ⢠veelal zóó weinig sprekend zijn, dat ook door fabrikanten met veel routine een beslist oordeel niet altijd even gemakkelijk kan worden uitgesproken. Menging van 15 deelen indigo rood en 85 deelen indigoblauw, geeft zelfs geen of een zeer twijfelachtig kleurverschil, althans bij kuipververij. Dit blijkt ook uit de onderzoekingen van Schwartz en Schwarzenberg. waarvan de beschrijving en uitkomsten als Bijlage onder zijn medegedeeld. Alleen wanneer het katoen vóór het blauwverven met eene alkoholische oplossing van rood werd gedrenkt, iets wat in de praktijk nooit geschiedt, kon door hen invloed op de kleur worden waargenomen.
In aanmerking genomen, dat de echtheidsverscliillen bij het blauw, dat met verschillende indigosoorten wordt verkregen, blijkbaar evenmin van beteekenis zijn, is het niet te verwonderen, dat vele fabrikanten zich bij de beoordeeling der waarde alleen de vraag stellen, met welke indigo wordt voor dezelfde geldswaarde de meeste stof in eene bepaalde donkerheid van kleur geverfd ? Bij eene vergelijkende proef, die een fabrikant van katoenen stoffen zoo goed was in het groot te nemen, werd ook deze vraag gesteld. Wij hopen nog andere fabrikanten tot het nemen van zulke proeven te bewegen.
8
Wanneer men nagaat of het ingestelde onderzoek de resultaten heeft opgeleverd die er van venvacht zijn, in de eerste plaats of zich nieuwe gezichtspunten ten opzichte van de waardebeoordeeling van velschillende indigosoorten, zoowel van planten-indigo als van de synthetische hebben voorgedaan, dan is de conclusie, dat dit ongetiuijfeld het geval is. Belangrijk vooral zijn de door den Heer Tulleken onder nader gereleveerde feiten, i0. dat het mogelijk is uit roodrijke indigo rood arme car mijn te maken en 20. dat indi-rubine, het hoofdbestanddeel van het indigorood, in de verf kuip ten deele overgaat in eene stof. die, evenals het uit indigoblauw in de verf kuip ontstaande indigowit, aan de lucht op de vezel tot indigoblauw wordt geoxydeerd; dat in elk geval het rood uit de kuip verdwijnt. Over dezen overgang teas wel reeds uit een opstel van Jozef Fasal in ,, Mittheilungen des kaiserl. königl. technologischen Gewerbemtiseums in IVienquot;, /aargang 1895. ^et een en a'l^er bekend, maar het onderzoek te Haarlem heeft ons in deze de ge-wenschte nadere aanwijzingen gegeven. Verder is onze kennis van de verschillende indigosoorten en hare bestanddeelen er door uitgebreid. is voor latere onderzoekingen veel bruikbaar analytisch materiaal verzameld en kunnen ook de geverfde stalen ten allen tijde voor nieuwe vergelijking en onderzoek van groot nut zijn.
Honvel dit onderzoek overbodig was om de hooge waarde van onze zuivere Java-indigo's, zoo roodrijke als roodarme, in het licht te stellen, zoo zijn wij echter thans in staat, in die gevallen, waar getracht wordt aan die waarde ten onrechte afbreuk te doen, met grootere zekerheid op te treden. Wij hebben de waarde van het synthetische Indigorein der Badische A nil in- und Sodafabrik vergeleken met die van roodrijke en roodarme Java indigo en vonden per procent indigotine int Grossen und Ganzen weinig verschil.
Voor belangstellenden, die zich met betrekking tot de verkregen uitkomsten nader wenschen te oriénteeren en de geverfde stalen katoen en wol willen bezichtigen, stelt het Koloniaal Museum, waar een volledig stel stalen met de gemaakte praeparaten en gebruikte indigo's gedeponeerd blijft, bereidwillig de gelegenheid open.
Het hiervolgend experimenteel verslag is door den Heer Tulleken ontleend aan het in het Haarlemsch laboratorium berustendjournaal zijner werkzaamheden: aan hem blijft dus ook de verantwoordelijkheid voor dat verslag. Het lijdt geen twijfel, dat genoemde Heelde hem opgedragen taak met nauwgezetheid heeft vervuld. Ook stelt de Heer Tulleken zich voor, de studie der indigo nog niet te laten rusten, maar haar tot onderwerp eener dissertatie voor de faculteit te Leiden te maken.
Ten slotte meen ik dit Voonuoord niet te mogen afsluiten alvorens Dr. M. Greshofjt, ook namens de deelhebbers van het proefstation voor Indigo, den grootsten dank te betuigen voor al datgene wat door ZEd. tot het welslagen der genomen proeven is bijgedragen.
W30 April 1899.
C. J. van Lookeren Campagne.
PROGRAMMA VAN HET ONDERZOEK.
iu. Wanneer in een zekere Java-indigo volgens de analyse een bepaald percentage indigotine en (in niet te kleine hoeveelheid) indigorood is gevonden en men maakt een mengsel van zuivere indigotine met zuiver indigorood in dezelfde verhouding als bij de bewuste indigo gevonden is en tevens met evenveel zuivere indirubine, hoe gedragen zich dan deze mengsels bij het verven (reductie kuip) in vergelijking met die Java-indigo
Wat is het verschil wanneer men die indigo eerst met zuur uitwascht (verwijdering lijm) en wat is het verschil wanneer men dit ook nog met loog doet (verwijdering lijm en bruin).
2°. Oefent indigorood, gemengd bij het indigoblauw in hoeveelheden van bijvoorbeeld 2 â15 pCt., invloed uit op fe nuance, lichtechtheid, waschechtheid, alkali- en chloorechtheid, wanneer de indigo gebruikt wordt voor het verven (met reductie) van wol en katoen, (vergelijk met synthetische indigotine en Java-indigo met minder dan 2 pCt. rood).
30. Wanneer veel rood invloed heeft op de nuance, in welk opzicht is die invloed dan merkbaar? Is het verschil in nuance afhankelijk van de wijze van reduceeren (hydrosulfiet bij wol en katoen, ferrosulfaat bij katoen, enz.). Werkt in deze een versche kuip anders dan een oude, m. a. \v. gaat het eerst gevormde indirubinewit op den duur ook over in indigotine-wit of andere reductie-producten ? Maakt het verschil of men in verhouding tot het reduceerende mengsel meer of minder indigo gebruikt en is de meerdere of mindere alkaliteit van het mengsel van invloed ?
4°. Is het juist, dat bijmenging van veel rood gunstig werkt op het verkrijgen van donkere kleuren en omgekeerd zuivere indigotine of âIndigorein B.A.S.F.quot; voor lichter blauw meer geschikt is. Zoo ja, wat is daarvan de oorzaak ? Komt het omdat bijmenging van rood bevorderlijk is aan de opname van het indigowit door de vezel, of dat het rood als zoodanig met het blauw een donkerder nuance geeft, of dat andere omstandigheden in het spel zijn ?
l) Invloed van indigobruin, indigolijm en andere in het rood voorkomende stoffen.
10
4a0. Wanneer een verfkuip gemaakt wordt van indigo met veel rood en men heeft lichte kleuren noodig, is het dan, in verband met vraag 4 ook gewenscht bij het aanzetten van de kuip in verhouding tot het volume minder indigo te gebruiken (verhouding indigo en reduceerend mengsel gelijk maar meer verdund).
50. Er is beweerd, dat bij het verven met zuivere indigotine het blauw minder goed op de vezel fixeert, dus afgeeft en minder waschecht is.
Is het juist, dat het indigorood dit fixeeren bevordert. Zoo ja, in welke hoeveelheid wordt het beste resultaat verkregen ?
6°. Er wordt gezegd, dat bij Saksisch blauw (carmijn = disulfonzuur) ververij, bij groen (indigo pikrinezuur) en andere âMischfarbenquot; bij wol en zijde, het rood op de nuance influenceert.
Deze invloed is nauwkeurig na te gaan, ook om uit te maken of het bijv. gewenscht is om, wanneer voor groen, carmijn met veel indirubine-disulfonzuur wordt gebruikt, relatief minder of meer pikrinezuur te gebruiken en of met zulk carmijn mooi groen enz. :n het algemeen kan worden verkregen.
De beantwoording van deze vragen zal moeten dienen ter waardebepaling in het algemeen en in bijzondere gevallen van :
i0. Java-indigo met 70 a 80 pCt. indigotine en minder dan 5 pCt. rood.
20. Java-indigo 70 a 75 pCt. indigotine en 5 tot 15 pCt. rood. . 30. Indigorein B.A.S.F. en eventueel ook:
4°. Bengaal-indigo met ca. 60 pCt. indigotine en minder dan 2 pCt. rood.
ALGEMEENE INLEIDING TOT HET INDIGO-ONDERZOEK.
Onder de oudst bekende kleurstoffen behoort de indigo, die in de bladeren van verschillende Indigofera-soorten voorkomt â niet als zoodanig doch in den vorm van een glucosed âindicaanquot; genaamd, hetwelk bij behandeling met zuren in hoofdzaak in indigowit en glucose gesplitst wordt.
Door enzijm-werking *) wordt een dergelijke splitsing bij de fabriekmatige bereiding ingeleid en zoo verkrijgt men na oxydatie een mengsel van kleurstoffen, de âindigoquot;, bestaande voornamelijk uit indigoblauw of indigotine, en hiernaast uit verschillende andere
1) Onderzoekingen v. L. C. aan het proefstation te Klatten, bevestigd door L. Bréaudat, Comptes rendus, 14 Nov. '98.
11
producten als: âindigoroodquot;, âindigobruinquot;, âindigolijmquot;, alsmede anorganische bestanddeelen.
De samenstelling van de meeste dezer bijproducten ligt nog in het duister. Alleen van indigoblauw (chemisch âindigotinequot; genaamd) en van indirubine (het uit indigorood sublimeerbare gedeelte) is de constitutie vastgesteld. Als lijm beschouwt men het gedeelte, dat in oplossing overgaat bij verwarming met verdund zuur, en als. bruin het in verdunde loog oplosbare gedeelte der indigo, zonder nadere bepaling. Tevens blijkt ook bij analyse dat lijm en bruin uit verschillende indigosoorten niet identiek zijn en zou âin zuur oplosbaarquot; en âin loog oplosbaarquot; bestanddeel der indigo hiervoor beter naam zijn. Deze opmerking kan ook gemaakt worden voor het rood; dit is namelijk het in alcohol oplosbaar gedeelte na extractie met zuur en loog. Ook deze bestanddeelen verschillen weder voor verschillende indigo's, doch hierin is tenminste één chemisch gedefinieerd lichaam aanwezig, namelijk het reeds genoemde sublimeerbare indirubine. Doch het rood bevat nog andere roode kleurstotien, waarvan zeer weinig bekend is sn die voorloopig als indigo harsen kunnen samengevat worden.
Doch laten wij ons allereerst bepalen tot de chemische goed gedefinieerde indigotine, het hoofdbestanddeel waaraan de indigo zijn waarde als kleurstof te danken heeft.
In de eerste plaats de bereidingswijze.
Bereiding van indigotine uit plantenindigo geschiedt op twee wijzen en wel langs den drogen en langs den natten weg.
a. Langs den drogen weg. Dit is wel de eenvoudigste bereidingswijze. Het geschiedt namelijk door sublimatie, doch, zooals boven reeds vermeld werd, sublimeert ook de indirubine bij verhitting van indigo, dus moet gefractioneerde sublimatie plaats hebben, hetgeen hier gaat daar indirubine spoediger en bij lager temperatuur sublimeert dan indigotine.
Voor nadere bijzonderheden aangaande deze sublimatie zie men de opmerkingen daarover gemaakt in het journaal op blz. 23 en 24.
b. Langs den natten weg. Deze bereidingswijze berust op de eigenschap van indigotine, zelf onoplosbaar, om onder invloed van reductiemiddelen in het oplosbare zoogenaamde indigowit over te gaan, een eigenschap waarvan in het groot gebruik wordt gemaakt bij het verven met indigo in de kuip. (De reductiemiddelen hiertoe in de praktijk aangewend geven aan de zoogenaamde âindigokuipenquot; hun naam).
Voor het maken van zuivere indigotine gebruikt men glucose en natron in alcoholische oplossing als reductiemiddel en laat hiermede de van lijm, bruin en rood (door extractie met zuur, loog, en alcohol) bevrijde indigo onder afsluiting van lucht
12
eenigen tijd bij 6o0 C. digereeren. Daarna wordt na bekoeling de vloeistof afgeheveld, in een koolzuur atmospheer gefiltreerd en in het filtraat door dit met lucht te schudden het indigowit weder tot indigoblauw geoxydeerd.
Waardebepalingen van handelsindigo's. Die bepalingen welke berusten op de beoordeeling van het uiterlijk der indigo's zijn weinig betrouwbaar en beter is het, de hulp der chemie en physica in te roepen.
In de eerste plaats komen ter sprake de methoden berustend op het zuiver afscheiden en wegen der indigotine. Hiervoor zijn er verschillende voorgeslagen, waarvan er enkele vermeld zullen worden.
Een klassieke methode is die van Berzelius !) die kort samengevat hierin bestaat dat men een afgewogen hoeveelheid indigo door achtereenvolgende behandeling met zuur, loog en alcohol van lijm, bruin en rood bevrijdt, en de verkregen rest weegt; door hiervan het door verbranden bepaalde aschgehalte aftetrekken krijgt men het gehalte aan indigotine.
Deze methode is de nauwkeurigste, doch heeft tevens het nadeel zeer omslachtig te zijn. Vooral bij roodrijke indigo's is het zeer moeilijk ze door extractie van alle rood te bevrijden. (Na twee weken iederen dag acht uren extraheeren met alcohol was het afgehevelde vocht dikwijls nog niet vrij van rood.)
Als zoogenaamde âreductie methodenquot; voor gewichtsanalytische bepaling zijn de methoden te noemen er op berustend, de indigotine door reductie als indigowit in oplossing te brengen en na af hevelen van een aliquot gédeelte dezer oplossing het blauw hierin te bepalen door met lucht te schudden en op een gewogen filter te brengen. Hiertoe zijn verschillende reductie middelen voorgeslagen dcch essentieel is de reactie in alcoholische oplossing te doen plaats hebben daar hierin het indirubine. dat ook een kuip vormt, in oplossing blijft 1). Deze methode verloopt echter verre van quantitatief en levert dus onbetrouwbare uitkomsten.
Verder zijn hierbij te noemen de âextractie methodenquot; berustende op het gebruik van oplosmiddelen voor indigotine als: nitro benzol 2), aniline 3), ijsazijn 4), als voornaamsten.
Hierbij wordt de indigo (of stalen hiermede geverfd) in een Soxhlet-apparaat geëxtraheerd met een der oplosmiddelen. Het bezwaar bij aniline is het hooge kookpunt, waardoor de opgeloste indigotine ontleed wordt, en wat betreft de methode met ijsazijn
1
) Zie Dingler's Polyt. Journ. 179, 457 en Dingler's Polyt. Journ. 1842â86, Journ. Am. Chem. Soc. 7â16.
2
) Journ. Soc. Chem. Ind. 1896, 15â17, 1897, 108â109 (Gerland).
3
) Brandt Revue Generale des Mat. Col. 1897, p. 43,
4
Brylinski Bull d. 1. Soc. d. Mulhouse 1898, p. 33.
13
zoo zullen proeven met roodrijke indigo moeten uitmaken of de aanwezigheid van rood hier niet hindert. (Rood namelijk lost zeer gemakkelijk in ijsazijn op, waarop de methode van onderzoek van Dr. Koppeschaar berust).
Methoden berustende op maatanalyse. Als meest bekende en in de praktijk gebruikelijke methode is te noemen de chamaeleon-methode van Mohr !). Deze berust op de oxydatie van indigotine
tot isatine (volgens de formule Cl6 Hi0 ^?1 02 = 2Cs Hó noA v 0 indigotine isatine. /
met behulp van een getitreerde permanganaat-oplossing. Hiertoe wordt de indigo eerst in oplossing gebracht door sterk (of beter nog rookend) zwavelzuur. Dit oplossen heet sul-foneeren en berust op de vorming van indigosulfonzuren, die in water oplosbaar zijn. Bezwaren tegen deze methode zijn de volgende: Door de digestie met sterk of rookend zwavelzuur worden niet alleen indigotine en indirubine in sulfonzuren omgezet doch ook lijm en bruin worden aangetast, hoe is nog niet bekend, doch zeer zeker zullen de ontledingsproducten invloed op het permanganaatcijfer uitoefenen, zoodat men eigenlijk niet weet wat men titreert. Een 2de bezwaar is dat de kleuromslag die bij indigo's met weinig rood vrij scherp is, (de kleur gaat over van blauw tot groen in geel), bij roodrijke indigo zeer onbepaald is, daar dan de kleur van blauw tot paarsch (of wijnkleurig) in rood overgaat en het moeilijk is het juiste moment waar te nemen, dat de blauwe kleur uit de oplossing verdwenen is. Essentieel is het dat men, wil men betrouwbare cijfers verkrijgen, steeds volkomen op dezelfde wijze sulfoneert, titreert enz.
Als verdere methoden berustende op het omzetten van indigotine in isatine zijn te noemen de chloorproef van Berzelius 2) hierin bestaande dat men gepoederde indigo zoo lang in getitreerd chloorwater brengt tot dat de indigo niet meer ontkleurd wordt.
Andere titratie-methoden berusten niet op oxydatie doch op reductie van de indigotine. Als voorbeeld zij genoemd de methode voorgeslagen door A. Milllers) bestaande hierin dat men de zwavelzure oplossing van indigo door een getitreerde hydrosulfiet oplossing laat ontkleuren. Het bezwaar is dat hierbij onder volkomen luchtafsluiting moet gewerkt worden.
Onder de titreermethoden verdient kort nog even vermeld te worden die van Donath en Strasse 2) waarbij het bezwaar, onzuivere indigo's te sulfoneeren, ontgaan wordt door die eerst van lijm en rood te bevrijden. De indigo wordt innig vermengd met zand of
1
) Lehrbuch v. B. 3. Aufl. 7. Bd. Art. über Indigo.
2
) Zeitschrift für angew. Chemie 1894, p. 11â47.
14
puimsteenpoeder in een Soxhlet-apparaat geëxtraheerd achtereenvolgens met verdund zoutzuur en met een mengsel van alcohol en aether en daarna in de Soxhlet zelve gesulfoneerd, hierna verdund en een aliquot gedeelte met permanganaat getitreerd. Bruin extractie werd hierbij niet noodig geoordeeld daar dit uit proefnemingen bleek geen invloed op het permanganaatcijfer te hebben.
âPhysische methodenquot;', waarvan in de eerste plaats de colori-metrische 1) de aandacht verdient. Deze bestaat hierin dat men een zwavelzure indigo-oplossing vergelijkt met een normaal vloeistof bestaande uit een oplossing van zuivere indigotine in zwavelzuur. Deze laatste wordt zoolang verdund tot zij dezelfde tint heeft aangenomen als de te onderzoeken indigo-oplossing. Hiervoor zijn weer verschillende colorimeters voorgeslagen. Als eenvoudigste vorm is wel te noemen de âNessierquot; buizen : 2 buizen van gelijke diameter en hoogte. Een wordt gevuld met de te onderzoeken vloeistof en in de ander laat men uit een buret zoo lang de standaard-oplossing toevloeien tot dat de tinten in beide buizen bij doorvallend licht gelijk zijn. De verhouding tusschen het verbruikte aantal c.c. der standaard-oplossing tot het volume van de onderzochte vloeistof geeft direct het percentage aan.
Een aardige colorimeter is die van âMünckequot; waarbij de ..Nesslerquot; buizen vervangen zijn door een wig en een fleschje; de boven rand van de wig heeft dezelfde lengte als de hoogte van het cylindervormige fleschje en is in honderd schaaldeelen verdeeld; door een schroefinrichting is de wig verplaatsbaar en door een inrichting als bij het Halbschatten-apparaat zijn standaard en onderzochte vloeistof door een kijkertje direct vergelijkbaar. De stand van de wig bij gelijke tinten geeft direct het percentage aan daar deze met de standaard-oplossing gevuld wordt.
Een eenvoudige bepaling geheel berustende op colorimetrisch vergelijken van indigo is die van Dr. Koppeschaar, waarin èn rood èn blauw colorimetrisch bepaald worden 2).
Als 2de physische methode zij vermeld de spectroscopische. s) Een voordeel wordt hierbij genoemd dat in kleurstofmengsels qualitatieve en quantitatieve bepalingen zijn uit te voeren waar andere methoden falen. Door vaststellen van de plaats der absorptiestreepen wordt de qualitatieve, door meting van de lichtsterkte in de streken van de lichtabsorptie de quantitatieve bepaling mogelijk gemaakt.
Aan het slot der waardebepalingen zij nog toegevoegd
1
') Zie hierover Dingler's Polyt. Journ. 27, 54, 40, 448. Zeitschrift für anal. Chem. 9, 302 Journ. f. pracc. chem. 55, 193.
2
) Zeitschr. f. anal. Chemie 1899. (Ook /nd. Mercuur 1899).
:1) Wolff, Zeitschrift für anal. Chem. 23, 29.
15
het proefverven. !) Dit bestaat daarin dat men de te onderzoeken verfstof met een dergelijke, waarvan het percentage bekend is, vergelijkt met betrekking tot zijn vermogen om te verven
Verven met indigo. Om met indigo te verven moet deze kleurstof, die zelf onoplosbaar, is in een oplosbare verbinding omgezet worden. Dit geschiedt op twee manieren namelijk iste in de kuipververij, waar het oplosbare indigowit, door reductie uit blauw verkregen, wordt gebezigd om de vezels te doordringen. In deze vezels wordt het indigowit door de zuurstof der lucht weder in blauw omgezet.
2de in de carmijnververij. Hierbij wordt de indigo door behandeling met sterk zwavelzuur in het oplosbare indigo disulfon-zuur omgezet. Hieruit wordt door uitzouten met keukenzout het indigodisulfonzuurnatrium neergeslagen hetgeen als indigo carmijn in den handel gebracht wordt en waarmede, als zijnde oplosbaar direct kan geverfd worden.
De laatste ververij, geeft mooier en helderder kleur dan de kuipververij, doch is tevens verre van lichtecht en waschecht, hetgeen de kuipververij wel is.
Voornaamste literatuur bij het onderzoek gebezigd,
Georgivics (Dr. Georg, v,) Der Indigo (Monographic) 1892,
â Lehrbuch d. Gespinstfasern, Wascherei, Bleicherei,
Farberei, Druckerei, Appretur.
â Lehrbuch d. Farbenchemie.
Ann. chem. pharm. 159, 312. Somaruga. Sublimatie van indigotine. Pogg. Ann. 10, 105, 107 en 217. Berzelius (indigo bestanddeelen) A. Binz. und F, Rung Zeitschr für angew, chem, 1898, heft 42 Ãber die Ausnützung des Indigos in der Küpenfarberei,, Nietzki, Organische Farbstoffe,
Deze methode is het eerst door Chevreuil (Lemons de chimie appliquées a la teinlure) voor het onderzoek van indigo aanbevolen.
JOURNAAL DER WERKZAAMHEDEN in het Laboratorium van het Koloniaal Museum, betreffende het Indigo-onderzoek, van i Mei 1898 tot 31 December 1898
De werkzaamheden zijn aangevangen met de totaal-analyse ir een 12-tal monsters, hieronder nader te omschrijven, welke gemakshalve bij de analyses steeds met de nummers van 1â12
zijn aangeduid. â ,
De monsters waren afkomstig van de makelaars Cantzlaar en Schalkwijk en van de volgende qualiteiten:
No. 1. Java Indigo, warm procédé v. L. C.
â gemengd koud v. L. C. en warm v. L. C.
gewone bereiding.
koud procédé.
De asschen zijn tot eventueel nader onderzoek in gesloten buisjes zorgvuldig bewaard.
Aschgehalte: pCt. Uiterlijk:
5365 mgr indigo levert 180 mgr. asch dus 3-35 grijsbruin
131 helder lichtbruin 221 griisbruin 2,58 bruinachtig grijs 1.63 lichtbruin I 84 grijsachtig 5 64 lichtbruin 4.38 grijsbruin 1.23 geelbruin 11.70 blauwachtig grijs 4.45 grijsachtig bruin 6.81 lichtbruin grijsachtig
(goed, middel âOudequot;). ( â â âTirhootquot;). (vermoedelijk koud procédé).
J. k.
1) De letters in de laatste kolom wijzen op de volgorde waarin werd gewogen, m. a. w. ook op de snelheid van verbranding.
3-
4-
5-6.
7-
10. Bengaal
11. â
12. Java
g-1)
h. b.
Nquot;.
58 81 quot;5 56 73 313 209 46 835 285 275
2- 4432
3. 3668
4. 4464 5- 3425 6. 3967
7- 5545 8. 4556
9 375°
10. 7138
11. 6408
12. 4038
17
Verder werd van alle te analyseeren monsters het watergehalte bepaald door een afgewogen hoeveelheid in een weegfleschje bij no0 C. tot constant gewicht te drogen. Deze factor komt in aanmerking bij de lijmbepaling. Zoo werd verkregen:
No. i. 1827 mgr. verloren 80 mgr. water = 4.8 pCt.
|
2. |
2339 |
gt;gt; |
99 |
90 |
99 |
99 |
= |
3-8 |
99 |
|
ö' |
I393 |
gt;» |
99 |
53 |
99 |
99 |
= |
3-8 |
99 |
|
4- |
2740 |
99 |
120 |
99 |
99 |
= |
4.4 |
99 | |
|
5- |
1890 |
»» |
99 |
65 |
99 |
99 |
= |
3-4 |
99 |
|
6. |
2315 |
»» |
99 |
97 |
99 |
99 |
= |
4.2 |
99 |
|
7- |
3796 |
99 |
202 |
99 |
99 |
= |
5-3 |
99 | |
|
8. |
2124 |
99 |
96 |
99 |
99 |
= |
4-5 |
91 | |
|
9- |
1490 |
gt;gt; |
99 |
67 |
99 |
99 |
= |
4-5 |
99 |
|
10. |
3092 |
19 |
1» |
277 |
99 |
99 |
= |
8.9 |
99 |
|
11. |
2163 |
99 |
99 |
158 |
91 |
99 |
â |
7-3 |
99 |
|
12. |
1971 |
99 |
99 |
95 |
99 |
99 |
4.8 |
99 |
Daarna is overgegaan tot de analyse der 12 monsters d. w. z. er is in bepaald het gehalte aan lijm, bruiti, rood en aan indigotine, op de volgende wijze. *)
Van elk monster werden afgewogen 4 porties, ieder nauwkeurig van 3 gr., dus in het geheel 48 porties. Zij werden gemerkt ia, ib. ic, id; 2a, 2b, 2C, 2d enz. tot 12a, 12b, 12c, i2d.
Deze porties zijn gebracht in Erlenmeyer-kolven van ± 250 cc inhoud en overgoten met too cc verdund zwavelzuur (1,25 pCt.)
Om opkruipen te voorkomen is onder het koken op het kolfje een stijgbuis van ± 1 M. met een caoutchouckurk aangebracht en deze na afloop quantitatief schoongespoeld.
Na dit opkoken werd de inhoud warm gefiltreerd, de indigo quantitatief op geharde, van te voren bij 11 o» gedroogde, gewogen filters gespoeld, met warm verdund zuur uitgewasschen tot het filtraat kleurloos afliep en met warm gedestilleerd water zoolang nagewasschen, tot een druppel filtraat niet meer zuur reageerde en ook het poeder zelf. tusschen lakmoes-papier geperst en bevochtigd, hieraan geen roode kleur meer gaf. Dit poeder werd weder op het filter teruggespoeld. Op deze wijze is de indigo van lijm bevrijd. 2) De filtraten van de porties gemerkt met a werden tot later bewaard. De overige filtraten werden verwijderd. De filter-restanten gemerkt a werden in een droogstoof gedroogd
1
) Lastig was het de laatste sporen zwavelzuur te verwijderen, hetgeen zich hierin openbaarde, dat sommige filters bij het drogen een verkoold randje vertoonden. Om uit te maken in hoeverre dit van invloed kon zijn op de bereke-ning, zijn van het filter, dat dit het sterkst vertoonde, deze verkoolde randjes zorgvuldig afgeknipt en daar naast een volkomen gelijkvormig onverkoold stuk uit hetzelfde filter geknipt, op de 2 schalen der balans met elkander vergeleken. Het bleek hieruit, dat het gewichtsverschil van die 2 stukjes nog niet ten volle 1 mgr. bedroeg.
18
bij ito0 C. tot constant gewicht en na afkoeling in een exsiccator, gewogen. Uit het gewichtsverlies volgt het gehalte aan lijm, in zuur oplosbare asch en water, daar luchtdroge en niet exsiccatordroge indigo geanalyseerd werd.
Lijm 4. watergehalte wordt dus;
|
No. 1. |
3 o1'- gaven |
zoo |
2.761 gr. |
dus gewichtsverlies |
239 mgr- |
of 8.0 pCt. | |
|
2. |
-gt; ö )} » |
2.846 â |
M |
ff |
154 â |
gt;. 5-i | |
|
3* |
0 1) gt;3 |
gt;gt; |
2,847 |
ff |
153 â |
â 5-i » | |
|
4- |
2,778 â |
» |
ff |
222 â |
.. 7 4» | ||
|
5- |
2-843 ,, |
ff |
157 â |
gt;, 5 2 â | |||
|
6. |
3 » )? |
2,811 â |
ft |
189 â |
â 6.3 â | ||
|
7- |
3 â¢' |
» |
2-753 â |
â |
247 .. |
â 8.2 â | |
|
8. |
3 â¢Â« quot; |
j) |
2,732 â |
â |
268 â |
â 8.9 â | |
|
9- |
3 ?gt; w |
V |
2.814 â |
â |
ff |
186 â |
â 6.2 â |
|
10. |
à 11 »gt; |
2,297 â 2,598 ,, |
ff |
703 gt;. |
â 23.4 â | ||
|
11. |
ff |
402 â |
13 4 â | ||||
|
12. |
3 » » |
2,638 â |
ff |
ff |
362 â |
,, 12.1 â | |
|
Hieruit is het |
zuivere lijmgehalte te |
berekenen als volgt: | |||||
Gewicht der asschen der a filters na aftrek der filterasch is
pCt.
pCt.
pCt.
pCt. pCt.
7.97â 2.25= 5.72 of 5.7
0.9
1.t 1.1 i-7 1.0
*â 3 1.9 0.8 1.0 3-9 3-2 3-5
3-35
2.21 2.58 1.6^ 1.84 5.64
4-38 1.28
11.70
4-45 6.81
2.2S
O.25 0.21 1.28 O.87 O.84 I.04
3-6S 0-73 10.67 2.89 3-75
S-ïsâ
S.ïoâ 7.40â
5-23 -6.30-
â¢23
1 = 33 mgr-
2 = 32 »
3=60 â
4 == 40 â
5=23 »
6=30 â
7= -
8=22 â
9â I5 quot;
10=31 â
11 = 47 ..
12 ==92 â
= I.IO
= 1.06 = 2.00 = i-30 = 0.76 = 1.0c = 4.60 = 0 73 = 0.50
= 1-03 = 1-56 = 3o6
0-25= 4.88 â 4.9 0.21= 4.89 â 4.9 1.28= 6.12 , 6.1 0.87= 4.36 â 4.4 0.84= 5.46,, 5.5 1.04= 7.19 â 7 2 8.93â 3 65= 5.28,, 5.3 6.20- 0.73= 5.47 ,, 5-5 23.43â10.67=12.76 â12.8 13.40â 2.89=10.51 â10.5 12.07â 3-75= 8-32 quot; 8.3
Om hierbij na te gaan in hoeverre er in het zure filtraat en de waschwaters indigo-blauw is overgegaan, zijn van de nummers 6, 8, 12 de gezamenlijke Altraten flink uitgeschud met chloroform.
' De keuze bepaalde zich tot deze nummers daar die het donkerst gekleurd waren. Na afdestilleeren van de chloroform bleef in de getarreerde kolfjes een bruinachtig résidu, dat resp. woog 5.5 en 3 mgr. en oogenschijnlijk geen spoor blauw bevatte. Ook na oplossen van dit résidu in sterk zwavelzuur kon, na een paar dagen rust, geen spoor van blauw worden waargenomen, redenen
19
waarom het uitschudden van de overige negen Altraten overbodig geacht werd. De goedgedroogde filters zijn vervolgens verascht en de asch gewogen. (Zie tabel op vorige bladz.).
Nog is op te merken, dat de zure Altraten over het algemeen een kleurovergang van lichtgeel tot geelbruin vertoonden; No. 6 en ia echter hadden een beslist rooden tint.
Om ten naaste bij colorimetrische waarden voor de zure filtraten te vinden is als volgt te werk gegaan:
Het bleek eerstens, dat de vochten te verdeelen waren in 2 rubrieken, namelijk een, waarin een roode en een, waarin een gele kleur de overhand had. Naar hunne intensiteit van kleur zijn ze op eene rij geplaatst en is daarbij het volgende schema op te stellen:
Geel. 11, 10, 9, 8, 7 (11 is het sterkst, dus in afdalende volgorde).
Rood. 6, 1, 12, 4, 5, 3, 2 ( id. id. ).
Om eenigszins de verhouding na te gaan, zijn de nummers 7 en 2 gebracht in âNesslerquot;-buizen en wel in ieder 100 cc. De vloeistofkolom had zoo eene hoogte van 14 c.M.
Van de andere vochten werd resp. zooveel in een Nessler-buis gegoten, tot deze met 7 resp. 2 gelijke tint bij doorvallend licht vertoonden.
Aldus werden de volgende waarden verkregen, uitgedrukt in de hoogte der vloeistof-kolom:
Geel. No. 8 = i3,5cM.; No. 9 = 9cM.; No. 10 = 5,2 cM.;
No. ii = 5,5cM.; No. 7 = i4cM.
Rood. No. 3 = 13,5 cM.; No. s = i3cM.; No. 4=io,5cM.;
No. 12 = 11,3 cM.; No. i=8cM.; No. 6 = 7cM.;
No. 2 = 14 cM.
Door in acht te nemen dat 14 cM. hoogte gelijk staat met een inhoud van 100 cM3., kan hieruit eenigszins een colorimetrische verhouding van de vochten berekend worden !).
Van de resteerende 36 filters, die namelijk op dezelfde wijze zuur-vrij gemaakt waren, is de hoofdmassa der indigo met een spuitflesch weder in Erlenmeyer-kolfjes gespoeld en zoo voor ieder ongeveer 50 c.c. gedestilleerd water gebruikt. Bij deze massa is gevoegd 50 c.c. kaliloog van 2,5 %, zoodat de vloeistof in het kolfje 1,25 % kali bevatte.
Deze werden weer opgekookt (hetwelk nu rustiger ging, daar het opkruipen niet meer plaats had).
Daarna werd de inhoud kokend weder op hetzelfde filter quan-titatief teruggebracht en met kokende loog van 1.25 pCt. op het filter zoolang nagespoeld tot de loog kleurloos doorliep.
!) Deze colorimetrische bepaling heeft echter slechts beperkte waarde daar de lijm uit de verschillende indigo's niet dezelfde is. â¢
20
Wederom werden Altraten bewaard, nu die van de filters gemerkt met b.
Zoodra de fikraten vrij van bruin bleken te zijn werden de filters met kokend water zoolang nagespoeld tot er geen alkalische reactie in het waschwater was waar te nemen. Dit geschiedde gemakkelijker dan bij het zuur uitwasschen, doch het groote nadeel is, dat naarmate er meer loog uitgaat, de filtraten blauwer worden, en dus blauw in oplossing hebben.
Deze blauwe kleur is door terugschenken der vloeistof op het filter niet te verwijderen: toch is dit uitwasschen echter doorgezet onder voorzorg, dat ten minste het gepraecipiteerd blauw zorgvuldig op het filter werd teruggebracht.
De filtraten, verkregen door het uitwasschen met warm water werden bewaard ter uitschudding met chloroform. Van de tot neutraal uitgewasschen filters werden die met b gemerkt gedroogd bij no0 C. tot constant gewicht. Uit gewichtsverlies in vergelijking met de waarde in de lijm-tabel, volgt gehalte aan bruin.
De resultaten zijn de volgende:
» 2,846 â â 2,847 V â 2,778 â â 2,843 â u 2,8 n â â 2,753 â â 2,732 â
â2,814 â »2,297 â
â 2,598 â » 2,638 â
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11 12
|
I. |
1.22 |
pCt. |
|
2. |
1.40 | |
|
3- |
2.00 |
gt;gt; |
|
4- |
1.5° |
gt;gt; |
|
5- |
1.03 | |
|
6. |
1.20 |
gt;gt; |
|
7- |
3.00 |
gt;5 |
|
8. |
0.96 |
11 |
|
9- |
0.66 |
IJ |
|
10. |
1.60 |
gt;gt; |
|
11. |
2.23 |
gt;1 |
|
12. |
3.26 |
yy |
No.
|
de 2,761 gr.zijn geworden 2,640 gr.dus verlies 121 mgr.â 4.opCt. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ID 2 decimalen: 0.16 pCt. 1.96 â 6,96 â | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Hierbij komt ook weer in aanmerking de in verdunde loog oplosbare asch, die hierin als bruin in rekening is gebracht.
Bij verasschen der filters gemerkt b werden de volgende pCt. asch gevonden:
No. 1. 1.22 pCt. Vergeleken met de asschen bij de lijmbe-paling verkregen blijkt, dat alleen die van 7 verminderd is namelijk met 1.6 pCt.; dit geeft dus voor 7: 5.4 pCt. bruin.
(Het hoogere aschgehalte, dat bij sommige wordt waargenomen moet worden toegeschreven aan een spoor kali, dat ondanks de genomen voorzorgen toch nog in het filter is achtergebleven en ook aan de wisselwerking van de gebezigde kali met de natrium-zouten die als minerale bestanddeelen in de indigo's voorkomen.
21
De alkalische fiitraten zijn warm uitgeschud met chloroform en wel driemaal alkalisch. Toen ging er geen blauw meer over. Werd daarna de vloeistof zuur gemaakt met verdund zoutzuur zoo kon aan deze zure vloeistof met chloroform een violet gekleurde stof onttrokken worden, die afzonderlijk opgevangen is en na afdestilleeren der chloroform gewogen werd. Eveneens werden de alkalische uitschudsels in een getarreerd kolfje opgevangen en gewogen. De resultaten waren de volgende; (Hierbij verdient opmerking dat de chloroform-oplossing van de indigo-tine eene violette weerschijn vertoonde)
No. i gaf na verdamping der chloroform in getarreerd kolfje een gewichtstoename van 8 mgr.; werd daarna de vloeistof zuur gemaakt, dan schudde men geen blauwe doch een roodviolette kleurstof uit, in het geheel 3 mgr.
Daar dit geen blauw was, zijn de overige fiitraten niet zuur uitgeschud, behalve No. 6, 10 en 11, die groen waren.
Schudde men die eerst alkalisch uit tot er geen blauw meer overging en maakte men ze dan zuur met verdund zoutzuur, dan ontstond er eene blauwe troebeling in een geelbruine oplossing.
Blijkbaar hield dus hier de alkalische bruine vloeistof het blauw opgelost.
Dit blauw was er door warm schudden met chloroform uit te verwijderen; er bleef alsdan een heldere geelbruine oplossing achter.
No. 2 gaf door uitschudden 5 mgr. blauw
3 quot; tgt; t) 3 jï
4 û »» 3 quot; »»
5 â â â geen â â (onweegbaar verschil)
7 »» »gt; jgt; ^ )) ïj
^ a »J 1 jj JÃ
9 jgt; ^ ïj ï»
12 â â â geen â â (onweegbaar verschil)
6 alkalisch 2 mgr.; zuur 20 mgr. blauw
ï) Ȉ jï I9 » ÃJ
^ ^ j) 2 ,, ,,15» j)
Deze correcties zijn reeds in bovenstaande tabel aangebracht.
Verder is van de alkalische fiitraten weder getracht colorimetri-sche waarden te verkrijgen, evenals bij zure, en met het volgende resultaat. De reeks is in afdalende volgorde en alle fiitraten zijn op hetzelfde volume gebracht: 7, 4, 5, 12, 8,9,2,3,1,10,11,6.
Hiervan zijn 1, 10, 11, en 6 gelijk van tint en eveneens 8, 9, 2 en 3.
De verhoudingen zijn als volgt;
Een vloeistof-kolom van de hoogte van 14 c.M. van Nos- 1, 10, 11 en 6, staat gelijk met eene van 6,6 c.M. van Nos- 8, 9,
22
3 en 2, met 5 c.M. van N0. 12, 4,5, c.M. van N0. 5, 4,2 c.M. van N0. 4 en 3,5 c.M. van N0. 7
Bij de zure chloroform-uitschudding werd behalve een spoor blauw, vrij veel gele kleurstof uitgeschud, die een eigenaardige reuk had. Bij schatting bedroeg de hoeveelheid blauw zekerniet meer dan een tiende van het totaal résidu na afdestilleeren van de chloroform verkregen. Deze chloroform-oplossing vertoonde een kleurenspel tusschen blauw, groen en violet.
Tevens kan nog opgemerkt worden dat bij het alkalische uitschudden sommige een résidu gaven, waarin blijkbaar ook rood was opgelost.
Dit laatste bleef het langst in oplossing.
Opmerking verdient, dat de indigos N0. 10 en 11 alkalische Altraten geven, die met chloroform zoowel in alkalische oplossing als zuur gemaakt sterk emulgeeren, waardoor het afscheiden van de chloroform-oplossing zeer bemoeilijkt wordt.
De overige 24 filters zijn, om hierin het indigo-rood te bepalen met warmen alcohol (die op een waterbad tot bijna koken verhit was) zoolang uitgewasschen tot het fikraat blauw werd, daarna werden de 12 filters hiervan, gemerkt met gedroogd tot constant gewicht en uit het verschil met de vorige tabel volgt het gehalte aan rood, zijnde de volgende cijfers :
|
pCt. | ||||||||||
|
I. |
de 2.640 gr. zijn geworden |
2,398 gr. dus verlies |
=1 242 mgr. |
of |
8.1 | |||||
|
2. |
â 2,713 â |
?gt; |
2,528 â |
9? |
â |
= 185 |
» |
99 |
62 | |
|
3» |
gt;, 2,762 â |
â |
2,538 â |
= 224 |
7-5 | |||||
|
4- |
â 2,641 â |
gt;5 |
2,438 â |
â |
= 203 |
6.8 | ||||
|
5- |
â 2.668 â |
95 |
2,557 â |
â |
â in |
3-7 | ||||
|
6. |
â 2:806 â |
,, |
2,453 |
353 |
gt;» |
V |
11.8 | |||
|
7- |
â 2,542 â 2.673 â |
â |
2,379,, |
» |
= 163 |
5-4 | ||||
|
8. |
â |
2,390 â |
?gt; |
â 283 |
94 | |||||
|
9- |
.. 2,705 â |
2,553 â |
â |
J) |
= 152 |
ij |
5-1 | |||
|
10. |
â 2,088 |
â |
gt;5 |
2,009 â |
â |
5) |
= 79 |
» |
2.6 | |
|
11. |
2,3^5 â |
2,3cO â |
= 85 |
2.8 | ||||||
|
12. |
.. 2,610 â |
2,370 â |
J) |
= 240 |
8.0 | |||||
In deze rood-tabel hebben No. 6 en 8 abnormaal hooge cijfers. Van 8 kan medegedeeld worden, dat het alcoholisch fikraat niet rood, doch duidelijk bruin gekleurd was.
De extractie met alcohol werd gestaakt zoodra de vloeistof nog slechts blauw doorliep; 10 en 11 deden dit zeer spoedig; bij de overige duurde dit geruimen tijd. Ter overtuiging, dat al het rood opgelost was, werd een proefje van het filter in een reageerbuisje gebracht en dit met alcohol flink uitgekookt en gewacht tot hierbij geen roode kleur meer werd waargenomen, dan i^erd dit blauw wêer quantitatief op het filter teruggespoeld.
') Hiervoor gelden dezelfde opmerkingen als bij de colorimetrische bepalingen der lijmhoudende vochten.
23
De c filtraten gaven bij coloriraetrisch onderzoek het volgende : ')
|
Volumina der alcoholische filtraten. |
Gevonden met Standaard No. 1. |
Gevonden met j Standaard No. 5. |
Omgerekend op 1500 cc. |
Omgerekend op 900 cc. | ||
|
I |
1500 |
cc. |
IOO |
_ |
M O O n et |
_ |
|
2 |
1450 |
gt;5 |
8s |
â |
82.1 â |
â |
|
3 |
1250 |
88 |
â |
73-3 » |
â | |
|
4 |
1800 |
99 |
74 |
â |
88.8 â |
â |
|
5 |
900 |
99 |
â |
IOO |
- |
M O O n |
|
6 |
1050 |
99 |
61.5 |
â |
43-1 » |
â |
|
7 |
95° |
99 |
- |
69 |
â |
72.8 â |
|
8 |
1500 |
99 |
65 |
â |
65 |
â |
|
9 |
780 |
19 |
â |
94 |
â |
81.5 â |
|
10 |
275 |
99 |
â |
62 |
â |
18.9 â |
|
11 |
300 |
99 |
â |
62 |
â |
20.7 â |
|
12 |
1300 |
99 |
Co Oi |
71.9 » | ||
Hierbij zijn er blijkbaar weder twee groepen die onderling niet te vergelijken zijn, namelijk (afdalend in kleur-sterkte):
Groep a. Nos. i, 4, 2. 3, 12, 8, 6 en Groep b. ,, 5, 9, 7, 11 en 10.
Bij de verschillende monsters duurde het, zooals gezegd is, zeer lang voor dat op deze wijze al het rood geëxtraheerd was; vooral was dit het geval bij de Nos. 1, 2, 3, 4 en 12.
De c-filters werden vervolgens verbrand en verascht om door aftrek van deze asch van het indigo-residu op deze filters de waarde van het indigotine-gehalte te leeren kennen, welke waarde gecontroleerd werd door met een gedeelte van de ^-filters stikstof-bepalingen volgens de methode Kjeldahl uit te voeren, en het gevonden stikstof-gehalte om te rekenen op indigotine, waarbij aangenomen is dat bij deze aldus van lijm, bruin en rood bevrijd zijnde indigo's indigotine het eenige stikstof-houdende materiaal is.2)
1
) Zie hiervoor de opmerkingen gemaakt bij de colorimetrische vergelijking der lijm en bruin filtraten.
2
Aanteekening. Deze zuivere indigotine is aldus verkregen: Op een zandbad werd eene portie fijngewreven indigo tusschen twee horlogeglazen verhit en
24
Bij de stikstofbepalingen in de d-filters is zoo het volgende resultaat verkregen:
Afgewogen werd 321 mgr. indigotine; hierin is gevonden 33,88 mgr. stikstof d. i. 10.55 P^t- De formule voor indigotine
28
is C]6 HjP N2 02, dit eischt dus theoretisch ^ ^ pCt. stikstof =
10.68 pCt , dus is 0.13 pCt. te weinig gevonden, zijnde voldoende overeenstemming.
Daarna zijn van al de filter-residus 3 a 400 mgr. afgewogen (goed droog) en deze op bovengenoemde wijze gedestrueerd. Zoo werden de volgende cijfers voor het stikstofgehalte en in overeenstemming hiermede ook voor het indigotine-gehalte verkregen :
N0. 1: 360 mgr. geëxtraheerde1) indigo gaven aldus 35,28 mgr. stikstof, dit is omgerekend op zuivere indigotine 330,12 mgr. In het geheel was op het filter 2,398 gr. geëxtraheerde indigo; 2.398 330 12
dit bevat dus -1â indigotine, d. i. 2,199 gr., dus
andere bestanddeelen: 2,398 â 2199 = 199 mgr. Hierin is gevonden 28 mgr. asch, dus blijven over 171 mgr. organische niet-stikstofhoudende bestanddeelen. Dus 73.3 pCt. indigotine.
het in. sublimaat, hoofdzakelijk bestaande uit teerachtige bestanddeelen en rood, terzijde gesteld; zoodra de indigo-massa vrij homogene kristallen vertoonde, werd het bovenste horlogeglas door een schoon dito vervangen en tusschen beide in een stukje fijnmazig kopergaas aangebracht. Nu werd het zandbad met een tweede van gelijke grootte bedekt en het geheel gedurende 10 a 15 min. flink verwarmd. Na afkoeling hadden zich meestal op het kopergaasje prachtig gevormde kristallen van indigotine afgezet, welke dan zorgvuldig werden verzameld als losse kristallen. Deze werden dan nog, alvorens ze aan een analyse te onderwerpen, met aether afgewasschen om ze van mogelijke aanhangende teerbestanddeelen en mede gesublimeerd rood te zuiveren. Werd de bovenstaande aether slechts lichtblauw gekleurd, hetgeen met de losse kristallen bijna altijd het geval was, dan werden ze voldoende zuiver geacht. De aether werd dan afgedampt, de kristallen bij no0 gedroogd en na bekoeling in een exsiccator gewogen.
De sublimatie was eerst op verschillende wijzen beproefd zonder veel resultaat. Als voorbeelden zijn te noemen; directe verhitting in glazen vat en hierbij de indigo al of niet gemengd met zand of puimsteenpoeder. Verhitting in een verbrandingsbuis in een elementair-oven en in een koolzuurstroom. Dito in een fractioneer-kolfje onder luchtverdunning. De ervaring, dat de indigo-dampen slechts een korten weg kunnen afleggen en dus de eigenschap, dat de kristallen neiging vertoonen zich direct op de kool af te zetten, wijst voldoende den weg voor de gevolgde methode tusschen 2 horlogeglazen, gescheiden door een stukje metaalgaas.
Door voorzichtige sublimatie was het mogelijk indirubine (rood) als iste fractie uit roodrijke indigo af te scheiden. Hiertoe werd eerst zonder bedekking verhit tot de eerste nevels optraden, daarna het horlogeglas met een ander bedekt en de verhitting 5 minuten doorgezet. De indirubine-laag was dan met een pincet vrij zuiver van de onderlaag te verwijderen. Mogelijk aanhangende onzuiverheden werden met een veer verwijderd. De zuivering van het rood geschiedde door oplossing in alcohol.
1) Onder geëxtraheerde indigo is hier te verstaan indigo na de behandeling met zuur, loog en alcohol, dus bevrijd van lijm, bruin en rood.
25
N0. 2; 324 mgr. geëxtraheerde indigo geven 32,48 mgr. stikstof
of 303,92 mgr. indigotine, dus in het geheel quot;'S-8 X 303i92 __
. 324
2i37I ragr- dus 2,528â2,371 = 157 mgr. andere bestanddeelen, waaronder 23 mgr. asch dus 134 mgr. andere zelfstandigheden. Geeft 7q.o pCt. indigotine.
N0. 3: 372 mgr. indigo geven 37,52 N. of 351,08 indigotine
j â , , . 2ii538 X WiOS
dus in het geheel--ââ-= 2,395 gr.. Aschgehalte
37-
was 29 mgr. dus voor andere bestanddeelen 114 mgr. Geeft 79.8 pCt. indigotine.
NO. 4: 362 mgr. indigo geven 36,68 N. of 343,22 indigotine dus
, X 34ïi22 in t geheel -- = 25311 gr- indigotine. Aschgehalte = 38 mgr. dus 89 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 77.0 pCt. indigotine.
N0. 5: 281 mgr. geeft 28.84 N. of 269.86 mgr. indigotine dus in , , 21557 X 269,86
net geheel --= 2,456 indigotine. Aschgehalte was
29 mgr. dus 72 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 81.9 pCt. indigotine *).
N0. 6: 399 mgr. geeft 40,88 N. of 382,52 indigotine dus in het 382,52 X 2,453
getleeI-- = 2,352 gr. Aschgehalte = 27 mgr. dus
74 ngr- andere bestanddeelen. Geeft 78.4 pCt. indigotine.
N0- 7: 33° 'quot;g1'- geeft 23,04 N. of 309,16 indigotine dus in het
2i379 X 309ii6 ......
geneel--= 2,229 gr- Aschgehalte is 81 mgr. dus
60 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 74.3 pCt. indigotine.
N0. 8: 342 mgr. geeft 36,12 N. of 337,98 indigotine dus in 't , 2,390 X
geheel-----= 2,362 gr. Aschgehalte is 29 mgr. dus
342
geen andere bestanddeelen. Geeft 78.7 pCt. indigotine.
N0. 9; 301 mgr. geeft 30,8 N. of 288,2 gr. indigotine dus in 't , 2,553 X 288,2 ge*16^-^-= 2,444 gr- Aschgehalte is 16 mgr. dus
93 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 81.5 pCt. indigotine.
') Controle-proef voor 5 geeft 81.0 pCt. indigotine.
26
N0. io: 365 mgr. geeft 36,12 N. of 337,98 indigotine dus in 2,009 X Aschgehalte 44 mgr. dus
365
105 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 62,0 pCt. indigotine1).
N0. 11: 371 mgr. geeft 37,52 N. of 351,08 indigotine dus in
't geheel
2,300 X 3Sii08 , ââ--------= 2,177. Aschgehalte 65 mgr. dus
't sreheel
371
58 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 72.6 pCt. indigotine.
N0. 12: 328 mgr. geeft 31,92 N. of 298,68 indigotine dus in het geheel
*28
2,370 X 298,68
= 2,158. Aschgehalte = 81 mgr. dus 131 mgr. andere bestanddeelen. Geeft 71.9 pCt. indigotine2).
|
Geresumeerd wordt dus de volgende overzichts-tabel verkregen : | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
0.16, _ 1.96 a = 6.96 di = 2.96. |
!) Contróle-proef voor 10 geeft 62.6 pCt. indigotine. Controle-proef voor 12 geeft 72.6 pCt. indigotine.
27
BEREIDING VAN ROOD, LIJM, EN BRUIN.
Voor de rood-bereiding in het groot werd Java-indigo (gemerkt No. 13, ^ warm procédé) eerst door extractie met verdund zwavelzuur en kaliloog, beide van de sterkte 1.25 pCt., bij kookhitte van lijm en bruin bevrijd. Hiervoor werd ongeveer een kilo in bewerking genomen, dat eerst fijn gepoederd was. Daarna werd dit materiaal na goed gedroogd en gepoederd te zijn in hulzen, bij het extractie-apparaat van Soxhlet in gebruik, gebracht en in deze zoolang met alcohol geextraheerd tot de kleur niet meer rood bleef. Zoodra de afgekoelde vloeistof in het Soxhlet-kolfje begon te stooten, hetgeen dikwijls reeds na 3 uur extractie plaats had, werd deze oplossing verzameld en nieuwe alcohol in het kolfje gebracht.
Zoo werden geconcentreerde alcoholische rood-oplossingen verkregen, die direct op het waterbad tot droog verdampt werden in een porceleinen schaaltje. Als dit residu goed droog was (waarvoor het schaaltje nog eenigen tijd in een exsiccator geplaatst werd), werd het zorgvuldig verzameld en fijn gepoederd en op een droge plaats bewaard.
Zoo verkreeg men een donker bruin-rood gekleurd poeder. Dit rood was noodig èn om een standaard-monster te maken voor de titratie van indigo met permanganaat èn om hieruit door sublimatie het zuivere indirubine te verkrijgen. Dit laatste is in kleine hoeveelheden ook zeer fraai verkregen door gefractioneerde sublimatie van indigo No. 13. (zie boven).
Voor het standaard-monster was ook noodig lijm en bruin en voor de bereiding hiervan is uitgegaan van Bengaal-indigo (âOudequot;) gemerkt No. 10, waarvan eveneens een kilo in bewerking genomen werd. De lijm werd er uit verkregen door dit in poedervorm flink uit te koken met ruime hoeveelheid verdund zwavelzuur (i1^ pCt.)
Het zuur filtraat werd dus op een warmwater-bad geruimen tijd gedigereerd met barium-carbonaat.
De vloeistof bleef echter merkwaardigerwijze na lange digestie nog zuur reageeren, redenen waarom deze, nadat het gevormde barium-sulfaat met de overmaat carbonaat was afgefiltreerd, met zooveel natrium-carbonaat als noodig was ter neutralisatie, lot droog werd verdampt 2).
Het duurde geruimen tijd voor de indigo op deze wijze van alle lijm bevrijd was, m. a. w., dat het zure filtraat kleurloos doorliep, hetwelk toch noodzakelijk was, daar uit dezelfde hoeveelheid indigo ook bruin bereid moest worden. Hiertoe werd
1
) Eene aschbepaling van deze indigo gaf het volgende cijfer; 4,477 gr. indigo gaf 0,237 gr. asch d. i. 5,29 pCt.
2
1.3 pCt. N. Bij een stikstof-bepaling in indigo No. 10, waaruit de lijm gemaakt was gaf 360 mgr. indigo, 29.12 mgr. N. dus 8.09 pCt. N.
28
de met zuur volkomen geëxtraheerde indigo een paar malen met gedestilleerd water opgekookt en afgefiltreerd om het zuur te verwijderen en daarna op dezelfde wijze met loog (i1/* % kali) uitgetrokken. Het filtraat, dat eenige keeren moest gefiltreerd worden om het van blauw 1j te bevrijden, werd, als het volkomen geelbruin was doorgeloopen, aangezuurd met verdund zoutzuur tot duidelijk zure reactie, waarbij zich bruin als een vlokkig neerslag afscheidde.
Dit werd afgefiltreerd, afgewasschen tot het filtraat vrij van zuur was en zoo gedroogd. Het eerste filtraat was echter nog flink geel gekleurd zoodat zeker niet alles met zuur wordt neergeslagen. 2)
Daar lijm, bruin en rood uit verschillende indigo-soorten volstrekt niet identiek behoeven te zijn, is behalve uit No. 13 (warm procédé) ook rood, lijm en bruin uit No. 2 (gemengd procédé) vervaardigd op dezelfde wijze als boven. Dit later ontvangen No. 2 is echter niet gelijk aan die van de bovengenoemde monsters doch komt dit het meest nabij, redenen waarom het 2' zal genoemd worden 3).
COLORIMETRISCHE BEPALING VAN INDIGOTINE
Hiertoe is van alle monsters, benevens van indigorein B. A. S. F., nauwkeurig 1 gram gewogen en deze uitgekookt met verdund zwavelzuur en zoo van lijm bevrijd4).
Daarna zijn al deze hoeveelheden quantitatief op trechtertjes, voorzien met asbest-propjes, gebracht, om daarna de indigo met asbest en al met rookend zwavelzuur te behandelen ter oplossing. Hiertoe werd de zooveel mogelijk luchtdroge indigo voor het grootste gedeelte van de trechtertjes in een porcelein schaaltje gebracht en de trechtertjes, die daarom met opzet zoo klein mogelijk genomen waren, benevens de inhoud in de schaaltjes
1
!) Reeds bij de analyse was gebleken, dat No. 10 een bruin gaf, dat sterk blauwhoudend is.
2
) Of, niet alle lijm door het verdunde zuur geëxtraheerd is.
3
) De bereiding van bruin uit No. 2* ging veel gemakkelijker, daar dit geen blauw bevat en dus niet zoo dikwijls behoefde gefiltreerd te worden, redenen waarom bij No. 10 een schrale bruin-opbrengst verkregen werd.
4
) De zuivering der indigo's is ondernomen omdat bij een directe sulfoneering zeer abnormale cijfers verkregen waren. Deze oplossingen echter, toen gebruikt, waren gemaakt uit sterk zwavelzure oplossingen, welke ongeveer een maand gestaan hadden en dan schijnt het sterke zuur zeer storend op sommige indigo's in te werken. Bij de volgende proeven zijn alle oplossingen volkomen op derelfde wijze vervaardigd en na 2 uur digestie op het waterbad, direct verdund, zoodat daarna het sterke zuur zijn invloed niet meer kon laten gelden. Ook blijkt verder, dat de direct gesulfoneerde oplossingen (zonder zuivering, die op
29
met 8 c. c. Nordhauser zwavelzuur overgoten, zoo met trechter en al 2 uur op een waterbad bij ± 50 a 60° C. gedigereerd.
Daarna werd de inhoud quantitatief van trechter en schaaltje in een getarreerde flesch gebracht en nauwkeurig tot 500 gr. aangevuld. !)
Deze oplossingen werden aangewend na behoorlijke verdunning ter colorimetrische bepaling en tevens ter titratie, om zoo in verband met de later volgende titratie der oorspronkelijke indigo's den invloed van de lijm hierop na te gaan. De resultaten waren de volgende:
Van elk der oplossingen 1 op 500 werd 1 cc. tot 200 cc. gebracht, dus de verdunning werd van 1 op 100,000.
Eerst zijn alle monsters vergeleken met 2, die uiterlijk het donkerst scheen te zijn. De volgende cijfers werden verkregen: No. 1 = 95.5 pCt. van 2
4 »gt; 1
5 :=== 95*5 gt;' »' 2
6 = 97.- ,, ,, 2
7 = 81.-quot; â 2
quot; quot; 2) kleur is echter anders, dus niet scherp
9 was sterker [waar te nemen2).
10 = 64.- pCt. van 2
11 = 66.5 â ,, 2; kleur niet volkomen gelijk.
12 = 94.- â â 2
13=81.- â â 2
âReinquot; was sterker.
|
dezelfde wijze zijn behandeld) veel normaler cijfers geven dan degene, die (volledigheidshalve) volgen. N.B. No. 6 als lichtste = 100. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
!) Sulfoneeren geschiedt volgens later verkregen inlichtingen van Dr. Koppeschaar het best aldus: Zeer fijn gezift indigopoeder (natuurlijk het geheele monster) wordt met een 50 voudige hoeveelheid sterk zwavelzuur overgoten en goed gemengd, daarna gedurende 6 uur gedigereerd bij eene temperatuur, die 60° C. niet te boven mag gaan. Vervolgens wordt de gesulfoneerde massa in eens met veel water verdund om groote verwarming te ontgaan en daarna op volume gebracht (bijv. 1 gr. indigo tot 1 liter vloeistof.) De verdunning geschiedt niet in de maatkolf, maar in een ruimer flesch. |
1
) Een groote rol speelt hierbij het geschikt kiezen der verdunningen. Bij de latere proeven bleek de verdunning 1â100,000 zeer geschikt voor vergelijking te zijn.
30
Verder zijn de verschillende monsters vergeleken met zuivere indigotine, gesublimeerd uit indigo No. 13 en uitgewasschen met aether. Hiervan werd ook eene oplossing 1 op 100,000 gemaakt en deze als standaard gebruikt.
In pCt. uitgedrukt werden de volgende uitkomsten verkregen:
|
No. i = 74 pCt. 2 = 75 4= 72 5 = 7i 6 = 72 7 53-5 8 = 70 9= 85 10 = 45 11 = 47 12 = 65 13 = 52 âReinquot; = 95 |
van indigotine \ i Instelling echter niet duidelijk ' daar ze roode nuance ver-j toonde. grens vrij duidelijk. I Instelling door roode nuance ) niet scherp. , (alle volgens 2 waarnemers). |
De ongezuiverde oplossingen, dus die met lijm, gaven met indigotine vergeleken (zie bij titratie) de volgende cijfers:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1) Grenzen der verdunningen van deze oplossingen, waarbij nog blauw te zien is (vergeleken met gedestilleerd water) Voor indigotine i = 40 millioen. â indigorein 1 = 40 ,, No. 10 1 = 26 ,, No. 12 1 = 30 â | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
31
In deze tabel zijn bijna alle cijfers hooger, dus is de fout in dezelfde richting. De instelling is echter niet scherp en zijn alléén indigo's van dezelfde herkomst scherp met elkaar te vergelijken.
In het algemeen is dus de instelling niet scherp daar de zuivere indigotine een beslist blauwe, de indigo's daarentegen (op een paar uitzonderingen na, voornamelijk de Bengaal indigo no. ie en ii) roode nuance vertoonden 1).
!) Van de gesulfoneerde oplossingen werden de verdunningen iâ10.000, voor colorimetrisch onderzoek gebruikt, waarvan 2 seriën waren (namelijk de eene na uitwassching der iijm, de andere zonder deze operatie direct gesul-foneerd) de eene serie (zonder lijm) in het donker de andere (met lijm) zooveel mogelijk in de felle zon gezet gedurende de geheele maand Augustus. In September bleek dat de kleuren toen waren aldus geworden:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
uij 11 o. LiiiKjyjj lmjucx iviuui Indigotine bijna kleurloos (spoor groen), bijna kleurloos (spoor groen). |
Merkwaardig is hierbij, dat de in het duister bewaarde oplossingen over het algemeen meer ontkleurd zijn dan die welke in het zonlicht gestaan hebben. Tevens bevatten bijna alle kolfjes schimmeldraden, zoodat het waarschijnlijk is dat deze, of misschien bacteriën, hierbij in het spel geweest zijn. Het feit dat de aan het zonlicht blootgestelde vochten minder ontkleurd zijn, moet worden toegeschreven aan de desinfecteerende werking van het zonlicht waardoor de bacteriën gedood zullen zijn.
32
TITRIMETRISCHE BEPALING VAN INDIGOTINE.
Dezelfde oplossingen als gebruikt zijn voor colorimetrische bepalingen, namelijk die i op 500, zijn getitreerd met perman-ganaat, dat gesteld werd op Vio normaal oxaalzuur
Zoo werden getitreerd 25 c.c. van die oplossing, waarbij eerst is waargenomen het verdwijnen der blauwe respectievelijk groene kleur uit de oplossing en daarna is doorgetitreerd tot ook de roode kleur, zooals rlie bij de meeste monsters optrad na het verdwijnen van het blauw, in een zuiver gele tint was overgegaan.
Tevens werden van dezelfde indigo's zonder zure uitwasschingen, op dezelfde wijze als boven beschreven is, oplossingen gemaakt 1 op 500 en deze eveneens op dezelfde wijze getitreerd.
Op deze wijze is tevens de invloed van de lijm op het per-manganaat-cijfer na te gaan. Verder is een standaardmonster gemaakt, dat op een gram bevat 170 mgr. lijm asch, 40 mgr. bruin, 60 mgr. rood en 730 mgr. gesublimeerde indigotine.
Ook hiervan werd eene oplossing 1 op 500 gemaakt en op dezelfde wijze getitreerd. Zoo werden de volgende tabellen verkregen:
|
ZONDER LIJM. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1) Dit is de chamaeleon-methode van Mohr, zie Dingier, Polyt. Journ. Bd. 132, PB- 363- |
33
| ||||||||||||||||||||||||
|
Daar in de praktijk bij indigo-titraties het indigotinegehalte berekend wordt, niet door in te stellen op indigotine, doch op een standaardmonster is zulk een standaardmonster (zie boven) gemaakt dat ongeveer het gemiddelde is van de 12 geanalyseerde monsters (ten opzichte van lijm, bruin, rood en blauw.) | ||||||||||||||||||||||||
3
34
Stelt men aldus de titraties op het bekende blauwgehalte (nam. 73 pCt.) van het standaardmonster dan verkrijgt men de volgende waarden:
|
Titratie gesteld op |
Indigotine-gehalte |
Titratie |
Titratie van 2 | |
|
de bekende van |
volgens |
hooger |
maanden | |
|
standaard. ') |
totaalanalyse. |
bij Nos. |
oude oplossingen. | |
|
I. |
76.9 pCt. |
1 ' J'Ã |
_ |
O â¢quot;ö n |
|
2. |
78.5 â |
79.0 |
â |
74-4 â |
|
3. |
77-3 â |
79.8 |
â |
â |
|
4- |
71-5 » |
77.0 |
â |
70-5 » |
|
5- |
83-1 â |
81.9 |
5- |
â |
|
6. |
79-7 â |
78.4 |
6. |
â |
|
7. |
77-i |
74-3 |
7- |
â |
|
8. |
78.1 â |
78.7 |
â |
â. |
|
9- |
84.1 â |
81.5 |
9- |
7S.3 |
|
10. |
47-8 â |
62.0 |
â |
49-° n |
|
11. |
64.1 â |
72.6 |
â |
56-S â |
|
12. |
T3-2 » |
71.9 |
12. |
â |
|
73-7 â |
- |
Uit de titratie met permanganaat zijn dus de volgende conclusies te trekken.
Bij vergelijking van de tabel van indigo's zonder en die met lijm is de invloed van de lijm op het sulfoneeren niet na te gaan daar de cijfers vaak uiteenloopen en dit volstrekt niet in dezelfde richting doen.
Verder blijkt duidelijk uit de vergelijking van de titratiecijfers verkregen door in te stellen op de bekende van het standaard monster met die van de totaal-analyse, dat de waarden van Nos. 10 en 11 (dit zijn de Bengaal indigo's) abnormaal afwijken, zoodat hieruit zou moeten volgen dat de onderstelling waarvan is uitgegaan bij het bepalen van het blauwgehalte volgens gewichtsanalyse, (dat namelijk in de van lijm, bruin en rood beroofde indigo's geen andere stikstof-houdende stof aanwezig is dan de indigotine) voor de Bengaal indigo's niet opgaat, metanderewoorden dat in die indigo's (zonder lijm, bruin en rood) zich nog een andere organische stikstofverbinding bevindt, zoodat voor Bengaal indigo's titratie met permanganaat volgens Mohr meer betrouwbare cijfers geeft dan de totaal-analyse.
De gesulfoneerde indigo-oplossingen zijn na twee maanden in
1
bij titratie gevonden 70.5 pCt. indigotine. Vroeger (zie tabel) gevonden 70.3 pCt.,
85
het duister bewaard te zijn over het algemeen in sterkte achteruitgegaan.
Verder is hierbij op te merken dat die indigo's welke het minste rood bevatten, het scherpst te titreeren zijn, daar het verdwijnen van groen uit de oplossing scherper is dan de omslag van paarsch (mengkleur van rood en blauw) tot een beslist roode kleur.
De omslag is in het laatste geval bijna zooals die bij lakmoes.
BEREIDING VAN INDIGOTINE LANGS NATTEN WEG EN QUANTITATIEVE BEPALING HIEROP BERUSTENDE.
Behalve langs drogen weg (door sublimatie, zie boven) is ook indigotine bereid langs natten weg door een geruime hoeveelheid indigo No. i. eerst op de bekende wijze van lijm, bruin en rood bevrijd, aan reductie en daarop volgende oxydatie te onderwerpen.
Daartoe werd deze fijngepoederde indigo in flesschen met beugelsluiting gebracht, met glucose, verzadigde alcoholische natron en warme alcohol in de volgende verhouding; 7 gr. indigo en 14 gr. glucose -[- 32,5 cc. verzadigde alcoholische natron op 1 L. vloeistof. Daarna werd de flesch, die zoo geheel gevuld was gesloten en de inhoud ± 8 uur gedigereerd op een niet kokend (50 a 60quot;) waterbad. Hierna werd de inhoud gefiltreerd in een koolzuur-stroom, daarop het filtraat met lucht geschud, de neergeslagen weder geregenereerde indigotine afgefiltreerd, afgewasschen met alcohol, verdund zoutzuur, water, alcohol, aether en daarna gedroogd.
Zoo werd een bruin glanzend poeder verkregen, dat onder het microscoop, volgende kristallijne structuur vertoonde: 1)
l) Om te zien in hoeverre roodbevattende indigo hierbij storend zou zijn, is eene hoeveelheid op de vroeger vermelde wijze vervaardigd rood op dezelfde wijze gereduceerd. Zoo werd een roode alcoholische oplossing verkregen, terwijl zich harsachtige bestanddeelen tegen den rand van het vat afzetten. De vloeistof kon zoo na reductie volkomen helder afgegoten worden, doch hierna zette zich na schudden met lucht niets af daar het rood in alcohol opgelost blijft. Verdunt men echter de vloeistof met een volume water dan bevindt er zich den volgende dag op den bodem van het vat een rood praecipitaat, dat onder het microscoop volgende kristallijne structuur heeft.
36
(Van dezelfde indigo is ook rood op de bekende wijze bereid en hierin een stikstof-bepaling gedaan. Dit gaf op 334 mgr. rood, 18.76 mgr., d. i. 5.6 pCt. stikstof.
Indigo No. 1 zelf gaf zoo: 292 mgr. indigo: 26.33 mgr., d. i. 9 pCt. stikstof.)
Als methode voor quantitatieve bepaling berustende op het wegen der zoo afgescheiden indigotine wordt het volgende voorschrift gegeven: i) 5 gr. gepoederde indigo en 5 gr. glucose worden in eene flesch van 0.8 liter inhoud met 800 cc. warme alcohol overgoten en hierbij gevoegd 7â8 gr. natronloog (soortelijk gewicht 1.5). Men sluit daarop de flesch, schudt goed om en laat afkoelen en de inhoud bezinken. Daarna wordt een aliquot gedeelte helder afgeheveld, geschud met lucht en de neergeslagen indigotine, na uitwasschen met alcohol, verdund zoutzuur en water, gedroogd en gewogen.
Deze proeven zijn met al de monsters uitgevoerd.
Alles is gebracht tot een volume van 700 cc. en hiervan 400 cc. afgeheveld, en gevonden de volgende waarden:
|
I |
= |
735 |
mgr. |
indigotine X |
;/4 = |
1286.25 0P 5 Sr- van |
n0 |
I |
= 25-7 pCt. | ||||
|
2 |
= |
1220 |
gt;: |
X |
li â |
213S,â |
5 |
jj JJ |
JJ |
2 |
= 42 7 | ||
|
3 |
=. |
908 |
,, |
if |
X |
y- = |
i589,â |
JJ |
5 |
3 |
-31-8 â | ||
|
4 |
â |
640 |
?» |
jj |
X |
'/4 = |
1120.â |
5 |
J» JJ |
jj |
4 |
= 224 ,, | |
|
s |
=. |
1115 |
â |
jj |
X |
â¢/4 = |
195!.25 |
JJ |
5 |
â¢j â¢Â« |
jj |
5 |
= 39 0 â |
|
6 |
= |
875 |
,, |
»j |
X |
[U |
1531 20 |
JJ |
5 |
jj r» |
jj |
6 |
30-6 â |
|
7 |
= |
615 |
jj |
X |
'/4 â |
1076,25 |
JJ |
5 |
jj JJ |
jj |
7 |
= 21.6 â | |
|
8 |
â |
638 |
» |
â |
X |
ÃA = |
1116 5 |
JJ |
5 |
â ,, |
jj |
8 |
22 8 â |
|
9 |
= |
35 |
,, |
X |
'U â |
61.25 |
JJ |
5 |
9 |
= 1.2 â | |||
|
10 |
â |
39 |
jj |
x |
_7/4 = |
68,25 |
JJ |
5 |
jj JJ |
V |
10 |
= I-3 j, | |
|
11 |
= |
237 |
jj |
X |
'/4 â |
414,75 |
â |
5 |
jj JJ |
JJ |
11 |
= 8.3 â | |
|
12 |
â |
520 |
» |
jj |
X |
7/4 = |
910,â |
â |
5 |
jj JJ |
12 |
= 18.2 â | |
|
13 |
893 |
5} |
Jgt; |
X |
1/4 = |
1562,75 |
JJ |
5 |
jj JJ |
JJ |
I3 |
= 3I-4 â | |
|
Rein |
= |
982 |
V |
X |
'/4 â |
1718.5 |
5 |
jj JJ |
JJ |
Rein |
= 344 â | ||
De resultaten dezer methode blijken dus volkomen onbruikbaar. Om na te gaan in hoeverre bij deze proef indigotine verder ontleed is, is het residu, dat in de flesschen is achtergebleven bij nos. 1, 6 en 8 nog eens met alcohol, glucose en natron verwarmd en deze oplossing afgeschonken (hieruit zette zich zoo goed als niets meer af) en het restant op een filter gebracht en dit goed met water uitgewasschen, gedroogd bij no0 C. en gewogen.
Zoo verkregen bij No. 1, 1,180 gr. rest. No. 6, 1,765 gr. rest. No. 8, 2,830 gr. rest.
Deze waarde, geteld bij de reeds gevonden hoeveelheid, geeft voor No. 1, 2,46625, No. 6, 3,29625, No. 8, 3,9465 dus in pCt. No. 1, 59,3 pCt, No. 6. 65,9 pCt. No 8, 78,9 pCt.
ï) Zie hiervoor Journ. f. pr. Chem. Bd. 28 p. 16 en 193. Dingier Polyt.Journ. 1842, 86, 306. Verder Journ. Am. Chem. Soc. 7, 16 en Dingier Polyt. Journ. 1887, 263, p. 443.
37
Dus alleen van 8 wordt nagenoeg alles teruggevonden; bij de andere twee is er vrij veel indigotine verloren geraakt. De proeven zijn herhaald met No. 10 en i en hiervan i gram afgewogen en fijn gewreven met zand en daarna met dezelfde vloeistof afgeslibd, totdat alles quantitatief in de flesch gespoeld was, doch bij afschenken van een aliquot gedeelte bleek er geen spoor indigotine door reductie in oplossing gegaan te zijn.
De omzetting van indigotine tot indigowit en daarna weder tot indigotine verloopt verre van quantitatief en is voor dusdanige bepalingen geheel onbruikbaar.
Uitgaande van het feit, dat door salpeterzuur indigotine en zijne derivaten (hier in het bijzonder het disulfonzuur) eerder geoxydeerd wordt dan indirubine (en derivaten) zijn papier-strooken, die gedrenkt waren met oplossing iâ500 van de verschillende indigo-monsters in zwavelzuur en daarna goed gedroogd waren, aangestipt met verdund salpeterzuur om hieruit qualitatief de aanwezigheid van het rood nategaan.
Zoo zijn de volgende resultaten verkregen:
1 wordt lichtrood na 4 uur lichtrood,
2 )gt; j) j) jj jt
3 '? yt ») jï
4 ȕ »1 Ȉ gt;» Ã)
5 â spoortje rood (bijna wit) â â â spoor rood (bijna wit).
6 â lichtrood â â â lichtrood.
7 » geel â â â geel.
S â iets rood tot geel â â â iets rood tot geel.
9 ,, spoor rood (lichter dan
8) bijna geel â ,, ,, ,, ,, ,, â
10 â wit â â â geel wit.
11 â geel â â â geel.
12 â bleekrood â â â bleekrood.
Rein â langzaam geel-wit â â â lichtgeel.
Indigotine,, geel â â â
Hieruit is dus eenigszins (qualitatief) het roodgehalte na te gaan, namelijk rein en indigotine vertoonen geen spoor rood. Evenmin de Bengaal indigo's 10 en 11. Ook bij 7 doet zich het rood niet voor. Verder schijnt de tijd niet van invloed te zijn bij de werking van verdund salpeterzuur, daar na 4 uur de tint niet merkbaar veranderd is.
Deze proef bewijst dus dat;
Indirubine-disulfonzuur meer bestand is tegen de inwerking van salpeterzuur dan indigotine-disulfonzuur.
38
CARMIJN-VERFPROEVEN.
Hiervoor zijn gebruikt zwavelzuur-oplossingen van alle indigomonsters (Nordhauser zwavelzuur, 8 gr. op i gr. indigo en de oplossing na 2 uur digestie bij 50quot; C. tot 500 verdund.) !)
l) Proeven ter oriënteering ;
a. Eerst is zoo geverfd met indigotine (gesublimeerd) met 2, 9. 10 en âReinquot; en wel van de oplossingen iâ500, 100 c.c. en deze verdund tot 200 dus de verhouding was 1 â100. Deze oplossingen zijn in porceleinen^ schaaltjes eerst tot 50° verwarmd op een gaasje met klein vlammetje en toen in ieder gebracht 5 gr. zuivere witte wol, daarna gedurende ' ^ uur de temperatuur tot kookhitte opgevoerd en ten slotte nog een half uur doorgekookt, ten minste getracht dit te doen, doch door het betrekkelijk kleine volume vloeistof en het sterke verdampen door de groote oppervlakte, die aan de lucht was blootgesteld, kon zonder gevaar de temperatuur niet hooger opgevoerd worden dan tot 85° C. Xa deze operatie zijn de strengen wol uit de vloeistof gehaald, liet men ze uitdruppelen en zijn ze in eene schaal met gewoon water uitgewasschen, waarbij bleek, dat hieraan groote hoeveelheden blauw werden afgegeven, zelfs na herhaaldelijk ververschen. De door de wol geëxtraheerde vloeistof is weder tot 200 gebracht en deze colorimetrisch met de oorspronkelijke vergeleken om te zien hoeveel kleurstof de wol opgenomen had, doch daar hierbij in het eerst niet het waschwater in aanmerking genomen was, heeft dit weinig waarde. Volledigheidshalve zal het toch vermeld werden. (Later zijn de waschwaters wel degelijk in aanmerking genomen, zooals verder blijken zal), Hiertoe werden de beide vloeistoffen, zoowel de oorspronkelijke als de geëxtraheerde tot dezelfde (geschikte) verdunningen gebracht en de laatste met de eerste vergeleken door daarvan in een Nessler-buis 100 c.c. te brengen en in een andere Nessier- buis met wat gedestilleerd water zoolang uit de buret van de oorspronkelijke oplossing te laten bijvloeien, totdat de tinten in de beide buizen gelijk zijn. Uit het aantal c.c. zoo verbruikt, volgt dan :
âIndigotinequot; : 100 c.c. geëxtraheerde vloeistof (in verdunning 1-^250000) komt overeen met 16 c.c. van de oorspronkelijke vloeistof (ook in verdunning 1â250000) dus volgt hieruit dat 16 pCt. kleurstof in de oplossing is achter gebleven en 84 pCt. door de wol is opgenomen.
âReinquot; ; 100 c.c. geëxtraheerde vloeistof komt overeen met 34.5 c.c. van de oorspronkelijke vloeistof dus is achter gebleven 34.5 pCt. kleurstof dus opgenomen 65.5 pCt.
No. pCt. pCt.
2 verhouding is hierbij 100 : 14.2 dus achtergebleven 14.2 dus opgenomen 85.8 9 ,, â â 100: 21.4 â â 21.4 â ,, 78.6
10 â ,, â 100: 21.6 ,, ,, 21.6 ,, â 78.4
tgt;. De tweede rij der voorbereidende proeven bestond uit het verven met âReinquot;, No. 2 en No. 10.
Nu werd genomen van de oplossing, 1â500, 75 c.c. en deze gebracht tot 375 c.c. onder dezelfde omstandigheden als de vorige proef. (Verdunning dus 1â2500). De temperatuur werd slechts 85° C.
Doch nu werden de strengen wol, nadat ze uit het verf bad genomen waren een nacht over bewaard in 12 liter gedestilleerd water. Den volgenden morgen bleek het waschwater bij âReinquot; het donkerst gekleurd te zijn en het lichtst bij No. 10. Dit laatste had een vaal blauwe kleur. Van ,,Keinquot; en 2 waren de kleuren helderblauw. Voor colorimetrische bepaling is de halve liter waschwater met de geëxtraheerde vloeistof samen tot een liter gebracht en deze vergeleken met de oorspronkelijke oplossing in zelfde verdunning.
Zoo is verkregen ;
pCt. pCt.
Bij ,,Reinquot; is de verhouding 100 : 32.2 achtergebleven = 32.2 dus 67.8 opgenomen. ,, No. 2 ,, â ,, 100: 20.2 ,, = 20.2 â 79.8 â
â ,, 10 ,, ,, â 100: 12.1 â = 12.1 ,, 87.9 â
39
SERIE I.
Deze serie bestaat uit stalen geverfd met alle 13 indigo's benevens âReinquot; in eene oplossing 1â4000 (50 cc. van oplossing 1â50c verdund lot 400). Deze vervingen werden uitgevoerd in bekerglazen en de temperatuur kon zoo zeer goed tot nabij ioo0 (meestal boven 97°) worden opgevoerd. De wol werd in de oplossingen bij 50quot; gebracht, de temperatuur in 1/2 uur tot het kookpunt opgevoerd en daarna werd een Va uur doorgekookt.
Daarna liet men gedurende 2 uur de wol in de oplossing afkoelen. Hierop werd ieder streng (5 gr. ieder) in ^ L. gedestilleerd water gebracht, en na hierin ± 3 uur gestaan te hebben, het water ververscht.
Het eerste waschwater werd weder bij de geëxtraheerde vloeistof gebracht en aangevuld tot een liter, nadat deze eerst onderling vergeleken waren.
De opeenvolging in sterkte der kleuren opklimmend is aldus 4, 10, 13, 2, 1, 12, 5, 8, 3, Rein, 7, (ontbrekende Nos, 11, 6 en 9 zijn afzonderlijk geverfd).
De bijeengevoegde vloeistoffen konden opklimmend in de volgende rij geplaatst worden; 10, 13, 12, 4. 2, 5, âReinquot;, 8, 3, 1, 7.
|
Colorimetrisch vergeleken het volgende: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Als serie I a wordt betiteld de serie wol geverfd met de oplossing 1â500 van de indigo's, die, alvorens ze te sulfoneeren. met verdund zwavelzuur geëxtraheerd werden. Deze zijn volkomen op dezelfde wijze behandeld als serie I.
40
|
Colorimetrische vergelijking geeft zoo: pCt. I verhoudiog ico; 6,4 dus opgen. 93.6 in mgr. opgen. 93.6 X o.73 â 7^â 3 mgr. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Over het algemeen was de wol moeilijk te bevochtigen en de geverfde strengen daardoor niet homogeen. Daarom zijn in het vervolg de strengen gedrenkt in kokend gedestilleerd water en ze vervolgens zooveel mogelijk uitgewrongen in het verfbad gebracht.
SERIE II.
Hierbij zijn genomen oplossingen, die bevatten: 1 gr. indigo-tine op 6000 cc. en dit is berekend uit de indigotine-procenten bij de totaal-analyse gevonden, om zoo in oplossingen te verven, die hetzelfde indigotine-gehalte bezitten.
De procenten zijn, tot geheele getallen afgerond, en er is 400 cc. oplossing gemaakt.
De volgende berekening werd gemaakt:
No. 1 bevat 73 pCt. indigotine, dus 1 cc. van oplossing 1-500 bevat 2 X 0i73 mgr- indigotine. De verdunning moet worden 1 gr. indigotine â 6000 cc., dus 400 cc. van deze oplossing moet bevatten 2/s X 100 n1»1quot;-) zoodat van de oplossing 1-500 moet , quot;/3 X 100 100
genomen worden -- = - = 45,6 cc.
6 2 x 0,73 3 x 0,73
l) Van de geëxtraheerde vloeistoffen waren duidelijk groen No. 9, 13, Rein en 11 in sporen. Het donkerst gekleurd waren 8, 2 en 12, hierop volgden 5, 4 en 6. De 400 c.c. gedestilleerd water, waarin alle strengen 2 uur gestaan hadden gaven de volgende afdalende reeks 2, 8, 4, 6, 11, 5, 12, 9, âReinquot; 13. (Nos. 10, 1 en 7 waren reeds vroeger bij de ontbrekende 11, 6 en 9 van serie I geverfd.)
41
No. 2 bevat 79 pCt dit wordt dus
80
77
82
78 74
79
81 62
73
72
genomen als gemiddeld 97 pCt. dit wordt dns
|
45,o |
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12 ïS
Rein
45;-34,3
verdunning, verdunning
|
3 X 0,97 De geëxtraheerde vloeistoffen zijn, na genoegzame vergeleken met de oorspronkelijke oplossingen in 1 mgr. tot liter, en geven de volgende uitkomsten: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
42
|
Als reeks 11« zijn dezelfde verhoudingen genomen, doch nu van de oplossingen door extractie met verdund zwavelzuur van lijm bevrijd. Bij colorimetrische vergelijking krijgt men de volgende verhoudingen: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Voor het maken van een gamma is gesublimeerde indigotine fijn gewreven en afgewasschen met aether en na overtuiging, dat deze geen spoor rood meer opnam is de aether afgedampt, zijn de kristallen gedroogd en daarna afgekoeld in exsiccator, en hiervan nauwkeurig 2 gr. afgewogen en deze met 16 c.c. Nordhauser zwavelzuur bij 50° gedigereerd, daarna de oplossing verdund en in een literkolf gespoeld en de vloeistof tot een liter aangevuld. Van deze oplossing zijn 21 verschillende verdunningen gemaakt aldus:
No. verdunningen.
^.oo c.c. worden 50.- c.c. van oplossing
1â500 1â500 1 â 500 I- 500 1â500 1â500 Iâ500 1-500 1 500 Iâ500 1â500 1â500 Iâ500 Iâ 500 1 â 500 Iâ500 Iâ500 Iâ500 1 â 500 Iâ500
|
1. |
1â 4000 Voor 400 c.c. |
worden 50.- |
C.C. | |
|
2. |
1â 4400 |
400 â |
45-5 | |
|
3- |
lâ 4800 |
400 â |
41,6 | |
|
4- |
1 5200 |
400 â |
gt;1 38,4 | |
|
5- |
1â 5600 |
400 â |
35^7 |
IJ |
|
6. |
1â 6000 |
400 â |
» 333 |
1) |
|
7- |
1â 6400 |
400 â |
3Ã.2 | |
|
8. |
1â 6800 |
400 â |
29.4 | |
|
9- |
1â 7200 |
400 â |
27.7 | |
|
10. |
1â 7600 |
400 â |
26,3 |
1) |
|
11. |
1â 8000 |
400 â |
» 25,0 |
if |
|
12. |
1â 8400 |
400 â |
11 23,8 |
» |
|
13- |
1â 8800 |
4CO â |
22.7 |
?gt; |
|
H- |
1â 9200 |
400 â |
â 21.7 |
if |
|
15- |
1â 9600 |
400 â |
20,8 |
ff |
|
16. |
Iâ10000 |
400 â |
20,- |
ff |
|
'7- |
1 10400 |
400 â |
19,2 |
ff |
|
18. |
Iâ10800 |
400 â |
18,5 |
ft |
|
19- |
1â11200 |
400 â |
17,8 |
ff |
|
20. |
Iâ11600 |
400 â |
,, 17.2 | |
|
21. |
1â12000 |
4°° â |
â 16,6 |
ff |
43
Deze hoeveelheden zijn achtereenvolgens uit een buret afgemeten en verdund tot 400 c.c. en daarna is hiermede geverfd onder dezelfde omstandigheden als boven. De wol werd van te voren met gedestilleerd water opgekookt en zoo droog mogelijk uitgewrongen in het verfbad gebracht.
Om te bepalen hoeveel indigotine was achtergebleven zijn alle geëxtraheerde vloeistoffen, verdund tot 800 cc. en hiervan 10 cc. tot 100 gebracht, vergeleken met de oorspronkelijke oplossing
1
verdund: 1 gr. â millioen cc.; dus iedere cc. bevat - mgr.
5 ' 1000
Zoo krijgt men de volgende verhoudingen :
44
cj o f n moo ro tâ1 co tâ cm NCO t-quot; r~-cgt; cgt; cgt; cgt; cgt; cd coquot; ó có cd cd cgt; cgt; cd cgt; cd
o Os Qs Qs Qs O^ O^ O^ ON O^ On 0s Qn On
CO M M h- HH
u
Qs O O O 0s
|
co |
ro |
vq |
N |
co |
M |
QO |
fO |
q |
N |
q |
q |
ON |
M |
to |
M |
N |
M |
CO | ||
|
cd o- |
6 ON |
N CO |
vd t^- |
G r- |
O o |
vO |
cd in |
tó VO |
N to |
ON |
r^- |
io quot;3- |
N Tj- |
â ^ |
ÃN ro |
cd ro |
O ro |
to ro |
quot;tf-CO |
N CO |
|
q |
N |
CO |
vq |
00 |
vq |
G |
vq |
vq |
q |
TJ- |
G |
vq |
N | |||||||
|
001 |
ON |
ró CO |
O r- |
vd vO |
N O |
cd IO |
io IT) |
N IO |
à IO |
quot;^- |
IO ^1quot; |
ró quot;^- |
d |
cd to |
igt;-fO |
to CO |
co |
N CO | ||
|
vo |
N tâ |
ON io |
^1- vq |
N O |
fO to |
CO lO |
IO Tt- |
g |
N |
O |
ON IO |
ro 't- |
CO -I- |
to |
to to |
N CO |
N ro |
tâ CO |
quot;3quot; CO |
N |
|
HH |
G |
g* |
6 |
6 |
g* |
6 |
à |
g* |
6 |
g' |
d |
à |
g |
6 |
d |
d |
d |
d |
d |
d |
ow a
|
u G | |||||||||||||
|
q |
-iquot; |
q |
co |
vq |
n |
\o G n vq |
^ G vO vO |
q |
q |
vq n |
N | ||
|
â 4- |
n |
co* |
r^- |
vd |
ló to to |
to vo tó vd |
tó | ||||||
|
X |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
XXXX |
X |
XXXX |
X |
X |
XX |
X |
|
G co |
G co |
G co |
G 00 |
G co |
G co |
G 00 |
G G G G co co co 00 |
G co |
G G G G 00 co co 00 |
G co |
G co |
G O co co |
G co |
u
ooooooogogooogoooogoo
oogggggggggogggggggog
cooococooocooooooocooocococococococooocooo ^ ' ' '
c
in
â ^quot; g tf o co o no o no g no o q g o n n
rfN t^-CO t^-vd t^ióiOiótâ t^-mo ló O
Oh g
lt;Lgt;
tx:
0222022£2200000000000 m n ro tf u-j no tâ co on g
N fOTj-iovO CO 0s G â¢-.
HHMMH^h^l-tMMNN
c
O c
O
45
Na eerst ± 4 uur in 400 cc. gedestilleerd water gestaan te hebben, werden de strengen gedurende 2 dagen bewaard in 400 cc. gedestilleerd water, daarna uitgewrongen en gedroogd in het donker in een kalkflesch bewaard.
Opmerkelijk is, dat de geëxtraheerde vloeistoffen ten deele groenachtig waren, ten deele een meer blauwe tint vertoonen. Sommige waren vaalblauw.
Blauw waren 1, 2, 5, 12, 17, 18.
Groen waren 3, 4. 6, 7, 8, 9, 10, 11, 16, 17.
De andere vaalblauw.
GROEN-VERVERIJ, OM HIERBIJ NA TE GAAN DEN INVLOED VAN HET ROOD.
Hiertoe is geverfd met gesulfoneerde oplossingen van No. 1 en 5 (zonder lijm). Deze indigo's zijn gekozen daar zij, beide Java-indigo's zijnde, in roodgehalte het meest uiteen liepen.
Hiertoe zijn de verdunningen genomen 25 cc. van 1 tot 400 en 24 cc. van 5 tot 400 (de sommen van rood en blauw zijn omgekeerd evenredig met deze cijfers).
Serie I. Van iedere indigo is een serie van 5 nummers geverfd onder toevoeging van pikrine-zuur in verhouding: op 1 deel indigo respectievelijk 2, i1/^ 1/4, l/s deelen pikrine-zuur.
Serie la. Hierbij is de hoeveelheid pikrine-zuur dezelfde, doch de helft der indigo dus nu resp. van No. 1 en 5 12,5 en 12 cc. indigo-oplossing.
Serie II. Pikrine-zuur als boven doch van indigo 2/s van bovenstaande hoeveelheid dus resp. voor No. 1 en 5 8,3 en 8 cc. indigo-oplossing.
Serie II bestaat verder uit verfproeven met indigotine en pikrine-zuur (in hoeveelheid als boven). Voor indigotine werd genomen resp. correspondeerend met 1 en 5 7,6 en 4,47 cc. (oplossing 1-500).
Deze hoeveelheid indigotine-oplossing is genomen om de stalen van serie II met elkaar te kunnen vergelijken. De stalen wol van de blauwververij gemerkt serie Ha No. 1 en No. 5 zijn vergeleken met de indigotineschaal en er is gevonden, dat No. 1 overeenkomt met No. 3 van de âindigotine-gammaquot;.
Nu was gebruikt voor No. 1 serie Ha 43,6 c.c. Yjoo oplossing No. 1 en voor No. 3 (gamma) 41,6 c.c. indigotine 1â500 dus daar de kleur-intensiteit met eene hoeveelheid indigo No. 1 van 8,3 c.c. overeen moet komen krijgt men de volgende vergelijking 45,6 : 41,6 = 8.3 : X waarvan X het aantal c.c. indigotine oplossing is, overeenkomende in sterkte met 8.3 c.c. indigo No. 1 ;
41,6
X is zoo --p- X 8.3 = 7.6 c.c.
45,6 ^ 'â¢* '
46
Op dezelfde wijze kwam No. 5 (serie Ha blauw) overeen met No. 13 van de gamma.
Voor No. 5 is gebruikt 40,6 c.c. voor 13 (gamma) 22.7 c.c. indigotine-oplossing dus de vergelijking wordt nu 40,6 : 22,7 = 8 : Y
22,7 ...
of Y = --r- X 8 = 4,47 c.c. indigotine-oplossing 1â500.
40,0
Verder is nog geverfd met indigo rein en pikrine-zuur als volgt: Serie Ua 1 gebruikt 8,47 c.c. Rein 1â500 en 100 mgr. pikrine-zuur.
2 8,47 ïj »à quot; 50 J? jj
3 » 8,47
4 8,47 Ãà j? Ãà 12gt;5 jj »
5 _ 8,47 Ã) _ ÃJ ») gt;) quot; quot;
Deze serie is niet vergelijkbaar met de bovenstaande, daar ze naar verhouding te veel âreinquot; bevat.
Daar bovenstaande laboratorium-proeven geen eigenlijke carmijn-ververij der praktijk te noemen zijn, behalve het verven met indigotine en indigorein als gesulfoneerde oplossing, zijn de carmijn-vervingen herhaald met de volgende wijziging, dat nl. niet direct de gesulfoneerde oplossingen, doch het hieruit door uit-zouten met keukenzout verkregen indigo-disulfonzuur-natrium (carmijn) gebezigd werden tot verven. Aldus is carmijn vervaardigd uit indigo No. 2 en indigo No. 5 als typen van roodrijke en roodarme Java-indigo. Hiermede is geverfd, en in vergelijking hiermede met een versch gesulfoneerde indigorein-oplossing. (Van ieder in 5 tinten).
Genomen werden de volgende hoeveelheden.
25, 50, 75, 100 en 150 mgr. carmijn van No. 2.
2Si 50i 75i J? IS0 quot; 5*
15, 30, 45, 60 â 90 â âreinquot; alles op 5 gr. wol.
In afwijking met de vorige proeven werd nu geverfd met fijn wit kamgaren, doch verder alles op dezelfde wijze als vroeger â daar bij de beoordeeling der nuances, wol in den vorm van kamgaren zich hiertoe beter leent dan strengen.
Ook werden de proeven met Saksisch groen herhaald in de volgende sterkten (van ieder 3 tinten).
No. 2 carmijn 25 mgr. pikrine-zuur resp. 25, 50 en 100 mgr.
11 5 quot; 25 quot; » quot; quot; 2Si 5° gt;gt; 100 quot; Rein 12 â â ,, â 25, 5® »» Ioo ,,
Verder is ook nog geverfd met een gesulfoneerd mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine met pikrine-zuur in de volgende verhoudingen: 20 mgr. van mengsel indigotine en indirubine met 100 en 50 mgr. pikrine-zuur eveneens met kamgaren.
Verdere carmijnproeven zijn genomen op de volgende wijze: 25 gr. eener roodrijke indigo werden gesulfoneerd met 225 gr. sterk zwavelzuur en het verkregen product verdund met 500
47
water. Hierbij werd gevoegd 375 gr. soda i) in weinig water opgelost. Dit geschiedde in een ruime schaal (daar het hevig opschuimde), en bij kleine porties te gelijk.
Nadat de inwerking was afgeloopen werd het geheel afgefil-treerd, het neerslag op een doek gebracht en liet men het vrijwillig uitloopen, daarna werd het in de pers vochtvrij gemaakt en vervolgens gedroogd. Dit was de eerste fractie van het carmijn.
Het filtraat werd na indampen tot de helft, bedeeld met 250 gr. keukenzout en, nadat dit hierin onder zacht verwarmen was opgelost, afgekoeld. Daarna was het mogelijk hieruit een tweede fractie te verzamelen door filtratie, die op dezelfde wijze gedroogd werd.
Een derde fractie werd verkregen door het laatste filtraat tot op de helft in te dampen en wederom te filtreeren. Deze fractie bevatte veel natrium-sulfaat.
De vierde fractie eindelijk die hoofdzakelijk uit natrium-sulfaat en keukenzout bestond, doch ook nog verfstof bevatte werd verkregen door het vorige filtraat tot droog in te dampen.
Met deze vier fracties werd geverfd in twee nuances. De vier onderling vergeleken vertoonden belangrijke verschillen en bevatten in de richting 1, 2, 3 en 4 hoe langer hoe meer rood. Terwijl in de eerste fractie blijkbaar geen rood was, (extractie met sterken alcohol bracht geen roode kleur in oplossing) bevatte de vierde bijna geen blauw meer. Zoo schijnt het dus mogelijk te zijn : uit roodrijke indigo roodarme (of roodvrije) carmijn te maken.
KUIP VERVERIJ.
Hiertoe is gebezigd de ferrosulfaat-kalk-kuip en de hydro-sulfiet-kuip.
Ferrosulfaat-kalk-kuip.
Hiervoor werd in de eerste plaats de indigo zeer fijn gezift. Daarna werd hiervan 1 gr. innig vermengd met 3 gr. gezifte gebluschte kalk, dit tot een brei gemaakt met lauw water en overgoten met eene oplossing van 2 gr. ferrosulfaat in water, (eveneens lauw warm) alles in een Erlenmeyer-kolfje gespoeld. Dit liet men ± 6 uur staan (gesloten). Daarna werd de inhoud van dit kolfje uitgestort in een bekerglas, dat een liter water bevatte, alles goed omgeroerd en na bezinking was de kuip tot verven geschikt.
!) Dit was ongeveer de helft van de hoeveelheid, noodig om het zwavelzuur te neutraliseeren.
48
Dan werden hierin gebracht haspels van koper, waaromheen een stukje katoen was vastgemaakt. Het haspeltje met katoen werd eerst in lauw water gebracht om volkomen bevochtigd
te zijn. _ ,, j , ,1
Aldus werden twee tinten, één licht en één donker blauw «everfd en dit bij voorkeur gedaan in twee of meer tempo's.
Steeds wanneer de haspel met katoen uit de kuip werd gehaald, werd deze eerst flink in een ruim bekerglas met water afgespoeld om de overtollige kuipvloeistof te verwijderen, daarra aan de lucht ter oxydatie blootgesteld, en zoo de kleur nog niet donker genoeg was, wederom in de kuip gebracht doch dan de haspel omgekeerd, zoodat hetgeen eerst boven was nu onder kwam. Was de gewenschte kleur bereikt, waarvoor de stalen minstens 20 minuten aan de lucht blootgesteld moesten wTorden om dit te kunnen beoordeelen, dan werden ze van den haspel verwijderd, geetiketteerd en in een bad van 1 pCt. zwavelzuur gebracht, daarna in gewoon water uitgespoeld tot al het zuur er uit was en gedroogd.
Op deze wijze is geverfd met de volgende indigos:
iü. No. 2 als type van roodrijke Java-indigo, (gemengd of warm procédé v. L. C.)
20. â 2 geëxtraheerd met zuur (dus zonder lijm).
30. â 2 geëxtraheerd met zuur en loog (zonder lijm en bruin).
40. â 5 als type van roodarme Java-indigo (koud procédé).
50. â 5 geëxtraheerd met zuur (zonder lijm).
6°. â 5 geëxtraheerd met zuur en loog (zonder lijm en bruin).
70. Bengaal-indigo No. 11.
8°. Indigo-rein B. A. S. F.
90. zuivere indigotine (langs natten weg verkregen.) ') 100. mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. Berzelius-rood.-) ii0. mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine. 12®. mengsel van 97.5 pCt. indigotine en 2.5 pCt. Berzelius-rood, alles geverfd in twee tinten dus 24 stalen.
Met dezelfde mengsels zijn hydrosulfiet-kuipen gemaakt. Hiertoe is eerst de hydrosulfiet-oplossing gemaakt aldus:
Een koud' verzadigde oplossing van natrium-bi-sulfiet werd gebracht op een overmaat zinkstof en hiermede onder herhaaldelijk schudden 1 a 2 uur in aanraking gelaten, daarna werd de vloeistof. aldus verkregen, helder afgeschonken en met kalkmelk alkalisch gemaakt. Na volkomen bezinken is de vloeistof direct geschikt voor het gebruik.
Dan werd ± 30 c.c. van deze vloeistof met 1 gr. fijn gezeefde indigo eenigen tijd bij 600â70'' verwarmd, waarna de dan geel-
1) Gesublimeerde indigotine vormde zeer lastig een kuip, zelfs als he- met puimsteen-poeder zeer fijn gewreven was.
2) Onder âBerzelius-roodquot; is te verstaan het rood verkregen door de lijm en bruin bevrijdde indigo met alcohol te extraheeren.
49
bruine oplossing uitgestort werd in een liter water van 700 C. en onder toevoeging zoo noodig van nog wat hydrosulfiet ontstond aldus een helder gele tot bruine oplossing waarin, als deze tot ± 550 C. was afgekoeld wol geverfd kon worden.
Hiervoor werd gebruikt wit kamgaren, dat eveneens om haspels met spelden bevestigd, in kokend water werd gebracht om het door en door te bevochtigen (hetgeen soms lang duurde). Daarna werd dit in de kuip gebracht. Hierbij werd op dezelfde wijze gehandeld als bij de ferrosulfaat-kalk-kuip, doch hier moet zorgvuldiger nagewasschen worden om het zwavelzuur te verwijderen, daar dit door de wol hardnekkiger wordt vastgehouden. Aldus werd in iedere kuip in twee tinten geverfd, dus 24 stalen.
Na bekoeling der kuipen tot de gewone temperatuur werd hierin katoen geverfd verder op gelijke wijze. Hierbij werden dus weer 24 stalen verkregen.
Met al deze stalen zijn de volgende proeven gedaan:
ie. Een vierkant stuk uitgeknipt en bevestigd op een stuk wit karton om hierdoor de beoordeeling gemakkelijker te maken (± 4 cM2)
2e. Van iedere staal is een reepje van ± 6 cM. lang en 2 cM. breed uitgeknipt. Al deze reepjes zijn op een rij op een plank bevestigd en hierop is een lange reep dik karton gespijkerd, zoo dat de reepjes aan beide zijden van het karton een eind uitstaken en dus het middelste (derde) gedeelte bedekt was. Deze plank werd bij gunstig (d. i. zonnig) weer langen tijd aan het licht blootgesteld.
3e. Een serie lapjes van dezelfde grootte (alleen de katoenen) zijn gedurende een uur in een 1 pCt. chloorkalk-oplossing, in de koude gebracht, daarna uitgewasschen en gedroogd.
4e. Een dito serie (nu ook de wollen lapjes) eerst een uur gekookt in een oplossing van 2 gram groene zeep op 100 c.c., daarna nog eens een uur in een oplossing van 4 gr. op 800 c.c., daarna uitgewasschen en gedroogd.
5e. Op een serie wollen staaltjes werd aangebracht een papje kalkmelk, dit er in gedroogd, daarna nog eens bevochtigd, weer ingedroogd en ten slotte droog afgeborsteld.
Verdere kuipverfproeven :
a. In even groote bekerglazen zijn gemaakt hydrosulfiet-kuipen van indigo No. 2, No. 5 en indigo âreinquot; van gelijke sterkte (berekend op som van rood en blauw) en hiermede wol en k toen geverfd gedurende precies denzelfden tijd.
Van te voren had men zich onder het mikroskoop overtuigd, dat de aangewende indigo's even fijn gepoederd waren. Zoo zijn beide (wol en katoen) in een paar tinten geverfd.
b. Om den invloed van meer of mindere alkaliteit op het verven na te gaan, zijn van 2 en 5, twee nieuwe ferrosulfaat-kalk-kuipen gemaakt in de volgende verhoudingen:
4
50
2a. 2 Kalk 2 ferrosulfaat 1 indigo tot 1 liter, 2b, 4- ^ i »» jj ^ ''
512. 2 â 2 â 1 â â i â
5^. 4 â 2 â i quot; 1 , quot; ,
terwijl voor de vroegere ferrosulfaat-kalk-kuipen de volgende verhouding : 3 Kalk 2 ferrosulfaat 1 indigo op 1 liter gebezigd was.
c. Om na te gaan of bij roodrijke indigo's voor lichte tinten, een verdunde kuip andere nuance geeft dan een sterkere, zijn van indigo No. 2 twee nieuwe ferrosulfaat-kalkkuipen gemaakt resp. aldus aangezet:
1 gr. indigo, 2 gr. ferrosulfaat, 3 gr. kalk, op liter en
Va gt;, » 1 » quot; 'V' quot; quot; quot; quot; en
hiermede is in een paar tinten geverfd.
d. Om na te gaan in hoeverre zeer donkere kleuren bij wol (kamgaren) zouden afgeven, zijn aldus lapjes zeer donker geverfd met rein, 2, en 5 in een hydrosulfiet-kuip om hiermede wrijf-proeven te doen.
e. In oude kuipen (6 weken oud).
Er is geverfd in de volgende kuipen: indigo 2, indigo 2 zonder lijm, indfgo 2 zonder lijm en bruin, mengsel van 15 pCt. Berzelius-rood en 85 pCt. indigotine en mengsel van 15 pCt. indirubine en 8=; pCt. indigotine en wel van alle zoowel de ferrosulfaat-kalk als de hydrosulnet-kuip alle in 2 nuances.
Deze proeven worden genomen om na te gaan of rood mettertijd in blauw overgaat l). â¢
f. Met de vroeger vervaardigde katoen staaltjes uit de ferrosulfaat-kalkkuip is nog de volgende proef genomen.
Kr is gemaakt eene oplossing van kalium-dichromaat in water en deze met een dextrine-oplossing tot een vrij dikke consistentie gebracht, zoodat de druppels vrij moeilijk van een roerstaafje afvloeien.
De verhouding was aldus:
10 gr. dextrine werden eerst met 5 water tot een homogene massa aangeroerd, daarna werd nog eens 5 c*c- water toege\ oegd en liet men ongeveer een kwartier op een klein vlammetje koken.
Aan deze massa werd toegevoegd eene oplossing van 1 gram kaliumdichromaat in 5 c.c. water en liet men dit na goed doorroeren bekoelen.
Deze massa werd met een penseel op de lapjes gebracht en moest hierop indrogen. Zoodra dit het geval was werden de lapjes gebracht in een zuurbad van de volgende samenstelling: Op 1 liter vloeistof 50 gr. zwavelzuur en 40 gr. oxaalzuur. Hierin werden de lapjes ongeveer 1 minuut gelaten.
1
Opmerking verdient hierbij dat het verouderen der kuipen steeds plaats heeft ten koste van het indigotine-gehalte. Bij deze proeven was te constateeren dat de oude kuipen over het algemeen minder mooi verfden en dat bij sommige de indigotine geheel uit de oplossing verdwenen was.
51
Ter plaatse waar de etsvloeistof was aangebracht, werd door het vrijkomende chroomzuur de indigo gedestrueerd en ontstonden er witte vlekken. Daarna werden de lapjes goed uitgewasschen met water, om het overtollige zuur en de dextrine te verwijderen en na gedroogd te zijn op kartons bevestigd.
Ten slotte is nog geverfd op de volgende wijze:
Eerst werden staaltjes wol en katoen gedrenkt in een alcoholische oplossing van Berzelius-rood, in een dito van indirubine en in een oplossing van rood in ijsazijn (verkregen door extractie van indigo met ijsazijn) en deze drie groepen staaltjes na gedroogd te zijn geverfd met indigorein B. A. amp; S. F. in een hydrosulfiet-kuip. De staaltjes verkregen zoo een doffe vale tint, doch deze manier van verven is ook niet gelijk aan het verven met een roodrijke indigo.
OMZETTING VAN ROOD IN BLAUW IN DE KUIP.
Om de veel besproken vraag na te gaan, in hoeverre door den tijd indigorood (resp. indirubine) in de kuip in blauw overgaat zijn in de eerste plaats proeven genomen met oude kuipen van veel rood bevattende indigo's en kunstmatige mengsels met veel rood (zie bij de verfproeven)-
In de tweede plaats is de aandacht gewijd aan het indirubine als zoodanig.
Hiertoe werd eerst gemaakt een indirubine-kuipje met ferro-sulfaat en kalk en hiermede na twee maanden geverfd. De katoenen lapjes werden toen geheel blauw.
Een hydrosulfiet-kuipje gaf aldus aan een wollen lapje een violette, aan een katoenen lapje een blauwe kleur. Daar hierbij de wol warm, de katoen koud geverfd werd schijnt het rood in de warmte beter in oplossing te blijven.
Hier zijn dus twee gevallen mogelijk.
iste De gebezigde indirubine bevatte indigotine.
2de Er heeft omzetting plaats bij het maken der kuip.
Het eerste geval was a priori niet te verwachten, daar deze indirubine door gefractioneerde sublimatie was verkregen en de temperaturen waarbij indirubine en indigotine sublimeeren nogal uit elkander liggen en verder ook de habitus der producten aanmerkelijk verschilt, doch daar de sublimatie bij indigo tusschen horlogeglazen nog al krachtig moet worden aangepakt is verontreiniging der verschillende fracties niet geheel onmogelijk.
Daarom werden de volgende proeven genomen met indirubine die op de volgende wijze vrij van blauw is gemaakt. Hiertoe werd een flinke hoeveelheid hiervan fijngewreven met puimsteen poeder en daarop in een kolf ruim met alcohol overgoten en de
52
kolf met een stijgbuis voorzien op een waterbad gedurende eenigen tijd verwarmd. Na volledige bekoeling werd de alcoholische roodoplossing afgefiltreerd, het uitkoken met alkohol een paar malen herhaald, en het alcoholische filtraat van de hoofdmassa der alcohol bevrijd en de rest tot droog ingedampt. !)
Van deze indirubine werden eenige hydrosulfiet en ferrosulfaat-kalk kuipjes gemaakt en hiermede eerst in verschen toestand geverfd. De staaltjes kregen zoo (zoowel wol als katoen) een rose kleur zonder een spoor blauw.
Met die zelfde kuipjes werd weder geverfd na ongeveer drie weken. Hierbij waren ook hydrosulfiet kuipjes die eiken dag bij 700â730 verwarmd werden van 9â4 uur. De resultaten waren de volgende:
De oude hydrosulfiet kuipjes verfden (zoowel die welke op 700 â730 verwarmd geweest waren als die welke in de koude bewaard werden) slechts geelbruinachtig. Van rood of blauw is geen spoor te zien.
Bij de ferrosulfaatkalkkuipjes echter bleek er (bij katoen) dat de staaltjes een blauwe tint vertoonden terwijl hiervan bij de versche kuipjes geen sprake was zoodat er dus een gedeeltelijke omzetting van rood in blauw heeft plaats gehad.
Mogelijk en waarschijnlijk is het dat aanwezigheid van blauw de omzetting van rood helpt bevorderen daar bij de eerste proeven met gesublimeerde indirubine de katoenen staaltjes zulk een geprononceerde blauwe kleur hadden zonder een spoor rood te vertoonen.
Een afdoend bewijs der omzetting van rood in blauw is later nog verkregen, toen geverfd werd met gezuiverde indirubine in een ongeveer drie maanden oude ferrosulfaat-kalk-kuip. De tint was toen beslist blauw geworden. (De bewijs-stalen berusten in het laboratorium).
Hier is dus op te merken dat indirubine in de hydrosulfiet-kuip op den duur in geelbruine (harsachtige) stoffen wordt omgezet. In de ferrosulfaat-kalkkuip schijnt de omzetting meer in de richting rood tot blauw te verloopen.
Tusschen hydrosulfiet en ferrosulfaat-kalk kuipen (oud en versch) met Berzelius-rood was geen geprononceerd verschil. De kleur was steeds vuil bruin en bij de oude kuipen over het algemeen iets meer bruin.
!) Hierbij werd de indirubine niet in een Soxhlet-apparaat geëxtraheerd daar warme alcohol ook sporen blauw oplost.
53
RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VAN INDIGOREIN B. A. S. F.
Uiterlijk is het een vaal blauw homogeen onvoelbaar poeder, eenigszins vettig waardoor het zeer lastig te bevochtigen is. Het heeft een asch-gehalte van 1,3 pCt. Deze asch is helderbruin. Bij uitkoken met water geeft indigorein een groen fikraat. Schudt men dit filtraat uit met chloroform dan neemt deze hieruit blauw op, terwijl de vloeistof geelachtig rose wordt.
Bij extractie met verdund zwavelzuur (1,25 pCt.) krijgt men een rose roode oplossing.
Extractie met verdunde loog (1,25 pCt.) geeft geelbruin filtraat (nadat het eerst zuur geëxtraheerd is).
Bij behandeling van de met zuur en loog geextraheerde indigo-rein in een Soxhlet-apparaat met alcohol geeft dit een vaal roodblauw extract.
Sublimatie. Bij voorzichtige sublimatie van indigorein in het sublimatie-apparaat van Brühl gaf dit een geel groen sublimaat bestaande uit kristallen. Op zulk een wijze was uit één geanalyseerd monster tot 8 pCt. van deze kristallen te verkrijgen.
Deze stof vertoonde de volgende eigenschappen: Het smeltpunt van een volkomen homogeen vlokje was 1770 C. Zij is oplosbaar in alcohol en aether en deze oplossingen fluoresceeren blauwachtig. Met een even alcalisch gemaakte phenolphtaleïne oplossing gaf de alcoholische oplossing der kristallen ontkleuring der roode vloeistof. De kristallen hebben dus een zuur karakter. (Met blauw lakmoespapier kon dit niet nagegaan worden).
Het feit dat de Badische Anilin und Soda Fabrik de indigorein uit naphthaline maakt en een van de tusschenproducten bij dit procddé anthranilzuur is en methylanthranilzuur !), volkomen in eigenschappen met dit groene sublimaat overeenstemt (smeltpunt van methylanthranilzuur is 177.5° C.) doet hier de aanwezigheid van methylanthranilzuur vermoeden.
Nadat de indigorein op deze wijze van het groene product bevrijd is, geeft het bij sublimatie tusschen horlogeglazen evenals plantenindigo mooie kristalnaalden van indigotine.
Eene smeltpunt-bepaling is vergelijkender wijze beproefd met indigotine uit planten indigo en indigotine uit âreinquot;. Hiertoe werden van beide mooie lange naalden uitgezocht en in capillair buisjes gebracht en tegelijkertijd aan een thermometer verwarmd eerst in een paraffinebad tot 3500 C., daarna in een zandbad tot 450 0 C. Bij beide kristallen werd een spoor van gele stof afgezet. De temperatuur waarbij dit geschiedde was niet scherp waar te nemen.
:) Methylanthranilzuur is methylorthoamidobenzoëzuur.
54
Aldus werd tot 450° verhit zonder verder resultaat. Werden daarna beide capillairbuisjes in een klein vlammetje gebracht zoo vertoonden ze gelijktijdig roode dampen (evenals jodium dit doet), welke dampen altijd bij de sublimatie optreden. Dus het smelt- of sublimatiepunt ligt boven 450 0 C.
Het stikstofgehalte van de uit âreinquot; gesublimeerde indigotine werd ook bepaald en hiervoor het volgende gevonden:
481 mgr. indigotine gaven 49,56 mgr. stikstof d.i. 10.30 pCt.
30S quot; quot; quot; 3^9- ^ 46 â
De theoretische hoeveelheid stikstof berekend voor de formule van indigotine C10 Hjq N3 02 is 10.69 pCt., dus is er redelijke overeenstemming.
Ook in âindigoreinquot; is een stikstof-bepaling gedaan volgens Kjeldahl waarbij opmerking verdient dat het niet zooals bij de planten-indigo's gelukte een waterheldere destructie-massa te verkrijgen. De vloeistof bleef, niettegenstaande zeer lang verhit werd. lichtgeel gekleurd. Zoo werd verkregen:
556 mgr. âreinquot; gaf 57,68 mgr. stikstof d. i. 10.37 pCt.
Brengt men alle stikstof in rekening als te behooren tot de indigotine, dan zou men vinden 96.94 pCt. indigotine, doch hierbij moet niet vergeten worden dat het groene sublimaat eveneens stikstof houdend mag beschouwd worden te zijn.
Neemt men de gevonden 8 pCt. groen sublimaat als methyl anthranilzuur in aanmerking zoo kan men door de volgende berekening het juiste indigotine gehalte vinden.
Methylanthranilzuur C6 H3 CH3 NH3 COOH bevat 9.3 pCt. stikstof; 556 mgr. âreinquot; bevat 5,56X8 mgr. methylanthranilzuur d. i. 44,48 mgr.
Deze 44,48 mgr. bevatten dus 0,4448 X 9^3 = 4iI4 mgr- stikstof.
Voor de indigotine zou er dus overblijven 57,68â4,14=53,54
53,54
mgr. stikstof of omgerekendâX I3I mgr- indigotine d. 1.
500.94 mgr. of 90.09 pCt. Verg. echter blz. 30.
Voor het watergehalte van âreinquot; werd gevonden:
2360 mgr. âreinquot; verloren 18 mgr. water, d. i. 0.76 pCt.
Bij uittrekken van indigorein met ijsazijn gaat hierbij in oplossing een vaalrood blauwe kleurstof die in eigenschappen echter van het rood van planten-indigo verschilt daar ze geheel oplost in natronloog van 5 pCt.
55
OPMERKINGEN OVER DE ECHTHEIDSPROEVEN IN HET LABORATORIUM.
De behandeling der stalen met chloorkalk-oplossing bracht geen verschillen ten gunste van een der indigo's, evenmin de behandeling met zeep en het aanbrengen van kalkmelk.
Ook van de wrijf-echtheid is niets bijzonders op te merken.
Van de zonlicht-proeven valt het volgende te zeggen1).
De wolstalen waren over het algemeen zeer weinig van kleur veranderd. Bij de donkere tinten was zulk een kleurverandering waar te nemen bij het staaltje geverfd met indigotine. Bij de lichte tinten was dit het geval het meest bij indigotine, vervolgens bij het mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine en bij de roodarme indigo zonder lijm! en bruin, doch de verschillen waren te gering om van bepaald verschieten te spreken.
Katoenstalen geverfd in hydrosulfiet-kuip:
Bij de donkere stalen was het meest verschoten de Bengaal-indigo hierop volgden het mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine, indigotine en indigorein B. A. amp; S. F. Het mooist waren gebleven de roodrijke indigo's, die beter gebleven waren dan de roodarme, hoewel die ook weinig verschoten zijn.
Bij de lichte stalen was weer de Bengaal-indigo het meest verschoten, hierop volgden indigotine, roodrijk zonder lijm en roodrijk zonder lijm en bruin. Het mooist was gebleven, de roodarme en over het algemeen waren de roodarme stalen minder verschoten dan de roodrijke.
Ferrosulfaatkalk-kuip : katoenstalen. In het algemeen waren de stalen in deze kuip geverfd meer verschoten dan die geverfd in de hydrosulfiet-kuip.
Bij de donkere stalen was de Bengaal-indigo het meest verschoten, hierop volgden roodrijk zonder lijm, mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine. Het mooist waren gebleven de roodarme, vervolgens âreinquot; en mengsel van 97.5 pCt. indigotine en. 2.5 pCt. Berz. rood.
De roodarme stalen waren nu over het algemeen beter gebleven dan de roodrijke. Bij de lichte stalen was het meest verschoten het mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubine, vervolgens de roodrijke. Tusschen de overige stalen was weinig verschil, en waren de verhoudingen ongeveer de zelfde als bij de donkere.
Geresumeerd krijgt men dus het volgende resultaat:
De wollen stalen zijn beter tegen het zonlicht bestand geweest dan de katoenen stalen. Van de wollen stalen waren die met indigotine het gevoeligst.
Bij de katoenen stalen bleken de stalen geverfd in de hydrosulfiet-kuip zich beter te hebben gehouden dan die geverfd in de
1
De stalen zijn ongeveer drie maanden aan de winterzon blootgesteld geweest.
56
ferrosulfaatkalk-kuip. Bij beide kuipen was de Bengaal-indigo het minst lichtecht. Tusschen de andere indigo's bestond er geen doorloopend verschil, doch bij de hydrosulfiet-kuip waren bij de donkere tinten de roodrijke beter gebleven dan de roodarme terwijl bij de lichte tinten de verhoudingen juist omgekeerd waren.
Verder was geen doorgaand verschil te zien al of niet ten gunste van de verwijdering van lijm en bruin.
Bij de etsproeven kan het volgende vermeld worden. Bij de lichte kleuren wordt de indigo volkomen gedestrueerd. Bij de donkere waren lichtblauw gebleven, âroodrijk zonder lijm en bruinquot; âBengaalquot; âmengsel van 97.5 pCt indigotine en 2,5 pCt. Berz. roodquot;, terwijl een roodachtige tint vertoonden : âroodrijkquot;, âroodrijk zonder lijmquot;, âroodarmquot; en âmengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubinequot;. Deze roode tint was echter zeer gering.
Wolstalen die aangestipt werden met salpeterzuur, vertoonden het zelfde als boven vermeld is van papierstrooken, gedrenkt met gesulfoneerde oplossingen. Terwijl namelijk in het algemeen salpeterzuur een geel-bruine vlek gaf, trad er bij roodrijke indigo's hierbij somtijds een roodachtige nuance op, zoodat hier bleek dat ook indigoblauw door salpeterzuur gemakkelijker gedestrueerd wordt dan rood, evenals bij de sulfonzuren.
BEOORDEELING DER VERFPROEVEN DOOR VERSCHILLENDE PRACTICI HIER TE LANDE, VERTROUWD MET HET GEBRUIK VAN INDIGO-IN WOL- EN KATOEN-VERVERIJ.
Teneinde na te gaan welke waarde de verschillende indigo's voor de practijk hebben, voor zoo verre het de aard der nuance betreft, zijn staaltjes wol en katoen, geverfd met de indigo's zooals in het journaal vermeld is, bevestigd op kartons en deze voorzien van nummers zonder iets van de herkomst te vermelden, opgezonden naar eenige heeren fabrikanten (die aangeduid zullen worden met de letters A. B. C. enz.) met verzoek de volgende vragen te willen beantwoorden : 1).
â¢) üe stalen der kuipververij waren geverfd met;
Indigotine. Indigorein. Bengaal indigo.
Roodarme indigo. roodarm zonder lijm. roodarm zonder lijm en bruin. Roodrijke â roodrijk zonder lijm. roodrijk zonder lijm en bruin.
Mengsels van 97^ pCt. indigotine met 2gt;é pCt. Berz. rood; 85 pCt. indigotine met 15 pCt. Berz. rood en 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indirubine
Saksisch blauw en groenververij, met Carmijn van roodrijke en roodarme indigo benevens van indigorein.
57
Saksisch blauw en groen. Hier moeten de groepen âIndigoreinquot;, âRoodarmquot; en âRoodrijkquot; naast elkaar beoordeeld worden, omdat alle stalen van âReinquot; enz. met dezelfde indigo-carmijn geverfd zijn. (Van iedere carmijn waren eenige nuances geverfd.)
Kuipververij. (V raag aan B. C. en S.). In welke volgorde kunnen de stalen in een reeks geplaatst worden als men de mooiste nuance vooropstelt en daarop de andere laat volgen ? (Dus afdalend in qualiteit.) Hierbij zoo mogelijk ieder staal in die reeks een cijfer toe te kennen overeenkomend met zijn waarde voor de prac-tijk, alle zoowel voor lichte als voor donkere nuances. Wanneer wat waarde voor de practijk betreft de beste b. v. 10 punten krijgt, hoeveel punten krijgt dan elk der andere?
Bij bovenstaande vraag kunnen de indigo's gegroepeerd worden in :
iste groep, bestaande uit indigotine en indigorein;
2de groep, bestaande uit roodarme indigo's, namelijk âroodarme indigoquot;, ,,id. zonder lijmquot;, âid. zonder lijm en bruinquot; en âmengsel van 97.5 pCt. indigotine met 2.5 pCt. Berzelius-roodquot;, daar dit met een roodarme indigo zonder lijm en bruin op een lijn staat;
3de goep, bestaande uit roodrijke indigo's, namelijk âroodrijke indigoquot;, âid. zonder lijmquot;, âid. zonder lijm en bruinquot; en âmengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. Berzelius-roodquot;, dat weer op een lijn staat met een roodrijke indigo zonder lijm en bruin;
4de groep. Bengaal-indigo;
5de groep, mengsel van â85 pCt. indigotine met 15 pCt. indi-rubinequot;.
(Vraag aan A. P. en Q.). Het voorgaande geldt niet voor oordeel A. P. en Q. bij wie de volgende groepen genomen zijn ; iste groep, bestaande uit âindigotinequot; âindigoreinquot; en âbengaal indigoquot; daar bij deze drie de invloed van rood is uitgesloten.
2de groep, bestaande uit roodarme indigo, id. zonder lijm, id.
zonder lijm en bruin.
3de groep, bestaande uit roodrijke indigo, id. zonder lijm, id.
zonder lijm en bruin.
4de groep, bestaande uit mengsels van indigotine, resp. met 2.5 pCt. Berzeliusrood, 15 pCt. Berzeliusrood en 15 pCt. indirubine.
Aan A. P. en Q. werden nu de volgende vragen gesteld voor de kuipververij :
Is er tusschen de indigo's van de 3 eerste groepen verschil op te merken, zoo ja welke indigo verft het mooist?
Geven de indigo's van de 2de groep aanleiding tot opmerkingen?
Is bij de 3de groep bij de indigo's onderling en in vergelijking met groep 2 verschil aanwezig?
Welke stalen van de 4de groep zijn het mooist? Geven zij onderling vergeleken aanleiding tot opmerkingen ?
De hiervolgende oordeelvellingen zijn uitgebracht:
58
Oordeel van A. over wol.
Uit dit oordeel zou volgen dat zoowel het Saksisch blauw als het groen (uit carmijn met pikrinezuur) van roodrijke indigo mooier zijn, dan van carmijn, van âroodarme indigoquot; en van âindigoreinquot;.
Bij de stalen geverfd in de hydrosulfiet-kuip zou de groep âindi-gotinequot; âreinquot; âbengaalquot; het mooist zijn voor lichte tinten.
Voor donkere tinten zou de âroodrijkequot; groep te verkiezen zijn boven de andere drie groepen.
Zoowel bij de roodrijke als bij de roodarme groep zou het verwijderen van lijm en bruin mooiere nuance geven.
Bij de kunstmatige mengsels van indigotine met Berzelius-rood en indirubine zou, voor lichte tinten, die met weinig Berz.-rood het mooist zijn, hierop zou dan volgen die met veel Berz.-rood en ten slotte die met indirubine.
Voor donkere tinten zou de volgorde juist omgekeerd zijn.
Oordeel van B. over wol.
Zoowel voor het Saksisch blauw als het groen zouden volgens dit oordeel de stalen geverfd met âindigo reinquot; het mooist zijn. Hierop zouden dan volgen die geverfd met carmijn van roodrijke en ten slotte die met carmijn van roodarme indigo.
Bij de stalen geverfd in de hydrosulfiet-kuip zou men het volgende kunnen opstellen. (Aan ieder staal, zoowel bij lichte als de donkere nuances, is een cijfer toegekend overeenkomend met zijn waarde voor de practijk. Het eerste der twee cijfers correspondeert met de lichte en het tweede met de donkere nuance der indigo's).
3 J 6 4 2
Groep i. (Indigotine Rein) is gemiddeld----= s8/*;
â 2. (roodarme)
7 io 8 5 3 7 io
is gemiddeld--g----= ol/i;
â 3. (roodrijke)
â j j 1 j 1 8 8 1 0 4 8 9 is gemiddeld-g-:â = 4'/s 5
â 4. (Bengaal) is gemiddeld 0 ^
â 5. (mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indirubine)
6 8
is gemiddeld - = 7.
0 2
De volgorde is dus afdalend:
âMengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indirubinequot;, ârood-armquot;, âroodrijkquot;, âindigotine reinquot; âbengaal.quot;
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou het volgende gelden:
59
2 quot;j- 7
Roodarm: de roodarme indigo is gemiddeld-^-= 41/2;
id. zonder lijm ---â^ = 9; id. zonder lijm en bruin
5 3 -i- 7 10 ... ... ------= 61/,. Dus hierbij zouden verwijdering van lijm
alléén en ook van bruin er bij mooiere nuance geven dan ongezuiverd, maar vooral de verwijdering van lijm. (De nuance van ongezuiverd wordt echter weer beter geoordeeld dan van indigotine en indigorein.
1 -f- 8
Roodnjk: de roodrijke indigo is gemiddeld â-â =41/s; 8 4quot; i
id. zonder lijm --- = 41/2; id. zonder lijm en bruin
â---â-â = Dus hierbij zou alleen verwijdering
4
van bruin de nuance verbeteren. (Zie echter weer indigotine en indigorein.)
Bij vergelijking van de mengsels van indigotine met 15 pCt.
8 -j- Q
Berz. rood en met 15 pCt. indirubine, resp. gemiddeld - - = 81/2 6 8
en â-â = 7 zou die met Berz. rood de beste zijn.
Vergelijking van indigorein met indigotine geeft voor indigo-
3 -j- 6 4 quot;l- 2
tine gemiddeld â= 41/2, rein â-- = 3.
Oordeel van C. over wol.
Aan carmijn-blauw heeft deze beoordeelaar de volgende waarden toegekend:
Indigorein gemiddeld 10 punten; Roodarme carmijn gemiddeld 6.4 punten; Roodrijke carmijn gemiddeld 7.8 punten.
Hieruit zou dus volgen dat carmijn van indigorein mooier is dan die van Java-indigo en roodarme carmijn mooier dan roodrijke. Carmijn-blauw gemengd met pikrinezuur (groen):
Indigorein gemiddeld 9 punten; Roodarme gemiddeld 8 punten; Roodrijke gemiddeld 8.6 punten.
Dus hier zou weer indigorein mooier dan Java-indigo's, doch roodrijke mooier dan roodarme carmijn zijn.
Wol in hydrosulfiet-kuip geverfd:
Indigotine 4- indigorein is gemiddeld ^ ^ ^ ^ = 8 ;
4
Roodarme groep
â¢JJ ij 10 9 8 9 7 9 8 8 is gemiddeld------â 81/2;
60
Roodrijke groep
u 8 8 6 ii 7 9 7 : is gemiddeld---
Bengaal is gemiddeld ^ ^ = s1/^.
Mengsel van 8$ pCt. indigotine met 15 pCt. indirubine is gemiddeld 8, dus volgorde zou afdalend zijn:
âRoodarmquot;, âroodrijkquot; is gelijk aan âreinquot; en het âkunstmatige mengselquot;, (tusschen deze 4 zeer weinig verschil) âBengaalquot;.
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou het volgende gelden:
Roodarme groep: roodarme indigo gem. 10 ^ ; id. zon-
8 quot;l- 9 7 -I- 9
der lijm â^â = 8V2; id. zonder lijm en bruin â= 8. Dus
zouden verwijdering van lijm en van lijm en bruin minder mooie nuance geven.
8 _i_ g
Roodrijke groep: roodrijke indigo gem. â^â â 8; id. zonder
.. 6-(-II . 7quot;1_9
lijm -^-= 8V2; id. zonder lijm en bruin â-â = 8. Dus
verwijdering van lijm alleen mooiere nuance geven, doch zeer weinig.
Bij vergelijking van de mengsels van indigotine met Berz. rood
7 quot;l- ^
en indirubine is : met Berz. rood gem. -= 772; met indi-
8 8
rubine gem. â^â = 8. Dus zou de laatste mooier zijn. Indigotine is gem. 8 = 7I/2; rein is gem. 9 8 = 81/2.
Oordeel van P. over katoen.
F er rosulfaatkalk-kuip. Hiervoor zou het volgende kunnen opgesteld worden.
Alle indigo's behalve de kunstmatige mengsels kunnen in de volgende reeks geplaatst worden afdalend in qualiteit:
Roodarme indigo (a = m, 9), id. zonder lijm en bruin (b = m 8), roodrijke indigo zonder lijm en bruin (c = m 7), roodarme indigo zonder lijm (d = m 6), indigoredn (e = m 5), roodrijke indigo zonder lijm (f = m 4), roodrijke indigo (g = m 3), indigotine (h = m 2). Bengaal indigo (i = m 1).
(Hierbij duidt m aan dat deze cijfers niet vergelijkbaar zijn met die van het oordeel van B.).
61
De indigo's groepsgewijze samengevat geven het volgende;
Groep indigotine en indigorein
â¢JJ u m 2 m 5
is gemiddeld ---= m 31/2.
Groep roodarme indigo's
m-t-Q m 6-f-m 8 is gemiddeld -1-1â = m 73/g.
Groep roodrijke indigo's
u m 3 m 4 ni 7
is gemiddeld --^-= m ^/s-
Bengaal indigo is m i. De volgorde zou dus afdalend zijn:
âRoodarar', âRoodrijkquot;, âIndigotine en reinquot;, âBengaal-indigoquot;.
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou het volgende gelden :
Roodarm. Roodarme indigo = m 9, id. zonder lijm = m 6, id. zonder lijm en bruin = m 8, dus verwijdering èn van lijm èn van bruin zou minder mooie nuance geven dan ongezuiverd.
Roodrijk. Roodrijke indigo = m 3, id. zonder lijm =m 4, id. zonder lijm en bruin = m 7, dus zuivering van lijm en bruin, doch ook van lijm alleen, zou mooiere nuance geven. (De ongezuiverde scheelt echter maar een half punt met indigotine en indigo-rein.) Voor de kunstmatige mengsels van indigotine met Berz. rood en met indirubine zou dit met 2*^ pCt. Berz. rood te verkiezen zijn boven die met 15 pCt. en deze laatste die weer boven die met 15 pCt. indirubine.
Bij vergelijking van indigotine met indigorein krijgt men indigotine = m 2, rein = m 5.
De hydrosulf iet-kuip zou de volgende reeks geven:
Roodarme indigo zonder lijm (a = ni 9), roodrijke indigo zonder lijm en bruin (b = m 8), roodarme indigo zonder lijm en bruin (c = m 7), indigorein (d = m 6), roodrijke indigo (e = m 5), roodarme indigo (f = m 4), Bengaal indigo (g = m 3), roodrijke indigo zonder lijm (h = m 2), indigotine (i = m 1).
Groepsgewijze samengevat krijgt men weer:
Groep indigotine en indigorein
ij m 1 111 ^ 1 i/
is gemiddeld -= m 31/2.
Groep roodarme indigo's
ij 1:1:1 4 m 9 m 7 is gemiddeld ---= m 6~lz.
Groep roodrijke indigo's
â¢jjijm~^5 m 2 m 8 1
is gemiddeld ---= m 5.
Bengaal indigo is m 3. De volgorde zou dus afdalend zijn:
62
âRoodaim', âroodrijkquot;, âindigotine en indigoreitr, âBengaalindigo''.
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou gelden:
Roodarm. Roodarme indigo = m 4, id. zonder lijm = m 9, id. zonder lijm en bruin = m 7, dus verwijdering van lijm alleen zou de mooiste nuance geven, dan van lijm en bruin en de onge^ zuiverde de minste zijn.
Roodrijk. Roodrijke indigo = m 5, id. zonder lijm = m 2, id. zonder lijm en bruin = m 8, dus verwijdering van lijm en bruin beide zouden de mooiste nuance geven en van lijm alleen de minste.
Voor de kunstmatige mengsels zou hetzelfde gelden als bij de ferrosulfaatkalk-kuip.
Rein en indigotine vergeleken geeft indigotine = m 1, rein = m. 6.
In het algemeen werd hierbij de roodrijke groep minder fraai genoemd dan de roodarme, daar deze een rose bijtint zou ver-toonen, een opmerking die geen der andere beoordeelaars gemaakt heeft.
Oordeel van Q. over katoen.
Bij dit oordeel is van de stelling uitgegaan dat de woorden âhet mooistquot; en âhet donkerstquot; identiek zijn. Daar hier echter deze kleurs-verschillen meer van onvermijdelijke onregelmatigheden bij het verven dan van de indigosoort afhankelijk zijn, heeft voor het beoogde doel deze beoordeeling geen waarde. Van deze stelling zijn de beoordeelaars uitgegaan omdat zij als fabrikanten aan die indigo de voorkeur geven, die bij gelijke geldswaarde in de kuip gebracht de donkerste nuance verft en die daarom voor hun doel het meest geschikt is.
Oordeel van R. over katoen.
Hierbij werden alleen de stalen volgens qualiteit in een afdalende reeks geplaatst.
Deze reeks is voor de ferosulfaatkalk-kuip; (Hierbij duidt n aan dat de waarde aan de stalen toegekend, niet vergelijkbaar zijn met die van het oordeel van B. en P.).
Roodrijk zonder lijm (a = n 12), roodrijk zonder lijm en bruin (b = n 11), roodarm zonder lijm en bruin (c = n 10), mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indirubine, (d = n 9), roodarme indigo (e = n 8), roodrijke indigo (f = n 7), Bengaal indigo (g = n 6), indigorein (h = n 5), mengsel van 97.5 pCt. indigotine met 2.5 pCt. Berzelius rood (i = n 4), roodarme indigo zonder lijm (j = n 3), indigotine (k = n 2), mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. Berz. rood (1 = n 1).
63
Groepsgewijze samengevat zou rrlen het volgende krijgen:
iste groep, (indigotine en indigorein)
,Jn 2 n 5 .,
is gemiddeld --^-â == n -f yli
2de groep, (roodarme groep)
,-ln 8 nH-3 n io n 4 , ,, \ â¢
is gemiddeld---- n 61/4 I .1= o
4 f quot;u P
3de groep, (roodrijke groep) gt; « Eb
,,n 7 n i2 n ii n r ,, i gt; quot;
is gemiddeld-----= n 73/4 J S
4de groep, (Bengaal-indigo), is n 6;
5de groep, (mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indiru-bine), is n 9;
De volgorde zou dus in afdalende reeks zijn.
âMengsel van indigotine met indirubinequot;, âroodrijke groep'', âbengaal-indigoquot;, âroodarme groepquot;, âgroep van indigotine en reinquot;.
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou gezegd kunnen worden voor de roodarme groep: de roodarme = n 8, id. zonder lijm = n 3, id. zonder lijm en bruin is gemiddeld
n 10 n 4 , â , ⢠1 .. , , -^-= n 7. Dus hierbij zou noch de verwijdering van lijm noch van bruin gunstig op de nuance influenceeren.
Roodrijke groep: roodrijk = n 7, id. zonder lijm =n 12,
id. zonder lijm en bruin gemiddeld --- n 6
dus zou dus de nuance van de ongezuiverde iets mooier nog zijn dan zonder lijm en bruin, maar minder dan wanneer lijm alleen verwijderd is.
Bij vergelijking van de mengsels met veel Berz. rood met die met indirubine, zou de laatste de mooiste zijn.
Rein en indigotine vergeleken geeft: indigotine is n -f- 2 rein is n -l- 5-
Voor de hydrosulfiet-kuip is de volgende reeks verkregen : Indigotine (a = n 12), roodarm zonder lijm en bruin (b = n 11), mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. indirubine (c = n 10). Bengaal indigo (d = n q). Indigorein (e = n-f-8), roodrijke indigo zonder lijm en bruin (f = n 7), mengsel van 97.5 pCt. indigotine met 2.5 pCt. Berz. rood (g = n 6), roodarme indigo (h = n 5), roodrijke indigo zonder lijm (i = n 4), mengsel van 85 pCt. indigotine met 15 pCt. Berz. rood (j = n 3), roodrijke indigo (k = n 2), roodarme indigo zonder lijm (1 = n 1), dus groepsgewijze samengevat:
64
.,, ., n i2 n 8 iste groep is gemiddela - = n -r 10.
2
n 5 n i n ii n 6 zde â â â ----= n 5^xo
n 2 n-r4 n 7 n 3 ( S
3de â â â ----= n 4)gt;.53
4 ' c
4de groep = n -)- 9.
5de â = n -f- 10.
De volgorde zou dus in afdalende reeks zijn.
âGroep indigotine en reinquot; is gelijk met âhet mengsel van 85 pCt. indigotine en 15 pCt. indirubinequot;, hierop volgen âBengaalquot;, âde roodarme groepquot;, âde roodrijke groepquot;.
Ten opzichte van de verwijdering van lijm en bruin zou het volgende gelden;
Roodarme groep, de roodarme = n -f- 5; id. zonder lijm n 1;
.n rï n ó id. zonder lijm en bruin gemiddeld ---= n SVa-
Dus zou verwijdering alleen van bruin hier de mooiste nuance geven.
Roodrijke groep, de roodrijke =n 2; id. zonder lijm n 4;
id. zonder lijm en bruin gemiddeld --â = n 5.
Dus zouden verwijdering èn van lijm èn van lijm en bruin hier gemiddeld mooiere nuancen geven dan ongezuiverd.
Bij vergelijking van Berz. rood met indirubine zou de laatste weer de beste zijn.
Vergelijking van rein met indigotine geeft indigotine is n 12, rein is n 8.
Oordeel van S.
Bij dit oordeel zijn aan alle stalen cijfers toegekend overeenkomend met hunne qualiteit, doch hierbij is weer evenals bij Q. niet de nuance, doch de meerdere of mindere donkerheid als maatstaf voor de beoordeeling gekozen en dus is ook dit oordeel niet doeltreffend en behoeft niet nader uitgewerkt te worden.
SLOTCONCLUSIE.
In verband met hetgeen in het laboratorium is gebleken, dat men uit roodrijke indigo roodarme carmijn kan maken, is het niet te verwonderen, dat ook carmijn uit roodrijke indigo met succes voor Saksisch blauw en groen kan worden gebruikt en dus voor carmijn-fabricage zoowel roodrijke als roodarme Java-indigo geschikt is.
05
Ten opzichte der kuipververij komen de beoordeelaars dikwijls tot zulke geheel tegenstrijdige conclusies, zoowel bij wol als bij katoen, dat men zou moeten besluiten, dat de invloed van de in de planten-indigo naast indigotine voorkomende stoffen, in het algemeen zoo gering is op de nuance, dat het voor de practijk van weinig of geen beteekenis is, dat deze stoffen in de Java-indigo's, zoowel roodrijke als roodarme, voorkomen, altijd tot zeker percentage.
Zou men b. v. volgens den eenen beoordeelaar moeten aannemen, dat roodrijke indigogt; bij wol voor donkere kleuren gewenscht is, dan komt de tweede met de mededeeüng dat, voor donkere kleuren, de roodarme de mooiste nuance geeft, ten minste volgens de er mede geverfde stalen. Merkt de eene beoo'rdeelaar op, dat katoen met roodrijke indigo geverfd een rose bijtint heeft, alle anderen zeggen er niets van, en merkwaardig is het, dat de bedoelde beoordeelaar (P.) een minder zuivere bijtint, ook in de indigorein- en indigotine stalen, schijnt te zien (hij taxeerde deze ten minste lager) en dat R. dezelfde stalen zelfs iets hooger taxeert dan de roodarme. Is men geneigd aan de verwijdering van lijm en bruin of één van deze eenige waarde toe te kennen, dan klopt dat bij katoen weer niet of met de mindere beoordeeling van met indigotine en indigorein geverfde stalen of met de uiteenloopende beoordeelingen of met de verschillende uitkomsten van hydrosulfiet- en ferrosulfaatkalk-kuip; bij wol schijnt het bij deze proeven echter dooreengenomen (oordeel C. niet) gunstig op de nuance te hebben gewerkt.
Ten slotte zou dus de waarde der verschillende Java-indigo's en de kunstmatige, nagenoeg alleen van het indigotinegehalte afhangen en of de kuipen die men er van maakt bij de eene soort al of niet spoediger achteruitgaan dan bij de andere, iets wat in het laboratorium niet is uit te maken.
Indigorein en indigotine behaalden yemid-deld geen hooger aantal punten dan de ongezuiverde Java-indigo's.
De overgang van rood in blauw in tie kuip is natuurlijk een feit, dat ten voordeele der roodrijke indigo's moet strekken, maar waarvan het voordeel alleen bij proefneming in de fabriek kan blijken.
Aan de oordeelvellingen der practici kunnen nog de volgende nlgemeene opmerkingen ontleend worden ;
D. oordeel over wol.
Over het algemeen kan men aannemen dat indigo-blauw de echte kleur is hij uitnemendheid en wel in alle opzichten d. w. z. volkomen luchtecht, volkomen zuurecht en volkomen wasch- en volecht, eigenschappen die men wel van geen andere blauwe verfstof kan aanhalen, althans niet in zoo volkomen mate. Onder zuur-
66
echt is te verstaan : bestand tegen den invloed van het zwavelzuur bij het carboniseeren der wollen stoffen.
Wat betreft de soort indigo, zijn deze wat echtheid betreft, alle gelijk. Of men al verft met Java indigo of wel met Bengaal, Oude, Guatemala of zelfs Kurpah indigo, zoodra de kuip waarop met deze indigo geverfd werd in behoorlijken staat was gedurende het verven kan men steeds zeggen: de kleur is volkomen echt in elk opzicht.
P. oordeel over katoen.
Bovenstaande oordeelvellingen hebben wij gemaakt als taxatie in de practijk, indien verschillende indigo-monsters tegen elkander beproefd worden. Voor ons gebruik is volheid van kleur oyer-heerschend bij de beoordeeling. Sommige stalen zijn geelachtiger blauw dan de andere, andere stalen zijn roodachtiger. Wat nu mooier is bij gelijke volheid is moeielijk te zeggen, want dat hangt af van de kleur die men te maken wenscht. Voor sommige artikelen waarbij lichtblauw verlangd wordt kan het bestaande kleurverschil van beduidenden invloed zijn. Voor de volle kleuren eveneens ; bij sommige artikelen zooals bijv. donker blauwe cambrics die in onze O.-Indische koloniën gaan verlangt men een zeer donker metaalglans, die in het roodachtige trekt. De goede Java indigo is daar enkel voor geschikt; Bengaal indigo niet.
Q. oordeel over katoen.
Op den voorgrond zij gesteld dat wij ons alleen met de donkere nuance der toegezonden stalen hebben beziggehouden, omdat bij de lichtere nuance slechts een klein kleurverschil valt op te merken. Verder zijn wij zoo vrij onder uwe aandacht te brengen dat wij bij de beantwoording der vraag welke der stalen in de verschillende groepen het âmooistquot; zijn, van de gedachte of de stelling zijn uitgegaan, dat wij voor ons als fabrikanten het âmooisf' vinden : de donkerste nuance, dat wil zeggen, dat wij aan die indigo de voorkeur geven, die bij gelijke hoeveelheid in de kuip gebracht de donkerste nuance verft en die daarom de prijswaardigste is.
R, oordeel over katoen.
Slechts het aanzetten van een kuip in het groot en het verven a la continue en op ramen kan volgens onze opinie aanspraak maken op nauwkeurigheid bij het beoordeelen van indigo.
Voor de ververij laat het zich aanzien dat de natuurlijke indigo nog niet zoo snel zal onttroond worden, tenzij er in de fabrikage (van indigorein) nieuwe gezichtspunten worden gevonden die den prijs belangrijk doen dalen.
AANHANGSEL. 1)
VERSLAG, uitgebracht in naam der scheikundige commissie der Société Industrielle de Mulhouse, door Gustave Schwartz, in zake de beantwoording van prijsvraag N0. 3, over de rol in de ververij van de andere bestand-deelen der indigo, buiten de blauwe stof. (Voorgelezen in de algemeene vergadering van 31 Mei 1837.)
Mijne Heer en I
Uwe chemische commissie heeft mij belast rapport uit te brengen over een verhandeling, die het vraagstuk No. 3 wil oplossen van uw programma der prijsvragen over chemie, namelijk door nauwkeurige onderzoekingen de rol te vinden, die in de blauwververij met indigo op katoen, de andere bestanddeelen dan het indigoblauw (als de bruine en roode stof van Berzelius) spelen, en of deze stoffen daarbij noodzakelijk of schadelijk zijn, of wel of de een of andere onder haar onmisbaar is om een vaste en heldere blauwe kleur te geven.
Deze verhandeling draagt de volgende kenspreuk:
âAnimus incorruptus, aeternus rector humani generis, agit atque habet cuncta' . C Sallustius.)
Ik zal een korte inhoudsopgave geven, onder voorbehoud op sommige punten terug te komen, wanneer ik mijn eigen proeven aanhaal.
De schrijver begint met volgens Berzelius vast te stellen, dat de indigo van den handel vier verschillende stoffen bevat: de âglutenquot; (lijm) der indigo, het âbruinquot;, het âroodquot; en eindelijk het âblauwquot;.
') In verband met de voorgaand beschreven laboratorium-proeven, volgt hier een vertaling van een tweetal stukken uit het Bulletin de la Société Industrielle de Mulhouse, No. 50â1837. Wij ontvingen het (hier te lande zeer zeldzame) oorspronkelijke geschrift uit de universiteits-bibliotheek te Straatsburg.
68
De onderzoekingen zijn in twee verschillende rubrieken:
16. de bereiding van indigo (blauw) in zuiveren staat, alsook die van lijm, bruin en rood; de vergelijkende verfproeven, ondernomen met indigo aldusbevrijd van alle vreemde stoffen en de gewone indigo; ten slotte het achtereenvolgens toevoegen van lijm, bruin en rood en de vergelijking der verschillende stalen naar gelang de toevoeging van een dézer stoffen;
20. het onderzoek van de vitriool-kuip en de bepaling van de beteekenls, welke ieder van de bovengenoemde stoffen in deze kuip hebben.
Zuivering der indigo.
Door de indigo verschillende malen met verdund zuur en vervolgens met water te koken, wordt zij van hare lijm beroofd. Bij filtratie gaat er eene zure oplossing door het filter, welke na verzadiging met krijt, gefiltreerd, tot droog verdampt en uitgetrokken met alcohol, de lijm afzonderlijk geeft.
De indigo aldus van deze stof bevrijd, wordt gedigereerd met een geconcentreerde oplossing van bijtende potasch, welke het bruin oplost. Daarna wordt geliltreerd.
Nu blijft over de roode hars te verwijderen, hetgeen geschiedt door herhaaldelijk uitkoken met alcohol.
In dezen staat is de indigo nog niet voldoende gezuiverd. Men onderwerpt haar dus aan reductie, daarna voltooien, na regeneratie, eenige malen opkoken met alcohol de zuiveiing.
Na zich indigo van voldoende zuiverheid te hebben verschaft en na afzonderlijk de drie stoffen, die haar vergezellen te hebben vervaardigd, doet de schrijver de volgende proeven:
Hij maakt een kuip met; 9 grein ongezuiverde indigo, 27 grein kalk, 15 grein ferrosulfaat (couperose) en 5 ons water.
Daarna een andere kuip met: 5 grein gezuiverde indigo, 27 grein kalk, 18 grein ferrosulfaat en 5 ons water.
Hij verft in ieder van deze kuipen een staal katoen gedurende een half
uur in heldere kuip.
Een derde staal wordt gedoopt in eene oplossing van de roode hars m
alcohol, gedroogd en geverfd met gezuiverde indigo.
Een 4® wordt geverfd met gezuiverde indigo, na toevoeging van de roode
hars aan de kuip.
Een 5e wordt geverfd in de voorafgaande kuip, aan welke bovendien nog werd toegevoegd een mengsel van bruin, in kaliloog opgelost, en van bruin, neergeslagen door zwavelzuur uit de oplossing in kaliloog.
Een 6e wordt geverfd in gezuiverde indigo, onder toevoeging van lijm en eene zekere hoeveelheid van de twee soorten bruin, zooeven gemeld.
Eindelijk doet de schrijver nog eenige verfproeven met verschillende verhoudingen tusschen zuivere indigo en de roode hars, hetzij door deze laatste in de kuip te mengen, hetzij door staaltjes te doopen in min of meer verzadigde rood-oplossingen, deze te drogen en met zuivere indigo te verven.
69
Na al deze proeven vergelijkt de schrijver de nuances der verschillende stalen en vindt:
1°. dat deze kleuren van gezuiverde indigo geen verschil geven met de kleuren van handelsindigo.
2°. dat de toevoeging van de genoemde 3 stoffen aan de kuip van gezuiverde indigo, nóch de glans, nóch de schoonheid der nuances veranderd heeft; de roode hars alleen echter schijnt hem de blauwe kleur donker en dof te maken {fonrer tt ternir).
De deugdelijkheid der kleuren is geconstateerd door wasschen met zeep en blootstellen aan de lucht, en in alle gevallen gelijk bevonden.
Onderzoek der ferrosulfaat-kuip.
Heldere vloeistof der kuip: als men deze vloeistof uitstort in verdund zwavelzuur slaat de gereduceerde indigo neer. Deze wordt afgefiltreerd.
Het filtraat bevat slechts lijm. Het neerslag van indigo, behandeld met kali, geeft volgens schrijver geen spoor bruin, maar alcohol toont een geringe hoeveelheid rood aan.
Bezinksel van de kuip.
Dit werd buiten toetreden van lucht afgewasschen met kokend water; vervolgens onderworpen aan de behandeling met verdund zwavelzuur, hetwelk, in kleine hoeveelheid, lijm geeft.
Een andere portie, die van te voren met zoutzuur in plaats van met zwavelzuur was behandeld, gaf, na behandelen met kaliloog, een vrij aanzienlijke hoeveelheid bruin.
Alcohol toonde rood aan.
De schrijver vindt dus in het bezinksel der kuip een geringe hoeveelheid lijm, alle bruin en eene aanmerkelijke hoeveelheid rood.
De heldere vloeistof bevat lijm en rood. Het rood slaat volgens hem bij de ververij gelijk met het blauw op het katoen neer en de lijm blijft in de kuip.
Inderdaad heeft de schrijver rood geëxtraheerd uit een staal, dat blauw geverfd was, zonder er bruin of lijm uit te kunnen verkrijgen. Ziehier het résumé van de proeven, door den schrijver verricht.
Zijne verhandeling is vergezeld van stalen, correspondeerend met iedere verfproef.
Alvorens de algemeene besluiten te trekken, is het noodzakelijk de proeven ter verificatie ondernemen, te beschrijven.
Deze laatste moesten op een grootere schaal gedaan worden, dan die van den schrijver, om de resultaten duidelijk te doen uitkomen.
Ik heb dus met grammen gewerkt, in plaats van met greinen.
leder staal werd na het verven en goed uitwasschen onderworpen aan de behandeling met zwavelzuur van 50 Bé bij 400 R., een noodzakelijke bewerking, die de schrijver verwaarloosd heeft.
Ook zijn zijne nuances dof en laten zij geen nauwkeurige vergelijking toe.
70
Ik heb eiquot; naai* gestreefd deze kleuren niet in een bepaalden tijd te maken, maar om aan al deze stalen eenzelfde nuance te geven, ten einde beter te kunnen oordee'.en over hare levendigheid. Verder deed ik de verfproeven op twee wijzen: ie met gekristalliseerde indigo-(blauw) onder toevoeging der verschillende bekende stoffen, en 2« met handels-indigo, eerst bevrijd van lijm en gebruikt voor verven; dan beroofd van bruin en wederom gebruikt voor verven en ten slotte niets meer bevattend dan rood, en weder voor dezelfde operatie gebruikt.
Op deze wijze verschafte ik mij zooveel mogelijk het bruin en rood alleen met indigo-blauw vereenigd, maar in natuurlijken staat in plaats van als
kunstmatig mengsel.
Het middel, dat mij het vlugst maar niet het minst kostbaar toeschijnt om mij gekristalliseerde indigo(-blauw) te verschaffen, was het sublimeeren, [grillage = roosten).
Hiertoe bracht ik gepoederde indigo op een stuk plaatijzer, hetwelk geplaatst werd op een fornuis met gloeiende kolen.
Na een rijkelijke ontwikkeling van gele dampen, vergezeld van een sterken reuk naar gebrand hoorn, werd de geheele bovenzijde van de indigo bedekt met kristallen, terwijl het gedeelte, dat in aanraking kwam met het ijzer, verkoold was. Met een dun mes konden deze kristallen gemakkelijk in lagen afgelicht worden.
Ik heb slechts die kristallen uitgekozen, welke geen aanhangende kool bevatten.
Na mij op deze wijze een voldoende hoeveelheid gekristalliseerde indigo(-lgt;lau\\), ook wel indigoline genaamd, te hebben verschaft, heb ik ze verschillende malen opgekookt met alcohol, om ze nog van een weinig rood te bevrijden.
Daarna heb ik de volgende proeven ondernomen, welke ik van de noodige stalen laat vergezeld gaan:
ie. verven met 4 gram handels-indigo, 16 gram ferrosulfaat, 16 gram kalk, i1/* liter water;
2e. verven met 3 gram gesublimeerde indigo, 12 gram ferrosulfaat, 16 gram kalk, iV-j liter water;
3e. dezelfde kuip onder toevoeging van Va gram lijm;
4e. verven met gesublimeerde indigo van een staal, gedrenkt met roede hars,
5e. dezelfde kuip met rood in oplossing;
6e. gesublimeerde indigo, met rood en lijm;
7e. gesublimeerde indigo met bruin alleen;
8®. gesublimeerde indigo rood en bruin.
Al deze kuipen werden gemaakt in dezelfde verhouding als de eerste met gesublimeerde indigo alleen.
Daar tegenover werden 3 verfproeven gedaan.
ie. met handels-indigo, bevrijd van lijm;
2e. met indigo, bevrijd van lijm en bruin;
3e. met indigo, bevrijd van rood en lijm.
De stalen van al deze proeven werden na het verven goed gewasschen en vervol-
71
gens, zooals ik reeds gezegd heb, behandeld met zwavelzuur van 50 Bé bij 400 R.
Geen verschil is, zooals men ziet, merkbaar, in de levendigheid der nuances. Het staal, doortrokken met rood in alcoholische oplossing, is het eenige, dat dof is en ook de schrijver vestigt hierop de aandacht. Maar deze waarneming is van weinig belang en er heeft daar zonder twijfel slechts een mechanische werking plaats, namelijk, dat te veel hars op het katoen hecht, hetgeen bij handels-indigo nooit plaats heeft.
Nu bleef er over de toestand van de ferrosulfaat-kuip te vérifieeren.
Ik werkte hiervoor met een kuip in het groot, waarvan ik ten naaste bij twee liier heldere vloeistof nam.
Deze vloeistof verschaft mij, evenals aan den schrijver, indigo-rood en lijm, maar daarenboven vond ik in het neergeslagen blauw een kleine hoeveelheid bruin, een stof, die de schrijver er niet in gevonden heeft. Het is licht mogelijk, dat een weinig bruin, ondanks zijne onoplosbaarheid, opgelost blijft in de groote hoeveelheid alcalische vloeistof van de kuip, die daarna, behandeld met verdund zwavelzuur, het bruin laat neerslaan.
Aan den anderen kant heb ik in een groote kolf het bezinksel van dezelfde kuip uitgewasschen, eerst met kokend water, daarna met een mengsel van ferrosulfaat en kalk en ten slotte bijna veertig maal met nieuwe hoeveelheden water, iederen keer met een hevel decanteerend.
Het bezinksel, aldus afgewasschen, werd onderzocht op de manier van den schrijver.
Ik vond er buitengewoon weinig lijm in, vrij veel bruin, en aan rood iets, bijna onzichtbaar in alkoholische oplossing, en ten slotte blauw.
De schrijver vermeldt niet de aanwezigheid van blauw, maar vermoedelijk heeft hij het wel gevonden, te meer, daar zijne wasschingen niet zoover zijn voortgezet en omdat hij geen reduceerende middelen heeft gebruikt.
Men kan veronderstellen, dat wanneer men door meer wasschingen met kalk en ferrosulfaat er in geslaagd was alle indigo te verwijderen, men ook zelfs geen rood meer in het bezinksel zou hebben gevonden, door de affiniteit van deze hars tot het blauw.
Ondanks dit kleine onderscheid tusschen mijne resultaten en die van den schrijver, is het niet minder waar, dat het bruin kan beschouwd worden als geheel in het bezinksel van de kuip, dat dit bevat, achter te blijven, en dat deze bovendien lijm in zeer kleine hoeveelheid en ten slotte rood en dientengevolge blauw bevat.
Een feit, door den schrijver aangekondigd, moest nog gevérifieerd worden, namelijk te weten, of gedurende het verven de roode hars neerslaat op het katoen en of dit er op blijft, na de reiniging van dit laatste.
Daar de schrijver zijne stalen slechts onvoldoende gereinigd heeft, twijfelde ik of ik op mijne, goed gesulfureerde, stalen nog roode stof zou kunnen vinden, na het halen door zwavelzuur.
Ik veronderstelde dus, dat de indigo, terwijl ze zich hecht op het katoen, hare affiniteit voor de hars verliest en dat dus deze door goed uitwasscheu gemakkelijk kan verwijderd worden.
72
Om deze veronderstelling te constateeren, heb ik de volgende proef gedaan: Ik nam een halve el blauw geverfd katoen en onderwierp deze aan eene reductie met passende hoeveelheden loog en tinchloruur.
Na geheele ontkleuring decanteerde ik de vloeistof en liet deze aan de lucht oxydeeren.
Met geregenereerde blauw sloeg langzamerhand neer. Het werd afj;e-wasschen en daarna uitgekookt met alcohol. Daarna werd gefiltreerd en het filtraat verdampt om het opgeloste blauw neer te slaan, dat verhinderde het rood te onderscheiden. Zoo ontstond er een duidelijk herkenbare roode kleur.
Ik was er toe gebracht om deze proef te nemen, daar ik geen rood had gevonden bij het werken met kleine stalen en zulks, omdat ik verzuimd had de alcoholische vloeistof te verdampen, om het opgeloste blauw te praecipi-teeren. Ik herhaalde dus de uitkoking der stalen met alcohol en dezen keer constateerde ik de aanwezigheid van rood.
Overigens vermeerdert noch vermindert, zooals de schrijver zegt, deze stof de levendigheid van het blauw, door de geringe hoeveelheid, die op de stof neerslaat.
Na deze verificatie-proeven, die bijna op alle punten overeenstemmen met die uit de bedoelde verhandeling, zal ik in enkele woorden de gevolgtrekkingen van den schrijver opsommen, die op de volgende wijze de gestelde vraag beantwoordt:
In de indigo-kuip met ferro-sulfaat wordt het meerendeel van de lijm opgelost;. een geringe hoeveelheid blijft in het bezinksel van de kuip. Haat-invloed is overigens nihil bij het verven.
Het bruin, dat met de kolk eene onoplosbare verbinding vormt, blijft op den bodem van de kuip. Het heeft geen invloed op het verven, hetzij bij heldere, hetzij bij troebele kuip. Eindelijk schijnt een deel van de roode hars in oplossing in de kuip te blijven, door het blauw, dat zijne oplosbaarheid veroorzaakt. Een ander deel van deze hars blijft in het bezinksel, door de indigo, die zich daar nog bevindt in verbinding met de overmaat kalk. Het rood in oplossing hecht zich op het katoen met de indigo, zonder echter eenigen invloed op de nuances uit te oefenen.
Daar nagenoeg al mijne proeven de conclusies van den schrijver der verhandeling bevestigen en daar deze geheel beantwoorden aan de vraag van het programma, stelt de scheikundige commissie u voor, hem de bronzen médaille toe te kennen en besluit zijne verhandeling, evenals dit rapport m de bulletins van het genootschap op te nemen.
73
VERHANDELING van Philippe Schwartzenberg van Kassei (Hessen), betreffende de prijsvraag- N0. 3 van de Société Industrielle de Mulhouse, over de rol in de ververij van de andere bestanddeelen der indigo, behalve het blauw.
âAnimus incorruptus aeternis rector humani generis, agit, atque habet cuncta.quot; (Sallustius.)
Volgens de onderzoekingen van Berzelius, bevat de indigo vier verschillende stoffen, welke deze beroemde chemicus aanduidt met de namen: lijm, bruin, rood en blauw.
De vraag door de âSociété Industrielle de Mulhousequot; gesteld, luidt: welke is de invloed, die de drie eerste dezer stoffen bij de ververij van katoen hebben ?
Om te geraken tot de oplossing van deze vraag, scheen het mij noodzakelijk, ie zien in welken slaat deze drie stoffen zich bevinden in de ferrosulfaat-kuip, welke het meest in gebruik is, om katoen te verven. Vervolgens moest ik de blauwe stof en de andere bestanddeelen zuiveren en isoleeren, verder verfproeven doen mei het gezuiverde blauw en met ditzelfde blauw, achtereenvolgens gemengd met de andere bestanddeelen.
Ik laat hier, als onnoodig, achterwege de chemische bijzonderheden van deze onderzoekingen en zal mij er toe beperken, een overzicht te geven van de proeven en hare resultaten.
Ik begin de methode van Berzelius uiteen te zetten, die ik gevolgd heb, om het indigo-blauw te reinigen, omdat deze methode zelf dient ter rechtvaardiging van de analytische onderzoekingen, ondernomen met de indigo-kuip.
Ik liet indigo, als onvoelbaar poeder, koken met verdund zwavelzuur, daarna herhaaldelijk met water, met een nieuwe hoeveelheid zuur en nieuwe hoeveelheden water, totdat deze oplosmiddelen er niets meer uit exiraheerden.
Deze zure oplossingen gemengd met de waschwateren neutraliseerde ik met zuiver calciumcarbonaat, vervolgens filtreerde ik ze, om ze van het calciumsulfaat te scheiden. Ik verdampte de oplossing tot droog en behandelde dit résidu met watervrijen alcohol, die de lijm oplost. Ik filtreerde deze alcoholische oplossing, die na verdamping de indigo-lijm achterliet.
De indigo, van haar grootste hoeveelheid lijm bevrijd, werd zacht verwarmd met een geconcentreerde oplossing van bijtende kali, welke het indigobruin oploste.
Ik filtreerde en waschte de indigo op het filter af â een werk, dat lang duurde, want de behandeling met kali veroorzaakt een groote verdeeling van de indigo, waardoor deze de poriën van het filter verstopt.
Ik had dus een oplossing van indigo-bruin, verbonden met kali, maar daar
74
verdund zwavelzuur de lijm niet geheel oplost, bevat deze oplossing steeds een gedeelte ervan en bovendien een kleine hoeveelheid blauw.
Ik voegde zwavelzuur aan een deel van deze oplossing toe en verkreeg een neerslag, dat eene verbinding is van bruin met zwavelzuur. Op een filter gebracht en goed gewasschen, bevatte dit neerslag geen lijm. Deze bleef in oplossing. Daarentegen bevatte het een zeer kleine hoeveelheid blauw, hetwelk niet van invloed is op de proeven die volgen. Het was mij onmogelijk zuiver indigo-bruin te bereiden, daar het lichaam zulk een groote affiniteit heeft, zoowel voor basen als voor zuren, zoodat men tot op heden geen methode kent om het te isoleeren.
Na de behandeling met bijtende kali liet ik de indigo koken met alcohol, om het rood op te lossen en af te scheiden, een lichaam dat een bijzondere affiniteit voor het blauw schijnt te bezitten en er zeer moeilijk van te scheiden is, zoowel door deze affiniteit, alsook omdat het weinig in alcohol oplost.
De indigo, die ik twintig maal met alcohol had laten koken, bevatte nog rood. Deze alcoholische vloeistoffen bevatten behalve het rood, eene zekere hoeveelheid bruin en kali.
Ik verwijderde liet grootste gedeelte van den alcohol door destillatie. Hei rood sloeg neer: ik scheidde het af door filtratie en waschte het af. De gefiltreerde vloeistof bevatte rood en bruin, verbonden met kali. Ik vermengde liet met eenige droppels azijnzuur, die het rood neersloegen en het bruin in oplossing hielden. Ik scheidde ze door filtratie. Als men op deze wijze indigo behandeld heeft met verdund zuur, met kaliloog en met alcohol, dan bevat het blauw dat overblijf: nog vreemde stoffer,, en is het noodzakelijk het te zuiveren door reductie. Ik heb dus innig vermengd 4 drachmen van dit blauw met 8 drachmen versch gebluschte kalk. Ik heb dit gebracht in eene flesch van tfU pond waterinhoud, welke ik bijna geheel vulde met warm water. Vervolgens heb ik toegevoegd 5 drachmen en 24 grein fenosulfaat, opgelost in een weinig water, '['oen het blauw aldus gereduceerd en opgelost was, liet ik door middel van een hevel, de heldere vloeistof vloeien in verdund zoutzuur. Het gereduceerde blauw sloeg neer. Toen het neerslag blauw was geworden, bracht ik het op een filter en waschte het af, daarop liet ik het eenige malen koken met alcohol om er de laatste sporen rood aan te onttrekken.
Ik heb het blauw, aldus behandeld, beschouwd als zuiver en heb mij er van bediend, om de verfproeven te doen, waarvan ik la;er zal spreken.
Nu zal ik onderzoeken in welken toestand zich in de ferrosulfaat kuip de andere stoffen, behalve blauw, bevinden.
Heldere vloeistof der kuip.
Als men de heldere vloeistof van een indigokuip ') uitgiet in verdund zwavelzuur, dan slaat de gereduceerde indigo neer; men scheidt het af door filtratie.
') Ui spreek altijd van de kuip, gemaakt met kalk, ferrosulfaat en indigo.
to
De zure bruinachtige vloeistof, die doorloopt, geeft na neutralisatie met krijt, gefiltreerd, verdampt tot droog, behandeld met alcohol, opnieuw gefiltreerd en verdampt tot droog, indigo-lijm.
Deze vloeistof bevat nóch rood nóch bruin. Na het neergeslagen en ge-oxydeerde indigo-blauw goed te hebben afgewasschen, behanddde ik het met geconcentreerde kaliloog, die niet het minste spoor bruin oploste. Ik bracht het blauw op een filter, waschte het af en liet het daarna koken met alcohol, die geringe sporen rood oploste. Deze proef leert ons dus, dat er in de vloeistof van de ferrosulfaatkuip, behalve het blauw, nog lijm en rood in oplossing is.
Als men deze heldere vloeistof schudt met zuurstof» slaat al het rood met het blauw neer. Bijna alle lijm blijft in oplossing en het is slechts een bijna onwaarneembare hoeveelheid, die men vindt in het neergeslagen bruin en rood.
I» e z i n k s e 1 der kuip.
Ik heb het bezinksel der ferrosulfaat-kuip onder afsluiting van lucht gewasschen met water, dat ik vooraf had gekocht.
Toen de geheele indigo-oplossing van het bezinksel door afwasschen verwijderd was, heb ik met verdund zwavelzuur verwarmd, gefiltreerd en het neerslag afgewasschen.
De zure vloeistof, die doorliep, gaf na neutralisatie met krijt, gefiltreerd, verdampt, tot droog, aan alcohol een kleine hoeveelheid lijm af. Ik behandelde het neerslag op het filter achtergebleven, hetwelk voornamelijk uit calciumsulfaat bestond met kaliloog, welke er geen bruin uit oploste. Ik verkreeg een tegengesteld resultaat, door dit bezinksel met zoutzuur in plaats van met zwavelzuur te behandelen. Inderdaad heb ik, na alle oplosbare zouten door filtratie en afwasschen verwijderd te hebben, het met zoutzuur verwarmd, opnieuw afgewasschen en met kaliloog behandeld. Ditmaal loste de loog eene groote hoeveelheid bruin op. De volgende verklaring van dit feit is misschien niet geheel onjuist:
In het bezinksel der kuip veronderstel ik het bruin verbonden met de kalk. Bij behandeling met dit bezinksel met zwavelzuur, vormt zich het sulfaat van indigo-bruin en calciumsulfaat, beide onoplosbaar. Deze lichamen blijven dus samen gemengd. Als men ze vervolgens met kaliloog behandelt, dan maakt deze zich meester van het zwavelzuur en vormt calcium-hydroxydc, hetwelk door zijn grootere affiniteit voor bruin dan kaliloog zich opnieuw hiermede verbindt. Daarentegen vormt zoutzuur het chloriede van bruin, dat onoplosbaar is en oplosbaar calciumchloriede. Daar dit laatste er door wasschen uit verwijderd kan worden, kan de kaliloog, door ontleding van het onoplosbare zout van het bruin, dit lichaam oplossen. Ik zonderde de gedeelten van het neerslag, die nog niet opgelost waren, van de alkalische bruin-oplossing af, door filtratie en afwassching. Door ze ten slotte met alcohol te laten koken, kleurde deze zich rood en loste een vrij groote hoeveelheid indigo-rood op.
76
In het beziuksel der kuip is dus aanwezig indigo-lijm in sporen en verder bruin en rood.
Lijm en rood werden op dezelfde wijze in de heldere vloeistof van de kuip gevonden, maar het indigo-bruin is slechts in het bezinksel aanwezig, hetgeen te voorzien was, daar het bruin een zeer groote affiniteit voor de kalk heeft en hiermede een onoplosbare verbinding vormt.
Het indigo-rood in de kuip opgelost, slaat aan de lucht neer, gelijktijdig met het blauw, terwijl de lijm in oplossing blijft. Hieruit volgt, dat alleen liet indigo-rood zich gedeeltelijk op het weefsel met het blauw vasthecht. Dit is bevestigd hierdoor, dat men aan de stalen gekleurd, hetzij in troebele, hetzij in heldere kuip, noch lijm noch bruin kan onttrekken.
Daarentegen kleurt alcohol, door deze stalen daarmede te koken, zich zwak rood, eene kleur, die de aanwezigheid van rood bewijst.
Volgens hetgeen voorafgaat, zou het voldoende schijnen slechts proeven te doen met het doel de rol te leertn kennen, die het rood speelt in de ververij. Echter heb ik mij niet hiertoe beperkt en heb ik de volgende proeven ondernomen, die betrekking hebben op lijm en bruin.
De moeielijkheid nu om indigo te zuiveren, heeft mij slechts veroorloofd met kleine hoeveelheden te werken. Ik moest dus zien, of het mogelijk was voldoende resultaten te verkrijgen met verfproeven in het klein.
Om deze redenen heb ik een kuip gemaakt in een flesch met wijde opening en goed gesloten, met V, drachme ongezuiverde indigo, V: drachme kalk, i drachme ferrosulfaat en 10 ons water. Deze kuip gaf staal gemerkt iSo. I, die geverfd is in een keer, gedurende een half uur met heldere kuip.
Een andere zwakkere kuip, gemaakt uit 9 grein niet gezuiverde indigo, 27 grein kalk, 18 grein ferrosulfaat en 5 ons water, heeft de twee stalen, gemerkt No. 2, gegeven. Deze stalea zijn op gelijke wijze geverfd in heldere kuip, ineens gedurende een half uur. Hoewel deze stalen niet mooi gelijkmatig zijn, noch een zeer mooie kleur hebben, schenen ze mij echter goed genoeg om de proeven op dezelfde schaal voort te zetten.
Voor de volgende proeven heb ik 9 grein niet gezuiverde indigo vervangen door 5 grein zuiver indigo-blauw, omdat de hoeveelheid blauw, die indigo bevat, ongeveer in de verhouding is van 5 tot 9.
Alle stalen zijn ineens geverfd gedurende een half uur en in een heldere kuip, vervolgens alleen met water uitgewasschen. Ken kuip gemaakt met 5 grein gezuiverde indigo, 27 grein kalk, 18 grein ferrosulfaat en 5 or's water, heeft staal No. lila gegeven. Staal No. Hli is gedrenkt in eeoe oplossing van indigo-rood, vervolgens gedroogd en in dezelfde kuip geverfd. Vervolgens heb ik in de kuip een oplossing van indigo-rood in alcohol gebracht en daardoor verkregen staal 111^, welks schoonheid niet schijnt te verschillen met die van staal lila.
De toevoeging van rood-oplossing. heeft door vermeerdering van de vloeistof der kuip, haar minder sterk moeten maken, hetgeen duidelijk maakt, waarom staal b helderder is dan a. Men verkrijgt staal Ilh/, na aan de .^uip te hebben toegevoegd indigo-lijm, opgelost in water.
77
Vervolgens heb ik een mengsel van bruin, neergeslagen door zwavelzuur en bruin opgelost in kaliloog, toegevoegd; een mengsel gekozen, met het oogmerk de overmaat kali door het zwavelzuur van het sulfaat van het indigobruin te verzadigen. Bij dit verven heb ik staal III^ verkregen.
Al deze stalen werden hoe langer hoe lichter door de opvolgende verzwakking, die het verven van iedere staal de kuip deed ondergaan.
De hoeveelheden der verschillende stoffen aan de kuip toegevoegd, zijn veel grooter met betrekking tot het zuivere blauw, dan deze in de indigo zijn.
Echter ziet men, dat ze op de nuance geen verandering, noch ten goede, noch ten kwade, hebben veroorzaakt.
Slechts staal Illd gedrenkt in eene oplossing van rood vóór het verven, schijnt een minder mooie nuance te hebben dan de anderen.
Een kuip vervaardigd uit 5 grein gezuiverd indigoblauw gemengd met 2 grein rood, 27 grein kalk, 18 grein ferrosulfaat en 5 ons water, heeft de staal gemerkt IV gegeven.
Om mij te overtuigen, dat er rood in de kuip was opgelost, heb ik de heldere vloeistof neergeslagen door zuurstof der lucht en daarna op een filter gebracht.
Dit neerslag gaf, na behandeling met kokende alcohol, aan deze een donkerroode kleur.
Bij vergelijking van staal IV met staal IILz ziet men geen verschil in nuance.
In een andere kuip, als de vorige gemaakt met zuiver indigo-blauw, verfde ik de stalen gemerkt V. De eerste a was een wit staal. De twee andere ^ en ^ waren vooraf gedrenkt in alcoholische indigorood-oplossingen en vervolgens gedroogd.
De oplossing van rood, waarin c gedoopt is, was verzadigd.
De oplossing voor b was minder sterk aan rood. Bij deze proeven heeft het rood in plaats van de helderheid der nuance te verhoogen, haar veel eerder dof gemaakt. ])
De stalen, met rood doortrokken, zijn donkerder dan staal Va en dit is gemakkelijk te verklaren.
Een andere kuip, eveneens gemaakt met gezuiverde indigo, gaf staal \la.
Ik voegde indigo-lijm toe om bij het verven staal VI^ te verkrijgen en vervolgens indigo-bruin, neergeslagen met zwavelzuur, gemengd mee eene oplossing van bruin in kaliloog, om staal VIr te verkrijgen. 1)
Al deze stalen vergelijkend, ziet men dat zij, die geverfd zijn door gezuiverde indigo, nóch mooier, nóch minder mooi zijn, dan die, geverfd door handelsindigo. Men ziet verder dat de toevoeging van de drie genoemde stoffen aan de kuip nóch de helderheid, nóch de schoonheid van de nuances heeft veranderd.
1
) Ik heb zulk een groote hoeveelheid bruin toegevoegd, dat het in oplossing bleef in de kuip, welke zich zwartachtig bruin kleurde.
78
Het rood alleen â ) echter schijnt de nuances een weinig donkerder en dol te maken.
Om hare vastheid te leeren kennen, heb ik deze verschillende stalen aan de zon blootgesteld en ze door kokende zeepoplossing gehaald.
De met gezuiverde indigo geverfde stalen vertoonden nóch aan het zonlicht, nóch met zeep behandeld een andere vastheid dan die stalen, geverfd met indigo, die geen behandeling had ondergaan of niet-geziuverde indigo onder toevoeging van de andere stoffen.
Volgens deze proeven geloof ik dus op de volgende wijze op de gestelde
vraag te kunnen antwoorden:
In de indigokuip, gemaakt met kalk, ferrosulfaat en indigo, welke gewoonlijk gebruikt wordt voor de katoenververij, is de grootste hoeveelheid lijm opgelost; eene kleinere hoeveelheid blijft in het bezinksel der kuip en bij het verven hecht deze zich niet met het blauw op het weefsel.
Deze lijm blijft opgelost, terwijl het blauw bij oxydatie neerslaat.
De lijm heeft dus geen invloed op de ververij. Al het bruin vormt een onoplosbare verbinding met de kalk. Men vindt niet het minste spoor in oplossing in de kuip. Het kan dus geen invloed hebben op de verven met heldere kuip. Men kan veronderstellen, dat ook bij troebele kuip het niet in het geverfde is, want de affiniteit van indigo-bruin voor kalk is zoo groot, dat de kalk zelfs het bruin afscheidt uit zijne veibir.ding met kali en deze groote affiniteit maakt de verbinding van bruin metkalk indifferent. Overigens bevatten de stalen, geverfd in troebele kuip, die ik onderzocht heb, niet het minste spoor bruin, een feit, dat ontwijfelbaar bewijst, dat het geen invloed
op het verven heeft.
Wat het rood betreft: dit lichaam verbindt zich niet met alkaliën, het is onoplosbaar in hunne oplossingen en in kalkwater.
Ik heb nauwkeurig een kuip gemaakt met kalk, ferrosulfaat enindigo-roou (in plaats van blauw). Geen spoor rood ^oste op. Echter bij vermengen van rood met zuiver blauw loste er gelijktijdig met dit een groole hoeveelheid in de kuip op, terwijl een andere hoeveelheid rood in het neerslag bleef.
In dit geval gedragen deze twee stoffen zich als in de kuipen, gemaakt met niet-gezuiveide indigo. Het is dus alleen het indigo-blauw, dat de oplosbaarheid van rood bepaalt. Dit feit is belangrijk genoeg om eenondei zoek waard te zijn, dat een voldoende verklaring zou geven. Uit gebreK aan tijd heb ik dit niet kunnen ondernemen.
Het indigo-rood, dat in de kuip is opgelost, slaat neer met het blauw, gedurende zijn regeneratie en hecht zich hiermede op het weefsel, als men verft. Wij hebben echter gezien, dat het lichaam nóch de schoonheid der nuance, noch de vastheid vermeerdert. Het is dus niet noodzakelijk, om een vaste en schitterende blauwe kleur te verschaffen.
In groote hoeveelheden zou het integendeel de nuances donkerder en dof maken, zooals de stalen doen zien.2)
1) D. w. z. vóór het verven op het doek gebracht. (C. J. v. L. C.)
'-) Die vóór het verven met rood geimpregneerd waren. (C. J. v. L. C.)
79
Het zuivere indigo-blauw heeft Dóch mooiere, nóch steviger nuances gegeven, dan de handels-indigo, hetgeen bewijst, dat het rood in deze indigo aanwezig, geen schadelijken invloed op het verven uitoefent, evenmin ais de beide andere stoffen. Ook is de hoeveelheid rood, die in de kuip opgelost en vervolgens met het blauw neerslaat op het weefsel, zoo gering, da4- men het geen merkbaren invloed kan toekennen.
Eenige proeven, ondernomen met gesublimeerd indigo-blauw, zijn niet volledig genoeg om in dit opzicht een besliste uitspraak te doen.
Ik voeg echter hierbij drie stalen, gemerkt Vllrt, b en r, die geverfd zijn met gesublimeerde ind;go(-blauw).
Bij de twee eerste a en geschiedde dit bij kuipen, gemaakt van 9 grein gesublimeerde indigo, 27 grein kalk, 18 grein ferrosulfaat en 6 ons water.
Staal a is donker geworden aan de zijde, waar het in aanraking is gekomen met het bezinksel der kuip.
Ik heb een andere kuip gemaakt met 18 grein gesublimeerde indigo. 108 grein kalk, 72 grein ferrosulfaat en 10 ons water.
Ã^Taar met deze kuip heb ik geen gereduceerd blauw in oplossing gekregen, omdat, daar de kalk-verhouding te groot is geweest, het gereduceerde blauw met de kalk volledig de onoplosbare verbinding heeft gevormd, die altijd ontstaat door een overmaat kalk.
Ik heb aan deze twee kuipen het indigo-blauw onttrokken, door de kalk en het ijzeroxyde met zoutzuur op te lossen. Vervolgens heb ik met dit blauw een nieuwe kuip gemaakt, onder de voorzorg aan de kalk en het ferrosulfaat een grootere hoeveelheid van dit blauw te te voegen. Ik heb uit deze kuip staal VI Ir verkregen.
Bij vergelijkiing van dit staal met de voorafgaanden is men gerechtigd te gelooven, dat de sublimatie van het indigo-blauw niets aan ziine verf kracht verandert.
Rekenend op de toegevendheid van de gt;Société Industriellec, deel ik haar de rij proeven mede, die ik ondernomen heb en ik zou mij gelukkig achten, als zij bevond, dat mijne zwakke pogingen een weinig hebben bijgedragen, om antwoord te verkrijgen op deze belangrijke vraag.
INHOUD DER BULLETINS VAN HET KOLONIAAL MUSEUM TE HAARLEM.
N0. i.1) (Februari 1892.) Over werktuigen voor het bereiden en spinnen van kokosvezels (met 14 fig-); en andere opstellen.
2. (Juni 1892.) Verslag van het Museum over 1891.
â 3. (September 1892.) L'arbre a laqué du Japon et sa culture, door L. v. d. Polder; en andere opstellen.
â 4. (Januari 1893.) Grissee-, Bawean- en Buitenzorgsche matten, (met gekl. platen).
â 5. (Juni 1893.) Verslag van het Museum over 1892.
â 6. (December 1893.) Verschillende kleine opstellen over Ind. producten.
â 7. (Maart 1894.) De cultuur der bamboe in Japan, door L. v d. Polder, (met 66 afb.).
â 8. (Mei 1894.1 De ontwikkeling van het stoomvaartverkeer in den Ned.-Ind. archipel, door J. T. Creiier; en andere opstellen.
â 9. (Juli 1894.) Verslag van het Museum over 1893.
,, 10. (Maart 1895.) De Manila-hennep, door F. W. v. Eeden ; en andere opstellen.
â 11. (Juli 1895.) Verslag van het Museum over 1894.
â 12. (Maart 1896.) Over de Marowijne-rivier, door Jhr. L. C. van Panhuys, (met kaart); en andere opstellen.
â 13. (Juli 1896.) Verslag van het Museum over 1895.
â 14. (Maart 1897.) Opstellen uit de praktijk der koffiecultuur op Java; en andere opstellen.
â 15. (Juni 1897.) Schadelijke insecten voor koffie- en kinacultuur, door H. Veen.
â 16. (Juli 1897.) Verslag van het Museum over 1896.
â 17. (Mei 1898.) Indigo, door C.J. van LookerenCampagne, (met plaat).
â 18. (Juni 1898.) Verslag van het Museum over 1897.
â 19. (Juli 1898.) IJzerhoutsoorten, door G. A. Blits, (met platen).
â 20 (April 1899.) Verslag der Indigo-onderzoekingen, door J. E. Tulleken.
1
De mededeelingen, die vóór 1892 van het Koloniaal Museum zijn uitgegaan, komen alle voor in het âTijdschrift van Nijverheidquot;.
Als Extra-Bulletins van het Koloniaal Museum is verschenen: Indische nuttige planten, door Dr. M. Greshoff. I, (1894); II, (1895); III, (1896); IV, (1897). In 1898 is op dezelfde wijze uitgegeven: Getah-Pertja, door Dr. E. B. A. Obach.
k