HISTORISCHE BLADEN
(V i
ruksuniversmrr utrecht
873;
0308
$ f
IIISTÃRISCHB BLADE!
Düüll
DK. THEÃD. JüllISSEN
IN LEVEN HOOGLEERAAR TE AMSTERDAM.
DERDE, G0EDK00PE DRUK
i
johan van oluknbarnbvelt. â a mali a van solms en Makia Siuaki. â Een vousteluk engagement. â Joh a n de W itt. â Uk zeeslag bij Kijkduin. â Willem III.
BIBLIOTHEEK RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
HAAKLEM H. D. TJEENK WILLINK. 1892
EEN WOORD VOORAF BIJ DEN EERSTEN DRUK.
Den 4den April van dit jaar overleed, na een smartelijk lijden, in de kracht zijns levens mijn hooggeschatte ambtgenoot en vriend, de Hoogleeraar Theodoor Jorissen.
Zijn heengaan is een groot verlies voor de wetenschap, in het bijzonder voor onze Universiteit.
Doch ook in ruimer kring zal het diep gevoeld worden. Want Jorissen was niet slechts een nauwgezet geschiedvor-scher, maar ook een geliefd redenaar. Hij bezat in hooge, mate het geheim der '/historische lezingenquot;. In menige plaats van ons land gaf hij de vruchten van zijne doorwrochte studiën jaren achtereen ten beste. Men gevoelde, hem hoorende, dat hier wetenschappelijke ernst, maar evenzeer een warm en rijk gemoed aan liet woord was. Bovendien verstond Jorissen uitnemend de kunst om de drijfveeren van het menschelijk zieleleven bloot te leggen. Zoo wierpen zijne voordrachten vaak een verrassend licht op personen en toestanden, die te voren nooit in die mate onze belangstelling gewekt hadden. Het waren inderdaad quot;gouden appelen op zilveren schalenquot;. Hoe droevig stemt de gedachte, dat de begaafde man ze ons nooit meer zal aanbieden !
ken woord vooraf.
vi
JJeze Historische Bladen trackteu eeuige vergoeding voor zooveel gemis te schenken. Wie Jorissen's arbeid waardeerde, zal hun verschijnen op hoogen prijs stellen. Het zijn voordrachten, in de voornaamste steden door hem gehouden en tot nog toe ongedrukt. Zijne weduwe belastte mij met de zorg voor de uitgave. Zij droeg mij daarmede eene weemoedige, maar tevens eervolle en dankbare taak op. Ik heb er door geleerd en genoten. Want ook van deze schetsen geldt wat de Geudsche Hoogleeraar in de Geschiedenis, Paul Erédericq, aangaande Jorissen's akademiach onderwijs getuigde: /'II y portait une vive clarté, traitant son sujet avec la gravité qu'il comporte, aimant a, remuer des idees et a scruter des principes, énoncant des jugements nets dans une forme énergiquequot;.
Bij het nazien der proeven stond Dr. H. C. Rogge mij welwillend ter zijde. Ik zeg hem daarvoor hartelijk dank.
J. G. Matthes.
Amsterdam, September 1889.
BIJ DEN DERDEN DEUK
De buitengewone ontvangst, die aan de Historische Bladen ten deele viel, maakte dat in 1890 de eerste en in 1891 de tweede druk uitverkoelit waren. Thans wordt door een derden druk voldaan aan den wenseh van talloos velen, die zicli beklaagden, dat zij tot heden het boek niet machtig konden worden.
Met nog meer recht dan vroeger, bij den herdruk van 1890, mag ik dus nu schrijven: //Het is eene aangename ervaring dat zoo spoedig eene nieuwe uitgave noodig is. Zij bewijst, evenals het debiet van de Studieir â die ook al uitverkocht zijn â quot;hoe de werken van mijn overleden ambtgenoot gewaardeerd worden.quot;
Aan een woord van aanbeveling hebben ze dientengevolge minder dan ooit behoefte. Zulke boeken vinden de beste aanbeveling in hun inhoud. Zij banen zich zeiven den weg.
Onwillekeurig schiet mij hierbij eene uitspraak van Jorissen te binnen, die dus luidt: quot;leder onzer meent, dat de voorwerpen zijner belangstelling, de onderwerpen, die hem ter harte gaan, de algemeene aandacht en belangstelling verdienen en ook trekken. Het is een zelfbedrog, dat telken dage wordt gelogenstraft, maar niettemin telken male zich herhaalt.quot;
Ziedaar eene in het algemeen juiste opmerking, maar tevens een regel inet uitzonderingen. Eene der schitterendste maakt de Schrijver zelf. Immers het blijkt uu, dat de voorwerpen zijner belangstelling en de onderwerpen, die hem ter harte gingen, wel degelijk de algemeene aandacht getrokken
EEN WOORD VOORAF.
hebbeu en blijven trekken. En daar liet voortreffelijke dingen zijn, waarmede hij ous bezig houdt, is dit verschijnsel een gunstig teeken des tijds.
Wfit de schikking der stof betreft, is de nieuwe uitgave niet geheel gelijk aan de twee vorige. Soort is nu bij soort gevoegd. De vaderlandsche en de buitenlandsche verhalen â om het kort zoo uit te drukken â zijn niet langer dooreengemengd, maar gescheiden. Men ontvangt dus eerst een bundel nationale herinneringen en later een bundel schetsen, die zich met de geschiedenis in den vreemde bezig honden.
Dit heeft voor, dat zoo met name langs de vaderlandsche tafereelen één draad loopt, die ze verbindt. De hoofdpersonen en hoofdzaken, op welke het licht valt, volgen elkander geregeld en onmiddellijk. Dus krijgt men een indruk van het geheel der Nederlandsche historie, sedert zich ons volk vrijvocht van de Spaansche heerschappij, totdat het liet Fransche juk afwierp.
De geschiedenis van de Republiek en de stichting van liet Koninkrijk der Nederlanden zijn hier van het begin tot het einde geschetst. Onze nationale deugden worden daarbij in het licht gesteld, maar onze nationale gebreken evenmin verbloemd. Het boek bevat namelijk niet slechts schoone verhalen, maar ook goede lessen, die wij bij de voortzetting van ons volksbestaan kunnen ter harte nemen.
«De geesten opwekken is voor mij hoofdzaakquot;, zegt ïbsen. Dat is blijkbaar ook Jorissen's levensdoel geweest. Hij was zich van die taak volkomen bewust en heeft ze uitnemend vervuld.
vin
Amsterdam, Februari 1893. J. (J. MaTTEES.
------
JOHAN VAN OLDENBAMEYELT.
JOH AN VAN OLDENBARNEVELT.
lu deu zomer van 1881 is een dag bijkans onopgemerkt voorbijgegaan, die rijk aan herinnering voor ons volk was. Het was de £6e Juli 1581: de gedenkdag van een der stoutste daden, die ooit een volk zich. veroorloofd heeft. Geeu ruw geweld, geen vorstenmoord kenmerkt hem; in de kalme rust der vastberadenheid zwoeren de Noord-neder-landsche gewesten Filips Tl' van Spanje af.
Op den gewonen loop der zaken oefende die daad geen rechtstreekschen invloed. 1)k strijd tegen de Spaansche macht was sedert lang aangevangen: hij werd morgen voortgezet, gelijk hij gisteren was gevoerd.
Maar het doel veranderde. Tot dusver was verzoening met Pilips als mogelijk verondersteld; voortaan werd noch de mogelijkheid noch de wenschelijkheid meer aangenomen.
üe opstand tegen het Spaansch gezag dankte zijn oorsprong aan de Hervorming, die in de Nederlanden was doorgedrongen. Ue burgerij, die zich van de heerschende kerk had afgescheiden, eischte vrijheid van bestaan en van geweten. De godsdienstkwestie was het bezielend element van den strijd en bleef het.
JOH AN VAN ÃLDEXBAIINEVELT.
Maar nevens den godsdienstigen deed eerlang een staatkundige eiscli zicli gelden.
T)e !Nederlandsclie gewesten hadden in de laatste een wen aan Heeren gelioorzaamd, van wier staten en bezittingen zij sleclits een deel uitmaakten. De vorsten uit liet Bour-gondisclie en liet Oostenrijksclie huis rekenden deze landen niet tot hun gewichtigste, wel tot hun rijkste bezittingen. Het zwaartepunt van hun politiek aanzien in Europa lag elders,
In den strijd tegen Spanje kwam de begeerte naar zelfstandigheid op. Toen de opgestane gewesten niets dan onvoldoenden steun van andere volken erlangden, waren zij tot eigen krachtsinspanning beperkt. Welnu â het bleek, dat die kracht grooter was dan zij zei ven hadden vermoed: dat zij meer vermochten, dan zelfs de stoutste overmoed had durven gissen. Zij sloegen den vijand terug en hielden zijne legers in bedwang. Toen Leicester de Xedcrlaudeu had verlaten, namen de hoofden des volks zei ven de leiding in handen, om het volk, dat zich aan hen toevertrouwde, tot onafhankelijkheid te brengen. Niet meer aan vreemde, vorsten, maar aan zich zeiven wilden zij toebehooren. De burgers, die zich vrij vochten, wilden geen nieuwe meesters aannemen; zij wilden vrij en onafhankelijk zijn. De strijd voor vrijheid van geweten heeft de Republiek der Vereenigde Nederlanden gegrondvest.
Indien de uitkomst ooit een streven kan rechtvaardigen, dan heeft de uitkomst van den worstelstrijd der Nederland-sche gewesten de rechtvaardigheid der zaak bewezen. Want de Nederlandsche Republiek heeft met eere hare plaats onder de staten van Europa ingenomen. Opgegroeid ouder zwaren druk, is zij, toen zij de volheid der mannelijke kracht had bereikt, onder de groote mogendheden van dit werelddeel gerekend en, getrouw aan de beginselen van
4
JOH AN VAN OLDEXBAllXEVELÃ.
haar oorsprong, een kampioen van vrijheid van geweten en volksonafhankelijkheid geweest. Zelfs toen de kracht van haar geweken was en andere staten haar in macht en aanzien evenaarden, ja overtroffen, heeft zij haar leven voortgezet tot een lengte van dagen, die nog de verbazing van het nageslacht wekt. Twee eeuwen heeft de Republiek in dezelfde staatsvormen, bijkans onveranderd, voortbestaan: en toen zij ophield te zijn, was het het uitgaan van een afgeleefde, die zijn laatste kracht heeft opgeteerd; zij zonk ineen, toen de staatsmachine was verlamd en stil stond.
Het geheim van dit lang leven ligt niet in de voortreffelijkheid van haren staatsvorm, maar in de eigenaardige plaats, die zij onder de staten van Europa innam. Zij representeerde de macht van den derden stand, die in de tweede helft der middeleeuwen was opgekomen, maar nergens elders zoo volledig had gezegevierd als hier. Deze staat was een burgerstaat: gesticht, geregeerd door burgers, d. i. door mannen, die aan eigen kracht, aan den arbeid van hoofd en van hand welvaart en rijkdom, politiekeu invloed en gezag hadden te danken. Hij vertegenwoordigde tegenover Europa het beginsel van gewetensvrijheid: een beginsel, dat elders niet werd gehuldigd, elders slechts langzaam veld won, maar zijn recht van bestaan bewees door de rijke en gezegende vruchten, die het droeg. Hoe groot de gebreken der staatsorde ook waren, tot welke willekeur en misbruiken zij ook aanleiding gaven, de mannen, die de macht in handen hadden, hebben nooit de afkomst of den oorsprong van den staat vergeten. De Republiek is tot haar einde een burgerstaat geweest, waarin vrijheid van geweten heerschte. Niet altijd is de vlag even krachtig gehandhaafd, maar geen bestuur is ze ooit ontrouw geworden. De godsdienstige en burgerlijke vrijheid zijn de ankers
JOHAN VAX OLDE NTBA11NHVELT.
geweest, waaraan de Eepubliek gedurende twee eeuwen haar behoud heeft te danken gehad.
Een staat, op zoodanige beginselen gebouwd, was in liet statensysteem der 1 (ie eeuw een nieuweling. Als onwillekeurig richten wij de oogen naar de mannen, die dezen hun geest aan hun werk hebben ingestort. Want denkbeelden en beginselen zegevieren niet door zich zelf: zij zegevieren door de krachtige persoonlijkheden, die door hen worden bezield. Deze storten hun geest uit over de menigte, schrijven ze neer in de wetten, maken ze heerschende in de gedachten van een volk. Het is de superioriteit van den leider, die den volgelingen den weg wijst.
Het is Oldenbarnevelt, die deze hooge plaats in de ontwikkelingshistorie van ons volk inneemt. Willem de Zwijger was de man, die de natie in den strijd had geleid en zijn leven opofferde voor vrijheid van geweten: maar hij achtte de zegepraal onmogelijk zonder aansluiting aan een buiten-landschen staat. Oldenbarnevelt is de staatsman, die het werk van den meester heeft voortgezet en voltooid. Hij deed de godsdienstvrijheid zegevieren door de volksonafhankelijkheid te verwerven. Met ineengeslagen handen treden deze twee mannen, de grondleggers van onzen staat, voor het nageslacht op.
Doch hoe verschillend was hun lot! De Zwijger viel op liet bed van eer, getroffen door den vijand. Oldenbarnevelt besteeg het schavot, door den landgenoot voor hem opgericht.
Het was een sombere dag, toen de oude man, op zijn stokje geleund, het moede hoofd nederlegde; somber voor het geslacht, dat hem aanschouwde en voor hen, die de gevolgen zouden oogsten.
De beteekenis van dien man en zijn val wordt hier in groote trekken geschetst.
f)
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
I
;,\Vie zorgt eu waakt uil slaaft en draaft en ploegt en zweet.
En tot 's lands oorbaar vnst een lastig anipt bekleedt,
En waant de menscben aan zijn vroomheid te verbinden.
Hij zal zicb jammerlijk in 't end bedrogen vinden Van 't wispelturig volk, dat, veel te los van boofd.
Genoten dienst vergeet, en, leider! 't kwaad gelooft.quot;
Deze klacht, door den dichter van Palamedes aan Olden-barnevelt in den mond gelegd, was in geen opzicht overdreven. Gezorgd, gewaakt, gesloofd heeft Oldenbarnevelt een leven lang; en hij heeft zicli jammerlijk in 't end bedrogen gevonden. Het wispelturig volk heeft de genoten diensten vergeten, en leider! 't kwaad geloofd.
Een groot deel dier diensten is echter den tijdgenoot verborgen geweest. De dienaar der Staten mocht de ware vader hunner besluiten zijn, met zijn naam traden zij niet in 't licht. Buiten den kring der regenten kon niemand den vollen omvang zijner werkzaamheid overzien.
Meer dan veertig jaar heeft Oldenbarnevelt den lande gediend. Het meerendeel van hen, die zijn laatste werkzaamheid aanschouwden, wisten van zijn vroegere diensten uiets, dan wat liet algemeen gerucht wist te verhalen. Zij waren kinderen, toen hij reeds man was.
In 1572, op den eersten April, werd het kleine stedeken den Briel door de Geuzen ingenomen. Dit was het sein tot den opstand. De verdrukte bevolking greep naar het zwaard, dat de vrijheid moest brengen.
Wat het gehate bestuur bleef toegedaan, vluchtte. Uit den Haag vloden alle advokaten, op drie na. Eén dezer was Johan van Oldenbarnevelt. quot;Tk heb in denselven jare resolutie genomen â verklaarde hij langen tijd daar-
7
8 JOHAN VAN OLDE.VBA14XEVELT.
ua â ten uitersten alles te doen, om mij on versoenlij k ro
met de Spanjaarden en haar adliaerenten te, maken.quot; Die he
resolutie, dat besluit heeft hij gehouden. di
Onvoorwaardelijk sloot hij zich aan de revolutie aan. zii
Hij diende ze als vrijwilliger bij het beleg van Haarlem, di
hij diende ze nog beter met zijn woord en zijn pen. In df oogenblikken, waarin personen legers gelden, stelde hij
zijn werkkracht, zijn kennis, zijn rusteloozen ijver, zijn w
overredingskracht, zijn doortastendheid tot haar beschik- zi
king. Aan het ontwerpen der Unie van Utrecht had hij ti
deel: met den Prins onderhandelde hij over de opdracht w
der grafelijkheid. Als pensionaris van Rotterdam deed hij o zijne rijke gaven wegen in de vergadering der Hollandsche
Staten, baande hij zich den weg tot de hooge plaats en v
bereidde hij zicli voor tot den tijd, waarin hij in naam de v
dienaar, metterdaad liet hoofd der regeering zou zijn. 1
Dat oogenblik kwam, toen Willem van Oranje was weg- z
gevallen. Zijn martelaarschap scheen zijn staatkunde te c
wijden; de souvereiniteit over deze landen werd aan vreem- 1
den aangeboden. De enkele stemmen, die het waagden 1
uit te spreken, dat quot;bescherming met eigen middelen het 1
heilzaamst was,quot; vonden nog geen weerklank. De gedachte behoeft de bevruchting van tijd en ondervinding, om tot overtuiging te rijpen.
Elizabeth van Engeland sloot met de opgestane gewesten een verbond van hulp, en zond Leicester, haar schitterenden gunsteling, als landvoogd en hoofd des legers. Met zulk eene bondgenoote- meenden de verweesde Staten den strijd te kunnen volhouden.
Maar zij vergisten zich. Want de Engelsche koningin wilde niet, wat zij begeerden. De trotsche dochter van Hendrik VIII had geen de minste sympathie voor de op-
JOUAN' VAN OLDENBAR.VF.VELT.
roerlingen, die zij steunde; godsdienstige belangstelling in liet Nederlandsch Calvinisme was de zwakste der drijfveeren, die liaar bewogen. Zij hielp slechts, om Spanje te beletten, zich van de Nedevlandsche havens tegen Engeland te bedienen : een nationaal bestuur, dat de beschikking over deze landen niet aan Filips overliet, was al wat zij begeerde. Zoo de Nederlanden onschadelijk voor haar rijk werden, was zij tevreden; op deze voorwaarden wenschte zij den koning en de opstandelingen te verzoenen, gelijktijdig Engeland's veiligheid en de eer der koninklijke waardigheid te verzekeren. Zij onderhandelde met Spanje over den vrede, terwijl zij aan deze gewesten hulp bood.
Van een dergelijke politiek was Leicester een ongeschikt werktuig. Want hij had zijn eigen inzichten, die verre van die van Elizabeth afweken. Hij wilde oprechtelijk de Nederlanden helpen vrij maken; aan hun hoofd wilde hij zicli een plaats veroveren, zoo niet geheel onafhankelijk, dan toch zelfstandig. Hij wilde de dictator der Neder-landsche provinciën zijn, niet om ze van hun vrijheid te berooven, maar om ze daarbij te handhaven. Uit zijn handen, door zijn beleid moesten zij hun redding ontvangen.
De weg was aangewezen, dien Leicester had te volgen, zoo hij slagen wilde. Slechts vier gewesten. Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland, waren bij zijn komst aan den vijand ontrukt. Gelderland en Overijsel waren het tooneel van den strijd. De kosten van den krijg werden door de vier vrije provinciën bestreden, maar in zeer ongelijke mate. Holland en Zeeland brachten te zamen Æquot; 80 van de f 100 op: in de zeeprovinciën lag dus de kern en de kracht van den tegenstand. Op hen moest Leicester steunen, om zijn doel te bereiken. Te kwader ure, voor hem en deze gewesten , liet hij zich op het dwaalspoor brengen.
9
JOH AN VAN OLDE NBARNE VELT.
. Het overwicht van Holland lag niet in de groote kapitalen , waarover het beschikte, maar in de groote 'winsten, die de handel behaalde. De, handel voerde het geld aan, dat de strijd behoefde; de handel bekostigde de oorlogsvloot en liet landleger, Spanje en de Spaansche Nederlanden leverden hun aandeel in de winsten, die den oorlog voedden.
Maar die voordeden en het overwicht, dat zij schonken, werden niet leede oogen door de landprovinciën aangezien. quot;Holland drijft handel met Spanje; het levert wapenen aan de legers, die ons bespringen; het voert hun koren toe; de Spaansche legers zouden ondergaan, zoo Holland ze niet voedde, machteloos zijn, zoo Holland kun geen krijgsbehoeften leverde; Holland heult met den vijand.quot; Zoo jammerden in hun kortzichtigheid de tegenstanders van Holland, en Leicester geloofde hen. Hij zag niet in, dat drukkende belastingen liet beste middel waren, om de bevolking voor onderwerping aan Spanje te stemmen.
In dagen van verdeeldheid en twist staat geen enkel bezwaar op zich zelf, de handelsgrieve was tevens een staatkundige.
Ofschoon met de andere gewesten verbonden, had Holland steeds gepoogd, zijn zelfstandigheid te bewaren. Zich ten volle van zijne kracht bewust, had het bij elke onderhandeling afzonderlijke voorwaarden voor zich bedongen: het wilde zicb niet blindelings overgeven, gelijk de andere gewesten moesten doen, aan een nieuwen meester. Slechts de kogel van Balthasar Gerards had de herleving van het graafschap Holland belet.
//Het is uw eerste en uw hoogste plicht. Holland te breidelen: den overmoed te breken van zijn regenten, die ook over de andere gewesten willen heersclien.quot; Zoo riepen
10
JOH AN VAN OLDKXBAKNEVKLT.
de landprovinciën Leicester toe. En de lieveling van Elizabeth, die den onwil zijner vorstin tegen de kooplieden kende en zich. gekwetst gevoelde over Manrits1 verheffing tot gouverneur van Holland, geloofde dat het ziju taak was, het gewest te verlammen, dat den oorlog betaalde.
Het gevaarlijkst punt van verdeeldheid was het godsdienstige. Bij de Unie van Utrecht was de regeling dier kwestie aan de provinciën zelve gelaten. De Staten van Holland wilden, evenmin als de Zwijger, weten van een zelfstandige Nederlandsche kerk, die een macht in den staat zou zijn. Zij wilden vrijheid van geweten, ook tegenover een Prote'stantsclie geestelijkheid, handhaven.
Ook in dit opzicht week Leicester van hen af. Hij duchtte geen nationale kerk, kende als Engelschman haar beteekenis voor de nationale eenheid, en was als geloovig Calvinist voor geen onverdraagzaamheid bevreesd. Wie de waarheid meent te bezitten, gevoelt spoedig de roeping, haar zegen aan anderen op te leggen.
Finantieel, politiek en kerkelijk liepen de inzichten van Leicester en van Holland uiteen. In plaats van zich met Holland te verbinden, sloot hij zich aan de landprovinciën aan. Hij werd het hoofd der partij, tegen Holland gekant.
In die worsteling is Oldenbarnevelt de tegenstander van Leicester en zijn overwinnaar geweest. Ofschoon geen Hollander van geboorte, deelde hij de Hollandsche inzichten volkomen. Om liet overwicht der rijkste en machtigste provincie te verzekeren, had hij het bij de Unie van Utrecht meer stemmen willen toekennen. Medewerker en leerling van Oranje, wilde hij van geen heerschende kerk, van geen aanmatigende geestelijkheid weten. De handel moest den krijg voeden, niet een stelsel van belastingen de gemoederen tot vrede en onderwerping stemmen.
11
JOHAN VAN OLDENBAllNEVELT.
In Maart 1586 als advocaat vau Holland opgetreden, is lüj twee jaar laug, den gelieelen duur van den kamp, de leidsman der Staten van Holland geweest. Onvermoeid in werkzaamheid, onuitputtelijk in hulpmiddelen, tot vermetelheid toe stoutmoedig in het weerstaan van Leicester, wist hij persoon tegen persoon, maatregel tegen maatregel te stellen. Zijn kracht, zijn vastheid, zijn vindingrijke en doortastende hand leidden de Staten, wier dienaar hij was.
Het was in deze worsteling tusschen Holland en den landvoogd, tusschen Oldenbarnevelt en Leicester een groot voordeel voor de eersten, dat de gunsteling van Elizabeth aan de verwachtingen, die zijn komst ha d verwekt, zoo weinig beantwoordde. Had hij het zwaard van den overwinnaar in de schaal kunnen werpen, de sympathie dei-geredde bevolking zou zijn eischen hebben gesteund. Doch het tegendeel had plaats: de krijg met Spanje werd onder zijn leiding niet slechts krachteloos, maar met nadeel gevoerd. De vijand behaalde voordeden, Leicester niet. De zwakke ondersteuning van Elizabeth was een der oorzaken , maar zijn geringe militaire bekwaamheid de voornaamste. Hij schonk zijn vertrouwen aan personen, die het land verrieden, en ondermijnde daardoor het vertrouwen, dat de natie in hem zelf had gesteld.
Niettemin zouden zijn hooge rang, het gezag der Engelsche vorstin en de steun, dien hij bij de Protestant-sche geestelijkheid vond, den ongunstigen indruk van zijn krijgsbeheer wellicht hebben uitgewischt, indien de gebreken van zijn karakter minder groot waren geweest. Zijn gebrek aan menschenkennis deed hem het oor leenen aan personen, die of vreemdelingen waren in de noordelijke gewesten, of zijn gunst en vertrouwen geheel onwaardig. Hij liet zich door hen tot handelingen verleiden, die zijn
12
JOH AN' VAN OLDENBARNE VELT.
bevoegdheid te buiten gingen en in strijd waren met de voorwaarden der landvoogdij. Om personen en maatregelen te handhaven, vergunde hij aan ondergeschikte volgelingen stappen, die hij niet wist te verdedigen, noch tegen Holland staande te houden. Dubbelhartig man in woord en daad, steunde hij zijne vrienden niet, maar verloochende ze, en de werktuigen, die hij voor zijn geheime plannen had gebruikt, liet hij onverdedigd vallen.
De kracht des karakters was geheel aan de zijde van Holland, waar Oldenbarnevelt zetelde. Zonder zich te bekommeren om den band van een Unie, die de andere gewesten niet weerhield, hun macht, waarvan de redding van den Staat afhing, te ondermijnen, organiseerden de Staten het bestuur en het krijgswezen van hun gewest op zelfstandige en krachtige wijze. De regentenaristocratie in Holland, door Oldenbarnevelt geleid, onderdrukte de kerkelijke democratie, die op staatkundig gebied ten gunste der Leicestersche plannen ziek deed gelden. Zonder aanzien des persoons trof zij hare tegenstanders en steunde zij hare aanhangers. Het vertrouwen, dat kracht en vastberadenheid schenkt, sloot de partij van Holland aaneen, terwijl strijd van belangen en verschil van inzicht die van Leicester verdeelden.
Door zijn ineesteresse gebrekkig ondersteund, door de fortuin op het oorlogstooneel verlaten, ondermijnd door de afkeuring, die Elizabeth aan vele zijner maatregelen schonk, en door de dubbelhartigheid van zijn eigen karakter, voerde Ijeicester, partijhoofd in plaats van het hoofd der natie, een strijd tegen het machtigste gewest, met behulp van landprovinciën, naijverig op Holland en gedreven door den kerke-lijken ijver van Galvinistische geestelijken en geloovigen. Toen ook deze steun hem ontzonk, was hij geslagen.
13
J on AS VAX OLDKNBARXEVELT.
Elizabeth zelve ontnam liem dien. De sluwheid der Spaansche diplomatie had haar verleid om naar vredesvoorslagen te luisteren, terwijl allerwegen in het gebied van Eilips II de schepen werden getimmerd, die de Armada zouden vormen, bestemd om ook Engeland te onderwerpen. Leicester, hoe afkeerig zelf van den vrede, was gedwongen, namens zijne vorstin aan de Staten dezer landen de voorslagen der vredesonderhandeling te doen. Zij brachten aan zijn populariteit den nekslag toe. Zelfs de Calvinistische ijveraars moesten zich scharen aan de zijde der Hol-landsche regenten, die, hoe libertijnsch en ongeloovig ook, van geen vrede met den vijand, den vijand van hun geloof, wilden hooren. Slachtoffer van eigen onverstand en van staatkundige inzichten, die hij niet deelde, vluchtte Leicester uit het land, dat hij twee jaar te voren met zoo grootsche vooruitzichten was binnengetreden. Hij werd door niemand meer begeerd, omdat hij allen had teleurgesteld.
II
Allen teleurgesteld â dat woord zon niet gelden van hem, die na 1588 gedurende tal van jaren de eerste plaats op het tooueel der gebeurtenissen ging innemen.
De advocaat van Holland had den strijd tegen Leicester geleid, de Staten waren, aarzelende somwijlen, hem gevolgd. Zijn overwinning was hun zege, het welslagen van zijn leiding werd de grondslag van hun macht en tevens van zijn blij venden invloed.
1588 is het geboortejaar der Nederlandsche Republiek. In plaats van den vroegeren landsheer treden voortaan de Staten op. Elk denkbeeld om deze landen aan een nieuwen meester op te dragen, is voorgoed verlaten. De Staten
11
JOHAN VAN ÃLÃEXBAUNEVELT
erkeimeu niemand boven zicli, achten zich zeiven de gelijken van buitenlaudsche heer sellers.
Aanvankelijk wordt het uitvoerend bewind aan een Staatsraad toevertrouwd. Maar reeds na vier jaar komt er verandering-. De klem van het bestuur wordt overgebracht naaide Algemeene Staten, die na 1593 niet meer uiteengaan, maar permanent vergaderen.
In deze vergadering der Algemeene Staten, samengesteld uit gelastigden der verschillende gewesten, is, tot de laatste jaren van Oldenbaruevelfs bestier, de invloed van Holland overwegend. De staatseenheid zocht hij niet te verkrijgen door aan alle groote en kleine deelen der Unie gelijke rechten toe te kennen, maar door Holland, het eerste gewest door vermogen en welvaart, tot het heer-schende in de Unie te maken.
Het is dit overwicht van Holland, dat na 1588 zich ontwikkelt. Oldenbarnevelt is de staatsman, die het geordend en geregeld heeft. Ten deele voortzetting van de politiek, die quot;Willem I had gevolgd, ten deele met noodzakelijkheid voortgesproten uit den loop der gebeurtenissen, is deze staatsorde ingevoerd en aangenomen, zonder dat de bevolking zich verzet heeft. Hoe onhandelbaar de staatsmachine niet haar samengesteld raderwerk ook schijnen mocht, liet bleek dat de hand, die ze inéén had gezet, ook in staat was ze te besturen.
Er is dikwijls gevraagd, waaraan Oldenbarnevelt dien grooten en beslisten invloed gedurende zoo vele jaren heeft te danken gehad. Het belang der regentenaristocratie, die door hem tot heerschende macht in den staat werd verheven, heeft zeker persoonlijk velen aan hem gehecht. Maar hechter en duurzamer grondslagen van blijvenden, ja stijgenden invloed verzekerden hem zijn voorzichtig beleid, zijn veel-
15
JOHAN VAN OLDH-VBAUNEVELT.
zijdige kennis, zijn diep staatkundig inzicht en de rijke vrucliten, die zijn arbeid voor den staat droeg.
De strijd met den Engelschen landvoogd had helderder dan te voren èn zijn veelzijdige bekwaamheid en het doortastende van zijn karakter aan het licht gebracht. Zijn nauwkeurige kennis, die tot in kleinigheden afdaalde, in algemeene belangen zoowel als in eigen zaken, verschafte hem vanzelf overwicht in eene vergadering, wier leden telkens afwisselden. Hij bleef, en werd de vraagbaak van hen, die kwamen. Ofschoon lieerschzuchtig en zijn wil aan anderen willende opleggen, bleef hij in de jaren zijner mannelijke kracht zich steeds meester. Aan het groot talent, om in de wijze van voorstellen het licht steeds te werpen op die zijde der kwestie die hij voor oogen wilde stellen, paarde hij een zeldzame overredingskracht, die zich wist te doen gelden en te wijzigen naar den aard van hem, dien hij zocht te winnen. quot;De heer O. wilde mij wijs maken, wit swart te zijn,quot; vertelde eens Berck. Als advocaat van de Staten van Holland was niet alleen de leiding der bijeenkomst maar ook die van de zaken hem toevertrouwd. De voorbereiding van de werkzaamheden, de leiding hunner vergadering en de uitvoering van liet door hen beslotene, het rustte alles in zijn hand. quot;Zijn manier van handelen,quot; getuigde Hugo de Groot, quot;was verwonderlijk , zoo om den eerbied, dien hij den Staten bewees, als om de bescheidenheid en bedaardheid, waarmede hij de verschillende gevoelens aanhoorde, de redenen ter wederzijde wikte en woog en tot eenparigheid bracht.quot; Hij bleef in den vorm de dienaar der vergadering, wier hoofd en ziel hij inderdaad was. Vergaderingen, evenals individuen, willen wel geleid worden, mits men in den vorm haar zelfstandigheid eerbiedige.
16
JOH AN VAN OLDENBA11XEVELT.
Met de vestiging der nieuwe staatsorde, ja onmiddellijk na 1588, breidde zijn invloed zicli over ruimer kring uit, dan de vergaderzaal van Holland omvatte. In 1589 werd hij tot ordinair lid der Staten-Generaal aangewezen, en onmiddellijk was ook liier zijn overwicht zoo beslissend, dat het allen beheerschte. Reeds in 1589 verwijten de Engelsche ministers de Staten, dat de advocaat '/alles gou-verneert, dat niemand hem durft tegenspreken, nauwelijks adviseeren.quot; Gelijk toen, wras het twintig jaar later. In 1609 was Oldenbarnevelt eens ziek. Een der vreemde ministers berichtte zijn hof; '/inmiddels vergaderen de Staten niet; alle zaken, hoe dringend ook, staan stil.quot; De vreemdelingen waren goed ingelicht. Toen in later jaren aller handen zich tegen den gevallen staatsman verhieven, kon zelfs Hugo de Groot, om de overdrijving der tegenpartij te weerleggen, geen sterker verklaring afleggen dan deze: '/zijn autoriteit is ook zoo groot niet geweest, of ik en anderen hebben dikwijls in de vergadering adviezen gegeven, die van de zijne verschilden.quot; Men durfde in meening van hem verscbillen â dat was alles.
Ongeveer dertig jaar lang heeft Oldenbarnevelt deze groote macht bezeten; omstreeks dertig jaar heeft zijn woord, als dat van geen ander, in de Republiek gegolden. Eij den eersten oogopslag bevreemdend, komt die lange duur bij nader bezien slechts begrijpelijk voor. Waar een staatkundig beleid vruchten draagt als het zijne, is het niet dan natuurlijk, dat de tijdgenoot het hoofd buigt.
Zelden is sneller en grooter verandering in het aanzien van een volk tot stand gekomen, dan in het eerste twaalftal jaren der Nederlandse!ie Republiek. Toen Oldenbarnevelt in de Staten-Generaal optrad, werd de staat van alle
2
17
.rOHAX VAN OLDENBAUNEVKLÃ.
18
kanten door een zegevierenden vijand bedreigd: verraad ondermijnde de veiligheid vau vestingen en steden, eu vertrouwen op een krachtig hoofd, hetzij persoon of college, werd niet aangetroffen. l)e advocaat vau Holland greep het roer van staat, eu alles veranderde: het verzet werd onderdrukt, de trouw der aanhangers beloond, vriend eu vijand gedrongen tot de erkenning van een macht, die wist te heerschen. De beperkende maatregelen tegen handel en zeevaart vielen weg, en beide herleefden. Welk een ommekeer in luttele jaren tijds! Dank der krachtige energie, die van het hoofd tot de leden zich uitstrekte, namen beide, handel en zeevaart, eeu vlucht, die door geen andere handeldrijvende natie werd geëvenaard. De Ilollandsche schepen werden in de haven van Archangel, zoo goed als in de Levant gezien: de waren van het noorden voerden zij naar het zuiden, die van het oosten naar het westen. Voor de Europeesche vrachtvaarders was geen zee te hol, geen land te ver, naar het scheen. Als de Portugeescbe havens liun werden gesloten en hun schepen verbeurd verklaard, voeren zij naar de Kaapverdi-sche eilanden om het zout te halen, dat de markt van Lissabon hun weigerde, en richtten zij den steven om de Oostindische specerijen te zoeken daar waar zij groeien. In 1602 verrees de Oostindische Compagnie: eene niet mindere bedreiging voor Spanje, naar de Admiraut van Arragou zeide, dan de Unie vau Utrecht. De handel bekostigde den krijg, en de krijg breidde den handel uit. De winsten, die ondememiugsgeest eu handelsbeleid ver-schaften, stortten over dit kleine hoekje gronds eeu overmaat van welvaart en rijkdom uit, die de vreemdeling met uaijverigen blik bewonderde. Holland en Zeeland alleen hadden meer schepen en bootsgezellen dan het ge-
JOHAN VAX OLDE.VBARXKVBLT.
lieele koninkrijk vau Engeland. Terwijl in het eertijds zoo bloeiende Vlaanderen de wolven rondzwierven en in Antwerpen geld werd toegegeven, mits de kuizen bewoond wierden, vermeerderde door den vrijen handel, door de veiligheid van personen en de zekerheid van den eigendom, waarvoor de krachtige hand der Statenregeering waakte, de bevolking in Holland en West vriesland tot zesmaal honderdduizend menschen: een vijfde deel van de bevolking, die vijftig jaar vroeger aan al de zeventien Neder-landsche gewesten was toegekend.
Met de welvaart en het vermogen der Republiek houdt de uitbreiding der grenzen gelijken tred. In den loop der weinige jaren is het grondgebied van den staat vermeerderd met de provinciën Overijsel, Gelderland, Groningen , Drente. Van een defensieven krijg is de oorlog een offensieve geworden; en als de nieuwe eeuw wordt binnengetreden, is de scheiding ook der Zuidelijke Nederlanden van Spanje tot stand gekomen en op het slagveld van Nieuwpoort de overwinning behaald, die den grooten veldheer en den staat, welken hij dient, met gelijken roem overlaadt.
Hulpeloos en krachteloos staat in 1588 de jonge Republiek tegenover de groote mogendheden van Europa. Na twaalf jaar neemt zij haar plaats naast hen in. In Olden-barnevelt's hand rusten de draden der diplomatieke onderhandelingen, die den grooten omkeer hebben tot stand gebracht. Hij is liet, die de beraadslagingen met de gezanten leidt, tot wien de vreemde diplomaten in den Haag zich wenden,- die met de vorsten te Parijs en Londen schriftelijk en mondeling spreekt. Hij is het, die Engeland en Frankrijk met de Republiek verbindt tegen Spanje, en het Europeesch verzet tegen het huis van Habsburg
19
JOH AN VAN OLDEN'BARXEVELT.
voorbereidt, dat de volgende eeuw zal zieii slagen. Herhaaldelijk heeft hij zelf de gewichtigste zendingen vervuld, en persoonlijk de belangen van den staat bij Hendrik TV en Elizabeth bepleit en voorgestaan.
Het is de krachtige hand van den advocaat van Holland, die in het binnenland het nieuwe bestuur grondvest, door zijn voortreffelijke maatregelen de krachtige krijgvoering mogelijk maakt, en de erkenning der Republiek van de kabinetten van Europa afdwingt door de macht en den bloei, waartoe de staat onder zijn leiding zich verheft. Nooit heeft een staatsman het vertrouwen, dat hem werd geschonken, beter gerechtvaardigd dan hij. Tal van bekwame mannen staan naast hem, maar niet één is met hem te vergelijken; niet één, wiens gezag voor liet zijne niet onderdeed.
Slechts één enkele is er, dit er aan denken kan. Slechts één naam, die, zoo al niet in de raadzaal, daar buiten in de dankbare waardeering des* volks met hem gelijk, ja menigmaal boven hem wordt genoemd.
Het is Maurits, de zoon van Willem den Zwijger: Maurits, wiens veldheerstalent de ijzeren arm is, waarmede de Republiek op het slagveld de plaats verovert, die aan haar macht en kracht toekomt. Hij is niet een dier geniale mannen, die reeds bij den aanvang verraden, wat zij zijn zullen. Hij is een dier vlijtige naturen, die door studie en oefening hun meesterschap verwerven. Toen hij als Stadhouder van Holland mm het hoofd des legers trad, was de krijgsdienst een onordelijk, ongebonden rooversbe-drijf. Van krijgstucht was weinig sprake, van oefening der troepen nog minder. Door de voorlichting van Willem Lodewijk van Friesland leerde hij de geschriften der ouden over krijgswetenschap kennen. Aan hem dankte hij zijn
£0
JOHAN VAN ÃLDENBAIINEVELT.
inzicht in de waaide van exercitiën, van oefening in het schieten, van vaardigheid in veldarbeid, liet delven, het graven, het opwerpen van schansen. Hij hervormde het krijgswezen der Eepubliek en deed den uitslag van den krijg niet meer van het goed geluk afhangen, maar ook van beleid en wetenschap. Hij voerde den krijg, gelijk hij met Simon Stevin zijn schaakspel speelde. Als zijn tegenstander was verslagen, deed Manrits hem beleefdelijk uitgeleide; had hij gewonnen, dan mocht hij zijn eigen weg zoeken. Het was Maurits niet om de kunst, maar om het winnen te doen.
Nog in 1589 had Elizabeth spottende gevraagd: welken veldheer de Republiek had aan te wijzen? De volgende jaren gaven het antwoord. De veldtocht van 1591 werd de grondslag van Maurits1 roem. Een aantal gewichtige plaatsen werden door hem vermeesterd; door stoute en snelle marschen werd den vijand het hoofd geboden. Zut-phen, Deventer, Coevorden, Hulst en JSTijmegen moesten de poorten voor hem openen. Zelfs Parma's roem werd door hem bedreigd; de ruiterbenden van den grooten tegenstander werden door hem verslagen en Parma zelf werd tot den aftocht gedwongen. De IJsel-linie en de sleutel van de Maas waren in één veldtocht door hem bemachtigd en de onderwerping van Groningen, die weinige jaren later volgde, voorbereid. Het was de eerste van een rij van campagnes, die de bevrijding van het grondgebied der Unie voltooiden. Schitterend bovenal was de veldtocht van 1597. In drie maanden veroverde hij negen steden en vijf kasteden, eu voegde hij het platteland van Zutphen en Twente, Drente en de Ommelanden aan den tuin der zeven provinciën toe.
Met elke overwinning steeg de roem van den zoon des
21
JOHAN VAN OI.DKNBAUNEVKLT.
Zwijgers. Al zocht Maurits de gunst der menigte niet, zij kwam liem met toejuiching en bewondering te geinoet. Slechts de zege bij Nieuwpoort kon den luister zijner wapenfeiten verhoogen. Als de eerste veldheer zijns tijds stond hij naast Oldenbarnevelt aan het hoofd van den staat: de groote krijgsheld naast den genialen staatsman der Republiek.
III
Den 9'len April 1009 werd te Antwerpen het Twaalfjarig Bestand gesloten. De Yereenigde Nederlanden werden dooiden koning van Spanje en de aartshertogen voor vrije landen erkend, van welke zij niets te eischen hadden.
Den vroegeren landheer en erfvijand tot zulk een erkentenis te hebben gedwongen, mocht een roem heeten voor de hoofden der Republiek. Het was de vrucht hunner gemeenschappelijke inspanning, der trouwe toewijding aller krachten aan het belang des lands.
Toch was dit schitterend resultaat geen stof van eenstemmige vreugde, maar de aanleiding tot jammerlijke twist en tweedracht. Het oppermachtige Holland had het Bestand doorgedreven tegen den zin eener krachtige partij, aan wier hoofd Maurits en Zeeland stonden. quot;Wij hebben den vrede noodig, de finantiën zijn uitgeput, de staat is verlaten door bondgenooten, wij kunnen den strijd niet voortzetten, verademing is onmisbaar.quot; Zoo had Oldenbarnevelt gepleit, doch tevergeefs. Maurits was niet overtuigd. quot;Het Bestand inaakt de landen Spaansch ^ had hij aan Hendrik IV geschreven. quot;Aan het einde zal de koning van Spanje machtiger, de bevolking den strijd ontwend , de Republiek door minder krachtige bondgenooten gesteund zijn.,, Slechts te elfder ure had hij toegegeven.
22
JOHAN VAN OLDEXBAllNEVELT.
Maar de fiere krijgsman, die oj) geen slagveld was geslagen, kon het niet verdragen noch vergeten, dat liij door den staatsman was overwonnen.
Te minder, omdat het niet de eerste grief was, die hij tegen den advocaat van Holland koesterde. Ouder de lauweren van den krijg was liet zaad der verdeeldheid welig opgeschoten. Groot waren de verdiensten van Oldenbarne-velt jegens het huis van Oranje, zoo groot, dat, volgens het woord van Louise de Coligny, quot;zij hem wel mochten houden niet als hun vriend, maar als hun vader.quot; De belangen van de weduwe des Zwijgers en van zijn kinderen had hij behartigd. Hij had, na Willem1 s dood, de grafelijke waardigheid aan Maurits willen overdragen; door hem was Maurits stadhouder, eerst van Holland en Zeeland, later ook van Gelderland, Utrecht en Overijsel geworden. De inkomsten van Maurits waren, vooral door zijn zorg, aanmerkelijk vermeerderd. Jarenlang had de staatsman den krijgsman wakker ondersteund en hem in staat gesteld zijne plannen tot bevrijding der Republiek uit te voeren. Jarenlang was Maurits gewillig hem ter zijde gegaan, had hij zijn raadgevingen ontvangen, zijn inmenging ook in krijgszaken verdragen, zonder van zijne zijde het staatkundig terrein, waar Oldenbarnevelt meester was, te betreden.
Maar de verhouding was veranderd. De onbekende zoon des Zwijgers was een beroemd veldheer geworden, onder wiens vanen vreemdelingen samenstroomden om de kunst des oorlogs te leeren. Zijn hofhouding was schitterend: een stoet van Eransche en Duitsche edellieden volgde hem. dagelijks stond zijn disch voor honderden bereid. Wat hij vroeger had verdragen, de voortdurende inmenging der Staten en van den advocaat in de zaken van den krijg, het begon hem te hinderen toen hij zich van zijne krach-
23
24 JOHAN VAN OLDEKBAHNEVELT.
ten bewust was eu liet gewicht zijner diensten gevoelde. Militair eu geen staatsman, gewend aan militaire tucht en niet naijverig op politieken invloed, kou hij niettemin jarenlang met Oldenbarnevelt samenwerken en, zij het ook morrende, buigen voor consideratiën, die hij gering achtte. Maar met liet stijgen van zijn roem vermeerderde natuurlijk de ongeueigdheid tot het volgen van niet-militairen, en verdroeg hij onwilliger een invloed, die wettig mocht zijn eu daarom gehoorzaamd werd, maar niettemin lijnrecht streed met zijn inzicht en hem dwong tot handelingen, die hij onverholen afkeurde.
Het is een dier militaire ondernemingen, die eindelijk tot een botsing leidde. De tocht tegen Duinkerken, in strijd met zijn advies door Oldenbarnevelt en de Staten hem opgedragen, verstoorde de eendracht. Zij werd nooit meer hersteld. Wantrouwen verwijderde de mannen, die beiden voor de Republiek onmisbaar waren. De veldheer zog persoonlijke vijandschap, waar zuinigheid hem belemmerde de vleugels krachtig uit te slaan: miskenning, als politieke overwegingen hem den weg voorschreven, waar hij zelfstandig wilde optreden. En Oldenbarnevelt ? Hij heeft het bij een zijner verhoeren bekend: quot;hij bea;on in dezen tijd te duchten, dat de Prins zich tot souverein wilde verheffen.quot;
Niet altijd had Oldenbarnevelt voor een verheffing van Maurits vrees gekoesterd. In 1598 had Hendrik IV herhaaldelijk op de noodzakelijkheid gewezen, een verandering in den staatsvorm te maken. Hij wilde, dat Prins Maurits lieer van Nederland werd; quot;onder de regeering van een vorst kouden alle zwarigheden beter worden weerstaan, dan onder de regeering der Staten.quot; Ook de Engelsche koningin sprak in gelijken geest. Oldenbarnevelt had die adviezen
JOHAN VAX OLÃENBAIINEVELT.
trouw aan de Stateu medegedeeld, wat zeker niet ware geschied, zoo hij er tegen was gekant geweest.
Hoe kon het ook anders? Niemand kende de gebreken van den staatsvorm beter dan hij. ]Nog in 1607 sprak hij liet uit: /'Indien wij niet; 6611 regeering maecken met behoorlijke autoriteit om de landen te regeeren, zoo moeten wij verloren gaan: want geen Republiek kan bestaan, zonder goede orde in de generaele reo'eerina^1,
O o o
Toch heeft hij toen noch later er de hand toe geleend, integendeel, de uitvoering tegengewerkt. Het kost aan jongen in leeftijd moeite afstand te doen van gezag, maar nog meer aan ouderen van dagen. Het gebouw, dat men heeft opgericht, sloopt niemand vrijwillig om zich onder de puinhoopen te begraven.
De verheffing van den Prins tot eminent hoofd van den staat, onder welken titel en in welke vormen ook, kon voor Oldenbarnevelt niets aantrekkelijks hebben, sinds de vriendschappelijke verhouding tot Maurits had opgehouden. Hij kon aan invloed slechts verliezen. Ook indien hem in de nieuwe staatsorde, naar hij verwachten mocht, een aanzienlijke plaats werd ingeruimd; Maurits als graaf of het hoofd van een raad der Unie -â beide denkbeelden waren geopperd â zou niet bij voorkeur zich door den ouden staatsman laten leiden, wien hij niet meer vertrouwde. De verheffing van den Prins was een abdicatie van Oldenbarnevelt, ook al had hij ze zelf tot stand gebracht.
Doch niet persoonlijk belang alleen, ook het belang van den staat scheen hem verzet voor te schrijven. Onder de regenten waren er velen, die, als Hooft, burgemeester van Amsterdam, oordeelden, dat de opstand niet met de aanneming van een nieuwen meester, in plaats van den ouden, mocht eindigen. De Staten wilden de macht behouden,
25
JOHAN VAN OLIJKVBAR.VHVKLT.
die zij verworven hadden. Heftige verwijten waren er reeds gehoord tegen de eerzucht der Nassau's. Indien Oldenbar-nevelt gewild had, zou hij zeker ook thans dien tegenstand hebben kunnen breken. Maar voor wien zou hij gewild hebben? In heftige bewoordingen had Maurits zich tegen de beperkende conditiën verklaard, waaronder zijn vader de grafelijkheid van Holland had aangenomen; liever dan deze aan te nemen, zou hij zich van den Haagschen toren te pletteren werpen. Kon Oldenbarnevelt de hand leenen, om een meer absoluut gezag aan den Prins op te dragen, hij, die de Statenregeering had gegrondvest, hij, die door Maurits niet meer werd vertrouwd?
En toch was een verandering noodzakelijk, zoowel voor den staat, als voor de personen. Het overwicht van Holland zou in vredestijd niet worden geëerbiedigd, en hoe dan de moeielijkheden, die met zekerheid te voorzien waren, te slechten, zoo er een krachtige centrale regeering ontbrak? De twee hoofden van den staat, het politieke en het militaire , waren beiden te groot, om in elkanders schaduw te staan. Een regeling der verhoudingen kon èn de eenheid in den staat cn den ongestoorden voortduur hunner diensten aan de Republiek verzekeren.
In 1602 openbaarde zich in Zeeland een beweging, die de verheffing van Maurits tot graaf bedoelde. Er hadden samenkomsten van Zeeuwsche en Hollandsche staatslieden plaats, waaraan ook Oldenbarnevelt deel nam. .De voorzichtige advocaat streefde- niet openlijk tegen, maar ver-eenigde zich met hen, die bezwaren opperden. Bij de vredesonderhandelingen in 1607 kwam het denkbeeld opnieuw ter sprake. Xaar sommigen willen, zou zelfs Louise de Coligny er zich rechtstreeks in gemengd en Oldenbarnevelt er over gesproken hebben. He staatsman overreedde haar,
JOH AN VAN OLDE N'BAllXE VELT.
Jat Maurits' verheffing voor dezen en zijn geslacht onnoodig, ja zelfs nadeelig was. Met eeu uoiscli stilzwijgen zou de Prins uit liflar mond de mededeeling van het advies hebben ontvangen. Slechts een enkel koel woord bewees, dat hij anders oordeelde.
Was het te verwonderen? De overwinnaar van Turnhout en Nieuw poort mocht, zonder zelfverheffing, gevoelen dat het zijn zwaard was, dat de Republiek had bevrijd. Zijn naam werd in de Indiën geëerd als van den souverein dezer landen. En wat was hij inderdaad? Niets dan de dienaar der Staten, van de vertegenwoordigers der vroedschappen. Geldelijke belooningen waren hem herhaaldelijk geschonken, maar - zijn positie in deu staat was een volkomen valsche. In de waardeering der natie en van Europa stond hij op de eerste, in de hierarchic der staatsorde op een ondergeschikte plaats.
Indien Maurits een politiek eerzuchtige ware geweest, de gewelddadige uitbarsting had veel vroeger plaats gegrepen. Had hij met geweld willen eischen, wat, ook op grond dei-vaderlijke aanspraken, hij zijn gerechtigd aandeel mocht achten, het leger zou hem, als Caesar en Cromwell, zijn gevolgd. Maar een staatsman was hij niet en een eerzuchtige evenmin. Reeds in 1598 had de Fransche gezant hem genoemd «uiterst traag in het aanleeren van de kunst, waarin zijn vader zoozeer had uitgemunt.quot; Hij was stadhouder van vijf gewesten en veldheer der Unie en vroeg niets dan eerbiediging der rechten, die hij als zoodanig de zijne achtte. Het gevoel van miskenning mocht hem drukken, hij zou de man niet zijn, die met geweld zou nemen, wat het wantrouwen en het eigenbelang hem weigerde.
Heeft Oldenbarnevelt op die eerlijkheid en trouw van dit stuursche maar mannelijke karakter gerekend, toen hij
â 17
JOH A X VAX OLDEXBAllXKVKLT.
Miiurits' verheffing tegeuliield? Dan heeft hij zijn tegenstander billijk beoordeeld. Maar hij heeft in zijn berekening gefaald, als hij achtte, dat Maurits1 militair plichtbesef en geringe ambitie aan hem en aan Holland liet voortdurend overwicht in de Republiek verzekerden.
Holland's overwicht onder Oldenbarnevelt's leiding was den geheelen staat ten goede gekomen tijdens den krijg, maar in vredestijd had het geen recht van bestaan meer. J)e oude vijandschap der landprovinciën tegen Holland herleefde en was krachtiger dan in de dagen van Leicester, omdat zij geen hulp meer behoefden tegen den vijand. Zij waren vrij en onafhankelijk als Holland, en eischten thans een gelijk deel in de rechten, door de Unie haar verzekerd. Bij het sluiten van het Bestand ving de reactie, de worsteling, aan De landprovinciën, als eertijds onder Leicester, begonnen den overwegenden invloed van Holland en Zeeland te betwisten.
Wel nooit zou die strijd den omvang en de beteekenis hebben gekregen, die hij erlangde, indien hij tot het staatkundig terrein ware beperkt. Maar de oude vijand van Holland en den advocaat, kerkelijke onverdraagzaamheid, blies het twistvuur aan, tot het in helle vlammen den vrede in staat en huisgezin verteerde.
In de Hervormde Kerk was verschil van gevoelen. Ar-minius en Gomarus bestreden elkander, nog heftiger hun aanhangers en volgelingen. Praedestinatie of vrije wil was het vraagstuk, ⢠dat dit geslacht, als zoo veel vroegere en latere, in beroering bracht. Men streed voor eigen inee-ning en meende voor de eere Gods te kampen. Vooral in Holland stonden Remonstranten en Contra-remonstranten tegenover elkander. In Holland werd dan ook de beslissing gevraagd. De predikanten eischten een synode, een
â¢zs
JOHAN VAN OLDENBAUXEVELT.
nationale, omdat de waarheid niet een enkel gewest maar liet gelieele volk betrof.
Docli de Staten van Holland nocli Oldenbarnevelt wilden van een synode weten, en wel liet allerminst van een nationale. De religie was volgens de Unie een provinciale kwestie. Zij wilden nu, evenmin als voor twintig jaar, een nationale synode, omdat zij geen nationale kerk verlangden. De Statenregeering was bevreesd èn voor een onafliaukelijk-heid der kerk, die aan baar eigen gezag gevaarlijk zou zijn, èn voor een scbeuring in de kerk, die voor den staat nadeelig zou wezen. Zij weigerden de eiseben der kerke-lijken en schreven verdraagzaamheid voor.
Doch een gezindheid des harten laat zich niet bevelen, niet voorschrijven. Elke bezielende overtuiging is prose-lytenmaakster van nature. Wie voor de eere Gods meent te strijden, kan niet vrijgevig zijn met de waarheid die hij belijdt. De Staten van Holland, die verdraagzaamheid eischten, stilzwijgen over de geschilpunten voorschreven en in dezelfde kerk wilden behouden mannen, die elkander verdoemden, schonden in de oogen van duizenden de vrijheid des gewetens, waarvoor de strijd tegen Spanje was aangevangen. «Gemoedsbezwarenquot; en //verdrukking der minderheidquot; zijn termen, die te allen tijde de groote menigte in beroering brengen.
Was de godsdienstkwestie een provinciale of een nationale? Was de waarheid alleen van belang voor de bewoners van Holland, of voor al de inwoners der Unie?
Het antwoord kon niet twijfelachtig zijn, en de Alge-meene Staten schaarden zich aan de zijde der kerk, kozen partij tegen Holland.
Doch het here gewest en zijn leidsman bukten niet. Uit verdraagzaamheid werd het onverdraagzaam, vervolgziek. Wie
29
JOHAX VAX OLDENBAHNEVELT.
niet zwijgen wilde over de twistpunten, zag zicli den kansel ontzegd. Godsdienstvervolging had plaats in Holland. Door den tegenstand geprikkeld, dreef Oldenbarnevelt maatregel op maatregel door, en schrikte voor geen dwang meer terug. Geweld van wapenen zou de on willigen tot gehoorzaamheid, tot verdraagzaamheid dwingen.
Ken tijdlang had Maurits den strijd aangezien, zonder er deel aan te nemen. Zijn godsdienstige overtuiging leidde hem tot de Contra-remonstranten, die hij de ware vrienden zijns vaders noemde. Toch duurde het lang, eer hij aan de twisten deel nam; hij hield zich onzijdig en vermaande tot bevrediging. Doch toen de Contra-remonstranten werden verdrukt, hun predikanten geweerd eiï vervolgd, kwam hij voor hen op en koos openlijk partij. Den eisch om tegen hen zijn militair gezag aan te wenden, sloeg hij af; quot;hij had gezworen de gereformeerde religie te beschermen; dien eed zou hij handhaven, zoolang hij leefde.quot;
Die weigering was een crisis. Zou Holland, door zijn Stadhouder verlaten, voor de Algemeene Staten, den Stadhouder en de kerkelijken zwichten? Oldenbarnevelt dacht er niet aan. Den 4 Aug. 1617 werd, op zijn voorstel, de Scherpe Resolutie genomen. Zij schiep een krijgsmacht naast de bestaande onder den kapitein-generaal; zij bedreigde de soldaten der Unie met afdanking, zoo zij hun diensten weigerden; zij verbood aan hoven en rechtbanken, voor de vervolgden op te treden.
Van dat oogenblik af was elk uitzicht op vrede verdwenen. Slechts geweld kon beslissen wie heerschen zou: de Unie of Holland, Maurits of Oldenbarnevelt. De coup d1 état van Augustus 1618 bracht die beslissing.
Zoo viel de groote staatsman, die geleefd en gestreden
30
JOHAN VAX OLD K N BAH N' KVELT.
luid voor liet overwicht van Holland, als slaclitoffer vau liet beginsel waaraan hij zijn leven had gewijd. Zijn verwijdering was een noodzakelijkheid geworden; zijn terechtstelling een onrechtvaardigheid, een daad van schandelijken ondank. Toen hij op het schavot op het binnenhof was gekomen, sloeg hij de oogen ten hemel en riep hij de omstanders toe: quot;Mannen, gelooft ui et, dat ik een landverrader ben ; ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die sterf ik.quot; Dat woord was de volle waarheid. Hij was de dienaar van zijn vaderland geweest een geheel leven lang en viel als martelaar.
quot;Een man van grooten bedrijve, arbeidzaamheid, geheugen en beleid, ja, buitengewoon in alles. Die staat, zie toe dat hij niet valle: God zij zijner ziele genadig.quot; Dit zijn de woorden, waarmede de Staten van Holland op den dag-zijner terechtstelling hun ouden dienaar en leider gedachten.
1Y
Het schavot, waarop de advocaat van Holland den dood had geleden, heeft slechts korten tijd gestaan. Maar noch de tijdgenoot, noch de volgende geslachten hebben het ooit vergeten. De dood van Oldenbarnevelt is nooit vergeven. Nog ten huidigen dage drukt hij de nagedachtenis van allen, die er toe medewerkten. De wereldgeschiedenis kent tal van politieke terechtstellingen, maar weinige, die zoo onverdedigbaar zijn als deze. Zelfs de heftigste tegenstander van zijn persoon en zijn staatkunde weet ze niet te rechtvaardigen.
In het vonnis, dat over den advocaat van Holland werd uitgesproken, werd hij aan tal vau zaken schuldig verklaard. Hij had den stand der religie in verwarring ge-
31
â i'Z JOH AX VAN OLDENBAUXEVELT.
bracht; zich zelf, tegenover liet buitenland, de autoriteit van liet land aangematigd; wantrouwen en tweedracht tusscheu de gewesten verwekt; het krijgsvolk aan de gehoorzaamheid der Staten-Generaal onttrokken; hij had, in één woord, een staat in een staat, een regeering in een regeering opgericht.
Het is geheel onnoodig, al deze beschuldigingen in bijzonderheden na te gaan. Want de beoordeeling van de juistheid of onjuistheid is geheel afhankelijk van de ééne vraag; of Holland onder zijn leiding een enkelen stap heeft gedaan, waartoe het rechtens onbevoegd was? Waren de provinciën souverein of waren de Generale Staten de souvereinen des lands? Het antwoord kan geen oogenblik twijfelachtig zijn. Geen der geünieerde gewesten had ooit zijn souvereiniteit aan een college van Generale Staten afgestaan. De Unie van Utrecht was een militair verbond tot verdediging tegen Spanje, geen grondwet van staat. He enkele punten, waaromtrent de leden afstand hadden gedaan van een deel hunner zelfstandige macht, waren uitdrukkelijk aangewezen. Het punt der religie was met name uitgezonderd.
In de kerkelijke kwestie hadden Oldenbarnevelt en zijn aanhangers bij uitstek onvoorzichtig, ja roekeloos gehandeld. Zij hadden in een zaak des gewetens geweld aangewend. He scherpe resolutie was geen misdaad, maar erger, naar Talleyrand's woord: zij was een politieke fout. Al deze bepalingen op ééne uitzondering na, hadden de Staten van Holland het re.cht om vast te stellen ', maar geen enkele hadden zij behooren te maken. Het was een uittarting van de andere provinciën, die zich tegen Holland hadden verklaard; een bedreiging van het meerendeel der
1 Fruin, Gids 1858, II 311.
JOHAN VAN ÃLDENBAllNEVELT.
bevolking, dat de coutra-remoustrantsclie gevoelens was toegedaan. Om hun aanhang in de stedelijke vroedschappen staande te houden. namen zij deze gevaarvolle resolutie. Zij wisten, dat de meerderheid des volks tegen haar was gestemd; de Staten wilden die meerderheid dwingen. Zij betraden den weg van overheersching en despotisme.
Dat de staatsman, die tot deze dingen had gedreven, verwijderd werd, was alleszins billijk en rechtvaardig. Niet, dat men hem tot schuld en misdaad rekende, wat noch het een, noch het ander was.
Oldenbarnevelt had geen staat in den staat, geen regeering in een regeering opgericht. Toen hij aan het bestuur kwam waren slechts vier gewesten vrij. Van deze was Holland het eenige, dat krachten tot den krijg bezat. Welnu, de leider van Holland had het vermogen van zijn gewest aangewend, om de andere gewesten te verlossen. Wat was er van Gelderland, Overijsel, Groningen geworden , indien hij het nagelaten had ?
Een scherpe afbakening van grenzen tusschen Provinciale Staten en Adgeineene Staten had nooit bestaan. De eenheid der Unie bestond slechts in naam. Oldenbarnevelt had ze in werkelijkheid gevestigd; onder hem had Holland geregeerd. Thans wilden de bevrijde gewesten Hollands overwicht, dat hun verlossing had gebracht, niet meer erkennen. Het recht kwam hun toe, om eiken invloed te verbreken, die in strijd met hun belangen scheen. Maarniet, om den staatsman te dooden, die Hollands invloed niet ten eigen bate, maar ten dienste van hun vrijheid had gebezigd.
In een zijner verhoeren verklaarde de advocaat: //Ik wil de rechters niet beschuldigen; ik kom in een tijd, waarin men andere regels van regeering volgt, dan men plag.quot; Maurits, toen hij deze woorden hoorde, ant-
3
33
J0HA1S' VAX OLDENBAllNEVJiLT.
woordde: quot; De advocaat heeft die grondregels in deu staat niet gevonden, maar zoeken in te voeren.quot; Beiden hadden zij ongelijk. Er waren nooit grondregels van regeering in dit opzicht geweest. Het vraagstuk, welke de verhouding was van Provinciale en Algeineene Staten, was nooit geregeld. De Unie van Utrecht had de leden ver-eenigd «als ééne provincie,quot; maar de verhouding der deelen tot het geheel was nooit vastgesteld. En zij is nooit later beslist. Vandaar de voortzetting van den strijd gedurende het geheele bestaan der Republiek.
In het drama van 1618 heeft het persoonlijk element zeer sterk gewogen. Oldenbarnevelt was geen beminnelijk man in den gewonen zin des woords; hij was een heersch-zuchtig en hardnekkig heerscher. Toen hij viel, had hij zeventig jaar bereikt: een leeftijd, die zich niet door buigzaamheid kenmerkt. Hij had dertig jaar achter zich van steeds stijgenden invloed en zeldzame successen. Noch het een, noch het ander wordt verkregen zonder vijandschap op te wekken. Oldenbarnevelt had tal van persoonlijke vijanden. Aan zijn staatkuude had hij allen opgeofferd, wier verwijdering hem in het belang des lands noódig scheen. Zij wreekten zich door hem te ondermijnen, door hem te belasteren. Hij heulde met den vijand, hij had zich aan Spanje verkocht, zcide men. En Maurits en de goê gemeente geloofden het. Want de predikanten hadden geen woorden, genoeg om deu tegenstander van hun invloed eu aanmatiging te bezoedelen. Jarenlang had hij, uit afkeer van de geestelijkheid, zich van het Avondmaal onthouden. Met woord eu daad had hij de kerkelijken neergedrukt en ondergehouden. Toen hij eindelijk het waagde, de dogmatische waarheid te ouderdrnkken, was de ure der ver-quot;â eldinar. de ure van hun wraak eekomen.
34
JOHAN VAN OLDEXBARXE VELT.
lu den laatsfceu iiacht van zijn leven bracht Oldenbarne-velt eenigen tijd met dominé Walaeus door. Het bleek, dat de advocaat, zonder liet zelf te weten, in liet groote veiamp;cliilpuiit, de leer der praedestinatie, rechtzinnig contra-remonstrantsch was. De staatsman had zijn partij gekozen nit politieke consideratien. ?fiet als theologant, maar als advocaat van Holland had hij gehandeld, üe dogmatische kwestie was hem onverschillig, het staatsbelang richtte zijn gedragslijn. De kerk mocht den staat niet overheeren.
In oogenblikken van partijstrijd zegeviert geen kalm overleg, geen rustig nadenken. Dat zijne vijanden den ge Vleesden advocaat schuldig verklaarden, hem ter dood veroordeelden, laat zich begrijpen. Maar de uitvoering van liet vonnis wordt er niet mede verdedigd.
Er was geen enkele grond voor. De veroordeelde was een oud man, gebogen onder den last der jaren. Zijn val was de val zijner partij. De eminente mannen van zijn aanhang waren gevangen of voortvluchtig. Een zuivering der stedelijke regeeringen kon allen machteloos maken, die door talent of moed gevaarlijk voor de overwinnaars konden Avorden. De terechtstelling was geheel onnoodig. Men behoefde niet te twijfelen: de dood zou hem niet vergeten.
De uitvoering van het doodvonnis was onnoodig, ja meer dan dit. Zij was een daad van de snoodste ondankbaarheid.
Meu mocht over de heersehzucht, de tirannie van den advocaat deuken, zooals men wilde, ze veroordeelen in de hardste termen, die de taal verschafte. Maar eéne zaak hadden zijn vijanden niet moeten vergeten: hij had den staat geregeerd gedurende dertig jaar. Aan zijn staatsmaus-beleid had de Republiek haar zelfstandigheid, haar bestaan, haai welvaart, haar aanzien te danken. Welke zijne feilen ook waren, hoe zwaar ook zijne misdrijven, in de weeg-
35
JOItAN VAN OLDENBA11NEVELT.
schaal van het recht hadden zij te licht moeteu zijn tegenover de grootheid en het wicht zijner diensten.
Willem Lode wijk van Nassau, de Friesche Stadhouder, was een zuiver contra-remonstrant. Hij was een hardnekkig tegenstander der Hollandsche politiek. Aau zijn woord is voor geen klein deel liet krachtig optreden van Maurits te danken. Welnu, na het doodvonnis verhief hij zijn stem om tot gematigdheid te manen. In een beroemden brief van 10 April 1618 wees hij Maurits oj) het onvoorzichtige en het ondankbare der terechtstelling. quot;De qualiteiten en diensten, eertijds gedaan, behooren in consideratie te komen.quot; Louise de Goligny, de weduwe van den Zwijger, voegde haar vriendelijke stem bij die van den Frieschen Stadhouder. De Fransche gezant pleitte in naam van zijn meester. Andere raadslieden van Maurits, die gewoonlijk zijn vertrouwen genoten, smeekten in gelijken geest. Het was alles tevergeefs. «Als hij eens een opinie in zijn hoofd heeft, is het onmogelijk ze hem te ontnemen,quot; had Louise de Goligny eens over haar stiefzoon geschreven. Het bleek thans, als dikwerf, hoe goed zij hem kende.
De tijd is voorbij, waarin aan persoonlijke heersohzucht en wraakzucht de houding van Maurits werd geweten. Wij erkennen, dat hij naar zijne overtuiging heeft gehandeld. Hij achtte zich geroepen, het geloof der vaderen te verdedigen en de Unie te handhaven. Wij zijn zelfs geneigd verder te gaan. quot;Het ongeluk van den advocaat is mij leed; ik heb hem altijd lief gehad en dikwijls vermaand, anders te doen. Dewijl hij een anderen vorm van regee-rinsc heeft zoeken in te voeren, die kerk eu staat zou hebben ondergebracht, heb ik mij tegen hem moeten stellen; maar hetgeen hij tegen mij misdaan heeft, vergeef ik hem gaarne.quot; Deze woorden sprak Maurits op den nood-
36
JOHAN VAN ÃLDEXBAllXEVELÃ.
lottigen dag, waarop liet vonnis werd voltrokken. Hij was volkomen oprecht en te goeder trouw in deze verklaring, maar hij had noch van zijn liefde jegens den advocaat, noch van zijn vergevingsgezindheid moeten spreken. Het gevoel zijner groote verplichtingen jegens den ouden man, dien hij het schavot liet betreden, had behooren te overheerschen. Maar daarvau was geen sprake.
In den nanacht van 12 Mei 1619 vernam Louise de Coligny, dat het vonnis in den vroegen morgen zou worden uitgevoerd. Zij ijlde naar 's Prinsen woning en verzocht toegang tot tweemaal toe. Tot tweemaal toe werd zij afgewezen. De weduwe zijns vaders kon bij den zoon geen gehoor verkrijgen, de,deur bleef voor haar gesloten.
«Heeft hij niet vau pardon gesproken?quot; vroeg Manrits dien morgen. //Neen,quot; was het antwoord. De advocaat erkende zich overwonnen, maar niet schuldig.
Door derden had Maurits de vrouw en kinderen van den grijzen staatsman doen aansporen, om gratie te vragen. Zij weigerden. Waarom? Maria van Utrecht, de weduwe van den advocaat, zeide liet hem vier jaar later. Toen boog de fiere vrouw de knie voor den Stadhouder, om gratie voor den misdadigen zoon te vragen. //Waarom hebt gij geen genade gevraagd voor uw man?quot; beet Maurits haar toe. //Mijn kind heeft misdaan, mijn man was onschuldig.quot;
Slechts op de bede om gratie heeft Maurits gewacht, om ze te verleenen. Maar zonder ontrouw aan overtuiging en beginsel kon zij niet worden gevraagd.
Een groot krijgsman is de zoon des Zwijgers geweest, maar de adel des gemoeds heeft hem ontbroken; hij kon niet grootmoedig zijn. Hij was niet tevreden met zijn zegepraal, hij vroeg zelfvernedering van den overwonnene. God is genadiger voor menschenkinderen dan de mensch.
37
JOH AN VAN OLDENBARNEVELT.
Het schavot van Oldenbaruevelt is door de tijdgenooten niet vergeten, door zijn aanhang niet vergeven. En liet nageslacht kan niet gunstiger oordeelen, want het bloed van den grijsaard is zonder vrucht voor den lande vergoten.
Zelden heeft een volk zich in gunstiger omstandigheden bevonden, om een heilrijke staatsverandering tot stand te brengen, dan het onze in 1618. De Nederlandsche landaard is zeker rijk aan deugden, maar heeft toch eenige gebreken, die hinderlijk zijn. Zucht tot uitstel, langzaamheid van beraadslaging kenmerken ons. In 1618 was de macht in handen van enkele personen, die het vertrouwen van het meerendeel der bevolking genoten. De Prins van Oranje, populair door zijn afkomst en zijn eigen verdiensten, werd gesteund door de Hervormde kerk, die in haar eisch om als nationale kerk te gelden, door hem geholpen was. De eenheid op kerkelijk gebied zou de eenheid in het staatkundige bevorderd hebben. Bovendien , de strijd met Holland had het hoofdgebrek der Unie aan het licht gebracht. Ieder wist, waar de fout schuilde. Er was geen centrale regeering, er was feitelijk geen hoofd van den staat, geen persoon of college, dat zich boven de gewesten kon doen gelden. De oplossing was gemakkelijk en zou in deze oogenblikken op geen verzet zijn afgestuit. De Prins van Oranje moest als eminent hoofd, onder welken titel ook, aan de spits van den staat worden gesteld. Ware eenmaal deze hervorming tot stand gebracht, alle andere verbeteringen zouden geleidelijk gevolgd zijn. De Eriesche Stadhouder had geen kinderen , voor wier belangen hij in de bres moest springen. Hij was bloedverwant, en, wat meer zegt, vriend en vereerder van Maurits. Tegen een verheffing van Maurits tot algemeen Stadhouder der Unie zou hij zich niet hebben
38
JOHANquot; VAN OLDENquot; BAH XE VK LT.
verzet. Zoo kad 1618 een rijke eu gezegende vrucht kunnen afwerpen. De eenheid van den staat had deii val van Oldenbarnevelt dan ten minste politiek gerechtvaardigd.
Het is niet geschied. Naar de redenen kan men gissen. Maurits was geen eerzuchtige in den gewonen zin des woords. Hij was een man van strikte orde eu regel, en geen revo-lutionuair. Zon men hem niet van lage baatzucht beschuldigen, indien zijn verheffing de vrucht zijner handelingen was? Voor het geloof en de Unie was hij opgekomen, niet voor zich zelf. De gezant van Engeland, Carleton. drong er bij hem op aan, maar zonder gevolg; hij wilde geen verandering iu de staatsorde uitlokken.
Om eene nieuwe dynastie te grondvesten, moet, behalve staatkundige, ook persoonlijke ambitie zich doen gelden. En voor wie zou Maurits eerzuchtig zijn geweest? Hij had geen wettige kinderen. Geen zoon zou hem opvolgen in de waardigheid, die hij niet venverven kon, zonder zijn vijanden tot de meest onteerende beschuldigingen, ten minste schijnbaar, te rechtigen.
Maurits stelde zich tevreden met liet feitelijk bezit der oppermacht en liet de wettelijke beslissing achterwege. Onverantwoordelijk was liet verzuim. Het schip van staat bleef dobberen op den oceaan van strijdende politieke mee-ningen, beurtelings gestuurd door vertegenwoordigers der staatkundige partijen, naarmate geboorte of geluk hun de macht in handen speelde. De vijandschap en tweedracht. die in de 17c eeuw zoo veel jammer verspreidden, waren de boete, die de natie voor IfilS betaalde. Wie de kracht tot regeeren mist, heeft het recht niet, liet roer van staat in handen te nemen.
Naast deze zwakheid rijst de figuur van Oldenbarnevelt voor de oogen van het nageslacht in haar volle grootheid.
39
jon AX VAN' O L D H X B A11N E VELT.
Hij had niet geaarzeld, niet geweifeld, nooli waar liet gold liet land te bevrijden, noch waar het gold het te be-heerschen. Het beginsel, dat hij had voorgestaan, viel tijdelijk met hem. Het werd veroordeeld als valsch, maar niet door een beter vervangen. De schuldige staatsregeling bleef, de weinig schuldige staatsman viel. De gebreken werden geëerbiedigd en slechts personen vervolgd en gestraft.
Tegenover het gepleegde verzuim springt te scherper de grootheid van den staatsman in het oog, die met deze gebrekkige staatsregeling de Republiek heeft gesticht.
40
II
AMALIA TAN SOLMS EN MARIA STUART.
AMALIA VAN SOLMS EN MAEIA STUART.
I
Op den tweeden April lö-id werd iu de koninklijke kapel van Whitehall, liet paleis der Engelsche koningen, een huwelijk gesloten. Een kind van tien jaar, Maria geheeten, trad, gevolgd door een stoet van even jeugdige ladies, allen als zij in zilverlaken uitgedost, voor het altaar. Haar vader, koning Karei I van Engeland, legde haar kinderlijke hand in die van den zestienjarigen Willem van Oranje, dien zij voortaan als haar echtgenoot te erkennen eu te volgen had. Een jaar later verliet zij haar vaderland, om in den vreemde nieuwe ouders en een nieuw te huis te vinden.
Het huwelijk dezer kinderen was geen huwelijk uit liefde, maar een zuiver staatkundige verbintenis. De dynastie der Stuarts trad in familiebetrekking met het geslacht van Oranje. Karei I, die zijne dochter schonk aan den zoon van Erederik Hendrik, beoogde er niets anders mede, dan zijn volk gerust te stellen omtrent zijne politieke en godsdienstige plannen. Erederik Hendrik verhoogde het aanzien van zijn huis door den echt van zijn zoon met een koningsdochter van Engeland.
-M AjVIALIA VAN SOLMS EN MARIA SÃUAE.T.
De verbiutenis met eeu regeerende dynastie was een voldoening voor zijn vorstel ijken trots en sterkte den glans zijner positie in de Eepubliek.
Naar ket uiterlijke te oordeelen, had de beroemde steden-bedwinger die versterking niet noodig. Toen er bij de onderhandelingen over het huwelijk in Engeland was opgemerkt, dat de Stadhouder der Nederlandsche Republiek slechts de eerste ambtenaar, niet het hoofd van den staat was, had Ereder ik Hendrik aan koning Karei doen zeggen, dat hij //niet den naam, maar het wezen der opperheerschappijquot; bezat. En weinigen, die na 1630 den Haag bezochten, zouden dat fiere woord hebben tegengesproken. Want feitelijk, naar den uitwendigen schijn te oordeelen, was er van den republikeinschen staatsvorm niets dan de naam over. Erederik Hendrik regeerde.
Als Kapitein-Generaal der Unie aan het hoofd van het leger geplaatst, had hij den overwegenden invloed van Maurits in het krijgswezen geërfd. Zijn recht erop had hij gestaafd door het geluk, dat zijne wapenen volgde. En persoonlijk èn als legerhoofd, genoot hij een vertrouwen, niet geringer dan Maurits had bezeten. Hij was bekend om de onversaagdheid van zijn moed; hij waagde zich op de gevaarlijkste punten, zonder ooit getroffen te worden. Zoowel de Staten als zijne vrouw smeekten hem voortdurend, zich niet zoo bloot te stellen. De bijgeloovige menigte hield hem voor onkwetsbaar. De stand der sterren bij zijn geboorte â hadden de horoscooptrekkers verklaard â was zoo gunstig, dat hij niet kou getroffen worden. Waarheid is het, dat herhaaldelijk personen, met wie hij stond te spreken, voor zijne oogen werden doodgeschoten , maar hij nooit werd gedeerd.
Frederik Hendrik was de stedenbedwinger. De veroverin-
AMALIA VAN SO HIS EN II ARIA STUART. 15
gen vau Grol, den Bosch, Breda e a. hadden de eer der Republiek gehandhaafd, haar tuin uitgebreid en zijn roem gegrondvest. Hij was een beleidvol en omzichtig veldheer: veldslagen vermeed hij, vestingen veroveren was zijn kracht. Hij spaarde zijn leger, zoowel uit karakter als uit politiek overleg. Vandaar ookdat hem meer zelfstandigheid in het krijgsbeheer werd geschonken, dan zelfs aan Maurits. Bij den aanvang van een nieuwen veldtocht wisten zelfs de Staten niet altijd, waarheen Frederik Hendrik het leger voeren zou.
Docli niet alleen de degen van Maurits, ook de mantel van Oldenbarnevelt was op hem gevallen. Zijn invloed op liet binnenlandsch bestuur was jaren lang beslissend. Toen in 1030 een raadpensionaris van Holland optrad, die hem ongevallig was, wist hij hem tot aftreden te dwingen. In den onbeduidenden Jacob Cats vond hij een opvolger, die zich als was door hem liet kneden in welken vorm hij verkoos. Het geheele beheer der buitenlandsche zaken regelde hij met enkele vertrouwden. Met hem onderhandelden de diplomaten, tot hem wendden zicli de vorsten, zijn voorschrift richtte de werkzaamheid van de gezanten der Eepu-bliek. Tegen den zin van een machtige partij verbond hij den staat aan de politiek van Richelieu. Dertien jaar lang was hij het militaire hoofd van den staat, ook zijn politieke leider tegenover Europa.
Doch dergelijke zaken, geheimen der kabinetten, zijn aan de groote menigte gewoonlijk niet bekend. Zij oordeelt uit hetgeen zij voor oogen ziet. Zij zag, hoe het buitenland den Stadhouder eerde en onderscheidde, en hoe in het binnenland alles voor hem scheen te buigen en om zijn gunst te dingen.
Toen Maurits op zijn sterfbed lag, had hij zijn jongeren
AM ALIA VAN SOLMS EN MAUI A STUART.
broeder bij zicli ontboden en hem met militaire kortheid verklaard, dat hij hem onterven zou en zijn natuurlijke kinderen wettigen, indien hij niet onmiddellijk huwde. Frederik Hendrik had tot dusver geiladderd om allerlei bloemen, aan velen het hof gemaakt, maar tot een huwelijk was hij, die van overhaasting een afkeer had, niet gekomen. Op de bedreiging van Maurits kwam hij tot inkeer. IJlings trad hij nu in het huwelijk met Amalia van Solms, eene Duitsche gravin, die aan 't hof van den koning van Boheme vertoefde en sedert lang het voorwerp van 's Prinsen hoffelijkheden was.
Die echt was voor hem, voor het stadhouderschap en den staat van groot gewicht geworden. Voor de eerste maal, sedert het bestaan der Republiek, zag men in het vriendelijk 's Gravenhnge al de schittering en den glans van een weelderig hofleven. Het groot vermogen van Maurits stelde Frederik Hendrik tot een hofhouding in staat, zooals in deze noordelijke gewesten wellicht nooit was aanschouwd. Beiden, de Prins en de Prinses, hadden praal en pronk lief, vermeiden en verlustigden zicli in de feestgelagen en vermaken, die om hunne personen alles vereenigden, wat er aanzienlijks in de Republiek was of kwam. De kloeke, krachtvolle Amalia met hare levendige, zwarte oogeu, die Van levenslust en gezondheid tintelden, hechtte door haar ietwat grove maar sensueele schoonheid den ouderen echtgenoot niet alleen aan zich, maar maakte ook het prinsenkwartier, waar zij zetelde, tftt het vereenigingspunt van vreemdelingen en landgenooten. Herhaaldelijk moest het uitbreiding ondergaan; herhaaldelijk door nieuwe versieringen geschikter worden gemaakt om den stoet, die er zich samendrong, waardiglijk te ontvangen. Hier, op het Prinsenhof, stroomden de Duitsche en Fransche edelen, die in
4.6
AMALIA VAN SOLMS EN MAMA STUAHT.' 47
liet leger der Republiek den krijgsdienst leerden â Tureune heeft er onder behoord â met de buitenlandsche diplomaten en de aanzienlijken des volks te zamen, om van de weelderige gastvrijheid van het schitterend vorstenpaar te genieten.
Na het einde van het Bestand, in 1621, was de strijd met Spanje hernieuwd. Van harte werd hij slechts door den prinsgezinden aanhang, de kerkelijke vijanden van Spanje en de militairen gevoerd. De koopmansstand beschouwde hem uitsluitend uit een mercantiel oogpunt. Toen Frederik Hendrik Antwerpen bedreigde, had hij ontdekt dat Amsterdamsche handelaars de vijandige stad van krijgsvoorraad voorzagen. Toen hij zich er over beklaagde, was hem door een hunner geantwoord: //Indien ik er winst kon behalen, zou ik naar de hel varen en er mijn zeilen aan wagen.quot;
Doch, waarin ook verschillende, koopman en militair kwamen in een punt overeen. Ook bij den handelaar was de lust ontwaakt, om het leven te genieten. Met de zorg en onzekerheid van vroeger dagen was ook de angstige zelfbekrimping voorbij. Hier, in Holland, was rust en veiligheid, terwijl ginds, ver weg, in Limburg en Noord-Braband of op Belgisch grondgebied, de strijd met gehuurde troepen werd voortgezet. De welvaart, die de bloeiende handel over alle standen had verspreid; de kloeke ondernemingsgeest, die, niet tevreden met de winsten van Oost en West, binnen de grenzen van het eigen grondgebied op een ouderen vijand dan de Spanjaard veroveringen behaalde, even duurzaam van aard; die plas op plas, de Beemster, de Wormer enz. aan het water onttrok, om //goud uit schuimquot; te oogsten; het fiere gevoel van veiligheid, van zelfbewuste kracht, door de overwinningen te land en ter zee geboren â dit alles verhoogde den pols-
-1)8 AMALIA VAN SOLMS KN MA III A ST U A UT.
slag des publiek en levens, deed liet bloed sneller door de aderen stroomen, meer van liet leven vragen. Levensge-nietingen werden nagejaagd; weelde ontwikkelde de maatschappij en ontplooide zich. Het verkeer kreeg een andere kleur; beschaving en manieren heerschten naar Pranschen smaak en Fransche zeden.
Voor het gekletter der wapenen waren de Muzen gevloden, thans keerden zij weer. Hooft zette zich aan het strand der Zuiderzee neder, om met klassieke pen den strijd der vaderen te beschrijven. Huygens spiegelde in zijne zangen, zoolang huiselijk leed en ambtelijke zorgen hem den lust niet roofden, het jong ontwaakte leven der maatschappij af. (Jats, grijsaard reeds in de wieg, streek het vernis van eene conventioneele moraal over de wulpsche droomen van een levenslustig geslacht en predikte berusting en volgzaamheid aan de minder bedeelden bij het banket des levens. Vondel, schoon met smachtend heimwee en met het verholen leedgevoel van den renegaat op de oude heerschappij van zijn jong geloof nederziende, greep naar zijn lier om onsterfelijke tonen eraan te ontlokken, telken male als een nieuwe zege van den stedenbedwinger het uitzicht op vrede met liet geloovige Spanje nader bracht.
Van dit nieuwe leven, deze nieuwe behoeften en deze nieuwe weelden was het vorstelijk paar het middelpunt en als 't ware de uitdrukking. Met fiere zelfvoldoening, met trotsche zelfgenoegzaamheid zagen de regenten der Republiek de hoofsche vormen en vermaken van het buitenland overgeplant in het Binnenhof en de dienaren van Frankrijk en Engeland antichambreeren bij den Stadhouder, hun dienaar. Zoowel door zijn krijgsmansgeluk en zijn diplomatiek beleid, als door zijn vorstelijke levenswijze was do Prins van Oranje de representant van den staat.
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
Uoch niet alleen de vreemdelingeu, ook de inwoners dei-Republiek, ja de regenten zeiven schenen medegesleept, bedwelmd door den uitwendigen glans, die het stadhouderschap omgaf, en bukten voor liet overwicht, dat toen, als nu en steeds, verdiensten, in weelde gehuld, deden gelden. De beroemde Drost van het Muiderslot zal wel niet de eeuige geweest zijn, die zich den onderdaan van den Prins van Oranje teekende en gevoelde. Aan den zoon van Fredenk Hendrik, den jongen Willem 11, werd door de Staten de opvolging in de vaderlijke betrekkingen plechtig verzekerd. Daarmede werd de eerste stap gezet op den weg, die tot de erkenning der erfelijkheid, den grondslag voor de vestiging eener dynastie, leidde. Frankrijk schonk den 1 rins den titel van Son Altesse, die alleen aan prinsen van den bloede toekwam. De klove werd breeder, die den Prins van Oranje scheidde van de regenten der steden, bij wie de souvereiniteit berustte. In de erkenning van een dynastie aan het hoofd van den staat scheen de oplossing van den strijd tusschen de verschillende gewesten nabij.
Indien de jonge Maria Stuart, toen zij aan de hand harer moeder in de Nederlanden kwam, en in het Prinsenhof het kwartier betrok, dat haar werd aangewezen, zoo heeft geoordeeld, dan heeft zij zich, gelijk zoo velen, die het hoopten, deerlijk vergist. Want achter het uitwendig eerbetoon, dat ruimschoots werd geschonken, verborg zich, zonder weg te schuilen, de oude tegenstand der Statenpartij. iredenk Hendrik was de man niet, om met geweld te nemen, wat hem niet werd aangeboden. Gewaagd had hij nooit iets; door geduld, niet door dwang had hij de gunst der fortuin verworven. En thans, met een wankelende gezondheid, die het naderend einde deed voorzien, dacht hij meer aan behouden dan aan verwerven. In zijn
4
1.9
50 AM AL IA VAN SOLMS EN JIAIIIA STUART.
laatste levensjaren namen de kansen op een hoogeren rang in den staat steeds af, en toen hij de oogen sloot, liet hij zijn zoon wel titels en een traditioneelen invloed na, maar geen gezag, dat hem in staat stelde, over de krachten der Eepnbliek naar zijn wil en wensch te beschikken.
De jonge Maria was weinig meer dan een kind, toen zij aan het hof van deze schoonouders werd ontvangen. Op het Binnenhof werd de opvoeding voortgezet, die in Engeland was aangevangen. Haar gouvernante, die als super-intendante van haar huishouding optrad, ontving zoowel van koning Karei als van Frederik Hendrik hare instruc-tiën. Die voorschriften van den Prins, die bewaard zijn, verraden zijn zorg voor zijn jonge schoondochter, maar tevens het respect, dat hij voor een koningsdochter gevoelde. Het moet een zonderlingen indruk in den Haag gemaakt hebben, wanneer men de dertienjarige gehuwde in het publiek verschijnen zag. Nam zij als gast aan een feestmaaltijd deel, niemand mocht aan dezelfde tafel met haar eten, dan personen van hoogen stand en rang. Reed zij in een koets uit, dan reden zij, die tot haar gevolg behoorden , in afzonderlijke rijtuigen voor haar uit. Werd zij in een draagstoel gedragen, dan volgden haar eeredames in een afzonderlijk rijtuig, maar haar stalmeester en de heeren van dienst wandelden te voet voor haar uit, terwijl haar eigen rijtuig ledig moest volgen, voor het geval dat het haar behaagde, er zich van te bedienen. Aan een dergelijk vorstelijk vertoon was men in de Republiek niet gewend. De Prinsen van Oranje traden tot dusver op eenvoudiger wijze in het publiek op, dan dit koningskind.
Doch eerbetoon, waar zij zonder opoffering geschiedt en
A ALALIA VAN HOLMS EN MARIA STUART. 51
eigen liooglieid vleit, is de geringste der gaven, die te schenken zijn. De opneming van deze dochter der Stuarts zou aan liet Oranjehuis duurder te staan komen.
Toen Maria door hare moeder naar de Nederlanden werd geleid, verkeerde koning Karei in moeielijke omstandigheden. Hij stond aan den aanvang van den strijd met zijn volk, die hem den troon en het leven zou kosten. De uitzet van zijn dochter droeg er de sporen van, want door de gebrekkige finantiëele middelen, waarover hij beschikken kou, was die zeer onvoldoende uitgevallen. Er zijn brieven van de jonge Prinses van Oranje, die bewijzen, dat de noodigste kleedingstukkeu haar dikwijls ontbraken. De rijke Erederik Hendrik was een schoonvader van hooge waarde voor zulk eene schoondochter.
Doch het waren niet haar behoeften, die het meeste eischten. De Engelsche koningin maakte van haar aanwezigheid in de Nederlanden gebruik, om eigen edelgesteenten en, naar men zegt, ook de juweeleu der kroon te verpanden. Karei had geld uoodig voor den burgerkrijg. Frederik Hendrik schijnt bij sommige dier contracten de tusschenpersoou geweest te zijn, wiens invloed de overeenkomst deed sluiten. Doch ook van hem zelf werden opofferingen gevraagd. Ondersteuning van koning Karei tegen zijn volk was een der voorwaarden, waarop de hand der jeugdige Maria voor zijn zoon was afgestaan. En het Engelsche vorstenhuis liet het bediug niet varen. De Stadhouder betaalde de verbintenis met de Stuarts met ?rof geld. Op zijn naam werd een leeniug van drie tonnen gouds ten behoeve vau Karei gesloten. Toen Henriette Maria in 1643 naar Engelaud terugkeerde, nam zij o, a. van hem alleen een som van 20,000 pond sterling mede. En de aanvragen en verzoeken eindigden niet. /'Er komt
52 AMALIA VAN' SOLMS EN MARIA STUAUT.
geeu einde aan de aanvragen van Engelandquot;, schreef 's Prinsen secretaris aan Amalia van Solms.
Maar nog liooger eisclien dan geld werden aan Frederik Hendrik gesteld. Zijn invloed moest de Republiek bewegen, openlijk partij te trekken voor Karei. Dat liij als borg optrad voor Engelsclie leeningeu, dat liij officieren naar Engeland zond, dat hij Karei krijgsvoorraad bezorgde â dit alles was onvoldoende. De Nederlandsclie staat moest openlijk aan den strijd in zijn belang deel nemen. Een tweede huwelijk, een huwelijk zijner dochter met den kroonprins van Engeland, werd als lokaas hem voorgehouden.
Ook al ware het uitzicht zekerder geweest, kon hij het niet aannemen. De Republiek had sympathie voor Karel's vijanden, niet voor hem. Met iederen bode, die over zee kwam, werden de berichten ongunstiger. De parlcmentspartij zegevierde, de kroon waggelde op Karel's hoofd, de schepter ontzonk aan zijne handen.
Lijden ontwikkelt snel. De jonge Maria, die in de Nederlanden in veiligheid was, leefde met haar hart en haar gedachten in Engeland. Naarmate de uiterlijke glans van haar bestaan grooter was, gevoelde zij dieper de machteloosheid van het geslacht, waaraan zij was verbonden. De Stadhouder der Republiek kon haar vader niet bijstaan, omdat hij slechts Stadhouder was. Zij, dochter en kleindochter van koningen, was afhankelijk van de regenten eener republiek.
Zou dit ooit veranderen?
Toen zij iu Februari 1647 bij quot;het sterfbed van Erederik Hendrik stond, ging een schooner toekomst, naar zij meende, voor haar open. Alles zou beter worden.
AMALIA VAN SOLMS KM MARIA ST U A LIT.
It
De eerste maal, dat Willem II zijn aanstaande vrouw had gezien, was het onder omstandigheden, die zeldzaam zijn. Toen hij in 1641 te Londen kwam, was zij ongesteld. De jonge Willem, ongeduldig, had er op aangedrongen, dat hij bij haar toegelaten werd. Na veel wikken en wegen was het toegestaan.
Willem had de tienjarige jonge Maria het eerst gezien in haar bed, met een dik gezicht. Men zal opmerken, dat dit niet de geschiktste gelegenheid is, noch voor een vrouw om haar schoonheid te doen uitkomen, noch voor een man om ze waar te nemen. Maar Willem dacht er anders over; hij schreef aan Trederik Hendrik, dat hij zeer tevreden was, en haar veel mooier vond, dan het portret van Van Dijk deed verwachten.
Het past ons, voor dit getuigenis van hem, die er het meeste belang bij had, te bukken. Ook omdat andere tijdgenooten mede haar schoonheid roemen. Maar overigens, eerlijk gezegd, begrijpen wij het niet. Want de portretten van Maria, die wij kennen, getuigen van geen de minste schoonheid. Op het Trippenhuis vinden wij de afbeelding van haar door Van Dijk; zij vertoont ons een schraal, tenger meisje met vale gelaatskleur. Het portret, dat Honthorst van haar maakte, is opmerkelijk. Neem de krullen, die het gelaat omgeven, weg, trek die figuur mannekleederen aan, en gij ziet haar zoon, Willem ITT, voor u staan. Doch van schoonheid is ook hier geen spoor.
Toch is haar echt met Willem, voor zoo ver bekend is, niet ongelukkig geweest. Van haar kant was dit te begrijpen , want de jonge man, aan wien de politiek haar
53
54 A MALI A VAS SOLMS EN MAMA STUAHT.
gehuwd had, voldeed aan meer dan de gewone vrouwelijke eischen. Van kiudsaf een toonbeeld van schoonheid, bezat hij voor vrouwen al de aantrekkelijkheid, die levendigheid, bevalligheid en krijgshaftigheid aan een man kunnen schenken. De onstuimigheid van zijn wezen en het overstroo-mende van zijne levenskracht deden zijne zeden verre van onberispelijk zijn. Doch het blijkt niet, dat de intieme verstandhouding der jeugdige echtgenooten er door geschokt is.
Maria Stuart was de kleindochter en naamgenoot van Maria de Medicis. Achter de koelheid en grenzelooze hoogheid der Engelsche koningsdochter verborg zij de berekening van haar moederlijk geslacht. Prinses van Oranje was zij in naam, Hollandsche is zij niet geworden. Haar hart hing steeds aan haar vaderland en de belangen van haar eigen geslacht.
Amalia van Solms had deze schoondochter, wier komst haar moederlijken trots en haar eerzucht streelde, hartelijk welkom geheeten. Maar de goede verstandhouding had een kort leven gehad.
Niet uitsluitend door haar schuld. In zijne laatste levensjaren verkeerde Prederik Hendrik met zijn zoon op niet zeer intiemen voet; de oude veldheer schijnt jaloersch geweest te zijn op den ontluikendeu krijgsroem van Willem. Tusschen de moeder en den zoon bestond verschil van politiek inzicht. Voeg daarbij de koele, kwetsende hooghartigheid van Maria, die ook tegenover hare schoonmoeder, slechts een Duitsche gravin, niet vergeten kon of wilde, dat zij geboren was op de trappen van een troon, al geleidden die naar een schavot. Redenen genoeg, om de verwijdering dezer vrouwen, wier leeftijd zoo zeer uiteenliep , te begrijpen, zelfs al waren er geen andere geweest.
A MALTA VAN SOLUS ENf MAMA STUART.
Doch er waren andere, van minder persoonlijken aard: deze vrouwen stonden strijdige belangen voor.
Amalia van Solms had groote gebreken, maar tevens hoog te waardeeren eigenschappen. Gelijk haar lichaamsbouw was haar geest, kloek, gezond, krachtig. Zij was in vroeger jaren zeer populair, maar verloor de volksgunst later. Minder gesloten dan haar schoondochter, verloor zij al te dikwijls haar zelfbeheersching, zeer ten koste van haar waardigheid; zij kon heftig, ruw, lomp in haar woorden en dikwerf ook in haar daden zijn. Zij had een zeer zorgvolle jeugd achter zich. Opgegroeid in een gezin, rijker aan kinderen dan aan inkomsten, was het een verlossing voor haar geweest, dat zij in het gevolg van de keurvorstin van de Paltz was opgenomen. Toen deze koningin van Boheme werd, had zij in de korte glorie en weelde gedeeld, die de Winterkoning en haar meesteres enkele maanden genoten. Met heu was zij gevlucht door Woord-Duitschland, van Praag naar den Haag, en had daar met hen geleefd in al de ontberingen, ja het gebrek, dat het vorstelijk paar te verduren had.
Haar huwelijk met den rijken Pmierik Hendrik was eene uitkomst geweest, maar de herinnering aan het doorgestane leed werd nooit uitgewischt en oefende blij venden invloed. Amalia van Solms was niet onbaatzuchtig; zij nam van buitenlandsche vorsten geschenken aan, die haar goeden naam ondermijnden en haar de publieke achting roofden. Bij den vrede van Munster erlangde zij persoonlijk heerlijkheden en inkomsten, waarop zij geen de minste aanspraak had. Het was de belooning, zeide men, voor den invloed, dien zij ten gunste van den vrede op Frede-rik Hendrik had uitgeoefend.
Groote deugden stonden tegenover deze grove karakterfouten.
35
5fi AMALIA VAN' SOLMS EX MAMA STIJAllT.
Bij ha.ar huwelijk had zij de woorden des psalmdichters; //wat zal ik den Heer vergelden voor zijne weldaden?quot; tot haar zinspreuk gekozen. De herinnering aan haar moeilijke jeugd spreekt uit die woorden, die voor onverwachte redding danken. Zij spreekt evenzeer uit haar geheele leven. Amalia van Solms is eene echte Prinses van Oranje geweest, die den roem en het belang van het geslacht, welks naam zij de eer had te dragen, tot haar levensdoel had gekozen. Zij had geleerd zuinig en ordelijk in haar huishouding te zijn. Zij was het, die het vorstelijk optreden van Prederik Hendrik in de Eepubliek mogelijk maakte door haar persoonlijkheid , haar smaak, haar orde. Hoe hoog en rijk ook die levenswijze was, hoe verkwistend zij ook scheen, het fortuin der Oranje's werd er niet door gedeerd. Na den dood van Frederik Hendrik wekte zij de verbazing, ook van vreemde gezanten, door den statigen overvloed waarin zij leefde, schoon zij niet meer dan 13,000 pond sterling inkomen had. Zij werd o. a. altijd in goud gediend. Zij beminde praal en weelde, doch niet bloot voor zich zelve, ook als Prinses van Oranje. De verheffing van dit vorstenhuis was haar dierste wensch; het staande te houden onder de ongunst der tijden haar blijvende zorg. Voor den echtgenoot, over wien zij nooit het rouwkleed heeft afgelegd, richtte zij cn het Huis in het Bosch èn de prachtige Oranjezaal op, beide monumenten van haar smaak en kunstzin. Het aanzienlijk vermogen der Oranje's ongeschonden te bewaren, was haar een dure plicht, omdat zij maar al te goed wist, hoe het aanzien der wereld, ook voor vorstelijke geslachten, van finantiëele zelfstandigheid en grootheid afhankelijk is.
In de laatste jaren van Frederik Hendrik was ongemeen veel van dat vermogen gevergd. Amalia van Solms had
AM ALT A VAN SOLMS KM MA III A. STUART. 57
er zicli niet tegen verzet. Het huwelijk van haar zoon en het uitzicht op dat van haar dochter met den kroonprins van Engeland konden geldelijke opoffering ten gunste der ouders harer kinderen als een eerezaak doen beschouwen. Maar sedert was alles veranderd. Karei [ was overwonnen en de gevangene van zijn volk, dat hem in Januari 1649 het schavot deed bestijgen. Uitgaven, vroeger verschoonbaar ter wille van de eer van het geslacht, werden thans onverdedigbaar, omdat zij tot geen uitkomst konden leiden. De ijzeren vuist van Cromwell hield Engeland omvat; de hand van den verwijfden Karei II was te zwak om den troon van den Protector omver te werpen.
De Princesse Douairière â zoo werd Amalia van Solms geheeteu â zag het in, gelijk de Statenpartij in de Republiek. Maar de jonge Maria Stuart zag niets anders dan haar belang en dat van haar verwanten. Al haar invloed op Willem II werd gebezigd, om het groot fortuin der Oranje's ten gunste van haar broeders te gebruiken en de Republiek openlijk voor Karei II, den pretendent naar den Engelschen troon te doen partij trekken.
Met veel respect bejegende Willem zijne moeder. Hij raadpleegde veel met haar en luisterde naar haar voorstellingen. Maar hij deed en handelde naar zijn eigen inzicht. Hij ondersteunde zijne zwagers en hunne aanhangers op vorstelijke wijze. Zijn eigen vermogen werd ernstig aangesproken. In het Westland werden uitgebreide bezittingen verkocht, om van de opbrengst Karei II bij te staan. De onderneming der Stuarts iu 1649, om uit Schotland het verloren rijk te heroveren, werd grootendeels door hem bekostigd. Zonder eenige vrucht werden schatten voor dit doel door hem weggeworpen. De schulden en finantiëele
58 A MALI A VAX SOLMS EX MARIA STUAUT.
moeielijkhedeu, die de jeugd vau Willem III kenmerkten, vinden hun oorzaak in deze uitgaven.
quot;Zoo aan Willem II een langer leven ware vergund, zou liij de bekwaamste van zijn gelieele geslacht zijn geworden,quot; oordeelde Johan de Witt. Een jonge man van buitengewone gaven van geest en van lichaam was hij. Schrander en kundig, vijf talen machtig, bekend met staatszaken en krijgskunde, vereenigde hij in zijn persoon de traditiën en de ambitiëu van een heldengeslacht, dat, als vertegenwoordiger van de behoefte naar staatseenheid, een krachtigen aanhang in de Republiek en een groot aanzien in Europa genoot.
Bij zijn optreden als- Stadhouder was de vrede van Munster tot stand gekomen. '/.Ik brak gaarne den nek aan de onverlaten, die haar hebben gemaaktquot;, barstte Willem eens uit. De heftigheid der woorden beantwoordde aan de heftigheid van zijn karakter. Zelfbeheersching is niet het gewone deel van den twintigjarigen leeftijd, zij is de vrucht van teleurstelling en levenservaring.
Yerwondering kan zijn afkeer van den vrede niet wekken. Deze was voor hem èn als militair èn als politiek persoon het ergste, wat hem treffen kon. Zij verlamde hem en maakte hem machteloos. Zij veroordeelde hem tot de ondergeschikte rol van Stadhouder van vijf gewesten, wiens rechten en bevoegdheden zeer onbepaald, dus voor schending zeer vatbaar waren. Hij was de eerste van zijn huis, wien de gelegenheid werd ontnomen, om door de lauweren van den krijg zijn aanzien te vergrooten, zijn invloed onmisbaar en zijn overwicht heerschende te maken. De jonge adelaar zag zich de vleugelen niet geknot, maar gebonden. De vrede doemde hem tot een afhankelijke plaats, waar hij de eerste voor zich eischte. Ook indien Maria zijne eerzucht
AMALIA VAX SOT,.MS EN MAMA STUART. 59
niet geprikkeld liad, was deze groot genoeg, om hem op liaar wegen te leiden. De onstuimiglieid van zijn karakter liet geen kalm wachten op een omkeer der fortuin toe.
Doch de omstandigheden kwamen hem te hnlp. De fouten zijner politieke tegenstanders effenden hem den weg.
Onmiddellijk na den vrede brak verdeeldheid uit. Holland wilde het grootste deel des legers afdanken, om de hernieuwing van den krijg te voorkomen. De landprovinciën en de Stadhouder stonden tegen Holland over. Maar het overmoedige gewest bekreunde zich niet om de voorschriften der Unie, het tastte eigenmachtig door. Het dreigde zelfstandig over de troepen der Unie te beschikken en ze naar huis te zenden. In anderen vorm was het de herhaling van den strijd van 161S. Weer stond, als eertijds Maurits, de Stadhouder aan het hoofd der gewesten, die de Unie wilden handhaven en Holland aan den wil der meerderheid onderwerpen.
De feiten zijn bekend. In den Haag werden de leiders van Holland gevangen genomen en als staatsgevangenen naar Loevestein gevoerd. Over de Gooische heide trokken de troepen van den staat, op last des Stadhouders, naar Amsterdam, om het tot toegeven te dwingen. De aanslag op de groote handelsstad is mislukt, maar de coup cVétat feitelijk geslaagd. Grooter dan te voren was liet gezag van den Stadhouder, alles bukte voor hem.
Wij hebben geen brieven van Maria Stuart uit deze dagen, maar toch weten wij, wat zij zouden behelzen: een juichkreet over de vernedering der vijanden, de voorstanders van den vrede. De overwinning over Holland was de zegepraal der oorlogspartij.
Groote, veelomvattende plannen worden aan Willem toe-, geschreven. Laten zij waar of onwaar zijn, zij teekenen,
60 AM A LI A VAN SOI, MS EX MARIA STUAIIT.
wat de ontwikkeling der gebeurtenissen mogelijk en waarschijnlijk deed achten. In verbond met Frankrijk, zouden de Zuidelijke Nederlanden worden veroverd en verdeeld. Een zelfstandig vorstendom op Belgisch grondgebied zou den Prins van Oranje deu weg tot de souvereiniteit ook in de Noordelijke gewesten banen. De vereende krachten van Frankrijk en de Republiek zouden de Stuarts op den troon van Engeland herstellen.
Blijde zag de trotsche koningsdochter de toekomst te ge-moet. De kroon, aan den vader, door geweld ontnomen, zou aan den geliefden broeder worden hergeven. Het gevallen geslacht der Stuarts zou in eere en grootheid worden hersteld, de echtgenoot, dien zij geëerd had door haar hand, aan het hoofd van den staat, en zij niet langer de gade van der Staten ambtenaar zijn.
Het was October 1650. Maria was in den Haag, de geboorte van haar eerste kind verwachtende. Willem was te Dieren, de pas aangekochte bezitting, die hem zulk een uitnemende gelegenheid tot de jacht verschafte. Naar hartelust gaf hij er zich aan over, dagen, ja geheele nachten door de bosschen ronddwalende. Daar kwam â het was in de laatste dagen der maand â een booze tijding naar de hofstad: de Prins was ziek geworden. De boerenhofstede te Dieren was geen geschikt ziekenleger voor den kranke. In zijn vorstelijk jacht werd hij over Eijn en Lek en Maas langs Rotterdam naar den Haag gevoerd. Daar bleek de koorts slechts de geleidster van een ernstige kwaal te zijn. De ziekte der eeuw â kinderpokken â openbaarde zich. Zorgvuldig werd de jonge vrouw, om haar en haar kind voor besmetting te bewaren, van het krankbed verwijderd gehouden. Trouwens er dreigde geen gevaar. De loop der krankheid was natuurlijk, het krachtig gestel van den jongen
AM ALIA VAN SOLUS EN MARIA STUART.
man â hij was nog geen 25 jaar â deed op redding hopen, op herstel vertrouwen. Zoo heette het. Maar plotseling kwam er omkeer; de reeds genezende kranke stortte in, en het lichaam, door zooveel uitspanningen en uitspattingen afgemat, zonk ineen. Zondag avond , 6 November, was hij stervende. Haastig werd de Prinses-weduwe van het gevaar, dat zoo eensklaps ontstaan heette, onderricht. Des nachts om twaalf uur waren de twee vrouwen te zamen, in dezelfde woning, waar het sterfbed van dien jongen man lag gespreid, op wien zoo veel hope was gebouwd. //Niemandquot; â schreef een tijdgenoot â //heeft de zuchting, de //klachte, de tranen, de droevighe teekenen en de woorden, //die daar omgingen, kunnen sien, zonder dat zijn hart in //tranen versmolt. Want de eerste bedreef rouw over den //onrijpen dood van haar eenigen zoon, de kroon haars //ouderdoms. En de andere over het ontijdige wegrukken //van den eenigen steun van haar bebloede huis en den '/doorluchtigen vader van dat lang verhoopte kind, dat zij //in haar schoot bewaard had, om het hem eerlang met '/vroolijke dankbaarheid in de armen te geven.quot; 1
Wat is er gedurende die vreeselijke uren, toen haar alles ontzonk, in dat trotsche vrouwenhart omgegaan !
Nog weinige oogenblikken â en de doodstrijd was voorbij.
III
Het zou een schoon en vriendelijk tafereel zijn, indien ik u de beide vrouwen, in vriendschap en liefde vereenigd, om de wieg van het jonge kind mocht schetsen, dat, acht dagen na 's vaders dood geboren, de eeuige stamhouder van het geslacht des Zwijgers was. Het zou schoon en liefelijk zijn, maar volkomen onwaar.
61
1
Stermont bij Aitsema, XXX bock. 124.
63 AMALIA VAN' SOLMS EX MAMA SÃÃAUT.
Amalia van Solms had zich vereenzelvigd met het geslacht, welks naam zij droeg; de Princesse Royale, Maria Stuart, niet. Ofschoon sedert jaren in het land, was zij hier vreemd. Zij sprak de taal des volks niet en verstond ze ter nauwernood. Zij was Engelsche van hart en gezindheid, en bovenal eene koningsdochter. Opgevoed in de leer van de absolute koninklijke macht, had zij gezien, hoe een oproerig volk vermetel de hand tot verzet durfde opheffen, en hoe die godslasterlijke opstand was geslaagd. Haar vader was martelaar geworden, haar moeder en broeders waren bannelingen op vreemden grond, bedelaars aan vreemde hoven.
Wat een negentienjarig meisjeshart, rijker aan hartstocht dan aan ervaring, aan wrok en haat tegen denkbeelden en personen kon bevatten, dat gloeide in het hare. En met te heeter gloed, naarmate zij liet meer verbergen moest. In de Nederlanden moest zij leven en ademen onder een volk van burgers, republikeinen, inenschen van gelijken stand en van gelijke denkbeelden als ginds, in Engeland, over haar vader en de haren hadden gezegevierd. Te trotseh om te klagen, behandelde zij de Hollanders, allen Crom-wellianen, naar zij zeide, met kwetsende minachting. //Wij maakten onze opwachting bij de Princesse Royale,quot; schrijven een paar jonge Hollandsche edelen, die haar eens te Brugge bezochten; //zij ontving ons als gewoonlijk, d. i. koud, zouder een enkel woord te spreken. Zulk een houding voegt niet meer in onzen tijd, hoe groot de vorstelijke personen ook zijn.11 1 En als het volk waren Willem^ betrekkingen. Zij mochten deelen in haar smart, zij deelden haar wrok niet. Sympathie voor haar gevoelens vond zij noch bij de Douairière, noch bij de zusters van haar echtgenoot. Te minder, omdat de sympathie voor haar
1 Faugère, Voyage u Paris, p. 12.
AMALIA VAN SÃLJIS EN MARIA STUA11T. 63
denkbeelden erkenning van haar eischen als Koninklijke Princesse van Engeland insloot. Zelfs met de edele, vrome dochter van Prederik Hendrik, de beroemde keurvorstin van Brandenburg, raakte zij over kwestiën van etiquette en voorrang in onmin. Dit burgerlijk geslacht â de schoonmoeder was niets dan een Duitsche gravin â stond te ver beneden haar, om met haar te sympathiseeren.
Slechts één kring was er, waarin zij zicli te huis gevoelde: het was de kring van haar eigen verwanten. Haar broeders waren uit Engeland gevlucht, gelijk talrijke stroomen van aanhangers. De oudste der broeders, de prins van Wales, was na vaders dood het hoofd van haar geslacht. Aan hem voelde zij zich verbonden, niet alleen als minnende zuster, maar ook als jonger lid des gezins. Hem vereerde zij als haar koning en haar hoofd; hij nam voor haar de plaats van den vermoorden vader in. Hij regeerde haar en haar huis; naar zijn goeddunken vroeg zij, zijn wensch was haar wet. Slechts zelden, als haar eigen hart in het spel kwam, waagde zij verzet. Desniettemin zou Karei op meer tegenstand hebben gestooten, indien hij minder indoleut en minder toegefelijk geweest was. Want Maria was luimig en koppig, als een onontwikkelde vrouw, die meer naar haar gevoel, naar haar sympathieën en antipathieën vraagt, dan naar verstandelijk overleg. Maar door tijdig toegeven en vieren behield Karei zijn overwegenden invloed en slaagde er in, al de jaren van zijn ballingschap van haar als Princesse van Oranje de grootst mogelijke voordeelen te trekken. Want niet de belangen van haar kind gingen haar in de eerste plaats of ook maar ernstig ter harte. De herstelling van haar geslacht op den troon van Engeland was haar eerste en laatste gedachte. Haar koning en broeder terug te voeren aan het hoofd van het
64 A MALI A VAN SOL.US EX MARIA STUART.
volk, dat de misdadige handen aan liaars vaders leven had geslagen, dat was het ideaal van haar leven. Voor de verwezenlijking daarvan was geen opoffering, geen inspanning te groot. Alles moest er voor wijken, alles er voor bukken. Niet haar zoon, maar koning Karei II van Engeland, nam de eerste plaats in haar hart en leven in.
Acht dagen na den dood van haar echtgenoot werd zij moeder, en aanstonds bleek het, welk een geest haar bezielde. Zij wilde dat kind den naam van haar vader en broeder, niet dien van zijn vader schenken; het zou Karei, niet Willem heeten. Alsof een Karei van Oranje de erfgenaam der historische traditiën en der volksgehechtheid kon zijn! Slechts onwillig, gedwongen door de Oranje's, liet zij haar voornemen varen en gaf zij toe.
Maar een ernstiger geschil volgde, waarin zij 'niet toegaf. De Prinses Douairière, die haar sclioondochter kende, begreep het gevaar, dat dreigde. Maria Stuart zou het vermogen van haar kind voor haar broeder gebruiken; in den bodemloozen put van het verkwistend geslacht zou het spoorloos verdwijnen. Om het te voorkomen, trad Amalia van Solms tegen de moeder op, die, pas negentig jaar oud, zelve nog onder voogdij zou staan, zoo zij niet gehuwd ware, en daarom, naar de oude Prinses beweerde, geen voogdesse over haar kind kon zijn. De bewering was stout, al te stout, maar zij was een voorwendsel om het ware doel te verbergen. Men wilde haar het beheer der prinsengoedereu ontnemen en beletten, dat zij eigenmachtig er over beschikte. Na maandenlangen strijd en kamp voor het Hof van Holland en den Hoogen Eaad werd eindelijk de zaak bij schikking uitgemaakt. Maria werd voogdesse, maar Amalia van Solms en de keurvorst van Brandenburg werden toeziende voogden. De handen der jonge prinses
AM ALIA VAN SOLMS EN MAIIIA STUAKT. (iö
werdeu gebonden, zoodat zij de goederen van haar zoon niet vervreemden kon. De aanzienlijke inkomsten alleen kon men liaar niet ontnemen, zoodat zij nog altijd een zeer ruime gelegenheid had om haar broeders te bevoordeelen.
Amalia van Solras had in dezen strijd de ware belangen van het huis van Oranje voorgestaan. Jammer dat zij zich telkenmale door de heftigheid van haar karakter liet mede-sleepen tot hartstochtelijke woorden en daden, die weinig met haar hoogen rang in overeenstemming waren. De verachtende kalmte der Princesse Royale prikkelde haar drift, zoodat zij telkenmale zich vergat. Voor haar aanzien in de Republiek had meer zelfbeheersching niet geschaad.
Bij zulk een verhouding der hoofdpersonen was noch eenstemmig, noch krachtig handelen te verwachten. Hun verdeeldheid ontsloeg ook anderen van samenhouden. De Oranjepartij viel uiteen. De triomfeerende Staten zagen zich door de hovelingen des Prinsen het hof gemaakt. Waar de arenden vallen, komen de roofvogels te zamen. Een ieder, zelfs de eigen familieleden, poogden een deel van den buit te bekomen. Jacob Cats, die jaren achtereen de gedienstige en dienstwillige dienaar van Frederik Hendrik was geweest, rechtvaardigde de algemeene ontrouw. quot;De Prins van Oranje was een schoone luchter geweest in het paleis van staat. Maar hij kon gemist worden, omdat de pylaren, die het gebouw steunden, de Staten der provinciën, niet ontbraken ,quot; meende hij.
Tegenover de machtige provincie Holland, geleid door de vaste hand van Johan de Witt, ware de Oranjepartij machteloos geweest, ook indien deze vrouwen steeds hadden samengewerkt. Maar dit vermindert de schuld van Maria Stuart niet, die, koel en koud voor de belangen van haar zoon, slechts zelden in zijn belang deed, wat zij doen
AMALIA VAN SOLMS EN 11 AIMA SXÃAKT.
moest, en meer nog verzuimde dan handelde. Slechts zeer enkele malen, bijv. bij de acte van seclusie, heeft zij met Amalia van Solms één lijn getrokken eu deel genomen aan de maatregelen, die ten bate van haar kind moesten komen. Maar zij bekreunde er zich weinig over eu dacht en leefde slechts voor hare broeders. Terwijl Amalia van Solms al het mogelijke deed, ja zelfs zichzelve zocht te beheerscheu, om met Johan de Witt eu de machtige Hollandsche partij op redelijken voet te blijven eu hun elk voorwendsel tot ongunstige besluiten te ontnemen, scheen Maria zich ten doel gesteld te hebben, om door haar tartende houding de Staten te verbitteren en door haar onverschilligheid de aanhangers van Oranje te vervreemden;
Na den eersten oorlog met Engeland had de Republiek erin bewilligd, dat de Stuarts niet hier te lande zouden verblijven. Cromwell en de Staten wilden niet, dat dit land hun tot arsenaal zou dienen, om de opstanden in Engeland te voeden. Maria deed, als ware zij boven alle bepalingen verheven. Zij ontving den Prins van Wales en de andere broeders op Teylingen, in den Haag en verscheen met hen in het publiek. Ballingen openbaren op vreemden bodem zelden de deugden, die zij te huis bezaten; met de martelaarskroon in eigen oogen gesierd, voelen zij zich boven de bewoners van liet land, dat zij met bun tegenwoordigheid vereeren. De Stuarts en kun aanhang waren bij niemand hier te lande geliefd en verdienden het ook om hunne levenswijze niet. Slechts de Princesse Royale onderscheidde hen. Zij leefde met en onder de ballingen. Engelschen omgaven haar en haar zoon, als het eenig voegzaam gezelschap. En toen de samenkomsten met de broeders in Holland verboden werden, trok zij naar Breda, de heerlijkheid van de Oranje1 s, eu maakte het tot het brandpunt
66
AJIALIA VAN SOI,MS EN MAMA STUART.
eu broeinest van alle samenspanningen en opstanden in Engeland.
Onder de lieerscliappij van Johan de Witt eu liet drukkend overwicht van Holland, trouw te blijven aau het Oranje-geslacht, mocht verdienstelijk heeten. Maar op erkenning van de zijde van Maria, de moeder van den jongen Willem, mocht geen Oranjegezinde hopen. Om haar gunst te genieten, werd meer vereischt. Men moest haar voorliefde voor haar broeder deelen of voorwenden. Zij, die het deden, verkregen gemakkelijk invloed op haar. Gunstelingen regeerden haar jaren achtereen, en onderhielden in hun eigen belang de gespannen verhouding tot Amalia van Solms en de verwijdering van anderen, wier raad haar ten goede kon komen. quot;De Princesse Royalequot; â schreef Mazarin in 1658 â-quot;kan door haar aard en haar Engelsche opvoeding er niet toe komen, om de invloedrijke mannen in den staat door hoffelijkheid eu kleine vleierijen voor zich te winnen. Zij acht dat beneden haar waardigheid. Ook om de aanhangers van haar Huis bekommert zij zich niet; zij doen slechts hun plicht, als zij trouw blijven, zegt zij.quot;
Er was niets, waar Maria zicli om bekommerde, dan het belang der Stuarts. Met volle handen strooide zij het geld van haar zoon onder haar broeders en de Engelsche ballingen uit. Meer dan de helft van haar jaarlijksch inkomen, de renten van Willem's vermogen, schonk zij aan hen weg. Nu eens betaalde zij de onkosten van de oproerige bewegingen en onlusten, door de aanhangers van het gevallen vorstenhuis in Engeland verwekt. Dan was zij de rijke gastvrouw van haar broeder en zijn hof te Spa of bij rondreizen en bezoeken aan de keurvorsten aan den Rijn. Reeds in 1654 was het zoo ver gekomen, dat in haar eigen omgeving stemmen opgingen, dat zij haar eigen
67
All ALIA VAN HOLMS EX -MAMA STUART.
kind zou bestelen, om de zaak van haar broeder te be-voordeelen. Ieder, die van Karei1 s wege tot haar kwam, vond haar bereid, zijn bede in te willigen, of hem te plaatsen in betrekkingen, waarover zij beschikken kon. De ergernis, die haar verkwistende vrijgevigheid met het fortuin der Oranje's wekte, leidde een korten tijd tot het bevel, dat de begenadigden het stilzwijgen over de ontvangen giften moesten bewaren. De trotsche prinses had de noodzakelijkheid er niet van ingezien. De republikeinen, die in Engeland eu in de Nederlanden de macht in handen hadden, achtte zij onwaardig om tegenover hen haar gevoelens uit te spreken. Zij uitte ze door hare daden, en geen bedenkingen van voorzichtigheid golden voor haar. Toen zij met haar broeder Aken bezocht en het graf van Karei den Groote, zag men den Engelschen prins zijn degen meten met dien van Charlemagne en zijn zuster het doodshoofd vau den grooten monarch kussen. De toon, die aan haar hof heerschte en de denkbeelden, die ei-openlijk werden uitgesproken, waren geheel in overeenstemming met haar monarchale gezindheid. Een van haar kapelaans sprak openlijk uit, dat liet geen zonde was, den Protector van Engeland te dooden. Geen wonder, dat het hof en de omgeving van de Prinses-weduwe van Oranje zoowel door de regeering van Engeland als door die onzer Republiek nauwlettend werd gadegeslagen en bespionneerd.
Voor Amalia van Solms en de trouwe aanhangers van het nu zoo vernederd Oranjehuis was het een voortdurende ergernis, deze trotsche en onnadenkende lichtzinnigheid, verbonden met zooveel gebrek aan kieschheid en ontwikkeling, aan te zien. Maar verandering erin te brengen was onmogelijk. Een paar malen scheen de goede verstandhouding tussclien schoonmoeder en schoondochter hersteld.
68
A1IALIA VAN SOLMS EN MAMA SÃUAUT. 69
maar steeds voor slechts korten tijd. Dat de Princesse Royale zich verlaagde, om in hare correspondentie met Karei de complimenten van een zijner maitressen, de moeder van den lateren hertog van Monmouth, over te brengen en gekheid over de ontrouw dier vrouw te maken, wist zeker Amalia niet en zou haar waarschijnlijk onverschillig zijn geweest. Maar des te beter wist zij, wat haar niet onverschillig was, dat geen vertoogen, van wien ook, Maria konden bewegen om haar wil of lusten prijs te geven ter wille van haar kind. In 1656 werd zij door haar moeder, de weduwe van Karei I, verlokt om naar Parijs te komen. Haar eigen hofhouding, mannen die zij gewoon was te vertrouwen en te volgen, ja Karei IT zelf ontried het haar. Het belang van den jongen Willem III eischte gebiedend, dat zij in de Nederlanden bleef. Niets mocht baten. Haar moeder had haar het uitzicht geopend op de hand van den jongen Lodewijk XIY. Wat kon daartegen opwegen ? Met een trein van zestig paarden en de opbrengst van de Oranje-goederen gedurende eenige der volgende jfiren, die zij opgenomen had, om schitterend te kunnen optreden, vertrok zij. Tien maanden bracht zij er door, en zij keerde niet weder, dan versterkt in hare monarchale gevoelens en bezield met nieuwen afkeer en haat jegens de Republiek en de republikeinen.
En te midden van dit leven zijner moeder groeide de knaap op, die, evenbeeld van moeders gestalte en erfgenaam van 's vaders groote gaven, den naam van Oranje hooger zou verheften, dan een zijner vaderen. Zoo zij voor haar broeder werkte, het was tevens voor hem, zeide zij. De herstelling van Karei II in Engeland zou de verheffing van haar zoon in de Nederlanden ten gevolge hebben. De republikeinen in Holland zouden het niet wagen,
A MALI A VAN SOLJIS EN MAMA STUAllT.
liaar broeder, nis liij uit de volheid zijner koninklijke macht Imn zijn wil deed verstaan, te weerstreven.
Zoo zij werkelijk deze meening, die. tot verdediging van liaar gedrag moest dienen, heeft gekoesterd, is zij bitter teleurgesteld. Want de uitkomst lieeft liaar volkomen gelogenstraft.
In 1658 stierf Cromwell en in het volgende jaar werd het gebannen vorstengeslacht der Stuart's op den troon van Engeland teruggeroepen. Te Breda, in het kasteel dat aan de Oranje1 s behoorde, ontving koning Karei II de afgezanten van het Parlement, die hem de onderwerping van land en volk kwam aankondigen. De natie, den burger-strijd en het militair despotisme moede, riep hem op den troon zijner vaderen terug.
Het was een heerlijk oogenblik voor Maria, toen zij ook de afgevaardigden der Staten zag naderen, om haar broeder hun hulde aan te bieden. Zij, die hem verdreven hadden van hun grondgebied en haar lastig gevallen om de trouw aan haar geslacht, bedelden thans om zijn gunst en haar voorspraak. Het uur van haar zege scheen nabij. Gelijk Engeland voor den Stuart, zou de Nederlandsche Republiek het schuldige hoofd voor haar zoon, den Oranjetelg, buigen. Hoe zouden allen beschaamd staan, die haar wijs beleid hadden afgekeurd, haar waardige minachting der onwaardige republikeinen gelaakt!
Toen zij met haar broeder zijn intrede in den Haag had gedaan, scheen het oogenblik gekomen, om wenschen te uiten, die door Karei II op voorzichtige wijze werden gesteund.
Maar noch het een, noch het ander baatte. De statenpartij gaf schatten uit, om den Stuart feestelijk te onthalen. Aan wijn noch toosten was gebrek. Maar de aandrang ten gunste van haar zoon werd met woorden beant-
70
A MALI A VAX SOLMS EX MAMA STUART.
woord; verzekeringen van welwillendheid, beloften voor de toekomst, wissels op de eeuwigheid.
Toen alle pogingen vruchteloos bleken, besloot zij het gehate land te verlaten. Zij kon niet langer ademen in deze republikeinsche lucht: niet langer leven onder een volk, dat zij verachtte. Slechts het schitterende hof van Karei II was een haar waardig verblijf; te midden der weelde van de herstelde monarchie kon zij leven.
Den 30 September 1660 ging zij scheep. In den Briel nam zij afscheid van haar zoon, die gedoemd was hier te blijven, afscheid van het land, waarheen zij nimmer weer zou keeren. Zoo spraken zij, die haar vertrouwen genoten en haar geheime plannen kenden.
Zij spraken de waarheid, meer dan zij zelve wisten. Want Maria zou nooit dit land noch haar kind wederzien.
Schitterend in Engeland ontvangen, door hofdichters begroet, door haar broeders met warmte welkom geheeten, doorleefde zij tien wekeu van genot en geluk. In de tweede helft van December werd zij ziek. Ue kwaal, die Willem II ten grave had gesleept, sloopte ook haar. Den 24 December 1660 sloot zij de oogen.
Met lijkredenen en lijkzangen in alle talen der wereld werd zij betreurd. Het koninklijk huis, geheel Engeland treurde. quot;Haar teedere liefde voor den koning, haar zorgen voor hem in de dagen van rampspoed, verdienen met diamanten stift in onvergankelijk erts te worden gegraveerd.quot; Zoo zongen de koningsgezinde schrijvers haar lof.
En tocli werd zij door dat ondankbare hof vergeten. Na acht dagen schreef een hoveling: niemand denkt meer aan haar, niemand spreekt meer van haar.
In de Abdij van Westminster ligt zij begraven, in de kapel van Hendrik VII.
71
7:1 AMALIA VAX SÃL.MS EN MAMA STUART.
Geen zerk wijst de plaats aau, waar de vrouw rust, die het leveu scliouk aan een der grootste vorsten van Engeland. Willem UI heeft wel een monument voor eene Maria Stuart opgericht, die hem lief had gehad, maar het was deze niet.
Zij was slechts Prinses van Engeland geweest, maar geen moeder.
IV
Slechts zelden is een politieke partij machteloozer geweest, dan de Oranjepartij in de Nederlandsche Republiek tia lf550. Twintig jaar lang heeft zij geworsteld met een samenloop van omstandigheden, zoo ongunstig, als ooit aan het bereiken van een doel heeft in den weg gestaan.
Zij had in die jaren geen leider en geen hoofd. Hij, die het hoofd moest zijn, was een kind, zwak van gezondheid, opgroeiende onder invloeden van den meest tegen-strijdigen aard. Aan de eene zijde een jonge moeder, die voor niets oog had dan voor Engeland en het volk minachtte, waartoe hij behoorde, haar leven wijdende aan belangen, die met de zijne slechts zijdelings in verband stonden. Aan de andere zijde een bejaarde grootmoeder, heftig van aard, schijnbaar buigende voor hen, die hij als zijne vijanden moest beschouwen. Tusscheu die twee vrouwen bracht hij de eerste tien jaren zijns levens door; en toen hij wees werd, moest hij eerbied betooneu aan de vijanden van zijn persoon eu zijn huis, omdat het lot hun ook over hem macht had geschonken. Zoo deze knaap een man is geworden van de grootheid van Willem III, itioet de fee, die aan zijn wieg stond, hem wel rijkelijk met haar beste gaven hebben bedeeld. Want wat hij werd, had hij niet aan zijn opvoeding te danken.
AM ALIA VAN SOLUS KN MARIA STUART
Toch inoclit Ainalia van Sohns zieh in later jareu met volle recht beroemen, dat zij alles gedaan had, wat in haar vermogen was, om haar kleinzoon den weg te banen.
Toen Maria Stuart in den vreemde overleed, had haar jeugdige zoon door haar schuld een zwaar verlies geleden. Het prinsdom Oranje, midden in Frankrijk gelegen, was door Lodewijk XIV bezet. De onnadenkende moeder was er de oorzaak van. Uit verbittering, dat de gouverneur van Oranje weigerde haar gezag te erkennen, had zij Frankrijk s tusschenkomst ingeroepen, zonder te luisteren naar den raad van hen, die het gevaarlijke van dien stap haar voor oogen stelden. De leeuw, tot beslissing van een familietwist ingeroepen, had, als steeds in de fabel en in de werkelijkheid, zich het leeuwendeel toegekend. Hij had liet prinsdom eenvoudig aan den wettigen eigenaar ontnomen. Rechtmatig was de toorn der Prinses Douairière geweest, en openbaar haar onwil tegen de Princesse Royale, die op zulk een wijze haar eigen kind benadeelde. Toen Maria in 1660 naar Engeland vertrok, liet Amalia van Solms haar gaan, zonder eenig afscheid van haar te nemen. Het viel de grootmoeder te zwaar, vriendschap te huichelen voor eene moeder, die haar eigen zoon beroofde.
Het prinsdom Oranje uit de handen van Frankrijk terug te winnen, werd thans haar vurigste streven. Doch wat zou de oude vrouw, zonder krachtigen steun, tegen een over-machtigen Lodewijk vermogen? De invloed van Engeland kwam haar te hulp. Maar niet alleen Engeland, ook de Staten-Generaal der Republiek. De staatkunde van Johan de Witt leende zich gewillig, om voor de rechten van den Prins van Oranje in den vreemde te pleiten.
Voor een deel was deze gewilligheid der Nederlandsche Republiek de vrucht van Engelands betoogen, voor een
73
7:|i AM ALIA VAN KOT.MS ENT JEA11IA STUAKT.
antler cleel van Amalia's beleid. Hoe zij ook dacht en oordeelde over de politieke partij, die na 1650 liet roer van staat in handen had, de Prinses Douairière wist hare persoonlijke meeningen te onderdrukken, om alleen voor haar kleinzoon werkzaam te zijn.
Gedurende al de jaren van het bestuur van de Witt heeft Amalia met hem in betrekking gestaan. Tusschen die beiden heeft geen openbare vijandschap geheerscht. De machtige raadpensionaris bekommerde zich uiet veel om de oude vrouw. Jaren gingen soms na 1C50 voorbij, dat hij den drempel harer woning niet betrad. Maar het belette hem niet, tot haar te gaan, waar hij meende dat hij haar tegenkanting door persoonlijken invloed kon beheerschen. En naar zijne lofredenaars te oordeelen, is hij steeds geslaagd. Zij heeft telkens voor zijne meerderheid gebogen en zelfs in de vijandigste maatregelen berust.
Er is geen grond, om zich daarover te verwonderen. Amalia van Solms kon uiet anders. Aan feitelijk verzet tegen Hollands overwicht was niet te denken. Wachten, geduldig wachten was de les, die het leven aan deze ongeduldige vrouw in haren ouderdom op de smartelijkste wijze leerde. Een mannelijk bondgenoot, in staat om aan het hoofd der Oranjepartij tegenover Johan de Witt op te treden, was er niet. Wat die schijnbare berusting haar kostte, bleek in sommige oogenblikken. Toen de acte van seclusie in 1651 haar alle uitzicht scheen te ontnemen, beduidde Johan de Witt haar, dat het zoo goed was. Zij bedwong zich, zelfs zoo verre, dat zij de Staten met den gesloten vrede deed gelukwenschen. Met een ziekte betaalde zij den dwang, dien zij zich had aangedaan.
Amalia van Solms stond in ontwikkeling vrij wat hooger dan haar schoondochter. Zij gaf zich helder rekenschap
A MALI A VAN SO LAIS EN M AIM A STUART.
van de geringlieid liarer krachten eu stelde zicli tevreden, te doen wat zij kon. De kwetsende overmoed, die Maria had gekenmerkt, was haar vreemd. Zij boog, om zich telkens weder op te heffen, en nooit verloor zij haar doel uit het oog. Zij wist dat zij alleen stond in de Republiek, zonder den raad en de hulp van een krachtig man. Zij bleef met de leiders van het machtige Holland op redelijken voet, om door hen stap voor stap langzamerhand te verkrijgen wat zij wenschte. Daaraan had zij de hulp der Republiek tegenover Frankrijk en Spanje te danken en de herstelling der jammerlijk verwaarloosde finantiëele belangen van het Oranjehuis.
Maar zij hoopte meer te verkrijgen. Xa 1660, toen de taak der voogdij geheel op hare schouders werd gelegd, was het haar voortdurend streven, de Statenpartij voor den jongen Willem III belang in te boezemen. Zoo de Staten aan de opvoeding van haar kleinzoon, op welke wijze ook, deel namen, dan werd metterdaad de erkenning uitgesproken, dat het Oranjehuis iets anders in de Republiek was, iets meer voor haar beteekende, dan eenig ander geslacht. Het is jarenlang haar streven geweest, hen, die de vijanden der Oranje's waren, door beleefde verzoeken en vriendelijken aandrang tot het opnemen der voogdij te bewegen. De oude, beleidvolle Prinses rekende op den tijd als haar bondgenoot; op den jongen Willem III, die te midden van het volk opgroeide en aan wiens zeldzamen aanleg zelfs zijne tegenstanders hulde brachten; op de noodzakelijke reactie, die de druk van Holland op de andere provinciën moest in 't leven roepen; op de misslagen van het oligarchisch bewind, dat het volk tegen zich verbitterde; eindelijk op Johan de Witt zeiven, wiens talenten, door haar ten volle erkend, te groot, wiens heerschappij te zwaar, te drukkend
7.quot;)
7() A1IALIA VAN SÃLMS EN MAUIA STUAKT.
was,* om niet jaloezie, ja verzet wakker te roepen. De koop op een betere toekomst is de troosteres der onge-Inkkigen en der minderheden.
//Gedenk aan Loevesteinquot; liad, naar de traditie zegt, de oude Jacob de Witt steeds aan zijne kinderen voorgehouden. Het is onverschillig, of liet woord ooit uitgesproken is. De geniale staatsman, die achttien jaar de Republiek regeerde, heeft Loevestein nooit vergeten. Alles, wat vindingrijkheid en staatsbeleid aan de hand konden doen, heeft hij aangewend , om de opkomst van het Oranjegeslacht te beletten. Jaren achtereen werkte hij in die richting, zonder op verzet te stooten dan alleen bij zijne tegenstanders. Maar de tijd kwam, dat in de rijen zijner eigen aanhangers stemmen tegen hem opgingen. Hij was hun te machtig geworden. Hij eischte te blinde volgzaamheid ook van hen. De regenten-aristocratie, die aan hem haar heerschappij in de steden dankte, gevoelde zich vastgeworteld. Zij had zijn ijzeren hand, die zoo zwaar op haar drukte, niet meer noodig om staande te blijven. Ook indien hij viel, kon zij de heerschende zijn. Zij deelde zijn onverzoenlijken wrok niet tegen de Oranje's en sloot de oogen niet voor den aanwas der partij, die den jongen WilleX III trouw was. Amalia, van wie een Fransch agent, uit boosheid over haar afkeer van Frankrijk, het getuigenis geeft, dat zij liever kwaad deed dan stil te zijn, gebruikte haar invloed voortdurend, om in Zeeland en de andere provinciën de aanhangers te bemoedigen, die op verheffing van haar kleinzoon aandrongen. Maar wie ook boog en toegaf, Johan de Witt niet. En de Douairière kende zijn macht te goed. om den boog te snel en te sterk te spannen. Toen in 1666 zich een krachtige beweging verhief, om den zestienjarigen knaap tot generaal der ruiterij te verheffen, wekte zij door
AJIALIA VAN KOL.MS KN MA11IA STUA11T.
hanr houding den toorn en allerlei booze vermoedens van de aanhangers van haar Huis op. Zij liet zich door de Witt bewegen, om bij de Staten een verzoekschrift in te dienen, dat de jeugdige Willem tot kind van staat werd aangenomen. Verraad! jammerden velen der Oranjepartij. Maar de oude vrouw - had niet verraden, zij had slechts beter berekend dan de blinde menigte. Immers de invloed van de Witt was nog niet gebroken en de aanhang der Oranje's in Holland niet sterk genoeg. De uitkomst bewees , dat zij goed had gezien, toen na het eindigen van den krijg de Witt's politiek een laatste groote overwinning behaalde. Het Eeuwig Edict schafte het stadhouderschap in Holland af â op het papier.
ïe midden van dien strijd der partijen, van die verdeeldheid in den eigen aanhang, van dat verschil van inzicht tusschen bloedverwanten en raadslieden, groeide de jonge man op, die den historischen eerenaam van Prins van' Oranje droeg en ten volle zich van zijne rechten en aanspraken bewust was. Slechts onwillig had hij voor de grootmoederlijke autoriteit gebogen, die hem aan de cura-teele der Staten onderwierp. En zwijgende ontving hij het onderwijs van de Witt, de geslotenheid der moeder met de stoute vlucht des vaders in zijn karakter vereenigende. Zoo hij dien man heeft gehaat, die hem inleidde in het staatsrecht der Republiek, het was te vergeven. Met welke oogen moest hij den staatsman aanschouwen, die, terwijl hij heette hem te ouderwijzen, om hem voor liet bekleeden der hoogste betrekkingen geschikt te doen zijn, het Eeuwig Edict ontwierp, dat de kansen op die vaderlijke waardigheden hem ontnam?
Men verhaalt, dat, toen liet stadhouderschap was vernietigd, de Dordsche pensionaris Vivien zich eens in de tegen-
77
AMALIA VAX SOLMS EN MARIA STUART.
woordiglieid van de Witt vermeide, den loeren band van | een boek met een pennemes aan reepjes te snijden. quot;Wat doet ge toch?quot; vroeg de raadpensionaris verwonderd. quot;Ik probeerquot;, was het snijdende antwoord, quot;Wat het perkament vermag tegen het staal.quot;
Dat woord bewijst, wat er omging in de gemoederen, en hoe weinig zelfs zij, die tot de Witt's aanhang werden gerekend, aan den duur dezer heerschappij geloofden. Toch is hij niet gevallen door de macht zijner binnenlandsche tegenstanders. De oorlog met het buitenland, de krijg met Frankrijk, dat jaren lang hem gesteund had, heeft hem van het staatsbestuur verwijderd en Willem III op de plaats zijner vaderen gesteld. Tot het laatste oogenblik toe heeft de Witt gekampt voor zijne partij, en hij heeft de trouw aan zijne overtuiging en aan zijn haat met den dood betaald.
Er was niet een enkel persoon, die zich den roem kon toekennen, deze uitkomst door zijn staatkundig beleid te hebben bewerkt. De beweging van 1672 was de spontane uiting van volksliefde en volkshaat. De historische redder van het volk uit nood en ellende werd te hulp geroepen in dezen nood en ellende, waarin het door de Statenpartij was gestort.
Toch was deze uitkomst lang voorzien, ook door hen, die den raadpensionaris steeds getrouw waren geweest, tot zij het dalen van zijn invloed opmerkten. Toen lieten zij hem in den nood alleen en wendden zich tot de opgaande zon.
Amalia van Solms werd het geschonken, dezen omkeer nog te beleven. Toen haar de gruwelijke moord der de Witten werd bericht, hoorde men haar zeggen, dat het haar jammerde dat quot;zulk een edel verstandquot; op die wijze moest omkomen. Zij was de levensperiode ingetreden,
78
A MALTA VAN SOLMS EX MAMA STUART.
waarop waardeering en erkenning van den tegenstander geen overwinning meer kost.
Zeventig jaar was zij oud, toen zij de verheffing van den kleinzoon aanschouwde. Vijftig jaar was zij Prinses van Oranje geweest. Wat er groots en edels in de Eepubliek in die halve eeuw had geademd en gewerkt, het was voor hare oogen voorbij gegaan. Van 1625â1675 had zij, naar haar inzicht, voor het geslacht van Oranje gezorgd; van het sterfbed van Maurits, totdat zij den overwinnaar van Seneffe in de Oranjezaal mocht welkom heeten. Toen zij in September 1675 de oude oogen sloot, kou zij heengaan met de zekerheid, dat het edelst verstand en de felste haat machteloos waren geweest tegen den eisch der nationale ontwikkeling. De Republiek had de erfelijkheid der vaderlijke betrekkingen in het geslacht van de Oranje1 s aangenomen ; de grondslag van een dynastie was gelegd. Zij mocht hopen, dat haar kleinzoon grooter zou zijn dan zijn vader.
De geschiedenis is daar, om te bewijzen dat haar hoop is vervuld. De kleinzoon van Amalia van Solms heeft zijn naam geschreven in de jaarboeken niet bloot van een enkel volk, maar in die der wereldhistorie.
79
in
EEN YOKSTELIJK ENGAGEMENT.
EEN VOESTELTJK EXGAGEMEXT.
IJen 27'ten December 1641 gaf Frederik Hendrik een groot festijn. De voornaamste zijner gasten was de Graaf van Oost-Friesland, Ulricli II. De koninginne van Bolieme met hare kinderen, afgevaardigden van iedere Provincie en van de Staten-Generaal zaten met liet Stadhouderlijk gezin aan. Frederik Hendrik vierde feest, een verlovingsfeest. Zijn jongste dochter, Henriette Catharina, werd lieden de bruid van Enno Ludwig, den oudsten zoon van den Oost-frieschen Graaf.
De ouders van het jonge paar en de gasten zijn vermoedelijk opgewekter en blij der geweest dan de hoofdpersonen zelve. Want bruid en bruidegom hadden niet het genoegen elkander te kennen. En al ware dit ook het geval, dan nog zouden zij misschien niet bijzonder verliefd geweest zijn. Eu zoo al verliefd, het welbehagen kon niet anders dan een zeer kinderlijk karakter dragen. Want de bruidegom was uegen, de bruid vijf jaar oud. Vermoedelijk heeft de laatste, op dezen plechtigen dag haars levens, een nieuw stuk speelgoed ontvangen, om zich bij gebreke van den toekomstigen heer en gemaal mee te vermaken.
KEN VORSTELIJK. ENGAGEMENT.
Voor de ouders van weerszijden bestond er reden tot blijdschap. Voor het Oranjehuis, sedert weinige maanden met de Stuart's verbonden, opende zich opnieuw het uitzicht, om met een regeerend huis in verbintenis te treden. Een jongere dochter van den Imize eenmaal als gravin in het naburige Oost-ïriesland te zién optreden, kon den Stedenbedwinger, wien de grootheid van zijn geslacht warm ter harte ging, niet dan aanlachen. Het grafelijk huis der Cirkzena's was van de vroegere macht eu aanzien wel zeer vervallen, maar de jongste dochter van den Stadhouder dei-Republiek kon moeilijk op eene hoogere verbintenis aanspraak maken. De Oranjespruit zou èn voor haar geslacht èn voor de Eepubliek een waarborg zijn, dat de Spaanscli-gezinde staatkunde van de Oost-rriesche graven eindelijk eens ophield de veiligheid der oostelijke provinciën te bedreigen. Daarom hadden ook de Staten-Generaal, toen in de vorige maand de heer van Sommelsdijk namens Frederik Hendrik hun goedvinden over dit huwelijk had gevraagd, geen oogenblik geaarzeld hun hooge ingenomenheid ermede uit te spreken, //ordelende deselve aan den lande seer dienstig ende considerabel te zijn.quot;
Dat oordeel was Ulrich II, van zijne zijde, bereid geheel te onderschrijven. Hij had den voorslag van 't huwelijk gedaan, om den steun van den invloedrijken Stadhouder te winnen. Sedert een halve eeuw was het aanzieu van zijn huis in Oost-Priesland' zeer verminderd. Hij voerde den grafelijken titel, maar het gezag, waarop hij aanspraak maakte, werd hem, gelijk vroeger aan zijn vader eu broeder, door zijne onderdanen ernstig betwist. Godsdienstverschil had het eerst het zaad van verdeeldheid gestrooid. Welig was het opgewassen en in politiek verschil van inzicht en bedoeling had het nieuw voedsel gevonden. De
84-
EEX VORSTELIJK ENGAGEMENT.
85
stad Emden stond aan het hoofd van den tegenstand, en de invloed en macht van de voornaamste plaats van zijn gebied waren groot genoeg, om tegen die des graven op te wegen. Een groot desl van zijn land gehoorzaamde hem niet meer: allerlei partijen heerschten in Oost-Friesland. Evenmin als zijne voorgangers had hij zijn Spaanschgezindc politiek kunnen doorzetten. Toen de kansen het gunstigst voor zijn vader, Enno ITT, hadden gestaan, had de regeering van Emden een bezetting van de Staten-Geaeraal ingenomen, en sedert 1603 lag er in de hoofdstad van zijn land een garnizoen van de machtige Republiek. Zijn broeder Rudolph Christiaan had tevergeefs pogingen aangewend, om die hinderlijke troepen kwijt te worden; wat inzonderheid voor hem van waarde was, omdat de keizerlijke partij de houding aannam om hem als verbondene van de Staten te beschouwen, en hij dus gevaar liep van felonie beschuldigd te worden. Maar de Sta ten-Generaal hadden zicli niet laten bewegen om Emden en Leeroort, die zij bezet hielden, te verlaten. Oost-Friesland was hun een voormuur tegen de Spaansche en keizerlijke macht, dien zij niet wilden noch konden loslaten. Tn dien toestand had Ulrich TT, toen hij in 1628 de regeering aanvaardde, zijn land gevonden. En sinds was de staat van zaken niet verbeterd, maar verergerd. Toen Gustaaf Adolf Dnitschland bedreigde, was Emden de wapenplaats en het vereenigingspunt geworden van Engelsche en Zweedsche rekruten. Ulrich's gezag gold in de stad niet meer, die, steunende op der Staten troepen, zich om hem niet bekommerde, en handelde, alsof zij een onafhankelijke rijksstad was. En na den dood van den Zweedschen koning, toen hij hopen mocht dat de keizerlijke partij hem verlossing zou brengen, had de voorzichtige en slimme staatkunde van de heeren Staten der Republiek het middel
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
86
gevonden hem voortdurend machteloos te maken. De landgraaf Wilhelm van Hessen-Kassei voerde in 1637, met medeweten der Staten-Generaal en van den Stadhouder, zijn leger ter inkwartiering in Oost-Friesland binnen. Zwaar had het land reeds geleden onder de invasie, eerst van de troepen van Mansfeldt en daarna van die der keizerlijke Ligue. Nu kwam de invasie der Hessen voltooien, wat de anderen hadden aangevangen, en wegrooven, wat zij hadden overgelaten. Het ongelukkige land werd uitgemergeld door de vreemde troepen, die geld en levensonderhoud vorderden, en het land afstroopten. Zelfs de dood van den landgraaf schonk geen verademing; zijn krachtige weduwe, Amalia, voerde met even sterke hand en even weinig geneigdheid om dit veilige toevluchtsoord te verlaten , het kommando. De graaf zag het eene deel zijns lands onder vreemden druk en het ander deel onwillig hem te erkennen, en evenzeer onwillig, om hem de middelen tot krachtig verzet tegen de Hessen te verschaffen, uit vrees dat hij zijn wapenen tegen Emden zou keeren. In dezen nood was eindelijk aan het trage verstand van Graaf Ulrich II de noodzakelijkheid duidelijk geworden, om zijn politiek te wijzigen en een andere gedragslijn te volgen. Hij moest een der twee partijen voor zich winnen. Een oogenblik had hij er over gedacht, zijn oudsten zoon met een Hessische prinses uit te huwelijken, en dan met de hulp van het vijandelijke leger het onwillige Emden tot onderwerping te brengen. ' Maar zijn raadslieden hadden hem bewogen, liever de verzoenende hand aan de Republiek toe te steken en het machtige Oranjehuis tot zijn belangen over te halen. Daarom was hij naar Den Haag gekomen, er op rekenende, dat de invloed van F reder ik Hendrik een gunstigen invloed op de politiek der Staten zou uitoefenen.
EEN VOUSTELIJK ENGAGEMENT.
eu voortaan Hessen uoch Emden oiidersteuniug van hen zouden verkrijgen. Zoo zou het huwelijk zijns zoons zijn land bevrijding aanbrengen, en zijn oproerige onderdanen dwingen zich aan ziju wettig gezag te onderwerpen.
'Met welke strijdige gevoelens zaten deze feestvierenden aan den disch neder! Zoo Ulrich een ander man ware geweest, het zou hem moeite hebben gekost het gevoel van vernedering te onderdrukken. Want in waarheid zat hij hier als de verslagene. De politiek der Republiek, met taaie volharding veertig jaren volgehouden, had gezegevierd. De hand van den jongen Graaf, dien hij aan Yrederik Hendrik en de Staten had aangeboden, was zijn acte van submissie.
Er is geen enkel blijk, dat er aan het geluk der jonge kinderen een oogenblik ernstig gedacht is, dat bezorgdheid daarover de ouders heeft bezig gehouden. Vorstelijke huwelijken zijn zelden alleen de vrucht van persoonlijke genegenheid. Gewoonlijk vormen zij een schakel in dezen of genen keten van politieke berekeningen. Zoo ook hier. Erederik Hendrik bovendien had in deze dagen meer dan genoeg met het podagra te stellen, dat hem duchtig beet had. Hij zal bij zijn diner zeker niet zonder een beetje jaloezie op zijn gezonden gast hebben neergezien, die de kunst van lekker eten en drinken als het ideaal des levens beschouwde, en niet gewoon was zich de weelde van zijn genietingen door zorgen, zelfs niet van politieken aard, te. laten bederven. Graaf Ulrich, aan den schitterenden discli van den rijken Prins van Oranje gezeten, heeft zich zonder twijfel geheel gewijd aan de verplichtingen, die het onthaal hem oplegde, zonder de bizarre vraag bij zich te voelen opkomen, of zijn negenjarige jongen wel gelukkig zou zijn? De beide contractanten waren tevreden, omdat beiden groote voordeden van hun schikking verwachtten. Wie de krachten
87
KEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
eu personen der nu verbonden partijen kende, kon gemakkelijk nagaan, wiens berekeningen de meeste kans van slagen hadden.
Volgens een afspraak der ouders zou de jonge Enno Ludwig zijn verdere opvoeding in Den Haag ontvangên. Hij kwam ook eenige maanden later met een klein gevolg. Van zijn omgeving is weinig bekend. Genoeg intusschen, om de richting te begrijpen, waarin zijn opleiding plaats had. Toen hij naar Holland kwam, stond een Hes, Oven-berg geheeten, als hofmeester aan 't hoofd van zijn huishouding. Deze bracht eens een jong Luneburgsch edelman, Marenholz, tot Enno Ludwig om hem als cavalier te dienen. Marenholz had een knap voorkomen en een goed verstand, maar weinig kennis. Als hoveling zocht hij carrière te maken eu hij slaagde er in. Zijn aangename vormen en zijn talent voor hoiintrigues deed hem spoedig, sneller dan Oveuberg wenschen of vermoedeu kon, de gunst van den kring winnen, waarin deze hem gebracht had. Amalia v.ui Solms wist hij zoo geheel voor zich te winnen, dat door haar bewerking Ovenberg zijn betrekking verloor en hij in diens plaats als hofmeester optrad. Hij zou jaren later deze overwinning duur betalen. Voor 't oogenblik mocht hij zich in zijn succes verheugen, want van verzet was bij den knaap geen sprake. De jonge Enno Ludwig had in zijn vaderlijk huis niet de gelegenheid gehad om te leeren, dat er belangrijker zaken in de wereld zijn dan eten en drinke/R. Vader Ulrich had goede geestvermogens, maar haatte inspanning en werkzaamheid en liet alles op zijn raden en zijn vrouw aankomen, en was befaamd wegens zijn onmatig eten en het drinken van wijn en brandewijn. De gravin, Juliana van Hessen, hield ook het meest van pret maken, uit rijden gaan en dergelijke zaken. Van een
s.s
EENquot; VORSTELIJK EXGAGI-MKNT.
kind, ouder dergelijke voorbeelden opgevoed, was 't niet te verwachten, dat hij eenigen afkeer zou gevoelen van Mareu-holz, die een weelderig en zorgeloos leven het hoogste achtte wat de mensch bereiken kan. Honden dresseeren, paard rijden, jagen enz. waren de prettigste bezigheden, die hij kende. Weinig jongens, ook al zijn zij geen vorstenzonen, vinden zulke zaken niet amusant, en geven er niet de voorkeur aan boven studie. Onder zulk een leiding ontwikkelde zich de knaap juist zooals men verwachten kon. Op de vorming van zijn oordeel werd niet gelet, hoe goed de aanleg ook was; zijn natuurlijk goed verstand en zelfs een zekere snelheid van opvatting, die zich openbaarde, werden niet gevormd. Driftig en goedaardig tevens, groeiden in zijn karakter kruid en onkruid broederlijk naast elkander op, alsof men aan het toeval de beslissing wilde overlaten, wat van beide, het goede of het kwade, in dit menscheuhart den boventoon zou voeren. Geen poging werd gedaan om eenige zelfstandigheid, eeuige energie in hem op te wekken, hoe noodig juist het phjsieke van den knaap het maakte, dat op dit punt zorgvuldig het oog werd gehouden. Want de jonge Enno was traag en langzaam, dank zij de constitutie, die hij geërfd had, en de logheid van zijn lichaam, die hem tot een alles behalve aantrekkelijken type van een dikken jongen maakte.
Gedurende een jaar of drie bleef Marenholz bij hem. In 16-1'6, toen vader Ulrich weder Den Haag bezocht, vond hij zijn zoon zoo dik en corpulent geworden, dat hij besloot hem naar Frankrijk te zenden, om te zien, zooals Leo von Aitzema vertelt, //of hij door exercitie wat dunner en disposter zoude worden.'quot; Hoe de reis in dit opzicht ten goede kon werken, is niet duidelijk. Wel, dat de jonge Enno er niets tegen zal gehad hebben.
89
EKN VOllSTELUK ENGAGEMENT.
Doch vooraf werd een bezoek aan de moeder te Aurich en liet ouderlijk huis gebracht. Voor zijn hofmeester Maren-holz had deze reis naar Oost-Friesland gewichtige gevolgen.
Aan liet hof van gravin Juliana, in de intiemste vriendschap met haar levende, bevond zich de schoone Elizabeth von Ungnad. Zij was de jongere zuster van Eva von Ung-uad, die met den overste Ehrentreuter, vroeger komman-dant van Einden, nu sedert weinige jaren des graven vertrouwden vriend en raadsman, was gehuwd. Elizabeth was ongetrouwd gebleven, niet uit koelheid des harten, maar door een samenloop van omstandigheden. Zij was opgevoed aan het hof van Oldenburg en had reeds vroegtijdig door haar schoonheid zoo zeer de aandacht getrokken, dat de jonge graaf Anton Gunther er ernstig over gedacht had, haar te huwen. Hij had zich echter tevreden gesteld in de meest intieme betrekking met haar te treden. Als pand van haar liefde had zij hem een zoon geschonken, die later gelegitimeerd werd en den titel van Anton van Altenburg ontving 1. Anton Gunther, ofschoon hij nooit de relatie met haar geheel verbrak, was eenige jaren later met een prinses van Holstein gehuwd, en Elizabeth had zich naar Oost-Friesland teruggetrokken. Hier was zij, door de betrekkingen van haar zuster, aan het hof gekomen en spoedig de intieme vriendin van Juliana geworden. Graaf Ulrich, die zich aan die vriendschap ergerde, had herhaaldelijk gepoogd er een einde aan te maken. Maar het was hem niet ijelukt. De neiffinsen van Juliana en Elizabeth stemden
O O O
te zeer overeen, dan dat zij zich scheiden lieten; en de zwakke vorst, die alle initiatief en zelfstandigheid miste, had steeds voor de intrigue der twee vrouwen moeten bukken. Deze schoone, maar gehate courtisane ontmoette Marenholz te Aurich. Zij wierp haar netten naar hem uit.
90
EEN VOllSTELIJK ENGAGEMENT.
en spoedig was hij gevangen. Elizabeth werd zwanger van een kind, waarvan hij de vader was. Graaf Ulrieh was woedend over dit schandaal aan zijn hol' en ontsloeg Maren-holz onmiddellijk uit zijn betrekking bij den jongen Enno. Doch toen de eerste uitbarsting voorbij was, bedaarde zijn toorn, en wist hij aan de voorspraak van zijn vrouw geen weerstand te bieden. Hij benoemde Marenholz tot drost te Bern in, die daarop Elizabeth huwde en voortaan in ofiiciëele betrekking aan het hof van den graaf verscheen, die hem onwaardig had verklaard om het huishouden van zijn zoon te besturen. Elizabeth von Ungnad had thans vasten voet gewonnen en een veilige plaats, naar het scheen, voor altijd ingenomen. Op haar raad wendde Marenholz eerlang al de voorrechten, door de natuur hem geschonken, aan, om de gunst der lichtzinnige gravin door steeds intiemer verstandhouding zich voor altijd te verzekeren.
Het is niet waarschijnlijk, dat de scheiding van Marenholz den jongen Enno veel moeite heeft gekost. Zijn latei-gedrag tegen den vroegeren hofmeester pleit er niet voor, dat hij ooit aan hem gehecht is geweest.
De opvolger van den ontslagene was Jacob van Wangen-heim, vroeger ritmeester in dienst van Portugal. Aan de aanbeveling van den Prins van Oranje had hij zijn aanstelling te danken. Veel bijzonders weten wij evenmin van hem als aangaande deze eerste reis. Uit een reisjournaal, dat wij later even bespreken, blijkt, dat deze tocht van Enno zich ook tot Geneve heeft uitgestrekt. Doch wij laten onzen reiziger een oogenblik aan zijn lot over, en keeren naar zijn vaderland terug.
De huwelijksverbintenis, door graaf Ulrieh voorgeslagen, was, gelijk wij zagen, een speculatie geweest op de hul])
91
EEN VOKSTELIJK ENGAGEMENT.
92
van liet Huis van Oranje. Door Erederik Hendrik zouden de Staten-Generaal worden bewogen om Emden niet langer tegen hein te ondersteunen, en de Hessen gedwongen Oost-Friésland te verlaten. Sleclits wat liet eerste betrof, beantwoordde de uitkomst eenigermate aan zijn verwachting. 13e goede verstandhouding, die tot dusver tusschen de Republiek en Emden had bestaan, hield door de verloving langzamerhand op. Ue Oost-Eriesche tegenstanders des graven vertrouwden de Staten-Generaal niet meer. Hun raad was voortaan verdacht, zij schenen meer dan vroeger de belangen van Ulrich te zijn toegedaan. Op verzoek van alle partijen sprongen zij voor Oost-Eriesland bij de Hessische landgravin in de bres. Zij wezen er op, hoe de inlegering nu reeds veel langer duurde dan aanvankelijk was bepaald. Zij trachtten op het christelijk gemoed der vorstin te werken door haar op het arme Oost-Eriesland, onlangs door groote watervloeden zwaar geteisterd, te wijzen. Maar niets mocht baten; noch godsdienstige vermaningen, noch wereldsche overwegingen konden haar tot toegeven bewegen. De slimme landgravin , die het kommando over haar troepen met mannenkracht voerde, wist maar al te goed, dat de bedreigingen der Republiek ongevaarlijke wapenen waren, omdat het belang van Zweden en Erankrijk medebracht, dat Oost-Eries-land niet in handen der keizerlijken viel, die van daar de Zweedsche bezittingen zouden bedreigen. Graaf Ulrich besloot eindelijk zelf naar de wapenen te grijpen, ten einde de Hessen te verjagen. Zonder zich om den tegenstand van Emden te bekreunen, nam hij met medeweten van Erederik Hendrik eenige compagniën infanterie en kavalerie, toevalligerwijze juist door de Staten afgedankt, in zijn dienst, en droeg het bevel daarvan aan den kolonel Ehrentreuter op, die jaren lang, gelijk vroeger zijn vader, kommandant
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
93
van de Hollandsche bezetting binnen Einden was geweest. Deze Elirentreuter, ofschoon in Staatsoliën dienst, had door zijn langdurig verblijf en liet militair kommando, dat hij voerde, een zeer invloedrijke positie gekregen. Dien man te winnen kwam Illrich van het hoogste gewicht voor. Na 1641, toen de verloving van zijn zoon met Henriette Catharina den omkeer in zijn politiek had verkondigd, was geen moeite door hein gespaard. In 1642 had hij Elirentreuter met Loga en Logabierum beleend; uu â in 1644 â droeg hij hem het opperbevel over zijn leger op. De keus was een gelukkige te noemen, waar het de vraag naar militaire bekwaamheid gold. Maar als politieke daad schonk zij den graaf niet wat hij hoopte. Want de overste, die het bevel over Einden uederlegde om in zijn dienst te treden, werd door dien overgang in de oogen der tegenstanders van Ulricli een verrader van huu zaak. Zij zagen in zijn stap, zeker niet zonder medeweten en goedkeuring der Staten gedaan, een bewijs te meer, dat de Eepubliek den graaf tegen hen begunstigde. Vandaar dat de raadgevingen der Staten, zelfs de meest verzoenende, volstrekt geen ingang meer vonden bij de achterdochtige stadsregeering, die de rij harer vijanden met iedereu dag zag toenemen. Het was intusschen eeu geluk voor haar, dat de politieke belangen van twee der mogendheden, tegen Oostenrijk gewapend , met de . hare overeenstemde. Ook Erankrijk en Zweden wilden de wapening des graven niet toestaan, en na veel botsingen, meer op het papier nog dan te velde, zagen de Staten-Generaal zich door den invloed der diplomatie genoodzaakt, Ulricli los te laten. De arme graaf kwam jammerende en weeklagende in 1646 naar Den Haag. Aan den derden stand, die hem tegen den adel en de stedenaristocratie trouw had bijgestaan, bad hij beloofd de
EEN VOllSTELIJK ENGAGEMENT.
94
Hessen te verdrijven. De bnitenlandsche mogendheden verboden liet hem. In zijn wanhoop, dat hij zijn woord niet houden kon, ging hij zelfs zoo ver, dat hij de Staten-Generaal verzocht zijn graafschap in seqnestratie te nemen. Maar die van Holland hielden het tegen. Zulk een uitbreiding van macht en gebied zou den vrede vertraagd, de Republiek in strijd met het Duitsche rijk gebracht, en aan de Prinsen van Oranje de gelegenheid hebben geschonken tot het innemen van een hooger en onafhankelijker positie, dan na den vrede hun deel zou zijn. Zoo ging door Holland de kans op een uitbreiding verloren, die voor de geheele verdere ontwikkeling der Eepubliek een beslisten en waarschijnlijk zeer gelukkigen invloed zou hebben gehad. Graaf Ulrich keerde, met woorden en beloften bemoedigd, naar zijn land terug. In Frederik Hendrik, die in 't volgende jaar stierf, verloor hij een grooten steun en voorspraak zijner belangen. De jonge Willem II kon, al wilde hij het ook, in den beginne weinig voor hem doen. De Hessen bleven in het land; de adel en de stad Emden stonden voortdurend vijandig tegen hem over. Anarchie heerschte in Oost-Friesland, en de Graaf wist niets beters te doen, dan zich met de genoegens van zijn tafel te troosten en de sombere overpeinzingen met volle bekers wijn of brandewijn weg te spoelen. Het ongelukkige land scheen veroordeeld om onder te gaan. Maar in 1648 kwam er verademing: Oost-Friesland werd in het vredestractaat van Munster begrepen. !Nu zouden toch eindelijk de gehate Hessen het land verlaten, hoopte men. Toch duurde hst nog twee jaren; niet voor Augustus 1650 trokken zij de grenzen over, na dertien jaar op kosten der .Oost-Friezen te hebben geleefd. Graaf Ulrich II beleefde de verlossing van zijn land niet meer. Op zijn sterfbed ontving hij de
EEN VOBSTELIJK ENGAGEMENT.
tijding van den vrede van Munster, en hij hief de bevende handen op om God te danken, dat er na den langen nacht een betere dag voor zijn land en zijn kinderen zou aanbreken.
Intusschen â wat de stervende niet wist noch vermoedde â⢠was de waarheid: de dag, dien hij zag aanbreken, was de betere nog niet. Zijn sterfdag was slechts de aanvang van een nog schandelijker en onteerender tijdperk in de Oost-Friesche historie.
In het contract van 1641 was bepaald, dat Frederik Hendrik als medevoogd zou optreden, wanneer Enno Ludwig bij den dood zijns vaders nog minderjarig mocht zijn. Toen de Prins van Oranje in 1647 was overleden, had Ulrich II nieuwe bepalingen moeten maken. In zijn testament van 23 October I6I1S droeg hij de voogdijschap over den on-mondigen opvolger aau zijne weduwe, Juliana van Hessen, de hertogen van Brunswijk-Lüneburg en van Mecklenburg, en den Stadhouder W illem II op. De Staten-Generaal benoemde hij tot executeurs. Het was voornamelijk Maren-holz, die den zwakken vorst tot dezen uitersten wil overhaalde. Door zulk een macht op te dragen aan buiten-landsche vorsten, stelde men de voogdij der moeder onder de bescherming van vreemde machten , tegenover en boven de Stenden des lands. Dat de vreemde heeren zich veel met deze curateele zouden bezighouden, was niet te verwachten. Des te onafhankelijker kon Juliana van Hessen met hare gunstelingen, waarvan Marenholz de intiemste was, heerschen. Op den 22s,en December, ruim zeven weken na Ulrich1 s dood, werd op het slot te Aurich dit testament plechtiglijk geopend. De leden van den grafelijkeu raad, eenige afgevaardigden van de Stenden, de voornaamste rechterlijke ambtenaren, waren aanwezig. Voor den Prins van
95
EEN VOllSTELUK ENGAGEMENT.
Oranje was Constantijn Huygeus, secretaris vau Willem II, opgekomen. Na een breedvoerige toespraak van een der geheime raden, werd liet testament, dat op een kussen van zwart fluweel lag, opgenomen, geopend en gelezen. Vooraf liet men de getuigen de eclitlieid van lum naamteekening verklaren. Trouwens, van den inhoud wisten zij niets af, daar de graaf hun alleen gezegd had, dat dit stuk zijn uitersten wil bevatte, waaronder hij in hun tegenwoordigheid zijn naam had geplaatst. Zulke voorzorgen hadden Maren-holz en de partij der gravin noodig geacht, om de Stenden niet wakker te maken, en het Eegentschap te vestigen, gelijktijdig met de bekendmaking van het testament, zoodat alle verzet en alle protest te laat zou komen. Dat liet echter niet zou uitblijven, was gemakkelijk te voorzien.
De grafelijke weduwe trad als voogdesse op. De beide hertogen onttrokken zich de een na den ander aan de taak, die het testament hun had toevertrouwd. De Prins van Oranje, Willem II, was de eenige der vreemde vorsten, die de rechten, hem verleend, niet ongebruikt liet. De verloving van zijne jonge zuster met den minderjarigen graaf vergunde hem niet, er zich aan te onttrekken. De kolonel Ehrentreuter, de gunsteling van den overleden Ulrich, werd zijn vertegenwoordiger in de regeering. Nog meer invloed dan de volmacht van Willem II dezen schonk, verkreeg hij door de gunst, waarin Marenholz nu als eerste minister eu geheimraad bij de voogdesse stond. De beide zwagers waren de hoofden van het nieuw bestuur, dat van het eerste oogenblik van zijn optreden af algemeen gehaat was en het dagelijks meer werd. Voor ieder hunner golden verschillende redenen. Ehrentreuter kou men noch bekwaamheid noch dapperheid ontzeggen, maar hij was gehaat, omdat hij indertijd tot de partij des graven was over-
96
EEN VOKSTELIJK. ENGAGEMENT. 97
geloopen, en uu uit zwakheid of baatzuchtige berekening dingen toeliet, die hij zelf niet kon goedkeuren. Baatzucht is het eenige verwijt, dat de tijdgenooten tegen hem inbrengen, en die hem de heerschappij van Marenholz en Elizabeth von Ungnad deed verdragen. Sterker dan te. voren bukte Juliana van Hessen voor den invloed van haar onwaardige vriendin, die haar volkomen regeerde en even willekeurig over haar beschikte, als over het welzijn des lands. Elizabeth von Ungnad hield het roer der zaken in haar handen, bemoeide zich met alles, en liet de gravin doen en laten wat zij â Elizabeth â goedvond. Om de onafhankelijkheid der vorstin te bestendigen, wisten Marenholz en zijn aanhang zorgvuldig alle mannen te verwijderen, die invloed op haar konden oefenen of voor hen gevaarlijk worden. Wie zich aan deze camarilla niet onderwierp of weigerde zijn bekwaamheid tot ondersteuning van haar invloed te doen dienen, kon er zeker van zijn, dat haar wraak hem treilen zou. De gravin had in de laatste maanden van UI rich's leven van hem het slot te Santhorst ten geschenke gekregen. Onder voorwendsel, dat zijquot; daar vrijer was, minder belemmerd en bespied in hare handelingen, wisten Marenholz en zijn vrouw haar te bewegen, om de residentie Aurich te verlaten en zich te Santhorst te vestigen. Hier leefde zij waarlijk vrij , geheel onder de; leiding van hare vrienden Marenholz, die al het mogelijke deden om haar den last des bestuurs van de schouders te nemen. Juliana was altijd de lichtzinnige vrouw geweest, die alles opofferde aan haar zucht tot vermaak. Hier, te Santhorst, kon zij haar neiging naar hartelust bot vieren. Elizabeth en Marenholz waren onuitputtelijk 'in het uitdenken van vermaken. Door allerlei verstrooiingen leidde men haar af van hetgeen eigenlijk haar plicht was. De
7
KTCNquot; VOESTKLIJK ENGAGEMENT.
teugels vau liet bestuur gleden uit haar liauden in die harer vrienden, die alles beslisten, zooals zij het verkozen. Juliana genoot in de ruste van Santhorst, vrij van lastige bespieders, het leven niet ruime teugen. Slechts den omgang genietende van de vrienden van Marenholz, werden de banden steeds enger, die haar hielden omkneld. Juliana was een vrouw van een 42 jaar, die in haar jeugd zich in den roem van schoonheid had mogen verheugen. Marenholz was een schoon gebouwd man, een hoveling, die verstand genoeg had om door intriges zich omhoog te weikeu, en voor weinig terugschrikte, waar 't gold zicli staande te houden. Een huwelijk met Elizabeth von Ungnad had hij niet beneden zich geacht: was het wonder, dat de lichtzinnige, de genotzieke Juliana, die dag eu nacht onder den iuvloed, ja onder het oog van deze twee personen stond, eindelijk voor goed in de armen zonk van den man, die de vroegere geliefde vau den hertog van Oldenburg, nu zijne eigene vrouw, vergunde nog altijd correspondentie met haar ouden minnaar te houden?
Bij zulke tooneelen had meu niet veel getuigen noodig en sommige getuigen waren inzonderheid hinderlijk. De jongere zonen 2 van Juliana en Ulrich waren reeds op dien leeftijd, dat zij goed en kwaad kouden ouderscheiden. Zij werden daarom verwijderd. Onder toezicht van vertrouwde personen, die hunne betrekkingen slechts aan de leden der camarilla hadden te danken, en dus onvermijdelijk in haar val zouden medegesleept worden, vertrokken zij naar het Athenaeum te Breda. In het laatst van 1650 kwamen zij terug, maar waren nog minder welkom dan vroeger. Tot voltooiing van hun opvoeding werden zij naar Frankrijk gezonden.
Gemakkelijker was het, naar het scheen, den oudsten
98
EEN VOllSTELIJK ENGAGEMENT.
zoon, Enno Ludwig, buiten het land te houden. Na zijn verloving met Henriette Gatharina van Oranje was hij slechts eens, in 1646, te Aurich geweest. De redenen, waarom hij naar Holland was gezonden, de wenschelijkheid, dat hij daar zijn opvoeding ontving, als 't ware in de omgeving van zijn jonge bruid, honden nog altijd gelden. Waarheid was het, dat Enno Ludwig, die bij den dood zijns vaders zestien jaar was, zicli toen machtig weinig om zijn land of om zijn bruid bekommerde. Het kind, waaraan hij verloofd was, trok hem niets aan. Hij hield zich met de 12-jarige nooit bezig. Trouwens hij was na 1646 niet geregeld in den Haag. Wij vinden ten minste, dat hij in deze jaren ook nog Engeland heeft bezocht. Mokkende tegen den band, waarmede men hem zoo vroeg en buiten /ijn weten aan een meisje had verbonden, dat met zijn ruwen smaak al zeer weinig overeenkwam en in kinderlijke ondeugd en speelschheid zeker hem wel eens met zijn logheid en traagheid heeft geplaagd, zocht hij al zeer vroeg troost in de armen van grovere en oudere schoonen. Op nog jeugdigen leeftijd offerde Enno Ludwig zijn beste krachten op het altaar van Yenus, en ondermijnde zijn gestel op zoodanige wijze, dat men reeds vroeg begon in te zien, dat een lang leven op dergelijke uitspattingen niet volgen kon. Weinig moeite moest liet dus Marenholz kosten, die over de autoriteit der moeder-voogdes beschikte, om den minderjarigen Enno Ludwig voor gernitnen tijd te verwijderen, zonder dat deze er zich tegen kantte. In 1648 vertrok hij naar Frankrijk, om van daar Zwitserland, Italië en Oostenrijk te bezoeken.
Het is op deze reis, dat een zoon van Oonstantijn Hnjgens den jongen graaf, dien hij uit den Haag kende, te Orleans aantrof, van waar hij een tijd lang in zijn
99
EEN VOllSÃELIJK ENGAGEMENT.
gevolg met liem reisde. Het onvolledige reisverhaal bevat weinig details, die iets beteekenen. Slechts een enkele aanteekening heeft waarde, omdat zij ons de verhouding van Enno Ludwig tot Wangenheim, den opvolger van Marenholz in 1646, doet kennen. '/Quamen des avonts te Chamberyquot;, â schrijft de jonge Huygens â //onderwegen gourmandeerde en sloegh Wangenheim den Graef, en die wilde weder sijn pistolen teghen hem trecken; en dit all omdat hij wat voor uijt gegalopeert hadde.quot;
Van Chambery werd de reis voortgezet naar Genève, van waar Euno Ludwig naar Italië en Weenen vertrok. Ruim drie jaar bracht hij met deze reizen door. Zijn logheid deed hem traag voortkomen, waartegen Marenholz en de zijnen geen het minste bezwaar hadden. Hoe langzamer eu hoe langer hij reisde, des te minder kans bestond er op zijn spoedige terugkomst, en inmiddels bleef het Santhorstsche leventje rustig voortgaan. Toen in 1651 Enno Ludwig een tijd lang te Weenen had vertoefd, en hij dus de grens had bereikt van het toen bereisbaar Europa â men kon den jongen graaf toch niet voegzaam naar Rusland zenden! â wendde Marenholz alle moeite aan, om hem naar Parijs te doen wederkeeren. De opvoeding, die hij in de Fransche hoofdstad kon genieten, was nergens elders te vinden!
Maar Enno Ludwig, hoe log van lichaam en hoe traag ook in zijne bewegingen, had op reis wel iets geleerd, en zijn vaderland niet geheel uit het oog verloren. Vooral gedurende zijn verblijf te Weenen werd hij zorgvuldig op de hoogte gehouden van wat er te Aurich en te Santhorst geschiedde. En veel moeite kostte het hem niet, want, hoe groot de aanhang der gravin en van Marenholz ook was, het getal hunner vijanden was nog grooter. En even onvermoeid en vindingrijk als de eersten in de middelen
100
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
om zicli staande te houden, waren de laatsten om hen te doen vallen.
De vele tegenstanders van liet huis van Cirkzena hadden door den dood van graaf Ulrich een nieuwe gelegenheid verkregen, om het grafelijke gezag in de nietsbeduidendheid, waartoe zij het veroordeeld hadden, te laten. De stad Emden en de Stenden wilden niets van de voogdij der gravinne welen. Zij betwistten den gestorvene het recht tot het maksn der schikkingen, die de voogdijschap betroffen, en iedere regeeringsdaad, die door of op naam der voogdes werd genomen, verklaarden zij onwettig. Tevergeefs wees de grafelijke partij er op, dat het testament eigenlijk geheel onverschillig was, omdat toch de moeder de natuurlijke en aangewezen voogdes van den minderjarigen graaf was. Geen antecedenten, ten bewijze aangevoerd, geen nadrukkelijke betoogen van de Staten-Generaal waren bij machte den onwil te breken. Emden, dat, als altijd, in het verzet voorging, toonde spoedig dat geen rechtsbeginsel, maar bloot eigenbelang hier de drijfveer was. Toen het vertrek der Hessen eindelijk was vastgesteld, weigerde de rijke koopstad haar aandeel in de verplegingskosten te betalen. Terwijl zij op die wijze zich onttrok aan de gemeene lasten, vorderde zij toelating in de Ridderschap des lands, op grond dat Emden eigenaar was van eenige heerlijkheden, vroeger in dat college vertegenwoordigd. De bedoeling was duidelijk: toegelaten in de Ridderschap, zou de machtige stad, die nu reeds nagenoeg zelfstandig tegenover het ge-heele land stond, haar invloed nog drukkender in de Stenden doen gelden.
Wanneer in deze jaren een krachtig en geacht hoofd de grafelijke partij liad geleid, het ware wellicht mogelijk
101
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
geweest, ten gunste van liet grafelijk gezag aan de voorbeel-delooze verwarring en anarchie een einde te maken. Want de stoute taal van hen, die de wettigheid van de voogdij ontkenden, deed de Staten-Generaal, onder invloed van Willem 11, liet besluit nemen, om als executeurs van liet testament aan de voogdes de sterke liand te bieden (17 Maart 1650). Toen in Augustus daaraanvolgende de Hessen gereed stonden te vertrekken, besloten zij de vestingen aan de Oost-ÃViesclie grenzen met hunne troepen te bezetten, In plaats van de Staten te steunen, vereenigde zicli de gravin met de haar vijandige Stenden, om deze bezetting te weren. Dank zij dit gemeenschappelijk verzet, den tegenstand der provincie Holland en den loop der gebeurtenissen in de Republiek, bleven de Nederlandsche troepen beperkt tot de plaatsen, die zij reeds vroeger ingenomen hadden. en ging voor de gravin van Oost-Priesland de laatste kans verloren, om door het doen eindigen der rampzalige verdeeldheid haar bestuur te, bevestigen en de persoonlijke grieven en haar omgeving, door den grooten dienst den lande bewezen, te doen vergeten.
Want de tegenstanders, aan wie zij zich ditmaal had aangesloten, werden door haar toegefelijkheid niet gewonnen of verzoend. De zwakheid der grafelijke partij, die door het uitblijven der Staatsolie troepen vermeerderde, verminderde de moeielijkhedeu om het voogdij bestuur te doen vallen. Zonder achting of gezag in den lande, regeerden Marenholz en de gravin, terwijl het getal van openbarc en geheime vijanden steeds toenam. Ook de leden van den grafelijken raad en de voornaamste rechterlijke ambtenaren werden steeds onwilliger een bestuur te steunen, dat geen de minste achting genoot of verdiende, en niet bij machte bleek, om aan de algemeene anarchie een einde te maken.
102
EKN VORSTELIJK KNGAG-EMENT.
Den 6llen ATovernber 1650 stierf' onverwachts Willem II. Zijn dood was een beslissend feit voor de Ncderlnndsche Eepnbliek, maar oefende ook directen invloed op het lot van het Oost-Priesohe bewind uit. Onmiddellijk trad Ehrentrenter, die als zijn gevolmachtigde deel aan het bestuur liad genomen, terug. Marenholz en zijn vrouw heerschten voortaan onbepaald, zonder zich om eenige tegenspraak, zelfs niet de zwakke van hun zwager, meer te bekreunen. Maar van den anderen kant vermeerderde Willem''s dood de bezwaren der voogdij. De krachtige steun, dien zij tot dusver in den Prins van Oranje hndden bezeten, viel weg, en de invloed van Holland, domineerende in de binnenlandsche staatkunde der Eepubliek, deed zich ook in haar verhouding tot Oost-Friesland gelden. De tegenstanders van het grafelijk huis, dat een der leden van het Oranjegeslacht eerlang in zich zou opnemen, mochten voortaan op de hulp van Holland rekenen.
Het was slechts weinige weken na den dood van Willem II, dat een uitspraak van Hunne Hoogmogenden over de Oost-Priesche geschillen die veranderde staatkunde aan het licht bracht. Ofschoon het gezag der voogdesse hierin werd gehandhaafd, achtten de Stenden in menig opzicht dat stuk billijker en onpartijdiger, dan menige verklaring der laatste jaren. Eéne belofte vooral trok zeer de aandacht. De Staten-Generaal beloofden, dat zij in serieusc, termen aan de Douairière van Oost-Friesland zouden schrijven en ten sterkste bij haar op den terugkeer van Bnno Lnd-wig aandringen. Toen in het volgende voorjaar (Ifiól) de zoogenaamde Sint-Petervloed op nieuw het arme land had geteisterd, richtten Heeren Staten zelve een nadrukkelijk schrijven aan den jongen vorst, die zich sedert een jaar te Weenen bevond. Zij stelden hem den jammerlijken toestand
103
EEN VOKSTELIJK EN'fiAGEMEXT.
vau zijn vaderland voor oogen, dat door den dertigjarigeu krijg zijii welvaart, door herhaalde overstroomingen de vruchtbaarheid en veiligheid van zijn grond en door onder-lingen twist alle autoriteit ondermijnd zag.
De jonge Enno Ludwig, achttien jaar oud, had tot dusver alle officieele aansporingen om terug te keeren, met kalmte, naar het scheen, ontvangen en er niet aan voldaan. Zijn tijd had hij te Weenen goed gebruikt. Dadelijk na zijn aankomst had hij van den keizer de beleening met Oost-Friesland gevraagd en ze spoedig verkregen. De indruk over 't geheel, dien hij te Weenen maakte, was gunstig. Keizer Ferdinand III benoemde hem tot keizerlijk kaïnerheer en Rijkshofraad: benoemingen, wier waarde voor een groot deel in de schoone titels gelegen was, doch voor het andere deel reëele rechten schonken. Voor Enno Ludwig bleek zijn rijkshofrandschap later van groot gewicht te zijn. Doch de jonge vorst hield zich te Weenen met nog gewichtiger zaken dan deze bezig. ,Hij was volstrekt niet onbekend met hetgeen er in Oost-Friesland geschiedde, en had vrienden en wegen genoeg tot zijn beschikking, om te vernemen wat hij wilde. Een neef, Johan Friedrich Freese, de natuurlijke zoon van zijns vaders broeder en voorganger, stond in voortdurende briefwisseling met hem, en hield hem op de hoogte van wat er op het Santhorster slot voorviel.
Enno Ludwig schijnt die berichten niet maar zoo dadelijk te hebben aangenomen. Waarschijnlijk kwam de schildering hem wat al te hoog gekleurd voor. Wij zien hem ten minste in den winter van 1650/51 een man naar Oost-Friesland zenden, die, naar het weinige, dat wij van hem weten, ons al zeer ongeschikt voorkomt voor de rol van een spion. De driftige, kort aangebonden heer van Wangen-
104
EKN- VORSTELIJK ENGAGEMENT.
heim, dien wij verlieten op den weg naar Chambery, bezig zijn leerling te slaan, omdat deze wat al te hard vooruitgereden was, vertrok op last van den nu 18-jarigen Enno naar Auricli. Vermoede lijk is de keus op hem gevallen, omdat hij bij de Oost-Friezen weinig bekend was. Zulk een opstuivende driftkop was anders een vreemd soort van spion, die meer kans had zich te verraden dan om onbekend te blijven. Hoe dit zij, hij nam onder een valschen naam zijn intrek in de herberg Zur Landskrone op de markt te Aurieh en wierp daar zijn vischnet uit. De vangst was vooruit te berekenen. Aurich, vroeger de residentie der graven, was door het vertrek der gravin naar Santhorst van vele voordeelen, die een hof aanbrengt, verstoken. In Aurich kon ieder ontevredene onbevreesd zijn gevoelen uitspreken, omdat de ontevredenheid door de geheele stad gedeeld werd. De ambtenaren des bestuurs, de leden van den geheimen raad, van het hofgericht, staken het volstrekt niet onder stoelen of banken, dat zij het vervelend en ergerlijk vonden, steeds naar Santhorst te moeten trekken, om het welbehagen der gravin, of liever der Marenholzen te vernemen. Kortom â alles wat persoonlijke gevoeligheid en gekwetst eigenbelang kon aanvoeren tegen het bestuur, bevond zich in Aurich als het ware in deposito. Natuurlijk, dat de verhalen omtrent het ergerlijke leven op Santhorst niet tot de grenzen van het ware of waarschijnlijke zich beperkten. Wangenheim vond hier een zoo rijken voorraad van klachten, beschuldigingen en grieven, dat hij maar voor het grijpen had, om zijn jongen meester een niet al te kleine collectie als vruchten van zijne reis aan te bieden.
Of Wangenheim onbekend is gebleven of niet â- dat heeft de historie niet opgeteekend. Zeker is het, dat
105
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
Enno's belangstelling door de vijanden van Marenliolz volledig beantwoord werd. Het onhoudbare van den toestand, die voor een explosie deed vreezen, richtte als vanzelf de oogen naar Weenen, naar den jongen graaf. Zou hij wederkomen en een eind maken aan dit wanbestuur? Of zou Marenliolz hem waarlijk belezen, gelijk hij beproefde, om maar weer naar Parijs te gaan en zijn opvoeding daar te voltooien? Van alle kanten werd Enno Ludwig getrokken: elke partij poogde hem een besluit te doen nemen, dat met haar oogmerken overeenkwam. In zijn eigen gevolg waren persoonlijke vijanden van Marenliolz. Toen deze nog hofmeester was, had Enno een praeceptor gehad, Moriz Bonner geheeten. Hij behoorde nog altijd tot de omgevina' van Enno en had door zijn jarenlang verblijf en omgang eenigen invloed op zijn leerling verkregen. Bonner haatte Marenliolz om de trotsche en harde bejegening, die hij van den hooghartigen edelman had moeten verduren. Thans, nn het uitzicht op wraak zich opende, bleef hij niet achterwege, om zijn jongen meester den terugkeer naar Oost-Eriesland aan te bevelen.
De eigenlijke beslissende stoot echter schijnt van een bloedverwante te zijn uitgegaan. De weduwe van den landgraaf van Hessen-Butzbach was een zuster van Ulrich, Enno's vader. l)eze vrouw, Christina Sophie geheeten, hnd persoonlijke grieven tegen de gravin van Oost-Eriesland, haar schoonzuster. Juliana had indertijd een tweede huwelijk, dat Christina zeer wenschte, tegengewerkt en tegengehouden. Christina Sophie had het niet vergeten noch vergeven. Eu zoo zij al tot vergeten en vergeven geneigd mocht zijn, er waren aan haar eigen hof mannen, die de oude wonde zorgvuldig openhielden. Hier, aan het Hessische hof, leefden een paar oude kennissen van Maren-
106
KEX VORSTELIJK ENGAGEMUNT.
holz. Het was Ovenberg, wien liij voor jaren als hofmeester van Enno Ludwig in den Haag ket voetje gelicht had. Ovenberg was niet ongelukkig in zijn carrière geweest: hij was nu Hessisch Ober-ambtmann en Raad. Maar hij was het gebeurde niüt vergeten. De tweede was Philip Dudde, vroeger in dienst van graaf Ulrich, maar door invloed van Elizabeth von Ungnad ontslagen. Deze twee mannen onderhielden het vuur van den wrok bij Christina Sophie, die eindelijk er toe overging om Dudde naar Weenen tot Enno Ludwig te zenden, met vriendelijke uitnoodiging, dat hij zijn reis naar Oost-Eriesland zoo spoedig mogelijk zou aanvangen en haar, zijn geliefde tante, onderweg te Butzbach opzoeken.
Na alles, wat Enno vernomen had en nu nog van Dudde er bij hoorde, begreep hij eindelijk, dat de tijd om op te treden voor hem gekomen was. Aan het verzoek van Christina Sophie voldeed hij gereedelijk. Aan haar hoi' werd alles beklonken, en de gedragslijn, die hij volgen moest, vastgesteld. Toen hij van Butzbach vertrok, gingen zoowel zijn tante als de vrienden Ovenberg en Dudde met hein mede. Hij kon beu noodig hebben, en zij hadden tevens de gelegenheid om op de goede uitvoering van het beraamde plan toe te zien.
Geen liet minste gevaar vermoedende, brachten Maren-holz en de beide vrouwen hun leven te Santhorst door, toen op eenmaal, te midden der kleine hofhouding, als een bom de tijding neerviel, dat de jonge graaf was teruggekeerd. Deu 10'1''quot; Mei 16.quot;)1 kwam hij op het slot zijner moeder; deu elfden deed hij, onder het rollen van den donder en het lichten van den bliksem, zijn intocht in Aurich. Het paard van Marenholz, die hem vergezelde, sprong, door het onweer verschrikt, ter zijde en naderde
107
EEN VOllSTELIJK KNGAGEMENT.
bijna rakelings dat van den graaf. quot;Wees voorzichtig, mijn paard slaat u,11 riep Enno den geheimraad toe. Later, na Marenholz' val, meende de volksmenigte in deze woorden een bedreiging en zinspeling op het hem wachtende lot te moeten vinden.
Toen de eerste verrassing over de onverwachte tehuiskomst geweken was, zagen de gravin noch Marenholz iets verontrustends in de zaak. Enno Ludwig was nog geen 19 jaar; de voogdij zou dus voortduren. Eenige kleine schikkingen waren noodzakelijk, nu de jonge graaf zelf in liet land was; maar in de hoofdzaak kon alles blijven zoo als het was. Om die enkele schikkingen te bespreken, hield de gravin met Marenholz en de andere raden den volgenden middag een raadsvergadering op het Santhorster slot.
Doch terwijl zij aldaar in volle gerustheid hunne beraadslagingen voerden, werd in een der neven vertrekken de ontknooping van het drama voorbereid. Enno Ludwig had eenige leden van het hofgericht en den drost van Emden ontboden. Toen zij bijeen waren, trad hij in hun midden, verklaarde het bestuur des lands te aanvaarden en gelastte den drost om op staanden voet den geheimraad Marenholz in heehtenis te nemen. Toen de drost met dien last in de zaal der gravin verscheen en mededeeling deed, verwekte hij algemeene ontsteltenis. Marenholz stond als versteend, Elizabeth von Ungnad jammerde en beiden beriepen zich op de gravin, die als voogdesse alleen te bevelen had. Juliana verklaarde, dat de inhechtenisneming geheel onwettig was, als niet door haar bevolen, en protesteerde nadrukkelijk. Maar het baatte haar niet. Het koele antwoord klonk haar als een donderslag in de ooren, dat Enno Ludwig door zijn benoeming tot rijkshofraad vanzelf meerderjarig was en dus het recht had de regeering te aanvaarden. Dit hadden
108
KEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
zij niet bedacht of uiet geweten. Geen tegenstand kon meer helpen. De gevangene werd weggevoerd.
Onmiddellijk na de gevangenneming van Marenholz trof de jonge graaf ook de hoofdschuldige der camarilla, Elizabeth von Ungnad. Hij verbande haar van het hof en verwees haar naar haar goederen. Zij vertrok, maar ook daar zich niet veilig achtende, vluchtte zij uit het land en vestigde zich te Groningen, waar zij al den invloed, dien zij had, aanwendde om de tusschenkomst van derden ten gunste van den man, wiens booze engel zij geweest was, in te roepen. De Staten van Groningen schreven een brief van voorspraak aan Enno Ludwig. Ook haar invloedrijke broeder, David von Ungnad, graaf van Weissenwolf, die vroeger edelman bij den Prins van Oranje was geweest, maar nu geheimraad en Hofkammerpresident te Weenen, wendde zich tot hem, om genade voor recht te vragen. Maar de jonge man, die dagelijks onder den invloed van een omgeving was, voor quot;t meerendeel uit persoonlijke vijanden van Marenholz en van zijn moeder bestaande, bleef onverzettelijk.
Met geheele terzijdestelling van de gewone rechtsvormen en de bestaande rechtbanken, benoemde hij een buitengewone commissie, om den gevangene te kooren en te vonnissen. Zij bestond uit drie leden: Ovenberg, Bonner en een onbekende. Enno Ludwig zelf presideerde. Tal van getuigen werden gehoord, wier meest ongunstige verklaringen tot een rij van bezwaarpunten aanleiding gaven. Marenholz werd beschuldigd, door allerlei intriges eerst het testament van Ulrich en daarna het zich onttrekken der beide hertogen aan de curateele bewerkt te hebben, om met de gravin en Ehrentreuter alleen te regeeren. Hij had opzettelijk Enno Ludwig verwijderd en gepoogd, door
109
EEN VOllSTELIJK EN6AGEMENT.
liet voorstel, dat liij naar Parijs zon gaan, liem nog langer buiten het land te houden. Hij had graaf Ulrioh door gedichten en pamfletten gehaat en verachtelijk gemaakt, om zijn gezag te ondermijnen. Tusschen ülrich en Juliana had hij verdeeldheid gezaaid: en het voor de laatste gunstige testament des eersten alleen bewerkt. om er zelf de voordeelen van te plukken. Hij had geheime correspondentie van zijn vrouw met den graaf van Oldenburg toegelaten, tot nadeel des lands. Hij had aanzienlijke geldsommen deels verduisterd, deels aan de gravin onttroggeld.
Op al deze beschuldigingen antwoordde Mareuholz met geheele of gedeeltelijke ontkenning. De meeste, ook die waar waren, konden niet bewezen worden. Maar op geen van deze punten kwam het eigenlijk aan. De hoofdbeschuldiging was, dat hij jarenlang in ongeoorloofde gemeenschap met de gravin had geleefd. Met alle geweld wilde men hem doen bekennen, dat hij of zijn vrouw de vorstin door een minnedrank of door hekserij had verleid, om zich aan hem over te geven. Maar noch het eerste noch het laatste gaf hij toe. Ja, hij was wel eens 's avonds laat bij Juliana geweest, maar dan las hij haar uit den Bijbel voor! Slechts toen hij met de. pijnbank werd bedreigd en de scherprechter zijn werktuigen gereed maakte en hem het gebruik vriendelijk had uitgelegd, kwam hij tot gedeeltelijke bekentenis. Ja, nu ja... er was wel een weinig intimiteit geweest, doch zij was van zelve, geheel natuurlijk, ontstaan. Graaf Ulricli hield niet van hem, er. was ook van zijn eigen vrouw afkeerig: zij hadden medelijden met elkaar gehad, en treurende om de toegenegenheid des graven, waarop zij zoozeer gesteld waren, hadden zij elkander pogen te troosten en hun lijden samen te dragen! Toen eenmaal zulke eerste woorden waren gezegd, volgden
110
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
spoedig breeder bekentenissen. Vooral, nadat Enno Ludwig, om liem te bemoedigen en tot spreken te brengen, hem genade had toegezegd, zoo hij eerlijk schuld beleed. Maren-holz ging toen verder en deelde bijzonderheden en anecdoten over zijn omgang met de gravin mede, die niet alleen zijn schuld boven allen twijfel verhieven, maar, bij de aanwezigheid van genoegzame getuigen ter bevestiging, den liederlijken aard van zijne relation tot Juliana bewezen.
Toen den 30'i,,'n Juni het onderzoek was afgeloopen, wilde men hem een advokaat geven, maar Marenholz, rekenende op het grafelijk woord, verklaarde van alle verdediging af te zien en zich geheel aan de genade van Enno Ludwig over te geven. Wat die genade beteekende, zou hij spoedig ontdekken. Den 18,lcn Juli werd hem zijn vonnis voorgelezen. Wegens schending zijner eeden en plichten jegens het grafelijke huis, wegens allerlei boosaardige en ontrouwe handelingen, wegens gevaarlijke, schadelijke en nadeelige machinatiën werd Johan Marenholz, anderen ten voorbeeld, zichzelven tot straf, veroordeeld tot de straffe des doods door het zwaard, nadat vooraf hem de rechterhand zou zijn afgehouwen. quot;Doch op zijn smeekbede â zoo sluit het vonnis â en ter wille van de tusschenkomst en voorspraak van anderen hebben wij uit genade deze straf zooverre verzacht , dat hij van het afhouwen der hand zal verschoond blijven, en de doodstraf niet op de gewone openbare plaats, maar op ons slot zal ondergaan.quot;
Zulk een vonuis had de ongelukkige niet verwacht. Hij had er niet aan gedacht, dat zijn leven gevaar liep. Nadrukkelijk beriep hij zich op de grafelijke belofte van genade. Maar Enno Ludwig liet hem antwoorden, dat hij daaronder nooit volle vergiffenis, maar slechts verzachting der straf had verstaan: en die ontving hij immers!
111
112 HF,NT VORSTELIJK ENGAGEMENT.
Tooli was zelfs die verzachting, dat liij niet openlijk zou terechtgesteld worden, hem niet om zijnentwil geschonken. Het waren de Oost-Frieselie raden, die er hardnekkig op hadden aangedrongen, ter wille van het grafelijk huis zelf, dat de minnaar van Juliana niet openlijk zou onthalsd worden. Want de bijl van den beul zou daar niet den verleider alleen, maar ook de verleide, de medeschuldige, de eigen moeder des graven treffen. Hoe weinig hij in deze geheele zaak ook haar had verschoond, met hoeveel onkieschheid hij, op aanstoken der Hessische landgravin, de bijzonderheden van haar geheimen omgang met Marenholz had nagespeurd, Enno Ludwig gevoelde het gevaar, dat er in gelegen was, en stond deze â genade aan zijn ouden hofmeester toe!
Nog ééne kans werd aan Marenholz geboden, om aan de bijl te ontsnappen. Men vroeg hem, of hij niet aan het drinken van vergif de voorkeur gaf. Ook tot dezen voorslag dreef de zucht om de zaak met de minste vertooning te eindigen. Een oogenblik dacht hij er over na, maar hij vreesde meer te zullen lijden en dankte voor het vriendelijk aanbod. Trouwens, het was gelukkig, dat hij weigerde; want een medicus en een geestelijke, wier advies men inwon, hadden bezwaren. De eerste uit het oogpunt der doeltreffendheid, de laatste uit 'dat der conscientie. Nu moest men wel tot onthoofding komen, want van genade schenken, in den waren zin des woords, was geen sprake. In den nacht van den 21sten Juli werd hij naar de burcht te Wittmund gevoerd en weinige uren later viel zijn hoofd op het blok.
De geheele rechtspleging, die hier gevolgd was, was een buitengewone en willekeurige. Zij, die in later tijden de acten der procedure hebben gezien, verklaren dat
EEN V011SÃELIJK ENGAGEMENT.
Marenliolz' terechtstelling niets dan een gerechtelijke moord was. Misdaden, voor den rechter met den dood strafbaar, had hij niet begaan. Toch zijn, naar het oordeel der nakomelingschap, er talloos velen door de handen der justitie gevallen, die minder schuldig waren dan hij.
Met den val van Marenliolz was de partij der gravin Juliana uiteengeslagen. Zij zelve smachtte om liet tooneel van haar schande en haar nederlaag te verlaten. Om daarin geen belemmering te ondervinden, had zij zich, nog voor de terechtstelling van 21 Juli, tot een vergelijk bereid verklaard, dat eenige finantieele punten regelde, en de moeder- en kinderliefde op het papier herstelde. Maar de zoon, die als het werktuig van haar vijanden zich had laten gebruiken, om haar oneer aan 't licht te brengen, was haar te onverschillig, zoo niet gebaat geworden, dan dat zij in zijn nabijheid leven kon. Zij verliet Oost-Friesland en bleef hardnekkig weigeren, hoe veel moeite hij ook later deed om haar tot terugkeeren te bewegen. De bijl, die Marenliolz trof, scheidde hen. Te Westerhof leefde zij nog eenige jaren in stilte en stierf daar den 255l'!n Januari 1659.
Minder stil, meer rumoerig gedroeg zich de geslagene Elizabeth van Ungnad. Zij klaagde graaf Enno Ludwig van rechtsverkrachting bij den üuitschen keizer aan en wist te bewerken, dat hij tot verantwoording geroepen en de overlegging der stukken van hem geëischt werd. Doch: '/avec le ciel il y a des accommodements!quot; hoe veel te meer met eene courtisane als deze. Enno Ludwig had, na haar vlucht, haar goederen in beslag geuomen. Tegen teruggave van deze en die van Marenliolz aan de wettige erven, de vergunning voor Elizabeth om in het graafschap
8
113
EEN VOllSTELIJK ENGAGEMENT.
weer te keeren en liet lijk van haar echtgenoot plechtig onder klokkengelui te Hage in de kerk bij te zetten, nnm haar broeder, de graaf van Weissenwolf, op zich, de procedure, door den Eijkshofraad tegen graaf Enno aangevangen , te doen eindigen. En zoo geschiedde het. De douairière van Marenholz vestigde zich te Bremen ,⢠waar zij zeer teruggetrokken leefde en na 1659 opnieuw aanzienlijke geldsommen van het Oldenburgsche huis ontving. In 1666 eindigde haar afzondering, en trad zij weer te voorschijn, zij het ook op kleiner tooneel. Graaf Anton von Altenburg, haar zoon, was weduwnaar geworden, en noodigde liaar uit, de opvoeding van zijn vijf kinderen op zich te nemen. Aan geschikter handen kon hij moeilijk die taak toevertrouwen! Hier leefde zij en stierf zij in een gezegenden ouderdom. Requiescat in pace!
De ongewone wijze, waarop de jonge graaf zijn bestuur had aanvaard, en de strengheid tegen zijn moeder had in de naburige landen algemeen opzien gewekt. Maar nergens trok zij meer de aandacht dan in de Xederlandsclie Repu-pliek en aan het hof der Douairière van Oranje. Met nieuwsgierigheid zag men in den Haag de komst van den jongen tiran, gelijk men hem noemde, te gemoet.
Gedurende vele maanden had Enno Ludwig den tijd niet, om aan zijn meer private belangen te denken. De moeielijk-heden, waarin ook hij al spoedig met de stad Emden gewikkeld werd, deden hem eindelijk in 't najaar van 1651 een bezoek aan den Haag brengen. Het hoofddoel was ovn de hulp der Staten-Generaal in te roepen: maar en passant sprak hij ook een woordje met de Princesse-Douairière over zijn huwelijk. Amalia van Solms scheepte hem af, onder voorwendsel dat haar dochter, nauwelijks 15 jaar, nog veel
114
een vorstelijk engagement.
te jong was, om aan een huwelijk te denken. Enno Ludwig kon tegen het bezwaar niets inbrengen, ook als hij gewild had; maar de zaak ging hem niet sterk ter liarte. Het was meer gevoel van voegzaamheid of misschien ook politieke berekening dan wel genegenheid voor de jonge Catha-rina, die hem de vervulling der huwelijksbelofte had doen vragen. Hij bekreunde zich niet om zijne jonge bruid, en nam volgaarne het uitstel aan, dat hem nog eenige jaren vrijheid beloofde. En van die vrijheid maakte hij dan ook ruimschoots gebruik, maar niet op eene wijze, die geschikt was om hem de liefde der dochter van Frederik Hendrik te verwerven.
Toen hij twee jaar later wederkwam, was de verhouding veranderd. Henriëtte was een meisje van 17 jaar, dat zich, als al de dochters van Frederik Hendrik, onderscheidde door haar geest en verstand. Enno Ludwig, log en lomp van lichaam, maakte een zonderlinge figuur in de hoofsche kringen, die zoowel door den invloed der Franschen als dooide komst van de aanzienlijke Engelsche vluchtelingen beschaafde vormen en galanterie jegens dames als hoofdver-eischten van een aanzienlijk man hadden aangenomen. Thans op grond van een oud contract een huwelijk te vragen, zonder ojj behoorlijke wijze zijn hof aan de schoone te maken, gaf niet veel kans op slagen. De Oost-Friesche graaf, al had hij verscheidene jaren in den Haag doorgebracht, was een ruw en lomp man gebleven. //Hij was meer Oost-Friesch dan Haagsch,quot; zegt Aitzema. //Hij deed geen de minste moeite om Henriëtte Catharina te winnen. Als hij aan het hof kwam, sprak hij nauwelijks een woord met haar, en liet haar zitten.quot;
Doch ook al ware hij een volmaakt cavalier geweest, het is zeer te betwijfelen, of hij ooit haar hand had gekregen.
115
EEN VOUSTELIJK ENGAGEMENT.
De teTechtstelling van Marenliolz, de onwaardige wijze, waarop hij de eer zijner moeder op de straat had geworpen, had hem een reputatie bezorgd, die hem in de Republiek zeer impopulair maakte. Nauwkeurig was het gebeurde te Aurich hier te lande niet bekend, maar wat bekend was en geloofd werd, pleitte tegen den jongen graaf.
Toen Marenholz was gevangen genomen, was Ehren-treuter, ofschoon na Will em's dood buiten de zaken, naar den Haag gevlucht. Wat hij daar verteld heeft en verzwegen, is beide na te gaan. Verzwegen heeft hij natuurlijk, dat de gravin de bijzit van zijn zwager was. Veel daarentegen beeft hij te haren gunste verteld. Dit blijkt uit twee brieven, den 30sten en 19den Juni door Amalia van Solms en Constantijn Huygens gericht aan Enno Lud-wig. Beide zwijgen van Marenholz; maar beide roemen Juliana van Hessen, vooral om haar groote zorg voor de linantieele belangen van haar huis. //Je ne scaurois vous enseigner un meilleur exemplequot; â schrijft de Princesse-Douairière â //que celuy de Madame vostre Mère, de laquelle je puis tesmoigner que durant votre absence elle a prins a coeur vos affaires aveq tant de soing et d1 affection que pour autant qu'il m'est possible d'en juger de loing, si ceste administration lay fust demeurée encor quelque temps, elle estoit capable et en fort beau train de désem-barasser vostre maison des grandes charges que vous trou-verez Taccabler pour une partie a présent.quot; Ook Huygens drukt inzonderheid op dit punt. De gravin, schrijft hij, «s'est chargée d' un travail personel, pour restablir vos affaires en sorte, que, revenu de vos beaux voyages, vous vous trouvassiez en estat de vivre a vostre aise dans un domaine franc et decharge de toutes difficultez.quot;
Het is duidelijk, dat door zulk een voorstelling van
116
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
zaken de partij van Marenkolz haar baan had trachten schoon te vegen. Dat Amalia van Solms en Huygens er dupe van werden, is vrij natuurlijk. Hetzelfde was hun sedert jaren gezegd, en van andere zijde kregen zij geen inlichtingen. Opmerkelijk is het, dat ook de tegenstanders van het Oranjehuis niet de juiste toedracht der zaken schijnen gekend te hebben. Zelfs Aitzema, die anders nog al in de gelegenheid was en er van hield, om het naadje van de kous te weten, was blijkbaar in 1662 nog niet op de hoogte van wat er toch eigenlijk gebeurd was. Na de onthoofding van Marenholz vermeld te hebben, trekt hij een geheimzinnig gezicht en maakt zich van de zaak af met de nuchtere opmerking; '/van de oorsaecken wiert niet loffelijk, maer doncker gesproken.quot;
De brieven van Amalia van Solms en Huygens drukken de denkbeelden van den hofkring uit. Staatslieden en eerzuchtige oude dames, die niet zichzelven hadden weg te geven, maar over anderen te beschikken, konden zich over het gebeurde heenzetten en een schoonzoon als Enno Lud-wig nog dragelijk achten, â voor een jong meisje moest liet denkbeeld, om haar levensgeluk toe te vertrouwen aan zulk een wreedaard, die zijn weldoeners vermoordde en zijne moeder mishandelde, onduldbaar zijn. De dochter van Amalia van Solms mocht zoo eerzuchtig zijn als de moeder, evenzeer als de moeder, was zij te trotsch om vrijwillig het hoofd te buigen voor zulk een ruw, lomp en gevoelloos man, als deze zoon van Juliana van Hessen.
Geen wonder, dat liij ook thans in zijn aanzoek, dat het huwelijk mocht worden voltrokken, niet slaagde. De geruchten van zijn dagelijksche amourettes voltooiden, wat noch te voltooien was. Het 17jarig meisje schrikte terug voor een man, die physiek haar een walg en moreel een
117
EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.
afschuw was. De heeren Andrée eu N ij velt, die namens den graaf het verzoek hadden gedaan, ontvingen de mede-deeling, dat het huwelijk nog moest uitgesteld worden, omdat de prinses nog te jong was. Ofschoon Enno Lud-wig zelf er niet om gaf, gevoelde hij zich door die bejegening gekwetst. Een meisje van 17 jaar te jong om te trouwen! Hij werd boos en gelastte, dat de prinses niet meer in de kerkelijke gebeden zou herdacht worden.
Het schijnt, dat Amalia van Solms niet dan hoogst ongaarne het afbreken van het huwelijk heeft gezien. Het is anders volkomen onbegrijpelijk, hoe na deze lompe handeling van Enno de verloving een dag langer geldende is geacht. Nog anderhalf jaar bleef de zaak slepen. Niet voor November 1655 ontving Enno een bericht, dat de opzegging der belofte voorbereidde. Hij had zijn raad Wiarda nog eens naar de prinses gezonden. Zij ontving hem slechts één enkele maal en gaf hem toen een generaal, maar beleefd bescheid: «dat haer het Huwelyk aengenaem, oock honorabel was, maer dat de genegenheid van liaer Dochter niet kon worden gedwongen.quot; Hoe kwam Amalia er toe, om deze duidelijke woorden te spreken? Karei II heeft aan Henriëtte een tijd lang het hof gemaakt. Was het misschien in dezen tijd?
Hoe dit zij â door deze verklaring waren de schepen verbrand. Eenige weken later, in het begin van 1656, liet de Douairière van Oranje door den president aan de Staten-Generaal mededeel en, quot;dat sij tot haer leedwezen dagelijks zag, dat de affectie en genegenheid van de toe-comende contlioralen niet alleen niet was aangewassen, maer zelfs meer en meer afnam; ja alsoo, dat de Princesse liever geresolveert soude syn, om te sterven, als tot accomplissc-ment van dit Huwelijck. Ende alsoo niet alleen naer rechte,
118
EEN VOllSÃELIJK ENGAGEMENT.
maer oook volgens belofte de hooge partijen, post aunos pnbertatis, moest vrij staen derselver consensus vel dissensns, soo wast dat liaer Hooclieyt verklaerde niet te konnen, noch de Princesse liaer Dochter tegen haer wil ende consent te doen trouwen; oock niet billyck te syn den Heer Prins van Oost-Vrieslandt langer op ende af te houden van ander party te soucken. Dat daerom geresolveerd was tegen seeckereu tydt ende dach opgemelde contract weder te dissolveren, met de selve solemniteyten als het gecolligeert was, versouckende dat haer Ho. Mog. met haer interventie over dese vrijstellinge geliefde mede present te syn, soo als sy waren tegenwoordich geweest op de sluytinge.quot;
Indien tot quot;de selve solemniteyten,,', die herhaald moesten worden, ook het festijn van 1641 heeft behoord, denk ik, dat Henriëtte Catharina van Oranje met vroolijker en blijder harte het einde dan den aanvang van haar bruidschap heeft medegevierd.
Trouwens, aan meer galante en aan beminnelijker kandidaten naar haar hand dan de ruwe Oost-Friesche graaf heeft het haar niet ontbroken. In 1659 trad zij in het huwelijk met Johann George, vorst van Anhalt-Dessau3. Voor zooveel wij weten is zij met hein gelukkig geweest. Toen in 1693 haar echtgenoot haar ontviel, werd ook zij tot een voogdij geroepen. Op waardiger en ernstiger wijze heeft zij die taak vervuld, dan de vrouw, wie zij eenmaal gevaar had geloopen, den moedernaam te moeten schenken. Het is in haar nalatenschap, dat in het begin der 18do eeuw het handschrift werd gevonden, hetwelk, als Mémoires de Prédéric Henri in 't licht gegeven, een der bronnen voor de geschiedenis van haar beroemden vader uitmaakt.
119
IV
JOHAN DE ¥ITT.
JOHAN DE WITT.
(een fragment)
In 1651, na den plotselingen dood van Prins Willem II, werd op de groote Ridderzaal in den Haag een vergadering van vertegenwoordigers der geünieerde provinciën gehouden. De besluiten, daar genomen, wijzigden den staatsvorm niet, maar liet beginsel der provinciale souvereiniteit werd tot grondslag der staatsorde aangenomen. Met het stadhouderschap, dat onvervuld werd gelaten, verviel de autoriteit der Staten-Generaal. De gewestelijke staten, te zamen gekoppeld zonder dat een krachtige, centrale regeering voor aller rechten tegen allen waakte, gehoorzaamden willig of onwillig, maar als van zelf, aan de leiding des sterkeren. Door hunne onafhankelijkheid en zelfstandigheid op het papier, werden zij metterdaad in afhankelijkheid van Holland gebracht. De natuurlijke overmacht der machtiger provincie trad in de plaats van het stadhouderlijk gezag, dat, door vijf gewesten opgedragen en in vijf gewesten geldende, door zijn oorsprong en zijn uitgestrektheid het behoud van evenwicht en gelijkheid, zooveel het mogelijk
JOHAN DE WITT.
kou zijn, tusschen de deelen van liet geheel moest beoogen. Den stadhouder gingen Geldersche belangen aan, omdat hij ook stadhouder van Gelderland was. Voor de Hol-landsche staatslieden golden Hollandsche belangen bovenal, zoo niet uitsluitend.
En dit gezag, deze overwegende invloed werd uitgeoefend door een statenvergadering, die uit afgevaardigden van eenige steden nevens enkele edelen bestond. Het zwaartepunt der regeering lag geheel in de stedelijke besturen, zij werden na 1651 alvermogend. In stadhouderlijke tijden koos de stadhouder de leden der vroedschappen uit een voordracht. Thans werd aan de vroedschappen vergund, zich zelve te benoemen. De aristocratische regeering, reeds onder Pre-derik Hendrik bestaande, ontwikkelde zich welig en werd familieregeering. In iedere stad, groot of klein, was een klein getal van regentenfamiliën, die de betrekkingen onder zich deelden. Zij sloten contracten met elkander, waarin zij voor jaren, om twist te vermijden, de ambten verdeelden. 'Zorgvuldig waakten zij, dat niemand als vroedschap werd gekozen, dan wie bereidwillig tot deze schikkingen toetrad. Invloed op de samenstelling der bestureu, bur-gemeesteren, schepenen en vroedschappen, had de burgerij niet. De oligarchie deelde alles onder zich en regeerde eigenmachtig. Wee, wie het waagde zich te verzetten! Ook indien de stedelijke politie en justitie hem ongedeerd liet, was hij tegen vervolging eu straf niet verzekerd. De stedelijke overheid had het recht tot politieke uitzetting. Wie zij wilde verbande zij, eigenmachtig en zonder verantwoordelijkheid, uit stad, gewest, ja uit de zeven Provinciën.
/ Van dit oligarchisch bewind, de heerschappij der regenten-aristocratie, is Johan de Witt de leider en de ziel ge-
124
JOH AN DE WITT.
weest. Hij heeft haar verdedigd en gehandhaafd tegen binnen- en buitenlandsohe vijanden.
Vijf oorlogen heeft de staat tijdens zijn bestuur te voeren gehad. Op hem, den raadpensionaris van Holland, die door de Staten van zijn gewest de anderen beheerschte, kwam soms zelfs de zorg voor de uitvoering, maar steeds de leiding aan. Ãn als staatsman èn als administrateur heeft hij zich volkomen voor zijn zware taak berekend getoond. Waar het gold de voorbereiding tot den strijd of de herstelling der geleden schaden, heeft zijn beleid en zijn energie de kamp mogelijk gemaakt, zelfs als overmacht de Republiek aan den rand van den ondergang bracht. Zijn veerkracht en onverzettelijkheid liet moedeloosheid zelden opkomen en nooit veld winnen. Steeds vruchtbaar in redmiddelen, wist hij ook in den meest benarden toestand anderen met zijn moed te bezielen en vertrouwen in te boezemen. Onomkoopbaar en onwrikbaar in zijn overtuiging, had hij zijn leven veil, waar het heil des lands of de zegepraal zijner staatkunde het scheen te vorderen. Met het klimmen der jaren, met de groote successen, die zijn politiek vaster schenen te vestigen, verraden kleine trekken nu en dan het gevoel van zelfvoldoening, van eenige ij delheid. Maar wie zal het euvel duiden? Was ooit bewustzijn van eigen kracht meer gerechtvaardigd? Was het niet volkomen natuurlijk?
Te meer, omdat aan dat gevoel van persoonlijke kracht een groot deel van zijn welslagen was te danken. Welk staatsman zou met de stroeve machine van een meer dan duizendtal regenten, die over de gewichtigste zaken rechtens moesten geraadpleegd worden, hebben tot stand gebracht wat hij deed, zoo hij niet, evenzeer als De Witt, eigenmachtig had ingegrepen? Toen, na den eersten oorlog
125
JOHAN DE WITT.
met Engeland, die de krachten des lands verteerde en de heerscliappij der Statenpartij bedreigde, de vrede afstuitte op de weigering der Staten-Generaal, wist hij de Staten van Holland tot liet bewilligen in de Acte van Seclusie, den eisch van Cromwell, te bewegen. Bij liet uitbreken van den tweeden Engelschen krijg wist hij een last aan ])e Rujter, door een kunstgreep, bij de Algemeene Staten geteekend te krijgen, buiten medeweten van de meeste leden, die aanwezig waren. Een tractaat met Denemarken liet hij door de provinciën ratificeeren, ofschoon hun de geheime artikelen werden onthouden. De Triple Alliantie sloot hij met William Temple, zonder ruggespraak met de Staten.
Men heeft in de laatste jaren gezegd, dat zijn invloed veel geringer is geweest, dan men tot dusver heeft gemeend. Maar de staatsman, die zulke dingen vermocht en durfde te doen, zonder gevallen te zijn, is iets meer dau dienaar geweest. Waarheid is het, dat hij nooit een absolute macht heeft bezeten; dat hij het overmoedige woord van den Eranschen koning niet kon overnemen en zeggen âde Staten ben ik.quot; Maar even zeker, dat hij jaren lang zijn inzicht en wil tot inzicht en wil der Staten heeft verheven en, meer dan eenig stadhouder tot dien tijd, in binnen- en bnitenlandsche zaken gelijktijdig heeft ge-heerscht.
jSTaijver en jaloezie op zijn grooten, zijn overwegenden invloed lieeft onder zijn eigen partij nooit ontbroken. De regentenaristocratie heeft hem gesteund en gevolgd, ook toen het vertrouwen op zijn inzicht niet meer volkomen ongeschokt was gebleven. De man, die de Oranjepartij en haar aanhang met zoo onverbiddelijke gestrengheid, met zoo onbuigzame hardheid ten onder hield, die ook, waar hij
126
JOHAN DE WITT.
scheen een concessie te doen, door het Eeuwig Edict de hoop van haar volgelingen den bodem insloeg â die man had wel het recht, even groote getrouwheid aan hem, als hij aan zijn partij betoonde, te verwachten. Maar die heeft hem ontbroken.
Men zegt, dat in lfi67, toen het stadhouderschap in Holland was vernietigd, de Dordsche pensionaris Vivien zich eens in De Witt's tegenwoordigheid vermeidde, het leer van een boek met een pennemes aan reepjes te snijden. //Wat doet ge toch?,, vroeg de raadpensionaris verwonderd. //Ik probeerquot; â was het snijdende antwoord â //wat het perkament vermag tegen het staar1 4.
Dat woord openbaart, wat in de harten omging. Mannen, die jarenlang zijn aanhangers waren geweest, die hem ter zijde hadden gestaan in de kabinetten en in de raadzaal, verlieten hem, toen de nadering van een storm gevoeld werd. Johan de Witt had te lang geheerscht, om niet een rijken oogst van persoonlijken onwil en wrok te oogsten. Niet aller belangen waren bevredigd; onvoldane wen-schen van aanhangers deden zich gelden. //Alle ambten en bedieningen werden naar het goedvinden van zijne familie verleend,quot; zoo klaagde niet alleen de wangunst der teleur-gestelden, maar ook het zelfstandig inzicht van hen, die het juk van den meester moede waren.
De regentenoligarchie had jarenlang hem gevolgd en was vastgeworteld. Zij gevoelde het: haar lot behoefde niet afhankelijk van liet zijne te zijn. Ook indien hij viel, kon zij de heerschende blijven. Met eiken dag werd de knaap, de jongeling grooter, die den historischen eernaam van Prins van Oranje droeg. Met eiken dag steeg zijn betee-kenis in de oogen des volks. Hinderpaal op hinderpaal, beletsel op beletsel wierp Johan de Witt aan zijn ver-
137
JOHAN DB WITT.
heffing in den weg. En niettemin werd de schaduw, die hij wierp, steeds grooter, was de stroom steeds stijgende, die hem omhoog droeg. Die jonge man zag zijn pad ge-effend door de aanhankelijkheid der natie aan zijn geslacht en de ontrouw der tegenstanders aan hun hoofd. Zij verlieten zijn zijde, om in de stralen der opgaande zon zich te koesteren.
Johan de Witt alleen bleef zich zeiven getrouw. Toen de jeugdige Willem III in de vaderlijke waardigheden was hersteld, trad hij ter zijde. Hij legde het ambt neer, dat hij meer dan negentien jaar met de toewijding van al zijn krachten had bekleed. In den Hoogen Raad van Holland zou hij rusten van zijn arbeid.
Maar de haat schonk hein de ruste des doods.
De moord van den 20sten Augustus 1672 heeft hat oordeel van het nageslacht gedrukt. Op het bebloed gelaat kost het moeite, de ware trekken te onderscheiden. De verachtelijkheid van den moord is het slachtoffer ten goede gekomen.
Nooit is de partij van Holland, de aanhang der Staten-regeering, in gunstiger omstandigheden geweest, dan in het jaar 1630. De onverwachte dood van Willem II vernietigde als met een enkelen slag het werk, dat weinige maanden vroeger was verricht. De herinnering was nog te versch, dan dat het bitter gevoel van vernedering bij de overwonnenen verzwakt kon zijn; te versch, dan dat de overwinnaars van Juli niet weerwraak moesten duchten. Indien Holland van dit zeldzame oogenblik, deze zeldzame gunst der omstandigheden partij had getrokken, niemand had het euvel kunnen duiden en het nageslacht zou er Holland dankbaar voor geweest zijn.
128
JOHAN DE WITT.
De Republiek bestond uit zeven souvereine gewesten. Te zamen bezaten zij de zoogenaamde Generaliteitslanden, d. i. landen, die zij als veroverd land, als wingewest beschouwden. Herhaaldelijk heeft Xoordbrabant bijv. moeite gedaan, om in de Unie als lid opgenomen te worden. Dit is steeds geweigerd. Waarom? Om godsdienstige redenen, zegt men. En het is de waarheid, doch niet de eeriige. Politiek overleg was de hoofdreden. Holland wilde niet, door de toevoeging van nieuwe leden aan de Unie, de moeielijkheid vermeerderen om het staatslichaam te be-heerschen.
De souvereiniteit der andere gewesten was voor Holland een belemmering. Het is er steeds op uit geweest, om ze te vernietigen. In 1674) heeft Holland gepoogd Gelderland, Utrecht en Overijsel, die door de Fransche legers waren overheerd, in de ondergeschikte positie van Noord-Brabant, in de afhankelijkheid van wingewesten te brengen. Die wensch is toen, als steeds, afgestuit op het stadhouderlijk gezag.
In het jaar 1650, bij den dood van Willem II , deed zich een gelegenheid voor, zooals de fortuin zelden aanbiedt. Indien Holland stoutweg verklaard had, dat het zich aan de Unie onttrok, tenzij het blijvender waarborgen voor zijn invloed verkreeg, de andere gewesten zouden verplicht zijn geweest, het hoofd te buigen. De Friesche stadhouder was niet populair genoeg, en ook de geschikte persoon niet, om aan het hoofd der landprovinciën een krachtig verzet te bieden.
Men zegge niet, dat dit een revolutionaire daad zou geweest zijn, want men zou zich volkomen bedriegen. De ünie was een verbond, voor den oorlog gesloten. Sedert 1648 was er vrede: zoo deze gewesten blijvend wilden ver-
9
JOHAN DE WITT.
bonden zijn, behoorde die boud geregeld te worden. Er moest een grondwet, een bondsacte, of hoe men het noemen. wil, tot stand komen. In plaats van revolutionair, zou Holland's handeling volkomen regelmatig geweest zijn.
Dadelijk na den vrede had de herziening der Unie moeten plaats grijpen. De geringe invloed, dien Willem 11 tot weinige maanden voor zijn dood bezat, verklaart, dat van hem het initiatief niet is uitgegaan. Maar bij langer leven ware zeker de staatsorde, ouder de Unie van Utrecht bestaande, niet ongewijzigd gebleven. Door zijn dood was Holland in de gelegenheid te herstellen, wat verzuimd was, en wel in eigen geest. Elke oplossing, in welke richting ook, was beter dau het voortleven der wanorde. Waarom heeft Holland het nagelaten? Waarom heeft Holland voortdurend verklaard de souvereiniteit der provinciën te eerbiedigen, die het nooit geëerbiedigd heeft? Waarom heeft het de gebrekkigste staatsmachine verschoond, op het oogen-blik, dat het in staat was ze te verbeteren ?
Het antwoord kan geen ander zijn dan dit; omdat bij Holland het mercantiel belang boven het staatkundig ging. Het is de vloek, die op een politieken toestand rust, welke de deelneming van staatszaken slechts aan een beperkt getal individuen schenkt, dat het persoonlijk belang boven het algemeen, gewestelijk voordeel boven nationale eischen gaan. De handel van Holland, de bron van welvaart en weelde, was het hoogste in de waardeering der Hollandsche regenten. Daarom moest het zeewezen worden beschermd, opdat de handelsvloten konden verdedigd worden, als het uoodig was; daarom was het landleger hun onverschillig, waarvan de veiligheid der landprovinciën afhing. Dat er bij een volk nog andere bronnen van welvaart vloeien, die veiligheid en maatschappelijke orde eischen.
130
JOHAN DE WITT.
zagen zij niet in. Het is bijv. geen toeval, maar een noodzakelijk gevolg van het overlieersclien der handels-inzichten geweest, dat de landbouw in de Nederlandsche Republiek steeds op ongehoorde wijze verwaarloosd is. Pieter de la Court, de publicist naar het hart van de Witt, prijst o. a. de boeren gelukkig, dat zij voor al hunne producten een markt hier te lande vonden en niet behoefden uit te voeren.
Welnu â dit overwicht van mercantiele belangen heeft de politieke hervormingen tegengehouden. Publiek leven, een publieke opinie deed zich slechts in enkele oogenblikken gelden. De burgerij, van alle deelneming in staatszaken uitgesloten , zonder invloed op de besturen der steden, mocht hare sympathieën en wenschen hebben, zij bukte voor de regenten-aristocratie, die alle macht in handen had.
Ook Oldenbarnevelt had met de aristocratie geregeerd, maar in zijn dagen waren de regenten niet zoo aaneengesloten als thans. De wijze hunner aanstelling sloot toen de mogelijkheid niet buiten, dat nieuw bloed werd opgenomen. Wat Cats reeds in zijn tijd verhaalde, dat men als Raadpensionaris machteloos was, indien men niet vele familiebetrekkingen in de stedelijke besturen had, gold in later dagen in nog sterker mate. '/De Heeren, die het weten moestenquot;, zooals het volk in de 18'le eeuw gewoon was te zeggen, kozen na 1631 zich zeiven, vulden de vacaturen in hunne collegiëu aan, door zonen, vrienden en bloedverwanten er in op te nemen. Jolian de Witt, de zoon van den Dordschen burgemeester, trouwde Wendela Bicker, de dochter van den Amsterdamschcn burgervader, en het is hem steeds tot wijsheid gerekend. De staatsman heeft geheerscht door deze oligarchie, en te haren gunste.
Oldenbarnevelt had den invloed der regenten gebezigd,
131
JOHAN DE WITT.
om de middelen en de krachten tot zijn beschikking te verkrijgen, die het grondgebied der Unie moesten bevrijden. Johan de Witt heeft ze gebezigd, om Holland's wil aan de andere gewesten op te leggen, zonder dat hij voor het verlies van die zelfstandigheid hun eenige vergoeding bood. Vrijheid bezorgde Oldenbarnevelt, en de ondankbare landprovinciën hebben het vergeten. Wat heeft Johan de Witt aan die landprovinciën, die hij aan Holland onderwierp, geschonken? Niets.
De staatsgezinde partij heeft onder dit eminent hoofd de oplossing van het politiek vraagstuk der nationale, der staatseenheid, niet beproefd. Indien het overwicht van Holland aan die gewesten iets had aangebracht, wat zij, dank zij hunne eigen souvereiniteit, niet verwerven konden, misschien ware langs dezen weg in verloop van tijden de eenheid zonder schokken tot stand gekomen. Maar juist het eenige, wat zij behoefden, werd hun onthouden. Door Holland's tegenwerking was het landleger onvoldoende om. ze te beschermen, en vielen zij telken male iederen vijand, die de grenzen overtrok, ten prooi.
Het verzuim, door Maurits na 1618 begaan, geen verandering in de staatsorde tot stand te brengen, is na 1650 de fout van de Statenpartij. Beiden hebben zich tevreden gesteld met het feitelijk bezit van een macht, die niet op wettelijke erkenning was gebouwd. De gelegenheid, om door een staatsverandering de bron van veel verdeeldheid en twist te dempen en een vasten grondslag te leggen voor de nationale ontwikkeling is èn in 1618 èn in 1651 op onverantwoordelijke wijze verzuimd.
Maar de schuld moet zwaarder drukken op hen, die in 1650 de macht in handen hadden, dan op Maurits. filk voorstel van den laatste tot hervorming der Unie was een
132
JOHAN' DE WITT.
revolutionaire daad. üe Statenpartij in 1650 zou slechts haar plicht hebben gedaan, wanneer zij het verbond voor den krijg door een verbond voor dm vrede had vervangen. Zij heeft er de voorkeur aan gegeven, in naam een Unie te behouden, die metterdaad niet meer te handhaven, was en daarom straffeloos k:)n geschonden worden.
//Gedenk aan Loeve,stem!quot; dat woord heeft, zegt men,i de oude Jacob de Witt, de gevangene op Loevestein, zijne kinderen voortdurend voorgehouden. Ook indien het verhaal onjuist is, doet het niets ter zake, want het hoofddenkbeeld is juist. Onwil en wrok jegens het Oranjehuis heeft de Hollandsche oligarchie en haar leider steeds bezield. Wat ware de geschiedenis der 17(le! eeuw schooner en rijker geworden, wat zou onze volkshistorie een tal van eervolle bladzijden meer tellen, indien er in 1650 een i staatsman ware opgestaan, die, met de bezieling en het overwicht zijner superioriteit, de worstelende partijen had weten te verzoenen! Slechts door samenwerking van Holland en de Oranjepartij kon, wat beiden wenschten, zijn tot stand gebracht. Holland zou geheerscht hebben in de Unie, maar door den prins van Oranje als hoofd van den staat. Doch geen stap in die richting is gedaan en integendeel alles aangewend, om de ontwikkeling des volks te belemmeren.
Wanneer het waarheid is, dat slechts hij den naam van staatsman verdient te dragen, die //zijn staatkundig doel goed weet te kiezenquot;, dan wordt het oordeel over Johan de Witt niet gemakkelijk. Men kan den persoon, zijne geestesgaven en zijn karakter bewonderen zooveel men wil, â niet de rijkdom van zijn uitrusting, zelfs niet de uitkomst van zijn daden, maar alleen de strekking zijner politiek moest de beslissing geven. Voor wien en waarvoor
133
JOH AN DK WITT.
heeft Johan de Witt gewerkt? Geen enkel staatsbelang was er, dat de bittere vervolging en tegenwerking der â Oranjepartij vereisclite; alleen het belang der Hollandsclic oligarchie richtte zijn hand.
Daar is geen belachelijker traditie dan die, welke de partij der Staten de partij der vrijheid noemt en den kamp tusschen Holland en Oranje als een worsteling voorstelt van vrijheid en despotisme. Er is nooit eenige oligarchie geweest, die eerbied voor rechten en vrijheid van anderen heeft gehad. Zoo de druk in de Nederlanden minder is geweest, dan dikwerf elders. het is meer aan de personen, dan aan de instellingen te danken. En de volksbewegingen, die telkenmale, in 1672 en in 1747, de heerschappij der anti-stadhouderlijke aristocratie met geweld deden eindigen, bewijzen, dat het Oranjehuis waarborgen aan het volk schonk, die de regentenregeering hun roofde.
Een zijner medewerkers op diplomatiek gebied, een dei-vereerders van Johan de Witt, zelf een staatsman, wiens naam in Engeland's politieke geschiedenis staat opgeschreven, William Temple, heeft omtrent hem dit getuigenis nagelaten: //hij was een groot man, maar een factiehoold.'
Oldenbarnevelt was een staatsman, Johan de AA itt een partijhoofd: geniaal, eerlijk en kundig bovenmate â maar een partijhoofd.
134
V
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
Het jaar 1673 was eindelijk voorbijgegaan. In minder dan eene maand hadden de troepen van den keurvorst van Keulen en den bisschop van Munster liet grootste gedeelte van Overijsel, Friesland en Groningen ingenomen en de vestingen in die provinciën bezet, waaruit zij naar welgevallen het omliggende land plunderden en op brandschatting stelden. Het talrijke leger van Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, had, onder het beleid der beroemdste veld-beeren dier eeuw, Gelderland en Utrecht bijna zonder wederstand veroverd. De binnenlandsehe tweedracht, de strijd voor, en tegen den Prins van Oranje, die, hoewel twee en twintig jaar oud, buiten alle bewind werd gehouden, had de veerkracht der vóór weinige maanden nog zoo machtige Republiek der Vereenigde Provinciën verlamd. Hoewel de regeering het dreigend onweder zag naderen en onderricht was geworden van het verbond, tusschen Engeland, Frankrijk, Keulen en Munster gesloten, om de Republiek der Vereenigde Provinciën te vernietigen, verspilde zij met onvruchtbaar twisten over de verheffing van Willem Hendrik van Oranje tot het Kapitein- en Admiraal-Generaalschap
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
den kostbaren tijd, zoodat de tweeëntwintigjarige prins, toen hij ten laatste zich de hooge ambten zijner voorvaderen zag opgedragen, met een nietig leger den machtigen vijand moest tegentrekken.
Ter zee echter handhaafde de Rnjter den ouden roem der Republiek. Machtiger vloten, dan de zijne was, trok hij onverschrokken tegen, en bij Soulsbaai was het hem gelukt de verbonden Engelsche en Fransche vloten op de vlucht te drijven. Wat baatte evenwel de overwinning ter zee, indien de twee laatste provinciën. Holland en Zeeland, te land aangetast en veroverd werden? Men had er dan ook reeds van gesproken, om voor de overmacht te buigen en de harde en onteerende voorwaarden aan te nemen, die de vijand stelde. Bij de plotselinge verovering der meeste provinciën, bij den ongunstigen staat der geldmiddelen, bij den wrevel der burgerij en tegen de regeering, die van verraad werd beschuldigd, kon het niet bevreemden, dat onze krachtige voorvaderen, die slechts een duimbreed gronds aan een uithoek van Europa bewoonden en toch de zee beheerschten en aan de koningen van Europa ontzag inboezemden , wederstand voor onmogelijk hielden en bij den blik om zich heen moesten uitroepen: //dat de Staten radeloos waren, de steden redeloos en het land reddeloos.quot;
Maar â het kan de inborst van ons volk doen kennen â toen door het onderwaterzetten van de toegangen tot Holland en het regelen der defensie-lijnen het voortdringen van den vijand werd vertraagd, scheen de verschrikte volksgeest zich te herstellen. Andere volken hadden den vijand niet zoo ver laten komen, maar zouden ook, indien zij liet niet na vele krachtsinspanning hadden kunnen verhinderen, het hoofd hebben gebogen. Ons volk deed het niet. Men mag zeggen dat het niet deed wat het kon, toen het de
138
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
tijd daarvoor was, maar ook dat liet bijna meer deed dan het kon, toen de tijd daarvoor voorbij scheen.
Van alle zijden begon een oorlog in het klein, eene geuzen-sehermutseling, waarop cns volk zich zoo meesterlijk verstaat. Hollander en Pries wisten zich het water en het moeras goed ten nutte te maken. Beter bestand tegen het gure klimaat dan de kleumsche Franschman, bekend met de smalle wegen door het deinende dras, bespiedde de Hollander den naderenden vijand, legde het musket aan tusschen bies- en rietpol, waarachter de loerende soldaat was verscholen, en plantte het kanon als op de golven van de over het land gestroomde binnenwateren, om de paden te bestrijken, langs welke de vijand moest optrekken.
Maar de natuur, de gewone boudgenoote van ons Nederlanders , dreigde de Republiek te verraden. De vorst viel in, bevloerde de derrie en deed liet water verstijven. Wat ongenaakbaar scheen voor den vijand, die het hoofdkwartier in Utrecht had opgeslagen, bleek maar al te veel toegankelijk, toen de Fransche veldheer Luxembourg, tegen Kerstmis van 1672, Abcoude, Weesp, Ankeveen, 's Graveland en Hilversum grootendeels verbrandde; toen hij van eene andere zijde Holland wilde binnendringen en de vroegere legerplaats van den Prins van Oranje, Bodegraven, alsmede Zwammerdam, te vuur en te zwaard verwoestte. Mogen de gruwelen , daar geschied, niet zóó barbaarsch zijn geweest als sommige geschiedschrijvers berichten, de verwoesting dier dorpen was toch volkomen en het gevaar voor Amsterdam en Den Haag dreigender dan ooit. De Prins was aan het hoofd van zooveel macht als hij verzamelen kon, eensklaps en zonder dat iemand het vermoedde, de grenzen der Eepubliek overgerukt, om den vijand in den rug te bestoken, en tevens â de macht was te ge-
139
DK ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
ring om veel uit te ricliteu â aau Europa te toouen, dat de Republiek nog niet was gestorven, maar integendeel nog wel verdiende door liare bondgenooten te worden bijgestaan. Een aardige trek, die ons bij gelegenheid van dezen tocht wordt verhaald, leert ons de inborst van den jongen Prins kennen. Toen liij aan een zijner officieren bevel gaf om eenige regimenten voet- en paardenvolk naar Rozen-daal, in Noord-Brabant, in allerijl bijeen te trekken, vroeg deze den Prins, wat Zijne Hoogheid met dien toclit voorhad ? De Prins hernam, terwijl hij vriendschappelijk de hand op den schouder van den vrager lei: //Kunt gij zwijgen?quot; waarop het antwoord luidde: //O zeker, Uwe Hoogheid!quot; â //Welnu, mijn vriend!quot; zoo besloot de Prins met een fijn glimlachje, //ook ik kan het.quot;
Keeren wij echter tot ons verhaal terug. De koude drong den Prins weldra terug te keeren. Het geschiedde bijtijds, want de Generaal der Pranschen was juist gereid den voorgenomen aanval op Holland over de ijsvelden te ondernemen. Hoe dapper ook de verdediging des Prinsen was, de provincie Holland dankte haar behoud minder daaraan dan aan den ingevallen dooi, die den vijand met den meesten spoed naar zijn hoofdkwartier terug deed keeren. Holland scheen voor een oogenblik gered en mocht zelfs het jaar 1673 beginnen met klokgelui en het houden van een dankdag, daar in de eerste dagen van dat jaar de tijding aankwam van de verovering der vesting Koevorden.
Kort was echter de rust. De Pransche koning en zijne bondgenooten: Engeland, Keulen en Munster, maakten de geduehtste aanstalten om den oorlog in het jaar 1673 met kracht voort te zetten. Frankrijk wierf een leger van 140,000 man voetvolk en 40,000 man te paard; Engeland
140
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
hielp met eenige militie, maar vooral met een ontzaglijke vloot, die, met de Franselie vereenigd, vier en tachtig schepen van linie telde.
Maar de Republiek zat van hare zijde niet stil: waar Lodewijk XIV zijne gezanten ook heenzond, hij vond er de zendelingen der Republiek, die zich naar buiten door bondgenooten zocht te versterken en in den keizer van Uuitschland en den koning van Spanje trouwe helpers vond. Zijne oorlogstoerustingen werden door die der Republiek gevolgd. l)e Prins van Oranje was overal, in liet vrijgevochten Friesland zoowel als in het vrijgebleven Holland en Zeeland. De wervingen deden in de maand Mei een leger bijeen zijn van 76,900 voetknechten, 13,942 ruiters en 2,000 dragonders. De verbetering van verschillende vestingwerken, de oprichting van nieuwe schansen werden aanbesteed, zoodat Holland als met een muur van forten was omgeven van de Zuiderzee af tot over de rivier de Waal heen.
Bij de versterking van het leger was de Prins ook op die der vloot bedacht. Hij ontmoette bij 's Lands regeering de grootste medewerking, zoodat tot de uitrusting werd besloten van 50 schepen van linie, 20 fregatten, 23 branders en zinkers, 12 adviesjachten en vijf galjobten. Tot Luitenant-Admiraal-Generaal werd de Ruyter aangesteld en onder hem Cornelis Tromp, met toestemming en goedvinden van de Ruyter, die den driftigen en dapperen vlootvoogd eens van plichtverzuim had moeten beschuldigen, maar bij het dringen van den nood en door tusschenkomst van den Prins weder volkomen met hem verzoend was.
Het is niet onbelangrijk te weten, op welke wijze men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen zocht te heelen. Onder de
11-1
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
publicatiën, die de Prins van Oranje bij de uitrusting der vloot uitvaardigde, was er eene: âtot soulagement van verminkten en gekwetsten.quot; Het daarbij aangenomen tarief was;
1°. Voor liet verlies van beide oogen. . . f 1500.â 2°. quot; // quot; n n armen. . . quot; 1500.â 3°. quot; quot; // quot; quot; handen . . quot; 1200.â 4°. quot; quot; quot; quot; quot; beenen . . // 700.â 5°. quot; quot; quot; quot; quot; voeten. . . // 450.â terwijl voor liet verlies van één oog, arm, liand, been of voet een evenredig mindere belooning werd toegekend.
Het heropenen van den krijg, in het voorjaar van 1673, mocht door de Eepubliek, die tevens tijding ontving van het oprukken harer bondgenooten, met eenige meerdere gerustheid worden te gemoet gezien. De eendracht was hersteld, de eenheid aan 's lands bestuur hergeven. Toch was het gevaar nog dreigend, toch zou er een oogenblik van de hoogste spanning komen, een oogenblik, waarin het behoud van het Vaderland, dat men wellicht liever had dan ooit, juist om de opofferingen, die het gevorderd had, op het spel zou staan; een oogenblik, waarin uit aller harten een bede tot den Allerhoogste zou opstijgen, terwijl de donder van het kanon de duinen deed trillen en de bedehuizen op hunne grondvesten daveren.
Wat men ter zee te wachten had, wist ieder, die de woorden kende waarmee de lord kanselier van Engeland, namens den koning, van het Parlement de noodige gelden voor de uitrusting der vloot had gevraagd. // Carthago delenda estquot;, Carthago moet verdelgd worden, zoo liet hij zich hooren, en het was duidelijk, dat hij met Carthago Nederland bedoelde. Nederland, door zoo vele banden aan
11.3
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
Engeland verbonden, maar de geduchtste mededingster in handel en zeevaart, moest vernietigd worden! Men had het tot dusverre tevergeefs getracht, maar wenschte de-poging krachtiger te herhalen.
De Ruyter kreeg in last, de kust van Holland en Zeeland te dekken. Hij kwam in den loop der maand Mei op Schoonevelt, in de nabijheid der Zeeuwsche kust, ten anker, om daar de nog ontbrekende, maar hem toegezegde Zeeuwsche schepen af te wachten.
Toen hij vernam, dat hij ze niet spoedig verwachten kon, besloot hij met de schepen, die hij bijeen had, naar de Engelsche kust te zeilen, de rivier de Teems door de medegenomen zinkschepen te versperren en alzoo het uit-loopen der vijandelijke vloten te beletten.
Hij slaagde niet in zijn voornemen, daar er een zware mist opkwam, zoodat de vloot op de ankerplaats terugkeerde. Ettelijke dagen bleef zij daar; want eerst den 2a,'n Juni kreeg men den vijand in het gezicht. Den 4'len werd op de Ruyter's schip het Avondmaal gehouden, met den vijand in het gezicht, hetgeen, volgens hem, den moed zou doen stijgen. Niet vóór den 7de'1 raakten de beide vloten aan elkander. Het was juist dezelfde dag, waarop men het vorige jaar den vijand bij Soulsbaai versloeg. De herinnering verhoogde het verlangen naar den strijd en deed de overmacht der vijandelijke vloten niet rekenen, die de zee, zoo ver men zien kon, bedekten. Men telde honderd vijftig zeilen van 's vijands zijde, terwijl 's Lands vloot er even honderd had, de adviesjachten zelfs mede-gerekend. Het was ween klein hoopkenquot;, zooals Janmaat zich uitdrukte (hetgeen lang een spreekwoord gebleven is), maar Janmaat was daarom niet mismoedig; hij hield het oog geslagen op de admiraalsvlag en hunkerde naar den strijd.
143
144 DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
De Ray ter had den moed des geloofs eu de kracht der Christelijke hope, want een ooggetuige verhaalt, dat hij bij het naderen van den vijand, zeï: «omdat onze vloot klein schijnt te zijn, heb ik te grooter vertrouwen van een goede uitkomst; niet op onze macht, maar op Gods almachtigen arm.quot; Dat vertrouwen werd niet beschaamd. Met felheid werd er gestreden, en niet liet minst door de Ruyter zeiven, die de Engelschen zag wijken, zoodra zijn schip quot;de Zeven Provinciënquot; naderde, hetgeen hem onder het gevecht glimlachend deed zeggen; '/De vijanden hebben nog ontzag voor de Zeven Provinciën.quot;
Hij en de luitenant-admiraal Bankert brachten het eskader, waarmede zij slaags waren, aan het wijken, en het zou hun buit zijn geweest, als de Ruyter, die Tromp in gevaar zag, niet, om dezen te hulp te snellen, de bijna zekere prooi had vrij gegeven. Hij kwam te rechter tijd aan, om den dappere, die geen vijand telde, en reeds van het derde schip zijn admiraalsvlag liet waaien, te ontzetten. Toen Tromp hem zag aankomen, was hij uitgelaten: quot;Mannen!quot; riep hij uit, quot;daar is Bestevaar; die komt ons helpen. Ik zal hem ook niet verlaten, zoolang als ik adem kan scheppen.quot; Woorden vol beteekenis van die lippen. En de Ruyter's daad èn Tromp's woorden stemmen ons tot eerbied voor de helden, die elkaar een oogenblik vijandig zijn geweest, maar in de ure des gevaars het leven voor elkaar waagden, wetende, wat schat het lieve vaderland verliezen zou, zoo het een van beiden moest missen.
De nacht deed den strijd ophouden. De Engelsche en Eransche vloten deinsden met groot verlies af; de Hollanders ankerden op de plaats van het gevecht en telden slechts weinige dooden en gekwetsten. Hoewel de verbon-
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
deuen zich de ee-re der overwiuniug toeëigenden, weken zij naar de Engelsclie kust. De vreugde was in Holland en Zeeland algemeen. De brief van de Euyter, waarbij de uitslag van liet gevecht werd gemeld, werd 's avonds te tien uren in de vergadering der Stateu-Generaal gelezen en prikkelde den ijver en verhoogde, zoo mogelijk, den moed.
Had men vroeger den vijand afgewacht, thans zocht men hem op. Na eenig ongemak van het ongestadig weer verduurd te hebben, kreeg men den vijand den W1⢠Juni weder in het gezicht. Hij week, maar werd eindelijk ten 5 ure na den middag ingehaald en toen gedwongen, een Engelsclie haven binnen te loopen en de zee te verlaten. Het gevaar, dat het vaderland van de zeezijde gedreigd had, was alzoo voor eeuigen tijd verdwenen.
ïe land werd eerlang een volkomen verlossing te gemoet gezien. Het Hollandsche leger had, na de inneming van Naarden, zich met de legers van den keizer van Duitsch-land en den koning van Spanje verbonden, en bestookte de Fransclien, Keulschen en Munsterschen in den rug, zoodat deze, voor een afsnijding beducht, de bezette plaatsen in de Republiek na het heffen eener laatste brandschatting verlieten. De Eepubliek herademde en dacht er reeds aan, met al de macht die haar nog overbleef, den vijand op eigen grondgebied aan te vallen. Maar nog ééne beproeving moest zij doorstaan; eene beproeving te bitterder, omdat zij de redding, die men aanstaande dacht, wederom twijfelachtig maakte en het vaderland aan den rand van den afgrond bracht.
Na den tweeden zeeslag kwam de vloot weder op de gewone plaats â op Schoonevelt â ten anker, waar de Euyter de gekwetsten aan land zond, nieuwe krijgsbehoeften en versterking ontving en door de Gedeputeerden Hunner
10
145
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
Hoogmogendeu, de Algemeene Staten, bezocht werd. Den derden Juli weder onder zeil gegaan naar de Engelsclie kust, ten einde de vereenigde vloten des vijands op te sluiten of bij gunstige gelegenheid aan te tasten, moest de Ruyter het voornemen opgeven, wegens de pestziekten, die aan boord van zijne schepen begonnen te heerschen en honderden deden sterven. Het deed hem te meer leed dat hij wenden en weer op de gewone plaats ankeren moest, daar hij van den raadpensionaris Fagel de mededeeling ontvangen had, dat men quot;in Engeland zeer preste om de vloot weer in zee te brengen.quot; De heer Fagel voegde er als zijn gevoelen bij, dat quot;de vijanden nog een effort zouden zoeken te doen, hetwelk alsdan wel het laatste zou zijn.quot; Weldra ontving de Ruyter dan ook de tijding van het uitloopen der vijandelijke vloten, en wel, quot;dat zij met honderd vijf en twintig oorlogsschepen in zee kwamen, met eenige duizenden landsoldaten in koolschepen, en dat zij iets groots in den zin hadden.quot;
Den 309ten Juli kwamen de vijanden in het gezicht. Daar zij, hoewel naderende, hun streek niet boven 's lands vloot om den Xoord, maar integendeel om den Zuid hielden, begon de Ruyter eenig geheim opzet te vermoeden. Hij volgde hen eenigen tijd zoo dicht mogelijk, en meende menigmaal hen tot het gevecht gereed te zullen vinden, maar vond zich telkens bedrogen. Hij vernam dat de koolschepen met landmilitie nog altoos op de rivier de Teems lagen, gereed om op het eerste sein het ruime sop te kiezen. De wendingen der vijandelijke vloten konden dus wel het doel hebben om de JNederlandsehe vloot te misleiden en van de kust te lokken, ten einde gelegenheid te hebben de koolschepen naar de Zeeuwsche kust te brengen en daar de soldaten te doen landen. De krijgsraad
146
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN'.
deelde iu liet gevoelen van de Ruyter en nam diens voorslag aan, om naar de oude ankerplaats terug te keeren. Men had reden om zicli daarmee geluk te wenschen, want van een gevangen genomen predikant verstond men in liet begin van Augustus, dat de koolschepen volgepropt waren met welgeoefende soldaten, ten getale van 8000; dat daar ook gereed stonden drie troepen ruiterij; dat de vloot bestond uit 80 Engelsche en 38 Fransche schepen van oorlog, te zamen 108, zoo schepen als fregatten, mitsgaders 22 of 24 branders en met jachten en kitsen wel 108 zeilen sterk. Men droeg te land mede kennis van het voornemen der vijanden en van de macht waarover zij te gebieden hadden. Eene landing was te vreezen, en om die te beletten had men slechts ééne vloot van minder sterkte dan die des vijands. Zoo men slechts wist of gissen kon waar die landing zou worden beproefd, daar men nu de gansche uitgestrekte kusten van Holland en Zeeland ter zee te dekken, te land te bezetten had! Daarbij had men te land slechts over weinig troepen te beschikken, daar de Prins met het gros van het leger naar de Spaansche Xeder-landen was getrokken. Geen wonder alzoo dat de ontsteltenis algemeen jwas. In die benarde ure schreven de Al-gemeene Staten der Vereenigde Nederlanden aan de Ruyter, als hoofd der vloot, éen brief, waarvan de lezing elk Nederlander de borst doet zwellen, en waarbij men niet weet wat meer te bewonderen, de kalme vastberadenheid of het vertrouwend geloof.
Na in het kort den loop van den krijg nagegaan en de onrechtvaardigheid der beide verbonden mogendheden in het licht te hebben gesteld, tellen de Staten op, wat er bij de overwinning gewonnen, bij een nederlaag verloren zal worden, waaroig zij allen, van den vlootvoogd tot den
14.7
148 DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
geringsten matroos, aanspoorden hun burgerplicht te betrachten. Zij besloten aandoenlijk en verheven: //Wij weten wel dat een goede uitkomst in zoo zwaren toestaud van zaken van den goddelijken zegen dependeert; maar wij weten ook dat God de Heer Almachtig door middelen Zijn zegen uitwerken wil, en gelijk wij dit laatste uwe goede conduite, mitsgaders de onverschrokken moed, courage, goede wille, en genegenheid der andere hoofden en officieren, mitsgaders soldaten en matrozen om u daarin te seconderen , aanbevolen laten, zoo willen wij niet nalaten God den Heer Almachtig vuriglijk te bidden; en is al bereids bezorgd, dat de dienaren des Goddelijken Woords in hunne predikatiën en bedestonden zullen bidden en de gemeente opwekken van denzei ven God te zoeken, dat zijne Goddelijke Majesteit U, de andere hoofden van 's lands vloot en officieren, mitsgaders soldateu en matrozen, vaderlijk en genadelijk wil bijstaan, in leven en gezondheid sparen, met mannelijke dapperheid en Zijnen goeden geest aandoen, tegen de machten der vijanden laten bestaan en eene eerlijke victorie en overwinning laten wegdragen tot grootmaking van zijnen Heiligen Naam en welvaren van ons lieve Vaderland.quot;
Deze brief, door de Ruyters predikant Westhovius na de predikatie aan boord voorgelezen, wekte de gemoederen tot plichtsbetrachting. Hieven de oogen zich op tot den Allerhoogste, de handen bleven evenwel niet slap liggen in den schoot.
])ea 2'len Augustus kreeg men te 's Hage het bericht, dat de vijandelijke vloten op de kust van Holland werden gezien en met een groot aantal kleine vaartuigen de stranden naderden, voornemens, zoo het scheen, om te landen. Burgers en huisluiden werden opontboden om de gevaarlijke
DE ZKHSLAG BIJ KIJKDUIN.
en zwakste punten te bezetten, Zijne Hoogheid werd uit-genoodigd terstond naar 's Hage te keeren en op de verdediging van het dierbaarste order te stellen, terwijl men langs de geheele kust bakens oprichtte, die door het ontsteken van vuren bij nacht of het hijschen van manden bij dag de noodige seinen gaven.
^ Van een en ander kreeg de Ruyter kennis, die van den Prins bevel verzocht om de vijandelijke vloten, waar hij ze vond, aan te vallen, ten einde de gevreesde landing te beletten. Vastberadener maar tevens voorzichtiger is de Ruyter nooit geweest dan in deze beslissende dagen. Hij wist dat 's lands redding van de vloot afhing, en daarom wilde hij alle kansen berekenen, zijn krachten zoo voor-deelig mogelijk aanwenden en, kon het zijn, verdubbelen. Met het bewustzijn dat het vaderland geen andere vloot te geven had, wilde hij haar zelfs niet in de waagschaal stellen dan op bepaalden last zijner overheid, terwijl deze van haar zijde huiverig was dien last te geven. De Prins maakte echter aan alle weifeling een einde, door zelf op de vloot te komen, die den 12d'!n Augustus voor Scheve-ningen lag. De krijgsraad werd aan boord van de Ruyter's schip gehouden, waarna de Prins den last, door de vlootvoogden reeds verscheiden dagen vroeger verzocht, uitvaardigde en tot den aanval machtigde, om de landing te beletten en de schepen, die uit Oost-Indië verwacht werden, veilig te doen binnenvallen. Toen sprak de drieëntwintigjarige de leden van den krijgsraad plechtig aan en ging vervolgens naar het halfdek, ten einde zich aan de matrozen, die boven geroepen waren, te vertoonen. De Ruyter sprak hun toe, zooals hij dit kon doen, zonder praal van woorden, eenvoudig zoo als zij waren tot wie hij sprak, maar warm, zooals het onder het wollen baaitjen van Jan-
149
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
maat op dit oogeublik was. Toen liij huu afvroeg; «Zijt gij niet allen in liet gemeen en elk in het bijzonder, hoofd voor hoofd, gezind om eer en eed als eerlijke luiden tot den dood toe te betrachten?quot; galmde hem van -alle kanten een kloek en moedig //jaquot; tegen, onder het zwaaien der mutsen.
Den volgenden morgen (13 Augustus) ging de vloot onder zeil. Een storm overviel haar, zoodat men eerst vier dagen later den vijand, die bij Texel lag, kon naderen. De Prins volgde, zooals de raadpensionaris Fa gel schreef, 's lands vloot niet alleen met zijn hart, maar ook met zijn oog. De bevolking evenzeer; want de geheele kust van West-Friesland wemelde van landgenooten, die de vader-landsche vlag langs de baren met de oogen begeleidden.
Na vele wendingen, door tij en storm noodzakelijk geworden, bevond zich de luitenant-admiraal-generaa! de Euyter met 's lands vloot, vroeg in den morgen van den tjlsien Augustus, in het gezicht van de Hollandsche kust, tusschen Petten en Kamperduin, nauwelijks twee mijlen van land, waar hij de vijanden in lij voor zich liggen zag, //zoodat hij,quot; gelijk een der zake kundige zich uitdrukte, //met een gelukkige voorzichtigheid en zeemansstreek de loef van hen had gewonnen.quot; Ook een Engelsch schrijver vermeldt, quot;dat de Euyter, volgens zijn gewoon beleid, zich dienende van liet behulp der duisternis, zich dicht hield aan de kust, en dien koers houdende tot den volgenden morgen, den wind won van de Engelschen.quot;
De verbonden vloten waren evenals de Nederlanders in drie eskaders verdeeld. Het eerste, voerende de roode vlag, onder Prins Robbert, het tweede, de blauwe vlag, onder Spragh, het derde, zijnde het Fransche eskader, voerende de witte vlag, ouder d'Est ree. Toen de Nederlanders op
150
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
liet voorbeeld van den vijand wendden, werd admiraal Bankert met zijn eskader de voor-, de Rnyter de midden-, en Tromp de acliterlioede. Te lialf negen ure viel Bankert op het eskader van d'Estrée in, vervolgens de Ruyter op dat van Prins Robbert en Tromp op dat van Spragh. Het Fransche eskader liiold zicli van den beginne af achterlijk en scheen, misschien op hoog bevel, een scherp gevecht te mijden. De Ruyter had echter met zijn eskader een fel gevecht met Prins Robbert en de zijnen. Men sloeg ettelijke malen door elkander heen. De Nederlanders schoten met hun kanon zoo snel als met mnsketten: driemaal tegen de vijanden eens. De. Ruyter wilde het schip van Prins Robbert naderen, maar het was ongenaakbaar door drie of vier branders die het omringden. Toch wist hij den vijand eenigermate in wanorde te brengen en hem enkele branders af te nemen of te noodzaken er zelf den brand in te steken. Ook de luitenant-admiraal van Nes raakte met Prins Robbert en nog zes of zeven Engelsche schepen slaags. Zijne bezaansroede werd midden doorgeschoten en zijn rondhout zoo beschadigd, dat hij bijna reddeloos werd. Hij seinde drie der meest nabijzijnde schepen ter hulpe, maar slechts één gehoorzaamde en kwam aan bakboord van hem liggen, hoewel van Nes den vijand te stuurboord van zich had.
Terwijl hij bezig was zijn gehavend want te herstellen, zag hij Prins Robbert met nog eenige andere Engelsche schepen hem voorbijschieten, de blinden voor den boeg zetten en voor hem heen loopen. Bankert, die de Eran-schen geen stand zag houden, wendde zich toen naar de Rnyter's eskader, ora Prins Robbert met te meer kracht aan te vallen. Men gaf van alle zijden vreeselijk vuur op hem en de zijnen. Het werd hem te zwaar en zij be-
151
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
gonnen te wijken. Daar Tromp, slaags geraakt met Spragli, in liet noorden uit liet gezicht was geraakt, staakte de Rnyter zijne jacht op het eskader van Prins Robbert en wendde zich derwaarts. Hij werd echter door dezen achtervolgd , die even bekommerd was voor Spragh als gene voor Tromp. De ontrouwe d'Estrée volgde de Engelschen, maar van verre.
Tromp's eskader was te negen uren tegen dat van Spragh â de achterhoede der vijandelijke vloot â omgewend. Hij werd door dezen met het topzeil op den mast kloekmoedig ingewacht. De vice-admiraal Sweers was met zijn smaldeel de eerste, die met de voorste schepen den strijd begon. Sweers, vóór korten tijd door Tromp van lafhartigheid beschuldigd, maar door den krijgsraad vrijgesproken, vocht als een leeuw onder de oogeu zijns admiraals. Hij drong zoo sterk op den schout-bij nacht der Engelschen aan, dat deze met verscheiden schepen begon te wijken. Tromp en Spragh bleven echter elkander gedurende drie en een half uur oji zij liggen, zonder ophouden elkaar beschietende met musket en geschut. Eindelijk werd het schip van Spragh zoodanig getroffen, dat het de wijk moest nemen. Tromp volgde het, maar zag zich weldra door vijftien of zestien Engelsche schepen omsingeld. Zijn schip, de Gouden Leeuw, werd zoo doornageld, dat de masten buiten boord dreigden te vallen. Hij moest op een ander schip overgaan, evenals zijn vijand Spragh. Deze ging in een sloep om zich te doen overzetten, maar een kogel, die dwars door zijn pasverlaten schip heen vloog, trof de sloep waarin hij zich bevond, deed haar middendoor splijten en zinken. De dappere Engelsche admiraal kwam daarbij jammerlijk om. Middelerwijl kwamen de Rnyter en Bankert, die, zooals wij verhaalden, Trom]) waren gaan
152
DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
zoeken, met liuu eskader aan. Eveneens repte zicli Prins Robbert met de zijnen om het eskader van den gestorven admiraal Spragli bij te staan. Tromp rangschikte zich onder de Ruyter's vlag, en met vereenigde kracht ging het thans op elkaar in. Nu scheen de kamp eerst te beginnen. De worsteling was vreeselijk. De geheele zee stond in vuur en vlam, die, te midden van den donkeren rook, als bliksemstralen uit een donkere lucht uitbarstten. Leder verging hooren en zien door de donderslagen van zooveel duizenden kanonnen en door den buskruitdamp, die de vloten als in een nevel verborg. Kogels, bouten, schroot en splinters vlogen aan alle zijden met een ijselijk gekraak en geknars. Het bloed dampte uit de spuigaten en kleurde het verdek. De zee werd met lichamen bezaaid. Sommigen moesten door de kogels, anderen door splinters, anderen door het vuur, anderen in het water sterven. Het gekrijt en gejammer der gekwetsten en stervenden vervulde de schepen en paarde zich aan den donder van het geschut en het gekraak van rondhout eu gebinte.
Eerst te zeven uren nam de strijd een einde. De Engel-schen weken, gevolgd door de Franschen, die geen of weinig deel aan het gevecht genomen hadden, terwijl de Nederlanders hen tot zonsondergang najoegen. De verliezen waren aan beide zijden vreeselijk, maar de Eugelschen verloreu toch het meest. De Eujter was, als altoos, nederig na de behaalde overwinning. Toen hij werd geluk ge-wenscht met het behoud van zijn leven, zeide hij: //Mijn leven is niets; 't is ten dienste van het vaderland. Doch ik zöu wel zoo lang wenschen te leven, dat ik het mocht hersteld zien en daar het mijne toe doen. Dan, zoo 't God niet belieft, ik ben oud en des levens en der moeite zat.quot; Christelijk gelaten toonde hij zich bij het sneuvelen
153
ÃE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.
van zijn1 geliefden sclioouzoon Van Gelder. quot;Ik weet,' zoo sprak hij geroerd, «dat dit de vruehteu van den oorlog zijn, dat ik mij zelve aan Gods wil moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was liet zijn beurt, morgen zal liet misschien de mijne zijn.quot;
De man, zoo kloekmoedig in liet gevaar, zoo nederig na de zegepraal, zoo gelaten bij grievende verliezen, gaf weinige dagen later een blijk van zoo groote belangloosheid en billijkheid als maar zelden gegeven wordt. De krijgsraad benoemde, in plaats van een gesneuvelden schout-bij-nacht, den zoon van de Rnyter, Jonker Engel, voorloopig tot dien post. De Ruyter meldde dit den Prins, maar voegde er bij, dat oudere kapiteins, die even ervaren waren, daardoor zouden worden voorbijgegaan, hetgeen niet billijk zou zijn. Groot vlootvoogd, ootmoedig Christen, uitnemend mensch!
De behaalde overwinning was niet twijfelachtig, daar de vijand de zee verlaten had. Het gevaar eener landing was voor goed verdwenen en de Nederlandsche vloot viel de haven binnen.
De angst op den dag van den zeeslag was onbeschrijfelijk groot geweest. Men had den ganschen dag in de kerken tot God gebeden, terwijl 's lands matrozen en admiralen het vaderland met hun leven verdedigden en het donderen van het geschut hier en daar boven het kerkgezang der gemeente werd gehoord. Een ooggetuige vermeldt eene bijzonderheid. De duinen waren bij Kijkduin met men-schen gedekt, die angstig naar het gevecht zagen, dat het lot van het vaderland beslissen zou. Onder de aanwezigen werd een predikant herkend. Men drong bij hem aan, om het woord voor allen te nemen en daar aan het sxrand eene bede tot God op te. zenden. Hij gaf daaraan gehoor. Aller hoofden ontblootten zich, en de predikant, op een
154
UK ZEESLAG BIJ KUKDUIM.
der duiutoppeu staande, liet gelaat uaar deu zeekant gekeerd , droeg liet benauwde vaderland aan den God van hemel en aarde op. De bede verkeerde weldra in dank. toen de tijding der overwinning aankwam en de lluvter, de redder des vaderlands, met zijn gehavende, maar toch bijna nog voltallige vloot, Texel en de Maas binnenliep.
Het vaderland was gered. Als wij het gebeurde beschouwen , dan worden we gedrongen aan een wonder te gelooven. De Republiek der Vereenigde Nederlanden, verscheurd door binnenlandsche twisten, aangevallen door de machtigste vorsten, vernietigd tot op twee gewesten: Holland en Zeeland, heeft zich niet alleen verdedigd en de vijanden van het grondgebied verdreven, maar is machtiger dan ooit te voren uit den strijd te voorschijn getreden. Voorwaar, het was een wonder, maar een wonder, zooals wij er nog dikwijls kunnen zien gebeuren; want, vergeten wij, Nederlanders, het vooral niet, waar een volk eendrachtig strijdt voor zijn behoud, daar is het onverwinnelijk. Partijen, die van elkafir verschillen in het beoordeelen van feiten en personen, moeten er in een land als het onze zijn; want hetzelfde voorwerp, door verschillende oogen beschouwd, kan nimmer dezelfde gedaante hebben. De berg b. v., van den top gezien, is geheel anders, dan van den voet of uit de wolken, en toch is het dezelfde berg. Partijen moeten er zijn; zij geven wrijving en leven; maar bij veel verschil moeten zij iets gemeen hebben, even als de boomen, onderling oneindig verscheiden, toch alle wortelen in de aarde. U'at de partijen gemeen moeten hebben, het is het vaderland, en als dat vaderland gevaar loopt, moeten zij hare verschillen vergeten, zich vereenigen en een geheel uitmaken. Het jaar 1672 en 1673 leert ons veel, indien we maar willen leeren.
155
VI
W I L L E M
WILLEM III.
De man, wiens naam aan het hoofd van dit opstel staat, is een van die weinige personen der geschiedenis, die niet aan een enkel volk behooren. Wanneer ons oog terugziet op verleden tijden, dan rust het als vanzelf op niet weinigen, die hun invloed buiten het land, welks zonen zij zijn, hebben doen gelden. Maar weinigen zijn er, die, als Willem III, in de geschiedenis van twee volken een zelfstandige plaats innemen, omdat hun optreden een nieuwe periode van ontwikkeling opent. Zelfs zijn groote tegenstander, Lodewijk XIV, mag in dit opzicht niet aan zijne zijde staan. De poging van den Franschen koning om Europa te onderwerpen, heeft geheel dit werelddeel in beroering gebracht, maar het is de beroering van den wind, die den bovenstroom des waters sneller doet vlieten, doch de richting der golven onveranderd laat. Het tijdperk van Willem III in de Republiek der Vereenigde Nederlanden wijst op een invloed van het Stadhouderschap, grooter dan ooit te voren, die voor een aanzienlijk deel zijn oorsprong dankt aan den persoon, maar voor een ander, zij het ook kleiner, verklaring vindt in de hoogere plaats, die in de
WILLEM III.
staatsorde der Republiek het Stadhouderschap iuneemt. Onder hem wordt het in de mannelijke lijn erfelijk verklaard, en daarmede den tegenstanders het recht ontnomen, om de aanhangers van het Oranjehuis van verzet tegen de wettig gevestigde orde van zaken te beschuldigen, zoo zij de verheffing van een Oranje vragen. Zeker ontnam de kinderloosheid van Willem III aan deze erkenning voor jaren haar beteekeuis, maar de achttiende eeuw zou bewijzen , dat een politiek beginsel, hetwelk eenmaal is aangenomen , zijn kracht niet verliest, al rust het een tijdlang , zoo het in overeenstemming is met de ontwikkeling der natie.
Belangrijker, èn voor Engeland èn in de gevolgen voor geheel Europa, is de verheffing van Willem op den Engel-schen troon geweest. Het is de aanvang van het consti-tutioneele staatsleven, dat in het eilandenrijk de plaats inneemt der willekeurige monarchie, die door geen andere belangen dan persoonlijke of dynastieke zich leiden laat. Sedert 1688 is Engeland de staat geweest, waarop twee eeuwen lang de oogen van allen in dit werelddeel zijn gericht, die in een staatsregeling nog iets anders zien dan een werktuig in de hand van regeerders, en van haar waarborgen voor rechten en vrijheden alsmede voor de bevordering van politieke zelfstandigheid en volksontwikkeling vragen.
Er is slechts één man in de nieuwe geschiedenis, die in dit opzicht met Willem III kan wedijveren, ja hem overtreft. Er is geen enkel land van Europa, behalve misschien Turkije, dat van de Napoleontische periode niet een nieuwe historie aanvangt. Maar de invloed van Napoleon is meer nog de invloed van de denkbeelden der revolutie, die hij in Europa vertegenwoordigt en waaraan hij
160
WILLEM III.
met zijn geweldig zwaard, door de ontworteling van oude toestanden, in de toekomst de lieerschappij verzekert. Zijn persoon is kleiner dan de taak die liij volvoert; revolutionair, valt liij door de beginselen, die hij verspreidt. Het juk van zijn persoonlijk overwicht is zoo drukkend en knellend, dat de natiën, die door hem van de oude meesters waren vrijgemaakt, het zoo spoedig mogelijk afwerpen. Napoleon valt door de revolutie, die hij zelve in het leven der volken heeft tot stand gebracht.
Niet alzoo Willem III. Hij daalt niet, maar stijgt met liet veldwinnen der beginselen, die hij vertegenwoordigt. Hij heeft het beginsel der wet in de plaats van de persoonlijke willekeur doen zegevieren. Telkenmale ondervindt hij de belemmeringen, die er het gevolg van'zijn. Maar hij is de eerste dienaar van den staat, hij geeft het voorbeeld van onderwerping. En ofschoon omgeven van verraad en verraders, houdt hij zich niet alleen op den vreemden troon staande, terwijl een Napoleon valt, maar vermeerdert zijn persoonlijk gewicht, het loon van het vertrouwei), dat hij heeft ingeboezemd en dat hem weder-keerig steunt. Het beginsel draagt den persoon omhoog en maakt hem machtiger dan zijne voorgangers. Willem III is de representant van het beginsel der legaliteit in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en op den troon van Engeland.
I
In Januari 1675 kwamen de Staten van Gelderland bijeen. Zij besloten den Prins van Oranje, uit erkenning zijner uitstekende diensten, de Hooge Regeering aan te bieden, als hertog van Gelder en graaf van Zntfen.
161
11
162 WILLEM III.
â¢
.De uitnemende diensten, waarvan liet besluit gewaagde, golden nog anderen dan Gelderland. De zeven geünieerde gewesten dankten aan den man, die in 1672 in de moeilijkste omstandigheden was opgetreden, hun redding. En op militair èn op diplomatiek gebied had hij van den eersten dag zijner verheffing af zich gewijd aan wat zijn levenstaak zou zijn; de bestrijding van Frankrijk. Hij had Karei II van Lodewijk pogen af te trekken, om de macht van Frankrijk te breken. Toen zijn pogingen waren mislukt, had hij door zijne betrekkingen in het Engelsche parlement de regeeriug tot den afzonderlijken vrede gedwongen. Den Keizer, Spanje, Brandenburg en Denemarken had hij tegen de eerzucht van Lodewijk XIY te wapen geroepen en vereenigd. Tot herinnering zijner veroveringen in de Republiek liet de Fransche koning in zijne hoofdstad een eereboog, met trotsche zinnebeelden en opschriften versierd, oprichten. Voordat de Porte St. Deais was voltooid, was de Republiek ontruimd. De krijg duurde voort, maar op Frankrijk1 s grenzen.
Ondankbaar was de natie niet geweest. Zij had, sedert de mannen van 1650 de leiding der zaken verloren, hem een groot vertrouwen geschonken. Tot de vaderlijke waardigheden was hij verheven: te niet gedaan was, althans naar het uiterlijke te oordeelen, wat de statenpartij in de laatste twintig jaar had opgebouwd. De Prins van Oranje scheen meer dan ooit het hoofd van den staat en het gewichtig besluit der Geldersche Staten de eerste stap tot de vestiging van een eenhoofdig bestuur. Te Dieren, waar hij vertoefde, werd niet alleen de gezondheid van den hertog van Gelder met warmte gedronken, maar die van den graaf van Holland ingesteld.
De rampspoedige jeugd, die aan Willem III was ten
WILLEM III.
deel gevallen, had liaar sporen nagelaten. Ofschoon noch van eerzucht noch van hartstocht vrij, en in menig oogen-blik zoowel in heftigheid van taal als in doortastendheid van handelen den echten zoon zijns vaders verradende, bezat hij meer zelfbeheersching en meer scherp inzicht en juiste waardeering van de moeilijkheid zijner positie, dan de meeste vier-en-twintig-jarigen. Hij had de kracht zijner politieke tegenstanders leeren kennen. Hij had over hen gezegevierd. Maar hij liet zich daarom niet verleiden, hen gering te schatten. Hij wist, dat een groot deel der mannen, die hem thans omgaven, vroeger tot de staats-gezinden hadden behoord. Hij kende de macht, die zij nog altijd in den staat bezaten en gaf er zich helder rekenschap van, dat hij met hen voortdurend te rekenen had.
De aanbieding der Staten van Gelderland werd niet dadelijk door hem beantwoord. Hij moest eerst de andere gewesten raadplegen, verklaarde hij. Zeer uiteenloopende adviezen ontving hij, maar de hoofdstemming was ongunstig. Kenmerkend, ook voor de economische inzichten des tijds, waren vele der gronden, waarop hem de aanneming werd ontraden. Door een eenhoofdige regeering zou //den koophandel de rug worden ingereeden. de wisselbanken hun crediet verliezen, en de Oost- en Westindische compagniën onveilig worden.quot; De Zeeuwen, die zoo oordeelden , rieden hem aan, het aanbod van Gelderland af te slaan, naar het voorbeeld van Gideon, wien Israël, dat door hem uit de slavernij der Midianieten verlost was, een dergelijke aanbieding gedaan had.
Niet voor zulke argumenten, maar voor den ongun-stigen indruk, dien Gelderland's voorslag maakte, bukte Willem III. Hij wees de hertogskroon af. Aan geen der
163
WILLEM III.
ontradende steden of provinciën toonde hij eenige gevoeligheid, dan aan Zeeland. Allen bedankte hij voor de oprechtheid van hun advies, maar Zeeland ontving een krachtig, heftig schrijven, waarin hij zich bitter beklaagde, dat men hem met hatelijke vermoedens bij 's lands goede ingezetenen bezwaard had. En, wat den waardigen Gideon betrof, de prins schroomde niet zijne vrees uit te spreken, dat eens zou kunnen bewaarheid worden, wat Gods Woord verhaalde, dat quot;de kinderen Isrels niet dagten aan den Heer hunnen God, en geen weldadigheid deden bij den huize Gideons, naar al het goed, dat hij aan Isrel gedaan had.quot;
Voor een man van alledaagsche eerzucht moest de teleurstelling groot zijn; voor een Willem III zelfs kan zij niet gering zijn geweest. Hij gaf toe, na kalm en nuchter beraad en overleg. Ware liet voorstel van Holland gekomen, hij zou, naar ik meen, geen oogenblik geaarzeld hebben; maar de hertog van Gelderland zou in Holland machte-loozer zijn, dan nu de Stadhouder was. Zeker zou de bedwelming van het hertogelijke hof zich in den Haag hebben doen gelden, maar ook in afstootende, niet bloot in aantrekkende richting. Meer dan anders, zou de regentenaristocratie hem tegengewerkt hebben, om zelfs den schijn te vermijden, voor den hertog te bukken.
Een dynastie te vestigen in een Eepubliek is niet, wat Willem III zijn levenstaak heeft geacht. Er zijn weinig menschen geweest, die gedurende den geheelen duur van hun openbaar leven zoo trouw aan één beginsel, aan één hoofdgedachte waren. Hij gevoelt zich den geroepen tegenstander van Erankrijk's heerschzucht en onverdraagzaamheid; den aangewezen leider van Europa's verzet tegen de macht der middeleeuwsche traditie, die de eenheid van kerk en
164
WILLEM III.
stant, ondanks de lessen der laatste 150 jaren, als een dwangjuk aan het geheele werelddeel wil opleggen. Het is niet de kens, niet liet sluw overleg van persoonlijke eerzucht, die hem deze plaats doet innemen, het is het bewustzijn zijner roeping, dat hem van den eersten dag af bezielt en leidt. Aan deze roeping heeft hij alles ondergeschikt geacht.
Een geheel andere rol zou de zijne zijn geweest, indien hij met gewone berekening naar zijn belang had gevraagd. De vriendschap van Lodewijk XIV beloofde hem grooter voordeelen, dan de vijandschap hein leveren kon. Als Stadhouder in de Republiek mocht hij zich vleien, hooger macht en titels te verwerven, indien hij de volksgunst en volksdriften, die hem in 1(572 hadden verheven, als grondslag tot hooger verheffing bezigde, dan door eerbiediging van bestaande toestanden en verhoudingen. Maar een sou-vereiniteit, verworven langs ouwettigen weg, zou de Republiek hebben verzwakt, daar, waar hij haar sterk wenschte. Niet in strijd, maar samen met de heerschende standen in den staat zou hij zijne taak vervullen.
De geschiedenis van liet stadhouderschap van Willem, III is niet geschreven. Jaren zullen verloopen, voordat zij te schrijven zal zijn. Het gemis van bronnen is een der redenen. Er zijn, om een enkel voorbeeld te geven, veel brieven van Willem III bekend, maar minder dan bewaard zijn, en over vele perioden zijns levens ligt nog een dikke duisternis. In het Koninklijk huisarchief komt betrekkelijk zeer weinig voor; genoegzaam geen enkele brief van koningin Maria. Bij den dood van Willem III zijn alle papieren, voor de eigenlijke, voor de interne geschiedenis van belang, in Engeland gebleven. Het Engelsche vorstenhuis acht ze te behooren tot de historie der regeerende dynastie.
165
WILLEM 111.
Dock, hoeveel details ook lickt bekoeven, de koofdlijnen zijn duidelijk.
Er zijn twee koofdpunten in de gcsckiedenis van zijn bestuur, die tot ernstige verwijten kebben aanleiding gegeven.
Toen ket grondgebied der Unie van de overkeerscking der vijanden was bevrijd, maakten Gelderland, Utrecht en Overijsel zich gereed, op den ouden voet in den bond der gewesten terug te. keeren. Maar Holland maakte ernstig bezwaar; ket wees op de lafkartigheid, die èn de verdediging der vestingen èn ket gedrag der meeste regenten in de gevaarvolle dagen kad gekenmerkt. Het wilde de drie oostelijke gewesten tot den ondergesckikten rang van de Generaliteitslanden vernederen, wingewesten, die aan de Unie gemeensekappelijk behoorden en door haar werden bestuurd. Men ziet. Holland poogde van de ongunstige tijdsomstandiglieden partij te trekken, om ket vraagstuk der staatseenkeid op te lossen ten nadeele van Utreckt, Gelderland en Overijsel.
De bedreigden werden gered door de Oranjepartij en het stadhouderlijk gezag. Willem III wees Holland's eischen af met de verklaring; //in Holland waren ook wel steden, die ziek, op de aankomst van den vijand, niet ten beste verdedigd zouden kebben.quot;
Utrecht, Overijsel en Gelderland werden weder in de Unie opgenomen, naar ouden rang en met gelijke reckten. Tock kwam er een verandering tot stand. De prins, daartoe gemacktigd, regelde de regeering door nieuwe reglementen. Het stadkouderlijk gezag won, wat Holland voor ziek kad begeerd. De Stadhouder werd feitelijk, sckoon niet in naam, de regeerende mackt. Hij stelde voortaan, zonder aan een voordrackt gebonden te zijn,
166
WILLEM III.
burgemeestereu, schepenen en vroedscliappen aan; ook de afgevaardigden dei gewesten naar de generaliteitscollegiën behoefden zijn goedkeuring. Het was een merkwaardige stap in de richting der monarchale eenheid. Met het staatsrecht, dat tot dusver in de Republiek had gegolden, was liet in lijnrechten strijd. De Stadhouder was rechtens de dienaar der Staten, die hem kozen, liet hoofd van hun uitvoerend gezag. In deze drie gewesten stelde voortaan de dienaar zijne meesters, de ambtenaar zijne superieuren aan. Honderd jaar later, te midden der patriottische twisten, werden deze regeeringsreglementen berucht. Zij golden als bewijzen van de grenzenlooze eer- en heersch-zucht van het huis van Oranje. Zij, die deze klacht nu aanhieven en zij, die ze in onze dagen herhalen, vergeten geheel, dat deze meerdere invloed van den Prins van Oranje het redmiddel is geweest, waardoor Utrecht, Overijsel eu Gelderland voor het verlies van al hunne rechten zijn bewaard. Het was beter voor hen, aan het souverein gezag van een Stadhouder te gehoorzamen, dan als wingewesten van het mercantiele Holland te worden bestuurd en verwaarloosd.
Toen Willem III aan het bestuur kwam, was de regentenoligarchie vast geworteld. De families, die het bestuur in handen hadden, waren door contracten van corres-pondentiën, gelijk de overeenkomsten genoemd werden, nauw verbonden. Zij deelden de betrekkingen onderling of aan hunne bloedverwanten en gunstelingen uit. In enkele plaatsen gingen stemmen op, die een geheele verandering eischten en den val der locale heerschers. Willem III werd gemachtigd de tegenstanders te verwijderen en door betergezinden te vervangen.
Doch hij heeft de macht der oligarchen niet gebroken.
167
WILLEM III.
Waarom niet? Men heeft het hem tot streng verwijt gerekend, en zeker zou de dienst groot zijn geweest, indien hij van de macht, die hij bezat, gebruik had gemaakt, om den politieken invloed der burgerijen te vermeerderen en den druk der plaatselijke autocraten te vernietigen. Maar zonder geweld en een geheele omkeering van zaken was liet onmogelijk. Er is geen enkel blijk, dat de verzoeking bij hem is opgekomen. Het is zelfs onwaarschijnlijk , dat het denkbeeld voor hem iets aantrekkelijks kou hebben. Hij had zijn oog op grooter belangen gericht, dan die vati een enkele gemeente of zelfs van een enkelen staat. Hij heeft zijne aanhangers, de Oranjeregenten , zich doen aansluiten aan hunne tegenstanders, de staatsgezinden. Hij heeft het kwaad laten bestaan en er zich van bediend, om zijn hooger doel te bereiken.
Men heeft gezegd: liet doel rechtvaardigt de middelen niet. De waarheid is onbetwistbaar, maar de toepassing op Willem III meer dan twijfelachtig. Indien hij het euvel had willen uitroeien, jammerlijke strijd en verdeeldheid in den staat zouden er het gevolg van geweest zijn. Door de oneenighedeu binnenslands zou de Eepubliek buitenslands machteloos zijn geweest om de groote taak te volvoeren, die hij haar voorschreef. Niet aan den strijd voor nationale en godsdienstige vrijheid in Europa zou zijn naam en die des lands verbonden zijn; maar hij zou slechts bekend zijn als het hoofd van eene staatspartij, die, te midden van den strijd met hare vijanden, de regenten, de vrijheid zag verloren gaan. Voor het kleiner belang1 ware het grooter opgeofferd. Want in het huishouden der mensch-heid zijn de natiën slechts, wat de individuën zijn in den staat: de deelen van het geheel, die slechts dooiden bloei van het geheel tot welvaart en ontwikkeling
168
WILLEM III.
kunnen geraken. Het mindere moet voor het meerdere bukken.
De groote staatsman achtte zich geroepen en door de Voorzienigheid bestemd, om de onafhankelijkheid van Nederland en het evenwicht van Europa tegen het overwicht van Frankrijk te handhaven. Aan deze bestemming kon hij niet beantwoorden, dit doel kon hij niet bereiken, als hij bij iederen maatregel, dien hij noodig achtte, beginnen moest met de flauwhartige regenten, die zijne sou-vereinen heetten, van die noodzakelijkheid te overtuigen. Hij wist, dat bij de meeste menschenkinderen de ideale goederen van vrijheid en geweten minder wegen, dan het handelsvoordeel en liet persoonlijk belang. Zijne politiek vorderde groote opofferingen; zij stoorde den handel en vorderde onmetelijke sommen. Tegenover eene Pransche diplomatie staande, die voor niets terugdeinsde, die of met zoete woorden of met klinkende munt de regenten zocht om te koopen en maar al te dikwerf slaagde, bleef er voor hem niets over, dan die regenten voor zich te winnen, door ze aan zijn invloed te onderwerpen. Hij had werktuigen en volgelingen noodig, waar hij geen zelfstandige medewerkers vond. Zijn groote autoriteit heeft ze hem verschaft.
Doch neen â dit woord is onjuist. De regenten dei-Republiek, die na 1688, behalve in Amsterdam een enkele maal, zijn politiek hebben gesteund, zijn geen werktuigen van zijn persoon, maar van zijn groot staatkundig doel, de handhaving van Europa's vrijheid, geweest. Zoo de Stadhouder, die met zooveel wijze matiging den hertogs-titel, welke slechts achterdocht en verzet kon wekken, had afgewezen, over de schatten en krachten van den Nederlandschen staat genoegzaam oppermachtig heeft be-
169
WILLEM III.
scliikt, liet is niet voor de grootheid van zijn persoon geweest, maar voor de zegepraal en handliaving van beginselen , die de Republiek hadden gegrondvest, haar het recht van bestaan onder de volken van Europa verzekerden, en de voorwaarden van haar inwendigen bloei en uitwendige grootheid waren en zijn â thans, als toen en steeds.
II
quot;Ik wil geen vrouw hebben, die het mij lastig maakt in huis, ik heb zorgen genoeg,'quot; sprak Willem III in 't voorjaar van 1677 tot Sir William Temple, den Engelsehen gezant. Het was in een onderhoud van eenige uren over allerlei politieke zaken. En niet de minst politieke der besproken kwestiën was deze huwelijkskwestie.
Reeds twee jaar te voren was de zaak ter sprake gekomen. Karei II had de oudste dochter zijns broeders aan Willem doen aanbevelen. Koud en koel had de Stadhouder geantwoord, dat hij niet in een positie was om aan trouwen te denken.
Twee jaar later was de stemming veranderd. Willem hoopte, door een verbintenis met de Stuart's Engeland op zijne zijde en tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen. Karei II wenschte den echt, om de dalende populariteit zijner dynastie bij zijn volk te herstellen.
Maar Willem wilde geen vrouw hebben, die het hein lastig maakte in zijn huis. De goede berichten, die de Engelsche gezant hem in dit opzicht geven kon, stelden hem gerust, en de huwelijksaanvraag werd gedaan, die te Londen met ingenomenheid w-erd ontvangen. Niet door den hertog van York, den vader der prinses, maar door de regeering.
170
WILLEM III.
In September 1677 kwam de prins te Londen aan. Hij maakte zijn toekomstige bruid zijn opwachting en was volkomen tevreden. Het vijftienjarige meisje wekte geen zorg bij liem op. Zij zou liem niet aftrekken van zijn taak. Toch rezen er ter elfder ure bezwaren. Karei II wilde de politieke afspraken doen voorafgaan aan het huwelijk. Willem weigerde, liet zich heftig uit, dreigde te vertrekken. William Temple, die hem beter kende dan zijne verwanten, waarschuwde den koning. Karei II liet zich overhalen. //Ik heb mij nooit in een gelaat bedrogen. Willem is een eerlijk man, hij zal zijn vrouw hebbenquot;, verklaarde hij. Eu Willem kreeg zijn vrouw, voordat de politieke onder-andelingen aanvingen.
Staatkundige berekeningen hadden van weerskanten tot dezen echt geleid. Van sympathie tusschen de hoofdpersonen kon geen sprake zijn, zij kenden elkander niet. Zij verschilden in leeftijd, in levensbeschouwing, voor zoover van deze laatste bij een kind van vijftien jaar sprake kau zijn, in landaard. De arme Mary weende bitter. De koningin, eeue Portugeesche, trachtte haar te troosten, //Ik heb ook mijn land moeten verlaten, om naar den vreemde te gaan,quot; zeide zij. â //Ja,quot; was het antwoord, //maar u kwaamt in Engeland.quot;
Zoo verliet de koninklijke prinses haar vaderland, aan de hand van den vreemden man, dien zij voortaan als haar echtgenoot had te eeren, om naar een land te gaan, dat zij niet kende. Elf jaar later, toen zij terugkeerde naar Engeland, zag zij met diepen weemoed op het rustig, gelukkig leven terug, dat haar was ten deele gevallen. Want zij is gelukkig geweest in Hollaud, hoewel niet dadelijk en niet altijd. Zij is gelukkig geweest en heeft gelukkig gemaakt.
WILLEM III.
Wij hebben over de eerste jaren van haar huwelijk verschillende berichten. De eerste harer kapelaans, zekere Dr. Hooker, heeft korte aanteekeningen over zijn verblijf aan haar hof nagelaten. Hij dweept met haar en volstrekt niet met Willem, wat zeer goed te begrijpen is. Want de Angliknansche geestelijke zag met schrik, dat de prinses in de Nederlanden verdraagzamer begrippen opdeed jegens de dissenters. Levende te midden van presbyterianen, kou zij moeilijk de hooghartige minachting en den kerkelijkeu haat blijven koesteren, die de discipelen der staatskerk als godsdienst beschouwden. Willem, de oprechte presbyteriaan, die ook op den Engelschen troon zoo veel moeite had om zicli te schikken naar kerkgebruiken, die lijnrecht streden met zijn overtuiging, was in deze jaren in Holland niet gewoon zijne meening te verbergen. Hij behandelde den Engelschen geestelijke met geringschatting, zoo niet met minachting. Niettemin bevatten Hooker's aanteekeningen niets ongunstigs over hem, dan dat hij zoo zuinig was. Voor Maria was hij goed en vriendelijk, maar zij at bijna altijd alleen. Willem ontving gewoonlijk leden der Staten , politieke personen aan zijn tafel, en dat gezelschap scheen hij voor zijn jonge vrouw uiet het meest geschikte te achten.
Met grooten ernst vatte Maria haar taak op. Kind, toen zij in de Nederlanden kwam, voltooide zij haar opvoeding door een uitgebreide lectuur. Zij las en werkte veel; Willem vond haar eens lezende in de kerkgeschiedenis van Eusebius. Hij keurde het af. Ten onrechte, want de ontwikkeling der vrouw7 is den man ten goede gekomen. Maria heeft hem leeren begrijpen, hoogachten en liefhebben. Het geluk van zijn leven heeft hij te danken gehad aan haar inspanning om zijner waard te zijn. Het plichtsbesef van de vrouw heeft haar verhoogd, zonder dat het den
173
WILLEM III.
adel van haar vrouwelijk karakter heeft verzwakt. Door haar innemende beminnelijkheid, haar weldadigheid, haar zachtheid van karakter, haar schranderheid in het gevoelen, waar en wanneer hij door hoekigheid van vormen of on-buigzaamlieid kwetste, en haar beleid in het heelen der wonden, die hij bewust of onbewust sloeg, is zij de weldoende engel aan zijn zijde geweest, die het vervullen zijner levensroeping wel niet mogelijk, maar zeker vrij wat gemakkelijker heeft gemaakt.
Het heeft langen tijd geduurd, voordat deze karakters elkander hebben gevonden en begrepen. Haar Engelsche bloedverwanten zijn er volkomen onscliuldig aan, want koning Jaeobus heeft alles gedaan, om het huwelijk van zijn kind ongelukkig te maken. Aan opstokingen, aan verdachtmakingen heeft het niet ontbroken. Nog in 1685 werden Engelsche hofdames en kapelaans weggezonden, omdat zij de prinses op de gemeenste wijze belasterden. Willem was in het gewone leven stil, teruggetrokken, sprak weinig, hield niet van liet hofleven. De jacht was hem het liefst, hartstochtelijk gaf hij er zich aan over. Burnet, die geruimen tijd aan zijn hof in den Haag vertoefde , schrijft; quot;Ik heb het er altijd voor gehouden, dat hij er zich aan overgaf, om zich aan de zaken te onttrekken en gezelschappen te ontgaan.quot; Het eerste is een zonderlinge beschouwing over een man, wiens werkzaamheid geheel Europa heeft vervuld. Dat de alledaagsche bestuurszaken hem verveelden, is van een staatsman als hij te begrijpen. Zijn afkeer van gezelschappen was gegrond in zijn wantrouwen jegens menschen; wie de herinneringen van zijne jeugd met zich voerde, kou moeilijk lichtgeloovig zijn aan menschelijke eerlijkheid. Hij was gesloten en gaf zich niet licht. Hij had één ondeugd, schrijft Burnet,
173
WILLEM III.
die hij zorgvuldig verborg. Er is naar die eene ondeugd veel gegist. Het schijnt, uit stukken, in de laatste jaren bekend geworden, dat hij veel, te veel dronk, vooral des avonds in zijn eigen vertrekken.
Toch heeft deze man de liefde van de uitnemende vrouw, die het geluk in zijn armen had gevoerd, verworven, en hij heeft ze behouden, ongestoord en onwankelbaar.
Maar slechts langzaam heeft hij haar in de volle diepte van haar zielenadel gepeild. Negen jaar was hij met Maria getrouwd, zonder dat hij een enkel woord met haar had gesproken over een zaak, die met ieder jaar belangrijker werd, omdat de beslissing naderde. Wat zou zij doen, indien haar vader Jacobus stierf en zij tot den Engelschen troon werd geroepen? Welke plaats zou zij dan aan haar echtgenoot aanwijzen? De gedachte ontrustte hem, maar hij was te kiesch en te gesloten om de zaak te bespreken.
De eenvoudige Maria had zich die vraag nooit gesteld. Burnet had tegen de vervolging van den Engelschen koning een wijkplaats bij den Prins van Oranje gezocht en gevonden. Hij beloonde de bescherming, hem geschonken, met eene indiscretie; doch indiscrete menschen doen soms wel iets goeds. Eens, pratende met Maria, stelde hij plompweg haar de vraag voor. De prinses was verbaasd, zij had daar nooit over gedacht; het sprak vanzelf, dat haar man koning werd. Neen â verklaarde Burnet â dat sprak niet vanzelf. De Engelsche wet erkende, zoo Jacobus stierf, haar als wettige koningin, maar niet haar echtgenoot als koning. Ernstig verklaarde de edele vrouw, dat zij zich geen oogenblik behoefde te beraden. Zij verzocht hem, den prins te roepen. Willem III was op de jacht, maar den volgenden morgen kwam hij met Burnet in haar kamer. Maria zeide toen, hoe zij pas gisteren
174
WILLEM III.
vernomen had, dat de wet van Engeland zoo in strijd was met de wet Gods. Zij dacht er niet aan, dat ooit haar echtgenoot haar onderdanig zou zijn, hij zou altijd haar heer zijn. Slechts ééne zaak verzocht zij hem; hij mocht altijd het bevel gehoorzamen; //gij mannen, hebt uwe vrouwen lief!quot; gelijk zij altijd het voorschrift zou opvolgen ; //gij vrouwen, weest onderdanig aan uwe mannen in alle dingen quot;
Van dit oogenblik af was het ijs gebroken. //Zoo groot was de koelheid van den prins,quot; voegt Burnet er bij, //dat hij mij geen enkel woord zei, hetwelk op een dankbetuiging geleek, maar hij betoonde mij na dien tijd een onwrikbaar vertrouwen.quot;
De tijd kwam, dat de gelukkige onbescheidenheid van Burnet vrucht zou dragen. De toestand in Engeland werd met den dag meer onhoudbaar. Men heeft Maria bitter hard gevallen over den moreelen steun, dien zij aan Willem in zijne onderneming tegen haar vader heeft geschonken. Er is geen enkele grond voor. Het leven dankte zij aan Jacobus, maar veel meer niet. Zoo zij niet diep ongelukkig was, het was zijn schuld niet. Hij had alles gedaan , wat hij kon, om het haar te maken. Hij had gepoogd de rust van haar gezin te verstoren, den goeden naam van zijn kind straffeloos laten bezwalken. Uit de archieven van het grafelijk huis Bentinck is voor weinige jaren een kleine verzameling brieven van haar in 't licht gegeven. Zij bevat haar correspondentie met haar vader, die haar tot het Katholiek geloof wilde overhalen. Zij wees zijne raadgevingen af met een kennis van de dogmatische verschilpunten, die de zijne overtreft, maar tevens met een eerbied in toon en waardeering, die voor haar hart getuigt. Het verschil van geloof groef voor Jacobus
175
WILLEM III.
176
\
een klove tussclieu hem en zijn kind. Hij onthield aan Maria den fina.ntiëelen stenn, dien zijne andere kinderen genoten. Toen in 1688 zijn tweede vrouw hem een zoon schonk, werd in den aanvang door het Prinselijk Hof in den Haag de geboorte van den toekomstigen troonopvolger met de gebruikelijke ceremoniën erkend. Maar alras verspreidden zich ook hier de geruchten, die Londen vervulden , dat het een ondergeschoven kind was. Willem en Maria hebben, op grond der berichten, die zij van hun zuster uit Engeland ontvingen, de geruchten gelooid, gelijk de natie ze geloofde. Zij hebben in die overtuiging gehandeld, gelijk het Engelsche volk, dat Willem's hulp eischte ter wille van het Protestantsch geloof dat de Engelsche natie beleed, maar door Jacobus, in strijd met de wetten dqg lands en zijn herhaalde eeden, werd onderdrukt en vervolgd.
De revolutie van 1688 is zonder wederga in de geschiedenis der volken. Zij is een revolutie zonder revolutionairen. Zij is geen omverwerping van een wettig bestaanden staat van zaken, maar eene handhaving van de constitutie des lands. De koning wordt verwijderd, die deze constitutie heeft geschonden en het geloof des volks verdrukt. Koning Jacobus had de herhaaldelijk bezworen wetten eenvoudig ter zijde gezet, om zijn persoonlijke meening in zake de.s geloofs en van den staat als richtsnoer hunner godsdienstige overtuiging aan zijn volk op te leggen. quot;De volken zijn niet om de vorsten, maar de laatsteu om de eerstenquot;: dat beginsel hadden de Staten uitgesproken, toen zij in 1581 Filips II afzwoeren. Dat beginsel, de heerschappij van de wet boven de willekeur van een persoon, heeft de ontwikkeling der Europeesche staten na 1500 geleid. Dat beginsel heeft Willem van Oranje gehandhaafd, toen hij
WILLEM III.
iii 1688 aan de oproeping der Engelsclie lords voldeed, om de wet te handhaven.
Met kloppend hart zag Maria de verwarring in Engeland toenemen, en het oogenblik komen, waarop de man, dien zij liefhad, verplicht zou zijn, de wapenen op te nemen tegen den vader, wien zij het leven dankte. Dat het zijn plicht was, betwijfelde zij geen oogenblik, hoeveel tranen het haar kostte. Willem begreep volkomen, welke strijdige aandoeningen in haar hart woelden en troostte haar met al de macht zijner liefde. Eindelijk, in 't laatst van October, waren de toebereidselen gemaakt en de Prins stond gereed te vertrekken. Den dag te voren zaten zij bijeen, maakte Willem haar met eenige beschikkingen voor den duur zijner afwezigheid bekend en wees haar de personen aan, met wie zij alles moest beraden. Gereed zich in de gevaarvolle onderneming te storten, die wellicht tot het schavot van Monmouth zou voeren, bezweek in den krachtigen man niet het plichtsbesef maar het zelfbedwang. //Indien het Gods wil was,quot; sprak hij met fluisterende stem, terwijl de tranen hem over de wangen rolden, //dat wij elkander niet terugzien, dan is het om der religie wil uw plicht te hertrouwenquot;. Op deze woorden, die, naar zij zelve schrijft, haar het hart doorboorden, barstte zij los met een uitstorting van teederheid en een hartstochtelijke vervoering, als haar in 't gewone leven geheel vreemd waren. «Zij had nooit een ander liefgehad en zou nooit een ander dan hem beminnen. Zij vroeg niets van God, dan dat zij hem niet overleven mocht; moest zij hem overleven, dan wilde zij geen moedervreugde aan een ander, al ware 't ook een engel van den hemel, danken, nu zij haar aan zijn zijde was ontzegd.quot; Een oogenblik daarna voelde zij eenige schaamte over de hevigheid der uitdrukkingen, schoon zij ⢠12
177
WILLEM III.
zich bekennen moest, niets dan de waarheid te hebben gezegd.
Den volgenden dag geleidde zij den Prins naar het schip, dat hem naar den Briel zou overbrengen. Daar namen zij afscheid. quot;Daar zag ik hem voor de laatste maal, en God weet, of ik hem ooit terug zal zien. Ik bleef als verlamd in mijn koets zitten, zoolang ik hem nog uit de verte zien kon. Toen keerde ik naar den Haag terug in een toestand, dien ik niet beschrijven kan.quot;
Maar nog zwaarder strijd wachtte haar. De vloot werd door een stormwind uiteengejaagd en verplicht, de havens der Republiek weer op te zoeken. In Engeland juichte men, dat de aanslag was mislukt en de Heer de schepen des vijands had verstrooid. Willem III echter was niet ontmoedigd en zijn ijzeren geloof verliet hem geen oogen-blik. //Al zijne brievenquot; â in die woorden bevestigt Maria het getuigenis van anderen â //betoonden volle onderwerping aan den goddelijken wil; de Prins wachtte af, wanneer het de tijd des Heeren zou zijn, terwijl hij inmiddels alles gereed maakte voor den nieuwen tocht.quot;
Van dit oponthoud maakte Maria gebruik om naar den ]3riel te gaan, waar Willem voor een paar uur bij haar kwam. Het was een herhaling van het droevig afscheid van vroeger, maar zwaarder. De angst, de vrees voor den afloop was door de korte scheiding gestegen. //Het was mij veel pijnlijker dan de eerste maal; toen hij mij verliet was het, alsof men mij het hart uit het lijf scheurde. Anderhalf uur, nadat hij mij verlaten had, bleef ik, zonder tot mij zelf te komen, in de kamer, waar hij mij had achtergelaten. Hoorende, dat er gepreekt werd, ging ik naar de kerk, als de plaats, die voor mij het meest geschikt was in dit oogenblik. Den volgenden morgen moest
178
WILLEM III.
ik den vloed afwachten, om te vertrekken. Om tien uur werden er openbare gebeden opgezonden; ik woonde ze bij. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, besteeg ik den toren, in de hoop, iets van de vloot te ontdekken, maar, ofschoon hij 315 trappen hoog was, kon ik niets meer dan de masten zien.quot;
Bange dagen van spanning en onzekerheid wachtten haar in den Haag: zij bracht ze in stilte en afzondering door. Eindelijk kwamen de goede berichten, bevestigd door brieven des Prinsen, die het wondervol geluk staafden. //De hand Gods is blijkbaar in allesquot;, schreef Maria in haar dagboek. In de laatste dagen van December riep Willem haar naar Londen. Den 15den Februari deed zij haar intrede in Londen, haar intrede in Whitehall, het paleis harer vaderen.
De nobele vrouw gaf in dit uur een bewijs van zelfverloochening , dat moeilijk te overtreffen was. De aanhangers van J acobus hadden uitgestrooid, dat er verdeeldheid tusschen haar en Willem heerschte. De Prins, om het te logenstraffen, had haar gesmeekt, een blijmoedig voorkomen aan te nemen. Maria, uit liefde tot hem ditmaal eene rol spelende, die geheel streed met haar gevoel, overdreef. Zij toonde een blijdschap, die onnatuurlijk was en ergernis gaf. //Het was niet in mijn hart, maar ik heb mijn best gedaan,quot; zei zij later tegen Burnet. Zij offerde zich, ook in de waardeering des volks, op voor den man, dien zij eerde en liefhad om zijn groote en rijke gaven en de taak, die God hem op had gelegd.
Nog voor haar komst te Londen was de vraag beslist, hoe de ledige troon zou worden vervuld. Aan een der invloedrijkste leden van het Parlement had Maria schriftelijk herhaald, wat zij mondeling aan Willem had verklaard.
179
WILLEM 111.
Zij wilde de kroon niet dragen, waar hij onderdaan zou zijn; de zwaarste beleediging, die men haar kon aandoen, was, haar als zijn mededingster voor te stellen. Het parlement gehoorzaamde aan haar wil en droeg de kroon van Engeland aan Willem en Maria, als regeerende koning en koningin, op.
//De omwenteling van 1688 is de weldadigste en de laatste onzer omwentelingen geweest,quot; zegt Macanlay. Terecht. Zij heeft de vrijheid gered, door de wet te handhaven. Die omwenteling verwijderde een persoon, die zich boven de wetten des lands stelde, en verdedigde en bevestigde voor eeuwen de historische rechten en de nationale vrijheden van Engeland.
III
De verheffing van Willem III op den Engelschen trocn heeft groote en langdurige gevolgen gehad voor de personen en voor de verbonden staten.
Vermeerdering van persoonlijk geluk heeft de kroon van Engeland hem niet aangebracht. Hij was Hollander, volbloed, in gewoonten, in symphatieën; te midden der weelde van Hamptoncourt zag hij met smachtend heimwee naaide bosschen in Gelderland, naar de kermis in den Haag terug. Zijn scherp oog had hem reeds na weinige weken den toestand in Engeland doen peilen; de politieke mannen des lands, door de weelde en het hofleven der Stuart's ontzenuwd , kon hij niet vertrouwen. Op eenige uitzonderingen na, waren zij door den stroom der publieke opinie geleid, maar was deze niet door hen gestuurd. Hun persoonlijk belang zou hun gedrag bepalen. Zij zouden hem getrouw blijven, zoolang de meerderheid des volks hem
180
WILLEM III.
volgde en steunde; hem verlaten, als zij hem verliet; wanneer zij wankelde en weifelde, hem verraden.
En die meerderheid des volks â kou Willem op haar rekenen? Reeds in Januari 1689 zei hij aan Witsen: quot;jSTu is het nog Hosanna! maar wellicht morgen: Kruist liem!quot;
Een geschikt persoon om de volksgunst, de liefde van een groote menigte voor zich te winnen, was Willem niet. De gesloten en teruggetrokken staatsman beminde de uiterlijke pracht en weelde te weinig, om daarmede de oogeu te verblinden, was te weinig gemeenzaam, te weinig toeschietelijk , om met vriendelijke woordjes en groeten te verlokken. Tusschen de eenvoudige levenswijze van den Hollandschen koning, die zijne Hollandsche zeden ook in Engeland getrouw bleef en aan de oude Hollandsche vrienden de voorkeur gaf boven de pas toegetreden Engel-sche staatslieden, en tusschen de zeden, de levenswijze, de vrienden der Stuart's was een breede klove.
De laatsten hadden groote gebreken gehad, maar het waren de gebreken van den landaard, de zeden van den tijd. Deze zouden hen niet ten val hebben gebracht. De Stuart was gevallen ter wille der religie.
En ook deze band scheen den nieuwen koning niet met zijn volk te verbinden. De Engelsche natie beleed het Anglikaansch geloof, Willem was van harte Presbyteriaan. Zoolang het Protestantisme bedreigd scheen, was het verschil der kerkgenootschappen op den achtergrond getreden, maar toen het gemeenschappelijk gevaar overwonnen was, herleefde de strijd. Volkomen vrijheid van godsdienst, zooals hij wenschte, kon Willem in Engeland niet vestigen. Des te grooter is zijn roem, dat hij alle geloofsvervolgingen heeft belet. Getrouw aan de traditie van zijn geslacht, is hij de eerste der Engelsche koningen
181
WILLEM III.
onder wie vrijheid van geweten heeft geheerscht. Niettemin beschouwde hem de Anglikaansche kerk niet als een harer zonen en schroomde zij geenszins hem ook op politiek terrein tegen te treden.
Want het parlement en de politieke mannen, die hem in het land hadden geroepen en hem de kroon op het hoofd geplaatst, achtten zich niet verplicht, hem steeds te volgen. In de wittebroodsjaren van het constitutioneele staatsleven in Europa scheen de hoofdeisch verlamming der regeering. Als ware er geen hooger belang, streefde het parlement er naar, zijn invloed uit te breiden en dien des konings bij voortduring te beperken. Willem had menig pijnlijk oogenblik, menig bitter uur te doorleven, als de overmoed der jeugdige politieke vrijheid hem de handen bond om goed te doen. Herhaaldelijk heeft hij zijn ernstig voornemen uitgesproken, om Engeland te verlaten en naar Holland weer te keeren, waar het vertrouwen in zijn beleid en zijn inzicht grooter was dan ooit te voren.
De geschiedenis van liet laatste tiental jaren der 17e eeuw is de geschiedenis van Willem TH. In zijn staatkunde, in de lotgevallen van zijn militair beleid trekt zich de politieke historie van een werelddeel samen. Hij staat aan 't hoofd van het Europeesch verzet tegen Frankrijk, hij is de ziel ervan. In de Nederlandsche Republiek volgt de meerderheid der staatslieden, door Heinsius geleid, hem onbepaald; de burgerijen zijn trotsch op den Stadhouder-Koning, die Europa leidt. Jaloezie, ginds in Friesland, in de raadzaal van den Stadhouder; Eransche invloed en Eransch goud hier in Holland, in menige vroedschap, werpt hem hinderpaal op hinderpaal in den weg. Maar het is alles vergeefs, de Republiek volgt hem met onwrikbare trouw. Willem heerscht in de Nederlanden als
182
WILLEM III.
souverein vorst. Het schijnt landverraad â klagen de oude staatsgezinden â als meii vau den Stadhouder waagt te verschillen. En in de oogen van Willem is het landverraad ; want de zaak, die hij voorstaat, waarvoor hij strijd en leeft, is de zaak des lands: 's lands eer, 's lands vrijheid , 's lands godsdienst.
Een welsprekend redenaar der 18° eeuw, Massillon, heeft in een enkelen trek zijn hulde aan Willem III samengetrokken ; //een groot man, zoo hij nooit koning had willen zijn.quot; Het verwijt van persoonlijke eerzucht, dat dit woord bevat, geldt niemand minder dan hem. Want de kroon van Engeland heeft nooit voor hem waarde gehad , dan als het middel om zijn levenstaak te volbrengen. Zonder Engeland kon de Europeesche statenmaatschappij - niet bewaard worden voor de overheersching, het overwicht van één enkel lid. In de groote gemeenschap der volkeren, die hun vrijheid door Erankrijk bedreigd zagen, moest Engeland de eerste plaats innemen, om eigen en aller onafhankelijkheid te handhaven. De man die, kinderloos, zijn geliefd Holland verliet, om al de bezwaren, al de lasten, al het verdriet van een Engelsche kroon te torsen, werd door een hooger beginsel geleid, dan die het persoonlijk leven richten.
En dat hooger beginsel heeft zijn trouwen dienaar beloond. Want Willem III is geslaagd.
Geslaagd niet alleen in de erkenning en heerschappij zijner overtuiging in de Republiek, maar ook in Engeland.
Hij heeft het ondervonden in de smartvolste ure van zijn leven.
Met de grootste trouw en liefde had Maria hem als koningin ter zijde gestaan. Haar lieftalligheid, haar be-minlijkheid had menig bezwaar overwonnen, menigmaal de
183
WILLEM III.
donkere wolken op het voorlioofd van hen verdreven, die door Willem's stunrschheid en stilzwijgen zich gekwetst gevoelden. Anglikaansche, was zij de trait d'union, die de geestelijkheid der staatskerk hechtte aan den koning van 1688. De liefhebbende vrouw had al de liefde van haar hart, al de toewijding van haar verstandelijk inzicht gewijd aan de ondersteuning van den zwijgenden man, dien zij met afgodische vereering aanbad.
In December 1694 werd zij ziek. Na weinige dagen bleek het, dat zij de kinderpokken had. Met kalmte vernam zij het bericht, dat haar doodvonnis was. Willem week niet van haar bed, dan toen zij stervende was. Haar brekende oogen rustten op hem, toen hij bewusteloos werd weggedragen.
Het was de zwaarste slag, die hem treffen kon; eu een ~ tijdlang scheen het, dat hij hem niet te boven zou komen. Een oogenblik zelfs vreesde men voor zijn verstand.
Maar de ijzeren man overwon alles, hij beheerschte zijne smart, om zijn werk te volbrengen.
Toen Maria's dood bekend werd, juichten de Jacobieten. De overweldiger zou nu spoedig vallen; slechts de gehechtheid aan Maria had hem staande gehouden. Zoo sprak men te Parijs, zoo voorspelde men te St. Germain.
Maar men bedroog zich. Samenzwering op samenzwering werd gesmeed, doch geen enkele gelukte. De natie sloot zich bij elk gevaar, voor hem en voor haar, enger aan den man, dien zij niet liefhad, die vreemdeling voor haar was, gelijk zij vreemd was aan zijn hart; maar dien zij bewonderde en dien zij vertrouwde. Zij boog, gelijk Europa, voor de meerderheid van zijn geest. Zij steunde hem tot zijn dood, en treurde om zijn heengaan, omdat zijn krachtvolle hand en zijn trouw hart, dat nooit een
184
WILLEM III.
gegeven woord brak, gelijktijdig den staat en de vrijheid had gered.
Toen hij in Maart 1702 de oogen sloot, mocht hij heengaan met de overtuiging, dat zoowel in Nederland als in Engeland de beginselen zijns levens werden beleden en algemeen als de juiste erkend. Het individu ging henen, zijne overtuiging zegevierde ook na zijn dood.
Deze man was geslaagd in zijne taak, hij had niet tevergeefs geleefd.
IV
Wie op den veertienden April 1702 in de kapel vau Hendrik VI]. te Westminster aanwezig was, kon getuige zijn van de plechtigheid, waarmede Willem III ten grave werd geleid. Engeland nam hem op onder zijne groote koningen, wien het een rustplaats op zijn bodem schonk. Vreemdeling was hij geweest, te midden der Engelsche natie, maar in den dood behoorde hij aan haar.
Aan weinig mannen had de natie meer te danken dan aan hem. Hij had het gezag van de wet in Engeland gevestigd en, ook met opoffering van eigen wil en geluk, het gehandhaafd. Onder koningin Elizabeth was het eilandenrijk uit zijne afzondering te voorschijn getreden: maar schroomvallig, gelijk het eene maagdelijke koningin paste. Toch was de invloed groot, dien het verwief; zijn stem had gegolden in de kabinetten van Europa. Maar nooit was zijn gezag grooter geweest, dan onder den Hol-landschen koning. Engeland was het hoofd der Europeesche diplomatie geworden; zijne stem besliste ook over de lotgevallen van het vasteland. Niet alleen in het binnenland, maar ook tegenover het buitenland is de revolutie van 1688
185
WILLEM III.
een keerpunt in de geschiedenis des Engelschen volks. Slechts aan het staatsmansgenie van Willem III had de natie het te danken.
Doch de beteekenis van dezen man rijst nog hooger in de oogen van het nageslacht door de geringheid der krachten, die hem ter beschikking stonden. Een zwak en teer lichaam, altijd ziekelijk, altijd bedreigd; ondersteuning van hen, voor wie hij werkte, onwillig en nooit naar de volheid zijner wenschen verleend; tegenkanting en verzet, ja verraad van hen, voor wie hij zich opofferde; bezwaren en belemmeringen van persoonlijken en politieken aard, hij heeft ze alle overwonnen door de veerkracht van zijn wil, door de meerderheid zijner gedachte. De fortuin, heeft men gezegd, ondersteunde hem, zonder hem ooit toe te lachen. Overwinningen heeft hij als veldheer slechts zelden behaald, niet door gemis van krijgsmansgenie, maar door de fout zijner bondgenooten. Populair is hij niet geweest en zijn hart nooit met vreugde vervuld. Zijn genie was koel en zijne toewijding zwijgend. Slechts na zijn dood behaalde hij zijne grootste zegepralen, toen de toepassing zijner denkbeelden Frankrijk en Lodewijk XIV aan den rand van den ondergang, ja tot de diepste vernedering bracht.
Die zegepraal was ook een overwinning van het land, dat hem het eerst had verheven. Want reeds vóór 1688 was Willem III de stadhouder der kleine Republiek, het hoofd en de ziel van Europa's verzet tegen Lodewijk XIV. De Fransche koning mocht zijn prinsdom Oranje hem ontnemen, de beroofde prins ontnam den overweldiger meer: de heerschappij over Europa. Persoonlijk betaalde Willem III ze met de opoffering van wat allen menschenkinderea het dierst is; de zekerheid, dat de vruchten van hun werk ook
186
WILLEM III.
voor liun geslacht niet verloien zullen gaan. Toen liij stierf, liet hij geen opvolger na, die hem verving.
Meer dan honderd jaar waren verloopen- sedert de Republiek was ontstaan. Met zijn bloed had de Zwijger de grondlegging betaald. Zijne kinderen en kleinkinderen hadden zijn werk een eeuw voortgezet en het voltooid. Wat ware de Republiek geworden zonder de Oranje's!
Zelden heeft een vorstenhuis in honderd jaren tijds zulk een opvolging van talenten en gaven, hoe verschillend ook, aan de publieke zaak gegeven, als deze. Macaulay heeft het ergens uitgesproken, dat er geen dynastie in Europa is, aan welke de zaak der beschaving, de zaak der vrijheid van geweten grooter en duurzamer verplichting heeft. En de l?'1quot; eeuw drukt op dat oordeel het zegel. De vestiging der jSTederlandsche Republiek is hun werk, hare opneming in den Europeeschen statenbond de vrucht van hun arbeid.
Persoonlijk zijn zij er niet door gebaat. De stadhouders hebben een positie ingenomen, die in elk opzicht valsch was. Eeitelijk de hoofden, waren zij staatsrechtelijk de dienaren van den staat. Slechts hun persoonlijke verdiensten hebben hen verheven boven de valsche stelling, die zij innamen en hun een invloed verschaft, die in de allereerste plaats den staat is ten goede gekomen. lu de 17110 eeuw, de eeuw die de hoogste ontwikkeling der monarchie aanschouwt, blijft dit stadhouderlijk geslacht in de ondergeschikte plaats vertoeven, die de omstandigheden het bij de stichting der republikeinsche staatsorde in 1588 hebben aangewezen. Geen dezer mannen heeft van de gelegenheden, die het lot hun aanbood, gebruik gemaakt om zich te verheffen. De hoogste erkenning van hun macht en aanzien, de erkenning van de erfelijkheid der betrekkingen in de mannelijke lijn valt aan Willem III
187
WILLEM 111.
ten deel, maar als hij de toepassing vraagt voor zijn erfgenaam , den zoon des Friesohen stadhouders, wordt zij geweigerd.
Geweigerd â door wie? Door de regentenaristoeratie, die de geheele eeuw door zijn tegenstander is. De worsteling van het monarchaal en het aristocratisch beginsel, van de Oranjepartij en de Statenoligarchie is de draad, die de lotgevallen des volks in de l?'10 eeuw aaneen hecht.
Op groote mannen mag de Statenpartij in de 17(lB eeuw roemen. In de hreede schaduw van Johan van Oldenbarne-velt nemen wij een reeks van eminente persoonlijkheden waar, mannen, wier kennis, wier rijke geestesgaven, wier karakter elk volk tot eere zoude zijn. Schitterende talenten, die hun roem tot het nageslacht hebben gedragen, onderscheidden zich in het rijk der kunsten en der letteren. Rembrandt en Vondel traden voor allen op, om de erkenning te vragen van de hooge geestesontwikkeling, die hunne generatie heeft bereikt.
Maar op staatkundig gebied is het slechts een deel der natie, dat leeft. De strijd tegen Spanje, voor allen gevoerd, waaraan alle standen hebben deel genomen, eindigt met de overheersching van een enkele klasse der maatschappij. De regenten maken zich meester van het monopolie der regeering, en bezitten en handhaven het als een privilegie voor zich en de hunnen. Het volk, dat de wet niet kent, is hun speelbal en hun werktuig, welks belangen hun ter harte gaan zoolang het eigenbelang de ver-waarloozing en opoffering hun niet voorschrijft.
Driemaal wordt de macht dier aristocratie bedreigd. In 1618, als Maurits Holland tot onderwerping aan de Unie dwingt; maar gemis van persoonlijke eerzucht en gebrek aan staatsmanszin treedt reddend tusschenbeide. In 1650,
J 88
WILLEM III.
als Willem II opnieuw liet gezag der Staten-generaal handhaaft. Ditmaal is het gevaar grooter, maar de dood wendt het af. In 1672, als de grootste der Oranje1» door de overweldigende stem des volks tot de vaderlijke betrekkingen geroepen wordj. Maar Willem III heeft een hooger roeping dan de vestiging van een dynastie. Beginselen gaan hem boven belangen; waar is de staatsgezinde, die het hem na kan zeggen? Hij wijdt zich niet aan een enkel geslacht, niet aan een enkel land; hij offert zijn rust en de krachten van zijn leven voor de vrijheid en de toekomst van Europa op.
Zegevierend staat de regentenoligarchie bij zijn doodbed; ook deze heeft niet vermocht haar te vernietigen. Maar achter zijn stervenssponde rijst de bleeke schim der democratie op, en legt de hand op de eeuw, die volgt, haar roof en haar buit. Nog honderd jaar, â wat zijn ze in het leven van een volk ? â en de ure van haar zege zal slaan.
Doch geen hunner, die het op dit oogenblik voorziet. Als Willem III is ingeslapen, strekt de oligarchie zich rustig en gemakkelijk in de regeeringszetels uit, om te genieten.
Men heeft gezegd en geklaagd, dat de geschiedenis der verleden eeuwen steeds als een historie van personen werd beschouwd. Hun daden en lotgevallen vormen den gewonen inhoud. Waar is het volk, over hetwelk zij hebben ge-heerscht, en dat zij hebben bestuurd?
Het volk is op de straten, in zijne woningen, in zijne graven. Het leeft den strijd der politieke beginselen niet mede; het gaat onder in de zorgen van het dagelijksch bestaan, in de genietingen der kleine of groote weeldeu, die welvaart verschaft of gebrek onthoudt. Uitgesloten van
189
WILLEM III.
deelneming aan algemcene belangen, treedt liet slechts in enkele oogenblileken den beperkten kring zijns levens uit, om zijne eischen te doen hooren. Het is dan, wanneer in het bijzonder leven en lotgeval de gevolgen blijken van beginselen, die de staatsorde beheerschen.
Slechts zelden heeft de 17i(! eeuw een dergelijk optreden des volks gezien. De volgende zal rijker zijn aan tooneelen van dien aard. Zij zullen de vruchten aan den dag brengen , die het regeeringsbeleid der vaderen heeft gedragen. Een volk, onkundig van den weg, dien het heeft te bewandelen, zal de oude maatschappij eerst ondermijnen, dan sloopen. Onder de leiding der Prinsen van Oranje, als de staatseenheid haar uitdrukking vond in persoonlijkheden, gedragen door hooger belangen dan die van een stand, had de Republiek haar vrijheid en onafhankelijkheid gewonnen, de vrijheid aan Engeland gegeven en Frank rijk vernederd. In 1795 zal de Republiek vallen, verlaten door Engeland, onteerd door machteloosheid, zonder verzet te?en den over-
7 O
wonnene van honderd jaar vroeger.
Aan wie de schuld? Aan de oligarchie, die, door geen staatkundige beginselen geleid, slechts haar egoïsme tot staatkunde heeft gestempeld. Aan de bevoorrechte standen, die de taak niet vervulden, welke op alle hooger geplaatsten rust: opvoeders der lagere tot vrijheid en zelfstandigheid te zijn. Elke politiek, die het oog niet heeft op de toekomst, maar slechts op den dag van heden, leidt tot ondergang.
19»
De ISquot;10 eeuw zou het bewijzen door de vernietiging van alles, wat de zeventiende goeds en groots had opgebouwd.
11
AAKTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.
1. Aan dezen Anton van Altenburg schonk Anton Gnnther de heerlijkheid Innnd Kniphausen. Door het huwelijk van de eene dochter van Anton kwam deze heerlijkheid in het geslacht Bentinck.
2. George Christiaan en Edzard Ferdinand.
3. Weinige maanden later, April 1660, stierf Enno Ludwig.
4. Zie blz. 78. â Wat daar slechts werd aangestipt over de politiek van J. de Witt, is hier uitgewerkt.