HISTORISCHE BLAD EN
HIS T O E IS C H E E L A D E N
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
030
8 87-
STORISCHE mn
DOOR
DE. THEOD. JORISSEN
IN LEVEN HOOGLEERAAR TE AMSTERDAM.
DERDE, GOEDKOÃPE DRUK
li
Marijken-Meu. â De Republiek in de eerste helft , dek 18c eeuw. â Het tijdperk der Patriotten. â | quot;Willem V. â Doggersbank. â De Fransche tijd.
BIBLIOTHEEK RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
iiâ
HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK. 1892
I
MARIJKEN-MEU.
MA EU KEN-ME TI.
Ziedaar den naam eener vrouw, die voor anderhalve eeuw aan niemand in de Republiek der Vereenigde Nederlanden onbekend was. Zij was geen dochter van deze landen. Duitsche Prinses, dankte zij aan haar huwelijk met een Prins van Oranje, die Stadhouder van Friesland was, haar vestiging in deze gewesten. Vervuld met blijde verwachtingen , die jeugd, schoonheid, levensmoed wekken, trad zij de Republiek binnen, waar zij een langen levensweg ten einde zou aÃoopen, door eenzaamheid gekenmerkt. Moederlijke zorg en moederlijk lijden zijn ruimschoots haar deel geweest. In den ruimen kring der Republiek heeft zij de achting geoogst, die haar toekwam; in den engeren van haar omgeving liefde genoten, gelijk zij liefde schonk. In de volksherinnering van het gewest, waarin zij vijftig jaar heeft geleefd, is haar naam nog niet vergeten. Marijken-Meu kent iedere Fries.
De overlevering heeft de moeder van Willem IV meer met huiselijke dan met openbare deugden versierd en het beeld der eenvoudige vrouw ons geteekend met trekken,
lIAiajKEN-MEU.
die alle vertoon van praal of uiterlijken pronk bnitensluiten. En volkomen te reolit. De reeks van onuitgegeven bescheiden , een tal van meer dan twee duizend brieven, bevestigt in hoofdzaak de aangeuomen voorstelling. Menigen nieuwen trek voegen die stukken aan het oude beeld toe, maar de welbekende lijnen worden niet uitgewischt, slechts gewijzigd.
De moeder van Willem IV was eene prinses van Hessen-Kassei, en heette Maria Louise. Haar vader, de landgraaf van Hessen-Kassei, nam een eerste plaats in onder de vorsten, die de TVansche leer van de absolute macht dei-vorsten tegen keizer en onderdanen op Uuitschen bodem toepasten. In de geschiedenis van zijn land staat hij bekend als de kazernen- en kerkenbouwer en tevens als de eerste, die zijne onderdanen onder den naam van hulptroepen tegen grof geld aan vreemde staten verkocht. Een man van veel en velerlei liefhebberijen, niet zonder kennis, niet zonder smaak. De waterwerken op de latere Wilhelmshöhe bij Kassei zijn door hem aangelegd. Militair, voerde hij zelf de troepen aan, die hij in den Oostenrijkschen successieoorlog aan de zeemogendheden leverde. Zijn familieleven schijnt door dit militaire en monarchale streven weinig te zijn aangedaan. Hij had veel kinderen; de zoons trokken in den oorlog, de dochters werden door de moeder opgevoed. Maria van Koerland, de landgravin, schijnt eene eenvoudige, vrome vrouw geweest te zijn, die stille huiselijkheid en kalme plichtsbetrachting zich en de haren tot hoogsten eisch stelde. Maria Louise vertelde later, dat zij nooit wijn had geproefd, voordat zij in de Nederlanden kwam. Zij werd door die moeder met nauwgezetten ernst en piëteit opgevoed. Als jong meisje zag zij zoo zeer tegen een huwelijk op, uit vrees dat het haar gemoedsleven
4.
MARIJK EN-J1EU.
schokken en scliacleu zou, dat zij wenschte ongehuwd te blijven.
Jonge prinsessen kunnen zelden aan zoodanige neigingen toegeven. Vooral wanneer het gezin zoo groot is als dat haars vaders. Maria Louise was één van de veertien. Hare broeders traden in dienst van vreemde mogendheden; haar zuster huwde. En ook voor haar kwam de dag, dat zij zich schikken moest in haar lot en, naar het oudtestamentisch gebod, een man volgen.
Wij gelooven niet, dat het haar een langen strijd of groote zelfverloochening heeft gekost. Want Johan Willem Friso, de jonge stadhouder van Friesland, was een innemende verschijning. De schitterende oogen, de levendigheid van zijn woord, de vurige onstuimigheid van zijn moed, de geestdriftvolle opgewektheid, die uit taal en optreden sprak, verhoogden den indruk der schoone, ridderlijke figuur, die door de lange, prachtige lokken, over de schouders van het zware harnas golvende, de oogen van mannen zoowel als van vrouwen tot zich trok. Het innemend, vriendelijk woord, dat steeds op zijn lippen was, steeg in waarde door den roem, die hem van liet slagveld volgde. De bescheiden Maria Louise was ras gewonnen en gaf zich over aan den man, dien staatkundige berekening aan hare ouders welkom deed zijn, met den eenvoud der onschuld, die, zich haar zwakheid bewust, wegschuilt onder de krachtige armen van eenen, dien zij liefhebben, maar tevens als haar meerdere vereeren kan.
I
Johan Willem Friso, prins van Nassau-Diet/,, nam onder de Duitsche vorsten slechts een zeer bescheiden plaats
5
MAllIJKEN-MEU.
in. ' Maar hij was, als zijue vaderen, stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, en daarbij erfgenaam van den machtigen Eugelschen Koning Willem III. Deze erfenis werd hem betwist door zijn oom, den koning van Pruisen, die hem van een aanzienlijk deel der goederen en inkomsten dreigde te berooveu. Maar dit verlies kon hem de zedelijke aanspraken niet ontnemen, die hij op een ander deel van Willem's erfenis deed gelden. De Engelsche koning was stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel geweest. Vóór zijn dood had hij gewenscht, dat de jonge Friso als zijn opvolger werd aangenomen. De Hollandsche regenten-aristocratie had het geweigerd. Maar het volk en het leger begeerden het. De oude aanhang der Oranje's, die in dezen dapperen en schitterenden jongen vorst zulk een uitnemend middelpunt van vereeniging vond, zag met vertrouwen de toekomst te gemoet. Johan Willem Friso mocht zonder overdrijving zijne jonge bruid een toekomst voorspiegelen, waarin zij als de gade van den Stadhouder der Yereenigde Nederlanden een rang zou innemen, niet geringer, wat politieke beteekenis betrof, dan die van hare zuster, de hertogin van Mecklenburg-Schwerin. Al zou zij geen souvereine zijn, haar eerzucht als vrouw zou bevredigd worden dooide hooge plaats, die aan het militaire en politieke hoofd der Eepubliek in de kabinetten van Europa werd toegekend.
Toch had Johan Willem Friso zijn jonge vrouw veel te vergoeden. Zij verliet Kassei, dat met ieder jaar dooide zorg der regeering werd verfraaid en door de opname van Fransche refugiés, die nevens de oude een nieuwe stad deden verrijzen, in levendigheid en omvang het stille en kleine Leeuwarden verre overtrof. Zij verliet een ouderlijke woning, voor een zoo gemoedelijk hart als het hare dubbel
6
MAKIJKEN-MEU.
gewijd, eu eene moeder, aan wie zij alles, het hoogste wat zij liefhad, dankte. Aan de hand van den man, die haar wegvoerde uit haar eigen land en haar ouderlijk huis, trad zij een vreemd land en een vreemde woning binnen.
Nog leefde in Leeuwarden de moeder van Johan Willem Eriso met hare zes dochtereu. Wij weten niet, hoe de verhouding der jonge vrouw tot deze was; in elk geval kan de intieme omgang niet van langen duur zijn geweest, daar Friso's moeder eerlang Friesland en de Republiek verliet, om naar haar geboorteland Dessau weder te keeren.
Met des te inniger liefde sloot Maria Louise zich aan den echtgenoot aan, die, slechts weinige maanden ouder, in levendigheid en opgewektheid haar verre overtrof. Met benauwende teerheid klemde zij zich aan den man, op wiens bijzijn zij wist niet geregeld te mogen rekenen. Om den krijg had Friso zijn huwelijk maanden lang uitgesteld, en zelfs in Mei 1709, toen het gesloten was, zijne echtgenoote ijlings verlaten. Toen zij den 2llen Januari 1710 aan zijn zijde haar intrede te Leeuwarden deed, wist zij, dat geen rustig en gezellig huiselijk leven haar wachtte, vóórdat de vrede zou gesloten zijn.
Friso kon het schetteren der krijgsklaroenen niet hooren, zonder tot volgen zich op te maken. Drie maanden bracht hij met haar door: toen ijlde hij naar het oorlogsterrein, om er tot laat in het jaar te vertoeven. In zijn afwezigheid schonk Maria Louise hem eene dochter, die niet dan weken later de eerste kussen van haar krijgslustigen vader ontving. Opnieuw bracht hij de wintermaanden met haar door, en opnieuw deed April hem zijn rustig huis tegen de onrust van het kamp verwisselen. Vergoeding, doch een schamele, schonken haar zijne brieven, al deelde hij in alles, wat haar belang inboezemde, en al hielden ook
7
MA KIJK EN-ME U.
iu zijn legertent hare wensclien hein bezig. Geen schriftelijk medeleven kon voor het gemis van zijn tegenwoordigheid in de plaats treden, en wel het minst in dagen, als zorgen vau anderen aard, dan die van den dag, haar verontrustten. Uit Kassei waren ongunstige berichten tot haar gekomen. Haar moeder was sukkelende, en haar toestand wekte bezorgdheid. Zij zou genezing in een badplaats zoeken. De landgravin van Hessen vertrok naar Schlangenbad, maar bereikte het niet. Onderweg werd zij door een beroerte getroffen, die haar wegnam. //Ik hoopquot; â schreef Friso aan Maria Louise â //dat het treurig bericht u geeu kwaad gedaan heeft, iu de positie waarin gij zijt. Tk bid u, geef niet toe aan uw droefheid, en deuk er aan, dat er geeu geneesmiddel tegen den dood is. Wij moeten ons in alles onderwerpen aan den wil van den Heer. Daar gij een goede christin zijt, hoop en verwacht ik, dat gij kracht genoeg zult hebben om u zelve te overwinnen. Ik smeek er u om, mijn lieve vrouw, om mijnentwil en ter wille van ons kind.quot;
Het was den 295len Juni 1711, dat Johan Willem Friso deze woorden tot zijn vrouw richtte. Weinig kon de gezonde en levenslustige man vermoeden, binnen hoe korten tijd zij de berusting, waartoe hij haar vermaande, in nog hooger mate zou behoeven, als hij zelf haar ontzonken was.
Het testament vau Willem III had hem tot erfgenaam aangesteld. Reeds herhaaldelijk waren pogingen aangewend om de verschillen met den Pruisischen koning te regelen. In den zomer van dit jaar 1711 kwam koning Frederik zelf naar den Haag, en de Algemeene Staten drongen er bij Friso op aan, dat hij uit het leger zou overkomen, om de zaak tot een einde te brengen. Hij had er niet veel lust in, omdat hij er niets vau verwachtte. //Ik weet
8
I
MARIJK ENr-MEU.
nog niet, of ik naar den Haag zal gaanquot;, schreef hij den IS11⢠Juni, //maar als ik ga, zal ik mijn best doen, om u in Friesland te komen omhelzen.quot; Maria Louise zag smachtende naar de vervulling der belofte uit, die nog een en andermaal herhaald werd. Toen tot de reis besloten was, sprak hij er van, dat zij elkander te Amsterdam zouden ontmoeten. quot;Ik bid uquot;, verzocht hij haar den 9dcquot; Juli, //ik bid u, niet ongeduldig te worden en rustig te Leeuwarden te blijven, tot ik u uit den Haag schrijven zal.quot;
Het was de laatste brief, dien zij van hem ontving. Twee dagen later verliet hij met een klein gevolg het leger. Den 14(len Juli was hij aan de Moerdijk. Het was ruw en stormachtig weder. De regen viel kletterend neder en de wind huilde over de golven. Met de pont zouden Friso en de zijnen oversteken. Hij bleef in het rijtuig zitteu, tot diclit aan de overzijde. Toen werd de schuit teruggeslagen, en scheen het veiliger achter de koets plaats te nemen. Friso stelde zich ter zijde en hield zich aan het portier vast. Maar een zware golfslag deed de schuit kantelen en wierp hem met eenige anderen in de golven. Een tijdlang hielden zij zich vast aan toegeworpen touwen. Maar het water liet zijn prooi niet los: Friso werd afgerukt en verdween in de diepte.
Weinige dagen later ontving Maria Louise het verpletterend bericht. Een meisje van nauwelijks acht maanden, dat zich aan haar vastklemde, en een kind, dat zij onder het harte droeg, hielden haar staande.
//De Heer doe, wat recht is in zijn oogen,quot; stamelden mond en hart.
9
MAIUJKEN-MEU.
II
Weinig langer dan anderhalf jaar was Maria Louise in liet vreemde land, toen de geboorte van liaar zoon haar voorgoed aan de Republiek ketende. Zij, een drie-en-twintigjarige , werd geroepen, den toekomstigen Stadhouder van Friesland op te voeden en voor belangen en rechten te waken, die dit kiud had geërfd, nog voordat hij het levenslicht aanschouwde. Wat had die jonge vrouw, die Hessische prinses, in de luttele maanden van haar samenzijn met Friso van deze dingen vernomen? Wat had zij, meer gewoon over haar godsdienstige belangen dan over wereldsche te peinzen, er van begrepen ? Wat er van onthouden ?
Het zal niet veel geweest zijn. Doch men mag verder gaan dan een bloote gissing. Wanneer wij zien, dat de jonge Willem IV reeds op zeer jeugdigen leeftijd zijne belangen zelf ter hand neemt en behartigt, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de eerste raadslieden die hem ter zijde staan, ook vroeger zijue moeder hebben voorgelicht. Als eeumaal de afstammelingen der Friesche edelen, die liet hof van I'riso en Maria Louise hebben vervuld, hunne familie-archieven voor liet onderzoek der wetenschap zullen openen, zal er licht in deze duisternis opgaan.
De afstammelingen der Burmania's zullen stellig hun voorvader geen oneer aandoen, door zijn rol in deze jaren bloot te leggen. Toch hebben die raadslieden niet alles gedaan, en heeft ook Maria Louise door hare uitgebreide relatiën de maatregelen gesteund, wier doelmatigheid zij zeker niet beoordeelen, maar wier strekking zij waardeeren kon. De invloedrijke betrekkingen, zoowel van haar zelve als van de Oranje's, de koningen van Pruisen, Engeland
10
MARIJKE N-MEU.
en Zweden en de landgraaf van Hessen-Kassei hebben, ieder naar de mate van zijn invloed, in Holland en Zeeland de Oranjepartij gesteund en de regenten-aristocratie weerhouden van stappen, die strijdig met het belang van haar zoon werden geacht. Zelfs scheen het in de eerste tien jaar na den dood van l'riso, dat de voorstanders van het stadhouderschap zouden slagen in het bereiken van hun doel. Maar na 1721 werd die partij in Holland onderdrukt en zegevierde de regenten-oligarchie. Slechts een schamele vergoeding mocht het heeten, toen haar zoon in 1722 in Gelderland tot de stadhouderlijke waardigheid werd verheven. De voorwaarden, die werden opgelegd, waren even zoo vele belemmeringen voor het uitoefenen van invloed. Zijn naam en zijn titel moest den Gelderschen regenten tot een schild zijn.
quot;Voor Maria Louise waren deze belangen ondergeschikt. De eenvoudige vrouw, die nooit roemde op hare hooge verwanten, maar wier oog gloeide, als zij hoorde gewagen van de diensten harer vaderen in de dagen der Hervorming, schonk haar zoon het hoogste, wat zij zelve had ontvangen , een godsdienstige opvoeding. Dit kind, naar het vriendelijk gelaat te oordeelen, het evenbeeld zijns vaders, moest haar vergoeden, wat zij verloren had. Zij klemde zich aan hem vast met dezelfde benauwende teederheid, die haar liefde tot Friso had gekenmerkt. Zij voedde hem op, gelijk zij hem liefhad. Godsdienstig onderwijs, waarbij later het latijn en nog later nieuwe talen werden gevoegd, waren het geestelijk voedsel, dat hij ontving. Men klaagde, dat de jonge Willem niet de opvoeding genoot, die aan een toekomstigen Vorst toekwam; dat vrouwen hem te lang omgaven, en dat het onderwijs te zeer een theologische kleur droeg. De moeder schonk hem , wat haar hart het
11
MAIIIJKEN-MEU.
hoogste voor hem aclitte. Toen Willem IV in later jaren zijn geloofsbelijdenis te Utrecht aflegde, scheen het meer de belijdenis van een aanstaanden theologant, een dienaar der kerk, dan van een gewoon lidmaat der gemeente. Doch deze klachten, ook indien zij juist zijn, hebben door later onderricht en door eigen studie, naar het schijnt, hun beteekenis verloren. Het is niet onmogelijk, dat de herinnering aan Friso's militairen geest invloed op de moeder heeft gehad. Iedere liefde, ook de reinste, heeft een trek van zelfzucht in zich. Maria Louise wenschte den zoon voor zich te behouden, die, vrucht van haar kortstondig geluk, haar het beeld van den verlorene vertoonde en dien het ongeluk, dat hem als kind trof, haar nog dierbaarder deed zijn. Op vijfjarigen leeftijd deed hij een val, die voor zijn leven deed vreezen, maar slechts zijn gestalte verwrong. Daar geneeskundige hulp te kort schoot, groeide de rugge-graat uit. Eeu hooge rug, zoo niet een bult, schuilde kwalijk weg onder de golvingen der zware pruik, die hem als man dekte. De figuur was leelijk, maar het gelaat, schoon minder regelmatig en schoon dan dat des vaders, vriendelijk en innemend. De onstuimigheid, die Priso had gekenmerkt, openbaarde zich in den zoon, opgevoed onder vrouwen aan het stille hof te Leeuwarden (slechts afgewisseld door uitstapjes naar Dieren of Soestdijk) in heftige buien van drift, die even spoedig week als zij plotseling uitbrak. Matiging en gematigdheid was de les, die Maria Louise den jongen Willem steeds inprentte, en die ook door zijn zwakke gezondheid, welke zelfbeheersching hem tot plicht maakte, werd voorgeschreven.
In 1726 hield de dagelijksche moederzorg op. De jonge Willem vertrok naar Franeker, om door een akadeinische opleiding zijn opvoeding te voltooien. Hij was nu op dien
12
MAllIJKEN-MEU.
leeftijd, waarop liet meusclielijk kuiken uit den dop komt, de wereld om zich heen begint aan te gluren, en, verrast door zoo veel fraais en nieuws, meent, dat liet alleen voor zijn genoegen bestaat, en in den regel aanvangt hard te kraaien, om zijn goed- of afkeuring te betoenen. Dat de jonge Willem aan den regel is ontsnapt, laat zich kwalijk beweren. Er is in de eerste brieven aan zijne moeder hier en daar een toon, die aan hooger leeftijd dan de zijne was, zou doen denken.
Doch dit zij zoo 't wil â zeker is het, dat het verblijf te Franeker hem goed heeft gedaan, en dat daar voornamelijk de leemten in zijn opleiding schijnen aangevuld. Aan juridische studiën, waarvan het Duitsche rijksrecht voor hem, den Duitschen rijksvorst, vooral van waarde was, paarde zich het onderricht in mathematische wetenschappen, met toepassing op de krijgskunde en de vestingbouwkunst. Natuurwetenschappen, in die dagen artikelen van mode eu van smaak, werden èn hier èn later te Utrecht, waarheen hij iu 1729 vertrok, beoefend. En niet zonder vrucht; want Willem IV, waar en wanneer hij ze ook verworven hebbe, heeft van zijn eerste optreden in het publiek af, gelijk steeds, den indruk gemaakt, dat noch kennis, noch veelzijdige belangstelling op velerlei gebied van men-schelijke wetenschap hem ontbrak. De grootmeester van den goeden toon eu de wellevendheid in de eerste helft der 18lie eeuw, lord Ohestertield, heeft een getuigenis van hem afgelegd, dat voor moeder en zoon beiden een lofspraak is. Hij leerde hem in 1729 in den Haag kennen en schreef toen naar Londen; quot;Hij heeft blijkbaar een goede opvoeding genoten en een vrijheid en gemakkelijkheid in den omgang, die meu niet krijgt dan door veel in de wereld te verkeeren. Hij heeft een goed, knap gezicht.
13
MAllT JKEN-MEU.
maar zijn gestalte is niet zoo gunstig als men zou wen-schen, ofschoon niet zoo leelijk als ik gehoord had. Hij heeft niet de minste stijve statigheid, maar is vriendelijk en innemend, zooals het iemand past, die zich in een gouveruemeüt als dit wil verheffen.quot; Lord Hervey, de kamerheer der Engelsche koningin, die hem een paar jaar later te Londen sprak, en zijne redenen had om weinig met hem ingenomen te zijn, moest toch erkennen: «hij schijnt zelf zijn figuur geheel te vergeten, en heeft het talent, ze ook anderen te doen vergeten.quot;
Maria Louise heeft de voldoening niet gehad, deze goede getuigenissen te keuneu. Ook al had zij geen andere vernomen, haar hart legde ze van den eenigen zoon af. Zelfvertrouwen, dagelijks voorkomende bij hen, die de voorwerpen van overteedere liefde en van overspannen verwachting zijn; niet onnatuurlijk in den erfgenaam van hooge titels en nog hooger aanspraken; een gewoon verschijnsel bij hen, die weten dat zij, om physieke redenen, meer dan anderen de oogen tot zicli trekken, vindt ten allen tijde verschooning in de liefde van een moederhart. Willem herinnerde haar, niet het minst door zijn gebreken, aan den verloren echtgenoot, en hij vergoedde ze door zijn onberispelijk levensgedrag en den har tel ij ken toon, dien hij in den regel tegenover haar voerde. Wel meende zij soms warmer en gevoeliger uitdrukking van hem te mogen vragen en over koelheid te mogen klagen; maar de zelfstandigheid en beslistheid, die hem eigen waren, deden de goede moeder, in haar gedachten gewoon de mindere van allen te zijn, met niet minder trots en vereering tot hem opzien, naarmate zij hem meer miste. Hij vervulde haar hart en gedachten nog meer, sinds haar eigen leven en woning armer en lediger waren. Slechts een jaar was er
14lt;
MAllIJKEN-MEÃ.
na Willem's vertrek naar Praneker verloopen, of zij was alleen op het Prinsenhof. Hare dochter, Anna Charlotte Amalia, van wier jeugd of karakter wij eenvoudig niets weten, verloofde zich met den erfprins van Baden-Durlach. In Mei 1727 volgde zij hem naar zijn erfland. Maria Louise, van kinderen beroofd, bleef alleen achter. Die beide voorwerpen van haar zorg en liefde kon zij slechts volgen in den geest; in de stilte van haar leven haar gedachten alleen laten weiden van het kasteel van Durlach naar de verblijfplaats van Willem. Dat was het eenige, wat de nauw veertigjarige restte.
UI
In 1729 aanvaardde Willem het stadhouderschap over Groningen en Drente, twee jaar later ook dat over Pries-land. Het laatste had Maria Louise gedurende de minderjarigheid waargenomen. Zij legde haar taak neder, gelukkig, dat haar zoon ze mocht opnemen.
Met het ophouden van haar oftlcieele werkzaamheid ging een geheele wijziging in haar levenswijze gepaard. Zij bewoonde tot nu toe het stadhouderlijk Hof, waar sedert 1587 de graven van Nassau hadden gehuisd en voor meer dan twintig jaar Priso haar had binnengeleid. In de laatste jaren had zij een buitenverblijf aangelegd, Mariën-burg geheeten. Het bestond uit twee hoofdgebouwen en was groot en ruim genoeg om voor een enkelen dag of enkele dagen in den zomer haar tot woning te dienen; maar niet van dien aard dat zij er blijvend haar intrek kon nemen, als zij het Hof zou verlaten. In 1728 had zij daarom in de Groote Kerkstraat een aanzienlijk huis
15
MAKIJKEN-MEU.
aangekocht, destijds bekeud onder den naam van het Liauckama-huis.
Voor een Gouvernante in ruste was de woning rijk te noemen. Toch kou zij met liet verlaten stadhouderlijk Hof niet vergeleken worden. De aanzienlijke vermindering van inkomsten, die zij door de meerderjarigheid van Willem leed, eischte deze beperking. Tijdens zijne minderjarigheid had zij over/' 130,000 jaarlijks mogen beschikken: thans moest zij zich verminderen, om met J' 50,000 toe te komen. Nog was de som, schoon niet te hoog, voldoende om in overeenstemming met haar stand te leven, vooral voor eeue vrouw, die persoonlijk weinig behoeften had en zich in een kleinen kring van vrienden bewoog, welke zij aan haar disch vereenigde, gelijk ook zij zich aan den hunnen nederzette. Zwak van lichaam, met een zeer zenuwachtig gestel, altijd sukkelende aan allerlei kleine kwalen, bezorgd voor haar gezondheid, gelijk menscheD die weinig werkzaamheid of afleiding hebben, gewoonlijk zijn, had Maria Louise behoefte aan vriendschap en liefde. Deelneming van anderen was haar een behoefte, naarmate de kring om haar heen enger werd en zij minder aan hare kinderen had. In 1734 trof haar een zware slag, de zwaarste na den dood van Priso. Haar dochter in Durlach verloor haar echtgenoot, den erfprins van Baden-Durlach. In Juni daarop schonk zij het leven aan een tweeden zoon, maar ten koste van haar eigen gezondheid. Haar gestel kon den dubbelen schok niet verduren. Anna van Baden-Durlach werd krankzinnig en is nooit hersteld, schoon zij haar rampzalig leven tot 1776 heeft voortgesleept. Men kan zich voorstellen, hoe zeer deze slag de arme moeder trof: dit kind was voor haar geheel verloren. Vaster dan ooit hechtte zij zich aan het eenig kind, dat
16
MAIUJRKN'-JIKU.
haar overbleef, haar eeuigeu troost. Overstroomend, tot benauwens toe, zijn de betuigingen van liefde, waarmede zij Willem overlaadde. En gevoeliger, zoo het mogelijk ware, dan ooit te voren, is zij voor den geringsten schijn van veronachtzaming van zijne zijde. Bijkans van den eersten dag der briefwisseling af moet Willem zich verontschuldigen , dat hij er niet aan denkt om haar te ver-waarloozen. In den aanvang is zijn toon wel eens wat geprikkeld, maar langzamerhand buigt hij voor de vurigheid van haar moederlijke liefde, die, al is zij wat veeleischend en wat teer van uitdrukking, in den grond der zaak even toegefelijk en zelfverloochenend is als elke moedertrouw. Hij geeft zich rekenschap van de verlatenheid van een leven, waarin hij alleen vervulling kan brengen.
De stadhouder Willem IV, gelijk de meesten zijner voorgangers, is weinig anders dan in zijne officieele waardigheid bekend. De rol, die hij als zoodanig heeft gespeeld, is niet schitterend genoeg geweest om zijn naam met roem bij het nageslacht te doen voortleven. Des te verrassender is de gunstige indruk, dien zijne briefwisseling met Maria Louise maakt. Hij is in den vollen zin des woords een man geweest. In de moeilijke verhouding tegenover zijn moeder, die aan den eenen kant hem hoog, te hoog vereerde, ja tegen hem opzag en van den anderen kant hem bezwaarde met al de eischen van een zenuwachtige teeder-heid, heeft hij met omzichtig beleid en liefderijke ver-schooning zich gedragen. In hem leeft de vaderlijke eerzucht, om zich en zijn geslacht te verheffen en zich te onderscheiden; maar ook een diep plichtbesef, dat hem tot onvermoeide werkzaamheid prikkelt. Beide, eerzucht en plichtbesef, sterken hem tegen den moederlijken drang, dat hij zich van alle gevaren verwijderd houde. Hij laat zich
Joris sen. 12. 2
17
MARIJKEN-MEU.
door liaar ourust eu tranen niet weevlioudeu om deel te uemen aan de veldtochten aan den Rijn; maar poogt haar gerust te stellen met vriendelijke woorden en door geregelde briefwisseling. Ook in het keizerlijk legerkamp schrijft hij haar met iedere post, of laat haar door anderen berichten zenden. Steeds houdt hij haar met korte woorden op de hoogte van zijne belangen, roept haar invloed in met vriendelijken drang, die voor haar als een bevel geldt, en doet wat hij kan, om haar genoegen te doen. //Al het mijne is het uwe, beschik er over, zoo gij wilt,quot; is het gewone antwoord, als zij zijn jacht, zijn hof of zijn meubelen te leen vraagt. Als hij in Diereu of Soestdijk is, vraagt hij haar te gast, en dankt haar na het vertrek voor de groote gunst, hem bewezen. Als hij in den Haag of te Brussel vertoeft, belast hij zich met haar com-missiën: hij koopt linten en kragen voor haar, of laat vrouwelijke bekendeu kanten, waarop zij verliefd is, voor haar koop,en, terwijl hij zelf den koop van waaiers op zich neemt, omdat hij daar even goed verstand van heeft als de dames. Hij antwoordt niet op elke uitstorting van haar teederheid, die steeds terugkomt en dientengevolge ophoudt den begeerden indruk te maken. Een enkele maal ^ als haar klachten over koelheid hem hinderen, doet hij een beroep op haar gevoel van billijkheid en handhaaft met kalme waardigheid de plaats, die hij inneemt.
Zoolang hij alleen was en ongehuwd, was deze niet lichte taak betrekkelijk gemakkelijk: de moeder was in vele opzichten zijn eenige vertrouwde, en zij wist, dat niemand hem nader aan het hart lag. Maar toen hij een ander leven aan het zijne verbond, werd de last zwaarder. Het kwam niet in haar op, dat zij niet meer de hoogste rechten op hem had: bleef hij dan niet haar eenig kind,
18
JIAUIJKEN-MEU.
haar eenige troost, al voerde liij een vrouw naar zijn limvelijksbed ?
Het is voor alle menschenkinderen goed, dat zij niet alles weten, wat anderen van lien en de hunnen zeggen. Maria Louise zou bitter geleden hebben, indien zij de gesprekken gehoord had, die in het koninklijk paleis van St. James over haar zoon werden gehouden. De meest schrikwekkende voorstellingen kreeg Anna van Hannover van haar toekomstigen echtgenoot Willem IV. //Het is een monster! het is een aap!quot; verklaarde de liefdevolle George II aan zijne dochter. Maar Anna van Hannover liet er zich niet door afschrikken en huwde den aap.
Trouwens, zij ontdekte spoedig, dat hij meer gold dan het uiterlijk scheen te verkondigen. Hij mocht een hoogen rug of kleinen bult hebben, wie hem ontmoette vergat het spoedig. Willem had moeders goedaardigheid, zonder haar smeltende teederheid; hij sprak levendig, gemakkelijk en opgewekt. Daarbij had hij een eigenschap, waarvoor jonge vrouwen gewoonlijk veel eerbied hebben. quot;Caustiquequot; noemde hem ïrederik de Groote, een kenner in dit opzicht. Hij had een open oog voor het komische in de Vanity fair dezer wereld, en geest en opgewektheid in overvloed om er zich zeiven en anderen mede te vermaken. Hij kon bijtend spottend zijn, als het hem behaagde. Daar is niets, dat jonge vrouwen, die niet geleerd hebben de bitsheid en overmoed van hun physiek te beheerschen, sneller voor een man doet bukken, dan het gevoel van hun minderheid in geestigheid, die in spotten over anderen bestaat. Willem's zelfbewustzijn was daarbij te hoog, dan dat hij zich niet haar meerdere zou gevoeld hebben. Anna gaf zich volkomen en voor altijd aan hem over.
19
marijker-mei;.
20
Maar al bukte zij voor den zoon, zij deed liet niet voor de moeder. Zij was koninklijke prinses van Engeland en gevoelde het. Bij liet huwelijk was uitdrukkelijk bepaald, dat zij de hooger hand op haar schoonmoeder zou hebben, die slechts de dochter van een landgraaf was. Ook al golden niet tal van antecedenten, die zelfs den schijn van vernedering er aan ontnamen, de nederige Maria Louise zou er geen bezwaar tegen hebben gehad. Zij won er echter geen kind, geen dochter mede. De karakters dezer vrouwen verschilden; haar smaak liep uiteen, verder nog haar leeftijd. De hooge en luimige Anna, die heel lief kon zijn, als zij liet goedvond en voor hen, die zij liefhad, werd niet aangetrokken door de eenvoudige vrouw, wier liefde zoo breedsprakig was, zoo zenuwachtig teeder en veeleischend. Aan het weelderige en speelsche hof te Londen, waar de ouders met de kinderen en de kinderen met de ouders steeds kibbelden, zoo zij niet openlijk in vijandschap leefden, was het orgaan in haar niet ontwikkeld, om het stille, gemoedelijke huiselijke leven van de schoonmoeder, die niet van kwaadspreken hield, te genieten. Maria Louise sprak het liefst over godsdienst en theologie, bezocht trouw de openbare godsdienstoefeningen, woonde de kerkelijke redevoeringen bij de opening der provinciale synode, ja zelfs de openbare catechisatiën bij. Anna dankte voor dergelijke uitspanningen en kon de goed gemeende, maar verkeerd aangebrachte teerhartigheden van Maria Louise niet verdragen, die in de naïveteit van haar gemoed dacht, dat zij te koel voor de vrouw van haar zoon was en daarom haar teederheid verdubbelde, zonder te begrijpen dat zij niets deed dan Anna steeds meer van zich verwijderen. De schoondochter stond niet hoog genoeg, was niet rijk genoeg ontwikkeld van hoofd en van hart, om
MAUI JKEN-MEU.
ook in hinderlijke vormen de trouw van een moederhart te voelen kloppen. En zij, die liaar zoon, haar eenigen troost vertronwelijk, ja gelukkig zag met eene, die haar met koelheid en bitsheid afstiet, kon het gevoel niet onderdrukken, dat deze liefde, aan een andere geschonken, inbreuk, zoo niet diefstal was op hetgeen haar van Godswege toekwam.
Het heeft zeker veel beleid van de zijde van Willem gekost, om botsing tnsschen deze vrouwen, die beiden hem lief en dierbaar waren, te voorkomen. Dat het hem altijd gelukte, is niet waarschijnlijk. Anna moest nog geduld en onderwerping van het leven leeren. //Ik houd niet van complimenten,'quot; beet zij eens Maria Louise toe. Willem vertoefde veel buiten Leeuwarden, en dan kon hij de verhouding gemakkelijker draaglijk maken. Maria Louise schreef een enkele maal aan Anna, maar kreeg zelden en dan nog een kort antwoord. Hare brieven waren niet welkom, dat wist zij wel. //Ik heb de vrijheid genomen, aan de prinses te schrijven. Ik verzoek u haar mijn brief te geven, zoo gij meent, dat het haar schikt. Wil hem anders in het vuur werpen,quot; zoo luidt het een en andermaal. Willem, van zijn zijde, doet wat hij kan. Menige kleine trek komt in zijne brieven voor, die bewijst, hoe hij de goede verhouding tracht te bewaren. ISTu eens komt Anna de kamer binnen juist als hij aan zijn moeder schrijft; zij verzoekt hem dan, haar hartelijke groeten over te brengen. Dan eens is het een los, onbeteekenend woord of een vraag van Anna over Maria Louise, die de zoon, in betere lezing, haar tot verkwikking aanbiedt. De oude prinses doet van haar kant veel, om de intimiteit te versterken: zij meent oprecht dat er misverstand is. //Anna meent, dat zij niet van haar houdt; juist het tegendeel
21
MAllIJKEN-MEU.
is waar.quot; Zij zendt haar geschenken, kleine attenties. Zij beroept zich tegen Willem op het oordeel van Anna, dat voor hem wel overwegend zal zijn. Zij roemt zijn huiselijk geluk eu toont zich gelukkig, dat anderen Anna zoo lief vinden. Zij doet alles, wat zij meent dat baten zal, natuurlijk zonder te slagen.
Op de verhouding van Willem tot zijne moeder oefende deze verwijdering der vrouw en geen invloed uit. Integendeel , liet is alsof hij met meer zorgvuldigheid waakt tegen alles, wat haar onaangenaam kan zijn. Hij schrijft haar geregeld eiken Zaterdag. Nagenoeg iedere brief vangt aan met zijn wenschen voor haar gezondheid, die altijd wankelende is. Hij montert haar op, spreekt haar moed in; zij is nog niet oud genoeg, om de kwalen van den ouden dag te ondervinden. Lichaamsbeweging heeft zij dringend noodig; frissche lucht zal haar goed doen. Maar Maria Louise, die altijd wordt ader gelaten, wordt steeds bloede-loozer en overgevoeliger. Zij schrijft eu spreekt steeds alsof haar einde naderende is, en bereidt zich voor tot den dood. Zelden verlaat Willem haar bij 't einde van den winter, of zij neemt afscheid, als ware het voor het leven. //Nu zal zij hem wel niet meer terugzien.quot; Om haar te logenstraffen, komt hij dan den volgenden morgen vroegtijdig aan haar bed, opdat zij hem voor zijn vertrek nog eens zie. Willem heeft geduld met de eigenaardigheden der goede moeder en behandelt haar met eerbied, tiaar klachten verdraagt hij, omdat hij er aan gewoon is en hij den grond kent, waaruit zij opwellen. Over anderen is zijn toon dikwerf vrij sarcastisch, maar geen onvoegzaam woord ontvalt hem tegenover haar. //Ik weet, dat de wereld haar strikken spant, om mij uw vriendschap te rooven,quot; jammert Maria Louise, //maar ik hoop, dat uw
22
MAllIJKEN-ilEtJ.
23
goed hart onbewogen zal blijven en niet bezwijken. Ik hoop dat de band, die ons bindt, niet verbroken zal worden dan met den dood.quot; Hij leest klacht en wensch, gelijk hij ze aanhoort, zonder zich tot onvriendelijk antwoorden te laten verleiden. Evenmin een andere maal, als zij op het bericht van zijn aanstaande komst schrijft; '/dit zal mij geheel herstellen, vooral als ik dan mag ervaren, dat gij nog liefde hebt voor een moeder, die u vereert.quot; Hij draagt en verdraagt de onbillijkheid dezer liefde, omdat het die eener moeder is. Kan hij een enkele maal hare wenschen niet vervullen, dan betuigt hij in warme bewoordingen hoe zeer het hem leed doet; de teedere eerbied, dien hij haar toedraagt, en het onberispelijk gedrag, dat hij altijd tegen haar heeft in acht genomen, zullen er haar van overtuigen. Een enkele maal veroorlooft hij zich, haar tot kalmte te vermanen. De ongelukkige, krankzinnige Anna te Uurlach wordt door de kinderpokken aangetast. Op het bericht barst Maria Louise, die op zooveel mijlen afstands van haar kinderen haar eenzaam leven slijt, in de hartstochtelijke bede uit; quot;O mijn geliefde zoon! heb toch zooveel medelijden met uw ongelukkige moeder, dat gij haar deze nieuwe smart verzacht door uw liefde, als mijn eenig kind.quot; Met volkomen zelfbeheer-sching, zonder op de onbillijkheid der klacht te letten, wijst Willem de diep bedroefde op den hoogeren troost, dien het geloof aan een goddelijke Voorzienigheid geeft. quot;Uwe Hoogheid bezit te veel vroomheid en berusting, om niet haar volle vertrouwen te stellen op den heiligen wil des Heeren, wiens wegen niet onze wegen zijn.quot; Maria Louise neemt niet altijd, maar toch gewoonlijk, zijn zachte vermaningen nederig aan, en roemt in haar omgeving op de liefde van haar zoon, wiens brieven zij zorgvuldig bewaart.
MARIJKEN-MEU.
Ook iudieu Anna van Hannover van een anderen geest ware geweest en Maria Louise minder drukkend hare moederlijke teederlieid had opgelegd, zoude de verhouding tusschen haar beiden wel niet intiem zijn geworden. Want er was eene, die ouder en natuurlijker rechten op het vertrouwen van Anna had, en deze, gelijk elke andere, deed gelden. De begaafde, beleidvolle gade van koning George II werd haar dochter iu de Republiek uiet vreemd; ook uit het paleis van St. James bleef zij de raadsvrouw der Prinses van Oranje. De meest intieme zaken werden tusschen moeder en dochter besproken en geregeld. Zij zorgde voor den accoucheur, als Anna bevallen moest: Maria Louise wenschte de eerste maal, dat het te Leeuwarden mocht geschieden, maar Willem meldde haar, dat koningin Caroline den Haag geschikter oordeelde. De Engelsche vorstin kon '.vel niet overkomen, om hare dochter bij te staan, maar de hulp van Maria Louise, schoon aangeboden, werd daarom niet aangenomen. Willem schoof het op het jaargetijde, dat de reis ongeraden deed zijn. Maria Louise had takt genoeg om te begrijpen, en waardigheid tevens om zich niet op te dringen. En toch zou zij de voldoening smaken, die zij wenschte. Tweemaal werd aller hoop teleurgesteld, maar toen het eerste kind, dat in het leven bleef, geboren werd, was het te Leeuwarden.
Welk een danktoon zal de gelukkige grootmoeder hebben aangeslagen! Wel was het een dochter, en geen zoon die liet geslacht kon voortzetten. Doch Uenascetur firmior: een sterkere zal iu de plaats treden, had de Haagsche schutterij in 1736, na Anna's eerste bevalling, op den Meiboom voor het stadhouderlijk kwartier geschreven. Uenascetur firmior, dachten in 1743, bij de geboorte van Caroline, ouders en
24
MAUI JKEN-MEU.
grootmoeder. En de tijd zou komen dat hun hoop zou worden vervuld, en een jonge Willem de belofte van voortduur van den Oranjestam aan de oude, verwelkende takken brengen!
Het zou onder omstandigheden zijn, gunstiger dan zich thans lieten voorzien. Toen de stamhouder geboren werd, was Willem IV Erfstadhouder der Republiek.
//Ik hoop, dat gij over al uwe vijanden zult zegevieren door de wapenen der christelijke deugdquot;, had Maria Louise eens aan haar zoon geschreven. Of deze geene andere heeft gebezigd, zullen wij onbesproken laten. Hij was in elk geval de man niet, om als een pretendent der 19de eeuw zijne aanspraken met geweld te doen gelden. Hij wachtte af, welke vrucht de ontwikkeling der gebeurtenissen en de invloed zijner vrienden voor hem afwerpen zouden. In April 1747 was zij rijp en viel zij hem in den schoot.
De fortuin had hem de laatste zeven jaren rijkelijk begunstigd. De Duitsche zijliniën der Nassau's waren uitgestorven , en bij zijn eigen bezitting van Dietz waren die van Hadamar, Siegen en Dillenburg gevoegd. De nieuwe bezittingen verhoogden zijn aanzien in het Duitsche rijk, en vermeerderden op niet onaanzienlijke wijze zijne inkomsten. Zelden is dit laatste onaangenaam, maar Willem IV inzonderheid had er groote behoefte aan. Hij leefde rijkelijk en deed het gaarne; hij was geen zuinig man, schoon het geld hem niet onverschillig liet. Een der enkele malen dat zijn toon jegens zijne moeder een weinig stroef is, is het naar aanleiding van haar verzoek, dat hij haar tinantieel te hulp zal komen. Door de geringe opbrengst der landerijen is haar inkomen verminderd. Hij voldoet aan haar verzoek, maar aan alles is het te zien dat het hem
25
M Alt IJKEN-ilE IT.
moeite kost en Ivij liet zeer onwillig doet. Moest zij minder gul zijn met haar geld voor armen en liulpbelioevenden ? Was dat zijn geheime gedachte, die hij niet waagde uit te spreken? Wij weten het niet, maar wel, dat hij veel behoefde, veel uitgaf, op grooten en verkwistenden voet leefde, en bij zijn dood zijn vermogen zeer aangetast achterliet.
De aanwinst der Duitsche landen dwong hem, eenige jaren achtereen, tot een meer of minder lang verblijf te Dillenburg of te Dietz. Daar zag hij de jammeren van den Oostenrijkschen successieoorlog zich uitgieten over de naburige lauden en ook over de zijne. Willem is warm Oostenrijkschgezind, en, ondanks zijn betrekking tot Pre-derik den Groote, zeer op hem gebeten. Vooral de inmenging der Eranschen verbittert hem; //liet Duitsche rijk wankelt aan den rand van een afgrond, en staat gereed, al zijn vrijheid te verliezen.quot; Maria Louise, die in de Groote Kerkstraat te Leeuwarden door Willem's zorg de nouvelles van staat ontvangt en door hem trouw op de hoogte wordt gehouden, deelt zijn zienswijze geheel en volgt met angstigen blik den loop van den krijg. Ook haar sympathieën zijn voor Maria Theresia, niet het minst om de ellende, die de Pransche legers over Hessen, haar geboorteland, uitstorten. De onwaardige rol, die zijn schoonvader, de koning van Engeland, speelt, is een grief te meer voor Willem tegen den man, met wien hij om finan-tieele aangelegenheden in onmin is geraakt. Als koning George in deze jaren over liet grondgebied der Republiek naar Hannover reist. gebeurt het, dat hij in een gewone herberg te Apeldoorn moet overnachten. Anna komt van het Loo haar vader bezoeken en Willem zendt hem zijn wacht om hem te eeren, maar hij zelf neemt niet de moeite, tot hem te gaan.
26
MABIJKEN-METT.
En tocli werd deze oorlog, die hem zoo zeer outstemde, de aanleiding tot zijn verheffing in de Republiek. Zelf nam hij aan de veldtochten geen deel, omdat hem een militaire rang was aangeboden, lager dan hem, den Kapi-tein-Generaal van Friesland , scheen toe te komen. Op zijn kasteel te Breda ontving hij de officieren, die hem kwamen bezoeken, en hoorde hij al de klachten aan, die zij over de ellendige leiding en de werkeloosheid des legers uitten. Aanhooren en aanzien was alles wat hij kon; van recht-streeksch ingrijpen moest hij zich onthouden. Hij mocht zich driftig maken over hetgeen geschiedde en niet geschiedde, verder gaan vermocht hij niet. Hij kon hopen, dat de loop der gebeurtenissen de rijen zijner vrienden en aanhangers zou vermeerderen en verbreeden. Daaraan liet hij het over, om voor hem te werken, in het stil vertrouwen dat de macht der traditie en de gehechtheid des volks aan zijn geslacht den weg tot zijn herstelling zouden banen.
In April 1747 werd dat vertrouwen beloond. Toen de vijand voor de poorten stond en de Republiek haar ondergang nabij scheen, eischte het volk zijn verheffing. Met een Oranje kon Nederland niet ondergaan!
In den vroegen morgen van den 10ll6n Mei verliet het stadhouderlijk gezin Leeuwarden, waar het voortaan niet dan bij uitzondering zou komen. Maria Louise gaf zich volkomen rekenschap, wat ditmaal het afscheid beteekende.
Zij gaf den geliefden zoon haar zegen als 't ware voor zijn volgend leven mede. quot;De scheiding van lieden morgenquot;, schreef zij hem aan den avond van dien dag, //deed mij zoo gevoelig aan, dat ik door mijn tranen niet in staat was, u de gevoelens van mijn hart te uiten. Ik ben
27
MAUIJKEN-MEU.
nog diep geschokt door uw vertrek, ofsclioon de liooge glorie uwer roeping voldoende is om mij te doen berusten. Ik bid den Heer, dat Hij mij de noodige kracht geve om lichaam en ziel staande te houden, maar mijn vurigste bede is, dat Hij Uwe Hoogheid nabij zij en Uw leven en gezondheid voor lange jaren spare; dat Hij U in Zijn hoede neme en U beware in elke onderneming en op elke plaats.quot;
Toen Willem dezen brief ontving, zag hij, dat zij hem Uwe Hoogheid had betiteld. Uit opmerkende, schreef hij : quot;Ik hoop, dat U mij met dezelfde goedheid en familiariteit als vroeger zult bejegenen.quot; Maria Louise antwoordde: //Ik meende u te kort te doen, als ik uw titel niet veranderde. Maar daar gij het niet wilt, zal ik mij schikken naar uw wensch; het is zeker, dat familiariteit noodig is om zijne gevoelens naar waarheid uit te drukken.quot;
Er behoefde voor haar geen vrees te bestaan. Willem veranderde in den Haag niet; hij bleef dezelfde voor haar als vroeger. Zelfs zou men zeggen, dat zijn toon hartelijker, de inhoud zijner brieven rijker is. Is het, omdat zijn leven belangrijker is? Of is, met het klimmen dei-jaren, zijn waardeering der moederliefde ook gestegen? Wij weten het niet, maar wel, dat hij nog vertrouwelijker is, blijkbaar meer nog dan vroeger, en er op uit, haar prettige brieven te schrijven. Hoe druk hij het ook heeft, bijna altijd heeft hij tijd voor haar. üe kleine Garolien, die veel over ohle maman en haar tuin in Leeuwarden keuvelt en dikwijls bij hem zit, als hij aan zijn moeder schrijft, werkt mede om zijne brieven aantrekkelijker voor de zestigjarige te maken. Hij vertelt haar dingen, die Anna niet mag weten dat hij haar schrijft. Hij vraagt haar, slechts weinige weken na zijn vertrek, om naar den Haag te komen, houdt met vriendelijken drang er op aan.
28
MAHIJKEN-MEU.
en wil van geen excuses weten. quot;Waarom zondt n na zestig jaar niet meer reizen, en waarom zou dit uw eeuig bezoek moeten zijn? Wij hopen u nog meermalen hier te zien.quot; Doch zij bedankt vriendelijk, omdat haar gezondheid te slecht is en zij te midden zijner drukten hem toch zoo weinig zien zal. Doch al deze bezwaren wijken, als den 8!ten Maart des volgenden jaars de jonge Willem wordt geboren. Dan biedt zij zich zelfs aan, om bij den doop te komen, maar blijkbaar is Anna in die eerste dagen niet op haar bezoek gesteld, en zij stelt het uit tot den zomer. Zij heeft het eenigszins verlegen schrijven van Willem, ditmaal zonder eenigen drang, zeer goed begrepen, en de tijd is voorbij, dat zij hem zijn liefde verwijt. Het is alsof moeder en zoon voor hun laatste scheiding hun hart voor elkander hebben uitgestort; alsof de nevel is weggevaagd , die soms tusschen hen oprees! Zij twijfelt niet meer aan Willem, al heeft hij zijn vrouw lief, die haar niet beminnen kan. Zij is verzoend met het leven en zeker van de liefde van haar kind.
In den zomer komt zij in den Haag en geniet zij dankbaar van de hartelijkheid des zoons, die er op uit schijnt te zijn om haar openlijk te erkennen en haar te doen deelen in de eere, die de zijne is. Anna moge verlegen zijn met de oude, eenvoudige vrouw, die nooit heeft geschitterd aan een hof en wier manieren en denkbeelden vreemd zijn aan praal en vertooning, het hart der oude moeder gevoelt, dat in hem geen zweem van schaamte over haar eenvoud is. En dankbaar roemt zij hem als een kind, dat haar niet alleen met beleefdheid, maar met oprechte bewijzen van vriendschap en liefde overlaadt.
Daar komt in deze jaren in de weinige brieven van Maria Louise, die bewaard bleven, herhaaldelijk eéne ver-
29
MARIJKEN-MEU.
luaniug voor; //Spaar uw krachten, doe niet te veel.quot; Ditmaal was liet geen overdreven zorg, want Willem deed inderdaad te veel. Hij is de eerste van het drietal vorsten uit den Frieschen tak der Nassau's, die uitgemunt hebben in overdreven werkzaamheid. Alles wat tegen Willem V en van koning Willem I is aangevoerd, dat zij als commiezen van een ministerie zicli met alle onderdeden bemoeiden ; dat zij zelve zaken deden, die zij aan ondergeschikten moesten overlaten; dat zij een kostbaren tijd doorbrachten met verleenen van audienties, dit alles geldt van Willem IV. Hij heeft deze eigenschappen zijn zoon en kleinzoon doen erven. Hun gezondheid is er niet door geschokt, al is hun levensrust er juist niet door bevorderd. Maar de zwakke gezondheid van Willem IV was tegen dezen onmatigen arbeid niet bestand. Hij is aanhoudend ongesteld; reeds in Januari 1748 schrijft hij aan zijn moeder: //Indien ik bezwijk, zal ik de voldoening hebben, naar mijn vermogen mij van mijn plicht gekweten te hebben.quot;
Het ingetreden jaar, evenmin als het volgende, schonk hem rust. Hij werkte onvermoeid en matte zich af. //Het is vandaag de 215e maal, dat ik bij het teekenen van dezen brief mijn naam zetquot;, schreef hij haar eens. //Van heden morgen acht uur af heb ik vergaderd, commissiën ontvangen, audiëntie gegeven; niet voor zoo even, tien uur, kon ik diueeren. En nu komt, om mij op üe frisschen, de raadpensionaris mij over finantiën spreken.quot; Zijn opgeruimdheid leed er niet onder. //Ik ben verrukt, goede rapporten van het gedrag van Uwe Hoogheid te hooren (vergeef mij dezen gouverneursstijl) want ik ben onderricht, dat zij goed voortgaat, lichaamsbeweging te nemen en eiken dag uit te gaan. Uwe Hoogheid zal nog
30
MAKIJKEN-MEU.
meer lachen over dezen gouverueursstijl, als zij hoort, van wien ik deze rapporten heb. Het is baas Evert de Haas, die mij gezegd heeft: ma die rijdt alle dag uit en zij is magnifiq in orde. Het schijnt, dat hij hier rendez-vous gegeven heeft aan allerlei groote heeren; ten minste in den loop van deze week hebben wij hier drie of vier prinsessen gekregen en ik wacht er nog een. Al die vorstenkinderen zijn een beetje vervelend.quot;
In October 1750 bezocht Maria Louise den Stadhouder op het Loo. Het was de laatste maal dat zij hem zag. Ofschoon niets den ongunstigen afloop deed voorzien, was hij voortdurend sukkelende. Zijn opgewektheid en zijn werklust schenen te stijgen met zijn lichaamszwakte. Maar noch hij , noch Anna gaven zich rekenschap van zijn toestand. Toen Bentinck haar in 't voorjaar van 1751 over de mogelijkheid van zijn dood sprak, wilde zij niet naar hem hooren en joeg hem weg. Willem zelf dacht er zoo weinig aan, dat hij, met het oog op de gezondheid zijner moeder, den eersten Januari haar schreef: quot;Dit is de eerste brief, dien ik in dit jaar schrijf; ik hoop, dat de goedheid des hemels het mij vergunnen zal, nog vele jaren er een aan u te adresseeren.quot;
In de Augustusmaand kreeg hij een heftigen aanval van rhumatische pijnen, die hem reeds dikwerf hadden gemarteld. //Over veertien dagen,quot; schreef hij aan zijn moeder, //ga ik op raad van de doctoren naar Aken. Vóór September hoop ik terug te zijn en u mijn hof te maken.quot;
Doch hij werd opgehouden en kwam niet vóór 4 September te Aken aan. Hij ving aan met het drinken van zes glazen water per dag en moest opklimmen tot tien, het eerste bovendien met Engelsch zout. Na tien dagen
31
MARIJKEN-JIEU.
mocht hij beginnen te baden. Zoo was het voorschrift en hij zelf verklaarde: quot;Ik ben voorbeeldig gehoorzaam aan de faculteit.quot; Zij mocht zich dan ook beroemen op zijn radicale genezing.
Den elfden October kwam hij in de hofstad terug. Anna was hem op den weg van Rotterdam naar Delft te gemoet gereden, en de kinderen sprongen van blijdschap. //Ik ken geen aandoenlijker vreugde,quot; schreef hij aan Maria Louise. //Wij hadden gehoopt u te zien, hetzij in Friesland, hetzij op het Loo. Maar na vijf weken afzijn is er te veel te doen. Wij moeten het dus uitstellen, om u de kindereu te vertooneu, tot de lente. In Maart hoop ik met mijn gezin naar Friesland te komen en eenige weken te blijven. Miju verkoudheid is beterende, maar als de keel vrij is, is liet hoofd geattaqueerd, en omgekeerd. Ik heb alle reden om God te danken voor de uitkomst van mijn kuur, en mijn slaap is beter dan in langen tijd.quot; Met deze woorden eindigde de laatste brief dien zijne moeder ontving. Hij was den 16lle11 October geschreven.
Weinige dagen daarna wierp de koorts hem neder. Het uitgeputte lichaam had geen kracht tot verzet.
Den 22sl(:n October sliep Willem IV in; het was de eeuwige slaap, die hem de oogen sloot.
IV
Indien de teekening, boven gegeven, haar doel niet heeft gemist, dan is het niet noodig, met breede trekken te schetsen, wat de dood van Willem IV voor Maria Louise is geweest. //Haar eenige troostquot; in 't leven was haar ontzonken.
'/Ik ben tegenwoordig geweest,quot; verklaarde later haar
32
MAUIJKEN-JIEU.
lijkredenaar, //als elk vreesde dat deze boodschap nadeelige gevolgen zou hebben voor haar gezondheid. De Vorstin was diep bedroefd, maar geen onbetamelijk of onlijdzaam woord kwam uit den mond; zij zweeg Gode en was gebogen onder Zijn hand.quot;
Wij hebben geen brieven van haar hand uit deze en de volgende jaren, die over haar gemoedsstemming ons voorlichten. Met Willem was de eenige correspondent haar ontvallen, tegenover wien zij zich ongedwongen uitliet. i)e enkele correspondentie, die wij nu kennen, is een officieele.
Anna trad op als Gouvernante van haar zoon. Ih de koele verhouding, die er steeds tusschen haar en Maria Louise bestaan had, bracht de dood van Willem weinig of geen verandering. De belangen van den jeugdigen Willem V mochten haar beiden ter harte gaan, de moeder volgde de raadslieden, in wie zij vertrouwen had, of haar eigen inzicht. Zij is met hare kinderen een enkele maal in deze jaren te Leeuwarden geweest, maar van vertrouwelijkheid is al even weinig sprake als vroeger.
Maria Louise leefde haar stil en rustig leven in de Groote Kerkstraat. Zij zag achtereenvolgens al hare naaste betrekkingen haar voorgaan. Met het klimmen der jaren werd het meer en meer eenzaam om haar heen. Godsdienstige overpeinzingen en de openbare godsdienstoefeningen namen steeds hooger plaats in haar levenswijze in. Hare hofhouding was klein en eenvoudig en gaf weinig afleiding.
In 1731, toen Willem IV meerderjarig werd, had zij haar hof zeer ingekrompen. Er is een reglement bewaard, dat zij in dat jaar vaststelde. Het geheele personeel van haar hof beliep niet meer dan 34 personen. Een kamerjonker , twee freules, een huishofmeester en een page waren
Jorissen. I2 3
33
MAllIJKEX-MEU.
de voornaamste beambten. De opperstalmeester, dien zij vroeger gehad heeft, werd gepensioneerd en geen nieuwe trad in de plaats. Tweemaal per dag werden drie tafels aangericht, 's middags om twaalf en 's avonds te acht uur precies. Aan de eerste nam zij zelve deel met de twee freules en den kamerjonker Robert Hendrik van Hambrouck. Zorgvuldig wordt iu dit reglement de taak van ieder vastgesteld, die tot dit kleine hof behoort; aan alleu zuinigheid, goede orde, vredelievendlieid en eerbaarheid voorgeschreven. Het is uiet geoorloofd met kaarten of teerlingen te spelen, 's Avonds om 10 uur wordt liet Hof gesloten; de hellebardier moet dan met den turfdrager met een lantaarn de ronde doen, quot;boven op de linnenzolder, op de gangen, in alle domestique kamers en verder het geheele huis door; ergens bevindende dat er nog vuren op de haarden zijn of kaarsen brandende, zal hij ze vrij mogen uitdoen, en niet gedoogen dat na 10 uur vuren of kaarsen weder worden aangestoken.quot; Deze hellebardier is een man van gewicht, want van de gave des oordeels, die hem eigen is, hangt het eenigszins af, hoe de bezoekers ontvangen worden. Zijn het lieden van distinctie, dan mag hij ze in de voorkamer laten gaan, maar als het vreemdelingen zijn, die hem onbekend ziju of suspect voorkomen, zal hij ze in het voorhuis laten blijven; eindelijk zal hij ook alle smousen en marsdragers en dergelijk volk niet inlaten, maar aan de deur afwijzen.
Het schijnt, dat al die zorgvuldige economische voorschriften niet hebben gebaat. Eenige jaren later moest Maria Louise, wier uitgaven haar inkomsten te boven gingen, maatregelen van uog meer bezuiniging nemen. Er werd toen maar één tafel buiten die van Hare Hoogheid vergund. Stiptelijk werd bepaald, hoe veel wijn er
34
MAUIJKEN-MEÃ.
mocht gedronken worden, en er werden strenge bevelen gegeven tegen liet brengen van wijn en levensmiddelen buiten het Hof.
Maria Lonise bevond zich bij den dood van haar echtgenoot niet in gunstige flnantieele omstandigheden: hij stak zwaar in schulden. Zij deed in de jaren der minderjarigheid nog al wat af, maar alles aanzuiveren kon zij niet. De tijdgenooten zeggen, dat zij stipt haar leveranciers betaalde; indien dat waar is, moet zij na 1740 zeer zuinig geleefd hebben. De staat van haar boedel en haar testament is onbekend, maar wij weten dat in de laatste levensjaren haar hofhouding met een paar personen is vermeerderd, die wel kleine, maar toch eenige bezoldiging ontvingen. Doch misschien heeft ook zij eenig profijt getrokken, voor haar eigen fortuin, van het beter tinan-tieel beheer, dat aan het vermogen der Oranje's na 1751 ten deel viel. Willem V dankte bij zijn meerderjarigheid aan de goede zorg, die voor zijn finantiën was gedragen, dat hij een aanzienlijk inkomen uit eigen middelen had. Men begrootte het op niet minder dan een millioen.
In de weinige brieven, die tusschen Maria Louise en Anna van Hannover in deze jaren zijn gewisseld, vinden wij niets over deze zaken. Zij handelen over andere punten. Anna van Hannover regelde de voogdij over haar zoon, ingeval zij kwam te overlijden. Ouder de voogden nam zij ook de grootmoeder op. Maria Louise dankte voor het deel, haar toegekend, maar sprak tevens haar hoop uit,1 dat de Voorzienigheid haar deze nieuwe taak niet mocht opleggen, maar het leven der moeder voor lange jaren sparen.
Die bede werd niet verhoord. In 1759 stierf Anna van Hannover, en de grootmoeder moest opnieuw in Friesland
35
MAMJKEN-MEU.
liet Stadliouderschap waarnemen. De eigenlijke taak der opvoeding was aan anderen toevertrouwd.
Het was Lodewijk, hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, die als voogd over Willem V optrad. Hoe hij die taak vervuld heeft, kan in deze schets niet worden nagegaan. Wij hebben ditmaal alleen met Maria Louise te maken.
Zij kende Brunswijk een weinig, en wist hoe zeer Willem IV met hem was ingenomen geweest. Het duurde niet heel lang, of zij deelde diens oordeel geheel en dweepte met Brunswijk.
Het is te begrijpen, want hij deed alles om haar te winnen. Hij correspondeerde geregeld met haar, hield haar van alles wat de kleinkinderen betrof op de hoogte, en betoonde haar de grootste attentie. Wij spreken in deze woorden haar eigen gevoelen uit, want de brieven van Brunswijk zijn niet meer hier te lande. Slechts de minuten der antwoorden van Maria Louise staan ons ten dienste. Aanvankelijk is haar toon een weinig terughoudend, maar spoedig geeft zij zich geheel over. Deze vreemdeling bejegent haar met een respekt, dat de oude vrouw streelt, terwijl de zorg, die hij voor haar kleinkinderen lieeft, blijkens zijn brieven, haar het hart verwarmt. Het is zeer te betreuren, dat de brieven van Brunswijk zelve naar Duitschland zijn verhuisd, want zij bevatten blijkbaar tal-looze détails, die voor Willem Y, diens jeugd en opvoeding van belang zijn te achten.
Ln den aanvang schreef Maria Louise altijd zelf, maar het duurde niet heel lang of zij verontschuldigde zich. Haar gezondheid belette haar de pen te voeren. Haar edelman, de jonge Hambrouck, schijnt de secretaris geweest te zijn, wat niet tot schade der briefwisseling was, want, welke deugden Maria Louise ook onderscheidden.
36
MARIJK EN-ME U.
nauwkeurige bekendheid met de spelling der Fnmsclie woorden was haar fort niet. Niettemin waren er zaken, waarin zij liever anderen geen blik vergunde. Herhaaldelijk komt het voor, dat de secretaris op de minuut aantee-kende: //Hare Hoogheid heeft zelve dezen brief vervolgd, en daarvan geen kopij gehouden.quot; In den regel teekende zij hem slechts.
Toen Anna van Hannover stierf, was de oudste der kinderen , Caroline, een meisje van zestien jaar, verloofd met den prins van Xassau-Wei 1 burg. De regenten-aristocratie belemmerde om politieke redenen dat huwelijk, onder voorwendsel dat de bruidegom niet tot de Hervormde kerk behoorde, maar Luthersch was. Brunswijk deed alles om die gemoedsbezwaren, die niet in overtuiging, maar alleen in eigenbaat gegrond waren, te overwinnen, en hij slaagde er in. Maria Louise dankte hem innig voor de zorg en ijver, waarmede hij de belangen van liet Oranjehuis behartigde. Zij hield zich overtuigd, dat ook haar kleinkinderen van dezelfde gevoelens vervuld waren. De jong gehuwde Caroline schreef aan haar grootmoeder den dag van haar huwelijk eeu hartelijk woord; Maria Louise was er zeer getroffen door, en zag er de gunstige werking van zijn invloed in, die de kleinkinderen den band met haar zoo eng deed vasthouden.
Er ligt over het tijdperk van Willem1 s jeugd in menig opziclit eeu sluier. Het is zeker, dat de voogdijschap van den hertog van Brunswijk bestrijding heeft uitgelokt. Er was een partij, die de jonge Caroline in zijne plaats tot Gouvernante over Willem V wilde verheffen. Brunswijk riep den steun in van Maria Louise, die hem gewillig werd gegeven. In 1763 had er een samenkomst op het Leo plaats, waar Brunswijk de oude vrouw nog verder
37
MAKJJKEN-MEU.
voor ziek innam. Zij wees zelfs het aanzoek van Caroline, om haar te komen bezoeken, af met een schrijven, dat eerst aan de goedkeuring van den hertog werd onderworpen. Welke de rol van Caroline zelve is geweest, weten wij niet. Wel, dat de verhouding van haar tot haar grootmoeder niet intiemer werd, maar verkoelde. Een brief van de prinses van Nassau-Weilburg werd later een zeldzaamheid.
Des te enger was de verhouding tot den jongen Willem. Hoe zwak en sukkelend zij ook was, de oude Prinses bezocht in deze jaren tweemaal den Haag, om haar kleinzoon te ontmoeten en getuige te zijn, gelijk zij schreef, van de gehechtheid, die Brunswijk hem betoonde. Met uitnemen-den takt wist de hertog de oude vrouw te vatten. Hij eerde haar in haar waardigheid en kende haar juist in die zaken, die haar het meest ter harte gingen. Bij haar bezoek in Holland vertoefde zij ook eenige dagen te Soest-dijk. Hij bood haar een wacht aan, tijdens haar verblijf aldaar. Kenmerkend voor den tijd en de persoon is haar antwoord. //Uwe Hoogheid biedt mij een wacht aan te Soestdijk. Ik zou er heel gaarne voor bedanken, maar daar ik vernomen heb, dat het noodig is om de vele dieven en vagebonden, die er rondzwerven, neem ik het aan en verzoek u, alleen een paar soldaten met een sergeant, maar geen officier te zenden.quot; Als de jonge Willem zijn belijdenis moet afleggen, raadpleegt haar Brunswijk, die weet, hoe deze dingen haar ter harte gaan. //Ik ben ten hoogste ingenomen met uw denkbeeld, om hem in een zoo gewichtige zaak niet te dwingen, maar hem te laten handelen naar zijn eigen geweten en zijn eigen wensohquot;, schrijft zij.
Maria Louise was ruim zeventig jaar, toen zij voor de tweede maal als Gouvernante van Friesland optrad. In
38
MARIJKEN-MEU.
Maart 1765 werd in het kwartier van Zevenwouden een voorstel gedaan, dat voor haar een zeer onaangename tint had. Er werd gewezen op den achttienjarigen leeftijd, door den jongen Willem V eerlang te bereiken, en voorgeslagen, hem bij den aanvang, niet bij het einde van dat jaar, bevoegd te verklaren om het stadhouderschap te aanvaarden. Maria Louise gevoelde zich gekwetst, maar handelde niet, zonder Brunswijk en Willem V te raadplegen. Indien de laatste begeerde den termijn vervroegd te zien, zou zij bereid zijn, aan zijn wensch te voldoen. Maar de jonge Willem wilde het niet, en Brunswijk, die op zijne zienswijze en neigingen invloed oefende, had geen moeite om hem te overtuigen dat het ondankbaar zou zijn, zoo hij dit blijk vau geringschatting aan zijn grootmoeder gaf. Op nadrukkelijken toou wendde Maria Louise zich tot de Staten van Eriesland, om op de toewijding te wijzen waarmede zij nu en vroeger haar taak had waargenomen, en namens den jeugdigen prins de stellige verwachting uit te spreken, dat het voorstel niet in overweging zou genomen worden.
De gevoeligheid, die Maria Louise liet blijken, maakte te meer indruk, omdat, naar het schijnt, men minder aan haar dan aan Willem had gedacht De voorstellers zelve ontkenden elke bedoeling haar te kwetsen, en de zaak werd spoedig, door ze te begraven, in orde gebracht. quot;Ik wensch er den Prins hartelijk geluk mede, en wensch niets zoo zeer, dau dat hij alle moeielijkheden, die zich in de toekomst zullen opdoen, even gemakkelijk naar zijn wensch op losse.quot; Deze naïeve woorden der oude Gouvernante getuigden meer voor den eenvoud van haar hart, dan voor haar scherp inzicht. Zij begreep niet, dat de wensch om Willem V meerderjarig te doen verklaren nog voordat de
â 39
MARIJK EN-ME U.
voogdijschap eindigde, niet tegen liem, maar tegen de raadslieden, die hem leidden, gericht was. Het was het eerste opsteken van den storm, die in later jaren hem het leven zou verbitteren en de Republiek ten ondergang voeren.
Doch ook al had zij het begrepen, zij zou niet anders gehandeld hebben. Brunswijk was voor haar de raadsman, die aan haar kleinzoon vaderlijke zorgen, neen, meer dan vaderlijke zorgen schonk, wik hoop,''1 zeide zij, quot;in den grond van mijn hart, dat de Prins gedurende zijn geheele leven de weldaden van Uwe Hoogheid indachtig zij, en dat hij geen gelegenheid verzuime, openlijk zijn dankbaarheid te betoonen.''1
Voor Willem V en de Republiek ware het te wenschen geweest, indien hij aan dien raad wat minder getrouw gehoor had gegeven.
Zij voor zich had de overtuiging, dat zij den dag niet meer beleven zou, waarop zij het stadhouderschap in handen van Willem zou nederleggen. Als haar omgeving haar ermede vleide, wees zij het denkbeeld af. Zij was er te zwak voor: zij verminderde met iedere maand. Ditmaal waren hare sombere beschouwingen juist. Herhaaldelijk had zij aanvallen van beroerte, zoodat in het laatste jaar zelfs de rechterhand de gewone diensten weigerde. Zij bereidde rustig en kalm haar huis, want haar tijd tot heengaan naderde. Zij beval aan Brunswijk verschillende personen uit haar gevolg aan, opdat zij niet van alle betrekking ontbloot zouden zijn, als zij er niet meer was. Steeds had zij voor hare ondergeschikten gezorgd, gelijk zij over het algemeen weldadig en goedgeefsch was. Toen zij de laatste maal aan de Avondmaalstafel had deel genomen, verwijderde zij zich uit het kerkgebouw vriendelijk groetende, als
40
MARIJKEN-MEU.
wilde zij afscheid nemen ook van hen, die zij niet anders kende dan als deelgenooten aan de openbare godsdienstoefeningen. Het viel de aanwezigen op, dat de oude vrouw blijkbaar moeite deed, allen toe te knikken.
Zaterdags voor Paschen werd zij ziek. Zij wilde, dat haar ongesteldheid geheim gehouden werd, opdat de openbare godsdienstoefeningen ongestoord zouden voortgaan. Den tweeden Paaschdag sliep zij in.
quot;Zij was een Tabitha in goede werken: ootmoedig, nederig , klein in eigen oogen. Mij ontbreekt niets dan dankbaarheid, was zij gewoon te zeggen. Wij hebben reden Gode te danken, dat wij dezen schat hier hebben gehad, zoo veel jaren onder ons, meer dan een halve eeuw, over de 55 jaren.quot;
Dit getuigenis legde haar lijkredenaar, de hoogleeraar Schrader, door Gedeputeerde Staten daartoe uitgenoodigd, van haar af.
Maria Louise van Hessen-Kassei is geen grootsche liguur geweest, maar een eenvoudige, nederige ziel, wier dwalingen uit liefde voortsproten. Zoolang de menschheid behoefte zal hebben aan de deugden van een ootmoedig menschen-hart, aan de plichtsvervulling van een nauwgezet geweten, zullen deze kleine, schijnbaar onopgemerkte figuren den historischen achtergrond van een volksleven blijven versieren en de oogen der onderzoekers trekken, omdat zij m den stroom van het voorbijgaande de macht van het blijvende en eeuwige vertegenwoordigen.
4d
n
DE REPUBLIEK IN DE EEESTE HELFT DEB ACHTTIENDE EEUAV,
DE EEPUBLIEK IN DB EEESTE HELFT DER ACHTTIENDE EEUW.
I
In de gescliiedenis des Nederlandschen volks is de dag van April 1713 een merkwaardige dag. Voor het stadhuis te Utreeht waren in den vroegen morgen een paar veldstnkjes geplaatst: klokke tien uur werden zij afgeschoten. Het was het sein, dat de vrede was gesloten, de vrede, die een eind maakte aan den Spaanschen successieoorlog en de Eepubliek met de barrière in de Oostenrijksche Nederlanden verrijkte. Die 12(le April 1713 was de laatste dag, waarop de Nederlandse]ie Republiek onder de groote mogendheden van Europa werd gerekend.
Vrees voor Frankrijk en de staatkunde van Willem III hadden haar aan den krijg doen deelnemen. Heinsius, de vriend en leerling van den grooten koning, had na zijn dood tien jaar lang zijn politiek voorgestaan en doen zegevieren. Toen het barrière-traktaat was gesloten, trok de Republiek zich achter dit papieren bolwerk van haar onafhankelijkheid terug. De Nederlandsehe diplomatie zou voortaan zich ten doel stellen, allen strijd te vermijden.
1.6 DE EEPUBLIEK IX DE EERSTE HELFT
De Eepubliek had rust en vrede noodig. Zij was uitgeput door overspanning en door nalatigheid. De oorlog was lang en kostbaar geweest, 's Lands kas was leeg, het krediet verminderd, de schuld drukkende. In de laatste jaren hadden de Admiraliteiten geen vloot kunnen uitrusten. Nooit zou deze toestand ontstaan zijn, indien de gewesten hun aandeel in de gemeene uitgaven hadden betaald. Maar zij hadden zich onttrokken en den last uitsluitend op Holland en Zeeland doen drukken.
Zoo de vrede redding zou brengen, moesten groote maatregelen worden genomen. Bezuiniging was onvoldoende. Slechts nieuwe inspanning en ingrijpende hervorming konden baten. De schuld lag niet bij personen, maar in het staatsorganisme. Waar geen stadhouder de deelen der Unie verbond en geen hoofd als Johan de Witt zijn aanhang in tucht eu orde hield, ontbrak elk algemeen bestuur. Er was geen hoofd in den staat, geen regeerend persoon of college, die de deelen tot samenwerking kon dwingen. De leden van den staat waren zelfstandig en onafhankelijk.
Niemand ontkende dit. Maar wat den een een grief was, scheen den ander een lofspraak. Deze zelfstandigheid der deelen was in veler oog de ware vrijheid. Honderd jaar hadden de regenten gekampt met het Oranjehuis, om ze te verkrijgen. Eindelijk hadden zij ze verworven. De decentralisatie van den staat was het hoogste geluk. Geen dwingende macht boven de regenten, de erfgenamen van het grafelijk gezag. Iedere stad moest zelfstandig, in iedere stad de regeering onafhankelijk zijn.
Dadelijk na den dood van Willem III was in de vijf provinciën, die hem als stadhouder hadden erkend, besloten, geen opvolger aan te stellen. De bepalingen van 1651 waren opnieuw van kracht verklaard, de regeerings-
DER ACHTTIENDE EEUW.
bestellingen, evenals na den dood van Willem II, gedeeltelijk aan de Staten, gedeeltelijk aan de steden zelve opgedragen. Hier en ginds, in Zeeland en Gelderland vooral, waren onlusten ontstaan. Het volk liad deelneming aan de verkiezing geëisclit. Met geweld waren die onlusten onderdrukt. Zij bewezen, â zoo spraken de regenten, â hoe zorgvuldig men waken moest, hoe zeer de staat rust behoefde. Geen veranderingen, die tot nieuwe bewegingen konden leiden. Behoud en bevestiging van het bestaande, rust en orde, dat waren de grondslagen, waarop de nieuwe staatsorde moest steunen. Niet hervorming, maar stilstand, onthouding van alle gevaarlijke proefnemingen, zou de kwalen des tijds genezen.
Waar een leer zoovele jaren achtereen verkondigd wordt, en in het eigenbelang van duizenden een zoo krachtigen bondgenoot heeft, kan het niet verwonderen, dat zij heerschende wordt. Wie zou weerstand bieden? Zij omvatte het belang van allen, ook van hen, die tegenstanders schenen. De onbepaalde heerschappij der locale regenten was aan allen welkom , onverschillig of zij aan Johan de Witt of aan Willem III hun zetels dankten. En gelijk hun vaderen in de 17ae eeuw zich aaneengesloten hadden, om staande te blijven tegen het Oranje-huis, zoo sloten zij zich thans aaneen tegen allen, die verandering der staatsorde wenschten. Geen tijdperk is rijker aan regentencontracten, dan de eerste helft der 18',e eeuw.
Hun inhoud stemt in hoofdtrekken gewoonlijk overeen. Een meerderheid van vroedschappen komt te zamen en verbindt zich bij eede om alle betrekkingen onder elkander te verdeelen. Er worden roosters van de opvolging in de verschillende posten opgemaakt, zoodat ieder op zijn beurt de voordeelige en onvoordeelige krijgt.
47
DE KEPUBLIEK INT DE EERSTE HELFT
Deze verdeeling geldt de betrekkingen in de steden, en ook het lidmaatscliap der groote Generaliteitscollegiën. Zij vallen beurtelings allen leden ten deel, namelijk al de leden, die verbonden zijn. De vroedschappen hebben het recht tot aanstelling van bnrgemeesteren en schepenen. Zij die geen leden der conventie zijn, worden steeds overstemd.
Het is langs dezen weg, dat zich overal de zoogenaamde familieregeeringen hebben gevormd. In iedere stad is er een klein getal familiën, wier leden alle betrekkingen be-kleeden. Daar de keuren sommige zaken verbieden, zijn jongere leden dikwijls uitgesloten. Maar voor dezen is een uitweg. De regenteni'amiliën van verschillende steden verbinden zich, om elkander voort te helpen. Eén voorbeeld. In Delft regeert de familie Van Bleiswijk; een der jongere leden gaat naar Gorinchem en wordt daar in de regeering gebracht.
Het is deze regentenaristocratie, die in de 18(le eeuw regeert, behoudens de kleine pauze van 1747â1751. Haar heerschappij eindigt niet, voordat de storm der revolutie de geslachten van den troon werpt. Want zij zetelen op tronen: quot;wij zijn de koningen van dit land,quot; verklaren zij zelve. En met volle recht. Boven hen is niemand, onder hen slechts dienaren. Soms komen zij als Staten der provincie of als Staten-Geueraal te zamen, maar dit is het eigenlijk tooneel hunner grootheid niet. Wie hen kennen wil in hun volle macht, moet hen gadeslaan in hun eigen gebied, in hun eigen rijk, in de steden. Daar zetelen zij De staat is opgelost in even zoo vele staatjes als er steden zijn. En iedere staat heeft zoo veel koningen, als hij regenten telt.
Welk een oogenblik, als op den eersten Januari een nieuwe burgemeester van Gorinchem optreedt! In plech-
48
DEK ACHTTIENDE EEUW.
tigen optocht wordt liij naar zijn woning geleid door arabt-genooten, scliepenen, vroedschappen en gevolg, aangestaard en bewonderd door de menigte op de straat. De procureurs en de boden komen liem zegen toewensclien en ontvangen genadige vergunning, om hun ambt nog voor het volgende jaar waar te nemen. Het is om een menschenhoofd te doen duizelen, zoo veel grootheid!
En wat bet eet ent deze kleine koning van Gorinchem, vergeleken met den grooten ambtgenoot in het machtige Amsterdam? Wie in de groote handelsstad niet tot de regentenfamiliën behoort, staat even goed als in Gorinchem, met het gemeen gelijk. De koopman en de man van wetenschap , de advocaat en de winkelier, zij allen dragen één naam voor de mannen des bestuurs. quot;Kerelquot;, zoo worden zij aangesproken. Maatschappelijk aanzien, eer en recht, het berust alles in handen der regenten. Zij zijn de uit-deelers er van, als van alle goede gaven.
Is het te verwonderen, dat deze patriciërs â zoo noemen zij zich met klassieke herinnering â van alle verandering afkeerig zijn? Tot zelfmoord is niemand gehouden, noch individu noch stand. En deze stand van regenten gevoelt te minder zich tot opoffering verplicht, omdat hij van zijn goed recht overtuigd is en het geëerbiedigd ziet. Het is onbestreden , jaren lang. Wanneer men de politieke pamfletten van de eerste helft der 18dc eeuw leest, dan vindt men scherpe critiek over de regenten. Doch wie zijn liet, die ze uitoefenden? De regenten zelve. Uit het volk, uit de kringen van hen, die niet bevoorrecht zijn, zullen later de aanklachten opgaan en in de straten zullen zij weergalmen. Maar vóór 17-li7 zijn het de leden der patricische geslachten zelve, die hun eigen gebreken aan de kaak stellen. Zij kunnen zich dat genot veroorloven, want het is zonder gevaar.
Joris sen. I- 4lt;
49
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
Neem ten bewijze den Spectator van Justus van Effen ter hand: gij zult in al de deelen geen woord over den staatkundigen toestand vinden. Over alles spreekt liij; over Eransclie manieren, over het geven van fooien, over de brutaliteit der dienstboden, over weelde eu verkwisting. Ailes wordt gemeten en beoordeeld naar de conventioneele moraal des tijds, naar hetgeen het heersehend fatsoen voor zedelijkheid wil aannemen. Zeker zijn er zaken, die hij, schoon aarzelend, afkeurt. De vreemde gewoonten, die inkankeren, b. v. dat ieder uit zijn eigen glas drinkt; dat men met den lepel, die in den mond geweest is, niet meer in den schotel tast; dat men de spijzen met een vork opneemt, worden in strijd geacht met de mannelijke onverschilligheid, die omtrent het eten betaamt. Voor zulke zaken heeft hij oog, over de staatkundige toestanden geen woord.
Te Amsterdam, op de Prinsengracht, woont de schilder Oornelis Troost, een geestig opmerker. Zijn beroemde teeke-ningen, onder den naam van N.E.L.R. I. bekend, ziet gij op het Mauritshuis in den Haag. Het is een schets van een vroolijk heerenpartijtje; kalm aangevangen, eindigt het als een dronkenmansspel Het nageslacht lacht oin de geestige teekening, maar ook de tijdgenooten ergeren er zich niet aan, al is het een schets naar hun leven. De teekenaar is geen Hogarth, die verbetering heeft bedoeld, amusement was zijn eenig wit. En dit heeft hij getroffen: de regenten lachen mede, en de teekenaar blijft de gewilde regentenschilder.
Van publieken geest is in de Republiek geen spoor. Hoe zou het ook mogelijk kunnen zijn! De gezichteinder is begrensd binnen de wallen der stad, waarin men woont. Wegen en vervoermiddelen zijn er betrekkelijk weinige, en algemeene belangen nog minder. In de oorlogstijden der
50
DER ACHTTIENDE EEUW.
vorige eeuw is liet volk door liet gevaar des lands soms in beweging gebraclit. Maar liet gevaar heeft opgehouden, men leeft in vrede met geheel Europa, veertig jaren lang. Slechts de regenten en de kooplieden reizen, komen in aanraking met vreemde personen en vreemde zeden. De burgerij verplaatste zicli niet; men leeft en sterft met den Bijbel en met Jacob Gats. De heeren regeeren, zij twisten onder elkander en leveren genoeg stof, in de landsteden en op de campagne, voor de chronique scandaleuse, die een levensbehoefte voor het dagelijksch gesprek is.
In de groote handelssteden gaat meer om. De meeste regenten zijn tevens in zaken en blijven daardoor in aanraking met allerlei standen. Hun jongere zonen, voor wie in de plaats der inwoning geen gelegenheid is om regent te worden, worden elders ingeschoven. Gaat ook dit niet, dan studeeren zij, vooral in de medicijnen. In het allerergste geval worden zij dominé. De grootere steden geven meer gelegenheid tot vermaak, dus ook tot afleiding. De komedie wordt druk bezocht en ook die alleraardigste nieuwigheid, die men koffiehuizen noemt. Zij zullen in later jaren gevaarlijk worden, maar zij zijn het nog niet. Integendeel, nu zijn zij nuttig. Een jong dokter, die praktijk wil krijgen, moet ze trouw bezoeken. Daar vestigt hij zijn reputatie. Wie er niet van houdt, behoeft niet verlegen te zijn met zijn vrijen tijd. De vereenigingen, de literarische clubs, ontstaan. Daar oefent men zich en elkander in het houden van redevoeringen en in poëzie. De geestelijke behoeften van het intellectueele deel des volks worden er afgeleid van het publiek terrein. Mannen van wetenschap houden zich met natuurkundige proeven bezig; de ontdekkingen van Newton, Boerhave, enz. worden besproken. Ook de kerkelijke twisten leveren een onuit-
51
52 DE REPUBLIEK IN DE EE 11STE HELFT
puttelijk onderwerp van bespreking. De scherpe overtuigingen worden afgeveild; personen van uiteenloopend in-'zicht en meening komen tot elkander. Zoo houdt deze maatschappij zich bezig en laat de regenten regeeren. Zoolang zij het land in vrede houden, bekommert het publiek er zich niet om. l)e welvaart is algemeen; er is een zeker aandeel aan de genietingen des levens, dat ieder ten deel valt. Armen zijn er, gelijk zij er steeds waren; maar ook de liefdadigheid is groot. Eh de regenten, brave vaderen van het volk die zij zijn, blijven niet achter. Zij stichten hofjes en weeshuizen.
Doch elke medaille heeft hare keerzijde, ook deze. De jarenlange heerschappij heeft van den eersten aanvang af haar bestrijders. De vijand, die haar eens zal neerwerpen, is de maatschappij, die zich nog niet om haar bekommert, maar haar eigen weg gaat; die kennis vergaart, straks tegen haar te gebruiken. Maar haar bestrijders van den aanvang af zijn anderen. Het zijn zelve regenten, die in al de voorrechten deelen, leden der oligarchie, maar daarom niet blind voor de groote fouten van liet heerschend regime. Het is een kleine groep van mannen, die inzien, dat een volk nog iets anders te doen heeft dan te leven en te sterven.
Hun hoofd is Simon van Slingeland, secretaris van den raad van State, thesaurier-generaal, raadpensionaris. Hij heeft onder Willem III gewerkt, naast Heinsius gestaan, en bestuurt in de laatste jaren met een paar vrienden de Republiek. Besturen, dat is; de machinerie van staat laten werken, zoo goed zij kon. Dit is liet kunststuk, dat hij volbrengt, en in dezen arbeid verteert hij zijn krachten en zijn rijke gaven. Want meer wordt hem niet vergund.
DKll ACHTTIKXDK KBUW.
Simon van Sliugeland is een geleerd man en een zeldzaam helder hoofd. Hij geniet mede de voordeelen der staatsinrichting, maar sluit daarom de oogen niet voor de gebreken. Integendeel, hij lijdt er onder. l)e oligarchie heerscht oppermachtig in de steden, maar aan de belangen des lands denkt zij niet. Het leger wordt verwaarloosd: de provinciën verzuimen hunne quota's te voldoen. De staat maakt bankroet; negen maanden lang is het kantoor van staat gesloten en wordt de rente der schuld niet betaald. Er is eenvoudig geen landsregeering, want er ontbreekt elke macht, in staat om de leden tot onderwerping te dwingen. Groningen, Gelderland, Utrecht, al de geünieerde provinciën doen alles wat zij goedvinden; maar dat zij te zaïnen de Republiek, een staat vormen, daaraan denkt niemand. Anarchie heerscht; er is geen regeering en geen wet, die gehoorzaamd wordt. quot;Het is een wonder, dat de Republiek nog bestaat!quot; roept Slingeland uit. quot;Stel een stadhouder aan het hoofd van den staat, of een regeerings-raad. Breek de almacht der locale regenten: laten zij niet, in staat zijn, om elk algemeen belang onafgedaan of onverzorgd te laten. Dat is de bedoeling van de stichters der Republiek geweest; de staat gaat onder door deze regeeringloosheid.'1
Mondeling en schriftelijk, door een reeks van uitnemende vertoogen, verspreidt hij zijn meening. Hij heeft aanhangers , onder jongeren, die nog hun carrière hebben te maken, onder ouderen, die een stadhouder een geschikt werktuig vinden om liet volk in toom te honden. Een oogenblik schijnt het, dat hij slagen zal. Er komt in den Haag een groote vergadering bijeen. Maar de heeren praten veel, drinken een glas, en laten de zaak zooals zij was. Zoo spot het deuntje, en het is de waarheid. Slinge-
53
BK IIKPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
land is hoog geëerd en gevreesd tevens, want de man, die zijn meerderheid gevoelt, is lioogliartig en scherp; de koningen des lands moeten menig bitter woord van hem hooren. Maar zij kunnen hem niet missen, want hij is de staatsman, die alleen nog de eer der Republiek ophoudt, de diplomaat, die den vrede weet te bewaren. De koningen van Engeland, George 1 en George II, staan als peters bij den doop zijner kleinkinderen. Den man, die zoo zeer wordt onderscheiden, kunnen de regenten niet ontberen. Maar zij binden hem de handen: als hij Raadpensionaris wordt, moet hij beloven, zijn invloed niet voor een stadhouder aan te wenden. En Slingeland is een eerlijk man, die zijn eed houdt, zelfs zoo trouw, dat Chesterfield hem verdenkt, zijn vroegere overtuiging verloochend te hebben. Hij werkt in de laatste levensjaren den Prins van Oranje tegen. Naar het schijnt, heeft het leven ook hem gebogen en neemt ook hij zijn plaats in onder die breede rij van mannen, wie teleurstelling en physiek lijden doet breken met de idealen van hun jeugd, die leeren berusten in het onvermijdelijke.
Waar een Slingeland het hoofd buigt, konden zwakker krachten geen tegenstand bieden. De lagere standen dei-maatschappij mochten vloeken telken male als zij het slachtoffer van willekeur waren, zij vonden nog geen leiders, die hun armen en driften gebruikten voor eigen doeleinden. De middelklassen mochten met ergernis en jaloezie staren op de regenten, die, met heerlijke titels en rechten verrijkt, eigendunkelijk en eigenmachtig over de eigendommen van steden en dorpen beschikten, zij onderwierpen zich aan de van God verordende machten en zochten vergoeding in de finantiëele onafhankelijkheid, die de bloei van handel en fabrieken hun verschafte. De leer
54
DEli ACHTTIEN DE EEUW.
der volkssouvereiniteit was wel in de boeken geschreven, maar nog uiet in de harten gedrongen. En trouw steunden de verbonden regenten elkander tegen oproerige onderzaten. Wie verzet waagde of op oude rechten zich beriep, liep gevaar door heeren schepenen vervolgd, gevangen gezet, aan den lijve gestraft of uit stad en land gebannen te worden. Slechts de ontwikkeling der misbruiken, die de gevolgen der oligarchie openbaarde, zou een algemeen verzet in het leven roepen, als een aanleiding van buiten er den stoot toe gaf.
En deze ophooping van misbruiken, deze ontwikkeling kon niet uitblijven, omdat elk gezag tot misbruik en willekeur vervalt, dat geen breidel vindt in de rechten van anderen. De regeeringsposten heetten eerambten en onbezoldigd, maar feitelijk wierpen zij groote voordeelen af. Wie aan de waarde van het geld voor honderd vijftig jaar denkt, zal het niet onbeduidend vinden, dat een burgemeester van Gorinchem een inkomen van/' 600 had, een Gecommitteerde Raad gemiddeld jaarlijks f 3000 maakte en een lid der Admiraliteit f 2500. Voeg hierbij de opbrengst der betrekkingen, die dikwerf ten geschenke werden gegeven, maar ook dikwerf onder de hand verkocht. Niemand vond er iets in, want allen en alle partijen deden bet. Slingeland zelf betaalde 50,000 gulden voor het Drostambt van Breda, dat hij van de bestuurders der Oranjegoederen voor zijn zoon kocht. Natuurlijk, dat de onderdanen de koopprijzen in den een of anderen vorm moesten vergoeden. Iedere stadregeering had tal van kleine betrekkingen te vergeven, die tot geschenken dienden voor vrienden en bloedverwanten. Stovenzetster in de kerk, turftonster en tal van dergelijke postjes waren giften aan bloedverwanten of vriendinnen. Men liet ze door anderen
00
56 DE ItEPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
voor eeu kleine vergoeding waarnemen. Dit deden niet slechts personen, dit deden gelieele regeeringen. De stad Eukliuizen gaf eens een ambt uit, waaraan een inkomen van /' 1200 verbonden was. Toen de benoemde den z ui veringseed voor de Stateu moest afleggen, bleek liet, dat de stadsregeering bedongen liad, dat liij liet voor /' 600 zou doen, de rest stak zij in den zak. Maar er waren erger feiten. In een stad van Zuid-Holland schreef de regeering eens een nieuwe belasting uit, zoo 't heette, voor onderhoud van de wallen. Jaren later bleek het, dat de regenten de opbrengst onder elkander verdeelden. Gelijk met ambten in de steden, ging liet met de Greneraliteits-posten. De heer van Borssele, in Zeeland, had in 1757 het genoegen vader te worden, en noemde zijn zoon Zeelandus. De Staten van Zeeland waren zoo verrukt over deze hoffelijkheid, dat zij besloten, den jonggeborene met liet eerste ambt te begiftigen, dat van wege Zeeland in een der drie Generaliteitseollegiën zou openvallen.
De finantieele misbruiken waren niet de ergste fouten. Zij kwamen velen ten goede, die tot den fatsoenlijken stand werden gerekend, ook al waren zij geen patriciërs. Met zijn duizendvoudige armen hield deze oligarchische poliep bijkans alle standen omvat. Want ook de knechts en de meiden trokken er de voordeeltjes van. Het was volstrekt geen zeldzaamheid, dat de koetsier en de keukenmeid van mijnheer den burgemeester ambtjes kregen, waarvan zij de inkomsten genoten, schoon anderen ze waarnamen. Niet de iinantiëele misbruiken derhalve, maar de willekeur en de overmoed maakten de oligarchie het meest gehaat.
Grenzenloos waren de hoogmoed en eigenwaan, waarmede deze koningen van het land optraden. Zij trapten ieder, die niet tot hun kring behoorde. Vooral in de oostelijke
DKU ACHTTIENDE EEUW.
provinciën, waar tal van regenten waren, vol van Duit-schen adeltrots, zijn dingen voorgevallen, die ongeloofelijk schijnen. Zij lieten, in strijd met de wetten, de boeren voor zich arbeiden, zonder vergoeding. Nog leeft in den achterhoek de traditie voort van de twee adellijke beeren, die in vijandschap met elkander leefden en diensvolgens de schoolmeesters hunner dorpen met elkander lieten vechten. In Holland droeg de willekeur een beschaafder kleed, maar was zij daarom niet minder drukkend. Te Amsterdam was een chirurgijnsgilde, uit oude practici, grooten-deels barbiers, bestaande. Een hunner wist een burgemeester te belezen en het besluit werd uitgevaardigd, dat niemand zonder de vergunning van het gild chirurgicale praktijk mocht uitoefenen. Er ontstond bijkans een opstand onder de medische doctoren, aan de akademiën ook als chirurgen geëxamineerd. Er werd geschreven naar Engeland. Frankrijk eu Duitschland. De doctorale bul gaf recht tot de uitoefening der chirurgie. Maar de burger meesters bekreunden zich om geen bullen. De doctoren moesten zich onderwerpen of afscheid nemen van hun praktijk , zooals de vader van Bilderdijk.
Begunstiging aan den eenen, willekeur ann den anderen kant. Maar daar beleedigingen langer worden onthouden dan weldaden. verloor de regentennristocratie, naarmate haar heerschappij duurde, meer den steun der publieke opinie. In liet land, dat aan Bavle gastvrijheid verleende, Voltaire's schriften uitgaf en Chesterfield bewonderde, moest eindelijk de vraag oprijzen, met welk recht de regenten heerschten. En hoe talrijk de belangen ook waren, die aan deze aristocratie waren verbonden, er kwam een dag, dat men haar tot verantwoording riep. Toen zij den staat aan den rand van den ondergang had gevoerd, ging, als
57
ui: republiek in de eekste hklft
in 1672, de kreet uit naar een redder, die den liistorisclien eerenaam van Prins van Oranje droeg.
II
Met Willem III was het geslacht van den Zwijger in de mannelijke lijn uitgestorven. Maar er waren afstammelingen van de vrouwelijke zijde. Een dochter van Prederik Hendrik was met haar neef, den Frieschen stadhouder, gehuwd geweest. Haar kleinzoon, Johan Willem Friso, was bij Willem's dood een jongen van elf jaar, op wien de Oranjepartij al kaar hoop bouwde. Willem III had hem tot zijn erfgenaam benoemd en gepoogd, hem de opvolging in de voorvaderlijke betrekkingen te verzekeren, doch hij was er niet in geslaagd. Toch zou Friso, indien hij in het leven ware gebleven, een gevaarlijk mededinger der oligarchie zijn geworden. Hij was in Holland bekend en had een naam als militair. Maar in 1711 verdronk hij in den Moerdijk.
Het wonderbaar geluk, dat de Oranjedvnastie, telkenmale als zij schijnt uit te sterven, begunstigt, bleef ook ditmaal niet achterwege. Zes weken ua den dood des vaders schonk zijne 22-jarige weduwe, Maria Louise van Hessen-Kassei, liet leven aan een zoon. Als Willem IV zou hij in de Republiek hooger rang innemen dan een zijner voorgangers.
Ue jaren zijner jeugd deden liet niet voorzien. Want liij groeide op aan heit stille en eenvoudige hof zijner moeder, zonder, naar het scheen, eenige hoogere aanspraak te maken dan de zoon van den Frieschen stadhouder kon doen gelden. De rustige Maria Louise was de vrouw niet, om met den knaap rond te reizen, volksgunst na te jagen.
58
DEll ACHTTIENDE EEUW.
door hem iu Holland eu elders aan de menigte te ver-toonen. Jaren gingen voorbij, zonder dat men iets van hem hoorde, dan in 17#7, toen hij een val deed, die voor zijn leven deed vreezen. Wel herstelde hij, maar hij bleet' zwak, ziekelijk en misvormd, naar men zei. In 1722 werd de jonge man in Gelderland tot stadhouder verkozen, tot groote ergernis van de Staten van Holland. Inderdaad was die verheffing van weinig waarde, want de Geldersche adel schonk hem een instructie, die aan het stadhouderschap alle macht ontnam. Zijn naam werd daar eenvoudig gebruikt als middel, om het volk in de bestaande staatsorde te doen berusten.
Ruim zeventien jaar oud verliet hij eindelijk Friesland, om zijn opvoeding aan de Utrechtsche Academie te voltooien. Liefst was hij naar Leiden gegaan, maar Holland had bezwaren opgeworpen. Het duchtte den invloed van den naam, ook waar de persoon geen vrees scheen in te boezemen.
Het zou echter eerlang blijken, dat de traditie al even gevaarlijk voor hen was, als persoonlijke verdienste. Deze jonge man had niets om zich aan te bevelen als hoofd van een partij, dan zijn naam. Maar deze was glorierijk genoeg om hem te verheften.
In 1729 werd de Hollandsche regentenoligarchie verontrust door het bericht, dat de jonge Friso in den Haag zou komen. Slingeland, die ontevreden was over den tegenstand, dien hij in de Staten vond, hoopte dat zijn bezoek hen wat leniger in zijne hand zou maken. De vrienden van het stadhouderschap zagen hem met blijdschap komen en bereidden hem een schitterende ontvangst. Toch zagen zij er een weinig tegen op, want er liepen allerlei vreemde geruchten over zijn gruwelijke leelijkheid als anderzins.
59
60 DE IIEPUBLIEK IN DE HEUSTE HELFT
üocli liet viel mede. Mooi was hij niet, maar hij had helder blauwe oogen en een innemend gelaat. Voeg daarbij groote minzaamheid, zelfvertrouwen, gemakkelijke manieren en de stellige bedoeling om voor zich in te nemen. Hij sprak gemakkelijk en goed en maakte den indruk van een ontwikkeld en verstandig man.
De vier weken, die de Prins in 1729 in den Haag doorbracht, waren een aaneenschakeling van feesten, diners en soupers, die hij met talent en lijdzaamheid doorstond. Van Lijnden, de burggraaf van Nijmegen, en de Engelsche. gezant Chesterfield deden alles om hem schitterend te ont-halen en hem als Prins van Oranje door hun onthaal te doen schitteren. De lagere volksklasse, zooveel jaren aan een vertegenwoordiger van het geliefde vorstenhuis ontwend, zag weer een Oranje gehuldigd door de vreemde ministers, de aanzienlijken des lands, de hooge militairen en die groote massa, die te allen tijde bij elk volk monarchaal is, omdat zij liever geregeerd, ja verdrukt wordt door haar meerdere, dan door haars gelijken in stand.
Voor Chesterfield, den Engelschen ambassadeur, gold een bijzondere reden. Hij was naar de Nederlanden gekomen om voor dezen jongen Prins te werken. Zijne regeering had een huwelijksverbintenis op het oog.
George II van Engeland had verscheiden kinderen. De oudste van allen heette Anna. Zij was indertijd ten huwelijk gevraagd voor Lode wijk XV van Frankrijk, maar haarvader had hare hand geweigerd, omdat hij, die de kroon van Engeland aan zijn Protestantsch geloof dankte, niet vergunnen kon dat zijne dochter katholiek werd. Deze teleurstelling had Anna zeer aangegrepen, omdat zij zeer eerzuchtig was en het eerste huwelijksaanzoek door geen tweede gevolgd werd. Het was te erger voor haar, omdat
DEK ACHTTIENDE EEUW.
zij het vooruitzicht niet verdragen kon, in Engeland te leven. Haar ouders lagen met Imn zoon, den Prins van Wales, bitter overhoop. Ook Anna, die haar bijzondere redenen er voor had. Zij vergaf het dezen broeder, jaren na haar geboren, evenmin als een nog jongeren, dat zij bestonden. Leefden zij niet, dan ware zij na 's vaders dood koningin geworden. Zij dacht er niet aan, deze eerzuchtige jaloezie te verbergen; eens zei zij ronduit aan haar moeder: '/Ik wou, dat ik geen broeders had, dan zou ik u opvolgen.quot; Toen deze haar bestrafte, antwoordde zij heftig: //Ik wil graag morgen sterven, als ik vandaag koningin mag zijn.quot; De gedachte dat zij van dien broeder eens afhankelijk zou zijn, was haar ondragelijk. Elke uitredding scheen welkom.
In November 17.33 kwam Willem in Engeland aan, om de geliefde van zijn hart naar het altaar te voeren. De Engelsche natie, die de Hannoversche vorsten om hun ou-schadelijkheid verdroeg maar verachtte, werd door de tegenwoordigheid vau een Oranje tot een geestdrift verleid, die voor de regeerende dynastie bijna beleedigend was. Met adressen werd hij overstroomd, waaronder sommige van zeer dubbelzinnigen inhoud. Inzonderheid dat van de City van Londen was bij uitstek onbetamelijk. In bedekte termen gaf men te verstaan, hoe zeer men wensclite, dat hij bet voorbeeld van zijn beroemden voorganger zou navolgen, die zijn schoonvader liad weggejaagd. De uitnoodiging was zonder eenig gevaar, want slechter revolutionair dan deze Willem IV was er in de wereld niet te vinden.
Hij dacht er niet aan, om een kroon te winnen, maar om een vrouw te trouwen. Anna kon, als zij wilde, zeer innemend zijn, en zij was het, toen zij Willem had leeren kennen, jegens hem. Te recht, want ook haar uiterlijke
()1
DE EEPUBLIKK IN DE EERSTE HELPT
gaven behoefden een krans, eenig sieraad, dat de aantrek-kelijklieid der vrouw verhoogde. Deze bruid van 24 jaren was verre van mooi, schoon behoorlijk gebouwd. Zij had levendige oogen en een frissche kleur; docli zij had de pokken gehad, waarvan de sporen haar nog ruimschoots ontsierden. Zij was klein en kort en vertoonde nu reeds een sterken aanleg om heel dik te worden. Dit menschen-paar had dus alle reden om de deugd der verdraagzaamheid jegens elkander te betrachten. Natuurlijk letten echter haar ouders meer op zijn leelijkheid dan op de geringe schoonheid van hun dochter. Vooral de koningin beklaagde haar kind, dat, zoo zij zeide, opgeofferd werd, en verzekerde aan haar vertrouwden, dat de koning Anna geheel vrij liet en niemand eenigen den minsten dwang op haar oefende. Het was volkomen waar. Dwang zou hier niets gebaat hebben. Anna was meer gewoon, haar wil aan anderen op te leggen, dan dien van anderen te volgen.
Maandag, de 23ste November, was de dag, voor het huwelijk bepaald. Maar er kwam een kink in den kabel. Den vorigen dag reed de Prins naar de kerk der Hollandsche Gemeente. Onder de godsdienstoefening werd hij onwel; hij kreeg een toeval. Hij werd in zijn rijtuig gedragen en langzaam en met groote voorzichtigheid naar zijn woning vervoerd. Lang bleef hij ziek, zoodat het huwelijk onbepaald werd uitgesteld. Met de grootste koelheid behandelde hem liet koninklijk gezin. De koning vond het beneden zich, zijn toekomstigen schoonzoon te bezoeken. Willem bracht de wintermaanden in een der Engelsche badplaatsen door, om weer op krachten te komen. Eindelijk, in het voorjaar van 1734, was hij hersteld en keerde hij naar Londen terug.
In den avond van den 24!9ten Maart werd het huwelijk
62
DEK ACHTTIENDE EEUW.
uu in de kleine Fransohe kapel, die tot liet paleis van St. James behoorde, gesloten. Aan pracht en weelde ontbrak het niet; evenmin aan toejuichingen van het volk en aan Oranjelinten en strikken, die de paarden en rijtuigen bedekten, waarin de bruidegom en zijn gevolg van Somerset-House naar St. James reden. De koning hield zich gedurende de liuwelijksplechtigheid goed. Maar de koningin en de zuster der bruid trokken zulke lamentabele gezichten, dat de optocht naar de kapel meer geleek op de sombere processie, die Iphigenia naar het altaar geleidde waar zij moest geofferd worden, dan op een vroolijken bruidsstoet. De prins was prachtig uitgedost; een lange pruik verborg zijn hoogen rug voor de oogen der nieuwsgierigen. Hij was in het fluweel, rijkelijk met goud geborduurd; de diamanten knoopen werden per stuk op 300 pond sterling gerekend. Hij gaf een rijk geschenk in juweelen aan zijn bruid, die pronkte in een japon van zilverlaken, met een sleep van zes ellen lang, gedragen door de dochters van tien hertogen en graven.
Te middernacht soupeerde de vorstelijke familie in het publiek. Tegen twee uur in den morgen werd aan het afgematte paar vergund zich terug te trekken. Doch idet, om aan onbescheiden blikken te ontsnappen. Want eerst moest nog die zonderlinge vertooning, volgens onze zeden ergerlijk, in de 18'lc eeuw gewoon, plaats hebben, dat bruid en bruidegom, in sierlijk nachtgewaad uitgedost zich op hun bed plaatsten en de bruiloftsgasten voor zich heen lieten paradeeren. Men kan begrijpen, hoe dit illustre gezelschap, zooeven van een goed souper opgestaan en uu geroepen om Hunne Hoogheden in nachtkostuum hulde te brengen, ten koste van dit echtpaar zich heeft geamuseerd. De koningin zelve was dagen lang vol jammerkreten. Zij
03
DE RKPOBLIKK IN DE EE11STE HELPT
verklaarde, dat zij getroffeu was geweest, neen, doodelijk verschrikt, toen zij Willem in nachttoilet, zonder pruik had zien binnenkomen. quot;Ik dacht, dat ik Ãanw zou vallen, toen ik dat monster mijne dochter zag naderen, licht gij het wel gezien, mylord? Eu hadt gij geen medelijden met die arme Anna?quot; vroeg zij den volgenden dag aau Lord Hervey. Maar deze nam de zaak kalmer op: hij hield niet van Anna en vond volstrekt niet, dat zij opgeofferd was.
Ook Anna scheen er niet zoo over te deuken. Zij was met Willem spoedig zeer op haar gemak eu vond, dat hij volstrekt niet zoo heel leelijk was. Wel werden, bij het afscheid van hare ouders, stroomen tranen vergoten, maar vroolijk en opgewekt verliet zij niettemin Engeland, om als Prinses van Oranje in den vreemde eeu eigen huis te vinden.
Doch de illusie, de aantrekkelijkheid van het nieuwe en onbekende, de begoocheling van het vreemde duurde kort. Haar wachtten teleurstellingen, grievend en pijnlijk voor eeu zoo trotsch en heerschzuchtig hart als het hare.
Tn het voorjaar van 173-3 was het aanstaande huwelijk van Willem eu Anna aan de Staten van Holland bekend geworden. Zij hadden onmiddellijk besloten, zoo mogelijk, het te verhinderen. De raadpensionaris Slingeland had op hun last aan den Engelschen gezant medegedeeld, dat de Staten deze verbintenis zeer ongaarne zagen, omdat zij vreesden, dat het tot verkoeling tusschen de beide rijken zou leiden. Zij waren vast besloten, fde vrije staatsregeling te handhaven op den voet, waarop zij deze laatste dertig jaar geweest wasquot;; zij hoopten daarom dat Z. M. van de zaak zou afzien. George II was door dat zonderling vertoog zeer geërgerd eu had, onder breede betuigingen van
61
DEK ACHTTIENDE EEUW.
vriendschap, de Staten te doen antwoorden, dat hij volstrekt niet wist, welk recht zij hadden, om zich met zijn familiezaken te bemoeien. Koeltjes hadden de Staten gerepliceerd : zij verwonderden zich, dat Z. M. de zaak als zuiver domestiek beschouwde.
Toen het huwelijk gesloten was, gaf de koning er hun kennis van. De Staten wenschten hem geluk en waren wel zoo beleefd, hun koop uit te spreken, dat, //daar Z. M. een vrije Republiek, als de onze is, heeft verkozen tot een verblijfplaats voor zijne teer beminde dochter, zij er al het genoegen mocht vinden, welk de gelegenheid des lands en de tegenwoordige gesteldheid onzer Republiek, welker behoud ons ter harte gaat, aan haar zullen kunnen geven.quot;
Deze correspondentie deed eenigszins voorzien, wat de prinses te wachten had. Toen de Engelsche gezant op last zijner regeering gevraagd had, op welken voet zij in de Nederlanden zou behandeld worden, had hij als hoogste beleefdheid van de Staten de belofte gekregen, dat zij als Koninklijke Hoogheid zou beschouwd worden. Een prinses van Oranje, de gade van een Frieschen stadhouder, scheen in deze regenten-aristocratie geen titel te hebben. De man was maar een ambtenaar der Staten.
Indien Anna zich gevleid heeft, dat haar koninklijke rang de burgerregenten zou imponeeren, heeft zij zicli bitter bedrogen gezien. Twee zaken nam zij van den aanvang waar. De aristocratische regeering veronachtzaamde haar opzettelijk, en de toejuichingen van het volk golden haar als Prinses van Oranje, niet als koningsdochter.
Toen het jonge paar te Rotterdam landde, had de magistraat de beleefdheid, het hoffelijk te ontvangen, maar te Amsterdam achtte het bestuur dit geheel overbodig. De
Joris sen. I2 5
65
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
66
straten waren vervuld met een opgedrongen menigte, die duidelijk haar ergernis uitsprak dat liet gesclmt op de wallen zicli niet deed hooren en dat burgemeesteren werden gemist. Eindelijk, toen de prinselijke stoet van de Haarlemmerpoort naar liet Singel langzaam was voortgereden en de prius en prinses aldaar liet jaelit waren binnengegaan, dat lieu naar Friesland zou voeren, kwam er een pensionaris aanwandelen, om te vragen wanneer burgemeesteren hun een bezoek konden brengen. Zij werden niet meer ontvangen. In Friesland, in het vriendelijke Leeuwarden, droeg de ontvangst een meer algemeen en opgewonden karakter. Maar de stille landstad had weinig van Londen en eveu weinig vau een vorstelijke residentie. Hoe kon Aima, gewoon aan het holieven iu Engeland, zich thuis gevoelen in den kring der eenvoudige schoonmoeder, die de opmerkzaamheid trok, als zij bijzonder mooi aangekleed was? jMa eenige weken in het noorden vertoefd te hebben, voerde Willem zijn jonge vrouw eindelijk naar den Haag, op het Huis in 't Bosch. Daar viel aan Anna de eere te beurt, gecomplimenteerd te worden door eene commissie uit de Staten van Holland. De prinses mocht het wel op prijs stellen, want de Staten hadden uitdrukkelijk besloten, dat dit nu maar voor eens slechts een extraatje was, omdat zij voor den eersten keer hier vertoefde; in het vervolg zouden zij deze beleefdheid niet meer bewijzen. Niet alleen het college van de Staten, maar ook de leden stelden zich persoonlijk blijkbaar schrap. De Oranjepartij zon zien, dat zij niet gewonnen had door de aanwinst van een vreemde prinses. De regentendames verwachtten door de vrouw van den ambtenaar het eerst gegroet te worden, en niet alleen de gehuwden, maar ook de ongehuwde juffers. De Fransche ambassadeur beweerde, dat Anna het eerste bezoek aan zijn
DEE ACHTTIENDE EEUW.quot;
vrouw moest brengen. Eu ook de Engelsclieu in deu Haag vermeerderden de verwarring; zij maakten bezwaar, om de woning vau een ambtenaar der Staten te betreden. De geringscliattiug, waarmede de stadhouder van een souvereine provincie in de residentie van Holland bejegend werd, is zeker zelden in scherper trekken uitgesproken, dan in de woorden der Engelsche koningin aan den gezant in den Haag: quot;het komt mij voor, dat de gentlemen in Holland hun hulde aan Anna kunnen bewijzen, ofschoon zij in liet huis van den Prins van Oranje is, niet als zijn vrouw, maar als des koniugs dochter.quot; Slechts de passiviteit van een Willem IV kon een dergelijke scheeve en valsche positie verdragen.
Doch ook Anna gevoelde maar al te goed de diepe kreukingen, die haar werden aangedaan. En toen in Juli Willem naar het keizerlijke leger vertrok, ging zij naar Engeland, dat zij voor drie maanden met zooveel blijdschap had verlaten. In Holland had zij het ouderlijk huis lief-gekregen, zoo lief, dat zij smachtte om er te kunnen blijven. Zij bleef te Louden, de cene week voor, de andere na, ouder voorwendsel van zwangerschap, wat onwaar was. Slechts het uitdrukkelijk bevel van haar vader en de dringende vertoogen van Willem kouden haar eindelijk bewegen om in haar ballingschap terug te keeren. Tevergeefs had de Engelsche gezant in den Haag, Horace Walpole, haar op haar eigen verzoek den indruk gemeld, dien haar lange afwezigheid maakte. De aanhangers van het Oranjehuis waren er zeer ontevreden over; zij zou, beweerde men, de belangen van Willem zeer benadeelen, indien zij in Engeland moeder werd. Anna was diep ongelukkig over dien brief; zij bleef den geheeleu morgen na de ontvangst huilen en liep eindelijk met roode oogen en natte wangen
67
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
uaar haar moeder. Koningin Caroline trok partij voor haar dochter en schreef aan Walpole, dat hij zich bepalen moest tot zijn politiek en zich niet bemoeien met zaken, die hij niet begreep. Hij had zeker dat mooie advies gegeven, omdat hij zich verveelde en de prinses noodig had, om whist met haar te spelen! Desniettemin moest Anna eindelijk toegeven. In het laatst van December keerde zij in Holland terug.
Slechts nog eenmaal is zij in Engeland geweest. Het was iu 1737, na den dood har er moeder. Zij begreep, dat haar vader, die geheel door zijne vrouw was geleid, een nieuwe raadsvrouw noodig had, en achtte zich zelve daartoe het meest geschikt en bevoegd. Zij ijlde naar Engeland, om haar taak te aanvaarden. In haar ongeduld was zij onhandig genoeg, het ware doel van hare reis uit te spreken. George II, die het vernam, vergaf het zijne dochter niet. Hij dwong haar, na een kort verblijf, Engeland te verlaten.
Sinds was zij gebannen in liet land, dat zij eenmaal als een veilige schuilplaats voor de moeielijkheden, die haar in de toekomst bedreigden, had aangezien. Jaren achtereen had zij hier grievender bejegeningen, zwaarder krenkingen dan zij ooit had kuunen gissen, te verduren. Zij moest leven in een Republiek, onder het bestuur van regenten, zorgvuldig bedacht om alles te vermijden, wat het aanzien van het geslacht, waartoe zij behoorde, verhoogen kon; leven aan de zijde van een echtgenoot, die, zonder zijne aanspraken te verloochenen, met philosophische of religieuse kalmte zijn geringen staat in de Eepubliek verdroeg; leven, telkens teleurgesteld in haar hoop om moeder te worden en niet voor 1743 zich verheugende iu het bezit van een dochter, het eerste kind, dat bleef leven.
68
DER ACHTTIEN*DE EEUW.
Er is weinig of niets bekend van de verhouding, die tussclien deze echtelingen heeft bestaan. Wat wij van Anna weten als Prinses van Oranje is volkomen in overeenstemming met haar verleden, zooals het boven geschetst werd. De eerzuchtige vrouw heeft, slechts door noodzakelijkheid gedwongen, zich geschikt in de ondergeschikte plaats, die haar in de Republiek was aangewezen. Het is niet te betwijfelen, dat tussclien haar en Willem in menig opzicht scherp verschil van inzicht heeft bestaan. Evenmin, dat zij dikwerf haar zin heeft doorgezet, maar niet altijd in het belang van de zaak, die zij voorstond. Verwonderen kan het niet. Haar kennis van de toestanden in de Republiek dankte zij aan Willem, en deze was de man niet om haar te sterken in haar hooge eischen.
De Friesche stadhouders uit liet geslacht van Nassau hadden altijd een tweede plaats in de Unie ingenomen. In hun eigen stadhouderschappen hadden zij nooit dien invloed bezeten, dien de Oranje's in Holland uitoefenden. Hun macht was in Groningen en Friesland steeds meer beperkt geweest. Zij hadden zich daarin geschikt uit voorzichtigheid, want zoo zij de twee gewesten tegen zich in het harnas riepen, liepen zij gevaar, het stadhouderschap in het sfeslacht der Holla ndsehe neven te zien overgaan. Prederik Hendrik had in 1610 een poging daartoe gedaan en Friesland en Groningen bij zijn andere stadhouderschappen willen voegen. Slechts met moeite hadden de Friesche Nassau's zich nevens de zooveel machtiger Hol-landsche stadhouders staande gehouden. Tn de Republiek telden zij weinig mede. Tn vredestijd dacht niemand aan hen. lu oorlogstijden stonden zij onder de Hollandsche stadhouders, wien al de roem van den krijg en het beleid der diplomatieke betrekkingen ten deel viel.
69
DE KEPUBLIEK IN ÃE EEESÃE HELFT
Eeu dergelijke, ondergeschikte plaats en ver])liclite voor-ziclitiglieid werken doodend op de energie. De geest van initiatief was in deze vorsten ondergegaan en vervangen door passief geduld. Afwachten, lijdzaam afwachten wat de gunst der fortuin hun brengen mocht, dat was de hoofdeigenschap van dezen zijtak der Nassau's.
Traditioneele karaktertrekken worden erfelijk, waar de uitkomst ze tot deugd en wijsheid schijnt te stempelen. Willem IV had een' jeugd achter zich, die hem passiviteit voor de hoogste politiek deed aanzien. Meer dan een zijner voorgangers, had hij de macht der Hollandsche aristocratie, haar euvelmoed, die voor niets terugschrikte, leeren kennen. Als stadhouder van Friesland had hij het recht, om in den Raad van State zitting te nemen. Holland had eigenmachtig het hem belet. Als erfgenaam van Willem III was hij markgraaf van quot;Veere en Ylissingen. Holland had de Staten van Zeeland gedrongen, het markgraafschap te vernietigen. Rechten, hem wettig toekomende, had Holland's invloed en overwicht doen schenden.
Tegen een oligarchie, die voor niets terugdeinsde om hem te vernederen en in het eigenbelang der duizenden regenten in de verschillende gewesten haar bolwerk had, gevoelde hij zich machteloos. Den strijd met haar aanbinden durfde, waagde hij niet. Hij handhaafde zijne rechten slechts, door deir afstand te weigeren. De som gelds, die Zeeland hem voor Veere en Vlissingen bood, weigerde hij aan te nemen. Toen men hem slechts een ondergeschikten rang in liet leger aanbood, weigerde hij-hem te bekleedeu. Daartoe bepaalde hij zich. Tot meer bezat hij de kracht niet. Om als partijhoofd op te treden en zijn duizenden aanhangers in den lande om zich te vereenigen, miste hij het domineerend overwicht, dat den
70
DHR ACHTTIENDE EEUW.
jongen Willem III liad verheven. Zijne vrienden liet hij werken; zijne tegenstanders zocht hij door vriendelijkheid te winnen; verder ging hij niet.
Hij wachtte af, geduldig en berustend in de macht dei-traditie en in de gehechtheid des volks aan zijn geslacht.
In 1747 werd dat vertrouwen beloond. Toen de vijand voor de poorten stond en de Republiek haar ondergang nabij scheen, eischte het volk zijne verheffing.
Het was Donderdag 11 Mei, Hemelvaartsdag. Amsterdam was met vlaggen en wimpels gesierd en op de straten joelde en verdrong zich de menigte. Op het Singel tegenover de Luthersche Nieuwe kerk, op dezelfde plaats waar voor dertien jaar de stadhouder zijn jonge vrouw het jacht had binnengeleid, dat haar naar Friesland zou voeren, zonder dat de Amsterdamsche magistraat het noodig had geacht hen te begroeten, stapten thans de Prins en de Koninklijke Hoogheid aan wal. Ditmaal was de regeering aanwezig en overstroomde hen met huldebewijzen. quot;Ons vertrouwen is naast God op Uwe Hoogheid gevestigdquot;, zei de zij. Het woord was waarheid, zelfs in ruimer zin dan de Amsterdamsche regeering bedoelde. Niet alleen verlossing van den buitenlandschen vijand, ook redding van het despotisme der regenten werd van Willem IV gewacht.
III
Er is geen enkele der Oranjevorsten, aan wien grooter macht is geschonken, dan aan den man, die in Mei 1747 als stadhouder van al de geünieerde gewesten optrad. Met de verheffing van Willem IV eindigde de afzondering, waarin tot dusver Friesland en Groningen tegenover de
71
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
andere provinciën hadden geleefd. In zijne handen waren de stadhouderschappen van al de gewesten voor de eerste maal vereenigd. Een der struikelblokken, die tot dusver de vestiging van een krachtig, algemeen bestuur hadden in den weg gestaan, was opgeruimd.
Gelijktijdig viel een tweede. De opvolging in de vaderlijke betrekkingen werd erfelijk verklaard in zijn geslacht, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke lijn. Voor de vestiging van een eenhoofdig bewind ontbrak niets dan een hooger titel en de openlijke toekenning van liooger rechten.
Ouder de aanhangers van liet Oranjehuis was ernstig sprake, hem tot Graaf te verheffen. Zoo Willem den overwegenden invloed, dien de omstandigheden hem hadden geschonken, had willen aanwenden tot die verheffing, de regentenaristocratie ware onmachtig geweest, het te verhinderen. De geestdrift des volks, dat vol vertrouwen tot hem opzag en genezing van alle wonden verwachttip, zou hen tot toegeven gedwongen hebben. Maar Willem IT dacht er niet aan. Hij verklaarde, dat hij geen hooger eerzucht kende, dan het voorwerp der liefde en hoogachting van een vrij volk te zijn.
Toen hij het bestuur aanvaardde, moest die vrijheid worden gehandhaafd tegen het buitenland. Erankrijk's legers stonden op het grondgebied der Republiek en dreigden haar te overheeren. Als kapitein-generaal dei-Unie had Willem IV het opperbevel over de troepen van den staat. Hij dankte zijne krijgskundige kennis aan de boeken, niet aan de practijk. De. gevolgen bleven niet uit. Vol vertrouwen in eigen inzicht, lag hij spoedig met de generaals, zoowel der Republiek als van Engeland, overhoop. Waldeck verliet vertoornd liet leger en het
72
DUll ACHTTIENDE EEUW.
land; de hertog van Cumberland, Willem'1 s jonge zwager, bestormde de Engelsclie regeering met klachten over den Prins en den Staat. Bergen op Zoom, ofschoon van alles ruimschoots voorzien, werd door de ï'ranschen verrast en uitgeplunderd. De 80-jarige bevelhebber Crönstrom had nog bijtijds zich op een paard doen hijschen om te ontsnappen. Gelukkig deed de vrede, wat de krijg niet vermocht: hij waarborgde rs lands vrijheid tegenover het buitenland.
Doch de militaire aangelegenheden werden betrekkelijk weinig geacht wegens het gewicht der biimenlandsche moeielijkheden. Geweld en oproer waren aan de orde van den dag. Tn alle steden van Holland, in Groningen en Friesland, ja, overal waren alle rust en orde gedurende anderhalf jaar volkomen geweken. Het gemeen op de straten, de burgers in hun vergaderzalen dedeu eischen hooren, ook nadat aan den eersten, de herstelling van het stadhouderschap, was voldaan. Nooit had vóór dezen de Republiek in een zoo algemeene gisting en verwarring verkeerd, gedurende zoo langen tijd, als thans. In 1072 hadden ook de onlusten voortgeduurd na de herstelling van Willem III, maar toen Johan de Witt als het slachtoffer van den volkshaat was gevallen, was langzamerhand de wilde stroom in zijne bedding teruggekeerd. Thans viel niemand door de handen van het gemeen, maar de beweging duurde steeds voort. In 1072 was het een politiek systeem geweest, dat men in zijn eminenten representant had getroffen. Thans gold het een maatschappelijken stand, geen persoon. Die stand moest getroffen, zijn overwicht verbroken worden. Als aan dien eisch was voldaan, zou de orde vanzelf terugkeeren.
De beweging van het jaar 1747 is in hoofdtrekken aan
73
DK REPUBLIEK IX DE EERSTE HELFT
ieder bekend. Men heeft de huizen van pachters geplunderd , die gehaat waren en het verdienden. Men heeft regenten bedreigd en ze laten loopen. Men heeft ze beschuldigd van diefstal, waaraan zeker velen schuldig waren: ten minste, indien het in een geordende maatschappij diefstal moet heeten, dat men van zijn invloed als regeerings-lid gebruik maakt, om de belastingen te ontduiken. Men heeft geëischt, dat de belastingen niet meer werden verpacht , en het verkregen. Men heeft verlangd, dat de ambten publiek werden geveild en aan de meestbiedenden toegewezen: waarom zou een rijk burger niet een betrekking mogen koopen, even goed als een lid der regentenaristocratie ? Men heeft het ontslag gevorderd van ambtenaren, die openlijk bekend stonden als hoofden der oligarchie; zuivering der regentencollegiën; afschaffing der contracten van correspondentie; onderzoek naar het linautieel beheer der regenten enz. Het volk, de burgerij heeft veel ge-eischt, verstandige en onverstandige dingen; vriendelijk en met hooge, dreigende woorden; met kracht van argumenten en met ruw, lomp geweld.
Maar in al deze eischen, billijke zoowel als onbillijke, straalde één hoofdgedachte, één hoofdeisch door: hervorming van de staatsorde, door de aristocratie aan baud te leggen en het volk te vrijwaren voor haar despotisme. Daartoe was de Prins van Oranje door de natie geroepen; dit vreesden zijne tegenstanders, dit hoopten zijne aanhangers van hem.
Maar beiden bedrogen zich. Willem IV dacht er niet aan, om aan zulke verwachtingen te voldoen. Hij was een man,- die veel wist. Men zegt, dat zijne historische kennis zeer groot was. Vermoedelijk heeft hij veel feiten van buiten gekend, maar begrepen heeft hij ze niet. Een
74,
DEU ACHTTIENDE EEUW.
kelder iuziclit in de vorming, ontwikkeling en verbastering der Republiek miste hij volkomen. De Hollandsclie Nassau's hadden allen uitgemunt in helderheid van verstand, schoon hun feitenkennis misschien zoo heel groot niet was. Willem IV is de eerste van die drie vorsten uit den Friesclieu tak, die rijker aan kennis dan aan inzicht waren. Van koning Willem I heeft een man, die jarenlang zijn secretaris was, gezegd, dat hij zijn carrière gemist had: hij had niet koning, maar commies moeten zijn. Hij leefde in détails en ging er in onder. Met Willem IV vangt deze noodlottige eigenschap aan, haar invloed in onze historie te doen gelden.
Hij miste alle ruimte van blik, alle breedheid van overzicht. üe enkele feiten hielden hem bezig, maar niet liet karakter der beweging. Hij begreep ze niet En daarbij voegde zich het noodlottigste van alles: zijn gemakzucht, die zijn bewonderaars nederigheid heetten. Tegen het streven en den wensch van velen, die hem tot souverein, onder welken titel ook, wilden verheffen, verzette hij zich nadrukkelijk. quot;Hij begreep,quot; zei hij, «dat hij thans al het gracieuze bezat, en dan ook het ingracieuze, het leggen van belastingen, het maken van crimineele wetten, het aangaan van lastige verbonden tot zijn last zou krijgen, terwijl nu het ongenoegen daarvan op de Staten viel.quot;
Zelden zijn gebreken, die vrij alledaagsch zijn en er geen aanspraak op mogen maken om onder de hoofdzonden een eereplaats in te nemen, een volk duurder te staan gekomen dan deze. Er is geen twijfel aan, dat de volksuitbarstingen in den aanvang aangemoedigd en gevoed zijn door personen uit zijn naaste omgeving. Hij zelf heeft een tijdlang openlijk gunst betoond aan degenen, die bij de aristocratie om den invloed hunner pen doodelijk gehaat
75
DE KEPUBLIUK IN DE EEKSTE HELFT
waren. Maar dit weerhield hem volstrekt niet, om, toen het stadhouderschap en de erfelijkheid waren aangenomen, zich van hen af te wenden, aan wier gehechtheid en vertrouwen hij de plaats dankte, die hij innam. Hij meende, dat door zijn verheffing aan alle billijke eischen was voldaan, en gaf er zich volstrekt geen rekenschap van, dat hij, de in Holland genoegzaam onbekende Friesche prins, niet ingeroepen was om zijn persoon, maar om de daden die men van hem wachtte. De regenten meende hij te imponeeren door praal en vorstelijken luister, het volk door vriendelijke woorden en streven naar populariteit. Maaiden eenigen weg om zich waarachtig te doen beminnen en eerbiedigen, sloeg hij niet in. Hij offerde de hooge belangen , die hem waren toevertrouwd, op, om hen, die de tegenstanders van zijn geslacht en van het volk waren, voor zich te winnen.
De verpachting der belastingen was eene der zwaarste grieven, omdat de gevolgen het diepst gevoeld werden. Men eischte hun afschaffing. De Staten en de Prins weigerden. Maar het volk volhardde, en groote en kleine steden waren het tooneel van heftige onlusten. De vrees deed, wat politiek overleg had moeten tot stand brengen. De Prins veranderde op eenmaal van inzicht en beval de afschaffing bij de Staten aan, weinige dagen nadat hij zich voor het behoud had verklaard. Niet overtuiging, niet staatkundig inzicht, maar dwang bracht hem er toe om aan rechtmatige eischen zijn invloedrijken steun te verleenen.
Toen hij stadhouder werd, waren alle posten in handen zijner tegenstanders. Zijn partij drong op zuivering der regeerings-collegiën, op verwijdering van de hoofden der oligarchie aan. Willem IV wilde er niet van hooren. Opnieuw, bracht geweld tot stand, wat beleid had moeten
76
DEK ACHTTIENDE EEUW.
uitwerken. In de verschillende steden werden eenige regenten ontslagen en door anderen vervangen.
Vele feiten bewijzen, lioe gemakkelijk het Willem IV zou gevallen zijn, eene staatshervorming in het leven te roepen, die den wortel der kwaal uitroeide. Toeu het stadhouderschap was hersteld, waren er onder de gisteren zoo trotsche regenten velen, die thans voor hem kropen eu hun vroegere genooten verrieden en aanklaagden. Contracten van correspondentie werden den Prins medegedeeld. Hij vernietigde ze, maar zonder den burgerij eu in de steden eenig aandeel in de verkiezingen te schenken. Had hij aan de gilden, de schutterijen en dergelijke stedelijke corporaties invloed op de .magistraatsverkiezing toegekend, hij had genoeg gedaan. De macht, die hij aan de regenten ontnam, nam hij voor zich. Hij wees voortaan de burgemeesters en schepenen aan uit de voordracht der besturen. Natuurlijk, dat de regenten zorgden, zich en de hunnen voor te dragen. Willem IV had er niets tegeu; integendeel, hij ging zelfs zoo ver, dat hij tal van mannen, die hij in 1748, om het volk tevreden te stellen, had ontslagen, in 1750 opnieuw in de regeering stelde.
Aan de gunst der oligarchie scheen dezen Prins vau Oranje alles gelegen. Naar haar luisterde hij, op haar vertrouwde hij, in haar midden leefde hij. De couranten dier dagen vermeldden, gelijk dit in vorige tijden bet geval was, allerlei bijzonderheden omtrent vorstelijke personen. Men staat verbaasd, wanneer men ze doorbladert, over de collectie diners eu soupers, die Willem ]V heeft bijgewoond. En bij wie? Bij de hoofden der tegenpartij, bij mannen, die bekend zijn om de hardnekkigheid van hun verzet, die jaren achtereen de ziel waren geweest van de vijandschap vau Holland.
77
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
Met liet gewone zelfbedrog van hen, die Imnne tegenstanders even zwak, even weifelend, even beginselloos acliten als zij zelve zijn, jaagde hij de ijuust zijner vijanden na. Hij â won ze niet, hij won slechts hun minachting en sterkte hen slechts in de overtuiging, dat het stadhouderschap volkomen overbodig was. En zij hadden recht. De stadhouder was overbodig, die geen hooger eerzucht had, dan mederegent nevens de oude regenten te zijn.
In het koninklijk huisarchief in den Haag berust een uitgebreide verzameling bescheiden en correspondentiën, die tot dusver onbekend waren. Daaronder behooren twee me-moriën van groot gewicht. Zij zijn van de graven Ben-tinck en Gronsfeld. Zij bevatten een geheel plan van politieke hervorming: de instelling van ministeriën enz. Maar zij bevatten tevens een critiek van de gedragslijn, door Willem IV gevolgd, die door de kortheid en hoffelijkheid der termen des te vernietigender is. //De macht der schijnbaar overwonnen partijquot; â schrijft Bentinck â //is ongeschokt. Hunne verbintenissen duren voort en hun plannen zijn dezelfde. Het tegenwoordig gouvernement haten zij en zij doen alles, om het te ondermijnen. Zij verleiden den Prins tot maatregelen, die hem de achting rooven, en weerhouden hem van doortastende hervormingen, die geëischt worden. Als zij het stadhouderschap zullen beroofd hebben van het vertrouwen, dat het volk het toedroeg, zullen zij, gesteund door Frankrijk, op 1747 terugkomen en de macht des Prinsen openlijk aanvallen. Men rekene niet op het volk, niet op de burgerijen. Hun gehechtheid en liefde is geheel ondermijnd. De groote meerderheid van hen, die de beurs te Amsterdam bezoeken, en van de burgerij aldaar, is tegen den Prins. Uwe Hoogheid make zich geen illusie en bedriege zich niet omtrent
78
DE11 ACHTTIENDE EEUW.
de ware stemming der gemoedereu. De klachten over den Prins zijn algemeen.quot;
Het was 28 Augustus 1751, toen Willem Bentiuck deze memorie aan Anna van Hannover aanbood. Reeds voor twee jaar liad liij hetzelfde geschreven. Maar hij werd niet geloofd. Willem1 s zoogenaamde politiek van afwachten was immers door de uitkomst gekroond. Vredelievendheid, die strijd en botsing vermeed, scheen hem een waardige rol voor het hoofd van een staat toe. Eu Anna werd door persoonlijke consideratiën weerhouden, om Bentiuck te ge-looven. De hooghartige edelman was te weinig plooibaar eu boog niet diep genoeg voor haar koninklijken rang; zij wilde daarom aan zijn sombere voorspellingen niet gelooveu. Deze profeet van kwade dagen was te trotsch, te zelfstandig, te eigenwijs in haar oog.
En in zijn eigen wijsheid verspeelde dit stadhouderschap liet vertrouwen der burgerij, de toekomst van het land en van zijn eigen geslacht. Toen Willem IV na een korte ziekte stierf, jammerden de officicele lofredenaars, dat hij door onmatigen arbeid voor het land ziju gezondheid had ondermijnd. Het was de waarheid in zekeren zin. Hij had zeldzaam veel audientiën gegeven, veel gelezen, veel geschreven, veel plannen gemaakt, veel ontwerpen ontworpen en veel diners eu soupers bijgewoond. Maar hij had eéne zaak niet gedaan. Hij had de locale aristocratie niet verlamd door aan de burgerij een aandeel iu het bestuur te geven en hij had de macht van een algemeen bestuur niet gehandhaafd. Toen hij stierf, viel niet het hoofd van een staat, maar slechts een regent weg.
Toch waren de vier jaren van ziju zoogenaamd bestuur voor ons volk van groote beteekenis. De democratie â ua weinige jaren zou hij dien naam dragen â had voor
79
80 DE REPUBLIEK IN DE EEIISTE HELFT DEE ACHTTIENDE EEUW.
de laatste maal een beroep op het Oranjehuis gedaan. Het was vergeefsch geweest. Voortaan was het stadhouderschap niet meer het redmiddel, waarnaar de natie grijpen zou. Integendeel, het werd een struikelblok, dat te heftiger bestrijding zou vinden, naarmate van de oprichting meer was gewacht.
Den afgod, dien het volk had verheven, zou het met inspanning van alle krachten pogen neer te werpen. En die krachten waren te grooter, omdat de eerste helft dei-eeuw hare vrucht naliet. De afscheiding der provinciën, de onderscheiding der gewestelijke belangen was ondermijnd. De regentenaristocratie had door hare contracten van correspondentie den Hollander nader gebracht aan den Fries, den Zeeuw aan den Geldersman. Het eigenbelang der bevoorrechte standen had de scheidsmuren halverwege afgebroken , die de provinciale souvereinen scheidden. En de revolutie van 1747 had dat werk voortgezet. Het stadhouderschap over al de gewesten was in één hoofd vereenigd geworden. De nationale eenheid had een reuzenschrede vooruit gedaan door het belang van bijzondere personen. Zoo werken ook de kleinste en onzuiverste motieven, die in het leven van een volk gelden, mede om den draad der nationale ontwikkeling voort te spinnen.
Ill
HET TIJDPERK DEK PATEIOTTEN.
HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.
Het tijdperk onzer volkshistorie, dat de tweede lielft der achttiende eeuw omvat, is bekend als het tijdperk der patriotten. Kenmerkend is die naam niet; want alle partijen in de Republiek, van Oldenbarnevelt tot 1795, hebben zich patriotten genoemd. Maar na 1751 worden onder dien naam de tegenstanders van het Stadhouderschap en van Engeland verstaan.
Niet altijd was Engeland de buitenlandsche mogendheid geweest, waarop het Oranjehuis steunde. De eerste Stadhouders waren vrienden van Frankrijk; in de dagen van Cromwell had de Engelsche Republiek de verheffing van den prins van Oranje tegengewerkt. Maar sedert Willem III was Engeland de trouwe steun van het stadhouderschap. De omkeer van 1747 was niet zonder Engeland's hulp tot stand gekomen, en bij den dood van Willem IV was het eene Engelsche prinses die als Gouvernante voor de belangen van zijn zoon had te waken en zijne plaats innam.
Deze nauwe betrekking tot Engeland heeft op de volgende gebeurtenissen een beslissenden invloed gehad. De aanvallen
HET TUDPElUi DEil PATRIOTTEN.
op het stadlioudei scliap zouden waarschijnlijk nooit die hoogte hebben bereikt en zeker die kracht niet hebben bezeten, indien de band tnsschen de Oraiije's en het Engelsche vorstenhuis minder eng ware geweest. Thans diende veertig jaar lang die familiebetrekking aan de patriotten tot wapen, om de Oranje's te slaan. Omgekeerd zou ongetwijfeld de buitenlandsche staatkunde der Republiek een geheel andere zijn geweest, zoo men iu Engeland niet zijn bondgenoot, het stadhouderschap, had getroffen.
Een dergelijke beschouwing, zal men zeggen, gaat uit van de onderstelling, dat niet overtuiging, maar berekening de leiders en hoofden der patriotten heeft geleid. Er is geen grond om dit te betwijfelen. De schare, die de wet niet kent, heeft toen, als steeds, gevolgd; maar zij, die de Republiek regeerden, handelden uitsluiteud uit politieke partijzucht.
Die verbinding van een buitenlandsche mogendheid met het stadhouderschap der Republiek was niet willekeurig of toevallig. Engeland had op de gebeurtenissen van 1717 een beslissenden invloed gehad. De revolutie van 1747, die bestemd was om de regenten-oligarchie de handen te binden en aan de burgerijen de vrijheid te schenken, was door Engeland's goud, naar men zeide, bewerkt.
Maar 17'igt;7 was mislukt. De verheffing van Willem IV had geen andere vrucht gedragen dan teleurstelling en verbittering. Teleurstelling van de burgerijen, die wegneming van den kanker, welke den staat ondermijude * hadden verwacht. Verbittering bij de regenten, die bang waren geweest en zich door het volk tot de herstelling van een stadhouderschap luidden laten dwingen, dat volkomeu overbodig en slechts hinderlijk voor hen was gebleken. Het boezemde hun geen ontzag in en stond hun slechts
84
HET TIJDPERK DIMl PATRIOTTENquot;.
in den weg. Zoo die instelling hen gebreideld had. zij zouden ze gevreesd hebben: nu haatten zij het stadhouderschap, omdat zij liet minachtten.
Die minachting zou hun geen moed gegeven hebben, indien de zoon, die bij Willem's dood de stadhouderlijke waardigheid erfde, een krachtig man ware geweest. Immers dan ware hij er wellicht nog in geslaagd, de onmisbaarheid van zijn li oog ambt aan de natie te doen gevoelen en ontzag aan de tegenstanders in te boezemen. Maar hij was een kind van drie jaar, voor wie eene vrouw optrad, gebogen door alles, zwak door wat een karakter kan buigen, teleurstelling en lichaamslijden.
Anna van Hannover had lange jaren te vele vernederingen ondergaan, dan dat de korte periode van haar grootheid den invloed ervan kon vernietigen. Zij was de overmoedige jonge vrouw niet meer van vijf en twintig jaar geleden. Zij was de weduwe van een man, wiens leus: passief afwachten en geen partij trekken, had getriomfeerd. Zij moest waken voor de belangen van een zoon, die zijne hooge rechten, liaars inziens, alleen dankte aan die passieve wijsheid van zijn vader. Was liet wonder dat de Gouvernante het voorbeeld van Willem IV blindelings volgde?
Haar trots en vorstelijke fierheid bewaarde zij voor hare aanhangers: aan de regenten vielen de hoffelijke glimlachjes ten deel. Zij betaalden haar met vleierijen en strijkages; en de Gouvernante meende hen gewonnen te hebben Aan de oude Friesche vrienden. Van Haren en de zijnen, langer met haar en het holle ven bekend en buigzamer van aard, leende zij het oor. De zelfstandiger Hollandsche edelen, zooals Bentinck, waren haar te onafhankelijk: naar hen luisterde zij niet. Personen, die door hun positie, naaizij meende, toch reeds tot aanhankelijkheid waren verplicht.
85
HET TIJDPEllK DER PATllIOTTEN.
behandelde zij met koelheid en wantrouwen, indien zij zich nevens, niet onder haar schenen te stellen.
Een jaar vóór den dood van Willem IV was door diens invloed een man in dienst der Republiek getreden, die haar natuurlijke steun en raadsman moest zijn. Lodewijk van Brunswijk-Wolfenbuttel behoorde tot een dier vele kleine Duitsche vorstenhuizen, die, rijker aan kinderen dan aan vermogen, moeite hebben om hun rang op te houden. De zonen en dochters zochten daarom hun fortuin in den vreemde, deze door huwelijken, gene door militaire betrekkingen. Willem IV had Brunswijk tot veldmaarschalk doen aanstellen, met de erkende bedoeling, dat hij na zijn dood de raadsman van zijn vrouw en de waarnemer van de militaire betrekkingen en van de belangen zijns zoons zou zijn.
Anna was minder met hem ingenomen dan Willem was geweest. Weinig vrouwen zouden liet haar euvel duiden, want hij was alles behalve een Adonis. //Hij was een der leelijkste en logste mannen'quot; â schrijft een Engelschman, die hem goed gekend had â //welke men in de Republiek zien kon, waar leelijkheid en logheid volstrekt geen zeldzaamheid waren. Hij had een gebrek in de spraak, zoodat hij vreeselijk stotterde; zijn gewone manier van praten was verward, onbeholpen, breedsprakig, zoodat men moeite had om te begrijpen, wat hij eigenlijk wilde. Maar deze uitwendige gebreken werden vergoed door andere eigenschappen. Hij had een scherp oordeel, fijne menscheiikennis, groote sluwheid; en dat alles in dienst van een groote eerzucht. De gewone regelen van waarheid en goede trouw golden voor hem niet; iutrigeeren, om zijn doel te bereiken, was voor hem zulk een behoefte, dat hij het deed, ook waar het onuoodig was. Menschen voor zich in te
86
HET TIJ DP RUK DEtt PATRIOTTEN.
nemen, was een talent, dat hij in zeldzaam hooge mate bezat.quot;
Deze teekening, een der gunstigste, die wij bezitten, verklaart slechts ten deele., waarom Anna niet met Brunswijk overweg kon. Die man â dit was de hoofdoorzaak â nam een stelling in, die niet ondergeschikt was aan de hare; zij had hem meer noodig, dan hij haar. Zij vond hem niet gedwee genoeg, en zag niet, dat de steun van dien stotterenden veldmaarschalk haar onmisbaar was. Van Haren en de Friesche edelen konden Brunswijk niet uitstaan , die zich vermeette op den stoel van den Stadhouder te gaan zitten en de houding aannam, alsof hij boven hen stond. Openlijke brouillerieën onder de aanhangers van het stadhouderschap voorkwam Anna; maar zij zorgde niet dat haar aanhang aaneengesloten samenwerkte. Willem IV had er nooit van willen hooren, dat zijne vrienden zich tot een politieke partij verbonden. Anna dus evenmin. Zoo werkte het politiek inzicht, dat zij van Willem geërfd had, met den trots van haar eigen karakter samen, om de kracht van het stadhouderschap verder te verbreken, door de eenheid en eendracht van haar aanhang niet te verzekeren. En toch waren die eenheid en eendracht noodzakelijk.
Voor zijn persoonlijk geluk, de ongeschoktheid van zijn geloof aan zijn eigen wijs inzicht, was Willem TV bijtijds gestorven. Anna was minder gelukkig. Zij leefde lang genoeg om de eerste vruchten te zien rijpen van het uitgestrooide zaad en de eerste doornen te oogsten.
Bijkans onmiddellijk na Willem's dood had Amsterdam de oude, vijandige houding van vroegere dagen weder aangenomen. De aanhangers van het Oranjehuis werden vervolgd, het volk werd door smaadschriften opgewonden. Zoo
87
HET TIJÃPEUK DEI!, PATRIOTTEN.
heftig en openbaar was de vijandschap van de Amster-damsche regeering, dat Anna, om zich voor persoonlijke beleedigingen te vrijwaren, vermeed Amsterdam te bezoeken, zelfs waar er aanleiding toe bestond. Ook elders en in andere opzichten begon het verzet zich te doen gelden. Stadhouderlijke rechten, door Willem IV ongehinderd uitgeoefend, werden haar betwist. In de eerste jaren slaagde zij er nog in haar gezag staande te houden, maar alles bewees, dat de reactie, tegen 1747 veld wou.
Een quaestie van buitenlandsche politiek bracht eerlang de botsing. In 1735 ving de zevenjarige oorlog in Duitsch-land en de strijd tusschen Frankrijk en Engeland in Amerika aan. Van alle kanten was de Republiek door strijd voerende partijen omsingeld. Krachtens bestaande trac-taten was zij verplicht, Engeland met schepen en manschappen bij te staan. In den aanvang werd door alle partijen hier te lande de verplichting der Republiek en het goed recht van Engeland, om hulp te eischen, erkend. Maar spoedig veranderden de inzichten. In 1755 kwam in den Haag een Fransch gezant aan, d'Afl'rj geheeten. Hij werd gezonden om de Republiek tot onzijdigheid, zoo niet tot aansluiting aan Frankrijk te bewegen. Hij was een bekwaam diplomaat en een sluw intrigant. Tegen de regeering voerde hij een hoogen en dreigenden toon, en deed haar den toorn zijns meesters vreezen. De toon maakte te dieper indruk, naarmate het gevoel van machteloosheid grooter was. Nog altijd waren 's lands kassen leeg, de marine eu het landleger verwaarloosd. Er was na 1747 niets tot herstel gedaan. Om den invloed der Oranjepartij, die op trouw aan de tractaten aandrong, te breken, zocht d'Affry zijn steun bij de stedelijke regenten en vroedschappen. De inzichten van Frankrijk dienden
88
HUT TIJDPKllK DER PATIUOTTEN.
de stedelijke aristocratieën het best en doelmatigst oin den invloed van Engeland te fnuiken. Men zegt, dat de gezant de eerste regentenclubs heeft opgericht, die de patriotten van verschillende plaatsen en gewesten verbonden om éene lijn te trekken. In Amsterdam vond hij zijne warmste vrienden en de gewilligste werktuigen; de Amsterdamsche handelaars leverden gronden en voorwendsels voor de eisehen en klachten hunner bestuurders te over. Ook het uiterlijk aanzien van het Oranjehuis, voor politieken invloed niet zonder beteekenis, ondermijnde hij. Vorstelijk was de levenswijze van Anna van Hannover. De Fransche ambassade trad als haar mededingster op, en de menigte zag de prinselijke weelde van het Oranjegeslacht overtroffen dooiden verkwistenden voet, waarop de gezant eener vreemde mogendheid, Enge laud's vijand, leefde.
Ue uitwerking bleef niet achter. De Republiek weigerde aan hare verplichting te voldoen en wees Engeland's aanvraag om hulp op de lompste wijze van de hand.
De straf volgde onmiddellijk.
Verbitterd over die onwaardige bejegening, weigerde onze bondgenoot sedert bijkans een eeuw den Hollandschen handel op Amerika vrij te laten en kende zich het recht toe, de handelsschepen op zee te onderzoeken. Zij, die verboden waren of contrabande aan boord hadden, werden verbeurd verklaard. Groot en aanzienlijk waren de verliezen, die de handelaars leden, voor wie de smokkelhandel een der rijkste bronnen van inkomst was. Maar grooter en aanzienlijker nog schijnen de winsten geweest te zijn. Er zijn tijdgenooten, die verzekeren, dat het groot fortuin van Amsterdam vooral uit deze jaren afkomstig is.
Niettemin was de kreet van afgrijzen algemeen, die
89
HET TIJDPEUK DER PATRIOTTEN,
door liaudelaars en regenten tegen liet misdadige Albion, liet vaderland van Anna van Hannover, werd aangelieven. Zij wensoliten, dat linn schepen van staatswege tegen de Engelsche onderzoekingen bescliermd en oorlogsschepen daartoe uitgerust zouden worden. Ware het geschied en de oorlog verklaard, de Republiek zou haar dienstbaarheid aan Praukrijk's invloed duur betaald hebben. De haat der regenten tegen het stadhouderschap verblindde het kalm overleg en maakte hen tot speelballen van de sluwheid van d'Affrj. Doch de invloed van de Gouvernante was nog groot genoeg om dit uiterste te beletten. Zij voorkwam de wapening ter zee en het uitbreken van den krijg.
Tegen haar richtten zich thans aller handen, liet adressen en beleedigende vertoogen werd zij bestormd. quot;Eén woord van a, en de uitrusting ter zee heeft plaatsquot;, wierpen de Amsterdamsche handelaars en regenten haar voor de voeten. «Eén woord van haar, en onze schepen zijn beschermdquot;, herhaalden zij aan het lichtgeloovige volk.
Wat zouden die Hollaudsche handelaars zijn geschrikt, indien zij dat ééne woord gesproken en het kanon van het misdadige, machtige Albion geantwoord had!
Maar zij sprak het niet, omdat zij met haar vader niet in oorlog wilde ziju. Toen zij in Januari 1759 stierf, scheen een opstand tegen haar nabij. Doch haar dood maakte hem overbodig. Thans zou geen vreemde prinses meer de voldoening beletten van de eischen van handelsbelang en nationale eer.
Nog drie jaar duurde de krijg tusschen Engeland en Frankrijk voort. Gij verwacht nu, dat de jSTederlandsche regenten, deze ware en oprechte patriotten, deden, wat zij van Anna hadden geëischt. Eén woord slechts behoefde het hun immers te kosten.....
90
HET TIJDPERK DEB, PATRIOTTEN.
Gij vergist u. Amsterdam met zijn aanhang liet zich rustig berooven door Engeland, het protesteerde niet meer, het klaagde niet meer, maar smokkelde voort. Niet de waarheid, niet overtuiging, maar partijzucht en partijbelang had hen bewogen. Het was om de vernedering van het stadhouderschap, niet om den handel, te doen geweest. ,
Er was één man in de Republiek, die, vreemdeling hier te lande, dit onwaardig spel met opmerkzaamheid had gadegeslagen. Voor hem, gewend aan de absolute regeeringen van Duitschlaud, was liet zeer leerrijk. De regee-ringloosheid alleen regeerde hier, zei Brunswijk.
Hij had, voorzoo veel hem gevraagd werd en de voor-zichtigheid toeliet, Anna gesteund en d'AfFry tegengewerkt. Deze vergaf liet hem niet eu sloot, na den dood van de Gouvernante, zich aan Yan Haren en diens Erieschen aanhang aan, die Brunswijk den voet wilden lichten. De zeventienjarige Caroline, kort te voren verloofd aan een neef Nassau-Weilburg, wilden zij in zijne plaats tot Gouvernante en Yoogdesse verheffen. Doch de poging mislukte geheel, toen de aanhang van Caroline uiteen werd geslagen door den val van haar hoofd, Onno Zwier van Haren.
In Mei 1761 was de Republiek vervuld met zijn onge-lioord schandaal. De trotse he edelman â //vader was zoo hoog als de huizen1'', zeiden zijn kinderen â werd beschuldigd, een aanslag op de eerbaarheid van zijn eigen dochters te hebben gedaan. Hij zelf onderteekende een stuk, waarin hij de euveldaad bekende. Des ondanks werd toen eu later zijn schuld ernstig betwijfeld. Er waren omstandigheden, die de geheele zaak een politieke intrige deden achten. Hoe dit zij, Van Haren verloor allen in-
91
HET TIJDPERK DEK. PAT11I0TTEN.
vloed en verdween van liet politiek tooneel, en met liem de caudidatuur van Caroline.
Voor Bmnswijk was de opgedane ervaring niet tevergeefs. Representant van den Erfstadhouder, over wien de andere voogden hem de geheele leiding overlieten, begreep hij, dat zijn positie volkomen onhoudbaar was, zoo hij met de heerschende partij niet op goeden voet verkeerde. De machtelooze Oranjepartij kon hem niet staande houden, zoo hij de gunst der regentenpatriotten verloor. Met voor-en tegenstanders van den jongen Erfstadhouder, wiens opvoeding hem toevertrouwd was, moest hij op goeden voet blijven, zoo hij zijn hooge en voordeelige plaats in de Republiek wilde behouden. Van hein, den vreemdeling, kon niemand vergen, dat hij zich opofferde voor de belangen van een kind, die hij door overmatigen ijver en vasthoudendheid wel schaden maar niet baten kon.
Het moeilijk probleem, tussehen onverzoenlijke tegenstanders een zelfstandige positie in te nemen en gelijktijdig de gunst en goedkeuring van staats- en prinsgezinden te verwerven, is door Brunswijk opgelost op een wijze, die voor zijn beleid bewondering afdwingt. Een volkomen onbeteekenend man speelt een dergelijke rol niet. Door het karakter van den jongen Willem viel het hem trouwens niet moeielijk.
Verschillende omstandigheden werkten begunstigend. Het was in zijn voordeel, dat de magistraatsbestelling gedurende Willem's minderjarigheid in handen der Staten was: het bewaarde hem voor moeielijkheden. Op het militair terrein , met de regeling waarvan hij belast was, bracht hij verbeteringen tot stand, die bij allen erkenning konden vinden. Met het binnenlandsch beheer, waarop hem geen officieele invloed was toegekend, bemoeide hij zich niet
93
HET TIJDPKUK DE 11 PATRIOTTEN.
officieel. Zoo, door zicli tegen niemand te verzetten, werd liij de vriend van iedereen. Goed financier, zorgde hij voor liet vermogen van den minderjarigen Willem als voor het zijne. Den verwarden staat der geldelijke aangelegenheden herstelde hij, zoodat de jonge Erfstadhouder bij zijn meerderjarigheid geacht werd een inkomen van twee millioeu te bezitten.
* Er is veel gesproken over de opvoeding, die hij nan den jongen Willem V heeft gegeven. De Oranjepartij heeft op liem de schuld geworpen van het onbeduidend en weifelend karakter, dat de laatste Stadhouder als man openbaarde. Aan zijn persoonlijk belang heeft Brunswijk dn.t van het kind opgeofferd zegt men. Hij heeft hem gemaakt tot een onzelfstandig wezen, een verward hoofd, gewoon op anderen te steunen, zonder eigen inzicht of kracht van wil. Het is zijn doel geweest, hem aan voortdurende afhankelijkheid te gewennen, opdat hijzelf onmisbaar zou zijn. //Men gewende hemquot; â vertelt de Perponcher â //men gewende Willem, wieii het noch aan talenten, noch aan goed hart, noch aan welmeenendheid ontbrak, zelfs de kleinste bijzonderheden na te gaan en uit te vorschen. Eene hebbelijkheid, die eindelijk altoos dringt de groote zaken te laten oploopeu en door anderen afdoen. Men boezemde hem daarbij veel mistrouwen in tegen zich zei ven, opdat hij denken mocht, raad en leiding noodig te hebben. Deze opvoeding werd de groote oorzaak van zijn zoo dikwijls weifelend, zelden vertrouwend, nimmer eenparig blijvend gedrag.quot; In hoofdzaak komen alle getuigenissen op dit punt overeen.
Jammer maar dat alle bewijs ontbreekt, dat er van den jongen Willem iets anders ware te maken geweest. Professor Weis, die hem onderricht gaf, weet uit die leerjaren niets
93
HKT TIJDPEKK DER PATUIOTTKN.
anders te roemen dan zijn ijver, zijn weetgierigheid en zijn goedhartigheid. Van talenten is nergens eenig spoor. Toen Anna van Hanuover stierf, was haar zoon ruim tien jaar, dus oud genoeg om, zoo er staal in zijn karakter was geweest , het te toonen. Maar niemand weet een enkele proeve er van aan te voeren dan deze, dat hij bij zijn jongensspelen altijd kapitein wilde zijn, wat zeker niet bijzonder opmerkelijk is.
De jonge Willem was wat de zoon van zijne ouders zijn moest. Al de karaktertrekken, die hij toen en later aan den dag legde, vinden wij bij zijn vader en moeder terug. Hij had den trots van Anna, maar tevens haar plooibaarheid jegens hare tegenstanders. Van persoonlijken moed heeft hij nooit blijken gegeven; hij werd zoowel door omstandigheden als door personen in bedwang gehouden. Passief, gelijk zijn vader, miste hij alle energie om krachtig op te treden en zich te doen gelden. Evenals Willem IV wist hij veel, stelde hij in veel belang, ging hij onder in détails. Dit behoefde niemand, ook Brunswijk niet, hem te leeren: het was een deel zijner vaderlijke erfenis. Hij bezat als zoovele menschen, die velerlei kennis hebben, welke zij steeds vermeerderen zonder ooit opruiming te houden, â¢â vergeten is ook een kunst, die beoefend moet worden, â groote ingenomenheid met zijn wetenschap en met ieder onderdeel er van, maar kon er geen gebruik van maken. Hij had het veelzijdig inzicht, dat alle mogelijkheden voorziet, en juist daardoor machteloos maakt om te beslissen. Deze karakterfouten worden niet ingeënt, zij worden niet aangeleerd. Zij vloeien vanzelf uit den aanleg voort. Een krachtig karakter, dat de neiging tot handelen in zich heeft, kan jaren lang onderdrukt worden: het kan door een verkeerde opvoeding tot verkeerd handelen worden ge-
94
HKT TIJDPERK DKR PAT11I0TTEN.
braclit. Maar het verraadt zich, zij 't ook door uitspattingen. Lode wijk XV heeft de opvoeding genoten, die men aan Willem V toedicht; en toch is er een tijdperk voor hem aangebroken, waarin hij zelfstandig, zij 't ook verkeerd, gehandeld heeft. Bij Willem V zoekt men in al de jaren zijner jeugd, vóór en na zijn tiende jaar, naar eenig woord of eenige daad, waaruit kracht, zelfstandigheid, oordeel spreekt. Zij zijn niet te vinden. Ziehier een enkele proef, die zijne lofredenaars aanvoeren ten bewijze van zijn goedhartigheid. Toen hij haar leverde was hij al zestien jaar. Het was kermis in Den Haag. Tot de nouveautés behoorde een tent met Neurenberger kramerijen, groote en kleine. De prins kwam er met eenig gevolg van heeren en bedienden. Onder de laatsten bevonden zich een paar knechts, die negers waren. Willem bezag de kraam, bekeek alles en kocht eindelijk, zonder te dingen, de ge-heele tent met alles wat er in was. Niemand begreep wat hij er mee doen moest. Hij vermaakte zich met de verbazing , die nog steeg, toen men hem hoorde bevelen, dat de twee zwarte knechts alles wat er in was voor vier stuivers het stuk, kostbaar en onkostbaar, ten voordeele van hun eigen zak, mochten verkoopen. De aardigheid, waaraan de kleinigheid ontbrak die men geest noemt, gaf tot veel gepraat en gelach aanleiding.
Indien Brunswijk dezen jongen man wilde bederven, om hem voortdurend van zich afhankelijk te maken, had hij niets te doen, dan zicli te onthouden. De natuur had Willem misdeeld van alle gaven van verstand en karakter, waardoor hij, zelfs in gewone tijden, zijn hooge plaats met eere kon innemen. Het eenige wat Brunswijk had in acht te nemen was, zijn ijdelheid verschoonen. Want Willem bezat, gelijk dergelijke karakters gewoonlijk, veel
95
HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.
ijverzucht jegens ieder, die hem wilde regeeren. Maar Brunswijk, te rijk aan menschenkennis om het gevaar niet in te zien, wist het uitnemend te vermijden. Hij be-heerschte Willem van der jeugd af; en toen de jonge Stadhouder meerderjarig werd en zelf zijn waardigheid heette te aanvaarden, wist hij hem tot een stap te bewegen, die misschien zonder weerga in de geschiedenis van eenig vorstenhuis der wereld is.
Willem V was door zijn geboorte Stadhouder. Desniettemin liet Brunswijk hem aan de Staten om een akte van aanstelling vragen, als ware hij een ambtenaar. Deze oogendienst der regenten had een doel. Brunswijk's taak in de Nederlanden was door de meerderjarigheid van den Stadhouder eigenlijk ten einde. In elk geval zou hun verhouding een geheel andere worden: de voogd trad in ondergeschikte betrekking tot zijn vroegeren pupil. Met medeweten en goedkeuring van invloedrijke hoofden der regeering bewoog hij den jongen Willem V tot het teekenen van eene akte, waarbij hij zich feitelijk ouder de voortdurende voogdijschap van Brunswijk stelde, die hem met raad en daad zou voorlichten en bijstaan in alle deelen van zijn stadhouderlijke waardigheid, ook waar aan Brunswijk vroeger alle inmenging uitdrukkelijk was verboden geworden. De curieuse akte van consulentschap werd door Bleiswijk, die korten tijd daarna tot Eaadpensionaris werd verheven, gesteld en was een merkwaardig bewijs van de hooge gunst, waarin de hertog bij de regenten patriotten stond, en van de afhankelijkheid, waarmede de jonge Willem tot den zoo bekwamen en sluweu raadsman zijner jeugd opzag. Een tweede voorbeeld van een vorst, die vrijwillig zich voortdurend officieel onder curateele stelt, is onbekend.
96
HET TIJDPERK DEll PAT11I0TTEN.
Een jaar later huwde Willem V. De jonge vrouw, die hem haar hand schonk, was een nichtje van Brunswijk en dankte waarschijnlijk daaraan de onderscheiding. Wilhel-mine van Pruisen was een dochter van den Prins van Pruisen, een broeder van Prederik den Groote, die na liaars vaders dood voor haar zorg had gedragen. Zij was zestien jaar toen zij in de Nederlanden kwam' Gewoou aan de vereering, waarmede in Pruisen de koninklijke waardigheid werd gediend, verbaasde zij zich over den republi-keinschen eenvoud en de onachtzame bejegening, die den Stadhouder iu de Republiek ten deel vielen. Maar in de eerste jaren heeft zij zich zeker van den waren staat van zaken geen de minste rekenschap kunnen geven. Zij had haar leertijd noodig, voordat zij personen en toestanden juist kon onderscheiden. De invloed bovendien, waaronder zij stond, was niet geschikt haar de oogen te openen. Gelijk Willem onder curateele .van Brunswijk, stond zij onder den invloed van haar vroegere gouvernante, die nu haar hofdame was, freule Von Danckelmann. Deze, een echte has bleu politique, regeerde haar, en Brunswijk was slim genoeg om de oude jutter voor zich te winnen. Vandaar dat, naar de Oranjegezinden klaagden, dit huwelijk geen de minste verandering in den invloed van Brunswijk te weeg bracht, ja, hem zelfs versterkte. Ofschoon hij in de Pooten woonde, bracht Brunswijk den geheelen dag aan quot;t Hof door en hield Willem zoo bezig, dat hij dikwerf niet vóór het middagmaal bij zijn jonge vrouw kwam. Men vertelt zelfs, dat hij zich aan 't diner tusschen Willem en Wilhelmine plaatste, onder voorgeven dat het te burgerlijk was, als zij bij elkander zaten.
Doch de tijd zou eens komen, dat deze Wilhelmine, zijn voogdijschap moede, zich tegen hem keerde. Slechts
Joris sen. 12 7
97
HUT TIJDPERK DKll PATIlIOTTKX.
langzamerhand gingen haar de oogen ojien en leerde zij den man peilen, aan wien zij verbonden was. Vreemd op het politiek tooneel, waarop zij een plaats innam, eu onbekend met de ingewikkelde politieke machine, die de staatsregeling der Republiek heette, behoefde zij tijd om beide te leeren kennen. Maar de Pruisische prinses, die officieel voortdurend boven haren echtgenoot met den titel Koninklijke Hoogheid prijkte, was de vrouw niet om blijvend ondergeschiktheid te betoonen jegens hen, die zij hare minderen achtte. En nog minder, om zonder tegenspraak eu verzet te berusten in de miskenning van rechten, die zij als het wettig eigendom van haar hoogen rang had leeren kennen. Aan haar zou de Oranjedynastie het te danken hebben, dat zij ten minste niet viel zonder de waardigheid die tegenstand, zij het ook een vruchtelooze, aan eiken ondergang schenkt.
II
Aan de omverwerping van bestaande toestanden gaat een omkeer in de heerschende denkbeelden vooraf. Tot verzet komt een natie slechts, wanneer de staatsinstellingen in onverzoenlijken strijd met de eischen harer ontwikkeling worden geacht. Nu is het betrekkelijk gemakkelijker, de wordingsgeschiedenis der Fransche revolutie te verklaren, dan die der onze. In Frankrijk zijn personen, Montesquieu, Voltaire eu Rousseau de dragers der begrippen, die het oude doen vallen, li ij ons echter zijn geen mannen, die represeuteeren. Aan geen enkelen naam bij voorkeur beclit zich de ontwikkeling der ideeën. Er zijn veel strijders, maar geen overwinnaars. Er is nergens een domineereude persoonlijkheid.
98
HET TIJDPERK DEll PAÃBIOTTKX.
Eeu der oorzaken v;ui dit verschijnsel ligt in het karakter der patriotische beweging. Zij ontstaat door de werking van twee faktoren, die elkanders doodvijanden zijn. Dit belet alle eenheid.
Tot Willem IV is de binnenlandsche historie der Republiek de geschiedenis van den strijd der twee groote partijen; de Oranjepartij en de Statenpartij. De laatste ontaardt in de 18quot;-' eeuw in regenten-oligarchie en heet zich na IT-iZ de patriotische. Maar in haar rijen wordt straks een element opgenomen, dat aan de regenten even vijandig is als aan het stadhouderschap. Met is de democratische, de volkspartij.
Volk, gemeen, gepeupel, kerels zijn er ten allen tijde geweest. Maar onder den naam der volkspartij wordt in de Republiek nog aan iets anders gedacht dan aan de lagere klassen. Onder den algemeenen naam verschuilen zich mannen van allerlei stand: rijken en armen, kooplieden en handwerkslieden, beschaafden en geestelijk onmondigen; allen, die niet tot de ambtenaren van den staat of tot de patricische geslachten behooren; allen, die door de bestaande instellingen van staat uitgesloten zijn van invloed op politiek gebied, hetzij om hun stand of hun geloof. Het eigenlijk gepeupel heeft ten allen tijde zich doen gelden; het heeft Johan de Witt vermoord. Maar de democratische partij treedt pas na 1747 op het politiek tooneel. Zij wordt eerst gevormd in de dertig jaar, die na den dood van Willem IV volgen.
Een onmisbaar vereischte is in die jaren aanwezig. Er heerscht geen gebrek, dat belet zich met andere dan eigen persoonlijke belangen bezig te houden. Uit het oogpunt van materiëele welvaart onderscheidt zich het tijdperk van 17:1'7â1778. Wiet alleen het staatsvermogen, ook het
99
HET TIJÃPKllK DHR PAT MOTTE N.
particulier vermogen bloeit. De twee raadpensionarissen, Stein en Bleiswijk, zijn voortreffelijke financiers. De scliul-den van Holland worden zeer aanzienlijk verminderd. De winsten, die de handel afwerpt, zijn groot; grooter nog dan de klachten der handelaren. Nevens den warenhandel, ja boven hem â zegt men â verheft zich in deze jaren de ontluikende effectenhandel. In Holland is de geldmarkt, waar alle staten de leeningen sluiten, benoodigd om de kosten van de dure oorlogen te betalen. In Engelsche fondsen hebben de Hollanders 600 millioen belegd; in Pransche rekent men een gelijke som. Het bedrag der Duitsche leeningen is onbekend. De vermogende geniet, zonder te arbeiden, de vruchten van eigen vlijt of van die der vaderen. De stand der renteniers ontstaat. Zij spinnen niet, zij arbeiden niet, en toch zijn velen hunner gekleed als Salomo in al zijne heerlijkheid.
Zij hebben den tijd om rond te zien en te denkeu over hetgeen hun oogen waarnemen, den tijd om te lezen, te praten, zich te ontwikkelen en tevens het leven te genieten. Zij doen dat alles en zij niet alleen. Het regeeren is uiet tijdroovend, zoo lang het niet dan besturen is. En feitelijk is het niet veel meer. [edere provincie staat op zicli zelf, iedere stad is onafhankelijk. Openbare belangen, wier behartiging b.v. in de 19de eeuw van een stedelijk bestuur worden gewacht, zijn er weinige. Van tijd tot tijd een enkele keur, het handhaven van de openbare orde en veiligheid, stedelijke rechtspraak, benoemingen van ambtenaren, toezien op Gods- en weeshuizen, het controleeren van de kerk en de dominé's â daartoe bepaalt zich ongeveer het bestuur van een stad. De regeering heeft de entresol nog uiet verlaten, ten einde op de straat naar de middelen te zoeken, om algemeene belangen te bevorderen.
100
HET TIJDPEUK ÃEH PATRIOTTEN.
Toch wordt liet bewustzijn van hun bestaan levend. Daartoe werkt, vooral in de groote steden, de stroom van vreemdelingen mede, die in het volk zijn opgenomen. De Engelsohen, onder de Stuart's gevlucht; de réfugiés, vóór en na 1685 uit Frankrijk overgekomen; de Joden, die uit Polen zich in Holland vestigen; de Duitschers, in het leger, aan het hof, in den handel, in staatsdienst of aan de hoogescholen gevestigd â zij allen laten hunne sporen na in den volksgeest. Even breed en bont als de verscheidenheid der kleedij, is de stroom der ideeën, die zij verspreiden, ook waar zij ze niet voorstaan. Hun inzichten en denkbeelden zijn afwijkende van de heerschende, maar vinden weerklank, bevestiging en bewijs in de geschriften van Locke, Voltaire, Rousseau en van dien talrijken stoet van buitenlandsche auteurs, wier werken aan het Euro-peesche publiek door den handelsgeest der Nederlandsche uitgevers worden aangeboden.
Het geslacht, dat dertig jaar in vollen vrede en welvaart leeft, neemt de elders gistende denkbeelden in zich op, verwerkt en verspreidt ze, mondeling en schriftelijk.
In het ontelbare getal van genootschappen, dat ontstaat, worden de ideeën, die nieuw zijn â en aan deze is geen gebrek â besproken en beredeneerd. Doch het gesproken woord, hoe machtig toen als steeds, is noch het eenige noch het machtigste. Tot bet begin dezer eeuw is het latijn het groote voertuig der gedachte geweest: nog zijn er velen, die het klassieke gewaad het eenig zaligmakende kleed van wetenschap en kennis achten. Maar hun rijen verminderen. Aan de hoogescholen des lands doet de moedertaal haar intocht, en in de periodieke literatuur viert zij haar triomf. Van Effen telt een rij van opvolgers, die de maatschappij tot zelfkennis pogen te bren-
101
HKT TIJDPiritK DER PAÃllIOTTKM.
gen. Maar uog grooter is de rij der tijdscliriften, weekbladen, couranten, vlugschriften, die in de maatseliappij de kennis verspreiden van wat buiten den eigen levenskring, buiten de muren der stad, buiten de palen der provincie, ja zelfs buiteu de grenzen der Republiek hoofden en harten doet kloppen. Als in 1763 en in 1772 de beurzen van Amsterdam en Rotterdam door bankroeten op bankroeten worden geschokt; als de groote Encyclopfedie in 17öl te Parijs aanvangt te verschijnen; als de opstand in Noord-Amerika geheel westelijk Europa in beweging brengt, dan trekken deze verschijnselen ook de aandacht buiten de kringen van 's lands vaderen die aan het roer van staat zijn gezeten; dan worden zij besproken in sociëteiten, leesgezelschappen, genootschappen, door mannen van allen stand en van elke richting. De boom der kennis is in het Eden der regenten-aristocratie geplant, en niet hare, handen alleen plukken er de rijpe en onrijpe vruchten af.
Deze dertig jaar zijn de schooltijd, de leerjaren van de nieuwe maatschappij, van het zich vormende volk. Aan de kerk was tot dusver de opvoeding vertrouwd, maar zij ziet zich de taak uit de handen genomen, ja gewrongen. De slagen, door Voltaire tegen de kerk van Erankrijk gericht , treffen ook de Hervormde Kerk in de Republiek, omdat zij heerschende is. De aanval van buiten wordt ge-steuud door vijanden van binnen: dissenters en katholieken leggen de handen ineen, om haar te bestrijden. En niet langer steunt haar het vertrouwen der geloovigen, dat zij de heilige ark der geopenbaarde waarheid is. Want sedert Newton's en Locke's ontdekkingen is het geloof aan openbaring ondermijnd, en met de leer ook de waardeer mg harer predikers in de maatschappij. Deze luistert naar andere stemmen, rijker begaafd en breeder ontwikkeld.
102
H KT TIJDL'KRK DHR PAT11I0TTK.V.
Het zijn de dissenters, die in de literatuur van den dag den boventoon voeren: Lucretia van Merken is de klein-docliter van Barlaeus, liet slachtoffer van 1618, Loosjes is mennoniet. Ook waar geen strijd wordt gevoerd, worden ideeën verspreid , onvereenigbaar met hare heerschappij. Een algemeen humanisme wordt gepredikt, eene philan-thropie aanbevolen, op hooger eischen gebouwd, naar breeder levensopvatting wijzende, dan binnen de enge muren van eenige kerkinrichting kunnen worden bevredigd, ja toegelaten.
Verdraagzaamheid jegens denkbeelden, die afwijken van eigen overtuiging, wordt aanbevolen: met haar is geen heerschappij van eenige exclusieve meening te vereenigeu. De moraliteit zoekt naar een anderen grondslag dan de dogmatische leerstellingen der kerk, die openlijk betwist en betwijfeld worden. De dissenters zijn talrijk in de Republiek; bij het einde der eeuw wordt het zielental der gereformeerden op 1.150.000, dat der dissenters op 650.000 begroot. De staatskerk telt dus slechts 500.000 meer. Maar de dissenters, i\itgesloten van staatsbetrekkingen, hebben zich op handel en nijverheid geworpen, en schatten waren het loon, dat de hemelsche gerechtigheid hun schonk voor de trouw aan hun kerkgeloof. Zij beliooren tneeren-deels tot den fatsoenlijken stand: zij zijn het, die de vreemde denkbeelden, gelijk de vreemde waren, het eerst hebben geïmporteerd. Zij zijn liet ook, die èn door hun maatschappelijke positie èn door lam strijd voor de vrijere denkbeelden de staatskerk ondermijnden, om toegang tot de staatsambten te bekomen.
De regenten-patriotten zien den aanval met welgevallen en lijdzaamheid aan, omdat de kerk de bondgenoot van het stadhouderschap is. De meeste gereformeerde predi-
10-3
104 HET TIJDPEUK DEK PATIUOTÃEN.
kanten zijn Oranjegezind. Vermindering van den geestelijken invloed doet ook liet aanzien van den Stadhouder dalen. De regenten zien het gevaar der nieuwere denkbeelden niet in; zij zien niet in, dat inet de kerk de bestaande staatsorde wordt bedreigd. Zij meenen ze te kunnen beheerschen, en spelen met vuur. Naar gelang hun belang het vordert, zijn zij voor of tegen de nieuwere denkbeelden. Als Caroline, de oudere zuster van Willem, huwt met haar neef, Nassau-Weilburg, vraagt zij, om haar erfrecht te behouden, goedkeuring der Staten. Op eenmaal zijn zij orthodox, en vol gemoedsbezwaren tegen liet huwelijk, omdat de bruigom Lutheraan is. Maar als eenige jaren later een rechtzinnig leeraar der staatskerk, aanhanger van Oranje, het waagt te betwijfelen, of Socrates en andere voortreffelijke heidenen wel in den hemel zijn, dan zijn aller handen tegen hem gekeerd en de regenten laten ongehinderd aller slagen op het hoofd van den Oranjeklant nederdalen.
In 1751 werd te Amsterdam een winkelier, Daniël Raap, begraven. Hij was een der leiders van de volksbeweging van 1747. Zijn begrafenis in de Nieuwe Kerk had volgens gewoonte des avonds plaats, onder een ontzettenden aandrang en woeste beweging van het gepeupel. Slechts met moeite werd de doodkist, die herhaaldelijk van de baar was geworpen en reeds aan eene zijde gebarsten, aan de handen van het gemeen ontrukt: het wilde zich in den doode wreken op de grootsche verwachtingen, die van Willem IV gekoesterd en zoo weinig vervuld waren. De regeering van Amsterdam liet de euveldaad ongestraft. Het was haar welkom, dat ook het gemeen met verbittering tegen het Oranjehuis werd vervuld.
De mannen van 1747 hadden zich en hun daad te ver-
HET TIJDPERK DUll PAT1110TTEN. 1(J5
dedigen. En zij dedeu het, door een nieuw beginsel uit te spreken. De Oranjepartij predikte de leer der volks-souvereiuiteit. quot;Als zij, die op het kussen zijn, slecht beheeren, heeft het volk het recht een nieuwe regeerings-wijze in te richten en het gezag in andere handen te stellen.quot; Dit was de leer van Locke, van Rousseau, die het eerst openlijk door de Oranjepartij werd aanbevolen en straks de geloofsformule van de volkspatriotten werd.
Deze leer was voor elke bestaande regeeriug gevaarlijk. Voor de regenten zoowel als voor de stadhouderlijke partij. Maar weinigen zagen de strekking er van in. De volks-souvereiniteit werd het modedogma van den dag, dat alle standen huldigden, onder voorbehoud van tegen de praktische toepassing zich te verzetten, als zij him belang schaadde.
Maar deze nieuwe leer der volkssouvereiniteit had hoogere titels dan de gunst der mode of het gezag van de gevierde auteurs des tijds. Zij zou in de Nederlandsche republiek nooit dien algemeenen bijval verworven en niet dien grooten invloed uitgeoefend hebben, indien zij niet schijnbaar gestaafd en bevestigd was geworden door de volkshistorie.
In 1751 verscheen het eerste deel van een arbeid, dien ieder kent. Het was het eerste deel der Yaderlandsche Historie, geschreven op aanmoediging en met ondersteuning der Amsterdamsche regeering door Jan Wagenaar. De brave en geleerde schrijver leverde een lofrede, schoon kalm en gematigd, op de Statenpartij. Bijkans gelijktijdig ontstond er een pennestrijd, die zeer de aandacht trok. Zij gold het karakter van Johan de Witt. Waar was in de geschiedenis der Republiek een staatsman aan te wijzen, die met hem op ééne, lijn kon staan? Onder hem nam de Nederlandsche staat zonder vreemde hul}) een eerste
II KT TIJDPERK DKU PATMOTTKN.
plaats ouder de mogendlieden van Europa in: Engeland de bondgenoot var liet stadliouderscliap, maar de vijand des lands eu van zijn handel, beefde voor de wapenen der Republiek onder liet bestuur van dezen tegenstander van 't Oranjehuis.
Zoo deed de regenten-aristocratie eeu beroep op de historische herinneringen des volks, en poogde het verleden tot bondgenoot in haar strijd tegen het stadhouderschap aan to werven.
Doch in het tuighuis der historie schuilen meerdere wapenen, eu wie het binnentreedt met partijdigen zin, verlaat het zelden ongekwetst.
lu 1743 trad aan de kleine Akademie te Franeker een nieuw hoogleeraar op, Trotz geheeten. Hij ving aan een nieuw leervak te onderwijzen; het Nederlandse he staatsrecht. Hij hield geen philosophische bespiegelingen over het wezen van den staat, zijne grenzen en rechten, maar vestigde de aandacht op de oude grondwetten, die hij vond. De studie der oude staatsinstellingen werd met woord en daad door hem aanbevolen en de lof van een nationale vertegenwoordiging verkondigd. Ziju voorbeeld vond navolging; en eerlang werd ook te Leiden en te Utrecht liet onderzoek van de oude keuren en instellingen de wetenschap, die tot zich trok.
Verrassend waren de resultaten. Het bleek dat er een tijdperk was geweest, waarin het volk invloed op de samenstelling der besturen had gehad, waarin aan de hooiden der burgerij wettiglijk de bevoegdheid was toegekend om mede te kiezen bij de keuze der vroedschappen. Wat de modewetenschap, het natuurrecht, verkondigde, dat het volk souverein was en het recht had mede te gelden, liet bleek een oud recht van de bewoners dezer landen te zijn. De
100
HET TIJDPBKK DDR PAT1U0ÃTKK.
Republiek, de regenteu-aristocratie, had de burgeiijen van dat recht beroofd.
Zoo keerde zich de historie tegen hen, die haar hadden ingeroepen. Het onderzoek van liet volksverleden rechtvaardigde de eischen des tijds. Plet volk vroeg niets nieuws, niets onbillijks: het eischte slechts zijn oude rechten terug, als het deelneming en stem in de verkiezing zijner regenten vroeg.
Akademische leerstellingen vallen niet onmiddellijk onder het bereik der groote menigte. De leerlingen der hooge-school maken in hun maatschappelijke werkzaamheid of door populaire geschriften de ingezogen denkbeelden tot het gemeen goed der natie en tot den grondslag van een heerschende overtuiging. Dit proces der ideeën, dit doordringen der maatschappij met de nieuwere begrippen geschiedt langzaam, maar zeker. De regenten-aristocratie zond haar zonen naar de akademiën, eu stond weinige jaren daarna verbaasd, hoe die leerlingen denkbeelden voorstonden, met haar eigen pretensie in lijnrechten strijd. Uit haar eigen rijen kwamen mannen te voorschijn, die haar gezag het diepst hebben ondermijnd. In deze regentenzonen vond de volkspartij haar hoofden en leiders, zoowel tegen liet stadhouderschap als tegen de oligarchie.
- Er behoort meer toe dan de gewone ontwikkeling, die het gemiddeld deel der maatschappij is, om zich rekenschap te geven van de strekking der ideeën, die voor onze oogen veld winnen. Hoe weinig vaders en moeders verontrusten zich heden ten dage over de meeningen, die zij om zich hooren voorstaan of luide zien gepredikt, tot in 's lands raadzalen toe! Ook het geslacht, dat in 1772 en volgende-jaren feest vierde ter eere van de vaderen, die eene revolutie hadden aangevangen, de mannen en vrouwen van eiken
107
HET TIJDPERK Dl'It, PATRIOTTEN.
stand, die Amerika's worsteling toejuichten, ook zij wisten liet niet en zagen liet niet in, dat hun geestdrift voor de denkbeelden van vrijheid het zaad der omwenteling was. Dit is het karakter van elke ware liefde, ook op het gebied der ideeën, dat zij eindigt met overgave.
De denkbeelden, zestig, zeventig jaar uit den vreemde in de Republiek geïmporteerd, vonden in dit dertigtal jaren de vruchtbare aarde, waarin zij als de kiemen dei-toekomst zich tot rijpen konden zetten. Het natuurlijk proces der eigen volksontwikkeling had aan de natie de vatbaarheid geschonken om ze in zich op te nemen. De klove werd waargenomen tusschen de bestaande instellingen in staat en stad, en de eischen en behoeften des volks. Als eenmaal dit bewustzijn is ontwaakt, is aan de maatschappelijke orde de grond ontzonken. Een staatsman alleen kan de revolutie, de omverwerping der bestaande orde van zaken, voorkomen.
Die staatsman heeft aan de Republiek ontbroken. Daarom heeft niet politieke wijsheid, maar de bajonet van den soldaat de beslissing gegeven.
UI
Gedurende de eerste jaren, dat Willem V zelf, zoo het heette, als Erfstadhouder regeerde, ontbraken wel niet alle moeilijkheden, maar liep het wagentje van staat, om het oude, Hollandsche beeld te gebruiken, op een zandweg langzaam, doch rustig en kalm voort. Soms stond het eens stil, maar dit hinderde niet. Willem V kreeg zonen en dochteren, hij gaf lange en vervelende andientiën, bemoeide zich met alles, ook met de minst beduidende zaken, en vergat dikwerf de meer beteekenende op te merken.
108
HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.
Doch de eerste acht jaren van zijn stadhouderschap waren in nadruk zijn politieke wittebroodsweken. Hij gevoelde al het genot van zijn hooge waardigheid en hield er van om ze te vertooneu. Jammer, dat niemand er bang voor werd. Herhaaldelijk zag hij zijn autoriteit betwist, en niet altijd wist hij haar te handhaven. In Zeeland stelde hij den raadpensionaris tot representant in het college der Staten aan, maar op den heftigen tegenstand van Middelburg trok hij de benoeming weer in. Gewoonlijk sloeg hij eerst een zeer hoogen, kwetsenden toon aan, die wrok zette, en eindigde dan dikwijls met toegeven. De zwakke, weifelende man vertoonde //een Stadhouder in theorie, zonder het in waarheid te zijn.quot;
Op het Koninklijke Huisarchief ligt de geheele correspondentie van Brunswijk met Willem V. Als zij bekend zal zijn, zullen wij weten, in hoeverre de eerste voor al de zwakheden van den laatste aansprakelijk is. Heeft hij hem verkeerden raad gegeven, oin zelf de gunst der regenten-patriotten te behouden? Men zegt het, maar kan het niet bewijzen. Zeker is het, dat Brunswijk, dooiden Prins steeds te omgeven, eiken anderen invloed zocht te weren en te voorkomen. Hij is er in geslaagd noch ten voordeele van den Prins, noch tot zijn eigen geluk. Het ware hun beiden goed geweest, indien andere mannen, als Bentinck, Fagel enz., in menig oogenblik waren geraadpleegd. De ervaring van dezen, met Hollandsche toestanden beter bekend dan de Duitsche hertog, had hem voor veel onvoorzichtigheden kunnen behoeden.
Met den opstand van Amerika tegen Engeland vangen de moeielijkheden aan. Engeland vraagt hulp in den vorm eener leening: het vraagt een brigade soldaten te leen. De Stadhouder steunt het verzoek en wordt daardoor het
109
h i:t tijdpkuk dku patrtottkx.
voorwerp van haat van alien, die de Amerikaansche denkbeelden en belangen zijn toegedaan. De bescliuldiging van engelschgezindheid kleeft voortaan op hem.
De tijden zijn voorbij, waarin de Stadhouder de buiten-landsche politiek der Republiek regelt. Willem V kan zich tegen den verklaarden wil der provinciën niet verzetten , noch in deze, noch in andere zaken. Maar hij geeft telkenmale toe, onwillig, breedsprakig, zonder waardigheid.
De regentenpatriotten wisten met uitnemenden takt van den toestand partij te trekken. Zij legden alles ten koste, om zich populair te maken, om de bevolking voor zicli te winnen en tegen liet stadhouderschap op te hitsen. De nieuwe Franse,lie gezant, de Ia Vangujon â een zoon van den bekenden gouverneur van Lode wijk XVï â zette het werk van zijn voorganger met groot beleid voort. De Amsterdamsclie regenten, voornamelijk de burgemeesters De Vrij Temminck en Hooft, lieten zich geheel door hem leiden. Herhaalde samenkomsten, liefst in onopgemerkte woningen in kleine straten, had hij in de invloedrijke handelsstad met hen en de regenten der andere steden. Men zegt dat groote sommen door hem in deze jaren zijn verbruikt, om mannen, door hun positie of pen van betee-kenis, voor Frankrijk te winnen. Zeker is liet, dat hij verschillende schrijvers in dienst had en betaalde, en dat een aantal pamfletten, in deze en volgende jaren door Franschen geschreven en door betaalde handlangers in liet Hollandsch vertaald zijn.
Toen de regeering van Lodewijk XVI de zoo duur bekostigde onvoorzichtigheid had begaan, om aan den aandrang der pers toe te geven en openlijk zich in den strijd met Engeland ten gunste van Amerika te mengen, namen
no
HET TIJDPEUK DE 11 PAÃIUOTTEN,
natuurlijk de aandrang en de invloed van het buitenland toe. Engeland was liier te lande vertegenwoordigd door een zeer eerlijk, maar zeer hooghartig man, den gezant Yorke. Op hoogen toon vorderde hij, dat de Eepubliek zich onzijdig zon houden en noch Frankrijk, noch Amerika hulp verleenen. Maar de Nederlandsche handelaars, de groote winsten van den smokkelhandel in vorige jaren indachtig, wilden van geen onzijdigheid hoeren, die hun de handen bond. Het eiland St. Eustatius was het groote handelskantoor, waarheen de kooplieden de oorlogsmaterialen zonden, die, daar overgescheept, gemakkelijk de Ameri-kaansche havens konden bereiken. Frankrijk had voor zijn strijd ter zee den bouw en de uitrusting van schepen, den aanvoer van hennep en hout uit de Nederlandsche havens noodig. Elke poging, die het stadhouderlijk bestuur deed om de regenten tot onthouding te bewegen, mislukte, omdat zij als een bewijs van engelschgezindheid aan de menigte werd voorgesteld en in de tallooze pamÃetten en journalen als medeplichtigheid aan de onderdrukking der Amerikaansche vrijheidszonen werd voorgespiegeld.
Het buitenlandsche vraagstuk zou echter nooit de dreigende beteekenis hebben gekregen, die het langzamerhand aannam, indien de stadhouderlijke partij niet ook in andere opzichten het volk tegen zich in het harnas had gejaagd. Maar het deed alles wat het kon, door doen en laten beide, om de stemming tegen zich te verbitteren. I n Gelderland en Ovcrijsel ontstond een strijd tegen allerlei misbruiken. Van de Capelle o. a. kwam openlijk op tegen de willekeur der drosten, die, ofschoon hun rechten sedert anderhalve eeuw waren afgeschaft, voortgingen van dc landbevolking heerendiensten, het gratis arbeiden aan de wegen, te eischen. Te Groningen werd kerk en staat in bewegin»
Ui
112 HET TIJDPERK DEll PATRIOTTEN.
ürebraclit door het optreden van professor van der Marek, die in zijne academische lessen over natuurrecht ook de wijsgeerige grondslagen van de kerkelijke dogmatiek ter sprake bracht. Had Willem V quot;overal in het binnenland zich aan het hoofd der nieuwere beweging gesteld en zich tegen de misbruiken en voor de vrijheid van onderzoek verklaard, hij zou de democratische partij losgescheurd 1 lebben van de regenten en aan zich verbonden. Maar hij deed overal het tegendeel van wat politiek beleid deed verwachten. Hij werkte de Van de Capelle's, opgewonden maar eerlijke geestdrijvers voor de nieuwere begrippen, ook in hun rechtmatige grieven en eischen, tegen. En in het land, dat Spinoza, Cartesius, Bayle, Voltaire een wijkplaats had verschaft en hun werken uitgegeven, werd in den jare 1778 een Groninger hoogleeraar in de rechten afgezet, omdat hij het waagde leerstellingen te verkondigen, die de Hervormde Kerk voor haar aanzien gevaarlijk achtte. Willem V, die, gelijk menige uitlating bewijst, het gevaar van de gisting zeer goed inzag, had geen inzicht genoeg en geen kracht van karakter, om een zelfstandige stelling in te nemen en het stadhouderschap met de volkspartij te vereenigen, die zijn historische en natuurlijke bondgenoot was.
Aan de regenten gaf een dergelijke houding vrij spel. Zij spaarden geen moeite, om de bevolking aan zich en hun partij te binden. Niets werd verzuimd om het volk mede te sleepen. De schuttersgenootschappen droegen den stempel van het deraocratisch element. De vroeger zoo deftige en trotsche patricische regenten daalden uit hun hoogen hemel af, om de democraten te winnen, In koffiehuis en societeit scheen alle onderscheid van stand en rang vergeten: de vroedschap zat naast zijn barbier en dronk
HET TIJDPERK DEK, PATRIOTTEN.
burgerscliap met liem. Met eiken dag steeg de stroom der pamfletten; op meer dan 20,000 wordt liet geheel gerekend. Engeland, de Stadlionder en zijn gezin waren liet doel van den aanval, de liederlijkste en gemeenste laster werd verspreid. Dat hij een onecht kind was, dat hij zich dagelijks aan Bourgogne bedronk, dat hij zich aan allerlei liederlijkheden schuldig maakte, waren schering en inslag. In even heftige taal antwoordde de stadhouderlijke pers, en liet geheel der jonrnalistiek vertoont een walgelijk beeld van eerlooze staatkunde en volksbedrog zooals in die mate nog nooit in ons volksverleden was waargenomen. Van tal van pamfletten, ja van verre het meerendeel zijn de schrijvers onbekend; maar niet onbekend is het, dat sommige der heftigste couranten, zooals de Courant van den Diemer-meer, met het geld van de Amsterdamsche burgemeesters zijn betaald; en dat nooit literarisch talent, de gaaf van de pen te voeren, meer is verlaagd en bezoedeld, dan in die dagen, toen niet overtuiging, maar de meest eerlooze berekening van eigenbaat en politieken haat de wildste hartstochten wakker riep, om ze als hun bondgenooten te misbruiken.
Men heeft in later tijden veel weten te vertellen van de rol, die Willem's vrouw, Wilhelmine, reeds in deze dagen zou gespeeld hebben. De trotsche vrouw met haar echt koninklijk voorkomen â Tischbein's portret in het Rijksmuseum te Amsterdam heeft ons de trekken uitmuntend bewaard â zou reeds in de jaren omstreeks 1780 gepoogd hebben een eigen partij te vormen, om als 't ware de taak, waarvoor de praatachtige en weifelende Willem V zoo ongeschikt bleek, van hem over te nemen. Er is, naar mijne overtuiging, geen enkele grond voor dit beweren. Wilhelmine , met haar helder verstand en haar scherp oordeel,
Jurisseu. Is 8
113
HET TIJ UP HUK DE II PATRIOTTEN.
liad zeker, toen de krijg met Engeland aanving, liet zwakke karakter van den onbeduidenden echtgenoot volkomen gepeild. Maar voor een Pruisische prinses, hoe bekwaam ook, was de toestand te verward, dan dat zij zonder behoorlijke voorlichting de draden kou onderscheiden. En haar veelbesproken heerschzucht blijkt eenvoudig uit niets. Zij heeft in deze jaren niets anders gedaan, dan wat de vrouw van den Stadhouder doen mocht en doen moest; haar aangename manieren, haar levendigheid van geest, al de deugden, die haar als vrouw en prinses voor een rol in het maatschappelijk verkeer ten dienste stonden, zooveel mogelijk aanwenden, om de aanhangers van het Oranjehuis bijeen te houden, het verlaten der rijen, het overloopen naar de tegenstanders te voorkomen, opdat het Hof zou blijven, wat het geweest was; de eerste kring in den staat, de burcht, waarin de politieke rechten van den Stadhouder, hoe ook bedreigd, aangevallen en geschonden, erkend en ten minste in theorie geëerbiedigd bleven.
Hoe zou zij ook een andere rol hebben kunnen vervullen? Goede raadgevers ontbraken geheel. Willem was voortdurend aan Brunswijk gehecht en onder zijn invloed, en luisterde slechts onwillig naar de raadgevingen der voortvarende vrouw, die meer haar gevoeligheid en haar Pruisische opvatting van vorstelijke rechten volgde, dan een scherpe onderscheiding der ingewikkelde staatrechtelijke verhoudingen in de Eepubliek. Met eiken dag dat de beweging toenam en de aanvallen vermeerderden, steeg de verwarring, waarin het stadhouderschap en de staat verkeerden, maar tevens de hulpeloosheid van hen, die de eerste voorwerpen van den aanval waren.
In September 1780 werd op den Atlantischen Oceaan een Amerikaansch vaartuig door een Engelsch fregat ge-
lit
HET TIJDPERK DEU PATRIOTTEN.
nomen. Onder de gevonden papieren waren er, die Amster-damsche regenten ten zeerste compromitteerden. Het bleek, dat de burgemeesteren der handelsstad met de oproerlingen tegen Engeland over een later te sluiten handelsverdrag hadden onderhandeld. De onvoorzichtige en tegenover Engeland vermetele handeling was de vonk in het kruit. De Stadhouder meende van den misslag partij te kunnen trekken en eisohte op lioogen toon de bestraffing der schuldigen. Een oogenblik was de regenten-aristocratie door de ontdekking bedwelmd; maar ras herstelde zij zich. Engeland, dat satisfactie, ontslag der misdadigers vorderde, sleepte het stadhouderschap met zich mede. Toen de oorlog werd verklaard tegen den buitenlandschen vijand, was het tevens de oorlogsverklaring tegen den binnenlandschen, het Huis van Oranje.
Met zeldzamen overmoed en verblindheid had de patrioti-sche partij het land in liet krijgsgevaar gestort. Duur betaalden Amsterdam en de handel de trotsche taal, die zij tegen den tegenstander van Frankrijk jaren lang hadden aangeslagen. Millioenen gingen verloren. Nog in 1780 voeren tweeduizend Xederlandscke schepen de Sond door; in 1781 was het een elftal. Onvoorbereid en machteloos, kon de staat noch de vrijheid der zee noch de onafhankelijkheid zijner koloniën handhaven.
Slechts bij Doggersbank handhaafde de Wederlandscbe vloot haar ouden roem, tevreden niet geslagen te zijn.
Jaren achtereen had de Stadhouder op uitbreiding der marine, op vermeerdering der landmacht aangedrongen, zonder te slagen. De mannen, die al zijn voorstellen hadden afgewezen, wezen hem thans als den schuldige aan. Hij was de verrader des vaderlands:
115
HET TIJDPERK DEE PATRIOTTEN.
't Was nacht, toen u uw moeder baarde.
Een nacht zoo zwart als immer was;
Een heir van helsche geesten waarde,
'tGevogelt liet een scherp gekras Door 'taklig wond, tot driemaal, hooren ....
Tot ramp van 't Vaderland geboren,
Zijt gij tot vloek des volks gesteld!
't Was Bellamy, die, in zijn jongensijver en zijn gebrekkige kennis, met die gespierde woorden uitdrukte, wat de natie gevoelde. En wat deed de beschuldigde? Hij schudde zaclitjes het hoofd en schreef lange vertoogen, en boog, gelijk zijn moeder had gedaan, diep en nederig voor de hoofden der patriotten, die hem met geen groet vereerden.
Moest die man Stadhouder zijn? In 't bezit van rechten, die slechts aan den Souverein toekwamen?
Het antwoord was niet twijfelachtig; en iedere maand bracht nieuwe krenkingen, nieuwe ontneming van wettige rechten.
Maar het einddoel der regenten-patriotten scheen niet bereikbaar voordat hem elke steun was ontnomen. De man, die hem ter zijde stond, de hertog van Brunswijk, was zijn eenige kracht.
Tegen hem richtten zich aller slagen; de mannen, die jarenlang met Brunswijk hadden omgegaan en op wier steun hij rekende; de regenten, die hem hadden verheven en staande gehouden; Bleijswijk, die de akte van consulentschap had gesteld â zij allen keerden zich tegen hem, om hem die akte van consulentschap, de curateele, waar-ouder hij Willem hield, te verwijten. Eenstemmig eischten zij zijn verwijdering. Hardnekkig en langdurig hield Willem zijn ouden mentor de hand boven het hoofd, ook tegen Wilhelmine, die den heerschzuchtigen man moede was. De Duitsche hertog wilde zelfs voogd van haar kinderen worden!
11(1
HBÃ TIJDPERK DER PATRIOTTEN'.
Drie jaar duurde de worsteling. In A.ugastus 1781' werd zij beslist. Bevreèsd om met geweld te worden verjaagd, vluchtte eindelijk Brunswijk in October uit deze landen.
Zijn vertrek was liet sein tot nieuwe vernederingen. Een jaar later verliet liet Huis van Oranje 's Gravenhage, dat na weinige maanden de afschaffing van het stadhouderschap door de Staten van Holland zag besloten.
De regenten-patriotten hadden gezegepraald. De oude vijand was overwonnen. Maar een nieuwe vijand stond aan hun zijde, hun bondgenoot jaren lang. thans gereed den medestander te worgen. De democratie eischte den prijs der overwinning als haar loon.
Zij zou hem ontvangen, zij, zoowel als de regentenpartij. De ondergang des lands, een kwart eeuw van volkslijden, dat zou het loon zijn. De Republiek wankelde aan den rand van den afgrond waarin zij verzinken ging.
De regenten-aristocratie had gespeeld met den boozen geest van volksdrift, dien zij wakker geroepen had. Het volk, zooveel minder schuldig dan zij, was haar werktuig geweest. Het brak de doode takken af, maar spaarde ook de levende niet. Schuldigen en onschuldigen gingen onder in de gemeenschap des lijdens: zoowel liet geslacht, dat het booze zaad had uitgestrooid, als de onschuldige kinderen, gedoemd den oogst te dorschen.
Over het puin van het levensgeluk der individuën, noodlottige vrucht van doling en zonde, schrijdt de ontwikkeling der volken, als die der menschheid, voort.
117
IV
WILLEM V.
Mi
'?/amp;;* * -â¢â¢â ^^WPjPWHHWPi
MSMaBBKBi iM^HHBI^^i
⢠1
WILLEM V.
1
f 157 het couvert, de wiju ingesloten.
ïfiet waar, het diner kan goed geweest zijn?
In Januari 1786 werd het in den Doelen te Amsterdam gegeven. Het was een hulde aan den Franschen koning, met wien de Republiek voor weinige weken een alliantie had gesloten. Tachtig patriotten namen er aan deel en aten en dronken ter eere van het grootmoedige Frankrijk, dat de Nederlandsche Republiek uit de doodelijke omarming van het verraderlijke Albion had verlost en aan zich verbonden. Stroomen wijus, gelijk vloeden van toasten werden er vergoten. quot;De vroolijkbeid en de vaderlandsliefdequot; â zoo getuigt een tijdgenoot â /'bevonden zich zoo ongemeen wel op dit verbindingsfeest, dat zij niet dan in den morgenstond konden scheiden.'quot;
Hoe zij gescheiden zijn, weten wij niet. Wel, hoe deze feestgenooten te zamen zijn geweest. Het vertoon van geestdrift kon het gemis aan overeenstemming niet verbergen. Bij het meerendeel der tachtig gastheeren was de sympathie voor Frankrijk ernstig geschokt.
WILLEM V.
Veertig jaar lang hadden de regenten-patriotten aansluiting aan Frankrijk gepredikt. In den strijd tegen den Stadhouder hadden zij liet ook niet versmaad, het leerstuk der volkssouvereiniteit te liefkoozen. Maar de ervaringen der laatste jaren hadden hun geestdrift bekoeld. Het volk had hen teleurgesteld.
In 1782 had Jozef II, de keizer van Duitschland, plotseling verklaard, dat hij de tractaten verwierp, die de sluiting der Schelde bepaalden. De handel der Neder-landsche Republiek zag zich door de gevaarlijke concurrentie van Antwerpen bedreigd. De Republiek had zich tot Frankrijk om hulp gewend en diplomatieke nota's, maar geen leger, tot hulp gekregen. Zij had een vrede moeten teekenen, die wel de mededinging van Antwerpen voorkwam, maar voor geld en afstand van grondgebied werd gekocht. Frankrijk had hen teleurgesteld en het goed recht van hun handelsinonopolie niet gehandhaafd.
Nog grooter gevaar bleek de leer der volkssouvereiniteit te bevatten. Het wapen, dat tegen de stadhouderlijke macht had dienst gedaan, werd nu tegen de regenten zelve gekeerd. Met iedere overwinning der patriotsche partij vermeerderde de aandrang van de aanhangers buiten de regeeringscollegiën. De onafhankelijkheid der regenten was verworven, thans moest de beloofde volksvrijheid worden geschonken. Tevergeefs wezen de regenten hunne vroegere bondgenooten af en hielden hun voor, hoe in een welgestelde regeering de stille burgers in de resolutiën der vaderen berusten en vertrouwen hebben in hun wijsheid. '/Een gedeelte des volks moest zijn stem niet laten voorkomen als die des geheelen volks en niet over de burgerij en haar wettige vertegenwoordigers willen heer-schen.quot; Doch dergelijke vermaningen vonden geen ingang.
122
WILLEM V
en ondanks liun statiglieicl zagen de regenten, die het volk tegen Oranje hadden opgehitst, zich thans zelve bedreigd. Niet Dedel, niet Eendorp, niet de mannen, die den stoot tot de beweging hadden gegeven, hadden het oor des volks. Personen, door hen als werktuigen gebezigd, waren de gevierde mannen van den dag, tot wie de menigte opzag. Van Berckel, De Gijzelaar en Zeebergh, de drie pensionarissen van Amsterdam, Dordrecht en Haarlem, waren in hun plaats getreden. Hun haat tegen het stadhouderschap was feller dan hun vrees voor het volk; om het laatste voortdurend tegen het eerste te leiden, waren zij tot con-cessiën aan de democraten gezind. Zoo werden de regentenpatriotten door kun eigen aanhang bedreigd, de overwinning over Oranje zou tot hun eigen nederlaag leiden. Was het wonder, dat zij terug wilden keeren en liet gedane zoo mogelijk ongedaan maken? Reeds in 17S-l' had Capellen Van de Poll gewaarschuwd: quot;inen kan te veel reformeeren en te driftig te werk gaan, alles moet naar een wel berekend plan geschieden.quot; Een jaar later erkenden leden der Amsterdamsche regeering bij den Engelschen gezant, dat zij veel te ver waren gegaan en gaarne zouden terug-keeren.
Het was een groot voordeel voor hen, dat zij tegenover een partij stonden, die in naam hun bondgenoot was en geen eigen organisatie had. De democratische partij vormde de linkerzijde der patriotten. Zij was uitgesloten van de regeering en had, in de bestaande staatsorde, geen wettig recht om haar stem te doen hooren. De macht der regeering was nog altijd in handen der regenten. Onder dezen waren velen, doch slechts een minderheid, met democratische denkbeelden besmet. Doch ook hun eigenbelang dreef hen om de aristocratische regenten te steunen. Want
1£.3
WILLEM V.
de democraten kondeu hen niet beschermen, dan door geweld en oproer. Tijdens het gevaar van den oorlog met den keizer waren er overal exercitiegenootschappen opgericht. Het volk was gewapend en bedreigde niet minder de regenten, dan de aanhangers van het Oranjehuis. Vandaar dat ook de democratische regenten wankelden en weifelden, en beurtelings de aristocratische patriotten en het volk volgden, al naar gelang vrees of belang hen beheerschte.
Ware de volkspartij krachtig georganiseerd geweest, zij had èn deze weifelende medestanders èn de aristocratische patriotten gemakkelijk onderworpen. Maar elke organisatie, die eenheid aan deze partij kon geven, ontbrak, evenzeer als elk bepaald programma. Zij eischte deelneming aan de regeering, maar hoe ze te verwerven en hoe ze te regelen, daaromtrent bestond geen overeenstemming.
De patriotsche partij, in twee deelen gesplitst, die slechts halverwege samengingen, vertoonde naar buiten een schijn van groote kracht, maar was door strijd van belangen, verschil van inzicht en gebrek aan eenheid feitelijk als staatspartij ontbonden, toen zij de stadhouderlijke partij het diepst had vernederd. Zij, die tot het volk overhelden, gehoorzaamden aan de leiding van den Franschen gezant en dwongen de aristocraten, hen te volgen in den strijd tegen den stadhouder, met wien dezen het liefst van allen vrede hadden gemaakt.
Indien Willem Y een staatsman ware geweest, het zou hem gemakkelijk zijn gevallen, van deze verdeeldheid partij te trekken. Maar de stadhouder, die zich te Nijmegen op het gebied der hem toegedane Staten van Gelderland gevestigd had, bleef de worsteling uit de verte aanzien, zonder in te grijpen. Niet hij, maar een vreemdeling nam de leiding zijner partij in handen.
WILLEM V.
Het was de Engelsclie gezant Sir Harris, later Lord Malmesbury, die in December 1784 in de ^Nederlanden kwam. De energieke staatsman zag onmiddellijk den waren staat van zaken in. Overtuigd, dat Engeland's belang meebracht, de Republiek aan Frankrijk's invloed te onttrekken , spande hij al zijne krachten in, om den stadhouderlijken aanhang op te richten en moed in te blazen. Het grootste bezwaar leverde Willem V zelf. Hij was niet tot handelen te bewegen. Deels uit trage vadsigheid, deels uit vrees voor bet lot van koning Karei I, onthield hij zich van alle daden, die zijne partij konden herstellen. Herhaaldelijk had Sir Harris samenkomsten met Prinses Wilhelmina, die hem overtuigden, hoe ver de krachtige, scherpziende vrouw boven haar pratenden echtgenoot stond. Maar zij weigerde volstandig haar zaak van de zijne te scheiden. Den voorslasr, van twee zijden haar gedaan, om Willem los te laten en zelve als Gouvernante op te treden, weigerde zij aan te nemen. In menig oogenblik zelfs scheen het, dat de krachtige vrouw voor het inzicht van Willem bukte en afwachten de ware staatkunde achtte.
Aan den Engelschen gezant komt de eere toe, de Oranjepartij in Holland te hebben hersteld. Hij was het, die de aristocratische regenten der Republiek deed inzien, hoe noodlottig de democratische richting der patriotten voor hen zelve was. Hij wist hen te overtuigen, dat herstel van den stadhouder in zijn oude rechten ook door hun belangen werd gevorderd. Zijn woning was het hoofdkwartier van den herlevcuden stadhouderlijken aanhang, waar vooral des nachts de oude en nieuwe aanhangers het wachtwoord kwamen ontvangen en moed putten voor den kamp tegen de democratie.
Zij hadden er grootelijks behoefte aan, want de demo-
IS.quot;)
WILLEM V.
cratische regenten schenen aan de omstandigheden een volledig succes te zullen danken.
In Gelderland was de meerderheid der Staten Oranjegezind. De patriotsche partij, wier aanhang onder de burgerij en het overwicht had, vorderde hier, gelijk in Overijsel en Utrecht, waar de democraten de hoofdstad bezet hielden, afschaffing der beruchte reglementen van Willem III en het herstel der aloude volksvrijheid. -Requester! op requesten werden geteekend en onderhielden en vermeerderden de spanning in het stadhouderlijk gewest. De Staten besloten deze oproerige beweging te stuiten en verboden het teekenen van requesten. Twee stadjes, Hattem en Elburg, weigerden dit hatelijke plakkaat af te kondigen en maakten zich gereed tot openlijk verzet. Willem V, door de Staten van Gelderland gelast, zond er eenige troepen heen, die in beide plaatsen zonder slag of stoot de orde herstelden.
Deze executie in de souvereine provincie Gelderland had ernstige gevolgen. Toen het bericht in Holland kwam, gevoelde de geheele patriotsche partij zieh bedreigd. Zoo de stadhouder de wapenen opnam, zou het leger hem volgen. Den SSquot;quot; September namen, op voorstel van De Gijzelaar, de Staten van Holland het besluit, Willem V als kapitein-generaal der Unie en als stadhouder voorloopig te schorsen en de troepen van den eed van gehoorzaamheid, aan hem gedaan, te ontheffen. De Hollandsche troepen werden opontboden, onder een afzonderlijk generaal gesteld, en een commissie werd benoemd om Holland en Utrecht tegen het stadhouderlijke leger te verdedigen. De burgerkrijg scheen op het punt van uitbreken.
Doch beide partijen aarzelden. Zonder buitenlandsche hulp scheen geen hunner te kunnen slagen. In liet ge-
126
WILLEM V.
heim werden onderliandelingen aangeknoopt. De nieuwe koning van Pruisen, Wilhelmina's broeder, zond een diplomatiek agent, Von Görz, om vrede te stichten. Hij sprak met de beide afdeelingsn der patriotten. Hoog en kwetsend was de toon der drie pensionarissen; zij wilden van den //graaf van Nassau,quot; gelijk zij Willem heetten, niets weten, voordat hij liet schuldige hoofd boog. Hij moest bekennen, niets te zijn dan een dienaar der Staten, van hun Ion plaisir blindelings afhankelijk; hij moest zelf hot initiatief nemen om de gehate regeeringsreglementen af te schaffen. Na deze onderwerping zouden zij bereid zijn, het genomen besluit in te trekken. Natuurlijk werden die eischen door den Stadhouder afgewezen.
Van geheel anderen aard waren de voorslagen, die de democraten, buiten de regeering staande, hem aanboden. De latere raadpensionaris Schimmelpenninck, toen jong advocaat te Amsterdam, was de tusschenpersoon. Hun voorwaarden weken verre af van die der pensionarissen. Uitbreiding van den volksinvloed op de regeeling was de hoofdzaak. In alle steden zouden kiescollegiën van de aanzienlijkste burgers worden opgericht. Door hen zouden voortaan de voordrachten worden opgemaakt, waaruit de stadhouder de regenten verkiezen zou. De stadhouder zou in al zijne waardigheden worden hersteld, maar in elk van deze, als kajntein-generaal, als admiraal-generaal enz. door een raad worden bijgestaan, zonder wiens voorkennis hij niets zou mogen uitrichten.
Indien Willem V deze voorslagen had aangenomen, hij zou èn zich zelf en den staat een grooten dienst hebben bewezen. De volksinvloed zou langs wettigen weg vele misbruiken afgeschaft en hervormingen ingevoerd hebben. De stadhouder zou voortaan voor elk der departementen,
127
WILLEM V.
waarvan hij liet hoofd was, door ervaren raadslieden zijn gesteund, die en het werk en de verantwoordelijkheid met hem deelden. De aristocratie had zich haar aanspraken waardig moeten betoonen, indien zij haar hooge plaats wilde behouden.
Maar Willem V deinsde terug. Het was een revolutionaire daad, deze plannen goed te keuren. Hij, die zich steeds op de bestaande constitutie had beroepen, kon zich niet leenen om haar omver te werpen.
Teruggestooten door het stadhouderschap, bleef den democraten niets over, dan hun eigen weg te gaan. Zij rekenden zich krachtig genoeg om te slagen, daar zij overal door de gewapende burgerijen werden gesteund. Door de samenwerking van twee krachten, geweld op de straat en de hulp van de democratische regenten in de raadszaal, zouden zij hun doel bereiken.
In het voorjaar van 1787 schenen zij hun overwinning nabij. De drie pensionarissen, inziende dat het oogenblik gekomen was, om het volk door concessiën voor goed aan zich te verbinden, werkten mede. Door De Gijzelaars invloed deed de stad Haarlem het voorstel aan de Staten van Holland, dat er een commissie zou worden benoemd, om te onderzoeken, hoe de invloed, die aan het volk op de regeering toekomt, zou behooren geregeld te worden. Alles kwam er op aan, dat de commissie uit democraten, niet uit aristocraten werd samengesteld.
De Statenvergadering van Holland durfde het voorstel niet afslaan, maar de meeste leden hadden geen lust, zich zelve aan de democratie op te offeren. Zij trachtten eerst de benoeming op de lange baan te schuiven, doch toen dit onmogelijk werd, redden zij zich op een andere wijze. Zij benoemden tot leden der commissie negentien personen.
128
WILLEM V.
waarvan de meesten verklaarde tegenstanders der hervorming waren.
De democraten waren misleid, maar zij wreekten zich door geweld en oproer. In de Aprilmaand van 1787 waren de voornaamste steden van Holland liet tooneel van ergerlijke volksbewegingen. De stadhuizen werden omsingeld en de vroedschappen gedwongen, de tegenstanders der democraten uit hun midden te ontslaan en nienwe ambtgenooten op te nemen, die tot de volkspartij behoorden. De regenten-patriotten waren verslagen, de macht in Holland was in Mei 1787 in handen der hervormingspartij.
Deze revolutionaire maatregelen wierpen de aristocratische partij in de armen der prinsgezinden. Rendorp, Dedel en de hunnen zagen thans geen redding dan in verzoening met het stadhouderschap. De oude vijanden werden bond-genooten, te zamen tegen het volk vereenigd.
Indien de democraten van hun overmacht hadden gebruik gemaakt en met een krachtig programma waren opgetreden, zij hadden wellicht de vredesvoorwaarden aan hunne tegenstanders kiinnen opleggen. Maar nu bleek het, hoe hoofdeloos zij waren. Het driemanschap dei-pensionarissen was met de behaalde overwinning tevreden en wist niet, wat verder te doen. Toen de Fransche gezant in Mei hun de vraag deed, wat hun plan was. luidde het antwoord: quot;ons plan is nog een onderwerp onzer deliberatiën.quot; De waarheid was, dat zij de partij, die zij heetten aan te voeren, niet vertrouwden. Zij vreesden , dat de omwenteling verder zou gaan dan zij wensch-ten. Zij aarzelden en bleven staan, juist nu het noodig was, zonder omzien voort te gaan.
Die fout beging hun tegenstander niet. De Engelsche gezant, die de prinsgezinden leidde en hun verzoening met
Jorissen. I2 9
129
WILLEM V.
de aristocraten had tot stand gebracht, weifelde geen oogen-blik. Met Bentinck's medewerking had hij overal in Holland Oranje-societeiten opgericht, punten van vereenigiug en aansluiting voor de leden van den priusgezinden aanhang, die in. samenwerking moed en kracht moesten vinden. Onvermoeid was hij werkzaam om de aristocratische regenten tot openlijk en krachtig optreden voor den Prins te bewegen. Even weinig als de democraten zou hij voor revolutionaire maatregelen, oproeren en geweld teruggedeinsd zijn. Maar hij stiet op groote bezwaren. Hij wilde de Staten-Generaal bewegen, zich tegen Holland en het Hollandsche legertje, dat bij Utrecht stond, te verklaren. Doch daartoe was het noodig, dat Willem V openlijk aan Holland en de democraten den oorlog verklaarde. Niet dan met groote moeite liet de Prins zich overhalen. quot;Ik zal het doen, omdat mijne vrienden het verlangen. Mijn val wordt er door verhaast, doch met roem. Met niets uit te richten kan mijn val vertraagd worden, hij is niettemin gewis; nu voel ik nog eenige hoop.quot; Zoo jammerde de ongelukkige man, dien het noodlot zijner geboorte op een plaats had gesteld, waar hij iets zijn moest.
Toch zou Sir Harris er niet in geslaagd zijn, de Staten-Generaal tegen Holland in beweging te brengen, indien hij niet in staat ware geweest, op andere wijze hun een riem onder het hart te binden. De Engelsche regeering liad langen tijd de Hollandsche onlusten met koelheid aangezien. Sir Harris vertrok in Mei naar Engeland, om Pitt, Engeland's grooten minister, van hun hoog belang te overtuigen. Hij slaagde er in en keerde in Juni in den Haag terug, met 70,000 pond sterling in den zak, die de goede gevoelens zouden versterken. Het was een klein sommetje in vergelijking van de millioenen, die de
130
WILLEM V.
ïransclie regeering, ondanks haar eigen geldgebrek, er voor over had gehad om de patriotten te steunen.
Van Engeland's steun verzekerd, ving thans de reactie aan. Gelderland, Friesland, Utrecht en Zeeland sloten zich aaneen. Daar zij de meerderheid vormden iu de vergadering der Staten-Generaal, dreven zij verschillende besluiten tegen de Hollandsche democraten door. Het krijgsvolk, door Holland betaald, werd in naam der generaliteit gelast, geen bijzondere bevelen van eenig gewest te gehoorzamen. De krijgslieden, tusschen Holland en de Unie geplaatst, werden bewerkt om de rij der democraten te verlaten. Gelijktijdig vingen de prinsgezinden en de aanhangers der patricische regenten aan, zich op de straat te vertoonen. Het geweld, de dwang, zoo langen tijd door de patriotten uitgeoefend, werd thans een wapen in de handen hunner vijanden. Het vertrouwen der Oranjepartij wies, terwijl dat der democraten daalde. Overal heerschte geweld en oproer, doch thans ten gunste dur Oranjepartij. De democraten moesten den aanval staken, om zich te verdedigen. '/Twee derde van liet land kiest partij voor den Prins; zoo hij den moed had met zijn leger een krachtige beweging te maken, zou het morsche gebouw van het patriotisme ineen zakken.quot; Zoo oordeelde de Engelsche gezant, zoo Hogendorp, zoo oordeelden allen, die in staat waren, van nabij den staat van zaken gade te slaan.
Willem V, in naam de opperbevelhebber van een legertje, dat het patriotische Utrecht heette te belegeren, maar in waarheid niets deed, had zijn hoofdkwartier te Amersfoort gevestigd. Daar werd hij door de meesten zijner raadslieden dagelijks vermaand, om een krachtig besluit te nemen. Sommigen wilden, dat hij aan het hoofd van zijn leger Holland zou binnentrekken, om de revolutie neer te werpen.
131
WILLEM V.
Zoo hij zich tegen dequot; geüsurpeerde macht der democraten verklaarde, zou, meenden zij, zijn tocht een zegetocht worden. Anderen achtten het reeds voldoende, indien hij als stadhouder met een glansrijk en talrijk gevolg naar den Haag wederkeerde. Zijn terugkomst in de hofstad, wier burgerij groote schade had geleden door het gemis van het hof, zou voldoende zijn om den beslissenden stoot te geven.
Maar Willem Y was tot niets te bewegen. Hij verwees zijne raadgevers naar prinses Wilhelmina, die te Nijmegen vertoefde. De jonge Gijsbert Karei van Hogendorp, die in deze dagen ziju politieke loopbaan aanving, werd tot haar gezonden. Zij luisterde aandachtig naar zijne mededeelingen van wat er in den Haag en in Amersfoort omging. Zij zond hem met de boodschap terug, dat zij zelve bij den Prins zou komen. Den 21sU'n Juni kwam zij te Amersfoort aan.
Den volgenden dag had er een conferentie plaats, waarin Willem zich niet liet overhalen. Toen hij onwillig bleef, kondigde de Prinses haar besluit aan. Zij zou naar den Haag gaan, om den goedgezinden energie en eendracht in te boezemen. De Prins keurde liet ten sterkste af. quot;Weet gij een beter middel?1' â vroeg Wilhelmina, â //zeg het dan. Maar er moet iets gedaan worden. Ik ben bereid uwe plannen te steunen. Maar als gij er geen hebt, moet gij het mijne aannemen.quot; Hogendorp vertrok onmiddellijk naar den Haag, om het advies van eenige vertrouwden in te winnen. Den volgenden morgen, Zondag 34 Juni, was hij terug. Toen de Prinses, uit de kerk komende, hem ontwaarde, vroeg zij hem met levendigheid: «Wat is het antwoord, ja of neen?quot; â Eenstemmig quot;jaquot;, zeide Hogendorp. Haar gelaat schitterde van vreugde. Die vrouw had meer moed dan een man.
VVILLKM V.
133
Drie dagen later ving de Prinses uit Nijmegen, waarheen zij teruggekeerd was, hare reis aan. Na lang overleg had men besloten te land, liever dan te water te gaan. Een koninklijke prinses van Pruisen zouden de vrijcorpsen niet durven tegenhouden. Zoo oordeelde men in Wilhelmina's omgeving: de uitkomst zou bewijzen, dat men zich bedrogen had. Met een klein gevolg, waaronder een enkele hofdame, kwam de Prinses in den middag van den 289len Juli te Schoonhoven aan. Met de pont voer het gezelschap de Lek over; Voor de twee rijtuigen en een ohais waren nieuwe postpaarden besteld. Dit had opzien gebaard. Bij de stad werden door de wacht de namen gevraagd, doch de doortocht werd niét geweigerd. Een uur hadden de. reizigers voortgereden, toeu zij aan de Goejanverwellensluis aankwamen. Inmiddels was de commissie, voor de verdediging van Holland benoemd, die te Woerden vertoefde, gewaarschuwd, en had zij het bevel gegeven, niemand door te laten. De Priuses werd door een bende vrijcorpisten aangehouden, die zich op den generaal van Rijssel, in dienst van Holland, beriepen. De commissie van Woerden werd in allerijl ontboden. Zij verklaarde, dat zij zonder vergunning der Staten de reis der Prinses niet kon toestaan. Wilhelmina werd naar een hofstede geleid, waar zij wachten zou. Men verzocht haar, den nacht te Woerden of te Schoonhoven door te brengen. Na eenig tegeustreven werd Schoonhoven gekozen, Twee leden der commissie vergezelden haar naar de stad, waar zij tegen middernacht aankwam. Geen oogenblik verloor Wilhelmina haar tegenwoordigheid van geest, noch haar kalme hoogheid. Behalve door enkele ondergeschikte personen, werd zij door allen met betamelijkheid bejegend. Alleen een kleermaker, die kapitein bij het vrijcorps was, schijnt, meer uit goedaardige
WILLEM V.
ongemaiiierdlieid dan uit zuclit tot kwetsen, eenige ergernis te hebben gegeven; hij bood aan de koninklijke Prinses en de heeren van haar gevolg een glas bier, pijpen en tabak aan. quot;Misschien wilden zij wel eens stoppen!quot;
Den geheelen volgenden dag bleef de Prinses te Schoonhoven op het antwoord der Staten van Holland wachten. Toen het uitbleef, besloot zij naar Nijmegen terug te keeren.
De reis van Prinses Wilhelmina was niet, zoo als later is voorgegeven, de uitvoering van een sluw en lang beraamd plan. De omstandigheden hadden het plotseling doen opvatten. Even snel als het ontwerp, even snel was de afloop. Holland, d. i. de democratische partij, die het machtigste gewest regeerde, had de echtgenoot£ van den geschorsten stadhouder teruggewezen. Het was de hoogste betooning van macht, waartoe de democratie mocht geraken.
Niemand wist, wat de gevolgen zouden zijn. Maar voor het oogenblik was de prinsgezinde partij met haar nieuwen aanhang verpletterd. ' De brieven van Harris en van Ilogen-dorp bewijzen, hoe zeer hen de stoutmoedigheid der Hol-landsche democraten verschrikte. quot;Het is schaak aan de koninginquot; â schreef de Engelsche gezant naar Londen â '/nog twee zetten en ik vrees, het spel is verloren.quot; Dit was de eerste indruk van den energieken, krachtigen staatsman. Doch niet de blijvende.
Dertig jaar later ontving Wilhelmina, toen Prinsesdouairière op het paviljoen te Haarlem een der heeren (De Lange), die haar naar Schoonhoven hadden geleid, in audiëntie. Toen hij op het punt stond om heen te gaan, sprak zij hem toe: quot;Heden is mijnheer mijn gevangene, ik wacht u aan mijn tafel.quot;
Er was niets, dat op den 30stPI1 Juni 1787, toen zij van Nijmegen wederkeerde, haar een toekomst voorspelde, waarin
134
WILLEM V.
het liaar gemakkelijk zou vallei), de deugd der vergevingsgezindheid op zoo heusche wijze te beoefenen.
II
//Indien de koning van Pruisen niet in de soldij van Frankrijk staat, zal hij thans toch partij voor zijn zuster trekken,quot; schreef een Engelsch minister, toen het gebeurde te Goejanverwellensluis in Londen was bekend geworden.
Er was aanleiding voor die zonderlinge woorden. Niet Prederik Wilhelm II, maar velen zijner raadslieden en diplomatieke agenten waren in de soldij, zoo al niet van Prank rij k's geld, dan toch van Prankrijk's politiek. En de invloed van anderen richtte het inzicht en de handelingen van den Pruisischen vorst nog meer dan zijn eigen oordeel.
Prederik Wilhelm II was een man van indrukken en luimen. Streng kerkgeloovig, luisterde hij met het eene oor naar de mannen van gelijke richting en met het andere tevens naar de voorstellingen zijner maitressen, wier heerschappij hij het eerst aan het Pruisische hof invoerde. «Zijne Majesteit is nog al veranderlijkquot;, zeide met een minachtenden glimlach zijn gezant in den Haag, die zich door de Pranschen liet betalen.
Prinses Wilhelmina had het ondervonden. Toen haar broeder in Augustus 1786 den troon had beklommen, was een zijner eerste daden geweest, zich in de aangelegenheden der Republiek te mengen. In het belang zijner zuster had hij Von Görz naar den Haag gezonden. Toen diens pogingen mislukten, had de koning, ontmoedigd door den tegenstand, dien hij ontmoette, zich teruggetrokken. Hij was zelfs zoo ver gegaan, den stadhouder en Wilhelmina
135
WILLEM V.
aan te raden, dat zij maar toegeven zouden; anders zou hij, Willem V, nog den nek breken, schreef hij.
Van dien man was noch krachtig noch consequent handelen en volhouden te verwachten.
Toen hij de aanhouding der Prinses vernam, wekte het zijn hcvigsten toorn op. Onmiddellijk gaf hij last, troepen in de Rijnprovinciën samen te trekken en zond een na-drukkelijken eisch naar den Haag om satisfactie voor zijn zuster. De Staten van Holland, waarin thans de democraten door de remotiën te Amsterdam en Rotterdam de overhand hadden, lieten zich geen vrees aanjagen. Bemoedigd door den Franschen gezant, antwoordden zij op lioogen toon: «zij waren geen verantwoording aan den Pruisischen koning schuldig, de Prinses was niet belee-digd, er was geen reden voor satisfactie.quot; Gelijktijdig vermeerderden de militaire maatregelen, de vrijcorpsen doortrokken Holland, plunderden de landhuizen der aristocraten en der Oranjegezinden en maakten zich van verschillende steden meester. Delft, waar het groote arsenaal een rijken voorraad van geschut en kruit bevatte, viel huil in handen.
Het was een bange en angstige tijd. De Juli- en Augustusmaand van het jaar 1787 zagen overal oproer en geweld heerschen. In en om Utrecht trok zich liet Hol-landsche leger, rijkelijk van alles voorzien, onder het opperbevel van den Rijngraaf van Salm te zamen. Te Zeist lag het leger van den Prins van Oranje, in naam Utrecht belegerende, maar in waarheid niets anders doende dan zijn chef, praten en niet handelen. Een enkele schermutseling, te Vreeswijk en elders, had plaats, waarbij, naar de berichten van weerszijden luidden, heldendaden bedreven werden, heldendaden van de maat en grootte van Klein Duimpje. In Holland heerschte wild rumoer. De
136
WILLEM V. 137
Oranje-societeiten zochten eeu leger te fonneeren eu de burgers te wapenen, om tegen de aanslagen der democratische vrijcorpsen beschermd te zijn. Tn den Haag was de toestand zoo zorgelijk, dat men dagelijks vreesde, de patriotten uit Delft te zien binnenkomen. De Staten-Generaal, die in de botsing der partijen niet wisten, waarheen zich te wenden, spraken er van, om hun zetel te verleggen. De Engelsche gezant zond zijn papieren van waarde, zijn correspondentie met het binnen- en buitenland, die honderden compromitteeren kon, naar Engeland. Alles was in spanning over de dingen, die komen zouden, over de beslissing, die in het kabinet van Berlijn zou genomen worden. I ndien Pruisen zich liet tevreden stellen, was het met Willem en het stadhouderschap gedaan.
De Fransche partij aan het hof van Frederik Wilhelm deed alles, om die uitkomst te bewerken. Zij dreigde met krachtige tusschenkomst ten gunste der patriotten. quot;Ik kan geen oorlog voor mijn zuster beginnen,quot; murmelde de Pruisische koning. Zijn gezant in den Haag versterkte hem in dat gevoelen door de mededeeling. dat Engeland er niet aan dacht, krachtig voor het stadhouderschap op te komen. Gelukkig vernam Sir Harris het leugenachtig bericht, en dag aan dag bestormde hij Pitt met het verzoek, te Berlijn den doorslag tot stand te brengen. Daar lag de beslissing: het lot der Eepubliek was van de Euro-peesche politiek afhankelijk. Niet in den Haag werd het vraagstuk beslist. De staat, die. eenmaal in den raad der groote mogendheden had gezeteld, zag zijne toekomst afhangen van den wil, het staatkundig belang en het militair vermogen van Frankrijk, Engeland en Pruisen.
William Pitt, de groote staatsman, die aan den aanvang zijner roemvolle carrière, zijn wereldhistorische worsteling
WILLEM V.
met Prankrijk stond, begon eindelijk in te zien, dat de regeering van Lodewijk XYI niet bij machte was, liare woorden gestand te doen. De monarchie kromp ineen onder de barensweeën der revolutie. Een kennisgeving te Parijs, dat Engeland geen interventie van Frankrijk zou dulden, was voldoende. De gezant De Verac werd plotseling uit den Haag teruggeroepen. Aau de regeering te Berlijn werd de stellige toezegging van Engeland's hulp gedaan, zoo Frankrijk het wagen zou, de patriotten tegen de Pruisische wapenen te beschermen.
Het onverwacht vertrek van den Franschen gezant wekte bij de patriotten groot opzien en onrust, maar geen hunner wilde gclooveu, dat men door den bondgenoot, wien men blindelings, ten koste van eigen eer, veertig jaar lang gevolgd had, verlaten was. Toen de Pruisische gezant, hoe vriendschappelijk ook voor de tegenstanders des Prinsen gezind, den 9den September op last zijner regeering zijn ultimatum had ingediend, waaraan binnen drie dagen moest voldaan zijn, zoo men den oorlog vermijden wilde, rekende men nog op Fransche hulp. Dagelijks kwamen Fransche soldaten, ingenieurs en officieren aan, die aan de patriotten slechts de voorloopers toeschenen van het leger, dat volgde, maar in waarheid niets waren dan zwakke en luttele bewijzen van de sympathie, welke de regeering van Versailles gevoelde voor de slachtoffers barer politiek, die zij openlijk niet kou en durfde te verdedigen. De pensionaris van Berkel verklaarde, dat Amsterdam zelfs niet delibereeren zou over de nota, die zoo beleedigend was voor de souve-reine Staten. De afgevaardigde van Dordrecht oordeelde, dat een souverein geen excuses kon maken aan de vrouw van zijn eersten ambtenaar. Zeebergh, van Haarlem, de derde van het triumviraat, adviseerde in gelijken zin,
138
WILLE AI V.
maar voegde er bij: '/als wij geen weerstand meer kunnen bieden, dan moeten wij het proces maar verloren acliten, met de kosten er bij.quot;
Die zonderlinge profetie werd vervuld. Zij verloren liet proces, met de kosten er bij. Maar zij niet alleen.
Zeker van EngeLind's liulp en Frankrijk''s onthouding, tastte Pruisen door. In den morgen van 13 September overschreed zijn leger de grenzen.
Karei Willem Ferdinand, hertog van Brunswijk, neef van den vroegeren mentor van Willem V, voerde het opperbevel. Hij was op dit oogeublik de beroemdste veldheer van zijn tijd. In den zevenjarigen oorlog had hij de lauweren verdiend, die hij door dezen veldtocht zou vermeerderen , om ze later gezamenlijk met zijn leven tegen Napoleon te verliezen. Een leger van 20,000 man was onder zijne bevelen gesteld. Zijns inziens was de maeht te gering. Want hij zag tegen de onderneming zoo zeer op, achtte ze zoo gevaarlijk, dat hij tot het laatste oogeublik pogingen aanwendde om ze te voorkomen. Hij vreesde, zoo hij niet of slechts gedeeltelijk slaagde, Willem in het ongeluk te storten en hem het lot van Karei I te bereiden. Toen hij gereed stond de grenzen te overschrijden, schreef hij nog aan de Prinses, dat zij alles in handen had; nog kon de onderneming gestaakt worden. Met een glimlach vol gerustheid antwoordde Wilhelmina; de vrouw was zekerder van den uitslag dan de generaal.
Aan hulp trouwens ontbrak het hem niet. Gidsen van de meest verschillende soort stonden hem ten dienste. Bil-derdijk vertelt met veel zelfbehagen, dat de hertog hem later met een warmen handdruk verzekerde: quot;de goede afloop is alleen aan u te danken.quot; Hogendorp bracht hem plannen en teekeningen van de frontieren en van de wegen.
139
WILLEM V
die het leger zou moeten volgeu. Deze inliclitingen en voorlichtingen kwamen uit goede bron: Royer, de secretaris van de Staten van Holland, had ze verschaft.
Het hoofdleger der patriotten lag bij Utrecht, onder de bevelen van den Eijngraaf van Salm. Bekwamer dan hij waren, volgens militaire autoriteiten, zijne onder-generaals, de Eranschmau de Ternant en de Hollander van Rijssel. Doch bekwaamheid zou in dezen strijd weinig afdoen. De democraten op het slagveld misten de zedelijke kracht en het zelfvertrouwen, dat elke nationale strijd tegen een buitenlandschen vijand behoeft, om tot opofferingen te sterken. Niet aan de Republiek, maar alleen aan de provincie Holland was de oorlog verklaard, en in deze alleen aan de partij, die de wettige staatsorde had omvergeworpen. Niet de Republiek, maar slechts de democratische factie was in oorlog. En zij had de minderheid. De Staten-Generaal hielden zich onzijdig, wachtten af, wien zij als overwinnaar hadden te huldigen en te volgen. Verraad en onkunde velden de democraten neer, voor zoo ver zij niet door de overmacht des vijands werden neergeworpen.
Op geen enkel punt werd ernstige tegenstand geboden. De natuur vereenigde zicli met den vijand. Overal waar ernstig de hand aan onderwaterzettingen werd geslagen, mislukten zij. De boeren waren zei ven meerendeels onwillig om ze te doen slagen. Op enkele punten, waar ernstig het doorsteken der dijken werd beproefd, was het voldoende, dat eenige Pruisische kavaleristen verschenen, om de arbeiders op de vlucht te jagen. De vijandelijke officieren, die, met Oranjesjerpen versierd, het land verkenden , vonden bij de plattelandsbevolking wel medewerking, maar zelden tegenstand.
. Alle hoop was op het leger te Utrecht gebouwd. Het
140
WILLEM V.
zou tegenweer, kraohtigen tegenweer bieden en inmiddels aan Frankrijk de gelegenheid geven, zijne reddende scharen te doen naderen. Pieter Paulus, die als advocaat-fiscaal bij de admiraliteit van de Maas een groote vermaardheid. ook buitenslands, had verworven, was naar Parijs vertrokken, om die hulp in te roepen. Wat zijn welsprekendheid en bekwaamheid van de Pransche regeering zou uitwerken, werd niet zonder vrees door de Oranjepartij te gemoet gezien.
Doch die vrees was geheel overbodig. Reeds in het laatst van Augustus had de Rijngraaf van Salm aan de commissie van defensie verklaard, dat zijns inziens Utrecht moest verlaten worden, ora Holland beter te verdedigen. De onverwachte voorslag werd met verbazing en schrik ontvangen en afgewezen. Utrecht moest tot het uiterste verdedigd worden. Toen den IS'1quot;quot; September de Pruisen het land waren binnengerukt, hernieuwde Salm zijn voorslag en eischte, voor het geval dat liij van Holland werd afgesneden, de noodige patenten, om zijne troepen elders heen te zenden. Zij werden hem verleend. Wat niemand verwacht had, geschiedde. Tn den nacht van 15/16 September brak hij op, zonder een nieuw punt van vereeniging te zoeken. Langs de Yeclit trok hij met zijn troepen naar Nieuwersluis, maar daar hield alle orde op. In de grootste wanorde loste zich het leger der patriotten op, ieder zocht een goed heenkomen. Verlaten en verraden door hun hoofden, overstroomden de patriotten het platteland en de naburige kleine steden met hun verwenschingen en hun gewelddadigheden. Amsterdam vond het verstandig, zijne poorten voor dit leger te sluiten.
Onmiddellijk volgde de omkeer te Utrecht. De oude regenten hernamen hunne zetels en noodi^den den Prins
O 0
141
WILLEM V.
van Oranje uit, de stad te bezetten. Nog denzelfden dag, Zondag 16 September, deed Willem zijn plechtige intrede in de hoofdstad van het Sticht, dat de oorspronkelijke haard van liet patriotisme was geweest.
Voor de Pruisen was de vlucht van Salin, die later te Parijs opdook, en het uiteenvallen van zijn leger, van groote beteekenis. Een strijd op Utrechtsch grondgebied zou een strijd buiten Holland, op liet gebied der Unie zijn geweest. Salm had de Pruisen den dienst gedaan, dit bezwaar voor hen uit den weg te ruimen. Meer dan 200 vernagelde kanonnen en een ruimen krijgsvoorraad liet de patriotsche held in eu bij Utrecht, dat hij met 7000 man had bezet, als de bewijzen van zijn moed en goede trouw achter.
Den volgenden dag kwam een afdeeling van het vijandelijke Pruisische leger voor Gorinchem. De sterke vesting stond onder de bevelen van Van de Capelle, vroeger kamerheer van Willem V, 4och door dezen uit wantrouwen en om de houding zijner familieleden ontslagen. De Pruisische militaire schrijvers noemen hem '/een onkundigen gek.quot; Zeker schijnt het, dat zijn bekendheid met oorlogs-gebruiken niet groot was. Op een parlementair, met witte vlag naar de vesting gezonden, liet hij schieten, en stond later zeer verbaasd, toen hij vernam dat men dit rr'ct deed. De plaats werd een weinig gebombardeerd en natuurlijk overgegeven.
Gelijk hier, ging het elders, of liever nog vlugger. Vijf dagen nadat de optocht der Pruisen begonnen was, stonden zij op Holland's grondgebied. Nergens werd een ernstige poging tot verdediging gewaagd. Het morsche gebouw der patriotten viel om, als eertijds de wallen van Jericho op liet geluid alleen der krijgsbazuin. Overal
142
WILLEM V.
kwam de menigte de vreemdelingen te gemoet, die hen verlosten van liet geweld van landgenooten.
In den Haag was het bericht van de ontruiming van Utrecht nog op denzelfden dag ontvangen. De indruk was beslissend. De Staten van Holland kwamen bijeen eu beraadslaagden, om hun vergaderingen naar Amsterdam over te brengen. Maar slechts enkele leden waren er voor en vertrokken.
De meerderheid volgde den omkeer, dien de Pruisische wapenen tot stand brachten. Alle besluiten tegen den stadhouder werden ingetrokken, en hij zelf werd uitgenoodigd, in de hofstad weer te keeren. De aanhangers van Oranje kraaiden victorie. De patriotsche familiën pakten hunne goederen en togen op de vlucht. Voor de ramen van den Engelschen gezant werd liet vaandel van het vrijcorps verbrand en hij zelf met toejuichingen overladen, telkenmale als hij in 't publiek verscheen.
Den 209ten deed de Prins zijn zegevierenden intocht. Te twee uren in den middag naderde hij de stad, die hem verdreven had. De menigte kon niet wachten; zij snelde hem te gemoet. Eenige mijlen buiten de stad ontmoette zij den weerkeerende. De paarden werden van het rijtuig gespannen, dat krachtige mannenhanden de stad door naar het Prinsenhof voorttrokken. Daar werd de geliefde vorst uitgetild en in letterlijken zin op de schouders des volks het verblijf zijner vaderen binnengedragen.
Zoo werd de laatste der Erfstadhouders â Willem met de roode, bolle wangen, de flauwe oogen en den stereotypen glimlach van zwakke goedhartigheid en zelfvoldane ijdelheid om de lippen â in 't bezit der groote macht hersteld, die hij niet alleen door de schuld zijner tegenstanders had verloren.
143
WILLEM â V
Wat zou hij er mee doen in de toekomst ? Zou hij - ze beter gebruiken dan in het verleden?
Weinige dagen later werd Willem door Prinses Wilhel-mina gevolgd. Ook zij werd door de uitgelaten menigte met onstuimige toejuichingen ontvangen, ook zij 's Graven-hage en het Prinsenhof binnengetrokken en binnengedragen; maar ditmaal waren het vrouwen, die de taak der mannen op zich hadden genomen.
De omstandigheden hadden haar tot een hoofdpersoon gemaakt. ïlaar aanhouding was de aanleiding tot de tusschenkomst van Pruisen, tot de revolutie geweest. Haar satisfactie was in dezen oogenblik nog het onderwerp der onderhandelingen, de spil der militaire bewegingen.
De persoonlijke beleediging was tot een politieke gemaakt en de grondslag van politieke eischen. Ontslag van de schuldigen uit de betrekkingen van staat, herstel der oude regenten, ontbinding der patriotsche krijgscorpsen, herstel van den Prins in zijn oude waardigheden was de voldoening, die zij vorderde. De Staten van Holland hadden reeds toegegeven, maar Amsterdam bleef onwillig.
In de groote handelsstad hadden zich al de hoofden der democratische partij teruggetrokken. Onder een bevolking, wier meerderheid hun gevoelens scheen toegedaan; achter muren, krachtig genoeg om verdedigd te worden; binnen poorten, die door overstrooming van de omliggende landen ontoegankelijk konden zijn, meenden zij weerstand te kunnen bieden lang genoeg, om hulp uit den vreemde te verwerven of wellicht een omkeer hier te lande te zien plaats grijpen. Maar zij vergisten zich. De groote handelsstad was thans, even weinig als in 1650, geneigd zich en haar welvaart voor de politieke eischen van elders verslagenen op te offeren. En de macht, die tegenover haar stond.
144
WILLEM V.
was een vreemde, begeerig naar eigen haard terug te keere.n en de verworven lauweren ongedeerd terug te voeren. Hoe aarzelend en angstvallig de hertog van Brunswijk de belegering der groote stad ook ter hand nam, toen zij eenmaal onvermijdelijk scheen, was hij tot krachtig aantasten besloten. Op den eersten October ving de strijd aan, die afliep, zooals te verwachten was. Slechts op enkele punten werd door de ongeoefende en ontmoedigde burgers moed betoond en dapper gevochten. Amsterdam moest toegeven en de opgelegde voorwaarden aannemen. Tot het laatste toe â het zij ter eere der democratische regeering opgeteekend â tot het laatste bleef zij aan haar eisch getrouw, dat aan het volk een behoorlijke invloed werd toegekend. Het was te vergeefs.
De onderwerping van Holland maakte in geheel Europa den diepsten indruk. Goethe was in Rome en schreef 12 October 1787 aan Herder: /'Men zegt, dat de paus bericht heeft gekregen, dat de Pruisen Amsterdam hebben genomen. Dat zou de eerste expeditie zijn, waarbij onze eeuw zich in al haar grootheid toont.quot;
III
De democratie had met geweld in de raadzalen gezegevierd, maar was op het slagveld verslagen. Wat zou haar lot zijn, als de oude staatsorde door buitenlandsche wapenen was hersteld?
Niet van haar zou in de eerste plaats het antwoord afhangen. Indien het stadhouderschap de zeldzame gunst gevoelde, waarmede het lot het zegende, de restauratie van 1787 kon een weldaad voor land en volk worden.
Maar noch Willem V noch zijne raadslieden zagen het
Joris sen. I2 10
145
WILLEM V.
in; de zeldzame gelegenheid, die beide, dynastie en staat, had kunnen redden, ging ongebruikt voorbij.
quot;Het is al een zeer raar lieer; hij houdt er wel een systeem op na, maar 't is een systeem van verwarring en desordre. Zijne politiek is om de dingen zoo veel in de war te helpen, als maar mogelijk is.quot; Zoo oordeelde over Willem V van der Spiegel, die na 1787 geroepen was, dagelijks met hem te werken.
Laurens Pieter van der Spiegel, pensionaris van Zeeland, was de staatsman, die door den Oranje-aanhang en de publieke opinie bij alle partijen als de rechte man op de rechte plaats werd welkom geheeten, toen hij den onwaar-digen Van Bleijswijk als raadpensionaris van Holland had vervangen. Niemand was beter dan Van der Spiegel thuis in het historisch staatsrecht der Republiek, niemand had krachtiger dan hij in de zware dagen der onlusten het goed recht van het stadhouderschap voorgestaan en verdedigd. Zoo groot waren de verwachtingen, die op hem gebouwd werden, dat hij met grof geld, hooger bezoldiging en hoog pensioen voor Holland werd gekocht. Zelfs de patriotten juichten zijne benoeming toe.
Doch ondanks de aanwinst van dezen man heeft de restauratie slechts tot een bankroet geleid, den ondergang des lands slechts verhaast, niet voorkomen.
Verdeeldheid heerschte, waar eendracht moest regeeren. De verhouding der vorstelijke echtelingen was door de gebeurtenissen van 1787 niet beter geworden. De jaloezie van Willem op de vrouw, die, haar superioriteit gevoelende, door de gespeelde rol gesterkt in haar zelfvertrouwen en geprikkeld in haar ambitie, meer en meer zelfstandig naast hem optrad, was een bron van verdeeldheid aan liet hof. Er werd van een partij der Prinses naast die van den
WILLEM V.
147
Prins gesproken. De onderscheiding had minder staatkundig gewicht, dan men dikwerf gemeend heeft. Ook thaus dacht Wilhelmina er niet aan, den Prins op zijde te dringen, om ziju plaats in te nemen. Zij vroeg alleen meer erkenning, meer stem, dan haar vroeger werd toegekend. Op den hardiiekkigen Willem, naijverig op eiken invloed, die hem zocht te beheerscheii, moest dat streven schipbreuk lijden. Te meer, omdat de verschilpunten tusschen hen in aangelegenheden van binnenlandscheu aard meer personen dan zaken golden. Ln de hoofdrichting stemde hun beider inzicht overeen; maar ieder had zijne gunstelingen, en die der Prinses genoten niet den voorrang-bij den Prins. Er was één terrein, waarop Wilhelmina het aanzien, zoo al niet den invloed genoot, dien zij begeerde. Aan de buitenlandscbe hoven stond Willem Y in geen de minste persoonlijke achting; de verslagen, door de diplomatieke agenten, niet liet minst door den Pruisischen gezant, over hem gegeven, waren er de oorzaak van. Zoowel Prederik de Groote als de volgende kouing Prederik Wilhelm II staken het volstrekt niet onder stoelen en banken, hoe zij over hem dachten. Toen de laatste in 1788 op liet Loo kwam, behandelde hij den Prins in het openbaar met de uiterste minachting. Wilhelmina daarentegen werd, om haar krachtig optreden in 1787, door allen geëerd. Zij onderhield een soort van diplomatieke betrekkingen met het buitenland op haar eigen handje. Zij correspondeerde zelfstandig met het hof van Pruisen en stond in relatie met allerlei personen in den vreemde. Naar het schijnt, heeft deze diplomatie der Prinses minder de belangen van den staat, dan die van haar kinderen op 't oog gehad. Er is sprake van geweest, dat haar tweede zoon hertog van Koerland zou worden. Ook tijdens de beroerten
WILLEM V.
iu de Oosteurijksclie Nederlanden, toen de hervormingen van Jozef II de aan de kerk onderworpen bevolkiugen tot opstand verleidden, heeft zij gepoogd in troebel water te visschen. De hertogskroon van Braband scheen haar een begeerlijke prijs.
Van der Spiegel was de man niet, om met dergelijke vronwenpolitiek genoegen te nemen, of ze te ondersteunen; hij zag er het gevaar te goed van in. Waar de ambassadeurs in het buitenland hem inlichting vroegen, verklaarde de raadpensionaris, dat deze zaken hem vreemd waren en de Eepubliek aan zulke dingen niet dacht. Voor zooveel hij kon, zocht hij de gevolgen te voorkomen, door den staat, dien hij vertegenwoordigde, van alle verantwoordelijkheid te ontslaan. Maar al ontveinsde hij tegenover het buitenland wat hij wist, hij schroomde geenszins, hier te lande in de politieke kringen in den Haag scherp zijn gevoelen uit te spreken. //Willem is prins van Oranjequot;, zeide hij, //en een prinses van Pruisen mag ons niet regeeren.quot;
Indien Willem V zijn waar belang had geraadpleegd, hij zou zich aan den raadsman, die in elk opzicht zijn meerdere was, hebben toevertrouwd. Maar Willem was te achterdochtig , te jaloersch om iemand onbepaald te vertrouwen. En Yan der Spiegel had eigenaardigheden, die meer afschrikten dan aantrokken. Hij had een meesterachtige natuur en meesterachtigen toon. De hovelingen, de edelen aan het hof, lachten om den burgerman met zijn linksche manieren en zijne niet altijd hoofsche woorden. De vreemde diplomaten betoonden zich volstrekt niet ingenomen met den raadpensionaris, die hen maar al te dikwijls met de hoogheid van een William Pitt bejegende Wat van den Engelschen premier werd verdragen, duldden zij niet van
148
WILLEM V.
een Hollaudschen raadpensionaris. Het gewicht, dat de Republiek in de schaal van Europa wierp, was te gering, de kracht, die zij ontwikkelde, toeu het uur des gevaars kwam, te onbeduidend, om den leider van de buiten-landsche politiek der Republiek recht te geveu tot zijn hooghartige houding.
In de vijf jaren van rust, die op de restauratie van 1787 volgden, werden in het binnenlandsch beheer verschillende veranderingen tot stand gebracht, die verbeteringen mochten heeten. Niettemin waren het verbeteringen, die de radicale gebreken niet wegnamen. Of men de contributiën der provinciën anders regelde, de Westindische Compagnie ophief, de Oostindische door ondersteuning een nieuw kwijnend leven verzekerde â dit alles herstelde den geschokten grondslag van het staatsleven niet, verzoende noch bevredigde oude tegenstanders en nieuwe bondgenooten.
De herstelling van het stadhouderschap was door vreemde wapenen bewerkt, doch voorbereid door de hulp van de aristocratische regenten, die de democraten hadden verraden, na hen gebruikt te hebben. Willem V had zich met de regenten tegen liet volk verbonden. Zij, de steunpilaren van al de misbruiken in de Republiek, schenen ook de beste steunpilaren van zijn gezag.
In de patriotsche onlusten, toen Frankrijk de democratie steunde, had de Fransche regeering eens tegenover Engeland de meening geuit, dat het stadhouderschap niet tot de staatsregeling behoorde. Dit beneren schijnt op de politiek der Restauratie grooten invloed gehad te hebben. Om voortaan allen twijfel weg te nemen, werd op voordracht van Holland, d. i. van Van der Spiegel, door al de gewesten een acte geteekend, waarbij het stadhouderschap en de hooge waardigheden der Unie werden verklaard een
149
WILLKM V.
wezenlijk deel van de constitutie van iedere provincie en van den gelieelen staat te zijn. Met zulk een verklaring op het papier meende men de herhaling der vroegere onlusten te voorkomen.
Doch daartoe bepaalde men zich niet. Als had men in quot;t verleden niet geleerd, hoe weinig eeden beteekenen, liet men zelfs de bekleeders der geringste bedieningen en neringen den eed op de constitutie zweren. Wie het weigerde, werd ontslagen, zoo niet vervolgd.
Doch ook deze waarborgen schenen nog onvoldoende. De Republiek sloot verbonden met Engeland en met Pruisen , die haar aan de politiek dier beide staten kluisterden, maar niet te duur gekocht schenen, omdat Pruisen en Engeland het behoud van het stadhouderschap garandeerden en beloofden het te verdedigen.
Toen na den tachtigjarigen strijd rie vrede van Munster was gesloten, zagen de vrijgevochten gewesten hunne onafhankelijkheid erkend, maar geen der groote mogendheden trad als borg dier onafhankelijkheid op. Noch de Oranjepartij noch de Staten-partij in de l?11quot; eeuw onderwierpen zich aan de curateele van het buitenland. Maar in 1787 schrikte de regeerende Prins van Oranje er niet voor terug, zijne hooge waardigheden in den staat onder de bescherming van twee buitenlandsche mogendheden te stellen. Het Oranje-huis hield op de representant der nationale vrijheid en zelfstandigheid tegenover Europa te zijn.
Was het wonder, dat de restauratie van 1787 den ondergang van den staat niet voorkwam, doch slechts verhaastte?
Met zeldzame verblindheid deed het hersteld Oranjebestuur alles, wat strekken kon om zich zelf den grond onder de voeten weg te nemen. De aristocratische regenten werden overal in de besturen hersteld en bij voorkeur door
150
WILLEM V.
den Prins onderscheiden. Zelfs zij , die jaren laug getrouw waren geweest en voor liem ongunst en vervolging geleden hadden, stonden in de schatting van Willem V achter bij de oude vijanden van zijn huis. Hen zag hij naar de oogen, hun raadgevingen volgde hij. De regenten patriotten, die vroeger van hem de belijdenis hadden geëischt dat hij hun dienaar was, beheerschten hem thans. Zij, die hem hooger rang in den staat hadden aangeboden, mits hij aan het volk staatsinvloed schonk, de democraten, werden vervolgd. De aristocratie wilde zich wreken op haar oude medestanders, die iets meer dan hun werktuigen hadden willen zijn en daardoor haar nederlaag en haar gedwongen onderwerping aan den stadhouder hadden bewerkt. De aanhangers der volkspartij werden uit hun betrekkingen ontslagen, voor de rechtbanken geroepen en gestraft. Het gemeen en de hoogere standen reikten elkander de hand, In al de steden van Holland kwamen plunderingen voor, die niet werden tegengegaan. Het platte land werd af-geloopen door troepen, met Oranje-cocardes versierd. De stedelijke rechtbanken waren volijverig; conlinementen, verbanningen, geldboeten aan de orde van den dag. Maanden achtereen hadden de wraakoefening van de aristocratie en de losbandigheid van liet gemeen vrij spel, zonder dat de regeering tusschenbeide trad. En toen eindelijk een zoogenaamde amnestie werd afgekondigd, waren de uitzonderingen zoo talrijk, dat noch de bedreigden zich veilig, noch de vervolgers zich gebonden gevoelden.
Groot was het getal der vervolgden, maar grooter nog dat der bedreigden. Geen andere uitweg scheen hun over, dan de vlucht naar het buitenland. Bij scharen verlieten de patriotten het vaderland, waar hun vroegere hoofden in eere zetelden en het stadhouderschap tegen hen ophitsten.
151
WILLEM V.
België en N oord-Frank rijk werd overstroomd door vluchtelingen uit de Republiek, armen en rijken. Na weinige maanden was liet aantal uitgewekenen tot 40,000 gestegen.
Een politiek, die de tegenstanders uit het land verjaagt, heeft slechts onder enkele omstandigheden kans van slagen. De maatregelen der regeering moeten bewijzen, dat zij meer staatkundig beleid heeft. Doch een bestuur als dat van Willem V, dat alle misbruiken liet voortbestaan en slechts ondergeschikte verbeteringen tot stand bracht, verzoende ook hen die achterbleven niet, maar maakte hen tot geheime en des te gevaarlijker vijanden.
De denkbeelden, die de verdreven patriotten voorstonden, waren geen ideeën, die aan locale oorzaken hun ontstaan te danken hadden. De democratische meeningen hadden in de laatste eeuw in geheel Europa veld gewonnen, verspreidden zich telken dage over uitgebreider kring en ontwikkelden zich meer en meer in scherper en bepaalder vormen. De eisch des volks tot deelneming aan het politieke leven had de Amerikaausche republiek doen geboren worden en bracht de Eransche monarchie ten val. Hoe kon een politiek slagen, die de oogen sloot voor een omkeer der geesten, welke zich overal elders deed gelden en tegen de voorstanders der beginselen geen krachtiger wapen dan verbanning naar het buitenland wist?
//Toen Oranje de democraten verjoegquot; â schreef jaren later een hunner hoofden â //deed hij niets anders, dan hen naar de hoogeschool van patriotisme en revolutie zenden.quot; Dat woord was de waarheid. De uitgewekenen leerden in Frankrijk, dat zij hun val aan hun eigen gematigdheid hadden te danken. In de eerste tijden der emigratie waren er velen onder hen, die verzoening met den Prins van Oranje wenschten. Zij boden hem een
152
WILLEM V.
koningskroon aan; zij wilden een monarchie oprichten, zoo hij slechts de regentenoligarchie losliet. Maar hij weigerde opnienw, als in 1786, en klemde zich vaster aan de aristocraten , de steunpilaren van alle misbruiken, vast. Met hen wilde hij leven, met hen zou hij ondergaan.
Wien de Godheid wil verderven, dien verblindt zij.
In den vreemde gingen de oogen open van de slachtoffers van het stadhouderschap. Zij waren niet ver genoeg gegaan, zij hadden voor oude rechten gekampt. In Frankrijk werd niet voor oude, maar voor eemvige rechten gestreden. Slechts de volkssouvereiniteit, onbeperkt toegepast, en de onbepaalde huldiging van de rechten van den mensch kon Nederland, als Frankrijk, redden. Ziedaar wat hen het buitenland leerde. En naarmate de ballingschap langer duurde, werd de verbittering grooter, de lust heftiger, om zich te wreken over al den smaad en de ellende, die men had doorgestaan. De verdrukkers in het vaderland werden de voorwerpen van den bittersten haat en van de felste wraakzucht voor de gevluchte emigranten en hun vrienden en geestverwanten in de Republiek. Toen de eerste coalitie-oorlog ontbrandde, stonden zij vooraan in de Fransche legers, om hun den weg te wijzen naar het land, dat hen had verjaagd. Vrijheid en Broederschap ging boven het vaderland.
Het stadhouderschap oogstte, wat het gezaaid had. In de ure des gevaars werd het verlaten door allen, op wie het vertrouwd had. De natie was machteloos of onwillig om het te steunen. Zij reikte de hand aan den vijand, die met de belofte van broederschap ook tot haar, als tot geheel Europa, kwam. Verraad van buiten en verraad van binnen bracht den laatsten der stadhouders ten val.
Op den 18dei1 Januari 1795 verliet Willem Y het land,
153
WILL KM V.
dat liij nimmer weer zou zien; twee dagen later werden de poorten van Amsterdam voor de Fransclien geopend. Met een dank bede aan God ontvingen de verslagenen van 1787 de vreemde bevrijders. Met een zegenbede op de lippen strekte de meerderheid des volks de handen uit, om de onteerende kluisters zich te doen aanleggen der nieuwe slavernij, der jarenlange schande.
Zoo ging de Republiek der Vereenigde Nederlanden te gronde.
154
V
DOGGEESBANK.
DOGGEESBANK.
(Eene feesthede op ó Augustus 1881.)
De plechtigheid, waartoe wij te zamen zijn gekomen, is iifgeloopen Het doel is bereikt: een blijvende herinnering is tot stand gebracht aan het feit, dat deze dag ons voor den geest roept.
Behoefde liet die bestendiging?
Voor ons, die dit uur hier ter plaatse doorleven, zeker niet.
Wij zijn hier op de Marinewerf bijeen, de oude Admira-liteitswerf van Amsterdam, waar alles van het verleden gewaagt, terwijl voor de toekomst wordt gearbeid.
Wij zijn hier bijeen in dit uur van herinnering aan een
1 De hier bedoelde plechtigheid was, gelijk trouwens uit den inhoud dei-rede blijkt, de herdoop van het oorlogsschip Kortenaar tot Doggersbank. Zij geschiedde op de Marinewerf te Amsterdam, in tegenwoordigheid van vele hooggeplaatste personen en van marinesoldaten. Terstond na afloop dei-plechtigheid sprak de Schrijver, daartoe van hooger hand uitgenoodigd, ter zelfder plaatse de feestrede uit, waarin hij de geschiedenis van den zeeslag bij Doggersbank herinnerde en zijne beteekenis toelichtte.
DOÃG RUSBANK.
eervollen dag van ons volksbestaan, een eervolle bladzijde in de geschiedenis der Nederlandsche Marine.
Voor ons, die belangstelling in dit uur naar deze plaats dreef, was de plechtigheid wel het allerminst noodig: de ode Augustus 1781 zou door ons niet worden vergeten.
Doch zij is geen willekeurige handeling onzer personen, zij is een nationale daad. Van individuen uitgegaan, is zij van regeeringswege goedgekeurd. Bij Koninklijk Besluit is de naamsverandering vastgesteld.
Een naamsverandering, een herdooping was deze plechtigheid , eenvoudig en in weinige minuten afgeloopen. Niettemin rijk aan beteekenis. Een volk, dat zijne dooden niet eert, heeft geen recht, van de levenden krachtsinspanning en opoffering te vragen; een volk, dat zijn verleden niet eert, heeft het recht niet op een toekomst te hopen. Wij willen onze dooden en ons verleden eeren, omdat wij van de levenden en de toekomst veel vragen en wachten.
En daarom hebben wij deze doopplechtigheid van een jong geborene, die, hoe jeugdig ook, zijn reeds ouden naam verliest om een nieuwen aan te nemen, met belangstelling gadegeslagen. Kortenaar, gewoon bevelen van hoo-ger hand op te volgen, staat gewillig zijn schip aan Doggersbank af, volkomen verzekerd, dat de nieuw benoemde , als hij tot kracht zal gekomen zijn, met de eigen eer en de eer des lands ook de zijne zal ophonden.
Doggersbank vervangt Kortenaar â de herinnering van een feit treedt op den voorgrond, voor den naam van een persoon in de plaats. De herinnering van een feit, om de beteekenis die liet heeft, het denkbeeld, dat het vertegenwoordigt.
Aldus is het lot in de wereldhistorie: de ideeën blijven, de individuen zinken weg.
158
DOGG K.llSB A. N K.
De ideeën blijven. Doch sleehts die denkbeelden hebben aanspraak op erkenning en huldiging, welke beginselen uitdrukken, voor het leven van individuen of volken onmisbaar.
Is dit met de traditie van dezen dag het geval? Vertegenwoordigt zij ideeën en beginselen, wier heerschappij op dien dag wij roemen; wier voortbestaan en leven in de toekomst wij voor ons volk moeten wensohen?
Een korte blik op 5 Augustus 1781 moge beslissen.
Het waren sombere dagen, die ons volk, een eeuw geleden, doorleefde. Het vuur van tweedracht en verdeeldheid wierp zijn noodlottige vonken om zich heen, dreigde den morschen bouw der oude Republiek met vertering en ondergang. Der vaderen leenspreuk: eendracht maakt macht! was vergeten. De pijlenbundel der Republiek viel uiteen, door het geschokt vertrouwen tusschen regeering en ge-regeerden.
Een buitenlandsche vijand maakte zich gereed, de vrucht van die zwakheid te plukken. Verwaarloozing had de krachten der verdediging ondermijnd, toen Engeland ons den oorlog verklaarde. Geen Tromp, geen de Ruyter deed zijn machtige stem op het dek of in 's lands raadzaal hooren. Waar waren de dagen gebleven, toen de bezem in den mast de zege der Nederlandsche vloten verkondde?
Sinds was de Republiek gedaald, Engeland gestegen. In krijg op krijg had het zijn mannen geoefend, zijn vlootvoogden quot;de kunst des oorlogsquot; geleerd, een marine geschapen, de grootste, die e.enig volk bezat.
Wat zou de zwakke Republiek, die niet langer de pair
159
DüGGEllSBANK.
van deu overwinnaar van Indië was, tegen den overmach-tigen vijand vermogen ?
T)e slag bij Doggersbank gaf het antwoord.
In de laatste dagen der maand Juli ging de kleine vloot der Republiek in zee. Zeven linieschepen, of die er dienst voor deden, met eenige fregatten, voerde Zoutman aan. Een man van 57 jaren, die zijn geheele leven op de wateren had doorgebracht. Een eenvoudig, bescheiden man, volkomen bereid, in de trouw van zijn plichtbesef, om alles te doen wat regeering en natie van hem eischen konden.
âIk vertrouw, dat de Nederlandsche heldenmoed nog niet is uitgebluscht, en dat, zoo men den vijand met egale of niet al te superieure magt ontmoet, aan hem getoond zal worden, dat men hem niet vreest en tegenstand durft bieden,quot; zoo had Willem V geschreven, zoo dacht Zoutman er over. Hij vreesde den vijand niet en durfde hem tegenstand bieden.
En met hem zijne onderbevelhebbers Kinsbergen, van Braam, Bentinck, Dedel, Staring, van Braak. '/Ik heb niets meer te zeggen, dan dat de vijand overwonnen moet worden,quot; riep Kinsbergen bij den aanvang van het gevecht zijne manschappen toe. En hij deed wat hij kou, om te overwinnen.
Des morgens om acht uur ving de worsteling aan. Met de rustige kalmte der vastberadenheid wachtte de Hol-landsche vloot den vijand af, en spaarde zelfs haar geschut, tot hij onder schot was gekomen. Met gelijke Hollandsche kalmte werd de strijd gestreden, tuig en want werden vernield , de houten gebinten der schepen gebeukt.... Het
160
DOGQERSBANK.
was de laatste leveusmorgen voor een rij van dappere mannen, die de oogen sloten, om ze niet meer te openen. Wat kostbare harten hielden op te kloppen!
Hoe zij gestreden hebben? Hoe zij hun woord, aan het vaderland verpand, gestand hebben gedaan?
De vlag van Piet Hein zou u antwoorden, zoo zij spreken kon.
Laat Bentinck u antwoorden, een zwijgende en toch zoo welsprekende getuige. De vijf-en-dertigjarige sneuvelde op dit veld van eer, trouw aan de traditie van zijn geslacht, dat sedert meer dan honderd jaren zijn naam aan 's lands historie, aan die van Oranje had verbonden. Ginds, in de nieuwe Kerk, slaapt hij den vreedzamen slaap des doods.
En nevens hem vielen er velen; velen, wier namen niet zijn bewaard. De man uit het volk nevens den edelman: Janmaat naast den vlagofficier.
Eenzelfde vlag dekt hen allen, de vlag van het vaderland, die zij in leven en sterven hebben gehandhaafd.
De overmacht van manschap, de meerderheid van geschut, de superioriteit van oefening, het voordeel van den wind was alles aan de zijde der Engelschen.
Toch overwonnen zij niet.
Voor het meerendeel der jSTederlandsche officieren was dit de eerste zeestrijd huns levens, voor een groot deel dei-manschappen de eerste tocht ter zee.
Toch werden zij niet geslagen.
Na vijf uur strijds deinsde de vijand af. Uitgeput, gaven de strijders den kamp en de zege op.
Het verlies aan manschappen stond genoegzaam gelijk. Toen de strijd eindigde, was geen enkel schip verloren. Op de terugreis naar het vaderland moest ijlings, te midden van den duisteren nacht, de H o 11 a n d worden verlaten,
Jorissen. I2 li
161
DOGGT.USBAXK.
die in de baren verdween. Haar vlag werd door een Zweedsclien koopvaarder opgevisclit, die ze naar Engeland voerde. Dit zegeteeken werd misschien wel betaald, maar niet behaald.
Slechts zelden lieeft een wapenfeit dieper indruk op de tijdgenooten gemaakt, dan de slag bij Doggersbank. In de opgewondenheid der geestdrift werd het op eene lijn gesteld met Tromp's zege bij Duins, met de Ruyter's tocht naar Chatham. quot;De groote admiraals zijn niet dood, zij leven nog,quot; juichte het dankbare volk. En het bezielde dichteroog zag zelfs in het verlorene winst:
âEn Hollands glorie rees, toen Holland zonk in zeequot; ....
De verklaring dier zeldzame opgewondenheid is niet verre te zoeken: de moedeloosheid was te diep, het wantrouwen te algemeen geweest.
Er is een kern van waarheid in groote volksaandoeniugen, die alle lagen der maatschappij gelijktijdig schokken. Een leugen heeft de eer niet, een geheel volk te treffen, te beroeren, te bewegen. De overdrijving der opgewondenheid neemt de waarheid niet weg, die gevoeld wordt, al weet, gelijk altijd, slechts een kleine minderheid ze in woorden te brengen.
Er was reden tot geestdrift, er was grond tot zelfverheffing.
Niet gewanhoopt te hebben aan het vaderland is in Rome en Athene, is bij alle volken van ouden en nieuwen tijd een onderscheiding, een roem geacht.
//Je maintiendraiquot; had Willem de Zwijger in het ge-
id-z
DOGGERSBAXK.
boorteuur onzer volkszelfstandigheid voor zich en zijn volk gezworen. De mannen van Doggershank hebben dien eed gehouden.
Tn den strijd met het overmachtige Engeland was de Republiek niet geslagen, niet overwonnen. Een overwinning was niet behaald, maar een nederlaag niet geleden. De zwakke, krachtelooze zeemacht der weerlooze Republiek had stand gehouden, de eer der vrije vlag was gehandhaafd.
Goede wil en goede bedoeling zijn onvoldoende, om de plaats, die individuen en volken innemen, te bepalen: machtiger invloeden richten het vermogen. Ook indien de Nederlandsche Republiek een ander verleden dan dat dei-laatste zeventig jaar had gehad, ware zij als marinemogend-heid door Engeland overvleugeld. En niettemin had haar zwakke vloot voor dien vijand niet gebukt. Waar alles tegen haar was, had zij niets voor zich gehad dan dit eene: het plichtbesef, om voor het vaderland alles, tot het leven toe, op te offeren. En dit éene was voldoende geweest. Dit werd door de natie gevoeld, en van daar de geestdrift. Wat zouden deze mannen niet vermogen, zoo hun materieele kracht aan hun vaderlandsliefde was ge-evenredigd ?
Wie zal het wagen, die ingenomenheid te laken? Wie zou durven beweren, dat in de mannen van Doggersbank de elementen ontbraken, om te worden, wat de geestdrift reeds in hen zag.
Kr is geen wet, die het ontstaan van groote mannen regelt, er is geen wet, die hun optreden verklaart. De omstandigheden roepen hen in 't leven, in de volheid dei-tijden rijzen zij in uw midden op, gisteren onbekend, heden uw roem.
163
DOGGEllSBANK..
Slechts de slag van liet staal doet de vonk uit den onbekenden vuursteen ontspringen.
De natie had mannen gevonden in hen, die bij Doggers-bank voor haar streden, mannen, in wie zij gelooven, op wie zij vértrouwen kon. In de diepte der vernedering was het een lichtstraal van een beteren morgen, een straal van den ouden luister, die de toekomst met zijn gouden gloed omgaf.
Daarom vierde, de natie feest voor honderd jaar, met volle recht, omdat elk volk feestviert, dat zijn eer, zijn vlag ziet gehandhaafd.
Daarom herdenken wij Doggersbank honderd jaar later, en de mannen die daar streden. De teleurstelling, die de volgende jaren brachten, benevelt ons oordeel niet. Zij neemt het feit niet weg: deze mannen zijn de eenigen geweest, die na 1674 den aanval eener Engelsche vloot hebben afgeslagen. Met kleine krachten hebben zij vermocht , de eer der vlag te handhaven. De eer der vlag is de eere des lands. Het dankbaar nageslacht neemt in zijne hulde hen op, die door moed en dapperheid de laatste levensdagen der oude Republiek aan de roemvolle traditie der 17ae eeuw hebben vastgehecht.
Zoo rijk is geen enkel volk op geen enkel tijdstip des levens, dat het de bezielende kracht der nationale herinnering missen kan. De schat van vaderlandsliefde, van opoffering voor het algemeene welzijn, van gevoel van plicht om met kleine krachten het hoogste te wagen, is nimmer zoo groot, dat hij versterking kan ontberen.
Zegt niet: er zijn feilen bedreven, misslagen begaan. Want zij tellen aan beide zijden: Hyde Parker, zoowel als Zoutman, moet ze bekennen.
Er zijn feilen bedreven, misslagen begaan: zeker. Meer
164-
DOGGERSBANK.
zelfs dau gij weet op te noemen, meer dan iemand zeggen kan. Wat zou het bewijzen?
Onvolmaaktheid is het kenmerk van het menschelijke, van elke handeling, van elke daad, van onze vaderen en van ons.
Wat zouden de individiieu en volken, wat zou de mensch-heid arm zijn aan bemoedigende en bezielende herinnering, indien haar streven en strijden den stempel van het vol-komene moest dragen!
Ons volk is een kind der zee. Het is aan de zee geboren, op de zee geworden, door de zee gewassen tot een geëerd en vermogend volk.
Op de zee heeft het zijn vrijheid gewonnen en zijn vrijheid verdedigd; zijn vrijheid, dat is, de heerschappij der beginselen, waaraan liet zijn opkomst en zijn roem had te danken.
Gij zijt Nederlanders: gij weet dus, welke die beginselen zijn. Het zijn de grondslagen van alle moreele en materieele ontwikkeling: de voorwaarden van allen waar-achtigen bloei. Zonder vrijheid van geweten geen geestesleven, dat een volk bezielen; zonder vrijheid van handel geen materieele welvaart, die het loonen kan.
Daar is een vorstenhuis, dat meer dan eenig ander voor de vrijheid van Europa heeft verricht. Het is het vorstenhuis van Oranje, welks historie met die van ons volk sedert eeuwen is saamgeweven. Onder zijn voorgang en leiding heeft de oude Republiek haar plaats in Europa ingenomen.
Gij, mannen der zee, hebt in het verleden Oranje en Nederland gelijktijdig verdedigd, telken male als het gold.
165
DOGGERSBANK.
onze vrijheid en onafhankelijkheid op de wateren te bekampen. De natie vertrouwt zich ook in de toekomst aan u toe, en rekent op uw hoofd, uw arm, uw bloed. Zilvervloten zult gij niet veroveren â zij varen niet meer op zee â maar wakkerheid eu veerkracht, moed en rustig vertrouwen, plichtsbesef en bereidwillige opoffering, in dienst van de beginselen waarop ons volksbestaan is gebouwd, zijn edeler metalen en blijvender van waarde. Zij stalen het bloed des volks en doen het gelooven, en daarom werken voor de toekomst.
Leve de Marine van Nederland!
166
VI
BE FRANSCHE TIJD.
DE FEANSCHE TIJD.
I
Wie liet tegenwoordig waagt, de geschiedenis van liet Nederlandsclie revolutietijdperk te verhalen, onderneemt eene taak, die niet vrij van bezwaren is. Ons geslacht is aan omwentelingen zoo gewoon, dat al de aantrekkelijkheid wordt gemist, die in het nieuwe en bovendien ongewone gelegen is. Vergeleken met de omwentelingen in grooter staten, is onze revolutie arm aan dramatische momenten, die den toeschouwer beurtelings met hoop en vrees, met sympathie en antipathie vervullen. Het tooneel is zooveel kleiner, de afmetingen en de kracht der passiën evenzeer.
Doch er is een ernstiger bezwaar. Onze omwenteling van 1795 gaat gebukt onder groote impopulariteit. Zij, die er aan deel namen en zij, die slechts een bescheiden plaatsje onder het publiek innamen, beiden, acteurs en toeschouwers, hebben er toe medegewerkt. Het scheen bij het einde, dat zij geen vuriger wensch kenden, dan om de verloopeu dagen te doen vergeten. Zij zijn er zoo goed
DE Ã'RANSCHK TIJD.
in geslaagd, dat geen tijdperk onzer volkshistorie zoo weinig bekend is.
En toch is de revolutieperiode voor ons van beslissend gewicht geweest. De maatschappelijke en politieke toestanden der 19de eeuw wortelen er in. De grondslagen zijn in de 20 jaar gelegd, die tusschen 1795 en 1813 verliepen. Waarom is dit tijdperk dan vergeten? Waarom is het met vergetelheid geslagen ?
Omdat er twee hoofdtrekken zijn, die niet uitgewischt kunnen worden. Zij wierpen een schaamteblos op de wangen van de tijdgenooten, die zich allen meer of minder voor den eenen of den anderen aansprakelijk gevoelden. De revolutieperiode is een tijdperk van volkomen ondergeschiktheid aan een vreemde mogendheid, van toenemende afhankelijkheid. Zij ergert en kwetst den nationalen trots door liaar volledig gemis aan groote karakters.
De natie beslist in deze twintig jaar niet over haar eigen lot. De veelvuldige veranderingen, die zij ondergaat, ondergaat zij slechts met toestemming van den machtigen staat, aan welken zij geketend is. Veel goeds wordt haar opgelegd tegen haar eigen wil, voor veel kwaads wordt zij bewaard ondanks haar zelve. Onder den invloed van een verdrukking, die bij toeneming zwaarder wordt, wordt zij telken male geleid waarheen zij niet wil, en als zij eindelijk haar vrijheid herkrijgt, is zij een andere geworden in de harde school van het lijden.
Yoor de kinderen en kindskinderen, die de vruchten plukken van dat lijden, is het betrekkelijk gemakkelijk met eenige kalmte er op neer te zien, maar voor hen, die het zelfverwijt nog gevoelden, was de terugblik bitter en beschamend.
En toch was de schuld zoo gering, want de dwaling
170
DE FRANSCHE TIJD.
was zoo volkomen te goeder trouw, zoo opreclit, zoo welgemeend geweest.
Men zegt, dat in de laatste maanden, die aan de uitbarsting der Fransche revolutie voorafgingen, in een kring van vurige voorstanders der volkssouvereiniteit te Parijs een der aanwezigen als met een profetiseken geest werd vervuld en aan ieder der tegenwoordigen het schrikkelijk lot, dat hem wachtte, voorspelde maar door niemand werd geloofd.
Indien in 1794 of zelfs in Januari 1795, toen de Fransche broeders bij vrijheidsboomen en feestgelagen als redders en verlossers werden begroet, het een enkelen der geestdriftvollen ware vergund geworden, het gordiju der toekomst open te schuiven, ook hij zou het tooneel, dat zijne oogen aanschouwden, niet hebben geloofd. Want er was niemand onder hen die tot de omwenteling hadden medegewerkt, die uiet oprechtelijk meende, dat de gouden eeuw van vrijheid en volksgeluk, van deugd en menschen-waarde was aangebroken. Zij hebben gedwaald, omdat zij geloofden wat zij hoopten, en in de naïeveteit van hun hart de vervulling hunner verwachting van anderen vroegen.
De val van het oude bewind kwam in 1795 door de Franschen tot stand. De natie zelve bewerkte hem niet. Zij ondermijnde de regeering des lands en verlamde ze tegen den buitenlandschen vijand, omdat zij in dien bestrijder haar vriend en in Oranje haar waren vijand zag. De natie onderwierp zich aan den veroveraar nog voordat deze het land had onderworpen.
Als broeders waren de Franschen ingehaald: zij kwamen, gelijk het heette, niet om te veroveren, maar om de vrijheid te schenken. Zij schonken, wat aanvankelijk het hoogste geluk werd gerekend, het verbond met Frankrijk.
171
DE FllAMSCHE TIJD.
Niet langer zou de Hollandsche natie door Engeland worden misleid en uitgezogen; aan Prankrijk's zijde zou zij vrij zijn. Maar hoe duur kwam die vrijheid te staan! De Bataafsche Republiek werd vriend en bondgenoot der Fransclien, betaalde honderd millioen aan schadeloosstelling voor den krijg, en nam op zich, 25,000 man, die in het land zouden blijven, te voedeu, te kleeden en te betalen; land- en zeemacht zouden den roem der Fransche wapenen deelen; de verbonden natiën zouden te zamen vrijheid, gelijkheid en broederschap aan de volken van Europa brengeu!
Toen de eerste bedwelming was geweken, zag men de blijvende vrucht der revolutie voor oogen: dienstbaarheid aan Frankrijk.
Wanneer wij thans, na bijna honderd jaar, terugzien, dan begrijpen wij het bitter gevoel der teleurgestelden. Maar, wat de tijdgenoot niet deed, doen wij; wij voegen er iets bij. Deze afhankelijkheid is in menig opzicht een zegen geweest. Zij heeft ons volk bewaard voor de vloek-tooneelen van een schrikbewind; zij heeft de revolutie niet in een bittere tragedie doen ontaarden.
Madame Guillotine had in de Bataafsche Republiek veel bewonderaars. Onder het gepeupel, vooral in de groote steden, was de eisch om wraak algemeen. De groote menigte heeft zelden begrip van regeeren of inzicht in politieke toestanden. Zij gelooft snel, wat haar wordt voorgehouden, als het in vormen en termen geschiedt, die haar gevoel, haar passiën prikkelen. De trots en willekeur der oude regenten, de bittere vervolgingen ua 1787, die inzonderheid de lagere standen hadden getroffen, hadden een haat gewekt, waarin alles werd geloofd. De mannen van het oude bestuur waren niet alleen hun politieke vijanden , maar ook dieven geweest. Toen de revolutie uit-
172
DB ÃRANSCHE TIJD.
brak, waren 's lands kassen leeg, ondanks de groote leeningen, die gesloten waren. Waar, vroeg men, was het geld gebleven? Het bleek, dat zelfs het leger, waarvoor het heette opgenomen, niet betaald was; de soldij over 1793 was slechts ten deele, die over 1794 volstrekt niet uitgekeerd. Wie hadden de millioenen gestolen? Wie anders dan Willem de Verderver en zijne gevloekte raadslieden?
Persoonlijke wraakzucht en haat vereenigden zich met het geloof aan oneerlijkheid, om straf voor de dienaren van Oranje te eischen.
Dergelijke redeneeringen brengen het groot gemeen in beweging. Denkende hoofden worden door dieper gedachten geleid. Niet alleen ⢠het volk, dat zijne driften niet beheerschen kan, ook mannen van hooge intelligentie en van veelzijdige bekwaamheid deden denzelfden eiseh. Zij, die door het gevallen bestuur geleden hadden, en zij, die zich en anderen voor de herhaling van dat lijden in de toekomst wilden vrijwaren, vereenigden zich in den wensch, dat het /'revolutionaire scheermesquot;, zooals de guillotine werd genoemd, een tijdlang zou werken en verbeurdverklaring van goederen de tegenstanders straffen.
Wilt gij een enkel bewijs? Valckenaar, een man, door kennis, beschaving en ontwikkeling niet onder de minsten van zijn tijd, letterkundige, redenaar, geleerde, diplomaat -â Valckenaar schreef nog na jaren: quot;Wie zal zijn grond met best graan bezaaien, zonder alvorens alle dis-telen en doornen te hebben uitgeroeid ? De aanhangers van het oude bestuur zijn de distelen van den vaderland-schen grond. Men had de Fa gel's, de Van der Spiegel's, de Bentinck's in de eerste zes weken der revolutie moeten ophangen, een aantal anderen op Loevestein gevangen
173
DK, FRANSCHE TIJD.
houden en een derde groej) deporteeren over den Rijn. Men had de Oranjehoofden, de regenten der steden moeten straffen en de millioenen, die de Franschen vorderden, hen laten betalen. Ik zou de koetsen, de paleizen en buitenplaatsen der Van de Poli's, der Straalman's, der Van Lijn-den's, der Van Citters, der Rengers, hebben laten springen. Hierdoor waren zij lam geslagen; zij zouden slechts hun oogen hebben behouden , om te weeiien en noch lust noch middelen overgehouden, om het Oranjegepeupel op oranjebitter te tracteeren. Engeland zou vriendelijk bedankt hebben, om die naakte en berooide matadors wederom op het kussen te helpen!1''
Zoo dacht en sprak Valckenaar, zoo duizenden in den lande, al was het niet altijd in even goed gebouwde zinnen. Brutus was een populair held, en de uitroeiing van volksdwingelanden een geliefd thema van den dag, al zou het den kop van den laatsten Brutus kosten.
De eigenlijke haard dezer terroristische partij was Amsterdam. Nergens is men nader aan de verwezenlijking van het bloedig ideaal geweest, omdat nergens de kracht der partij grooter was. Overal in den lande, in iedere stad en dor]), waren er clubs, waar het volk staatkunde leerde. In de groote handelsstad waren er meer dan 70, Zij waren de brandpunten, waar de eischen der leiders tot volkseischen werden verheven. Een Comité Revolutionair richtte deze clubs in en buiten Holland. De rol van de Jacobijnenclub te Parijs, die herhaaldelijk de Nationale Vergaderingen voor haren wil had doen buigeu, die Robespierre's heerschappij had gegrondvest en na zijn val opstand op opstand in 't leven riep, lachte de Amster-damsche heeren van het Comité Revolutionair toe. Zij wenschten, in navolging van de terroristen te Parijs,
174)
DE FEANSCHE TIJD.
Amsterdam en Nederland te beheerschen en te zuiveren van hunne vijanden.
Het is de roem van Rutger Jan Sohimmelpenninck, dat zijn nuchter gezond verstand, zijne welsprekendheid en zijne kloeke vastberadenheid deze partij in de eerste maanden der revolutie hebben bedwongen. Zijn voorbeeld hield anderen in toom, die zwakker van geest en meer belust op volksgunst waren. Om hem schaarden zich allen, die de revolutie door geen bloedstorten of persoonlijke wraak wilden bezoedelen.
Maar zij zouden niet de overhand hebben gehad, indien de afhankelijkheid van Frankrijk hun niet ten goede was gekomen. De Fransche representanten en generaals duldden geen nabootsing van liet schrikbewind op dezen veroverden grond. Waar het volk naar de wapenen greep, als in Mei 1796 te Amsterdam, verscheen het Fransche leger om orde en rust te handhaven. ,,Het recht om van onze ervaring te sprekenâ zoo luidt het in een hunner proclamatiën â âis door ons duur genoeg betaald. Betoont nooit toegeeflijkheid aan het oproer, waakt vooral op de bijeenkomsten van intriguanten; hun bedoelingen zijn tegen de maatschappelijke orde gekant. Indien zij zegepralen, is het met u gedaan; voor vrijheid valt anarchie, en voor wetten proscriptie u ten deel.quot;
Het is niet te verwonderen, dat het krachtig optreden van eene partij, die naar bloed dorstte, verlammend op het meerendeel der natie heeft gewerkt. Anton Reinhard Falck heeft in later jaren gezegd, dat een groot deel van 's lands ongeluk aan de houding der meer gegoeden van den fatsoenlijkeu stand was te wijten. De vrees voor anarchie deed hen zich onthouden en sterkte Frankrijk's invloed.
Doch er waren andere oorzaken, die krachtiger golden.
175
DE rilANSCHE TIJD.
Er bestond ouder de patriotten, die de leiding der revolutie in handen kregen, geen de minste eenheid, dan in liet afbreken. In den regel is dat geen afmattend werk. Niet veel meer dan een hamerslag was noodig om een burgemeester te herscheppen in een maire, heeren schepenen in een comité van justitie, het stadhuis in een huis der gemeente, staten van souvereine gewesten in volksrepresentanten. Deze en dergelijke hervormingen deden veel gejuich opgaan, vooral wanneer zij vergezeld gingen van redevoeringen, waarin veel over verbroken ketens, laffe aterlingen, donders van de wraak der vrijheid werd gesproken. Het volk, op zijn beurt, vernielde de graftomben in de kerken en wilde van geen livereien, geen geslachtswapens, geen cachetten meer hooren. Maar al deze hervormingen namen de kwalen van den tijd niet weg, openden geen nieuwe bronnen van welvaart, dempten de breede kloven niet, die de patriotten verdeelden. (Ja ira! zongen arme en rijke patriotten, als zij om de dorre vrij-lieidsboomen dansten of de schoone burgeressen en de welgebouwde jonge burgers â zonder pruik â toejuichten, wanneer dezen in plechtigen optocht naast de gebogen grijsaards en de veelbelovende zuigelingen van Bato voortschreden, om den goeden Vader der menschen te loven en de heilige feesten der vrijheid te vieren. Ca ira! mocht door de straten en pleinen klinken, licht gaf het vreugdelied aan niemand, want niemand wist waarheen men ging.
Het is de vloek der revolutie geweest, dat de patri-otsche leiders zich geen de minste rekenschap hadden gegeven , hoe zij hun zegepraal zouden gebruiken, wat zij in de plaats van het veroordeelde staatsbewind zouden stellen. Zij hadden geen programma, dat zij wilden uitvoeren, en geen leiders aan wie zij gehoorzaamden.
176
DE FllANSCHE TIJD.
Indien onmiddellijk in de eerste oogenblikken, toen de aanhangers van liet gevallen bestuur nog onder de bedwelming van den pas ontvangen slag waren, toen de geestdrift der vrienden nog juichte maar niet berekende, een groep van vastberaden mannen ware opgetreden, die hun wil aan de natie hadden opgelegd, zij zouden veel jammer en ellende hebben voorkomen. Eerlijke revolutionairen hebben het in later jaren volmondig erkend, dat de afschaffing der Unie van Utrecht, de opheffing der provinciale souvereiniteit, de vestiging van één krachtig bewind over de gelieele Republiek in de eerste dagen geen tegenstand zou hebben ontmoet. Voor de naïeve verwondering der Fransche representanten, die tot hun verbazing een legio souvereintjes in miniatuur, welke dezen bodem bedekten, leerden kennen, ware geen reden geweest. Een algemeen bestuur over de gelieele Republiek zou onmiddellijk door Frankrijk zijn erkend en door de Eransche legers zijn gesteund.
Niets van dat alles bestond; en wat erger was, er waren bovendien geen mannen, die den moed, de vermetelheid en de kracht hadden om liet in 't leven te roepen. Er waren bekwame mannen in overvloed, maar geen enkele overwegende en beheerschende persoonlijkheid. Er was niemand, die zijn wil, zijn inzicht aan anderen â wist op te leggen; in stad, provincie en staat kwam niets tot stand dan door voortdurende transactie tusschen uit-eenloopende inzichten. Slechts de haat had de patriotten vereenigd, maar geen eenheid van staatkundige inzichten.
Het gemis vau een politiek hoofd, een krachtig leider, droeg jammerlijke vruchten. J)e invloed van Frankrijk, dat telken male tusschenbeide moest treden om de anarchie te breidelen, steeg er door. De overmoed der clubs werd
JorisittH. 1- 12
177
DE FEANSCHE TIJD.
er door versterkt; er was geen nationaal bestuur, bij machte lien te betoomen. Ieder patriot meende staatsman te zijn, en offerde zijn persoonlijk inzicht voor niemand en niets op. In de locale en gewestelijke besturen voerde verdeeldheid den boventoon; er was overeenstemming noch waar het de maatregelen gold, noch waar het de beginselen betrof. Anarchie heerschte locaal en gewestelijk; slechts de Fransclie soldaat, die krijgstucht kende, wist dat gehoorzamen aan de wet de eerste plicht van den burger was. Maar wat in Nederland wet zou worden, kon niemand in 1795 voorzien. Het staatsbestuur was provisioneel, en men haastte zich niet het te vervangen. Meer dan een jaar verliep, voordat geschiedde, wat onmiddellijk na de revolutie had moeten gebeuren. Op den eersten Maart 1796 kwam de eerste Nationale Vergadering bijeen.
'/Nimmer zag Nederland zooveel wijsheid onder één dak verzameld,quot; juichte een opgewonden tijdgenoot; hij kon moeilijk voorzien, dat de vroegere danszaal van den stadhouder , die deze eerste uitverkorenen ontving, honderd jaar lang de vergaderzaal der Nederlandsche vertegenwoordiging zou zijn. Inderdaad was er recht tot de lofspraak; want de natie had een rijke bloemlezing van zeer talentvolle mannen afgevaardigd. Dat onder 124 leden, al ware het alleen voor de afwisseling, ook de personen niet ontbraken, die noch op kennis noch op talent mochten aanspraak maken, wekt geen bevreemding. De brave Priesche boe:;, die op den kenmerkenden naam van Kuiken antwoordde en van wien zijne ondeugende medeleden stellig wisten te verzekeren, dat de adviezen, die. hij uitbracht, de zijne waren, omdat hij ze eerlijk had gekocht en betaald of present gekregen, â deze waardige Kuiken heeft zijne
178
DK FKANSCHE TIJD.
179
makkers en genooten in meer vergaderingen geliad. Het meerendeel der afgevaardigden waren mannen van kennis en van gezond verstand. Het was hunne schuld niet, dat zij nieuwelingen waren op politiek gebied en dat de eisdien van het parlementair wezen, zooals later dagen die hebben ontwikkeld, hun minder vertrouwd zijn geweest. Breedsprakigheid is aan een jong geloof eigen. Wie in later dagen wel eens lust heeft om over vertegenwoordigende lichamen te klagen, zal van zijne stoutheid genezen zijn, als hij de lectuur heeft ten einde gebracht van de acht statige kwartijnen, die de handelingen dier Nationale vergadering vullen, of de drie en twintig, die hare decreten bevatten. Beknopte zakelijkheid is er geen hoofdeigenschap van. Hoe zou het ook mogelijk zijn geweest! Onderwerpen, als scheiding van kerk en staat, rechterlijke organisatie, legerinrichting, mogen in onze dagen, dank zij het licht, door de ervaring van een eeuw er over geworpen, met zaakrijke kernachtigheid worden behandeld, in 1795 waren zij voor de jonge wetgevers nog te nieuw, om niet de afslijping der kritische discussie te behoeven. De leerstukken van het nieuw politiek geloof, als volkssouvereini-teit, rechten van den mensch enz. deden pas hun intrede op het terrein der wettelijkheid en erkenden nog geen grenzen, waar zij ophielden te gelden, ook niet in de discussie. De taak, om een ouden staat op nieuwe grondslagen te vestigen, heeft zelfs voor oude routiniers bezwaren. Hier, waar mannen , vreemd aan staatkundige werkzaamheid, de hand aan den ploeg sloegen, kon het niet anders of de voren, die zij trokken, waren van ongelijke diepte en liepen wel eens op terreinen, waar staatsbemoeiing gewoonlijk terugtreedt. Toen in de vergadering de vereischten werden besproken voor het belcleeden van posten, stelde een
DE FllANSCHE TIJD.
der leden voor, dat gehuwden aan ongelmwden zouden voorgaan. Hij vond liet noodig, zijn denkbeeld toe te lichten en aan te bevelen, en wees daarom op de toenemende zwakheid van het menschenras, op het platteland zoowel als in de steden. Er waren zooveel lofwaardige voorslagen gedaan, verklaarde hij, tot bevordering der inlandsche fabrieken; hij achtte zich daarom in gemoede verplicht dit voorstel te doen quot;tot bevordering van onze inlandsche menschenfabriek.quot; De grenzen der staatsbemoeiing zijn moeilijk vast te stellen. Rutger Jan Schimmelpenninck slaagde er gelukkig in, zijn ambtgenoot op dit punt gerust te stellen, door hem te verzekeren van de warme, vaderlandsliefde in dit opzicht der Bataat'sche jongelingschap en van de niet onverbiddelijke inschikkelijkheid der Nederlandsche schoonen.
]STiet altijd intusschen boog minder voor meerder inzicht. De oude danszaal was getuige van menige heftige botsing; tot handtastelijkheden kwam men wel niet, maar de woorden waren menigmaal des te bitser. De ongewoonte der taak maakte prikkelbaar en gevoelig; de fijnheid der discussie, in de parlementen der 19quot; eeuw zoo opmerkelijk, ontbrak. Als Kantelaar verklaarde, dat hij «te groot was, om door een Boscli te kunnen beleedigd wordenquot;, lag de repliek voor de hand: quot;hij was nog nooit zoo klein geweest, dan nu hij zoo verwaand was.quot;
Het waren onstuimige vergaderingen, telken male als een teergevoelig punt werd aangeraakt, te onstuimiger en heftiger, omdat men niet sprak voor de leden alleen, maar voor het publiek. De tribunes waren gewoonlijk goed bezet, en deze schare nam met warmte deel aan den strijd van personen en partijen. Met handgeklap en getier, met woest gedruisch en geschreeuw gaf zij goed- of afkeuring te
180
DE FllANSCHE TIJD.
kennen. Het deel van liet souvereine volk, dat hier aanwezig was, hield toezicht op zijne representanten.
Toch zou de toon der discussiëu en de prikkelbaarheid der leden minder scherp en hoog zijn geweest, indien niet bijkans elk onderwerp, dat ter sprake kwam, door partijschap ware gekleurd geweest. Patriotten heetten allen, oprechte republikeinen. Maar de gemeenschappelijke vlag dekte zeer verschillende lading.
De verzuimde instelling van één algemeen landsbestuur in de eerste dagen der revolutie was in de volgende maanden niet hersteld. De gevolgen waren niet achterwege gebleven. Toen de geestdrift was bekoeld, dank zij de opofferingen , waarmede de Eransche hulp dagelij ks en in het vervolg moest worden betaald, had men zich in stad en land rekenschap gegeven van het doel der revolutie. Het meerendeel der bevolking achtte met den val van het stadhouderschap de hoofdzaak gewonnen en meende dat de kleinigheden, die overbleven, door de heilrijke werking der volkssouvereiniteit gemakkelijk zouden worden verholpen. De staatsregeling, die tot stand moest komen, behoefde slechts den volksinvloed op de besturen te regelen en te verzekeren, om alle bevoorrechting te doen eindigen.
Doch het bleek, dat men zich vergiste: de revolutie zou minder gemakkelijk haar einde bereiken, dan het scheen. Er verrees een twistpunt, dat ras de geheele republiek, de gewesten, de steden en de dorpen verdeelde. Zou de Ba-taafsche Republiek, als de oude Unie, een bond zijn van souvereine gewesten, of zouden deze slechts administratieve onderdeelen van de ééne Republiek zijn?
Dit strijdpunt hield de gemoederen in het eerste jaar der Bataafsche Vrijheid gespannen. Alle clubs, societeiten, wijken burgervergaderingen daverden van den twist. Het fede-
181
DE FliANSCHE TIJD.
ralisme der oude Unie was een teeken van provinciale aristocratie. De staatseenheid was het programma der radicale patriotten. Maar de beslissing werd van lien niet gevraagd. De oplossing van liet raadsel was de taak, die aan de eerste Nationale Vergadering was opgelegd.
- Bij de opening van deze eerste Nederlandse lie vertegenwoordiging was er in den Haag een groot burgerfeest gevierd. Een sjmbolisclie optocht was er het hoofddeel van. Een jonge sclioone van onbekenden leeftijd representeerde de Vrijheid. Zeven uren lang werd de burgeres Van der Meer, in luchtig gewaad en met ontbloote armen, op een triomfwagen door de straten der stad rondgevoerd. Het was een gure Maartsche dag, maar deze Vrijheid bood krachtig tegenstand en had een kleine, huiselijke verkoudheid er gaarne voor over. De prijs was de opoffering waard, want onder haar voorgang en bescherming deed de Eenheid en Ondeelbaarheid haar triomftocht door de straten van 's Gra-venhage.
De een- en ondeelbaarheid der Republiek, dat was da appel der tweedracht, die de vrijheid in de Eerste Nationale Vergadering wierp.
Het kost te allen tijde eenige moeite zicli te verplaatsen in toestanden, die geheel zijn voorbijgegaan, maar nog meer in een strijd van meeningen, die hun recht van bestaan hebben verloren. Thans is er wel niemand, die naar souvereine staten van Holland, van Utrecht enz. terug verlangt. Zelfs dringt zich de vraag op de lippen, wat men van de revolutie wilde maken, indien men de voornaamste gebinten van het oude, morsche gebouw der Unie liet staan.
Maar in 1795 was het vraagstuk vrij wat minder eenvoudig. De strijd tusschen de voorstanders van een onbe-
182
DE FUANSCHE TIJD.
paalde eenlieid, de unitarissen, en de verdedigers van de souvereiniteit der gewesten, de foederalisten, greep in op elk deel van het volksleven.
Indien de staten of representanten van Friesland, Zeeland en van de andere gewesten ophielden sonverein te zijn, om slechts administratieve colleges te worden, zouden zij in hunne gewesten niet meer kunnen heerschen. Zij zouden bevelen uit den Haag ontvangen en moeten gehoorzamen. Holland, het grootste en best bevolkte gewest, zou door het overwicht van zijn bevolking, 400,000 bewoners, de meerderheid bij alle stemmingen hebben en aan de landprovinciën gemakkelijk de wet stellen. In Middelburg en in Leeuwarden wilde men wel een landswet, ten aanzien van sommige zaken, maar met de vrijheid, die naar provinciale belangen te mogen toepassen. Als ouder de oude Republiek verlangden Friesland, Groningen en Zeeland de beschikking te behouden over provinciaal bestuur, leger en kerk. Slechts tegenover het buitenland wilden zij de eenheid erkennen, niet in het beheer van het binnenland.
Ons volk heeft den naam, alle kwestiën naar iinantieelen maatstaf te beoordeeleu. lu dezen strijd van meening speelden de finantiën inderdaad een hoofdrol.
Alle provinciën gingen onder schulden gebukt, maar geen in die mate als Holland. Kwam de staatseenheid tot stand, zooals de unitarissen ze wenschten, dan zouden alle schulden dooreengemengd en vereenigd worden. Men zou in Friesland en Zeeland tot de betaling van Holland's schulden moeten bijdragen. Dit achtte men onbillijk, omdat het in strijd met het eigenbelang was.
Van den eersten dag der Nationale Vergadering af hield dit vraagstuk de gemoederen bezig. Het kleurde alle dis-cussiën, het tintte eiken twist. Staatseenheid of provin-
183
de ril ax sc hi: tijd.
ciale souvereiniteit, liet verscliil gluurde altijd om deu lioek. Maunen, in liet gewone leven beminlijk en lieuscli, met de beste bedoelingen vervuld, stonden met booze vijandschap telken male tegen elkander over. Het is onnoodig te zeggen, dat er in deze vergadering ook een partij van liet juste milieu was; maar hoe nuchter en kalm Schimmel-penninck, de leider van dit centrum, de drift der uiterste partijen ook zocht te matigen, het gelukte hem volstrekt niet altijd. De eigenlijke strijd ving pas aan, toen de vergadering in November zich zette, om een ontwerp-consti-tutie, door een en twintig leden vervaardigd, te beoordeelen. Maar het voorspel in de zes maanden, die verloopen waren, deed voorzien, hoe warm de discussie, lioe heet de kamp zou zijn.
Het was de gewoonte, dat de vergadering eiken dag met een gebed werd geopend, dat niet zeer kort was. De spotzieke Dr. van Woensel stelde, met het oog op de discus-siën, een ander voor, dat een dubbele verdienste had; het was beknopter en deed vragen, wat men noodig had. Het luidde aldus; quot;Heere, Heere, bewaar ons voor nutteloos redetwisten, voor beuzelen, voor dagdieven. Amen.quot;
De spot was in menig opzicht verdiend. Want toen eindelijk de ware veldslag tussclien unitarissen en foedera-listen aanving, werd met velerlei wapenen gestreden. Zes maanden duurde de discussie; al de vragen, die reeds vroeger tot breede vertoogen over en weer hadden geleid, werden weder breedvoerig besproken en vele nieuwe, door het ontwerp van grondwet aan de hand gedaan. Een overzicht te leveren is volkomen ondoenlijk. Al de staatsrechtelijke theorieën van afscheiding der machten, volks-souvereiniteit, centralisatie enz., vonden op nieuw bespreking. Wat kon men niet aanroeren, met een ontwerp in
184
DE F [IAN SC HK TIJD.
de hand, dat 800 artikelen telde? Het is de verdienste der Eerste Nationale Vergadering, een verdienste die haar niet te ontnemen is, dat zij de zoogenaamde beginselen van 1789 in hun toepassing op het staatswezen het eerst in Nederland breedvoerig heeft toegelicht. Maar dit is een historische verdienste. Hooger roem zou zij bij de tijdge-nooten hebben verworven, indien de vrucht van haar maandenlang betoogen ter eene of ter andere zijde een beslissing had gebracht. Op den afstand van tijd, die ons van 1795 scheidt en bij de schaarschheid van vertrouwbare berichten, is het niet mogelijk een oordeel te vellen over de beschuldiging van vuile intrigues en andere dergelijke zaken, die de partijen elkander naar 't hoofd slingerden. Maar wel kan men een resultaat, van wat het ook zij, beoordeelen. Toen de Nationale Vergadering haar arbeid had geëindigd, bood zij aan de natie een constitutie aan, die aan geen enkele partij voldeed. De voorstanders der onbepaalde eenheid kreten het ontwerp voor een wanstaltig monster van foederalisme uit. De foederalisten wierpen den bal terug en noemden de constitutie een hatelijk gewrocht van unisme. Niemand was tevreden, dan een kleine middenpartij, waartoe Schimmelpenninck behoorde; zij noemden zich de moderaten, hun tegenstanders scholden hen voor slijmgasten.
Den 8'i,cn Augustus 1797 had de stemming plaats. Het volk kwam in de grondvergaderingen bijeen. Met werkelijk verpletterende meerderheid werd het ontwerp verworpen. Tegen 27,000, die het goedkeurden, verhieven zich 108,000 met unanieme afkeuring.
Twee en een half jaar was er sedert den aanvang der revolutie verloopen, en nog had de staat geen grondwet.
Kon het zoo blijven?
185
UK FRANSCHE TIJD.
II
IJe vraag moest beantwoord worden door eene tweede vergadering, de Tweede Rationale Vergadering gelieeten. Den lslen September kwam zij bijeen, om liet werk van liaar voorgangster van voren af aan te beginnen. Het had iets van den arbeid van Penelope; wat gisteren scheen tot stand gekomen, bleek lieden ongedaan. Zon liet noodlot, dat de Eerste Vergadering had verlamd, ook de tweede tot maclitelooslieid veroordeelen ?
Er waren eenige voorteekenen, die beter uitslag beloofden. De zoogenaamde middenpartij, met Scliimmelpenninek aan liet hoofd, had geen lust in den nntteloozeu strijd. Zij weigerde zitting te nemen en verliet het politiek tooneel. Het was een verlies, wat bekwaamheid en eerlijkheid betrof; maar winst, zoo men verlangde dat er eindelijk iets tot stand zou komen. Ingrijpende hervormingen zijn niet het werk van hen, die nieuwen wijn in oude zakken willen doen.
De voorstanders der onbepaalde eenheid bezaten in de nieuwe vergadering het overwicht. Plet was duidelijk, dat in de Republiek hun denkbeelden de heerschende werden. Pieter Vreede, het hoofd en de leider dezer unitarissen, was in zeven districten te gelijk gekozen. Met hem hadden tal van zijne geestverwanten zitting. Doch ook de aanhangers van provinciale zelfstandigheid waren sterk vertegenwoordigd. Maar zij hadden alles tegen zich wat een politieke partij machteloos maakt. Het ontwerp der staatsregeling was verworpen, omdat het te provinciaal was. Tegen dezen uitdrukkelijken wil des volks kou men wel redevoeringen houden, maar zij, die de volkssouvereiniteit
186
DE FRANSCHE TIJD.
predikteu, moesten ze eerbiedigen. Bovendien konden zij, evenmin als iemand, ontveinzen, dat de toestand ondiaag-lijk werd.
De omwenteling was stuksgewijze, plaatselijk en provinciaal , geschied: zij moest zich oplossen in ééne algemeene wet. Langer uitstel was ondoenlijk, want de anarchie nam overal toe. Het is moeilijk zich een duidelijke voorstelling-te maken van de grenzenlooze verwarring, die er lieerschte. In ieder gewest en op iedere plaats deed men juist wat men goedvond. Waar de unitarissen de meerderheid hadden, verdrukten zij de tegenpartij; waar de foederalisten in het bestuur zaten, werden de unitarissen het slachtoffer. Het kunststuk, om van den dag in den dag te leven, werd drie jaar lang toegepast. Er was geen staatsorde, geen landswet. De verdeeldheid, die iu de Eerste Vergadering had geheerscht, duurde voort onder het volk en nam toe, nadat de Tweede was samengekomen. Over de vermenging der schulden, over de scheiding van kerk en staat werd getwist en gekibbeld, heftiger dan te voren. Alle partijen zochten de vergadering voor hare denkbeelden te winnen, door ze vrees in te boezemen. Slechts zelden is van het recht van petitie zulk een gebruik gemaakt als in die dagen. Den eeneu dag kwam er een plechtig protest uit Overijsel iu, waarin de onderteekenaars verklaarden, dat zij zich niet onderwerpen zoudeu, indien de vergadering het zou wagen, de ineensmelting der schulden te deereteeren. Den volgenden dag kwam er een verklaring van de representanten van Holland in, waarin zij kortaf mededeelden, dat Holland ziju ([uota niet meer betalen zou, maar eischte, dat er algemeene belastingen door de geheele Republiek zouden geheven worden. Over de scheiding van kerk en staat, de opheffing der Hervormde Kerk als staatskerk
187
DE FRANSOHK TUD.
waren, indien liet mogelijk was, de gemoederen nog meer verbitterd. Meer dan 600 adressen, door ruim 200,000 personen ouderteekend, protesteerden tegen den val der staatskerk. Dat ouders en voogden teekenden voor minderjarigen , is meer geschied; maar bij deze gelegenheid deed zich de bijzonderheid voor, dat ouders teekenden in naam van kinderen, die nog geboren moesten worden. De vinding had ten minste de verdienste van oorspronkelijkheid.
Dien lof kon men aan de argumenten van weerszijden in de vergadering niet toekennen. Trouwens, de onderwerpen waren afgezaagd. Dit belette intusschen de Tweede Vergadering niet, om telkenmale opnieuw zich in den stroom der discussiën te baden, als waren de vraagstukken fonkelnieuw en pas gisteren opgekomen. Natuurlijk dat de strijd een veel heftiger karakter droeg: verdachtmaking van personen en bedoelingen kwam in ruimer mate voor. De foederalisten werden beschuldigd, in 't geheim Oranjegezind te zijn; en er was veel in hun houding, dat de beschuldiging verklaarde. Herhaaldelijk werd het voorstel gedaan van een algemeenen eed tegen het stadhouderschap en de oude Unie; maar steeds werd het afleggen verhinderd. De tegenstanders der onbepaalde een- en ondeelbaarheid werkten tegen, zij belemmerden. Daarvoor waren zij sterk genoeg, schoon te zwak om zelve de teugels in handen te nemen.
Het was volkomen natuurlijk, dat de vergadering steeds meer haar aanzien en ontzag in de Eepubliek zag verloren gaan. Ofschoon er een commissie was benoemd, om een nieuwe grondwet te ontwerpen en de unitarissen in deze commissie de meerderheid hadden, geloofde men niet, dat van een dergelijke vergadering iets te wachten was. Het publiek kwam daarom op een denkbeeld, dat stellig zonder
188
DE FKANSCHE TIJD.
wedergade op politiek terrein is. Een adres van Zeeuwet; stelde voor, om een prijsvraag voor de best mogelijke grondwet uit te schrijven. Eu dit denkbeeld vond zulk een goedkeuring, dat het onmiddellijk door verschillende andere adresseu werd gesteund. Ei- ontbrak nog aan, dat men ze publiek wilde aanbesteden!
In dezen stand van zaken, te midden van die grenzen-looze verwarring, had er een gebeurtenis plaats, die de ontknooping verhaastte.
In 1795, onder de bedwelming der overwinning en in het vol geloof aan eigen kracht, was er eeu maatregel genomen van groote beteekenis. Omdat de marine, gelijk ten deele ook het landleger, stadhouderlijk gezind was, had men in Februari de geheele marine ontbonden. Alle officieren, van den eersten tot den laatsten, waren naar huis gezonden, omdat zij aanhangers van Oranje waren.
Twee jaar waren er verloopen, waarin men zooveel men kon had gedaan, om de vloot en de marine te herstellen. Maar het onzinnig besluit van 1795 had ernstige gevolgen. De oude beproefde matrozen waren met de officieren ver-dweneu; van deu grond af moest alles wordeu opgebouwd. Erankrijk, dat de zeemacht der Republiek in den strijd tegen Engeland zeer noodig had, dreigde eigenmachtig in te grijpen. Men nam matrozen aan, waar men ze krijgen kon, eu benoemde tot zeeofficieren wie zich benoemen liet Aan het hoofd der vloot werd een man geplaatst, die geen andere aanbeveling had, dan zijn vurig patriotisme. De admiraal De Winter, die aan het hoofd van het Nedei-landsche zeewezen trad, was voor 1787 luitenant ter zee geweest, maar had nooit een schip gekommandeerd. Hij was in 1787 uitgeweken, had dienst genomen bij de Franschen en was met de generaalsepauletten in zijn vader-
189
DE FUANSOHE TIJD.
land teruggekomen. Persoonlijken moed had hij, en toewijding aan de zaak des lands evenzeer, maar beide zijn niet voldoende, om in de schoenen van De liuijter en Tromp te gaan staan en er in staande te blijven.
Gedurende dit jaar 1797 waren er allerlei groote plannen. Vereeni!?d met de Franschen, wilde men een landing' in
^ O
Ierland doen, om den opstand, die daar tegen den gehaten Brit was uitgebroken, te steunen. Dit plan werd niet uitgevoerd, omdat de Franschen niet bijtijds gereed waren. Hier te lande was men vol vuur en ijver en brandde men van begeerte, om het verachtelijk Carthago aan de overzijde van het Kanaal de zware hand van de zonen der vrijheid te doen gevoelen. Als een enkel proefje van de geestdrift en verblinding, zelfs van bekwame mannen, zij hier in het voorbijgaan het volgende vermeld. De generaal Daendels stelde voor, met 4000 man in Schotland te landen en door Schotland heen naar Ierland te trekken. Hij geloofde aan de uitvoerbaarheid van dat plan. Geen wonder dat minder kundigen in de vaste overtuiging leefden, dat de Bataafsche Republiek de dagen van De Ruijter en Tromp zou doen herleven. Reeds bij voorbaat genoot men van den roem.
De ontnuchtering bleef niet uit. In het begin van October stak de admiraal De Winter met de vloot in zee. Het was de eerste maal, dat hij het opperbevel voerde. Voor de meesten der zeeofficieren was het ook de eerste maal, dat zij koinmandeerden; voor velen hunner en voor een aanzienlijk deel van het scheepsvolk was het de eerste maal dat zij op zee kwamen.
Zij betaalden het duur, nog voordat de vijand in 't gezicht was. Een groot deel van de bemanning der vloot was zeeziek. Den llllen October raakten zij in het gezicht van de
190
DE FRAN SC HE TIJD.
duineu bij Wijk aan Zee met het Engelsehe eskader onder den vice-admiraal Duncan slaafs. Het getal schepen aan beide zijden stond genoegzaam gelijk, docli de Engelsclie waren beter bemand en sterker gewapend. Hunne officieren en vlotelingen waren vertrouwd op het element, waarop zij streden en kenden de waarde van hunne schepen. De uitslag was, zooals men verwachten kon. De vloot der Republiek leed een vernietigende nederlaag, die van den eersten oogenblik af beslist was. De admiraal De Winter onderscheidde zich door dapperheid, maar in de geschiedenis van het Wederlandsche zeewezen neemt hij bovendien een zeer zelfstandige plaats in. Hij was de eerste en de laatste admiraal van een Nederlandsche vloot, die gevangen genomen werd. De opperbevelhebber moest zich overgeven en werd met twee zijner stafofficieren krijgsgevangen naar Engeland gevoerd. Meer dan de helft der schepen deelde in zijn lot en viel in de handen der Engelschen.
Toen de vloot was uitgezeild, had de Nationale Vergadering van het Comité van Marine het bericht gekregen: quot;Eerlang hoop ik u haar zegepralenden terugtocht te berichten.1'1 Het briefje, dat de admiraal De Winter aan boord van het Engelsehe Admiraalschip schreef en met deze woorden onderteekende: quot;UEd. ongelukkige admiraal,quot; luidde eenigszins anders. De gehate Brit was niet vernederd; integendeel, de Nederlandsche vloot vernietigd.
Een kreet van diepe verslagenheid ging er op in den lande, toen het gebeurde bekend werd. Eenstemmig was men in den lof van de dappere zeelieden, en 's lands vergaderzaal weergalmde van lofspraken op den ongelukkigen vlootvoogd, die zulk een roemrijke nederlaag had geleden en van sombere profetieën aan het misdadig Albion, dat door deze nieuwe overwinning de lijst zijner euveldaden
191
DE FllANSCHE TUI),
vermeerderde en de vreeselijke wraak, eerlang te nemen, verzwaarde.
Het was deze nederlaag bij Kamperduin, die de worsteling tasschen de unitarissen en foederalisten in de Nationale Vergadering nader tot haar beslissing bracht. Pieter Vreede en de mannen, die hem volgden, begrepen het politieke voordeel, dat zij ervan trekken konden. quot;Dit waren de gevolgen van den jammerlijken toestand, waarin men zich bevond; had er eenheid van finantieel beheer in de Republiek bestaan, de vloot ware beter bemand, beter toegerust geweest. Het ellendige systeem der provinciale quota's, die niet of ongeregeld betaald werden, was er de oorzaak van. Het provincialisme, het foederalisme was de schuldige aan de nederlaag bij Kamperduin.quot;
Gesteund door de verbittering des volks, stelden de unitarissen een beslissenden maatregel voor: de heffing van een inkomstenbelasting door de geheele Republiek ten bate dei-vloot. Onder den indruk der gebeurtenissen waagden de foederalisten niet langer weerstand te bieden. Met over-groote meerderheid werd het voorstel aangenomen.
Doch wat zij niet waagden, durfden de provinciën. Alleen in Holland keurden de representanten des volks het besluit goed. In al de andere gewesten openbaarde zich meer of minder verzet en kwam de vertegenwoordiging in opstand.
In dezen stand van zaken besloot de partij der unitarissen tot een daad van geweld. Het jaar 1798, het derde jaar der revolutie, was ingetreden, en nog was men niet verder dan den eersten dag. Daendels vertrok naar Parijs en kwam met de toestemming der Fransche regeering terug. Tot den coup cTétat werd besloten.
Op den morgen van 22 Januari 1798 werd de vergaderzaal der Nationale Vergadering door troepen omsingeld.
192
DE FEANSCHE TIJD.
Geen der afgevaardigden werd toegelaten, die niet tot de partij der unitarissen behoorde of mocht gerekend worden. quot;Het vaderland werd verklaard in gevaar te zijnquot; zoo luidde de formule, die men in navolging van vele Parijsche modellen bezigde. Het stadhouderschap, het foederalisme, de aristocratie en de regeeringloosheid werden gelijktijdig afgezworen. De provinciale souvereiniteit werd vernietigd, de gewestelijke besturen werden tot administratieve colleges verklaard. Eenheid in het tinantieele, zoowel als in het politieke, zou de grondslag van de nieuwe staatsorde zijn.
iSTog was deze vergadering van 22 Januari niet ten einde, toen de gezant van Frankrijk verscheen. Hij kwam om de goedkeuring zijner regeering te betuigen, en drukte den voorzitter der revolutionaire vergadering den patriot-schen broederkus op de wang.
Die broederkus was liet zegel op de daad van geweld. Frankrijk schonk aan de Bataafsche broeders de staatseen-Iieid, gelijk het hun de vrijheid had gebracht en het voor de tyrannie van Madame Guillotine had bewaard.
Het werk van den Januari 1798 is niet onderge
gaan. Dit is de beste verdediging, die Pieter Vreede en zijne volgelingen kunnen doen gelden. Het beginsel van den coup d'état heeft de mannen overleefd, die het deden zegevieren.
De onwillige provinciën bogen het hoofd en onderwierpen zich. Wie de revolutie was toegedaan, berustte in het fait accompli, dat eindelijk rust beloolde. En zij, die de omwenteling haatten en terugkeer tot de oude staatsorde wenschten, zagen met blijdschap de verdeeldheid en fouten hunner tegenstanders aan, omdat zij hun een toekomst beloofden. De tijd scheen hun nabij, dat de Oranjepartij zou oogsten, waar zij niet gezaaid had. Zij
Joris sen, J2 13
DE FRANSCHE TIJD.
meenden, dat de gedwongen staatseeuheid de brug zou zijn, om de gematigde aanhangers der revolutie met het Oranjehuis te verzoenen. Zij bedrogen zich.
III
Wanneer een vorstengeslacht, dat gedurende een lang verloop van tijd de eerste plaats in den staat heeft bekleed, door overmacht van binnen- of buitenlandsche vijanden ten val wordt gebracht, dan zal het wel nimmer voorkomen, dat het niet tal van aanhangers achterlaat. De plaats, die geruimd werd, stak te zeer uit, dan dat niet velen gewoon waren er naar op te zieu. De invloed, dien zij schonk, was een band voor talloozen. Door elke gewelddadige verscheuring vau een oude betrekking worden steeds vele belangen gekwetst, ook waar persoonlijke genegenheid en de macht der gewoonte niet hechtten.
De persoon van Willem V was niet rijk geweest aan bijzondere vrienden. Maar het vorstenhuis en het stadhouderschap telden er des te meer. Ook buiten den kring van hen, die het hof vulden en zich nu op eenmaal een aanzienlijke positie in de maatschappij zagen ontnomen, waren de voorstanders van het stadhouderschap velen in getal. Hun geringe ingenomenheid met den persoon van Willem V had hen de groote fout doen begaan, den Stadhouder niet te steunen. Toen de revolutie tot stand was gekomen en het bleek, dat hun maatschappelijke invloed door haar werd bedreigd, zagen zij hun misslag in. De adel in de landprovinciën en een groot aantal regenten die tot dusver het patriotisme met onverschilligheid hadden aangezien, werden vijanden der revolutie, die aan hun heerschappij een einde dreigde te maken. Zij vormden in
191
DE FUANSCHK TUD.
de eerste jaren de kern der tegenstanders van de omwenteling, de eigenlijke kern der Oranjepartij.
Met liet gewone zelfbedrog van een politieke partij, die haai' geluksstaat in een ondergegane maatschappelijke orde vindt, beeldden zij zich in, dat de teleurstellingen, die de omwentelingen baarden, de volksopinie tot Oranje terugvoerden. Dat er bijkans twintig jaar zouden verloopen en een genoegzaam nieuw geslacht zou moeten opstaan, voordat de revolutie met Oranje zou verzoend worden, zagen zij niet in. Zij hadden een open oor voor elkanders klachten, voor hun eigen minachting van de gebeurtenissen van den dag, maar begrepen volstrekt niet, dat de patriottenpartij, hoe teleurgesteld zij zich mocht gevoelen, daarom niet geneigd was, onder den oudeu druk terug te keeren. De geringheid der opofferingen, die zij over hadden voor het verdreven vorstenhuis, was hun een maatstaf, zij het ook een valsche, van de geringheid der opofferingen, waartoe de patriotten voor hun denkbeelden bereid waren.
Er zijn enkele familiën geweest, naar het schijnt voornamelijk Friesche edelen, die Willem V in de eerste jaren van zijne ballingschap met geldelijke ondersteuning hebben bijgestaan. Over het algemeen echter was de persoonlijke gehechtheid te gering, om tot krachtig hulpbetoon te leiden. Het is opgehouden, toen de Europeesche staatkunde elke kans wegnam, dat de Prins van Oranje met geweld van wapenen, als in 1787, zou teruggevoerd worden.
Deze hoop heeft slechts enkele maanden bestaan. O]) Pruisen was zij gebouwd. Maar het Pruisen van 1795 was niet meer het oude Pruisen van 1787. De Poolsche kwestie deed Erederik Wilhelm in April 1795 den vrede van Bazel teekenen. Te Osnabrück was in de vorige maanden een legertje bijeengebracht, dat onder den Erfprins een
195
DK FllANSCHE TIJD.
inval in de Nederlanden zou doen. Op Prankrijk's eiacli werden die troepen ontbonden. De bondgenoot der patriotten liet de Bataafsclie republiek niet los en vernietigde ook langs diplomatieken weg de lioop der oude Oranjepartij.
Indien de Revolutie minder traag in haar gang ware geweest, de aanhang van Oranje zou ernstig gevaar hebben geloopen, uiteengeslagen te worden. Maar de langzaamheid van hare bewegingen en de verschooning, die tegenover de leden van het oude bestuur in acht werd genomen, kwamen hem ten goede. De partij van Schimmel-penninck, de gematigd revolutionaire, waakte tegen elk terrorisme. De raadpensionaris Van der Spiegel, Eentinck, Van Rhoon, Kinsbergen en eenige anderen werden iu hechtenis genomen en in hechtenis gehouden, maar zonder dat hun eenig leed werd aangedaan, en zij werden allen achtereenvolgens na korter of langer tijd in vrijheid gesteld. De Oranjepartij verwekte in 1795 op verschillende plaatsen onlusten; hier werd een visclivrouw, elders een door den drank opgewonden handwerksman gegeeseld of verbannen; maar de gewelddadige reactie was nergens van groote be-teekenis. Men kan de personen tellen, die vervolgd zijn. In de revolutionaire clubs werd de eisch gedaan, dat de Oranjehoofden voor de kosten van den oorlog aansprakelijk zouden worden gesteld, dat hun goederen zouden verbeurd verklaard en de personen gestraft worden. Maar noch de Franschen noch de hooiden der omwenteling wilden er van weten; zij onderdrukten zelfs met geweld de voorstanders van die meeningen.
Als de aanhangers van het voormalig bestuur deze houding der revolutie tegenover hen eens hadden vergeleken met hun gedrag in 1787, het resultaat der beschouwing zou niet vleiend voor hun hoogmoed zijn geweest. Zij
196
m: FRAXSCHE TIJD.
mocliten schimpen op de Fransclien en op de manneu der omwenteling, deze mannen handelden edeler dan zij gedaan hadden, lloutine in de kunst van staatsbestuur bezaten zij wel niet, maar zij hadden meer eerbied voor de oprechte overtuiging hunner tegenstanders dan zij zelve hadden betoond. En zij misbruikten hun macht niet tot persoonlijke wraakneming.
Doch zulke zaken worden zelden erkend door hen, die vroeger de hoogste plaats hebben ingenomen, maar door het rad der fortuin naar beneden zijn geworpen. Het feit, dat zij het onderspit hebben gedolven, is een misdaad, die den overwinnaars niet vergeven wordt.
De Oranjepartij, verschoond door de revolutie, bad de vrije hand, om haar invloed uit te breiden. Haar aanhangers konden alles doen, om op de publieke opinie te werken. Aan wapenen ontbrak het niet.
De Republiek was afhankelijk van Frankrijk, de dienares, het werktuig van den bondgenoot. De eerste maanden weergalmden van de jammerkreten der bevolking, die re-quisitiën moest opbrengen en inkwartieringen verdragen. Dat de krijgstucht streng gehandhaafd werd; dat de Fransche soldaat goedhartig en bescheiden was; dat wel de zaak, niet de persoon uoemenswaardigen last aanbracht, dat vindt men in de brieven der Oranjemannen zelve erkend. Maar desniettemin voelde men zich vernederd als nooit te voren. Onder geen stadhouder van het huis van Oranje was deze toestand ooit voorgekomen. Tijdelijk, in 1628 en 1672, was een deel dezer gewesten door de Franschen overstroomd; maar nooit hadden zij voor langer dan weken of maanden hier huis gehouden. Nu lagen er voortdurend 25000 in de hoofdplaatsen van den staat, die hen voeden, kleeden, onderhouden en feitelijk aan hen gehoorzamen moest.
J 97
DK l'llANSCHK TIJD.
üe welvaart der Republiek was vernietigd; terwijl mil-lioenen bij millioenen opgebraelit moesten worden, droogden de bronnen van welvaart en bestaan telken dage meer op. Tn 1794!, toen er nog een stadhouder was, waren nog 1811 liandelsseliepen de Maas binnengekomen; in 1795 waren er slechts 360. In 1794 hadden bijna 2000 schepen onze zeegaten verlaten; in 1795 waagden het slechts 400. De handel hield op, de industrie kwijnde, het werkvolk liep leeg. Slechts in een stadhouderloos tijdperk kon men een periode als deze aanwijzen, niet in dagen toen de staat door een Oranje werd bestuurd.
In 1666 was de toestand even jammerlijk geweest en het beklag even algemeen. Maar het land was niet bezet door vreemde soldaten, en er was een Johan de Witt, die een einde aan de ellende maakte. Waar was de Johan de Witt dezer omwenteling? Waar was het denkende hoofd, waar de leider der revolutie? Het bestond niet; mannen zonder kennis van staatkunde, politieke tinnegieters regeerden het land, of liever, regeerden niet. Er kwam niets tot stand; zelfs een grondwet konden zij niet maken. Slechts met geweld van Fransche bajonetten kon de coup (Vétat van Januari 1798 slagen.
Het is zeker dat, krachtiger dan al deze betoogen, de strijd der politieke partijen in de vertegenwoordiging aan de Oranjepartij nieuwe aanhangers bezorgde. Reeds in de eerste vergadering hadden voorstanders der staatseenheid aan de hardnekkige verdedigers der provinciale zelfstandigheid voor de voeten geworpen, dat er onder hen meerderen waren, die notulen voor den prins van Oranje hielden. Inderdaad waren er velen onder de foederalisten, die, zoo het mogelijk ware geweest, gaarne het gedane ongedaan zouden hebben gemaakt en ter wille van hun provinciale
198
DK FRANSCHE TIJD.
oppermacht liet stadliouderschap en liet Oranjehuis op den koop toe zouden hebben genomen.
Na de omwenteling van den 22stequot; Januari 1798 won onder hen de aanhang van Oranje aan krachten. De grondwet van 1798 vernietigde wat zij liefhadden, voerde eenheid van landsbestuur, van tinantiën, van wetgeving in. De vertrouwelijkheid en aaneensluiting der twee verdrukte partijen namen toe. De twee overwonnen richtingen reikten elkander vaster de hand, naarmate het gevaar, dat haar beide bedreigde, grooter werd.
Het bestuur, dat in Januari 1798 optrad, bestond uit de onverzoenlijke voorstanders der Volkseenheid. Pieter Vreede, de hoofdman der unitarissen, stond aan het hoofd van het vijftal, dat als Raad van State de Republiek zou regeeren. Zij brachten eene grondwet tot stand, die hunne inzichten verwezenlijkte. Dit, had men gemeend, was het hoofddoel van den coup cVétat geweest.
Maar het scheen dat men zich vergiste. Pieter Vreede en de zijnen betraden den weg der vervolging. Zij deden de eerste stappen in de richting der wraaklievende revolutionairen. Zij wierpen hunne tegenstanders in de gevangenis of verboden hen, hunne huizen en woonplaatsen te verlaten. Een algemeene onrust vervulde de Republiek. Madame Guillotine scheen eindelijk te zullen heerschen.
Met geweld waren deze mannen op het kussen gekomen; met geweld waren zij besloten zich te handhaven. In strijd met hun eigen Grondwet verklaarden zij zich zelven tot representanten des volks, zonder zich aan een volkskeuze te onderwerpen.
Doch wat in 1795 niet was geslaagd, had drie jaar later nog minder reden van bestaan. Het scheermes der revolutie was gehaat in Frankrijk, bij den meester en bond-
199
DE l'KANSCHE TIJD.
genoot van ons volk. Hij vergunde uiet, dat het hier werd gebezigd.
Op den 12(len Juni zaten drie leden der landsregeering samen te dineeren, toen op eenmaal hun hotel omsingeld werd. De generaal Daendels, door militairen gevolgd, trad binnen om hen gevangen te nemen. Twee van de rustig etenden, die zoo onaangenaam gestoord werden, sprongen de ramen uit en redden zich door deuren en tuinen. Een werd gevat. De partij van Pieter Vreede was uiteengeslagen : hier zou de Guillotine niet heerseheu.
Het was de tweede revolutie in zes maanden. //Wij leeren aan,quot; zeiden de spotters. //De kunst van revolutie maken schijnt niet moeilijk meer.quot;
Toch was, hoeveel belachelijks er voor het uiterlijke in dit gestoorde diner mocht zijn, de daad van 12 Juni 1798 een feit van groote beteekenis. Dequot; terroristische partij werd voorgoed overwonnen en de vrucht der revolutie bleef. De omwenteling was, wat het beginsel betrof, ten einde. De staatseenheid is van 1798 af tot dezen dag toe ongeschonden gebleven.
Onder de toeschouwers van den 12aen Juni bevond zicli een oud-burgemeester van Amsterdam, Straalman. Toen hij het tooneel aanschouwde, hoe voorstanders der omwenteling elkander met geweld van het kussen wierpen, riep hij uit: //Wat maken zij den Prins van Oranje groot!quot; Zoo oordeelden ook de oude aanhangers: zij bouwden er hunne hoop op. Al die twisten en verdeeldheid schenen den weg te effenen voor Oranje.
Zij allen oordeelden naar den schijn. Zij namen de beroering op de oppervlakte van het water waar en kenden de strooming niet, die zich daaronder verborg.
200
gt;
DK FllAXSCH K TIJD. 201
Het is een gewoon verscliijusel, dat zij, die iu den staat de eerste plaatsen innemen, hunne meenigen voor de lieer-scliende liouden. Zij heerschen ook inderdaad in lien zeiven, gelijk in hunne bureau's, en in de collegiën, waarin zij het overwicht hebben. Maar daarnaast, daaronder, zoo meu wil, gaat de stroom der volksontwikkeling zijn eigen gang.
De middelstand der natie, de kern der burgerij, was oudtijds Oranjegezind geweest. Zij hadden den Zwijger gesteund en de bewegingen van 1672 en 17-i7 in het leven geroepen. Maar in de tweede helft der 18quot; eeuw was de oude liefde volkomen verkoeld. Oranje had niet beantwoord aan de verwachting en de regentenaristocratie niet verlamd. De oppositie tegen deze maakte in 1795 de eigenlijke kern der revolutionairen uit. De predikanten, bevreesd voor de voorrechten der staatskerk, mochten langzamerhand omslaan, de burgerij was volstrekt niet genegen zich te verzoenen met het stadhouderlijk huis. Het kon haar weinig schelen, of eenige heeren in den Haag kibbelden op of om de kussens van staat, zoo de oude staatsorde slechts volkomen werd verstoord en het programma der revolutie verwezenlijkt. Vrijheid van elke overtuiging om zich uit te spreken en te doen gelden; gelijkheid voor de landswet van alle standen; toegankelijkheid van staatsbetrekkingen voor allen; eenheid van staat in politiek en in tinantieel opzicht â zoo deze winsten werden verkregen, de burgerij was bereid ze te betalen, zij het ook met jaren van opoffering en druk. De afhankelijkheid van Frankrijk werd diep gevoeld als een oneer voor de natie, maar geleden als een tijdelijk kwaad. In de twee eeuwen, die vooraf waren gegaan, had de burgerstand geen de minste plaats in de staatsorde ingenomen. Zij had in de lange school geleerd te lijden en te wachten.
DE FRAN'SCHi; TIJD.
Die passiviteit werd verkeerd begrepen. De Oranjepartij las er ontevredenheid met den staat van zaken in, en zag niet, dat liet berusting in liet onvermijdelijke en kleinere was ter wille van liet lioogere. Zij meende, dat de natie terug verlangde naar liet verlorene. Omdat de bitterlieid week jegens den Prins van Oranje, wiens afwezigheid de oude grieven op den achtergrond dreef; omdat de machteloosheid en tweedracht der partijen in de vertegenwoordiging met minachtend schouderophalen werden beoordeeld, meenden de aanhangers van het Oranjehuis, dat de meerderheid der natie opnieuw, als in vroegere eeuwen, in Oranje den redder uit al hare ellenden begroette en met blijdschap en gejuich hem zou inhalen, ten einde hem op de oude plaats te herstellen, zoodra hij zich vertoonen zou.
In Augustus 1799 vertoonde zich voor de kust van Xooid-Holland een vloot, met Engelsche en Russische troepen bemand. Zij voerde den Erfprins van Oranje naar het land zijner vaderen terug. De Oranjepartij was vol moed. Uitgewekenen van 1795 waren in de laatste weken teruggekeerd; zij luidden hunne woningen opnieuw betrokken en ingericht; zij maakten zich tot blijven gereed, overtuigd dat de oude orde van zaken gemakkelijk en snel zou worden hersteld. De natie zou met beide handen de geliefde Oranjevaan opheffen, om zelfstandigheid van Frankrijk te gewinnen en onder het oude vorstenhuis het verloren paradijs terug te vinden. Anton Reinhard Ealck was in die dagen te Hamburg; hij zag de officieren dezer emigranten en hoorde hunne snorkerijen. //In afwachting van binnen weinige dagen de Bataafsche republiek vernietigd te zien, laten zij hier niet meer dan twee hemden te gelijk wasschen,quot; schreef hij.
De Engelsche en Russische bondgenooten van den Prins
DE FRANSCHE TIJD.
van Oranje landden. De Bataafsche vloot gaf zich over, en eerlang deed de Erfprins zijn iutocht in Alkmaar. Daar richtte hij tot de natie eene proclamatie, die het doel der terugkomst moest uitspreken en allen tot hem lokken.
Maai neen, hij richtte zich niet tot de natie. Hij sprak alleen tot hen, die voor 1795 in de zeven gewesten regent waren geweest. Hun steun riep hij in, hun beloofde hij herstel, xlllen, die aan de gehate revolutie bijval hadden geschonken, allen die maar een sprekend bewijs â zoo luidden letterlijk de bewoordingen der breedsprakige proclamatie â van hun aankleving van het tegenwoordig bestuur hadden gegeven, werden uitgestooten en verworpen. Niet bevrijding des lands van het vreemde juk, maar restauratie van al de gebreken, die tot de omwenteling hadden gedreven, werd beloofd of bedreigd.
quot;Zij hebben niets vergeten, zij hebben niets geleerd zeide in later jaren Chateaubriand van de Bourbons. Dat woord gold ook van den Oranje-aanhang in 1799.
De natie hoorde het woord van den Prins van Oranje en beantwoordde het op de eenige wijze, die mogelijk was. De burgerij roerde zich niet ten gunste van het herstel eener staatsorde, die zij haatte. De republikeinsche regeering daarentegen werd gesteund in haar wapening. De Bataafsche republikeinen streden dapper naast de Pransche, om deze restauratie te verwerpen. Voor de tweede maal wierpen zij Oranje buiten. Voor de tweede maal schonken zij de voorkeur aan de afhankelijkheid van Frankrijk boven het oud bestuur. De keten mocht zwaar zijn, zij drukte minder dan de keten van misbruiken, die de volksontwikkeling had tegengehouden. Als de vrede kwam, zou zij afgenomen worden. Het einde der eeuw zou het einde der dienstbaarheid aan vreemde meesters zijn.
203
DE FUANSOHK TIJU.
Zij, die zoo hoopten eu geloofden, bedrogen zich. Nog was de Engelsclie vloot niet weggezeild, toen een tijding uit Parijs zich verspreidde. Den 18den Bminaire had de generaal Bonaparte het Eransche Directoire uiteengejaagd. De revolutie had haar meester gevonden; de ijzeren hand van den Caesar sloeg de schakels van de slavenketen hechter vast en sleepte de Bataafsche republiek achter zijne zegekar met zich mede, zijn noodlot te gemoet. Voor dezen man was het weggelegd, door zijn druk de revolutie en Oranje te verzoenen.
IV
Daar is bij de waarneming van verleden tijden geen belangwekkender onderzoek, dan de wording na te gaan van denkbeelden en opvattingen, die niet meer gelden. Het geboorteproces van meeningen, die geen invloed meer oefenen, werpt in den regel meer licht op de ontwikkeling van personen en volken, dan de periode van haar verval.
Heerschende denkbeelden hebben gewoonlijk geen langer leven dan het geslacht, dat ze het eerst heeft omhelsd. Vijf en twintig jaar, en, zoo zij zeer sterk zijn, dertig jaren richten zij den loop der inzichten. Ook indien een volgende generatie dezelfde meeningen schijnt toegedaan, zijn het inderdaad niet dezelfde meer. Er zijn nieuwe elementen in opgenomen; het is een alliage geworden van oude en nieuwe bestanddeelen, dat wel den ouden naa,m kan dragen, maar inderdaad iets nieuws, is. Er zijn geen kinderen, die uitsluitend hetzelfde liefhebben als hunne vaderen, omdat de oogen iets anders zien, iets anders waarnemen en de harten anders oordeelen.
Toch is de verklaring onjuist, die slechts in liet verschil
201
DE FRAN'SCHi; TIJD.
van leeftijd de oplossing vindt. Want liet oude geslaclit' ondergaat, bewust of onbewust, hetzelfde proces. De klove is niet zoo breed, als ze oppervlakkig schijnt, tusschen oude en jonge inzichten en heerschende meeningen. Wie dertig jaar met bewustzijn heeft' geleefd, weet, dat elke volgende dag het werk van den vorigen heeft gewijzigd. Hij mag met weemoed terugzien op hetgeen hij in vroeger jaren met vuur heeft liefgehad en onwillig zijn, het als een dwaling te verwerpen, hij weet, dat het voor altijd is voorbijgegaan. Het nieuwe moge hem niet aanlaclien, hij erkent het als noodzakelijk. De wereldgeschiedenis kent. geen enkele gedachte, die in haar oorspronkelijke!! vorm is verwezenlijkt. Wat er waarheid in was â en ook maar al te dikwerf de dwaling, die er in huisde â heeft zijn weg gevonden en zijn eigen terrein van ontwikkeling, in vormen, volkomen verschillend van het kleed, waarin het eerst werd voorgesteld en aanbevolen. Niet zelden openbaart het zijn bestaan in scheppingen, die in lijnrechten strijd met zijn ontstaan schijnen. Wie had in 1789 kunnen gissen, dat de leer der volkssouvereiniteit, die een bedreiging voor alle tronen scheen eu in de maatschappij tot den ongehoorden eisch van gelijkheid van allen verleidde, de .monarchie tot eene machtsontwikkeling zou voeren, gelijk de 19e eeuw heeft aanschouwd?
Over die uitkomst kan men oordeelen naar men wil: men kan ze toejuichen of betreuren. Maar het vermindert den roem niet van hem, wiens merkwaardige scherpheid van blik de mogelijkheid heeft erkend toen niemand anders ze nog voorzag, eu wiens heerschersgenie ze reeds heeft verwezenlijkt, toen niemand ze nog denkbaar achtte. Er wordt nooit een doel bereikt zonder omstandigheden, die begunstigen, maar de belofte er in te lezen, is de roem
205
DK FEANSCHE TIJD.
van liet individu; te grooter, naarmate het wit stouter en verder boven liet reikvermogen des menschen schijnt gelegen. De man, die in November 1799 het ros der revolutie in den teugel greep, om het te richten en te beheerschen, had het volle recht toen hij vier jaar later zich zeiven de kroon op het voorhoofd drukte; want hij was, voorzoover het den mensch gegeven is, de schepper van zijn eigen lot geweest.
quot;Er zijn slechts zeer enkelen, die zoo hoog zijn verheven en zoo diep zijn neergeploft; weinigen ook, wien zooveel wierook is toegezwaaid en die door zooveel slijk zijn getroffen. Maar ondanks beide blijft zijn historische be-teekenis dezelfde. IsTapoleon Bonaparte is de zoon dei-revolutie, die zijn moeder niet op het kleed, maar op liet hart is getreden, en toch haar laatsten wil heeft uitgevoerd.
Zij, die, als het nageslacht, den loop en afloop eener geheele verschijning kunnen overzien, worden in hun oordeel door sympathie of antipathie, door het gevoel van bevrediging of van teleurstelling geleid. Maar de tijdgenoot bouwt zijn oordeel op verwachting, op hoop eu vrees. En weinigen waren er in 1800, die niet den stoutmoedigen veldheer toejuichten. Voor Europa zoowel als voor Frankrijk scheen zijn optreden de belofte van een betere periode. Met Napoleon eindigde de revolutie.
Gedurende de jongste elf jaar, die in Frankrijk aan zijn optreden vooraf gingen, had elke dag nieuwe onzekerheid gebaard. Het scheen, dat de nieuwe beginselen der revolutie niet bij machte waren de grondslagen van eene maatschappelijke orde te leggen, die aan de behoefte naar rust en veiligheid voldeed. Voor den overmoed der eerste jaren was afgematheid in de plaats getreden. Staat en maatschappij beide zagen naar een hoofd, naar een leider uit;
206
DK FIIA NSC Hl*: TIJD.
een heerscher werd vereisclit, die de vrucht der revolutie zou liandliaven, maar haar liartstocliten bedwingen. Dit was liet werk, dat Napoleon wachtte; dit de grond der toejuiching, waarmede Frankrijk en Europa liem welkom heetten.
De bevolking der Bataafsche republiek maakte geen uitzondering op den algemeenen regel. Na 1798 verhief zicli langzamerhand weer de ultra-revolutionaire partij. Zij slaagde er in, bij verschillende verkiezingen hare aanhangers te doen kiezen. Er begon in sommige kringen, vooral in het voorjaar en den zomer van 1799, een stemming op te komen, volgens welke men niet ver genoeg gegaan was en de tegenstanders te veel verschoond had. De aanhangers der regeering waren beducht voor gewelddadigheden van de zijde der terroristische partij. Daar brak de IS0 Brumaire aan.
Wil men de beteekenis van Napoleon's coup cTétat voor ons land zien, niets schetst ze duidelijker dan een bladzijde uit de mémoires van Maurits Gornelis van Hall. De bekende schrijver was in die jaren lid der Eerste Kamer en behoorde tot de gematigde revolutionairen. Hij verhaalt, hoe een aantal vertegenwoordigers met den Franschen generaal Brune samenspanden, om een nieuwe omwenteling tot stand te brengen. Dag aan dag namen de leden der vertegenwoordiging hunne plaatsen vol onrust in, vreezende dat ruw geweld hen uiteen zou drijven.
quot;Op den 13Jen November'quot; â zoo vertelt M. C. van Hall â //bevond ik mij in de Eerste Kamer, toen een der buiten-landsche gezanten, met wien ik bevriend was, mij roepen deed. Ik kwam bij hem op zijn galerij en vernam toen, dat dien morgen een hoofdofficier uit Parijs was gekomen, met de tijding, dat de generaal Bonaparte zich van het bewind had meester gemaakt. Ik begaf mij terug naar
207
DK KUANSOHE TIJD.
mijne plaats en deelde liet aan mijne bevriende ambtge-nooten mede, wie het bericht, evenals mij, met blijdschap vervulde. Dit bleef bij de andere leden der vergadering niet onopgemerkt, en een hunner richtte zich tot mij met de vraag, of er nieuws was? Niets, antwoordde ik, niets, dan alleen, dat er in ons land geen omwenteling meer zal plaats hebben, en dat ik niet op last van onverlaten gevangen genomen, gebannen of van mijn post ontzet zal worden.quot; De vrager verbleekte en verwijderde zich.
Napoleon's optreden was het einde der revolutie en daarom werd liet toegejuicht door dat groot getal van patriotten , dat van gewelddadigheid afkeerig was. Dezelfde mannen, die in 1795 tegen tirannen hadden gewaarschuwd, verheugden zich, dat een krachtige mannenhand zich ophief om de maatschappelijke wanorde te beteugelen. De teleurstellingen der laatste vier jaar hadden te veel moedeloosheid gewekt, om niet rust te vinden in de zekerheid, dat één wil zou heersclieu.
Maar deze ééne wil beloofde aan de Bataafsche republiek niet alleen rust, zij beloofde ook verzoening. De Oranjepartij mocht in 1799, bij den inval der Engelsclieu, zicli slechts weinig geroerd hebben, zij bestond. Onder de aanhangers van het oude bestuur, vooral die van jonger leeftijd , waren tal van bekwame mannen. De gematigde revolutionairen hadden reeds lang begrepen, dat de tweespalt in de natie niet zou ophouden, voordat leden der Oranjepartij in de besturen waren opgenomen. Na 1798 waren meerderen hunner tot ondergeschikte betrekkingen geroepen, maar in de eerste collegiën van staat namen zij nog geen plaats in.
Napoleon verzoende als Eerste Gousul de revolutie met de kerk en met de oude geslachten. Hetzelfde deed zijn
208
DE i'UANSCHE TIJD.
invloed in de Nederlanden. Ook hier zoclit hij alle partijen aan zich te verbinden, door hun het uitzicht op binnen-landsche rust, orde en veiligheid te openen. Het bekommerde hem weinig, hier evenmin als in Frankrijk, tot welke partij men vroeger behoord had. In 1800 en 1801 wist liet publiek gerucht te Parijs en in den Haag te vertellen, dat het zijn plan was, het Oranjehuis te herstellen. De erfprins van Oranje â de zoon van Willem V â⢠zou als Eerste Consul aan liet hoofd der Bataafsche republiek worden gesteld. Het was onmatige vrees of buitensporige hoop, die deze verwachting in het leven riep, want Napoleon was de man niet, om eene restauratie tot stand te brengen. Slechts verzoening met den Oranjeaanhang begeerde hij, opdat de Republiek beter geregeerd en daardoor krachtiger bondgenoot van Prankrijk zou worden.
Na de mislukte landing in Noord-Holland in 1799 had Willem V zich teruggetrokken. Op eene vraag van velen zijner aanhangers had hij de verklaring afgelegd, dat hij hen van den eed van trouw ontsloeg en vergunde in staatsdienst te treden. Voor een deel was het bonne mine a mauvais jeu; voor een ander deel politieke berekening. Zoo zijn aanhang ophield openlijk vijandschap tegen Frankrijk aan den dag te leggen en in den staat van zaken eindelijk berustte, mocht het Oranjehuis op Frankrijk1 s hulp hopen, waar het de toegezegde schadeloosstelling gold. Willem V trad van het politiek tooneel af, en zijn Zoon de Erfprins betrad het.
In Februari 1803 verscheen hij, op uitnoodiging van Napoleon, te Parijs. '/De prins van Nassau-Dietzquot; â zoo las men in de Gazette de leide van Luzac â '/is gisteren ten twee ure aan den Eersten Consul voorgesteld. De illustre balling wekte veel belangstelling. Hij werd met
Jorissen. I- 14
209
DK KUAN7 SC UK TIJD.
210
al de ouderscheiding bejegend, waarop de schoonbroeder van den koning van Pruisen kon aanspraak maken.quot; Het erkende doel zijner komst was de regeling der schadeloosstelling , die Pruisen voor hem bedongen had. Een keurvorstendom in Wurzburg en Bamberg werd hem als lokaas voor oogen gehouden, maar verwerven deed hij het niet. Het schamele Pu Ida met zijne betrekkelijk geringe inkomsten was alles, wat liij in 1802 ontving en wat hem reeds vier jaar later opnieuw werd ontnomen. Niettemin had het feit der onderhandeling en der aanneming de Oranjepartij in de Republiek van haar hoofd beroofd en de hoop op eene restauratie voor goed uitgebluscht. Op Napoleon's wenk kwam er in 1801 eene staatsverandering tot stand, die ook in de provinciale besturen en in de landsregeering mannen van het oude bestuur riep. Verzoening der staatspartijen was de heerschende leus. Eene algeineene amnestie werd afgekondigd en velen van de oude regeering werden in hun posten hersteld. Slechts enkelen, zooals Gijsbrecht Karei van Hogendorp, bleven onverzoenlijk weigeren, zoolang de Prins van Oranje niet aan het hoofd van den staat werd geplaatst. Doch het meerendeel der oude regenten greep gretig de gelegenheid aan, opnieuw invloedrijke posten te bekleeden, als droegen zij de oude namen niet meer. Zij namen de houding aan alsof de druk van den Eersten Consul een eerste schrede was voor een geheelen terugkeer tot een stadhouderlijk bestuur. De gematigde patriotten stelden de veiligheid en rust boven alles en ruimden gewillig aan de. oude tegenstanders eene plaats nevens zich in. Beiden zoudeu ontwaren, dat alleen de afkeer van een democratisch bestuur op de grenzen van Frankrijk de politieke gedragslijn aan den Eersten Consul had bepaald. Door de samenvoeging der beide partijen in dezelfde collegiën verzwakte
DE PUANSCHE TIJD.
liij den invloed van beide en onderwierp ze des te zekerder aan zijn wil.
Doch in 1801 waren er slechts zeer weinigen, die deze politieke berekening peilden. De man, die voor zijn naaste omgeving een sphynx was, wiens plannen niemand ried, was voor de publieke opinie de staatsman, die orde, verzoening en vrede beloofde.
Sedert 1795 was de Republiek in Frankrijk's gevolg strijdvoercnde met Engeland. Het drukkend tractaat zou slechts eindigen met den vrede. Napoleon was de veldheer, die de vijanden door overwinning tot vrede zou dwingen, Niet alleen ons land, ook de machtige bondgenoot had behoefte aan rust; aan beiden zou hij ze schenken.
Het is gemakkelijk, na ruim tachtig jaar minachtend de schouders op te halen over den tijdgenoot, die in Napoleon den bedwinger der revolutie, den verzoenenden staatsman, ja den vredevorst begroette. Maar een dwaling, door de uitnemendste tijdgenooten gedeeld, heeft recht van bestaan gehad. Hij schonk wat men verwachtte. In Februari 1801 maakte de vrede van Luneville aan den oorlog met Oostenrijk, in Maart 1802 het verdrag van Amiens aan dien met Engeland een einde.
Een vreugdekreet ging op in de Republiek, het lijden scheen geëindigd. Al ging (Jeylon voor altijd verloren, de andere koloniën kwamen aan het moederland terug. Thans beloofde de zeevaart, niet langer belemmerd door Engelsche kapers en oorlogsschepen, aan den handelsgeest der Hataaf-sche ingezetenen het openen van nieuwe bronnen van bestaan en van welvaart. De fabrieken, kwijnende, zoo niet gesloten door liet gebrek aan vertier, zouden herleven. De Bataafsche vlag, die tot kort geleden niet anders dan op binnenwateren en reeden werd aanschouwd, zou opnieuw
â¢211
DK HIANSCHE TIJD.
212
iu alle werelddeelen en in alle zeeën wapperen. Men behoefde geen neutrale vlaggen meer; liet droevig middel, dat de nood onze handelaren had doen bezigen, schoon niet altijd met goeden uitslag. De grootste en de stoutste verwachtingen werden gekoesterd; zelfs de drukkende schuldenlast, die na 1795 met weinig minder dan 300 millioen was bezwaard, scheen geen reden tot onrust meer op te leveren. Met het herstel der vaart op onze volkplantingen en buitenlandsche bezittingen kou hij gedragen worden. En aanvankelijk schenen die blijde verwachtingen der vervulling nabij. quot;Men begeve zicli slechtsquot; â zoo schrijft een tijdgenoot, boven velen tot oordeel en bevoegd, Appelius, de latere minister van linantiën â quot;men begeve zich slechts naar de zeeplaatsen, en ook de meest oppervlakkige beschouwer zal met verrassing en blijdschap de ongewone werkzaamheid opmerken. Men ziet alom kielen, welke te lang werkeloos hadden gelegen, herstellen en optuigen; men wordt het gewoel gewaar, hetwelk het bestellen en gereedmaken der cargasoenen noodwendig ten gevolge heeft. Het geldgebrek zelf, dat zich alom doet gevoelen, is het sterkste getuigenis van een vernieuwde werkzaamheid in den handel, die de ledig liggende kapitalen opnieuw in omloop brengen zal; de klimmende prijs van de Nationale Schuld, het voorteeken van het herlevend crediet, geeft aan hun houders de hoop, om hun verminderde kapitalen te herstellen en daardoor, bij onvoorziene rampen, in staat te zijn om ze te keeren.quot; Werkelijk scheen de plotselinge herleving van den handel de schoonste toekomst te verzekeren , nu de zee weer open was en de koloniën opnieuw toegankelijk waren. Uit alle havens stroomden vloten van gereedliggende bodems uit, om de opgestapelde producten uit Java te halen, de vaart met de West-Indiën te her-
DE FUANSCHE TIJD.
nieuwen en de korenschuren der Oostzee in de lang gesloten pakhuizen over te storten. Elke tak van handel en nijverheid herleefde, en reeds in het eerste jaar kwamen meer dan 4000 schepen onze havens binnenloopen.
Wanneer men aan den jammerlijken toestand denkt, waarin de Republiek door de rampen van den krijg was gebracht, dan is de geestdrift, de ingenomenheid met den man, wiens zwaard den vrede had bewerkt, volkomen te verklaren. In breede trekken het verval te teekenen is onnoodig. Slechts een enkele volsta. Hendrik Fagel, de vroegere griffier der Staten-Generaal, kwam in 1802, na acht jaren afwezigheid, in den Haag. Hij vond alles zichtbaar veranderd; liet getal van nieuwe gezichten en van vreemde menschen was zoo groot, dat hij ternauwernood twee a drie personen ontmoette, die hij herkende. quot;Lieden, die te voren in overvloed leefden, zijn bijna tot den bedelstaf gebracht; anderen geheel door gebrek verteerd en vóór den tijd oud en zwak geworden. Over het getal bedelaars en behoeftigen op straat was ik verbaasd. Als de Engelsche gezant in zijn eenvoudige koets uitrijdt, vindt hij zich door eene volksmenigte omringd, die hem aangaapt , alsof zij nooit een Engelscliman of een rijtuig hebben gezien; maar de meesten uit dien hoop zijn bedelaars, die hun hand in het rijtuig steken om iets te krijgen.quot; De schets overdreef niet, want werkelijk was de toestand treurig. De vermogenden teerden op vroeger verworven schatten, maar de algemeene welvaart had bitter geleden. De armoede was toegenomen en de inkomsten van de instellingen van liefdadigheid waren verminderd.
Aan al dezen jammer zou thans een einde komen. De handel zou de armoede bannen, terwijl de staat gelijktijdig als onafhankelijke mogendheid in Europa optrad. Bij de
213
UK FRANSCHK TIJD.
vredestractateu was de. Bataafsclie republiek door Engeland, Pruisen en Oostenrijk erkend. Vertegenwoordigers van vreemde mogend lied en werden weer in den Haag, als in oude tijden, gezien, en de diplomatieke betrekkingen hernieuwd. Met het hersteld uiterlijk aanzien ging het herstel der oude vormen gepaard. De vertegenwoordiging der Republiek in het buitenland werd met een onbekrompenheid geregeld, die beter met de gouden dagen van het verleden dan met den tegenwoordigen toestand strookte. De oude titels vingen aan, weder in de mode te komen; de Jloog-moyenden en Edel-Grootachtbaren herleefden, terwijl de bur-yers en burgeressen langzamerhand in onbruik geraakten. Zelfs het oude Groot Zegel der Staten-Generaal, met zijn leeuw, die een bundel, niet van 7, maar van 17 pijlen hield omkneld, werd opnieuw gebezigd. Vormen, sedert lang verwaarloosd, ja geminacht als eigen aan de oude orde van zaken, lachten ook de nieuwe mannen toe, die dooide Revolutie waren opgekomen. Het prestige, dat de oude republiek in de oogen van Europa had bezeten, scheen aan de opvolgster door gelijkheid van namen en overeenstemming van uiterlijke vormen verzekerd.
Doch al deze schoone droomen van nieuwen bloei en nieuw aanzien waren bestemd slechts een kort leven te hebben. De Bataafsche republiek zou haar onafhankelijkheid van Frankrijk nimmer herkrijgen. Napoleon sloeg de ketens enger vast. Toen de vrede van Amiens was gesloten, moesten de Fransche troepen, volgens de tractaten, ons grondgebied verlaten. Zoolang een Fransch generaal en een Fransch leger in de Republiek vertoefden, kon er in goeden ernst van geen vrijheid sprake zijn. Met nadruk drongen de mannen des bestuurs er bij Frankrijk op aan, dat zij teruggeroepen werden. Dit geschiedde ecliter niet. 'Wel
214
DB FllANSCHE TIJD.
verlieten zij de Hollandsclie steden, maar sleclvts om zicli in de Brabantsclie te legereu. Tevergeefs schreven Scbimmel-penninck, onze gezant te Parijs, en zijn opvolger De Vos van Steemvijk nota op nota; tevergeefs wezen zij mondeling Napoleon en Talleyrand op het gebiedend voorschrift der tractaten. De Eerste Consul wilde er niet van hooren, en Talleyrand schudde veelbeteekenend het boofd telkenmale als er sprake van was eu waarschuwde onzen gezant: quot;Het zijn niet de vrienden der Bataafsclie republiek, die het wenschen; gij zult u beklagen, als het te laat is.quot; De sluwe diplomaat, die, beter dan iemand, den geest van den Eersten Consul peilde en zijne staatkunde tegenover Europa begreep, voorzag, dat de aandrang uit de Republiek slechts ongunstig op Bonaparte's stemming zou werken en wellicht tot besluiten hem drijven, erger dan het kwaad, dat de klachten in het leven riep.
Tijdens de vredesonderhandelingen had de Eerste Consul eens zijn minister van buitenlandsche zaken gelast, om aan den burger Scbirnmelpenninck het volgende op te merken: «Staten die, zoo als Holland, door hun dwaze politiek te gronde zijn gegaan, die, na tegen Frankrijk den oorlog gevoerd te hebben, overwonnen en veroverd zijn, beliooren ons de moeite te sparen hun het beginsel van hun tegenwoordig bestaan te herinneren. Dat bestaan hebben zij aan ons te danken; wij zijn hun niets, zij ons integendeel alles verschuldigd. De Erausche regeering heeft niet opgehouden het belang, dat zij in de Bataafsclie regeering stelt, aan den dag te leggen. Het bewind der Republiek behoort te beseffen, welk gevaar het zou loopen, wanneer die belangstelling bekoelde.quot;
De bedreiging, die deze woorden bevatten, was alleszins duidelijk. De man, die zich tot beheerscher niet alleen van
313
DE FRANSCHE TIJD.
Frankrijk, maar ook van Zwitserland en Italië opwierp, zou niet scliroomen ook de Bataafsuhe republiek aan de eisclien zijner staatkunde op te offeren, zelfs met vertreding der formeelste verdragen.
Toch mag de scliuld van den toestand niet uitsluitend op hem worden geworpen. Had Engeland den vrede van Amiens uitgevoerd, de Eerste Consul zou vermoedelijk de Nederlanden hebben ontruimd. Maar Engeland deed hetzelfde als Frankrijk, doch op een ander terrein.
In deu langdurigen strijd met de Fransclie revolutie had de regeering van koning George Malta bemachtigd en zich van Egypte meester gemaakt. Beide, Malta en Egypte, moesten volgens den vrede worden ontruimd. Maar Engeland bleef nalatig, stelde uit, was blijkbaar onwillig. Voor Frankrijk scheen het een levenskwestie, omdat het de vrijheid der Middellandsehe Zee' in zich sloot. Van hoe veel gewicht het kleine Malta was en hoe groot het recht van den Eersten Consul er op te staan, bewijst het woord van Guizot, in 1836 in de Fransche Kamer gesproken: quot;Arau den top van Gibraltar beheerscht Engeland den mond, van Malta den boezem der Middellandsehe Zee. Zij mag geen binnenwater van Engeland worden.quot;
Frankrijk noch Napoleon konden het overwicht van de groote zeemogendheid op den weg naar Indië toestaan. Engeland daarentegen wilde de bezette posten niet prijsgeven, uit vrees van over Egypte heen in zijne rijke koloniën te worden verontrust. l)e beide natiën en regeeringen wantrouwden elkander en wilden de wapenen niet uit de hand leggen, die zij eerlang, als de krijg zou hervat worden, zouden behoeven. Na weinige maanden was te voorzien, dat de vrede van Amiens slechts een wapenstilstand zou geweest zijn. Het door Frankrijk geïsoleerde Engeland kou
216
DE PllANSCHi; TIJD.
nocli wilde berusten in de ondergeschikte en onbeduidende verhouding tot Europa, waarin de overwinningen van den Eersten Consul het hadden gebracht, üe groote zeemogendheid en de eerste militaire natie van het vaste land vingen opnieuw den worstelstrijd aan, wier prijs de suprematie over dit werelddeel was.
//Geheel Frankrijk is een militair .kamp; de Bataafsche republiek is slechts een der voorpostenquot;, â met deze woorden had indertijd Schimmelpenninck de opvatting van Napoleon geteekend. Zij deed voorzien, wat de nieuwe, krijg aan ons land brengen zou. De hoop, die een kort oogenblik werd gekoesterd, dat de strijdvoerenden genegen zouden zijn , de Republiek neutraal te verklaren, was spoedig verdwenen. Toen de oorlog werd hervat, moest de Republiek in een nieuw tractaat bewilligen, weinig ongunstiger dan het vorige. Niet alleen te land moest zij troepen onderhouden, maar ook ter zee de plannen van den Consul, die straks Keizer werd, tegen Engeland ondersteunen Minder dan ooit werd van haar onafhankelijkheid gesproken, meer dan ooit werd zij als vazalstaat beschouwd en bejegend. Toen het veelhoofdige staatsbewind â een raad van 12 leden â dat de Republiek heette te besturen, onmachtig bleek voor zijn taak en door overmoed en zwakheid beide den toorn van //den man der eeuw'''', gelijk Falek Napoleon noemde, had opgewekt, was het slechts een noodzakelijk gevolg der bestaande afhankelijkheid, dat hij rechtstreeks op den vorm des bestuurs ingreep en een nieuwen voorschreef. De monarchale regeeringsvorm moest ook in de Bataafsche Republiek de krachten des volks in ééne hand vereenigen, opdat deze te beter tot Frankrijk's dienst zouden zijn. Op den 29st''n April 1805 aanvaardde Schimmelpenninck het raadpeusionarisschap der Republiek, hem door den Fran-
217
DE FRANSCHE TIJD.
scheu keizer met goedkeuring der bevolking opgedragen â neen, opgelegd.
V
Rutger Jan Schimmelpemiinck had een rijke loopbaan acliter zicli, toen liij als liet hoofd van den staat optrad. Ook hij was een kind der revolutie, üit een doopsgezind geslacht gesproten, was de weg tot staatsambten hem gesloten geweest; de omwenteling kad ze hem geopend. Als advocaat had hij, de zoon van den Deveuterschen handelaar, zich te Amsterdam gevestigd en onmiddellijk de zijde dei-patriotten gekozen. Wij vinden hem reeds in 1787 onder lien een hoofdrol vervullende. Schiinmtilpenninok is de man, die namens de democratische partij met den afgezant des Pruisischen konings, toen de broeder van prinses Wilhel-mina, onderhandelingen ter verzoening aanknoopte. In de jaren der restauratie is hij de verdediger en raadsman dei-vervolgden, maar zoo groot zijn de omzichtigheid en liet beleid, die hem kenmerkten, dat niemand met juistheid de rol weet te teekenen, die hij gespeeld heeft.
Met de komst der Fransclien treedt hij uit de duisternis op den voorgrond, en neemt onmiddellijk een eerste plaats in. Hij is de eerste voorzitter van het voorloopig bestuur van Amsterdam. Het is in die betrekking, dat hij de grondslagen legt van het groot vertrouwen, dat hem van de zijde der natie ten deel valt en steeds volgt. Schiin-inelpenniuck is een der weinige historische personen, die nooit de volksliefde heeft verloren; hij heeft nooit ondervonden, dat de Tarpejische rots grenst aan het Kapitool.
Populariteit , en vooral blijvende, ongeschokte volksgunst, wordt slechts verworven door hem, die niet alleen de natio-
318
DE FRANSCHE TIJD.
uale wenschen, maar ook de nationale eigenaardigheden, ja haar gebreken vertegenwoordigt. Schimmelpeuninck is revolutionair geweest, heeft geloofd in Xapoleon, voor hem gebogen, ja hem gevleid; hij heeft zich verheugd in de herstelling der nationale zelfstandigheid en koning Willem I gediend. Zij, die hem meer van nabij kenden, bespeurden zijne zwakheid van karakter niet minder scherp dan zijne kracht. Maar hij was de zuivere representant der patriotsche idealen en van hun goed vertrouwen en lichtgeloovigheid. De natie zag in hem den eerlijksten vertegenwoordiger van haar eigen illusiën, van haar eigen streven, van haar eigen veranderde meeningen en inzichten. Daarbij was zijn persoonlijk karakter vrij van den blaam, dien een lang openbaar leven zoo dikwerf op publieke mannen werpt.
Toen de revolutie aanving, werd hij liet hoofd der gematigde partij, die vau geen terroristische wraaknemingen weten wilde. In 1795 â het is misschien de schitterendste periode van zijn leven â was het zijn woord en zijn persoonlijke moed, die de reactie der wraakzucht tegenhielden. Ln de Nationale Vergadering poogde hij een bijkans onmogelijke brug tusschen het oude en het nieuwe te leggen, maar het schaadde zijne reputatie niet. Aan zijne oprechtheid, aan de onbaatzuchtigheid van zijne bedoelingen werd niet getwijfeld. Zelfs de heftigste tegenstanders brachten hulde aan zijne welsprekendheid en de zuiverheid zijner beginselen. A.ls wij zijne redevoeringen lezen, afgescheiden van de lijst waarin zij voorkomen, dan klinken zij breedsprakig, dan spreken wij van phraseologie. Maar als wij ze leggen naast die zijner ambtgenooten, als wij hem hooren na en voor anderen, dan wordt hij kernachtig en sober. Na 1797 onttrok hij zich aan het politieke leven, zoo liet scheen, voor altijd. Doch reeds in
219
DE FUANSCHE TIJD.
liet volgende jaar was de korte quarantaine geëindigd. Toen de terroristische partij voor nieuwe woelingen deed vreezen, vertrok liij in 1798, om haar den steun der Vransche regeering te ontnemen. Schimmelpenninck â dit is steeds bij zijne beoordeeling en waardeering over het hoofd gezien â is de staatsman der revolutie, die in zijn geheele loopbaan de hardnekkige bestrijder der ultrapartij is en daaraan zijne carrière dankt. Vandaar zijne bewondering , in den aanvang, voor Napoleon, die de woeste driften temt en de demagogen machteloos maakt.
Diezelfde geest van gematigdheid verklaart zijne volharding op politiek gebied. Bij herhaling vinden wij uitdrukkingen van hem, dat hij wenscht tot het ambteloos leven terug te keeren. Maar hij doet liet nooit. Waarom niet 'J
Schimmelpenninck is een der eersten, die ontnuchterd is door de revolutie; maar weinigen houden zóó lang hunne idealen vast. Ook in de ongunstigste omstandigheden ziet hij nog altijd eenig licht. Hij geeft den moed niet op; den moed, het vertrouwen in de begunstiging, die de loop der gebeurtenissen kan schenken; den moed, het vertrouwen in zich zelf. Hij is de laatste jaren zijns levens blind, maar neemt toch deel in alles, en leeft in de jachtavonturen, die zijn zoon en anderen hem vertellen. Zoo was het ook op politiek gebied, in vroeger tijden. Hij zag licht, waar het anderen duister was. Deze man wanhoopte niet, en dat was zijn kracht.
Hij wanhoopt ook niet in zichzelf. Het zou moeilijk vallen, groote resultaten van zijn politiek leven op ze sommen, want ze zijn er niet. Maar hij is zich bewust, dat hij gedaan heeft, wat mogelijk is, dat ook anderen niet meer zouden verkregen hebben. En dat gelooven allen van hem. Een enkel oogenblik daargelaten, toen hij toe-
220
DE FllANSCHE TIJD.
valligerwijze niet op zijn post was, heeft liij steeds aan de spits gestaan, waar liet gold de belangen van zijn vaderland tegen Frankrijk te bepleiten. Het was zijne schuld niet, dat de bondgenoot, republiek of keizerrijk, weinig gevoelig voor argumenten was, aan zedelijke beginselen, eischen van rechtvaardigheid, heiligheid van tractaten enz. ontleend.
Toen Napoleon hem de eerste opening deed van de hooge waardigheid, die hij hem toedacht, schrikte hij er voor terug. Zijne ingenomenheid met den Eranschen keizer was afgekoeld en de moeielijkheden waren zoo velerlei, dat zij schijnbaar onoverkomelijk waren. Maar bij nader inzien begon hij de zaken kalmer te beschouwen. Hij achtte het mogelijk, zijn vaderland belangrijke diensten te doen. Hij stelde voorwaarden, die niet werden aangenomen of in termen, welke voor de vervulling deden vreezeu. Hij gaf toe en nam het raadpensionarisschap voor vijf jaar aan. De oude Brantsen, zijn oj)volger als gezant te Parijs, een cynische zeventiger, schreef: quot; Ik ben nooit dupe geweest van den geaffecteerden dwang om zoo een brillante post aan te nemen.1' Het oordeel was volkomen onbillijk, want de post was weinig brillant. Het zou Schimmelpenninck geen moeite gekost hebben, om de hooge betrekking voor zijn leven te verkrijgen. Juist de tijdelijkheid was een der voorwendsels van Napoleon's later gedrag. En de ge-heele houding van Schimmelpeimiuck in de weinige maanden zijner regeering bewijst, dat hij zich volstrekt niet monarch, maar slechts den eersten onder zijne gelijken gevoelde. Oude Oranjeklanten, zooals Verhuell, die in dienstbaarheid en onderwerping aan Napoleon Schimmelpenninck verre overtroffen, ergerden zich over de lijfwacht en de hofhouding van den vroegeren advocaat, nu hoofd van den staat,
DE PBANSCHH TIJD.
en spraken van de ijdellieid van Mevrouw Scliimmelpenmnck, de dochter van den notaris Nahuys te Amsterdam, die aan de verleiding om te schitteren geen weerstand had kunnen bieden. Maar de jaloezie deed in die kritiek zich in niet geringe mate gelden, en zij, die struikelden over zoodanige zaken, miskenden geheel de moeielijkheid zijner positie, die zij niet verlichtten.
Tn Mei 1805, toen Schimmelpenninck zijn hoog ambt aanvaardde, waren Frankrijk en de Republiek, gelijk geheel Europa, slechts met ééne gedachte vervuld; de landing in Engeland. In alle havens van het keizerrijk werden de schepen gereed gemaakt, die voor den overtocht moesten dienen. Ook de afhankelijke staten leverden een contingent, dat hunne krachten verre te boven ging. Over het Nederlnndsclie eskader voerde de Sciiout-bij-Nacht, later Vice-Admiraal Verhnell het bevel. Een zeldzaam mooi man, uitnemend hoveling, door zijne innemende vormen de lieveling der vrouwen en van het keizerlijk geslacht, was hij er in geslaagd, bij een enkele verschijning de gunst van Napoleon zoo volkomen te winnen, dat de oude aanhaliger van Oranje op eenmaal in een vurig Bonapartist werd bekeerd. Hij had het geluk, door een stoutmoedigen tocht, waarop hij de jeugdige Bataafsche vloot, zonder een schip te verliezen, al strijdende met beter bemande en beter gewapende Engelsche schepen, naar een der Fransche havens voerde, de groote verwachting, die van hem gekoesterd werd, te rechtvaardigen. Hij smachtte naar de eer, het landingsleger van Napoleon naar Engeland over te voeren, en bitter was zijne teleurstelling, toen het uitbreken van den derden Ooalitiekrijg de geheele onderneming deed staken.
Zijne eerzucht scheide niet dan onwillig van het grootsche
222
Dl: FUANSCHE TIJD.
vooruitzicht, onder den man der eeuw zijn naam voor alle volgende tijden met roem te overladen.
Ook voor Scliimmelpenninck en de Bataafsche republiek was het staken der stoute onderneming eene zware teleurstelling. De tijdgenooten twijfelden niet aan de mogelijkheid van slagen: Engeland's verdedigingsmiddelen waren in slechten staat, op geen leger kon het roemen, in staat zicli met het Fransche te meten. Op een snelle en beslissende overwinning, die Engeland tot den vrede zou dwingen, was gehoopt. Dit uitzicht had Scliimmelpenninck in eiken eisch doen berusten, die uit Parijs tot hem werd gericht, of van het kamp van Zeist, waar Marmont het landingsleger vereenigd hield, hem was toegezonden. De noodlottige uitkomst deed alle hoop op verlossing verloren gaan, die de vrede zou hebben aangebracht. De troepen zouden liet land hebben verlaten, en Napoleon â zoo had hij mondeling verzekerd â zou met den jammerlijken tinan-tiëelen toestand hebben rekening gehouden, om de Republiek te ontlasten.
In plaats van de rust des vredes en de herademing, die zij schenken zou, dwong de op nieuw ontbrande, krijg tot grooter inspanning en opoffering. De continentale strijd, die den zee-oorlog verving, nam grooter afmetingen dan een der vorige oorlogen aan. Op Pruissen na, werden alle groote mogendheden er in medegesleept. Rusland, Oostenrijk en Engeland traden vereenigd op tegen den navolger van Charlemagne, die een werelddeel poogde te beheerschen. De troepen, in de Nederlanden gelegerd en door de Republiek onderhouden, verlieten haar grondgebied, om de bevelen des keizers te volgen. Hij zelf richtte zijne scharen en de troepen der afhankelijke verbondenen tegen Oostenrijk , dat zijn leger bij Ulm zag verloren gaan. Op Ulm
223
UE FRAN'SCIIE TIJD.
volgde een grooter en beslissender wapenfeit; den 4gt;den December had bij Austerlitz de beroemde drie-keizersslag plaats, die Alexander met Napoleon verzoende en de lieerscliappij over Europa deed deelen.
Uit het kleine hoekske, dat de Bataafsche republiek werd geheeten, volgden angstige blikken de wereldgebeurtenissen. Wat waren, vergeleken met de dagen van ülm en Austerlitz, de bijkans onbeduidende voorvallen der Republiek? Ook haar lot lag in de schaal, waarin de overwinnaar zijn zwaard wierp. Misschien â zoo werd er onder de mannen gesproken, die de Republiek als staatslieden vereerde â zou de overwinning van Napoleon haar ten goede komen. Toen de vrede van Pressburg in December 1805 werd gesloten, zag men de trouwe bondge-nooten. Baden, Beijeren, Wnrtemberg, rijkelijk beloond: zou de oudste van Frankrijk's verbondenen met ledige handen moeten uitgaan?
Het was niet Schimmelpenninck, die deze hoop koesterde of uitsprak. Hij begeerde geen belooning voor zijn land; hij wenschte slechts vrede, om de wonden van den krijg te heelen en de welvaart te herstellen.
Met de onpartijdigheid van een hoofd van den staat had hij van het eerste oogenblik zijns bestuurs af, een beroep op bekwaamheid en talent gedaan, onverschillig tot welke partij zij behoorden. Wie den staat dienen wilde en kon, was welkom. Heftige revolutionairen, als Gogel en van Hooft', zaten zeer gemoedelijk en gezellig naast oude Oranje-gezinden als Six en Heintje van Stralen; de tijd had de scherpe lijnen wat verzacht en zij spraken niet veel over het verleden. Het tegenwoordige was zwaar en de toekomst duister genoeg om hen bezig te houden. Hoe zou de Republiek het hoofd boven houden, zoolang de strijd met
DK FllANSCHE TIJD.
Engeland de zee voor haar liandel sloot? Hoe zou zij bij voortduring aan den steeds klimmenden aandrang en de steeds stijgende eisclien van den keizer kunnen voldoen? Ziedaar de vragen die hem kwelden.
Het waren Gogel's talent en Schimmelpenninck's vaderlandsliefde, die eene oplossing schenen te vinden. Uit Parijs was het denkbeeld van eene reductie der rente bij herhaling aanbevolen. Gogel stelde den maatregel gelijk met een staatsbankroet en drong op trouw aan de voorwaarden der leeningen aan. De Raadpensionaris, die de zaak van minder hoog gewicht beschouwde, liet zich door Gogel overreden en gaf zijne toestemming tot diens plannen. Onder Schimmelpenninck, den ouden foederalist, werd het eerste plan van algemeene belastingen in de Republiek ingevoerd. Hoe drukkend het stelsel ook was en moest zijn wegens de zware opbrengsten, die gevorderd werden, openlijke tegenstand werd nergens geboden. De geforceerde heffingen op kapitalen en inkomsten hielden op, niets werd voor provinciale behoeften gevorderd; municipale octrooien en gemeentelasten waren onbekend; opcenten kende niemand.
Groot waren natuurlijk de bezwaren bij de invoering, maar zij werden alle overwonnen en de booze profeten, die minder inkomsten hadden voorspeld, zagen zich reeds in het tweede trimester beschaamd, toen de opbrengst verre de raming overtrof. Had vrede met Engeland de herleving van den handel vergund, het beter finautieel beheer zou den staat uit zijne iinantieele ongelegenheden hebben gered en de wonden van vroeger jaren, zooveel het mogelijk was, ras hebben geheeld. Toch blijft liet de roem van Schimmelpenninck1 s bestuur, dat het in linantieel opzicht den eersten en beslissenden stap heeft gedaan, om de nationale eenheid tot eene waarheid te maken.
Jorisien. I2 15
225
DE KllANfSCHE TIJD.
En niet alleen iu dit opzicht. De weinige maanden van zijn bewind zagen ook de eerste wet op het lager onderwijs tot stand komen. Vergelijkenderwijs en voor dien tijd, wat later dagen ook doen oordeelen, was de regeling heilzaam en gelukkig, omdat hier de eenheid des volks tot grondslag werd gelegd. Voor geen eischen van provinciale souvereiniteit was op het gebied der financiën of op dat der volksopvoeding plaats. Men groeide niet op en betaalde niet als Groninger of Zeeuw, maar als inwoner der Bataaf-sclie republiek.
Kr zijn weinig regeeringen van zoo korten duur als die van Schimmelpenninck, welke op maatregelen van zoo beslissend en blijvend gewicht zich mogen beroemen. De verdienste is te grooter, omdat zij tot stand kwamen onder omstandigheden, die traagheid en werkeloosheid alleszins verklaarbaar zouden gemaakt hebben. Want de hoop om dank of vrucht te oogsten kou niet lang worden gevoed.
Tijdens de onderhandelingen over het raadpensionarisschap had Napoleon den nieuwen staatsvorm, dien hij aan de Republiek opdrong, herhaaldelijk een proeoe genoemd, voornamelijk omdat hij Schimmelpenninck niet bewegen kon, de erfelijkheid der betrekking toe te geven. De patriot van 1795 dweepte in 1805 met de constitutie der Ver-eenigde Staten, die een verkiesbaren en aftredenden president aan 't hoofd heeft. Voor Napoleon was dit een grief, dien liij toen en later niet verzweeg. De stichter van eens dynastie wilde in een aangrenzend land geen afwisseling van presidenten dulden.
Doch in nog ernstiger zin was het raadpensionarisschap een proeve. De keizer wilde over de krachten der Republiek onbepaald beschikken. Zoo Schimmelpenninck zich
DE FllAXSCHE TT.TD.
geleend had tot zijne bedoeling, zelfs de zege bij Auster-litz zou hein niet ten val hebben gebracht.
Zoolang er sprake was van de landing in Engeland, had Schimmelpenninck aan slken eisch tot versterking der vloot voldaan, maar de raad, om door dwang matrozen te liohten, was niet opgevolgd. Toen Engeland het vasteland van Europa tegen Frankrijk in de wapenen bracht, kende Napoleon's toorn geen grenzen. Tegen de zwakke Republiek achtte hij alles geoorloofd. In Juni rukte eene afdeeling Fransche troepen, op stelligen last van hun gouvernement, over de Brabantsche grenzen; zij overvielen over de uitge-strektheid van eenige uren alle particuliere en winkelhuizen, haalden, onder voorwendsel dat het Engelsche waren waren, de goederen, die zij vonden, er uit en voerden ze op 9(5 karren naar Antwerpen. Het was suiker uit onze raffinaderijen, tabak, hier bewerkt en gekorven, alle zaken van inlandsche afkomst. De Raadpensionaris had allen invoer van Engelsche goederen en alle cotmnunicatie met den vijand streng verboden, maar weigerde in deze daad van willekeur te berusten en beklaagde zich op ernstige wijze over deze ongehoorde vexatiën. Schimmelpenninck, hoe buigzaam ook, was niet buigzaam genoeg en onderwierp zich niet zwijgende.
Als minister van het keizerlijk gouvernement resideerde in den Haag de generaal Dupont Chaumont. Deze man, die nevens zijne diplomatieke betrekkingen die van geheim spion bekleedde, geraakte spoedig met den Raadpensionaris op gespannen voet. Op zekeren dag vroeg hij aan den minister van buitenlandsche zaken Van der Goes, hoe het met zijn tractement stond. Deze antwoordde, dat hij dit wel van zijn regeering zou ontvangen. Maar de generaal ontkende het. li ij zijn vertrek uit Parijs had hij den
DK FHANSCHE TIJD.
keizer verzocht te bedenken, dat hij een der armste generaals was en dat hij naar een duur land ging. Talleyrand had hem daarop gerustgesteld; quot;het Bataafsch gouvernement was gewoon f 3000 per maand aan den Fransehen gezant te betalen ; daarmede moest hij het doen; geld was zeldzaam in dezen tijd.quot; De Generaal was zoo heusch geweest te verzekeren, dat hij het met die.Æ'3000 per maand zou stellen, en nu kreeg hij niets. â¢
Op dit wonderlijk verhaal liet Scliimmelpenuinck hem bij zich komen en verklaarde, dat zulke dingen wel vroeger geschied waren, maar nu ophielden: de keizer zelf had op dat vele geld geven aanmerking gemaakt. Maar Dupont Chaumont liet zich daarmede niet tevreden stellen. Het gesprek tussclien de beide mannen nam een hoogst onaan gename wending, waarbij liet aan schimp van de zijde vau den Franschman niet ontbrak. Yan dit uur af was hij de vijand van den Raadpensionaris.
Hij was de eenige niet. De groote grondeigenaren in de oostelijke provinciën waren zeer verbitterd over de alge-meene belastingen. Zij zochten en vonden de gelegenheid, om hunne klachten en beschuldigingen tegen het bestuur in Parijs te doen weerklinken. Brantsen, onze gezant aldaar, had zijne persoonlijke grieven, die hem gewillig het oor deden leenen aan al het kwaad, dat hij hoorde. En wat hij zelf niet vernam, dat berichtte hem Verhuell, de minister van marine, die zich tot den gereeden tolk dei-ontevredenheid en jaloezie maakte van allen, die liever liet ergste dan de voortduring van dit bestuur wenschten. Het was waarlijk niet te verwonderen, zoo Napoleon, die niets goeds van zijn schepping hoorde en slechts klachten vernam, volkomen bereid was de proeve te eindigen, welke ook aan zijn eisch niet voldeed. Voor hem was de Eaad-
228
DE FRANSCHE TIJD.
])ensioriaris onbruikbaar, die in ernst aan een schijn van onafhankelijkheid had geloofd en wezenlijk ten bate van het land regeeren wilde.
Op de lippen der tijdgenooten zweeft de naam van een man, wien zij een Judas-rol in die dagen toeschrijven. Verhuell is volgens hen de verrader geweest, die Schimmel-penninck ten val heeft gebracht.
Wij hebben geen gegevens genoeg, om eeu stellig oordeel uit te spreken. Maar om de beschuldiging te begrijpen, is er overvloed.
VerhuelTs rol is, zacht gesproken, zeer vreemd en zonderling geweest. Toen Napoleon in Juni 1805 de vloot inspecteerde, had Verhuell vergunning of in last â ik laat de keus der qualificatie aan anderen over â om Z. M. of diens dienaren te Parijs te schrijven, als hij het oorbaar achtte. Na de staking der l'higelsche expeditie trad hij als minister van marine op. Te 's Hage in dagelijksche aanraking met Schitnmelpenninck, bleef hij de correspondent van het keizerlijk bestuur, waaraan hij verzoeken richtte, zonder dat van eenige machtiging blijkt. Niet de minister van oorlog, niet die van buitenlaudsche zaken, maar hij, de minister van marine, schreef naar Parijs, dat een Fransch leger tot dekking onzer grenzen dringend noodig was. Van eenig medeweten \van Schimmelpenninck blijkt niets. Hoe welkom de aanvrage was, blijkt uit de welwillendheid, waarmede de keizerlij ke regeering eraan voldeed. Terwijl onze eigene troepen onder Marmont naar Duitschland waren gezonden, kwam een Franse li leger onder Prins Lodewijk Napoleon, die zijn hoofdkwartier te Nijmegen vestigde. Het waren 50,000 man, die op kosten der Republiek leefden. Verhuell en de minister van oorlog werden gezonden om den Prins te complimenteeren. Na
229
m: FllANSCHE TIJD.
weinige weken was zelfs liet voorwendsel niet meer houdbaar eu werd tot vermindering der troepenmaclit besloten. Prins Lodewijk zou naar Frankrijk wederkeeren.
Doek vooraf deed hij een reisje in de Republiek. Geleid door Verhuell, bezocht hij den Haag, Amsterdam, Broek in Waterland. De minister van mariue scheen de aangewezen persoon, om den broeder des keizers te ontvangen, die door het publiek gerucht als de aanstaande koning werd gedoodverfd. Ook bij Sehimmelpenninck maakten zij een visite. Mevrouw Schimmelpenninck was niet heel beleefd, klaagt Verhuell. Zij zag hem met geen goede oogen aan. Des te dankbaarder was de goede Louis voor zijn aangenaam gezelschap eu zijn goed onthaal, zooals hij schreef.
Toen dit onwaardig spel werd gespeeld, was de continentale krijg reeds geëindigd. quot;Nu is Holland mijn,quot; zegt men, dat keizer Napoleon na Austerlitz heeft uitgeroepen.
In Februari 1806 schreef Talleyrand aan Schimmelpenninck eene offlcieele missive, dat de keizer, om de gezondheid en de blindheid van den Raadpensionaris, eene verandering in den staatsvorm noodig achtte. Hij verzocht hem Verhuell te zenden, om ziju wil te vernemen. || De admiraal kwam terug met de boodschap, die verwacht was: men moest Lodewijk tot kouing verzoeken.
A Schimmelpenninck verloochende tot het laatst zijne oude beginselen niet. Hij eischte, dat de verandering aan de. stemming des volks werd onderworpen. Napoleon weigerde het, en een groot besogne van hoofddienaren van den staat boog gewillig voor zijn last. Schimmelpenninck niet; hij weigerde eenig aandeel in de verantwoordelijkheid te dragen: de natie moest zelve beslissen. Hij legde zijn ambt ueer, en vertrok in rust en kalmte naar zijn buitengoed Nijenhuis.
230
DE FllANSCHE TUD. â¢
Zoo de maunen, die hem omgaven, kern gesteund en niet ondermijnd hadden, zij zouden zijn val niet voorkomen, maar zeer waarschijnlijk vertraagd hebben. Napoleon , die Schimmelpenninck steeds met zeldzame hoffelijkheid bejegende, is door de houding van zeer velen in deze lauden slechts versterkt, niet verzwakt in zijn plannen. 7
De zon van Austerlitz had de oogen verblind. De republikeinen van eertijds waren door hunne machteloosheid gedemoraliseerd. Het scheen waardiger, den grooten heer van Europa te dienen, dan een landgenoot, die uit hun eigen rijen was voortgekomen.
Doch Napoleon bewees hun nog niet de eer, dat zij zich zijne onderdanen mochten noemen. Zijn broeder Lode-wijk was bestemd, den overgang te vormen en de noodzakelijkheid der inlijving door het volkomen bankroet zijner regeering te staven.
VI
Indien goede voornemens voldoende waren om een bijkans onmogelijke taak te volbrengen, Lodewijk Napoleon zou er in geslaagd zijn. Aan goede bedoelingen ontbrak het niet, slechts aan de kans om ze te verwezenlijken.
Het is een gewone waarneming, dat wie faalt in een aangevangen werk, de verklaring gemeenlijk meer zoekt in de wereld buiten hem dan in zich zelf. Het kost vrij wat zelfkritiek en zelfoverwinning, zich eerlijk rekenschap te geven, dat vau alle omstandigheden, die te machtig zijn, wij zelve de voornaamste moeten heeten.
De broeder van keizer Napoleon had alles, wat hij was, aan anderen te danken. Aan eigen energie, aau eigen talenten dankte hij niets. Hij was keizerlijke prins, omdat
DE F11ANTSCHE TIJD.
zijn broeder keizer was; coimetable van Frankrijk om dezelfde reden. Als militair had hij zich nooit bijzonder onderscheiden, dan door de vereischte mate van moed in onderscheidene veldslagen. Hij had een soort van goedmoedige gemakzucht, die voor philosophische rust doorging. Ambitie in den gewonen zin des woords, de zucht om eer en roem te verwerven door groote daden, kende hij niet. Hij had steeds voor den krachtigen wil zijns broeders gebogen, zij het ook mnrmureerende. De belangrijkste gebeurtenis van zijn leven was zijn huwelijk geweest. De vrouw, aan wie hij zijn naam schonk, droeg hij even weinig achting toe, als zij hem liefhad. Het pleegkind zijns broeders had hij uit de handen van Napoleon tot vrouw ontvangen eu aangenomen, omdat hij moest. Zoo was het ook met dit koningschap gegaan. Buiten hem om was alles in orde gebracht, en toen de nieuwe constitutie klaar was, had Talleyrand de beleefdheid gehad, ze hem eens te komen voorlezen. Lodewijk had zich een korte poos verzet, maar was, als altijd, geëindigd met te gehoorzamen.
Van dit buigzaam en plooibaar karakter kon geeu verzet verwacht worden. Erger was het, dat van zoo iemand evenmin kon vertrouwd .worden, dat hij eenigen invloed ten goede op ISTapoleon zou oefenen. De man, die op last des keizers eene vrouw had genomen, zou in zaken van staat niet bij machte zijn den wil van den grooten heer te vermurwen.
Toch werd dit door velen gehoopt. Van der Palm heeft toen en in later jaren veel ergernis gewekt door zijn levendige teekening, hoe de menigte in de kerken zich verdrong om God voor het bezit van dezen koning te danken. Iets is er van aan: velen waren er, die meenden dat nu het
232
DF. PUANSCHE TIJD.
voornaamste geleden was. De groote Napoleon had zijn doel bereikt en opnieuw een zijner broeders gevestigd; bij zou nu wel tevreden zijn en ons land met rust laten. Zoo berekende de huisboudelijke zin der Hollanders. Nevens deze schare van welmeenenden, die geloofden wat zij hoopten, waren de aristocratie en de adellijke geslachten met het koningschap ingenomen. Een hof, een hofleven, met al de schittering en glans, die er toe behoorden, lokte hen aan. Nooit werd de weg van den Haag naar het Huis in 't Bosch zoo druk bereden als thans, schrijft Verhuell. Bijna de geheele adelstand, die zich sedert 1795 buiten alles gehouden en een groep van frondeurs in de natie gevormd had, omdat zij, naar het heette, te sterk aan het huis van Oranje gehecht waren, liet zich aan den Koning voorstellen en verdrong zich in liet Huis in 't Bosch. quot;De schitterende koningin, die een sieraad van ieder hof zou geweest zijn, schonk in den korten tijd van haar verblijf hier te lande aan het hof eene aantrekkelijkheid, die te meer gewaardeerd werd, naarmate zij nieuwer was. Zij was eene echte Franeaise, geen nagemaakte.
Koning Lodewijk schikte zich aanvankelijk in de opgedrongen hooge positie met al het welbehagen van een man, die een open oog voor uiterlijken glans heeft. Het ongewone gevoel, de eerste te zijn, als koning geëerbiedigd en door eene hofhouding gehuldigd te worden, had eene eigenaardige bekoorlijkheid, die hem te meer bedwelmde, omdat de vroeger ingenomen plaats zoo bitter ondergeschikt en afhankelijk was geweest.
Toen hij in Holland kwam, wist hij van den staat van zaken weinig af. De eerste maanden besteedde hij. om zich op de hoogte te brengen. De ministers, die hij vond, behield hij in den beginne; zij lichtten hem voor en leidden
233
I)K Fit,ANSOHE TIJD.
hem iu de zakeu iu. Voor het binnenland en ook voor de verhouding tot Frankrijk was de finantieele kwestie eene levenskwestie. Gogel had het geluk, hem zijn belastingstelsel te doen begrijpen eu aannemen; hij beloofde het te handhaven en een voorbeeld van zuinigheid aan zijn volk te geven.
Doch de natuur was te machtig. Lodewijk Napoleon vatte het koningschap ernstig op, ook in den ongunstigen zin des woords. In een eenhoofdigen staatsvorm was de monarch, welken titel hij ook droeg, de persoon, van wien niet alleen alle macht uitging, maar die ook alles besliste. Lodewijk was een autocraat, die naar eigen inzicht dikwerf besluiten nam, zonder zijne ministers te raadplegen en in lijnrechten strijd met de beginselen, die hij heette omhelsd te hebben. Gogel zag zich eerst het beheer van de schatkist ontnomen, opdat de koning leeningen zou kunnen sluiten, zonder van zijne vertoogen last te hebben, en kort daarna, onder een nietig voorwendsel, verwijderd. Buiten zijne ministers otn, gaf de koning last tot uitgaven, die door geen belangen des lands gerechtvaardigd waren, maar alleen door persoonlijke consideratiën werden geëischt.
In de herinnering des volks is Lodewijk Napoleon bekend als '/de goede Lodewijkquot; en als «de lamme koning.1quot; Beide epitheta dankt hij aan eigenscliappen, die zeer geschikt waren om de groote menigte te winnen. Hij was een goedhartig man, die gaarne iemand genoegen deed en een zeker vertoon van publieke welwillendheid liefhad, omdat hij, als alle zwakke naturen, die den regel van hun handelen buiten zich, niet in zicli vinden, aan lofspraak, ja aan vleierij behoefte had. Geen gelegenheid verzuimde hij, om een zoogenaamde populariteit na te jagen. Bij eene overstrooming verscheen hij in de getroffen streken en
DK FEANSCHE TIJD.
vertoonde zich vol mededoogen en beloften te midden der ongelukkigen. Een koning op een dijk, die doorgebroken was, scheen een schouwspel zoo ongewoon, dat het bijkans een lafenis was. Ware hij slechts stadhouder geweest, de opoffering van de reis en het verblijf te midden van het water zou minder verdienstelijk geweest zijn. De vreemde vorst vereenzelvigde zich met zijn volk, hun lijden scheen ook het zijne. Ook zijne aanwezigheid te Leiden, toen de buskruitramp de oude stad had getroffen, maakte een diepen indruk. Men kent het woord van den Noordhol-lander, toen Lodewijk bij zijne rondreis eens te kennen gaf, dat hij van afkomst vreemdeling was: quot;dat zijn wij sedert Leiden vergeten.quot;
De lamme koning dankte dit epitheton aan een physiek lijden. Zijne rechterhand was geheel verlamd, zoodat hij nauwelijks schrijven kon. Zijn gestel was sedert jaren ondermijnd; hij was steeds zwak en lijdende, schoon hij den schijn van gezondheid en kracht zeer liefhad en gaarne aannam. Doch de gevolgen kon hij niet weren noch be-heerschen. Hij was overgevoelig, prikkelbaar en luimig in de hoogste mate, wat, bij het hoog gevoel van zijn koninklijke waardigheid, den omgang met hein bij uitstek moeielijk maakte en ook op politiek gebied een noodlot-tigen invloed had.
Een huwelijk, niet uit liefde gesloten, behoeft niet noodzakelijk tot een ongelukkigen echt te leiden. Maar het huwelijk van Lodewijk met Hortense Beauharnais was rampzalig. Keizer Napoleon heeft op Elba erkend, dat zijn broeder rechtmatige grieven tegen zijn vrouw kon doen gelden; zij was te speelsch voor dien man. Lodewijk vertrouwde haar ook in politieken zin niet. Hortense dweepte met haar stiefvader en keurde Lodewijk's gedragslijn af.
235
DE FRANSCHE TIJD.
Vandaar wantrouwen en verwijten, die tot gelieele verwijdering leidden. Hij wist liaar niet door meerderheid voor zich te winnen.
Dezelfde prikkelbaarheid en datzelfde gebrek aan zelfbe-heersching deed Lodewijk zich den gezant zijns broeders tot onverzoenlijken vijand maken. De graaf de la Roche-foucault werd van den eersten dag zijner komst af met bitter wantrouwen door Lodewijk bejegend, die hem niet vergeven kon, dat hij, een neef van de koningin, met haar op goeden voet eu de officiëele representant van keizerlijke eisclien was, die met zijn begrip van koninklijke onafhankelijkheid volkomen onvereenigbaar waren. La Rochefoueault heeft liet hem bitter vergolden.
quot;Houd nooit op Franschman te zijn. De waardigheid van connétable des rijks wordt door u en uwe afstammelingen behouden; zij zal u de plichten voor den geest roepen, die gij jegens mij te vervullen hebt en u het gewicht doen inzien, dat ik hecht aan de bewaring der vestingen , die ik u toevertrouw.'quot; Met die woorden had keizer Napoleon zijn broeder laten gaan, in die woorden had hij zijne taak neergeschreven. Ouder den titel van koning moest hij de prefect zijns broeders wezen, om iu deze landen diens wil uit te voeren.
De proef, die de keizer met Lodewijk nam, was niet de eerste. In Spanje had hij op gelijke wijze Jozef, in Italië Murat, in Westphalen Jeröme geplaatst. Geen enkel dezer proefnemingen is gelukt; deze koninklijke prefecten zijn allen met hun meester in meerdere of mindere moeilijkheden geraakt. Maar geen hunner in die mate als Lodewijk.
De reden lag in het karakter van Lodewijk en in de ligging van het land, waarvan hij koning was. In Spanje
236
DK FKANSCHE TIJD.
kwam de natie zelve iu opstaud en joeg Jozef weg. Hier te lande bleef alles rustig, maar smokkelde ieder.
Het koningschap van Lodewijk valt samen met de ontwikkeling van Napoleon's continentaal stelsel. Ieder zijner regeeringsjaren wijst op een keizerlijk decreet tot afsluiting van Engeland. Niet alleen alle politieke gemeenschap, ook alle handelsgemeenschap moest met Engeland opliouden, opdat het door volslagen isolement tot onderwerping zou gedwongen worden. Te Weenen, te Berlijn, te Warschau teekende Napoleon de decreten, die Engeland buiten de gemeenschap der volken sloot. Het was een reusachtige worsteling van één menschenkind met de wetten, die de ontwikkeling van de volken belieersclien. vGij kunt de huid niet beletten uit te wasemen,quot; riep Lodewijk tevergeefs zijn broeder toe. In de huishouding der volken een enkelen dood te verklaren, hem buiten het geineenscliappe-lijk leven te willen sluiten, is liet onmogelijke beproeven.
Koning Lodewijk had volle recht in zijne afkeuring van den onnatuurlijken strijd. Slechts onwillig gehoorzaamde hij, en zeer willig overtrad hij zijne eigen bevelen. quot;Uw eigen paleis, evenals de kleinste hut, is vol van gesmokkelde waren'1'', schreef de keizer. Alles, wat voor dagelijksche behoefte en aan weeldeartikelen de natie gewoon was uit Engeland te ontvangen, bleef voortdurend aangevoerd, slechts met meer gevaar en grooter kosten. In uiterlijk vertoon met woorden gehoorzaam , poogde hij telken male, als de kans schoon scheen, de decreten te ontduiken, die hij haatte, en verbitterde des te meer tegen zijn persoon en zijn land den overmachtige en overmoedige, die zijn éénen wil tot den wil van een werelddeel durfde verheffen.
Daar is in de worsteling van een zwakker met een krachtiger geest veel, dat sympathie en mededoogen opwekt.
â 137
ü F. FllANSCHE TIJD.
Koning Lodewijk, kampende als 't ware aan het lioofd van zijn volk tegen den wereldbelieersclier, biedt een seliouw-spel aan, dat zelfs zijne zwakheid doet vergeten. Zoo hij zich aan de eischen des keizers onderworpen en onvoorwaardelijk gebukt had, hij zou zijne kroon hebben gedragen zoolang het keizerrijk stond. Hij ware slechts gevallen als Jerome, weggesleept door de wereldbeweging, die aan Europa de vrijheid hergaf. Thans stortte zijn rijk ineen door hetzelfde beginsel, dat het in het leven had geroepen.
De con notable van Frankrijk was aan het hoofd van deze landen geplaatst , om de uitvoerder van de bevelen zijns meesters te zijn en de vestingen te bewaren. Het eerste kon Lodewijk niet vervullen, omdat hij het in strijd met de belangen der natie achtte. Zou hij het tweede beter volbrengen ?
In Juli 1809 landde eene Engelsche vloot op Walcheren. Middelburg, Veere, fort Bath, Vlissingen werden ver-meesterd. Het eiland Schouwen werd beraachtiffd en Ant-
O
werpen ernstig bedreigd: Antwerpen, een pistool op de borst van Groot-Brittanje en een koninkrijk waard, volgens de uitspraak van Napoleon!
De keizer was in Schönbrunn, toen de booze tijding hem bereikte. Zij kwam hem niet geheel onverwacht. Toen de oorlog met Oostenrijk op het uitbreken stond, had hij Lodewijk gewaarschuwd. Herhaaldelijk had hij hem geschreven, dat hij minstens 20,000 man onder de wapenen moest hebben, om eiken inval af te weren. Maar niets had gebaat; nocii leger noch marine was bij machte de landing te beletten. De conscriptie wilde Lodewijk niet invoeren, van een rentereductie wilde hij niet hooren. Zijn volk kon het niet dragen, verklaarde hij. Maar het belette hem niet, om zelf op weelderigen voet zijne hof hou-
£38
Dl. FllAJfSCHK TIJD.
ding in te richten en door gedurige verandering van residentie, van den Haag naar Utrecht, van Utrecht naar Amsterdam, èn den staat èn de steden èn de ambtenaren op groote onkosten te jagen, zonder voordeel of nut voor iemand.
-De belangen van den adel, de instelling van majoraten, het verleenen van hooge titels schenen hem meer ter harte te gaan dan de gestadige zorg voor leger en marine. Zoolang de gevolgen uitbleven, had de keizer, vertrouwende op eigeu macht, hoe ontevreden ook, zijns broeders onwil geminacht. Maar de aanslag op Walcheren bracht aan het licht, dat Lodewijk's bestuur niet alleen zwak en kinderachtig, gelijk Napoleon zeide, maar ook bedenkelijk was. Het keizerrijk werd er door in gevaar gebracht. quot;Ik heb de dagen der revolutie beleefd, maar ik heb nooit zulke spotternijen als nu te Parijs gehoord,quot; schreef een hoofdambtenaar aan den keizer.
Deze vergaf noch vergat het. Lodewijk was de schuldige, die zijne vijanden ook in het binnenland had bemoedigd door zijne nalatigheid. Een Fransch leger dreef de Engel-schen terug en dwong hen Zeeland te verlaten.
De beslissing naderde. Lodewijk Napoleon werd door tus-schenkomst van Verhuell â altijd de gewillige dienaar der Bonapartische politiek â- bewogen, naar Parijs te gaan, zoo 't heette om den toom van den meester te bezweren. Reeds bij de eerste samenkomsten werd het denkbeeld van inlijving uitgesproken, maar het scheen slechts een bedreiging, om liodewijk schrik aan te jagen. «Holland is eigenlijk niets dan een deel van Frankrijk. Het is eene aanslibbing van den Rijn, de Maas en jde Schelde, de groote slagaders van het Fransche rijk. Voortdurend heen en weder geslingerd tusschen Frankrijk en Engeland, mist
DK FHANSCHE TIJD.
Hollaud de voordeelen, die iu strijd zijn met Frankrijk's stelsel en tevens die, welke liet anders kon genieten. Het is tijd, dat liet alles tot zijn natuurlijke orde wederkeere.quot; Zoo sprak de keizer tot liet Wetgevend Lichaam, zoo tot Lodewijk zelve.n: quot;Ik kan u niet met rust laten. Yroeg of laat moet de vereeniging geschieden.quot;
Na dergelijke verklaringen scheen het een belangrijke winst, toen Napoleon zich met onderhandelingen inliet. Er werd drie maanden onderhandeld tusschen Lodewijk en den keizer, tusschen Eoëll en den Franschen minister, deu hertog van Cadore. Het waren drie maanden vau angstige spanning en van bitter lijden, vermeerderd door de persoonlijke teleurstelling, die Lodewijk ondervond. Hij had gehoopt, van Hortense Beauharnais te mogen scheiden, maar de familieraad verwierp zijn verzoek. Hij werd zelfs gedwongen zich met haar te verzoenen en had de zekerheid, dat zij hem volgen moest naar Holland. Napoleon, die zoo even de moeder verstooten had, wilde in de bruidskorf der Oostenrijksche maagd, welke aan hem, deu Minotaurus,â zooals de Engelsche diplomaat zeide â opgeofferd werd, niet ook de scheidingsacte der dochter neerleggen.
Drie maanden bracht Lodewijk te Parijs door, dagelijks verzet biedende en dagelijks toegevende aan de eischen des keizers. Roëll, zijn minister van buitenlandsche zaken, weigerde het tractaat te ouderteekenen en vroeg zijn ontslag. Deu 16den Maart kwam het tot stand: het grondgebied werd ingekort door den afstand van Zeeland en Staats-braband, waarvoor het vroeger verworvene Oost-Friesland, minder bevolkt en minder welvarend, geen vergoeding bood. Het verlies aan inkomsten werd op 16 millioen aangeslagen. Toch werd een nieuwe drukkende last, het onderhoud van een aanzienlijk leger en vloot, het gesmaldeelde rijkje opgelegd.
2:1.0
DE FlïANSCHK TIJD.
Den ll11⢠April kwam koning Lodewijk in zijne hoofdstad terug, met een verbitterd en wrokkend gemoed. De kracht, die hij te Parijs niet had kunnen betoenen, openbaarde hij hier in maatregelen van persoonlijken aard. Aanhangers des keizers werden door hem ontslagen; Krayen-hoff, die zich gewelddadig had willen verzetten en Amsterdam in staat van verdediging brengen, werd beloond. Buigzaam te Parijs, nam Lodewijk in Holland een mokkende en tartende houding aan. De uitslag was te voorzien: waar de ijzeren en aarden pot te zamen botsen, wordt de laatste verbrijzeld. De keizer gelastte Holland, met name Amsterdam, te bezetten.
Dien smaad wilde Lodewijk niet dragen.
in den donkeren nacht van 2 op 3 Juli besteeg hij bij liet Paviljoen te Haarlem zijn reiskoets. Een laatste kus oj) de wangen van zijn oudsten zoon, den eenigen, die bij hem was, â en hij liet zoon en land achter. De eerste van Holland's koningen vluchtte uit zijn rijk, om als balling een veilige schuilplaats aan den vijandelijken haard te vragen.
Koning Lodewijk had afstand gedaan ten gunste van zijn zoon, een knaap van zes jaar. Een raad van regentschap trad voor den minderjarigen vorst op. Verhuell werd naar Parijs gezonden, om den keizer het gebeurde te berichten.
Inmiddels werd de troonsverandering aan het corps diplomatiek, aan de gewestelijke en rechterlijke autoriteiten officieel bericht. In één enkel gewest werd de nieuwe koning aanstonds erkend. Zij, die in Oost-Eriesland op den 10lt;iBn Juli de openbare godsdienstoefeningen bezochten, hoorden van den kansel den zegen Gods afsmeek en; //Wij bidden u voor onzen jongen koning Napoleon Lodewijk en voor de koninginne regentesse van dit koninkrijk.'quot;
Jurissen. 12 1 ()
241
DE FRANSCHE TIJD.
Het was de eerste en de laatste maal.
Op liet Paviljoen te Haarlem speelde de jonge Napoleon Lodewijk. Een commissie uit den staatsraad spoedde zich daarheen, om hein te complimenteeren. Een linnuer, lie-pelaer, hield tot hem een deftige rede bij de aanvaarding zijner regeering en wenschte hem een goede gezondheid toe.
Van de laatste zou hij langer genot hebben dan van de eerste. De knaap zeide, zeer getroffen te zijn door de toespraak en de heeren zeer te bedanken.
Keizer Napoleon dacht er niet aan, de beschikkingen van zijn broeder te eerbiedigen. Het koningschap van den kleinen neef was een belachelijkheid en kon een belemmering worden. Hij antwoordde met het besluit van inlijving.
Dit was het einde van vijftien jaar worsteling, van vruchteloozen kamp tegen den bondgenoot, dien liet volk als verlosser had ingeroepen.
VII
De revolutie van 1795, die de oude Republiek ten val had gebracht, was het werk van «ene staatkundige partij, die, door wrok verbitterd, meer haar weuschen en idealen dan haar krachten had geraadpleegd. Van het tweeledig doel, dat zij nastreefde, was slechts een enkel bereikt; de val van het gehate stamhuis, dat in hare oogen de uitdrukking van alle politieke en maatschappelijke gebreken was, die de natie ondermijnden. De vijftien jaren, die verloopen waren, hadden aan het licht gebracht, door walk eene dwaling men zich had laten wegsleepeu. De schuld had niet bij deze of gene personen gelegen, maar bij de natie zelve, zooals zij door anderhalve eeuw van bijkans ongestoorde regentenheerschappij was geworden. De belang-
24.2
UK FKANSCHK TIJD.
stelling in de publieke belangen was ondergegaan, omdat de kennis slechts aan enkelen was voorbehouden. De sou-vereiniteit der provinciën en de souvereiue macht der locale heerschers waren de middelen geweest om provinciën en steden aan het gezag van enkelen te onderwerpen eu de onderdanen in stad en provinciën van de bescherming eener overal heerschende landswet te berooven. De gemeentelijke zelfstandigheid was het werktuig tot gemeentelijke verdrukking geworden. De decentralisatie was, als steeds, het voertuig van het locale despotisme.
In de taal der 18° eeuw was men gewoon van het quot;Veelhoofdig monster der aristocratiequot; te spreken. Gelijk het oude gedrocht der fabelleer slechts het getal zijner koppen zag vermeerderen, als een enkele werd afgeslagen, verlooide regentenaristocratie niets dan een enkelen persoon, onmiddellijk door meerderen vervangen, wanneer deze of gene werd machteloos gemaakt. Vandaar het optreden der partij, die een schrikbewind wenschte te zien heerschen. Madame Guillotine moest het veelhoofdig monster der aristocratie onthoofden.
Door den invloed der Fransche republiek en den natuurlijken afkeer van bloedstorten, die liet streven der gematigden steunden, was de Bataafsche republiek voor dit noodlottig uiterste bewaard. Maar de gevolgen waren niet uitgebleven. De tweespalt iu de natie had tot machteloosheid geleid. Al was de staatseenlieid in de constitutie van 1798 als beginsel aangenomen, de toepassing was lang achterwege gebleven. Slechts onder Schimmelpenninck en Lodewijk waren enkele wetten tot stand gekomen, die ook in de practijk van het publieke leven het beginsel doorvoerden. Maar de vreemde oorsprong en de zwakheid van het gezag deden het verworvene niet beschouwen als van blijvenden
243
â DE FRANSCHE TIJD.
aard. De oude geest van liet foederalisme leefde voort. Het beginsel der staatseenheid moest als het ware der natie worden ingebrand.
Dit is de beteekenis en de groote waarde van de korte periode, die liet Napoleontisch bestuur over dit land vervult. Reeds Tliorbecke heeft liet voor jaren gezegd en de geheele geschiedenis der revolutie teekent de juistheid zijner woorden. '/Onze inlijving in Frankrijk mag geenszins alleen als eene daad van JNTapoleontische geweldenarij worden beschouwd, noch naar de kortheid van haar duur geschat. Zij is in politische , en regtsorganisatie eene vordering geweest, die zonder het decreet van Napoleon zou zijn vertraagd of gemist. Zij deed ons op eenmaal een stelsel van wetgeving deelachtig worden, dat ons, over menig beletsel heen, voor goed op den weg der algetneene, hedendaagsche ontwikkeling heeft geplaatst en tegen zoo menige onzekerheid , tegen menigen misstap behoed. Om dit te waarderen , verbeelde men zich, dat wij uit het koningrijk Holland onmiddellijk in dat der Nederlanden waren overgegaan. De Fransche omwenteling had ons wel beginselen gebragt, maar hadden wij die door eigen arbeid moeten verwezenlijken, hadden wij éene algemeene wetgeving, zooals wij ze in overeenstemming met andere vernieuwde landen behoefden, zelfstandig uit eigene bronnen moeten ophalen, wanneer en hoe waren wij klaar gekomen? Hoevele verouderde bepalingen zouden wij tot aanvulling hebben ingeroepen? Uit welke hoeken zouden niet al verlegen Neder-landsche beginselen zijn opgezocht? Hetgeen de inlijving ons schonk, is nog op dit oogenblik van méér beslissenden, doordringenden invloed op ons Staatswezen, dan al wat wij in constitutionele en andere regeling sedert 1813 oorspion-kelijks tot stand bragten.quot;
244
Ui; FllAXSCHE TIJD.
Opgenomen in liet Franseke keizerrijk, zagen de bewoners der vroegere Republiek de wetgeving van Frankrijk zich opgelegd. De wetboeken, die den naam van Napoleon ook op juridiscli terrein zouden bewaren, traden voor de ontworpen of nauw ingevoerde proefnemingen van koning Jjodewijk in de plaats. Wat de natie, onder den invloed van hare verkeerde staatsinstellingen, niet had kunnen tot stand brengen, eenheid van wetgeving, ontving zij thans uit vreemde handen. Rn met- deze ging eenheid van administratie gepaard. In de handen van den Fransohen keizer was het bestuur een mechanisme, door slechts esn wil bewogen. Of er een nieuw rad werd ingevoegd, deed weinig ter zake, het moest de beweging van het geheel volgen, willig of onwillig. Naar het uiterlijke te oor-deelen, was de beheersching van een staat als de Fransche door één persoonlijkheid onmogelijk te achten. Maar het onmogelijke geschiedde. Napoleon's genie wist ook het burgerlijk bestuur met den geest van militaire discipline en hierarchic te doordringen; zijn wil regeerde het hoogste staatscollege zoowel als het kleinste douanenkantoor.
Eerbiediging van het historisch verleden en van de vormen, die het tot den tegenwoordigen tijd had overgebracht, kon van zalk een regeeringsstelsel niet worden verwacht. De namen der oude gewesten werden, met een enkele uitzondering, Friesland, in'den ban gedaan. Deze landen waren slechts departementen van liet wereldrijk, onderscheiden en kenbaar door de waterwegen, die ze doorsneden of scheidden ; de monden van de Maas, de Eems, de IJsel, de Zuiderzee enz. De ambtenaren, in deze departementen geplaatst, waren dienaren van den keizer, uitvoerders van zijn wil, neergelegd in decreten of in de wetten des lands. Aan hem hadden zij te gehoorzamen, van hem hunne bevorde-
345
DK FUANSCHK TIJD.
ring of bestraffing te wachten. Hij bepaalde, wat in hun oogen staats- of landsbelang mocht heeten; hij schreef hun de mate van getrouwheid, van geestdrift, van onderwerping voor. Van geen Oranje, geen staatsgezinden, geen foedera-lisme of unitarisme was meer sprake. Het verleden was uitgewischt; wie Napoleon diende, werkte door zijne dienstbaarheid mede om, gelijk de uitdrukking luidde, ons volk te quot;denationaliseeren.1'' l)e provincialen, die op dit aanslibsel van Frankrijk's groote stroomen woonden, moesten hun provinciale bekrompenheid, hun locale ijdelheid afleggen, om Franschen te worden.
Men behoeft niet in de eerste plaats op de bedwelming te wijzen, die het overwicht van een groot volk en van een groot man te allen tijde uitoefent, om de onderworpenheid van liet geslacht van 1810 te verklaren. Er zijn weinig mannen geweest, die onwillig waren den meester van Europa te dienen. De vurigste revolutionairen waren liet gewilligst, om de aangeboden betrekkingen te bekleeden. Zij zagen verwezenlijkt, wat zij jaren lang hadden nagejaagd; staatseenheid, eenheid van wetgeving en van bestuur. Al de afgoden, tegen welke zij gestreden hadden, vielen van hunne voetstukken op den wenk van Napoleon. Was het wonder, zoo zij zich om hem sciiaarden en volkomen bereid waren hem te dienen? Gelijk zij, deden ook de oude tegenstanders: de moderaten en foederalisten en vele Oranjegezinden, aan wier invloed voor een deel de mislukking der revolutie was te danken. Eetrekkelijk klein was de groep van hen, die zich aan alles onttrokken en weigerden op eenigerlei wijze deel aan liet bestuur te nemen. Het waren enkele trouwe aanhangers van het huis van Oranje, die, zooals Hogendorp, zich nooit met de revolutie hadden verzoend, nevens de hardnekkige voorstanders van
246
DE FllANSCHE TIJD.
de oude orde van zakeu, die noch van Oranje noch van eenige regeering wilden weten, welke ook hen, als allen, aan de gehoorzaamheid van eene voor allen geldende wet onderwierp.
Het Pransche bestuur over deze landen was zoo kort van duur, dat men onmogelijk beslissen kan, of de tegenstand blijvend zou geweest zijn. Zij , die in onze dagen op deze drie jaren zich beroepen ten bewijze hoe onmogelijk het is, ons volk ooit in een grooter in te lijven, zien geheel de hoofdpunten, ter beoordeeling onmisbaar, over het hoofd. De onwil der Oranjegezinden heeft de macht van het Napoleontisch régime niet gebroken, zelfs niet ondermijnd. En de omstandigheden, waaronder ons volk in 1810 met een grooter volk werd vereenigd, waren zoo abnormaal, dat zij geen regel voor de toekomst kunnen stellen.
De beheerscher van Europa was in strijd met geheel Europa; zijn juk drukte een werelddeel. In haat tegen hem waren volken en vorsten één; hooger dan een geestelijk gezag zich ooit verhief, was het zijne gestegen; hij was de levende voorzienigheid van Europa geworden, die lot en hart wilde regeeren.
Had hij vrede met Engeland kunnen sluiten, had hij het oorlogszwaard in Europa in de scheede kunnen steken â hij zou zijn wereldheerschappij wellicht tot zijn dood gevoerd hebben. Maar hij had de grenzen van het menschelijk vermogen zoo verre uitgebreid en zoo verre overschreden, dat noch terugkeer noch stilstand mogelijk was. De titan werd door zijn noodlot voortgedreven naar de ure van zijn val.
Hij kon geen rust schenken aan zijne volken, geen geluk aan zijne onderdanen. Daarom werd ook het goede van zijne regeering gif, dat de hoofden en de harten tegen hem in opstand bracht.
247
Dl: FRAXSf'HK 't'EJD.
De schuld was niet bij de hoofden, niet bij de mannen, die hij bezigde, te zoeken. Tal van Nederlanders, die onder zijn bestuur hooge betrekkingen hebben bekleed, zijn in de volgende jaren dienaren van het koninkrijk der Nederlanden geweest. Dat zij vleiende lofredenaars van den keizer waren in de dagen toen zijn rijk bestond, is niet bijzonder vreemd. Ambtenaren spreken zelden kwaad van het bestuur, dat hun een eervolle plaats verzekert en een invloedrijke maatschappelijke positie schenkt. Dat jnristen als Van Maanen, financiers als Gogel, om van zoo vele anderen te zwijgen, met de Fransche regeering ingenomen waren, haar gewillig en getrouw dienden, vindt zijn voldoende reden in de teleurstellingen der laatste dertig jaar. Zeker zijn er onder de Hollanders, die betrekkingen onder Napoleon bekleedden, mannen geweest, die het krachtig gesteunde gezag zoo al niet misbruikt, dan toch gebezigd hebben tot het verwerven van een persoonlijke macht, voor hunne medeburgers dikwerf drukkend en onaangenaam; zij waren toen, als steeds, wanneer er werkelijk een regeering is, die ook hen regeert, uitzonderingen. Bovendien, bureaucratische overmoed en persoonlijke willekeur zijn niet het noodzakelijk gevolg van een bepaald regeeringssjsteem. De geschiedenis der Nederlandsche regenten-aristocratie is rijker aan overmoed en willekeur dan het centralisatiestelsel der IQquot; eeuw.
Deze Nederlanders bovendien stonden zelve onder de controle van ambtenaren, of zagen nevens zich mannen geplaatst, meer vertrouwd dan zij met den geest van het nieuwe régime. De geliefkoosde meening van Napoleon, dat men, om de vruchten der revolutie te redden, de bekwaamste aanhangers in het bestuur der zaken moest behouden, mocht in den loop zijner regeering niet altijd
DU l'HANSCHK TIJD.
toepassing vinden, gelieel ontrouw is hij er nooit aan geworden. De Pransclie hoofdambtenaren, die hij bij de inlijving naar deze landen zond, zijn niet de slechtsten geweest , die hem dienden.
Aan het hoofd van deze gewesten werd de oude prins en aartsthesorier van liet keizerrijk, le Brun, geplaatst. Het was Napoleon's vroegere ambtgenoot in het Consulaat, nu een man van 72 jaren. Gaarne zou hij de laatste jaren, die hem restten, in zijn vaderland hebben doorgebracht. Maar Frankrijk's meester kende geen rust voor zich zeiven eu gunde ze ook aan anderen niet. Het was een goedhartig oud man, die alles deed, wat Iiij kon, om de pijn der inlijving te verzachten en een open hart had voor de natuurlijke onvoorzichtigheden, waartoe liet verlies van nationale zelfstandigheid verleidde. Van der Palm heeft iu zijn beroemd gedenkschrift van hem gezegd, dat hij gaarne al het goede deed, wat niet in zijn vermogen was. De ironische karakteristiek is ondankbaar; want de invloed van den ouden luitenant-generaal van den keizer â aldus was zijn officieele titel â heeft den Leidschen hoogleeraar voor vervolgingen bewaard, waarmede een onvoorzichtige akade-mische rede hem bedreigde. De oude le Brun heeft veel kwaad voorkomen en veel personen ten dienste gestaan.
Een wakkere hulp en een gewilligen steun heeft hij daarbij gevonden in den intendant van binneulandsche zaken, baron d'Alphonse. Hij behoorde tot de oude republikeinsche partij, die zich zeer onwillig aan Napoleon had onderworpen. Hij was prefect iu Frankrijk geweest en werd bij de inlijving den ouden le Brun ter zijde gesteld. Eigenlijk was hij de ziel van het nieuw bestuur. Tot hem richtten zich de prefecten, door hem ontvingen zij de bevelen der regeering en voerden zij hun officieele correspondentie. d'Alphonse
219
IJl'. FRANSCHU TIJD.
250
was een reeds bejaard man van groote gematigdheid en zachtheid, die niet schroomde den overdreven ijver van prefecten en anderen te keer te gaan en te beperken. Op het Rijksarchief berust eene uitgebreide correspondentie met de Stassart en anderen, die deze voorstelling staaft. In Augustus 1813 -â om een enkele proeve te geven â vraagt de Pransche minister van bniteulandsche zaken, Montalivet, aan d'Alphonse inlichting omtrent een jong mensch uit een der aanzienlijke Oranje-fainiliën. d'Alphonse, die den besprokene - niet kent â het is onnoodig een bekenden naam te vermelden â vraagt en ontvangt van de Stassart een zeer scherpe karakteristiek. quot;Hij heeft weinig gezond verstand, is arm van begrip, heeft slecht gestudeerd, een onvast karakter, meer ij delheid dan eerzucht, zijne politieke meeningen zijn al even wankelend en wisselend als die van zijn vader, hij is orangist en geniet geen bijzondere achting.quot; d'Alphonse vindt in die scherpe teeke-ning geen behagen en brengt ze niet over. Hij verzacht alle lijnen en verzwakt de stellige uitspraak van dc Stassart, door op grond van den leeftijd elke stellige uitspraak over het karakter als onmogelijk voor te stellen. //Hij is,quot; schrijft hij, //pas twintig jaar en dus weinig bekend. Men zegt, dat hij weinig verstand heeft en zwak gestudeerd heeft. Zijn leeftijd vergunt niet, dat hij reeds een beslist karakter heeft, of dat anderen over de vastheid van zijn karakter kunnen oordeelen. Het schijnt, dat hij ijdel is. Hij heeft nog geen besliste politieke opinie, of ten minste het is onzeker wat hij is. Hij is nog te jong, om het voorwerp van buitengewone achting te zijn. Tijd, studie en ijver kunnen hem schenken wat hij nog niet bezit; het komt mij ontijdig voor, om nu reeds een opinie over hem te vormen, die ongunstig zou zijn.quot;
DK FRAN SC HE TIJD.
cTAlphonse was aanvankelijk slechts voor één jaar benoemd, maar is den vollen tijd van liet Fransclie bestnür in dienst gebleven. De val van liet keizerrijk heeft hem de Nederlanden doen verlaten even onopgemerkt als hij gewerkt had ten gunste van velen in het land, waarin hij het ware hoofd der administratie was geweest. Slechts enkelen, die hem meer van nabij hadden gekend, zooals Janssen, hebben in later jaren met zeer verdiende waardeering van zijne verschoonende gematigdheid gesproken.
Aan zijn invloed mag het voornamelijk dank worden geweten, zoo de invoering der Fransclie administratie minder zwaar heeft gedrukt, dan een maatregel van zoo ingrijpend gewicht kon doen verwachten. Het zijn niet de blijvende instellingen van het keizerrijk geweest , die de volksver-bittering het meest hebben wakker geroepen. De vorm van bestuur heeft, zij het ook ouder andere namen. Napoleon's schepping overleefd.
Den meesteu haat heeft de Fransclie regeering uitgelokt door drie maatregelen, die niet bloot liet publieke. maar ook het private leven troffen: de invoering der conscriptie, de tierceering der schuld en het coutinentaalstelsel.
In de oude Republiek was de verdediging des lands een zaak der beurs, niet der vaderlandsliefde. Het meereudeel der troepen, waarmede de oorlogen werden gevoerd, bestonden uit huurlingen. Zij vochten en lieten zich vermoorden voor geld. in de 18quot; eeuw was de geringe militaire geest nagenoeg geheel bij ons volk uitgebluscht. Sedert 1789, toen de krijg met Europa een kruistocht voor ideeën werd, was de toestand geheel veranderd. Ieder volk moest zijn leger uit zijn eigen landzaten samenstellen, omdat er geen enkel meer was, dat niet in den strijd werd medegesleept. De vorsten van Hessen, van Baden, de ziel-
251
DIC FRANSCHE TIJD.
verkoopers der 18° eeuw, moesten evenals Frankrijk legers oprichten, niet om ze te verhuren aan een staat van kooplieden, maar om zich te verdedigen. Ook al ware ons land niet ingelijfd, het zou door den toestand van Europa genoodzaakt zijn geworden, de vrijwillige dienstneming door de gedwongene te vervangen. In den vredestoestand na 1815 is de conscriptie behouden. Een bewijs, dat ook op dit gebied het oude was voorbijgegaan, omdat het onhoudbaar was geworden.
Doch deze rekenschap legt men zich zeiven slechts na jaren af. De tijdgenoot voelt de pijn der verandering en vloekt de hand, die ze tot stand bracht. In de vreedzame rust van een koopmansvolk, dat tal van oorlogen had gevoerd met geld, bracht het een bittere stoornis te weeg, toen het onverbiddelijk lot als de beschikker werd aangewezen, wie zijner zonen ten strijde zou trekken. Het was de toepassing van een gelijkheid, waarmede men in 1795 wel gedweept had, maar zonder deze vrucht te voorzien of te willen. En de wijze van uitvoering verzwaarde de smart. De conscriptie was in Frankrijk bij de wet van 19 Fruc-tidor van het jaar VI (5 September 1798) ingevoerd. Zij bepaalde, dat allen, die hun 20ste levensjaar hadden bereikt, loten moesten, wie hunner gedurende vijf jaren het vaderland zouden dienen. De keizerlijke regeering voerde niet alleen die wet hier in, maar schonk haar een terugwerkende kracht. Niet slechts zij, die in 1811 den twintigjarigen leeftijd hadden bereikt, maar allen die in en na 1788 geboren waren, werden aan de wet onderworpen. Twee-, ja drieëntwintigjarigen werden diensvolgens opgeëischt, om voor den vreemden meester de wapenen te dragen.
Onder alle standen, niet liet minst onder de lagere, weinig gewoon hun gevoelens te verzwijgen of te bedwingen.
252
DE FllANSCHE TIJD.
wekte de conscriptie de diepste verbittering. Men werd gedwongen de wapenen op te nemen, zijne zonen af te staan voor een lieersclier, wiens heerschappij eeue onderdrukking van eigen, zelfstandig volksbestaan was. Zij moesten strijden en sterven in dienst van belangen, die lijnrecht indrnischten tegen die van ons volk. In vroeger dagen bande de huisvader, als hij zijn eigen woning binnentrad, de publieke zorgen buiten en vond vertroosting in den schoot van zijn gezin. Thans trad hij ze niet binnen, dan om dieperen rouw te ontmoeten. Wat al zorgen hebben onze vaderen beklemd, wat al angsten de harten der moeders bewogen in die jaren van lijden, toen in nadruk de schoot zalig werd geprezen, die geen kinderen had gebaard. Naar Spanje, naar Duitschland, naar Rusland werden de jonge mannen voortgesleept, die de vaderlijke trots en de moederlijke liefde zich als de steunpilaren van gezin, handelszaak en geslacht hadden voorgesteld. En met ieder doodsbericht, dat aankwam, scheen de keten hechter geslagen, die het privaat en openbaar geluk van het keizerrijk afhankelijk deed zijn.
Niet als een blijvende, maar als een tijdelijke maatregel werd de tierceering der rente door Napoleon opgelegd. Het kapitaal der schuld bleef onaangetast, maar slechts een derde der rente werd betaald.
Wanneer wij tegenwoordig de klachten der toenmalige tijdgenooten hooren, dan blijven wij niet ongevoelig, maar wij worden toch onze aandoeningen gemakkelijk meester. Op ünantieel gebied heeft onze eeuw zooveel verrassingen gebaard, dat de levendigheid der indrukken er onder lijdt. Het getal der slachtoffers van rentereductiën is niet uitgestorven met het jaar 1813. Voor geen maatregel bovendien was meer tot rechtvaardiging te zeggen dan voor dezen.
353
254 DE FRANSCHE TIJD.
Een derde der rente werd slechts betaald, maar dit derde bedroeg altijd meer dan het ontvangene in 1809 en in 1810, toen er genoegzaam niets betaald was. De tier-ceering was een staatsbankroet, maar niet door Napoleon in het leven geroepen: zij bestond.
Dooh deze erkenning van den werkelijken staat van zaken sluit de oogen niet voor de gevolgen. Een menigte kantoren werd tot staking der betalingen verplicht en sleepte in haar val tal van familiën mede. Zoowel particuliere vermogens als de inkomsten van openbare instellingen werden ernstig aangetast. De uitgebreide stand van kleine renteniers, die in de tweede helft der 18'le eeuw was ontstaan en uit wier midden zulk een aanzienlijk gilde van politieke tinnegieters was voortgesproten, werd gedecimeerd. De weelde verminderde en de gedwongen zuinigheid vermeerderde, wat zeker op zichzelf geen nadeel zou geweest zijn, indien de inkrimping van het rouleerend kapitaal niet, als gewoonlijk, had ingegrepen op de bronnen van bestaan van die personen en van dien stand in de maatschappij, die in een geregelde orde van zaken juist genoeg heeft om te leven, maar te weinig, om inkomsten te kunnen ontberen. Zij vermeerderde de rijen der armen, der hulpbehoevenden.
En toch is de tierceering der rente de minst beduidende van de maatregelen geweest, die de inlijving met zich sleepte. De strenge uitvoering der decreten van het con-tinen taal .stelsel was van veel grooter en ingrijpender be-teekenis. De tierceering beroofde slechts van inkomsten, het continentaalstelsel tastte de bron van welvaart zelve aan.
Men heeft gezegd, en met volle recht, dat bij de beoordeeling van dit stelsel steeds op den voorgrond moet staan, dat het ook in Napoleon's oogen slechts een oorlogswerktuig was. Maar dit verzoent niet, noch met de werking noch
DE FllANSCHK TIJD.
met de vrucliteu. Oorlogswerktuigen worden zeker uiet gesmeed om akkers om te ploegen of bloemen te lezen. Maar dit verzacht het oordeel niet over een wapen, dat de eigen hand scherper wondde dan den vijand. Engeland moge geleden hebben in die jaren, de wereldzee voerde zijn handelsvloten naar de andere deelen der aarde. Het vaste land werd zwaarder getroffen dan Groot-Brittanje, dat in Amerika en in eigen koloniën wel niet de ruime markten van Europa, maar toch gewillige voor zijne uitvoerartikelen vond. Het ijzeren keurslijf, dat Napoleon om Europa sloeg, verlamde wel de vrijheid van haar bewegingen, maar verminderde hare afhankelijkheid van het buitenland niet.
Voor geen der deelen van het Eransche keizerrijk was de strenge uitvoering der handelsdecreten noodlottiger dan voor deze lauden. Het fabriekwezen en de landbouw waren hier onder de Republiek zeer weinig ontwikkeld; ons volk heeft ondanks de monopoliën der eonipagnieëu steeds van den handel, den transitohandel en dien op de koloniën, geleefd. De nationale welvaart steunde er op, was er door geworden. Dadelijk bij de inlijving werden de strengste maatregelen genomen, opdat ontduiking der keizerlijke decreten onmogelijk zou zijn. Alle havens en kusten werden met douanebeambten overdekt; op elke visscherspink was een soldaat geplaatst, voor wiens behouden terugkeer het geheele dorp aansprakelijk was. Op de Noord- en Zuiderzee beletten wachtschepen allen buitenlandschen handel, en ook de biunenlandsche tusschen Holland en de oostelijke provinciën stond stil. In 1809, bij de landing der Engelschen op Walcheren, hadden zij van de gelegenheid gebruik gemaakt om een menigte waren voor geringe sommen af te zetten en hier te verspreiden. Van deze goederen moest thans een invoerrecht van 50 pCt. worden betaald. In Octo-
K.).)
DE FRANSOHK TIJ».
ber 1810 giug de keizer nog verder. Alle Engelsclie goederen moesten uit de magazijnen worden gekaald en openlijk verbrand. Als vergoeding voor de opoffering, waartoe liij dwong, beloofde de keizer een vrijen handelsweg van Amsterdam tot Rome, maar de belofte werd niet vervuld. Terwijl deze landen een deel van het keizerrijk heetten, bleef zelfs de tollinie van Brabant bestaan en belette zij den uitvoer binnen de grenzen van het rijk, waartoe men behoorde. In den aanvang verschaften de tabaksfabrieken, die in de laatste jaren waren opgericht, nog een schamel bestaan aan enkelen; maar ook dit hield op, toen in Januari 1812 het staatsmonopolie van de tabak werd ingevoerd.
Onze natie heeft in al de eeuwen van haar bestaan het beginsel van vrijheid van handel, zoo al niet altijd in theorie, dan toch in de practijk voorgestaan en er zich te haren bate van bediend. Cromwell heeft onzen doorvoerhandel op Engeland wel aanzienlijk doen verminderen, maar nooit geheel vernietigd. En de Westindische Compagnie heeft van den eersten dag van haar bestaan te kampen gehad met den ondernemingsgeest, die zich niet bekommerde om haar monopolie. Lorreudraaiers noemden onze vaderen reeds in Leicesters dagen hen, die ook in oorlogstijden met den vijand handel dreven. Het grootste deel van Amsterdam's millioenen is, naar sommigen verzekeren, in den smokkelhandel der 18® eeuw verdiend. Ook ouder Napoleon is gesmokkeld, maar het was een gevaarlijk werk, waarvan de winsten niet tegen de gevaren opwogen en slechts enkele individuen ten goede kwamen. De algemeene welvaart werd diep getroffen. De zetel van den handel in die dagen, Amsterdam, verloor ]/7 van zijne bevolking. De groote steden werden verlaten, en vele prachtige woningen, in dagen van weelde eu voorspoed opgebouwd, vielen ouder den moker des sloopers.
DE FIIANSCHK TIJD.
Tijdelijke maatregelen, die drie jaar duren, mogen zeker niet op een lang leven roemen; maar dat korte leven is geen verdienste van Napoleon geweest. Niet zijn wijsheid, maar zijn val heeft ze opgeheven. De inlijving dezer landen had plaats in de nadagen van het keizerrijk, toen zijne hand tegen allen en aller hand tegen hem was gekeerd.
Napoleon's stoute schepping wankelde reeds, toen hij ons land met zijn rijk vereenigde. Onze vaderen hadden daaraan te danken, dat zij door maatregelen werden getroffen , die het vastknoopen van den uiterlijken band van eenheid moesten verhaasten door de onderdrukking van een vijandige publieke opinie en de gedwongen samensmelting van de nieuw verworven onderdanen met de oude van het keizerrijk.
Vrijheid van drukpers had wettelijk nooit in de Republiek bestaan. Als de provinciale en locale souvereinen het in hun belang rekenden of zich te zwak gevoelden om het tegen te gaan, hadden zij de uiting en verspreiding van de denkbeelden, die onder het volk gistten, toegelaten. De revolutie had het recht der vrijheid erkend, maar na de reactie, die sedert 1801 was aangevangen, was het telken male, in naam der publieke orde en zedelijkheid, geschonden. Vervolgingen der drukpers waren in de laatste jaren geen zeldzaamheid geweest. Napoleon voerde de censuur in. Elk werk, dat ter perse ging, moest vooraf worden onderzocht. In elk departement waren censoren, met die taak belast. Aan de onbeduidendste zaken werd ergernis genomen en overal vond de valsche scherpzinnigheid toespelingen op dwingelandij en o verheer selling. Vooral waren aanhalingen uit den Bijbel verdacht. Ds. van ïeutem mocht een preek niet uitgeven, zonder het citaat van een tekst te schrappen, die van een lichte verdrukking gewaagde. De journalistiek werd bitter gekortwiekt; aller-
Jo rissen. 1 - 17
237
DE FEANSCHE TIJD.
lei couranten en tijdschriften hielden op te bestaan. Ue hoogleeraar Tydeman kon de Geschiedenis des Vaderlands van Bilderdijk niet uitgeven, omdat, gelijk de Pransche censor zeide, er geen behoefte was aan een werk over de voormalige Republiek: men moest zich op den nieuwen staat van zaken inrichten. Dat ook hier iutussohen wel eens oogluiking plaats had en niet alle censors even scherp toezagen, bleek uit de uitgave van Helmers1 Hollandsche natie, die, zij het ook met uitlatingen van al te scherpe plaatsen, het levenslicht aanschouwde.
Met deze controle op de gedachte ging die op de personen gepaard. De verhalen omtrent de geheime politie, door de Eranschen geoefend, zijn volstrekt niet overdreven. Er zijn brieven van hooge rechterlijke ambtenaren, die bewijzen, hoe zij in het gewone, dagelijksche leven de rol van spion jegens ambtgenooten en de personen van hun omgang vervulden. Zij bespionneerden elkander. Wat in dien stand geschiedde, had ook in lagere kringeu onder andere vormen plaats. De keizerlijke regeeriug had die noodlottige hoogte bereikt, waarop zij elke aanraking met de publieke opinie miste en schuwde; zij steunde niet meer op de beginselen, die zij representeerde. Personen waren voor dit persoonlijk régime gevaarlijk geworden. Zij moesten gewonnen, of door vrees of belang in onderwerping worden gehouden. Een algemeen wantrouwen heerschte. In den burgerlijken omgang was niemand volkomen veilig, verhaalt een tijdgenoot. Pransche spionnen waarden rond onder allerlei gedaanten. Gemeenzame gesprekken werden afgeluisterd. Het gebruik van een dubbelzinnig woord werd ras ten kwade uitgelegd. Op openbare plaatsen meende men aan het oog der aanwezigen te kunnen zien, of zij Pranschgezind waren of niet. De gelaatstrekken der lezers
258
DE FRANSOHE TIJD.
van nieuwstijdingen werden waargenomen om de inwendige gedachten te raden. Deze teekening wordt door tal van getuigenissen bevestigd. Aan zulk een dwang was men kier te lande niet gewoon; de regenten-aristocratie had wel het schrijven soms vervolgd, maar het praten niet verboden. De mond was een veiligheidsklep voor hunne heerschappij geweest. Het ongewone gevoel van onveiligheid verbitterde nu te meer, naarmate het nieuw was. Men wist niet, dat dit bespiedingssysteem sedert jaren in Frankrijk biocide en daar dikwerf ernstiger gevolgen had, dan hier zijn aan te wijzen. Indien de mannen van liet Fransche bestuur van de ontvangen inlichtingen hadden willen gebruik maken, wat hadden zij een schat van ongeluk over tal van personen kunnen uitstorten! Maar noch de Stassart noch de Geiles heeft er zich aan schuldig gemaakt. De eerste mocht driftig zijn en ruw, de laatste plagend en meedoogenloos, waar het de uitvoering der wetten, de invoering der conscriptie en dergelijke zaken gold, men kan hen niet bezwaren inet het verwijt, dat zij misbruik hebben gemaakt van de kennis, die zij omtrent de houding en de gezindheden van velen bezaten. Toen in het voorjaar van 1813 â het was na de Russische campagne â⢠de departementale raden werden gedwongen, aanbiedingen van manschap aan den keizer te doen, gelukte liet volstrekt niet overal gemakkelijk, de meerderheid tot deze zoogenaamde vrijwillige voorslagen te brengen. De prefecten kenden zeer goed de mannen, die hen tegenwerkten. De Stassart noemt o. a. den oud-minister Roëll als een der voornaamsten. Noch hij noch anderen zijn verontrust.
Toch zouden onze vaderen de verdrukking nog inniger hebben gehaat, indien zij alles geweten hadden. De politie bemoeide zich met alles, stelde in alles belang, ook in
^59
DE FKANSCHE TIJD.
jonge meisjes, die fortuin hadden. i)e aanschrijving is sedert jaren gedrukt, waarbij de Commissaris-Generaal der politie te Rotterdam, de Marivault, inlichtingen vraagt omtrent het aankomend geslacht van beider kunne, ophelderingen omtrent ongehuwde erfdochters, haar rijkdom, haar verwachtingen, de richting van haar opvoeding, haar smaak, talenten, ouderdom, bevalligheden en zelfs haar misvormigheden; en evenzoo aangaande de jongelieden van goeden huize, hun leeftijd, gewoonten, denkbeelden, gestalte, geestvermogens en karakter. Doch ook in dit opzicht deelden de bewoners dezer landen slechts in het ge-meeue lot der keizerlijke onderdanen. De Vitrolles vertelt in zijn Mémoires, hoe de prefect van zijn departement hern geluk wenschte, omdat hij ook zijne dochter op de lijst der huwbare jonge sckoonen had gebracht. De naïveteit van zijn ambtenaarsziel liet niet anders dan verbazing toe, toen de vader over deze onderscheiding van zijn kind zich geërgerd, maar niet verrukt gevoelde.
Het bewustzijn, zoover de grenzen van het rijk reikten, in dit ééne opzicht deelgenooten te hebben, zou onze vaderen weinig vertroost hebben, want er was te veel, dat uitsluitend voor hen zwaar te dragen was.
De invoering van een nieuw bestuur en een nieuwe wetgeving, de druk van maatregelen, waardoor een despotisch bestuur den geest der bevolkingen zocht te beheerschen en personen te verlammen, ging gepaard met besluiten, die liet eigen nationale leven des volks troffen. Hollanders, Gelderschen, Friezen â de bewoners van deze departementen moesten ophouden het te zijn, zij moesten Franschen worden. De volkstaal werd in den politieken ban gedaan; nationale instellingen, met het geheele verleden nauw verbonden , werden aangetast.
260
Di: FUANSCHE TIJD.
Het is een wanhopige poging, aan een enkel persoon een anderen woordenscliat op te leggen, waarin hij zijn gedachten vertolken moet, hem tot eene andere woordenkeus of een andere spreekwijze te willen dwingen, dan eigen ontwikkeling en opvoeding hem aan de hand geven. Maar nog wanhopiger is het, een geheel volk te willen noodzaken, zich thuis te gevoelen in andere taalvormen, dan zijn geschiedenis eu zijn karakter hem aan de hand geven. Had Napoleon zich er toe bepaald, het onderricht iu de Pransche taal ook in de lagere school te gelasten, na verloop van jaren zouden gewoonte eu belang de klove van taal, die het overheerschend ras van liet beheerschte scheidde, misschien aangevuld hebben. Maar de \Teder-landsche taal werd als volkstaal eenvoudig uitgeschrapt. Elk officiéél stuk, elke acte moest vertaald worden, om rechtsgeldigheid te hebben. Alle nieuwspapieren, waarvan er slechts één in ieder departement mocht zijn, en zelfs alle advertentiebladen moesten in het Fransch zoowel als in de volkstaal verschijnen. Zoo ver ging dit streven, om de taal der natie te verdringen, dat in sommige plaatsen zelfs de lijstjes der predikbeurten in de kerken moesten vertaald worden. De tijdgenooten vermaakten zich intusschen met de, volkomen natuurlijke, onwetendheid der hoogere Pransche ambtenaren ten opzichte der volkstaal. Het gevolg was gemakkelijk te voorzien. Men klemde zich vast aan de laatste als aan het palladium der vrijheid, en in tal van gezinnen, vooral der Oranjegezinden, waar het Fransch reeds in het dagelijksch leven zijne intrede had gedaan, werd het verbannen, omdat het de taal der overheer-schers was.
Men heeft Napoleon dikwerf den parvenu genoemd. Door niets is die schimpnaam meer gerechtvaardigd, dan door de
261
DE FRANSCHK TIJD.
262
onstuimige drift, waarmede hij den natuurlijken loop dei-ontwikkeling lieeft willen dwingen. Juist daardoor heeft hij zijn wantrouwen in eigen kracht en in de duurzaamheid van zijn werk verraden. Hij kon niet wachten tot het zaad gerijpt was. Wanneer men bedenkt, dat dit régime nauwelijks 2 Va jaar deze landen heeft beheerscht, dan kau men een gevoel van verbazing niet bedwingen over die gejaagde onrust, die alles gelijktijdig ten onderste boven keert. Er is nooit een hervorming geslaagd, nooit iets blijvends tot stand gekomen, dat niet den tijd tot bondgenoot had. Maar deze man gunde zich geen tijd en verstoorde daarom met overhaaste hand, wat ongestoord tot bevrediging der bevolking had moeten voortbestaan en thans, door de aanranding, de gemoederen nog meer van hem vervreemdde. In den worstelstrijd met Europa was het een volstrekt onverschillige zaak, of' het hooger onderwijs in Nederland nog jaren lang op denzelfden voet geregeld bleef. Geen enkele overwinning op welken vijand ook werd verzekerd of verhaast door de roode toga's, die de Leidsche professoren in plaats van de zwarte moesten dragen, of door de verlaging der Utrechtsche hoogeschool tot eene école secondaire, welker wezen niemand scheen te kennen of te willen kennen. Maar de onderwerping van het Hooger Onderwijs hier te lande aan de bepalingen der Eransche Universiteit kwetste de gevoeligheid van zeer velen, wier invloed op hunne leerlingen eenvoudig niet na te gaan was, en de belangen van nog meerderen, die door deze of gene banden aan het Hooger Onderwijs waren verbonden. Er zijn in die jaren in menige collegekamer â men denke slechts aan Kemper, Van der Palm en anderen â woorden gesproken, die, zoo zij den geest van verbitter'ng al niet wekten, het nationaal gevoel wakker hielden in een
DK FUAXSCHE TIJD.
jeugdig geslacht, dat door leeftijd en eerzucht meer nog dan ouderen gevaar loopt, door de uiterlijke scliittering van een lieerschende macht te worden weggesleept.
In 1806 was een regeling van het lager onderwijs tot stand gekomen, die door Cuvier on Noel aan den keizer gunstig was aanbevolen. Daaraan was het te danken, dat de wet behouden bleef voor het uiterlijke, maar de handhaving bleef achterwege. De grootste willekeur greep op dit gebied plaats: de prefecten of de plaatselijke besturen stelden eenvoudig onderwijzers aan, zonder op eenige vereischten te letten. De traetementen der onderwijzers werden slecht of niet betaald. Het onderwijs des volks werd een voorwerp van verwaarloozing der regeering Dit deed de regeering veel schade in de waardeering des volks.
In het Bonapartistisch régime had de godsdienst slechts politieke beteekenis. Het streven, om de Roomsch-Katlio-lieken tot vereeniging met de Jansenisten, de verschillende afdeelingen van liet Protestantisme tot één te brengen, moest uit den aard der zaak tegenstand vinden en ver-bittering wekken, omdat deze hervormingen niet door de ontwikkeling des volks werden geëischt en slechts de rust van het gewone leven verstoorden. De hand van den over-heerscher dreef den ploeg door elk deel van den nationalen akker, en wekte onrust op over het behoud van alles, waaraan men door routine en overtuiging, zeden en gewoonten gehecht was. Naarmate de noodzakelijkheid minder kon worden ingezien, om al het historisch gewordene zoo heftig aan te tasten, werd de wrok grooter, die de eischen van willekeur tot eischen van staatsbelang zasr ver-
O O
heffen. Terwijl de belangen van het dijkwezen en van den waterstaat werden veronachtzaamd, moest de vrome gemeente zich in hare godsdienstoefeningen vereenigen met een voor-
263
DE FllAÃJSCHE TIJD.
geschreven gebed voor den keizer, wiens bestuur uitsluitend gericht was op de instandhouding van zijue macht hier te lande en in Europa, maar die alles naliet en onderdrukte wat den materieelen bloei en de intelleetueele ontwikkeling van ons volk kou bevorderen. Indien Napoleon de krachten van dit land tot bereiking van zijn doel had gebruikt, maar tevens alles had aangewend om het te ontwikkelen en, ook in de ongunstige positie waarin hij zich bevond, de nationale eigenaardigheden omzichtig had verschoond , men zou zijn bestuur wel niet liefgehad, maar het toch zonder dien wrokkenden haat hebben verdragen. Hij putte zoowel het publiek als het privaat geduld eu vertrouwen uit. Zijn bestuur kwetste volkomen onnoodig duizende belangen, die hadden kunnen ontzien worden. Hij vereeuigde deze landen met zijn rijk, maar onthield hun de voordeelen der vereeniging. Steeds wees deFransche regeering op de naderenden vrede, maar zij deed niets, om de opofferingen, waartoe zij inmiddels verplichtte, draaglijk te maken. De nieuwe onderdanen werden niet gewonnen, niet verzoend met de inlijving, omdat zij de vereeniging als de oorzaak van veel publiek en nog meer privaat lijden leerden beschouwen.
Deelneming aan het publieke leven, belangstelling in publieke zaken is bij ons volk te allen tijde een zeldzaamheid geweest. quot;De heeren moeten het weteuquot;, was de gewone leer der brave vaderen, voor wie politiek een zaak was, waarvan men een huivering had. Maar ouder Napoleon leerde ieder, tot den polderjongen toe, zich met de publieke zaak bemoeien en er belang in te stellen.
Nooit is ons volk iu een school geweest â en in dit opzicht ware het te wenschen, dat die schooltijd nog iets langer geduurd eu nog dieper indrukken nagelaten had â
264
DE KIIA.VSCHF. 'L'IJD.
nooit is ons volk in een school geweest, waarin groot en klein zoo diep hebben gevoeld, hoe afhankelijk het persoonlijk wel en wee van algemeeue landswetten, van een algemeene landsregeering zijn. Het bewustzijn is in die jaren in ons volk ingegrift, dat het individueel welzijn, de persoonlijke welvaart middellijk of onmiddellijk getroffen wordt door de beginselen, die in de wetten van een land heerschen, door de maatregelen, die daarin en vooral dooiden geest van de hoofden van staat werden voorgeschreven, üe Geldersman zag niet meer naar Arnhem of naar Zutfen, om het welbehagen der Edelmogenden op te vangen; aller oogen waren op den eenen gericht, die over ieders lot individueel als over dat van volken beschikte. Zijn wil was het, dat men zijn pijp niet meer kon rooken, dan van slechte regie, of dat men zijn kop thee niet meer zou drinken in het land van Jan Compagnie. Zijn wil was het, die den mond sloot van mannen en vrouwen, vroeger gewoon naar hartelust zich uit te laten over de heeren in den Haag, maar nu bang om een enkele klacht te uiten over den man te Parijs.
Het is die druk op het private leven, op de individueele vrijheid en onafhankelijkheid, die den tegenstand onderhield , welken het Napoleontische régime zocht te vernietigen. Had men zich bepaald bij de invoering der Fransche wetgeving en eenvoudig de schouders over de denkbeelden des volks opgehaald, zonder het te verbitteren door de dagelij ksche kwelling van opgelegde ontberingen en noode-looze veranderingen, het zou hier gegaan zijn, zooals het steeds gaat. Zij, die niet getroffen werden, hadden met beroep op het goede, dat aangebracht werd, een regeerings-partij kunnen vormen. Maar zelfs de geheime voorstanders voelden zich machteloos om dit régime van verdrukking te
263
DE FHANSCHH TIJD.
verdedigen. Men kon niet beweren, dat hier liet lieil des volks de hoogste wet was, waarvoor alles bukte. Van Maanen en wie met hem tot de vrienden der rrausohen werden gerekend, waren te voorzichtig en te eerlijk om te willen ontkennen, dat alles aan het belang van een enkel man werd opgeofferd en dat de tijd lang voorbij was, waarin Xapoleon met recht als de redder der maatschappij werd geroemd. En beter dan de groote massa kenden zij de stemming der gemoederen, die niet alleen in Nederland en Europa , maar ook in Frankrijk zich tegen den druk van aller dwingeland verhief.
In October 1812 had Napoleon zijn stouten tocht naar Rusland aangevangen. In December kwam hij als een vluchteling terug. In de sneeuwvelden van Rusland waren zijne legioenen bezweken.
Het geslacht, dat die dagen heeft beleefd, toen de eerste berichten zich verspreidden, is meerendeels ten grave gedaald. Maar wij hebben het uit hun mond vernomen, hoe diep de indruk was, toen liet eerste ongunstige bulletin de waarheid deed gissen. Het was de schemering van den morgen der vrijheid!
Maar daarom zou het nog niet spoedig dagen. Dat wisten allen, die op het vindingrijk genie des keizers hoopten en zij, die het duchtten. Hier te lande waren de rijen der laatsten grooter dan die der eersten. Het is een stellig, schoon weinig bekend feit, dat onder de Franschen, die hoofdbetrekkingen bekleedden, zeer velen waren, voor wie de noodlottige berichten uit Rusland geen redenen van droefheid waren. De admiraal Truquet werd in die dagen waargenomen met den glimlach van zelfvoldoening op 't gelaat. Het republikeinsehe bloed kwam in beweging bij de nederlaag van den meester, die hen tot hovelingen, tot
266
DE FRANSCHK TIJD.
zijn ambtenaren had verlaagd. Niet de Hollanders alleen, ook de dienaren des keizers smachtten naar zijn val.
Al was het Fransche bestuur in de eerste maanden van 1813 niet dikwerf door velen der Hollandsche ambtenaren met traagheid gediend, het zou in zedelijk vertrouwen op eigen zaak niet de kracht tot verzet hebben gevonden. Het was de wil alleen van Napoleon, die hen voortdreef, om ook in die laatste maanden hunne heerschappij staande te houden. Met dezelfde spanning, die liet volk, dat zij be-heerschen moesten, vervulde, staarden zij de worsteling aan, die over het lot, niet van een enkel land, maar ook over het hunne moest beslissen.
De Nederlaudsche departementen zouden op den afloop geen invloed hebben. In het voorjaar van 1813 ontstonden op enkele plaatsen eenige onlusten, die zelfs den naam van opstanden niet verdienen. De onvoorzichtigen, die zich hadden laten medesleepen, boetten het vertrouwen op geheime aanstokers zwaar. Er hadden eenige militaire terechtstellingen plaats. Ts de hand der Oranjepartij rein geweest van dat noodeloos gestorte bloed P Tk zou het niet durven verzekeren. Niet door een localen opstand, maar door de verheffing van de volken, onder de leiding van hun vorsten, werd het dwangjuk van Napoleon afgeworpen. Toen op het slagveld van Leipzig zijne legers waren vernield, ontruimden de garnizoenen van Frankrijk deze landen of trokken hun zwakke krachten in enkele plaatsen terug.
Het was in die oogenblikken, dat de zoogenaamde No-vemberopstand uitbrak. De graaf Van Limburg Stirum, die het sein gaf, en Van Hogendorp en Van der Duyn, die zich eenige dagen later aan hem aansloten, verrichtten eene daad van moed. Al was de Fransche macht niet groot, zij was toch sterker dan die van den opstand. En het
2fi7
DE FRANSCHE TUD.
zedelijk overwicht, dat, zoo niet beginsel, dan rontine geeft, was in de eerste dagen nog geheel aan de zijde des vijands. Hij was gewoon te heersolien eu te overwinnen, de Hollanders waren slechts gewoon belieersclit te worden en overwonnen te zijn. De oude regenten, opgeroepen door Van Hogetidorp, waagden liet dan ook niet liem te steunen; zij zouden bereid zijn te oogsten, als anderen hadden gezaaid.
Maar liet drietal, dat zich aan het hoofd van de natie plaatste, rekende op den steun der groote mogendhedeu, die sedert jaren de onafhankelijkheid dezer lauden als een hoofdvoorwaarde tot vrede hadden gesteld. Zij zouden thans ons volk niet aan zijn lot, aan de wraak van Frankrijk overlaten.
Het vertrouwen op Europa's hulp werd ten volle verwezenlijkt. Russen en Pruisen trokken eerlang deze gewesten binnen en dreven de willig aftrekkende Franschen voor zich heen. Maar meer dan dit deed de Engelsche hulp en de Engelsche zorg. Zij verschafte aan den opstand haar leider, aan het volk een hoofd, dat zijne onafhankelijkheid en zelfstandigheid tegenover Europa van den eersten dag af vertegenwoordigde. Op den 30stel1 Xoveinber 1813 landde te Scheveningen de Prins van Oranje, de zoon van den verdrevene in 1795. Met een Oranje aan de spits was de natie als vanzelf in de rij der volken hersteld. Haar oude plaats scheen zij opnieuw te zullea innemen.
Indien het geschied ware, het zou de scherpste veroordeeling van het Fransch bestuur in deze lauden zijn geweest. Want het ware dan gebleken, hoe weinig het had uitgewerkt.
Maar het einde der overheersching was tevens het einde der revolutieperiode. De vrucht werd geoogst, die met zooveel vernedering eu zooveel lijden was gezaaid. De Republiek der Vereenigde Nederlanden herleefde niet meer, zij behoorde voorgoed tot de geschiedenis. In haar plaats
268
m; FRAN'SCIIK TUD.
trad het Koninkrijk op. Dit is de groote dienst, dien de vreemde overheersching ons lieeft bewezen.
Wanneer wij naar de vaders dezer nieuwe stichting vragen, dan worden wij gewoonlijk verwezen naar de Euro-peesehe diplomatie, wier wil eigenmachtig ook over deze landen beschikte en ons volk zijn nieuwen staatsvorm aanwees. Bij de herziening van de kaart van Europa werd de vestiging van den monarchalen staatsvorm de voorwaarde voor de erkenning van 's lands onafhankelijkheid.
Dit is de heerschende voorstelling, die tot op dezen dag vooral door buitenlandsche schrijvers wordt gehuldigd en als de eeuig juiste aangeprezen.
Toch is zij volkomen onjuist. Zij miskent geheel den invloed van de Eransche overheersching der drie laatste jaren en het karakter der Novemberbeweging.
In 1795 hadden de voorstanders van het oude stadhouderlijk bestuur zich morrende teruggetrokken. Hoe gering hun persoonlijke sympathie voor Willem V en de zijnen ook was, de gehechtheid aan den vorm der staatsinrichting , die hun in stad en gewest het bestuur van 's lands zaken verzekerde, was er niet door geschokt. Aan deze voorliefde bleven zij getrouw, wat er ook in de volgende jaren geschiedde. Toen in 1799 de inval der Engelschen hoop gaf op herstel van het Oranjehuis, schreef de laatste raadpensionaris eeue ontwerp-constitutie, die in zeer weinig punten afweek van het vroeger bestaande en zelfs de erkende fouten en leemten dreigde te bestendigen. Hun haat tegen de revolutie en het onvermogen der omwenteling om iets blijvends tot stand te brengen, sloten de oogen der gevallen partij voor de noodzakelijkheid, om den staat op nieuwe grondslagen te vestigen. Herstelling van het oude was en bleef de leus, de vereenigingsband van den nieuwen
Ã69
DE FllANSCHE TIJD.
staat van zaken. De jammerlijke afliankelijklieid, waarin men bij toeneming van Frankrijk geraakte, deed met een soort van heimwee naar liet verloren geluk terugzien, en zelfs in gelijkheid van namen een waarborg, hoe schamel ook, voor een betere toekomst vinden. Dat Schimmel-penninck den titel van Raadpensionaris koos, al had zijne macht niets gemeen met die van den vroegeren ambtenaar der Staten, is een merkwaardig bewijs van de gunst, waarin oude instellingen nog altijd bij velen stonden.
De mannen, die in November 1813 den moed hadden hun hoofd op het spel te zetten, waren allen leden dei-oude Oranjepartij. Van het beroemde drietal was Hogen-dorp de eenige, die een staatkundige richting vertegenwoordigde. Hij dacht slechts aan een Stadhouder en aan eene herstelling der oude aristocratie. Er werd in die dagen een proclamatie verspreid, die spoedig daarna is verduisterd. Daarin wordt van Willem VI, den Stadhouder, gesproken. Om de geestdrift van het volk wakker te roepen, werd in Amsterdam en den Haag een geschrift aangeplakt, dat voor zijne denkbeelden en die zijner medestanders bij uitstek kenmerkend is. Daarin werden twee beloften gegeven: al de aanzienlijken komen in de regeering en het volk krijgt een vroolijken dag op gemeene kosten. Dat stuk was door Hogendorp zei ven gesteld, en werd door hein eigenhandig aan zijne vertrouwden te Amsterdam overgegeven, om allerwege te worden aangeplakt. Toen de Prins van Oranje in het land kwam, bood de staatsman - hem een project-grondwet aan, waarin tal van instellingen van vroeger tijd, tot zelfs de ridderschappen toe, werden hersteld. De oude Oranjepartij, bij monde van haar eminent hoofd , stond terugkeer tot den ouden, gevallen staat van zaken voor.
270
DK, FIIANSC'HE TIJU.
Indien die inzicliten niet liebben gezegevierd, wij hebben liet koofdzakelijk aan de drukkende Frausclie overbeer-sching te danken. Zij had den national⢠bodem zoo volledig omgewoeld, dat de wortels der oude instellingen losgescheurd waren. Gelijkheid voor de wet en toegankelijkheid van alle betrekkingen voor allen, was een eisch der revolutie geweest. Napoleon had aan dien eisch voldaan, hoeveel hij ook schond. Hard en willekeurig was zijn bestuur geweest, maar de traditie der oude staten was voorgoed verstoord. Tot trouw, tot stipte gehoorzaamheid had hij de ambtenaren gedwongen. Van bevoorrechting op grond van titels, was geen sprake geweest. Onkundigen of oneerlijken waren verjaagd, ieder ondergeschikte had aan de bevelen van hooger hand leeren gehoorzamen. Het gezond verstand der ontwikkelden erkende die voordeden; zij waren niet genegen ze prijs te geven, om in het oude warnet van geprivilegiëerde standen terug te keeren. En er was een partij, die, al had zij in de geestdrift van het oogen-blik de meerderheid niet, de noodzakelijkheid van een monarchaal gezag te diep gevoelde, om met een machte-loozen stadhouder tevreden te zijn en onder het juk van een willekeurige regenten-oligarchie terug te keeren.
Het is de onsterfelijke verdienste van Johan Melchior Kemper, dat hij den moed gehad heeft, eigenmachtig in de eerste oogenblikken in te grijpen. Nog vóór de optreding van het driemanschap in den Haag had hij Hogendorp pogen te overtuigen, dat eene restauratie, eene herstelling van de staatsregeling van vóór 1795 eene onmogelijkheid was. Slechts ten deele was hij geslaagd. Toen hij als Commissaris-Generaal van het Algemeen Bestuur was opgetreden , tastte hij door en kondigde, met Fannius Scholten en Van der Duyu, den eersten December eene proclamatie
271
DE t'llAN'SCHH TIJD.
te Arasterdam af, waarin hij Willem den Eersten, als Souverein Vorst van het crije Nederland uitriep. Het was een zeldzaam stoutraoedige daad, waarvan de beteekenis niet te lioog kan worden geschat. De Erfstadhouder van de zeven souvereine gewesten ging in het late avonduur van den eersten dag der Wintermaand, toen Keraper aan enkele hoorders van de trappen van het Amsterdamsoh Stadhuis zijne proclamatie voorlas, voor altijd onder. Willem VI werd Willem I.
De Prins van Oranje was uit Engeland gekomen in de stellige verwachting, dat hij geen hooger macht dan zijne voorvaderen zou verkrijgen. Hij schrikte aanvankelijk voorde souvereiniteit terug; er waren in zijne omgeving die hem tot weigering zochten over te halen. Maar aan Kemper mocht het gelukken, hem te overtuigen, dat aanneming de eenige weg was om de herleving en den strijd der oude partijen te voorkomen.
Volkomen te recht; want slechts onder een monarchaal bestuur, dat herleving der oude misbruiken onmogelijk maakte, konden de vijanden der oude constitutie zich verzoenen met het Oranjehuis. Het was de verwezenlijking van hun eigen ideaal, dat zij herhaaldelijk, in 1786, en nog in 1791, hadden voorgestaan. Vergeten en verzoenen â was de belofte der restauratie, die zij slechts vervullen kon door allen ora zich te vereenigen. De vorst uit het huis van Oranje hield op het hoofd van een partij te zijn, om het hoofd van den staat te worden. Eenheid van wetgeving, eenheid van bestuur was slechts mogelijk ondereen monarch, den vertegenwoordiger der staatseenheid. Oe revolutie heeft haar vrucht gedragen door de vestiging van een koninkrijk.
Met het optreden van Willem 1 vangt de nieuwe ge-
272
DE FllANSCHE TIJD.
schiedenis van ons volk aan. Zijn regeering behoort nog niet tot den verleden tijd, waarover liet mogelijk is een juist en billijk oordeel te vellen. Wij leven nog onder de naweeën ervan, ook onder de indrukken, die liet wisselend oordeel der tijdgenooten beeft nagelaten. Zelden is een vorst hooger verheven en dieper beschimpt dan hij. De Salomo van Europa, zooals hij in de eerste jaren werd genoemd, is in het graf gezonken met smaad overladen, üe schuld ligt niet alleen bij hem, maar bij de natie zelve. Met de herstelling der onafhankelijkheid had zij hare belangstelling aan het publieke leven onttrokken en was in zorg voor het dagelijksch bestaan ondergegaan. Ge,en krachtige publieke geest had do regeering ter zijde gestaan als een waarschuwende gids. In dit opzicht had de bange periode der afhankelijkheid van Prankrijk haar blijvende werking gemist.
In de revolutieperiode en onder het keizerrijk was het staatsleven van ons volk aan zijn eigen bekrompenheid ontrukt en de band met de algemeene Europeesche ontwikkeling door dwang en met geweld tot bewustzijn gebracht. Met het herstel der onafhankelijkheid sloot men de oogen voor dien invloed der samenleving met andere volken en keerde men terug tot het stille, provincialistisch leven dei-oude Republiek, die niets gemeen wilde hebben met de algemeene ontwikkeling van Europa. Welke de vruchten zijn geweest eu hoe bang het ontwaken was uit den zoeteu droom der nationale zelfgenoegzaamheid, zal de geschiedschrijver der 19dlt;! eeuw, zoo niet ons, dan onzen kinderen verhalen.
273
BBHBH