ocr page 1

/

Pro Yin cie GRONINGEN,

UIT E[N /EDaiHDSDOSTIG OOGPUNT mMl

REFERAAT

J. VAN DER MOLEN T/x..

óehoudeu vp de jdtcïinö van f j,(ci JSgs, fe Oroninócu; uUöekk'm'en door het ,,3tm4ima(il Lom III: van (ilfroclh/ö.quot;

---SVTST

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

UT R E C H T.

ocr page 2

L. octc

364S

ocr page 3

PpQYincie GRONINGEH,

UIT M Z[D[LIJH!]DSDI[NSTIG OOGPUNT BESCilll.

REFERAAT

van

J. VAN DER MOLEN TZN.

ö/j- de Jilvdinó van * Jdei jamp;Qê, h Bmninïm / nitdeóchteven daw hvi Bcmitv mu tliimvting.

BIBLIOTHEEK DER RiJKSUNIVERSJtEIT UT R€ QH f.

------

Guoningen. — Jan Haan.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1895 5660

ocr page 4

Deze bladzijden worden uitgegeven op last van het Provinciaal Comité van Uitvoering, dat een en andermaal een openbare vergadering hield in de stad Groningen. Zij bevatten het referaat, dat op verzoek van het Comité was opgesteld door den heer Van der Molen Tzn. te Baflo. Moge de uitgave en verspreiding iets bijdragen tot toegne-ming van de maatschappelijke misstanden, waarover terecht zooveel geklaagd en die hier getoetst worden aan de uitspraken der Heilige Schrift.

Het Comité van Uitvoering werd benoemd op de eerste meeting in Februari 11., welke meeting belegd was door den Bond van antirevolutionaire Kiesvereenigingen in het hoofdkiesdistrict Zuidhorn.

De leden van het Comité zijn thans de heeren:

Ds. A. BRUMMELKAMP, Vooezitter, Groningen. Dr. S. D. van VEEN, Vice-Vooezitteb, „

M. EITZEMA, Penningmeester, Ds. J. NEDERHOED, Assessor, P. H. BOELS, „

Me. R. van VEEN, Seceetaeis, J. C. HüBSCHER, R. JONKHOPF,

H. KüIK,

J. T. van BRUGGEN,

N. van HUIZEN,

J. van der MOLEN Tzn., J. RIETEMA,

Ds. J. TEVES, D. DLJKSTERHUIS, J. KEUNING,

G. N. ÏAKENS,

J. van BUUREN, R. HUIZENGA,

S. SMITH,

R. KLEVERING, P DRESSELHUIS, Ds. J. BUIKEMA,

H. PIETJE,

Ds. G. BROEKHUIZEN, J. HAZENBERG, P. OOSTERHOPP,

R. DIJK,

V. DAM,

Ds. M. HUMMELEN,

Leens. Middelstum. Onstwedde. Groningen.

Baflo.

Houwer zijl.

Wetsinge-Sauwerd.

Uithuizen.

Spijk.

Wagenborgen.

Delfzijl.

Appingedam.

Oostwolde.

Sappemeer.

Winschoten.

Stads-Masselkanaal.

n n

Adttard.

Grootegast.

Leegkerk.

Nuis.

Marum.

Enurnatil.


ocr page 5

In tegenstelling niet de indiviclnalistische theoriën der llevo-Intie erkennen wij Anti-Revolutionairen in het huisgezin de grondeenheid van ons volksleven. — Tn het huisgezin ligt de Avortel en de kiem, waaruit heel de Staat opwast.

Door de omwenteling in de begrippen en levensverhoudingen, //waardoor God naar onder is gekomen en de mensch er boven op// is groote schade toegebracht aan de kunstig gevlochten banden door God in het huisgezin gelegd. Ontzettende verwoesting is aangericht door de prediking van goddelooze theoriën in de pers en op den kansel, waaruit namelooze ellende geboren moest worden.

De jammer, die thans de wereld ontrust, moet voor een goed deel toegeschreven worden aan de ontwrichting van het huisgezin: het gebrek aan trouw, eerlijkheid, ontzag enz. is eene noodzakelijke vrucht van de geringschatting der oorspronkelijke levensbetrekkingen, waarin wij opgroeien. — Het huisgezin is eene goddelijke ordening en wij zien dan ook reeds onder Israël deze organische eenheid in glorie blinken boven die der omwonende volken. — Met en in Christus geraakte het tot zijne zuiverste uitdrukking, terwijl juist in landen van het Gereformeerde type het ideaal der volkomenheid het meest nabij gekomen werd. Die eere moet blijven. — Naast een zuiver belijden behoort een zuiver beleven. — Waar de Revolutiegeest zijne schennende hand onder ons vertoonde, moet hij weer verdreven worden. Het Woord des Heeren moet voor het huisgezin in eere hersteld en dienen tot regel en richtsnoer, opdat ook hierin, tot glorie onzes Gods, openbaar worde, de heerlijke vrucht der belijdenis van het kruis van Christus.

Het ligt niet in mijne bedoeling te spreken over de vele en velerlei verhoudingen, die zich in het huisgezin vertoonen; 'k wensch alleen u bekend te maken met de betrekking tusschen gedienden en dienenden, zooals die volgens het Woord des Heeren zijn moet en in de werkelijkheid in onze provincie bestaat, om vervolgens de zedelijke gevolgen voor Staat en Maatschappij ter toetse te brengen, teneinde daarna over te kunnen gaan tot het aanwijzen van datgene wat dringend verbetering behoeft.

ocr page 6

4

In de eerste plaats rijst dan de vraag bij ons op; Behooren de dienstbaren tot het huisgezin? ') Zoowel iu het Oude als in het Nieuwe Testament wordt hierop een bevestigend antwoord gegeven. Telkens immers lezen we van //de ingeborenen van het huis// (Gen. 17 : 12, 13, 23 en 27) van //al de zielen zijns huizes// (Gen. 36 ; 6) van //het huis van Potiphar// (Gen. 39 : 4, 5, 11 en 14), van //den honger der huizen van Jakobs zonen// (Gen. 42 : 19 en 33) van //het huis van Farao// (Gen. 50 : 4, 7, S) en tal van andere uitspraken meer, die ons geen twijfel overlaten of de dienenden moeten ook tot het huis of huisgezin gerekend worden. — Dat ze ook voor God als huis-genooten worden beschouwd, bewijzen zeer duidelijk plaatsen als Ex. 12 : 44 en v.v. Lev. 22 ; 11 en Matth. 10 : 25. — Er bestaat dus eene hoogere betrekking tusschen gedienden en dienenden, dan die door het huurcontract is geregeld. Kennende het egoïsme van het menschelijk hart regelde God zelf (Ex. 21) de verhouding van vrijen en dienstbaren en nam de laatsten in bescherming door hen tegen allerlei verdrukking

/en willekeurige behandeling te vrijwaren.en willekeurige behandeling te vrijwaren.

Door verschillende milde bepalingen werd het lot der lijfeigenen en slaven verzacht en de heeren verplicht ook hunne belangen in het oog te houden. — Door Gods ordonnantiën werd alle menschelijke hardheid en tyrauuieke willekeur van meesters jegens hunne onderhoorigen tegengegaan.

De wederkeerige betrekking wordt geregeld naar de Koninklijke wet der liefde, (Jak. 2 ; 8) het hoofdbeginsel des Christendoms. De liefde van den heer zal den knecht bij zijne vrijlating niet ledig laten heengaan; de liefde van den knecht zal hem de dienstbaarheid doen verkiezen boven de vrijheid. —

1) Op deze vraag kan slechts tweeërlei (bevestigend of ontkennend) geantwoord worden. De dienstbaren zijn loden van het huisgezin of ze zijn het niet. Is het begrip van liuisgezin verloren gegaan en stelt men zich de maatschappij voor als „een hoop zielen op een stuk grond,quot; dan is het zeer natuurliik en past het volkomen in het. individualistisch kader, om de dienstbaren als op zich zelf staande te beschouwen. — In welke betrekking staan dan evenwel deze individuen (dienstbaren) tot de gansche zielenhoow, die men Maatschappij noemt? Men zal toch bij classificeering of schifting der individuen komen tot eene catagorie dienstbaren. Welke zijn dan hunne rechten en verplichtingen in de Maatschappij en in den Staat? — Waar vinden ze hunne vertegenwoordigers oni voor hunne rechten op te komen ? Door welk orgaan kunnen ze zich uitspreken of laten hooren ? Deze en meer dergelijke vragen doen een berg van moeilijkheden rijzen. — We verwerpen dan ook dit standpunt, dat in het Kainitisch „Ben ik mijns broeders hoederquot; zijn oorsprong vindt. Aan do hand der H. S. en op het voetspoor onzer Gereformeerde vaderen geven we een bevestigend antwoord op de gestelde vraag.

(Klinkenberg, Onderw. in den Godsd. dl. XI p. 579). „Onze dienstboden maeken een gedeelte Van het huisgezin uit, zo dat zy tot ons in eene nae-dere betrekking staen; wij zijn daarom ook verplicht, om te zorgen voor hun geestelijk en eenwig welzijn.quot;

ocr page 7

l)e geheele wetgeving voor de dienstbaarheid was er op ingericht, om het harde lot der dienenden een weinig te verzachten. De heer was in alle omstandigheden genoodzaakt zijn kneeht als zijn evemnensch te beschouwen. De dienstbare stond aansprakelijk voor den arbeid hem opgedragen. Wat hem hierover gelast werd, moest hij volbrengen, maar verder ging het recht van den meester niet. Hij had zijnen knecht met liefde te behandelen, hem, zooals we zagen, als vaii nature zijns gelijke, zijn evenmensch, te beschouwen, terwijl tevens de geestelijke belangen van den onderhoorige aan den heer waren opgedragen. — De ingeborenen van het huis of de gekochten met geld moesten in de godsdienstige gemeenschap van het bondsvolk door de besnijdenis worden opgenomen. Zij mochten niet weer aan de heidenen verkocht worden en werden onderscheiden van de bijwoners en daglooners, omdat zij tot het huisgezin behoorden. — 15ij de oplegging dezer verplichtingen aan de Israëlieten herinnert God hen telkens aan hunne dienstbaarheid in Egypte, om hen zachter te stemmen jegens hunne onderhoorigen, nu zij heeren geworden zijn. — Men moet zich in den toestand van den dienende verplaatsen om een juist oordeel over hem te vellen. — Onbarmhartigheid en gestrengheid, trotschheid en laatdunkendheid tegenover onze minderen is den Ileere een gruwel, zooals Hij het uitspreekt in Lev. 35 : 42: //Gij zult geene heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vreezen voor uwen God.// Hetzelfde wordt door den Apostel Paulus betuigd Eph. 6 : 9 en Col. 4:1, op de eerste plaats de waarschuwing er bijvoegende: //wetende dat bij Hem geene aanneming des persoons is. // De dienstbaren hebben dus aanspraak op hetgeen recht en billijk is, zij hebben van hunne heeren en vrouwen dezelfde goedwilligheid, vriendelijkheid en bescheidenheid te wachten als zij hun hebben te betoonen. — De Heere waakt over hen en zegt duidelijk dat Hij niet straffeloos gedongen zal, dat één der kleinen leed geschiedt, dien Hij ook het eeuwige leven waardig keurt. — De heeren en vrouwen hebben geen //natuurlijk// recht over hunne dienstbaren, maar de macht en het gezag waarover zij beschikken, is hun van God verleend en dies zijn zij aan God verantwoordelijk voor de uitoefening daarvan. — Bedenkt het, gij heeren, uw macht en gezag is van God, maar het blijft ook in Zijne hand. Elk oogenblik kan uwe positie veranderd worden. Eén enkele dag, ééne enkele gebeurtenis, één val, één vonk, en uw goed /-maakt zich vleugelen, gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.// ■—-Wanneer gij dan in den toestand van het afhankelijke gebracht wordt, zou uw hart niet beginnen te klagen en te morren, wanneer u elk oogenblik op vernederende wijze te gevoelen

ocr page 8

6

werd gegeven of in herinnering werd gebraclit, dat ge niet meer onder de menschen, maar onder de bezielde werktuigen werd gerangschikt? Herinner u de geschiedenis vaneen schatrijk man, die in weinige uren van al zijne bezittingen beroofd en gansch arm geworden was. Te midden van al die verliezen gaf zijn geweten evenwel dit heerlijk getuigenis van hein; //Weende ik niet over hem. die harde dagen had? Was mijne ziel niet beangst over den nooddruftigen ? Ik heb niet versmaad het recht mijns knechts of mijner dienstmaagd, als zij zich over mij beklaagden; want wat zoude ik doen als God opstond en als Hij bezoeking deed, wat zoude ik Hem antwoorden ? Heeft niet Hij, die mij in 's moeders lichaam vormde, ook hem gemaakt ? Den arme heb ik zijne begeerte niet onthouden, de oogen der weduwe niet laten Versmachten, mijne bete met den wees gedeeld en geene hand tegen hem uitgestrekt, al had ik het gericht op mijne zijde.// Dat in voor- en tegenspoed ook uw geweten dat getuigenis geven moge! Ja, denkt, doet en zijt als Job. Laat teu allen tijde uwen minderen recht wedervaren, neemt hen in uwe bescherming, beloont hunnen arbeid naar waarde, maakt nimmer misbruik van luiuuen nood, verlicht hunne zorgen, eert hun vlijt, geeft geene harde, hoogmoedige, onverschillige a: Woorden, maar zijt vriendelijk, bedenkende, dat gij '/stof en assche// zijt gelijk zij, dat zij van Gods geslachte zijn gelijk gij, dat broeders geroepen zijn, elkanders hoeders te zijn. ')

Kortzichtigen worden er gevonden, die deze gelijkstelling van heeren en knechten, in hoogeren zin voor Gods aangezicht, uitkrijten voor communisme eu wat daarmede in verband staat. Nergens wordt het verschil in stand en maatschappelijk vermogen zoo juist onderscheiden eu zoo streng vastgehouden als in Gods woord, maar ook weer nergens wordt meer tegen de overheersching vau enkelen gewaarschuwd en gepredikt, /'llijken en armen ontmoeten elkander// en deze onderscheiding

!) „Meesters en Vrouwen, laten die God danken, dat zij zelfs niet dienst-baer behoeven te zijn, maer van dienstboden gedient mogen worden. —En daerorn hebben ze toe te zien, dat ze hunne dienstboden niet te straf bejegenen, met hun te veel te doen en met te kleinen loon te geven, of hen bits en met bedreigingen toe te spreken. . . Wilt naar Salomons wijzen raedt, Pred. VII : 21 alle de feilen uwer dienstboden niet merken; gij moet wat door de vingers zien, gij zelfs hebt zware gebreken; en als gij Gode zonder gebreken, volmaektelijk dient, zoekt dan, maar niet eerder, volmaekte dienstboden. — Vooral zoekt naar dienstboden, die den Heere zoeken te dienen, gelijk David wilde „gedientquot; zijn van die „die in den oprechten wegh wandelenquot;, Ps. Cl ; 6, 7. Onderwijst, vermaant ze en geeft hun tijd om den Heere te dienen, inzonderheid op des Heeren dagh; want voor dienstknechten en dienstmaegden is de Sabbath zoowel gegeven als voor u, en hunne ziel is den Heere zoo dierbaar als d' uwe.quot;

v. d. Kemp. „De Christen geheel en al het eigendom van Christus in leven en in stervenquot;. Zondag XXXIX p. 767.

ocr page 9

7

zal nooit ophouden. //Heeren en knechten/' heet het van Genesis tot Openbaring, en nooit zal dat veranderen.

Ook hierin dringt ons de diepte der wijsheid van Gods bestel tot bewondering en aanbidding. De sociale questie, d. i. de vraag hoe de verhouding tusschen armen en rijken het best geregeld kan worden, noodzaakt ons te letten op de betrekking tusschen dienenden en gedienden. Er bestaat in de maatschappij geen nauwer aanraking tusschen de verschillende standen, dan die der dienstbaren met hunne heeren en vrouwen. — De kinderen der lagere standen komen in dienstbetrekking in onmiddellijke aanraking met de hooger geplaatsen in den lande. Het is daarom voor Staat en Maatschappij van het hoogste belang of die honderdduizenden vertegenwoordigers uit den werkenden stand uit de woningen der aanzienlijken eene vrucht ten goede, dan wel ten kwade medenemen en indragen in den boezem der arbeidende klasse. God wil dat liet eene vrucht ten goede zij, en eischt daarom wederzijdsche liefde, achting en waardeering. De moderne, revolutionaire levensbeschouwing heeft gemaakt,dat het meerendeels werd eene vrucht ten kwade, omdat ze niet anders kende, dan eene regeling der verhouding tusschen dienenden en gedienden bij wijze van contract of overeenkomst. Met geene andere verplichtingen werd gerekend, dan stoffelijke, die nauw omschreven werden, waarbij ieder aan zijn eind trok en er nooit vrede kon zijn, maar steeds gespannen verhouding.

In een Christenhuisgezin mag het dan ook tusschen //lieer en knecht//, tusschen //vrouw en dienstmaagd//, niet gaan naar den geest des Boozen, maar dient geluisterd en gehandeld naar den wil Gods.

HOE NU IS DE TOESTAND DER DIENSTBAREN IN ONZE PROVINCIE?

Uit de ingekomen rapporten blijkt hoezeer de geest dezer eeuw van invloed geweest is op de regeling der levensverhoudingen en hoezeer vooral het besef, dat de dienstboden deel uitmaken moeten van het huisgezin, verloren geraakt is. Bijna algemeen is de gewoonte, zoowel in de stad als op het land, het dienstpersoneel te beschouwen als bezielde werktuigen, aan welke men zijne verplichtingen in klinkende munt voldoet. Het gunstigst waren de berichten uit Westerwolde en Westerkwartier. Het schijnt dat de meer eenvoudige levenswijze van de bewoners dier schrale streken beteren weerstand heeft kunnen bieden aan de verleidingen van het egoïstisch menschenhart, dan de grootere weelde, die op de klei gevonden wordt.

ocr page 10

8

Opmerkelijk is liet, dat plaatseu in elkanders onmiddellijke nabijheid groot verschil van gewoonten aanbieden naar gelang de bodem uit klei of zand bestaat. — Wel worden er overal loffelijke uitzonderingen gevonden, die bewijzen, dat de geest der Revolutie nog niet volkomen heeft getrioinpheerd en dat het Evangelie van Christus zijn invloed nog aller-wege doet gelden, maar de totaal indruk is, dat de dienstbaren niet als huisgenooten worden aangemerkt en behandeld. — Bij kleine burgers en kleine boeren, waar uiteraard het verschil in stand niet zoo scherp in het oog springt, wordt over 't algemeen weinig geklaagd. Met het rijzen van den levensstandaard schijnt de zelfverheffing gepaard te gaan, zoodat zelfs niet van alle belijders van den Christus onder de hoogergeplaatsten in de maatschappij, zoomin in de stad Groningen als in Tivelingo, Hunsingoo, Oldambt en de Noordelijke deelen van Westerkwartier en Westerwolde gezegd kan worden, dat de levensverhoudingen in hunne gezinnen geregeld zijn naar den woorde Gods. Wel worden onder de belijders der waarheid zeer gunstige uitzonderingen gevonden en kon men in enkele gemeenten zelfs getuigen, dat het juist de leden der Gereformeerde Kerk zijn, die zich tegenover hunne dienstbaren in goeden zin onderscheiden; maar daartegenover staan nog steeds een te groot aantal, die hunne roeping in dezen niet kennen of niet nakomen.

Zoozeer is zelfs dit kwaad tot eene gewoonte geworden, dat de dienstbaren zich er niet alleen in schikken, maar zich er tegen verzetten, wanneer ze bij iemand in dienst komen, dis hen mede als leden van het huisgezin wenscht te behandelen. Hunne ondergeschiktheid gaat niet verder, dan in het huurcontract omschreven is en voor het overige wenschen ze zelfstandige wezens te blijven, aan niemand eenige rekenschap verschuldigd van hun doen en laten, nog minder verplicht raad en daad te vragen van hen bij wie zij dienen.

Al kan het niet ontkend worden, dat de eerste verwijdering ontstaan is van de zijde der gedienden, tocli hebben ook de dienenden in dezen mede schuld en niet het minst de ouders, die zelve beginnen, met hunne kinderen, wanneer ze op dienst komen, als //groote menschen// te beschouwen, //klaar voor het leven//, die zich //redden kunnen//, geen //opvoeding// meer noodig hebben enz. Noodzakelijk is het, dat de gedienden hunne plichten en roepingen naar Gods eisch vervullen, maar evenzeer, dat ouders hunnen kindereu inscherpen, dat zij zich door hunne heeren en vrouwen moeten laten leeren en leiden.

Waar het begrip van huisgezin verloren is gegaan, zijn de gevolgen natuurlijk in de gewoonten het best openbaar. — Zooals reeds werd opgemerkt, is bij de burgers en kleine boeren

ocr page 11

9

de verwijdering niet zoo groot als wel bij grootere landbouwers en bij de aanzienlijken in de steden. — Over liet algemeen eten de dienstbaren afzonderlijk in de etenskamer bij de boeren, soms in gezelscliap van enkele kinderen. — Heer en vrouw evenwel afzonderlijk in de woonkamer. In Westerwolde, Westerkwartier en Delfzijl en Appingedam wordt liet tot de uitzonderingen gerekend, wanneer — bij de hoogere standen en groote boeren — twee tafels worden aangericht. — Het hoofd des gezins, als priester van zijn huis, kan in zoodanige gevallen slechts op «'ne plaats zijn cn aangezien de huiselijke Godsdienst -— die nog alleen in Chr. gezinnen wordt gevonden — niet anders beoefend wordt dan op de tijden, wanneer alle huisgenooten om den disch geschaard zijn, derven een deel der zielen onder hetzelfde dak den mogelijken zegen daaraan verbonden. ') — Om hieraan tegemoet te komen, zorgen vele, maar niet alle Gereformeerde of Christelijke boeren, dat in het vertrek der dienstboden een Bijbel gevonden wordt, terwijl aan den oudsten arbeider of knecht de leiding aan tafel is opgedragen. — Het moet toegegeven, dat zoodanige regeling in vele omstandigheden jnet dankbaarheid aanvaard mag worden en een Jlinke knecht kan veel vergoeden wat door de nalatigheid van zijnen heer achterwege blijft; maar het is steeds de onafwijsbare plicht van hen, die dienstboden houden, om met evenveel ijver te zorgen voor het zielevoedsel hunner onder-hoorigen als voor datgene wat het lichaam behoeft. Helaas! de uitzonderingen, vooral in de kleistreken en in de stad Groningen, zijn te talrijk en zelfs bij hen, die hunne nauwgezetheid willen toonen, blijft van de godsdienstige verrichtingen weinig meer dan de vorm over. — Ofschoon in vroegeren tijd de gewoonte algemeen was, om met de dienstbaren aan ééue tafel te eten en de theorie dus niet op de practijk behoefde af te stuiten, schijnen er tegenwoordig zoo'n berg bezwaren tegen te zijn, dat de onmogelijkheid zelfs geopperd wordt om

') W. il Brakel. (Reilel. Godsd. dl. 2 Cap. XXV) handelende over het

gebed, zegt hiervan: ......'t zij in onze particuliere huisoefeningen, welke

een ieder Christeuhuisgezin behoort te hebben, des morgens en des avonds, en zoo de gelegenheid het toelaat, ook des middags, in welke de huisvader, of bij afwezen of onbekwaamheid van dien, de huismoeder, een kapittel moet lezen, daarover spreken, kinderen en dienstboden catechiseeren, een psalm met elkander zingen,, en nederknielende een gebed doen, naardat de Heere een iegelijk bekwaamheid geeft. — Jozua zoude met zijn huis den Heere dienen, Joz. XXIV : 15. Cornelius vreesde God met zijn geheele huis. Hand. 10 : 2. Men moet van zijn huis eene kleine kerk maken, dan zal do Heere het hms zegenen; de kinderen en dienstboden zullen den Heere leeren vreezen, en alzoo tot zaligheid komen; men zal elkander lief krijgen, men zal ontzag voor elkander hebben en dat zal een iegelijk inhouden van zonden, en men zal elkander voorgaan en volgen in godzaligheid. — Alle deze dingen moet men waarnemen en aandachtig zijn in hot voorgaan in het Gebed en in het navolgen.quot;

ocr page 12

10

hierin verandering te brengen. — Toegegeven moet clan ook, dat in gezinnen met veel kinderen de taak der huismoeder aanmerkelijk wordt verlicht, wanneer zij slechts een kleinen kring rondom den disch behoeft te bedienen.

JSliet altijd volgt men deze gewoonte, omdat quot;boven// iets anders wordt gebruikt dan //achter//, maar in verreweg de meeste gevallen om het gemak, niet bedenkende, dat daardoor het gezin tevens wordt opgelost in twee deelen, waarvan het eene zonder hoofd moet zijn. — Zijn er werkelijk overwegende bezwaren om deeds samen te eten, dan toch zou het in de praktijk niet onmogelijk en voor den geestelijken bloei van het gezin, zoowel voor kinderen als dienstbaren wenschelijk zijn, dat althans éénmaal quot;s daags en bij voorkeur 's morgens bij aanvaarding van de dagtaak al //de zielen des huizes// zich vereenigden om gezamenlijk het aangezicht des Heeren te zoeken. ') — Een volkomen gescheiden leven, zooals op vele plaatsen gevonden wordt, moet ontaardend werken. — Verwondering baart het dan ook niet, dat de godsdienstige en zedelijke belangen weinig worden bevorderd. Bijna algemeen is de klacht, dat de hoogere standen, zoowel onder burgers als boeren, niet voldoende letten op wat tot de geestelijke vorming hunner onderhoorigen noodig is. Dat zulks bij godsdienstloczeu — in onzen tijd in de hoogere standen zoo talrijk — het geval is, bevreemdt niemand, maar eene gewoonte om de boden slechts ééns in de veertien dagen ter kerk te laten gaan zooals in de stad Groningen wel voorkomt, mag nergens behouden blijven. Wel wordt er over 't algemeen op aangedrongen, dat de dienstbaren kerk en catechisatie bezoeken, maar in dezen schijnt men zich ook alweer met den vorm tevreden te stellen. Het is voor Predikanten en Kerkeradeu zoo moeilijk hun geestelijken arbeid tot zijn recht te doen komen, wanneer heeren en vrouwen niet meewerken. Bovendien moet ook hier weer gewezen worden op de belangeloosheid, die vele ouders omtrent hunne kinderen openbaren. — Moeilijk gaat het hiervoor een algemeenen regel aan te geven, omdat slechts hij of zij recht hebben vermanend op te treden, die hun woord met de daad bevestigen, en . . . welke voorbeelden worden soms gegeven?.... Uit het voorgaande blijkt wel, dat de band tusschen //dienenden// en //gedienden// meer financieel is dan moreel, en de verhouding contractueel geregeld is. Een noodwendig gevolg hiervan is, dat de dienenden meer en meer eene zelfstandige positie gaan innemen en zich tevreden

') Enkele streken worden er gevonden (o.a het Oldambt) waar des morgens op zeer ongeregelde tijden gegeten wordt. Zijn de bezwaren onoverkomelijk, dan zou de middag- of avondtijd voor gemeenschappelijke huisoefening genoiueu kuunen worden.

ocr page 13

11

stellen, wanneer ze aan hunne omschreven of afgesproken verplichtingen voldaan hebben, terwijl de gedienden hunnerzijds liefst zoo weinig mogelijk met hun volk te maken willen hebben; waarom er dan ook plaatsen gevonden worden, waar groote boeren een tusschenpersoon nemen om de bevelen aan hun volk over te brengen. — Van vertrouwelijke, vriendschappelijke omgang is in vele gevalle derhalve geen sprake. Ieder gaat zijn gang en daarmee uit. De heer bestelt, de knecht doet het, en verder niets. Alweer in de zandstreken vindt meu nog de aartsvaderlijke, maar zeer prijzenswaardige gewoonte, dat de boer des avonds met zijne knechten het werk voor den volgenden dag bespreekt of voor een naderend seizoen.

Wel moet er veel met het karakter gerekend worden, maar noodzakelijk is het nooit, dat de heer op verpletterenden toon zijne bevelen geeft, of de knecht met stuursch en strak gelaat aanhoort wat hem wordt opgedragen ')

Het begrip der saamhoorigheid is verloren, de eenheid ontbreekt. Men is van weerszijden liefst met de minste moeite van elkander af. Onder den boerenstand op de klei wordt dan ook weinig op liet dienstpersoneel toegezien. In hun vrijen tijd bewegen ze zich zoo en waar ze willen. Hoe de sabbath wordt doorgebracht, welke gesprekken gevoerd worden, waar ze hun vermaak zoeken, houdt weinig de aandacht der heeren en vrouwen bezig. — Wel blinken natuurlijk gunstige uitzonderingen uit en zijn er onder de Christenen nog, die gaarne het goede betrachten voor de kinderen der lagere standen, die bij hen inwonen, maar deze zijn zoo zeldzaam te vinden, dat van de controle gezegd mag worden, dat ze zoo goed als geheel ontbreekt. — Is des avonds het werk verricht en de maaltijd genuttigd — gewoonlijk om fi uur — dan zoekt ieder een heenkomen waar het hem goeddunkt. — In den zomer, wanneer na vermoeienden arbeid het lichaam naar rust verlangt, sluimeren ook vele kwade gewoonten, aangezien dan zeer vroeg de slaapsteden worden opgezocht. In den winter evenwel is het, dat recht openbaar wordt, welke toestanden geboren zijn, uit het aan zich zeiven overlaten van het dienstpersoneel.

i) Sommigen meenen, dat het noodig is streng bevelend op te treden, om het prestige to bewaren. Alleen door vriendelijkheid en bescheidenheid wint men de achting en toegenegenheid van zijne bedienden.

Bij Klinkenberg. (Onderw. in d. Chr. (iodsd. dl. II p. 385) lezen we hiervan : „Men ziet menschen, die altoos gebieden, met een toon van gezach, nooit betoonen voldaen te weezen, zich, om beuzelingen, moeilijk maken, — van een trotsch en driftig humeur zijnde, zich niet bedwingen jegens degenen, die hun onderworpen zijn, en al hunne gal op hen uitstorten. Zulk een gedrag is zo onvoorzichtig als onrechtvaerdig. Hierdoor maakt men zijne dienstboden verwijderd en atkeerig van zich; men maekt dat zy liegen, bedriegen, stout bescheid geven, en den eerbied en de ingetogenheid te buiten gaan.quot;

ocr page 14

vz

Meer en meer blijkt dan ook, dat de klachten, die gehoord worden, eenig en alleen het gevolg zijn der weinige belangstelling, die voor het dienstvolk getoond wordt. — Gezegend mag het genoemd worden, dat in den laatsten tijd eenige ontwaking is te bespeuren en op enkele plaatsen veranderingen ten goede worden aangebracht.

Onverantwoordelijk was en is nog in vele gevallen de wijze waarop mannelijke en vrouwelijke dienstbaren gehuisvest worden. Ofschoon ook bij burgers de verblijfplaats van de boden soms veel te wenschen overlaat, kan men in sommige gevallen bij de boeren spreken van het //hok//, waarin de knechten en meiden zich, moeten ophouden. Bij de boeren is dit vertrek het meest bekend onder den naam van etenskamer, die zich gewoonlijk aan het boveneind van den stal bevindt. Deze plaats levert op zich zelve geen bezwaar, maar gewoonlijk is in oude boerderijen de loestand zoodanig, dat het geen menschwaardig verblijf genoemd mag worden. In zoo'n ongezellig vertrek met leemen vloer, houten banken en ruwe tafel kan zich niet gemakkelijk een mensch tehuis gevoelen, hoe ruw hij ook wezen moge. — Gedurende de lange winteravonden kan het moeilijk geëischt worden, dat de dienstbaren daar zullen vertoeven bij het licht van eene walmende olielamp of lantaarn. Aan het verblijf op de achterdeel bij het vee wordt dan ook de voorkeur gegeven en hoe zal een geslacht van de menschen afgestooten en bij het vee gezelschap zoekende, het menschelijke bewaren en het dierlijke afleggen? ')

Dankbaar mogen we dan ook constateeren, dat de slecht ingerichte etenskamers meer en meer verdwijnen, zoodat op sommige plaatsen de toestanden bepaald goed zijn te noemen. — In elk geval heeft een dienstbare recht en aanspraak op eene plaats in huis, waar hij als mensch kan leven en verkee-ren. — AV aar in den winter geen ander vertrek voor de dienstbaren is ingeruimd, dan de etenskamer — in sommige stre-

•) Men vergete niet, dat ledigheid des duivels oorkussen is en wat hebben de dienstbaren des avonds in hun vrijen tijd te doen of waarmede houden ze zich bezig ? — De meiden zitten veelal te stoppen, naaien, breiec of zorgen voor den pot van den volgenden dag. De knec hten zien het aan met de handen over elkaar en praten ondertusschen wat. (Wat?) Lectuur is zoo goed als nergens aanwezig, uitgezonderd eene oude courant of almanak (geen best soort) zeer enkel een Hijbei en het „vraagboekquot;. — Leeslust is niet aanwezig, maar zal ook nooit komen, wanneer den dienstbaren geene gepaste boeken in handen gegeven worden, welker inhoud zij begrijpen kunnen. — Met zeer weinig moeite zouden onze boeren zich over 't algemeen voorzien kunnen in de Pibliotaeken der Chr. Jongel Ver. — Een enkele correspondent maakte de opmerking of het niet geraden zou zijn, dat zij des wintersavonds wat konden spelen.

„Ledigheid heeft groote kracht om 't harte tot outucht gaande te maken,quot; W. Brakel Red. Godsd. Dl. 2 Cap. IX.

ocr page 15

l;3

ken zijn ze dan in de stooklmt of zomerwoning ■—• zijn de klachten over onvoldoende verwarming vrij algemeen.

Wel hebben de meiden vergunning voor eene stoof en wordt ook den knechten zoo'n verwarmingstoestel niet geweigerd, maar deze dingen zijn ten eenenmale onvoldoende om het vertrek te verwarmen eu het verblijf aldaar aangenaam te maken. Bovendien mag niet vergeten worden, dat laat in den herfst niet zelden //het volk// nat thuiskomt of 's winters //het voeren// den knecht bezweet doet worden, en wie zal het dan te veel weelde achten in zoodanige gevallen, dat een verwarmd vertrek hen wacht? — Men vergete niet, dat vele malen, vooral jongere knechten en meiden, geen voldoenden voorraad kleeren hebben om zich te //verdrogen//. — Enkele brandwaarborgmaatschappijen evenwel verbieden beslist het gebruik van petroleum en vnur in de etenskamer, wegens het gevaar, dat daaruit ontstaan kan. Mag deze bijkomstige omstandigheid het voorwendsel worden om zich te verontschuldigen? Blijkt de achteloosheid voor //het volk// niet aireede hieruit, dat er bij het bouwen der boerenwoningen op gerekend is, voor het volk een vertrek af te zonderen, waar niet gestookt kan worden? — Tn vroegereu tijd was hieraan geene behoefte. Toen toch zat het geheele huisgezin des avonds in de woonkamer en vergenoegde zich rondom den gezellig opflikkerenden haard. Maar sedert de boden naar achteren zijn verbannen is de toestand geheel anders geworden. Er is hun niets terug gegeven voor het gemis van den warmen haard.

Er zijn nog boeren, die des avonds hunne knechten eu meiden bij zich boven hebben en onder onze Gereformeerden worden ze het meest gevonden; maar wil men dit niet, dan eischt de rechtvaardigheid en billijkheid, dat zij eene plaats hebben, waar zij warm en gezellig de winteravonden kunnen doorbrengen. Het is ook geen volstrekte eisch om samen in éene kamer te woneu, maar in lijnrechten strijd met de wet der naastenliefde is de toestand, dat de boer eu de zijnen zich verheugen in eene behaaglijke warmte en overvloedig licht, terwijl zijne dienstbaren bibberend van de kou ten slotte //aan het stoeien geraken// //om de warmte te houden//. — Indien mogelijk, zou het wenschelijk zijn, dat de meiden des avonds onder toezicht van de vrouwen zich bezig hielden met het verstellen harer kleeren of met naaien en breien van nieuwe goederen, opdat zij in deze zaken eenige vaardigheid en bedrevenheid mochten opdoen, die haar later als huismoeders van groot nut konden zijn, terwijl de knechten met hunne heeren spraken over het bedrijf of hunnen geest ontwikkelden door gepaste lectuur. — Maar helaas! dit ideaal, ofschoon iu werkelijkheid bestaande, schijnt voor de meesten onbereikbaar. De boeren zijn te veel

ocr page 16

14-

lieeren geworden en de vrouwen te veel dames, zoo wordt er geklaagd en ook de dienstbaren ondervinden hiervan de gevolgen. De goede toon laat het vooral onder de hoogere standen — bij boeren en burgers — niet meer toe, gemeenschap te hebben met de dienenden. De afstand is in vele gevallen zoo groot geworden, dat van samenleven in 't geheel geen sprake meer kan zijn. —■ Toch is men nooit gerechtigd zijn naaste in zijne menschheid aan te tasten of hem als een minder soort wezen te beschouwen.

Daarom ook quot;gelijk gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook aan andren niet//. — Kan en mag in de etenskamer geen goed licht geplaatst worden en geen kachel gestookt, dan is toch voorzeker de keuken of een ander vertrek niet te goed, waar zulks wel en soms zeer gemakkelijk kan en mag.

Eeu ander belangrijk onderwerp is de inrichting der slaapplaatsen en ook hiervan moet gezegd geworden, dat in den laatsten tijd veel verandering ten goede wordt aangebracht, zoodat meiden en knechten niet meer quot;inet de voeten tegen elkaar slapen//, maar op voldoenden afstand gescheiden. De knecht slaapt gewoonlijk in den stal, en dat is noodzakelijk om opzicht over het vee te hebben, terwijl de meid reeds in vele gevallen eeu apart vertrek bekomen heeft. — Toch zijn er nog vele boerderijen, waar slechts eene deur tusschen beiden is. Zulke toestanden kunnen niet goedgekeurd worden.

Wel kan de heer des huizes de zonde tegen het zevende, gebod niet geheel voorkomen en blijven de gelegenheden, daartoe talrijk, maar nimmer mag hij de verantwoordelijkheid dragen, de verleiding sterker te hebben gemaakt.

Reeds is opgemerkt, dat de controle zoo goed als geheel ontbreekt. — Waar dienenden en gedienden zich als 't ware los van elkander maken, vermoeit zich de heer niet gaarne met toe te zien op zijnen knecht, bij wien hij toch geen invloed heeft eu wenscht de knecht liefst verschoond te blijven van een toezicht, dat hem in zijne bewegingen belemmert. — Is liet hiermede echter goed? — Blijft dan niet de lieer des huizes aansprakelijk voor alles wat met zijn medeweten onder zijn dak geschiedt? Bijna zonder uitzondering laat dit in de gehcele provincie bij boeren en burgers veel te wenschen over. Wel heeft men in de steden bij de burgers de gewoonte van het dienstpersoneel te eischeu, dat ze des avonds op eenen bepaalden tijd tehuis zijn, doch op het land bij de landbouwers etc.. hebben de. dienstbaren gewoonlijk onbepaald verlof. Ze mogen thuis komen wanneer ze zulks verkiezen, mits ze 's morgens op bestelden tijd weer present zijn. Meer eu meer komt het in gebruik, om te verlangen, dat knechten eu meiden om tien uur binnen zijn. Vooral onderscheiden de Koomscbeu

ocr page 17

zich hierin. — De enkelen, die ook gaarne deze gewoonte volgen willen, ondervinden vele moeilijkheden van de zijde van huti personeel, omdat bij verreweg de meesten onbeperkte vrijheid is. Algemeen echter wordt de wenschelijkheid gevoeld tot dezen maatregel over te gaan. Een enkele correspondent evenwel was er, die het gelnkkig noemde dat geen vasten tijd van thuiskomen gesteld werd. Hij verkoos de onbeperkte vrijheid boven het dwangbuis, dat voor onwilligen is. — In dit oordeel evenwel staat hij alleen.

Van grooter gewicht is het bezwaar, dat de gedienden veelal zelf een slecht voorbeeld geven. — Niet alleen onder de dienenden is het de gewoonte, dat een vrijer met zijn meisje medegaat om den nacht geheel of gedeeltelijk met haar in het achterhuis van den boer door te brengen, maar ook de zonen en dochteren van gedienden doen niet anders. —• Veel zou er reeds gewonnen zijn, zoo hierin verandering kwam. Is //de verkeering// een werk der duisternis ? Zoo ja, dan moet ze. geheel worden tegengegaan. Zoo neen, dan moet gezorgd, dat ze dit niet wordt en liiervau heeft het in den tegenwoordigen toestand allen schijn. — Toezicht op het leven der dienstbaren in hun vrijen tijd is niet alleen wenschelijk, maar noodzakelijk. Velen verontschuldigen zich hier over. door te wijzen op de onmogelijkheid, doch deze is niet bewezen. — Vloeken is bij velen verboden, daarop wordt gelet en kunnen niet de meesten het keeren? Is dit evenwel het eenige kwaad? Zijn de gevolgen van het stoeien en quot;gekjagen// soms niet verder reikend? Eu wat hiertegen gedaan wordt? Wanneer de uitbundigheid zoo groot wordt, dat in de woonkamer het geluid er van doordringt — wat niet gemakkelijk gebeurt — gaat de heer des huizes het verbieden. Gewoonlijk niet eerder. Gesprekken, die de verbeelding verhitten en de wellust prikkelen, zijn ze niet zondig? Wat er tegen gedaan wordt? Bitter weinig. Moeilijk is het alles te voorkomen, maar veel kan gedaan worden, wat thans niet geschiedt. De gedienden hebben eene hooge, heerlijke, heilige roeping tegenover de dienenden. Door God met vele gaven en goederen boven hen bevoorrecht, hebben ze toe te zien, dat ze hun rentmeesterschap wel waarnemen. De wereld, die dit niet erkent, spot met het denkbeeld van roeping en plicht en kent alleen recht. De christen mag hierin niet mede gaan. De kinderen uit onzen werkenden stand moeten reeds vroeg hunne ouderlijke woning verlaten, om onder het dak vau vreemden den schoonsten tijd des levens door te brengen. Hunne opvoeding is nog uiet voltooid. ')

•) Uit moet steeds in liet oog gehouden worden bij de beoordeeling hunner daden. — Over 't algemeen zijn de dienstbaren vroeg uit hunne ouderlijke woning getrokken, zonder voldoende kennis en levenswijsheid opgedaan tebebben.

ocr page 18

IB

De zaden ziju slechts uitgestrooid, die nog opwassen moeten, om vrucliten te dragen. — Is in de tegenwoordige omstandigheden de //achterdeelquot; eene geschikte opvoedingsplaats? Bedroevend is het, waar te nemen, hoe vele goede kiemen verstikken door de doornen en disteleu, waartusschen ze geplaatst worden. Ieder Christen bedenke het, dat hij eene ziel onder zijn dak heeft, waarmede God rekening houdt, wanneer hij een dienstbare tot zich heeft geuomeu.

Thans rust op ons de verplichting van de andere zijde na te gaan, welke houding de dienstbaren tegenover hunne heeren en vrouwen aannemen en hoe zij zich in de maatschappij gedragen.

Vooraf beluisteren we ook hiertoe het Woord van God, waarin niet alleen ten duidelijkste is aangegeven op welke wijze de. heeren zullen optreden tegenover hunne knechten, maar waarin ook de verplichtingen der laatsten op vele plaatsen omschreven zijn. Uitdrukkelijk worden ze aangesproken en met kracht en klem wordt hun op het hart gedrukt, waaraan zij zich te houden hebben.

Bij dé klacht over miskenning en verongelijking moet ook de hand in eigen boezem gestoken worden, om te onderzoeken of zij rein te voorschijn komt.

Yele en belangrijk zijn de eisehen welke den dieustknechten, en daarmede ook den dienstmeiden, gesteld worden. //Gij dienstknechten// heet het Eph. 6 : 5 en Ooi. 3 ; 22 //zijt gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch // Geene slaafsch onderworpene gehoorzaamheid, die uit vrees het gegeven bevel opvolgt, maar met //vreeze en beven//, zoodat gij siddert bij de zelfbeschuldigende gedachte, uw plicht niet volbracht, of door achteloosheid uwen heer schade berokkend te hebben.

//Gehoorzaamheid in eenvoudigheid des harten,// zoodat gij zouder eenige nevenbedoeling uw plicht volbrengt, in zoodanige gemoedsstemming, dat bij u een jagen naar plichtsbetrachting openbaar wordt.

//Gehoorzaamheid niet naar oogendienst als menschenbehagers. maar als dieustknechten van Christus doende den wil van God van harte.// — Is liet u alleen te doen om de goedkeuring uws meesters, dan zal de gehoorzaamheid zich weinig verder uitstrekken dan zijn oog. Gansch anders wordt het, wanneer gij bedenkt, dat gij bij uwen arbeid Gods wil kunt volbrengen, dan zal zich eene goedwilligheid des harten openbaren, waarop het loon bij God zeer groot is, want wi j weten, dat een iegelijk van den Heere zal ontvangen, zoo wat goeds hij zal gedaan hebben. — De vervulling dezer verplichtingen zal des te gemakkelijker vallen, wanneer er wederzijdsche waardeering is, wanneer er liefde bestaat tusscheu heer en knecht, wanneer

ocr page 19

17

beide elkaudcr hoven lumue aardsche verhouding erkennen mogen als broeders in den Heere.

Toch mag men zicli niet van het spoor laten brengen. Ook zij, die onder het juk zijn, die ongeloovige meesters hebben, behooren hen alle eer waardig te achten. (1 Tim. 6:1.) Vooral bij verachters van het Woord des Heeren hebben onze Christelijke dienstbaren zich nauwgezet te gedragen, opdat de naam van God, dien zij dienen, en de leer, die zij belijden, niet gelasterd worde.

Gevaar bestaat er daarentegen, dat, door de eenheid in Christus, de verscheidenheid der roeping vergeten worde en de dienstkuechten zich tegenover hunne heeren aanmatigend zullen gedragen.

Ook hiertegen moet gewaakt, maar ook hieraan is gedacht toen er geschreven werd, 1 Tim. (J ; 2 en 1 Petr. 2 : 18, dat zij, die geloovige heeren hebben, dezelve niet zullen verachten, maar hen des te meer met grootere vreugde zullen dienen, omdat zij geloovig zijn in Christus en geliefd zijn van God, zoodat zij dubbele eer waardig zijn.

Morren tegen de omstandigheden waarin men geplaatst is, en uitzien naar middelen om de ordeningen Gods om te keeren is zondig en kan niet gezegend worden. — Onze Christelijke dienstbaren zijn dus verplicht onderdanigheid te bewijzen, zoowel aan den harden, valschen, on rechtvaardigen meester, als aan den vriendelijken, zachtmoedigen. — Dit neemt echter de vrijheid van beweging niet weg en ieder behoudt het recht om bij ondragelijkheid vau het juk ter bestemder tijd zijn heer te verlaten en eenen anderen te zoeken. Ongeoorloofd is en blijft het, zoo de dienstbaren, misbruik makende van de omstandigheden, Imnne meesters dwingen en pressen tot inwilliging van iets, waarop ze naar recht eu billijkheid geen aanspraak hebben. Het dreigen met verlating van den dienst te midden der grootste drukte mag niet voorkomen. Wanneer hem bevelen worden opgedragen heeft geen dienstknecht tegen te spreken, maar te volvoeren wat gezegd is, terwijl ieder zich wachtc om tijd of goed van zijnen meester te onttrekken of te stelen. Door luiheid wordt veel tijd gestolen, door onvoldaanheid, begeerigheid eu gulzigheid veel goed. Onze dienstbaren hebben zich in alles te onderscheiden van hen, die de wereld en hare begeerlijkheden liefhebben, door in alles nauwgezet te leven, de goddeloosheden te vlieden, de wereldsche begeerlijkheden te verzaken, opdat de leer van onzen God, door welke ook zij zalig hopen te worden, versierd worde. De taal moet gekuischt zijn; geene onzedelijke gedachte kome over de lippen; in den omgang met elkander verdwijne alle ruwheid eu gemeenheid. De ouderen moeten de jongeren in bescherming nemen, hen

ocr page 20

18

waarschuwen voor de velerlei verleidingeu, waaraan zij blootstaan , lien leiden en leeren te wandelen in de paden en rechten des Ileeren. Onmatigheid in het leven worde niet aangetrofl'en, zoodat niet alleen dronkenschap moet geweerd, maar ook in het nuttigen van liet dagelijksch voedsel geene gulzigheid openbaar mag worden, opdat over onbehoorlijk en overdadig gebruik geene klachten opgaan. — In een woord: de Christelijke dienstbaren hebben mede te werken tot verheerlijking van Gods naam door het openbaren van een godzalig en rechtvaardig leven. Tit. 2 : 12.

Wat ons vau verschillende zijden wordt meegedeeld over de houding, welke de dienstbaren tegenover hunne heeren en vrouwen aannemen, is niet geschikt den indruk te geven, dat de werkelijkheid het ideaal nabij komt. Bijna algemeen is de klacht, dat bij de dienstbaren weinig Christelijke bescheidenheid gevonden wordt. Zonder eenige achting of liefde voor hen, die zij dienen, leven de meesten in onverschilligheid voort, zich weinig bekommerende over de vraag of het hunne heeren goed gaat of niet. Wanneer zij liet slechts goed hebben, een hoog loon en goed eten, laat het overige hen veelal koud. Eigenaardig is het verband tusschen de ontaarding van het dienstvolk en het verloren gaan van het ware begrip vau het huisgezin. Juist daar waar de grootste klove bestaat tusschen dienenden en gedienden, waar van geen zedelijken band hoegenaamd kan gesproken worden, zijn de klachten het menig-vuldigst. Bij kleine burgers en boeren, waar de dienstbaren met hunne heeren en vrouwen samenleven, zijn de eersten fatsoenlijker en bescheidener, dan bij de hoogere standen, waar de verwijdering eer toe- dan afneemt. Ruw, brutaal, lomp, onwellevend, belangeloos, onbeschoft, of hoe het dan ook genoemd raag worden, zijn de algemeene benamingen, waarmede, vooral weer in de kleistreken, de houding wordt aangeduid der dienstbaren tegenover hunne heeren. De gunstige uitzonderingen waarop gewezen kan worden bevestigen den regel, dat eene humane, vriendelijke behandeling //vau boven af// niet zonder invloed blijft op het dienstpersoneel. Vrij algemeen is de gedachte, dat //liet volk// handelbaarder zou worden, wanneer de toon, waarop zij worden toegesproken iets minder hard, gebiedend en heerschend en meer bescheiden en aanmoedigend ware. Bovenal blijkt ten duidelijkste, dat niets zoo heiligenden invloed op den mensch vermag uit te oefenen als het Evangelie van Christus, dat het kwaad in den wortel aangrijpt en tegengaat. Eene eere is en blijft het dan ook voor onze Christelijke Kerken, dat het veelal hare leden zijn, die als toonbeelden voor anderen kunnen dienen. Natuurlijk staat de wederzijdsche ver-

ocr page 21

19

houding in nauw verband met de betrokken karakters, maar die streken onzer provincie, waar men nicli het meest en het langst aau de oude gewoonten heeft gehouden, leveren het bewijs, dat een vertrouwelijke omgang veredelend kan werken op de dienstbaren, zonder dat daardoor de noodige eerbied en het vereischte ontzag uit het oog worden verloren.

Waar evenwel de geest van het socialisme is doorgedrongen, is aan het gezag der gedienden een geduchten knak gegeven. Daar neemt de onverschilligheid en brutaliteit schrikbarend toe en vindt men zelfs voorbeelden van dienstbaren, die er zich op beroemen durven hunne heeren bedrogen of schade berokkend te hebben. Over loon en voedsel wordt weinig geklaagd. Het eerste is hoog genoeg, ja, op sommige plaatsen dermate opgedreven, dat vele boeren en burgers, die zich niet zonder knechten en meiden kunnen behelpen, somwijlen den druk er van gevoelen. Klagen is evenwel in den tegenwoordigen tijd mode en een mensch is zelden tevreden. Gegrond zijn de klachten over loon en voedsel zelden, doch meer die over de behandeling. Toch begeeren slechts weinigen in den king des gezins opgenomen te worden. JJo weinigen die er de proef mede genomen hebben ouder onze boeren, weten er van mee te spreken op hoeveel tegenstand ze stuiten, wanneer ze hun volk meer in hunne nabijheid en meer in hun midden willen doen leven. Den meesten is de tegenwoordige toestand recht naar den zin. De onbeperkte vrijheid, die zij genieten, is zoo geheel overeenkomstig de wensch van hun hart, dat zij hun oog wel willen sluiten voor veel, zoo zij slechts niet onder controle behoeven te staan. Dit juist verraadt het innerlijk booze en verdorvene van den toestand. De mensch, die zich bewust js niet te misdrijven, schuwt geen oog, dat hem bespiedt; die zijne lippen bewaart voor onreinheid vreest geen luisterend oor.

Het leven der dienstbaren onderling is dan ook zeer treurig, en het vele dat er van gehoord wordt, is niet geschikt een verheflenden indruk te geven. De vrijheid, die zij genieten, is vele malen losbandigheid geworden. Onontwikkeld, ruw en godsdienstloos leiden velen een leven, dat met afkeer vervult. De Zaterdag- en Zondagavonden leveren op vele plaatsen een getrouw beeld van de zedelijke lichtzinnigheid, die er ouder de dienstbaren heerscht. Opgepropte boerenjongens- en meiden-herbergen, vervuld met stinkenden walm van sterken drank en tabak, zeggen ons waar het grootste gedeelte van het verdiende loon blijft. Knapen soms van 14 a 15 jaren bewijzen hoe vroeg reeds de jeugdige blooheid is afgelegd. Woeste vloeken, op straat duidelijk te hooren, geven ons een blik in het hart, terwijl de rauwe kreten, door harmonica of viool

ocr page 22

20

begeleid, verkondigen, welke eischen gesteld worden aan kunstgenot. Treurig, diep treurig is de toestand vooral op die plaatsen, waar geeue kerke van Christus liaar invloed kan doen gelden, waar de moderne prediking de harten van God heeft vervreemd. Toenemend ongeloof en toenemende onzedelijkheid gaan hand aan hand. — Geheel of ten deele beschonken keeren, soms ver na liet middernachtelijk uur, de jongens en meiden huiswaarts om den overigen tijd nog met elkander in het stroo of op eene andere plaats door te brengen want . . . ze behoeven eerst tegen den morgen present te wezen. quot;Wat dan verder geschiedt eu welke de gevolgen zijn is het allerbest te weten te komen uit de registers van den Burgerlijken Stand, die ons jaar op jaar aantoonen, dat het aantal onechtgeborenen voortdurend toeneemt, dat steeds meer huwelijken, vooral onder den werkenden stand, op jeugdigen leeftijd gesloten worden. De zonde tegen het zevende gebod is diep ingeworteld en helaas ook zij, die tot de Christelijke dienstbaren gerekend moeten worden gaan in dezen niet vrij uit. — Een groot deel der maatschappelijke ellende schrijven wij op rekening van de verwoesting des huisgezins ook in den werkmansstand. Hoe zal er zegen verwacht worden waar men begint met de zonde; en wat toch is het anders dan de vloek over zich inroepen, wanneer de overtreding van het gebod des Heeren noodzaak wordt tot het huwelijk? De gevolgen blijven niet uit. Jn armoede begint het huwelijksleven, in armoede wordt het voortgezet, en in armoede geëindigd. Zulke ouders, zonder zedelijk bewustzijn begonnen, missen later de noodige beslistheid en zedelijke kracht tegenover hunne kinderen, zoodat deze den-zelfden weg volgen. Een ieder zie rond in zijne omgeving eu het zal hem niet moeilijk vallen geheele geslachten van ouders en kinderen te vinden wier huwlijk noodzakelijk was. Vreeslijk is het dan ook uit de opgaven te zien, dat het aantal onecht geborenen in sommige gemeenten 10 procent van het totaal bedraagt. Voor de geheele provincie bedroeg dit aantal in 1891 op 8955 geborenen 401 of ongeveer 41/2 0/0. Evenzoo staat het met de gesloten huwelijken. Van de 1871 jonkmans die in het huwlijk traden, waren 74 beneden 21 jaar en 653 beneden 25 jaren, terwijl van de 1947 jongedochters 264 beneden 21 j. en 1081 beneden 25 j. waren. Ieder make verder zijne berekeningen, nadat opgemerkt is, dat hier de huwelijken van alle standen zijn genomen, en in den burgeren boerenstand gewoonlijk een rijpere leeftijd wordt afgewacht. Vreeslijk is het te vernemen, dat de goddeloosheid op sommige plaatsen zoodanig is toegenomen, dat door middelen van den Nieuw-Multhusiaanschen bond, de gevolgen van 'het zedelooze leven worden voorkomen, of het hebben van een onecht kind

ocr page 23

21

voor de Ongehuwde moeders geeue schande meer is. Dat deze zedelijke lichtzinnigheid in de stad niet minder groot is als op het land, blijkt wel uit het groot getal rendezvous-lmizen, die (bij de 300) in Groningen gevonden worden, terwijl het gratis verstrekken van goede verlos- en geneeskundige behandeling in het Academisch ziekenhuis, de gevaren, welke aan een onzedelijk levensgedrag verbonden zijn, doet geringschatten. Ook hier dient weer gewezen te worden op die plaatsen, waar bij de geheele bevolking of door de liefde tot het Christelijk beginsel, bf door het vasthouden aan de traditie meer zedelijke ernst en godsdienstig bewustzijn wordt gevonden dan elders. //Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken,// ge.l'U ook hier. Zoolang op het land de zoons en dochters van boeren en burgers ook niet willen breken met de verderflijke gewoonte van nachtelijke vrijages, zal den knechten en meiden niet tot eiscli gesteld kunnen worden dit na te laten.

Is //verkeering// noodzakelijk om elkander te leereu kennen voor het huwelijk, men keere den regel niet om, en make het huwlijk noodzakelijk door de verkeering. Met loflijken ijver wordt op vele plaatsen door de dienaren der Kerk gearbeid om besef aan te brengen onder het volk van het gruwlijke dezer zonde, maar ontkend kan niet worden, dat het //volksgeweten// voor deze zaak schijnt te slapen. Zelfs de ouders zijn meermalen ongevoelig voor de verkeerdheden hunner kinderen. Velen verblijden er zich in, dat hunne kinderen //op dienst// komen; dan //zijn ze er af,// en in de praktijk bewijzen ze hoe diep dit '/er af zijn// in hun hart gegrift is. De kinderen zijn dan groot, worden als volwassenen beschouwd, krijgen mede een stem in het kapittel en moeten het zelf maar weten. Hoevele ouders zijn er niet, die in 't geheel niet omzien of vragen naar het gedrag van hun kroost, niettegenstaande ze bij den doop gewichtige beloften hebben afgelegd. Komen de kinderen thuis, dan helpen ze hen in het schelden op hunne heeren en vrouwen en kweeken daardoor ontevredenheid. Gode zij lof, worden er nog gevonden, die biddend het aangezicht des Heeren zoeken met en voor hunne kinderen; die, levende in het bewustzijn hunner groote verantwoordelijkheid, niet moede worden te vermanen. Geen wonder dan ook, dat zelfs de boeren, die naar God noch gebod hooren willen, zeer goed weten uit welke huisgezinnen zij hunne dienstbaren liet liefst hebben. Toch zijn de uitzonderingen te weinige, want al is het dat de Chr. dienstbaren op sommige plaatsen de kroegen niet bezoeken, ze volgen volstrekt geen betere gewoonte, wanneer ze zich vereenigen in zoogenaamde //stille huizen,// wanneer de ouders uitgaan om plaats te maken voor de jongens en meisjes, die daar sterken drank laten halen, om zich buiten de kroeg toch //op te winden.//

ocr page 24

23

Vau groot gewicht is liet toaar de dieustbareu liun vrijen tijd doorbrengen. Ze kunnen of willen altijd niet bij de ouders thuis zijn, waar hun gewoonlijk weinig gezelligheid wacht óf geboden wordt. Vau grooten zegen is het daarom te achten, dat op onze dorpen eu in onze grootere plaatsen Christelijke Jongelings- en Jongedochters-vereenigingen bestaan, die eene geschikte gelegenheid aanbieden voor ontspanning en gezellig, broederlijk verkeer. Deze vereenigingen zijn bijna algemeen en werpen ook haar nut af, maar doen bij lange niet wat ze kunnen.

De gespannen verhouding, die op vele plaatsen bestaat tus-schen de verschillende standen, belemmert den bloei der Jon-gel. en Jonged. Ver. niet zelden en is gewoonlijk oorzaak, dat de knechten eu meiden die er het meest behoefte aan hebben, wegblijven. Allerwege worde dan ook liet bezoek der genoemde Ver. bevorderd en zoo spoedig mogelijk ruime men de veete der standen weg, opdat men de vrucht geniete van samenwerking en samenleving. Enkele jilaatsen, die gunstige uitzonderingen vormen, kunnen liet getuigen, hoe grooten zegen eene Jongel. of Jonged. Ver. verspreiden kan.

Onze gedachten kortelijk samenvattende komen we tot de conclusie; //In het Christelijk huisgezin moet het Woord Gods niet ornament, maar fundament zijn,// waaruit volgt dat dienenden eu gedienden op dien bodem elkander hebben te ontmoeten. Kennis van den wil des lleeren is dan ook eene onmisbare voorwaarde om tot betere toestanden te komen, gepaard met eene bereidwilligheid des harten om zich daarnaar te schikken.

De verwijdering tusschen dienenden en gedienden werkt noodzakelijk door in de arbeidende klasse en zal steeds grooter afmetingen aannemen, zoo niet bijtijds toenadering gezocht worde.

Van de zijde der gedienden is daartoe noodig;

le. De dienstbaren moeten beschouwd worden als leden van het gezin. Zij moeten deel hebben aan het huiselijk leven, zij moeten de vreugde van het huis mede beleven, om ook het Ired mede te gevoelen.

2e. Zij moeten deel hebben aan de godsdienstige verrichtingen van het huis, opdat zij hunne taak in den rechten zin en in den rechten geest leeren verrichten.

3e. Zij moeten behalve lichamelijk ook geestelijk gevoed worden door gepaste, voor hunne bevatting en leeftijd geschikte lectuur, gewoonlijk in de Bibl. onzer Jongel. Yer. wel voorhanden.

4e. Zij moeten des winters — zoo ze niet in het woonvertrek den avond doorbrengen — een goed verlicht en verwarmd vertrek hebben, waar ze zich thuis kunnen

ocr page 25

28

gevoelen en nuttig bezig zijn, opdat ledigheid niet tot zonde voere.

5e. Het hoofd des gezins houde nauwlettend toezicht op het doen en laten zijner onderhoorigen. Hij contvo-leere de gesprekken en sta nimmer goddelooze of zede-looze woorden onder zijn dak toe.

Ge. Hij houde toezicht op /'de verkeering// zijner dienstbaren, en vordere dat ze steeds op een bepaald uur thuis zijn. Afkeurenswaardig is het dat de dienstboden den avond in een niet verlicht vertrek doorbrengen. Voor de zedelijkheid zou het zeec bevorderlijk zijn, zoo aan de verkeeringhebbenden gelegenheid werd gegeven iu een behoorlijk vertrek op gepaste wijze samen te zijn, mits de vrijage eindige, wanneer het gezin zich ter ruste begeeft. — De ingewortelde gewoonte van nachtelijke verkeering zal niet worden uitgeroeid, zoo ook de zonen en dochteren van gedienden daarmede niet breken. Het zedelijk peil onzer bevolking en de stoffelijke welvaart van vele gezinnen zou rijzen, wanneer slechts deze céne verbetering werd aangebracht.

7e. De heeren en vrouwen moeten trachten hunne dienstbaren te leiden, te beschaven, op te voeden, en mogen niet duiden, dat ze den tijd in kroegen en andere kweekplaatsen van allerlei ongerechtigheid doorbrengen.

8e. Zij zullen hunne dienstbaren aansporen tot het bezoeken van Chr. Jongel. en Jonged.Ver.; van kerk en catechisatie.

De ouders zullen

le. Hunne kinderen, die bij anderen dienen, steeds vermanen om in de vreeze des Heeren hun plicht te vervullen.

2e. Zij moeten de heeren en vrouwen steunen in de moeilijke taak om hunne kinderen op te voeden.

•3e. Zij mogen niet toegeven aan de gebreken hunner kinderen en schelden op de fouten der heeren en vrouwen, maar naar den Woorde Gods steeds bereid zijn tot verzoening, om gerezen geschillen zoo spoedig mogelijk uit den weg te ruimen.

4e. Zij hebben nauw acht te geven op het gedrag hunner kinderen en op den huwbaren leeftijd levensernst en levenswijsheid aan te kweeken.

5e. Zij moeten hunne kinderen, wanneer ze op vrije avonden of anders thuiskomen niet te lang ophouden, opdat ze geene oorzaak worden, dat de heeren en vrouwen onnoodig hebben te wachten. Als overgangsmaatregel zou het zeer wenschelijk zijn, dat de ouders hunne kinderen een eindweegs naar hunne dienstwoning brach-

ocr page 26

24

ten, omdat velen onderweg (in de stad zoowel als op het land) wel eens verzeilen in slechte huizen.

De dienstbaren moeten

]e. Hunnen heeren en vrouwen liefde en achting toedragen en dit bewijzen door deel te nemen in alles wat de wezenlijke belangen kan bevorderen van hen, die over hen gesteld zijn, door eene bescheidène en eerbiedige houding tegenover hen aan te nemen, door buitens-huis met achting van hen te spreken en voor hun goeden naam op te komen.

2e. Zij moeten gehoorzaam zijn en zonder tegenspreken of morren volvoeren wat gezegd is en tevens zorg dragen, dat de heeren en vrouwen tevreden kunnen zijn over hetgeen zij verricht hebben.

3e. Zij moeten tevreden zijn met hetgeen recht en billijk is, en niet tot in het oneindige eischen en van recht spreken, zonder aan de plichten te deuken.

4lt;e. Zij moeten zich bevlijtigen het vertrouwen te winnen van hunne heeren en vrouwen door getrouw te zijn, hen in ongelegenheden bij te staan, hunne belanden te bevorderen.

5e. Zij moeten zich laten leeren en leiden door hunne Meesters, als zijnde dit in hun tijdelijk en eeuwig belang.

6e. Zij moeten geduld hebben met de gebreken cn zwakheden van hunne heeren en vrouwen, evenals deze ook hen hebben te dragen en rekening te houden met het karakter.

7e. Zij moeten zich onder elkander vreedzaam gedragen, alle vuile gedachten en woorden bannen en streven naar een godzalig leven.

8e. Zij moeten verre blijven van alle plaatsen waar de zonde gediend wordt, en het gezelschap mijden van personen die hen verleiden willen.

9e. Zij moeten getrouw zijn in het bezoeken van kerk en catechisatie, en tooneii dat ook bij hen de gedachte leeft, dat de zorg voor het eeuwige leven hooger is dan die voor dit aardsche bestaan.

En eindelijk, allen die hunne knieën hebben leeren buigen voor den levenden God en die hunne zaligheid eenig en alleen zoeken in de gerechtigheid van Zijnen Zoon Jezus Christus, zullen getrouw zijn in het leven, getrouw zijn in het gebed, opdat de Geest des ontfermens, der genade en der liefde in ons midden kome en zijn zegen rondom ons verspreide.

é

ocr page 27
ocr page 28