7 ^ ^25. , Oyi7:
Verslag van de Ui-Missie
âS
'M
4
gt;⢠H
DOOR
Mgr. D. B. VAN KOOT.
:t:
L: _ _ H iêr '
quot;* Ten voordeele van de Mongoolsche Missiën uitgegeven
#
âf' . door
w :|
A. H. PO TB EEG, R. k. PR.
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
-
UïRECITï,
W. AXÃOX ABELS 1890.
tf
-i--IW-
=1'
1 -Mi
Prijs 60 Cents.
T. oct.
1569
GESCHENK
VAN
den Heer H. W. YWEMA Jr.
--
t
r
_
ZEEREIS NAAR ILI,
DOOR
EMILE INDEMANS,
Aposto lisch Missionaris,
Verslas van de Ili-Missie,
Mgr. D. B. VAN KOOT.
Ten voordeele van de Mongoolsche Missiën uitgegeven
A. H. P 0 T B E E Gr, r. K. PR.
KERKELIJK GOEDGEKEUKD.
UTRECHT,
W. ANTON ABELS,
1890.
VOORBERICHT.
Den 5 Februari 1S90 vertrokken uit 't Missiehuis te Schcnt, bij Brussel, tivee Nederlanders naar de Missie van IIi in Chineesch Turkestan, beneden Westelijk Siberië, in het hart van Azië: Mgr. Daniel Bernaedus van Koot, overste dezer Missie, en zijn confrater de ZEw. Heer Emile Indemans. Dc eerste was reeds vroeger naar die verre gewesten vertrokken. In het begin van 1872 begaf hij zich, naar de Missie ran Midden-Mongoliè, waar hij zeventien jaren met immer nieuwen moed en vurigen ijver onafgebroken werkzaam was. Daarna bracht hij tot herstel zijner gezondheid en tot regeling van zaken eenige maanden in Nederland door.
De tweede, een nog jeugdig Limburgsch priester, gaat voor de eerste maal dien langen tocht ondernemen, om onder het bestuur van Mgr. van Koot zich aan het heil der zielen van Ili's bewoners toe te wijden.
Van hunne zeereis naar Ui heeft de ZEw. Heer Indemans een verhaal geschreven, dat alleen bestemd, was, door familie en kennissen gelezen te worden. Toen ook mij vem deze boeiende beschrijving het genoegen der inzage te beurt viel, verzocht en
iv vooebeeicht.
verkreeg ik toestemming, om het geschrift door den druk in ruimer kring te verspreiden, ten einde met de opbrengst daarvan het werk der Missionarissen te steunen en het hoekje tevens te doen strekken als roorlooper en aankondiger van een Tijdschrift, dat wij weldra ten voordeeJe van de. Mongoolsche Missiën hopen uit te geven.
Achter de reisbeschrijving van den ZEw. Heer Indemaks tuat ik het belangrijk verslag over de Missie van Ui volgen, dat Mgr. van Koot verleden jaar in het dagblad âDe Tijdquot; geplaatst heeft, en waarvan ik de sloticoorden tot de mijne maak: moge deze uitgave niet alleen veel lexers maar ook hoopers vinden, die âaldus willen medewerken tot den bloei van de in alle opzichten zoo belangrijke Missie van Midden-Azié, waar onze Nederlandsche Missionarissen zich bevinden te midden van een aantal vreemde volkeren, ivaar Chineesche en Poolsche bannelingen elkander ontmoeten, die om de belijdenis van hetzelfde Katholieke Geloof uit hun Vaderland verdreven zijn!quot;
A. H. POÃBERG,
KAPELAAN.
Over Peking naar Hi.
13 Februari 1890. 't Was juist mijn verjaardag.
Maanden hadden wij gewacht op een Russisch paspoort, maar geen wolkje van iioop steeg aan Petersburg's onverbiddelijk firmament. Men besloot derhalve, ten einde raad, den weg langs Peking te maken, en geheel Centraal Azië te doorkruisen. Een uitstapje van ongeveer acht maanden; beter dan zoo heel lang!
De dag van vertrek uit 't Missiehuis van Scheutveld was bepaald op 5 Februari. Tegen 't vallen van den avond werd door mijn geaehten Superior en reisgezel, den HoogEerw. Heer B. van Koot, het Itinerarimn gelezen en 't Ave maris stella: âGegroet Gij ster der zeequot; gezongen; de kotters werden afgehaald; een hartelijk vaarwel en spoedig weerzien (voor velen helaas ijdel!) aan onze Confraters weerklonk, en we sprongen het rijtuig in, dat ons naar 't Zuider Station te Brussel zou voeren.
âMen voelt weer bloed in de adren ,
Weer spierkracht in de hand,
Weer rept de geest zijn wieken Naar 't verre vaderland;
Weer klopt het hart van jubel,
Nu 'tuur van strijden slaat,
Vervlogen zijn de droomen Voor de ademtocht der daad.
Hot hooge lied van leven Van liefde bovenal,
Van streven, strijden, sneven,
Met wondervol geschal.
(L)r. SCHAEI'MAN.) 1
2
i)e schooue en rijk verlichte straten en boulevards van Brussel schenen mij schooner toe dan ooit; er hcerschte veel drukte, want prachtig wasde niet sterren versierde hemel. Aan 'tstation aangekomen.... maar neon, ging ik zoo voort, dan zou op mij toepasselijk worden:
âLe secret d'ennuver, c'est celui de tont dire,quot; wij namen plaatskaartjes tot Parijs en stapten den trein in.
Indien de nood niet dwingt, stappen vele Belgische heeren zelden in een coupé, waar priesters zitten. Daar hen ik nooit kwaad om geweest. Ook nu zaten wij geheel alleen, toen plotselijk â de trein zette zich al in beweging â eene dame zoo haastig kwam binnenstormen, dat haar eerste werk was, haar fijn gepuuten neus in aanraking te brengen met den vloer van tien wagen. Met een âairquot;, alsof ze eeue heldendaad verricht had, richtte zij zich plechtstatig op, streek hare lange âpoufronsquot; â wat te lang voor eene vrouw die op de veertig aangaat â zette zich met een deftigen zwaai neer, en begon romans ie lezen, 't Schepsel had verschrikkelijk veel weg van eene romanheldin.
Wij staken eene Hollandsche sigaar op â 't was een rook-coupé, â lieteu ons hoofd in de kussens vallen en droomden van 't lieve Vaderland :
âV( aar onze wieg eens stond,
Waar nooit ons graf zal staan.quot;
Te Bergen werden wij reeds van onze deftige romanlezeres bevrijd, en wij zaten alleen.
Ik nam een mijner reiskoffers tot hoofdkussen, mijne zitbank tot legerstede â en ik sliep weldra rustig en kalm in â totdat het krijschende geroep âdouane, douane, tous les voyagenrs descendentquot; weerklonk en ons compartiment met kracht werd opengeworpen. De douaniers, ware nachtmerriën, voor zoovele reizigers met sigaren, gingen zeer rap te werk, 't geen ik heel lief van hen vond; en wat meer is, zij waren volstrekt niet nieuwsgierig uitgevallen. â- Te middernacht kwamen wij te Parijs, in 't kranige en wufte, in 't woelige en dartele Parijs.
\\rat was zij stil op dat uur, âde Koningin der steden, voor 't morgen onbedacht.quot;
âDaar naakt, daar naakt Parijs! â Hoe aller blikken stralen.
Een lachje in 't dartel oog,
Een liedjen op de lij) van liefde en zegepralen,
Of haar geeu angst bewoog;
Zoo wipt zij 't zadel in, en grijpt den gouden teugel,
En streelt de zijden maan!â
Maar eensklaps rijst zij op en, vaststaande iu den beugel.
Ontplooit heur hand de vaan.
8
Het dartel lachje wijkt, de lonkende oogen pranken,
De mond staat streng en straf.
De Marseillaise golft in broed metalen klanken Miljoenen lippen af.!â
Gesloten waren de winkels en cafés, ledig de straten, rustig de anders zoo talrijk bezochte en drukke boulevards; â slechts hier en daar hoorde men den tred van een voorbijganger on zag men in volle vaart een rijtuig naar 't een of ander hotel snellen. In 't voorbijrijden kon ik niet nalaten, een blik te werpen op de zoo schitterend verlichte boorden der Seine, die zoo lief en plechtig hare schoone wateren voortrolt.
Maar 't was laat â of beter zeer vroeg â en ecnige uren slapens zou ons wat opknappen. Den volgenden dag brachten wij een bezoek aan de voornaamste monumenten en gebouwen van Parijs, bewonderden den trotschen en prachtvollen toren van de kerk van Montmartre, waaruit men een heerlijk gezicht op geheel Parijs heeft; wij reden, niet zonder naar boven te kijken, langs en om den zooveel besproken, geprezen en gelaakten Eitteltoren, en sloten ons ritje met een bezoek aan de rijke, kunstvolle, maar wat al te donkere âNotre Dame.quot; Bij 't zien van 't schoone spreekgestoelte kwam natuurlijk de gedachte aan den genialen Dominikaner Pater Lacordaire bij me op. Hoe gaarne zou ik dien âfoudre dquot;eloquencequot;, dien wijsgeerigen en weisprekenden redenaar, die âsans audace et saus craintequot; tot verstomming van geheel de wereldstad in zijne sneeuwwitte kleedij op den kansel verscheen, gezien, gehoord en bewonderd hebben!
's Avonds werden wij door eenige Nederlanders, die toevallig wegens zaken in Parijs waren, ten diner verzocht. Hier ontmoetten wij den Zeer Eerw. Pater Piuxzen uit Helmond, die naar zijne missie in China terugkeerde en met ons de reis tot Shang-hai zou maken. Dat we ons goed amuseerden en eer aan de tafel deden, dat er een glas parelend druivennat geledigd werd op Koning en Vaderland, op Nederlanders die in Nederland bleven en op Nederlanders die China tot hun tweede Vaderland gingen maken, op gelukkige reis en spoedig weerzien â dat zal ieder lezer zich gemakkelijk kunnen verbeelden. Wat mij echter eerst verwonderde maar later interesseerde, was, dat er behalve een Zwitsersche Protestant, ook een Russische Jood aan tafel zat. Ik zeg Jood, omdat hij uit Joodsche ouders geboren was en zijn groote, sterk vooruitstekende hooggewelfde neus, zijn zwart kroeselig haar, zijne kleine fonkelende en rondglurende oogen, geheel de Joodsche type verrieden. Wat zijn geloof betreft â geloof ik, dat het
1
elastisch was'' â en dat hij naar omstandigheid er even gemakkelijk van veranderde als een kameleon van kleur. Zoo hoorde ik, dat liij in Rusland ingeschreven stond als âorthodox Russischquot;; van âvarkensvleeschquot; was hij volstrekt geen vijand. Nogmaals, onze Jood interesseerde mij omdat hij van meet af een bewijs van echte Joodschheid gaf. Als vertegenwoordiger van eene Hollandsche firma, bracht hij een bezoek aan zijn patroon, een onzer gastheeren, â en zonder de minste uitnoo-diging, maar met een glimlachend âals de Heeren mij inviteeren, zon ik wel willen meedoenquot; trad hij met zijn vriend, den Zwitserschen Protestant, een neefquot; van den maar al te beroemden ofquot; beter beruchten Jules Feery, in het gezelschap. Beleefd, voorkomend, lief, hoffelijk, zelfs vleiend jegens alle leden van 't gezelschap, was hij kort, gebiedend, knorrig op de garyonsâ een trek die, volgens Drumont, allen Joden aangeboren is. Hij sprak veel en zeer gemakkelijk, luisterde gretig en met gespannen aandacht, wanneer er over handel of geldkwesties sprake was, wist tot in het kleine den karavanenhandel en de handelaars tusschen Rusland en China, kende persoonlijk de groothandelaars van Moscou en Petersburg, die iu Chineesche thee en andere producten deden, noemde vele leden der Russische H. C. Synode zijne vrienden en kon niet nalaten geestige gezegden van Rothschild, of die aan Rothschild worden toegeschreven, met groote bewondering en geestdrift als doorslaande orakelspreuken te doen gelden. Parijs en Frankrijk met alles wat er groot en rijk in is, kende hij haarfijn van buiten-maar wat het meeste opviel, waren zijn gevoelens over oorlog en militairisme. Een aanstaanden oorlog achtte hij niet waarschijnlijk en volgens zijne meening kon, ja moest elke oorlog volstrekt vermeden worden, als zijnde eene smet voor onze gouden beschaving. Met een ongeloofelijken woordenrijkdom legde hij zijne menschlievende gevoelens aan den dag; scherp en bits hekelde hij âde uitvinders van nieuwe moordwerktuigenquot; en bewees zonneklaar (voor hem ten minste), dat de oorlog met al zijne akeligheid en barbaarschheid van 't tooneel dezer wereld kon en moest verdwijnen, en dat het soldatenleven hier in Europa tot een absolute minderheid kon en moest zakken.
Ik kon niet nalaten over deze utopieën te glimlachen en zijne hartelijke gevoelens van medelijden in twijfel te trekken. Drumont's âLa France Juivequot; zat mij in 't hoofd, en de oorlog van 1870, waarin en waarna de Joden eene vrij groote rol gespeeld hebben, stond me altijd voor den geest. Ik kon het niet helpen, maar ik was zoo ongeloovig aan âdie stem des harten en der overtuigingquot; als de beste Thomas en mij dacht, dat alle leden
5
erg twijfelden aau de verwezenlijking der plannen van onzen Kus. Een raadde hem sterk aan, J. de MaiSTRe's meesterlijk werk âles soirées de St. Petersbourgquot; te lezen, daar deze met zijne gouden pen en zijn schitterend verstand deze kwestie grondig behandeld hoeft. Aan dat oor scheen onze Jood echter doof. Hij had vast een broertje dood aan Katholieke schrijvers. De Zwitser zei weinig, liet nu en dan eene aardigheid âop zijn Dnitschquot; er doorloopen, hekelde Andrieux en andere staatslieden, die zijne politieke gevoelens niet deelden. Maar genoeg, wellicht meer dan genoeg. Verlaten wij Parijs, â schoone winkels, groot als halve dorpen, maar die iedereen kan zien, â¢â prachtige, trotsehe gebouwen, als zijn: het Louvre, het âGrand-Hotelquot; enz. die men toch ook in min of meerdere mate in andere groote steden ziet; breede, volkrijke straten, heerlijke, drukke boulevards, maar die tegenwoordig overal aan de orde van den dag zijn, â verlaten wij Parijs en nemen we plaats op den ârapide Parijs â Lvon â Marseille.quot;
Een klein anekdootje: wanneer ge de eerste letters alias initialen van deze steden neemt: P. L. M. die trouwens op alle hoekjes, kantjes, kussens en gordijnen van den trein staan, wanneer ge die letters neemt, zoo zal u elk Franschman willen diets maken â en hij vindt zulks heel aardig â dat ze beteekenen: âPour Ia Mort!quot; Het schijnt namelijk dat deze trein ondervinding heeft opgedaan aan ongelukken. Deze gedachte of beter die waterachtige geestigheid is bij eenigen zoo sterk ingedrongen, dat ik eene moeder zag weenen, omdat haar zoon op die lijn moest reizen â hij was immers zeker ten doode gedoemd.
Wij gingen dan ook spoor P. L. M. zonder echter de minste trilling te gevoelen; integendeel ik vond het zeer gemakkelijk liggen in die zachte kussens. Ofschoon de trein stampvol was, hadden wij voortreffelijk gezelschap. Behalve een jong Engelsch paar â dat een kwartier kon schaterlachen, omdat een heer bij 't uitstijgen zich eventjes bezeerde, maar dat oveiigens zeer rustig en van zeer slapcrigen aard was â was er niemand anders in 't coupé, dan de Pater Prinzen, zijn broeder en wij â vier Nederlanders. Kon het wel beter? \Ve vermaakten ons best, vertelden veel, lazen weinig en wierpen nu en dan eens een vluchtigen blik op het âschoone en rijkequot; Frankrijk. Wanneer men dien rijkdom moet beoordeelen naar de meestal kale en dikwijls bergachtige streek, die men doortrekt, â naar de weinige beplante landerijen en dorre zandgronden, â naar de weinige en schamele dorpen, die men voorbijsnelt zoo moet men toch een sterk vergrootglas opzetten, want anders komt men er niet. 't Is waar .,on passé la
6
Garonnequot; en men zou soms in bekoring zijn, er van te drinken, â maar waarom overdrijving spelen? Gelukkig heeft Frankrijk andere streken, andere hulpmiddelen, andere bronnen van rijkdom en welvaart. Schoon, soms dichterlijk is de streek wel â vooral Lyon met zijne heerlijke Rhöne, 's avonds /00 bekoorlijk verlicht, de talrijke bergen, wier kruinen op dat oogen-blik met sneeuw bedekt waren, dc groote wijnbergen meer zuidelijk, en in de omstreken van Avignon reeds de groenende lente -maar dat alles zou mij toch minder bevallen, dan âmeine schöno Heimath,quot; dan de schilderachtige omstreken van Maastricht.
Vooreerst moet ik u zeggen, dat wij onze overjas moesten uittrekken, en dat ik sterk geneigd was, om te gelooven, dat hier in den zomer de zon vreeselijk kan broeien op de van droogte poeierig geworden keien, zou Hildkbraxd zeggen. Maar nu, liet was er werkelijk lekker weer.
Van de stad zelve wil ik zwijgen. Behalve eenige eigenaardigheden, die iedere groote stad heeft, gelijkt zij op alle andere groote Europeesche steden; maar 'tvolk is eigenaardig.
Ieder kent den Gascoguer, zijne overdrijvingen, zijne kwinkslagen en droge aardigheden; de inwoners van Marseille echter doen waarachtig in dat soort van nijverheid niet onder. Js de Parijzenaar deftig, beleefd en zich zeiven bewust âParijzenaarquot; te zijn â de bewoner der havenstad doet bij zijne beleefdheid wat minder deftigheid, maar is meer meegaand, gedienstiger (ofschoon de Parijzenaar den Hollander hierin les kan geven), gezelliger en innemender. Marseille is meer eene stad van 't Zuiden â het karakter is zachter, en het âdolce far niente'', niettegenstaande do bedrijvigheid eener handel en havenstad, is volstrekt niet versmaad.
Alle volkeren schijnen zich hier te vereenigen. Ik zag er Chineezen en Russen, Engelschen en Japaneezen, Nederlanders en Zanzibaristen, Italianen en Turken met de vleet. Nergens in Europa zag ik meer rondventers â en van 't ware soort, met sterke longen en goede kelen; â Rondventers van oranjeappels en nicn, van dadels en banana's, van porselein en reispetjes, van beelden en prenten, van sigaretten en snuisterijen;-nergens zooveel sjouwers en âbadraven,quot; gedienstige wegwijzers en slenteraars; nergens zoo'n batailjons van visschers en bedelende Icinders, van weiers, tramways en rijtuigen, van bloemenen rui kers-verkoopers en verkoopsters als bier. Het is een gestoei, een geroep, een geschreeuw, die de schoonste harmonie te schande maakt, vooral als de talrijke ezels hunne welluidende klanken tot volmaking van 't concert en veredeling van 't muzikaal gevoel gratis eu gretig willen afstaan.
7
's Namiddags brachten wij een bezoek aan den steamer âCongoquot; die ons weldra aan boord zou hebben. Terloops beschouwden wij de twee schoone en breede havens, rijk van groote en kleine schepen voorzien. Maar om hiervan do schoonheid te aanschouwen, evenals de schoonheid van de werkelijk dichterlijke en betooverende omstreken, moet men opstijgen naar Notre Dame de la Garde â een nationaal monument en Kath. Kerk, waar alle Kath. zeelieden en reizigers een vciligen overtocht van âHaarquot; die de ster der zee is, komen afsmeeken.
Ieder bezoeker van Marseille raad ik dat uitstapje aan. De ligging, de omgeving, de kerk zelve zijn overheerlijk. Schooner Panorama geloof ik niet, dat Frankrijk aanbiedt. Vóór u in een vallei slingert zich liet schoone Marseille, met zijne breedé straten, met zijne grootsche huizen en paleizen, met zijne dalende en stijgende boulevards, met zijn groote en veilige havens; rondom en rechts af schoone bergen met groen en bloemen beplant, een waar lusthof, terwijl aan uw linkerkant de zee zich in hare majestueuze en indrukwekkende grootheid uitspreidt. Voorwaar dat gezicht is prachtig!
Te Marseille hadden wij het genoegen brieven en telegrammen uit liet Vaderland te ontvangen, terwijl wij van onzen kant âeen laatst vaarwel van uit Europa'' â aan hen, die ons dierbaar zijn, en die wij verlaten hebben, toezonden.
Terloops wil ik hier melding maken van 'thuis âEethaniequot; â gesticht door en onder leiding van Mej. Grandvol, eene der edelste dames van Marseille. Hier vindt de missionaris zijn âthuisquot; zoowel bij zijn afreizen naar de missie, als bij zijne terugkomst uit 't missieland, wanneer hij door de stormen van allerhande ellenden en lijden, of door de vermoeienissen cn ontberingen van verre en moeielijke reizen heil, troost en genezing in 't moederland komt zoeken. Hier ook was het, dat wij 's Zondags, den dag, dat we in zee zouden steken, voor 'tlaatst als afscheidsgroet hoorden weerschallen het âPartcz, héros de la bonne nouvellequot; zoo meesterlijk door Gounod op muziek gezet.
Tegen drie uur kwamen wij op de boot. De kajuiten werden opgezocht, de koffers nagezien. Een laatst gesprek werd gevoerd met de vrienden uit Marseille, eene laatste sigarette gerookt met den heer Prixzex uit Helmond, een Nederlander van den echten stempel, die ons uitgeleide had gedaan, en nog eenige gedachten gewisseld over 't Vaderland, dat toch altijd zoo dierbaar is, over 't harde van 't afscheid en de hoop op weerzien. Het werd vier uur â een laatste hartelijke afscheidsgroet en handdruk aan onzen geachten Helmondenaar, â de machine begon te dampen, de vlag werd geheschen, â matro-
8
zen liepen, officieren gaveu bevelen â de kabeltouwen werden losgemaakt â de stoomfluit liet zich hooren. Nog klonken de laatste kreten , nog dreunde het âadieu, adieuquot;! nog wuifden de witte zakdoeken, nog poogde ons oog onze vrienden te onderscheiden, maar allengskens verdween het al â verdween het schoon, betooverend gezicht, dat de haven en omstreken van Marseille aanbieden, verdween die zwarte en bonte mengeling van menschen, van alle slag en soort. â Niets, niets trof meer ons zoekend oog dan het bronzen reuzenbeeld van âNotre Dame de la Gardequot;, dat hoog in de lucht zich als beschermster en koningin der zee in schitterende majesteit verheft. Diep geroerd baden wij het âAve maris stellaquot; â opdat Maria âde Ster der Zeequot; ons mocht geleiden en bijstaan op 't holle en woeste pad der zee, ons mocht zegenen en sterkeu op onze lange en moeielijke reis, en ons mocht voeren in veilige en zekere haven, niet enkel nu, maar ook later!
Peinzend bleef ik op 't dek staan. De gedachte aan allen, die ik verlaten had, en die mij zoo dierbaar waren, de gedachte aan mijn dierbaar Vaderland, aan mijn dierbaar Limburg, aan mijn dierbaar dorp Oud-Vroenhoven, waar ik zooveel genoegen gesmaakt had â die gedachten gingen mij snerpend en snijdend door de ziel, en meer dan ooit ondervond ik, hoe hard het â¢scheiden valt.
IT. Op zee.
Heerlijk scheen de zon â en voor ons, nog gewend aan de guurheid des winters, was het warm, zeer warm. Wij hadden goed weer. Onze welgebouwde en naar de laatste eischen ingerichte steamer âCongoquot; gleed los en vrij over de baren. Weldra werd het gesprek wat levendiger, de geest wat frisscher, het hart wat ruimer. Kennismaking aan boord geschiedt rap â maar voor vandaag zouden wij het wel onder ons afdoen. We waren met ons drieën, koutten over 't weer, over mogelijken storm en over â 't gewoon gesprek in Marseille en op de boot â over de nare, misselijke zeeziekte. Pater Pki.vzen was overtuigd (en niet zonder reden) dat hij ze zou hebben â Mgr. Van Koot zei, dat hij er ook nu wel precies geen held in was, maar dat hij toch nog wel een stootje kon lijden. Jk zei niet veel â maar in mijne gedachte rees dat monster, waarover ik zooveel gehoord had, dreigend en uitdagend op gelijk (le mi nota u rus, die de jonge Hellenen moest verslinden. Een
Pater Capucijii en een Broeder, die met uns de reis tot Aden zouden maken en âkajuitsmakker.squot; waren, voegden zich bij ons. Na de eerste plichtpleging giiilt;; het gesprek over 't zelfde saaie, vervelende en toch âhaast noodigequot; onderwerp voort. De Pater had van zijne vrienden de slechtste voorspellingen ontvangen, die, helaas, vrij goed bewaarheid werden, â de Broeder had âle pied marin.quot;
Nog stoomde onze boot zonder wankelen voorwaarts, het was een plechtig gezicht â de kust was verdwenen, niets dan water, wat het oog rondom zich zag, niets dan de blauwe, hemel boven zich; behalve het rommelen der machine, hoorde men niets dan het klateren van 't water en der baren, door onzen steamer zoo glad en gemakkelijk doorsneden. Als een koning der zee, met fiere deftigheid, gleed hij voort in volle majesteit â niets scheen hem te beroeren â maar o wee! ââ daar stijgt langzaam aan de Westerkimme de wind â de zee, zoo kalm, zoo helder, zoo blauw en lief, â begint zich te bewegen; de kleine golfjes worden grooter, de haren woester, en weldra worden zij voortgezweept, onstuimig en wild, gesierd en gekroond met schuimende en bruisende diademen. Ook onze boot gevoelt de verandering; wel glijdt zij voort, maar schommelend als een drinkebroer. Weg is hare fierheid, weg hare majesteit! â maar ook weg is onze levenslust â weg onze honger het wordt ons zoo naar, zoo akelig. Slechts moeielijk houdt men zich op de been; de meesten spoeden zich naar onder â en tegen zes uur opent Pater Pmnzbn het vuur. Niet lang na hem betaal ook ik mijn tol aan de zee en word spoedig door vele anderen gevolgd. ITildebrand in zijne Camera übscura moge alle bliksemflitsen zijner gewaande verontwaardiging tegen het ijs slingeren; hij vlechte bloemen en kransen ter cere van zeeën en wateren, maar hadde hij ooit een proefje genomen van zeeziekte, hij zou niet zoo geestdriftig uitroepen: âmaar ik bemin het water dan ook met een gloed, dien aller zeeën en stroomen tezamen gedreven vocht niet in slaat zou wezen te blusschen.quot; Ik voor mij geloof, dat vijf minuten voldoende zouden zijn om dat vuur uit te dooven, om dien geestdrift tot in zijn kiem te stikken. Neen ik houd het met Shakespeare: âhet water is valsch, leve liet ijs!quot;
â't Misvormde lijk van 't uitgebloeide schoonquot;(?).
De eerste nacht aan boord viel nog al mee â wel werden wij dikwijls gewekt door 't schokken, stampen, bruisen en klotsen der golven â maar ik was 's morgens toch tamelijk frisch (het duurde echter niet lang). ïegeu half acht kregen wij
10
liet eiland Corsica in 't gezicht. â Het Vaderland van Napoleon T lieeft slechts 1X3 kilometer lengte op 85 kilometer breedte. â Kale, naakte rotsbergen verheffen hnnne hooge en steile toppunten hemelwaarts. Ofschoon vele er van 2000 tot 2600 meter hoogte hebben, schijnen zij van uit de verte heel weinig indrukwekkend. Aan den voet dier bergen en aan de oevers der zee strekt zich het stadje Ajaccio uit. Nietig en klein heeft hot als bakermat van den grootsten veldheer dezer eeuwen, eene niet geringe historische waarde.
Vreeselijk groot zijn de bochten, die Corsica omringen, en woest en wild de kapen, die do oevers der zee doorsnijden, 'tgeen aan de merkwaardige iioogte der Corsikaansche bergen schijnt toegeschreven te moeten worden. Corsica is eigenlijk volgens den aardrijkskundige P. ïoukin eene bergachtige, half verzopene massa, eene alpenstrcek, losgescheurd van de Alpen en wier diepste valleien onderzeesche dalen zijn. Heldere en diepe wateren doorsnijden de granietboorden. Geheel de omtrek van 'teiland is rotsachtig en herinnert sterk aan de oevers van Provence, maar in hoogere en steilere vormen, in wildere en majestueuser gedaante.
Tegen 9 uur kwamen wij aan de straat van Boaifacius. Aan den ingang strekt zich de versterkte stad van dien naam in schilderachtige ligging uit. De blanke oevers der kust zijn echter slechts voor visscherspinken toegankelijk, tenminste in den omtrek der stad. De haven schijnt nog al zeker en veilig. De zee zelve was het voor 'toogenblik minderâ en hare onrustigheid dwong velen onzer heil te zoeken in Morpheus armen. Gewoonlijk, zegt men, heerscht er kalmte aan de kusten, en lustig en kabbelend spelen de baren tegen de schitterende steenen en blauwe rotsblokken.
Het eiland Sardinië, dat we aan onze rechter zijde lieten, bood ongeveer hetzelfde schouwspel aan. Aan den voet der bergen zag men echter landbouw â terwijl hier en daar ccnige rijen huizen de eentonigheid kwamen breken. Na het eiland Caprera, het vaderland, zoo ik me niet vergis, van den beruchtcn Garibaldi, voorbijgestevend te zijn, kwamen wij in dc Tyrrheensche zee. Over zeeën kan men al bijster weinig zeggen â zij gelijken de eene op de andere, met dit verschil, dat dc eene wat woester is dan de andere. Den volgenden dag, na een zeer woeligen cn onrustigen nacht, zagen wij in de verte de Liparische eilanden met den rookenden, vuurspuwenden berg Stromboli, ongeveer 950 meter hoog. ïegen den middag liepen wij de straat van Messina binnen. Links rees voor ons oog het rotsachtige, grauwe Calabrie, gewoonlijk den voet van Italië genoemd. Hier en daar streelden
11
het jeugdig groen en de groote wijnbergen ons oog, terwijl de weinige dorpen en schamele woningen maar al te zeer getuigen, dat er over 't algemeen veel armoede heerscht. Betoo-verend schoon was van den anderen kant de stad Messina op Sicilië gelegen. Lustig scheen ze hare ranke en kunstvolle gebouwen in zee te weerkaatsen, terwijl heerlijk schoon, maar voor een zoon van 't Noorden wat te warm, de zon hare gulden stralen wierp. Tegen drie uur werden wij opmerkzaam gemaakt op de rookkolommen van den Etna. Gul beken ik, dat ik ze moeilijk onderscheiden kon. Tegen drie uur stoomden wij de Middelandsche zee in â en aangezien de boot, om welke redenen weet ik niet, eenigen tijd midden in zee bleef stil liggen â wil ik die oogenblikken benuttigen, om een en ander over onze boot en medereizigers te schrijven. âVarietas delectat,quot; âmen heeft gaarne verandering.quot; â Dat was vroeger waar en nu ook nog.
111. Aan Boord.
Ons stoomschip, âCongoquot; genaamd, dat reeds eenige reisjes naar 't Oosten, naar China en Japan achter den rug heeft, is een sterke, stevig gebouwde, goed ingerichte driemaster, op 107 meter lengte heeft hij 13 meter breedte en 8 meter diepte. Hoeveel paardekracht hij heeft is mij onbekend en doet weinig ter zake, mits hij maar goed voortmaakt. Gemiddeld legt hij :ï20 Engelsche mijlen of 107 uur per dag af. Een beetje meer, dan Hildebuand met zijn vriend schipper Riktjikuvel, in den stuurstoel of in de roef der schuit gezeten. Hierin echter komt de oude, Nederlandsche trekschuit met ons stoomschip overeen, dat het een woning is van verveling, van eentonigheid, van altijd denzelfden praat. Ook hier klinkt het dikwijls herhaalde: âHoe ver zijn we al schippertje?quot; behalve dat hier het woord schippertje door Luitenant of Kapitein vervangen wordt. Ook hier zou de humoristische schrijver âbij andere onvaderlandsche ondeugden, een recht onvaderlandsch ongeduldquot; in zich voelen opstijgen.
Aan de beschrijving der kajuiten, salons, machine en van 't dek, moge geoefende hand zich wagen â 't is overigens van heel weinig beteekenis â en op ieder groot schip in ongeveer denzelfdeu trant ingericht. Alleen wil ik doen opmerken, dat onze kajuit, die aan Mgr. Van Koot, aan Pater Peinzen en aan mij tot nachtverblijf moest dienen, op de eetsalon uitkomt. Aller-
waarschijnlijkst had do âCompagnie,quot; eeue groot gedachte van onzen âstomachum germamcumquot;, in alle geval blijf ik dankbaar voor die attentie.
De bemanning aan boord bestaat uit een kapitein-commandant, een onder-kapitein, een lste en 2de luitenant, eenige officieren mechanici en een twintigtal matrozen. Tot hun lof moet ik zeggen, dat ze uiterst beleefd en gedienstig zijn. Behalve de Euro-peesche hotelhouders en garlt;;ons, bestaat de bediening uit Chi-neezen en eenige Arabieren. 'De telgen van Confucius laad, waarvan ik er een onophoudelijk voor mij heb zitten, om de wind-matten ter verfrissching in beweging te brengen, zijn uiterst geschikt, met hun kaal geschoren voorhoofd en nek, met hun smerigen staart, hun geel, zelden proper gewasschen vierkantig gezicht, met hunne scheeve oogen en morsige, wijde en fladderende kleeren â zijn uiterst geschikt, zeg ik, om iemand zijn eetlust voor eenige dagen te benemen. Waarlijk aan 't poetsen hebben de kinderen der langstaarten een broertje dood. De smid hier aan boord, ook een Chinees, zou zelfs, na 14 dagen wasschen, fortuin kunnen maken, door zich te Parijs of Brussel bij een volgeling van Darwin als overgangspersoon tusscheu den aap en den mensch aan te melden. Het getal reizigei s is, dank aan 't Seizoen zeer gering â een goede tachtig. Onder die kleine bevolking vindt men allerhande slag; Italianen, die in Shang-hai fortuin gaan probeeren; een Hollandsch ingenieur die op Java âcarrièrequot; wil maken; Japaneezen, die naar hun vaderland terugkeeren, na eenige jaren do Duitsche hoogleeraren âgehortquot; te hebben; een paar Chineezen, die de rechten te Londen studeerden en die meenen de geleerdheid in pacht te hebben â Zwitsersche jongolingcn, flinke, stevige en lustige jongens, die eene betrekking op Manilla of te Siugapour gaan waarnemen; Fransche Paters en Zusters in bestemming voor Port-Saïd en Aden; de Fransche vice-consul van Hong-kong, eon Parijzenaar, die beweert âsocialistquot; te zijn, en die in zijne domme verwaandheid meent een âgenius der mensohheidquot; te zijn; een Sp anjaard, die zich verveelt, omdat niemand hem verstaat, enz. maar vooral Engelschen, die van aard en natuur ware trekvogels zijn. Dat wist Strabo reeds, toen hij in de levensbeschrijving van den heiligen Gallus schreef: âdat hij behoorde tot het volk der Britten, wier gewoonte van te reizen haast tot natuur is overgegaan.quot; Pater Jonckblokt in zijn heerlijk werk: âEen winter te Davosquot; wijdt een geheel afzonderlijk kapittel aan die zonderlinge schepsels.
Hoe gaarne ik ook gewild had, ik kon toch niet instemmen met den nitbundigen lof, dien de gevierde schrijver voor 't hart
13
van Albions zoiieu overheeft, noch met de verschooning â ja eenigszins goedkeuring van hunne grillige zonderlinge manieren. Neen, zelfs het spreekwoordelijk Hollandsch geduld raakt uitgeput, vóórdat men die dikke ijskorst, die toegang geeft tot hun hart, doorboord heeft. Nu eene minstens drievoet dikke korst, boezemt nog al eerbied en ontzag in. Ik voor mij heb liever dat gulle vroolijke gezicht van onze Limburgers, die u niet den geheelen dag met hunne excentriciteiten en weinig geestige aardigheden vervelen, maar flink en welgemeend, zonder Fransche complimenten, een warmen handdruk geven en een schuimend glas Maastrichter met u drinken. Dat is nu misschien wel wat prozaïscher â maar ook wat hartelijker â want hun hart ligt niet bedolven onder zoo'n dikke korst van ijs. Dat de Engelschen echter kloeke onvermoeibare reizigers zijn, die spotten zouden met Bilderdijks geestdriftig:
âWie bestijgt de blauwe bergen
O]) dat houten waterpaard,quot;
omdat zulks voor hen een kinderspel is â geef ik gif en gaaf' toe, maar dat Pater Joxckblokt na eenige maanden zijne koetjes op 'tdroge zou hebben, wanneer een honderdtal bewoners van 't Victoria rijk, iedermaal wanneer ze âJesquot; âIn deedquot;, of âverry goodquot; gebruiken een gulden moesten geven, daarvan ben ik innig overtuigd. Maar ik vraag aan mijne lezers, of zij het zoo bekoorlijk aangenaam, zoo streelend lief vinden den geheelen dag door die vervelende tusschenwerpsels of uitwerpingen te hooren? Ik dank er hartelijk voor â en laat gaarne aan anderen dat genot over. Maar de gustibns non est disputandum, zegt het spreekwoord âover smaak valt niet te redetwistenquot; â want die is bij niemand dezelfde.
Aangezien in 't vervolg de een of andere reiziger nog wel eens zal opgevoerd worden â eindig ik hier mijne beschrijving der passagiers, en hervat mijne reis. De âCongoquot; overigens heeft al lang koers gezet naar Alexandrië, waar wij, na vree-selijk schokken en schommelen,'s Vrijdags 14 Februari'smorgens tegen zeven uur aanlanden, en waar we eenige uren tijd hebben om aan wal te gaan.
14
tV. Alexandria en de levensgeschiedenis van Abrahairi.
Uren vóórdat wij tc Alexandrië aankwamen, konden wij reeds liet vasteland aanschouwen. De overtocht van de Midde-landsche zee had ons slechts eenige rotsblokken te zien aangeboden', en ik verheugde mij werkelijk, toen ik Afrika's kust aan den gezichteinder zag. Alle verrekijkers worden natuurlijk naar dat punt gericht â en weldra kon men reeds de rookende schoorsteenen en de hooge masten der talrijke schepen onderscheiden. In de verte zagen wij eene kleine zeilboot op ons afkomen, die vreesdij k door de golven heen en weer geslingerd werd â maar die toch met verbazende snelheid en zonder veel omweg op ons afkwam. Hoe verwonderd stond ik te kijken, toen ik ten laatste er slechts een paar man in ontdekte die heel âgemüthlichquot;, zonden de Duitschers zeggen, hun pijpje zaten te rooken en zich niet meer om de golven dan om eene Spaansche kers bekommerden. Zij had aan boord den loods, die ons door de vele rotsen en zandbanken van Alexandra's kust in de veilige haven zou voeren. Hot gezicht op Alexandrië is zeer schoon en vooral hot paleis van den Khedive, aan de haven gelegen, maakt een goeden indruk. Schijn bedriegt dikwijls. Voor dat onze boot geankerd had, kwamen tal van kleine bootjes ons te gemoet. Elk bevat een paar rooiers, oen tolk, en een soort van âmeesterquot; of âchefquot;. Schreeuwen als die Mahomedaansche heertjes konden; scholden, tieren, schoppen, stooten, slaan, wat ze onder elkander doden, om 't eerst aan de trap, waar de reizigers afdaalden, te zijn, om het eerst den eersten reiziger mot pakken en bagage, niet in zijn bootje te verzoeken, maar te trokken, te stuwen, te werpen, gaat alle beschrijving te boven, en schonk mij oenig aangenaam en nooit genoten genoegen. Weldra was hot dok vol van ïurksche rondventers en Mahomedaansche tolken in hun eigenaardig kostuum met tulband om 't hoofd, met bonte, lange, loshangende en wijde kleedij, met hunne veelkleurige pakjes sigaretten, beeldjes, schoenen, reispetton, enz. die ze met onvermoeibare longen aan don man trachten te brengen; hot speet mij goene photographic van die geïmproviseerde, vlottende markt en van die bonte, beweegbare en schreeuwende mengeling te kunnen nomen. Als echte Hollanders brengen wij het âfestina lentequot; âhaast u langzaam,quot; in praktijk. Na eerst de meeste dor bootjes te hebben zien vertrekken, gelukkig hun buit âaan wal te kunnen brengenquot; na ruime betaling; nadat er wat orde en meer stilte
15
was gekomen; ua vele rondventers te hebben Weggezonden, vele tolken en hotelbedienden een weigerend antwoord te hebben gegeven; na lang plagen, smeeken, vleien van een Zanzibariet om ons aan hein toe te vertrouwen, hetgeen ik niet gaarne deed, en 't geen wij toch deden, verlieten wij den âCongoquot;, werden met veel lawaai in 't bootje, door onzen tolk aangewezen, gedrongen, en bevonden ons weldra in gezelschap van onzen reisgids, wiegend en waggelend in dc breede haven van Alex-andrië. Hoe gelukkig was ik, weer eens vasten grond te mogen betreden; maar ook hoe nieuwsgierig om 't geschiedkundig Alexandrië te zien. Onze tolk, âAbraham, Isaak en Jacobquot; genoemd, zal zijn best doen, om ons in den kortst mogelijken tijd de voornaamste en merkwaardigste doelen der stad te doen zien. Maar eerst een woordje over onzen tolk, deu Heer Abraham, Isaak eu Jacob.
18 Februari. Engelsch, Fransch, Duitsch, Arabiesch en patat ook Nederlandsch â brouwde een persoon van opgeschoten gestalte met zwart kroczelig haar, dat onder een rood-witten tulband voor twee derden verborgen was, dooreen. Hij was scheel, breed van mond met hagelwitte tanden, dik van neus, zwart van kleur, en 't gezicht door de zwarte pokken ge-geschonden, en scheen alle hoedanigheden van een doortrapten schurk, sluwen vleier, en taaien aanhouder te bezitten. Duizendmaal had ik hem hooreu roepen â terwijl ik zijne onvermoeibare en sterke longen bewonderde: âAbraham, Isaak en Jacob.quot;
Ik meende, dat hij hierdoor wilde aanduiden tot 't geslacht der Israëlieten te behooren â te meer daar geheel zijn uiterlijk, geheel zijn doen en laten den Jood verrieden.
Wat raag die man toch willen met zijn âAbraham, Isaak en Jacobquot;, vroeg ik aan Mgr. van Koot. â Ja, was het antwoord â hij zal een Jood zijn, of wel hij wil zeggen, dat hij ook die Patriarchen kent, 'tgcen voor ons een spoorslag zou moeten zijn â hein tot gids te nemen. âSignori, Abraham, Isaak en Jacobquot; kwam op ons aan. âSignori Abraham, Isaak en Jacob good boyquot; herhaalde itij, terwijl hij met zijn handen ccne beweging naar 't bootje maakte, dat, met vele andere, gereed stond, om de reizigers aan wal te brengen.
Wij zeiden niets eu keken met welgevallen naar 't wemelen en krioelen van Arabieren en Arabiertjes, die voor een âpennyquot; zich in de zee wieden, ora 'tdaarin geworpen geld er uit te halen, en slag op slag triomfantelijk, met 't zilveren stukje tusschen de sneeuwwitte tanden, 't hoofd uit 't water te steken. âVous Frangais, moi Abraham, Isaak et Jacobquot;, en meteen nam hij mij vast, om me over te halen, toch in zijn bootje te
It]
stappen: geen was er beter, geen beter koop, geen dat zoó snel kon varen; ook was er geen tolk, die de stad kende zoo als hij, geen die zooveel ondervinding had, geen die eerlijker was (dat zouden wij ondervinden!) enz. Onder dien vloed van welsprekendheid in zeven of acht geradbraakte talen, waarvan zijne âgebarentaalquot; ons het duidelijkste was, dacht ik dikwijls: âhad van Houten's Cacao zoo'n levendig reolamc wat zon hot vlotten!quot; Ofschoon ik hem wel dertigmaal had weggestuurd â kwam hij toch telkens terug, steeds beginnende met zijn: âAbraham, Isaak en Jacob.quot;
De tijd ging om, en daar we toch een gids moesten hebben, gaf Mok. van Koot toe, meer omdat die man hem door zijn eindeloos aanhouden verveelde, dan wel omdat hij hem gaarne had.
âIn Gods naamquot;, dacht ik, âmaar gefopt zijn wequot;. Fier trad toen onze âAbraham, Tsaak en Jacobquot; op ons toe, slueg heel militairachtig aan, maakte bnigingen met de vleet en zwoer met de hand op zijn hart, dat hij was Abraham, Isaak en Jacob en dat Abraham, Isaak en Jacob, een âgood boyquot; was.
Wij gingen de trap met hem af, en met een gebiedenden en zegevierenden wenk roept hij eenige Arabieren in eene gewone met rood doek bekleede schuit gezeten. âLe chef', zegt hij, terwijl hij met zijne vingers op een dertig-jarigen, kortgeschoren stevigen, knoestigen Arabier wijst, die in zijne gele broek, met een lang wit hemd er over, mij een echte clown toescheen.
Wij namen plaats; twee Arabieren van 17 tot 18 jaar, in Oostersch-Turksch kostuum, roeiden en een klein zwart jongetje, dat gaarne zijne schoone tanden liet zien, zat aan 't roer. De chef deed niets, en Abraham, Isaak en Jacob zette zich bij ons neder.
Men maakte akkoord over boot, rijtuig, enz. ïoen pas kwam Abraham's taalrijkdom aan den dag. In slecht Engelsch, met Fransch en Arabisch doorspekt, met Duitsch, Hollandsch en Italiaansch gekruid, vertelde hij ons, dat het bootje âheen en weerquot; 5 franken zou kosten, het rijtuig 10 franken; wat men hem voor zijne moeite zou geven, zou hij dankbar aannemen. We vonden dit niet te hoog â want we hadden ver van de kust geankerd en 't rijtuig voor vijf uur gehuurd. Bij slot van rekening betaalde wij, eenige sinaasappelen en eene tas koffie afgetrokken, 85 franken â maar onze eerlijke Abraham, Isaak en Jacob zorgde wel, ons zijne rekening eerst, nadat het uitstapje gedaan was, in te dienen. Hier had hij een fooi moeten geven en daar een fooi, om dit of dat te zien, en dan hij zelf... Kortom, hoe wij ook tegenstribbelden, er zat niets anders op â en wij betaalden. Doch laten wij op ons
17
verhaal terugkomen. Terwijl we zeer hevig door de golven werden heen en weer gezweept, en 't âakkoordquot; gesloten was, begon Abraham aldus. Ik geef terug wat ik uit zijn ratatoe van talen verstaan kon.
âTk ben Abraham, Isaak en Jacob. En gij zijt Fransch-tnannen? Neen, Nederlanders, Dnitschers? Neen, Hollanders?
Ah! Hollanders, goede kaas, boter zeer goed en goed.....quot;,
hier maakte hij een gebaar, waaruit ik meende, te mogen verstaan, dat hij Schiedammer bedoelde.
âVroeger kwamen te Alexandrië vele Holl. schepen, maar nu niet meer, wat spijtig is, want de Kapitein N. was mijn vriend. Hij was een goede man en liet aan Abraham, Isaak en Jacob veel verdienen â- want Abraham, Isaak en Jacob is een goede vent â een heele goede vent, die niemand bedriegt. Als het een halve frank kost, geeft Abraham, Isaak en Jacob een halve frank; is het 2 pences, 2 pences â Nooit bedriegen, ik. A., I. en J. En dat wist de Kapitein â want vier in de twintig (24) jaar dien ik hier als tolk, en A., I. J. is altijd gebleven de âgood boyquot; â omdat hij eerlijk is en geen bedrieger, zooals er velen zijn, maar die zijn ook niet A., I. en J. Dat zegt A., I. en J. met de hand op het hart â en liegen â dat doet A., I. en J. niet. A., I. en J. is de beste tolk â hij kent vele talen (dat heb ik ondervonden!), kent het beste do stad (beter dan de talen) en zal u alles laten zien â want vier in de twintig jaar ben ik hier â vroeger woonde A.. I. en J. ver, zeer ver van hier in een groot schoon land, waar het zeer warm was. Nu maakt Abraham, Isaak en Jacob slechte zaken, want de Engelschen zijn gekomen, â en de Engelschen zijn geen goede menschen â nu verdient A., I. en J. niet veel meer. Vroeger won A., I. en J. altijd 20 frs. soms drie in de dertig (33)â maar nu ... o, die leelijke Engelanders, nu verdient A., I. en J. maar weinige franken en A., I. en J. moet twee vrouwen onderhouden en zes kinderen; zes kinderen, die veel eten en klein zijn â kleine en groote â maar allen veel, zeer veel eten. A., I. en J. heeft geen geld om meer vrouwen te hebben, A., I. en J. heeft er slechts twee, en moet veel werken, hard werken, altijd werken, en toch verdient A., I. en J. niet veel â omdat die Engelauders gekomen zijn â en allen handel bedorven hebben (ik denk dat het woord handel âafzetterijquot; beteekent â in die veronderstelling zijn de Engelschen zeer slecht geslaagd, niettegenstaande de bewering van A. 1. en Jacob.) Met gebalde vuist dreigde hij een Engelschen steammer, die zich weinig aan die aardigheid stoorde.
18
Hier wendde onze âCiceronquot; zich tot Mgr. tax Koot â en met de hand op zijn geweten verklaarde hij, dat Mgr. van Koot was een âgood boyquot;, wat hij een beetje later ook van mij verklaarde, terwijl hij ons zijne zwarte dikke hand toestak en plechtig getuigde (voor de hoeveelste maal ?) dat A., I. en J. een goede vent, een eerlijke vent was, die goed gezien was op de boot, die iedereen kende (ik wil het gelooven, als hij iedereen afzet, dan onthoudt men hem best), die de achting der passagiers (sic.) en van Kapiteins en officieren genoot.
Onder het zaniken van dit vervelend verhaal kwamen wij aan wal â en aangezien ik denk, dat gij even vol zijt van A., I. en J. cn zijne eerlijkheid als ik, ga ik er toe over, om mijn kijkje te Alexandrië te beschrijven. A., I. en J. zal onze gids en tolk zijn. Ik zal hem echter â (ik zeg dit tot uw verlichting en troost) niet meer sprekend opvoeren.
V. Alexandrië.
Aan wal aangekomen volgden wij onzen tolk, die, duwend en stuwend, zich een weg baande door de vele sjouwers, pakjesdragers, wegwijzers, nieuwsgierigen en rijtuigverhuurders. Voor een open rijtuig, welks âgroenende lentequot; ook reeds lang tot de geschiedenis behoort, hield hij stil en wenkte ons in te stappen. Het hitje er voor was maar een mager beestje, dat aan overvloed vau haver niet zal sterven. Toch kon het goed loopen en hield het langer vol, dan menig goed gevoederd paard van een Nederlandschen huurkoetsier. De intrede in Alexandrië is alles behalve dichterlijk: oude barakken van huizen, ingestorte woningen en wat verder op de vele puinen door 't Engelsch e.scader in Arabi pacha's tijd hier geschapen. De Arabische stad is een meesterstuk van smerigheid, winkels zonder tal, uitstallingen op straat voor den voet, werklieden, die hunne tenten buiten Itun werkhuis hadden opgeslagen met de vleet, en âmost horrible!quot; rond venters, bedelaars en afzetters in ontelbare hoeveelheid. Het volk, dat uit Egyptenaren, Arabieren, Turken, Zanzibaristen, Negers en nog andere kasten bestaat, is zeer schamel, vuil en zonderling gekleed. De tulband is den Mahomedaau heilig en siert of ontsiert het hoofd van den inlander. Zijn schoeisel kost hem weinig, aangezien moeder Natuur hem dit, zooals aan eiken sterveling verschaft heeft. Slechts enkele meer deftige ingezetenen zag ik met
19
sandalen of sloffen. Kousen. hfb ik bij den gewonen man niet gezien. Over eene breede witte broek draagt hij een lang wit kleed, dat hem tot aan de kuiten reikt en meestal wit was geweest; eenigen droegen ook gekleurde, rijkere, zelfs met bloomen gestikte kleederen. Ofschoon voor ons de luchtgesteldheid reeds warm was, scheen het voor de inlanders, aan Afrika's klimaat gewoon, wat te frisch â en zoo droeg onder anderen onze A., I. en J. een dikke blauwe overjas, allerwaarschijnlijkst een afgedankt erfstuk van den een' of anderen Europeaan. Haar beste dagen waren in alle geval voorbij, en hier en daar vertoonde zij maar al te zeer de sporen van den vernielenden tijd.
De Mahomedaansche vrouw is zeer zedig gekleed, zij draagt lange kleederen; een groote zwarte of donker blauwe, soms donker grijze doek, bedekt hoofd en haren en hangt in dubbele plooien tot aan de enkels af. Haar mond, kin en hals zijn in een dichten sluier gehuld door een ijzeren haak, die door een hol bamboestokje loopt, aan den doek, die 't hoofd bedekt, verbonden. Zulke overdrevene of beter bestudeerde zedigheid, zoo'n exentrieke vermomming, zoo'n ge-dwongene en bespottelijke verberging van haar gezicht â dankt men den godsdienst van Mahomed, die voorschrijft, dat de vrouw niet dan gesluierd in 't openbaar verschijne. De reden daarvan begrijpt men. Niettegenstaande deze wet, zag men er toch velen, die enkel een doek over de hand droegen, dien ze, zoo noodig, zoo snel mogelijk voor haar mond hielden. Deze uiterlijke, wettelijke en gedwongene ingetogenheid neemt niet weg, dat de Mahomedaansche vrouw ruim zooveel aan Eva's euvel (de nieuwsgierigheid,) mank gaat, als onze Europeesche schoonen â en aan hare oogen ruimschoots den kost geeft. De Mahomedaansche âdamequot; schijnt gaarne hare voeten te versieren en mij dacht, dat zij er zooveel werk van maakte, als de Europeesche van haar kapsel. Zelfs de armste vrouwen droegen om haar enkels zilveren of verzilverde banden, terwijl nette en schoon gestikte kousen en fijne schoentjes met hooge hakken en bonte strikken den voet der rijkeren omgaven.
De kinderen waren bijna allen haveloos en arm gekleed â en uiterlijk echte smeerpoesjes. Wat het lieve âFransjequot; van Mevrouw uit de Camera Obscura te veel toilet maakte, mocht deze âspes patriaequot; â och arm! â wel dubbel en dik hebben. Niettegenstaande dit gebrek aan Hollandsche reinheid, vond ik vele dier kleine zwarten, met hunne schoone handen, fonkelend zwarte oogen, die zoo schalks in hunne holten rolden, met hunne harde, schetterende stemmen, met hunne fiksche knuisten en knieën, die bij do meestcn zichtbaar waren, en in den zomer
20
(lcnkolijk altijd zichtbaar zijn â vond ik vele fliov kleine zwarten lief en dartel, levendig en levenslustig.
Hoe zalig, wien de jongenskiel Nog om de schouders glijdt !
Dan is het hemel in de ziel En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard Verrukken 's knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.quot;
Dit versje kwam mij te binnen, toen ik den Afrikaanschen knaap, met innig zelfgenoegen in 't water zag plassen, slijk zag treden en lustig springen en vechten. Helaas, niet Bröder zult gij tot uw pijn krijgen, geen Weyting tot torment â gij speelzieke zwartjes â och wat ware zulks weinig, en hoelang zoudt gij dan nog uw zorgloos kinderleven kunnen rekken, hoelang nog onbekommerd en vroolijk kunnen rondhuppelen en spelen, al zij het dan ook in modder en slijk! Ja dit ware weinig voor u, want weldra zult gij uitgestuurd worden om den reizigers een aalmoes te vragen en den vreemden door uw geween en gekerm, hetzij gemeend of geveinsd, te ontroeren, of te vervelen. Weldra zult gij door hardvochtige ouders rondgezonden worden, om geld te verdienen, zooveel per dag â indien gij niet wilt dat slagen u 's avonds treffen. Weldra zult gij op 't brandend zand moeten rondtrekken om eenige centen te verdienen, als tolk of gids of pakjesdrager; weldra zult gij uwe jeugdige armen moeten gewennen aan roeien en riemen, en uw lichaam aan zwemmen en duiken, om 't kleine geldstuk, door den Europeaan in zee geworpen, op te halen, â weldra.... maar neen, speel nu, huppel en dans in 't rond, want uwe vreugde is kort van duur, en zwaar is de rest uws levens, .... somber en droevig, troostloos en moeilijk. Ach! ware het ten minste vlekkeloos, en ware die arbeid verdienstelijk en geschikt, ware hij het middel en het onderpand van een eeuwig leven, van een eeuwigen troost, vat. een eeuwig geluk!
Maar laten wij verder rijden. Het gezicht wordt allengskens wat meer bevredigend. De stinkende oliereuk en de andere mindere aromatische geuren, die u tegenwalmen, verdwijnen; de overbevolkte hutten, gepleisterde huizen, over en over vol gepropte en met snuisterijen uitgepakte gebouwen, maken
2]
plaats voor schoone Europcesche winkels, met platte daken, voor groote bazaars en prachtige paleizen, tot dat eindelijk liet jeugdig groen van 't kleine maar geurige park in English square ii toeroept.
|
't Is Lente! Lente! Het feestgeschal Van Lente, Lente! Klinkt overal! |
Hoe geurt de wasem Der berkenspruit! Hoe zacht is d' asem Van 't vriendlijk Zuid! |
In weide en dreven, In vliet en pool Zwiert vroolijk leven, Is blij gewoel.
(Staring.)
Om kort te zijn, wil ik onkel zeggen, dat dit plein, met de aangrenzende breede straten, met 't ruiterstandbeeld van een pacha, wiens naam ik niet onthouden liob, en met het borstbeeld van generaal Wolselev, de pleinen van Brussel en Parijs niet ontsieren zou. Na voor een oogenblik de Europcesche beschaving, reinheid en smaak genoten te hebben, moesten wij wel de Egyptische stad door, waar een zakdoek goeden dienst bewees, en waar een wijl hardhoorigheid niet slecht te stade kwam. De beroemde Egyptische uien waren hier in overvoed, maar bekoorden mij niet â evenmin als dc dadels en bananavriichteu. Voor ecuige oranjeappels met nog versch groen bezweek ik in de bekoring â en gaarne beken ik, dat ik er geen berouw over heb, want zoetsappiger, geuriger en smaakvoller dan deze, had ik er nooit geproefd. Na een ritje door vuile, kronkelende, ongelijke straten â hoe dikwijls vreesde ik dat ons rijtuig stuk vloog! â kwamen wij buiten de stad, waar dc schoone breed gekroonde palmboom, de groene banana, de bloeiende perziken en de vele andere deels veelgetakte, deels slanke boomen en 't geurige gras met lieve bloempjes, verkwikkend en lief, mijne oogen streelden.
Zoo bewonderden wij er den 35 meter hoogen en 4 meter breeden obelisk, uit Pompve hierheen gevoerd, waarvan onze tolk de merkwaardigste en ongcloofelijkste aardigheden wist te verhalen, terwijl een ander zeer gedienstig rondventer ons een stuk graniet er van (âechte, juist gelijkendquot;) voor een piaster aan de hand wilde doen. Wij bedankten voor zijne gedienstigheid, eerlijkheid en gulhartigheid â en lieten deze liefhebberij aan de Engelschen over. Aan den voet van de hoogte, waar de obelisk op troont, ligt het Arabisch kerkhof. In âeen winter
22
te Davosquot; heeft Pater Joxkbloet den somberen weemoed beschreven, die u tegenwaait bij een bezoek op het Davoser kerkhof, en ik geloof, dat liet gevoel, dat in ons verwekt wordt bij 'tzien van die rustplaats van zoovelen, behoorende tot alle natiën, tot alle standen, tot alle godsdiensten, tot allen leeftijd, werkelijk somber en droevig, akelig en verpletterend is. Maar wie geeft terug het koude en eentonige, het akelige en terugstootende van deze rustplaats? Niet enkel wuiven hier geen eypressen, noch geuren er bloemen in bonte mengeling â maar 'toog ontwaart niets, niets dan langwerpige of afgeronde, wit gepleisterde graven, met twee tamelijk breede, van voren en van achter geplaatste witgeverfde stokken of steenen, vermeldende in Arabische taal de namen en den ouderdom van den overledene, als ook de deugden, waaraan ik helaas maar al te zeer mocht twijfelen. Niets, niets spreekt hier tot het hart â niets, niets spreekt troost, niets, niets van opstanding, van toekomst van beter leven, van hoop op terugzien! Hoe naar was ik te moede bij dat gezicht, zoo somber, en vervelend, bij die graven, alle elkaar gelijkend en schitterend in den gloed der Ooster-zon; bij die dooden, die daar rusten â en aan wie in vroeger dagen âeen hemel van zingenotquot; de laatste toekomst, de gewachte zaligheid, het hoogst genot toescheen!____
Van hieruit reden wij langs liefelijke dreven, schoone villa's, meest door Engelschen bewoond, en langs de koele en verkwikkende oevers van den Nijl. Elk Egyptenaar zal u spreken, maar spreken met liefde, met geestdrift van den Nijl, van dien koning der stroomen, wiens water in frischheid en goeden smaak voor gcenen onderdoet, en terecht. Niet echter wat de frischheid en koelheid der rivier aangaat â want het water, dat ik er van dronk, scheen me flauw en weinig verfrisschend toe â maar wat de vruchtbaarheid betreft, die zij aanvoert, en de voedingsstof die zij meesleept; hierover mag de bewoner der Nijlstreek zich verheugen, en met dankbaar hart den lof en roem van âzijne rivierquot; zingen. De Oudheid stelde den Nijl voor onder de gedaante van een liggenden grijsaard, omgeven door een ontelbaren kring van kinderen. En inderdaad de Nijl is de vader van Egypte, want zonder hem â wat zou er geworden van de landerijen, wat van den oogst, wat van de uoodige voedingsstoffen! Zonder zijn mestend slib, dat hij telken jare op geregelde tijdstippen achterlaat â wat zou er geworden van Egypte, wat van de bewoners zijner oevers?
Tegen 20 Juni kleurt zich het water groen en begint te stijgen. Terwijl de was langzamerhand vermeerdert, worden de wateren meer witachtig; tegen den 20 Juli hebben ze weer
23
een ander kleed aangetrokken en zijn rood, totdat het kostbaar slib, dat ze met zich voeren, heu in eene bruine pij gestoken heeft. Wanneer tegen half Augustus de Nijl de helft zijner hoogte bereikt heeft, wordt te midden van vreugdefeesten en voiksvermakelijkheden de dijk doorgestoken en het water bevochtigt, bemest en voedt de omliggende streken, maakt hierdoor de dorre streek tot vruchtbaar land, en zorgt dat de bewoners niet weg kwijnen door honger en gebrek, of schuil- en woonplaats moeten zoeken in streken, die hun kinderoog nooit aanschouwde, en die hun geboorteland niet zijn.
't Is pas sinds (30) 1858, toen de Engelsche reiziger Speke aan de boorden van 't Victoria-Nejanza meer, 1300 meter boven de zeevlakte gelegen, aankwam, dat de bronnen van den Nijl ontdekt zijn. De Zuidelijkste bijstroomen van dit meer zijn de Chimeyou en de Kaguera, en deze kunnen gerust als de bronnen van den Nijl beschouwd worden, die de niet te versmaden lengte doorloopt van 6.400 kilometers.
Na met onzen A., I. en J. een kopje Tnrksche koffie gebruikt te hebben, brachten wij een bezoek aan den ouden tuin der Khediven, tegenwoordig eene publieke wandelplaats, waar het oude paleis met zijne groote iiarems een treurige getuigenis aflegt van de weelde en Oostersche pracht, die onze tolk er ons van verhaalde.
De tuin, ofschoon nog niet gesmukt met den tooi zijner rijke bloemenkleedij, bekoorde echter mijn oog, nog aan sneeuw en ijs, aan regen en kou gewend. Schoon blonk de lelie, liefelijk lachte de roos, geurig wuifden anjelier en viooltje haar wel-riekenden balsem u tegen.
Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag.
Staan velden en hoven En telgen en haag!
Die tuin, waar men u met honderden ruikers â tegen een piaster a. v. b. â aanbiedt, is werkelijk een lustoord vooral in de lente. Wat rijke schakeering van bloemen en groen; wat schoone mengeling van allerhande kleuren; wat aangename geur, door ontelbare bloemen geschonken!
Van hier uit reden wij langs het Engelsch posthuis, langs de beuis, de Anglikaansche kerk en de Engelsche kazerne waar juist militaire oefeningen plaats hadden, naar 't tegenwoordig paleis van den Khedif. Schijnt, van uit zee gezien, dit paleis
24
indrukwekkend, grootseh en prachtvol, hoe teleurgesteld vindt gij u, wanneer gij dat dubbel koepelgebouw met platdak en lange vleugelen van nabij besehouwt. Behalve den marmeren en breeden trap, die naar de vertrekken van het paleis en naar den harem voert, vindt men hier niets van die Parijzer deftigheid, veel minder van die trotsehe Zuider-weelde. Bewaakt door eene Engelsehe en eene Egyptische wacht, staat het paleis de helft van 't jaar ledig â daar de Khedif met hofhouding zes maanden te Cairo doorbrengt â en is de binnen-tuin, tamelijk schoon, voor 't publiek opengesteld. Ik was spoedig âbeuquot; van 't zien, en na nog een ritje door de Arabische stad â¢â altijd even smerig en vuil â keerden wij naar de haven terug. Onderweg ontmoetten wij behalve een macht van ezeltjes, niet groote sterk gebouwde Arabieren er op, een geheel regiment zwarte en bonte schapen, met kromme horens, die mij ontzettend leelijk toeschenen, talrijke geiten, dromedarissen en enkele kameelen. Alvorens wij echter aan de haven kwamen, moesten wij eene begrafenis voorbij. Voorop gingen eenige mannen, koutend en rookend en alle met een paraplu gewapend, achter het lijk, in een vierkantige plompe kist, met een zwart laken er over; hier achter een troep vrouwen, gekleed in 't zwart, zooals ik ze boven beschreven heb. Droefheid was weinig op't weinig zichtbare gelaat te lezen â en haar rond turend en nieuwsgierig oog bewees volstrekt niet, dat haar hart getroffen en er wee was in hare ziel. Die koudheid en gevoelloosheid, dat âin den grond stoppenquot; zonder plechtigheid, zonder dat de godsdienst die laatste eerbewijzing, dat laatste huldebetoon komt verheffen en veredelen, trof me ten zeerste, en diep gevoelde ik, hoe hartverheffend, hoe troostend, hoe schoon eene Kath. begrafenis in 't dierbaar Vaderland is. Aan de haven aangekomen stapten wij in 't bootje,
âKrullebollen, vijf in tal,
Zoo te water als aan wal Kap als kikkers in een slootje,
Kozen van de friachte soort(?)
Kijken uit van 't wieglend boord.
(Van Hooff.)
en schommelden naar onze boot.
Op 't vaste uur koos onze steamer weer zee, en 't leven aan boord nam zijn gewonen gang. Nog lang echter keken wij, eerst met 't bloote oog, later met de verrekijkers naar 't wegkwijnende strand, totdat de afstand de verre Alexandrijnsche
kust geheel onzichtbaar maakte. Gelukkig â want liet is een waar geluk aan boord land te zien â konden wij nog eenigen tijd op de met palmboomen beplante zandkust van Afrika turen, maar ook deze ontvlood weldra onzen blikken en er bleef ons niets over, aan ons Nederlanders, dan een kleinen kring op dek te vormen, eene geurige sigaar aan te steken, over 't geziene te spreken, liet land te vergelijken en eene gedachte te wijden aan 't steeds dierbare Nederland. Zoo zeilden wij verder, totdat de slaap ons beving en wij aan den ingang van 't kanaal van Suëz ontwaakten.
VI. 't Kanaal Aan Suëz, Heilige Mis, de Roode Zee.
Aangezien het nog geheel vroeg was en duisternissen nog overal haren dikken sluier hadden uitgespreid, kon ik van de .stad Port-Saïd, hoe schoon verlicht ook, weinig of niets zien. Onze machine nam hier voedingsmiddelen op en 't eenige wat mij den slaap uit de oogen dreef, was het helsch lawaai, dat onze Arabische kolendragers hier maakten. Na slechts een paar uur oponthoud gingen wij 't kanaal binnen, waar, dank zij de elektrische verlichting van dc boot! ook bij duisternis mocht gevaren worden.
Het lust mij, hier eenige historische herinneringen omtrent dit reuzenwerk bij te brengen.
j)e Egyptische koning Nekas had reeds in vroegere dagen getracht eene verbinding te scheppen tusschen den Xijl en de Roode-Zee. Dit kanaal, voortgezet door Darius, voltooid door Ptolomeus II, werd opgegeven reeds voor de aankomst der Romeinen, toen heropend door Anion, tijdens de Arabische oppermacht, maar weldra met zand gevuld. Toen de generaal Bonaparte, later Keizer Napoleon, zijn roemrijken veldtocht in Egypte ondernam, ontwierp hij het plan om Alexandrië en Suëz door een sluis-kanaal te verbinden. Dikwijls werd dit onderwerp door de Fransche ingenieurs op 't tapijt gebracht, gewikt cn gewogen, totdat eindelijk Ferdinand de Lesseps in 1854 opnieuw er mee voor den dag kwam, het onderzocht, bepleitte en doordreef.
In 1856 stond de onder-koning Mohamed-Saïn het terrein af, en in 1858 vormde zich een genootschap tot dekking van de geldelijke kosten, die indien ik mij niet vergis tiOO.OOO.OOO francs beloopen hebben.
Niettegenstaande dc blinde en jaloersche tegenwerking van
26
Engeland, dat nu sinds 1883 gaarne het kanaal in zijn bezit zou willen hebben, werd het in tien jaar tijd (1859 tot 1869) voor 't verkeer geopend. Voorzeker een der grootste werken dezer eeuw, en een der nuttigste voor zeevaart en handel. Het verkort den weg van Marseille naar Bombay met ongeveer 3000 uren, wat nog al iets zeggen wil.
Het kanaal, dat eene lengte heeft van dertig uur, mag slechts langzaam door zeeschepen doorloopen worden, zoodat wij er ongeveer 18 uur voor noodig hadden.
Het kanaal van 8uëz had voor mij echter een geheel ander genoegen. Kalm natuurlijk, zonder schommeling van de boot, had ik hier het geluk weer de Heilige Mis te mogen lezen. W as de kajuit, waar ik verplicht was te lezen, arm, meer dan arm, herinnerde de inrichting van altaar en toebehooren aan eene missie-kapel, toch trilde nooit van meer liefde mijn hart, toch bad ik nooit met meer gevoel, met meer innigheid eu geloof, toch kwam de gedachte aan Jesus' liefde in Bethlehem's stal, in Jerusalem's Cenakel en op Golgotha's kruin mij nooit zoo te binnen, als op het oogenblik, toen mijn God en Schepper in dit armoedig en schommelend verblijf'in mijne handen nederdaalde. Toen herinnerde ik mij de laatste strophe van een aandoenlijk versje van J. C. Alberdixgk Thym.
âArme kribbe, bloedig kruishout,
âEenzaam altaar, 'k hoor uw stom;
âZoo bemint een God de wereld!
âZoo bemint de weield Hem!
Te Part-Saïd stapten twee Zusters van Liefde, die reeds vijf maal de reis gemaakt hadden; een van haar gaf mij een schoonen Rozenkrans van korrels, door haar zelve in den tuin van Oliveten geraapt!, gereinigd en geketend, ten geschenke. â Toen wij Port-Saïd, de geïmproviseerde stad met kolossale haven, verdedigd door twee hoofden van 4 kilometer lengte, verlaten hadden, had de zee ons natuurlijk vaarwel gezegd, en zeilden wij langzaam en aangenaam over de stille wateren van Suëz, nog niet zoo breed als de Maas te Maastricht. Hier en daar echter verdwenen plotseling de oevers, om een uur later weer te voorschijn te komen. Dit komt, doordat het kanaal verscheidene meren, o. a. 't meer van Amers, van Finisch, van Brallah, van Menzalcn enz. doorsnijdt. Het gezicht o]) die kale zandoevers, wier eentonigheid slechts hier en daar door eeuige kanaal-wachtershuizen âeu arme plantages
27
gebrokenquot; wordt, biedt weinig aangenaams. Aan uw rechterzijde loopt een telegraafdraad naar Suëz, en strekt zich een groot, onafzienbaar meer uit. Het aantal zeevogels, dat hier rondfladderde, zich met ijver cn snelheid in 't water wierp om 't voedsel, door passagiers er in geworpen, te grijpen, of' zich liefelijk op de zachte baren liet wiegen, was ontelbaar groot. Hier zag ik ook in de verte ceue gehecle rij groote vogels met langen hals, lauge beenen, roode borst eu witte vleugelen. â Van welke soort deze waren, behoorde lang tot het onderhoud van 't gesprek, de meeste reizigers wareu van oordeel dat het pelikanen waren.
Halverwege het kanaal ligt ais eene oasis in de woestijn de stad, â indien zij dien naam dragen mag â Ismailia. Waarom, met welk doel men hier zijne tenten komt opslaan, is voor mij een geheim, want
âWel somber is de woestenij Zóó dor, zóó eenzaam; als geslagen Met eenwgen slaap, zoo sluimert zij.
De tochten van den Simoun jagen Slechts wolk en stof' de vlakten door;
Geen halmpjen buigt zich op hun spoor,
Geen blaadjen ritselt bij hun uaadren; 't Is huivriugwekkend in dat graf'.
zong eenmaal
de geniale dichter der Aya Sofia in een zijner eerstelingen, en hoe waar schenen mij die verzen toe, toen ik aan mijn linker en weldra ook aan mijn rechter niets dan zand, dan stuivend, brandend zand zag. Hier en daar ontwaarde ik in de verte een Arabier, geheel alleen die woestenij doorkruisend. Welk een akelig lot!
Hoe onze stem ook daver' â neen,
Als antwoord galmt het om ons heen:
Alleen alleen, â geheel alleen!
Maar dat volk schijnt er aan gewoon â en die eenzaamheid treft hen niet meer. Die akeligheid is verminderd, die somberheid is gebroken door de gewoonte. Helaas!
Hoe brandend heet het mnlle zand ook was, hier en daar liepen er Arabieren van eiken leeftijd barrevoets door, aan de oevers schreeuwend: âpiaster, piaster!'quot; De passagiers wierpen dan eenige stuivers, oranjeappels, citroenen over â de eene aan den oever, een andere in 't water, en onze zonen der
28
woestijn haastten zich, ze op te zoeken. Ge hadt moeten hooren, wat hartstochtelijke kreten ze uitwierpen bij 't vinden van een stuiver, hoe krampachtig ze hunne trekken bijeentrokken, wanneer ze het geworpen gold niet konden vinden; hoe dol en los een schaterlach opsteeg en hoe flikkerend hun oog scheen, wanneer zij den buit bemachtigden â geld scheen hun eenigst genoegen, hun ziele vreugde; hartstocht zette hen aan, hartstocht overmeesterde hen, hartstocht voor geld, voor blinkend geld, was hunne drijfveer, hun geluk, hun zaligst genot. Hoe schenen mij die wezens, door den duivel van 't geld aangespoord, soms satanisch toe â hoe afstootend; hoe afschuwelijk; helaas! zij weten niet beter .... wanneer zal de Zon van 't ware geluk, van 't eenig genot hen verlichten?
Tegen den avond of beter 's nachts konden wij, met verrekijkers gewapend, uit do verte het licht van Suëz zien.âMerkwaardigs biedt de stad niets â- en ik was blij, dat bij onze afvaart de boot zijn slentergang verliet, en vollen koers zette in de Eoodo Zee. Wie hoeft nooit hooren spreken van de Roode Zee? Wie herinnert zich niet uit de dagen zijner kindsheid de geschiedenis dor Fsraëlioten en der Egyptcnaren ? de oenen do zee doortrekkend met droogen voet, de anderen in de baren omkomend. Maar waarom noemt men die zee de âRoode Zooquot;? Deze vraag kon mij niemand beantwoorden. Is hot, omdat de herinnering aan den dood zooveler duizenden Egyptonaren do gedachte aan bloed en dood bij de menschheid opwekt? Ik wil het geloovon. In alle geval de zee is noch âdoodscbquot; noch âverpestendquot;, noch ondragelijke dampen uitwer pond, zooals men mij verteld heeft â integendeel â maar wat geen zweem van waarheid had, was, dat hare wateren eono roode tint, of beter eeno geelachtige kleur zouden hebben. Het is blauw, helder, schoort, klaar water, 's avonds zeer sterk phosphoriseerend, hetwelk den reizigers een geheel aangenaam kijkje verschaft.
Toen ik nog student was op 't Bisschoppelijk College te Roermond, trad ik mot eenige kameraden eene herberg binnen te K. om onzen dorst te losschen. 't Was drommels heet dian dag â zoo heet hadden wij hot als do dikke man van âhoe warm het was en hoe verquot;. Een flinke vrouw, âdie niet op haar mond was gevallenquot; speelde voor kastelein. Ze verhaalde ons wonderen van haar zoon, die in Atjeh geweest was, en aangezien soms een spottende studentenlach om onzen mond speelde en een ondeugend knipoogje gewisseld werd â 't geen door do kasteleines niet onopgemerkt bleef â haalde zij alle brieven en aardigheden van haar zoon voor den dag. Onder deze aardigheden bevond zich ook eene werkelijk sehoone gekristalleerde
20
plant. Onze goede, dikke kasteleines, beweerde bij hoop; en laag, dat deze door haar zoon zelve in de âRoede Zeequot; geplukt was, en dat het roode, dat wij zagen, nog het bloed was van Pliarao en zijn leger. Ge begrijpt, hoe wij het uitproestten van't lachen. Ge begrijpt ook de verontwaardiging der vrouw, die ons met veel fatsoen de vleiende titels van, âdomooren, wijsneuzen, liberalenquot; naar 't hoofd slingerde.
Terwijl ik 's avonds Injna geheel alleen op 't dek zat, en 't prachtig verlichte uitspansel van den Zuider-hemel bewonderde, dacht ik aan dit genoeglijk uur mijner vroolijke studentenjaren, aan mijne vacantien te Lutterade en Oud-Vroenhoven doorge-bracht, aan de vroolijke vrienden die mij vergezelden, en met wie ik zoo menig plezierig uur gesleten heb, en een lach van vreugde steeg los en luidruchtig uit mijn hart. Wat zijn zulke herinneringen soms aangenaam!
Zoolang men de oevers der Roode Zee kan zien, ontwaart men bijna niets dan zand en bergen. Men wees ons vele bergen, van zeer aanzienlijke hoogte, van 2500 tot 2800 meter, â bergen wier naam ons de gewijde geschiedenis in 't geheugen riep, zooals trouwens geheel de omtrek doet. Het best was de berg âSinaïquot; zichtbaar. Behalve eenige schepen, die wij ontmoetten, eenige steden, die wij met verrekijkers kouden zien, andere, die werden aangeduid o. a. Mekka, maar die wij niet zagen, was het gezicht tamelijk eentonig. Enkel toen wij Mekka in 't verschiet kregen â dit deed ons aan de beroemde koffie van dien naam denken â- begon er wat meer verscheidenheid te komen. De kust werd allengs zichtbaar; wc voeren onder tal van lichtbaken de straat van Babel â Mandel door, en de vele en reusachtige rotsblokken en rotsbergen kondigden ons aan, dat weldra het rotsachtige eiland Aden zou opdagen. In den vroegen morgen, na lang en voorzichtig varen, landden wij er den 20s,en Februari aan, en ieder haastte zich aan wal te gaan.
VII. A d e n.
20 Februari. De haven van Aden beslaat eene buitengewone ruimte en is zeer onveilig, vandaar het langzaam en voorzichtig varen, vandaar de talrijke seinen en noodbakens. De boot ankerde wel eeii kwartier uurs van wal; in 'n oogwenk was geheel de boot met Arabieren en Arabiertjes, met Turken en Negers, met sjouwers en politieagenten bezet.
Evenals in alle havensteden van 't Oosten, krioelt het hier
30
van bootjes on roeiers en dreunt de lucht van âYes â ft la mer â piastre!quot; â do eenigste woorden die hun geheele dictionnaire vormen.
Hoe waar is liet, wat pater van Hooff in zijn âVangst der kleine Visschersquot; zingt;
Paarlend spat
't Koele nat Om hun wangen.
âUit de schuit!quot;
Eoepen ze uit,
Met gegiegel Springt het volkje, duikt meteen Komt weer boven.....
Hier moet ik de âcitatequot; ophouden, want iiier blijven onze âamphibiënquot; boven, terwijl ze daar âdieper in 't diepe meerquot; zinken. Werkelijk liet water is, zoo goed als het land, hun element. Ze zwemmen en drijven en duiken met een gemak, eene vlugheid, eene zekerheid, dat men hen voor 't water geboren zou achten.
Wij lazen eerst de H. Mis aan boord en kort daarna verscheen een broeder Capucijn van Aden, die zijne Confraters, een Pater en een Priester, onze reis-, disch-, en kajuitsmakkers kwam afhalen. Ook wij stapten in 't schuitje en
Op en neer Heen en weer Gaan de dobbers, â
Danst de kleine visscherssloep,
Onder 'tjuublen en geroep Van die onervaren tobbers.
Na bijna een half uur roeiens kwamen wij aan wal. Pakjesdragers in overvloed; â gelukkig hield de politie die lui, die als klissen aan u zouden hangen, op eerbiedigen afstand. â De Pater Capucijn werd afgehaald door de weinige studenten, die zij er hebben, en begaf zich naar Mgr. den Bisschop, waar wij hem later zouden weerzien. Degene namelijk, die Aden wil zien, zorge dit vroeg in den morgen of wel 's avonds te doen. De zon is er zoo stekend, zoo brandend, zoo gevaarlijk, dat ge de kleinste onvoorzichtigheid met don dood zoudt kunnen boeten. Een Pater missionaris verhaalde mij verschillende staaltjes van zulk een dood â van vrienden, die nog bij hem ggmiddag-maald hadden, en die, zijne waarschuwingen in den wind slaande.
31
een toertje in de zwoele lucht en verzengende zon maakten; â 's avonds meldde men hem hun dood.
Wanneer men Aden van verre ziet, ontwaart men niets dan masttoppen, en grauwe, ruwe, dreigende bergen. Hoe meer men nadert, hoe akeliger, hoe droeviger, het eiland u toeschijnt. Aan den oever liggen eenige huizen, een paar hotels met namen die sterk klinken âHotel de 1' Europequot; âHotel de 1' Universquot; enz. â men ziet er eenige, door de natuur gebouwde, door de krijgskunst ingerichte en versierde forten, â maar hoe men hier een stad op dat kale rotsgebergte heeft kunnen bouwen, hoe men millioenen en nogmaals millioenen heeft kunnen uitgeven, om hier een haven en een bewoonde plaats te maken â dat blijft mij een raadsel â, en men moet werkelijk Engelschman zijn, om zoo'n waagstuk te beginnen. Zeker hebben zij hier hun Aziatisch Gibraltar willen hebben, om den toegang tot den Indischen Oceaan en de Roode Zee in hunne handen te krijgen â dat begrijp ik; maar er eene stad, eene handelstad bouwen, daar waar zelfs't geringste voedsel niet groeit, waar zelfs het noodige drinkwater gefiltreerd zeewater is, dat met kameelen in groote kruiken, in lederen zakken, of in dichtgenaaide vellen naar de stad moet gevoerd worden, ziedaar waar mijn verstand bij stil staat, en waarvan ik de oplossing alleen kan vinden, door te zeggen: â't zijn de Engelschen lquot;
Nadat Pr. Piuxzen. een telegram, âdraadberiehtquot; zeggen de Vlamingen, naar Helmond gestuurd had, huurden wij een rijtuig, om een kijkje in 't zeer verwijderde en tamelijk hoog gelegen Aden te brengen.
Ik zou vergeten te zeggen, dat de wisselaars. Van welke de meesten afzetters zijn, met honderden rondloopen en hunne zilverstukken laten rinkinken. Op de boot vroeg men voor é6n rupel, twee en een halve frank â hier kreeg men voor 10 franken 5 tot ö1^ rupel, dank aan de tusschenkomst der politie.
Wij bestegen ons wit rijtuig, met een gespierd, vurig hitje bespannen â en een bont gekleedeu Arabier als koetsier en âen avant.quot;
Om nu te zeggen, dat men voor plezier zoo'n toertje zou maken â neen, warempel neen âwant het is in Aden zóó heet, dat men zich in 't voorportaal der hel zou wanen. De weinige huizen, die men reeds van uit zee ontwaarde, uitgezonderd, treft men op weg niets anders dan eenige ezeltjes of dromedarissen met water of met een Arabier beladen. De weggaat klimmend, en is vreeselijk eentonig â men ziet niets dan zand en rotsen en nogmaals zand en rotsen. Ik heb eens eene apologie op de Engelschen gelezen, omdat ze op Aden eene handelstad gebouwd
32
luulden. âLes Anglais voila des colonisateurs!quot; schreef men.â Ik kan die geestdrift volstrekt niet deelen. Dat Aden als versterkte plaats, als wacht van 't kasteel van Babel â Mandel, van groote, van onschatbare verdienste is voor de Engelschen, geef ik gaarne toe, â maar om op en in die rotsen eene handelstad te bonwen - och kom! Nn, handel heb ik weinig gezien, de huizen zijn arm; slechts enkele maken eene uitzondering â en geheel het aanzien, het uiterlijk van die witte gebouwtjes, door eene brandende heete zon beschenen, maakt slechts een droevig ett'ekt. 't Spreekt van zelf, dat wij de beroemde Artesische bronnen gingen bezichtigen. Meer dan eens heb ik gelezen en hooren vertellen, dat deze reusachtige en kolossale waterbekkens moesten dienen, om de stad van water te voorzien. Allemaal praatjes, üe putten waren zoo droog als een stokvisch, en om de vijf jaar ongeveer zijn ze slechts drie maanden dienstig tot bewatering der stad. â 't Is gefil-tereerd zeewater, door ezels, dromedarissen en kleine ossen naar de stad gevoerd, dat Aden tot drinkwater dient. Aan den ingang der vermaarde bronnen staat een boog met opschrift: âETonny soit qui mal y pense, 1887.quot;â Welke flaneur dat er op geschreven heeft, weet ik niet â maar ik vond het volstrekt niet âad rem!quot; Als waterbronnen der stad hebben ze weinig of geene verdiensten â dat zal mij niemand tegenspreken â; als grootsch-heid van inrichting, als reusachtig gevaarte, is het volstrekt niet het werk der Engelschen, maar van de Romeinen â en is het boven het âqui mal y pensequot; verheven. De Engelschen hebben de putten en leidingen enkel verfraaid en gecementeerd â meer niet.
Tot mijne groote verwondering zag ik hier en daar op die kolossale rotsblokken een verschen, frisschen, groenen struik. Hoe die er komt, tiert en weelderig groeit, weet ik niet ââ¢; maar denkelijk is hij er kunstmatig aangelegd.
Eene beschrijving dezer bronnen, alle van reusachtigeu inhoud, en die, zeven in getal, met elkander door kanalen in verband staan, is mij onmogelijk. Men moet zulks zien. Zij trotseeren alle beschrijvingen en zouden spotten met onzen goeden wil. Do stad zelf beteekent weinig â vuil, smerig is het Arabisch kwartier. Er was juist kameelen-markt, wat mij even weinig belangstelling inboezemde als de geiten en schapenmarkt te Alexandrië. Na een ritje door de stad hielden wij stil bij een Kath. Spaansch missionaris van de orde der Capucijnen, Pater Fraxciscus genaamd. Met gulheid, werden wij in de schamele woning ontvangen; â de missionaris bood aan, wat hij had, maar wat mij meer belangstelling inboezemde, was zijne werk-
33
zaamhckl gedurende 15 jaar. De eerste indruk, dien ik ontving, toen ik een blik wierp op dat volk, in Oostersche kleedij, levende van aalmoezen, van afzetterij, van pakjes drag en enz. was: liior is weinig te doen. â Het geld is liier de sleutel, die de harten sluit en opent, het geld doet hier het gevoel spreken en zwijgen, het is de drijfveer van al hun doen en laten. Ik had het niet mis. Behalve een stam in 't binnenland was er weinig hoop op bekeering. De bevolking, meestal gebukt onder 't kromzwaard van Mahomed, is voor elk gevoel van godsdienst ongeschikt. In den Mahomedaan is geen geloof, dat bestendig leven doet; â heden bekeerd, zal hij morgen de Moskeeën bezoeken, indien plicht, n gedwongen heeft hem eene berisping te geven; want er heerscht trots in die breede borst; â heden Katholiek in naam, zal hij morgen de leer van Mahomed volgen, wanneer quot;Der Honris lied weerklinkt op wulpsche wijsquot;. â Xeen, gedoofd i.s die gloed van ware liefde; gedoofd die godsdienstzin; gestikt dat hart; verwoest die gedachte aan 't geestelijke, aan 't bovennatuurlijke, aan dien God des Hemels â omdat hun oog alleen tintelt in den glans van 't goud, omdat hun hart alleen slaat op Bachanaalsche feesten, in liederlijke verlaging, in wulpsche braspartijen. â Ziedaar hetgeen âMahomed, de Zoon der Koreischieten, Van Hashem's eedlen stam, met d' adel der Zabrietenquot;, aan zijn volk, en aan hen, die hij door Koran en zwaard geknakt en verlaagd heeft, heeft weten te schenken! Hoe snerpend wreed, hoe bloedig klonk mij steeds het woord der missionarissen tegen: âVoor de Mahomedanen is geen hoop.quot;
âEn zijn er dan geen bekeeringen in Aden?quot;
En 't droeve antwoord luidde: âBehalve eenige kinderen, die ik in stervensnood gedoopt heb, heb ik in die 15 jaar van mijn missieleven yeene enlxcle ojireclde bekeering gehad of gezien.quot;
Maar wat doet de missionaris dan hier?
âBewaren hetgeen er is. Persoonlijk heb ik als aalmoezenier van 't Engelsche leger 't geestelijk bestier der Engelsche en lersche Katholieke soldaten.quot;
âMaar de Ieren ten minste, geven die u dan geen troost in uw dorren werkkring? âAch! wat zal ik zeggen?quot; luidt het â âKatholiek zijn zij, want waar de Ier ook ter wereld mocht zwerven, zoo dikwijls zijn oog een altaar of Katholieke kerk aanschouwt, roept hij uit:
âIk kies duizendmaal liever het graf aan uw voet. Dan een ander te omhelzen met trouwloos gemoed.'
Maar hoe weinig zonen van dat eiland der Heiligen en martelaars, van dat land, door den grooten Burke geschetst als het land,
3
zoo schoon, dat er gcon oord mcê te vergelijken valt;dat heerlijker dan welk eiland ook nit de golven oprijst, beschenen in toovorachtigen glans door zon en maan cn sterrenquot; â hoe weinig zonen van dat groene Erin hlijvon in praktijk getrouw aan dat geloof hunner vaderen, aan dut geloof, voor hetwelk stroomen hloeds gestroomd hebben langs lerlauds groene stranden! Neen hier geldt niet meer het lofgedicht :
Groen Erin, nu in 't licht der gouden zonnestralen.
Met uw smaragdenkrans
Om 't fiere en vrije hoofd, verjongd door 't zegepralen, Doorblaakt van gloed en glans;
Groen Erin, schoone bruid en schoone moeder tevens Welzalig iu uw kroost.
(Dr. SCHAEPMANj.
Neen dat lied geldt hier niet meer; â neen die schoone bruid is hier geen schoone moeder meer, gelukkig in hare schoone telgen!
Xa een bezoek aan de kerk gebracht te hebben, die tussehen een moskee en een protestantschen tempel gelegen is, en die, hoe armoedig ook, mij toch schoon scheen op dit dorre, dood-sche eiland, â na het weeshuis, door Zusters Franciscanessen bestierd, beschouwd te hebben, en door een vijftigtal negerin-netjes op een âAve maris stel laquot;, zeer goed uitgevoerd, getrakteerd If zijn â verlieten wij onzen goeden Pater Capucijn, niet zonder wee iu 't hart. Want is het missieleven in zich zelf reeds hard, vergt het ter volharding buitengewone gunsten des hemels en eene overgroote wilskracht â welke genade moet hier den missionaris niet overstroomeu; met welke taaie wilskracht moet hij hier niet bedeeld zijn, onder dien gloeienden heinel, op dat dorre rotsachtige eiland, te midden van volkeren, die u niet den minsten troost, niet de minste hoop op bekeering geven! Hier blijven leven, hier werken, om hier te sterven zonder de vruchten van zijn arbeid te zien: ziedaar ware heldenmoed! ziedaar ware grootheid!
Wij namen onze voorzorg om van zonnesteken, hier zoo veelvuldig en zoo gevaarlijk, bevrijd te zijn; bestegen ons rijtuig en rolden in volle vaart door 't mulle zand en langs de brandende steenen den berg af. Ik glimlachte onwillekeurig, toen ik die naakte grauwe rotskoppen aanschouwde, bij de gedachte, dat een Fransch botanicus mij op de boot vertelde, dat hij, na zes maanden op Aden vertoefd te hebben, meer dan 220 verschillende planten gevonden had. Mits nu de goede man gedurende die zes maanden altijd gezocht heeft, en
nog wel niet eonc Diogenes-Iarap in de hand, dan behoort zijn gezegde ten minste tot de wereld der mogelijkheden â maar ik zon hem toch wel een oortje hebben willen geven, als hij mij de helft van de collectie had willen laten zien.
Tegen half twaalf kwamen wij bij Monseigneur, die vlak aan de haven woont. Z. IX H. ontving ons recht hartelijk, en niettegenstaande ons plan, om aan boord te gaan middagmalen, wilde hij absoluut hebben, dat wij met hem zijn sober maal gebruikten. Wij troffen hier onze twee reismakkers, voor deze missie bestemd, ook aan. â Reeds luidden zij hunne zware pij voor eene lichtere verwisseld en hun hoofd met een biezen, door wit doek omspannen, buitengewoon broeden hoed versierd. Behalve nog een Pater Capucijn, wiens gezondheid door het ongezond klimaat blijkbaar was afgenomen, was er een Belgische broeder, die met de ongezonde lucht en de koortsen scheen te spotten. Bij de meestal kleine en magere mannen van 't eiland moet hij door zijne welgebouwde gestalte goed effekt gemaakt hebben. Toch heb ik hier onder de inboorlingen den grootsten en diksten vent gezien, dien ik ooit in mijn leven mocht aanschouwen. Ik geloof, dat ik niet te veel zeg, indien ik zijn gewicht op ruim 250 kilo schat. Mgr. van Koot was van oordeel, dat ik nog ver onder de waarheid bleef. Ik kon niet nalaten, mij hier de geestige ontboezeming van den humo-ristischen schrijver der Camera Obscura te herinneren:
âDikke mannen en dikke vrouwen van dit wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieën en voeten nog hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbeschouwing reeds lang hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw embonpoint, uw presentie, uwe corpulentie, spotten moge â in Hildebrands boezem klopt voor u een medelijdend hart.''
Hoe hard zou dit hart hebben moeten kloppen bij 't zien van dien kolossus, onder dit klimaat, onder deze zon, die het werkelijk te kwaad had! Doch ik wil zwijgen over dikke men-schen cn medelijdende harten.
Monseigneur, even vijftig jaar oud, droeg de sporen van een werkzaam en veel bewogen leven, van veel lijden en droefheid. Zijn oog, dat eens geflikkerd had in fonkelenden gloed, zooals het nu nog soms voor'n oogenblik kon doen, was meestal dof en star; â dat volle gelaat was bruin en ingevallen; dat voorhoofd was met diepe groeven doorploegd, en die eenmaal sterke en fiere gestalte ging gebukt en gebogen. â Do kracht, de mannelijke kracht, was er uit â want talrijk waren de jaren, die hij in Afrika als missionaris en bisschop had doorgebracht, talrijk zijne werkzaamheden en vermoeienissen, groot was vooral
36
zijn lijden in die verzengende streken, waar hij tot tweemaal toe als balling werd heengezonden, en mi nog als balling zon rondzwerven, hadde Z. H. de Paus hem niet tot Apost. Viea-rins van Aden benoemd en aldus een kihderloozen vader aan vaderlooze en verweesde kinderen geschonken. Met liefde sprak liij van zijn vroeger missieland, waarvan hij in 1882 tot bisschop benoemd werd, en dat hem verbannen had; met liefde en geestdrift van den grooten Kardinaal-Missionaris Massaia , wiens leerling en medehelper hij geweest was; â maar droefheid las men op zijn gelaat, wanneer hij over de onvrneht-baarheid van de missie van Aden sprak. âZiet gij daar, Mijn-heeren, die bergen ? Ziet gij die rotsen, die door wateren noch zonnestralen doorboord worden? â Ziet gij iioe naakt, hoe ruw, hoe dor, hoe onwankelbaar zij zijn ? Welnu even gevoelloos, even hard is het volk, dat aan hun voet leeft, of op hunne kruinen woont. Voorwaar â zoo het land, zoo het volk â ruw, wild, dor, rotsachtig!quot;
Deze diep gevoelde woorden troffen mij zeer â en ik vroeg mij af: ,,Hoe zal Ili zijn â hoe zijne bewoners? zoo verschillend van aard, ran taal en godsdienst ? Moge ik toch nooit die zelfde woorden moeten herhalen â maar moge ik ten minste vinden een volk, waar nog een greintje vuur, een weinig liefde in sehnilt â doch 's Heeren wil geschiede! Is het doel van ons werken een gulden oogst â zulks is toch niet de belooning. â Gode alleen is het bekend, wanneer het uur der verlossing voor de volkeren slaan zal.
Terwijl ik aldus zat te mijmeren, werd het allengskens tijd voor de boot; we stonden op, vroegen en ontvingen den bis-schoppelijken zegen van Monseigneur, die ons tevens beloofde voor onze lange en moeielijke reis te zullen bidden, opdat ze gelukkig ten einde mocht gebracht worden en verlieten liet eiland van Aden, de eerste werkelijke missie, die ik van nabij aanschouwd had, en die onuitwischbare sporen in mijn hart gedrukt heeft. Meer dan eens heb ik sinds nog uitgeroepen: âMijn God, welk eene missie, welk een heldenmoed!quot;
Getrouw aan 't gezegde âdat de Hollanders gaarne laat op zijn, ofschoon nooit te laat,quot; hetgeen eene fout zou zijn, kwamen wij onder de laatsten aan boord, maar toch nog tijdig genoeg om mee te varen. Lang nog staarde ik op dat eiland, dat als een reusachtig rotsblok zich uit de zee verheft âlang nog tuurde ik op die grauwe, kale toppen, dreigend en woest; lang nog mijmerende ik over 't geen ik gezien en gehoord had â totdat de schelle klok mij uit mijn âdroomerijquot; kwam wekken en aankondigde, dat het tijd was den inwendigen mensch
37
te versterken â oene roepstem, waaraan ik gaarne gehoor gaf, en waaraan ik nog weinig passagiers onwillig heb gezien, tenzij tie zeeziekte hare klauwen in hun maag geplant had.
VIII. Op den Indischen Oceaan.
26 Februari. Het maal was afgeloopen â en ouder gewoonte kropen de passagiers óp 't dek. Het was nog snikheet en de bries der zee deed goed. Zoo'n zitten op 't dek, of beter 't langzaam voortkuieren over 't dek is een gezellig iets. â Zie, hier zit eeue deftige Engelsehe familie, in al den glans harer waanwijsheid en pronkzucht (waarom draagt dat kleine meisje nu kort gesneden haar, en dat andere daar roode strikken op een zwart zijden kleed?) met verachting neer te zien op de passagiers der 2r'e klas, die voorbijgaan en op 't bovendek een rustig plaatsje komen zoeken. Ginds wandelt eeu edelgestrenge trotsche heer, waggelend als een eend en meer wind makend met zijne armen en buik, dan een der vroegere tamboer-majoors van 't Nederlandsche leger. Mijnheer is Engelschman en zal u met een brutale onbeschoftheid opjagen, indien gij 't ongeluk hebt, eventjes zijn stoel, dien hij niet gebruikt, tot rustplaats uit te kiezen. Op een leuningstoel ligt, zoo lang als ze groot is, een jeugdige vrouw, die al haar attentie verleent aan oen kroezelig, smerig schoothondje, dat beschuitjes en koekjes ontvangt, terwijl haar echtgenoot in een Engclscheu roman zit te lezen. Mier troont, want de familie
zit altijd op dezelfde plaats, het gezin van ür......, geneesheer
te Japan, die eene tweede wederhelft in Europa is komen zoeken en tevens het kind uit zijn eerste huwelijk met gouvernante naar 't verre vaderland voert. Zijn gezicht, zijn plompe gang, maar ook zijne ronde hartelijkheid zonder complimenten verraadt den Duitscher. Onder welke klasse ik zijne jonge, langgelokte vrouw moet rangschikken, weet ik niet. â Zeker is het, dat ze in fierheid keizerin Victoria-Augusta de loef afsteekt.
Ziet gij ginds dat troepje heeren staan? Treden wij nader. Luistert â slechts ecu voert het woord â o ik ken hem. â Wilt gij zijne geschiedenis? Hij maakt er geen geheim van, integendeel! Jammer dat hij niet aan elk hetzelfde verhaalt â hetwelk mij een waas van twijfel over zijne geschiedenis werpt. Ziehier in twee woorden, wat liij mij vertelde â de man is behept met socialistische begrippen: â In de laatste verkiezing
QQ O O
had liij als uitgever-redacteur eencr Courant zijn kandidaat voor de kamers wat te lievig verdedigd â hij had zich wat te hiiiteu gegaan. Maar zijn kandidaat kwam er met glans door (natuurlijk hoe kon liet anders?). Tot voorkoming van vervolging wegens pers-delict werd hij door tusschenkomst van zijn gepatroneerden kandidaat, die hem nu uit den brand moest helpen, op reis âwegens zakenquot; gestuurd, met een bagatelletje van 25.000 frs. traktement. Echt socialistisch! Hij begaf zich dan nu met zijn ega naar Batavia om liet Nederlandsch gevangenwezen en de inrichting van verbeteringshuizen na te pluizen en te bestudeeren. â Waarom hij daarvoor jnist naar Indië moest, begrijp ik niet, â want als in Frankrijk dc gevangenissen enz. niet beter zijn ingericht dan in onze Oost-Indische bezittingen - ach ja, waar moet het dan heen?
Nu, hoort gij hem redeneeren? AVaar heeft hij het over? Hij zegt iets over llio-de-Janeiro. Zou de man bij de verdrijving van Don Pedro aanwezig geweest zijn, of .... Maar neen âdans ma jennessequot;, zegt hij, en zijne eerste jeugd is reeds lang voorbij, niettegenstaande zijn pikzwarte, stekelharige baard, en golvende harenbos, waarvan nog geen enkel grijs haartje de zorgen voor de socialistische maatschappij, of de ernstige studie van de sociale kwestie komt verraden. Wanneer gij hoort, hoe snelvlietend die woordenstroom zijn mond ontschiet; wanneer gij ziet, hoe beteekenisvol hij zijne nooit stilstaande armen â niet slaat â maar werpt en draait en slingert, wanneer ge wilt letten op dien vlammeuden blik, die overtuigend u aanziet en u âzou verpletterenquot;; hadt gij de onvergeeflijke vermetelheid Mijnheer tegen te spreken (want hij is socialist, echt socialist), gij zoudt mecnen het âgenius der menschheidquot; gevonden te hebben â een titel, waarvan hij zich overigens maar al te zeer bewust is. âDat hij ook niet minister is!quot; â hoorde ik laatst een Nederlander schertsend, maar toch met eene ernstige tronie zeggen; â âde kerel is bepaald miskend lquot;
Hier liggen eenige Zwitsers, jonge, flinke, ronde kerels, een partij âJas Allemandquot; te spelen of te âsmousjassenquot; â terwijl kwinkslagen en âdie Wacht am Rhcinquot;, of een Zwitsersch berglicdje onophoudelijk hunne gespannen aandacht komt storen â een vroolijk gezelschap, waarmee ik zelve gaarne een kaartje zon leggen tot tijdverdrijf.
Waarom lacht daar onze Groninger, voor Manilla bestemd? âHet kereltje, het manneke is er,quot; roept hij mij toe â en ik zie den opperhofmeester, met ernstige, strakke blikken, kort-gesneden grijzen bakkebaard, met dito, maar bijna geschoren
ik zeggen van dien Chinees, die daar zoo verwaand en eigenwijs voorbijstapt ? De jongen is 2'i jaar, maar heeft quot;t uiterlijk van een veiitj'' van ! SI A 1!), heeft in de Engelsehe rechten te Londen gestudeerd en dut gedurende vier jaar. Jammer dat zijn Engelseh, dat hij ook nog iu dat kort tijdstip heeft moeten leeren, maar âpoovertjesquot; is â en dat hij zoo maar lials over kop, zonder voorbereidende studie, zich in den Oceaan dor rechterlijke wetenschnp gedompeld heeft; â maar om 't even, hij is zich bewust, liet buskruit te hebben uitgevonden, en waarom zouden wij liem niet bij die gedachte laten ?
Docii genoeg, gij mocht eens zonderlinge gedachten van mijne reismakkers krijgen. En dat wensch ik niet. Want onder onze passagiers zijn er vele, vooral Eransche en Duitsche, die effen af' netjes zijn, en wier gesprek niet enkel, hetzij geestig en tintelend, hetzij deftig en geleerd is, maar ook aangenaam en hartelijk. En daaraan heeft men groot gebrek op zee. Wij gaan dus zitten, en steken volgens echt vaderlandsche wijs eene sigaar op. In den beginne is het gesprek nog al levendig â⢠hoeveel mijlen de boot heeft afgemaakt welke lengte wij tegenwoordig hebben â Greenwich of Parijs â, dat de zee kalm of tamelijk onrustig is, â dat het heet, smoorheet vandaag is geweest , is natuurlijk schering en inslag van 't gekeuvel. Ik hoor onzen Groninger nog met geestdrift onder herhaald uitroepen van âzeldzaamquot; âwonderquot; âzonderlingquot; âach komquot; het Noorderklimaat verdedigen, tegen tic tropische hitte dezer gewesten, terwijl hij zich verwondert, dat Pater Prinzen de warmte boven de koude kiest. Voor hem is Db Genestet's land van mest en mist, van vnilcn kouden regen,
â't Doorsijpend stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol veens, onpeilbaar, slijk cn ondoorwaadbre wegen.
Vol jicht en paraplnies, vol kiespijn en vol kramp.quot;
het gezondste en 't aangenaamste, het verfrisschendste en ver-kieselijkste van alle landen. Al deel ik niet in alles zijne meening, toch zou ook ik Neerlands klimaat hoven de hitte van den keerkring stellen, waarbij de hitte van den âbrandend heeten vrijdagachtermiddag'^ in de nog niet genoemde stad dei-Camera Obscura maar kinderspel is.
haar, met zilveren teekcns op den kraag van zijn zwarten âmoiré-jas, terwijl hij met innig zelfbehagen zijn hand op zijn e, alias âbuikjequot; laat rusten, deftig schommelend voor
40
Soms overschrijdt ons gesprek ook wel eens de beperkte grenzen â en wordt er gesproken over de Nederlaudsehe politici, over de dichters en schrijvers van 't Vaderland en van andere landen, over deze of gene missie, haar moeielijkheden, strijd en toekomst, â maar deze gesprekken zijn niet zoo interessant, als wanneer ze geschieden in de koelte van een frisschen zomerdag âbij onsquot;, of bij den knetterenden haard in 't âjaargetij van sneeuw en ijs.quot; Och de hitte, de schommeling van de boot, liet eentonige van 't leven, de weinige beweging, die men zich op liet schip kan geven, en meer andere omstandigheden bovendien, werken alle mede om u een afschrik in te boezemen, voor alles wat inspanning, aandacht of moeite vergt. Allengs dan ook wordt het gesprek minder levendig en sterft langzaam weg, terwijl ieder op zijn leuningstoel gelegen, het schitterend uitspansel van den wolkeloozen Oosterschen hemel in stilte bewondert, en soms iemand opmerkt, dat de âNoordsterquot;, zoo laag staat, dat het âZuiderkruisquot; zoo schitterend is; of wel zijn blik star over de donkere, hier en daar phosphoresceerende, soms schuimende, soms door de maan schoon en helder verlichte wateren laat gaan â terwijl zijn geest naar 't dierbaar Vaderland, naar familie en vrienden zweeft, waar hij, voor een wijl, weer de zalige en onschuldige geneugten smaakt, zoo blijgemoed verlaten en vroeger zoo veelvuldig en gaarne geproefd. Dan komt soms wel een zweem van droefgeestigheid over n neerdalen, en gevoelt gij u zoo alleen, zoo afgezonderd, zoo naar op die onoverzienbare, beweeglijke vlakte des Oceaans.
âHé, het belt voor de thee!quot; â roept er een, âelk draait het hoofd, ziet vragend naar zijn buurman, of trekt zijn uurwerk uit, â de stoelen kraken, er komt beweging..... Men
neemt thee, of een glas citroenwater met koekjes â- men speelt wat dam of kaart, of men kout of keuvelt wat, of men gaat weer op 't dek. Ik ben altijd getrouw aan ons Zuid-Limburgsch gebruik, van een kaartje te leggen â en gaarne trotseer ik hiervoor eenige graden Celsius-warmte. fs de warmte echter te drukkend, zoo trekken wij met âons vierenquot;' naar 't dek, waar vier kleinere stoelen om een vijfden geschaard worden, die dan ook de eer heeft tot onze âkaarttafelquot; te mogen dienen. Langzamerhand wordt het 10 uur, soms wat later zelfs â en de meeste passagiers verdwijnen. Wij staken het spel, steken eene nieuwe sigaar of een pijp portorico aan, en gaan nog wat wandelen. Om dat uur wordt het gewoonlijk âlekkerquot; op 't bovendek, vooral aan den kant, waar de bries blaast.'t Gesprek is dan ook levendiger, men redetwist meer, men schertst meer.
41
men jokt meer, men joelt er meer, en 't is mij zelfs gebeurd, me o]) 't neuriën van een liedje te betrappen â iets, wat bij mij, dank aan mijne muzikale kennis? bepaald eene zeldzaamheid is. Soms echter leg ik me, na eenige toertjes op en afgeloopen te hebben, op mijn stoel neer, en gevoel hoe waar het âdolee far nientequot; kan zijn, terwijl ik de kwaje bui van Pater Jojtckbloet maar niet kon begrijpen, die in zijn âWinter te Davos'' den luiaard, die het eerst het ,,dolcequot; aan âfar nientequot; koppelde, tamelijk onzacht toetakelt.
En nu, het wordt reeds laat, en 't is tijd om naar bed te gaan â vooral als we morgen vroeg willen opzijn â welterusten!
Ik heb dikwijls in stomme bewondering 's avonds naar de ondergaande zon getuurd; â naar dat gulden oog, dat langzaam zich in zee schijnt te storten, en eindelijk als 't ware er in valt, zoo plotselijk verdwijnt het; ânaar dien heerlijken wolkeu-drom met goud omzoomd, somwijlen geheel doorlicht in schitterenden glans, en die als geschapen is, om een eerestoel te vormen voor de koningin van den dag. Jk heb soms, niet zonder glimlach gestaard naar de verder afgelegen wolken, in grillige bochten of zonderlinge figuren aan 't firmament geplaatst. Zoo was 't onder anderen gisteren avond juist, als of een reus op 't punt eener rots in gebogen houding, met een slaapmuts op 't hoofd, stond, terwijl hij met zijn profiel een afscheidsgroet bracht aan de verdwijnende zon. Maar meer dan eens ben ik 's morgens Morpheus' zachte armen ontvlucht, om van 't heerlijk schouwspel te genieten, dat ds opkomst der zon in deze tropische gewesten en op zee ons aanbiedt. Verwacht u niet op een rozig morgenrood, dat als de bode geldt van de aankomende vorstin â neen â slechts de plotseling met goudgerande dansende wolkjes zingen u toe:
De zoniie stijgt in volle pracht.
En met haar gulden glorieglansen Verdrijft zij van de blauwe transen De doffe neevlen van den nacht.
Een zachte, purperende gloed Vliet langs den oostelijken hemel.
En kaatst in lieflijk kleurgewemel ïerug in d' effen vloed.
Blij stijgt zij op in d'uchtend purperglansen Kleedt luelit en Oceaan in gtfuden dos En doet de stille speelsche golfjes schijnen Als 't stuivend zand der guldeue woestijnen.
.Ta voorwaar â die aanblik is schoon â dat panorama is schitterend, aangrijpend, bezielend! Rijk is die Oostersehe hemel in zijne stralende verlichting; schoon het westen in zijn bloedrooden glans; betooverend die pracht, waarin de Oceaan zich baadt â en die in schitterende glorie zich uitstrekt zoover uw oog maar ziet. Ja dat werk is den Heer der Schepping waardig en schijnt te spotten met al hetgeen de mensch meent voort te brengen in schitterende schoonheid en betooverende pracht. â
Doch laten wij niet te lang op 't dek blijven, want men gaat poetsen; â de reizigers, die het dek boven de kajuit tot rustplaats verkiezen, zijn natuurlijk verplicht op te staan, want, maar even rondkijkend, laten de matrozen het water iu volle stralen over 't dek vliegen â wee iiem, die niet wakker geworden of door de matrozen niet bespeurd is! Zoo herinner ik mij slechts een geval. Een Engelsclnnan offerde nog ruimschoots aan den god van den slaap en behoorde nog op verre na niet-tot de wereld der werkelijkheid. â Daar zijn ligstoel een weinig verborgen was, achter de vensters van de eetzaal der l8te klasse, die als luiken op eenige verhevenheid op 't dek zijn aangebracht, was hij door de matrozen niet bemerkt. De waterbuis werd gelegd; de machine zet zich in beweging; de breede straal vliegt er uit â over 't dek â en onzen Engelsch-man regelrecht tegen zijn kinnebak en over zijn vestje. Met éénen slag was de slaap over; en nu hadt gij dat leuke natte gezicht, dat verwilderd liaar,dat druipend heertje moeten zien! â Xa van den eersten schrik bekomen te zijn, sprong hij woedend op, en slingerde verontwaardigd eenige honderden eere-titels den matrozen naar 't hoofd, die, even als ik, zich geweld moesten aandoen om het niet uit tc proesten â eene manoeuvre die gebeurde, zoodra onze Engelsclnnan naar beneden was gedaald, om een nieuw pakje aan te trekken.
Wanneer gij mij zoudt vragen, of op de boot eenige afleiding bestaat, dan moet ik zeggen, dat deze karig is. Eenige sehoone vergezichten en natuurtafereelen; eenige vliegende vis-schen en dolfijnen, soms wel eens een enkele groote visch; een schip, dat in de verte voorbij gaat, en waarvoor onze steamer salueert, ofwel een driemaster, die niet gegroet wordt; eenige manoeuvres der matrozen, die de lengte van den rit afmeten, de snelheid van de vaart berekenen, den eenen mast neerlaten een anderen scheef trekken, â een vlaggetje hier neerlaten en daar hijschen; of koffers met donderend geraas komen optrekken; de zee die soms glad is als een spiegel, doeli slechts voor korten tijd, en dan weer woeliger wordt of soms de aar-
(li^licid heeft u ongevraagd een dronk zeewater op 't dek aan te bieden â iets dat ze mij al tweemaal deed â dit, gevoegd bij 't geen ik reeds ter loops als vermaak op de boot aanhaalde, zijn de eenige snaren, waarmee de viool van 't zeeleven bespannen is. â Ook is het zoo'n eentonig geluid, dat men waarachtig niet mnziekant behoeft te zijn, om te hooren iioe saai en vervelend, hoe weinig melodieus en streelend die muziek is. Maar och! 't is waar âmen heeft ook quot;balquot;aan boord â ten minste vóór een paar dagen is er een gegeven. Ofschoon de boot tot mijn grooten spijt weinig schommelde, viel het spel toch âmet eer en deugdquot; zooals Müe. vax Koot zich uitdrukte, in 't water, en er zullen we! weinige voorbereidselen, na zulk een frasco, gemaakt worden tot een nieuw. Dat mij dit verheugt, begrijpt men, want aangezien dat gespring op't bovendek plaats had, moesten wij natuurlijk het hazenpad kiezen â en ons met kajuit of onderdek vergenoegen.
Poeh hierover genoeg. Het werd langzamerhand l'7 Februari. Dr. S.mikts zou zeggen: âde vinger des tijds teekende op de cijferplaat der eeuwigheid den 27 Februari van't jaar des Heeren 1890.quot; Wij zouden dien dag op Ceylon aankomen. Het eiland deed mij hooge verwachtingen koesteren â die, ik beken het gaarne â niet te schande zijn gemaakt. In mijne studentenjaren had ik meer dan eens de geestdriftige beschrijving van dit eiland hooren voorlezen. Indien ik mij niet vergis, was deze van J. Haafnkr, â en trok men nu en dan wel eens onge-loovig de schouders op, of speelde het woord âbombastquot; of âoverdrijving'' u op de lippen. Of wij toen in onzen overmoed en onze bedilzucht niet of wel mistastten, zullen wij eventjes gaan zien. Tijgerjachten, gevaarlijke sprongen en boaslangen â heb ik niet gezien en laat deze voor Haafxer's rekening.
IX. Ceylon.
Heeds uren, voordat wij aan dit lustoord aankwamen, werden de verrekijkers er heen gericht. Er heersehte groote beweging aan boord. De reis van Aden was lang en eentonig geweest, en men verheugde zich weer om voet aan land te kunnen zetten â vooral op zoo'n bekoorlijk eiland. Weldra werd het reeds voor 't ongewapend oog zichtbaar â en hoe meer wij naderden, hoe slanker en schooner, iioe liefelijker en weelderiger.
44
hoe prachtiger en poëtischer liet zich aan ons oog voordeed. Welk een onderscheid niet Aden! Ginds slechts steile, ruwe, woeste, grimmige rotsen, waar geen spoor van leven zich tee-kende - hier daarentegen een weelderige natuur, niet hooge, slanke, groenende boschen, aangenaam gekranst door de roode daken der huizen, terwijl de hooge bergen hunne frissche kruinen zwierig ten hemel verheffen. Met ongeduld dan ook verbeidde ik de aankomst â om dit Dorado, dezen toovcrachtigcn lusthof te kunnen bezichtigen. Nauwelijks was dan ook het anker gelicht - of zonder veel te letten op de geldwisselaars, âZeedansers,quot; baliebijters of pakjesdragers, sprongen wij met ons drieën in een bootje en stapten weldra met een vergenoegd gelaat aan wal. De Overste der broeders van de Katholieke school, geloof ik, kwam âtrois Frèresquot; afhalen. Daar deze niet aan boord waren, nam hij, âfaute de mieuxquot; de drie Hollandsche âPèresquot; mee. Na een klein toertje door de Europeesclie stad, met hare kolossale gebouwen en prachtige hotels, namen wij een open, maar toch wegens de zonnestralen overdekt rijtuig, en reden in vollen galop door Colombo heen. Hier zag ik voorliet eerst do Japansche wagentjes, waarvan ik zoo dikwijls had hooren spreken. 'tZijn kleine rijtuigen op twee wielen, In plaats van een trekdier, neemt een inlander zijne plaats in â en loopt in vollen draf, terwijl het zweet hom langs het aangezicht stroomt, naar de bestemde plaats. Nog te weinig gewoon aan deze uitheemsche ver voer middelen, en nog te veel men-schelijk gevoel uit Europa bezittend â wilde ik dit nieuw karos volstrekt uiet bestijgen en gaarne beken ik, dat ik innig medelijden had met die menschen, die om hun kost te verdienen, of uit liefde voor ârupelquot; (bijna 2 frs.), zich zoo vernederden en aftobden. Na een blik op 't prachtig met fonteinen versierde en rijk begroeide park geworpen te hebben, verzochten wij wegens de warme zonnestralen, die bijna loodrecht op ons neerkwamen, den weg langs den zeeoever te nemen, waar wij ten minste de koele zeebries zouden hebben. Dit gaf ons tevens de gelegenheid, de inlandsche stad meer van nabij te zien, die mij natuurlijk meer belang inboezemde dan de schoone maar Europeesclie gebouwen. Bezichtiging hadden wij van onzen kant genoeg, en een klein lederbruin ventje, met pikzwart, krullend, afhangend haar, met fonkelend oog en sneeuwwitte tanden had den moed zich gedurende een kwartier uurs aan ons rijtuig vast te klampen, en zonder af te wijken, onophoudelijk zijn blik op ons gevestigd te houden.
Terwijl wij de inlandsche stad in stillen draf doorreden,, bewonderde ik menigmaal de schoone type van den Cingalees.
45
Deze niet zijne lange zwarte haren in een bos bijeengebonden, een ander niet liinge loshangende strengen, gene met krullende lokkenâmaar allen in wonderschoonen harentooi â schijnt mij de Cingalees tot de schoonste volkeren te behooren.
Onze kleine hitjes, die slechts verachting zouden oploopen, wanneer zij naast Hollandsche paarden stonden, zouden op hunne beurt onze harddravers van spijt uit hun vel zien springen, wanneer zij samen in deze hitte met geforceerden draf' zoo'n hingen rit moesten maken.
Het eerste bezoek brachten w ij aan 't noviciaat der broeders van de Katholieke school â een schoon gebouw te midden van den rijksten plantengroei, op een heuvel aan zee gelegen. â⢠Gelijk alle huizen in 't Oosten, was het âzeer doorluchtigquot;, dat wil zeggen, dat het behalve met een zuilengang, versierd was met talrijke openstaande deuren en vensters. Niettegenstaande deze voorzorgsmaatregelen, deed de zon ons toch ruimschoots gevoelen, dat zij hier de baas is. Ten laatste echter werd de lucht drukkend, zelfs benauwd heet â en men kondigde een onweder aan â dat dan ook werkelijk 's avonds losbarstte.
â't Is of de wolken samenpakken En door de luchten zwoel en heet,
Het buldren van de donderslagen,
Door d'ongebonden storm gedragen,
Zijn volle klanken loeijen deed!
Hoor hoe het immer verder rolt En dreunend langs de hecmlen holt En rondbruischt door het zwaatlend lover.
Kortom, de donderslagen waren zoo krachtig, dat wij meer dan eens opschrikten en meenden, dat geheel het eiland het onderste boven geschud werd. Zij was wel indrukwekkend, die machtige stem der natuur, die ratelend en rommelend voort-dreunde, terwijl ze meermalen door de bergen werd teruggekaatst. De bliksem was zoo lievig, zoo aanhoudend, dat men aan eene algenieene grootsche electrische verlichting zou denken, waarvan bij wijlen de machine in gebreke was. De stad Colombo biedt weinig schoons, weinig aantrekkelijks; des te schooner echter zijn de omstreken met hun weelderige planten en boomen en bloemen. Een der missionarissen echter, van de orde dei-Oblaten, (die bijna allen te Houtheni bij Maastricht hun Noviciaat gedaan hebben â een hunner heeft zelfs van nabij kennis gemaakt met de rivier âde Geulquot;' â wil ik eventjes tussehen
46
haakjes vernielden) scheen volstrekt niet mijn geestdrift over dat eeuwig groen, over die steeds geurige bloemen, over die slanke, steeds bloeiende of met vruchten beladen boomen te doelen. âOchquot;, zei hij, âdat is schoon voor eeuige dagen, voor nenige maanden, zoo ge wilt â maar altijd dat groen, altijd datzelfde gezicht â o, dat wordt zoo vervelend, zoo vermoeiend, zoo eentonig, dat men cr geen denkbeeld van heeft!quot; Een ander oud missionaris zei mij: âalles ging goed, hadden wij maar niet dat ongelukkig groen!quot; Toen herinnerde ik mij hot versje van Beets.
't Zij prachtig in 't Oo.sten,
't Zij heerlijk in 't Zuid;
Natuur sprei' er schatten En wonderen uit;
Het gijud moge er lokken,
De wellust of de eer,
â(.Tenotquot; moge er veel zijn,
âGemisquot; is er meer! â
Ik moet hier nog vermelden, dat wij door de Paters Oblaten recht hartelijk ontvangen werden en dat wij veel over Maastricht en omstreken, over Neerbeek bij Lutterade-Kra-winkel en omliggende dorpen (waar zij vroeger gewoond hadden) spraken. Ge begrijpt licht, hoe aangenaam mij die herinnering was aan de schoone dierbare streken, die ik zoo dikwijls doorkruist heb, en waar ik zooveel genoegen gesmaakt heb. Wij ontmoetten ook nog een oud missionaris van China, nu pastoor der Kathedralc-kerk alhier. Mgr. Vax Koot kende zijne oude parochie opperbest â en een gesprek over zijne oude parochianen deed het gerimpelde gelaat, dat van veel arbeid getuigde, nogmaals zicii ontplooien van vreugde bij de gedachte aan vervlogen geluk en doorgestaan lijden. Zijn huisbediende was twintigjaar in Jli verbannen geweest, en ge begrijpt licht, dat zijne geschiedenis mij veel belang inboezemde.
's Avonds werden wij verlustigd door duizenden en duizenden glimwormpjes â öt. Janswormpjes in eeuige plaatsen genaamd â die lustig en blij in do nu frissche natuur rondvlogen.
Hadden regen en onweer ons eeuige koelte gebracht, zij hadden ons nog meer meegebracht â namelijk een overgroote massa kwakende kikvorsehen, zingende krekels, gonzende muggen en bijtende moskieten. Ook getuig ik gaarne, dat ik, dank dit betooverend concert van Apollo's zonen, geen oog heb dicht gedaan, en met ongeduld naar het aanbreken van den dag begon te verlangen. Daar deze mij echter te lang uitbleef,
47
vond ik niets bctor, dan den nacht in den dag te veranderen, en in den helderen maneschijn een wandelingetje te gaan doen.
's Morgens lazen wij de H. Mis in de groote Kathedrale kerk, in Byzantynsehe .stijl gebouwd. Jammer dat het klimaat de reusachtige muren zoo ondermijnt. Onze Europeesche Katholieken zonden liet soms wel eens wat vervelend vinden, om in znlk eene kerk eene lange preek aan te hoeren â want stoelen ot banken staan er niet in. Niets dan matten, waar de bevolking op neerknielt, terwijl zij dc hielen als zitbanken gebruiken.
Ik was zeer gesticht over de eerbiedige houding en het vurig geloof dezer verschillende inlandsche stammen.
Het getal Katholieken is zeer aanzienlijk en beloopt voor 't Aartsbisdom van Colombo bij de 150.000, waarvan ruim 80.000 in Colombo zelf wonen. Het getal van't gehecle eiland, dat in drie vicariaten is ingedeeld, zal wel 250.000 bedragen. 'sMorgcns zagen wij Mgr. Brox.jean, Aartsbisschop van Ceylon. Middelmatig groot, maar sterk van bouw en breed van schouders als hij is, schijnt het klimaat weinig invloed op hem te hebben; dit kon ik niet zeggen van de veertig andere missionarissen, die er toevallig wegens eene geestelijke afzondering vereenigd waren. Dat groote donkere oog, onder die breede en borstelige wenkbrauwen, getuigde nog van moed en wilskracht, en die gespierde en dikke hand van kracht en sterkte. Moge Mgr. nog lange jaren zijne rijke ondervinding en groote begaafdheden kunnen gebruiken tot heil dezer schoone missie!
Van de inrichting der Broeders, van de scholen der Zusters wil ik niet spreken â de eene gelijkt de andere â maar alle leggen getuigenis af van de opofferende liefde der Katholieke Kerk.
Aan boord gekomen troffen wij er twee Zusters der Armen aan, die eene collecte op de boot kwamen doen voor hunne âoude mannen en vrouwen.quot; Zonder onderscheid van godsdienst gaf elk eene betrekkelijk rijke aalmoes. Eindelijk weerklonk dc bel, de stoomfluit deed haar akelig, droevig geluid weerschallen â en wij stoomden eerst langzaam en voorzichtig, daarna rapper en sneller âden grooten waterplasquot; in, die den naan draagt van Indischen Oceaan.
Zooals eenige dagen te voren was onze Oceaan zeer vreedzaam van aard en konden wij over de mousson-winden niet klagen. Hiervoor krijgt hij eene goede noot âin mijn geheugen en in mijne beschrijving.quot;
48
Atjeh. -Een onweer. - Straat van Malakka. - Singapore.
5 Maart. Op den Inclischen Oceaan zijn de schoone gezichten schaarsoh, buitengewoon scliaarscli, en 't zal dus niemand verwonderen, dat er een glans van vreugde oj) menig gelaat kwam, toen men in de verte weer land ontdekte. Gissingen bleven niet uit â en ofschoon men reeds lang gezegd bad, dat Atjeh weldra zou opdagen, waren er toch nog vele ongeloovigen onder de passagiers. De verrekijkers kwamen weer voor den dag â men giste naar de vlag, die boven de kruin van den berg wapperde â men redetwistte, men ontkende, men zag nog eens.... en wie weet, hoelang dit alles nog geduurd zou hebben, hadde de boot met zijne buitengewone snelheid ons niet nader en nader gevoerd. -â Er bleef geen t wij lel over. â Vrij en los wapperde onze nationale vlag, de Nederlandsche driekleur â en reeds boorde ik achter mij het bekende versje neuriën :
âZiet gij dat dundoek wapperen Van driederlije baan ?
Het is do vlag der dapperen Der vadren leeuwenvaan!quot;
Gaarne heken ik, dat ik bij 't zien van Xcerlands vlag liet Necrlands bloed mij in de aderen voelde vloeien â en dat ik met geestdrift het âdundoekquot; begroette. Krachtig drong de gedachte aan den geboortegrond zich bij mij op â en ik merkte, dat mijn hart ruimer en vrijer klopte.
De kop van 't eiland, waarvan wij hoogstens een twintig meter verwijderd bleven, is schoon en rijk met hoogc en breedgetakte boomen beplant, die echter, hoe verder men de straat van Malakka ingaat, schaarsch worden. Hier en daar zelfs bieden de hooge bergen niets dan zandplekken aan. Aan den overkant van den ingang der Malakka-straat ligt liet rotsachtig eiland Way, waar de Nederlanders iii den laatsteu tijd eenige kolonies gesticht hebben, als bewijs van bezit. Want het fiere en trouwe-loozc Albion begoii al 't hoofd om hoog te steken, en zijne lange vingers werden reeds zichtbaar.
Het zal wel niemand verwonderen, wanneer ik zeg, dat wij Nederlanders, bij 't zien dezer Nederlandsche kolonie spraken over liet vele bloed, dat er gestroomd heeft, het vele geld, dat Atjeh ons gekost heeft -â en over bet nog onzekere dezer
49
provincie. Langzaam en voorzichtig gingen wij de straat van Malakka binnen en hadden gedurende een paar imr nog een schoon gozicht op Sumatra; weldra echter onttrok de duisternis en ook de breedte van dc straat het land aan ons oog. Het was weer het oude spel â water en hemel, en hemel en water.
Wij gingen dan ook naar de eetzaal, waar een goed maal ons reeds lang wachtte. Wij deden eer aan de tafel â al verstonden wij ook geen jota van de schoon gesierde spijskaarten in Parijschen keukenstijl opgesteld.
Hierna ging ieder zijn weg en zette ik mij neer om wat te schrijven, want dc bus werd den volgenden dag gelicht âen ik was wel wat traag geweest. Dien avond echter zou Moeder Natuur ons nog eens op een âextraatjequot; verrassen. Zoolang ook hadden wij niets kunnen merken, dan dat het water nu groen dan blauw, nu helder dan donker, dat de hemel altijd helder en klaar, de lucht altijd warm was, dat men wel eens eene kleine verandering mocht hebben, vooral als men, zooals ik, gevoelde, âdat men voor matroos nu toch eigenlijk niet in de wieg is gelegdquot;, eene waarheid, die vele passagiers met mij gulweg bekennen. Wij schreven 4 Maart.
Terwijl ik dan rustig aan 't schrijven was in het salon, werden eensklaps dc vensters aan bakboordzijde dicht gemaakt â eene handeling, die u 't verblijf beneden bepaald onmogelijk maakt. Ik dacht wel, dat er wat te doen zou zijn â en reeds begon ik een greintje angst te gevoelen voor schommeling, of' beter voor 't effect, dat de groote schommeling bij vele passagiers voortbrengt. Ik ging dan op't dek. De meeste passagiers waren er. Aller bogen waren naar 't Zuid-Oosten gericht. Ik deed als de anderen en keek ook eens. De hemel was er pikzwart -â wij zonden onweer krijgen. Reeds was de wind aangewakkerd en bracht ons eene lekkere koelte, waarvoor ik hem nog dankbaar ben; in de verte stond het tirmament soms in lichter laaie; eenige passagiers begonnen al bedrukt te kijken, andere, waaronder vooral de dames, kozen reeds het hazenpad, om hierdoor een bewijs van moed en moederlijke voorzichtigheid te geven. Wij, Hollanders, zetten ons in een kringetje, zoo geheel gezellig, stopten onze pijp, cu begonnen zi-lfs met eenig ongeduld op 't eigenlijk losbreken te wachten. Het begon te regenen, eerst langzaam, toen harder en harder, en eindelijk zoo hard, dat een Japannees, die te Berlijn gestudeerd iiad, mij toeriep: âes ist kein regnen, sondern ein Wasserguss.quot; â en bepaald, het water viel er met stroomen uit, âalsof het geen geld kostte.quot; Ofschoon over liet dek een dubbel stevig doek strak gespannen
4
48
Atjeli. - Een onweer. - Straat van Malakka. - Singapore.
5 Maart. Op don Iiulischen Oceaan zijn de schoone gezicliten sehaarseh, buitengewoon sclmarsch, en 't zal dus niemand verwonderen, dat er een glans van vreugde op menig gelaat kwam, toen men in de verte weer land ontdekte. Gissingen bleven niet uit â en ofschoon men reeds lang gezegd had, datAtjeh weldra zou opdagen, waren er toch nog vele ongeloovigen onder de passagiers. De verrekijkers kwamen weer voor den dag â men giste naar de vlag, die boven de kruin van den berg wapperde â men redetwistte, men ontkende, men zag nog eens.... en wie weet, hoelang dit alles nog geduurd zou hebben, hadde de boot met zijne buitengewone snelheid ons niet nader en nader gevoerd. â â Er bleef geen twijlel over. â Vrij en los wapperde onze nationale vlag, de Nederlandsche driekleur â en reeds hoorde ik achter mij het bekende versje neuriën:
âZiet gij dat dundoek wapperen Van driedorlije baan ?
Het is de vlag der dapperen Der vadren leeuwenvaan!quot;
Gaarne beken ik, dat ik bij 't zien van Neerlands vlag het Neerlands bloed mij in de aderen voelde vloeien â en dat ik met geestdrift het âdundoekquot; begroette. Krachtig drong de gedachte aan den geboortegrond zich bij mij op â en ik merkte, dat mijn hart ruimer en vrijer klopte.
De kop van 't eiland, waarvan wij hoogstens een twintig meter verwijderd bleven, is schoon en rijk met hooge en breedgetakte boomen beplant, die echter, lioc verder men de straat van Malakka ingaat, sehaarseh worden. Hier en daar zelfs bieden de hoogc bergen niets dan zandplekken aan. Aan den overkant van den ingang der Malakka-straat ligt hot rotsachtig eiland Way, waar de Nederlanders in den laatsten tijd eenige kolonies gesticht hebben, als bewijs van bezit. Want het fiere en irouwe-looze Albion begon al 't hoofd om hoog te steken, en zijne lange vingers werden reeds zichtbaar.
Het zal wel niemand verwonderen, wanneer ik zeg, dat wij Nederlanders, bij 't zien dezer Nederlandsche kolonie spraken over het vele bloed, dat er gestroomd heeft, het vele geld, dat Atjeh ons gekost hoeft â en over het nog onzekere dezer
49
provincie. Langzaam en voorzichtig gingen wij de straat van Malakka hinnen en hadden gedurende een paar uur nog een schoon gezicht op Sumatra; weldra echter onttrok de duisternis en ook de breedte van de straat het land aan ons oog. Het was weer het oude spel â water en hemel, en hemel en water.
Wij gingen dan ook naar de eetzaal, waar een goed maal ons reeds lang wachtte. Wij deden eer aan de tafel â al verstonden wij ook geen jota van de schoon gesierde spijskaarten in Parijschen keukenstijl opgesteld.
Hierna ging ieder zijn weg en zette ik mij neer om wat te schrijven, want de bus werd den volgenden dag gelicht âen ik was wel wat traag geweest. Dien avond echter zou Moeder Natuur ons nog eens op een âextraatjequot; verrassen. Zoolang ook hadden wij niets kunnen merken, dan dat het water nu groen dan blauw, nu helder dan donker, dat de hemel altijd helder en klaar, lt;lc Inclit altijd warm was, dat men wel eens eene kleine verandering mocht hebben, vooral als men, zooals ik, gevoelde, âdat men voor matroos nu toch eigenlijk niet in de wieg is gelegdquot;, eene waarheid, die vele passagiers met mij gulweg bekennen. Wij schreven 4 Maart.
Terwijl ik dan rustig aan 't schrijven was in het salon, werden eensklaps de vensters aan bakboordzijde dicht gemaakt â eene handeling, die u 't verblijf beneden bepaald onmogelijk maakt. Ik dacht wel, dat er wat te doen zou zijn â en reeds begon ik een greintje angst te gevoelen voor schommeling, of beter voor 't effect, dat degroote schommeling bij vele passagiers voortbrengt. Ik ging dan op't dek. De meeste passagiers waren er. Aller oogen waren naar 't Zuid-Oosten gericht. Ik deed als de anderen en keek ook eens. De hemel was er pikzwart â wij zouden onweer krijgen. Reeds was de wind aangewakkerd en bracht ons eene lekkere koelte, waarvoor ik hem nog dankbaar ben; in de verte stond het tirinament soms in lichter laaie; eenigc passagiers begonnen al bedrukt te kijken, andere, waaronder vooral de dames, kozen reeds het hazenpad, om hierdoor een bewijs van moed en moederlijke voorzichtigheid te geven. Wij, Hollanders, zetten ons in een kringetje, zoo geheel gezellig, stopten onze pijp, en begonnen zdfs met eenig ongeduld op 't eigenlijk losbreken te wachten. Het begon te regenen, eerst langzaam, toen harder en harder, en eindelijk zoo hard, dat een Japnnnees, die te Berlijn gestudeerd had, mij toeriep: âes ist kein regnen, sondern lt; in Wasserguss.quot; â en bepaald, het water viel er met stroomen uit, âalsof het geen geld kostte.quot; Ofschoon over het dek een dubbel stevig doek strak gespannen
4
was â moesten toch velen eene veiliger selmilplaats opzoeken. Onze Gi'oningsclie reismakker, die een kijkje van niet meer dan een oogenblik over de leuning gewaagd had, was door en door nat en kon een ander pukje aantrekken. W eldra werd ook het rommelen van den donder harder en harder, en spoedig daarop dreunde de lucht in ratelenden roffel en blonk de helft van 't uitspansel in fonkelenden gloed, terwijl aan de overzijde de lucht van hloedroode tot rosachtige kleur overging. Grootse!) panorama, â dat mij onwillekeurig Haarnku's beschrijving van een âOrkaan te Madrasquot; in 't geheugen riep, waar âplasregens stortten op plasregens; waar alom donderslag op donderslag kraakte en reis op reis de lucht in lichten brand van weerlicht en bliksems stond.quot; Allengskens bedaarde het onweer â de bliksem werd minder flikkerend en hevig, de donder bedaarde, de regen hield op, en met ons vieren begonnen wij een partijtje te kaarten, iets wat ons op onze lange zeereis merkelijk den tijd verkortte en menig gezellig uurtje verschafte.
Behalve de passagiers, die uit wanhoop van beter hun lichaam reeds aan den Engel des slaaps hadden toevertrouwd, en zich aldus van den schrik voor een onweder, en van eene âin 't verschiet opdagende zeeziektequot; hadden willen vrijwaren â behalve deze helden en heldinnen, verschenen weer alle passagiers op 't dek en hcerschte er werkelijk weer leven en opgeruimdheid. Geen wonder, want na zoo'n warme, zwoele, drukkende lucht, weer eens vrije en versehe te kunnen inademen, zich te vergenoegen in een streelende en verfrissehende zeebries â is een genot, dat menigeen wel niet naar waarde weet te schatten, maar dat er daarom toch niettemin een is, waarvoor ik menig pleziertje wil opofferen. Na menigmaal geknord te hebben, dat men âden boerquot; niet ontving, na met innig genoegen den laatsten slag, als zijnde âhet avenirquot; (omdat men geven mocht) geslagen te hebben â werden de kaarten saamgepakt en gingen wij wat kuieren. Dunk zij do frischheid der lucht, wandelden wij nog lang over 't natte dek, totdat ook bij ons de slaap kwam aankloppen en wij ons aan zijne hoede toevertrouwden. 's Morgens sliep ik een gat in den dag â n)en bij ons, en toen ik op mijn pantoffels op 't dek verscheen, kon ik haast Dr. Schaepman nazingen:
Waar Malakk' en Sumatra,
Gebaad in éénen glans,
Dan naderen , dan wijken
In slingerenden dans.
Het gezicht op deze eilanden, of beter op de vele kleine
eilanden, die langs Sumatra's kust liggen, met dichtte en uitgestrekte hosschen beplant, is zeer schoon, en kondigt ons reeds den weelderigen plantengroei van Singapore aan.
De vele schepen en vooral de vele kleinere zeilbootjes melden ons, dat de haven nabij is. â Een kleine steamer brengt de loods aan boord, want het binnenstoomen is zeer moeilijk en gevaarvol, wegens de talrijke zandbanken. Onze âCongoquot; onder anderen had bij zijne laatste reis, toen hij wat weg wilde maken in den smallen inloop voor een Engelsch schip, dat door den typhus geteisterd was geweest, de droevige eer op zoo'n zandbank terecht te komen. Na herhaalde proeven om er at' te komen, kon hij een dag geduld oefenen, totdat de hooge vloed hem het wegvaren mogelijk maakte. De haven, door de natuur aangelegd, biedt een gansch dichterlijk uiterlijk aan. â Van beide kanten omgeven door schoone boomen en groen stiuikgewas, â zijn de eilandjes, er in gelegen, prachtvolle parken, die aan Europa's lusthoven met gemak de loef afsteken, terwijl van alle kanten, op de toppen der heuvelen, schoone âbuitenverblijvenquot;, bijna in bloemen en groen verborgen,'t gezicht nog komen verfraaien. Recht tegenover de lossingsplaats ligt een dorp of stadje op palen gebouwd, 't geen mij aan een Amsterdam âin 't kleinquot; deed denken.
Met moeite ankerde de boot â maar wij hadden het voorrecht, hier zoo maar direct van boord aan wal te stappen, dat ons 't bootje-varen en 't vervelend plagen der âbaliebij-tersquot;, zegt onze Groninger, bespaarde.
Ofschoon Mgr. Vax Koot vóór 18 jaren een 14 dagen hier had stilgelegen, omdat de boot vertrokken was, en hij dus de volgende moest afwachten, was de stad echter zoo veranderd, dat wij weer âperegrini in Jeruzalem, vreemdelingen in Jerusalem' waren. We huurden dus een open rijtuig en maakten hiermee een toer door de stad en omstreken, brachten een bezoek aan Mgr. den bisschop, die ons met eene treffende hartelijkheid ontving en ons geruimen tijd over Singapore en zijne missie onderhield. Mgr. Gasxiku, die vroeger een en twintig jaar in Tndie heeft doorgebracht en nu reeds twaalf jaar als bisschop te Singapore zetelt, is nog een krasse, sterke man, die nog weinig van de levendigheid en opgeruimheid van jeugdiger jaren verloren heeft. Al hebben de tijd en de beslommeringen des missielevens diepe sporen achtergelaten, al zijn zijne haren wit en verraadt zijn schoone, lange baard reeds menigen zomer (want lente is hier niet), toch is dat flikkerend oog nog helder; krachtig nog die stem; sterk nog die gespierde arm; slank nog die groote welgebouwde gestalte.
t)e stad Singapore is bijna geheel en al op zijn Chineesch gebouwd, en men behoeft geen arehitect te zijn noch kunstkenner, om te verklaren, dat die met papier bekladde, of bont-geverfde, of fijn gekanteelde en vergalde, alle eikaar gelijkende huisjes en huizen een armoedig schouwspel aanbieden. Om de eentonigheid nog vollediger te maken, hebben de Chineezen de aardigheid alle gelijke ambachten op ééne straat te zetten. â Zoo wonen bijvoorbeeld, alle smeden in eene rij, iets wat zeer plezierig is voor 't gehoor; ginds wonen allo winkeliers van potjes en pannekes; bier alle schoenmakers of kleermakers of timmerlieden, enz. enz. Ieder stalt zoo grootsch en zoo uitgebreid mogelijk zijne koopwaren of voortbrengselen voor zijne woning uit â; en aangezien men als pekelharing naast elkaar woont, begrijpt men licht wat eene Babylonische verwarring er hier heerscht. Nooit van mijn leven zag ik zooveel rijtuigen en wagentjes als hier â 't krioelt er als van sprinkhanen ten tijde van Pharao. Iedereen dan ook, die maar een greintje meer is dan een âpeuraadquot; of baliebijter, of die eenige âsapèken ' te verteren heeft, zet zich in zoo'n Japansch karretje en laat zich door zijn natuur- en gewoonlijk landgenoot voorttrekken. Hoe dat nieuwmodisch voorspan het volhoudt en vooral zoolang volhoudt, soms in de middagzon dezer tropische gewesten, is voor mij een geheim.
Is de stad, wat schoonheid betreft, eenige Campagnes en Engelsche gebouwen uitgezonderd, van weinig beteekenis, niet aldus de omstreken, wandeldreven, tuinen, plantsoenen, lusthoven en wat dies meer zij. Schooner dan deze zag ik nog niet â en het Camberbosch van Brussel zou hier maar slecht figuur maken.
Hier zag ik ook voor 't eerst den zooveel besproken âReizigersboomquot; (l'arbre du voyageur) â eigenaardige plant â wier groene kroon zich als een pauwstaart uitspreidt in lange, opschietende, eerst naakte stengels met breed groen, langwerpig blad versierd, terwijl de middelste stengel versierd is met een grooten, groenen, tulpvormigen kelk.
Wij namen onzen intrek in de procuur der Buitenlandsche missiën van Parijs. De procureur was wegens ongesteldheid naar Hong-Kong, en zijn plaatsvervanger ontving ons zeer minzaam, 's Nachts ontving ik op mijn slaapkamer een âgratisquot; concert van muggen, krekels en muskieten â en bleet de slaap ver van mij. Ook bleef ik niet lang op de rieten mat, die hier tot bed dient, liggen, maar stak mijn licht weer aan, schreef eenige brieven en ging toen een kijkje nemen van af de veranda's, die hier zelfs op de tweede verdieping aanwezig zijn. In de verte
hoorde ik de liefelijke tonen van een piano, allerwaarschijnlijkst door de vlugge vingeren eener Engelsche miss uitgelokt; jammer dat het gekwaak van eenige monsterachtige kikvorschen (âos-kikvorschenquot; hier genaamd) nu en dan minder welluidende akkoorden er tu.«schcn kwam mengen. Een hevige woordenwisseling tusschen eenige Chineezen, ofschoon reeds laat in den nacht â cn het stampen van 't paard der procuur was alles ik verder hoorde. Lang nog bleef ik al mijmerend wandelen, en liet nu en dan eens een blik gaan over die schoone tuinen, door de maan verlicht; maar 't duurde mij toch lang, eer 't vier uur sloeg. â Geen wonder. Op klokslag vier uur kwam er leven â en weldra zaten wij in 't rijtuig, om in de kathe-drale kerk het heilig Misoffer op te dragen. De kathedraal, die wel zeer groot en waarin zelfs liet marmer niet gespaard is, heeft totaal geen stijl cn is van weinig beteekenis. J\a de H. Mis gingen wij een kop koffie drinken cn bestelden een rijtuig om naar de boot te rijden. Wij hadden echter goed wachten â het bestelde rijtuig kwam niet; het rijtuig der procuur was naar huis gereden â en 't uur voor de boot was reeds geslagen â zelfs zouden wij 't te voet niet meer halen. Wij waren echter geenszins geneigd, om hier veertien dagen te blijven en, ten einde raad, bestegen wij een Japansch wagentje, ofschoon ik zulks niet zonder wcezin deed â mais si la guerre comme a la guerre â cn dank de vlugge beenen van onze Chineesche âtrekkersquot; kwamen wij juist op tijd aan â of beter kwamen wij wel wat te laat, maar tijdig genoeg, omdat de boot zich eenige minuten had verlaat.
XI. Naar en te Saïgon.
Meer dan eens had ik reeds hooren vertellen, dat de Chineesche Zee, die wij nu bevaren gingen, grillig en vol kuren was. Wij zouden het ondervinden. Dank zij de moussons hebben wij er braaf geschommeld en gehuppeld, en 't vervelend effect hiervan bleef bij de meeste passagiers niet uit. Gelukkig duurde de reis naar Saïgon maar twee dagen.
Het getal passagiers, vooral Engelsche, was sterk verminderd â en mijne drie Zwitsersche reismakkers had ik ook verloren; wat de Engelschen betreft, kon dit mij weinig schelen, maar niet aldus aangaande mijne Zwitsers. Op reis immers
is men gauw vriend en, volgens Hazebroek, na een dag reeds boezemvriend.
Het getal nieuw-aangekomenen was uiterst klein en, dank zij de hevige bewegingen van de boot, zeer zelden zichtbaar. Aangezien men dus weinig onderhoud en gesprek had, zat men nog al dikwijls op quot;t dek te mijmeren â iets wat zeer aangenaam kan zijn voor liefhebbers, maar waar ik een broertje aan dood heb. De tijd scheen mij dan ook ijselijk lang en niemand was meer verheugd dan ik, toon men ons aankondigde, dat wij weldra de rivier gingen opvaren en binnen twee uren te Saigon zouden zijn.
Tot nog toe had ik altijd Engelsche kolonies gezien, wij zouden dan ook eens Fransehe te zien krijgen.
De Engelschen, iioe fijne kolonisten ook, hebben echter een misstap begaan, die hun wel eens zon kunnen rouwen. Onder voorwendsel namelijk het intelleetueele gehalte der natie te verheffen, hebben zij in hunne bezittingen â ook en vooral in Britseh-Indië, â de studies en examens op eene ongehoorde wijze opgeschroefd. Wat gebeurt hierdoor? Geheele regimenten pennelikkers, geleerden, schrijvers, wijsneuzen; kortom, geheel een klas van ânietsdoenersquot; zijn hierdoor in 't leven, geroepen. Maar om een plaats te vinden ? Dat is de kwestie â zegt de Engelsehman â maar de oplossing zal nog lang uitblijven. Deze soort van lui echter, die door lumne studies meestal ongeschikt zijn geworden voor handarbeid en die van den anderen kant niet genoeg bezitten of kunnen verdienen, om in 't leven te blijven, slaan natuurlijk aan 'tâmuitenquot; â om een echt Hollandsch woord te gebruiken. Ontevredenen vindt men dan ook met de vleet. Maar die» bataljons ontevredenen worden met de jaren al grooter en grooter, want ten gevolge van het groote aantal scholen, Hoogere, Middelbare en Hooge-, verschijnen zij als paddestoelen na regenslag, en 't is niet te ontkennen, dat de toestand, hierdoor geschapen, wel eens somber en zwart kan worden.
De toekomst zal 't leeren.
En nu ik toch een woordje over de kolonies zeg, wil ik er nog bijvoegen, dat de toestand der Fransehe te Annam en vooral in Tonkin alles behalve rooskleurig is. Oproerige praatjes, kleine opstandjes zijn er in Tonkin aan de orde van den dag. Frankrijk kan tot nog toe niet van geluk spreken in zaken kolonies. Ed. DrumüKT heeft ons in zijn meesterlijk werk: âLa France Juivequot; de reden van al dat gehaspel in Algiers geleerd. Ik geloof, dat voor Tonkin dezelfde reden bestaat â maar dezelfde oorzaak zal ook dezelfde gevolgen met zich
O.)
.sleepon. Was destijds Algiers een slagveld voor Frankrijk, Tonkin niet zijn koortsachtig klimaat zal een moordkuil voor 't Moederland worden, 't Is ook niet door 't volk tot den bloede toe uit te laten zuigen door een troep joden, door eenige oude bankroetiers, of door lieden, die in 't buitenland den verloren naam moeten herwinnen, daar de tijd namelijk-veel oude schuld delgt â 'tis niet aldus dat men een bezitting wint en aan zicli hecht; - 't is niet aldus, dat men aan een volk het nieuwe juk oplegt en 't zoet doet vinden. Neen een volk, dat tot den laatsten duit toe wordt afgezet, kan geene liefde voelen voor 't land, dat zulke beulen zendt. Maar Frankrijk wete het wel, dat volk, dat nu nog, in schijn tenminste, over 't algemeen rustig is, dat volk 't welk een handvol soldaten in bedwang kan houden, datzefde volk, kan machtig worden en sterk; kan geducht worden en ontzagwekkend; en wreed â; en het is te vreezen dat, wanneer de honger het drijft, neen dwingt voedsel te zoeken voor zijn bestaan en kracht voor zijn leven, wanneer een langverdragen onderdrukking en afbeuling liet opzweept tot woede, dat er dan tijgerwrank zal hèerschen over den zoolang verkropten smaad. Wanneer dat uur van wraak ooit slaat ---en 't zal slaan, indien de zaken niet veranderen â zoo zal het dreunen als het geschetter der oorlogstrompetten en het gekletter der fonkelende wapenen; âzoo zal het dreunen forsch en hel, donderend en bulderend, en de echo van dien klank zal weerscballen door al de streken van â'tHemelsch Keizerrijkquot;. Die dag van wraak zou vreeselijk, zou bloedig zijn. Arm Frankrijk, dat door zoo'n troep Joden of soortgelijken niet enkel wordt uitgezogen en verarmd, maar ook onteerd en vernederd! Of is er grooter onteering mogelijk, dan die ik vermeldde?......
Doch laten wij over minder serieuze zaken spreken, want de thermometer teekent 34 graden Celsius â en 't is niet goed zich warm te maken, wanneer de temperatuur reeds zoo hoog staat.
Even voor onze aankomst kondigde een kanonschot aan, dat een Fransohe boot de Fransche haven zou binnenloopen. Xu wist ik ook, waarom die twee plompe koperen kanonnen daar stonden, die, zoo dacht mij, een ergernis waren voor den jongsten matroos, belast met ze ieder morgen het âtoiletquot; te maken.
Een bootje daarna werd hot anker gelicht, de trap omlaag gelaten en men stapte aan wal; maar voorzichtig met dit laatste artikeltje. Alvorens aan wal te gaan, zorg eerst voor een breedgeluifden hoed, liefst een dik strooien of biezen hoed
ö6
met wit doek er over â en dan voor alle zekerheid open ook noj»: uw paraplu. Waarom die kunstjes, zal men vragenquot;?
Kom maar â eventjes in de kajuit van den geneesheer. Ziet gij daar dien officier en dien heer den loods, die ons in de haven voerde? Welnu, zij hadden noggeene twee passen, enkel met een petje versierd, aan wal gedaan, of hare Koninklijke majesteit de Zon, deed hun gevoelen, dat men zich niet ongestraft en zonder zich aan do voorgeschreven étiquette te storen zoo maar roekeloos op haar gebied kan wagen. Ku feitelijk, hier heeft men rekening met haar te houden, want zij werpt u schier loodrecht hare brandende stralen op 't lijf en wee u, indien zij u in den nek of op 't hoofd kan raken. Ecne flinke hoofdpijn, ecne schudding der hersenen, indien niet meer, zal 't onvermijdelijk gevolg er van zijn. En indien gij er zoo goedkoop afkomt, dan is het nog enkel te danken aan de klompen ijs, die de geneesheer u onmiddelijk op de geraakte plaats legt.
Zoo ziet men: âieder hof heeft zijne gebruiken en ieder monarch zijne grillen.quot;
Na eenigc minuten langs Chinecsche en Annamitische hutten gereden te hebben, komt men in de stad aan. Wanneer gij 't geluk hebt na zonsondergang uwe intrede te doen, ziet gij honderden rijtuigen elkaar kruisen en u voorbijsnellen, 't Is het uur, dat de wandelingen beginnen en men 't lichaam, dat het toch hard te verantwoorden heeft gedurende den dag, eenige verfrissching en vooral wat versche lucht schenkt. De stad Saïgon, meest bewoond door Annamieten en Chineezen, bestaat, wat liet Europeesch gedeelte betreft, eigenlijk uit groote breede boulevards. De huizen, ruim en luchtig gebouwd, zijn alle met een tuin en groote bloemperken omgeven, dat hun een zeer net uiterlijk geeft. Onder de meest in 't oogloopende gebouwen bchooren het geslicht der Broeders, de bank, het theater, eene Chinecsche pagode, ruimschoots verguld en met gekleurde draken, afgoden en veelarmigc en beenige mannekes versierd, eenige groote handelshuizen, de bazar, enkele groot en prachtig verlichte â ook goed bezochte â hotels cn cafés, en vooral de Kathedraal, op kosten van de Fransche regeeriug gebouwd. Midden op een groot plein, waar minstens acht boulevards op uit komen, verheft zij hare hooge en indrukwekkende gestalte. Zij is gebouwd in liomaanschen stijl en geheel in steen, terwijl het witte marmer van binnen niet gespaard is. ïwee schoone torens zijn gemeubeld met zes zware klokken, die, allen in beweging, een zeer schoon en verklinkend gebrom doen hooren.
Wij stapten af bij Mgr. Lkmik, pastoor der Kathedraal, die
07
ons met zijne gewone welwilleiulheid en jovialiteit ontving. Mgr. Lemie wordt bijgestaan dooreen Annaraietischen priester, die zeer ving Pransch sprak en met vrel gemak de piano bespeelde. Zooals bijna al de Annamioten is hij met een scherp verstand bedeeld en werkt hij met voorbeeldigen ijver.
Toen wij den volgenden dag hot H. Misoffer opdroegen, werden wij verrast door de melodieuze stemmen der Anna-mietisehe studenten, die eenige Fransche liederen zongen. Ik mocht ze wel hooren, die lieve zoete toonen, en toen Mgr. tegen acht uur de Pontificale Hoogmis deed, was het ons een genoegen nogmaals naar die zachte en golvende muziek te luisteren.
Van elf tot drie uur is't raadzaam thuis te blijven; overigens de warmte is zoo drukkend, dat niemand erg de lust bekruipt om veel wandelingen te doen. Na liet Lof', dat hier altijd zooals alle diensten met groote plechtigheid gezongen wordt, gingen wij een uitstapje doen in de omstreken, en brachten een bezoek aan den dierentuin, 't Zal wel nutteloos zijn, hiervan eene beschrijving te geven â hij geleek op onze Europeescbe; misschien was de verzameling van vogelen talrijker. Een paar Annamietische tijgers van buitengewone grootte trokken ons het meeste aan, terwijl een olifant het geliefkoosde bezoek voor do eilanders was. De vijvers bezaten eenige mooie en reusachtige slangen, terwijl een ourang-outang, zeer schoon geschoren, inisschien om Darwin ecu plezier te doen, door zijn grillige toeren het meest de aandacht der kinderen trok.
Den volgenden dag, wij schreven 1U Maart, brachten wij, vergezeld van den zee-aalmoezenier Mgr. BÃxoit, een bezoek aan 't Fransche transport-oorlogschip âPAnnamitequot;, met 1200 man voor Tonkin aan boord. De commandant, die onder admiraal Courbet den Chineczen zoo'n fameuze nederlaag toebracht, ontving ons zeer hoffelijk. Men gispte zeer sterk de handeling der Fransche regeering, die de militaire overheid door eene civiele in Tonkin vervangen had. Wij maakten hier ook kennis met drie officiers der Fransche zeemacht, die onze reismakkers zouden zijn tot Hong-Kong, waar hun fregat âLa Vipèrequot; ben wachtte. Hierna brachten wij een bezoek aan Mgr. den Bisschop, die niet erg bisschoppelijk gehuisvest is. 's Morgens had Z. D. H. tijding ontvangen, dat op eenige uren afstand der stad de cholera was uitgebroken. Er bestond dus gegronde vrees voor Saigon ook. De modeziekte âinfluenzaquot; was tot nog toe niet uitgebroken, ofschoon l'Annaniite verschillende lijders aan boord had. In den namiddag keerden wij weer naar boord van de âCongoquot; terug, cn begon weer het gewone leven.
XII. Hong-Kong.
De zee was uiterst woelig geweest tengevolge van een storm, die er gewoed had, en waar wij gelukkig het staartje maar van kregen. Erger dan toen hebben wij nog niet gedanst â en zelfs zij, die tot nu toe van zeeziekte vrij waren gebleven, maakten er kennis mee. Alvorens in Hong-Kong te komen, was de Temperatuur zeer veranderd. Teekende de thermometer op 10 Maart 84quot;, op 12 Maart was hij gedaald tot 4quot; Celsius. Do witte broeken en lichte kleederen verdwenen dan ook spoedig, en de regen, die onophoudelijk viel, deed ons de verandering nog meer gevoelen. Den 18'lequot; 's namiddags liepen wij, niet zonder moeite en te midden van een plasregen en hevigen wind, de haven van Hong-Kong binnen. De anders zoo talrijke kleinere bootjes durfden zich nu niet op 't opgezweepte water wagen, en men bediende zich van kleine stoombooten, om aan wal te geraken, 't Was volstrekt geen kunst, om op dien kleinen afstand, dank aan de hevige schommeling, eventjes den tol aan de zee te betalen; â gelukkig bleven wij er echter bevrijd van.
De stad âVictoriaquot;, op 't kleine eiland Hong-Kong gelegen, is tegenwoordig een der bloeiendste koloniale zeehavens, toebe-hoorende aan Engeland. Geheel de handel, die vroeger te M a cao zijn hoofdkwartier had opgeslagen, is er genesteld. Ofschoon nog meestal in handen der Engelschen en Portugeezen, twijfel ik er geen oogenblik aan, of hier ook, zooals op dc meeste plaatsen, waar de Chineezen zich vestigen, zal hij overgaan in de handen van dit staartdragend geslacht. Men kan dan ook geen pas doen, of men vindt Chineezen in massa, en bijna al de uithangborden zijn Chineesch. Dc bevolking bestaat, evenals die van Singapore, uit uitgeweken Chineezen, Engelschen, Por-tugeezen, vooral vau Goa, en uit een mengelmoes: ook verblijven er eenigc Fransche en Nederlandsche families.
Victoria, dat men wel het âNapels van 't Oostenquot; mag noemen, â zoo schilderachtig is het gelegen, â is geheel op een berg gebouwd of beter in de rots uitgekapt. Zijn groote Europeesche gebouwen liggen bijna alle aan de haven en tegen de bergen oj). Van deze bergen, een 1800 voet hoog, die men met een âtrain assenseurquot; bestijgt, heeft men een heerlijk gezicht op de stad en hare omgeving, jammer dat voor een groot gedeelte des jaars de wolken zich om hunne kruinen slingeren, of dat een dikke mist dit betooverend schouwspel bederft.
50
Waren te Colombo, Singapore en Saigon de rijtuigen enJa-pansche wagentjes â oolv wel âpoespoesquot; genaamd â geheel tien dag in beweging, hier vindt men ze minder, wegens de altijd klimmende on dalende wegen, maar speelt de Chi-neesehe palankijn (draagstoel) de hoofdrol. Zoo'n palankijn is een soort kast met zitbank cr in, en mot twee stevige en lange stokken van voren on van achteren. Do reiziger zot or zich in en twee Chineozon, want 't zijn altijd Chinoozen, die hiervoor bestemd zijn, nemen het vervoermiddel op himne schouders en brengen hem op de plaats zijnor bestemming. Gij hadt ze moeten hooren schreeuwen, onze Chineozon, barrevoets door den regen loopond, on met een mantel, uit bamboelis govlochton, versierd, om don voorbijgaanden reiziger over te halen in hun âdraagstoelquot; plaats te nemen. Onze pakjesdragers zouden hunne longen gauw versleten hebben, geloof ik.
VVij namen onzen intrek in do procuur der Buitonlaudsche Missies, on Mgr. Mautixes, procureur on zijn collega deden al liet mogelijke om ons hot verblijf zoo aangenaam mogelijk to maken.
Hier maakte ik voor 't eerst kennis met een Chineoschen kleermaker. De goede ziel, die zeker oen bewijs van zijne buitengewone kunst aan den pas aangekomen Europeaan wilde geven, plakte op een scheur, die ik in mijn toog had, zoo'n vroesolijk groot en broed stuk doek, en dat nog wel aan don buitenkant, dat hij diordoor geheel en al buiten dienst zou geraaktzijn, ware liet niet, dat mijn overjas mij hier als âcaciie-misère'' zeer goeden dienst kwam bewijzen. Na eene goede en verkwikkende nachtrust gingen wij de stad wat bezichtigen, on brachten wij een bezoek aan do ruime Kathedrale Kerk in gotliischen stijl en aan 't Bisdom. Mgr. eeu eerbiedwaardige grijsaard eu Italiaan van geboorte, onderhiold zich geruimen tijd zeer minzaam mot ons over ouzo lange reis en over onze nieuwe missie. Pator Bexktie en Pator Boürgigxoxi, twee oude vrienden van Mgr. Vax Koot, koken vreemd op toon zo hem, dien zo reeds in lli waanden, terugzagen. Toen Mrg. Van Koot hun do geschiedenis mot do Russische synode verhaalde, was de zaak klaar â âon'' zei Pator Beneti ânu het toch eenmaal zoo is, bon ik blij, dat ik u weer eens zie.quot; Na het middagmaal in gezelschap van verschillende oude missionarissen, wegens horstel van gezondheid in 't ziekenhuis alhier, gonomon te hebben, maakten wij ons gereed om weer schoep te gaan.
Haddon wij in Hong-Kong onzou reismakker Broeder Ber-nardus. Visitator dor Broeders van de Katholieke school in 't Oosten verloren, evenals Mr. do Consul en familie, wij hadden
60
toch weer oen nieuwen compagnon gekregen in Mgr. Lemoxnxer, die gedurende 35 jaren reeds ais missionaris en procureur in deze streken is werkzaam geweest.
Ofschoon het kalmer was in de haven, zoo was de zee toch nog volstrekt niet glad als een spiegel, en onze excellente kapitein, Mr. Vaquier, besloot langs de kust te zeilen en niet het volle sop te kiezen, om aldus den passagiers het onaangename vau 't wiegen te hesparen. Wij hadden dan ook altijd land in 't gezicht en zeilden met buitengewone snelheid door de ontelbare eilanden, eilandjes en rotsblokken, die de zee hier bevolken. De officieren waren hierover wel minder in hun schik, want er was grootere voorzichtigheid noodig dan in volle zee; de kapitein dreef zijne goedheid zoover, dat hij, om zeker te zija van zijn zaak, zelf des nachts aan 't roer (âpasserellequot;) bleef en 't schip bestuurde. Hier en daar moesten wij soms wel eens plotseling zwenken, maar lx halve het springen van een stoomketel, maakten wij ccue gelukkige, zachte en veel kortere reis.
De zon, die gedurende eenige dagen onzichtbaar was gebleven, kwam op 17 Maart weer eens eventjes kijken en 't is onder hare zachte stralen, die hier perfect goed te pas kwamen, dat wij de âBlauwe Rivierquot;opstoomden en, ,/t Henielsche Keizerrijkquot; binnen traden.
X11T. Shang-haï.
17 Maart. Aangezien de vloed nog niet hoog genoeg was, kon de âCongoquot; niet onmiddelijk tot Shang-haï doorstoomen, maar ankerde zij, in afwachting, op een uur afstand der stad. Een kleine steamer kwam ons afhalen, en wij verlieten voor goed onze schoone boot, waarop ik veel plezier genoten, maar ook vele vervelende uren gesleten had. Onze kleine stoomboot, al kuchte zij ook uit al hare macht, kon tpch maar langzaam vooruit, en aangezien de boorden der rivier niets dan een gewoon gezicht te zien gaven, was ik blijde, dat ik aan wal mocht stappen.
Volk in overvloed â Engelschen, Franschen, Belgen, Amerikanen, die vrienden of kennissen kwamen afhalen, andere, die om zaken een kijkje namen, nog andere, die uit nieuwsgierigheid den neus buiten de deur hadden gestoken. â Maar bovenal zag men er een macht Chineezen, deels pakjesdragers, deels
61
visschers, deels koetsiers of rijtuigtrekkers â 't kind moet toch een naam hebben - deels eindelijk en wel de massa, nieuwsgierigen, die daar de pas aangekomene Europeanen kwamen zien, hen bekijken, monsteren, of wat voor don zot houden. Onder dezen hadden wij âals duivels van 't Westenquot; in onzen zwarten toog waarachtig niet het minste aftrek, integendeel, eenige verwenschingen vergezelden ons op den koop toe.
Verschillende Paters Jesniëten kwamen onzen reismakker on landgenoot Pater Puinzkx afhalen; twee priesters der proeuur der Buitenlandsche Missie van Parijs, den ouden Pater Limonnii', terwijl twee Paters Lazaristen Mgr. Van Koot en mij kwamen verwelkomen.
Het eerste nieuws, dat ik op Chineesch grondgebied vernam, was alles behalve troostend. Mijn confrater, vriend en studiemakker, de Wel. Eerw. Heer Van Vakkxberg was eenige dagen vóór onze aankomst in't hospitaal overleden. Evenals Mozes had hij het land zijner weusehen van verre mogen aanschouwen, maar niet betreden. Den strijd, dien hij had willen strijden voor 't iieil zijner broeders en voor de uitbreiding der Kath. Kerk, heeft hij niet mogen strijden. Evenals de lentebloem somwijlen door de zeis des maaiers word weggemaaid, alvorens zij haar geur kan verspreiden en al de schoonheid van haar kelk ten toon spreiden â zoo ook werd hij weggerukt in den aanvang van zijnen apostolischen werkkring, voordat hij zijne talenten had kunnen gebruiken. Doch het ligt niet in mijn plan zijne deugden op te sommen en den adel van zijn liart en karakter bekend te maken. Genoeg zij het, wanneer ik de woorden van den Pater Jesuiët herhaal, die mij zijn dood aankondigde: âWij hebben de gelatenheid waarmede hij zijn lot aanvaardde bewonderd, en wij zijn gesticht geweest over zijn christelijk afsterven; â zóó sterven is goed sterven.quot; Zoo'n schoone dood is de kroon van zoo'n schoon leven. Moge iiij, neergeknield voor Godes troon, rijke zegeningen afsmeeken over onze jeugdige congregatie en over onze groote missie; moge hij voor hem, die deze woorden schrijft, en die zijn vriend was, de noo-dige sterkte verkrijgen voor zijne lange en moeielijke reis, kracht in den strijd, die beginnen gaat, en den triomf na moedig gestreden te hebben! â
De stad Shang-haï heeft twee zeer sterk afstekende gedeelten â 't Europeesehe kwartier en 't Chineesche.
Het Europeesehe kwartier bestaat uit de Engelsehe, Fransche en Amerikaansche terreinen â en wanneer men de reusachtige gebouwen dezer ,.Concessiesquot; ziet, den prachtig aangelegden zoogenaamden Engelschen tuin, dan zou men zich in eene Euro-
62
pceschc stad wanen, 't Is ook van dezen kant, dat de prachtige haven ligt, die 'in uitgestrektheid en veiligheid als eene der grootsten en besten ter wereldgeboekt staat. Niets is cnri-enser dan die honderden en nogmaals honderden Chineesehe bootjes, alle met mast en vlag versierd, zicli hier te zien kruisen ofwel rustig bij malkaar te zien liggen. In dit laatste geval lijkt liet wel een gevlagde hopkweekerij. Alle deze bootjes zijn door Chineesehe families bewoond. Hoe deze mensehen niet allen aan jicht lijden, blijft voor mij een raadsel.
De Chineesehe stad, die met muren of muurtjes omringd is, en waartoe verschillende poorten toegang verleenen, is een meesterstuk van smerigheid en een waar doolhof. Waarlijk, Minos labyrinth bezat niet zooveel enge en elkaar kruisende gangen, als deze stad, en ik geloof, dat ik eerder uit den St.Pietersberg te Maastricht zou geraken, dan uit deze ontelbare, enge en halsbrekende straten. Wanneer ik de hoogste breedte aanneem, beslaan deze âboulevardsquot; twee meter breedte, waarvan gij echter minstens een meter moet afdoen, als zijnde onbegaanbaar, 't zij door liet vuil, dat hier maar rustig blijft liggen, 't zij door uithangborden, die bier aan elk huis in afdalende en vooruitstekende houding geplaatst zijn. Elk huis is een winkel, of beter eene opene werkplaats, waar het voortgebrachte kunststuk ook tot pronk blijft opgesteld. Slechts weinige huizen zag ik er, die enkel ais winkel dienden, en ook deze zijn van voren geheel en al open. De stad is met verschillende slecht onderhouden kanalen doorsneden, die, naarmate er vloed of ebbe is, met water gevuld zijn of niet. Iedereen begrijpt, dat de slijkerige bedding, die minstens twaalf uur per dag zichtbaar is alles behalve gezonde dampen uitwasemt, vooral wanneer eene brandende Junizon haar beschijnt. Deze kanalen dienen ook tot reinigingsslooten der stad; maar brengen geloof ik het tegen-overgestelden effect voort. Voor iemand, die fijn en kieskeurig van reuk is, raad ik aan nooit door de stad te gaan, zonder eene flink dampende sigaar iu den mond; â misschien deed hij nog beter, voor alle voorzichtigheid, haar maar niet te guan zien. 's Avonds van onze aankomst begon het te regenen, en gedurende de vijf dagen, dat wij wegens zaken te Shang-haï moesten verblijven, heeft het altijd maar doorgesijpeld â en wie weet hoelang na ons vertrek de sluizen des hemels nog zullen openblijven! Dit weder verhinderde ons echter niet de stad, met alle hare kronkelpaden, poorten, stegen, bruggen en kanalen te gaan bezichtigen, en zelfs een bezoek aan de omliggende plaatsen te brengen. Onder deze uitstapjes wil ik melding maken van ons ritje naar Zi-ka-wé. De Paters Jesuïten
03
hebben hier hun groot Collegie, een prachtig observatorium, een museum van dieren en vooral van verschillende hertenkoppen en schelpen, een groot weeshuis, een schilder- en teekenschool, eene Chineesche en Europeesche drukkerij, een werkhuis voor beeldhouwkunst, enz. enz. Een bezoek aan Zi-ka-\vé mag ik allen reizigers aanraden â de uikomst zal ruimschoots de moeite loonen. Men vindt er tevens een klooster van Carmelitessen en een van Zusters van 't Vagevuur, die een meisjes-weeshuis bestieren.
Pater Piuxzen, dien w ij tot hiertoe als reismakker gehad hadden, en wiens aangenaam en gezellig gezelschap ons menig uurtje op de boot rap had doen voorbijgaan â verliet ons hier. Steeds zal ik een aangename herinnering aan hem bewaren. Het âtot weerziensquot;, dat wij elkaar toeriepen, zal wel nooit meer hier op aarde bewaarheid worden. Moge het echter eenmaal hierna in den Hemel plaats hebben, waar men geenc scheiding meer kent!
Aangezien de inrichtingen alhier niet enkel zeer belangwekkend zijn, maar ook zeer, zelfs buitengewoon groot, begon de avond allengkens te dalen, toen wij ons gereed maakten om te vertrekken
Het regende, dat het plaste â en de afstand was vrij groot.
Toen wij een Japansch rijtuigje wilden nemen, was er maar één Chinees, die zich aanbood, om ons naar de stad te voeren â daarmede waren wij niet gered. De tweede, dien wij vroegen, bleef zonder antwoord. De Chineezen, nieuwsgierig van aard, kwamen weldra uit alle hoeken en kanten te voorschijn, en hadden plezier met onzen neteligen toestand. Op- en aanmerkingen over ons bleven natuurlijk niet uit â dat mij echter weinig hinderde. Gelukkig bood zich een ander Chinees togen ruime betaling aan, om ons met een Europeesch rijtuig naar de stad te brengen. Gaarne natuurlijk namen wij dit aan, want behalve dat wij moe waren, is zoo'n drentelen op een slijkerigen weg, en in een aanhoudenden regen, alles behalve aangenaam. De vent ging zijn paard halen, zadelde het en spande in. Denk echter niet dat zulks allemaal zoo vlug ging, als ik het hier neerschrijf â o neen! Voor den Chinets is het âhaast je langzaamquot; heilig. Met de langzaamheid eener slak bracht hij alles in orde â en toen wij tamelijk nat waren en ik wachtens moe was, konden wij in stappen. Hij had een Mongooisch hitje, dat de bekende vlugheid van dit ras niet te schande maakte.
Wanneer men mij vraagt, hoe het mogelijk is, dat rijtuigen door de enge Chineesche straten kunnen loopen, doe ik
64
opmerken, dat de rijtuigen en de Japansche wagentjes eerst bestaan sinds de Kuropoanen iiier geweest zijn, en sinds er Enropeesciie wegen en straten zijn. Enkel in deze kunnen ze rijden. In de Chineesche halsbrekende ingangen kan iioogstens en nog niet moeite een palankijn passeeren.
Een ander Chiueescli vervoermiddel, waarvan ik terloops wil spreken, is de kruiwagen. Lach niet, want het is het gewone rijtuig van den Chinees, en ook de Europeaan maakt er kennis meê. Hij gelijkt iets ot' wat op onzen Europeeschen kruiwagen, maar is wat hooger van zit eu in tweeën verdeeld door eenige stokken, die er midden op aangebracht ziju, zoodat men er met tweeën op kan zitten, ofwel aan een kant zijne kisten of pakken zetten. Vind ik het voor meuscheu minder doelmatig, tot voertuig is het zeer geschikt.
Op 't feest van den H. Jozef las ik de H. Mis in de schoone parochiekerk der P. P. Jezuïtcn, aan den H. Jozef toegewijd. Voor 't eerst droeg ik iiier gedurende het Misoffer den bekenden eeremonielioed, met lange afhangende slippen, rijk gestikt en opgesmukt. Jk vond het diug zeer lastig en ondoelmatig, vooral voor hen, die geen staart dragen zooals wij, daar hij tot afvallen geneigd is. Maar 't is nu eenmaal hier de gewoonte, eu 't Chiueescli gebruik wil, dat men bij plechtige gelegenheden, en ook om der beleefdheid wille gedekt zij. Gelukkig bestaat die aardigheid in Mongolië niet, want zij had mij niet weinig hoofdpijn verschaft.
De Chineezeu hidden ouder de H. Diensten hard op en wel op een zangerigen (of beter zingenden) toon, zoo ongeveer als de kinderen opsommige Lagere Scholen bij ons. Ecu gedeelte bidt voor, een ander na. Ik geloof, dat het voor muzikale ooren een ware penitentie is, die onwelluidende akkoorden te hooren, te meer daar én stem én gehoor over 't algemeen bij de Chiueezen veel te wenschen overlaten. Dit neemt niet weg, dat ik ten hoogste gesticht was over de vrome houding der Christenen, over hun talrijk ter kerke gaan, en het groot aantal, dat tot de H. Tafel nadert. Voorwaar hier is levendigheid van geloof, overtuiging en liefde. Is het getal der Christenen klein, vooral bij dat der Heidenen vergeleken, zij, die het zijn, zijn het goed, en 't is dikwijls beter weinig te lebben, die goed, dan vele, die maar lauw zijn, zooals men er helaas! in Europa vindt.
Had ik in de kerk van St. Jozef nog eene Enropeesciie gevonden, 's namiddags ging ik het Lot bijwonen in eene Chineesche â of beter â in Chineeschen stijl gebouwde kerk. Wanneer ik Chineeschen stijl zeg, dan moet men niet deuken
65
aan iets kunstigs indrukwekkends of wat dies meer zij âneen, maar enkel aan een schier kruisvormig gebouw, zonder plafond, en rijk met goud en zilver papier beplakt, terwijl liet blauwe en gele en groene overal uwe oogen treft. De Chineezen vinden zulks prachtig â nu âdo gustibus non est disputandumquot;, over smaak valt niet te redetwisten. Het Lof werd met orkest begeleid. Dank do vele oefeningen, welke de missionarissen hun gegeven hadden, waren onze Chineesche muzikanten niet onverdraaglijk. Ook hier was de tamelijk groote kerk stampvol.
Het uitstapje naar de kerk, op een klein half uur van de procuur gelegen, was alles behalve vermakelijk; van rijtuig was geen sprake, want zij ligt in de Chineesche stad; wij moesten den weg dus te voet doen. In Europa is dit eene kleinigheid â maar hier? Vooreerst de straten, met groote steenen belegd, hadden het ongeluk in de laatste vijfhonderd jaar niet meer hersteld te zijn, zoodat er ontelbare gaten, hoogten en diepten in waren. Aangezien het vreeselijk regende, moest men natuurlijk zeer voorzichtig zijn om niet in de plassen te treden. Dit was doenlijk onder twee voorwaarden. Eerstens, dat men nooit naar boven moest kijken. âMoest kijkenquot; ? zal men vragen. Ja, niet meer en niet minder, want anders bleeft gij om de vijf passen met uw paraplu in de lange reien uithangborden vastzitten. Tweedens, dat de drukte in die enge stegen merkelijk verminderde â minstens met 90 percent â, want gedurig heeft uw paraplu ruzie met die van een Chinees. Van de Chineesche paraplus waren de meeste die ik zag, zeer âdoorluchtigquot; weinige waterdicht. Waarom men zoo'n ding boven 't hoofd hield, weet ik niet. â Zeker niet om droog te blijven, want dan zon men het glad mis hebben. Op dit toertje werden wij zoo eenigc honderden malen naar alle duivels gewenscht, en éénmaal zelfs met slijk nageworpen. Zulke beleedigingeu kan men hier beter verdragen, dan wanneer men ze in Belgische steden van 't liberale canailje naar 't hoofd geslingerd krijgt.
Voor alle zekerheid echter keerden wij met een Chineesch bootje huiswaarts, te racer daar wij onzen gids kwijt waren â en 't onmogelijk is den weg te vinden door al die passen, poorten, hoekjes, straatjes en steegjes. Soms zou men zelfs niet weten of men in een Chineeschen winkel zit, of in een straat â ware het niet, dat de regen u voor zoo'n ongeluk vrijwaarde. '
Verwonderlijk is het, dat do Europeesche politie in hare afdeelingen zoo goed orde kan houden onder die ontelbare massa's, zoo krakeelig en twistziek van aard. Dit schijnt vooral toe te schrijven te ziju aan 't niet malsche stokje, van respec-
66
tueuse dikte, waarmeê de bewakers der veiligheid onbarm-hartig den te luidruchtigcn Chinees op de schouders kloppen.
Vrijdags don 21 Maart brachten wij een bezoek aan Hon-ko, waar de Vlaamsche Pater Jezuiët Van Dossfxaere ons met open armen ontving. Alvorens wij echter bij hem waren aangekomen, had onze Chinees de goedheid gehad, ons bij den Amerikaanschen Dominé af te halen, iets wat Mgr. Van Koot meer dan eens gebeurd is.
Wij bezochten er natuurlijk de verschillende Katholieke instellingen en amuseerden ons bij onzen goeden Belgischen Pater, die onzen Confrater Mgr. Van Varenberg zoo broederlijk verzorgd had, opperbest.
Ik wil echter over Shang-haï eindigen. Alles beschrijven zou haast onmogelijk en bovenal vervelend zijn. Alleen voeg ik nog een woordje er bij over de Chiueesche begraafplaatsen.
Wanneer gij in de omstreken, vooral in 't westen der stad, een toertje maakt - zult gij u afvragen, wat toch allemaal die heuveltjes, die bijna op ieder stuk land staan, beteekenen. Ziehier! In China worden de lijken niet in den grond begraven, maar er boven op geplaatst, terwijl men de kisten met een tamelijk hoogen hoop aarde bedekt. Ieder Chinees heeft zijne eigene begrafenispiek, die hem heilig is. Alleen de armen worden op kosten van liefdadige vereenigingen begraven. Zij zetten de lijkkist doodeenvoudig op den hoek van 't aangewezen stuk land, en de kist blijft er staan, totdat de hiervoor aangestelde mannen ze met aarde bedekken, of totdat een rijke Chinees haar eene plaats afstaat. Bij mijn bezoek aan Zikawé zag ik ecne dusdanige lijkkist, rood geverfd, aan den hoek van een stuk land staan. Ofschoon het erbarmelijk regende, heeft zij echter nog al eenigen tijd moeten wachten, vóórdat zij bedekt werd.
Men begrijpt licht, dat door zulk eene wijze van begraven eene ruime plek gronds verloren gaat, te meer daar zoo'n heuvel onschendbaar is en moet blijven, totdat, bij verandering van 't regeerend Keizerlijk Huis, de nieuwe keizer verlof geeft de heuvelen weg te doen. Aangezien het tegenwoordige Huis tamelijk lang regeert, zijn de omstreken van Shang-haï bijna voor een derde in een kerkhof veranderd. Ik hoorde dan ook reeds zeggen, dat men tevreden zou zijn, indien een keizerlijk decreet eindelijk eens toestond, die begraafplaatsen te ontruimen. In de eerste jaren zal dit echter nog wel niet gebeuren.
67
XIV. Naar en te Tien- 't Sin.
29 Maart Na ocnige dagen te Shang-haï uitgerust en noodzakelijke voorwerpen voor de Missie te hebben aangekocht â gingen wij 's Zondags 25 Maart aan boord van den Chineeschen steamer âWu-chang.quot; In vergelijking met de âCongoquot; is hij slechts een bootje, maar hij is zeer âconfortablequot; op zijn Engelsch ingericht. Kapitein en officieren zijn Engelschen â de bedienden en matrozen Chineezen. Toen de groote bol (1) naar beneden viel, 't kanonschot gelost werd en de klokken begonnen te luiden, â signalen, waarmede men in China het middaguur aanduidt â liet ook onze boot zijn âvaarwelthiitquot; hooren, en werd het anker gelicht.
Alvorens de boot zich echter in beweging zette, kwam er een visscherspink aanvaren, beladen met twee reusachtige doodkisten. Hier in China laat men iemand nog niet met rust, als hij dood is! Nadat de kist gedurende eenige maanden met aarde bedekt is geweest, wordt zij weer uitgehaald, opgepoetst en geverfd en dan weer onder aarde gestoken. Dit geschiedt ten minste bij lieden die âsapikenquot; hebben. Op 't bootje, dat ik zag, was er eene die er uog al wel behouden uitzag, de andere echter was vreeselijk gehavend.
Eindelijk zette de Wu-chang zich in beweging, en de officiereu voorspelden ons een woelige zee â iets, wat hun tamelijk gemakkelijk was, want de rivier was reeds alles behalve bedaard, wijl de wind uit al zijne macht blies. Wij stoomden redelijk snel do rivier uit tot waar Yang-tsé-kiang een paar uur breedte krijgt en wij halt maakten. De kapitein durfde het niet wagen in volle zee te steken, en verkoos eenige uren te wachten, totdat de woede van Neptunus wat bedaard zou zijn, en hij zijn âquos egoquot; zou teruggetrokken hebben. Gedurende al dien tijd konden wij op de lange verdedigingswerken, (alle tien passen van een kanon voorzien), die de monding der rivier omsluiten, zitten te turen â eene bezigheid die voor droomers zeer aangenaam moet zijn.
(1). Aan de hiiveu te Shang-haï staat een tamelijk hooge ijzeren toren voorzien van een grooten ijzeren bol. Zoodra hot 12 uur is, wordt van het Observatorium van Zikawé, waarmede de toren in verband staat, een signaal gegeven, en de bol met een mechanisch toestel afgeworpen. Oogenblikkelijk hierna lost men een kanonschot.
68
Toen het weer een beetje beter was, kozen wij het volle sop.
De boot werd met een ongeloofelijk gemak door de golven der Gele Zee, â die beter haar naam draagt dan de Roode -â heen en weer geslingerd, en al de passagiers dansten naar bed. Den volgenden diig dezelfde geschiedenis, waarmee de kok in zijn schik moest zijn, want slechts een enkel passagier verscheen aan tafel. Toen ik don tweeden dag ontwaakte, was mijn eerste gedachte; âschommelt de boot nog?quot; en hoorde ik Mgr. Van Koot reeds langs mijn kajuit wandelen, wat natuurlijk een goed tee ken was. De zee was glad als een spiegel â geen wind of regen â helder en liefelijk scheen de zon; 't spreekt van zelf, dat ik mijne ledematen, liggens moe, eens goed uitrekte, en mijne beenen in beweging bracht.
In de verte zag men de grauwe bergen van Chan-tong en tegen den middag kregen wij de kust van Che-fou in 't gezicht. Om drie uur stapten wij even aan wal, om de kleine stad te bezien, brachten een bezoek aan 't weeshuis der Eerw. Zusters Franciskanessen en aan de procuur der Eerw. P. P. Francis-kanen, en gingen tegen vijf uur weer aan boord. Ons laatste uitstapje op zee ging beginnen. De zee hield zich tot aller vreugde zeer kalm, en de boot stoomde goed door tot den volgenden dag tien uur. Een sleepboot werd toen na veel moeite aan den Wu-chang gehecht, en de lossing der koopwaren begon. Gedurende acht volslagen uren weerklonk de lucht van het onveranderlijk âi. a. hequot; âi. a. he'' waarmee de Chi neezen hunne werkkrachten opfrisschen. Om zes uur stoomden wij door tot aan de rivier ,.Pe-hoquot;, waar wij weer halt maakten en het daglicht afwachtten, want de rivier is zeer ondiep en kronkelig, 't Was een werkelijk schoone avond en nog lang bleven wij op 't dek, om de talrijke Chineesche bootjes te zien voorbijvaren. Ofschoon ik voorloopig nog den eersten Chinee-schen musicus moet hooren, voer er toch geen enkel bootje langs, of de mannen zongen er dapper op aan. Geheel de nacht door werden wij op dat echt Chineesch concert onthaald; gelukkig dat, na een paar uren wachtens, Morpheus zich mijner ontfermde. Toen ik ontwaakte, was de boot de stad Ta-kou voorbij en al een eind ver de rivier op.
De boorden der rivier zijn met talrijke huizen bezaaid en alle vijf minuten ziet men een dorp. De huizen zijn van leem, hebben ééne verdieping en verreweg de meeste ééne kamer. Slechts weinige, toebehoorende aan de rijken, maken hierop eene uitzondering. Hoe klein echter het huis ook was, men kwam er niet in, zonder eerst eene voorplaats (cour) over te stappen. Het gezicht was ontzettend eentonig; het water der rivier was
6f»
geel en troebel, het land had een gele tint, de huizen en daken dito. Vele reizigers hebben zich door dit armoedig gezicht laten bedriegen, â door er uit te besluiten, dat hier armoede troef was. Armoede heerscht zeker in geheel China, en ook hier, maar die grond, die nu nog dor en onvruchtbaar scheen, is een van de beste van 't Hemelsch Keizerrijk cn geeft in den zomer doorslaande bewijzen van zijne goede hoedanigheden. Van ïha-kou naar Tien- 't sin loopt de eerste Chineesche telegraaflijn en is ook dn eerste spoorweg verrezen. De lijn is zeer primitief. Twee rails loopen door 't veld zonder omheining of afsluiting en ook zonder bewaking. De weg is âspoorwegquot; wanneer de trein er overloopt en anders voor 't publiek verkeer toegankelijk. Nergens leest gij dus: âDe toegang tot den spoorweg is verboden.quot; De wagons zijn ook even primitief; â kortom alles is echt Chineesch, ofschoon door Europeërs gemaakt. Chineezeu weten spoedig te âverchiueezenquot;.
Nadat onze boot zevenmaal in 't zand had vast gezeten, wat hier volstrekt geen wonder schijnt te zijn, want ik zag er verschillende in 't zand zitten â moesten wij op een uur afstand van Tien 't -sin op een pink gaan en ous naar de haven laten roeien, terwijl do Wu-chang den vloed afwachtte om los te komen.
Tegen drie uur kwamen wij aan â en ik beken gul, dat ik met innige tevredenheid aan wal sprong, terwijl ik het vers van den Latijnschen dichter herhaalde:
Inveni portnm : Spes et Fortuna valetc !
Sat me lusistis; hidite iiudc alias!
Vrij vertaald: âIk ben in veilge haven. Vaarwel mijne gelukster! Genoeg heb je me voor den zot gehouden. Beproef
het nu met anderen____ want mij zul je vooreerst niet meer
hebben lquot;
Onze zeereis is, God zij dank! ten einde â en daarmede ook het eerste gedeelte vau mijn verhaal.
Heeft u dit niet al te veel verveeld, dan noodig ik u uit, mij later op mijne landreis te volgen. Vaartwel!
Emilk Indemans,
Apostolisch Missionaris van Ui.
DE MISSIE VANquot; ILI,
DOOR
Mgr. D. B. VAN KOOT.
Wanneer men een oogslag werpt op de kaart van Centraal-Azlö, staat men verbaasd over de menigte gewesten, die onderworpen of schatplichtig zijn aan het Chineesche Rijk, dat op zichzelf reeds zoo ontzaglijk uitgestrekt is. Om ons slechts te bepalen tot de landen, gelegen ten noord-westen van China, daar strekt de chineesche heerschappij zich uit tot aan Aziatisch-Rusland en omvat alle landen, gelegen ten noorden en ten zuiden van het Hemelsch Gebergte, dat door de geografen onder de vijf voorname berggroepen van het Altai-Himalaya-systeem wordt gerangschikt, en waarvan enkele toppunten of pieken de hoogten van 5847 meter bereiken. Onder verscheiden benamingen zijn deze Landen in de aardrijkskundige geschiedenis bekend: het gedeelte ten zuiden aan den Chian-shan of Hemelsch Gebergte droeg voorheen den naam van Klein-Boek-hanje en is thans meer algemeen bekend onder dien vau Oostelijk of Chineeseh Turkestan; dat ten noorden is liet voormalige koninkrijk Dzounganje en is thans beter bekend onder den naam van Fli, met de hoofdstad Koeldja. Xochthans is de Ili-vallei slechts een district van de Noorderlanden, waartoe ook nog behooren Koer-Khara-oesso ten oosten en Tarbagatai ten noord-oosten. Al deze gewesten werden in 1758 door de Chineezcn ten onder gebracht en als een nieuwe provincie aau het Rijk toegevoegd met de benaming Ihsin-Kiang (nieuwe grens). Het Chineesche Rijk strekte zich toen weer even ver naar het westen uit als in vroegere tijden ouder de machtige
dynastiën Han en Chang, in de le en 8° eeuw onzer tijdrekening.
Het Hemelseh Gebergte, dat zicli naar het zuidwesten aanmerkelijk verbreedt, is overal bijna even hoog eu heeft geen bergpassen, zoodat de gemeenschap tusschen do zuider- en noorderlanden bijna geheel is afgesneden. Een lange bergpas van elf dagreizen tiisschen Aksan en Koeldja is alleen in de maand Juli toegankelijk, en dan nog slechts voor voetgangers en lastdieren; karren en andere voertuigen vinden geen weg over de gletschers en enge wegen. Het is naar deze oorden, dat zij, die zich aan groote misdaden hebben schuldig gemankt, op last van Peking worden verbannen, â ruim vier honderd uren van de grenzen van hun Vaderland.
IK, hei baUirnjsoord van China. Ons bloedt liet hart, als wij denken aan de vele Katholieken in China, die, als misdadigers van de laagste soort, met gewéld aan alles wat hun op aarde dierbaar was werden ontrukt, en hoewel men hun geen andere misdaad ten laste kon leggen, dan dat zij te midden van het heidendom den waren God aanbaden en vereerden. Het is nog zoo lang niet geleden, dat de vervolgingen tegen de katholieke Kerk hebben opgehouden, en tijdens ons langdurig verblijf in China hebben we meermalen gelegenheid gehad, de bijzonderheden van deze hartverscheurende tooneelen te vernemen uit den mond van bejaarde menschen, die er ooggetuigen van waren geweest. De zaak droeg zich gewoonlijk volgenderwijze toe: Op een oogenblik, dat men er het minst op bedacht was, kwamen plotseling eenige satellieten, uitgezonden door den mandarijn, het vreedzame dorpje overrompelen, waar men wist dat Christenen gevestigd waren; met geweld drongen zij de huizen binnen, sloegen de voornaamste ingezetenen in boeien, verspreidden alom schrik en angst door hun woeste houding en gebaren, en terwijl de andere ingezetenen zich dooide vlucht zochten te redden, plunderden, roofden en brandden zij naar hartelust. Zoodra het arme gehucht een prooi der vlammen was geworden, keerden de satellieten met luin buit terug, en sloeg ook voor de arme gevangenen het uur van een laatst vaarwel, want slechts zelden herwonnen zij hun vrijheid. Eerst liet men hen dagenlang in de akelige holen van een chineesche gevangenis verzuchten; daarna, voor den mandarijn gebracht, werden zij door allerlei folteringen tot afval gedwongen. Hun standvastigheid in het geloof werd ten slotte beloond met een levenslange ballingschap. Deze wreede straffen werden toegepast op personen van beider kunne, zonder aanzien van rang, ouderdom of wat ook. Een katholieke familie van Peking telt
73
onder baar vervolgde leden een bejaarde vrouw en twee maagden, die onder den wreeden keizer Chia-Cbiug (1796â1S21) naar lii werden verbannen; leden van de keizerlijke familie, die bet Cbristendom omhelsd hadden, ondergingen hetzelfde lot.
Het behoeft wel niet gezegd, dat slechts weinigen hot bun toegewezen ballingsoord bereikten. Onder geleide van soldaten en satellieten moesten zij een weg afleggen van zes i\ zevenhonderd uren. Zoo lang zij op chineesehen bodem reisden, dienden de verschillende gevangenissen van Noord-Westelijk China hun achtereenvolgens tot verblijfplaats, en konden zij daar eenigen tijd uitrusten, maar aan de uiterste grens van de provincie Kan-sou gekomen, wachtte ben nog een marsch van 64 dagen door de woestijn en over de gletschers van het Hemelsch Gebergte. De meesten van deze onschuldige slachtoffers waren door een lange gevangenschap en wreede lijfstraffen reeds vóór de reis zoodanig uitgeput, dat zij spoedig op den weg bezweken; anderen, evenmin tegen de vermoeienissen bestand, werden hier en daar op den weg achtergelaten en onder het toezicht van een mandarijn gesteld, en slechts een uiterst gering getal bereikte het verre Jli, dat als een oase gelegen is aamp;n het westelijk uiteinde van de dorre steppen van Mongolië en omgeven door hooge bergketenen.
Te bestemder plaatse aangekomen, stonden ze in den beginne onder streng toezicht en waren tot dwanjjarbeid veroordeeld; langzamerhand kregen ze echter meer vrijheid en mochten ze in handel, landbouw of andere bedrijven een eigen bestaan zoeken. Onafhankelijk worden zij echter nooit, en altijd moesten zij éénmaal per maand voor den mandarijn verschijnen, wanneer deze appèl hield. Ondanks den verren afstand, vonden de on-gelukkigen toch soms nog gelegenheid om briefwisseling te houden met de achtergebleven leden van hun familie, en wel door bemiddeling van de chineesche kooplui, die met groote karavanen been en weer reizen. De inhoud van hun brieven was nagenoeg altijd dezelfde: op reis had men veel armoede en gebrek geleden, en ook nog na aankomst in lli was het zeer moeilijk geweest een bestaan te vinden. Doch het land zelf was goed en vruchtbaar, en met Gods hulp hoopte men lichtelijk in het onderhoud te kunnen voorzien voor een leven, dat tot nog toe zoo wonderbaar was gespaard gebleven. Men beval zich herhaaldelijk aan in de gebeden van do familieleden en andere Christenen; het hart bleef meer dan ooit gehecht aan den geboortegi ond, en met droefheid wendde men de blikken steeds naar het Oosten. De openbare veiligheid liet echter veel te wenschen over, en de streek was zeer onrustig ten
74
gevolge van het verschil in nationaliteit, waartoe de bewoners behoorden: men vond er Kalmukken, Ãargot-Tartaren, Mand-choe's, Chineezen, Turken, Kirghesen enz., â een rendex-rous van allerlei aziatische stammen. Doch waar zij vooral over klaagden, was: dal ze, na zóóveel voor het geloof geleden te hebben, nog verstoken moesten zijn van alle geestelijke hulp.
Onder de verbannen Christenen waren nochtans ook twee inlandsche priesters geweest; doch, helaas! door een zwaar en langdurig lijden uitgeput, bezweken beiden kort na hun aankomst. Een derde clnneesche priester, eveneens om het geloof verbannen, werd eenige jaren later als een zegen des Hemels te midden zijner geloofs- en lotgenooten ontvangen, doch zijn bediening werd zeer belemmerd door gemis aan de noodige vrijheid en het volslagen gebrek aan kerkornamenten en andere benoodigdheden voor den katholieken eeredienst. Door zijn beminnelijk karakter kwam hij nochtans deze moeilijkheden te boven: in korten tijd had hij de gunst van een mandarijn gewonnen en wist hij van dezen de vergunning te verkrijgen, om naar China te mogen temgkeecen; â en nu kon hij zijn bisschop een volledig verslag over de missie van Ili doen. De hachelijke toestand, waarin destijds de missiën van China zelf verkeerden, maakte het uiterst moeilijk, doeltreffende maatregelen te nemen. Nochtans bleven de verbannen Christenen sinds dien tijd in geregelde betrekking met den bisschop van Sin-gan-fou, die om de twee ot drie jaren hun een priester zond en alzoo in hun geestelijke behoeften voorzag. Het eerste werk van deze missionarissen was, natuurlijk, de verstrooide Christenen te vereenigen, en tot dit einde werd een klein kerkje gebouwd binnen de stad Koeldja, waar zij gemeenschappelijk Hem mochten aanbidden, om Wiens naam zij uit hun Vaderland waren verbannen. De vrijheid, die zij daartoe hadden, werd nog grooter, toen in 1860 de fransche troepen binnen Peking kwamen en het chineesehe Gouvernement de verplichting oplegden, om de gevangen Christenen uit den kerker te verlossen, het gepleegde onrecht zooveel mogelijk te hersteden, den missionarissen vrijen toegang tot de binnenlanden te verkenen en in de toekomst alle vervolging te staken. De eerste chineesehe priester, genaamd Chang, die deze heugelijke tijding kwam brengen, werd niet alleen door de Christenen met uitbundige vreugde begroet, maar ook door de mandarijnen van Ili met veel eerbied en huldebetoon ontvangen, 't Is waar, slechts weinigen onder de Christenen maakten gebruik van de aangeboden vrijheid, om naar hun Vaderland terug te keeren, want van lieverlede hadden de meesten de hoop op een weder-
75
zien van 't Vaderland laten varen en zich in Ili een bestaan verzekerd zooals zij waarschijnlijk in China niet zouden terugvinden, ofwel een gezin gevormd, dat het vroegere ballingsoord nu als een vaderlijk erf beschouwde. Doch hoe dit zij, het valt niet moeilijk, hier de hand te ontdekken van Hem, die ook uit het kwaad goed weet te doen voortkomen, en het lag voorzeker in de plannen van de Voorzienigheid, dat ook in deze verlaten oorden kinderen van de katholieke Kerk, aanbidders van den waren God zouden gevonden worden. Na de herkregen vrijheid nam de Christenheid van Koeldja een nieuwe vlucht, en weldra telde men er ruim twee honderd zielen. Dit gelukkige begin was, helaas! niet van langen duur.
In het jaar 1865 brak in het noordwesten van China onder de Mohammedanen, die het grootste gedeelte van de bevolking in deze streken uitmaken, een opstand uit, die jarenlang heeft voortgeduurd en zelfs een oogenblik de hoofdstad Peking bedreigde. De twee provinciën Kan-sou en Chan-si met omliggende streken werden te vuur en te zwaard verwoest; tal van steden, werden in asch cu puin gelegd en millioenen menschenlevens opgeofferd. Een ooggetuige, inwoner van een versterkte stad in Chan-si, verhaalde ons hieromtrent het volgende: De chineesche militaire bezetting van onze stad bestond uit slechts vier il vijf honderd man, en zoodra men vernam dat de Mohammedanen in aantocht waren, dorst geen enkele soldaat zich meer op de wallen der stad vertoonen. Des anderendaags braken de opstandelingen met geweld de poorten open, drongen in dichte drommen de stad binnen en hitssten elkander aan door een oor-verdoovend geschreeuw van: âHsa! hsa!quot; (Sla dood! sla dood!) Geen enkele inwoner was in de straten te zien; zij die niet bijtijds de stad ontvlucht waren, hadden zich in kelders en holen verscholen. ïsu liepen de Mohammedanen de huizen en openbare gebouwen binnen en richtten een bloedbad aan, dat tot in den namiddag voortduurde. Van de soldaten en beambten bleef niemand gespaard; van de overige inwoners alleen zij, die goedwillig als slaven onder hen wilden dienst nemen. Toen zij alle voorwerpen van waarde hadden bijeengegaard, en de voorraadsmiddelen waren uitgeput, staken ze de stad in brand en verlieten haar, om elders hetzelfde wandalisme te plegen. In de meeste steden ontmoetten zij bijna geen tegenstand; hun getal werd van dag tot dag grooter, en in hun zucht naar moord en vernieling herinneren ze ons in menig opzicht aan de woeste bende van Attila, Echinguig, Khan en Tamerlan, die op hun tochten geen spoor van leven meer achter zich lieten.
Het vuur van den opstand verspreidde zich al verder en
76
verder en de roepstem, die alle Mohammedanen te wapen riep, vond door de woestijn heen zelfs weerklank in het verre Westen. De Droungaren, de oude bewoners van Ili, vereenigden zich niet de Mohammedanen en Turken, om de licerscliappij van den Chinees omver te werpen, en sloegen het beleg voor de stad Bajantai. De generaal van Koeldja zond zijn troepen, om de stad te ontzetten, maar dezen werden met ontzaglijk verlies teruggeslagen en lieten zelfs hun wapens in de handen van den vijand achter. Bajantei viel, en alle inwoners werden vermoord, behalve eenige mannen en kinderen, die gevangen werden meegevoerd. Nu kwam de beurt aan Koeldja, destijds een groote handelsstad met veel verkeer. De Chineezen, die binnen de stad waren, verdedigden zich met woede, doch moesten ten slotte voor de overmacht hukken. De generaal, ten einde raad, liet zich met zijn gezin in de lucht vliegen, en de stad onderging hetzelfde lot als Bajantai. Wat er van onze Christenen geworden was, laat zich gemakkelijk begrijpen; velen waren gedood ofgewond, anderen als slaven meegevoerd, en hun vrouwen en kinderen waren schier allen door de Turken geroofd.
En wat er van den braven priester Chang is geworden, zal wel immer een geheim blijven. Men zegt dat hij het slachtoffer werd van zijn opofferende liefde: hij zou namelijk naar een turksch dorp gegaan zijn, waar zich Christenen bevonden, om met hen te trachten de vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen, doch daar door de Turken zijn vermoord geworden. Het verstrooide kuddeken zonder herder scheen den ondergang nabij.
Tot in Juli 1871 bleven de Turken meester van de lli-vallei. Hun Sultan beval zijn onderdanen, om alle vrouwen, wier mannen nog in leven waren, terug te geven; maar de kinderen hielden zij bij zich, â die waren nu eenmaal Mohammedaan en moesten dit, natuurlijk, blijven ! Verder werd het bestuur zooveel mogelijk op zijn Turksch ingericht; de godsdienstige ceremoniën van de heidenen zoowel als van de Christenen waren verboden; het onderwijs was uitsluitend in de handen van turksche meesters; do Chineezen waren verplicht hun haarstreng af te snijden en zich op turksche manier te scheren. Ontmoette oen Turk hier of daar een vrouw of jonge dochter, die hem aanstond, zonder schroom roofde hij haar met geweld, enz. enz. Gelukkig, duurde deze ellendige toestand niet lang. âOmoat de Chineezen niet bij machte waren hun gezag te herstellen,quot; zegt een russische schrijver, âen wijl zij hun onderdanen niet tejieji de knevelarijen van de Mohanimedanen konden beschermen, besloot Rusland, op verzoek van de bewoners, in 1872 de geheele lli-vallei te bezetten.quot; Het kostte weinig moeite, een troep ou-
77
gedisciplineerde TVirken uiteen te jagen, en inderdaad werden de Russen door de bevolking met vreugde ontvangen en als redders begroet. Na lange verdrukking kwam er nn een tijd v:in verademing; liet geleden onrecht werd zooveel mogelijk hersteld, onze Christenen hadden immer zooveel mogelijk liet oog gehouden op hun geroofde vrouwen en kinderen en wisten nagenoeg waar zij zich bevonden en door den generaal Kolpo-kofsky werden de Turken gedwongen, hun prooi los te laten. Men begrijpt de vreugde der ouders, toen hun telgen weer in de ouderlijke woning terugkwamen; op enkele uitzonderingen na, als de kinderen spoorloos verdwenen waren. Op zeker oogen-hlik echter bestond er vrees voor de Christenen, dat zij van Scylla in Charvbdis vervallen waren, vooral toen een russische pope hen onder het pausschap van den Czaar wilde brengen; deze man verstoutte zich zelfs bedreigingen te uiten en het misgewaad van den overleden priester, dat zij niet zooveel opofferende zorg als een kleinood bewaard hadden, met geweld mee te nemen. Maar ook dit onrecht werd hersteld. De eenige moeilijkheid was nu nog, dat zij zonder priester waren, als kinderen zonder ouders, als schapen zonder herder, zooals ze-zelven later in de brieven zich naïef uitdrukten. En, helaas! deze toestand zou nog jarenlang duren.
In de noord-westelijke provinciën van China was de opstand na menigen strijd en menig verlies eindelijk gedempt, met de hulp van goed geoefende troepen, die uit het zuiden van China waren gezonden; maar in de noorder en zuider landen van het He-melsch Gebergte kon de Regeering van Peking haar macht zoo spoedig niet herwinnen, zoodat alle gemeenschap tusscheu China en die gewesten bleef afgesloten.
Het gevolg hiervan was, dat de bisschop van Sin-gan-fou, wiens geheel vicariaat zooveel van den opstand te lijden had gehad, langen tijd onkundig bleef omtrent den waren toestand van Ili. Wel vreesde zijn vaderlijk gemoed het ergste voor deze ver afgelegen Christenheid, doch iets zekers wist hij niet. Briefwisseling was onmogelijk, de wegen naar Ili waren onbegaanbaar, eu te vergeefs zocht Z. D. Hoogw. naar middelen, om raad te schaffen en hulp te zenden. Onder deze treurigs omstandigheden gaven de Christenen evenwel den moed niet op; zij beraamden allerlei middelen om weer in gemeenschap te komen en betrekkingen aan te knoopen met hun geloofs-genooten in China. Zoo besloten zij eindelijk, met de russische post brieven te verzenden langs de grenzen van Siberië naar den apostolischen vicaris van Mongolië. Klaarblijkelijk rustte Gods zegen op hun edele pogingen. Met ijver nam de vicaris
78
hun zaken ter harte, en na drukke briefwisseling met de Propaganda van Rome en den bisschop van Sin-gan-fou werd, als eerste stap op den weg naar Ui, een nieuw vicariaat in de provincie Kan-sou opgericht, waarvan de administratie werd toevertrouwd aan den nieuw ge wij den bisschop Z. D. Hoogw. Mgr. Fkrdixand Hamer. Dit gebeurde op het einde van 1877. Mgr. Hamer kwam in het voorjaar van 1878 in de hoofstad van Kan-sou aan met vier missionarissen; docli de politieke omstandigheden lieten voorloopig niet toe, gevolg te geven aan het plan voor Ui. China en Rusland waren in tweespalt: liet chineesche Gouvernement, dat van lieverlede door het zenden van geregelde troepen zijn gezag in het westen herstelde, cischte van de russischc Regeering, dat zij haar troepen uit de Ui-val lei zou terugtrekken en de stad Koeldja ontruimen. De Russen daarentegen beweerden, en met recht, dat zij niet dan gedreven door medelijden met de verdrukte bevolking, en op verzoek van de bewoners-zelven, de vallei bezet hadden, en dat zij niet van plan waren af te zien van liet rechtvaardig bezit van Koeldja, waarvoor zij zich zooveel uitgaven en opofferingen getroost hadden. Deze twist liep zoo hoog, dat Rusland op het punt stond aan China den oorlog te verklaren, en in alle nieuwsbladen kon men toen berichten vinden over de quaestie van Koeldja. Nochthans werd de zaak bij slot van rekening in der minne geschikt. Rusland trok zijn troepen terug, en China verbond zich tot het uitkeeren van een bepaalde som gelds als schadevergoeding aan Rusland, ruim twee en een half mil-lioen gulden.
In 1882 hadden de Russen Ui verlaten, en in't volgend jaar reeds kregen onze missionarissen paspoorten van het chineesche Gouvernement, om zich in Koeldja te vestigen. De eerw. hee-A. Jansen, J. Steeneman en C. De Deken waren de eersten, die de verre reis ondernamen. De eerstgenoemde twee zijn neder-landsche priesters, de laatste is een Belg. Het tijdschrift Lps missions Catholiques heeft indertijd een uitvoerig en boeiend verslag meegedeeld van hun gevaarlijke en moeitevolle reis. Treffend vooral was het oogenblik, toen zij behouden in Ui aankwamen te midden van Christenen, die zestieu jaren van alle geestellijke hulp waren verstoken geweest en met tranen van blijdschap hun geestelijke voorgangers ontvingen.
Met vollen moed sloegen onze missionarissen de handen aan het werk, zonder zich echter de moeilijkheden te ontveinzen, noodzakelijk verbonden aan een nieuw missiewerk. Een uitgebreid veld lag voor hen open; de Ew. heeren Jansen en Steeneman
79
begaven zich naar de Kalmukken en vertoefden een half jaar lang onder de grootste ontberingen bij die nomadische stammen. Werden hun pogingen al niet onmiddellijk met succes bekroond, toch bleef' er goede hoop voor de toekomst. De andere missionaris legde zich toe op de turksche taal en voorzag in de eerste behoeften van dc zoo lang verlaten Christenen, wier getal, zooals men licht kan nagaan, in die zestien jaren aanmerkelijk verminderd was. Spoedig bleek dat ook nu nog de tijd van beproevingen voor de missie van Ili niet ten einde was. Op plaatsen, waar gegronde hoop op bekeering bestond, werd hun het verblijf door de chineezen autoriteiten ontzegd; de heer Ew. Jan.-:ex, wiens krachten waren uitgeput, zag zich genoodzaakt om redenen van gezondheid voorloopig de missie te verlaten; de andere twee werden beurtelings door zware typhuskoortsen aangetast. Bij gebrek aan geregelde karavanen was de briefwisseling met hun bisschop zoo goed als onmogelijk, en daarbij ontbrak het hun ten eenenmale aan voldoende middelen om hun werkkring uit te breiden. Ieder ander zou hier den moed hebben laten zakken, doch de geest van opoffering verloochende zicii bij onze missionarissen nooit; met kalmte gingen ze voort zooveel goed te verrichten als in hun vermogen was, en legden intusschen het onhoudbare van hun toestand aan de Propaganda bloot. Na rijpe beraadslaging en om de standvastighied in het geloof van die zoo lang verlaten Christenen, zonen van belijders en martelaren, te belooneu, werd besloten aan de missie van Ili een eigen bestnur te geven en haar van liet vicariaat van Kan-sou af te scheiden, het aantal missionarissen voorloo2gt;ig op vijf te brengen en hun de noo-dige middelen en steun te verschaffen, om nieuwe statiën op te rich en.
Imprimatur.
|
MAARSSBN, 5 November 1800. |
J. G. H. O. ESSINK, Libr. Cens, |
|
⢠| ||
::V ?