DOOrl
Z. ocl.
LEVENSBEELDEN.
't Leven van Gods eecVle kind'ren Leert ons hoe men heerlijk strijdt, Hoe men eens een voetspoor nalaat In den zandzoom van den tijd: Voetspoor, dat misschien een ander, Die op 's levens golven zweeft,
Of aan 't strand wordt neergeworpen, Als hij 't ziet den moed hergeeft!
H. W. Longfellow.
DOOR
Utrecht C. H. E. B RE IJ ER 1893,
Zuidhollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, 's Hage.
De door mij in 1885 uitgegeven „Legenden en Levensbeeldenquot; werden in verschillende weekbladen en maandschriften gunstig beoordeeld, vooral de laatste.
Daardoor werd ik opgewekt, om nog een zevental beelden van beroemde mannen , die vroeger in tijdschriften werden opgenomen, hier en daar gewijzigd, ons beschaafd publiek aan te bieden.
Mogen zij een even goed onthaal vinden als de vorige!
1 Maart 1893.
John Wiclif............................i
Sebastian Franck......quot;......27
Benjamin Franklin........................53
Arthur Penrhyn Stanley.........83
Ralph Waldo Emerson..........127
George Bancroft............167
Joseph Ernest Renan...........227
JOHN WICLIF.
De tijd is nog niet gekomen, dat een biographie van wlcllf kan gegeven worden i). Slechts omtrent de twintig laatste jaren zijns levens zijn wij nauwkeurig ingelicht. Omstreeks 1326 werd hij in het graafschap Yorkshire geboren. Op verschillende wijzen wordt zijn naam geschreven; Wycklif, Wykliffe, Wyklif, Wycklef, Wyclif, Wiclif enz. Hij studeerde te Oxford, bleef aan de hoogeschool verbonden, toen hij haar reeds lang als student verlaten had en gaf aldaar theologische lessen, nadat hij ongeveer in 1365 tot Doctor in de theologie bevorderd was. Te Fylingham en te Ludgershall was hij als pastoor werkzaam en bekleedde gedurende de laatste jaren zijns levens het Rectoraat te Lutterworth.
Meermalen, waarschijnlijk het eerst in 1366, trad WlCLlF in het openbaar op. Paus Urbanus V, die te Avignon zijn zetel had, schreef Eduard III een brief, waarin hij hem herinnerde aan de jaarlijksche schatting, die Engeland moest betalen, sinds het onder Jan zonder land een leen van innocentius
4
III was geworden. De koning zou ter verantwoording geroepen worden, indien hij weigerde de achterstallige gelden te voldoen. Eenstemmig luidde het oordeel der leden van het Parlement: geen vorst heeft het recht, om het rijk aan de pauselijke heerschappij te onderwerpen. Als verdediger van den paus trad een monnik op, die WlCLlF uitdaagde hem te weerleggen. Volgens WlCLlF was de koning niet verplicht tot het betalen van schatting aan den paus. Zeven leden van het Parlement worden door hem sprekende ingevoerd: daar de paus een navolger van Christus heet, mag hij geen wereldlijk heerscher zijn, naar het gevoelen van den eersten spreker. Volgens een ander had Engeland in geestelijke en wereldlijke zaken aan den paus niets te danken en was hem dus ook geen belasting schuldig, terwijl naar het oordeel van een derde Christus de eenige Opperheer is, zoodat Engeland zich niet aan den paus, een zondig mensch, behoeft te onderwerpen.
De voornaamste kerkelijke betrekkingen waren in handen van mannen, die nooit een voet op Engeland's bodem gezet hadden en ongeschikte personen tot hun plaatsvervangers benoemden. Tot ergernis van velen vloeiden aanzienlijke sommen uit Engeland in de pauselijke schatkist. Nadat in 1373 een zending naar Avignon geheel mislukt was, zond de koning een jaar later een gezantschap naar Brugge, waartoe
5
ook WlCLlF behoorde, om met de legaten van Gre-gorius XI over allerlei misbruiken te onderhandelen, waardoor Engeland's schatkist benadeeld werd. Het resultaat der samenkomst, die bijna twee jaar (natuurlijk niet zonder lange tusschenpoozen) duurde, was, dat de paus beloofde, thans van zijn rechten geen gebruik te zullen maken.
Hoogst ongunstig was de indruk, dien WlCLlF van zijn verblijf te Brugge medenam. Volgens hem waren de hooge geestelijken, met wie hij kennis gemaakt had, huichelaars en hebzuchtigen. Toen hij in het openbaar voor Engeland's onafhankelijkheid van den paus optrad, die volgens hem geen macht had om te binden en te ontbinden, werd hij „om zijn ketter-sche meeningenquot; door den aartsbisschop van Canterbury en den bisschop van Londen ter verantwoording geroepen. Den Februari 1377 verscheen hij,
vergezeld door den hertog van Lancaster en lord Percy, in Paul's Church. Toen de laatste zich met moeite een weg door de overgroote menigte gebaand had, duwde de bisschop hem toe: „ Indien ik geweten had hoe aanmatigend gij hier in de kerk zoudt verschijnen, zou ik u den toegang verboden hebben.quot; Nadat Percy aan Wiclif bevolen had, om plaats te nemen, daar hij zoovele vragen moest beantwoorden en dus rust behoefde, eischte de bisschop dat hij zou blijven staan: een beklaagde kon toch geen
6
zetel innemen. De hertog van Lancaster verweet den bisschop zijn hoogmoed en aanmatiging en voegde er bij: „ Ik hoop niet slechts uw trots, maar dien der gansche geestelijkheid in Engeland te fnuiken en zou niets liever wenschen dan u bij de haren uit de kerk te slepen.quot; Het volk was diep verontwaardigd over zulke woorden, tot een bisschop gericht. Natuurlijk had wlclif geen gelegenheid, om zich te midden dier onverkwikkelijke tooneelen te verantwoorden, terwijl de rechters, die op de veroordeeling van den ketter gehoopt hadden, zich met eenige vermaningen moesten vergenoegen.
De paus, die te Rome de noodige inlichtingen had ontvangen, zond een lijst van Wiclifs ketterijen ten bedrage van 19, waartoe o.a. de volgende behoorden: 11 Wij gelooven, dat de paus dan alleen bindt of ontbindt, wanneer hij in overeenstemming handelt met de wet van Christus quot;. ,, Een vervloeking heeft slechts waarde, als zij tegen een overtreder van Christus' wil gericht isquot;. „Elk geestelijke, zelfs de paus, kan op wettige wijze door leeken terechtgewezen en aangeklaagd wordenquot;. Bij deze lijst, die naar Engeland gezonden werd, waren brieven gevoegd aan de hooge-school te Oxford, die zulk een leeraar niet langer mocht dulden; aan de hooge geestelijkheid, die het bevel kreeg, om hem gevangen te zetten; aan den koning, die zich aan de zijde der bisschoppen moest scharen 2).
In de Aprilmaand van 1378 waren vele belangstellenden naar Lambeth' Chapel te Londen opgegaan, om Wiclif s verantwoording bij te wonen. Niet onduidelijk gaven zij hun ingenomenheid met den ketter te kennen, wiens verdediging uiterst voorzichtig was. Hij verklaarde zich bereid, zijn gevoelens te herroepen, indien deze mochten blijken met het geloof in strijd te zijn. Nadat de Regentes bevolen had, dat het onderzoek gestaakt zou worden, werd WlCLlF heengezonden met het uitdrukkelijk bevel, om zulke gevaarlijke stellingen voortaan niet meer op den kansel of den katheder te verkondigen. Maar wie hem kenden, vermoedden dat dit bevel tot doove ooren gericht was.
In 1378, toen URBANUS VI te Rome, en CLEMENS VII te Avignon elkander vervloekten en in den ban deden, werd de eenheid der kerk verbroken. Het pauselijk schisma maakte op WlCLlF een ongelooflijken indruk. Had hij tot nu toe voornamelijk de misbruiken der kerk bestreden, thans werd het hem duidelijk, dat de kerk gansch en al bedorven was en daarom tot haar oorspronkelijke gedaante moest terugkeeren. Er was volgens hem reden, zich over deze scheiding te verblijden. „Het hoofd van den Antichrist is thans gespleten en het eene deel staat vijandig tegenover het andere. Eerst wanneer de kerk van den paus verlost is, kan zij weder bloeien.
Dan zullen de geloovigen de evangelische waarheid verkondigen, die zij reeds zoo lang geaarzeld hebben te prediken.quot; De hervormer verheft zijn stem tegen het weelderig leven in ,, Kaïn's kasteelenquot;, tegen de vereering van heiligen en reliquieën. Daar Christus volgens hem de eenige Middelaar was, beschouwde hij de leer der bovenverdienstelijke werken en der aflaten als godslastering.
Ten gevolge van veel inspannenden arbeid werd Wiclif door een zware ziekte aangetast. Reeds juichten zijn vijanden, daar de laatste ure van den ketter scheen te naderen. Bedelmonniken bezochten hem en gaven ootmoedig den wensch te kennen, dat hij althans in het aangezicht des doods zijn dwalingen zou herroepen. Maar het fiere woord van den kranke luidde: „ Ik zal niet sterven, maar leven en de slechte daden der monniken verkondigen.quot; Hij heeft woord gehouden.
In het begin der I3de eeuw was het dogma der transsubstantiatie door de kerk vastgesteld. Onder het bijwonen der Mis moest ieder geloovige tot het besef komen, dat hij slechts door bemiddeling van den priester het eeuwig heil deelachtig kon worden. Volgens Wiclif was dit leerstuk met de ervaring, de rede en de Schrift in strijd; wie het aannam, moest bereid zijn, zelfs met het alleronredelijkste in te stemmen. In 1381 gaf hij 12 stellingen in het licht,
die hij te Oxford zou verdedigen. Wij noemen slechts enkele: de woorden der Avondmaalsinstelling moeten in figuurlijken zin opgevat worden, al beweren paus en kardinalen het tegendeel; wie zegt, dat brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus veranderd worden, lastert God. Zal het schepsel — vraagt WlCLIF — zijn Schepper formeeren of mag een priester, die een mensch is, zeggen dat hij den Schepper formeert?
Zelfs in het oog zijner vrienden, o.a. van den hertog van Lancaster, was zulk een taal te stout. Maar Wiclif's vertrouwen bleef ongeschokt, dat de waarheid zou zegepralen, al deed het hem leed, dat zijn volgelingen hem alleen lieten. De kanselier van Oxford's hoogeschool bedreigde ieder, die zulke stellingen verkondigde, welke met de kerkleer in lijnrechten strijd waren, met ontzetting uit zijn ambt en den grooten ban. Aan niemand was het geoorloofd, de lessen bij te wonen van een man, die dergelijke ketterijen in het openbaar predikte.
Juist op het oogenblik, toen WlCLIF aan de studenten zijn gevoelen over het Avondmaal meedeelde, trad de pedel de gehoorzaal binnen en las het vonnis van den kanselier voor, waarop de professor na een korte aarzeling het fiere antwoord gaf: „Ik zal mij door geen bedreigingen, zij 't ook van den kanselier, van dwaling laten overtuigen.quot;
IO
Zijn academische lessen waren nu voor goed gesloten. Voortaan kreeg de ketter van alles de schuld, zelfs van den boerenopstand, die onder Wat Tyler in 1381 was uitgebroken en voornamelijk ontstaan was uit de toenemende onderdrukking der boeren en de vrijmaking van den burgerstand. Maar Wiclifs tegenstanders verweten hem, dat hij door de prediking der gevaarlijke leer: het recht van een kerkelijk of wereldlijk ambt hangt af van den persoon, die het bekleedt, dien opstand in het leven geroepen had.
In 1382 werd te Londen een Concilie gehouden, •waarop 24 stellingen uit Wiclifs geschriften als ketterijen veroordeeld werden, o.a. de volgende: „ Het is met de Schrift in strijd, dat geestelijken wereldlijke bezittingen hebben; uit het evangelie blijkt niet, dat Christus de Mis ingesteld heeft.quot; Allen, die ze aannamen , predikten, verdedigden of aanhoorden, zouden met den grooten ban gestraft worden. Bij de opening der vergadering werd de gansche stad door een aardbeving in rep en roer gebracht. De aartsbisschop stelde de leden van het Concilie (gewoonlijk het aardbevingsconcilie genoemd) gerust, met de verklaring, dat dit natuurverschijnsel een voorteeken was, dat de kerk van alle ketterijen gezuiverd zou worden.
Gedurende de beide laatste jaren zijns levens, die hij in Lutterworth'pastorie doorbracht, bleef WlCLlF
11
onvermoeid werkzaam, vast overtuigd, dat de waarheid zou zegepralen. Aan zijn voornaamste werken: den Trialogus en de Bijbelvertaling, waarop wij straks terugkomen, werd de laatste hand gelegd. Hij schreef populaire traktaatjes en stelde belijdenissen op voor de geestelijkheid en voor het volk. Op een sommatie uit Rome om voor URBANUS VI te verschijnen, gaf hij ten antwoord, dat ziekte hem verhinderde de reis te ondernemen, waarbij de vermaning gevoegd werd, dat de paus niet naar wereldsche grootheid moest streven, daar Christus zelf geen plaats vond, om het hoofd neder te leggen. Ik zou niet durven verzekeren, dat de volgende woorden uit zijn brief: ,, Gaarne zou ik mijn geloof voor den paus willen belijden, daar ik verzekerd ben, dat hij met blijdschap dat geloof zal aannemen, wanneer het door God ingegeven isquot;, ernstig gemeend waren.
Een paar dagen vóór zijn dood werd hij in de kerk te Lutterworth door een beroerte getroffen en stierf op Oudejaarsavond 1384, „na een vuur ontstoken te hebben, dat nimmer zou worden uitgedoofd quot;.
Aan WlCLlF komt de voornaamste plaats toe onder de theologen van zijn tijd. Een nauwkeurig overzicht zijner theologie kan hier niet gegeven worden en zou de meeste lezers weinig interesseeren. Zijn be-
12
wijsvoeringen herinneren aan de scholastieke methode der Middeneeuwen. Evenals Augustinus, dien WlCLlF onder de kerkvaders het hoogst stelde, is hij een voorstander van de leer der voorbeschikking, al moet hij toestemmen, dat hij daarover meer licht zou wenschen te ontvangen. Hij was een streng determinist. Zoo is het volgens hem gedetermineerd, dat kerkvergaderingen gehouden en andersdenkenden door haar verdoemd worden, waaruit hij dezen troost put, dat de werkers der gerechtigheid door God beloond, de vijanden der waarheid gestraft zullen worden.
Wij noemden reeds het voornaamste zijner theologische werken, den Trialogus, een gesprek tusschen de waarheid, de leugen en de theologie. Het eerst verheft de Alithia, als een degelijk theoloog, haar stem. Daarna bestrijdt de Pseudis, een bedrieglijk ongeloovige, eerstgenoemde, terwijl eindelijk een scherpzinnig en krachtig theoloog als de Phronesis (de bezonnenheid) de waarheid onderwijst. Het is duidelijk, dat WlCLlF zelf de derde, zijn tegenstanders de tweede rol vervullen. Maar het valt moeilijk te beslissen wie met de Alithia bedoeld is 3).
Belangrijker dan de theoloog Wiclif is voor ons de hervormer. Van het verval der kerk draagt volgens hem zoowel de staat als de geestelijkheid de schuld. Door verblinding en lichtgeloovigheid liet de eerste zich zijn macht ontnemen, terwijl de laatste zich
13
tegen elke hervorming hardnekkig bleef verzetten. De paus, al heet hij de plaatsvervanger van Christus, wordt de plaatsvervanger van Satan genoemd, de vervloektste aller geldafpersers, een Simon Magus, die door al zijn wetten en bullen de wet Gods ver-valscht. Hij heet de onfeilbare, al heeft hij meermalen gedwaald. Niemand behoeft naar hem te hooren! De geloovigen, die zich aan de rede en de Schrift houden, moeten de fabelen verwerpen, die de geestelijken hun willen wijsmaken.
WlCLIF roept allen op, om tot de hervorming der kerk mede te werken. Zal deze ooit tot stand komen, dan moet volgens hem Christus „als het eenig hoofd van zijn lichaam en van elk lid des lichaamsquot;, de Schrift als de eenige autoriteit erkend worden. Al hebben sommige kerkvaders groote verdiensten, geen onvoorwaardelijk gezag mag hun toegekend worden. De apostolische gemeente staat den hervormer als ideaal voor den geest.
Van de zeven door de kerk aangenomen sacramenten verwerpt hij het laatste oliesel. Niet op de ■wijding, maar op de werken der priesters komt het volgens hem aan. Ongaarne zou hij beweren, dat ongedoopte kinderen niet zalig kunnen worden. In plaats van de biecht stelt hij de belijdenis van zonde voor God en de gemeente, de bekeering des harten, de voortdurende droefheid naar God.
14
Krachtig verzet WlCLlF zich tegen de absolutie van den priester, welke macht alleen aan God toekomt. Een priester kan over iemands boetvaardigheid, de eenige voorwaarde tot vergeving van zonden, niet oordeelen. Hij keurt het gedwongen celibaat der priesters af, al stelt hij het ongehuwde leven boven het huwelijk, waarvan hij geen zeer verheven opvatting heeft. Het bedoelt volgens hem de voortplanting van het menschelijk geslacht op wettige wijze. Uit Genesis III tracht hij te bewijzen, dat de vrouw aan den man grootere eer verschuldigd is dan deze aan haar; dat de vrouw niet de dienstmaagd van den man moet zijn, maar evenmin over hem mag heerschen.
Bij den eeredienst moet de prediking van het evangelie, waardoor de wereld overwonnen is, de allereerste plaats innemen. Alle profeten, ook Jezus en zijn apostelen, waren predikers. En van de dienaren der kerk zal dan alleen kracht uitgaan, indien zij zich door een voorbeeldigen wandel aanbevelen.
WlCLlF had een afkeer van muziek en koorgezang in de kerken. Ook kon volgens hem het geld, voor zangkoren besteed, beter gebruikt worden tot de opleiding van priesters en de opvoeding der kinderen. Hij meende, dat ijdele menschen daardoor eerder tot dansen dan tot droefheid over hun zonden zouden opgewekt worden. Hun, die hem aan het zingen der engelen in den hemel herinnerden, antwoordde hij,
IS
dat wij hun liederen niet kennen en ook niet mogen vergeten, dat de engelen reeds getriomfeerd hebben, terwijl ons nog een gevaarlijke strijd wacht.
Hoe denkt WlCLIF over de verhouding tusschen kerk en staat?
Hij wenscht de privilegiën der kerk op te heffen en de rechtspleging aan den staat toe te kennen. De kerk moet afstand doen van haar wereldlijke macht en haar goederen aan den staat geven, wien zij oorspronkelijk toebehoorden. Deze zouden tot ondersteuning der armen en tot onderhoud van godvruchtige priesters besteed kunnen worden. Maar hij waarschuwt tegen geweld, waarvan nooit eenig heil te verwachten is.
Zijn ideaal was een nationale kerk, onafhankelijk van Rome, vrije gemeenten en vrije predikers.
Bekend is de orde van „ reizende arme priesters door WlCLIF gesticht. Barrevoets, een pelgrimsstaf in de hand, met een lang rood kleed, trokken zij van stad tot stad en van dorp tot dorp, om in de huizen of onder den vrijen hemel, in kapellen of 1 kerken, het evangelie in de volkstaal te verkondigen. Deze predikers moesten door ootmoed uitmunten, zich alleen aan Gods gezag onderwerpen. Naar het voorbeeld van Christus en zijn apostelen ontvingen zij vrijwillige aalmoezen van hen, die door hun prediking gesticht werden. Eerst waren het alleen wereld-
i6
lijke priesters, die te Oxford gestudeerd hadden, later ook leeken, die uitgezonden werden, om te prediken. Als de kerk hervormd was en de hiërarchie plaats gemaakt had voor de christelijke gemeente, dan eerst konden de „arme priestersquot; hun arbeid als geëindigd beschouwen.
Wiclif's grootste tegenstanders waren de bedelmonniken, in verschillende geschriften door hem op de heftigste wijze bestreden. Lieden, die zich in overvloed baadden en nog om een aalmoes bedelden, waren in zijn oog dieven. Zij onthielden aan armen en zwakken, wat hun toekwam. Hij noemde hen huichelaars, „de staart van den draakquot;, daar zij geheel in dienst van den paus stonden. Allerlei fabelen waren door hen verzonnen, b.v. door de Karmelieten, die beweerden, dat Elia hun orde op den berg Karmel ter eere der zaligste jonkvrouw Maria gesticht had. Zij konden volgens hem nog hooger opklimmen en Kaïn den vader aller monnikenorden noemen! Elke hervorming werd door hen tegengewerkt. Terwijl zij bedelden om de gunst van aanzienlijken, zogen zij het volk uit. WiCLlF profeteert den ondergang der monnikenorden, die hij een geesel Gods noemt.
De geleerde theoloog was tevens de vriend van het volk, welks belangen hij zich vooral in de laatste
17
jaren van zijn leven aantrok. Zijn Bijbelvertaling, waardoor hij zich zoovele vijanden op den hals haalde, was voor het volk bestemd.
De Schrift, wij merkten het reeds op, was volgens WlCLlF de eenige autoriteit in zaken des geloofs. De canonieke boeken van het O. en N. T. beschouwde hij als geïnspireerd door den heiligen geest. Deze geest, dien God aan allen geeft, welke zijn eer bedoelen, is in zijn oog de uitlegger der Schrift. Ook de lectuur der Apocriefen werd door hem aanbevolen. Bekrompen achtte hij de meening, vroeger en later gekoesterd, dat de Voorzienigheid ook voor de Handschriften des Bijbels gezorgd zou hebben, die naar zijn oordeel in uiterst gebrekkigen toestand verkeerden.
Tusschen de rede en de openbaring, tusschen het natuurlijk licht en het licht des geloofs behoeft volgens WlCLlF geen strijd te bestaan. De openbaring kan niets leeren, dat met de rede in strijd is. Ook uit de schepping kunnen wij God, hoewel gebrekkig, leeren kennen. „Wat de een in het licht der genade erkent, erkent de ander in het licht der natuur. Ten gevolge van Adam's overtreding is het natuurlijk licht verzwakt en bevindt zich in gebrekkigen toestand en daarom heeft God ons zijn openbaring geschonken quot;
Maar „de bron des geloofsquot;, waarmede WlCLlF den Bijbel bedoelt, is voor het volk gesloten, daar het geen hebreeuwsch of grieksch verstaat. Heeft
2
i8
Christus bevolen, dat zijn evangelie aan alle volken gepredikt zal worden, waarom mogen wij het dan niet in onze taal overzetten? Is dit ongeoorloofd, gelijk velen beweren, dan mag het evangelie ook niet verkondigd worden. Zegt iemand, dat leeken licht dwalen kunnen en men hun daarom de Schrift niet in handen kan geven, WlCLlF vraagt of misschien de priesters in hun uitlegging van den latijn-schen Bijbel onfeilbaar zijn.
In de 8ste en 9de eeuw hadden Beda de Eerwaardige en Alfred de Groote het evangelie naar johannes en de 10 geboden overgezet. Later werden ook stukken uit de psalmen en de evangeliën vertaald. Maar vóór WlCLlF bestond er geen engelsche overzetting van den ganschen Bijbel en evenmin in eenige andere nieuwe taal. Aan dat werk heeft de ,, Doctor evangelicus quot;, gelijk zijn vrienden hem noemden, zijn beste krachten besteed.
De dienaren der kerk konden het WlCLlF moeilijk vergeven, dat hij ook in de volkstaal schreef. „Niet tevreden met het uitgeven van kettersche boeken in het latijn, schrijft hij ook nog in het engelsch, om het landvolk met zijn onzalige meeningen te besmetten.quot; „Christus gaf zijn evangelie aan de geestelijkheid en de leeraren der kerk, maar deze Meester JOHN vertaalde den Bijbel in het engelsch, zoodat die ook voor leeken en vrouwen toegankelijk werd, wanneer
19
zij konden lezen. Zoo wordt de parel van kostelijke waarde in het slijk vertreden. Wat vroeger kostbaar was in het oog van geestelijken en leeken, is nu een bespotting geworden.quot; Nog na zijn dood verweet men hem, dat hij de vertaling van den Bijbel uitgevonden had. Omdat zij de kerkelijke goedkeuring miste, werdt zijn overzetting verboden. Maar uit al die verdachtmakingen blijkt duidelijk genoeg, dat het werk door velen gelezen werd.
Waarschijnlijk is de vertaling van het N. T. uit het latijn (naar de Vulgata) met korte inleidingen op de boeken en tekstverklaringen Wiclif's werk. Een zijner leerlingen, Nicolaas Hereford, gaf een overzetting van het O. T., die met de Apocalypse van Baruch eindigde. Toen het werk geëindigd was, bleek een revisie noodig te zijn. Pericopen, op Zonen feestdagen in de kerken gelezen, werden afzonderlijk uitgegeven. Enkele jaren na des hervormers dood gaf John Purvey, een zijner vrienden, een verbeterde editie in het licht 4).
Wiclif's Bijbel — het is terecht opgemerkt — werd voor het engelsche volk de grondwet zijner godsdienstige vrijheid en baande den weg voor beginselen, welke den mensch verlosten van de heerschappij der priesters, het recht van eigen overtuiging erkenden en het gezag op het gebied van den godsdienst aan de kerk betwistten.
20
Als volksschrijver en Bijbelvertaler is wlcllf de vader van het engelsche proza geworden. Met zijn tijdgenoot Chaucer, wiens gedichten door beschaafden gelezen werden, heeft hij een nieuwe periode in Engeland's taal- en letterkunde geopend. Terecht is opgemerkt: „Wir machen überall die Wahrnehmung, wie religiös-reformatorische Persönlichkeiten, die ans Herz des Volks sich wenden, auch für die Volks-sprache von jeher von entscheidender Bedeutung sind 5).quot;
WlCLlF is de eerste reformatorische persoonlijkheid genoemd.
Zelfs tegenstanders hadden eerbied voor zijn zedelijk leven, waarop zij geen smet durfden werpen. Leerlingen en vrienden, die hem wenschten na te volgen, legden na zijn dood de schoonste getuigenissen omtrent hem af: „Hij was een der heiligste mannen, die ooit geleefd hebben. Nadat ik dezen vromen man leerde kennen, kwam ik tot het besef mijner zonden en trachtte ze te verbeteren 6).quot;
Met de contemplatieve en mystieke richting zijner eeuw was de scherpzinnige geleerde, „in wiens geest geen enkele mystieke ader gevonden werdquot;, alles behalve ingenomen.
„Het is, alsof bij WlCLlF het frissche, het koele van den wind vóór zonsopgang ons aangrijpt.quot; Zijn
21
zedelijke ernst, zijn vastheid van karakter, zijn godsdienstige schroom voor het heilige wekten eerbied en ontzag. Langzaam, maar zeker ging hij op den weg der hervorming voort. Tot het laatst toe bleef hij, wiens lust arbeiden was, getrouw aan de leuze: „Gelijk de vogel tot vliegen, is de mensch tot werken geboren. quot; Hij was een man van de daad, die alle Christenen opriep, om Gods zaak moedig te verdedigen als krijgsknechten in den dienst van Christus of, mocht het noodig zijn, daarvoor te sterven. Van dwalingen wilde hij zich gaarne laten overtuigen, daar hij evenmin aan anderer als aan eigen onfeilbaarheid geloofde. In den geest van Luther luidde de door hem afgelegde belijdenis: „Als iemand ons bewijzen kan, dat wij tegen Gods woord en de rede spreken, zullen wij ootmoedig zwijgen.quot;
Te ontkennen valt het niet, dat Wiclifs polemiek tegen andersdenkenden te scherp en vaak onbillijk was. Hij miste de gave der waardeering, in zijn tijd nagenoeg onbekend. Nergens komt dit misschien duidelijker uit dan in zijn oordeel over Frans van Assisi , volgens hem een onwetend en hebzuchtig koopman, die voor de leden zijner orde ongerijmde en onsamenhangende toespraken hield. Een onzer tijdgenooten noemde hem „le seul parfait chrétien depuis Jésusquot; 7).
Luther en Melanchthon, die zich met Wiclirs
22
opvatting van het Avondmaal, zijn vermenging van evangelie en staatkunde niet konden vereenigen, oordeelden hoogst ongunstig over hem. Terecht is gewezen op de verwantschap tusschen WiCLlF en den hervormer van Genève: „ Bij beiden dezelfde verstandelijke richting zonder mystieke of romantische be-standdeelen; hetzelfde strenge, onverzettelijke karakter als bij Calvijn; dezelfde langzame ontwikkeling zonder plotselinge overgangen; hetzelfde rationeele streven, dat ook aan de rede een stem geeft in den godsdienst; hetzelfde krachtig protesteeren tegen kerkelijke misbruiken; dezelfde richting naar het oorspronkelijk apostolisch Christendom, zonder zich om de historische continuïteit te bekommeren; dezelfde /z/zè-godsdienstige opvatting van het Christendom 8).quot;
WiCLlF leidde een betrekkelijk rustig leven. Niemand waagde het de hand te slaan aan den man, die geen enkelen dag in een gevangenis heeft doorgebracht. Zelfs zijn grootste vijanden durfden den ketter niet aanranden, wiens meeningen bij herhaling als uiterst gevaarlijk veroordeeld werden. Maar na zijn dood moesten zijn volgelingen, Lollarden genoemd 9), het ontgelden, wier aantal legio was. Tien jaar na het heengaan van den Meester kwamen zij met een petitie tot het Parlement, waarin medewerking gevraagd werd tot de invoering van hervormingen, die
23
zij wenschelijk achtten. Het verzoekschrift, waarin ook op de afschaffing van den eed en de doodstraf werd aangedrongen, vond geen gehoor.
Hopeloos werd hun toestand, toen na de afzetting van Richard II de zoon van den hertog van Lancaster, Hendrik IV, op den troon kwam. Het Parlement nam de wet op de ketterverbranding aan („de comburendo haereticoquot;), terecht genoemd „het eerste bloedige edict, dat het engelsche wetboek besmettequot;. Sommigen eindigden hun leven als martelaars op den brandstapel, terwijl anderen het torsen der martelaarskroon te zwaar viel en daarom hun gevoelens herriepen. Weldra werd Oxford's hooge-school van alle ketterijen gezuiverd en de lectuur van Wiclif's goddelooze geschriften verboden. Slechts enkelen waagden het nog in hutten of schuren samen te komen, om door het lezen van Wiclif's tractaatjes en Bijbel elkander te stichten. In het begin der i6de eeuw bleven nog eenige stillen in den lande aan Wiclif's beginselen getrouw.
In onzen tijd zal niemand meer met den bekenden kerkhistoricus Neander den grooten invloed ontkennen, door Wiclif's hervorming op Johannes Hus geoefend. Het is thans uitgemaakt, dat deze aan genen een groot deel zijner nieuwe ideeën te danken had. Al ging hij niet zoo ver als zijn voorganger; al heeft hij nooit de leer der transsubstantiatie be-
24
streden, in zijn geschriften komen vele bladzijden voor, die soms woordelijk aan wicllf ontleend zijn, met wiens werken hij door zijn vriend hlëronymus van Praag, die te Oxford gestudeerd had, bekend was geworden. Wiclif is met de zon vergeleken, waarom Hus zich als een kleine planeet bewoog.
Ook koningin Anna, de vrouw van Richard II, de dochter van karel IV van Boheme, die met Wiclif's hervormingen was ingenomen, liet haar vaderland zeker niet onkundig omtrent den man, dien zij hoogelijk vereerde.
Het Concilie van Constanz heeft in zijn achtste zitting (4 Mei 1415) de gevoelens van wlclif als kettersch veroordeeld. Zijn boeken moesten verbrand, des ketters gebeente uit de gewijde aarde opgegraven worden. Eerst twaalf jaar later werd het laatste bevel in de kerk te Lutterworth ten uitvoer gebracht. „ Men wierp zijn asch in de Swift, die haar naar den Avon voerde, de Avon naar den Severn, de Severn naar de wereldzee — een beeld van Wiclif's leeringen, die zich overal verbreidden 10) quot;
Wanneer de complete uitgave zijner werken verschenen is, dan zal Engeland aan een zijner grootste zonen den tol der dankbaarheid betaald hebben, die veel te lang onvoldaan bleef.
1) De eerste biograaf van W. was John Lewis, wiens History of the life and sufferings of föhn Wie Hf in 1720 verscheen. In 1829 schreef Robert Vaughan The life a?id opinions of John Wykliffe illustrated principally from his unpublished Manuscripts, waarvan in 1853 een verbeterde uitgaaf het licht zag.
Vele onuitgegeven handschriften van Wiclif's werken liggen nog in de bibliotheken van Engeland, te Praag, Weenen, Stockholm en elders. In 1883, het jaar vóór den vijfhonderdjarigen gedenkdag van zijn dood, die in Engeland herdacht werd, gaf R. Buddensieg namens de „Wyclif Societyquot; de Polemical works in latin uit, waarop andere inedita volgden.
Aan Utrecht's Hoogeschool verdedigde in 1837 S. A. J-de Ruever Groneman een Diatribe in Jo Wicliffi vitam, ingenium, scripta. In Duitschland hebben, behalve Budden-sieg en Lechner , vooral Lewald en Loserth zich niet de studie van Wiclif's werken beziggehouden. De bekende kerkhistoricus Friedrich Böhringer gaf een voortreffelijke monographie over Johannes von Wykliffe, waarvan in 1878 een nieuwe editie verscheen.
2) Kort voordat de brief kwam, stierf Eduard III, op den 21sten Juni 1377. Zijn opvolger Richard II was slechts 11 jaar oud.
3) De Trialogus, in 1525 voor het eerst te Bazel gedrukt, was waarschijnlijk bekend aan Erasmus, die toen aldaar zijn verblijf hield.
4) In Oxford's beroemde bibliotheek is nog de oorspronkelijke uitgave voorhanden. Van de Revisie zijn een menigte handschriften in engelsche bibliotheken te vinden.
5) Vgl. Böhringer t. a. p., p. 594.
26
6) Böhringer t. a. p., p. 92.
7) Ren an in zijn Nouvelles études d'his to ire religieuse, 1884, p. 334.
8) Vgl. Böhringer t. a. p., p. 604 v.v.
9) Volgens Lechler is deze naam in ons vaderland ontstaan. „ Ein Ltltticher Concil von 1348 berichtet vom Jahr 1309 über die Proselytenmacherei gewisser in Brabant und Hennegau herumziehender Heuchler, welehe man Lollardi sive Deuni laudantes nannte. Neuerdings ist allge-mein angenommen die Ableitung von dem altdeutschen lollen, lallen — leise singen, welches Wort im Englischen noch gebrauchlich ist, hauptsachlich vom Schlafliedchen. Der Name, vermuthlich von dem leisen gedampften Singen und den Andachtstibungen in Conventikeln hergenommen, wurde zur Bezeichnung einer geschlossenen religiösen Ge-meinschaft mit unkirchlicher und ketzerischer Richtung gestempelt; in diesem Sinne würde er sowohl im volksthüm-lichen als im kirchenambtlichen Sprachgebrauch tlblichquot; (Real-Encycl., VIII, p. 518).
10) Böhringer t. a. p., p. 631.
SEB1STIII FRAICK.
Onder de tijdgenooten der groote hervormers uit de i6lt;le eeuw ontmoeten wij enkele personen, wier namen spoedig vergeten waren, die eerst in onzen tijd uit het graf zijn opgestaan, waarin zij te lang verborgen bleven. Met een der voornaamsten onder hen gaan wij thans kennis maken i).
Sebastian Franck werd tegen het einde der 15r'e eeuw te Word of Donauwörth in Zwaben geboren 2). Het jaar zijner geboorte is onbekend en van zijn jeugd weten wij nagenoeg niets. Tusschen 1520 en 1530 hield hij zich in of bij Neurenberg op. Het verblijf in deze vrije rijksstad, toenmaals het middelpunt van den europeeschen handel, waar de oude letteren en de wetenschappen in eere werden gehouden, moet op zijn ontwikkeling een grooten invloed geoefend hebben. Hier maakte hij kennis met wlllibald pirkhelmer, den classiek gevormden rechtsgeleerde, wiens persoonlijkheid op geleerden en kunstenaars bezielend werkte. Zijn bibliotheek, rijker dan menige andere, stond voor ieder open. Onder zijn vrienden telde hij Ulrich von Hutten, Erasmus, Albrecht
3°
durer, die zijn woning, „ de schuilplaats der Muzen gaarne bezochten. Hij verbeterde de scholen te Neurenberg en moedigde de beoefening der geschiedenis aan, vooral die van zijn eigen vaderland.
Te Neurenberg hadden de reformatorische bewegingen in de Middeleeuwen veel bijval gevonden en telde Johannes Hus, de hervormer van Boheme, een menigte volgelingen. In het jaar vóór Luther's optreden waren de aflaatkramers reeds uit de ïtad verwijderd. Met groote ingenomenheid werd hier de hervorming door geleerden en aanzienlijken begroet. De groote volksdichter Hans Sachs schreef in deze stad zijn „ Wittenbergische Nachtigall, die man jetzt höret überallquot;, waarvan de aanhef luidt:
Wach auf, es nahent gen dem Tag,
Ich hör singen im grünen Hag Ein wunigliche Nachtigall.
Ir stymm' durchglinget perg und dal, Die nacht neygt sich gen oceident.
Der tag get auf von Orient.
Te Neurenberg ontmoette FranckJohann Denck, Rector aan de Sebaldus-school aldaar (van 1523— 1525), dien hij een rustig, vroom man, den leider en bisschop der Wederdoopers noemde. Al stelde hij, evenals de Doopers, het Woord Gods in den mensch boven den Bijbel, aan den doop der bejaarden kon Franck niet zulk een groote waarde toekennen als
3i
zij en allerminst vereenigde hij zich met hun letterlijke opvatting van het bevel: „dwingt ze om in te gaan quot; 2).
Omtrent Franck's verblijf te Neurenberg is ons weinig bekend. In 1528 trad hij in het huwelijk met de schoone en rijkbegaafde Ottilie Behaim. Ook zagen hier een paar vertalingen uit het latijn van hem het licht: van het werk van een luthersch predikant, met wien hij zeer bevriend was, waarin de plaatsen in den Bijbel, die met elkander schenen te strijden, in harmonie werden gebracht; van een Turken-chroniek, door een student uit Zevenbergen geschreven 4).
Te Straatsburg trad pranck het eerst als geschiedschrijver op. In 1531 verscheen aldaar zijn historische Bijbel, die met de schepping aanvangt en tot het genoemde jaar loopt. In de Voorrede geeft Franck rekenschap van zijn werk: „De geschiedenis leeft, de leer is een doode letter. Wie vroom wil worden, vindt hier voorbeelden ter navolging. Wie een schalk wenscht te zijn, kan hier ook zijn beeld aantreffen. Als iemand den schepter hoopt te zwaaien, kan hij hier kennis maken met allerlei wetten, waaruit hij het beste mag overnemen.quot; Het eerste deel verhaalt de geschiedenis der oude wereld; het tweede loopt tot karel V en is vooral belangrijk, waar Franck. zijn eigen tijd beschrijft; het derde herinnert
32
aan een kerkgeschiedenis, waarin over pausen, conciliën, ketters, geestelijke orden, kerkelijke plechtigheden, inkomsten der geestelijken enz. gehandeld wordt. Onder hen, die de kerk als ketters beschouwde, zou men volgens hem velen een plaats onder de heiligen kunnen geven. De monnikenorden worden het werk van den duivel genoemd.
Op deze geschiedenis, die voor het volk geschreven werd, zagen geleerden als Melanchthon met minachting neer. Later werden zijn verdiensten als historicus beter gewaardeerd, o. a. door een onzer tijdgenooten: „Zijn waarheidsliefde is boven allen twijfel verheven. Hij schrijft uit innerlijken drang, in dienst der waarheid en is een meester in het schilderen. Hoe juist is zijn psychologische waardeering, hoe aangrijpend zijn taal, als hij zijn eigen tijd schetst! Met welk een warmte spreekt hij van de plaats, die Duitschland in de geschiedenis moet innemen 5)!quot;
Een enkele maal geeft pranck het bewijs, dat de historische critiek hem niet geheel vreemd was. Om slechts één voorbeeld te noemen; hij bestrijdt de meening, dat Petrus bisschop te Rome geweest is en aldaar onder nero den marteldood stierf. Maar niemand zal zich verwonderen, dat een geschiedenis uit de i6de eeuw rijk is aan vergissingen en sprookjes, waaraan in dien tijd de meesten geloofden. Vespa-
33
sianus heet een tijdgenoot van Julianus den afvallige; de Germanen stamden van Tiusco, een van Noach's zonen af; het rijk der Franken werd door Franko, den zoon van Hector, gesticht! Wij vernemen van menschen in Indië met hondekoppen, die blaffen; van lieden in Lydië, zonder hoofd geboren, met mond en oogen op de borst; van vliegende draken in de lucht, met twee vleugels op het hoofd, van vuurspuwende wolken!
Om de vele ketterijen, die de Overheid te Straatsburg in Franck's werk ontdekt had, werd hij in 1531 uit de stad verbannen. In datzelfde jaar schreef hij een boekje over de dronkenschap, in zijn oog demoeder van vele zonden 6). „Daardoor zijn Sodom en Gomorra te gronde gegaan. In een herberg vergeet een mensch zijn zonden en daarom ook zijn God. Nooit is op aarde zulk zuipen aanschouwd als men thans ziet. Wie zich niet willen verbeteren, moesten geen Christenen heeten, daar die heilige, gezegende naam voor hen niet past.quot; Aan wie ligt volgens Franck voor een deel de schuld? „De predikanten spreken veel te slaperig. Er verdrinken meer menschen in het glas dan in het water. Als de regenten matig waren, zou het volk zich ook verbeteren. Een vorst kan door zijn voorbeeld meer doen dan tien wetten. Wat be-teekent een edelman zonder deugd en de naam zonder den man?quot;
3
34
Waarschijnlijk is ten onrechte beweerd, dat Franck een tijdlang predikant bij een luthersche gemeente was. Hij moest leven van wat hij als schrijver verdiende, maar leed dikwijls gebrek. Om in de behoeften der zijnen te voorzien, werd hij zeepzieder, waarmede evenwel niet veel winst te behalen viel, daar de meesten in dien tijd gewoon waren zich met loog te wasschen en slechts de adel met enkele anderen zich van zeep bediende. Daar hij te Ulm op de marktdagen eenig debiet van dit artikel had, richtte hij tot den Raad dier stad het verzoek, om zich daar als burger te mogen vestigen.
In 1534 kwam Franck te Ulm, waar hij weldra boekdrukker werd en de kennismaking hernieuwde met Caspar Schwenkfeld, dien hij te Straatsburg ontmoet had. In dezen edelman uit Silezië, die veel sympathie had voor de vrije Doopers, al kon hij zich niet bij hen aansluiten, begroette hij een geestverwant. Gedurende zijn vijfjarig verblijf in deze stad verschenen de voornaamste zijner werken.
In 1534 zag zijn Cosmographie of beschrijving van-de wetten, zeden en gewoonten, godsdiensten en bewoners van alle landen der wereld, het licht. De opmerking, door een geschiedschrijver van onzen tijd gemaakt: „nicht grade eine Weltgeschichte, wie wir die jetzt von Ranke habenquot;, mag tamelijk overbodig heeten. Franck noemt niet minder dan 61 bronnen, d^or hem gebruikt. Hij waarschuwt zijn lezers zoowel
35
tegen lichtgeloovigheid als tegen ongeloovigheid. „ Gij moogt niet aanstonds tv/ij felen aan hetgeen in onze landen ongewoon is. Gods werken zijn wonderbaar, ja de gansche wereld is vol wonderen.quot; Bij zijn onderzoek en bij de beoordeeling van personen was het hem om waarheid te doen. Maar boven de geschiedkundige waarheid stelt hij die, welke God zelf in het hart van den mensch gelegd heeft. „Allen moeten van God geleerd zijn; gij moet u aan de voeten des Heeren neerzetten, om te vernemen wat Hij in u getuigt. De zichtbare wereld is slechts een afschaduwing van de onzichtbare, de ware wereld.quot;
Franck was een groot vriend van paradoxen (een zijner werken bevatte 280), „spreuken, die zeker en waar zijn, al houdt de gansche wereld ze voor valsch.quot; God spreekt volgens hem in paradoxen, opdat de goddeloozen niet zouden verstaan, wat Hij tot zijn kinderen zegt. Hij geeft den raad, om het tegenovergestelde te gelooven en te doen van wat de groote menigte gelooft en doet. Paradoxen als deze; „Waar vrede is, is geen vredequot;; „wie niets hebben, bezitten alle dingenquot;, wekten bij velen groote ergernis, niet het minst bij een luthersch predikant te Ulm, Martin Frecht, die eischte, dat aan iemand, die zulke ketterijen verkondigde, het burgerrecht zou ontnomen worden. Toen men franck tot het herroepen zijner gevoelens en de onderteekening der
36
Augsburger Confessie wilde dwingen, gaf hij dit fiere antwoord: „ Het geweten van een mensch moet vrij blijven voor God; mijn hart en geweten kan ik niet aan de Overheid onderwerpen.quot;
pranck wenschte het nationaliteitsgevoel bij zijn landgenooten op te wekken en schreef daarom een „Geschiedenis van Duitschlandquot;. Op de vraag: Hebben oude schrijvers terecht beweerd, dat wij een bar-baarsch land bewonen ? geeft hij ten antwoord: „Wij moeten trotsch zijn op ons vaderland, dat door zijn overwinningen, door godsvrucht en beoefening der kunsten bij geen ander land achterstaat.quot;
In 1538 zag „De Gouden Arkquot; het licht, een bloemlezing, aan heidensche schrijvers, het O. en N. T. en kerkvaders ontleend, welke naar Franck's bedoeling „een geestelijke apotheekquot; moest zijn. Maar het boek wekte de verontwaardiging derrecht-zinnigen op, die zich ergerden, dat spreuken van heilige en profane schrijvers bijeengevoegd waren. De bovengenoemde kettermeester Frecht klaagde FrancK bij den Raad te Ulm aan, waartegen de beschuldigde tevergeefs protesteerde. Hij beriep zich op zijn Kroniek van Duitschland, waarin de geschiedenis van Ulm in de laatste eeuwen beschreven was, wat hem toch zeker wel aanspraak zou geven op den naam van burger dier stad! En had hij door zijn leven, waarop niemand eenige smet kon werpen.
37
verdiend met vrouw en kroost verbannen en aan armoede prijsgegeven te worden? In Juli 1539 moest hij met zijn drukpers, zijn boeken en vijf kleine kinderen de stad verlaten.
Nog een paar geschriften van den onvermoeid werkzamen man verdienen onze aandacht. In Het met zeven zegelen gesloten boek stelt hij het verschil tusschen de letter en den geest der Schrift in het licht. Strijdige plaatsen uit den Bijbel worden tegenover elkander gesteld. Menschenvrees, menschelijke wijsheid, menschelijke beraadslagingen, menschelijke kracht, werkheiligheid verhinderen velen, dit boek te openen. De sleutel daartoe is het teeken des kruises (~|~), m a. w. zij, die den gekruisigden Christus belijden, zijn in staat het boek te openen.
In het „ Krieg-Büchlein des Friedesquot; herinnert Franck, dat de oorlog, die in Christus' koninkrijk niet thuis hoort, overal heerscht: op markten en in raadhuizen, onder advocaten en juristen, tusschen geleerden, bisschoppen en vorsten, in kloosters en kerken. Hoewel de Meester vrede en liefde gepredikt heeft, schaamt geen enkel Christen zich over den ooriog. Maar heeft God dan niet aan Israël den oorlog geboden? Op die vraag antwoordt Franck; Indien wij het voorbeeld der Joden moesten volgen, waarom laten wij ons dan ook niet besnijden? Waarom offeren en trouwen wij niet met meer dan één vrouw? Juist
38
omdat onder de oude bedeeling de oorlog geoorloofd was, is hij volgens hem onder de nieuwe bedeeling verboden.
Gedurende de laatste jaren van zijn leven verkeerde FrancK in kommervolle omstandigheden en moest van de eene stad naar de andere vluchten. Nu eens ontmoeten wij hem te Bazel, dan weder te Straatsburg of te Frankfort. Te Smalkalden, waar de Evan-gelischen in 1540 onder praesidium van Melanchthon vergaderd zijn, wordt hij als een hoogmoedig oproermaker veroordeeld, voor wien alle vromen op hun hoede moesten zijn. franck en zijn vrienden worden als dwepende huichelaars, als geestverwanten der twijfelaars uit den ouden tijd, gebrandmerkt. Niet ten onrechte sprak men van „ de nieuwe pauselijke bulquot;, die te Smalkalden was opgesteld.
Een van Franck's laatste geschriften was een Verzameling spreekwoorden, aan verschillende volken ontleend, waarin o.a. de volgende voorkomen: In voorspoed zijn alle menschen geduldig; een man moet altijd meer willen dan hij volbrengen kan; nood leert de beren dansen; men moet weinig met anderen, veel met zichzelven spreken; geen vreugde zonder leed; de liefde is het begin der smart; niemand kan het goed hebben in de wereld, wanneer hij zelf niet goed is. Enkele spreuken gaven natuurlijk aan velen ergernis, b-v.: Het is beter vrouwen te begraven dan
39
ze naar de kerk te voeren; klaag nooit uw nood aan een stiefmoeder.
Misschien was Franck, die waarschijnlijk tegen het einde van 1543 stierf, nog kort vóór zijn dood in de gelegenheid, kennis te nemen van het ongunstig oordeel, door Luther over hem uitgesproken. De hervormer noemt hem „des duivels geliefkoosd orgaanquot;, „ Beëlzebul Franck quot; en vergelijkt hem met Cham , die de schande zijns vaders niet bedekte, maar er behagen in schiep, hem in zijn ellendigen toestand aan zijn broeders te toonen. „Hij is een lasteraar, die liefst het kwade van anderen denkt en behoort tot de geestdrijvers, die altijd roepen: geest, geest, geest, maar om het woord, de sacramenten of het predikambt zich niet bekommeren en ons en onze vrienden schriftgeleerden en letterknechten noemen.quot; Luther spreekt den wensch uit, dat de werken van „dezen boozen menschquot; eerlang door Christenen niet meer gelezen zullen worden.
Waarom hebben luther, Melanchthon en hun vrienden zulk een ongunstig oordeel over den onver-moeiden volksvriend geveld, wien zelfs zijn felste tegenstanders geen smet durfden aanwrijven?
Zullen wij in staat zijn tot het beantwoorden dier vraag, dan dienen wij met zijn denkbeelden nader kennis te maken.
4°
Franck's afkeer van Rome was zeker even groot als die der hervormers. „Gelijk de grondslag der pauselijke kerk, het episcopaat van Petrus, een leugen is, zoo ook de gansche kerk, welker paus de Antichrist mag heeten. Haar plechtigheden zijn nog belachelijker dan die der Heidenen. Terwijl de Mohammedaan zijn Koran kent, blijkt de volgeling van Rome gansch en al een vreemdeling te zijn in het N. Testament. Predikt het evangelie armoede en nederigheid, de hooge geestelijken baden zich in weelde en pracht. Ken Heiden, als hij onze kerken en kloosters binnentrad, zou moeilijk kunnen gelooven, dat hier het geloof aan één God gepredikt wordt. Voor geld is alles te verkrijgen, zelfs absolutie voor de ergerlijkste zonden. Wat is de vereering van heiligen en reliquieën anders dan afgoderij?quot;
Met ingenomenheid spreekt Franck over de hervorming, die een vuur op aarde oiitstak. Van Luther wordt het volgende eervolle getuigenis afgelegd; „Hij was ervaren in de Schrift, een moedig bestrijder van het pausdom, die aan Duitschland zijn Bijbel teruggaf, waarvan zelfs doctoren in de theologie geen hoofdstuk gelezen hadden. Zijn theologie, die bijna geheel nieuw was, is op Christus en het geloof gebouwd.quot;
Maar op den duur kon hij het met de hervormers en hun vrienden niet vinden. Voor den papieren paus
41
was hij niet minder bevreesd dan voor den paus te Rome.
Franck maakte een scherp onderscheid tusschen den Bijbel en het Woord Gods in den mensch, tusschen de uitwendige en de inwendige openbaring van God. Hij beschouwde de wereld als een open boek, waarin God tot hem sprak, een Bijbel, waaruit wij den weg en den wil van God leeren kennen. Alle menschen moeten door God geleerd worden, door het levend woord, dat Hij tot hen spreekt. Edele Heidenen als Plato, Diogenes, Seneca, Plotinus waren volgens hem evenzeer door dat woord verlicht als de vromen in den Bijbel. Cato was in zijn oog een beter Christen dan velen, die den naam van Christenen dragen. Het hart van eiken geloovige is een levende werkplaats van den heiligen geest, van die ster uit het Oosten, welke ons den weg wijst om Christus te vinden.
Volgens Franck is de Bijbel „de lantaarn van het goddelijk woordMaar het Woord Gods is oneindig, onzichtbaar, onuitsprekelijk en bestond vóór de Schrift en zal blijven bestaan, als deze verdwenen is.
De Bijbel is in zijn oog slechts een der vele openbaringen Gods, waarvan men geen afgod moet maken. Franck herinnert, dat de Pharizeën ook een Bijbel bezaten, hem van buiten kenden en toch blind bleven; dat zij met de letter der Schrift Christus dood
42
sloegen, omdat hij zich niet aan het O. Testament hield. En wat doen de schriftgeleerden van onzen tijd? Zij houden zich met allerlei onnutte vragen bezig, b.v.: Is Christus alomtegenwoordig? Hoe, wanneer en hoe lang is hij in het brood aanwezig? Ter verdediging van den oorlog beroepen zij zich op den Bijbel! Aan welke hunner verklaringen van de Schrift, die hemelsbreed van elkander verschillen, zullen wij ons houden ?
De slotsom van het onderzoek luidt: Wij kunnen niet gelooven, hetgeen met de getuigenis des harten in strijd is, al staat het ook in de Schrift.
Verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden was aan de vrienden der Hervorming even vreemd als aan de Moederkerk, die zij pas verlaten hadden. Zelfs een Melanchthon , gewoonlijk de zachtmoedige theoloog genoemd, betuigde zijn ingenomenheid met de veroordeeling van een ketter als Servet tot den brandstapel. Zwingli vond het zeer natuurlijk, dat aan zijn voormalige geloofsgenooten verboden werd, de Mis bij te wonen en de Doopers niet geduld werden, die zich van de volkskerk afzonderden. Men kon toch niet aan ieder, die iets nieuws ontdekte, veroorloven, een menigte volks om zich heen te verzamelen 1 Dan zouden er immers zoovele sekten ontstaan, dat Christus in de kerk gedeeld werd!
Hoe geheel anders luidde het oordeel van Franck!
43
Al had hij een afkeer van sekten, die meenden alleen in het bezit van het ware geloof te zijn, niemand mocht volgens hem om zijn overtuigingen vervolgd worden. Met een beroep op de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid verklaart hij, dat geweld ongeoorloofd is op geestelijk gebied. „ Wie een ander geloof belijdt dan dat der groote menigte, mag niet gestraft worden. Niemand is immers verplicht de dwalingen der ketters aan te nemen 1 Weigeren zij een eed te zweren, welnu, laat ons dan hun ja en neen als een eed beschouwen! Ik ben door Gods genade niet zoo partijdig, dat ik niet ieder mijn broeder zou kunnen noemen, die naar God vraagt en gerechtigheid werkt. Onder aanhangers van den paus, onder Turken, tollenaars en sektemakers heb ik broeders en leden van Christus' lichaam ontmoet. De een komt vroeg, de ander laat in den wijngaard des Heeren en 's avonds treft men beiden aan. De vijgeboom, al vertoont hij thans slechts bladeren, zal misschien over drie jaar vruchten voortbrengen. Wie weet of iemand, die het heden niet met mij eens is, mij morgen niet de hand reikt? Wie had durven verwachten, dat Petrus en de andere zuilen der gemeente zoo spoedig aan Paulus, haar voormaligen vervolger, de rechterhand der gemeenschap zouden reiken ? Kon Paulus het niet verdragen, dat iemand zich naar hem noemde, evenmin wensch ik een Papist,
44
een Lutheraan, een Zwingliaan, een Wederdooper te heeten. Met Petrus beschouw ik hen als broeders, onder welk volk ook, die God vreezen en gerechtigheid werken. Laat ons elkanders lasten en zwakheden dragen, daar dit het kenmerk en de grootste kracht van den Christen is!quot;
In de zestiende eeuw werd zulk een taal, die van zooveel waardeering van andersdenken getuigt, zelden vernomen.
Franck gelooft aan een onzichtbare kerk, die niet op een bepaalde plaats samenkomt, de verzameling van alle vromen in de gansche wereld, die door den heiligen geest vereenigd zijn. Terwijl velen gehecht zijn aan tempels, offers, ceremoniën en meenen, dat de vroomheid zonder deze zou verdwijnen, ziet God alleen op het hart en wordt niet door men-schenhanden gediend. Jezus leerde zijn vrienden niet, om in een tempel of in een synagoge, maar om in de binnenkamer te bidden. Zelf ging hij naar de woestijn of op een berg, als hij behoefte had aan het gebed. Wanneer wij aan anderen voorschrijven hoe en wanneer wij moeten bidden, vasten en het Avondmaal gebruiken, dan keeren wij tot het Jodendom terug en houden op Christenen te zijn, die niet door regels of voorschriften, maar door Gods geest geleid worden. Doop en Avondmaal, als uitwendige plechtigheden, hebben voor Franck geen
45
beteekenis. Volgens hem is de Doop de afbeelding „van het met Christus, in God begraven levenquot;, het Avondmaal het zinnebeeld „van den band der liefde en der eenheid in alle dingen
Is het wonder dat rechtzinnige Protestanten zulke kettersche gevoelens bestreden?
Welk een verschil tusschen de theologie van dezen ketter en die zijner meeste tijdgenooten! Met eerbied en heiligen schroom spreekt hij over God, het wezen en het leven van alle onzichtbare en zichtbare dingen. „Hij is de eeuwige en oneindige, de algoede zonder naam. Een Mozes, die Hem om Zijn naam vroeg, kon slechts ten antwoord vernemen: Ik zal zijn, die ik zijn zal, ik ben, die ik ben. Hij woont in een licht, voor niemand toegankelijk, is alles in allen. Wie zou Uw verstand en Uw bedoelingen doorgronden, wanneer Gij geen wijsheid geeft en ons Uw geest niet zendt? Slechts door een dikken nevel en stuksgewijze erkent en begrijpt Hem het beeld Gods in ons. Met eerbied moeten wij ons voor Hem buigen, niets willen weten, wat Hij niet in ons hart getuigt. Hij heeft ons eerst liefgehad, gezocht, geroepen, uitverkoren, toen wij nog verre van Hem waren.quot; De gansche wereld met al haar schepselen heet „een open boek, een levende Bijbel, welsprekender getuigenis van God dan de letter der Schriftquot;.
46
Wat verstaat Franck onder geloof? De verzekerdheid van den inwendigen mensch omtrent de onzienlijke dingen, waarvan hij zich niet laat afbrengen, al ontzonk hem ook de gansche wereld. Aan het geloof ontleent het leven zijn zedelijke waarde. Een geloof zonder liefde is een dood geloof. Door spitsvondige redeneeringen of boeken, door besluiten van kerkvergaderingen kan het geloof, dat de heilige geest in ons werkt, natuurlijk nooit ons deel worden.
Kerkelijke leerstukken als die van de erfzonde, van de verdorvenheid der menschelijke natuur, van de voldoening door Gods gerechtigheid zoeken wij bij Franck tevergeefs. Het verhaal van Adam's val noemt hij een allegorie. Nog altijd spreekt God tot den mensch; gij zult van dezen boom niet eten, evenals Jezus zeide: tenzij gij uzelven verloochent en uw leven prijs geeft, kunt gij het koninkrijk Gods niet ingaan. Het licht in ons, al kan het nooit uit-gebluscht worden, verbleekt, wanneer wij onze booze neigingen volgen, in plaats van aan onze natuur, aan het goddelijke in ons te gehoorzamen.
Franck was een voorstander van den vrijen wil, daar er anders volgens hem van geen zonde sprake zou kunnen zijn. De vogel wordt gezongen en in de lucht gedragen. God klopt bij den mensch aan, maar het opendoen staat aan hem; God werkt in hem, evenwel niet zonder zijn wil. De zonde ontstaat,
47
wanneer wij ons van God afwenden. Maar gelijk de kranke, kan ook de zondaar herstellen, als zijn gemoed en wil in God vernieuwd worden. Christus' lijden en sterven baten ons niets, wanneer wij niet met hem der zonde afsterven. Ten onrechte meenen sommigen, dat wij, nu Christus voor onze zonden gestorven is, slechts de handen in den schoot behoeven te leggen. „ Wij moeten bij hem in de slagorde staan en den vijand aangrijpen. Maar wij laten Christus het kruis dragen en zingen: Kurie eleison! Wij laten hem ons gelag betalen en drinken op zijn krediet! Wie zegt: ik vermag niets, is een ongeloo-vige, verloochent zijn koning, die altijd bereid is te heerschen, wanneer hij een plekje vindt, waarin zijn rijk een plaats kan vinden.
Franck had voor zichzelen uiterst weinig behoeften. „Slaapt de boer minder goed dan de vorst? Smaakt den arme zijn pap minder goed dan den rijke zijn fazanten en kapoenen ? Zouden honger en dorst niet uit brood peperkoeken en uit een dronk frisch water den kostbaarsten wijn maken? Hij verlangde slechts met vrouw en kinderen een rustig leven te leiden, zich ongestoord aan zijn geliefkoosden arbeid te wijden. Maar hij vond nergens een vaste woonplaats. Als een misdadiger werd hij van de eene stad naar de andere verbannen. Hij, die zijn leven aan het
48
welzijn van zijn volk gewijd had, werd door velen als de pest geschuwd.
Zoo laat zich zijn pessimistische beschouwing omtrent het naderend einde der wereld verklaren, die weldra voor een andere, een betere plaats zou maken. Hij kon zich niet voorstellen, dat een wereld, door allerlei zonden besmet, nog lang zou bestaan.
Het valt niet te ontkennen, dat de zonden van zijn volk, hoevele ook, door hem te breed werden uitgemeten; dat zijn oog gesloten bleef voor het licht, dat nog in de duisternis scheen. De prediker der verdraagzaamheid kon zich moeilijk verplaatsen op het standpunt van hen, die krachtens hun leer onverdraagzaam waren. Ook begreep hij niet, dat zijn denkbeelden velen een steen des aanstoots moesten zijn. Kan het ons verwonderen, dat het oordeel, door hem over tegenstanders geveld, vaak onbillijk was?
Groot was de ingenomenheid van Franck met de werken van Johannks Tauler, die onder de Mystieken der I4de eeuw een voorname plaats inneemt. Zijn denkbeelden muntten, evenmin als de hunne, door helderheid uit en men zoekt bij hem tevergeefs naar een afgerond stelsel. Soms zou men zeggen, dat hij op de eene bladzijde iets anders leert dan op de andere, waartoe een buitengemeene voorliefde
49
voor paradoxen medewerkte. Al bestaat er verwantschap tusschen hem en de Doopers, ten onrechte is hij door sommigen onder hen gerangschikt, zooals o a. uit de volgende woorden in een zijner werken blijkt: „Zij hebben alle dingen gemeen, maar, gelijk ze zeer goed weten, „hierin ist sehr viele Ananiaquot;. De eene gemeente doet. de andere in den ban, zoodat er onder hen ongeveer dezelfde vrijheid heerscht als in de kerk van Rome. Talrijke sekten worden bij hen gevonden, waarvan sommigen gemeenschap van vrouwen prediken, die zeker Gode niet welgevallig zijn kan 8).quot;
Men heeft hem beurtelings een Spinozist, een voor-looper van BöHME of Hegel, een theïst, een pantheïst of een panentheïst genoemd. Onpartijdige beoordeelaars zullen niet aarzelen, hem een plaats te geven onder de echt godsdienstige persoonlijkheden. Zijn ideeën over de voortdurende openbaring van God in de geschiedenis, over de betrekkelijke waarde van godsdienstige vormen trekken ons aan. Maar op zijn tijdgenooten kon hij geen duurzamen invloed oefenen. Hij was, gelijk Karl Hase hem genoemd heeft, een LESSING der i6c'e eeuw; een voorlooper van den nieuweren tijd, die in staat is hem te waar-deeren.
Wij nemen de volgende woorden van een bevoegd beoordeelaar over: „De mannen, die de wereld bijna
5°
vergeten heeft, wier namen zij slechts noemde om een smet op hen te werpen, aanschouwden, hoewel misschien in nevelen, waarheden en beginselen, min achtend voorbijgezien door hen, die als leidslieden en weldoeners der menschheid met roem overladen zijn. Maar, al worden de menschen vergeten, de waarheid kan niet sterven 9).quot;
AANTEEKENINGEN.
1) Tegen het einde der i7de eeuw vestigde Gottfried Arnold, de „patroon der kettersquot;, de aandacht op Franck in zijn Unparteiische Kirchen- unci Keizergeschichte. In de volgende eeuw luidde het oordeel over hem meestal zeer ongunstig. Dr, H. Hagen {Deuischtands literarische und religiose Verhal/nisse im Re for mationszeitalter, III, 1868) en Dr. Carl Alfred Hase, de zoon van den beroemden kerkhistoricus te Jena (Sebastian Franck von Wörd, der Schwarmgeist, 1869), hebben zijn werken nauwkeurig bestudeerd. Van deze uitnemende monographic gaf Dr. Sepp een beoordeeling in zijn Geschiedkundige nasporingen, 1S72, p. 158—192, terwijl J. H. Maronier in Het Inwendige Woord (1890, p. 79—105) eenige bladzijden aan Sebastian Franck wijdde, evenals Charles Beard in The Hibbert Lectures van 1883 (p. 215—224). Wij hebben voornamelijk Hagen en Hase als bronnen gebruikt.
2) Meermalen werd Woerden in Nederland als zijn geboorteplaats genoemd. De verwisseling van Woerden met Wörd laat zich gemakkelijk verklaren.
3) Vgl. over hem vooral Dr. Ludwig Keller, Ein Apostel der ieder tanfer (1882).
4) Franck spreekt in zijn vertaling den wensch uit, dat Duitschland veel van de Turken mocht overnemen. „Gott erbarme dass Gottes Name von unsertwegen so übel musz hören, dasz unser Christenthum voll Aergernisz ist, dasz wir atlszerlich noch nicht so fromm sind als die Ttlrken.quot;
52
5) C. A. Hase, t. a. p., p. 45 , 50.
6) Von dem grewlichen Laster der irunckenheit so in disen leizien Zeiten er si schier mit den frantzozen auffkomen.
7) In ons land vond Franck bestrijders, maar ook vrienden. De broeder van den bekenden Dooper Obbe Philips schreef een Refutation op twee sendbrieven van Seb. Franck, kor ie lijk uit de H. S. vervat; Marnix van St. Aldegonde noemde hem een geestverwant van Michael Servet en gaf een weerlegging zijner gevoelens. Maar Caspar Coolhaas, die de voorlooper der Remonstranten genoemd is, trad als zijn verdediger op, terwijl de predikant der Remonstranten te Gouda, Herboldus Thember-gen, zijn instemming met sommige gevoelens van Franck betuigde en een zijner werken vertaalde (Vgl. Sepp, t. a. p., p. 160 v.v.).
8) Artikel mid Lehre der Tat if er (Vgl. C, A. Hase, t. a. p., p. 272 v.v.)
9) Beard, t. a. p., p. 224.
BEKJAMIII FRAIKLIK.
Toen Benjamin Franklin een autobiographie zijner eerste 25 jaren (1706—1731) opstelde, die hij aan zijn zoon opdroeg, had hij reeds den leeftijd van 65 jaren bereikt 1). Zij is aantrekkelijk door haar eenvoud. De afdwalingen zijner jeugd, die hij diep betreurt, worden niet verzwegen. Hij dankt het geluk, dat tot nog toe zijn deel was geweest, der goddelijke Voorzienigheid, die zijn schreden geleid, zijn pogingen met een gunstigen uitslag bekroond had. Zijn vertrouwen is op God, die hem kracht zal geven in het lijden, dat misschien zijn deel zal zijn. Zijn toekomst is alleen Hem bekend, in wiens hand der menschen lot is en die ook onze rampen ons kan doen medewerken ten goede.
Franklin's voorouders waren uit Eaton in Northamptonshire afkomstig. De naam Franklin is oorspronkelijk een eeretitel, aan den landedelman gegeven. Omstreeks het jaar 1682 was zijn vader met vrouw en drie kinderen naar Nieuw-Engeland getrokken, daar de oude wereld hem belemmerde in het belijden zijner godsdien-
56
stige overtuigingen. In Amerika kreeg hij nog vier kinderen zijner eerste en tien zijner tweede vrouw, de moeder van Benjamin, die op twee na de jongste van het zeventiental was. Abiah Folger — zoo heette zijn moeder — was de dochter van een der eerste kolonisten in de nieuwe wereld, wien Cotton Mather in zijn Kerkgeschiedenis van Nieuw -Engeland „een vroom en geleerd Engelschmanquot; noemde, die ten behoeve der vervolgde Anabaptisten en Kwakers een beroep deed op de vrijheid van geweten.
Eenige jaren vóór het uitgeven zijner levensbeschrijving had de zoon op het graf zijner ouders een marmeren steen geplaatst met het volgende opschrift: „ Hier ligt Josiah Franklin met Abiah, zijn vrouw. Gedurende 59 jaren zijn zij verbonden geweest door onderlinge liefde. Door hun ijver en vlijt waren zij in staat 13 kinderen en 7 kleinkinderen op te voeden. Laat dit voorbeeld u, lezer, opwekken om getrouw te zijn op uw post en uw vertrouwen te stellen op de goddelijke Voorzienigheid. Hij was vroom en beleidvol, zij bescheiden en deugdzaam. Uit een gevoel van kinderlijke dankbaarheid wijdt hun jongste zoon dezen steen aan de nagedachtenis zijner ouders.quot;
Aan zijn vader, zeepzieder en kaarsenmaker te Boston, had Benjamin veel te danken. Hij verhaalt hoe deze altijd zorgde, dat er in huis over onderwerpen gesproken werd, die op de zedelijke ontwik-
57
keling der kinderen een goeden invloed oefenden. Nooit sprak hij over de spijzen, die ons aan tafel werden voorgezet en zoo leerde Benjamin geheel onverschillig te zijn omtrent hetgeen hij at, hetgeen hem in zijn later leven uitnemend te stade was gekomen. Ook hield vader niet van loftuitingen. Toen Benjamin eens als knaap van 12 jaar een paar balladen gedicht had, die veel bijval vonden, stak vader er den gek mee. Een anderen keer kreeg de oude heer eenige schriften van zijn zoon in handen en maakte aanmerkingen op den stijl, die alles behalve door duidelijkheid en sierlijkheid uitmuntte. Ik zag — zoo vertelt de biograaf — de juistheid der bedenkingen in en besloot mijn best te doen en meer werk te maken van mijn stijl.
Onverzadelijk was zijn leeslust, reeds als jongen. Onder de eerste boeken, die hij verslond, worden o.a. genoemd reisbeschrijvingen, Bunyan's werken, de biographieën van Plutarchus, de Foe's „Essay on Projectsquot;, waarvan hij indrukken kreeg, die op zijn volgend leven grooten invloed oefenden. Nadat hij op zijn tiende jaar de school had moeten verlaten en bij vader in den winkel was gekomen, besliste deze, dat de jongen drukker moest worden. Hij kwam bij zijn ouderen broeder, die te Boston een drukkerij had. In diens bibliotheek vond hij Xenophon's Memorabilia, waaruit hij de socratische methode leerde
58
kennen, die hem onweerstaanbaar aantrok. Voortaan trad hij als „een nederig onderwijzerquot; op. Wanneer hij zich van die methode bediende, deden ontwikkelde personen hem concessies, waarvan zij de gevolgen niet voorzagen. Zoo behaalde hij vaak overwinningen, waarop zijn argumenten geen aanspraak konden maken. Jaren lang volgde hij die methode, totdat hij haar had moeten prijsgeven. Maar de gewoonte, om nooit de woorden zeker, ontwijfelbaar te bezigen, bleef hem bij. Steeds gebruikte hij uitdrukkingen als deze; ik veronderstel, het komt mij voor, indien ik mij niet bedrieg en dergelijke, gedachtig aan Pope's uitnemende opmerking;
Men must be taught as if you taught them not, And thinks unknown proposed as things forgot. Een paar errata zijner jongelingsjaren zijn vermeldenswaard. vernon, een zijner vrienden, had hem verzocht na zijn komst te Philadelphia een som van 36 pond sterling bij een zijner schuldenaars te innen, die hij hem later zou kunnen terugbetalen. Van dat geld leende Franklin aan iemand, die beloofde het zoo spoedig mogelijk terug te zullen geven, maar zijn belofte schond. In zijn autobiographic schreef Franklin : „ De schending van het vertrouwen, door Vernon in mij gesteld, was een der eerste dwalingen van mijn leven.quot; Toen hij jaren
59
daarna de som met interest aan zijn vriend teruggegeven had, kon hij met blijdschap getuigen, dat deze dwaling zijns levens althans ten deele was uit-gewischt.
Nog verhaalt Franklin van zijn ontrouw aan Miss Read, met wie hij te Philadelphia geëngageerd was. Kort na de verloving vertrok hij naar Londen en gedurende zijn anderhalfjarig verblijf aldaar had hij haar slechts één brief geschreven. In zijn afwezigheid was zij gehuwd met iemand, die een ellendig kreatuur bleek te zijn, van wien zij weldra scheidde. Bij zijn terugkomst herleefde beider liefde. Een jaar na zijn huwelijk op i September 1730 schreef hij in zijn levensbeschrijving: „Het was ons streven, elkander gelukkig te maken. Zoo verbeterde ik, naar mijn vermogen , deze groote dwaling mijner jeugd.quot;
De biographie eindigt met de mededeeling, dat hij in 1731 te Philadelphia een bibliotheek oprichtte.
Acht jaar geleden was hij daarheen gereisd, daar hij het op de drukkerij van zijn broeder te Boston niet langer kon uithouden. Hoe kwam de zeventienjarige jongeling in de stad, waar hij tot zijn dood toe gebleven is? Bij mijn aankomst te Philadelphia — zoo verhaalt hij — had ik mijn werkpak aan, daar mijn beste kleeren nog niet waren gekomen. Ik zag er vuil uit; in mijn zakken had ik ondergoed en kousen. Niemand in de stad kende ik en wist niet
6o
waar ik een nachtverblijf zou vinden. Mijn gansche vermogen bestond uit een dollar en wat kopergeld. Ik gaf bijna alles aan de bootslieden voor mijn overtocht ; maar zij weigerden het geld aan te nemen , daar ik hen geholpen had bij het roeien. „ Een man is soms edelmoedig, wanneer hij weinig geld heeft, waarschijnlijk omdat hij dan gaarne zijn armoede wil verbergen.quot; In Market Street ontmoette ik een kind met een brood en vroeg naar den bakkerswinkel, waar het gekocht was. Tot mijn verbazing kreeg ik voor een stuiver drie groote kadetjes. Daar er in mijn zakken geen plaats was, hield ik onder eiken arm een broodje en at het derde op. Aan een vrouw met haar kind, die met ons de tocht over de rivier gemaakt hadden, gaf ik de beide broodjes. In een lokaal, waar de Kwakers bijeenkomen, viel ik in slaap. Een der leden van de gemeente had de goedheid mij wakker te maken, toen de godsdienstoefening reeds geëindigd was. „Dit was mijn eerste nachtverblijf te Philadelphia.quot;
In deze stad is Franklin steeds hooger opgeklommen. Na eenige jaren zette hij een drukkerij voor eigen rekening op, werd uitgever eener courant, boekverkooper, postdirecteur, lid der Wetgevende Vergadering in Pennsylvanie, steeds getrouw aan zijn leuze; „Wie in de wereld wil vooruitkomen, moet hard werken.quot;
6i
Franklin was een populair schrijver, die zich in zijn geschriften zelden met diepzinnige quaesties bezig hield. Het meest bekend is zijn „Almanak van den armen Richardquot;, dien hij van 1732—1757 uitgaf. Elk jaar verschenen duizende exemplaren. „Toen ik bemerkte — aldus Franklin — dat de Almanak bijna overal in de omgeving gelezen werd, wenschte ik het volk, dat slechts enkele boeken koopt, te beschaven. Bij eiken dag van het jaar gaf ik spreuken en spreekwoorden, waarin de wijsheid veler volken en eeuwen vervat is.quot;
In de Voorrede van den Almanak van 1739 schreef de volksvriend: „De schotels, die ik voor u bereid heb, bevatten brokstukken van de tafels der wijsheid. Het is krachtig voedsel voor den geest, wanneer het goed verteerd wordt. Als de wufte jeugd mijn Almanak opslaat, zal ze misschien ernstige overdenkingen ontmoeten, die haar te stade kunnen komen.quot; Bij een lijst van deugden gaf hij korte opmerkingen, b.v. bij stilzxvijgeii: vermijd alle onbeduidende gesprekken; bij arbeid: verlies geen tijd; bij nederigheid: volg Jezus en Socrates na.
Franklin hield van humor, gelijk o.a. uit zijn „Whitewashingquot; blijkt: In elk huwelijkscontract staat bij ons een artikel, volgens hetwelk de vrouw de vrije uitoefening der rechten op white-washing zal genieten. Zij zou liever de teederste wenschen van
62
haar hart dan deze onwaardeerbare rechten prijsgeven.
In de laatste week van Mei begint gewoonlijk de plechtigheid. Sommige voorteekenen kondigen den naderenden storm aan. Bij het opstaan ziet de man op de binnenplaats een kruiwagen, emmers enz. en verlaat zijn woning, waar hij niets meer te zeggen heeft. Alles ligt overhoop. De jongste dag schijnt gekomen; alle gereedschappen van het huis verschijnen voor den rechter. De wanden en plafonds van alle kamers worden besmeerd met schuiers, in een oplossing van kalk gedoopt. Zelfs de vensters zijn niet beveiligd tegen den algemeenen zondvloed. Met een waterkan in de hand en een emmer in haar nabijheid gooit de schoonmaakster voortdurend water tegen de glasruiten, tot groote ergernis der voorbijgangers. Een nieuwe plechtigheid volgt; de meubels worden van haar plaats genomen en schoongemaakt — vraag niet hoeveel schilderijen, spiegels enz. onder de operatie bezwijken! En een paar weken nadat de storm voorbij is, hoort gij nog van verkoudheden, van oogontsteking of pijn in de keel ten gevolge der verpestende dampen.
Maar er bestaat een middel, waardoor de huisheer aan al die ellende kan ontkomen. Gewoonlijk bezit hij een kamer voor zijn boeken en papieren, waarvan hij den sleutel bezit. Dit bevoorrecht verblijf gelijkt op het land Gosen te midden der plagen van Egypte.
63
Maar vergeet hij den sleutel uit de deur te nemen, dan is hij verloren: de schoonmaakster, die altijd op den uitkijk staat, treedt triomfeerend binnen en, gewapend met bezems en emmers, werpt zij al de boeken en papieren overhoop!
Franklin eindigt met aan de amerikaansche vrouwen groeten lof toe te zwaaien, zoodat de slotsom luidt: een gehuwd man, al voelt hij zich een enkele week in het jaar ongelukkig, heeft geen reden over den huwelijksband te klagen.
In een brief en een gelijkenis waarschuwde Franklin, de groote vriend der verdraagzaamheid, tegen vervolging van andersdenkenden Uit het eerstgenoemde geschrift nemen wij enkele passages over: De meeste sekten, die over vervolging klaagden, werden op haar beurt onverdraagzaam. De oude Christenen , langen tijd door de Heidenen mishandeld, vervolgden elkander. De eerste Protestanten in de episcopale kerk van Engeland keurden de onverdraagzaamheid van Rome af, maar konden de Puriteinen niet dulden, terwijl deze in Nieuw-Engeland de kwakers vervolgden. Maar laat ons niet vergeten, dat in vorige eeuwen de leer der verdraagzaamheid nagenoeg onbekend was. De algemeene opinie luidde: wie dwalen, mogen de waarheid niet vervolgen: maar zij, die in het bezit der waarheid zijn, hebben recht de dwaling uit te roeien. Zoo meenden alle sekten in het bezit der
64
volle waarheid te zijn. Van de machthebbenden eischte God, gelijk men meende, dat zij andersdenkenden zouden vervolgen, daar Hij de ketterij haatte. Langzamerhand is de christelijke wereld bescheidener geworden. Wij moeten dus ophouden met elkander te verwijten wat op rekening onzer voorouders komt en de verschillende kerken en sekten beoordeelen naar de houding, die zij thans aannemen.
In de parabel ontvangt Abraham tegen den ondergang der zon in zijn tent een vreemdeling. Als hij van dezen verneemt, dat hij niet den God van hemel en aarde, maar een afgod vereert, jaagt hij hem met stokslagen weg naar de woestijn. Op de vraag van God: Waar is de vreemdeling? antwoordt Abraham: Heer, ik heb hem weggedreven, omdat hij u niet dient. Maar hij ontvangt een berisping van God, die hem vraagt: Heb ik dien vreemdeling niet 198 jaar gevoed en gekleed niettegenstaande zijn opstand tegen mij en zoudt gij, die zelf een zondaar zijt, hem niet één nacht in uw tent dulden ? Abraham smeekt om vergeving, zoekt den vreemdeling in de woestijn, onthaalt hem in zijn tent en laat hem den volgenden morgen met geschenken heengaan. Wegens uw zonden — zegt God — zal uw zaad 400 j aar in een vreemd land onderdrukt worden; maar omdat gij berouw getoond hebt, zal ik uw nakomelingschap uit de slavernij verlossen en machtig maken.
65
Minder door zijn geschriften dan door zijn uitvindingen is Franklin ver buiten zijn vaderland beroemd geworden. De man, die den bliksemafleider ontdekt had, werd door hoogescholen en geleerde genootschappen gehuldigd, welke hem den doctorstitel of het eerelidmaatschap aanboden. Ook in Europa werd zijn naam met eere genoemd.
Van 1757—1785 vertoefde Franklin meestal buitenslands. Als agent der kolonie van Pennsylvanië werd hij tweemaal naar Engeland gezonden en bracht daar moeilijke jaren door, vooral nadat het engelsche Parlement de zegelbelasting had aangenomen, die in Amerika hevige verontwaardiging opwekte. Men wilde zich geen belasting laten opleggen door een Kamer, waarin men niet vertegenwoordigd was. Meesterlijk was de houding, die Franklin tegenover de Regeering en het Parlement aannam. Toen hem in het House of Commons gevraagd werd: „Wat was tot nu toe het streven van Amerika's bewoners?quot; gaf hij ten antwoord: „Om de gewoonte en kleeding van Engeland aan te nemen. En thans? Om hun oude kleeren te dragen, totdat zij nieuwe kunnen maken.quot;
In het House of Lords werd hij eens op de grofste wijze beleedigd. Een der leden noemde hem „den bittersten en boosaardigsten vijand, dien Engeland
66
ooit gekend had.quot; Onbeweeglijk bleef Franklin staan („alsof zijn gelaat van hout gemaakt wasquot;) en sprak de volgende treffende woorden: „ Nooit heb ik het bezit van een goed geweten zoo leeren waar-deeren als op dit oogenblik. Nimmer had ik zulk een houding durven aannemen, wanneer niet de daad, waarom ik thans gehoond word, door mij niet als een der beste van mijn leven beschouwd werd, die ik ongetwijfeld onder dezelfde omstandigheden zou overdoen.quot; Lord chatham, wiens vriendschap Franklin zeer op prijs stelde, trad als zijn verdediger op en noemde hem „een man, wien gansch Europa in eere houdt om zijn kennis en wijsheid; op wien niet slechts het volk van Engeland, maar de gansche menschheid trotsch is.quot;
In de beroemde Onafhankelijkheidsverklaring van 4 Juli 1776 zeiden de koloniën de gehoorzaamheid aan Engeland op, om vrije en onafhankelijke staten te worden. Maar op het Congres, waar de verklaring ter sprake kwam, deelden vele leden hun aanmerkingen mede, waaronder sommige van luttel beteekenis. Nu stond Franklin op en, als vriend van luim en scherts ook bij de behandeling van ernstige zaken, vertelde hij de volgende anekdote: „Toen ik nog op een drukkerij was, raadpleegde mij een mijner gezellen , die zich als hoedenmaker wilde neerzetten, over het opschrift op het uithangbord van zijn winkel.
67
Hij had aan het volgende gedacht; John Thompson, hoedenmaker, maakt en verkoopt hoeden, tegen kontante betaling, met de teekening van een hoed er bij. Een der vrienden achtte het woord hoedenmaker overbodig, daar dit genoegzaam bleek uit het toevoegsel: maakt hoeden. Een ander wilde het woordje maakt schrappen, dewijl het voor de koopers onverschillig was, wie de hoedén fabriceerde. Nu kwam eenderde, die tegen kontante betaling overbodig vond, omdat niemand hoeden op crediet kocht. Zoo bleef dan alleen over; John Thompson verkoopt hoeden. Maar waartoe, vroeg een vierde vriend, dat woordje verkoopt? Meent gij, dat iemand zal vermoeden, dat gij de hoeden voor niemendal geeft? Eindelijk komt de laatste vitter, die ook hoeden wilde schrappen, daar op het uithangbord een hoed geteekend was. Het opschrift zou dus luiden: John Thompson.
Gedurende de bange oorlogsjaren (1776—1783) behartigde Franklin de belangen van zijn vaderland in Frankrijk's hoofdstad. Met zijn kleinzoon William Temple Franklin, die als secretaris dienst deed, koos hij zijn verblijf te Poissy, in de nabijheid van Parijs. Aan het hof van Lodewijk XVI en Marie Antoinette werd hij met onderscheiding ontvangen. Een offensief en defensief verbond met de Vereenigde Staten werd gesloten. In September 1778 benoemde het Congres Franklin tot „ Ministre plénipotentiaire quot;
68
aan het hof van Frankrijk. Zijn pogingen werden met een schitterenden uitslag bekroond. Frankrijk koos partij voor de vrijheidsvrienden in'Amerika. Wij nemen de woorden van den beroemden geschiedschrijver bancroft over. „Franklin's leven als wijsgeer, de waardigheid en zelfbeheersching zijner persoonlijkheid, de eenvoud zijner kleeding, zoo weinig in overeenstemming met de mode in Frankrijk, zijn ongepoederd haar werkten betooverend. De volksstemming besliste ten gunste van de oproerlingen , omdat zij voor de vrijheid van Frankrijk streden; hun taak toch was de zaak der gansche menschheid. „Meer dan honderd busten, portretten, medaillons werden van den amerikaanschen wijze, gelijk men hem noemde, gemaakt; opgewonden liederen gedicht op „dezen Benjamin, den echten wijze, van wien moeders aan haar kinderen zullen verhalenquot; 2 . Zelf schreef Franklin aan een zijner vrienden; „Wellicht waren weinige vreemdelingen hier zoo populair als ik. Maar ik zal wel niet altijd in de mode blijven, al hoop ik, zoolang ik hier blijf, de vriendschap dezer natie te mogen genieten, wier gesprekken zóó onderhoudend zijn 3).quot;
Nadat het vredesverdrag te Parijs op 5 September 1783 onderteekend was, schreef Franklin aan een vriend: „Hartelijk verblijd ik mij met u, dat de vrede gesloten is. Ik hoop, dat hij duurzaam zal zijn
69
en dat de menschen eindelijk zullen leeren, hun geschillen bij te leggen zonder zich van geweld te bedienen: want volgens mijn overtuiging is er nooit een goede oorlog geweest of een slechte vrede gesloten. Ik had niet kunnen denken, dat ik nog zulk een gelukkig einde der gevaarvolle onderneming, waarin wij betrokken waren, zou beleven. Voortaan zullen wij ons geluk moeten zoeken in onze deugd. Indien wij de wereld niet kunnen overtuigen, dat wij als volk vertrouwen verdienen, dan zijn onze naam en invloed verloren. Laat ons nooit door weelde, tweedracht en oneerlijkheid onze krachten ontzenuwen !quot;
Na een verblijf van bijna negen jaren in Frankrijk vertrok hij in Juli 1785 van Poissy en kwam den I4den September te Philadelphia aan. Adressen werden hem aangeboden, o.a. van Pennsylvanië's vertegenwoordigers , waarin de volgende woorden voorkomen: „Wij mogen vertrouwen, dat wij spreken uit naam van het gansche land, wanneer wij verzekeren, dat de door u bewezen diensten niet slechts op den dank van het tegenwoordig geslacht aanspraak maken, maar dat zij tot uw onsterfelijke eer in de bladen der geschiedenis vermeld zullen worden. Moge liet God behagen u een helderen en vreedzamen levensavond te geven!quot; Overal werd hij met gejubel ontvangen. Aanzienlijken en geringen, aan wier hoofd
7°
de groote Washington, brachten den bijna tachtig-jarigen grijsaard hulde en dank.
De laatste vijf jaren zijns levens bracht hij alles behalve werkeloos door. Hij werd benoemd tot president van de beide vereenigingen tot verbetering der gevangenissen en tot afschaffing der slavernij. Op Franklin's aandrang werd een petitie bij de vertegenwoordigers der Vereenigde Staten ingediend, waarin opheffing van den slavenhandel verzocht werd. In een zijner laatste geschriften bestreed franklin kort vóór zijn dood Mr. jackson, lid van het Congres, die de slavernij verdedigd had, niet ten onrechte „een der geestigste, schranderste, schitterendste producten van zijn geestquot; genoemd. Een eeuw geleden — aldus Frank lin — had een lid van den Divan van Algiers in denzelfden geest gesproken tegen de sekte Erica, ook Puristen genoemd, die evenzeer om afschaffing der slavernij verzocht hadden. De Afrikaan zou de volgende rede gehouden hebben: „Wie zal, wanneer de slavernij ophoudt, in dit warme klimaat het land bebouwen ? Zouden wij dan niet onze eigen slaven moeten zijn? Moeten wij onze Muselmannen niet beter behandelen dan die christelijke honden ? En wat zullen wij met onze vrijgemaakte slaven doen? Zij zullen onzen heiligen godsdienst en onze manieren niet aannemen. Moeten wij hen als bedelaars in onze straten onderhouden
7i
of toelaten, dat onze eigendommen door hen geplunderd worden? Is hun toestand werkelijk zóó treurig? Waren zij geen slaven in hun eigen land? Staan aan het hoofd van Spanje, Portugal, Frankrijk, de itali-aansche staten geen despoten, die hun onderdanen als slaven behandelen? Hun toestand is tegenwoordig beter dan toen zij nog in hun vaderland woonden. Hier schijnt bovendien de zon van het Islamisme in al haar glans; hier zijn ze in de gelegenheid, om met de leer der zaligheid kennis te maken en dus hun onsterfelijke zielen te redden , terwijl zij in hun eigen land van alle licht beroofd zijn. In welk een dwaling verkeeren zij, die beweren, dat de slavernij in den Koran verboden wordt! Bewijzen niet de beide voorschriften : ,, Meesters, behandelt uw slaven vriendelijkquot; en „slaven, dient uw meesters getrouwquot;, het tegendeel? De plundering van ongeloovigen kan in onze heilige Schrift niet verboden zijn, daar ieder weet, dat God de wereld met al wat daarin is aan zijn getrouwe Muselmannen gegeven heeft. Laat ons toch niet het oor leenen aan dat verderfelijk voorstel, om christelijke slaven vrij te maken! Dan zouden burgers van hun eigendom beroofd worden en misnoegen, verwarring, regeeringloosheid ontstaan. Ik twijfel niet, of deze wijze vergadering zal het geluk eener gansche natie van trouwe geloovigen boven de dwaasheid van enkele ketters stellen en dus de inge-
72
komen petitie afwijzen.quot; Na deze rede werd door den Divan van Algiers het volgende besluit genomen: „Onjuist, althans problematisch is de bewering, dat de slavernij, door ons den Christenen opgelegd, onrechtvaardig moet genoemd worden. Daar het in elk geval in het belang van den staat is, om op den ouden voet voort te gaan, verwerpen wij het verzoekschrift.quot; Wat dunkt u van deze snijdende kritiek van den vierentachtigjarigen grijsaard?
Eere den man, die nog kort vóór zijn heengaan aan zulk een edele zaak zijn krachten wijdde. Nog 75 jaren zouden verloopen, eer Franklin's vurigste wensch: de afschaffing der slavernij in zijn vaderland, vervuld zou worden.
Op den i7'1en April 1790 ontsliep hij, ruim 84jaar ond. Volken treurden over hem; alle edelen waren zijn lofredenaars. Bij zijn begrafenis luidden de klokken van Philadelphia. Duizenden waren tegenwoordig, waaronder afgevaardigden van verschillende genootschappen. De overledene had den wensch te kennen gegeven, om naast zijn vrouw begraven te worden. Een eenvoudige marmeren steen met zijn naam en het jaar van zijn heengaan moest zijn grafstede bedekken. Na zijn dood werd onder zijn papieren het volgende grafschrift gevonden: ,, Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, boekdrukker, een voedsel voor de wormen. Toch zal zijn werk niet verloren
73
gaan, maar eens in een nieuwe en schoonere uitgave verbeterd verschijnen.quot;
In zijn testament bedacht hij allerlei nuttige inrichtingen. Zijn wandelstok met een gouden knop, in den vorm van een vrijheidshoed, vermaakte hij aan zijn vriend, „den vriend der menschheid, generaal Washington, die een schepter verdiend hadquot;.
Toen het Congres, te New-York vergaderd, de tijding van Franklin's dood vernam, werd eenstemmig besloten, dat de leden gedurende één maand het rouwkleed zouden dragen, als een hulde aan de nagedachtenis van hem, „die een sieraad der menschheid was geweest, wiens arbeid voor de wetenschap, de vrijheid en het vaderland rijke vruchten gedragen hadquot;.
In de nationale Vergadering van Frankrijk hield de beroemde Mirabeau de volgende rede; „Franklin, een genie, die Amerika bevrijdde en voor Europa zijn licht liet schijnen, is heengegaan. De wijze, op wien twee werelden roem dragen, bekleedde een hooge plaats onder de kinderen der menschen. Laat de volken hun weldoeners nooit vergeten! Zullen wij onze hulde weigeren aan den man, die aan den hemel den bliksem, aan tirannen hun schepter ontroofde 4)? Het vrije en verlichte Frankrijk bewaart de gedachtenis van een der grootste mannen, die zich in den dienst der wetenschap en der vrijheid hebben gesteld.quot;
74
Eerst in September 1856 werd Franklin's standbeeld onthuld. Onder hen, die aan de groote processie deelnamen, zag men leerlingen der scholen, met de Franklin-medaille versierd, werklieden, wier lot hij zich altijd had aangetrokken.
Wat ons in den man, die met zooveel loftuitingen overladen werd, bovenal aantrekt? Hij was eenvoudig, werkte onverpoosd en had nooit in eigen oog genoeg gedaan. Aan zijn zoon gaf hij den volgenden raad; „ Bevorder het waarachtig geluk van uw volk, laat het gelukkiger achter dan gij het gevonden hebt, dan zal uw aandenken gezegend zijnquot; — wie bleef daaraan getrouwer dan hij zelf?
Te midden der ongunstigste omstandigheden, terwijl hij met allerlei bezwaren te kampen had, heeft Franklin zichzelven gevormd. Wie had ooit kunnen vermoeden, dat uit dien armen knaap, die langs Boston's straten zijn liedjes zong, de man zou voortkomen , van wien eens getuigd werd;
Wetgever van één wereld! Weldoener van twee! De gansche wereld is u een offer van dankbaarheid
schuldig ?
Zonder strijd heeft hij natuurlijk die hoogte niet bereikt. In zijn autobiographie maakt hij daarvan telkens melding en verhaalt, hoe hij op zijn errata langzamerhand de zege behaald had.
75
Theodore Parker noemde hem „den goeden Samaritaanquot;, „een bij uitnemendheid liefhebbende natuur, vriendelijk en barmhartig.quot; Voortdurend zocht hij goed te doen, al oogstte hij weinig dank in. Den toestand van zeelieden, soldaten, krijgsgevangenen, dienstboden, pachters en zoovele anderen trachtte hij te verbeteren. Uit zijn correspondentie spreekt teedere liefde voor zijn vrienden.
In Pennsylvanië strooide hij het zaad uit, dat in de noordelijke staten vruchten heeft gedragen. Als hij op zijn studeerkamer zat, dacht hij aan ouden van dagen, kranken, armen en slaven. Toen hij voor het eerst te Philadelphia kwam , gaf hij al zijn geld aan een arme vrouw en zijn laatste daad was evenzeer een werk der liefde.
Kan het ons verwonderen, dat een man als Franklin vele vijanden had, vooral onder de aanzienlijken en grooten der wereld? Met voorname minachting zagen zij op dien kaarsenmakerszoon neer, den voormaligen boekdrukker, die zóó hoog was gestegen. En iemand van zulk een nederige afkomst waagde het, de hoogstgeplaatsten de waarheid in het aangezicht te zeggen! De Regeering van Engeland haatte hem met een doodelijken haat, terwijl George III zijn ministers waarschuwde voor dien Amerikaan, tegen wien zij niet opgewassen waren. Maar al noemden sommigen hem een verrader van zijn vader-
76
land, zelf was hij overtuigd, dat hij Amerika trouw gediend had.
Al muntte Franklin door vastheid en onbuigzaamheid van karakter uit, hij behoorde niet tot de stijfhoofden, die zich nooit laten overtuigen. In het jaar 1739 kwam de welsprekende Methodistenprediker George Whitefield te Philadelphia, om gelden bijeen te brengen voor een weeshuis, dat hij te Savannah in Georgië wilde oprichten. Tevergeefs beproefde Franklin hem over te halen, om liever te Philadelphia het weeshuis te bouwen en besloot daarom zijn contributie terug te houden. Maar — zoo verhaalt hij — eens was ik bij Whitefield in de kerk en hoorde hem afkondigen, dat bij het einde der godsdienstoefening een collecte zou gehouden worden voor het te stichten weeshuis. Ik had eenig kopergeld bij mij, enkele zilveren dollars en gouden pistolen, maar was vast besloten niets te geven. Onder het hooren zijner uitnemende toespraak begon ik reeds te weifelen en het slot was zoo verrukkelijk schoon, dat ik al mijn geld in de schaal wierp!
In het oog van vele zijner tijdgenooten was Franklin een ketter, een ongodsdienstig mensch, omdat hij de meeste kerkelijke leerstukken verwierp en zijn eigen geloof durfde belijden. Terecht merkte Parker op; „Wanneer godsdienst beteekent; gerechtigheid,
77
en barmhartigheid lief te hebben, ootmoedig te wandelen met God, Hem lief te hebben met verstand en hart en den naaste als zichzelven; als de vrucht van den godsdienst bestaat in het beschermen van den nooddruftige, het kleeden van den naaste, het onderrichten van den onkundige, het bezoeken van weduwen en weezen in hun verdrukking, het oprichten van gevallenen, het bevrijden van onderdrukten en het ernstig streven om zich onbesmet te bewaren van de wereld — dan vraag ik, welk staatsman of bisschop hem hierin overtrof. Indien dat alles een mensch tot een Christen maakt, dan neemt Franklin op de lijst der Christenen een eereplaats in. Zoo niet, dan komt het er ook niet op aan of iemand een Christen, een Heiden of een Turk heet. Wanneer Franklin, gelijk zeker persoon, op zijn sterfbed verklaard had, dat al zijn gerechtigheid slechts op een onrein kleedingstuk geleek; dat hij niet op de menschelijke natuur, maar op de leer der verzoening, op wonderen en wat dies meer zij, vertrouwen gesteld had, dan zou zijn lof overal weerklonken hebben. En indien Franklin aldus gesproken had; Broeders, de slavernij is rechtvaardig, gelijk immers uit het O. T. blijkt, dan zouden de slavenhouders hem verheerlijkt hebben. Maar hij was in hun oog een ketter, omdat hij die verfoeilijke instelling bestreed.quot;
78
Franklin was een volksvriend bij uitnemendheid. Overal, in winkels en keukens, in de woningen der werklieden werd het classieke volksboek van den armen Richard gelezen. Eens uitte hij den wensch, dat hij een eeuw na zijn dood op aarde mocht terug-keeren, om zich over den vooruitgang der wereld te kunnen verblijden. Met hartelijke blijdschap zou hij zeker de afschaffing der onmenschelijke slavernij in zijn vaderland begroet hebben.
Onder de helden van ons geslacht mag aan Benjamin Franklin een eereplaats worden toegekend.
1) Nog als grijsaard hoopte Franklin zijn autobiographic voort te zetten, maar werd daarin door velerlei bezigheden verhinderd.
In 1805 verscheen te Londen een uitgave zijner werken, onder den titel; The complete Works in Philosophy, Politics and Morals of the late Dr. Benjamin Franklin. Tien jaar later gaf zijn kleinzoon, William Temple Franklin, een nieuwe editie in het licht,
2) Aan zijn dochter schreef hij: „Volgens geleerde taalvorschers is de naam doll (pop) van het woord Idol afgeleid. Op grond der groote menigte poppen, die men van hem gemaakt heeft, zou uw vader kunnen beweren, dat hij hier in Frankrijk geïdoliseerd wordt.quot;
3) Een zijner vereerdsters te Parijs dronk de volgende toast op Franklin:
II rend ses droits fl l'humaine nature.
Pour l'affranchir il voulut 1'éclairer,
Et la vertu, pour se faire adorer.
De Benjamin emprunta la figure.
Je dis aussi, vive Philadelphie!
L'indépendance a de quoi me tenter;
Dans ce pays je voudrais habiter
Quoiqu'il n'y ait ni bal ni comédie.
Tous nos enfants apprendront de leurs mères,
A vous aimer, vous croire et vous bénir:
Vous enseignez ce qui peut réunir
Tous les humains dans les bras d'un seul père.
4) „Eripuit coelo fulmen sceptrumque tyrannis.quot; Franklin verklaarde, op zijn eigenaardige wijze, dat hij den donder had gelaten, waar hij dien gevonden had en dat vele zijner landgenooten met hem gewoon waren naar den schepter te grijpen.
ARTHUR PEIRHYÏÏ STAILfiY.
6
„ Klein en tenger van gestalte, met een zeer weinig beteekenend, zeer weinig schoon gelaat, blauwe grijze oogen, kort stoppelig grijs haar, had deze niets aan zich dat, bij den eersten opslag, of den geleerde, of den kerkelijken, of den buitengewonen, of den welgeboren, of zelfs den Engelschman verried.quot; Zoo beschrijft NicolaasBeets den Deken van Westminster, dien hij in Augustus 1871 op het eeuwfeest van Walter Scott te Edinburg ontmoette 1).quot;
Arthur Penrhyn Stanley, de tweede zoon van Edward Stanley en Catherine Leycester , werd den 13^en December 1815 te Alderley geboren. Gedurende 32 jaar was zijn vader Rector aldaar, terwijl hij de laatste 12 jaar zijns levens aan het hoofd van het bisdom te Norwich stond. Hij was een liberaal man zoowel op staatkundig als op kerkelijk gebied en sloot zich het liefst bij die Vereenigingen aan, waarin alle Christenen, tot welke partij zij ook behoorden, konden samenwerken. Meer dan de kerk ging hem het practisch Christendom ter harte. Dissenters en allen, diè om hun vrijzinnige gevoelens door de groote menigte veroordeeld werden, konden
84
op zijn symphatie rekenen. In het „ House of Lords quot; verdedigde hij een mildere toepassing der onderteeke-ningsformule voor de leeraars der engelsche kerk, waaraan volgens hem niemand getrouw kon zijn. De milde, catholieke geest, waarin de bisschop werkzaam was, werd later ook het kenmerk van den zoon.
Maar op de ontwikkeling van den jeugdigen Arthur oefende vooral zijn moeder grooten invloed. Uit haar opstellen over allerlei onderwerpen, uit haar brieven aan betrekkingen en vrienden leeren wij haar kennen als een verstandige, ontwikkelde en liefhebbende vrouw. Zij deelde de vrijzinnige gevoelens van haar echtgenoot. Maar al nam zij kennis van de theologische strijdvragen, die toen aan de orde waren, haar godsdienst was daarboven verheven. Op haar graf plaatsten haar kinderen het volgend opschrift; ,, Door haar vast geloof, haar rustige wijsheid, haar teedere symphatie, omdat zij de waarheid in liefde sprak, bemoedigde en verkwikte zij allen, die haar kenden.quot; De opvoeding der kinderen ging haar bijzonder ter harte en al hun lessen werden met haar besproken. Vooral wist zij hen liefde voor geschiedenis in te boezemen. Onder haar lievelingsschrijvers nam Walter Scott de voornaamste plaats in, met wien niemand, in haar oog, shakespeare alleen uitgezonderd, vergeleken kon worden. Geen schrijver schonk aan de wereld zoovele uren van onschuldig en bekoorlijk genot als hij.
85
Vooral de kleine Arthur veroorzaakte haar veel zorgen. Reeds vroeg was hij de dichter der familie en altijd bezig met lezen. Maar hij was stil, bedeesd en niet gaarne in gezelschap met jongens van zijn leeftijd. In een brief geeft zij op de volgende wijze aan haar bekommernissen over den knaap lucht; „O, het is zoo moeilijk om te weten, hoe wij met Arthur moeten omgaan. Omdat ik hem gymnastiek en dansen laat leeren, denkt hij dat ik hem liever niet met lezen bezig zie. Nu leest hij steelsgewijze en legt zijn boek neder, als hij menschen hoort aankomen, terwijl hij toch het meest van lezen houdt. Ik ben zeker, dat hij zich zeer dikwijls ongelukkig gevoelt, maar vertrouw dat dit zijn slechtste tijd is en dat hij als man gelukkiger zal zijn dan als jongen 2).quot; Niet slechts voor den knaap, ook voor den jongeling en den man was zij „het orakel, dat nimmer faalde, het heldere gelaat, dat nooit den moed verloor, de verwante ziel, die mijn gedachten kende voordat ik ze had uitgesproken.quot;
Van 1829—1834 bezocht stanley de school van den Rector te Rugby, Dr. Thomas arnold, den uitnemenden paedagoog, die om zijn kettersche gevoelens door velen gevreesd en gehaat werd. Hij was de hervormer der engelsche scholen, wier toestand in zijn tijd treurig was. Zooveel mogelijk moest volgens hem door, niet voor ieder van de leerlingen gedaan
86
worden. Voor niets vreesde hij zoozeer als onder hen den baas te spelen, vooral bij het onderwijs in den godsdienst. Hij toonde hun zijn vertrouwen en zocht hen eerbied voor zich zelve in te boezemen. Het werd door de leerlingen voor een schande gehouden, om Arnold voor te liegen. Ongelooflijk was zijn werkkracht. Zijn geschiedenis van Rome in drie deelen, de door hem bezorgde uitgave van ThucydideS, zijn beschouwingen over kerk en staat, verschillende bundels preeken, door hem te Rugby voor zijn leerlingen gehouden, maakten grooten opgang. Een jaar vóór zijn dood (12 Juni 1842) werd hij tot professor in de nieuwe geschiedenis te Oxford benoemd 3).
Stanley beschouwde Arnold als het model van een leermeester, aan wien hij innig gehecht was. Zijn eerste, volgens velen zijn beste werk, was het leven van Arnold met 300 brieven aan vrienden en oudleerlingen 4). In de Voorrede geeft hij rekenschap van de wijze, waarop hij zijn taak opvatte. ,, De eenige vraag, die ik mij gesteld heb, was niet of ik een daad of meening goed- of afkeurde, maar of zij kenmerkend voor Arnold waren. Moest ik als rechter optreden, dan zou mijn verantwoordelijkheid, die toch reeds groot genoeg is, nog veel zwaarder geweest zijn, terwijl het gewicht der hier behandelde vragen, de bijna kinderlijke betrekking, waarin ik tot hem stond, dit volstrekt onmogelijk maken. Om dezelfde
87
redenen heb ik ook geen rekenschap gegeven van zijn karakter. Hij behoorde tot die soort van menschen, wier karakter uit hun eigen daden veel duidelijker dan uit de beschrijving van anderen blijkt. Sommigen zullen pijnlijk worden aangedaan door het contrast tusschen het beeld van zijn inwendig leven, gelijk het hun voor den geest stond, die hem het naast en het dierbaarst waren, en het beeld eener biographie, die zelden iets meer kan zijn dan een zwakke schaduw van wat in de herinnering bewaard bleef. Maar de onware of onvolmaakte indruk van zijn gedachten en gevoelens, dien zij of andere lezers uit mijn levensbericht zouden kunnen ontvangen, zal door zijn eigen brieven worden weggenomen.quot;
Een deel van den geest des geliefden leermeesters was op den leerling overgegaan. Ieder, die met beider opvatting van de geschiedenis, van de be-teekenis van het Christendom, van de verhouding tusschen kerk en staat bekend is, zal dit toestemmen en Stanley zelf komt er rond vooruit, gelijk o. a. uit de volgende woorden blijkt: „Wordt hier zeldzamer dan men zou kunnen verwachten de naam genoemd van iemand, aan wien dit werk en andere, die ik wellicht zal uitgeven, hun oorsprong verschuldigd zijn, voor de leerlingen van Arnold handhaaf ik het voorrecht, om zijn woorden te gebruiken en zijn gedachten over te nemen, al wordt niet telkens
88
de bron aangewezen, waaraan zij hun oorsprong te danken hebben 5).quot;
Toen Stanley zijn examen deed voor ,, Balliot Collegequot; te Oxford, viel hem de eerste studiebeurs ten deel. Verrukt over den uitslag, schreef hij aan zijn moeder: „de eer van Rugby is gered!quot; Ook arnold was niet minder verblijd, gelijk uit de volgende woorden blijkt: „ Ik wensch u hartelijk geluk — zoo schreef hij aan Mevrouw Stanley — en dank Arthur voor de weldaad, door hem aan ons bewezen. Men meende, dat wij met Eton of de andere groote scholen niet konden wedijveren. Door het succes, dat Arthur behaalde, zijn andere leerlingen te Rugby aangemoedigd om hard te werken, in de hoop zijn voetstappen te zullen drukken. Ben ik met Gods hulp nuttig geweest voor uw zoon, hij heeft de eer, die hem ten deel viel, vooral te danken aan zijn uitnemend talent om opstellen te maken.quot;
Aan het eind van zijn academische studiën te Oxford (1834—1838), waar toen juist John Henry Newman (de latere kardinaal) zijn betooverenden invloed op een groot deel der studenten oefende, zou Stanley tot geestelijke der engelsche kerk gewijd worden. Maar hij had bezwaren tegen de onderteekenings-formule en vroeg aan Arnold om licht. Had deze vroeger die bezwaren alles behalve licht geteld, thans was hij tot andere inzichten gekomen. De kerk kan
89
volgens hem geen letterlijke instemming met mensche-lijke formules bedoeld hebben, daar zij dan haar poorten alleen voor tragen van geest zou openstellen.
Gedurende 12 jaar bleef Stanley als leeraar aan „University Collegequot; en „Select Preacher of the Universityquot; te Oxford werkzaam en maakte grooten opgang.
In 1851 werd hij benoemd tot kanunnik der kathedraal te Canterbury en bracht daar zeven gelukkige jaren door. Met zijn familie bezocht hij Italië en passeerde den winter van 1852 en het volgend voorjaar in gezelschap van drie zijner vrienden in Egypte, Arabië en Syrië.
In 1858 vertrok hij weder naar zijn geliefd Oxford, waar hij tot professor in de kerkhistorie benoemd was. Ongelooflijk was de opgang, dien hij hier maakte. In 1862 6) bezocht hij voor de tweede maal het Oosten, op verzoek van de koninklijke familie, in gezelschap van den prins van Wales. Het werd hem vergund, de moskee van Hebron binnen te treden.
In 1863 trouwde hij met Augusta Bruce, dochter van den hertog van Elgin. In datzelfde jaar was hij tot deken van Westminster benoemd, „hetkoninklijk en nationaal heiligdom van EngelandDoor zijn huwelijk kwam hij dikwijls met de vorstelijke familie in aanraking en werd kapelaan van Victoria en haar oudsten zoon.
Op den isteD Maart 1876 stierf zijn vrouw, „de zonneschijn van zijn hart, de roem van zijn huis, de liefde, die eiken plicht licht maakte 7).quot;
In 1878 bezocht hij nog Amerika, waar hij met groot enthusiasme werd ^ontvangen. Den 2Iste,1 September hield hij te Boston zijn eerste preek in de nieuwe wereld, die hij met een zegen begroette; „ De oude wereld zegent de nieuwe, Engeland zegent Amerika 8).quot;
Langzamerhand begon de Deken oud te worden 9). Na den dood zijner geliefde echtgenoot voelde hij, wiens pad van der jeugd af door zonneschijn beschenen was, zich eenzaam en verlaten. Bij zijn laatste toespraak in Westminster sprak hij over de zaligspreking der barmhartigen. Op Maandag 18 Juli 1881 ontsliep hij even vóór middernacht, na een ziekte van acht dagen. Een zijner laatste woorden luidde: „Te midden van veel tekortkomingen heh ik Westminster trachten te maken tot het middelpunt van godsdienstig en nationaal leven in een werkelijk vrijzinnigen geest.quot;
Den volgenden Zondag werd de lijkrede in de abdij van Westminster op uitdrukkelijk verzoek van Stanley gehouden door zijn zwager, Dr. Vau-ghan, omdat deze hem het langst gekend had. De tekst was: „Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.quot; Die woorden, meende de spreker.
9i
kwamen in de laatste dagen zeker velen voor den geest, als zij aan den overledene dachten. „Tot het laatst toe was zijn oog onbeneveld en zijn natuurlijke kracht onverminderd. Nog veel was er in hem van het oude vuur, meer dan ooit van de oude schoonheid. Waar onrechtvaardigheid vermoed werd, was zijn oordeel niet altijd onpartijdig; maar waar hebben we zulk een moed, zulk een onverschrokkenheid, zulk een innige, altijd ware vriendschap ontmoet? Wij zijn allen door zijn dood armer geworden. Stanley's kenmerkende eigenschappen: natuurlijkheid, eenvoudigheid, belangeloosheid, oprechtheid kwamen voort uit die reinheid van hart, waarvan in de zesde zaligspreking gesproken wordt. Ik, die gedurende een halve eeuw zijn makker, zijn vertrouwde, zijn vriend en eindelijk zijn broeder ben geweest, heb hem nooit anders dan als een reine van hart gekend 10).quot;
Bij de begrafenis was een aanzienlijke menigte tegenwoordig, waaronder drie koninklijke prinsen, de Lord Kanselier, de eerste Minister, leden van het Parlement, leeraars van de staatskerk en van verschillende genootschappen. In „ Henry VII's Capelquot; rust het lijk van den Deken naast dat zijner echtgenoot li).
Stanley was in de eerste plaats historicus, een meester in het schilderen van historische tooneelen
92
en personen, zoodat hij in dit opzicht met Macaulay vergeleken werd. De geschiedenis wekte bovenal zijn belangstelling op, omdat hij daaruit menschen kon leeren kennen. En hij wist ze te teekenen alsof hij zelf met hen had omgegaan, zoodat de lezer of hoorder levende personen voor zich zag. Reeds in de school van zijn geliefden leermeester had hij die voorliefde voor de geschiedenis en zijn eigenaardige opvatting van de taak van den historicus opgedaan. Volgens Arnold — zoo verhaalt de leerling — was de geschiedenis een schilderij. Haar taak is onvoltooid, zoolang zij ons niet leert, wat de menschen gedacht, gehaat en bemind hebben. De beelden van het verleden stonden steeds voor zijn geest. Het was of hij bij den moord van Caesar , bij het beleg van Jeruzalem in het leger van TlTUS tegenwoordig was geweest of met Alcibiades om de muren van Syracuse gewandeld had. Toen hij zijn editie van Thucydides in het licht had gegeven, betreurde hij het diep, dat hij niet in staat was geweest, om de nieuwere geschiedenis van Griekenland's en Rome's beschaving naar waarde te schilderen. Wie zijn onderwijs bijwoonden , herinneren zich nog het enthusiasme, waarmede hij de eeuw van Pericles beschreef; de ontroering, met welke hij, als een ooggetuige, de mislukking der expeditie naar Syracuse afwachtte; zijn sympathie voor de groote crisis der grieksche
93
maatschappij, toen Socrates , de getrouwe dienaar van waarheid en deugd, als het slachtoffer viel van den haat der democratische en aristocratische partijen. In het derde deel zijner geschiedenis van Rome heeft hij het eerst een welgelijkend beeld gegeven van het bewonderenswaardig genie en het edel karakter van Hannibal 12).
Stanley bezat een uitnemend dramatisch talent. De figuren, die hij de revue liet passeeren, leefden voor zijn lezers en hoorders. Wij kunnen slechts enkele proeven geven. Aan de studenten van Oxford gaf hij het volgend portret van ARIUS: „Hij is zestig jaar oud, zeer lang en smal; hij heeft een vreemde manier om zich te draaien en te wenden, wat zijn vijanden aan de bewegingen van een slang herinnert. Zijn gelaat is mager en doodelijk bleek; hij is bijziende en loopt daarom altijd met neergeslagen oogen — anders zou hij een mooi man geweest zijn. Soms zwellen zijn aderen en beven zijn leden, alsof hij aan een hevige inwendige ziekte leed, die plotseling een eind aan zijn leven zou maken. Zijn kleeding en houding zijn die van een strengen asceet. Hij draagt een lang kleed met korte mouwen; zijn haren hangen verward over zijn hoofd Hij is buitengewoon stil, maar kan soms hevig uitvaren, zoodat hij den indruk maakt van een waanzinnige. Toch weet hij door zijn aangename stem, door zijn innemende, ernstige ma-
94
nieren zijn omgeving te betooveren. Deze vreemde, boeiende figuur is de ketter Arius of, gelijk zijn tegenstanders hem noemden, de krankzinnige van Mars.quot;
Aan zijn beschrijving van het Concilie van Constan-tinopel in 381 ontleenen wij de volgende regels: „Keizer Theodosius deelt aan GregoriUS van Nazianze zijn uitdrukkelijken wil mede: Constanti-nopel roept u en God heeft mij tot zijn werktuig gekozen, om u deze kerk te geven. In naam was de keuze van den bisschop nog altijd in handen van het volk, maar het bevel van den keizer was machtiger dan eenig congé d'élire. Het was op den 26stei1 November — een van die akelige dagen, wanneer de winden van de Zwarte zee de groote stad Constantinopel met donkere wolken overdekken, welke Gregorius' vijanden als een ongunstig voorteeken van zijn verheffing beschouwden. De keizer reed in een staatsiekoets naar de kerk, waar de plechtigheid zou plaats hebben. Een groote menigte Arianen, die op het punt waren hun bisschop te verliezen en misschien zelve met hun vrouwen en kinderen verbannen te worden, wierpen zich tevergeefs voor zijn paard neder. De spaansche soldaat trok onbeweeglijk voorwaarts, alsof hij naar een slagveld ging. Aan de zijde des keizers liep de bleeke, gebogen, bevende candidaat voor den bis-schoppelijken zetel, die ternauwernood wist, waar hij was, totdat hij in de kerk naast theodosius plaats
95
had genomen, die in vorstelijk purper den hoogsten zetel beklom. Het was „de kerk der apostelenquot;, dit oudste mausoleum van christelijke vorsten, de eerste kiem van St. Denys, het Escuriaal en Westminster Abbey, waar CoNSTANTlJN en zijn opvolgers begraven liggen en waar later nog een prachtiger gebouw zou verrijzen, de moskee, die Mohammed II voor zich en zijn dynastie oprichtte. Plotseling, door een van die overgangen, welke in oostersche luchtstreken niet vreemd zijn, breekt een zonnestraal door de donkere wolken, verlicht de rijke kleederen van priesters en hovelingen en hult het kale hoofd van Gregorius in een schitterenden glans. Aanstonds wordt het voorteeken begrepen. Als een donderslag rijst een kreet uit de groote vergadering op; „Lang leve onze bisschop Gregorius!quot; Na enkele zwakke bedenkingen bestijgt gregorius den bisschoppelijken zetel en eindigt de langdurige twist 13).quot;
In Stanley's „Historical Monumentsquot; van Canterbury en Westminster wisten de steenen de geschiedenis van van het verleden te verhalen 14). Wanneer de bezoekers der oude abdij door den Deken werden rondgeleid, dan schenen de dooden uit hun graf op te staan. Was er een geleerde, een kunstenaar, een staatkundige of een ander groot man in Westminster begraven, dan werd den volgenden Zondag zijn beeld geschetst 15).
96
Bij zijn toespraken op den kansel plaatste hij volgens bevoegde beoordeelaars de gebeurtenissen van den dag in het licht der wereldgeschiedenis. Ook hier kwam zijn historische verbeelding hem te hulp en maakte hij gaarne van illustraties of anekdoten gebruik. Zoo leidde hij een preek, die hij te Edinburg over het elfde gebod hield, met het volgende verhaal in: „Op een Zaterdagavond ontving de beroemde prediker Samuel Rutherford bezoek van een vreemdeling, die hem om logies vroeg. Deze werd verzocht plaats te nemen onder de huisgenooten, die juist met de huiselijke godsdienstoefening bezig waren. Aan den onbekende werd de vraag gedaan: hoeveel geboden zijn er? waarop hij ten antwoord gaf: elf. Niemand begreep hem en de predikant berispte hem over zijn onkunde, maar stond verbaasd, toen hij de nadere verklaring vernam; het elfde gebod luidt; „een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief hebt, gelijk ik u heb liefgehad.quot; Den volgenden morgen bleek de onbekende de beroemde aartsbisschop usher te zijn. Hij trad voor Rutherford's gemeente op en behandelde dezen tekst.
Maar wie waren de personen in de geschiedenis, die Stanley het meest aantrokken? De verlichten, de vrijzinnigen, de gematigden, de concilianten, in één woord: des Dekens eigen geestverwanten. Niemand zal hem dit euvel duiden. Maar wel is hem
97
terecht verweten, dat hij hun tegenstanders, de strenge dogmatici, de mannen met een vaste, onwankelbare overtuiging, waarvoor zij alles, zelfs hun leven, prijsgaven, niet begreep en niet wist te waardeeren. Daartoe ontbrak het hem aan diepte, aan wijsgeeri-gen zin, getuigen o. a. zijn lezingen over de geschiedenis der kerk van Schotland 16). Met ingenomenheid wordt gewezen op de mannen der „Moderationquot;, die verheven waren boven dogmatisme en onzalige partijtwisten. Elke eeuw mag zich op zulke mannen beroemen en onze tijd vooral, die trotsch is op een Thomas Chalmers, een John Duncan, een Edward irving, een Thomas Erskine en een Walter Scott. Niet geheel ten onrechte merkte des Dekens bestrijder. Dr. Rainy, van zijn orthodox standpunt op; ,,Dr. Stanley's geest keert zich altijd tot hetgeen het absolute van eenige verzekering opheft, de beperking en het recht van het tegenovergestelde, waardoor het scherpe der bepaling weggenomen en het vertrouwen, waarmede men haar voordraagt, verzwakt wordt. Laat men niet vergeten, dat de geschiedenis der kerk grootendeels door mannen van een vaste overtuiging gemaakt is. Zonder eigen ervaring van een vaste overtuiging zal men haar moeilijk verstaan of vertolken.quot; En verder: „De Deken heeft het zeker zoo niet bedoeld, maar het publiek kon, evenale ik, wel eens den indruk gekregen hebben,
98
dat het was, alsof daar een beleefd gentleman stond, die sprak: Ik ben ook een „Moderatequot;; waarom zoudt gij tegen de „Moderatesquot; eenige bedenking hebben ?quot;
Stanley heeft verschillende theologische werken geschreven, lezingen over de geschiedenis der Joden en der oostersche kerk, een commentaar op de brieven aan de Corinthiërs, Essays over kerkelijke onderwerpen enz. Maar een theoloog was hij niet, ook niet, wanneer hij zich op zijn eigen terrein, het historisch gedeelte der theologie, bewoog. Als hij de bladen van het oudste Christendom of de geschiedenis der christelijke kerk opsloeg, dan was bij hem de eerste vraag, wat stichtelijk is, wat zijn godsdienstig gemoed weldadig aandeed. Geheel ten onrechte is beweerd, dat hij altijd de historische methode volgde 17). Het komt ons veeleer voor, dat hij, hoewel onbewust, nog een aanhanger was der oude rationalistische methode. Hij vindt zijn eigen meeningen terug in de woorden van anderen, die geheel iets ander bedoelden en verdedigt het recht van oude instellingen of leerstellingen , nadat hij daarvan een verklaring heeft gegeven, die van de oorspronkelijke bedoeling geheel alwijkt. Ik geef slechts enkele bewijzen uit de vele voorbeelden, die mij ten dienste staan.
Niemand zal ontkennen, dat Sinai and Palestine, waarvan de 20ste editie het licht zag, een werk is,
99
rijk aan schoone beschrijvingen en belangrijke mede-deelingen. Het doel, dat de Deken bij de uitgave van zijn journaal beoogde, was vooral dit: hij wenschte aan tc wijzen, wat de Bijbel er bij wint, wanneer men hem door het oog van het land of het land, wanneer men dat door het oog van den Bijbel beziet. Volgens hem bevestigt de aanschouwing der plaatsen, waarvan de Bijbel spreekt, de geloofwaardigheid der bijbelsche verhalen. Wanneer wij overeenstemming opmerken tusschen de tooneelen der bergen van den Sinaï en de verhalen van Israel's reis door de woestijn, dan zal daardoor althans eeniger-mate de historische waarschijnlijkheid van het ge-heele bericht bevestigd worden. Treffen wij in de evangeliën toespelingen aan op plaatsen in Palestina, dan volgt daaruit haar vroegtijdige oorsprong ineen tijd, toen de gebeurtenissen nog frisch voor den geest der schrijvers stonden. De overeenstemming in bijzonderheden tusschen het leven van JozUA en de plaatsen, waar zijn gevechten geleverd werden, heet een duidelijke aanwijzing, dat wij hier met mensehen van vleesch en bloed te doen hebben. Zulk een harmonie vindt men gewoonlijk niet in fabels, allerminst in fabels van oosterschen oorsprong. Het voortdurend bestaan van Damascus en Sidon, de bouwvallen van Ascalon, Petra en Tyrus, waaruit blijkt dat deze steden eeuwen lang de heerschappijen overleefd hebben.
IOO
van welke zij eens de vertegenwoordigers waren, heeten de levende gedenkteeken van deze allerbelangrijkste waarheid, dat de waarschuwingen der profeten geen betrekking hadden op steenen, maar op levende zielen, hetzij van enkele menschen, hetzij van geheele volken. De drie eerste evangeliën kozen Galilea, het vierde Judea als het gezichtspunt, waaruit zij het overige gedeelte van Palestina beschouwden. Vandaar volgens Stanley, dat ginds Galilea, hier Judea het tooneel wordt van Jezus' werkzaamheid. Zoo laten zich althans eenigermate het verschil en de weglatingen in die tweederlei verhalen verklaren. De door den duivel bezetenen, die tot in de derde eeuw voornamelijk rondom het meer van Galilea gevonden werden, konden in het vierde evangelie geen plaats vinden. De opwekking van Lazarus in Judea moest in de vroegere evangeliën onvermeld blijven 18). Hoe men over deze opmerkingen ook moge oordeelen, uit een wetenschappelijk oogpunt hebben zij zeker geen de minste waarde.
Van de bekende doopformule wordt door Stanley de volgende verklaring gegeven; met den naam des Vaders wordt in den Bijbel de natuurlijke, met den naam des Zoons de historische, met den naam des Heiligen Geestes de geestelijke godsdienst bedoeld. De eerste naam stelt ons God voor in de natuur, de tweede God in de geschiedenis, de derde God in ons
IOI
eigen hart en geweten. Deze drie namen hooren bij elkander; hierin stemmen de bijbelsche en scholastieke voorstellingen van de leer der Drieëenheid overeen. Wie den Vader van het heelal vergeet, wordt bekrompen en onverdraagzaam; wie den stichter van het Christendom vergeet, verliest zijn steun op de groote historische gebeurtenissen, welke de hoop en de liefde der menschen hebben geleid; wie den heiligen geest vergeet, begrijpt de beteekenis van het gebed, van de kerk, van den bijbel, van het menschelijk karakter, van den levenden godsdienst niet. De schrijver herinnert aan de schilderijen in de oude kerken op den bergAthos, waarop de leer der Triniteit is afgebeeld. Staat de toeschouwer aan de eene zijde, dan ziet hij slechts den Verlosser aan het kruis; aan de andere zijde aanschouwt hij alleen de hemelsche duif; aan de voorzijde bemerkt hij slechts den Oude van dagen, den eeuwigen Vader. Hetzelfde verschijnsel merken wij volgens hem in de voorstellingen van den Bijbel en ook in de ervaringen van het godsdienstig leven op 19).
En wat zullen wij zeggen van de volgende bespiegelingen over het Avondmaal? „Jezus stelde deze heilige plechtigheid in, om ons te toonen, dat zijn godsdienst van ons gewone leven niet moet gescheiden, maar een deel daarvan moet uitmaken; dat de men-schelijke aandoeningen van vriendschap, van droefheid over scheiding, van vreugde over hereeniging de
I02
menschen nnder tot elkander brengen. Juist de naam: Avondmaal herinnert ons, dat het heiligste van al onze godsdienstige voorschriften zijn oorsprong heeft in een feestmaal en bewijst, dat onder de middelen tot christelijke stichting een voorname plaats inneemt de gastvrijheid. Hoe wijs is die raadgeving van een groot humorist uit onze dagen, dat bisschoppen de geschillen hunner geestelijken niet door kastijdingen, maar door een gemeenschappelijken maaltijd moeten bijleggen! Hoeveel verbittering, hoeveel verwijdering zou door het Avondmaal kunnen worden opgeheven, dat het model en het ideaal van alle maaltijden is!... Dat zulk een maaltijd zooveel schokken, bijgeloovig-heden en eeuwen overleefd heeft, is wel een bewijs van de buitengewone levenskracht van het Christendom en van den profetischen blik van den stichter 20).quot;
Het standpunt, door stanley op theologisch gebied ingenomen, is door velen in Engeland als onrechtzinnig veroordeeld. Sommigen noemen hem zelfs een radicaal! Hier te lande zou men hem een plaats geven onder de zeer gematigde liberalen. Hij was uiterst schroomvallig in zijn kritiek op den Bijbel. Hij verdedigt de wonderen niet en heeft ze allerminst noodig, om daarop zijn godsdienstig geloof te bouwen, maar zwijgt er liefst van of verklaart ze op natuurlijke wijze. Zoo heet het o. a. van de hemelvaart van Elia ; „In dit niet te ontwarren weefsel is het voldoende op te
103
merken, hoe gepast zulk een dood op zulk een leven volgde. Door een plotseling opkomenden storm, door paarden en vurige wagens scheiden de dienstknechten Gods van de aarde.quot; En wat zullen wij zeggen van de volgende verklaring van Jona's verblijf in den walvisch: „Hooger en hooger verheft zich de zee tegen hem, gelijk een levend schepsel, dat naar zijn prooi grijpt. Eindelijk wordt het slachtoffer uitgeworpen en de wind komt tot bedarenquot;?
Wij slaan een zijner laatste opstellen op, dat twee dagen na zijn dood verscheen 21). Met ingenomenheid wordt de nieuwe engelsche vertaling van het N. T. begroet, die de oude van het jaar 1611 moest vervangen. De beoordeeling getuigt van het gematigd standpunt, dat Stanley tot het laatst van zijn leven bleef innemen. In de nieuwe vertaling komt de bekende ontmoeting van Jezus met de overspelige vrouw (Joh. 8 ; 1 —11) wel in den .tekst voor, maar met de opmerking, dat het verhaal in de oudste handschriften en vertalingen ontbreekt. De bestraffing der onverdraagzame leerlingen (Luk. 9 ; 55^) werd geschrapt. Aan den rand is aangeteekend, dat de bede aan het kruis (Luk 23 ; 34) in sommige oude handschriften niet voorkomt. Naar aanleiding hiervan merkt de Deken op: „Zulke aanwijzingen doen ons pijnlijk aan. Maar wij kunnen ons hiermede troosten, dat de twijfelachtige uitdrukkingen in deze drie plaatsen zoo
I02
menschen nïder tot elkander brengen. Juist de naam; Avondmaal herinnert ons, dat het heiligste van al onze godsdienstige voorschriften zijn oorsprong heeft in een feestmaal en bewijst, dat onder de middelen tot christelijke stichting een voorname plaats inneemt de gastvrijheid. Hoe wijs is die raadgeving van een groot humorist uit onze dagen, dat bisschoppen de geschillen hunner geestelijken niet door kastijdingen, maar door een gemeenschappelijken maaltijd moeten bijleggen! Hoeveel verbittering, hoeveel verwijdering zou door het Avondmaal kunnen worden opgeheven, dat het model en het ideaal van alle maaltijden is!... Dat zulk een maaltijd zooveel schokken, bijgeloovig-heden en eeuwen overleefd heeft, is wel een bewijs van de buitengewone levenskracht van het Christendom en van den profetischen blik van den stichter 20).quot;
Het standpunt, door Stanley op theologisch gebied ingenomen, is door velen in Engeland als onrechtzinnig veroordeeld. Sommigen noemen hem zelfs een radicaal I Hier te lande zou men hem een plaats geven onder de zeer gematigde liberalen. Hij was uiterst schroomvallig in zijn kritiek op den Bijbel. Hij verdedigt de wonderen niet en heeft ze allerminst noodig, om daarop zijn godsdienstig geloof te bouwen, maar zwijgt er liefst van of verklaart ze op natuurlijke wijze. Zoo heet het o. a. van de hemelvaart van Elia; „In dit niet te ontwarren weefsel is het voldoende op te
merken, hoe gepast zulk een dood op zulk een leven volgde. Door een plotseling opkomenden storm, door paarden en vurige wagens scheiden de dienstknechten Gods van de aarde.quot; En wat zullen wij zeggen van de volgende verklaring van Jona's verblijf in den walvisch: „Hooger en hooger verheft zich de zee tegen hem, gelijk een levend schepsel, dat naar zijn prooi grijpt. Eindelijk wordt het slachtoffer uitgeworpen en de wind komt tot bedarenquot;?
Wij slaan een zijner laatste opstellen op, dat twee dagen na zijn dood verscheen 21). Met ingenomenheid wordt de nieuwe engelsche vertaling van het N. T. begroet, die de oude van het jaar 1611 moest vervangen. De beoordeeling getuigt van het gematigd standpunt, dat Stanley tot het laatst van zijn leven bleef innemen. In de nieuwe vertaling komt de bekende ontmoeting van Jezus met de overspelige vrouw (Joh. 8 ; 1 —11) wel in den .tekst voor, maar met de opmerking, dat het verhaal in de oudste handschriften en vertalingen ontbreekt. De bestraffing der onverdraagzame leerlingen (Luk. 9 ; 55Ó) werd geschrapt. Aan den rand is aangeteekend, dat de bede aan het kruis (Luk 23 : 34) in sommige oude handschriften niet voorkomt. Naar aanleiding hiervan merkt de Deken op: „Zulke aanwijzingen doen ons pijnlijk aan. Maar wij kunnen ons hiermede troosten, dat de twijfelachtige uitdrukkingen in deze drie plaatsen zoo
I04
geheel in den geest van het evangelie zijn en zoozeer in strijd met den geest der vierde eeuw, dat wij gerust kunnen aannemen, dat zij tot de oudste overlevering van den apostolischen tijd behooren.quot; Aan het slot wordt de verwachting uitgesproken, dat zij, die niet tot de engelsche kerk behooren, waarschijnlijk zonder veel strijd de oude vertaling door de nieuwe zullen vervangen. De leden der staatskerk zullen naast de oude vertaling de nieuwe gebruiken, evenals zij zich thans reeds van twee overzettingen der Psalmen bedienen. „Moge deze vertaling — zoo eindigt de schrijver — velen brengen tot meerdere waardeering van dit boek, dat boven alle andere, zelfs boven de heilige schriften van Israël, terecht Gods woord is genoemd!quot;
Stanley had een milden, catholieken, verdraag-zamen geest, gelijk door al zijn vrienden en ook door vele zijner tegenstanders erkend is; een gloeienden afkeer van alle onverdraagzaamheid en was alleen onverdraagzaam tegenover de onverdraagzamen. Als hij in zijn lezingen over de joodsche kerk het beeld van den ouden Samuel schetst — of het met de werkelijkheid in overeenstemming is of niet, doet hier niets ter zake —, dan denken wij onwillekeurig aan den Deken van Westminster. „Als middelaar op te treden tusschen het oude en het nieuwe; te onderscheiden tusschen het tijdelijke en het eeuwige — dit
iQS
beschouwde Samuel, evenals de school, waarvan hij de stichter is, als zijn roeping. In alle eeuwen staan zij, die de moeilijke taak van een Samuel op zich namen, aan misverstand bloot. Van twee kanten worden zij aangevallen: men beschouwt ze als dezulken, die niet ver genoeg of die al te ver gaan. Maar waar zij ook optreden, hoe zij ook miskend of aangevallen worden, gelijk hun groote voorganger onder Israël, zijn zij de leeraars, die de wonden van hun tijd verbinden; de goede geneesmeesters, die de verspreide beenderen bijeenbrengen en de harten der kinderen tot de vaderen of die der vaderen tot de kinderen terugvoeren en als predikers der verzoening optreden. Van de partijgangers hebben zij weinig lof en belooning te wachten. Maar, gelijk Samuel, wacht hen een hooger loon in de glorie van een nieuwen tijd, die na hun dood vreedzaam en gelukkig zal worden aangekondigd 22).quot;
Zoo iemand, dan bezat Stanley de gave der waardeering 23). Was het altijd zijn streven, om punten van overeenstemming tusschen de verschillende partijen op te merken, hij vond die dan ook, waar de meesten daarvan niets hadden bespeurd. Zoo prijst hij de vrijzinnigheid der kerk van Rome in haar strijd tegen de Utraquisten in Boheme. Al bepleitten deze in hun eisch, om bij het Avondmaal den kelk aan de leeken toe ta reiken, het recht van den leek
io6
tegenover de geestelijkheid, Rome heeft volgens hem zijn vrijzinnige opvatting van de sacramenten getoond door geen gehoor te geven aan den eisch, om aan een oud gebruik getrouw te blijven 24).
Werd iemand, van welke richting ook, vriend of tegenstander, om zijn overtuigingen vervolgd, dan aarzelde Stanley nooit, om als zijn pleitbezorger op te treden. Hoezeer hij op populariteit gesteld was, dit belette hem niet, partij te kiezen voor hen, wier vrijheid men aan banden wilde leggen.
Ik mag niet veronderstellen, dat alle lezers zich den strijd herinneren, die in 1862 gevoerd werd tegen de „Essays and Reviews 25)quot;. Zij zijn in vrijzinnigen geest geschreven. Een der schrijvers eischt de opheffing der Onderteekeningsformule, waarbij de leeraars der engelsche kerk hun instemming beloven o. a. met de 39 Artikelen, die in 1562 werden vastgesteld. Waarom — vraagt hij — moet juist de geestelijke en niet de leek daartoe verplicht worden? Is het waarschijnlijk, dat iemands overtuiging altijd dezelfde blijft? Worden niet vele jonge menschen door zulk een band teruggehouden, om in die kerk als leeraars op te treden? Twee schrijvers der Reviews werden om hun ketterijen aangeklaagd en door de kerkelijke rechtbank (Court of Arches) veroordeeld, maar door den Bijzonderen Raad der koningin (Privy Council) vrijgesproken.
io7
Ruim twee jaar later kwamen de „Essays and Reviewsquot; op de Synode van Canterbury (The House of Convocation) weder ter sprake. Door de leden van het Hoogerhuis werd met groote meerderheid het voorstel aangenomen, om ditketterschegeschrift op den Index te plaatsen. In het Lagerhuis traden verschillende stemmen tegen het vonnis op, waaronder vooral Stanley, al kon hij aan de meeningen der Essayisten niet volkomen zijn instemming geven.
Maar bovenal in het proces tegen coi-enso heeft hij zich mannelijk gedragen. Ieder kent den waar-digen bisschop van Natal, die het N. T. in de Zulu-taal vertolkte en met zooveel ijver onder de Kaffers gearbeid heeft. Zijn werk over den Pentateuch veroorzaakte in Engeland groote opschudding. De mozaïsche oorsprong en de historische geloofwaardigheid van vele verhalen werden ontkend. Het boek getuigde in veler oog van gebrek aan eerbied voor Jezus, daar hem door den schrijver de kenrfis omtrent het ontstaan van den Pentateuch ontzegd was. Door den Metropolitaan van de Kaapstad werd colenso in December 1863 als bisschop van Natal afgezet, tenzij hij zijn dwalingen herriep. Maar deze erkende de rechtsbevoegdheid van den Metropolitaan niet en beriep zich op den Privy Council der koningin, die in Maart 1865 het vonnis voor nietig verklaarde.
io8
Hoewel Stanley zich alles behalve met de resultaten van den geleerden bisschop van Natal kon vereenigen, trad hij in de Synode als zijn verdediger op. „De bisschop van Natal — zoo sprak hij ongeveer — heeft ons door de getuigenis, die hij voor de gansche wereld aflegde, dat de macht der vrije gedachte en van het vrije woord, zelfs in de hoogste rangen onzer hiërarchie, ons niet ontnomen is, meer geschonken dan hij ons ooit ontnemen kan. Dit is meer waard dan honderd vergissingen, die hij omtrent den schrijver van den Pentateuch mag begaan hebben. Verdient Colenso veroordeeld te worden, dan ook honderden met hem. Past hetzelfde vonnis op mij toe; oordeelt rechtvaardig, vonnist ook zijn vrienden en zijn tegenstanders, hetzij hier tegenwoordig of afwezig.quot;
Nog verdient vermelding de welsprekende en moedige taal, door Stanley gevoerd voor de „Society for the propagation of the Gospelquot;, die Colenso naar Natal gezonden had* ,, Zulk een bode van het evangelie zal lang in herinnering biijven, nadat gij allen reeds gestorven en begraven zijt. Van hem zal men blijven spreken als van dien bisschop in Zuid-Afrika, die de Schrift overzette in de taal dier stammen, tot wie hij gezonden was; die door zijn langdurig onderzoek, hoeveel gij daarin ook moogt afkeuren, een werk van blijvende waarde heeft achtergelaten; die — gij
moogt er misschien om lachen — de eenige bisschop was, welke zijn studiën te midden van allerlei aanvallen voortzette, zonder ooit een hard woord tegen zijn tegenstanders te spreken; die door de inboorlingen, welke zich onder zijn bescherming plaatsten, geëerd werd. Er was ée'n bisschop, die zijn belangen voor die van anderen opgfferde en met mannelijke edelmoedigheid, waarvoor deze maatschappij geen enkel woord van sympathie uitte, naar Engeland overkwam, om de zaak der arme wilden te bepleiten en daarna onmiddellijk naar zijn diocese terug te keeren. Vergeet niet, dat dit buiten deze muren in de groote wereld, waarin de naam van Natal genoemd wordt, bewondering opwekt en dat de nakomelingschap zal getuigen: onder de verkondigers van het evangelie in de I9de eeuw komt aan den bisschop van Natal een voorname plaats toe.quot;
Wij herinneren aan de houding, door Stanley aangenomen tegenover de beweging, die in 1833 van Oxford uitging. Al was zij oorspronkelijk een politieke reactie tegenover den invloed der liberalen, die bij de aanneming der Reform-Bill in het vorige jaar de overwinning behaald hadden, spoedig vertoonde zij haar eigenaardig kerkelijk karakter. Aan haar hoofd stonden de welsprekende Newman, Pusey en later wllberforce, bisschop van Oxford. Newman's leuze was: of kerk öf niets. Hij erkende, dat Hume's be-
toog tegen de wonderen uit een logisch oogpunt krachtig was. Maar de Christen had volgens hem niet met de rede, maar met het geloof te doen 26). Tot de kenmerkende leerstukken, waaruit sympathie voor Rome bleek, behoorden de onafgebroken opeenvolging der bisschoppen als dragers van de zuivere overlevering, het priesterlijk karakeer der geestelijkheid, de buitengewone waarde der sacramenten. Met gloeienden haat waren de Tractariërs — zoo werden zij genoemd naar de „Tracts for the Timesquot;, waarin zij hun beginselen blootlegden — tegen de dissenters en vooral tegen de liberalen in de engelsche kerk vervuld, die het vrije onderzoek van den Bijbel predikten, dat tot niets anders dan tot ongeloof kon leiden; tegen het Erasti-nisme, volgens hetwelk de kerk afhankelijk was van den staat, terwijl de kerk, als de bruid van Christus, nimmer een verbond kan sluiten met den staat, zonder de beschuldiging van overspel op zich te laden. Van lieverlede bleek hun voorliefde voor den ritus der roomsche kerk — vandaar de naam Ritualisten — en voor de kleederen, door haar priesters gedragen.
Niemand vervulde deze beweging met grooter antipathie dan Stanley. Toch trad hij voor haar aanhangers op, toen men hun het zwijgen opleggen of uit de kerk van Engeland bannen wilde. Reeds als jong man duidde hij het den aartsbisschop van Canterbury euvel, dat deze zijn instemming betuigd had
III
met het protest tegen het XCs,e der Tracts, waarin de poorten der engelsche kerk voor de leerstellingen van Rome worden opengesteld 27). Ook later predikte hij verdraagzaamheid tegen de dwaasheden derRitu-alisten: „Laat ons vast overtuigd zijn, dat de dwaling het best door de waarheid uitgeroeid wordt en de duisternis voor het licht zal wijken. Is er in de kerk een gezonde atmosfeer, dan zal het eeuwige, het redelijke en het verhevene de overwinning behalen 28).quot;
Tot ergernis van velen traden meermalen in Westminster Abbey predikers der schotsche kerk en engelsche dissenters op. Maar groot was vooral de verontwaardiging, toen de Deken aan een leek, den beroemden Max MilLLER, zijn kansel afstond, om daar op den avond van den 3'len December 1873 een rede te houden over de zending. In een artikel in de „Timesquot; bedreigde een rechtsgeleerde den oxfordschen hoogleeraar met gevangenisstraf. stanley verdedigde zijn handelwijs op de volgende gronden; „Wij hebben in den laatsten tijd dikwijls hulp van leeken ontvangen. Zij kunnen een nieuw licht op zulke onderwerpen doen vallen, waarover men ons, geestelijken, misschien liever niet wil hooren. Reeds zijn zij in sommige nederige dorpskerken opgetreden en hebben over de zending het woord gevoerd. Ook in groote abdijen en kathedralen spraken zij over christelijke kunst en geschiedenis.
112
Zoo zullen wij dezen avond het voorrecht hebben een geleerde te hooren, die in de gansche wereld bekend is, wiens kennis van oudere en nieuwere godsdiensten in hun betrekking tot de christelijke zending waarschijnlijk die van eiken Europeaan overtreit 29).quot;
Ieder kent de drie partijen in de engelsche kerk: de hoogkerkelijke (High Church party), de laagker-kelijke (Low Church party), de breedkerkelijke (Broad Church party). De eerste stelt de zaligheid van een mensch afhankelijk van de gemeenschap met de apostolische kerk en de deelneming aan haar sacramenten, terwijl de tweede bovenal op de noodzakelijkheid der bekeering uit den heiligen geest aandringt. Van de laatste partij, waartoe de vrijzinnigen be-hooren, werd Stanley als de groote leidsman beschouwd 30). Zij onderscheiden zich door groote verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden, hechten weinig waarde aan leerstellingen, die in hun oog altijd gebrekkig zijn en leggen den nadruk op het zedelijk element in den godsdienst. Zij houden zich liefst zoo weinig mogelijk met theologie bezig. Van onbevooroordeelde zijde werd de volgende karakteristiek van hen gegeven: „Groot is de invloed der breedkerkelijke richting. Partijbelangen moeten voor het gemeenschappelijk doel van alle liberale theologen
ii3
wijken: de verzoening van geloof en wetenschap. Maar het is de vraag of een niet-theologische houding duurzame resultaten kan opleveren. De theologie der Broad Church party is tegenwoordig zuiver negatief. Zij heeft met de orthodoxie gebroken, maar bezit zelve geen bepaalde overtuigingen over kritiek, over de beteekenis van de paulinische opvatting van het christelijk geloof, over de opstanding, de wonderen, over vergelijkende godsdienstgeschiedenis, inspiratie, het gezag der kerk. Haar aanhangers spreken liefst niet over moeilijke onderwerpen. Hun werk, gelijk de Deken van Westminster het kort heeft uitgedrukt, bestaat hierin, dat zij iets goeds doen voor hun gemeentenaren 31).quot;
Ongelooflijk groot was Stanley's liefde voor de kerk van Engeland. Haar nationaal karakter moest bewaard blijven; haar poorten wilde hij voor allen openstellen, die de wet van Christus erkennen en vervullen, onverschillig tot welke partij zij be-hooren. Zelfs de Ritualisten met al hun roomsche sympathieën mochten niet buitengesloten worden. „Wie haar dient en daardoor haar levenskracht verhoogt , kan veel verdragen, wat anders onverdraaglijk zou zijn.quot; De Deken keurde de afscheiding van de engelsche kerk hoogelijk af en kon de gewetensbezwaren niet waardeeren van hen, die zich bij de dissenters voegden. „ Zoolang Westminster Abbey
114
staat, staat ook de kerk van Engeland. Zoolang haar steenen nog niet aan den eersten den besten kooper verkocht zijn; zoolang zij het heiligdom blijft, niet van eenige sekte, maar van het engelsche volk, zal er geen scheiding ontstaan tusschen den engelschen staat en de engelsche kerk.quot;
De leer van de onafhankelijkheid der kerk van den staat, zoo welsprekend door zijn leermeester verdedigd, was ook die van Stanley. Hij noemde zich „an Erastian of the Erastiansquot; 32). Om deze theorie van de suprematie van den staat over de kerk, die door alle leden der breedkerkelijke partij gehuldigd wordt, te kunnen waardeeren, moet men met de engelsche toestanden bekend zijn. Voor de liberalen zou in de kerk van Engeland geen plaats zijn, wanneer alleen kerkelijke rechtbanken te beslissen hadden over de ketterijen, waarvan zij beschuldigd worden. Uit de processen tegen de Essayisten en tegen colenso bleek duidelijk genoeg, hoe deze alleen aan de beslissing van den Privy Council hun vrijspraak te danken hadden.
Niet alleen voor zijn tegenstanders, maar ook voor velen onder zijn vrienden was het een raadsel, hoe Stanley zijn positie in de kerk van Engeland kon blijven handhaven. Naar hun oordeel, onzes inziens volkomen terecht, hoorde hij daar niet thuis. Van de geestelijken in die kerk wordt instemming gevraagd
US
met de 39 Artikelen en met het Book of Common Prayer. Zij belijden hun geloof aan de leer der Vereenigde kerk van Engeland en Ierland, in die boeken vervat, als in overeenstemming met Gods woord. Zij beleven bij het gebed in de kerk en bij de bediening der heilige sacramenten zich te zullen bedienen van de woorden, in het Book of Common Prayer gebruikt. Zoo luidt de ietwat gewijzigde verklaring, bij een besluit van het Parlement van 28 Juni 1865 ingevoerd. STANLEY wees er op, dat hier niet van leerstellingen maar van de leer in 't algemeen sprake was; dat dus niet langer instemming gevraagd werd met de bijzondere meeningen, in de formulieren der kerk verkondigd. Hij begreep niet, dat voor velen dit groote verschil verborgen bleef; dat naar hun oordeel iemand, die de leer der kerk van Engeland verklaart te gelooven, ook met de verschillende leerstellingen zijn instemming betuigt.
Wij slaan het laatste werk van STANLEY op en vernemen, dat de kinderdoop een erkenning is van het goede, dat in elke menschelijke ziel woont. Zij is een blijvend getuigenis voor de waarheid, de waarde, de eeuwige beteekenis van den zoogenoemden natuurlijken godsdienst. Door den doop worden de kinderen verheerlijkt en wordt hun de plaats aangewezen, die zij in de christelijke kerk innemen. De doop herinnert o;ns, hoeveel wij van kinderen kunnen leeren en ge-
116
nieten. Hij is het antwoord op die kinderpoëzie, welke in onze dagen vooral door Wordsworth en Keble een gewijde beteekenis heeft gekregen.
Aan het slot zijner onderzoekingen over het Avondmaal erkent de schrijver de mogelijkheid, dat het materialisme der kerkelijken, de hand reikende aan het materialisme der wijsgeerige school, het geestelijke element der Avondmaalsinstelling zal ondermijnen. Dan zou in den naam van den godsdienst een verandering in de uitwendige vormen van het sacrament moeten geëischt worden. Van hen, die geen behoefte meer meenen te hebben aan het Avondmaal, wordt gezegd, dat hun meening „misschien te stoutquot; is 33).
Hoe men over deze opvattingen moge oordeelen, te ontkennen valt het niet, dat zij volkomen in strijd zijn met de formulieren der kerk, waarin Stanley zich zoo goed op zijn plaats gevoelde. Daarin wordt geleerd, dat de kinderen van nature kinderen des toorns zijn en eerst door den doop kinderen der genade worden; zij laten geen plaats voor een wijziging in de vormen, waaronder het Avondmaal bediend wordt. Wij kunnen gemakkelijk begrijpen, dat naar het oordeel van velen zijner tegenstanders des Dekens positie in de kerk van Engeland onhoudbaar was. „Zijn theorie over de kerk — wij nemen deze woorden van een zijner vrienden over —, voor hem zeiven misschien onschadelijk, zou tot verdediging van onop-
quot;7
rechtheid kunnen dienen en zeker niemand tot een held, een martelaar of een hervormer maken. Wei zou zij een Ignatius Loyola, maar geen Maarten Luther kunnen vormen. Gelukkig was zijn kerkelijke theorie slechts een klein deel van hem 34).quot;
„Decanus Westminsterianus sum; nihil Westmin-steriani a me alienum puto 35).quot; Stanley was de ziel der abdij, voor hem een der middelpunten van het geestelijk leven van Engeland. Het was hem een genot, om in die kerk menschen van allerlei rang en stand rond te leiden en te verhalen van de groote dooden, die daar hun laatste rustplaats gevonden hadden. Een teedere liefde als die van den Jood voor zijn heiligen tempel bezielde hem voor Westminster's abdij, welke hij tot „een nationaal heiligdom, een pantheon voor alle groote mannen van Engeland, een schuilplaats voor het gebed, voor de verheffing der ziel, een vereenigingsplaats voor alle werken der liefdequot; wilde maken.
Onder de groote mannen in Engeland werd aan den Deken van Westminster een voorname plaats toegekend. Men beschouwde zijn dood als een nationaal verlies. Bij zijn begrafenis waren nagenoeg alle rangen en standen, alle staatkundige en kerkelijke partijen vertegenwoordigd. „Het hof en het volk, de kerk en de wereld, liberalen en conservatieven, ultramon-tanen en vrijdenkers, geleerden en piëtisten stonden
t
118
naast elkander. Behoudende, vrijzinnige en radicale staatslieden, Catholieken en Anglicanen, Methodisten en Unitariërs, Dissenters en Kwakers, Presbyterianen en vrijdenkers vereenigden zich, om hem hun hulde te brengen 36).quot; Uit naam van eenige Protestanten in Frankrijk was een krans gezonden met het opschrift: „Au vaillant apótre de l'unité de l'esprit par le lien de la paix.quot; In tal van dagbladen en tijdschriften werd zijn dood een onherstelbaar verlies voor Engeland genoemd 37).quot;
Waardoor heeft STANLEY zooveler sympathie verworven? Zijn theorieën over kerk en staat waren voor velen een steen des aanstoots. In het oog van sommigen was hij veel te radicaal, volgens anderen een behouds-man. Het was niet in de eerste plaats de geleerde, niet de onvermoeide schrijver, wiens talrijke werken bij duizendtallen verkocht werden, niet de welsprekende prediker, maar 't was bovenal de mensch, dien zij liefhadden. Geen onbevooroordeelde twijfelde aan zijn waarheidsliefde, aan zijn oprechtheid en eerlijkheid. Stanley's verdraagzaamheid, zijn hart, waarin plaats was voor veel liefde, trok zelfs tegenstanders aan. Omdat zijn leven aan den dienst van anderen was gewijd, kon men hem kleine gebreken gemakkelijk vergeven.
De Joden in Engeland noemden Stanley, die altijd, wanneer zij onder den last van vooroordeel of onver-
ii9
draagzaamheid gebogen gingen, hen verdedigde, hun vriend.
Een treffende hulde werd hem gebracht door Père Hvacinthe, waaraan wij enkele regels ontleenen 38); „Ik ontmoette hern voor het eerst in mijn kloostercel. Toen ik in het jaar van het Vaticaansche Concilie met vele mijner vrienden gebroken had, vond ik steun in de warme vriendschap van den Deken van Westminster, soms zelfs een schuilplaats in zijn hart. Bij mijn huwelijk in 1872, driejaar nadat ik het klooster had vaarwelgezegd, stonden Stanley en zijn vrouw. Lady Augusta, de vriendin van koningin Victoria, ons ter zijde. Eenige maanden later, toen ik te Genève tegen het radicalisme van sommige liberale Catholieken en het fanatisme der Ultramontanen te strijden had, schreef hij mij; „Niets verhindert ons aan te nemen, dat de geest van Erasmus, Fleury of Richard Simon, ja zelfs van Pascal, Bossuet en Fénelon in de catholieke kerk zal triumfeeren over hetUltra-montanisme van onzen tijd. De kracht der Oud-Catholieken bestaat hierin, dat zij den godsdienst van verlichte mannen openlijk belijden. Zulke blijken van achting en sympathie hebben een nauwe vriendschap tusschen den Deken van Westminster en mij doen ontstaan. Ik voelde mij aangetrokken door zulk een rein, edelmoedig, christelijk hart. In April bezocht hij voor het laatst mijn huis en mijn kerk. Ik dacht
i 20
niet, dat ik voor de laatste maal zijn hand zou drukken. Hij heeft altijd de waarheid belangeloos liefgehad met wantrouwen in zichzelf, maar met een heilige hartstocht voor de waarheid. Vond hij haar niet altijd, hij heeft haar althans ijverig en getrouw gezocht. Zegt dat niet veel van iemand, die nog aan deze zijde van het graf is? Eens hoop ik met de woorden van den psalmdichter in het hart; Wie zal den berg des Heeren beklimmen? het graf te bezoeken, dat nog zoo kort geleden gesloten werd boven haar, die hij tot het middelpunt van al zijn aardsche liefde gemaakt had en gister geopend werd, om hem te ontvangen. Hun asch zal rusten in de oude en stille abdij en hun geest opklimmen tot een helderder en zekerder openbaring van dien Zoon des menschen, dien zij op aarde hebben liefgehad en gediend, maar wiens kennis hier altijd ten deele blijft.quot;
De bekende Matthew Arnold, de zoon van hem, aan wiens nagedachtenis stanley het schoonste zijner werken wijdde, bracht den meest geliefden leerling zijns vaders een treffende hulde 39) in zijn gedicht: Westminster Abbey: July 25, 1881 ;
Wee mij, doof zijn die ooren,
Die zich verheugden mijne stem te hoeren.
Toch riep ik u niet uit de rust, die 'tgraf, In vriendelijke schaduw van uw abdij u gaf.
Nu al de baren rusten van uw levenszee.
121
Ik wilde uw lot niet keeren, noch uw Vree verstoren. Als mijn vader, hebt ook gij — Ja, als die welbeminde en nooit vergeten vrind — Ook gij uw last volbracht. Zoo laat dan vrij De gist haar werk doen, tot ze 't kwaad verwint.
En gij, eerwaarde abdij, gij grijs gesticht.
Verkozen om in 't reine licht
Te stralen, dat dit dier gemoed
Op uwen omtrek dalen doet.
Vrees niet, al scheen uw licht nu nimmermeer;
Eens keert uw eeuwenoude luister weer.
Al moest dat zonnig hoofd in 'tgraf verdwijnen.
Laat maar het licht verschijnen
En uw verheerlijkte en gewijde muur
Eens worden aangeraakt met heilig vuur,
Onze Arthur zal herleven in dien stond,
Zijn naam van nieuws af gaan van mond tot mond.
A A N T E E K E N I N G E N.
1) Sparsa, 1882, p. 403.
2) Wij hebben deze bijzonderheden ontleend aan het aantrekkelijk boekje: Memoirs of Edward and Catharine Stanley, edited by their son A. P. Stanley.
3) Bunsen, een zijner intiemste vrienden, wijdde aan zijn nagedachtenis de volgende regels:
Verstummt ist nun am Grabe des Zorns und HaSses Wuth, Ein Leuchtthurm ragst du strahlend aus nadit'ger
Sturmesflut,
Es sprosset heil'ger Samen in mancher junger Brust, Ein Volk voll edlen Stolzes blickt auf zu dir mit Lust.
Du selbst bist weggerückt aus der Vervvirrung Noth, Das schwerste Seelenleiden hat dir erspart der Tod: Es liegt vor dir enthüllet das Rathsel dieser Welt, Schaust nun, was du geglaubest, von Gottes Licht erhellt.
Wir aber wollen kampfen, wie du es vorgethan, In Hoffnung und in Liebe, mit Glauben angethan. Die Ewigkeit vor Augen, Wahrhaftigkeit im Sinn, Und geben ftlr die Wahrheit das Leben willig hin.
(Vgl. Chr. Carl. Josias von Bunsen, geschildert von seiner Wittwe, 1868. II, p. 223).
4) The Life and Correspondence of Thomas Arnold, 1844. Reeds een iode editie is van dit werk verschenen.
123
Macaulay getuigt er van: „Het bezit de eigenaardige bekoorlijkheid, welke het verhaal van den discipel, dien Jezus liefhad, kenmerkt.quot;
5) Voorrede van zijn Sermons and Essays on the Apostolical Age, waarvan de eerste uitgave in 1846 verscheen.
6) Kort na zijn vertrek, den 5den Maart 1862, was zijn moeder overleden.
7) Zijn moeder en echtgenoot waren beiden op een Aschwoensdag gestorven. Zijn gedicht na den dood der laatste vangt met de volgende regels alt;tn:
O Day of Ashes, twice for me Thy mournful title hast thou earned,
For twice my life of life by thee Has been to dust and ashes turned.
No need, dark day, that thou shouldst borrow The trappings of a formal sorrow;
In thee are cherishd fresh and deep Long memories that cannot sleep.
8) Verg. Phillips Brooks in Atlantic Monthly, Oet. 1881.
9) In 1879 stierf ook zijn zuster Marv. Zij was in 1856 tot de kerk van Rome overgegaan. Te Norwich en te Londen wijdde zij zich vooral aan philanthropischen arbeid. Met Florence Nightingale stond zij aan het hoofd van hospitalen voor de gewonden in den Krim-oorlog. Om haar milden geest en haar zorg voor armen en weduwen werd zij „de barmhartige Samaritaanquot; genoemd.
10) Vgl. The Illustrated London News, 30 Juli 1881.
11) Ernest Fontanès schreef aan het slot van een artikel over Stanley: „S'il fallait choisir une épitaphe qui put être gravée sur la tombe du Dean pour rappeler sa physionomie douce et pensive et pour caractériser son oeuvre théologique, je proposerais cette parole du célèbre non-conformiste, le pieux Baxter: „J'aimerais mieux
124
être martyr pour la charité que pour tout autre article du Credoquot;quot; (Za Renaissance, 19 Aoflt 1881).
12) 7he Life and Correspondence of Th. Arnold, I, p. 167 vv.
13) Christian Institutions, p. 303 vv.
14) Waarom weiidchte hij aan den franschen prins een rustplaats te geven in de abdij van Westminster? Niet om diens grootheid, ook niet omdat hij zulk eene voorliefde had voor de Bonaparte's, maar „omdat de dood van den laatste der Bonapartes zulk een schilderachtige gebeurtenis is, waardig beschreven te worden op de steenen tafelen der geschiedenis.quot;
15) Fontanes (t. a. p.) getuigt van deze portretten: „ Si l'on détachait de leur cadre religieux ces esquises faites d'un pinceau léger et plein de coüleurs, on aurait une galerie trés variée de portraits vivants et que n'aurait pas désavoués le crayon plus savant peut-être, mais moins vif de Sainte Beuve.quot;
16) Lectures on the history of the chicrch of Scotlandgt; delivered in Edinburg in r872, waarvan een beoordeeling door Dr. Rauwenhoff werd gegeven in Theol. Tijdschr., l872, p. 577 v.v.
17) O. a. door de Edinb. Review (Oct. 1881) in een be-oordeeling van zijn Chr. Institutions.
18) Vgl. Preface, p. XIX, XX, XVIII en p. 414 v.v.
19) Vgl. Chr. Institutions, p. 268 v.v.
20) t. a. p. 35, 66.
21) In „The Timesquot; van 20 Juli t88i.
22) Vgl. Ike Liquirer van 23 Juli 1881.
23) Met ingenomenheid verhaalt hij een gesprek tus-sch FREDERicK Robertson , den beroemden prediker in de engelsche kerk te Brighton en den dissenter Crabbe Robinson. Volgens den eerste was er geen orthodox leerstuk, hoe waar ook, dat in zijn uitwendigen vorm niet
125
■een verfoeilijke leugen bevatte. Het antwoord van den dissenter luidde; „ Er is geen orthodox leerstuk, hoe valsch ook, waarin niet een kern van kostbare waarheid ligt opgesloten.quot; Het geheim der voortreffelijkheid van Frederik Robertson's prediking bestond volgens Stanley hierin, dat hij de verschillende zijden der waarheid wist te waardeeren (Vgl. zijn Essay over Fr. W. Robertson, na zijn dood verschenen in J he Century, Febr. 1882).
24) Chr. Jnsiiiu/ions, p. 95.
25) Vgl. daarover Dr Kuenen: De kerkelijke beweging; in Engeland, in De Gids, 1865, v.v., p. 1S5 v.v.
26) Gelijk bekend is, ging Newman in 1845 tot de kerk van Rome over.
27) Vgl. Some hints for a life of Dean Stanley by the Archbishop of Canterbury in Good Words, Jan. 1882.
28) Chr. Institutions, p. 175: „De strijd over het ceremonieel heeft reeds te lang de aandacht van het publiek beziggehouden. Laat de Ritualisten naar hun welgevallen de pauwenveeren of scharlaken schoenen van den paus gebruiken, die hij van de koningen van Perzie en van de romeinsche keizers overnam. Laat hen in hun eigen gebouwen vrij in het gebruik van kleuren en plechtigheden, als zij hun dwaasheden maar niet aan onwillige hoorders of toeschouwers opleggenquot; (t. a. p., p. 174).
29) Vgl. Max Müller in Chips from a german Workshop, IV, p. 251.
30) Volgens den aartsbisschop van Canterbury ten onrechte en wel om Stanley's gebrek aan sympathie voor bepaalde leerstellingen, die ook de Broad Churchman huldigt. Vgl. Good Words, t. a. p.
31) Modern Review, 1881, p. 848.
32) In zijn Essays on Questions of Church and State werd deze leer het krachtigst verdedigd.
33) Christ.Institutions, p. 24 v.v., p. 128 v.v. Dit werk
126
werd vooral met het doel geschreven, om de leden der High Church Party te bewijzen, dat hun theorieën over de sacramenten, de bisschoppen enz. in de oudste christelijke kerk onbekend waren. Op deze twee stellingen wordt de nadruk gelegd: wat in de eerste eeuwen der kerk bestond, kan niet onvereenigbaar worden geacht met haar wezen in later tijd; hetgeen in den oudstea tijd niet bestond, kan nooit als een onmisbaar element van de kerk beschouwd worden, hetzij in vroeger hetzij in later tijd.
34) Ihe Inquirer van 20 Aug. 1881.
35) „Ik ben Deken van Westminster; wat tot Westminster in betrekking staat, gaat mij ter harte.quot;
36) The Inquirer van 30 Juli 1881.
37) Slechts een enkel ritualistisch blad ,, The Church Timesquot; liet een wanklank hooren.
Zeer juist werd hij door Punch (23 Juli 1881) in de volgende regels geteekend:
With clear, calm eye he fronted Faith, and she.
Despite the clamorous crowd,
Smiled, knowing her soul-loyal votary
At no slave's altar bowed.
With former glance beyond polemic scope
He scanned the sweep of Time,
And everywhere changed looks with blue-eyed Hope
Victress o'er doubt and crime.
But inward turning, he of gentle heart,
And spirid mild as free.
Most gladly welcomed, as life's better part,
The rule of charity.
38) Le Temps, 26 Juli 1881.
39) The Nine/. Century, Januari 1882.
BALPH WALDO EMERSON.
Emerson is nog altijd voor een groot deel van ons beschaafd publiek een vreemdeling, al werd meermalen, ook in ons vaderland, de aandacht op hem gevestigd i).
Zijn voorouders woonden in Northumberland. Thomas Emerson behoorde tot de eerste kolonisten, die zich in de 17de eeuw bij Massachusetts Bay neerzetten. Ralph Waldo werd den 25sten Mei 1803 te Boston, waar zijn vader predikant was, geboren. Zelf bleef hij slechts enkele jaren bij een Unitarische gemeente in zijn geboortestad werkzaam. Reeds in het najaar van 1832 nam hij afscheid van den kansel, hoewel hij dien later nog meermalen beklom. De reden van zijn heengaan was, dat zijn opvatting van het Avondmaal verschilde van die zijner gemeente 2).
In het begin van het volgend jaar ging Emerson tot herstel zijner gezondheid naar Europa, bezocht Sicilië, Italië, Frankrijk en Engeland. In het Moederland trokken hem vooral Wordsworth en Carlyle aan, wier werken hij genoten had. „Zou ik, die de boeken dezer mannen op mijn kamer bestudeerde,
130
hun woning voorbijgaan, nu ik in hun nabijheid ben?quot; Over zijn bezoek bij carlyle op het eenzaam landgoed Craigenputtock schreef Hmerson vele jaren later aldus: „Hij is een zeer eenvoudig man, met wien ik terstond op mijn gemak was. Zijn oordeel over beroemde persoonlijkheden verschilt zeer van dat der groote menigte. walter scott, gibbon, Baco waren geen helden in zijn oog, ja, wat nog vreemder is, zelfs Socrates is geen voorwerp zijner bewondering. Ik hoop, dat hij zijn heideveld niet verlaten zal. Voor een geleerde is de eenzaamheid veel beter dan het leven in een stad 3).quot; De vriendschap, die hier gesloten werd, bleef bijna een halve eeuw ongestoord. Daarvan getuigt ook de vóór eenige jaren uitgegeven correspondentie tusschen hen.
In den herfst van 1833 kwam Emerson in Boston terug en vestigde zich het volgend jaar te Concord, waar hij tot zijn dood bleef. Als spreker in verschillende vereenigingen trad hij op; in 1841 en 1844 verschenen twee deeltjes zijner Essays. carlyle schreef een voorrede ter aanbeveling der engelsche uitgave, waaraan wij de volgende regels ontleenen; „De naam van Emerson is in Engeland niet onbekend. Reizigers brengen ons tijdingen omtrent hem. Fragmenten uit zijn geschriften zijn aan enkelen hier te lande bekend. In tijdschriften lezen wij, dat in Nieuw-Engeland zekere beroemde persoonlijkheid woont, Emerson
131
genaamd.---Zijn geschriften en lezingen zijn niet
zonder waarde. Toch komt het mij voor, dat hij veel minder onze aandacht verdient om hetgeen hij gesproken en gedaan dan om hetgeen hij niet gezegd en gelaten heeft. Hij behoort tot de zeldzame figuren, die in zulk een onrustig land het onwaardeerbaar talent hebben, om stil te zitten. Dat een man met groote gaven, te midden van het geklank der dollars en het jagen om vooruit te komen, zijn leven niet in den dienst van den Mammon besteedt, geen eer of roem zoekt, maar rustig voort-werkt — dit verdient bovenal onze aandacht.quot;
Niet lang daarna kwamen tot Emerson uitnoodi-gingen uit Engeland, waar het aantal zijner vrienden en vereerders langzamerhand was toegenomen, om daar lezingen te houden. Hij kon er eerst moeilijk toe komen. Reizen was in zijn oog „ het paradijs der dwazenquot;. Ook verwachtte hij niet het succes, dat zijn vrienden hem voorspelden. Maar het uitzicht, om Engeland en Schotland beter te leeren kennen; de aantrekkelijkheid eener zeereis, die gunstig zou kunnen werken op zijn door ingespannen studie geschokte gezondheid, deden hem eindelijk besluiten, aan de aanzoeken gehoor te geven.
Den sden October ging Emerson te Boston aan boord en kwam den 22sten te Liverpool aan. In vele steden van Engeland, ook te Edinburg, hield hij lezingen over verschillende onderwepen voor een talrijk
t-
i
132
gehoor, uit de élite der maatschappelijke en letterkundige wereldquot; bestaande 4). Een zijner toehoorders beschrijft der. indruk, dien EMERSON maakte, aldus; „Hij stond rustig en kalm en onthield zich bijna geheel van gesticulatie. Geen redenaar is er misschien ooit in geslaagd, met zoo weinig inspanning zijn gehoor mee te sleepen. Steelsgewijze behaalde hij de overwinning, totdat hij een Titan werd.
To whom , as to the mountains and the stars,
The soul seems passive and submiss.quot;
De moed, het intieme leven in het huisgezin, de teedere omgang tusschen leden der beide seksen hadden Emerson's bewondering opgewekt. De engelsche held staat in zijn oog hooger dan de duitsche, de fransche en de italiaansche. In Engeland verwacht men, gelijk NELSON zeide, dat ieder zijn plicht zal doen. Er wordt daar driemaal meer gewerkt dan in andere landen.
Maar de Engelschman was volgens hem te veel gehecht aan oude gebruiken. Zijn nationaliteitsgevoel is bekrompen De hoogste lofspraak, die een vreemdeling verdienen kan, luidt; Men zou u bijna voor een Engelschman houden. De staatskerk was in Emerson's oog een pop, die elke kritiek angstvallig afwijst. Idealisme en phantasie zijn den Engelschman vreemd, ja zelfs in zijn verhevenste poëzie verloochent zich het utilkarianisme niet. De nuttige wetenschappen trekken hem allermeest aan.
133
Engeland wordt met een oud gebouw vergeleken, dat telkens gerepareerd moet worden. Het publiek leven was er vaak trouweloos, de buitenlandsche politiek zelden edelmoedig en rechtvaardig. Het pauperisme is nog altijd in Engeland een geduchte macht. Het is het land der patriotten, der wijzen, der zangers. Indien het eens door den Oceaan, waaruit het is voortgekomen, verzwolgen wordt, dan zal het in veler herinnering blijven voortleven als het eiland, dat onsterfelijke wetten gegeven en het recht der persoonlijkheid erkend heeft.
Emerson onderscheidt in Engeland twee volken of klassen, wier harmonie en disharmonie de macht van den staat uitmaken; de idealisten, wier aantal niet groot is en de klasse der practische lieden, die haar volgelingen bij millioenen telt. Natuurlijk is hij, de groote idealist, met mannen als coleridge, wordsworth, Carlyle hoogelijk ingenomen. Maar de practici kon hij niet uitstaan. Van eenzijdigheid is zeker zijn karakteristiek van Macaulay niet vrij te pleiten; „ Het goede is in het oog van den schitterenden historicus goed eten, goede kleeding, stoffelijk welzijn. Hij prijst de nieuwere wijsbegeerte, omdat zij er naar streeft, het nuttige te bevorderen, terwijl de ideeën in de moraal buiten rekening blijven. Het verstand moet ons leeren, om ziekenstoelen en soepen voor zwakken te maken. Zinnelijk genot is voor hem het
134
hoogste. In de verbetering der scheepvaart ziet hij het grootste voordeel der astronomie. Een heerlijk resultaat voorwaar, waartoe de beschaving en de godsdienst van Engeland na een geschiedenis van duizend jaren gekomen zijn: de loochening der zedelijkheid !quot;
Duitschland, het land der idealen, waar het enthu-siasme levendig wordt gehouden, staat in Emerson's oog ver boven Engeland, dat de wetenschap der natuur van die des geestes gescheiden heeft 5).
Aangename herinneringen had hij van zijn verblijf in het Moederland medegenomen. Overal was hij hartelijk ontvangen. Oude vrienden had hij nog eens bezocht, terwijl nieuwe vriendschapsbanden gesloten waren. Bancroft , later de grootste gesehiedschrijver van Amerika, die toen nog gezant te Londen was, had hem in de gelegenheid gesteld, om kennis te maken met mannen als Dickens, Thackeray, Tennyson, Disraeli, Forster, Robert Brown, Owen, Lyell en zoovele anderen. Met Miss Harriet Martineau bezocht hij Wordsworth, den dichter der Ode op de onsterfelijkheid, welke volgens Emer-son de hoogte aanwijst, waartoe de menschelijke geest in onzen tijd kan opklimmen.
Na zijn terugkeer in 1848 bleef Emerson nog jarenlang voortstudeeren. Als spreker trad hij in allerlei vergaderingen op, schreef artikels in tijd-
135
schriften, terwijl nieuwe deeltjes zijner Essays het het licht zagen 6). Maar sinds 1870 begonnen zijn krachten te verminderen. In de maand Juli 1872 brandde zijn woning af. Gelukkig hadden de buren gezorgd, dat boeken en manuscripten gered werden. Om van dien schok wat te bekomen, ging EMERSON, op raad zijner vrienden, met zijn oudste dochter Ellen, die hij in later jaren zijn „memoryquot; noemde, op reis. Na den winter in Egypte doorgebracht te hebben, bezocht hij in het voorjaar van 1873 Engeland voor de derde maal en werd overal met sympathie ontvangen. Maar hij voelde zich niet meer in staat, om voor het publiek op te treden. Evenals zijn vriend Carlyle, dien hij nog eens ontmoette, was hij oud geworden en verlangde naar Amerika terug.
Toen hij in Mei 1873 te Concord aankwam, luidden de klokken en trad hij, door een menigte vrienden begeleid, onder een triomfboog, zijn woning binnen, die in denzelfden stijl was opgebouwd. Ternauwernood zijn aandoeningen meester, kon hij slechts enkele woorden spreken: „Vrienden, ik weet, dat dit geen hulde is aan een oud man en zijn dochter, maar aan het gemeenschappelijk bloed van ons allen, aan de ééne familie te Concord 7).quot;
In 1875 hadden 500 studenten der hoogeschool te Glasgow hem als candidaat voor de betrekking van
136
Lord Rector gekozen, een eerbewijs, dat nimmer aan een vreemdeling was te beurt gevallen 8). Het volgend jaar ontving hij het lidmaatschap der Académie Francaisc.
Gedurende de vier laatste jaren zijns levens had zijn geheugen hem begeven. Als hij nog een enkele maal voor het publiek optrad, vergezelde hem zijn dochter Ellen.
Emerson ontsliep den 27sten April 1882. Bij zijn begrafenis was Concord in rouw. Een groot aantal vrienden en vereerders waren overgekomen. Aan de lijkrede van een der sprekers ontleenen wij de volgende treffende woorden: „Waar de engelsche taal gesproken wordt, is Emerson's roem gevestigd. Van de overzijde der zee en uit alle deelen van Amerika zullen stemmen van deelneming over dit groot verlies tot ons komen. Hij was een afstammeling van de stichters dezer plaats, waarin hij een groot deel van zijn leven doorbracht. In onze straten zagen de kinderen met liefde, de ouderen met eerbied tot hem op. Wij waren trotsch op hem. Dat hooge voorhoofd, de zetel van wijze gedachten en aspiraties; die lippen, zóó welsprekend; die verheven ziel, welke op God vertrouwde en op onsterfelijkheid hoopte; dat groote hart, hetwelk warm klopte voor al wat menschelijk is; die liefhebbende, teedere natuur, slechts met afkeer vervuld van wat laag en gemeen is — onze
137
vriend, broeder, vader, leermeester, de gids, die ons inspireerde, is heengegaan.quot;
Emerson had zijn vaderland lief en schreef in de eerste plaats voor zijn landgenooten. Amerika was volgens hem de zetel en het centrum van het brit-sche ras, terwijl Engeland oud begon te worden en tevreden zou moeten zijn, wanneer het zijn kinderen krachtig ontwikkeld zag.
In een lezing over ,, The young Americanquot;, in Februari 1844 te Boston gehouden, laat hij de fiere taal hooren; ,, Wij hebben te lang naar Europa geluisterd. Reeds begint men den geest van den vrijen Amerikaan voor schroomvallig en bedeesd te houden, geneigd om anderen na te volgen. Wij mogen niet voortgaan met van vreemden te profiteeren. Op eigen beenen moeten wij staan, met eigen handen arbeiden. onze eigen denkbeelden uitspreken.quot;
Hun, die vragen; Wie wil gaarne in een land wonen, dat haast geen verleden, geen geschiedenis heeft? antwoordt de redenaar: Zoudt gij u te huis gevoelen in een omgeving, waar privileges aan geboorte en rijkdom toegekend worden; waar de pers niet vrij, het pauperisme een ontzettende macht is; waar titularissen heerschappij voeren, die in prachtige koetsen rijden en veel wijn drinken, wier leven allerminst door zelfopoffering, volharding en ijverige studie uitmunt?
138
Toch maakte zijn ingenomenheid met Amerika hem alles behalve blind voor de groote gebreken van zijn geliefd vaderland. Als een profeet van den echten stempel laat hij zijn stem hoeren.
In de debatten der volksvertegenwoordigers, in de lycaea en de kerken, in de nieuwsbladen hoort hij niet de taal, die van een opgewekt nationaal gevoel getuigt. Hij klaagt over het gemis eener krachtige publieke opinie; „Wij scharen ons niet aan de zijde der echte liberalen, die de armen, de onderdrukten en de zwakken beschermen. Wij hebben te veel vertrouwen op het goud en te weinig op God.quot;
Altijd weder treedt Emerson op als bestrijder van het practisch materialisme, dat zich in alle vertakkingen van het amerikaansche leven openbaarde: „In onze maatschappij is er, behalve aan pachters, wevers en zeelieden, ook behoefte aan mannen, die de hemelsche vonk, welke in hun borst gloeit, op anderen weten over te brengen en ons de richting aanwijzen, welke wij moeten volgen. Zult gij u te midden van allerlei stemmen, die om nieuwe wegen of standbeelden, om verbeteringen in de kleeding of in de tandheelkunde, om de verdeeling van een staat roepen, niet het oor leenen aan enkelen, die voor ideeën en beginselen pleiten, welke men niet verkoopen of vernietigen kan ? quot;
EMERSON bekommerde zich niet om het oordeel zijner lezers of hoorders. Wat het publiek van hem
139
zeide, ging hem niet aan. Ook hierin vertoont hij het type van den echten Amerikaan.
Over EMERSON, den wijsgeerigen theoloog en moralist, kunnen wij hier niet uitvoerig spreken. Van stelselzucht en dogmatisme had hij een onbe-grensden afkeer. Terwijl de materialist van de zinnelijke wereld uitgaat en den mensch als een harer producten beschouwt, was het menschelijkbewustzijn het uitgangspunt van hem, die beslist partij koos voor het idealisme. De geest is volgens hem de eenige realiteit en hij acht het onmogelijk, dat een idealist zóó diep zou kunnen zinken, om een materialist te worden.
Uit zijn in 1836 verschenen boekje, getiteld ,
dat grooten opgang maakte 9), nemen wij een enkele bladzijde over: „Ik doorwaadde moerassen en baggerde door de sneeuw en voelde mij volmaakt gelukkig. Wie in de bosschen, die altijd jong blijven, zijn leven doorbrengt, kan een kind blijven. Daar heerscht zeker decorum. Het is er voortdurend feest. Alle egoïsme verdwijnt. Ik voel mij een deel van God. Te midden van velden en wouden is de mensch nooit alleen. Maar niet altijd is de natuur in feestdos gehuld. Daarom moet er harmonie bestaan tusschen de natuur en den mensch, zal een gevoel van voldoening in ons opgewekt worden.quot;
140
Als Emerson de natuur een symbool en een openbaring van geestelijke realiteiten noemt, herinnert hij aan Fichte's idealisme. Het „Ikquot; is ook voor hem de bron der menschelijke kennis. „Ik ben niet in staat — zoo schrijft hij — de onfeilbaarheid mijner zintuigen te bewijzen. Zijn de indrukken, die ik ontvang, met de voorwerpen in overeenstemming? Ik weet het niet. Maar wat doet het er toe of de Orion werkelijk in de diepten van het firmament bestaat of een beeld is, op het uitspansel mijner ziel geteekend? Het is mij om het even of de natuur een werkelijk bestaan heeft of een openbaring van den geest is. Zij blijft in mijn oog even eerbiedwaardig. Al zijn wij van de onveranderlijkheid der natuurwetten overtuigd, daaruit volgt nog niet het bestaan der natuur buiten ons. Lichtzinnigen maken zich vroolijk over hen, volgens wie de natuur geen werkelijk bestaan buiten ons heeft. Door de wetenschap voorgelicht, noemt onze geest schijn, hetgeen gewoonlijk werkelijkheid heet; werkelijkheid daarentegen, wat in veler oog een visioen is.quot;
Ook in latere geschriften, al liet hij zich wat minder beslist uit, was de zichtbare wereld volgens Emerson het symbool der onzichtbare. Aan het onstoffelijke kende hij de prioriteit toe boven het stoffelijke. God, de ziel van alles, buiten wien niets bestaat, die in ons woont, noemde hij het liefst „The Over-soulquot;. God bezoekt ons, gelijk het spreekwoord zegt, zonder
I4i
klokgelui. De natuur van den absoluten geest is goedheid en waarheid. Eerst dan verstaan wij zijn taal, wanneer wij aan onze beste gedachten gehoorzamen , ons aan den geest der profetie toevertrouwen, die elk mensch is ingeschapen. Wie zijn goddelijke tegenwoordigheid bespeurt, wordt met geestdrift vervuld. „Onvriendelijk, ja vreeselijk is de eenzaamheid der ziel zonder God. Hemel en aarde hebben dan hun schoonheid verloren. De zon schijnt niet meer aan den hemel en verlicht het hart niet, wanneer gij God wegneemt. De woorden: geest, aanbiddenswaardig hebben dan hun beteekenis verloren; elke gedachte is dan oppervlakkig, zonder deipte.quot;
Godsdienst is volgens Emerson aanbidding. God openbaart zich aan de nederigen en eenvoudigen, die zijn stem in hun eigen binnenste vernemen. De schoonste tijdperken der geschiedenis kenmerkten zich door een krachtig geloof. Er is geen reden zich ongerust te maken, wanneer de invloed van theologen als Calvijn, Wesley of van wien ook afneemt. Op de bouwvallen van kerken richt God zijn tempel in de harten der menschen op. Emerson betreurt het, dat velen onder zijn tijdgenooten zulk een groote waarde hechten aan chemie en mechanica, aan elec-trische batterijen en naaimachines, aan wijn en rijkdommen, terwijl de godsdienst in hun oog zonder beteekenis is. De krachtigste bewijzen van veler on-
142
godsdienstigheid ziet hij in hun verdraagzaamheidt tegenover den slavenhandel, in de verkeerde richting, die de opvoeding genomen heeft, in de geringe waarde, aan de hoogste goederen des geestes toegekend, in de lauwheid der beschaafden tegenover de zonde.
Het Christendom herinnert volgens Emerson aan een reine, heilige, nederige, belangelooze ziel, die de waarheid sprak, de menschen diende en opwaarts voerde. Jezus' leven is een nieuw tijdperk in de geschiedenis der menschheid, welke de weldaad van dien reinen dienaar der waarheid en der liefde niet ontberen kan- Maar een held, zoo aantrekkelijk voor millioenen harten, telde onder zijn volgelingen ook huichelaars, die zijn naam misbruikten, zijn geschiedenis vervalschten en zijn werk vernietigden.
Het beginsel der zedelijkheid is volgns emerson Self-Reliance, zelfvertrouwen, onafscheidelijk van vertrouwen op God 10). Terwijl de maatschappij, die op gewoonten en gebruiken gesteld is, in de eerste plaats conformiteit eischt, moet ieder trachten een non-conformist te worden. Velen leven in het openbaar volgens de publieke opinie, in de eenzaamheid naar eigen overtuiging. Een groote ziel zegt ronduit wat zij denkt, spreekt haar overtuigingen uit, al wijken deze nog zoo ver van die der groote menigte af. Het is waar, oude dames zullen u dan herinneren, dat de menschen u niet begrijpen. Maar werden
143
edelen en wijzen als socrates, jezus, Luther, Copernicus, Newton en zoovele anderen begrepen? En zou dat zoo treurig zijn?
Een der wetten in de zedelijke wereld noemde emerson die der compensatie. Reeds in zijn jeugd had hij daarover iets willen schrijven n). Later werd de begeerte weder bij hem opgewekt, toen hij een orthodox predikant over het laatste oordeel had hooren preeken, wiens vergeldingsleer hierop neerkwam ; goederen, prachtige kleeren, dat alles en zooveel meer nog is thans in handen der beginsel-loozen, terwijl de godsdienstigen arm en veracht zijn. De laatsten hebben dus aanspraak op geld, wildbraad, champagne, enz. Toen de vergadering schijnbaar wel voldaan naar huis ging, achtte Emerson zich geroepen, hetzelfde onderwerp te behandelen.
De dwaling van den spreker bestond volgens emerson in de concessie, dat de slechten gelukkig zijn en dat er op aarde geen gerechtigheid heerscht. Elk geheim komt aan het licht, iedere misdaad wordt gestraft, elk onrecht hersteld. In de spreekwoorden van verschillende volken wordt de wet der compensatie verkondigd: geef en u zal gegeven worden; wie niet werkt, zal niet eten; verwenschingen komen aliijd terug op het hoofd van hem, die ze uitspreekt. De fanaticus, die de poorten des hemels voor anderen wil sluiten, vergeet, dat voor hem de toegang gesloten
144
is. Iedere dienst, aan een ander bewezen, wordt vergolden. Wie een mensch eenig onrecht aandoet, lijdt daardoor zelf. Niemand kan den edele eenig kwaad doen. Let op de geschiedenis der kettervervolgingen. Men tracht de stemmen der martelaren tot zwijgen te brengen — zij weerklinken over de gansche aarde! Een kettersch boek wordt verbrand — het verlicht de wereld! Als de geesten ontwaken, wordt de martelaar gerechtvaardigd, de onderdrukker van zijn macht beroofd.
Ook in de rampen des levens meende Emerson de wet der compensatie op te merken. De dood van een vriend of van een onzer geliefde betrekkingen, eerst een gemis, brengt gewoonlijk een weldadige omkeering in ons leven tot stand. Een tijdperk van ons leven wordt voor goed gesloten — zij maakt plaats voor een ander, dat heilzamer is voor de ontwikkeling van ons karakter.
In de geschiedenis, „ de oorkonde der werken van den geest, die alles omvatquot;, trekken de uitnemende persoonlijkheden ons bovenal aan. „ Zij maken de aarde gezond. Door ons geloof aan hen wordt het leven draaglijk en liefelijk. Wij leven met onze meerderen. In onze woningen staan hun werken en beelden. Indien een magneet ons kon aanwijzen, waar edele, krachtige menschen wonen, wij zouden al onze goederen verkoopen en met dien magneet op reis
145
gaan.quot; — „Een groot man woont in een hoogere sfeer van ideeën, waartoe anderen niet zonder groote inspanning kunnen opklimmen. Hij ziet de dingen in het ware licht, is dicht bij ons, zoodat wij hem op het eerste gezicht herkennen. Hij voldoet aan onze verwachtingen en komt op den juisten tijd 12).quot;
Emerson stelde zulke helden het hoogst, diezich-zelven durven te zijn, bij wie het geestelijke hooger staat dan het stoffelijke, die zedelijk over anderen heerschen. Alle klassen der maatschappij trekken zij tot zich. Onder hen gaf hij een eereplaats aan lincoln. Van hem getuigde hij in een schoone lofrede 13): „Zijn plichtbesef was krachtig ontwikkeld. Hij had geen ondeugden. Hij was een ijverig werkman en arbeidde gemakkelijk. Hij was verdraagzaam en voor allen toegankelijk. Over eigen leed kon hij zich heen-zetten , maar was met teeder medelijden vervuld voor anderer smart. Een menigte goede woorden, van hem afkomstig, kon men uit duizende monden vernemen. Hoe verheven, hoe echt menschelijk was de taal, die hij wist te spreken! Naarmate de nood steeg, klom hij steeds hooger. Zijn geest wist de vraagstukken van den dag te beheerschen. Te midden van vrees en afgunst, in het rumoer der partijschappen, zocht hij te ontdekken waaraan het volk behoefte had. Hij stond daar als een heros in het centrum van een heldentijdvak. Hij was de ware vertegen-
10
146 ,
woordiger van zijn fend, de vader des vaderlands. Leefde hij niet lang genoeg, om de schoonste belofte te vervullen, de afschaffing der slavernij? Nu zijn werk voltooid is, zal hij misschien nog meer door zijn dood dan door zijn leven het vaderland kunnen dienen,quot;
In 1850 verscheen de eerste editie van Representative Men, lezingen over een zestal beroemde personen, die Emerson te Manchester en te Londen gehouden had. Plato wordt als de wijsgeer, Swedenborg als de mysticus, shakespeare als de dichter, montaigne als de scepticus, Goethe als de schrijver, Napoleon als de wereldling geschetst. „Een groot paleis staat voor u — aldus Hermann Grimm, de bekende duitsche letterkundige — waartoe zes poorten den toegang verleenen, aan elk van welke een dezer zes helden de wacht houdt. Wie binnen wil treden, moet zich aan één van hen onderwerpen 14).quot;
Levensbeschrijvingen van groote mannen, geplaatst in de lijst van hun tijd, ontvangen wij hier niet. Het zijn typen van beroemde personen. Laat mij iets uit dit merkwaardig boekje mededeelen.
Wie Plato niet kent, heeft geen recht, om ons zijn meeningen over het geestelijk leven te verkondigen. Niemand behoeft naar zulk een prediker te luisteren. De denkers van alle beschaafde volken zijn Plato's schuldenaars. Het mysticisme heeft zijn teksten
147
aan hem ontleend. Als een Engelschman hem leest, roept hij uit; Hoe geheel engelsch 1 In Nieuw-Engeland zal men hem voor een amerikaansch geleerde houden. Alle wijsgeerige scholen, kerken en priesters hebben PLATO'S werken bestudeerd. Één ding valt volgens EMERSON te betreuren: die oprechte en universeele denker achtte de leugen voor regenten geoorloofd.
Shakespeare is de dichter bij uitnemendheid. Men kan zich niets verheveners voorstellen dan zijn scheppingen. Zijn wereldkennis is even groot als zijn lyrisch talent. Zijn taal is melodieus. Nooit maakt hij zich aan ostentatie schuldig. De personen, die hij laat optreden, schijnen met hem onder één dak te wonen. Wij kennen zijn overtuigingee over vraagstukken, waarin elk mensch belang stelt: over leven en dood, over de verborgen en zichtbare invloeden, die ons lot bepalen, over de geheimzinnige machten, die met onze wetenschap den spot drijven. In des dichters sonnetten en drama's ontdekt gij zijn diepste gedachten. Hij beantwoordt de vragen, die op godsdienst, zedelijkheid en wijsbegeerte betrekking hebben. Een vorst kan van hem leeren, hoe hij vorslelijk moet optreden. Shakespeare is de type van den dichter, omdat hij het wezen der dingen in poëzie en muziek weet uit te drukken. Hij is een profeet, een voorlooper van betere tijden. Een ooghaartje of een kuiltje in de wang wordt met even vaste hand door hem geteekend
148
als een berg. De gansche wereld kan zich door hem laten portretteeren. Maar deze „zanger en weldoener der menschheidquot; bleef helaas! bij de schoonheden der zichtbare wereld staan. De hoogere beteekenis der symbolen heeft hij niet onderzocht. En de man, die een nieuw veld voor de zielkunde opende en hooge eischen aan de menschheid stelde, leidde zelf een alles behalve onberispelijk leven en misbruikte zijn genie tot amusement van het publiek 1 De wereld wacht daarom nog op een dichter-priester, die als een geïnspireerde zien en spreken, maar ook handelen zal.
Al voelde Emerson zich aangetrokken door montaigne's blanke oprechtheid, die de kunst van veinzen niet verstond; door zijn talent van schrijven, zijn kalmte en bezadigdheid, naar hoogere inspiratie zocht hij bij hem tevergeefs. Ook was Montaigne's scepticisme in zijn oog overdreven. „Het zedelijk gevoel is onaantastbaar. In het veranderlijke moeten wij het blijvende leeren ontdekken.quot;
De schrijver is volgens EMERSON de man voor alle eeuwen. Vroeger was hij een gewijde persoonlijkheid, die bijbels, lofliederen ter eere der godheid, heldendichten en treurspelen schreef. Volken werden door hem tot nieuw leven opgewekt. Thans buigen vele auteurs voor de wisselende meeningen der wufte schare, verdedigen een onrechtvaardige regeering of laten hun geblaf hooren in den dienst der oppositie,
149
in plaats van voortdurend hun dorst te lesscben aan de bronnen der inspiratie. Niemand beter dan goethe kan ons de macht en de plichten van den schrijver leeren, al ontkende Emerson natuurlijk diens groote verdiensten als dichter niet. goethe trad op in een tijd van algemeene beschaving zonder individualiteit; van parlementaire redenaars en advocaten zonder Demosthenessen en Chattams; van theologische faculteiten zonder profeten en van geleerde genootschappen zonder wetenschappelijke mannen. goethe stond aan het hoofd van zijn volk. Aan de natuur, waarmede hij innig vertrouwd was, aan den eeuwigen geest, die hem inspireerde, ontleende hij zijn kracht. Hij • wist gebruik te maken van demonen, heiligen en bovennatuurlijke krachten. Elk geheim op het gebied der schoone kunsten heeft hij ontdekt Zijn Wilhelm Meister is de schoonste roman. Geen boek dezer eeuw is zóó nieuw, beschrijft het leven, de gewoonten en karakters der menschen zóó juist. Maar waarom kunnen wij Goethe niet als een geliefd vriend begroeten? Omdat hij meermalen, b. v. aan het slot van den Wilhelm Meister, ons zedelijk gevoel beleedigt; omdat de toon, door hem aangeslagen, vaak te wereldsch is. En wij hebben juist behoefte aan heilige Schriften, die aarde en hemel nader tot elkander brengen. De waarheid moet het eenige richtsnoer onzer daden zijn.
Napoleon , de vertegenwoordiger der mannen van
ISO
het gezond verstand; de profeet van kooplieden, in-dustrieelen en van allen, die niets anders beoogen dan rijk te worden, bezat alles, hetgeen een mensch in de I9de eeuw begeert: goede boeken, goed gezelschap, een stoet van dienaren, paleizen, schilderijen en wat dies meer zij. Met minachting sprak hij over de predikers der vrijheid. Necker en LAFAYETTE waren dwepers in zijn oog. Dankbaarheid en edelmoedigheid achtte hij goed voor vrouwen en kinderen. Hij heerschte over volken, die Napoleons in het klein waren. Een man van ijzer en staal, kon hij vele uren te paard zitten en zich bijna geheel van voedsel onthouden. Hij handelde met de snelheid eens tijgers. Moedig, vastberaden, zonder gemoedsbezwaren, liet hij zich door niemand van zijn voornemens afbrengen. Hinderpalen en gevaren waren hem onbekend. Van de „erfelijke ezelsquot;, gelijk hij de Bourbons noemde, had hij een gruwelijken afkeer. Al bezat hij schitterende gaven, hij was geen held, veeleer een bedieger en een schelm, omdat hij verstand had zonder geweten. En waarom heeft Napoleon's werk geen sporen achtergelaten? Omdat volgens de eeuwige wet, die in het heelal heerscht, elke zelfzuchtige daad moet mislukken.
EMERSON was gewoon, om in een portefeuille alles op te teekenen, dat zijn aandacht trok. Hield hij b. v.
ISI
gesprekken met werklieden, dan maakte hij, tot hun niet geringe verbazing, aanstonds zijn annotaties. Viel hem 's nachts een gedachte in, dan stond hij op, om die aan te teekenen, tot niet geringe verwondering zijner vrouw, die meende, dat hij krank werd. Zoo was hij in staat, om in zeer korten tijd zijn lezingen te maken.
Niemand herinnert minder dan hij aan een geleerde van den ouden stempel. Citaten komen zelden in zijn geschriften voor. Toch had hij veel gelezen en was in de oude en nieuwe letterkunde, zoowel van het Oosten als van het Westen, uitmuntend te huis. Zware eischen stelde hij aan anderen. Wie b. v. in Griekenland geen vreemdeling wilde zijn, moest Herodotus, Aeschylus, Plato en Plutarchus gelezen hebben. Livius, Horatius, Tacitus, Martialis, Gibbon achtte hij voor de kennis der geschiedenis van het oude Rome onontbeerlijk. Wie Dante, Boccacio, Michel Angelo niet bestudeerd had, kon volgens hem over de Middeleeuwen niet meespreken.
Tot de beste boeken rekende hij de Bijbels, de heilige Schriften der Joden en der Christenen, de orakels van Zoroaster, de Veda's en de wetten van Manu, de Upanishads, de Vishnu Purana, de Bha-gavat Ghita der Hindu's, de Tripitaka, declassieken der Chineezen. Ook de spreuken van Epictetus en van Markus Aurelius, de Gulistan van Saam, de
152
Imitatie Christi en de Pensees van pascal stelde hij zeer hoog. Zulke boeken moeten „met gebogen knieënquot; gelezen worden. „Het zijn levende karakters, die in elke taal en in iederen levensvorm kunnen overgezet worden. Zulke heilige Schriften moest de zendeling over prairieën, over woestijn en Oceaan naar Siberië, Japan, Timbuctoo medenemen.quot;
Emerson sprak den wensch uit, dat aan elke hoogeschool een „ Professor van boeken quot; zou aangesteld worden. In een academische bibliotheek moeten wij een keus doen uit een half millioen boeken, die alle op elkander gelijken. De ondervinding leert, dat in deze loterij minstens vijftig of honderd nieten zijn op één prijs. Als nu eens de een of andere liefderijke ziel, na veel tijd met de lectuur van slechte werken verknoeid te hebben, ons die boeken aanwees, welke haar veilig over moerassen en onstuimige zeeën naar het brandpunt der heilige steden, in paleizen en tempels voerden! Wij zouden dan geen schrijvers van den derden of vierden rang meer behoeven te lezen en ons aan de studie der uitnemendste geesten kunnen wijden.
Aan jongelieden wordt de raad gegeven, een letterkundige club op te richten, waarvan ieder lid de lectuur van een of meer werken voor zijn rekening neemt, om later zijn indrukken mee te deelen. Elk zal zijn goudkorrels geven, nadat hij ze gewasschen
153
heeft; een ander kan dan beslissen, of zoo'n boek voor hem onontbeerlijk is.
In 1847 verscheen Emerson's eerste bundel gedichten, waarop 20 jaar later „ May-day and other Poemsquot; volgden. Behalve een engelsche vertaling van Hafiz' poëzie naar duitsche en fransche overzettingen gaf hij nog in 1871 „Parnassus, a Selection of English and American Poetryquot;. Velen betreurden het, dat daarin geen enkele proeve van zijn eigen poëzie voorkwam. Maar wie den bescheiden verzamelaar kende, had dit ook niet verwacht.
Emerson was een dichterlijke geest. Hij kende de roeping van den dichter, gelijk b. v. uit de volgende uitspraken blijkt; „Elk mensch beleeft enkele oogen-blikken, wanneer hij de stof beheerscht. Alles wordt in gelijkenissen, in symbolen uitgedrukt. De dichter moet de grootste beeldhouwer zijn. Aan het hof der Muzen geldt de onverbiddelijke wet; zwijg, indien gij niet geïnspireerd zijt. Slechts in zijn beste oogen-blikken mag de zanger zijn stem verheffen. De hoogste poëzie, die aan de menschheid jeugd en gezondheid, heldenmoed en kracht schenkt, is dieper verborgen en moeilijker te ontdekken dan Amerika en Australië, dan de stoom en de electrische batterij. De poëzie is onschatbaar als schuilplaats van het geloof, als protest tegen het geschreeuw van het
154
atheïsme. Elke schoone en mannelijke taal is een zuivere toon in het lied.quot;
Maar was hij zelf een dichter? Matthew Arnolu 15) noemt Emerson's poëzie belangrijk; zij geeft stof tot denken. Maar het is niet de poëzie van een geboren dichter. Slechts enkele passages uit zijn gedichten hebben vrienden der engelsche poëzie in het geheugen bewaard en daaronder worden de volgende genoemd:
So nigh is grandeur to our dust, So near is God to man,
When Duty whispers low , 7hou must. The youth replies, I can.
Though love repine and reason chafe. There came a voice without reply: „'T is man's perdition to be safe, When for the truth he ought to die.quot;
And ever, when the happy child
In May beholds the blooming wild,
And hears in heaven the bluebird sing,
„Onwardquot;, he cries, „your baskets bring!
In the next field is air more mild
And in yon hazy west is Eden's balmier spring.quot;
Volgens een onzer landgenooten verstond deze echte dichter volstrekt niet de kunst van gedichten
ISS
te maken. Hij bezat niet de muzikale behoefte, om „te zingen als een vogelquot;; „maat en rijm zijn voor zijne uitingen een soort van ballast; veel beter dan uit zijne verzen wordt zijn dichtergeest gekend uit zijne Essays 16).quot;
Een critiek van Emerson's denkbeelden is moeilijk te geven. Hij had een buitengemeene voorliefde voor paradoxen 17). Zelfs Carlyle, die altijd met de grootste sympathie over hem sprak, getuigde; „Emerson's ideeën zijn te speculatief, te theoretisch, te aetherisch.quot; En laat ons hem zeiven hooren: „Als ik mijn gedachten opschrijf, dan let ik niet op orde of harmonie. Hoe zij naast andere ideeën staan, daarover bekommer ik mij niet. Wanneer Minerva mij een gave aanbood, zou ik antwoorden: Laat mij eenige ellen of mijlen garen spinnen; geef mij een touw, om gezonde en samenhangende feiten te verbinden. Ik heb nog geen enkelen leerling. Hoe komt dat? Omdat ik nooit verlangde, de menschen tot mij, maar altijd, om hen tot zichzelven te brengen. Ik ben er trotsch op, dat ik geen school gesticht heb. Mij dunkt, het pleit tegen iemands onderwijs, wanneer het geen onafhankelijke leerlingen vormt,.. Niemand is minder geschikt voor polemicus dan ik. Vraagt men mij rekenschap van mijn gevoelens, dan ben ik de onbeholpenste van alle stervelingen.quot;
156
Toch werd hem, die geen sfelsel van philosophie, theologie of moraal gegeven heeft, een plaats aangewezen onder de hoofden der Transcendentalisten. De ontdekker van dien barbaarschen naam is onbekend. Op Emerson's ontwikkeling hebben vooral PlaïO, de nieuw-platonische school, de duitsche Mystiek uit de i4de eeuw zoowel als die uit het Oosten, boehme, Schelling, Coleridge, Carlyle, Wordsworth, Herder, Goethe grooten invloed geoefend. Als idealist en mysticus trachtte hij vooral door intuïtie de waarheid te ontdekken. Wie haar zoekt, gelijkt volgens hem op een man, die in de duisternis van den nacht met een lantaarn rond gaat, om iets te vinden. Aan zijn „Address before the graduating class in the Divinity School of Harvard Universityquot; (Juli 1838), dat het programma van „het nieuwe geloof' der Transcendentalisten bevatte, ontkenen wij de volgende stellingen; „Deugd is een gevoel en een vreugde in de tegenwoordigheid van sommige goddelijke wetten. Deze wetten zijn geen uitwendige openbaringen. Gehoorzaamheid aan haar maakt de ziel gezond en rechtschapen. Wat wij goed of slecht noemen, komt uit gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid aan die wetten voort. Elk moet de waarheid voor zich zeiven zoeken. God werkt door alle zielen en geen enkele is de maatstaf zijner waarheid. Jezus was een groot profeet, maar door hem te aanbidden
iS7
hebben de menschen zijn invloed aanmerkelijk verzwakt. Wij moeten op ons zeiven vertrouwen en naar de stem binnen in ons luisteren. God woont in elk mensch. Uit gebrek aan geloof in de levende waarheid heeft men alleen de oude openbaring liefgehad. Slechts wie iets heeft, kan iets geven; hij, door wien de ziel spreekt, kan anderen verlichten — een profaan of zinnelijk mensch, een leugenaar of een slaaf is daartoe niet in staat. Nog meer dan vroeger is er thans behoefte aan een nieuwe openbaring. De invloed der kerk neemt langzamerhand af. De prediker moet God durven liefhebben zonder middelaar. Gewoonte, gezag, vermaak, geld — dat alles moet voor hem zonder waarde zijn. De oude vormen der kerk zijn goed genoeg, als daarin de adem des nieuwen levens blaast. Het geneesmiddel voor de kerk is in de eerste plaats ziel, in de tweede plaats ziel en altijd weder ziel. Wij verwachten een nieuw leven en een nieuw geloof — dan zullen wij rijk en machtig worden.quot;
Toen iemand aan Emerson vroeg: „Wat gelooven toch eigenlijk die Transcendentalisten?quot; antwoordde hij op zijn eigenaardige, paradoxale wijze: „Schrap alles wat de overlevering aan 's menschen eigen geest heeft toegevoegd; hetgeen dan overblijft, zal zoo ongeveer Transcendentalisme kunnen genoemd worden.quot;
158
Emerson's persoonlijkheid boezemde achting en eerbied in. Hij was eenvoudig, oprecht, waarheidlievend, vriendelijk, maar uiterst gestreng in zijn veroordeeling van wat hij den mensch onwaardig achtte. Van al wat zweemde naar onwaarheid of eigengerechtigheid had hij een gruwelijken afkeer. Een Pharizeër kon hij evenmin uitstaan als een wereldling. Woord en leven waren bij hem in schoone harmonie.
In hooge mate bezat hij de gave der waardeering. Tegenspraak kon hij verdragen, ook al uitte zij zich op onbehoorlijke wijze. Nadat hij eens een voordracht had gehouden, verzocht de Voorzitter van het genootschap den aanwezigen predikant, om het gebed te doen. Deze plaatste zich voor den lessenaar, zoo even door den spreker verlaten, en bad aldus: „Wij smeeken u, o Heer! Verlos ons van dergelijken transcenden-talen onzin als wij heden vernomen hebben.quot; emerson vroeg zijn buurman naar den naam van den geestelijke. Toen het antwoord stotterend gegeven was, zeide hij doodkalm: „Die man schijnt een zeer rechtschapen en openhartig mensch te zijn.quot;
Een ander voorbeeld. De bovengenoemde rede, in Harvard College gehouden, lokte veel tegenspraak uit. Op een brief, welks schrijver de gevoelens van den redenaar zeer gevaarlijk achtte, antwoordde Emerson : „ Daar ik uw meeningen en uw waarheids-
159
liefde ken, kon ik niet anders verwachten dan dat gij in dien geest zoudt schrijven. Het doet mij leed, dat ik dingen moest zeggen, waaraan velen, zelfs dierbare vrienden, zich zouden ergeren. Maar ik mocht mijn overtuiging niet verbergen. Laat ieder onzer zijn gevoelen uitspreken! Uw bedenkingen zullen mij aansporen, om de toespraak nog eens nauwkeurig na te zien, voordat zij gedrukt wordt Ontvang mijn harte-lijken dank voor dit bewijs uwer verdraagzaamheid en liefde.quot;
Hoewel Emerson slechts een viertal jaren predikant was, heeft hij zijn leven lang tot zegen van anderen gearbeid, 's Morgens zat hij een uur of zes, 's avonds twee of drie uur op zijn studeerkamer. Zijn leuze was; „Voor den zoon van Adam is nergens rust te vinden, zelfs niet te Concord.quot; Een wandeling, liefst in de bosschen, was zijn grootste uitspanning. „Als ik het woud bezoek, vindt ik alles nieuw, nog nimmer beschreven. Het is of nooit iemand vóór mij daar geweest is.quot; Hij ontdekte in de bosschen een nieuwe wereld:
In dreamy woods what forms abound That elsewhere never poet found.
Here voices ring and pictures burn,
And grace on grace where'er I turn.
i6o
In zijn journaal schreef hij een ode op de wouden;
„Whoso goeth in your paths readeth the same cheerful lesson, whether he be a young child or a hundred years old. Comes he in good fortune or in bad, ye say the same things and from age to age. What is called fortune and what is called time by men, ye know them not. Men have not language to describe one moment of your life. When you shall give me somewhat to say, give me also the time wherein to say it. Give me a time like your winds or brooks or birds, for the songs of men grow old, when they are repeated; but yours, though a man have heard them for seventy years, are never the same, but always new, like Time itself, or like love.quot;
Kleine kinderen trokken hem aan. Hij boezemde hun liefde en eerbied, maar nimmer vrees in. De oprechtheid, het optimisme van het jonge volkje vond hij heerlijk. Als een kind aan tafel schreeuwde, werd het weggezonden, om te zien of de poort ook openstond, of er misschien wolken opkwamen, daar hij verwachtte, dat de natuur een kalmeerenden invloed op het jeugdig gemoed zou oefenen. Eens zag hij een paar zijner kinderen 's morgens vroeg kaartspelen. Terstond luidde het bevel: „De kaarten weg! Gij moogt den heiligen morgenstond niet door het gezicht van kaarten beleedigen.quot;
Na den dood van zijn oudste zoontje maakte hij
. i6i
een gedicht, waarin deze schoone regels voorkomen: „Geboren voor de toekomst, voor de toekomst verloren. De liefde des harten zal u weder ontmoeten.quot;
Toen Emf.RSON zijn zeventigsten verjaardag op den Atlantischen Oceaan vierde, begroette een zijner vrienden uit Boston, Prof. Chales Eliot Norton , hem aldus:
Blest of the highest gods are they wo die Ere youth is fled. For them, their mother Fate Clasping from happy earth to happier sky,
Frees life, and joy, and love from dread of date.
But thee, revered of men, the gods have blest With fruitful years. And yes for thee, in sooth,
They have reserved of all theirs gifts the best, — And thou, though full of days, shalt die in youth.
Een ander vriend legde de volgende getuigenis omtrent hem af: „Door zijn leven en zijn onderwijs oefende hij een grooten, zedelijken invloed. Hij was als een leeuwerik, de bode van den dageraad, als een zonnestraal, die de duisternis doet verdwijnen. Het leven zal een meer gewijd karakter dragen, de hemel ons nader zijn, wanneer wij de waarheid liefhebben in den vrijen geest, dien hij gepredikt heeft. Welke fouten men moge ontdekken in zijn wijsgeerige
li
162
methode, de zedelijke en geestelijke waarheden, waaraan hij gedurende een halve eeuw zijn leven wijdde, blijven onaantastbaar. Met het oog op zijn leven, op de woorden, door hem gesproken, mogen wij verklaren:
So long hast thou been loyal to thyself So long hast thou been loyal to the world.
So long hast thou been loyal to thy God,
That howso men may look upon thy faith, Thy face looks at them tranquil with its truth.
Toen Matthew Arnold in 1884 Amerika bezocht, hield hij, gelijk wij reeds zagen, te Boston een voordracht over Emerson. Als ik — zoo verhaalt hij — 40 jaren geleden student te Oxford was, kwam tot ons ook een stem van deze zijde van den Atlan-tischen Oceaan, een heldere, zuivere stem, die mij althans even nieuw, roerend en onvergetelijk toeklonk als die van Newman, Carlyle of Goethe. Wij hoorden te Oxford Emerson's stem op drie duizend mijlen afstands en die stem was zóó krachtig, dat voortaan de namen van Boston Bay en Concord in mijn geest hetzelfde verrukkelijk gevoel wekten, dat aan die van Oxford en Weimar zulk een heerlijken klank geeft.
Op de vraag; Wat hebben wij aan emerson te danken? wordt door arnold ongeveer het volgend
163
antwoord gegeven; Hij was de vriend en de leidsman van hen, die een geestelijk leven willen leiden. Hij baande zich een weg door bekrompen en vastgewortelde denkbeelden en het gelukte hem, zijn ideeën hier en daar ingang te verschaffen. Hoewel gestorven, spreekt hij nog tot ons en roept ons toe: Om deze aspiraties te verwezenlijken, hebben wij behoefte aan blijmoedigheid en moed. Geluk in arbeid; rechtvaardigheid en waarheid en in alles het leven van den geest, eeuwigdurende hoop — zoo luidde Emerson's evangelie. Misschien verwachtte hij te veel van de niet ver verwijderde toekomst. Toch zal het blijken, dat hij niet dwaalde in zijn overtuiging: slechts in het geestelijk leven is waarachtig geluk te vinden. „In den geest stel ik mij hem voor — aldus luidt het slot der welsprekende rede — alsof wij hem op aarde nog aanschouwen, gelijk hij hier staat bij Boston Bay of in zijn geliefd Concord, in een veel hoogeregestalte, met een blinkend gelaat, de eene hand uitgestrekt naar het Oosten, naar ons vermoeid en zwoegend Engeland; de andere hand gericht naar het zich steeds uitbreidend Westen, zijn innig geliefd Amerika, het groote, verstandige, zinnelijke, schraapzuchtige Amerika. Ons wil hij een gids zijn door zijn vrijheidszin, zijn opgeruimdheid en hoop; voor zijn landge-nooten door zijn waardigheid, zijn ernst en bezieling.quot;
In een tijd als de onze, die zich, gelijkNlCOLAAS
164
BEETS eenige jaren geleden opmerkte, door karakter-schaarschte kenmerkt, moge de gedachtenis aan zulk eén' onafhankelijken geest, aan een man van karakter als EMERSON bewaard blijven! Al kunnen wij niet met al zijn denkbeelden instemmen; hoewel sommige zijner voorstellingen en paradoxen ons vreemd voorkomen, de groote idealist, de vriend der waarheid, de eenvoudige en beminnelijke persoonlijkheid heeft ook tot ons nog iets te zeggen.
Niemand zal de inspanning beklagen, die de lectuur zijner werken kost. Een enkele bundel {Society and Solitude) is in onze taal overgezet 18). Moge EMERSON tot velen blijven spreken, nadat hij gestorven is!
AANTEEKENINGEN.
1) Behalve van Emerson's eigen werken hebben wij vooral gebruik gemaakt van de volgende geschriften, in de laatste jaren over hem verschenen: George Willis Cooke , Emerson's life, writings and philosophy (1882); Alexandér Ireland, In Memoriam (1882); Matthew Arnold, Discourses in America, (1885); Edward Waldo Emerson, Emerson in Concord (1889).
2) „The true communion was to his mind purely spiritual, while that commonly observed he felt had no sanction in the New Testament. Yet he offered to continue it if the service could be made one merely of commemoration, and if he should not himself be required to partake of the bread and wine. His congregation was anxious to retain
him and proposed that he should put his construction on the Lord's Supper while they retained theirs; but he could not consent to such a compromisequot; (Cooke , t. a. p., 30 v.).
3) Vgl. English Tracts, oorspronkelijk voorlezingen, die eerst in 1856 het licht zagen»
4) Te Londen gaf hij een cursus van zes voordrachten over „ The Minds and Manners of the nineteenth Centuryquot;^ „ Power and Laws of thoughtquot;, Relations of Intellect to Natural Sciencequot;, „ Tendencies and duties of Men of thoughtquot;, „ Politics and Socialismquot;, „Poetry and eloquencequot;, „Natural Aristocracyquot;.
5) Vgl. over de indrukken, die hij van Engeland ontvangen had, de bovenaangehaalde English Tracis.
6) In i860 „The Conduct of lifequot; (9 Essays), in 1870 „Society and Solitudequot; (12 Essays) en in 1876 „Letters and social aimsquot; (11 Essays).
7) Emerson in Concord, p. 187.
8) Lord Beaconsfield , die 700 stemmen kreeg, werd benoemd.
9) Het bestaat uit 8 hoofdstukken: Nature, Commodity, Beauty, Language, Discipline, Idealism, Spirit, Prospects.
Tyndall, de beroemde natuurkundige in Engeland, verhaalt, dat hij het geschrift in zijn jeugd op een boekenstalletje gekocht had. Met verrukking las hij heten — zoo voegt hij er bij: „Wat ik gedaan heb, heeft de wereld aan Emerson , die den impuls aan mijn geest gaf, te danken.quot;
10) „I read last year in the „Century Magazinequot; a sad story of a young Russian who, in dispair, had lately ended his life by his own act, in far Siberia, and who was first imprisoned, as a student, for having in his possession a borrowed copy of the Essay on Self-Reliancequot; — aldus Edward Waldo Emerson, t. a. p., p. 191.
11) „ Ever since I was a boy, I have wished to write a discourse on Compensation: for it seemed to me, when
166
very young, that on this subject life was ahead of theology, and the people knew more than the preachers taughtquot; — zoo schreef hij in de Inleiding van zijn Essay over dit onderwerp.
12) Vgl. de Inleiding op Representative Men.
13) Te Concord den i9den April 1865, den dag na den tragischen dood van den President op Goeden Vrijdag, gehouden.
14) „In a letter to my father in 1859 Horatio Gree-nough, the sculptor, wrote; „I found your Representative Men in the hands of a dame du palais in Vienna, and have learned that she has been exiled, having made herself politically obnoxious (Emerson in Concord, p. 191).quot;
15) Discourses in America (1885), De laatste rede over Emerson, te Boston, Emerson's „own delightful townquot;, gehouden, ergerde velen zijner hoorders, omdat de spreker aan hem geen plaats had gegeven onder de groote dichters, de groote schrijvers en de groote letterkundigen. In de Voorrede verklaart Arnold: „I cannot think that what I have said of Emerson will finally be accounted scant praise, although praise universal and unmixed it certainly is not.quot;
16) Geertruida Carelsen in Bibl. van Mod. Theo I. en Letterkunde, III, p. 300.
17) „When he was taken possession of by a thought he took care to present it vividly, and, that it might burn itself in upon reader or hearer, he did not soften or qualify, feeling that he was showing an aspect, a single glittering facet of truth and reserving for another paragraph or even essay the other side of the question, the correlative factquot; — aldus zijn zoon in Emerson in Concord, p. 247 v.
18) Uit Emerson's laatste Essays. Naar het Engelsch door Augusta (1881).
GEORGE BANCROFT.
De staat Massachusetts in Nieuw-Engeland mag er trotsch op zijn, dat hij het levenslicht heeft geschonken aan drie beroemde geschiedschrijvers, wier werken in verschillende europeesche talen zijn overgezet. Zij ondernamen reizen naar Europa, om daar bouwstoffen voor hun groote werken te verzamelen.
William Hickling Prescott was door zijn bezoek aan Spanje in staat, om over de regeering van Ferdinand en Isabella, over de verovering van Peru en Mexico nieuw licht te doen opgaan. Het meest classieke zijner werken, de geschiedenis der regeering van Philips II, waarmede dè bijna blinde schrijver zich gedurende de laatste jaren zijns levens bezig hield, bleef tot groote teleurstelling van velen onvoltooid.
John Lothrop Motley, de schrijver van de Opkomst der Nederlandse he Republiek, is aan geen Nederlander onbekend. Herhaalde malen bezocht hij Europa en bestudeerde de Archieven van Engeland, het Rijksarchief te 's Gravenhave en te Brussel.
Onder dit edele drietal neemt George Bancroft,
170
den 3den October 1800 te Worcester geboren, een eervolle plaats in. Zijn vader Aaron Bancroft, predikant aldaar, die Washington's leven beschreef, was een ijverig beoefenaar der geschiedenis van zijn vaderland. Waarschijnlijk heeft deze aan zijn zoon de eerste liefde ingeboezemd voor het vak, waaraan hij zijn gansche leven zou wijden.
Na Havard College te Cambridge bezocht te hebben, ging Bancroft naar Duitschland, om daar zijn studiën te voltooien. Te Göttingen legde hij zich op de oostersche talen en de grieksche en romeinsche letterkunde toe. De beroemde historicus Heeren was zijn leermeester. Reeds in 1820 werd hij tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd.
Te Berlijn maakte Bancroft met mannen als Hegel, Schleiermacher, Saviony. Wilhelm von Humboldt, te Heidelberg met Schlosser en te Weimar met Goethe kennis. Op zijn reizen door Frankrijk en Italië ontmoette hij te Parijs Benjamin Constant, Cousin, Alexander von Humboldt, te Rome Niebuhr en bunsen. Na een afwezigheid van vijf jaren keerde hij in 1823 naar zijn vaderland terug.
Nadat Bancroft reeds meermalen den kansel beklommen had, zag hij van zijn plan om predikant te worden af. Eerst werd hij leerraar in de grieksche taal aan Harvard College en richtte later te Northamp-
i7i
ton met zijn vriend COGSWELL de Roundhill-school op.
In 1823 gaf Bancroft een vertaling van Heeren's beroemde Ideën iiber die Politik, den Verkehr und den Handel der vornehmsten Volker der alten Welt. Reeds begon hij bouwstoffen te verzamelen voor het groote werk zijns levens, waaraan hij zijn roem als geschiedschrijver te danken heeft. In 1834 zag het eerste deel zijner History of the United States of North America het licht, waarop weldra het tweede en in 1840 het derde deel volgden.
Van 1838—1841 was bancroft ontvanger der belastingen voor de haven te Boston en trad meermalen in politieke vergaderingen op, nadat hij zich aan de zijde der democraten geschaard had. In 1844 was hij hun candidaat voor Gouverneur van Massachusetts, maar werd niet gekozen. Gedurende zijn secretariaat bij het Ministerie van Marine richtte hij het observatorium in Washington en de marineschool te Annopolis op.
Van 1846—1849 vertegenwoordigde Bancroft de Vereenigde Staten aan het hof van Engeland. Hier en te Parijs, waar guizot, Mignet en deTocqUE-VILLE hem de behulpzame hand boden, werden nieuwe materialen voor zijn historisch werk verzameld.
In Amerika teruggekeerd, vestigde hij zich te New-York, terwijl hij 's zomers op de badplaats Newport zijn verblijf hield. Met verlangen zagen zijn landge-
172
nooten naar de voortzetting zijner geschiedenis uit. Hun geduld was op een zwaren proef gesteld 1). Nadat er twaalf jaren verloopen waren, verschenen eindelijk in 1852 het en 5de deel, waarop in 1854 het 6'ie, in 1858 het 7de) in i860 het 8sle en in 1866 het 9de volgden.
Zeven jaren lang (1867—1874) was bancroft achtereenvolgens ambassadeur bij den koning van Pruisen, bij den N. D. Bond en het duitsche keizerrijk. Verdragen met den Bond, met Beijeren, Baden en Wurtemberg werden gesloten. Hij beantwoordde de klachten, door Engeland tegen Amerika ingediend. Tijdens zijn afwezigheid werd in Amerika zijn vijftigjarig doctoraat herdacht. In 1874 nam Bancroft zijn ontslag en weldra zag het laatste deel van zijn werk het licht, toen er veertig jaren sinds de verschijning van het eerste verloopen waren.
Maar voor den on vermoeiden grijsaard was de tijd om uit te rusten nog niet gekomen. In 1876, bij gelegenheid van het honderdjarig feest der Onafhankelijkheidsverklaring, gaf hij een nieuwe, verbeterde editie (in 6 deelen) en in 1882 een voortzetting van zijn beroemd werk, onder den titel: ^History of the formation of the Constitution of the United States of Americaquot; (2 deelen).
In het begin van 1891 stierf hij te Boston. Aan de derde complete uitgave, volgens bevoegde be-
173
oordeelaars in meer dan één opzicht een verbeterde, besteedde hij de laatste jaren zijns levens.
Er is volgens BANCROFT geen aantrekkelijker studie dan die der geschiedenis. Zij getuigt van den vooruitgang van ons geslacht. „Zelfs over het lijden der menschheid werpt zij een straal der vreugde en der hoop en ontdekt nog blijde beloften onder de bouwvallen van staten en de graven van volken. Overal aanschouwt zij de voetstappen der goddelijke Voorzienigheid en hoort de zachte tonen harer stem in de uren der rust, maar ook wanneer de stormwind loeit.quot; Waarom is de geschiedenis in staat onze ziel te roeren? Omdat zij opteekent hetgeen nog voor ons leeft, dat het leven van ons leven geworden is; omdat zij niet slechts het levensbloed van enkele menschen, maar ook van geslachten bewaard heeft. „De geslachten der menschen gelijken niet op de bladeren aan de boomen, welke afvallen, om zich straks weder in dezelfde gedaante te vertoonen. De tijdvakken onzer geschiedenis zijn wederkeerig van elkander afhankelijk. Anders zouden er geen groote waarheden zijn, die ons tot daden opwekken, geen wetten, die onze handelingen besturen; de beweging der levende wereld zou als de ebbe en vloed van den Oceaan zijn.quot; Met ingenomenheid haalt BANCROFT ■de woorden van PASCAL aan, waarin de opeenvolging
174
der menschen gedurende zoovele eeuwen als een en dezelfde mensch beschouwd wordt, die altijd bestaat en zonder ophouden leert.
De geschiedenis zoekt de „Summa van alle werken der goddelijke Voorzienigheidquot; op te sporen. De wil van den mensch is aan algemeene wetten onderworpen. Hierin ligt volgens bancroft de grond, waarom het booze zichzelf vernietigt, de waarheid, wanneer zij eens geboren is, eeuwig leeft; waarom vrijheid en gerechtigheid, al ondervinden zij nog zooveel tegenstand, eeuw in eeuw uit den strijd hernieuwen, in de vaste overtuiging, dat hemelsche boden haar ter zijde staan en de sterren haar vijanden zullen bestrijden.
De eerste plicht van den geschiedschrijver heet onpartijdigheid. Wanneer hij de rede aan het vooroordeel onderwerpt, dan zal het gevolg zijn, dat hij de natuur vervalscht en de Voorzienigheid loochent. Wie partijdig is in zijn teekening van menschen, zondigt niet alleen tegenover de gerechtigheid, maar zal ook nimmer zijn doel bereiken. „De roem, die slechts schittert door verduistering van anderer roem, is vergankelijk. De biograaf, die op de graven van groote mannen het monument van zijn afgod bouwt, zal weldra ervaren, dat het beste deel zijner mede-menschen weigert hem te volgen.quot;
Maar Bancroft ontkent niet, dat het moeite kost
175
de plicht der onpartijdigheid in acht te nemen, vooral wanneer de historicus den politieleen strijd tusschen verschillende partijen moet beschrijven. Dit is alleen mogelijk, als hij in iedere partij opmerkt wat de engelsche dichter „een eeuwige gedachtequot; genoemd heeft. „Elke partij is gegrond in de menschelijke natuur, al draagt zij verschillende namen, naarmate zij onder kannibalen of beschaafde volken, in koninkrijken, keizerrijken of republieken haar stem verheft.quot;
Onmisbaar voor den historicus is nauwkeurige bronnenstudie. Wie zal zonder waarneming de teekenen der tijden door intuïtie verstaan? BANCROFT behoort allerminst tot dezulken, die een wijsbegeerte der geschiedenis zouden willen schrijven en de kennis der feiten van ondergeschikt belang achten. „De ge-schiedvorscher, die op nauwkeurige waarneming uit de hoogte neerziet, zou even dwaas handelen als, de sterrekundige, die de banen der kometen op grond van conjecturen wilde berekenen, terwijl hij de hulp van den telescoop meende te kunnen ontberen/'
Niemand had meer recht dan BANCROFT, om van den geschiedvorscher de studie der bronnen te eischen. Zelf heeft hij geen tijd, geen moeite, geen geld gespaard, om de bibliotheken van Amerika en Europa, de archieven van verschillende landen te doorsnuffelen. Was hij zelf daartoe niet in staat, dan werd de hulp
176
, van een vriend ingeroepen. Berichten van ooggetuigen werden met elkander vergeleken, zonder de beginselen van wat hij het historisch scepticisme noemt uit het oog te verliezen. Men staat verbaasd over zulk een ijver en volharding en verwondert zich niet, dat er veertig jaren moesten verloopen, eer hij zijn reuzenwerk voltooid had.
Wij noemen slechts de voornaamste bronnen, die BANCROFT voor de zes laatste jaren zijner geschiedenis (ïjZ;—1782) gebruikt heeft. Hij bezat afschriften van nagenoeg alle documenten, die op den vrede van 1782 betrekking hadden. In de Archieven van Engeland en Frankrijk had hij een rijke collectie stukken over den oorlog in de Vereenigde Staten gevonden. Het Archief van Berlijn stond voor hem open. Om de oorlogsoperaties van het jaar 1777 te kunnen be-studeeren, waren hem uit Duitschland kaarten, plannen van veldslagen, dagboeken en correspondentiën toegezonden. In de Archieven van Hessen-Kassei, tot nu toe voor het publiek gesloten, had hij met interessante rapporten van hessische officieren kennis gemaakt. Van de in dagbladen en tijdschriften verspreide opstellen der duitsche officieren, die in Amerika gediend hadden, ontving hij afschriften. Hij bezat een volledige verzameling van de stukken, die ons de diplomatische betrekkingen tusschen sommige europeesche staten en Amerika leeren kennen. Hierdoor was hij in staat
177
gesteld, om de gevoelens van engelsche, fransche en spaansche ministers en koningen, van verschillende duitsche staten, van Holland en Rusland nauwkeurig te beschrijven. Over de rijke verzameling brieven, door Frederik II van Pruisen met zijn buitenlandsche gezanten in Engeland, Frankrijk, Nederland, Denemarken en Rusland gewisseld, had hij kunnen beschikken. Uit de Archieven van Weenen, Moskou en den Haag ontving hij een groote menigte afschriften. De toegang tot de engelsche Archieven werd met de meeste bereidwilligheid voor hem opengesteld. In zijn eigen vaderland vond Bancroft de verlangde hulp. Brieven van generaals, die in Washington's leger gediend hadden, stonden hem ten dienste. De onuitgegeven correspondentie tusschen Franklin en de andere amerikaansche gezanten met Engeland was ter zijner beschikking gesteld. Zelfs werd het hem vergund te Londen de brieven van George III aan Lord Shelburne af te schrijven. Eindelijk — wij mogen niet meer van het geduld onzer lezers vorderen — was het Bancroft gelukt, om uit nog onbekende documenten nieuw licht te doen opgaan over de slavernij en de daaruit ontstane scheuring tusschen het Noorden en het Zuiden.
Toen Bancroft het plan vormde om een geschiedenis der Vereenigde Staten van Noord-Amerika
12
178
te schrijven, was hij zelf meer dan iemand overtuigd van de bezwaren, daaraan verbonden. Hij zou zich van overmoed willen beschuldigen, nu hij zulk een gewaagde onderneming op touw zette. Maar de overtuiging, dat er nog geen geschiedenis van zijn vaderland bestond, deed hem over alle bedenkingen, die bij hem oprezen, heenstappen. „Vele europeesche geschiedschrijvers — zoo lezen wij in de Voorrede van de eerste uitgave van het eerste deel — hebben de physische eigenaardigheden van ons land zoeken te verklaren, terwijl zij de politieke instellingen der koloniën ternauwernood een nauwkeurig onderzoek waard achten. Met zulk een zorgeloosheid werd de oudste geschiedenis geschreven, dat onzekere traditiën als autoriteiten beschouwd werden, waaruit men allerlei onjuiste conclusies trok. De hierdoor verspreide dwalingen werden nageschreven en verkregen een plaats in de Annalen van Amerika. Daarom meen ik, dat mijn arbeid niet vruchteloos zal zijn en betreur ik allerminst den tijd en de moeite, die mij in staat stelden, om de vrijheidsliefde van Virginië, de koloniale politiek van CROMWELL, Maryland's streven naar onafhankelijkheid, de oorspronkelijke instellingen van Rhode-Island en de onbuigzaamheid der Puriteinen van Nieuw-Engeland in een, gedeeltelijk althans, nieuw licht te plaatsen 2).quot;
In de drie eerste deelen wordt de geschiedenis van
179
het ontstaan en van de minderjarigheid der koloniën tot den vrede van Aken in 1748 geschetst. Zij moet ons leeren, waarom de Amerikanen een vrij en ver-eenigd volk zijn. Aan hen, die zich over de al te uitvoerige behandeling van dit gedeelte beklaagden, herinnert BANCROFT, dat de geschiedenis der omwenteling zonder nauwkeurige kennisneming van de geschiedenis der kolonisatie onmogelijk te begrijpen is „De rijpe mannelijke leeftijd der natie is slechts de voortzetting van haar jeugd en de geest, welke de volkplantingen bezielde, streefde van den aanvang af naar vrijheid. Virginië verkondigde het eerst de leer der volkssouvereiniteit, het volk van Maryland koos zich zijn eigen regeering, New-Plymouth, Connecticut, New-Haven, New-Hampshire en Maine lieten het volk over zijn wetgeving beslissen, terwijl in Massachusetts een republikeinsche regeeringsvorm ontstond.quot;
Met groote voorliefde worden de Puriteinen ge-teekend 3). „De pelgrims waren Engelschen, Protestanten, verbannenen om hun geloof, in de school des ongeluks gevormd, door geen wet gebonden, behalve door die van den godsdienst en den wil van allen. Voordat zij aan land gingen, verbonden ze zich tot een staatkundige corporatie. Dit document heeft de constitutioneele vrijheid in het leven geroepen. In de kajuit der „Mayflowerquot; hernam de menschheid
i So
haar rechten en stelde de regeering op den grondslag van gelijke wetten tot nut van het algemeen. Toen de pelgrims de eerste kolonie van Nieuw-Engeland stichtten, waaraan zij, uit dankbaarheid voof de gastvrijheid in de laatste engelsche haven genoten, den naam Plymouth gaven, waren democratische vrijheid en een onafhankelijk Christendom plotseling en gelijktijdig in Amerika gegrondvest.quot;
Vooral voelt Bancroft zich aangetrokken door de tiguur van Roger Williams, den stichter van Rhode-Island 4). „Toen hij, even dertig jaar oud, in Amerika kwam, had hij reeds een ontdekking gedaan, waardoor hij zich onsterfelijken roem heeft verworven. Hij, ja hij alleen had het groote beginsel gevonden, waartegen de onverdraagzaamheid niet bestand is. Hij verkondigde de onschendbaarheid van het geweten. Deze leer, die aan de burgerlijke overheid verbood, om de vrijheid van den mensch aan banden te leggen, sloot een volkomen hervorming der theologische rechtspraak in zich, bluschte de vlammen uit, die de geloofsvervolging zóó lang gevoed had en schonk aan eiken geloofsvorm gelijke bescherming. De heiligheid van het geweten was de groote leerstelling, die hij in al haar gevolgtrekkingen verdedigde van het oogenblik, dat hij den voet zette op den bodem van Nieuw-Engeland tot zijn laatsten ademtocht. In een tijd, toen Duitschland voor geheel Europa het
i8i
slagveld was in de godsdienstoorlogen; toen Frankrijk nog den vreeselijken kamp tegen het bijgeloof te voeren had en Engeland onder het despotisme der onverdraagzaamheid zuchtte; voordat Descartes de nieuwere wijsbegeerte op de vrijheid grondvestte, heeft Roger Williams voor de vrijheid van den menschelijken geest gestreden. Hij was de eerste onder de Christenen van den nieuweren tijd, die de leer van de vrijheid des gewetens en van de gelijkheid aller godsdienstige meeningen voor de wet verkondigde, de voorlooper van mllton en Jeremias Taylor. Maar terwijl Taylor zijn verdraagzaamheid tot enkelijke christelijke sekten beperkte, omvatte William's menschenliefde de gansche aarde; Taylor achtte de aanneming van sommige meeningen noodzakelijk tot instandhouding van den godsdienst en tot uitroeiing der ketterij, terwijl Williams de waarheid in den glans van haar eigen licht wilde laten wandelen, vast overtuigd, dat zij des te sneller zou zegepralen, wanneer men zich in den strijd tusschen waarheid en dwaling van geweld onthield. Hij verdient een plaats onder de weldoeners van ons geslacht.quot;
De oorsprong der Kwakers wordt door Bancroft zeer eigenaardig verklaard: „ Het oogenblik was gekomen, toen het plebejisch verstand zich aangordde, om de menschen van erfelijke vooroordeelen te bevrijden; toen de vrijzinnige gevoelens van Baco, de
i82
bezielende invloed van wlcllf, de staatkunde van wat tyler zich in een enkele sekte vereenigden; toen een populaire, godsdienstige partij, steunend op een goddelijk beginsel, vrijheid van den geest, reinheid van zeden en recht voor allen eischte. Deze sekte ontstond in een tijd, toen het hart van Engeland met verheven gevoelens vervuld en het gemoed van het volk door partijdige leidslieden verontrust werd; toen ijver voor hervorming de kerk geen rust liet, tronen omverwierp en de voorrechten van den ouden tijd ophief; toen in ieder dorp Presbyterianen, Anabaptisten en Independenten met elkander streden en deze een bond sloten tegen de Catholieken en de engelsche kerk. Zulk een sekte kon alleen uit het volk voortkomen, dat bij een zegepraal slechts winnen , bij een nederlaag niets verliezen kon. De bevoorrechte klassen hadden geen reden om een beginsel te steunen, dat de vernietiging van alle privilegiën bedoelde. Arme handwerkslieden — zeide William Penn — zijn gewoonlijk de boden, die God tot de menschen zendt. Volgens Barclay, die in zijn Apology de beginselen en de leerstellingen der Kwakers verdedigde, had God eenige verachte, onbeschaafde lieden bezield, om het evangelie te verbreiden. De Kwakers waren er trotsch op, dat zij de waarheid uit den mond van ongeleerde lieden vernamen. Een plebejische sekte heeft aan de engelsche boeren dezelfde
183
methode van vrij onderzoek geleerd, die Athene's jongelingen uit den mond van Socrates vernamen.quot;
De geschiedenis der koloniën loopt, gelijk wij reeds opmerkten, tot het jaar 1748. Nadat bancroft de plannen en besluiten van de voornaamste vorsten van Europa geschetst heeft, eindigt hij het eerste gedeelte van zijn werk op de volgende treffende wijze: „Engeland en Frankrijk zouden na jarenlangen strijd met elkander in vrede leven. De bekwaamste diplomaten van Europa, die te Aken bijeengekomen waren, beschouwden zich als de scheidsrechters van Europa, als de vredestichters der wereld en meenden aan het koloniale stelsel een gronslag te geven, die eeuwen zou duren, en den vrede van Europa door verdeeling der materieele kracht te verzekeren. Maar reeds tijdens het Congres van Aken zwierf de jeugdige George Washington, de zoon eener weduwe, in de bosschen van Virginië rond. Aan den oever van den Potamac, onder het dak van een pachter geboren, was hij reeds vroeg wees geworden. Geen Academie had voor hem haar gehoorzalen ontsloten. Hij kon slechts lezen, schrijven en rekenen. Toen hij op zestienjarigen leeftijd 4) landmeter geworden was; met allerlei bezwaren te kampen had en met verrukking aan een schoolkameraad kon schrijven, dat hij reeds wat verdiende; toen hij zijn eigen kok was, het Alle-ghany-gebergte beklom, aan de oevers der Schenan-
184
doah rondoolde en met bewondering de boomen en het vruchtbare land beschouwde; toen hij te midden van wilden woonde, zelden op een bed sliep en dikwijls in de bosschen overnachtte, maakte deze jeugdige landmeter met zijn onbeschaafde kameraden een treurig figuur, vergeleken met de keizerlijke pracht op het Congres van Aken. En toch had God nóch Kaunitz, nóch Newcastle, nóch een vorst uit het huis van Habsburg of Hannover, maar den zoon der weduwe uitverkoren, om de rechten en het lot van tallooze millioenen te verdedigen.quot;
Het eerste deel van de geschiedenis der amerikaan-sche revolutie loopt over de jaren 1748—1763. Frankrijk, niet tevreden met het bezit van Canada in het Noorden en van Louisiana in het Zuiden, trachtte de vruchtbare vlakte van den Ohio te veroveren. Het verloor al zijn bezittingen in Amerika. De vrijheid behaalde de overwinning op het despotisme. „De kolonisten uit Engeland brachten de regeeringvormen van het Moederland mede en koesterden het voornemen, om ze naar het Westen over te planten. De fransche emigranten namen slechts met zich, wat tot het verleden behoorde. De engelsche volkplanters behielden de privilegiën van het vaderland, maar lieten den koning, den adel, de bisschoppelijke macht in het Moederland. Het fransche Amerika was gesloten
185
voor elke lichtstraal van geestelijke onafhankelijkheid en had geen plaats voor de ontrouwe zonen van Rome's kerk, terwijl in Amerika de macht van het volk veel grooter was dan in het Moederland. Zijn bewoners waren vrije grondbezitters, bezaten scholen, zoodat ieder kon lezen en schrijven; zij hadden drukpersen , waardoor boeken, vlugschriften en couranten onder hen verbreid werden; hun geestelijken bestonden voor het grootste gedeelte uit theologen, door hen zelve gekozen. Alle landen van de golf van Mexico tot de sneeuw- en ijsstreken, waar de beschaving niet kon doordringen, waren hun erfdeel geworden.'' De engelsche taal, in het begin der ïy^e eeuw nog slechts tot een paar kleine eilandjes beperkt, kon zich nu verder dan eenige andere uitbreiden. Vol geestdrift roept Bancroft uit: „Taal van Milton en Hampden, taal van mijn eigen vaderland, neem bezit van het vasteland van Noord-Amerika! Laat op de nog dorre vlakten tonen hooren, die aan de engelsche lier ontlokt zijn en van vrijheid en humaniteit spreken ! Vervul de dalen met de stemmen der reine liefde, met de geloften van trouwe vriendschap! Verbreid in de wereld de gedachten van de toekomstige apostelen der volksvrijheid en laat de blijde boodschap van gelijke rechten voor allen overal vernomen worden!quot;
Het volgende deel (1763—1766) maakt ons getuigen van de omkeering, die in de publieke opinie der
186
koloniën omtrent Engeland plaats had. Tot nu toe was ieder kolonist trotsch geweest op het Moederland en had het als zijn tehuis beschouwd. De vrede van 1763 was niet slechts in Europa, maar ook in Amerika met blijdschap begroet. „De Heidenen zijn verbannen. Canada is overwonnen. Geen regeering in de gansche wereld is zóó geschikt als die van Engeland tot bevordering der vrijheid en der burgerlijke en godsdienstige ontwikkeling. Elk britsch onderdaan in Amerika heeft recht op dezelfde privilegiën, die de Engel-schen genieten. De belangen van Engeland en zijn koloniën zijn ee'n en wat God vereenigd heeft mag de mensch niet scheiden.quot; Maar Engeland had geld noodig voor zijn door den oorlog uitgeputte schatkist en de bekende zegelbelasting wordt aan de koloniën opgelegd. Zij weigeren en beschouwen het als een schreeuwend onrecht, dat een Parlement, waarin zij zelve niet vertegenwoordigd zijn, hun belastingen oplegt. Reeds in het volgende jaar wordt de gehate wet ingetrokken, vooral door den invloed van WILLIAM PlTT, „den grootsten Minister zijner eeuw, een der weinige uitnemende mannen van zijn tijd, deneenigen redenaar, die met Demosthenes kan vergeleken worden, den man zonder titel of vermogen, die Engeland, in den afgrond van zwakheid en schande verzonken, groot heeft gemaakt.quot; Amerika noemde hem den grootsten staatsman in Engeland, den veroveraar
IS;
van Canada en van de Ohio-vlakte, den apostel der vrijheid. „ Het dankbare Amerika erkent uw verdiensten, daar het door u zijn vroegere vrijheden herkregen heeft. De algemeene vreugde in Amerika, dat u als zijn vader zegent en warme gebeden voor u ten hemel opzendt, kan u misschien kracht en moed schenken, om uw beddeke op te nemen en te wandelen, gelijk zij, die genezen werden door hem, die van den hemel kwam, om ons te verlossen. Moge de dag nog verre zijn, dat gij op aarde voor de zaak der vrijheid niet langer kunt strijden!quot;
Over het Congres, in 1765, het jaar der zegelbelasting, door de koloniën te New-York gehouden, schrijft BANCROFT: „Eenheid of dood werd meer en meer de leuze. Nimmer, zelfs niet tijdens de kruistochten en de hervorming, waren de bewoners van provinciën, die op zulk een afstand van elkander gescheiden waren, zoozeer door een en denzelfden geest bezield. Al zagen zij de noodzakelijkheid eener Onafhankelijkheidsverklaring nog niet in, eenstemmig verwierpen zij een onvoorwaardelijke onderwerping aan het Moederland. Van „passieve gehoorzaamheidquot; wilden zij niets weten. Engeland zou volgens hen eerst dan zijn transatlantische bezittingen verliezen, wanneer het tot willekeurige maatregelen de toevlucht nam. Maar zij bleven nog hopen, dat de stem, die de meening uitdrukte van alle bewoners in Amerika,
188
weerklank zou vinden, zoodat Engeland en Amerika weder in vrede en harmonie konden leven.quot;
In het derde deel (Mei 1766—Mei 1774) bepaalt de schrijver onze aandacht bij de crisis, die tot de omwenteling leidde. Al had Engeland de zegelwet ingetrokken, het bleef hetzelfde beginsel handhaven. William Pitt, thans graaf van Chatham, was oud en ziekelijk geworden. „De leeuw had het woud verlaten, waarin hij als heerscher omzwierf, en was uit eigen beweging in de kooi gegaan. Zijn populariteit had hij verloren. Hij was voortaan slechts een engelsche graaf en de schaduw van een eersten minister; hij vertegenwoordigde niet meer de nationaliteit van het engelsche volk.quot; Belastingen op de thee, het glas, het papier, de verfwaren, die uit Engeland kwamen, werden ingevoerd. Al werd de wet na drie jaar weder ingetrokken, de belasting op de thee moest behouden blijven als bewijs, dat het Parlement het recht had, om aan de koloniën belastingen op te leggen. Het voorbeeld van Boston, waar 340 kisten thee in het water geworpen werden, vond elders navolging. Twee dagen nadat de tijding hiervan in Engeland gekomen was, stond Franklin als agent van verschillende koloniën voor den geheimen Staatsraad. „Hij was eerwaardig om zijn roem in de wereld der wetenschappen en wegens zijn ouderdom. Een der lords scheldt hem voer een doortrapten booswicht uit. Hij, wien Kant den moder-
189
nen Prometheus noemde, stond daar onbevreesd en rechtop tegenover den Staatsraad. Hij nam afscheid, om het hemelsch vuur der vrijheid onder de menschen te verbreiden en zijn naam onder elk vólk bemind te maken, vereerd wegens de goedheid van zijn hart, bewonderd om zijn talenten, hooggeacht om zijn vaderlandsliefde en zijn liefde voor de menschheid.quot;
Het ultimatum, dat Amerika bij monde van Samuel Adams, een zijner grootste zonen, uitsprak, luidde: Wij wenschen een duurzame vereeniging met het Moederland, onder één voorwaarde: dat wij vrij zullen zijn. Maar het Parlement nam de bekende Boston Port-Bill aan, waardoor de haven der stad voor eiken handel gesloten werd. De misdaad der Amerikanen schreide ten hemel. boston verdiende niet anders dan vernietigd te worden. Carthago delenda est. Tegen hoogverraad mochten geen zachte maatregelen genomen worden. Te midden van dergelijke stemmen waagden slechts enkelen voor de kolonisten partij te kiezen, o. a. Edmund Burke, die hun rechten verdedigde: „Zullen wij onzen kinderen, die brood van ons vragen, steenen geven ? Indien zij wenschen hun moeder op zijde te streven, zullen wij hun dan, in plaats van onze kracht, onze zwakheid, in plaats van onzen roem, onzen smaad schenken?quot;
De haven van Boston was gesloten, de inkwartiering der engelsche troepen binnen de stad door
de wet bepaald. „Zoo begon Engeland den oorlog tegen de vrijheid van het menschdom. Overweldigers hadden Polen onder elkander verdeeld. De privilegiën van Zweden waren door verraad vernietigd. De vrije steden van Duitschland geleken op vonken, die langzamerhand uitdoofden. Venetië en Genua hadden door buitensporige weelde den geest der onafhankelijkheid verstikt. Als het Engeland gelukte door geweld zijn onbeperkt gezag in Amerika te bevestigen, waar zou dan de humaniteit een schuilplaats vinden? Maar de periode der slavernij en der ongelijkheid moest plaats maken voor een andere, waarin gelijkheid en broederschap zouden heerschen quot;
In de beide volgende deelen 5) worden slechts twee jaren (Mei 1774—Juli 1776) behandeld, de belangrijkste uit de geschiedenis der Vereenigde Staten, waarin ten gevolge van Engeland's onhandelbaarheid de burgeroorlog uitbreekt en Amerika eindelijk besluit, om zich van het Moederland onafhankelijk te verklaren. „Het uur der amerikaansche revolutie had geslagen. Het volk gehoorzaamde met onweerstaanbare kracht aan een algemeenen drang, evenals de aarde in het voorjaar naar het gebod der natuur luistert. Langzaam en majestueus had de verandering plaats, welke de goddelijke Wijsheid bestuurde en die door geen menschelijke politiek of door geweld kon teruggehouden worden. De onvernietigbare ele-
igi
menten der vrijheid in de koloniën eischten ruimte, om zich uit te breiden en te groeien. De Amerikanen beschouwden de tradities der vrijheid als hun erfdeel. Meer dan eenig ander volk hadden zij de macht van het persoonlijk geweten en van de rede geëerbiedigd.quot; In September 1774 komt voor het eerst het Congres te Philadelphia bijeen. Nog altijd hoopt men, dat de rust op constitutioneelen grondslag hersteld zal worden. Het Congres richtte zich tot het engelsche volk, met de bede om de vrijheid, die het zelf genoot. Nimmer zou het zich aan een Regeering of aan eenig volk der wereld onderwerpen, dat met de wetten der menschheid speelde. In het Parlement van Engeland treedt Chatham nogmaals voor de rechten der kolonisten op. Hij wekt tot terugroeping der troepen uit Boston op, tot intrekking der wetten, die van een vijandige gezindheid jegens Amerika getuigen. Maar hij werd voor een verrader van Engeland uitgescholden. Aan Amerika zou slechts de keuze overgelaten worden tusschen onderwerping of onafhankelijkheid.
Met den slag van Lexington (19 April 1775) begint de burgeroorlog. Uit de uitvoerige schildering, die Bancroft van de overwinning geeft, nemen wij een paar bladzijden over. Slechts een Amerikaan kon met zulk een geestdrift daarover schrijven 6): „ Onze mannen, die bij Lexington gedood of gewond wer-
192
den, hebben door hun moed bewezen, dat zij tot een goddelijk geslacht behoorden. Zij gaven hun leven als een getuigenis voor de rechten der mensch-heid en lieten aan hun vaderland de belofte der overwinning in den geweldigen kamp, dien zij begonnen hadden. Hun namen leven in dankbare herinnering voort en millioenen hunner landgenooten verkondigen hun lof van geslacht tot geslacht. Het licht, dat hen bestraalde, was aan de geschiedenis der menschheid ontstoken: aan de tradities der oude Hebreen, aan de helden en wijzen der republieken van Griekenland en Rome, aan het leven van hem, die zich voor de menschheid aan een kruis opofferde, aan het godsdienstig geloof, dat de nabijheid Gods verkondigt, aan het vurig geloof en den moed van Maarten Luther, aan het vertrouwen op Gods alomtegenwoordigheid, door Paulus van Tarsen, augustinus, calvijn en de theologen van Nieuw-Engeland gepredikt, aan de staatsmannen en wijsgeeren, die de omwenteling van Engeland in 't leven riepen, aan den vrijzinnigen geest en den lust tot onderzoek der 18de eeuw, aan de wolke van getuigen uit alle eeuwen voor het recht der menschelijke vrijheid .... Maar waren zij, die Lexington verdedigden, geen onderdanen van den engelschen koning ? Kon hun tegenstand rechtvaardig heeten ? Er was nog geen bond gesloten en de onafhankelijkheid nog niet verklaard. De land-
193
bouwers en handwerkslieden, die op den heuvel bij Concord stonden, moesten handelen en de keuze doen tusschen oorlog en vrede, tusschen onderwerping of onafhankelijkheid. Indien zij geaarzeld hadden, dan zou vertwijfeling hun deel geweest zijn. Zij gehoorzaamden in dit uur aan het hoogste instinct, welks kiem in het gemoed van al hun landgenooten voorhanden was .. . Duisternis bedekte de aarde, maar er was geen tijd om te slapen. Herauten, gezeten op vlugge, overal gereedstaande paarden, brachten de blijde boodschap der overwinning van land tot land, het eene dorp aan het andere, de zee aan de bosschen, de vlakten aan de hooglanden, totdat zij naar het Noorden en het Zuiden, het Oosten en het Westen verbreid was. Zij klonk als trompetgeschal van bergspits tot bergspits, totdat zij zich eindelijk van Quebec's rotsachtige oevers liet hooren. Door één geest bezield, riepen allen als uit één hart: Vrijheid of dood!... Gewoonlijk zijn de menschen geneigd onbillijk te zijn tegenover hen, die zij verslagen hebben. Maar de Amerikanen, die reeds zooveel geleden hadden, behandelden de gevangenen op de teederste wijze, verpleegden de gewonden, alsof zij leden hunner eigen familie waren. Engelsche artsen werden door hen ontboden. En toch verbreidde de vijand nog het gerucht, dat de rebellen aan eenige gewonden, die in hun handen gevallen waren, de
13
194
ooren hadden afgesneden! Het volk, dat hij op zulk een wijze belasterde, muntte door barmhartigheid en medelijden boven anderen uit.quot;
Met ontzetting werd in de laatste dagen van Mei het bericht der overwinning op 19 April vernomen. De burgers van Londen richtten een adres aan den koning, om zich met Amerika te verzoenen. Door een genootschap werden 100 pond bijeengebracht „tot ondersteuning van weduwen, weezen en bejaarde ouders onzer geliefde amerikaansche medeonderdanenquot;. Maar de koning en de Regeering bleven doof voor al die stemmen. Men meende op de hulp van Canada's bewoners te kunnen rekenen. Ook Rusland's bijstand zou niet tevergeefs ingeroepen worden. Indianen en negers konden in den oorlog dienst doen. „Maar de sympathie voor Amerika, die onder het engelsche volk steeds toenam, drong zelfs tot den broeder des konings, den zwakken, maar beminnelijken hertog van Gloucester, door. Als gast van Lodewijk XVI ontmoette hij onder de bezoekers ook een jong man van nog geen achttien jaar, Gilbert Motier de Lafayette. Zijn vader was op zijn 25ste jaar in den slag bij Minden gevallen en had een eenig tweejarig zoontje achtergelaten, dat als knaap van moed en van vrijheid droomde. Niets trok hem bij zijn studiën zoo machtig aan als de geschiedenis der republieken. Rijke erfenissen waren hem ten deel
195
gevallen en reeds op zestienjarigen leeftijd trouwde hij en wenschte als avonturier de wereld door te trekken, om beroemd te worden en voor de vrijheid te strijden. Als gast bij het feest ter eere van den hertog van Gloucester luisterde hij met ingespannen aandacht naar de schildering van den opstand der landbouwers in Nieuw-Engeland. In zijn schitterende visioenen had hij nooit zulk een wonder aanschouwd. De jeugdige natie, die voor het recht streed om zich zelve te regeeren, nam zijn gansche verbeeldingskracht in bezit. Steeds werd hij warmer, opgewondener en nog voordat hij van tafel opstond, hadden de mannen van Lexington en Concord in Lafayette een vrijwilli-gen strijder voor Amerika gewonnen.quot; Ook de beaux esprits, de wijsgeeren en de staatkundige redenaars in de koffiehuizen te Parijs hadden sympathie voor de Amerikanen, die volgens hen weldra zouden ophouden Engeland's onderdanen te zijn.
Nog altijd bleef het Congres een weifelende houding aannemen. De meerderheid kon nog niet besluiten, om zich van het Moederland, dat hun zoo dierbaar was, waaraan zij zooveel verplichtingen had, af te scheuren. Eindelijk werd Washington (15 Juni 1775) tot generaal van het amerikaansche leger benoemd. „Hij was toen 43 jaar oud. Zijn lichaamsbouw was krachtig, zijn borst breed. Ten gevolge van zijn verblijf in de wildernis en zijn groote matigheid over-
196
trof hij de meesten in kracht. Zijn gelaatskleur was blozend, zijn haar donkerbruin, zijn hoofd geheel rond. De blauwe oogen drukten gelatenheid en ernst uit, die bijna aan weemoed grensden. Moed was bij hem zoo iets natuurlijks, dat men daarvan ternauwernood gewaagde, als men zijn lof verkondigde. Vrees voor gevaar was hem onbekend. Hij ging stil zijn weg, was vriendelijk en medelijdend, terwijl hij weinig om zijn eigen persoon dacht. Zijn hartstochten, die soms heftig konden zijn, wist hij in toom te houden. Groot was zijn vertrouwen op de Voorzienigheid. In liefde voor de godsdienstige vrijheid stond hij bij geen wijsgeer der i8de eeuw achter. Niemand was verdraagzamer dan hij. Hij nam het opperbevel van het leger aan, hoewel hij verklaarde voor dien post niet berekend te zijn 7).
Met wat al moeilijkheden had hij te kampen, aan het hoofd van ongeoefende soldaten, die soms tot muiterij dreigden over te slaan, wanneer de soldij niet betaald kon worden! Bij velen verkoelde de liefde voor het vaderland, Washington's verzoek om ondersteuning van het Congres was telkens vruchteloos. Maar hij verloor den moed niet. De troepen van koning George III bestonden grootendeels uit koningsgezinde Amerikanen of uit Engelschen, die pas in Amerika gekomen waren, uit Ieren, Schotten, Hessen en Hannoveranen. Rusland had hulp beloofd,
197
maar stelde den koning teleur. Van Frankrijk was geen bijstand te verwachten. Holland hield zich neutraal, wat vooral te danken was aan baron van der Capellen, „ den Gracchus der nederlandsche republiekquot;. Toen het Washington gelukt was de Engelschen voor goed uit Boston te verdrijven, vereerde het Congres hem met een gouden medaille en sprak den wensch uit, dat volgende geslachten voor hem de on vergankelij kste monumenten zouden oprichten. „De bevrijding van Nieuw-Engeland kostte slechts 200 manschappen, die in den strijd gevallen waren; onder hen, die den intocht van den generaal na zijn onbloedige overwinning begroetten, ontmoette hij geen rouw-dragenden.quot; Op de bewoners van Nieuw-Engeland houdt Bancroft de volgende lofrede, die zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten: „Hoeveel geduld en standvastigheid hebben zij betoond! Zij gehoorzaamden aan de stem daarbinnen, die hun beval de vrijheid als een geboorterecht te eischen. Vroom, tevreden, vlijtig zochten zij het richtsnoer hunner handelingen in de eeuwige wet van den plicht. Steeds naar waarheid dorstende en in een materialistische eeuw het wereldraadsel trachtende op te lossen, stonden zij vast in het geloof, dat al het geschapene aan de heerschappij der goddelijke gerechtigheid onderworpen is. Nimmer werd de kracht van hun wil door twijfel verlamd. Hun liefde omvatte de gansche wereld.quot;
198
In het begin van 1776 meenden sommige leden van het Congres, dat thans de tijd gekomen was, om zich van Engeland onafhankelijk te verklaren, o.a. JOHN Adams, „de geleerdste van alle amerikaan-sche staatslieden onder zijn tijdgenootenquot;. Velen verklaarden zich daartegen, omdat dan de hoop op verzoening geheel moest worden prijsgegeven. Anderen wilden althans wachten, totdat een verbond met den koning van Frankrijk gesloten was. Op aandrang zijner ministers, vooral van Vergennes, liet Lodewijk XVI zich bewegen, om een som van 200,000 dollars aan de Amerikanen voor te schieten. De 2dc Juli was de dag, waarop de koloniën, met uitzondering van New-York, besloten, dat zij vrije en onafhankelijke staten zouden zijn, terwijl elke staatkundige betrekking met Engeland opgeheven werd. Over den opsteller der acte van onafhankelijkheid, Thomas Jefferson , oordeelt Bancroft gunstiger dan vele andere geschiedschrijvers: „De hem van natuur eigene sympathie stelde hem in staat, om in de ziel van zijn volk te lezen, zoodat zijn landslieden in zijn geschriften niets vonden, wat zij niet reeds lang als hun eigendom beschouwd hadden. Meer dan iemand vertrouwde hij op de rede en het geweten zijner medemenschen. Steeds matig in zijn levenswijs, wist hij altijd zijn hartstochten te beheerschen. Hij kende de letterkunde van Griekenland en Rome, beoefende gaarne de natuur-
199
kunde, maar had een afkeer van metaphysica. Hij haatte bijgeloof en onverdraagzaamheid en in veler oog was hij ook omtrent den godsdienst onverschillig. Toch was hij een idealist, gelijk ieder, die een onwrikbaar vertrouwen op het volk bezit. Afgunst was hem onbekend. Voor algemeene beginselen, van welker waarheid hij overtuigd was, kwam hij rond en open uit, maar abstracte theorieën stonden hem tegen. De oorkonde, waarvan hij de vervaardiger was, hield hij voor het morgenrood van duurzamen roem. Zijn hart en het hart zijner medeleden, die de verklaring aannamen, klopten voor de gansche menschheid. Met haar begint een nieuwe periode in de geschiedenis. Voor de beschaafde wereld was zij van het hoogste gewicht: want zij sloot de hervorming van het engelsche Parlement, de bevrijding van Ierland, de verlossing van het fransche volk en het ontwaken van alle europeesche natiën in zich.quot;
De twee laatste deelen loopen tot den vrede tusschen Engeland en de Vereenigde Staten (1776—1782). Zij, die vroeger in Engeland de rechten der Amerikanen als medeonderdanen verdedigd hadden, vielen hen af, toen ze zich zelfstandig verklaard hadden. Het kostte moeite, om den zwakken Lodewijk XVI met zijn liefde voor de monarchie, met zijn afkeer van republikeinsche rebellen tot erkenning hunner onafhankelijkheid te bewegen. Maar de adel en het
200
volk, de wijsgeeren en de arbeiders van Parijs hadden sympathie voor hen. „De banieren van Frankrijk en de Vereenigde Staten, door geen andere regeering ondersteund, maar met de beste wenschen van alle europeesche volken uitgetrokken, stonden tegenover Engeland. Een onschatbaar voordeel voor de Vereenigde Staten, maar niet minder voor Frankrijk! Frankrijk, dat zijn heil in het scepticisme gezocht had, leerde van Amerika die vrijheid kennen, welke onafscheidelijk is van liefde voor het goede, het schoone en het ware.quot;
Het viel den koloniën betrekkelijk gemakkelijk, om zich tot afzonderlijke staten te organiseeren. Elke staat had zijn afgevaardigden, zijn gouverneur, terwijl enkelen volkomen vrijheid van godsdienstige belijdenis genoten 8). Maar hoeveel kostte het, om zich tot een statenbond te vereenigen! De eerste poging daartoe (November 1777,1 mislukte, omdat men de souvereini-teit der afzonderlijke staten ongeschonden wenschte te bewaren. „Het kind, dat toen geboren werd, lag in de wieg tusschen strijdende vijandige machten; zou het in het leven blijven, dan moest de slang van het separatisme en van het despotisme vertreden worden.quot;
De overwinningen, door de Amerikanen te Trenton, Princeton en Saratoga behaald, mochten voor een poos hun moed aanwakkeren, maar met wat al moeilijk-
20I
heden hadden zij te kampen! Er was vaak gebrek aan alles. Het Congres, Ja zelfs washington wanhoopten aan den goeden uitslag. Maar Amerika vond sympathie in Europa. De groote koning van Pruisen, al kon hij zelf geen hulp verleenen, daar hij geen vloot bezat, deed alles om Frankrijk gunstig voor de koloniën te stemmen Toen in Mei 1778 het verdrag met Frankrijk gesloten was, werd LodewijkXVIin Amerika als de beschermer van de rechten der mensch-heid verheerlijkt.
Bij herhaling had washington aangedrongen op de noodzakelijkheid eener Unie der dertien souvereine staten. „ Zoolang wij gescheiden blijven, is ieder met zijn eigen aangelegenheden bezig. Er moet een nationale eenheid zijn. Allen moeten medewerken tot het welzijn van het algemeen, tot heil van ons gemeenschappelijk vaderland, onze edele zaak, die de zaak der menschheid is. Blijft alles bij het oude, dan zuilen al onze pogingen vruchteloos zijn.quot; De iste Maart 1781 was een schoone dag in Amerika's geschiedenis, toen een bond der Vereenigde Staten tot stand kwam. De nederlaag, door de Engelschen te Yorktown in Virginië geleden, voorspelde het einde van den oorlog. In Frankrijk, waar men reeds lang met verlangen naar den vrede had uitgezien, werd de tijding met gejuich begroet. In Engeland wilden de koning en enkele leden van het Parlement nog van geen
202
vrede weten. Aan John Adams gelukte het, een verbond tusschen Holland en Amerika te sluiten 9). Toen eindelijk in Engeland ieder, die nog op voortzetting van den oorlog aandrong, als een vijand van zijn land beschouwd werd, moest George III toegeven en werd voorloopig op 30 November 1782 te Parijs de vrede onderteekend. ,, Zoo eindigde de oorlog met de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten. Waren vroeger republieken tot steden of kleine kantons beperkt, de Vereenigde Staten konden over een uitgestrekt gebied beschikken. Zij waren in het bezit der groote ideeën van hun tijd. Terwijl de constituties der enkele staten op het beginsel der zelfregeering berustten, hadden zij geen gemeenschappelijke regeering. Toen zij ongebaande wegen bezochten, verwachtten de koningen, dat de Bond weldra zou uiteenspatten ot in anarchie ondergaan. Maar zij zijn een volk geworden, dat de levenskracht bezat, om aan het organisme kracht te verleenen.quot;
Jaren lang had bancroft den wensch gekoesterd , om nog de geschiedenis van het ontstaan der Constitutie van de Vereenigde Staten te mogen schrijven. Die wensch werd vervuld, toen hij reeds in zijn 82ste jaar was. Een voorarbeid van vele jaren was daartoe noodig. De zittingen werden met gesloten deuren en onder uitdrukkelijk
203
bevel van geheimhouding gehouden. Daarom moesten de Archieven van New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, New-York, New-Jersey, Pennsylvanië, Delaware en Maryland door Bancroft onderzocht en kopieën van belangrijke stuken en brieven gemaakt worden. De rapporten van ambassadeurs, consuls of agenten der europeesche volken, die sinds de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten met hen handelsbetrekkingen aangeknoopt hadden, bewezen hem goede diensten. De toegang tot de Archieven van Frankrijk en Engeland stond voor hem open. Brieven van en aan Washington, manuscripten van John Adams en van zoovele anderen, die in deze periode een voorname rol speelden, heeft hij gebruikt. Bij het rang-schikken zijner materialen maakte hij een scherp onderscheid tusschen bronnen en hulpmiddelen, terwijl de wetten der historische kritiek niet uit het oog verloren werden. Zoo iemand, dan was Bancroft de man, om de geschiedenis van 1782—1789 te schrijven.
Op den 20sten Januari 1783 was voor goed de vrede gesloten, ,, die het recht eener republiek buiten Europa erkende.quot; De meeste europeesche staten: Zweden, Pruisen, Oostenrijk, Denemarken, de vrije stad Hamburg, Portugal, Rusland, Holland, Spanje, Frankrijk sloten een verbond van vriendschap met Amerika. Maar de toestand der dertien souvereine staten was
204
treurig. Steden waren verbrand, de handel kwijnde, er bestond geen regeering. Federalisten en democraten stonden lijnrecht tegenover elkander. De edelsten in het land waren van de noodzakelijkheid eener Unie der verschillende staten overtuigd. „Wij zijn — zoo liet Washington zich hooren — een vereenigd volk of wij zijn het niet. In het eerste geval moeten wij alle zaken, die nationale belangen betreffen, als een volk behandelen, dat een nationaal karakter heeft op te houden. Indien wij geen maatregelen nemen, die de eer en waardigheid van een volk eischen, dan kan er van een vereeniging geen sprake zijn.quot;
Met wat al bezwaren zou het ontwerpen eener Constitutie, die voor alle staten verbindend was. te strijden hebben! Dat in de toekomstige republiek vrijheid van godsdienstige belijdenis voor alle burgers in iederen staat zijn moest, stond bij allen vast. Episcopalen en Presbyterianen, Kwakers, Methodisten en Baptisten stemden hierin overeen, dat niemand door den staat in de vrije belijdenis van zijn godsdienst belemmerd mocht worden; dat er van een staatskerk geen sprake kon zijn. Maar over de quaestie der slavernij was geen eenstemmigheid tusschen het Noorden en het Zuiden te verwachten. Werd in de grondwet afschaffing der slavernij opgenomen, dan zou zij door de meeste staten van het Zuiden verworpen worden.
205
Den i ^den September 1787 was het congres te Philadelphia met het ontwerp eener Constitutie gereed. Geen enkel lid was er onbepaald mede ingenomen. Maar het was naar de overtuiging der meerderheid de beste, die op dat oogenblik te verkrijgen was. De Staten, welker afgevaardigden door het volk zouden gekozen worden, moesten over de aanneming beslissen. „Een nieuwe periode in de geschiedenis der menschheid begint; het volk kiest zijn vertegenwoordigers , om uitspraak te doen over de schepping eener federale republiek.quot; Er moest een keuze gedaan worden tusschen verschillende stelsels: men kon zich vereenigen tot één regeering, waarin voor het afzonderlijk bestaan der staten geen plaats was; iedere staat kon op zich zelf blijven bestaan, zonder eenige betrekking met de anderen; maar men kon zich ook tot twee of drie staten-bonden vereenigen. Wilde men geen dezer drie stelsels, dan bleef slechts het door het congres voorgestelde over: een vereeniging der staten tot één federale republiek.
In Pennsylvanië, Connecticut, Delaware, New-Jersey en Georgië werd de Constitutie zonder veel strijd, in de laatstgenoemde staten zelfs met algemeene stemmen aangenomen. Heftig en langdurig daarentegen was de strijd in Massachusetts. De abolitionisten konden geen Constitutie aannemen, waarin de slavernij geduld werd. „ Zullen wij, die ons zelve onafhankelijk
206
en vrij gemaakt hebben, anderen in slavernij houden?quot; Na aanneming met 187 tegen 168 stemmen „rookten allen de vredepijp der liefde.quot; Het voorbeeld van Massachusetts en vooral de invloed van washington werkten gunstig op de beslissing der overige staten. Hij wees er op, dat de deur voor amendementen openstond, die het gebrekkige in de grondwet konden wegnemen.
In Maryland werd de Constitutie met 63 tegen 11, in Zuid-Carolina met 149 tegen 73, in Virginië met 89 tegen 79, in New-Hampshire met 57 tegen 46 stemmen aangenomen. „Toen het vereischte aantal (10 staten) zijn goedkeuring aan de grondwet geschonken had, verspreidde zich de blijde tijding door het land en trilde veler hart van vreugde, omdat eindelijk de boom der Unie op vaste grondslagen rustte. Moge zijn stam nooit door den bliksem gespleten worden, zijn schoonheid blijven, zijn wortel nimmer vergaan!quot;
bancroft is hoogelijk met de Constitutie ingenomen. Als haar wegbereiders worden genoemd: George Fox, William Penn en Roger Williams; geleerden uit Oxford en Cambridge; Gustaaf Adolf en Oxestierna; kooplieden uit Nederland; Shaftesbury en Locke; de philanthroop Oglethorpe. „De materialen voor het gebouw der amerikaansche Constitutie waren de geschenken van alle eeuwen. Het
207
was de natuurlijke ontwikkeling van een oud beginsel.quot; Maar waarom bleef in de nieuwe wereld de engelsche taal behouden ? „ Wegens de eenvoudigheid harer samenstelling, haar logische orde, haar geschiktheid om aan de dingen des dagelijkschen levens en aan abstracte waarheden uitdrukking te geven; omdat zij in de wetenschap, in de debatten van het publieke leven en in de poëzie zulke uitnemende diensten kon bewijzen.quot; „Het eigenaardig kenmerk van het nieuwe volk was het beginsel der individualiteit, versterkt door den strijd met de natuur en haar wildernissen, door den oorlog tegen oude tradities. Hier werd geen onderscheid gemaakt tusschen nationaliteiten, stammen, rijkdom, ambt of geloof. Men kende alleen bewoners, die vertrouwen stelden op de regeeringen der verschillende vereenigde staten. De Constitutie bezit geen enkel artikel, dat aan de gelijkheid en individualiteit afbreuk doet. Zij kent geen onderscheid door verschil van afkomst, geen bevoorrechte klassen. geen staatsgodsdienst Gelijk de zee uit druppels gevormd is. zoo is de amerikaansche maatschappij samengesteld uit vrije, zich voortdurend bewegende atomen. Zoo kunnen de instellingen en de wetten uit de individueele gedachten ontstaan, die altijd in beweging zijn, gelijk de wateren van den Oceaan.. . De Constitutie kon de wetten over de slavernij der afzonderlijke staten niet afschaffen;
208
maar zij waarborgde de burgerrechten van den ge-emancipeerden slaaf en eigende zich het recht toe, om den slavenhandel af te schaffen in geannexeerde landen en in andere staten, zoodra zij daartoe bevoegd was. De drievoudige verdeeling der regeering in een uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht, in theorie door den beroemden MONTESQUIEU gepredikt, werd een deel der Constitutie van de Vereenigde Staten. Aan het volk is de macht geschonken, om amendementen op de Constitutie voor te stellen ter wegneming van leemten, die de tijd aan het licht zou brengen. De afzonderlijke staten zijn de bewakers der huiselijke veiligheid, de ouders, de beschermers der Unie. Zij vormen met den Bond een groot geheel, waarvan ieder deel even onmisbaar is. De Unie zonder op zich zelf staande staten is een harp zonder snaren en de staten zonder Unie gelijken op snaren, die gesprongen zijn. Zal er leven in het geheel zijn, dan moet ieder deel gezond wezen .... De philosophie van het volk der Vereenigde Staten is evenmin optimistisch als pessimistisch. Het gelooft in de rechtvaardigheid van „den grooten Bestuurder der wereldquot; en bewust van zijn ijver voor de zaak der vrijheid en der menschheid, richt het met een onbewolkte hoop zijn blik naar de toekomst.quot;
Op den 2(3ei1 Juli 1788 vernam het congres de tijding, dat de Constitutie was aangenomen. New-York werd
als zetel der regeering gekozen. Niemand anders dan Washington kon tot president benoemd worden. Toen hij op 14 April 1789 de tijding ontving, riep hij uit: „ Het kost moeite, om aan den avond van het leven een vreedzaam tehuis met een oceaan van moeilijkheden te verwisselen; maar al word ik door alle menschen verlaten, rechtschapenheid en vastheid van karakter zullen mij nimmer begeven.quot; Zijn reis naar New-York geleek op een triomftocht. Den 20,ten April had zijn inauguratie als president der Ver-eenigde Staten plaats. De ambasssadeur van Frankrijk schreef aan zijn regeering: „Allen zonder uitzondering toonden hun eerbied voor het beroemde hoofd der republiek. De nederigste was trotsch op zijn deugden. Men zag tranen van vreugde in de senaatskamer, in de kerk, zelfs op de straten. Nooit heerschte een vorst in de harten zijner onderdanen, gelijk Washington in die zijner medeburgers. Hij had de ziel, den blik, het voorkomen van een held. Nimmer scheen hij verrast over de hulde, die men hem betoonde; waardigheid en groote eenvoud waren bij hem vereenigd.quot;
Met den 5den Mei 1789, waarop de vertegenwoordigers van het volk hun adres aan den nieuwen president aanboden, eindigt Bancroft zijn werk. Aan de parallel tusschen Europa en Amerika ontleenen wij enkele zinsneden: „ Op dezen zelfden
14
2IO
dag opende lodewijk XVI de Staten-Generaal van Frankrijk. De dag der wraak, waarop Leibnitz de vorsten van Europa gewezen had, was aangebroken. Zijn oordeelen zouden te vreeselijker zijn, naarmate hij langer op zich had laten wachten. Geen enkel vorst, met uitzondering van den grooten Frederik van Pruisen, vermoedde dat een koning slechts reden van bestaan heeft, wanneer hij voor het volk nuttig is. Roovers verdeelden onder elkander het land van Kosciuszko. Het geloof was gestorven, de stem der gerechtigheid werd onderdrukt. Het atheïsme der aanzienlijken, die zonder God in de wereld leefden, verborg zich achter bijgeloovige vormen. In Engeland was een groot deel van het land door den adel in bezit genomen. De lagere klassen, door wanhoop beneveld, koesterden soms de vreeselijke gedachte, dat de godsdienst, de troost en de sterkte voor den armen man, misschien slechts een middel in de hand der onderdrukkers was, om haar in toom te houden. Voor de natiën was slechts redding mogelijk door omwenteling; maar de wapenen, waarvan zij zich moesten bedienen, waren vergiftigd. In Amerika daarentegen was een nieuw volk opgestaan, zonder koning, prinsen of edelen, dat niets van tienden en weinig van landheeren wist, daar de ploeg voor het grootste gedeelte in handen was van vrije grondbezitters. Zij waren oprechter in hun godsdienst.
211
beter opgevoed, zedelijk meer ontwikkeld dan de burgers van andere republieken. Hun Constitutie, waarin vrijheid en orde vereenigd waren, stond boven eenige andere en was beveiligd tegen geweld en revolutie, omdat zij plaats liet voor noodzakelijke hervormingen. Zij hadden op den gelukkigen morgen, toen zij een plaats innamen onder de machten der wereld, rechtvaardigheid tot hun gids gekozen. Terwijl zij vol vertrouwen en blijdschap hun weg vervolgden, hebben alle vrienden der menschheid hun zegen toe-gewenscht op hun voorbeeldeloos streven, om uitgebreide staten en landen als een bondgenootschappelijke republiek te besturen.quot;
Reeds hebben wij enkele gunstige getuigenissen over Bancroft's verdiensten als historicus vernomen. Zij kunnen met een menigte andere vermeerderd worden. Hij is genoemd „de eerste, die in de bouwstoffen der geschiedenis van Amerika orde wist te brengen''. Zijn groot geschiedkundig werk heette „not merely a narrative, but also a philosophical treatise, dealing with remarkable acumen the progress of enlightenment and liberal ideas.quot; ,, Bancroft schreef de eerste quellenmüssige Geschichte van zijn land. Hij is de grond-legger eener wetenschappelijke geschiedvorsching en geschiedbeschrijving der Vereenigde Staten. Hij verstaat de kunst der groepeering. Zijn onderzoek is
212
grondig, zijn kritiek scherp, zijn methode juist. Elk historicus van Amerika moet op zijn schouders staan 10).quot; Volgens een uitnemend bevoegd beoor-deelaar als Prof. Dozy bekleedt Bancroft's werk een eervolle plaats in de letterkunde en wordt het terecht genoemd als het beste, wat over dit onderwerp bestaat. „ Hij is een diepzinnig denker en een talentvol schrijver. Zijne redeneeringen zijn scherpzinnig; zijn stijl is schitterend en stout; zijne karakters zijn scherp geteekend; waar werkelijk lof verdiend is, is hij er niet karig mede en sleept den lezer mede in zijne geestdrift voor een groot man of een edele daad, terwijl hij in het tegenovergestelde geval het wapen der ironie meesterlijk weet te hanteeren. Aan levendige, schilderchtige beschrijvingen is zijn boek overrijk 11) quot; Niet ten onrechte is gewezen op den invloed, dien Bancroft's opleiding te Göttingen, Berlijn en Heidel-berg op zijn verdere ontwikkeling geoefend heeft. Zijn kennismaking met duitsche historici, met Heeren vooral, is zeker niet vruchteloos geweest. Met recht mogen de Duitschers er zich op beroemen, dat zij nauwkeuriger dan eenig ander volk de bronnen der geschiedenis onderzocht en critisch beoordeeld hebben. Wij behoeven slechts den beroemden naam van Leopold von Ranke te noemen, die in nauwgezette bronnenstudie door geen enkelen historicus overtroffen is. In dit opzicht mag ongetwijfeld Bancroft met
213
hem vergeleken worden, die, wij zagen het reeds, niet rustte, voordat hij al de materialen, welke hij behoefde, bijeenverzameld had en eerst dan zich nederzette tot het schrijven zijner geschiedenis, wanneer de bronnen aan een critisch onderzoek onderworpen waren. Al staat hij uitvoerig, soms al te uitvoerig, bij de kleinste details stil, de samenhang met het geheel wordt nimmer uit het oog verloren. Niet slechts bij het staatkundig leven der volken, dat Ranke al te zeer op den voorgrond plaatst, ook bij hun godsdienst, hun wetenschap en kunst^ hun handel en nijverheid, in één woord bij hun geestelijk leven in zijn verschillende takken bepaalt hij de aandacht zijner lezers. Hij is zijn stof geheel meester.
Maar bancroft is niet alleen een uitnemend ge-schiedvorscher, ook 2X1,geschiedschrijver mag zijn naam met eere genoemd worden (12). De man der wetenschap en de kunstenaar zijn in hem vereenigd. In dit opzicht overtreft hij de meeste duitsche historici, wier geleerde werken om hun gebrekkigen vorm het beschaafde publiek slechts zelden wisten te boeien (13). In talent van schilderen kan Bancroft met Macaulay vergeleken worden. Meesterlijk verstaat hij de kunst, om in enkele trekken groote persoonlijkheden of belangrijke gebeurtenissen te schetsen. Reeds gaven wij daarvan meer dan één proeve. Vooral de volgende
214
bladzijden verraden den kunstenaar; „ De boodschap, die george Fox aan pausen, koningen en edellieden bracht, was de kracht van het inwendig licht, dat nimmer verandert, dat de wereld doordringt en alles ternederwerpt, wat haar in den weg staat. Het bluscht het vuur, houdt wilde dieren in toom, brengt het zwaard in de scheede, bekeert misdadigers. Toen Fox op zijn sterfbed lag, was de eerwaarde prediker der gelijkheid van alle menschen boven de vrees voor den dood verheven en richtte zich zijn blik naar de nieuwe wereld. Pennsylvanië en Delaware waren door zijn geest bezield. Zijn laatste woorden luidden; gedenkt de arme vrienden in Amerika. Zijn werken verkondigen zijn lof. Geen tijd of afstand is in staat de gemeenschap met zijn geest te verbreken.quot; Op zijn graf werd het opschrift geplaatst: „Vele menschenkinderen hebben deugdzaam geleefd; maar gij, dierbare George, hebt ze allen overtroffen.quot;
„De eerwaardige persoonlijkheid der oude republieken scheen gekomen te zijn, om de huldiging van het vroolijke Parijs te ontvangen. Parijs was destijds het middelpunt van Europa's beschaving. De beste kunstenaars, de voornaamste musici verdrongen elkander aan het hof. De glans der monarchie werd in de Tuileriën en te Versailles met verkwistende pracht tentoongespreid en onuitputtelijk was men in het bedenken van nieuwe amusementen. De koningin
voelde zich gelukkig te midden der verblindende tooneelen, die zij in het leven riep, terwijl de koning zich vergenoegde in de hoogste macht, waarop hij recht meende te hebben. Voor Frankrijk waren de jaren, die nu volgden, de roemrijkste zijner geschiedenis, omdat het op de onbaatzuchtigste wijze voor de vrijheid der menschheid streed en daardoor den weg tot zijn eigen wedergeboorte baande. Maar Lode-wijk XVI en Marie Antoinette, toen zij zich tot Amerika's bevrijding inscheepten met de vroolijkheid aan den boeg en de onervaren hand der jeugd aan het roer, hadden de nieuwe republiek kunnen toeroepen: Morituri te salutant 1quot;
Wij willen nog een plaats geven aan de volgende parallel tusschen Luther en Descartes: „Degeest van het vrije onderzoek drong zoowel in de catho-lieke als in de protestandsche wereld door. Toen Luther op de knieën de marmeren trappen van een kerk te Rome opkroop, hoorde hij een stem in zijn binnenste, die hem toeriep: slechts door het geloof kan de mensch gerechtvaardigd worden. Gedurende een Novembernacht, dien descartes aan de oevers van den Donau doorbracht, dook een gedaante voor zijn geest op, die nimmer in het hoofd van een mensch was opgekomen, te hoog zelfs voor een Socrates of Aristoteles, voor de Academie of de Stoïcijnen. Zijn geest maakte zich los van alles,
2l6
wat buiten hem lag; in het bewustzijn zijner vrijheid stond hij tegenover elke traditie, alle gangbare meeningen , iedere wetenschap, elk bestaan buiten hem zelf. Het beginsel der individualiteit was de grondslag van de wijsbegeerte der toekomst geworden. Men behoefde niets als waarheid aan te nemen, wat niet met de eigen rede in overeenstemming was. Luther ontdekte een nieuwe wereld, waarin ieder zijn eigen priester, zijn eigen middelaar was; descartes opende het oog voor een nog onbekende wereld, waarin elk als wijsgeer, als beoordeelaar der waarheid kon optreden. Luther wekte een bijgeloovige wereld uit haar sluimering op, zonder daarom elk gezag te verwerpen. Met Descartes' beginsel stond de mensch op een afstand van kerk, hoogeschool, publieke opinie, overgeleverde wetenschap, van ieder uitwendig gezag en bewaakte de poorten van den nieuwen tempel des geestes, om eiken indringer af te wijzen en aan ieder geloof den toegang te weigeren, tenzij het eerst zijn pas getoond had.quot;
Verneemt ten slotte nog de karakteristiek van Kant: „In het N.-O. van Duitschland leefde een man, die met Leibnitz de eenige Duitscher was, welke onder de wijsgeeren een plaats naast Plato en Aristoteles verdiende in te nemen. Naar het beginsel der zelfstandigheid van den enkelen mensch hervormde hij de wijsbegeerte, evenals luther
217
de kerk. Gelijk deze in den paus en de prelaten zijn gelijken begroette, kon Kant Leibnitz en Hume niet als zijn meesters erkennen. Tusschen scepticisme en dogmatisme door voerde hij het schip naar de school der rede. Het volle bewustzijn van den mensche-lijken aanleg is de zeekaart, waarmede de stuurman zijn vaartuig kan voeren, waarheen hij wil. De mensche-lijke geest, die de grenzen zijner kennis heeft opgespoord en geen traagheid duldt in het gebruik zijner vermogens, onderzoekt vrij de zedelijke zoowel als de stoffelijke wereld, totdat hij beiden een antwoord afgedwongen heeft. Kant was, gelijk iemand gezegd heeft, de heraut van de wetten der rede, waaraan de natuur gehoorzaamt, aan welker heerschappij de geest zich niet onttrekken kan.quot;
Aan Bancroft's waarheidsliefde, aan zijn ernstig streven naar onpartijdigheid twijfelen wij geen oogen-blik. Toch zouden wij niet durven beweren, dat dit ideaal door hem bereikt is. In den grooten geschiedschrijver herkennen wij gemakkelijk den Amerikaan, die met zijn vaderlaad, zijn volk en zijn helden dweept en vaak al te uitbundig is in den lof van hen, die aan de Onafhankelijkheidsverklaring, den vrijheidsoorlog en de grondwet der Vereenigde Staten hun sympathie betuigden 14). Opzettelijk gaven wij den lezer een kort, hoewel natuurlijk uiterst vluchtig overzicht van Bancroft's werk, opdat hij
2l8
zelf althans eenigermate in staat zou zijn het te waardeeren. Maar daaruit is hem dan zeker ook gebleken, dat de schrijver niet geheel van partijdigheid is vrij te pleiten. Wij doen slechts enkele vragen: Kon Bancroft met recht beweren, dat de strijd der kolonisten tegen Engeland niet om hun rechten als onderdanen van het Moederland alleen, maar om de rechten der menschheid gevoerd werd? Zou van de amerikaansche geschiedschrijvers, die den vrijheidsoorlog beschreven, naar waarheid getuigd kunnen worden. „Zij waren door geen vooroordeel tegen Engeland bezield; geen enkele bladzijde werd door hen met bitterheid geschreven. Burgers eener republiek hebben geen reden, om van koningen en edellieden kwaad te spreken. Alleen zij, die tot de bevoorrechte klassen behooren, vertellen gaarne allerlei lasterlijke berichten over de buitensporige weelde aan de hoven en in de paleizen. Maar onze geschiedschrijvers dachten er niet aan dergelijke geruchten over te nemen, daar zij vorsten en aristocraten als menschen beschouwden, die zij onder de bescherming van de rechtbank der menschheid plaatsenquot;? Was de sympathie van Frederik II van Pruisen werkelijk zóó groot als Bancroft het voorstelt?
De geschiedschrijver verloochent zijn liefde voor het Protestantisme, voor de echt vrijzinnige protestantsche beginselen nooit. Maar het komt ons voor, dat hij
219
soms de helden van het Protestantisme idealiseert. Als voorbeeld nemen wij Luther. Kan van diens leer terecht getuigd worden, dat zij den sluier wegnam, welke de beschaving van het verleden van die der toekomst scheidt; dat hij de rechten der rede voor alle menschen gehandhaafd heeft? Kunnen wij onze instemming geven aan zijn bewering, dat Luther in den nieuweren tijd de menschheid heeft geleerd te hopen en vrij te denken; dat zijn beginsel van de rechtvaardiging alleen uit geloof nimmer zal worden prijsgegeven, zoolang de band tusschen den mensch en de eeuwige waarheid blijft bestaan? Ik geloof niet, dat velen op die vragen een bevestigd antwoord zullen geven.
Wij wagen het nog een andere bedenking in het midden te brengen. Het komt ons voor, dat bancroft soms al te uitvoerig is en zich noodeloos uitstappen veroorlooft, die in een „Geschiedenis derVereenigde Statenquot; niet op hun plaats zijn. Men versta ons intus-schen wel. Wij beweren allerminst met sommigen, dat de schrijver in de geschiedenis der kolonisatie den strijd tusschen de verschillende godsdienstige sekten met de staatskerk in Engeland niet had behoeven te schetsen. Wij zijn er hem dankbaar voor, dat hij tot recht verstand der amerikaansche omwenteling ons een blik gunt in het hof van Engeland, zijn verschillende ministeriën en de beraadslagingen
220
in het Parlement; dat hij ons in groote trekken de geschiedenis der voornaamste staten van Europa tijdens de revolutie voor den geest roept. Terecht toch heeft Bancroft opgemerkt: „ Elke groote europeesche gebeurtenis oefende invloed op het lot van Amerika. Wanneer een staat in Europa groot of machtig was, zocht hij door koloniën in het Westen zijn rijkdommen te vermeerderen; werd een godsdienstige sekte vervolgd, dan zocht zij een schuilplaats in de nieuwe wereld.quot;
Maar was het noodig, waar de verhoudingen tus-schen Duitschland en de Vereenigde Staten in het jaar 1778 ter sprake komen, in een afzonderlijk hoofdstuk de geschiedenis van het eerstgenoemde land, waarbij toch reeds meer dan eens de aandacht van den lezer bepaald was, te verhalen? De oorsprong zijner taal, de indruk, door de Germanen op de Romeinen gemaakt, hun veroveringen, Ulfilas en Bonifacius , Karel Martel en Karel de Groote , de bloei en het verval der pauselijke macht, Otto de Groote en Frederik Barbarossa, de vrije steden, Luther en de duitsche vorsten tijdens de hervorming, Gustaaf Adolf en Wallenstein , Lessing, Herder, Kant, Klopstock, Goethe, Schiller, Niebuhr komen achtereenvolgens ter sprake. Hoe interessant deze bladzijden op ach zelve moge zijn, de schrijver kan toch moeilijk bewe-
221
ren, dat zij onmisbaar waren tot recht verstand van het hier door hem behandelde onderwerp. En — om geen andere voorbeelden te noemen — onze zeeoorlog met Engeland in 1780 en 1781 had even kunnen vermeld, maar behoefde niet uitvoerig beschreven te worden.
BANCROFT heeft in de eerste plaats voor Amerikanen geschreven. Zij zullen zich gaarne de moeite en inspanning, die de lectuur van zulk een werk eischt, getroosten, om met het schoonste tijdvak hunner geschiedenis tot in de kleinste bijzonderheden kennis te maken (15). Toch heeft het, blijkens de herhaalde uitgaven in Duitschland en elders, ook duizende lezers buiten Amerika gevonden. Hij heeft een standard-work geschreven, dat hem onder de voornaamste geschiedschrijvers van onzen tijd een eereplaats verzekert.
AANTEEKENINGEN.
1) In een brief (i Maart 1852) van Theodore Parker aan Bancroft komen de volgende woorden voor: „I am waiting impatiently for your new book; if it is not the finest piece of historical composition in the English language, I shall never quite forgive you; for then it will not fulfil the prophecy, I have often madequot; {JLife and Correspondence of Jh. Parker, by John Weiss I, p. 296).
2) Men vergete niet, dat deze Voorrede geschreven werd in 1834. Thans zou hij natuurlijk over de werken van de Tocqueville, Laboulaye, Astié en anderen, die met zijn arbeid hun voordeel deden, anders oordeelen. „Jen'aipas cité — aldus Laboulaye — M. Bancroft aussi souvent qae j'aurais dü la faire. II eüt fallu mettre son nom è, chaque page; mais je n'avais pas toujours marqué les citations dans les notes qui ont servi tl la rédaction de mon cours, et c'est ainsi que plus d'une fois il ne m'a pas été possible de dire ü qui j'empruntais le récit des événements. Je n'entends en rien méconnaltre la grandeur de mes obligations , et je répète que j'ai presque toujours suivi 1'excellente Hisioire de M. Bancroft. Le controle même anquel j'ai soumis ce livre ne m'en a que mieux démontré le méritequot; (Voorrede van de 4de editie der Hisioire des Éiats- Lnis, p V.).
3) Vermelding verdient de volgende parallel tusschen de ridders en de Puriteinen: ,,De eersten waren dapper uit ijdelheid, de laatsten uit godsvrucht. De ridders huldigden vorsten, in wier glimlach zij hun eer stelden; de Puriteinen bogen hun knieën alleen voor den Koning der koningen. De ridders verlustigden zich in uiterlijken pronk en hadden
223
slechts achting voor de bevoorrechte klassen der maatschappij; de Puriteinen beheerschten hun hartstochten en predikten de deugd der zelfverloochening. Bij de eersten stond de galanterie, bij de laatsten de gerechtigheid het hoogst aangeschreven.quot;
4) Velen zullen den lof, aan Williams toegekend, overdreven achten. Dat hij reeds bij zijn komst in Amerika de hoogte bereikt had, waarop hij later stond, is niet waarschijnlijk. Men vergete niet, dat de eerste geschiedschrijvers van Nieuw-Engeland zeer ongunstig over hem oordeelden. „Celui-ci — schrijft Astié — le dépeint comme le Corée de la Nou veile-Angleterre, sa tête était un vrai moulin è. vent; eet autre le présente comme un homme £l imagination, un entêté et un brouillon; un troisième voit en lui une indi-vidualité brilliante, mais peu sörequot; [His/oire de la rêpublique des Éiats-Unis, 1. p. 378.) Later is hij beter gewaardeerd, maar misschien uit reactie al te zeer verheerlijkt.
5) Over het eerste dezer twee deelen schrijft Parker op 10 September 1858 aan Bancroft: „Last May came your beautiful volume on the Revolution. I was ill, and yet obliged to work. I read it with enthusiasm in the pauses of my toil. I rejoice in it greatly. You confirm my suspicions that George III — miserable old wooden-head! — was the real cause of the misschief. But you shed a deal of light I had no suspicion of on many matters; of course you do. It is thorouhly democratic, in the best sense of the word. This volume has more of the Life of the people in it than any of the last. It seems to me history has been hitherto the life of kings, priests, nobles, soldiers, and the like — not the Life of the Million, as it should be. Les gens des salons par tout se ressemblent, but the people are everywhere different. I am glad to find a historian who cares , for the rest of mankindquot; (t. a. p. I, p. 11).
6) Den i9den April 1875, den honderdsten gedenkdag
224
van de overwinning te Lexington, hield Emerson de feestrede, waarin hij van Bancroft's beschrijving zegt; „I challenge any lover of Massuchusetts to read the chapter of Bancroft's history without tears of joyquot; [Ralph Waldo Emerson: His life, •writings andphilosophy by G. W. Cooke , 1882, p. 183).
7) Onze landgenoot Gijsbert Karel van Hogendorp, die in 1783 en'84 Amerika bezocht, ontmoette Washington op Mount-Vernon. Hoogst ongunstig luidt zijn oordeel over het karakter, ja zelfs over de militaire talenten van den generaal. Vgl. over dit partijdig oordeel Dr. R. Fruin in De Gids, Maart 1867, p. 471.
8) Het gaat niet aan met Bancroft van volkomen vrijheid van geweten te spreken, wanneer, gelijk hij zelf meedeelt, in zeven staten ter verkrijging van een ambt een godsdienstige eed gevorderd werd, waarin geloof aan den christelijken of aan den protestantschen godsdienst, geloof aan God, den Schepper van het heelal, die de goeden beloont en de boozen straft, geloof aan de inspiratie van het O. en N. T. of geloof aan de Triniteit geëscht werd. Al werd men niet om zijn godsdienstige meeningen vervolgd, een Jood, een Catholiek, een vrijzinnig Protestant konden toch voor openbare betrekkingen niet in aanmerking komen. Wij kunnen het gemakkelijk verklaren, dat deze Constituties nog de sporen van het verleden droegen.
9) Aan een vriend schreef hij, dat hij zich in ons land meer dan ergens thuis gevoelde. „Dikwijls bezocht ik de kerk te Leiden, waar vroeger de pelgrims uit Plymouth samenkwamen; de balken en dakpannen vervulden mij met eerbied.quot;
10) Vgl. von Sybel's Zeiischrift, 1875, p. 212 w.
11) Vgl. De Gids, Juni 1870, p. 385 vv.
12) Over het onderscheid tusschen beiden schrijft Heinrich Ritter in een open brief aan Ranke bij
225
gelegenheid van diens vijftigjarig doctoraat in de letteren in 1867: „Solle wohl ein leiser Zweifel überbleiben, ob die Geschichtsschreibung den schönen Künsten angehörte ? Gewiss setzt sie die Wissenschaft der Geschichtskunde voraus und diese nimmt einen grossen Raum in den vorbereitenden Geschaften des Geschichtschreibers in Anspruch, giebt aber doch nur ein vorbereitendes Geschaft für seine künst-lerischen Werke ab. Wissenschaft und Kunst des Geschichts-schreibers dttrfen wir nicht in einander werfen, denn Beide folgen verschiedenen Gesetzen. Sie streben beide nach Form, aber in verschiedenen Methoden und daher gestaltet sich auch ihre Form in sehr verschiedener Weise. Die wissen-schaftliche Form ist ganz an das Gesetz des Unterschiedes zwischen Allgemeinem und Besonderm gebunden. Die Kunst hat eine freiere Form in ihrer Combination. Sie hat ihre Gesetze; aber es sind die Gesetze des Geschmackes, welcher bei Personen und bei Vólkern verschieden ist. Die Geschichtsschreibung wird eine eigenthümliche bleiben und eine nationale Farbung an sich tragenquot; (p. 14 vv.)
13) Omtrent hen getuigt Ritter (t. a. p. p, 73); „Wir begnügen uns, wenn nur die allgemeine Auffassung richtig ist und die allgemeine Aufmerksamkeit verdient. Der gute Wille, welcher in dem Entn-urfe sich zeigt, soil uns entschuldigen für den Mangel der Ausführung. Wir rechnen die künstleri-sche Darstellung zu den Aüsserlichkeiten; sie soil ja nur den Gedanken zur aüsserlichen Mittheilung bringen. Unsere Nachbarn sind hierin in verschiedener Weise sehr anders.quot;
14) Ook Holst schrijft in zijn beoordeeling van het iode deel (von Sybel's His. Zeiischrifi, 1875, p. 212): „Er schreibt mit einer Tendenz. Er malt zu stark in 's Schone.quot; Holst spreekt zelfs den wensch uit, dat een volgend geschiedschrijver, op Bancroft's schouders staande, met minder vooringenomenheid dan hij, op de door hem gelegde grondslagen voortbouwe.
15
226
15) Volgens Prof. Dozy (t. a. p.) is het werk, behalve voor hen. die aan historische studiën gewoon zijn, voor het groote publiek te hoog en te vermoeiend. Bij de aankondiging van Straatman's vertaling van het eerste deel spreekt hij dan ook zijn gevoelen uit, dat een vrije en zeer verkorte hollandsche bewerking wenschelijker zou geweest zijn.
JOSEPH ERNEST REK A11.
Zelden is iemand na zijn dood zoo verschillend beoordeeld als Ernest Renan. Door sommigen verguisd, werd hij door anderen vergood. Voormalige geloofsgenooten noemden hem een overlooper, een atheïst, den Antichrist in eigen persoon, terwijl hij in het oog van enkele vrijdenkers een heilige, een wijze was, wiens heengaan de gansche menschheid zou betreuren. Maar hierover waren allen het eens: als stilist is Renan overtroffen, in de kunst van schrijven was hij de groote meester.
In een paar vrijzinnige engelsche bladen wordt Renan vergeleken met een Bileam, door zijn philosophic gehuurd om te vloeken, maar door de aandrift van zijn edelmoedig hart tot zegenen opgewekt. Zijn geschiedenis van den oorsprong des Christendoms heet een drama van het menschelijk leven, dat den lezer onweerstaanbaar boeit. Enkele bladzijden zou men jaarlijks in zijn vacantie willen opslaan, b.v. die, waarin het evangelie als een sursum corda, als het beste geneesmiddel tegen de eentonigheid van het alledaagsche leven werd aanbevolen i). Vergis ik mij
230
niet, dan dacht deze beoordeelaar o. a. aan de volgende treffende woorden in La vie de jFésus: „Grace a Jésus, l'existence la plus terne, la plus absorbe'eper de tristes ou humiliants devoirs, a eu son échoppée sur un coin du ciel. Dans nos civilisations affaire'es le souvenir de la vie libre de Galilee a ete comma le parfum d'un autre monde, comme une rosée de l'Hermon, qui a empêché la se'cheresse et la vulgarité d'envahir entièrement le champ de Dieu.quot;
Joseph Ernest Renan werd den 27sten Februari 1823 te Tréguier in het departement Cótes du Nord geboren. Reeds als knaap verlangde hij priester te worden. In het seminarie Saint-Sulpice te Parijs, waar hij theologie studeerde, kon hij het niet lang uithouden, omdat zijn geloof aan de leer der Moederkerk van lieverlede ondermijnd was. Nadat hij het seminarie verlaten had, bezorgde dupanloup, de latere bisschop van Orleans, hem een leeraarsplaats aan het Collége Stanislas. In 1845 werd zijn „Etude de la langue grecque au Moyen-Agequot; en drie jaar later zijn verhandeling over de „Histoire générale des langues sémitiquesquot; met goud bekroond. Tweemaal, in 1849 en i860, ondernam hij een wetenschappelijke reis naar Italië en Syrië. In 1851 werd hij bij de „Bibliothèque nationalequot; aangesteld en vijf jaar daarna tot lid der „Académie des Incriptionsquot; benoemd.
231
Zijn professoraat in de hebreeuwsche, syrische en chaldeeuwsche talen aan het Collége de France was slechts van korten duur. Toen een jaar na zijn benoeming in 1862 het „Viedejésusquot; verscheen, kreeg hij zijn ontslag. Voor de betrekking aan de „Biblio-thèque Impérialequot;, hem als een pleister op de wond aangeboden, bedankte hij en ondernam een reis naar Egypte.
Eenmaal — het was in het jaar vóór den oorlog met Duitschland — nam Renan de candidatuur voor Kamerlid in het departement Seine-et-Marne aan en kreeg, hoewel hij niet gekozen werd, nog ongeveer 9000 stemmen. Na het einde van den oorlog kon hij zijn lessen aan het Collége de France weder openen, waarvan hij na den dood van Laboulaye „administrateurquot; werd. In 1878 werd hij benoemd tot lid der „Academie franc^aisequot;.
Na een kortstondige ziekte ontsliep Renan op Zondag 2 October 1892 en werd vijf dagen later op staatskosten begraven in presentie van vertegenwoordigers der inrichtingen voor hooger onderwijs, van de protestantsche faculteit te Parijs enz. Eenige jaren vóór zijn dood had hij den wensch te kennen gegeven, dat op zijn graf het opschrift geplaatst zou worden: „ Veritatem dilexi', „Ik heb de waarheid liefgehad, haar gezocht en gehoorzaamd, toen zij zware offers van mij eischte.quot;
232
Niemand zal ontkennen, dat Renan gewerkt heeft, zooals weinigen. Studeeren was reeds de lust van den jongeling. De Supérieur van een der door hem bezochte seminariën, wien het niet verborgen bleef, dat hij ver boven anderen uitmuntte, gaf hem verlof om langer op te zitten dan zijn medestudenten. Hij was een vruchtbaar schrijver op het gebied der philologie, wijsbegeerte en geschiedenis, getuigen o.a. zijn studiën over het boek Job, het Hooglied en de Prediker, de „Mission de Phéniciequot;, Averroès et rAverroïsmequot;, „Histoire littéraire de la France du XlVe Sièclequot;, Etudes en Nouvelles Etudes d)histoire religieuse en talrijke brochures.
Het meest is hij bekend door zijn „Histoire des origines du Christianisme in zeven deelen, die van 1863—1882 verschenen, waarop de Histoire diipeuple d'Israel in vier deelen volgde. Met de correctie der proeven van het laatste deel over Israël hield hij zich nog kort vóór zijn dood bezig. Het was zijn ideaal die beide werken, waaraan hij bijna 30jaar gearbeid had, te mogen voltooien. Dan kon hij, gelijk de grijze Simeon, met een „Nunc dimittisquot; afscheid nemen van het leven.
De ouderen onder ons zullen zich den verbazenden opgang van het „Vie de Jésusquot; herinneren. Welk een beweging! Bij den Senaat werd er vruchteloos op aangedrongen, dat de verspreiding van zulk een
233
goddeloos boek verboden zou worden. Vele exemplaren werden in de pauselijke tuinen verbrand. Honderde brochures. grootendeels ter bestrijding van een boek, dat een product des ongeloofs werd genoemd, zagen het licht. Vijftien maal werd het herdrukt, terwijl van een „edition populairequot; 21 uitgaven verschenen.
Aandoenlijk was de opdracht „a l'ame purequot; zijner zuster Henriette, die hem op zijn reis naar Phoenicië vergezeld had: „Te souviens-tu du sein de Dieu, oü tu reposes, de ces longues journées de Ghazir, oü seul avec toi, j'écrivais ces pages inspirees par les lieux que nous venions deparcourir? Silencieusement a cóte de moi, tu relisais chaque feuille et la reco-piais sitót e'crite, pendant que la mer, les villages, les ravins, les montagnes se déroulaient a nos pieds. Quand l'accablante lumière avait fait place a l'innom-brable armee des e'toiles, tes questions fines et délicates, tes doutes discrets, me ramenaient a l'objet sublime de nos communes pensees. Tu me dis un jour que ce livre-ci tu l'aimerais, d'abord paree qu'il avait ete' fait avec toi, et aussi paree qu'il te plaisait. Si parfois tu craignais pour lui les étroits jugements de l'homme frivole, toujours tu fus persuadée que les ames vrai-ment religieuses finiraient par s'y plaire. Au milieu de ces douces meditations la mort nous frappa tous les deux de son aile; le sommeil de la fièvre nous prit a la même heure; je me réveillai seul!... Tu dors
234
maintenant dans la terre d'Adonis, prés de lasainte Byblos et des eaux sacrées oü les femmes des mystères antiques venaient mêler leurs larmes. Revèle moi, o bon génie, a moi que tu aimais, ces vérités qui dominent la mort, empêchent de la craindre et la font presque aimer.quot;
Hoevelen onder ons hebben genoten van Renan's fijne opmerkingen en schilderachtige beschrijvingen van Galilea, al hadden we bedenkingen en ergerden ons aan uitdrukkingen als „le doux et délicieux Maitrequot;; aan onderstellingen, dat jezus gedurende de laatste dagen te Jeruzalem gedacht zou hebben ,,aux jeunes filles qui auraient peut être consenti a l'aimerquot;; dat wellicht Lazarus „pale encore de sa maladie, se fit entourer de bandelettes comme un mort et enfermer dans son tombeau de familiequot; enz.
In de volgende deelen der „Originesquot; toonde het publiek weinig belangstelling. Geen dezer zes boeken beleefde een tweede druk. Misschien was een der oorzaken, dat het tweede en vooral het derde deel {Les Apótres en Saint-Faul) tot de minst geslaagde behooren. Wat mij betreft, ik zou aan de beide laatste (L'Eglise chrétienne en Marc-Aurèle) de voorkeur geven.
Ten onrechte heeft men Renan een radicaal criticus genoemd. Onder de bronnen van zijn „Viedejésusquot; kreeg ook het vierde evangelie een plaats. Hoewel dit later niet meer aan Johannes werd toegekend,
235
het was toch volgens Renan ontstaan onder den invloed der gesprekken, die de apostel met zijn leerlingen te Efeze hield. Wat de volgorde der gebeurtenissen uit Jezus' leven betreft, staat het vierde evangelie in zijn oog hooger dan de drie anderen. En om niet meer te noemen, Lukas heet de schrijver van het derde evangelie en van de Handelingen; de eerste brief van Petrus zal in het jaar vóór het martelaarschap van dezen apostel te Rome, in 64 geschreven zijn 2).
Zelf noemt Renan de door hem gevolgde critische methode „la méthode intermédiairequot;, in tegenoverstelling met het in zijn oog overdreven scepticisme der liberale protestantsche school. „Ou repousse des solides témoignages et on y substitue de faibles hypo-théses; on recuse des textes satisfaisants, et on accueille presque sans examen les combinaisons hasardées d'une archéologie complaisante. Du nouveau, voila ce que Ton veut a tout prix, et le nouveau, on l'obtient par l'exagération d'idées souvent justes et pénétrantes. D'un faible courant bien constaté dans quelque base écartée, on conclut a l'existence d'un grand courant océanique. L'observation était bonne, mais on en tire de fausses conséquences 3).quot;
Toen een van Renan's landgenooten aan sommige geschiedschrijvers in Frankrijk verweet, dat door hen „l'esprit d'a peu-prèsquot; gehuldigd werd, dacht hij
236
waarschijnlijk ook aan Renan, in wiens werken uitdrukkingen als „il se peutquot;, peut-êtrequot;, „ilsemblequot;, „il est possiblequot; enz. telkens voorkomen. Maar hoeveel aanmerkingen er ook gemaakt kunnen worden op de „Histoire des origines du Christianismequot;, het werk getuigt van veel studie en uitnemende gaven, gelijk dan ook vooral in den laatsten tijd door bevoegde beoordeelaars in Duitschland erkend is. Zoo schreef onlangs een hunner: „Renan ist unbe-streitbar ein höchst geistvoller Historiker von weitem Bliek und feiner Kenntuis des Menschen — und Völkerlebens. Indem er das religiose Leben stets im Zusammenhang mit dem ganzen gesellschaftlichen. Milieu auffaszt und erklart, hat er auf manchem Punkte überraschend neues Licht geworfen und zur Erweiterung der allzu vagen theologischen Schabionen der biblischen Geschichtschreibung ein wirkliches Ver-dienst sich erworben. Französische und deutsche Art des Denkens und Arbeitens scheinen auch auf diesem, wie auf so vielen andern Gebieten zur gegenseitigen Erganzung bestimmt zu sein 4).quot;
Het valt niet te ontkennen, dat Renan als historicus aan zijn phantasie vaak den vrijen loop liet en door zijn sympathiën en antipathiën te veel be-heerscht werd. Ik geef een paar voorbeelden. Wat dunkt u van de volgende beschrijving der laatste jaren, die Johannes volgens hem te Efeze doorbracht ?
237
Als grijsaard was hij zeer ijdel geworden. De oudere evangeliën bevielen hem niet, omdat hij zelf daarin niet genoeg op den voorgrond was geplaatst. Hij, de discipel, dien jezus liefhad, had de voornaamste rol gespeeld; aan hem had Jezus zijn moeder toevertrouwd; ten onrechte was aan petrus de eerste rol in het evangelisch drama toegekend, die hem, Johannes, toekwam! „Comme d'ailleurs uneparfaite foi ne distinguait pas son entourage et que même un peu de charlatanisme pouvait s'y mêler, on conqoit quels produits étranges devaient germer dans ce nid d'intrigues pieuses, autour d'un vieillard dont la tête e'tait peut-être afifaiblie, et qui se trouvait a la disposition de ceux qui le soignaient 5).quot;
Paulus was te veel theoloog, om door Renan begrepen te worden. Hij noemt den apostel een der gevaarlijkste vijanden van de beschaving.' Als de menschelijke geest de overwinning heeft behaald, zal paulus sterven. „Ce qui sera le triomphe de jésus sera la mort de Paul. S'il s'agissait d'une autre nature et d'une autre race, nous essayerions de nous figurer Paul, en ces derniers jours, arrivant a reconnaitie qu'il a usé sa vie pour un rêve, proclamant que l'homme heureux est celui qui, après avoir coulé sa vie en joie jusqu' a ses vieux jours avec la femme de sa jeunesse, meurt saus avoir perdu de fils. Paul n'eut pas son agonie de Gethsémané, et c'est une
23S
des raisons qui nous le rendent moins aimable. II crut lourdement. Nous voudrions que par moments, comme nous, il se fut assis fatigué au bord du chemin , et qu'il eut aper9u la vanité des opinions arrêtées. Notre incrédulité douce aurait sa petite revanche, si le plus dogmatique des hommes était mort triste, désespéré sur quelque rivage ou quelque route de l'Espagne, en disant lui-aussi: ergo erravi 6)!quot;
Renan's karakterschetsen verraden de meesterhand, getuige o. a. het door hem geteekende beeld van Domitianus; „Domitien est probablement Thomme le plus méchant qui ait jamais existé. Commode est plus odieux, car il est flls d'un père admirable; mais Commode est une sorte de brute. Domitien est un homme fort sense, d'une méchanceté réfléchie. Chez lui, il n'y avait pas l'atténuation de la folie; sa tête était parfaitement saine, froide et logique. II n'avait pas d'imagination, et si, a une certaine e'poque de sa vie, il s'exer^a en quelques genres de littérature et fit d'assez bons vers, ce fut per affectation, pour paraitre étranger aux affaires; bientót il y renon^at et n'y pensa plus. Son tempérament mélancolique ne se plaisait que dans la solitude. On l'observait des heures se promenant seul; on était sur de voir écla-ter alors quelque plan pervers. Cruel sans phrase, il souriait presque toujours avant de tuer. On
239
sentait reparaitre une basse extraction. Domitien est bourgeois dans le crime, il en tire profit. A l'infamie il joignait 1'égoïsme sournais; une affectation hypocrite de sévérité, des airs de censeur rigide, qui n'étaient que des prétextes pour faire périr des innocents. Sa vanité ne le cédait pas a celle qui poussa Néron a tant de pitoyables équipeés, et elle était beaucoup moins naïve. Ses fausses triomphes, ses victolres préteadues, ses mouvements pleins d'une adulation menteuse, ses consulats accumulés étaient quelque chose de nauséabond, de beaucoup plus irritant que les dix- huit cents couronnes de Néron et sa procession de périodonique.quot;
Markus Aurelus was in Renan's oog de rechtvaardigste, de volmaaktste van alle kinderen der men-schen. „Jamais culte ne fut plus legitime et c'est le notre encore. Oui, tous tant que nous sommes, nous portons au coeur le deuil de Marc-Aurèle, com me s'il était mort d'hier.quot; Des keizers werk zal in alle eeuwen zijn frischheid blijven behouden. In zijn „Gedachtenquot; vindt gij het eeuwig evangelie. Zijn godsdienst is de absolute, die tot geen zee of land behoort. Daaraan zal geen omwenteling iets kunnen veranderen; het is of deze keizer Kant's „Kritik der reinen Vernunftquot; heeft gelezen 8)! Men zou haast vragen; Ernst of kortswijl?
In de Voorrede van het laatste deel der Origines
240
betreurt Renan het, dat hij niet met de geschiedenis van het joodsche volk is begonnen, daar het Christendom reeds in de achtste eeuw vóór onze jaartelling aanvangt. En hij belooft daaraan zijn krachten te zullen wijden. Hier te lande en in Duitsch-land is zijn: „Histoire du peuple d'Israëlquot; met weinig ingenomenheid ontvangen 9).
Ik las ergens de opmerking: Het is met Renan's beide hoofdwerken gegaan evenals met Carlyle's „Oliver Cromwellquot; en „Frederick the Greatquot;. Was het laatste boek eerst verschenen, het zou meer opgang gemaakt hebben. Zoo werd ook Renan's geschiedenis van Israël in de schaduw gesteld door de „Originesquot;, die voorafgegaan waren.
Bekend is het verhaal van den laatsten nacht, dien Renan als theologisch student in het seminarie Saint-Sulpice doorbracht. Een zijner vrienden, die naast hem sliep, hoorde hem tweemaal zeggen: ,Je doutequot;. En toen hij opstond, was Renan verdwenen. Aan den voet van een Maria-beeldje, dat altijd op zijn tafel stond, vond de vriend een briefje, waarop hij alleen het woord „Adieuquot; las.
RE nam is van lieverlede meer een scepticus geworden, 't zij dan een sceptisch geloovige of een geloovig scepticus. Hij dweepte met den ouden Prediker van Israël , den scepticus bij uitnemendheid, en bewonderde
241
diens „sagesse douce et reposéequot;. Op den dag, toen de Prediker, de eenige onder de Joden, die een ,,livre aimablequot; geschreven heeft, in vertwijfeling uitriep; Alles is ijdelheid! was hij inderdaad een wijze!
In Renan's laatste werk, het jaar van zijn dood verschenen, getiteld: Feuilles détachées, een vervolg op de Souvenirs d'cnfance et de jeunesse, wordt op de vraag; Bestaat er „une conscience centrale, une ame de l'universquot; ? geantwoord; haar bestaan kan evenmin bewezen als geloochend worden. Wij weten van het oneindige niets. „Ne nions rien, n'affirmons rien 10).quot; Het laatste woord der wijsbegeerte heet de ironie. Slechts met een glimlach mag men over haar spreken! Het heelal, dat wij kennen, wordt niet door een levenden , handelenden God bestuurd — maar daaruit volgt nog niet, dat dit nimmer zal geschieden: ,,Le monde est peut-être le jeu d'un Ctre supérieur, l'experience d'un savant transcendant, possc-dant les derniers secrets de l'être.quot; Het is volgens Renan even roekeloos het bestaan van een God, die zich niet in ons heelal openbaart, te ontkennen als het te bevestigen. Indien God bestaat, moet Hij goed zijn en zal Hij eindigen met rechtvaardig te wezen. De beide groote postulaten van het menschelijk leven: God en de onsterfelijkheid der ziel, „sont peut-être vrais a la liniite de l'infini.quot; Aan den denker wordt de volgende raad gegeven: „L'attitude la plus
16
242
logique devant la religion est de faire comme si elle était vraie; il faut agir comme si Dieu et l'ame exis-taient.quot; Renan acht het niet onmogelijk, dat het wonder eens „le regime normal de l'universquot; zal zijn. „Le monde, gouverné maintenant par une conscience aveugle ou impuissante, pourra être gouverné un jour par une conscience plus réfléchie. Toute injustice alors sera réparëe, toute larme sechee 10).quot; Na zulke en dergelijke uitspraken zou men zeker geen gebed verwacht hebben tot den hemelschen Vader, wien Renan dankt voor het kostbare leven, dat Hij hem geschonken heeft. Maar een wijsgeerig stelsel — het is meermalen opgemerkt — kan men van Renan , die voor dogmatisme uiterst bevreesd was, niet verwachten. In zijn beschouwingen is iets zwevends, ja ze zijn niet zelden met elkander in strijd.
Hoe oordeelt Renan over de toekomst? Het lijdt volgens hem geen twijfel, dat Jezus daarin een zeer groote plaats zal innemen. In het koninkrijk Gods zal de Bergrede het volmaakte wetboek blijven. Tot bescherming der zwakken kan het Christendom in alle eeuwen zijn lessen geven. Ook zal er altijd een inrichting moeten zijn, die voedsel, raad en troost aan de ziel geeft, daar anders het leven, vooral voor de vrouwen, ondraaglijk zou zijn. De wetenschap zal door haar openbaringen de menschen verbazen. Maar er zullen ook kwade dagen komen: de zedelijk-
243
heid zal afnemen en de zelfopoffering plaats maken voor het egoïsme n).
Wanneer Renan een blik slaat op het leven, dat achter hem ligt, dan is hij tevreden over zichzelven. Al was hij niet volmaakt, hij is toch altijd geweest ,,un tres honnête hommequot;. Dat het zondebewustzijn hem geheel vreemd was, blijkt uit de volgende belijdenis : „Tout pesé, si j'avais a recommencer ma vie, avec le droit d'y faire des ratures, je n'y changerais rien. Les défauts de ma nature et de mon education, par suite d'une sorte de providence bienveillante, ont éte atténués et reduits a être de peu de consequence.quot; Het leven heeft hem veel goeds geschonken: ,J'ai cru, a mon heure (illusion peut-être!) danser avec Krischna; j'ai bati des ponts aux dieux en detresse; j'ai tenu le parasol sur la tête de Bouddha. Vive l'Éternel! la lumière est bonne.quot;
Hoe zal men na zijn dood over hem oordeelen ? Renan verwacht, dat allerlei legenden van hem zullen verhaald worden, maar hij vertrouwt tevens, dat na vijf eeuwen de Commissie der Histoire littéraire hem recht zal doen. In boeken, door Rome's kerk goedgekeurd, zal zij lezen, dat Rothschild hem een millioen voor zijn Vie de Jé sus had gegeven en verder allerlei verhalen, die de catholieke pers over hem in omloop gebracht heeft! Maar hij verwacht, dat genoemde Commissie in de 24^ eeuw zijn eigen werken opslaan en critisch
244
beoordeelen zal. Indien de kritiek zweeg, dan zou hij verloren zijn. „Mais si l'humanite' est destince au crétinisme, je ne tiens plus a son estime; elle peut penser de moi toutes les sottises qu'elle voudra.quot;
Waar zou Renan's verblijf na den dood zijn? Velen hadden hem met de hel bedreigd. Het meest trekt hem het purgatorium aan, een bekoorlijke plaats : ,Je me figure le purgatoire comme un immense pare, éclairé d'un jour polaire et percé de charmilles sombres, oü s'épurent les amours commences sur la terre, en attendant la complete éthe'risation.quot; Het paradijs, een eentonige plaats, waar men zich noodzakelijk moet vervelen, is in zijn oog niet bijzonder aantrekkelijk. De gesprekken met een buurman of buurvrouw zouden spoedig uitgeput zijn. „Les voyages de planètes en planètes m'iraient assez; mais ils n'iraient guère aux vieilles devotes, qui, dit-on, formeront la majorité des élus 12).quot;
Kan Ren an op den naam van een ernstig schrijver aanspraak maken? Te ontkennen valt het niet, dat wij soms, vooral in zijn latere werken, de taal van den spotter, den wereldling, den sensualist vernemen. Een enkel voorbeeld. Hij wenschte passages uit zijn geschriften, door sommigen met stichting gelezen, in een klein boekje bijeen te verzamelen. Vrome vrouwen, die geen voldoening meer vonden
245
in het Misboek, zouden dit boekje naar de kerk kunnen medenemen. „Ma dernière ambition sera satis-faite, si je peux espérer entrer a l'église après ma mort, sous la forme d'un petit volume in-18, relié en maroquin noir, tenu entre les longs doits effiiés d'une main finement gantée 13).quot;
Onder Renan's philosophische drama's heeft L'Abbesse de Jotiarre, waarvan binnen enkele maanden 20 uitgaven verschenen, aan velen terecht aanstoot gegeven. De abdis bracht den laatsten nacht haars levens, gelijk zij meende, in de gevangenis door, waar zij den Markies d'arcy, een harer minnaars, ontmoet, die de eenige vrouw, welke hij bemind heeft, tracht te verleiden. Hij herinnert haar, dat de dood een nieuwe moraal predikt: „Rappelez-vous le Christ, qui refusa d'abord le calice, mais ne repoussa pas l'ange conso-lateur.quot; Hierop antwoordde de abdis; „Merci, merci pour ton acte de maitre. Tu m'as rendu plus chrétien que je ne 1'étais.quot; „L'amour, en effet, est la revelation de l'infini, la le^on qui nous enseigne le divinquot; -—• aldus de Markies.
De abdis wordt door een jongen officier gered. Nadat zij zeven jaar met haar dochtertje, geheel van de wereld afgezonderd, geleefd heeft, treedt zij in het huwelijk met Le FresNAIS, een harer aanbidders, wien ze haar leven te danken had.
Aan de Voorrede van het drama ontleenen wij
246
enkele passages: „Indien de menschheid verzekerd was, dat de wereld binnen twee of drie dagen moest ondergaan, dan zou de liefde met een soort van razernij losbreken. Tegenover een gewissen dood zou de natuur haar stem laten hooren en de natuurdrift haar wetten doen gelden. Uit elke borst zou een kreet oprijzen , wanneer men wist, dat ieder zich kon te goed doen aan den met zoovele vloeken beladen boom. De wereld zou met volle teugen van den minnedrank genieten en vergenoegd sterven; de laatste kus zou een kus der sympathie zijn en in dit gevoel der hoogste sympathie zou de mensch afscheid nemen van de aarde! quot;
Renan deed een beroep op de oudste christelijke martelaren, die in den laatsten nacht van hun leven dergelijke ervaringen opdeden. Daar hadden toonee-len plaats, „des funestes embrassementsquot;, die de rigoristen zouden veroordeelen 1
Terecht heeft de berlijnsche hoogleeraar Dr. A. Harnack tegen zulk een vermenging van het heiligste en het gemeenste geprotesteerd. Met een beroep op de geschiedenis stelt hij den smet, op die martelaren der „primitive église chrétiennequot; geworpen, als geheel onverdiend in het licht. Zulk een vonnis getuigt volgens hem van gebrek aan waarheidszin en van wufte lichtvaardigheid 14).
In de hoop, door Renan in de Voorrede van zijn drama uitgesproken, dat idealisten, die het be-
247
staan van reine geesten niet behoeven aan te nemen , om aan den plicht te gelooven; die overtuigd zijn, dat de zedelijke adel onafhankelijk is van metaphysische begrippen, zijn „Abbessequot; met ingenomenheid zullen begroeten, zal hij waarschijnlijk wel teleurgesteld zijn.
„Zwei Seelen wohnen ach! in meiner Brustquot; — wellicht geldt dit van niemand meer dan van Renan. Van hemzelven vernemen wij de volgende getuigenissen: „Ik ben een weefsel van tegenstrijdigheden; de eene helft schijnt bij mij bezig de andere op te eten; soms lacht een deel van mij, terwijl het andere schreit; daar er twee menschen in mij zijn, is de andere altijd voldaan.quot; Zijn wuftheid, ijdelheid, spotternij staan ons tegen, terwijl hij ons meermalen onweerstaanbaar aantrekt. Ik denk b. v. aan Renan's teedere liefde voor zijn moeder en zuster, „la colonne lumineuse qui marchait devant moiquot;, die hij nog eenige maanden vóór zijn dood op zoo treffende wijze herdacht: „Ma mère avec laquelle j'ai été si pauvre, a cóté de laquelle j'ai travaillé, n'interrom-pant mon travail que pour lui dire: Maman, êtes-vous contente de moi? Henriette, si haute, si pure, qui, a vingt ans, m'entraina dans la voie de la raison et me tendit la main pour franchir un passage difficile, ont embaume' le commencement de ma vie d'un arome qui durera jusqu' a la mort 15).quot; Als de
248
twijfel hem te machtig wordt, verlaat hij het seminarie, waar hij zijn opleiding tot priester ontving. Maar nadat hij reeds lang met de kerk gebroken heeft, blijft hij nog met eerbied spreken over de leermeesters zijner jeugd.
Allerlei anekdoten werden na zijn dood, gelijk RENAN verwacht had, in omloop gebracht. Een van deze is vooral vermeldenswaard. Op den avond van den 2f'en October vernam Leo XIII zijn overlijden, juist toen hij op het punt was naar bed te gaan. Op de vraag aan zijn kamerdienaar; Hoe stierf RENAN? antwoordde deze; zonder berouw. Leo's laatste woord luidde: het is beter zoo. Toen Monseigneur hemden volgenden morgen zijn verbazing daarover te kennen gaf, sprak de paus: Ik denk aan zijn ziel, die voor God rekenschap zal moeten afleggen. Omdat zijn twijfelingen eerlijk waren, zullen misschien zijn ernst en oprechtheid hem aanspraak geven op absolutie. Er staat immers geschreven; het is noodig dat er ergernissen komen — maar 't is waar, er wordt bijgevoegd : wee den mensch, door wien de ergernis komt! Een oogenblik later hernam de paus: Voor de kerk heeft RENAN meer goed dan kwaad gedaan, daar hij onze theologen uit den doodslaap opwekte, waarin zij verzonken waren. Wat hij deed , geschiedde niet zonder Gods wil en daarom zal hem misschien absolutie gegeven worden.
249
Bij zijn graf werd door ambtgenooten en vrienden met groote vvaardeering gesproken over den hoogleeraar en den vriend, over zijn oprechtheid, onbaatzuchtigheid en rechtvaardigheid. In menig tijdschrift is gewezen op den weldadigen invloed, door Renan's werken op velen in Frankrijk geoefend, bij wie de belangstelling voor godsdienstige vraagstukken reeds lang was uitgedoofd 16).
In de geschiedenis der beschaving van de laatste helft dezer eeuw komt zeker aan Ernest Renan een voorname plaats toe.
1) The Inquirer en The Modern Church van 8 en 12 October 1892.
2) Les Évangiles Ch. XVIII, XIII; L'An/echrist, Ch. II.
3) L'Antechrisf., p. 559; Les Évangiles, Introduction, p. XXXIII vv.
4) Otto Pfleiderer in de Deutsche Liiindschau, Januari 1893.
5) Les Évangiles, Ch. XVIII.
6) L'Antechrisf, Ch. IV.
7) Les Évangiles, Ch. XII.
8) Mare Aurcle et la fin du monde antique, Ch. XXVI, XXVII.
9) Renan's verheerlijking van het „ élohisme primitifquot; is volgens Kuenen phantastisch; het gebruik, door hem van de bronnen gemaakt, willekeurig (Jheol. Jijdschr., 1888, p. 474 vv.; 1889, p. 649 vv.; 1891, p. 345 v.). Prof. Siegfried meent, dat Renan zich zal moeten vergenoegen met den bijval der „ schellenlauten Thorenquot;, die in de parijsche couranten schrijven. Vergelijkingen als de volgende: Hosea is een pamphletschrijver, Ezechiël een Victor Hugo enz. bewijzen volgens den hoogleeraar te Jena, dat Renan zijn taak niet ernstig heeft opgevat (Theol. Jahresbericht, 1892, p. 62 v.).
10) Fréface, p. XVII v.
11) Mare Aurèle, p. 642 vv.
12) Feuilles détachées, p. XIV, XXI vv,, 167 vv.
13) Preface der Nouvelles études religieuses.
14) Theol. Literaturz., 1887, N0. 4.
16) Préface (p. XXX) der Leuilles détachées.
16) o. a. door Etienne Coquerel in Le Protestant \a.n 15 Oct. 1892; door E. M, de Vogué in de Revue des deux Mondes, 15 Nov. 1892.
|
DRUKFOUTEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
;
O ).■gt;)'
TYP. ZI lD-HOLf.. HOEK- EN HANiiELSljRI'KKF.IilJ.
quot;gt;1.0