Vale QQ
90
HET LEVEN
VAN DKK
HEILIGEN
JOANHS BERCIIIIM
NAAR HET LATIJN
VAN
JP. HTJGrO,
S. J
' 'â .O*quot;**--'quot;-**
- rf- '
\
:0;-; lt;u; '
% *
t
r-/'IrN-V
quot;.-i: ' v... v j i gt; gt;»⢠. â¢
^s-Bosch. G. MOSMANS, Senior. 1888.
i f
)4
IMPRIMATUR G
Harlemi, 27 Martii 1878
J. A. van den Akker. Lib Cens.
REIMPRIMATUR
g
Buscoduci, 28 Junii 1888
J. J. Versterben, Rector n;
ad hoc delegatus. ei
w he
oi ja
te tij le
sti
II O O F D S T U K I.
Geboorte en ouders van Joannes. â Zijne inborst. â Eerste H. Communie. â IJver en gehoorzaamheid. â In 't College t« Mechelen. â Zijn gedrag aldaar. â In de congregatie van O. L. V. â Zijn oefeningen van godsvrucht. â Zijne roeping tot den kloosterstaat. â Wat hij deed om zijne roeping te kennen.
Joannes Berchmans werd te Diest, een Bra-bantsch stadje, op Zaterdag den ] 3 Maart 1599 geboren. Zijne ouders waren uit den fatsoenlijken burgerstand, en rijker in deugden en he-nielsche gaven dan in vergankelijke schatten en rijkdommen. Van hunne vijf kinderen, van welke vier zonen en eene dochter, was Joannes het oudste. Zijne moeder, Elisabeth van Hove, ontsliep in den Heer, na een smartelijk zevenjarig lijden met het grootste geduld verdragen te hebben, den 30 Nov. 1617, tegen welken tijd Joannes als novice bij de Jesuïten te Mechelen werd opgeleid. Na den dood zijner eoht-genoote, ging zijn vader zich insgelijks op de studie toeleggen te Leuven ; weldra werd hij
4
priester gewijd, en klom zelfs op tot de waardigheid van kanunnik aan de S. Sulpitius-kerk te Diest. Men verhaalt van Joannes, tot bewijs zijner uitmuntende inborst, dat hij in zijne kindsheid nooit geweend heeft; dat hij nooit tot zijne moeder of anderen, die hem opvoedden, een hard woord heeft gesproken, en altijd even voorkomend was jegens allen.
Van jongs af zonden zijne ouders hem ter school, opdat lüj daar zoude onderwezen worden in de eerste beginselen der taal, gelijk hij te huis het onderwijs aangaande den godsdienst en de christelijke deugden uit den mond en het voorbeeld zijner ouders ontving. Hij was zeven jaren oud, toen zijne grootmoeder bemerkte, dat hij 's ochtends veel vroeger zijne slaapstede verliet. Op hare vraag, waarom hij zoo bezorgd was, antwoordde hij, dat hij voor het naar school gaan, twee of drie heilige missen diende, om Gods zegen over zijne studie af tesmeeken.Na schooltijd, wanneer de deur van zijn vaderlijk huis op zijn kloppen niet spoedig genoeg geopend werd, gaf hij zijn ongeduld niet lucht in herhaald schreeuwen en kloppen, maar begaf hij zich bedaard in de naburige kerk, ten einde eenen Rozenkrans te bidden. Tijdens de ziekte zijner moeder gaf de negenjarige knaap haar zooveel troost door zijne zoete, liefdevolle
woorden en opwekkingen, dat de omstanders er herhaaldelijk door getroffen werden. Op zijn tiende jaar lag er zulk een lieftalligheid in zijn wezen, straalde er zulk een aantrekkelijkheid uit zijn blik, zijne houding, taal en gewoonten, dat verschillende aanzienlijke lieden hem in den kring hunner familie wilden opnemen. Aan een ander leermeester toevertrouwd, maakte hij thans zulke vorderingen in zijne studie, dathij weldra zijne gelijken voorbijstreefde, en eene plaats kon innemen naast hen, die hem in ouderdom en kennis vooruit waren. Het was hem genoeg, eene zaak eenmaal gehoord of gelezen te hebben, om ze niet meer te vergeten.
De leermeester vereerde hem deswege als een wonder, en stelde hem den anderen ten voorbeeld. Op zekeren dag had hij zijn vader zulk een lof over hem gesproken, dat de goede man van vreugde dronken, Joannes een priesterlijk kleed schonk (hetwelk deze reeds lang gewenscht had,) en hem voorstelde aan den Eerw. Heer Petrus Emmericus van de orde der Premonstra-tensers, die toen ter tijd pastoor was van de O. L. Vrouwekerk te Diest, en aan zijn huis verschillende jongelieden opleidde. Met hen leefde Joannes gedurende drie jaren. Toen reeds zag men in den knaap die liefde tot de eenzaamheid ; niet zelden onttrok hij zich aan het
6
spel zijner medeleerlingen, om te gaan lezen of bidden, zoodat zijne oversten hem vaak in den kring zijner spelende makkers moesten terugvoeren, opdat zijn geest zich niet door die aanhoudende studie en gebed zou overspannen. En toch waren zijne makkers niet gebelgd over die handelwijze, integendeel, zij eerden zijne deugd, en meenden, dat hij zich alleen van hen afzonderde, om beter aan zijne heiliging te kunnen arbeiden.
Op zijn elfde jaar begon Joannes te denken aan de eerste H. Communie. Na rijp beraad begaf hij zich naar zijn Overste om zich voor te bereiden. De waardige man was niet weinig getroffen door de hemelsche onschuld en kinderlijke eenvoudigheid van den jeugdigen Joannes, zijne ziel was nog vrij van alle zonden. En dat kleed der onschuld, hetwelk hij in het Doopsel ontvangen had, behield hij onbesmet tot den laatsten dag zijns levens. Hij zelf heeft dat getuigenis schriftelijk achtergelaten in de woorden : //God heeft mij Christen gemaakt, een medegezel van Jesus, zijn vriend, zijn bruidegom. Hij heeft mij bewaard, vrij van de smet der doodzonden.quot; 1)
Hierin moet ook de oorzaak gezocht worden van de gevoelloosheid, die hij ondervond bij
1
Fecit Christianum, socium Jesu, amicum, sponsuin, conser-vavit sine peccato mortali.
7
de overweging zijner eigene zonden, o Gelukkige jongeling, die het gebouw der deugden hadt opgetrokken op den grondslag der onschuld, om vervolgens, langs verschillende trappen, tot zulk eene verhevenheid en volmaking op te klimmen !
Na gebiecht te hebben, ontving hij de H. Communie uit de handen van zijn geestelijken leidsman, die beweerde, dat er op dat oogenblik iets meer dan menschelijks lag in de houding en het gelaat van den jongeling. Van dien tijd af biechtte hij elke week, en ontving om de veertien dagen het Brood des levens. Daar lag op dien kinderlijken leeftijd iets ernstigs in zijn doen en laten, dat met zijne jonkheid niet overeenkwam. Zoo spaarzaam was hij in zijne woorden, dat hij niet sprak dan om te antwoorden, en dan nog met de grootste bescheidenheid.
Op eene tooneelvoorstelling, waarop dekuisch-heid van Suzanna werd opgevoerd, speelde hij de rol van den grijzen Daniël met zulk eene treffende overeenkomst, dat aan het geklap en de bewondering der toeschouwers geen einde kwam. Zijne makkers beminden hem, ja, lieten zich zelfs door hem leiden en vermanen, alsof hij alle macht over hen in handen had. Nooit verscheen hij in tegenwoordigheid van een pries-
8
ter met gedekten hoofde : zoodanig was zijn eerbied en zijne onderdanigheid jegens den geestelijken staat.
Zoolang hij als kind in het vaderlijk huis was, was hij niet tevreden, wanneer er geen boek ter lezing op tafel iag. Daarom ook was het hein een genot, wanneer zijne makkers aan tafel zaten, hun iets te kunnen voorlezen uit de H. Schrift, het Lijden van Christus of de Levens der Heiligen. Wanneer hij at, was hij zoodanig bezig in den geest, dat zijne medeleerlingen hera uit scherts den bijnaam van //Vreemdequot; gaven; in eten en drinken was hij uiterst sober.
Het was de gewoonte in huis, dat de leerlingen eiken avond, in tegenwoordigheid van den Overste, gezamentlijk eenige gebeden verrichtten ; en na den zegen van den Overste gevraagd te hebben, zich ter ruste begaven. Joannes evenwel werd niet zelden gekleed op het bed gevonden, ten einde in stilte langer te kunnen bidden.
In dien tijd brandde hij vooral van liefde tot de Allerheiligste Maagd, en zoo dikwijls hij met zijn overste naar Scherpenheuvel ging om haar te groeten, legde hij het uur gaans af in stilte mediteerende of den Rozenkrans biddende. Dikwijls vond men zijn ontbijt in een hoek van het huis, om aldus de bezorgdheid van zijn
9
Overste te verschalken. Wij laten hier het oordeel volgen, door zijn Overste, den Eerwaarden Heer Petrus Bmmericus, over hem gegeven.
quot;Hij bezat, zegt quot;hij, zulk eene buitengewone //onschuld en zuiverheid van hart, dat hij zelfs //den naam niet kende van de ondeugden, //waartoe zijn leeftijd zoo licht overhelt. Ook //vluchtte hij als de pest den omgang van die-//genen, die lichtzinnig waren, opdat zijne ziel //door niet de minste vlek zou bezoedeld wor-//den. Wanneer de klas ten einde was, begaf //hij zich tot de studie. Nergens was hij meer //dan in de kerk, nergens minder dan buiten. //De H. Maagd scheen hem, uit belooning van //de liefde die hij haar schonk, wederkeerig //onder hare bijzondere bescherming te hebben //genomen.
O
wToen hij de eerste latijnsche verzen begon //samen te stellen, vroeg hij, of het hem ge-//oorloofd was, naar willekeur zijn stof te kie-//zen; en hij vervaardigde een gedicht op den //Naam van Jesus, waarin zulk eene teederheid //van gevoelens lag opgesloten, dat men meende, //dat hij in gezelschap van Jesus geweest was.quot;
Uit het bovenstaande kan men gemakkelijk opmaken, welke verwachtingen men omtrent den jongen Joannes koesterde. Evenwel, bij gebrek aan middelen, konden zijn ouders verdere studies
10
niet meer bekostigen; deswege legde zijn vader hem in bijzijn der moeder het plan bloot van hem een of ander handwerk te laten aanleeren. Door die tijding, welke zijn plannen geheel verijdelde, ter neer geslagen, wierp hij zich aan de voeten zijner ouders, hen biddende en smeekende met opgeheven handen, dat zij hem tot den priesterlijken staat zouden laten opleiden ; en, daar hij begreep dat hij daartoe niet zonder middelen kon geraken, beloofde hij hun, zich met water en brood tevreden te stellen, mits men hem niet van zijn voornemen zoude afbrengen. De vader was diep getroffen door die standvastigheid, en na weinige dagen werd hij, door bemiddeling van den deken van Diest, naar Mechelen gezonden, waar de hoogeerw. heer Preimont, kanunnik aan de metropolitaan-kerk, hem liefderijk ontving en als zoon behandelde.
Dat geschiedde in den jare 1613, toen Joannes zijn veertiende jaar nog niet bereikt had. Eenigen tijd volgde hij de humaniora aan het oude College dier stad, totdat hij, niet zonder Gods bijzondere voorbeschikking (gelijk hij zelf zegt), overging naar het Gymnasium der Societeit, hetwelk toen werd opgericht. Na volbracht examen, werd hij bekwaam geoordeeld en ingeschreven voor de Rhetorica.
11
Hier vooral gaf hij zich geheel en al over aan zijne zucht naar wetenschap. Kon hij in het vaderlijke huis niet dan met een boek in de hand aan tafel zitten, hier bracht hij geheele nachten in de studie door. Daarenboven vereerden allen in hem eene bijzondere aantrekkelijkheid in den omgang, zoodat de edelste jongelieden zich niet ontzagen met hem vriendschap aan te knoo-pen. Wanneer somtijds onder hen een minder zedige taal gevoerd werd, zweeg men aanstonds bij zijne nadering, opdat hij zich niet, vol schaamte, van hen zou verwijderen. Hetzelfde verhaalt men van den H. Bernardinus van Senen.
Bij zijne intrede in het College der Socie-teit, stelde Joannes alles in het werk om opgenomen te worden in de Congregatie der Allerh. Maagd. Zijne poging werd met alge-meene goedkeuring aangenomen en toegejuicht. Als congreganist gaf de jongeling aan allen het voorbeeld van zachtmoedigheid, ijver en godsvrucht. Eiken zaterdag vastte hij ter eere van de H. Maagd. Den tijd, die hem overschoot na de studie, bracht hij door in het gebed. Elke hoek van het huis strekte hem tot gebedzaal ; meer dan eens vonden hem de dienstboden na middernacht op den grond geknield bidden, en na het gebed op den grond slapen. Eiken vrij-
] 2
dag bad hij blootsvoets den Kruisweg, ter eere van het bitter Lijden O. H.
Een zijner medeleerlingen te Mechelen, die naderhand in de orde der Premonstratensers is getreden, bewaarde van hem als een relikwie, een hymne, beginnende met de woorden vSalve, Reginaquot;, door Joannes zelf in verzen geschreven.
De hoogeerwaarde Heer Preimont verhaalt van hem het volgende. Op zekeren dag, omtrent Pinksteren, ging hij (Preimont) met Joannes een bezoek brengen aan O. L. V. van Scherpenheuvel. Op hunne terugreis, daar zij den weg naar Aerschot niet kenden, namen zij een gids en vervolgens een andere, die hen beiden verlieten, wegens de slechte betaling; zij dwaalden derhalve door de bosschen, die de struikroovers onveilig maakten. Daarbij kwam nog een hevig onweder, dat de dwalenden geheel ter neder sloeg.
Na aldus eenige uren door het woud gedwaald te hebben, bereikten zij een voetpad, zoo smal, dat het paard er ternauwernood door kon. De kanunnik steeg af, liet Joannes het paard bestijgen, en volgde zelf te voet. In den angst van het gevaar, beval de kanunnik zich aan in de hoede van den beschermengel van Joannes. En ziet, o wonder! nauwelijks had hij eenige gebeden gestort, of een vreeselijke don-
13
derslag rolt door het luchtruim, met zulk een geweld, dat de hemel scheen in te storten. Vol vrees voor den verblindenden bliksem, wendt hij de oogen ten hemel, en roept Gods hulp in. Op dat oogenblik zag hij eene landvrouw op eene vooruitstekende rots, die weldra in eene zonderlinge gedaante voor de voeten van Joannes wentelde, hem met brandende oogen aanstaarde, en met overhaasting de vlucht nam.
Plotseling hield het onweder op, en in de verte ontwaarden zij de spits van den toren» het doel hunner reis. Toen zij daar aankwamen, vernamen zij, dat niet ver van daar eene toovenaarster woonde, die door hare bezweringen zulk een storm verwekken kon. Nu twijfelde de kanunnik niet langer, of Joannes' beschermengel had de boosdoenster voor de voeten van den jongeling neergestort, om daardoor te kennen te geven, dat zij hunne redding aan Joannes' verdiensten te danken hadden.
Van dag tot dag werd hij welbehagelijker in de oogen van God, en het was onmogelijk dat de Voorzienigheid zulk eene lelie te midden der doornen kon laten wegkwijnen. Zij stortte daarom in zijn hart een afkeer van de wereld en een bijzondere voorliefde voor den klooster-staat. De vrome jongeling, wel verre van dien innerlijken aandrang tegen te werken, voedde
14
hem meer en meer in zijn hart, bijzonder door het lezen der brieven van den H. Hieronymus en het leven van den H. Aloysius van Gonzaga.
Om des te zekerder mede te werken met den wil des Alleriioogsten, deed hij vooral drie zaken : hij vermeerderde zijne gebeden, verdubbelde de kastijdingen zijns lichaams en het ontvangen der H. Communie; ten tweede verdeelde hij de vijf en twintig gulden, die hij bezat, en gat' een gedeelte aan de armen, voor een ander liet hij missen lezen te Leuven aan een altaar van O. L. V., terwijl hij het derde naar Scherpenheuvel zond, om den bijstand der Allerheiligste Maagd af te smeeken. Eindelijk, ten derde, legde hij zijne roeping bloot aan zijnen biechtvader, diens hulp en leiding verzoekende. De uitslag was naar wensch : God riep hem tot den kloosterstaat.
Thans was hij zeventien en een half jaar oud, en besloot hij zijne ouders met zijn besluit schriftelijk bekend te maken, er bij voegende, dat hij reeds eene belofte gedaan had, om bij dat besluit te blijven. Die brief was onderteekend ://])e zoon van Jesus Christus en uwe Joannes.quot; Die onverhoopte tijding viel zwaar op het beminnende ouderenhart, dat in dien zoon alle hoop gesteld had. Zij verkregen van de paters Capucij-nen, dat deze de roeping van Joannes zouden
15
onderzoeken; de jongeling begaf er zich heen, en keerde terug met den gelukwenseh der paters over zijne standvastigheid. Een ander religieus van zijne familie, die hem van zijn voornemen wilde afbrengen, bracht hij tot bij de deur des huizes, en zeicle hem : //Ziedaar, Pater, als gij niets anders wilt, daar is de deur, ga van waar gij gekomen zijt.quot;
HOOFDSTUK II.
Intrede in de Societeit van Jesus â Noviciaat. â Devotie tot het Allerh. Sacrament. â Drievoudige gelofte. â Gelofte van zuiverheid van af zijne jeugd. â Gehoorzaamheid. â Bewonderenswaardige zuiverheid. â Versterving. â Zielenijver. â Getuigenis van den novicen-meester. â Een ander getuigenis.
Na aldus met bijna hardnekkige standvastigheid alle moeielykheden te hebben verwonnen, trad hij, op Zaterdag den 24 Sept. 1616, te Mechelen in het noviciaat der Societeit van Jesus.
Omtrent denzelfden tijd werd een ander jongeling als novice aangenomen, die eens op weg tot Joannes zeide: //O, mijn broeder, moch-.'/ten wij eens te zamen in den hemel zijn, //gelijk wij thans in eene en dezelfde geestelij-vke familie leven, om God op aarde te dienen !quot; Die woorden kwamen voort uit eene bijzondere achting en genegenheid voor den engelachtigen jongeling. Inderdaad, van af zijne intrede in het klooster gaf hij uitstekende bewijzen van zijne
17
onschuld, zachtmoedigheid en wijsheid; zoodat de novicenmeester hem voor anderen als voorbeeld stelde, 't Was de gewoonte, dat een van de novicen als hoofd werd aangesteld, om de anderen, wat de uiterlijke tucht en dagelijksche bezigheden aanging, te leiden. Dat ambt werd Joannes opgedragen; en, hoe moeilijk ook, verwierf hij zich de liefde en achting van de meer dan honderd novicen, die onder hem hadden gestaan. Zelfs later, wanneer men een zijner opvolgers lof wilde toezwaaien, zeide men : //Het schijnt een andere Berchmans te wezen.quot; Eens vertelde een zijner medenovicen in zijn bijzijn, om hem schaamrood te doen worden, dal op denzelfden tijd, toen de heilige Maagd mirakelen begon te werken in Scherpenheuvel, te Diest een engel in menschengedaante verschenen was; en hij wees met den vinger op Joannes, die in al zijn doen en laten een engel was.
Zijn geheele wezen ademde reinheid en vreugde, zoodat eenigen hem schertsenderwijze den heiligen Hilarius, anderen den tl. Laetus noemden, welke namen in het Neder-landsch beteekenen : Blijmoedige. Zijn grootste genoegen bestond in het verdragen van versleten en verstelde kleederen, in openbare berispingen, in het doen van den meest onaan-zienlijken arbeid, en in het kastijden van zijn
J. BERCHMANS. 2
18
lichaam. Op zijn verlangen werd hij onophoudelijk bespied door vier zijner medeleerlingen, die hem op zijne minste fouten en gebreken moesten opmerkzaam maken. Een hunner wees hem eens op eene zeer lichte overtreding, en verkreeg daarvoor uit dankbaarheid van den jongeling de som van 3 kronen. Door die betooning aangelokt, gaf de andere zich alle moeite hem nogmaals te betrappen, hetgeen evenwel niet meer gelukte.
Opmerkelijk is, wat in dit opzicht de novi-cenmeester van hem verhaalt, loen hij namelijk zag, dat Joannes zich zoo gaarne in 't openbaar onmeêdoogend begrip zat, gebood hij aan alle novicen, hem een briefje af te geven, waarop alle de gebreken van Joannes stonden op-geteekend. De briefjes opende hij in tegenwoordigheid van allen, en ziet, geen enkel bevatte eenige opmerking over eene of andere fout. Wat loftuitingen zouden er niet gekomen zijn, indien de novicen in last hadden gehad, de deugden van Joannes op te sommen !
Dat voorval wekte natuurlijk de bewondering des Paters, te meer omdat het getal dei novicen zoo groot was, en ten andere omdat de nieuwelingen in hun eersten ijver het geringste opmerken. Daarop namen eenige Paters de taak op zich, Joannes in al zijne hande-
19
lingen na te gaan, om te zien, of zij geen gebrek in hem bespeuren, of geene deugd in hem missen zouden. En, o wonder, zijne handelingen waren rein en zonder fouten, en er was geene deugd waarin hij niet uitblonk.
Gedurende zijn noviciaat ging hij dagelijks zeven maal het Allerheiligste Sacrament bezoeken. En dan zat hij daar, geknield, met de oogen zacht gesloten, de handen op de borst, het lichaam onbewegelijk, en een hemelschen glimlach op de üppen. Dan drongen de anderen zich rondom hem, met de hoop een vonkje zijner liefde, een vveinigje van zijn ijver te ontvangen. Drie zaken placht hij van God te vragen voor zich en voor zijne makkers : eene engelachtige zuiverheid, de volharding in hunne roeping, en de genade, eens bekwame werktuigen te worden in Zijne handen.
Van hem vind ik opgeteekend, dat hij na het eerste jaar van zijn noviciaat eene drievoudige gelofte deed, ten einde zich zoodoende inniger aan God te verbinden. Met eenigen zijner medenovicen was hij overeengekomen, immer over de H. Maagd te spreken.
De nederigste gedachten koesterde hij van zich zeiven. Toen men hem vroeg, of hij niet bekoord werd door de zucht naar ijdele glorie, antwoordde hij: //Met Gods genade vrees ik dat
20
ondier niet.quot; De deugd van gehoorzaamheid had hij inzonderheid lief; en daarom juist droeg hij den H. Ignatius eene grootere liefde toe, omdat deze zulk een heerlijken brief over die deugd geschreven had. Daarenboven was hij van oordeel, dat men in de kleinste zaken met de meeste nauwkeurigheid moest gehoorzamen, om daardoor aan de Oversten te toonen, op hoeveel prijs hunne bevelen gesteld werden.
Eens sprak hij binnen het College met eenen vreemde, toen een andere tot hem kwam met hetzelfde doel. //Ga eerst den Rector verlof vragen, zeide Joannes, en dan zal ik u spreken.quot; Wanneer hij ziek was, stond hij nochtans, alleen uit gehoorzaamheid, op het bepaalde uur op, en ging vervolgens wanneer het noodzakelijk was, met verlof des Oversten, weder naar bed. Eens ondervraagd zijnde, op welke manier deregel van het stilzwijgen volmaakt kon onderhouden worden, gaf hij ten antwoord : vlk handel op de volgende wijze : Indien ik op weg iemand ontmoet, groet ik hem beleefdelijk ; heeft hij mij noodig, dan stel ik mij nederig ten zijnen dienste ; ondervraagt hij mij, dan antwoord ik met een enkel woord, en wacht mij wel er iets overbodigs aan toe ts voegen.quot; Het was bij hem gewoonte geworden, in allen, die hij ontmoette, hun bewaarengelen te groeten, of ook
21
wel voor hen te bidden ; zijn groet was alsdan zedig en beleefd, terwijl hij uit eerbetoon altijd eenige ruimte openliet tusschen hem en den voorbijganger.
In geheel zijn leven heeft hij nooit eenige handeling, beweging, teeken of woord tegen de engelachtige deugd van zuiverheid gedaan. Was hij steeds goedig en luimig in den omgang, in dit opzicht was hij uiterst streng. Zijne heldere oogen schoten stralen, die de aanschouwers tot kuischheid aanzetten, en hen liefde tot die deugd inboezemden.
Tegen drie ondeugden vooral, zeide hij, heeft de Religieus te strijden: tegen de lauwheid, den hoogmoed en de onmatigheid. De eerste moet door den ijver, de tweede door vernederingen, en de derde door soberheid overwonnen worden.
Het is onmogelijk te zeggen, hoe sober Joannes was in het gebruiken van spijs en drank. Nooit dacht hij aan het eten, vóórdat het teeken daartoe gegeven was. Ook bevestigde hij, dat men door oefening met verloop van tijd de onthouding kon aanleeren; en dat hij, om zich niet te verslaven aan de gewoonte van te ontbijten, van het begin van zijn noviciaat eiken ochtend een weinig van de voorgezette spijs had achtergelaten, om aldus den eetlust langzamerhand daaraan te gewennen, en tot den maaltijd
22
te kunnen verschuiven ; dat hij zoodoende geleerd had zich te onthouden.
Hij kon niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat een kloosterling, die verwijderd leeft van alle aanlokselen der zonde, en bovendien geharnast is met verschillende hulpmiddelen daartegen, nog in eenige zonde kon vallen. De slaperigheid, waaraan hij somwijlen onder het hooren eener predikatie onderhevig was. trachtte hij te verdrijven door zich de lippen tot bloedens toe te bijten ; en aldus overwon hij de natuur, en gewende zich aan waken en aan oplettendheid. Met hetzelfde middel genas hij verschillende anderen.
Gaarne sprak hij van de missiën der Socie-teit in Japan en China. Als er desaangaande nieuwstijdingen aankwamen, haastte hij zich, die het eerst aan zijne medeleerlingen te kunnen verhalen. Schoon met bezigheden overladen, had hij nochtans tijdens zijn noviciaat de Fransche taal, waarvan hij te voren niets kende, zoowel aangeleerd, dat hij meermalen in de eetzaal in die taal het woord voerde. Zijn doel daarbij was, naar zijn zeggen, om aldus beter aan de plichten van zijn staat te voldoen, opdat geen enkele ziel schade zoude lijden door zijne onwetendheid in eene taal, die in geheel België zooveel gesproken werd.
Hij had eens van af de tribuun met zooveel
23
geestdrift en vuur den lof van den H. Aloysius verkondigd, dat de Overste vreesde voor zijne gezondheid.
Aan de landlieden verklaarde hij den catechismus, en hij deed dit met zooveel bevalligheid, dat zij hem liever dan een predikant hoorden ; en toen hij eens aan eenige boerenknapen den Rozenkrans had leeren bidden, zag hij hen later achter eene heg, met het opzeggen dier gebeden bezig. Op een anderen keer begeleidde een troep kinderen hem tot aan het klooster, tot niet geringe vreugde en bewondering der toeschouwende Paters.
In één woord, na een tweejarig noviciaat, had hij zich bij zijne Oversten, bij de novicen, bij de andere Paters en Broeders, den naam van Engel der plaats waardig gemaakt. Allen zochten zijn gezelschap; allen beminden hem. Eenigen der novicen bekenden, dat zij, door hem te aanschouwen alleen, tot deugd en godsvrucht werden aangewakkerd. En inderdaad, daar lag iets in zijne blikken, zijn gelaat en zijn ge-heele lichaam, dat meer eigen scheen aan hemelingen dan aan een sterveling.
De tijd was daar, waarop Joannes zijne geloften zou afleggen. Voor den raad der Paters werd hij niet alleen waardig en bekwaam geoordeeld, maar ook nog met loftuitingen over-
24
laden. En hij, om zijn offer aangenamer te doen zijn aan God, schreef een brief aan zijn vader, die reeds, gelijk we boven zeiden, priester was, en vroeg hem, dat hij in de kerk van Scherpen-heuvel drie heilige missen zou lezen ter eere van den H. Geest; alsmede, dat hij door Maria's voorspraak Gods zegen over hem zoude af-smeeken. Want, zeide hij, is het billijk, dat de ouders zich verheugen over hunne kinderen, wanneer zij den luister van hun huis verhoogen, hoeveel te meer moeten zij zich verheugen over de waardigheid van een kind, wiens ziel door eene heilige gelofte verbonden is aan Jesus Christus, den Koning der hemelen.
Eenige dagen later, den 25 September 1618, legde hij zijne geloften af voor den novicen-meester P. Wilhelmus Bauters, des ochtends onder de H. Mis in tegenwoordigheid van het. Allerheiligste Sacrament, en versterkte zich vervolgens met het Brood der Engelen.
Hoe innig zijn omgang met God was, blijkt alleen daaruit, dat hem geen vergunning verleend werd, om zich in de geestelijke eenzaamheid af te zonderen, zooals dat anders voor het afleggen der kloostergeloften placht te geschieden.
Wij laten hier eenige uittreksels volgen uit brieven, door bovengenoemden Pater Bauters over Joannes Berchmans geschreven:
25
quot;Wat ik schrijf, heb ik gedeeltelijk zelf op-wgeraerkt, gedeeltelijk van anderen vernomen. '/Toen ik hein bij zijne intrede in de Societeit, //op last des Oversten onderzocht, meende ik '/bij den eersten oogslag een engel in mensche-'/lijke gedaante voor mij te zien ; dat hij ook '/werkelijk bleek te zijn, toen ik zijn hart meer '/doorgrondde. Hij was de onschuld zelve, een '/voorbeeld van zedigheid, en lief in den om-quot;gang. Onderdanig aan zijne oversten, standvas-quot;tig in het volbrengen van eens begonnen za-//ken, overgegeven aan het gebed, werd hij dik-'/wijls door God op bijzondere wijze verlicht. '/Hij ademde niets dan Gods glorie. Ziedaar mijn oprecht getuigenis.
quot;Leuven, 10 November 1621.quot;
In een anderen brief aan den schrijver eener levensgeschiedenis, schrijft hij het volgende:
quot;O, hoe aangenaam was mij die lezing. In '/den geest zag ik nog den engelachtigenjon-'/geling voor mij, tusschen de meer dan hon-'/derd novicen in het noviciaat te Mechelen. quot;Al die trekken uit dat heilige leven, al die quot;goede werken, die mij zoo vaak tot verruk-'/king hebben opgevoerd, herleefden voor mijne //verbeelding, en spoorden mij en mijne on-
26
//derhoorigen aan, hem na te volgen, en God //in zijn dienaar te loven.
//Ik ben het der waarheid schuldig, te be-//kennen, dat, ofschoon mij door mijne oversten //de taak was opgedragen, hem te leiden en //te onderwijzen, ik hem steeds met innerlijke //bewondering heb aanschouwd, en telken dage //van den Heer onzen God de genade afbad, //van hem, indien ik hem niet kon evenaren,
//ten minste te kunnen navolgen........
//Ik voel mij gedrongen, te gelooven, dat hij //in de wieg reeds uitverkoren was tot een on-
//geschonden tempel van den H. Geest......
//Zoolang hij in België was, gaf hij aan al-//len het volmaakte voorbeeld van alle deugeden ; hij was een spiegel van gehoorzaam-//heid. Naar wat ik van hem zelf gehoord, of //in hem zelf gezien heb, heb ik altijd geloofd, //en geloof ik ook nog, dat hij steeds beant-//woord heeft aan de genade zijner roeping, en //dat hij onder ons het heiligste leefde. Hetge-//tuigenis van allen, die met hem geleefd, en die //hem gekend hebben, is eenparig dit: //hij heeft in //ons midden een engelachtig leven geleid, én //door zijne groote zuiverheid, én door zijne be-//scheidenheid in den omgang, én door zijne be val-//ligheid in zijn handelingen, én door zijne zacht-wmoedigheid, én door zijne gehoorzaamheid, én
27
//door zijn ijver en godsvrucht in den dienst van //God. Hij was gelijk als een engel, die immer //staat voor den troon des Allerhoogsten.
//In 't kort: Gods zegen rustte opzijn hoofd; //de Heer had hem onder alle vleesch uitver-//koren, en hem een levenswet en tuchtregelen //voorgeschreven ; Hij heeft hem omgord met den //gordel gerechtigheid, hem leidende in de nauw-//keurige naleving van den kloosterregel; en //daarna heeft Hij hem verheerlijkt, en heilig gesmaakt, en de kroon der glorie op het hoofd //gedrukt.............
//Leuven, 16 April 1524.quot;
Wij hebben het leven van Joannes in België afgehandeld, en gaan thans over tot zijn leven te Rome.
HOOFDSTUK 111.
Vertrek naar Rome. â De geur zijner heiligheid verspreidt zich op zijne reis. â Aankomst en verblijf te Lorette. â In het College te Rome. â Studie der Wijsbegeerte. Zijne volmaaktheid in alles. Verschillende getuigenissen.
Na volbracht noviciaat, werd Joannes tot Pater Carolus Scribani, die in dien tijd Provinciaal dei-Orde was te Antwerpen, gezonden, om door dezen onderhouden te worden over het volbrengen zijner theologische studiën te Rome. Door zijn overste naar Diest gezonden, ten einde zijn vader vaarwel te zeggen, hoorde hij reeds te Mechelen diens overlijden en begrafenis. Diep getroffen door die tijding, riep hij uit: //Zoo zal ik dan met meer waarheid kunnen zeggen: OnzeVader, die in de hemelen zijt. //Vervolgens zijne broeders en zusters en alle andere zaken aan de zorg van voogden, en aan die van den hoogw. heer kanunnik Freimont toevertrouwende, keerde hij naar Antwerpen terug.
Van daar vertrok hij naar Rome, den 24
29
October 1618, in gezelschap van Bartholoraaeus Penneman, een jongeling rijk begaafd naar geest en hart, die insgelijks voor zijne theologische studiën naar Rome gezonden werd.
Het verwonderde Joannes, dat hij naar Rome in zulk eene beroemde Academie der Societeit gezonden werd, daar hij niet begrijpen kon, waardoor hij zulk eene weldaad verdiend had. Niettemin verheugde hij zich bij de gedachte aan al, wat hij het geluk zou hebben, daar te aanschouwen: Vooreerst Christus' Stedehouder op aarde en Hoofd der katholieke Kerk ; den Generaal-Overste zijner Orde; zooveel heilige plaatsenen overblijfselen van Heiligen ; de gedenkteekenen van de Vorsten der Apostelen, en zooveel meer, dat goed doet aan het hart van den Christen. Zijne reis maakte hij over Parijs en Lyon; en, ofschoon hij op de verschillende plaatsen, die hij doortrok, slechts één nacht vertoefde, schitterde zijne deugd nochtans zoo helder, dat uit verschillende plaatsen brieven van lof over den jongeling te Rome aankwamen.
Daags voor Kerstmis kwamen zij te Lorette, en bezochten dat Heiligdom, waarin het Goddelijk Woord de menschelijke natuur heeft aangenomen. Ofschoon vermoeid van de reis, en zwak bovendien van gestel, wilde Joannes echter bij den ochtenddienst tegenwoordig wezen.
30
die met de diepste godsvrucht en de grootste pracht in de kerk van Lorette verricht werd. En hij was er tegenwoordig, immer geknield, met de oogen neergeslagen, het lichaam onbewegelijk, met zooveel ingetogenheid en aandacht, dat aller oogen op hem gevestigd waren, en men hem vol bewondering met den vinger aanwees. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, meenden eenigen in hem een vorstenzoon te zien, die (gelijk het wel meermalen gebeurde) om de heilige kapel te bezoeken, andere kleederen aangetrokken en een anderen naam aangenomen had.
Na het morgengebed, hoorde hij in die ge-nadenrijke kapel de heilige Mis, en ontving er de H. Communie. Twee dagen bleef hij daar, omdat hij zijn hart niet kon verzadigen aan den aanblik van het heiligdom. Vervolgens zetten zij hunne reis voort, en bereikten de eeuwige stad op het einde van December, waar zij door den Generaal-Overste, P. Mutius Vitellescus, vriendelijk werden ontvangen.
Hier werd Joannes eene plaats aangewezen tusschen zijne nieuwe medeleerlingen, en verkreeg hij tot leermeester P. Franciscus Piccolomini, die de wijsbegeerte doceerde. Slechts twee en twintig maanden mocht de jongeling het gezelschap zijner nieuwe leergenooten genieten; nog negen maanden leefde hij in gezelschap der
3!
oudere leerlingen, tot hij door een ziekte uit hun midden werd weggerukt. Gedurende dien tijd maakte hij zulke vorderingen op den weg dei-volmaaktheid, dat allen getuigden, in hem een jongeling te zien van buitengewone en uitstekende heiligheid.
En inderdaad, wanneer Joannes alleen in onschuld of eenige andere deugd hadde uitgeblonken, dan hadde hij misschien zijn gelijken gevonden in de Societeit. Maar dat hij én door onschuld van leven, én in alle andere deugden uitblonk, daardoor verwierf hij zich ieders eerbied en bewondering. Door de hulp van Gods genade en een aanhoudenden ijver had hij die deugden tot zulk een verheven trap van volmaaktheid weten op te voeren, o Indien zij, die zijne uiterlijke handelingen aanzagen, hadden kunnen doordringen tot die innerlijke deugden, waaruit die handelingen voortkwamen, welk een dunk zouden zij hebben opgevat van 's jongelings deugd en heiligheid ! o Gelukkig hij, in wiens ziel God zijn welbehagen genomen had! Gelukzalige jongeling, wien God zulke voorrechten geschonken had, als Hij eertijds gaf aan Adam, toen Hij hem plaatste in dien gelukkigen staat van hemelsche onschuld!
Joannes dan studeerde de Wijsbegeerte aan het Romeinsch College, waar verschillende Over-
32
sten nauwlettend acht gaven óp de stipte vervulling onzer regelen en voorschriften. Met de meeste zorg werden de kleinste vlekken, de lichtste fouten aangeteekend, die zij ontwaarden, hoofdzakelijk in die jongelingen, welke meer in 't oog werden gehouden, ten einde hen te doen volharden. En toch geen enkele Overste, noch mindere, noch priester, noch leermeester, noch medeleerling of kamergenoot; geen enkele van al diegenen, die hem zagen en gemeenzaam met hem omgingen, heeft ooit de minste onvolmaaktheid, de lichtste fout in hem gezien, of zelfs een onbescheiden woord van hem gehoord. Niemand zag hem ooit de blikken hooger opslaan, dan paste; niemand zag hem ooit, óf uit menschelijk opzicht, óf uit onachtzaamheid, de grenzen van het geringste verbod overtreden ; niemand zag hem ooit een enkel oogenblik nutteloos of in ledigheid doorbrengen. In één woord, niemand zag hem ooit de minste fout begaan.
O, als reeds eene enkele deugd, tot volmaaktheid opgevoerd, den mensch de bewondering en navolging van anderen waardig maakt, hoe groot moet dan niet de bewonderingen eerbied geweest-zijn voor dien eenen jongeling, die zoovele uitstekende deugden in zich vereenigde, en tot volmaaktheid opvoerde!
Wij zullen hier twee getuigenissen aanhalen
33
van Paters, die op het einde zijns levens de gidsen waren van zijn geestelijk leven. Het eerste is dat van P. Joannes Baptista Ceccotti, die het geluk had gedurende twee jaren zijn geestelijke leidsman te wezen.
//Om te voldoen aan den wil mijner Over-//sten, kan ik van Joannes, wat zijn inwendige //aangaat, getuigen, dat ik nooit een ziel heb //gevonden, reiner en zuiverder dan de zijne, //hoewel ik, door mijn ambt, ontelbare onder //mijne leiding heb gehad. Het heeft mij altijd //toegeschenen, dat die ziel iets boven andere //voorhad. Zijne zonden waren uit natuur slechts //dagelijksche, en dan nog zulke, die over 't //algemeen niet kunnen vermeden worden, en die //in de grootste heiligen uit zwakheid der be-//dorven natuur gevonden worden. Wat meer is, //van dien aard van zonden heeft hij er maar //weinige, en dan nog nooit wetens en willens
//bedreven.............
//Van zijnequot; gebreken had hij de klaarste //kennis. Zijn geweten was zeer teeder, doch
//niet beangstigd of scrupuleus..........
//Wat over de volmaaktheid geleerd werd, //prentte hij niet alleen in zijn geest, maar //volgde het werkelijk op. Toen ik eens, uit //voorschrift des regels, onze leerlingen moest //onderhouden over het geestelijk leven, terug-
J. BERCHMANS. 3
34
//gebracht tot eenige hoofddeugden, ving onze //Joannes mijne woorden met zooveel leergierig-//heid en ijver op, dat ik niet wist, welke vol-//inaaktheid ik nog in hem te wenschen had----
//Ik kan dit met meer zekerheid getuigen, //daar ik langen tijd met hem heb omgegaan, //en in hem een schat van hemelsche deugden //ondekte, waarvan die ziel vervuld was, waarin //ik nooit eenige ongeregelde neiging of drift //heb kunnen ontdekken.
//Zijne medeleerlingen en leeraars vereerden //hem als een Engel des hemels; hij zelf was //zoo eenvoudig, dat hij nooit in iemand eenig
//gebrek of onvolmaaktheid opmerkte......
//...............
//Aldus meen ik der waarheid recht te doen.
//Joannes Baptista Ceccoïti.quot;
Een ander getuigenis is dat van P. Thomas Massucci, die zijn geestelijke leidsman was in het laatste jaar zijns levens, 1621, van het begin van Januari tot den 31 Augustus, den dag waarop hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
//Steunende op de ondervinding, welke ikge-//durende dien tijd van hem heb opgedaan, meen //ik met zekerheid het volgende te kunnen ge-//tuigen: 1° Dat ik nooit een jongeling gekend
35
'/heb na den engelachtigen Aloysius van Gon-»zaga (met wien ik geleefd, en zelfs liet laatste '/jaar van zijn leven in 't Ronreinsch College ge-//meenzaam omgegaan heb), die vlekkeloozer van //levenswandel, reiner van geweten, en hooger //in volmaaktheid was dan onze Joannes.
//2° Dat hij zich voorgenomen had, om zijn '/doel als religieus te bereiken, in alle deugden //uit te blinken, en alle mogelijke vorderingen '/te maken in de studie; dat hij dat alles deed //tot eer van God en heil der zielen, en tot //beantwoording aan de genade en den geest '/zijner roeping.
'/3° Dat hij tot bereiking van dit doel, als '/algemeen middel gebruikte, het getrouw na-'/leven onzer regels : in welk opzicht hij, zon-'/der eenige angstvalligheid, zeer stipt te werk '/ging, en geen enkelen wetens en willens heeft '/overtreden...........
quot;4° Tn het opvolgen der drievoudige gelofte '/was hij zoo omzichtig, dat hij in dit punt niets quot;kon vinden, om er zich van te beschuldigen. //De zuiverheid inzonderheid heeft hij zoo on-'/geschonden bewaard, dat ik geloof, dat hij nooit quot;door eenige beweging of voorstelling (zelfs niet quot;in den slaap), aan die deugd tegenstrijdig, is //verontrust geweest. . ........
36
//5° Uit de dagelijksche meditatie trok hij zoo-»veel voordeel, dat ik (in acht genomen het vlicht van zijn geest en de liefde van zijn hart, //die hem van 's morgens tot 's avonds leidden //in het naleven der regels, en het beoefenen //van alle deugden) steeds geloofd heb, dat hij in de //genade bevestigd was, d. i., dat hij op zulke wijze //door de genade werd geholpen en voorgelicht, //dat het hem onmogelijk werd, door een aanmer-//kelijke fout van den weg af te wijken; in welken //staat hij volhardde tot het uiteinde zijns levens
Het getuigenis van P.Franciscus Piccolomini, zijn leermeester, vinde hier ook nog eeneplaats.
//.........Gedurende de drie jaren,
//dat hij de wijsbegeerte studeerde, en met mij //in hetzelfde College vertoefde, kwam hij dagelijks //eens of meermalen op mijne kamer ; maar nooit //of nimmer, hetzij in 't openbaar hetzij in de //eenzaamheid, heb ik in hem de minste fout //opgemerkt; integendeel, steeds heb ik in hem //de grootste bescheidenheid in houding, gelaat //of gebaren bewonderd.
v Vervolgens heb ik nooit iemand gezien, die //zoo gedurig, gemakkelijk en als van zelf met //hemelsche zaken en Gods tegenwoordigheid be-//zig kon zijn, en tegelijkertijd met alle aandacht //andere zaken verrichten......
37
//Ten derde, ik heb nooit iemand van zijn //leeftijd gekend, die zoo vol was van verhevene //gedachten, en met zulk eene kennis van God //begaafd; die daarenboven met zulk een gemak //de volmaaktheid beoefende.
//Ten vierde, hij toonde zich niet alleen vol-//hardend in een eens begonnen zaak, maar dacht //er steeds nieuwe uit, om vooruitgang te maken ; //zoodanig dat, toen hij mij eens vertelde wat //hij deed van den vroegen morgen af, en hoeveel //nieuws hij had bijgeleerd, ik hem ronduit ver-//klaarde, dathij niet meer op diewijzemoestvoort-//gaan..............quot;
Wij zouden nog verschillendegetuigenissen kunnen aanhalen, die het bewijs geven van Joannes' uitstekende deugd en heiligheid; doch, daar het getuigenis van twee geleerde en deugdzame mannen, gelijk boven zijn aangehaald, voldoende blijkt, zullen wij van de andere afzien.
HOOFDSTUK IV.
Hoe hij tot de volmaaktheid kwam. â Zijn voornemen van nooit een regel te overtreden. â De liefde voor de orderegelen. â Zijne engelachtige zuiverheid. â De vier middelen, die hij aanwendde, om die deugd te bewaren. â Twee voorrechten, welke hij tot belooning voor zijne zuiverheid ontving, één in zijn leven en één na zijn dood. â Zijn aanblik alleen wekt liefde op voor die deugd.
Wellicht vi'aagt hier iemand, lungs welken weg en door welke middelen Joannes, op dien leeftijd, tot zulk een hoogen Uquot;ap van volmaaktheid geraakte. Hierop antwoorden wij met dezelfde woorden, die Christus tot Joaqnes den Dooper sprak, toen deze weigerde Hem te doo-pen : nAldus betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen1) â quot; en wij zeggen, dat deze jongeling alle gerechtigheid vervuld heeft. Inderdaad, voor zoover het de menschelijke natuur mogelijk is, heeft hij alles gedaan, wat hij wi$t, dat op het pad der deugd kon gedaan worden ;
1
Matth. III. 15.
39
geen enkel deel der volmaaktheid (wat hij door Gods hulp kon bereiken) heeft hij verwaarloosd. Op het eens ingeslagen pad der volmaking is hij nooit een stap teruggetreden, nooit stil blijven staan, nooit vermoeid geworden; immer schreed hij voort, van het goede in het betere, van de volmaking in eene meerdere volmaking.
Op den hechten grondslag van de onschuld des Doopsels had hij dat heerlijke gebouw der deugden opgetrokken. Van dien tijd at had hij liet vaste voornemen gemaakt, nooit de minste dagelijksche zonde te bedrijven. Dat voornemen bezat hij schriftelijk aldus: nLiever duizendmaal sterven, dan de minste zonde te heg aan. Met den meesten ijver zal ik mij steeds trachten te onthouden van ai 'e dagelijksche zonde. Uit alle kracht zal ik steeds de minste onvolmaaktheid vermijden. Jjieoer sterven, dan een enkelen regel te overtreden. Eerder de gezondheid verliezen, dan den minsten regel te overschrijden.''
Een der Paters, een man van uitstekende geleerdheid, en bewonderaar van 'sjongeüngs volmaaktheid, nam de taak op zich van naarstiglijk te onderzoeken, of hij geen gebrek in hem bespeuren kon, hetzij in het spreken of handelen of redetwisten. Maar nooit mocht het hem gelukken, de minste fout, zelfs niet tegen de wellevendheid, in hem te ontdekken.
40
Nooit behoefden de Oversten hem op deze of gene zaak opmerkzaam te maken, nooit te vermanen. Nooit ging hij uit het gezelschap, of hij moest verlof hebben. Nooit weigerde hij iets te doen, wat hem werd opgedragen. Nooit sprak hij met een oudere, toen hij nog onder dejon-gere leerlingen vertoeven moest; en nooit met een jongere, toen hij onder de ouderen geplaatst was, zonder verlof des Oversten.
Reeds had hij de samenleving der jongelieden verlaten, toen eens een Belgisch Pater met een Belgisch jongeling sprak, die eertijds in België met Joannes in het noviciaat, en thans in de Societeit te Rome was; toevallig ging Joannes hen voorbij, en de Pater, hem ziende, riep hem, ten einde eenige woorden in het bijzijn des anderen met hem te spreken. De gehoorzame jongeling evenwel, gedachtig aan den regel, die hem verbood te spreken, verzocht den Pater, dat hij den andere zoude wegzenden, belovende hem dan te woord te zullen staan. Door een ander priester ondervraagd, waarom hij niet gesproken had met een oude kennis uit zijn noviciaat, antwoordde hij : //Omdat ik opgehouden heb met hem te leven, en den ouderen het gesprek met jongeren verboden is.quot;
Hij placht dikwijls al schertsend te zeggen, dat het wenschelijk ware, aanstonds na eenen
41
bedreven misstap door den Overste gestraft te worden, omdat men dan zekerder was met zijn Overste in vrede te blijven.
Bij verandering in den toestand van zaken, 'zijn de Oversten gewoon nieuwe verorderingen uit te vaardigen, en die in de eetzaal af te kondigen. Joannes nu bezat een boekje, waarin alles, wat gedurende den tijd, dat hij in 't Romeinsch College verbleef, was afgekondigd, vervat was; dat boekje gebruikte hij om zich des te beter te herinneren aan de afgekondigde verordeningen. Daaruit ziet men duidelijk, met hoeveel beleid hij de regels naleefde. Onder de princi-pen, die hij zich gesteld had, was ook dit: n ik haat als de pest de dispensatie in het nakomen der reglementen'' Ook wilde hij nimmer een of ander voorrecht hebben, of vrijheid van handelen in deze of gene zaak ; nIk zal niet licht, zeide hij, een algemeen verlof vragen in eenige zaak.quot;
Op den feestdag van den H. Ignatius, den stichter zijner orde, keerde hij na de H. Mis naar het College terug, toen hem een zijner makkers vroeg, welke gunst hij van den Heilige had afgesmeekt. Ik heb gebeden, zeide hij, in de So-cieteit te mogen sterven, zonder een enkelen regel te hebben overtreden. O, het verheugde hem blijkbaar, wanneer hij na tafel al die Paters en Broeders in den tuin of elders zag wan-
42
delen en praten ; en wanneer dan, bij den eer-sten klank der bel, allen zwegen, de woorden zelfs op de helft afbraken, en in stilte naar hunne cellen gingen 1
Doch met hoeveel liefde hij het reglement naleefde, kan men hieruit opmaken, dat hij eiken avond, wanneer hij zich te slapen legde, het boek der Regels met bijzondere godsvrucht onder zijn hoofd plaatste, en vervolgens geruster scheen in te slapen. Tijdens zijne ziekte moest men hem datzelfde boek brengen, en het hem in handen geven.
\\'as Joannes op zijne hoede tegen elke overtreding der Regels, hoeveel te meer was hij het niet tegen de minste vlek, die zijne kuischheid zou kunnen ontsieren. Steeds verfoeide en verafschuwde hij de kleinste onvolmaaktheid, die strijdig was met de engelachtige deugd, zooals : den lust naar uitgezochte spijzen en gulzigheid, de lichtzinnigheid in het gebruik der oogen, en wat dies meer zij. Ziehier zijne woorden : nIn eeuwigheid zal ik haten en verfoeien alle onvolmaaktheden, die strijden met de zuiverheid, zooals de neiging tot spijzen, en de zorgeloosheid in het bewaken der oogen zoowel binnen als buiten ; want de onzuivere is slechter dan alle duivelen.quot;
Om derhalve zijne zuiverheid te bewaren, was hij een vijand van alle onmatigheid, welke hij
43
de vijandin der kuischheid en het verderf voor liet gebed en de overweging noemde. Hij kon liet in brave menschen niet goedkeuren, wanneer zij op het eten bedacht waren, en hij hen meermalen over spijs en drank hoorde spreken. uDe gulzigheid zegt hij, bestaat in een ongeregelde zucht naar spijs, icelke zucht zich ie kennen geeft door gedachten en woorden over het eten, door eene verachting van de algemeene, eenen trek naar uitgezochte spijzen, door eene ongepaste manier van ze te gebruiken, als bijv. met te groote begeerlijkheid.
Hij zelf kon er nooit toe gebracht worden, iets meer te eten, dan hij gewoon was, zelfs niet als zijne gezondheid het vorderde. In zijne jongelingsjaren, toen zijn lichaam meer voedsel noo-dig had tot zijnen groei, beschuldigde hij zich vaak van onmatigheid, niet begrijpende, dat hielde natuur hare eischen deed, en hare rechten vorderde.
Met zijne oogen had hij een verbond aan gegaan, van ze nooit op te slaan van den grond, dan wanneer eenige reden of noodzakelijkheid het vereischte. Deswege zag hij diegenen niet aan, met wie hij sprak, tenzij in het begin om hen te kennen. Ging hij echter naar de cel zijns meesters, die reeds wist, dat hij komen zou, dan trad hij altijd binnen met neêrgeslagen oogen.
44
De mensch is van natuur zoo gesteld, dat hij bij elk ongewoon geluid het hoofd omwendt, om te zien, vanwaar dat geluid komt. Bij Joannes was dat niet het geval. Met opzet hieven soms eenige jongelingen een luid geschreeuw aan. om hem te doen opzien; maar het gelukte hun nooit. Toen hem eens zijn kamergenoot vroeg, hoe hij altijd zoo ingetogen kon zijn, antwoordde hij : //Men moet waken over zijn hart, en dat kan men niet zonder te waken over zijne oogen.quot;
Hij veroorloofde zich niet het gezicht van personen ; doch wat meer is, het zien, het aanschouwen van alle merkwaardigheden had hij zich ontzegd. Eens werd hij naar een Seminarie gezonden, om tegenwoordig te zijn bij een too-neelvoorstelling. Hij voldeed aan het bevel, maar bleef met de grootste ingetogenheid en zedigheid op zijne plaats zitten, zonder de oogen op te slaan. Een adellijk toeschouwer, die den jongeling met bewondering gadesloeg, fluisterde zijn buurman in het oor ; //Voorzeker, die Pater is een Heilige.quot;
Nooit kon men van hem verkrijgen, dat hij de heerlijke tuinen en wijngaarden, die te Rome der bewondering waardig zijn, ging aanschouwen. Zelfs schonk hij niet een blik aan die geestelijke optochten, die dikwijls te Rome gehouden
45
werden bij het onthalen van nieuwe kardinalen, vorsten of gezanten; en wanneer hij toevallig zulk een stoet ontmoette, ging hij voorbij met gesloten oogen. Toen de nieuvvgekozen Paus Gregorius XV in optocht langs het klooster trok, zaten de kloosterlingen, waaronder Joannes, aan de deur geknield, om den zegen te ontvangen. Naderhand vroeg hem iemand, of die prachtige stoet hem bevallen had ; waarop hij antwoordde : //Ik heb hem niet gezien, wijl diegenen, welke voor mij zaten, mij het gezicht benamen.quot; Inderdaad, in plaats van zijne aandacht te schenken aan die pracht, had hij ze geschonken aan het gebed.
Bij het bezoek eens kardinaals aan het Ro-rneinsch College, was Joannes onder meerdere
O '
jongelingen, die elk in hunne taal het woord moesten voeren, de taak opgedragen, dat te doen in het Nederlandsch. Toen hij zijne rede geeindigd had, vroeg hij of men hem niet noodig had in de keuken; en bij een ontkennend antwoord, begaf hij zich aanstonds naar de kerk om te bidden.
Daar had hij zich een hoekje uitgekozen, waar hij zijne ziel kon lucht geven in het gebed; daar zat hij gedurende de geheele Vespers met neergeslagen oogen en onbewegelijk geknield. Zeker edelman uit Genua beschouwde den jonge-
46
ling met innige voldoening, en sprak aldus tot een der Paters :
//Waarom, Pater, meent gij, dat ik hier ge-//komen ben?quot; â //Wel,quot; antwoordde de ande-//re, om de Vespers bij te wonen.quot; â //En om //dien jongeling te zien, hernam de Genuees, die //op eiken feestdag hier komt, en op die plaats //zit te bidden met zooveel zedigheid, dat hij //de oogen niet opslaat. Ik heb zulk eene uit //muntende gedachte van hem, dat ik in hem //een Heilige meen te zien ; want terwijl ik in //de kerk dezen zie opletten op de muziek, genen //zie rondzien, anderen praten, bidt die jonge-//ling zoo zedig, zoo rustig, dat hij mij toeschijnt, //heilig te wezen.quot; Anderen zeiden, dat een Engel met menschelijke leden niet zediger kon zijn.
Toen hij op het einde zijner (theologische) studiën zijne theses moest verdedigen, stonden eenigen op den drempel, om hem op den leerstoel te zien staan ; fluisterend staken zij de hoofden te zamen, en zeiden : //Ziet, de uZedige Fafer' zal zijne theses verdedigen, zonder dat het ons zal vergund zijn, een enkel oogenblik hem te aanschouwen !quot;
Door deze hulpmiddelen was Joannes gekomen tot die uitstekende zedigheid, en tot die heerschappij over zijne oogen. Met niet minder ijver beheerschte hij al zijne overige ledematen.
47
en veroorloofde hun geene beweging, die slechts eenigszins tegen de welvoegelijklieid streed ; zoo-dat het geen wonder was, dat liij ook in dit opzicht voor allen een voorwerp van bewondering was.
Een ander middel om zijne engelachtige zuiverheid te bewaren, bestond in het vluchten van alle gemeenzaamheid.
n Met niemand wil ik yemeenzaam zijnquot; zeidc hij, meenende door de gemeenzaamheid aan den eerbied, dien hij anderen schuldig was, te kort te doen. Het reglement verbood de een den anderen aan te raken; waarom Joannes zich tut regel gesteld had; nAls iemand mij tegen den regel, al is het maar uit scherts, aanraakt, zal ik hem aan den Overste bekend maken!'
Uit de werken van den H. Bonaventura*) had hij zich de regels opgeschreven, waardoor men de slechte vriendschappen van de andere kan onderscheiden : geheele uren en dagen doorbrengen in het gesprek, dat in den beginne goed, langzamerhand ijdel en zelfs lichtzinnig wordt; zijne geneigdheid voor elkander uitdrukken ; elkander kleine geschenken geven; niet lang de afwezigheid van den vriend kunnen verdragen ; beangstigd zijn, wanneer men niet spoedig
l) De Profectu Kelig. lib. 2, cap. 27.
48
tijding van hera krijgt; kwaad worden, wanneer een derde in het gezelschap binnensluipt, enz.; waarbij Joannes een ander teeken voegde, namelijk ; wanneer de eene vriend den anderen gelegenheid geeft tot het overtreden van een regel of het begaan van een misstap.
Door die aanhoudende zorg, welke Joannes besteedde aan het bewaken van zijn lichaam met al zijne ledematen, had hij van God een bijzonder voorrecht verkregen : dat hij gedurende zijn geheele leven geen enkele bekoring heeft gehad tegen de zuiverheid. Op een dag, dat hij sprak over de voorrechten der Allerheiligste Maagd, zeide hij : ttDoor Gods hulp en den hijstand der H. Maagd Iteh ik nooit, zoover ik weet, eene he-koring yehad tegen de zuiverheid; maar ik verafschuw alles, wat aan die deugd tegenstrijdig is.quot;
Zoo zuiver als die ziel was, zoo zuiver was ook het lichaam; hetgeen hij aan de hulp der Allerh. Maagd toeschreef, onder wier bescherming hij waakte en sliep.
Tot belooning voor die engelachtige zuiverheid, had hij van den Hemel twee voorrechten verkregen, één in zijn leven, en één na zijn dood. O welk een geluk moet het voor hem geweest zijn, gedurende zijn leven, door zijn aanblik, door zijne tegenwoordigheid alleen de liefde tot die deugd in de harten van ande-
49
ren te ontsteken ! niet weinigen hielden hem dan ook reeds voor heilig, en baden God door zijne verdiensten. Anderen riepen uit: //Gelukkig gij, die als een Engel uit den hemel op aarde zijt neergedaald, om ons het voorbeeld te geven van alle christelijke deugden !quot; en dan weenden zij, getroffen door dien aanblik, en in liefde tot de zuiverheid ontstoken,.
Een ander voorrecht, hetwelk hij na zijn dood scheen te genieten, was die macht, waardoor hij velen, die hem in den strijd tegen de onzuiverheid aanriepen, te hulp kwam, en hen over de bekoringen deed zegevieren. Inderdaad wendden zich menschen van beider geslacht, in het gevaar, met liefde en vertrouwen tot Joannes, en vonden in zijne hulp aanstonds een geneesmiddel tegen de bekoringen. Uit dankbaarheid werden er dan door de ge-holpenen ex-voto's opgehangen aan zijn grafzerk, die den jongeling nog meer de liefde en den eerbied der menschen verwierven. Men ziet dus, dat de li. Maagd haar geliefden dienaar en zoon niet alleen in zijn leven met voorrechten heeft begiftigd, maar hem zelfs na zijn dood met wonderen heeft versierd, tot stichting en nut der geloovigen, en tot zijne verheerlijking voor de geheele wereld.
J. EERC11MANS.
HOOFDSTUK V.
De middelen, welke Joannes gebruikte om alle fouten te vermijden. â Zijne inborst. â Zijne geregelde levenswijze. â De bewaking zijner tong. â Gewetensonderzoek. â Zijne afzondering op een dag van elke maand.
Om zijne onschuld tegen alle vlekken te behoeden, had Joannes, behalve de bijzondere hulp van God, nog vijf andere middelen; en die zijn: een goede inborst en natuur, een geregelde levenswijs, de bewaking zijner tong, het gewetensonderzoek, en de zorg over de belangen zijner ziel.
Het is altijd goed, een geschikte natuur te hebben, goed van inborst te zijn ; maar bijzonder om zijn leven naar de deugd te regelen, en zich goede zeden te vormen.
De oorzaken immers, waarom de eene mensch lichter in zonden valt dan de andere, waarom de eene meer tot deze, een andere meer tot gene ondeugd overhelt, moeten dikwijls gezocht worden in de samenstelling van het lichaam, in
51
de ongelijke mengeling van verschillende vochten, die het menschelijk lichaam bevat. â Doch de Hemel en de elementen, de natuur en de genade schenen samengewerkt te hebben, om het lichaam van Joannes te vormen met zulk eene regelmaat, dat geen enkel deeltje in dat geheel eene disproportie teweegbracht.
Wijl nu de aandoeningen der ziel natuurlijk gewijzigd worden door den bouw van het lichaam, en hare werkingen daarvan afhangen, zoolang namenlijk als lichaam en ziel vereenigd zijn, volgt daaruit, dat de aandoeningen en bewegingen der ziel in het heerlijkste verband staan, wanneer het lichaam insgelijks de kenteekenen draagt van eene innerlijke harmonische samenvoeging. Het viel daarom den jongeling niet moeielijk om, gesteund door Gods genade en zijne eigene waakzaamheid, zijne rede en zijn hart te bewaren voor alles, wat stoornis daarin kon teweegbrengen. Daarom had hij zijn vleesch aan den geest, het lichaam aan de ziel, zijne zinnen en begeerlijkheden aan de rede, en de rede aan God onderworpen; daarom genoot hij voortdurend den innerlijken vrede, die van God komt, en dien de wereld niet geven kan.
Vandaar die sieraden des jongelings, welke in hem uitblonken, en vooral die levendigheid.
52
die rust der ziele, gepaard met dien inner-lijken vrede, welke steeds uit zijne oogen straalde en op zijn aangezicht te lezen stond. Vreugde teekende zijn gelaat; een zoete glimlach speelde om zijne lippen. Droefgeestigheid kende hij niet; ten minste, hij wist niet, haar ooit ondervonden te hebben. En dan die overvloed van geestelijke vreugde, waardoor de Heiligen zich zoo zeer onderscheiden! O, dat was een teeken van zijne gewetenszuiverheid, van zijne verachting van al het vergankelijke, van een volslagen gebrek aan zinnelijke lusten, van zijne heerschappij over geheel zijn lichaam ! Toen reeds had de gelukkige jongeling een voorsmaak van die eeuwige gelukzaligheid, waartoe hij door God was voorbestemd.
Een ander middel was zijn eens vastgestelde levensregel, waarvan hij nimmer afweek. Alle half jaren (gedurende de driedaagsche retraite, die gehouden werd oin de kloostergeloften te vernieuwen) verdeelde hij zich den tijd, de dagen en uren bepalende, waarop hij deze of gene zaken zoude verrichten. En dien regel leefde iiij hardnekkig na. Wanneer er nochtans, wegens andere bezigheden of verandering van woonplaats, eene verandering noodzakelijk was, werd natuurlijk ook eene wijziging gebracht in zijn levensregel.
53
Gebeurde liet nu somwijlen, dat eene zaak spoediger verricht was, dan de tijd dien hij daarvoor bepaald had; dan hield hij zich bezig met te overleggen hoe de volgende het beste tot stand te brengen, zoodat hij nooit iets deed, zonder vooraf rijpelijk overlegd te hebben. Ja, zijne voorzorg in dit opzicht strekte zich uit tot de schijnbaar nietigste zaken; zoo dacht hij b. v. na over de manier van ter ruste gaan, over zijne houding in het bed en bij het opstaan ; ook de antwoorden, welke hij in dit ot' dat geval geven zoude, overwoog hij, zoodat hij nooit iets uit onbezonnenheid zeide, en aldus zich nooit iets te verwijten had. nNooit, zeide hij, zal ik iets zeggen, zonder daarover te hehhen nagedacht, en alvorens het aan God te hehhen aanbevolen, opdat ik niets zegge, wat Hem onbehagelijk zij!'
Een derde middel was de waakzaamheid over zijn tong. De meeste zonden worden juist door dat lidmaat bedreven en daarom wordt hij niet ten onrechte volmaakt geheeten, die niet zondigt door zijne tong. Joannes was uiterst omzichtig hier omtrent; nooit kwam er een woord over zijne lippen, dat niet noodzakelijk, dat nutteloos, of tegen de welvoegelijk-heid was. Uit die spaarzaamheid in woorden volgt van zelf, dat wat hij zeide wel doordacht was. Nooit heeft men hem betrapt op
54
een overtreding van den regel op het stilzwijgen; nooit zelfs maakte hij gebruik van de gelegenheid om te spreken, wanneer daartoe in het College een klein verlof gegeven werd. Het is daarom des te meer te verwonderen, dat hij in tamelijk korten tijd, met zooveel juistheid het Ttaliaansch aanleerde, dat hij zelfs de moeielijkste klanken met vrij veel gemak uitsprak.
Een zijner medeleerlingen, Nicolaus Radkai, die met hem zeer ingenomen was, had van de oversten verlof gekregen, met hem alle zaken en aangelegenheden te mogen bespreken, ten einde zijn raad in te winnen. Nu gebeurde het niet zelden, dat hij naar des jongelings cel ging, wanneer het tijd van zwijgen was; doch deze zond hem dan, na zoo weinig mogelijk woorden gewisseld te hebben, weder heen; was de zaak uitvoeriger, dan stelde hij ze uit, tot de tijd van spreken weder daar was. Ook kwam hem eens te Rome een pater opzoeken, met wien hij te Lorette kennis gemaakt had. Toen deze te lang bleef praten, zeide de jongeling: //Eerwaarde, ik kan nu niet spreken, daar het tijd van zwijgen is. Op uw verlangen zal ik nochtans verlof gaan vragen aan pater overste.quot; Hij ging, en keerde terug, tot groote vreugde en voldoening des paters, die zeer gesticht was door die buitengewone gehoorzaamheid.
55
Buiten het College sprak hij nooit op bezochte plaatsen; en wanneer hem op weg iemand tegenkwam, brak hij aanstonds het gesprek af, om het later weder op te vatten. Op den tijd, dat het geoorloofd was, te spreken, sprak hij nooit anders dan over God en heilige zaken ; en daarin scheen hij het grootste genoegen, den grootsten troost te vinden. Dan ook vloeiden de woorden met zooveel gevoel en zalving van zijne lippen, dat de ernstigste paters er door getroffen, en in liefde ontstoken werden, meer nog dan door het gebed en andere geestelijke oefeningen.
Wanneer hij somtijds sprak met jongeren, of met diegenen, die nog in lagere studies waren, dan sprak hij over die zaken met zooveel zoetheid, dat zij met diep ontzag naar hem luisterden. Bestond zijn gezelschap uit ouderen, dan wist hij het gesprek eene andere wending te geven, om het op eene stof te brengen, welke meer met hunne behoeften overeenkwam.
Na den eten wandelden eens twee professoren in den tuin, toen zij Joannes van verre zagen aankomen. Aanstonds veinsden zij over oorlogstijdingen te praten. Joannes evenwel wandelde met hen, maar zwijgende, met de handen op de borst, en de oogen neergeslagen. Bij dat gezicht konden zij een glimlach niet bedwingen, en bekenden hem openlijk, slechts uit scherts het
56
gesprek op dat onderwerp gebracht te hebben; uogenblikkelijk ook gingen zij voort met te spreken over geestelijke zaken.
Hier moeten wij melding maken van twee dingen, die door zijn ijver tot stand kwamen. Het eerste bestond hierin. Van zijne oversten had hij verlof verkregen, om onder zijne makkers als het ware een klein disputeer-college op te richten over geestelijke zaken, hetwelk hij lijke gesprekken van den wijngaard noemde. Op bepaalden tijd en uur kwamen zij te zamen in eene of andere zaal. Een van hen stelde dan eene deugd voor, die, na met meerderheid van stemmen te zijn aangenomen, in eene volgende bijeenkomst besproken werd. In de eerste vergaderingen werd gehandeld over de broederlijke liefde, de zedigheid, de nederigheid, de bewaking der zintuigen, de zelfverloochening, het gebed, de verduldigheid, de geestelijke vreugde. Dan werd een onder hen de last opgedragen deze of gene deugd te verklaren, daarbij aan te geven of zij ook door eenigen regel of door een bijzonder bevel der oversten werd bevolen. Een ander legde vervolgens de inwendige of uitwendige handelingen bloot, waardoor die deugd kon worden uitgeoefend, üeze haalde de beweegredenen aan, die tot die deugd aanspoorden. Gene somde de middelen op, waardoor die deugd kon
57
verkregen worden. Weer een andere haalde voorbeelden aan van heiligen, die in deze of gene deugd bijzonder uitblonken. Ieder bereidde zich gedurende de week op het verhandelen eener deugd voor: en dan kwamen zij te zamen in den wijngaard op een vrijen dag, om het voorgestelde kort en eenvoudig na te gaan en te bespreken. Op het einde der vergadering was het aan eenen van hen geoorloofd, over de verhandelde deugd vragen te stellen ; nadat die waren beantwoord, begon men op dezelfde wijze over de te vluchten tegenovergestelde ondeugden.
Die instelling bleef bestaan, ook na den dood van Joannes, en bloeit nog voort. Haar doel was alleen gelegen in eene wederzijdsche aanwakkering tot de deugd, en vermijding van de zonde. De godvruchtige jongeling schreef alles op, wat er in zijn tijd werd verhandeld.
Het tweede bestond in het lezen van de Instellingen, regels, annalen en geschiedenis zijner orde. En die las hij met een tweeledig doel : én om ze te kennen, én om ze na te volgen. Veel beloofde hij zich uit die studie; want toen gedurende zijne ziekte een Poolsch jongeling, Nico-lao Grodreski, hem vroeg, op welke wijze men den vrijen tijd het beste kon doorbrengen, gaf hij ten antwoord: //Wilt ge met gemak en met //nut over geestelijke zaken spreken, lees dan
58
'/onophoudelijk de Geschiedenis en de annalen wonzer orde : deze immers moeten allen meer //behagen, allen meer bijzonder aangaan. Wat '/mij betreft, ik heb mij daarvan eene verzame-'/ling gemaakt, zoodat wij over geene zaken '/spreken konden, of ik haalde er voorbeelden '/over aan uit onze eigene Societeit.quot;
Bovendien had hij zich een lijst opgemaakt van alle martelaren en heiligen der orde, wier jaardag hij steeds vierde onder den tijd der uitspanning. Hij was zoo bedreven in dekennis van den oorsprong, den vooruitgang en den univer-seelen toestand der Societeit, dat hij ze niet alleen scheen gelezen, maar zelf geschreven te hebben. De geleerdste Paters, P. Franc. Piccolomini, P. Gabr. Venustus en anderen, verzekeren, dat zij nooit iemand gevonden hebben, die óf meer kennis van die zaken had, óf met meer gevoel daarover kon spreken.
Een vierde hulpmiddel, om zich zeiven steeds ongeschonden te bewaren, was de gewoonte van zijn geweten te onderzoeken; hetgeen door den H. Ignatius noodzakelijk geacht wordt voor allen, die tot volmaaktheid willen geraken. De oefening, welke wij algemeen gewetensonderzoek noemen, deed hij tweemaal daags met de overige leerlingen der Societeit. Een bijzonder onderzoek stelde hij dagelijks in op een vastge-
59
steld uur, tenzij plaats en omstandigheden hera dwongen dat uur te veranderen. Een maand vóór zijn overlijden verklaarde hij, nooit één van dat drievoudig gewetensonderzoek achterwege te hebben gelaten.
Toen hij eens terugkeerde van eene predikatie, door den Gensraal-Overste gehouden, sprak hij zijn metgezel aldus aan : '/Wij konden onderweg ons geweten wel onderzoeken ; want in liet college zal het teeken daarvoor reeds gegeven zijn.quot; â Op een vrijen dag in de week wandelde hij omtrent etenstijd met een zijner medebroeders in den wijngaard, toen hij dacht dat het de gewone tijd van zijn gewetensonderzoek was. //Broeder, zeide hij, op dit uur ben ik gewoon, mijn geweten te onderzoeken,quot; en meteen was hij verdwenen om te doen wat hij gezegd had.
Hij was van gevoelen, dat er geen beter middel bestond om de ondeugden uit te roeien en deugden aan te werven, dan het bijzonder gewetensonderzoek. Hij putte daaruit een volmaakte kennis van zich zelf; hij merkte al zijne gedachten, ook de geringste, op; hij kende al zijne neigingen, en wat dies meer zij. Is het niet te verwonderen, dat zoo iemand niet door scru-pulen gekweld werd ? en toch zeide hij : //Ik herinner me niet, gedurende mijn geheel leven, scrupulen gehad te hebben.quot;
60
Om nu in die dagelijksche oefeningen niet te verflauwen, had de vrome jongeling een ander raiddel uitgedacht, waardoor hij zijn eersten ijver bleef bewaren.
Met verlof der oversten namelijk, mocht hij zich elke maand één dag afzonderen. Dien dag kwam hij niet buiten zijne cel, en sprak hij met niemand; dat was zijne maandelijksche retraite. Buiten de vier uren, die hij dan aan de meditatie wijdde, gebruikte hij den geheelen dag om de zaken van zijn geweten te onderzoeken en te regelen.
Ziedaar, langs welken weg Joannes, en door welke middelen hij de ondeugden uitroeide en de fouten vermeed. Thans staat ons te beschouwen, hoe hij het andere gedeelte der heiligheid volbracht volgens de woorden van David : quot;Houd af van het kwaad, en doe het goede.quot; 1quot;)
1
Declina a malo et fac bonitatem.
HOOFDSTUK VI.
Johannes' hoogachting voor de Societeit J. â Zijne liefde voor dezelve en voor al hare leden. â Zijne liefde voor de werk. broeders. Zijne genegenheid voor de zieken. â Zijn haat voor alle singulariteit. â Zijn gedrag bij het spel.
Vooreerst zullen we hier nagaan, met welk een diepen eerbied, met welke eene kinderlijke liefde Joannes bezield was voor zijne Orde. Van haar sprak hij als van iets goddelijks, met ernst en waardigheid. Hij placht haar //de heilige Societeit,quot; //de societeit der liefde,quot; //een goddelijk werk,quot; //zijne moederquot; te noemen. Het leven in haar noemde hij eene gelijkenis van het leven van Christus op de aarde; voor hem was de Societeit een der schitterendste orden, die in de Kerk bloeien en, ofschoon hij de Societeit van Jesus als zoo iets heerlijks, zoo iets eerbiedwaardigs beschouwde, sprak hij nochtans met zooveel ontzag van de andere geestelijke orden, dat de leden dier orden het niet met meer warmte konden doen dan hij.
62
Die hoogachting zijner Orde bracht bij hem de heerlijkste uitwerkselen voort. Hier komt op de eerste plaats die innige, teedere liefde voor haar, die hij zijne Moeder noemde. Tot welk eene groote weldaad hij het zich rekende, tot die orde te behooren en haar kleed te dragen, blijkt hieruit, dat hij eiken ochtend, alvorens de toga aan te trekken, dezelve met teeder-heid kuste //verheugd (zooals hij zeide) zich weer te kunnen bekleeden met het kleed van Christus.quot; Die liefde tot de Societeit en hare kleeding behield hij onverminderd tot zijn laat-sten ademtocht, zoodat hij zelfs vroeg, in dat kleed te mogen sterven.
Het spreekt van zelf, dat zulk een liefde en achting zijne rust en zijn geluk in die orde verzekerden ; hetgeen hij uitdrukte door de volgende woorden : nik leef uiterst tevreden in mijn staat en gevoel dikwijls een hevige teederheid jegens de Societeitquot; en op een andere plaats: vik leef zeer tevreden, nooit. God zij dank, hen ik bekoord geworden, en in het laatste halfjaar voelde ik meer liefde tot de Societeit dan vroeger!'
Gelijk hij de Moeder liefhad, zoo beminde en vereerde hij ook al haar zonen, en al wat haar toebehoorde. Wie eens zijn overste geweest was, beminde hij voortdurend, alsof hij nog steeds onder zijn gezag stond. De priesters stonden bij
63
hem in zulk eene vereering, dat hij in hunne tegenwoordigheid slechts zeer weinig en dan nog zeer schuchter sprak. Wanneer hij met hen wandelde, ging hij steeds een weinig achter hen, om niet met hen gelijk te schijnen. Ontmoette hij in het huis een priester, dan ging hij een weinig ter zijde, ontblootte en boog het hoofd, liet hem voorbijgaan, en ging dan zijns weegs. Dien eerbied had hij niet alleen voor de priesters, maar voor allen, ook de minste leden der Societeit.
Hij had eene bijzondere genegenheid voor de werkbroeders, met welke hij gaarne omging. Wanneer het tijd van spreken was, begaf hij zich naar hen toe, alsof hij met hen, naar de eenvoudigheid en reinheid zijns harten, beter over geestelijke zaken kon spreken, en de gevoelens in de meditatie opgedaan, met meer vrucht kon overgieten. Zoo dikwijls hij hen van verre zag, groette hij met ontdekten hoofde, ook al werd hij door hen niet opgemerkt. Wat hen betreft, zij hadden en voedden de heerlijkste gedachten van den onschuldigen en heiligen jongeling, en noodigden hem uit, met hem te komen praten en hen te onderwijzen. Verkregen zij op feestdagen verlof om uit te gaan, dan vroegen zij steeds Joannes tot leidsman. De jongeling, van zijne cel geroepen, gehoorzaamde met de grootste
64
bereidwilligheid en de oprechtste liefde : onderweg sprak hij niet dan over goddelijke zaken.
Eens zag hij, onder den tijd van uitspanning, een broeder alleen staan. //Pater, zeide hij tot zijn metgezel, laten we tot dien goeden broeder gaan, die daar alleen staat.quot; Op een anderen keer zag hij twee broeders te zaraen, die met werken bezig waren ; aanstonds verliet hij het gezelschap zijner makkers, om hen te gaan helpen. Onmogelijk te zeggen, met welk een liefde hij hen verzorgde, wanneer zij ziek waren. Meermalen per dag bezocht hij hen, troostte hen met hemelsche woorden ; haalde voor hen in de brandende hitte der middagzon versch en frisch water, wiesch hen de handen en het aangezicht; zoodat hij, hun het lichaam verkoelende met water, hun de ziel deed ontbranden door
zijne vurige liefde.
Eiken vrijdag vertelde hij hun de preek, die hij gehoord had; dagelijks verhaalde hij hun de een of andere geschiedenis der Allerheiligste Maagd. Zoodra het uur omtrent daar was, zeiden ze reeds met blijdschap; //Weldra zal Joannes hier zijn om ons voorbeelden te vertellen.
Eiken dag bezocht hij alle zieken, troostte allen, maar vooral diegenen, welke minder bezocht werden, en meer troost noodig hadden. Kwam hij aan eene kamer, waarin hij meer-
65
dere bezoekers bespeurde, dan ging hij onmiddellijk tot eene andere, die verlaten was. Als het somtijds verboden was, wegens besmettelijke ziekten het hospitaal te bezoeken, dan ondervroeg hij met alle naarstigheid den ziekenoppasser, hoe allen en ieder in het bijzonder het maakten.
Die naastenliefde bezielde hem niet alleen jegens de zieken, ook anderen was hij gaarne van dienst. Wanneer de overste niet wist, wien mede te geven aan hen, die verlangden uit te gaan, dan was Joannes altijd zijne toevlucht, en deze was immer bereid.
Van deze bereidwilligheid maakten de oversten meermalen gebruik, toen Joannes het niet meer zoo druk had met zijne philosophische disputaties. Eens was hij drie of viermalen op een heeten zomerdag uitgeweest, toen een makker hem uit medelijden zeide : //Ik bid u, broeder, zie toch wat ge doet, om niet door onvoorzichtigheid te zondigen ; die hitte kon u ziek maken.quot; Doch de jongeling antwoordde glimlachend : //Och, broeder, laat de voorzichtigheid aan de oversten, ik heb slechts te gehoorzamen.quot;
Op zekeren feestdag moest een student in de middaghitte uitgaan. Na veel twijfeling, werd Joannes eindelijk weder als leidsman medegegeven. Toen men hem op zijn cel ging roepen, was hij bezig den rozenkrans te bidden. Noch-
J. BERCHMANS. 5
66
tans was hij onmiddellijk gereed, om in al die hitte den andere naar liet klooster der karthui-zers, dat op een grooten afstand lag van het Romeinsch College, te begeleiden. Daar aangekomen werd Joannes in een afzonderlijk vertrek gelaten, terwijl de prior met Joannes' medegezel een gesprek had. Toen beiden het klooster verlieten, vroeg Joannes aan zijn gezel: '/Gij meent, broeder, dat ik niet weet wat innerlijk in u plaats had ? welnu, ik weet het geheel en al. Gij wilt aan uwe roeping vaarwel zeggen; maar dat zal niet geschieden, ik zal voor u bidden, opdat gij daartoe niet komen moogt.quot; â Bij die woorden, stond de andere verstomd. Hij was met den Overste overeengekomen, dat deze weldra met den Rector van het College over die zaken zou komen handelen, en verzocht derhalve, om gedurende dien tijd niet in het College tegenwoordig te zijn, aan Joannes, met hem in de nabijzijnde kerk te gaan, ten einde eene voorlezing te hooren uit de heilige Schrift. Joannes begreep dat voorwendsel en antwoordde: //Neen, wij moeten naar huis gaan.quot; In het College teruggekeerd, begaf de vrome jongeling zich aanstonds tot een zijner oversten, welken hij met die zaak bekend maakte. Deze ontbood den andere bij zich, troostte hem, bracht hem zijne dwaling als zijnde
67
declits eene bekoring onder de oogen, en behield hem voor de Societeit; dezelfde jongeling werd naderhand een ijverig werkman in den wijngaard des lleeren.
Joannes was niet een van diegenen, die de heiligheid zoeken in buitengewone zaken. Hij -deed niets buiten het voorgeschrevene, maar lt;lcit ook deed hij met alle volmaaktheid, nMijne boete, zeide hij, is liet dageljksch lecen.quot; Alle zonderlingheid haatte hij als de pest: nik volg in alles den gewonen regel, en haat alle gemaaktheidquot; was een zijner stelregels. Hij zag wel in, //dat de zonderlingheid eene vijandin is dei-liefde, en dat het algemeene leven, niet alleen het â veiligste, maar ook het zekerste middel is om
O '
heilig te worden, zonder gevaar voor ijdele glorie.quot;
Bovendien placht hij te zeggen, dat iedereen moet weten, hoe zich te regelen naar diegenen met wie hij leeft; en dat die deugd eigen moest zijn aan de leden eener Societeit, die alleen één doel voor oogen hebben, namelijk datgene te worden, wat de II. Panlus was, en wat hij aldus uitdrukt: nik ben alles voor allen geworden, om allen zalig te maken.quot;
[n dien geest leefde Joannes te midden zijner huisgenooten. Hij deed alles mede volgens â¢de eens bestaande gewoonte. Ofschoon geen
(38
liefhebber van het spel, en meer geneigd tot het bespreken van nuttige onderwerpen, voldeed hij niettemin gaarne aan de uitnoodiging zijner makkers, om met hen te spelen, wanneer de tijd daartoe was aangewezen. Nooit evenwel maakte hij een aanvang, alvorens het kruisteeken gemaakt te hebben; welke oefening al zijne handelingen voorafging. In het spel zelf was hij niet uitgelaten, zooals dat gewoonlijk geschiedt. Werd hij overwonnen, dan gaf hij aanstonds den prijs aan den overwinnaar ; en die prijs bestond in het geknield bidden der Engelsche Groetenis. Was hij overwinnaar, dan slaakte hij geen kreten van luidruchtige vreugde, en bespotte de overwonnenen niet. Door die omstandigheden veredelde hij zelfs het spel, en verloor aldus geen oogen-blik, zonder daaruit voedsel voor zijn geestelijk leven te trekken.
Misschien zullen velen het hier aangehaalde als beuzelachtigheden aanzien, en het onwaardig oordeelen, eene plaats in te nemen onder de bladzijden eener ernstige geschiedenis. Voor hen zijn deze bladzijden niet geschreven. Doch zij, die eene ware achting gevoelen voor het geestelijke en het kloosterleven, zullen in die weinige voorbeelden zooveel edelsteenen aanschouwen, die schitteren in de kroon van den godvruchtigen jongeling ; zij zullen daaruit hun
69
voordeel trekken, en trachten te doen, zooals liij deed.
Drie zaken zullen wij nu achtereenvolgens behandelen. Eerstens, met hoeveel ijver hij zich toelegde op de studie der wetenschappen. Vervolgens, welke deugden hij vooral ten toon spreidde in het dagelijksche leven, en eindelijk hoe hij geheel overgegeven was aan vroomheid en godsvrucht.
HOOFDSTUK VJI.
Zijne liefde en eerbied voor de Professoren. â IJver voor de studie. â Hij laat geen oogenblik verloren gaan. â Zijne zedig-heid in tegenwoordigheid der Professoren. â Zijn examen in de Wijsbegeerte. â Voorbereiding tot het openbaar verdedigen zijner philosophische theses.
Te Rome had Joannes drie leermeesters, een voor de wijsbegeerte, die hem gedurende drie jaren de logica, physica et metaphysica onderwees; een voor de wiskunde, die hij tegelijk met de physica studeerde ; en een voor de ethica of zedeleer, die hij met de metaphysica aanleerde. 1) Die leermeesters beminde en hoogachtte hij bijzonder, en dagelijks dacht hij aan hen in zijn gebed.
Over de gave van zijn verstand en zijne wijze van studeeren, bericht ons pater Piccolomini het volgende:
'/Joannes was begaafd met een uitstekenden
1
P. Fr. Piccolomini, P. Horatius Cirassi en P. Tarquinius Galluzzi.
71
//geest, die veel verhevens bevatte. Zijn ijver en //vlijt waren zoo groot, dat ik geloof, in hem //een onovertrefbaar voorbeeld daarvan gezien te //hebben ; zelfs herinner ik mij niet ooit daarin //zijn gelijke gevonden te hebben. Dan trachtte //hij zich nog in alle mogelijke zaken, ook die //hem misschien nooit van nut konden wezen, te //bekwamen; daar hij meende, dat een lid der //Societeit eene halve wereld in zich moest kun-//nen bevatten. Daarom spaarde hij geenemoeite, //om talen, wetenschappen en andere nuttige //zaken aan te leeren. Daarenboven hield hij zich //in zijne studie zoo sterk aan de oordeelvellin-//gen en raadgevingen zijner leeraars, dat hij //nooit iets op eigen gezag deed, en hen in //alles van zijn werken rekenschap gaf met de //meeste achting en de grootste eerbetuiging.quot;
In zijn gebed, in zijne meditatie en in zijne geestelijke afzondering nam hij de besluiten over de te ondernemen studie. Ziehier zijne woorden : //Ik ben in de Orde getreden, niet om mijn tijd in //ledigheid door te brengen, maar om te werken. //De ketters wenden zooveel pogingen aantegen //Christus; zoudt gij dan geen moeite aanwendden om Christus te verdedigen ? De wereldsche //menschen stellen alles in het werk tot het ver-//gaderen van ijdele glorie ; zoudt gij dan ook //niet begeerig zijn naar goddelijke glorie ? Leg
72
quot;u dus met allen ijver toe op de studie ; laat c/geen oogenblik verloren gaan, en schrijf alles //op, wat gij der noteering waardig acht.quot;
En dat deed hij. In de klas had hij steeds zijn schrijfgereedschap bij zich. Met de diepste stilte luisterde hij naar de antwoorden en de beweeggronden, alsmede de bewijsstukken, die werden aangevoerd. Viel hem iets moeielijk te begrijpen, dan luisterde hij met nog meer aandacht, en teekende de verklaring in 't kort op.
De leer van zijn Meester ging hem boven alles; die leer verdedigde hij, en kon niet lijden, dat ze werd aangevallen, zoodat men dikwijls in tegenwoordigheid van den jongeling schertsenderwijze die leer tegensprak, ten einde hem te dwingen haar te verdedigen.
Hij studeerde staande. De twijfels, die bij hem opkwamen, schreef hij op, om ze den leeraar voor te stellen. Kwam er iets dubbelzinnigs voor, dat hij niet vermocht te ontleden, dan nam hij zijne toevlucht tot het gebed, en sprak tot God in dezer voege : //Heer, gij weet, dat ik deze //zaak zonder uwe bijzondere hulp niet begrij-//pen kan; ik bid U, help mij. Geef, o mijn //God, dat uwe wijsheid met mij zij, en met //mij werke; open mijn verstand voor deze zaak.quot; Den tijd, voor de studie aangewezen, gebruikte hij ook daartoe, tenzij hoofdpijn zijn ijver
73
tegenwerkte ; clan hield hij zich bezig met eene geestelijke lezing of raet het bidden van den rozenkrans.
Wanneer hij den leeraar zijne twijfelingen voorstelde, gebruikte hij altijd de latijnsche taal. Was hem de zaak na eene eerste uitlegging nog niet duidelijk, dan antwoordde hij openhartig en eenvoudig; win waarheid. Pater, ik begrijp het nog niet.quot; Ook gebeurde het somwijlen, dat zijne moeielijkheid opgelost was; maar dat eene nieuwe moeielijkheid voor hem daaruit voortsproot. Dan vroeg hij nogmaals, maar altijd in dien zin, dat hij niet den schijn kon hebben, het gevoelen des Meesters tegen te spreken.
Eenigen tijd voor den aanvang der klas verliet hij zijn kamer om in de kerk een groet te brengen aan het Allerheiligste Sacrament; doch zoodra hij de bel hoorde, stond hij op, spoedde zich naar de deur, en wachtte daar zijne medeleerlingen af. Voor en na de klas nam hij het stipste stilzwijgen in acht. Nooit klaagde hij over de snelheid van het dicteeren des Professors ; maar ook nooit wendde hij de oogen van zijne bezigheid af. Wanneer hij gedurende de klas iemand zag praten of rumoer maken, dan gaf hij door zijn gelaat alleen zijne ontevredenheid te kennen, en vermaande hij de plichtigen door een enkelen wenk.
74
Na het eindigen der les, herhaalde hij die, naar oude gewoonte, gedurende een half uur met eenige adellijke jongelieden ; het was bewonderenswaardig, om te zien met welk eene onderdanigheid zij dan naar hem luisterden en hem vereerden. Zoodra de bepaalde tijd verstreken was, stond hij op, zonder zelfs op de gedane vraag een antwoord te geven, en begaf zich naar zijne cel. Zoo strikt gehoorzaamde hij aan den regel.
Eindelijk kwam de tijd, dat hij een examen over de geheele Philosophie zoude moeten ondergaan. De dag was bepaald op den 19 Maart 1631, feestdag van den H. Jozef. Zijne voorbereiding heeft hij aldus opgeschreven: ^De beschermheilige van dit examen zal wezen .de H. Jozef, de bemiddelaarster de H. Maagd Maria. Met dat doel, zal ik me éénmaal geeselen, mij in de eetzaal eenige boete of kastijding opleggen, den Rozenkrans bidden, en den zegen vragen van den Eerw. Pater Rector. Als het gelukkig uitvalt, zal ik drie Rozenkransen bidden ter eere van den H. -Jozef enz. Morgen vroeg
ö O
zal ik deze of gene stof doorloopen, en zoo de H. Maagd en de H. Jozef mij helpen om alles na te zien, zal ik te hunner eere die of die devoties verrichten. In het examen zelf zal ik levendig wezen, en steeds klaar antwoorden met
75
de formal en : vlk ontken, geef toe, onderscheid, verklaar.quot; In mijne uitleggingen zal ik klaar en bondig zijn. Op uitvoerige redenen zal ik niet antwoorden, dan nadat ze door mij of door den Meester in 't korn zullen zijn samengevat.quot; Tot-alle kleinigheden bereidde hij zich dus voor. Geen wonder derhalve, dat de Examinatoren hem na volbracht examen op allerlei loftuitingen onthaalden, en hem aanmaanden in 't openbaar de theses uit de geheele Philosophic te verdedigen.
Tot die moeielijke taak bereidde hij zich met dezelfde zorg en denzelfden ijver voor als tot het vorige examen. Ãéne zaak voegde hij er nog bij, waaruit gemakkelijk op te maken is hoe vreemd zijn hart was aan alle ijdele glorie, en hoe brandend voor de eer van God; hij raadpleegde namelijk zijn biechtvader, of het met
j f i| Gods eer strookte, dat hij zijne philosophische theses openlijk verdedigde. Deze evenwel stelde â quot; ; ; hem tevreden, zoodat de verdediging zijner theses plaats had in 't openbaar den 8 Juli 1621, , - ^ ;| met zooveel geleerdheid als zedigheid, zoodat hij zich de hoogachting en den lof verwierf van al
die hem hoorden.
HOOFDSTUK VUL
Zijn dagelijksche bezigheden. â Hij wordt belast met de taak, de dienstboden te leiden in het geestelijke leven. â Zijne kamer en hare armoede. â Zijn ontwaken. â Liefde voor het meest onaanzienlijke handwerk. â Zijn zorg in het rein houden en ontsteken dor lantaarnen. â Zijne nederigheid.
Staat ons nu te beschouwen, met welk eene volmaaktheid hij de dagelijksche bezigheden verrichtte. Zijnen Oversten was hij onderdanig en gehoorzaam in den hoogsten graad, wijl hij in hen, als plaatsbekleeders van Christus, een goddelijk gezag erkende. Niet alleen hunne bevelen, maar ook hun gevoelen verdedigde hij bij de anderen. Hun legde hij openhartig zijn geweten bloot, trouw en eenvoudig, als een kind tegenover zijne ouders. // Tegenover mijne Oversten en geestelijke Vaders, zeide hij, zal ik trachten steeds zuiver en oprecht te toezen, als het helderste water.' ' Hij gevoelde van geen enkele eenigen afkeer; wat meer is, nooit kwam bij hem eene gedachte op tegen een Overste, of tegen diens bevelen en oordeelen.
Drie zaken vooral, zeide hij, gaven hem veel
77
troost in dit leven, eerstens, dat hij de leliebloem der kuischlieid voortdurend ongeschonden bewaard had, tweedens, dat hij nooit wetens en willens eenige dagelijksche zonde had bedreven, en eindelijk, dat hij het geluk had. steeds met zijne Oversten, als met God zelf, te kunnen handelen over het inwendige van zijn gemoed.
Wanneer hij des morgens de H. Mis moest dienen, stortte hij bij het in- en uitgaan dei-sacristie een kort gebed; moest hij, b. v. bij het dienen eener Hoogmis, eenigen tijd in de sacristie verwijlen, dan zocht hij daar een hoekje op, om in stilte aan zijn rozenkrans te bidden, eene geestelijke lezing te doen, of de Psalmen op te zeggen.
Wanneer hij met iemand ergens heen werd gezonden, ondervroeg hij onderweg zijn gezel, of de te verhandelen zaak veel tijd vorderde; zich daarnaar regelende, begaf hij zich naar de naastbij zijnde kerk, en bad daar totdat de tijd bijna verloopen was. Vervolgens begaf hij zich weder naar zijne plaats, alwaar hij lezende of biddende den terugkeerende afwachtte.
Aan Joannes was door de Oversten de last opgedragen, om de dienstboden van het College in het geestelijke leven te leiden. Van dien last kweet hij zich meesterlijk. Hij waakte over hen, onderwees hen in datgene, wat voor het eeuwige geluk noodzakelijk is; droeg zorg
78
dat zij meermalen te biechten gingen, en dat zij ten minste eens in de maand gezamentlijk onder de H. Mis van Pater Overste tot de H. Tafel naderden.
Met zijn kamergenoot verstond iiij zich allerbest. Wanneer deze soms door eenige ziekte was aangevallen, spreidde Joannes hem alle twee of drie dagen het bed, en deed alle diensten voor hem. De vriendelijkheid des jonge-lings trok de overige jongelieden zoodanig aan, dat iedereen gaarne bij hem op de kamer was. Als nu de Overste somwijlen een jongeling, die met Joannes had samengewoond, eene andere kamer aanwees, dan was deze zoo bedroefd, en smeekte zoolang, dat men hem zijn oud verblijf behouden liet. Bij Joannes, zeide men, ontving men als van zelf eene onweerstaanbare liefde tot de deugd; bij hem op de kamer brandde het hart, als bij het zien van een Engel. En toch schitterde deze kamer als 't ware van eenvoud en armoede; daar vond men geen boek of iets dergelijks, dat niet noodzakelijk was; zelfs eenig schrijfgereedschap, dat overbodig was, bracht hij terug naar den meester.
Toen hij uit Belgie te Rome aankwam, bezat hij eene ceinture, die hem fraaier toescheen dan de overige, hij nam daarvoor eene andere van minder waarde, en gaf de zijne aan den be-
79
waarder der kleederen. Zoo ook stond hij verschillende heerlijke beelden af, die hij uit Belgie had medegebracht; eenige daarvan behield hij evenwel, namelijk die, waarop de namen stonden van diegenen, welke zich in zijn gebed aanbevolen. Wat hij overigens of uit Belgie of van zijne stadgenooten ten geschenke ontving, bood hij den Rector aan, en was deze afwezig, dan plaatste hij het voor de deur zijner kamer.
Eens zeide hij met eene zeldzame zielevreugde, dat hij met Gods genade niets bezat, zelfs geen papieren bidprentje; en dat hij wat hij had, aanstonds tot den Overste zou brengen. En in waarheid, hij bezat ook niets, maar hij wenschte ook niets te bezitten ; zijn hart was geheel vervreemd van het stoffelijke ; het was niet gehecht aan de zaken dezer aarde. Het leefde alleen voor God, en in God bestond zijn rijkdom, zijn geluk.
O, de kloosterlijke armoede stond zoo hoog aangeschreven in dat hart! Met alles was het tevreden. Neen, de vrome jongeling klaagde niet, dat hem het een of ander niet voldoende was; slechts het onontbeerlijke vroeg hij. Toen hij eens terugkeerde van eene boodschap, die hij gedaan had bij den Kardinaal Bellarminus, vroeg men hem, of hij niets ten geschenke had ontvangen, waarop hij antwoordde : //Neen, en als hij mij iets had aangeboden, zou ik het
so
niet hebben aangenomen.quot; üat antwoord werd den Kardinaal overgebracht, die met blijdschap uitriep ; r/Zoo deed ook de heilige Aloysius, die waarlijk arm wilde wezen, en niets wilde bezitten.quot; Een klein, onaanzienlijk Christus-beeldje, uit ruw hout vervaardigd, met hoegenaamd geene versierselen, en zwart gekleurd, was zijn eenige schat. Daarvoor zat hij te bidden. Tijdens zijne ziekte eu zijn doodstrijd, hing er aan den wand bij zijne legerstede een papieren beeltenis van de H. Maagd, met het kindeke Jesus op den arm. Zijn houten rozenkrans was versleten en niet meer in zijn geheel; toch weigerde hij een nieuwe, zeggende dien niet noodig te hebben, zoolang hij den oude nog bezat. Gaarne nam hij versleten zaken aan, die hij ontving als aalmoezen.
De zaken, die hem tot gebruik gegeven waren, bewaarde hij met de grootste zorg, zeggende, dat wij gelijk moeten zijn aan standbeelden, welken het onverschillig is, of zij met oude of met nieuwe kleederen worden omhangen. Alle huisraad hield hij ongemeen zuiver, niet uit zucht naar opschik, maar uit gehoorzaamheid aan den regel, die de reinheid aan iedereen en in alles voorschrijft. Hij verliet nooit zijne kamer, zonder alles in orde geplaatst te hebben.
Bij het eerste teeken des morgens verliet hij het bed, met de woorden: //Heer, wat wilt
81
«
*
O
Gij, dat ik doen zal ?quot; alsof de Heer hem geroepen had. Daarna kleedde hij zich, en wanneer de knecht, licht brengende, hein groette : '/Gode zij dankquot;, dan antwoordde hij met aandoening : //Ja, Gode zij dank !quot;
Het onaangenaamste werk te verrichten, was zijne geliefkoosde bezigheid. Zoo placht hij eiken zaterdag, in de keuken 's morgens en 's avonds de borden te wasschen. Zoo was het hem een genoegen, de anderen aan de tafel te kunnen bedienen. Toen hij eens daarvoor berispt werd, wijl het verboden was, dikwijlder te dienen dan ieders beurt hem aanwees, sprak hij geen woord tegen, en berustte bij die berisping.
Hem was bovendien het ambt opgedragen, hetwelk eertijds de H. Aloysius in het Ro-meinsch College vervulde, namelijk de verzorging der lampen in de portalen en galerijen. Alleen uit eerbied voor den H. Aloysius, was deze post hem dierbaar, en volbracht hij hem met ^le grootste nauwgezetheid. Eiken dag onderzocht en reinigde hij alle lantaarnen, en nooit ging hij uit, alvorens dat gedaan te hebben.
In 't kort, alle zijne medebroeders, alle zijne minderen bewees hij alle mogelijke eer; hij deed alles, om het hun te vergemakkelijken. In 't studeeren, op de wandeling, waar hij ging of stond, overal en altijd liet hij zijnen metgezel
J. BERCHMANS. 6
82
de eereplaats ; allen vereerde hij, alsof zij zijne meesters waren, nik zal mij jeqens al mijne broeders als een slaaf, als een nederige dienaar gedragen' was een zijner stelregels.
Vandaar, dat velen zijner metgezellen en huis-genooten niet zelden beschaamd waren, wanneer zij zagen, dat hij hen met zooveel eerbied behandelde ; te meer, daar zij zagen, dat die handelwijze niet uit eene gemaakte hoffelijkheid, maar uit eene waarachtige nederigheid voortkwam. Niettemin gaf hij hun nooit eenigen eervollen titel, tenzij dien van vriend of broeder. De Paters en Meesters, gelijk wij gezien hebben, sprak hij aan met den titel, die hun toekwam. Nooit wenschte hij zijne medeleerlingen geluk met een examen, eene disputatie, eene praedi-catie of iets dergelijks, en de reden, die hij daarvoor aangaf, was deze : wanneer hij het eenigen deed, waren anderen niet tevreden, omdat zij dan daarin een teeken van kwaadwilligheid zouden zien; daarom deed hij het niemand, om alle gevaar van vleierij te vermijden.
Steeds ontdekte hij het eerste het hoofd om anderen te groeten, en dat alleen uit een gevoel van kinderlijken eenvoud en ware nederigheid, welke tweevoudige deugd zulke diepe wortels geschoten had in het zuivere hart van den engelachtigen jongeling.
HOOFDSTUK IX
Johannes' godsvrucht en liefde tot het gebed. â Zijne verstervingen. â Vereeniging met God in het gebed. â Mistroostigheid.
â Voortdurende zielevrede. â Godsvrucht tot het H. Sacrament,
â Voorbereiding tot de H. Communie.
Er blijft ons nu nog over, te spreken over de godsvrucht van Joannes en zijne liefde tot het gebed. Die twee zaken zouden we in een woord kunnen samenvatten door te zeggen : hij deed alles met volmaaktheid; doch laten wij hier liever in eenige bijzonderheden treden.
Al wat de jongeling maar dacht, dat hem nuttig kon wezen in 't geestelijke leven, stond bij hem in hooge waarde, daar hij van gevoelen was, dat natuurgaven en wetenschappen in een man, wien het geestelijke leven ontbreekt, gelijk zijn aan een ontbloot zwaard in de hand eens waanzinnigen ; en dat een Religieus, die het geestelijke leven leeft, een nuttiger lid is der Societeit, dan een man met uitstekende kennissen, en die dat leven mist.
84
Drie of hoogstens vier malen in de week geeselde hij zich. Bij grootere feesten trok hij bovendien het haren boetekleed aan ; dit laatste evenwel minder, daar het hem om der gezondheid wil le verboden was.
Behalve vrijdags, wanneer het vasten in de Societeit verplichtend was, vastte hij zaterdags ter eere van de H. Maagd.
In alles vond hij stof van kastijding zijns li-chaams. Zoo gebruikte hij b. v. nooit een rugsteun, wanneer hij zat; nooit een steun voor zijne armen, wanneer hij geknield was.
Dagelijks las hij een half uur in een godvruchtig boek, en van den tijd, die des avonds voor de geestelijke lezing bestemd was, liet hij geenoogen-biik verloren gaan.
Op den vrijen dag van eiken week las hij een uur in het gulden boekje van Thomas a Kempis : De navolging van Christus. Onder de groote vacantie besteedde hij er dien tijd dagelijks aan.
Wanneer hij tot de H. Tafel genaderd was, hield hij zich den geheelen vóónniddag bezig met eene lezing uit de H. Vaders. Den tijd, welke hem restte buiten zijne studie en bezigheden, bracht hij door in het gebed of in de geestelijke lezing.
Hij was steeds gereed, wanneer het hem
85
gevraagd werd, om voor anderen te bidden; van zijnen kant beval hij zich ook aan in het gebed van anderen. Om drie zaken vooral moest men voor hem bidden : eene uitstekende heiligheid, eene groote geleerdheid en een sterke gezondheid; de eerste had hij volstrekt noodig, de twee andere alleen, wanneer het kon zijn tot meerdere eer van God.
Als hij bad, bestond er tusschen God en hem eene voortdurende vereeniging, die ook na het gebed bleef voortduren, in Gods tegenwoordigheid wandelde hij, en niets ondernam hij, alvorens daarover met de goddelijke Majesteit beraadslaagd te hebben. Vandaar die gerustheid in het bidden, die opvoering van den geest, die verwijdering van alle verstrooidheid. Nooit legde hij zich ter ruste, dan na het onderwerp van de meditatie voor den volgenden morgen, in 't kort samengevat, gelezen te hebben.
Zoodra hij het bed had verlaten, wierp hij zich op het houten kruisbeeldje, waarvan wij boven reeds spraken, en drukte er met vurige verzuchtingen eenige kussen op. Onder het aan-kleeden, wekte hij in zijn hart gevoelens vanquot; liefde op. Tweemaal gebeurde het, dat Joannes, in den waan, dat zijn kamergenoot nog sliep, of de kamer verlaten had, met luider stemme en innige godsvrucht eenige korte teksten uit
86
de H. Schrift en andere gebeden begon op te zeggen. Toen hij de aanwezigheid des anderen bemerkte, overdekte een maagdelijk rood zijn gelaat, en bedwong hij zijne stem. Anders was hij gewoon, zoodra hij het bed verliet, op zijne knieën te vallen, in welke houding hij alsdan een half kwartier zitten bleef, in zulk eene vervoering van geest, dat hij den geheelen nacht scheen gebeden te hebben. Zijne verzuchtingen waren zoo vurig, en soms onwillekeurig met zoo luider stemme geuit, dat zijn kamergenoot er niet zelden door gewekt werd. Meermalen werd hij bespied door zijne makkers, die getuigen, dat zijn gelaat somwijlen met zulk een glans over-togen was, dat het niet ongelijk scheen aan dat van een Seraphijn. Tegen het einde zijner meditatie, kuste hij hartstochtelijk het beeld der Moeder Maagd, terwijl een hemelsche glimlach op zijne lippen speelde.
Zoohaast hij het teeken hoorde, dat het einde der meditatie aankondigde, stond hij op, ging naar zijne tafel, en noteerde in 't kort zijne voornemens met de beweegredenen voor hunne nakoming.
En toch, die ziel zoo aanhoudend bezig met God en de H. Maagd, die ziel, zoo dikwijls overvloeiend van hemelsche geneuchten, was niet vrij van mistroostigheid en dorheid. In
87
die oogenbükken wendde hij zich nog met meer vuur tot het gebed ; dan beoefende hij de deugd raet onwrikbare standvastigheid; dan trachtte hij zich op te wekken door heilige gesprekken; dan riep hij tot God met eerie teedere liefde : '/Geef mij uwe heilzame vreugde, o Heer. Zend uw licht uit, en uwe waarheid.quot;1) En dan kwam troost van boven; dan ontbrandde weder dat hart, en de vreugde daalde daarin neder.
Het Allerheiligste Sacrament was een bijzonder voorwerp zijner liefde en vereering. Vijf, zes, tot zevenmaal toe daags bracht hij daaraan een bezoek. Het valt dus licht te begrijpen, met welk een ongeloofelijken ijver hij zich tot het ontvangen der H. Communie voorbereidde. Zoo vaak hij zich versterkt had met die spijs der Engelen, gevoelde hij een nieuwe kracht, een nieuwen geest, een nieuwen ijver; en, wanneer hij gedurende de week niet den een of anderen dag de H. Communie ontving, gevoelde hij in de laatste dagen een zekeren honger, die alleen aan de Tafel des Heeren kon gestild worden. Met welk een heilig verlangen hunkerde hij naar het oogenblik, dat zijn God opnieuw bezit zoude nemen van zijn hart! Eiken zondag en bij elk
1
Redde mihi laetitiam salutaris tui. Emitte lucem tuam, et veritatem tuam.
88
feest voldeed hij aan dat verlangen; en wanneer somtijds een feest op zondag viel, dan zeide hij niet zekere smart: //Deze week heb ik zulk een gastmaal schade gehad.quot;
Wanneer hem op feestdagen of in tijd van uitspanning bevolen werd, voor zijne gezondheid te gaan wandelen, dan placht hij steeds verschillende kerken te bezoeken. Daar stortte hij dan zijn hart uit voor het Allerheiligste Sacrament, met zooveel liefde, met zooveel ingetogenheid, met zulk eene geestvervoering, dat hij niet bemerkte, wanneer zijn makker opstond om uit te gaan ; zoodat deze dikwijls van den drempel dei-kerk moest terugkeeren, om hem te halen; dan nog was hij vaak zoo innig met God bezig, dat hij hem hoorde noch zag, en hij bij zijn voornaam moest geroepen worden om te ontwaken.
HOOFDSTUK X.
Devotie tot de H. Maagd Maria. â Het bidden van den Rozenkrans. â Zijne oefeningen van godsvrucht gedurende de vacan-tie. â Zijne vereering van andere Heiligen. âVerlangen naar den dood. â De eerste verschijnselen zijner ziekte.
Met eene innige en kinderiijke liefde, met eene geheel bijzondere devotie vereerde hij de Moeder Gods ; zoodat hij op deze wereld scheen te zijn, om hare eer te vermeerderen. Bij elke gelegenheid sprak hij haar lof; bij al zijne makkers voedde hij een bijzondere liefde tot haar. Den avond vóór zijn dood, vroeg hem iemand, welk het krachtigste en voornaamste middel was, om tot de volmaaktheid in het kloosterleven te geraken, en hij antwoordde: Liefde en godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd. Met een onwankelbaar vertrouwen noemde hij haar zijne Moeder. '/Gij, Maagd Maria, mijn Moeder, zijt de patronesse der heiligheid, der gezondheid en der wetenschappen,quot; zeide hij.
Onder zijne makkers was het hem een genoegen van haar te kunnen spreken, en voorbeel-
90
den van hare vereering, van hare bescherming,, van hare wonderen te kunnen aanhalen. Alvorens de uitspanningen te genieten, bezocht hij hare kapel, en begaf zich dan te raidden zijner metgezellen. Dat had hij gemeen met den H. Bernardinus van Senen, die in zijne jeugd ins-« gelijks een voorliefde had voor een Lieve-Vrouwebeeldje, dat in een van de poorten der stad stond. Beider spreekwijze luidde aldus: //Alsik Maria bemin, ben ik zeker van mijn heil en van mijne volharding in de Orde; dan kan ik van God verkrijgen, wat ik verlang, en zal als 't ware almachtig wezen.quot; Niets komt dan ook herhaaldelijker voor in de geschriften van Joannes, dan voornemens ora de H. Maagd te vereeren, te beminnen en te dienen. //Men moet een toevluchtsoord hebben, zeide hij, waarin men zich bij eene voorkomende noodzakelijkheid kan terugtrekken. En daar is geen veiliger te vinden dan de H. Wonden van Christus en de mantel van Maria.quot; Dagelijks bad hij een Rozenhoedje te harer eere, nu geknield, dan staande, dan zittende, nu weer wandelende ; maar altijd met zulk eene ingetogenheid, dat hij de groeten der voorbijgangers niet bemerkte.
Als het geoorloofd was uit te gaan, bezocht hij, zoo mogelijk, zeven kerken, die aan de H. Maagd waren toegewijd. Gedurende den dag ver-
91
richtte hij verschillende oefeningen uit godsvrucht tot haar, en herhaaldelijk vernieuwde hij zijn voornemen : //Ik wil Maria beminnen.quot;1) Daar was voornamelijk een tijd in het jaar, welken hij geheel en al scheen toegewijd te hebben aan de vereering der H. Maagd; die lijd was de groote vacan-tie. Dan ging hij naar Prascata, een dorp bij Rome, in de wijngaarden. Gedurende den geheelen weg daarheen deed hij niets anders, dan over haar denken, met anderen over haar spreken, of hare Litanie bidden. Te Frascata zelf, wanneer hij in het gezelschap der anderen ging wandelen, bad hij den Rozenkrans of andere gebeden; was er een geleerd priester aanwezig, dan vroeg hij dien de uitlegging van een psalm uit het Officie van O. L. V., ten einde aldus een gesprek over de H. Maaod langer te kunnen rekken. Ont-
O O
moette hij een meer dan gewoon beminnaar der Moedermaagd, dan ontstond er niet zelden, tot zijn genoegen, een tweestrijd, wie van beide haar de meeste en passendste titels geven zou. hij of de andere. Dan zocht hij de schoonste uit en vond er in zulk eene menigte, dat de anderen zwegen, nu hij de zijne vermenigvuldigde met zulk een gemak en zulk eene vruchtbaarheid, dat eerder de tijd dan de menigte hem te kort schoot.
1
lo voglio amare Maria.
92
Als een getrouw strijder in het leger van Maria, was hij gewoon des avonds, wanneer hij ter ruste ging, den Rozenkrans rondom zijn arm te winden ; op het laatste van zijn leven droeg hij hem om den hals. Over de maagdelijkheid van Maria sprak hij met zooveel geestdrift, dat hij de toehoorders godsvrucht en liefde tot haar inboezemde. Des zaterdags, gelijk we reeds zagen, vastte hij te harer eere, terwijl hij zich dien dag meer andere verstervingen oplegde.
Hij had zich door eene gelofte verbonden, dat het eerste boek, wat hij ooit zoude uitgeven, zou handelen over de Onbevlekte Ontvangenis. In 't laatste jaar zijns levens schreef hij het volgende in tegenwoordigheid van 't H. Sacrament:
wik, Johannes Berchmans, deonwaardigstezoon //der Societeit van Jesus, beloof aan U en aan //uw Zoon, die hier wezenlijk en waarachtig te-//genwoordig is in hetH. Sacrament, dat ik steeds //een warm voorstander en verdediger zal wezen //van uwe Onbevlekte Ontvangenis, tenzij de Kerk //het anders moge bepalen.
//Joannes Berchmans.quot;
Over de Onbevlekte Ontvangenis had hij de verhevenste gedachten; ook sprak hij er dikwerf van. Alvorens aan tafel te gaan, bad hij een
93
//Wees gegroet,quot; ter eere van de Onbevlekte Ontvangenis. In één woord, een zijner stelregels was : nik zal niet rusten, voordat ik een teedere en zoete liefde zal verkregen hebben jegens mijne moeder Maria y
Uit die liefde jegens de H. Maagd vloeide eene bijzondere godsvrucht voort tot hare moeder, de H. Anna ; maar voornamelijk tot haar bruidegom en den Voedstervader van haren Zoon, den heiligen Jozef. Van dezen laatste had hij al de weldaden en wonderen, aan zijne vereerders gedaan, uit verschillende boeken bijeenverzameld, verzekerend, dat hij altijd verkregen had, wat hij van hem vroeg, van den tijd afaan, dat hij hem tot zijn beschermer had uitgekozen. Onder de andere Heiligen vereerde hij nog bijzonderlijk den heiligen Engel Bewaarder, den H. Joannes Ev. , den H. Ignatius en den H. Franciscus Xaverius, welke toen nog niet heilig verklaard waren, alsmede de twee zalige jongelingen Aloysius en Stanislaus.
Als ordebroeder droeg hij den gelukzaligen Aloysius van Gonzaga eene grootere liefde toe. Nooit kwam hij in de kerk, om een bezoek te brengen aan het H. Sacrament, of hij begaf zich insgelijks in de kapel van den H. A loysius, om diens overblijfselen te vereeren. Zijn grootste ijver bestond in het gelijkvormig worden aan dien en-
94
gelachtigen jongeling. En inderdaad, niet alleen geestelijken, maar ook leeken verzekeren, dat hij een sprekend beeld was van den H. Aloysius, en dat zij in hem een anderen Aloysius meenden te aanschouwen. Toen den 15 Juni 1630 de overblijfselen van dien Heilige van uit de kapel van O. L. V in eene hem toegewijde kapel werden overgebracht, had Joannes eene plaats tusschen de biddende Paters en Broeders. Bij die gelegenheid fluisterde Pater Jacobus Croce, de Italiaansche assistent, aan Pater Theodorus Buseus, den Duitschen assistent, in de ooren: lt;/üie daar schijnt mij toe, een tweede Aloysius te zijn.quot;
Van dag tot dag maakte de gelukkige jongeling voortgang in de deugd, dagelijks werd hij volmaakter, door eene bijzondere voorbeschikking van God, die hem welhaast van de aarde zoude opnemen. In het laatste jaar zijns levens, 1620, legde hij zich inzonderheid toe op de deugd van nederigheid, terwijl hij zeide : nik heb het gezegd; nu begin ik.quot; *)
Eens sprak hij met een ernstig Pater over de zielerust, waarin de Religieuzen meestal sterven, toen de Pater, na verschillende voorbeelden te hebben aangehaald van hen, welke hij
1) Dixi, nunc coepi.
95
in het Romeinsch College had zien verscheiden, â¢daar bijvoegde: wik bid God, mijn Broeder, dat mijne ziel den dood der rechtvaardigen sterven moge.quot; Joannes zag hem daarop van ter zijde aan, en antwoordde eerbiedig, maar met zekere waardigheid : //Zeker, Eerwaarde, maar laten we vooraf zeggen : dat mijne ziel het leven der rechtvaardigen leve; om dan ook te kunnen zeggen : dat mijne ziel den dood der rechtvaardigen sterve.quot;
Eén maand vóór zijn dood verklaarde hij onbewimpeld aan een Pater, welk een tegenzin hij had in al het vergankelijke dezer aarde, en hoe verzadigd hij was aan het tegenwoordige leven. Hij voegde daarbij, dat hij zonder droefheid zou sterven, wanneer het God mocht behagen, hem in het andere leven te roepen. Eenige dagen later legde hij aan een professor van 't College zijn vurig verlangen bloot om te sterven en met God vereenigd te worden. Op de vraag, of hij dan geheel klaar was om voor Gods rechterstoel te verschijnen, antwoordde hij : //Werd het aan mijn wensch overgelaten, voorwaarden te stellen, dan zou ik verkiezen, eerst eenige dagen in geestelijke oefeningen door te brengen; werd mij dit evenwel geweigerd, dan zou ik nochtans gaarne sterven.quot;
De laatste dagen zijns levens leefde hij licha-
96
melijk onder de stervelingen, maar zijne zieF zweefde in den hemel. Herhaaldelijk lagen de woorden van den Apostel op zijne lippen; //Ik verlang ontbonden ie worden, en ik kwijn weg van liefde.quot; 1)
De goddelijke Goedheid gaf eindelijk gehoor aan deze smeekbeden. Hij gevoelde, de gelukkige Jongeling, dat zijne aardsche loopbaan weldra ten einde zou wezen, en dat God hem weldra tot zich zou roepen. Dat verklaarde hij aan Pater Franciscus Piccolomini, zijn leermeester in de wijsbegeerte. Zalig voorgevoel, dat op den 13 Augustus 1621 werd verwezenlijkt!
1
Cupio dissolvi et amore langueo.
HOOFDSTUK XI.
Begin der ziekte. â Koorts. â Toeneming der ziekte. â Hij is gereed te sterven. â Blijdschap van Joannes bij het vernemen van de tijding, dat zijn dood aanstaande was. â Zijn testament. â Be laatste HH. Sacramenten.
Den 5 Augustus, feestdag van O. L. V. Ter Sneeuw, gevoelde Joannes eene lichte ongesteldheid, welke hij niet achtte en voor welke hij zijne gewone wandeling niet achterliet, ofschoon hij nochtans weigerde naar de kerk van Maria Major te gaan, wegens den buitengewonen toeloop van volk, dien een kloosterling, naar zijn zeggen, steeds vluchten moet.
Den volgenden dag werd hij door den leermeester naar het. Grieksch College gezonden, om daar de disputaties over de wijsbegeerte bij te wonen. Daar werden hem de eerste vraagstuk-ken voorgelegd, in plaats van zekeren Doctor, die tegen zijne belofte was weggebleven. Hij
J. BERCHMANS. 7
98
sprak daar met zooveel juistheid, met zooveel verstand en kennis van zaken, dat men hem een geheel uur tot spreken toestond, alleen om het genot te hebben van hem te hooren. En, hetzij hij zich te hevig had opgewekt in zijne rede, hetzij hij eene verhitting had opgedaan op dien heeten zomerdag, hetzij het zaad der ziekte begon te ontkiemen, den daaropvol-genden nacht werd hij door eene koorts overvallen, en kon hij geene rust genieten.
Toen hij den volgenden morgen ondervond, dat de ziekte was toegenomen en hij zwakker van krachten was, achtte hij het noodzakelijk zijn toestand bekend te maken. De Overste zond hem aanstonds naar de ziekenzaal, alwaar de oppasser hem te kennen gaf, dat hij onmiddellijk te bed moest gaan. Gevraagd zijnde, wat er zoude gebeuren, antwoordde hij opgeruimd : wAl wat God belieft; wij zijn in zijne handen.quot;
Juist trad nu Pater Piccolomini binnen, wien Joannes met een blij gelaat groette, zeggende : //Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer het tijd is.quot; Den nacht bracht hij weder onrustig door. Des anderen daags, 's zondags, ontving hij met de grootste godsvrucht en aandoening de H. Communie; hij wilde uit het bed gaan en op den grond knielen, hetgeen hein evenwel niet werd toegelaten. Na de H.
99
Corainunie wachtte hij de komst van den genees-heer af. Dien geheelen dag was hij als gewoonlijk rustig ; hij bracht hem door niet te spreken over God en geestelijke zaken.
Ofschoon de bezoekers, voor 't gevaar van besmetting, hem niet te dicht mochten naderen, vermaande Joannes hen ook nog daaromtrent. Tegen den avond nam de ziekte toe, zij matte den jongeling den geheelen nacht af, zonder hem een oogenblik rust te gunnen. Den volgenden dag, maandag, werd hem door den geneesheer eene medicijn voorgescheven, welke hij zonder aarzelen innam, terwijl hij den aanwezigen priester verzocht, de gebeden te zeggen, die voor en na het eten gebeden werden. Het overige van den dag was hij zeer onrustig, en op het gewone uur greep hem de koorts nog heviger aan.
Tot nog toe was de ziekte, volgens oordeel van den geneesheer, zonder gevaar, ofschoon er een longontsteking uit ontstaan kon. Den volgenden nacht echter namen zijne krachten zeer af, en op het feest van den H. Laurentius was hij zoo verzwakt, dat hij elke vijftien minuten eene versterking noodig had. Niettemin ontving hij zijne bezoekers met eene gerustheid, die geene ziekte veronderstelde. Dinsdags 's nachts vroeg hem de Rector, of hem ook iets leed zou
100
doen, wanneer het God mocht behagen hem tot zich te roepen.//Neen, Eerwaarde,quot; zeide hij, //tenzij de vrees, dat misschien de band kan verbroken worden tusschen de Belgische en de Romeinsche Ordesprovincie, wanneer de Belgische Paters vernemen, dat ik en mijn metgezel hier gestorven zijn ; zij zullen misschien vreezen, in 't vervolg nog Belgen hierheen te zenden, en dan zou langzamerhand die uitmuntende verbinding, die der Societeit zoo eigen is, ophouden. Mocht het God echter behagen, dat ik sterf, het zij zoo ; Hij weet wat het beste is. Wat mij betreft, ik berust in den goddelijken wil, en als ik mijn verlangen en mijne neiging raadpleeg, dan zou ik liever willen van hier gaan, dan blijven.quot;
De Rector bewonderde die gemoedsgesteldheid van Joannes, en zou niet gaarne beroofd worden van zulk een uitmuntend voorbeeld voor zijn College. Hij beval de twee ziekenoppassers bij hem te waken. Omtrent middernacht begon de jongeling over God te spreken, daar hij toch niet slapen kon. Een oppasser voelde hem den pols, en daar hij nauwelijks zijne slagen voelde, zeide hij: //Heeft Pater Rector u niets gezegd? want het schijnt mij zaak te wezen, dat gij morgen vroeg communiceerdet!quot; â //De communie als laatste Teerspijze ?quot; vroeg Joannes.//Ja,quot;
101
was het antwoord ; //want ik heb geene hoop meer.quot;
Door die tijding verrukt, sloeg de jongeling zijne armen om den hals van den oppasser; deze integendeel begon zoo schrikkelijk tewee-nen en te snikken, dat Joannes hem troostte en opbeurde met de woorden: //Wel broeder, laten we vroolijk zijn ! in waarheid, gij hadt mij geen blijder tijding, geen grooter vreugde kunnen brengen.quot; Daarna het Christusbeeld in zijne handen nemende, zeide hij : //Heer, Gij weet, dat gij het eenigste goed zijt, wat ik op deze w ereld bezat en nog bezit; verlaat mij dus niet, o Heer Jesus.quot;
Dergelijke gebeden lispelde hij aanhoudend met zulk eene aandoening en aanwendig van krachten, dat men vreesde voor eene al te groote vermoeidheid, doch hij verzekerde, dat hij juist daardoor opgebeurd en gesterkt werd. Daarna beval hij den oppasser het volgende te schrijven:
//Ik vraag vergiffenis aan mijn goeden vader, //den Generaal-Overste, en het doet mij leed, //zulk een onwaardige zoon der Societeit te zijn //geweest. Eveneens zeg ik dank aan mijne goede //moeder, de Societeit van Jesus, voor de overgroote //weldaden, welke zij mij, onwaardige, bewezen //heeft. Ik zeg dank aan den Eerw. Pater Rector, //aan mijne leermeesters P. Franciscus Piccolo-
102
wraini, P. Tarquinius Geluzzi en P. Horatius //Grassi, voor al de moeite, die zij voor mij //gedaan hebben. Ik zeg dank aan de Oversten //en Broeders ziekenoppassers voor hunne wel-//willendheid jegens mij. Ik zeg dank aan al //diegenen, die mij gedurende den korten tijd //mijner ziekte bezocht hebben. Ik verlang, dat //mijn bed op den vloer worde uitgespreid, //wanneer ik de H. Communie zal ontvangen ; en
O '
//dat daarbij al mijne nieuwe broeders in 't //College tegenwoordig zijn. Daar ik alien niet //omhelzen kan, verzoek ik Pater Rector iemand //in mijne plaats te stellen, die alle Paters en //broeders volgens den regel der Societeit om-//helze. Ik wensch te sterven in mijn ordekleed.quot; Dat testament moest aan den Rector worden ter hand gesteld.
In den nacht van Dinsdag op Woensdag, omstreeks twee uren na middernacht, verlangde hij den Rector te spreken. Hij kwam, en vond Joannes in gereedheid voor de reis naar de eeuwigheid. Nadat de jongeling langen tijd met hem over de zaken zijner ziel had gesproken, sprak hij zijne biecht, ten einde des morgens de laatste H. H. Sacramenten te ontvangen.
Terwijl zij nog samen bezig waren, bracht de oppasser bovengenoemden brief aan den Rector, die alles toestond, wat de jongeling eenigszins
103
tot troost kon verstrekken. Ten einde de nieuwe collegiales te doen aanwezig zijn bij de bediening van Joannes, belastte hij iemand met de taak, hen onmiddellijk bij het opstaan, in de kerk te doen vergaderen, om de H. Communie te begeleiden. Middelerwijl maakte de jongeling zich gereed, en verzocht den oppasser hem de voeten te wasschen, daar hij weldra het H. Oliesel zou ontvangen. Bij het ontwaken, werden de studenten door de onverwachte tijding, dat Joannes de sacramenten der stervenden ging ontvangen, als door den bliksem getroffen. Allen weenden, en haastten zich om nog intijds tegenwoordig te zijn.
Pater Cornelius a Lapide stond aan de zijde van den jongeling. Op zijne vraag, of er niets was, hetwelk hem ongerust maakte, antwoordde hij ; //In 't geheel niets.quot; Daar lag de jongeling met zijne legerstede op den grond, gelijk aan een engel; aanhoudend lispelden zijne lippen denamen van Jesus en Maria, onderbroken door vurige verzuchtingen. De omstanders snikten luide. Tegen half vijf ure bracht de Rector, omstuwd door eene menigte paters en broeders, en in bijzijn van alle nieuwe studenten, de H. Teerspijze. Geleund op twee medebroeders, knielde de vrome jongeling, en toen de priester de H. Hostie tus-schen zijne vingeren hield, riep hij uit: //Ik
I
104
betuig, dat dit waarachtig de Zoon van den Alraachtigen Vader en van de Allerheiligste Maagd is. Ik betuig, dat ik wil leven en sterven als een waar zoon van onze Heilige Moeder de Rooinsch-Katholieke en Apostolische Kerk. Ik betuig, te willen leven en sterven als een waar zoon van de heilige Maagd Maria. Ik betuig, te willen leven en sterven als een waar zoon der Societeit.quot; Daarna ontving hij de H. Communie met zulk eene heiligheid, dat allen tranen stortten. Joannes boog het hoofd, kruiste de armen over de borst, en overlaadde zijn hemel-schen Gast inwendig met blijken van liefde, die Hij hem spoedig zou wedergeven. Dien dag werd, behalve de gewone Doctor van het huis. Doctor Angelus Bagnarea geroepen, die door het gezicht van den jongeling bewogen werd, en uitriep: //'t Is een tweede Aloysius. Zalig gij, die zoo gauw tot den dood zijt voorbereid. Iedereen is dat geluk niet gege-
99
ven.
Na de H. Communie ontving hij het H. Oliesel; gedurende deze handeling brak alles uit in geween, zelfs de Rector voelde dat zijne stem bewogen en afgebroken werd. De vrome jongeling alleen was rustig, zijn geest was geheel gesteld op het H. Sacrament, en, terwijl de anderen niet spreken konden, antwoordde hij bijna
105
alleen en met zachte stemme op de gebeden des priesters.
Nu volgde er een hartroerend schouwspel, dat wij niet zullen beschrijven, maar zullen overlaten aan de verbeelding der lezers. Joannes na-melijk omhelsde allen, die in het vertrek aanwezig waren. En onder die omhelzing sprak hij met hen, ontving hunne smeekingen, dat hij voor hen zoude bidden in den hemel, en beval hun met een heiligen eenvoud verschillende deugden ter beoefening aan. Het laatste omhelsde hij Pater Horatius Grassi, een zijner leermeesters. //Pater, zeide hij, van nacht heb ik aan uwe goedheid jegens mij gedacht. Ik dank u voor al uwe moeite en opoffering.quot; Bij deze woorden wierp de Professor zich weenende voor hem op de knieën, vroeg hem vergeving, dat hij hem niet met genoeg liefde bejegend had, en smeekte hem, dat hij voor hem de gave des gebeds in den hemel zou verkrijgen.
Joannes' nederigheid leed door die vernedering van een priester, die voor hem geknield lag; met eene angstige bezorgdheid smeekte hij hem op te staan, belovende, bij God te zullen doen, wat hij hem gevraagd had.
HOOFDSTUK XII.
Joannes kent de handelingen van den Rector als door goddelijke ingeving. â Zielerust. â Toeloop van bezoekers. â Zijne raadgevingen. â Voorzegging van zijn eigen overlijden. â Aanvallen des duivels. â Verlies van het spraakvermogen.â Oogenblikken vóór zijn dood. â Zijn afsterven.
Middelerwijl ging de Rector de H. Mis lezen, en Joannes wendde zich tot P. Franciscus Piccolomini met de woorden: //Pater Rector strijdt voor mij, als een andere Jacob.quot; Weldra bleek het, dat hij de waarheid had gesproken, want toen de Rector, geheel onbewust van het gezegde van Joannes, na de H. Mis terugkeerde, wendde hij zich tot Joannes, zeggende: //Ik heb mij bij den Heer beklaagd, broeder Joannes, dat Hij u zoo vroegtijdig van ons schijnt weg te willen nemen.quot; De jongeling glimlachte, sloeg de oogen neder, en gaf geen antwoord. Dien dag herhaalde hij verschillende raaien aan denzelfden Pater: //Pater Rector strijdt voor mij, maar hij zal niet overwinnen. Ik vrees, dat Pater
107
Rector den goddelijken wil weêrstreeft.quot; Die woorden werden aan den Overste terugverteld, en het werd bevonden, dat zij met de waarheid overeenkwamen.
üenzelfden dag ontving Joannes een bezoek van den Generaal-Overste der Orde, dien hij voor zijn sterfuur had laten ontbieden, zoowel om hem dank te zeggen, als om hem vergeving te vragen. De Generaal vond niets te vergeven, gaf hem den zegen, en besproeide hem met gewijd water. Voortdurend was zijne kamer vol van broeders en paters, die hij met de grootste minzaamheid ontving. Toen hij alle medicijnen en specerijen zag, welke door de geneesheeren waren voorgeschreven, zeide hij tot een der Paters : //Myne ziekte is kostbaaren toen deze hem antwoordde, dat alles geschiedde volgens de gewone liefdadigheid der Societeit, was hij gerust. Den nacht van Woensdag op Donderdag wilden allen bij hem waken, zoodat de Rector eenigen uitverkoos, en de anderen beval ter ruste te gaan.
De ziekte benam den jongeling de rust des lichaams, maar geenszins de rust der ziel, die met haar God bezig was. Gevraagd, waarom hij zoo zuchtte, antwoordde hij: wik dank God, voor de weldaad mijner roeping.quot; Daarop vroeg hem een priester, of hij niet wenschte, dat men hem iets voorlas. //Ja,quot; zeide hij, //het hoofdstuk over
108
den dood van den zaligen Aloysius.quot; Toen men las, dat die jongeling bij het vernemen van de tijding zijns doods den lofzang //Te Ueum lau-damusquot; aanhief, trachtte hij desgelijks te doen, en verzocht de anderen, hem te helpen.
Toen de oppasser hem naderde, om den pols te voelen, vroeg Joannes, of hij dacht dat het goed ging; en hij kreeg ten antwoord: //Wij naderen het einde.quot; Daarop nam hij het kruisbeeld, den Rozenkrans en het boek der Regelen in zijne handen, en zeide met een opgeruimd gelaat en waardige stem : //Dit zijn mijne drie dierbaarste zaken ; met hen zal ik gaarne sterven.quot; Vervolgens zoende hij ze, en legde ze op zijne borst.
Het overige van den nacht bracht hij door met het opzeggen van spreuken en het bidden van psalmen. Zeer vroeg in den ochtend, riep hij den zieken-oppasser, en zeide hem: //Pater Rector strijdt voor mij uit al zijne krachten, opdat de Heer mij moge behouden tot welzijn der Provincie ; ik geloof evenwel, dat zijne pogingen nutteloos zullen wezen.quot; Weinig tijd daarna kwam de Rector zelf, en zeide : //Broeder Joannes, in het bidden van 't officie las ik deze schoone woorden, die op u toepasselijk zijn : vu Mijn kind, wil niet vreezen, wijl ik met u ben, zegt de Heer. Als gij door het vuur zult gaan,
109
zal de vlam u niet deeren en de reuk van het vuur zal niet zijn in u. Ik zal u verlossen uit de handen der boozen, en u losrukken uit de handen der sterken.quot;', Ik geloof, dat die voorzegging in u gaat bewaarheid worden. â //Dat hoop ik, antwoordde Joannes, door de verdiensten der H. Maagd.quot; Zulke gevoelens herhaalde hij meermalen, alsook deze ; //Verlaat mij niet, Maria, stel mijne hoop niet teleur: ik ben immers uw zoon, en gij weet, dat ik het u gezworen heb.quot;
In den vroegen morgen van Donderdag was de mare verspreid, dat Joannes zijn dood klaarder had voorspeld. Op dat gerucht ontstond er een groote toeloop zoowel van ordebroeders als van vrienden. Onder deze was ook de zoon van hertog d'Acquasparta, Angelus Cesi, die zulk een hooge gedachte had van Joannes' heiligheid, dat hij dikwijls in den tuin van het College kwam om hem te zien en te hooren; nu wilde hij hem ook zien op zijn sterfbed. Getroffen door die buitengewone zielerust en die vroolijkheid, welke op het gelaat des lijders verspreid lag, beval hij zich aan in zijne gebeden, en ging heen met het gevoelen, een engel gezien te hebben, die voor geen lijden of dood vatbaar was.
Later keerden de geneesheeren terug en vonden hem verzwakt. De jongeling dankte hun, en zeide tot een van hen : //Wij vertrekken, heer.
110
wij gaan heen.quot; â //Waarheen?quot; was de vraag des anderen. â //Naar den hemel,quot; was het antwoord.
Door die aanhoudende bezoeken vermoeid, gebood de Overste, dat men hem alleen zou laten. Maar Joannes, die groepen van Paters en Broeders ziende, vroeg verlof dat allen afzonderlijk bij hem zouden worden toegelaten, omdat hij wel wist, dat dit zijn laatste gesprek met hen zou wezen. Nu werden allen een voor een in zijne tegenwoordigheid gebracht; allen omhelsde hij, gaf hun moed, ontving hunne smeekingen om voor hen te bidden, en gaf hun heilzame raadgevingen. Bovenal beval hij hun drie zaken aan: de godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd, de liefde tot het gebed, welke hij den rechtsten weg noemde der vereeniging met God, en de stipte naleving der Regels.
Anderen gaf hij eenige raadgevingen, welke meer bijzonder met hun inwendigen toestand in betrekking stonden, zoodat zij verstomd waren over de juistheid, waarmede hij de geheimen van hun hart bekend maakte, die zij meenden, dat God alleen wist. Aan zijn meester verzocht hij, de godsvrucht tot de Moedermaagd in de harten zijner leerlingen in te prenten. Een anderen Pater bad hij, dat hij zijne pen zoude richten tegen Calvijn. Een predikant vermaande hij, dat hij van
Ill
den stoel der waarheid de Onbevlekte Ontvangenis zou verdedigen, zoolang de Kerk dat toeliet. Een Duitsch priester verzocht hij, dat hij zich een waardig zoon der Societeit zou toonen door het verdedigen der Roomsche Kerk tegen de aanvallen der ketters in het Noorden.
Het zou ons te ver leiden, indien we hier de geheele rij van bezoekers moesten nagaan, aan wie Joannes zijne raadgevingen uitdeelde. Dat alleen zij hier nog gezegd, dat de jongeling, ofschoon altijd nederig en voorkomend, en met vromen eerbied bezield jegens zijne minderen zoowel als jegens zijne meerderen, bij deze gelegenheid met zulk eene vrijmoedigheid sprak, alsof hij de machthebbende was, '/ tanquam auctoritatem hahens.quot; Zeker is het, dat in zijne taal zulk een ernst en waardigheid lag, dat elkeen inzag uit welke bron die moest voorkomen, namelijk, dat hij zoozeer niet sprak, maar God door hem.
Het laatste werd een Hongaarsch jongeling toegelaten, met name Nicolaus Radkai, Joannes' medeleerling en bijzondere vriend. Op uitdrukkelijk verlangen des lijders, kwam deze het laatste opdat hij zich met hem iets langer zou kunnen ophouden. Allen verlieten het vertrek, en toen de twee jongelingen alleen waren, omhelsden zij elkander, terwijl Joannes zeide : Voor de laatste maal zeg ik u vaarwel, mijn broeder ; ik zal u
112
in dit leven niet meer toespreken. Gij weet, dat ik u op aarde bemind heb, ik zal u blijven beminnen in den hemel.quot;
Bij deze woorden barstte de andere in tranen los, en zich op de knieën werpende, riep hij uit ; //Indien gij mij verlaat, verzoek ik u voor mij te bidden tot de H. Maagd, opdat zij mij de hulp verleene, die gij weet, dat ik tot mijne volmaking en mijn eeuwig heil noodig heb ; vooral evenwel, dat ik een echte zoon der Societeit mag zijn, en dat zij mij als dusdanig aanerkenne.quot;
//Gaarne, mijn broeder, â gaf Joannes ten antwoord als met eene vaderlijke liefde, âwat gij vraagt, zal ik voor u verkrijgen, en nog bovendien den geest van gebed en van versterving.quot; âDaarop vroeg de andere: //Zeg, Joannes, gelooft ge, morgen te zullen sterven ?quot; â //Morgen ochtend, geloof ik,quot; was het antwoord. â //Zou ik daar niet bij tegenwoordig kunnen zijn ?quot; â //Ik zal er voor zorgen.quot; â //Wanneer gij mij' verlaat, Joannes, geef me dan, bid ik u, den laatsten zegen.quot; â In den beginne wilde de nederige jongeling daartoe niet overgaan, dochten laatste overwonnen door de onweerstaanbare klachten en smeekingen van zijn vriend, hief hij de hand cp, glimlachte en zegende hem tweemaal met een innige liefde. Daarna ging de andere heen, het hart vol weemoed, maar ook vol troost.
113
Op het zien van dien ongewonen toeloop, niet alleen van broeders maar ook van priesters, die zich voor Joannes op de knieën wierpen, en zijn zegen vroegen, begon de Rector te vreezen voor den duivel der ijdele glorie, die misschien aldus het hart des stervenden kon binnensluipen. Hij verwijderde dus allen uit het vertrek, en sprak Joannes aldus toe : '/Broeder, de duivel zou u op dit oogenblik raeteene tweevoudige bekoring kunnen aanvallen, namelijk met eene bekoring tegen liet geloof, en eenebekoring van ijdele glorie. Houd dus moed, en strijd krachtdadig tegen beide.quot; â r/Gode zij dank. Eerwaarde Vader, antwoordde de jongeling, tegen de bekoringen omtrent het geloof meen ik genoeg gewapend te zijn ; tegen de aanvallen van ijdele glorie, indien zij mochten komen, heeft mij de Prefekt der geestelijke zaken genoegzaam versterkt.quot;
Tegen den avond, bij het kleppen der Angelus-klok, smeekte hij Pater Joannes Gaudt, die aan zijn bed stond, den nacht bij hem door te brengen, wijl hij een voorgevoel had van aankomende bekoringen. //Dezen nacht, zeide hij, geldt het 't gewichtigste van de zaak.quot; En zich tot zijn oppasser wendende: //Dezen nacht zal ik strijden.quot; En tot een anderen priester: //Ik zal dezen nacht te strijden hebben.quot; Daarop zag hij een jongeling, G. Van Aelst, welke met hem in België in'tno-
J. BERCHMANS. S
114
viciaat was geweest: wik beveei u, zeide hij, aan den Zaligen Aloysius.quot; En toen die jongeling hem vroeg: //Gaat gij aldus gaarne heen ?quot; gaf hij ten antwoord : //Morgen, geloof ik, zal ik sterven.quot;
Omstreeks negen uren in den avond waren de gangen en de vertrekken der oppassers gevuld met priesters en andere personen ; elkeen haastte zich om in de laatste uren aanwezig te zijn. Men kon hen maar niet tot heengaan bewegen, en toen de Rector hun beval ter ruste te gaan, moest hij er de belofte bijvoegen van allen aanstonds te wekken, wanneer het uiteinde nabij was. Bij het uitgaan zeide een professor; //Broeder Joannes, wacht mijne terugkomst af, en vertrek niet in mijne afwezigheid;quot; â waarop hij antwoordde ; //Geen nood ! Uw Eerwaarde zal mijn vertrek bijwonen.quot;
Sommigen maakten uit den aard der ziekte op, dat Joannes sprekende sterven zoude ; dit hoorde de jongeling, en zeide: //Zoo zal het geschieden; ik heb aan God gevraagd, of te sterven op het slagveld, bezig met de soldaten te helpen, welke in België tegen de ketters strijden, ofte sterven op mijne sponde, sprekende en bij volle verstand; ik twijfel er niet aan, dit laatste is mij door God toegestaan.quot;
Dien nacht bleven er drie Belgische paters bij hem waken, Marcus van Doorne, Joannes Gaudt
115
en Philippus Alegarabe. Om tien uren zeide hij; //Ik zou willen, dat men de gebeden der stervenden bad, opdat later de geschikte tijd niet ont-breke.quot; Dat gebeurde, en toen men in de Litanie aan de orde der Belijders was, wilde hij, dat men er de namen der heiligen van zijn Orde zou bijvoegen, namelijk der HH. Ignatius en Xaverius, der zaligen Aloysius, Stanislaüs en Franciscus Borgia, alsmede van den pater Josef Anchieta en van Alphonsus Rodriguez. Nadat die gebeden geëindigd waren, trachtte hij een weinig te sluimeren; doch, daar dit hem niet mocht gelukken, keerde hij zich om, en begon met eene heldere en kalme stem den lofzang //Ave maris stellaquot; te zingen. Vervolgens begon een der Paters, ten einde eenige acten van godsvrucht bij hem op te wekken, hem in het latijn aldus toe te spreken: //Nu vooral moet ge Christus en de H. Maagd beminnen; die gij in uw leven bemind hebt, zult ge ook beminnen in uw dood.quot; Onmiddellijk antwoordde hij : //Die ik getracht heb te beminnen in mijn leven, zal mij beminnen in mijn dood.quot; De Pater hernam : //En beiden zult gij beminnen in eeuwigheid.quot; â //Dat hoop ik,quot; zeide de jongeling. â //En als gij duizend harten hadt, Joannes, zoudt gij dan Maria niet met duizend harten beminnen ?quot; â //Ja, dat zou ik, met duizend harten.quot;
116
Met deze en dergelijke gesprekken, was het middernacht geworden. En met deze uur kwam de ure des strijds. Eensklaps werpt de jongeling zich om ; zijn gelaat is ontrust; zijne oogen staren strak naar den hemel, en niet bevende lippen begon hij het volgende uit te spreken: //Neen, mijn God, dat zal ik niet doen ! Ik zal u niet beleedigen ! Maria, neen nooit zal ik uw Zoon vergrammen. Ga weg van mij. Liever duizendmaal sterven, tienduizend-, honderdduizend-maal.quot; In de aangrenzende vertrekken had men zijne stem gehoord, en men snelde toe, om hem gerust te stellen. Weldra wendde hij zich tot den duivel en zeide: //Ga weg van mij, satan ⢠ik vrees u niet.quot; De omstanders knielden en baden, en besproeiden Joannes, het bed, en de kamer met gewijd water. Hij zelf omhelsde het Christusbeeld, den rozenkrans, het boek der Regelen en de reliquiën, die hij bij zich had, drukte die aan zijn hart, en riep vol moed: //Dit zijn mijne wapenen.quot;
Toen de strijd ten einde was, begon Pater Petrus Gravita de Litanie te psalmodiëeren, waarin Joannes hem gedurig in denzelfden toon volgde. Aan het Agnus Dei gekomen., en het Farce ei Domine, hield Joannes even cp, sloeg de oogen op het kruis, en herhaalde met een levendig gevoel van liefde dertigmaal: //Par-
117
ce Domine, Paree Domine, Paree Domine.quot; *)
Daarop werd hij zoo zwak, dat men den Rector moest gaan roepen. Deze hield hem eenige spreuken voor, welke de jongeling nazeide. Eenige oogenblikken later had hij het spraakvermogen zoodanig verloren, dat hij geen woord meer kon uiten.
Nu traden allen de kamer binnen, knielden neder om zijne legerstede, en begonnen te bidden. .Joannes lag daar achterover, de blikken gericht op het kruisbeeld, den rozenkrans en het boek, welke drie zaken hij voortdurend in de handen hield ; overigens lag hij daar stom en sprakeloos, terwijl zijne oogleden alleen zich bewogen. Vier uren duurde die toestand, totdat hij aan een Pater, die hem vroeg, of hij niets verlangde, antwoordde met een zeer flauwe stem: //Ik wilde kunnen spreken.quot; De Pater vermaande hem vervolgens, den naam van Jesus ten minste met het hart, zoo hij het niet kon met den mond, uit te spreken. Joannes deed een poging) en weldra sprak hij verschillende malen dien naam uit. Daarmede kwam het spraakvermogen terug. De Rector, welke van twee tot zes uren in den nacht aan zijne zijde had gestaan, zeide
Spaar, Heer.
IIS
hem eindelijk : //Joannes, liet is tijd voor de H. Mis, zorg dat gij niet sterft, maar wacht mijne terugkomst af.quot; De jongeling beloofde dat.
Nauwelijks was de H. Mis begonnen, of een nieuwe worsteling ving aan tusschen den vijand der menschen en den vromen jongeling. Afgebroken, onsamenhangende woorden, als://Neen, dat deed ik niet vrijwilligquot;, kwamen onophoudelijk over zijne lippen. Zijn leermeester, die wel begreep, dat het een aanval des duivels was, sprak hem aanstonds toe met de woorden: //Joannes, let op mij, en zeg niets anders na, dan wat ik u voorzeg. Zeg : Ik geloof, o Heer; ik hoop, o Heer : ik bemin, o Heer.quot; De jongeling evenwel scheen hem niet te begrijpen. Met opgeheven hand en verwilderden blik herhaalde hij dezelfde woorden : //Ik heb dat niet vrijwillig gedaan.quot; Dan verhief de Pater zijne stem, en zeide met kracht: //Joannes, tot nu toe luisterdet gij naar mijne woorden; welaan dan, geef er ook nu gehoor aan, en let alleen op de woorden, die ik u zeg.quot; Plotseling, o wonder! kwam de rust weder in het gemoed van den heiligen jongeling, en begon hij met een kalme stem en opgeruimd gelaat te bidden.
Daarna gaf Joannes den wil te kennen, om den Rector te roepen. Deze had juist de H. Mis geëindigd, en kwam onmiddellijk. Bij zijn
119
aankomst, gaf de jongeling teekenen van blijdschap, daar hij de hem opgelegde taak volbracht had, namelijk van te wachten tot de terugkomst des Rectors. Op zijn verlangen begon men daarna de Litanie van alle Heiligen te bidden, die hij hardop medebad. Vervolgens bad een ander priester de Litanie van O. L. V., welke hij eveneens volgde. Aan de woorden gekomen ; Heilige Maagd der Maagden, Moeder der zuiverheid. Koningin der maagden, lichtte hij het hoofd op uit het kussen, en maakte een buiging voor het beeld der H. Maagd, terwijl zijne blikken met eene diepe uitdrukking van liefde daarop gevestigd bleven.
Aldus stierf de gelukkige jongeling om half negen uren op Vrijdag, den 13 Augustus 1621, in den ouderdom van 22 jaren en 5 maanden. Met de oogen op het kruis, den rozenkrans en het boek der Regels, en op de lippen de namen van Jesus en Maria, steeg zijne heilige ziel ten hemel, op aarde achterlatende het voorbeeld harer deugden, en den troost van haar kostbaren dood.
HOOFDSTUK XIII.
Joannes' gestalte. â Droefheid bij zijn dood onder leerlingen en Professoren. â Getuigenis van Pater Didacus Seco. â Verspreiding van liet gerucht ziins overlijdens. â Lijkdienst en gebeurtenissen daarbij. â Toeloop van volk. â Begrafenis. â Heiligverklaring.
Niet zoo haast was Joannes verscheiden, of de natuurlijke kleur keerde terug op zijn aangezicht, zoodat hij meer gelijk scheen aan een levende, die zacht en rustig insluimert, dan aan een doode. Die schijn bleef evenwel niet lang bestaan, en weldra toonde de bleekheid van zijn gelaat aan, dat de schoonheid zijns lichaams een prooi was geworden van den dood.
Joannes was van middelbare gestalte, volbloedig van gestel, gezond van leden en met een engelachtig lichaam. Zijne gelaatskleur bestond uit het blanke der lelie, gemengd met het roode dei-roos. Zijn voorhoofd was groot, boven de dikke wenkbrauwen, die zijn scherpe en schitterende oogen overschaduwden. De lippen waren klein.
121
maar vuurrood; de arendsneus wel gevormd; het haar blond. Zijne handen rustten steeds op zijne borst. Zijn gang was noch langzaam, noch overhaastig, maar altijd vrij zwaar. De geheele houding van zijn lichaam was zoo zedig, dat de aanschouwers er door getroffen en gesticht werden. Men kan zeggen, dat het lichaam, hetwelk God aan die ziel geschonken had, met die ziel in schoonheid wedijverde, en dat nde vorm van het lichaam de loeerschijn ivas van den geestquot; zooals de H. Ambrosius van de H. Maagd zegt.
't Is gebruikelijk in de Societeit, van met de bel een teeken te geven, zoodra een der leden den geest heeft gegeven, opdat zij, die dat teeken hooren, aanstonds kunnen bidden voor de rust zijner ziel. Dat geschiedde eveneens bij den dood van Joannes, maar het is ons onmogelijk, te zeggen welk eene beweging dat teeken bij deze gelegenheid teweegbracht. Van alle kanten stroomde men toe, om de handen te kussen van den heiligen jongeling, en zich in zijne gebeden aan te bevelen.
Reeds drie dagen vóór zijn dood had men van zijn kamer de beelden weggenomen, waarvoor hij gewoon was te bidden, alsmede den geesel en wat er meer van dien aard aanwezig was. Zijne onderkleederen, bovengewaad, schoenen enz. werden als relikwieën medegenomen. En
122
dat deden niet alleen de jongere studenten, maar zelfs de ernstigste paters en professoren, welke als een bijzondere gunst het een of ander verlangden, wat hij in zijn leven gebruikt had.
Toen het teeken van Joannes' dood werd gegeven, bevonden professoren en studenten zich in de klas. Eensklaps barstten allen uit in geween, daar zij het zalige uiteinde van hun makker niet mochten bijwonen. Pater Didacus Seco, die toen de theologie doceerde, kon zijne tranen niet bedwingen, en deelde aan zijne toehoorders de oorzaak zijner smart mede. Bij zijn vertrek uit Rome, liet hij het volgende getuigenis over den engelach-tigen jongeling achter, dat wij evenwel om zijne lengte slechts in hoofdzaak zullen wedergeven.
//ïk Didacus Seco, Priester van de Societeit //van Jesus, getuig, in het Romeinsche College //dierzelfde Societeit, op vertrouwelijken voet te //zijn omgegaan met Broeder Joannes Berch-//mans, Belg van geboorte, een student uitmun-//tende door een vlekkelooze onschuld van le-//ven, reinheid van ziel en aantrekkelijkheid van //zeden. Wegens die bijzondere gave zeide ik dik-//wijls, dat hij was een waar Dienaar en Zoon //van de H. Maagd, tot wie hij een brandende //godsvrucht bezat. Tijdens zijne ziekte zeide ik aan //Pater Marcus van Doorne, dat de vromejonge-//ling waarschijnlijk niet door de ziekte zou sterven
123
//maar door de liefde tot de Moeder Gods, die haar //kuischen en beminden dienaar in den hemel //bij zich wilde hebben. Na zijn dood kon ik mij //niet overtuigen, dat die ziel gebeden en mis-//offers zou noodig hebben ; en evenmin twijfel //ik er aan, dat God haar niet met de hemelsche //glorie beloond heeft. Indien ik over al zijne //deugden in het bijzonder wilde uitweiden,zou //ik veel kunnen getuigen van hem, dien ik als //een voorbeeld beschouwde. Dit weinige zij ge-//noeg tot eer van God, tot lof van onzen heili-//gen en onschuldigen broeder, en tot ons aller //aanmoediging.quot;
Weldra was de mare over den dood van Joannes door de geheele stad verspreid ; en het deed vele hooggeplaatste personen leed, niet van zijne ziekte gehoord en zijne heiligheid gezien te hebben. Onder deze was Kardinaal Bellarminus, die bij het vernemen dier tijding tranen stortte, en het betreurde niet vertrouwelijker met hem te zijn omgegaan, hem niet bezocht te hebben, om zich in zijne gebeden aan te bevelen.
De Rector, wel voorziende wat er zoude gebeuren, belegde een raad van Paters, om hunnen raad in te winnen, wat er met het lichaam moest gedaan worden. Eénstemming werd er besloten, dat zijn portret door een of ander schilder zou worden gemaakt; vervolgens, dat zijn lijk
124
op eene afgescheiden plaats zou begraven worden, opdat men de beenderen gemakkelijk zou onderscheiden, wanneer het God mocht behagen hem door mirakelen te verheerlijken; en eindelijk, dat tijdens den lijkdienst de Paters vier aan vier de wacht zouden houden om de baar, ten einde het toedringen van't volk te verhinderen. Dat alles geschiedde, gelijk het besloten was. Het lijk werd in de kerk gedragen en op de baar gezet, terwijl de deuren tot aan het begin der plechtighedengesloten bleven. Ondertusschen kwamen professoren, paters en novicen het lijk vereeren, en hunne rozenkransen daaraan strijken. De menigte had zich door eene zijdeur toegang weten te verschaffen, en in één oogwenk waren nu de bloemen, waarmede het lijk bestrooid was, weggenomen. Eveneens ontnam men hem het kruisbeeldje en den rozenkrans, welke hij in de handen hield, alsmede hoofddeksel en schoeisel. De rozenkrans werd meermalen weggenomen, terwijl men telkens een anderen daarvoor in de plaats legde.
Toen alles in gereedheid was, ontsloot men de poorten des tempels, en als een onstuimige zee sloeg de volksmenigte naar binnen. In den beginne heerschte er diepe rust; doch toen men begon met zijne handen te kussen en rozenkransen aan te strijken, kon men zijne kleederen nauwe-
125
lijks voor verscheuring behoeden. De volksmenigte wies intusschen steeds aan ; en de vier paters waren niet meer bestand tegen denaandringen-den stroom; zij moesten wijken.
Na het einde der plechtigheden, moest men het lichaam in de sacristie brengen; het was bijna geheel uitgekleed. Sommigen brachten ge-heeie bundels rozenkransen, anderen ringen, om aan de vingers te dragen. Zoo groot was de toeloop, dat men verschillende malen genoodzaakt was door de smeekingen van voorname mannen, om het lijk weder in de kerk ten toon te stellen.
Op het gerucht, dat de begrafenis dien avond zou plaats hebben, verzochten vele hooggeplaatste personen, dat men die plechtigheid tot den volgenden dag zou uitstellen, wijl zij vurig wenschten het lijk van den heiligen jongeling eens te zien. Aan dat verlangen werd voldaan. Gedurende den nacht, nam men zijn gelaat af in gips, en werd het lichaam onderzocht, waarin men evenwel geen spoor van eenige ziekte kon waarnemen, tenzij eene geringe ontsteking aan de long en aan de milt.
Het hart werd uitgenomen, bewaard, en eenige maanden later naar België overgebracht. Men was nieuwsgierig te weten, of die zachtmoedigheid, die lijdzaamheid, waardoor Joan-
126
nes had uitgemunt, voortsproot uit de gesteltenis zijns lichaams. De geneesheer zocht derhalve naar de gal, maar vond slechts zulk eene kleine hoeveelheid, dat er bijna geen teeken van gal aanwezig was.
Daarna werd het lijk opnieuw gekleed, en op de baar geplaatst. Den volgenden dag, zijnde het vigilie van de Ten-Hemel-Opneming van Maria (Zaterdag) kwam er zulk eene menigte van achtenswaardige mannen, als bisschoppen, stadsraden, groeten enz. om te zien, dat men de teraardebestelling voor den avond nog niet kon verrichten. Toen weder bemerkte men, dat niet alleen stukken van zijne kleederen, maar zelfs nagelen en haar, en een teen van zijn voet waren afgesneden en als relikwieën medegenomen.
Eindelijk werd Zaterdag avond het dierbare overschot in de houten kist gelegd, en van een opschrift in lood voorzien, waarna het in een graf in de Kapel van den H. Aloysius werd bijgezet, van daar werd het naderhand overgebracht naar de Kapel van t H. Kruis, waarin vroeger het lijk van den H. Aloysius eenige jaren gerust had.
Het duurde niet lang of de geloovigen bezochten in menigte zijn graf, om daar hulp en troost te vinden in nood en tegenspoed. Eiken morgen kwamen godsdienstige mannen en vrouwen dat graf bestrooien met bloemen en welriekende
127
kruiden. Achtingswaardige mannen ontzagen zich niet, te knielen op het gesteente en te bidden, en eerbiedig den grond te kussen, die den heilige dekte. Anderen brachten tot dank voor verkregen weldaden ex-voto's, welke zij aan de wanden der Kapel ophingen, of op het graf neêr-legden. Niet zelden zelfs ontstak men kaarsen te zijner eere.
Zoo verheerlijkte God zijnen dienaar, die Hem in het leven verheerlijkt had, voor het oog dei-wereld. En wie zegt ons hoeveel wonderen van bekeeringen hij na zijn dood gewrocht heeft, die in zijn leven door zijn aanblik alleen zoovelen tot een deugdzaam leven aanspoorde, en in allen de liefde tot de deugd deed ontvlammen ?
Zijn naam was weldra bekend door geheel Rome, en de geest zijner heiligheid vervulde de Eeuwige Stad. Thans noemt heel Europa dien naam met achting en eerbied, en vereert de jeugd in hem een heiligen Beschermer in den Hemel.
Het behaagde Z. H. Leo Xlll den Zaligen Joannes Berchmans in den loop van het jaar 1888 onder het getal der Heiligen te plaatsen, bepalende, dat zijn feestdag den 13 Augustus in de Kerk zou gevierd worden.
EINDE.
f I
INHOUD.
Hoofdst.
I. Geboorte van Joannes. â Eerste H. Communie. â Zijn gedrag in 't College te Mechelen. â In de congregatie van O.L.V. â Zijne roeping tot den kloosterstaat . .
II. Intrede in de Societeit van Jesus. â Noviciaat. â Devotie tot het Alterh. Sacrament. â Drievoudige gelofte. â Gehoorzaamheid. â Zuiverheid. â Versterving. â Getuigenis van den novicen-meester........
III. Vortrek naar Kome. â Aankomst te Lorette. â In het College te Bome. â Zijne volmaaktheid. â Verschillende getuigenissen..............
IV. Hoe hij tot de volmaaktheid kwam. â De liefde voor de orderegelen. â Zijne engelachtige zuiverheid. â Zijne middelen om die deugd te bewaren. â Twee voorrechten tot bel niug voor zijne zuiverheid. â Zijn aanblik wc;;t li; fri vcor dio uougd...........
V. Zijne middelei. om alle fouten te vermijden. - Zijne inborst. â Levenswijze. â De bewaking zijner tong. â
Gewetensonderzoek. â Afzondering........
VI. Joannes' hoogachting voor de Societeit J. â Zijne liefde voor dezelve en voor al hare leden. â Zijne genegenheid
voor de zieken. â Zijn gedrag bij het spel.....
VII. Zijne liefde voor de Professoren. â IJver voor de studie. â Zijne zedigheid. â Examen in de Wijsbegeerte. â Voorbereiding tot het verdedigen zijner theses . . . VIII. Zijn dagelijksche bezigheden. â Hij moet de dienstboden leiden in het geestelijke leven. â Zijne kamer. â Zijn ontwaken. â Liefde voor het onaanzienlijkste handwerk.
â Zijne nederigheid..............
IX. Joannes' liefde tot het gebed. â Verstervingen. â Mistroostigheid. â Zielevrede. â Voorbereiding tot de H. Communie.................
X. Devotie tot de H. Maagd. â Het Kozenkransgebed. â Zijne vereering van andere Heiligen. â Verlangen naar
den dood ..................
XI. Begin zijner ziekte. â Koorts. â Hij is gereed te sterven. â Zijne blijdschap bij het vernémen van zijn aanstaanden dood. â Testament. â De laatste HH. Sacramenten . XII. Joannes kent de handelingen van den Bector. â Toeloop van bezoekers. â Zijne raadgevingen. â Aanvallen
des duivels. â Zijn dood............
XIII. Joannes' gestalte. â Droefheid bij zijn dood onder leerlingen en Professoren. â Getuigenis van Patar D. Seco. â Lijkdienst. â Toeloop van volk. â Begrafenis. â Heiligverklaring .................