/Vv'4
/ /
i
GESCHIEDENIS
DF.R
EDERLAN DSCHE LETTEPXEN 1^80-1^90
Mi-T KXKELE AANTF FKE.W.EX r.ETIiEFFEXDE 1891 EN 1802
oen AlphahcUselie l ijst ileiquot; SflirljVers
EN EENE
r,lJSr VAN PSEUDONIEMEN
DOOR
TACO H, DE BEER.
KUILENBURG,
BLOM lt;k OL IV IERSE,
l| â
z. Oct.
GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTEREN
1880-1890.
â IMIMI
1 fK)ö
GESCHIEDENIS
DER
NEDERLANDSCHE LETTEREN
I88Oâ1890
MET ENKELE AANTEEKENINGEN BETREFFENDE 1891 EN 1892, ccu Alpliabctisclie Lijst der Silirijvers
EN EENE
LIJST VAN PSEUDONIEMEN
DOOR
TACO II. Igt; i: BEER.
⦠«K
KUILENBURG,
BLOM amp; OLIVIEESE. 1892.
VOORREDE.
Foor hem, die belang stelt in de letterkunde van zijn land, is het wenscJielijk, zich nu en dan van de dagelijksche ânieuwe uitgavenquot; los te maken en een Hik te slaan op een pas doorloopen tijdvak. Onwillekeurig deed ik dat aan ,t einde van het vorige jaar, toen de Redactie van Meyer's Konversations Lexikon met het gewone verzoek tot mij kwam, voor het nieuwe supplement een overzicht onzer liter atuurheweging over de laatste tien jaren te schrijven, waaraan ik besloot voor de laatste maal te voldoen. Het kwam mij voor, dat het nuttig kon zijn, dit overzicht, wat meer uitgebreid ook in Nederland en wel in meer uitgebreiden kring bekend te doen worden. Daartoe werd het tamelijk uitvoerig stuk, waaruit de redactie haar uittreksel vervaardigde, door den Heer G. A. G e e r 1 i g s te Zegwaard uit het Duitsch vertaald en het was mijn plan er op enkele plaatsen het een en ander tusschen te voegen en er enkele noten bij te schrijven.
Weldra kwam het mij echter meer wenschelijk voor, van deze gelegenheid gebruik te maken om de verschillende richtingen, vooral de nieuwere, wat uitvoerig te teekenen en de grenzen van het oorspronkelijke ivat uit te breiden. Daarbij kon tevens over enkele letterkundige verschijnselen en beginselen een woord in het midden gébracht worden. Dat ik gelegenheid had, de hier genoemde werken op hoogst zeldzame uitzonderingen na te lezen, de tooneelstuk-Taco H. de Beer , De cjesch. d. Ned. Letteren 1880â1890. 1
2
ken, voor zoover ze gespeeld werden, te zien, geeft den lezer eenigen waarborg voor de betrouwbaarheid der mededeelingen; dat ik tot geenerlei letterkundige club behoor, een niet geheel ongegrond vermoeden voor de onpartijdigheid mijner beschoinvingen.
Aan hen, die mijn werk afkeuren, omdat ik hunne vijanden geprezen heb, herhaal ik het nooit genoeg herhaalde congreswoord van Beets: âLeer bewonderen !quot;
En hiermede ga mijn boekje de wereld in, het wil, evenals alles, wat ik sedert 1870 schreef, opwekken tot ic aar deer ing van letterkundige kunst en tot verheffing der nationale opvoeding l) door vorming van den geest: een tegenwicht tegen eenzijdige oefening van het geheugen en ontwikkeling van het verstand, die zelden meer aanbrengen dan personen, die vmet goed gevolg'''' examen doen, dank zij 1' art de grouper les chiffres, en opleiden tot geschikte [daarom nog niet bekwame of denkende) ambtenaren, maar die geen men-schen, geen karakters vormen.
TACO H. DE BEER.
') Men vergelijke mijn artikel Asschepoester in de Gids van 1874,
DE G-ESCHIEDENIS
DER
NEDE11LANDSCHE LETTEREN
1880-1890 ').
De geschiedenis onzer letteren gedurende het afgeloopen decennium is inderdaad alleszins geschikt om den ernstigen beoefenaar der letteren somber te stemmen.
Tot het oudere en oudste teruggevoerd door voortreffelijke uitgaven van schrijvers uit de middeleeuwen , uit den bloeitijd en uit het beste deel dezer eeuw, mag hij zich nogmaals vermeien in het kunstwerk van weleer, maar waar hij in het tegenwoordige alom strijd en woeling vindt en geen andere samenwerking dan om anderen ten onder te brengen , niet dan bij hooge uitzondering rustig scheppen of ernstig voorbereiden, daar begeeft hem de hoop, in den letterarbeid van onze dagen den levenden geest, den bezielenden adem der kunstschepping te ontdekken.
De ouden sterven weg, zeer enkele jongeren nemen hunne plaatsen in ; do roman bijna uitsluitend in handen van dames, het tooneel bijna uitsluitend door den arbeid van vreemden ingenomen, in de poezie het episch genre dood, waarlijk het beeld, dat de letterkunde biedt, is verre van verheffend.
1) Door enkele aanteekeningen aan den voet der bladzijde, is zooveel mogelijk het voornaamste aangaande 1890 tevens bijgevoegd of medegedeeld.
1*
De eischen, die het thans levend geslacht stelt, zijn echter oneindig lager dan die, welke een vorig geslacht meende te moeten stellen en van hun lager standpunt beschouwd is er nog veel te zien, dat van hooger af aan het oog van den waarnemer zou ontsnappen.
Naar den geest onzer dagen is er nog veel te prijzen en van wetenschappelijke zijde is er alle reden tot dankbaarheid , zelfs tot groote dankbaarheid.
Het hier geboden overzicht kan dus den welgezinden jongeren tijdgenoot allerminst onbevredigd laten , al zou de gevoelsmensch over gebrek aan levenswarmte klagen.
Systematisch bijeengebracht kunnen de boeken achtereenvolgens de revue passeeren.
Philologie.
De philologie is in het laatste tiental jaren rustig op haar weg voortgegaan; het groote Woordenboek werd sneller dan ooit voortgezet. Nadat een kapitaal tot bevordering van deze wetenschappelijke onderneming bijeengebracht was, werden drie jeugdige geleerden als medeleden der redactie aangencmea : Dr. A. Beets, wiens dissertatie De disticha Ca ton is in het Middelnederlandsch; Dr. A. K1 u y-ver, wiens dissertatie Proeve eener Critiek op het Woordenuoek van Kiliaan en Dr. J. W. Muller, wiens dissertatie De oudere en de jongere bewerking van den Reinaert door de geleerden zeer goed waren ontvangen en hooge verwachtingen hadden gewekt. Sedert dien tijd verschijnen in regelmatige opvolging do afleveringen van het reusachtige taalmonument, waarvan de nog altijd werkzame en bezielende grootmeester der Nederlandsche philologie prof. Dr. M. de Vries, die eerstdaags bij het bereiken van den 70-jarigen leeftijd emeritus wordt '), het fondament legde, waarvan hij het plan ontwierp en zooveel tot uitvoering brachtJ). Te zijner eer werd hem den 28sten Nov. 1889 bij zijn veertigjarig jubilaeum eene verzameling studiën als Feestbundel aangeboden, waartoe veertien zijner leerlingen , thans allen erkende geleerden, die meerendeels beroemde, sommige wereldberoemde namen dragen, de bijdragen â nieuwe philologische ontdekkingen
â ) Dit is geschied bij K. B. Juni 1891.
') In den loop des jaars werden nog twee philologen Dr. C. G. U h 1 e n-b e c k en (thans Dr.) W. deVreese, leerling van prof. V e r c o u 11 i e uit Gent, aan de Redactie toegevoegd.
5
of onderzoekingen â schreven en leverden '). Ook de Bibliotheek voor Middelnederlandsche Letterkunde ging onder het bestuur van den altijd ijverigen Dr. Jan te Winkel en Prof. Dr. H. E. Mol t-z e r reeds voort en zal ten slotte den geheelen schat der middelnederlandsche literatuur in volkomen vertrouwbaren tekst in druk leveren. Tot het juiste begrip van deze rijke literatuur kan zeker niets meer bijdragen dan dut bet Middelnederlandscli Woordenboek van prof. Dr. J. Y e r d a m zijne afleveringen in zoo snelle opvolging doet verschijnen. De ongenoemde werkzame medearbeider dos vervaardigers is de jonge en veelbelovende geleerde, Dr. F. A. S t o e 11, leeraar aan het Gymnasium te Amsterdam,, wiens Middelnederlandsche Spraakkunst, in twee kleine deeltjes uitgegeven, bestemd is om in eene dringende behoefte te voorzien. Do tot heden verschenen spraakkunsten van Dr. F r a n c k professor aan do hoogeschool te Bonn en van Dr. Van Heiten professor aan de Groningscho Universiteit hebben zich meer ten doel gesteld allerlei zaken wetenschappelijk vast te stellen en daarvan het bewijs te leveren, maar .... ook daarvan, dat de vervaardigers uit alle bronnen geput hadden, terwijl Dr. S t o e 11 niets meer verlangde, dan den jongeren een duidelijk begrip en een degelijke kennis bij te brengen van de gronden van het Middelnederlandsch; dit is hem uitmuntend gelukt. Prof. Dr. J. Verdam bezorgde in 1883 de tekstuitgave van den Aiol en sedert de stichting der Vlaamsche Akademie heeft men ook in België een begin gemaakt met de uitgave van Middelnederlandsche teksten en glossariën , en wel Sevenste Bliscap van Maria met glossarium en Van den Vil Vroeden van binnen Eome, beide van K. Stallaert, welke uitgaven echter volstrekt niet onbestreden zijn gebleven , evenmin als prof. E o e r s c h Glossarium op Maer-lants Alexanders Geesten, waartoe echter meer en beter materiaal gebruikt werd. Nap. de Pauw bezorgt ter zelfder tijd Madelghys'' Kintsheit en Dit is die Is tor y van Trojen, het laatste in vereeniging met Edw. Gaillard. Aan het hoofd van het op prof. de Vries volgende en dus jongere geslacht staat als grondig kenner van het Middelnederlandsch buiten alle kijf de Amsterdamsche ') prof. Dr. J. Ver-
') Uitgegeven te Utrecht bij J. L. Beyers. De schrijvers zijn: H. J. Eymael, Prof. Dr. J. H. Galleé, Prof. Dr. W. L. van Heiten, Dr. G. Kalff, Prof.Dr. H. Kern, Dr. A. Kluyver, Prol'. Dr. H, E. Moltzer, Dr. J. W. Muller, Th. Nolen, Dr. Georg Penon, Dr. J. J. Salverda de Grave, Dr. F. A. Stoett, Prof. Dr. J. Verdam, Dr. Jan te Winkel.
2) Als opvolger van prof. de Vries te Leiden benoemd. Juli 1891.
6
dam, wiens Middelnederlandsch Woordenboek tot hoeren verscheen ; ondanks dezen ontzaglijken arbeid vond hij in dit jaar nog den tijd eene uitmuntende Geschiedenis der Nederlandsche taal te doen verschijnen, en wel de eerste '). De nieuwe, zorgvuldig herziene uitgave van de Bloemlezing uit de Middehiederlandsche letterkunde met Glossarium door Dr. E. V e r w ij s was door Dr. Georg Penon begonnen en reeds half voltooid, toen hij aan de wetenschap, waarvoor hij zooveel schoons had verricht en aan zijne familie en vrienden ontviel. Dr. S t o e 11 heeft het werk overgenomen en zal het wel tot een goed einde brengen,2) beter dan de reeds vroeger genoemde K. Stallaert zijn Glossarium van verouderde rechtstermen, kunstwoorden enz. dat van de grootste toewijding onwedcrsprekelijke bewijzen draagt, maar met den stempel eener oudere wetenschap, die ons thans niet meer bevredigt. Als verdere en goed geslaagde bijdragen tot de studie der oudere taal kunnen nog genoemd worden P. H. van M o e r k e r k e n's Verhandeling over de verbinding der volzinnen in het Gotisch en die van Hippoliet Meert, Het voornaanncoord Du, welk woord in Nederland geheel buiten gebruik raakte en in België langzamerhand den zelfden weg opgaat. In het Hoogduitsch verschenen van prof. Van II el ten Altostfriesische Gramma tik, van prof. G allee Altsach-sische Grammatik, van Dr. C. C. Uhlenbeck Die lexikalische Ur-verwantschaft des Baltoslavischen und Germanischen. Naast Pr an cks Etymologisch Woordenboek waarvan sedert 1884 nauwelijks 700 pagina's (tot modde) verschenen , staat nu nog het Etymologisch Woordenboek van J. Vercouillie, van de Hoogesehool van Gent, dat met groote nauwkeurigheid bewerkt, in handigen vorm volledig het licht zag. Ten slotte zij aangestipt, dat Dr. Johan Winkler een uitgebreid werk uitgaf, dat veel goeds bevat: De Nederlandsche Geslachtsnamen. De taal van de 16de en 17de eeuw wordt vlijtig bsoefend: Dr. K a 1 f f gaf uit Trou moet blij eken, fragmenten uit kluchtspelen der 16de eeuw; Eymaol gaf uitgebreide en degelijke studiën over Huygens in 't licht; Dr. E. A. K o 11 e w ij n gaf Costers blijspelen uit en met Kalff, Ten Brink, Unger, Moltzer en Te Winkel den geheelen Bredero, met aanteekeningen ; V e r-
'J Een omvangrijker en meer streng wetenschappelijke geschiedenis der Nederlandsche taal gaf Dr. Jan te Winkel in den Grundriss der germanischen Phüologie van prof. Hermann Paul (Strassburg, Trübner) le deel 3e en 4e afl. bl. 034â722.
â¢) Dit is geschied.
7
dam gaf stukken van Hoof t en Huygens, bovendien verscheen onder den collectieven titel Zwolsche Herdrukken eene geheele serio vertrouwbare uitgaven uit den bloeitijd van de hand van T e r w e y , Van den Bosch, Cramer en Buitenrust Hettema. Het hoogst wetenschappelijke Tijdschrift voor Nederlandsche Taaien Letterkunde, door de professoren der Leidsche Hoogeschool uitgegeven , herleefde en brengt steeds keurige studiën; Noord en Zuid.. in 1877 aangevangen, legde er zich sinds het vorige jaar meer dan ooit op toe, de lezers tot het juiste begrip van de beste schrijvers uit den nieuweren tijd op te leiden en hield meer ruimte beschikbaar voor de geschiedenis der letteren ; naast Taco H. de Beer trad C. H. den Hertog als redacteur op.1) Het dialect tijdschrift Onze Volkstaal is dit jaar niet meer uitgegeven ; drie deelen zijn verschenen; talrijke studiën zullen later afzonderlijk het licht zien.
Kritiek en Geschiedenis der Letterkunde.
De studie van de kritiek en de geschiedenis der letterkunde ging in het laatste tiental jaren aanmerkelijk vooruit, terwijl volledig verschenen of wel voltooid werden de Complete Werken van Potgieter en de daarbij behoorende studiën van Bakhuizen van den Brink, waardoor het mogelijk wordt, zich een volledig beeld te vormen van den eigenaardigen geestelijken arbeid, die de Gids deed ontstaan, een ingespannen arbeid, die ons thans, na vijf en twintig jaren, bijna tot het rijk der fabelen schijnt te behooren, zoowel als het geestelijk leven en de omgang en samenwerking van waardige schrijvers uit die dagen, ons thans eene mythe schijnt.
Ook Bus ken Huët's Lit ter arische Fantasiën en Kritieken kwamen in 25 deelen compleet. Dit werk bevat voor de geschiedenis der Nederlandsche letteren de meestal zeer gegronde beoordeeling en kunstrechterhjke ontleding van het voornaamste, dat de laatste vijf en twintig jaren voortbrachten; het buitenland vindt daarin plaats voor zijn uitmuntendste producten. Het laatste deel heeft de schrijver niet ter uitgave kunnen gereed maken; de dood overviel hem te midden zijner veelomvattende werkzaamheid. Als kostbaar erfgoed liet hij
') Een nieuw tijdschrift Taal en Letteren waarvan twee afleveringen verschenen , staat onder Redactie van Dr. F. Buitenrust Hettema, J. H. van den Bosch, ür. R. A. Kollewijn, T. Terwey en Prof. J. Vereoullie en houdt het midden tusschen de beide genoemde tijdschriften.
ons zijne Brieven na, in 2 deelen uitgegeven door zijne echtgenoot en door zijn zoon, die ook het laatste deel der Fantasten uitgaf.
Indien deze brieven ons den mensch en den liefhebbenden echtgenoot en vader teekenen, zo kunnen niet anders dan den letterkundige en den kritiekschrijver minder hoog doen achten; èn omdat we ie veel van zijn intieme leven vernemen , al is dat ook in geen enkel opzicht berispelijk, cn omdat wc een en ander vernemen aangaande auteurs en kritieken , wat ons van de onpartijdigheid van Huët geen grooten dunk geeft. Blijkens zijne brieven , zorgt Huët wel dat het hem goed gaat, dat hij het vette der aarde geniet; hij eet coteletten, en bestelt Chateaubriands in een hotel en zoekt verwarmde kamers op, maar wat heeft de letterkunde daaraan? Wordt zijn reputatie grooter, wordt onze letterkunde er mee gebaat, als wij weten, hoe Huët aan zijn vrouw de intieme historie vertelt van den Eesident C. van Pasaroean gemakkelijk te herkennen voor wie 't weten wil en de schoonheden roemt der jonge dames ten Brink, of Gideon beveelt overdrukjes uit den trommel halen ?
Is 't zoo bijzonder eervol, als de geschiedenis van zijn aanstelling tot Eedacteur der Java-bode nog eens in herinnering geroepen wordt, als wij vernemen, dat de onverklaarbare bewondering van den letterkundigen beul voor juffrouw Gallé's roman zijn oorsprong vindt in het levendige, vriendschappelijke verkeer, dat tusschen hen heerscht, dat het Gids-artikel over Huët, van Hasselaar in '80, eigenlijk van mevrouw Huët is en zeker geïnspireerd of geschreven werd door het onderwerp van de studie zelf, is 't prettig voor mevrouw van Calcar te hooren, dat Huët in een particulieren brief haar oppervlakkig en potsierlijk noemt ?
Kortom de uitgave dezer brieven moet bij ieder weldenkende den wensch levendig doen worden, dat het briefgeheim na den dood worde geëerbiedigd ; waarlijk het is af te keuren, dat aan de schan-daalzoekende en kijkgrage gevoellooze menigte worde prijsgegeven, wat de schrijver voor een enkelen bestemde. Eene ^Bloemlezingquot; uit brieven of fragmenten van brieven ter toelichting van enkele werken of enkele perioden, met pieteit saamgebracht, die zou allen welkom zijn en der nagedachtenis niet schaden.
Van oneindig grooter beteekenis dan die brieven is zijne geschiedenis der beschaving van den bloeitijd Het Land van Bembrandt in 3 deelen, een keurig werk, dat met de levendigste belangstelling ontvangen werd en dat, â hulde aan Nederland voor verdiende waar-
9
deering â bijna dadelijk was uitverkocht en in goedkoopen tweeden druk verscheen. (Duitsch door Marie Mohr, uitgegeven door G. Vrijheer van der Ropp, Leipzig Wiegel. Niet onveranderd en met zeer aanzienlijke bekortingen; de drie deelen werden er twee.) Ook de derde bewerking van Jonckbloets Geschiedenis der Nederlandsche letteren in G deelen (De eerste uitgave verscheen tevens in 't Duitsch door Wilhelm Berg (Lina Schneider)) kwam in 1886 compleet; het laatste deel werd uitgegeven door den onlangs overleden Dr. George Penon, nadat den geleerden vervaardiger do machtige en werkzame hand door den dood was verstijfd. In het volgende jaar begon C. H o n i g h eene nieuwe bewerking van Jonckbloets arbeid , waarvan nu vier deelen gereed zij n.
H o n i g h heeft, vaak tot in bijzonderheden, den arbeid zijns voorgangers nagegaan, en saamgelezen, wat elders over het daar behandelde verscheen. Vooral is dit merkbaar bij de verdere literatuur, waaraan gelijkelijk in andere landen wordt gearbeid. In hoeverre de nauwgezette bewerker zelf nieuwe feiten zal ontdekken, zal eerder uit de twee laatste deelen kunnen blijken. Het laatste deel, dat eigenlijk niet veel meer was dan de overdruk der door Jonckbloet bijeengebrachte bouwstoffen, zal ongetwijfeld zeer veel bij de bewerking winnen.
In hetzelfde jaar verscheen het eerste deel van Dr. Jan te W i n-k e 1' s Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (ISquot;' en 14'' eeuw), welke eerst ontstond, nadat de onderzoekende geleerde ânauwelijks een regel uit de gedichten der 13e en 14e eeuw ongelezen had gelatenquot; waardoor het ongetwijfeld het beste en volledigste is, wat op dit gebied bestaat en dat de geschiedenis van Jonckbloet van datzelfde tijdvak ver achter zich laat. Het werk zal volgens het plan in 3 deelen verschijnen. Van een even grondig onderzoek op een ander gebied geeft eene andere geschiedenis der letteren blijk : Geschiedenis der Nederlandsche Letteren der l(5e eeuw (1889) 2 deelen door Dr. Kalff, den schrijver van het omvangrijke en degelijke werk Het Lied in de Middeleeuwen, waarmede hij in 1883 ineens een gevestigde plaats in de wereld der wetenschap veroverde.
Voor dezen nieuwen arbeid heeft de schrijver zich niet alleen tot de auteurs en de geschiedschrijvers bepaald, gelijk maar al te vaak gewoonte is, hij heefc veel meer een even uitvoerig als kleurrijk beeld van het leven onzer vaderen ontworpen, hun huiselijk eu maatschappelijk leven in het helderste licht gesteld en duidelijk het verband aan-
10
getoond tusschen den letterarbeid dier dagen en het leven en denken dor menschen in wier midden die ontstond. Een zeer omvangrijken boekenscliat lieeft hij met do pon in de hand, vaak woord voor woord moeten doorloopen , ten einde tot in bijzonderheden de waarde of onwaarde der toenmalige letterkundige werken aan te toonen.
Vooral heeft hij groote zorg aan den vorm besteed; in uitgelezen taal en sierlijken stijl leest men het werk geheel als een werk van smaak, van hoe groote studio het moge getuigen. De zucht om het boek onder aller oogen te brengen heeft den schr. eehter verleid, wat al te kiesch te zijn, waar hij toch spreekt over een tijd, waarin kiesch-heid niet tot de hoofddeugden behoorde. Daarom ook bleef de letterlijke vertaling der Latijnseho citaten achterwege, waardoor voor vele lezers een groot deel van do bewijskracht vervalt.
Van minder groote wetensehappelijko beteekenis, maar van welbe-steden ijver getuigt de monographie De Spectatoriale Geschriften 1741â1800 door Dr. J. de Ilartog.
Het is minder geschiedenis der letterkunde, dan wel een tafreel van het maatschappelijk, huiselijk en kerkelijk leven onzer voorvaderen in de tweede helft der vorige eeuw, waarover bij S c h o t e 1 in zijn omvangrijken arbeid en in De Oude Tijd in zijn afwisselende bijdragen zooveel belangrijks voorkomt. Ook deze werken hebben nu en dan dienst gedaan , maar hoofdzakelijk is de maatschappij ge-teekend naar hetgeen do spectatoriale geschriften daarvan zeggen. Hier en daar wordt ons een blik in het staatkundig leven gegund, maar dit is blijkbaar geheel bijzaak. De stijl heeft gelijk dit ook 't geval was bij J. Honig J s z, Jr. dien de sehr. terecht nu en dan aanhaalt, onder den invloed van de geraadpleegde werken geleden. Het bock Iaat zich echter goed lezen en is soms zelfs zeer onderhoudend.
Eene afzonderlijke plaats neemt het werk in vier doelen van den Haarlemmer uitgever A. C. K r u s e m a n in , Bomvstoffen tot de Geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel (1830â1880) getiteld , het is als het ware een rijkvoorziene schatkamer, waarin nauwgezet alles bijeengebracht werd, wat gedrukte werken, persoonlijke herinneringen en mededeelin gen aan belangwekkende zaken konden bijbrengen; van het standpunt van een geleerd uitgever bezien, vertoont zich de literatuur in een licht, waarin de geschiedschrijver der letteren haar zelden ziet; het boek is als Psyche's lamp bij Amor.
Veel te weinig hebben de mannen, die de geschiedenis der letteren to boek stelden, rekening gehouden met de kennis en do ervaring
11
van den uitgever en den boekhandelaar. Bewondering voor ingespannen arbeid of vriendschappelijke welwillendheid moge een klinkenden naam plaatsen onder eene lofrede op een pas verschenen boek, de uitgever , die don stapel exemplaren op zijne zolders niet ziet verminderen , weet hoe het lezend publiek er over oordeelt. Terwijl Huët Cats meende dood te slaan , verkocht Campagne te Tiel met heel veel suecès eene nieuwe uitgave van den âboerenbijbelquot;.
De uitgevers zijn liet alleen, die den geest der lezers kunnen beoordeeleu en geen echte of valsche critici kunnen dezen leiden. De geschiedenis der Leekedichtjes bijv. teekent eene heele periode in onze letteren; in 1860 werden ze door Kruseman met weerzin aangenomen en uitgegeven. Tien jaar later was de Genestet de gevierdste dichter in Nederland ; tussehen 1851 en 1878 werden 7700 exemplaren van de Eerste Gedichten verkocht, -van. Aq Laatste der Eerste tussehen 1868 en 1873 zelfs 26000 exemplaren. In 1876 bracht het kopierecht nog f 13.122 op en in 1879 verscheen er eene editie in 15000 exemplaren.
De nieuwe editie van S taring's Gedichten met warmte door Beets aanbevolen verscheen in 1862 en bij inteekening werden er... . negen en dertig exemplaren verkocht.
Dergelijke cijfers heivijzen, welke schrijvers in een bepaald tijdvak gelezen werden en in welke mate; ze teekenen den smaak van het publiek. En de niet altijd betrouwbare kritiek moge prijzen of laken, juichen of jammeren : het grootboek van den uitgever verspreidt meer licht over de letterkundige ontwikkeling van een volk, dan al de portefeuilles van den historicus en den criticus samen.
Ook voor vergelijkende literatuur is Kruseman's werk een schat. Zoo bijv. dat er van de Duitsche vertaling van D o z y's Israeli eten te Mekka in weerwil van alle mogelijke inspanning en handigheid in heel Duitschland maar 110 exemplaren verkocht werden.
Er zouden bladzijden aan bladzijden te vullen zijn met belangrijke aanstippingen en mcdedeelingen , die een verrassend licht werpen op veel, wat ons in de geschiedenis der letteren duister bleef, de omvangrijke arbeid is waarlijk een onuitputtelijke schat van kennis, die aan eiken ernstigen beoefenaar der letteren groote diensten zal bewijzen Als meer voor het buitenland bestemd dienen hier nog genoemd te worden: Geschichte der Niederllindischen Litteralur, mit Benutzung der hinterlassenen Arbeit von Ferdinand von II ell w aid ver-fasst von (Frau) L. Schneider. (Leipzig, Wilh. Friedrich 1887)
12
en Stechcr, Histoire de la literature neerlandaise en Belgique (Brussel 1887); het laatste werk is de eerste meer uitgebreide geschiedenis van de letterkunde in België afzonderlijk.
S t e e h e r's werk is geheel en al ingericht als allo andere Geschiedenissen ; het is op zich zelf compleet, daar het de letterkunde van Zuid-Nederland behandelt van de kruistochten af. De schrijver, die zich door strenge onpartijdigheid onderscheidt, heeft ook de jongste dichters vermeld, maar met prijzenswaardige voorzichtigheid heeft hij zich tot op enkele uitzonderingen na bij die schrijvers, die nog niet duidelijk getoond hebben, wat ze zijn zullen, bepaald tot het vermelden van hun naam en van enkele hunner werken. De omvangrijke arbeid is inderdaad eene noodzakelijke aanvulling op de meeste boeken over Nederlandsche literatuur, die aangaande onze Ylaamsche taalbroeders zeer weinig zeggen en bij dat weinige soms zeer veel dwaasheden.
L i n a S e h n e i d e r's boek is van geheel anderen aard. liet geeft na een omvangrijke degelijke studie van achthalfhondord bladzijden hier en daar versierd met schoon vertaalde proeven, een eveneens mei; sierlijk vertaalde proeven versierd vluchtig overzicht van do nieuwe en nieuwste literatuur, waarin zeer weinig namen ontbreken en enkele auteurs met eenige zorg gekarakteriseerd zijn. liet is een werk, dat ongetwijfeld in Duitschland de aandacht op onze letteren zal vestigen en Nederland is groeten dank verschuldigd aan de talentvolle Duit-sehe vrouw, die met zoo groote liefde voor Nederland de nalatenschap van den geliefden doode , den warmen vriend der Nederlanders aanvaardde en die met zooveel zorg in het licht zond.
Een diepen blik in het geestelijke leven in het eerste vierendeel dezer eeuw vergunt ons Willem de Clereq naar zijn dagboek, uitgegeven door Prof. Dr. Allard Pierson, die ook begonnen is met de uitgave van Geestelijke Voorouders eene reeks omvangrijke monographieën, waarvan Israël en Hellas verschenen zijn en Home volgen zal.
Deze twee werken zijn zeer verschillend van karakter. De twee dikke deelen , uit de Clercq's dagboek getrokken , geven ons een getrouw beeld van het geestelijk leven dier dagen, en dat we worden binnengeleid in den intiemen kring van da Costa en Bilderdijk , de toenmalige nieuwste nieuwsjes hoeren aangaande Beets en Ilasebroek, bijzonderheden vernemen over het eerste optreden van Groen van Prin-sterer , nog daargelaten het vele belangrijke, dat we uit andere steden
13
en uit andere landen vernemen, de meening der ernstige lezers over de groote mannen in het buitenland en de beoordeeling uit dien tijd van de belangrijke staatkundige gebeurtenissen dier dagen o. amp;. de komst van Napoleon te Amsterdam , dat alles maakt dit boek tot een hoogst gewenscht bezit en de lezing tot een even belangwekkende als leerzame en door zijne afwisseling weinig inspannende bezigheid.
Dit laatste geldt niet van prof P i e r s o n's eigen bock, dat ongetwijfeld zijn naam aan het nageslacht zal overbrengen en dat de waarde heeft van diamant, maar ook de moeite der opgraving vordert; het is een schoon boek, dat ons Israël en Hellas teekent in leven en streven, in denken en doen, maar.... het is geen kost voor alle monden. Wie den klassieken ernst in de kunst, het samenvatten van kunstuiting en volksleven, den invloed van nationaliteit op letterkundige en andere kunst wil leeren verstaan, hij vindt hier, wat hij noodig heeft en wat hem bij ernstige lezing waar genot zal geven.
Een werk, dat in Duitschland evenzoo vriendelijk kon ontvangen worden, is dat van den Heer C. Gr. K a a k e b e e n, bekroond antwoord op eene prijsvraag uitgeschreven door Noord en Zuid, getiteld : De Invloed der Duitsche Letteren op de Nederlandsche, welk werk ofschoon als eersteling op dat gebied natuurlijk niet volledig en daarom ook niet geheel zonder misvattingen, toch van veel beteekenis is als uitmuntend geslaagde proeve van een dergelijken arbeid.
Met groote vlijt en onvermoeide werkzaamheid arbeidt nog altijd prof. Dr. Jan ten Brink, die na de aanvaarding van het professoraat aan de Leidsche Hoogeschool zich uitsluitend aan de geschiedenis der letteren wijdde. Zijne voor dien tijd afzonderlijk verschenen Letterkundige Schetsen zijn nu in 20 deelen verzameld uitgegeven en bovendien gaf hij monographieën in 't licht over Nieuwe Eomans (1883), over De Roman in Brieven (1889), over Jan Jansz. Starter (1889), waarin de tijd en het geestelijk leven voorgesteld wordt met de nauwkeurigheid en den kleurenrijkdom der Vlaamsche schilderschool. Eindelijk heeft ten Brink zich laten overhalen om eene nieuwe bewerking in 't licht te zenden van zijne beroemde en sinds vele Jaren uitverkochte studie Gerhrand Adr. B reder o (1887), waarin de geschiedenis van het Nederlandsche blijspel met groote waarheid en aanschouwelijkheid wordt verhaald. Den Schelmenroman had voor hem hier niemand behandeld tot in 1885 Nicolaas Hein-sius Jr. verscheen, eene in alle opzichten meesterlijke studie. Een nog meer omvattend werk was Onze Hedendaagsche Letterkundigen
14
in 1883 begonnen, eene prachtuitgave in groot-folio, bevattende Biographieën, Portretten en Facsimile's met vrij volledige bibliographie der voornaamste levende schrijvers. Terstond na de voltooiing ving eene andere bewerking aan , waardoor de biographieën tot een geheel vereenigd en met inlassching der biographieën van overleden schrijvers , als Geschiedenis der Nederlandsche Letteren in de 19e eeuw in drie octavo deelen zonder portretten het licht zagen.
Het Biographisch Woordenboek verschijnt in eene nieuwe uitgave, die noch in plan, noch in doelmatigheid aan zijne bestemming beantwoordt. Het bevat een eindeloos aantal namen, die niemand ooit zal zoeken en zeer vele pas beginnende schrijvers ontbreken. K ü r s c h-ner's Deutscher Literatur-Kalender vrare een benijdenswaardig voorbeeld , dat met grooter uitvoerigheid kon nagevolgd worden, omdat het aantal schrijvers hier niet zóo ontzettend groot is. Dat de samenstellers zich tot hoogst partijdige en in een lexikon geheel onverdedigbare kritiek laten verleiden en zonder kritiek alle titels noemen, die een auteur goedvindt op te geven, maakt het werk een minder betrouwbare gids.
Vermomde en naamlooze schrijvers (Woordenboek der pseudoniemen) werd kort voor den dood van den bekwamen vervaardiger Dr. J. J. van Doorninck voltooid. Het herleven der Jaarhoekjes , waaronder vooral dat, geredigeerd door den Archivaris der stad Amsterdam Mr. N. de Roever, bijzondere aandacht verdiende, heeft de openbaarmaking tengevolge van vele bijdragen tot betere kennis van het loven onzer oudere schrijvers. 1) Aangaande het leven onzer va-doren en vele historische bijzonderheden handelt dezelfde schrijver in zijn werk Uit onze oude Amstelstad eene reeks kleine studiën, waarvan twee bundels het licht zagen, die we eenmaal aangevuld en geduldig omgewerkt, herdrukt hopen te zien. Van denzelfden werd een groot werk ter perse gelegd: Het leven van onze Voorouders, geïllustreerde geschiedenis, waarvan reeds twee afleveringen voor ons liggen.
Met betrekking tot de Literatuur- en Kunstgeschiedenis behoort nog vermeld te worden het in 1883 door Mr. A. D. de Vries gestichte, zeer degelijke tijdschrift Owrf ZioZZawcZ(Red. Mr. N. de Roeveren Dr. A. B r e d i u s), dat in keurige uitgave talrijke afdrukken naar origineelen bevat met hoogst belangrijke studiën, voorts Ter G o u w s Geschiedenis van Amsterdam, waarvan reeds zeven deelen
IJ De uitgave van dit jaarboekje is in 1891 gestaakt.
15
verschenen zijn, die mede gewichtige bijdragen bevatten tot de geschiedenis der Amsterdamsche schrijvers.
Weldra verschijnt eene hoogst wetenschappelijk, uitgebreid en geduldig voorbereid werk van Dr. R. A. K o 11 e w ij n, Bilderdijk, zijn leven en zijne werken bearbeid met gebruikmaking van alle vindbare bouwstoffen , brieven , onuitgegeven gedichten , persoonlijke herinneringen van tijcigenooten , verspreide aanteekeningen , mededeelingen en schetsen 1).
Ten slotte kan men hot oordeel over het laatste tiental jaren in deze woorden kort samenvatten: De studie der bibliographie is herleefd en velen hebben in dit opzicht iets degelijks geleverd, en de zeer nauwkeurige uitgave van oudere schrijvers en de bezorging van tekstuitgaven heeft zich in zeer verblijdende mate uitgebreid.
Ten slotte zij hier, voor ernstige beoefenaars onzer letterkunde aan-geteekend, dat de onvermoeide conservator der Leidsche bibliotheek Louis D. Petit den zeer omvangrijken catalogus van de bibliotheek der Leidsche Maatschappij voltooide. Stelt het Register ons in staat om bijna allo Kederlandsche werken van eenige beteekenis te vinden, de catalogus, voor zoover Petit die bewerkte, toont ons met een oogopslag, wat in den loop der eeuwen over eenig bepaald onderwerp in boeken of tijdschriften werd geschreven. In dit tijdvak gaf hij ook de Bibliographie van uitgaven betrekkelijk de studie van het Middelnederlandsch tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig, terwijl U n g e r eene Bibliographie van B reder o en eene (zeer omvangrijke) van Vondel gaf, welke beide de studie dier dichters aanmerkelijk vergemakkelijken.
Hier behoort nog melding gemaakt te worden van drie uitgaven, die bijzondere aandacht verdienen, omdat ze 1bij de studie van drie auteurs van groote beteekenis belangrijke diensten bewijzen. Naar tijdsorde genoemd zijn dit: Register op de Ideeën van Multatuli door J. J. van Laar; Register op de Litterarische Fantasieën en Kritieken van Cd, Busken Huët door M. Horn en Bibliographie der Werken van Ever har dus Johannes Potgieter door J. H, Groe-newegen. Van Laar's Register geeft antwoord op zeer vele vragen, maar een compleet register zou eenige malen den omvang van dit werkje moeten hebben ; daarom voegt ons dankbaarheid voor
') Dit werk is in Juni 1891 verschenen en heeft de hooggespannen verwachtingen overtroffen, reeds opgewekt o. a. door de allerdegelijkste beoordeeling in de Gids van Dr. J a n t e W i n k e 1 's monographie over Bilderdijk,
16
het hier gegevene en hopen we, dat er nog eenmaal een veel uitvoeriger werk kunne verschijnen. Horn's Register was gemakkelijker samen te stellen, maar met prijzenswaardigen ijver zijn de vier lijsten bewerkt, die dit âRegisterquot; vormen. Vooral het âAdphabetischRegister der Schrijversquot; is merkwaardig. Dat Huët negen en twintig maal over Van Alphen spreekt en eens over de Amicis, dat hij Bogaerts maar driemaal noemt en Tollens een en vijftig maal geeft waarlijk te denken. Is Huët al geen onbetwist getuige; als hij iemand waard achtte, telkens weer te bestrijden of telkens weer te prijzen , was dat zeker een man, ten volle eene studie waard. Dat de klassieken der Grieken en Romeinen en vooral en bovenal de grootsten der mannen uit de eeuw van Lodewijk den Zestiende en de tijdgenooten van de Musset het vaakst zijn aangehaald, teekent duidelijk de richting der ernstige en omvangrijke voorbereiding, die aan dezen arbeid voorafging; het oiwtalrijk aantal schrijvers wekt echter 't vermoeden , dat de schr. niet altijd van oppervlakkigheid is vrij te pleiten. Dat de naam van Percy ontbreekt verklaart de zonderlinge beoordeeling , die aan enkele der vertaalde gedichten van Tollens te beurt viel: het oorspronkelijke waarnaar Burger vertaalde , bleef Huët onbekend; zelfs Ossian ontbreekt en Van Beer» wordt maar twee maal en Sleeckx maar eens genoemd. Dat Huët's sympathieën voor Zuid-Nederland niet groot waren, bleek trouwens genoeg uit Het Land van Rubens, dat weerkeerig ook niet gediend heeft om de liefde voor Huët in België te doen toenemen. De verdienstelijke arbeid van den heer Horn doorbladerende, voelt men telkens en telkens weer den lust opkomen, Huët weer op te slaan. Tot nieuwe (hopen we vergelijkende) studie van Huët moet dit boekje zeker opwekken.
Van geheel anderen aard is de omvangrijke Bihliographie van Potgieter. De heer J. H. Groenewegen heeft niet alleen nauwkeurig opgegeven, waar en wanneer de verschillende werken van Potgieter, voor zoover wij die kennen , zijn uitgegeven ; maar hij heeft ook eene lijst van 62 stukken bijeengebracht, die tusschen 1826 en 1834 geschreven, nooit het licht hebben gezien. Een verbazend getal stukken, studiën schetsen enz. enz. zijn verspreid in couranten en tijdschriften, niet in de Verzamelde Werken opgenomen, maar hier genoemd.
Eene bijzonderheid van beteekenis voor hem, die de letterkundige kunst wil leeren begrijpen en beoordeelen, is de aanstipping der aan-teekeningen die Potgieter maakte aangaande het schrijven of verzenden van eenig werk.
17
Er is daarover eene zekere administratie gevoerd, gelijk \re ook in de Clercq's dagboek merken , dat in dien tijd meer werd gedaan. Dan blijkt, hoe uiterst langzaam en deugdelijk voorbereid, een of andere arbeid ontstond, waarbij de kunst als het ware wetenschappelijk beoefend werd. Daaruit blijkt ons ook, hoe er bijna altijd een bepaalde aanleiding bestond, waarom eenig werk werd ondernomen en dat er niet werd gewerkt naar don hedendaagsohen trant, zooals die kleine jongen bij V a n A1 p h e n , die verklaarde
Laai ik eens een versje maken,
Mooglijk lukt het mij.
Voor hen, die hooge letterkundige kunst willen genieten is een rijke voorraad aanwezig in de Verzamelde Werken van Potgieter, zij vinden daar een waren schat. Voor hen, die in dit overgroot Museum gemakkelijk den weg willen vinden , is Groenewegens Catalogus een ware uitkomst, maar voor do weinigen, die een volledig beeld van den Kunstenaar begeeren , is het geheele werk van veel beteekenis. Voor niemand echter zal het van grooter nut zijn dan voor den schrijver zelf, die het aankondigt als âinleiding tot latere studiën over Potgieterquot; ') en die hier nu reeds een heerlijken voorraad bouwstof bijeen heeft. Zijn die studiën zoo minutieus en zoo omvangrijk van bewerking als hetgeen wij hier vinden, dan hebben we later een heerlijk studiewerk te wachten, dat den ernstigen lezers hoogst welkom zal zijn.
Gedichten.
Geen tijd was der poëzie meer vijandig dan de onze.
Het geheele opvoedings-systeem en de inrichting der maatschappij leiden er toe, het gevoel af te stompen, oog en oor te sluiten voor alles , wat getuigt van zaken die niet met handen gegrepen, niet met oogen gezien worden. Het is eene waarheid, die door het getuigenis van alle eeuwen bevestigd wordt, dat het ongeloof steeds in bijgeloof overgaat en dat zij, die het minst van de eene onzienlijke wereld willen weten , het sterkst gelooven aan eene andere. De man, die nooit van God of godsdienst, van kerk of geestelijke wil hooren , gelooft aan spiritisme; de man die vlijtig te velde trekt tegen wondergeloof, aarzelt niet, als wetenschappelijk man te verzekeren, dat de geneesheer door de macht der hypnose ieder geneest, dien hij de handen oplegt. Dat verschijnsel vertoonde zich in het laatste vierendeel der vorige eeuw
') De eerste heeft thans in de Gids van Juli het licht gezien,
Taco H. de Beeh, De yesch. d. Ned, Letteren 1880â1890. 2
18
toen onder den invloed van Duitsehland, sentimentaliteit en zinnelijkheid elkaar den voorrang betwistten, tengevolge van een begin van herleving in de wetenschappen ; het herhaalde zich in het midden dezer eeuw onder den vereenigden invloed van Engeland en Frankrijk bij de ontworpen en gedeeltelijk uitgevoerde hervorming der nationale opvoeding; het vertoont zi-h thans krachtiger dan ooit, onder zuiver Noordschen invloed , nu de zegepraal van het examen over do deugdelijke kennis als volkomen kan worden beschouwd en Pythogoras de wereld regeert en er geen tempelen meer verrijzen dan voor Plutus en Neptunus.
Zoo komt het, dat er in onze gedichten drie richtingen duidelijk te onderscheiden zijn: mystiek en sentimentaliteit Helene Swarth Gorter, Verwey, Kloos; zinnelijkheid en gevoels-romantiek: Pol de Mont, Fiore della Nove, Emants, Nouhuys, Soera Bana, muzikaliteit (de poëzie van klank en vorm); G o r-t e r, V e r w e y. Bij enkelen komen deze karaktertrekken gemengd voor en evenmin als bij eenige kunst mag men ook hier aan slrtnge afscheiding geloovon.
Van de dichters uit den bloeitijd verschenen voortdurend meer en telkens zorgvuldiger bewerkte uitgaven met aanteekeningen, van Coster eene tekstuitgave door Dr. R. A. Kollewijn, eene kostbare editie van Cats, van Vondel twee, eene naar de prachtuitgave van Van Lennep in kleiner formaat door J. H. W. ü n g e r, thans bijna geheel verschenen, eene bleef door den dood van Prof. J. A. Alberdingk Thym onvoltooid en Dr. Goorg Penon, die over zijn eigen prachtige Vondel-bibliotheek beschikte, de aangewezen man om Vondel uit te geven, overleed, voor hij met de ontworpen voortzetting van den arbeid van Thym een begin had kunnen maken. Volledig verschenen in Belgie de Gedichten van Prudens van Duyse, Van de oudere dichters ontvielen ons A. J. de Bull en Dr. J. J. L. ten Kate, wiens epos De nieuwe kerk, indrukken en geschiedkundige herinneringen bij de beschouwing der kerk naast het koninklijk paleis te Amsterdam, in 1885 verscheen. Hasebroek en Beets zwegen , Laurillard gaf slechts losse stukken, Schimmel gat in Innerlijk leven eene zeer kleine verzameling zijner dichtwerken, zooals de voorrede zegt, slechts dat, wat de dichter thans nog van waarde keurt. Slechts H o f d ij k, die ons ook ontviel, dichtte nog en wel twee epische werken, die in Indië spelen. In het yebergte Di-Eng. (34) en Da j any Soemhi (87).
19
Deze werken hebben eene geschiedenis.
Hoe ruw H o f d ij k zich soms ook voordeed, hij was waarachtig dichter en gevoelde, zoo als weinigen. Toon zijn naar hemzelven genoemden zoon naar Indië vertrok , gevoelde de vader met fijn dich-tergevoel behoefte om grondig het land te kennen, waar zijn zoon leefde en in gedachte bij hem te zijn. Zoo bracht hij op ruim 65-jarigen leeftijd een Indische bibliotheek bijeen: boeken, platen, kaarten , een schat van gegevens en na omvangrijke studie van dat alles, begon hij den arbeid.
Hofdijk was niet als Vosmaer met de hooge en edele kunst der Grieken en Romeinen vertrouwd, zelfs was hem de studie van vreemde talen (al verstond hij er veel van) geheel vreemd gebleven ; op hoogen leeftijd kan men zich niet in enkele jaren in eene nieuwe wereld en een nieuw leven inleven , geen wonder dus , dat de grtecus fouten vond in zijn hexameters en de bereisde en wel ontwikkelde Indischman nu en dan on-indische toestanden ontdekte^ maar het kunstwerk verraadt zoo geheel den dichter, do geest, die deze epen doorademt, zoozeer den psychologisch fijn-waarneinenden mensch, dat beide gedichten toch nog altijd hooge aantrekkelijkheid en niet te miskennen kunstwaarde bezitten.
Afzonderlijke vermelding verdienen nog de gedichten van C. E. B r o m s , H. Th. Boelen en C. L. L ü t k e b ü h 1 Jr., die alle min of meer tot de oude school behooren. De beide eersten, indertijd ieder een tijdlang redacteur van Nederland, bleven de huiselijke poezie beoefenen , als in den tijd van van Lennep, Schimmel en de Buil; Broms houdt zich bijna geheel aan denhuiselijken kring en het reeds door Braga bestreden goedmoedige; Boelen die Victor Hugo en enkele nieuwe Fransche dichters huldigt, schreef oorspronkelijk en vertaald in zijn bundel Lachen, lieven, lijden verhalend , humoristisch en hoewel nu met meer dan met minder diepte, altijd met groote zoetvloeiendheid van taal. Lütkebühl staat op de grens, hij is oneindig meer modern dan de beide anderen, zijn scherpe puntdichten doen denken aan het beste, wat we aan berijmde anecdoten hebben en streven nu en dan de Grénestet enquot; de 17e-eeuwers op zij; zijn minneliederen worden verreweg overtroffen door Lovendaal's Lied der Liefde en de kleine bundeltjes van quot;W. G o s 1 e r en den jonggestorven F. L. H e m k e s , die ook een paar proefjes van niet te overtreffen vertalerstalent heeft nagelaten.
Mr. Joan B o h 1 voltooide de uitmuntend geslaagde en met rijken
20
overvloed van aanteckeningen voorziene Dawfe-vertaling en â wijlen Mr. C. Vosmaer de meesterlijke vertaling van Ilias en Odyssea.
Aangaande deze beide vertalingen is het noodig nog een enkel woord in het midden te brengen, na hetgeen aangaande de Ilias reeds door mij in een vroegeren jaargang van dit tijdschrift gezegd is.
Gelijk prof. Dr. S. A. N a b e r indertijd ia De Gids aantoonde, zijn er enkele regels, waarin een professor in het Griekseh letterlijk vertalende, wijzigingen zou aanbrengen; maar de eisch, dien Vosmaer zich stelde was hooger, nl. aan hen, die geen Griekseh verstaan, naar inhoud en vorm zooveel mogelijk te genieten te geven, wat hij kan genieten, die het Griekseh leest alsof 't bijna zijne moedertaal was. Men versta dien eisch niet verkeerd. De gymnasiast, die Homeros vertaalt, vindt Ilias en Odyssea natuurlijk ongehoord vervelend; hij worstelt met woorden, vormen en accenten en wat hij na heel veel arbeid voortbrengt lijkt in de verste verte niet op een kunstwerk. In dat geval verkeeren bijna allen, die van het Griekseh niet hun levensstudie heblten gemaakt. De Duitschers en duizende Nederlanders met hen hebben sedert 1781 Homeros genoten in de, ook thans nog prijzenswaardige en alom verbreide vertaling van den toen dertigjarigen J. H. V o s s (de gelijktijdig verschenen Ilias van Wobeser ia totaal vergeten) dewijl V o s s als dichter en grondig kenner van Homeros werken, zelf er alles van genoot en wilde, dat zijne lezers zouden genieten als hij. De Ilias bijv. is vertaald door Droste in 1722, door Siegenbeek in 1807 , door 'sGravenweert in 1818, door DornSeiffeninl855. De zoetsappige vertaling in alexandrijnen ademt volstrekt niet den geest van het oorspronkelijke en waar Dorn Seiffen inderdaad den oorspronkelijken vorm behoudt , en dus minder schoonheden verloren laat gaan, daar moge hij op sommige plaatsen duidelijker zijn dan Vosmaer, als Neder-landsche verzen staat de arbeid van laatstgemelden oneindig hooger. 1)
De vertaling van D a n t e's Divina Commoedia geeft nog aanleiding tot geheel andere beschouwingen. quot;We bezitten vier vertalingen van Dante compleet: vanA. S. Kok (1863â64), van V. C. Hacke van Mijnden (1867â73), (niet in den handel) van A.W. Thoden van Velzen (1864â75) en eindelijk van Mr. Joan Bohl
') Fragmentarisch vertaalde R. van Mandei' den Ilias âuyt Fran-coyschenquot;(1611); Roorda van Eysinga (1832), G. Oosterdijk (1813). Zoo ook bestaan er vele complete en fragmentarische vertalingen van de
21
(1880â85); de eerste is zeer accuraat, de tweede, rijk versierd gedeeltelijk met platen van Doré, gedeeltelijk met platen naar oorspronkelijke schilderijen, slechts aan de gelukkigen bekend, aan wie een exemplaar werd aangeboden; de derde is zeksr tamelijk getrouw vertaald , maar de kunstvorm, de muziek van de taal ontbreekt. Indien dus de vertaling van Mr. Joan Bohl alom bewondering heeft gewekt, omdat zij aan de juistheid der eerste en de zoetvloeiendheid der tweede de meerdere juistheid verbindt, die zulke voorgangers en voortgezette studie geven, de hoogere kunstwaarde, die hij vermag te geven, die een lange reeks van jaren met de studie van Dante, als mot dezen zeiven heeft geleefd. Vooral schatte men niet gering de tallooze hoogst noodzakelijke aanteekeningen en verklaringen betrekkelijk staatkunde, genealogie en geschiedenis, zonder welke Dante ook voor den Italiaan geheel onverstaanbaar is.
In België verscheen van nu wijlen Jan van Beers eene verzameling gedichten Rijzende Bladen, (84) 1) die met den vijfjaarlijk-schen staatsprijs bekroond werd, van Julius de Q-eyter een krachtig, aangrijpend, romantisch epos Keizer Karei, (88) een naar waarheid geteekend beeld uit het Vlaamsche leven ten tijde van Karei den Vijfden. Beide worden echter in aesthetische waarde overtroffen door de Gedichten (87) van Vosmaer en zijne Nanno, (83) eene Grieksche Idylle, in den keurigsten stijl en hoogst kunstrijke opvatting.
Van B e e r s' bundel bestaat uit verschillende gedichten onder verschillende omstandigheden geschreven; terwijl de geestelijkheid aan het grootste gedeelte geen aanstoot nam, zou 't gedicht Confiteor voldoende geweest zijn , het voor bekroning onmogelijk te maken. Elk gedicht op zich zelf beschouwd, verraadt echter den kunstenaar. De Geyter's epos daarentegen is een kunstwerk uit een stuk. De dichter is zich bewust geweest , wat hij wilde geven en hij heeft geweten , waarom ! In Vlaanderenland leeft de oude republikeinsche stamgeest voort, want al wat Belg heet, dat is alles, wat tot Noordof wel tot Zuid-Nederland behoort, gevoelt zóo als hunne stamvaders, de oude Germanen , die alleen gehoorzaamden, dien ze liefhadden en vereerden of bewonderden. De dichter, hetzij hij den roman, het drama of het epos tot drager zijner historische denkbeelden make, heeft een geheel ander doel te bereiken dan de geschiedschrijver. Waar de
') rijsen mnl. risen beteekent zoowel naar boven als naar beneden gaan ; hier is de bedoeling Vallende Bladen een bundel van Pol de Mont heet Rijzende Sterren.
laatste, ook met do grootste nauwgezetheid de feiten vaststelt en verzamelt en oorzaken en gevolgen zooveel mogelijk opgeeft, daar laat hij van het toeval of van de gevoeligheid of ontwikkeling des lezers afhangen, of diens geheugen, diens verstand of diens gevoel den indruk van zijn geschiedverhaal zal bewaren. Wie hot gedenk-teeken op hot Niedorwald en de Spiegelzaal to Versailles bezoekt, kan do grootte, de kostbaarheid of de kunst van beide bewonderen, maar.... de meer gevoeligon zullen heseffen on voor heel hun volgend leven dat besef diep gevoeld bewaren, wat 't beteekende, dat de erfvijanden Frankrijk en Duitsehland, na duizend jaar, eindelijk den grooten strijd strijden , dat Napoleon valt, dat de Pruisische koning in dezelfde zaal, waar de grootste der Fransehe koningen het toppimt van glans en weelde bereikte, bij den val van een Fransch vorstenhuis de verheffing van den machtigsten monarch van Duit-schen stam ziet voltrekken!
Wie dat begrijpt, zal ook inzien , wat de Greyter deed, toen hij niet als een andere Froissard, Philippe do Commines, Guillaumo de Tyr of Chrestien de Troycs, in een beminnelijke mengeling van waarheid en verdichting al do feiten tracht op te sommen, waarvan hij meent de waarheid als bewezen te moeten aannemen De Greyter wil den geest der eeuw in zijne Vlamingen overgieten ; hij wil, dat zijne tijdgenooten zich zoo vrij en zoo heerlijk zullen gevoelen, als de Gentenaars in de dagen van Karei V. Men herleze Tollens gedicht de voetval der Gentenaars, leze en bestudeere het gedicht van de Geyter en oordeele, of de Greyter geslaagd is, zijn schoon en opwekkend plan te volvoeren. ')
Eene geheel afzonderlijke plaats komt Dr. H. J. A. M. Sehaep-m a n toe. Hij is lid dor Tweede Kamer en de leider der clericalo partij. Bewondering en strijd verwekte zijn dichtwerk Aya Sofii (80) waarin hij in de wondervolle klankgroepeering, waarvan hij
') Bekend zijn de twee woordspelingen, maar niel zóó algemeen bekend of ik durf ze hier herhalen) waarbij éen vorst getuigde .⢠âJe mettrais Paris dans mon Gandquot; (gant); en de ander: âCombien de peaux francais vous faudrait il pour faire un tel Gand (gant).
Scliandelijkei- werd nooit een dichter behandeld, dan de Geyter bij de hoogst partijdige staats- en staatkundige beoordeeling van zijn gedicht ter wille der bekroning mei den vijfjaarlijkschen prijs aan Juffr. M a t-hilda Bambaux, die KB. bekroond werd onder haar pseudoniem Hilda Bam. Haar gedichten {éen uitgezonderd), lijken sprekend op de Economische Liedjes van Wolf en Deken.
23
alleen het geheim bezit, verhaalt, wat het beroemde gebouw in Kon-stantinopel mythisch , mystisch en historisch aanbiedt aan den diepen fijngevoeligen dichter. 1)
Daar is in S c h a e p ra a n een eigenaardige bezieling, een dichtertalent, zooals dat bij Calvinisten nooit, bij Nederlanders, 't zij ze calvinist of wat anders zijn, zelden voorkomt.
De beruchte regels:
Maar Roomsclie dichtkunst min te toornen Slaat breeder uit en wraakt geen droomen Als onze onroomsche poezij
blijven ten allen tijde waar, gelijk o. a. de poezie van Frankrijk (geloovig en niet geloovig) ten duidelijkste bewijst. Een gedicht als Coquetterie Posthume van Th. Ga u tier kon onmogelijk in een onroomsch land ontstaan. Als Schaepman nog niet zoo algemeen gelezen en bewonderd wordt, als hij dat verdient, dan zijn daarvoor twee redenen: lo. dat hij R. C. priester is; 2o. dat hij op een toon van vurige bezieling spreekt, die, bij het toenemende overwicht der exacte wetenschappen en de jacht op examens , bij velen hoegenaamd geen weerklank vindt.
Zoo komt het ook, dat men met de pen in de hand gaat nazoeken, hoe hij zijn zinnen bouwt en hoe hij zijn woorden kiest en dan.... fouten vindt. Zonderling genoeg hoort men die fouten nooit, als men hem hoort spreken. Inderdaad, zóo heeft Shakespeare gedicht, zoo heeft Eaphaël geschilderd , maar hun arbeid is er niet minder om, dat ze zich niet gehouden hebben aan de regelmaat der theorie. Men denke aan de fabel van het struikelende paard en den ezel, waarbij de laatste zei:
âWie zou 't mij ooit vergeven,
âAls ik dien misstap had bedreven,
âIk loop den heelen dag en stoot nooit aan een steen!quot;
âZwijg!quot; liep het paard, want voor mijne onbedachtzaamheen
â Voor mijne fouten zijt gij, ezel, veel te Meen.
Aan het hoofd der jongere dichters van den nieuweren tijd, nu reeds een van de oudsten onder de jongeren staat thans in Nederland Mr. M. G. L. van Loghem (ps. Fiore della Neve) wiens in 1883 verschenen roman in verzen Eene Liefde in het Zuiden, eene bui-
') De Verzamelde Dichtwerken waarin o. a. Napoleon, verschenen in 1888 de Nieuwe. Gedichten in -1889. Bovendien schreef hij treffende proza-stuk-ken in de Uaar/sehe Stemmen, welke stukken te zamen ook weder in éen bundel verschenen,
24
tengewone belangstelling wekte en in weinig meer dan een jaar drie uitgaven beleefde; spoedig volgden Liana, (84) een romantisch epos, Van eene Sultane, (85) eene verzameling gedichten en uitmuntend geslaagde vertalingen o. a. van Carmen Sylva's Heine linh.
Schoone vertalingen van deze vorstelijke dichteres bewerkte in grooten getale F. Smit Kleine, die zoo menige andere bundel Duitsche verzen in welgeslaagde vertaling het licht deed zien.
De buitengewoon vloeiende en zuiver muzikale taal zijner gedichten verwierf F i o r e de bewondering der componisten, die om strijd zijne liederen op muziek zetten en in 1888 dichtte hij in het Duitsch den Operatekst König Arpad (Componist Verhey), in 1889 den eersten oorspronkelijk Nederlandschen Operatekst Brinio (Componist Van M i 11 i g e n) en sedert drie jaren zijn vele Nederlandsche vertalingen van Duitsche, Fransehe en Engelsche libretten voor de opera of de operette van zijne hand , vloeiend , muzikaal en helder, algemeen gewaardeerd ').
Fiore behandelt de taal, zooals zeer weinigen in onzen tijd. Maat en klank en klankteekening zijn hem een onderwerp van bijzondere zorg. Zijne Liefde heeft Nederland stormenderhand veroverd. Dit gedicht getuigt van groote belezenheid en groote locale kennis. Het verhaalt van een adellijke dame, die op een toreador verlieft, met dezen ontvlucht en door dezen verlaten te Parijs haar brood verdient met voor het publiek Spaansche dansen uit te voeren. De omgeving is inderdaad Spaansch, de gevoelens en de levensopvatting is geheel Fransch en dit karakter openbaart zich ook sterk in de Sultane, een bundel, die zijn naam ontleent aan het eerste gedicht, waarbij de dichter verhaalt, welke gedachten eene plaat, eene sultane voorstellende , bij hem opwekte. Meer Nederlandsch, meer kunstrijk van versbouw, maar minder muzikaal dan de Liefde is Liana eene geschiedenis van een broer, die op reis naar Indië verlieft op de aanstaande schoonzuster en even als wijlen de H. Laurentius liever wilde verteren dan te zondigen. Dit gedicht heeft grooter regelmatigheid van versbouw, hoewel toch, even als in de Liefde, het metrum telkens verandert naar den afwisselenden aard van het dichtstuk in
') Van L o g h e m promoveerde te Amsterdam in de rechten, was vooraf leeraar in de Fransehe taal- en letterkunde aan de II. B. S. te Goes, later aan het Gymnasium te Amsterdam en leeft nu ambteloos. Hij is redacteur van het tijdschrift Nederland en Secretaris der Redactie van het Weekblad De Amsterdammer.
25
zijne epische , lyrische en dramatische fragmenten. Het romantische is in de Liefde het sterkst uitgedrukt.
In België heeft Pol de Mont1), ofschoon hij zich dikwijls door de politiek laat afleiden, zijn dichterarbeid voortgezet; in 1883 verschenen zijn Lentesoiternien, in '84 zijne Idyllen, in 188à Fladderende Vlinders, in 1886 Lorelei/ en in 1887 In Noord en Zuid, alles vloeiend, zeer romantisch en hoogst natuurlijk.2).
Pol do Mont's bundels zijn rijk aan afwisseling en de geheele rijke ontwikkeling van den gloeiend hartstochtelijken dichter teekent zich af in zijne werken. Met vele anderen R. C. geboren en lijdende onder den verfranschenden regeeringsgeest van het voorlaatste ministerie in België, valt zijn studententijd juist in het tijdvak van het liberaal ministerie, met Van Humbeek als minister van Onderwijs.
Toen vertoonden zich bij hem krachtig twee neigingen: weerzin tegen de R. C. kerk en afkeer van het Franskiljonnisme. Bewonderaar van Heremans, den bezielden strijder voor de Vlaamsche zaak, van Van Beers, den geliefden dichter, zoowel als van Conscience, den Nestor der Flaminganten, was zijn optreden geheel in hun geest, maar met moer opbruisend jongelingsbloed : zoo ergens, dan getuigden hier
Gevoel, verbeelding, heldenmoed.
Met de besten zijner tijdgenoot n spoedig in aanraking gekomen, werd hij tijdens het congres te Breda in eens door geheel Nederland bekend en gewaardeerd en niet alleen verschenen al zijn latere bundels in Noord-Nederland , maar jaarlijks is hij de welkome gast en gevierde spreker in letterkundige avondbijeenkomsten, waarvoor hij in alle groote steden van Nederland bij herhaling is opgetreden. Hij is het, die het episch gedicht vol dramatische kracht met bemjdens-waardigen verhaaltrant bewerkt, met een uitdrukking, die ons bij-
') K. M. F. de Mont is Leeraar in de Nederlandsche laai aan het Kon. Athenaeum te Antwerpen en Leeraar in de algemeene geschiedenis der letteren aan de Kon. Academie van fraaie kunsten aldaar.
De geheele inrichting zijner woning spreekt van kunst in alle uitingen van oud Vlaanderenland.
J) Een pas (Juli 1891) door hem opgericht tijdschrift Zingende Vogels, een âtijdschrift heel op rijmgeeft hem gelegenheid zijne nieuwste dichtwerken met die van geestverwanten in Noord- en Zuid-Nederland, dadelijk onder de oogen der belangstellenden te brengen, terwijl bovendien de dichters uit beide landen elkander hier in hunne werken leeren kennen , wat veel minder het geval is, wanneer de gedichten alleen in bundels verschijnen.
26
blijft; hij gebruikt nu en dan uitsluitend in Vlaanderenland gebruikelijke en in ouden tijd gebruikte woorden, maar maakt er geen misbruik van. Hij huldigt niet do Kerk, maar bestrijdt die ook niet; hij maakt gebruik van het recht des kunstenaars , elk onderwerp te behandelen en te zeggen, wat hem daartoe noodig schijnt, gelijk de hem vaak verweten regels getuigen;
Niet voor gelubden zing ik, maar voor mannen!
... Ik roeme luid het heil der aavdsche lusten.
Maar nergens is hij onzedelijk, veel minder predikt hij onzedelijkheid. Zijne bekroning met den vijfjaarlijkschen prijs in 1881 vond bij alle Vlaamsehe zangers warme instemming.
In de gloriedagen van de Vlamingen zocht hij steun en troost, in den geest dier dagen dichtte hij , on de oud-Vlaamsche kunst èn de strijd der Klauwaerts tegen de Leliacrts vormde het leven zijner gedachten en onder de oude wapenkreet
Wat Walsch is Valsch is!
hield hij niet op, te strijden togen verfransching, te strijden voor het goed recht der Vlamingen op hun eigen taal: Ende o nclat ia een Vla mine hen .. ., had hij gezegd en dat bleef hij zeggen. Zoo voelde hij zich aangetrokken tot allen , die, waar ook in Europa, strijd voeren voor eigen taal: voor de Noren , dio zich een nieuwe taal geschapen hebben door de taal van hun glorietijd te doen herleven , voor de mannen van de Felibre, die hun Provenoaalseh met zijn rijke letterkunde in wezen willen houden , voor Duitschland , dat een doodelijken strijd voert tegen do vreemde inmengselen in de taal en terwijl zijne gedichten in die verschillende talen vertaald werden en hij zelf in die landen als schrijver optrad of als schrijver werd besproken, nam hij iets van den geest dier stamverwante landen over.
De republikeinsche geest, die zijn geliefkoosde tijdperk der Vlaamsehe geschiedenis bezielt, bleef niet zonder uitwerking op zijn staatkundige overtuiging en ook als staatkundige'figuur is Pol de Mont sedert de verkiezingen van 1890 algemeen bekend. Eenig is het verschijnsel van den man van de wereld , die tevens gevoelvol bezield dichter en woedend radicaal is.
Van Marcellus Emants'), die zich tegenwoordig meer op
') Mare. Emants leeft ambteloos te quot;s-Gravenhage in een huis, waarvan de geheele slijlvolle en kostbare inrichting den kunstenaar teekent.
27
het drama on de novelle schijnt toe te leggen , verscheen Godenschemering (1885), een streng uitgewerkt Noorsch Epos, waarvan cene zorgvuldig herziene tweede uitgave volgde, evenals van zijn eerste, Lilith (1amp;83), een voorhistorisch heldendicht van wonderbare uitwerking , dat groot opzien baarde.
E m a n t s had , toen Lilith verscheen , reeds een langen werkkring achter zijh. Met Smit Kleine had hij een tijdschrift opgericht Spar en Hulst, zoo friseh en levendig als do altijd groene takken dor beide gewassen, maar... te friseh van dennegeur voor do aan vuns stof gewende studeerkamer-mannen, te scherp van blad voor de overfijne huid der salotjonkcrtjes en waarvan in 1871 en 1872 maar twee afleveringen verschenen, â de uitgever liet do copy verloren gaan cn betaalde den drukker niet; zoo kon niet doorgewerkt worden Jlaar zij arbeidden voort, de Spectator getuigde van hun arbeid, terwijl Smit Kleine zijn minutieus bewerkte kunststukjes Haagsche Hopjes schroef, mot do photographisch beschreven beeltenis van Thorbecke in Een Spoedstuk. Daarna volgde do oprichting van de Banier, die jaren lang met vroolijk dakeren door de lucht golfde, een tijdschrift, mot nieuwe, frissche gedachten en oorspronkelijk gedachte siukken, dat ook bezweek , omdat âde Halle-mannotjes d. z. b. f. w.quot; van meening waren , dat het kind te veel bij den naam werd genoemd. Men was bang voor de waarheid, en vreesde het lot van den jongeling , die het beeld van Saïs ontsluierd wenschte te zien. Dat er hooge kunst werd geboden , merkte men niet; men had hooren praten van een zeker -isme, waarvan men niets begreep en dat daarom veroordeeld werd , toen de Halleman â netjes het veroordeelden.
âDe grondlijnen bleven onveranderdquot; schreef Emants aan het slot der voorrede voor den 2eii druk van (1885) en dat woord
teekent zijn gcheelen arbeid , die het best bij dien des beeldhouwers te vergelijken is. Streng en breed was de voorbereiding, strengde opvatting van den arbeid. Geen spelend rijm, geen luchthartige maat, neen ernst en waardigheid teekenen zich af in de dichterlijko taal, zooals ook Horder die zou geschreven hebben , had hij in ouzo dagen geleefd. De twee wezens stoffelijk de een, onstoffelijk de ander , elkaar beurtelings aantrekkend en afstootend, bijna als Siegfried en Brunhilde, ze staan levend voor ons als klassieke beelden, voor een oogenblik tot sproken in staat gesteld. Het in 1883 verschenen episch gedicht Godenschemering werd in 1885 herdrukt. Do
28
voorrede bewijst reeds welk een omvangrijke studie en welk een nauwlettende arbeid aan de bewerking en uitgave is voorafgegaan. De stof, aan de Noorsche mythologie ontleend, is zoo rijk en zoo breed opgevat, dat de inhoud als roman uitgewerkt, boekdoelen zou vullen. Meer nog dan Lilith is dit kunstwerk streng behandeld. Zoetvloeiend en muzikaal is het gedicht lang niet altijd, maar de geest der Noorsche poëzie, met waardigheid als in gewijde priester-taal , teekent zich overal. Ook hier verrast ons het dramatisch leven, dat het gedicht zoo vaak toont, waardoor de handelende personen te duidelijker voor ons staan. Het is gevaarlijk, iets aangaande het lot van dichtwerken te voorspellen , maar toch van deze twee gedichten zal menigeen willen getuigen, dat het voor ernstige lezers werken zijn van lang blijvende waarde. Dat de nauwlettende kunstenaar zich ontstemd gevoelt over de lauwheid , waarmede âdequot; critiek zijne werken ontving, is inderdaad verstaanbaar. Maar inderdaad , ons land is te klein voor degelijke kritiek. Kritiek is zware arbeid, oneindig afmattender dan do kunst en dien arbeid kan men in een land van vijf raillioen inwoners , die geen wereldtaal spreken, niet betalen. Wanneer een ernstig man zich eens een enkele maal opgewekt gevoelt om een degelijke kritiek te schrijven , dan mogen wij hem daarvoor hartelijk dankbaar zijn ; want waarlijk de arbeid is groot, de onaangenaamheden zijn groot en het loon is zeer klein.
Een geheel eigenaardige plaats in de letterkunde neemt M. Co ens in '). Vele zijner gedichten werden in de Banier opgenomen, hij verheugde zich in do goedkeuring van V o s m a e r , stond in betrekking tot Honigh en Aart Admiraal bewonderde Van Vloten en Multatuli, en had de waardeering van velen. De bekenden werden op zekeren dag verrast met een kleinen bundel gedichten nist in den handel, waarover C o e n s hoogst bescheiden aller meening wenschte te vernemen. In 1883 verscheen zijn bundel Tienden van den Oogst, die alle den stempel van zorgvuldige bewerking dragen en blijken ontstaan te zijn, wanneer bijzondere omstandigheden den dichter aanleiding gaven tot dichten. Mogen we hier al geen rijkdom van gedachten vinden, we vinden overal helder verstand, waarheid en klaarheid , geestige invallen en welwillende scherts. Coens heeft zijn hjd begrepen, toen hij schreef
') io'. van W. L. Penning Jr. te Schiedam, Andere ps. waren G. A 1 v e r d o o n en W. C. A. van L e e u vv e n.
29
Den kunstemaker loont 's volks gunst Den kunstenaar â de kunst.
en als letlerkundig kunstenaar heeft hij dan ook niet â's volks gunstquot; verworven en bood hij ons hier âhalmenquot;, hij heeft de âschoven'' niet gegeven, men heeft er zich niet benieuwd naar getoond. Onweerspreekbaar is echter, dat de weinige âvertalingenquot; uit verschillende talen, tot het leste behooren, wat op 't gebied van vertaalde poëzie in onze literatuur bestaat. Dat hij optrad zonder dat eene schaar lofredenaars op post was gezet, dat hij evenals E m a n t s nog geloofde aan belangelooze, onbevooroordeelde kritiek, alleen ter wille der kunst, dat heeft beiden de teleurstelling bezorgd, dat is het ongeluk van zoovele kunstenaars, het ontbreken van die kritiek de dood voor de kunst. De reclame zal dus des kunstenaars werken een tijdlang kunstmatig leven inblazen , evenals de advertentie elk ander handelsartikel.
Aan dat laatste dachten ongetwijfeld de mannen, die zich zei ven aankondigden als de eenige en inderdaad volmaakte kunstenaars met de pen. Zóo en al het verder bestaande den dood zwerend, trad de nieuwste cluh op , die nieuwe wegen wilde openen en der wereld nieuwe, alles overtreffende kunst beloofde aan te bieden.
Het jongere geslacht wijdt zich voor 't raeerendeel aan het sonnet. Slechts nu en dan mengt zich iets anders daaronder; bijzondere onderscheiding verdienen H e 1 e n e S w a r t h 1), die in 1884 Blauwe Bloemen, in 1887 Beelden en Stemmen, in 1888 Sneeuwvlokken en in 1889 Rouwviolen het licht deed zien; Mevrouw Marie (Gelderman geboren) Boddaert, 2) Aquarellen, Mevrouw K n u 11 e 1â
') Mej. Swarth, de dochter van een romanschrijver van dien naam, kiest voor haar keurig gestyleerde, zoetvloeiende, maar vaak wel watmys-tische verzen, beurtelings de Fransche en de Nederlandsche taal. In den laatsten tijd geeft zij de voorkeur aan het Nederlandsch en heeft o. a. in 1891 zeer veel schoone proeven in de Gids doen opnemen. Zij is verloofd met Wolfgang van derMey, vroeger officier in het Nederlandsch leger, (Wolfgang uit de Spectator, ijverig beoefenaar der Russische letteren, waarover hij hoogst belangrijke studiën schreef in Los en Vast. Hij leeft ambteloos buiten Nijmegen).
') De sonnetten van Mevr, G e 1 d er m a n â B o d d a er t onderscheiden zich door groote duidelijkheid van teekening en rijkdom van inhoud, 't zijn niet enkel bespiegelingen, maar ze naderen vaak het epische genre. In hare latere dichtwerken geett zij zich echter geheel over aan het woordensmeden en klankennabootsen, zoodat haar kunst zich blijkbaar eene andere richting kiest.
30
F a b i u s , Bonte schelpen , en de heeron J. R. van der Lans') Eylantleren en C. W. Lovondaal, die met zijn Lied der Liefde dadelijk naam maakte en ons later met Magen en Hilda verraste. 2) Naast dezen treft men aan Cosman,3) Boelen van Hens-broek4) en Couperus5); de laatste wijdt zich thans alleen aan den roman, do beide eersten zwijgen. Eone kerkelijke richting volgen de gedichten van den priester Jonekbloet, die zoowel eigene als ontleende stof, o. a, den profeet Jesaias in wonder-schoone woorden , naar den aard dor kunst wist uit te werken.
Deze allen nadert, soms overtreft de in 1888 op jeugdigen leeftijd overleden B. van Heyningen, van wiens talrijke Gedichten voorloopig slechts eeno zeer kleine verzameling verscheen , die van de rijkste kun tenaarsgavo en het diepste gevoel getuigt.
De allernieuwste dichterschool 6) trad strijdend op met de bewe-
') Van der Lans, ook verdienstelijk romanschrijver, de dichter van Eglantieren is mede-redacteur van de Kath. Illustr. te 's-Hertogenbosch de poëzie der middeleeuwen, Scliaepman, da Gosta e. a. hebben hem tot voorbeeld gediend. Hij is de man om de legende en het verhaal in de poëzie te doen herleven. Zie o. a. Het Bloemenwonder in het Literarisch Album (1890).
') Lovendaal gaf in 1884 in Magen en Hilda een episch gedicht waarin flinke versbouw, krachtige teekening en scherpe gedachlenuiting om den voorrang strijden. Natuurlijk putte bij zijn bezieling niet uit den tegen-woordigen tijd en onze streken, maar uit den ouden tijd en uit het Noorden.
') G o s m a n' s bundel Wilde Halmen wekte in 1884 groote verwachtingen, een tweede bundel Nosca in '1880 verschenen en hoofdzakelijk eene hulde aan een paar schoone oogen bevattende, stond aanmerkelijk lager; in '84 in de rechten gepromoveerd, trad hij later in het huwelijk en was korten tijd daarna aan hel hoofd of in het bestuur van verschillende Naaml. Vennootsch. Wellicht dat zijne in 1891 ondernomen reis naar Transvaal en terug, ten dienste van eene dier maatschappijen, hem nog eens aanleiding geeft, de dichtpen weer op te vatten.
quot;j P. A M. Boelen van Hensbroek lid der uitgevers-firma Mar-tinus Nijhoff te 's-Gravenbage, deed een terecht zeer geprezen bundel gedichten verschijnen en enkele uitnemend geslaagde vertalingen. Zijn arbeid aan de Spectator wordt steeds bijzonder gewaardeerd.
') Gouperus woont ambteloos te 's-Gravenhage, hij is leerling van Dr, Jan ten Brink en deed eindexamen der H. B. S. te's-Gravenhage. In Nederland en andere degelijke tijdschriften kwamen gedichten van hem voor. Zijn naam werd dadelijk gevestigd door den bundel Een lent van Yaerzen.
quot;j Met goedgunstig stilzwijgen gaan we eenige personen voorbij, die zonder eenige voorbereiding, zonder kennis of aanleg op luidklinkenden toon verklaarden , onze letterknnde te zullen hervormen en die dan ook tijdschriften oprichtten, die nog nieuwere en zelfs allernieuwste gidsen moesten zijn.
31
ring, dat de Nederlandsche letterkunde eerst met hun optreden in 1880 begon; de meest begaafde hunner was toen zonder twijfel Albert Verwey1), wiens Persephone (1885) vesl schoons bevat, ook do Verzamelde Gedichten (1883) bevatten veel goeds; door de poging om met de muziek te wedijveren, werd zeer veel echter slechts zinloos woordenspel, hot laatste is ook grootendeels het geval met Gorter2), wiens Mei door de onderdeelen veel beters deed verwachten , en bij quot;W i n k 1 e r P r i n s 3), Koster4) en anderen. W. Kloos5) degelijk en begaafd en literair stellig de knapste, heeft zich altijd aan opzettelijke zonderlingheden overgegeven en bewaart in den laatsten tijd een bestendig stilzwijgen.
Wie zich een juist oordeel over deze nieuwe richting in de poësie wil vormen, leze voor de eerste periode Verwey en voor den tegenwoordigen stand Gorter en Van Eeden ongetwijfeld groote kunstenaars, al is hun kunst slechts naar den smaak van zeer weinigen. V. E o d o n 's Ellen bevat een menigte volstrekt onbegrijpelijke fragmenten naast enkele deelen, die of door de muziek der taal of door het teekenende der uitdrukking, of door de fijne analyse der gewaarwordingen, hooge kunstwaarde hebben.
Het is niet meer dan billijk, te erkennen, dat âook onder mannen van erkenden kunstzin en kennis â het aantal aanhangers dezer hypnotische of suggestieve kunst aanmerkelijk toeneemt.
Uit België noemen wij nog Dr. Simons, den dichter van den Napoleon-cyclus en de Koninck, die een bijbeisch epos Het Menschdom verlost dichtte; benevens Antheunis, Th. Coop-man, Beernaert, Billiet, wier werken in tijdschriften verschijnen, en Hilda Ham (ps. van mejuffrouw Mathilda Ram-b a u x), wier verzameling Een Klaverken uit 's levens akker iets beters beloofde, dan zij later leverde.
1
Sommigen hunner traden als uitgever op zonder geld, gelijk ze als litera-tuurhervormer waren opgetreden zonder kennis, wetenschap, kunstgevoel of ernstige werklust. Schulden maken en totaal voor alles mislukken was het einde. Veel van de werken, door hen verheerlijkt, werden in den loop van 1891 op kruiwagens op straat verkocht, zelfs als oud goed konden ze geen geld opbrengen.
2
') Leeft ambteloos te Amsterdam en huwde eene dochter van wijlen prof. Dr. Joh, v. Vloten.
') Leeraar aan de H. B. S. te Amersfoort.
3
) Leeft ambteloos te Apeldoorn.
4
») Doet. in de Rechten, ambteloos.
5
Secr. der Red. van De Nieuwe Gids.
32
Toen Cats de groote vergadering in den Haag had gepresideerd was dc uitkomst van zijn arbeid zoo weinig in overstemming met zijn wonschcn en bedoelingen , dat hij van zijn eigen werk schrikte en aftrad, waarop Adriaan Pauw hem opvolgde.
Hoe weinig hij op Cats moge lijken, Dr. W. Doorenbos, indertijd leeraar aan de H, B. S. te Amsterdam, heeft hetzelfde ondervonden , toen hij, ijverig scheldende op Jonckbloet, A. Pier-s o n en H u ë t, zichzelven voorstellende als de derde in een driemanschap, waarvan Potgieter en Bakhuizen van den Brink de beide anderen waren, met kwaadwillige dartelheid jubileerende over alles, wat anders was, dan het bestaande, een bedenkelijk groot aantal jongelui tot grootheidswaanzin bracht en als genieën stempelde^__
Zijn uitvallen werden nagepraat, het weekblad de Amsterdammer waarvan de letterkundige afdeeling een tijdlang door hem geredigeerd werd en dat een succes de scandale zocht, nam gretig alle scheldar-tikelen op , en toen dc aanwassende toevloed niet meer in de gastvrije kolommen geborgen kon worden, werden eenige rijke Amsterdammers bewerkt tot het storten van eenig kapitaal, waarvoor de Nieuwe Gids werd opgericht. Het schijnt wel, dat de mannen in dit orgaan wat verder gingen, dan Dr. Doorenbos openlijk durfde goedkeuren , althans hij verloochende zijne geestelijke zonen en sprak luide tegen, dat hij de vader van de ânieuwe richtingquot; zou zijn.
Toch behoorden de stichters van de Nieuwe Gids juist tot zijne meest intimen , toch waren hunne beweringen aanvankelijk volkomen in den geest van K e e r o m in de Spectator, meer nog in dien van den lateren Oedipus in de Portefeuille ; toch werden hunne eerste uitvallen opgenomen in de Amsterdammer, tijdens Dr. Doorenbos het letterkundig gedeelte redigeerde.
Van kunstwerken was nog geen sprake; alleen van scheldkritiek in de eerste plaats tegen mannen, die Nederland tot dusverre hoog vereerd had. Kunstwerken had alleen Jacques Perk geleverd, een niet alleen rijk begaafd dichter, maar een jongman vol fijn gevoel , edel streven , hooge levensopvatting, â niet instaat tot het schrijven van de grofheden en gevoellooze ruwheden, die zeer langen tijd de eenige uitingen bleven van de onvermoeide sloopers, die niet ophielden goede namen te bekladden , brave menschen te grieven en theorieën te verkondigen, waarvan de toepassing een bron van ellende zou zijn geweest.
33
Perk stierf op jeugdigen leeftijd , door de jongeren, die hem van de schoolbanken kenden, bewonderd en met toenemende volharding geprezen , opdat een deel van zijn roem op hen kon overgaan; door de ouderen miskend, omdat zij de stoute vlucht zijner gedachten niet konden volgen, zijn soms wat duistere wijze van uitdrukken niet snel genoeg konden begrijpen. Slechts Mr. C. Vosmaer begreep en bewonderde Perk, al ontveinsde hij zich niet, dat den jeugdigen kunstenaar nog leerjaren wachtten , en toen Perk overleden was, werd een rijke bloemlezing uit zijne meerendeels ongedrukte werken door Vosmaer en Kloos uitgegeven, waaraan ieder van hen eene studie toevoegde. De oude heeren waren wel genoodzaakt, P e r k's geniale gedichten als kunstwerken van hooge waarde te erkennen; maar de lof, hem toegezwaaid, wekte naijver bij de adepten van Doorenbos en W. Kloos, W. Paap, Alb. Verwey en F. Van der Goes zetten zich aan den arbeid, later volgde Van Eeden; bij Van der Goes is nooit sprake van kunstwerken geweest; hij belastte zich meer speciaal met het uitschelden van de mannen met gevestigden naam, en leverde een paar verdienstelijke studiën over de oudere geschiedenis van het tooneel. Een omvangrijker studie, in Nederland opgenomen, werd ongenietelijk, toen de schrijver geheel alleen aan het woord kwam, daar de bewerking van het oorspronkelijke ten einde liep. Nu eens meer dan minder innig met deze verwant, nu en dan zelfs hen bestrijdende, werkten in het nieuwe mede, Frans Netscher, L. van Deyssel (ps. van K. Alberdingk Thym), Ch. van Deventer e. a. en wel in proza.
Het mag wensehelijk geacht worden, deze ânieuwe richtingquot; streng onpartijdig hier te bespreken, dewijl ze door vriend en vijand maar al te vaak geheel verkeerd in allen gevalle hoogst partijdig en liefst met een paar woorden wordt beoordeeld en door hen, die ze alleen bij geruchte kennen, geheel veroordeeld.
Vooraf een woord over literatuurbewegingen in het algemeen.
Elke âbewegingquot;, hetzij staatkundige of andere, bedoelt verandering, omwenteling, dus geheele of gedeeltelijke omverwerping van het bestaande; deze is voor de ontwerpers noodzakelijk, zal er plaats voor hen komen. Hun leus is óte-toi de la que je irCy viette en zij, die op 't kussen zitten, zoeken zich vechtende te handhaven en strijden op dood en leven voor hun eens verworven naam : de nieuwen hebben nog niets te verliezen, ze ontzien niets, overwinnen de anderen en
Taco H. de Beer , De gesch. d. Ned, Letteren 1880â1890, 3
34
verdwijnen dan zelf ook van liet wereldtooneel, evenals sommige in-sekten, die sterven, zoodra hun angel het gif in eene door hen gemaakte wonde heeft doen vloeien. Maar hier houdt de vergelijking op, want de heilzame nawerking der omwentelaars blijft niet uit.
Yan den arbeid der mannen van den Hainbund in Duitsehland is evenmin wat overgebleven ter waardeering , als van die der Stürmer und Dranger en die der SchicksaIstragödiJcer, maar de beide laatste groepen hebben den ouden sleur verdreven zoo goed als de Barden, die reeds bij hun leven vergeten werden , al drong hun gehuil tot in het verre Rusland door.
Zoo ook zijn hier te lande de mannen van de Letteroefeningen, van de Bijdragen tot boeken- en menscJienkennis, van de Boekzaal, van den Eecensent ook der Recensenten totaal vergeten, zoo hoort men de Hyppokreen-ontzwaveling en Braga nauwelijks meer noemen, zoo kent men Van Woensel alleen door H u ë t, zoo wordt K i n k e r alleen op school besproken , maar aller arbeid heeft wat uitgewerkt, al heeft ook het later ontstaande alweer voor nieuwer moeten wijken.
Dat de arbeid dier hervormers later vergeten wordt, is eensdeels een gevolg van de onverbiddelijke wet, dat het nieuwe steeds door het nieuwere wordt verdrongen, anderdeels, omdat een groot deel van den arbeid kritiek is en kritiek heeft een heel kort leven; anderdeels omdat de hervormer steeds jong is en evenals jonge wijn wel hevig gist, maar spoedig zijn smaak verliest, als hij aan de lucht is blootgesteld.
B y r o n bracht in Engeland (en in heel Europa) eene omwenteling te weeg en wordt hij niet meer gewaardeerd als vroeger, zijn werken leven nog voort en worden nog steeds gelezen. Opvolgens was dit in Engeland het geval met de Lake-poets en met de Prae-raphae-lieten, welke laatste thans in de Engelsche dichterwereld nog het hoogsi staan, tot.... eene nieuwe dichterschaar hen op den achtergrond dringt, gelijk Byron Scott tot zwijgen bracht en zelfs het licht van den geloovigen Milton voor vijf en twintig jaar verbleekte bij de zon van den ongeloovigen Swinburne. Zoo die allen bleven leven, het was, omdat niet hun kritiek, maar hun voorbeeld hervorming aanbracht.
In Frankrijk was het Victor Hugo wiens kunstwerk eene hervorming deed ontstaan, hij wordt nog steeds alom gelezen, zoowel als zjjn landgenoot Bóranger, als zijn eenmalige stadge-
35
noot Heine. De letterkundige omwentelingen in Frankrijk zijn nooit door kritiek bewerkt, vandaar dat het aantal vergeten grootheden en miskende genieën onder de schrijvers in Frankrijk oneindig kleiner is, dan in andere landen.
Den vechtzieken Germaan is zoo iels bijna onverklaarbaar. In Denemarken bewerkt Holberg de groote literaire omwenteling door geweldige aanvallen tegen het bestaande, en ter nauwernood leest men nu nog van hem een enkele klucht: de Politieke Tinnegieter. Zijn landgenoot B r a n d e s geeft minder kritiek dan kritische studiën en deze zullen zeker zeer lang in herinnering blijven en gelezen worden, zoo goed als de arbeid van Potgieter, die van Bakhuizeu van den Brink en die van H u ë t.
Zoo komt het, dat hier te lande vechtkritiek aan elke omwenteling in de letteren moet voorafgaan; zoo Los en Vast, waarin H, de Veer en Jü. de Vries begonnen met alles af te breken, wat ze op hun weg ontmoetten, gelijk de Gids dat vroeger ook had gedaan.
Hun kritische arbeid had ongetwijfeld duurzamer gevolgen , daar zo wel streng, maar toch bedachtzaam en gestreng optraden, zoodat hun werk steeds van ernst getuigde, datzelfde kan moeilijk van de Nieuwe Gids beweerd worden. quot;We komen later op hun proza terug, aangaande de gedichten zij er op gewezen, hoe Shelley en Keats de eerste voorbeelden waren, die de mannen van 1880 navolgden, nabootsten, soms naschreven. Oorspronkelijk is de arbeid dus niet, volstrekt niet nieuw ook is de onderneming. Het verschijnsel, waarvoor we ons thans geplaatst zien, vertoont zich gelijkelijk in Duitsch-land, in Frankrijk, in België en gelijk prof. B r a n d e s van Kopen» hagen, mij bij zijn bezoek aan Nederland verzekerde, in Denemarken even eens.
Het nut dier beweging is eensdeels, dat ernstige mannen zich rekenschap gaan vragen van de mate van waardeering door hen aan hunne âgeliefkoosdequot; schrjjvers geschonken, anderdeels dat er plaats wordt gemaakt voor enkele werkelijk geniale mannen , die achter de breede ruggen der baanbrekers met hun nieuwe en frissche kunst optreden.
Hoogst belangrijk is de karakteriseering door Alexandre Dumas fils van deze internationale beweging gegeven, in de voorrede van een dichtbundel van Mevr. Gustave Mésurier 1) (Amelia Dewailly). D u m a s zegt o. a.
') Uimes Roses. Paris, Alphonse Lemerre. 1891. (Prix 3 fes.).
3*
34
verdwijnen dan zelf ook van bet wereldtooneel, evenals sommige in-sekten, die sterven, zoodra hun angel het gif in eene door hen gemaakte wonde heeft doen vloeien. Maar hier houdt de vergelijking op, want de heilzame nawerking der omwentelaars blijft niet uit.
Van den arbeid der mannen van den Hainbund in Duitschland is evenmin wat overgebleven ter waardeering , als van die der Stürmer und Dranger en die der Schicksalstrayödiker, maar de beide laatste groepen hebben den ouden sleur verdreven zoo goed als de Barden, die reeds bij hun leven vergeten werden , al drong hun gehuil tot in het verre Rusland door.
Zoo ook zijn hier te lande de mannen van de Letteroefeningen, van de Bijdragen tot boeken- en menschenkennis, van de Boekzaal, van den Recensent ook der Recensenten totaal vergeten, zoo hoort men de Hyppokreen-ontzwaveling en Braga nauwelijks meer noemen, zoo kent men Van Woensel alleen door H u ë t, zoo wordt K i n k e r alleen op school besproken , maar aller arbeid heeft wat uitgewerkt, al heeft ook het later ontstaande alweer voor nieuwer moeten wijken.
Dat de arbeid dier hervormers later vergeten wordt, is eensdeels een gevolg van de onverbiddelijke wet, dat het nieuwe steeds door het nieuwere wordt verdrongen, anderdeels, omdat een groot deel van den arbeid kritiek is en kritiek heeft een heel kort leven; anderdeels omdat de hervormer steeds jong is en evenais jonge wijn wel hevig gist, maar spoedig zijn smaak verliest, als hij aan de lucht is blootgesteld.
B y r o n bracht in Engeland (en in heel Europa) eene omwenteling te weeg en wordt hij niet meer gewaardeerd als vroeger, zijn werken leven nog voort en worden nog steeds gelezen. Opvolgens was dit in Engeland het geval met de Lake-poets en met de Prae-raphae-lieten, welke laatste thans in de Engelsche dichterwereld nog het hoogst staan, tot.... eene nieuwe dichterschaar hen op den achtergrond dringt, gelijk Byron Scott tot zwijgen bracht en zelfs het licht van den geloovigen Milton voor vijf en twintig jaar verbleekte bij de zon van den ongeloovigen Swinburne. Zoo die allen bleven leven, het was, omdat niet hun kritiek, maar hun voorbeeld hervorming aanbracht.
In Frankrijk was het Victor Hugo wiens kunstwerk eene hervorming deed ontstaan, hij wordt nog steeds alom gelezen, zoowel als zijn landgenoot Béranger, als zijn eenmalige stadge-
35
noot Heine. De letterkundige omwentelingen in Frankrijk zijn nooit door kritiek bewerkt, vandaar dat het aantal vergeten grootheden en miskende genieën onder de schrijvers in Frankrijk oneindig kleiner is, dan in andere landen.
Den vechtzieken Germaan is zoo iels bijna onverklaarbaar. In Denemarken bewerkt Holberg de groote literaire omwenteling door geweldige aanvallen tegen het bestaande, en ter nauwernood leest men nu nog van hem een enkele klucht: de Politieke Tinnegieter. Zijn landgenoot B r a n d e s geeft minder kritiek dan kritische studiën en deze zullen zeker zeer lang in herinnering blijven en gelezen worden, zoo goed als de arbeid van Potgieter, die van Bakhuizen van den Brink en die van H u ë t.
Zoo komt het, dat hier te lande vechtkritiek aan elke omwenteling in de letteren moet voorafgaan; zoo Los en Vast, waarin H. de Yeer en Jquot;. de Vries begonnen met alles af te breken, wat ze op hun weg ontmoetten, gelijk de Gids dat vroeger ook had gedaan.
Hun kritische arbeid had ongetwijfeld duurzamer gevolgen , daar zo wel streng, maar toch bedachtzaam en gestreng optraden, zoodat hun werk steeds van ernst getuigde, datzelfde kan moeilijk van de Nieuwe Gids beweerd worden. We komen later op hun proza terug, aangaande de gedichten zij er op gewezen, hoe Shelley en Keats de eersto voorbeelden waren, die de mannen van 1880 navolgden, nabootsten, soms naschreven. Oorspronkelijk is de arbeid dus niet, volstrekt niet nieuw ook is de onderneming. Het verschijnsel, waarvoor we ons thans geplaatst zien, vertoont zich gelijkelijk in Duitsch-land, in Frankrijk, in België en gelijk prof. B r a n d e s van Kopenhagen, mij bij zijn bezoek aan Nederland verzekerde, in Denemarken even eens.
Het nut dier beweging is eensdeels , dat ernstige mannen zich rekenschap gaan vragen van de mate van waardeering door hen aan hunne âgeliefkoosdequot; schrijvers geschonken , anderdeels dat er plaats wordt gemaakt voor enkele werkelijk geniale mannen , die achter de breede ruggen der baanbrekers met hun nieuwe en frissche kunst optreden.
Hoogst belangrijk is de karakteriseering door Alexandre Dumas fils van deze internationale beweging gegeven, in de voorrede van oen dichtbundel van Mevr. Gustave Mósurier 1) (Amélie Dewailly). D u m a s zegt o. a.
') Rimes Roses. Paris, Alphonse Lemerre. 1891. (Prix 3 fes.).
3*
36
Er is naar het schijnt een nieuwe school ontstaan, die voor het oogenblik triomfeert, die volstrekt niet wil, dat een vers eenigen zin heeft. Het moet zelfs geen beeld vertoonen. Niet, dat het woord zoo juist moet zijn, dat het de volledige beteekenis in zich-zelve heeft en dat elke metaphoor en elke uitwerking onnoodig worden voor het denkbeeld, dat uitgedrukt moet worden, dat zou eene stelling zijn, die met voorbehoud van de droogheid, die daarvan het gevolg zou zijn en waarvoor gewoon proza meer dan voldoende zou wezen, toch nog houdbaar geacht mocht worden, neen , de woorden moeten zoo geschikt worden, dat ze een niet te gevoelen en niet te beschrijven tint of uitwaseming teweegbrengen, iets als een grijze mist op een lentemorgen of een onbepaalde geur op een klaverveld in den zonneschijn. Op die feestjes worden alleen de oogen en de neuzen uitgenoodigd.
De verbeelding, het ideaal, het hart, hebben er niets aan te zien, vooral het hart niet. Ziedaar, wat het sentiment aangaat. Er is een geheel geslacht zoo vermoeid van het geboren worden, dat het niet meer wil denken, niet meer wil zien , niet meer wil liefhebben , dat het een geheel leven wil doorbrengen met uit te rusten van den inspannenden arbeid, dien vroegere geslachten hebben verricht; want er dient toch wel uitgerust te worden. Daarmede belast zich dat jonge geslacht en totdat de dood, de grootste bekende rust, dien zij een beetje al te platonisch vereeren, hen oplost in de dampen , die hen omgeven , laten deze jonge mannen , als men ze zoo eens mag noemen, van hunne half geopende lippen een gesuis vernemen , waarbij het gegons der vliegen een donderslag is en dat, naar de adepten zeggen, de poesie der toekomst zal zijn. Als de toekomst al de wissels aanneemt, die wij haar zenden met verzoek die te honoreeren, dan zal ze niet bijzonder veel pleizier hebben, als zij zelve tegenwoordige tijd is geworden.
Tot zoover Dumas , dien men toch nog wel niet algemeen als verouderd zal beschouwen!
Meer dan eenige andere soort van letterkundige kunst, teekenen de gedichten eener periode het karakter van den tijd. Zoo komt het, dat de menschheid aan het einde der 19e eeuw, moe en af van al het gedwongen leeren , ook bij de beoefening der kunst alleen naar gemak streeft en zich bij de voorbereiding tot het minst mogelijke, soms nog tot minder bepaalt. Daarom herleeft alleen de bouw- en beeldhouwkunst, maar gaan het gedicht, de roman en het drama den
37
ondergang te gemoet. Over de beide laatste soorten zullen we later spreken Aangaande het gedicht zij opgemerkt, dat het epische genre nauwelijks meer beoefend wordt en wel... omdat het hooger streven langzamerhand wordt verdrongen door het nihilisme in gevoel en geloof. Wat vroeger de teederste snaren deed trillen, mag nu naar de verstandtmenschen oordeelen, niet meer vermeld worden. Naar den geest der eeuw wordt dat met groote woorden zonder bewijs afgemaakt met de machtspreuk: âDat is ziekelijk!quot; Alsof berouw , medelijden, vaderlandsliefde, de reine liefde van de maagd en den jongeling, de aanbiddende vereering voor ouders, de zelf-verlooehende liefde voor kinderen, kortom alsof alle altruïstische deugden getuigenis aflegden van een ziekelijk gemoedsleven en alleen het egoïsme een bewijs was van het kevngezonde van ons zieleleven.
Maar er is nog een andere reden, waarom het epische genre verdwijnt , het is omdat de kunstenaar met de pen zoovaak ambachtsman wordt en zijn arbeid zoo spoedig mogelijk ten einde brengt, om zooveel te eerder zijn dagloon (of uurloon) te kunnen ontvangen. Daarom worden geen oude vertelselboeken doorzocht, geen kronieken gelezen, geen oade dichtbundels uit den vreemde doorsnuffeld, in de hoop hier of daar een waardig onderwerp te vinden. Neen, men
leeraart, dat onderwerp , rijm en maat Jyzaak zijn, en.....van
compositie, een eerste vereischte bij het episch gedicht, is dan geen sprake.
En toch, hoe dankbaar zouden die epische gedichten ontvangen worden : hoe talrijke lezers hebben dankbaar genoten van F i o r e' s dichtverhalen, van de Geyter's epos, van Magen en Hilda, van Lilith , van Godenschemering ; welke grootsche verwachtingen wekte niet in Zingende Vogels het Bal van den kloeken stylist Frits Lapidoth ') en hoe hoogst bevredigend werkte het satrrisch oud-testamentisch verhaal Hecah van Pol de M o n t, (die op episch gebied zijn sporen verdiend heeft), ja zelfs deed Louise V. N a g o 1' s -) Idylle ondanks den weifelenden verhaaltrant en den on-
') Frits Lapidoth is Nederlander en woont als Correspondent van het Nieuws van den Dag te Parijs.
^Louise Victor ine Nagel, thans Mevr. Haverkotte, woont te Meudon bij Parijs. Wellicht dat de romantische heiinneringen aan Meudon verbonden, niet zonder invloed blijven op haar verdere kunstbeoefening.
38
zekeren vorm, hoop voor de toekomst koesteren, waarin zij , naar het schijnt, hare kunst in de richting der epiek verder zoekt te ontwikkelen.
De kunst kent geen wetenschappelijke klassificatie en alleen voor mindere goden geldt de strenge afscheiding der dichtsoorten. Homeros en Shakespeare, Dante en Tasso zijn in een zelfde dichterlijke schepping beurtelings episch, lyrisch en dramatisch. Maar, waar de dramatische kunstenaar, mede onder den invloed van den geest der eeuw een onverholen afkeer toont voor tooneelstukken in verzen, waar de dichter arbeidensmoede het epos den rug keert,
daar blijft het lyrisch genre over, maar.....welk een lyriek? Of
een klankenspel, waarbij de dichter den componist tot een wedstrijd uitdaagt, als eenmaal Marsyas Apollo; öf een woordenspel, waarbij de dichter met den schilder zoekt te wedijveren, veroordeeld voor ieder , die L e s s i n g 's Laokoön en H e r d e r 's bespreking daarvan heeft gelezen , tenzij de dichter tot de zeldzame genieën behoore, die in hun waarnemingsvermogen tegelijk dichter, schilder en beeldhouwer zijn. Maar voor deze met moeite en zorg tot iets goeds te brengen kunstschepping moet de belangstelling veelal ontbreken, waar de beschrijving van op- en ondergaande zonnen, grasvelden en waterplassen, hoe welgeslaagd ook, toevallig iets te zien geeft, wat den lezer minder belangstelling inboezemt of wel, wat de lezer liever in lijn en kleur ziet weergegeven. Of er een dichter in staat is, den lezer te doen waarnemen (en gevoelen?) wat de schilder doen kon met Het drijvende veertje in het Rijksmuseum te Amsterdam, blijve onbeslist, totdat de ervaring iets dienaangaande bewezen heeft.
Erger nog is het met de gevoels-uiting in de lyriek!
Slechts weinigen, zeer weinigen zijn in staat, hun gevoel zoo in woorden weer te geven , dat de lezer, hen lezende gevoelt, wat de dichter gevoelde , toen hij schreef. Zij, die dat niet vermogen, wekken bij den lezer met hun mislukt pogen alleen verveling. En zij, die dat wèl vermogen, ze zullen alleen bij enkele gevoelsmenschen instemming vinden, wanneer hun beroep op dier medegevoel niet al te vaak herhaald wordt. Heeft de dichter in werkelijkheid gevoeld en doorleefd, wat hij bezingt; dan slaat hij licht een toon aan, die weerklank vindt in des lezers hart; maar wanneer â gelijk veelal het geval is â de dichter alleen zelfbedachte of voor die gelegenheid expresselijk vervaardigde of gereedgemaakte gevoelens gaat beschrijven , nagemaakte levensmoeheid , minnesmart, wanhoop, Welt-
39
schnerz of verliefdheid , dan ergert de verstandige en gevoelige lezer zich (de ongevoelige leest hem niet, de sentimenteele leest, gelooft, gevoelt en weent, maar diens lof heeft geen waarde) en werpt het boek ontevreden ter zijde. Diepe smart en hooge bedwelmende vreugde zijn stom en de middentonen van geestelijke aandoening worden in dichtertaal niet volkomen verstaanbaar uitgedrukt. Bilderdijk spreekt van de poëzie als van het âbespelen van alle snaren van het âinstrument, waarvan de menschelijke ziel de zangbodem isquot; en hij stelt der poëzie ten taak âhet voortbrengen van de zachtste zoo-âwel als de geweldigste harmonie, die het klein heelal als een spie-âgel van het groote kan bevatten.quot;
Zeker, dat vermocht de poëzie in den tijd, toen geloof en gevoel de wereld beheerschten, maar in dien tijd leven we thans niet meer. De clubgeest verheerlijkt elkanders lyriek en de groote menigte, die buiten staat, laat alles ongelezen en herhaalt met grooter klem dan ooit: âOch, ziet u, ik hou niet van verzen!quot;
In weerwil van deze opmerkingen en in spijt van den geest van onvoldaanheid, die er uit spreekt, zal de opmerkzame lezer ten slotte tot het besluit komen, dat allen, die hier te lande verzen schreven, voor zoover ze hier genoemd zijn, alleen of lij na niet anders dan meesterstukken schreven en dat de bewering, dat de letterkundige kunst in de Nederlanden (evenals elders) volstrekt niet hoog staat, met al de bovenstaande beweringen in lijnrechten strijd is.
Dit nu is niet het geval!
De karakteristiek der gedichten wil niet in de plaats der beoordeeling treden. Het prijzen of laken van kunstwerken op het oogen-blik , dat ze ontstaan, heeft voor den geschiedschrijver yee.n waarde. Indien iemand van Yntema, Jan van Harderwijk, P. L o o s j e s e. v. a. hij hun leven getuigd had , dat ze na een halve eeuw zoo vergeten zouden zijn, dat men zich zelfs hunne namen niet meer kon herinneren en enkele weinige proefjes van hun arbeid alleen als zeldzaamheid aan zeer enkele personen bekend zouden zijn, dan zou de zegsman als een domoor en dwaas zijn uitgekreten. En toch met al die grootheden is het gegaan als met Nahum Tate, d'Urfey, Mclle. de Scudéry , von Salis , de Stolberg's e. a., die bij hun leven bewierookt werden en thans geheel en al vergeten zijn.
Van Shakespeare getuigde men:
40
Hij was niet voor een eeuw, maar wel voor cZ' eeuwigheid '), maar dat is men eerst zoo algemeen gaan herhalen, toen de grootste van alle dramatisten al bijna twee eeuwen dood was en na twee maal vergood en twee maal vergeten te zijn, eindelijk geheel de wereld had veroverd.
De dozijnen onsterfelijke dichters door Witsen Geysbeek verheerlijkt, zijn meerendeels totaal vergeten!
De verklaring van dat verschijnsel is niet moeilijk!
quot;Wat geheel en al den stempel draagt, van den tijd, waarin het kunstwerk ontstond , en juist daaraan en daaraan alleen, zijn waarde ontleent, is waardeloos, zoodra het karakter van den tijd zich wijzigt of wel geheel verandert. Zoo kunnen de eenmaal zoo bewonderde sentimentaliteiten van F e i t h thans niemand meer bekoren, zoo lacht nu niemand meer om de grappen van Fokke Simons z.; onze berekenende tijd verwerpt het fijne gevoel, hoeveel te meer het overdreven teedere gevoel; waar wij een open strijd voeren tegen de gebreken der maatschappij en der regeering, scheppen we geen behagen meer in den verborgen strijd, dien Fokke Simons z. al lachende tegen diezelfde gebreken voerde. Maar.... toen, zoowel als nu , maakten vele dichters zich in de keus van woorden en beelden aan overdrijving schuldig en daarom zouden zijn Antieke en Moderne Helikon thans nog voor velen te genieten zijn, dewijl ze daar in scherpe trekken zouden zien weergeven, wat zij allicht zelf als schaduwbeelden ontwierpen bij het lezen van een of ander verheven dichtwerk.
Als kinderen hebben we Gumal en Lina natuurlijk heel mooi gevonden en Het Land van E. M. Post en De Ring van Gyges en hoeveel andere thans geheel vergeten boeken. Thans zoekt men geen zedenkunde, geen opwekking tot godsdienst, geen tooververhalen of eenvoudige goedmoedige mededeelingen meer en de werken , die daaraan hun beteekenis ontleenen, staan weldra op onzen literairen Index. Hoeveel percent zijn er overgebleven van de lezers en bewonderaars van Bunyan's Christenreize en van het daarnaar bewerkte kleinere werkje Christina of de goede keuze ?
We hebben het beroemde Martelaarsboek gelezen en herlezen en
') He ivas not of an age, hut for all time! in Ben J o ns en's gedicht To the memory of my beloued, The AVThor Mr. William Shakespeare: And what he hath left vs. â het eerste van de gedichten, die aan de eerste folio-editie van 1623 voorafgaan.
41
innig medelijden gehad met de arme vervolgden, we hebben genoten in Bet leven van Schinderhannes en gerild bij de verhalen van zijn wreedheid, gejubeld en bewonderd hij zijn moed. Maar gelijk latere beschouwingen oorzaak waren, dat Van Alphen in het vergeetboek raakte , zoo hebben latere methodes van martelen en latere wijzen van stelen, de angstige droomenwekkende lectuur in onbruik doen komen, maar toch herleeft iets van dat oude weer in Gabriel Ferry, Gustavo Aimard , Jules Verne, niet te vergeten de gretig verslonden bloederige boeken van onzen landgenoot J. Hendrik van Balen.
Met de gedichten , zoo afwisselend in strekking, inhoud en vorm gaat het niet anders ; nog daargelaten , dat zeer veel gedichten modeartikelen zijn. Wie denkt er nu aan Opdrachten, aan Verjaar- en Nieuwjaarsverzen, aan Bruilofsliederen of dito Zangen? Wat werd er van de Albumversjes? Onze stoomeeuw laat ons geen iijd voor dergelijk werk ! We koopen de heilwensehen , die wij bruid en bruigom toezingen , zooals de nichtjes de (eigen) gemaakte borduurwerkjes, die ze aan oom geven!
Maar redeneeren we den smaak, de keus niet weg.
Het is een dwaze uitlegging, die men geeft aan de spreuk: over den smaak valt niet te twisten. Immers, dit is niet omdat ieder gelijk heeft door zich naar zijn smaak te regelen; maar, omdat de mensch zich in den regel zoo weinig rekenschap vraagt van de beslissing genomen door wat hij zijn smaak noemt, dat hij zelden voor overtuiging vatbaar is en zijn smaak voor den waren houdt; ongeveer zóó als het een hartstochtelijk oestereter steeds onmogelijk zal zijn, zijne voorliefde voor deze schelpdieren mede te deelen aan iemand, die rilt bij de gedachte, ze aan te raken, terwijl geen van beiden in staat is, zich rekenschap te geven, de een van zijn voorliefde, de ander van zijn afkeer, anders dan door te zeggen : âIk houd er nu eenmaal (niet) van !quot;
Wat de edeler organen streelt, valt echter wel wat meer binnen de nauwkeurige grenzen der waarneming en zoo kan men een zeer geleerd betoog houden over de meer of minder in het oog loopende verdiensten van de gedichten van A. of B. Naar dergelijke betoogen, die weinigen kunnen houden , wordt echter niet eens geluisterd: de dichter is alweer aan zijn volgende stuk werk begonnen; de lezer heeft zich al opgeofferd om te lezen, en hij zou nu nog luisteren ook ?
Daartoe is de tijd te kostbaar!
42
Jean Paul heeft indertijd beweerd, dat men een boek eigenlijk eerst moest beoordeelen vijfentwintig jaar na de uitgave, dan waren namelijk de goede boeken algemeen in volle waarde erkend , de slechte waren vergeten.
Dat is de juiste maatstaf!
Dat zij de waarschuwing aan hen, die wellicht de onsterfelijkheid voorspellen aan den dichter , die vergeten werd, voor hij gelegenheid had bekend te worden.
Wil men beoordeelen , men houde zich aan het karakter der kunstschepping zelve en veroordeele een kunstwerk niet, alleen omdat het eigenschappen mist, die in kunstwerk van geheel anderen aard thuis behooren.
Romans en Novellen.
Op geen enkel gebied vertoont zich de achteruitgang in de letteren duidelijker, dan op dat van het verhalend proza en nergens is de industrie ijveriger in de weer, om beschreven papier tot den hoogsten prijs te verkoopen. De ernstige mannen hebben zich bijna zonder uitzondering teruggetrokken; naast enkele verdienstelijke vrouwen zien we steeds meer fabrieksarbeidsters staan, die öf in der haast de chronique scandaleuse hunner bekenden of bloedverwanten, of van vorstelijke personen in den vorm van roman of novelle verkoopen of wel fabriekswerk uit buitenlandsche tijdschriftjes met veranderde namen en met onnoodige toevoegingen als oorspronkelijk werk aan de markt brengen.
Voorloopig zij gezegd, dat zich aanvanJcelijlc in het laatste tiental jaren gunstige verschijnselen vertoonden, dewijl er steeds meer âvolledige werkenquot; nu van dezen dan van genen schrijver verschenen. Daardoor kwamen boeken, die langzamerhand vergeten waren, weer als nieuwe zaken ter tafel en werden als zoodanig gelezen. Aan niemand komt in dezen grooter eer en dankbaarheid toe, dan aan den Leidschen uitgever A. W. Sijthoff, die den moed had,eene keurig uitgevoerde bibliotheek met platen tot ongekend lagen prijs uit te geven. Zoo kwamen achtereenvolgens de Eomans van Y a n L e n n e p , alle werken van C r e m e r, de üithangteekens, Jan Luiken en eindelijk de geheele Vondel, de geheele ten Kate, zelfs Maurits Lijnslager in het licht in een handig formaat, gebonden voor een gulden per deel, ingenaaid 60 a 70 cents en bij inteekening nog minder.
43
Die werken mogen meerendeels den stempel van hunnen tijd dragen, d. i, dat ze geschreven werden, toen er nog geen telegrafen en telefonen waren en niet zooveel examens, zoodat men wat meer tijd had; dat ze ontstonden in een tijd, toen onkerkschheid tot de hooge uitzonderingen behoorde en dus de nuttige strekking rechtstreeks tot het gebied der kunst gerekend werd; maar de toewijding en de ware kunst des dichters spreekt duidelijk uit die werken en zeer veel van onze hedendaagsche kunst, blijkt even duidelijk daarbij achter te staan. De hoeveelheid verstandige arbeid aan een kunst-werk besteed, bepaalt inderdaad voor een groot deel de kunstwaarde. ')
Dergelijke ondernemingen kunnen in Nederland, waar een heer-schende taal is, door mannen met groot kapitaal ondernomen worden met eenig uitzicht op een goeden uitslag; maar in België is het anders gesteld. Do Vlaamsche bevolking mist veel tijd, omdat het Fransch nog steeds verplicht is en wordt veelal onvoldoend ontwikkeld, doordat enkele vakken onderwezen worden ia het Fransch, dat de leerlingen niet voldoende verstaan. De hoogere standen ook onder de Flaminganten lezen veelal Fransch en spreken Fransch, althans de Noord-Nederlandsche literatuur is er zeer weinig bekend. Het debiet van den Belgischen uitgever is zeer beperkten alleen door de ijverige pogingen van het Willemsfonds, het Davids-fonds en thans ook het Taalverbond wordt de uitgave ondernomen van hoogst belangrijke boeken, die nu in duizende handen komen.
Zoo verschenen nog einde 1891 Julius de Geyter's epos Keizer Karei in 2en druk en hot eerste deel van het Nederlandsch
.') Zoo is een modelbeeldje van Sèvres, uit de hand bewerkt, een kunststuk van zeer hooge waarde; het werktuiglijk nagemaakte is van betrekkelijk geringe waarde. Ze staan tot elkaar, als een gravure van de koperplaat tot een afdruk van het cliché in boekdruk.
De studie der aesthetica kan niet geheel opleiden tot een onbevangen kunstoordeel, te minder omdat er groote omzichtigheid noodig is voor de keuze van studiewerken. Prof. P i e r s o n' s Frolcgomena zijn zeker van hooge waarde, maar niet ieder lezer is in staat die te gebruiken. V o s-m a e r' s Voc/els geven zeer zeker aan menigeen een kijkje in den arbeid des kunstenaars ; maar voor Nederlanders is in allen gevalle de veel gebruikte W acker nagel niet iu de eerste plaats de gewenschte gids. Wil men T) nitsch lezen, dan zijn Jean P a u 1 's Aesthetik en die van Bauterwek en Lessing's Laokoün oneindig duidelijker en veel beter geschikt om het wezen der kunst te doen verstaan. Lemcke â Van Vloten is voor dal doel in het geheel niet aan te raden.
44
Liederboek, twee hoogst belangrijke uitgaven, die zonder het quot;Willemsfonds wel niet licht zouden ondernomen zijn.
Maar behalve dat, werd ook door particuliere krachten veel tot stand gebracht en verschenen ook volledig de werken van S 1 e e c k x, Vuylsteke, de beide Snieders en Conscience, werken van de grootste beteekenis voor België, omdat de schrijvers allen ijverig streefden, en wat de beide eersten betreft, nog streven naar het handhaven der Vlaamsche nationaliteit. Daarom gaven ze hunnen lezers scherp geteekende beelden van echt Vlaamsche karakters en van Vlaamsch leven , of wel kleurige beelden uit de roemruchte tijden van voorheen. Eensdeels betreden ze daardoor het gebied der dorpsnovelle , anderdeels dat van het historisch verhaal of, zooals o.a. Julius Vuylsteke in het vierde deel zijner Prozaschriften, dat van de historische studie. 1) Ook de beste Nederlandsche schrijvers verschenen in steeds goedkooper uitgaven, maar in den jongsten tijd kwamen er helaas ook goedkoope uitgaven van de ijzingwekkende geschiedenissen, die voor een halve eeuw verslonden werden. Van groote beteekenis is de uitgave der werken van M u 11 a t u 1 i (Eduard Douwes Dekker) , door zijne weduwe bezorgd. Het was jaren lang een algemeen bekend verschijnsel, dat M u 11 a t u 1 i's werken veel gelezen, maar weinig gekocht werden , althans weinig door hen, die veel over hem spraken, naar den regel, dat menigeen druk over een schrijver spreekt, om de moeite van het lezen te ontgaan. Menigeen durfde ook niet zoo openlijk voor zijn waardeering uitkomen en de 5e, 3e
') De studie van de geschiedenis, uit archieven en familiepapieren wordt in België zeer ijverig beoefend; ter wille der algemeene verspreiding aan de universiteiten, ook in Frankrijk, verschijnen zij meerendeels in het Fransch. Enkele titels zijn : Fredericq (Paul) en zijne leerlingen. Corpus documento-rum inquisitionis haereticae pravitatis Neerlandicac. Verzameling van stukken hetreffende de pauselijke en bisschoppelijke inquisitie in de Nederlanden. Eerste deel. Tot aan de herinrichting der inquisitie onder keizer Karei V (1025â1520). Met 2 kaarten. 1889. Fr. 15,00-
Dit werk bevat 437 teksten , handelende over de vroegste tijden der Belgische inquisitie van de 11e tot de 14e eeuw, van 1025â1519. Meer dan twee honderd gedrukte verzamelingen en twintig onuitgegeven verzamelingen leverden de stof. Elk stuk is nauwkeurig naar het oorspronkelijke weergegeven met geleerde noten en een korte en duidelijke analyse.
T i e r e n t e y n (Louis). Histoire des origines, des déidoppements et du rule des officiers fiscaux pres les conseils de justice des anciens Pags-Bas , depuis le XVe siècle jusqu'a la iin du XVlüe siècle. (Memoire couronné par TAcadémie royale de Belgique.) 1891. Fr. 3,00,
â Histoire de la Gilde souveraine et chevalière des escrimeurs dite chefconfrérie de St-Michel a Gaud. Avec plusieurs planches. 1889. Fr. 4,00.
45
en 2e drukken der verschillende bundels Ideen, door wijlen F u n k e in den handel gebracht, hebben zeer zeker meerendeels hun weg gevonden naar groote bibliotheken en rijke huizen.
De Havelaar, die zoo druk werd besproken en waarover hier en daar zoo'n heftige strijd werd gevoerd , verscheen in 1860 en eerst in 1875 verscheen de vierde druk (de eerste door den auteur herziene uitgaaf). ').
In de laatste jaron werden Multatuli's werken drukker gekocht en gelezen terwille van de door sommigen voorgestane maatschappelijke veranderingen, waarvoor men in hem een voorvechter wilde zien. Daardoor is de zeldzame letterkundige waarde zijner werken dikwijls voorbij gezien. Zijn kernachtige stijl, zijne heldere en plastische voorstelling, zijn rijkdom van woorden, maken zijne werken tot hoogst gewenschte lectuur voor den verstandigen beoefenaar onzer taal, gelijk zo een gedenkteeken van letterkundige kunst zijn, dat met toewijding gelezen en met ernst bestudeerd moet worden.
Daarbij onthoude men zich van de studie van zijn persoon. De vergoding aan de eene, de verguizing aan de andere zijde vertoonen zooveel partijdigheid en overdrijving, dat een beslissend oordeel hoogst moeilijk geacht moet worden.
Na Multatuli's dood gaf zijne weduwe op nieuw zijne werken uit in goedkooper editie en.... wat een kenmerkend feit is in onze dagen, alle Brieven, die onder haar bereik kwamen, zelfs die uit den tijd, toen Dekker zich inderdaad in nog geen enkel opzicht had onderscheiden. Een groot man te leeren kennen in zijn huiselijkheid , precies te weten wat hij at, dronk, dacht, sprak, las, schreef; hem te betrappen, niet zooals hij zich gearrangeerd voordeed , in zijne zelf geschreven mémoires of in met zorg geschifte correspondentie , zooals men in Frankrijk en Engeland die uitgeeft, in brieven waarin hij over onderwerpen van algemeen belang, hetzij politiek , kunst, literatuur ja zelfs zielsgeschiedenis, zijn meening uit, neen, zoo familiaar , zoo ongegeneerd mogelijk kan men hem nagaan bijna van dag tot dag.
Kan daar het mooiste kermiswonder mee concurreeren ? Multatuli, te zien achter de schermen, hem jaren lang te volgen in zijn in-
') Maar van de Vermakelijke Spraakkunst werden in drie weken 3000 exemplaren verkocht.
Het copierecht van den 2n druk van den Max Havelaar bracht echter toch f 2200 op.
46
tiemste leven, hem te hooren klagen, schelden, redeneeren, te weten wie hij lief vond en wie onuitstaanbaar, met naam en toenaam nog wel, jaren nadat wrok en genegenheid misschien den dood niet overleefd hebben, quel régal des dieux !
't Is prikkelend, het streelt het meest verwende gehemelte, onder leiding zijner geliefde echtgenoot den zenuwachtigen Multatuli luchtsprongen te zien maken om zijn schuldeischers te ontkomen. Hoe hartheffend voor de âbeste Tine,quot; aan iedereen te toonen, hoe haar man haar omhelst en liefheeft en vertroetelt; maar neen! laten wij niet onrechtvaardig zijn ! De arme Tine heeft er part noch deel aan, zij ligt al sinds jaren in haar graf uit te rusten van de zorgen en smarten, waarop het huwelijk met een genie haar te staan kwam, en het is haar opvolgster, die haar en den zoo innig en getrouw door haar geliefden man aan het volk vertoont, in al zijne ellende en naaktheid.
En dan zetten hooggeleerde recensenten hun brillen op en zij trachten uit die intieme brieven zich een âlevensbeeldquot; te vormen en zij schrijven groote artikels'om aan te toonen, hoeveel het nageslacht verplicht is, aan die vrouwen, welke hunne mannen zoo in het ware licht stellen.
Zeker, die brieven zijn een groote aanwinst voor de geschiedenis der literatuur! Welk een licht wordt op het werk van Multatuli geworpen, als men hem en zijn gezin in Visé ziet optreden , getoi-letteerd, zooals slechts 25 jaar geleden een kersversch uit Indië gearriveerde familie zich kon toetakelen, vergezeld door een baboe, een schreeuwend kind dragend en het Belgisch dorpsvolk hen naschreeuwend , als waren zij een troep kermisgasten.
Hoe zal men den schrijver der Minnebrieven hooger achten, als men hoort, hoe hij zijn vrouw zonder geld liet reizen van Antwerpen naar Rotterdam , zoodat Tine genoodzaakt was door een list vrijen overtocht op de boot te krijgen, en hoe verkwikkend, den dichter van Vorstenschool te hooren schelden op zijn adellijke familie van Heeckeren van Waliën en op zijn eigen broer Jan, als die menschen het voorrecht van zulk een geniaal familielid te bezitten, niet willen betalen door onophoudelijk de koorden hunner beurzen los te maken en goud te werpen in een bodemloozen zinkput.
Hoe teekenend voor den onbaatzuchtigen martelaar, dat hij zijn Max Havelaar, vrucht van zooveel zelfopoffering, wil dood drukken, als men hem tot vergoeding maar Resident wil maken, een ridder-
47
orde geven en zijne schulden betalen. Hoe stichtend te lezen van zijne minnarijtjes met Eugenie en zijne amouretjes met anderen, die hij oprecht of cyniek zijne vrouw bekent.
Men heeft Dr. Swart Abrahamsz gesteenigd, toen hij Multatuli een ontoerekenbaar zenuwlijder noemde, een ziekelijken stumper, wiens lichaam te zwak was, om het gewicht van zulk een verstand te torsen en men dankt mevr. Dekker, tweede van dien naam, omdat zij dingen over haar man, door hem zelf aan het licht laat brengen, duizendmaal erger dan wat het gewraakte Gids-artikel bevatte; zij laat den genialen tobber huilen , klagen , dolheden begaan , dwaasheden zeggen, alleen om het publiek te amuseeren en er zelf geld mee te verdienen.
Een warm vereerder van Multatuli schreef daarover het volgende ;
âIk behoor tot hen, die met Vosmaer van oordeel zijn, dat Mul-tatuli in onze letterkunde hoog staat; maar dat hij bij de vele groote gaven en eigenschappen zij n fouten had, en daaronder zelfs groote.
Ik denk nog altijd aan het genot, de verbazing en de geestdrift door zijn Havelaar te weeg gebracht.
Sedert lang ontging mij niets van Multatuli, en kreeg ik meer vastheid in mijne reeds gevestigde overtuiging, dat 's mans mensche-lijke gebreken hem parten speelden.
Toch â en daarvoor was waarlijk wel aanleiding â bleef ik hem bewonderen; en sedert zag ik telkens bij het lezen en herlezen van zijn geschriften, dat hij vele zaken goed had beoordeeld.
Genot bleef en blijft hij mij geven, zijn Ideën zijn mijn huisbijbel.
En nu komt daar op eens de weduwe met die brieven! De eerste bundel kon er door en was als eene geschiedenis van de wording van Multatuli's meesterwerk zelfs niet overbodig voor velen.
Maar de tweede bundel doet den man kennen als, ja als wat ? Als hij zijne vrouw dicteert, wat ze schrijven moet, als hij daar steeds geld vraagt bij haar, die gebrek lijdt; als hij daar transigeert met zijn karakter, om te behagen, en bedelt om esn vriendelijk woord van lieden , die hij verachten moest â volgens zijn stelsel, â zie, dan schijnt die man mij klein, zeer klein, en het spijt me, die brieven gelezen te hebben; ze hebben me veel ontnomen, van wat ik had lief gekregen.quot;
Bij zijn optreden als professor aan de Leidsche academie zei Dr. J an ten Brink, naar beweerd werd, den roman vaarwel en liet vervolgens zijne gezamenlijke Romans en Novellen verschijnen. Deze
48
bundels bij Sijthoff uitgegeven, hebben , hoewel sommige meer dan vijf-en-twintig jaren oud waren, nog weder alom lezers en bewonderaars gevonden. Dit kan niemand verwonderen, die den luchtigen verhaaltrant van Ten Brink kent. Fransch is de aanleg der romans en novellen, maar op Nederlandschen bodem en onder bij ons bekende omstandigheden spelen ze. Zijne romans en verhalen zijn te veel werkelijkheid, dan dat zij spoedig konden verouderen.
Weldra begon ten Brink een nieuw arbeidsveld te beproeven en hij gaf het voorbeeld van den letterkundigen kunst-roman.
Er waren zeker al heel wat novellen geschreven, waarbij de naam van een gevierd dichter en een paar bijzonderheden uit diens leven den schrijver de stof tot eenige vellen druks leveren moest, maar een roman of novelle te schrijven geheel in den geest van den dichter en diens tijd en met een alleromvangrijkste feitenkennis en grondige kennis van geheel den arbeid van den held, daarvan gaf ten Brink een welgeslaagd proefstuk in Jan Starter en zijn wijf. ')
In vertalingen kwamen zelden Fransche werken voor, Engelsche minder dan voorheen, meer Koorsche en nu en dan een Russische; uit het Duitsch werden de meest gezochte schrijvers vertaald. Het ligt minder op onzen weg, over vertalingen te spreken; terloops zij aangestipt, dat de stortvloed van vertalingen uit het Duitsch eenigs-zins is gestuit door eene, geheel Europa naar het schijnt beheerschende, zucht naar lectuur uit het Noorden. Zoo komt het dan, dat Russische romans en Zweedsche, Noorsche en Deensche novellen, langzamerhand ook meer uit het oorspronkelijke dan uit het Duitsch vertaald, met graagte worden ontvangen. De geest, strijdende tegen maatschappelijke toestanden en vooroordeelen, die uit deze werken spreekt, schijnt bij de toenemende ontevredenheid en de zucht om tegen windmolens te vechten, bij velen een krachtige aanbeveling.
Van Dahn, Ebers, Eckstein, Eielland, Dostoiews-ky, Tolstoï werd aanhoudend vertaald, maar niet minder van de leveranciersters van Gartenlauhe-\\te:T2ii\ia.v en van de suikerzoete boeken van een paar dozijn andere Duitsche blondinen. De Engelsche sensatie-romans bleven meer het genot van de jonge dames, die ze onvertaald lazen en als altijd behoorde de verschijning van
') In Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift door Schimmel en ten Brink in 1890 gesticht, begon ten B. daarop eene reeks verhalen aan het leven van zijn lijfpoëet Bredero ontleend, waarbij zijn omvangrijke kennis van diens tijd op ongedwongen wijze zich telkens verlevendigend vertoonde.
49,
een uit het Fransch vertaalden roman tot de uitzonderingen; slechts een paar zeer beruchte romans van Zola werden bij afleveringen van enkele centen in eene A rasterdarasche achterbuurt uitgegeven. De Italiaansche romans, die een tijd lang in de mode â waren, verdwenen weder; slechts de krachtige veder van den beeldenden letterkunstenaar Verga zal nog lang bewondering wekken.
De meest beteekenende nieuwe uitgaven sedert 1883 zijn: A. S. C. Wallis (Mejuffrouw Opzoomer, thans mevrouw von A n t a 1 te Papa in Hongarije) Vorstengunst in 3 deelen {Duitsch, Leipzig 1885) en In dagen van Strijd (Engelsch door wijlen Mej. B. J. Irving) in 2 deelen, geschiedkundige romans, die aan de hoogste eischen voldoen ; vervolgens Prins of Koning, anoniem verschenen (van Mr. W. H. de Beaufort?) en H. J. Schimmel, de Kaptein van de Lijfgarde 3 deelen , een verhaal uit den tijd van quot;Willem III, Koning van Engeland en de Vooravond der Eevolutie; wat zich bij zijne juist op nieuw uitgegeven werken in zeventien deelen aansluit.
Sedert Van Lennep den historischen roman vaarwel zei en met Klaasje Zevenster eene nieuwe jeugd vertoonde, die hem dadelijk weer op nieuw alom deed lezen en tot voorbeeld maakte voor de maatschappelijke of huiselijke romans, waarin men hem te vergeefs zocht te evenaren, was de historische roman aan Bosboom-Toussaint en Schimmel verbleven. De eerste spoorde met groot geduld historische feiten op en vermeldde elke bijzonderheid in kleeding of woning angstvallig en vaak al te uitvoerig, maar bleef de kunstenares, die den adel der kunst in elk harer werken vsrtoonde. Ook haar werd echter de tijdgeest te machtig en de emancipatie zoowel als de arbeiderskwestie gaven haar novellen in de pen, waarbij de muze der historie op den achtergrond trad en de dialoog tot dramatisch intermezzo werd uitgewerkt. Zoo stond Schimmel alleen, met zijne reusachtige belezenheid en zijne omvangrijke kennis van den tijd van Willem III, koning van Engeland en van Napoleon I, den laatsten heros, waarvan de geschiedenis gewaagt en denkelijk ooit gewagen zal. Dat zijn de twee goden , die Schimmel steeds vereerde ; het zijn de mannen, aan wier historie hij de twee romans ontleende, die we boven noemden. Het dramatische in den roman, sedert les iMVseVaèZes opgekomen en sedert meer en meer op den voorgrond dringende, heeft in den Kaptein een ruime plaats ingenomen. Geheele bladzijden schijnen voor het tooneel geschreven; zoo de geheime samenkomst te Londen, zoo het tooneel van den opstand, de groote scène in het
Taco H. de Beer, De gesch. d, Ned, Letteren 1880â1890, 4
50
kamp 1), de aankomst van den kaptein in zijne schuilplaats ; kortom er is zooveel levendigheid in het verhaal, zooveel plasticiteit in de voorstelling, dat men vaak de handeling meent bij te wonen en zelfs in de woelige beschrijving van het kastenmakers-pand te Amsterdam, voelt men zich in de aangeduide omgeving opgenomen. Maar hier ook teekent het boek den leeftijd des auteurs. De talrijke mededeelingen aangaande zeden, gewoonten en gebruiken, gretig ontvangen in '61, belangstellend aangenomen in '71, worden als wetenswaardigheden veroordeeld door den lezer van '91. Met al den aandrang van een Parijsch publiek vraagt de Nederlandsche lezer âZa piecequot;, men wil het verhaal en men wil weten, hoe 't afloopt.
Noch die overheerschend dramatische wijze van voorstelling, noch die uitvoerige beschrijving van kleeding, meubelen of levenswijze, karakteriseeren den arbeid van quot;Wallis. Bezield door den machti-tigen geest en den doordringenden blik haars hooggeleerden vaders, met een breedopgevatte opvoeding van der jeugd af aan, teekenen haar eerste werken2) reeds eene kunstenares en een geleerde, die zich welbewust nauwlettend rekenschap vraagt van elke harer kunstuitingen ; haar bovengenoemde romans zijn dan ook eerst na zeer omvangrijke studiën der geschiedenis geschreven en hoe boeiend de intrige moge zijn, uit dit hoog romantisch, maar niet minder treurig deel der Noordsche geschiedenis, de hooge waarde van het kunstwerk ligt in de zielkundige ontleding der karakters.
Wat er in de ziel der handelende personen omgaat, wordt ons volkomen duidelijk, even goed als we volkomen leeren inzien, waarom ze handelden, gelijk de schrijfster verhaalt en dat ze ook inderdaad niet anders kouden handelen. We leven geheel met de optredende personen, hun lot schijnt aan het onze verbonden en de gemoedsstemming harer helden deelt zich onwillekeurig aan ons mede. Geen scherts, geen humor, geen versieringen, maar ernstige waardigheid als bij een beeld der ouden, vertoont Wallis' muze.
Prins of Koning is een stuk historie, uitvoerig en in bijzonder-
') Daar is sprake van vreeselijke wraak en daartoe wordt een besmette doek van een pestlijder aan de ongelukkige vrouw gegeven, die dadelijk door de pest wordt aangetast en sterft. H o f d ij k liet om gelijke reden de pest overbrengen door een kus, in zijn drama De dochter uit den Kol' veniers doelen, waarmede in den thans afgebranden schouwburg de opening der Stedelijke Universiteit werd gevierd.
') Twee dramas in Duitsche verzen, Johann de Wit en der Sturz des Hauses Alba.
51
heden naverteld, gelijk Schimmel dat deed in zijn Napoleon-studien , geschiedenis, echt en onopgesmukt, maar door volledigheid zoo dat men het als een roman kan lezen.
quot;Waar we over den historischen roman uit dit tijdperk spreken, blijve ook de naam van Mevr. van Calcar met eere genoemd, om hetgeen ze vroeger gegeven heeft en ook om hetgeen zij thans nog gaf. Haar roman de Eedgenooten, een verhaal uit den Italiaan-schen renaissancetijd is wat verouderd, het groot aantal personen en de uitvoerige wijze van behandeling herinnert het minst prijzenswaardige van Mevr. Bosboom Toussaint; maar toch heeft het werk de verdienste van zorgvuldige bewerking en geduldige omvangrijke voorbereiding, en hadden we geen telegrafen en telefonen, we zouden dit boek genieten, zooals we eenmaal de romans van S c o 11 en Dickens, van Van Lennep en Schimmel genoten, al zouden we die werken nu wel wat minder omvangrijk wenschen.
Ook Huf van Buren (ps. van J. Heuff Az.) beoefent nog den historischen roman; Hertog Adolf verscheen in 1887. Bij Huf bewonderen wij vooral de zorgzaam en tot in bijzonderheden zich uitstrekkende feitenkennis. Elk onderdeeltje zelfs is bestudeerd en historisch bewezen aangenomen ; door dien minutieuzen arbeid verliest het verhaal soms echter veel van het onderhoudende en boeiende, wat menig schrijver met minder ernstige voorbereiding aan zijn werk weet te geven. Hooger staan nog de romans van wijlen Mr. C. V o s m a e r, Amazone, (Duitsch van Lina Schneider) 1) en Inwijding waarin de aristocratie der kunst haar toppunt bereikt en de aesthetische waarneming den schoonsten triomf behaalt. Na deze hooge kunst slaan de fijn bewerkte historische novellen, aan de kunstwereld ontleend, van quot;W. P. quot;Wo Iters,2) Transalpina in 1883, Lucretia d'Este in 1888, Uit de Hollandsche school in 1889; op den kunstenaarsroman legde zich ook Johan Gram toe in Maurits van Moreelen, een schildersleven.
Zeer omvangrijke beschouwingen en uitvoerige besprekingen van V osmaer's romans verschenen in den jaargang 1891 van Noord en Zuid, daarheen mogen we den belangstellende verwijzen. In't kort zij hier aangestipt, dat V o s m a e r in het zuiverste Nederlandsch
') Ook in het Fransch en het Engelsch vertaald.
') Wolters was eerst predikant o.a. te Harlingen, en daarna Leeraar aan de H, B. S. te Leiden en Secretaris van de Maatsch. v. Letterkunde. Hij overleed op eene reis tot herstel van gezondheid ondernomen in den zomer van 1891.
4*
52
in keurigen, geciseleerden stijl zijne twee zielkundige (psychologische) romans schreef, de laatste door zijn overlijden onvoltooid achtergelaten, Hij brengt ons in het beste gezelschap, dat denkbaar is, een gezelschap van kunstenaars en geleerden, van mannen en vrouwen van den hoogsten geestesadel, gevoed met het beste, wat de ontwikkeling aller eeuwen kon geven en met dien aristokratisohen smaak, die walgt van alle platheid en gemeenheid. Op dat standpunt staat V o s m a e r met zijne romans geheel alleen. Het verhaal is hem geheel bijzaak, elke uitwijding is hem geoorloofd en welkom en hoofdzaak is hem het weergeven van den indruk, dien een kunstwerk, eene wetenschappelijke studie, een merkwaardig man, eene belangrijke gebeurtenis op een volledig ontwikkeld, edel mensch maakt. Dewijl de kennis en de liefde voor wetenschap en kunst bij zijne personen meeren-deels veel grooter is, dan bij de meeste lezers, heeft men zijne uitwijdingen wel eens te lang, de geleerdheid zijner personen vermoeiend gevonden. Men bedenke bij zulk een oordeel, dat V o s m a e r een edele van geest, alleen lezers bedoelde onder zijne evenboortigen. Na Van Lennep's Doertoghes is geen Nederlandsch edelman zoo volmaakt en uitvoerig geteekend als Gualtherus van Arkel in Inwijding. Als een lezer er zoo geen onder zijne kennissen heeft en dus niet volledig over de gelijkenis kan oordeelen , moet zulks niet aan den kunstenaar worden geweten.
Wolters heeft steeds zorgzaam aangaande eenig feit de bijzonderheden verzameld; hij heeft een kijkje genomen in den tijd, waarin het voorviel en geeft ons het verhaal van zulk een feit, naar heden-daagsche wijze en inkleeding, met de historische namen, de jaartallen en enkele bijzonderheden, waardoor zijne novelle er uitziet als eene gravure genomen naar een groot, kleurrijk historisch doek. Aan den stijl is ook bij dezen kunstenaar groote zorg besteed. Met zooveel overleg werkt Gram niet, hij is op en top verteller, hij wil, dat we alles zullen hooren, alles zullen zien, wat op zijne personen betrekking heeft; we moeten niets vergeten, niets overslaan en als wij het boek dichtslaan houden we de helft der personen voor zeer goeds kennissen , uit wier eigen mond we hun wedervaren hebben gehoord. Het is jammer , dat deze eerste proeve niet door andere is gevolgd. Gram kent uit ervaring het leven op de schilders-ateliers en gaf er ons een duidelijk kijkje in. Hoe dankbaar zou de taak zijn, ons op gelijke wijze binnen te leiden, in den kring van beeldhouwers, zangers , toonkunstenaars en tooneelkunstenaars.
53
De meest gelezen romanschrijfster is zeker Melati van Java (Mejuffrouw Marie Sloot), wier werken thans verzameld worden nitgegeven met inbegrip van de talrijke vroeger verschenen werken o. a. Hermelijn, Nazomer in 1888 en Verdwenen in 1889 ; de meeste werken zijn in verschillende talen overgebracht, (Duitsch , Keulen, Bachem); eigenaardig was de in 1887 verschenen, rijk geïllustreerde uitgave van Het land van Walter Scott, indrukken en herinneringen, bijeengebracht op eene reis door Schotland. Den Indischen geschiedkundigen roman Van Slaaf tot Vorst, beschouwen velen als het begin van eene nieuwe en schoone periode. Ook Catharina van Eees is nog werkzaam, meermalen zijn hare romans aan de muziekgeschiedenis ontleend; veel werkzamer echter is Cornélie H u y g e n s , wier romans ons in de hoogere kringen rondvoeren; van haar verscheen Uit den strijd des levens, Begina en in 1889 Ella en Helena van Bentinck.
M e 1 a t i 's personen zijn alle zonder uitzondering gewone mensehen , die doorleven, wat ieder mensch onder ons doorleven kan. Aan den eisch der waarschijnlijkheid wordt nooit te kort gedaan en zij verbaast evenmin door stoute grepen als door verrassende zinswendingen. Haar kunst is die des vertellers bij uitnemendheid, die onderhoudt en boeit en de werken zijn vooral van hooge kunstwaarde, omdat de plastische voorstelling levendiger is dan in de meeste andere romans; zoo bijv. de meesterlijke teekening der optrekkende maskerade in den aanhef van Verdwenen, zoo de samenkomsten in dat boek; de samenkomst van de heldin met haar vader voor de vlucht en de her-kenningsscene in de opera, in La Benzoni; den moord, de onthulling der schilderij en vooral de armband-scène in de Gesluierde schilderij. De aanhef van dit laatste werk moge humor doen verwachten, de humor ontbreekt gewoonlijk in deze werken, maar niet te overtreffen en inderdaad naar de natuur geteekend, zijn de Nederlandsche en de Indische landschappen. Hare peinzende en overleggende vrouwelijke hoofdfiguren doen soms aan die van O u i d a denken. Haar historische roman doet verwachten, dat zij slechts behoeft te willen, om in dat genre de plaats in te nemen, die door den dood van Mevr. Bosboom Toussaint is ledig geworden. In de behoefte aan familie-romans kan door anderen voorzien worden. In Van Slaaf tot Vorst treft ons dadelijk het levendige tooneel, waar de Indische prins met verbeten woede zwicht voor den Nederlandschen onderofficier, later de tweestrijd van den zoon voor het ziekbed van zijn vader, de ontvangst bij den
54
resident; en andere, maar vooral de helderheid, waarmede de stemming van de vertegenwoordigers der beide volken is geteekend. Treedt de geschiedenis hier nog niet genoeg op den voorgrond, wordt in het tweede deel de roman, de intrige meer en meer hoofdzaak, toch moet men zeer veel van een historischen roman verwachten , waarvan dit de voorlooper is geweest. Met hoeveel toewijding de begaafde schrijfster een historisch onderwerp behandelen zou, blijkt uit do groote voorliefde, waarmede zij elke historische plek teekent, elke geschiedkundige herinnering opfrischt, elk belangrijk feit vermeldt, wat aan den bodem van Schotland zooveel beteekenis en zulk een romantische waarde geeft.
De beste romans van Mej. van E e e s zou men historisch-bio-graphische romans moeten noemen; haar C/ïo^wï, zeker een der beste, geeft ons een helder overzicht van het geheele leven van den geni-alen , zonderlingen , maar toch ongelukkigen kunstenaar , van den tijd dat zijn kinderlijk spel werkte als Davids spel op Saul, tot George Sand hem betooverde en eindelijk tot hij diep ellendig en tyrannisch in plaats van hare liefde, haar zorgen ontving.
Tot eene vroegere levensbeschouwing behooren Mevrouw v a a Westhreene's Adcle en de Oudejaarsavond van De Veer 1) (novellen) zoowel als het nagelaten werk van Alberdingk Thij m, Notre Dame de Forest, eene geschiedenis uit de 17de eeuw.
In een vroeger verschenen werk van Mevr. van Westhreene Ver van den stam, zoowel als in haar in 1888 verschenen roman Adcle verdient de logische karakterontwikkeling alle waardeering: de scherpe blik van den menschenkenner heeft gevonden, de vaste hand van den geoefenden kunstenaar heeft geteekend. Bij rlle erkenning van des kunstenaars inzicht, dient echter te worden aangestipt, dat het verstand meer dan het gevoel de personen leidt; daardoor is er vaak als eene ijskoude, die allen omgeeft en bij al de zorg aan kenschetsing van den geest besteed, is er weinig aandacht gewijd aan de beschrijving der omgeving.
Het door T h ij m nagelaten en na zijn dood uitgegeven werk tea-kent niet zonder verdienste het huiselijk leven te Amsterdam in de 17e eeuw, die de schr. zoo goed kende. Die binnenhuis-kijkjes zijn
') H. de Veer, eerst predikant te Wormerveer, toen te Delft, later Directeur der H. B. S. aldaar, was 1871â1890 Hoofdredacteur van het Nieuws van den Day en medeoprichter en redacteur van Eigen Haard, en overleed 10 Dec. 1890.
55
voortreffelijk geslaagd en het huishouden van Rembrandt bijv. is eene belangrijke bijdrage tot onze kennis dier dagen.
Bij deze auteurs , bij de eerste minder dan bij de anderen , is de nuttige strekking van het werk vooral geen bijzaak, do lezer moet een beetje moraal, een beetje wijze les een stukje nuttige wenk me-denemen van zijne lectuur ; dat de kracht der voorstelling daaronder lijdt, spreekt van zelf.
In deze richting maar met doorloopend modernen tint is ook Klaartje door Mr. quot;Wquot;. P. G. A. van S o r g e n , dat veel opgang maakte en waarop in 1889 Porcelein in 2 deelen volgde, dat aanmerkelijk hooger staat.
Van Sorgen neemt blijkbaar tot uitgangspunt eene ware gebeurtenis , die hij verwerkt en ontwikkelt, waarvan hij de aanleiding, het verloop en de gevolgen met groote nauwkeurigheid geduldig omschrijft. Het is in Klaartje eene zeer kalme, bedaarde kunst, die des vertellers. In Porcelein (moraal: de kleinste breuk aan een por-celeinen vaas is onverbergbaar en onheelbaar, zoo is ook de kleinste afdwaling in het huwelijksleven (Vgl. de Gebroken vaas van T e r-b u r c h)) verraadt zeer grooten vooruitgang; daar is op sommige plaatsen een dramatisch leven, dat treft en onweerstaanbaar boeit. De afgedwaalde dochter zich badende in weelde keert uit Parijs terug naar het sterfbed van haar moeder en antwoordt den geestelijke, die haar berispt, met de verklaring: dat zijne strenge vreugdelooze leer, zijne kwezelarij haar het huis uitdreven en haar maakten, tot wat zij werd. Deze en de scène, waar de berouwhebbende minnaar door zijne maitresse aan de deur wordt gezet, zijn uitmuntend geteekende tooneelen van blijvende waarde.
M a r i o 's Levensstrijd (1886) en Schetsen (1888) en M a r i n o 's Bijna gestrand (1885) zijn verhalen, die aan bescheiden eischen van kunst voldoen. Zij zijn eenvoudiger en minder roerend dan Ontrouw, verschenen in 1884 , Vanitas in '86 of Willem Norel in '89, alle van Terburch (J. Esser Jr.).
Daar is eene zeldzame kleinheid in de groote kunst van Terburch; hij zou, was hij goudsmid geworden, het ver gebracht hebben in cantille-werk; die afwijkende spelling, dat bij uitzondering gebruikte woord ; die ontleding van kleinigheden, het past alles bij onze kamers vol bibelots, petits riens en fantasie-meubeltjes, 't is alles heel erg mooi, maar een kamer in forschen oud-Vlaamsehen stijl of in Louis XIV stijl gemeubeld, zet ons meer op ons ge-
56
mak en maakt indruk door de rustige stemming, die hij wekt. Toch teekent de schrijver nu en dan uitbarstingen van fatsoenlijken hartstocht, die zoo geteekend zijn, dat de schrijver blijkbaar wat anders kon geven dan al die schilderingen op porcelein en al die miniaturen op ivoor.
Gedeeltelijk aan Terburch verwant is C. vanNievelt, wiens Herman Wolsinck voor een deel het steilste realisme huldigt, waarvan Marcellus Emants zich nu in zijn Reisherinneringen en Schetsen verwijderd houdt, evenals Fiore della Neve (Van L o g h e m) die met minder succes dan van zijne gedichten zijne oude liefde huldigde en twee deeltjes novellen uitgaf en Victor, een roman waarvan de onderdeelen verdienen geprezen worden.
Bij Van N i e v e 11 is de toestand hoofdzaak; hij teekent, hij stelt voor, hij neemt ons bij den arm en plaatst ons vlak voor zijne personen , die we moeten zien handelen en hooren spreken, soms met wat rumoerigs en druks, maar altijd heel duidelijk. Emants daarentegen zit op zijn gemakkelijken stoel, rechtop, maar toch heel op zijn gemak; zijne lezers zijn zijne vrienden en kennissen, wien hij van zijne reizen verhaalt; Monaco (1884), Vit Spanje (1886); hij vertelt, wat hij gehoord en gezien heeft en zoo nu en dan, wat hij gelezen heeft, alles zonder schokken, zonder heftige aandoeningen op te wekken. Het staat er alles in een mooie loopende kantoorhand op zwaar velijn geschreven; bij Terburch denk ik daarentegen aan staand schoolschrift op gelinieerd Propatria; soms denk ik ook nog aan zelfvermaakte veerenpennen.
Eenig in de rij van Emants' werken staat Goudakkers illusiën (1885); daar wint de ieekenaar het verreweg van den verteller; die burgerlijke deftigheid zien we even goed als de Haagsche grachten en de lage huisjes en de ongetrouwde juffers met al de eigenaardigheden en zonderlingheden uit de kringen, waarin de schr, ons binnenleidt. Hier ook ontbreken de kleurige typen, de standaard-personen, die in de reisschetsen nu en dan ons aantrekken als een merkwaardig gebouw of een mooi landschap.
Als proefballon zond Fiore in 1884 Twee Novellen in 't licht, die vroeger in tijdschriften verschenen waren. Daarop redigeerde hij eenigen tijd de Oude Huisvriend en schreef er novellen in, die in 1888 onder den titel Blond en Mauw in een bandje uitkwamen. Daar was fantasie, daar was romantiek, soms op het kantje van het onwaarschijnlijke , maar rijk en kleurig als een omslag van Figaro
57
illustré. Hoogst onderhoudend verteller, zonder bespiegelingen of diepzinnige gepeinzen, zonder eenig catechiseermeesteraclitig streven naar nuttigheid, heeft de kunstenaar hier de juiste snaar geraakt om zijne hoorders tot luisteren te dwingen; geen groote kunst, maar zeer zeker kunst.
Van Loghem's muze is van zeer romantischenaard. In Victor zit een keurige Fransohe roman, beginnende met het lieve modistetje, dat de aandacht van den verliefden jongman trekt en eindigende met de verschrikkelijke scène, waar de vrouw van de ontrouw van haar man overtuigd wordt. Daar is kleur en teekening in dat babbelzieke stadje en die partij buiten en het talent aan de beschrijving van het jachthuis besteed , is zeker niet gering. Ook die cynische medicus, die in het belang der wetenschap de vorderingen der ziekte bij zijne aanstaande gadeslaat, is uitmuntend geteekend. Fragmentarisch dikwijls bijzonder te prijzen, zou het werk eerst volledigen lof verdienen , als de twee of drie romans, die het bevat, geheel uitgewerkt waren. Tevens zij hier Brooshooft's roman Plicht vermeld, evenals Victor eene premie va i hot K. v. cl. D. Deze bewees, dat Brooshooft's talent ligt in het dramatische genre en in de satire; de eenheid in zijn werk ontbreekt en zijne personen handelen, zonder invloed van buiten , geheel anders dan zij van zich zelve gelooven.
Zeeromans schreven J. van Oort, een scheepskapitein , en de zeeofficier Werumeus Buning, wiens Marineschetsen en andere als meesterwerken worden erkend; vooral bij den laatste dient met nadruk te worden aangestipt, dat de schrijver over een benijdenswaardige mate van gezonden humor beschikt, een artikel, waarmede onze letterkunde schraal bedeeld is; ook kapitein Chappnis en de eerste luitenant F. A. N. F a b i u s , evenals de dames Mevrouw Bouberg Wilson, geb. Josephine GieseenMevrouw 1 a Chapelle-Eoobol hebben goede werken geschreven.
Deze romans geven alle kalm genot; ze zijn lectuur voor iedereen en zonder eentonigheid beschrijven ze elk een stuk menschenleven, waarvan de lezer getuigt; âZoo iets gebeurt wel eens meer!quot; of âJa, juist, zoo gaat het iu de wereld!quot; of wel; âDat is mij ook eens overkomen Dat is de Durchschnittsliteratur, die zich zonder eenige reclame staande houdt en min of meer zoo hoog staat als de Gartenlauheliteratur met inbegrip van alle bleekblonde, zenuwachtige , lichthuilende Duitsche schrijfsters, die op een man wachten, als op een nieuwe japon of een stel oorhangers.
58
Een uitmuntend geslaagden historisehen roman schreef J. R. van der Lans onder den titel Be gouden Dubloen. Dat boek is ook heel minutieus gewerkt, maar er was stof te over en nu is wel elk plekje langs den muur en aan den muur bezet en elk hoekje gevuld, maar de ouderwetsche zaal is zoo groot, de verdieping is zoo hoog, dat er ruimte genoeg overblijft en dat de gekleurde ruiten toch nog heel veel licht doorlaten Later volgden Maagdepahnen, een roman uit den tijd der Pepijns, even keurig geteekend en zorgzaam bewerkt en daarna een bundel Humoresken en Novellen kleiner werk, maar inderdaad met onmiskenbare kunstwaarde.
Den lauwerkrans echter verwierf Louis Couperus met den bekroonden roman in drie deelen; Eline Vere. Deze roman, met den prijs van het Thieme-fonds bekroond, voert ons de Haagsche kringen binnen. De analyse van dit kunstwerk vertoont een omvangrijke en nauwlettende psychologische studie van de hoofdpersoon, inderdaad de volmaaktheid nabijkomende. Het is echter hoofdzakelijk de ziektetoestand der ziel, waardoor de personen onverantwoordelijk schijnen te zijn, voor hetgeen zij , huns ondanks, doen. Het geherl is met groote levendigheid meesterlijk geteekend, het Haagsche leven inderdaad gephotografeerd. Is de maatschappij, waarin de schrijver zijne personen laat optreden frivole, 't is niet zijne schuld, maar wel die der Haagsche maatschappij. Het werk heeft veel indruk gemaakt, ook om den schoenen stijl r want hoewel de schrijver enkele concessies doet aan de taal der jongste schrijvers-generatie, zoo heeft hij toch veelal een zeldzaam schoon Nederlandsch geschreven ]).
Deze roman is eigenlijk het modale du genre, de prototype van den hedendaagschen modernen roman, waarbij het ongeloof eene hoogte bereikt, dat ze bijgeloof wordt. Zoo ontstond ie Schicksals-tragödie in Duitschland, waarbij het geloof aan het noodlot sterker is uitgedrukt dan eenig geloof ter wereld, in den kring van ongeloovigen, en ze huldigen in dit genre het fata volentem ducunt der oude Romeinen , vereeren we het noodlot der Grieken 2).
Immers, men ziet eene geheele schaar auteurs aan den arbeid, ze vertoonen in hunne werken geen ontwikkeling van karakters, geen botsing van karakters, maar een ziektetoestand der ziel, eenemach-
') In de novellen Noodlot eu Evlaze in de Gids verschenen, wordt steeds meer de raadselachtige mode-stijl gebruikt.
quot;) Voor de volledige karakteristiek van het leidend beginsel leze men vooral C H. den Her tog 'Noodlottig determinisme.
59
teloosheid, eene inertie, een volslagen gebrek aan redeneering en zelfbeheersching , waardoor de personen een speelbal van het lot worden. Aan Couperus de eer, dat hij binnen de grenzen van het mogelijke en waarschijnlijke dien toestand , in Noodlot nog duidelijker gc-teekend, met kunstenaarstalent heeft voorgesteld. Van een dergelijk streven, met minder talent, getuigt een zorgzaam bewerkte roman van Jos. Giese getiteld Gevloekt.
Zorgvuldig bewerkt is nog In de Provincie en Alienor door K u n o (Mevrouw Mr. C. C. Van C a p e 11 e).
De invloed van het drama van Au gier, Sardou en Dumas is in deze romans duidelijk merkbaar. Zeer zeker getuigt het van groote kunst, dat niemand bij de lezing van In de Provincie zou raden, dat de auteur eene vrouw was; geen vrouw heeft ooit zoo eerlijk en zonder voorbehoud het hart der vrouw voor ons blootgelegd , geene ook zoo duidelijk den aard der betoovering geteekend, die in romans gewoonlijk liefde heet, maar zalige waanzin moest heeten. De inhoud van dit boek komt veel overeen met die van het drama Het weeuwtje van Wintersicegen. Krachtiger is de teekening in Alienor, grooter de kunst, minder het boeiende der handeling.
Talrijk zijn de dorpsnovellen en Schetsen , zooals die van H e e-r i n g Overijselsche Schetsen en Indische Vertellingen, Nagtglas Uit het Zeeuwsehe Volksleven, Ma aid rink, den verteller uit âdequot; Graafschapquot;, en B e u n k e Walchersche Novellen, I s i n g Haagsche Schetsen, Banning, Seipgens, die ons van Limburg verhaalt, en M e j. Leveling; deze schreef een roman in twee deelen Sophie, die een ongekende belangstelling wekte , en kerk en staat in scherpe tegenstelling toont. Uit deze rij verwijderde zich Johanna van Wonde (Mevrouw van Wermeskerken Junius), die met fijngevoelde, zij het menigmaal tranenontlokkende kunst, zich met Hare Boeping getrouw, Zijn Ideaal, (nieuwe uitgave 1889), en Oudhollandsch Binnenhuisje een blijvenden kring van lezers won, waarop zij nog liet volgen Tom en ik; het laatste en meest senti-menteele is haar nieuwste bundel: Een verlaten post en andere novellen.
De zeldzame opgang, dien deze romans maken, bewijst alweer, hoe in de zedelijke wereld steeds dezelfde krachten blijven werken, tegenover den aandrang der ongeloovigen, de toenemende warmte der geloovigen , tegenover de walgelijkste platheid en de ruwste onverschilligheid , staat de onnoozelste eenvoud, het teederst geloof en de aandoenlijkste fijngevoeligheid. Zoo stonden eens Graal- en Artus-
60
romans tegenover elkaar, zoo stonden de sentimenteele aanbidders van de mystiek en de bovennatuurlijke vroomheid tegenover de bewonderaars van 'de grofste zinnelijkheid en de meest barbaarsche wreedheid , zoowel in de dagen van Vondel als in de dagen van da Costa en Bilderdijk, als in die van de moderne theologie en Lidewyde.
De meest gelezene van alle novellisten en die noch tot het eene noch tot het andere uiterste behoort, is Justus van Maurik Jr. die meestal zijn stof aan het leven der lagere klassen van de Amster-damsehe bevolking ontleent: bij afwisseling aandoenlijk-komisch en komisch aandoenlijk verschenen de verzamelingen Burgerluidjes, Met een achten , Uit een pen , Uit het volk, Papieren kinderen in snelle opvolging en alle werden met blijdschap ontvangen en zeer dikwijls op nieuw uitgegeven; Kraies is een roman uit het leven van een reizend kunstenaarsgezin, realistisch, in den besten zin van het woord.
Gelijk de modisten een artikel verkoopbaar zoeken te maken door het te stempelen met âHaute Nouveautéquot; zoo hebben velen in 't woord realisme een fabrieksmerk meenen ta zien , dat hun waar grif van de hand moest laten gaan. Indien de zoogenaamde realisten de waarheid spraken en consequent waren, dan moesten zij althans Van Maurik hooger stellen dan iemand anders. Ja, hij heeft bij die arme lui wel heel veel meer hartelijkheid, goedheid, zelfverloochening , trouw enz. enz. gevonden, dan de meeste menschen bij hen
vinden , maar____wellicht is dit laatste een gevolg van onvoldoende
waarneming. Overigens â dan is hij stellig volbloed realist. Een fantasiewereld teekent hij zeer zeker niet; hij heeft die plaatsen van armoede en ellende bezocht; hij heeft die ondergrondsche krotten en hunne deels misdadige , deels diep rampzalige bevolking nauwlettend gadegeslagen ; hij heeft de taal uit hun mond opgevangen, den klank en de toonhoogte in zijn geheugen bewaard , al die leelijke tronies en al die schobberige plunje met het oog van een zeer geoefend teekenaar waargenomen. Zoo geeft hij ons de werkeiijkheid en daarmede den humor: een lach en een traan. Zijn genre en dat van Mevr. Wermeskerke n-J u n i u s dat zijn de genres, die altijd weer lezers vinden, hoezeer de smaak ook verandere: Cremer en Auerbach worden nog altijd door duizenden gelezen, die een Akbar, een Spinoza'), een Amazone ongelezen zullen laten.
') Roman van Auerbach.
61
Elkander gelijkende in zeldzame productiviteit, hoe verschillend de onderwerpen zjjn, die ze behandelen, zijn de dames Cath. Thijm en Louise Stratenus, Betsy Perk en Mevr. Kautzmann-Van Oosterzee De meest besprokene is zeker juffr. T h ij m , die na zeer vele andere werken met Een Vorstelijke doornekroon en Een Koninklijke misdaad, eindelijk door Hel geheim van den Czaar de leesbibliotheken stormenderhand heeft ingenomen. Die romans zoude men onder den titel âQ-regor Samarow in de huiskamerquot; te zamen kunnen uitgeven. Gelijk Oscar Meding in bijzonderheden verhaalt, wat er in 1860, 1866 , 1870 in de kabinetten der vorsten voorviel (en hij kon het weten, want vaak was hij er bij) zoo verhaalt jufifr. Thijm, wat er in de huiskamer en zelfs in de slaapkamer der vorsten werd verhandeld en besproken. We denken ons terug in de dagen van De geheimen van St. Cloud en Het Standbeeld in en uit den Zak en derg. Nog veel talrijker zijn de boeken door Juffr. Stratenus geschreven; we vermelden alleen de laatst ver-schenene Gewroken en Hoe stierf zij, pas twee van de vijf, die nagenoeg gelijktijdig de pers hebben verlaten.
Beider levenservaring, wereld- en menschenkennis, beider onmiskenbaar talent zouden iets beters doen verwachten ; het talent had waardiger aangewend moeten worden , het gaat onder in den snellen en aanhoudenden arbeid. De veelheid van productie is bjj Mej. Perk in den laatsten tijd sterk afgenomen. Haar historische roman Maria van Bourgondië is al niet zoo jong meer; haar schaadde juist de veelsoortigheid van werk en de verschillende doeleinden, die zij zich verbeeldde te willen bereiken. Van rustiger , zij 't al, niet genoeg gematigden kunstenaarsarbeid getuigden de werken van de laatste der genoemde schrijfsters. Vroeger zagen van hare hand goedbedoelde, maar slecht geslaagde zoogenaamde historische romans het licht; met Adelheid en Onder het Oordeel tot den tegenwoordigen tjjd teruggekeerd , zal deze schrijfster zeer leesbare boeken leveren, die wel niet van verheven kunstenaars-opvatting getuigen, maar toch een voor zeer velen niet te versmaden lectuur opleveren.
Satirische lectuur bieden Jan Holland (Prof. Dr. A. J. V i t r i n g a) die meer didactisch dan episch de maatschappelijke verhoudingen geeselt; C o s i n u s (?) die in Kippeveer de hoofdpersonen der Protestantsche clericale partij belacheljjk maakt; het boek zoowel als het daarnaar bewerkte kluchtspel had veel succes. Het is begrijpelijk, dat de nog altijd onbekende auteur zooveel zorg besteedde aan de
62
redeneering en de voorstelling, die eene partij belachelijk moest maken , dat hij zich voor de letterkundige kunstwaarde niet zeer hooge eisehen stelde. In wat hooger toon, geestiger, maar ook in dat genre en meer bespiegelend overigens, is: 0?tze Jan, schets der ontwikkeling van een kind voor de 20e eeuw opgevoed , van M a u r i t s Smit (ps.)
Tot het beste, wat de hedendaagsche literatuur als tenden;s-ge-Bchriften kan aanwijzen, zouden die romans kunnen gerekend worden , welke door hoogere beambten en officieren geschreven , ten doel hadden het staatkundige leven of het leven in Indië geheel bekend te maken.
Indien Van Rees hier bovenaan staat, het is, omdat er in zijne werken minder tendenz is en meer teekening, omdat zijn arbeid hooger staat, meer letterkundige kunstwaarde heeft, dan van de meesten zijner geestverwanten. Zijn in 1883 verschenen werk Tusschen de Keerkringen beantwoordde nog altijd aan hooge verwachtingen; maar na de zes deelen verzamelde novellen en schetsen in '81 verschenen en veel gelezen, nam plotseling de schrijver een, hem doorniemand betwiste plaats in met Toontje Poland, herinneringen van een Indisch officier, weldra gevolgd door Vermeulen Krieger, Nederlandsch Indische typen en krijgstafreelen, in denzelfden toon en met onverflauwde kracht geschreven, eindelijk de bijzonder goed geslaagde , minder strijd- en kritieklustige âIndische novellequot; Wijnanda, waarmede de schr. meer het gebied van den gewonen roman zonder tendenz betreedt.
Tot deze groep behoort daarna Perelaer, die in eene eerbiedwaardige reeks geschriften den sluier verscheurt, die de ellende en de hebzucht verscholen houdt; nergens geweldiger dan in Baboe Dalima (1886), waarin hij den gruwel van den opiumhandel in al zijne afschuwelijke waarheid vertoont.
Behalve dat^hebben we van hem Tusschen de Keerkringen (83); Een kwart-eeuw in het land der zon (84); het Kamerlid van Berke-stein in Ned.-Indië (88), alles dienende om in zeer aangenaam leesbaren vorm , het bestuur en beheer in Indië te bestrjjden en streng te veroordeelen , door het zonder genade te laten zien, zoo als het is.
Daarna Groneman Eene Ketjoe-geschiedenis (87) , M a u r i t s Hoe hij raad van Indië werd (88) en een zeer omvangrijk seriewerk hi en uit 's lands dienst dat sedert '88 aanhoudend wordt voortgezet; verder zij vermeld de oud-minister van Bloemen Waanders
63
die Indische schetsen gaf; voor militaire zaken bovendien De K o c h e-mont, Rudolf van Meerkerke, eone zeer omvangrijke levensbeschrijving , waarin de militair alle phasen doorloopt en gelegenheid heeft een helder licht te laten vallen op zeer veel, wat verbetering behoeft en G r o n e m a n , die de zaken meer dan de anderen uit het oogpunt der kunst beschouwt. Vredelievender zijn K u s k y , Een vriendenkring in de Vorstenlanden, Frank, Maleia (ps. van Freule van Nahuys) en wijlen A n n i e Foore (Mevrouw Uzerman-Junius), die het huiselijke leven in Indië beschrijven. Terloops vermelden we nog: Brieven van Jeanne Fortuin aan haar man, een boek, dat wegens vorm, inhoud noch opvatting eenige aanbeveling waard is.
Van Annie Foore hebben we laatstelijk Indische huwelijken (87) en Uit het Indische familieleven (87) eindelijk Bogoriana, haar laatste werk.
Zonder eenigszins in talent af te nemen, maar ook zonder aan kracht of grootheid van kunst te winnen, heeft Annie Foore ons twintig jaar lang op haar lieve vertellingen onthaald, ze heeft evenmin met politiek als met valsch gevoel gespeeld, ze heeft verhaald, wat ze hoorde, beschreven, wat zij zag en haar phantasie heeft een passend eenvoudig verhaal bedacht, waarin zij dat alles natuurlijk en zonder ophef kon te pas brengen. Zij was aller vreugde en hare werken zullen nog lang in den huiselijken kring hoogst welkom zijn.
De allernieuwste richting beschikt gedeeltelijk over veelbeteekenende en veelbelovende krachten, jammer dat zij, in hunne razende begeerte, om gelezen te worden, zoo vaak de pornographie te baat nemen. Naast de scherpe en geniale anti-religieuse satire van Dr. F. W. vanEeden, De Kleine Johannes, en het meesterlijk gestileerde Proza van Van Looy staat walgelijk het woordenrijke, afmattend uitvoerig beschreven verhaal van L. van Deyssel (ps. van K. Alberdingk Thijm), en de minder scherp getee-kende geschiedenis van van Groeningen, die beide, hun zeggingskracht en woordenrijkdom, hun fijn ontwikkeld taalgevoel en styleerkunst misbruiken aan onwaardige onderwerpen en onvoldoend overdachte stoffen. quot;Wij zwijgen van een Van Dam, Van Dort en vele anderen , alle onbekende opzienbarende en luidruchtig aangekondigde pseudoniemen. Van oorspronkelijkheid en genialiteit geeft het werk van Frans Netscher blijk; zijne Studies naar het naakt model (1886), Menschen in en om ons (1888) en de in 18ÃÃ verschenen werken Vit ons Parlement en In en om de Tweede Kamer.
64
Bij deze nieuwe richting behoort een oogenblik te worden stilgestaan ter juiste beoordeeling van deze met groot krijgsgeschreeuw aangekondigde beweging , waarvan de hoofden beweren , dat zij de eenige ware kunst bedoelt. Haar wetboek heeft drie door hen zeiven verkondigde uitspraken: lo. Wees niet banaal, 2o. Wek stemming, 3o. Teeken passie, de vierde niet door hen uitgesproken, maar blijkbaar uit alles, wat ze schrijven, is: âZeg alles, op 'tpapier, zoo, als geen sterveling , wij zelf ook niet, dat ooit in de werkelijkheid zouden zeggen.quot;
Er zal later in het bijzonder gehandeld worden over hun optreden en daarmede samenhangende maatschappelijke toestanden, een verschijnsel, analoog met letterkundige bewegingen, die zich op verschillende tijden in verschillende landen onder tamelijk gelijksoortige omstandigheden hebben vertoond. Deze bewegingen zijn van groote beteekenis voor de kennis van het geestelijk leven eener natie; meer dan eenig letterkundig verschijnsel staan deze in nauw verband tot den maatschappelijken toestand en tot de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling der volken.
Het Drama,
Al moge het Drama niet bestemd zjjn , zich tot eene zekere hoogte te verheffen , toch heeft men daarvan zeer verblijdende teekenen van leven kunnen waarnemen. Van de buitengewoon nauwkeurige prozaoverzetting van Shakespeare door A. S. Kok verscheen in 1884 de tweede druk, tegelijk met het tweede deel van de Shakespeare-vertaling door Prof. Dr. L. A. J. Burgersdijk, die uitmuntend geslaagd , dichterlijk en volkomen voor het tooneel geschikt is. Thans is deze arbeid volledig verschenen in een bevallig uiterlijk en met verdienstelijke studiën en bijvoegsels. Sedert zijn tien drama's van deze vertaling met groote kosten van inrichting op het tooneel vertoond. Ook kwamen drie blijspelen van Molière volgens eene nieuwe vertaling voor 't voetlicht, waarvan bijzonder de aandacht verdient de klassieke opvoering der Précieuses, in strenge navolging van Parijs, haar de keurige vertolking van S. J. Bouberg Wilson, den zeer verdienstelijken directeur der Tooneelschool. Van de oudere Nederlandsche dramaschrijvers werden mede blijspelen opgevoerd, als van Bredero, Hooft, Langendijken Vondel. Met geschiedkundige trouw op het tooneel gebracht, werden zij met groote toewijding zoowel door tooneelspelers als door liefhebbers gespeeld. De bezielde en in de Grieksche oudheid doorknede M. B,
65
Mendes da Costa, was de eigenlijke toovenaar, die de Amster-damsche Gymnasiasten met de meeste volkomenheid in Grieksche helden en heldinnen, priesters en slaven wist te herscheppen en het glanspunt eener opvoering bereikte met de Antigone, in den oor-spronkelijken tekst opgevoerd bij gelegenheid van de inwijding der Stedelijke Universiteit te Amsterdam. Hij zelf trad op met een stuk in een bedrijf, Thuis gebleven, dat, op Franschen leest geschoeid, welgeslaagd mocht heeten en door het publiek met ongemeene goedkeuring ontvangen werd. Hierop volgde een drama Zijn model, eene vrije bewerking van eene Fransche stof, dat recht gaf tot de hoogste verwachtingen. Pat de drie laatste jaren niets nieuws brachten, doet ons gelooven, dat de auteur zijne krachten aan een ander doel wijdt. ')
Van de oudste thans nog levende dramatische schrijvers is de Rotterdamsche tooneelspeler RosierFaassen nog krachtig. Zijne Dramatische werken zijn volledig uitgegeven en de gemoedelijke toon, de eenvoudige taal, de zedekundige strekking en het aandoenlijke der geheele fabel maken, dat deze stukken nog altijd bijzonder in den smaak vallen van allen , die niet door het buitenland verwend en vervreemd zijn of daarvan den schijn aannemen. Zwarte Griet, Anne-Mie, Blonde Els, die namen op het affiche zijn voldoende om een schouwburg vol te krijgen. De dramatische arbeid van onzen meest popu-lairen schrijver Justus van Maurik groeit niet sterk aan; wij hebben in 1882 Fijne Beschuiten, eene scherpe satire tegen kweze-lanj, met veel genoegen ontvangen, in 1884 Men zegt, eene satire tegen kwaadspreken en het vertrouwen op geruchten, ook in 1887 nog Frangoisé's opstel, dat niet buiten invloed van de Fransche tooneel-schrijvers bewerkt was, maar sedert heeft van'Maurik zich minder met het tooneel beziggehouden.') De belofte, die in 1883 lag opgesloten in Brooshooft's Zijn meisje komt uit! een goed geslaagd beeld van het leven in Oost-Indië, is helaas niet vervuld. Eene fijne maar zeer
') Intusschen bleef hij behalve in zeer ernstige studiën van het Grieksch, getuige de editie van Ilias en Odysea, als vroeger levendig belang stellen in ernstige zaken, hel tooneel betreffende, gelijk bleek uit de door hem geregelde en bijzonder geslaagde opvoering te Utrecht van den Koning Oedipus in de vertaling van prof. van Herwerden, en de uitstekende opvoering van P 1 a u t u s' Mostellaria naar zijne eigene vertaling op 28 Juni 1892 in den Parkschouwburg te Amsterdam, ter eere van de Reuniefeesten bij het 260-jarig bestaan der inrichting van Hooger Onderwijs te Amsterdam.
'} In 't begin van 1892 werd echter met tamelijk groot succes te Rotterdam en later ook te Amsterdam opgevoerd Clara door Justus van Maurik Jr. en Jo van Sloten, variatie op 't thema âBij 't kerkportaal.quot;
Taco H. de Beer, De gesch. d, Ned, Letteren 1880â1890, 5
66
scherpe en welgeslaagde satire van denzelfden schrijver Dirk Govert Klaaszoon tegen eeuwfeesten, professoren en protectie ging in de hoofdstad , waar het Universiteitswezen nog te nieuw en onbegrepen is, over de hoofden der toeschouwers heen. Een zelfde lot trof een geboren blijspeldichter Van der Aa (pseud. Henry van Meerbeke) een geestverwant van Molière, wiens Ministrieele Crisis (188G), waarin de eigenaardige parlementaire knoeierijen bij gelegenheid der vorming van een nieuw kabinet en wiens Casus belli (1888), waarin de bluf-ferij van kleine staten aan de kaak gesteld wordt, on verstaan bleven ; zelfs achtte men zich genoodzaakt den titel van het laatste stuk te veranderen in Gevaar voor Oorlog, omdat het Latijn de toeschouwers zou afschrikken. Eeeds in 1885 was van D. H. Maaldrinkeen treurspel in ouden stijl verschenen, Herodes, dat veel beloofde, ofschoon het voor de opvoering volstrekt niet geschikt was; daarop volgde in 1887 Jan Masseur, eene geschiedkundige figuur uit den tijd der omwenteling , welk stuk met groote en welverdiende belangstelling werd ontvangen. De terugkomst van den koloniaal, dat slechts eens gespeeld werd en wel den avond voor den verschrikke-lijken brand, die den historisch merkwaardigen stadsschouwburg van Amsterdam in de asch legde , bewees niet, dat wij van dezen auteur nog veel te verwachten hadden; maar een pseudo-historisch drama Cleopatra, dat later volgde, had werkelijk hooge waarde voor hen, die in den schouwburg in de eerste plaats de kunst des tooneelspe-lers willen genieten, waar deze de heftigste gemoedsbewegingen der menschen vertolkt. ') Meer nog blijft ons van Dr. F. W. van E e d e n te hopen , ofschoon hij sedert drie jaren zijne werkzaamheid op andere zaken richt. Hij trad in 1884 met drie blijspelen op, die zeer veel beloofden: Frans Hals, waarin eene oude anecdote gedramatiseerd wordt. Het Poortje, waarin hjj met groote gevatheid den draak steekt met het sollen met eerbied en waardeering voor oudheden, en Het Sonnet, waarin hij op geniale wjjze de Journalistiek van de belachelijke zijde voorstelt. Aanmerkelijk beter nog was De Student thuis, dat een getrouw beeld toont van een student uit een bekrompen burgergezin, die thuis niet anders dan moraal, beroepszaken en domheid vindt. Dit blijspel werd met veel succes gespeeld, zoodat ongetwijfeld zijne maatschappelijke bezigheden den arts hebben verhinderd zijne beminnelijke en spotzieke muze verder den vrijen
') Na een lijden van 11 jaren is Maal drink op 29 Augustus 1891 op 40-jarigen leeftijd overleden.
61
loop te laten. ') De tooneelspeler, zelf sedert 1890 Schouwburgdirecteur, Jan C. de Vos gaf veel bruikbaars, zij het ook, dat het woord meer dan het karakter spelen moest. In een blijspel. Ik héb een stuk geschreven, veroorlooft hij het publiek een blik achter de coulissen, in de leeskamer en in de nadere omgeving der too-neelspelers te werpen. Twee jaar geleden werd Rooie Hannes van Emile Seipgens met tamelijk veel succes vertoond; naar dit welgeslaagde beeld uit het Limburgsche volksleven te oordeelen, zou men mettertijd iets zeer goeds van dezen schrijver mogen verwachten.
Den meesten opgang, we mogen het erkennen, maakte Marcellus Emants. Zijn geschiedkundig tooneelspel in verzen, Adolf van Gelre, zou bij al het verdienstelijke in taal en denkbeelden aan eene vroegere periode kunnen toebehooren, een blijspel Jonge Harten slaagde reeds beter, zijn jongste Comedie de moeurs: Haar Zuster, dat in 1890 voor 't eerst gespeeld werd, bezit ofschoon niet zonder bedenkelijke zwakheden, toch zooveel voortreffelijks, dat wij van dezen ijverigen, degelijken en nauwgezetten schrijver met recht een meeaterstuk mogen verwachten.
Sinds twee jaren beginnen het karikatuur-spel en de Revue, beide naar Fransche modellen zich bij ons te vestigen; zooals het zich laat aanzien zal er wel spoedig iets zeer bruikbaars en toepasselijks uit ontstaan : de tweede jaarrevue werd maanden lang eiken avond voor stampvolle zalen gespeeld. 2) Wat het geschiedkundige betreft, noemen wij slechts eene monographie; De tooneelspeelkunst te Utrecht door Mr. quot;W. G. F. A. van Sorgen, lid van den Eaad van Beheer van de Koninklijke Vereeniging âHet Nederlandsch Tooneel.quot; De vertalings-litteratuur gaf langzamerhand het Duitsche kluchtspel op, werpt zich thans op Parijsche samenraapsels, onverschillig van welken rang, gaat voorts bij Wildenbruch ter markt, maar komt ten slotte bij I b s e n en zijne geestverwanten terecht. Twaalf jaren geleden hadden â De steunpilaren der Maatschappijquot; slechts een twijfelachtig succes; den vorigen winter werd Nora met groote nauwkeurigheid en zorg gespeeld en deed eene rondreis door ons land. Iets dergelijks werd daarop met âSpokenquot; ondernomen; het stuk heeft
') Intusschen wachten we in 1892 of 1893 de luisterrijke opvoering van een nieuw stuk van Van Eeden, waarvoor, naar beweerd wordt, de toebereidselen op groote schaal gemaakt worden.
') De derde werd alleen te Amsterdam 225 maal opgevoerd.
68
hier slechts de belangstelling der nieuwsgierigheid gewekt; de ware dramatische krachten hebben zich met dit werk nog niet ingelaten.
Wij hebben ons bij dit overzicht bijna uitsluitend bepaald tot de stukken, die gedrukt verkrijgbaar werden gesteld, zoodat de lezer zijn eigen oordeel met het bovenstaande kan vergelijken.
Overigens is de studie onzer nieuwste tooneelliteratuur een bedroevende arbeid voor ieder, die nog aan het ideale in de kunst gelooft, waar hij ziet, wat er van het tooneel geworden is.
Der Kunsten God aan 't IJ met geestdrift aangebeen Kroont hier in 't heilig koor verdienste en deugd alleen.
dat las men oudtijds op het scherm in den Stadsschouwburg. Die schouwburg is verbrand en de geest, die uit de regelen sprak is verdwenen.
Onze hedendaagsche opvoeding vraagt in alle landen uitsluitend naar den geweldigsten prikkel van zinnelijkheid of naar de ruwste en brutaalste uiting van verzet en de groote, kijkgrage, schreeuwende menigte, die in de meerderheid ia, wil niet gediend zijn van groote kunst, van kunst die te denken geeft, van kunst die men kalm kan genieten.
Het grootste succes van de laatste tien jaar, had eene pantomime de Verloren Zoon; een eenig succes nooit met eenig stuk in Nederland behaald, verwierf de revue de Doofpot.
Goede stukken (zelfs van Shakespeare) zijn een ondergang ook voor de best gevulde schouwburgkassen. Wat letterkundige waarde heeft, wordt volstrekt niet begeerd door hen , die thans nog den schouwburg bezoeken en waar de schouwburg nog maar eenigszins kan bestaan door wanhopige pogingen om het paardenspel concurrentie aan te doen, daar kan men van dramatische literatuur niet veel verwachten 1).
Dec. 1891.
') W. G. Van Nouhuys behaalde met Eerloos een groot succes (de kritiek merkte niet op, dat het militaire in het stuk in lijnrechten strijd is met de werkelijkheid) vooral, doordat het den tooneelspeler gelegenheid geeft, zijne kunst te doen genieten. Een tweede drama, het Goudvisclije, in 1892 opgevoerd, vermocht het publiek stormenderhand te vermeesteren.
Ook Lotos van Mevr. Snijders van Wissekerke werd algemeen toegejuicht.
Is dat het begin van nieuw leven?
* A SCHRIFT.
Persoonlijke aangelegenheden zijn oorzaak, dat dit werkje eerst thans verschijnt, hoewel er reeds voor een half jaar vier vel was afgedrukt.
Dit uitstel noopt mij, bij het reeds vermelde nog enkele aan-teekeningen te voegen.
BI. 5. Dr, Jan te quot;Winkel werd benoemd tot Hoogleeraar te Amsterdam, aanvaardde dat ambt op 31 Maart '92 met eene rede De beoefening der Germanistiek aan de AmstcrdamscJie Hoogeschool en opende zijne colleges in Mei daaraanvolgende.
Het Middelnederlandsch Woordenboek is thans gevorderd tot de lie afl. van het derde deel: kerse.
Prof. F r a n c k ' s Etymologisch Woordenboek is uitgekomen tot aan ...,. sukkelen.
BI. 10. In Mei 1892 verscheen nog De Invloed van Seneca's treurspelen op ons Tooneel door Dr. J. A. Worp, een werk van 300 bladz. groot 8o , dat meer geeft, dan de titel belooft, want ook aangaande het buitenland wordt zeer veel medegedeeld. Deze streng wetenschappelijke en omvangrijke arbeid, voor welks samenstelling de schr, o. a. meer dan 1000 Nederlandsche tooneelstukken heeft gelezen , werd hoogst oppervlakkig en onrechtvaardig op last van de onbekende Directie van het Utrechtsch Genootschap door eene geheime blijkbaar volstrèkt onbevoegde jury beoordeeld en niet bekroond. De voorrede is in zake prijsvragen zeer belangrijk.
De schr. van De Spectatoriale Geschriften heet Hartog niet de Hartog.
BI. 15. De grondige arbeid van Dr. K olie wijn, die ons zijn Bilderdijk schonk, heeft niet overal de waardeering gevonden, waarop de schr. aanspraak mocht maken. Den geloovigen kwam het voor, dat er niet genoeg hulde was gebracht aan Bilderdijks geloof en dat de mantel der liefde niet groot genoeg was geweest; de ongeloovige, en de zeer geavanceerde op staatkundig gebied, had
70
gewenscht, dat Bilderdijk bespottelijk was gemaakt om zijn geloo-vigheid en zijn orangisme.
Men kon echter den schr., die nergens partij had gekozen, daarover niet aanvallen en verweet hem nu zijn kleurloosheid. Toch blijkt overal, dat de schr. alleen documentair heeft willen aantoonen, wie en wat Bilderdijk was , aan anderen overlatende dat te beoor-deelen of zich daaruit een meening over Bilderdijk te vormen.
BI. 18. In April 1892 verscheen: De Gedichten van Constantyn Iluygens naar zijn handschrift uitgegeven door Dr. J. A. Worp, Eerste deel 1607â1623. Dit deel werd met algemeene goedkeuring ea ingenomenheid ontvangen.
BI. 20. Eeg. 2 en 3 v. o. leze men J. C. H a c k e van M ij n-den en ü. W. Thoden van Velzen.
BI. 23. De aangehaalde regels moeten luiden:
Maar Roomsche dichtkunst, minst te toomen,
Weidt doorgaans ruim en wraakt geen droomen,
Als onze Onroomsche poezij.
BI. 24. In Mei 1892 verscheen van Fiore della Neve een nieuw episch lyrisch gedicht van den omvang der eerste, getiteld Walter. Het behandelt de geschiedenis van een kind van geheime geboorte, zoon van een prinses aan een der kleine Duitsche hoven in het laatst der vorige eeuw. Minder spelend muzikaal, meer scherp geteekend en met krachtige dramatische momenten is dit hoog romantisch werk gedicht.
BI. 30. Men leze voor Boelen hier Boele van Hensbroek. â Couperus, woont thans te Hilversum.
Bi. 31. V e r w e y begon einde Mei 1892 een werk Een Inleiding tot Vondel, dat einde 1893 gereed zal zijn en 40 vel druks zal beslaan. Het is eene bloemlezing uit Vondel in gewone spelling , zonder noten , met verbindenden tekst, waarin de verzamelaar öf op schoonheden wijst, öf zijne bewondering uitspreekt of motiveert.
De heer E. B. Koster, litt. class, dr., is leeraar aan het gymnasium te Doetichem.
BI. 58. Te lezen reg 8 v. o. âvereeren zij het noodlot der Grieken.quot;
BI. 59. Couperus' roman Elitie Vere werd door onzen landgenoot Jack T. Grein te Londen , in het Engelsch vertaald, maar werd in Engeland niet zeer gunstig ontvangen. Dr. Paul Eache, vertaalde Noodlot in het Duitsch en verklaarde in de voorrede, dat er na Vondel bijna niets bijzonders geschreven is, totdat
71
De Nieuwe Gids uitkwam!! Van Jos. Giese valt nog te roemen haar novelle Spinx, die zeer uitvoerige karakterstudiën bevat.
BI 65. Mendes da Costa bewerkte intusschen met prof. van Leeuwen te Leiden een teksteditie van Ilias en Odyssei, met kritische noten in het Latijn, een arbeid , waartoe een aller-omvangrijkste literatuur moest doorgewerkt worden, zooals blijkt uit de namen der aangehaalde tekstverklaarders en critici.
Ten slotte meen ik aan dezen kleinen arbeid te moeten toevoegen: 1°. eene naamlijst der schrijvers, wier werken hier besproken worden , alleen met opgaaf van datum van geboorte, titel, maatschappelijke positie en woonplaats;
2°. eene lijst van de meest voorkomende pseudoniemen, onverschillig of ze hier genoemd zijn of niet.
NAAMLIJST DER SCHRIJVERS.
|
J, Agt; Alberdingk Thijm, geb. te Amsterdam 13 Aug. 1820, was Hoogleeraar in de aesthetica en kunstgeschiedenis a/d. Rijksacademie voor beeldende kunsten te Amsterdam, Hoofd der firma C. L. van Langer-huysen en Zoon, Boekdrukkers, quot;handelaars en -binders. Overleden te Amsterdam den 17 Mrt. 1889 18, 33,31,54. Catli* Alberdingk Thijm, geb. te Amsterdam 29 Nov. 18i8. Red. van La Jeune file. Leeft ambteloos te Brussel...............61. Ugt; J. r. Alberdingk Thijm, geb. te Amsterdam 22 Sept. 1864. Leeft ambteloos te Bergen op Zoom 63. meest bekende ps. L. van Deyssel. Aart Admiraal, geb. te Goedereede 13 Oct. 1833, was Directeur v/h. Telegraafkantoor te Schoonhoven. Overleden aldaar 12 November 1878 ................ 7, 28. Annie Foore, ps. van Mevr. IJzerman Junius geb. te Tiel overleden in Indië..................63 lt;*, T. Antheuiiig, geb. te Oudenaarde 9 Sept. 1840. Promoveerde in 1866. Vrederechter te Brussel . . 31. II. C» Bakhuyzen van den Brink, geb. te Amsterdam 28 Febr. 1810, was Rijksarchivaris. Overleed 15 Juli 1865 ......... 7, 32, 35. J. Hendrik van Balen, geb. te Kralingen 8 Sept. 1851. Ambtenaar b.'d. Waterstaat, thans Uitgever aan den Helder..............41. H. A. Banning, geb. te Utrecht 25 Augustus 1818. Hoofdred. der Katholieke Illustratie. .......59. |
Mr. W. H. de Beaufort, geb. 19 Maart 1845. Redacteur van de Gids. Lid van de 2e Kamer. Hoofdwerk Prins of Koning ..........49. Taco H. deBeer, geb. teMaars-seveen 18 Nov. 1838. Leeraar aan de H. B. 5 te Amsterdam........7. A. A. Beernaert, geb. te Ever-gem 13 Dec. 1825, was Notaris te AI veringen. Overleed 13 Juli 1883, 31 Jan van Beers, geb te Antwerpen 22 Febr. 1821. Prof. d Nederl. taal te Brussel. Overl. aldaar 21, 25. Nioolaaa Beets, geb. te Haarlem 13 Sept. 1814, prom, te Leiden, was Prof. te Utrecht in de kerkgeschiedenis en sedert 1884 Emeritus aid. Hoofdw. Camera obscura.....18. Mr. A. Beets, zoon van Prof. Beets, geb. te Utrecht 28 Juli 3860. Gepromoveerd 1 Juli 1885. Medewerker a,'h. Woordenboek .....4. II. E. Beunke, geb te Middelburg 14 Sept 151. Sectie-ingenieur bij de Staatsspoorwegen te Breda Hoofdwerk WalcherscJie schetsen. 59. V. 3. !â¢;. Biliiet, geb te Antwerpen 14 Febr. 1838. Bedacteurvan De Koophandel te Antwerpen, schreef den tekst voor Lied er ih, de eerste Vlaamsche opera..........31. Van Bloemen AVaanderi, oudminister van Koloniën......62. JUarie Boddaert (Mevr. GeldermanâBoddaert, Jonkvr. M. A. Boddaert, sinds 1877 weduwe van den Heer Muntz Gelderman, Off. d. Infanterie , woont te 's-Gravenhage), geb. te Middelburg 6 Febr. 1844. 29. |
73
|
P. A. M.BocI e van Hensbroek, geb. te 's-Gravenhage 23 Jan 1853. Deelgenoot der firma Mart. Nijhoff, Uitgever te 's-Hage........30. H. Th. Boelen , geb. te Amsterdam 21 April 1825. Cargadoor lirma de Vries amp; Co te Amsterdam. Hoofdwerk Maria van Utrecht, drama . 19. ps. N. Donker. Mr. Joan Bolil, litt. hum. doctor, geb. te Zierikzee 8 Oct. 1836. Advocaat te Amsterdam. Hoofdwerk vertaling van Dante's Divina Commoedia â 10, 20, 21. Alt; 1» O. BoHboom-ToufiHatnt, geb. te Alkmaar 16 Sept. 1812. Overleed te 's-Gravenhage 13 April 1886 49, 51, 53. J. II ⢠van den Bofich. Leei aar a/d. H. 13.5 Zierikzee. Mederedacteur van Taal en Letteren........7. .1 ⢠Mâ Bonberg TVilgon-Gliese, (Josephine Giese) geb. te 's Hage 5 Sept. 1856 .............. 57, Dr. A. Breiliug, geb. te Amsterdam 18 April 1855. Sedert 1886 Mederedacteur van 'xad Halland. Hoofdwerk Meister werke des Beichs Museums in Amsterdam (Hgd. en Fr. uitg) 14. Prof. Jan ten Brink, theol. dr, geb. 16 Juni 1834 te Appingedam. Promoveerde 18G0 Hoogleeraar der Nederl. letteren te Leiden. Hoofdwerk Bredero........6, 13, 47. C. E, Bromg, geb. te Amsterdam 17 Maart 1841. Koopman te Amsterdam , woont te Haarlem ... .19. Mr. P. Broonhooft. geb. te Gies-sendam 18 Oct. 1845. Hoofdredacteur van De Locomotief. Hoofdwerk Zijn meisje, homt uit...........57. A. J. de Buil, geb. te Amsterdam 11 Dec. 1823, was Red. v;h. Dagblad de Amsterdamsche Courant, later verbonden a/d. Red. v/h. Nieuws van den Dag. Overleed te Amsterdam ................18, 19. Arnold Weremens Buning, geb. te Uithuijzcn 21 Jan. 1846. Oud Zee-officier, Dir. v/h. Museum voor |
Land- en Volkenkunde te Rotterdam. Hoofdwerk Marineschetsen ... 57. Prof. llr. L. A. .1, Burgers- dijk , geb. te Alphen a;d. Rijn 11 Maart 1828, oud-Hoogleeraar a/d. Militaire Akademie, Leeraar in de Nat. Hist, te Deventer. Hoofdwerk metrische vertaling van Shakespeare. 64. C. Bugken Hnet, geb. te's Hage 28 Dec. 1826. Eerst predikant b/d. Waalsche gemeente te Haarlem, toen red. v/d. Haarlemsche Courant, later van het Bataviaansch Handelsblad, overleed te Parijs 1 Mei 1886. Hoofdwerken Letterkundige Fantasiën en Schetsen en Het land can liemhrund 7, 32, 34, 35. Ur. J. Buitenrust Hettema, Leeraar a/d R. H. B. 5 te Zwolle. Mederedacteur van Taal en Letteren. 7. Mevr. E. van Calcar â Scliiot-ling, geb. te Amsterdam 19 Nov. 1822. Ambteloos te 's Gravenh.. 51. Mevr. (de Wed.) Mr. H. II. van Capelle te Arnhem.....59. ps Kuno. Mevr. (de Wed ) £.a Cliapello -Roubol te 's-Gravenhage. Ambteloos ..................57 H. Th. Chappnig, geb. te Haarlem 19 Sept. 1844. Kapitein der In-fan tei ie te Bergen op Zoom ... 57. M. Coeng zie Penning ps.. . . 28 Theophicl Coopman , geboren te Gent 24 Nov. 1852. Referendaris van het ministerie van spoorwegen. Red. v,'d. Nederl. Dicht- en Kunst-halle...................31 Mr II. Cogman, geb. te Amsterdam 27 Mei 1862. Directeur van verschillende naamlooze venn. te Amsterdam..............30. I.ouig M. A. Couperug, geb. te 's-Hage 10 Juni 1863, leeft ambteloos te Hilversum. Hoofdwerk Eline Vere. 30, 58, 70. N. A. Cramer, Leeraar aan de R. H. B. 5 te Zwolle..........7. Ur. w. Doorenbog, geb. te Deer-sum 28 Mei 1820. Prom. te Gronin- |
74
|
gen 11 Dec. 1844. Oud-leeraar a/d. H. B. 5 te Amsterdam. Ambteloos te 's-Gravenhage. Hoofdwerk Algemeene Geschiedenis dei- Letterkunde . 32,33. Mr. J I. vsn Doorninok , geb. te Deventer 27 Maart 1840, Archivaris van Overijssel, te Zwolle, overleden aldaar .....14. F. van Eedcn , med. dr., geb. te Haarlem 3 April 1860. Geneesheer te Bussum. Hoofdwerk De kleine Johannes........... 31, 33, 63. OT. Ernantg, jur. cand., geb. te Voorburg 12 Aug. 1818, ambteloos te 's-Gravenhage 13, 18,26,27, 29,56. J. Eiser Jr., geb. te Buitenzorg op Java 13 Jan. 1845, leeraar a/h. Gymnasium te Haarlem. Redacteur van de Haarlemsche Courant. . . 18. ps. G. Terburch (voor proza), Soera Rana (voor gedichten.) H. J. Eymael, geb. 18 Nov. 1818 te Heerlen, litt. cand., Leeraar a/d. Openb. Handelsschool te Amsterdam. Hoofdwerk Studiën over Iluygens 56. A. ST. J. Fablug, geb. 25 Febr. 1855. Kapitein der Artillerie en Ge-meente-archivaris te Naarden . . 57 Fiore delta Nere. (Zie Van Loghem)...... 18, 24, 37, 69, 70. Mevr. Jtt. C. Franok, geb. te 's-Gravenhage 1 Febr. 1838, was bij het onderwijs in Indië werkzaam, onlangs overleden te Breda.....63. Dr. Johannes Franok, geb. te Bendorf bij Coblentz 27 April 1854. Buitengewoon hoogleeraar in deNe-derl. en Nederd talen te Bonn 5, 6, Edw. «aillard, geb. te Brugge 4 Juli 1841. Hulp-Archivaris v/d Staat 5. Prof. Dr. J. II. Gallée, geb. te Vorden 9 Sept. 1847. Promoveerde in 1872. Hoogleeraar te Utrecht 5, 6. Jan de «eyter (genaamd Julius), geb. te Lede 25 Mei 1830, sedert 20 Jan. 1874 Bestuurder der Bank van Leening te Antwerpen. Hoofdwerk Keizer Karei en het Rijk der Nederlanden .......... 21, 22, 37, 43. Joaephlne «iene, thans Mevrouw |
Bouherg Wilson, eerst bij het onderwijs werkzaam, te 's-Gravenh. 57, 59. Th C. CjJobée, geb. te 's-Bosch 10 Dec. 1836 Kapitein ter zee. Overleden te Batavia 23 Sept. 1885 . . 55 ps. Marino F. ran der OoeR, geb. te Amsterdam 13 Febr. 1859 Agent van the Equitable Mij. voor Levensverzekering. Medewerker aan de Nieuwe Gids..................33. H. 6orter« Leeraar a,'d. H. B. 5. te Amersfoort. Hoofdwerk Mei 8, 31. C. J. t. W. E. (4a*Ier, geb. 15 Juni 1858 te Tilburg. Voorheen Red. van Astraea en de Leeswijzer, thans van het Maandblad voor Levensverzekering, te Amsterdam.......19 J. ter öonw, geb. te Amsterdam 16 Dec. 1814. Oud-Hoofd eener school te Amsterdam. Leeft ambteloos te Hilversum. Hoofdwerk Geschiedenis van Amsterdam...........14. Johan Ctram , geb. te 's-Hage 25 April 1833. Stenograaf b/d. Staten- Generaal.............51, 52. J. H. Oroenewegen. . . 15, 16. J Oroneman, geb. te Zutphen 15 Aug. 1832. Lijfarts v/d. Sultan van Djokjokarta........ 62, 63. J. C. Hacke van Mijnden, geb. te Haarlem 11 Nov. 1814. Promoveerde te Utrecht 1840. Overleed 8 Jan. 1873. Hoofdwerk vertaling van Dante; zeer kostbaar uitgegeven met de platen van Doré (niet in den handel).................20. J. Hartog, theol. dr. hon. causa, geb. te Westzaan 14 Aug. 1829. Doopsgezind Predikant te Utrecht, Hoofdwerk De spectatoriale geschriften van 1741â1800 ......... 10, 69. Johannes Petrus Hasebroek, theol. dr., geb. te Leiden 6 Nov. 1812, sedert 1883 emeritus-predikant te Amsterdam. Hoofdwerk Waarheid en droomen...........18. ps. Jonathan P. Hecring, geb. te Enkhuizen 7 Febr. 1838. Predikant te's-Graven- |
75
|
hage. Hoofdwerk Overijsselsche vertellingen ....... ........59. W. li, van Helten , geb te Hedel 30 Aug. 1849. Promoveei'de te Leiden 1871. Hoogleeraar te Groningen 5, 6. F. t. Heiukes, geb. te Noordwijk-binnen 3 Mei 185i. Overleed te Jagersfontein 19 April 1887 ..... 19. J. F. J. Heremans , geb. te Antwerpen 28 Jan. 1823. Hoogleeraar a/d. Universiteit van Gent. Overleed 13 Maart 1884 ............ 15. C. H. den Hertog, oud-boofd der school te Amsterdam. Hoofdwerk De bronnen van Bredero 7, 58. J. A. Heuff Azn., geb. te Ave-zaath 5 Maart 1843, ambteloos aldaar ..................51. ps. Huf van Buren. B.van Heyningen, overl. teAmst. den 13 Nov. 1889, oud 24 Jaar , . 30 Hildn Ram............22 Willem Jacobs Hofdijk , geb. te Alkmaar 26 Juni 1816, was tot 1886 leeraar a/h. Gymnasium te Amsterdam. Overleed te Arnhem 29 Aug..............18, 19, 50. C. Honigh, geb. te Koog a/d. Zaan 29 Oct. 1845. Leeraar aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen. Mederedacteur van de Gids . . 9, 28. J. Honig J»z. Jr, geb. te Zaandam 5 Mei 1816. Assuradeur, laatst Burgemeester van Zaandijk. Overleden aldaar 14 Nov. 1870. Hoofdwerk Geschiedenis der Zaanlanden 10. M. Horn, geb. te Sittard 23 April 1856. Leeraar a;d. H. B. 5 en het Gymn. te Schiedam......15, 16. Cornelie Hnygeng. geb. te Haar-lemmerliede 13 Juni 1848, Ambteloos te Amsterdam............53. A, li. H. ifiing, geb. te Heusden 24 Sept. 1824. Oud-stenograaf b/d. Tweede Kamer, thans ambteloos te 's-Hage................59. Ct. D, A. Jonokbloet, geb. te Eindhoven 28 Aug. 1818, priester te Maastricht. Hoofdwerk Jesaia in Nederl. verzen.......... 30, 32, |
C. G-, Haakebeen , Leeraar a/d H B, 3 te 's-Gravenhage. ..... 13 Dr. «. Kalftquot;, geb. te Zwolle 30 Jan. 1856, promoveerde te Leiden 27 Nov. 1883. Leeraar a/h Gymnasium te Amsterdam. Hoofdwerken Het lied in de Middeleeuwen en Geschiedenis der Nederlandsche Letteren in de 16e eeuw.........5, 6, 9' J. J. li. ten Hate, geb. te den Haag 23 Dec. 1819. Predikant te Amsterdam, overleed 25Dec. 1890 18 Jlevr. S, H. Kantzmann Tan Oogterzec, geb. te Rotterdam 6 Dec. 1852...............61. Prof Dr.H.Hern, Hoogl. te Leid. 5. IV. ,T. Th. lilooH, geb. te Amsterdam 6 Mei 1859. Redacteur en oprichter van de Nieuwe Gids 18, 31,33. lgt;r. A, Hluyver. geb. 4 Dec. 1858, Promoveerde te Leiden 20 Sept. 1884. Redacteur v/h. Woordenboek . . . 45. ItlCTr. KnuttelâFabing, geb. te Batavia 7 Maart 1857, echtgenoot van den onderbibliothecaris d. Kon. Bibl. te 's-Gravenhage........ 29, 30. A. S. Kok, geb. te Amsterdam 10 Juni 1831. Leeraar a, d. R. H. B. 5 te Tilburg, woont te Breda. Hoofd, werken (proza) vertaling van Shakespeare , de eerste complete in Nederland , en van Dante...... 20, 64. Dr. It A. Kollewijn, geb. te Amersfoort 30 Maart 1857. Promov. te Leipzig in 1880. Directeur der 4e H. B 3. te Amsterdam. Hoofdwerken Uéber den Einfluss des holliin-dischen Dramas auf Andreas Gry-phius en Bilderdijk 6, 7, 15, 18. 69. Lod. de Konincb , geb. te Hoogstraten 30 Oct 1838. Provinciaal opziener v/h. Vrije Onderwijs in België. Hoofdwerk Het menschdom verlost 31. Dr. E. B Koster, Leeraar a/h. Gymn te Doetinchem.....31, 70 A. C. Krnseman , geb. te Haarlem 11 Oct. 1818. Uitgever te Haarlem, thans ambteloos aldaar... 10 â¢1 J. van Laar, eerst Marineofficier , Leeraar R. H. B. 5 te Mid- |
76
|
delburg. Hoofdwerk Register op de Ideeën.................15. â¢f. n. van der l.aiig, geb. te 's-Gravenhage \ Juli 1855. Redacteur v;d. Kath. Illustratie......30, 58 Frits Eiapidoth, correspond, van het N. v. d. D. te Parijs......37 E. I.8iirillard , theol. dr., geb. te Rotterdam 25 Maart 1830. Prom. te Leiden in 1853. Predikant te Amsterdam ................18 Tl r. M. O. L. van X.ogliciii, geb. te Leiden 3 April 18t9. Promoveerde te Amsterdam 11 Mei 1880. Ambteloos te Nieuvver-Amstel. Redacteur van Nederland en Secr. d. Red. v/h. Weekblad de Amsterdammer. Hoofdwerk Eene liefde in het Zuiden 18, 23, 24, 37, 56, 57. ps. Fiore della Neve v. Luveling, geb. 17 Mei 1836 te Nevele. Ambteloos te Gent 59. C. W. Luvcndaal......19, 30 C J. liutkebiilil Jr., geb. SFebr. 184ö te Amsterdam, Telegrafist aldaar ..................19. 1». H. .flaal drink, predikant, overleden 29 Aug. 1891..........59 Jugtug raii^lanrlk, geb. te Amsterdam 1G Aug. 1846 , Sigarenfabrikant aldaar..............60. Hippoliet Meert, Leeraar in het Nederlandsch in België.......6 P. H, van Moerkerken , geb te Deventer 17 Febr. 1839. Leeraar aan de R. H B. 5 te Utrecht......6. Prof. Ur II, E. Moltzer, geb. 20 Mei 1836. Gepromoveerd in rechten en letteren. Hoogleeraar te Utrecht...............5, 6. ït. M. Polydoor de Mont, geb. te Wambeke 15 April 1857. Leeraar a/h. Athen. te Antwerpen 18,21,25,37. lïr. J. W. Muller, geb. 14 Juni 1858. Promoveerde te Leiden. Medewerker a/h. W oor denhoek .... 4, 5. Dr. S. A. Nabcr , geb. te 's-Hage 16 Juli 1S'28. Prof. in het Grieksch a/d. Universiteit te Amsterdam . 20. v. Looy...............63 |
Loniae Vicforine Nagel, geb. te Zaandam 12 Oct. 1845, thans Mevr. Haverkotte te Meudon bij Parijs. Hoofdwerk Miniaturen.......37- F. Nagtgias, geb. te Utrecht 7 Nov. 1821. Ambteloos aldaar. Hoofdwerk Beroemde Zeeuwen , vervolg op d e 1 a R u e..............59. A. M. Vahnyg, geb. te Scher-penzeel, ambteloos te Utrecht. . 63. ps. Maleia. FranH Netxolier, geb. te 's-Hage 30 April 1864. Stenograaf te Rotterdam ............. 33 , 63. C. van Nievelt, geb. 20 Juni 1843 te Delftshaven. Oud-ambtenaar in N. I., sedert 1869 verbonden aan de N. Rott. Gt...............56 ps. Gabriel. Thomas Kolen , litt. cand., geb. te Rotterdam 6 Sept. 1850. Leeraar a,'h. Gymn. te Rotterdam.....5. W. P. JJouIinys , gel) te Zalt-bommel 22 Juni 1854, ambteloos te 's-Gravenhage. Hoofdwerken Eerloos en Het Goudvischje.........18 ps. Waalner. Petrus van Oort, geb. te Helmond 20 Oct. 1834, eerst stuurman, later civiel-ingenieur bij den Waterstaat. Ambteloos te Barneveld . 57. A. S. C. Opzoomer, geb. te Utrecht 21 Juli 1856, thans Mevr. von Antal te Papa in Hongarije.......49. ps. A. S. C. Wallis. Mr. W. Paap, geb. te Winschoten 21 Oct. 1856. Promoveerde 8 Juli 1887. Advocaat te Amsterdam. Red. en oprichter van de Nieuwe Gids. 33. Jlir. Napoleon de Pauw, geb. te Gent 26 Sept. 1835. Advocaat-Generaal bij het hof van appel te Gent...................5. AV. li. Penning .Ir., geb. te Schied. 10 Nov. 1840, in den handel te Rotterdam .................28 ps. M. Coens. Dr. Cteorge Penon, geb. te Mee-den 12 Mei 1850. Prom. in 1873 te Leiden, Leeraar a/h. Gymn, te Am- |
77
|
sterdam, overleden aldaar 1 Mei 1890. 5, 6, 9, 18. Hf. Th. II. Perelaer, geb. te Maastricht 4 Aug. 1831. Kolonel bij het O. I. leger. Ambteloos te 's-Gra-venhage................62. C. E. Perk (Betsy Perk), geb. te Delft 26 Maart 1833, stichtte Arbeid Adelt en het weekblad voor vrouwen Ons streven (later Onze roeping). 61. J. F. H. Perk, geb te Dordrecht 10 Juni 1859, stud, in de rechten te Amsterdam, overleed aldaar 1 Nov. 1881 ................ 32, 33. LonigD. Petit, geb te Amsterd. 21 Maart 1847, eerst boekh. aldaar, thans conservator b/d. Bibliotheek d, Bijks-universiteit te Leiden. Hoofdwerken Catalogus van de Bibliotheek der Leicl-sche Maatschappij en Bibliographic vjlt. Middelnederlandsch......15. Prof. Dr. Allard Piersun, geb. te Amsterdam 8 April 1831. Waalsch pred. te Leuven en te Rotterdam, Hoogleeraar te Heidelberg, thans Hoogleeraar in de aesthetica te Amsterdam .............12, 32. Pol de Itlont. (Zie de Mout) 18 , 21, 25, 37. Mathiide Rnmbaux, ambteloos in België.............22, 31. ps. Hilda Ram. Cnth. IT. T«n Rees, geb. te Zut-phen 22 Aug. 1831, te Borne 53, 54. II P. A. van Reeg, geb. te Helder 14 April 1850. Burgemeester van Hellevoetsluis............62. J. J. de Roohemont, geb. te Weltevreden 9 Mei 1834. Luitenant-Kolonel bij het O.-I. leger. Ambteloos te 's-Gravenhage.......63. ps. Maurits. Prof. liOd. Roerscli, geb. te Maastricht 31 Mei 1831, in leven Hoogleeraar a/d. Universiteit te Luik . 5. Mr. V. de Roever, geb. te Amsterdam 3 Mei 1850. Prom. 4 Juli 1878. Archivaris te Amsterdam. Red. van Oud-Holland. Hoofdwerk Geschiedenis des Vaderlands.....14. |
Igt;r. J. 3. Salverda de amp;rave » Leeraar te 's-Gravenhage, thans Gouverneur der Koningin .......5. Dr. II 3. A, M. Soliaepman, geb. te Tubbergen 2 Maart 1844. Lid der 2e Kamer. Promoveerde te Rome in de theologie...........23. H. 3. Schimmel, geb te's-Grave-land 30 Juni 1825. Directeur v/d. Crediet-Vereeniging, thans ambteloos te Bussum, oprichter en lid van den Raad van Beheer der Kon. Vereen. Het Nederl. Tooneel. 18, 19, 49, 51. Gt. I». .T. Schotel, theol. dr. hon. causa, geb. te Dordrecht 9 April 1807. Ambteloos aldaar.....10. Kmile A. II. Scipgens , geb. 16 Aug. 1837 te Roermond. Leeraar H. B. 5 te Leiden. Hoofdwerk Dorpsnovellen, dialect...........59. I. t. R. Simons, geb. te Roermond 1-2 Febr. 1857. Thans Leeraar a,'h. Athenaeum te Leuven. Hoofdwerk Napoleon-cgclus.......31. W. M. C. sloot (Melati van Java), geb. te Samarang 13 Jan 1853. Ambteloos te Amsterdam. Red. van de Huisvriend..............53. E, «. F. Smit Kleine, geb. te Haarlem 11 April 1815. Commies bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken. Ambtel. te Maarssen. Hoofdwerk Haagsche Hopjes .... 24, 27. Hfr. AV. F. «. A. van Sorgen, geb. te Zuylen 29 Mei 1844. Lid v/d. Baad van Beheer der Kon. Ver. Het Nederl. Tooneel, ambteloos te Utrecht. Hoofdwerk De Toone.elspeelkunst te Utrecht; van de romans Porcelein 55. Soera Rana...........18 H. F. Stallaert. geb. te Merchtem 23 Sept. 1820. Leeraar a.h. Athen. te Brussel. Ambtel. te Everberg 5, 6. 3. A. Steelier, geb. te Gent 11 Oct. 1820. Prom. 12 Oct. 1841. Prof. a/d. Hoogeschool te Luik. Hoofdwerk Histoire de la littérature Neeiian-daise en Belgique..........12. Br. F. A. Stoett, geb. te Leeuwarden 5 Mei 1863. Promoveerde 15 |
78
|
Juni 1889. Leeraar a.'h. Gymnasium te Amsterdam. Hoofdwerk Middél-nederl. Spraakkunst........5, 6. I, A. Stratenug, geb. te Zeist 3 Aug. 1852. Ambteloos te Brussel 61. Stephnnie Helène Swarth , geb, te Amsterdam 25 Oct. 1859. Ambteloos te Mechelen........18, 29. T. Terwey, geb. te Zaandam 15 Aug. 1845. Leeraar a/d. Kweekschool voor Onderwijzers te Amsterdam. Hoofdwerk Nederlandsche Spraakkunst ..................7. IT. W. Thoden van Velgen . 20 lgt;r C. C. uhlcubcek, Medewerker a/h. Woordenboek, Hoogleeraar te Amsterdam............46. J. H. W. linger, geb. te's-Hage den 22 Juni 1861. Archivaris te Rotterdam. Hoofdwerk : uitgave van den Vondel van Van Lennep . 6, 15, 18. H. de Veer, geb. te Sommelsdijk 23 Nov. 1829 Predikant, toen Directeur H. B. 5 te Delft, eindelijk Hoofdredacteur v;h. Nieuws van den Dag. Overleden aan de Grebbe op 10 Dec. 1890. Hoofdwerk Trouringh voor het jonge Holland..... 35, 54. J. Veroonllie , geb, te Oostende 19 April 1857. Prof. in de philologie te Gent. Hoofdwerk Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal. 4, 6, 7. Prof. J. Verdam , geb, te Amsterdam 22 Jan. 1845, gepromoveerd te Leiden 14 Mei 1872, Hoogleeraar eerst te Amsterd., thans te Leiden. Hoofdwerk Middelnedetiandsch Woordenboek ................5,6. Alb. Verwey, ambteloos te Amsterdam. Hoofdwerk Persephone 18, 31, 33, 70. Dr. E. Veiwij», geb. te Deventer 17 Juli 1830. Promoveerde te Leiden in 1857, overleed 28 Maart '80 te Arnhem, Mederedacteur v/h. Woordenboek .................6 JProf, Dr. A. .1, Vitringa, (Jan Holland) laatst Leeraar aan het Athenaeum te Deventer, geb. te Harderwijk 29 Sept. 1827, ambteloos te Utrecht. Hoofdwerk Darwinia , 61. |
Prof. Igt;r. .1. van Vloten, theol. dr., Leeraar aan het Athenaeum te Deventer, later ambteloos te Haarlem, geb. te Kampen 18 Januari 1818, overleden te Haarlem.......28. Mr. C. Vogmaer, geb. te 's-Hage 20 Maart 1826, Prom, 18 Jan. 1851, overleed te Montreux 12 Juni 1888, laatst subst. Proc.-Generaal bij den Hoogen Raad, daarna ambteloos te 's-Gravenhage. Voorn, werken. Vertaling van Ilias en Odgssee. Vogels van diverse pluimage; romans Amazone en Inwijding. ... 20, 21, 28, 33, 51, 52. Ilr. W. de Vreese, medewerker aan het Woordenboek........4. Prof, Dr. Klatthias de Vries, geb. 9 Nov. 1820. Prom, te Leiden 13 D ec. 1843 Ontwerper en hoofdvolvoerder van het plan voor het Woordenboek, grondlegger der wetenschappelijke taalstudie in de Nederlanden . 4, 5. Mr. A. D. de Vrle», geb. te Amsterdam 15 Maart 1851. Prom. 6 Juni 1879 te Utrecht, overleden 8 Febr. 1884. Hoofdwerk Oud-Holland . 14. J0. de Vries, Pred. te Haarlem. 35 Mevr. van Weitrheeneâvan Heyningen, geb. te Rijswijk 20 Juli 1821, ambteloos te 's-Gravenh. Meest bekend werk De Oudvelders ... 54. ps. Hester Weene, Dr, Jan te Winkel, geb. 16 Nov. 1847. Gepromoveerd te Groningen 27 Maart 1877, eerst praeceptor aan het Gymn, te Groningen, sedert Mei 1892 prof. te Amsterdam 5,6,9,15, 69. Dr. J. Winkler, geb. te Leeuwarden 12 Sept. 1840, ambteloos te Haarlem. Taal- en dialect-studie. Hoofdwerk Algemeen Nederduitsch en Friesch dialectikon..........6. J. Winkler Prins, geb. 5 Feb. 1849 te Tjallebert, ambteloos te Apeldoorn, Meest bekend werk Sonnetten ...................gt;31 W. P, Wolters, geb. te Leiden 15 Aug. 1827. Oud-Predikant, Leeraar |
79
|
aan de H. B. 5 te Leiden, overl. 19 Juli 1891 te Grafenberg bij Dusseldorf 51, 52. |
Dr. J. A. Worp, geb. te Groningen 21 Jan. 1851, prom. aid. 3 Juli 1879. Leeraar a/h Gymn. te Groningen. Hoofdwerk Huygens. 69, 70. Johanna van Wonde . . 59, 60. |
LIJST VAN EENIGE PSEUDONIEMEN.
|
A. J. (in Nederland), K. J. A. Alber-dingk Thijm. Ad» Jfoore, van der Noordaa. Agatha, Mej. de Goeje. 1gt;p. Alexius van Stadeu, Dr. Jan ten Brink. Antoinette, Mej. Nagel. Mr. H. t«. Uronwer H «as., Taco H. de Beer. F. A. Bui*, A. N. J. Fabius. Christine Muller, Mevr. van WalreeâGobée. Coeng, W. L. Penning Jr. Constantijn, Mevr. v. d. Does, geb. Scheltema te Gendringen. meester Constantijn (in de Spectator), Mr. G. Bake. Catharina, Mevr. JollesâSingels. Ij. van Ueyssel, K. J. A. Alber-dingk Thym. JI. Donker, H. Th. Boelen. Mr. Eduard Ton TsoeâMeiren, in Haagsche Stemmen. Mr. J. E. van Someren Brand te Amsterdam. Klisabeth van Valkenburg, Betsy Perk. Fiore dclla Veve, Mr. van Loghem. Florentijn (in de Spectator), W. G. Gapel. CAecrtrnlda Carelsen, Mej. de Leeuw. Banna van Brielen, Mej. Boele van Hensbroek. Henriette van Overzee, Mevr. Simons-Fritzen, Huf van Buren, J. A. Heuff Az. Hilda Ram , Mathilde Rambaux. Hildebrand, Nieolaas Beets. Holda, Mevr. Giant van der Mijle. Hroswitha, Elisa A. Haigbton. Huf van Buren, J. Heuflf Az. |
Jan Holland, Prof. Dr.A J.Vitringa. Johannes (in de Spectator), Prof. van Vloten. Jonathan, Dr. Hasebroek. Katja Mata, Mevr. M. G. Frank. Keerom (in de Spectator), Dr. W. Doorenbos. Kuno, Mevr. van Gapelle. Maleia, Jonkvr. Nahuys. Marino , Th. G. Gobée. Maurits, Kolonel de Rochemont. Mathilde, Mej. Marie Sloot. Melatl van Java, Mej. Marie Sloot. Myra , Mej. de Meyier te Arnhem. Oedipus (in de Portefeuille), Dr. W. Doorenbos. Fredeirk Paradijs, Dr. F. van Eeden. Faului (in de Spectator), Aart Admiraal. Pauvrels Forestler, J. A. Alber-dingk Thym. Soera Rana, J. Esser Jr. «. Terburoh, J. Esser Jr. Xrasybulus, Busken Huët. Una, Mevr. Braunius Oeberius-Meyer te Ellecom. Vosmeer de Spie, Maurits Wagenvoort, reporter aan het Hatx ietsblad. Waalner, W. .G Nouhuijs. M. van Walcheren , Mej. M. G. S. van der Feen. A. S. C. Wallis, Mej. Opzoomer. Heater Weene, Mevr. van Westh-reeneâvan Heyningen. Wolfgang (in de Spectator), Wolfgang van der Mey te Wijchen. Johanna van Wonde, Mevrouw van WermeskerkenâJunius, geb. te Tiel woont te Kralingen. |
Kiojiwe Uitgaven van BLOM. amp; OLIVIERSE, te Culomborg.
Bij alle Bockhandelaten ter inzage te bekomt .1:
T.\cc II. DE BFJiU, Geschiedenis der Ne-derlandsche Letteren Met
enkele ;ianteekenin^c-n bet rellende 1S91 en 1892. een alphabetischi lij-t der Schrijvers _en eene
lijst van Pseudoninien â . ⢠/ 0 / i
VA CO H. DE HEEK, Nathan de Wijze. Da-tnnli ch Gedicht van G- E Eesmn i Metr-che vertaling met nieuwe omvangrijke Nathan-Studiën, fixp. in pracht ba cd s 3 5^
j»r(-,f Dj-. JAN TE WINKEL, He Grammatische Figuren in het Xederlandsch. Tweede verbeterde en met ccne.i bL.duijz.i vermeerderde
O-O
uitgaaf ........ â -o
H. J. FYMAEL, Huygens-Studiën . ⢠⢠» 1-9° il I EYMA1-L, Constan'ijn ! â uygens 1 lofwijek » 2.50 C. G. KAAKEHEEN De imloed der I uitsclie Lettere a op de Nederlandsehe. Bekroonde
» 1,25
prijsvraag . â¢
1'rof. Dr. j. IF G'ALLÃ, Register op Tijdsei,niten
over Nederlandsehe Taalkunde 'iweede dtuk
v' . s 2 40
Gebonden . ⢠â quot; '
J A. S VAN 5CHA1K, Muzkaa Woordenboek
Derde omgewerkte en ve-meerderde dru^ ⢠^ » -'-5
B. VAN MEÃRS, Uhland's Harp In prachtband » 4.50
B.VAN MEURS, Pepermuntjes / 0.90. Gebonden » i ,00
15. VAN MEERS, Vei handelingen /0,90. Geb. »100
1'. VAN MEURS, Germania's Difh:bloemen / O 90 V- 'u '3 . ...» 1,60
Gebonden â¢
Des Zangers vloek. Declamatie met 1'ano Ba-liade
van Ludwig Uhland Vertaald door B van
Meurs Muziek van Mart Bouman . . ' * 1'