Z. oct.
§412
G E S C II E N K
VAX HET
UTR. lt;)UD-ÃTUDENTENF( )XDS.
FANTASIEN
r.EDRTJKT TER ZüID-HOLLANDSCIIE ROEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0393 6899
FANTASIÃN
naar het engelsch
OSCAR WILDE
JVIet eene voorrede van Pr. f. JJ. ^.itter
Warmte en warmte zijn twee.
Wanneer de Hoogleeraar in de Natuurkunde bet hoofdstuk over de warmte behandeld heeft, zijn we er nog niet.
Ik heb b. v. een Mijnheer gekend, die, in een dikken pels gedoken, toch rilde van de koude. Hij had veel geld, maar arbeidde niet en gaf ook niet. De eene dag geleek precies op den andere, want daar hij had uitgenoten, bestonden er voor hem geen vermaken meer. O, het was zoo koud onder dien pels.
Ik heb menschen ontmoet, gezeten in een salon, bekleed met Smir-naasch tapijt, bij een stralenden haard â en de kilheid viel er op U.
Ik heb in de gangen van paleizen, door calorifcrcs verwarmd, den dood hooren loopen op fluweelen muilen, zoo laag als er de temperatuur was.
En omgekeerd heb ik warmte gevoeld onder menschen, die alles heel nauwkeurig moesten berekenen, wilden zij toekomen.
Ik heb een metselaar gezien, op een guren Decemberavond, in een
VOORREDE.
onbewoond huis, op de knieën bij een klein lichtje de tegels van een gang afschurende. Toch was het warm onder dien blauwen kiel. Hij mocht overwerken, want dat huis moest gereed. En door dat overwerken kon hij een paar laarzen koopen voor zijn tienjarig zoontje. Dat kind had nooit klompjes gedragen â punt van eer bij de armen! â En dat had er nu toch van moeten komen. Maar nu kon hij Zaterdag avond die laarzen koopen en hij zou ze stilletjes neerzetten voor het bedje van het kind. En dan . .. die oogen bij het ontwaken, Zondag morgen! Ik zeg U dat het warm was onder den kiel van den schurenden metselaar, in dat leege, koude huis.
Natuurlijk â warmte èn in physischen èn in psychischen zin, dat is het aangenaamste van alles; maar moeten we tusschen die twee kiezen â dan de kiel van den metselaar boven den pels van dien Mijnheer.
Want physische warmte zonder psychische dat is héél schrijnend â door het contrast, weet u.
En toch, dat contrast is zoo gemakkelijk op te heffen. Er zijn veel middelen daartoe. Een er van wil ik noemen; heb wat deernis met hulpbehoevenden; wat mededoogen met lijdenden; breng wat ten ofter; denk wat minder aan het â ikquot; en wat meer aan den ander. In het kort â heb wat liefde voor de menschen, en uit die liefde door daden van goedheid en barmhartigheid, dan rijst de temperatuur der ziel, zooals de kwik in den thermometer, dien ge omklemt met de hand.
Wijsheid en wijsheid zijn twee.
Er is een wijsheid, die rekent. Vier is twee maal twee. De mensch kan niet leven zonder brood, niet leven van rozengeur en wat er verder volgt. âBrood is de Heiland der wereldquot; zoo liet een sociaal-democraat eenmaal drukken, met zijn naam er onder.
VI
VOOKREDE.
Is er nu ook een wijsheid, die niet rekent?
Zie, rekenen is een lief vak. Een wijsheid, die niet rekende, zou geen -wijsheid zijn. En daarom geloof ik eerder, dat de nuchtere wijsheid, die men berekenende noemt, niet te veel, maar te weinig rekent.
Van meesters in de mathesis heb ik wel eens vernomen, dat een vraagstuk niet behoorlijk wordt opgelost, wanneer men een of meer gegevens vergeet op te nemen in de bewerking. En nu zoude ik zoo zeggen, wanneer brood 's werelds Heiland is, dan zijn van alle schepselen geene gelukkiger dan het grazend vee. En dat is toch niet waar. Die metselaar b.v. was dien Zondagmorgen, toen zijn kleine Jongen rond de nieuwe laarsjes liep, en beurtelings vader on moeder om den hals vloog, toch wel iets gelukkiger dan een redeloos dier. De nuchtere wijsheid, die niet wil leven bij gelooven, maar bij weten; niet bij beminnen maar bij hebben; niet bij offer maar bij bezit; die wijsheid trekt hare slotsommen uit alle gegevens min één â het gemoed. En zoo iets is er toch ook in den mensch, en heeft in den mensch recht van bestaan; en laat zich niet verwaarloozen, zonder zich gevoelig te wreken â door een foutieve uitkomst van de berekening. Gewis, daar is iets in den mensch, dat hem drijft sommige dingen te doen, zonder vooruit te weten of hij er wel wat aan heeft.
Of het nu wijs is daaraan toe te geven? Is offer brengen zonder vrucht niet zeer onpractisch ?
Of de menschen het willen aannemen of niet: het practische leeft van het onpractische. Of de wijsheid der wereld de dwaasheid van ongemotiveerde belangstelling, van belangelooze toewijding; of de wijsheid der wereld de dwaasheid van een verheven zelfoffer begrijpen kan of niet â toch is het waar: de menschheid kan die dwaasheid niet missen. Zij leeft er van.
Al wat der menschen adel uitmaakt, al wat den mensch meer maakt dan dier, heeft de menschheid aan die dwaasheid te danken. En meer.
VII
VOORREDE.
Al wat de practische wereldwijsheid zoo lief heeft, stoomwerktuigen, machines, â het zoude niet daar zijn, zoo er geen mensehen waren geweest, die in deze dwaasheid hadden geleefd. Mensehen, die bloemen en zonnestralen van hooger orde hebben geacht dan boter en kaas; die ingespannen onderzoek verkozen boven gemakkelijk geldverdienen; die zich hebben moe gepeinsd, levende in schamele omstandigheden, liever dan hun hart op te halen aan het leven â deze dwazen zijn en worden bespot door de welgedane practici â maar in werkelijkheid leven die practici van de kruimkens, welke afvielen van de tafel dezer dwazen.
Ieder die spreekt over deze twee:
warmte van ziel door daden van liefde, en
wijsheid des levens, bestaande in het met zelfverloochening grijpen naar een ideaal,
is een weldoener der menschheid. En wie de gave bezit, daarover zóó te spreken, dat de menschen naar hem luisteren, die is nog meer; die behoort tot de uitverkorenen, tot wie de stem des Heeren heeft gesproken : gaat heen, troost mijn volk!
Zulk een is Oscar Wilde. In twee phantasieën â over een zwaluw, die het warm had, ofschoon het zoo koud was; en over een nachtegaal, die zijn hartebloed ten offer bracht maar juist daardoor de schoonste tonen zong â heeft hij van warmte en wijsheid gesproken, en zóó, dat hij indruk maakt op den lezer.
Het is goed dat die phantasieën zijn naverteld in het Nederlandsch. Want ook Nederland heeft wel behoefte aan een stem méér, bij de stemmen, die reeds opriepen tot hooger en edeler opvatting des levens.
VIII
voorreue.
Men zal die phantasiecn kunnen koopen op de tentoonstelüng, die de volgende week in deze stad zal gehouden worden.
En dit zal niet de minst nuttige uitwerking dier teiitoonstelling zijn.
Ik breng den mij onbekenden vertaler mijn hartelijken groet. Utkrcut, 3 April 1889.
Eenige maanden geleden werden de eerste twee der hierbij verschijnende Phantasiecn met een bepaald doel in enger kring verkocht.
Van die twee trachtte ik de strekking aan te duiden in bovenstaande regelen, toen in het Utrechtsch Dagblad opgenomen.
Aan het vereerend verzoek ze voor deze uitgave af te staan, voldoe ik gaarne.
Eene ontleding van de derde en vierde Phantasie laat ik thans aan de lezers over. Hartelijk hoop ik, dat hun aantal groot moge zijn, want wie dit boekje, na het gelezen te hebben, uit de handen legt, ervaart den zegen eener zachte stemming.
P. H. KITTE R.
Utrecht, 9 September 1889.
ix
DE GELUKKIGE PRIIS.
iiiBli 00g boven de gebouwen der stad, verhief zich, op een slanke zuil, het standbeeld van den Gelukkigen Prins.
Hij was geheel met fijn bladgoud bedekt; twee schitterende saffieren waren zijne oogen en op het gevest van zijn degen prijkte een groote, roode robijn.
Algemeen werd hij zeer bewonderd.
âHij is nog mooier dan een windhaanquot;, merkte een lid van den Gemeenteraad aan, die den naam van kunstkenner wenschte te verwerven, âmaar niet zoo nuttigquot;, voegde hij er ijlings bij, uit vrees, dat men hem voor onpractisch zou houden, en dat was hij waarlijk niet.
âWaarom kunt ge niet zijn als de Gelukkige Prinsquot;, vroeg een verstandige moeder aan haar zoontje, dat juist huilend verlangde naar de maan. â De Gelukkige Prins huilt nooit om iets, van zijn leven nietquot;.
DE GELUKKIGE PRINS.
âIk ben blij dat er tocli iemand in de wereld volmaakt gelukkig isquot;, mompelde een teleurgesteld man, met een blik omboog naar bet wonderscboone beeld.
âHij ziet er uit als een engelquot;, zeiden de weesmeisjes, toen zij uit de Kathedraal kwamen, een lange bonte scbaar in scharlaken mantels, met helder witte boezelaars.
âWat weet gijlieden daarvanquot;, sprak de Leeraar in de Meetkunde, âgij hebt er nooit een gezienquot;.
âJa zeker, wij hebben er in onze droomen gezienquot;, antwoordden de kinderen, en de Leeraar in de Meetkunde fronste de wenkbrauwen en zette een streng gezicht, want hij keurde het af, dat kinderen droomen.
12
Het gebeurde op een nacht dat een kleine Zwaluw over de stad heenvloog. Al zijne magen en vrienden waren reeds zes weken te voren naar Egypte getrokken, hij was achter gebleven, omdat hij verliefd was op het Schoonste Riet.
Vroeg in het voorjaar, toen bij langs de oevers der rivier een groote gele mot vervolgde, had hij haar ontwaard, hij
DE GELUKKIGE PRIXS.
13
werd zoo door haar slanke leest aangetrokken, dat hij stil hield om haar aan te spreken.
âMag ik n beminnenquot;, vroeg de Zwaluw, die gaarne met de deur in huis vloog, en het Schoonste Riet maakte een diepe buiging voor hem. De Zwaluw vloog in kringen om haar heen, de toppen zijner vleugels raakten telkens het water en deden het als zilver blinken. Dat was zijne wijze
â't Is een bespottelijke vrijage tjilpten de andere zwaluwen, âzij heeft geen geld en veel te veel famieljequot;. De rivier was
DE GELUKKIGE PRINS.
inderdaad vol Rieten. Toen het nu najaar werd, vlogen de zwaluwen alle lieen.
Na hun vertrek voelde hij zich eenzaam en verlaten, en zijne beminde begon hem te vervelen. â Zij mist alle conversatiequot;, zeide hij, âen dan, ik vrees dat zij eene coquette is, zij is gedurig aan het âflirtenquot; met den windquot;. Zeker is het, dat, zoodra het minste koeltje woei, het Schoonste Riet de meest bevallige knikjes en buigingen maakte. âToegeven moet ik dat ze huiselijk is, maarquot;, ging hij voort, âik houd van reizen, daarom moet mijne vrouw ook van reizen houdenquot;,
âquot;Wilt gij met mij medegaanquot;, vroeg hij haar ten leste, maar het Schoonste Riet schudde het hoofd: zij was zoo aan haar land gehecht. âGe hebt mij voor den gek gehoudenquot;, riep hij uit. âIk ga naar de Pyramiden, vaarwelquot;! en voort was hij.
Hij vloog den ganschen langen dag en bereikte eerst tegen donker de stad.
âWaar zal ik logeeren?quot; zeide hij. âIk mag lijden dat de stad maatregelen getroffen heeftquot;. Toen ontwaarde hij het beeld op de slanke kolom. âDaar zal ik logeerenquot;, riep hij uit, â't is een mooie ligging en er is overvloed van versche luchtquot;. Hij landde juist tusschen de twee voeten van den Gelukkige Prins aan. âIk heb een gouden slaapkamerquot;, sprak hij zachtjes tot zich zeiven, rondkijkend vóór hij zich ter
14
DE GELUKKIGE PRIXS.
ruste begaf, maar net toen hij zijn kopje onder den vleugel wilde duiken, viel er een groote droppel op hem neer. âHoe vreemdquot;, riep hij uit, âgeen wolkje is er aan den ganschen hemel te zien, de sterren flikkeren, en toch regent het; het klimaat in het noorden van Europa is toch verschrikkelijk. Het Schoonste Riet hield van den regen, maar dat was louter egoïsmequot;. Daar viel een tweede droppel.
âWaar dient een beeld wel toe, als het niet eens voor regen schut? Ik móet naar een ordentelijke schoorsteenkap uitzienquot;, en hij maakte zich gereed om op te breken. Maar vóór hij zijne vleugels had uitgebreid, viel er een derde droppel, die hem op deed kijken en hij zag â ja, wat zag hij?
De oogen van den Gelukkigen Prins waren met tranen gevuld en tranen biggelden langs zijn gouden wangen. Zijn aangezicht, door den helderen maneschijn verlicht, was zoo schoon, dat de kleine zwaluw diep medelijden kreeg. âWie zijt gijquot;? zeide hij.
âIk ben de Gelukkige Prinsquot;.
âWaarom weent gij danquot;? vroeg de Zwaluw, âik ben druipnat door uwe tranenquot;.
âToen ik nog leefde en een menschenhart in mij kloptequot;, antwoordde het beeld, âkende ik geen tranen, want ik woonde in het slot Zonder-Zorg, waar geen verdriet mag binnentreden. Over dag speelde ik met mijne makkers in den tuin en 's avonds
15
DE GELUKKIGE PRINS.
leidde ik de dansreien in de groote zaal. De tuin was omgrensd door een zeer lioogen, dikken muur, maar ik bekommerde mij niet over hetgeen daar buiten lag, want al wat mij omringde was zoo schoon. Mijne hovelingen noemden mij den Gelukkigen Prins en dat was ik inderdaad, indien genot hetzelfde is als geluk. Zoo leefde ik en zoo ben ik gestorven. Maar, nu ik dood ben, hebben ze mij zoo hoog gezet, dat ik al de armoede en ellende van mijn arme stad kan zien, en al is mijn hart van lood, kan ik het schreien niet latenquot;.
âWat, zou hij niet van massief goud zijn?quot; dacht de Zwaluw bij zichzelven. Hij was veel te beleefd om zoo iets persoonlijks hardop uit te spreken.
âEen eind weg hiervandaanquot;, ging het beeld voort, met een zachte, welluidende stem, â heel ver weg in een nauw straatje, is een armoedig huisje. Een der venstertjes staat open, en ik zie eene vrouw aan eene tafel gezeten. Haar gelaat is bleek en uitgeteerd, hare handen zijn rood, gezwollen en door naaldenprikken ontsierd; zij is eene naaister en bezig passiebloemen te borduren op een satijnen kleed, dat de liefelijkste van de hofdames der Koningin op het eerste hofbal dragen zal. In een hoek van het armoedig kamertje ligt haar kind ziek. De kleine jongen huilt, weent in de heete koorts en vraagt een cinaasappel. Maar zijne moeder kan hem slechts eene teug water tot laving geven en het kind schreit voort.
16
DE GELOKKlCiE PRINS.
Zwaluw, zwaluw, kleine zwaluw, wilt gij aan die arme moeder den robijn uit liet gevest van mijn degen brengen? Ik ben aan dit voetstuk vastgeklonken en kan mij niet bewegenquot;.
âIk word in Egypte verwachtquot;, zeide de Zwaluw, âmijne magen vliegen langs den Nijl en babbelen daar met de grcote lotusbloemen. Weldra nestelen ze in bet graf van den grooten Koning. De groote Koning zelf ligt daar in zijn gescliilderde kist, hij is omwonden met geel geworden reepen linnen en is met specerijen gebalsemd. Om zijn hals hangt een sierlijke keten van lichtgroen jaspis en zijne handen lijken op verdorde bladeren
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluwquot;, sprak de Prins, âwilt gij niet één nacht bij mij blijven en mijn boodschapper zijn? Die jongen heeft zoo'n dorst en de moeder is zoo bedroefdquot;.
âIk geloof niet dat ik van jongens houdquot;, antwoordde de Zwaluw. âVerleden zomer, dien ik bij de rivier doorbracht, waren er twee ruwe knapen, zonen van den molenaar, die mij steeds met steenen smeten. Ze hebben mij natuurlijk nooit geraakt, daar vliegen wij zwaluwen te goed voor, bovendien is mijne familie altijd bekend geweest wegens bizondere vlugheid â maar toch, het was een bewijs van minachtingquot;.
De Gelukkige Prins zag er zoo bedroefd uit, dat de kleine zwaluw ontroerde. âJt Is hier onaangenaam koudquot;, zeide hij,
âmaar ik zal een' nacht bij u blijven en uw boodschapper zijnquot;.
2
17
DE GELUKKIGE PRINS.
âDank u, kleine Zwaluwquot;, zeide de Prins.
De Zwaluw pikte den grooten robijn uit liet handvest van 's Prinsen degen en vloog er mede in zijn bek over de spitse daken der stad.
Hij kwam den Domtoren voorbij, waarop de witte engelen gebeeldhouwd staan. Hij kwam het paleis voorhij en hoorde dansmuziek. Een wonderschoon meisje trad met haar minnaar uit de zaal op bet balkon. âWat schitteren de starren prachtigquot;, zeide hij tot haar, â en hoe wondergroot is de macht der liefdequot;. âIk hoop dat mijn toilet gereed zal zijn voor het eerste hofbalquot;, antwoordde zij, âik heb er passiebloemen op laten borduren, maar naaisters zijn zoo luiquot;.
Hij vloog over de rivier en zag de lichten hangen in de masten der schepen. Hij zweefde ook over het Ghetto en zag er oude joden onder elkaar schacheren en geld wegen in koperen schalen.
Eindelijk bereikte hij het arme huisje en, toen hij naar binnen keek, zag hij het kind nog op zijn bedje woelen, geteisterd door de koorts; de moeder was zittende in slaap gevallen, zij was zoo afgetobd. Hij huppelde naar binnen en leide den grooten robijn naast den vingerhoed op de tafel. Toen vloog hij zachtjes rond het ziekbed, bet heete voorhoofdje met zijn wiekslag waaiend. â Hoe heerlijk koelquot;, zeide het kind, âik word zeker beterquot;, en hij viel in een verkwikkenden slaap.
18
DE GELUKKIGE PRINS.
Toen vloog de zwaluw terug naar den Gelukkigen Prins, om hem alles te berichten. â Zonderlingvoegde hij er bij, âik heb het lekker wai'm op 't oogenblik, ofschoon het zoo koiid isquot;.
âDat is omdat gij een goede daad hebt verrichtquot;, zeide de Prins. De kleine Zwaluw begon over dat woord na te denken maar viel spoedig in slaap. Peinzen maakte hem altijd heel slaperig.
Bij het krieken van den dag vloog hij naar de rivier, om er een bad te nemen. âWelk een opmerkelijk natuurverschijnse^,, zeide de Professor in de Vogelkunde, die juist over de brug ging. âEen zwaluw in den winterquot;, en hij schreef daarover een lange verhandeling in de krant. Iedereen sprak over dit artikel en haalde het aan; het was ook zoo vol lange woorden, die niemand begreep.
âVan avond vertrek ik naar Egypte!quot; en hij was over het vooruitzicht opgetogen. Intusschen ging hij al de voornaamste gebouwen bezoeken en bracht een gcruimen tijd boven op den kerktoren door. Waar hij ook kwam tjilpten de musschen fluisterend onder elkaar: âWelk een groot heer, zeker een voornaam vreemdelingquot; â hij vermaakte zich dus buitenmate.
Toen de maan opkwam vloog hij terug naar den Gelukkigen Prins.
âHebt gij ook commissies voor Egyptequot;, riep hij hem toe, âik sta op het punt om te vertrekkenquot;.
19
DE GELUKKIGE PRINS.
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluw, wilt gij niet één' nacht langer bij mij blijvenquot;.
âIk word gewacht in Egyptequot;, antwoordde de Zwaluw. âMorgen trekken mijne magen tot de tweede Cataract. Daar ligt het Nijlpaard verscholen tusschen het hooge riet en op een troon van graniet zit de God Memnon. Gedurende den ganschen nacht tuurt hij naar de starren en, verschijnt de morgenster, dan slaakt hij een enkelen kreet van vreugde en zwijgt verder. En te middag komen de gele leeuwen aan den wateroever hun dorst lesschen. Ze hebben oogen als groene smaragden en hun brullen klinkt luider zelfs dan het brullen van de woeste cataractquot;.
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluwquot;, zeide de Prins, âaan het uiteinde der stad zie ik op een dakkamertje een jongeling. Hij zit gebogen over een lessenaar met papieren bedekt, naast hem staat een glas met een tuiltje verlepte viooltjes. Zijn krullend haar is kastanjebruin, zijn lippen zijn rood als een granaatappel, hij heeft groote, droomerige oogen. Hij tracht een stuk te eindigen, waarop de directeur van den schouwburg wacht, maar de jongeling heeft het te koud om verder te dichten. Er is geen vuur in den haard en de honger nijpt hemquot;.
âIk zal nog een nacht wachtenquot;, zeide de Zwaluw, die waarlijk een goed hart had. â Zal ik hem nog een robijn van u brengen?quot;
20
DE GELUKKIGE PRINS.
âHelaas! Ik heb geen robijn meerquot;, zeide de Prins. âMijne oogen zijn al wat mij nu rest; ze zijn van kostbare saffieren gemaakt, die duizend jaar geleden uit Indië aangevoerd zijn. Pik een van mijne oogen uit en brengt dit aan den dichter. Hij kan het aan een juwelier verkoopen, daarvoor voedsel en brandstoffen koopen en zijn stuk voltooienquot;.
âDierbare Prins, dat kan ik niet doenquot; zeide de Zwaluw, en hij begon te weenen.
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluw, doe volgens mijn bevelquot;.
âEn de Zwaluw pikte het oog van den Prins uit en vloog er mede naar het dakkamertje van den jongen dichter. Het was makkelijk genoeg er binnen te komen, daar er een groot gat in het dak was. Hij vloog er door in huis en landde op het zoldertje aan. De jongeling had het gelaat verborgen in zijne handen, zoodat hij het geruisch van den vogel niet gehoord had, en, eerst toen hij opkeek, ontwaardde hij den heerlijken saffier liggend op de verlepte viooltjes.
âEindelijk begin ik gewaardeerd te wordenquot;, zeide hij, âdit is eene hulde van een mijner bewonderaars! Nu kan ik mijn stuk afmaken!quot; en een glans van geluk scheen op zijn gelaat.
Den volgenden dag vloog de Zwaluw naar de haven; hij zette zich op den mast van een groot schip en keek van daar met belangstelling naar de werkzaamheden der matrozen, die
21
DE GELUKKIGE PRINS.
met dikke touwen groote kisten uit liet ruim der schepen opheschen. âHaalt op, jongensquot;, riepen zij telkenmale als er eene kist te voorschijn kwam.
â Ik ga naar Egypte zeide de Zwaluw, blij te moede, maar niemand lette op zijne stem, en toen de maan opsteeg keerde hij naaiden Grelukkigen Prins terug.
â Ik ben gekomen om u vaarwel te zeggenquot;, riep hij reeds uit de verte.
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluwquot;, zeide de Prins, âwilt gij niet nog een nacht bij mij blijven?quot;
âHet is winterquot;, antwoordde de Zwaluw, âen weldra zal hier alles onder de koude sneeuw bedolven zijn. In Egypte schijnt de zon warm op de groene palmboomen en de krokodillen wentelen zich in de slib, terwijl zij lui en langzaam de oogen rollen. Mijne magen bouwen nesten in den Tempel van Baalbec en witte en rose duiven slaan ze trekkebekkend gade. Waarde Prins, ik moet u verlaten, maar ik zal u nimmer vergeten en in het voorjaar zal ik twee kostbare edelgesteenten voor u mede brengen, in plaats van degene, die gij hebt weggeschonken. De robijn zal zijn rooder dan de
22
DE GELUKKIGE PKINS.
prachtigste roos, de saffier even blauw als de groote oceaanquot;.
âOp de markt hier onder staat een arm meisje dat zwavelstokken verkooptquot;, zeide de
(xelukkige Prins. âZe heeft hare koopwaren in de goot laten vallen, nu is alles bedorven. Haar vader, als zij tehuis komt zonder eenig geld te hebben verdiend, zal haar slaan. Zie, zij schreit. Zij heeft noch schoenen noch kousen aan. Ach! pik mijn tweede oog uit en geef het haar, dan zal haar vader ze niet mishandelenquot;.
âIk zal nog een nacht hij n blijvenquot;, zeide de Zwaluw, âmaar uw oog uitpikken, dat wil ik niet doen. Dan zoudt ge geheel blind zijnquot;.
âZwaluw, zwaluw, kleine zwaluw, doe wat ik u beveelquot;, zeide de Prins.
En de Zwaluw gehoorzaamde, pikte het kostbaar oog van den Prins uit en vloog er mede naar beneden. Fluks vloog hij langs het weenend lucifers-verkoopstertje en liet den prachtigen
23
DE GELUKKIGE PRINS.
steen in haar hand glijden. âO! welk een beeldig stukje glasquot;, zeide het kind en liep lachend naar huis.
De Zwaluw kwam bij den Prins terug. âGe zijt nu blindquot;, zeide hij, âdaarom zal ik bij u blijven, â altijdquot;.
âNeen, kleine Zwaluwquot;, zeide de arme Prins, âgij moet heengaan naar Egypte quot;.
âIk zal bij u blijven, â altijdquot;, herhaalde de Zwaluw, zich nestelend aan de voeten van den Prins.
En den volgenden dag bleef de Zwaluw zitten op 's Prinsen schouder en deed hem wonderbare verhalen van al hetgeen hij in verre landen gezien had. Hij vertelde van de roode ibissen, die in lange rijen staan aan de oevers van den Nijl en, met hun snavel, gouden visschen vangen; van de Sfinx, zoo oud als de wereld zelve, die in de woestijn leeft en alles, alles weet; van de kooplieden die langzaam naast de kameelen loepen en groote kralen van amber in de handen dragen; van den Koning van het Maangebergte, die zoo zwart is als ebbenhout en een groote kristallen zuil aanbidt; van de groene reusachtige slang die op een palmboom huist en twintig priesters in haar dienst heeft, die haar met honigkoeken voeden, en van de Pigmeën die een breed meer oversteken op groote vlakke bladeren en steeds oorlog voeren tegen bonte vlinders.
âMijn lief Zwaluwtjequot;, zeide de Prins, âwonderbaar zijn
24
DE GELUKKIGE PRINS.
de verhalen die gij mij doet, maar wonderbaarder dan dit alles, is liet bitter lijden der menschheid. Er is geen grooter mysterie dan dat der Ellende. Gra, vlieg over mijne stad en zeg mij, vertel mij, van hetgeen gij daar zietquot;.
Zoo vloog de Zwaluw dan over de groote volkrijke stad, en zag er de rijken die zich in hun schoone paleizen vroolijk maakten, terwijl er bedelaars aan hun poorten zaten. Hij vloog in de nauwe sloppen en zag er de bleeke gezichten van uitgehongerde kinderen, die onverschillig naar de donkere straten staarden. Onder den boog eener brug zag hij twee kleine jongens die in eikaars armen lagen, om zich een weinig te verwarmen. âWat hebben wij een hongerquot;, zeiden ze.
âGrij moogt daar niet liggenquot;, snauwde hun de nachtwacht toe, en ze moesten de armoedige schuilplaats verlaten en in den regen verder gaan.
Toen vloog hij terug en verhaalde aan den Prins wat hij gezien had.
âIk ben bekleed met fijn bladgoudquot;, zeide de Prins, âdat moet gij er stuk voor stuk afnemen en geven aan mijn arm volk; de levenden gelooven dat goud hen gelukkig maken kan.quot;
En de Zwaluw pikte al het goud af, het eene blad na het andere, tot de Prins er heelemaal dof en grauw uitzag. Het eene blad goud voor en het andere blad goud na bracht hij aan de armen, tot de gezichtjes der kinderen bloeiend van
25
DE GELUKKIGE PRINS.
26
gezondheid werden en ze lacliten en speelden allerlei spelletjes op straat. âNu hebben wij broodquot;, juichten ze.
Toen kwam sneeuw, en na de sneeuw vorst. De straten zagen er uit als waren ze van zilver, zoo helder en schitterend was alles; van de daklijsten hingen lange ijskegels, die op kristallen dolken geleken ; iedereen ging in eene pelsjas gehuld en de kleine jongens droegen scharlaken mutsen en reden schaatsen op het ijs.
Het arme zwaluwtje kreeg het al kouder en kouder, maar hij wilde den Prins niet verlaten, daarvoor had hij hem veel
DE GELUKKIGE PRINS.
te lief'. Hij pikte enkele kruimeltjes voor de deur van een bakker, als deze den rug had gekeerd, en poogde zich met klapwieken een beetje te verwarmen.
Maar eindelijk voelde hij, dat hij sterven moest. Hij had nog juist kracht genoeg om op den schouder van den Prins te vliegen. âVaarwel, beminde Prins,quot; fluisterde hij. âIs het mij vergund uwe hand te kussen?quot;
âIk verheug mij, mijn kleine Zwaluwquot;, zeide de Prins, âdat gij eindelijk naar Egypte vertrekt. Te lang reeds zijt ge hier gebleven, maar gij moet mij op den mond kussen, want ik heb u liefquot;.
âNaar Egypte ga ik nietquot;, zeide de Zwaluw, âik ga naar de woning van den Dood. De Dood is immers de broeder van den Slaap?quot;
En hij kuste den Gelukkigen Prins op den mond en viel dood aan zijne voeten neder. Op ditzelfde oogenblik hoorde men een zonderlingen knal binnen in het beeld, alsof er iets gebroken was. Inderdaad, het looden hart was juist midden door gebarsten. De vorst was dan ook buitengemeen streng.
Den volgenden dag, 's morgens vroeg, wandelde de Burgemeester op de markt, met een paar leden van den Gemeenteraad, op en neer. Toen ze bij de kolom kwamen, keken ze omhoog naar het beeld. âWel, wel, wat ziet de Gelukkige Prins er sjofeltjes uitquot;, zeide hij.
âWaarlijk sjofelquot;, riepen de leden van den Raad, die het
27
DE GELUKKIGE PRINS.
altijd stelselmatig eens waren met den Burgemeester, en ze naderden, om het beeld nauwkeuriger te beschouwen.
âDe robijn is uit zijn degen gevallen, zijne oogen zijn weg en bij is niet meer verguldquot;, zeide de Burgemeester, âbij ziet er nu eigenlijk niet veel beter uit dan een bedelaar!quot;
âNiet veel beter dan een bedelaarquot;, zeiden de beide leden van den Raad.
âEn bier ligt een doode vogel aan zijne voetenquot;, ging de Burgemeester verontwaardigd voort. âWij moeten waarlijk eene verordening uitvaardigen, dat bet niet aan vogels veroorloofd is bier te komen stervenquot;. En de stadsschrijver maakte van die invallende gedachte dadelijk eene aanteekening.
Zoo werd het beeld van den Gelukkigen Prins omver gehaald. âDaar hij niet langer schoon is, is hij niet langer nuttigquot;, merkte de Professor in de Aesthetica op.
Het beeld werd in een hoogoven gesmolten en de Burgemeester belegde eene vergadering van al de vroede mannen, om te beramen wat men met het verkregen metaal zou doen. âNatuurlijk moeten wij een ander standbeeld hebben, en, â het zal een beeld van mijzelven zijnquot;.
âVan mijzelven zijnquot;, zeide elk raadslid.
Daarop vingen ze aan te kibbelen. De laatste maal dat ik iets van hen mocht vernemen, waren zij nog aan het twisten.
âHoe vreemdquot;, zeide de opzichter van het werkvolk aan den
28
DE GELUKKIGE PRINS.
hoogoven, âdit gebroken looden hart hebben wij in den heetsten kroes niet kunnen smelten. Nu moet het weggegooid wordenquot;. En zij wierpen het op een vuilnishoop, waarop ook de doode zwaluw lag.
âBreng mij de twee kostbaarste voorwerpen die gij in de stad vinden kuntquot;, sprak Grod tot een zijner Engelen, en de Engel bracht Hem een looden hart en een dood vogeltje.
âGoed gekozenquot;, sprak God, âin mijn Paradijs zal deze kleine vogel voortaan eeuwig zingen en in mijne gouden Voor-hoven zal de Gelukzalige Prins mij eeuwig lovenquot;.
29
DE KACHTEGAAL EK DE ROOS.
DE NACHTECtAAL EN DE ROOS.
wat de wijze mannen hebben geschreven, al de diepten der wijsbegeerte heb ik mij eigen gemaakt, en nu, ziet.... door het gemis van een roode roos is mijn leven voor altijd verbitterdquot;.
âEindelijk vind ik nu toch een minnaar van den echten stempelquot;, zeide de Nachtegaal. âNacht op nacht heb ik hem bezongen, zonder hem ooit te ontmoeten, nacht op nacht heb ik zijne lotgevallen bezongen en aan de sterren verhaald; nu eindelijk leer ik hem kennen! Zijne haarlokken zijn donker als de donkerste hyacintebloesem en zijne lippen rood als de roos die hij begeert, maar de hartstocht heeft zijn gelaat vaal als ivoor geverfd en de smart heeft haar zegel op zijn voorhoofd gezetquot;.
âMorgen avond geeft de Prins een balquot;, zuchtte de jonge student, âen mijne liefste zal er zijn. Indien ik haar een roode roos kan brengen, zal ze tot den ochtendstond met mij dansen. Als ik haar een roode roos breng, zal ik haar in mijne armen sluiten. Zij zal haar kopje op mijn schouder leggen, haar handje zal in de mijne rusten. Maar in mijn tuin bloeit geen roode roos, zoo zal zij mij voorbijgaan, en ik zal eenzaam zitten, zij zal geen acht op mij slaan en mijn hart zal brekenquot;.
âWaarlijk, hier is de echte minnaarquot;, zeide de Nachtegaal; âwat ik bezing, voelt hij, wat mij vreugde is, is smart voor hem. Voorwaar! de Liefde is wonderbaar! Kostbaarder dan smaragden en duurder dan fijne opalen. Greene paarlen
31
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
of granaatappelen kunnen haar koopen en op de openbare marktplaatsen is ze niet veil. Van de kooplieden is ze niet te verkrijgen, noch tegen goud op te wegenquot;.
â De muziekanten zullen zitten op de galerijzeide de jonge student, âen zullen liefelijk snarenspel doen hooren en mijne liefste zal dansen op de tonen van viool en hai'p. Zoo luchtig zal zij dansen, dat haar voetjes nauwelijks het parket zullen raken en de hovelingen zullen bewonderend, zich rond haar scharen. Maar met mij zal zij niet willen dansen, want ik heb geen roode roos om haar te gevenquot;, en hij wierp zich voorover in het gras en boog het weenend gelaat in de handen.
âWaarom weent hij?quot; vroeg een kleine groene hagedis, die voorbij schoot, met den staart in de lucht.
âJa waarom?quot; zeide eene kapel, die een zonnestraal achterna dartelde.
âJa waarom?quot; fluisterde een madelief met een zacht stemmetje, tot haar naasten buurman.
â Hij weent om een roode rooszeide de Nachtegaal.
âOtn een roode roos!quot; riepen ze allen uit, âhoe bespottelijk!quot; en de cynische kleine hagedis proestte het uit van 't lachen.
Maar de Nachtegaal begreep de smart van den student, zwijgend zat ze op een eiketak en dacht na over de verborgenheden der Liefde.
Eensklaps breidde ze haar bruine vleugels uit en vloog
32
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
omhoog. Als eene schaduw kwam zij uit het bosschage en als eene schaduw vloog zij over den tain. In het midden van een grasperk stond een rozeboom; zoodra zij dezen zag vloog zij er heen en zette zich op een takje neder.
âGeef mij een roode roosquot;, zeide zij, âik zal u daarvoor mijn schoonste lied zingenquot;.
Maar de Boom schudde zijne kroon. âMijne rozen zijn witquot;, antwoordde hij, âwit als het schuim der zee en witter dan de sneeuw der bergen. Maar ga naar mijn broeder, die zich rond den ouden zonnewijzer strengelt, die kan u misschien geven wat gij begeertquot;.
De Nachtegaal vloog naar den ouden zonnewijzer en sprak den Rozestruik aldus aan âGeef mij een roode roos en ik zal u mijn schoonste lied zingenquot;.
Maar de roos schudde het hoofd en zeide â Mijne rozen zijn geel, geel als het haar van de Meermin, die op een troon van amber zit, en geler dan de boterbloem, die op het land prijkt vóór de maaier komt met zijne zeis. Maar ga naar mijn broeder die onder het raam van den student groeit, misschien geeft die u wat gij begeert
De Nachtegaal vloog naar de Roos die onder het venster van den student stond.
âGeef mij een roode roosquot;, 'riep zij, en ik zal mijn sclioonste
lied voor u zingenquot;. Maar de rozeboom schudde zijn hoofd.
3
33
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
âMijne rozen zijn roodquot;, antwoorde de Roos, rood als de pootjes der duiven en rooder dan liet koraal op de groote riffen van den Oceaan. Maar de winter heeft mijne aderen verstijfd, en de vorst heeft mijne knoppen verdord, en de storm heeft mijne takken geknakt en ik zal geen rozen dragen dit gansche jaarquot;.
âEen roode roos is al wat ik begeer, slechts eénequot;, riep de Nachtegaal, âis er dan geen middel om die te krijgen?quot;
âEén middel is erquot;, antwoordde de Rozehoom, âmaar dat middel is zoo vreeselijk, dat ik het u niet durf openharenquot;.
âZeg het mijquot;, zeide de Nachtegaal, âik vrees nietquot;.
âIndien gij een roode roos wilt hebbenquot;, zei de Boom, âzoo moet ge die bij maneschijn uit muziek scheppen en dan met uw hartebloed kleuren. Grij moet voor mij zingen, met uwe borst tegen een mijner doornen gedrukt. Den ganschen nacht moet gij voor mij zingen en de doorn moet in uw hart dringen, tot al uw bloed mijn wordt en in mijne aderen vloeitquot;.
âZoet is het leven en duur is het een roode Roos met den dood te betalen. Zoet is het om in het groene bosch te toeven, van daar de Zon in haar gouden koets te bespieden en de Maan in haar paarlemoeren karos na te staren. Zoet is de geur van den meidoorn en zoet is de aanblik der blauwe klokjes in de vallei en van het heidekruid dat op de heuvels bloeit. Maar de Liefde is hooger dan het Leven, en wat is het hart
34
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
van een vogel vergeleken met het liart van een menscli ?quot;
En zij spreidde liaar bruine vleugels uit ter vlucht en rees op in de lucht; als eene schaduw zweefde zij over den tuin en vloog als eene schaduw naar het bosschage terug.
De jonge student lag nog op dezelfde plek waar zij hem verlaten had, en de tranen in zijn mooie oogen waren nog niet gedroogd.
âTroost u, troost u, wees gelukkig!quot; riep de Nachtegaal, âgij zult uw roode roos hebben. Ik zelve zal ze bij maanlicht uit muziek scheppen en kleuren met mijn eigen hartebloed. Al wat ik tot belooning vraag is: wees een echte minnaar, want Liefde is wijzer dan Wijsbegeerte, als is die nog zoo wijs, en machtiger dan Macht, als is die nog zoo machtig. Haar vleugels hebben de kleur der vlam en vlammend is haar gansche gedaante. Haar lippen zijn zoet als honig en als wierook gaat haar adem uitquot;.
De student keek op van zijne rustplaats in het gras en luisterde, maar hij kon de taal der Nachtegaal niet verstaan, hij kende alleen wat in de boeken geschreven stond.
Maar de eikeboom verstond haar wèl en werd zeer bedroefd, want hij had de Nachtegaal, die in zijne takken nestelde, zeer lief.
âZing mij nog een laatste liedquot;, fluisterde hij, ik zal zeer eenzaam zijn als gij heengegaan zijtquot;.
35
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
Eu de Nachtegaal zong voor den eik en hare stem was liefelijk als water druppelend uit een zilveren vaas.
Toen het lied geëindigd was, stond de student op, haalde uit zijn zak een potlood en een notitiehoekje en schreef: âDe Nachtegaal heeft school en vorming â dat kan men haar niet ontzeggen, maar of ze gevoel heeft? Ik vrees van niet. Zij is, meen ik, als de meeste artisten, stijl, alles stijl en geen waarachtig gevoel, zij zoude zich niet voor een ander opofferen, zij denkt alleen aan muziek en ieder weet, dat de kunst zelfzuchtig is. Toch moet men toegeven dat zij eenige prachtige noten in hare stem heeft. Hoe jammer, dat ze niets heteekenen en eigenlijk geen practisch nut hebbenquot;.
Hij keerde naar zijne kamer en wierp zich op zijn schamel bedje, om aan zijne liefste te denken, maar hij viel weldra in slaap.
En toen de maan in de hemelen rees, vloog de Nachtegaal naar den Rozeboom en drukte hare borst tegen den doorn. Den ganschen nacht zong zij met hare borst tegen den doorn gedrukt, en de koude, kristalheldere maan boog zich neder, om naar haar te luisteren. Den ganschen langen nacht zong zij en de doorn drong dieper en dieper in hare borst, terwijl haar hartebloed wegvloeide.
36
DE NACHTEGAAL EN DE KOOS.
Eerst zong zij van de liefde, hoe die geboren wordt in het hart van een jongeling en een meisje.
Op het bovenste takje van den Rozeboom ontlook er een wonderbare Roos, blaadje vormde zich na blaadje, naarmate het eene lied het andere volgde. Bleek was de roos in den beginne, als de mist die 's ochtends over de rivier hangt, bleek als het krieken van den dag en zilver als do wieken van den dageraad. Als de schaduw van eene roos in een zilveren» spiegel, als het afbeeldsel van eene roos in een helder meer, zoo was de roos, die op het bovenste takje van den Rozeboom biocide. Maar de Boom riep tot de Nachtegaal en zeide: âDruk uwe borst nader tegen den doorn, o kleine Nachtegaal, of de dag zal aanbreken vóór de Roos voltooid isquot;.
En de Nachtegaal drukte harder en harder tegen den doorn en haar lied werd luider en luider, want zij zong van den hartstocht, die in de ziel geboren wordt van een man en eene maagd. En een zachte rose kleur verspreidde zich over de bladeren der roos, als de gloed die zich verspreidt over het gelaat van den bruigom, als hij de lippen kust zijner bruid.
Maar de doorn had het hart der Nachtegaal nog niet geraakt, daarom bleef het hart der roos nog. wit, want slechts het hartebloed van de Nachtegaal kon het hart der roos purper verven. En nogmaals riep de Boom om nader te drukken.
37
DE NACHTEGAAL EN DE EOOS.
âDruk harder, kleine Nachtegaal, of' de dag zal aanbreken vóór de roos voltooid is
De Nachtegaal drukte hare horst nog harder tegen den doorn en de doom raakte haar hart en zij voelde een vlijmende smart. Bitter, hitter was de smart, maar luider en wilder klonk haar lied, want nu bezong zij die Liefde, die sterker is dan de Dood, die Liefde, die niet sterft in het graf.
En de wonderbare Roos werd purper als de hemel in het oosten. Purper werd elk blaadje, en purper als een robijn werd het hart der Roos. Maar de stem van de Nachtegaal verflauwde, haar vleugeltjes klapwiekten en een nevel kwam voor haar oogen. Zwakker, steeds zwakker klonk haarlied, zij voelde dat de stem haar in de keel stokte. Op eens gaf zij nog één luiden, wclluidenden kreet. De bleeke Maan hoorde dien en den dageraad vergetend, bleef zij luisteren aan de kim. De roode Roos hoorde dien en trillend van verrukking opende zij haar kelk en zoog de morgenkoelte in. De echo hoorde dien en droeg hem naar de purperen grotten op de bergen en wekte de slapende herders uit hunne droomen. Hij dreef door de rieten heen naar de rivier, die de blijde boodschap aan de zee overbracht.
âZiet, zietquot;, zeide de Boom, âde roos is voltooid!quot; maaide Nachtegaal antwoordde niet. Zij lag dood in het gras, met een Jangen scherpen doorn, die haar het hart doorboorde.
38
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
En tegen den middag opende de student zijn venster om uit te kijken.
âWel, wat een buitenkansjequot;, zeide hij. âEen roode roos! In mijn leven heb ik zoo'u roos niet gezien! Ze is zoo buitengemeen schoon dat ze zeker een bizonder geleerden, latijnschen naam heeftquot;, en hij leunde uit het venster en plukte de roos. Daarna zette hij zijn hoed op en liep naar de woning van den professor, met de roos in de hand.
De dochter van den professor zat in het prieel, zij wond blauwe zijde op een klos en haar hondje rustte aan hare voeten.
âGij hebt gezegd dat gij met mij dansen zoudt als ik u een roode roos brachtquot;, riep de student, âhier is de schoonste, roodste roos ter wereld. Van avond moet gij die op uw boezem dragen, en terwijl wij samen dansen zal zij u zeggen hoezeer ik u beminquot;.
Maar het meisje fronste de wenkbrauwen. âIk vrees dat de kleur niet bij mijn kleed zal passenquot;, antwoordde zij; â bovendien heeft de zoon van den Kamerheer mij echte juweelen gezonden, en iedereen weet hoeveel kostbaarder juweelen zijn dan bloemenquot;.
âWelquot;, zeide de student op boozen toon, âik moet zeggen dat ge al heel ondankbaar zijtquot;, en hij wierp de roos op straat, waar zij in de goot viel en door het wiel van een voorbijgaande kar werd plat gereden.
39
DE NACHTEGAAL EN DE ROOS.
âOndankbaar!quot; zeide het meisje, âik zal u dan zeggen, dat ik u al heel onbeleefd vind â en wie zijt gij, bij slot van rekening. Een student, niets meer. Ik geloof niet eens, dat ge, zooals de zoon van den Kamerheer, zilveren gespen hebt op uwe schoenenquot;, en ze stond op en ging in huis.
âWat is Liefde toch eene dwaasheidquot;, zeide de student heengaande. âZij is niet te vergelijken bij de Logica, niet half zoo nuttig, want zij bewijst niets en spiegelt ons gedurig zaken voor, die toch niet gebeuren en doet ons dingen geloo-ven, die volstrekt niet waar zijn. Inderdaad, zij is geheel onpractisch, en daar het er in deze eeuw toch maar op aankomt om practisch te zijn, keer ik terug naar de Wijsbegeerte en ga Metaphysica studeeren.
En hij ging naar zijne kamer terug, haalde een groot, dik, stoffig boek te voorschijn en zette zich tot lezen.
40
DE ZELFZUCHTIGE REUS.
| Iken namiddag als ze vau de scliool terugkwamen, waren de kinderen gewoon te gaan spelen in den tuin van den Keus.
Het was een groote, beeldige tuin; het gras was er zoo groen en zoo zacht, en de bloemperken lagen op de grasvelden als starren aan den hemel gezaaid. Twaalf perzikboomen stonden er in, tijdens de lente overdekt met fijne rose en parelkleurige bloesems, in den herfst beladen met sappige vruchten. De vogels, op de takken gezeten, kweelden een zoo liefelijk lied, dat de kinderen soms hun spel staakten, om er naar te luisteren
DE ZELFZUCHTIGE REUS.
en vroolijk elkander toe te roepen âHoe heerlijk is het hier, wat zijn wij hier gelukkig! quot;
üp zekeren dag keerde de Reus terug; hij had een bezoek gebracht aan een bevrienden Reus; zeven jaren was hij daar gebleven, maar toen ook was hij uitgepraat, want zijne conversatie was nogal beperkt en, toen hij niets meer wist te zeggen, besloot bij huiswaarts te keeren en zijn intrek weder in eigen kasteel te nemen. Daar aangekomen zag hij de kinderen spelen in den tuin.
âquot;Wat doet ge hier?quot; riep hij op barschen toon en de kinderen liepen verschrikt weg.
âMijn tuin is mijn tuin, en behoort mij alléénquot;, zeide de Heus, â dat is eene redeneering die iedereen vatten kan, en ik zal niemand in mijn tuin laten spelen, niemand dan ik alléénquot;.
Daarop bouwde hij een hoogen muur rond zijn tuin en zette aan den ingang een bordje, waarop deze woorden te lezen waren: âVerboden Toegangquot;.
Hij was een zeer zelfzuchtige Reus.
Nu hadden de kinderen geene speelplaats meer; ze probeerden het wol op den straatweg, maar de weg was erg stoffig, lag vol steenen, en het was er niets prettig. Na schooltijd dwaalden ze rond den hoogen muur, vertelden elkander van den heerlijken tuin die daarachter lag én herhaalden menigmaal âWat hadden wij daar een pret, wat waren wij er gelukkig!quot;
42
DE ZELFZUCHTIGE REÃS.
Toen kwam de Lente en verspreidde over het gansche land kleine tengere bloesems en bloemen en kleine lieve zangvogels, maar in den tuin van den zelfzucbtigen Reus bleef het winter. De vogels wilden er niet zingen, omdat er geen kinderen in kwamen en de boomen vergaten zich met bloesems te tooien. Eens stak eene bloem het kopje uit het gras, maar toen zij het bordje zag en gelezen had wat daarop geschreven stond, was zij zoo bedroefd voor de kinderen, dat zij onder den grond kroop en weder insluimerde. Sneeuw en Vorst waren de eenige luitjes die in hun schik waren.
â De Lente heeft dezen tuin vergetenriepen zij verheugd, ânu kunnen wij hier het gansche jaar heerlijk, ongestoord, vertoeven
En de Sneeuw spreidde over het gras haar grooten , witten mantel en de Vorst verzilverde al de boomen, en toen zij daarmede gereed waren zonden ze eene uitnoodiging aan den Noordenwind, die haar volgaarne aannam. Hij kwam in zijn pels gehuld, bulderde den ganschen dag in den tuin en blies alles omver. â Welk een allerliefst oordzeide hij, âwij moeten vriend Hagel ook verzoeken. De Hagel kwam, met genoegen. Dagelijks kletterde hij uren lang op het dak van het kasteel, totdat hij bijna al do dakpannen had gebroken, en dan liep hij den tuin in razende vaart rond. Hij was geheel in het grijs gekleed en zijn adem was koud als ijs.
43
DE ZELFZUCHTIGE REÃS.
âIk begrijp er niets van dat de Lente nog niet komtquot;, zeide de zelfzuchtige Reus, die door het venster naar zijn kouden, witten tuin zat te kijken. âIk hoop dat het weêr spoedig om zal slaanquot;.
Maar de Lente kwam niet en de Zomer evenmin. De Herfst schonk overal gouden vruchten, behalve aan den tuin van den Reus. âDie is mij te zelfzuchtigquot;, zeide hij. Zoo bleef het daar steeds Winter; en Sneeuw en Vorst, Hagel en Noordenwind hielden er huis en heerschten ronddansend in den tuin.
Op een zekeren ochtend hoorde de Reus, toen hij nog in bed lag te dommelen, beeldige muziek. Het klonk zoo mooi, dat hij zich werkelijk verbeeldde dat het de muziek der koninklijke kapel was, die voorbij trok, terwijl het in waarheid slechts één klein vogeltje was, dat op het kozijn van zijn venster zat te zingen. Het was zoo lang geleden sedert hij iets dergelijks had gehoord, dat het hem liefelijker in de ooren klonk dan de schoonste muziek ter wereld. De Hagel eindigde met zijn gekletter, de Noordenwind hield op met bulderen, en een heerlijk malsche lucht drong door het geopend raam tot hem door. â De Lente is gekomen!quot; en de Reus sprong op om uit het venster te kijken.
En wat bespeurde hij?
Iets waarover hij zich zeer moest verwonderen. Door een kleine opening in den muur waren de kinderen binnen geslopen
44
DE ZELFZUCHTIGE REDS.
en nu zaten ze op de takken der boomen. Op eiken boom dien hij zien kon, zat een kindje. En de boomen waren zoo verheugd om weder kinderen te zien en bij zich te hebben, dat ze zich alle met bloesems getooid hadden en nu zachtkens met de takken wuifden over de hoofdjes der kleinen. De vogels vlogen heen en weder, tjilpend van genot en de bloemen keken lachend op, uit het groene gras. Het was een liefelijk tafereel; inéén hoek van den tuin was het echter winter gebleven. Het was de verst afgelegen hoek van den tuin, en een kleine jongen stond er alléén. Hij was zoo klein, dat hij niet tot de takken reiken kon en liep mistroostig en schreiend rond. De arme boom was met vorst en sneeuw bedekt, de Noordenwind blies en raasde nog over en door hem. âKlim op, mijn ventjequot;, riep de boom en boog zijne takken zoo laag mogelijk neer; maar het kindje was te klein.
En het hart van den Reus werd vermurwd, terwijl hij uitkeek. âWat ben ik zelfzuchtig geweestquot;, riep hij, ânu weet ik waarom de Lente hier haar intrek niet wilde nemen. Ik zelf zal dat jongske in den boom tillen en dan den muur omwerpen en mijn tuin zal voor immer en altijd den kinderen weder tot speelplaats dienenquot;.
Want hij had diep berouw over hetgeen hij gedaan had.
Heel stil sloop hij naar beneden, zachtjes opende hij de deur en trad in den tuin. De kinderen schrikten hevig en liepen
45
DE ZELFZUCHTIGE REUS.
haastig weg, en alles werd in den tnin weer winter. De kleine jongen alleen liep niet weg, zijne oogjes stonden zoo vol tranen, dat hij den Hens niet had zien aankomen. De Reus naderde hem zachtjes, nam hem vriendelijk bij de hand en tilde hem zeer omzichtig in den boom. Onmiddellijk bedekte de boom zich met bloesems en een heel koor van vogels brak uit in een jubelend gezang en zette zich op de takken neer. Het jongske strekte zijn beide armpjes uit, sloeg ze om den hals van den Keus en kuste hem.
En toen de andere kinderen zagen dat de Reus niet meer verbolgen was, kwamen ze terugloopen en met hen kwam de Lente.
46
DE ZELFZUCHTIGE REÃS.
En toen de mensclien tegen den middag naar de markt gingen, zagen zij den Reus spelend met de kinderen, in den beeldigsten tuin dien zij ooit aanscliouwd hadden.
Den ganschen dag speelden de kinderen daar, en 's avonds, toen ze den Reus goeden nacht kwamen wenschen, vroeg hij hun: âWaar is uw speelmakkertje, het lieve kind dat ik in den boom heh getild?quot;
De Reus had hem het meest van allen lief, omdat hij hem had gekust.
âWij weten het nietquot;, antwoordden de kinderen, âhij is verdwenenquot;.
â Zeg hem, dat hij morgen bepaald komen moetquot;, zeide de Reus; maar de kinderen zeiden niet te weten waar hetjongske woonde, en hem nooit te voren gezien te hebben. De Reus werd zeer bedroefd.
Eiken namiddag, als de school uit was, kwamen de kinderen en speelden vroolijk met den Reus, maar het jongske, dat hij boven alle anderen beminde, werd niet meer gezien. De Reus was zeer vriendelijk jegens alle kinderen, maar hij verlangde naar zijn eersten kleinen vriend en sprak menigmaal over hem, en dan placht hij te zeggen â Hoe gaarne zou ik hem terug zienquot;.
J aren en jaren verliepen, de Reus werd oud en zwak. Spelen en ravotten met de kinderen kon hij niet meer, maar hij zat
47
DE ZELFZUCHTIGE REUS.
in een heel grooten leuningstoel naar hen te kijken, en zijn tuin te bewonderen.
âIk heb prachtige bloemen1', zeide hij, âmaar de kinderen zijn toch de schoonste aller bloemenquot;.
Op een winterochtend keek hij onder liet aankleeden in zijn tuin. Hij haatte den Winter nu niet meer, hij wist nu, dat hij de Lente was die sluimerde en dat de bloemen uitrustten. Eensklaps wreef hij zich verwonderd de oogen, het was ook iets vreemds dat hij ontwaardde. In den uitersten hoek van zijn tuin stond een boom, overdekt met de liefelijkste bloesems.
De takken waren van goud en zilveren vruchten deden ze nederbuigen en onder dien boom stond het jongske, dat hij had lief gehad.
Zeer verheugd liep de Eeus de trappen af, den tuin in. Haastig liep hij over het gras naar het kindje. En toen hij nabij hem kwam werd het gelaat van den Reus vuurrood en toornig riep hij uit: âWie heeft u durven verwonden?quot; Want de handen van het kind waren doorboord en droegen de lit-teekenen van twee nagels en zijne voetjes droegen dezelfde teekens van wonden.
âWie heeft u durven verwondenquot;, vroeg de Reus andermaal. âZeg het mij, opdat ik mijn groot zwaard opneme en hem doodequot;.
48
DE ZELFZUCHTIGE REÃS.
âNiet aldusquot;, antwoordde liet kind, âwant deze zijn wonden der Liefdequot;.
âWie zijt gijquot;, zeide de Reus, overmeesterd door een diep ontzag, on hij knielde ootmoedig voor het kleine kind neder.
En het kind glimlachte en sprak den Reus vriendelijk toe, zeggende: â Eens hebt ge mij in uwen tuin laten spelen, heden zult ge met mij ingaan in mijn tuin â het Paradijsquot;.
En toen de kinderen dien middag den tuin inliepen, vonden ze den Reus liggen onder den hoom, dood, en overdekt met witte bloesems.
49
e kleine Prinses was jarig. Zij werd precies twaalf
[ VERJAARDAG DER KLEIM PRINSES.
'sjaar oud en de zon scheen luisterrijk in de tuinen van het Paleis.
Ofschoon zij waarlijk eene Prinses en nog wel een
Infante van Spanje was, had ze, evenals de kinderen van de armste ouders, slechts één geboortedag in liet jaar; het was dus natuurlijk voor het gansche land van het grootste gewicht, dat zij een bizonder mooien dag had voor die gelegenheid. En, wat dat betreft, het was een bizonder schoone dag. De hooge, gestreepte tulpen stonden recht overeind op haar stelen, net lange rijen soldaten, zij keken over het grasperk heen uittartend naar de rozen. âZeker zijn wij thans even schoon als gijquot;, zeiden zij. Purperen kapellen, de vleugels met goudstof bestrooid, daalden fladderend op alle bloemen beurtelings neder; de kleine hagedissen kropen uit de muurspleten te voorschijn om zicli in den witten gloed te zonnen; de granaatappelen , door de hitte gebarsten, vertoonden hun rood bloedend
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
hart. Zelfs de bleekgele citroenen die in menigte van de oude spalieren en langs de sombere booggewelven liingen, sclienen een rijkere kleur van den heerlijken zonnegloed te hebben opgevangen, en de magnolias openden haar groote, als uit dun ivoor gesneden, kelken en verspreidden in het rond een heerlijken, maar bedwelmenden geur.
De kleine Prinses wandelde met hare speelnooten het terras op en neer, of speelde er verstoppertje achter de marmeren vazen en tusschen de oude, met mos begroeide, standbeelden. Op gewone dagen mocht zij slechts spelen met kinderen van gelijken stand als zij zelve, dus moest zij zich alléén vermaken , maar haar verjaardag maakte eene uitzondering en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare tijdgenooten mocht noodigen wie zij wilde, om zich met hen te vermeien. Al deze slanke, Spaansche kinderen bewogen zich met een eigenaardige gratie; de jongens met groote pluimhoeden en korte, golvende hof-manteltjes, de meisjes de lange sleepjaponnen van brocaat ophoudende met de eene hand, terwijl ze in de andere groote waaiers van zwarte en zilveren veêren hielden, om zich tegen de zon te beschutten. Maar de Infante was de bevalligste van allen; zij was het sierlijkst uitgedost, naar den ietwat zwaar-moedigen smaak van dien tijd. Haar kleed was van grijs satijn, de sleep en de wijde pofmouwen i-ijk met zilver geborduurd, en. het stijve keurslijf bedekt met rijen echte paarlen. Twee
52
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
kleine muiltjes met groote rose rosetten, kwamen, bij iederen voetstap, van onder haar kleed te voorschijn. Parelkleurig en rose was de groote waaier en in het haar, dat heur Week gezichtje als met een mat gouden lichtkrans omgaf, prijkte een beeldige, witte roos. Aan een venster van het paleis zat de sombere, droefgeestige Koning naar haar te kijken. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Arragon, dien hij haatte, en naast hem zat zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur van Granada. Droefgeestiger zelfs tbin gewoonlijk was de Koning heden, want ziende naar de Infante, die met kinderlijke deftigheid voor de verzamelde hovelingen boog, of achter haar waaier de hertogin van Albuquerque, die haar steeds moest vergezellen , uitlachte, dacht hij aan de jonge Koningin, hare moeder, die zoo kort geleden â zoo kwam het hem ten minste voor â gekomen was uit het vroolijke Frankrijk, om weldra onder de sombere pracht van liet Spaansche hof weg te kwijnen en, juist zes maanden na de geboorte van haar kind, te sterven, vóór zij de amandelboomen ten tweeden male in den boomgaard had zien bloeien, of andermaal vruchten geplukt had van den ouden knoestigen vijgeboom, die midden in het thans met gras begroeide binnenhof stond.
Zoo groot was zijne liefde voor haar geweest, dat hij haar zelfs niet aan het graf had kunnen afstaan. Haar lijk was gebalsemd door een Moorschen geneesheer, aan wien ter belooning
53
DE VERJAARDAG DEE KLEINE PRINSES.
voor tien bewezen dienst, het leven werd geschonken, dat reeds, zoo fluisterde men, aan het H. Officie verbeurd was, wegens ketterij en verdenking van zwarte knnst. Nu lag zij nog op de rijk versierde lijkbaar in de zwart marmeren kapel van het Paleis, juist zooals de monniken haar derwaarts hadden gedragen, op dien guren Maartschen dag, nu bijna twaalf jaar geleden.
Elke maand ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel, een met floers omwonden lantaarn in de hand, bij hare baar knielen.
âMi reina! mi reinaquot;, riep hij dan, en soms de palen doorbrekend van die ijzeren etiquette, die in Spanje elke handeling beperkt en zelfs de droefheid van een Koning tracht te beheerschcn, greep hij die bleeke, met juweelen beladen vingers en, razend van smart, beproefde hij haar te wekken, met duizend vurige kussen op het koude, geblankette gelaat.
Heden meende hij haar weer te zien, zooals hij haar voor het eerst aanschouwd had in het Paleis van Fontainebleau, toen hij zelf slechts vijftien jaren telde en zij nog jonger was. Bij die gelegenheid waren ze plechtig aan elkander verloofd, door den pauselijken Nuntius, in tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en het gansche hof, en bij was naar het Escuriaal terug gekeerd, met een kleine lok van lichtblond haar, en de herinnering aan twee roode kinderlipjes, die zijne hand hadden gekust, terwijl hij in bet rijtuig steeg.
Later was het huwelijk haastig te Burgos, een kleine
54
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
stad, op de grensscheiding der twee koninkrijken, inge zegend, en had de plechtige intocht te Madrid plaats, met de gebruikelijke viering der hoogmis, in de kerk van La Atocha en een buitengewoon prachtig auto-da-fè, waarbij bijna driehonderd ketters, onder anderen vele Engelschen, aan den wereldlijken rechter werden uitgeleverd, om verbrand te worden.
Ja, hij had ze razend bemind, ten verderf, zoo meenden velen, van zijn land, dat destijds in een oorlog met Engeland, over het bezit der oppermacht in de Nieuwe Wereld, gewikkeld was. Hij gunde haar geen oogenblik vrijheid, zij moest steeds in zijne nabijheid zijn en voor haar had hij, of scheen hij ten minste, alle regeeringsplichten te vergeten; en toch, verblind als alle slaven van é(5nen hartstocht, bespeurde hij niet dat al de lastige, breed uitgesponnen etiquette, waarmede bij haar gunst trachtte te verwerven, slechts de geheimzinnige ziekte waaraan zij wegkwijnde, verergerde.
Toen zij daaraan bezweek, was hij een tijd lang als waanzinnig , en zeker had hij toen afstand van den troon gedaan, om zich in het groote Trappistenklooster te Granada, waarvan hij reeds titulair het hoofd was, terug te trekken, ware het niet dat hij schroomde do kleine Infante weerloos bloot te stellen aan de, zelfs in Spanje spreekwoordelijk geworden, wreedheid van zijn broeder, die door velen verdacht werd den dood der Koningin te hebben veroorzaakt, door middel van
55
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
een paar vergiftigde liandselioenen, die hij haar tijdens een bezoek op zijn kasteel in Arragon aanbood.
Drie jaren lang moest volgens koninklijk bevel algemeene rouw heerselien in al zijne staten; zelfs toen die tijd verstreken was, bleef het zijnen ministers ten strengste verboden over een nieuwe verbindtenis te spreken, en toen de Keizer hem de hand liet aanbieden zijner nicht, de bevallige Aartshertogin van Bohemen, verzocht hij den gezanten aan hun heer en meester te zeggen, dat de Koning van Spanje reeds gehuwd was aan de Droefheid, en dat, al was deze echtgenoot onvruchtbaar, hij haar toch meer dan de Schoonheid beminde. Dit antwoord kwam hem duur te staan, daar het aan zijne kroon de rijke Neder-landsche provinciën ontnam, die, door den Keizer opgeruid, onder leiding van eenige dweepzieke aanhangers der Reformatie, tegen hem opstonden.
Gransch zijn huwelijksleven, met al het schitterend genot, zoo rijk van kleuren, en de vreeselijke smart van het zoo spoedig gevolgd plotseling uiteinde, kwam hem voor den geest, terwijl hij de Infante, spelende op het terras, gadesloeg.
Zij had dezelfde schalksche levendigheid in hare manieren als de Koningin, diezelfde trotsche beweging, als zij het hoofd omhoog wierp, diezelfde lieve, omgekrulde lippen, denzelfden wonderbaren glimlach, inderdaad un vrai sour Ir a de France, als zij telkens naar het raam opkeek, of heur kleine hand uitstrekte.
56
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
den statigen Spaanschen edellieden ten kus reikend. Maar de schelle lach der kinderen was hem een wanklank, en de mee-doogenlooze zonneschijn bespotte zijne smart; een onbestemde geur van vreemde specerijen, specerijen slechts tot balsemen gebruikt, bezwangerde, of' was het slechts in zijne verbeelding ? de heldere morgenlucht. Hij bedekte zijn gelaat met de handen, en toen de Infante opkeek, waren de gordijnen gevallen; de Koning had zich verwijderd.
Met een pruilend mondje trok zij teleurgesteld de schouders op. Waarlijk op zulk een dag had zij er op mogen rekenen dat hij gebleven ware. Die nare, vervelende Staatszaken, wat kwamen die er toch op aan ? Of was hij naar die akelige sombere kapel gegaan, waar de waskaarsen eeuwig brandden, maar waar zij niet mocht binnentreden? Hoe dwaas van hem, nu de zon zoo heerlijk scheen en iedereen zoo gelukkig was. En dan, denkt eens, nu zoude hij het nagebootste Stierengevecht, dat daar juist door trompetgeschal werd aangekondigd, misloopen, om niet te spreken van de marionetten en al de andere vermakelijkheden. Haar oom en de Groot-Inquisiteur waren toch heel wat verstandiger. Ziet, daar traden de twee op het terras en maakten haar aangename complimentjes. Zij wierp het trotsche hoofdje in den nek en, Don Pedro bij de hand nemend, daalde ze langzaam de breede trappen af, naar een groot paviljoen van paarse zijde, dat aan het einde van
57
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
den tuin was gespannen, gevolgd door alle kinderen, naar de strengste regelen der etiquette gerangschikt, zij, die de langste namen droegen, voorop.
Een lange rij van edelknapen, zwierig als toreadors gekleed, kwam liaar tegemoet en de jonge Graaf van Terra-Nueva, een beeldschoon jongeling van omstreeks veertien jaar, ontblootte het hoofd met al de aangeboren gratie van een Spaanschen Grande en leidde haar statig naar een kleinen ivoren zetel, iets hooger dan de strijdbaan onder een troonhemel geplaatst.
De kinderen namen rondom plaats, elkander achter de groote waaiers toefluisterend, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin, de Camerera-Major, zooals zij heette, een magere vrouw met harde, scherpe trekken en een hoogen gelen kraag om den hals, zag er minder ontevreden dan gewoonlijk uit, en een soort glimlach speelde op haar rimpelig gelaat en om haar dunne, bleeke lippen.
En inderdaad, het was een prachtig stierengevecht, veel aangenamer bij te wonen, zoo meende de Infante, dan het groote, echte stierengevecht, dat zij te Sevilla gezien had, ter eere van het bezoek aan haar vader door den Hertog van Parma gebracht.
Eenige der jongelieden paradeerden op rijk getuigde stokpaarden, zwaaiend met lange werpspietsen, die met breede veel-
58
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
kleurige linten, als wimpels, versierd waren; andere te voet, tergden den stier, door liem met scharlaken manteltjes voor de oogen te wuiven, of sprongen vlug over de barrière, als de stier hen op zijne beurt wilde aanvallen; en wat de stier betreft â nu! bij zag er uit als een ecbte stier, ofscboon hij slechts bestond uit mandewerk, door een huid overtrokken, en zich soms verstoutte de strijdbaan rond te rennen op zijn achterste bcenen, hetgeen een echte stier nooit in zijn hoofd zou gekregen hebben. Hij weerde zich echter prachtig en de worsteling was zoo spannend, dat de kinderen zeer opgewonden werden, boven op de banken klommen, wuifden met den kanten zakdoek en âBravo Toro! bravo Toro!quot; riepen, precies als groote menschen. Eindelijk na een hardnekkig gevecht, maar niet voordat verscheidene stokpaarden doorstoken en de ruiters uit den zadel gelicht waren, deed de jeugdige Graaf van Terra-Nueva den stier op de knieën vallen en, nadat hij de vergunning van de Infante had verkregen hem den genadestoot te geven, stak hij zijn houten zwaard met zulk eene woede in den hals van het dier, dat het hoofd zich van den romp scheidde en het lachend gelaat van den kleinen Monsieur de Lorraine, zoon van den Franschen Gezant aan het Hof van Madrid, te voorschijn kwam.
Toen werd onder daverende toejuiching de strijdbaan ontruimd , de doode stokpaarden werden plechtig weggesleept
59
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
door twee Moorsche pages in livrei van zwavt en geel, en na een korte tusschenvoorstelling, waarin een Fransche equilibrist enkele toeren op liet gespannen koord ten beste gaf, voerden eenige Italiaanselie marionetten, op een expres daartoe samengesteld tooneeltje, het lialf-classieke treurspel, Sopbonisba getiteld, op. Zij speelden zoo goed en bare bewegingen waren zoo natuurlijk dat, toen het gordijn na liet slottooneel viel, de oogen der Infante met tranen gevuld waren. Ja, er waren onder de kinderen sommige die zoo weenden over de lotgevallen der heldin, dat ze door lekkernijen moesten getroost worden, en de Groot-Inquisiteur zelf was zoo aangedaan, dat hij niet kon nalaten aan Don Pedro te zeggen, dat, alhoewel het slechts billijk was dat Ketters, Joden en dergelijk gespuis werden gestraft, liet hem onverdragelijk voorkwam, dat onnoozele dingen, uit hout en gekleurd was gevormd, door ijzerdraadjes in beweging gebracht, zoo moesten lijden en door zulke rampspoeden getroffen worden.
Daarop volgde een Afrikaansche kunstenmaker; hij zette een platte, met een rood kleed toegedekte mand, midden in de arena neder, daarna haalde hij uit zijn tulband een vreemdsoortig rieten instrument, waarop hij begon te blazen. Na weinige oogenblikken zag men het roode kleed zich bewegen en , naarmate de muziek scheller en scheller begon te klinken, staken eindelijk twee slangen, groen en goud van kleur, haar vreemdsoortige, wigvormige koppen omhoog en zwaaiden op de
60
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
61
maat heen en weder, als rieten wiegelend op liet water. Toch waren de kinderen eigenlijk een weinig bang voor die groote gevlekte koppen en snel vooruitschietende tongen en zij hadden veel meer pleizier toen de kunstenaar vervolgens uit het dorre zand een kleinen oranjeboom deed opschieten, die zich onmiddelijk met lieve witte bloesems sierde en ook trossen echte vruchten droeg. Maar hun opgewondenheid en bewondering steeg ten top , toen hij den waaier van het dochtertje der Markiezin de Las Torres nam en dien in een blauw vogeltje veranderde, dat liefelijk zingend het paviljoen rondvloog. De deftige menuet, uitgevoerd door de koorknapen der kerk van Nuestra Senora del Pilar, was ook betooverend schoon. Nog nimmer had de Infante deze wonderlijke plechtigheid bijgewoond, die jaarlijks in de Meimaand plaats heeft, vóór het hoogaltaar der Maagd en ter harer eer. Eigenlijk was nooit een lid der koninklijke familie de groote kathedraal van Saragossa binnengetreden, sedert een waanzinnige priester getracht had daar den prins van Asturiën een vergiftigden ouwel toe te dienen. Velen dachten dat dit op aansporing van Elizabeth van Engeland geschied was. De Infante kende deze âOnzer Lieven Vrouwe Dans zooals men ze noemde, dus slechts vau hoor en zeggen, en 't was waarlijk de peine waard ze te zien. De jongens droegen een ouderwetsche hofkleedij van wit fluweel, met vreemden, drie-kantigen steek, omboord met zilver, en met zware bossen van
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
62
stmisveeren versierd; het schitterend wit hunner kleederdracht kwam, als zij in het volle zonlicht zich bewogen, nog des te meer uit, tegen hun bruine gelaatskleur en lang zwart haar. Iedereen was er over uit, met welk eenc waardigheid zij de ingewikkelde figuren van den dans, de volkomen gratie der langzame beweging, de statige buigingen, uitvoerden en toen ze aan het einde der vertooning de groote pluimhoeden voor de Infante afnamen, gaf zij welwillend te kennen hoezeer zij er mede ingenomen was en beloofde een groote waskaars aan het altaar van Onze Lieve Vrouw del Pilar, in dank voor het genoegen, dat deze haar geschonken had. Een bende schilderachtig schoone Egyptenaren, zooals men destijds de Bohemers noemde, trad de arena binnen en, in een kring nederhurkend, met gekruiste beenen , begonnen ze op hun citers een zachte, droome-rige wijs tc spelen, daarbij sottovoce te zingen en het bovenlijf rhythmisch heen en weder te bewegen. Don Pedro ontwarend, grijnsden ze hem aan, terwijl sommigen van schrik waren bevangen, want slechts korten tijd geleden had hij twee van hunne maagschap op de markt van Sevilla doen opknoopen, onder beschuldiging van duivelskunsten; maar zij werden betoo-verd door de kleine Infante, toen deze ze met haar groote, blauwe oogen van achter haar waaier aanstaarde en zij voelden zich overtuigd dat iemand, die er zoo bekoorlijk uitzag, in geen geval ooit wreed kon zijn. Daarom speelden zij heel zachtkens door, de snaren
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
der citers slechts even met de lange, puntige nagels tokkelend, terwijl zij knikkebolden, alsof ze zichzelven in slaap wiegden. Eensklaps sprongen ze op, met zulk een harden gil, dat alle kinderen opschrikten en Don Pedro naar het agaten handvat van zijn ponjaard greep, dansten in het rond met woest misbaar, langs de omheining en op do tamboerijnen slaande, zongen zij in hun vreemde, onwelluidende taal een hartstochtelijk minnelied. Dan, op een ander signaal, wierpen zij zich allen op den grond en bleven onbewegelijk liggen, terwijl een dof getokkel der snaren het eenig geluid was, dat de stilte verbrak. Toen ze deze kunsten een paar malen herhaald hadden, verdwenen ze even om met een grooten, zwarten, ruigen beer aan een ketting terug te keeren, terwijl anderen kleine Barbarysche apen op de schouders droegen. De beer ging met den meesten ernst op zijn kop staan en de apen, met hun gekke uitgedroogde gezichtjes, vertoonden allerhande kunstjes met twee Bohemerjongens, die hun leermeesters en eigenaars schenen te zijn; ze kraakten en aten noten, vochten met kleine zwaarden, vuurden geweertjes af en exerceerden, in één woord precies als een soldaat der Koninklijke lijfwacht. Men kan gerust zeggen, dat de Bohemers zeer in den smaak vielen.
Maar het aardigste, het vermakelijkste van de heele ochtendvoorstelling was ontegenzeggelijk het dansen van den kleinen
63
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
dwerg. Toen deze de renbaan binnenstrompelde, op zijn kromme beentjes, met bet groot misvormd hoofd been en weder schommelend, moesten al de kinderen het van pleizier uitschreeuwen en de Infante zelve lachte zoo uitbundig, dat de Camerera zich verplicht achtte haar onder het oog te brengen, dat, al zijn er vele gevallen in Spanje opgeteekend van eene Koningsdochter , die ten aanschouwe barer gelijken tranen had gestort, er geen bekend stond van eene Prinses van den bloede, die zich zoo vroolijk maakte, in het bijzijn van minderen.
De dwei-g was dan ook waarlijk onweerstaanbaar, want zelfs aan het Spaansche hof, altijd vermaard voor een bizonder welbehagen in het afzichtelijke, was er nog nimmer zoo'n fantastisch monstertje gezien. Daarenboven was het zijn eerste optreden. Eerst daags te voren was hij. omdolend in bet bosch, ontdekt door twee edellieden, die toevallig, in een zeer afgelegen gedeelte van het groote bosch van kurkeiken, dat de stad omringt, joegen, en ze hadden hem mede gevoerd ten paleize, als eene verrassing voor de Infante. Zijn vader, een arme kolenbrander, was natuurlijk maar al te dankbaar zich op die wijze van zulk een leelijk en onnut schepsel bevrijd te zien. Hetgeen nog het meest tot het vermakelijke bijdroeg was, dat hij zich zijne bespottelijke leelijkheid volkomen onbewust was. Inderdaad, hij scheen heel gelukkig en zoo vroolijk mogelijk. Als de kinderen lachten, lachte en juichte hij even vroolijk
64
DE VEKJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
65
als de vroolijkste mede en na eiken dans maakte hij de koddigste buigingen en lachte en knikte hun toe, alsof hij waarlijk een hunner was en niet een mispunt, een gedrocht, door de Natuur in een grillig oogenblik geschapen, om anderen tot vermaak te dienen.
Wat de Infante betreft, door haar was hij letterlijk betoo-verd. Hij kon zijne oogen niet van haar afwenden, voor haar alleen scheen hij te dansen , en toen zij, aan het einde der vertooning, zich herinnerend, hoe zij de groote dames van het hof bloemruikers had zien werpen aan Caffarelli, den vermaarden
zanger der pauselijke kapel, door den Paus zeiven gezonden om met zijn liefelijke stem de zwartgalligheid des Konings te verjagen, half in scherts en half om de Camerera te plagen, de prachtige, witte roos uit haar lokken nam en hem met den liefelijksten glimlach toewierp, nam hij deze handeling heel ernstig op , en de schoone bloem
aan zijn ruwe, dikke lippen drukkend, boog hij de eene knie voor haar, met de hand op het hart, de kleine oogen fonkelend van genoegen en een glimlach om den, van oor tot oor gespalkten,
5
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
mond. Dit was te veel voor de Infante, ze kon haar lachlust niet meer bedwingen en zij lachte nog voort, nadat de kleine dwerg al lang uit de baan was verdwenen. Hoewel liet gansche programma nog niet was afgespeeld en daarop nog vele verrukkelijke nommers vermeld stonden, oordeelde de Camerera, onder voorwendsel dat de zon nu te veel brandde, liet beter, dadelijk naar het Paleis terug te keeren, waar een prachtig feestmaal haar wachtte, met een heerlijke verjaardagstaart, prijkend met haar naamcijfer in witte suiker, terwijl er een beeldige, zilveren vlag bovenop wapperde. De Infante verhief zich dus met veel statie van haar zetel en na bevel te hebben gegeven, dat de kleine dwerg dien avond na de thee weder voor haar zoude dansen, en den jongen Graaf van Terra-Nueva voor zijn allerliefste ontvangst haar dank te hebben betuigd , trok zij zicli in hare appartementen terug, vergezeld door de kinderen, in dezelfde volgorde, waarin ze binnen getreden waren.
Toen de kleine dwerg vernam dat hij een tweede maal voorde Infante zou dansen, en dat nog wel op haar uitdrukkelijk bevel, was hij zoo trotsch en zoo gelukkig, dat hij den tuin inliep, de witte roos zoenend en zijne verrukking lucht gevend door de dwaaste, lompste gebaren.
De bloemen waren alle verontwaardigd , dat hij zich durfde vermeten haar woonplaats te betreden, en toen ze hem de
66
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
paden op en neder zagen hollen, de armen boven het lioofd op znlk een belachelijke wijze zwaaiend, konden ze haar afkeuring niet langer verzwijgen.
âHij is veel te leelijk om hier, waar wij zijn, te komen spelenquot;, riepen de Tulpen.
â Hij moest papavermelk drinken en minstens duizend jaar gaan slapenquot;, zeiden de groote scharlaken Lelies, en ze waren vuurrood van drift.
,/t Is een echt monster!quot; schreeuwde de Cactus, âziet, hij is heelemaal gedraaid en knoestig, zijn kop is buiten alle verhouding tot zijne beenen. Ik voel mij geheel stekelig worden bij zijn aanblik en als hij mij nadert zal ik hem prikken met mijne dorens
âEn, zoo waar ik leef, hij heeft een mijner schoonste bloemen gekaapt!quot; riep de Witte Rozeboom. Ik zelf gaf ze heden ochtend als verjaringsgeschenk aan de Infante, en nu heeft hij die van haar gestolenquot;. En hij gilde het uit: âDief, dief, diefquot;!
De roode (xeraniums, die zich door den band niet veel airs geven en die, ieder weet zulks, een tal arme familiebetrekkingen hebben, krulden om van walging, en toen de Viooltjes schuchter opmerkten, dat hij inderdaad bizonder leelijk was, maar dat het zijne schuld niet was, antwoordden ze met veel juistheid, dat dit juist zijn grootste fout was en dat
67
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
er geenc reden bestond iemand te bewondei'en, juist omdat aan liem niets te verbeteren viel; en, bet moet gezegd worden, er waren ook onder de Viooltjes, die beweerden dat de lee-lijkbeid van den kleinen dwerg iets pocbends bad en bet zeker van meer kiescbbeid zonde getuigd liebben, indien bij er droefgeestig of ten minste ingetogen uitgezien bad, in plaats van zoo vroolijk rond te buppelen en zulke gekke, bespottelijke gebaren te maken.
De oude Zonnewijzer, een bizonder deftig individu, die zelf eens aan Keizer Karei V in boogst eigen persoon verteld bad boe laat bet was, scbrikte zoo bevig van bet uiterlijk van den kleinen dwerg, dat bij gedurende twee beele minuten vergat den tijd met zijn langen, scbaduwgevenden vinger aan te wijzen, en kon bij niet nalaten aan den grooten zilverwitten pauw, die zicli op de ijzeren balustrade zat te zonnen, mede te deelen wat ieder wist, niet waar? âdat Koningskinderen Koningenen kinderen van kolenbranders kolenbranders waren en bet al lieel ongerijmd was bet tegendeel te beweren.quot; De pauw was bet zoo volkomen met bem eens, dat bij herbaalde malen uitgilde â Zeker, Zekerquot; met zulk een scliel en bard stemgeluid, dat de goudvisseben, die in de nabijgelegen kom van de koel plassende fontein woonden, hun hoofdjes boven water staken, om aan de groote steenen Tritons te vragen, wat er toch gaande was.
68
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
Maar de vogels, die waren op zijne hand. Ze hadden hem dikwijls in het bosch gezien, als een kaboutermannetje de ronddwarrelende bladeren nadansend, of gedoken in de holte van een eikeboom, zijne noten dealend met de eekhorens. Het kon hun niet schelen, niets niemendal, dat hij leelijk was. Ziet de nachtegaal bijvoorbeeld, die's nachts tusschen het loover der oranjeboomen zoo beeldig zingt, dat de Maan zich soms voorover buigt, om te luisteren â de nachtegaal heeft ook bitter weinig uiterlijk schoon; en dan, de dwerg was goed voor hen geweest; in dien harden wintertijd, toen er geene bes meer aan de struiken te vinden was, de grond hard was als ijzer, en de wolven door honger gedreven tot aan de poorten der stad waren komen loeren, had hij ze nooit vergeten, had hun altijd iets van zijn eigen stukje roggebrood gegeven en zijn schamel ontbijt met hen gedeeld. En daarom vlogen ze nu rond hem heen, zijne wang in 't voorbijgaan even strijkend, tjilpend onder elkaar, en de kleine dwerg was zoo blijde, dat hij hun de schoone witte roos moest wijzen en vertellen, hoe die hem door de Infante geschonken was, omdat zij hem liefhad.
Ook de hagedissen hadden veel schik in hem. en toen hij, van het rondloopen vermoeid, zich in het gras nederwierp, speelden ze vertrouwlijk en ravotten over en langs hem, om hem zooveel ze konden te vermaken. âNiet ieder kan even schoon
69
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
zijn als eene hagedisquot;, zeiden ze: âliet zou dwaas zijn om dat te verlangen; en al klinkt liet ongerijmd, hij is eigenlijk zoo afsclinwelijk niet, mits men, natuurlijk, de oogen sluit en liem niet aanzietquot;.
Hagedissen zijn bizonder pliilosophiscli van aard en brengen dikwijls uren en uren peinzend door, als er niets te doen is, of liet weer te regenaclitig om naar buiten te kunnen gaan.
De bloemen ecliter waren zeer ontstemd over deze handelwijze en over het gedrag der vogels. âHet toontquot;, zeiden ze, âwelk een slechten invloed dat eeuwig heen en weder trekken op goede zeden en manieren heeft. Welopgevoede menschen blijven op ééne plek, zooals wij. Wie heeft ons ooit langs de paden zien huppelen of razend over de grasperken zien rennen, achter den een of anderen glazenmaker? Hebben wij nu en dan verandering van lucht noodig, zoo zenden wij om den hovenier en hij draagt ons naar een ander bed. Dat is deftig en zooals het behoort. Maar hagedissen en vogels hebben geen gevoel van rust, inderdaad vogels hebben niet eens een vast adres. Het zijn slechts vagebonden, niet beter dan Heidens en verdienen geen andere behandeling dan dezequot;. En zij staken haar trotsche neusjes in de lucht, en waren niet weinig verheugd, toen het dwergje kort daarop van den grond opstond en zich over het terras naar het Paleis gaf.
â Hij moest binnenshuis gehouden worden, zijn leven lang
70
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
zeiden ze, â ziet eens naar zijn hoogen rug en zijn kromme beenenquot;, en ze giegelden onder elkaai'.
Maar het dwergje wist van dit alles niets. Hij had de vogels en de hagedissen innig lief en vond de bloemen wonderschoon, het schoonste wat hij ooit op aarde had gezien, behalve natunrlijk de Infante, maar die had hem ook die smetteloos witte roos geschonken en zij beminde hem; dat maakte een groot onderscheid.
quot;Wat speet hot hem nu dat hij haar niet had vergezeld; zij zoude hem aan haar rechterzijde geplaatst, hem toegelachen hebben, en hij zoude haar nimmer verlaten, haar integendeel tot zijne speelnoote maken en haar duizend aardige kunstjes leeren. Want, al had hij nooit te voren een paleis betreden, toch wist hij tal van wonderbare dingen. Hij kon van riet kleine kooitjes vlechten, om er sprinkhanen in te laten zingen, hij kon van het knoopige, lange bamboesriet fluiten maken, zooals Pan ze gaarne hoort. Hij kende het gezang van eiken vogel en wist de merel uit den boomtop en den reiger van het meer te lokken. Hij kende het spoor van elk dier en wist den haas, aan het nauw merkbare indruksel van zijn fijnen voet, het wilde zwijn, aan de platgetrapte struiken te speuren. Al de verschillende dansen van den wind waren hem bekend: de wilde dans in rood gewaad met den herfst; de luchtige dans, als hij met licht blaiiw schoeisel over de
71
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
korenvelden zweeft; de dans met witte sneeuwkransen in den winter, en de bloesemdans door de boomgaarden in de lente. Hij wist waar de woudduiven nestelen en eens, toen een wilddief het ouderpaar gestrikt had, had hij zelf de jongen opgebracht en voor hen een klein hok gebouwd, in de kloof van een knotwilg. Ze waren heel mak en aten eiken morgen uit zijne hand. Zij zoude er pleizier in hebben: in de konijntjes die tusschen de varen heen springen; in de gaaien, met de als staal weerkaatsende veeren en zwarte snavels; in de stekelvarkentjes, die zich tot stekelige ballen oprollen, en in de groote wijze schildpadden, die langzaam voortkruipen, de hoofden schuddend en aan jonge bladeren knabbelend. Ja, zij moest mede naar het bosch, om daar met hem te spelen. Zijn eigen bedje zou hij haar afstaan en hij zelf zou buiten het raam, tot den dageraad blijven waken, om te zorgen dat het hoornvee haar niet verontrustte, of de magere wolven te dicht bij de hut slopen. Met zonsopgang zou hij, zachtjes aan de luiken tikkend, haar wekken en dan zouden ze samen uitgaan en den ganschen dag samen dansen. Het was niet eenzaam in het woud, volstrekt niet; soms reed er een Bisschop door, op een witten muilezel gezeten, lezend in een fraai beschilderd boek; soms kwamen valkeniers voorbij, met het groen fluweelen
mutsje op het hoofd, een hertsleeren wambuis aan het lijf en op de
â¦
vuist den valk met een kap over den kop. In den tijd van den wijn-
72
DE VEEJAAEDAG DER KLEINE PRINSES.
73
oogst zag men de wijntreders met paarse handen en voeten, liet hoofd omkranst van glanzend klimop en lederen zakken dragend, waaruit de wijn droop; kolenbranders zaten des nachts rond de groote vuren, lettend op de groote houtblokken die langzaam in het vuur verteerden, terwijl zij zeiven kastanjes braadden in de heete asch en zich vroolijk maakten met de roovers, die uit hun schuilhoek te voorschijn kropen. Eens had hij ook een langen optocht gezien, die zich langzaam langs den stoffigen weg naar Toledo bewoog. Vooraan gingen de monniken, liefelijk zingend, terwijl ze beschilderde banieren en gouden kruisen droegen; dan, in zilveren harnassen, gewapend met pieken en vuursteengeweren, kwamen de soldaten, die drie mannen met zich voerden; deze waren barrevoets, gehuld in vreemdsoortige gele kleederen geheel met duivels beschilderd en zij droegen brandende waskaarsen in de bevende handen. Er was ontegenzeggelijk heel veel te zien in het woud, en als zij vermoeid was, zou hij een zachte groene mosbank voor haar opzoeken, of hij zou ze dragen, want hij was heel sterk, ofschoon hij wèl wist dat hij niet rijzig van gestalte was. Hij zoude haar een halssnoer rijgen van roode lijsterbessen, wel zoo mooi als die witte bessen, waarmede nu haar kleed bezaaid was, en zoodra ze haar verveelden, kon zij ze gerust weggooien, hij zou wel zorgen dat ze andere kreeg. Hij zou haar eikeldopjes brengen en bedauwde boschanemonen, en glim-
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
wormpjes, die als starren in haar lokken zonden schitteren.
Maar, waar was zij thans? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die gaf hem geen antwoord. Het gansche Paleis scheen ingedommeld en, waar de luiken niet gesloten waren, had men zware gordijnen voor de ramen getrokken, om den zonnegloed te weren. Hij drentelde langzaam rond, ten einde een ingang te vinden; eindelijk ontdekte hij een achterpoortje dat open stond. Hij sloop naar binnen en bevond zich weldra in een prachtige zaal, veel prachtiger bij verre, vreesde hij nu wel. dan het wond; er was hier zoo veel verguldsel en de vloer was zoo beeldig van groote, gekleurde steenen, in een regelmatig patroon, saamgevoegd. Maar hij vond er de Infante niet, wèl stonden er witte, wonderschoone beelden, die van de jaspisvoetstukken, waarop ze prijkten, op hem neerzagen, met droeve, holle oogen en vreemd glimlachende lippen.
Aan het andere einde der zaal hing een geborduurd zwart-fluweelen gordijn, bezaaid met zonnen en sterren, het geliefkoosd embleem van den Koning, geborduurd op de kleur, die hij boven alle andere verkoos. Misschien was zij wel daarachter verscholen. Hij wilde er zich ten minste van overtuigen. Hij naderde dus behoedzaam en trok het gordijn op zijde. Neen, het gaf slechts toegang tot een ander vertrek, nog schooner dan hetgeen hij juist verlaten had. De muren waren behangen met kostbare tapijten, waarop Vlaamsche kunstenaars ten koste
74
DE VEEJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
van vlijtigen arbeid van niet minder dan zeven jaren, een ganscLe jacbt met de naald liadden geweven. Het was vroeger de kamer geweest van Jean le Fou, zooals liij werd bijgenaamd, die krankzinnige Koning, die, in zijn dolle liefhebberij voor de jacht, meermalen getracht had de wild steigerende paarden te bestijgen, of het bert, dat de groote honden besprongen, omver te trekken, terwijl hij in zijn jachthoorn blies en met zijn dolk, naar de vale, snelle reeën, die er op afgebeeld waren, stak. Xu werd dit vertrek als raadskamer gebruikt en midden op tafel lagen de roode minister-portefeuilles, waarop de gouden tulpen van Spanje, vereenigd met het monogram en bet helmteeken van het huis van Habsbnrg, waren gestempeld.
Verwonderd en bedeesd keek de kleine dwerg rond, hij durfde haast niet verder. Die vreemde, zwijgende ruiters, die zoo snel door de lommerrijke bosselien galoppeerden, zonder eenig geluid te maken, schenen hem te gelijken op die vreese-lijke spoken, waarvan hij de kolenbranders had booren vertellen, de Compraebos, die alleen in het holle van den nacht uit jagen gaan en als ze een mensch ontmoeten hem in een hertebeest veranderen, om hem daarna te vervolgen. Maar hij dacht aan de liefelijke Infante, en vatte moed. Hij wenschte haar alléén te ontmoeten, om baar te kunnen zeggen, dat ook hij haar beminde. Misschien was zij wel in de aangrenzende kamer.
75
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
Fluks liep hij over de dikke, mollige, Moorsche tapijten en opende de deur. Neen, ook hier was zij niet; de kamer was ledig.
Het was de troonzaal die ter ontvangst van vreemde gezanten diende, als men den Koning (hetgeen thans slechts zelden gebeurde) bewegen kon hun persoonlijk gehoor te verleenen. In deze zaal waren, jaren geleden, gezanten uit Engeland gekomen, belast met de opdracht een huwelijk hunner Koningin, destijds eene der Roomsche Mogendheden van Europa, met den oudsten zoon van den Keizer te bewerkstelligen. Het behangsel was van verguld Corduaanleder en van de zwart en wit geschilderde zoldering hing een zwaar vergulde kroon, met vijfhonderd armen voor waskaarsen. Onder een troonhemel van goudlaken, waarop de torens en de leeuwen van Kastilië in paarlen geborduurd waren, verhief zich de troon, waarover een prachtig zwart-fluweelcn kleed, met zilveren tulpen geborduurd en met een zware franje van zilver en paarlen omzoomd, geworpen was. Op de tweede trede van den troon stond het tabouret voorde Infante; het kussen was van zilverlaken; nog lager en buiten den troonhemel stond de stoel voor den Pauselijken Nuntius; hij alleen heeft bij officiëele gelegenlleden het recht in tegenwoordigheid van den Koning te zitten. Vóór dezen stoel stond een tabouret, waarop zijn Kardinaalshoed met de zware, karmozijnen kwasten werd neêrgelegd. Tegenover den troon hing aan den wand een levensgroot portret van Keizer
76
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
Karei V in jaclitcostiram, met een grooten hond aan zijne zijde, terwijl midden op den anderen mimr eene voorstelling was afgebeeld van Philips II, de huldiging der Nederlanden ontvangend.
Tnsschen de grooto ramen stond een kabinet van zwart ebbenhout, met ivoor ingelegd, waarop de figuren van Holbeins Doodendans gesneden waren, naar men zeide door den grooten Meester zeiven.
Maar de kleine dwerg gaf niets om al deze pracht en weelde, hij zoude zijn witte roos niet gegeven hebben voor al de paarlen van den troonhemel, noeh zelfs een blaadje daarvan voor den troon van Spanje. Wat hij verlangde was: de Infante te spreken vóór zij zich weder naar het paviljoen begaf, haar te vragen met hem te vertrekken, nadat hij zijn dans geëindigd zou hebben. Hier in het paleis was de lucht zwaar en domp, maar in het woud blies een frissche wind, en het zonlicht strooide, met beweeglijke hand, goud over de trillende bladeren. Er waren ook bloemen in het woud, niet zoo prachtig van kleur misschien als die hier in den tuin bloeiden, maar hoe veel aangenamer geurden zij : hyacinthen, die in het vroege voorjaar alles bedekten, en golvende, paai'se en gele sleutelbloemen, die in dichte trossen rond de knoestige eikenwortels nestelen; blauwe vergeet-mij-nietjes en helder schitterende madelieven, ook lischbloemen, lilas en goudkleurig.
77
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
Aan de hazelnotestruiken hingen grijze trosjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn gespikkelde, dooide bijen gezochte, kelken. De kastanjeboom droeg kandelaars van witte sterren en do meidoorn deed in schoonheid aan de zilveren maan denken. O! zeker zon zij raeêkomen, als hij haar slechts vinden kon. Zijne oogen schitterden en een glimlach verhelderde zijn gelaat, terwijl hij het volgende vertrek binnentrad.
Van al wat hij gezien had was dit het verrukkelijkste. De mnren waren behangen met gebloemd rose zijden damast uit Lucca; liet patroon bestond uit zilveren bloemen en dartelende vogels, de meubelen waren van massief zilver, versierd met gedreven bloemkransen, door Cupido's omhoog gehouden. Voor de twee groote, open haardsteden stonden groote schermen, met pauwen en papegaaien er op geborduurd; de vloer was van zeegroen onyx en scheen zich oneindig ver uit te strekken. En hij was niet alléén. Aan het andere einde van het vertrek stond, in het halfdonker van een doorgang, een kleine gedaante hem op te nemen. Zijn hart popelde, hij slaakte een vreugdekreet en trad naar voren, in het heldere zonlicht. De gedaante deed eveneens en nu kon hij ze duidelijk onderscheiden.
De Prinses! had hij ooit kunnen denken dat zij het was? dit monster! het bespottelijkst monster dat hij ooit gezien had. Niet recht van lijf en leden als andere menschen, neen,
78
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
met een bochel en kromme beenen en een versclir?kkelijken lieen en weer sclinddenden kop, met stekelig zwarte haren. De kleine dwerg grijnsde en hot monster grijnsde ook. Hij lachte, en het lachte mede en hield de handen in de zij, juist als hij deed. Hij hoog zich met spottenden eerbied en het maakte ook een diepe buiging voor hem. Hij ging naar voren en het kwam hem tegemoet; iedere beweging nabootsend, of stilstaand, als hij zelf stilstond. Hij schreeuwde het uit van vermaak, hij liep snel naar voren en strekte zijne hand uit en raakte de hand van het schepsel aan; die was ijs-koud. Nu werd liij bang en streek zacht de hand er langs; zacht volgde de hand van den ander. Hij beproefde die hand te drukken, maar iets dat hard en glad en koud was hield hem tegen. Nu was het gelaat van het monster vlak bij het zijne; hot drukte afkeer, afschuw uit. Hij streek zich het haar uit de oogen, het deed eveneens. Hij sloeg naar het monster en liet gaf slag om slag terug. Hij walgde er van en het trok afschuwelijke gezichten. Hij ging achteruit en het trok zich insgelijks terug.
Wat was het, wat kon het zijn? Hij dacht een oogenblik na en keek het vertrek rond. Hoe vreemd! alles scheen verdubbeld in dezen onzichtbaren muur van kristalhelder water. Ja, elke schilderij werd weerkaatst, elke rustbank werd gekopieerd. De slapende Faun, die in de alkoof rustte, had er een sluimerenden tweelingbroeder, en de blanke Venus,
79
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
door de zon hel verliclit, strekte haar armen uit naar een andere Venus, even schoon als zij zelve.
Was het de Echo? Die had hij eens in het dal toegeroepen en zij had hem woord voor woord geantwoord; kon zij het oog bedriegen, evenals zij dit het oor doen kon? Kon zij eene wereld nabootsen gelijk aan de echte? Konden de schaduwen der dingen leven en kleur hebben en zich bewegen ? of was het mogelijk dat . . . Hij schrikte, nam de schoone witte roos uit zijn boezem, keerde zich om en kuste ze. Het monster had ook eene roos, blad voor blad gelijk aan de zijne. Het kuste ze met dezelfde kussen en drukte ze met afzichtelijke gebaren aan zijn hart.
Toen de waarheid langzaam bij hem gloorde slaakte hij een wanhopigen kreet en viel snikkend op den grond. Hij zelf was dus dat monster, en de kinderen, in plaats van met hem te lachen, bespotten hem, en de kleine Prinses, wel verre van bem te beminnen, zooals hij zich verbeeldde, had zich slechts vruolijk gemaakt over zijn leelijkheid en zijne mismaakte ledematen bespot. Waarom had men hem niet in het woud gelaten, waar geen spiegel hem al zijne afzichtelijkheid toonde ? Waarom had zijn vader hem niet gedood, evenals men een adder doodt, hem niet vertrapt, evenals men eene pad vertrapt? De schande perste hem heete tranen af, die nu langs zijne wangen biggelden en hij vernielde zijn witte roos. Het akelige
80
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
monster deed hetzelfde en wierp de bladeren naar alle kanten weg. Het wond zich ook over den grond en, als hij er naar staarde, keek het hem aan met een door smart vertrokken gezicht. Hij kroop weg, en om het niet langer te zien bedekte hij de oogen met zijne hand. Hij school in het donker weg, als een arm gewond dier, en bleef kermend liggen.
Op datzelfde oogenblik kwam de Infante met hare speel-nooten door een open raam binnenloopen en het leelijk dwergje ziende, dat, met gebalde vuisten, op den grond met de dwaaste, meest overdreven gebaren sloeg, schaterden zij het uit en ze bleven rond hem staan, gillend van het lachen.
âZijn dansen,'' zeide de Infante, âwas koddig, maar zijn komediespel is nog veel aardiger. Zijn spel is waarlijk bijna even goed als van de marionetten, ofschoon, dat spreekt van zelf, niet zoo natuurlijk.quot; En zij klapte in heur kleine handen, als teeken van bijval. Maar de arme dwerg keek niet op en zijn kermen werd hoe langer hoe flauwer, tot hij eensklaps een zonderlingen snik gaf, krampachtig naar zijne zij greep, achterover viel en onbeweeglijk liggen bleef.
âBijzonder goed voorgesteldquot;', zeide de Infante, na een poosje, âmaar nu moet ge weder voor mij dansenquot;.
âJaquot;, riepen al de kinderen, âsta op en dans. Ge kent evenveel kunstjes als de Barbarysche apen, maar ge zijt nog veel lachverwekkende!'quot;.
81
6
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
De kleine dwerg gaf geen antwoord.
De Infante stampvoette en riep haar oom, die op het terras heen en weer wandelde met den Kamerheer, depêches lezend, zooeven uit Mexico aangekomen, waar de Inquisitie pas ingesteld was. â Mijn leelijk dwergje moktquot;, zeide zij â schud hem wakker, sla hem, en zeg hem dat hij voor mij dansen moetquot;.
De heeren glimlachten elkander toe en kwamen langzaam aangedrenteld.
Don Pedro bukte zich en, den dwerg een slag met zijn geborduurden handschoen op de wang gevend, zeide hij: âGe moet dansen, petit monstre. Ge moet dansen. De Infante van Spanje verlangt dat men haar vermakequot;.
âWij moeten den meester van de Hoede laten komen om hem een flinke kastijding toe te dienen5', zeide Don Pedro, orgt;' .emd naar het terras terug gaande.
Maar de Kamerheer keek ernstig, knielde neder bij den dwerg en legde zijn hand op diens hart. Na eenige oogen-blikken haalde hij de schouders op en opstaande, maakte hij éene diepe buiging voor de Infante, zeggende: âMi hella Frincesa, uw leelijk dwergje zal nooit meer dansenquot;.
Waarom?quot; lachte de Infante.
âOmdat zijn hart gebroken isquot;, antwoordde de Kamerheer.
De Infante fronste de wenkbrauwen en haar keurige rose-
82
DE VERJAARDAG DER KLEINE PRINSES.
lipjes krulden minachtend. âVoortaan mogen diegenen die met mij komen spelen, geen hart hebbenquot;, sprak zij, en liep den tuin in.
v't Is jammer dat hij dood isquot;, zeide de Kamerheer, het lijk met den voet omwendend. â Hij is zoo leelijk, dat hij den Koning misschien wel had doen glimlachenquot;.
83
U'
mi:
Ju
^y.* aaa aaa^
o^/vac?
^'^aIAU a