ocr page 1
ocr page 2

F. ocl.

9 i 'lt;

ja -

GESCHENK

VAN

W V AIS 7/

\o$amp;yi |

R / ^

8«-

ocr page 3

'!i'' '■ ' i ■-K

^ i; ' ■ ' ;'?A

■ - quot;: ^ '

^ quot; I

• ■ gt;gt;iquot; I

!. ■■'■_■ ■ - f' '■:■'■■■ ■ /•' ' ■% .'-gt;; fl

. ■: ■ ,i. Sgt; : ^

'r •: ' ^ ^ gt; 1

, gt;-■gt; ■ f

|

c: ■ ■ ï,:'^Sgt;•gt;■ : -^ ^' ,-:'/v v;v;f I

ocr page 4

: V/:- : t;'i■/' -quot;, ■ quot; ■'quot;-•Lv,r; :'1'''--0'quot;V'' ^}.f ^v; quot;r-;-7

'' '. ^ -Hquot; 1't • , ' • V -V 11 '-' V , .' , v

■vi1 . ,- v gt; - ... . , ■.- - .., ■ ■ - gt; ■/

v gt;7 o;/;: gt;••1 ::^c-:h -%:• X- ••',■ 'r^

iïVK-'t' '■• i*-',■■•■■■''■'quot; iquot;. ,■' ■■■ ■ , ■■ : ■ ■■■ -■,- ';'v f-V-r Vvr ~

^:V-Vcvk ;,gt;: ^-v■-■'■''' ■■r': ■':.^^i; gt;^

Pw^.^ ' i- ' '':lt; quot;■ ■ , /■'■• - - ' : gt;J' 'V-.'^r--

r: \; •; -V - V:; M

•A;'-.,-;,.^ • -.:• ■ . . . ; -:• ■ •gt;- ,, \. . • ;■ _ ,. •-•- • ,; . ;v;

- v : ^L'.. ; - .^■-.V! '.N, ,■ ^-'■- '-• rV.-. .s.-

ö. v;.:r :.- 1 - . ■ • ^ . ' ; ■ • .,

^ .^PB1PBI||PIPPB|IIH||

:--V. .. ■■„v' '■ ■ - • ■ ■ ■■-.■ ■ - '

ï'' -'A . •■i ' • ' ' V^- . ■' v quot; v' ^ r lt;

v.;:.quot;•L-;; - - -, - ■ ■ . ■ ■- '/ . . - O • , ■ ' •- v ■ :

•quot;■vgt;v ■•- ;.:r f' .: • ■ , . • . - - • iquot;.v„ - . :. ■ ,, , , . , .-lt;• ■ j ■ quot; ., :; . , •' .quot;-

/J' ' r . ' . 1'- ^ ^

^ •, •■-■ -'■■•■ i- . . ■;*'--

:-,e ? x ;■ rs :;-• . -

■P I. gtr.''

• v.quot;'-:- ■ v ' i lt;--4- • . t.

- •;; -.; -'. , quot; v -i,. ,■

p-

u

■ .

' T X. • •V^ ' ■ r '

- I . • '.

^i'quot;

(ip-~

: ■ *

.fPquot;.

■•'■quot; -V-

'lt;;lt;■ '~%r'r' '■ ' - f. -

- I.

IMS

'■ 'v' - •• . . -. quot;■ 'v :J' ,'

- ■ - ■-, . quot;■ • %

;uh ■

WpXt-.^■gt; ^ ^ - \

- ■ '............: - :/...- - V^V

a-- ' •■ ■-gt;■. ..... ,'. ■ - y ' ■ . .- ...lt; •' . •

ir. \ : ■ .• ■ .. ■■■.■ ^ ■ ■ ■■ . - ■ ■

■■ ' ' , ■ ■- lt; .v •• .....

Wï^ï-W'.:- ?-/■gt; V.

V- -• y quot;■ quot; ■■ K '■ ■ quot;• quot;

■; . •-

■ ■ • '.. ;-v ... -

. It 1 -•

X ^ lt;

, ■

.•■.yp . ■ v - ■ .■

'y — '•.

. 'quot; xV; - :•;

,y. y-

' quot; .. ..' V i- ■

C-. - '

; $ gt;' % .■ .:

: -y -y., ■ lt;i 'y .y

■: '■ ;J'..'. ...'' V quot;quot; r,^ . 'quot;V

■ gt; :;-. y.-quot;:;. y. -•y „ c *^;, .

;■ -i

'f. gt;. gt;.

- ^'vi-

|54|

y ? ' y

y. y^y^^ï-;-

;• ■ ... K 'gt;, v

- f

^yyy^V^:y:quot;;'

- '4- ■ ., ^

yy gt;

3^#«?

• -V ■

J 1 $. -

.y.y.gt;i


i'M: ■..•■....■ ... ■ - -

p--lt;. ,gt; quot;•: ■,,'•■ ■ '■■■..• •'■- .' quot; \ quot;- . • ' - . . -- •'

E ^ - y quot; : .. . f

•quot;■gt;- . ■ : .■ 1 ' ■ . v.. . •. ■■ •

fc ■ -. • —■ ■ . ,...:■■ ^ ■ .' , . : ■'/

■ v.1;':•'y., 'y

1

_—_—___a_^ ^ .

ocr page 5

DE IIJDEOE VERLOSSER.

ocr page 6
ocr page 7

1

DE LIJDENDE VERLOSSER.

S TIG H T E L IJ K1'] BES C110 TJ WIN G E N

OVEtt DE

Lijdensgeschiedenis des Heeren.

ACHT EN ViJFTIG iUi KEBEDEIEI,

VAN

miKüHICn Wll.l Ilil.M KMU3IMA.OIIER,

Hofprediker van Z. M. den Koning van Pnuissen te Berlijn.

UIT HET IIOOGDUITSCH. TWEEDE DRUK.

—quot;ii

/ P te,

e ^ ■■■ Ti \*gt; * , /

s; „ « ; ; : * /

DOESBURG ,

J. G. VAN SGUENK L'.lilLL. 181)1».

ocr page 8
ocr page 9

VOORWOORD 1!IJ DEN TWEEDEN DRUK.

Voor een reeks van jaren werd de eerste druk van liet uitnemende werk: De lijdende Ver/osser, van Friedrich Wilhelm Krummacher, in leven Hof-prediker van Z. M. den Koning van Pruisen te Berlijn, uitgegeven door den met eere bekenden uitgever H. Höveker te Amsterdam.

Het werk was gaandeweg uitverkocht, maar werd niet herdrukt. In Engeland waar het vertaald en mede uitgegeven was, werd het achtmaal herdrukt.

Eene vriendschappelijk gevoerde correspondentie met de Erven van den heer Höveker had ten gevolge, dat, op zekere voorwaarden, het eigendomsrecht van de vertaling werd overgedragen aan ondergeteekende, die niet aarzelde, dit uitnemende werk door herdruk aan de vergetelheid te ontrukken.

Het werk is door den Auteur opgedragen aan Koningin Eusabkth Eouise van Pruisen, en in de Voorrede zegt hij over den inhoud, onder andere, het volgende : ■

»Ik weet, welk een groot werk ik ter hand nam, toen ik mij de ontcijfering van het diepzinnigste aller historische geheimschriften ten doel stelde. Doch ik ben mij ten minste bewust , dat het gebed om de verlichting van Boven gedurig met mijne overdenkingen samenging, en zoo mag ik mij aan het vertrouwen overgeven, dat de welwillende lezer niet alle sporen eener gevolgde verhooring zal missen.quot;

»In dit boek leg ik een deel mijner ziele neder, ja, ik geef in hetzelve de kern en kracht van mijn innig geloofsleven, en ontbloot er de diepste grondslagen in van geheel mijn troost en van al mijne verwachtingen. Trouwens , ik ben er zeker van , dat niemand^ die tot eene grondige kennis van zich zeiven cn van God gekomen is, eene bestendige geruststelling zal vinden, tenzij hij met mij het anker laat vallen in de met bloed gekenmerkte feiten, • welke door de lijdensgeschiedenis ons worden voor oogen gesteld. Op dezen

ocr page 10

V O O K W O O R 1)

grond vlei ik mij met de gedachte, dat ik met dit boek de vermoeide en belaste harten van velen gewenschte loodsdiensten bewijzen, en voor hen bóven de haven, die zij bewust of onbewust, in vorm en nevel zoeken te bereiken, de vlam van de vuurbaak ontsteken zal.quot;

»De verdeeling van de beschouwingen dezes boeks \\\ den voorhof, het heilige en het heilige der heiligen wijst enkel den voortgang of de ontwikkeling van het bloedig werk der verzoening, van het begin tot de voleinding aan, maar ziet volstrekt niet op meer of minder gewicht van de beschouwde feiten. In het laatste g«val zou ik natuurlijk de instelling van het Heilig Avondmaal niet in den voorhof ^ maar in het heilige der heiligen de haar behoorende plaats aangewezen hebben. Volgens het ontwerp van dit werk echter, wordt zij mede gerangschikt onder die feiten, welke bij wijze van inleiding , het hooge-priestelijk werk van den Middelaar onmiddelijk voorafgingen.quot;

En hiermede wordt de tweede druk van dit werk van den uitnemenden prediker den Christelijken Lezer aanbevolen. Wij zijn verzekerd , dat wie op een positief Christelijke beschouwing van het middelpunt van Gods vrederaad — het lijden en sterven van Gods Zoon voor de zonde — prijs stelt, dit werk gaarne onder zijne huis- en handboeken stellen zal.

J C. van Schenk Briu..

U i t g c v c i.

Doesijurg , Sept. 1899

VI

ocr page 11

INHOUD.

DK VOOniIOF.

Blz.

1. Luc. XVIlï ; 31—34. Do aankondiging'......3.

2. Joh. 111 : 14, 15. Dc kopei'en slang......12.

3. Hebr. VII ; 20. De Hoogepriesler......21.

4. Joh. Xll : 1—8. De zalving........30.

5. Matlh. XXI : 1—9. De intocht te Jeruzalem. . . . 41.

6. Joh XIII : 1—17. De voetwassching......52.

7. Matth. XX.VI : 29. De Paaseiimaaltijd......05.

8. „ „ 20, 27. De instelling des Avondmaals. . 73.

9. „ „ 20—28. De woorden der instelling. . . 80,

10. 1 Cor. X ; 10—21. De loer des Avondmaals. ... 87.

11. „ XI : 20. liet Avondmaal.......05.

12. Malik. XXVI : 21—23. Iloei'e, ben ik hot?.....108.

13. „ „ 21—25. Judas Iscarioth.......115.

14. „ „ 24. Het wee over don raensch. . . 120.

15. „ „ 30—32. De gang naar don olijvenhof . . 130. 10. „ „ 31—35. Het nachtelijk gesprek.....147.

HET HEU.rr.E.

17. „ „ 30 —40. Gethsémanë. Sti'ijd en over

winning.........100.

18. „ „ „ Gothséraané. Beteekenis en

vrucht.........170.

19. ,t „ 47. De overvalling.......189.

20. „ „ 48—50. Do kus van Judas......201.

21. „ „ 51—54. Zwaard en beker......213.

22. „ „ 55, 50. Gave en offer. . ...... 220.

23. Joh. XVIII ; 12,13,10—23. Ghristus voor Annas..... 234.

24. „ „ 24, 14. Het rechtsgeding....... 244.

ocr page 12

,111J III III IIHMMI

Matlh. XXVI : 69—75.

63—66. 75. 67, 68. „ XXVII : 1, 2.

3—10. Joh. XVIII : 28-32. Matlh. XXVII : II.

Joh. XVIII : 38 ?? »gt;

Lwc. XXIII : 5-12.

„ „ 13-10. Matlh XXVII : 45-21.

22-20. 27-30. Joh. XIX : 4-6'.

6—16.

Matlh. XXVII : 31.

32.

Luc. XX 111 ; 27-31.

Vilt

25.

26.

27.

28.

29.

30.

31.

32.

33.

34.

35.

36.

37.

38.

39.

40.

41.

42.

43.

44.

45.

De val van Petrus. . . . De groote belijdenis. . . De tranen van Petrus. . . Profeteer ons, Christus. . Christus voor het Sanhedrin. Het einde van den verrader. Christus voor Pilatus. . . De beschuldigingen. . . Christus een Koning. . . Wat is waarheid V . . •

Het Lam Gods.....

Christus voor Herodes. Pilatus, onze verdediger . Het groote zinnebeeld. . . Barabas.......

De geeseling......

Ziet den niensch. . . . Het slot van liet rechtsgedinj De weg naar het kruis. Simon van Cyrene. . . . De dochteren van Jeruzalem

Hlz. . 255. . 266. . 277. . 288. . 297. . 310. . 323.* . 330.LK . 345.--. 357./ . 305. . 370. . 388. ^ . 397. . 407. . 410. . 424. . 435. . 440. . 455. . 467.


HET HEILIGE DEK HEILIGEN.

46. Malth. XX VII : 33, 34.

47. „ „ 35, 36.

48. „ „ 37.

49. „ „ 39-44.

50. Luc. XX11I. 39—43,

51. Joh. XIX : 25-27.

52. Matlh. XXVII : 45-47.

53. „ „ 48, 49.

54. Joh. XIX ; 30\

55. Matlh. XXVII : 50.

56. „ „ 51—56.

57. Joh. XIX : 31-37.

58. Matlh. XXVII : 57 -66.

De kruisiging......

De verdeeling der kleederen.

Het opschrift......

Vader! vergeef. .... De bekeerde moordenaar. De erflating der liefde. Eli, Eli, lama Sabachthani

Mij dorst!......

Het is volbracht! . . . Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest!

De uitvaart. . . De doorsteking der De begraving. . .

479. 488. 498.

507. 516. 527. 538. 550. 559.

508. 578. 588. 595.


1

ocr page 13

DE VOORHOF.

ocr page 14

■

ocr page 15

1.

D E A A N K 0 N D I fi I N G.

Do Lijdensgescliiedenis ontvouwt ons liaro bloedige verborgenliedei!, en stelt ons hare zielschokkende olTertooneelen voor oogen. Het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, treedt in gelioorzaainiieid aan eerien raad des vredes, welke bestond vóór de wereld was, liet brandoller-altaar van God den Recliter nader. Banden, geeselroedea, kruis en doornenkroon treden als uit de schemering himien onzen gezichtskring, en lirengen ons hart in beweging. Do zeven woorden klinken ons van verre te gemoet, als zoovele doodskloktoonen voor het rijk der hel, en als zoovele juichtoonen van vrijheid en vreugde voor de zondige menschheid.

Trek uwe schoenen uit van uwe voelen — zoo heet bet uit den brandenden braambosch lot Mozos — wcod de plaats, waarop nii slaat, is heilig land.

Met verhoogden klem klinkt deze roepstem ook tot ons, en wel van de plaats, alwaar het zinrijke beeld van deze verschijning des lleeren in het brandende vuur zijne tegenheeldelijke vervulling vindl. O, welke wonderen zijn het, die wij met onze beschouwing nader treden! liet ontzettendste wat ooit door do wereld aanschouwd werd, wordt als tot eene baarmoeder, waaruit, te midden van eene wereld des doods, een nieuw paradijs des vredes voor ons ontluikt en opbloeit. Uit de ongehoordste nederlagen zien wij de glansrijkste zegepralen voortkomen, en uit den vreeselijksten dood, die te sterven is, ontkiemt een onvergankelijk Goddelijk leven.

Dat de aandacht, de ootmoed en het kinderlijk geloof, deze aanminnige lichtdragers uit de hoogte, ons vergezellen op onze schreden, en dat de Petrus- en iVJ agdalena's-tranen ons verstrekken tot eene zalve der oogen! — Gij echter, die den sleutel van David draagt, maak Gij zeil bet zegel los van de deur tot het heiligdom uws lijdens, en ontcijfer ons in het bloedig beeldschrift uwer smarten, het geheim onzer eeuwige verlossing!

Lucas 18: 31—34.

En Hij nam do twaalve bij zich en zeide tot hen: Ziet loij (juau op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen, wat gesproken is door de profeten. Want Hij zal den Heidenen overgeleverd worden, en smadelijk gehandeld worden,

ocr page 16

4

6« hespogen worden, en Hem (jegeeseld hebbende, zullen zij Hem dooden, en ten derden dage zal Hij weder opstaan. En zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen , en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd.

De Meere handelt in onzen tekst, naar zijn woord: Do dienstknecht wed niet wat zijn heer doel, maar Ik heb u viuenden rjenoemd, luant al ruat II; van. mijnen Vader (jehoord heb, dal heb //,: n bekend (jernaakL Hij ontvouwt den zijnen, in de aankondiging van zijn op handen zijnde lijden, het laatste en hoogste doel zijtiei' Goddelijke zending. Deze aankondiging is waardig, om met den meesten ernst beschouwd te worden, omdat zij :

I. dsfi Ueeren meest verhorgen innerlijkheid ontsluit;

II. de verborgenheid zijns lijdens ter onzer kennisse brengt:

en eindelijk

III. ons profetisch, onze eigene toekomst ontsluiert.

Dat wij dan deze aankondiging uit dit drievoudig oogpunt beschouwen, en zegene de Geest des Heeren onze betrachting!

I.

De Heere neemt zijne twaalf vertrouwelingen afzonderlijk. Hij heeft hen gewichtige zaken te zeggen. Immers, zij zijn geroepen, om in do toekomst de grondslagen zijner Kerk te leggen, en daarom mag het hen aan de meeste bekendheid met liet Goddelijk raadsbesluit tot verlossing der wereld niet ontbreken. Zij bemerken weldra wat Hij ten oogmerk heeft, en hangen met hunne blikken in altijd meer aandacht aan zijne lippen. Zeker rekenen /.ij op eene vreugdetijd ing, en verwachten zij de mededeeling, dat de triomfeerende openbaring van zijn Koninkrijk op handen is. Doch welke eene kortzichtigheid en on-noozelheid spreken uit deze verwachting! O, die reusachtige klove, welke nog altijd midden tusschen hunne gedachten en de gedachten Gods ligt! Alsof de wederterechtbrenging der verlorene menschheid op zulk eene ell'ene baan tot stand te brengen ware! Alsof de zonde in de betrekking tusschen God en de menschen slechts eene voorbijgaande stoornis, en niet veeleer eene breuke veroorzaakt had, welke even zoo min door eene willekeurige genadebetuiging uit de hoogte, als door eene bloote schuldbelijdenis van den gevallen mensch te heelen waren! — Do Heere opent den mond, en nu volgt — de discipelen durven nauwelijks hunne eigene ooren vertrouwen — eene bepaalde en ondubbelzinnige aankondiging van zijn nabijzijnd lijden; doch ook van zijne daarop volgende overwinning. Ziet —■ zoo sprak Hij — wij !/aan op naar Jeruzalem, en hel zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen. Verneemt uil deze woorden allereerst den toon der moedigste besluitvaardigheid. Zijn hart, van liefde gedrongen, is vast en zonder wankeling op den kruisweg gericht. Jk herinner u slechts, met welk eenen merg en been doordringenden ernst Hij den

ocr page 17

raad van Simon, om ziel r/el von genadig fe zijn, en niet naar Jeruzalem op te gaan, van zich wees. Ga weg achter Mij; satanas! — zoo luidde zijn antwoord — gij zijl Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Goden zijn, maar die der menschen zijn. Zoo geheel beslist was het voor Hem, dat de folteringen, die Hij te gemoet ging, niet maar misschien een uitvloeisel der menschelijke boosheid, maar te gelijk de uitdrukkelijke wil en de raad van zijnen hemelscben Vader was, dat Hij in den Discipel die Hem het lijden afraadde niet anders dan een, ofschoon voorzeker zich als zoodanig ou-hewust werktuig van den helschen verzoeker kon erkennen. Geene waarschuwing der teederhartigheid houdt Hem thans meer op in zijnen loop, en geene bedreiging van den haat schrikt er Hem meer van terug. Reeds is de Bloedraad te Jeruzalem in bet geheim vergaderd en smeedt bet plan van het verraad en van den moord. Doch het wachtwoord van Jezus hlijft: /iet, wij gaan op! Eu al lag een roode zee in felle branding vóór Hem, en al wachten duizend dooden Hem voor eenen dood, in zijn liart klinkt slechts ééu toon: W ij gaan op! Het is immers de wil zijns Vaders, en de weg lot het groote, met vurig verlangen begeerde doel der wereldverlossing. O, deze overgave van den Onvergelijkbare uit de hoogte! Deze gehoorzaamheid en zondaarsliefde, die sterker zijn dan de dood en harder dau het graf! O, ziet en ondervind, hoe of reeds de enkele aanblik van de optrede van zulk eene verhevene zedelijke persoonlijkheid, als die van den Zoon des menschen ons overvleugelt en tot verrukking opvoert, vooral in eenen tijd, waarin, gelijk in den tegenwoordige, al het waarachtig edele en zedelijk groote dreigt ten grave te gaan, en de menscbheid, van hot Goddelijk zout ontledigd, altijd meer dreigt over te gaan tot een lijk, dat nog slechts door het gewormte van de laagste opwellingen ceuer vleeschelijke eigenliefde en van liet meest van God vervreemde materialismus bewogen wordt. Moe dierbaar moet Christus ons reeds zijn, als het levend oorspronkelijke beeld eener ware en wezentlijke menschelijke bestemming, en als liet onbedriegelijk zedelijk richtpunt eu terechtwijzend teeken voor het in namelooze dwaling verward geslacht onzer eeuw. Reeds in de hoedanigheid van de geestelijke poolster in de stoiïelijke wereldver-duislering onzer dagen te zijn, moest Jezus bet middenpunt van onze hoogste belangen uitmaken, en moest zijn naam, als de herinnering aan, en wekstem tot onze hemelsche roeping, niet meer ophouden dag en nacht in onze harten Ie weèrgahnen. Doch voorzeker galmt bij ook als bazuingedonder des oordeels over de in zonden verzon-kene wereld, want wie moet bet niet toestemmen, dat wij allen als Hij moesten handelen, de zonde haten, Gode leven en de broederen lief hebben, — en ach. waar zijn zij, die dezen eiscli sleclils eeni-germate beantwoorden^ Zoo gaat de lleere reeds thans, eer nog zijn groote dag was aangebroken, door den indruk, die reeds zijne zwijgende verschijning veroorzaakt, als Rechter door de menschen-wereld, en veroordeelt Hij baar, gelijk het volmaakte het hedorvene, gelijk liet ideaal liet mislukte namaaksel veroordeelt. Om die reden moet Hij echter den goddeloozcn tot eenen afkeer zijn, want het

ocr page 18

6

misvormde Legeert geen spiegel, maar ontwijkt hem of werpt, waar liij niet te ontwijken is, een kleed over liem lieen. Heil ons echter, dat Jezus aan. onzen hemel schittert als eene zon, welke geene he-dekking gedoogt, maar door eiken wolkensluier altijd weder op nieuw zegepralend te voorschijn treedt, en welke eenwig de getuigenis aflegt, dat alleen het schoone en heminnelijke hestaat in de waarheid, in het leven met God, en in den wandel naar Gods geboden, terwijl het onschoone en het in alle omstandigheden verwerpelijke gelegen is in de leugen, in het vervreemd zijn van God en in het leven naar het vleesch, met één woord, in de zonde.

Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensehen, wal gesproken is door de profeten. Zoo sprak de Heere. Hieruit wordt u, in de tweede plaats, kenbaar gemaakt, wat Hem op zijnen lijdensweg lot stok en staf verstrekte. Hij hezit ze in het vast profeliseli woord, waarin Hij van zich en van den raad (!ods over Hem vond geschreven. Behoeft iemand onder u nog een beslissend gezag voor de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift, zoo wordt liet hem hier aangeboden. Christus, de Koning der waarheid, erkent in de Schrift niets minder dan do on-bedriegelijke oorkonde van de openbaringen zijns hemelschen Vaders. Jlij draagt ze als op zijn hart dag en nacht; volgens hare uitspraken heslist Hij, als naar den regel, die aan allen twist een einde maakt en aan al do levensvragen der menschheid — en wer-waarts zij heenwijst, richt Hij zijne schreden; zij is Hem de onfeilbare leidstar zijns levens. Of de stem des eeuwigen Vaders onmiddellijk van den hemel nederdaalt, dan of zij uit de letters van deze eerwaardige perkamenten rollen tot Hem doordringt, het is Hem hetzelfde. Bier weegt zij Hem even zwaar als daar, en voor haren tittel en jota is Hij vol eerbied. Zoo gaat Ihj een vasten en gewissen gang, en de ondervinding van ieder opvolgend oogenblik bevestigt het voor Hem, dat Hij waarachtig een woord van God volgt. Alles wordt tot wezen en tot daad, gelijk dat woord het gezegd heeft. De minst in liet oog vallende trek neemt vleesch en bloed aan en wordt tot leven. Ach, welk eene verblindheid wordt er vereischt, om te miskennen, dat alle profetie der Schrift zich of reeds letterlijk verwezentlijkt heeft, of dat zij nog onophoudelijk verwezentlijkt wordt! Hoe veel moedwillige zelfverharding behoort er toe, om te kunnen voorbijzien, dat de woede-ademende tegenstanders van het bijbelsche woord, zooals zij ons hedendaagsch omsingelen, zelve met ijzeren griffels in het boek der historie moeten schrijven, dat de Heilige Schrift uit den Geest van den Alwetende is ontstaan, omdat zij ook van hen getuigt, en zoowel hunnen tijdelijken triomf, als hun verschrikkelijk einde daarna voorspeld heeft. Als een daarna stond in het hoek der profetie ook den zondvloed opgeteekend, en het oordeel over Sodom en Go-morra, en de val van Jeruzalem, en de verstrooiing van Israël, en de ondergang van het vierde, dat is van het Romeinsche wereldrijk, en zoo veel meer nog; en geen dezer gebeurtenissen heeft op hare vervulling laten wachten: het is alles te zijner tijd gekomen. Machtige bevestigingszegelen hangen aan dat boek, en reeds lang heeft de we-

ocr page 19

7

reMgesclliedenis aan hel nijbelwooi'd stilzwijgend liet getuigenis moeten geven, dat zij in den gang harer ontwikkeling schrede voor schrede niet anders is, dan eene uitwerking tot feiten en tot leven van de in haar afgeteekende omtrekken.

„Zeker — zoo hoor ik zeggen — moest het den voet tot wandelen sterken, wanneer men, gelijk Christus, den levensweg niet enkel in het algemeen door God geordend weet, maar wanneer men dezen weg zelfs in het licht eener onhedriegelijke Goddelijke openbaring van trap tot trap tot aan bet glansrijk doel toe kan overzien.quot; Welnu, gij zijt inderdaad in dat geval, wanneer gij anders u zeiven den Heere in het geloof hebt overgegeven. Kan er toch wel een toestand voor u ontstaan, waarin bet Woord met zijne raadgeving u in verlegenheid zou laten? Staat dan niet ook van u geschreven, dat de Heere het u niet aan eenig goed zal laten ontbreken? — „Door vele droefenissen zult gij tot bet Koninkrijk Gods ingaan.quot; Het is zoo; doch „Wanneer gij door bet water gaat, zal bet n niet overstroomen, en wanneer gij dooi' bet vuur zult gaan, zullen n de vlammen niet aansteken, want de Heere zal bij u zijn.quot; Zeker zal het niet uitblijven, dat men u om den naam van Cbristus smaden en vervolgen zal, doch het zal u, den getrouw volhardende, rijkelijk vergolden worden; bet licht zal n altijd weder opgaan uit do duisternis; na de smart zal altijd weder de vreugde uwen dorpel naderen, en niemand zal u rukken uit de handen uws Hoeren; veel meer zult gij ten laatste, nadat gij den goeden strijd gestreden hebt, de kroon der rechtvaardigheid ontvangen, en den dood niet zien, maar van den dood doordringen tot het leven en eeuwig triomfeeren. Staat niet dit alles, en nog duizendmaal meer, ook van u geschreven, en is dus niet daarmede ook u uwen weg aangewezen, ja, profetisch voorgeteekend? Moogt ook gij dus niet in uwe mate en in eene op u passende heteekenis zeggen: Ziet, wij tja an op naar Jeruzalem, en het zal alles volbraeht worden aan den zoon des mensehen, wal geschreven is door de pen Gods, voor mij, den armen zondaar, die echter niet zichzelven, maar Christus toebehoort en wil blijven toebehooren! O, gewis moogt gij dit. Hoe zou bet dan kunnen zijn, dat bij zulk eene hewustbeid niet een booge lust, om onzen pelgrimsloop te loopen, bij ons bestond, en dat wij niet goedsmoeds zouden worden, even alsof eene bemelsche muziek van den hemel af ons vooruitging op den levensweg? Mijne Broeders! slechts onwrikbaar vast vertrouwd op het Woord, en in zijn licht bet steile pad bewandeld! Naar de aanwijzingen van het Woord, onbezorgd voor het woeden der wereld, met vasten en gewissen tred voorwaarts! Niet een handbreed .afgeweken van den voorgeschreven weg! Wie ons anders wil leiden, dien treffe het douderwoord van onze lippen: Ga weg achter mij, satanas! Want gij verzint niet de dingen, die Godes zijn, maar die der menschen zijn. Dan zal de Almachtige ons genegen zijn. Dan dragen wij de kostbaarste der kleinooden, de vrede Gods, in ons hart, en te allen dagen zullen ons, als zoovele bemelsche lichten, de letterlijke vervullingen voor de voeten vallen van dat Woord, hetwelk wij tot een kompas op onze vaart en tot een licht op ons voetpad hebben verkoren,

ocr page 20

8

II.

Naai' Jeruzalem gaat des Heeren weg. Tot welk een einde? Gij hebt het reeds vernomen. Hij wil lijden, Hij wil sterven. O, dit zijn lijden moet cene groote en diepe beteekenis hebben! Dat lijden stolt zicli voor als een volstrekt noodzakelijk deel van het werk, tot welks volbrenging Hij uit den sclioot des Vaders op aarde kwam. En was dat. lijden niet volstrekt noodzakelijk, dan was het, op zijn zachtst gesproken, (iodverzoekend van den Heere, dat Hij er zich, nadat Hij zijn leeraarsambt in Jeruzalem voleindigd had, in stortte, door het te ge-moet te gaan; nog meer, alsdan stelde Hij, door aldus te handelen, de rechtvaardigheid van den Eeuwiglevende in de hoogte aan eene gegronde belastering bloot, omdat God een hoi lig mensch, die zijn gebod vervulde, in ton hemel schreeuwende tegenspraak met zijne eigene rijksordening, aan het vreeselijk lot eens goddeloozen en verworpenen prijs gaf. Doch Hij, die in de hoogte zetelt, had veeleer in zijnen eeuwigen raad het kruis, de geeselroeden en de doornenkroon, in de schets gereed, reeds eer de belialsbenden er aan dachten, hunne handen uit te strekken tot deze foltertuigen, en al zijne profeten zagen zich, hoe zij zich ook daartegen poogden tc verzetten, genoodzaakt, om deze gruwzame zinnebeelden overal met het verheven Messias-beeld, dat zij teekenden, te vermengen. Daarom kon do Heere met. diepe waarheid zeggen: Hel zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensehen, wat cjesproken is door de profeten; want Hij zal den heidenen overgeleverd tuorden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk fiehandeld worden en hespogen worden, en Hem gegeeseld hebbende, zallen zij Hem dooden. Met zulke bestanddeelen gevuld, kwam reeds in den spiegel der profetie het beeld te voorschijn van den kelk, die zekerlijk wel de satan, maar toch overeenkomstig Gods eeuwigen raad, den Zoon des Allerhoogsten zou toereiken. En geloof het, deze raad ging ver, zeer ver boven alles wat martelaarschap, of misschien wel tueh-tiging, loulering en beproeving heet. De smetteloos Rechtvaardige behoefde voorzeker voor zichzelven de tuchtiging niet; en gesteld, ook voor Hem ware eene beproeving heilzaam geweest, zoo kon zij, zonder eene verdonkerende reuzenschaduw op Gods rechtvaardigheid te werpen, ten minste niet in den vorm van eene zoo uitgezochte ont-eering, van eenen zoo ongehoorden smaad en vernedering, van eene zoo voorbeeldeloos wreode marteling over den éénig Heilige op aarde komen, gelijk zij door Hem geleden werd. Neen, het lijden onzes Heeren heeft eene oneindig diepere beteekenis, en wij behoeven slechts een vluchtigen blik op onzen tekst te slaan, om haar ook hier duidelijk te herkennen. Merkt op, wat do Evangelist over den aard en de wijze, waarmede de twaalve de mededeeling huns Meesters ontvingen, betuigt; En zij verslonden geen van deze dingen, en dat woord was voor hen verborgen, en zij verslonden niet hetgeen gezegd werd. Lucas geeft in eenen drievoudigen vorm het niet-vorstaan van deze dingen door de apostelen te kennen. Hoe vreemd is dit, en wien dringt zich hier do vraag niet op, wat het dan toch geweest is, dat zij niet verstaan hebben? Dat de Meester gezegd had, dat Hij te Jeruzalem zou

ocr page 21

9

lijdon en sterven, konden zij onmogelijk niet gehoord hebben. Bat Hij met zijn dood misschien de waarheid zijner leer bezegelen wilde, was een denkbeeld, dat toch ook bij allen voor de hand lag. Nochtans verzekert Lucas: Zij verslonden geen van deze dingen, en zij verstonden niet heigeen gezegd werd. Is het niet denkelijk, dat de meening van den evangelist zij, dat bij, die enkel het historische van Christus' lijden kent, en die Christus' lijden enkel als marteldom, van het bloedgetuigenschap van andere heiligen niet wezentlijk onderscheiden, wilde opvatten, nog niets van het lijden van Christus, dat is van deszelfs ware beteekenis verstaat? Onmiskenbaar hebben wij bier eene heenwijzing op eenen oneindig dieperen grond van den ernstvollen uitgang des levens onzes Heeren voor ons.

Waarin ligt echter deze grond? Hoort hel! deze grond ligt in eenige geheimvolle woorden:

Meer dan vernietiging was Hem de schuldverzoening,

En meer dan schepping nog, verlossing door voldoening,

Verbrijzelen kon zijn macht op eens den boom der zonden,

Doch het geviel Hem meer, zijn huis daarop te gronden.

„Wat is dat — zoo boor ik zeggen — dat klinkt als de spreuken der sybille.quot; Dat moge zoo zijn, doch in deze duistere woorden ligt een diepe waarheid. „Maar hoe! verbrijzelen kon Hij den boom der zonde?quot; Ja, Hij kon het met eenen slag. Hij had slechts bet ontaarde geslacht, waarin de zonde wortelde, door een almachtig: Zijl geweest! mede te vernietigen, en Hij was aan het doel. Doch wij moesten leven, en niet sterven; en zoo heeft Hij niet alleen onze zonden genomen tot de foelie van den spiegel, over welken zich de volle glans van al zijne deugden en allermeest van zijne liefde, zelfs heerlijker nog dan in de werken der schepping, zou uitstorten; maar Hij beeft ze zelfs zoodanig laten dienen, dat Hij door de olTerande zijns Zoons voor haar eene orde des heils heeft opgericht, in welke wij nu tot een veel hoogeren graad van heerlijkheid en Godeverwantschap kunnen komen, dan wij die eenmaal in onzen stamvader bezaten, of dan wij bereikt zouden hebben, wanneer wij niet gevallen, maar in de beproeving staande gebleven waren. Onze val gaf Hem ruimte en gelegenheid, om feitelijk te bewijzen, dat ilij niet enkel in bet verpletten der zonde zijne rechtvaardigheid bewijzen, maar ook in het toelaten en vergeven der zonden zijne barmhartigheid verheerlijken kan, zonder zijne rechtvaardigheid te kort te doen. Wij zondigden en werden den vloek onderworpen. Daar word het Woord, dat bij God was on zelf God was, vleesch. De eeuwige Zoon werd onze Broeder, nam in den weg eener geheimvolle toerekening onze zonden op zich, betaalde de majesteit van een onschendbare wet onze schuld, dekte mot zijne gerechtigheid onze naaktheid, stolde ons als de door Hom vertegenwoordigden den Vader onbestraffolijk en welbohagelijk voor, veroorzaakte een gejuich dor engelen om onze verhooging, verhief ons tot hot deelgenootschap aan zijne eigene rijkdommen, zaligheden en rechten, bouwde ons hutten des vrede,s nabij den troon van God, en

ocr page 22

10

verbond ons aan zich door banden eener eeuwige, ziel) in den heiligen tranendamv der dankbaarheid badende liefde. — Dal is het huis, dat God in Christus op den boom der zonde gegrond beeft, en waarvan de apostelen toen nog niet bet geringste vermoeden hadden. Daarna erkenden zij deze heils- en vredestiebting, en boe zalig waren zij sedert in do kennis van de groote verborgenheid der Godzaligheid!

111.

Doch zien wij nog eenmaal op de aankondiging in onzen tekst terug. Wie erkent niet met mij daarin te gelijk een profetisch zinnebeeld voor ons, eene onthulling onzer eigene toekomst. Niets verhindert ons thans, om het Ziel, wij (jaan op naar Jeruzalem, en wel in gelijken dubbelen zin, waarmede de ileere het uitsprak, tot het onze tè maken. Zeker was hetgeen de Zaligmaker in de eerste plaats voor oogen stond, bet aardsche Jeruzalem, alwaar de macht des boozen toenmaals baar middenpunt en troonzetel had, en juist bezig was, om over haar vreeselijk moordplan te broeden. Doch Hij ging niï dit Jeruzalem, tegelijk met zijnen verwachtingvollen blik, naar een ander Jeruzalem, welks met bloed besprengde grondslagen Hij juist thans wilde leggen. Wij durven ook nu wederom met Hem zeggen: Alles zal volbracht worden nan den Zoon des mensehen, wat gesproken is door de profeten. Want Hij zal den Heidenen worden overgeleverd, lij zul bespot, smadelijk fiehandeld en bespogen worden, en Hem ge-geeseld hebbende, zullen zij Hem (in eenen zekeren zin) dooden. Niet minder zijn wij gerechtigd hier bij te voegen; en ten derden dage zal Hij iveder opstaan. Een nieuwe lijdenstijd is voor Hem en voor zijne Kerk op handen. Ja, reeds meer dan met zijn begin is deze tijd gekomen. Ziel slechts met een' scherpen blik, en liet zal u niet kunnen ontgaan, tegen wien naar zijne innigste strekking de strijd onzer dagen ontbrand is. Hel is op niets minder gemeend, dan op do uil-roeiing van Ghristus en van zijn Koninkrijk. Reeds hebben zij Hem uit millioenen harten, uil duizenden van huizen, en altijd meer uit den Staal, die grondwettig niet meer een Ghrislelijke Slaat mag zijn, weggedaan. Zij hopen Hem ook weg te verkrijgen uit hel enderwijs onzer kinderen, hetgeen ben dan ook reeds in al le veel omvang gelukt is; zij pogen Hem zelfs uil do belijdenis der Kerk le verbannen, en alzoo ten laatste zelfs uit de gedachtenis der volken en uit de herinnering der geheele menschheid. En zij gaan met hunne op de verdelging des geloofs aan Ghristus en zijn Evangelie berekende onderneming geheel juist en zichzelven gelijkblijvend te werk, wanneer namelijk hun plan medebrengt, om de zedelijke wereldorde te verwarren, do heilige instellingen van bel huisgezin op te lossen, de grenzen van hel eigendomsrecht uil te zetten, en alle godsvrucht, allen eerbied voor overheid en wét te ondermijnen. Want dat alles heeft zijnen wortel in het Ghrislendom en wordt door hetzelve alleen gedragen. Welk eene valsche berekening maken zij echter, die na zulk eene verwoesting ons nog een aardsch hemelrijk beloven. Zij zeiven, die ons dat hemelrijk willen slichten, spiegelen ons in hunne personen reeds ge-

ocr page 23

li

noegzaam de vreemde houding af, waarin dat rijk verscliijneu zal. Wat er komen zal, wanneer dat gebroedsel linnner beraadslagingen gelukkig ter wereld komt, wil ik u zeggen. Vooreerst, eene maatschappelijke verwarring, een ondergang van al liet zedelijke, edele en groote, een barbaarschheid en ongebondenheid, zooals de wereld ze nog nooit gezien heeft, eene ellende, algemeener en grooter dan eeni-ge vroegere, ja, eene hel op aarde. En dan wanhoopgeschreeuw en hulpgeroep, als de kreet eener wegzinkende wereld. En dan woest en stormachtig vragen en zoeken naar heelmiddelen voor de vreese-lijke wonden der menschheid, maar tengevolge daarvan slechts do ontzettende ontdekking, dat alle menschelijke middelen uitgeput en verbruikt zijn, en dat de verwachting, dat liet goede wel van zelf uit liet menschelijk geslacht zal te voorschijn komen, alleen door ben gekoesterd is geworden, die in den van allen grond meest ontblooten waan verkeerden, welke ooit ontstoken hersenen beheerscht heeft. De proef, dat alleen daar, waar het Christendom ingang vindt, heil en zegen ontspruit, is reeds duizendmaal gemaakt. Het schijnt nu ook met den tijd tot de feitelijke tegenprcef te willen komen, dat men het Evangelie den scheldbrief niet kan geven, zonder daardoor tegelijk een baan te openen voor een zondvloed van alle denkbaar onheil en verderf. Nadat de wereld ook deze galbittere kelk tot op de helft zal geledigd hebben, mag er eene terugkeering in menigte tot de banier des Kruises verwacht worden. Ja, nog eens zal God zijn buis op den hoorn der zonden gronden, en wel zoo, dat het ongeloof, voor altijd tot zwijgen gebracht, deszelfs grondvesten niet meer zal schudden.

Wij' gaan alzoo naar Jeruzalem in de kwade zoowel als de goede heteekenis des woords. Christus zal lijden in Zijne kerk en gekruisigd worden, maar ook weder opstaan ten derde dage. Na de lijdensweken komt ons Pasdien. In het scheepje van het vast vertrouwen staren wij getroost door do van storm bewogene zee dor tegenwoordigheid heen. En beleven wij ook het Paschen van de groote eindoverwinning van Christus hier beneden niet, welnu, dan stemmen wij daarboven in met bet gejuich: Nu zijn de Koninkrijken der wereld onzes Clodft en zijns Christus rjeworden! Wij weten, wie bet is, die ons met zijn bloed gekocht en ons daar plaats bereid heeft, en zingen vroolijk met een onzer Duilsche dichters den Heere Jezus toe:

Groote volken zal U God Ten geschenke geven ,

Want Gij gaaft bij hoon en spot,

Uw zoo dierbaar leven.

Help ons, dat wij altijd meer

Op uw daden merken,

En mefc ijver tot uw eer Ons geloof versterken.

Amen.

ocr page 24

DE KOPEREN SLANG.

Waahtoe de imug toch dueeijer dan de stroom?

Ach ? wat u uedt? is u ook zeer n'.aiuj.

7,oo spreekt een Dichter. Men zou bijna clenken, dat hem de apostolische woorden, Rom. 40: 0—8, voor den geest stonden: Maar de rechlvaardir/heid, die uil hel (jeloof is, spreelcl aldus: Zeg niet in uw, harte: Wie zal in den hemel opldimmen? hetzelve is ciiiustös van doven afbrengen. Of: Wie zal in den afyrond nederdalen? hetzelve is christus UIT de dooden opbrengen. Maar Waf ZOgt zijquot;? NaBI.I u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het VJOOrd des geloofs, hetwelk wij prediken. Ann het zoeken en streven naar duurzame innerlijke bevrediging' is in deze wereld maat noch gvens Ie vinden. Men put tot dal einde alle bronnen uit, en men spant tot dat doel al de zeilen der gedachten uit. Hier klimt men, om bel verlangde kleinood te ontdekken, op de hooge laddersporten eener wereld-sche wijsbegeerte, maar hoe hooger men opklimt, des te meer verbergt zich het gezochte in het verre blauw des hemels. Elders meent men met gelukkiger gevolg zich op de vleugelen dei' verbeelding tot het doel te verheffen, maar (jesehildcrde bronnen zijn niet geschikt om den dorst te lesschen, en de dichtkunst laat, hare onmacht gevoelend, voor den ernst des levens haar rozenstaf zinken. En net even weinig gevolg wordt naar dit doel gestreefd, wanneer men aan Mozes' band op den weg der wet, het Kanaiin des vredes hoopt te bereiken; want niet Mozes is het, maar Jezus, die in het, beloofde land binnenleidt. Of wanneer men met Saul den somberen weg naar Endor inslaat, om de orakels en sibyllen-spreuken eener verborgene natuur, het geheim van het waar geluk des harten af te luisteren. Och, dit geheim ligt ons zoo nabij, en de weg tot de zaligheid is zoo kort! Wij zullen beden het eene en het andere voor ons ontsluierd zien, en ongetwijfeld ruime aanleiding vinden, om eenen langen, aan den bouw van allerlei geestelijke bruggen en zorgen verspilden tijd, als een verloren tijd, met leedwezen te beklagen.

ocr page 25

13

Johannes 3; li, 15.

En gelijk Mozes tie slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet

de Zoon des raenschen verhoogd worden, opdat een iegeiijk, die in

Hem gelooft, niet verderve; maar het eeuwige leven hebbe.

Do boom dos lovons, waarvan hot menscholijk hart zich de vrucht eonor ware bevrediging on van oon waarachtig geluk kan plukken, groeit niot bier on elders, maar enkel en alleen op don heiligen met bloed gedronkton grond, waarover als mot plechtigen klokkonklank liet woord galmt: Ziet lui Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Mochten wij allen hiervan recht levendig overtuigd worden, en hier do onvergelijkelijke kunst loeren, welke nergens anders to leeren is, om rust te vinden in bet midden van de onrust, en vredeliederen te zingen in bet midden van don strijd!

Jn de voorgelezen tekstwoorden predikt de lleere zelf ons van zijn opbandon zijnde lijden, en reikt ons te gelijk — onze aanbiddelijke dank zij Hem voor dezen on schatbaren dienst toegebracht! — den sleutel tot de innerlijkste verborgenheid zijns levens. Hij geeft ons door deze rijke en diepzinnige uitspraak bet recht, om tot volledige klaarheid te komen :

I, ten opzichte van do ware beteokenis zijns lijdons, en

II. ten opzichte van de voorwaarden, tot deelneming aan deszelfs vruchten.

Moge dan allen, die hieraan nog bobóefte hebben, over deze beide hoogst gewichtige zaken oen blijvend licht opgaan, opdat zij voortaan niot meer bohooren tot dezulken, die altijd leeren zonder tot de kennis der waarheid te komen; maar dat zij zich aansluiten bij dezulken, die oenen vasten grond voor hun geloof vonden, en bekwaam gemaakt werden, om in bet woord zoowel als op den weg van God, vaste en gewisse treden te doen!

I.

In bot bekende gesprek des Hoeren met Nicodemns ontmoeten wij onzen togenwoordigen tekst. Gij boort don boilbegeerigen Schriftgeleerde, die nog wel uit vrees voor do Joden, met zijne belijdenis van Jezus bet daglicht schuwde, maar nochtans van Hem, inwien hij meer dan oen Rabbijn van Nazareth vereerde, niet verwijderd kon blijven, en die daarom de zwijgende nacht tot zijn geboim bezoek koos. Nieo demus, een oprecht naar waarheid en vrede dorstend man, had de waarheid slechts in zoover gevonden, als zij een fakkel is, die zijne zonde en bet dreigend oordeel in het licht stolde. Wat echter de vrede betreft, boe ijveriger bij deze op den weg van de werken der wet had nagejaagd, boe meer hij dien bad zien vlieden, en in plaats daarvan had hem eene onrust bemachtigd, waarin zich reeds bier de worm die niet sterven zal, aanmeldt. Thans hoopt hij bij Jezus, de onfeilbare terechtwijzing en don gewensebten goeden raad te vinden. Doch welke vreemde dingen komen hem hier tor ooren ! Hij verneemt

ocr page 26

dat de mensch, die nu eenmaal vleesclielijk is, in den weg, die de rede aanbeveelt, nooit lot het doel komt. De grondregel: „houdt de geboden van God, en gij zult zalig worden,quot; brengt iiem even ver. Neen, de verlossing van den mensch hangt enkel van wonderen af. Hij behoeft eene wedergeboorte door den Geest van God, en deze wedergeboorte heeft wederom iets even wonderlijks en geheimvols tot haren grond. Waarin dit bestaat, zegt de Heere in onzen tekst. Hij voert den Schriftgeleerde terug naar het Oude Testament. Hij spreekt tot den wetgeleerde van Mozes. Hij wijst den leeraar in Israël tot diens beschaming aan, hoe bij den weg der wedervereeniging niet God reeds uit do aanwijzingen moest hebben leeren kennen, die inde Thora, in de Mozaïsche boeken ruimschoots te vinden zijn, en herinnert hem nu vooral en nildrnkkelijk aan ééne der aanwijzingen, waarmede bet liefelijk doel gepaard ging, om Nicodemus reeds rui te wapenen tegen de mogelijkheid van de verzoeking, om, door des Heeren lijden, in verwarring te geraken ten opzichte van zijn persoon en zaak.

De Heere herinnert Nicodemus aan de koperen slang in de woestijn. Ge weet, welk eene historische beteekenis dat beeld lieeft. De veertig jaren der omzwerving door de woestijn liepen ten einde. Israël stond aan de grenzen van het beloofde land. Nu stelt zich de Kananitische. vorst Arad met een slagvaardig leger Israël in den weg. Het komt tot eenen strijd. Do Israëlieten worden geslagen en verliezen meerdere gevangenen. Thans, zoo als altijd in dergelijke gevallen, denkt liet volk aan toevluchtneming tot God. De tranen van boetvaardigheid vloeien, en de angstige roepstemmen om hulp worden altijd luider gehoord. Jehova verhoort en Arad wordt overwonnen. Daar het volk echter nu niet dadelijk in het land, waar melk en honig vloeit, ingaat, vervalt het tot de oude verdrietelijkheid, en de reeds dnizendmalcn gehoorde stem der mismoedigheid, en der misnoegdheid en der murmureering tegen Mozes en tegen God zelf wordt op nieuw opgeheven. Toen kon het niet wel anders, of de Heere moest andermaal het tuighuis van zijnen toorn opendoen, want nooit mocht Israël vergeten, dat Jehova een heiliy God is, die zich niet laat bespotten, en voor wien, die boos is, niet zal lies taan. Het ontbreekt zijner stralfende rechtvaardigheid niet aan roeden. Ditmaal zijn het vurige, of zoogenaamde sera/slangen, eene soort van adders, wier beten eenen brandenden dood aanbrengen, en die niet zelden in de woestijn voorkwamen, maar die thans, door een wenk des Almachtigen uit al hunne sluiphoeken geroepen, eensslags in eene nooit geziene menigte het leger Israëls aanvielen. Vreeselijk oordeel! ontzettende verwarring aan alle kanten! Een hartverscheurend noodgeschrei galmt van de eene tent naar de andere. Wanhopige mannen, handenwringende vrouwen en weeklagende kinderen storten naar buiten uit hunne tenten. Dij ontel-baren hangen de vergiftige serpenten reeds aan de bloedende leden. De anderen worden door deze dieren met de snelheid van den bliksem, en zonder mogelijkheid van ze te ontvlieden, achtervolgd. Nu ontstaat er wederom eene algemeene en overluide schuldbelijdenissen roep der angst en der benauwdheid om barmhartigheid en genade.

ocr page 27

Zij nemen de toovluclit lol, Mozes met de smeekbetle: Bid dm tteerc dat Hij deze slanrjen van ons wegnemel En Mozes treedt, gelijk iiltijd, als middelaar in, komt biddoiul voor het aangezicht des lieeren, en roept om erljarming, en hij ontvangt van den (lod allei harmiuir-tigheid, die andermaal genade voor recht laat gaan, do bekende, vreemde, maar boven alles beteekenisvolle last: dat hij uit koper het beeld eener serafslang zou maken; dal bij deze slang aan don stang van een veldbanier vastmaken en deze in het leger oprichten zou, terwijl bij aan het volk in den naam van Jehova zou verkondigen, dat een iegelijk, die geheten wordt en dit beeld aanschouwt, niet sterven maar genezen en leven zal. En Mozes deed gelijk de Heere geboden had. öaar hangt dan nu de koperen slang in het midden des legers. Zij hangt aan een kruis, want dusdanig was de gedaante van den banierstang, van welke de vlag of banier, aan een dwarshout gehecht, loodrecht afhing Kn do gewonden loopen bij menigte loe, ieder met zijne geliefden; de vaders met hunne zonen en dochteren aan de hand, de moeders met hunne stuiptrekkende zuigelingen op de armen. En wie gelooft, en in dat geloof naar bet slangenbeeld opziet, die wordt genezen, en de kindertjes worden genezen door het geloof hunner ouders. Wie echter twijfelend de gedachte bij zich plaats vergunde, hoe toch zulk een koper beeld hulp en heeling kon aanbrengen, die viel als het oiler van zijn verstandelijk oordeel, en kwam niet in het beloofde land.

Gij ziet, mijne Broeders! dat wij ons hier op het gebied van Goddelijke voorafbeeldingen of tijpen bevinden, en dat bier plaats heeft, wat in de Spreuken van Salomo de Eeuwige Wijsheid van zicbzelve zegt: Ik hen spelende in de wereld van Gods aardrijk, en mijne vermakingen zijn met der menschen kinderen, (lij ziet ook, dat zoo ergens een geheim verborgen ligt, het hier moet zijn, en, niet waar? op welk een geheim deze gansche beeldspraak heenwees — zoudt gij, ook zonder bol ontraadselend woord des Heeren in onzen tekst, zekerlijk vermoed hebben? Dit woord echter neemt ook de laatste nevel, die daarover zweven mocht, weg. Of hel toenmalig Israël reeds in staat was bet beeld in deszelfs geheele diepte te vatten, moeten wij aan zijne plaats laten. De meest verlichten des volks konden zekerlijk iets van deze diepte vermoeden, omdat zij in hunne offeranden, waarin ook een zinnebeeldig, met de zonden des volks beladen, en tot zonde gemaakt dier, als middel van redding voorkwam, eene aan- en inleiding tot het recht verstand van dit beeld vonden. Wij echter begrijpen den zin van deze beeldsprakige voorstelling, en zien niet meer vreemd op, zooals Nicodemus ongetwijfeld deed, toen hij den Heere boorde zeggen: Gelijk Mozes de slang [de slang, niet eene slang) in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des mensehen verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Als punten van vergelijking stellen zich, zooals handtastelijk in het oog valt, de volgende bijzonderheden aan ons voor. De Israëlieten in de van adderengesis en met angst en ellende vervulde woestijn, vertegenwoordigen de menschheid in deze wereld. Kanaiin, aan welks

ocr page 28

-16

grenzen zij legeren, schaduwt het verblijf der zaligen aan de andere zijde des grafs af. De slangenbeet, die de wandelaars door de woestijn in gevaar brengt, om aan deze zijde van het beloofde land le sterven. eu dat land voor altijd te verbeuren, beteekent den vloek dei-zonde, die ons den vrede ontroofd en den hemel toesluit. De verbooging van de koperen slang ziet, gelijk de Heere zelf betuigt, op de verhooging van Christus. Geschiedde do verhooging der slang ingevolge het Goddelijk raadsbesluit, de verhooging van Christus niet minder. Was de verhooging der slang een opgehangen worden aan een kruis, de verhooging van (lliristus was het insgelijks. I lad de eerste verhooging te gelijk de beteekenis van verheerlijking, omdat liet koperen beeld bet heel- en redmiddel des volks was, zoo geldt dit ook van de laatste verhooging; want Christus voleindigde zichzelven als Zaligmaker der wereld eerst aan het kruis. Doch gij zegt: „de slang zelve kan toch geen beeld van den Heere Jezus zijn?quot; Zij was het even zoo goed als liet opzien naar dezelve een beeld des geloofs was. Zoo was ook de door het aanschouwen der slang veroorzaakte genezing een beeld van de door bet geloof in Christus verkregen wordende genade; en de door het slangenbeeld voor Israël weder mogelijk geworden intocht in het beloofde land, een beeld van de door Christus voor ons zondaren weder mogelijk geworden opneming in het land der heerlijkheid. „Doch Christus en een slangenbeeld 1 waar is hier gelijkheid, waar overeenkomst? Is er iets tegenstrijdiger en ongerijmder, dan deze naast elkander plaatsing?quot; Neen, niet bij den eersten oogopslag en naar den schijn; doch deze schijn heeft enkel zijnen grond daarin, dat er ook geen grooter geheim is, dan hetgeen hier aangeduid wordt. „Doch Christus — zoo werpt gij mij tegen — is toch de Heilige, en de slang met haar vergif een beeld der zonde?quot; Zeer waar, mijne beminden! maar bedenk vooreerst, dat Christus hier niet met eene natuurlijke slang, maar enkel mot een koperen af-beeldsel er van, welke het vergif van de werkelijke slang niet heeft, vergeleken wordt. „Doch ook bet beeld eener slang — zoo antwoordt gij — blijft een zinnebeeld der zonde.quot; Ook weder waar; doch hebt gij nooit gelezen: God heeft dien, die geen zonde, gekend heeft, voor ons tot zonde gemaald1? Nooit gelezen: God deed alle enze ongerechtigheden op Hem aanloopen9 Nooit gelezen: Christus heeft onze zonden in zijn lichaam gedragen op het hout? En wederom: Hij heeft ons verlost van den vloek der toet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er staat geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt! Herinner u slechts deze uitspraken, en zoo vele andere soortgelijke schriftuurplaatsen, en gij zult de genoemde vergelijking reeds niet meer zoo ongerijmd vinden. „Maar Christus is toch altijd de zonde niet.quot; Mijne Vrienden! wanneer Hij, bij wijze van toerekening, onze zonden droeg; wanneer zich op Hem de vloek, welke de zonde moest treffen, ophoopte; wanneer Hij zich, op plaatsbekleedende wijze, om den wille van onze zonden, aan het rechterlijke zwaard der wet onderwierp, opdat bij onze begenadiging, de majesteit der wet ongeschonden en ongekrenkt bleef; wanneer de zonde, volgens de Apostolische uitdrukking, in zijn vleesch ver-

ocr page 29

oordcchl werd. opdat zij van hare veroordeelonde en verdervende kracht beroofd werd; wanneer, zeg ik, dit alles waar is, zou Ilij dan niet, niettegenstaande al zijne persoonlijke heiligheid, in eenon diepen zin, met goeden grond, de zonde heeten, en bij uitnemendheid gepast en bednidingvol met dat koperen slangenbeeld vergeleken kunnen worden? En alles wat ik daar zoo even opnoemde, is werkelijk, volgens de Schrift geschied, en de lijdensgescbiederns is ei de bepaalde vervulling van. En gescbieden moest bet, ja viocst het. Alzoo, dat is, op gelijke wijze — dus booren wij den lleere zelf in onzen tekst zeggen — moet de Zoon des mmschen verhoofjd tuorden. Ja, het was een moeten, waarvan wij de diepten zekerlijk bier beneden niet vermogen te doorgronden. liet geheele ontwerp der verlossing ging voorzeker van de liefde en ontferming Gods uit. Alzoo lief heeft God de wereld gehad zoo begint bet op onzen tekst volgend groote woord, dat Ilij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft. Doch het betaamde Gode, om dit ontwerp in dien bloedigen Middelaarsweg tot stand te brengen, die door onzen lleere Jezus Ghristus bewandeld werd. Dit was een moeten, dat gedeeltelijk zijnen grond had in ons algeheel onvermogen, om ons zeiven uit ons zedelijk bederf te redden, en gedeeltelijk in liet hoogheilig Wezen, en in de onwankelbare orde van God, De noodzakelijkheid eischte het aldus, zegt ons geheel de Heilige Schrift, en kunnen wij bet ivaarom niet doorzien, maar ten hoogste slechts van verre vermoeden, zoo weten wij, dat er nog veel aan ontbreekt, eer wij de diepten der Godheid zouden kunnen doorgronden. Wie hier aan de tegenwerpingen en bedenkingen van zijn natuurlijk verstand de voorkeur geven wil boven het Woord van God, die doe het ten koste van eigen gevaar; doch bedenke daarbij, hoe het den eigenwijzen lieden, die tegenover de koperen slang in de woestijn het hoofd schudden, gegaan is, en hoe zij het enkel hunnen hoogmoed hadden toe te schrijven, dat zij aan hunne wonden stierven en verdierven, terwijl nu eenmaal tegen de slangenbeet, behalve het middel, dat God er voor verordend bad, geene andere hulp ter wereld te vinden was.

11.

Zoo weten wij dan nu: het tegenbeeld der koperen slang is de voor ons aan het hout gekruisigde Ghristus. Deze staat als de eenige beil-banier in het leger van de door de zonde verdorvene en om dei-zonde wille aan den vloek onderworpene menschbeid opgericht. Geene genezing, geene geruststelling van het geweten, geene onthefüng van den vloek en geene toelating in het bemelsch Kanailn als door Mem. „Ik hen de weg, de waarheid en het leven,quot; betuigt Hij zelf; „Niemand komt tot den Vader dan door Mij.quot; Nu is de vraag: hoe door Hem de zaligheid ons gewordt, nadat Hij in zijn lijden en sterven do laatste verplichting vervuld heeft, door welke ilij tot een volkomen Verlosser werd? Ik antwoord: op dezelfde wijze, als in het voorbeeld der woestijn, de vergiftigden van den slangenbeet gered werden. Vooreerst moet er bij ons zijn, wat daar moest zijn: gevoel onzer

ocr page 30

18

■wonden, klare bewustheid van onze ellende, zondensmart en zonden-rouw. Zoo lang de leugen ons gevangen houdt en de waan ons verstrikt, als waren wij niet schuldig voor de wet, en niet vleeschelijk en niet verloren met onze geheel van do liel'de Clods verlaten en door de eigenliefde vergiftigden toestand, en in onze vervreemding van God, niet den vloek en toorn onderworpen, zoo lang zijn wij nog niet geschikt om gered te worden. De geschiktheid tot redding is eerst met de klare bewustheid der behoefte naar redding aanwezig. Wie in Israël niet had geloofd, van de slangen gebeten te zijn, die zou op zijn leger hebben blijven liggen en gestorven zijn. Mijne Vrienden! het zegt nog niets, dat gij het woord van den Gekruisigden hoort en begrijpt, ja geheel zijne waarheid erkent, en het zelfs aan anderen verkondigen en verklaren kunt. Niet enkel voor liet woord, rnaar hoven alles voor uw eigene ware gestalte en toestand, moeten u de oogen open gaan. Gij moet n zeiven begrijpen te zijn als dezulken, die van liet leven uit God door gezindheid en daad uitgevallen zijn; als dezulken, die op grove of lijue wijze onder de zonde verkocht en door de wet van God beslissend veroordeelde en verdoemde overtreders zijt. In deze hoedanigheden, welke werkelijk de uwe zijn, moet gij u met diepen weemoed, met hartgrondige zielsbe-kommering, met brandend heete dorst naar genade en verzoening-bevonden hebben; dan, maar ook dan eerst, zet gij den eersten stap op den weg, die tot eeuwige genezing leidt. Ja, de eerste afdeeling op dezen weg is nat van tranen. Boven alles moet men eerst een tollenaar zijn, die aan zijne borst slaat; een Simon Petrus met een: lieere (ja van mij uit, want ik ben een zondicj mensch; een verloren zoon, die met het zuchtend harte op de lippen wederkeert en zegt: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemd en voor u, en ik ben niet meer waardig uw kind genoemd te worden, maak mij tot één van uwe huurlingen.

En wat komt er dan verder? De noodstaat van uw hart zal het u spoedig ontdekken. Het dorstend hart vindt de bron spoedig, en de van zijne vlucht vermoeide duif ontdekt spoedig den olijfboom, waarop zij kan rusten. Wel kan het zijn, dat gij eerst nog een tijd lang ginds en derwaarts omzwerft, en nu hier, dan ginds hoopt te ontdekken, wat de storm in uw binnenste bezweert. Doch wat vrucht heeft het? Gij vindt slechts uitgehouwen bakken, die geen water houden, en tot rust komt gij niet, totdat gij voor de bloedige banier van het geestelijk Israël, het tegenbeeld der koperen slang, uwe ruste houdt. En zijt gij hier, ziet dan omhoog, dat is, naar de beteekenis van het beeld: Gelooft dan, opdat een iegelijk — zegt de Heere — die in Hem gelooft, niet verderve. Merkt wel op, dat hier niet gezegd wordt, die Hem maar die in Hem gelooven. Deze uitdrukking weegt in de taal des Heeren zwaar, en beteekent oneindig meer, dan eene bloote verstandelijke werkzaamheid, meer dan een ja zeggen op eenige leerstelling, meer dan een voor waar houden en instemming der gedachten. Het komt op eene geloovige, vertrouwelijke overgave aan den gekruisigden Zaligmaker, als aan den laatsten en eenigen Heiland en Helper uit allen nood en uit alle bederf aan. Men staat

ocr page 31

■lü

vóór Item, men erkent in Hem den man, die in ondoorgrondelijké liefde zichzelven in alles gaf en geven moest, zouden wij onwaardt-gen gered worden. Eene dankbare ontroering overmeestert ons hart. Men omvat Hem niet enkel als liet laatste plechtanker, en niet enkel zooals de door den bloedwreker vervolgde de beschermende ^hoornen van het altaar omvat, maar men omhelst Hem te gelijk als den aller-tronwsten Beminnaar van zondaren, en men eigent zich Hem toe, ais do liefelijkste troost onzes levens. Men werpt zich ganschelijk op Hem. Men komt in zijne verdienste tot rust. Men laat Hem onze gansche verwachting, onze hoogste vreugde zijn. En de liefde tot Hem, die onder de werking des Heiligen Geestes, zich in onze harten ontvonkt, wordt nu tot een nieuw beginsel van ons inwendig leven en tot eene behoederesse van al ons doen en laten. Slechts voor Hem wil men voortaan leven. Men wandelt voor zijne oogen schrede voor schrede. Men berekent met een teeder geweten, wat Hem mishagen kan, en men vermijdt het. En nieuwe wouden — want ach, de zonde is nu zoo min nog volkomen dood in ons, als wij lezen, dat in het historisch voorbeeld der woestijn, de slangen dadelijk werden weggenomen — dringen ons altijd op nieuw tot Hern in diep berouw. Dat dan op nieuw do tranen aan de oogleden hangen, maar opnieuw neme men dan ook de troost der vergeving van zijne genaderijke lippen aan!

Ziet mijne Beminden! dit heet in den gekruisigden Christus geloo-ven. Wie aldus in Hem gelooft, die — hoort het uit Jezus eigen mond — zal niet verderven, maar heeft het eeuwige leven. Niet-ge-looven en verderven zijn dus onafscheidelijke zaken. Wie zal tegen een ondubbelzinnig getuigenis uit den mond des Heeren zelf, zoo als wij het hier hooren, nog voortaan de oppervlakkige en afgesleten stelling kunnen huldigen, dat bet, bij de vraag naar de zaligheid, geheel en alleen aankomt op het doen, terwijl het geloof daarentegen onverschillig is, dat is niet in aanmerking komt, of ten minste niet beslist. Zeker kan slechts de uiterste onkunde van het wezen des ge-loofs, eene zoo onnoozele voorstelling doen geboren worden. Men ziet daarbij geheel over het hoofd, dat de Heere niet zegt: wie gelooft, zal het eeuwige leueii hebben, maar heeft reeds het eeuwige leven, üe Heere stelt het geloof reeds voor als leven, ja als het begin en de kiem van het eeuwige leven, naardien Hij, verre verwijderd om het geloof te beschouwen als eene bloote toestemming des verstands in eeue zekere hoeveelheid leerstellingen, het geloof veel meer voorstelt, als de levensvolle toeëigening dezer leerstellingen, ja als eene onbepaalde overgave van zichzelven aan Hem, den Heere Jezus, en aan zijne leiding en bewerking. Wie het geloof in deze hoedanigheid, door eigen ondervinding leerde kennen, die kan slechts met een medelijdenden glimlach nederzien op de eigenwijsheid van dezulken, die het geloof tot iets onverschilligs maken, en de zedelijkheid op dezelfde wijze eere willen bewijzen, als iemand die een heek eere toebrengen wil, door hem tot een zelfstandig bestaan te verhellen, en hem alzoo van zijne bron af te snijden. Geene zedelijkheid zonder reinheid des harten; en geene reinheid des harten zonder geloof; zon-

ocr page 32

'id

der geloof freenc liofile lot fJoil, on zonder doze liefde geene dongd. Het geloof vindt echter do vereeniging met God alleen in Christus. Slechts den blik op liet met doornen gekroond tegenbeeld der koperen slang geneest al onze wonden. Gaat lieen, en wordt er door eigene zalige ondervinding mede bekend, en leert instemmen met des dichters woorden:

Gekruiste liefde, ons eeuwig leven!

Gij meer dan eer, dan goed en geld.

Laat -vrij de wereld ons begeven;

Daar Gij ons meer dan schaadloos stelt.

En wandlen wij op donkere wegen,

't Is goed voor 't hart, dat U vertrouwt.

't Geloof strekt Gij ten licht en zegen,

En eens wordt Ge op uw troon aanschouwd.

Amkn.

ocr page 33

111.

DE ll üüc; IvIMU KSTKR,

Het is eeno zeer verkeerde voorstelling, alsof Clirislns het Oude Testament als iels nietigs ter zijde gesteld of te niet gedaan zou hol)-licii. Zeker stelde Hij liet Oude Testament ter zijde, maar niet gelijk Hij, hij voorbeeld, het Farizeërdom ter zijde stelde, maar gelijk de vrucht de hloesem ter zijde stelt, terwijl zij zijne kracht en sap in zich opneemt, en dan het hulsel van zich werpt. Meent viel, zegt de Ileere zelf, Matth. 5: 17, dal Tic fiekomen hen, om de wel of' de pro-J'elcn te ONTitixriEN, Ik hen niet cjekomen om die Ie oxtjii.vdkx . maar te vehvuli.ex. Ja, om zoowel aan de wetgevende als voorspellende woorden des Ouden Testaments levensvolheid mede te deelen, was Hij gekomen. De wet gehoorzamende en volbrengende, de profetie waar makende, verwezen tl ij kende, in Zich opnemende, vervulde Hij bet oogmerk en doel zijner optreding. Het afgeteekende ideaal wei d in Hem belichaamd. Met doode, ledige beeld, zelfstandigheid en vleesch geworden in Hem, als in zijn lovend, oorspronkelijk en we-zentlijk beeld, loste zich in Hem op.

Van het Oude Testament is niets dan een verwelkte bloesem afgevallen en verwaaid. Tot in de kleinste en minst in het oog vallende bijzonderheden werd de geheele Levilische tempelordening in Hem bewaard en verwezentlijkt. Elk Godsdienstig gebruik had in Hem en in zijne daad, de plechtigste overgang uit het gebied der schaduwen in dat van het tegenbeeldige en wezenIIijkc. Gelijk de grondteekening van een gebouw tot de verwezenllijkte houw zelf staat, alzoo stond de geheele Mozaïsche ceremonieële wot tot Jezus' persoon en werk. Het ontwerp van het gebouw werd dus niet vernietigd, maar enkel, tot in de fijnsle pennetrekken, aangevuld en verwezentlijkt, in bet ge-houw opgelost en behouden, ofschoon het Ihans zijne diensten gedaan en in de bewaarplaats is weggelegd, nog allijd do waarde van eenen maatsiaf van de voorzorg, de- wijze berekening, do nauwgezetheid en nauwkeurigheid, waarmede de Bouwmeester gebouwd en zijn werk ten uitvoer gebracht heeft. Op gelijke wijze dient ons dan ook nog beden de oude ceremonieële wet, terwijl zij ons als een heilige fakkel in de diepten van den Goddelijken raad ter verlossing voorlicht. Hoe verkwikkend en zielverbell'end is het toch, om den Eeuwige te zien, als zich reeds vóór duizende jaren roet dc aftcekening van zijn groot out-

ocr page 34

00

Averp van redding onledig lioudende! Of is liel iels anders dan zijne schelsende linnd, welke wij in deze schaduwomtrekken ontdekken? In deze Leeldeniijke, en zoowel persoonlijke als feitelijke verschijiiselen omvattende schetsen, staat, zoo als bekend is, de Aiironitischc priester als eene hoofdfiguur vóór ons. Hoe Christus ook deze heteekenis-volle schaduw in zijn persoon tot wezen en belichaming bracht, zullen wij heden aanschouwen.

heureën 7: 26.

Want zoodfinig een Hoogepriester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen

geworden.

Een heerlijk gebied opent zich voor onze beschouwing. Onze tekst voert ons tot grondvesten van Gods raad. Wij vernemen, hoe de Zaligmaker, die ons met God verzoenen zou, gesteld zijn moest. Er was eene Goddelijke openbaring noodig, om ons dat te doen begrijpen. Zonder openbaring van boven zou geen Engelen- en geen menschenverstand ooit het raadsel hebben opgelost, boe een onder den vloek vervallen geslacht, zonder de Goddelijke gerechtigheid te kort te doen, weder in genade aangenomen en met God vereenigd kon en zou worden. Thans zijn voor ons de zegels dezer verborgenheid geopend. Hooren wij dan beden

I. Welk eenen Verlosser wij hebbin moeten en werkelijk hebben, en

II. Welke rechten er uit de volmaaktheid van dezen Hoogepriester-lijken Middelaar voortvloeien.

Moge de Geest des Heeren over onze beschouwing zweven, en lei-de Hij ons in alle waarheid!

I.

De mensch in zijne natuurlijke boovaardij wil van eenen Middelaar of Verlosser niet weten. m acht zich mondig genoeg, om zichzelven te verantwoorden, en wil zich niet richten naar God, maar eischt veelmeer, dat God Zich naar hem schikke. Hij schrijft den Allerhoogste de voorwaarden voor, onder welke Hij hem rechtvaardig verklaren en zegenen, ja eenmaal verhoogen en tot heerlijkheid opnemen moet. God moet zich met de rechtvaardigheid vergenoegen, die hij Hem aanbiedt. Welk een jammerlijk verminkt maaksel deze ook zij. God moet ze als volkomen aannemen, en als genoegzaam laten gelden. Hij moet zijne zedelijke eischen naar den tegenwoordigen toestand van den

ocr page 35

23

mensch wijzigen. Hij moet liet, of de mensch dreigt heimelijk in zijn hart, om Hem van hardheid ea wreedheid te beschuldigen. In zulk eene betrekking staat de zoon van Adam tot God, als een vermetel en Ie gelijk onzinnig opstandeling, die eischt, dat God om zijns, om eens ellendigen zondaars wil. Zijn wezen en al Zijne volkomenheden zal verloochenen. Zoo protesteert bij tegen de boodschap van eene Goddelijke genade- en heilsorde, omdat voor zijnen verstandeloozen hoogmoed de gedachte onverdragelijk is, dat zijne verlossing en zaligmaking zulke groote toebereidselen van Gods barmhartigheid zouden vereischt hebben. Doch gij allen weet het, welk eene ontvangst den Heere Jezus te beurt viel, toen Hij onder de rnenschen optrad met de verkondiging, dat Hij gekomen was om zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen. „Wat rantsoen!quot; zoo wordt er gezegd. „Waartoe een rantsoen? Alsof wij hankbreukige lieden en in ons zeiven hulpeloos waren? Als het op betalen aankomt, dan staan wij zelf onzen man, en behoeven geenen borg.quot; En zeker, wanneer God de grondvesting van zijne heilsorde had willen uitstellen, totdat de menschen er uit hen zeiven om gevraagd hadden, de heilsorde zou wel nooit tot stand gebracht zijn; veelmeer zou bet eene geslacht na het andere iu de vreeselijkste gerustheid en verblinding naar den afgrond van bet eeuwig verderf zijn heengetnimeld, en ook nog ten huldigen dage zon de geheele menschheid halsstarrig en zonder hulpgeschrei den afgrond zijn te gemoet gegaan. Doch, heil, ja heil ons! God rekende deze onze ontzettende blindheid mede tot de ellende, waarover Hij Zicli ontfermde, en hoe luider wij in onze razernij schreeuwden: „wij willen geenen Middelaar!quot; des te hooger flikkerde in zijn hart de vlam van het medelijden op, dat Hem drong, om eenen Middelaar en Verlosser te zenden. .Ta, Hij heeft de zaligheid ons opgedrongen, eu ons tegen onzon avII in Christus verlost. „Doch hoorde men dan niet de Ouden zuchten: „Och, dat Gij de hemden scheurdet, dat Gij nederInvaamlDe Ouden hebben aldus geroepen, maar nadat vooraf een Goddelijk wonderwerk hunne tongen daartoe losmaakte. De men-schelijke natuur als zoodanig heeft nooit, op deze wijze geroepen. Zij is zichzelve tot op dit oogenblik genoegzaam. Zij gaat hoogmoedig de kribbe en het kruis voorhij, want „waartoe deze dingen?quot; zoo denkt zij, „ik heb ze niet noodig.quot; Inderdaad, hebt gij dan geen Middelaar noodig? Behoeft gij werkelijk niemand, die voor u tns-schentreedt? Slechts als. wij twee gevallen onderstellen, dan hebt gij geenen Middelaar noodig. Bestaat er geen God in den hemel, neen, dan behoeft gij geenen Zaligmaker, want dan bestaat er ook geen oordeel, geene voortduring na den dood, geenc eeuwigheid. Dan zijl. gij eene waterbel op den stroom der natuur gelijk, die weldra weder tot niets zult uiteenspatten. Alsdan heeft het voor des levens toekomst geene de minste beteekenis, of iemand een heilige, dan wel een goddeloozc is. lieide treft alsdan na den korten droom van het aardsche bestaan liet gelijke lot der vernietiging. De dood bluscht de vonk, geest genoemd, in hen uit Zij verdwijnen voor altijd uit de rij der persoonlijkheden, en hunne plaats wordt niet meer gevonden. Wat zuu, indien het denkbeeld Gods eene hersenschim ware, een Hooge-

ocr page 36

21

priester voor u noodig zijn? Docli de dwaas, zoo roept de heilige zanger, — zcr/t in zijn hart: En is gkkn god, en liij voegt er van deze lieden bij: '/'ij verderven hei, zij maken hel f/ruiveijk mei hun iverk. ])och ook wanneer er een God is, zoo als er even waarachtig een God leeft, als de hemelen zijne eere vertellen en liet uitspansel zijner handen werk verkondigt, dan hebt gij nochtans geenen Verlosser noodig, wanneer die God niet de Waarachtige is, die wel een: vervloeid is een iegelijk, die niet hljfl in al wat geschreven slaat in het hoek der wet, om dat Ie doen, aan de zuilen der aarde schreef, maar niet overeenkomstig dat woord den zondaar straft, maar er tegen handelt; of wanneer God niet de Heilige is, maar als gij, die de zonde en misdaad niet in aanmerking neemt; of niet de Almachtige, die in zijne regeering zonder plan en zonder orde te werk gaat. Alsdan zon Mij n gelijk zijn, en zeker, waartoe zon n dan een Zaligmaker noodig zijn? Doch zon zulk een wezen nog God zijn? Behoort het niet wezenilijk tot het bestaan van God, dat Hij heilig, rechtvaardig en waarachtig is, en de zonde vervloekt, en de vervulling zijner onherroepelijke bevelen eischt, om een iegelijk te vergelden naar zijne werken? Ik vermeen, dat niets meer boven alle twijfeling verheven is, dan juist dit. Wat, o mensch! komt n echter toe naar uwe werken te ontvangen? U, die zoo geheel ontbloot zijt van den grondslag van al het, goede, dat voor God geldt, namelijk God lief ie hebben boven alles en uwe naasten als uzelven? U, die van nature als een volmaakt eigenlievend wezen wordt bevonden. U, do dienaar des vleesches, ja, de vijand en tegenstander van God, en die u als zoodanig zoo dikwijls vertoont als God met zijn woord, zijne wet of zijne leidingen uwe wenschen en begeerten tegenwerkt? Weet gij wat u toekomt? De dood komt u toe en de verwerping van Gods aangezicht. God moet u verdoemen, waar Hij met rechterlijke blikken uw persoon aanziet, of Hij moest zelf te gronde gaan en ophouden God te zijn. En gij begeert, dat Hij Zich-zelven oplosse, met Zichzelven in tweestrijd kome, ja Zichzelven ver-nietige, lerwijl .nij eischt, dat Hij u zondaar zonder middelaarschap, zonder genoegdoening, zonder oller zegene, verhooge en in het hemel-sche verplaatse? O dolzinnigheid, o razernij, o zinneloos, ja vermetel en roekeloos pogen! Wat gij ook immer noodig hebt, noodiger hebt gij niets dan eenen Middelaar en Verlosser. Juich dan en bidt aan in het stof, dat er znlk een persoon verschenen is, en dat Hij ook tot u de reddende hand uitstrekt. God moest de afgevallen menschheid straffen. Dat was Gods recht, zegt de Schrift, zoo betaamde het God, zegt zij. Er ligt eene noodzakelijkheid in Gods natuur en in de orde van zijn huis, dat de vloek van de zonde onafscheidelijk is. Daartegen is niets in te brengen. Het is eene eeuwig onbetwistbare waarheid. Wat zou er nu echter uit de menschheid geworden zijn, wanneer God haar overeenkomstig hare werken had moeten vergelden? Zij ware eene prooi der hel geweest, en dat wel voor altijd, voor eeuwig. Doch daartoe .moest het niet komen. En daarom trad de ondoorgrondelijke liefde Gods met haar ontwerp van redding tusschenheide. Het was noodig, dat iemand tot ons zondaren in de betrekking van eenen tweeden Adam gesteld werd, dat wil zeggen, dat Hij Zich op dezelfde

ocr page 37

geheimvolle wijze met ons vei'üc;i;;oIvigde, gelijk do eerste Adam één was met zijn geslacht. IliJ moest ons vertegenwoordigen, en wij moesten in Hem begrepen zijn; Hij moest liet hoofd, on wij als zijn lichaam tot ééne persoonlijkheid met Hem verhonden zijn; Hij moest derhalve aan onze zonden en wij aan zijne betaling deel hehhen, evenals waren wij in Hem, en als waren wij niet velen, maar met Hem slechts één persoon, in Hem begrepen voor God, zoodat wij velen, in Hem, tot éénen man geworden zijn. Natuurlijk moest zulk een vertegenwoordiger vooreerst een mensch zijn, want niet do Engelen, maar de merischheid moest tot verzoening van de door haar met voeten getreden wet, de rechtvaardige straf ondergaan. Der menschheid was gezegd: Ik wil dien uit mijn hoek uitdelgen, die tegen Mij zoudi'jl. Der menschheid was de wet der Tien Geboden gegeven, opdat zij ze in acht nemen en er naar leven zou. De voorwaarde, aan welke onze wederopneming in het huis dos Vaders verbonden was, was eene tweevoudige; vooreerst deze, dat wij voor God gesteld werden als de zoodanigen, die de gedreigde vloek der zonde hadden ondergaan, en ten andere, dat God bevond ons knechten te zijn, die de gehoorzaamheid, welke den mensch onherroepelijk werd opgelegd, in alles volkomen betoond heeft. Dat nu de Middelaar niet enkel een mensch, maar een heilig mensch moest zijn, vloeit uil het gezegde noodzakelijk voort, want, zoo Hij zelf een schuldenaar was, zoo had Hij voor Zichzelven eenen middelaar noodig, die voor Hem betaalde. Kn dat Hij insgelijks meer dan mensch moest zijn, is niet minder duidelijk. Hij moest ie gelijk God zijn, en wel vooreerst, opdat Hij — wat alleen van God kan gezegd worden — niet onder maar hoven de wet stond, en hiermede het recht en de bevoegdheid had, om Zich voor anderen onder de wet te stellen; en ten andere, opdat Hij door zijne grenzenlooze afdaling van de hoogte der Godheid in de beperktheid der arme menschelijke natuur, de waarde van zijne plaalsbekleedende gehoorzaamheid oneindig en volstrekt volkomen maken kon; en verder, opdat Hij, gelijk de leer der Kerk zich uitdrukt, de last van den toorn Gods en ai de verschrikkingen van den op Zich genomen vloek zonder vertwijfeling zou kunnen dragen, en eindelijk, opdat Hij ons op de hoogste wijze, dat is lol de heerschappij en de heerlijkheid van den Kengeboren Zoon des Vaders zou kunnen verhellen. Och, wij stamelen er wel van, hoe en waarom de Middelaar zóó moest gesteld zijn, als Hij gesteld was, doch met onze menscneiijke korlzichligheid vatten wij slechts zeer weinig van de groote zaak. Dit echter staat — omdat zijn onbedriege-lijk Woord het getuigt — onwankelbaar vast, dat zuil: een llooge-priester ons hetaamdc, die heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, dal is: niet als zij in zonden ontvangen en geboren, en hooger dan de hemelen geworden -is; dat is: die ook boven de Engelenwereld verheven, Gode evengelijk en zelf God is, te prijzen tot in eeuwigheid. Eerst de eeuwigheid zal ons de verborgenheid geheel en al ontsluiten, om welke redenen slechts zulk een persoon voor onze ellende dienstig was. Tot die oplossing toe, laat ons geloovig en in dank versmeltende, voor God in het stof neder-

ocr page 38

20

liggen, dat Hij ons eenen Hoogepriester heeft gezonden, flie aan al deze vereisditen werkelijk beantwoordt, en die het groote Middelaars-werk heerlijk heeft voleindigd. Ja, zulk eenen is voor ons gekomen. Doorwandelt het heiligdom van hel Evangelie, en gij zult Hom ontmoeten. Wandelt naar Bethlehem, en aanschouwt aldaar eerst den jnensch, ons in gedaante gelijk. Hoort vervolgens de tot man opgegroeide van Zichzelven getuigen : Ik en de Vader zijn één; wie Mij (jezien heeft, die heeft den Vader gezien. Gaat verder naar de Jor-duan, en hoort hot daar uil zijn eigen mond, dat Hij gekomen is, om alle (jererhtikheid te vervuilen. Volgt Hem dan weder op de schouwplaats zijner openbare werkzaamheid, en laat het u door Hem zeggen, dat het zijn voornemen is, om zijn leven tc geven tot een rantsoen voor velen. Hoort hoven Hem het getuigenis zijns Hemel-schen Vaders lot ons nederdalen: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wicn Ik mijn welbehagen heb! en leidt daaruit af, dat Hij onberispelijk was en werkelijk de wet voor ons vervulde. En begeert gij ook hiervoor nog een menschelijk getuigenis, boort dan zijnen rechter roepen: Ik vinde geenc schuld in dezen mensch! En nu, hoorl van zijn kruis zijn Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Hier draagt Hij den vloek voor u; hier smaakt Hij de verschrikking der verdoemenis. Hoort zijn triomfwoord: Het is volbracht! Nu is de groote veldslag gewonnen, en hel verlossend offer tot stand gebracht. „En dit zou werkelijk zoo zijn?quot; O, wanneer ten dezen opzichte u nog eenige twijfeling overvalt, zoo snelt naar builen, naar Jczefs hof, waar de Almachtige zelf liet feitelijk betuigt, en dooi het wonder der opwekking op al de werken van zijnen Zoon het schitlerendsle zegel drukt. En boort het dan vervolgens van zijnen '/aligen met den Geest gezalfden discipel zeggen; Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Gu zi.it in Hem volmaakt. Christus is ons van God gemaakt wijsheid, recht-vaardigmaking, heiligmaking en verlossing. Wie zal beschuldiging inbrengen, wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, ja wed meer is, die ook opgewekt is, die ook Ier rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.

II.

O, met welke woorden zal ik nu dezulken onder ons prijzen, die grond en reden hebben, om dezen volkomen Hoogepriester de hunne te mogen noemen. Want weet, fdlcr Hoogepriester is Jlij niet, maar enkel van hen, die op den gcheiligden weg eener behoefte naar genade, Hem als den eenigen Man hunner hope en hunner vertroosting hebben aangelrolïen. O gij, die door de gci.ade Gods uit den zonden-slaap der natuurlijke geruslheid ontwaakt zijl; gij, wien de vluchtige droom van eigengerechtigheid en deugd niet meer begoochelt en doel dwalen; gij, die de zonde in het licht van God erkent voor hetgeen zij is, en die u zeiven de vreeselijke Godvervreemding, in welke gij door de zonde vervallen zijl, met ontzetting en schrik bewust zijl geworden; gij, die met de vluchtigheid van het lijdelijk leven en de

ocr page 39

27

ernst der eeuwigheid voor oo^tn, eigentlijk niels anders on niets •vuriger wenscht en begeert, dan dat God u goed en genadig zij; gij, die aan de mogelijkheid, om in eigene kracht u met den Eeuwige te verzoenen, volstrekt afziende, slechls nog ééne sier ziet, welke u voor de veihvijfeling bewaart — do ster uit Jacob; slechts nog één balk ontdekt, die u boven den zondvloed drijvend houdt — de kruisbalk; slechts nog ééne hand kent, door welke «jij verlossing verwacht — de doorboorde hand van den Man met de doornenkroon; ja, gij met het oprechte; Uccre Jezus, ontferm U mijner! in het hart en op de lippen; yij, die u altijd weder zijnen naam laat noemen, die altijd weder lot zijn kruis opziet, aan zijne \oeten nedervalt, en zoo gij van angst en benauwdheid niet vergaan zult, u herinneren moet, dat Hij tegenwoordig is; gij, die het zoo ernstiu meent met uw verlangen naar Hem, zoo oprecht met uw; Zutie Davids! helj) mij! zoo hartgrondig met uw; lleere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ? En zoo waar en innig met den wensch van uw hart Hem geheel te leven. Hem in alles en overal Ie dienen, en van alles, ja van alles af te laten wat zijne heilige oogen niet behaagt; gij allen, die u alzoo bevindt te zijn, o twijfelt en vraagt niet meer of het u vergund zij, u met Hem te vertroosten? Ja, ja, het is u vergund. Gij draagt kenbaar den stempel uwer verlossing aan hel voorhoofd. Voorzeker, wanneer yij niet bevoegd waart, Hem tol uwen Hoogepriester te verklaren, zoo zou niemand in hemel of op aarde daartoe bevoegd zijn.

Is echter zulk eene bevoegdheid de onze, mijne Broeders! welk een lefclijk erfdeel is ons dan geworden. Want dat spreekt immers wel van zelve, dat zulk een volkomen Middelaar ook eene volkomene verlossng en gerechtigheid tot stand brengen moest. De rechten, die uit zijnen ai beid voor ons voortvloeien, zijn onmetelijk en onvergelijkbaar. Wij mogen het voortaan daarvoor houden, dat vjij der zonde gestorven zijn, en dal er niels meer verdoemelijks aan ons is, want zoo wij nog onder den vloek waren, hoe zou dat kunnen samen gaan met het woord: Hij heeft ons verlost van den vloek der wet, ecu vloek geworden zijnde voor ons. Wij behoeven over geene enkele onzer zonden meer bezorgd Ie zijn, dat zij ons nog door God tot onze verwerping zal toegerekend worden, want zoo wij nog onze zonden droegen, hoe zou er kunnen geschreven staan; Hij droerj onze zonden in zijn lichaam op het hout. Het betaamt ons, dat wij ons zeiven kennen als gerechtvaardigden voor God; want zoo wij nog als overtreders voor Hem stonden, wat zou dan de uitspraak beteeke-nen; Gelijk door de ongchoorzaaniheid van éénen velen tot zondaren (jesteld zijn [jeworden, alzoo zullen ook door de f/ehonrzaarnheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden11? Wij behoeven voortaan niet meer voor dood en duivel ons te ontzetten; want Hij, die voor ons gestreden heeft, moet zoowel den eenen als den anderen voor ons ontwapend hehhen, daar ons door Goddelijke volmacht do Iriomf-zang in den mond gelegd is: Dood, waar is uw prikkel? hel, waar is uwe overwinning'? Zelf mogen wij onze bezorgdheid over ons volharden in de waarheid en op den weg des levens laten varen, want

ocr page 40

zoo wij zolf nop dozo zorg moeskm lorschen, waarom zou dan de ]Icere gezegd hebben: Dit is de wil mijns Vaders, dat van alles wat Hij Mij gegeven heeft Ik niets verlieze. En wederom: Niemand zal mijne schapen uit mijne hand ruliken. Zoo zijn wij dan werkelijk in staat gesteld, om reeds hier boneden in liet genot van eenen vollen en bestendigen vrede onzen weg te gaan, want zoo wij dit niet waren, welk eenen zin zon dan de uitspraak des Hoeren hebben: Mijnen vrede neef Ik u, mijnen vrede laat Ik u, en de toeroep van den Apostel: Werpt al uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u? Op zulke uitspraken moeten onze laatste twijfelingen 'te berste s too ten.

Ziet, mijne Vrienden! zoo is hot met ons gesteld. Waarom geven wij ons echter niet over aan dien vrede? Waarom smaken wij hem meestal sledils voor eenen tijd, voor uren en altijd afgebroken? O, de redenen hiervan liggen niet in het werk van Christus, als ware dat niet toereikend om ons eene aanhoudende cn volkomene geruststelling te schenken. Zij zijn veelmeer bij ons zeiven en in eene verkeerde richting van ons hart (e zoeken. Nu ontbreekt het ons aan een genoegzaam inzicht in de breede grondslagen, door welke onze verlossing wordt gedragen. Met bloed des Lams en deszelfs onmetelijke kracht en werking wordt niet naar behooren door ons gekend of erkend. Dan weder is ons geloof verlamd, en het vleeschelijk verstand met hare twijfelingen en bedenkingen heeft weder den troon beklommen. Nu begoochelt ons op nieuw de wereld met haar verblindend too verspel, en wij leven weder meer in haar wezen en werk, in hare beelden en zaken, dan in Christus. Dan weder drijft een valsche ijver voor een kerkelijk leerstelsel ons al te zeer tot uitersten, en wij zoeken in de vasthouding van dit of dat Evangelische leerpunt meer onze eer voor do wereld dan het stillen van de dorst onzer ziel. Eindelijk, en dit is de hoofdzaak waarom wij meestal zoo weinig aan Christus hebben, het ontbreekt ons meermalen aan het levendig en doordringend zondaarsgevoel. De he-wustheid onzer ellende is alsdan verdonkerd. Hot gevoel van ons bederf en vloekwaardigheid wordt mat eu verstompt. Alsdan ligt ons weinig meer gelegen aan de wateren van Siloa, en voor de Goddelijke stroomen des vredes opent zich geen toegang tot onze harten. Men dringt alsdan niet meer in het binnenste van het heiligdom der ofleranden, omdat men daar niets meer te zoeken heeft, en de halsern uit de wonden van Jezus vindt geene plaats meer, om zijne heilige en bezielende kracht aan ons te betoonen.

Daarom, mijne Vrienden! wat wij doen, bidden wij den Heere dagelijks om de Goddelijke oogenzalve. Met de zelfkennis houdt de kennis des heils in Christus gelijken tred. Slechts eene altijd versche zondensmart onderhoudt de betrekking met de Goddelijke vrede-bronnen. Hoe geestelijk armer, des te nader aan al de volheid; aan hoe meer wonden krank, des te vatbaarder voor de eeuwige genezing. Het beeld van den grooten Hoogepriesler in zijne heerlijkheid spiegelt zich op hot volledigst en zuiverst af in den dauw der Petrus' pa Magdalena's tranen; en niets heeft dieperen grond dan het woord

ocr page 41

!2lt;l

van on zon hominden zanger WoUorsflorIT, waarmede wij eindigen

Ontwaak, o mensch! en sidder voor uw zonden.

't Geloof wordt niet dan in het hart gevonden,

Dat diep gewond, de zonde wil belijden,

En ook vermijden.

U wil de I leer geheel uw schuld vergeven,

Opdat ge in Hem in vrede en vreugd kunt leven.

O zie reeds hier; door op zijn heil te hopen,

Den hemel open.

AMKX.

ocr page 42

IV.

DE Z A L V I N (i.

Het grijpt mijn gemoed altijd verteederend, ja pleclitstatig aan, wanneer ik een huis of hut voorbijga, waarvan ik weet, dat zij door ware kinderen van God bewoond worden. Gaarne vertraag ik voor zulke plaatsen mijne schreden, en laat ik mijne gedachten en gewaarwordingen den vrijen loop. Ik gedenk alsdan aan het woord van den lleere aan den Engel der gemeente van Pergamus (Openb. 2 : 13): Ik weet, luaar (jij woont, en zie in den geest, hoe als twee vriendelijke hemel-sterren, Gods Vaderoogen dag en nacht, over deze woningen geopend zijn. Ik gedenk alsdan aan de uitspraak van onzen Vredevorst, Joh. 44 : 2!}; 11'ij zullen lol hem komen en woniny bij hem maken, en eene huivering van eerbied overvalt mij bij hel zien van zulk eenen tabernakel (lods bij de kinderen der menschen. Een derde woord paart zich alsdan bij de twee anderen in mijne herinnering, liet woord van den Apostel, llebr. 1 : Ji: Zijn zo niet allen (jcdicnsti(je geesten, dje lot dienst uilt/ezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen'-? En het oog mijns gelool's ziet do Jacobsladder in den glans dos hemels zich plaatsen aan dit huis. Wij treden in deze ure in den geest tot eone woning van deze verhevene soort. In het bekende stadje aan de overzijde van den Olijfberg, in Bethanië stond het eenmaal. Daar stonden wel vele huizen, doch waar zijn zij gebleven? Sedert eeuwen is hunne plaats niet meer bekend. Slechts twee werden uit den alles overheerschenden stroom der tijden gered en staan nog on verbroken tot op dezen dag. „Waar?quot; vraagt gij. In de groote beeldengalerij der heilige historie, en ook nog elders dan daar. Zeker omvatte Bethanië aanzienlijker huizon dan deze. In hot eene woonde misschien een rijke, in het andere een aanzienlijks, iu een derde een geleerde, doch men denkt aan geen van allen meer. Alleen naar de woning van Martha en Maria en van Simon, bijgenaamd den melaatscbe, wordt bedevaart gehouden tot op dezen dag. Ja, ook in den hemel zijn deze woningen niet vergeten. Do woningen der rechtvaardigen zullen blijven. Mogen zij ook van de oppervlakte der aarde verdwijnen, in de gedachtenis van den bewoner des hemels blijven zij bestaan. Want de voetstappen van den Immanuël stonden eens in hunne vertrekken; openbaringen, wonderen en teekenen werden eenmaal gezien onder hunne daken, en zegeningen verspreidden zich uit de binnenkameren, en stroomden naar buiten, over den dor-

ocr page 43

al

pel, in beken, die zich uitstrekken over hel graf in het eeuwige leven, ü, waren onzer aller woningen als die van Maria en van Martha en van Simon van liethaniö! Wat deze wensch beteekent, zal onze tegenwoordige beschouwing ons leeren.

Joh. 12 : 1—8.

Jezus dan kwam zes dagen vóór liet Pascha te Bethanië, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de dooden. Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was één van degenen, die met Hem aanzaten. Maria dan , genomen hebbende een pond zalf' van onvervalschte zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met hare haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf. Zoo zeide dan één van zijne discipelen, namelijk Judas, Simon's zoon, Iskariot, die hem verraden zou: Waarom is deze zalf niet verkocht voor drie honderd penningen, en den armen gegeven? En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis; want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

Het voorgelezen Evangeliesch verhaal schuift als liet ware de grendels weg voor de poort van de heilige lijdensgeschiedenis. Ofschoon het in den aanvang nog in tamelijk helder licht blinkt, bij zijne verdere ontwikkeling stijgen reeds onweèrzwangere wolken aan den gezichteinder omhoog.

liet Evangeliesch verhaal is vol diepen zin en richt zich, als wij het slechts recht verstaan, rechtstreeks tot ons, en wel met eenen eisch, die ons, gelijk altijd, bijzonder bij hot begin van de lieilige lijdensweken te stade komt. Tol Jezus! roept het Evangelie. Wij vragen echter:

I. Tot Jezus, als tot tuien9

II. 1 Ine tot Jezus? en eindelijk

III. Wanneer tot Jezus V

Op deze vragen ontvangen wij even zoo vele ondubbelzinnige en behartigingswaardige antwoorden, zoo als wij nu, indien tlod ons met zijnen zegen helpt, nader zullen vernemen.

I.

Er moesten nog zes dagen tot Paschen verloopen; vier tot den grooten bloedigen Vrijdag. En ziet, daar treffen wij den lleere in dat welbekende vreedzame vlek aan, alwaar Hij zoo gaarne plag te ver-

ocr page 44

kooren. Wij Ireffon ITom nan in Bethanië, on wel ditmaal in het liuiis van zekeren Simon, waar zijns in het vlek wonende discipelen en disripelinnen Hein eenen maaltijd der holde hadden toebereid. Jn de volstrekt niet in liet oog vallende houding van een genoodigd gast onder do andere gasten, treedt Jezns ons te gomoet, doch ziet Ilem slechts iels nanwkenrigor aan, en gij aanschouwt Hem reeds hier, gelijk later de ziener Johannes Hem zag, als wandelende in het midden der kandelaren. Tol Jezus! mijne JJroeders, ja, tot Jezns! „Doch als tot wien?quot; Gij denkt misschien, ,,als tot een wijs man van den eersten rang.quot; Ja, als tot zoodanig persoon gaan wij met u tot Hem. „Kn als tot eenen leermeester der zuiverste zeden.quot; Zeker, wij huldigen Hem ook in deze hoedanigheid. „En als tot een voorbeeld en toonbeeld van elke deugd.quot; Mijne vrienden! wij houden het met u er voor, dat Hij, ook uit dit gezichtspunt beschouwd, geen gelijke heeft. Doch het is eenc armoedige kennis van Christus, welke dezen gezichtskring niet te boven gaat, en nog armer is de menscbheid, wanneer Jezus niet meer is, dan hetgeen de opgenoemde titels Hem toekennen. Ziet maar, reeds in het klein bestek van het eerste vers van onze tekstgeschiedenis staat een geheel ander Christusbeeld voor onze oogen, dan hetgeen gij met deze armelijke trekken hebt afgeteelcend. De Heere Jezus behoeft niet zelf van Zich te getuigen; anderen getuigen reeds van Hem op de meest welsprekendste wijze. Ziet bier vooreerst Maria en hare zuster Martha. Gij kent ze. Ze zijn edele vrouwen, bij allen geacht als verstandig, nadenkend en onbevangen. Martha is blijmoedig, bewegelijk en bedrijvig; Maria is diepdenkend en tot stilheid en afgetrokkenheid geneigd. Heide steunen echter met alle hunne verwachtingen op Jezus; voor beide is Jezus de levende zuil, door welke zij bunnen hemel gedragen zien; beide weten zij van uitzichten in eene zalige toekomst alleen door zijne tusschenkomst, en wat baar ook als vrede en troost in het leven en in bet sterven verkwikt, zij scheppen het beide uit ééne bron, en die bron heet Chrislus. Welk oone hooge voorstelling van den man uit Nazareth moet reeds deze omstandigheid ons geven. Doch zie verder rondom u. Daar zijn de discipelen; Petrus, Andreas, Johannes, Jacobus, Nathanaël, Thomas, en zoo als ze verder heeten. Gij zaagt ze reeds vroeger als eene kudde verstrooide en hulpzoekende schapen naar den Dooper in de woestijn heenloopen. Gij leerdet ze als lieden kennen , wien geheel iets anders dan enkel weetlust tot deze zoekende beweging aandreef. Gij bevondt ze als de zoodanigen, wien de zonde en de toekomende toorn zwaar, zeer zwaar op het hart gevallen is, en met welker innerlijke nist het ten volle gedaan was, sedert zij God in den vuurgloed van zijne heiligheid eischende en vloek en verdoemenis dreigende Wet gezien hebben. Geen mensch, geen engel vermocht hen te troosten; en ziet, sedert zij — deze van harte verootmoedigde en daarom ook naar vplkomene genezing dorstende zielen — Jezus gevonden hebben, vond de vogel zijn huis en de zwaluw zijn nest, alwaar zij de moede vleugels toeplooiden. Zij zijn thans hoven alle zorgen. Welke heldere vallichten zien wij uit dit feit over Jezus' persoon uitstroomen- Hoe hoog staat Hij ook reeds daardoor bo-

ocr page 45

:«

ven een bloot rabbijn, wijze ol' leermeestei' van Nazareth. Wien bleef nog een weinig zienskracbt over, zonder ilil le zien? In de rij der discipelen treilen wij, belaas! ook nog Judas, een kind van den nacbt, de zoon der verdeifenis, aan. Neen, deze was nooit een lieil-behoevend zondaar; nooit dorstte deze naar God; nooit was deze god-vrucbtig; nooit trachtte hij naar betgeen boven is. Wat bewoog hem dan toch, om zich in het nauwste verkeer met Jezus in te dringen? Allereerst, voorzeker, de onwederstaanbare en wegslepende indruk van de bovenmenschelijke grootheid en verhevenheid van den Zoon van David; en dan ongetwijleld eene eerzuchtige begeerte, om in het nieuwe koninkrijk, tot welks grondvesting het thans opent,lijllt; gekomen was (want ook voor Judas lag de stempel der koninklijke waardigheid op het voorhoofd van Jezus), zich tot eenige schitterende bediening geroepen te zien. Zoo moet dan ook zelfs het vermoeden van den verrader de persoon des Jleeren mede helpen verheerlijken. De Goddelijke hoogheid van den Immanuöl blonk zoo schitterend door zijne knechtsgestalte heen, dat hare stralen tot zelfs in de duisternis eener Judasziel doordringen konden. Doch laat ons den kring der feestgenooten verder overzien. Wie is de lieer des huizes? Hij beet Simon, en draagt den bijnaam van den melaalsrhe. Hij draagt dezen toenaam tot eere van Jezus, want er wordt door gezegd wat bij was, alvorens de Heere zijn almachtig /ijl (jcreiniyd! over hem had uitgesproken. Vroeger was Simon met deze ontzettende krankheid bezocht; eene krankheid, welke geen arts ter wereld, maar alleen Hij, die ze oplegde, de Almachtige in de hoogte, en Hij, die betuigen durfde: Ik en de Wider zijn één! weder kon wegnemen. Kom Simon! treed op den voorgrond, en toon u aan alle twijfelaars als een levend gedenkteeken van de volheid der Godheid, welke in Gliristus woonde. Ja, daar staat hij, en wijst op zijne gereinigde leden. Geheel Bethanië weet het, dat hij dil feest den Heere enkel uit gevoel van dankbaarheid voor de wonderbare genezing, welke hij door Hem ondervond, toebereidde, en zelfs de vijanden kunnen het niet loochenen, dat Jezus Zich in dezen man eene eerzuil heeft opgericht, welke luider en krachtiger spreekt dan schrift of woord dit vermogen. Doch ziet, wie is daar ginds in des Meesters nabijheid, die jonge man met dien ernstigen blik en dien zonneglans op het gelaatWie is bij? Hoe, kent gij hem niet meer? Gij zaagt hem eens in het witte lijkkleed op de baar liggen. En gij waart er bij, toen men in het gevolg der weenende zusters en van vele andere treurenden zijn lijk uitdroeg. Gij zaagt in bet donkere graf, waarin men hem nederliet; doch gij waart niet minder zijne getuigen, toen, vier dagen later. Hij tot de groeve naderde, die zich de Opstandiny en hei Leven noemde, en vervolgens bet bevel gaf; Neemt den steen ruetj! en het armoedige woord: Heere, hij riekt al, met het koninklijk woord: Heb Ik u niet gezejjd, dat zoo gij (/eloofl, uj de heerlijkheid Gods zien zult? terugwees, en toen, nadat men den steen bad weggenomen, over bet verdervend lichaam den biddenden blik naai- den hemel ophief, en deze woorden sprak: Vader, Ik dunk LI, dat Gij Mij gehoord held, doch Ik weet, dat Gij Mij altijd hoort; doch om de)' schare wil, die

s

ocr page 46

rondom slaat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zonde geloovèn, dat Gij Mij gezonden hebt; 011 jiu mol luider slem bevelend, gebiedend, scheppend, in de doodsspelonk afriep: Lazarns, kom uil! En wat toen gebeurde, weet gij. Daar zit bij nu weder, die eens dood was, en de onverbreekbaarste van alle kerkers is ontkomen. Hij leeft, en is vroolijk en goedsmoeds, en niemand, hetzij vriend of vijand, komt het in de gedachte, te twijfelen, dat Lazarus eens als lijk in hot graf lag, en nu door het woord der almacht van Jezus weder leeft. Sporen, dat de Farizeën over deze wonderen buiten zichzelven van toorn en nijd waren, vinden wij in overvloed, maar ook nergens een enkel, ook niet het allergeringste spoor, dat een eenig mensch uit het volk zich ooit onderwonden beeft, om bet feit zelf te betwijfelen of zelfs wel te ontkennen. Daar zit hij nu weder, en maakt de rij der kandelaren, onder welke Jezus wandelt, vol. Neen, zij behoeven op den maallijd te Bethanië geen heraut, die van Jezus getuigt. De machtigste prediker van Jezus' heerlijkheid is Lazarus. Zij behoeven ook geen harpspeler tot eer van Jezus; wie Lazarus aanschouwt, hoort in den geest een geheel jubelend koor uitroepen: Juda, gij zijt het, U zullen utve broederen loven! Zij behoeven geen psalmgezang, dat Jezus verheerlijkt; Lazarus is een stiller en toch als met donderstemmen gezongen lofpsalm op den Koning der eere uit de hoogte. O tot Jezus! mijne beminde Broederen! En vraagt gij nog: „tot Jezus als tot wien?quot; dan antwoorden wij: Als tot den zoodanigen, gelijk Hij te Bethanië voorkomt. Een menschelijk leeraar, een nieuwe wetgever, een voorbeeld der deugd — ach, wat zou dit ons, van God vervreemde, bedorvene en ontaarde overtreders der wet, gebaat hebben ? Wij moeten een Meere van den hemel, een Vorst des levens, een Overwinnaar des doods hebben, en zulk Eenen — ziet Hem slechts in den glans, die te Bethanië over den kring waarin Hij staat, uit-stroomt — is Hij, ja Hij. En Hij is nog een meerdere!

Zoo is dan de Heere te Bethanië. Drie jaren heeft Hij nu gepredikt en onderwezen. In den laatsten tijd heeft Hij het meermalen duidelijk te verstaan gegeven, dat Hij zijn leeraarsambt thans voleindigd had. Zoo veel zij dragen konden, heelt Hij hen geopenbaard; de Trooster, die na Hem komen zou, zou hen verder onderwijzen. Volgens het begrip van onze zoogenaamde verlichte lieden, moest Hij thans zijn werk voleindigd en zijne geheele roeping vervuld hebben. Volgens zijne eigene verklaring is dit bet geval niet. Want wij zien Hem thans niet tot de stilte terugkeeren; ook keert Hij niet terug tot zijnen bemelschen Vader, maar Hij zegt veeleer: Ik moet met eenen doop qedoopt worden, en hoe luord Ik geperst, totdat het volbracht zij. Hij weet, dat het voornaamste werk, hetwelk Hem op de hand gelegd is, nog volbracht moet worden. Hij bevindt zich op den weg naar Jeruzalem, in de volle bewustheid van al wat daar geschiedt en beraadslaagd wordt. Dat zijne vijanden er thans ernst van maken, om Hem gevangen te nemen en zich van Hem te ontdoen; dat de Farizeën en de hoogepriester reeds, zoo als onmiddellijk voor onze geschiedenis gemeld wordt, een gebod gegeven hadden, dat zoo iemand wist rvaar Jij was, hij het zon te Kennen geven, opdat zij

ocr page 47

linn morlilcn vanf/erl, — Hij woet dit alios. Verre echter van den strik te ontwijken, die zij Mem gelegd hebben, gaat Hij veel meer hen rechtstreeks te gemoet. Hij moet, zoo zegt Hij, ,,den heidenen overgeleverd, aan het kruis gehecht en gedood worden.quot; Jn ons tekst-verhaal spreekt Hij wederom van zijn nabijzijnd sterven en begraven worden, als van zaken, die geschieden moeten. Immers het Lam was nog niet geslacht, dat de zonde der wereld wegneemt. Zijn woord: De Zoon des menschen is niet c/ekomen, om fjediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te neven tot een rantsoen voor velen, was nog niet tot daad en leven geworden. Het bloed, waarop reeds geheel het Oude Testament had beengewezen, en dat Hij zelf ten laatste bij de instelling van het Heilig Avondmaal als den grond der verwerving van de vergeving der zonde had aangewezen, besprengde nog niet bet hout des vloeks, maar vloeide nog onuitgestort door zijne aderen. Het kwam nog op de voltrekking van eene hoofdzaak in zijne verhevene roeping aan: bet werkelijk aanbrengen van de verzoenende ollerande voor de zonde der met vloek beladen wereld. Hiertoe echter bereidt Hij zich in het oogenblik, waarin wij Hem thans te Bethanië aantreden. Tot Jezus, mijne beminde Broederen! ja, tot Jezus! maar tot Jezus als tot wien? O, voor alle dingen tot Hem, als tot den éénigen en eeuwigen Hoogepriester, als tot den Middelaar, den Borg en den Betaler onzer schuld, '/.onder bloedstort ine/ c/eschiedt f/eene vergeving. Het bloed van Jezus Christus reinigt ons 'van alle zonde. De volmaakten daarboven in de witte kleederen hebben hunne kleederen gewasschen in het bloed des Lams. O, aarzelt niet om het-zelfde te doen als zij. Want Jezus met de doornenkroon en met de bloedige wonden moet het voorwerp uwer liefde en de grond uwer hope worden, of gij hebt niets aan Jezus, gij blijft onder den vloeken zijt verloren.

II.

Tot Jezus! Doch hoe, op welke wijze tot Hem? Maria toont het ons. De Heere is nauwelijks ter tafel aangelegen, of zij, do nadenkende en innig gevoelige ziele, komt tot Jezus, onuitsprekelijk diep bewogen van dankbaarheid, van liefde en van eerbied en tegelijk wel vermoedende, welk een tijdstip thans voor Hem was aangebroken, waarheen Hij ging, en wat Hij wilde. Zij wordt gedrongen. Hem nog eenmaal het binnenste van haar hart te ontsluiten, en Hem hare geheel aanbiddende en verwachtingvolle gehechtheid aan zijn ge-zegenden persoon bekend te maken. Doch op welke wijze? Woorden komen haar te arm voor. Geschenken heeft zij niet. Wat zij echter nog kostelijks heeft, is een wellicht uit hare moederlijke nalatenschap geërfde albasten flesch met zuivere nardusolie, zoo als men die in het Oosten hoog te waardeeren, en alleen bij feestelijke gelegenheden le gebruiken wist. Zij heeft die medegebracht. Deze nardus zou niet in enkele druppels, gelijk anders geschiedde, maar geheel tot zinnebeeld verstrekken van hetgeen zij voor den Heere der heerlijkheid gevoelt. Met diepen eerbied nadert zij den Goddelijken Beminnaar van zondaren, breekt achter Hem de welgesloten albasten flesch, laat

ocr page 48

de nardus over zijn hoofd en zijne voeten stroomen, buiyt zicli vervolgens aanbiddend naar zijne voeten en begint die met bare losgemaakte vlechten al' te droogen. En het gansche huls wordt vervuld van den llefelljken geur der zalve. Ja deze geur — gelooft het — steeg op tot In de troonzaal Gods en de heilige engelen riekten zo met blijdschap. Want deze aardsche zalfolie was slechts een ander zinnebeeld en drager van hetgeen de wijze maagden in hunne vaten hadden, waarmede zij den Bruidegom te gemoet gingen. O, eene zeer kostbare schat liet in de teedere, zinnebeeldige handeling van Maria zijn omkleedsel vallen. Daarin openbaarde zich een leven van overgegevenheid aan Jezus in eene volheid zoo als het slechts zelden te voorschijn komt. Maria wil het eigendom van Christus in tijd en eeuwigheid zijn. Zij wil met haar geloof hem omvatten, gelijk de klimop den olm, rondom welke zij zicli beeft geslingerd. Zij wil leven in zijn licht, gelijk de donkere planeet in het licht der zon, welke hem haren glans verleent. Maria kent geen anker der hope, geen grond van troost, geen hemolladder buiten Hem, en denkt zij Hem weg uit haar leven, dan gevoelt zij den tand der vertwijfeling knagen aan haar gebeente en ziet zich reddeloos der helle overgeleverd. Zoo is Hij haar alleen overgebleven, als de laatste, maar ook overvloedig genoegzame rots, door welke zij haar eeuwig heil gedragen ziet. Daarom laat zij dan ook niet meer van Hem af, maar houdt Hem omvat, ook wanneer Hij haar zou willen dooden. Daarom is Hij bare gedachte, nacht en dag, hare hoogste vreugde en bare geheele liefde. Dit alles spreekt zij door hare zalving uit. O, ziet dan aan Maria in welk eene betrekking men zich tot den Heere stellen moet. Vooreerst moet men ontwaakt zijn uit den doodslaap van het zelfbedrog; moet men zich in het licht van God erkend hebben, voor die wij werkelijk zijn; moet de Goddelijke wet, die ons veroordeelt, i'echt tegen ons gegeven hebben. Vervolgens moet er buiten ons gezocht worden wat gerechtigheid, heiligmaking en sterkte heet, wat ons door het oordeel doet komen, wat grond van hope, wat leven, wat liet kostbaarste en onontbeerlijkste mag genoemd worden, en dat alles moet gezien, erkend en aangegrepen worden in den Eénen, die daar zegt; Ik hm de Weg, de Waarheid en het Leven; terwijl de Vader van Hem getuigt „Hij is het, en Hem, Hem zult gij hooren.quot; Ja in den Eenen buiten wien nooit eene schuldbewuste ziele tot vrede kwam, en in wiens genade — o, zoo vele duizenden reeds met den blik op hunnen toestand, leerden jubelen: het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Ja, dit is het, waar bet op aankomt. En heeft men nu, op deze wijze, alles in Hem gevonden, dan moet Hij niet geheel deze liefde omvat worden, en liet geheele nardnslleschje onzer innigste gehechtheid aan Hem, over zijn hoofd en zijne voeten uitgestort worden. Met de heilige olie van een levend geloof en eener volkomene overgave aan zijne genade-leiding gezalfd, moeten wij als op zijne schouderen leunen, en met de leus:

Maak wat Gij wilt van mij, o Heer!

Maar eerst een vat ter uwer eer,

ocr page 49

37

ons leven als een zacht leem in zijne lianden leggen. Ziet, dat is liet, wat de zaak lot stand brengt. Ü, er is maar één schat, welke het hart verlicht, het leven verheerlijkt en het eenen waarachtigen, waardigen en wezentlijken inhoud geeft — het is Jezus. In Hem hemint men zich reeds liier beneden zalif/, en verplaatst men zich reeds boven de wereld. In Hem bemint men zich rijk, zoodat men niets anders meer noodig beeft. En zoo men zich aan eenig voorwerp heilicj kan beminnen, welnu, dan is het aan Hem, die zulke oneindige aanspraken op onze gebeele eu innige wederliefde beeft.

Allen in den gezelligen kring te Betbanië, zijn door Maria's zinrijke handeling diep getrolien. Slechts bij éénen klinkt de liefelijkste harmonie als wanklank, slechts één keert zich met weérzin van den iiefe-lijken nardusgeur af. Ach, wij vermoeden wie bet is, het is Judas, de onzalige, het kind der duisternis. Nooit heeft zeker de ijskoude eigenbaat in huiveringwekkender contrast tegenover de warme, heilige liefde gestaan, dan hier in de koele en waarlijk ergerlijke uitdrukking: Waarom is deze zalf niet verkocht voor drie honderd, penningen en den armen gegeven! Ach, lioe diep is hij reeds gevallen deze beklagenswaardige! Den armenquot;? o, hoe verraadt de huichelaar zichzelven! alsof men niet weet, waarom hij liever de zalf verkocht had gezien. Voor drie honderd penningen. Van het waardeeren der zalve heeft liij verstand, maar om de liefde, die er in de uitstorting der zalve ligt, te schatten, ontbreekt bet hem aan vatbaarheid, want hijzelfheeft niet lief. O, laat het voorbeeld van Judas u tot een afschrikkend, een waarschuwend teeken strekken, gij, die ook nog zoo dikwijls eene sterke neiging verraadt om de liefde der Maria's zielen tot Jezus te miskennen, of wel, waar zij in het licht treedt, mét eene zekere innerlijke ontstemming, ja verbittering, al is het ook niet bepaald van een verlies, dan toch van dweeperij, kwezelarij of huichelarij spreken kunt. Weet, dat alsdan ook over bet aangezicht van uwen inwen-digen mensch, een zweem van demonische Judastrekken zich uitbreidt. Gij hebt met allen ernst op uwe hoede te zijn, dat hetgeen zich in zulke oogenblikken in uw hart verheft, niet ook naar buiten uitbreke en u van lieverlede tot volslagcne broederen van Judas make. O wanneer eenmaal u — en God geve, dat het nog ter rechter ure geschiede — de schellen van de oogen vallen, en bij het donderwoord eeuwigheid ook uwe ziel uit den Farizeeschen droom ontwaakt, en gij, vervolgd dooi' den vloek der wet, verschrikt door den rechterstoel daarboven en geperst door den koning der verschrikking, leert den Almachtige Ie loven en te prijzen, dat u als eene laatste toevlucht, de bloedige armen van Jezus nog openstaan. Waarlijk dan ziet uw aangezicht niet meer betrokken, waar gij eene ziele ontmoet, die zich geheel en al aan den Heere Jezus heeft overgegeven. Alsdan hebt gij geenen afkeer meer van de vurige liefde, die uitroept: Wien heb ik nevens U in den hemel. Nevens U lust mij ook niets op de aarde. O neen, dan vergiet gij iu de eenzaamheid lieete tranen daarover, dat gij bet kostelijkste op aarde, de liefde tot Christus ooit miskennen kondet, en gij stemt mede in, in het klaaglied:

ocr page 50

Dat is mijn smarte; dat ik meer Gevoel bij 't goed der zinnen,

En U niet kan beminnen, Heer!

Gelijk ik U moest minnen.

Hoort, mijne vrienden! hoe de lleere Jezus de daad van Maria op prijs stelt. Hij treedt terstond voor Maria, als een getrouw verdedi-gier, in de bres tegen Judas en tegen de door de beschouwing van den duisteren geest voor een oogenblik medegesleepte discipelen, en zegt. Judas oplettend makende, dat hij de duistere bron zijner mismoedigheid wel bebbe gade te slaan: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Laat af van haar, want zij heeft een (joed werk aan Mij gewrocht. Armen Jicht gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Dat zij deze zalve op mijn lichaam heeft uitgegoten, heeft zij gedaan om Mij de eere der begrafenis aan te doen ; volgens Johannes: heeft zij bewaard tegen den dag Mijner begrafenis — voorwaar zeg Ik u alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheels wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. Hoort het. Hij, anders zoo vreemd van het prijzen van menschelijke handelingen als goed, noemt de daad van Maria opentlijk en met bijzonderen nadruk een goed werk. Geheel de wereld moet het weten, dat Hij Zich eene liefde, zooals Maria' Hem betoont, waardig acht, en hoe hoog Hij deze liefde tot Zicii stelt, de Jezusliefde die toch de stam was, aan welke zich de schoone bloesem van de daad van Maria ontvouwde. Geheel de wereld moet het weten, dat de betrekking des harten van Maria tot Hem geene dwaling en geene dweeperij, maar die betrekking is, die alleen en die werkelijk zalig maakt. En opdat iedereen dit wete, heeft Hij de daad van Maria herhaaldelijk in zijn Evangelie laten opteekenen. En het is geschied en het geschiedt nog allijd onophoudelijk wat Hij te voren gezegd heeft, waar dit Evangelie gepredikt wordt in de geheele wereld, daar zal men, gelijk ook wij heden doen, tot hare gedachtenis zeggen, van hetgeen zij gedaan heeft.

in.

Nauwelijks heeft de Heere de zoo vriendelijk lokkende als ernstig waarschuwende rede voleindigd, toen, zoo vermeldt Matthéus, ging één van de tioaalve, genaamd Judas Iscarioth tot de overpriesters, en zeide: wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem ij overleveken? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. En van toen af zocht hij gelegenheid opdat hij Hem overleveren mocht. Ontzettend ! Waar ter wereld wordt eene zoo scherpe, zoo schreeuwende, zoo hoven alle mate vreeselijke tegenstelling gevonden, als zich hier tus-schen de innige daad der liefde van Maria, en de huiveringwekkende heengang van den onzaligen zoon der verderfenis opdoet? Ach! zoover is het reeds met hem gekomen, dat een woord der ontferming, hetwelk hem tot eeuwige zaligheid had kunnen strekken, niet zoodra binnen den kring van zijne van God vervreemde ziel treedt, of het veranderd in het doodelijkst vergil, cn wrevel en bittere haat in plaats

ocr page 51

van berouw verwekkend, blijkt de onzalige mensch reeds geheel vergiftigd te zijn. Hij ging heen. Ontzettende heengang! Zijnen eenigen Redder keert hij thans, terwijl hij zich door Hein gelieel doorschouwd gevoelt, den rug. Hij gaat heen in den nacht. Ja, in den nacht behoort hij tehuis, hij, het kind der duisternis. Ja, in een schrikwekkender nacht dan die der natuur, gaat hij heen, en bet wee! wee! van God klinkt hem na op al zijne wegen.

Wij huiveren. Neen niet dezen man gaan wij niet mede. Wij wenden ons met verhoogde innigheid tot Jezus. Als tot wien, en op welke wijze wij moeten komen, hebben wij gehoord. Hooren wij nu uit ons Evangelie ook nog bet antwoord op eene derde vraag en wel op die: Wanneer moeten wij tot Jezus de toevlucht nemen?

Dit, zoo hooren wij den lïeere zeggen, heeft zij bewaard tegen den dag mijner begrafenis. Wij verstaan Hem, Hij ziet zijnen dood on opstanding met éénen blik. Voorzeker moest de balseming aan Hem geschieden nog bij liet leven zijns lichaams, naardien hiervoor in den dood geen tijd zou overblijven. Maria zal dat wel nauwelijks vermoed hebben. Zeker heelt echter het voorgevoel van zijn nabijzijnde heen-gang en hare vermoedens van de zaligheid grondvestende beteekenis van dien beengang, de heilige gloed barer liefde tot eene volle vlam aangeblazen, en haar mede gedrongen tot die uitstorting barer teeder-heid in het huis van Simon. Des Heereu liefde tot in den dood voleindigde hare wederliefde, zooals trouwens de liefde van Gods kinderen altijd en allermeest door liet bloed van Christus wordt gevoed. En waar slechts de liefde van Christus eerst recht plaats gegrepen heeft, daar zal het ook aan hulpvaardige handreiking bij vreemden nood geenszins ontbreken. Armen —■ zoo zegt de Heere — en werpt met deze woorden een alles doorborende pijl in de ziel van Judas — hebt gij altijd niet u. Maria — dat wil hij zeggen — zal het ook de armen niet aan zorgvuldige verpleging der liefde laten ontbreken. Doch Mij — dat voegt Hij er ten besluite bij — hebt gij niet altijd. En dat woord, o gij allen, die u nog niet met Hem kunt troosten, is ook tot u gesproken. O neemt het ter harte. Gij hebt Hem niet meer, wanneer eenslags de vleugelen des doods u omruischen, of wanneer inde boeien der krankheid, u de bezinning ontvalt en door het verwarde heir van onbeteugelde inbeeldingen, de boodschap des heils niet meer tot u kan doordringen. Gij hebt Hem niet meer, wanneer God, de rechtvaardige Rechter, u eindelijk, wanneer gij u lang genoeg tegen zijne roeping tot boete en bekeering verhard hebt, u in uwen verkeerden weg overgeeft, en aan de krachtige dwalingen toelaat, om zich in uw hoofd en in uw hart eene blijvende plaats te kiezen. Gij hebt Hem niet meer, wanneer, zoo als, naar de teekenen der tijden gerekend, zeer haastig geschieden kan, de laatste groote ure der verzoeking met hare demonische verblinding en hare schrikwekkende vervolgingen u overvalt, en uwe voeten — om met de profeten te spreken — ziek sloot en aan de schemerende hergen. Gij hebt Hem niet meer, wanneer u het lot te beurt valt van den in ontzettende gerustheid sluimerenden man in het Evangelie, die op zijn zelfgenoegzaam: ziele! neem rust, eet en drink en wees vroolijk! als door eenen bliksemslag

ocr page 52

10

uit eene heldere Ivicht acliterliaald werd, door het merg en heen doorsidderend woord: Gij dwaas! in (lezen nacht zal men moe ziele van u afehchen; — dat ontzettende lot van onvoorziens afgerukt te worden van den hreeden weg tol de plaats, waar geene roeping der genade meer gehoord wordt, en geene reddende hand zich meer naar u uitstrekt. Wat slaat gij daarom zoo lang en vraagt: ■wanneer'? Komt heden lot Jezus. Heden., Ier wijl f/ij zijne Mem hoort, verhardt uw hart niet, cjeljk te Meriba en Ie Manna in de woestijn geschiedde. Thans is het de welaangename lijd, het Jaar van 's Heeren welbehagen. Ziet toe, dat gij den tijd der genade niet verzuimt. Luide klinkt het nog door al het gewoel en gedruisch onzer dagen heen: Wendt u tot Mij alle (jij einden der aarde, en wordt behouden! Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontrranden; welzalig egii-ter allen, nie oi' Hem vertrouwen, naar zijne stem hooron, den hreeden weg verlaten en met den 100 Psalm uitroepen: Help mij Heere, mijn God! Verlos mij naar uwe (joedertierenheid.

Ja, Jezus neemt de zondaars aan,

En zoiult ge toch uw dood begeeren?

Zoudt gij zijn liefde en gunst versmaan ?

O neen, laat u tot Hem bekeeren!

Ach blijft niet langer koud en dood,

Erkent toch eens uw zielenood:

Gevoel des duivels strik en banden,

En stel uw ziel in Jezus handen,

Hij zal ii van de schuld ontslaan;

Nog heden neemt Hij zondaars aan.

Amen.

ocr page 53

V.

DE INTOCHT IN JERUZALEM.

Nauwelijks ontmoeten wij eeno meer bevreemdende taal als die, waarmede volgens Matlh. 16 : de lleeie eenmaal Simon Petrus afwees, toen deze met onbetamelijken aandrang- door zijn IJ cere! zijl U genadüj, dit 2/tl IJ f/ecnHziii* 'f/eschieden! Hem wilde overreden om zijn voornemen lot het heengaan naar Jeruzalem, deze verzamelplaats zijner vijanden, op te geven. De Heere, zoo meldt het Evangelie, keerde Zich om en zeide tot Petrus: Ga wc;/, achter Mij satanas! f/ij zijt Mij een aanstoot, vjant f/ij beden 1:1 niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mcnschcn zijn. En juist even te voren had diezelfde discipel op zijne heerlijke belijdenis: Gij zijl de Christus, de Zoon des levenden Gods, het eervol getuigenis ontvangen: Zalig zijl f/ij, Simon Bar Joria! mant vleeseh en bloed heeft u dal niet fjeopen-baard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En nu zoo terstond dat vernietigend en als het oordeel der verwerping klinkende i/a tverj achter Mij satanas! Ware het geen wonder, zoo de verbijstering hem niet het bloed in de aderen deed stremmen? quot;Wie begrijpt hier den Heere? Zou men niet hier, al ware liet ook slechts voor oogen-blikken aan Hem in twijfeling geraken? En toch behoeft men het harde woord slechts een weinig dieper op den bodem te zien, en het verliest niet enkel terstond alle schijnstrijdigheid, maar hel verkrijgt zelfs bepaaldelijk voor de waardeering van het lijden des Heeren eene beteekenis, welke nauwelijks eene zijner andere uitspraken in dit opzicht bezit. De Heere herkende terstond achter de afradende vermaning van zijnen Simon een ander persoon. Niet alsof Hij zijnen discipel een satanas wilde noemen. Neen, zijn Ga weg adder mij sedan! goldt den vader der leugenen, die den discipel, welke ten opzichte van des Verlossers persoon genoegzaam verlicht was, nog in vleesche-lijke waan en demonische duisternis gevangen hield ten opzichte van het werk der Verlossing. Simon Petrus trof het satanas slechts in zoo ver, als bij hier des satans werktuig en tolk was. Hij was dat zonder bewustheid, nochtans niet zonder schuld, want waarom boog hij zich niet reeds lang onder de betuigingen des Heeren van de noodzakelijkheid der op Hem wacblende folieringen, en waarom luisterde hij niet nauwkeuriger naar de stemmen van Mozes en der profeten. „(!ij zijl Mij — dat wilde de Heiland zeggen — een aanstoot op den weg, welken Ik bewandelen moet. Gij meent niet wal Goddelijk, dat is,

ocr page 54

i'2

overeenkomstig den raad en de gedachten flods, maar wat mensche-lijk, dat is, wat aardsch en vleesclielijk is.quot;

Op do ondubbelziimigste wijze blijkt dus uit deze woorden des Hoeren aan zijne discipelen, vooreerst: dat, wat in Jeruzalem op Hem wacht, naar den raad en uitdrukkelijken wil van zijnen hemel-scben Vader, Hem zal treilen. Vervolgens, blijkt daaruit met gelijke klaarheid, dat het des satans en zijns rijks overwinning en triomf zou zijn, wanneer Jezus zich aan zijn lijden had willen onttrekken. Eindelijk en nis gevolgtrekking uit het vorige, blijkt dat het Verlossingswerk tot welks voleinding Christus verschenen was, zijn lijden tot volstrekte voorwaarde had. De volstrekte noodwendigheid van zijn lijden tot onze behoudenis, is dus blijkens zijne eigene verzekering, boven allen twijfel verheven. Deze bewustheid begeleide ons beden op des Hoeren laatslen heengang naar Jeruzalem!

Matti i. '21 : 1—9.

En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethfage aan den olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Gaat hem in het vlek, dnt ter/en u over ligt, en gij zult terstond eene ezelin gehouden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen, dat de iieehe deze van koode heefi', en hij zal ze terstond zenden. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet: Zegt der dochter Sions: zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde een jong eener jukdiugende ezelin. En de discipelen heengegaan zijnde en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had, brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetteden Hem daarop. En de meeste schare spreidde hunne kleederen op den weg, en andere hieuwen takken van de boomen, en spreidden ze op den weg. En de scharen, die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna den /one Davids! Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heer en! Hosanna in de hoogste hemelen!

Daar klinkt bet ons dan weder le gemoet met zijne heldere feestelijke klanken , liet Evangeliesch verhaal, dat kortelings ons de liefelijke advent, of des Hoeren komst in het vleesch, heeft ingeluid, en dat nu, op den dorpel van do ernstige lijdensweken ons als bij de hand neemt, om ons in bet met bloed besprengde heiligdom, waar God de eeuwige grondslagen onzer verlossing gelegd heeft, in te lei-.den. Ook op dit tijdstip en aan deze plaats heeten wij het van harte welkom. Zeker geeft het ons bericht van eene oude, lang voorbijgegane, maar daarom nog niet afgeslotene en doode, maar voortdurende, eeuwig levende en zoo gewichtige gebeurlenis, dat zij, zoo ooit, dan zeker in onze dagen ter goeder ure binnen onzen gezichtskring treedt; want de klokken der vertroosting klinken daar als in éénen loon le zamen. Zij geeft ons bemoediging en geloofsversterking. En

ocr page 55

43

lt;le bemoediging zullen wij, wanneer ons de Goddelijke rijksbelangen slechts eenigermate ter harte gaan, in dezen bedenkelijken en stormachtig bewogen' tijd onfeilbaar behoeven. Welaan, geven wij het kostbare Evangeliesch verhaal plaats en gelegenheid, om datgene in ons uit te werken, waartoe het ons is overgeleverd, liet versterke ons in liet tweevoudige geloof;

I. Aan de Goddelijke Messiaswaardigheid des Heeren, en

II. Aan de triomfeerende toekomst zijns Koninkrijks.

Wij bidden den Geest der waarheid om zijn geleide!

1.

Zijl Gij het die komen zou, of verwachten wij eenen anderen? Gij kent deze vraag, mijne Beminden! Vragen, als deze, liggen velen in onze dagen, die liet anders wel meenen, zwaar op liet hart. „Is Hij de Heere? Is Hij de Koning van Israël?quot; „Neen!quot; roept eene van Hem afgevallen wereld, en ach! de over het geheel beklagelijke toestand zijner kerk op aarde, schijnt op dit neen! het zegel te drukken. Want beeft Hij den troon dei' macht en der eere ingenomen, waarom laat Hij dan de volken woeden? Heerscht Hij over alle dingen, waarom ontstrijdt de satan Hem dan zegepraal op zegepraal? Reikt zijn arm van den hemel op de aarde, waarom stopt Hij den lasteraren den mond niet? Voert Hij den hamer en het zwaard der Almacht, waarom werpt Hij niet in het stof, allen die Hem trotseeren en zijnen wijnberg verwoesten? Staan Hem alle krachten ten dienste, waarom noodzaakt Hij niet door wonderen en teekenen, de menschen, dat men Hem de eere geeft, die Hem toekomt, en behoeft Hij zijnen adem slechts te laten gaan, om het doode te doen herleven, en het verwoeste te herhouwen, waarom groenen dan niet reeds lang de steppen der heidenwereld, en staan de woestijnen niet bloeiend als de leliën?! O, boe dikwijls dringen zich in onzen tijd deze en soortgelijke vragen zelfs aan de geloovigen op, en hoe nabij ligt ook bij beu de twijfeling, of Hij wel waarlijk is; waarvoor Hij in den kring der Zijnen gehouden wordt. De twijfeling is echter de grootste vijandin van den vrede, en daarom is den welmeenende niets meer welkom , dan hetgeen de twijfeling ontzenuwt en vernietigt. Daarom is ons ook niets gewenschter dan eene geschiedenis als de onze, welke eiken nevel van twijfeling op nieuw verstrooiend, even als eene bezegelde oorkonde ten opzichte van hel Messiasschap en de eeuwige Koningswaardij van Christus zich aan ons voordoet, en ons de gebon-dene tong weder losmaakt tot de vroolijkste en beslissendste belijdenis: „Ja, Christus! Gij zijl het! (leloofd zijl Gij, die l;oinl in den naam den Heeren! Hosanna, in de hoogste hemelen!quot;

Dat Hij het is, en wij allen met grond op Hem hopen, wordt ons allereerst bevestigd door zijne eigene bewustheid, zoo als Hij dit in onze geschiedenis aan ons openbaart. Hij komt van Jericho met het voornemen om zijnen lautslen, zijnen eigentlijken Hoogepriesterlijken

ocr page 56

u

gang te doen. Op den olijfberg gekomen, spreekt Hij op gebiedenden toon lol twee zijner discipelen: Gaat heen in lui vlek, dat teyen u over Ult;jt, en (jij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar, ontbindt ze en brenfit ze tot Mij. Merkt vooreerst op, dat de Heere op eenen afstand, dien het rnenschelijk oog niet kan bereiken, de begeerde lastdieren ziet staan. Reeds in deze bijzonderheid zien wij liet hoogere in Jezus, even als de zon de wolken doorliet hulsel zijner knechlelijkc gestalte beenbreken. Vervolgens beschikt Hij over deze lastdieren met eene juistheid en bepaaldheid, waarin zich niets minder dan de Gebieder over allo dingen aan ons betoont. Daarop laat Hij volgen: Indien u iemand iets zer/t, zoo zult (jij zegejen, dat de iikkhk dkze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden. Hebt gij het opgemerkt, mijne Vrienden! Hij zegt de Heere, en niet enkel de Meester, of Jezus van Nazareth: neen, de Heere zegt Hij. Dil is een titel van majesteit, een eernaam, waarmede Hij zich hoog boven alle schepselen plaatst, ja voor het ander Ik, den Evengelijke van Jehova verklaart. De Heere heeft deze van noode. Nooit had een bloot kind des menschen aldus van zichzelven durven spreken, zonder zich aan eene Godslastering schuldig te maken. Doch Hij weet wie Hij is, en lioe Hij zich noemen en kenschetsen moet. En Hij spreekt dat Heere zeer bepaald, duidelijk en kalm uit. „Doch zal dan reeds op dit bloote woord: de Heere heeft ze van noode, de eigenaar zich bewogen vinden om zijne lastdieren te laten volgen?quot; Ja, dit zal hij. De Heere twijfelt er niet aan, maar spreekt veeleer met beslissende zekerheid, dat er wel voor Hem den Man van Nazareth en uit den hemel, geen vreemd eigendom bestaat, maar dat Hij macht heeft over alles, en dat de eeuwige Vader aan don klank van het woord de Heere zulk een' nadruk in bet hart van den eigenaar der begeerde lastdieren geven zal, dat hij ze, zoo als de Heere zegt, terstond zal zenden. O hellen wij onze geloofszwakheid op aan de zelfbewustheid onzes Heeren, zoo als zij zich hier openbaart, en welke voor zijne bovenmenschelijke heerlijkheid reeds oneindig meer bewijst, dan alle de tegenwerpingen der vijanden tegen haar bewijzen.

Doch het ongeloof vindt ook hier nog eene achterdeur, door welke het meent te kunnen ontslippen. „De eigenaar der ezelin en haav veulen, zoo zegt de ongeloovige, kan een vriend van den Profeet uit Nazareth geweest zijn, en dat ondersteld zijnde, zou de omstandigiieid, dat de eigenaar hel gevraagde terstond liet volgen, alle bijzoncerheid verloren hebben.quot; Nu, daarom zou zich het alziend oog van Jezus nog niet sluiten, en daarom hel inajeslueuse woord Heere nog niet van zijne plaats genomen worden. Doch liet ongeloof hoore verder opmerkzaam toe. Er komen nog sterkere en nog meer ondubbelzinnige getuigenissen aan bet licht. Het veulen der ezelin is met de ezelin aangebracht. De discipelen leggen hunne mantels als dekkleeden daarop, en de Heere bestijgt het dier, om op hetzelve Jeruzalem binnen te rijden. Eene onaanzienlijke optocht voorzeker, en op zichzelven nauwelijks der opmerking waardig. Doch men zie slechts dieper door, en de beteekenis zal zich verhoogen. Ja, tic Heere betuigt door dez^

ocr page 57

daad nog iets oneindig grooters van ziclizelvon, dan [lij gedaan zou licljl)eu, wanneer Hij zicli eensslags op een vorstclijken !roon liad verheven, of onder een verguld verhemelte, en in het koninklijk purper zijnen intocht in de heilige stad gehouden had. Het ligt aan den dag en de historie vermeldt het ui'drukkelijk dat den lleere ii: dit oogen-hlik eene oude Goddelijke profetische uitspraak voor oogen stond. Gij leest die, Zacharia, {gt; : 8, }). Aldaar zegt Jehova met eene Lelofte van de toekomst: Ik zul Mij rondom mijn huis Ir/jcren, van tv eye het heir-leger, van vwje den doorgaanden, en van wcge den wederkeerenden (de herders en de wachters) , oplt;lal de drijvers (de wet, de satan en de dood) nie! meer daar heen doorgaan; want nu heb Ik het met mijne oogen aangezien. Na deze algemeene heenwijzing op de toekomstige verlossing, heet het nu verder: verheug u zeer, gij dochter Sions! juieh, gij dochter van Jeruzalem! ziet uw Koning zal u komen rechtvaardig en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op eencn ezel, en op een veulen, een jong der ezelinne. Welk eene liefelijke Goddelijke belofte, waarover de geheele wereld van zondaren luide had moeten juichen! Welk eene aanminnige ster der hope aan den hemel van het Oude verhond, eeuwen lang door de heiligen Gods aanschouwd met tranen van verlangen! En wat geschiedt er nu? Meer dan vier honderd jaren zijn voorbijgegaan, sedert dit woord was gehoord geworden en nu komt op de hoogte van den olijfberg de Man uit Nazareth, en gedenkt aan deze profetische uitspraak, en in het voornemen om te gaan tot de dochter van Jeruzalem, beveelt Hij, dat men Hem eene ezelin met haar veulen brenge, zit op een van dezelve en doet aldus zijne intrede voor al hel volk te Jeruzalem. Eu wat betuigt Hij nu door deze zwijgende en toch zoo welsprekende handelwijs? Wat anders dan: „l)it woord der profetie is thans, en wel in mijn Persoon vervuld.quot; Wat anders dan: „Ik ben de beloofde Koning der eere, die, als de Rechtvaardige en do Heiland, de vrede zal aanbrengen voor de volken.quot; Wal anders dan; „Ik ben het, wiens heerlijkheid zich uitstrekken zal van zee tot zee en van do rivier de Jordaan, tot aan het einde dor aarde. Ik ben het, verheug u daarom zeer, gij dochter van Sion, en juich, gij dochter van Jeruzalem!quot; Ja dit is het, wat Hij thans luide als met donderslagen betuigt. Geene andere beteekenis dan deze kan die handeling tot grondslag verstrekken. En zoo Jezus nochtans de beloofde Koning des Vredes van den hemel niet ware, met welk eenen naam zou men dan genoodzaakt zijn zijne handeling te kenschetsen? Doch Hij wist wat Hij deed en Hij kende zijn recht, en zoo hebben wij in den wel overdachten en hoogst beduidingvollen intocht in Jeruzalem een nieuw en sterk zakelijk en feitelijk bewijs, dat Christus, de door de profeten voorspelde waaracii-tige Messias en daarmede de eengeboren Zoon van den Vader, en onze eeuwige Middelaar en Hoogepriester is.

Gij allen gevoelt het alles afdoende bewijs voor des Heeren heerlijkheid, welke in deze openbare intocht ligt opgesloten; en inderdaad ons Evangeliesch verhaal is uit dit oogpunt nog niet genoegzaam in het licht gestold. Ook bij de discipelen des Heeren, en zelfs een groot dool van het volk, was het na deze zaak boven allen twijfel verheven,

ocr page 58

/K{

dal Hij g'eonö andere was dan do vooraf aangekondigde groote Vredevorst. Ziel slechts, welk een geleide zij licin geven! Eene meer dan koninklijke intocht wordt Hem bereid. Zij spreiden hunne kleederen uit op den weg, overdekken don grond met meijen, en gaan met palmtakkon in de handen als in eonen triomftocht vóór Hem heen, en aan het jubelend lofgezang Hosanna! dat is, heil, heil den Zone Davids! Geloofd zij Hij, die daar kond in den naam des Heeren! Hosanna in de hoofiste hemelen! is geen einde. Herinnert u dat zulk eone hulde gegeven wordt aan den eenvoudige, van alle koninklijke toekenen onlblooten man. Doch do zaak verklaart zichzelve. Deze lofzingende lieden zagen, althans sommigen hunner, in den geest hot koor der oude profeten met hunne heldere fakkels rondom den ruiter op het eenvoudige lastdier geschaard; ja het kon niet missen, dat bijzonder do profeet Zacharia, wiens profetisch gezicht van den naderenden Koning der eero hier tot in de kleinste trekken in vlecsch en bloed gekleed, het gebied der werkelijkheid betrad, ook den laatsten nevel moest verstrooien, die er nog over den persoon des Heeren mocht ruston. Wat echter hunne vermoedens lot volkomone zekerheid opvoerde, waren de dingen, die zij kortelings te Bethanië, vanwaar zij kwamen, met hunne oogen hadden gezien. Aldaar zagen zij de heerlijkheid des Hoeren zonder deksel, eone heerlijkheid als van don Eongeboreno des Vaders, vol van genade en waarheid. Eerst ja, trad eene openo groeve met hare duisternis hen te ge-moet, en zij riekten eonen lijkreuk, en zij hoorden Martha's arm en hopeloos klaagwoord. Daarna echter hoorden zij het verhevene: Vader Ik dank tl, dat Gij Mij verhoord hebt; en daarop volgde zijn scbep-pinggebiedond Lazarus, kom uit! en welk een tooneol zich nu opdeed, weet gij. Hoe zouden zijne discipelen na zulk eene gebeurtenis bob-bon kunnen zwijgen, ja hebben kunnen ophouden tejubolon: Hosanna! den Zone Davids! De Farizeën hooren den jubel met verkropten nijd en roepen den govierden Man verdrietig toe: Meester bestraf uwe discipelen. Doch waarom namen zij zeiven niet do bestraffing der discipelen op zich? Waarom beschuldigden zij hen niet van waanzin? Wa; irom leverden zij niet bet bewijs dat het slechts een sprookje was, hetgeen men verhaalde van het opwekken van Lazarus uit den doode door hunnen Rabbi, of van hot genezen van blinden en wat dies meer zij? O, zoo zij dit vermocht hadden, zij hadden het voorzeker niet nagelaten. Doch zij vermochten het niet. Deze waarachtige go-beurtenissen waren als zoodanig te algemeen bekend en erkend. Daarom wonden zij zich in hunnen wanhoop tot den anders zoo gehaten Meester mot het verzoek, dat Hij de jubelende schare zou bestrallen. O, welk eene geloofvorsterkendo kracht heeft deze intocht? Want hoe gedraagt zich nu do Moester? Doet Hij hunnen wil, en bestraft Hij de geestdriftigen ? Integendeel. Daar rijdt Hij heen door het duizend-stommig Hosanna omgeven, en laat hot oude Messiaansche beeld zich geheel en naar alle zijden ontvouwen en ontwikkelen, en noemt do huldigingen als Hem toekomende, stilzwijgend aan, en antwoordt don Farizeën: Ik zeg u zoo deze zwijgen, do steenen haast zullen roepen. Mijne Vrienden! wat wilt gij meer? Niets onder don hemel is meer

ocr page 59

hewozon, dan dat Jezus zich hior als de sedei-t duizondo van jarefi beloofde en verwachte Godmcnsch bewust was. En nu is deze zijne van allen twijfel ontbloote zelfhewustlieid voor ons reeds Avapen genoeg', om daarmede alle bedenkingen, die zich tegen ons geloof willen verhellen, zegevierend af te slaan en te vernietigen.

IT.

„Doch is Hij werkelijk de Koning uit de hemelen, waarom bewijst Hij zich dan niet als zoodanig op krachtige on meer in liet oog vallende wijze op de aarde, en doet Hij zijn koninkrijk niet met rasscher schreden voortgaan tot de zegepraal?quot; Vragen als deze, kunnen ons zekerlijk het nauwelijks opgeheven hoofd plotseling weder doen bukken, of het bemoedigde hart met nieuwe twijfelingen vervullen. Doch ook op deze vraag geeft ons Evangeliesch verhaal een. troostrijk antwoord, en wel op tweevoudige wijze; door ons namelijk gerust te stellen, ten opzichte van den tegenwoordigen staat en gang van de rijksaangelegenheden van onzen Vredevorst, en dan door onze hope voor de toekomst te versterken en ons een verrukkelijk uitzicht door de wolken der tegenwoordigheid te openen. De geheele voorstelling van Jezus intocht in Jeruzalem heeft ook hare voorafbeeldende en profetische zijde. Het onaanzienlijk komen des Heeren tot Jeruzalem, niet in den purpermantel, noch op het prachtig uitgedost strijdpaard, noch bij het geleide van gebandelierde herauten en vorsten en Groo-ten, maar in gewone kleeding op het veulen eener lastdragende ezelin, en omgeven door arme visschers en andere handwerkslieden, — dat alles moet ons een wenk geven van den aard en de wijze, waarop zich de Koning der eere, Christus, gedurende vele eeuwen tot op zijne tweede komst op aarde zal laten zien, en het uitdrukkelijk aangehaalde en hier vervulde woord der profetie van den profeet Zacharia bevestigt en verzegelt het, daar het zegt; Ziet, uid h'onüi;/ la nul tot u zachtmoedig. Het woord je zacht moedig sluit tegelijk bet begrip van het nederige, onaanzienlijke, van allo praal en pracht en geruchtmaking ontbloote in zich, en dat zijn dan ook de kenmerken van zijne daden en van zijne regeering tot op dit oogenblik. Geen rumoer op de straten, geene praalvertooning, en toch Hij kond, dit is buiten kijf. Geene toevloeing van de Groeten en aanzienlijken onder de volken tot aanbidding en gelukwensching. Nog altijd gaat Hij als het ware op het veulen der ezelin door de wereld. Doch Hij gaat werkelijk door de wereld, dat is boven alle twijfel verheven, en zoo niets anders het getuigde, dan zou reeds het geblaf dor honden achter Hem op den weg dit verraden. „Doch waar is Hij dan?quot; O daal af in de verborgene kringen der menschelijke samenleving; laat u inwijden in de geheimen der innerlijkste voorvallen in deze en die stulpen en hutten, luistert naar de verhalen van de stillen in den lande, die hier en elders gevonden worden; leest do weinig geachte blaadjes, die even als Noachs duifje in het groene olijfblad zielverkwikkende lijdingen uit bet gebied der uit- en inheemsche zending komen aanbrengen; laat u kondschap doen van de vele duizenden, die jaarlijks aan

ocr page 60

is

nllc einden der narde in stille verborgenheid aan Jezus voeten Van hun hartzeer genezen, en heilhegeerig of reeds getroost, in zijnen naam tot liet, eeuwige leven ontslapen. Doet dit, en gij zult niet meer vragen: waar is Koning Christus? Voorzeker, llij is nog midden onder u; llij is er met dezelfde macht, met dezelfde liefde, met dezelfde wonderen van genade , waaraan men Mem eerst herkende. Het Hosanna, den '/one Davids! is nog niet verstomd op de aardeen het zal nooit, neen nooit verstommen.

Zegt mij, hoe staat het met n zeiven'? Mij dunkt, gij ademt zwaarder dan vroeger, en ziet zoo treurig, zoo bekommerd en verlegen. Niet waar, liet is niet meer als vroeger bij u? Uwe bloemen dorden voor u weg, en uwe vreugde-bronnen geven geen water meer. Gij zeiven weet niet hoe het u is, doch één ding weet gij, gij lieht geen' vrede. Weet dan, dat in zulk eene gemoedsgesteldheid dikwijls de eerste klokken luiden, die u den aantocht van den Vredevorst aanduiden. O, voorzeker gij zult nu wel verder komen! Boven de diepte van uwen stillen weemoed zal het water zich afklaren. (lij znlt tot de bewustheid komen, dat in uwe vervreemdlieid van (lod de grond ligt van de geheimzinnige droefheid, welke over uwe zielen ligt uitgespreid. En wordt gij u hiervan hewust, dan wordt wel de mate van uw innerlijk leedgevoel vol, en wij treffen n wellicht spoedig aan in uwe binnenkamer, badende in uwe tranen en roepende om genade, maar dan weten wij ook, wie reeds tot uw huis en tot uw hart o|) weg is, ja wie reeds, vriendelijk, genadig en wonderdoende tot u intrad, en niet lang zal bot duren, of (jij weet het ook, want Hij ontdekt zich aan u, Hij roept u zijn: kovit tot Mij, gij vermoeiden en belasten! Ik zal u verkwikken; Hij legt zijne doorboorde hand u op het hoofd; llij verzekert u door Zijnen II. (leest, dat Hij ook voor u liet rantsoen of het losgeld betaald heelt, en maakt het u zeker, dat om zijns bloeds wille ook aan u niets meer verdoemlijks zij, en eigent u de rechtvaardigheid toe, welke voor God geldt. Alsdan heft gij u op uit het stof, en gij zijt een nieuwgeboren mensch, en gij smaakt eenen vrede zoo als gij die nooit te voren hebt vermoed, en gij zijt uzelven niet meer, maar gij voelt u het eigendom van een'ander; gij leeft voor God in Christus, en houdt op voor den dood en de hel te verschrikken, spreidt voor Hem, die u verloste, uwe kleederen uit op den weg, strooit Hem palmen van liefde en aanbidding, en jubelt in uw hart uw Hosanna! en Halleluja! En ziet, daar heeft, zonder dat er misschien iemand buiten u iets daarvan gewaar werd, ons Evangeliesch verhaal naar zijn wezen zich werkelijk in uw leven vernieuwd. Op zoodanige wijze nu vernieuwt en herhaalt het zich zonder ophouden. Onafgebroken trekt aldus de Koning des hemels nu hier en dan daar in de huizen en harten der zondaren. Aldus bouwt en vergroot Hij dagelijks in stilte zijn zalig genaderijk, en doet Hij altijd groote wonderen van erbarming voor wie slechts oogen heeft om er acht op te geven. Dezer dagen stierf een predikant in de nabuurschap, llij werd, nadat hem nog kortelings eenen moeielijken weg door het leven was toebereid juist in het oogenblik afgeroepen, dat hij naar allen schijn in de schooncro en genoegelijker helft zijns levens intreden zou. Onder het

ocr page 61

40

kruis echter, dat hem lichamelijk knakte, was in de stilte de goede Herder tot. hem gekomen, en had Zich diep en innig met hem ver-honden. Vier maanden zijn verloopen, toen onze vriend zijne intrede deed in de gemeente, waarin hij stierf, en welke, zonder te weten, wat zij deed, zich langen tijd jegens hem en zijne beroeping verzette. Bij de welkomstmaaltijd echter werden hem geene bewijzen van vriendelijkheid, en achting ontzegd, en onder andoren werd hem ook door een lid van het kerkbestuur de gebruikelijke feest- en welkomstgroet gebracht. Alstoen stond hij op en beantwoordde den groet met deze woorden: „Er zijn hoomen, die ofschoon ten halve verstorven, toch niet worden omgehouwen omdat er nog in twee of drie takken leven is, en daaraan nog eenige vrucht te verwachten is. Men laat ze staan totdat zij, zooals men zegt, zich dood c/cdnujoit hebben. Als zulk een arme boom plant de goede God mij thans in den hof uwer kerk, en het is mijne innige en oprechte begeerte, om, wanneer Gods genade mij nog eenige vruchten laat voortbrengen, mij ook in den dienst der liefde voor de gemeente dood te dragen.quot; Toen hij dit zeide, heerschte eene diepe stilte in de vergadering, en aller oogen werden vochtig en waar in eenig hart nog iets vijandigs jegens den goeden man verborgen was, werd het in een oogenblik uitge-bluscht, en er ontvlamde voor hern bij allen eene liefde, welke niet inniger en zuiverder zijn kon, dan zij was, en welke ook niet weder is uitgedoofd. Want dat óéne in eenvoudigheid gesproken woord opende deze lieden een' blik, o, in welk een hart! In een hart, zoo als de harten zijn, in welke de Geest des Heeren zijn intrek genomen heeft, en waarover het de opperheerschappij heeft weten te verkrijgen, en dat Hij met eenen teug zijner liefde en trouwe drenkte. Zooals ik zeide, geene volle vier maanden heeft de dierbare man werkelijk liefelijke vruchten in den hof zijner kerk mogen dragen, toen Hij, wiens naam Wouderbnar is hem in de triomfeerende kerk heeft te huis geroepen. Vooraf echter heeft Hij hem nog eene predikatie laten doen, welke in de gemeente niet zal vergaimen. Het was zijne schoonste en krachtigste predikatie. Het was zijn sterven. Als een overwinnaar over dood en hel, is hij met opgerichten hoofde in het donkere dal afgedaald, en heeft hij het door zijn voorbeeld verkondigd en verzegeld, dat de Koning Ghristus nog in de wereld is en ook nog werken doet en wonderen verricht. Met volle klaarheid van geest, zag onze ontslapen vriend den koning der verschrikking naderen en hij begroette hem met het woord: Dood! waar is uw prikkel'-? Hel! waar is uive o oerwinning? En toen hem nog ten laatste het l?quot; hoofdstuk van het Evangelie van Johannes werd voorgelezen, en juist de woorden gehoord werden: Vader! Ik wil, dat waar Ik hot, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid zien — (oen herhaalde hij met zijne laatste ademhaling de woorden heerlijkheid, Amen, en hij ontsliep. — Dat doet de Vredevorst die daar komt aangereden, arm en Hij is een Heiland en Hij kond tot u zachtmoedig. Zulke wonderen doet Hij nog te allen dagen bij duizenden, en zoo verheft en bevestigt Hij zijn rijk in het midden Zijner vijanden. Zeker Hij doet het meestal onder omhulsels, maar

4

ocr page 62

50

nóchtans Hij (loot hot. Zegt daarom al uwo twijfohngon vaarwel en aelooft, ja gelooft! „Zoo zal zijn rijk nog wel voorspoediger zijn m deze wereld?quot; O zorgt toch voor de toekomst van zijn koninkrijk niet. Ook voor deze zorg staat in onzen tekst een machtige ajleiaer. Let vooreerst op het woord, dat de Heere aan zijne discipelen beveelt te zeggen lot den eigenaar der beide lastdieren, /cyt het» - zoo beval flij hen — de Heere heeft ze noodig, en hij zal ze terstond zeilden De Heere heeft ze noodig, ja meer is niet noodig. Zoodra Hij iels behoeft, moet Hem alles ten dienste staan. Hij beveelt en het igt;t er; Hij yebiedt en het staat er. De Heere heeft ze noodig. Heerlijke schataanwijzing voor den zendingsarbeid. Kostbare troost-sprenk voor de kerk, waar liet haar bang dreigt te woulen, ot ei noquot;' krachten van getuigenis voor den Heere te vinden zullen zijn. Onschatbare verzekering, dat het Hem tot verwezenthjkmg van zijne plannen nooit aan middelen zal kunnen ontbreken. O bergt dit zijn Woord in uwo gcGstelijko schatkumer, gii verkwikt u er meciG zoo dik-

wiils de moed u wil ontvallen. ,.. .

Merkt verder op hoe de Heere, terwijl Hij door de geheele wijze van zijnen intocht in de Heilige slad de profetie van Zachana .) . . , tot op een tittel en jota in vervulling brengt, daarmede te gelijker tijd op al de ondo Godspraken, die van Hem gewagen, den stempel der. waarheid en der toekomstige bevestiging drukt, (lij weet nu wat deze uitspraken Hem tot uitzicht stellen. Volgens deze profetie zullen eenmaal alle vijanden tot voetbank zijner voelen gelegd worden, de einden dor aarde zijn erfdeel, en de Heere slechts één en zijn naam één zijn. En Jeruzalem zal staan in gerechtigheid lot een lol Gods op aarde. En het zal ééne kudde onder één Herder worden, en wat Hem nog meer van den Vader is toegezworen — o gij weet het allen. En ( ven onfeilbaar als nu het eene tot verwezentlijking kwam, zal ook liet andere niet bloot beeld en schaduw blijven. De letterlijke vervulling van het woord van Zacharia: juich gij doclder van Jeruzalem ! Ziet uw Koning zal inkomen — arm en rijdende op een ezet is de waarborg van de feitelijke beUcharning op zijnen tijd van het'gezicht van Johannes, de ziener, ziet een wit paard en die op hetzelve zat, heeft op zijn kleed en op zijne dijen den naam geschreven: Koning dek koningen en Heere der heeren en evenzoo de vervulling van dat andere gezicht, waarin Hij voor den troon des Lams, de schare der aanbiddende gezaligden als eene schare, welke door niemand kan geteld worden, aanschouwde.

Eindelijk moeten wij nog acht geven op een woord van onzen Immanuël, dat Lucas er bijvoegt. Toen namelijk de Eanzeèn , ver-..rimd van wage de jubelende hulde, den Heere door zijne discipelen en bet volk toegebracht, den Meester hun bestraf toch uwe discipelen hadden toegeroepen deed de Heere deze beteekenisvolle en eeuwig gedenkwaardige uitspraak: Ik zeg u, als deze zwegen, de steenen haast zullen roepen. Hoort, hoort! want dit woord weegt onuitsprekelijk zwaar. Vooreerst had de Heere zijne innerlijke bewustheid van het oneindig geluk, dat de wereld in Hem en zijne zending ten deel gevallen is, nooit duidelijker kunnen uitspreken, dan Hij m deze

ocr page 63

woorden gedaan licol't. Want wat zeggen die woorden anders dan; „Ik kom tot ii als zulk een Zaligmaker en breng u zulk eene hulp, en biede n zulk eene zaligheid, dat wanneer de tnenschwereld daarover geen gejuich en jubellied aanhief, de Almachtige de levenlooze schepping tot lofprijzing zijner liefde en barmhartigheid zou verwekken.quot; Tegelijk echter deelt de lleere ons de verzekering mede, dat er van Hem en zijn heil nimmer een stilzwijgen zal zijn op de aarde, want al zou Israël zwijgen, ja geheel de Christenheid zwijgen, dan zou God nog de zonen der woestijn, de doode Ileidenwereld levend maken, opdat deze Hein het Hosanna! toezong.

En Hij heeft dat gedaan, en Hij zal het verder doen. Ons Evangelie stelt ons een profetisch tooneel voor oogen. Gelijk ginds het volk, zoo spreidt eenmaal de geheele hevollanu der aarde hare kleederen voor Hem op den weg, en schudt zij Hem bare palmen. Gelijk duizenden toen, zoo roepen eenmaal rnillioenen het Hosanna den Zone Davids! (jeJoofd zij Hij, die daar komt in den 'naam des Hee-ren. Hosanna in de hoogste hemelen! O mengen ook wij ons in die schaar met huldigende aanbidding, en denken wij nog eenmaal aan de uitspraak des Heeren, dat het heil, hetwelk God ons in Hem bereid heeft, zoo onmisbaar en overvloedig groot is, dat waar wij zouden kunnen zwijgen, de steenen zouden spreken, en stemmen wij in met de biddende woorden van het oude lied:

Schrijf mij, Heere ! ook op den rol Van uw zalige onderdanen.

Laat mijn hart, van liefde vol,

Uwen weg meê helpen banen.

Doe mij óók op hoogen toon ,

U mijn zieledank betuigen,

En met Sions dochtren juichen :

„Welkom, welkom, Davids Zoon!quot;

Amen.

ocr page 64

VI.

DE VOETWASSCHING.

Beminden in den Heere! wanneer de Apostel Pli. 3 : 12, uitroept: Niet dat ik het aireede gekregen heb, of reeds volmaakt ben, dan schijnt hij zich met zijne eigene woorden, vers 15: zoo velen dan, als wij volmaakt zijn, alsook met de uitspraak: Heb. 10 : 14: Met êóne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt (of tot liet doel gebracht,) degenen die geheiligd worden-, in tegenspraak met zichzelven te stellen. Doch dit is zoo niet. De Apostel spreekt enkel naar de bewustheid van het onderscheid, dat er bestaat tusschen de volmaaktheid builen, en de volmaaktheid in ons. Hij, die door een levend geloof Christus ingeplant is, is zeer zeker in Gods oogen volmaakt, zoo wel in de beteekenis der rechlvaardigmaking, naardien de geheele gehoorzaam] icid van Christus hem door God wordt toegerekend, alsook in de beteekenis der heiligmaking, daar God het willen voor de daad, en de kiem der heiligmaking reeds voor de volledig ontwikkelde en voleindigde vrucht houdt. Daarom is echter de geloovige nog geenszins aan bet doel zijner bestemming gekomen, welke in zijn binnenste baar einde zoekt te bereiken. Vee! meer heeft hij onophoudelijk te streven, vooreerst: dat hij zich onbewegelijk in de rechte toeëigeuiiif,1 van de hom toegerekende gerechtigheid staande boude, en dan: dat bij, in de kracht daarvan, zijnen ouden mensch kruisige en meer en meer een volkomen man worde, tot de male der grootte der volheid van Christus.

Wij zijn lieden genaderd tot ons Evangeliescb verhaal, dat ens Lot in de uiterste kringen van het Christelijk leven tot een' voortrelTolijken wegwijzer kan dienen. Hoe wij er toe komen kunnen, om in altijd zich verjongende frischheid, als die der jeugd, op te varen met vleugelen als die der arenden, en te loopen zonder mat, te wandelen zonder moede te worden? — dat leert ons dit Evangeliescb verhaal.

Jon. 13 : 1-17.

En vóór het leest van het Pascha, Jezus, wetende dat zijne ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzoo Hij de zijnen, die in de wereld waren lief gehad had, zoo heeit Hij hen lief gehad tot het einde. En als het avondmaal gedaan was

ocr page 65

53

(toen nu de duivel in het hart van Judas Sinionszoon, Iskariot, gegeven had; dat hij Hem verraden zou) Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, stond op van liet avondmaal, en leule zijne kleederen af, en nemende eenen linnen doek, omgordde Zich zeiven. Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten der discipelen te wasschen en af te droogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was. Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wasschen? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik dor, weet gij nu niet, maak gij zult het na dezen verstaan. Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijne voeten niet wasschen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wassche , gij hebt geen deel met Mij. Simon Petrus zeide tot Hem: Heere., niet alleen, mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd.. Jezus zeide tot hem: die gewasschen is, heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, jiaak is geheel liEI.v. en gijlieden zijt hein , Doen niet allen. Want Hij wist wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein. Als Hij dan hunne voeten gewasschen en zijne kleederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat (jij wat Ik nlieden gedaan heh? Gij heet Mij Meester en Heere; en (jij zegt wel, want Ik hen het. Indien dan Ik, de Heere, en de Meester uwe voeten ge wasschen heh, zoo zijt gij ook schuldig, elkanders roeten te wasschen. Want Ik heh u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heh, gijlieden ook doet. Voortvaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder ran die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij dezelve doet.

Zegt, mij, beminde Broeders! waai' liet 11 cigentlijk om te doen is? Wilt gij weten wat voor ieder uwer liet meest noodige is? Ju dit Kvangeliesch verhaal wordt het tt gezegd. Hebt gij begeerte om te vernemen waartoe Gltrislus verschenen is? Hier hoort gij het zoo duidelijk als slechts mogelijk is. Zaagt gij gaarne den innerlijken kern van het Evangelie voor u onthuld? Hier komt liet uit de diepte voor u te voorschijn. Begeert gij eene aanleiding lot den wandel op den weg des Heeren? Hier ontvangt gij zo en gij ontvangt nog meer dan dat alles. O, welk eene ondoorgrondelijke diepe en onvergelijkbare geschiedenis is het, voor welke wij heden staan! Laten wij dezelve met onze beschouwing nadertreden, en slaan wij het oog:

1. Op het bedrijf der liefde onzes Heeren;

Ji. Op het belangrijk voorval tusschen den Meester en zijnen discipel Petrus, en eindelijk III. Op het Woord van opheldering dat er door den Heere zelf als sleutel zijner geheimzinnige handelwijze wordt bijgevoegd.

Moge do Geest der waarheid ons op de wegen onzer beschouwing vergezellen, en zelf ons het beeldschrift ontcijferen, waarmede dit Kvangeliesch verhaal trek bij trek doorweven is!

ocr page 66

54 I.

Ons tekstverhaal verplaatst ons in een plechtig oogenblik. De Heere Jezus heeft zijne omwandeling door deze wereld ten einde gebracht, en de vóóravond van zijnen groeten bloedigen olïerdag is nabij gekomen. Nog eenmaal vereenigt Hij de zijnen in het gemeenzaam vertrek van een bevriend huis te Jeruzalem. Nog eenmaal moeten zij in zijn trouw Middelaarstmrt zien, en krachtig bewust worden, wat hun van (iod geschonken is. En zij hebben dezen avond nooit meer vergeten. De herinnering van liet hoogheerlijke beeld, waarin zij toen den man hunner liefde gezien hebben, werd nimmer meer uit hun geheugen gewischt. O, welk eene stille majesteit omgaf Hem alstoen! Welk eene wonderbare innigheid openbaarde zich in ieder zijner blikken, in ieder zijner woorden! Welk eene bovenaardsche vrede lag er over geheel zijne persoonlijkheid als uitgegoten! Welk eene kinderlijk heldere overgegevenheid in Gods raad en wil, en welk eene vriendelijke afdaling tot geringheid bij al die hoogheid! En welk eene Goddelijk diepe, troostvolle, geheimnisvolle heerlijkheid in elke uitspraak zijns monds, en in geheel zijn doen en wijze van doen! Het was overweldigend en hartverheffend, zóó, dat zij nimmer iets dergelijks beleefden. Men gevoelde zich als in een voorhof des hemels verplaatst, en men zou zich nog veel zaliger gevoeld hebben, dan vroeger hij Tabors heerlijkheid, wanneer het. voorgevoel van het nabijzijnd afscheid niet het floers der weemoedigheid om deze vreugde had geweven. En voor Jwt feest van het pascha, zoo begint Johannes zijn verhaal, Jezus wetende, dat zijne ure f/ekomen was, dat Hij uit deze ivereld zou oven/aan tot den Vader, alzoo Hij de zijnen, die in de wereld waren lief cjehad had, zon heeft Hij hen liefyehad tot het einde. Welk eene verwonderlijke slijl is dit! Hoort men er niet duidelijk het hart van Johannes door al de polsen in slaan? Herinnert zijne rede niet aan den bergstroom, die m ordelooze kracht over de rotspunten heenstort en uitvloeit? Is het niet als vergunde de drang van het gevoel, dat den Evangelieschrijver overweldigt, zijn penseel geen rust, om zich op de plaatsing zijner woorden te bezinnen, ja, als schreef de van aandoening getrolfen discipel met tranen van aanbiddende verrukking, in de bewustheid van zijn volstrekt onvermogen om dat tooneel, hetwelk hem als een gezicht uit de andere wereld voor den geest zweeft, ook slechls eenigermate in passende woorden terug te geven? Wat hem echter zoo boven alles het harte aangrijpt, is de omstandigheid, dat de Heere Jezus, ofschoon Hem reeds toen duidelijk bewust was, dat de ure van zijn' terugkeer tot den Vader kort op handen was, en ofschoon Hij in den geest reeds moer daar boven dan hier beneden vertoefde, en reeds do lol-gezangen van verre hoorde ruischen, onder welker galmen Hij weldra de troon der majesteit bestijgen zou, — nochtans de zijnen niet vermocht te vergeten, maar voor hen, deze pelgrims in het dal der doodsschaduwen! nog zoo veel plaats in zijne liefhebbende herinnering en zorgen over hield. En welk een harteleed hadden dezen, nu zoo teederlijk door Hem omhelsden, Hem nog kortelings veroorzaakt door

ocr page 67

55

den treurigen twist over flen voorrang, waarin zij onderling verwikkeld waren, en bijzonder door hnn gedrag bij de zalving van Maria, welke zalving zij, even alsof zij den Heere zulk eene eere niet waardig badden gekeurd, besmet door de nijdige stemming van den verrader en liet teedere oiler der liefde van de geestdriftige discipelin verwerpend, zicb niet schaamden een verlies te noemen, en zich lieten verleiden tot die koude, van alle bart en ziel ontledigde opmerking, dat deze zalve beter verkocht ware geworden, om bet geld aan de armen te geven; terwijl bet thans nutteloos verspild was. Gij berinnert u wat de Heere Imn toen zoo kalm en zachtmoedig antwoordde, doch des Heeren Woord bad ben zoo weinig verootmoedigd en tot bet gebed om vergeving geleid, dat zij veel meer innerlijk tegen hem kwalijk gestemd waren, ja voor een tijd hunne harten voor Hem gesloten en van Hem vervreemd hadden. En nochtans — o peil deze diepte van trouw en ontferming! en nochtans — toen Johannes bet schreef, wensebte hij er nog in tranen over te versmelten — en nochtans — alzoo Jezus de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zou heeft Hu 11en uef gehad, tol het einde. Alleen daarom — dat wil Johannes zeggen —- kwam Hij lot de zondaren, opdat Hij ze vast en voor eeuwig op hot hart zou dragen. Deze Hem van den Vader ge-gevenen lagen Hem nader aan het bart, dan zelfs de Heilige Engelen voor den troon van God. En in liet einde beminde Hij ze eerst recht volkomen. O, hoe beminde Hij hen, met hunne zonden beladen in bet gericht gaande en Zicb voor hen afstortende in hel vuur, dat zij door hunne misdaden hadden ontstoken! Hoe beminde Hij hen, bet rantsoen van zijn eigen bloed niet te dierbaar achtende, om bet voor de overtreders le geven! Hij beminde ben, en ging in zijne liefde met ben door alles been. En tot op dat oogenblik bemint Hij nog belgeen het zijne is lot den einde toe. Doortintelde een bemelsch gevoel van blijdschap bet hart van Johannes hij deze gedachte'? — Broeders! laat oen gelijk gevoel ons door het harte gaan. Wat er gebeuren en wat er komen moge, zijne liefde blijft door alles heen. Beugen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, noch 1 iet verbond mijns vukdes zal niet wankelen, spreekt de Heere uw Onlfermer.

Wij keeren terug in bet vertrek te Jeruzalem en treffen de discipelen-aan, terwijl zij reeds aan den disch zijn gelegen. Naar hot schijnt gaat het aanvankelijk stil en zonder iets bijzonders toe. Doch waar de Heere zwijgt, spreekt Johannes. Op nieuw bet hart van den onvergelijkelijke ons, als een heilige der heilige, ontsluitende, zegt bij: Jezus toetende , dat de Vader Hem alle din (jen in handen (jegeven had, en dat Hij van God. uiOieyaan was en tot God heen gin;/. Welk een weten was dit! Wanneer dit zelfgevoel uit het hart was voortgekomen van iemand, die enkel mensch was, al ware hij ook de voor-trelfelijkste geweest van zijn geslacht, bij had een waanzinnige, of de grootste der lasteraren moeten zijn, die den vloek des Almachtigen op zicb had afgeroepen. Doch nu zien wij don Heere Jezus met de bewustheid zijner eeuwige majesteit en Godheid aan den disch gezeten. Met de zelfbewustheid van den Koning aller koningen, de Heer aller

Jr,

ocr page 68

5G

lieeren, zal, Hij daar; niet minder met die van den Middelaar, wien om der wille van den arbeid zijner ziel, gelijk alle dingen, zoo ook de Goddelijke volmacht om do zonden te vergeven door den Vader in handen is gegeven, en wien (Hij ziet zijn bloedvergieting reeds als geschied), niets meer in den weg staat, om de zijnen voor de rechtbank van den driemaal heiligen God in den hemel priesterlijk te vertegenwoordigen. Met deze liooge dubbele bewustheid zien wij Hein thans onverwachts van den maaltijd opstaan en waartoe? Om in zijne hoogheid te verschijnen? Om den glans zijner Goddelijke heerlijkheid te openbaren? De knieën zijner discipelen voor Zich in het stof te doen buigen? Men zou liet kunnen denken. Doch neen! Geheel iets anders heeft Hij in de gedachte. O ziet toch — wat be-teekent dat? Mij legt zijn opperkleed af, neemt een linnen doek en omgordt Zich; neemt een bekken, giet er water in, bukt Zich neder tot de voeten zijner discipelen en begint ze van de rij af de voeten te wasschen en ze dan met den linnen doek weder af te droogen. Welk een tooneel? Houdt men niet verbaasd, ja verbijsterd den adem in? Zou men niet luide beginnen te roepen: „ideere, Ileere! wat gaat Gij doen?quot; Denkt eens! de Heilige-in de hoogste plaatsen in zulk eene houding, vóór de zondaren! Do Majestneuse, wien de Engelen aanbidden, vernedert Zich tot den dienst van een knecht! Neen, nooit zonden wij een recht begrip kunnen verkrijgen van deze daad. wanneer wij niet met zijne eigenaardige wonderbare verschijning vertrouwelijk' waren geworden. Wij welen echter, dat Hij de zijnen naar het vleesch niet meer kent; Mij ziet in hen de van den Vader ge-gevenen; Mij ziet in hen menschen, welke door God alzoo bemind werden, dat deze hun zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, voorwerpen van eenen eeuwigen raad der genade en des vredes; schepselen, die hij al de zonden die hen nog aankleven, liet werk van den Heiligen Geest en in Hem liet zaad Gods in den boezem dragen. En nog veel meer dan dat alles, ziet Hij thans reeds in hen. Zij zijn voor Hem reeds de geestelijke Bruid met de Zon bekleed, want met het Koninklijk kleed zijner eigene gerechtigheid versierd, staan zij reeds voor Hem gereed, —- en alzoo eigentlijk opgetogen over den wonderbaren schitterenden wederglans zijner eigene heerlijkheid, welke Mij gelijk de zon haar stralenbeekl in den spiegel eener eden zee, in hen ziet wederkaatsen en terugblinken — buigt Hij zich vriendelijk tot hen neder, en wascbt Hij hen de voeten. O groot belee-kenisvol zinnebeeld! O machtige verkondiging van het woord: Ik ben niet r/ekomen om r/ediend te worden, maar om te dienen! O zwaar en klemvol oordeel tegen elke eigenlievendheid en zelfverheffing onder de kinderen der menschen! O nadrukkelijke aanbeveling der ootmoedigheid en der zelfverloochening, als de eigenilijke grondtoon van de gemoedsstemming zijner kinderen! O aanminnig zielverhel-fend voorbeeld der liefde, welke ook ons bezielen moet! En hoe veel meer nog dan dit alles ligt in deze daad des Heeren! Zij getuigt van het liefelijkste, heiligste en hoogste, dat er voor ons bestaat, zoo als wij terstond zullen hooren.

ocr page 69

57

II.

De discipelen zijn aan den disch gelegen en weten niet wat zij zeggen zullen. Zijn zij getrolTen, ontroerd, beschaamd? Zij zijn dit alles eigentlijk in ééne gewaarwording. Had zich in hun hart iets tegen Jezus verheven, waar was het nu gebleven? Er is geen spoor meer van aanwezig. Koesterden zij eenig wantrouwen ol' iets dergelijks jegens Mem? liet is in één oogenblik hij hen uitgewischt, en ais uit hunne zielen weggewasschen. Elke wanklank in hunne ziele heeft zich opgelost in harmonie. En ach! dat zij eens met elkander konden twisten, wie onder hen de grootste zij! Hoe schamen zij zich thans hier over! Zij zouden zich nu van schaamte en berouw wenschen in do aarde to verbergen. O welk eene verootmoediging komt over hen, en welk een gevoel van zachtheid en liefde verteedert hen het hart! In eene soort van heilige verbijstering laten zij den Heere stil zijn werk doen. Zwijgend geschiedt het ongehoord bedrijf: zwijgend totdat de beurt aan Simon Petrus komt. bij hem, zoo als te voorzien was, ontmoet do zaak tegenstand en stremming. De discipel, zoodra de Meester tot hem komt, kleurt van verlegenheid. Het is hem niet anders to moede, dan of hij eene majesteitsschennis begaan zal! Snel trekt hij zijne voelen terug, en gelijk vroeger zijn: Heere! ga van mij uit, want ik ben een zon diej mensch! roept hij thans in de hevigste gemoedsbeweging, en bijna met verwijt en aanklacht jegens den Heere: Heere! zult Gij wij de voelen luasschen? Neen, wil hij zeggen, daarvan kan en mag niets komen. Hoe ligt dit weder zoo yeheel in Simons' karakter! Op en in zichzelve klinkt zijne tegenspraak niet kwaad. Gij —- mij? Neen, hij begrijpt niet hoe iets zoo onvoegelijks en ongepast zon geschieden. Tusschen dat Gij en mij plaatst zich de geheele heerlijkheid des Heeren, en de geheeie nietigheid en onwaardigheid des menschen. Hoe ver werpt Simon met dat mij zichzelven weg, en hoe hoog verheft hij met dat Gij zijnen lieer en Meester! „Gij Heilige! — flat wil hij zeggen — mij, arme zondaar? Clij, Zoon des Allerhoogsten! mij, worm in het stof? Neen, spreek er mij niet meer van.quot; Zeker was dit een grootsch gevoel in Simons' ziel, maar daarom niet minder eene booze en strafbare dwaling. Simon! de Heere is immers Juist gekomen om te dienen. Dwaze jonger! Immers daarin bestaat zijne eigentlijke bediening, dat Hij de onreinen reinigt, en de bezoedelden afwascht. Verblinde! waar zondt gij blijven moeten, wanneer Hij niet tot deze diepte naar u afdaalde? Niet waar, gij wilt Hem do voeten wasschen. Nu, gij moogt ze wasschen met uwe zondaarstranen, maar overigens moet gij Hem gelegenheid geven, dat Hij u wassche, hoe zoudt gij anders (len vloek ontloopen? Doch Simon begrijpt den Heere niet; en heeft er nog geen vermoeden van, op welk eenen dwaalweg hij zich bevind!. — De Heere neemt het woord, en zegt —- o, gij kent deze voor ons allen zoo inhoud- en troostvolle uitspraak: Wat Ik doe weet (jij nu niet, maar (jij zult hel na dezen verslaan. Ja, Simon wist dit werkelijk thans niet. Doch zal nu Petrus, na dit gezegde des Heeren, niet blindelings stilzwijgen? Men zou het onderstellen, doch

ocr page 70

58

neen! Simon meent, voor de eer en waardigheid van zijnen Heere te moet,en zorgen. Gij zult zoo roept liij met groote beslistheid uit — mijne voeten niet vmsschen in der eeuwif/heid. — O, Simon! herinnert gij ii dan niet., dat gehoorzaamheid heter is dan offeranden? Doch ook thans nog, hoort men niet zelden zeggen: ,,neen tot eer van Christus kan ik niet gelooven, dat Hij de ontblootte zondaar zonder iets meer op- en aanneemt.quot; O mijne Vrienden! wilt gij Jezus eeren, zoo doet het door onderwerping van uzelven aan zijn Woord: „Ik hen gekomen om liet verlorene te zoeken.quot; „Neen! — zegt men — ik kan het mij niet verheelden, dat zich de Majestueuse om mijn gehed, het gebed van den worm in het, stof, zou bekommeren,quot; O onverstandige ijver voor de hoogheid Gods! Juist daardoor wil God van ons geprezen zijn, dat wij aan Hem als den Hoorder der gebeden gelooven. In ceuwUjheid niet, zegt Simon. O Simon! Dat u toch niet geschiede naar uw woord! Want boor, wat zegt de Heere: Indien Ik u niet wassche, (jij hebt geen deel met Mij. Welk eene boven alles onschatbare opheldering geeft de Heere in deze woorden! Kon ik toch een iegelijk deze woorden onuitwischbaar diep in hot hart prenten! Gij ziet, hoe reeds hier de dieper verborgen zin van Jezus' handeling voor ons in het licht treedt. Het is een zin, eene beteekenis, die op het bloed en de verzoening, op de vergeving der zonden, op de reinigmaking en rechtvaardigmaking van zonden heenwijst. Het is u reeds bekend al hetgeen in deze uitspraak verborgen ligt, en hoe hier elke lettergreep hare diepere beduiding heeft. „Indien Ik u niet toassehe?quot; Ja, Gij moet het doen, Heere Jezus! want wie zou zichzelven kunnen wasschen? Ja wasschen moet Gij ons, want ons te leeren, te onderwijzen en een goed voorbeeld te geven, helpt ons niet. Indien Ik U niet ivassche. Zeker wat baat het mij, dat Petrus en Paulus gewassdien worden. Ik moet vergeving hebben en daarom moet ik weten dat zij mij geworden is. En eeuwig blijft het waar, wie niet met Ghristus' bloed gewasschen wordt, die heeft geen deel aan Hem, noch aan de goederen zijns Koninkrijks,

Wat zal nu Simon, na deze woorden gehoord te hebben, doen? Het laat zich reeds te voren denken! „Hoe!quot; — Zoo klinkt het in zijn binnenste, waarin elk woord een storm van verbazing en verbijstering heeft te voorschijn geroepen, zoo als hij nog nimmer ondervonden heeft. „Hoe geen deel aan Jezus? Geen deel aan mijn hoogste goed?quot; En terwijl hij aldus denkt, staat hij ook reeds in onuitsprekelijke verootmoediging en onbepaalde overgave van zichzelven voor den Heere en zegt, den dieperen zin van de uitspraak vermoedende: — Heere! niet alleen mijne voeten, maai' ook de handen en het hoofd, dat is, den gehceien man. Ja, wanneer Jezus den schijn aanneemt, alsof Hij ons ontslag wilde geven, dan, ofschoon wij in de verstrooiing van het dagelijlcsche leven Hem voor een tijd hebben vergeten, dan komt bet op nieuw aan den dag, hoe diep en innig wij met Hem verbonden zijn. Wanneer Hij den schijn aanneemt, als wilde Hij ons weder onze eigene wegen laten bewandelen, dun wordt het eerst recht openbaar, hoe toch niets in de gansche

ocr page 71

59

wereld boven Hemzelven gaat. De bange twijfeling of men wel werkelijk iets van Hem gevoelt, verdwijnt, en de band der volmaaktheid, die in den innerlijksten grond van ons wezen ons onlosmakelijk met Hem verbindt, wordt weder gezien, en men ondervindt met vernieuwde levendigheid en sterkte, lioe oogenblikkelijk vloek, dood, duivel en bel tegen ons zouden losbarsten, wanneer wij op Hem niet verder konden vertrouwen, nocb mochten liopen. En bet is liefelijk om aldus de vereeniging met Jezus zicb weder bewust te worden. Hoe uitnemend kun ons dit te stade komen, wanneer het gevoel er van bij ons ophoudt, en bet gevaar om aan ons zeiven te vertwijfelen, op nieuw ons nader treedt. Alsdan wordt ons zulk eene nieuwe ondervinding lot een psalm in den nacbt, en zij bemoedigt ons, even als David door zijne liederen van eertijds bemoedigd werd.

Heerc! niet alleen uijne voeten, maar ook de handen en, het hoofd? Het is schoon gezegd, doch het rechte pad was weder gemist. Simon overschrijdt thans de lijn van het ware en juiste ter rechterzijde, gelijk hij haar te voren ter linkerzijde overschreden heeft. Eerst weert hij het onontbeerlijkste van zich af, en nu vraagt hij het overvloedige, llij ziet de zaak nog niet geheel dóór, en waarschijnlijk behoorde ook het laatste ophelderende woord des lleeren tot die uitspraken, waarvan den verhlinden discipelen eerst later de volle he-teekenis is klaar geworden. Dat woord luidt aldus: die r/ewasschen, is, heeft, niet van noode dan de voeten te wassciien, maar hij is fjeheet rein,, en gijlieden zijl rein doch niet allen. Dat de lleere met deze laatste woorden op den verrader doelt, ligt voor de hand. Doch welke is nu de zin der geheimnisvolle uitspraak? Ik meen dat wij ze in de volgende woorden uitdrukken kunnen. Gewasschen is hij, die als een arm zondaar door hot geloof in de gemeenschap met Jezus gekomen is. Zulk eene is vooreerst volgens de rechtvaardilt;jmakiiKj rein van alle zonde. Het bloed des Lams vloeide voor hem, de betaling van al zijne schuld is geschied. Hij is geheel rein voor God, want de verdienste van den J 'org worrit hem toegerekend, en hij blijft rein, want Gode kunnen zijne goede gaven en roeping niet berouwen. Dagelijks, en niet ieder oogenhlik moet hij zich over zijnen gereinigden toestand verheugen. Petrus vermaant in zijnen tweeden brief om de reinit/iii;/ onzer vorige zonden niet te verfjeten. Doch hij is ook vervolgens rein naar de heiiifimakint/ en wel in zoo verre hij, ten gevolge der wedergeboorte uil water en Geest, welke bij ondervonden beeft, voor altijd met allo en een iegelijke zonde gebroken heeft, en uit kracht van zijnen nieuwen, maar voorzeker door zijn vleesch nog altijd veelvuldig aangevochten eu geprangden mensch niet anders wil dan wat God wil en Hem welbebagelijk is. Hoe gaat het nu gewoonlijk met den voortgang van bet leven des geloofs? Er komen onbewaakte oogenblikken, waarin men op de eene of andere wijze zich op nieuw bezondigt. Onvoorziens denkt, spreekt en doet men weder, wat niet betaamt, en men maakt zicb natiuirlijk tegen onzen wil, — (want moedwillig zondigt enkel de duivel en zijn zaad; Wie uil God dehor en is, kan, zoo als de Apostel zegt, niet zondigen^ — zicb aan nieuwe ontrouw jegens den Heore schuldig. De wandel is

ocr page 72

50

heeren, zat Hij daar; niet minder met die van den Middelaar, wien om der wille van den arbeid zijner ziel, gelijk alle dingen, zoo ook de Goddelijke volmacht om do zonden te vergeven door den Vader in handen is gegeven, en wien (Hij ziet zijn bloedvergieting reeds als geschied), niets meer in den weg staat, om de zijnen voor de rechtbank van den driemaal heiligen God in den hemel priesterlijk Ie vertegenwoordigen. Met deze liooge dubbele bewustheid zien wij Hein thans onverwachts van den maaltijd opstaan en waartoe? Óm in zijne hoogheid te verschijnen? Om den glans zijner Goddelijke heerlijkheid te openbaren? De knieën zijner discipelen voor Zich in het slof te doen buigen? Men zou het kunnen denken. Doch neen! Geheel iets anders heeft Hij in de gedachte. O ziet toch — wat be-teekent dat? Hij legt zijn opperkleed af, noemt oen linnen doek en omgordt Zich; neemt een bekken, giet er water in, bukt Zich neder tot do voeten zijner discipelen en beginI zo van de rij af' de voeten te wasschen en zo dan met den linnen dook weder al' te droogon. Welk een toonool? Houdt men niet verbaasd, ja verbijslerd don adem in? Zon men niet luide beginnen lo roepen: „Heere, Hooro! wat gaat Gij doen?quot;' Denkt eens! de Heilige-in do hoogste plaatsen in zulk oono houding, vóór do zondaren! Do Majoslneuse, wien de Engelen aanbidden, vernedert Zich lot den dienst van oen knecht! Neen, nooit zonden wij oen recht begrip kunnen verkrijgen van deze daad, wanneer wij niet mot zijne eigenaardige wonderbare vorscliijning verlrón-wolijk waren geworden. Wij welen echter, dat Hij de zijnon naar hel vleesch niet moer kent; Mij ziet in hen do van den Vader ge-gevenon; Hij ziet in hen menschon, welke door God alzoo bemind werden, dat deze hun zijnen eeniggoboren Zoon gegeven heeft, voorwerpen van oenen eeuwigen raad der genade en des vrodes; schepselen, die bij al do zonden die hen nog aankleven, liet werk van den Heiligen Geest en in Hem hel zaad Gcds in den boezem dragon. En nog veel moor dan dat alles, ziet Hij thans reeds in bon. Zij zijn voor Hom roods de geestelijke Bruid met do Zon bekleed, want met het Koninklijk kleed zijner eigene gerechtigheid versierd, slaan zij reeds voor Hem gereed, — en alzoo eigontlijk opgetogen over den wonderbaren schitterondon wederglans zijner eif/ene heerlijkheid, welke Hij gelijk de zon haar stralonboeld in don spiegel eener effen zee, in hen ziet wederkaatsen en terughlinkon — buigt Hij zich vriendelijk tot hen neder, en wascht Hij ben de voeten. O groot betee-konisvol zinnebeeld! O machtige verkondiging van hot woord: Ik ben niet f/ckomen om fiecliend ie worden, maar om te dienen! O zwaar en klemvol oordeel tegen elke eigenlievendheid en zelfverheffing onder de kindoren der menschon! (3 nadrukkelijke aanbeveling dor ootmoedigheid en der zelfverloochening, als de eigontiijke grondtoon van do gemoedsstemming zijner kinderen! O aanminnig zielverhel-fend voorbeeld der liefde, welke ook ons bezielen moet! En boe veel meer nog dan dit alles ligt in deze daad des Hoeren! Zij getuigt van hot liefelijkste, heiligste en hoogste, dat er voor ons bestaat, zoo als wij terstond zullen hooron.

ocr page 73

57

II.

De discipelen zijn aan den disch gelegen en weten niet, wat zij zeggen zullen. Zijn zij getroffen, ontroerd, beschaamd? Zij zijn dit alles eigentlijk in ééne gewaarwording. Had zich in hun hart iets tegen Jezus verheven, waar was het nu gebleven? Er is geen spoor' meer van aanwezig. Koesterden zij eenig wantrouwen o(' iets dergelijks jegens Hem? Het is in één oogenblik bij hen uitgewischt, en als uit hunne zielen weggewasschen. Elke wanklank in hunne ziele beeft zich opgelost in harmonie. En ach! dat zij eens met elkander konden twisten, wie onder hen de grootste zij! Hoe schamen zij zich thans bier over! Zij zouden zich nu van schaamte en berouw wenschen in de aarde te verbergen. O welk eene verootmoediging komt over hen, en welk een gevoel van zachtheid en liefde verteedert hen het hart! In eene soort van heilige verbijstering laten zij den Hoere stil zijn werk doen. Zwijgend geschiedt bet ongehoord bedrijf: zwijgend totdat de beurt aan Simon Petrus komt. Bij hem, zoo als te voorzien was, ontmoet de zaak tegenstand en stremming. De discipel, zoodra de Meester tot hem komt, kleurt van verlegenheid. Het is liem niet anders te moede, dan of hij eonc majesteitsschennis begaan zal! Snel trekt hij zijne voeten terug, en gelijk vroeger zijn: lieere! f/a van mij uit, luant ik hen een zoiidi(/ mensch! roept hij thans in de hevigste gemoedsbeweging, en bijna met verwijt en aanklacht jegens den Heere: lieere! zult Gij mij de voeten tvassehen? Neen, wil hij zeggen, daarvan kan etr mag niets komen. Hoe ligt dit weder zoo yeheel in Simons' karakter! Op en in zichzelve klinkt zijne tegenspraak niet kwaad. Gij — mij? Neen, hij begrijpt niet boe iets zoo onvoegelijks en ongepast zou geschieden. Tusschen dat Gij en mij plaatst zich de gebeele heerlijkheid des Ileeren, en de geheele nietigheid en onwaardigheid des menschen. Hoe ver werpt Simon met dat mij zichzelven weg, en hoe hoog verheft bij met dat Gij zijnen lieer en Meester! „flij Heilige! — dat wil hij zoggen — mij, arme zondaar? Gij, Zoon dos Allerhoogsten! mij, worm in het stof? Neen, spreek er mij niet meer van.quot; Zeker was dit eeir grootsch gevoel itr Simons' ziel, maar daarom niet minder eene hooze en strafbare dwaling. Simon! de Heere is immers juist gekomen om te dienen. Dwaze jonger! Immers daarin bestaat zijne eigentlijke bediening, dat Hij de onreinen reinigt, en de bezoedelden afwasclit. Verblinde! waar zoudt gij blijven moeten, wanneer Hij niet tot deze diepte naar n afdaalde? Niet waar, gij wilt Hem de voeten wasschen. Nu, gij rnoogt zo wasschen met uwe zondaarstranen, maar overigens moet gij Hem gelegenheid geven, dat Hij u wassche, hoe zoudt gij anders den vloek ontloopen? Doch Simon begrijpt den Heere niet; en heeft er nog geen vermoeden van, op welk eenen dwaalweg bij zich bevindt. — De Heere neemt bot woord, eir zegt — o, gij kent deze voor ons allen zoo inhoud- en troostvolle uitspraak: ll'V^ Ik doe weet (jij nu niet, maar (jij zult het na dezen verdaan. Ja, Simon wist dit werkelijk thans niet. Doch zal nu Petrus, na dit gezegde des Hecmr, niet blindelings stilzwijgen? Men zou het onderstellen, doch

ocr page 74

58

neen! Simon meent voor de eer en waardigheid van zijnen Heere te moeten zorgen. Gij zult zoo roept hij met groote beslistheid uit — mijne voelen, niet vmsschen in der eeuwif/heid. — O, Simon! herinnert gij u dan niet., dat gehoorzaamheid heter is dan oilbranden? Docli ook tlians nog, hoort men niet zelden zeggen: ,,neen tot eer van Christus kan ik niet gelooven, dat Hij de onthlootte zondaar zonder iets meer op- en aanneemt.quot; O mijne Vrienden! wilt gij Jezus eeren, zoo doet het door onderwerping van uzelven aan zijn Woord: „lllt; hen gekomen om het verlorene te zoeken.quot; „Neen! — zegt men — ik kan het mij niet verheel Jen, dat zich de Majestueuse om mijn gehed, liet gehed van den worm in het stof, zou hekommeren,quot; O onverstandige ijver voor de hoogheid Gods! Juist daardoor wil God van ons geprezen zijn, dat wij aan Hem als den Hoorder der geheden gelooven. In eeuwigheid niet, zegt Simon. O Simon! Dat u (och niet geschiede naar uw woord! Want hoor, wat zegt de Heere: Indien Ik u niet wassche, {jij hebt geen deel met Mij. Welk eene hoven alles onschatbare opheldering geeft de Heere in deze woorden! Kon ik toch een iegelijk deze woorden onuitwischhaar diep in het hart prenten! Gij ziet, hoe reeds hier de dieper verborgen zin van Jezus' handeling voor ons in het licht treedt. Het is een zin, eene beteekenis, die op hel bloed en de verzoening, op de vergeving der zonden, op de reinigmaking en rechtvaardigmaking van zonden heemvijst. liet is u reeds bekend al hetgeen in deze uitspraak ver-horgen ligt, en hoe hier elke lettergreep hare diepere beduiding heeft, „indien Ik u niet wassche?quot; Ja, Gij moet het doen, Heere Jezus! want wie zou zichzelven kunnen wasschen? Ja wasschen moet Gij ons, want ons te leeren, te onderwijzen en een goed voorbeeld te geven, helpt ons niet. Indien Ik Ü niet wassehe. Zeker wat baat hel mij, dal Petrus en Paulns gewasschen worden. Ik moet vergeving hebben en daarom moet ik welen dat zij mij geworden is. En eeuwig blijft het waar, wie niet met Christus' bloed gewasschen wordt, die heeft geen deel aan Hem, noch aan de goederen zijns Koninkrijks.

Wal zal nu Simon, na deze woorden gehoord te hebben, doen? Het laat zich reeds te voren denken! „Hoe!quot; — Zoo klinkt het in zijn binnenste, waarin elk woord een storm van verbazing en ver-bijslering beeft te voorschijn geroepen, zoo als hij nog nimmer ondervonden heeft. „Hoe geen deel aan Jezus? Geen deel aan mijn hoogste goed?quot; En terwijl hij aldus denkt, slaat hij ook reeds in onuitsprekelijke verootmoediging en onbepaalde overgave van zichzelven voor den Heere en zegt, den dieperen zin van de uitspraak vermoedende: — Heere! niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd, dat is, den (jeheelen man. Ja, wanneer Jezus den schijn aanneemt, alsof iiij ons ontslag wilde geven, dan, ofschoon wij in de verstrooiing van het dagelijksche leven Hem voor een tijd hebben vergelen, dan komt het op nieuw aan den dag, hoe diep en innig wij met Hem verbonden zijn. Wanneer Hij den schijn aanneemt, als wilde Hij ons weder onze eigene wegen laten bewandelen, dan wordt liet eerst recht openbaar, hoe toch niets in de gansdie

ocr page 75

wereld boven Hemzelven gaat. De bange twijfeling of men wel werkelijk iets van Hem gevoelt, verdwijnt, en de band der volmaaktheid, die in den innerlijksten grond van ons wezen ons onlosmakelijk met Hem verbindt, wordt weder gezien, en men ondervindt met vernieuwde levendigheid en sterkte, boe oogen blik kei ijk vloek, dood, duivel en bel tegen ons zouden losbarsten, wanneer wij op Hem niet verder konden vertrouwen, nocb inocbten hopen. En bet is liefelijk om aldus de vereeniging met Jezus zich weder bewust te worden. Hoe uitnemend kan ons dit te stade komen, wanneer bet gevoel er van bij ons opboudt, en bet gevaar om aan ons zeiven te vertwijfelen, op nieuw ons nader treedt. Alsdan wordt ons zulk eene nieuwe ondervinding lot een psalm in den nacht, en zij bemoedigt ons, even als David door zijne liederen van eertijds bemoedigd werd.

lieere! niet alleen mijne voelen, maar ook de handen en het hoofd? Het is schoon gezegd, doch hot rechte pad was weder gemist. Simon overschrijdt thans de lijn van het ware en juiste ter rechterzijde, gelijk hij haar te voren ter linkerzijde overschreden heeft. Eerst weert hij het onontbeerlijkste van zich af, en nu vraagt hij het overvloedige. Hij ziet de zaak nog niet geheel dóór, en waarschijnlijk behoorde ook het laatste ophelderende woord des Heeren tot die uitspraken, waarvan den verblinden discipelen eerst later de volle be-teekenis is klaar geworden. Dat woord luidt aldus: die rjewasschen is, heeft niet van noode dan de voeten te ivasschen, maar hij is rjeheel rein, en t/jlieden zijt rein doch niet allen. Dat de IIcere met deze laatste woorden op den verrader doelt, ligt voor do hand. Doch welke is nu de zin der geheimnisvolle uitspraak? Ik meen dat wij ze in de volgende woorden uildrukken kunnen. Gewasschen is hij, die als een arm zondaar door liet geloof in de gemeenschap met Jezus gekomen is. Zulk eene is vooreerst volgens de rcchtvaardiymakinij rein van allo zonde, liet bloed des Lams vloeide voor hem, de betaling van al zijne schuld is geschied. Hij is geheel rein voor tlod, want de verdienste van den Dorg wordt hem toegerekend, en hij blijft rein, want Gode kunnen zijne goede gaven en roeping niet berouwen. Dagelijks, en niet ieder oogenblik moet bij zich over zijnen gereinigden toestand verheugen. Petrus vermaant in zijnen tweeden brief om de reiinfiin'fi onzer vori(je zonden niet te verfjeten. Doch hij is dok vervolgens rein naar de heilii/ninliin;/ en wel in zoo verre hij, ten gevolge der wedergeboorte uil water en Geest, welke hij ondervonden heeft, voor allijd met alle en een iegelijke zonde gebroken heeft, en uit kracht van zijnen nieuwen, maar voorzeker door zijn vleesch nog allijd veelvuldig aangevochten en ge prangden mensch niet anders wil dan wat God wil en Hem welbehagelijk is. Hoe gaat het nu gewoonlijk met den voortgang van het leven des geloofs? Kr komen onbewaakte oogenblikken, waarin men op de eene of andere wijze zich op nieuw bezondigt. Onvoorziens denkt, spreekt en doet men weder, wat niet betaamt, en men maakt zich natuurlijk tegen onzen wil, — (want moedwillig zondigt enkel de duivel en zijn zaad; Wie uit God (jehoren is, kan, zoo als de Apostel zegt, niet zondigen,) —• zich aan nieuwe ontrouw jegens den Heere schuldig. De wandel is

ocr page 76

00

bevlekt, de voeten zijn bezoedeld. Hoe gedraagt men zich thans? Drie dwaalwegen doen zich op, en maar al te dikwijls gebeurt het, dat men er één van inslaat. Men geeft alsdan in zich plants aan een overweldigend schuldgevoel, en men roept alsdan gelijk weleer, het „onrein. onrein!quot; van eenen uit de gemeenschap der reinen uitgeslotene uit. Men acht alsdan de genade voor verbeurd en verspeeld, en de band der gemeenschap met den lleere verbroken, en roept met Petrus: lleere! niet alleen de voelen, maar ook de handen en het hoofd. Of men neemt het te ligt met de nieuwe bezondiging; men maakt zich diets, dat de begane feil geene beduiding heeft; men paait zijn geweten met de snelle en eigenwillige gedachte, dat ook deze overtreding mede behoort tot de menigte der zonden, welke in het bloed van Christus verzoend en vernietigd is, en bewandelt alsdan zijnen weg ligt en zonder aansloot. In beide gevallen is men hier Ier rechter-, en daar ter linkerzijde van den weg der waarheid afgeweken. In liet eerste gevd opent men zonder noodzakelijkheid zijn hart van eene de juiste maat overschrijdende voorstelling van de gevolgen der begane overtreding, en kent deze zonde eeneu imloed op het geheel van onzen genadestaat toe, welke zij, volgens Gods quot;Woord, daarop geenszins uitoefent. De enkele zonde, waartoe men wordt medegesleept, staat volstrekt niet met een afval van tien lleere gelijk. In enkele overwinningen van liet vleesch over den geesl; gaat de ontvangene wedergeboorte even weinig weder verloren, als zich van wege deze overtreding de Goddelijke genade aan ons onttrekt en ons uit hare hoede en vorming uilsluit. In bet andere geval, stelt men de begane overtreding veel te laag en vergeeft men zich de zonde door middel van eene willekeurige leerstellige kunstgreep des verstands aan zichzelven, in plaats dat men zich die van den lleere laat vergeven. De zoogenaamde kleine feilen, worden echter omdat men ze met dien naam bestempelt, daarom niet kleiner dan ze zijn en ze worden ook ten gevolge van onze zelfoverreding, dat zij tot de menigte der zonden beboeren, voor welke het bloed der verzoening gevloeid is, zoo weinig uit ons geweten gewiscbt, dat /ij er veel meer als een geheimen ban in blijven steken, en als een kanker aan de vrede onzer harten knagen, en ons meer en meer de kinderlijke vrijmoedigheid lot den troon der genade ontnemen. Welke handelwijze moet dan in de gestelde omstandigheden beschouwd worden als de met het Evangelie meest overeenkomstige? Men wachte zich vooreerst voor vertwijleling, waardoor men den satan een feest toebereid. Men trede niet achterwaarts, noch verwijdere zich van het aangezicht des Heeren, als ware zijn hart thans voor ons gesloten. Men denke niet, dat er Ihans een nieuw begin met het Christelijke leven moet gemaakt worden. Het zaad der wedergeboorte blijft in ons, zegt de schrift en het kind des huizes staat niet eens-slags weder als een knecht en vreemdeling vóór de deur van het buis. Wie gewasschen is, zegt de lleere, die is rein. En f/ij zijl rein, maar niet allen. Wie verslaat thans deze woorden niet? De zin er van is deze: wie de bloed- en Geestdoop, dat is de dubbele genade van de vrijspraak van zonde en tie wedergeboorte tot het nieuwe

ocr page 77

leven is deelachtig geworden, die is naar den innerlijken kern van zijn wezen een nieuw mensch, die voor altijd met de zonde gebroken heelt, en wiens innerlijkste liefde, begeerte, streven en trachten enkel tot God en hot Goddelijke is gericht. Zulk eenen behoeft daarom, wanneer hij nit zwakheid op nieuw door eene zonde overvallen wordt, niet op nieuw eene ganschelijke wezensverandering, maar enkel eene reiniging; hij moet zich de vocloi laten wasschen. Men overwege dit wei, wanneer men in den staat der genade verkeert. Men stelle zich te weer tegen den helschen aanklager, opdat hij ons niet door overmatige beschuldigingen overvleugele. Men boude hem het in het bloed des Lams gedoopte schild des geloofs voor, en late zich den moed en het vertrouwen niet aan het wankelen brengen.

Met niet mindere zorgvuldigheid echter moet men de andere klip. die ons hier bedreigt, omzeilen, en zich wachten, om de herhaalde ontrouw, waaraan men zich schuldig maakte, niet te bemantelen ot te gering te achten. Geene overtreding is gering te achten of als onbeduidend te beschouwen. Men late den rechter in onzen boezem ongehinderd zijn ambt uitoefenen, en verzette zich niet tegen hem, hetgeen men doet als men zijne beschuldiging geen' ingang wil ver-leenen. Men nadere als een diep bedroefd, maar daarom nog niet vreesachtig kind den Heere, en belijde Hem oprecht de schuld. Men zegge: „Heere, mijn God! op nieuw heb ik mij aan u bezondigd, liet is mij leed; zie, ik oordeel en verdoem mij zelve; maar uwe genade is groot en op haar vertrouw ik. Besprong mijn geweten op nieuw met uw hloed en geef het mij, om ook van deze overtreding-de betaling, die Gij voor mij gegeven hebt, mij geloovig toe te eigenen? Zoo zuchte liet gebogene, verootmoedigde, verbrijzelde hart, en zeker, de Heere neigt Zich genadig tot ons, spreekt der ziele dooiden Heiligen Geest het woord der vergeving too, en op grond van Jezus' bloed, blijft de sabbath des harten met de bewustheid van het kindschap ongebroken. En o hoe gevoelt men zich op nieuw met don Heere verhonden en op nieuw versterkt lol den strijd tegen duivel, wereld en eigen vleesch en bloed, en hoe groeit en bloeit met nieuwe frischheid, het vroolijk vertrouwen in ons hart, na zulke vernieuwde ondervindingen zijner trouw, dat men in waarheid een Heiland heeft! Men kwam weder tot een Pniël, alwaar men met Jacob, jubelt: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijne ziel is gered geweest! en men stemt op nieuw diep bewogen in met Davids' woorden; Mijne ziele! keer toeclcr tot uwe rust, mant de Heere heeft aan u ivelgcdaan.

Ziet, mijne vrienden! dit is hot, zich de voeten te laten ivasschen, naar de bedoeling des Heeren, en gij ziet, het is eene zalige, verkwikkende en zielverheffende zaak. En wie in de rechte eenvoudigheid te huis is, dien is deze dagelijks vernieuwde bekeering, en daarop volgende vernieuwde ondervinding des heils, niet wettisch, maar juist het rechte Evangelie, en eene onuitsprekelijke liefelijke oefening. Zoo wordt de inwendige mensch vernieuwt van dag lot dag, en ondergaat hij eene onophoudelijke verjeugdiging. De bloemen der blijdschap en die der overgave aan den Heere, ontluiken wederom in het harte, en

ocr page 78

()CJ

met iciior oogenblik is hot daar binnen weder lente. Vele Christenen kennen geen ander voedsel voor hun inwendig leven, dan hetgeen zij in het beschimmelde brood vun verouderde ondervindingen bezitten. Daarbij komt het echter niet tot eenen rechten vrede, liet is niet zoo met liet innerlijk Gliristendom gesteld, dat men, na eenmaal do vergeving der zonclo ontvangen te hebben, nu in eene denkbeeldige herinnering, werkeloos voortleeft. Noen, waar een wezentlijk geestelijk loven bestaat, daar wordt ook voortdurende beweging, onophoudelijke kamp togen de zonde, on, na altijd nieuwe verootmoediging voor God, altijd nieuwe verheffing in hot genot zijner op nieuw verzegelde genade gevonden. Zoo hot anders ware, hoe zou de Hoero de zijnon als dagolijkscho bede do woorden op do lippen hebben kunnen leggen: Verf/eef oiih onze schulden'! Wie gewassclien is, heeft goeno be-hoel'te dat hij weder rjchcct, maar wel, dat hem altijd op nieuw do voelen gewasschen worden.

III.

Zoo heeft zich dan do innerlijke zin en beteekenis der voetwassching voor ons ontsluierd. Zij behoort mede tot de orde des heils, en zij is, wat hare volle beteekenis betreft, voorzeker eerst later voor het verstand der discipelen klaar geworden. Wat zij echter zeer zeker heter, en spoedig moesten begrijpen, was de meer uiterlijke en tot voorbeeld dienende zijde van deze handeling, ou hiertoe bepaalt zich dan ook de slotrede des Hoeren bij deze gelegenheid, en hierop wen-schen wij nog kortelijk het oog te richten. Nadat do Hoero zijn opperkleed weder aangedaan, en Zich met de zijnen weder aan den disch geplaatst had, opent Hij andermaal do vriendelijke mond en zegt tot hou: Verslaat (jij, ivat Ik uliedcn gedaan heb? Mot deze vraag wijst Hij allereerst nog eenmaal heen naar den diepen verborgen zin zijner handeling, een zin, die zekerlijk door zijne opmerking: gij zijt rein, doelt niet allen, aan hot verstand dor discipelen nabij genoeg gebracht was. Ja, door dit woord dos Hoeren moest allo twijfel ophouden, of hier van eene geestelijke reiniging sprake was, Te gelijk echter baande de Hoero Zich door het: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb.? oenen weg tot hetgeen vplgt: Gij heet Mij Meester en lieere, zoo gaat Hij voort, en voegt er, in majestuouso zelfbewustheid, op hunne stoutste vermoedens van zijne bovenmonschelijko hoogheid hot zegel zettende, bij: en gij zegt wel, want Ik ben het. Daarna zegt Hij verder: Indien dan Ik, de lleere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wasschen; Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. Voortvaar, voorwaar zeg Ik n: een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve 'doet. Wij zien hier dus het voorbeeld gevend punt van Jezus' handeling op don voorgrond gesteld. Het oorspronkelijke woord, dat in onze vertaling met voorbeeld is overgezet, sluit overigens het denkbeeld van zinnebeeld en voorbeeld in zich, en duidt gevolgolijk weder aan, dat wij do beteekenis er van niet op do oppervlakte te zoeken

ocr page 79

($

hebben. Het zal u bekend zijn, dat velen gemeend hebben, dat de Ueere hier voor zijne kerk eene uitwendige, plechtige, kerkelijke handeling beeft willen instellen; doch lot deze opvatting is niet de minste grond voorbanden. En heelt zich de door den lleere be /olene voetwas-sching bier en elders werkelijk in eene bloote formaliteit veranderd, de schuld er van ligt niet bij den lleere. liij beval in haai' geene bloote ceremonie, boe veel minder een dekmantel voor heerscbzuch-tigen hoogmoed, waarvan die man zich bedient, bij wien zoo als iemand zeer juist beeft opgemerkt, het meer bewondering zou verwekken, wanneer hij in ongeveinsde nederigheid eénen koning dan wanneer hij, gelijk thans geschiedt, duizend armen de voeten wascht. Neen, de lleere beval door de voetwasscbing aan de zijnen, de in waarachtige zelfverloochening /.ich ook tot de geringste diensten aanbiedende en gevende, uit zijn eigen Heilands harte in ons hart slroo-mende broederlijke liefde. Ook wij moeten elkander de voeten was-schen, en waar de nood en de omstandigheden bet vereischen ook iu den letterlijken zin des woords. Tot geen dienst- en luilphewijs, ai ware zij ook de oogenschijnlijkst meest vernederende, moeten wij ons, nadat Christus ons met zijn schitterend voorbeeld is voorgegaan, te hoog en te aanzienlijk achten. Liefdadigheid, op welke onaanzienlijke wegen zij wandelt, vernedert nooit. Zij vernederde zelfs den lleere der Heerlijkheid niet, hoe dan zijne arme knechten! Voornamelijk echter moeten wij op geestelijke wijze het voorbeeld des lleeren navolgen. Wij zijn van nature geneigd om elkander, gelijk men spreekwoordelijk zegt, , het hoofd te wasschen,quot; dat is, wederkeerig elkanders vergrijpen te verwijten en daarmede wederkeerig elkander gestreng te richten en met bitterheid te beschamen. De lleere echter beveelt eene wasscbing der voelen, en wel eene zoodanige, welke het liefderijke oogmerk ten grondslag heeft, om den broeder van de hem nog aanklevende zonde te reinigen en vrij te maken. Zekerlijk, ook dit kan niet geschieden, zonder de zonde kenbaar te maken; maar het is toch geheel iels anders, wanneer de ootmoedigheid welke nooit anders oordeelt, dan na vooraf zichzelven geoordeeld te hebben, zonden voorhoudt, en de barmhartigheid, die nooit kwetsen, maar altijd enkel heelen wil, gebreken ontbloot, dan wanneer de eigengerechtige zelfverheffing of bel haarklovende Farizeïsme den armen zondaar zijn zondenregister voorhoudt. Wie op de wijze, zooals de lleere het bedoelt den broeder de voeten wascht, stelt zich vooraf met hem als zondaar gelijk, deelt medelijdend in zijne schuld, ontbloot die schuld bij hem met even veel teedere sparing als onverholen openhartigheid, verloedert hem, door eene liefdevolle herinnering aan den rijkdom der Goddelijke goedheid, welke bij met ondank heeft vergolden, bet hart, en nadat hij hem, op deze wijze zijne ziele tot verootmoediging en bekeering stemmende, de voeten gewasschen heeft, vergeet hij ook niet om ze weder af Ie droogen, daardoor dat hij voor Mem de sluiers opheft van voor den troon der genade, dal hij hem het kruis van Golgotha voor oogen stelt, de genade verkondigt van Hem, die gaven ontvangen beeft ook voor de wederhoorigen, en hem alzoo den balsem des Evangelies in de wonden druppelt.

ocr page 80

(U

Zeker wassclien wij elkander op deze wijze de voeten nooit, zoo lang wij niet weten, wat de Heere aan ons gedaan heeft. De verborgenheid zijns kruises moet eerst ons zolveu in het licht des Heiligen Geestes geopenbaard zijn, eer wij tol zulk eene voetwassching bekwaam zijn. Ja, wij moeten eerst zelf in do werkelijkheid ondervonden hebben, wat eenmaal Simon Petrus in voorbeeldelijken zin ondervond. Christus moet ons eerst de voeten wasschen, of wij wasschen geenon anderen de voeten volgens zijne bedoeling. Moge dan voortaan, schrede hij schrede zijn woord ons volgen: Indien Ik a niet wassche, zoo hebt Gij geen deel aan Mij! Moge het uit onze ziele alle valscho gerustheid verbannen, ons dag noch nacht rust. vergunnen, totdat het ons aan den voetbank zijner voeten heeft nedergeworpen, en Indien Tlij ons nog niet gewasschen heeft, ook aan ons hart de Simons' uitroep ontpersen: Heere! niet alleen de voeten, maar ook de handen en hel hoofd. Zijn wij echter zijne wassching deelachtig geworden, dan zij de taal van ons hart anders, dan klinke altijd weder in ons binnenste het lied van den Godvruchtigen zanger:

Omdat ik van uw lichaam, Heere!

Een arm doch levend lid mag zijn;

Zoo trek mij krachtig, tot uw eere,

Naar U omhoog, al doet het pijn.

Laat mij geen andren helper zoeken,

Wanneer de wet me op nieuw verklaagt;

En, leert Ge mij de zonde vloeken, —

Uw Uoed alleen maakt me onversaagd.

Amen.

I

ocr page 81

VII.

D E P A A S C U M A A L T IJ I).

Op don dorpel dor lijdonsgoscliiodonis slaat, zoo ovorvloodig rijk in beteekenis on inhoud, als eenvoudig en onaanzionlijk naar hot uilwon-dig voorkomen de heilige verhondsmaallijd, welke ons niet alleen do innerlijke verborgenheid van Jezus' lijden ontslnit, maar ons ook tegelijk reeds vooruit de kern van de zegenrijke vruchten dezes lijdoiis doet smaken. Door den Heere zeil' tot een koninklijke familietal'el gesteld, waardoor de huiselijke eenheid zijner geloovigen niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar ook gevoed en onderhouden wordt, heeft doze in enkel liefde gedoopte, en enkel op bevordering der liefde berekende maaltijd, door de schreeuwendste tegenspraak met zijne bestemming, juist het ergste vuur van tweedracht onlstoken, ja de kerk gescheurd en drievoudig verdeeld. En wij wenschten. dat wij van zulk eeno treurigheid alleen als van eene voorhijr/cijanc zaak konden spreken! Maar belaas! zelfs in het midden der Evangelische Christelijke Kerk, maakt het heilig avondmaal nog altijd liet Meriba, de plaats der twisting uit, alwaar Broeders, dooréén bloed gekocht, door éénen («eest gedrenkt, en aan één lleilands harte gelegd, elkander de gemeenschap opzeggen en wrokkend, of zelfs wel elkander verdoemend, van elkander gaan. Heeft de heilige maaltijd hier de schuld van? O dat zij verre. Of ligt wellicht de schuld er van bij de Schrift, door een ongenoegzaam onderwijs aangaande het avondmaal? Evenmin. De schuld valt alleen op het hoofd (Ier zondige men-schen, die in plaats van zich met de eenvoudigheid der schrift uurlij ke verklaring te laten vergenoegen, en de Apostoliscbe vermaning, '2 Tim. 1 : 13: Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die (jij van mij gehoord hebt, na te leven, met spitsvindige wijsheid de grenzen van het woord dei' Schrift wagen te overschrijden en ook meenen, daar den sluier des geheims te moeten oplichten, waar het woord van God ze onopgeheven laat rusten. De kerkelijke eenigheid zon on-verbroken gebleven zijn, wanneer men met elkander tot het waarlijk-wijs besluit ware gekomen, om datgene als het wezentlijke in de beteekenis des avondmaals vast te houden, wat het Woord ons als zoodanig ondubbelzinnig aangeeft, en om ten minste niet te strijden, hoe veel minder om zich van elkander te verwijderen van wege datgene, wat der Schrift niet behaagd heeft ons klaarder te openharen. „Doch bevat dan de Schrift een bepaald en onduhhelzinnig onderwijs over

ocr page 82

()()

den zin, do beteekenis en hel doel des avondmaals? Onbetwistbaar, mijne Waarden! Mochten onze tegenwoordige en volgende hetrachtingen ons hiervan overtuigen. Wij koeren tot do instelling van den lieiligen maaltijd terug en putten daarmede onze voorstelling er van, zonder door een menschelijk leerstelsel bevangen te zijn, uit de bron.

Matïii. '20; 29; Marg. 14: 25; Luc. 22 : 14—18.

En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf Apostelen met Hem. En Hij zeide tot hen: Ik hch (jrootelijks begeerd dit Pascha met n te eten, eer dat Ik lijd a; wuiit Ik zey u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods. En als Hij eenen drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden; want Ik zeg u, dat Ik van nn aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met n dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.

Hetgeen voor ditmaal onze aandacht zal onledig houden is niet reeds do verhondsmaaltijd zeil', maar enkel de voorbereiding en inleiding tot zijne instelling, waaruit wij reeds een voorloopig licht over de beteekenis van het avondmaal zelf zullen zien voortkomen. Wij zullen dan heden vernemen;

I. Wal de Heere tot zijn bondszegel verklaarde,

II. In welk eene gemoedsstemming Hij tol de instelling des Heiligen avondmaals overging, en

lil. Welke uitzichten Hij door deze instelling den zijnen opende.

De Heere zegene ons op den weg onzer beschouwing!

I.

De Heere heeft zijn profetisch dagwerk volbracht. De Meester, do Leeraar in Israël treedt op den achtergrond terug, de Hoogepriester (lods betreedt de olferplaats. Wat Hij op de hoogte van den olijfberg verordende, is geschied. Petrus en Johannes zijn op zijn bevel heengegaan, hebben den door den Heere op de nauwkeurigste wijze aan-geduiden man met de waterkruik, bij hunnen ingang in de heilige stad, aangetrollen; toen hebben zij, dezen man volgende, het bevriende huis bereikt, en den heer des huizes op hun woord; 7gt;c Meester zeyl u: waar is de eetzaal, daar Ik hel Pascha mei mijne discipelen cleii zal? bereidwillig gevonden om ben tot dat einde eene groote toegeruste opperzaal in zijn huis aan te wijzen. Aldaar bereidden de discipelen den paaschmaaltijd. De Heere volgde hen later, des avonds, naar deze plaats, en het is in dit vertrek, dat wij den Heere in den vertrouwden kring met zijne Twaalve thans te zamen zien aanzitten. Het Paaschfeest, Israels hoogst, heerlijkst en vreugdevolst feest, was

ocr page 83

07

begonnen; tiet was liet eigentlijke geboortefeest van liet uitverkoren verbondsvolk, liet feest, dat sedert vijftien honderd jaren gevierd, telken jare niet nieuwe blijdschap begroet werd; dat door zijn bloot bestaan de historische waarheid van de voormalige wonderbare redding van het zaad Abrahams door het bloed van bet paaschlam van het zwaard des doodenden Engels, boven alle tegenspraak stelde. Als ge-dachtenisfeest van deze groote gebeurtenis wekte het altijd weder tut nieuwe dankbaarheid op, maar ook tot altijd nieuwe verootmoediging voor den God aller genade, terwijl het te gelijk met do behoefte naar verlossing, de hoop op het, door de verlossing uit Egypte slechts voorafgeschaduwde wonder van heil en redding in het bloed van den beloofden grooten Vredevorst ververschte. Slaan wij vooreerst vluchtig den blik op het voorafschaduwende beeld terug. De Engel des Oordeels van Clod, was uit den troon der eeuwige majesteit gezonden, om alle eerstgeborenen in Egypte te dooden en van do aarde uit te roeien. Aan het zaad Abrahams werd echter door (loddelijke genade een redmiddel aan de band gegeven, en waarin het bestond, weet gij. Ieder vader des huisgezins moest een lam, een mannotje zonder gebrek, van de kudde nemen, bet slachten, zijn hloed aan de posten van de deur zijns huizes sprengen, en zich dan gerust en getioost met de zijnen binnen zijn huis houden. Dal bloed, zeide de llcercca/ ulieden lot een leeken zijn aan de huizen, waarin (jij zijl; ■wanneer Ik hel bloed zie, zal Ik ulieclen voorbijfjaan, en er zal lt;/eene plaay onder ulieden len verderve zijn wanneer ik Eyijpleland slaan zul. En het geschiedde, zoo als de Heere het geboden bad. Wie kan echter in deze Goddelijke instelling liet geheimzinnig beeldschrift, dat in haar opgesloten lag, miskennen? Wie hoort niet in baar de zinnebeeldige prediking van den, in Gods eeuwigen raad, aan den zondaar toegedachte eeuwige verlossing? Wien blijft het twijfelachtig, dat het Lam, waaraan de redding verhouden is, — Christus, den eenigen Heiland aanduidde? Dat hot slachten van het lam op Christus verzoenend lijden en sterven voor de zondaren heenwees; dat de besprenging van de deurposten met hot hloed des lams de afschaduwing was van de Goddelijke toerekening aan den zondaar, van de verdiensten des grooten liorgs, terwijl de zekere gehorgenheid en volkomen veiligheid van de Israëlieten, die zich met kinderlijke eenvoudigheid voor Gods verordening bogen, enkel de terugspiegeling moest zijn van die volkomene begenadiging, welke de Eeuwige voortdurend aan allen die zich aan de heilsorde der bekeering en des geloofs ootmoedig onderwerpen, om niet, en alleen met het oog op bet Middelaarsbloed van het Lam Gods, ten deel laat vallen. Deze groote zinnebeeldige verkondiging des heils klonk al de eeuwen onafgebroken door onder Israël, en wel daardoor, dat, len gevolge van Gods verordening, telken jare het wonder van Egypte door het paaschfeest den volke weder levend vertegenwoordigd werd. Alsdan zagen zij de lammeren, deze beteekenis-volle voorbeelden van het met zoo veel verlangen te gemoet gezien Lam van God, weder ter slachtbank geleiden. Alsdan vernieuwde zich bij de aanschouwing van het stroomend bloed dezer offeranden, met den dank voor de eerste tijdelijke bevrijding uit Egypte, de vroolijke

ocr page 84

08

hope op do andero, op do meest wezentlijko, oéuwige verlossing, die men le gemoet zag. Alsdan riop men weder met versterkt vertrouwen elkander toe: ,,1 lij zal onfeilbaar komen, Hij, die onze krankheden op Zich nemen zal, want hier hebben wij liet zegel en het onderpand van den Waarachtige in den hemel! En terwijl men na de volbrachte olTcrplechtighoid het paaschlam in den feestelijken familiekring at, verheugde men zich van op den bedekten grond van deze eenvoudige, huiselijke zinnelijke maaltijd, weder een Goddelijk denkbeeld, en wel dat denkbeeld aan te treilen, hetwelk des zondaars geloovige toeëige-ning en aanneming van hetgeen God aan zondaren in Christus' bloed toebereidt, tot de eenige voorwaarde stelt, waaraan do mededeeling van dezen grooten tot in de eeuwigheid zich uitstrekkende schat der genade gebonden is.

Mijne vrienden! Wij hebben het punt aangewezen, waaraan Christus de instelling des avondmaals aansluit. Het is de paaschmaal-tijd. liet woordje aaiisluilcn zegt bier echter te weinig. Wij spreken nauwkeuriger, wanneer wij zeggen, dat Christus de Mozaïsche paasch-of verlossingsmaaltijd tot zijn Bondzegel heeft verheerlijkt. Het gezegde dat het Oude Testament door liet Nieuwe is afgeschaft of ter zijde gesteld, heeft eene dwaling tot grondslag. Afgeschaft is ook niet het geringste deel van den Mozaïschen ceremoniëelen dienst, maar het is veel meer uit den toestand van schaduw en voorbeeld in die van het werkelijk bestaan, tot wezentlijkheid verheven. Dat is de zin van de uitspraak van Christus: Mccid niet, dat Ik gekomen ben om de ivet en de profeten le ontbinden. Ik ben niet gekomen om ze te ontbinden, maar om ze te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota, noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdal hei alles zal zijn geschied. Gelijk de bloesem aan den boom niet vernietigd wordt, maar enkel verwelkend, in de vrucht wordt opgeheven, en daarin op meer wezentlijke wijze voortleeft, zoo had ook alles wat in hot Oude Testament als schaduw en zinnebeeld voorkwam de Goddelijke bestemming om in het Nieuwe Testament wezentlijkheid aan te doen, en zich te belichamen. Het Oud-Testamentische priesterbeeld bij voorbeeld, werd in Christus tot werkelijkheid; de zoenofferanden van den ouden Tabernakel werden tot wezentlijkheid in den dood van Christus. J)o geheele Levitische bespronging,- wassching- en reinigingsrogel vond zijn wezentlijk tegenbeeld in de reinigmaking door Christus' bloed en Geest. Ja niet het minste in den Mozaïschen schaduwdienst viel met de doode bloesem af, of bleef een ledig schaduwbeeld of omtrek. Alles belichaamde zich. Het rupsenspinsel scheurde van een, de vlinder steeg er uit op. Dit is eene opmerkelijke, en ons geloof versterkende waarheid. Het geheele verlossingswerk van Christus verschijnt hiermede van de eene handeling tot de andere als de levensvolle uitwerking en verwezent-lijkhig van eene reeds langer dan duizend jaren te voren aan het Israëlietische volk, en door dat volk aan de geheele wereld vooroogen gestelde model- en beeldengalerij; —- en kan dat toeval zijn, of de vrucht van schrandere menschelijke berekening'? Onmogelijk. Hier heeft de levende en persoonlijke Clod de hand in. Hier is Gods ont-

ocr page 85

09

werp, Gods werk, Gods daad. Wie Iret betwijfelt, betwijfelt liet bestaan der zon bij helderen dag. God komt ons in de natuur enkel omsluierd voor; maar in den samenhang' zijner openharing verschijnt Hij ons van al die sluiers ontdaan. Sluit u slechls een tijdlang geheel op in het bijhelgehouw, en zend gedurig innige zielszuchten tot God om Goddelijke verlichting en gedurig zult gij in den heiligen bijbel-tempel de stern hooren: „Hier ben Ik, hier ben Ik!quot; en aan de ontdekking van nieuwe wonderen en heerlijkheden zal geen einde zijn.

ïï.

Gelijk nu de geschiedenis der verlossing uit Egypte aan het bloedig werk der verzoening zelf, zoo vond de van God verordende paasch-maaltijd in hot heilig avondmaal hare vervulling en wezentlijk tegenbeeld. Komt nu en ziet! de disch te Jeruzalem is bereid, en alles wat het feestmaal vereischl, is op tafel. Zoo even eindigde het geheimvol bedrijf der voetwassching, en nu mag bot brood gebroken, de spijs genuttigd worden. De discipelen zijn diep getrolïen. De Meester, die zijnen Broederen in alles gelijk werd, uitgenomen de zonde, en in wiens boezem een menschelijk diep gevoelend en met ons arme kinderen Adams samenstemmend harte sloeg, is niet minder bewogen. Hij ziet het paascblam voor Zich op de tafel, en daarin zijn eigen beeld. Hij is het Lam van God, dal de zonde der wereld wey-ncemt, zoo als Hij Zich reeds van het begin af door zijnen voorlooper had laten aankondigen. Tot een herhaald getuigenis, dat Hij dat Lam is, had Hij op denzelfden dag, op welken de paasei dammeren ter stad ingebracht worden, ook zijn intocht gehouden. Nadat men zich dan weder aan den feestelijken disch had gelegd, begon Jezus op den toon der innigste teederheid Ie zeggen: II,: heb (jrootelijks herjeerd, dit Pascha met u le eten, eer dat Ik tijde. O, merkt op, welk een blik Hij ons hier in het binnenst heiligdom zijns harten doen laat. Hij heeft fjrootelijks befieerd, nog dezen maaltijd met hen te houden. Waarom toch? Zeker moest liet Hem zoet en liefelijk voorkomen, om de laatste uren zijns levens in zijne knechtelijke gestalte, verwijderd van de wanklanken des ongeloofs en het gewoel eener alles loochenende wereld, in den stillen kring der zijnen, die liet kiemend zaad zijner Kerk in zich droegen, te kunnen doorbrengen. Ook dit scheen Hem aanlokkelijk en vertroostend toe, dat Hij het slot van zijn nu spoedig voleindigden loop in den schoot der liefde, in de gemeenschap zijner vertrouwelingen vieren, en vervolgens ongestoord op feestelijke wijze van hen afscheid nemen kon. Doch meent niet, dat gij hierin al de reden zijner begeerte hebt opgegeven. Hoedt u ten allen lijde om den Heere ooit iets van dat ziekelijke gevoel loe te schrijven, dat wij scnlimenleelheid of overgevoeligheid noemen. Gelijk in Hem alles gezond en vol kern en veerkracht was, zoo waren Hem ook onze zwakkelijke gevoeligheid, ons eigenlievend zelfgenot, en weekhartigheid, en droomachtige aandoeningen iels geheel vreemds. Zeker, wat Hem zoo hartelijk naar dezen laatsten Paaschmaaltijd bad doen verlangenj was de liefde, maar niet de liefde, die genieten wil,

ocr page 86

70

maar die vuriglijk begeert wel te doen, te verblijden en te zegenen.

Zijne groole begeerte naar dezen laalsten paascbniaaUijd ontstond voornamelijk uit zijn innig verlangen, dat de ure kwam, waarin Jlij aan den toestand van onzen vloek een einde maken en het liand-scbrift, dat tegen ons was, aan liet kruis nagelen kon. En daarom verbeugde Hij Zicb sedert lang met geheel zijn hart in bet uitzicht op dezen stillen avond, als op den lijd. waarin het Hem vergund zou zijn, om in de voorgenomen geheimvolle instelling ten goede zijner beminden zijn testament te maken, en met toestemming zijns Hemel-seben Vaders hun de vruchten van zijn verzoenend leven, lijden en sterven te vermaken. Met één woord, om den wille van bet alsdan m ie stellen avondmaal, had Hij zoo grootelijks en hartelijk naar bet aanbreken van dit laatste Paaschfeest verlangd. Als een aanmiimig gedachlenisbeeld stond hel avondmaal, als den maallijd zijner Melde, sedert jaren voor zijnen geest. Hiernaar moogt gij de liooge be-teekenis, die deze heilige instelling tot grondslag heeft, atmeten. Neen, eene handeling, waarmede enkel eene instelling tot eene her-ha Ude vriendschappelijke herinnering werd bedoeld, zou voor bet hart van den Zoon van God nooit het voorwerp van een zoo diep, vurig en aanhoudend verlangen hebben kunnen zijn. liet Ik heb (jroolelijks hccjcerd is op zichzelve alleen toereikend, om niet enkel de rationalistische verklaring, maar ook het gevoelen van den anders zoo hooggescl latten Zuricher hervormer ten opzichte van het avondmaal te wederleggen. Met Ik heb yrootelijks begeerd drukt reeds op en in zichzelven op den heiligen maaltijd den stempel van eene Goddelijke verborgenheid, van een verbondszegel. „O gij, mijn lleere en Heiland! zoo innig verlangde dan uw hart naar het oogenblik, waarin Gij deze testamentmaking uwer liefde ons zondaren in handen stellen kon. Zelfs de vreeselijke doodsnacht, die spoedig daarna U zou overschaduwen, liet U deze gedachte der ontferming ten uitvoer brengen! O boe hebt (iij ons lief gehad, lief gehad tot aan het einde! En wie heeft U weder lief, en schat het geschenk uwer genade naar beboeren, en dankt U zoo als bet betamen zou voor de ons toegedachte rijke erfenis? ü Heere! hoe diep zijn wij ontaard, afgeweken, verloren! Ontferm U over ons, o Jezus! en schep in ons het nieuwe hart naar uwe belofte!quot;

III.

Aan het woord Ik heb grootelijks begeerd verbindt de Heere een woord van profetische natuur, op hetwelk Hij terstond een tweede van gelijken aard laat volgen: ivanl Ik zeg u, zoo gaat Hij voort, dat Ik nicl meer daarvan eten zal, loldal het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods. „Wij scheiden — dit wil de Heere zeggen — onze betrekking tot elkander wordt voortaan eene andere, eene nieuwe betrekking. Doch wij zullen elkander wederzien, en dan ook weder te zamen aan den maaltijd zitten.quot; —■ „Wanneer?quot; vragen wij in gespannen verwachting, en wij vragen verder: Wat is bet, dat den Heere hier voor de oogen zweeft, en dat Hem boven do schei-

ocr page 87

71

(lingssrmrt verheft?quot; Zijn blik dringt in eenn verre toekomst. Hoort wat Hij zegt; Ik zeg u, dal Ik niet meer daarvan eten zal, taldat het vervuld zal zijn (wat? natuurlijk liet Pascha) in het Koninkrijk Gods. De lleere weet wat Hij zegt, en ziet op hetgeen Hij hedoelt met verheugden geest, met klaarheid en bepaaldheid. Ons schemert slechts daarvan iets uit do verte te gei noot, doch ook reeds dit is genoegzaam, om ons ecnen wedergalm van 's Hoeren blijdschap in liet harte te doen hooren. De Paaschmaaltijd des ouden Verhonds heeft, nadat liet zich tot avondmaal verheerlijkt heeft, nog zijne laatste vervulling niet ontvangen. Het wijst profetisch op nog eene verdere en wel grootere en heerlijkere vervulling. In de toekomst wacht ons een feestmaaltijd van verzoende en verloste zondaren, tot welke zich onze tegenwoordige avondmaalsviering weder enkel als een beeld !ot het wezen, of allhans als een voorsmaak tol het volle genot beschouwen laat. Wanneer dat feest gevierd zal worden, dan zal het geloof voor het aanschouwen, het ten dooie voor het volmaakte, de zondige toestand voor de volkoinene heiligmaking en de strijd en worsteling voor de voortdurende zegepraal geweken zijn. Dit dooi' niets meer af te breken jubelfeest valt mot de voleinding en volmaking van hot Koninkrijk Gods, alsook met de verheerlijking der Natuur in één punt samen. In de plaats van een avondmaal komt dan iels nieuws. Waarin dit bestaan zal? Vraagt er mij niet naar: dit is echter zeker, dat de Heere met zijn: Ik zeg u, dal Ik niet meer daarvan eten zal totdat hel vervuld zal zijn, niet enkel zeggen wil: „Totdat wij met elkander ons over de voleindigde heerlijkheid mijns Koninkrijks en het deelgenootschap aan hetzelve zullen verheugen.quot; Tot de oplossing zijner uitspraak in zulk eenen algemeonen zin zijn wij onbevoegd. De vorm van uitdrukking waarvan de lleere Zich bedient, duldt de heen-wijzing op iels geestelijks onbepaalds niet, en daartegen verzet zich ook de bijvoeging, waarmede do Heere terstond zijne rode aanvult. Tot de plechtigheden van den Paaschmaaltijd behoorden, dat er vier bekers werden toegereikt, die op de vier lieloftenvolle woorden in de Goddelijke aankondiging van het wonder der redding uit Egypte in betrekking moesten staan, namelijk op de woorden: Ik Jehova ivil u uitleiden — uilredden — verlossen — en u aannemen tot mijn volk als uw God. Na de overreiking van een dezer bekers hij den ver-tromvolijkon maaltijd lo Jeruzalem, waarschijnlijk de eerste der vier (die met den avondmaalsbeker, waarvan eerst in liet twintigste vers van ons tekstkapittel gewag wordt gemaakt, niet te verwisselen is,) zegt de Heere: Ik ze;/ u, dat Ik van nu aan niet meer zal drinken van deze vrucht des tuijnsloks lol op dien dag, wanneer Ik niet u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders! Wat be-teekent deze geheimzinnige uitspraak? Zegt het onkel: „Ik drink mot ii geen paaschwijn meer, maar eens zal Ik in mijne triomfeerende Kerk datgene wat do wijn beteekent, de vreugde des hemels in volle male met u genieten!quot; Onmogelijk kan de Heere gewild hebben, dat wij de boteokonis van zijn eigenaardig on met zoo plechtige inleiding verzolde belofte aldus in damp zouden doen vervliegen. Doch zou dan in het voleindigde Christusrijk op aarde eenmaal weder iets soortgelijks

ocr page 88

72

als ons avondmaal voor ons bereid zijn? misschien wel, dat wij als weleer van den boom des levens in bet paradijs op nieuw gespijsd en uit de bronnen van Eden op nieuw gedrenkt worden? Inderdaad, de lleero scbijnt op iels soortgelijks been te wijzen, al is bet ook, dat bet wat, bet hoe en bet waartoe dezer toekomstige spijziging en drenking, waar de verheerlijkte schepping bare stollen toe geven zal, ons vooreerst nog eene verzegelde verborgenheid blijft.

(lenoeg, de Zaligmaker kenschetst bier ontwijTelbaar den Paasch-maaltijd des Nieuwen Verbonds, waarin Hij het voorbeeld des Ouden Testaments verheerlijkend opheft, op zijne beurt tot eene vóórafbeelding van een groot vrede- en jubelfeest, dat voor zijne ge-loovigen in de toekomst A'an het Koninkrijk Gods is weggelegd. Wat orzen maaltijd tol zulk eene voorafbeelding verheft, zal zich bij onze verdere hescbouwingeu kenbaar maken. O, dat bet in die eigenschap zich mocht doen kennen in de ondervinding van een iegelijk, die tot het genot zijner spijs en drank naderen, en bij name ook u, die u zelfs in dit morgenuur gereed maakt om tot den heiligen disch te naderen. Mocht bet u den uitroep der verrukking in bot harte geven: Uier is niet anders dan een huis Gods; hier is de poorte des hemels! Zeker zou dit geschieden, wanneer gij slechts recht liongerig en dorstig en kinderlijk geloovig komen kondet. Alsdan zou een eenige gang tot den heiligen maaltijd u meer van zijn wezen en doel loeren, dan honderd leerredenen u kunnen doen. Ook gij zoudt de heilige plaats met den jubeltoon van den 23en Psalm in uw hart verlaten: Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht terjenover mijne tegenpartijders, Gij maakt mijn hoofd vel met olie, mijn beker is overvloeiend! en gij maaktet de woorden van den dichler tot de uwen:

Zou ik mij niet verblijden In 't geen mij is bereid ?

Ik zie mij eens bevrijden Van 's werelds ijdelheid.

Eens zal zich 't hoogste ontvouwen,

Dan heb ik al mijn lust:

Ik zal mijn Borg aanschouwen In zaalge zielerust.

Amen.

ocr page 89

VIII.

DE INSTELLING DES A VOND MA ALS.

Als oen der ^olieim/iniii^sle ^eslallcn uit (!(gt; aloudü gescliiodeiiis van liet Koninkrijk Gods vertoonl zich aan ons, gelijk oene maan die door de wolken breekt, Meldiizédek, |)riester en koning in één persoon, Heer van Salem, de stad des vredes, zonder vader, zonder moeder, zonder gcdacldrekeniny, dat is, zonder eene voor den Aaronitisclien priester onontbeerlijke aanwijzing zijner afkomst, welke in de Schrift althans ontbreekt; zonder heyimel der da;jen noeh einde des levens, voor zoo verre van heide in de Schrift geene gedachtenis is, staat hij daar voor ons als een der merkwaardigste en meest in het oogvallende toonbeelden van den toekomenden Messias. Reeds den HOen Psalm beschouwt hem als zoodanig, en welk een helder licht de Brief aan de llehreën, l loofdst. 7. over deze den /non van God t/cljk (jewordene verspreidt, zal u allen hekend zijn. Het voorbeeldende in den persoon van Meldiizédek bepaalt zich niet enkel tot de betrekking, waarin bij zich tot Ahraham, toen deze zegepralend nil den strijd met Kedor Laomer wederkeerde, stelde. I lij treedt den vader der geloovigen als I leer van Salem in vriendelijke afdaling te gemoet, deelt als den meerdere dan Abraham, dezen, en in hem zijnen zade, zijnen priesterlijken zegen mede, reikt hem brood en wijn tot verkwikking en versterking toe, en Abraham geeft hem de tienden van al zijnen buit. Hoe rijk in beduiding gt; is dit alles! Hoe beteekenisvol is in ieder geval voor ons de als zinnebeeld te beschouwen gave van brood en wijn in de handen van den priesterkoning! Allereerst duidt zij zekerlijk enkel de schatten des vredes en der vreugde aan, welke de ware Meldiizédek voor de mensch-heid-zou aanbrengen. Doch in hare diepere beteekenis zien wij tot op het olïer van het lichaam en bloed van Christus, en ten slotte zelfs tot op het heilig avondmaal, waarin aan het geestelijk zaad van Ahraham, het gekruisigd lichaam en het vergoten bloed van den waren Hoogepriester, als spijs en drank des eeuwigen levens zou worden toegereikt. Zoo vinden wij dan reeds op den dorpel der Goddelijke geschiedenis des koninkrijks een voorbeeld van ons Bondszegel! Hoe gebiedt reeds deze bijzonderheid ons, om hoogc gedachten te koesteren van do bestemming, beteekenis en het doel dezer instelling.

ocr page 90

74

Matth. 26: 26, 27; Makc. 14: 22-24; Luc. 22: 19, 20.

En als zij aten , nam Jezus het brood, en dankte en brak het en gaf liet den discipelen, en zeide: Neemt, eet. dat 's mijn lichaam, hehvelk voor u (jctjeven wordt, doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het avondmaal, dankte en gaf hun dien, en zeide: Drinkt allen daaruit.

Zoo doet zich dun liet heiligdom zelf voor ons open, in welks voorportaal wij met onze laatste beschouwing bleven staan. Het schoeisel van uwe voeten, mijne Waarden! want de plaats waar wij staan is heilig land. Wie zou —■ wanneer hij het niet reeds wist, kunnen gelooven, dat de zoo even voorgelezen eenvoudige en weinige woorden, in eene nog eenvoudiger avondbijeenkomst van vrienden uitgesproken, de oorkonde hevatten van do instelling eener feestviering, welke zich voortzetlende van eeuw tot eeuw, geheele volken en koninkrijken met hunne schijnbaar voor de eeuwigheid gegronde slaatsverordeningen en Godsdienstige instellingen overleven, en zich tot aan het einde der dagen in allijd wijderen kring vernieuwen zou? En toch is dit zoo geschied. Wie kan er dus aan twijfelen, dat wij hier met Goddelijk gebiedende, ja met scheppende woorden van den Koning aller koningen te doen hebben?

Deze woorden zelve en nog niet het wezen en de beteekenis van de door hen in bet leven geroepen instelling zullen den grondslag uitmaken van onze tegenwoordige beschouwing. Wij vertoeven met onze gedachten:

I. bij den vorm dezer woorden, en

11. bij de baiulelingen, die door den Ileere aan deze woorden weiden toegevoegd.

Moge de Geest des Heeren ons in alle waarheid leiden, en ontzege-le Hij voor ons het verbeven geheim, waarvoor wij staan!

I.

De paaschinaaltijd in bet vertrouwend huis van den vriend te Jeruzalem is nauwkeurig overeenkomstig Israëlietisch gebruik gehouden; het paaschlam is met een diep getrollén gemoed door de gasten gegeten, en de feestbeker naar oud gebruik tot verscheidene malen rondgegaan. En zoo zou nu het oogenblik daar geweest zijn, dat onder aanhefling van het groot hallel of psalmlofgezany de maaltijd geëindigd en den gasten daarmede het teeken lot scheiden eu naar huis gaan gegeven werd. Wal gebeurt echter nog? De Meester, op wien aller oogen gericht zijn, verheft Zich wel van zijne plaats, maar niet, zoo als men spoedig opmerkt, om het vertrek Ie verlaten, maar om een nieuwe en nog feestelijker maaltijd dan den paaschmaaltijd in Ie stellen. Ilij neemt op huisvaderlijke wijze op nieuw het brood, breekt het, geeft bet na voorafgegane dankzegging zijnen discipelen, en gij kent

ocr page 91

76

de woorden, met welke Hij die handeling begeleidde. Vervolgens reikt Hij iiuii evenzoo den liekor toe, gebiedt ailen daaruit te drinken, en wat Hij bij deze liandeling sprak weet gij insgelijks De Apostelen zullen ons in den hemel eenmaal verhalen, hoe des lleeren houding in deze oogenblikken geheel plechtstatig werd, hoe verwonderlijk zijne stem Zich verhief, en hoe zijne oogen nog helderder schitterden dan te voren. Te gelijk echter zullen dan ook de verheerlijkte Apostelen ons de bevredigende oplossing geven, waarom zij ons de voorden der instelling van hunnen lieer niet in volkomen overeenstemmenden vorm en inhoud hebben medegedeeld. „Igt;at zouden zij niet hebben gedaan?quot; Neen, mijne Waarden! Hij Lucas zegt de lleere, hij het breken des broods: dat is mijn lichaam, dal voor a gkgkven wordl: doet dat lot mijne rjedachtenis. Volgens Paulus, I Cor. II : , zeide de Heere hetzelfde, maar voor de woorden dal voor u gegeven wordl, staat: dat voor u gebhokicn wordt. Itij Mallhéiis spreekt de Heere hij het overhandigen der kelk: drinld allen daaruit, luant dat is mijn bloed, het hlucd des nieuwen leslumenls, hetwelk voor velen verc/olen wordt tol ven/evimj der zonden. Bij Marcus ontbi'eekt zoowel het drinld allen daaruit, als het lot vergevincj der zonden. Lucas laat den Heere zeggen: Deze drinkbeker is hel Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt. Paulus doet hetzelfde, maar laat hierop volgen: (het doet dal lot mijne (jeddrhtenis ten tweeden maal herhalende) doet dat zoo dikwijls (ds (jij dien zult drinken lot mijne (jedaehtenis. Dat zijn dus hlijkbare verscheidenheden, ofschoon het nieis minder zijn dan tegenstellingen en legenslrijdigheden, Hoe moot men over deze verscheidene lezingen der vier berichtgevers oor-deelen? Gelijk gij denken kunt zijn er gedurende de achttien honderd jaren der Christelijke jaartelling niet weinig gissingen te berde gebracht. Tegen de zelfs door geloovigen onhegrijpelijk genoeg gedeelde gedachte, alsof de eene of de andere der Evangelisten zich niet meer met volkomen nauwkeurigheid de woorden van Jezus had kunnen herinneren, moet ik als tegen eene uitvinding van ongeloof of althans van zwakheid des geloofs protesteeren. De Apostelen werden bij het vervaardigen hunner heilige schriften voor elke dwaling bewaard. Immers had de Heere hun de uitdrukkelijke helofie gegeven, dat de Trooster, de Heilige (leest, beu in (die waarheid leiden, zou, en dat Hij hen alles zou indachtig maken, wat Hij tot hen gezegd had. En de Heilige Geest zou bij eene zoo belangrijke zaak, als de instelling van ons Dondszegel, in deze zijne bediening gefeild en niet veel meerbaar op het nauwkeurigst ten uitvoer hebben gebracht? Geloove wie het wil, ik zal het nimmer gelcoveu. „Maar de afwijkingen? — zoo werpt gij mij tegen — zijn toch nu eenmaal voorbanden, en hoe kunt gij ze verelfenen?quot; Mijne Waarden! het is mij geen oogenblik twijfelachtig, dat de Heere de woorden, welke de vier berichtgevers Hem in den mond leggen, ook allen uilgesproken heeft, en dat de vier getuigen zich in hunne berichten alleen wederzijds aanvullen. „Doch wat zeide dan nu de Heere? zeide Hij van het brood: dat voor u gegeven of GEimoKEN is? zeide Hij van den beker: Deze beker is het bloed des Nieuwen Testaments, of: deze beker is het Nieuwe

ocr page 92

7G

Testament in mijnen bloede; zeide Mij; hel bloed dat voor f7 of dat voo)- velen verrjoten wordt? Ik houde mij overtuigd, dut Hij bij de uitdeeling van liet brood en ])ij de toereilcing des bekers, de woorden der instelling' meer dan eenmaal herhaald heeft, en ze nu eens i?i deze, dan weder in den anderen vorm uilsprak. Zeker toch was het niet onverschillig, dat wij in deze zaak onzen voet op vasten bodem plaatsen en met volle zekerheid zeggen konden: „Dit zijn de oorspronkelijke woorden der instelling van onzen Heere in hunne ware, geldige, door den Heere zelf uitgesproken samenvatting of algeheelheid. Dit is hunne wezentlijke inhoud, en deze de heilige vorm of uitdrukking, welke voor geheel de toekomst, naar den wil des Meesters zelf, vast moet blijven slaan, om bij de viering van het heilig avondmaal altijd weder op nieuw verkondigd te worden.quot; Ten einde nu aan zulk eene behoefte zijner kerk op aarde te voldoen, heeft de Heere daarna de groote genade bewezen, om zijnen Apostel Paulus, door eene onmiddellijke openharing, eene onduhhelzinnige mededeeling ten opzichte van het formulier der instelling van zijn Bondszegel te geven. Hoort den Apostel: Ik heb het, zegt hij, van den Heere ontvamjen, hcUjeen ik ook u overfjecjeven heb, namelijk dat de Heere Jezus in den nacht, in ■wel.',-en nu verraden werd, het brood nam en dankte, en zoo als het verder aldaar gelezen wordt. Onmiskenbaar betuigt hier do Apostel, dat hij niet uit eenige mededeeling van de andere discipelen,quot; maar rechtstreeks en onmiddellijk van den Heere zelf zijn onderwijs ten opzichte van de instelling des avondmaals ontvangen heeft. — Het wezentlijke van de woorden der instelling, vinde derhalve zijne uitdrukking bij het brood, in de woorden: Dit is mijn lichaam dat voor u (jebroken wordt : doet zulks tot mijne gedachtenis. En bij den beker is het deze: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijnen bloede, doe zulks, zoo dikwijls (jij dien drinkt, tot mijne gedachtenis.

II.

Dit zij genoeg over den vorm van de woorden der heilige instelling. Werpen wij nu eenen blik op do handelingen, die de Heere aan deze woorden toevoegde. Vooreerst lezen wij: de Heere nam hel brood. Merkt op. Hij nam brood en niet eenig vleesch van het paaschlam. En dat reeds daarom niet, omdat Hij geenerlei grof zinnelijke voorstellingen van het heilig avondmaal, zoo als die reeds in Kapernaüm zich voordeden wilde bevorderen, en omdat Hij reeds vooruit de dwaling wilde afwijzen, als bleef er ook in het Nieuwe Testament nog plaats over voor de olferanden des ouden Tabernakels, welke locb als een krachtelooze schaduwdlenst in Hem tot hare voleinding gekomen waren. Het brood dat Hij nam, was bet ongezuurde paaschbrood, in welke bijzonderheid echter zeker geen wenk voor de latere keuze van de soort van brood voor bet heilig Hondszegel gelogen was. De eerste Christenen, met de Apostelen aan het hoofd, bedienden zich bij hunne avondmaaltijden, welke zij bijna dagelijks aan het slot hunner gemeenzame liefdemaal lijden hielden, van het gewone brood dat zij over tafel aten, dat is van het gezuurde brood. De Heere nam brood , dat on-

ocr page 93

77

oniheorlijkste aller voedings- on omlerliomlingsmiddclen; dat door domool-levolle lioarboiding- van dorsclion, malen, knoden en bakken, uil dlt;^ kost-l)aarsle vrucht der aarde gewonnen voortbrengsel; dit zoo alles over-ti'ell'end ])eeld van Hem, zonder wlen wij geen leven hebben, maar den eeuwigen dood ten olï'er zijn gevallen. „Doch bet brood slecbts als een leeken en zinnebeeld?quot; Nu, zult gij ontkennen willen, dat wij do bestaliddeelen van bet avondmaal allereerst als teeken en zinnebeeld bebben op te vatten? Zoo gij dat wildet, zoo zoudt gij bet Woord des Hoeren Job. 0 miskennen. Ik hm hd waarachliye Brood, dat van. den hemel gekomen is, om der wereld hel leven te neven en nog zoo vele andere van zijne woorden. In dat larwer/raan Gods, dat, opdat bet niet alleen blijven, maar veel vruebt voorbrengen inoebt, in de aarde viel, en door den vuurgloed van Getbsémané, en door den vuurvlam van bet kruislijden tot een zielespijs voor den armen zondaar bereid werd, spiegelt zich gelijk de zon iu den dauwdrup, in bet brood des avondmaals al', en liet wordt ons door hetzelve allereerst voor oogen gesteld en vertegenwoordigd. Nadat de Heere bet brood genomen bad, hief Hij zijne oogen op ten heinel, en dankte, dat is: Hij stortte Zich uit in enkel lorverbelïing zijns bemelschen Vaders. Waarvoor dankte Hijquot; ü mijne Waarden! waarvoor anders, dan voor het raadsbesluit der Goddelijke ontferming, voor onze verlossing als arme zondaren, welke Hij in den Geest reeds in zijn dierbaar bloed voltooid zag, ja voor de redding van de vloekwaardige kinderen van Adam uil de macht des duivels en nil de kaken der hel. Immers wij waren bet, wij vloekwaardige opstandelingen, gij en ik, die Hem dag en nacht op bet harte lagen, om welker terechtbrenging al zijne zorgen zich bewogen, en wier verbooging en zaliging zijn hoogst belang en zoetste hope was. Hij dankte. O met welke aanbiddende vreugde zullen de heilige Engelen deze kostbare wierook iu hunne gouden schalen bebben gelegd en tot God hebben omhoog gedragen! 11 ij dankte. Wij moesten danken. Doch wel ons, dat Hij, gelijk in alle dingen, ook hierin onze plaats bekleedt, en onze ongehoorzaamheid met zijne gehoorzaamheid, en ons gebrek met zijnen overvloed bedekt! Overigens, Hij dankte niet enkel, wmvm zerjende ook daarbij, gelijk Mattbeus er bijvoegt. Zeker beduidt bet oorspronkelijk woord Eidoyeia bij dezen Evangelist, even zoo wel danken en lofprijzen, als bet woord Eaeharislein bij Lucas en 1 'aulus, en er zou geen groote klem op gelegd behoeven te worden, dat het ook het begrip van zegenen in zich bevatte, wanneer niet Paulus I Gor. 10: 1() zich van datzelfde woord bedienende, de beker „den gezegendenquot; of die wij dankzeyc/endc zegenen noemt. Nochtans niet enkel over den beker, maar ook over bet brood sprak do Heiland zijnen zegen uit. En waarom? Was het om deze spijs en drank van het gewoon — tot een hooger geestelijk heilig gebruik af te zonderen? Ongetwijfeld bedoelde Hij ook dit. Doch waar de Hoogepriester Jezus zegent, daar moeten wij terstond aan iets meer wezentlijks denken, dan aan een bloot teeken van dien aard als waarvan wij zoo even spraken. Aldaar is werkincj en wczentljkheid rust op den bodem. En o wat is er al rijks en groots van dezen zegen des lleeren bij hot brood en den

ocr page 94

78

wijn des avonclmaals voortgekomen! Hoe vele (luizende ontvangen sedert dozen feestelijken avond te Jeruzalem, door middel van dezen eenvoudigen maaltijd hemelsche verkwikking, versterking en bemoediging! Bij hoe menigeen is in den loop der eeuwen door hetzelve het gewonde hart geheeld, de matte geest verlevendigd, en do gang door het donker dal des doods verlicht en verzoet! En hoe ontelbaar velen zullen nog in de toekomst tot aan het einde der dagen , zich daarover te verblijden hebben! Ziet, dit is de zegen van den Vorst des vredes. De zogen van Immanuël strekt zich uit tot aan het einde van de eeuwige heuvelen. —■ Na gedane dankzegging en zegening brak de lleere hot brood. Ook dit was gelijk Hij terstond daarna met de woorden: Dit is iinju lichaam dat voor u gkuuoken is, te kennen gaf, niel zonder doel en niet zonder eenen diepen zin. Daarom hebben ook al de heilige geschiedschrijvers niet nagelaten van dat breken, des broods uitdrukkelijk melding te maken. Jezus brak het tot eene zinnebeeldige getuigenis van datgene, wat weidra met zijn eigen lichaam geschieden, en waardoor Hij tot zoenolï'er en tot levensbrood voor ons worden zou. Zijn sterven stelde Hij door het breken des broods zijnen discipelen voor oogen. en de verhevene bewonderenswaardige kalmte, waarmede dit doet, getuigt weder van de oneindige zontlaarsliefde. die zijn hart voor hen deed branden, wien dat groote otler zou gelden. In de eerste tijden der Christelijke kerk vergat men bij do vie-' ring des avondmaals nooit, om naar het voorbeeld des Heeren, liet brood, eer men het overreikte, te breken, en toen later dit gebruik ter zijde werd gesteld, en in plaats van het brood, de zoogenaamde ouwel of hostie kwam, zoo is dit, ofschoon het ook niet als eene zaak van hoog of wezentlijk belang te beschouwen zij nochtans eene door niets te rechtvaardigen afwijking van de oorspronkelijke gewoonte. Luther behield dit gebruik der roomsche kerk. Toen wij. Gereformeerden, echter genoopt werden om de oorspronkelijke gewoonte te herstellen, handelden wij hierin enkel bijhelsch en met volle recht. Gods Woord staat bij ons ten allen tijde en in alles boven alle men-schelijke stelsels, al mocht het ook den roem hebben de voortreffelijke reformatoren tot autheuren te hebben. Immers deze Godsmannen zelf hebben uitdrukkelijk van ons geëischt, dat wij waar het noodig mocht zijn, hun werk naar het eenig onfeilbaar richtsnoer der Heilige Schrift verbeteren en volledig maken zouden. — De lleere reikte hec gebro-kene brood zijnen discipelen toe, en hier zien wij Hem zoo geheel in zijne bediening en geliefkoosde bezigheid. Geven , aanbieden, viede-deelen is zijn lust. Gelijk toen, zoo is zijne liefdehand ook nu nog bij zijn' liefdemaaltijd uitgestrekt, ofschoon thans bedekt in de hand van zijne menschelijke boodschappers en dienaren. Wij, zijne arme dienstknechten, treden bij de bediening des avondmaals naar onzen persoon geheel op den achtergrond. Aldaar zijn wij niets dan zijne werktuigen en middelen; Hij zelf is altijd weder op nieuw de gevende Gastheer, de Aanbieder, de Gever. Daarom worden bij het avondmaal ook enkel zijne woorden gehoord, en andere woorden, hoe schoon en geloofversterkend ook, mogen en moeten daarbij niet gebruikt worden.

ocr page 95

7!»

Bij liet instellen van den beker, herhaalde zich heigeen hij de wijding van het brood geschied was. Na zijne dankzegging en zegening reikte de lleere den heker too aan zijne discipelen, tea einde zij allen daaruit zouden drinken. Hij noemt de wijn zijn bloed, gelijk llij het brood zijn lichaam noemde en beide vereenigd, heteekenen en vertegenwoordigen dus geheel den Christus voor zoo ver liij zijn leven, dat in het bloed is, voor ons ten schuld en zoenoiïer in den dood gegeven heeft. Dat de lleere geen lualer, maar wijn tot het zinnebeeld van zijn vergoten bloed slelde, geschiedde om gewichtige redenen, en vergroot en vermenigvuldigt slechts de gedachteninhoud van hot gekozen heeld. Christus is de ware wijnstok, en wij hebben slechts Goddelijk leveu in ons, voor zoo ver wij, in gelijkvormigheid met de ranken, met Hem samengegroeid zijn, en met zijne krachten gedrenkt en doordrongen worden. De wijn herinnert bovendien aan de pers der angsten en der folteringen, in welke de Zoon Gods, eerst tot onzen Zaligmaker en Middelaar toebereid werd, en wijst vervolgeus heen op de volheid van hemelsche bemoedigingen, van blijdschap en van genot, die Christus bij wijze van toegift en ten overvloede zijnen ge-loovigen aanbiedt, terwijl het brood meer liet tot hunne behoudenis en zaligheid noodige, ja volstrekt onontbeerlijke, hetwelk zij in zijne Verlossers- en Middelaarsbediening bezitten, aanschouwelijk maakt.

Wij eindigen. Wanneer wij het eindpunt van hel recht verstand van ons heilig Bondszegel nog niet bereikt hebben, zoo zijn wij nochtans een beduidend eind weegs nader gekomen. Moge de lleere ons verder helpen en stelle Hij ons ook in de leer des avondmaals op eenen vasten en zekeren grond, opdat wij met diepe waarheid mogen kunnen zeggen :

Ik sta niet meer op wanklen grond,

Noch dool met s.'hoolgeleerden rond,

Sinds Gij, o Heer! mij zelf wondt leeren:

Bij welk een Goddelijk zielsonthaat Gij, in het heilig avondmaal,

Met arme zondaars wilt verkeeren.

Nu zie ik bloemen, als de bij,

Kn al de honig is voor mij !

Amen.

ocr page 96

JX

D E W O 0111) E N D E RINS ï E L L1N G.

De proleet Amos spreekt in het 7C vers van het 5° hoofdstuk zijner voorspellingen van lieden die het recht in alsem verkecren. Mij had voor recht ook heil kunnen zeggen, en hoe zouden zijne woorden ook in dezen zin tot op dit oogenhlik in ontelbare levensbeelden der menschbeid hare bevestiging gevonden bobben! Zoo is het onder anderen, een ontzettend teeken van bet verval onzer menschelijke natuur, dat het heilig avondmaal, dat ons tot vrede en zaligheid gegeven is, naar het schijnt nog aan veel meerderen tot onheil dan tot heil strekt. Niet alleen dat het duizenden menscben, die het gedurende hun ganse!;e leven verachten, in plaats van ben de ver-' geving der zonden te bezegelen, slechts aanklagen zal voor den recbterstoel van God; niet alleen dat andere duizenden, die de heilige instelling althans uiterlijk nog eenigen eerbied toedragen, door de woorden der verschrikking- getrollbn worden, wie onwaardig daarvan eet en drinkt, die eet en drinkt zichzeiuen het oordeel; — neen! zelfs onder de geloovigen strekt het velen ten ver-derve, in zoo verre zij uit dezen liefdemaaltijd — lot wel liefde-maaltijd — op de jammerlijkste wijze aanleiding nemen tot haat, verkettering, ja vervloeking van ware en levende leden aan het lichaam des Hoeren, die enkel op echt bijbelscbe gronden niet tot op tittel en jota met hunne leerstelsels en schoolvormen aangaande de heteekenis van het heilig üondszegel kunnen instemmen.

„Ja Heere! wat gesteld was lot eene opstanding, dat wordt den menschen door hiume verkeerdIleid, tot oenen aanstoot en va'.. Wat hen lot leven moest strekken, strekt ben tot dood en ondergang. Ach, dat zulks ook ons niet overkome!quot; — Een grondig onderzoek van hetgeen de Schrift van het avondmaal en deszelfs betrekking ons leert, zal ons daarvoor vrijwaren. Wij hebben met dit onderzoek een begin gemaakt, en zijn van voornemen om, zoo het de wille Gods is, onder zijnen zegen daarmede voort te gaan.

Maïth. 26: 26—28; Marc. 14; 22-24; Luc. 22: 19, 20;

1 Coit. 11: 24, 25.

Eu Jezus zeide: neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken en gegeven wordt, doet dat tot mijne gedachtenis. — Deze beker is

ocr page 97

81

liet Nieuwe Testament in mijnen bloede, dat voor u en voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonde. Doet zulks, zoo dikwijls gjj dien drinkt, tot mijne gedachtenis.

De woorden (lor instolling van hot heilig avomimaiil zullen ditmaal onze aandacht tot zich bepalen. Ik zeg met nadruk onze aandacht, want het zijn woorden, wier geheimvolle toonen uit het binnenste heiligdom onzes Gods tot ons overklinken. Dat do Heere ous hunne diepten leere kennen! quot;Wij beschouwen:

I. De woorden, die bij de toereiking van het brood, en

II. Do woorden, die bij het toereiken van den beker zijn uitgesproken.

De Heere reikt den zijnen het gebroken brood toe, en begint met te zeggen: neemt, eet. Let vooreerst op, dat Hij zelf, de Heere, niet mede eet en drinkt. Het zou oneigenaardig geweest zijn, dat Hij van de teekenen van zijn eigen lichaam en bloed zou gegeten en gedronken hebben. Neemt, eel, zeide Hij tot zijne discipelen. ïn deze woorden hooren wij de stem der uitnoodiging zijner vrije genade, ja, in dezelven klinkt de wedergalm van de prorotische uitnoodiging bij Jesaja (in het 55 boofdstuk) homl, gij allen die doidifj zijl, l.ovit eh koopt zonder geld en zonder prijs, heide wijn en melk. Zondkr geld en zonder puijs. Ja, dit is —- («ode zij er den dank voor — het opschrift boven al de goederen van het Nieuwe Testament. Dit verhindert echter niet, dat men ze in eenc zekere orde doelacbtig wordt. Het neemt en eet beeft ook zijnen verborgen zin. In het neemt ligt eene uitnoodiginrj, in liet eet ligt tevens eene belofte. Het ncevd wendt zich niet enkel tot de band, maar veelmeer nog tot hot hart. Het vordert ontvankelijkheid, honger en dorst, en toeëigening door een levend geloof. Een menseh kun niets aannemen, zegt .lohannos de Dooper, tenzij het hein van den hemel (jócjeven is. Zeer waai'! doch niet minder waar is, hetgeen een uitleggen' des (ioddelijken woords bij deze uitspraak opteekendo: „Niets kan van den hemel gegeven worden tenzij de menseh het neme.quot; Waar liet aan vatbaarheid, ontvankelijkheid en geloof bij het heilig avondmaal ontbreekt, heeft ook geene innerlijke spijziging en drenking met hel lichaam en bloed des Heeren plaats. Reeds door de plaatsing der woorden wordt dit aangeduid, terwijl het neemt, eel, het: dat is mijn lichaam voorafgaat. Wanneer er in omgekeerde orde gezegd was: „Dit is mijn lichaam, neemt, eet,quot; zoo zou men soms, op zijn goed rooniscli, kunnen denken, dat het brood reeds vóór dat hot genomen wordt, bet lichaam des Heeren is, en dat het ontvangen wordt ook door hem, die zonder behoefte en geloof liet brood eet. Wanneer dat echter het geval ware, zoo zou hieruit volgen, dat ook goddelooze en huichelaars, door bet bloot genot des avondmaals bet oordeel ontgaan en de zaligheid verkrijgen kunnen, want Johannes 0 zegt de Heere uitdrukkelijk en bepaaid: wie mijn vleesch eet en mijn htoed drinkt, die heeft het eeuwige teven. Deze meening is echter, zoo als wij zeiden, reeds door den vorm van de woorden der instelling voor-

c

ocr page 98

komen. Voorzeker is de wijze van uil,drukking des ITeeren in alles lol op de minsle letlorgree]) en woordplaatsing, op do lijnsle en diepste wijze berekend. Wij zullen later nog dikwijls gelegenheid vinden dit op te merken.

Hel neemt wil derhalve zeggen „komt het aangeboden goed met hongerige en dorstige harten te gemoel, en geeft hel plaats in lieilbe-hoollige en heilbegeorige zielen.quot; liet eel is gelijk hel daarop volgende drinkt, toezegging, en belooft de hemelsche verkwikking en verzadiging. „Waarin bestaat echter de spijs?quot; zoo vraagt gij. Dit is mijn lichaam — zoo gaat de Zaligmaker voort. Deze woorden maken het zwaartepunt der geheele instelling uit, en keeren daarom ook gelijkluidend bij al de vier bijbelse!jo berichtgevers terug. In deze woorden doen zich de poorten van het allerheiligste voor ons open. Zij plaatsen ons onmiddellijk voor de groote verborgenheid. Iedere lettergreep vercischt hier de zorgvuldigste overweging. Opmerkelijk is vooreerst het woordje dit. In den Griekschen tekst slaat het woordje in het onzijdige of in den zakelijkon geslachtsvorm, terwijl hel brood (Artos) in hel Grieksch van hel mannelijk geslacht is. De Heere zegt dus: wanneer wij de zaak nauwkeurig beschouwen, en dat wel zeker opzettelijk en met een wijs doel, niet; „dat brood is mijn lichaam.quot; Zulk eeiie uitdrukking zou tol groot misverstand aanleiding hebben moeien geven, en zou bepaald hel roomsche dwaalbegrip der inwendige maar wezentlijke verandering van brood en wijn in hel vleesch en bloed van Christus begunstigd hebben. De lleere zegt veelmeer: „Hetgeen Ik u, — natuurlijk met het brood —- beveel aan te nemen, is mijn lichaam,quot; en nu verkrijgt het Luthersche in, mede, onder inderdaad een recht, terwijl niet enkel Rome, maar ook in eenen meerderen graad, den eerwaarden Zwinglius het verwijt treft, niet juist genoeg gelezen te hebben. Doch nu hol woordje is? O, als dat woordje het verhalen kon, door welk eene vuurzee van twist en strijd het is heengegaan! Wie zou het aan dat woordje kunnen zien, welk een woeste oorlogsbrand liet eeuwen lang omringd beeft. O welke schuimende brandingen van zonden in duizenderlei gedaanten hebben dat woord bespeeld. Geen brug en geene vesting in de wereld heeft ooit een woester rumoer rondom zich gezien dan deze lettergreep, liij geen plaats der aarde is liet ooit sterker aan den dag gekomen, dal ook de grootste heiligen onder den hemel kinderen des doods en der verdoemenis zijn zouden, wanneer geene vrije genade de heer-schappij voerde, dan bij deze bijbelplaats. Uil dal is, heeft — gelijk een pad uit eene edele bloem vergift zuigt — een trotsche priesterschap eenen onverzadelijken geest van twist gezogen. Bij dal is, is de Christelijke kerk reeds voor eeuwen in twee stukken gebroken, en nog o]) dit oogenbük zijn er menschen, die dat is niet kunnen naderen zonder dat er een vuur in hunne oogen begint te vonkelen, dat blijkbaar van eene andere plaats dan van den hemel afkomstig is, ja menschen, die, zoo dikwijls zij dit is slechts hoeren, meenen enkel oorlogstrompetten te boeren kletteren, en zich toerusten lol den onza-ligslen broederoorlog. O, dal God ons met die kinderlijke eenvoudigheid begenadige, voor welke in dat is den hemel open staat, terwijl

ocr page 99

8:i

zij (loarin de goheelo volheid der goederen van liet Nieuwe Testament, ja de Heere Christus zelf mot al zijne genade en met alle zijne gaven vindt, en schenke Hij ons dien zin des geloofs, welke rondom dat is, even als een argeloos vroolijk kind rondom den verlichten kerstnacht-hoom, met vroolijke sprongen zijne blijdschap te kennen geeft. Wat zegt echter het woordje is? Dat hetzelve in de Schrift veelvuldig in de plaats van het woordje beteekcnt voorkomt, lijdt geene bedenking. In de verklaring van de gelijkenis van hot onkruid onder de tarwe bij voorbeeld, zegt do Heere; de akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen des koninkrijks, het onkruid zijn de kinderen der hoosheid, de oogst is het einde der wereld. In al deze uitspraken heeft het woord zijn een vergelijkenden zin, en is het gelijkluidend met het woordje beteekent. Op dezelfde wijze is het gesteld met liet woordje is in het bij den Oud-Testamentischen paasei i maal lijd gebruikt, en vóór het eten door den huisvader uitgesproken wordend l'ormuiier; Dit is het Pascha. Hetgeen, waarop de spreker heen wees, was niet het Egyptische paaschlam zelf, door welks bloed de Israëlieten uit het diensthuis gered werden, maar slechts eene afbeelding er van, welke liet wonderwerk enkel afspiegelde of beteekende. Zoo zou dan inderdaad de zin van het woordje is, door het begrip van beteekenis ten volle zijn uitgeput? Dit zij verre geliefden! Ik voor mij kan de meening van Zwinglius niet deelen, maar ook nog veel minder, zoo als wel van zelf spreekt, de nieening van hen, die het woordje is, zoover het op het brood en den wijn betrekkelijk wordt gemaakt, in letterlijken zin willen verslaan hebben. Ik zou dan op de zijde der papisten moeten treden, die beweren, dat bet brood werkelijk niet meer brood, en de wijn werkelijk niet meer ivijn, maar door de zegening des priesters het eerste in vleesch en het ander in bloed veranderd wordt. „Wat zegt dan het woordje is voor uVquot; Zoo vraagt gij. Gij zult het later hooren, wanneer wij de beteekenis van het heilig Avondmaal zullen onderzoeken. Voorloopig echter rnoogt gij weten, dat ook ik mij voor do letterlijke opvatting verklaar, wanneer namelijk daarbij de behoorlijke klem gelegd wordt op hetgeen wij zoo even over den onzijdigen of zakelijken vorm van bet woordje dit hebben opgemerkt. Bepalen wij ons iiilusschen voor heden bij de woordelijke verklaring der enkele uitdrukkingen in het heilig formulier der instelling, zonder nog tot hunne waarde als Dondszegel door te dringen, en letten wij thans op hetgeen de Heere onmiddellijk op de woorden dit is laat volgen.

Dit is mijn lichaam, zegt Hij. Hier noemt derhalve de Heere hetgeen genomen en gegeten worden moet. Het is niet zijn geest; zijn lichaam is bet. Deze wijst Hij aan als voorlaan de plaats van bet paaschlam te zullen vervullen. Vele hebben deze woorden aldus opgevat; „Ik, de Godmensch ben voorlaan uw brood, uw manna, uwe zielespijze.quot; Doch dit is eene willekeurige omzetting zijner woorden. De Heere zegt uitdrukkelijk: „wat Ik u met het brood geef, is mijn lichaam.quot; Wat wij hier echter onder het lichaam te verstaan hebben, zullen wij later hooren. Na zijn lichaam genoemd te hebben, gaat do Heere voort met te zeggen; dat voor u gegeven wordt. De

ocr page 100

ileere wil zeggen gegeven in den dood, zoo als de andere door den Ileere gebezigde uitdrukking, dat voor u gebroken wordt, buiten allen twijfel steil. Dit woord met den blik op het gebroken brood uitgesproken, voorspelt de opbanden zijnde opbouding zijner menscbelijke iicbamelijk-beid door den dood. De Ileere predikt dus bier zeil' weder de groote waarheid, dat Ilij Zich als zoenoller voor onze zonden zal laten kruisigen.

Ja, in dit lei! blijkt het eigentlijke middelpunt van zijn verlossingswerk te bestaan en liet maakt daarom bet werk des Heeren eerst lot een werk van heil. Wisch deze bloedige gebeurtenis uil het leven des Heeren, en Jezus Cbristus is ons niet meer de persoon, zoo als Hij ons wordt voorgesteld. Alsdan blijl't ons in zijn persoon nog slecbts een wel- en zedeleeraar over. Doch gebieders hebben wij in Mozes en de profeten reeds genoeg. Wat wij noodig hadden, was een Middelaar. Nu kunt gij mij tegenwerpen, dal de Heere toenmaals zijn lichaam nog niet als een voor bun gegeven en gebroken, en dus nog minder als een opgestaan en verheerlijkt lichaam ter genieting heelt kunnen aanbieden. En deze tegenwerping is zeker even gegrond, als de daaruit afgeleide gevolgtrekking juist is, dal de discipelen in dien nacht den vollen zegen des Avondmaals nog niet ontvangen hebben. Immers zij verslonden toen nog niel eens het doel en de beleekenis van de ollërande, waarop bet heilig Avondmaal heenwees, en ook geheel hun gedrag gedurende bel lijden huns Heeren is genoegzaam getuige, dat zich van de krachten dezes bondzegels slechls weinig aan hen hadden medegedeeld. Verre zij bet van mij te loochenen, dat een gedeellelijke en verborgen zegen van dit bondszegel ook loen reeds den discipelen ten deel is gevallen. Eigenllijk echter werd het Avondmaal in die avondure eersl voor de toekomst geslicht, en kwam het lol de uiloefening zijner gansche heilswerking niel eerder, dan toen het lichaam des Heeren werkelijk overgegeven en zijn bloed werkelijk vergoten was. Ook thans bewijst zich immers nog de zegen des Avondmaals meer of minder, al naarmate hel met meerdere of mindere ontvankelijkheid en verlichting des Heiligen Geesles ontvangen wordl. De roomschen, die loeren dat bet brood in hel Avondmaal werkelijk hel lichaam van Cbristus wordl, om welke reden zij ook geene zwarigheid maken, om do hostie rechtstreeks God le noemen, kunnen zich nauwelijks aan de ontzetlende gevolgen van hun eigen leerstelsel onttrekken, le welen, dal alsdan in het eerste Avondmaal Christus tweevoudig beeft moeten tegenwoordig zijn, en wel een doode Christus, namelijk de in bel brood nieuw geschapene, en eau levendige, de uildeeler van het brood zelf. Zulk eene gevolgtrekking dringt zich noodwendig op aan hunne verstanden, en nochtans volharden zij, meestal legen beter weten en bun geweten aan, in hunnen waan.

Doel dit. Dier hoort gij bet formulier der instelling. Het is een majestueus koninklijk woord. Hel is tegelijk bevel, voorspelling en belofte. Wie zou hel zich hebben kunnen voorstellen, dat het in dien kleinen, onaanzienlijken en van rondom door vijanden bedreigden kring te Jeruzalem te doen ware, om iets te stichten, dat duizende van jaren moest duren. Do Heere der heerlijkheid was echter volkomen zeker van zijne zaak. Met Goddelijke volmacht zeide Hij zijn:

ocr page 101

85

doet dal! en gij weet, zijn woord heeft zich door bergketens van liinderpalen en bestrijdingen zegevierend doorgestreden. En gelijk tie lafel des vredes, welke llij heelt toebereid, reeds niillioenen malen op de aarde gestaan heeft, zoo zal zij er staan blijven tot aan het einde der dagen. Op het dort dit, volgt nn: tot mijne gedachtenis. Let wel op! Do Heere zegt niet „doet bet tot gedachtenis aan Mij;quot; maar: tot (dit woordje beteekent bet oogmerk, waartoe bet eten en drinken strekken moet) mijne f/edaehtenis. Zeker bevat deze nitdrnkking eene nitnoodiging, maar tegelijk eene toezegging, cenc belofte, liet is niet bloot bet verzoek van oenen scheidenden vriend: „Gedenk mijner,quot; maar veel meer eene koninklijke belofte; „Gij zult mijner gedenken,quot; dat is: „Ik zal door de genade, die Ik u betoenen zal, zorg dragen, dat ge Mij niet vergeten zult.quot; Het is hiermede gelegen, als wanneer een wereldlijk geweldhebber een zijner gunstelingen een vorstendom tot leengoed gaf en tot hem zeide: „regeer gij voorlaan hierover en geniet de inkomsten dezes lands tot mijne gedachtenis.quot; Christus richt Zichzelven in het heilig Avondmaal een gedenkteeken op, dat hechter is dan rnarmor of metaal. Waar llij de gedachtenis zijner wonderen beeft gesticht, daar wil llij tot ons komen, en ons zegenen, en deze zijne zegen moet hij ons de gedachtenis aan Hem versch en levendig houden.

II.

Desgelijks — zoo gaat onze berichtgever voort —• nam .11 ij ook den beker, liij nam hem, dankte en zegende, gelijk llij bij bet brood deed, en reikte hem toe aan al zijne gasten om daaruit te drinken. Alle ontvingen het Avondmaal onder beide gestalten, en hot is eene onverantwoordelijke willekeurigheid, dat Home de beker alleen voor de dienaren der kerk wil houden. Do Heere zegt toch uitdrukkelijk drinkt allen daaruit. In de Nieuw Testamentisclie kerk bestaat geen onderscheid meer tusschen bet naderbij of verder verwijderd staan van den Heere, tusschen de zoogenaamde geestelijken en leken; en alle die er op uit zijn, om op de eene of andere wijze wederom eene soort van middelaarschap in do predikanten op le richten, die verloochenen hiermede niet alleen bet protestantisme, maar bet Evangelie zelf. — Volgens Mallheus en Marcus spreekt de Heere nu verder: Dit is mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments. Volgens Lucas en Paulus zegt Hij: Deze beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed. De wijn beteekent en vertegenwoordigt dus bet bloed des Heeren. In het bloed is bet leven. Door de uitstorting zijns bloeds vervulde en verwezen tl ijk te Christus bet profetische voorbeeldende schaduwwerk der Oud Testamentische offerande, en stichtte daardoor, genoegdoe-nende aan de Goddelijke gerechtigheid, het Nieuwe Verbond, in hetwelk God als verzoende Vader ons roept, en waarin wij als vrijgemaakte kinderen voor Hem leven, en in de kracht der liefde ons zelve tot zijnen dienst overgeven. Alles wat ons in dit Nieuwe Verbond ten deel valt, namelijk de vergeving, de rechtvaardigmaking, liet kinderlijk recht en het eeuwige leven, maakt bet onvergelijkbaar erldeel uit, dat de Middelaar ons stervende naliet. Het Grieksdie

ocr page 102

woord Dialhekc, hetwelk Lutlier door Testament vertolkte, is daarom juist gekozen, omdat liet zoowel liet denkbeeld van verbond als van erf making bevat. Wanneer het dus heet: Dit is mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, zoo is liet eerste woordje dit weder op dezelfde wijze als bij liet brood te verstaan. De Heere wil namelijk zeggen: „Hetgeen wat Ik u hier mede geve, is mijn bloed.quot; Wanneer de lleere echter zegt: Deze beker, in plaats van deze wijn is het Nieuwe Testament, zoo verstaat Hij natuurlijk onder den beker, den inhoud des bekers, ol' hetgeen gedronken wordt. De Heere gaat voort: dat vergoten wordt voor velen tot vergeving der zonden, en hiermede maakt Hij het voornaamste goed dor erfenis en des Nieuwen Verbonds met name kenbaar. Het is de Goddelijke vrijspraak, de vergiffenis aller overtredingen. De woorden voor velen in plaats van voor allen behoeven geene verklaring. Het is immers belaas waar, dat niet alle de kracht en heilwerking van het bloed des Meeren aan zich ondervinden. Wat zijne kracht betreft, zoo is dit bloed toereikend, om do geheele menschheid te reinigen cn te verzoenen, doch sleclits weinigen laten deze werking aan zich geschieden. De bijvoeging des Hoeren bij Paulus: Doet zulks, zoo dikwijls gij dien drinkt tot mijne nagedachtenis, heeft reeds iu hetgeen wij vroeger opmerkten zijne verklaring gevonden. In het zoo dikivijls ligt wederom de Goddelijke bedoeling uitgedrukt, dat bet heilige Avondmaal voortdurend in de ge-' meente van Chrislus op aarde moet gevierd worden. Hij gebiedt deze voortgezette feestviering, maar tegelijk waarborgt en draagt Hij ze.

Dit zij genoeg tot den allereerste, ik zou bijna zeggen ivoordelijke verklaring van de woorden der Inzetting. De beteekenis en het doel van het Avondmaal schemeren ons op zijn hoogst uit deze woordverklaring voor oogen. Onze volgende beschouwingen zullen ons, vergunt de Heere het ons, dezen maaltijd volledig in bot lichtstellen. WTie zal editor bij uitnemendheid de groote verborgenheid kunnen bevatten? Alleen de beilbegeerige, de hulpbehoevende, de naar verlossing en verzoening smachtende. Keert daarom middelerwijl in uw hart, beziet u in don spiegel der Wet, en beproeft in de stilte uw innerlijk en uiterlijk leven voor God. En komt gij dan als arme, verslagene en naar genade hongerende en dorstende zondaren terug, zoo zult gij dingen hooren verkondigen, die ook u de uitroep van den 87 Psalm: /eer heerlijke dingen tvorden van u gesproken, o stad Clods! op de lippen brengen, en met het oog op den heiligen maaltijd, u tot de belijdenis zullen nopen :

Hier wil de Heer vertoeven,

Hier is des hemels poort,

Wordt al wat wij behoeven Gegeven in zijn Woord;

Zien wij de ladder staan,

Waar langs zij, die gelooven,

Met de Englen Gods naar boven Ten spijt des satans, gaan.

Amen.

ocr page 103

D E L E K 11 1) E S AVON D M A A L S.

Zoo vor onze blik in lt;lo kerkelijke geschiedenis achterwaarts reikt, zien wij hel onaanzienlijk, maar beteekenisvol gedenkteeken, dat wij den disch des lieer en noemen, opgericht, en worden wij herinnerd aan het Woord des 1 loeren, Exod. -()• 24, Waar //.■ de ycdaeh-tenis mijns naams geslicht heb, daar zal Ik lot u komen en u zegenen, Toen nog geene Godshuizen met liunno gewolldo daken doze heilige gedenkteekenen in liunne feestelijke ruimten koudon opnemen, stond des Heercn tafel zonder sieraad in do hutten en in do huisver-trekkon der geloovigon, en broederen en zustoren in vrede en vreugde te zamen gekomen, en met den lof dos Lams iu hunno ontroerde harten, stonden of zaten in stille feestelijkheid rondom dezelve. En als ook daar de band des vijands de geheimvolle tafel omver wierp, dan zien wij ze in eenzame wouden en afgelegen woestijnen gevloden, en een naakte rotssteen of een bemoste boomstam werd door het witte laken bedekt, en bood, al was het ook op aarden schotels en in'bouten bekers, den feestgenooten hemelscb manna en drank des eeuwigen levens aan. En hot is maar al te waar wat een oud schrijver gezegd heeft; Zoo lang do avondmaalsschotels en bekers van hout waren, was de kerk van goud, doch toen zij van goud werden, werd de kerk van hout. Doch hoe liet daarmede ook zij, geen macht van vervolging, geene anti-chrislolijk vandaalsche of barbaarsche verwoesting-woede, geen sirrocco-storm van valscbo, Christus bloed lot hoon en schande verstrekkende leer vermocht dezen disch uit do wereld te verbannen. Als een luid sprekend getuigenis van hot kruis van Jezus Christus, en de daarop gegrondveste Coddelljke genadetroon hooft do heilige tafel tegenover de vijanden, zoo als het voorspeld is, onafgebroken op aarde gestaan. En hetzij in zijne oorspronkelijke eenvoudige gestalte, of in vreemdsoortige pracht en pronk omwikkeld, staat hij, waar zich slechts eene christelijke gemeente bevindt, opgericht tot op dit oogen-blik, en tot aan het einde der dagen zal bij van bier niet verdwijnen. Laat hel zich niet met de handen tasten, dat eene almachtige he-scherming over dezen disch moet bestaan, ja dat hij onder de hevei-ligende vleugelen van den levenden God geborgen is? Met een enkel woord, met een zoo dikivtjls gij dal doet, waarborgde de lleere aller heeren eene eeuwige duurzaamheid aan zijnen liefdemaal tijd. Hoe duidelijk treedt het reeds hier voor den dag, dat men do waardij en ho-teekenis van de'zen maaltijd voorzeker nimmer te boog kun aanrekenen.

ocr page 104

88

Welke is dan de heteekenis van dezen maaltijd? Deze vraag zal ons in onze tegenwoordige en volgende heschouwingen bezig honden. De Jleere helpe ons, dat wij het rechte antwoord vinden. Doch wij zullen hot vinden, want zijn woord is het licht vóór onzen voet.

1 Cor. 10: 16-21.

De drinkbeker tier dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des lichaams van Christus, want één brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn. Ziet Israël, dat naar het vleesch is, hebben niet degenen, die de offeranden eten gemeenschap met het altaar ? Wat zeg ik dan? dat een afgod iets is? of dat het afgodenoffer iets is? Ja ik zeg, dat hetgeen de Heidenen offeren, zij den duivelen offeren en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen. Gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

Zoo zien wij ons dan heden nahijgehrachl aan de groole vraag, wat er volgens de leer dei' Heilige Schrift te denken zij van liet doel en de heteekenis des Heiligen avondmaals. Zoo wij eerst reden vonden-om den Heere met de ernstige smeekliede le naderen, dat Hij ons in alle waarheid leide, licit, zou moeten zijn hij de overweging lo!; welke wij thans gekomen zijn. In de voorgelezen tekst hebben wij, veroorloof mij deze uitdrukking, de klassieke plaats van de genoemde leer vóór ons. Hij geeft ons de woorden aan van den Apostel, die, zooals hij plechtig betuigt, zijne beschouwingen van het Dondszegel des broods en des wijns le danken heeft aan eene onmiddellijke openbaring van zijnen verhoogden Heer en Meester. Daarom moet er aan deze woorden een beslissend gewicht toegekend worden. Zeker moet het bevreemdend voorkomen, dat de voorstanders van de tegenstrijdigste opvattingen en leerbegrippen ten opzichte van deze verhondsmaaltijd, zich allen te zamen en wel een iegelijk ten gunste van zijn bijzonder inzicht, op deze zelfde schriftuurplaats beroepen. Doch dit ligt niet aan den tekst, die niet ja en neen, maar ondubbelzinnig en beslissend ja is, en die, zoo als wij bij den voortgang onzer beschouwing overtuigd zullen worden, door eene gezonde, klare en ongekunstelde uitlegging, slechts éénen zin oplevert. Zeker is bet naaste doel van den Apostel in onzen tekst niet, om ons over het heilig avondmaal en deszelfs bestemming eenig onderwijs mede te deelen. Veel meer denkt hij aan hot avondmaal te dezer plaatse slechts in het voorbijgaan, en wel ten einde daarmede eene andere waarheid ons aanschouwelijk en duidelijk te maken. Nochtans is zi jne uitspraak ook voor het avondmaal zelf niet minder van het hoogste belang, en wel daardoor, omdat hij de dwaalbegrippen, die zich in den loop des tijds, aan het bondszegel hadden vastgehecht, in al hunne naaktheid ten toon stelt, en ook daardoor, dat hij lot ons het recht verstand van dat bondszegel eene wezentlijk beduidende bijdrage levert.

ocr page 105

89

Wij beschouwen voor ditmaal de Paulinische woorden alleen uitliet eerste gezichtspunt, en bezien met den fakkel, die zij ons in do hand geven:

I, De Roomsche,

II. De Zwingliaansche, en

111. De Luthersche leer des avondmaals.

De lleere zij ons nabij, en geve ons kinderlijke eenvoudiyheid van zin en onbepaalde onderwerping aan zijn woord en geleide!

I.

De leer van Rome treedt allereerst voor de rechtbank van onzen tekst. Zij vindt er hare volledige wederlegging in. Wat de Roomsclien do vermetelheid hadden uit het avondmaal te maken, weet i^ij; zij hebben noch gelet op de ondubbelzinnige uitspraak. Helgt;. 10 ; 14: Met ccne oIJ'erande heeft Christus in ecmvif/hcid voimmhi degenen, die geheilifjd worden, noch op het daaraan onmiddellijk voorafgaande, alwaar gezegd wordt, dat de priesters des tempels dikwijls eenerlci oll'er hebben aangeljracbt, omdat hunne olferande niet in staat was de zonden weg te nemen. Christus daarentegen, alzoo Hij één offer, (het werkelijk verzoenende) voor altijd heeft aangebracht (zoodat het dus voor de eeuwigheid geldend is) zit voortaan aan de rechterhand Gods, (dat is; rust van alle offerwerk) omdat Mij geene olferande meer te doen heeft. Ten spijt van alle deze beslissende getuigenissen, leeren de Roomsclien, dat de eenmaal plaats gehad hebbende olferande van Jezus Christus niet voldoende is, wanneer het niet op onbloedige wijze allijd weder vernieuwd wordt, en zoo zien wij onder hunne handen het heilig avondmaal lot eene offerplechtigheid misvormd, endeeenige volkomen Hoogepriester in bet hemelsche heiligdom, om zoo te spreken, in eene mensclielijke priesterkaste op aarde opgelost. Brood en wijn worden volgens het Roomsche leerstelsel door priesterlijke wijding in bet ware lichaam en bloed des lleeren veranderd, en moeten niet meer beoordeeld worden naar hunne gedaante, reuk of smaak, maar hebben, ofschoon hun tevens de toevallige eigenschappen van brood en wijn gebleven zijn, daarom niet minder opgehouden brood en wijn te zijn, omdat zij naar hunne zelfstandigheid en wezentlijkheid werkelijk het vleesch en bloed van Jezus Christus geworden zijn, die door den priester opnieuw ter verzoening geolferd worden. Men moet erkennen, dat zulk eene leer bijzonder geschikt was, om bet aanzien der kerk en hare bedienaren hoogelijk te verheHén. Men bedenke slechts welk eene heilige kerk bet zijn moet, waarin voortdurend,jnonophoudelijk zulk een groot wonder geschiedt! Kn welk eene heilige priesterschap, welke over beker en ouwel slechts bunnen zegen hebben uitte spreken, om hetzelfde voorwerp daar te stellen, hetwelk eenmaal op scheppende wijze door den Heiligen Geest en de kracht des Allerlloodsten in den schoot van Maria te voorschijn geroepen werd. Doch de leden der kerk zouden dit gelooven? vraagt gij met bevreemding, ü

ocr page 106

no

mijne waarden! De mensch gelooft ligt wat hem tot een pleister op de wonde zijns gewetens dienen kan. En gelooven ook duizende room-sche Christenen in liet binnenste huns harten het wonder der verandering niet, zoo neemt dit echter niet weg, dat zij nochtans door de feestelijke plechtigheid, die met het voorgewende wonder gepaard is, en die van eene zinnelijk bedwelmende en het hart voor een oogen-blik aangenaam trelïenden aard is, op tnoverachtige wijze aangetrokken en geboeid worden. Ik zeg op tooverachtige wijze. Onze tekst spreekt van vreemde krachten en invloeden, van welke zij elders dan in de menschenwereld de bron en uitgangspunten aanwijst. En waarlijk men wordt in verzoeking gebracht, om aan deze macht te denken, wanneer het de oplossing geldt van het raadsel, hoe voor het aangezicht der Heilige Schrift een gewaand wonder, zoo als de zoogenaamde Transsubstantiatie is, bij een groot gedeelte der Christenheid zich gedurende eeuwen den schijn van een werkelijk feit heeft kunnen geven. Wij gaan deze verzoeking tegen, doch wij stemmen toe, dat, als men van iels kan zeggen, dat liet niet natuurlijk toegaat, zulks inderdaad het geval is met deze ongehoorde omstandigheid.

Zeker wil Home er niet van weten, dat het in zijn leerstelsel van het misoller eenen waan huldigt. Veelmeer beroept het zich tot verdediging zijner leer, even zoo zeer als wij tot verdediging van onze meening, op de Heilige schrift, en wel — denk eens boe ver dat gaat!' ■— op onzen lekst, alsof juist deze niet de scherpste klip ware, waarop geheel zijne stelling schipbreuk lijden moet. Want vooreerst is daarin, gelijk nergens, eenige sprake van eene verandering van de bestanddee-len des Avondmaals. Het brood heet, ook na uitgesproken dankzegging en zegening, niet vlccsch of lichaam, maar brood gelijk tevoren.

Vervolgens spreekt de Apostel zeer zeker van eene zefjening, namelijk van den beker, maar van geene priesterlijke zegening in roomschen zin. Hij zegt: de beker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, en hij heeft bij dit wij, gelijk duidelijk blijkt, niet uitsluitend de Apostelen, maar alle geloovige deelgenooten des avondmaals op het oog, en hij wil niet zeggen: „de beker, dien wij zegenen en heiligen of wijden, maar de beker, dien wij als een gewijde of geheiligde beker van het gewoon gebruik afzonderen, en met lofverhefting tot God opbellen.quot; En nog veel minder dan aan eene bepaald priesterlijke zegening van het brood en den wijn, — waarvan in de Apostolische kerk geen spoor hoegenaamd Ie vinden is, — denkt de Apostel bij zijne woorden aan een zegenen mot magische of tooverachtige werking, een denkbeeld, dat aan het Evangelie ten eenenmale vreemd is, en veel meer tot bet heidendom behoort. Eindelijk — en dit is boven alles in hel oog te houden — wordt in het 18 vers van onzen tekst, bet avondmaal en de viering er van niet met de in den tempel gebracht wordende offeranden en hun geslacht worden, maar veelmeer niet den op de offerande volgenden Israëlielischen offermaaltijd op ééne lijn gesteld. Gelijk nu deze offermaaltijd enkel tol eene gedachtenisviering van bet aangebrachte ollèr, en niet zelf weder lot eene nieuwe offerande verordend was, zoo zegt de lleere ook hij zijnen heiligen disch niet: „geeft, offert, brengt aan!quot; maar „neemt, eet, drintd, wat

ocr page 107

01

Ik voor u geven en vergieten zal.quot; De Israëlietische oflermaaltijd moest enkel de noodzakelijke toeëigening van de vrucht en werking van liet aangebrachte offer aanschouwelijk maken en verwezenilijken, en niet eene nieuwe olTergave zijn. Hoe kan dus Rome wagen, om zich ten gunste van het leerstelsel des misoll'ers, op onzen tekst te beroepen. Rome vergrijpt zich hiermede zeer aan Gods woord, en plaatst hiermede zijne leer in plaats van op eene steenrots, op eene mijn, die haar met ééne uitbarsting in de lucht doet vliegen.

11.

Do sterkste tegenstelling van de roomsche avondmaalsleer is de gereformeerde en wel de ZmuyUaanschc mot de Calvijnschc opvatting. In het Zwingliaansch leerbegrip is zeer zeker de zinnebeeldig herinnerende, en aanschouwelijk makende of vertegenwoordigende beteekenis van het avondmaal het hcerschcnde denkbeeld. Daarom worden op de woorden der instelling: doel dat tot mijne cjcdachtmis, den zwaarste» klemtoon gelegd, en zeker moest men met geweld ooren en oogen sluiten, wanneer men wilde ontkennen, dat liet avondmaal volgens de bestemming des lieeren ook als een gedachtenisrnaaltijd op te vatten is. Het avondmaal is eene belichaamde prediking van datgene, wat hoofdzakelijk het Evangelie is, namelijk eene uitnoodiging aan de verzoenden om den dood des Heeren te verkondigen tot dat Hij komt. Onbetwistbaar doet zich reeds van deze zijde hel avondmaal als eene dierbare en kostbare erllating des Heeren voor. Het ververscht de bewustheid in ons, dat wij door het bloed van Christus rein gewasschen zijn van al onze zonden. Daar de lleere in het avondmaal geen ander feit dan dit heeft afgebeeld, zoo bevestigt dit ons op nieuw in de overtuiging, dat de volbrachte en voleindigde verzoening door zijne aan het kruis geschiede offerande, de eigentlijke kern en het middelpunt van geheel het Christendom uitmaakt. Wij worden altijd op nieuw door het avondmaal als door een openbaar geloof versterkend danken jubelfeest ingeleid tot het genot van deze groote genade, en bet brengt ons allijd weder tot de vernieuwde aanschouwing en ondervinding van de groote waarheid, dat wij, die gelooven, allen tot eene groote familie en Broederkring in Christus behooren, ja, dat wij voortaan allen slechts één zijn in Christus. Doch gelijk reeds dit woord des Heeren: Ik heh f/roolelijks becjeerd dit paaschlam met u le eten, het buiten allen twijfel stelt, dat het avondmaal meer in zich moet bevatten dan een aanschouwelijk makend beeld, dan eene bloote gedachtenisplechtigheid, zoo als dan ook de hooge plechtigheid in de wijze van instelling en bijzonder bet meermalen terugkeerend woordje is ons in deze meening versterkt, als ook de vreeselijke ernst, waarmede Paulus voor het onwaardig gebruik des avondmaals waarschuwt. Door het eene en andere moet onze voorstelling van de beteekenis des heiligen avondmaals noodzakelijk worden verhoogd, en zoo kan de Zwingliaansche leer in hare eenzijdigheid voor onzen tegen woord igen tekst niet een oogenblik bestaan. In onzen tekst heet het niet: „het brood of de beker der dankzegging is een gedenkteeken,quot; maar is eene gemeenschap van hel lichaam en bloed van. Jezus Christus,

ocr page 108

02

Hiermede wordt gezegd, dat, gelijk liet offermaal liet Israël naar liet vleesch in gemeenschap met liet altaar, en gelijk hel de heidenen in gemeenschap inet den duivelen plaatst, zoo brengt hol avondmaal dezulken, die liet in den geloove genieten, in gemeenschap mei Christus. Kennelijk doel zich hier een ongelijk dieperen zin voor deze hoogheilige instelling op, een zin, volgens welke hij de viering van hel avondmaal niet hlool de mensch zich werkzaam hetoonl, terwijl hij herdenkt, dankt en Gods genade verheerlijkt, maar waarmede hem ook tegelijk eene goddelijke werkzaamheid van boven tegenlreedl.

III.

Ja, zoo roept de Lutheraan — gij gereformeerde vat de zaak le licht, te verstandelijk, te rationalistisch op. Tusschen uwe aan geloof arme en de hijgeloovige leer van Rome ligt de waarheid in het midden. „En — zoo vragen wij — deze waarheid is?quot; „lgt;rood en wijn, zoo leert de Inthersche kerk, hl ij ven, wat hnnne natnur betreft, wat ze zijn, en worden niet veranderd. Nadat echter deze spijs en drank in het avondmaal door den geordenden dienaar der kerk is gezegend geworden, ontvangt ieder avondmaalganger, de goddelooze zoowel als de godvruchtige, in, met en onder het brood en den wijn, uit kracht Viiii het woord Gods, dat met liet bondszegel is gepaard, het wezent-lijk, thans verheerlijkt lichaam en liet werkelijk thans verheerlijkt bloed van den ter rechterhand des Vaders verheerlijkten, maar ook lichamelijk nog op aarde tegenwoordige Christus; en de avondmaal-ganger ontvangt hem met den lichamelijken mond; doch de ongelukkige ontvangt Hem tot zijne verdoemenis, de rechtvaardige daarentegen tot heil en zegening.quot;

Dit is de luthersche leer. Of en in hoe verre zij in do Schrift gegrond is, zullen wij later zien. Reeds dadelijk stem ik gaarne vooruit toe, dat de grootere diepte en rijkere inhoud aan deze opvatting den voorrang geelt hoven de ZwingTiaansch-gerefonneerde. Nochtans kunnen wij ook het luthersche leerstelsel niet van alle sporen van zwakheid en kortzichtigheid vrijspreken. De leemten van dit stelsel mogen wel gerekend worden te zijn als volgt. Vooreerst laat het de goddelijke woorden der instelling te weinig eer wedervaren, terwijl de Zwin-gliaansche leer, die het geheele zwaartepunt van het Jtondszegel daarop laat rusten, daaraan, indien ik mij dus mag uitdrukken, te veel eer bewijst. De beteekenis van de avondmaalsviering hlootelijk in die van eene plechtige gedachtenis maaltijd op te lossen, is eene misvatting, doch met dezen naam moet men niet minder de handelwijze bestempelen , waardoor men deze woorden uitsluit, in plaats van ze in te sluiten. Ten tweede ziet het luthersche stelsel over het hoofd , dat het grieksche woord koinonia in het 10 vers van onzen tekst niet enkel eene gemeenschap met, maar ook een aandeel nemen aan een voorwerp heteekent, gelijk dan ook bij voorbeeld Paulus 2 Cor. 8 : 4 de gemeenten in Macedonië wegens hunne deelneming aan de hijeen verzameling der liefdegaven voor de heiligen prijst. Ja, het wordt uit Rom. 15 : 20 klaar, dat het woord koinonia ook eene medededinu heteekent, want Paulus schrijft op de genoemde plaats; Die in Macedonië

ocr page 109

(tn Achaja zijn heeft het behaagt ecne koixonia (dat is eene bijdrage of gave) voor de armen te doen. En zoo kan de vertaling van het 10 vers van onzen tekst verstaan worden in dezen zin: „de gezegende beker en liet gebroken brood deelen bet vergoten bloed en bet verbroken licbaarn des Heeren mede,quot; of: „zij zijn de middelen tot aandeel verki'ij ging,quot; dat is aan derzelver vruchten. Wanneer deze uitlegging ook al niet de in alle opzichten voldoende is, zoo is haar echter geene plaats te ontzeggen naast die, welke hier eene door middel van het Bondszegel veroorzaakte vereeniging van den a ondmaal-ganger met het verheerlijkt lichaam en bloed van Christus beloofd vinden. Ten derde laat het lulhersch leerstelsel geene overweging gelden voor de waarheid, dat, waar de Schrift in bet algemeen van liet lichaam en bloed van Christus spreekt, zij altijd zijn voor ons gekruisifjd lichaam, en zijn voor de zonden fier wereld vergoten bloed daaronder verstaat, en een verheerlijkt bloed zelfs nergens ter sprake brengt, en dat zij, waar zij van een hemelseii lichaam spreekt, dit uitdrukkelijk, zoo als Phil. 3 : 21, door een bijgevoegd woord bepaald te kennen geeft. Zeker wil ik hiermede geenszins zeggen, dat er in het Bondszegel voor het denkbeeld eener vereeniging met de verheerlijkte lichamelijkheid van Christus geene plaatse meer overbleef, doch ik wil enkel het al te groot vertrouwen beperken, waarmede beweerd wordt, dat bij het lichaam en bloed in het avondmaal enkel aan Christus hemelseh lichaam en aan zijn verheerlijkt bloed te denken zij. Ten vierde verzekeren de lutherscbe Godgeleerden meermalen al te stoutmoedig, dat Christus' lichaam en bloed in bet avondmaal met den mond genomen en genoten wordt, daar toch geene plaatsin de Schrift dit uitdrukkelijk leert, terwijl veelmeer do lleore de Kapernaïten, die zijne rede van het eten en drinken van zijn vleesch en bloed letterlijk en zinnelijk verstaan wilden, op de ernstigste en nadrukkelijkste wijze te recht wees met do gewichtige woorden: de Geest is het die levend maakt, het vleesch is [/een nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn (jeest en zijn leven. Eindelijk, ten vijfde, moet de opvatting der lutherscbe Kerkleeraren, volgens welke ook de ongeloovigc avond-inaalgangers Christus' waarachtig lichaam en bloed, ofschoon dan ook tot hunne veroordeeling, ontvangen en genieten, voor ten eenenmale ongegrond geacht worden. Zij laten wel hunne bewering op 4 Cor. 41 : 29 rusten, alwaar de Apostel waarschuwend spreekt: Wie onwaardig daarvan eet en drinkt, die eet en drinkt zich, zei ven het oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Doch met deze plaats is het aldus gelegen. In de Corinthische gemeente was bet misbruik ingeslopen, om de liefdemaaltijden (die met de viering des avondmaals plachten verbonden te zijn), allengs in gewone eet- en drinkgelagen te veranderen. Niet weinige der toenmalige Christenen in die gemeente liepen gevaar van eene altijd grootere beneveling hunner bewustheid van het onderscheid tusscben de wereldsche maaltijden en den maaltijd des Heeren. Deze dwalende lieden nu werden door den Apostel met grooten nadruk vermaand, terwijl hij zulk een niet-onderscbeiden van den Verbondsmaaltijd van den alledaagschen kenschetst als /.ulk eene overtreding, dat zij de Goddelijke straf niet kon

ocr page 110

94

ontgaan. Zeker noemt liij datgene, wat in hot avondmaal gegeten en gedronken wordt, hd lichaam des Heeren. Nochtans alleen omdat het dit lichaam vertegenwoordigt en het middel der gemeenschap met hetzelve is. Verre is het echter van mij hiermede op eenigerlei wijze te willen zeggen, dat het brood en de wijn in het bondszegel reeds in en op zich zeiven op volstrekte wijze voor ieder des Heeren lichaam zij, of wel, dat ook de ongeloovige en goddelooze, omdat hij het brood en den wijn tot zich neemt, waarlijk en wezentlijk met Christus' lichaam en bloed gespijsd en gedrenkt wordt. Niets zou moer in tegenspraak zijn mot de gansche wijze van beschouwing van Paulus, dan zulk eone gedachte. Wie met Christus gespijzigd en go-drenkt is, die kan, naar de voorstelling van onzen Apostel, niet meer verloren gaan, maar moot geborgen zijn. Paulus houdt zich aan het woord zijns Meesters: Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven. Dat woord duldt geenorlei bepaling, daar de Hoore hot ook in onbepaalde vormen en zonder eenige bijgevoegde uitzondering uitspreekt. Paulus rekent dus, gelijk gezegd is, in do plaats i Cor. 11: 29, de Corinthische Christenen alleen de niet onderscheidende vermenging van de bestanddeelen des avondmaals mot de gewone voedingsmiddelen aan als bet vergrijp, om hetwelk zij niet ongestraft zullen blijven; doch hem komt volstrektelijk niet de ongehoorde gedachte in den zin, om het werkelijk ontvangen lichaam vau Christus in eenig geval eene verdoemende en do ziel verdervende werking toe te schrijven.

Nadat wij op deze wijze hot onhoudharo van velerlei meening over het avondmaal hebben aangewezen, en de eenzijdige opvattingen van het Bondszegel op hunne rechte waarde hebben geschat, is ons thans tot eene rechtstreeksche voorstelling van het bijbolsch leerbegrip de vereischte ruimte gegeven, en ik ontken het niet, dat ik, wat mij betreft, met groot vertrouwen en met vroolijke verzekerdheid van mijne zaak tot dat aangenaam werk nader. Voor heden laat ik nochtans den draad onzer gemeenschappelijke beschouwing vallen, en dat reeds daarom, omdat ik u lijd en rust wil gunnen, om het tot hiertoe aangevoerde nogmaals te beproeven, en het met de Heilige Schrift, deze onze in hoogst beroep beslissende geloofsregel, te vergelijken. Wij willen niets, dan wat het vast profetisch woord ons verkondigt, maar dat willen wij dan ook geheel en alleen en met zekerheid, en zoggen daarom ten slotte mot don ouden Zanger:

Spreek; Heere ! uw knecht wil hoeren,

Ik wil uw woord verstaan.

In zonde en schuld verloren,

Neem ik uw vrijspraak aan.

Ik, warsch van waan en schijn,

Wil uw discipel zijn.

Gij! — wilt me drenken, spijzen,

En Goddelijk onderwijzen.

Amen.

ocr page 111

XI.

11 E T A V O N D M A A L.

Toen de Heere eens ])ij zekeren overste der Farizeën ter maaltijd was, en onder anderen zijnen gastheer de onderwijzing gal', dat wanneer hij eenen maaltijd toebereidde, hij de armen, kreupelen, lammen en blinden moest noodigen, omdat hem zulks vergolden zou worden in de opstanding der rechtvaardigen, toen riep een der gasten, in eene vroolijke gemoedsbeweging den lleere in de reden vallende: Zalig in hij, die brood eet in hel koninkrijk Gods, Luc. 14: 15.

Hoe heerlijk en beteekenisvol deze uitroeping ook in en op zich zelve moge schijnen, zoo was het toch in den mond van dezen Israëliet niets anders dan de wedergalm eener zeer ijdele verwachting. Hij dacht aan de feestelijke genietingen van een Messiasrijk, zoo als de profeten het niet hadden voorspeld, en met het oog op deze gedroomde heerlijkheid, ontboezemde hij zijn gevoel in het woord der verrukking Zedig! Zalig! Zoo als het echter dikwijls in de heilige geschiedenis het geval is, dat ook dwalende, ja vijanden des lichts, zonder het te willen en te weten, even als Bileam's ezelin profetie en diepe waarheid spreken moeten, zoo ook hier. De Israëliet beeft recht met zijnen uitroep. Wij roepen hem met versterkten klemtoon na: Zalig, wie brood cel in het koninkrijk van God!

Wat is het echter voor een brood, dat in dat koninkrijk gegeten wordt? Vraagt het den kinderen des koninklijks, en zij zullen u zeggen, wat hen dagelijks onderhoudt, sterkt, verkwikt en laaft, en loven en wasdom geeft aan hunne onsterflijke zielen. Dat brood is Christus. „Ik ben hel brood de* levens,quot; zoo spreekt Hij zelf, „wie lot Mij komt, zal niet hongeren, en tuic aan Mij gelooft, die zal nimmermeer dorsten.quot; Hij is beide: Gastheer en Spijze, zoo als Hij ook tegelijker tijd is de Herder en de groene Weide, de Weg en het Doel van den weg. Dit brood wil gegeten, dat is met den mond des geloofs aan en opgenomen, met den inwendigen mensch vereenzelvigd, innerlijk verwerkt en in sappen en bloed veranderd zijn. Wanneer dit geschiedt, hoe gaarne laat men dan de draftroggen der wereld daar buiten! onze smaak is anders geworden. Wij nebben aan dat brood genoeg, en zeggen met blijmoedigheid: zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk van God.

Dat brood wordt ons op veelvuldige wijze voorgezet. Vooreerst, op de schotelen des woords: in de voorbeelden en beloften des Ouden , gelijk in de geschiedverhalen en leeringen des Nieuwen Testaments.

ocr page 112

Mier genieten wij het hemelsche brood door middel van eene gé-loovige beschouwing, en door eene ons toeëigenende overdenking. Nog veel liefelijker echter zal liet ons smaken, wanneer wij liel wezentlijk vinden op tie tafel van ons eigen leven, en onzer eigene bewustheid. Wanneer de Heere ons persoonlijk nader treedt, en wij zijne voetstappen in onze leidingen en lotgevallen hooren rnischen, en de adem zijns rnonds ons voorhoofd omwaait, en Hij zelf zijne vrede-groete in onze zielen uitspreekt, en ons onder de armen vat, waar wij wankelen, en ons weder opricht, waar wij struikelen, en onze oogen van tranen droogt, waar wij weenen, en ons met liefde aan zijnen boezem ter rust leidt; o, met welk eene hemelsche verrukking roepen wij eerst dan uit: Zalir/! zedig hij, die brood eet in het koninkrijk van God!

Nu is er echter eene plaats op aarde, waar het, zoo als nergens elders, zich laat ondervinden, dat het zalig, zeer zalig in, het brood ie eten in het koninkrijk van God. Daar valt ons het wonderbrood zekerlijk ten deel, en wij ontvangen het geheel zoo als God het tot voedsel zijner kinderen heelt . toebereid, en wij worden het op eene nieuwe, eigenaardige wijze deelachtig. Deze plaats is de disch des Heeren. De beteekenis van deze hoogheilige verbondstafel van Imma-nuël na te gaan, is het doel van ons tegenwoordig te zamen zijn.

1 Ccm. 10: 16-21. 11: 2G.

De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet eene p;eraeenschap des lichaams van Christus ? Want één brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. Ziet Israël, dat naar het vleesch is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? Wat zeg ik dan: dat een afgod iets is? of dat het afgodenoffer iets is? Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode, en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; Gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen. — Want zoo dikwijls als gij dat brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, tot dat Hij komt.

Uit onze beschouwingen, tot hiertoe over het avondmaal gehouden, zal het ons duidelijk zijn geworden, dat het meer dan ééne zijde van betrachting heeft, en dat wij er daarom van moeten afzien, om het doel dezer instelling met één woord uit to spreken. Het was toch reeds vooruit te verwachten, dat, wanneer de Heere der heerlijkheid eene instelling zijner liefde wilde nalaten, zij van goddelijken inhoud, en van hooge beteekenissen overvloeien zou. En in zoo verre heeft de strijd der schriftgeleerden, die over deze verhevene instelling ontslaan is, zijne vertroostende zijde, daar dezelve in den grond enkel van de

ocr page 113

97

dieplo des rijkdoms in liet goddelijk bondszegel getuigenis geeft.

Wanneer alles, wat Gods woord over het avondmaal bevat, nauwgezet en zonder vooroordeel door ons overwogen wordt, zoo betoont zich hetzelve van eene drievoudige beteekenis te zijn. Het heilig avondmaal is:

I. een gedachtenisinaaltijd;

II. een verzegelingsmaaltijd, en

111. een voreenigingsmaaltijd.

Bezien wij deze drieërlei bestemmingen van meer nabij, en geve de Heere ons zijn geleide op den weg onzer beschouwing!

I.

Er behoort eene hooge mate van verblinding of eigenzinnigheid toe, te miskennen, dat het iieilig avondmaal ten minste ook de bestemming heeft, om eene gedachtenisviering te zijn. De Heere zegt toch, zoowel bij het broodbreken, als bij de toereiking des bekers: doet dat lot mijne fjedachtenis. En wanneer de Apostel er, l Gor. 11: 20, op-helderender wijze bijvoegt: Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken , zoo verkondifjl den dood des Hee-ren totdat Hij komt; zoo is hiermede het goddelijk zegel der bevestiging gedrukt op de verklaring dezer woorden in don zin, welke zich reeds terstond aan een iegelijk opdringt, en volgens welke de instelling van het avondmaal vooreerst als gedenkteeken, en de maaltijd zelf als het heilig gedachtenisfeest des geloofs en der liefde zich voorstelt.

Het heilig avondmaal is eene dooiioopende getuigenis des Hoeren, een getuigenis met teekenen in plaats van met klanken, in beelden in plaats van in woorden. De Heere ontrolt in het avondmaal, voor het aangezicht Zijner kerk, eene verhevene schilderij, waarvan de naaste bedoeling is om de bewustheid van hetgeen liet middelpunt des ge-lieelen Ghristcndorns uitmaakt, en dat het Evangelie eerst tot Evangelie maakt, levendig en wakker te houden. Hij schildert haar daarin zijn lijden af, als voor hunne oogen geschied. De geheimzinnige verschrikkingen van den kruisheuvel laat Hij in beteekenisvolle zinnebeelden als voor hen voorbijgaan. Hij verschijnt daarin in de gedaante van liet Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, als de florg, die vol-doenend tussrhentreedt voor de schuldigen; als de Iloogepriester, die zijn leven ten rantsoen stelt voor de overtreders, als de man der smarte, die een vloek werd in hunne plaats, om hen van den vloek te verlossen. Het kruis wordt op de hoogte van Ziou geplant, en wel als de grondpilaar van alle heil, als het wonderteeken der wereldredding, als de levensboom, waarvan de vruchten dienen tot genezing der volken, en Hij, die aan dat martelhout de zonde verzoend enden dood gedood heeft. Hij zelf is het, die in zijn hondszegel deze banier ontrolt en omhoog heft.

Welk eene hooge waarde heeft echter het heilig avondmaal reeds in deze hoedanigheid, namelijk van eene authentieke, of echte en

7

ocr page 114

igt;S

wettige oirkondc van den ITeere Jezus Christus zelf, over hel floor Hem volbrachte werk dor verzoening, als het onwankelbaar en overvloedig genoegzaam fondament onzer eeuwige zaligheid! Kii welk eon' zegen stichtte het avondmaal reeds in zoo ver, als het met het gezag van eene onbedriegelijke getuigenis, de onderhouding en de onafge-brokene verkondiging van het wezentlijkste artikel der leere van de Evangeliesche kerk waarborgt! Er is een tijd geweest, waarin hij vele uitgestrekte Christelijke gemeenten de leer van de f/roote vrcde-makhuj in het bloed des I,-raises uit de opentlijke prediking zoo goed als verbannen was. De fontein van des zondaars troost zou in dien tijd geheel verstopt zijn geweest, zoo het heilig avondmaal hem niet open en stroomende had gehouden. Er worden nog heden zoo niet geheele staatskerken, dan toch enkele afzonderlijke gemeenten gevonden, op welker kansel het zuiver Evangelie reeds lang ophield gehoord te worden. Verstomde het echter op de predikstoelen, het zweeg daarom niet in het midden der gemeenten, omdat aldaar, terwijl de schriftgeleerden zwijgen, de disch des Heeren het Evangelie, gelijk vroeger, zoo ook heden, ofschoon zwijgend, nochtans met hooge welsprekendheid en als met bazuingeluid verkondigt. Er zijn predikanten, die jaar uit, jaar in, nauwelijks den naam van den Meere Jezus op ile lippen nemen, hoeveel te minder de harten hunner hoorders voor Mem zoeken te gewinnen. Deze predikanten zien zich echter, zoo dikwijls de viering des avondmaals terugkeert, huns ondanks genoodzaakt, om Christus te verkondigen als do gekruisigde, en de gemeente tot Hem te noodigen. Zij moeten somwijlen in hunne godshuizen de heilige tafel dekken, en wat doen zij daarmede anders, dan dat zij der gemeente bet verzoenend lijden van Immanuël voor oogen stellen? Zij moeten aan do gemeente de uitnoodiging richten om tot dezen disch te naderen, en tot wien roepen zij ze alsdan ids tot den eenigen Verlosser van arme zondaren? Zij moeten dezulken, die naderen, bet teeken des lichaams en bloeds ter genieting toereiken, en waartoe roepen zij, op deze wijze gedwongen, de lieden op, als tot de geloovige omhelzing van de in deze beelden afge-schaduwde kruisotferande ? Zij moeten bij de toereiking des broods en des wijns de heilige woorden der instelling uitspreken, en wat he-tuigen zij daarmede, dan dat in Christus' offerande de grondslag ligt van alle heil, ja geheel het Nieuwe Testament vervat is? Zoo zijn dan zelfs de huurlingen en de valsche profeten in de kerk gedwongen, om bij dezen disch hunne schapen ten minste nu en dan de rechte weide te ontsluiten. Met wijze berekening heeft de grooce Opperherder er voor gezorgd, dat ook daar, waar geestelijke zielenmoordenaren zich in den schaapstal zijner kerk mochten indringen, zelfs deze, nu en dan gedwongen zouden zijn, om als gezanten in Christus' plaats op te treden, en ofschoon met tegenstrevenden geest, aan de leden der gemeente toe te roepen: „Laat u met God verzoenen door het bloed van bet Lam, dat geslacht is.quot; O welk eene zoete geruststelling geeft mij deze gedachte in betrekking tot zoo vele gewesten en gemeenten, ook in ons vaderland, waarin de arme menschen van kindsgebeente af tot aan bunnen dood anders nooit een Evangeliesch

ocr page 115

lt;)!)

woord, én tmnwolijks oono lollergroep van liot kcnis- on deszell's l)eteekenis vernemen! Doch nu staat ook daar, als oon liolderschijiiond gettiiyenis ilcr waarheid in het midden van deze leu^ciileinpcls, do lieiliye discli met zijno klare, voor kinderen bevattelijke beeldtenis-prediking, en ik houde mij verzekerd, dat deze tot on toll tare harten machtiger en overtuigender zal spreken, dan al de geloofledige woorden, die, om hen tot dwaling te brengen, van den predikstoel op hen afstroomen. Hoe zou liet kunnen zijn, dat wij niet reeds om deze reden, de heilige verbondstafel zegenen, en den ileere voor zijne lierde-instelling den dank, den lof en de aanbidding toebrengen zonden?

En welk eenen beduidenden invloed oefent reeds het heilig avondmaal in de boedanigheid van een bloot beeld, en van een goddelijk gedenkteeken. ook op het geloof der geloovigen! lioe wel doet bet ons, den Ileere der heerlijkheid, door middel van deze instelling, op nieuw als bet ware lichamelijk en persoonlijk te booren betuigen, dat het olfer, waarmede zijne geheiligden in eeuwigheid volmaakt worden, werkelijk aangebracht is. Hoe troostrijk is het, de geheele volheid der goederen, die Christus ons verwierf, in de zinnebeeldige gedaante van eenen maaltijd te zien omvat, tot welke men geene andere uit-noodiging behoeft, dan die de arme zondaar met zijne geestelijke honger en dorst reeds met zich brengt. En hoe verkwikkend is het in de liefelijke klokkentoonen des v red es: neemt, eet, drinkt, voor u (/ebroken, voor u verejoten, de vriendelijkste en beloftenvolste van alle uitnoodigingen te vernemen! O hoe ververscht zich biermede in ons de bewustheid van dat liefelijk Snoer onzer erfenis, dat ons in Christus is ten deel gevallen! Hoe ververscht en verhoogt zich biermede de wederliefde tot Hem, die al do stralen zijner ontferming in dat Hondszegel als in een middel- en brandpunt vereenigde. Hoo gevoelt men zich op nieuw opgewekt en gedrongen, den dood des Heeren te verkondigen totdat Hij komt, en bet luide te betuigen, dat men niets meer weten wil dan Jezus Christus en dien gekruisigd! Hoe verheft zich bij deze tafel de moed der belijdenis! En hoc verlevendigd en versterkt wordt de bewustheid der overwinning tegenover de zonde, de wereld, den dood en den duivel! Ik kan het mij voorstellen, boe zij, die enkel onderwezen waren, om het Bonds-zegel alleen op Zwingliaansche wijze te beschouwen, niettemin daaruit reeds een wereldovenvinnende martelaars blijdschap wisten te putten. Niet alleen toch veraanschouwelijkte bet avondmaal bun de voor alle eeuwigheid gelegde grondslagen hunner verlossing en kindschap, maar als maaltijd waarborgde het hun ook de persoonlijke tegenwoordigheid van den gastheer, die de tafel toebereid, en die, naardien Hij beloofd beeft, met de zijnen te zijn al de dagen tot aan de voleindini) der loereld, zeker daar bet allerminst zal ontbreken, waar Hij zoo huisvaderlijk en vriendelijk zijne huisgenooteu aan zijnen discb vereen igt.

Oordeelt nu zelve, geliefden! welk een naam de handelwijze van dezulken verdient, die in opentlijke tegenspraak met de uitdrukkelijke bedoeling door de goddelijke instellingsoorkonde aangegeven, niet alleen van het heilig avondmaal als een gedachtenismaaltijd niets

ocr page 116

loo

willen weten, maar zelfs van deze zijde en beteekenis des Honds-zegels, niet minachting, ja niet verwerping kunnen spreken. Welke mensclielijke gezaghebbers het ook mogen zijn, waarop zij zich in deze beroepen, boven alle gezag staat do ondubbelzinnige letter des Goddelijken VVoords, en deze dwingt ons tot eene andere beschouwing der zaak, dan de hunne is.

11.

Zoo vast wij er ons echter aan houden, dat liet avondmaal, naar den wil en de verordening des Hoeren, vooreerst een aanschouwelijk gedenkteeken zijner groote liefdedaad, en eene gedachtenisviering van liet feest onzer eeuwige verlossing is, even zoo beslissend treden wij op tegen dezulken, die de geheele beteekenis van het bondszegel hiertoe willen bepalen. Ilnnne, de heilige erllating ten eenenmale uitputtende zienswijze, lijdt aireede schipbreuk, zoo als wij zeiden, aan de plechtig feestelijke stemming en houding, waarmede wij den lleere tot de instelling van zijn avondmaal zien overgaan, en kan voor het woordje is in het formulier dos avondmaals, alsook niet voor de apostolische uitdrukking de fioneenschap des lichaams en des bloeds van Christus, en voor de zware bedreiging, die tegen de onwaardig etende en drinkende wordt uitgesproken, bestaan. Reeds vooruit is het met zekerheid aan te nemen, dat eene laatste testamentaire bepaling van den Koning der koningen op iets grooters en heerlijkers moet zien, dan op de instelling van een, al is het dan ook nog zulk een liefelijk, verkwikkelijk en geloofversterkend gedachtenisfeest. En zeker is met deze instelling nog iets anders, van ongelijk meerdere verhevenheid en diepte verbonden.

liet dierbaarste en zaligste goed, dat een mensch op aarde kan be-zitten, is, behalve de vergeving der zonde zelve, de klare en bepaalde bewustheid van deze hem ten deel gevallene vergeving. In zulk eene bewustheid zijner begenadiging heeft hij, reeds op aarde, een voorsmaak der bemelsche zaligheid. Vrij van vrees en zorg, gaat hij zijnen weg. Vrede en vreugde zijn de engelen, die hem geleiden. Vroolijk ziet hij op naar do sterren, als naar de lichten van het vaderlijk huis, werwaarts hij heengaat, en de onweerswolken van elke uitwendige droefenis worden verlicht door de stralen van den dag, die binnen in hem is. Tot deze zalige bewustheid moet het genot des heiligen avondmaals ons behulpzaam zijn, en dit is een der wezentlijkste oogmerken, waartoe de lleere deze instelling Zijner liefde verordend heeft. Wie reeds weet, dat hem barmhartigheid geschied is, dien zal het heilig avondmaal in dat weten op nieuw versterken. Wie nog eerst zulk eene zekerheid zoekt, die kan ze aan de verbondstafel vinden, liet is waar, dat de Heilige Geest ons, ook zonder het Bondszegel, het getuigenis geven kan dat wij kinderen Gods zijn, doch al is deze getuigenis ons reeds ten deel gevallen, waar is de Ghristen, die zeggen kan, dat hij eene verdere bevestiging en verlevendiging van deze zijne zekere verwachting niet noodig heeft? Wie zou zoo vast staan in het geloof aan zijn kindschap, dat hij er nooit over in twijfel geraakte of wankelde? Wie werd niet somtijds door eenige twijfeling

ocr page 117

101

aangevochten, of datgene wat hij eene getuigenis des Heiligen Geestes acht te zijn, ook werkelijk een zoodanig getuigenis zij? En wie, al is hij ook nog zoo vast van zijn deel in Christus verzekerd, zal niet moeten erkennen, dat zijne overtuiging nog sterker zijn zou, wanneer hij in het benijdenswaardig voorrecht van de tijdgenooten des Heeren mocht deelen, en even als do lamme, als Maria Magdalen a en al de anderen, uit den mond des Heeren zelf zinnelijk hoorhaar het liefelijk woord had mogen hooreii: Ga heen, in vrede, uwe zouden zijn u vergeven! Weet echter. Geliefden! dat ons juist voor dit voorrecht dei-eerste Christenen het heilig avondmaal eene soort van vergoeding biedt, en dat het ons zoo veel mogelijk wil schadeloos stellen voor hetgeen ons, door liet ophouden van de zichtbare tegenwoordigheid des Heeren op aarde, dierbaar en kostbaarst is onttrokken. De zichtbaarheid van onzen Zaligmaker is als het ware voor ons in de honds-zegels overgegaan, en naardien de Heere ons juist in het heilig avondmaal uitnoodigt, om zijne gedachtenis te vieren, toldat Jlij meder-konit, zoo wijst Hij hiermede onmiskenbaar aan, dat het avondmaal bestemd is, om gedurende den tijd, die tnsscben zijne hemelvaart en zijne zichtbare wederkomst ligt, do plaats zijner lichamelijke tegenwoordigheid te vervangen.

Ziot ook de heilige feestdisch aan. In en op zichzelve is hel iels gerings, wal zij ter verkwikking aanbiedt, een weinig brood en wijn. Doch let wel op, het is brood, dat de Koning der koningen zijnen gasten toereikt, liet noemende zijn lichaam, en het is wijn, dien de Heere aller heeren zijnen vrienden inschenkt en dal Hij zijn bloed, of het Nieuwe Testament in zijn, bloed noemt. Dat is mijn lichaam, dat is mijn bloed, zegt Hij, die gewoon was zijne woorden te wegen, te keuren. En hoe ver zij het ook van ons, om het woordje is in deze woorden over het hoofd te zien of gering te schatten! Wij laten bel zijn volle gewicht, en stemmen loc, dat hel meer zegt, dan alsof er enkel hel woordje beteekent stond. Het vergelijkt niet alleen, maar hel stelt de voorwerpen, die hol noemt, met elkander gelijk. Het is hiermede gelegen, alsof ik hel geringe met het verhevene op dezelfde lijn plaats, alsof een menschelijk vorst zijn dat is schrijft op een schal-kislbillet, hetwelk daardoor de waarde beeft van de som, die er op uitgedrukt is. Het dit is, is de eenvoudige verklaring van de waarde, die de hooge uilgever en borgstelier aan dat papier geeft, of waarvoor hij het erkent. Op en in zichzelve is het papieren billet geheel zonder waarde, maar hel koninklijk woord gaf hel eene goudgelijke waarde. Het opperhoofd van den staat, wiens naam op het billet staat, zal zijnen naam niet verloochenen, maar ten allen tijde bereid zijn, om aan hel in zichzelve nietig onderpand tegen den werkelijken schal, welke door hetzelve vertegenwoordigd wordt, in le ruilen. Stelt u thans voor, dal de Koning aller koningen ons iels overhandigde, en hel begeleidde met de woorden: dat is de vrucht van mijn lijden en sterven, de vergeving der zonden, het recht van het kindschap, hel eeuwige leven enz. Ontvangen wij dan niet met de ter hand gestelde voorwerpen, al waren deze ook niet anders dan een stukje brood en een druppel wijn, le gelijk werkelijk datgene, wat door de voorwer-

ocr page 118

102

pen wordt aangeduid, en zou liet niet zijn, de oprechtheid van den gever in twijfel te trekken, wanneer wij nog bedenking maakten, om voortaan ons te beroemen, dat wij niet enkel brood en wijn ontvingen, maar dat wij met dit brood en dezen wijn ook de genoemde goederen zelve waarlijk en onmiddellijk uit de hand des Heeren ontvangen hebben? Nu geschiedt hot echter in de daad, dat de lleere ons bij zijnen maaltijd iets uiterlijks en iets zeer gerings toereikt, doch daarbij de woorden uitspreekt: „Dit is mijn voor u gebroken lichaam, en mijn voor u vergoten bloed,quot; of: „Dat is, heigeen Ik u in mijnen bloedigen offerdood verworven heb.quot; Wat zou na eene geloovige aanneming dezer onderpanden, mij nog kunnen beletten, om op de meest verzekerde wijze te jubelen: „Ik heb deel aan de verlossende genade van Jezus Christus. Mijn mond, mijn oog, ja al mijne zinnen 'zijn getuigen, dat Hij persoonlijk mij daarin een aandeel heeft beloofd. |iij sprak zijn: Dit is mijn lichaam, mijn bloed, in denzelfden zin als waarin ecu schuldenaar bij de overhandiging van eene gerechtelijk opgestelde en verzegelde acte kan zeggen: „üat is mijn huis en hof, mijne gansche erfenis!quot; Christus zou mij, om mij hoven allen twijfel te verheffen, de vrucht van zijnen dood in natura, zoo als men gewoonlijk spreekt, in den mond leggen, ware deze vrucht niet geestelijk en onzichtbaar. Nochtans bereikt Hij hetzelfde oogmerk, terwijl Hij met hot brood en den wijn iets zinnelijks en vormelijks ter ge-' nioting geeft, en mij, uit kracht van een Goddelijk gezag, machtigt, om het als de beteekenendc zaak zelve aan te zien.quot;

Tot zulk eene taal ben ik na het waardig genot des avondmaals bevoegd. Wat is derhalve het avondmaal? Het is eene liefde-instelling, door welke de Heere mij in zijne vriendelijke toenadering tot mijne zwakheid voor het gemis zijner zichtbare tegenwoordigheid en van zijne zinnelijk hoorbare toespraak eene met mijne menschelijke behoeften overeenkomende schadeloosstelling geven wil. Als vergoeding voor het gemis zijner onmiddellijk mondelinge verzekering van genade, reikt Hij mij in het avondmaal iets toe, dat gelijk staat met eene bandvestelijke of wettige oirkonde van mijn aandeel aan de goederen des Nieuwen Testaments. Ik beroep mij voor zijne trouw hierop, als op eene schuldbekentenis, door zijne eigene koninklijke hand geschreven, en aan mij ter band gesteld, en wederspreek hiermede al de aanklachten des Satans, als met een vrijbrief, voor welks onderteekening hij moet verstommen.

Deze beschouwing van het avondmaal als een maaltijd van verzcye-lin(] vindt haren steun, vooreerst, in het woordje is, dat aan do be-standdeelen van bet Bondszegel bet karakter eener werkelijke verletjcn-woordiginy der op zinnebeeldige wijze aangeduide goederen mededeelt. Vervolgens op de woorden: Deze beker is hel Nieuwe Testa-menl in mijn, bloed, hetgeen niet zoozeer aan het bloed van Christus zelf, als wel aan de zaligheden doet denken, die door het vergieten van dat bloed bedoeld en verworven werden. Ten derde, op de overeenstemming met don paaschmaallijd, die immers evenzeer de plaats van een bevestigend zegel op eene Goddelijke belofte innam. Ten vierde, in de apostolische uitdrukking, welke het gebroken brood

ocr page 119

103

erne fiemeenschap van het lichaam van Christus, dal is, volgens den eigenllijken zin des woords, eene aandeelgeving' aan hetzelve noemt. En eindelijk, ton vijfde, in de gelijkstelling, waarin onze tekst liet heilig avondmaal met de Joodsche olïermaaitijden doet voorkomen. Door deze olTermaaltiJden eigenden zich de feestvierenden de vrucht der aangehrachte otl'eranden toe, en genoten zij ze met Itlijdschap door het geloof. Ik begrijp niet hoe Lnthersche godgeleerden hehben kunnen licweren , dat zij, die zich niet met hun leerstelsel vereenigen, in het brood en den wijn niet anders oveihouden dan blooto zinnebeelden en herinneringsteekenen. Wanneer zij de belijdenisschriften der Hervormde Kerk —- en bijzonder die Genève's stempel dragen —-onbevooroordeeld hadden onderzocht, zij zouden zich geheel anders hebben moeten overtuigen.

111.

Geen oogenblik echter lijdt het bij mij eenige bedenking, dat met al hetgeen dat wij tot biertoe als beteekenis en bedoeling van het heilig avondmaal gevonden hebben, de beduidenis er van niet is uitgeput. Deze maaltijd is meer dan eene gedachtenis en verzegelende maaltijd. Het toppunt zijner beteekenis ligt eigentlijk daarin, dat het een maaltijd is van vereeniging met Christus. De persoonlijke tegenwoordigheid des Heeren hij het avondmaal wordt, zoo als wij reeds hebben opgemerkt, gewaarborgd door den vorm, waarin het honds-zegel is ingekleed. Het is een maaltijd, en als zoodanig eischt bet de tegenwoordigheid van den gastheer. Er wordt bij gegeten en gedronken, en eten en drinken veroorzaakt eene innige vereeniging (Ier ont-vangene bestanddeelen met onze natuur, ja, hunne vereenzelving met ons wezen. Dat zoo iets ook in liet hondszegel plaats heeft, en dat het hier zich met ons vereenigend voorwerp Christus zelf is, wordt door onzen tegenwoordigen tekst boven alle tegenspraak gesteld. Ziet, zegt Paulus, Israël dat naar het vlecsch is; hebben niet degenen, die de offeranden eten , fiemeenschap met het altaar''? Vooreerst wil de Apostel hiermede zeggen: „Zij hebben aan het altaar, of aan de door de priesterlijke altaardienst veroorzaakte zinnebeeldige verzoening deel;quot; vervolgens: „zij betuigen door hunne deelneming aan den offermaaltijd, dat zij tot de Israëlietische gemeenschap der geloovigen behoo-ren;quot; en eindelijk: „zij stellen zich daarmede in eene betrekking van ondergeschiktheid en lijdelijkbeid tot dien God, wien het offer gebracht wordt, en treden daarmede binnen den kring zijner leidende, vormende, en tot den hemel bereidende invloeden.quot;

De Apostel gedenkt vervolgens de heidensche olïermaai lijden voor de afgoden, voor welke hij met allen ernst de gedeeltelijk zicii op eene valsche vrijheid beroemende Corinthieërs waarschuwt. „Wat zetj ik dan,quot; zoo begint hij, „dat een afgod iets is, of dal het ö/y/o-denoffcr iets is?quot; Reeds dadelijk wil hij dus de gevolgtrekking voorkomen, alsof hij de goden der heidenen een werkelijk bestaan, en Inmne afgodenoil'eranden eenige bun inwonende kracht of werking toescbrijit. „Neen,quot; dit wil hij zeggen, „do afgoden zijn niets dan enkel schepselen der verbeelding, en tie afgodenollerande is vleesch

ocr page 120

40!

gelijk ander vleesch, dat op zlchzelve geenen tooverachtigen invloed heeft; doch,quot; zoo gaat hij voort, „de duivelen hehhen in den afgodendienst hun werk, en houden door hunne offerfeesten, het verhlinde volk in de afgodische leugenwereld verstrikt. Wat dus de Heidenen offeren, dat offeren zij, ofschoon zij er niet bewust van zijn, den duivelen, welke door dit offerwerk hun doel bereiken, en daarin hunne zegepralen vieren. En ik wil nietquot; zoo gaat de Apostel voort, on hierin ligt nu de geheele kracht zijner geheele rede, dut (jij niet de duivelen (jemeensehap hebt. „Door uwe deelneming' aan de olï'er-maaltijden der afgoden (bijzonder der Corinthische, welke ter eere van Venus placht gevierd te worden) geraakt gij zeiven —■ dit is de bedoeling van de Apostolische woorden ■— eer gij het vermoedt, onder den invloed der duistere machten, die hier hun s|iel drijven. En dit moogt gij niet. Gij hunt niet te;lelijk den drinkbeker den ][eeren, en den drinkbeker der duivelen drinken. Gij kunt niet ter/e-lijk deelaclili;i zijn aan de tufel den Heeren en aan de tafel der duivelen. Bedenkt nu met alle nauwkeurigheid, mijne waarden! wat de Apostel in deze redevoering tot verklaring van het heilig avondmaal aanvoert. Hij zegt, dat het offermaal den Israëliet met den God, dien de altaardienst geldt, en daarentegen de afgodenoffermaaltijd den Heidenen met de duivelen, die hieronder heimelijk hunnen invloed uil-oefenden, in betrekking brengt. En nadat hij op deze wijze bet heilige' avondmaal met deze afgodsmaaltijden vergeleken heeft, leert bij ons geheel ondubbelzinnig, dat de maaltijd des lleeren het middel is eener wezentlijke vereeniging met den persoonlijken Christus, en dat het de avondmaalgangers onder eenen rechtstreekscben en geheel bijzonderen invloed van den verhoogden Zoon van God stelt.

Thans doet zich echter de vraag voor, op welke wijze de gemeenschap zij, waarin Christus bij het bondszegel met zijne gasten treedt, of zij enkel geestelijk, of ook lichamelijk is'? En gij weet, dat juist deze de vraag is, rondom welke zich de bekende groote strijd der theologen beweegt. De Augsburgsche Confessie leert, dat het ware lichaam en bloed van Christus waarachtig onder de gedaante van brood en wijn in bet avondmaal tegenwoordig is en aldaar uitgedeeld en ontvangen wordt. En verstaat onder dit ware lichaam en bloed van Christus niet de vruchten van zijnen offerdood, maar zijne verheerlijkte lichamelijkheid, waarmede de avondmaalganger voor den dag der opstanding gespijzigd en gedrenkt wordt. De belijdenis der Hervormde Kerk antwoordt in den Paltzer Catechismus op de vraag: Wat wil het zeggen: „het gekruisigd lichaam eten en zijn vergoten bloed drinken?quot; „Het heet niet alleen met geloovige harten het gansche lijden en sterven van Christus aannemen, en daardoor vergeving van zonden en een eeuwig leven bekomen, maar ook daarbij door den Heiligen Geest, die te gelijk in Christus en in ons woont, aldus met zijn gezegend lichaam meer en meer vereenigd te worden, zoodat wij, ofschoon Hij in den hemel en wij op de aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch en been van zijn been zijn, en van éénen geest, gelijk de leden onzes lichaams van eéne ziele, eeuwig leven en geregeerd worden.quot; Mij dunkt, de beide belijdenissen zijn

ocr page 121

105

hier in het wezentlijke eenstemmig1, want, de Gereformeerde maakt hier uitdrukkelijk onderscheid tusschen die heteekenis van hel hondszegel, volgens welke hel aan de avondmaalgangers, mei hel gezag eener Goddelijke oirkonde, zijn persoonlijk aandeel aan de door het olïer van Christus verworvene goederen en voorrechten toezegt en verzegelt, en tusschen de andore heteekenis, volgens welke het avondmaal middel is van eene geheimvolle voeding, en doordi'ongen worden met de verlieeiiijkle lichamelijkheid des verhoogden Zoons Gods hij dezulken , die hel hrood en den wijn genielen. Zeker voorkomt de Catechismus met do ingevoegde woorden ,,ofschoon Ilij in don hemel isquot; liet vermoeden , alsof zij ook eene alomlegenwoordigheid van het verheerlijkt lichaam van Christus aannam. Trouwens, zoo iels aan le nemen, zou naar panlheïsche (algodische) voorslellingen overhellen en bevat eene legenslrijdigheid in zich zelve. Onmlsken-haar echter slaat de Catechisnius toe, dat Christus Joor niets verhinderd zij, om door eene levende, persoonlijke hopaling van zijnen wil, de zijnen waar en wanneer ilij wil ook zijne lichumelijklieid deelachtig te maken, en tevens geeft zij toe, dal Ilij in zijn Üonds-zegel dit ook werkelijk doet.

liet is dus huiten kijf, dat de leerstellingen der heide Kerken lang niet zoo ver uit elkander liggen, als menigeen zich dat inbeeldt. Neen, ik herhaal bet nog eens, in het wezentlijke stemmen zij werkelijk overeen. Zoo zij dit niet deden, dan zou zeker in de avondmaalsleer het Gereformeerde zich uit het Lulhersche aan te vullen hebben. Met zou door de Schrift daartoe genoodzaakt worden, daar deze onloochenbaar ook eene lichamelijke vereeniging met Christus door het Bondszegel te verwachten geeft. Wanneer Christus eene zoodanige vereeniging niet bad willen te kennen geven, zoo zou Hij Zich zeker anders uitgedrukt hebben, dan Ilij dit in de woorden: dit ts mijn lichaam, dit is mijn bloed, werkelijk doet. Wilde Paulus 1 Cor. 10: 1(3 enkel zeggen: „bet avondmaal eigent ons de vrucht der verlossing toe,quot; zoo zou bij zeer zeker het gebroken brood en den gezegenden kelk . óf de gemeenschap aan hel offer, óf die aan bel lijden en sterven, maar niet eenvoudig en zonder verdere bijvoeging: dc gemeenschap aan het lichaam ca bloed van Christus genoemd hebben. Ook de woorden, die bij met een vooruit genoemd want onmiddellijk laat volgen. Want ren brood is hel, zoo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen eens broods deelachtig zijn, lalen nauwelijks eene andere gezonde verklaring toe, dan die, welke der waarheid ten gronde ligt, dal wij door hel genot van het heilig avondmaal de wezentlijkste lichamelijkheid des Heeren deelachtig worden, en gevolgelijk, dewijl wij het eene brood ontvangen, op de wezentlijkste wijze een lichaam, of gelijk wij Kfeze 5: 30 lezen: leden des lichaams van Christus, van zijn vlecsch en van zijn been zijn. Zeker is ook het (ie hoofdstuk van Johannes, bijzonder het 54e vers: Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en II,: zal hem opwekken ten uitersten dage, in betrekking tot het avondmaal op te vatten. In ieder geval zou de lleere, wanneer Hem hier ook niet eene lichamelijke vereeniging

ocr page 122

100

voor oogen had gezweefd, Zich anders hebben uitgedrukt, en bijzonder de over de harde reden morrende discipelen met een ander antwoord hebben te recht gewezen, dan gij weet dat HU gedaan beeft. Genoeg, terwijl de Zaligmaker hij zijn hondszegel spreekt dit (ik herinner hier weder aan de onzijdige ol' zakelijke vorm van dit woord) is mijn lichaam, dit is mijn bloed, deelt Ilij ons, benevens do geestelijke goederen, zijne verheerlijkte lichamelijkheid mede, en verplaatst ons met zijne Clodmenscholijke persoonlijkheid in de wezent-lijkste en meest uitgestrekte gemeenschap; eene gemeenschap, welker heerlijkheid en zegenrijke gevolgen gedeeltelijk reeds hier hij ons tot bewustheid komen.

Ziet, mijne Beminden! op deze wijze ontvouwt zich het doel des avondtnaals in de drievoudige beteekenis van eene gedachtenis,- ver-zegelings- en vereenigingsinaaltijd. Waar men in deze beschouwing van het avondmaal des Hecren overeenstemt, daar moet men niet verder twisten of strijden, maar over de éénheid des geloofs met dank tot God zich verheugen. Wat buiten de grenzen van deze beschouwing ligt, behoort tot de menschelijke school en niet meer tot de Bijhelsche godgeleerdheid. Ten minste moest niemand zich inlaten, om over den aard en de wijze, hoe Christus door middel van het brood en den wijn ons in de gemeenschap zijner lichamelijkheid verheft, een bepaald gevoelen vast te stellen, daar de Schrift zelve niet goed gevonden heeft dit te doen. Voor de in allen ootmoed te werk gaande gissing en vermoeding moge hier altijd eene groote speelruimte overblijven, elke heerschzuchti^e stelselzucht daarentegen is op dat punt alle speelruimte door het Woord Gods ontnomen. Het hor der spijziging en drenking met het, verheerlijkt lichaam en bloed van Christus moet, zoo lang wij aan deze zijde des grafs verkoeren, voor ons verstandelijk begrip eene verhorgenheid blijven. Dat zij echter werkelijk in het hondszegel plaats vinden, staat volgens mijne overtuiging lüjhelsch vast, en kan niet met gronden des Goddelijken Woords bestreden worden.

Welk eene onvergelijkelijke erllating des lleeren derhalve Is het avondmaal! Welk eene volheid van hemelsche zegeningen en genadebewijzen heeft Hij in deze instelling over ons uitgegeten! ü, houden wij daarom dit kostbaar erfgoed hoog in waarde en eer! Maken wij het, door een dikwijls herhaalde heilhegeerige toenadering, dienstbaar lot heiligmaking en beerlijkmaking van onzen inweudigen mensch. Komen wij slechts in de rechte avondmaalstooi, dat is in kinderlijke eenvoudigheid en armoede des geestes, en het zal hij het wederkeeren van de heilige plaatse ook hij ons niet ontbreken aan den wedergalm van de innige woorden des ouden kerkzangers;

Hoe ben ik begenadigd!

Met hemelspijs en drank

Werd hier mijn ziel verzadigd,

Ik zeg den Heere dank.

Aran hier gij aardsch gewemel,

Al boeit mij menig band,

ocr page 123

107

Toch zucht ik naar den hemel,

Als naar mijn vaderland. Van hier! daar zal ik leven,

Bevrijd van ziekte en smart, En zal de Heer mij geven Een altijd vrooiyk hart.

Amen.

ocr page 124

XII.

11 E K II E, BEN IK HET?

De voi'boi'genliedori Gods ondersclieiden zich van die der nienselie-lijke wijsheid ook daarin, dat de laatste het inzicht harer diepten enkel beloven aan den j^eest, die met een krachtig zelfvertrouwen zich verheft, terwijl de Goddelijke wijsheid dit alleen belooft aan hen, die afstand doen van de erkentenis aller eigene bekwaamheid. Het is mij f/oecl, zegt David, Ps. II!) : 71, dat ik verdriüd ben r/ewcest, opdat ik uwe inzeltinf/en leerde. In de levende bewustheid, dat wij in ons zeiven niets weten, en ook niets zijn, en niets vermogen, ligt niet enkel de sleutel tot ai de schatten der Goddelijke waarheid, maar wordt ook ie gelijker tijd de weg gebaand tot alle bereikbare heerlijkheid des bestaans en van het vermogen. Wie toch heeft eenige bevatting van de liefde Gods, alvorens hij van zijne eigene ellende overtuigt is; wie peilt de wonderen der verlossing, alvorens hij bewust geworden is van zijne behoefte tot verlossing? Wie niet in zichzelven stierf, stond ook niet in Christus op, en niemand bevindt zich in de hemelsche dingen overgebraebt, alvorens hij eene nederdaling in de onderste plaatsen der geestelijke armoede ondervonden heeft. Hiervan breedvoeriger met u te spreken, zij ons tot zegen! Onze tegenwoordige tekst geeft er ons aanleiding toe.

Mattheus 20 : 21—23.

En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden. En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begen een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere? En Hij antwoordende, zeide: Die den hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.

De voorgelezene woorden verplaatsen ons nog eenmaal in het vertrek des avondmaals, en wel achterwaarts in den tijd, welke de instelling van het Hondszegel onmiddellijk voorafging. Wij houden op deze wijze eene nalezing op dit aan beschouwingen zoo rijk gebied, en richten voor ditmaal onze blikken bij voorkeur op de als in elfstem-mig koor tot den Heere gerichte vraag der discipelen. In deze vraag komen ons de elve voor, als in angstig onderzoek verdiept. Htschouwen wij:

ocr page 125

i()ü

I.

Do aanleiding;

11.

Het voorwerp;

Hl.

Het gebied;

IV.

Het hulpmiddel; en

eindelijk

V.

Het gevolg van hun

onderzoek.

De Heere zij onze linlpe, opdat wij bij de dingen, die thans onze voorstelling' voorbijgaan, meer dan ledige aaftschouwers zijn. Moge zij ons in gelijke gemoedsbeweging brengen als de discipelen, en mogen zij ons met hen tot een gelijk doel geleiden!

T.

Onmiskenbaar treffen wij de discipelen in onzen tekst op eene geestelijke jacht aan. Hunne gemoederen zijn in levendige opwekking. Hunne gedachten strekken zich uit tot opsporing en verkrijging. Wat brengt bon in deze onrustige beweging? Een aanwijzend woord van den verbeven. Man in hun midden heeft hot gedaan. Deze wees bun het voorwerp aan, dat zij zoeken, en dat hun bij hunne vraag: Heere, ben il: hel? voor oogen staat. Zijne verzekering, dat er een menscb bestaat, gelijk die, om wier ontdekking bet thans bij ben te doen is, was voor hen toereikend, oin het beslaan van zoodanig een menscb niet meer twijfelachtig bij hen te doen zijn. En inderdaad moest ook voor ons een woord uit den mond van dezen Man, wat het ook betrof, aan allen twist voor altijd een einde maken. Want wie is bet, die in Hem de lippen opent? Een Man, wiens komst in de wereld duizende jaren te voren op de bepaaldste wijze werd aangewezen. Het is de door Kngelenkoren en hemelsch gevolg uit den hemel op de aarde begeleidden Heere. Hij is het, van wien de stem der hoogwaardige majesteit zelve, het als donderslagen luidsprekende getuigenis gaf: „Deze is het, en Hem zult gij hooren!quot; Hij is Het, die zijnen bovenaardschen ai'komstbrief niet enkel in woordelijke beluigingen, maar ook te gelijk in den glans eener zonneheldere beilig-beid, en in scheppende daden van almacht voor ons ontvouwde. Een Man, dio tot bewijs zijner waardigheid reeds aan de verrotting ter prooi gegevenen uit de graven deed herleven, die stormen en zeebaren met gebiedende stem deed stille zijn, die over dood, duivel en hel daarheen trad, gelijk een overwinnaar over tie lijken der verslagenen; die in de harten der menschen las als in geopende boeken, en de verste toekomst als een met licht overdekt landschap voor zich zag uitgebreid. Een Man, wien bij elke schrede, dien Hij deed, den naam Koniny der koningen van den zoom zijns kleeds schitterde; die, nadat Hij zijne groote zending vervuld had, de aarde als eene lichte boot onder Zich wegstiet, en omringd door het gejuich der hemelsche heirscbaren, zichthaar Zich ophief in de eeuwige Godstad; die vervolgens Zich onder de stervelingen oenen lof toebereidde van vurige tongen, en tot een gedenkteeken zijns naams den tempel zijner Kerk, deze behuizing Gods in den Geest achterliet. Zulk een Man met duizende geloofsbrieven voorzien, sprak toen en spreekt nog

ocr page 126

) '

IK)

heden in (Ie wereld, en zelfs de duivelen gelooven zijne woorden eii sidderen. En gij, onzaligen onder ons, gij, nachtwandelaren op den ij reeden weg! vertoeft en aarzelt gij nog, om u tot liet geloof te schikken? Hoort ook gij Hem niet ontelbare malen spreken van den ernst der eeuwigheid en van de noodzakelijkheid om aan uw huis bevel te geven? Mij dunkt, wat Hij u daarvan zeide, had u reeds als stormklokkengelui in de ooren moeten klinken. Vernaamt gij zijne uitspraken niet aangaande Gods vuurijver tegen de overtreders, liet beslissend oordeel na den dood, de zaligheid der beproefd bevondenen en de eeuwige verdoemenis der onboetvaardigen? Wanneer slechts een Man als Hij verzekerde, dat daar ginds eene hel voor de overtreders brandt, alsdan moesten ons als een indruk zijner woorden de steenon voor liet hoofd springen. En gij kunt de zielschokkende uitspraken van dezen Onbedriegelijken aanhooren als kwamen zij van de lippen eens onwijzen en droomers, en gij kunt er bij slapen, als bij den adem des winds, die slechts spelend door de takken des booms ruischt? Ü, weet het toch, van deze verschrikkingen der eeuwigheid spreekt tot u geen zedenleeraar, maar de Man, wien zelfs de hel genoodzaakt was te erkennen in de woorden: „Wij weten dat Gij zijtde Christus, de Zone Gods!quot; O, komt gij eenmaal tot dien dag, en wilt gij tot uwe verontschuldiging zeggen; „Heere! wij wisten niet dat het zoo ernstig gemeend ware; wij hadden er geen denkbeeld van,-dat zulk een rechterstoel ons verbeidde; het kwam niet bij ons op, aan te nemen, dat den zondaar inderdaad een vuur verbeidt, dat niet wordt uitgebluscht, en een worm, die niet sterft.quot; Voorzeker, een luid hoongelach der afgrondsmachten zal u tot antwoord strekken op uwe zelfverdedigingsrede, en lot u zal het heeten: Hoe! zoo bleven u dan alle dingen verborgen, waarvan de Waarheid zelve van de daken tot u gesproken heeft; gij, die voor den leerstoel des Meesters aller meesters hebt gezeten, en wien do sterrenhemel eene gedurende vier duizend jaren niet opgehouden hebbende openbaring Gods over het hoofd heeft gestraald. Wat heeft er toch meer tot uwe waarschuwing en terechtwijzing kunnen geschieden dan er werkelijk geschied is V Gij echter wildot het leven niet, maar den dood. Welnu dan, beërft hem!

II.

De discipelen in onzen tekst gingen verstandiger te werk. Zij dachten : de Meester heeft het gezegd! en hadden daarmede genoeg, om aan de waarheid van het gehoorde niet een oogenblik te twijfelen. Wat had de Heere hen echter geopenbaard? Een hartroerend geheim. Hij zeide hun, dat er zich ergens een onzalig mensch bevond, die deel noch hoop in het koninkrijk Gods hebben, en nimmermeer het leven zien zou. Het bloed des Lams zou hom niet wasschen, de gerechtigheid van den Middelaar hem niet bedekken; veelmeer zou hij blijven die hij was, een kind des duivels, wien het beter ware, dat hij niet geboren was. Deze verworpene zou de eenige grond van alle heil van zich stooten, en den Heere der heerlijkheid verraden, en daarom onredbaar als een kind des vloeks en des doods,

ocr page 127

de eeuwige verdoemenis te gomoet snellen. Dit werd hen door Jezus gezegd, en wal zeiden zij er van? Zeggen zij: „(iij spreekt hierover, doch zoo erg zal het wel niet zijn.quot; Denken zij, zoo als menigeen onder u gedacht zou hebben: „Dood? Kemvige verdoemenis? O, dit geldt zeker niet voor inenschen, dat zij daarover bekommerd zijn moeten, daar immers God do liefde zelve is.quot; Neen, zoo denken zij niet, maar de gedachte die in hnn binnenste de overband verkrijgt is deze: „De Man heeft het gesproken, die met éénen blik hemel en aarde, tegenwoordigheid en toekomst doorziet, en in wiens mond nooit bedrog gevonden is,quot; en daarom brengt deze uitspraak hunne zielen in zulk een' angst en in zulk eene verschrikking, iets dergelijks als tot de discipelen heeft de lleere ook ons gezegd, mijne Vrienden! Ook wij hooren ten minste uit zijnen mond, dat er ten allen tijde wel vele geroepenen, maar dat er uit de gezamentlijke volken en .geslacblen der aarde slechts weinigen uitverkorenen zijn en den weg ten leven vinden, terwijl velen, wien het daarom beter ware nooit geboren te zijn, den weg der verdoemenis bewandelen en onred-baar de bol te gemoet rijpen. Aan bejammerenswaardigen van deze soort zal er dan ook in don tegenwoordigen tijd geen gebrek zijn. Hij sprak het immers, die niet liegt. Welaan dan, het hoofd niet weder geschud, en niet meer lichtvaardig voorbij deze woorden heen-gedarteld, maar u toebereid tot hot ernstig onderzoek: Waar zijn de opgeschrevenen tot de slachtbank, en hoe heeten de namen van deze kinderen des doods?

III.

De rust onzer discipelen is weg, sedert zij door de mededeeling huns Meesters weten, dat er één is onder bon, die verloren gaat. Zij moeten weten wie dat is. Zij kunnen deze zaak niet laten rusten. Zoo gaan zij dan aan het navragen en aan liet onderzoeken. Op welk gebied echter zoeken zij den man des doods? Zij loopen niet in do verte, zoo als gij vermoedelijk zoudt gedaan hebben, gij, die om den verloren zoon te vinden, de kerkers en rechtsplaatsen opzoekt, of tot de banken, waar de spotters en lasteraars zitten, u vervoegt, of misschien zelfs wel de rooverholen en moordenaarsspelonken tot het doel uwer jacht gesteld hebt. De discipelen blijven in de naaste omgeving, en zoeken den aangeduide te Jeruzalem, in de zaal, die hen vereenigt, aan de tafel, rondom welke zij zitten, en dus in hunnen eigen kring. En gij weet, op dezen weg dwaalden zij niet.

Mijne Vrienden! bet is nog geen onbedriegelijk teeken, dat men zelf niet het kind des doods is, wanneer iemand uit de inenschen n voor een kind Gods houdt, terwijl onze uiterlijke houding zulk een oordeel schijnt te rechtvaardigen. Menschen, (lie het verderf te ge-moet gaan, worden ook gevonden onder de eerbaren en onbespro-kenen, onder de kerkgangers en godsdienstigen, ja zelfs onder de avondmaalgangers, bidders en psalrnzingers. In gemeenten waar het Evangelie heerschende is, gelijk bij ons, vangt de satan gewoonlijk evenveel zielen in de strikken van een godsdienstig zelfbedrog, als hij op andere plaatsen in de kuilen des ongeloofs en der goddeloos-

ocr page 128

lltgt;

heicl aan zich dienstbaar maakt. Het is u toch bekend, dat onder dezulken, tot wien eenmaal liet woord der verschrikking gericht zal worden: Ik heb u nooit gekend! niet weinigen zullen gevonden worden, die met goede gronden kunnen zeggen; „Heere! hebben wij niet met U gegeten en gedronken, hebben wij niet in uwen Naam geprofeteerd, wonderen gedaan en duivelen uitgedreven?quot; Ook den elve was dit niet verborgen, en daarom vermochten zij zich niet bij do aanwijzing des lleeren, dat er een vervloekte onder hen zij, gerust te stellen, daarmede dal zij zich in Jezus' nabijheid bevonden. Neen, zelfs in dezen geheiligden kring, rondom deze tafel, zoeken zij naar dezen mensch. Onder hen kon nog een huichelaar verbolgen zijn, of iemand, in wien zich alleen de oude mensch bekeerde, zonder dat er een nieuw leven bij werd ingeplant, ol een verblinde, wien over zijnen waren toestand de oogen gesloten gehouden werden.

Mijne Vrienden! neemt een voorbeeld aan de Elve. en zoekt niet in de verte, wanneer het er op aankomt te weten, wie ten doode zijn opgeschreven. Begint met hot zoeken tusschen uwe eigene muren , en sluit u niet nit van hen, die gij er op aanziet, alsof zij misschien de beweenenswaardigen waren. Integendeel, houdt de lantaarn eerst boven het eigen hoofd en voor het eigen hart. Niet alleen wandelen zij naar de middernachtelijke duisternis, die zich opentlijk onder de oproervaan van de vijanden van God en zijn Gezalfde-scharen, er zijn er ook, die met den geopenden bijbel in. hunne hand, met het teeken des kruises aan hunnen hals, en met den naam van Jezus op de lippen ter helle varen.

IV.

Om bet voorwerp van hun onderzoek niet te missen, nemen de zoekenden in onzen tekst een licht te haat, en wel het helderste en doordringendste dat er op de wereld bestaat, hetwelk nooit bedriegt en nimmer een valschen schijn geeft. Het is het licht van Jezus' oogen, die alles doorgronden, die harten en nieren beproeven. „Heerequot; zoo vragen zij, de een na den ander, diep beangstigd onbekommerd, „ben ik het, ben ik het?quot; En o, hoe roerend is deze trek, hoe liefelijk en hoe navolgenswaardig!

Met dezelfde lantaarn als zij zochten, zocht ook David. Doonjrond mij o God! en hen mijn hart! beproef mij en ken mijne gedachlen. En zie, of hij mij, een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen locg! De Farizeën zochten den man des doods nooit bij dat licht, maar bij dat hunner eigenliefde, en daarom tastten zij zoo dikwijls mis in Hom, ofschoon zij Hem zoo nabij zich hadden. Door dezulken die van de onzen zijn, wordt niet zelden gezocht op het bedriegelijk schijnsel van valsche kenmerken, en vinden Hem dus evenmin, als al de anderen Hem vinden. O, gij doordringend licht der oogen van den grooten God! Mocht toch ieder tot u zich wenden, opdat gij hem mocht helpen, den zondaar te ontdekken. Hoe spoedig zou hij in zijne verborgene schuilhoeken zijn opgespoord ,

ocr page 129

m

cn hoe veet nader zou liij, tot verrassing van oen ieder , zich bevinden, als men dit ooit zou gedacht hebben.

V.

Wij vragen eindelijk naar liet gevolg of den uitslag, waarmede het onderzoek der Elve bekroond werd? en komen thans tot 'iet belangrijkste en meest verkwikkende gedeelte onzer besdiouwing. liet kind des doods is ontdekt. Zij hebben ziehzolven allen als met den strik öm den hals tot den lieere geleid, en zich aan bet gericht overgeleverd. „Hoe! allen?quot; vraagt gij verwonderd. Zoo is het. Met uitzondering van een enkele hebben zicli allen, zoowel Petrus en Johannes als Andreas, Jacobus, Filippus en de overigen dm zondaar, op wien de Heiland gewezen heel't, in zichzelven ontdekt en gevangen genomen. „In buntie eigene personen?quot; Ja, en nergens anders. Moort hun smartelijk: He,ere! ben ik hel? en zie op de neerslachtige houding, den van tranen druppenden blik, waarmede zij dit woord doen gepaard gaan. Wat willen zij zeggen? Een iegelijk hunner onwillekeurig niets anders dan dit; „Ja Heere! zoo bedorven vind ik mijn hart, dat ik tot al het kwade geneigd beu; en als de wind der verzoeking er naar waait, dan is het mogelijk (ook Petnis zelf voelt, dit nog in dit oogenblik) dat ik in staat zijn zou, ü, o hoogste Goed, gelijk Gij gezegd hebt, te verraden. Onbewaard, aan mij zei ven overgelaten, vermag ik niet voor mij zeiven in te staan. Wee! ik gevoel mij verkocht onder de zonde, en met mijne beste voornemens vinde iic mij niets anders te zijn dan een waggelend riet in den wind.quot; Ziet, mijne Vrienden! dit is de bevinding onzer discipelen. Het wild, dat zij nagejaagd hebben, is gevangen. Doch welk eene heilzame vangst is deze! Want terwijl zij, de gegrepenen, ieder voor ziehzolven tot den Heere gebracht worden, opdat Hij hen oordeele en in banden sla, lezen zij oogenblikkelijk in den aanminnigen liefdeblik des Meesters een teeder woord, en dat heet: misgetast! En terstond daarop wordt hun dat woord nog op meer verstaanbare wijze door zijnen mond herhaald: „Gijlieden zijt het niet, maar die de hand met Mij in den sehotel indoopt, die zal Mij verraden. „Welnu!quot; zoo hoor ik zeggen , „zoo hadden de Elve zich toch vergist.quot; Volstrekt niet, mijne Vrienden! Dat zij zich bekwaam achtten tot het verraad, en alzoo den verrader in ziehzolven meenden ontdekt te hebben, was geene vergissing; dat zij echter de misdaad zelve niet volbrachten, dankten zij aan de hoede en de bewaring van Hem, aan Wien zij zich opentlijk overleverden, die hen met Goddelijke banden boeide, hen door zijnen Heiligen Geest machteloos maakte ten kwade, en hen aan een ander, beter ik in hun zeiven deed gehoorzaam zijn.

Hoort gij, mijne Beminden! de groote waarheid, welke de grondslag van onzen tekst is? De werkelijk verlorenen, de kinderen des toorns zijn dezulken, die of den vloekwaardigen zondaar in ziehzolven niet erkennen, of die, gelijk de zwarte raaf daar ginds onder de gasten in de eetzaal te Jeruzalem, den zoon der verderfenis wel in zich ontdekken, maar noch zeiven hem oordeelen, noch aan den

8

ocr page 130

iU

Üeere overleveren, opdat Hij hem aan den dood overgeve. Veel meer zoeken zij hem (den zondaar, den verrader) te redden, of gelijk die valsche broeder onder de twaalve met zijn bloot nagebootst en oprechtheid huichelend Hccre, ben ik het'? deed, te vermommen. Allen daarentegen, die niet enkel dezen tot alle kwaad geneigden zondaar in zichzelven ontdekken, maar hem ook in heilige ontroering geboeid voor het aangezicht des Heiligen Gods leidden, het oordeel der verwerping van dezen allerhoogsten Rechter over hem op hunne knieën als rechtvaardig huldigen, en het als eene genade af-smeeken, om hem met den bliksem des Heiligen Geestes te verpletteren en in zijne plaats eenen nieuwen mensch, een mensch Gods in hem te verwekken, deze allen prijzen wij zalig. Want van het oogenblik zulk eener zelfgevangenneming worden wij als lieden gekenmerkt, tegen welke de bevelbrief van het opperste gerechtshof wordt ingetrokken, en wij behoeven ons voortaan, hetzij voor Mozes. of voor den satan niet meer te ontzetten. Zoo wij ons zeiven oor-deelen, zegt de Schrift, zoo worden wij niet geoordeeld; en op eene andere plaats; Die zichzelven vernedert, die zal verhoogd worden.

Neigen wij dan het oor tot de uitnoodiging van Jeremia den profeet: Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den Heere. Zeggen wij biddend met ons kerklied:

Verlicht mij, Heer! mijn licht!

Ik ben mij zeiv' verborgen;

Slechts voor uw aangezicht Ken ik mijn schuld en zorgen.

En geven wij plaats in ons hart voor de woorden van een oud zanger;

Heer! kom Gij met uw stralen En met uw Geestes gloed.

Doe ze uit uw hoogte dalen In 't diepst van mijn gemoed.

Wat tegen mij getuige,

Vergeef het in uw Zoon,

Opdat de ziele juiche Voor uw' genadetroon!

Amen.

ocr page 131

Xlli.

JUDAS ISGARIOT JT.

Als eon ernstig waarscbuwond vooi'hecld voor allen, dio in plaats van voor God den llcoro te leven, aan oen der afgoden dezer wereld linnne ziel verkochten, gaat door de geschiedenis van David de donkere gestalte heen van den Gilonitor Achitofel. Als een man van scherpen blik en bekwamen geest, had hij zich door do wijsheid zijner raadgevingen aan het koninklijk hof onontbeerlijk gemaakt, ja, als hij raad gaf, alsdan was het, volgens het getuigenis der Schrift, als had men Gode gevraagd. Zoo zwaar woog zijn oordeel en meening als staatsman, zoodat hij zich dan ook tot de schitterende waardigheid van eersten raadsheer der kroon verheven zag, en daarmede, ten minste voor het oogenhlik, liet toppunt van zijn wenschen en streven bereikt had. Want do eere der wereld was de afgod, voor welke hij tot ieder offer bereid was, en te gelijk de prijs, voor welke hij alles te koop had.

Zoo lang het geluk, do zegepraal en de macht David vergezelden, mocht hij ook Achitofel onder zijne geestdriftigste vrienden tellen. Getrouwheid is echter een parel, die enkel te vinden is hij hen, die God vreezen, terwijl op alle andere monschen alleen tot zoo lang met zekerheid te rekenen is, als hunne eigenbatige belangen niet met hunne overgegevenheid aan den man hunner vereering in tegenspraak komen.

De opstand van Absalom was openbaar in Israël. Het grootste gedeelte van het volk scheen zich onder de banier van den opstandeling te scharen. David, van weinige getrouwe dienaren vergezeld, verliet de stad Jeruzalem , en met zijne heerlijkheid ligt ook die van Achitofel in het stof. Wat nu Ie doen? Achitofel brengt thans in overweging, niet wat God gebiedt, maar wat naar alle menschelijke berekening de waarschijnlijke uitslag van dit oproer wezen zal. En daar hij nu, omdat hij de alles besturende hand daarboven buiten de zaak laat, de zaak zijns konings als verloren meent te moeten be-sehouwen, spoedt hij zich, aangevuurd door de hope op nog schitterender en invloedrijker bedieningen, dan hij tot nu toe bekleedde, om den oproerigen Absalom zijne diensten aan te bieden, en vindt deze dan ook natuurlijk gaarne bereid, om hem, den bekwamen staatsdienaar, onder zijne raadslieden op te nemen.

Bij David verzamelde zich echter spoedig weder uit het volk des lands eene kleine, maar getrouwe strijdlustige heldenschaar. Absalom

ocr page 132

110

begeert raad, hoe hij zich te gedragen hehhe, om zijne zegepraal en heerschappij to bevestigen. Achitofe! doet den voorslag, om zelf met twaalf duizend man den onttroonden vluchteling na te jagen; alsdan zou hij hem, terwijl hij moedeen mat was, onvoorziens overvallen, en nadat liij het volk, dat zich om hem geschaard had, door dezen onverwachten aanval uit elkander bad gedreven, den vluchtenden koning zelf zoeken te vangen en te dooden. Absalom keurt dezen raad goed, doch hij wil ook weten, wat Husaï te zeggen beeft, de man, die onder den schijn alsof hij bet ook met den geweldenaar hield, als David's berichtgever in Jeruzalem teruggebleven was. Husaï verwerpt Achitofel's raad, en geeft eenen anderen, die door Absalom boter wordt gekeurd. Toen Achitofel deze zijne vernedering en nederlaag verneemt, meent bij op eens de idealen zijner eerzucht voor altijd te zien wegvloeien, en vervalt in eene droefgeestigheid, die bij de loopende geruchten van de toenemende krijgsbenden, die Davids zijde kiezen, on bij de veroordeelende rechterlijke uitspraken van zijn met schuld beladen geweten ten hoogsten toppunt stijgt. Hij, gewoon altijd de eerste te zijn, na wien niemand meer waagde liet woord te voeren, acht het paradijs zijner aardsche heerlijkheid — en voor eene andere was zijne ziel nimmer ontgloeid — onherstelbaar verloren, en zoo scheen hem het leven eene eenzame, van alle vreugd ontledigde woestijn, op welke zich daarbij de toekomst als een starrenlooze, van onweder zwangere nacht nederliet. Wat nu te doen? Achitofel zadelt, met de wanhoop in het hart, zijnen ezel, vertrekt van Jeruzalem naar de stad zijner geboorte, maakt de beschikking over zijn huis, neemt een strik, werpt dien om don hals, en — Ü Sam. 17: 23 leest gij het — verhangt zich, als een beklagenswaardig' offer dor Godvervreemdheid en der wereldvergoding. Eene roepstemmo van wee! galmt over zijn graf tot op dezen dag!

Gij vraagt, waarom ik u deze treurige geschiedenis verhaal? Omdat zij voorspelling is van eene nog veel ontzettender geschiedenis, tot welke wij op don weg onzer beschouwing gekomen zijn. Judas Isca-rioth is do Achitofel van bet Nieuwe Testament. Daarvoor heeft de Kerk hem van ouds af erkend, en wol, zoo als wij beden overtuigd zullen worden, met volle recht.

mattii. 26 : 21—25. marc. 14 : 18—21. i,uc. 22 ; 21—23. joh. 13 : 21—32.

Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voortvaar •, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden. De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende van wie Hij dat zeide. En een iegelijk van hen begon tot Hem te zeggen: Ben ik het, Hecre? En Hij antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden. De Zoon des mensehen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven is, maat wee dien mensch, door welken de Zoon des mensehen verraden wordt, het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was geweest. En zij

ocr page 133

117

begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zon? En een van zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch Avare van welken Hij dit zeide. En deze vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Jleere wie is het! Jezus antwoordde: Dezi is het, dien Ik de bete, als Ik ze UKjedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas Simonszoon Iscarioth. Toen antwoordde Judas, en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. En na de bete, voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doet dat haastelijk. En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dit zeide. Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat Jezus hem zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest, of dat hij den armen wat geven zou. Hij dan de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht. Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensehen verheerlijkt en God is in .Hem verheerlijkt. Indien God in Hem verheerlijkt is, zoo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven, en Hij zal Hem terstond verheerlijken.

Ju de stralen der zon, dat heerlijk gestarnte, rijpt de druif en de sodoms-appel. liet Evangelie, dat den eenen een reuk is des levens ten leven, wordt eenen anderen een reuk des doods ten doode. Christus is gezet lot eenen val en eene opstanding van velen. Ziet, elf zijner vertrouwelingen worden in zijn verkeer en gemeenschap verheerlijkt tot wereldverlichtende slarren Gods. Eeu twaalfde verduistert zich iu dienzelfden kring en omgeving tot eenen nachtgeest, lot een kind der helle.

Ilondom Judas Iscarioth vereenigen zich thans onze gedachten. Wij ricliten onze hlikken:

I. op hem zeiven, en

II. op zijne nieuwste verwanten en broeders.

liet is ecu donkere en huiveringvolle weg, dien wij thans hetreden. Dat hij ons leere, voor ons zelven te verschrikken, en strekke hij ons tot eeuen spoorslag, om onze zielen in veiligheid te brengen.

I.

Ongeveer ter zelfder tijd, toen het Woord te Bethlehem vleesch werd, en de engelen Gods den Gekomene hun serafijnsch welkomstlied toezongen, was er ook vreugde in de hut van Simon te Garioth, in den stam van Juda, want ook hier had een zoontje, ofschoon slechts een hloot menschelijk kind, het licht ontvangen. Ik denk, dat de hemelsche wachters der kleinen ook hem hunnen welkomstgroet hebben gebracht, en zijne ouders noemden dankbaar en vol vroolijke verwachting het knaapje Judas, dat is Gods lof of de Belijder, en wijdden hem daarmede met stille aandoening aan den Almachtige, die

ocr page 134

118

hem uit genade geschonken had. Het jongske was immers welgemaakt en bevallig om te aanschouwen. En het stond hem toch ook niet aan het voorhoofd geschreven, wat uit hem worden en hem wedervaren zou. Ach, wij zien thans deze huiselijke gebeurtenis met andere oogen aan, en beschouwen het feestelijk gestemde ouderpaar met diepen weemoed; want wij weten, dat reeds om de wieg van hunnen zoo vroolijk begroetten zuigeling een duister kleed lag gespreid, samengesteld uit profetische uitspraken, zoo als Ps. 41 ; iÜ; Zelfs de man mijns vredes, op welken Ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de versenen tegen Mij grootelijks verheven, en Ps. 109 : 17: Dewijl hij den vloek heeft lief gehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zoo zij die verre van hem. Als eene waarzegging van de toekomst des nieuwgeborenen, doemde van verre de schrikvolle schaduw van Achitofel op. De ouders zagen die schaduw niet; wij zien hem en sidderen. Uit den vroegeren levenstijd van Judas ontbreken ons wel alle berichten, doch wij dwalen zeer zeker niet, wanneer wij ons zijne voortgaande ontwikkeling voorstellen, als recht gevende tot buitengewone verwachtingen. Hij betoonde zich al spoedig iemand van uitstekende vermogens, van een doordringend verstand, sterke prikkelbaarheid en veerkrachtigen wil le zijn, en scheen daarom —■ waarvan hij zich wellicht ook vroeg genoeg bewust geworden is — bestemd te zijn tot werkzaamheden van eene hoogere soort, dan de ruimte van het engbegrensde stille burgerlijke leven toelieten. Gelijk de electrische stol', die door de lucht stroomt, al naardat de omstandigheden zich vereenigen, of tot een onheildreigenden bliksemslag, of tot een weldadig, de lucht reinigend, verfris-scbend en verlevendigend weerlicht samengetrokken wordt; zoo lag ook óf het eene óf het andere in de natuur van tien man uit Garioth. Dat hij zich ten eenigen tijd op de schouwplaats van het openbare leven zou doen opmerken, was vooruit te berekenen. Naardat hij met de volheid van zijnen aanleg en vatbaarheden onder eene hemel-sche of tegenovergestelde bewerking kwam, moest hij tol een uitverkoren werktuig Gods of een apostel en banierdrager des satans zich ontwikkelen. Wee! hij ging den weg ter linkerzijde, en met eene diepere en meer gerechtvaardigde smart, dan Jesaja den koning van Dabei nariep, roepen wij hem de woorden na: Hoe zijl gij van den hemel gevallen, gij schoone morgenster!

Het heidendom kende geenen Judas, en kon zoodanig een persoon niet voortbrengen. Zulk een misgewas rijpt slechts in den stralen-kring des Christendoms. Dat Judas onder de gelukkigste der sterren geboren was, werd zijn ongeluksgesternte. Hij kwam met Christus in eene te nauwe aanraking om niet, zoo niet geheel het eigendom van Christus, dan geheel het deel des satans te worden. Ook Judas heeft eenmaal zijnen tijd gehad, toen God zijne lamp deed schijnen over zijn hoofd, toen Gods verborgenheid over zijne tent was. Job 29 : 3, 4. Ook hein ontbrak het niet aan de ontvankelijkheid van indrukken vaa de hoogste natuur, en zijne ziel was vatbaar voor iedere edele opwekking des gevoels. De verschijning van den Schoonste onder de kinderen der menschen in den glans zijner wonderen trok hem aan,

ocr page 135

119

ofschoon ook de Zaligmaker en de Vriend der zondaren in de persoon-lijkheid van Jezus hein weinig behaagde. Hij zwoer, zeer zeker met een ongebroken hart, maar met een jeugdig schoone geestvervoering getrouwheid aan Jezus' banier, en (ie Kenner der harten, wien de verwachtingvolle begaafdheid van den in zekere mate werkelijk voor de zaak Gods ontvlamden jongeling niet ontging, opende hem vol vertrouwen den toegang tot zijne naaste en innigste gemeenschap in den discipelenkring. Nimmer zou Judas deze genade deelachtig zijn geworden, wanneer hij zich bloot uit onzuivere beweegredenen aan den Heere had aangesloten. In het oogenblik, toen hij zich den Heere aanbeval ter dienst, was hij geen huichelaar, ten minste niet met bewustheid. En wanneer hij voortaan met de overige discipelen nu bad, en dan zich in het Woord Gods verdiepte, en zelfs wel, zoo als dit later plaats had, dit Woord aan anderen verkondigde, zoo geschiedde dit eenen tijdlang ongetwijfeld nog met innerlijke waarheid. Tot opzettelijk bedrog en zich bewuste vermomming ging hij eerst later over. De Heere gaf hem de dienst eens ontvangers en beheerder der liefdegaven voor zijnen kleinen kring, en deed dit voorzeker om geene andere redenen, dan omdat Hij hem daartoe het meest geschikt en bekwaam keurde. Menigeen heeft wel op bijna lasterlijke wijze gemeend, dat de Heere hem de beurs heeft toevertrouwd met oogmerk om hem te beproeven, doch zulk eene gedachte is rechtstreeks te verwerpen. Integendeel geeft deze omstandigheid ons een nieuw bewijs, dat Judas in het begin van zijn jonger-schap het volle vertrouwen zijns Heeren bezat, ofschoon het deze niet verborgen kon blijven, dat het den discipel aan eene hartgrondige zelfkennis, en bijzonder aan die verbrijzeling des harten ontbrak, waarmede de deelneming aan de verlossing Gods als de volstrektste voorwaarde verbonden is. Bij alle groei van een vroom gevoelsleven bleef toch een kwade wortel in hem steken, namelijk de liefde tot de wereld, en bijzonder de liefde tot haar goud en ijdele eer. En inderdaad misleidde Judas zichzelven, als hij zijne toetrede tot den discipelenkring van Jezus aan diepere en meer heilige beginselen toeschreef, dan die gegrond waren in zijn verlangen naar de verwezentlijking van de altijd alleen aardsche tooverbeelden, die zijne levendige verbeelding voorspiegelde in dat koninkrijk, tot welker oprichting de Heere gekomen was. Gelijk hij echter bij zijne aansluiting aan de zaak des grooten Nazareners zelf meende den trek eener hoogere en edele opwekking te volgen, zoo meenden zijne mede-apostelen dit insgelijks ten zijnen opzichte. Alleen voor het oog des Heeren was het verborgen bederf zijns inwendigen levens ontdekt, doch de wonde was niet onheelbaar, en Christus was juist gekomen, opdat Hij als de Goddelijke geneesheer de kranken genezen en de gewonden verbinden zou. Ook heeft de barmhartige liefde van Jezus het aan niets laten ontbreken, om deze genezing tot stand te brengen. Doch wee! de uitslag beantwoordde niet aan zijne teedere en onvermoeide zorgvuldigheid en verpleging als die van den barmhartigen Samaritaan. Maar al te spoedig bleek het, dat de aanvankelijk zoo schoone geestdrift, op welker vleugelen Judas in de nabijheid van den Vorst des levens

ocr page 136

120

was gedragen, naar hare innerlijke natuur niets minder was dan een zuiver vuur van den hemel. Want hoe meer hij aan de wending, die het leven des lleeren nam, en aan des Heeren woorden en daden het schijnheeld zijner zinnelijke voorstellingen en verwachtingen van Gods koninkrijk zag te niet gaan, des te meer brandde het stroovuur van zijne schijnbaar zoo heilige geestdrift weg, en wat er in zijn hart van overbleef, was hot onheilige vuur van zijne eigenbatige aardsche verwachting en begeerte. Wel schijnt het eenigszins te bard gezegd, wat iemand zeide. dat „ieder zijnen prijs heeft, waarvoor hij zich weg geeft;quot; doch op den onwedergeboren mensch is dat woord inderdaad van toepassing, hoe lang het ook moge duren, dat het zich feitelijk aan hein bewaarheid. O, misleiden wij onszolven niet. Ook in de edelaardigste karakters, zoo lang ze niet door Christus geheiligd worden , woont de vatbaarheid, om naar de omstandigheden niet alleen kleingeestig, maar zelfs ook laag en gemeen te zijn. De natuurlijke mensch verliest ook in zijne meest beschaafde gestalte zijne centauri-sclio of mensch-diorlijke natuur niet, uit kracht van welke liij, na zoo even wellicht de hoogste der idealen te hebben nagevlogen, nu, slechts één oogenblik later, met het dier in Eden op den buik kruipt en stof eet.

Voor Judas kwam werkelijk dat oogenblik, waarin het hom gehikte om meester te worden van die ernstige waarschuwing, welke zich uit zijn nog niet ganschelijk gedood geweten verhief tegen de snoode Inst van zijn hart naar eene zolf gekozene schadeloosstelling voor de ondervondene teleurstelling. Waarschijnlijk onder de bedrie-gelijkc zelfoverreding, dat hij het enkel voor zich ter leen nam, legde liij voor de eerste maal zijne diefachtige hand aan de hem toevertrouwde liefdegaven, en nadat hij eens de grenzen zijner zedelijke bewustheid had verbroken en overschreden, volgde de tweede stap, en elke latere overtreding volgde zoo veel lichter en ongestoorder als de eerste nioeieiijk geweest was. Nu stelde echter in den persoon van zijnen heiligen Meester het richtend geweten zich buiten en tegenover bom. Het licht der wereld werd hem tot een brandend vuur, do Zaligmaker der zondaren werd reeds in zijne zwijgende optrede voor hem tot een geloofsrechter, voor wien hij zich als een doodschuldig misdadiger moest vernederen, of — en hij koos het laatste —■ zich in don sluier der schijnheiligheid vermommen. Een' geruimen tijd meende hij in het masker van zijne hem van nu aï beiuuste huichelarij volkomen veilig te zijn; doch nu kwam het voorval in het huis van Simon den Melaatsche te Bóthunië er bij. De liefde van Maria zalfde den ileere. Judas, zonder gevoel voor bet teedere en diepe dezer handeling, wierp eene schaduw op deze daad door de schijnvrome en toch zoo ruwe opmerking, dat hel beter geweest ware, dal deze kostbare zalve Verkocht geworden, en hel geld den armen gegeven ware. Do Ileere alstoen terstond voor de gekrenkte discipelin in de bres tredende, prijst deze hare handeling als een goed werk, dal nooit vergeten zou worden, en wees de onbetamelijke berisping, die de ongevoelige huichelaar zich veroorloofde, af, met de ernstige, merg en been doordringende woorden: Armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt lt;jij niet altijd. Uil deze woorden, en nog meer uit den smart-

ocr page 137

J21

vollen en meêdoogenvollen blik, waarmede de Heere hem bij deze woorden aanzag, ging den vermomden discipel op eens het volle licht op, dat de Heere zijn binnenste doorzag en zijn bedrog kende. Dit was een beslissend oogenblik voor Judas. Kon oogenblik, waarin bij nog eenmaal voor zijne keuze den zegen of den vloek zag voorgelegd, en dat, naar welke zijde dan ook, op zijne verdere, moeielijke levensontwikkeling noodzakelijk een beslissenden invloed uitoefenen moest. Of de verdwaalde discipel stort thans met een stroom van tranen des oprechten berouws aan de voeten van Jezus, en zoekt in zijnen verloren toestand redding en ontferming bij den troon der genade, óf het gekrenkt eergevoel behaalt de overwinning in liein, en geeft, door liein in den tegenovergestelden weg eener opzettelijke verharding mede te slepen, den satan gelegenheid om de lielsche vonk van verbittering in te blazen tegen Hem, wiens blik hij voortaan als een hatelijke fakkel over den nachtelijken afgrond zijns liarlen zweven zag. Gij weet, welke van deze wegen Judas insloeg. Terstond na de nog altijd zacht straffende en tot zijne genezing dienende woorden des Meesters, spoedde Judas zich uit liet gezelschap te Bellianië. En waar hij zich heenwendde is u insgelijks bekend. Onder do tegenstanders van Jezus gevoelt liij zich thans meer te huis, ja, liij gevoelt er zich meer in zijn element dan in den kring zijner medgezellen tot hiertoe, liet verdrag der dertig zilverlingen wordt, meer nog uit eene geheime wraakzucht dan uit gierigheid on hebzucht, gesloten. De tegenwerpingen van zijn geweten worden nu door Judas beanlwoord met de uitvlucht, dat het den wonderdoenden Rabbi eene lichte zaak is, om wanneer Hij wil, zich uit de handen zijner vijanden te redden. Overigens wist Judas slechts half wat hij deed. Hij had zich in eonen maalstroom geworpen, aan welken geen weêtstand meer to bieden was. Hij bestuurde zichzelven niet meer; een ander sleepte hem ach ter zich voort. HU was in dien vreeselijken toestand gekomen, waarin, zoo als de Profeet zich uitdrukt; onze voelen ziek dooien aan de schemerende bergrit.

Men zou denken, dat Judas van dat oogenblik af niet meer de tegenwoordigheid van Jezus heeft kunnen verdragen. Nochtans zien wij Judas spoedig weder aan zijne oude plaats in 'net midden der twaalve. Of hetgeen hem derwaarts heeft doen terugkeeren, de folterende onrust eu ban in zijn binnenste geweest is, of wellicht de bezorgdheid, om door zijne afwezigheid zich verdacht te maken, of dat hij zelfs nog wel de mogelijkheid mede in rekening bracht, dat het nog altijd tot het oprichten van een koninkrijk door Jozus naar zijn (Judas) zin kon komen, en hij zich voor zulk een geval, het spelen van zijne rol nog wilde voorbehouden? Ik weet bet niet; doch misschien dat wol alle deze beweegredenen samenwerkten. Genoeg, wij ontmoeten den zoon der verderfenis zelfs nog in den gemeenzamon gezelschapskring des avonds bij den paaschmaaltijd te Jeruzalem, en wij zien den Heere op nieuw alles beproeven, om de ter dood kranke ziel nog te redden. Uit teedere verschooning voor zijn eergevoel, eischt Hij de beurs van hem niet terug, maar laat hem in zijne tot nu toe ontvangene bediening. Doch dat Hij kennis draagt van het

ocr page 138

122

gevaar, waarin de ziel des ongelukkigen discipels verkeert, dat moet liij hem doen weten, en daarom had er plaats, wat wij thans hooren. Terwijl zij namelijk aan de tafel zitten, begint de Heere met diepe ontroering en verschoonende, innemende vriendelijkheid te zeggen; Voorwaar, voorwaar Ik zcfi ti, dat één van ulieden Mij zal verraden. Met onuitsprekelijke verbazing ontzetten zich de elve, en verschrikt en bekommerd zien zij elkander aan, en storten hunne harten de een na den ander in de vraag uit: Heere! hen ik het? ben ik het? De man des doods geeft zich niet te kennen. Ach! nog slechts bij minuten is zijn genadetijd te rekenen. Nu roept, als sprak zijn goede engel, eene stem in zijn binnenste: „Ontdek u zeiven. Judas! werp het masker van u, en ontvlucht, nog vóór het sluiten van de deur, het eeuwige verderf!quot; Doch Judas verzet zich en wikkelt zich nog dieper in zijnen mantel, want de stem van eenen anderen klinkt luider in zijne ziel, en onderdrukt in hem elke betere gewaarwording. Nu geeft de Heere zijne aanwijzing eenen bepaalden vorm, en zegt: één uit de hvaalve, die de hand met Mij in den schotel indoopt, zal Mij verraden. En daarna spreekt Hij plechtstatig het tvee uit over hem, die deze ongehoorde misdaad zou volbrengen, en ontsluiert dus zijne toekomst, en deze toekomst is de hel. Ach! de laatste roepstem der vermaning dondert in deze woorden des Heeren den ongelukkigen discipel door de ziel. Het hart der elve siddert. Simon Petrus wenkt' den apostel, die aan den boezem des Heeren lag, dat hij toch vragen zou, van wie de Meester dit zeide. Johannes waagt hot, niet zonder schroomvalligheid, den Heere te vragen, wie het was. En nu rukt de Meester den verrader de laatste overblijfsels van het masker van liet gelaat, en zegt: Deze is het, dien Ik de hete, al* Ik ze inr/edoopt heb, geven zal. En terwijl Hij dit zegt, doopt Hij de bete in den schotel, en reikt haar voor aller oogen toe aan Judas Simonszoon Iscarioth. Eene huivering overvalt de discipelen. En Judas? Daar staat hij doodsbleek, bevende, met zwervenden blik en buiten bezinning. O Judas! nog is bet tijd. Nog altijd was het de klank der boetklok, die in uwe ooren drong. Keer tot u zeiven in, werp de vermomming van u, beken uwe schuld en roep om genade. Doch „bekennen?quot; zoo denkt Judas bij zichzelven, „Hem nog de eere geven, die u zoo zonder verschooning beeft blootgesteld. Hoe' u zeiven voor de oogen van uwe medgezellen tot den schandpaal veroor-deelen, en u voor de geheele wereld als een jammerlijk, lafhartig menscli te betoonen? Neen, houd u kloek. Judas! wees een man en handel als zoodanig.quot; Zoo beet het in zijn binnenste, en met een mengsel van ontzettende vermetelheid en diepe verslagenheid waagt hij het nog, terwijl hij de hem aangeboden hete eet, tegenover de bepaalde en ondubbelzinnige aanwijzing van den Meester, de zeker met moeite uitgesproken vraag te doen: Rabbi, hen ik het? En nu antwoordt de Heere met oneindig leedgevoel, den zoon der verderfenis thans verloren gevend: Gij zefjt het. In dit oogenblik echter overwon de booze wil van Judas de laatste en krachtigste trekking der genade, en do zonde tegen den Heiligen Geest was voleindigd, liet jaar des welbelmgens sloot zich af, het uur der bezoeking der Goddelijke barm-

ocr page 139

123

hartigheid was geslagen. De engelen des vredes traden weenende af van zijne zijde; de satan echter triomfeerde en voer in hem. Het wnord des lleeren: één van u is een duivel, was nn tot waarheid geworden. üe vreeselijkste mensch, die tot hiertoe de aarde betrad, stond nu geheel ontwikkeld op den voorgrond.

Wat gij doet — dit roept de Heere hem ten slotte toe — doe dal haastiglijk. En Hij gaf hem hiermede te verstaan, dal Uij zijn ge-heele voornemen kende. Te gelijker tijd zeide de Heere Judas daarmede aan, dat Hij hem voortaan slechts als het werktuig beschouwde, door hetwelk zijn Hemelsche Vader Hem aan het lijden zou overgeven, en aan hetwelk Hij voornemens was Zich uit vrije zondaarsliefde te onderwerpen. De elve wisten zich de woorden wat r/ij doet, doe dat haastiglijk niet te verklaren. Sommigen hunner meenden in hunne eenvoudigheid, dat, daar Judas de beurs droeg, de Heere tot hem zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest, terwijl weèr anderen bet daarvoor hielden, dat de Heere Judas een wenk gaf, om den arme eene liefdegave uit te reiken. Zoo ver lag bij hen zelfs het vermoeden van de misdaad, welke één hunner medediscipelen in het schild voerde. Deze daarentegen verstond den Meester des te heter. Zien wij echter niet voorhij, dat Jezus bij zijn wat gij doet, doe dat haastiglijk te gelijk den verrader beval zich uit den kring zijner vertrouwelingen en uit de zaal der bijeenkomst Ie verwijderen. En wel kunnen de Schriftverklaarders recht hebben, die, steunende op de aanduidingen van den ooggetuige Johannes, zich Judas hij de instelling des avondmaals niet meer ais tegenwoordig voorstellen. Nauwelijks heeft het verloren kind op den ontvangen wenk het vertrek verlaten, en dat de Meester met zijne elf getrouwen zich alleen zag, zoo werd het Hem o zoo veel lichter om bet hart. liet was Hem toen, als ware de geheele omgeving eene geheel andere geworden, en de lucht, waarin Hij ademde, van allo vreemde, beklemmende en benauwende bestanddeelen gezuiverd geworden. De Heere haalde ruimer adem, en begon nu in verhevene geestverbelTing te zeggen: Nn is de Zoon des mensehen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. Indien God in Hem verheerlijkt is, zoo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven, en Hij zal Hem terstond verheerlijken.

Judas ging heen. Met vreeselijken nadruk merkt de geschiedenis op; En het was nacht. Ja, het was nacht uit- en inwendig. Wij zien den beklagenswaardige thans geheel verkocht onder het geweld der duistere machten, en tot het allervreeselijkste toebereid. Want wat heeft hij voor, en wat zal er geschieden? Eene lichtschuwe nachtgestalte maakt zich gereed, om, woedende van wraak, de Zon uit te blusschen, die zijne zwartheid doet kennen. Een waanzinnige Titan onderneemt het, om in den Heilige Israels den troon der zedelijke wereldorde om te keeren, opdat de zonde voortaan niets meer te vreezen hebbe. Een door de pijl van zijn geweten gewonde is er op uit om het algemeen en persoonlijk geweten, dat in Christus verscheen. en dat op de vonnissen van het persoonlijk geweten eerst het Goddelijk zegel drukt, in zijn bloed te verstikken en van de wereld uit te delgen. Ziel, zoodanige dingen zijn het, waartoe Judas

ocr page 140

124

zich thans, ofschoon ook met verwarde en half klare bewustheid, toerust. De donkere macht, in wier geweld hij gevallen is, sleurt hem als in een draaikolk met zich mode, en het staat niet meer in zijne macht, iioc te wandelen, of hoe zijnen gang te richten.

II.

O Judas, Judas! waart gij de eenige van uwe soort gebleven! Doch het aantal uwer broederen, vooral in onze dagen, beet legio. Deze uwe gemoedsverwanten zijn niet zoo zeer apostelen, gelijk gij er een waart, doch gelijk gij deedt, ademen ook zij de luclit des Evangelies in, en zien zich, als gij, door de stralen van de eeuwige Morgenster beschenen. Zij werden gedoopt, als gij; zij groeiden op, gedrenkt met de aanschouwing der Goddelijke waarheid, en wijdden, len dage hunner aanneming tot leden der kerk, met meer ol' minder bewustheid, zich o[) de plechtigste wijze den Heere en de dienst zijns Koninklijks toe. Doch, ongetrouw aan hunne heilige gelofte, vielen zij met de innerlijke richting huns barlen onder de macht van den god dezer wereld, en in plaats van hot rijk van (loddelijk licht én vrede verhief zich als hun ideaal een ander rijk , waaarin het vleesch in onbeteugelde vrijheid tot zijne volle bevrediging komen zou. Dat rijk streefden en streven zij na. Doch nu stelt ééne zaak zich hun in den weg tot dat doel. Het is het heilige op den troon van David met zijne macht. Christendom geheeten. Dat vordert de kruisiging des vleesches met de lusten en hegeerlijk bed en, onbepaalde onderwerping aan Gods geboden, onophoudelijk streven naar Godegelijkvormigheid, en het beveiligt het eigendom, heiligt het huwelijk, verbindt de familie en vloekt het oproer, den meineed, en elk bedrog en elke list, met de ontucht, de zwelgerij en elk vergrijp tegen de zedelijke wereldorde, van welke bet zich als den drager en vertegenwoordiger voorstelt. En zij, die daarentegen hunne begeerlijkheid tot wereldwet wenschen verheven te zien, gevoelen allen meer of minder bet gewicht zijner eischen in bun geweten met den prikkel zijner vloeken, en zijn, ook zonder bet toe te stemmen, innerlijk genoodzaakt om de waarschuwingen en uitspraken van hel Ghristendom , waarin zich de volstrekte en onafwijsbare waarheid voor hun geldend maakt, tegen zichzelve hun recht le geven. Dit echter vervult hen niet verbittering, en ontsteekt in ben de hellevouk van eenen geheimen baat tegen het Evangelie en diens inhoud en middelpunt: clc Heere.; want zij hegeeren bet kwade, en willen daarbij nochtans ongeoordeeld zijn en blijven. Zoo worden zij dan tot bemelhestormers, en treden toe tot mede-ondernemers van het kolossale waagstuk des duivels, om de macht en de grondvesting Gods in het Ghristendom den oorlog le verklaren, ten einde de gansdie wereld in het reuzeugraf van een God en onsterfelijkheid loochenend materialismns le begraven. Zij maken voor Jezus bet kruis eens dweepers, voor zijn Evangelie de mummiekist eener zoogenaamde veroudering, voor geheel zijne Kerk de Pilalustrap, over welker treden zij van de schouwplaats der werkelijkheid in een rijk van schaduwen afdaalt; cn /.ij vernieuwen

ocr page 141

125

hot verraad van Judas om liot loon dor dertig zilverlingen van een gehoopt wereldrijk, terwijl in de vergiftige adem eener vergankelijke aardsche lust binnen kort elk gevoel van eene hoogere bestemming der menschen versterven zal. Hoort slechts achter u, hoe onverholen reeds uit het leger der wereld der duivelen-krijgsgeschrei zich laat hooren: Weg met Jezus en met het Woord zijns kruises! Ja, hebben niet zelfs geluiden onze ooren verscheurd, zoo als het afgrijselijke: „Vloekt den ouden God!quot; en hebben niet reeds leuzen onze harten in onstuimige beweging gebracht, die de begrippen van Godsvrucht, deugd, goede zeden, kuischheid, ja alles wat gebod en verbod heet, uitkreten als behoorende lot het rijk der lang verjaarde hersenschimmen? Verschijnselen, zoo als zij ons thans voorkomen, zag de wereld nog nooit in zulk eene antichristelijke rijpheid en menigvuldigheid. In duizend voleindigde tegenbeelden staat, de verrader Judas, vol van Gotlmoordenden haat, andermaal op den voorgrond, en wanneer één leerstuk der Heilige Schrift in onzen tijd zijne handtastelijke vervulling vindt, dan is het die van het bestaan van een overste der duisternis en van een rijk van satanische krachten. Thans vervult zich wat de ziener Johannes profetisch getuigde: de 'duivel heeft eenen groolen toorn, want hij weet, dat zijn tijd kort is. De pinksterfeesten der hel zijn vervuld. Als een vuur-en zwavelregen giet zich hunnen geest over de menschheid uit, en hunne schilddragers en apostelen groeien als de paddestoelen uit den grond. Zie dan ieder toe, dat hij met dezen doop niet gedoopt worde. Wie niet reeds heden voor den Heere eene beslissende keus doet, die kan morgen tegen Hem overstaan en met de banier des satans optrekken. De onzijdigheid is thans een verloren voorpost. Wie slechts halverwege in de heerschende richting onzer dagen mede-wandelt, die eindigt, eer hij het vermoedt, en tegen beter voornemen aan, in den Judashaat, dat is in den strik des duivels; on wie den geest der eeuw ook slechts den vingertop toereikt, die kan er zeker op rekenen, dat hem spoedig de gansche hand genomen wordt.

Tot deu lleere derhalve, in allerijl tot den Heere! Met lichaam en ziel als een geheel olfer aan Hom zich overgegeven! Heden staat ons nog de toevlucht tot zijne wonden open, maar misschien reeds morgen niet meer. Op dan! brengen wij in die wonden onze zielen in veiligheid, en zuchten wij uit do diepten onzer harten:

Behoed mij, goede Herder!

Voor elke laag en strik.

Zoo niet, ik dwaal nog verder;

En rust geen oogenblik.

O, sluit mijn zinlijke oogen Voor satans list en schijn,

Eu wat hij ook moog pogen,

Wil Gij mijn Redder zijn !

Amen.

ocr page 142

XIV.

HET WEE OVER DEN MEN SC II.

Alvorens Israël, aan de grenzen van het heilige land gekomen, hetzelve werkelijk binnengaan kon, had het nog zware kampstrijden door te worstelen, maar ook in den naam van Jehova vreeselijke oordeelen over zijne en des Heeren vijanden te voltrekken. Zoo geschiedde het onder anderen, dat zich het volk jegens hen, de kinderen Israels , verzette, van hetwelk de Heere eenmaal tot Abraham gezegd had: Dc ongerechtigheid der Amorieten is tot nogtoe niet volkomen. Thans was de maat bij hen vol. Hoe lang had de Heere deze blinde heidenen met onvermoeid geduld gedragen! hoe herhaald en ernstig hen gewaarschuwd! Welk eene ruime gelegenheid, om Hem, den alleen waarachtigen God, te leeren kennen, aangeboden! Doch zij hadden hun hart verhard. Nu was de Goddelijke lankmoedigheid over hen ten einde, en het uur der vergelding voor hen geslagen. De Heere gaf ze in Israel's hand , en Israël sloeg hen met de scherpte des zwaards, zoodat van het trotsche leger geen enkele overbleef. Een gelijk lot trof, volgens Numeri 21 : 1—3, den koning Harad ui zijne Kanaanietische benden, die zich als een ijzer woud van speren het naderend wandelend leger in den weg stelde, dreigende om het den ingang in hot land der belofte af te snijden. Doch Israël riep tot den Heere, en God verhoorde de stem zijns volks. De vijanden werden nedergeworpen, de gevangenen verbannen, dat is ter dood gewijd, en hunne steden verwoest en met den grond gelijk gemaakt. En de plaats, waar Israël de overwinning behaalde, heette voortaan tot eeuwige herinnering Horma, dat is: stad der verbanning en des vloeks.

Zulke Horma's, zulke gedenkteekenen van zijnen rechterlijken ernst heeft God in menigte opgericht in de wereld. Ook heden komen wij tot zoodanig een gedenkteeken. Mocht de genade van God ons van den doornstruik eene zegenvolle druiftros laten plukken!

maïtheus 2G : 24.

De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is, maar wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt! Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was geweest.

S

ocr page 143

i'27

t)it is het grafschrift, hetwelk do ITeere zelf voor zijnen on gelukkigen discipel slekle. De woorden hebben een huiveringwekkenden klank. Zij galmen ais iicL gedruisch der gerichlshazuinen in ons midden; laat ons ze niet ontwijken maar nemen wij ze getrouw en diep ter harte, want zij bevatten eene roepstem der genade, en zij veranderen zich voor ons in een donderend: „Spoedt u nit Sod om, en redt uwe zielen!quot;

Wij maken des Heeren uitroep van het wee over den verrader tot het voorwerp onzer beschouwing, en betrachten:

I. zijnen schrikvollen inhoud, en

II. de grenzen van zijne toepasselijkheid op ons en onze tijdge-nooten.

Wat geschreven is, is geschreven tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, lot onderwijzing, die in de Godzaligheid is. Moge dit heden, in ieders bijzondere ondervinding, blijken waarheid te zijn. De Heere geve het in zijne genade!

L

Wanneer iemand mij wilde vragen, welk eene uitspraak ik voor de ontzettendste en schrikvolste van geheel den Bijbel houde? zoo zou ik mij niet lang op het antwoord behoeven te bedenken. Ik wees niet heen op het woord, Deut. 27 : 26: Vervloekt zij, die de woorden dezer Wet niet zal bevestigen, doende dezelve; en niet op het getuigenis, Joh. 3 : 3(3: Die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Ook herinnerde ik niet eens aan het verpletterend woord van den apostel Paulus tot Bar-Jezus: O, gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid; noch aan het wee-geroep des Heeren zei ven over de larizeën en schriftgeleerden, Matth. 23. Ik zou veel meer den vragenden rechtstreeks tot onzen tegenwoor-digen tekst verwijzen, en ik zou zeker zijn van zijne toestemming, dat hier de vreeselijkste van al de donders ratelt, die nu en dan ook de liefelijke toon des vredes van het Evangelie afbreken. Hoe menigeen, die ongekwetst Sinaï is voorbijgekomen, brak hier het hart, en vond zich gedwongen, om de genade in te roepen.

Hoort, hoort! Wee den menseh, door welken de Zoon des men-sehen verraden wordt.. Het ware hem goed, zoo die menseh nooit geboren was geweest. Welk eene uitspraak! Van waar klinken deze wanhoop ademende woorden tot ons over? Overwegen wij dit in de eerste plaats, en deze woorden zullen beginnen, ons hunne verschrikking te ontvouwen. O, dat ze uitgesproken waren door eenen anderen dan Hem, op wiens lippen wij ze werkelijk vinden. Dat zij gekomen waren uit den mond van iemand, ons gelijk, uit dien van eenen sterveling, of menschelijk profeet of armen zondaar. Dan zou er nog eenige plaats overblijven voor allerlei bedenkingen, die de ontzettende uitspraak in eenig opzicht konden verzachten, en wij zouden ons alsdan bevoegd achten, om van het vreeselijke van hunnen inhoud ten

ocr page 144

d2Ö

minste iets af te doen en dat op rekening te stellen van de geestdriftige ontroering dos sprekers, of ze toeschrijven aan het weldadig oogmerk, om door den zielschokkenden ernst zijner woorden mogelijk nog den zondaar van zijn misdadig voornemen met geweld terug te houden. Doch nu is liet Jezus, uit wiens mond het Wcc! gehoord wordt; het is de Koning der waarheid, de barmhartige Beminnaar van zondaren; en het laat zich niet zeggen, welk een ontzettend gewicht en welk een' vreeselijken nadruk (leze omstandigheid aan deze woorden geeft. Want nu hoeren wij in het; Hel ware dien mensch heler, niet de stem des drifts of des toorns, maar de stem van Hem, die zeggen kon: Ik hen zuchlmoedifi en nederig van harte. Neen, nu scheldt en raast hier niet eene blinde gramschap, welke zichzelvo niet bewust is, wat zij uitstoot en uitstort, maar hier wordt tlums gehoord het koele getuigenis van eenen Man, wien het eigen hart in duizend wonden bloedt, dat Hij zulk een oordeel over één' zijner vertrouwelingen moet vellen. Nu oordeelt hier niet een mensch, die gewoon is zich aan overdrijving schuldig te maken, maar nu oordeelt Hij, die zich de Waarheid zelve noemde, en in gekuischtlicid en gematigdheid zijner woorden zijne wedergade niet had. En het is ook geen kortzichtig mensch, noch een, die als wij aan dwaling onderhevig is, welke wij hier hooren spreken, maar het ontzettende woord gaat uit den mond van den Onfeilbare, van wien geschreven staat: Hij had niet van noode, dat iemand getuigenis gaf van een'' mensch, trant Hij wist wat in den mensch was. Ja, dat vreeselijke woord dor vervloeking wordt uilgesproken door dien Man, wiens blik tijd en eeuwigheid omvat, hemel en hel doorschouwt, en voor wien, als de toekomstige Rechter van levenden en dooden, ieder persoonlijk leven en lot tot over dood en graf naakt en geopend ligt. Deze en geen andere is het, die van Judas Iscarioth getuigt: Het ware dien mensch goed, niet geboren yeiveest te zijn. Helaas, nu moet het ook wel zoo zijn, en dit ontzaggelijk vonnis kan thans niet eene enkele letter minder bevatten. O ontzetting en verschrikking zonder wederga! Wie siddert hier niet, alsof hij de hel reeds voor zich geopend zag.

„Doch,quot; zoo hoor ik vragen, „waarom werd hij geboren, wanneer het beter ware geweest, dat hij niet geboren was?quot; Ü, mijne Beminden! doet liever zulke vragen niet. Daarmede kunt gij het angstvolle van dit woord enkel ten toppunt drijven. „Dit moge zoo zijn,quot; zoo gaat gij voort, „doch wij kunnen niet anders, maar moeten op nieuw vragen: waarom liet God hem geboren worden?quot; Wat zal ik antwoorden? Hoort wat de Heere zegt: De Zoon des menschen gaal wel heen, gelijk van Hein geschreven is (Hij ondergaat zijn lot naar den raad en het voornemen Zijns hemelschen Vaders,) maar wee den mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt. Bemerkt gij de bedoeling des Heeren bij deze woorden? Zij strekt blijkbaar, om de geheele schuld van het verraad, als eene vrijwillige daad van Judas, alleen op diens hoofd te laten vallen, en daarentegen, om God, den Almachtige, als volstrekt vrij van alle schuld iti deze zaak, en in geenerlei opzicht daarin medewerkend , te rechtvaardigen. „Zekerlijk,quot; zoo valt gij mij in de rede, „zijn ook wij verre van te willen bestrij-

ocr page 145

m

den, dat den ontaarden discipel alle genade en kracht ter dienste zal gestaan hebben, om den satan tegenstand te bieden, en zich tot den lleere te bekeeren; maar de alwetende God zag toch vooruit, dat Judas de verzoeking niet wederstaan, maar in de strikken des duivels treden, en daarmede de eeuwige verdoemenis ter prooi vallen zou.quot; Ik antwoord: Zeker zag God dit vooruit, en liet Hij dit zelfs door den mond zijner profeten vooraf verkondigen. „Welnu,quot; zoo roept gij uit, „daar nu de Eeuwige weet, dat het dezen mensch beter ware, nooit geboren te zijn, waarom verhinderde Hij dan niet zijne geboorte? Waarom verhinderde Mij het huwelijk niet, uit hetwelk Judas ontspruiten zou? Waarom sloeg Hij de moeder van Judas niet met onvruchtbaarheid, gelijk Hij Michal deed? Of waarom nam Hij de pasgeborene niet uit de wieg tot zich terug? Waarom vergunde Hij hem tijd en ruimte, om zich tot zulk eene rijpheid van bederf te ontwikkelen? Waarom deed God dit alles niet, daar Hij toch de Almachtige en tevens de Liefde is?quot; O, mijne Vrienden! houdt op met vragen. Woest bescheiden en matigt u. Geen menschel ij ke geest doorgrondt de diepten der Goddelijke wereld regeering. Het blijft voor ons een verzegeld geheim, boe de alles beminnende God ook menschen kan laten geboren worden, wier levenswegen Hij, uit kracht van zijne alwetendheid, in de afgronden eener eeuwige verdoemenis zich verliezen ziet. Wij leiden hieruit slechts af, dat God, de Ondoorgrondelijke, anders moet beminnen dun een mensch bemint, die van eene heilige liefde niets weet, en van eene liefde, die met de gerechtigheid hand aan hand gaat, geen denkbeeld heeft, Daarenboven moet gij bedenken: waar zou het rijk dor vrijheid blijven, wanneer God door dwang iemand wilde verhinderen, dat hij zich zeiven verdierve en alzoo verloren gaat? Wat zou er worden van den glans zijns troons, wanneer Hij, om niet te moeten straffen, de voorwerpen zijner vergeldende gerechtigheid lor zijde stellen of hunne vrije ontwikkeling met geweld belemmeren moest? Eindelijk, laat het u tot geene zorge zijti, hoe de Eeuwige Zich eenmaal over elke daad zijner wereld regeering zou kunnen verantwoorden; maar houdt u verzekerd, dat Hij op den grooten dag der openbaring, dooide openlegging zijner wegen en leidingen, al wat adem heeft zal noodzaken, om aanbiddend in te stemmen in de woorden van Mozes: De lleere is de Rotssteen, wiens werk volkomen is, want al zijne wenen zijn gerichten. God is waarheid, en is geen onrecht. Rechl-vaardig en recht is Hij.

Zien wij nu de rechterlijke uitspraak van Jezus over zijnen verrader van meer nabij, en laten wij al hare verschrikkingen voor ons ontvouwen. Een wee! laat de Heere voorafgaan, en waar Ghristus wee! roept, daar zegt in hemel en op aarde niemand meer met ge-wenschten uitslag een Vrede zij met n! of heil! Het ware hem goed,

dut die mensch.....zoo gaat de Heere voort. Die mensch'? eene

ongewone uitdrukking in den mond van den goeden Herder. Zóó noemt Hij anders den armen zondaar niet. Deze naamgeving heeft iets wegwerpends, en er klinkt een toon der vaarwelzegging in door. De Heere Jezus ontslaat hem uit den kring zijner discipelen, en be-

9

ocr page 146

130

schouwt hem voortaan als een vreemdeling. O, hoe ontzettend is dit, en hoe verpletterend! Waar wil hij nu heengaan, de onzalige, nadat de Eenige, die hem nog kon redden, Zich van hem heelt losgemaakt? Ü, beware ons de almachtige God, opdat de Vredevorst voor ons eenen liefelijker naam hehhe, dan dat vreemde en ijskoude die mensch! Iels meer verschrikkelijks vermag ik mij niet voor te stellen , dan uit zijnen mond te moeten hooren: Ik ken u niet. Ik weet niet van waar gij zijt. Ik heb u nooit gekend. Ga ivetj van Mij!

Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was geweest. Neen, op meer ontroerende wijze had de lleere Zich over den onzaligen toestand van den verrader niet kunnen uitlaten, dan Hij in deze wooi'den doet. Een bloot wee! had ons voor den diepgezonkene altijd nog eenige hoop gelaten, en ten minste uiet zulk eene ontzettende voorstelling van het jammer, dat hij te gemoet ging, in ons verwekt, gelijk nu door deze verklaring ons met geweld opgedrongen wordt, zoodat ook het allerlaatste uitzicht op eene nog mogelijke redding van den discipel vernietigd wordt. O, welk eenen hartver-scheurenden blik opent deze betuiging ons in den afgrond der verdoemenis! Hoe afgrijselijk moet het noodlot der verstootenen zijn, wanneer de Heere zelf verzekert, dat Judas reden heeft, om den dag zijner geboorte te vervloeken. O, wanneer het lot der vervloekten slechts nog ten halve verdragelijk ware, de Koning der waarheid zou nimmer zóó gesproken hebben. Naardien Hij ons echter op de ondubbelzinnigste wijze te kennen geeft, dat voor het verloren kind niets beiers te wenschen ware, dan een terugkeer tot het niet bestaan , zoo stelt Hij ons hiermede een beeld der bel voor de oogen, waarvan al onze beenderen beginnen te beven. En wat dunkt u, mijne Beminden! wanneer er werkelijk nog een uilgang uit de hel was, en ook door hare woestenijen nog de engel der hope wandelde, ja, wanneer den verdoemden nog bekeering gepredikt en genade aangeboden werd, of wanneer zelfs de terechtbrenging aller dingen eene waarheid was, zou dan de Heere Zich wel eene rede hel then vergund, zoo als wij die met het oog op Judas door Hem hooren uitspreken. Neen, nimmer! Alsdan zouden wij zachtere woorden van zijne lippen vernemen, Want al ware het ook, dat men gedurende duizende jaren het allerergste moest lijden, doch de Goddelijke liefde bleef zich onder al deze martelingen nog aan ons betuigen, en de hope ging ons nog vertroostend ter zijde, zoodat men eindelijk en ten laatste nog daartoe kwam, dat men God ziet van aangezicht tot aangezicht, gelijk Hij is, en dat men in de palmbosschen des hemelschen vredes met alle volmaakt rechtvaardigen het eeuwig Halleluja voor Hem en het Lam aanheft — zegt mij , zou het alsdan inderdaad niet nog beter zijn, dat men geboren ware, dan dat men in het niet ware gebleven'/ O, voorzeker zou men in dal geval nog altijd allo reden hebben, om het uur zijner geboorte met dankzegging tot God te zegenen, en geene enkele reden, om het te verwenschen, of zelfs wel te vervloeken. Nu echter betuigt Jezus zelf, dat het goed ware, dat die mensch niet geboren ware geweest, en zoo weten wij genoeg, om de laatste hoop op eene terechtbrenging der verdeemclen

ocr page 147

vaarwel tc-zeggen. Het is vreeselijk hiertoe genoodzaakt te zijn, maar overeenkomstig het woord des Hoeren is dit niet te ontwijken. De eeuwigheid der helsche straiten staat hiermede vast. Ju deze verblijven des jammers sterft de worm niet meer en wordt het vuur niet meer uitgehluscht.

Oordeelt nu zeiven, of er voor Judas een vreeselijker opschrift op zijn graf heeft kunnen gesclireven worden, dan dat, hetwelk wij lieden vernomen hebben. Thans ondervindt hij hare waarheid. Thans omgeven hem de vlammen eener eeuwige wanhoop, en jammert liij thans, gelijk eenmaal Jeremia: Wee mij, mijne moeder, dal (jij mij gebaard hebl! of gelijk eenmaal Joh; De day verga waarin ik geboren ben , en de nacht waarin men zeide, een knechtje is ontvangen! dan drukt hij enkel het bevestigend zegel op hot woord eu hot weegeroep van zijnen Heer: Het ware hem goed, zoo die menseh niet geboren wan geiveest.

II.

Nadat wij den ontzettenden inhoud van dit woord der verschrikking beschouwd hebben, vragen wij naar deszelfs toepasselijkheid en hare grenzen. Gij beklaagt den ongelukkigen discipel. En wie zou hem met u niet op het allerdiepste beklagen? De lleore behoede ons nu slechts in genade, dat het ontzettend vonnis, dat over hem uitgesproken werd, ons zeiven niet trelïe! Gij ziet mij met bevreemding aan, dat ik zoo spreek. Ja, mijne Beminden! mogelijk is liet toch altijd, dat het den een of den ander in deze onze vergadering, op gelijken grond als Judas, goed ware, zoo hij nooit geboren was geweest, liet klinkt vreeselijk wat ik zeg, en het is mij, als hoorde ik u allen mot ééne stem roepen: „Verre zij het van u, daarover bekommerd te zijn.quot; Doch hoort, eu laat mij verder spreken. Met zekerheid den persoon aan te wijzen, wieu dit woord des Heeren gelden zou, staat natuurlijk niet in mijne macht. Mijn oog doorgrondt geene menschelijke toekomst, en zelfs tot den meestgezonken booswicht zou ik mij niet vermeten te zeggen: hot ware u goed niet geboren te zijn. Immers, eer ik het vermoedde, kon de vrije genade, welke den persoon niet aanziet, zich aan hem verheerlijken, en mij op diep beschamende wijze logenstralï'en. Waartoe ik echter bevoegd hen, is dit: ik kan u zeggen: Wie aldus en op deze wijze zich gesteld gevoelt, die heeft reden, om over zijne ziele bezorgd te zijn. Wie deze en die kenmerken met Judas gemeen heeft, deelt ook met hem de vloekspraak des Heeren. Gij vraagt met angstige spanning, welke deze kenmerken zijn ? Welaan, ik stel ze u vluchtig voor oogen. Spiegelt er u aan.

Vooraf moet gij u overtuigen laten, dat eene uitwendige onberispelijkheid u nog geen grond tot geruststellende gedachten geeft, dat gij niet behoort tot dezulken, wieu het goed ware niet geboren te zijn geweest. Vergeet niet, dat ook Judas de wereld uiterlijk verlaten had, met de melk der Goddelijke waarheid gevoed en opgevoed was, dat ook hij onafgebroken onder Gods kinderen leefde, dat hij door

ocr page 148

flezen argeloos als een broeder erkend werd, dat zij met hem baden en vastten, dat hij behoorde tot het onmiddellijk gevolg van den hemelschen Vredevorst, dat hij diens apostel en vertrouweling was, dat hij des Heeren woord hielp verkondigen, om zijnentwil versmaad-heid leed, en daarbij, gelijk al de anderen, in den naam van Jezus allerlei daden en wonderen verrichtte, en dat hij, niettegenstaande dit alles, een mensch was, wien liet goed ware, niet geboren te zijn geweest. O, neemt het ter harten, mijne Waarden! O, wacht u, om uwe achtenswaardigheid, uwe Godsdienstigheid, uwe Christelijke kennis, uwen goeden naam bij de geloovigen, en wat dies meer zij, als eene reeds genoegzame sterkte te achten, waarachter gij voor de vlammen der hel beveiligd zoudt zijn.

Keert thans echter uwen blik in uw binnenste, en sta mij, of veel meer Hem, in wiens naam ik tot u spreek, te woord. Er zijn mon-schen in de wereld, die uitwendig den mantel des Christendoms omhangen, en als Judas een duivel daaronder verbergen. Zij trachten, om beveiligd voor het richtend oog der wereld, de afgoden der wellust, der gierigheid of der hovaardij te dienen, en juist om die reden vermommen zij zich met het masker des Christendoms. Ik klop hij u aan, en vraag: Zijn er ook lieden van deze soort in uw midden? Er zijn menschen, die hoe dikwijls ook gewaarschuwd en vermaand, zich nochtans niet aan Christus willen overgeven, omdat eenige lievelingszonde, welke zij den moed niet hebben te verwerpen, hen gevangen houdt. Nu dienen en koesteren zij deze zonde mot de verstompte rust der gewoonte, en door de lengte van tijd nam hunne schuld zoo zeer toe, dat zij eer tot alle andere dingen zouden overgaan, dan om met hunne schuld vrij in het licht te treden. Zilteu zulke lieden ook misschien in uwe banken of op uwe gestoelten? Er zijn menschen, die, nauwkeurig bezien, slechts ééne bezorgdheid kennen, namelijk die, dat men achter hun masker ziet, en ontdekt, dat zij nooit bekeerd zijn geweest, ofschoon zij daarvoor sedert jaren gehouden werden. Nu is hen de huichelarij als tot eene tweede natuur geworden, en zelfs zonder bewustheid zijn zij altijd bezig, om hunne woorden, blikken en gebaren, gelijk al hunne bedrijven, tot sluiers te maken, waarmede zij hunne ware gestalte verbergen. Tellen wij zulke kinderen van den schijn ook onder onze rijen van toehoorders. Er zijn menschen, wien het reeds zoo dikwijls gelukt is, om den donder dei-waarheid, die in hunne ziel zich liet hooren, door trotschheid of opzettelijke verstomping en zelfmisleiding te overwinnen, zoodat zij eene vaardigheid verkregen hebben in het krachteloos maken van de trekkingen der Goddelijke genade en des Geestes, en tegen de ontzet-tendste verschrikkingen der eeuwigheid even zooquot; schootvrij, als voor de liefelijkste lokstemmen der Goddelijke liefde ongevoelig geworden zijn. Vinden wij zulke geharnaste zielen ook onder ons? Er zijn menschen, die wanneer zij ook al met een gering deel van hunnen mammon aan het rijk Gods helpen bouwen, het nochtans met weerzin zien, wanneer dit rijk bloeit en veroveringen maakt, en die bij het betoonen van liefdediensten voor den Heere, gelijk die van Maria, met Judas zouden wenschen te zeggen; „Deze onkosten waren beter uitge-

ocr page 149

133

wonnen en tot, meer wezentlijke oogmerken aangewend.quot; Ja, deze rnenschen gevoelen zelfs een zeker leedvermaak, wanneer zij liet zen-delingswerk, waartoe zij mogelijk welstaanshalve zeiven hebben bijgedragen, achteruit zien gaan, of bespeuren, dat in het algemeen de ijver voor de zaak Gods begint te verkoelen. Ik vraag: ademen zulke valsche broederen ook binnen deze muren? Er zijn menschen, die in zoo ver door de waarheid des Evangelies gewonnen zijn, dat zij zich genoodzaakt vinden haar in hun geweten getuigenis te geven, maar dit tegen hunnen wil en met weérzin, zoodat zij, zoo dikwijls zij iets hooren of lezen, wat de gedachte in hen voedt, dat men ook zonder Christus, van wiens heilsorde zij zich gaarne ontslagen zagen, den hemel kan beërven, een groot welgevallen gevoelen. Bevinden zich zoodanige lieden onder ulieden? Onderzoekt den grond enden bodem van uw wezen, en weet, dat ik lot hen, die tot de eene of andere klasse van menschen geteld moeten worden, niet zeg: Hel ware hein f/oed, zoo hij niet fieboren geweest nuts, maar wel: dat het tot liet gebied der mogelijkheden behoort, dat hen zulks werkelijk goed ware. Hij heeft reden om bezorgd te zijn, dat dit vreeselijk grafschrift van de zerk van Judas niet eenmaal op bet zijne worde overgeschreven. O, mijne Waarden! wanneer ik mij voorstel, dat wellicht ook uw wiegje beter eene doodkist geweest ware; dat de vroedvrouw in u, ach! eens een hellewicht in de armen uwer moeder nedcrlegde; dat uwe ouders meer reden gehad hebben bet uur uwer geboorte met geween, dan met gejuich te begroeten; dat het water des heiligen Doops aan u verspild is, en als het ware slechts tot spot over u werd uitgegoten; dat, terwijl men vol vroolijke verwachtingen uw eerste jaarfeest vierde, uwen naam, iti plaats van in het boek des levens, in dat des doods werd overgedragen — wanneer ik mij dit voorstel, zoo dreigt mij het bloed in de aderen te stollen. Neen, neen, ik zeg niet, dat het werkelijk zoo is, maar mogelijk is bet toch, dat het u goed ware, zoo gij niet geboren waart geweest. En dat gij nu reden hebt. aan zulk eene mogelijkheid te gelooven — stort u dat niet reeds als een donderslag neder?

Ja, gij beeft, gij zijt ontroerd. Laat mij ten minste onderstellen, dat liet zoo is. Want zoo het anders ware, en gij kondet hij zulke zware donderslagen der waarheid geeuwen, of zelfs wel met satanische trotschheid lachen, waarlijk, zoo zou er niet veel meer aan ontbreken , of ik zeide van u rechtstreeks in den naam des Heeren: Het ware goed, zoo deze mensch niet geboren was geweest. Doch de Heere behoede mij, dat ik de grenzen mijner bevoegdheid zou overschrijden. Tk ben niet gerechtigd, om het zaad Abrahams te beroeren, en tot Jeruzalem, hoe diep het nederligt, mag ik niet anders dan vriendelijk spreken. Ik weet, er is meer dan eene ziele in ons midden, wien het schrikwoord, over Judas uitgesproken, niet aangaat, of zij er ook al om bezorgd zijn, dat het hen kan treilen. Laat mij ook deze zielen u met vluchtige trekken bekend maken, opdat niemand zich verontruste, die gerechtigd is, om te juichen en God voor zijne genade te prijzen.

Van dezulken onder ons, die met Paulus kunnen juichen: Ik weet

ocr page 150

134

in Wien ik geloof! spreek ik niet. Deze in het leven der genade vastgewortelden en door den Heiligen Geest verzegelden zouden glimlachen , wanneer ik mij de moeite wilde geven, oin hun te bewijzen, dat dit wooi'd op hen van geene toepassing is. Wat ik hen kan zeggen, werd hen reeds lang door eenen Andere getuigt. Tot u echter richt ik het woord, gij bekommerden, van twijfelingen her- en derwaarts geworpenen, bij wien de vraag nog aanhangig is, of gij den dag uwer geboorte zegenen kunt, of reden hebt om dien te verwen-schen. Weest stil. Ik ken uw leed. Dat beslist niet, dat gij noch geloof, noch liefde, noch de kracht der heiligmaking in u ontdekt, en dat gij u dagelijks nog als feilenden en struikelenden ontdekt. Het is treurig, zich als zoodanig te moeten bevinden; maar is liet niet zoo, ook juist dit is uwe smart, en het is uw grootste leed, dat liet zoo ellendig met u gesteld is. Niet waar, iets meer begeerlijkers zweeft u niet voor de ziel, dan dat ook gij in volle waarheid met de Bruid in het Hooglied kondet zeggen: Mijn vriend is de mijne en ik ben de zijne, die onder de leliën weidt. Niet waar, wanneer u als voorwaarde van dat geluk opgelegd werd, om het kruis in zijne gevoeligste gestalte den Heere na te dragen en u voor de geheele wereld in de belijdenis uwer schuld aan de kaak te stellen — gij zondt er ten volle toe bereid zijn. Niet waar, gij gaaft het liefste wat gij hebt daarvoor, dat gij u in Cliristus vertroosten en in zijne genade roemen' mocht. O, mijne Beminden! antwoordt ja! op deze vragen, en ik verklaar, in naam van Hem, die het roepen der ellendigen hoort, u treft het wee over Judas niet, maar voor u is de blijde boodschap, dat gij het uur kunt zegenen, waarin gij eenmaal het licht der wereld aanschouwdet.

Ja, het is goed, dat gij geboren werd. Gij zijt tot groote dingen uitverkoren. Gij zult den Jleere uwen God strekken tot luchters zijner genade. Hij gedenkt met u, als met vaten te zijner eer, zijnen tempel te versieren. Hij begeert u voor hemel, aarde en hel tot getuigen te stellen van hetgeen het bloed des Kruises vermag. Hij heeft u tot zijne zangers uitverkoren, om Hem en het Lam het groot Halleluja te zingen. Toen gij geboren waart, stonden vriendelijke engelen aan uwe wiegjes en boven uw hoofd fluisterde eene verhevene stern: „Ik heb u lief gehad van eeuwigheid!quot; Uwe ouders drukten in u een erfgenaam des hemels aan hunne horst, en toon het water des üoops uw voorhoofd besproeide, viel u een Goddelijk testamenteel legaat in den schoot. Gij traadt slechts in dit tranendal, om het met snelle schreden door te wandelen, en dan in hot Jeruzalem dat boven is, do blijvende stad le vinden. De Koning aller koningen schreef den naam, dien men u gaf, in het boek des levens. De gerechtigheid zijns Zoons was het eerste gewaad, dat Hij u aandeed, en het laatste, waarmede Hij u zal tooien, zal het lichtkleed der hemelsche verheerlijking zijn. Hoe zou het dan kunnen zijn, dat het voor u niet goed ware geboren te zijn? Het zou smartelijk en beklagelijk zijn, wanneer gij in de rij der wezens gemist werd, want alsdan zou eenmaal ééne stern minder klinken in hot groot jubelkoor voor den troon van God, err schitterde er ééne parel minder in den diadeem van den

ocr page 151

135

hemelschen Vredevorst. Daarom driewerf heil, dat gij er zijt, en niettegenstaande al de ellende, waarin gij nog verkeert, prijst den Heere! quot;Wij prijzen Hern met u, inet vroolijk gestemde gemoederen.

Gij anderen echter, die nog onverschillig het Kruis van Immanuël voorbijgaat, of zelfs wel den Heiligen Geest wederstreeft, die u bestraft over uwe zonden en u naar Jezus wijzen wil, wat zal ik ten slotte tot u zeggen? Hoort, hoort! u luide ik huiswaarts tnet de ernstige hartontroerende klokketoonen van het oude kerklied:

Ontwaak, o zorgelooze mensch !

Dat niet uw levensbloem verflens',

Alvorens vrucht te dragen.

Ontwaak, bekeer u, 'tis nog tijd,

Eer dat de sikkel 't koren snijdt.

O, tel uw levensdagen!

Misschien is dit de laatste dag;

Die u op aardquot; behouden mag.

Amen.

ocr page 152

XV.

DE GANG NAAR DEN OLIJVENHOF.

Tn uitgestrekte kringen lieeft de vreemde voorstelling ingang gevonden, dat het gelooi' der kerk, ten hoogste genomen, in de leer der Apostelen, maar geenszins in die van den Heere Jezus zeiven, haar steunpunt heelt. Ik begrijp inderdaad niet, hoe men tot zulk een volslagen ongegrond gevoelen heeft kunnen komen, daar ik in al de Apostolische Zendbrieven niets ontdek, wat niet ook reeds, ten minste als uitbottende kiem, in de eene ol' andere uitspraak des Grooten Meesters te vinden is. Reeds met het oog op de éénheid der leer van zijne Apostelen met zijne eigene, kon de Heere met volle waarheid zeggen, wat Hij Luc. 10 : 10 in eene andere betrek king zegt: Wie u hoort, die hoort Mij. Wat de Apostelen verkondigen van des menscben val en vloek, van de noodzakelijkheid eener verlossing, van de Godheid des vleeschgewordon Woords, van de verzoenende kracht in zijn plaatsbekleedend lijden en sterven, van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen, van de bekeering, van de wedergeboorte en van het eeuwige leven, dat had de Heere zelf, blijkens het Evangelie, reeds verkondigd. Wij liooren reeds uil zijnen mond, dat al wat van het vleesch geboren wordt vleesch is, dat Hij en de Vader één zijn, dat alle macht in hemel en op aarde aan Hem gegeven is, dat liij gekomen is, om zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, dat niemand tot den Vader komen kan dan door Hem, dat wie in Hem niet gelooft het leven niet zal zien, dat Hij eens het laatste vonnis over alle menscben uitspreken, zijne geloovigen den hemel openen en het erfdeel der heiligen in het licht schenken, en daarentegen zijne verachters ten vure doemen zal. En wat Hij niet met woorden verkondigde, dat betuigde Hij Ie nadrukkelijker met de daad, naardien Hij de raad- en troosteloozen door Zichzelven vertroostte, de vermoeiden en belasten op zijnen naam deed hopen, den overtreders hunne zonden vergaf, en —- zoo als Hij op meer andere wijzen gewoon was feitelijk van Zich te getuigen. Bij eiken tred, dien Hij deed, gaf Hij onwillekeurige bewijzen van zijne innerlijke bewustheid van de hoogheid zijns Persoons en van het dool zijner zending, van zijne Middelaarsbetrekking tot de zondige wereld en de heilvolle beteekenis zijner bloedige wonden, en dit alles tot bot voldingendst bewijs, dat betgeen de Apostelen leerden, enkel uit den schat zijner lichtgedachten genomen was. Om ons van dat alles op nieuw te overtuigen, vinden wij eene welkome gelegenheid

ocr page 153

137

in liet historisch gedeelte, dat aan onze tegenwoordige beschouwing is voorgelegd, en waarin wij den Heere zijnen eersten voetstap op den eigentlijken offerweg zien doen.

mattheus 26 : 30—32.

En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den

Olijfberg. Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in dezen nacht, want er staat geschrev n: ik zal den

heudek slaan, en de schapen dek kudde zullen vebstuooid worden.

Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.

Weinige woorden, maai' van eenen rijken inhoud. Zij ontsluiten ons de diepten van het hart van Jezus, ea ontiuillen ons de bewustheid, met welke Hij zijn lijileu te gemoet gaat. In dit heiligdom ingeleid te worden, moet ons van het allerhoogste belang zijn. Want niet hoe deze of die den Heere beschouwt, maar hoe de lleere zich-zelven weet te zijn, beslist de vraag: voor wien wij Hem te houden en welke beteekenis wij aan zijne werken te geven hebben? Deze zijne zelfbewustheid openbaart zich nu in onzen tekst als eene drievoudige, te weten:

I. als eene bewustheid van zijne ambtelijke betrekking;

11. van do beteekenis zijns lijdens; en eindelijk

lil. van zijne daaropvolgende zegepraal.

Treden wij dieper in deze zaak, en kroone de Heere onze beschouwing met zijnen zegen!

I.

Het is een plechtig oogenblik, waarmede onze geschiedenis begint. De lleere Jezus heeft zoo even de heilige maallijd zijner liefde, het Avondmaal, ingesteld, en stemde nu, volgens de gewoonte van het Paaschfeest, in de stilte van den nacht het Halleluja of de groote lofzang aan. Dit gezang bestond uit Ps. 115 lot M8. Voor het eerst ontmoeten wij den lleere zinnende; want eene andere beteekenis van het woord laat de- Grieksche grondtekst niet toe. De Zaligmaker heiligt hiermede voor altijd het gemeenschappelijk gezang in zijne kerk. En welk een kostbaar geschenk des hemels aan de aarde is het gezang, deze gevoelspraak, deze adem der verhoogde stemming, deze vleugel van het bewogen gemoed. En hoe weldadig en heil-werkend is zijn invloed, wanneer het in den dienst des heiligdoms wo I'd t opgenomen! Wie heeft het nooit ondervonden, dat men soms door het lied hoog boven den eentoonigen kring van het dagelijksch leven opgevoerd, als op wonderdadige wijze lot in de voorhoven des hemels zich verheven ziet, terwijl het gemoed zoo verruimd en ver-teederd wordt, dat de zwaarmoedigheid wordt weggevaagd en de

ocr page 154

138

boeien der zorgen breken. En liet lied vermag nog grootere dingen, wanneer do (leest van boven zijnen adem daarmede vereenigt. Dnizendmalen lieeft liet in liet midden van den twist de vrede weder hersteld en den satan verbannen mot de vernieliging zijner raadslagen. Ja, het gewijde lied heeft gewaaid als het met dauw bevruchte lentekoeltje over de verstijfde velden van den winter, en heeft steenen harten als was doen smelten, en voor bet zaad der eeuwigheid geschikt en ontvankelijk gemaakt. De Heere der heerlijkheid zingt met de zijnen. O, had David, toen hij deze Psalmen eenmaal op liet perkament nederschreef, slechts een ver vermoeden kunnen hebben, dat hun de hooge eer zou wedervaren, door de gezegende lippen te worden gezongen van Hem, die de hoogste inhoud zijner liederen en de geheele hope zijns levens was, — hem zou voorzeker door vroolijke verbazing de pen uit de hand gevallen zijn. De Heere drukt echter het duidelijkst zegel op deze liederen als op uitboezemingen des Heiligen Geestes, naardien Hij zelf, en wel in de plechtigste ure zijner aardsche omwandeling, zich dezelve zingend heeft toegeëigend. Zou Hij ze vooral in dit oogenblik gezongen hebben, wanneer zij voor Hem niet enkel woorden Gods geweest waren V Zoo komt dan ook dat zingen des Heeren tot ons als een machtig getuigenis voor de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift. Waarlijk, gij treedt alleen dan in zijne voetstappen, wanneer gij u met onbepaald vertrouwen aan dat woord overgeeft. En moest niet reeds deze bewustheid hoogst bemoedigend voor u zijn, en eiken nieuw opkomenden twijfel bij u onderdrukken? O, mijne Vrienden! wie dit nachtelijk gezang had mogen hooien! Gewis lagen de Engelen met zwijgende aandacht in de wolkenvensters er naar te luisteren. Gij echter, o menschheid! hoordet in deze toonen het wieg- en wijdingslied uwer eeuwige verlossing.

Reeds millioenen hadden in Israël, gedurende de duizend jaren sedert David, na den Paaschmaaltijd het groote Halleluja gezongen. Velen, zoo als do profeten en van God verlichten onder hot volk, deden dit zeker met innige aandoening en vurige aandacht. Doch met gewaarwordingen als die, waarmede de Heere ze zong, had nog niemand ze aangeheven, want de vier psalmen handelden van Hem-zelven, het ware Paaschlam, en van zijn Priester- en Middelaarschap. Zijne gewaarwordingen en ondervindingen, zijne folteringen, worstelingen en zegepralen gaven eerst de volle werkelijkheid aan Jeze liederen. De 115de Psalm roemt de zegeningen der Goddelijke genade , aan welke door het Middelaarschap van den Messias de stroom-bedding tot de wereld der zondaren werd gedolven. In den lltklen Psalm heft de Middelaar zelf den sluier op van de ontzettende afgronden van het bloedig lijden, dat Hij voor de zondaren op Zich nemen zal. De banden des doods, zoo heet het aldaar, kudden Mij omvangen, en de angsten der hel hadden Mij getroffen. Te gelijk echter roemt het lied de heerlijke verlossing, die Hij na het doorstaan van al dat lijden zou ondervinden. Gij hebt mijne ziel gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijn voet van aanstoot. Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden, De

ocr page 155

130

117ilc Psalm beval eene uitnoocliging aan do volken, om met hunne Hallelujahs de eeuwige genade te verheerlijken, die voor hen uit het Goddelijk Iloogepriesteriijk werk ontsproot. De '118de Psalm vat het reeds gezegde als in eene slotsom ol' sluitrede te zamen, en wel vooreerst het kruis. Zij hadden Mij omringd als bijen; zij zijn uil-gebluscht als een doornenvuur. Gij hadt Mij zeer hard. gestooten, tot vallens toe. Vervolgens het vertrouwen des Middelaars: De Heere is bij Mij, Ik zal niet vreezen. De Heere is mijne sterkte en -psalm. Ik zal niet sterven, maar leven, en Ik zal de werken des Heer en vertellen. En dan de redding: Uit de benauwdheid heb ik den Heere aangeroepen. De Heere heeft Mij verhoord, stellende Mij in de ruimte. En nu het uit /.ijn offer voortspruitende heil: In de tenten der reehtvaardigen is eene stem des gejuichs en des heils. De rechterhand des Heeren is verhoogd; de rechterhand des Heer en doet krachtige daden. Doet Mij de poorten der gerechtigheid open, Ik zal daardoor ingaan. Ik zal den Heere loven. Dit — namelijk de vrije toegang —• is de poort des Heeren, dooi' dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan. En eindelijk de meest zegepralende en alles overwinnende macht van zijn genaderijk op aarde: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen.

Ziet, louter trekken tot het heeld van den toekomstigen Messias; enkel heen wijzingen op zijne levensverrichtingen en zijn werk. En Hij, in wien dat alles zijne volle verwezentlijking zou vinden, was nu verschenen, en zijn voet rustte hereids op den grond van het aardsche dal. De Heere Jezus zag, gelijk in den spiegel der Messiaansche pro-fetiën in het algemeen, zoo ook in deze Paaschpsalmen zijn eigen heeld, en Hij zong de heilige verzen inet de volle klare bewustheid van zijne hoogepriesterlijke Middelaarsbetrekking. Na het gezang ging Hij uit naar den Olijfberg, liet was een groote, inhoudzware en aan gevolgen rijke gang! Wij roepen: „Gij, aarde, welke Hij den vloek onttrekken wil, kust zijne voeten! gij, hel, tegen welke Hij het harnas heeft aangetrokken, sidder! gij, hemel, voor welken Hij uitgaat, eene nieuwe bevolking te verwerven, neig u neder en verwonder u over de boogie, breedte en diepte zijns werks!quot; Ginds gaat Hij heen. O, hoe ligt alles op Hem in dit oogenhlik. De schuld van duizende jaren, de toekomst der wereld, het heil van rnillioenen! Hij gaat heen, om in zijn eigen persoon het met bloed bedauwde zaad van eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde (e planten. Wee! waar zouden wij heengaan, had Hij voor ons dezen gang niet gedaan'? ons leven zou een heengang zijn tot het hoogste oordeel; onze toekomst zou zich verliezen in een onuitbluschbaar vuur. Dat was Hij Zich bewust. Zijn werk stond Hem met ieder oogenhlik in deszelfs gansche grootheid klaar voor den geest. Even zoo duidelijk zweefde Hem ook het hoogheerlijk gevolg van zijn werk voor oogen. Hij beschouwde Zich-zelven tred voor tred als dien, die door den Vader gezonden was, om de door de zonde gapende klove tusschen (iod en het schepsel, lus-schen den hemel en de aarde, weder aan te vullen. Was Hij, opdat ik inenschelijk spreke, Die, welke Hij Zich bewust was te zijn, nochtans

ocr page 156

140

niet, maar verbeeldde Hij het Zich enkel te wezen, zoo zou Hem toch deze grootsche inbeelding reeds als den Zoon Clods, ofschoon als den kranken, den in droomen levenden verraden hebben, want in het hart van een bloot mensch kon liet verheven denkbeeld eener verzoening met God nimmer komen. En dat inderdaad een bloot mensch in staat geweest zou zijn, om dit denkbeeld met zulk eene volgehoudene bezadigdheid, als Jezus het deed gedurende een geheel leven, vast te houden en al zijn spreken doen en laten daarmede in betrekking te plaatsen, is volstrekt ondenkbaar. Ik ken iemand, die tot de beschouwing van de Evangeliegeschiedenis naderde met de willekeurige onderstelling, dat de Heere Jezus —- do Heere vergeve de herhaling dezer uitdrukking! — slechts een welmeenende dweeper geweest is. In den weg eener onwederstaanbare noodwendigheid, kwam deze man tot de vaste en onomstootelijke overtuiging, dat, zelfs aangenomen dat Jezus gedwaald en gedroomd hebbe, geen zoon van Adam, maar altijd alleen een hovenmenschelijk wezen, ja alleen de Heere van den hemel aldus droomen en met zijne verbeelding werken kon. En wie zal de waarheid in deze gevolgtrekking miskennen?

II.

Wij keeren tot den tekst terug. De hewustheid onzes Heeren zal • zich nog verder voor ons ontsluiten. Ginds wandelt Hij in het gezelschap zijner discipelen door den slillen nacht. Zij zijn allen dooide plechtige voorvallen van den nacht in de zaal van den Paaschmaallijd diep get rollen, en te gelijk hoog opgeheven door de als uit den hemel klinkende woorden, die zij uit zijnen beminnelijken mond vernamen. Nu breekt de Heere bet gedachtenvol zwijgen al'en zegt, tot niet geringe verbazing van zijne beminden: Gij zuil allen aan Mij (je-ërgerd worden in dezen naclil, want er is yeschreven: ik zal den

1iebuer slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

Inderdaad zwaar wegende, inhoudrijke woorden! De Heere wijst in deze woorden liet gezichtspunt aan, waaruit Hij zelf de op Hem wachtende smarten beschouwt. Hij kent nauwkeurig het lijden, dat Hem wacht. In dezen nacht, zoo zegt llij. O heilige nacht, uit welks schoor, al is het ook met een bloedig licht, de helderste starren van hoop en troost zijn opgegaan! De Heere stelt zijn lijden voor, als eene volstrekte noodwendigheid. Wanneer Hij dat lijden als zoodanig niet beschouwd had, hoe licht zou het Hem geweest zijn, zich aan hetzelve onder den sluier van den eenzamen nacht te onttrekken. Doch Hij geeft zich vrijwillig over; want terwijl Hij zegt: in dezen nacht, gaat Hij reeds met vasten tred zijne eerste lijdensplaats, de hof Geth-sémané, te gemoet. Met klaren blik ziet Hij het doel en het oogmerk van zijn lijden; want er slaat cjeschrcven, zoo zegt Jezus: ik

zal den herder slaan , en de schaden der kudde zullen verstrooid

worden. Deze woorden zijn uit Zacharia III : 7 ontleend. Aldaar lezen wij; Zwaard, ontwaak ter/en mijnen Herder, en tenen den man, die mijn medgezel is, spreekt de Heere der heirscharen. Sla den herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal

ocr page 157

Ui

mijne hand tot de kleinen wenden. Deze plaats wordt ons door de uitspraak des Ileeren aangewezen. De kern van haren inhoud is deze: „Ik, de Heere der heirscharen, zal met het zwaard der gerechtigheid mijnen herder, den man die Mij het naaste is, dat is de Messias, slaan, en de schapen der kudde (zijne discipelen, vrienden en vertrouwelingen) zullen zich verstrooien.quot; Zoo staal er geschreven, zegt de Zaligmaker, en gelijk het geschreven staat, zoo zal het ook gebeuren. Wat Jezus in Mozes en de profeten leest, geldt Hem. Gij ziet het hier op nieuw, en wel, onbezien, tot op de allerkleinste be-standdeelen toe, als een door den Heiligen Geest ingegeven onbe-driegelijk woord van God. Voor Hem is dit woord volstrekt beslissend. Bij Hem maakt het in elk geval aan allen twist een einde. Zij, die in onze dagen enkel van een woord Gods in den Bijbel, in plaats van den Bijbel als liet woord Gods, willen weten, plaatsen zich vermetel en stoutmoedig boven den Koning der waarheid. Wij willen niet zeggen, dat zij nochtans niet kinderen Gods en het eeuwige leven deelachtig worden kunnen , want tot hunne gunst zegt de Schrift, dat hij reeds zalig zal worden, die slechts den naam des Ileeren zal aanroepen; doch niet minder heet het ook hier tot hunne waarschuwing, en schittert het hen als een bedenkelijk vlammen-schrift aan den muur; Indien iemand afdoet van de ivoorden des hoeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uil hel hoek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit hoek geschreven is.

Overigens vermeten zich in onze dagen, ook in andere en zelfs meer wezentlijke punten, namelijk de zoogenaamde geloovigen van de zoogenaamde beschaafde klasse, den Heere Jezus in Evangeiiesch inzicht te willen overtreffen. Zij beweren, dat de overgeleverde kerkleer van de bloedige plaatsbekleeding des Middelaars, in zoo verre daarmede eene schuld- en strafdraging, ja, een verdragen van den toorn Gods verstaan wordt, als ongegrond moet opgegeven worden. De oude juridische of procesmatige en gerechtelijke beschouwing zij, als eene zinnelijke en de rede tegensprekende, van de betrachting zijns lijdens uit te sluiten. Lijdenspredikatiën, waarin nog op de oude wijze Christus wordt voorgesteld, als lijdende voor onze zonden, ja, als in onze plaats de vloek dragende en de straf ondergaande, en daarmede de Goddelijke strafgerechtigheid voldoenende voor den zondaar, staan thans niet meer in overeenstemming met de slotsommen eener vooruitgegane Schriftverklaring. Zoo spreken zij, en toch gaat deze zoogenaamde juridische of rechterlijke beschouwingswijze van het lijden van Jezus onmiskenbaar door geheel de Heilige Schrift heen. En niet alleen komt zij ons reeds te gernoet in de voorspellingen en in den geheelen voorbeeldelijken offerdienst des Ouden Testaments, maar ze is ook de aanschouw ings wij ze van al de Apostelen. Nu roepen zij ons toe: God rekent der wereld of de zondaren, de zonde niet toe, maar Hij heeft dien, die geene zonde gekend heeft, voor ons tol zonde gemaakt. Dan betuigen zij: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; 'want er staat geschreven: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. En wat zwaarder weegt dan dat alles, ofschoon ook

ocr page 158

ié

de Apostelen niet uit zich zei ven, maar uit den Geest Gods spreken, is de waarheid, dat ook de Ileere Jezus zelf geene andere aan-schouwingswijze van zijn lijden had, dan juist deze. liet bewijs hiervan hebben wij — om vele andere uitspraken niet aan te halen — in onzen tekst. De Ileere Jezus past bier ondubbelzinnig en beslissend eene profetische uitspraak op zich toe, waarin de almachtige God als Rechter optreedt, en Zich openbaart niet in de houding zijner liefde, maar in die zijner gerechtigheid. De Hoogverhevene gebiedt het zwaard, dat bet de schede uitga. Hij is het, die het zwaard trekt, en niet zoo zeer Kajafas, Pilatus, de Joden of de heidensche soldaten. Neen, Hij, de Heere der heirscharen zelf. En wien slaat Hij met het zwaard? Ik zal den Herder slaan, zegt Hij, den man, die mijn medgezel is, dat is, mijn Gezalfde. Van dit profetische beeld zegt nu Jezus uitdrukkelijk, dat bet in Hem zijne vervulling vindt. Hij stolt dus Zicbzelven voor, als den door den rechterlijken God geslagene. Om welke redenen Hij door God geslagen wordt, blijkt uit andere plaatsen genoegzaam. Hij treedt voor de zonde boetende en haar verzoenende voor ons in. Hij hot hot onwederroepelijk: Vervloeid zij een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der toet om het te doen, in den weg der plaatsbekleeding ter eere Gods, tol herstel van de majesteit der wet, en tot onze vrijspraak en verlossing door zicbzelven, eene waarheid worden. Zóó en niet anders moet de zaak opgevat worden, of de geheele lijdensgeschiedenis wordt tot een doolhof. Het moet zoo zijn, of honderde schriftuurplaatsen staan als onoplosbare raadselwoorden voor ons. Het moet zoo zijn, of bel ontzettend lijden van den Heilige in Israël galmt als een gillende wanklank door de geschiedenis der menschheid, en stelt het bestaan van eene Goddelijke Voorzienigheid en wereld regeering volstrekt buiten alle zekerheid. Ja, bel moet zoo zijn, het moet, of de Heere van den hemel beeft, in plaats van waarheid, het zaad van den waan uitgestrooid, want Hij zeide: Thans wordt aan Mij vervuld wat geschreven staat: Ik, zegt de Ileere der heirscharen, zal den herder slaan. Doch de rede? O, de Heere wist wel, wat de rede daarvan zeggen zou, daarom zeide Hij; In dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden. De rede dwaalt en verneemt niets van de Goddelijke dingen, zoo lang het hart niet tot inzicht, lot het levendig inzicht van zijne behoeften gekomen is. Wordt slechts eerst tot eenen heilbegeerigen tollenaar of moordenaar aan het kruis, en op welk eon geheel anderen toon zal u het: Ik zed den Herder slaan! te gemoet klinken. Want, dal moet gij weten, slaan moet de Almachtige. Dat zegt u de rechter in uwen boezem, dat betuigt uw uit den doodslaap opgewekt geweten. Wat men u moge voorpreken van Gods algerneene menschenmin, barmhartigheid en genade, gij blijft er hij: Hij moet slaan. Zoo diep en met zulk vlammend schrift is u dit van nu af in bet geweten geschreven , dat ook geen Engel uit den hemel u daaraan meer zou kunnen doen twijfelen. God is heilig, rechtvaardig en waarachtig, en gij zijt een wederspanneling tegen Hem en een overtreder voor zijn aangezicht. Bij deze stelling blijft gij, en gij hoort reeds den donder van zijnen

ocr page 159

toorn boven uw hoofd ratelen, en niets ter wereld brengt u weder af van het denkbeeld, dat er eene voldoening vereiseht wordt, wanneer de zondaar zalig worden zal. Klinkt u alsdan hij zulke overwegingen eti gewaarwordingen het woord tegemoet: Ik zal den herder slaan! o , welk een liefelijk vredeklokkengelui zal dat, alsdan voor a zijn. Zalige omkeering, welke thans iu uwen toestand plaats heelt! Gij zoekt deti Herder op, die in uwe plaats geslagen werd, en gij vindt Hem inden Moedigen Borg in Gethsémané, op Gabhalha, aan het kruis. Gij omvat Hem met al de wortel vezels van uw innerlijk vertrouwen, en betuigt het ieder die het hooren wil, dat gij geen troost in leven of in sterven zoudt hehben, zoo de Zoon van God niet in den wezentlijken, rechterlijken zin des woords plaatshek leedend voor u tusschengetredeo ware. Dagelijks bewaarheidt het zich opnieuw, dat het Evangelie den mensch, die geene behoefte tot verlossing heeft, toeschijnt eene dwaasheid te zijn; bij den verlossingbehoevende echter bewijst het zich a!s eene kracht Gods. Zoodat de kennis op dit gebied niet van het verstand, maar enkel van het hart, en wel van het door den Heiligen Geest verlicht en in het gevoel van schuld verbroken hart uitgaat. De natuurlijke mensch begrijpt nu eenmaal, zooals de Schrift zegt, niets van de dingen, die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem eene dwaasheid, en hij kan ze niet begrijpen, want ze moeten geestelijk onderscheiden zijn. Wie zich aan de leer van liet vloekdragend Lam van God ergert, verkondigt hiermede enkel, dat hij, hoe geloovig hij ook in andere opzichten zij, van het wezen en de verdoemelijkheid der zonde ten minste nog zeer llauwe en oppervlakkige begrippen heeft.

III.

Het woord des Heeren: Er staal geschreven: ik zat, den iierdeu slaan! heeft ons dan de bewustheid des Heeren van de ware he-teekenis zijns lijdens tot zonnehelderheid gemaakt. Daarom kau ons zijn vroeger: Ik moet gedoopt worden met eencn doop, en hoe worde Ik geperst, totdat hij volbracht zij, even min als zijn later: Indien het mogelijk is, zoo laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, langer een raadsel zijn. Zeker heeft de liefde des Vaders den ééniggeboren Zoon geen oogenblik verlaten. Jezus hleef het voorwerp van zijn hoogste welbehagen en van zijne teederste genegenheid. Maar do ondervinding en het gevoel der Vaderlijke liefde moesten Hem voor eenen tijd onttrokken worden, en daarvoor moesten de gewaarwordingen van eenen van God verlatene in hunne plaats treden. Hij moest nederwaarts in de hel en in al de vlammen der aanvechtingen van satan en zijne benden, en juist daarvoor huiverde en sidderde Hij. Doch door de donkerheid dezer beklemmende bewustheid braken ook tegelijk de morgenstralen van een ander verblijdend weten, van de kennis der zegenpraal, die Hem na den strijd wachtte. Ook deze bewustheid maakt de Heere ons kenbaar, en wel in de woorden: Wanneer Ik zed opgestaan zijn, zoo zal Ik u voorgaan in Gal ilea. Bewondert hier vooreerst de getrouwheid van den goeden Herder. Vooreerst zegt Hij hot den zijnen uitdrukkelijk vooraf: In dezen nacht

ocr page 160

iii

zult gij allen aan Mij geërgerd vjorden. Welk een leed ere voorzorg legt Hij reeds hiermede aan den dag! Nu vermocht immers de ergernis niet al te zeer om zich heen te tasten. Wanneer het lijden over den Meester losbrak, dan moesten zij lot zichzelven zeggen: „Hij wist dat Hem dat overkomen zou, en nochtans ging Hij vrijwillig zulk een lijden te gemoet. Dus moet het zeker volstrekt noodwendig tot zijn werk behooren, dat Hij Zich aan deze en die foltering onderwerptquot;. De Heere gaat echter nog verder en opent hen het geheim, dat in zijn lijden zicii enkel de Heilige Schrift en daarmede het raadsbesluit van God vervult. Welk een sterke staf voor de dagen der droefheid gaf Hij hen met teedere zorgvuldigheid ook hiermede in de hand! Zeker kon alleen die staf hen niet geheel staande houden, doch zij werden er tocli door van eene ganschelijke schipbreuk in het geloof beveiligd. En nu zegt Hij hen ten laatste, dat zich wel de schapen der kudde verstrooien zullen, doch dat zij daarom zijne schapen gelijk vroeger blijven, en niet van wege hunne ontrouw verstooten worden zullen. Hij zegt hen dit, omdat Hij hen aankondigt, dat Hij ze, nadat Hij al zijne folteringen triumfeerend doorgestaan, ja, zelfs den dood overwonnen zal hebben, weder in vrede en vreugde rondom zich verzamelen zal. O, welk een troost lag daarin voor ben, en welk eene geloofsversterking en bemoediging, bijzonder voor die ure, toen, na de plaats gehad hebbende verstrooiing, de boodschap tot ben komen zou, dat de smadelijk van hen opgegevene en verlatene, werkelijk weder tegenwoordig was en als een overwinnaar over alle zijne vijanden op het slagveld stond. Toen was het niet meer noodig, dat zij zich ontzetteden, maar zij konden zich meer zonder bedenking overgeven aan de zoete hoop, dat Hij ben niet vergelden zou naar hunne werken, maar dat Hij hen alles vergeven en ze weder met liefde rondom zich vereenigen zou. Ziet, zoo voorziet zijne meer dan moederlijke zorgvuldigheid niet alleen in hunne behoeften voor do tegenwoordigheid, maar ook voor de toekomst huns levens, en baant Hij ook reeds daardoor in alles den weg en bereidt alles voor, wat onheil verhoeden en heil en zegen aanbrengen kan. O, hoe goed is men geborgen, wanneer men maar eerst onder zijnen herderlijken staf staat! Het kan geschieden, dat men zich ook dan nog aan Hem ergert, ja, voor eenen tijd Hem verlaat, en zich bij zichzelven houdt. Doch Hij laat ons niet meer in onze dwaling, maar zoekt ons weder op ; want zijnen schapen geldt het woord: Zij zullen nimmer verloren, gaan, en niemand zal ze uil mijne hand rukken.

Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zegt de Heere. Hier ziet Hij dus over de zee der angsten van het Hem wachtend lijden been, en zijn oog rust met het vroolijkste toevoorzicht op de daaropvolgende zegepraal. Dat Hij den overzijdschen oever, waar de olijftak der zegepraal Hem wenkt, bereiken zal, is Hem zeker. Hij zegt niet: wanneer, maar: nadat Ik zal opgestaan zijn. Hij gedenkt aan het oude belof-tenvol profetisch woord: Als zijne ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zcd Hij zaad zien. Hij zal de dagen verlengen. Wie met zulk eene opvatting der Goddelijke belofte zijne voetstappen weet te volgen, beeft bet geheim gevonden, hoe men te midden der bran-

ocr page 161

-145

(ling reeds zijn: land! land! juichend uitroepen en in bet midden van den strijd reeds de overwinningsliederen kan zingen. Ja, dat wij uittreden uit de angstvolle houding, waarin men slechts aanziet wat voor oogen is en zich ten speelbal van de berekeningen des verstands stelt. Dat wij veel meer beide voeten op de hooge en onwankelbare rots des woords van den almachtigen God stellen. I Ine zeker en liefelijk is het daar te wonen, zelfs wanneer de nacht ons omringt en storm en onweder rondom ons woeden. Alsdan ziet men, dat de wolk, die ons met onweder bedreigt, slechts voorbijgaande een gedeelte van den hemel onzes ïevens omhult; want de meer verwijderde gezichteinder is helder, en de nog meer verwijderde belooft na al de nachten een dag, op welken de zon niet meer ondergaat. Nadat Ik zal opyestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilca. Galiléa zou dus de plaats der bijeenkomst zijn; Galiléa bet land der vereeniging en des wederziens. Daar gekomen, zou Hij geen lijdenskelk meer te ledigen hebben, en de zijnen zouden niet meer ten zijnen opzichte behoeven te twijfelen. Alsdan is Hij niet meer de man der smarte, maar in majesteit en overwinnaarsheerlijkheid gehuld, treedt Hij zijne beminden tegemoet, en begroet Hij hen met den vredegroet des nieuwen levens. Ik zal u voorgaan naar Galilca. Ja, wanneer wij tusschen de regels weten te lezen, ligt er ook voor ons in deze woorden iets. Nadat Ik zal opgestaan zijn. Zeker, ook die opstanding, welke wij verwachten, zal niet uitblijven; de eindelijke ophelïïng zijns Koninkrijks uit deszelfs diepen smaad, de zegepralende tevoorschijnkoming van den gekroonden Christus uit langdurige nachtelijke omhulling. Wellicht volgt zij spoedig. Wanneer Hij zijne vijanden tot eene voetbank zijner voeten gelegd, zijne uitverkorenen uit de vier winden opgeroepen en bijeen-vergaderd, en de satan gebonden in den afgrond zal geworpen hebben, alsdan trekken ook wij in het Galiléa des vredes en der vreugde, alwaar wij Hem, in Wien wij geloofden, ofschoon wij Hem niet zagen, van aangezicht tot aangezicht aanschouwen en met de jubelpsalmen der verrukking begroeten zullen. Deleven wij echter de komst van dezen tijd der zegepraal zijns Koninkrijks op aarde niet, o, zoo kennen wij een ander Galiléa, waarin Hij ons is vooruitgegaan, en dat ons zeker wel naderbij zal zijn, dan bet andere. Ik bedoel het Galiléa, waarin de moede pelgrims dagelijks zoo menig anker werpen; het Galiléa, waar die hand in beweging is, welke de laatste tranen van de oogen der begenadigde aanlandenden zondaren afwischt. Het Galiléa, waar altijd weder op nieuw het lied begint van het Lam, dat geslacht is, en van het bloed, waarin men zijne kleederen wascht en wit maakt. O, gij, Galiléa daar boven, gij land der volkomene vereeniging met , Hem, die ons de liefste is, hoe zielverheffend is reeds de bloote herinnering aan u, gedurende ons pelgrimschap door dit dal der vreemdelingschap. Gij, Galiléa aan de andere zijde der wolken, hoe zalig is hij, voor wien ook tot deze groene beemden en eeuwig zonnige hoogten Jezus vooruitging, om hem plaats te bereiden. Zeker, zalig! — zegt gij, — wanneer men slechts weet, dat men daar ook eenmaal werkelijk aanlanden zal. Weet gij dit nog niet, mijne De-minden'? O, wat vertoeft gij dan nog, om het u door den lleere te

10

ocr page 162

-140

laten verzekeren? Overal en te aller ure neigt Hij de ooren tot ü; liijzonder echter daar, waar zijne heilige verbondsmaaltijd bereid staat. Ja, hier is ook een stukje van dat Galiléa, waarheen llij voor ii is heengegaan, om Zich daar met u te vereenigen. Ü, Hij wacht reeds op u met zijn geheimvol hrood, met zijnen gezegenden beker. Hij wil het u feitelijk doen weten, dat ook gij Hem eenmaal van aangezicht tot aangezicht zien zult. Met een voorsmaak van deze aanschouwing wil Hij u begenadigen. Komt dan, schep genade na genade uit zijne volheid. Wordt op zalige wijze zeker van zijne tegenwoordigheid, en zegt, wanneer gij deze plaats weder verlaat, mot den jubelenden zanger:

O , lieflijk oogenblik van 't leven,

Als 't hart bij 't denkbeeld stil mag staan,

Dat we eens van zonde en zorg ontheven.

Het uur des afscheids hooren slaan,

Om dan naar Gods verloste scharen,

In 't leed gelouterd als het goud,

Van de aard ten hemel op te varen.

Om Hem te zien, die ons behoudt.

0^ welk een vreugd zal ons vervullen!

Wat schitterend heldre zonneschijn Zal, als die dag zich zal onthullen,

Dan boven onze hoofden zijn,

Als we allen in den hemel zingen

Het nieuwe lied, dat nooit veroudt,

Het eeuwig lied der hemellingen.

Het lied van 't Lam, dut ons behoudt.

Amen.

ocr page 163

II E ï NACHTELIJK GESPREK.

De Apostel werpt eenen diepen blik in het hart van den Heere Jezus, wanneer hij Hebr. 12 : 2 van Hem getuigt, dat Hij voor de vreugde, die Hem was voorgesteld, het kruis verdragen en de schande veracht heeft. Wij zagen den Heere Jezus getroost, ja, met psalmgezang in dien belangrijken nacht Jeruzalem verlaten. Wat anders kon het zijn dan juist deze Hem tot uitzicht gestelde vreugde, die Hem in staat stelde dezen bloedigen ofierweg zoo kalm te betreden? Stelt u den toestand voor, waarin de Zaligmaker Zich toen bevond. Gelijk het ook u wel gebeuren kan, dat eene gevreesde zware toekomst plotseling in volle kracht voor uwe ziele treedt, als ware zij reeds tegenwoordigheid geworden, zóu, nochtans in meer bepaalde trekken dan ooit eenig mensch ecu beeld der toekomst heelt aanschouwd, en niet slechts in het licht der waarschijnlijkheid, maar in dat der zekerheid, — zweefden den Zaligmaker toenmaals al de verschrikkingen voor oogen, die Hem reeds in de naaste uren zouden omringen. Gelijk somtijds, eer men het vermoedt, geheele rijen van donkere treurbeelden, hetzij van graven of doornenkroonen der vernedering, of bedelstaven der armoede, of wat bet zij, op verschrikkende wijze zich aan onze verbeelding opdringen, zoo traden in de ontzettendste kleuren voor zijnen geest al de huiveringen van den hoon, al de onteeringen en mishandelingen, die Hij thans, naar den raad Gods, te gemoet ging. In zulke uren van bange vermoedens is het u, alsof een bergenlast zich op geest en gemoed nederlegt. De Heere gevoelt het hart bij zijnen gang naar den Olijvenhof verruimd, en Hij vindt door de schaduwen der- schrikbeelden, die Hem omringen, den weg tot de zonnige hoogte der volkomenste getroostheid. U ziet men in soortgelijke tijden zwijgend, met omnevelden blik , in uzelven verzonken, en zwaarmoedig daarheen treden. Den Heere hooren wij in een' van de Paaschpsalmen, dien Hij aanheft, bijna jubelend zeggen; Gij zijl mijn God, daarom zal ik U loven, o mijn God! Ik zal U verhoogen. Dit is iets ongehoords en bovenmensche-lijks! Van waar deze blijde gemoedsstemming in zulke oogenblikken? Zijne menschelijke natuur juicht niet, maar zegt; Ik moet eerst gedoopt worden met eenen doop en hoe word Ik geperst, totdat hij volbracht zij. Doch in Jezus juicht de ijver voor de eer van God, want de grondtoon van het binnenste zijns gernoeds luidt aldus; Ik heb lust, o mijn God, om uiü welbehagen te doen, en uwe wet is in het

ocr page 164

148

binnenste mijns ingewands. In Hem juiclit de hoop, dat Hij binnefi kort den aartsvijand overwonnen en de werken des duivels te niet gedaan zal hebben. Wat Hem echter boven alles de huivering- voor den nabijzijnden doodstrijd verzoet, eu Hem zalig heeft doen jubelen, is de liefde tot liet arme volk der zondaren, welker verlossingsure thans geslagen is. De gedachte, dat Hij zijn leven voor zijne schapen stelt, schittert, alle nevelen wegvagend, als eene vriendelijke morgenstar aan den hemel zijner bewustheid. Dat Hij met zijn bloed dezulken, die der helle waardig zijn, van hunne schuld bevrijden zou; dat Hij met zijne doorboorde handen vervloekten van den ondergang redden, en in den gruwzamon tooi van zijnen doornenkroon den zondaren kroo-nen des levens verwerven zou, ■— dit is de Hem voorgestelde vreugde, welke Hem vleugelen geeft, en zijne Zaligmakersziele in bet aangezicht van bel en dood tot Halelujahs stemt, Denkt eens na, welk eene liefde! Van haar zullen wij heden nog iets nader hooren.

Matth. 26 : 31—35. Mauo, 14 : 27—31. Luc. 22 : 31—38.

Ea de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft nlieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, en gij, als gij eens zult beheerd zijn, zoo versterk uwe broederen. Eu hij zeide tot Hem: Heere! ik ben bereid met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan. Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus! de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent. Eu rlij zeide tot hen: Als Ik tl uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets. Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male, en die er geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard. Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: ex hij is met de misdadiobes gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde. En zij zeiden : Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg!

Als mijne gedachten binnen mij vermenigvuldigd toerden, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Zoo zou men tegenover het voorgelezen gedeelte der lijdensgeschiedenis met den zanger van den Disten psalm moeten spreken. Welk een hart is het hart van onzen Zaligmaker! Welk eene voorzienende liefde van den goeden Herder voor zijne lammeren openbaart zich hier! Ja, gelijk eene hen hare kiekens onder hare vleugelen bijeenvergadert, zoo verzamelt Hij zijne verlosten onder de vleugelen zijner barmhartigheid. O, hoe zorgenvrij en onbekommerd kan men zijnen weg gaan, wanneer men slechts dat eene weet, dat men Hem toebehoort.

Een dierbaar onderwerp, dat zich thans aan onze beschouwing aanbiedt! Het is het moederlijk gevoelend hart van den grooten De-minnaar van zondaren. Laat ons zien, hoe bet zich openbaart:

1. in zijn gesprek met Simon Petrus, en 11. in zijne toespraak aan de discipelen.

ocr page 165

149

Do Ileero geve, dat zich in onze hescliomviiig een rijke bron van geloofsversterking en vrede voor ons opene!

I.

De lofzang is gezongen on de oHorweg naar den Olijfberg ingeslagen. Ziet, daar wandelt do Priester Gods, door zijne elf vertrouwelingen omgeven. Zwijgend omgeeft ben do nacht. Zijne ziel is in sterveijsgedachton verdiept. Nader en nader sluiten zijne geliefdon zich rondom Hem aaneen, zoo als men gewoonlijk doet, wanneer het oogenblik der scheiding van oenen geliefde nabijgekomen is, en de weemoed des afscheids de zwaarder ademende borst prangt. Den een en den ander onder bon beeft roods het liart en blinkt reeds de traan in do oogon, on altijd korter en altijd meer afgebroken wordt het gesprok. Reeds treden lange tusschenpoozon van stilzwijgen in. Nu opent de Iloere Jezus don mond. Wat zal Hij willen zoggen? Hot komt ons voor, dat Hem thans niets anders bezig houden kan, dan liet groote leed, dat li Ü thans te gemoot gaat. Doch wij vergissen ons. Do gedachte aan Zichzolven en aan do Hem waclitende folteringen treedt op don achtergrond. Wat Hom voel 111001' het harte doet kloppen, zijn de gedachten der liefde, der moederlijke zorgen voor zijne kudde. Simon, Simon! zoo begint Hij, terwijl Hij den man, die zich als de meest hodroofdo toont, on zich liet dichtst aan Jezus aansluit, met oenen weemoedigen ernst aanziet. De satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Wolk eene taal is dit! Zij is dubbel huiveringwekkend en schokkend door den nachte-lijken tijd waarin, on de omstandigheden waaronder zij uitgesproken wordt. In het oogenblik, waarin (Ion discipelen hunne eonige hulp, hun eenig schild zal ontnomen worden, wordt lien de aantocht van don vreeselijksten aller vijanden aangekondigd. De Hoore drukt zich wonderlijk en op de hoogste wijze verbijstering wekkend uit. De satan, zegt Hij, heeft ulieden begeerd te ziften. Dat is, hij heeft u opgeöischt, hij heeft aanspraak op u gemaakt, hij heeft om u gevraagd, ton einde zijne macht aan u te botoonen, En zeker, zoo waren de zaken gesteld. De geschiedenis van Joh moest zich vernieuwen. De vorst dor duisternis eiscblo den bom ontrukten buit terug, maakte zo verdacht, en deed zijn recht van eigendom te hunnen opzichte wederom gelden, terwijl hij zich aanbood, om het feitelijk bewijs le leveren, dat bet met hunne geheele Godsvrucht niet ernstig, maar hunne bekeering slechts schijn en bedrog geweest was. En gij weet, do Hoere vergunt somwijlen den boozo, dat bij tot zeker pnnt zijne kracht op do verlosten beproeft. Hij laat dit toe, eensdeels om aan do geesten der hel do onoverwinnelijkheid van hen, die zich aan Hem, den Heere, toevertrouwen, bekend te maken, en daardoor zijnen Naam te verheerlijken, en anderdeels om de zijnen in de smellkroes van zulke aanvechtingen te louteren, en dezulken, die naar hot eigen leven vernietigd zijn, des le inniger en dieper in zijne gemeenschap le trokken. Een vuur dor beproeving van dien aard moet nu ook rondom de discipelen branden. De moordenaar

ocr page 166

150

van den beginne had als het ware zich verbonden, dat, wanneer hem slechts de gelegenheid gegeven werd, hij hen tot volkomen afval zou brengen. De wapenen tot deze afstorting der Apostelen hoopte hij in de oneindige vernedering en den smaad te vinden, die de Meester te gemoet ging. Deze kent echter den vennetelen aanslag, en ziet den helschen gier reeds boven het hoofd zijner beminden zweven. Hij mag het hen niet verzwijgen, opdat de aanval hen niet verrasse, en zoo spreekt Hij dan, hen nadrukkelijk waarschuwend, terwijl Hij Simon, op wien de booze voornamelijk het oog had, meer bijzonder aanziet, ja, bij name noemt. Simon, Simon! de satan heeft zeer begeerd idieden te ziften als de tarwe. Nu weten zij het. Mochten zij nu maar elke lettergreep van deze woorden ter harte nemen! Waarschuwing en troost zijn hier wonderlijk ondereengemengd. Als de tarwe, zegt Hij, zullen zij yezift worden; eene handeling, waarbij, zoo als bekend is, enkel liet kaf wegstuift, terwijl de edele vrucht overblijft. Het gevolg of bet uitwerksel zal dus heilzaam zijn; het zal enkel zuivering en loutering zijn, docli dit zeker niet naar' des duivels plan en bedoeling, maar enkel door de tusschenkomst der Goddelijke genade. Geruststellend uitzicht! De Sterkere zal over den sterke komen en hem ontwapenen. Zeker, de geziften hebben gezegepraald, ofschoon nedergeworpen, doch nu weten zij betook te grondiger, wien hunne overwinningskroon toekwam.

Doch hoort don Heere verder. Nog dieper opent zich voor ons zijn moederlijk gevoelend hart. Nadat Hij de zielschokkende waarschuwing heeft uilgesproken, ziet Hij de discipelen vriendelijk aan, en alsof Hij hen wilde zeggen: „Verschrikt niet al te zeer!quot; zeide Hij tot Simon: Maar Ik heb voor n gebeden, dat uw geloof niet op-houde. O zegt, waar is een Zielevriend, een Hoeder en Herder als Hij? Het Evangelie geleidt ons dikwijls op de schouwplaats zijner daden en wonderen. Niet zelden wordt ons daar de sluier opgelicht van zijn stil gezellig verkeer met zijne vertrouwelingen, en ontsluit de Heere zelf ons de heilige plaatsen, alwaar Hij bet Priesterambt bedient. Hier echter vergunt Hij ons ook eenmaal den blik in de eenzaamheid van zijne binnenkamer, en welk eenen innigen dank zijn wij Hem voor dezen dienst schuldig ! Nauwelijks heeft de Heere van verre de golven der verzoeking, bijzonder naar Petrus zien heen stroomen, of Hij zocht de eenzaamheid en beval den bang bedreigden discipel biddende aan de hoede en bewaring van zijnen Hemelschen Vader. Opdat het geloof van Simon in den storm der aanvechting niet zou ophouden, daarom bad Jezus voor hem. O, laat zich eene meer moederlijke voorzorg denken, als zich hier aan ons voorstelt? De gelukkige Simon! Doch meent niet, dat alleen Simon, als een uitverkorene boven andere geloovigen zich in zulk eene liefde heeft mogen verheugen. Luistert slechts naar hel Hoogeprieslerlijk Gebed in Joh. 17, en overtuigt u van het tegendeel. Welke toonen zijn het, die van daar tot ons overklinken? Hoort! Heilige Vader! bewaar ze in uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als Wij. Hoort! Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld weg-neemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze. Hoort! Ik in hen

ocr page 167

en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn cn één, en opdat de ■wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden Jielgt;t, en hen lief (jehad hebt, gelijk Gij Mij lief gehad hebt. Niet waar, dat zijn haiiverheiïende toonen des gebeds. Ja, denkt gij, wanneer zij sleclils ook voor ons geldende waren, doch Hij bad enkel voor zijne naaste discipelen. Meent gij dit? ü, hoort dan verder. Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen, opdat zij allen één zijn, gelijkenvijs Gij, Vader! in Mij en Ik in U. ïhans znlt gij tevreden zijn, en bedenkt gij, wie dit voor n gebeden heeft? Het is Hij, wiens gebeden alle met bet groote, al is het ook niet altijd hoorbaar, woord beginnen: Vader! Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. En tot wien eens voor altijd de Vader gezegd heeft; Eiseh van Mij, en Ik zal hel U geven. Ziet, zoo heeft het. geloof, dat door den Heiligen Geest in ons gewerkt wordt, de grond van zijn voortbestaan in de voorbede van Jezns. Bestormd, aangevochten en geschud kan het worden, maar niet opgelost, niet vernietigd. Dat moest Simon weten, opdat hij in deze bewustheid een zwaard en een schild bad, wanneer de strijd zou ontbranden. Ingeval hij echter in dien strijd zon nederstorten, zou deze bewustheid hem den staf en den stok toereiken, met welke hij zich gelukkig over den afgrond der vertwijfeling kon verplaatsen. Zeker beeft Petrus in het oogen-blik, toen de verzoeking over hem heenstormde, van dit allerdierbaarst woord geen gebruik gemaakt. Simon- wankelde, struikelde, ja viel. Hoe zal het hem echter na den val opgericht en vertroost hebben, te kunnen zeggen: „Het is toch niet geheel afgedaan met u. De Heere heeft voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude, maar opdat het zaad Gods in u blijve.quot;

Ik heb voor u gebeden, zegt de Heere, dat uw geloof niet ophoude. En wat zegt Hij verder? Ach, bijna is het te veel, te veel op eens, wat Hij van de diepte zijner innige barmhartigheid ons ontsluiert. Misschien meende lot nu toe de een of de ander van u, dat de Heere alleen daarom zoo liefderijk tot Sirnon sprak, opdat hij zich in den strijd staande houden en trouw bewijzen zou; — doch neen, de Heere weet, dat Petrus werkelijk vallen zal. Hij ziet reeds in hem den trou-weiooze, den verloochenaar. En toch kan Hij Zich zoo vriendelijk jegens hem gedragen? Ü, nu zoo veel te meer. Het gaat Mem als eene moeder, wier hart eerst dan in rechte teederheid jegens haar kind ontbrandt, wanneer zij haren lieveling in gevaar ziet. Dat slechts zijn Simon niet vertwijfele na den val, maar ten rechten lijde weder moed grijpe, om zich tot Hem, den goeden Herder to keeren, dat is des Meesters eenige zorge, en naar dit doel der behoudende liefde zijn alle zijne woorden gericht. Hiertoe dient ook het aanminnige woord der vooruitzorgende liefde; En als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. O Simon! hoort gij? Welk eenen rijken inhoud ontvangt gij in deze weinige woorden: Als gij eens zult bekeerd zijn. Gij zult dus vallen, gij zult verslagen worden. Simon! wordt gij niet beangst? Begint niet alles wat in u is te beven? Neen, voor den armen discipel blijft het een raadsel, wat de Heere hem daar, vingerwijzend cn toch verstaanbaar genoeg, vooraf aankondigt.

ocr page 168

Hij verstaat liet niet, omdat hij eerder de nedcrstorting der hemelen voor mogelijk houdt, dan dat hij ooit zijnen Heere zou kunnen verloochenen. Nu dan, wilt gij het, verblinde discipel, niet begrijpen, zoo let ten minste op den machtigen troost, die hier voor de dagen des weenens, wanneer u troost zal noodig zijn, door den Heere wordt toegereikt. O, hoe zal die troost u nog eenmaal te stade komen! ^4/s gij eens zult bekeerd zijn. Dus ook na do droevigste nederlaag moogt gij terugkomen. Hij vergunt hot u. (lij zuil u na uwe trouwbreuk op nieuw getroosten en wederom bij zijne kudde voegen mogen. Ja, gij zult nog tot meer bevoegd zijn. Ah gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders, zegt de Heere. Dus zijn Apostel zult gij blijven, en ook verder zijne lammeren weiden. O Simon! kunt gij zulk eene liefde afmeten? Zinkt gij niet neder, om de voeten van zulk eenen Heere te kussen? Noen, Simon waardeert de ontferming, die in deze woorden ligt, niet. Voor het oogenblik heeft bij niets aan die zoete toespraak, ja, hij vermoedt niet eens, wat dezelve voor hem beteeke-nen moet. Het zal toch nooit, zoo denkt hij, daartoe met hem komen, dat hij zich nog eenmaal moet bekeeren, want alsdan zou hij tevoren een afvallige moeten geworden zijn. En een afvallige — zoo meent hij

— zal de Zaligmaker nooit in mij vinden. Zoo was dan bet troostvolle woord des Heeren voor Simon in den wind gesproken? O neon, voorzeker niet. Simon beeft het gehoord, en ligt dat woord vooralsnog sluimerend en werkeloos in zijn geheugen, zoo zal de dag wel komen, waarin het ontwaken en als een onbetaalbare schat zijne renten afwerpen zal. De Zaligmaker zelf is er niet zoo op gesteld als wij, om terstond de werking van zijn woord te aanschouwen. Hij heeft gedu'd en weet, dat elk gewas zijne vrucht geeft te zijner tijd. Het is ook begrijpelijk, dat onze Simon het veergeld, dat de Heere hem reeds vóór zijne komst tot bet veer in handen gaf, eerst dan zal leeren waardeeren, wanneer reeds de watergolven zijne voeten omspoelen. Laat slechts eerst de vloed van angst en jammer komen aanbruisen

— o, hoe zal hij dan de penning Gods zegenen, die hij eenen tijdlang zonder bewustheid in zijne male droeg.

Ais gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broederen. Men kan zich nauwelijks aan deze woorden verzadigen. Het is alsof Simon eerst door zijnen val tot eenen rechten Apostel moest worden. En in den grond was het ook zoo, want boe zou het anders hebben kunnen geschieden, dat God de nederlaag had toegelaten. De eerste en wezent-lijkste hoedanigheid van eenen heraut des Evangelies is en blijft een innig gebroken, gebogen en verootmoedigd hart, en God kan eene gemeente nauwelijks eene grootere weldaad bewijzen, dan dat Hij baren herder en leeraar tot eenen recht armen zondaar maakt. Eerst wanneer men zelf de genade van den moordenaar aan het kruis deelachtig en daarin blijmoedig geworden is, is men in staat de broederen te versterken. Wanneer men zelf eene levendige ondervinding heeft, dat men niets vermag zonder Ghristus, maar door Hem ook alles, wordt men een waar Evangelist, die niet meer onverdragelijke lasten oplegt, die hij zelf met geen' vinger aanroert, maar teeder en zacht tc werk gaat, gelijk Hij zelf, die kwam, niet om het gekrookte riel

ocr page 169

453

te verbreken en de rockende vlaswiek uit te blusschen, maar om de matte harten te verkwikken en de struikelende knieën weder op te richten.

Simon stemt niet in met de woorden des FJeeren. Heere! zoo roept hij bijna onwillig, als had hij eene tegenstrijdigheid gehoord, Heere! wanneer ook allen zich aan U ergerden, zoo ben ik nochtans bereid met U ook in de (/cvanfjenis en in den dood te gaan. De beminnelijke man! Zeker is hij geheel van zelfvertrouwen vervuld, maar daarom vlamt niet minder eene liefde tot zijnen ileere uit deze woorden, van welke ik enkel kan wensclien, dat zij ook ons bezielde. Geene zelfverheffing is verdragelijker en vergeel!ijIlt;er, dan die, welke zulk eenen geestdrift voor den Zaligmaker ten grondslag heeft. O, hoe was het den discipel op dezen weg naar den Olijvenhof te moede! Hoe gloeide, giste en golfde het in zijn binnenste! Neen, nog nooit had hij het zoo gevoeld, hoe lief hij Jezus had, als juist, nu, terwijl de scheidingsure gekomen was. En juist in dit oogenblik van hooge gevoelsverbefting hoort hij zijnen Meester de bezorgdheid te kennen geven, dat hij, Petrus, trouweloos van Hem zou kunnen afwijken. Hoe! zoo dacht hij, zou dat ooit mogelijk kunnen worden? Rabbi, misken uwen discipel niet. Ook banden en dood — zoo spreekt hij — zullen mij van U niet scheiden. En met deze verzekering was het hem heiligen ernst; dan ach, hij beloofde te veel. Waarom? zoo vraagt gij met bevreemdheid. Had niet Jezus voor hem gebeden, dat zijn geloof niet zou ophouden? Zeker had Hij dat, en wanneer Petrus daarop zijn vertrouwen gegrond had, zoo zou hij gedurig onwankelbare trouw tot in den dood hebben kunnen beloven. Doch Simon boogde op zijne eigene kracht, en wilde zeggen: Mijne liefde waarborgt U, dat ik U niet verloochenen zal. En juist dat was het ongeluk van den discipel. O Simon! het menschelijk hart is te gelijk een trotsch en vertraagd ding, en hij steunt op vermolmde krukken, die zich op zijn gevoel en op zijne gewaarwording verlaat. Gij echter weet dit nog niet, maar zult het daarna verstaan. O, nimmer zij iets op eigene kosten beloofd , hoe geestelijk lijk en sterk men zich ook wane te zijn. Nimmer zij de voel over boord gezet, zoo lang de Heere ons niet zijn: kom! toeriep, en zijne helpende hand naar ons uitstrekte. Wie echter op den sterken arm van Immanuël steunt, en in zijne genade de sterkte zoekt, die spreke vroolijker nog dan Simon; Heere! ik hen bereid met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan. De Heere zal hem met zijn geloof niet beschaamd laten uitkomen, maar hem zelfs op de schuimende baren der zee eenen vasten grond bereiden.

Nauwelijks beeft Simon in alle eenvoudigheid zijne heldhaftige verzekering uitgesproken, of bij verneemt uit den mond des Heeren de tweede waarschuwing. De Heere zegt hem thans met klare woorden wat hem bedreigde. Ik zeg u, Petrus! zoo sprak Hij, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij Mij kent. Welk een wacliterroep! Welk een bazuingedaver in Simon's ziel! Doch Simon wijst deze waarschuwing in het warm gevoel zijns harten van zich af. Wees niet bezorgd. Meester! zoo dacht hij. Ik zou U verloochenen? Nimmer en nooit, Ja, zoo dacht Petrus, eu

ocr page 170

154

y

dat hij niet anders zou denken, werd door den Heere vooruitgezien.

Doch waartoe dan de waarschuwing? Ik heb reeds gezegd, dat hier ,

meer gedoeld werd op de wederoprichting van den gevallen, dan op de versterking van den strijdenden discipel. Na de verloochening zou Simon tot zichzelven zeggen: „Zie, de Meester heeft u vooruit gezegd,

wat u thans overkomen is. Hij za g het komen, en waarschuwde u. En ofschoon Hij ook wist, dat gij zijne waarschuwing in den wind zoudt slaan, zoo verstiet Hij u echter niet, maar sprak tot u even vriendelijk en aanminnig.quot; Zoo zou hij spreken, en aan deze herinneringen zou hij zich te zijner tijd weder oprichten , en zich met hen bemoedigen. De haan werd echter voor hem door den Heere gesteld tot eenen wekker en boetprediker, die met zijn morgenroep ter rechter ure den gevallene uit zijne bedwelming weder tot zichzelven brengen en de tranen der boetvaardigheid hem ontlokken zou. Ziet, zoo strekte zich de moederlijk teedere voorzorg van den Zaligmaker ver over de aanvechting en den strijd uit, en bereidde zij reeds het geneesmiddel voor de wonde, vóór de nederlaag en den val. O, met hoeveel recht kon Hij zeggen: Ik zal u troosten, gelijk eene moeder troont. Zijne liefde is sterker dan de dood en harder dan het graf.

Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen des Hoeren!

II. • '

Nadat de Heere met Simon gereed is, en al de toebereidselen tot ^

wederoprichting van den geliefden discipel in de ure der verootmoediging en des geweens gemaakt had, keert Hij Zich tot de discipelen in het algemeen, en o! welke blikken mochten ons door deze toespraken in het hart des Zaligmakers vergund worden! De discipelen hadden thans hunne leerjaren ton einde gebracht, en de lijd was ophanden, dat zij in de duisternis dezer wereld hun licht zouden laten lichten, dat zij van storm en gedrang, oproer en strijd omgeven, de banier des kruises onder de volken der aarde ontrollen zouden. De Zaligmaker wil hen dit zeggen? En hoe doet Hij dit? Wederom zoo moederlijk teeder, zoo zorgvuldig en beminnelijk, dat bet hart hierover moet juichen. Als Ik, zoo begint Hij, u uitzond zonder huidel en male en schoenen (dat is, met liet uitdrukkelijk verbod ze mede te nemen), heeft u ook iets ontbroken'? De gevraagd wordende discipelen bedenken zich: Ontbrak het ons immer of ooit aan het noodzakelijke?

Hebben wij werkelijk gebrek geleden? Neen, zij herinneren zich zulk een geval niet, maar moeten tot eere van den Heere blijmoedig erkennen: Niets heeft ons ontbroken. De Heere had met hen gehandeld,

gelijk Hij gewoonlijk met de Zijnen handelt, welke Hij in den tijd hunner eerste liefde zeer zachtkens leidt, en aan de leidbanden van moederlijk teedere liefde en zachtmoedigheid laat wandelen. Alles geeft en vergunt Hij hun, niet alleen wat, maar ook hoe zij het be- ,

geeren, en wel met het oogmerk, om hen eerst recht aan Zich te doen gewennen, hun een onuitwischbaren indruk van de liefelijkheid zijns vrederijks voor de verdere levensreis mede op weg te geven, en hen den laatsten twijfel te ontnemen, dat Hij hen niet anders dan aangenomen, en in zijn hart opgenomen heeft,

ocr page 171

155

Hoe gaat echter de Heere, na het zoo waar en kinderlijk dankbaar uitgesproken woord zijner discipelen: Niets, Ueere! voort in zijn gesprek met hen? Men is geneigd te denken, dat Hij zeggen zou: „Zoo zorgt dan ook verder niet, want zooals gij het tot nu toe ondervonden hebt, zal het ook in het vervolg gaan.quot; Doch neen, niet alzoo. Veelmeer doet Hij hen juist omgekeerd weten, dat zij voortaan niet zelden geheel andere ondervindingen zullen hehhen. Maar nu, zoo zegt Hij, sterk drukkende op deze tegenstelling van het tot hiertoe, en niet enkel slechts naar de volgende drie dagen, maar naar den geheelen toekomstigen beroeps- en pelgrimsweg der Apostelen heenwijzende: Maar nu, wie eenen huidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male, en die geen heeft (namelijk nocli buidel noch male, welke vergelijkenderwijze nog als het meest ontbeerlijke te miss-n was), die verlcoope zijn kleed (bet onmisbaarste) en koope een zwaard. Hoe hebben wij dit woord te verstaan? In het algemeen kondigt de Heere hiermede den discipelen eene toekomst van strijd, van gevaar, van nood en veelvoudige verdrukking aan, waarvoor zij zich bij tijds hadden voor te bereiden en toe te rusten. Zij konden echter vast —■ en dat is Zijne bedoeling — op Hem betrouwen, dien zij als een getrouw Helper en Redder hadden leeren kennen. Te gelijk echter geeft Hij hen duidelijk te verstaan, dat zij voortaan op eene zoo in het oog vallende wonderbare leiding, gelijk hen tot nu toe, gedurende hunne kinderlijke oefening, was te beurt gevallen, geene al te vaste rekening meer moesten maken, naardien zij hunnen gang voortaan meer in de sporen van het dagelijksch leven zouden moeten doen, waarin de onmiddellijke kracht, waarmede de band der eeuwige Liefde hen tot hiertoe gedragen en verzorgd had, plaats moest maken voor eene mid-delijke hulpbetooning Gods, welke geloof eischt. Alsdan zou betook te pas komen, om bij het opzien naar boven en het gebed , ook de gewone en betamelijke verzorgings-, beschermings-en hulpmiddelen, die hen ten dienste stonden, aan te wenden. Wie eenen buidel en reiszak had, die moest ze niet wegwerpen, maar houden en met dezelve te rade gaan. Mannelijke besluitvaardigheid, voorzichtigheid en verstandige berekening zijn niet meer te verachten, maar in het werk te stellen en te gebruiken. Ja, wie niets heeft, die verlcoope zijn kleed en koope een zwaard. Een zwaard? zoo vraagt gij met bevreemding. Toch zeker enkel een geestelijk? Het zwaard des woords waarschijnlijk, en misschien wel dat des gelpofs? Neen, mijne vrienden! aan geestelijke wapenen denkt de Zaligmaker bij het zwaard zoo weinig, als Hij bij den buidel en de male aan een geestelijk reisgereedschap denkt. Nochtans is ook zijne meening niet, dat de discipelen zich van zwaarden in den eigentlijken zin des woords voorzien zouden, maar zijne rede is van eenen spreekwoordelijken aard, en zegt met sterke trekken: Uw toekomstige beroepsweg zal u in betrekkingen en omstandigheden brengen, waarin gij uwe zielen in do hand dragen en met den be-slissendsten tegenweer om uwe vrijheid en uw leven zult te strijden hebben.

Want wat volgt nu? Alsof de Heere zeggen wilde: „Verwondert u niet over hetgeen Ik u zoo even zeide; want de discipel is niet

ocr page 172

150

boven den Meester, en wat tegen Mij is, zal ook tegen u zijn,quot; herinnert Hij hen, dat nu ook zijn weg zich in de uiterste smaad en ellende verliezen zal, en Hij zegt met een redenaangevend want: Ik ze;/ u, dat nou dü, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk-, en Hij is met de misdadigers gerekend. Want ook deze dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde. De Heere beroept Zich hier op het kapittel van den profeet Jesaja, en bepaald op het 1 '2^ vers, en hetuigt uitdrukkelijk, wat aldaar van den Knecht van Jehova geschreven staat, dat Hij veler zonden dragen, voor de overtreders tusschentreden en door gehoorzaamheid en een volkomen ollerlijden zijn volk rechtvaardig maken en eeuwig verlossen Zal — Van Hem gezegd is. Hiermede heeft Hij vooreerst, ten opzichte van de eenig ware uitlegging des genoemden kapittels, met Goddelijk gezag den laatsten twijfel weggenomen. Het profetisch woord spreekt van Hem, van zijn Persoon, van zijn werk, van zijn Koninkrijk. Vervolgens heeft Hij zijne discipelen in deze uitspraak eenen helder-lichtenden fakkel voor de raadselachtige donkerheid zijns nabijzijnden lijdens in handen gegeven, en eindelijk hen zijn rijk als een Koninkrijk voorgesteld, welks onderdanen in deze booze wereld nauwelijks iets beters te wachten hebben, dan Hem zeiven is ten deel gevallen. Hem, die ten laatste nog tot in den dood aan het hout des vloeks, met de misdadigers gelijk gerekend en als een vaagolTer bespuwd en uitgestooten, de wereld zal verlaten.

Wat bedoelt de Heere echter met de woorden: Want ook die dingen, die van Mij geschrcven zijn, hebben een einde. Zeker niel hetzelfde, wat Hij met. de voorafgaande woorden zeggen wilde: Ik zeg u, dat nog dit, het welk geschreven is, in Mij moet volbracht worden. Onmiskenbaar ziet de Heere hier weder terug op de vermaning , welke Hij den discipelen gegeven heeft, en de aan zijne redenen tot grondslag verstrekkende gedachten zijn bijzonder drieërlei. Vooreerst wil do Heere zeggen: „Voor Mij zuil. gij u niet moeten wapenen. Mij znlt gij niet mogen verdedigen, want als het Lam Gods heb Ik, ton gevolge van een vóór de grondlegging der wereld vastgesteld raadsbesluit, het Mij toegedachte lijden, als tot verzoening noodzakelijk, met zelfopolïerend geduld op Mij te nemen.quot; Vervolgens: de mate van die folteringen, van welke uwe verlossing afhangt, is volkomen in mijn lijden vervuld; daarom moogt gij als dezulken, die door écu olTer in eeuwigheid voleindigd zijl., getroost en gemoedigd uwe toekomst te gemoet gaan. En eindelijk, wat gij ook immer in de toekomst zult hebben te lijden, tot uwe verzoening lijdt gij niet meer, naardien al wat tot genoegdoening der zonden en tot uitdelging der schuld geleden worden moest, zich op mijn hoofd te zamen hoopt, en alles in Mij een einde heeft. Wanneer gij nu nog verder lijdt, zoo lijdt gij enkel tot uwe loutering, en u betaamt — wat Mij niet betamen zou — dat gij voor uw leven en deszelfs bewaring, tot den dienst der liefde van de broederen, u toerust tot noodzakelijke zelfverdediging, ten einde u wanneer het gevorderd wordt, met alle geoorloofde middelen te beschermen en te verweren.

Pit is de bedoeling des Hoeren. Do discipelen echter vatten den

ocr page 173

Meester niet, maar leggen dit woord voor zichzelven uit, zoo als Petrus daarna met de (laad bewees, als eene uitnoodiging, om Hem met stoll'elijk geweld tegen zijne vijanden in bescherming te nemen. In deze veronderstelling toonen zij Hem de zwaarden, waarmede twee hunner, en onder deze Simon, volgens de gewoonte der rondtrekkende Galileërs, gewapend waren, en zeggen, zeker welgemeend, maar met kinderlijk onverstand; Hcere. zie hier iioee zwaarden! Hkt is genoeg! zeide de Heere! weemoedig afbrekend: Laat ons thans die zaak laten rusten — wil de Heere zeggen — en bij de ontwikkeling van uwe levenservaringen zal u het recht verstand mijner woorden wel duidelijker worden.quot;

Nu, mijne vrienden! zegt mij, of er wel iets meer roerends en meer hartverhelTends bestaat, dan de meer dan moederlijke bedachtzaamheid en voorzorg, waarmede de Heere bezig is bier de zijnen, reeds voor de latere toekomst huns levens, alles op den weg mede te geven, wat hen te rechter lijd raad, steun en troost verleenen kan. Zeker weten zij nog niet, welk eenen kostbaren schat zij in dit alles mede nemen. Zij dragen dien schat nog in allerlei misvattingen gewikkeld in hunne male, doch te zijner tijd zal zich het geestelijk reisgeld wel in zijne waarde doen kennen en zijne diensten doen, en zij zullen de liefde aanbidden, die reeds vóór het gevaar zoo zorgvuldig van alle behoedmiddelen tegen ergernis, twijfeling en verbijstering voorzien beeft. En nu, de Heere is in den loop der eeuwen geen andere geworden, dan die Hij toenmaals was. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde in eeuwigheid. Verheugen wij ons hierin, vertrouwen wij ons onvoorwaardelijk aan Hem too, en zingen wij, met de vrouw in het Evangelie ons vasthoudende aan den zoom zijns kleeds, en niet de Sulamite ons leunende op zijnen schouder:

Voor 't oordeel Gods beveiligd,

Worde ook mijn sjeest bewust,

Dat ik in U geheiligd,

Aan Uwen boezem rust.

Want hij is vi ij van vlekken,

En doet wat U behaagt,

Wien zulke vleugelen dekken,

Wien zulk een liefde draagt.

Amen.

ocr page 174
ocr page 175

HET HEILIGE.

ocr page 176

XVII.

G E T H S É M A N É.

STRIJD EN OVERWINNING.

In het Oude Testament treedt ons geene, op zinnebeeldige wijze, meer diepzinnige zaak te gemoet, dan die, waarin wij (Gen. 32) den aartsvader Jakob met den Engel Jehova zien worstelen. Wij treilen den voor zijnen broeder Ezan vluchtende Jakob aan bij de boek Jab-bok, alwaar bij door de benauwdheid zijns harten geperst, nadat hij zijn gevolg over do beek vooruit had gezonden, in eenzaamheid was achtergebleven, om in het gebed tot God troost en verademing te zoeken. Aldaar gebeurt bet, dat, schijnbaar met een vijandig oogmerk, eene verhevene mannelijke gestalte, — in welken de aartsvader spoedig den Zich openbarenden God, den eeuwigen Zoon erkent, — hem nadert en in hetzelfde oogenblik aangrijpt en tracht neder te werpen. Jakob, zich klaar bewust zijnde, dat hij hier te doen heeft met Hem, die zijne eetiige troost en laatste toevlucht is, begint onder gebed en, gelijk Hoséa bericht, met vele tranen, den ongelijken strijd met den Verhevene, en is vastelijk besloten, om, al kost het hem ook het leven, niet te wijken, totdat de geheimvolle toorn over hem, den zondaar, zich in genade veranderd heeft. Gedurende de worsteling echter roert de Ileere, ten bewijze zijner overmacht, den stoutmoo-digen strijder bet gewricht zijner heupe aan, en terstond is het ontwricht, en hij gevoelt, dat hij begint te vallen. Hoe dieper echter de aartsvader thans van het gevoel zijner nietigheid en onmacht doordrongen wordt, des te geweldiger neemt hij de vrije genade des Heeren in aanspraak, en hoe minder de eigene voeten hem kunnen dragen, des te vaster omvat hij met beide zijne handen, als zijn eenige en laatste steun, den hals van zijne wonderbare tegenpartij. Tegen zulk eenen aandrang van eenen verbrijzelden cn om ontferming smeekenden zondaar kan de Heere niet langer tegenstand bieden. Aan het geloof eener oprechte kinderlijke eenvoudigheid heeft Hij zich eens voor altijd overgegeven. quot;ij geeft dat zelf te kennen door bet aan Jakob gericht verzoek; Laat Mij daan, want de dageraad is opgegaan. Is bet niet, als wilde Hij daarmede zeggen: „Thans hebt gij Mij over-mocht. Ik ben voortaan afhankelijk van u, en uw gevangene.quot; Te gelijk ontlokt Hij met deze woorden den aartsvader, tot een voorbeeld en troost van allo bidders na hem, de onverholen bekend-

ocr page 177

dol

making van zijn alle bedenking te boven komend kinderlijk vertrouwen op de Goddelijke barmhartigheid. Ik zal U niet laten (jaan, zeido Jakob, tenzij dat Gij mij zecjent. Waar zulk oene roepende behoefte naar hulp aan de eene, en onbepaald vertrouwen op de genade aan de andere zijde, het hart tot deze taal van ootmoedige stoutmoedigheid perst, daar heeft de Heere zijn vermaak en is Mij geneigd, om den biddende alles to geven wat hij vraagt. Hoe is uw naam'? vroequot;- Hij. Jal,oh, antwoordde de patriarch met diepen ootmoed (want deze naam beteekent in onze taal voetlichter), en herinnert hein aan zijne zonde. Do Heere echter gaat voort en zegt: Uw naam zal voortaan niet Jakob lieden, maar Israël (dat is overwinnaar (\ods), want (jij hebt u vorstelijk rjedragen met God, en omdat God voortaan met u en u tei zijde is, /uit gij ook uwe vleeschelijke tegenpartijders overwinnen, oi met de menschen, en hebt ovennoeht.

De worsteling .lakoljs was, ten minste ten deelc en in hare alquot;c-meene omtrekken, een voorbeeld van die andere, en ongelijk meer beduidende worsteling, waarvan wij heden getuige zuilen zijn. Ik meen de _ worsteling van den Immanuël met zijnen'llemelschen Vader in Gethsémané. Doch terwijl ik mij gereed make, om de punten van vergelijking tasschen de schaduw en het tegenbeeld op te sporen, verdwijnt de eerste altijd dieper in den achtergrond, en het met elkander overeenkomstige bepaalt zicii nauwelijks tot iets meer, dan tot de overgegevenheid en vurigheid, waarmede hier, gelijk daar, de ge-bedsstrijd gestreden wordt. Deze worsteling in deii hof dei' olijven staat voor ons als eenig in hare soort. Geen ander voorval in de wereldhistorie is met haar in wezen, grootte van beduiding, doel en gevolgen te vergelijken. Hiervan zullen wij ons nader overtuigen. Zij de Heere slechts niet verre van ons met zijnen Geest!

ma'mt. 20 : 30—10. marc. '14 ; 32—42. luk. 22 ; 39__10.

joh. 18 : 1, 2.

Toen ging Jezus met lieu in eene plaats, genaamd Gethsémané, waar een hof was, in welken Hij ging en zijne discipelen. En Judas, die Hein verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls'vergaderd was geweest met zijne discipelen. En als Hij , ui dié plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Zit hier neder, totilat Ik heeiuia en aldaar zal cjeheden hebben, en bidt dat (jij niet in verzoelcimj korni En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedéus , begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide tlij tot hen? Mijne ziel is geheel bedroefd, tot den dood toe-, blijft hier en waakt met Mij. En een weinig voortgegaan zijnde, scheidde Hij Zich van hen af eèn steenworp ver, knielde neder, en viel op zijn aangezicht en bad, zoo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijging, zeggende: Abba. Vader, alle dingen zijn U mogelijk, neem dezen drinkbeker van Mij teeg, doeh niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt. En Hij kwam tot/.iju'e discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Kunt gij niet één uur met Mij waken? Waakt en bidt, ojjdut gij

11

ocr page 178

niet in verzoeking valt. De geest is tvel gewillig, maar het vleesch is zwah. En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van Mij niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede! En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard, en zij wisten niet wat zij Hem antwoorden zouden. En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden. En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. En als Hij van quot;het gebed opgestaan was, kwam Hij ten derden male tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid. En Hij zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust, het is genoeg, de ure is gekomen. Ziet de Zoon des menschen wordt overgeleverd tn de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan. Ziet, die Mij verraadt, is nabij.

Het Heilige van het lijden des Heeren hoeft zich voor ons geopend. Het groote offerwerk neemt zijnen aanvang. Zietdaar den Priester en het Lam, de hrandolTeraltaar en liet vuur Gods daarop. Mijne Vrienden, welk eene aanschouwing! Wie doorgrondt hier de diepten? wie opent liet zegel dezer vérhorgenheid? Waarlijk, hier is meer dan Abraham's offerande op Moria, dan Jakob's nachtelijke worsteling met Clod en dan Mozes gezicht op den berg Horeb. Hier staroogt de schaar der geesten. De serafijnen bedekken hier hunne aangezichten met vleugelen. Het is eene heilige duisternis, welke Gethsémané omgeeft. Hoe zouden wij hier ooit eenen weg vinden, wanneer de fakkel Gods ons niet voorlichtte. Het is eene wereld van ontzettende raadselen, welke ons hier omringt, hoe zouden wij lot hare beteekenis doordringen, wanneer Jehova ons niet door zijne tolken, de profeten en apostelen, daartoe den sleutel gaf?

Dat wij, met ons betamenden eerbied, tot de beschouwing van deze ontzettende bijzonderheid naderen. Christus' strijd en overwinning in den Olijvenhof heet het groot onderwerp onzer tegenwoordige betrachting. Wij bepalen onze overwegingen voor heden bij het historische van den geheimnlsvollen kamp, en richten daartoe den blik:

I. oj) de voorbereidingen tot deze worsteling;

11. op de ontzettingen, die haar omgeven;

HL op den voortgang van dezen strijd;

IV. op het gebed van den Strijder, en eindelijk V. op het einde van den strijd.

De Geest der waarheid geleide ons op den weg onzer beschouwing en heilige onze zinnen en gedachten tot het betreden eener plaats, waarvan het opschrift heet: „Van hier, gij onheilige!quot;

1.

liet is nacht. Met de klaarste bewustheid van al hetgeen thans op Hem wacht, heeft de Heere in gezelschap zijner elf vertrouwelingen

ocr page 179

4G3

Jeruzalem verlaten. Onder hartroerende gesprekken daalt iiij mot hen af in het donkere cipressendal, waarin vroeger in de dagen der koningen het vuur brandde, waarin men ter eere van Jehova de gruwelen der afgoderij verbrandde. Mier gaat de Heere Jezus over de beek Kedron, die Leek, waarover vroeger in angstvolle dagen, diepgebogen zoowel onder eigene schuld, als onder de schuld van liet volk, zijn gekroonde voorvader naar het vleesch, tie koning David ging, terwijl deze blootvoets en met een zak hekleed, voor het zwaard des oproers van zijnen zoon Absalom vluchtende, een veilig toevluchtsoord zocht. Zou de Ileere Jezus aan hem niet gedacht hebben, aan den man, die, nadat de gansche wereld, op weinige getrouwen na, hem verlaten had, zich niet eens meer waardig achtte, dat de Arke des Vbr-bonds hem volgde, welke de priesters Zadok, Ahimaaz eu Jonathan aanboden hem na te dragen; aan den man, die Abisaï, toen deze tegen den lasterenden Simei in heiligen toorn de hand aan het zwaard sloeg, bestraffend tegenhield met de woorden: Laat hem vloeken, want de ileere heeft het hem geboden; aan den man, die tot verzoening van zijne misdaad, door welke hij de onschendbare wet had geschonden, zich met lichaam en ziel gewillig aan de strafgerechtigheid ten offer geven, en de beker van den Goddelijken toorn met blijdschap tot op de heffe ledigen wilde, wanneer hij slechts daarna mocht hopen, dat het oog van God weder genadig over hem geopend werd? Zou niet het beeld van dien man, al was het dan ook slechts voorbijgaande, den Heere Jezus voor de ziel getreden zijn? Kn zou niet ook de niet ver van Hem verwijderde geopende afgrond in het dal Josa-phats, deze oude huiveringwekkende gerichts- en begraafplaats, een oogenblik zijne aandacht hebben bezig gehouden? O zeker! Van zulke diepe beteekenisvolle herinneringen vervuld, en in dquot; g:':ii ■edontroe-rende beschouwing van zulke zinrijke voorbeelden en i luwen verzonken, komt de Heere Jezus aan den ingang van een' aan den voet des Olijfbergs gelegen hof, Gethsémané (olijfpers) geheeton, eene plaats, waar heden nog acht eeuwenoude reusachtige olijfboomen met zwijgenden mond den vromen pelgrims verhalen, wat eenmaal onder hunne schaduwen geschied is, en hen als getuigen van deze heilige gebeurtenis de ware plaats aanwijzen, waai' de Heere der heerlijkheid over het jammer der menschheid geweend en voor hunne verlossing geworsteld en gebeden heeft. Wij weten, dat de Heere zich meermalen na do hitte on last van don dag in de eenzaamheid van den stillen hof terugtrok, om zich daar in heilig gesprek met zijnen Vader op nieuw tot zijn groot werk te versterken. Lucas, merkt dan ook uitdrukkelijk op, dat do Heere, gelijk Hij gewoon toas, naar den olijfberg ging. Met gewaarwordingen, als ditmaal bij Hern ontstonden, had Hij voorzeker deze gemeenzame plaats nimmer betreden.

De lofzang waarmede Hij en do zijnen het bevriende huis te Jeruzalem verlieten, was reeds lang vergalmd. Hot gesprek ouder weg schijnt na de afbrekende woorden: het is genoeg! een nog meer kort afgebroken karakter aangenomen te hebben. Er ontstonden langere tusschonpoozen van zwijgen. De ernst des Hoeren nam too, hoe meer Hij het doel van den nachtelijken uitgang nader kwam. Het was on-

ocr page 180

miskenbaar, dat zich iu toenemende mate iets zwaars over Zijne ziele uitbreidde. Ieder zag liet, dat liet den Meester geheel anders te moede was, dan nog kort te voren, en zoo kon het ook den discipelen niet bevreemden, toen Hij, hij den dorpel van den hof gekomen, hen wel niet de klaarste zelfbewustheid, maar niet zonder het kenmerk van eene sterke innerlijke gemoedsbeweging het bevel gaf: Zü hier neder, loklal ik heemja, en aldaar zal gebeden hebben. In den liefelijksten vorm, waarin dat geschieden kan, kondigt Hij denzulken van zijne beminden, wien voor ditmaal het geheim nog verre blijven moest, de gebeurtenissen aan, die thans op Hem wachtteden. Met waarlijk moederlijke bezorgdheid wilde Hij voorkomen, dat zij niet al te zeer verschrokken.

Hij ging heen om te bidden, zeide Hij. Het was dus een gebed, waartoe Hij Zich bereidde? Zeker! maar welk een gebed! Hoe duidelijk geeft Hij echter reeds hier, door de voorbereidende schikkingen, die Hij maakt, te kennen, dat Hij de Hem wachtende worstelstrijd niet als eene slechts uit zijn eigen binnensle ontspringende zaak, maar als eene op stellige wijze van buiten over Hem losbrekende strijd beschouwt, en ook door anderen beschouwd wil hebben. Die strijd staat vóór Hem, als. eene beschikking over Hem, welke op Hem wacht. Hij ziet als liet ware een zware broeiende onweerswolk boven zijn hoofd langui.

Zit hier neder, toldal Ik heen na. Dat was do taal van zijn gansche loven en is het nog beden. Men zou het als zijn levenszinspreuk onder zijne beeltenis kunnen schrijven: Zit hier neder, totdat ik heen-na. Zoo sprak Hij reeds in den beginne, toon de Barmhartigheid en Gerechtigheid met elkander te rade gingen, wat er van de arme zondaren worden zou, en toen, — laat mij van ondoorgrondelijk Goddelijke dingen eens menschelijk tot u spreken — toen de Liefde ons gaarne wilde begenadigen, maar de Heiligheid het niet wilde, omdat zij verdoemen en verwerpen moest. Toon was Hij het, die tusschen-trad en Zich in bet midden stelde. „Zit hier, sprak Hij toen, totdat Ik heenga en late mijn leven voor mijne schapen.quot; Toen Hij later de hemelen scheurde, en onze doodsvallei betrad, om voor ons alle ge-reclitiglieid te vervullen, sprak Hij andermaal en wel in onzen Lekst tot ons: „Zit hier neder, totdat Ik Mij overgegeven, en gehoorzamende en lijdende, uwe plaats bekleed zal hebben.quot; Ku ziet, dat bleef zijne leus tot op dit oogenblik. Overal wil Hij van ons gaan, wij zullen slechts nederzitlen; wij rusten. Hij arbeiden; Hij voortbrengen, wij genieten; Hij voor ons strijden, wij triomlliederen zingen. Waar Hij zijne kinderen in de moeite ziet, in strijd of angst, in zorgen ol twijfelingen, daar is Hij spoedig nabij en zegt: „Zit gij slechts neder, en werpt al uwe zorgen op Mij, legt u op mijne knieën stil ter rust, en laat Mij voor u zorgen.quot; En wanneer Hij zelf ons dit in de benevelde ziel inlluistert, en ons het liefdegeheim leert verslaan, dat Hij alles voor ons zijn en doen wil; strijden en zorgen, worstelen en overwinnen, waken en bidden, — o, welk eene feestviering en welk een rustgenot is het dan, waartoe het moede hart iigaat! Wel worstelen en strijden ook wij dan nog voort, maar het

ocr page 181

105

is met de volkomen zekerheid van de zegepraal en met diepen vrede des harten. Wij weten wie ons ter zijde staat, en dat ons niets meer kan scheiden van de liefde Gods.

De discipelen, gehoorzaam aan het hevel huns Meesters, zetten zich aan den ingang' van den hof neder. Terwijl Hij zelf, nadat Hij zijne drie naaste discipelen. Petrus, Johannes en Jacobus, gewenkt had, dat zij Hem volgen zouden. Zich dieper in het hinuenste van den hof he-geeft. Voor de toekomst zijner Kerk is er Hem veel aan gelegen, om ooggetuigen van deze gewichtige gebeurtenis te hebben. Tevens wordt Hij tot het medenemen van dit klaverblad zijner discipelen bewogen door de zuiver menschelijke behoefte naar de troostrijke gemeenschap der liefde met hen bij den op banden worstelstrijd. Hoe wel doet bet ons, in de uren van aanvechting door gelijkgezinde vrienden omgeven te zijn, die met ons waken, met ons bidden, en schatten van bemoediging uit het Woord Gods, even ais uit het gebied hunner eigene geestelijke ondervindingen aan te bieden hebben. Hoe kan ons dit den strijd verlichten, terwijl de eenzaamheid gewoonlijk de verschrikking nog verhoogt en naast den werkelijk voorhanden nood, ook nog de deur opent aan de schrikbeelden der verbeelding. Nu was aan den lleere Jezus Christus geene enkele zuiver menschelijke behoefte vreemd. In alles werd Hij ons gelijk, uitgenomen in de zonde.

II.

Door den hof Eden klonk de stem: Adam, waar zijl, (jij9 en Adam verborg zich sidderend achter de boomen des bols. Deze zelfde stem van den navragenden en zoekenden God klinkt tot hetzelfde einde dooiden bof Gethsémané. En de andere Adam onttrekt Zich aan de stem van den Roepende niet, maat» treedt den Verhevene, die Hem op-eischt, om voor zijn aangezicht le verschijnen, met een bereidvaardig: Hier hen Ik! tegemoet. Volgen wij Hem in de nachtelijke donkerheid. Welke verschrikkingen zien wij voor Hem zich ontwikkelen. Het zijn enkel ons zeer goed bekende personen, die wij hier te zarnen aantreffen, doch hoe hebben zij hunne houding jegens elkander veranderd. Alles wordt met een hulsel overtogen, alles wordt in Gethsémané onkenbaar, en van oogenblik tot oogenblik stijgt bij de aanschouwing van al wat hier gebeurt, de nood en benauwdheid van ons eigen hart.

Het is de eeuwige Vader, die hier handelt. Doch wat blijft ons over, dan voor zijn aangezicht met Job uit te roepen: God is (/root, en, wij hcyrijpen Hem niet. Zijn eenige, boven alles geliefde Zoon komt voor Hern in eenen toestand, dat een steen zich over Hem zou hebben kunnen ontfermen, doch bij Hem, die toch tot Sion zeide: Ofschoon ook eene moeder haar zuicjelimj vergate, zoo zou Ik toch uwer niet vergeten, schijnt geen ontferming meer te zijn. Men wordt hier in verzoeking gebracht, om met David in den kreet der ontzetting uit te roepen: Jleeft dan de lleere opejehouden genadig le zijn'-? Heeft lij zijne harinhartigheid dooi' toorn 'toegeslotenquot;? Want ziet slechts, welke dingen gebeuren hier. Een en andermaal werpt Zich de Zoon der

ocr page 182

1()(gt;

is geen stem, noch antwoord, noch opmerking, alsof de Eeuwige zijne belofte; Roep Mij aan in de ure der henauiudheid, en Ik zal er u uit holpet i en gij zult Mij eeren, in toom teruggenomen heelt, en wel voor ieder ander het hart geopend heelt, maar niet voor Hem, die toch vóór de grondlegging der wereld in zijnen schoot was. De beker der verschrikking gaat voor den sidderenden Lijder niet voorhij, veelmeer wordt de drank van oogenhlik tot oogenblik bitterder. Allijd luider wordt de klacht van den Worstelaar aangeiieven, altijd dringender wordt zijn gebed en srneeking. Maar de Verhevene zwijgt en de hemel schijnt duizendvoudig toegesloten. Wel komt ten laatste een engel, doch waarom in plaats van den onmiddellijk troos-tenden Vader slechts een engel? Komt het niet bijna als eene bijlende scherts voor, dat tot versterking van den Schepper een schepsel gezonden wordt? En welke versterking was liet, welke eene nog boogere benauwdheid ten gevolge bad? Want nu eerst, zoo lezen wij, gebeurde het, dat Jezus in ztvaren strijd' zijnde, te ernstu/er bad. Ln zijn zweet werd (lelijk cjroote droppelen bloed, die o}gt; de aarde aj-Uepen. O, welke verschrikkingen en ontzettingen toonen zich in Gethsemanó' .Tn, de Vader handelt hier, maar wonende in de donkerheid. als diepverborgene, een onbekende, schijnbaar in de schreeuwciKiste tegenspraak met zichzelven, en als het ware omringd van de bouwvallen zijner eigene beloften en verzekeringen.

liefde met vuris srebed en smeekinj? aan liet harte des Vaders, doch zijn

oor luistert vruchteloos naar een gunstig amen uit de hoogte. Er

En nu onzen blik op den Zoon geslagen. O zegt, wie herkent Hem nog? In een ondoordringbaar web van pijnigende raadsels en tegenstrijdigheden zien wij ook Mem omwikkeld. Hij is de man, die door Jeremia met verbazing in den geest gezien werd en algescbetst wordt met de woorden: Mijn hart wordt in mijn binnenste (jebroken, al mijne beenderen bewenen zich. Hij is de vermorselde, die in den psalm van Zichzelven getuigt: Ik hen een worm en rjeen man. Hij deed zich voor als dien, die de wereld verlossen zou, doch wie komt thans voor, de verlossing meer Ie behoeven dan Hij zeil? Hij draagt den hoogen titel van Vredevorst, en waar was ooit iemand, armer aan vrede dan Hij op dit oogenblik is? Ziet slechts hoe Hij, zwervende en dolende, nu bij God zijnen Vader, dan bij arme kinderen der menschen, om eene lafenis voor zijne beangstigde ziel zoekt, en niet vindt, maar onverkwikt weder op nieuw moet heengaan tot nieuwen angst, tot nieuwe benauwdheid. Zijne oogen zijn vol tranen, zijn mond vol geklag en geschrei, en ach, zijn hart wordt geperst, zoodat Hem het bloedig angstzweet uit de aderen wordt gedreven. Is dat do Held, die eens de sterkte der zwakken, de troost der bedroefden, de steun der wankelenden en bet schild der strijdenden was? Is dat de Heilige in Israël, die vroeger op alles voorbereid was, en met blijd-uitriep: Zie, Ik kom om uw weibehacjen te doen, o God, en

moe toet is in het binnenste van mijn ingewand? Ik vraag andermaal: Wie herkent Hem in dezen ellendigsten aller ellendigen? en wie aanschouwt in dit gekrookte riet en in dien sidderenden worm nog den

Schoonste onder de kinderen der menschen?

ocr page 183

107

En ziet nu ook daarbij de discipelen aan, die de maat der onlte-grijpelijkheden vol maken. Terwijl hun Heer in ongehoorde angsten met den dood worstelt, zien wij hen, en wel daarbij de drie uitge-lezenen nit de kleine schaar van 'sHeeren discipelen, slaapdronken, ja geheel van den slaap overmand op den grond nederliggen. Hij wekt ben op met de bijna smeekende bede, dat zij slechts eenen kleinen tijd met Hem zouden waken; doch zij, als ging hen deze I zaak niet aan, slapen wederom in en laten den Meester aan zijne be

nauwdheden over. En onder hen bevindt zich ook hij, die gezegd had: Al ware het ook, dat zich allen aan U ergerden, zoo zou ik mij geenszins ergeren, al moest ik ook met U in de r/evane/eiiis en in den dood ejaan. En evenzoo bij, die als de lievelingsdiscipel eens aan den boezem des Heeren lag; en ook hij, die vroeger een zoo bereidwillig ja had op de vraag des Meesters; Kunt gij den drinkbeker drinken, die Ik drinke, en u laten doopen met den doop, waarmede Ik gedoopt worde? Ach, ziet bier, wat er van de getrouwheid der menscben waarheid is! Slechts één is getrouw, en slechts op één kan men zich in alle gevallen verlaten. Slechts één slaapt of sluimert nooit bij den nood der zijnen; het is Hij, rondom wien allen sliepen in dezen hangen nacht, behalve Zijne vijanden. Hoe konden echter de discipelen tegenover zulk eene ontzettende aanschouwing slapen'? Ja, hoe konden zij dit? Moet men niet aannemen, dat dit niet op natuurlijke wijze beeft plaats gehad? Dringt zich hier niet met geweld de gedachte aan do inwerking van vreemde duistere machten aan • ons op? Gij ziet, van alle zijden is men in Gethsémané van ver

schrikkingen omringd, en het kan ons worden als droomde men bij wakenden toestand schrikvolle koortsachtige droomen, of als waren het enkel schijn- en schrikgestalten, die men in eene ijlende koorts zich voorbij ziet zweven.

111.

Doch vertegenwoordigen wij ons den verderen loop van den strijd in Gethsémané. Nauwelijks is de Heere Jezus met Zijne drie discipelen in het lommer van den hof dieper ingegaan, of Hij begon voor hunne oogen droevig en zeer beangst te worden. Met dit begon Hij geelt de geschiedenis ons een' wenk, dat thans iets tot nu toe ongehoords over Hem gekomen is. Te gelijk echter kenmerkt de Schritt hiermede den Mem aangrijpenden angst als eene, na voorbedachte raden, met vrije keuze, door Hem op Zich genomen nood , cu Hemzélven als een man, die, zooals een uitlegger treffend spreekt, onder al bet lijden iels doet, en onder al bet doen iets lijdt. Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Eene onuitsprekelijke zwaarmoedigheid legde zich op Zijne ziel neder, en een geheimvolle angst omving zijn gemoed. Marcus bericht, naar de hem eigenaardige wijze, om de heilige gebeurtenissen meer in de enkele deelen uit te werken en dus meer 1 aanschouwelijk voor te stellen, de natuur van Jezus' droelheid nader

onder ons begrip, door ons te zeggen, dat Jezus zeer verbaasd onbewogen begon te worden. Hij bedient zich bij de eerste uitdrukking in den grondtekst van een woord, dat een plotselinge merg en been

ocr page 184

doonlritigemle schrik voor eenig ontzetting of afschuw verwekkend voorwerp uitdrukt. Onmiskenbaar bedoelde de Evangelist hiermede aan Ie wijzen, ilat de ooi-zaak van de ontroering en benauwdheid des IJeeren niet enkel ontstond uit de overwegingen zijner ziel, maar te gelijk in verschijnselen te zoeken zij, die van huiten op Hem aandrongen. Hem kwam iels nabij, dat zijne zenuwen dreigde vaneen le scheuren, ja, van welks aanblik Hem liet bloed in de aderen dreigde le verslijven.

Heeds lerstond na den eersten aanval der benauwdheid, keert Hij zich lol het drietal met de woorden, die over zijnen innerlijken gemoedstoestand een helder licht werpen: Mijne ziel is (jehecl bedroefd tot den doo/l loc. Zeker beperkt zich de beteekenis dezer klacht niet tot do uitdrukkinquot;: „Ik ben doodelijk bedroefd, de angst dreigt mij te doen stervei Üschoon deze woorden ook dat, ja, wel dit allereerst beteekenen. i«« i-us door deze betuiging wordt ons in de diepte van het ziclelijden des ^Middelaars eenen blik vergund, die t(^ ontzettender is, hoe minder wij ons bij de woorden van Hem, die de Waarheid zelve is, ook slechts van verre aan den minsten zweem van overdrijving mogen denken. Het (jehecl bedroefd zijn tot den dood toe wijst echter niet enkel de mant, maar ook de natuur en het wezen zijner bedroefdheid aan. Wij lezen verder, dat Hij in zwaren strijd was, in strijd met den dood. En voorzeker was het voor de zondelooze natuur des Heeren reeds iels vreemds en tegenstrijdigs, dat de dood tol Hem naderde, zoodat Hij voor denzeive terugbeven moest. Het was echter niet de door de genade verzoete dood, die enkel de handen des lichaams losmaakt, om de ziel in haar vaderland binnen te leiden; maar de dood, die de bezoldiging der zonde heet, de dood, die als vloek optreedt; de dood, wiens geweld, volgens de apostolische uil-spraak, de duivel heeft, en die als de koning der verschrikking, den dlepscbuldigen zoon van Adam het licht der oogen uitbluscht, om het, tot zijne ontzetting, eerst voor den troon van het eeuwig oordeel, en dan in eene eeuwige woestijn weder te ontsteken. In die verschrikkingen van den dood gevoelt Zich de Borg verplaatst, en dit niet enkel in den weg der aanschouwing, maar ook in die eener geheimvolle toeëigening. Men moge zeggen wat men wil, zonder het denkbeeld der plaatsbekleeding, vindt men in de donkerheid van den strijd in Geth-semané nooit eenen uitweg. Eene bloole voorstelling van des zondaars dood, waarvan Christus de menscbheid kwam verlossen, had den Heilige in Israël niet zoo verpletterend kunnen aangrijpen. Hij kwam in ongelijk nadere aanraking met dezen laatsten vijand. Hij ledigde den beker zijner verschrikkingen.

Ziet nu tot welk eene hoogte zijn nood klimt. Met deze openbare getuigenis: Mijne ziel is (jehecl bedroefd tot den dood toe! spoedt Hij Zich, gelijk iemand, welke in zijne verlatenheid ook de minste ondersteuning en lafenis welkom is, naar de drie discipelen terug, en spreekt tot hen, niet meer als een Heer tot zijne dienaren, maar als een beangstigde en troostbehoevende tot zijne, althans tol eenige hulpbetoon ing bekwame broederen. Blijft bier, luaald met Mij. „Verlaat Mij niet,quot; — dit wil Hij zeggen — „uwe nabijheid is Mij troostrijk.quot; Hij

ocr page 185

100

wijst daarmede niet hen, maar Zichzelven als lieklagenswaard aan. Blijfl hier. In welk eene schrik vol Ie omgeving moet Hij Zich bevonden hebben, dat reeds bot gezicht van deze arme en zwakke discipelen Hem zoo gewensebt en weldadig toeschijnen kon. Blijft hier. Hoe bad Hij dit kunnen verzoeken, wanneer Hij den iiemel geopend en Zich aan den boezem des Vaders gedrukt bad gevoeld? Waald met Mij, voegt Hij er bij. Deze uitroep geeft nog scherper en nog meer oni-vatlend misschien den nood zijner ziel te kennen, dan bet Blijft hier. Vooreerst is liet Waald zeker eene vermaning aan de zijneti, om in doze ure der aanvecliting op hunne hoede Ie zijn; te gelijk eciiter neemt de Heere daarmede hunne deelneming in aanspraak, en vraagt om bet medegevoel huns barten. Ook om Imnne voorbede'? Ik waag hot niet zulks te beweren. Zeker echter stond de voet des lleeren nooit vroeger noch later in eenen dieperen grond van vernedering, dan bier in den hol' Gelhsémané.

Nauwelijks beeft llij deze woorden lot de zijnen gezegd, of IIij rukt Zich weder in heftige gemoedsbeweging van hen los. en verwijdert Zich op nieuw, een steenworp ver van ben, in den hof. Hier zien wij Hem thans in bet stof nedervallen, eerst op zijne knieën , en dan zelfs op zijn aangezicht, en nu wringt zich uit zijn stormachtig bewogen gemoed voor de eerste maal de smeekbede los: Ahbo, Vader, aüe dingen zijn U mogelijk! Neem dezen tb-inkbekcr van Mij weg; doch niet waf Ik tuil, maar wat Gij wilt. Hebt gij bet gehoord? Ja, Hij was van den drinkbeker, welke Hij zoo aanstonds drinken zal, en welks inhoud zoo vreeselijk is, gaarne verschoond gebleven; want geen gevoellooze steen, maar een waarachtig voor elke smart gevoelig mensch is bet, die dezen beker moet ledigen. Doch llij begeert het voorbijgaan van den drinkbeker, onder de hij Hein altijd vim zelve sprekende onderstelling, dat zulks met des Vaders wil en raad te vereenigen zij. Wanneer hel mogelijk is. Hiermede meent llij echter niet het volstrekt mogelijke, daar Hij immers het woord laat voorafgaan: Alle dingen zijn, if mogelijk. Hij wil niet zeggen: „Zoudt Gij Mij uit dezen nood niet kunnen redden?quot; Neen, llij denkt aan eene voorwaardelijke mogelijkheid, aan eene mogelijkheid binnen de grenzen van het doel, waartoe Hij verschenen is. Maai' hoe — zoo hoor ik mij tegenwerpen — Christus zou nog hehben kunnen vragen, of de verlossing des menschdoms ook zonder kruis, zonder hloedvergieting en dood tot stand bad kunnen komen?quot; O, volstrekt niet,'mijne Vrienden! de vraag des Heeren bepaalt zich enkel tot de tegenwoordige ontzetting, tot Gethsémané's drinkheker. „Doch ook zelfs vmi dezen moet Hij zulk eene vraag doen?quot; Laat het u niet bevreemden, mijne Vrienden! veel meer berinnere n deze omstandigheid opnieuw, dat de zelfontlediging des Zoons Gods wezentlijk ook daarin bestond, dat Hij Zich toteenen zekeren graad ook van het gebruik zijner Goddelijke volkomenheden in bet algemeen, en van zijne onbegrensde Goddelijke alwetendheid in bet bijzonder onthield, en Zich daardoor in den toestand verplaatste, om met ons eenen weg des geloofs te bewandelen, en volgens de Apostolische uitspraak, gehoorzaamheid te leeren uit betgeen Hij heeft geleden.

ocr page 186

170

Met al de kracht eeuer heilige aandacht en kinderlijke oyergegeven-heid des harten klopte het gebed van den GoddeliJken Lijder aan de deur van de troonzaal Gods, docli geen wederklank daalde van (laar terug. De hemel volhardt in diep stilzwijgen. Nu richt Zich de Bidder inet stijgenden angst van den grond en spoedt Zich opnieuw naar zijne discipelen, maar vond ze — wie kan liet begrijpen — in diepen slaap gezonken. Haastig wekt Ilij hen op, en zegt met een' weemoedigen ernst bijzonder tot Petrus: Simon, slaapt gij? kunt gij niet één uur met Mij waken1? Verpletterende vraag voor den discipel, die zichzelven zoo hoog gesteld en den mond vervuld had inct do verzekering van trouw tot in den dood. En daarna richt Hij tot de drie discipelen te zamen de ontzettende stemme der waarschuwing: Waakt en bult, opdat gij niet in verzoeking komt. De geest is gewillig, maar het vleeamp;ch is zwak. Wat Hem ditmaal tot de discipelen terugvoerde, was naast de behoefte aan troost voor zijne beangste ziele, de ijver zijner moederlijk zorgvuldige liefde voor hen, wien, gelijk Hem, een'heden-kelijken tooverkring omgaf. Het uur der duisternis, waarop Hij vroeger waarschuwend heenwees, had thans geslagen. Do overste dezer wereld had in volle wapenrusting het slagveld betreden. De hel zag thans voor hare aanvallen alle sluithoomen geopend. De raadselachtige bedwelming en zwakheid der discipelen kondigde zich reeds aan als eene werking van den vreemden dampkring, waarin zij ademen. Het kwam er dus wel op aan, om alle krachten van geest en gemoed bijeen le vatten, om niet overwonnen te worden in de verzoeking tot ergernis, ongeloof en afval; want het woord in verzoeking vallen he-teekent hier zoo veel als in de strikken der verzoeking verward te worden. Het waakt! bevat in zich een alarmkreet tot wakkerheid en voorzichtigheid, en eene waarschuwing om het dreigend gevaar niet te miskennen. Het bidt! is het door den veldheer gegeven wordend teeken tot toerusting, is eene oproeping naar het tuighuis van Jehova en eene uitnoodiging tot de bron van alle kracht en hulp, tot de genade van God. Het de geest is gewillig, maar het vleesch is zwak mag niet als veronlschuldiging voor de slaapdronkenen worden aangemerkt, maar is enkel als eene nadere redengeving voor de vermaning op te vatten. De Heere wil zeggen: „Vertrouwt niet op uwe vrome voornemens; uwe zondige en zoo licht verleidbare natuur behoelt, vooral wanneer een vreemde invloed van buiten daarbij komt, een veel sterker teugel.quot; Van eenen gewilligen geest kan overigens — om dit in het voorbijgaan op te merken —- geene spraak zijn met den blik op alle men-schen, maar slechts in zoo ver er van geloovigen gesproken wordt, zoodat dan ook deze wachterroep des Heeren hen alleen gekit. 01 de Heere, zoo als velen meenen , de woorden: De geest is to cl gewillig, maar het vleesch is zwak, ook op Zichzelven toegepast heelt, in welk geval uit het woord vleesch volstrekt het begrip van zondigheid moet weggedacht worden, is zeer betwistbaar. Ik ten minste zou bedenking maken, het te gelooven.

Wederom gaat de Heere in het dichte lommer van den hof terug, en andermaal spreekt Hij met slechts eene kleine wijziging, het innig aandachtig gebed uit: Mijn Vader, indien deze drinkbeker yan Mij

ocr page 187

171

niet kan voorhijr/aan, tenzij dat Ik hem drinke, uw wil geseJiiede. Ernstiger bad liij doze tweede maal, volgens een der Evangelisten, on hij wil er niet mede zoggen, dat Hij eenigszins onistuimiger als te voren om den voorbijgang van den drinkbeker gebeden liebbe. Integendeel, de Ileere Jezus heelt, nadat Hij achter het slilzwijgen zijns hemelschen Vaders reeds do weigering van zijne biddende vraag vernomen had, Zich met vermeerderde krachlsinspanning slechts te dieper in de gehoorzaamheid des geloofs door lijden en strijden ingedrongen. Zijne innerlijke ontzetting was overigens daarbij in voortdurende toeneming. Nadat ibj van het gebed was opgestaan, zocht Hij andermaal zijne discipelen op, en vond ze weer slapende. Zij sliepen van droefheid, zegt het geschiedverhaal. En hoe zorg en kommer de levensgeesten verlammen en binden, hebbben wij zeiven zekerlijk ondervonden. En hunne oog en waren bezwaard. En daar Hij hen andermaal welde, wisten zij in hunne bedwelming niet, wat zij Hem zouden antwoorden. Jen derden male trok Zich de Ileere nu in zijne eenzaamheid terug, zonk in het stol' neder, en bad dezelfde woorden. En toen — wat gebeurt er — toen daalt een engel Gods tot den Biddende neder en nadert Hem, om Hem te versterken. Deze onverwachte verschijning van een hemelsch wezen moest den Ileere, die Zich tot dit oogenblik met zijne aanschouwingen slechts in den duisteren kring van zondige menschen eu verworpene onreine geesten omkerkerd zag, reeds op zichzelven tot eenen niet geringen troost verstrekken.

• Hetgeen de lichtbode echter den Goddelijken Lijder toebracht, was niet de aankondiging, dat de Vader gewillig was, de bede om de wegneming van den lieker Hem toe te staan, maar, indien de engel in het geheel met eene boodschap kwam, slechts eene nieuwe uitdrukkelijke aanwijzing, dat het groot verlossingsplan de wegneming van den drinkbeker niet toeliet. Het waarschijnlijkste intusscben is, dat het doel der zending van den engel enkel strekte tot eene ziels-en lichaamssterking en verlevendiging van den tot in den innerlijken kern des levens geschokten Lijder, opdat Hij in den laatsten en zwaar-sten graad van den kampstrijd, ten minste naar het lichaam, niet zou bezwijken. Want terstond na het vertrek van den engel werd Zijn strijd zwaar, en Hij bad te ernstiger, l^n zijn zweet werd gelijk groote droppels bloed, die op do aarde alliepen. Welk eene gebeurtenis! Slechts van één mensch, namelijk Karei IX van Frankrijk, die de Parijsche bloedhrniloft op het geweten had, wil men beweren, dat ook hij o]) zijn ster/bed, onder de aanklachten van den rechter in zijnen boezem, in den letterlijken zin des woords bloedig angstzweet heeft vergoten. Stelt u voor, dezen moordenaar van duizenden leden van Christus — en Christus, de Heilige Gods zelf, in dezelfde omstandigheid! Wie ontzet niet, maar wien gaat hier niet te gelijker tijd voor het duisterst en meest ontzetting veroorzakend oogenblik van den

• strijd in den Olijvenhof, een schemerend vermoeden op in den geest van het wezen en de beteekenis van het lijden van Immanuël? Doch hiervan nader in onze eerstvolgende beschouwing.

ocr page 188

172

IV.

Keeren wij thans nog eenmaal met onze aandacht tot liet geheimvol gebed terug, aan hetwelkquot; zich minder de wereld, dan liet geloof der geloovigen zoo dikwijls aanstoot nemen wil. Want dan weet men het niet met do liefde des Vaders te vereenigen, en dan ook niet met des Heeren onderworpenheid aan des Vaders raad, en dan weder niet met Zijne alwetendheid, noch met zijne vroegere in zoo groote kalmte en beradenheid uitgesprokene voorspellingen van bet op Hem wachtend lijden, dat Hij nu plotseling juist eene bevrijding van ditzelfde lijden zou kunnen hegeeren. Kn wanneer men op tegenwerpingen van dien aard antwoordt, dat de ziel van Jezus gedurende den strijd in den Olijven-bof als in eenen toestand van Goddelijk gewilde zware verdonkering rnoet voorgesteld worden te zijn, dan wordt hiertegen ingebracht, dat toch de klaarheid en innigheid, waarmede Mij het eene oogenblik na bet andere tot (lod zijnen Vader spreekt, volstrekt niet aan zulk eene verdonkering toelaat te denkeu. Zoo schijuen zich dus zekerlijk bier onoplosseiijke raadsels en legenslrijdighedeu voor ons opeen te stapelen, maar dat donkere zal opklaren, wanneer wij bet volgende in aanmerking nemen. Wat vooreerst de twijfeling betreft, welke uit de vastgestelde alwetendheid des Ileeren onlleend is, zoo herhalen wij wat wij vroeger aanmerkten. De zelfontlediging van den eeuwigen Zoon bestond wezentlijk daarin, dat Hij Zich van bet onbepaald gebruik van alle zijne Goddelijke eigenschappen, en dus ook van de genoemde, gedurende den lijd zijner omwandeling op aarde ontlhekl, en uit de boven tijd en ruimte verheven eeuwigheid in den vorm van liet leven in tijd en ruimte intrad, om ook naar zijn deel, gelijk als wij, den weg der geloofsgehoorzaamheid te bewandelen en daarin Zich tot ons Hoofd, onze 1 loogepriester en Middelaar te volenden. Als den Knecht van Jehova, met welken naam de Üud-Testamentische openbaring Hem kenmerkt, moesl Hij dii'iicn, niet gebieden; mdcrddiiinlicid keren, niet heerschen; drijden, en niet boven allen strijd in hoogmoedige rust ten troon gestegen zijn. Hoe zou dit echter van den Gode even gelijke zonder zelfontlediging mogelijk hebben kunnen worden? Alsdan zouden alle zijne worstelingen en beproevingen slechts worstelingen en beproevingen in schijn en geene werkelijke zaken geweest zijn. Hij hield geen oogenblik op waarachtig God en in bet volle bezit van alle Goddelijke volkomenheden te zijn, doch Hij onthield Zich van bet gebruik er van, in zoo ver als zijn hemelsche Vader Hem dit niet toeliet.

Ten andere is op te merken, dat de Heere in Gethsémanë niet om de afwering van het over Hem besloten lijden des doods in bet algemeen, maar enkel om de wegneming van de toen aanwezige ontzetting bidt. Hoe had Hij, die den Hem van zijn lijden terughoudende discipel terugwees met zijn verpletterend; Ga achter mij, satan, want (jij heden!,1 niet de din (jen, die Goddelijk, maar die tnenschelijlc zijn —• thans zelf begeeren kunnen wat het raadsbesluit Gods zou wederstreven? Hij vraagt slechts, of bet mogelijk zij, dut deze beker

ocr page 189

17.M

van Hem voorbijging, en Hij meent enkel den beker, welks bitterheden en versclirikkingen Hij mi smaakte.

Dat Christus, gedurende /ijnon strijd, God nog zijnen Vader weet te zijn, heeft niets bevreemdends en wederspreekt de waarheid niet, dat Hij in den Olijvenhof den beker des Goddelijken gerichts voor onze zonden geledigd heeft. Want enkel nog dooi- liet geloof te weten, dat God zijn Vader is, en Hem als Vader tegenwoordig te gevoelen, en in liet genot zijne liefde te ondervinden, is tweederlci. Zeker worstelde zich de geest van Jezus in den diepen geloofskamp weder door tot de troostrijke kinderlijke bewustheid, doch wat zijne menschelijke ziel gevoelde, was enkel vloek, vervreemding en verwerping.

De bedenking eindelijk, of liet dringend gebed des Heeren met zijne zondaarsliefde, alsook met zijne onderworpenheid aan het Vaderlijk raadsbesluit in overeenstemming staat, is volstrekt van allen grond ontbloot. De liefde van Jezus, gelijk zijne gehoorzaamheid vieren juist in Geth-sémané hunnen schitterendsten zegepraal. Hij keert Zich immers tot zijnen Vader, alleen met de vraag, of het, zonder nadeel aan het werk der verlossing loe te brengen, geschieden kon, dat deze beker van Hem voorbijging? Want dat Hij slechts deze voorwaardelijk-e mogelijkheid bedoelt, en niet de almacht Gods in het algemeen tot zijne redding inroept, geeft Hij, om alle toekomstig misverstand voor te komen, reeds zelf ondubbelzinnig te kennen door het Woord dat zijne vraag voorafgaat: Abba, Vader! alle dingen zijn U mor/elij/t! „Dat weet ik wel — zoo is zijne meening — dat zoodra Gij wilt, mijn strijd geëindigd is, maar zult Gij het wel kunnen willen, zonder dat de redding der zondaren daardoor verijdeld wordt? Zoo niet, wijs dan mijn Vader mijne bede af; alsdan drink Ik den beker tot op de heffe.quot; — Niet anders als met zijne liefde, is het ook met zijne gehoorzaamheid jegens den Vader gesteld. Niet één oogenblik, heette de lenze van zijn innerlijk wezen anders dan; N/et zoo als Ik tuil, maar zoo als Gij wilt, Vader! Wanneer de wil der menschelijke ziele in Hem met onzondige zwakheid daartegen opkomen wilde, zoo werd deze terstond door den wil des geestes gegrepen en deze bracht hem tot zwijgen door de roepstem der beslissende overgave: Abba! uw tuil rjeschiede, niet de mijne! Zeker moest dezen roep als een zegebuit van de in haren nood wederstrevende natuur door strijd afgewonnen worden, eu wel op gelijke wijze, als een door don storm gegrepen schip wel vast en onafgewend naar de richting van hel kompas, maar niet zoo rechtstreeks, en in zulk eene gelijkmatige loop als ten tijde van zee-stille, de haven te gemoet zeilt. Ja, zóó drong de wil des Geestes van Jezus in den wil Gods. Zoo lang Hem de onbepaalde noodzakelijkheid van den strijd in Gethsémané nog onbeslist was, werd zijn hart als in eene branding her- en derwaarts geworpen. Zoodra Hem echter reeds uit hel aanhoudend zwijgen des Vaders de zekerheid kenbaar werd, dat de wereld niet anders te verlossen ware, dan door een volkomen uitdrinken ook van dezen beker, vergunde Hij den lijdensschuwen mensch in Hem ook niet een enkel woord meer, maar voltrok met eenen: Mijn Vader! indien deze drinkbeker van. Mij niet

ocr page 190

174

kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil gesehiede, de groole ollei'daiid der oubepaaldste en kinderlijk gewilligste overgave van zijne geheele persoonlijkheid aan liet Vaderlijk raadsbesluit.

V.

De beker der verscbrikking werd tot op den bodem geledigd. Nu verbeft de Heere Zicb uit liel stof en keert terug tot zijne discipelen. De gebeele wijze van zijne optrede van dit oogenblik af, tot op bonding, blik en toon van Hem is eene wezentlijk veranderde, en wijst been op bemoediging, vermanning en bewustheid van zegepraal. Men ziet bet, triomfeerend treedt Hij uit den strijd, en is aangegord en toegerust tot alles wat nog volgen moge. Slaapt nu voort en rust, zoo begint Hij met weemoedig bestraffende ernst te spreken — het is genoeg — „om mijnentwil — dit wil Hij zeggen — is bot niet meer noodig, dat gij waakt. Ik beboef uwe bulpe niet moer. Mijn strijd is doorgestreden!quot; Wat wil eebter de toevoeging beteekenen: Het is genoeg? Wat anders dan: „Voortaan zal u de lust lot sluimeren wel vergaan.quot; Deze uitlegging wordt door de onmiddellijk volgende woorden gevorderd; de ure is gekomen, ziet de Zoon des mensehen wordt overgeleverd in de handen der zondaren, „tbans — dit wil de Heere zeggen — komt bet tot bot lichaam en de vrijheid des licbaams. Wie zal dan nu nog aan slapen denken!quot; Hij weet welke ure voor Hem geslagen is. Niet zonder ontzetting, doch meester zijner aandoeningen, gaat Hij de overlevering in de handen der zondaren, tegen welke Hij als de heilige Zicb onmiskenbaar overstek, met vasten tred te ge-moet. Slaat op, zoo luidt het onkel moedige besluitvaardigheid ademende woord zijner toespraak. Laat ons gaan — zoo vervolgt Hij — ziet, die Mij verraadt is nabij. Welk eene ontzettende optocht wordt er uitgesproken door dit: laat ons gaan! De Held in Israël gaat been, om den dood, den duivel en de hel voor ons, in hare steilste verschansingen, aan te tasten en te overwinnen; buigen wij in aanbidding voor llem onze knieën, en doen wij Hem uitgeleide met onze hallelujahs!

Zoo is dan de geheimvolste gebeurtenis, welke de wereld ooit zag, met hare in bet hart grijpende trekken voor onze blikken voorbijgegaan, en aan wien onzer heeft zich het gevoel niet opgedrongen , dat tot oplossing van hare raadsels, de sleutels, welke de menscbelijke zielkunde ons in de band geven, niet voldoende zijn? Ja, geen martelaarschap ter wereld wordt er gevonden, dat met den strijd in den olijvenhof ook slechts van verre overeenkomt. Dat wij veelmeer hier met een eenig lijden te doen hebben, is duidelijk. Doch ik zou kunnen zeggen: de van tegenstrijdigheden vervulde donkerheid van Getb-sémané, zoodra zij baar hoogste punt bereikt heeft, plaatst zicbzelve in klaarheid en verwekt met noodwendigheid de gedachte aan plaats-bekleeding, genoegdoening en offerande. Slechts aan den leidenden draad dezer begrippen, vinden wij die in deze doolwegen terecht. Volgen wij deze, welke ook door geene menscbelijke willekeur, maar door het Woord van God in de hand gelegd is, geloovig achterna;

ocr page 191

175

dan ontdekken wij daar, waar aanvankelijk slechts schrik en angst onze harten aangrepen, de stroomende fontein van onzen eeuwigen vrede en wij eindigen daarmede, dat wij met opgewekte gemoedsbeweging de woorden van het oude bekende liod tot de onze maken:

Een hof gaf ons de doodelijke vrucht:

Door eigenwil ping al ons heil verloren ,

Gij Jezus hebt U ook een1 hof verkoren,

Waar Ge ons aan 'fc zwaard des heiligen Gods ontrukt.

Hier werdt Ge alleen door bitterheid gedrenkt,

Met vrees en schrik en hellenangst omvangen,

Opdat wij eens voor alles wat ons krenkt,

Verlossing uit genaê, en zaligheid ontvangen.

Amen.

ocr page 192

XVIII.

G E T 11 S É M A N É.

BETEEKENrS KN VUUGIIT.

Een woord van diepe beteekenis komt ons Ilebr. 5 : 7 en 8 te pe-moet. De aposlel handelt aldaar van het Hoogepriesterschap van don Jleere Jezus Christus, en zegt van Hem: Die in dc dar/en zijns vleeschcs, r/ebeden en smeekingen tot demjenen, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roepinf/ en tranen ficojj'erd hebbende, en verhoord, zijnde uit de vreeze, hoewel Hij de Zoon was, nor/ r/ehoor-zaamheid r/eleerd heeft uit hetr/een Hij heeft geleden, ü onmiskenbaar ziet de apostel hier terug op den strijd in Gethsémané, en kenschetst uitdrukkelijk als offerwerk, wat Christus aldaar leed en volbracht. Naar de beschouwing van dezen apostel, worstelde de Heere iu den Olijvenhof met doodsnood, zoo als hij dan ook de verlossing van den dood, als het doel van het gebed van Jezus voorstelt. De dood echter, waarmede de Goddelijke Verlosser alstoen worstelde, kan niet dien dood zijn, die met verlossende hand de ziel uit den kerker des lichaams vrij maakt, om haar als eene welkome bode des vredes in de zalige gemeenschap Gods in te leiden; maar alleen dien dood, waarvan de duivel de geweldhebher is, en welke van de gemeenschap met God losmakende als de vloek en de bezoldiging der zonde op de menscliheid rust. De apostel zegt dat Christus verhoord geworden is uit dc vreeze, of de verschrikking van God; want het is duidelijk dat deze vrees zich niet als aandacht en kinderlijke eerbied, maar als eene verschrikking en ontzetting van do majesteit des driemaal Heilige op te vatten is, want van verhooring kan enkel met het oog op zulk eenen angst, sprake zijn. De Vaderlijke verhooring kwam eerst, nadat Christus uit zijn lijden gehoorzaamheid geleerd had, dat is. met zijnen: niet ge/ijk Ik tuil, maar gelijk Gij wilt, o Vader! Zich ook tot de overneming van dezen beker, met onbepaalde bereidwilligheid verklaard had. Onder zijne zuchten en met zijne tranen offerde de Heere Zichzelven, als het Lam, dat plaatsbekleedend voor dc zondaren ter slachtbank des oordeels ging. Des oordeels? Zeker. Hij is uit den-angst en het gericht weggenomen, sprak reeds de profeet jesaja. Kapt. 53 ; 8 op voorspellende wijze van Hem.

Ik heb dit apostolisch woord voorop gezonden, om daarmede de verlichting te beginnen van de heilige donkerheid, waarin het tegen-

ocr page 193

177

Woordige uur van Godsdienst ons ten tweedenmale inleidt. Er zullen evenwel nog helderder lichten voor ons schijnen, eu ons noodzaken tot de overtuiging, dat de Evangeliesche kerk als vertolkster der Schrift, ook bij de ontraadseling van de verborgenheden van liet ziele-lijden des Heeren, het juiste punt getrolïen heeft.

matth. 26 : 3G—46. luuc. 14 : 32—42. me. 22 : 39—46, joh. 18 : 1, 2.

Ik erken gaarne, dat ik, zoo dikwijls het mijne taak wordt, u in het heiligdom van Gethsémané binnen te leiden, eene zekere beangstheid en vrees niet van mij kan afweren. Het is mij, als stond ook aan de poort van dezen hol' een Cherub, die, zoo al niet met het vlammende zwaard, dan toch rnot afwerende hand en ernstig plech-tigen blik ons den toegang beletten, en met versterkten nadruk de woorden des Heeren herhalen wilde: „Zit gij hier neder, en laat Ik heengaan en bidden.quot; Altijd overvalt mij een gevoel, alsof het niet betamelijk is, de Zoon van God, in zijne geheime gemeenschapsoefeningen met zijnen hemelschen Vader te beluisteren. Altijd fluistert eene inwendige stem mij toe, dat een zondig oog te veel waagt, wanneer hij zich vermeet, om in te zien in eene plaats, alwaar de Heere uit den hemel in eene verlatenheid en onmacht verschijnt, die Hem gelijk maakt aan den ellendigsten onder de ellendigen. Bovendien weet ik, dat gij, zoo dikwijls wij deze offerplaats naderen, van uwe leeraren verwacht, dat zij u inleiden in de diepten, aan welker helling zijzelven duizelen; dat zij u raadsels oplossen, aan welker ontknooping zij aan deze zijde des grafs reeds vooruit moeten wanhopen; dat zij u verborgenheden openbaren, naar welker ontzegeling hunne eigene zielen vruchteloos reikhalzen en sluiers opheffen, die hoe meer zij ze willen oplichten, te dichter voor hen toeslaan. Doch het Evangelie legt ons nu eenmaal de geheimzinnige geschiedenis ter beschouwing voor, en zoo moeten wij in hare donkerheid binnentreden, en zoeken te begrij-peti, wat het menschelijke begrip toelaat te bevatten. En is dat slechts zeer weinig, zoo is dat weinige toch, Gode zij dank, het wezentlijkste en de kern der geschiedenis. Dringen wij dan in de verwachting van het geleide des Heiligen Geestes tot deze kern door, en spreken wij met elkander :

1. Van de beteekenis; en

H. Van de vrucht des lijdens in den Olijvenhof.

I.

De geschiedenis van Gethsémané is met hare verschrikkende tounoo Ion nog aan onzen geest tegenwoordig. Wanneer wij de bevoegdheid niet hebben, om de houding en het werk, waarin wij den Zaligmaker aldaar aantreffen, als iets geheel buitengewoons, bovenmenschelijks en eenigs in zijne soort ons voor te stellen, zoo sluite men toch de poort

12

ocr page 194

178

van dezen nooflloüigen hof toe, en onttrekke den Heilige Israels, wanneer men zijne en des Vaders eer redden wil, aan de oogen der wereld. Hebben wij in den Olijvenhof met Jezus enkel als een proleet te doen, zoo lijdt aldaar zijn profetendom ganschelijk schipbreuk, omdat de meening alsdan niet te wederleggen is, dat Hij zelf in twijfel is geraakt over zijne leer en den moed verloren hebben moet, om voor haar te sterven. Moet Hij in Gethsémané enkel als een voorbeeld van onbepaalde overgave aan God beschouwd worden, zoo moeten wij zeggen, dat Hij dit doel nauwelijks bereikt heeft, daar een Stephanus, en zoo menig ander bloedgetuige, in den laatsten nood oneindig grooter voorkwamen, dan den sidderenden man met liet bloedzweet en liet angstgebed: dat deze beker Hem mocht voorbijgaan. Is het alleen geldig, om Jezus aldaar voor eeneu man te houden, die niet zijn voorbeeld ons de waarheid wil verzegelen, dat God de Heere in de ure der benauwdheid de zijnen met zijne hulp en troost het meest nabij is, dan dringt zich wederom de vraag aan ons op, waar zich aldaar zulk een geruststellend feit opdoet, daar veeleer het volstrekte tegendeel zich toont, en de heilige Lijder in de verlatenheid Gods versmacht? Moet Hij, eindelijk, in Gethsémané tot getuige verstrekken van den vrede, die de wereld overwint, en die van den rechtvaardige nimmer wijkt, maar hem in alle nood vergezeld, zoo zien wij ook te dier plaatse vruchteloos naar zulk eene getuigenis ; want in plaats van vrede overvalt den Heiligen Gods eenen angst, gelijk de angst van eenen met schuld beladen misdadiger; deze maakt Hem zwervende en dolende, en geeft Hem de houding van eenen niet ver van de wanhoop verwijderden mensch.

Zoo moeten wij dan in Gethsémané in het wezentlijke met iets anders te doen hebben, dan met al het overige, dat ik zoo even genoemd heb, of Gethsémané is het graf der heerlijkheid van onzen Heere. Streed Hij in den Olijvenhof alleen denzelfden strijd, gelijk allo bloedgetuigen van het koninkrijk der hemelen vóór en na Hem gestreden hebben, alsdan zijn de discipelen boven den Meester, en de laatste schijnt door de anderen diep in de schaduw gesteld. Al het geloof ann de regeering van eenen heiligen en rechtvaardigen wil van God, is tot een wanbegrip geworden, wanneer wij aan bet lijden van Jezus geen anderen maatstaf, dan die van een gewoon beproe-vings- en louteringslijden mogen aanleggen. He hemel valt neder, de orde der Goddelijke wereldregeering staat vernietigd voor onze oogen, en niet het Christendom is liet voor altijd gedaan, wanneer de Heilige Schrift ons noodzaakt, om den beker des Hoeren in het wezen der zaak gelijk te stellen met den beker van eenen Job, Je-remia, Paulus en anderen.

Doch weet, dat de strijder in den Olijvenhof in onze oogen door zijn sidderen en bedroefd worden niets verliest. Tot welk eene mate HÜ de heerschappij over Zichzelven verloren schijnt te hebben, wij worden daarom niet in twijfeling over Hem gebracht. Ons is het geen aanstoot, dat wij zien, hoe Hij Zichzelven, met de hevige gemoedsbeweging van eenen, die buiten zichzelven is, zien losrukken en dan in het stof nedergevallen, hooren weeklagen: Mijne ziel is bedroefd

ocr page 195

179

Int den dood loc. Zelfs zijn driemalen met angstige zuchten uitgesproken: Vader, ia het mogelijk, zoo laat deze drini,-beker van Mij voorbijgaan, en zijne toevluchtneming tot de zwakke discipelen, alsook zijn verzoek aan licn, dat zij slechts één uur tot zijne vertroosting met Hem zouden waken; ja, zelfs het bloedig angstzweet, dat uit zijne aderen vloeit, en druppelsgewijze van zijn heilig voorhoofd in het stof nederdauwt, ergert ons niet. In welk eeue ontroering ons dit alles ook verplaatsen moge, welke droefheid het over onze ziel uitbreidt, en hoe het ons in het binnenste onzer gebeenten doet sidderen — neen, tot ergernis verstrekt het ons niet, en het doet ons niet schipbreuk lijden aan ons geloof. Wij zouden wenschen gaarne luide te kunnen huilen bij den aanblik van zulk eenen toestand, waarin de Schoonste der menschenkinderen verkeert; doch geenszins schudden wij bedenkelijk het hoofd, noch roepen wij, aan alle oplossing wanhopende: „ilier is een doolhof, wie toont ons den uitgang?quot; Wij laten zulk eeue taal over aan hen, die aan eenen God-inensch, aan de noodzakelijkheid van het Middelaarschap en de plaats-bekleeding door den Borg voor de zondaren niet gelooven. Dat deze hier in het duister rondtasten en hun Christendom aan de klippen van het Evangelie des Olijvenhofs zien verbrijzelen, is begrijpelijk. Voor ons echter lichten heldere sterren boven de donkerheid van Geth-sémané. Wij bezitten den sleutel tot do verborgenheden en diepten van zijne verschrikkingen. „En deze sleutel zou zijn?quot; liet in tie menigvuldigste vormen van uitdrukking de geheele Schrift doorgalmend woord der openbaring: God heeft dien, die geen zonde gekend heeft, voor ons (dat is in onze plaats) tol zonde gemaald, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zoo lang het Middelaarschap van Jezus miskend wordt, blijft het gebeurde in Gethsémané eeu diep verzegeld geheim. Alle pogingen, om het lijden in den Olijvenhof op eene andere wijze, dan door het groot Evangeliesch geloofsartikel van zijne Hoogepriesteiiijke tusschentreding te verklaren, zijn mislukt en zullen eeuwig mislukken. Slechts bij het licht der heilige fakkels, die de Geest der waarheid ons in dit artikel ontsteekt, wordt in deze ontzettende gebeurtenis alles helder en klaar. De schreeuwendste tegenstellingen worden alsdan vereffend, en het meest bevreemdende en schijnbaar onbegrijpelijkste lost zich op en stelt zich voor als volkomen in zijne orde. De Goddelijke Lijder in Gethsémané wil niet als dien, die Hij op en in zichzelven is, maar in zijne geheimvolle betrekkingen tot liet geslacht der zondaren, aangezien en gewaardeerd worden. Hij treedt hier op als een andere Adam, als de Middelaar eener onder den vloek liggende wereld, als de Borg, op welken God, naar het woord van den profeet, al onze zonden liet aanloopen. Hoort, drie oorzaken liggen ten grond aan het zielelijden van Jezus, en de een is nog ontzettender dan de andere.

Dit lijden is vooreerst: afschuw van de zonde, ontzetting over den gruwel onzer misdaden, een strijd van boetedoening. De overtredingen, die Hem Goddelijk toegerekend zijn, opdat Hij er plaats-bekleedend boete voor doe, drongen zich in de verschrikkelijkste houding binnen zijnen gezichtskring. Hij zag ze, maar geheel anders

ocr page 196

-180

als een bloot mensch ze in zijne verduistering ziet. In hunne naakte onopgesmukte gestalte, in hunne onuitsprekelijke afschuwelijke natuur, in hunne tot in de eeuwigheid doordringende verwoestende kracht treden zij voor zijne heilige oogen. Hij ziet in de zonde den afval van den almachtigen God, den vermetelen opstand tegen de eeuwige Majesteit, het woest verzet tegen den Goddelijken wil en zijne wet, en overziet te gelijk met éénen blik al de ontzettende vruchten en wangeboorten der zonde in den vloek, in den dood, in de eeuwige verdoemenis. Hoe! de reine Jezusziele zou tegenover zulk eene aanschouwing niet gesidderd, hoe! haar zou geen nameloozen afschuw en verschrikking aangegrepen hebben, van welke wij, met de zonde zoo nauw samengegroeide kinderen der menschcn, nauwelijks eenig vermoeden hebben? Men stelle zich slechts voor; de persoonlijke heiligheid zelve in het midden van den poel van het bcdorl der wereld geplaatst. Laat het zich niet begrijpen, hoe een Hem van den Vader toegezonden reine engel slechts zwijgend in oenen zoo afgrijselijken gezichtskring behoefde in te treden, om den Heere reeds door zijne bloote verschijning grootelijks te verkwikken en te laven? Doch verbergen wij het onszelven niet, dat het sidderen en ontroerd zijn van Jezus in den Olijvenhof ons nog altijd een onoplosbaar raadsel zou blijven, wanneer wij Hem niet in eene nog nadere betrekking tot. onze zonden, als die eener bloote aanschouwing en vertegenwoordiging der zonde, mochten voorstellen. Doch wij mogen dit niet alleen maar wij worden er zell's door de Schrift toe genoodzaakt. Met recht beweert men wel, dat de Verlosser op plaatsbekleedende wijze de ons toegekende straf eerst dan vermocht te lijden, wanneer Hij ook een geioeten van onze zonden had kunnen hebben. De persoonlijke be-wustheid van schuld, deze worm in het merg van ons leven, maakt zekerlijk de straf eerst tot straf, en maakt haar eigentlijk wezen en innerlijk brand- en middenpunt uit. Gelooft men nu echter de leer van de genoegdoening van Ghristus uit dien hoofde te kunnen bestrijden, omdat Ghristus een heilige geweest, en het daarmede tegenstrijdig en onmogelijk zij, dat Hij in zijn binnenste als een overtreder het oordeel der verdoemenis, zoo als zij door de wet wordt uitgesproken, heeft kunnen gevoelen, — dan rnaakt men zich daarbij ten minste aan eene zeer overijlde en vermetele handelwijze schuldig. Men stelt hiermede de bovennatuurlijke en geheimvolle vereeniging ter zijde, waarin de Godmensch, als de andere Adam en ons Hoofd, met ons aanging, en krachtens welke Hij niet onze zondigheid — Hij bleef voor en na de Heilige — maar wel ons gevoel van schuld met al des-zelfs verschrikkingen op Zich nam. Gij vraagt met bevreemding, hoe dit doenlijk geweest is? Ofschoon van verre, zoo wordt er echter iets hiermede overeenkomstig in onze eigene menschelijke betrekkingen en toestanden gevonden. Reeds natuurlijke liefde en verbroedering zijn iu staat, om een medegevoel en medelijden tot stand te brengen, uit kracht van welke, vrij van alle eigenbatige beweegredenen, een vader zich van zijnen zoon, een vriend van zijnen vriend de overtredingen en misslagen zoodanig ter harte nemen en zich aantrekken kan, dat hij daaronder als onder eigene zonden treuren; zuchten,

ocr page 197

181

ja, niet een verslagen en verbrijzeld hurt zich huigen en met God om genade worstelen moet. Vertegenwoordigt u thans, wanneer gij liet vermoogt, om niet eens te spreken van 's Heeren verborgene ver-eeniging met het geslacht der zondaren, do kracht dor liefde en des medegevoels, waarmede Zich Cl irislus inliet met onzen toestand, en het zal u reeds duidelijker worden, hoe Hij, ofschoon de Heilige in Zichzelven, nochtans onze zonden als de Zijne gevoelen kon. Neemt alsdan de bovennatuurlijke, in hare geheimvolle diepte voor allo men-schen ondoordenkhare vereeniging, waarin Hij niet alleen als een Goddelijk takje in den stam (Ier menschheid geënt werd, maar met haar te gelijk tot eenen volkomen of algeheeien mensch te zamen groeide, en u zal de leer reeds niet meer zoo tegenstrijdig toeschijnen, volgens welke de lleere op eenen nog anderen en inniger weg, dan op die eener bloot voorwerpelijke vertegenwoordiging. Zich onze he-wustheid van schuld toeeigende. Gij zult het alsdan begrijpen, hoe Hij reeds in de Messiaansche psalmen uitroepen kou: Mijne zonden hebben Mij aanrjcf/repen, mijne (^gerechtigheden fjaan over mijn hoofd. Ik hen gezonken in grondeloozen modder, waar men niet slaan kan. Ruk Mij uit het slijk en laat Mij niet verzinken. Is het ons nu vergund, gelijk bet werkelijk bet geval is, om plaats te geven aan do voorstelling, dat de heilige, enkel in de liefde Gods ademende Jezus, niet enkel in eenen duisteren droom, in welken ook wij somwijlen onder eene vreemde schuld als onder eene eigene tot angstzweetons toe komen, verschrikken, — maar wezen tl ijk en werkelijk met onze zonden in zulk eene nauwe verbindtenis getreden is; hoe kan ons dan zijne houding in den Olijvenhof nog eenige verwondering baren? liet raadsel zijner ontzetting, zijner bedroefdheid en ontroering is opgelost. Het lijden in Gethsémanë is niet anders dan lijden van wege de zonde, dan smart der boetedoening, dan verschrikking voor de rechterlijke majesteit van den Heiligen God, iu onzen naam geleden, in onze plaats gesmaakt en gedronken. Het is het berouw van de zonde en wel dat berouw, hetwelk volkomen overeenkomstig is met de grootheid onzer zonden, en dat Hij, als Hoogepriester, den Vader voor ons betoont.

Naast de afschuwelijkheid der zonde, gevoelt de Heero haren vloek, en hierin ziet gij den tweeden grond van verklaring voor de verschrikkingen in don Olijvenhof. Hij gevoelt Zich als een veroordeelde van God. Wat het zeggen wil van God gescheiden te zijn, zijne gunst verloren te hebben, door Zijne liefde verlaten en een kind des toorns te zijn, dat gevoelde Hij zoo di^p, zoo innerlijk, zoo levendig, alsof Hij zelf Zich in dezen toestand bevond. Langs do trappen van zulke gewaarwordingen daalt Hij nederwaarts in de ellende dor verdoemden, en in die verschrikkingen der hel, in welke de Messiasklacht van den 22 Psalm bare wezentlijke vervulling vindt: Wees niet verre van Mij, want benauwdheid is nabij, want er is geen helper. — Mijne kracht is verdroogd, als een putsch erf', en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, en Gj legt Mij in hel stof des doods. Tot de bewustheid dat God nu, gelijk altijd, zijn Vader was, gelijk Hij dat dan ook werkelijk was, en, zoo als van zelve spreekt, ook niet een oogenblik op den Zoon

ocr page 198

182

zijns welbehagens als zoodanig getoornd heeft, — kan Hij door den stroom der tegenovergestelde indrukken en gewaarwordingen Zich enkel door het bloote geloof heemvorstelen. Zijne ziel wordt van de genaderijke nabijheid Gods niets gewaar, maar gevoelt enkel den angst en de pijn der verlatenheid. Ach! de aanschouwing van het vriendelijk aangezicht zijns Vaders was zijn hernel, het ontwaar worden zijner Vaderlijke gunst zijne geheele zaligheid. Doch nu ziet Hij dat aangezicht achter donkere wolken verborgen, en in plaats van eene vertrouwelijke toenadering, gevoelde Hij enkel eene vreemde terugwijking zijns Gods. Intusschen moet Hij ook van deze bittere druppels in den vloekbeker niet verschoond blijven, opdat het: Hij heeft onze krankheden op Zich fjenomen, in den wijdsten omvang tot vervulling komen zou. Ook de hemelvrede zijns harten, behoorde mede tot de dingen, die Hij als losgeld voor onze zielen, priesterlijk moest offeren. Verwondert het u daarom nog, dat toen Zijn lijden zelfs tot dien hoogen trap van ontbering moest stijgen, de vraag naar de mogelijkheid van voorbijgang des bekers, zich met versterkten aandrang bij Hem verhief?

De derde grond van de bittere zielenood des Heeren in den Olijvenhof, is in de gevallen geestenwereld te zoeken. Dat de satan zich in de verschrikkingen van Gethsémané wezentlijk medewerkend betoonde, is huiten allen twijfel. De Zaligmaker wijst daarop heen, zoowel met de angstige woorden: de overste dezer wereld, komt, als met de bekendmaking: Nu is de ure der duisternis, en zijne herhaalde oproe-ping aan de van eene vreemde slaapdronkenheid bevangen discipelen: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoekiiuj valt, laat ons in het geheel geen twijfel meer over ten opzichte van do omgeving en dampkring als het ware, waarvan zij omringd waren. Do machten der hel zijn tegen den Heere der heerlijkheid losgelaten. Het is hun vergund ai hun list, geweld en kunstenarij tegen Hem te velde te doen trekken. Geen grens is hun meer gesteld, geen „tot hiertoe en niet verder.quot; Uit de hoogte wordt hun geen doel of perk meer voorgehouden. Zij hebben een geopenden en vrijen baan. Kunnen zij de rechtvaardige ziele van den Heiligen Israels tot de wanhoop toe voortdrijven, zij mogen het doen. Vermogen zij Hem tot den dood toe te beangstigen en te folteren, niemand weert het hen. Hier staat Hij. Zij mogen aan Hem beproeven, wat zij kunnen. Geen helper staat Hem medelijdend ter zijde. Hij moet zelf toezien, hoe Hij Zich staande houdt. Het klinkt ontzettend, wat ik zeg, maar Hij, die onze straf zou dragen, mocht ook het lot niet ontgaan, Zich aan de machten des afgronds prijsgegeven te zien. Wat deze nu met Hem gedaan hebben, wordt ons niet uitdrukkelijk gemeld, maar zeker is bet, dat zij Hem op de vreeselijkste wijze hebben gefolterd, en nu met ontzetting verwekkende gezichten, die zij Hem door hunne tooverijen voorspiegelden, dan weder met schandelijke lasteringen, die zij voor zijne ooren uitstortteden, dan weder met leugenachtige inblazingen, waarmede zij pogingen deden, om de handelingen Zijns Vaders jegens Hem verdacht te maken, dan weder met arglistige afradingen van het werk des Verlossers, dat Hij op Zich genomen bad, of waarmede anders zij

ocr page 199

183

Hem ook pijnigden. Genoeg, wanneer ooit liet geloof onzes Heeren, alsmede zijn geduld, zijne getrouwheid en volharding in het op Zich genomen werk op gloeiende proeven werd gesteld, dan was hel onder de vurige pijlen der booswichten, die in Gethsémané op Hem werden afgeschoten. Hier werd de Messiasklacht van den J8 psalm lot eene waarheid: Banden des doods hadden Mij omvangen en heken Beliuh verschrikten Mij; banden der hel omringden Mij, strikken des doods bejef/enden Mij.

Zoo heeft dan de nacht van Gethsémané. ofschoon enkel met eene schemering, zich nochtans opgeklaard. De betrekking van den Olijvenhof met den bof Eden, welke laatste hier zijn volkomen tegenbeeld vindt, is onmiskenbaar. Terwijl in het Paradijs de eerste Adam onschuldig op den schoot der Goddelijke liefde rustte en in vrede als een kind des huizes met Jehova en zijne engelen verkeerde, zien wij in den hof Gethsémané de andere Adam , onder den drnkkonden zondelast, sidderend ter aarde zinken, in Godverlatenheid versmachten en in het gezelschap van duistere afgrondsgeesten van schrik ineenkrimpen. Hoe duidelijk blijkt bet uit deze tegenstelling, dat hetgeen daar misdaan werd, hier voldaan wordt, en hoe luid getuigt dus zelfs reeds de geschiedenis voor de waarheid, dat Christus in de hoedanigheid van een' voldoenenden Borg en van een' verzoenenden Plaatsbe-kleeder heeft geleden.

11.

Nadat zich de verborgenheid der oorzaken en der natuur van het lijden des Heeren Jezus in den Olijvenhof, zoover dit op aarde voor ons mogelijk is, ontsloten heeft, is de vraag thans, welke vrucht en zegen daaruit voor ons voortgekomen zijn? Zeker is de worsteling in Gethsémané niet op zichzelven, maar enkel in hare onafscheidelijke vereeniging met het geheel des iijdens en des priesterwerks van Jezus als heil aanbrengende op te vatten. Nochtans zien wij daarom niet minder op eiken enkelen trap van het lijden van Jezus eene bijzondere zijde van het teweeg gebrachte heil in helder licht gesteld, en nadat wij ons in de eene of andere omstandigheid bevinden, en deze of die vertroosting noodig hebben, noodigt nu deze dan de andere rustplaats op den lijdensweg ons met bijzondere wenken tot hare vreedzame schaduwen.

Naar Gethsémané moeten wij heen, mijne Vrienden! wanneer het ons heangst wordt in deze wereld, waar de eigenbaat regeert, en wat nog van liefde overig is, tot op de laatste vonk in eigenlievend pogen en trachten dreigt te verstikken. De Beminnende, die wij daar in den Olijvenhof voor ons zien worstelen, blijft ons over, en hoe getrouw is Hij ons, hoe innig en hoe geheel toegenegen! Welk een prijs heeft Hij het Zich laten kosten, om ons onwaardigen, aan onze ellende te ontheffen, en ons voor alle eeuwigheid geborgen te doen zijn. O liefde van den Bloedbruidegom! Hoe gaat ons bij den blooten aanblik van dezen Schoonste onder de kinderen der menschen reeds het hart open! Hoe gelukkigmakend is het reeds, om door onze aanschouwing en betrachting uit de aan liefde zoo arme wereld naar

ocr page 200

484

Hem heen te vluchten! En zich nu met zijnen glans geheel verlicht en o]) zijnen schoot rustende te weten, — o, dat is eene stille zaligheid in liet dal der vreemdelingschap, dat is een hemel op aardel — „Liefde, sterker dan de dood, machtiger dan het graf, ontwijk nimmer aan onzen gezichtskring! Wees gij het gestarnte, dat dag en nacht over ons licht, en hoe snerpender ons hier heneden in onze vreemdelingschap de wind der eigenbaat tegenwaait, ontvouw des te helderder voor de oogen van onzen geest de aanminnige stralen van uwe hemelsche schoonheid!quot;

Naar Gethsémanë heen, mijne Vrienden! wanneer het twijfelachtig wordt, wiens de wereld zij: — of aan Christus, opdat Hij haar tot eenen tempel Gods heilige; of uit kracht der zonde en der toelating-van de Goddelijke gerechtigheid, aan de duistere machten, door wier list, hedrog en macht zij allengs een geheel en eeuwig verderf te ge-moet rijpt? Er zijn tijden over de aarde heengegaan, welker geheur-tenissen ook voor de geloovigen een blijmoedig toestemmend antwoord O]) de eerste dezer vragen zwaar maakte. En of niet in onze dagen den schepter der heerschappij meer naar eenen anderen, dan naaiden Koning der waarheid schijnt te neigen, laat ik aan uwe beslissing over. Zeker is het, dat hij het geraas van de tegenwoordig heer-schende maatschappelijke en godsdienstige leuzen van den dag aan niet weinigen werkelijk weder den moed te ontvallen, het geloof te wankelen dreigt. Zijt ook gij wellicht van dezulken, die zich niet meer onttrekken kunnen aan de angstvolle vraag: of Christus niet tegenwoordig werkelijk zijne eindelijke onttrooning, het Evangelie en het Koninkrijk van Christus hunne verdwijning van de aarde nabij zijn ? In dit geval moet gij naar Gethsémané komen en aldaar leeren het hoofd weder omhoog te heffen. Hier ziet, gij den beslissenden strijd om het bezit der wereld aangevangen. Christus moet haar hebben, doch haar heeft en behoudt eeuwig een ander, wanneer de Ueere van den hemel de proef niet doorstaat, maar zwak en wankelend in de hitte der aanvechting wordt. Doch ziet, hoe Hij, de Held Gods, als overwinnaar gekroond, uit den veldslag van den Olijvenhof te voorschijn komt! Niet een oogenblik week zijn Jieilifjc wil van den rechten weg naar bet door God gewilde doel af, en zoo het raadsbesluit Gods tot verlossing der wereld Hem in tien hellen, in plaats van in ééne hel had verwezen, Hij zou, zoodra Hij het als Gods raad erkend had, Zich zonder eenige weigering daarin hebben afgestort. Zoo verkreeg Hij Zich door zijnen strijd, krachtens zijn onberispelijk volbracht plaatsbekleedend werk, de gegronde en uitsluitende aanspraak op het bezit der wereld. Zij behoort Hem toe. Hem heeft de Vader, volgens de Schrift, als onder zijne voeten gedaan. En is dit, zoo als de Apostel opmerkt, ook nog niet openbaar, zoo is het toch een feit, dat voor geen tegenspraak te vreezen heeft. De heerschappij van den tegen-Christelijken geest is, hoe stoutmoedig hij zijne banier ontrolt, nochtans enkel eene tusschenregeering. Stil en zonder ge-ruchtmaking, maar ongeloofelijk zeker, vervolgt de rechtmatige erfgenaam zijn veroveringsplan. Hoe menige hoogte, welke zich tegen Hem verhief, wierp Hij reeds neder. Hoe menige sterkte, schijnbaar

ocr page 201

■185

onoverwinnelijk tegen Hem opgeworpen, deed Hij reeds in puin vallen. Hij zal het ook nog verder doen, en ook de laatste wallen, die tegen Hem opgehoopt worden, uit den weg weten te ruimen. Voor zijnen wereldzegenenden standaard zullen heden of morgen alle andere standaarden, welke kleuren of opschriften zij dragen, zich moeten neigen, en voor zijne Laatste zegepraal ligt iu den geschreven Gods-raad het jubellied gereed: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Gods en zijns Christus.

Naar Gethsémané, mijne Vrienden! wanneer gij aan densoheidsweg staat, niet wetende of gij u Gode of der zonde ter dienst geven zult. Gethsémané zal u weder tot klare bewustheid brengen wat zonde is. Ziet op Jezus. Hij deed geene zonde, maar nam enkel vreemde zonde op Zich. Hoe gaat hot Hem? Nu is hel de macht der duisternis, zeide Hij. Hij is aan de machten des afgronds overgeleverd. Hoe overvallen zij Hem, hoe folteren zij zijne heilige ziel! Afschuwelijke omgeving! naamlooze ontzetting! Doch weet, wat Hem slechts eenen kleinen tijd gepijnigd heeft, dat dreigt u eeuwig. Stelt het u voor, eeuwig in het gezelschap, in de macht en onder de geesels der helsche machten verbannen te zijn. Is er wel afgrijselijker gedachte dan deze? Jezus bidt: Laat deze drinkbeker van Mij voorbijyaan. Geen antwoord valt Hem ton deel. Hij wringt de handen: ïs het niet mogelijk, Vader1'? Geene toespraak klinkt Hem te gemoet. God geeft geen acht, ook niet op de stem van den Bidder; en Jezus is toch een schuldenaar alleen voor anderen. Gij zijt. het zelf, een ieder voor zijn eigen persoon, en zult eenmaal om uwszelfs wille onder den vloek vallen. En of gij met den rijken man in de hel jammeren zult om één verkoelenden droppel voor uwe brandende tong. God zal voor u geen oor, geen hart meer hebben. De hemel is koper boven u, de klove tusschen u en de zaligen is onoverkomelijk. — Ziet Jezus sidderen. Hij voelt den prikkel der overtredingen, die op Hem drukken: Het zijn slechts toegerekende misdaden, geene eigene; en nochtans persen zij Hem het bloedzweet uit de aderen en ontsteken een verteerend vuur in zijnen boezem. Trekt uit zijne folteringen het gevolg, wat eenmaal de zonde voor u zal voldragen, wanneer zij — doch te laat — in haar waar wezen voor uwe bewustheid zich ontsluiert, en dan die worm zijn werk in uwe ziel begint, die thans nog in u sluimert, of slechts nu en dan door eene lichte knaging zijn aanwezen in u te kennen geeft; ik meen den worm van het berouw, dat geene onbe-rouwelijke bekeering tot zaligheid meer werkt, de worm van den hopeloozen gewetensangst en der voleindigde vertwijfeling. Ach, wanneer gij dan zult huilen: „Had ik toch maar het eene noodige gedaan!quot; het zal u niet meer baton, omdat de korte genadetijd verspild is. Wanneer gij nu zelve vol pijnigende verbazing over uwen dwaalweg bij uw lichaamsleven, de handen wringt, zal het te vergeefs zijn; want het jaar des welbehagens is voorbijgegaan. Den worstelenden Heiland verscheen eenen engel, om Hem te versterken; — gij zult enkel het hoongelach der duivelen hooren. Jezus ging uit de verschrikking zegepralend en gekroond — gij zult daarin blijven en u enkel met de doornen van eene stekende helsche bespotting gekroond

ocr page 202

186

zien. Den Lijder in Getbsémané hield liet geloof staande, dat, ten spijt van allen, de Vader Hem nochtans lief had; —gij znlt weten, dat God n haat, en Hem weder haten, ofschoon door zulk eenen haat uwe ellende slechls voleindigd wordt. Gij zult hloedzweeten daarvan, dat God u van zijn aangezicht verstoeten heeft, en toch den Eeuwige enkel kunnen vloeken, zonder u voor Hem te huigen. Ziet, dit brengt de zonde voort. Welaan, gij overtreders, minder beschaafde of meer verfijnde! gij spotters, lasteraars, dienaren des vleescbes, gij echtbrekers, gierigaards, eigenbelangzoekers, verachters Gods, verloochenaars van Jezus, versmaders van zijn heil, —- ziet liet aan Hem, die een vloek geworden is voor zijn volk, hoe God de zonde aanschouwt. Zoo dit ergens in aanschouwing komt, dan is het in Getbsémané. Herwaarts dan, wie nog aan den scheidsweg staat te wankelen. Hier, denk ik, zal de keuze niet zwaar zijn. Links gaapt de afgrond; rechts wenkt de kroon. De zonde baart den dood; de gerechtigheid heelt tot hare vrucht vrede en leven.

Hoort verder! Naar Getbsémané mijne vrienden! Wanneer voortee-kenen van naderende oordeelen aan don gezichteinder der aarde lichten. Mij dunkt, aan zulke teekenen is er geen gebrek meer. Die adelaar met liet drievoudig weegeroep, die Johannes zag, maakt zijne kringen reeds boven ons hoofd. Eene stille beangstheid vervult milli-oenen harten, en voor de blijdschap wordt de ademhaling altijd nauwer. Onweders van vuurijver Gods hangen in de lucht. En is het ook een wonder, wanneer eindelijk de zonneschijn der lankmoedigheid zich verduistert? Een lange, zeer lange genadetijd slaat beschuldigend tegen ons over voor den troon van God, en noemt als de vruchten die de staf liefelijkheid voor ons gedragen beeft: — onze ondankbaarheid voor de ontvangene zegeningen, onzen afval van bet Evangelie, onze Godvergetenheid en onze lichtzinnigheid, en wat er al meer is. O Heere! ga met uwe dienstknechten en dienstmaagden niet in het gerichte! Doch de mate der ongerechtigheid van de Amorieten — zoo schijnt het — is vol. Ieder die kan, zoeke zich te bergen en wie zou niet kunnen, wanneer hij slechts wilde. Doch waarheen'? Naar Getbsémané, mijne vrienden! daar ziet gij het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jeruzalem, zoo zeide Hij eens — hoe dikwijls heb He uwe kinderen hijeen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder hare vleugelen , doch gij hebt niet gewild. Zoo spreekt Hij ook nog beden tot ons. Ach, dat slechts bet slot dezer woorden ons niet trof! dat wij slechls ruilden en bedachten, wat tot onzen vrede dient. Komt tot Hem. Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld. Wat u ontnomen wordt — zijl gij Jezus eigendom — zoo blijft gij in God. Of gij door de wereld verstoolen wordt, wat zegt het? De hernol blijft u, en dezen kan niemand u ontrooven. Onder de vleugelen van Jezus is de vrijstad, waar geene verdervende macht meer binnendringt. Hier ontvlamt u geen bliksem van Goddelijke gerechtigheid; hier is aan de vurige pijlen van den booze bun doodelijk vergif ontnomen. Hier wordt, wat (Ier wereld als straf treft, verheerlijkt in heilzame en oprecht gemeende kastijding; en wanneer daar buiten de wanhoopskreet weergalmt: Gij, bergen, valt op ons.

ocr page 203

•187

en (jij, heuvelen, bedekt ons! zoo zaligt liier de welgegronde vreedzame bewustheid, dat Jlij die op do wolken des hemels zetelt, om een iegelijk te geven naar zijne werken, dezelfde is, die, nadat Mij ons ontzondigde, ons in liet sieraad zijner eigene gerechtigheid kleedde en onzen Vriend en Broeder was.

Naar Gethsémané, eindelijk, wanneer de storm der aanvechting om ons woedt en de satan rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden. Reeds staat hij op het slagveld, zijne pijlen zwerven rondom ons aan alle zijden. Het zijn gevaarlijke dagen, waarin wij leven. Deze dagen van den grooten afval, der krachtige dwaling en der duizendvoudige verleiding tot de verloochening van God, — van zijne ordeningen, van zijne rechten en geboden. Hoe weinigen zijn het, die van den stroom des heerschenden tijdgeestes niet mede worden gesleept, en hoe veel geloofszwakheid, geestestraagheid, gebrek aan vrede en der ontmoediging worden er zelfs in de kringen der geloovigen, der vromen openbaar. Hoe vermeerderen zich hier de klachten over innerlijke verduistering, waarin men zich bevindt; over twijfelingen, waardoor men gefolterd wordt; over lasterlijke gedachten en inbeeldingen, waarvan men zich niet ontslaan kan. Dit alles zijn enkel teekenen, dat de oude booze vijand het thans recht ernstig meent, en gelijk de Schrift zegt, een grooten toorn heeft. Daarom, wie zich geborgen wil zien, die drage zijne tent naar Gethsémané. Niet alleen ontmoeten wij hier eene medegenoot van onze worstelingen, die ons den weg dor zegepraal wijst; niet alleen klinkt ons hier bemoedigend do alarmroep te gemoet: Waakt en bidt, opdat (jij niet in verzoeking valt! maar hier vernieuwt zich ook te gelijk — en waar kan het anders geschieden —-de bewustheid, dat de overste der wereld geoordeeld is, dat alle rechtsaanspraak der hel op ons vervallen is, en dat alles wat de booze ook nog tegen onzen wil gruwelijks en afschuwelijks door invallende gedachten of voorstellingen in onze ziel doet te voorschijn komen, uit zijn hoofd en niet meer uit het onze komt, naardien het voor den boetvaardige reeds sedert lang zijne verzoening vond in het bloedzweet van Immanuël, en naar den wil van God slechts eene louterende of reinigende uitwerking- voor ons hebben moet. Dit geloof nu is de overwinning, welke den vorst des afgronds reeds overwonnen beeft.

Ziet gij dus, hoe Gethsémané in het rechte licht beschouwd, voor ons tot een Eden, de Olijvenspeionk met hare verschrikkingen tot eene stille plaats van vrede verheerlijkt wordt. Binnen dit bosschaadje is eene werkelijke verberging voor het rechterlijk: Adam, waar zijt gij9 In dezen hof springt de nooit meer opdroogende fontein der nieuwe paradijsstroomen. Hoe vele duizende beangstigde zielen gingen hier uit het strijdgewoel der wereld reeds in de eeuwige sabbatsmst van God! Ook ons staan de poorten dezer heilige vrijstad open. Komt, treden wij daar eerbiedig in, en ademen wij hare stille, vrede verspreidende lucht in. O liefelijke drank, waarmede de beker der bitterheden, die Jezus voor ons geledigd heeft, voor ons gevuld is. Welaan, drinken wij door het geloof zijnen hemelschen wijn met

ocr page 204

•188

volle teugen, en loeren wij in zalige ondervinding met den zanger

Voor Mij hebt gij, o Heere! gestreden In dien van schrik vervulden nacht; Voor mij gewaakt, voor mij geleden,

Voor mij ten offer U gebracht. Wil satan my iets anders leeren,

Ik wil, wat toon mijn oor ook trof, Alleen mijn oog en harte keeren Naar U in den Olijvenhof.

Amen.

ocr page 205

XIX.

D E O V E R V A L L I N G.

Leid ons niet in verzoeking. Zoo leert de Ifoerc Mallli. 0 : 43 ons bidden. Reeds heelt menigeen met bevieemding' vóór deze bede gestaan , omdat bij ze niet zoo terstond in overeenstemming kon brengen met de woorden van Jacobus, „dat God, gelijk Hij zeiven niet te verzoeken is, ook niemand ten kwade verzoeken kan.quot; En zeker is de zaak er niet mede afgedaan, wanneer men de bede willekeurig in een „laat ons in de verzoeking niet bezwijken, maar red ons daaruitquot; verandert. De volgende bede bovat deze gedachte, men moge nu onder den booze het kwaad of de oorzaak des kwaads verstaan. Zeker was het niet het oogmerk des Ileeren om ons aanleiding te geven tot bet wegbidden van eene iegelijke beproeving. De aanvechting is tot onzen wasdom naar het innerlijke leven onontbeerlijk. In den smeltkroes der droefenis worden de kinderen van Levi gereinigd als het zilver. Wat ons den zin van genoemde bede verdonkert, is het woordje leid, welke zeker den schijn werpt op God, alsof Deze ons op gladde wegen kon leiden, op welke wij moeten struikelen, en welke ons anderdeels brengt tot de vraag: of dan den hemelschen Vader een der wezent-lijkste middelen van opvoeding voor ons uit de hand moet genomen worden? Doch gij moet weten, dat wanneer onze overzetters het woord in den grondtekst in plaats van met leiden, meer woordelijker en juister met geef', of werp niet in verzoeking vertaald hadden, alle bedenking reeds voorkomen ware geworden. God, de Heilige en Rechtvaardige, is volkomen bevoegd, ons zondaren op rechterlijke wijze, aan alle aanvechtingen en overrompelingen der belsche macht hulpeloos over te laten. Nu leert echter de Heere ons den Vader daarom te bidden, dat Hij van dit zijn recht geen gebruik maken en ons genadig van zulk een oordeel verschoonen wil. Nooit echter zou Hij ons tot zulk eene bede aanleiding gegeven hebben, wanneer er sprake was, Gode daarmede eene soort van willekeur toe te kennen. Het verzoek, waartoe Hij ons aanmoedigt, heelt tot zijne onderstelling en grond het groote en geheimvolle feit, dat Hij, Christus, Zichzelven in onze plaats, voor de rechterlijke handelende gerechtigheid Gods aan al de vlammen der verzoeking zonder eenige hulp overgeven liet. Komt, mijne Beminden! laat ons op nieuw getuigen zijn, hoe de Heere Jezus den diepen en onwankelbaren grondslag legt, waarop wij vast staande, ook ons „geef ons niet over in de verzoeking!quot; mogen uitspreken. Laat ons ook echter, tot onze waarschuwing, uit het

ocr page 206

voorbeeld van den verloren discipel tot de bewustheid komen, dat niettegenstaande de gegevene genoegdoening van Christus, ile mogelijkheid om door God op rechterlijke wijze aan de verzoeking prijs gegeven te worden, daarna even goed als to voren blijft bestaan.

matth. 2G : 47. m\hc. 14 : 43. Joh. 18 : 2—9.

En als Hij nog sprak, ziet. Judas één van de twaalve (de bende krijgsknechten en eenige dienaars van de overpriesters en Farizeën genomen hebbende) kwam aldaar met lantaarneu en fakkelen en wapenen. En Judas ging hun voor. Jezus dan, wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik hen het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen. Als Hij dan tot hen zeide: Ik hen het! gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde. Hij vraagde hen dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden : Jezus den Nazarener. Jezus antwoordde: Ik heh u gezegd, dat Ik het hen. Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dezen heengaan. Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven heht, heh Ik niemand verloren.

Uit zijnen zielestrijd zegepralend uitgetreden, rustZicb de Goddelijke lijder toe, om het doornenpad zijner lichamelijke smarten te betreden. Als eene doorgaande waarheid hebben wij nu vast te houden, dat onder het uitwendig lijden niet enkel het innerlijk lijden plaats heeft, maar dat het uitwendig lijden enkel als eene openhaarwordende terugkaatsing van ongelijk meer wezentlijke verborgene toestanden en omstandigheden is op te vatten. Zijne gevangenneming, zijne wegleiding naar de vierschaar zijner rechters, zijne veroordeeling door denhoogen raad, zijne gang tot den schedelheuvel cn al het overige, zijn enkel zinnebeeldige afschaduwingen van oneindig verhevener gebeurtenissen, welke achter deze sluiers, ten opzichte van de betrekking des Middelaars tot God, den rechter der levenden en derdooden, zich voordoen. Wie niet uit dit gezichtspunt de enkele gedeelten des lijdens weet aan te zien, dringt niet tot hun binnenste kern door, en zal in de doolhoven der lijdensgeschiedenis nimmer weten den rechten weg te gaan.

Wij treffen den Heere thans aan tegenover zijne verraders en vangers, en zien ons aanleiding geven, om te aanbidden:

L De bereidwilligheid tot de offerande, door den Borg van zondaren ; vervolgens

II. De majesteit van den Zoon voor God, en eindelijk

III. De trouw van den goeden Herder.

I.

Nog omgeeft ons met hare duisternis de gebeurtenisvolle nacht, van welke het nog heden voor duizenden der onzen geldt, wat de Heere toen met waarschuwende ernst zijnen discipelen toeriep: In dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden. Nauwelijks heeft

ocr page 207

Zich de Zaligmaker uit liet stof opgericht, of eene nieuwe schrikvolle gebeurtenis wordt wederom voorbereid. Eer men er op verdacht is, ilikkeren in het donker geboomte van den dalgrond lantarens en fakkels, en sluipt langs den oever van den Kedron, eene listige reuzenslang gelijk, eene met zwaarden, staven eu stokken gewapende roover-bende. Wat zij in het schild voert, weet gij. De geweldige wapenrusting, waarin zij optreedt, is, gedeeltelijk slechts een masker, waardoor de zaak den schijn moest aannemen, als was men er op uit, om een gevaarlijk volksverleider en oproerige gevangen te nemen; gedeeltelijk verraadt zij eene den vijand van Jezus werkelijk eigene vrees en geheime bezorgdheid, dat zij ten laatste nog, zij weten echter zelve niet op tudke onvoorziene teyemueey zullen stuiten. Tevens echter wilde de vijand hiermede, tegen zijne hetere overtuiging, het gehuichelde voorgeven ingang doen vinden, dat de persoon, die thans gevangen genomen worden moest, als eenen zelf aan zijne zaak wanhopende, enkel in sluipwinkels en verborgen plaatsen opgezocht worden moest. Nauwelijks ging ooit met zooveel duivelsche boosheid, laagheid en list, zooveel innerlijke verslagenheid, lafheid en onmacht gepaard, als ons in deze moordenaarsbende te gemoet treden. ITet is eene rechte helsche bende, met welke wij te doen hebben, liet is des satans lijfwacht!

Laat het ons niet verdrieten, om zo wat meer van nabij te monsteren. Vooreerst ontmoeten wij hier de priesters, de wachters des heiligdoms. Wat hebben zij tegen Jezus? Dit, dat Hij do trotsche zetels hunner heerschappij ondermijnt; dat Hij hun de valschelijk aangematigde heerlijkheid ontneemt, hun de tyrannenschepter over de gewetens van het arme volk uit de handen rukt; hunne zachte rustbedden weg stoot, hunne inkomsten en tienden minder maakt, en van hen eischt, om zich met verlossing behoevende tollenaars en zondaren in eene rij te plaatsen. Dit alles kwam de hoogmoedige en heersch-zuchtige mammonsdienaren on verdragelij k voor; vandaar hunne verbittering tegen den Heere der heerlijkheid, en vandaar ook de baat van ontelbaren onzer tijdgenooten tegen Jezus. Alle vijandschap tegen Christus is, bij bet licht gezien, niet anders dan het zich verzetten van den Liviathan der trotsche, eigengerechtige, der werelddienst overgegevene menschelijke natuur tegen een woord, dat „zelfverloochening en kruisiging des vleesches met deszclfs lusten en begeerlijkhedenquot; aan het hoofd zijner eischen stelt. Naast de priesteren ontdekken wij de Farizeën, deze blinde leidslieden der blinden, deze vertegenwoordigers der waanwijze inbeelding op eigene verdienste, en daarom ook den tegenzin tegen eene leere, welke, daar zij ieder mensch tot een' misdadiger stempelt, slechts eene zaligheid uit genade voorstelt, en ook de Godvruchtigste niets anders tot voorwerp van zijnen roem voor God overlaat dan eene vrije, gegevene, vreemde gerechtigheid. Hoe begrijpelijk is het, dat deze menschen zich aan eenen Meester ergeren, die de tuederf/eboorte tot levensvoorwaarde boven alle dingen stelde, en die, gelijk Hij als zinspreuk op zijne banier schreef: Des menschen Zoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, zoo ook den zijnen bekend maakte, dat

ocr page 208

M

Hij Zich voor hen heiligt, en luide de geheole wereld toeriep: ïk hen de Werj, de Waarheid en hel Leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij. Doch keeren wij in tot ons zeiven, en vragen wij ons, of het, zoo lang de Geest onze duisternis niet opklaart, ook ons behaagt, dat wij niets en daarentegen de genade alles zij! Of het ons beter schikt dan die kinderen van Gamaliel, om onze rechtvaar-digmaking bij God uitsluitend op het bloed des Lams gegrond te zien, en wij ons daarom van nature minder aan den Vredevorst ergeren dan zij? Ik twijfel er aan, of deze vraag zich ten onzen gunste zal beslissen. Van nature woont de Farizeër in ons allen. — In de Schriftgeleerden, die in de derde plaats de bende uitmaken, drukt zich, behalve de geestelijke heerschzucht, de waanwijsheid uit. Wat wonder, dat zich ook dezen onder de zaamgezworenen tegen Jezus laten vinden. Van hen, de eigentlijke geleerden boven het volk, wordt gevorderd, zich wederom met het volk op de bank der scholieren, en wel aan de voeten van den rabbi van Nazareth te plaatsen. Zij zouden dit doen, de meesters in Israël, die bewonderd en bewierookt aan het hoofd des volks gezeteld waren? Hoe kan zulk eene vordering deze verwaande heerschappijvoerders anders dan op de hoogste wijze verontrust en verbitterd hebben. Nochtans bleef de uitspraak des Heeren tot heden in bare kracht: Den wijzen is het verborgen. En niet minder des Apostels: „Niet vele wijzen naar het vleesch zijn uitverkoren.quot; Bij de Schriftgeleerden kwam, bij de algemeene afkeer van Jezus, zoo als ieder rnenschelijk hart, dat nog niet van zijne natuurlijke eigenwaan genezen is, eigen is, nog het gedurig verdriet over de talrijke nederlagen en beschamingen, die zij, zoo dikwijls zij met Jezus in het strijdperk durfden treden, ten aanhoore des volks geleden hadden. Hoe zegevierend had Hij ze telkenmale uit het veld geslagen! Hoe bad Hij de doortraptsten in hunne arglistigheid gevangen! Hoe had Hij ze met dezelfde strikken, waarmede zij Hem wilden vangen, weten te binden, in het openbaar ten loon te stellen, en in triomf weg te voeren! Doch juist dat was het, wat zij Hem niet vergeven konden. En nadat hen de wapens hunner spitsvondigheden uit de banden geslagen waren, waren zij ook niet meer te goed en te groot om ook de wapens van hot laaghartigste verraad en van het ruwste geweld, als bruikbaar en geschikt ter hand te nemen. O spreekt toch niet van eenen adel des geestes bij den natuurlijken mensch. Er is een prijs, voor welke hij, op welke trap van verfijnde beschaving en zedelijkheid hij ook immer zich beroemen moge te staan, ook dezen roem, zonder bedenking verkoopt. — Onder het bevel van de genoemde aanvoerderen, gaan wel minder schuldige, maar toch niets minder dan de verontschuldigde dienaren van den hoogen raad, deze blinde werktuigen van hunne meesters, en vervolgens de gevraagde soldaten van de romeinsche tempelwacht. Men-schen van dat soort betaamt het wel om de bevelen van hunne oversten onvoorwaardelijk te gehoorzamen, doch ook zij zijn geene werktuigen, welke men niets kan toerekenen, maar even als alle anderen, Gode, den hoogsten Rechter, voor hunne daden verantwoordelijke menschen, wier gehoorzaamheid in het bekende: „Men

ocr page 209

moet Goeie meer gehoorzamen dan den menschen,quot; hare grens vindt, en wier plicht het derhalve iu dit geval geweest ware, om den dood onder den bijl van den heul te stellen, boven den dubbelzinnigen roem, om bij den roekeloosten aller aanslagen Inmnen plicht gedaan te hebben. Doch grootendeels wisten zij niet wat zij deden. Meer verwerpelijk dan zij, is de verachtelijke menigte van dezulken, die om geld of gunst zich vrijwillig aan deze bende hebben aangesloten. Deze lafhartige vleiers en menschendienaars, wien het eene kleinigheid is, om voor één' vriendelijken blik van hunne hooge begunstigers, hun geweten tienmalen op den mond te slaan, herinneren ons aan n, gij voile napraters in ons midden, gij, die, omdat deze of die zoo denkt, oordeelt en spreekt, ook u niet vermeet anders te denken, te oordee-len en te spreken, dan hij, en die do laaghartigheid tot die diepte drijft, dat gij uw zelfstandig oordeel, zelfs met betrekking tot de hoogste belangen des levens, weggeeft voor den allerlaagsten prijs der wereld. Wee u, gij onwaardig gebroedsel! 'Was ook uw getal onder ons slechts niet legio! Do meesten dergenen, die niet golooven, treden met hun ongeloof enkel in de voetstappen van anderen, en hangen met knechtelijken zin aan de meeningen van anderen. Zij hehhen in eene schandelijke onderdanigheid aan vleesch eu bloed, of om der wille van het eene en andere ellendig tijdelijk voordeel, zich van het heerlijk voorrecht ontdaan, om ten minste daar, waar het hunne eeuwige belangen geldt, met eigen oogen te zien eu vrij en alleen naar den raad van (lod hunnen weg te kiezen. — Doch slechts nog eenen blik op de bende der vangers. Wie ging met een betrokken gelaat en verwarden blik aan hiiiine spits? De man, diep in zijnen mantel gewikkeld on met het kenmerk meer van eene gemaakte dan natuurlijke besluitvaardigheid in houding en gebaren, wie is hij? Ach, wij herkennen hem. Voor deze verschijning siddert ons hart, eu dreigt ons het bloed in de aderen Ie verstijven. Het is de zoon der verderfenis van wien reeds duizend jaren te voren geschreven werd: die mijn brood eet, heeft de verzenen grootelijks tegen Mij opgeheven, liet is de mensch der rampzaligheid, die zijn Jezus-discipelschap enkel draagt, gelijk de giftige adder zijne schilderachtige huid. Het is de huichelaar, die in zijn apostelschap steekt gelijk een moorddolk in eene vergulde schede. De zonde is thans in hem voleindigd, eu het bederf iu hem tot rijpheid gekomen. Verbitterd, verduisterd en een logenaar geworden tot in den diepsten innerlijken grond zijns wezens, haat hij thans Jezus, gelijk de duisternis het licht haat. Over den tijd, toen hij nog met kalme zinnen Jezus verlaten en zijnen eigen weg gaan kon, is hij heen. Hij heeft thans eene demonische oproerigen zin tegen Jezus, als tegen zijn ander geweten, in zich plaats gegeven. Hij is tegen Hem, als tegen eenen onmededoogenden rechter ontstoken, door wiens loutere heiligheid, oprechtheid en liefde hij zich reeds iu zijne eigene list, huichelarij eti liefdeloosheid veroordeelt gevoelt. Heeds lang vond hij zich in eene pijnlijke engte door in Jezus tegenwoordigheid te moeien verkeeren, eu hoe kon het anders? Het nacht-gevogelte kan het licht der zon niet verdragen. Hij het bekende voorval in Bethanië, trad zijne innerlijke ontstemdheid jegens Jezus op eenen

ocr page 210

ilH

nieuwen trap van ontwikkeling. Hier werden liem, gelijk gij weet, de laatste twijfelingen ontnouion', dat hij van den Heere doorzien, ou in zijne verborgene sluipwegen gevolgd en betrapt werd. In plaats ecblor van dit belangrijk oogenblik lot zijn heil uit te koopen, en zijn bedorven menscli zonder verscbooning aan bet vuur eener oprechte zell'veroordeeling over te leveren, opdat uit zijne ascli eene nieuwe, uit tlod geboren menscb ontstaan mocbt, gaf bij gehoor aan satanische inlluisteringen, en iioopte bij in eene ontzettende verblinding zich en zijne eere daardoor te kunnen redden, dat bij in plaats van zich aan den Heiligen Geest over te geven, zich aan den geest der gramschap cn der verbittering overleverde, en dien Man eene doodelijke wraak zwoer, die hein tocb geen ander leed bad aangedaan, dan dat Hij hem in het hart had gezien. Neen, met de begeerte naar de dertig zilverlingen wordt de bron van Judas verraad niet uitgeput. Deze is van eene demonische natunr, en wil veel dieper gezocht zijn. De ongelukkige discipel dronk reeds van die grimmigheid, welke de verdoemden in de bel onophoudelijk aanzet om jegens Hem, die hen oordeelde, en wien zij het getuigenis moeten geven, dat alle zijne oor-deelen rechtvaardig zijn, hunne vloeken cn lasteringen uit te schuimen. Ach, een vonk van deze grimmigheid wordt overal in de menschelijke natuur als zoodanig gevonden. Zoo dikwijls de Heere de houding aanneemt, om met den fakkel zijner waarheid de diepte onzer duisternis te verlichten, beweegt zich de verborgen adder. Hel natuurlijke hart verdraagt den verstoorder van zijne trage rust, van zijnen valscben vrede niet, en zoo moet dan de eenige Zaligmaker der zondaren zelfs dooi' degenen, tot wien Hij komt om ze te redden, zich laten begroeten, gelijk de oproerige burgers in de gelijkenis deden: Wij willen niet dat deze Koniny over ons zij, en gelijk de Gergeseners deden „ga van bier weg, van onze landpalen.quot;

Ziet, aldus zien wij in de tegen den Heere der heerlijkheid saamgezworen menigte, een spiegelbeeld der menschheid, gelijk zij van nature in hare innerste kern gesteld is. Wie zich niet in den eenen van deze bende terugvindt, die zal zich in den anderen ontdekken. Zulk een bedorven geslacht nu heelt de zaligheid verbeurt, en is des doods schuldig, of de Goddelijke Wet moet eene leugen en gerechtigheid en gericht, niet de bevestiging zijn van zijnen troon. Niets is echter ter wereld meer zeker, dan dat de vloek op ons hoofd rust, en wij aan de bel vervallen zijn, wanneer ons niet op grond eener aangebrachte voldoening, barmhartigheid geschiedt en genade voor recht wordt bewezen. Doch HU is daar, die deze genoegdoening tot stand brengen en verwezentlijken zal. Komt en aanschouwen wij Hem, en vallen wij jubelend en aanbiddend in zijne armen.

II.

Slaat op, laat ons van hier gaan, ziet, die Mij verraadt is nabij. Hoort dezen moed- en bereidwilligheid ademenden uitroep! Vanwaar klinkt bij ons te gemoet? Van dezelfde lippen, van welke eerst het dringend noodgebed ten hemel steeg: „Zoo bot mogelijk is, zoo laat

ocr page 211

105

do zo boker van Mij voorbijgaan.quot; Daar komt Hij aan, die heeiiijko overwinnaar. Als naar lichaam en ziel versterkten verstaald, treedt Hij uit liet vuur van don strijd in don olijvenhof te voorschijn. Uit geheel zijne houding spreekt enkel klaarheid, verinanning en verhevene rust. Zoodra Hij bewust geworden is, wie hem de Gethsómanébeker toereikte, heel't Hij hem met onbepaalde bereidwilligheid geledigd, en nu weet Hij voortaan, dat wat Hem ook nog aan verschrikkingen en ontroeringen voorhebouden zij, bet even als de (lellisómanésheker behoort tot de onlosmakelijke voorwaarde, waaraan de voleinding van het groot verlossingswerk verbonden is. Deze hewustheid maakt zijnen tred op den bloedigen folterweg zeker. Wat kwaads Hom ook wedervare, Hij ziet bot mot een' klaren blik als een uitvloeisel van hot vaderlijk raadsbesluit. Hij spreekt het slaat op, en laat ons van hier liaan, eerst als een moedig welaan! uit, waarmede Hij de discipelen de veranderde gemoedsstemming, waarin Hij zicli toen bevond, wil doen kenbaar worden. Vervolgens zegt Hij dit woord tot zijne discipelen, als eene roepstemrne tot bijeenvergadering; want er is Hem aangelegen, dat zij bij zijne gevangenneming gozamentlijk tegenwoordig zijn, opdat zij daarna de wereld als ooggetuigen kondon verkondigen, hoe hun Meester niet als een overwonnene, maar vrijwillig zich aan de handen zijnor vijanden heeft overgeleverd.

Ziet, wat nu gebeurt. Vóór nog tie bende dor gevangonnemors Hem bereikt, wandelt Hij hen eenige schreden te gemoet, en anders als onze stamvader in het Paradijs na den val, die op hot „Adam waar zijt gij?quot; eene plaats tot verberging zocht, treedt Hij met open gelaat voor do gewapende bende, en richt tot hen do eenvoudige, maar voor de muitelingen diep beschamende en hot valsche van hunnen krijgszuebtigen toestel verwijtende vraag: Wien zoekt (jij! Dit Wien'? boe verpletterde het de gevangennemers! Hot had heilaanbrengend voor ben kunnen worden, wanneer zij het slechts een' oogeublik van bedaard nadenken hadden willen schenken. Doch zij waren er reeds zoo zeer in geoefend, om haken en angels van deze soort met weinig moeite te omwinden, en wanneer ook hun geweten eenige bereidwilligheid betoonde, om op zulke vragen bescheid te doen, zoo verstonden zij de kunst, om het mot do trommelslagen van de woorden der stoutste leugen te verdooven of te bedwelmen. Doch de wereld moest |te weten komen, dat de Heere niet door eene misvatting, maar opzettelijk, en wel omdat Hij de llochtvaardige en Heilige Israels was, ter slachtbank is geleid geworden, en ook om deze reden, vroeg de Zaligmaker: Wien zoekt dij? Het antwoord van de schare luidde bepaald en klaar: Jezus van Nazareth. Hiermede was de bloedschuld der schare, ja dor monschon, welke door deze bende vertegenwoordigd werden, bewezen. Zeker wezen do verraders don Heere listig genoeg aan met eenon naam, die hen, zoo hot do eenige naam geweest ware die zij van Hem kenden, ten minste eenon schijn van rechtvaardiging zoude verleend hobhon, om Hom voor eenon valschon profeet te houden en Hem als zoodanig te vangen , terwijl toch Nazareth in elk geval de plaats niet was, vanwaar do profetie den Messias dood voortkomen. Doch zij kenden Hem ook

ocr page 212

IOC)

zeer wel, als de spruit uit den stnm van David, van Bethlehem, op welken Micha, en als de Vredekoning, op welken Zacharia had lieen-gewezen. Daardoor echter, dat zij over dit hun beter weten opzettelijk den sluier der zelfmisleiding wierpen, vermeerderden, ja voleindigden zij hunne overtreding. De tegenwoordige vijanden van Christus maken hel niet anders dan hunne Joodsche voorgangers. Ook zij stellen opzettelijk alles uit den zin, wat hunnen tegenstand tegen den Heere der heerlijkheid eenigszins zou kunnen verlammen, zij sluiten voor de heerlijke geschiedenis der zegepraal zijns Koninkrijks listiglijk de oogen, en stellen zich aan, alsof Hij uit Nazareth te voorschijn gekomen en opgetreden was, en tot bewijs van zijne Godmenschheid geen verder getuigenis hadden, dan zijn eigen getuigenis, of liet woord zijner discipelen. Niettegenstaande deze hoogst lichtvaardige en meest be-driegelijke wijze van handelen, ontbreekt het hun nochtans niet aan eene winderige legertros, die hen in trouwe gehoorzaamheid navolgt en in ontelbare gevallen niet vermoedt, dat de naar den geest weder opgestane Judas aan hunne spits staat en hen beveelt en leidt. — Nadat de vangers met hun: Jezus van Nazareth, hun oogmerk te kennen gegeven hebben, zegt de Heere met de verhevene rust van den God (ie lij ken Middelaar, die niet alleen gelijk de historie vermeldt, „alles wist wat Mem overkomen zou,quot; maar Zich ook den grond en de oorzaak met den uitgang en de laatste bijzonderheden van dit alles,quot; volkomen klaar bewust was! Ik hen hel. Groot, beteekenisvol woord 1 Zoo dikwijls het uitgesproken werd, ging het met de machtigste werkingen gepaard. Ik ben het, zoo riep Mij, wandelende op de golven der zee, zijnen discipelen toe; gelijk op de klank dezer stem de woedende zeestorm oogenblikkelijk verstomde, zoo stortte zich even spoedig een stroom van vrede en blijdschap in do harten der zalig verraste discipelen. Ik hen het, sprak Mij tot de Samaritaansche Vrouw bij de Jacobsbron, en terstond liet de vrouw haar watervat staan, en spoedde zich als de eerste vrouwelijke Evangelist in het Samaritaansch gebied, terug naar Sichem. Ik ben het betuigde Mij, zoo als wij later zullen hooren, voor de vierschaar van den hoogen raad, en de bewustheid, dal Hij hel werkelijk was, sloeg zoo geweldig door tot het harte der rechters, dat zich de hoogepriester alleen door middel van de tooneelvertooning zijner kleederverscheuring uil de pijtdijkste verlegenheid wist te redden. En wat gebeurt er op zijn Ik ben het, in onzen tekst? De heillooze bende, zoodra zij dit woord hoort, staat onthutst, waggelt, tuimelt achterwaarts, en zinkt, als door eenen onzichtbaren bliksem getroffen, ja als door eenen almach-tigen adem omvergeworpen, op den grond. Hetgeen hun zoo geweldig aangreep, bestond ongetwijfeld reeds in den diepen indruk der heiligheid en dei' onschuld van Jezus, door welke zij in dit oogen-blik overweldigd werden. Met zoo majestueuse als eenvoudige Ik ben het! riep de mei geweld onderdrukte bewustheid van zijne boven-menschelijke heerlijkheid weder met volle kracht in hen te voorschijn. Doch deze geestelijke schudding alleen zou wel niet in staat geweest zijn, de bende man voor man als door eenen tooverslag ook lichamelijk in het stol te werpen, wanneer niet met liet Ik ben het tegelijk

ocr page 213

ook eciic (laud van Goddelijke almacht gepaard geweest ware. l)c Heere sloeg de bende neder, eensdeels om daarmede op de nadruk-kelijkste wijze liunne schrale henaming van Jezus van Nazareth tot leugen te maken, en de opzettelijk op den achtergrond geschovene hoogere kennis van zijn persoon weder in hun hinnenste plaats Ie vcrschatïen; anderdeels om de wereld ook een feitelijk bewijs achter te laten, dat Hij niet uit noodzakelijkheid of dooi' onmacht, maar ten gevolge van een vrij besluit eeue offerande voor hen geworden is. Daar liggen zij aan zijne voeten, de vermetele muitelingen, door één woord zijner lippen daarheen geworpen. En wat zou llem thans verhinderd hebben om triomfeerend over hunne halzen heen te stappen, en nadat Hij zo voortdurend aan den grond vastgenageld had, onbeschadigd en onverhinderd vandaar heen te gaan? Doch Hij bedoelde niets anders dan eene te kennengeving zijner majesteit en zijner on-afhankelijklieid van allen schepsel, en nadat hij dit oogmerk schitterend bereikt heeft, vergunt hij de nedergeworpenen zich weder op te richten: Gelijk zij echter aldaar in het stof nederliggen, geven zij u, kinderen dos ongeloofs, de houding te aanschouwen, waarin men u allen eenmaal zien zal. Do hulde, die gij hier beneden den Heiland ontzeidet, zal Hij u wel weten af te dwingen. De knieën, die gij in vrije liefde niet voor Hem wildet buigen, zal eenmaal de schrik der vertwijfeling noodzaken in het stof neder te zinken. Driemaal wee u, wanneer de Heere ook dan nog u als wederspannellngen vindt, wanneer niet meer de palmtak en de herdersstaf, maar het zwaard en de weegschalen des gerichts de zinnehoelden zijner verschijning zullen zijn. Van liet beven en sidderen en nedervallen, dat u dan door hot hooren van den klank zijner stem overkomen zal, is geen herstel en wederopstaau meer. Gelooft daarom, dat Hij liet is, zoo lang zijn Ik hen hel u nog op den toon der lokkende liefde tegen-klinkt. Wilt gij Hem op zijn bloot woord niet gelooven, gelooft Hem dan om der wille van het machtige zegel, dat Hij zelf op dit woord lieeft gedrukt, ü reiktet gij Hem slechts de hand ■— opdat ik mensche-lijk daarvan spreke — op de proef: lioe spoedig zou als wederklank op zijn Ik ben hel! een zalig voortvaar Gij zijl hel! in uw binnenste, gehoord worden. Dan zou wel de onsteltenis u ter aarde neder-werpon, maar liet zou eeno onsteltenis zijn enkel daarover, dat gij eerst nu , dat gij zoo laat, dat gij niet reeds van uwen eersten ademtocht met bewustheid, uzelven aan Hem overgaaft.

Wien zoekt (jij? — Ik ben het! mijne vrienden! het is ons vergund om beide deze woorden van Jezus, ieder afzonderlijk in den meest omvatlenden zin des woords op te vatten. Wien of wat de verborgene helioefte nws harten ook zoeken moge, Hij is het, dien gij hebhen moet. Grijpt Hem aan door het geloof, en gij zijt aan het doel. Zoekt gij oenen Middelaar, die bij God voor u intreedt, een Vredevorst, die de storm in uwen boezem het zwijgen oplegt, oen Vriend, wiens gemeenschap elke andere voor u ontbeorlijk maakt, of een volkomen Stuurman oan hel roer oonor levenshulk — Ik ben het, roept do Man van Nazareth, en is bereid om zijne verzekering met de daad te bezegelen. En Hij is nog meer dan dit alles. Wordt

ocr page 214

•198

er gevraagfl, wie aan elke nooil fle bitterheid, de macht aan de zonde, de zegepraal aan de hel, de prikkel aan den dood kan ontnemen'? Ik hen hel, zegt Hij, en door achttien honderd jfiren ant-woordl liet gelui gen is van millioenen heiligen: „Gij zijt het! en buiten li geen Zaligmaker!quot; In dit koor ontbreke ook onze stem niet. Rukken wij ons los nit de heillooze vei'sclirikking van eenen ongeloovigen tijdgeest. Er is nauwelijks meer toe noodig dan een' onbevangen blik op den Zone Davids, zoo als Hij in het Evangelie zijne heerlijkheid ontvouwt, en men wordt, wanneer het hart nog slechts aan ecne plaats voor Goddelijke grootheid ontvankelijk is, onwederstaanhaar gedrongen, om met een aanbiddend Gij zijt het aan zijne voeten neder te vallen.

III.

Nadat de schare door toelating des Heeren weder was opgestaan, licht Mij opnieuw de vraag lot hen: Wicn zoeli gij? Ditmaal vergezelde eene verpletterende scherts zijne vraag. Evenals wanneer iemand, die men voor eenen roover houdt, en als zoodanig gevangen genomen wordt, plotseling voor de oogen zijner van geren, de koninklijke ster op zijnen boezem onthuld, en gelaten tot hen zeide: „Op wien hebt gij het gemunt?quot; Iels soortgelijks heelt er plaats door des Heeren herhaald: Wien zoekt gij? En nu, hier is meer dan een menschelijk koning. De schare is het zoo even aan zijne voelen gewaar geworden. Zoo verandert zich het herhaalde: Wicn zoekt gij? vooi' ben thans in eene galbittere spotternij; want welk eene dwaasheid is het, dat een stroohalm zich aan het vuur, een vonk aan de branding der zee waagt te vergrijpen! Ik zie hoe zij de prikkel der vernieuwde vraag in hun geweien gevoelen. Zij staan beschaamd. De rechter huns harten veroordeelt hen als roekeloozen en tegelijk als dwazen. Desniettemin gelukt het hun, om den indruk der waarheid andermaal in zich te overwinnen, en zij geven ditmaal enkel werktuigelijk, als een him toevertrouwd wachtwoord, tot antwoord: Jezus van Nazareth. De eerste keer kwam dat Jezus van Nazareth nog met de klank van eene zekere krijgszuchtige barschhheid en stoutmoedigheid Ie voorschijn, thans wordt het met gedempten toon en schroomvallig gehoord, getuigende van eene innerlijke verlegenheid, welke eerst dan weder aan eene zekere trotscbheid plaats geeft, nadat de Heere Zich in hunne handen vrijwillig heelt overgegeven.

.//•• het) u gezegd, dat hel hen ■— zoo gaat Jezus voort — zoo gij dan Mij zoekt, zoo Imt deze heengaan. Hoort deze liefelijke en he-loltevolle woorden! O, hoe weet de Zaligmaker in alle omstandigheden, ook do vreeselijkste, de volkomenste klaarheid des verstands te bewaren, en met de zorgen voor het volbrengen van het Hem opge-dragen werk des verlossing in het groot en in zijn geheel, overal en altijd de zorg aan het Hem toevertrouwde enkele en geringe te vereenigen! Terwijl Hij zich gereed maakte tot zijnen hoogst ge-wichtigen heengang ter offerande, vergeet Hij bet in zijne aanhidde-lijke Herdertrouwe niet, vooral zijne discipelen voor den op handen zijnde storm der aanvechting te bergen. Indien gij dan Mij zoekt,

ocr page 215

I (KI

■/.no Jaat dezen heengaan, zegt Hij, doch leg!, tegelijk, naar zijne gewoonte in deze woorden eenen, deze naaste beteekenis ver te hoven gaande grootschen, algemeenen zin. In hetgeen Mij liier ten voordeele van zijne elvo Zich nitbedong, spiegelt zich de zegen een er' wereld al'. Nochtans gaat onze Evangelist geheel juist te werk, wanneer hij deze uitspraak allereerst tot de Apostelen betrekt, er bijvoegende; opdat hel woord vervuld zon worden, dat Hij yezeyd had: uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren. In zijn hooge-priesterlijk gebed. Joh. 17 : 12, sprak de Heere deze woorden; alleen voegde Hij er met diepe weemoedigheid bij: dan de zoon der verder-venis, opdat de Schrift vervuld luorde. Een woord, dut de Evangelist, en wij begrijpen oin welke reden, in onzen tekst voorbijgaat. Niet enkel medelijden houdt hem terug, het oordeel der verwerping over den armen, dien hij ons persoonlijk voor oogen stelt, te herhalen, maar tegelijk ook de teedere, in diepe weemoed verdiepte zorge, dat bot zou kunnen schijnen, als verhief hij, de berichtgever, zich in eigen zelCbebagen boven den beklagenswaardigen mede-Apostel, terwijl hij zich toch met eene oprechte verbrijzeling des harten diep en klaar bewust is, dat zijn hart, niet minder als het hart van Judas, van nature tot alle kwaad geneigd, en bet bloot aan de bewarende genade te danken is, dat bijzelt' niet tot eenen verrader geworden is.

Indien yj Mij zoekt, zoo laat deze heenyaan. Treilend en waar merkt een uitlegger der Schrift bij deze woorden op, dat er eene reden van hooge welvoegelijkheid geweest is, dat Jezus niet gezegd heeft; Mijne volyelinyen, of mijne discipelen maar onbepaald, echter met heenwijzing op de zijnen. Deze, want zoo Hij ze met den eersten naam genoemd bad, zoo zou het voor lieden als waaruit de schare bestond, zoo veel gebeeten hebben als; „mijne partijgenooten,quot; en wel in eenen zin, welke Hij Zich wachtte, te begunstigen. In de beteekenis, waarin de wereld liet gewoon is to verstaan, was do 1 leere niet het hoofd eener partij en wilde Hij ook de geringste schijn vermijden, alsof Hij zulk een ware. Overigens behoefde Hij tot bescherming zijner discipelen, enkel dat eenvoudige, maar met nadruk uitgespro-kene; zoo laat deze heenyaan. Dat woord was geen verzoek, maar een koninklijk bevel, tegelijk echter ook een wenk voor de discipelen zeiven, wat zij thans te doen hadden. Het was het sein voor ben tot eene lijdelijke terugtocht van do plaatsen zijns lijdens. Had ook Simon Petrus dezen getrouwen wenk van den goeden Herder opgevolgd! He arme discipelen waren nog niet opgewassen tegen den storm der aanvechting, welke thans losbrak. Voorzeker zouden allen, meer of minder, al was het ook slechts voorbijgaand, schipbreuk geleden hebben in hun geloof, wanneer zij den Meester verder op de wegen zijner vernedering hadden willen volgen, om niet te spreken van de gevaren, die bovendien hunne vrijheid, ja bun leven, bedreigd zouden hebben. Daarom is de zorgdragende, voorzichtige en bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en de kalmte des Heeren zoo aanbiddelijk, waarmede de Heere in een oogenblik, waarin de voortreffelijkste der menschen geene ruimte gehad zou hebben, om aan iels anders dan aan zichzelven te denken, — de welvaart en het

I

ocr page 216

'200

heil dor zijnen op liet liart te dragen, en met zulk eene moederlijke zorg- hen voor den naderenden orkaan in veiligheid te stellen weet. Zien wij echter ook niet don rijken inhoud Aan troost over het hoofd, die in dezen trek over de geloovigen aller tijdon ligt opgesloten. Het ■indien (jij Mij zoekt, zoo laat deze heengaan, hooft de Hoere voor ons ook nog tot andore bondon als deze was, uitgesproken. Hij sprak het, volgens don dieperon algemeenon zin zijner woorden ook tot de hel, den dood en den duivel, maar deze hehhen Hem werkelijk gezocht, gegrepen en nedergeworpen, doch ten goede van hen, die in Hem gelooven, hebben zij aan Hem hunne macht voor altijd uitgeput, en in Hem hunnen angel en prikkel verloren. En zoo ver de vijandige machten nog moor aan ons willen doen, dan ons te ziften, te heproo-ven en te louteren, — trekt dat: zoo Iaat deze heengaan! een onover-schrijdbaren grens rondom lien. Verderven kunnen zij ons, die in Christus zijn, nu en eeuwig niet meer. Aan het door eene volkomene genoegdoening godragen: laat deze heengaan, hebben wij een vrijbrief, die ons tot in het homolsche Jeruzalem oen zeker vrijgeleide schenkt. Houden wij daarom deze vrijgeleide in eere, want het zegel Clods straalt ons daarop te gemoet.

Heil ons dan, door onze nabijheid bij den Bruidegom onzer zielen! Wij hebben niet alleen alles aan Hem, wat. wij behoeven, maar nog oneindig meer dan onze nooddruft vereisebt. Zalig de stoutmoedig geloovendo. Zoodra wij onder de vleugelen van Jezus veilig rusten , ligt het rijk der zorgen achter ons, en niets kan ons meer het recht betwisten, om in to stemmen met het lied, dat innerlijk diepe vrede ademt:

Is maar 't gevoel mijns harten ,

O Jezus! uw genaê, •—■

Dan kan ik alles tarten ,

Ook ais ik sterven ga.

In U verberg ik mij,

Geen vijand, wien hij zij, —

Al kwam de hel me omringen —

Kan in die vesting dringen.

Amen.

ocr page 217

XX.

D K K ü S V A N J U 1) A S.

De wonderlijke voorafbeelding van hel leven van Jezus, zoo als zij, eene luchtspiegeling gelijk, zich aan ons in den levensweg van zijnen grooten voorvader naar het vleesch, David, voorstelt, voert zell's do levende beelden van de uitstekendste persoonlijkheden der Evange-liesche geschiedenis voor ons heen, en toont ons, bij voorbeeld, hoe in Jonathan een Johannes, in Abisaï een Petrus, in Saul een 1 (erodes en in Achitofel een Judas worden voorafgebeeld. Achitofel stond, zooals wij weten, den koning als diens eerste staatsraad boven anderen hel meest nabij, en genoot het onbepaald vertrouwen van zijnen beer. Wanneer Achitofel eenen raad gaf, dan was het alsof men (lode gevraagd bad. Doch deze bevoorrechle plaats werd den eigenlievenden en van onbegrensde eerzucht geprikkelden man tot een' strik en tot eenen val. Naar allijd boogere aardsche dingen trachtende, gevoelde hij zich spoedig, en juisi ook door do plaats, welke hij als eerste dienaar der kroon besloeg niet meer tevreden. Het was toch altijd maar eene dienaarsplaats. Toen nu Absalom bet schild des oproers tegen zijn' eigen vader ophief, toen wierp, in de hope van met den losgebroken storm des oproers, wie weet tot welk eene hoogte van macht en beerlijkheid op te klimmen, ook Achitofel het masker der schijnheiligheid van zich, met zijne gehuichelde trouwen overgegevenheid jegens David, en begaf hij zich in ten hemel schreeuwende ondankbaarheid op de zijde der muitelingen. De lleere weet echter den nietswaardige in zijne arglistigheid te vangen. Hij bestuurde het aldus — zoo vermeld de geschiedenis — dat de raad van Achitofel vernietigd werd. Zoodra echter do verrader zijne beerschzuchtige aanslagen schipbreuk lijden, en zich in deze schipbreuk door God geoordeeld zag, greep de vertwijfeling hem aan, en hel leven moede, zadelde bij zijnen ezel, trok naar zijne stad, maakte beschikking over zijn buis, en maakte daarna door den strop een eind aan zijn leven. Doch hiervan hebben wij reeds vroeger gesproken.

Als een verschijnsel overeenkomstig met dat van Achitofel, ontmoet ons in de geschiedenis van David, Joab de zoon van Zeruja, een man van gloeiende eerzucht en van de onbeteugeldste heerschzucht. I'leef bij in het oproer van Absalom ook zijnen koning en heer getrouw, zoo sloot hij zich toch daarna aan den pretendent op de kroon Adonia aan. Zijn Judas-natuur kwam echter bijzonder bij zijne handelwijze met Amasa te voorschijn. Dezen had de koning de aanspraak op bet

ocr page 218

o () pe i' vel (I heo rscl lap gegeven. Dit verdroeg een Joab niet. Hij uclitto zich hiermede op het gevoeligst in zijne eere gekrenkt. Amasa was van dien tijd af het voorwerp zijner bitterste haat. en hoe hij hem uit den weg zon ruimen, was de gedachte, die hem nacht en dag bezig hield. Spoedig genoeg vond hij gelegenheid om zijn geheim moordplan uil te voeren. Amasa met eene koninklijke zending belast, onlmoetle hem hij den grooten steen te Gibeon. Joab, hem ziende, spoedde, gelijk 2 Sam. 20 : 9 en 10 gemeld wordt, onder het masker der vriendschap naar hem heen, biedt hem met een: Is het wel met u, viijii Broeder? een' gehuichelde vredegroet, omarmt hem, en sloot, terwijl hij hein met de rechterhand hij den baard vat om hem Ie kussen, met do linkerhand het heimelijk getrokken zwaard hem in den buik, zoodat zijn ingewand met zijn bloed op de aarde werd uitgestort en hij op de plaats dood nederviel.

Het is ontzettend, dat wij aanleiding hebben, om door de herinnering aan zulk eenen verraderlijken moordenaar als Joab, eene beschouwing in Ie leiden, waarvan het middenpunt een vertrouweling van den Koning aller koningen, een Apostel is. Doch deze aanleiding is er. Moge het don lleere behagen, de beschouwing waartoe wij overgaan, te doen strekken tot \erhooging van onzen afschuw tegen do zonde iti het algemeen, en tot opscherping onzer waakzaamheid over het eigene zoo licht to verlokken en te verstrikken hart.

Matïh. 26 : 48-50. 14 : 44-45. Luc. 22 : 48.

En die Hem verried, had Imn een teeken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, dezelve, is het, grijpt Hem en leidt hem zekerlijk henen. En terstond komende tot Jezus, zeiiie hij: Rabbi, Rabbi! en hij kuste Hem. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt (jij hier? — Judas! verraadt (jij den Zoon des mensehen met eenen kus ?

Is er een meer ontzettend, een meer liartaangrijpend voorval denkbaar dan betgeen ik u voorgelezen heb? Waar ontmoetten zich ooit het onbepaald goede en het voleindigde booze, de hemel en de hel in moer onbedekte en scherpere tegenstelling, dan hier? Ons hart dreigt aan den oenen kant te bezwijken voor de geweldige indrukken , die het uit den overstroornenden vloed der Goddelijke liefde ontvangt, en aan den anderen kant van die uit de volheid der stoïsche boosheid. Het is een tooneel van scheiding, voor hetwelk wij staan, en wel een der treurigste en noodlottigste , welke de wereld ooit gezien heeft. Jezus en zijn Apostel Judas scheiden voor altijd van elkander. Komt, zien wij :

I. Hoe deze scheiding plaats heeft en hooren wij dan II. Welk een woord do lleere den ongelukkigen discipel naroept.

Moge onze overdenking voor ons strekken tot een' spoorslag, om ons met geheel ons hart over te geven aan Hem, die onze eenige toevlucht is tegen den toorn, en wiens scheidbrief daarentegen niet anders is, dan eene aanwijzing op de eeuwige verdoemenis.

ocr page 219

I.

Nog eens richten wij den blik op de scharen, die wij aan den dorpel van den olijvenhof den Heere zagen overvallen. Zoo even heeft zij zich uit het slof, waarin het: Ik hr.n het! des Heeren haar neder-wierp, weder opgericht. Onder do ter aarde geworpenen was ook Judas. Men zou denken kunnen, dat deze vernieuwde openharing der majesteit van Jezus ten laatste den zoon der verderfenis als een laatste nood- en voorleeken van zijne verraderlijke wegen zou afgeschrikt hebhen. En wie weet, waartoe het, al was liet ook tot knechtelijke vreeze, met hem gekomen was, wanneer hij thans niet van getuigen omgeven geweest, en niet met zijne zoogenaamde eer daarbij in het gedrang gekomen was. Hij had echter nu eenmaal ile rol van aanvoerder der schare op zich genomen, en als welk een lafaard zou hij zich nu in de oogen zijner hooge begunstigers en bondgenooten hebben ten toon gesteld, als hij die rol niet met moed had volgehouden! Ontzettende verblinding, om van het volhouden in het kwade zelfs eene deugd te maken! Wellicht blies Judas de voor sommige oogen-blikken gedempte vlam zijner verbittering jegens den Heere ook daardoor aan, dat bij zich het bekende voorval bij de zalving te Bethanië en den laatsteu paasch maal tijd te Jeruzalem weder in het geheugen terugriep, (lenoeg, inet een zeker meer afgedwongen dan werkelijk bestaande heldenmoed staat hij daar aan de spils der muiterbende wederom voor ons. Een gehuiclield voorwaarls! ligt in zijne houding; uit zijne schuwe blikken echter, gelijk uil zijne krampai-ldifj saamgetrokken lippen, als ook uit de onrustige trekkingen van zijn bleek gelaat spreekt iets anders. Doch hij heeft zijn woord verpand en zijn verdrag met den duivel gesloten. Het teeken des verraads moet volgen. Do hel rekent op hem, en zou tot geen prijs afstand doen van (len triomf, om zich den Nazarener door eenen zijner eigen Apostelen in de handen te zien overgeleverd. Een zijner vertrouwelingen wordt dus zijn verrader. Men heeft dit ontzettend feit duizendmalen gelezen en geboord, en toch zoo dikwijls wij het elkander weder voorlezen, staan wij opnieuw verbaasd, als vernamen wij het voorde eerste maal. 0 wat deze Judas ons hart niet al te doen geeft! Welk eene huiveringwekkende raadselachtige verschijning gaat in zijn persoon door de geheele Evangeliesche geschiedenis heen! Welke vragen stelt hij der zielkunde ter oplossing voor, en in welk eene engte brengt hij ons niet enkel met onze Godgeleerdheid, maar zelfs met ons geloof! Voor wij in zijne verraderlijke kus de rijpe belsche vrucht van zijn innerlijk bederf aanscl louwen, werpen wij eenen vluchligen blik op den ontwikkelingsweg van zijn innerlijk leven. Wij treden in den geest tot zijne wieg. Te Cariolh aanschouwt een mannelijk kind het licht der wereld. Vader en moeder heetten het vroolijk welkom. Wellicht lazen zij aan zijn wiegje in eenvoudigheid eenen psalm; den 'KKMcn misschien, of den 128stci1. Doch wee! deze waren niet de rechten. Zij hadden moeten lezen, ach, wanneer zij het vermoed hadden — den 41-ten psalm en daarin de woorden: Zelfs da man mijns vredes, op welken Ik verlrowude, die mijn brood cd, heeft de

ocr page 220

'gt;(H

verzenen tegen Mij fjrootelijks verheven. Zij moesten gelezen hebben Ps. 10!) en wel de woorden: Dat zijne dagen lueimg zijn: een ander neme zijn ambt. Dewijl hij den vloek heeft iiefjjehad, dat die hem overkome! En geen lust gehad heeft tot den zegen, zoo zij die verre van hem! En hij zij bekleed met den vloek als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water en als de olie in zijne beenderen! Deze psalmen hadden zij moeten opzeggen, en daarbij, ach! een gedeelte van den 22stcn psalm. O wanneer zij het geweten hadden, dat dit de liederen waren voor deze wieg. Het kind wordt in den tempel gebracht, aan den priester in handen gegeven, met het zegel des verhonds voorzien! Ach! wat moet dit kind in het heiligdom des Heeren? Aan hem zal het bondszegel niet blijven kleven. Wat staat Ps. 09 geschreven? Hun paleis zij verwoest, tn hunne tenten zij geen inwoner, en wat lozen wij Hand. 1 : 20. Ach hetgeen wij zoo even in den psalm lazen, dat staat geschreven van dit kind, het kind des ongeluks. Wij huiveren. Zijne ouders vermoeden niets. Hoe zouden zij er iets van kunnen vermoeden? Het knaapje groeit voorspoedig op. Het is een van de weinige stille, ernstige, veel belovende jongo lieden. Hij loont tot vele dingen aanleg te liehhen, en zelfs gelijk men gewoon is te zeggen, aanleg tot godsdienstigheid. Ware het een gewoon mensch geweest, hoe ware liij in den uitgelezen kring der Apostelen gekomen? Nadat Jezus is opgetreden, scliijnt Judas naar menschelijken maatstaf gemeten, hoven anderen geschikt om 's Heeren grootsclie ontwerpen te helpen bevorderen. Hij biedt zich den Meester aan, en God de Heere versperd hem den weg niet, maar geeft hem toegang. De Zaligmaker neemt hem gehoorzaam, als eene Hem van den Vader gegevene onder zijne vleugelen, en maakt hem zelfs tot bestuurder van hunne gemeenschappelijke beurs. Thans is Judas een Christen en meer dan dit. Niemand weet anders van hom, dan dat hij een waar discipel, een hoog begaafd mensch en iu alle geval een helangrijk karakter is. Alleen de Heere Jezus doorziet hem spoedig en bevind hem in zijn binnenste ook nog iets anders te zijn. Hij ontdekt in hem een' boozen wortel, die echter ook in onze harten gevonden wordt, en derhalve niet iets zeer buitengewoons is. Gierigheid is deze wortel, en wel het woord in den ruimsten zingenomen. Geldgierigheid en eergierigheid, met één woord de eigenbaat, dat is, de allen natuurlijken menschen gezamentlijk eigene zondige richting op de uitsluitende bevrediging, verhelling en verheerlijking van het eigen ik. Wat Judas tot de gemeenschap met Jezus bracht, was hoogstwaarschijnlijk enkel de hoop, om eenmaal in het rijk van dezen wonderbaren meester eenen rol te spelen. Aan kwade brandstof ontbrak het derhalve in het binnenste van Judas niet. De eerste vonken der verzoeking worden door de geldbeurs in zijn hart geworpen. Judas wordt een dief; Hij vergrijpt zich aan hot vreemde goed, eens, en nog eens, en ten derdemaal, en hij verzwijgt bet. Ach! waarom belijdt hij het niet en doet hij geene boete? Ja, dat hij dit niet doet, wordt juist zijn ongeluk. Doch zoo hij liet beleed, dan zou zijne eer weg zijn, en zijne gelddorst bleef ongelescht. Zoo bleef de last op zijn geweten liggen. Van dit oogenblik al, is zijne

ocr page 221

ÜO,quot;)

betrekking tot Jezus eeno andere. Dc tegenwoordigheid van den Heilige wordt hem onaangenaam, want gelijk eene heldere spiegel, zoo kaatste de reinheid van Jezus zijne zwartheid terug. Waarom buigt hij zich niel, waarom ontloopt hij den vloek niolV Ja, dat hij dit niet doel, is onze kommer en zijn vloek. Tot geen prijs legde hij zijn binnenste open. Hem mocht andermaal des Heeren woord als een donder door het geweten slaan; doch hij kwam de zwaarte van dat woord te hoven, en verkreeg eeno altijd grootere vaardigheid in zulk een overwinnen. Wel kwam dikwijls de argwaan bij hem op, dat Jezus hom mistrouwde, doch alsdan vleide hij zich met de hoop, dat hij het woord of den blik van den Meester verkeerd kon hebben uitgelegd. Doch de argwaan is reeds genoegzaam om zijn hart van den Heere Jezus af te keeren, ja om reeds eene zekere bitterheid jegens Hem wortel te doen vatten. Eindelijk, bij gelegenheid van do zalving in hot huis van Maria, wordt het Judas zonneklaar, dat de Heere hem werkelijk doorgrond heeft. Gewichtig oogenblik! Wal gebeurt? Al de stroomen van vergif en vergiftiging gieten zich uit in hel hart van Judas. Hoe! en nog doel hij geene boete? Neen, veel meer ontbrandt hij in wilde wraakzucht jegens Hem, die hem doorzag en daarenboven nog voor do andere discipelen bloot stelde. Ach! waarom slaat hij niet nog dit oogenblik aan zijne borst, en redt hij zijne ziele niet? Ach, mijne vrienden! liij is reeds des satans prooi; hij ijll, in plaals van boete te doen, door den nacht lieen naar den Hoogepriester, om — gij weet tol wat werk — zich aan te bieden. Nochtans waagt hij zich nog eens in de nabijheid van Jezus en binnen den aposlolischen kring. Waartoe? misschien om belijdenis le doen en met berouw zijn binnenste le ontsluiten? Hoopt hel niel. Onder hol masker van oenen onschuldige, komt hij, en plaatst zich, als ware er niets geschied, met de overige discipelen aan den disch. Nu spreekt Jezus ernstig en vreeselijk: Voorwaar, voorwaar, Ik zet/ u, een van u zal Mij verraden. En de discipelen vragen op den rij af, verbaasd en ontroerd; Heere hen ik hel? Heere ben ik hel? Slechts één vraagt niet mede, maar tast met gehuichelde kalmte in den schotel. Nu ligt Jezus den sluier geheel op en zegt: die dc hand met Mij in den schotel indoopt , die zal Mij verraden. Nu zegt Judas half trotsch en half vreesachtig: Ben ik het Rabbi? Gij hebt het (jezegd! antwoordde Jezus. Stelt u voor, welk een oogenblik! Wat geschiedt er nu? Zinkt Judas nu geheel verpletterd aan Jezus' voeten, en roept hij om erbarming? Neen! Veeleer vaart de satan thans volkomen in hem. W aarom doet hij dan niet nog boete? Ach! dat hij ook thans nog zijn hart verhardt, is juist zijn ondergang. In zijnen waanzin werpt hij eerder alles in do waagschaal dan zijn eigen ik. In plaats van zich tot boetedoening, tot verootmoediging, tot bekeering te neigen, spoedt hij met helsche plannen bezwangerd, door de duistere nacht, en ziet den Meester eerst weder in het oogenblik, waarin wij hem thans, als den aanvoerder van die muiterbende, aanschouwen. Hij behoort thans geheel aan den vorst des afgronds. Ontzettende weg van ontwikkeling! Vooral daarom zoo ontzettend, omdat Judas van nature geen booswicht boven anderen, maar een mensch was als wij, met ons dezelfde

ocr page 222

kiOC)

natuur deelachtig. Ilij maakte enkel zijn ik tot zijnen God, on dat wel op hl ij vgikIo, volhardende wijze. Hoort het, gij mamnionsknech-ten, eer de satan u ganschelijk wegneemt! Ilij wilde met den ver-horgen grond zijns harten niet aan het licht komen. Hoort liet, gij verstokte Farizeën en siddert! Mij deinsde terug voor de gedachte, om als eenen om genade bedelend zondaar aan Jezus' voeten te leggen. Gij eigengerechtige, onverhi'oken geesten , neemt liet ter harte, en wordt verslagen! Ilij meende zich er heter dóór te kunnen liegen, dan zich hloot te geven. Merkt het op, gij bepleisterde graven, dat dit de weg naar de hel is! liet verdroot hem en vervulde lietn met wrevel, wanneer de hlik en liet woord van Jezus hem in het geweten tastten. Verschrikt voor uwen toestand, wanneer het ulieden zoo gaat! Allengs kookte bij hem een giftig mengsel van toorn, onwil en bittere gal jegens Jezus in zijn harl. Ach! waar zoo iets zich laat zien, daar is des duivels werk reeds ver gevorderd. Ja, waar men, olschoon van zijne zonden overtuigt, nochtans geen arm zondaar zijn, noch Jezus voor zijn één en alles houden wil, daar is den duivel eene breede en ellen baan gemaakt, en daar staat de hel reeds wagenwijd open.

„Doch kon Judas nog wel zalig worden, naardien zijn ondergang geprofeteerd was?quot; ü mijne vrienden! zijne ondergang ware nooit geprofeteerd geworden, zoo God vooruitgezien had, dat Judas het hem aangeboden heil aannemen zou. „Doch moest de Schrift thans niet vervuld worden, naardien zij eenmaal Judas lot voorzegd had? Dat moest zij zekerlijk, gelijk Jezus zelf betuigt. Doch de schuld van Judas werd er niet te minder door, „Ware hel dien menscli dan niet beter nooit geboren te zijn geweest?quot; Zeker, veel beter, gelijk Jezus dat zelf getuigt. „Doch stond het dan niet hij God, de geboorte van dezen onzalige te verhinderen?quot; Welke vraag! wat zou bij God onmogelijk zijn! „Doch waarom, gij Albarmhartige! liet Gij hem toch liet licht der wereld aanschouwen?quot; Ja, zoo gij aldus vraagt, zoo keert uwe vraag als een echo tot u weder. „En waarom nadat hij geboren was, verplaatste! Gij hem, o God van alle genade! in de nabijheid uws Zoons, in wiens licht hij enkel ten doode rijpte?quot; Ja vraag slechts, — uw waarom vergalmt in de verte der eeuwigheid. „En gij beminnelijkste onder de kinderen der menschen. Gij Jezus! Waarom vertrouwdet Gij juist hem, den meest vatbare voor de verzoeking, de beurs?quot; O laat af van uwe vragen, en houdt er mede op, mijne vrienden! Hier beneden zwijgt de hemel op uwe waar-oms? Eens zal Ilij u antwoord geven. Wilt gij echter reeds hier een antwoord hebben, zoo hoort! Uit Gods Woord klinkt het ons te gemoet en het luidt: Werkt uws zelfs zaligheid met vreezen en heven. Handelt dien overeenkomstig. Voor het overige de hand op den mond gelegd, en vast vertrouwd, dat God rechtvaardig is in alle zijne oor-deelen, en heilig is in alle zijne wegen!

Doch terug naar de ontzettende gebeurtenis in onzen tekst. Het is waar, door het vrij en open te voorschijn treden van Jezus, en zijne majestueuse zelfopenbaring, was liet afgesproken teeken des verraads overbodig geworden. Nochtans vergunde de bende niet, Judas hiervan te ontslaan, naardien het met de dertig zilveren penningen betaald ge-

ocr page 223

t worden was, on omdat het de schare lot cene soort van verlichting des gewetens kon strekken. „Doe uw woord gestand!quot; wenkte zij hein toe met hunne blikken, en Judas gedeeltelijk om de eer van zijnen ge-

j huichelden heldenmoed te redden, gedeeltelijk om den ontmoedigenden

^ indruk te verbergen, dien het nederstorteud wachtwoord des Meesters

i. in hem had achtergelaten; gedeeltelijk ook, om in zwakke lafhartig-

t heid, door het mot vlsienden groet verbonden liefdeteeken, ware liet

l! mogelijk den arm van den Heilige in Israël tegen zich te ontwapenen

n- (want hij beefde innerlijk voor Jezus' toorn, en liet tot de vangers ge-^ | sproken woord: (/rijpt hein en leidt hem zekerlijk henen, komt slechts

i. voor als uitvloeisel zijner vrees en bezorgdheid, en niet, zoo als velen

;s het willen uitleggen, als eene scherts, welke do beteekenis zou gehad

il hebben: het zal u toch niet gelukken Hem vast te houden) — treedt

is hij onder het masker eener vertrouwde vriendschappelijke bekendheid,

ii naar den Heere, verwelkomt Mem met het formulier der hartelijkste

is welwillendheid: Zijt (/('(/roet; spreekt met geveinsde teederheid zijn

0 Rabbi uit, en waagt het, een van vergil'gezwollen adder gelijk, die uit een rozenstruik sissend te voorschijn komt, do heilige lippen van

o- den Zoon des menschen, onder den toestemmenden jubelroep dor hel

it 'net zijnen verraderlijken kus te bevlekken.

n Deze kus is het vermetelste en afschuwelijkste, wat ooit binnen het 3t bereik van menschelijke zonde en ontaarding te voorschijn trad. Op xt ''p11 bodem niet der duivelsche, maar der menschelijke natuur, ofschoon is niet zonder demonische invloeden, aan welke evenwel met vrije keuze 3i' plaats gegeven was, is deze wandaad gegroeid, on daarom is zij in at hare gehcele slechtheid ons geslacht als zoodanig toe te rekenen. Zij in ontsluiert als de volledig gerijpte bloesem, het zaad der slange, dat )d wiji — en het is hetzelfde of het tot ontwikkeling kwam, of nog ili onontwikkeld is en dus sluimert, allen te zamen in den grond onzes )0 wezens omdragen. Deze misdaad veroordeelt ons allen; daarmede iij stelt zij echter tegelijk de onbepaalde noodzakelijkheid eener verzoete ning, middelaarschap en genoegdoening lot redding onzer zielen buiten Ja allen kijf. De Judaskus blijft in het gebied der zedoleer hot schild d. mot het Medusahoofd, voor hetwelk do Pelagiaan met zijne theorie s! VU|1 de natuurlijke goedheid van het menschelijk hart versteenen !r. moet. Deze kus is het onuitwischbaar brandmerk aan het voorhoofd de der menschheid, waardoor geheel hare deugdentrots, den stempel der ,f._ waanwijsheid en der belachelijkheid ontvangt. En mocht deze kus er des verraders slechts de eenige in zijne soort geweest zijn! maar op te geestelijke wijze heeft Jezus hem tot in dat oogehblik duizendvoudig gt;n. moeten dulden. Want Hem geveinsdelijk met den mond belijden, nd terwijl men Hem met den wandel lasterlijk bloot stolt en verdacht )!•- maakt; de deugden zijner menschheid ten hemel toe te verhellen, terwijl men Hem zijne Goddelijke heerlijkheid ontneemt, en de kroon js der bovenwereldsche majesteit Hem van hot hoofd rukt; Hom, zoo als ne geslacht dezer tijden het kan doen , bezielde hymmen en oratori-ids nms toezingen, terwijl men buiten de concertzaal zich niet alleen zijnen an naam schaamt, maar in woord en daad zijn Evangelie mot voeten re- treedt, — wat is dat alles anders dan oen Judaskus, waarmede men

j

ocr page 224

de vermetelheid heeft zijn aangezicht te bevlekken. De Zaligmaker van

sterft aan zulke kussen zeker niet; maar gij, die u vermeet Hem zulk ji,,-

eenen kus te bieden, zult daaraan sterven. Roem en eer, have en 0I,(|(

goed, gezondheid en leven te verliezen, zegt niet veel. Voor dit alles geni

is eene rijke vergoeding voorhanden. Maar Jezus verliezen en buiten re(]t

zich te laten, is de dood en de hel; want Hij is liet Leven en de 110ei

Zaligheid, en het levend inbegrip van alles wat ooit vrede, iieil en sciu

zegen mag genoemd worden. groi

deel

11. I,

draj

Rabbi, Rabbi! zegt de verrader. Twee vergiftige dolksteken in het eng hart van den Heilige. Hij ontvangt ze met gelatenheid, en zelfs den (iaa van de hel ontstoken kus weert Ilij niet van Zich af. Hij weet waarom Jan Hij ook hier Zich met lijdzaamheid onderwerpt. Immers ook dit har- dist teleed was een druppel in den beker. Hem door den Vader toehe- in0( deeld, en op den grond van deze ontzettende gebeurtenis, vond Hij een toch enkel het raadsbesluit van den Almachtigen God. Judas was het zjji: werktuig des satans en tegelijk dat van (!od. Judas wilde den Heere hij in de handen zijner vijanden overleveren, en de eeuwige Vader wilde oUf betzelfde. Wonderbare overeenstemming tusschen hemel en hel, lus- jjUj schen het geheim vertrek boven de wolken en den afgrond beneden! ]iei De volledigste overeenstemming in de daad, maar welk eene klove ae\ en onderscheid is er in de bedoeling! God kende den zoon der ver- J hei. derfenis reeds lang, maar Hij vertoefde met hem te verpletteren. vri( Reeds lang doorzag God zijn boos opzet, doch Hij sloot hem de gren- do zen niet af, maar opende ze voor hem. God de alziende was getuige, Hei hoe hij de zilveren penningen uit de handen der overpriesteren aan- om nam, doch Hij liet het bloedgeld niet eerder gloeiend worden in zijne doe hand, dan totdat de verlorene het verraad, voltrokken had. Met ééne afsi ademtocht zijns monds had God den gruwelijken mensch kunnen vernietigen, doch Hij liet hem leven, totdat hij op misdadige wijze zijn yj woord had gestand gedaan, en eerst toen slingerde Hij hem neder- Wa waarts in den sulferpoel. „Hoe! zóó handelde de heilige en rechtvaar- /jj| dige God?quot; Ja, zoo handelde Hij. /waard! zoo sprak Hij — ont- /.iji waak tegen mijnen Herder! en een steek van dat zwaard was ook stc Judas. — „Docli was dan Gods toorn tegen den Heilige in Israël ont- /ie stoken?quot; Hoe kunt gij het vragen? Jezus was en bleef de eenigge- kh liefde, in wien Hij al zijn welbehagen had. Doch hier bestond een zij óf dit óf dat, over hetwelk — opdat ik menschelijk daarvan spreke ]h — God zelf niet weet heen te komen. Of wij moesten den moorde- wc naar van den beginne, eeuwig prijs gegeven worden, óf voor ons en ho in onze plaats Jezus. Hoe echter de Vader én de Zoon er toekwa- ' ve men, om het laatste te verkiezen, daarnaar moet gij mij niet vragen. w: Dat Hem zulk een losprijs niet te hoog voorkwam, om ons zondaren, be daarmede uit eene duizendmaal verdiende verdoemenis vrij te koopen, lai dit gaat mijn verstand, gelijk het uwe, te boven. Hij kon ons niet lu zien verloren gaan, maar wilde ons behouden. Wij spreken hier van rn liefde, van barmhartigheid, van eenen oceaan van goedertierenheid, óe

ocr page 225

liÖO

Van eönen afgrond van ontferming; doch dit alles is slechts een armoedig stamelen, een gebrekkig spreken van de onuilsprckelijke, groote, ondoorgrondelijke zaak. In onze taal is er geen woord dat slechts eenigszins de brandende, innerlijke teederheid, waaruit dit ontwerp van redding en verzoening voortkwam, waardiglijk kan aanduiden. Genoeg, tlod wierp alle onze zonden op den Zoon, en schreef Hem onze schulden toe, opdat wij, schuldenaren, van allen last ontheven, op grond van zijne betaling, de erfenis der eeuwige zaligheid zouden deelachtig worden.

Doch thans den blik in de geschiedenis teruggewend, en op het gedrag van den lieere jegens den verrader onze oogen gericht. Eene engelenzachtmoedigheid zou eene proef, zoo als deze allerlaatste wandaad hem voorlegde, niet hebben doorgestaan. Mier is echter meer dan de zachtmoedigheid, lijdzaamheid en het geduld eens engels. Db discipelkus zelf geeft reeds getuigenis van de bovenmenschelijke zachl-moedigheid des lleeren, want hoe had de afvallige juist dit teeken tot een teeken zijns verraads gekozen, ware hij zich (Ier langmoediglieid zijns lleeren niet als eene onbegrensde bewust geweest? Zoo moest hij met dezen kus, door welke hij Jezus aan zijne beulen in handen gaf, den lieere prijzen, en onze voorstelling van de oneindige neder-buiging en liefde, waarover hij zich van den kant zijns lleeren te verheugen had, enkel verhoogen. Immers hij zou het nimmer hebben gewaagd om zijne schanddaad juist in bet masker der vertrouwelijk-lieid te vermommen, wanneer niet de duizendmaal beproefde oneindige vriendelijkheid des Meesters, hem daartoe had aangemoedigd. Ja, dat de verrader het wagen durfde, Hem zóó te naderen, (lil toont de lieere opnieuw, deels door zijne lijdelijke overgave aan de geveinsde omhelzing van den afvallige en gedeeltelijk door den geest des mede-doogens en der zachtmoedigheid, welke uit zijn laatste — ach! zijn afscheidswoon 1 adet nt.

Vriend! zoo begint de lieere met weemoedigen ernst, ivaartoc zijt (jij hier gekomen6? Wie bad deze zachtmoedigheid bier kunnen verwachten. Een: Ga wey van Mij satan! oï een: „dat gij verdoemd zijt met uw Joabskus, gij bepleisterd graf!quot; zon bier veel meer op. zijne plaats geweest zijn. Doch in slede biervan, klinkt ons bier eene stem te gemoet als die eens vaders, die nog eenmaal teederlijk om de ziel van zijn diep verdoold kind werft. Zeker echter zou de nitbre-king eens vlammenden toorns niet zoo vernietigend voor den verrader zijn geweest, als dezen adem van meedoogende liefde voor hem was. Het vriend! of gelijk het woord van den grondtekst juister vertaald wordt: medegenoot, stelt hein nog eenmaal de geheele bevoorrechte betrekking voor oogen, waarmede hij als eenen in den kring van de vertrouwdste vrienden des lleeren opgenomen discipel, verwaardigd was geworden. Deze betiteling herinnerde hem aan de duizendvoudige bewijzen van onuitsprekelijke liefde en genade, waarmede bij drie jaren lang in de onmiddellijke nabijheid en onder de trouwste herderlijke hoede en verzorging van den beminnelijkste onder de kinderen der menschen zich als overstort zag. En boe had, wanneer er nog maar één onverhard plekje in zijn hart overgebleven ware, deze herinnerin-

14

ocr page 226

210

gen hem.moeten aangrijpen en verbrijzelen. In de onverholene heen-wijzing op de betrekking der vertrouwelijkste gemeenzaamheid, waarin Judas tot Hem gestaan had, lag echter tegelijk een vernietigend oordeel voor de schare, welke zich niet schaamde, om zich toe te vertrouwen aan de leiding van eenen mensch, welke zij zelve innerlijk als een uitvaagsel zonder wedergade moesten verachten. Een eerlooze, die zich niet ontzag om eenen getrouwen Vriend en Heer, van wien hij enkel weldaden had genoten, zoo verraderlijk en met zulk eene schandelijke ondankbaarheid prijs te geven, ja, met voeten te vertreden, droeg de banier voor hen heen, en deelde onder hen het parool, het wachtwoord, uit; welk eene vernedering lag daarin voor deze lieden! welk eene smaad en schande! Doch het was deze verharde menigte in dit oogenhlik slechts om ééne zaak te doen, namelijk dat Jezus viel, en zijne hun zoo gehate zaak den doodsteek ontving. En deze moordzieke begeerte nam zoodanig hunne geheele ziel in, dat daarin zelfs voor het belang hunner eer geene plaats meer overig bleef. Medegenoot zegt de Heere, en ging toen voort: waartoe zijl gij hier gekomen? of „waartoe staat gij hier?quot; Deze vraag ofschoon nog eene lokkende, liefde ademende, drijft den verrader den prikkel van het doorborend verwijt nog dieper in het hart. Tegelijk echter laat dit woord nog eens den nadrukkelijken eiscb aan hen hooren, om zich thans, in dit allerlaatste oogenhlik vóór zijnen beslissenden en reddingloozen val onder de machten der hel, zich nog over zijne onzalige onderneming te bezinnen. Waartoe zijl, gij hier? Als een schrikwekkenden donder rolt dit vreeselijk onderzoekend waartoe? door dit verraderlijk hart. Plotseling is zijn geweten uit eenen doodslaap ontwaakt, en gevoelt hij zich als door eene almachtige hand naar den rechterstoel van God heengevoerd. Reeds voelt zich zijn geweten geperst om op het waartoe ? antwoord te geven, en wel het waar en onopgesmukt antwoord, dat den verrader tot een kind des vloeks en erfgenaam der verdoemenis zou hebben gestempeld. Doch terwijl Judas deze doorbraak dor waarheid in zijn binnenste zich voelt voorbereiden, verzet hij zich met geweld tegen zijn eigen geweten, 0nderdrukt en verstikt het woord der belijdenis met geweld op de ] ippen van den inwondigen rechter, reikt dezen de gif-en tooverdrank van vernieuwde zelfbelieging toe, en brengt het met de vaardigheid van eenen in zulk eene heillooze kunst ervaren en geoefend man, werkelijk daartoe, om het ook ditmaal te bedwelmen en tot stilzwijgen te noodzaken. En zoo blijft den Heere nu niets meer over dan ook nog dien slag op de deur van zijn hart te laten vallen, die, wanneer het hem ook al niet gelukt, om zich eenen een heil aanbrengen-den weg te banen, alsdan bij den verrader de plaats zal bekleeden van den klokslag, die hem het oogenhlik zijner volkomene rijpheid voor den dood en van zijne eeuwige verwerping aantoont. De Heere noemt hem thans bij zijnen naam, even gelijk men eenen maanzieke, die men als nachtwandelaar eenen afgrond ziet te gemoet gaan, en dien men vóór hij er in afstort, door het noemen van zijnen naam nog poogt uit zijnen noodlottigen droom wakker te maken. Judas, zegt de Heere met sterke klemtoon, alsof Hij, opdat er tot zijne redding

ocr page 227

niets onbeproefd gebleven rnoclil zijn, hem ook in zijne oer laten en lot hem zeggen wilde: „Bedenkt gij dan niet, hoe gij, genoemd naar den edelen kern en vorstelijken stam des uitverkoren volks, welks tak gij zijt, van der jeugd al' reeds door de heteekenis van uwen naam tot een verheerlijker van God verordend zijt? En gij kunt het van u verkrijgen om thans op deze wijze tot mij te komen?quot; Judas! zegt de Heere, en nadat Hij den man genoemd had, wijst Hij nu ook met ondubhelzinnige woorden zijne daad aan. Docii hooren wij Hem ook nog heden met het liefderijkst oogmerk tol behoudenis, aan zijne rede zulk eene wending geven, als kon Hij aan de mogelijkheid van hel voornemen zijns discipels nog niet werkelijk gelooven. Dit nog altijd, vol verschooning en mot vernieuwde opeisching van het geweien, bij den onzaligen discipel in het onbesliste stellende, zegt hij ; verraadt f/ij den Zoon des menschen mei eenen kun? Ieder van deze woorden hoeft, zijn klemtoon. Verraadtquot;? een vreeselijk woord, dal nu eindelijk ile misdaad in zijne naaktheid ten toon stelt. „Gij, mijn vertrouwde, die mijn brood at, zoudt gij tot zulk eene ondaad in staat zijn? Den Zoon des mensehen, Hem die u enkel liefde en goedheid bewees, maar die eenmaal, volgens het getuigenis van Daniël, Ier oordeel weder komen zal op de wolken des hemels — Hem zoudt gij kunnen verraden? Met eenen kus, met hel teeken der vriendschap en tier liefde zoudt gij Hem kunnen verraden? Judas? gij kunt liefde voorgeven, en moord in bel schild voeren?quot; De Heere vraagt hel, en Judas? — Gij weet, bij heeft in de kracht van den satan de vraag beantwoord met die misdaad, welken zijnen naam tol de afschuwelijkste en onteerendsle der wereld heeft gestempeld, en die hem zelf mei het brandmerk van den Goddelijken vloek aan het voorhoofd en voor alle tijden tol een exempel van schrik en ontzetting aan do kerk der wereldgeschiedenis gesteld heelt. Verraadt yj den Zoo)i des mensehen met eenen kus? zoo is dit dan de afscheidsgroet, waarmede de beklagenswaardige discipel door den eenigen liedder van zondaren voor eeuwig verlaten wordt. Wee den onzalige!quot; Nu is hij de onze!quot; roept de hel triomferend uit, en van den hemel wordt bel niet wedersproken. Over het hoofd van Judas echter rolt, deze vraag nog heden, als een gesmoorden donderslag. Eenmaal echter ontkleedt zich dat woord van zijnen vragenden vorm, en verandert bet in een rechtstreeks rechtelijk woord: „Gij hebt den Zoon des menschen verraden met eenen kus!quot;

Diep geschokt, mijne Vrienden! gaan wij heden van elkander. Laat echter datgene wat wij gezien hebben, lol zijnen vollen invloed bij ons komen! Geen Farheesch „Ik dank u God! dat ik niet ben gelijk die man daar!quot; verzwakke dezen invloed. Wij zijn wal de kiem betref!, wat Judas was, en eer wij het vermoeden, kunnen wij het ook in do ontwikkeling zijn, wanneer wij ons niet bijtijds onder de bescherming der genade stellen. Do duivel heeft niet opgehouden rond te gaan als een brullende leeuw en te zoeken, wien hij zou mogen verslinden; en den weg, die van don eersten ontwikkelingstrap lolden laatsten voert, is, zoo lang wij aan ons zelven zijn overgelaten, dikwijls snel teruggelegd. Vertoeven wij daarom niet, onze zielen in vei-

ocr page 228

s[42

ligheid lc li ren gen, en bewaren wij ons hart gelijk oeno van vijanden rondom belegerde stad bewaard moet worden. Zoeken wij echler de verdediging alleen daar, waar zij te vinden is, namelijk onder de vleugelen van Christus, en maken wij het lied van den bezielden zanger tot liet onze:

Vuur ons aan ,

Jezus! dat wij tot U vlien.

Dat we aan eigen kracht versagen;

Als wij op den vijand zien,

Om aan U ons op te dragen.

Leid ons enkel op uw rechte paan Vuur ons aan!

Neem ons in,

Jezus! neem ons in en op-Neem ons in uw heiige wonden,

En rijst dan do nood in top, —

Neem ons op in stervensstonden ;

Maakt ons sterven tot ons hoogst gewin:

Neem ons in.

Amkx.

ocr page 229

XXL

Z W A A R 1) F. N li E K E li.

Toen David op de smaadvollo en droevige vlucht voor zijnen logen hem opgeslanen zoon naar Baliurim kwam, ging volgens de geschiedenis, '2 Samuël iG : 5—12, een man hem te ge moei mei name Simei' en overslorlle den onder zoo groot leed gebukt gaanden koning met eenen stroom van lasteringen en vervloekingen, terwijl hij te gelijker tijd met stof en sleenen naar hem wier]), liet verschafte den lallen vervolger geen gering vermaak, om thans op den gewonden Ivoningsleeuw met zijiu! voelen te treden. Ha uit, (ja uit, (jij man des hloci/s, en- (jij hcliahman! De llcere heeft op u doen wederkomen al het bloed van Saul* huis, ia aiien* iilaal* (jij (jcreijeerd hebt. Nu heeft de llcere het koninkrijk (/ci/cren in de hand van Absalom uwen zoon; zie nu, «jij zijl in uw uia/eluk, omdat (jij een man des bloods zijl. David hoort het, verdraagt het, bitigt hel hoofd en zwijgt. Niet alzoo zijn getrouwe Ahisaï, de zoon van Zeruja. Dezen hegint het hloed te koken, en met een van toom hliksemend oog naar zijnen gebieder gekeerd, en de band aan het gevest van het zwaard, zegt hij: Waarom zou deze doode houd wijnen heer den kon in j vloei,eaquot;.' Laat mij lach overr/aan en zjncn kop wegnemen. „Goed zoo! — zeggen wij — deze ridder doet wat hem betaamt.quot; En Ahisaï gaat niet met bloote woorden om. Terwijl hij sprak, bad hij ook reeds zijn zwaard getrokken. Doch nu steil zich do koning hem in den weg en antwoordt den van toorn ziedenden man; Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken, waal de Jieere loeh heeft tot hem gezegd: Vloek Daviij, wie zou dan zeggen: waarom hebt gij alzoo gedaan? En David ging voort tot Ahisaï en tol zijn geheel gevolg te zeggen: /.iel, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijne ziel, hoe veel te meer dan deze zoon van. Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke; want de lleere heelt het hem gezegd. Misschien zal de lleere mijne ellende aanzien., en de llcere zal mij goed vergelden voor zijnen vloek te dezen dage. Zoo sprak de koning in ootmoedigen nèergebogenbeid voor God, uit wiens band bij al dezen smaad en boon als rechtvaardige vergelding voor zijne misdaad boetvaardig aannam. Zoo er nog eene getuigenis voor de oprechtheid van de verbrokenheid zijns harten vereischt werd, zoo was zij in dil : laat hon vloeken! overvloedig gegeven. Siineï gaat echter nu te stoutmoediger met zijne smaadredenen en sleeuwur-

ocr page 230

iM c2

linlicifl le brengen, en bewaren wij ons hart gelijk eene van vijanden rondom belegerde slad bewaard moet worden. Zoeken wij eebler de verdediging alleen daar, waar zij le vinden is, namelijk ouder de vleugelen van ('Iirislus, en maken wij bet lied van den bezielden zanger lot bei onze:

Vunr ons aan,

Jezus! dat wij tot U vlien. Dat we aan eigen kracht versagen,

Als wij op den vijand zien, Om aan U ons op te dragen.

Leid ons enkel op uw rechte paan Vuur ons aan!

Neem ons in,

Jezus! neem ons in en op-Neem ons in uw heiige wonden,

En rijst dan de nood in top, —

Neem ons op in stervensstonden ;

Maakt ons sterven tot ons hoogst gewin: Neem ons in.

Amen.

ocr page 231

XXL

Z W A A R I) E N 15 E K E U.

Toen David op de smaad volle en droevige vlucht voor zijnen legen hem opgeslanen zoon naar Baliurim kwam, ging volgens de geschiedenis, ti Samuël 10 : 5—12, een man hem te gemoet met name Simei' en overstortte den onder zoo groot leed gebukt gaanden koning mei eenen stroom van lasteringen en vervloekingen, terwijl liij te gelijker lijd met stof en sleenen naar hem wierp. Het verschafte den lallen vervolger geen gering vermaak, om thans op den gewonden Koningsleeuw met zijne voeten (e treden. Ga uit, ya uit, (jij imn das bloed*, en (jij hdicdsman! De Heerc heeft op u dooi vjederlionioh al het bloed van Soul* huis, in wiens plaats (jij (jerejeerd hebt. Nu heeft de lieere het koninkrijk (jeyeven in de hand van Absalom uwen zoon; zie nu, (jij zijl in uw orKjehd,:, omdat (jij een. ntan des bloeds zijl. David hoort het, verdraagt het, buigt hel hoofd en zwijgl. Niet alzoo zijn gel rouwe Abisaï, de zoon van Zeruja. Dezen begint hel bloed te koken, en met een van toom bliksemend oog naar zijnen gebieder gekeerd, en de hand aan liet gevest van het zwaard, zegt hij: Waarom zou deze doode hond mijnen heer den koning vloeken'/ Laat mij ioeh overrjaan en zijnen kop wecjnemen. „Goed zoo! — zeggen wij — deze ridder doet wat hem betaamt.quot; En Abisaï gaat niet met hloole woorden om. Terwijl bij sprak, had hij ook reeds zijn zwaard getrokken. Doch nu steil zich de koning hem in den weg en antwoordt den van toorn ziedenden man: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken, want de lieere Ioeh heeft tot hem cjezegd: Vloek Davuj, 'wie zou dan zeggen: waarom hebt gij alzoo gedaan''? En David ging voort tot Abisaï en lot zijn geheel gevolg le zeggen: '/Jet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoek! mijne ziel, hoe veel Ie meer dan deze zoon van Jemini9 Laat hem geworden, dat hij vloeke; want de lieere heeft het hem gezegd. Misschien zal de lieere mijne ellende aanzien., cn de lieere zal mij goed vergelden, voor zijnen vloei' te dezen dage. Zoo sprak de koning in ooimoedigen nèergebogenheid voor God, uit wiens hand hij al dezen smaad en hoon als rechtvaardige vergelding voor zijne misdaad boetvaardig aannam. Zoo er nog eene getuigenis voor de oprechtheid van de verbrokenbeid zijns harten vereisclit werd, zoo was zij in dit: laat hein vloeken! overvloedig gegeven. Simei' gaat echter nu te stoutmoediger met zijne smaadredenen en steemvor-

ocr page 232

214

pen voort. De koning laat liet geduldig toe, want hij denkt: „TIeere! het is uwe roede, die mij kastijdt.quot;

Gelijk in veelvuldige oogenblikken zijns levens, zoo komt David ook hier weder voor als de voorafschaduwing en liet voorbeeld van zijnen grooten Spruit naar liet vleesch, den Zoon Gods, den Koning aller koningen. Wij komen thans tot do aanschouwing van een voorval, in welke de geheele gebeurtenis te Bahurim, zich enkel op grootere schaal herhaalt. Siineï gelijk Abisaï treden hier weder op, alleen meer dan David, de Koning van Israël, is hier.

51ATTH. 26 : 51—54. MARC. 14 : 47. lucas 22 : 49—ól. joh. 18 : 10 en 11.

En die bij Hem waren, ziende waf er geschieden zon, zeiden tot Hem; Ileere! zullen wij met het zwaard slaan? En ziet, één van degenen; die met Jezus waren, Simon Petrus, de hand uitstekende, trok zijn zwaard, en slaande den dienstknecht des hoogepriesters, hieuw zijn oor af, en de dienstknecht heette Malchus. En Jezus antwoordende, zeide: laat hem tot hiertoe geworden, keer uw zwaard weder in zijne plaats, want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Zou Ik den drinkbeker niet drinken, dien de Vader Mij fj'e-geven heeft? Of meent gij dat Ik mijnen Vader nu niet kan hidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten ? Hoe zonden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het al zoo geschieden moet? En Hij raakte zijn oor aan en heelde hem.

Eene bijzondere tusschengebeurtenis breekt voor een oogenblik den gelijkmatigen gang en ontwikkeling der heilige lijdensgeschiedenis af, en dient ons tot een nieuw getuigenis, hoe moeilijk het den mensch is, om zich tot de gedachten Gods, zoo als deze zich bijzonder in het werk der verlossing ontvouwen, te verhellen. In onzen tegenwoordigen tekst, geschiedt een zwaardslag, welke, ofschoon uit de beste bedoeling voortkomende, nochtans tegen niets minder dan tegen den grond van alle heil gericht is. Wij mogen ons gelukkig achten, dat de eeuwige liefde hare wegen gaat, en bij hare daden ons nimmer raadpleegt. De heide hoofdpunten onzer tegenwoordige betrachting zijn:

I. Petrus zwaard, en II. Jezus beker.

Moge de Heere zijnen zegen aan onze beschouwing verbinden, opdat wij den valschen van den waren ijver voor de zaak des Heeren leeren onderscheiden, en* in de kennis van het eigentlijk innerlijk wezen van het Koninkrijk Gods eene heilzame vooruitgang mogen doen.

I.

Na de zachtmoedig ernstige, maar daarom des te meer verpletterende

ocr page 233

woorden tegen den verrader, opent nn de Heere lt;1en slagboom voor de bende, en strekt gewillig zijne handen uit om ze te laten binden, wanneer men dit verkiest. Met eene door lamst voortgebrachte besluitvaardigheid treden zij naar Hem toe. Ontzettend oogenblik! De Heere der heerlijkheid wordt gelijk een roover en moordenaar eensslags omsingeld en aangegrepen. De discipelen zien het, doch dezen aanblik brengt hen buiten zichzelven. Wanneer hun bij den verraderlijken kus het bloed in de aderen stremde, zoo begint het thans in hun binnenste te koken. Neen, dat het daartoe zou komen, kunnen zij niet dulden. Heere, roepen zij als uit eenen mond; zullen wij met het zwaard daan? Zij doen er wel aan, dat zij eerst vragen, maar de vraag is enkel een vorm en eene bewusteloos uitgesproken klank; want terwijl zij de vraag doen, geven zij ook zich zelven het antwoord. Alvorens de Meester ook maar don tijd heeft, eene enkele lettergreep uit te spreken, is het zwaard van Petrus reeds uit de schede, en de eerste slag tot verdediging gegeven. Wij verstaan het hart van Simon. Te sterk prikkelde den vurigen discipel nog het woord des Hoeren: In dezen nacht zult gij Mj driemaal verloochenen. „Hoe Meester!quot; — zoo dacht hij in brandende liefdebekommering — „ik IJ verloochenen? Waarmede heb ik het verdiend, zoo zwaar door U miskend te worden? Zijt Gij niet mijn een en alles? En ik zou U kunnen verlaten? Wanneer (lij het dan niet wilt gelooven, dat ik eerder met U sterven wil, zoo moogt Gij het thans ondervinden.quot; Zoo denkt hij, zeker in donkere en maar al te blinde herinnering aan des Meesters vroeger woord van het knopen van zwaarden, en nu houwt liij met zijn getrokken zwaard in den blinde op de schare in, treft Malchus den knecht des hoogepriesters, een boven anderen listig en goddeloos persoon misschien, maar ook misschien een der onschuldigste, zoodanig het rechter-oor, dat liet nog slechts aan dunne vaten bij den wang neerhing. „Goed gedaan, Simon!quot; zouden wij kunnen roepen. „Ga maar zoo voort. Deze Belialskinderen verdienen met bebloede hoofden af te deinzen. Hadt gijlieden, zijne vertrouwelingen, dezen goddeloozen aanslag tegen uwen Meester koelbloedig kunnen aanzien, wij zouden nauwelijks meer aan uwe liefde hebben kunnen gelooven.quot; Zoo zouden wij kunnen spreken, Petrus met zijn' zwaardslag van harte gelukwenschende, want wij hebben het krachtigste medegevoel met den stoutmoedigen discipel, en zouden het den anderen bijna tot een verwijt aanrekenen, dat zij niet deden zoo als hij, en den Heere helpend zijn bijgesprongen. Doch hier vinden wij wederom aanleiding, om in onszelven tot de bewustheid te komen, lioe dikwijls de schijnbaar edelste opwellingen van ons natuurlijk hart. rechtstreeks tegen Gods wil en ordening inloopen. Wat ons hier in Petrus als eene zoo beminnelijke trek toelacht, is enkel een dof mengsel van eigenliefde, vermetelheid en dwaasheid en het natuurlijk vuur onzer geestdrift voor Petrus daad heeft evenzeer niet anders dan kortzichtigheid en blindheid tot bron.

Onloochenbaar had de vurigste en oprechtste liefde een wezentlijk aandeel in de daad van Petrus, maar even zeker was het niet do liefde alleen, welke hem de hand tot dezen ridderlijken slag bestuurde.

ocr page 234

216

Voor het minst genomen, ging' hem de redding zijner eigene eer even zeer ter harte als do redding van den persoon zijns Meesters, en de openbaarheid was voorzeker gee/i geringe steun voor zijnen heldenmoed. Voor eenen lauwer van eene vergadering van piijs-rechters, gelijk de discipel ze voor zich had, zal menigeen veel wagen en op het spel zetten. Petrus waagde er echter met zijnen slag ie veel aan. Ware het hem met zijne vraag: Ilcero! zullen wij met het ziuaard slaan? sleclils rechten ernst geweest, zeker zou de Heere hem geantwoord hehhen: „Simon! wilt gij Mij den roem mijner overgave hezoedelen? Zijt gij er op uit, om ons bloot te stellen aan de verdenking, als waren wij toch werkelijk een staatkundig oproerigen hoop? Is het uwe bedoeling om den tegenstanders een' grond van rechtvaardiging te verleenen voor hunne gewapende komst tot ons'? En Simon! wilt gij andermaal tot verijdeling van geheel het werk: der verlossing satan de hand bieden?quot; Zoo of' zoodanig zou de Heere geantwoord hebben: want zeker was, wanneer datgene werkelijk had plaats gehad, wat Petrus en zijne even slachlvaardige mede-Apostelen voornemens waren te doen, hel ontwerp tot zaligmaking der wereld verijdeld geworden, naardien het Lam Gods alsdan niet voor ons ter slachtbank gegaan ware. Het was echter altijd deze groote waarheid, dat namelijk iiet heil van den zondaar zijnen eenigen grond had in de olTerande van den Godmensch, welke dezen lieven discipelen n'og altijd een diep verzegeld geheim bleef, en dat bleef het hun, totdat de pinkstergeest de zeven zegelen brak, en de heilige diepten voor hen ontsloot. En ook nog heden is het alleen de Geest, die ons het verstand opent en het raadsel oplost. Zonder Hem hoort men wel de verkondiging van de verzoening der zonde in hot bloed van Jezus, en weet men deze verzoening zelfs als prediker voor zich uit te dragen; doch men bezit deze kennis slechls als een dor begrip, als een leerstellig formulier, als een dood gedachten-ding en men heeft er in den grond niets aan. Grondig doorzien, ernstig geloofd, levenskrachtig als grond van hope en zaligheid aangegrepen wordt deze leer eerst, dan, wanneer de Geest der genade haar aan de verbrokene harten nabij brengt, en duidelijk maakt.

De verwarring, die Petrus door zijne onbezonnen tusschenkomst veroorzaakt heeft, is onbeschrijfelijk. De gansche zaak heeff, plotseling eene andere en geheel vreemde houding aangenomen. De gevangen-nemers bereiden zich nu, insgelijks hunne zwaarden trekkende, tot den strijd, en do heilige bodem des lijdens is in eene kampplaats veranderd. Geen scherper wanklank had het gansche voornemen van Jezus kunnen afbreken, dan zij uit dezen onbezonnen zwaardslag-van Petrus in de ooren krijschte. Voor het oogenblik beeft Petrus zijnen Meester naar allen schijn geheel uit zijne baan gerukt, en welk gevaar was het, dat de onbedachtzame discipel door zijne dwaze daad voor de in den persoon der Elve nog maar als eene teedere kiem aanwezige kerk te voorschijn riep! Immers deze zouden thans ongetwijfeld te zamen, zonder verschooning zijn overhoop geworpen en gedood, wanneer de Heere niet ook hier wederom ter rechter ure bemiddelend ware tusschenbeiden getreden. Voor Hem echter

ocr page 235

is liet weinig, ook den verwikkeldsten knoop wederom volkomen los le maken. Weder goed te maken, wat wij bedierven, was altijd zijn werk en dat is het heden nog. Hoe dikwijls geschiedt het, dat ook wij, op geestelijke wijze den lieden het oor afslaan, dat is, ze zonder noodzakelijkheid door onzen vleeschelijken ijver, of door eene valsch wettische en liefdeloos kwetsende prediking voor onze leer verdooven: ja dat wij, als geschiedde het niet opzet, hun de lust en de begeerte benemen, om de waarheid, welke wij hen willen opdringen en opdwingen, nog verder met ons aan te hooren. Er zijn niet weinig zulke predikers, die enkel door de one vangel iesche wijze, waarop zij het Evangelie verkondigen allengs hunne geheelc gemeente tegen het Evangelie ingenomen en afkeerig gemaakt hebben. Wee deze arme lieden, wanneer zij geïieel en al in de handen dezer Evangelisten overgeleverd waren! Zij zouden voor altijd voorliet geloof bedorven zijn. Doch er is Een, die ook tegen zulk een onheil raad weet, en die de macht heeft om, gelijk daar een lichamelijk, hier een geestelijk oor (e heelen. Under de toespraak zijner lieftallige lippen dauwen de hard en stomp gepredikte harten weder op, en verzoenen zij zich allengs weder met eene bondschap, welke, al is het ook op den weg der bekeering, geen ander doel heeft dan om hen te behouden en te zaligen.

Nauwelijks is de betreurenswaardige slag toegebracht, of de Ueere treedt zonder aarzeling toe, en spreekt. Zich tot de schare keerende, en reeds met deze woorden den storm eenigszins bezwerende: Laat hen, tot hiertoe (jeworclen, dat tot de bende zoo veel zeggen wil als: „vergun Mij een kort uitstel totdat volbracht is, wat ik voornemens ben te doen.quot; En tegelijk maakt Hij Zich gereed, om het gekwetste oor van Malchns te genezen. Bewondert hier wederom do ootmoed, de kalmte en de klare bezinning, waarmede de Heere ook in de meest verwarrende omstandigheden, altijd Zichzelven meester blijlt, en altijd zijne kalmte en kracht bewaart; en nooit vergeet wat Hem betaamt, en wat zijne roeping en ambt is. Ook eert Hij zelfs nog in het midden der roekelooste handlangers, de overheid, welke Hij door haar vertegenwoordigd ziet — en eischt en gebiedt Hij niet, maar richt Hij tot hen het verzoek, dat zij met het binden zijner banden nog een oogenblik mochten vertoeven. En hoe gewillig buigt Hij Zich ook hier wederom voor het raadsbesluit van zijnen bemel-schen Vader, uit kracht van welken Hij nu van zijne persoonlijke vrijheid beroofd, en aan de macht zijner vijanden onderworpen zijn moet. quot;Welk eene stille bewondering zal deze kalme stemming en nederige overgave van den gevangene, zelfs aan deze vijandige bende hebben afgedwongen! Door een beteekenisvol zwijgen, dat niet minder van eene geheime beschaming, als van eene hooge verbazing over het gedrag van Jezus getuigt, voldoet zij aan zijnen wensch. Hoe zal zij echter het gevoel eener bewonderende erkentenis zijner grootheid verbergen, waardoor zij aangegrepen wordt, nu zij ziet, dat de Heere Zich op de vriendelijkste wijze tot Malchus wendt; nu zij het door het zwaard getroffen oor met zijne wonderdoende hand ziet aanroeren, waardoor in hetzelfde oogenblik niet enkel het bloed ophoudt te

ocr page 236

'2 IS

vloeien, maar ook do genezing volkomen volbraclit is, en liet lid weder ongedeerd zijne gewone plaats hernomen heeft. Ook wij zien met dezelfde verbazing dit wonder aan. Het is liet laatste en niet het kleinste genezingswonder, waardoor de Heere Zich op aarde, als de Godmensch bewezen heeft. En liet is niet enkel zijne macht, welke ons zoo gloiierijk en tot zooveel eerbied uitnoodigend, uit dit wonder tegenstraalt. Wij bewonderen daarin niet minder zijne, ook de vijanden van haren zegenenden invloed niet uitsluitende liefde, vervolgens zijne onderdanigheid onder alle macht der overheid, welke Hij als eene ordening (lods ook in den geringste van hare dienaren en vertegenwoordigers weet te dienen en onderworpen te zijn, en voornamelijk zijne meer dan moederlijke voorzorgen voor de disci-pelen, welke Hij door de genezing van Malchus op zekere wijze aan de bloedwraak van de moordademénde bende ontrukt heeft. Ook is hier de wijze, op al wat volgen zou, berekende voorzorg niet voorbij te zien, waardoor de Heere door deze zijne liefdedaad reeds terstond en feitelijk de ware natnui' van zijn Koninklijk voor alle misverstand in veiligheid stelt. Het is geen rijk van deze wereld, maar een zoodanig rijk, waarin de wraak zwijgt, de zachlmoedigheid vurige kolen vergadert op het hoofd van den vijand en het kwaad met goed vergolden wordt.

In hetzelfde oogenblik, waarin de Heere de genezende hand naaiden gewonden uitstrekt, opent Hij ook jegens Petrus zijnen mond, en zegt, tot een richtsnoer van alle volgende tijden, het groote inhoud-zware woord van het gebruik van het zwaard in zijn Koninkrijk, van zijne vrije zelfonthouding en zelfverloochening voor de zondaars en van zijne onbepaalde onderwerping aan bet raadsbesluit des Vaders. Hij begint: Keer het zwaard weder in zijne plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vercjaan. Eene ernstige vermaning voorzeker, die voornamelijk in haar ontzettend slotwoord, als een donder Gods over het hoofd van Simon rnoest beenrollen. Gij weet hoe deze uitspraak van den kant van twee kerkgenootschappen daarin is miskend geworden, als zoude daarin den Christen in het algemeen de handlering van het zwaard verboden zijn. Doch de Schrift wil met de Schrift vergeleken zijn, en de zoogenaamde analogie of overeenstemming des geloofs is de eerste regel aller bijbelverklaring. De Heere geeft toch zelfs in deze zijne woorden eenen wenk daarvan, dat het zwaard zeker ook zijne plaats heeft, waarin het met volle recht de schede verlaten kan, en luide spreekt toch ook hel bekende Apostolische woord. Hom. '13 : 4, waarin gezegd wordt, dat de overheid niet te vergeefs het zwaard draagt, want zij is Gods dienares, eene wreekster lot straf, dergenen die kwaad doen. Waar nu de overheid haar zwaard aan iemand overdraagt, hetzij, dat zij het geeft in de handen van den burgerlijken rechter, of van den krijgsman of van den tot verdediging bevoegden burger, daar is het zeker, dat vooral in de beide eerste gevallen de verantwoording enkel op haar, die overdraagt, terugvalt, terwijl aan de zelfwraak, welke wezen tl ijk iets anders is dan verdediging in tijd van nood, het zwaard in allen gevalle en onvoorwaardelijk ontzegd wordt, Allerminst echter vindt iiet

ocr page 237

'210

zwaard zijne plaats op liet gebied van liet Koninkrijk Gods. Hier heet het veeleer; Niet door kracht of rietveld zeil het (jeschiedcn, maar door mijnen Geest. Hier geldt het woord: de wapenen van onzen krijn zijn niet vleeschelijk; maar krachtifj door God tot neder-werpim] der sterken. Hier wordt overwonnen door de mach!: van hel getuigenis, door hot bloed des Lams en de lijdzaamheid der heiligen. Het bloed der martelaren is hot zaad der kerk, en niet liet bloed der ketters. Do roomsche kerk beeft zich uit de nalatenschap van Petrus, haren beschermheilige, helaas het slechtste gekozen. Zijn zwaard en niet dat zwaard, hetwelk door den lleere met groeten nadruk' verwezen werd, om voor altijd tot zijne plaats weder te keeren, maar liet in den scherpsten strijd met 's Hoeren woord en bevel tot slaan ontblootte en getrokken zwaard. De krijgswapenen des pausdoms waren, altijd vleeschelijk. Het waren banvloeken, interdicten (verbodschnTten), kettergerichteu, autodalës en brandstapels. Daarom hebben zij het enkel kunnen brengen tot den opbouw eenor wereldkerk, welke niet meer op het Koninkrijk van Christus gelijkt, dan een natuurlijk mensch op eenen uit den geest geboren mensch, en meer een Staat dan eene Kerk, meer eene Hagar dan eene Sara, en enkel knechlen baart, geene kinderen: terwijl zij nog erger dan de Galaten, in liet vleescii begon, en ook in het vleesch schijnt te willen eindigen. O, het staat te vreezen, dat zij, even als zij door het zwaard zich op hare hoogte heeft gesteld, ook door het zwaard weder neêrgeveld zal worden. Het de poorten der hel ztdlcn. mijne (jemeente niet ovenveldigcn, geldt ten minste haar niet, maar enkel de kerken der waarheid en in de volle beteekenis van het woord, alleen die gemeente, welke uit water en (leest geboren wordt. Deze overwint in nederlagen, en gedraagt zich als een goed kampvechter van Jezus Christus. Haar lauwerkrans is een doornenkroon, en haar wapen de zachtmoedigheid. Zeker zij gaat ook met vurige kolen om, nochtans alleen met die, welke zij in de uitoefening barer liefde, op het hoofd van hare vijanden vergadert. Wordt zij gescholden, zoo zegent zij; wordt zij vervolgd, zoo verdraagt zij; wordt zij belasterd, zoo lijdt zij. Zij neemt het woord van Petrus ter harte: Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig, want de geest der heerlijkheid en de geest van God rust op u. En zoo overwint zij, door zich over te geven, en bereidt zij Christus eene zegepraal door hare zegepraal over zichzelven; en zij levert hare veldslagen óf als de zon, die de zee tegen zich laat ophevelen, om haar met liefdevuur te doorgloeien, en ze in blinkende en vruchtbare dauwdruppen op te lossen; óf als bet aanbeeld dat zelf niet slaat, maar zeker niet kan verhinderen, dat de hamers die op hetzelve vallen, in stukken springen.

II.

Op dezen weg van overwinning door lijden, op welke alleen de wereld door deti Vorst des vredes veroverd werd en wordt, hebben wij Hem zelf tot Voorganger en Leidsman. Hoort Hem spreken: Keer niv zwaard weder in zijne plaats, want (merkt bet op, gij valsch

ocr page 238

220

gevoelige bestrijders van liet recht tot den doodstraf!) allen, die het zivaard urmen, zullen, door het ■/.waard vertjaan. ïoen Petrus later werkelijk tot de gerichtsplaats moest lieentreden, zal hij aan dat woord met Imiverin^ hebben teruggedacht, doch tegelijk in zijn hart ten hoogste verblijd zijn geweest, dat hem enkel liet doodsoordeel van de menschen kon treilen, terwijl hij van dat des richtenden Gods, door het Moed des Lams voor eeuwig was ontlieven. Doch hoort den Meester verder: /ou Ih den beker niet drinken, dien de Vader Mij (joyeven heeft? Of meerit (jij dat Ik mijnen Vader nu niet kan hidden en Hij zal Mij meer dan huaalf legioenen Engelen lijzeilen9 Jfoc zouden dan dc Schriften vervuld worden, die zegtjen, dat het al zon (jeschieden moet? O. welk een diepe en veelomvattende blik wordt ons hier op nieuw in do verhevene zelfbewustheid des Heeren geopend! Hoe valt hier de sluier zijner knechtsgestalle ter zijde, en boe ontvouwt zich hier wederom voor ons, even als door oen' bliksem in den donkeren nacht de geheele majesteit van den eengehoreVien Zoon des Vaders! Ook in do diepste vernederingen hlijft Hij, die Hij is, en staat Hij met de kennis van Zich/elven overal tegenover de tegen-strijdigheid des schijns, waarvan Hij omringd is. Ja, wanneer Hij wilde, zoo kon Hij — en niets is Hem gewisser dan dit — slochls eischen (dit is het begrip des woords in den grondtekst), en de Vader zon Hem tot zijne bescherming twaalf legioenen Kngelon (dus voor* ieder van het kleine gezelschap één legioen) zenden. Dat de Heere dit zegt, o welk eene beschaming ligt daarin voor Pelrus, welke meenen kon, dat de Meester, wanneer hij, Pelrus, zich niet voor Hem in de bres stelde, verlalen en hulpeloos slaan zon. Hoe wordt dezen zijnen dwazen waan, gevoelig door dat meent aij? des Heeren bestraft. Immers Simon weet, dat zijn Heere niel gewoon is met bloole woorden te spelen, en dat bij daarom diens woord van de Hem te dienste staande hemelmachl letterlijk op te vatten hehbe. Kn hij kon op den inval komen, om dezen Heere als een weerlooze nit liet midden van een handvol arme stervelingen te verlossen! Welk een ongeloof, welk eene verblinding!

Doch zou het inderdaad nog in de macht des Hoeren gestaan hebben, Zich door Engelenhulp aan zijn lijden te onttrekkenV Ongetwijfeld. (lelijk Hij Zich lot de overwinning van hel groole werk vrijwillig had aangeboden, zoo kon Hij Zich ook ieder oogenblik daarvan vrij en ongehinderd ontslaan. Elke gedachte van dwang of noodzaking van buiten af, is van liet doen en lijden onzes Middelaars ver verwijderd. En nu zou ik nauwelijks een oogenblik in hot leven van Jezus kennen, waarin zijne zondaarsliefde heerlijker in het licht trad, dan juist in het oogenblik waarvan wij nu spreken. Eene hemelsche menigte, machtig genoeg om eene geheele wereld van tegenstanders in het slof neder te werpen, staat wachtende op zijne wenken achter den voorhang der wolken, en brandt van verlangen om voor Hem tnsschen te treden en Hem in zegepraal uil do macht der goddeloozen te bevrijden, en Hij, de mishandelde en omsingelde, doet afstand van hare hnlpe, en herhaalt andermaal, en wel met nog grooteren nadruk, omdat het met de daad geschiedt: uw wille geschiede, o Vader! en

ocr page 239

sK)l

niet de mijne. Het moet alzoo r/cschieden, y.ogi. TTiJ. Let wel op dit zijn vernieuwd polnigenis van de onvonnijdelijke noodzakelijkiieid zijns lijdens. Hoe zouden dan de Sehriflen vervuld worden? voegt Hij er jiij. Jlet woord van Mozes en de profeten is de lamp voor zijnen voet en liet licht op zijn pad. Zoa Ik den drinkbeker niet drinken, dien de Vader Mij gegeven heeft? Groot, boteekenisvol woord, laat ons bij hetzelve eenige oogenblikken met onze beschouwing vertoeven.

Wat is een beker? Een drinkgereedschap, dat zijne bepaalde maat, on in zijn rand ol' boord zijne grens lieeCt. Gij weet, op onderscheidene tijden sprak de Zaligmaker van den beker, die Hem was verordend. Mattli. 0 : vraagt Hij zijnen discipelen: Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zai? Door dezen beker verstond Hij de Hem toegewezen galbitteren drank zijns lijdens. In Gethsémané hoorden wij Hem nog vragen: „of bet niet mogelijk ware, dat deze beker Hem voorbijging?quot; In onzen tekst noemt Hij hem met de klaarste bewustheid, don drinkbeker, dien zijn Vader Hem gegeven heeft. Wat in dezen beker was, weet gij. Alles bevatte hij, wat ons van wege de zonde door de Goddelijke rechtvaardigheid moest worden toegemeten. In dien beker, was de geheole vloek van de onschendbare wet. In hem waren al de verschrikkingen van het schuldgevoel, al de huiveringen van de uitgezochtste aanvechtingen des satans, al de nooden en ellenden, die lichaam en ziel kunnen treffen. Daarin dreven do vreeselijke alsemdruppels der verlatenheid van God, de hellenangst van eetien, met den vloek bezwaarden en in de omgeving der duistere machten te onderganen bloodigen dood. „Hoe!quot; zegt gij, en een op zoodanige wijze gevulden beker, wordt Hem door don Vader toegereikt? Ja, door niemand anders dan door Hem. Leert het verstaan, wat het zegt; Die ook zijnen eenigen /non niet heeft gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven; wat het zegt: God laat al onze overtredingen op Hem aanloopen; wat het is: Ik zal den Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden; wat het beteekent: Christus heefl ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons, en God heeft dien, die geen zonde gekend heeft, voor ons tot zonde gemaakt. Ja, wat dit alles beteekent, leert dat hier verstaan. Ach, alles wat gij van uwe jeugd af, met uwe Godvergetenheid, uw eigeidievend denken en doen, uwe ongehoorzaamheid, uwe hoogmoed, uw wereldsch-gezindheid, uwe onreine begeerlijkheden, uwe huichelarij, uwe valschheid, uwe verharding des harten, uw leugen en bedrog, — wat gij, zeg ik, met dat alles, op uw eigen hoofd hebt opgehoopt, tegen den dag der openbaring van zijnen heiligen en rechtvaardigen toorn, dat alles wordt vereenigd in dezen beker gevonden en vermengt zich aldaar tot eeuen vreesdijk doodelijken drank. Zou Ik dezen beker niet drinken? vraagt de Heere. Ja, lleere Jezus drinkt hein, want Gij drinkt hem, of wij moeten hem drinken, en voor ons heeft deze beker grond noch bodem, want de eeuwigheid is de maat van onzen vloek. Zou Ik dezen drinkbeker niet drinken? Ja, drinkt hem, Immanuël! Wij willen er U de voeten voor kussen, en op uwe heilige altaren zelve de offeranden zijn, die zich U toewijden. Hij dronk den beker; Hij

ocr page 240

ledigde hem. Geen «druppel bleef voor de zijnen daarin terug. De voldoening is aangebraclil, de verzoening geschied. Er is geene verdoemenis meer voor degenen, die in Cliristns Jezus zijn. De vloek treft hen niet meer, en kan hen niet meer treffen; want ai de straf lag op Hem, opdat wij vrede zouden hebben; en ons is niets overgebleven dan liet hallelujah.

Ja, wij hebben de hovoegdheid, reeds nu het hallelujah aan te heffen, ofschoon wij nog tot de strijdende kerk behooren, en de triom-feerende kerk nog in de verte voor ons ligt. Het woord: „wij moeten door verdrukking ingaan in het Koninkrijk van God,quot; behoudt, zoo lang wij in dit dal der tranen vertoeven, zijne kracht; doch als een woord des zegens, en niet meer als een woord des vloeks. De betuiging van den Apostel van het lijden van Christus, dat van zijne gemeente, (zeker niet meer als straf — veel minder als w/rfoenend lijden) overblijft, behoudt nog altijd zijne kracht, maar in geenen beden-kelijken zin. Immers drie bekers gaan in de gemeente van Jezus rond. Ieder erfgenaam van den hemel heeft daaruit zijnen dronk te doen. De inhoud des bekers is bitter. Niettemin dienen ook zij tot een getuigenis, welk eene grootsche vrucht het voor ons heeft gedragen, dat de Heere Jezus den beker der verschrikking voor ons heeft geledigd, dien zijn Vader Hem aanbood. De ons achtergelatene bekers zijn zijne hoogtijd bekers, en hunne drank is heil- en zegendrank. De bitterheid des oordeels, is uit hen weggenomen, nadat zij in den.Geth-sémané-, Gabbatha- en Golgotha-heker is doorgestaan.

De eerste der aangeduide drie bekers, is die der bekeerinrj, der droefheid over de zonde, van liet berouw, dat niemand berouwt. Deze beker moet gedronken worden. Zonder het slaan van de borst des tollenaars, zonder de smart van Magdalena, en zonder de tranen van Petrus, geen ingang in het rijk der genade! Bekeert u! heette de eerste k lokken toon, waarmede de intrede van het Nieuwe Testament werd ingeluid. Bekeert u! was het begin van elk antwoord des Geestes op de vraag; wat moet ik doen om zalig te worden? De bekoel ing is de enge poort tot liet Koninkrijk des vredes. De kiem en knop van liet nieuwe leven is do bekeering. Erken de zonde eerst als zonde, zoo zult gij ze aan uzelven erkennen met schrik: want de zonde scheidt u van God en is de schrik des duivels, de moederschoot der hel. Erkent gij echter de zonde aan u als zonde, zoo werpt de Heere ook eer gij het vermoedt, de sluier van u af, en gij aanschouwt Hem, buiten welke geen heil is. Daarom wat boven alles noodig is, is zelfgericht, zondendroefheid, bekeering. Neemt den beker aan, u zullen de oogen van de teugen overloopen, want in plaats van de zoetheid des welgevallens aan uzelven, drinkt gij daaruit de gal van het tegendeel, eene bitterheid, welke geen harpspel der wereld u meer wegneemt, een leed, dat u de ijdele vreugde dezer wereld vergalt; eene zwaarmoedigheid die u in den zwermenden kring van uwe lichtzinnige vrienden, niet meer rust of duur laat vinden, ja u in de eenzaamheid en in het schreihoekje dringt. Wat zoudt gij echter het eerst uit dien beker gedronken hebben, wanneer Jezus de zijne niet vooraf had [geledigd. Alsdan zoudt gij vertwijfeling, helsche angst en

ocr page 241

hopeloosheid gedronken hebben. Het zou voor n gelijk ons allen een Kains, een Achitofels eu Iscariolhs beker geweest zijn. Nu echter is zijn drank gemengd met den honig der genade, mot den 'roost dei' verlossing, met de belofte van eeuwige vergeving in hot bloed des Lams. O drinkt dien beker, maar thans zonder handenwringen. Ver-

. «O

smelt in stille, hoopvolle weemoedigheid, doch weer do kreten der vertwijfeling van u; Mijne zonde ia te groot, dan'dat zij mij vergeven worde. Hiertoe is geen grond meer. Gij drinkt uit den beker der zondensmart thans oenen beker der zegening. In den hemel is blijdschap over u, terwijl gij weent op aarde, en jubelen de kinderen Gods u te gemoet: welkom broeder! De satan knarst op de tanden, omdat hij u thans moet laten varen, en eeuwige liefdo-armen strekken zich uit, om u te omvangen. Waarom behoeft uwe bekeering niet meer eone vertwijfeling te zijn? Waarom is deze beker u thans een beker van heil on hope'? Antwoord: Jezus voldeed voor de onverzoende zonde, en gij beweent do verzoende. Jezus had de onbetaalde schuld op zich on stond daarom tegenover zijnen Vader als rechter; gij zijt over uwe schuld bedroefd, nadat zij geheel voor u betaald werd, on God u niet meer richten kan, noch zal. Zeker wordt de beker der Goddelijke droefheid nooit geheel geledigd, zoo lang wij nog in bet lichaam des doods vorkeeron. Men zondigt weder, en op nieuw weent het hart; maar het weent aan don boezem der eeuwige liefde, on onder de tranen afdroogende hand der Goddelijke ontferming.

Naast deze eerste beker gaat een ander rond in Sioti, en ook deze wordt niet ton volle van ons weggenomen, totdat de beker der hemel-sche zaligheid ons wordt toegereikt, liet is do beker van het sterven naar hot vloesch, do verootmoodigingon van don ouden rnensch, het gespeend worden van den boezem der natuur, do innerlijke vernietiging, in welke Ghristus ons alles in allen worden mooi. Ook uit dezen beker doet ieder geloovigo op deze of die wijze zijn dronk, Paulus had zijnen doorn in het vloesch. Petrus het zeker uitzicht op den bloodigon kruisdood; Timolheüs zuchtte onder lichamelijke zwakheid; Silas was met Paulus een verachte door de wereld. Gij worstelt met armoede en zorgen der nering; gij woont miskend en verstoeten als een eenzame onder uwe broederen; gij weet met den besten wil en daad in uwe boroepsbezigheden op geenon groenen twijg to komen. Gij wordt als Joh lichamelijk bezocht, of hebt als Eli groote smart door uwe kinderen. U treft in uw huis het eene smartelijke sterfgeval na het andere; gij ziet u in betrekkingen gebracht en gebonden, waarin gij u niet in uw waar beroep bevindt en niet in uw oigentlijk element gevoelt en gij kunt er u toch niet van ontslaan; gij — doch waar zouden wij eindigen, moesten wij al de bittere druppels met name noemen, die den drank der droefheid samenstellen, door welke wij, gelijk de Schrift zegt, tot het Koninkrijk Gods moeien ingaan, daar ik toch den bittorsten onder dezelven niet eens genoemd bob ; want ik zeide nog niets van do aanvechtingen des duivels, van do verdonkeringen des goloofs, van de verdorring des innorlijken levens, van do onttrekking aan den drang tot het gebed, van den nood der twijfeling en der wau-

ocr page 242

'224

kelnioedigheid, van de smartelijke ondervindingen van liet innerlijk armer, zondiger, genadebelioevender, in plaats van rijker, heiliger en sterker worden, en van liet terugvallen in den toestand van Rom. 3 en 7, waarin de klucht wordt gehoord: Ik cl-Ictidig mensch! wie zal mij verlossen \nn het lichnam dezes doods. Vat echter dit alles te zatnen, en gij kent den tweeden onzer hekers. Ja, ook deze, Broeders en Zusters iti den Heere! •—■ komt u allen ter hand om daaruit te drinken. Doch zijt getroost! ook in dezen beker is geen vloek, geen toorn, geen straf meer. De vloek werd er dooiden Borg uit weggedronken en zoo werd de beker tot een beker der zegening en der genezing. Door alle deze smarten moet gij altijd meer van u zeiven en van de wereld losgemaakt en inniger met den Heere Jezus verbonden worden, (lij moet daardoor leeren door de genade en in lt;lie rustplaatsen op de wegen Gods geleid te worden, waar Hij zijne trouw, zijne bewaring, zijne vertroosting en lang-moedigheid, zijn ophelpen door verborgen, krachten, en zijn vriendelijk spreken met de moeden ter rechter tijd op handtastelijke wijze aan u bevestigen kan. Ziet gij, alles is heilzaam in oogmerk., in bedoeling, in vrucht. Daarom met eene vaste besluitvaardigheid ledig gedronken, wat God u heeft ingeschonken! Het is de eeuwige liefde, die hand in hand met de bemelsche wijsheid gaat en u den drank druppel bij druppel toemeet. Gelijk bij de broederen van Jozef op den bo-' dem hunner zakken den schat gevonden werd , zoo wordt hier de zegen gevonden op den bodem van den beker der bitterheden. De kastijding als zij tegenwoordig is, dunkt ons geene zaak van vreugde maar van droefheid te zijn, maar daarna zal zij geven eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die er door geoefend zijn.

Do derde beker biedt zich aan als de ontzettendste van allen, en toch beeft ook bij al zijne ontzetting verloren. Ook hij gaat niemand voorbij, en wie weet hoe spoedig hij n of mij aan de lippen wordt gezet. Wij huiveren van dezen beker terug, want hij komt met zwart floers omhangen. Doch de Christen mag hem versieren met palm en hem vriendelijk lachend in de band nemen. Het is de beker der laatste ure, de beker des afscheids, de doodsbeker; doch ook hij is niet meer do beker, zoo als de rechterlijke gerechtigheid na den val hem gemengd heeft. Hij is do beker niet meer, dien Jezus heeft gedronken, want voor Uem bevatte hij nog den vloek. Jezus stierf den dood, die de bezoldiging der zonde is, welke in de verlatenheid Gods gestorven wordt, en wien de verschrikkingen des oordeels omgeven. Jn de plaats daarvan sterven wij, zoover wij Christenen zijn, een dood die den moede ter ruste voert, den pelgrim het reiskleed afneemt om hem in het vaderhuis te brengen, hem in plaats van de doornenkroon do kroon dos levens op het hoofd zet, en voor eeuwig de tranen van de oogen afwischt. Ziet Stéfanus, hoe hij, zonder eenen enkelen smartelijken trek in zijn gelaat, den laatsten beker der smarte ter hand neemt. Ziet Paulus, hoe hij dorst naar den doorgang door den Jordaan dos doods en uitroept: Ik heb begeerte om af te scheiden en bij Christus te zijn. Ziet Simeon, hoe hij den doodsbeker als een jubolbeker opneemt en zonder eenigen kommer

ocr page 243

Ü'lo

juicht: Nu laat Gij Heerc! uwen dienstknecht heengaan in vrede. lloort Johannes, lioe hij lof zingt; Wij zijn nu kinderen Gods, en het is nor/ niet geopenbaard wat wij zijn zuilen, maar wij loeten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, lutj Hein zullen gelijk -wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Waar zijn hier de verschrikkingen van dezen laatsten heker? Ze zijn verdwenen en de beker is enkel en alleen met verwachting en hlijdschap gevuld. En dat hebben wij Hem te danken, die den dood de macht ontnomen lieelt en tot wiens eer wij voortaan triomfeerend kunnen zeggen: Dood! waar is uw prikkel! Graf! waar is uwe oveneinning ?

Ziet, mijne vrienden! zoo dronk de Borg uit al de hekers die nog in Zion rondgaan op plaatsbekleedende wijze, den vloek, en wat voor de zijnen daarin is overgebleven, hoe hitter het ook aan bet vleesch moge voorkomen, is enkel geneesdrank. Verheugen wij ons hierover van ganscher harte en belijden wij vroolijk en dankbaar met den I Uchter:

Gij moest de schuld betalen,

En ik ben eeuwig vrij.

De beker mijner kwalen,

Dronkt Gij, o Heere! voor mij.

Dit was Uw welbehagen.

En nu moet op mijn pad De doorn mij druiven dragen,

En ook de zwaarste plagen Mij voeren in Gods stad.

Amen.

ocr page 244

XXII.

G A V E EN OF F E R.

Ik weet het, dierbare vrienden! waarom zoo vele Christenen bij al hunne rechtgeloovigheid, toch geen' rechten vrede hebben. Met-geen, waarin hun onbevestigd, beldagelijk, ontwricht en vreesachtig bestaan zijnen voornaamsten grond heelt, is mij zeer wel bekend. Christus heeft vrede gemaakt door zijn bloed, zegt de Apostel, Coll. 4 : 20; doch dat bloed, hoe dikwijls zij daarvan spreken of hooren spreken, is hun naar deszelfs almachtige werking nog onbekend, of het ontbreekt hen aan de geschiktheid, om er voor zich zeiven gebruik van te maken. De zielen onzer meeste Christenen gelijken, bijzonder wanneer de nood aan den man komt, en een klokslag der1 naderende eeuwigheid hun in de ooren trilt, de altijd bewogen ruste-looze zee,, over welker oppervlakte de zon wel eenige verwarmende stralen verspreid, doch tot den innerlijksten bodem, waar het nachtelijk koud en woest blijft, niet kan doordringen. Zóó valt ook op de genoemde lieden het licht der Ghristuskennis; aanrakend maai niet doordringend. Moge onze tegenwoordige beschouwing daartoe gezegend worden, dat zij ons allen liet werk van den grooten Boig recht grondig deed verklaren; en zijne heilwerkingen tot in de ver-borgenste diepten van ons wezen oenen weg maakte! Laat ons tot dat einde bidden. De Heere spreke daartoe zijn Amen.

matth. 26 : 55 en 56; marc. 14 : 48—52; lttc. 22 : 52 en o3.

Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen en tot de overpriesters en hoofdlieden des tempels en de oudsten, die tot Hem gekomen waren: Gij zijt uitgegaan als iegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken , om Mij te vangen; dagelijks teas Ik met u, leerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen; doch dit is uwe ure en de macht der duisternis. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der l rofeten zouden vervuld teerden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende. En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf; en de jongelingen grepen hem. En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.

Boven den voorgelezen tekst behoort als opschrift te staan het woord van den Apostel, Efez. 5:2: Christus heeft ons hef gehad en heeft r/jch zeiven voor ons overgegeven tot eene offerande, en een slacht-

ocr page 245

*21

offer Gode tot cenen welriekenclen reuk. Deze uitspraak client ons als sleutel tot de tegenwoordige geschiedenis, en voert rechtstreeks tot haren ei gen 11 ij ken kern en binnensten inhoud. Moge ons daarom het Apostolische woord ook bij onze verdere beschouwing leiden. Op deze wijze zullen wij gewaarborgd zijn tegen het gevaar, om van de hooldzaak af te dwalen en voor de bijzaken do hoofdzaak ter zijde te stellen. Laat ons dus zien, boe in onzen tekst de Borg Zich voor ons overgeeft:

I. als gave, en

II. als offer.

Moge de vredebron, voor welke wij staan, rijkelijk zijn levenswater voor ons opwellen, en geve do Heere ons geloof, opdat wij daaruit scheppen mogen en eeuwig gezond worden !

I.

De gebeele werkzaamheid, waarin wij thans den Iloogepriester aantreffen, is overgave. Hij geeft Zich over en laat met Zich doen, wat men wil, en deze bijzonderheid is voor ons van de grootste en heilzaamste beteokenis. Zijn toestand is hartontzettend. Stelt u voor, dat er, wat misschien werkelijk gebeurd is, terstond na het voorgevallene aan den Olijf1,berg, een bode naar Jeruzalem met haast ware geloopen, en aan Maria bericht had gegeven, wat er oven buiten de poort met haren Zoon voorviel. Ach, deze arme, welke gewaarwordingen zouden baar door het harte gegaan zijn. „Hoe,quot; zoo zou zij weenend uitgeroepen hebben, „dat doen zij aan mijn Kind? De beste van de zonen der aarde — in zulk eenen toestand? De Heilige, die de liefde zelve was, als een misdadiger overvallen? De Weldoener iler inenschheid, haar teedergevoelige, aanminnige Zaligmaker met dien ongehoorden smaad bedekt, en in de banden, ja, in de banden der beulsknechten?quot; Zeker zou het der ontroerde moeder geweest zijn, als droomde zij slechts van zulke ontzettende dingen. En had zij dan de bevestiging van deze ontroerende boodschap ontvangen, kunt gij u dan iets anders voorstellen, dan dat zij nu het laatste overschot barer bedaardheid zou verloren hebben, en tot den dood toe bedroefd in tranen zou versmolten zijn? Aldus, van bet standpunt van Maria, moet gij het. gebeurde in den Olijvenhof u voor oogen stellen, om bet ontzettende er van in al zijn gewicht, in al zijnen omvang te loeren kennen. En om het nog levendiger u te vertegenwoordigen, stelt u dan voor, met welke oogen de heilige engelen de gevangenneming van Jezus zullen hebben aangezien; zij, wien de knechtsgestalte des Ueeren tot geen beletsel was, om zich ieder oogen-blik de gansche hoogheid en waarde van dezen veroordeelde zich bewust te blijven, en die, waar Hij ook vertoefde, en wat men met Hom deed, den Heere der heerlijkheid, den Koning der koningen in Hem zagen, tot wiens troon zij zelve enkel met bedekte aangezichten waagden te naderen. Vertegenwoordigt u, wanneer gij kunt

ocr page 246

wat deze moesten gevoelen, toen zij in die oogenblikken uit de wolkeu neclerzagen en aanschouwden, hoe de Hoogverhevene als een der ergste boosdoeners, door gerechtsdienaren omringd, de Vorst, des hemels met zwaarden en stokken gevangen genomen, de Rechter dei-wereld als een moordenaar in hoeien geslagen, en Hem onder bedekking van eene bende ruwe dienstknechten door lasteringen en vloeken omringd ten verhoore slepen zagen. Moest toen niet een kreet der ontzetting door den hemel gegaan zijn, en bij deze heilige wezens de gedachte opgekomen zijn, dat nu de maat der zonde bij do rnenfchen vol en de dag der wrake tegen de goddeloozen aangehroken ware. Wij, mijne Vrienden! kunnen van wege de menschelijke omstandigheden, die wij zien, zeer licht vergeten, luie wij in dien vernederde uit Nazareth voor ons hebben. Slechts nu en dan gaat het ons als een weerlicht dooi' de gedachte, wie Hij is, doch dan verstijft ons ook het hart van ontzetting, en wij kunnen slechts zwijgend en vol verbazing de handen boven ons hoofd te zamen slaan.

Hoe vreeselijk echter ook de toestand in den Olijvenhof zijn moge, de Zaligmaker verdraagt deze ten hemel schreiende behandeling met kalmte. Hij geeft Zichzelven over, en aan wie? Gij ziet het, aan de gewapende bende der hoofdlieden en dienaren. Doch het is nog van eene andere overgave, waarvan wij hier getuigen zijn; van eene omsluierde en ontzichtbare overgave. En deze is voor ons van nog ongelijk grooter belang dan die, welke binnen onzen gezichtskring valt. Christus stelt Zich hier te gelijk voor zijnen Vader, er. vraagt gij hoe en als wat Hij Zich aan den Vader overgeeft , zoo antwoord ik met heenwijzing op Ef. 5: vooreerst, als eene gave, en wel als zulk eene gave, welke den Vader volkomen welbebagelijk wezen zal. Hoe zal ik do heerlijkheid dezer gave naar waarde prijzen? Ziet oenen mensch, die feitelijk bewezen heeft het te zijn, tegen wien de ganscho hel losgelaten kon worden, zonder dat hot haar gelukte zijne onschuld ook slechts met een stofje te bevlekken. Ziet eenen Heilige, die in den gloeienden smeltkroes nederligt, zonder dat de smelting ook slechts de minste sporen van eenig onrein bestanddeel aan den dag bracht. Ziet eenen Getrouwe, bij wien de stormen der verzoeking, in welke de engelen niet bestand zouden geweest zijn, alleen dienden, om zijne gehoorzaamheid slechts te sneller tot den hoogsten trap der volmaaktheid op te voeren. Ziet eenen beproefden man, die het scheepje zijner bereidwilligheid en Gode overgegevenheid onbeschadigd door den maalstroom der aanvechting weet heen te sturen, der aanvechting, die berekend was, om den beiligsten seraf in eenen morrenden afvallige te veranderen. Ziet eenen gehoorzame, die in den toestand der gevoeligste inwendige beroofdbeid, nochtans in de liefde zijns Vaders bleef volharden, en ofschoon het harte des Vaders zich van Hem scheen te hebben afgekeerd, liet nochtans altijd voor zijne spijs en drank hield, den wil te volbrengen van Hem, die Hem gezonden had. Ziet eenen Held, die in eene omstandigheid, waarin Hem door den angst der helle het bloedzweet, van het aangezicht droop, desniettemin, al was het ook met eene versmachtende tong, uit den grond zijner ziele kon bidden, dat niet wat Hij, maar wat

ocr page 247

sj20

uitsluitend de Eeuwige wilde en over Hem besloten had, geschieden mocht. Deze schitterend reine, overvloedig beproefde, als goud gekeurde, onveranderlijk heilige mensch is de gave, welke Christus in zijn eigen persoon den Vader gaf.

Aanziet Hem, den Heerlijke, zooals Hij daar aan den voet van den Olijfberg voor ons staat. Hij weet: ook dat is de raad zijns Vaders, dat Hij uiet alleen aan den smaad van eene openbare gevangenneming, maar ook nog verder Zich aan het geheele lot van eenen gewonen beschuldigde en uitgeworpene der maatschappij onderwerpen zal. Hoe maakt zulk eene bewustheid Hem echter zoo gewillig, om ook in deze diepte af te dalen, en Zich zonder eenige weigering in de handen der zondaren te laten vallen? Hoort Hem tot zijne vijanden spreken. Met de majesteit en de booge rust van eenen vrijen man, die ver van overwonnen te zijn dooi' hetgeen Hem omringt. Zich veel meer zelf zijnen weg voorteekent, en die, in overeenstemming met het Vaderlijk raadsbesluit, zelf zijne lotgevallen ordent, begint ilij tot de schare en bepaald tot derzelver oversten, tot do overpriesters, tot de hoofdlieden dor Joodsche tempelwaclit en tot de oudsten (de leden van het Sanhedrin), die gezamentlijk in de hitte hunner vijandschap tegen Jezus, en met liet oogmerk om de bende der dienaren door hunne tegenwoordigheid te bemoedigen, mede waren gegaan. Gij zijl uitr/c-f/aan als tot eenen moordenaar met zwaarden en stokken. Dagelijks tuas Ik met ulieden in den tempel, en gij hebt geene hand aan Mij geslagen. Wat wil de Heere met die woorden zeggen? Vooreerst moesten zij niet enkel hen, die zij voor het eerst boorden, maar ook de geheele wereld tot een vernieuwd getuigenis verstrekken, dat Hij als een onschuldige ter slachtbank is geleid geworden, en dat de kwade schijn, die de zwaardslag van Petrus op Hem en zijne aan-hangelingen kon werpen, ook niet meer dan bloote schijn was, en vervolgens moesten zij elke twijfeling uit den weg ruimen, ten opzichte van de waarheid, dat geene macht ter wereld Hem ooit had kunnen overweldigen, wanneer Hij niet, terwijl zijne ure gekomen was, in vrije onderwerping aan het Vaderlijk raadsbesluit, Zichzelven overgegeven had. De vijanden vermochten Hem dus niet aan te roeren, zoo lang Hij bet werk van zijn Leeraarsambt niet bad voleindigd. Ook hadden zij niets in Hem kunnen ontdekken , waardoor zij eenigen grond hadden, om Hem in staat van beschuldiging te stellen. Thans werd voor den tegenpartijder den onzichtbaren slagboom opgeheven. Dit — /.00 gaat de Zaligmaker tot de diepste beschaming zijner vijanden voort — is utue ure — en Hij voegt er het ontzettende woord bij — en de macht der duisternis. „Den satan — dat wil Hij zeggen, — „dien gij dient, wordt door eene toelating Gods de keten verlengd, en de hel, als wier wapendragers gij u kenbaar maakt, den teugel ontnomen, opdat gij naar welgevallen met Mij handelt.quot; Zoo spreekt de Heere. Welk eene kalmte en boven-menschelijke rust blinkt er uit deze woorden. Met zulk eene vol-komene bereidwilligheid geeft Hij Zich aan de smadelijkste behandeling over. lu zijn binnenste verheft zich ook niet eene enkele opwelling van eenige ontstemde of wraakeischende gewaarwording tegen de God-

ocr page 248

230

vergeten bende. Zijne ziel blijft integendeel in eene gelijkmoedigheid en in eene stemming, als waren het geene beulsknechten, die Hem met boeien in hunne handen omringen, maai' vrienden en volgelingen, die Hem hunne kransen toereikten.

Welke vrucht draagt het echter voor ons, dat Jezus zoo rein en volmaakt heilig Zich aan den Vader overgeeft? Het allergrootste en allerzegenrijkste, mijne Vrienden! hetwelk do gedachte in staat is te omvatten. Hoort, Jehova spreekt in zijne wet: Gij zult mei ledig voor mijn aüncjczichl vcvschijnen. Bedenkt dat, wanneer wij den hemel beërven willen, wij datgene niet kunnen ontberen, aan hetwelk de zaligheid als prijs beloofd wordt. Wij bezitten het nu, en de dagen van klagen en beschaming hebben voor ons een einde. Wij kunnen thans den Vader getroost onder de oogen treden, en behoeven niet meer bezorgd te zijn. Hem iels ongerijmds te zullen toeschrijven, wanneer wij hot er voor houden, dat Hij ons lief heelt en de deuren van zijn huis voor ons opent. „Wat hebben wij echter als verdienste aan te wijzen?quot; Genoeg, mijne Vrienden! ja meer dan de engelen hebhen. Wel bezitten wij niets in ons zeiven. In de rekenhoeken onzes levens zien Wij slechts verliezen en schulden. Doch wij behoeven, Gode zij dank, ook niets eigens le hebben; ja hel wordt ons verboden op zoo iels te vertrouwen en le roemen. Eene huiten ons bestaande gerechtigheid wordt ons voorgehouden, en daarop moeten wij ons beroepen. Het is de levende r/ave, waarvan wij spreken; Christus met de geheele volheid van zijne in onze plaats betoonde gehoorzaamheid. Durft Hij Zich zien laten, dan durven wij het niet minder. Is Hij den hemel waardig, dan wij hetzelfde. Want wat Hij gelooft, bemint, in gehoorzaamheid gedaan en bewezen heelt , dat alles wordt den zijnen goed geschreven. Door de gehoorzaamheid van cenen, zegt de Schrift, zijn wij (zondaren) iieihfj en ■rechtvaardig geworden. In Christus bestaal er geen overtreder meer voor God, 'maar enkel vlekkeloozen en onstrallelijken en reinen. Welk eene zalige verborgenheid! Kunt gij haar nog niet gelooven, zoo vergunt haar ten minste eene plaats in uwe gedachten. De ure mocht komen waarin gij haar gebruiken kunt, want hoe hol ten laatste ook den heiligsten en Godzaligsten christen ploeg te gaan, — hebben wij reeds met onze oogen aanschouwt. Wal zij ooit hij hun lichaamsleven verdienstelijk en proefondervindelijk meenden te bezitten, daarvan hl ijlt, wanneer hel licht der naderende eeuwigheid, en van het eeuwig ooi-deel zijne doordringende stralen op het leven werpt, hun niets over. De glans hunner deugden verdooft, hun goud wordt schuim en zelfs wal zij als te goed in hunne boeken meenen te lezen, bewijst zich als schuld en verlies. Wat nu te beginnen? En hoe nu in dor haast de gereebtighoid te verkrijgen, waarvan men reeds door den Catechismus weet, dat God ze eischt, en zonder welke niemand in het Koninkrijk der hemelen wordt toegelaten? Wal nu al de beschuldigers, die hunnen mond tegen ons opendoen — voorgehouden ^ Wat der wet, den satan en hel eigen geweien met hun: gij zijl een man des doods gezegd? Voorzeker: wanneer ons op dit punt de vertwijfeling niet aangrijpen zal, dan moet iels dat huden ons is, worden aange-

ocr page 249

*2:31

boden, iets dat wij als grond onzer aanspraken op de zaligheid voor God kunnen brengen. En daar biedt zich ons nu die levende Gave, welke overvloedig toereikend is om ons bij God aan te bevelen. In liet bezit van die gave hebben wij voor onze beschuldigers niet meer te verstommen. Wij vervulden in onzen Borg Christus de voorwaarden, aan welke de erfenis des hemels verbonden is. Wie wil ons voortaan beschuldigen? Wie ons verdoemen? Wij juichen met Paulus: nu wij zijn gerechtvaardigd geworden door het geloof, zoo hebben wij vrede met God, door onzen Hcere Jezus Christus.

II.

Doch niet enkel als gave, maar ook als offer komt de Heere in onze tekstgeschiedenis voor. Onze zonden zijn Hem toegerekend, en Hij duldt in zijne heilige menschheid, wat deze zonden waardig zijn. Laat daarom de heilige Zoon van God in Hem voor een oogenblik op den achtergrond treden, en beschouwt Hem als den grootsten algemeenen zondaar, die Hij door toerekening en plaatsbekleeding is. Terstond verschijnt alsdan de tegenstrijdigheid, welke Hem overkomt, als recht, de mishandeling, die Hij ondergaat, als Hem toekomend.

Ken ontzettend beeld treedt voor mijne ziel, en ik meen, o mensch, dat gij het moet herkennen. Ik zie eenen moordenaar, want er staat geschreven: Wie zijnen broeder haat, die is een doodslager. Ik ontdek eenen roover; eenen tweevoudig schuldige jegens God, wien hij door ongeloof en hoogmoed de eer ontnam; jegens den naaste, aan wiens goederen liij door nijd en laster de hand sloeg. Zoo rust de vloek dor wet op zijn hoofd, en de ban Gods kleeft aan zijne verzenen. Iets vreeselijks staat den ongelukkige te wachten; eene overvalling in een duister uur voor het naast, eene vreeselijke gevangenneming! vrij en veilig gaat hij zijnen weg en volgt, geen onheil duchtend, de begeerlijkheden zijns vleesches. En nu, eer hij er om denkt, dreigt er iets boven zijn hoofd. „Slaat de sikkel uit, want de halm is rijp,quot; zoo wordt er gezegd. Vreeselijke wezens, de eene nog gruwelijker om aan te zien dan de andere, stellen zich in beweging. De dag heeft zich geneigd, de nacht is voor den armen mensch aangebroken. De duisternis der doodsure brak voor hem taan. Wat geschiedt er nu rondom hem? In welk eenen toestand bevindt zich nu de beklagenswaardige? Zijn het engelen der wraak, die hem omringen? Zijn het demons en geesten des afgrpnds? Hoort hij zich van het kletteren der zwaarden omgeven? Omringen hem banden en ketenen? Ja, ja, hij vindt zich in eene vreemde macht. Hij gevoelt zich omringt, gegrepen gevangen: hij kan niet meer zooals en waarheen hij wil. Eene ontzaggelijke wacht neemt hem tusschen zich in, en een ijzeren nooddwang wijst hem den weg aan, dien hij gaan moet. Zoo lang hij op aarde wandelde, was het wellicht enkel de vleiende stern van den lof en der toestemming, welke tot zijne ooien doordrong. Thans sloeg het uur zijner beschuldigers, en van alle zijden donderde het gij zijt de man! hem met ontzetting in de ooren. Tot nu ondervond hij van de zijde der afgrondsmacht zoo weinig leed, dat hij het bestaan van

ocr page 250

232

zoo iets als een sprookje durfde beschouwen. Thans komen zij uit hunne sluiphoeken te voorschijn, en nu in de macht des duivels, leert hij aan den duivel gelooven. Want juist deze en zijne benden zijn het, die hem te midden van zijne veiligheid overvielen, om hem met ketenen dei- duisternis te binden en onder dc woeste vloeken, hoe hij tegen worstelt, weg te slepen, alwaar zij hem tegen den als een oven brandenden dag zullen bewaren en sparen, tot den dag, op welken de rechter der wereld zeil' het laatste oordeel spreken, en het ontzettend woord zal laten hooren; Gaat tuctj van mij, rjij vervloeide in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijne engelen bereid ia. Ziet mijne vrienden, dit ontzettende beeld treedt in dit oogenblik voor mijne ziele en het is geen bloot voortbrengsel der verbeelding, maar het draagt een wezentlijke inhoud en diepe waarheid in zich, want in dit beeld, o mensch! ziet gij uzelven en ontwaart gij uwen natuurlijken toestand, den vloek, die op u rust, de toekomst, die u verbeidt, het donker lot, dat gij te gemoet gaat.

Nu echter teruggezien naar de geschiedenis van onzen tekst. Wat stelt zich daar voor onze oogen? Een tafereel, dat trek voor trek gelijk is aan hetgeen zoo even voorbij onzen geest ging. Hoe in het oogvallend is dat, en hoe verwonderlijk! Ziet aan den voet van den olijfberg eenen man, die naar het uiterlijk aanzien niets beter dan een roover, en een moordenaar is. lii een nachtelijk uur wordt bij op last der overheid met stokken en zwaarden overvallen, door eene bende gerechtsdienaren omsingeld en zonder verschooning van zijne vrijheid beroofd en in hechtenis genomen. En hoe hooren wij den gevangene spreken, liet is thans uwe ure! roept Hij uit. „Gij vijanden,quot; dit wil Hij zeggen „hebt nu eene vrije band tegen Mij, klaag Mij aan, maak Mij te schande, sleep Mij naar de gerechtsplaats, thans ben Ik de uwe.quot; En boe spreekt Hij verder: Thans is het de macht der duisternis. lt; „De helquot; — dit is do beteekenis van het woord „Wordt nu vrije hand tegen Mij gegeven. Thans is het haar vergund met Mij te handelen, zoo als het haar goeddunkt, want van nu af ben Ik door een rechterlijk vonnis aan haar geweld prijs gegeven.quot; En ziet, de man wordt werkelijk gegrepen, als een gevaarlijk overtreder gebonden, onder, woeste bedreigingen voor den vierschaar der rechters gesleept, en liet zal niet lang duren , of wij zullen Hem uit eene diepte van ontuitsprekelijken nood en jammer hooren uitroepen: Mijn God, mijn God! ivaarom hebt gij Mij verlaten ?Ziet geheel dezelfde omstandigheden en hetzelfde lot, zoo als wij het zoo even als bet verdiende loon van dien misdadiger hebben leeren kennen. En wie is die man in den olijvenhof, over wien zoodanige verschrikkingen zich uitstorten? Die het niet weet, hoe zou hij kunnen zeggen dan. „Wat kan hij anders zijn dan een misdadiger van de ergste soort.quot; En dit antwoord zou allen grond van reden hebben. De gevangen genomen man is een zoodanige, en toch ook weder een heilige en rechtvaardige. Hoe dat samen kan gaan wijst ons Paulus aan in de bekende woorden: God heeft dien, die geene zonde gekend heeft, voor ons tot zonde gemaakt, opdat ivij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Wij staan dus hier voor eene verborgenheid, maar voor eene zalige hartverruk-

ocr page 251

233

kende verborgenheid. Ik sta, wanneer ik geloof, tot den man in don olijvenhof in eene eigenaardige betrekking; want weet, dat al wat vree-selijks over Hem losbreekt, niet zijn vloek, maar de mijne is. De heilige en rechtvaardige onderwerpt zich plaatsbekloeiiend aan het lot van den schuldige en verdoemoniswaardige, en deze gaat eeuwig vrij uit, en beërft liet lot van den Heiligen Zoon Gods. Wondervolle, onvergelijkelijk zalige waarheid! Eenig schild en (roost in het leven en in het sterven!

O gij gezegende zielen, die Christus' eigendom zijl,, hoe kan men waardig de heerlijkheid van uwen toestand prijzen! Heil 11, van wege de verwonderlijke ruiling, die de Zoon des Eeuwigen met u gedaan heeft! Heil met dezen Borg eu Betaler van al uwe schulden! Vergeet toch nimmer het nachtelijke beeld der gevangenuomiiig van uwen Hoogepriester. Schildert het u met frissche heldere kleuren aan dc muren uwer vertrekken. Wordt gij weder aan den vloek herinnerd, dien gij door de zonde op u laaddet, zoo gewent n denzelve niet meer aan te zien als in dit historische tafereel, waar gij dezen vloek niet meer op u, maar alleen op Hem rusten ziet, in wiens lijden die vloek eeuwig te gronde ging. Kn maakt u voortaan geene bekommernis meer over eene ijdele schaduw. In eeuwigheid zal voor u geen tijd meer komen, waarin gij het uwe vijanden en aanklagers behoeft te zeggen: Than* is het uwe ure en de macht dei' daislernis. Uw Plaats-bekleeder heeft het eens voor altijd voor u gezegd, en u wacht voorlaan nog enkel de ure der zegepraal en der blijdschap, die nooit meer zal eindigen. O hebt dan vrede, gij in zijne gerechtigheid geheiligde»! , en met zijn offer voleindigden! Droomt verder niet van laster, die uwe schouders nog zoude drukken, maar weet en vergeet het nooit, dat uw rechtsgeding voor alle eeuwigheid gewonnen is. Ziet daar draagt Christus uwe lasten voor altijd weg, en u is thans niets meer opgelegd dan Hem van gansdie harte lief te hebben, en altijd inniger te omvatten, die al uwe vervloeking op Zich nam, opdat gij eeuwig moogt kunnen juichen: .ikiiova zidkionu! dat is; d,e lieere is onze gerccldifjheid.

Heb dank o Heere! voor mv verlossend lijden.

Dat mij van schuld en straffe moest bevrijden:

Gij hebt den toorn , die over mij moest komen, Op U genomen.

Slechts U, Slechts U, o Jezus! zij mijn leven. Ten eigendom in eeuwigheid geffeven.

.. o o

Gij hebt mijn ziel door al Uw pjjn en wonden ,

Er toe verbonden.

Niets kan noch zal voortaan mij van U scheiden:

Ik volg U trouw waarheen Gij mij wilt leiden,

Met U zal ik door dood en oordeel dringen ,

En 't hallel zingen.

Amen.

ocr page 252

XXIII.

CU JUSTUS VOOR ANNAS.

Tk hel) niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien rjekruisifid. Zoo spreekt de Apostel 1 Gor. !2 : 2. Hiermede wijst liij den hooldinlioud aan van al zijne predikatiën, en tegelijk den aard en de wijze van zijne getuigenis.

Onder de oorlogvoerende machten is het in den nieuweren tijd meer en meer tot eenen grondregel geworden, met massa's te handelen, dat is, zoo veel mogelijk kleine schermutselingen te vermijden en de krachten vereenigd te honden, totdat zich de gelegenheid aanbiedt in het groot te handelen, de geheele legermacht op één gegeven punt te ontvouwen, en volk tegen volk gekeerd, in weinige afdoende veldslagen de geheele zaak tot heslissing te brengen. Wij moesten in onze geestelijke oorlogen op gelijke wijze te werk gaan, in iedere predikatie den donder van het grol'geschut laten iiooren en in massa, dat is met de gezamenllijkheid der groote hoofd- en grondartikelen van het Evangelie, onze veldslagen leveren, omdat het enkel deze zijn, welke de wereld overwinnen, den satan in het stof werpen, de sterkten overweldigen, en eene eindelijke heslissing teweegbrengen.

Zoo ergens, zoo moet deze grondstelling daar in toepassing komen, waar wij uitsluitend van deze grondwaarheden omgeven zijn, namelijk bij de beschouwing der lijdensgeschiedenis. De taak bij elke nieuwe lijdenspredikatie ons opgelegd , liestaat hierin, dat wij der gemeente op nieuw de groote en onuitputtelijke verborgenheid van onze voleinding in den bloedigen Middelaar voor oogen stellen , en hoe zou het ons moeielijk zijn, deze taak te vervullen, daar ons in iedere enkeleafdee-ling iler lijdensgeschiedenis dit hoog heerlijk middelpunt van alle waarheden van zelf en van eene nieuwe zijde toegelicht, tegemoet treedt. Zoo geldt dan deze gulden regel ook voor onze tegenwoordige beschouwing. Wij moeten er opnieuw van spreken, hoe wij door het werk van den Borg, van zonde, duivel, dood oordeel en hel voor eeuwig verlost zijn, en wie er zich niet over verheugt, dat deze wonderbare weide zich andermaal voor hem opent, dien kunnen wij niet helpen, maar hem enkel beklagen als iemand, die nog niet tot de kennis en bewustheid van zijne wezentlijke behoefte gekomen is. Onbezorgd over zijne smaak en keuze, gaan wij met vasten tred voort op onzen weg, en zeggen wij heden als gisteren, en morgen als heden, niet den Apostel: Wij hebben niet voonjenomen (bijzonder in dezen heili-

ocr page 253

235

gen lijdenstijd) ids ouder u lo weten, dan Jezus Christus, en dien (jekruisUjd.

joh. 18 : 12, 13, 19—23.

De benden dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamentlijk, en bonden Hem, en leidden Hem Lenen, eerst tot Annas, want liij was de vrouws vader van Kajafas, welke datzelfde jaar Hoogepriester was. De Hoogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen, en van zijne leer. Jezus antwoordde hem: Ik heb vrij uitgesproken tot ds wereld. Ik heb allen tijd geleerd in de synagogen en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen, en in het verborgene heb Ik niets (jesproken- Wat ondervraagt rjij Mij ? Ondervraag degenen die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb. Zie, dezen ireten, waf Ik gezegd heb. Eu als Hij dit zeide , gaf een van de dienaren, die daarbij stoud, Jezus eenen kinnebakslag, zeggende: Antwoordt gij alzoo den Hoogepriester? Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade, en indien wet, tcaarom slaat gij Mij?

Do woeste en onstuimige handeling jegens Jezus, komt thans, zoo ver do gisting der gemoederen het toelaat, in liet spoor van eon geregeld rechtsgeding. Wij zien den lieere tlians:

I. In eonon geboeiden toestand, aan oen verhoor onderworpen; vervolgens zien wij Hem

II. Op do heerlijkste wijze zijne zaak verdedigen, en lil. Overvloedig gerechtvaardigd, daarvan terugkeoren.

In deze drie historische punten hebt gij do drie richtingen onzer tegenwoordige betrachting, waartoe de Clod aller genade ons zijnen zegen schenke!

I.

Do gewapondo bende heeft het met liaro handeling jegens Jezus ernstig gemeend, en zij hebben hun voornemen met kracht doorgezet. De Elve, dit ziende, zijn ter rechter- en ter linkerhand gevloden. Een jongeling, insgelijks lot do kleine kudde hohooronde, in de nabuurschap wonende, hoorende, wat daar huiten voorviel, en door heiligen drift tegen de muiters opgewekt, was rechtstreeks van zijn leger in lichte nachtkleeding naar de plaats van hot gerucht hoenge-spood. Nauwelijks echter wordt hij door do krijgsknechten gezien, of ook hij wordt gegrepen, on hij ontging alleen daardoor de bandon , en waarschijn lijk den dood, doordien hij met achterlating van zijn lijnwaad, naakt ontvlood. Ecu dor Evangelisten verhaalt ons dozon kleinen trok, onmiskenbaar om daardoor de vlucht der discipelen als eeno door het heetste gevaar noodzakelijk gewordone zaak aan to wijzen en to verontschuldigen. Ziet, in wolk eenen toestand de Hoero

ocr page 254

ons thans voor oogen komt. Omringd door een woud van speren en nilgetrokkeii zwaarden, moet Hij liet Zich laten welgevallen, dat Mem door eene bende ruwe wapenknechten in naam der openbare veiligheid en justitie, als oen gevangen straatroover, de boeien om do handen gelegd worden. Denkt eens, om die handen, welke enkel tot heelen en helpen, tot weldoen en uitredding zich uitgestrekt en nooit iets misdaan hadden, of men moest hot haar tot eene misdaad aanrekenen, dat zij der menschheid hare wonden openden, om ze weder genezende te verbinden; dat zij de habelhouwingen van den waan verstoorden, om in derzelver plaats den tempel der waarheid op te richten, en de altaren der valsche goden verbrijzelden, om die van den Waarachtigen God alleen plaats te verschaften. Jezus gebonden! Welk eenen aanblik! Dat dit feit op aarde mogelijk was, maakt allo overig getuigenis voor het bederf der wereld en voor hare behoefte tot verzoening overbodig. Hoe menig profetisch voorbeeld van bet Oude Verbond vindt zijne verwezentlijking in den gebonden Jezus. Vraagt gij naar hot tegenbeeld van Izaac, hoe bij door zijnen vader Abraham als Lam op het brandoffer-altaar gebonden werd: of naar dat van den ram op Moria, die in de doornstruiken verwarren moest, omdat hij liet was, welke door God voor het offermes was bestemd; of naar dat van den heiligen verbondsark, toen zij in de handen der 1'hilistijnen gevallen was, alleen om hunne goden van hunnen troon te doen vallen; of naar dat van den zoon van Jacob, die in Egypte gebonden en in de gevangenis geworpen werd, wiens weg zich door do handen heen tot het purper en den zetel der eere heendrong; of naar dat der paaschlammeren die, alvorens zij tot verzoening der gemeente geslacht werden, aan de dorpels van den tempel vastgebonden werden, of eindelijk naar dat van den Richter Simson, die gebonden was, maar spotte met de banden van Delila, en in zegepraal uit den strijd tegen de Philistijnen terugkeerde. Al deze schaduwen en voorbeelden vinden in den gebonden Jezus, als in hun belichaamd toon-en tegenbeeld hunne volkomene vervulling. Jezus gebonden! Mogen wij onze oogen gelooven? De Almacht in boeien? De Schepper aller dingen met koorden gekneveld, die bet schepsel Hem heeft aangelegd. Do Heere der wereld een gevangene van zijne sterfelijke onderdanen! Zekér, hoe veel lichter ware het Hem geweest deze banden te verbreken als weleer don zoon van Manoah. Doch Hij verbreekt ze niet, maar laat ze Zich, als ware Hij een onmachtige en overwonnene, welgevallen. Dit zijn lijdelijk gedrag moet voorzeker een groot en verheven oogmerk tot grond en reden hebben. En zoo is het werkelijk. De zoo even opgenoemde voorbeelden wezen er reeds been. Neen, niet de overmacht der wapenknechten slaat Hom in banden ; wat Hem tot eenen gevangene maakt is bet raadsbesluit des eeuwigen Vaders, aan hetwelk Hij Zich in vrijwillige liefde onderwerpt; de liefde tot zijn volk, welks redding en verlossing Hem boven alles ter harte gaat, én zijn ijver in de volbrenging van het op Zich genomen groote werk, waartoe de intreding in dezen toestand van vernedering wezen tl ijk' behoorde. De zichtbare banden, die Hem om-yeveiij wijzen heen op meer ontzettende onzichtbare banden, waarin

ocr page 255

Lgt;37

Hij zich thans heoft laten binden. De banden van louwen scliaduwen slechts naar buiten al'de ontzettende gevangenschap, welke Hij iu het geweld der duistere machten ondergaat. Een binden van den groeten Borg, ten gevolge van een bevel van inheclitenisneming des rechterlijken Gods wordt er door aangeduid. Immers Christus slaat bier in de plaats van zijn volk, dragende hunne zonden, en daarom behoort ook tot Hem wat tot ons behoort: versmading, overlevering in de banden der hel, berooving van alle vrijheid en wat dies meer zij. Werd Hij echter in onze plaats gebonden, zoo zijn wij, wat, van zelve spreekt, vrij. Nam Hij plaatsbekleedend onze boeien aan zijne handen, dan beboeren wij niet meer tot dezulken, die met ])anden der duisternis lot liet oordeel van den groolen dag bewaard worden. Dan ketenen geene boeien van den vloek ons meer. Onze inhecbleniszitting in de ijzers der wel en des satans beeft een einde. Wij zijn ontslagen en op vrije voeten gesteld, en hebben van do zijde van bet eeuwig gerechtshot' geene gevangenneming meer te vreezen. In welke strikken wij ook nog kunnen geraken, aanhoudend kunnen wij er toch niet meer in verblijven. Het mogen strikken der duistere machten, óf der zonde, óf der wereld, óf zelfs wel van den dood zijn, zij kunnen de leden van onzen inwendigen mensch hard knellen, maar vasthouden kunnen zij ons niet meer; dat is onmogelijk! Was Petrus op jammerlijke wijze in des satans strik: geraakt, om der wille van den gebondenen Jezus kon God hem daarin niet laten blijven. Kwam liet met David zoo ver, dat hij geheel en al een speelbal der zonde werd, bet oogenblik bleef niet achter, waarin bij kon juichen: „de Heerc heeft mij uit eenen ruischenden' kuil, uil modderifj slijk opgehaald, en heeft mijne voeten op eenen rotssteen rjesteld!quot; Sloegen boven bet hoofd van Job al de aanvechtingen, als zoo vele watergolven te za-men ; in de slotkapittelen zijner geschiedenis lozen wij de woorden: En de lieerc loendde de gevangenis van Job. Moest Paulus, zoo lang hij leefde, zich het geleide der satansengelen, die hem met vuisten sloegen, laten welgevallen, van eéne zaak was hij zich echter volkomen bewust, dat hij zich niet voor altoos in dit gezelschap gebannen zou zien, en zijn pand hem bewaard bleef. Lag bij den armen Lazarus, om zoo te spreken, de dood jaren lang op bet kranke met wonden bedekte lichaam, eindelijk kwamen toch de Engelen en droegen den voor altijd genezene in Abrahams schoot. Ja, eindelijk, eindelij!:! Troost u hiermede, gij arme zondaren, die geloovig zijl, geworden. Zegt bet, welke banden zijn het, die u drukken? De ijzige banden der geestelijke dorheid, of de vuurvlammige der innerlijke aanvechtingen? of die der droefenis, misschien wel der ziekelijkheid en der armoede; of die van een tegenstrevend vleesch; of die der zorgen en der twijfeling? Weet het, eindelijk springen zij allen los, worden zij allen ontbonden. U kunnen nog slechts banden voorbijgaand en niet blijvend binden. En in zoo verre kunnen zij u slechts nog bezwaren, als bet tot uw heil en tot uwen vrede dient. Ten laatste moet alles, wat keten, strik, en boei heet, voor altijd van u wijken. Ik zeg moeten, omdat Christus de banden droeg, die voor u gevlochten of gesmeed waren, en omdat een van beiden: de

ocr page 256

238

gerechtigheid van God, of de verdienste van zijnen Zoon zou te gronde gaan, wanneer gij in eoniy bezwaar, gevangenscliap of gebondenheid op den duur zoudt blijven liggen. (Idool'l het, want het is heilige, cn op eenen diepen grond berustende waarheid. Gelooft het, en te midden uwer banden zult gij in dat geloof reeds juichen: „De strik is verbroken, en wij zijn ontkomen!quot; Wat gij echter doet, bindt (jij Jezus niet. Gij bindt Hem, wanneer gij wantrouwend nu hier dan daar zijnen arm te kort waant, om u te behouden. Gij bindt Hem, wanneer gij plaats geeft aan de gedachte, dat Hij eenen zondaar, die zoo uiterst schuldig is als gij, niet verplicht en ook niet geneigd is te helpen. Gij bindt Hem, wanneer gij denkt, dat van uwe zijde eerst iets moet gedaan worden, alvorens Hij u kan behouden. Door zulk eeneti waan kerkert gij Hem en zijne genade in voorwaarden, in uitzonderingen en bepalingen, die door God niet gesteld zijn. Gij bindt Hem, wanneer gij het Hem niet toevertrouwt, dat Hij u ook dan beminne en Zich over u ontferme, waar Hem in uw persoon niets dan armzaligheid te gemoet treedt. En wanneer gij van Hem onderstelt, dat Ilij enkel den getrouwen en heiligen mensch getrouw is, en niet den gebrekkige, zoodat gij de toedeeling zijner genadegaven en genadige hulp afhankelijk maakt van de mate uwer waardigheid, ja, alsdan bindt gij den Heere Jezus, alsdan logt gij, zeker slechts in uwe voorstelling, zijne vrije handen ketens aan, en beperkt gij Hem, en sluit gij Hem in op eene wijze, welke als volstrekt onwaar, onevangelisch te veroordeelen is. Neen, bindt Hem niet op deze wijze, wilt gij Hem echter binden, o bindt Hem dan met de gouden keten zijner beloften tot uw heil. Zegt tot Hem: „Gij hebt gezegd: dit wildet Gij in genade doen, en dat wildet Gij doen — o gedenk er aan.quot; O]) deze wijze laat Hij Zich gaarne door arme zondaren binden. Zoo bonden alle zijne heiligen Hem in hunne angsten, bezwaren en nooden, cn er is geen voorbeeld van aan te wijzen , dat Hij deze banden ooit verscheurd heeft.

II.

Ziet, daar gaan zij triomfeerend met den gebondene heen. Zij brengen Hem allereerst naar Annas, de vroegere hoogepriester, de schoonvader van Kajafas, een zondaar van honderd jaren. Waarom eerst lot dezen? Misschien wel om den ouden man, die te kennen zal gegeven hebben, dat hij den dweeper uit Nazareth gaarne lovend wensciite te zien, eene beleefdheid of genoegen te verschaffen. Doch de geheele handeling schijnt ook niet zonder voorafbespreking tus-schen hem en zijnen schoonvader te hebben plaats gevonden, eti hij, de oude zondaar, was in geheel de zaak van Jezus zeer zeker veel sterker betrokken, dan zulks uiterlijk het geval scheen te zijn. Het voorloopig verhoor, dat nu begint, werd ongetwijfeld door hem en Kajafas geleid. Reeds de vrije, meer onregelmatige loop, die het neemt, stelt dit buiten kijf. Hetgeen in de Evangelische berichten dit gevoelen schijnbaar wederspreekt, verliest alle beteekenis, wanneer men zich — waartoe reden genoeg voorhanden is, — Annas als met zijnen schoonzoon in één paleis wonende voorstelt.

ocr page 257

230

Zoo staat dan de ITeere vóór de rechtbank zijns eersten rechters, een van die jammerlijke mensclien, waarvan, helaas! ook onder ons niet weinigen worden aangetrofl'en en die, tweevoudig gestorven, vervreemd van de waarheid Gods, en verzadigd wordende door enkel alledaagsche dingen, niets hoogers meer tot zich laten komen, maar het verhevenste in liet gunstigste geval, slechts ais een schouwspel behandelen, en in hunne volslagen verstomptheid voor al het boven-aardsche, het brandmerk van den vloek reeds aan het voorhoofd dragen. Zeker behoorde hel niet tot het kleinste lijden van den Heilige Israels, van zich in de handen van zulke erbarmelijke en van alle edelheid ontbloote booswichten overgeleverd te zien. En ziet slechts hoe deze grijze zondaar zich tegen den Ileere der heerlijkheid verheft en opblaast, ofschoon hij zelf niet eens meer werkelijk iiooge-priester is, en hem, toen hij het nog was, enkel eene vluchtige schaduw van het waarachtig priesterschap omgaf, terwijl liet koningsschap én priesterschap te gelijk, thans in den persoon van den ge-bondenen Nazarener voor hem staat. Jezus neemt echter al de verootmoedigingen, die Hein overkomen, gelaten aan, en wij weten nu om welke redenen Hij dit doet. Wij kennen immers zijn geheimvol standpunt, waarop Mij niet enkel door zijn eigen voorbeeld ons wil aanwijzen, dat zijn koninkrijk niet is van deze wereld, en dat derhalve de eer ook iets geiieel anders is, dan wat de wereld met dezen naam aanduidt, maar dat Hij ook als de voor ons instaande en betalende Borg de plaats inneemt, waardoor het Hem boven allen betaamde, om den eeuwigen Vader de hooge deugden eener voleindigde zelfverloochening en overgave in onze plaats, in iegen-stelling met onze goddelooze zelfverheffing, te betoonen. Het geloof zeilt in het scheepje der geestelijke betrachting over al deze plaatsen van vernedering, als over donkere wateren der zee heen, en waar het de onvergelijkelijke deugden van den zwaar beproefden Lijder ziet te voorschijn komen, aanschouwt het geloof paarlen, die in deze nachtelijke diepten blinken. Het geloof werpt het net der toeëigening naar hen uit, telt ze tot de sieraden zijner hoogtijdstooi, en gaat zoo, als een bruidegom in zijne pracht, uit de lijdensgeschiedenis weder hervoort, en onder do klaarste aanschouwing van wat het heet gerechtvaardigd te zijn uit genade, stemt hij in met het vooruit gestemde jubellied van den ouden Ziener: Ik ben zeer vrooljk in den Ileere, mijne ziel verheugt zieh in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de Ideederen des heils, den mantel der (jerechtigheid heeft Hij mij omgedaan I

Annas gaat voort met het verhoor, en vraagt den Heere naar zijne discipelen en naar zijne leer. Hij hoopt, dat de uitspraken van Jezus hem in staat zullen stellen, om tegen de discipelen als tegen eene staatkundig gevaarlijke muiterbende, en tegen Jezus' leer als tegen eene goddelooze ketterij de aanklacht te doen. Hij vermeet zich, om in zijne vraag. Hem als het vermomd Hoofd eener secte en als de Opperste van een geheim verbond te behandelen, Hem, die toch zoo openbaar als nooit eenig ander mensch met zijne zaak te voorschijn kwam, en overal en in alles in het helderste daglicht wandelde. Doch

ocr page 258

210

do wereld handelt nog lieden gelijk loon Annas deed. Omdat zij niet erkennen wil, dat wij de algemeen geldende eeuwige Goddelijke waarheid werkelijk bezitten, houdt zij deze, zich zelve alzoo beliegende, voor een bekrompen begrip, en ons voor eene secte. Dat zich de ge-loovigen met nadruk Christenen noemen, is der wereld ondragelijk. Zij verklaart hen veelmeer voor een, door kleingeestige en zonderlinge denkbeelden bevangen, geheim bondgenootschap, en laat niet na, om hen nu deze, dan die schimpnaam toe te voegen. Hoe onverholen wij nu ook onze zaak van de daken prediken, en hoe grondig wij bewijzen, dat wij niet anders gelooven en belijden, dan wat van ouds af de geheele Christelijke Kerk vóór en met ons geloofd en beleden heeft, en waarop de edelste en uitnemendste menschen van alle tijden gerust en zalig geleefd hehhen en gestorven zijn, — de wereld blijft in hare meening volharden, (al moet zij het zich ook met geweld opdwingen,) dat ons geloof niets is dan een bekrompen godsdienst, en wij enkel in dwaling bevangen dweepers zijn. Zij is er op uit, om door eene gedwongen verdachtmaking, op geschikte wijze de waarheid met hare spiesen en nagels verre van zich te houden, en hun godvergeten en vleescbolijk streven ten minste eenen schijn van recht te geven.

De Heere geeft den hoogepriester alleen antwoord op de vraag naar zijne leer, want liet gold bier minder de eere van zijn persoon, dan die zijner zaak te handhaven, welke de zaak van C!od was, en die Hij d aarom vermeende te moeten verantwoorden. Te gelijk wilde Hij het voor altijd tot klaarheid gebracht hebben, dat Hij uitsluitend van wege het getuigenis van zijn Goddelijk Zoonschap veroordeeld en gekruisigd is geworden. Ik heb, dus sprak Hij, vrij uit (letterlijk met pavrhesie, dat is met vroolijke openinr] mijns monds) gesproken tot de ■wereld. Ja, dat had Hij. In alles wat Hij sprak, kan men de diepe zekerheid en de machtige overtuiging van den Heere uit den hemel tasten, die openbaarde wat Hij zelfgezien en geboord had, en niet gelijk de wijzen van het vleesch, er op uit was, om zijne stellingen met vele bewijsredenen tegen de mogelijke tegenwerpingen van anderen als met een harnas te bedekken, maar die wist, dat wie uit de waarheid is, zijne stem hooren, en zijn woord als het woord van den levenden God erkennen zou. En Hij misrekende zich daarin niet. Nog heden, waar een mensch ontwaakt uit den strik des satans en tot erkentenis zijner behoefte komt, behoeft Hij geene bewijzen meer voor de waarheid van Jezus, omdat zijn hart ze alsdan aanneemt, even alsof hij ze onmiddellijk van den hemel hoorde spreken, en hij tns-schen de woorden van Jezns en de uitnemendste woorden der menschen eene klove des onderscbeids ontdekt, welke zoo groot is, dat bet hem onbegrijpelijk is, hoe bij die klove niet reeds lang ontdekt heeft. De Heere Jezus gaat* voort: Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen ie zamen komen. Dit had Hij, en niemand bad Hem ooit iets kunnen aanwijzen, dat met bot woord der openbaring in het Oude Testament niet op de volkomenste wijze overeenstemde, en niet bet wezen van een heilig God niet in de aller voor trellel ij kste eenklank stond. De leeraren in Israël moesten voor zijne prediking in verstomming de wapens strijken.

ocr page 259

ci41

Wat wil dan Annas van Jezus' leer weten? Treffend merkt liet een uitlegger op: „Men kan liier in Jezus al de kenmerken van een waar leeraar vindon, namelijk een vast vertrouwen, dat niet schroomt voor de wereld to getuigen; eene standvastige voortzetting van hot getuigenis ten allen tijde, benevens eene aansluiting aan oenc bestaande men-schelijke en Goddelijke ordening.quot; in het verborgene heb Ik niels (jc-sproken — zoo gaat do Ileere voort. Neen, ook het raadselachtige, donkere, geheimvolle niet. Veel er van heeft eerst in den loop der eeuwen zijne verklaring gevonden. Kon ander gedeelte staat tot op dit oogenblik nog gesloten en verzegeld voor ons, en wacht op zijne ont-i'ijl'ering. llij wist, dat zoodanige dingen den zijnen langen tijd een raadsel zonden blijven, doch dit verhinderde Hem nochtans niet, het uit te spreken. Dit was een teeken te meer, dat Hij duidelijk en klaar wist, dat zijne leer Goddelijk, en daarom tot aan het einde dei-dagen blijvende was. Wat onderumar/t rjij Mij — zoo eindigt de Heere — ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb. /ie deze weten, wat Ik gezegd heb. I Loe ware het mogelijk, dat de Heere krachtiger voor de zuiverheid en Goddelijkheid zijner leer had kunnen getuigen, als juist daardoor, dat Hij zijne rechters opeischte, om al dezulken, hetzij vrienden of vijanden, die Hem ooit gehoord hadden, uit te noodigen, om voor zijne rechtbank te verschijnen, en hen af te vragen, of zij in staat waren, iets te voorschijn te kunnen brengen, wat grond gaf tot eene aanklacht of beschuldiging? En nog heden schuwt Hij geene getuigen, maar beroept llij Zich veel meer ter gunste zijner zaak, voor en na, op allen, die zijn woord hoorden en hetzelve aannamen, en deze verzegelen het eendrachtig, uit eigene ondervinding, en zullen het eeuwig verzegelen, dat zijne leer van God is, en dat llij niet van Zichzelven gesproken heeft.

III.

Do Heere is nog bozig met spreken, toon een der dienaren van den Hoogepriester zijne hand ophief en inet de woorden; Antwoordt Gij alzoo den Hoogepriester? Hem eenen slag in hot aangezicht gaf. Thans kunt gij zien , waarop hot gemunt is. Met deze eerste mishandeling was het sein tot honderd andere, die volgen zouden, gegeven. Het was den knecht niet ontgaan, hoe volkomen zijn hooggeplaatste meester door hot' eenvoudig antwoord van den beschuldigdo in de engte was gedreven, en zoo bood zich dan nu nog als eenig en laatst middel, om Hem uit zijne pijnlijke verlegenheid en beschaming te ontrukken, deze vuistslag aan. Dat de dienstknecht zich deze beleediging durfde veroorloven, ja, dat hij daardoor in de gunst van zijnen gebieder enkel stijgon kon, was hem ten volle bekend, en zoo spiegelde zich, gelijk dit zoo dikwijls het geval is, in de ziele van dezen dienaar, niet anders dan de gezindheid van het huis, welks dienst,kleed hij droeg, af. Het was ontzettend, om op deze wijze den Heere des Hemels to behandelen. Reeds om der wille van deze eene misdaad, welke niet op rekening van den enkelen mensch, maar

10

ocr page 260

op die onzer bedorven menschelijke natuur komt, had ons geslacht, liet geslacht van Adam, verdient, dat de hel haren mond opengedaan en het even als vroeger het rot van Korah verslonden had; docli niet om onzen ondergang te bespoedigen , maar om dezelve te voorkomen , was Jezus gekomen. Ziet het, hoe daarom ook geen bliksemstraal uit de wolken neervalt, om den roekelooze te verpletteren, en ook niet de hand van dezen booswicht, gelijk die van Jeroheam, verstijfde, in het oogenblik, dat hij ze tot den slag ophief, en hoe daarom ook de zwaar beleedigde niet dreigt, en niet sclieldt, maar de mishandeling, welke zijne heilige ziele nog smartelijker moest treffen dan zijn lichaam, gelaten aanneemt, met eene zachtmoedige terechtwijzing van den nietswaardige, zoodat Hij ook hier weder feitelijk zijne leere herhaalt: „Ik moet betalen, wat Ik niet geroofd heb.quot;

Antwoordt Gij cdzoo den llooyepriesler? Hoort, alsof de Heere, die overal en ten allen tijde, ook in het verkeer met menschen, wist, zoo als niemand het wist, wat betamelijk was, — den aan de hooge-priesterlijke waardigheid toekomenden eerbied uit het oog verloren had! Doch hoe dikwijls gaat men ook met ons op gelijke wijze te werk. Als men tegen de waarheid, waarmede wij de kinderen dei-wereld tegentreden, zich niet meer verdedigen kan, terstond heeten wij dan hoogmoedig, aanmatigend, onhandelbaar, en wee ons geheel en al, wanneer wij zelfs bij aanzienlijke en hooggeplaatste personen in ons geloof getrouw volharden, en ons vermeten om der waarheid in geen enkel punt prijs te geven. Hoe verheft zich dan ook tegen ons de gehuichelde ijver, om de eer der gezagslieden te handhaven, en hoe roept hij ons, terwijl hij ons in den geest menigvuldige kinnebakslagen geeft, zijn uit de hoogte gesproken: Antwoordt (jij cdzoo den Hoogepriester? toe. Wat blijft ook ons echter in zulke omstandigheden over, dan om het wederantwoord van onzen Meester tot het onze te maken: Indien Ik kwalijk aesproken heb, betuig van het kruade, en indien wel, waarom slaat gij Mij? Hoe vernietigend was deze vraag voor den knecht, en tegelijk voor zijnen heer! Het was een hamerslag, die den prikkel in hun boos geweten slechts te dieper, ja tot in het merg van hun gebeente insloeg. De kinnebakslag met de hem vergezellende trotsche woorden, was toch enkel een klaar bewijs dat de onverlaten zich niet in staat gevoelden, den Heere ook slechts van het geringste te beschuldigen, dat bewijsbaar was. Zij sloegen enkel zich zeiven in het aangezicht, naardien zij door hunne handelwijze enkel het openbaar getuigenis gaven, hoe diep en gevoelig de waarheid hen getroffen had.

Zoo ging dan onze Heere en Meester, door dit eerste verhoor op de volkomenste wijze gerechtvaardigd, heen, en het waren alleen do Hoogepriester en zijne trawanten, die met het schandbord voor hunne borst aan de kaak bleven staan. In hun lot is het lot afgebeeld van allen, die de roekeloosheid hebben om hun schild tegen de zaak des Heeren te verheffen. Zijne zaak zal uit kracht van hare innerlijke waarheid, met eene stil voortgaande zegepraal alle aanslagen en aanvallen ie niet doen. ,Wat ook tegen haar beraadslaagd of ondernomen worden moge, zij zal altijd weder te zijnen tijde, gelijk de zon uit

ocr page 261

LH;?

hare hoogte, op de tot aan cien voet des bergs nedergeploften nevel, op alle tegenspraak en tegenkanting, als op overwonnen machten, met eene trotsche kalmte nederzien. Hiermede vertroosten wij ons, en daarvan zijn wij zeker, en zingen daarom vroolijk in het geloof:

Ook Eden is uw rijksgebied,

Al sloop de slang er binnen.

Uw rijk is uit de wereld niet,

Maar zal haar overwinnen.

0 Jezus, onverwinbaar Held!

Uw heir behoudt alleen het veld;

Gjj Zon! blijf eeuwig lichten,

En elke damp moet zwichten:

Het ga door dood en smaadheid heen ,

Maar U behoort het rijk alleen.

Amen.

ocr page 262

XXIV.

II E ï R E C II T S G E 1) I N G.

liet is eene ontzettende waarheid, mijne Vrienden! dat aan liet eindpunt van onze korte aardsche loopbaan zich niet zoo dadelijk, als menigeen zich dit droomend voorstelt, do hemel, met zijne altijd groenende weiden voor ons opent, maar dat in de allereerste plaats zich die rechterlijke troon verheft, voor welken, naar de verzekering des Apostels, '2 Cor. 5 : 10, wij allen moeten yeopenbaard worden. Dut deze troon werkelijk hestaat, wordt door velen betwijfeld. Doch hoe zou ons dit verwonderen? Wal men niet wenscht, dat gelooft men ook niet gaarne. Wie echter genegen is om liet bestaan van zoodanig Goddelijk gericht aan het slot van onze vreemdelingschap te loochenen, die zie wol toe, hoe liij zich tegenover den Heere Christus, die dit op de onomstootelijkstc wijze beweert, alsook tegenover de Profeten en Apostelen verantwoordt, daar deze allen, in den naarn van God, deze stelling herhalen en bevestigen; en die bewijze dan ook meteen, dat deze door teekenen en wonderen verzegelde getuigen geen geloof verdienen, maar leugenaars en bedriegers bevonden zijn. Betwijfelt iemand, alvorens het hem gelukt is dit bewijs te leveren, het bestaan van zulk een gericht, zoo houden wij hem voor een beneveld, onverstandig, ja kwaadwillig mensch, en beschuldigen hem, dat hij dit oordeel slechts ontkent, om zich aan den indruk dezer waarheid te onttrekken, en des te ongestoorder zijn Godvergeten zondig leven voort te kunnen zetten. Ja, er is een oordeel, zoo tils wij het genoemd hebben, of er leeft geen persoonlijke God in den hemel; wat wij ons geweten noemen, is, bij gebrek van zulk een Oordeel, zelfbedrog en waan; van het bestaan eener hoogere wereldordening droomen wij dan slechts, en wat wij van een leven aan de andere zijde des grafs spreken, is in dit geval slechts een hersenschim, een sprookje.

Openbaar worden is ons niet aangenaam en niet wenschelijk. Wij beminnen van nature de duisternis en de vermomming en niet het licht. Wanneer ons slechts een boven ons geplaatst mensch ter zijde neemt, omdat hij ons, zoo als men zegt, iets onder vier oogen te zeggen heeft, boe verschrikken wij dan reeds gewoonlijk. Terstond ontwaakt alsdan in ons de pijnlijke argwaan, dat er aan ons iets mocht gezien zijn, dat ons tot berisping verstrekt. En is dit werkelijk het geval, hoe' zijn wij alsdan te moede! Het is een ellendig mensch, die achter ons masker ziet, en reeds kan bet ons zijn, als

ocr page 263

245

stniidon wij voor een pijnlijk halsgencht. En wat zul het dan nu zijn, als hel openbaar worden voor Hem begint, die oogen heeft als vuurvlammen, en voor Wien er geene omhulsels en sluiers zijn? Gij siddert bij deze gedachte, ü, dat gij slechts diep genoeg mocht sidderen! Den waarlijk verschrokkene zal ik ditmaal de verborgenheid ontzegelen, hoe men . er toe komen kan om met kalmte ook aan de verschrikkingen van het laatste oordeel te gedenken, ü, het heelt veel gekost, deze mogelijkheid tot stand te brengen. Doch, geloofd zij God! zij kwam tot stand.

Jou. 18 : 24, 14. Mattii. 2G : 57, 59—Gl. Marc. 14 : 53; 55—59.

Luc. 22 : 54.

Annas dan, had Hem gebonden gezonden tot Kajafas den Hoogepriester. Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was. dat één mensch voor het volk stierve. Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot het huis van Kajafas den Hoogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. En de 0verpriesters en de Ouderlingen en de geheele groote raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem dooden mochten, en vonden niet; en hoewel er vele valsche gekomen waren , zoo vonden zij toch niet; want velen getuigden valschelijk tegen Hem, maar de getuigenissen waren niet eenparig. Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen en zeiden: Wij hebben Hem hooren zexjejen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen, zonder handen gemaakt, bonwen. En ook al/.oo was hun getuigenis niet eenparig. En de Hoogepriester in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen deze tegen U. Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets.

Christus voor do rechtbank der geestelijke of kerkelijke overheden — ziedaar de gebeurtenis, waarin wij ons heden te verdiepen hebben. De schijnbare tegenstrijdigheden in het leven van Jezus vermenigvuldigen en verhoogen zich, lioe nader zij aan hunne beslissende eindoplossing komen. Men stelle zich voor: de Heilige Gods op de bank van de misdadigers, do Rechter der wereld geoordeeld voor de zondaren. Waar is ooit een krijschender wanklank gehoord ? En wat op de schouwplaats der aarde- en der menschelijke geschiedenis zich ontwikkelt, is nog niet eens het meest verbazingwekkende en meest bevreemdende van hetgeen er voorvalt. De naar ons toegekeerde historische buitenzijde van het gebeurde vertegenwoordigt slechts, zoo als reeds vroeger opgemerkt is, do plaats van een met zinrijke zinnebeeldige figuren bewerkt voorhangsel, achter welke eerst de eigent-lijke, door deze slechts afgebeeld, en enkel door middel van het ge-loofsoog waar te nemen rechtshandel geschiedt; een rechtshandel, waarin wij allen in de hoogste mate deel hebben, en die voor eene oneindig hoogere rechtbank, dan de vergadering is, die wij in het Joodsche sanhedrin vereenigd zien, zijnen loop heeft.

ocr page 264

De openbare handeling jegens Jezus maakt hot onderwerp onzer tegenwoordige beschouwing uit. Wij richten ons oog:

I. op liet gerechtshof,

If. op het getuigenverhoor, en eindelijk

III. oj) den Beschuldigde.

Het behage den lleere, ons ook hier in de verborgenheden van zijnon lijdensweg in te wijden.

I.

Nog is het nacht, üe stad Jeruzalem ligt nog grootcndeels in diepe sluimering, en vermoedt niets van hetgeen binnen hare muien ontzettends en te gelijk zaligs voorvalt en zich met do wereldhistorie verbindt. Slechts hier en daar hoort men eenzame voetstappen door de straten gaan en den weg naar hel hoogepriesterlijk paleis inslaan, waarvan de Ion ongewonen ure door lampen en fakkelschijn verlichte vensters en portalen op zaken van buitongevvonon aard heouwijzen. Ook wij begeven ons derwaarts. Wij zien aldaar in cone ruime zaal oene hoogaanzienlijke vergadering. Hot is hot sanhedrin, de raad der zeventig oudsten in Israël, met den hoogepriester als voorzitter aan liet hoofd. Eono naar hunne bediening hoogwaardige vergadering; het aanzienlijkste en eerbiedwokkendsto der gansche wereld, naardien het op Mozes stoel gezeten, in hot midden van het uitverkoren volk, naar liet wetboek en in den naam van God, den Allerhoogste, zijne rechtspraken deed liooren. Wij zien ter zijde van den hoogepriostoi en vooizilter de mannen, die vroeger de hoogepriesterlijke waardigheid bekieeddon. Achter dezen ontdokken wij allereerst de hoofden der vier en twintig priostorafdeelingon. Dan volgen do oudsten of do hoofden der synagogen, en liet overige gedeelte der bijeenvergaderdon bestaat uit voorname schriflgeleerden en der wet kundige mannen, ervaren in de Mozaïsche instollingon en in de overleveringen en stelregelen der rabbijnen.

Doze lieden waren, als bewakers van het heiligdom, boven alles verplicht, om de ordeningen van Jehova to handhaven onder het volk, de rechterlijke verschillen der enkele stammen te vereffenen, voor de zuiverheid dor leer en van den Godsdienst te waken, en opkomende ketterijen te toetsen on te richten. Het behoorde alleszins tot do be-voogdheid, ja tot don plicht dezer lieden, om eenen man, die zich voor den Messias uitgaf, ter verantwoording te roepen en op het nauwkeurigst en nauwgezetst te ondervragen en te verhoeren; en dat hel ook den Heilige Israels niet in de gedachte kwam, hen dit recht te betwisten, blijkt duidelijk genoog uit zijne eerbiediging van den Raad als zoodanig, welke Hij niettegenstaande de zedelijke gesteldheid van enkele zijnor loden, gedurende don loop van liet rechtsgeding niet naliet te betoenen. Hij ziet in het sanhedrin do rechtbank van den oordeelenden God; doch Hij ziet dezelve daarin op nog hoogere wijze, en wel zóó, dal Hij ook door hetzelve de stem van God ver-

ocr page 265

neemt, ter plaatse waar de raadsheeren voor hunne personen uit de ingeving des duivels spraken, en dat de onrechtvaardige uitspraken van deze lieden zich voor Hem in gegronde en rechtvaardige vonnis-\v ij zin gen van het hovenaardsche Gerechtshof veranderen.

liet geslacht onzes tijds wil van een Goddelijk Gerechtshof niet meer weten. Men zegt liever met den dichter van Griekenlanus goden: „De wereldgeschiedenis is het wereldoordeel!quot; dan met den dichter van den 143 Psalm: Heere, rja niet in het gericht met uwen knecht, luant niemand, die leeft, zal voor tow aangezicht rechtvaardig zijn. Men laat liet geheele oordeel Gods zich oplossen daarin, dat het goede zichzelf in de blijdschap der zedelijke bewustheid beloont, en dat daarentegen het kwade zijne straf vindt in het berouw, dat het volgt. Zoo maakt men het oordeel los van God den Almachtige, gelijk men God zelf van de wereld en van het menschelijk leven losmaakt, en men roept in zijne dwaasheid: „Vrede, vrede, en geen gevaar!quot; fdsof datgene, wat wij ontkennen, daarom ophield te bestaan, omdat wij het ontkennen. Wie het zich echter voorgenomen heeft, om aan eene rechtspraak achter do wolken niet te gelooven. die moge dan nog maar een weinig wachten, zoo zal hij tastbaar en voelbaar van het bestaan er van overtuigd worden. Het is nog om eenen kleinen tijd te doen, en dan zullen wij allen bij ondervinding weten, of het Woord Gods recht had met zijn: Wij moeien allen geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, dan wel het menschelijk verstand met zijne vermetele beweringen. Wij voor ons gelooven met de Schrift, dat God zijnen troon heeft opgelicht, om de kinderen der menscben te oordeelen, en dat gerechtigheid en gerichten de bevestiging zijn van dezen troon. Wij zien zijnen troon zich verheffen op de doode-lijke branding van de golven van den zondvloed, even als op de asch-hoopen van Sodom en Gomorra en de puinhoopen van Jeruzalem, en het is bij ons do vraag niet meer, noch wat Salomo zegt, dat God alle werken voor liet gericht zal brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad, noch wat tie Apostel zegt: /iet, de Heere is gekomen met zijne vele duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen. Er is eene Goddelijke Rechtbank, ons wacht een bepaald Goddelijk oordeel, en dat is zoo zeker, als God waarachtig, heilig en rechtvaardig is; zoo zeker als Hij den sluier, waarin aan deze zijde des grafs zijne gerechtigheid nog bedekt is, eenmaal oplichten moet; zoo zeker als de stem van ons geweten, deze heraut van den gerichtoefenenden God, niet als een leugen zal bevonden worden, en de Zoon Gods, de Koning der waarheid, ons de ontzettende woorden heeft nagelaten: Alsdan zal Hij zeggen tot die, welke aan zijne linkerhand staan: Gacd heen, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijne engelen bereid is.

Wat moet het echter zijn, voor dezen rechterstoel te moeten verschijnen. Zijn troon, zegt de Schrift, is enkel vuurvonken, deszeifs raderen een brandend vuur. Onze God —• zoo roept niet enkel Mozes, maar met hem ook Paulus uit — onze God is een verlerend vuur. Vreeselijk is het — zegt dezelfde Apostel — te vallen in de handen van den levenden God. Voor de rechtbank van den levenden God

ocr page 266

248

wordt niet naar gunst beslist, maar naar recht. Hier is de regel liet woord: Vervloekt is een. iegelijk, die niet blijft in al mat geschreven is. Hier wordt gehamleld naar den grondregel: Wanneer iemand do f/ansche toet houdt, en overtreedt in een, die is aan allen schuldig. En hier wordt niets al'gedongen en laat men ook niets vallen. Het is lichter, dat de hemel en aarde voorbijgaan, zegt de Heere, dan dat één tittel der wet volle. Voor hemanteling der waarheid en veront-schuldiging van het onrecht is hier geene plaats meer. De boeken zijn geopend, en de oogen des Rechters zijn als vlammen vuurs, en zij beproeven harten en nieren. Niemand hope ook., dat hier met bidden ol' weenen iets uit te richten zij. Hier wordt niet naar aandoeningen geoordeeld, maar enkel naar onwankelbaar eeuwige beginselen. Hier is geene speelplaats meer voor verblindende verdedigingskunsten. Wie zou kunnen hopen Hem te blinddoeken, voor wiens oogen alles naakt en geopend is. Hier blijft geene gelegenheid meer over voor beroep op andere rechtbanken ot' voor uitstel. Men staat voor de hoogste en laatste rechtbank. Zoo als bet hier beslist wordt, zoo blijft het beslist. Niet enkel de mond van den Rechter oordeelt en richt hier, maar geheel zijne natuur, geheel zijn wezen. Hij kan geene enkele zonde onveroordeeld laten. Hij zou, wanneer Hij bet deed, met Zicbzelven in tegenspraak komen. Ten einde God te blijven, moet Hij de duisternis als duisternis en niet als licht behandelen, en moot Hij het verwerpelijke verwerpen, en niet overliet hoofd zien, veel minder verontschuldigen.

Voor deze allerhoogste rechtbank nu, staat de in boeien geslagen Man in onzen tekst, want, zoo als gezegd is, gij moet niet enkel in. het zichtbare, bet grootste rechtsgeding, waarvan hier sprake is, zien houden, maar voornamelijk in bet onzichtbare. De Heere staat hier ook niet voor het gericht als de Heilige, maar als zondaar. Ons schuldboek werd voor Hem als het zijne geopend. Hem worden onze zonden voor oogen gehouden, want Hij draagt ze. Met: onze misdaden beladen, wordt Hij in de weegschaal van het Goddelijk oordeel gelegd, want zo zijn llein toegerekend. Wat zal bier tusschen Hem en Dien, die op den troon der majesteit gezeten is, zijn voorgevallen? De sluier der eeuwigheid bedekt het. Eén ding is ons echter niet verborgen, dat Hij tiaar in onze plaats stond. Gelijk Hij, zoo zouden wij eens daar gestaan hebben, wanneer Hij niet verschenen ware, en wee ons, zoo wij zelve voor onze zonden hadden moeten betalen. Thans echter mag zulk eene gedachte ons niet langer verschrikken. Neen, mijne Vrienden! thans niet meer — wanneer wij namelijk Christus' eigendom zijn. Wat ons ten laste kwam, heeft Hij afgedaan. Wij komen niet meer in het oordeel, sedert Hij sprak: „Zit hier neder, en laat Mij heengaan.quot; Wij stonden in Christus in het verhoor, vernamen in Hem ons vonnis, moesten in Hem voor het aangezicht des Rechters verstommen, en hebben in Hem de bloedige bezoldiging betaald, welke wij der eeuwige gerechtigheid schuldig waren. Nu is de Rechter met ons verzoend. Nu zien wij ons den weg tot in het binnenste des heiligdoms geopend. Geen slagboom van eenige verdoemende wet verspert ons meer den weg ten hemel.

ocr page 267

LH9

Helder zien wij in de wolken, en de donder, «lie ze doorklatert, klinkt ons niet meer toe als do klank van de arme zondaarsklok, maar als een vriendelijk groetend vredeklokkengeluid uit liet geliefd en ge-wenscht vaderland. Valt er ook oen bliksemstraal der wrake uit den hemel, ons treft zij niet. Dreigt de Heere uit zijne lioogte. Hij meent er ons niet mede. Klinkt de bazuin des oordeels, ons noodigt zij niet voor den vreeselijken gerechtszetel. Vaart het zwaard van den Goddelijken toorn uit «Ie schede, wij zijn bet niet meer op wie het gemunt is. Worden de boeken opengedaan, wij kunnen met gerustheid hare bladen hooren ruischen. Wij weten van geenen Hechter meer, de Rechter is onze Vader. Verrukkingwekkende bewustheid! Lof zij u, o geoordeelde Jezus! want U danken wij deze zaligheid alleen.

II.

Terug in de zaal van het gerechtshof! De llooge Raad zoekt gelni-genis tegen Jezus. Hij zoekt het, omdat zich ongezocht zulk een getuigenis niet opdoet. Wat zich ongezocht opdoet, dat spreekt alles voor Hem. Hij moet echter uit het midden der mensdien, ja Mij moet. Waarom? Omdat Hij de trotsche heeren, die Hem nu tusschen zich ingesloten hebben, hun spel bedorven heeft, en hun eigenlievend doen en streven overal in den weg staat. Hun verstand is minder met Hem in strijd, dan bun hart. Iets anders hebben zijne vijanden over liet algemeen niet tegen Hem. Zij kunnen Hem niet dulden, omdat Hij op verhinderende wijze in de schuilhoeken hunner zonden ziet, omdat HU de wegen der ijdellieid, die zij bewandelen, niet goedkeurt, maar hun godvergeten en vleescbelijk leven veroordeelt, en ontkent dat zij de rechtvaardigheid, welke voor God geldende is, bezitten. En omdat zij om zulke redenen Hem niet kunnen dulden, zoeken zij getuigenis tegen Hem , en moeten zij voor alle dingen zijne Godheid loo-clienen, want zoo Hij God ware, wie zou hen van den pliclit ontslaan. Hem te huldigen, en het woord zijner lippen te gelooven, dat lien veroordeelt? Woest daarom verzekerd, mijne Hoorders! het geheele Ratiomdismus (de rededienst) is een paddestoel, welke op den bodem vr.n het van God vervreemde hart en niet op dat van de verslandelijk onderzoekende rede gegroeid is. Gelooft liet, de meesten van hen, die onze leer verwerpen, verwerpen haar niet, omdat zij te wijsgeerige verstanden zouden zijn otn iets dergelijks te gelooven, maar om redenen, welke gelijk zijn aan die, door welke Felix weleer niet verder het Evangelie uit den mond van Pauhis hooren wilde. Zij gevoelen zich door zoodanige prediking in hunnen ijdelen en wereldlijken zin ontdekt. Wat baat het echter, dat zij loochenen, wat wij bevestigen en bezegelen. Waarheid blijft toch waarheid, ten spijt van hun hoofdschudden en ontkennen. Ghristus blijft de Heere van den hemel en hun Rechter; Christus bloed, dat zij met. voeten vertreden, blijft het eenige middel van redding voor hen, gelijk voor ons; Ghristus woord het eenige licht, dat in de donkerheid schijnt. En hoe staat het met de getuigen, die zij tegen Jezus hebben aan te voeren? O, deze arm-

ocr page 268

'250

zalipo snappers, op welke zij zich beroopen, en die onafgebroken niet siecbts ell\aii(lei', inaar ook ieder oogetd)lik zicli zeiven wedersproken. Bo gotnigon, die wij daarentegen voor ons geloot'op te roepen hebben, zijn de Godgewijde Zieners en Profeten, de heilige, heerlijke Evangelisten en Apostelen, de duizenden van bloedgetuigen, die in zijne kracht ook in de vlammen dor brandstapels Hem hunne psalmen zongen; ja op do geheele geschiedenis zijner Kerk beroepen wij ons, gelijk op de dagolijksche ondervinding van al do geloovigen, als op een doorloopend getuigenis voor Hem, die bot voorwerp onzer liefde is, en voor de waarheid zijner zaak.

De leden van den hoogen raad, wien om dos volks en ook om hun eigen gewetens wil, er voel aan gelegen ligt, om bunnen gerechtelijken moord ten minste met oenen schijn van recht te bekleeden, zijn er gedurig op uit, om getuigenissen togen Jezus op te sporen. Doch eene meer vrucbtolooze jacht is zeker nooit ondervonden geworden. Zij brandden van verlangen, om in don bof zijns levens slechts een enkelen doorn, eene enkele distel to ontdekken, waaruit zij Hem den doodkrans konden vlochten; doch zij vinden wol bloemen genoog, Hem tot eene eerekroon, maar van onkruid vindon zij ook niet een eonig halmpje. Nu stijgt lt;lo vertwijfeling tot don uitersten graad, (lokochte getuigen treden op, en wel eene geheele menigte, die in hunne bo-schuldigingskunstenarijon wel ervaren zijn en pogen om den Heilige de eene of andere leugen aan te wrijven. Doch wat doen zij? Zij stellen zich zolven met bon, die ben bobben gehuurd, op de schrome-lijksto wijze bloot, en geven aan den spiegel dor onschuld van den beschuldigde slechts een nieuw fooliosol. Wat zij zoggen oordeelt zich zolven als eene ongerijmdheid, en ook dat werd niet eens bereikt, hetgeen bij de Mozaïsche wet oen volstrekt vereisebte was, dat hunne getuigenissen overeenstemden. Zij komen van de eene verwarring in de andere, wederleggen tegen bunnen wil liunneoiiflerlingeuitspraken, en herinneren aan bot woord des Hoeren bij Zacbaria: Ik zal alle. paarden met schuwitjheid slaan en hunne ruiters met zinneloosheid. Do booge raad verkeert roods in do pijnlijkste onzekerheid. Er treden ten laatste nog wol twee getuigen op, die wanen door oen woord, dat de Heero Jezus langen tijd geleden gesproken beeft, en dat zij nu in eene moedwillig vordraakle gedaante weder ophalen , de diepgezonken waarde hunner beschuldiging weder op te heffen, liet is hot bekende woord, Job. 2 : 10: Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal Ik hem oprielilen. Hoods toen Hij dit woord uitsprak, hetwelk Hij door de op zich zolven beoDwijzondo bewoging zijner band voorzeker tegen elk ernstig misverstand bewaarde, word holfelvo door de Joden op de booste wijze miskend. Zes en veertig jaren is aan dezen tempel r/ebouiud, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten? Doen ui.i sprak van den tempkl zijns uciiaams, merkt de Evangolioscbrijver op, bij bet nederschrijvon van dit woord des Hoeren. Dat Hij in dien zin gespro-kon had, wisten ook do beide omgekochte getuigen zeer wel. Nochtans schijnt hun bet woord alleszins geschikt toe , om daarmede den schijn niet onkel van eene goddeloozo grootsproking, maar ook die van do majesteitschennis eenor lastering togen den tempel op Jezus te werpen, en

ocr page 269

251

zoo hooren wij hen dan zeggen: „Jezus heeft Zich beroemd: Ik wil den tempel afbreken en in drie dagen wederom opbouwen.quot; Doch ook hier komen zij nu weder, zoo als dit reeds uit de onderscheidene berichtgeving der Evangelisten blijkt, met elkander in de beslissendste tegenspraak. De een beweert, dat Jezus gezegd heeft „Ik wilquot; de andere „Ik kanquot; De een: Ik wil den tempel Gods afbreken en hem in drie dagen weder oprichten, de andere: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dayen eencn anderen, zonder handen fjcmaaki, bouwen. Genoeg, het spreken van deze beide maakt de mate der verwarring vol, en zelfs de Hoogepriester is niet nog niet eerloos en onbezonnen genoeg, om op zulk eene jammerlijke verdachtmaking zi jn rechterlijk beslissend vonnis te vellen. Zoo opgewekt was nog zijn geweten , dat hij het beklagelijke en nietswaardige van deze laatste uitspraken levendig gevoelde, en ware het ook niet reeds de stem van zijnen innerlijken rechter, die zich tegen een ernstig drukken op deze beschuldiging verzette, zoo had eensdeels de heimelijke bezorgdheid, dat zulk een rechtsgrond voor het volk weinig voldoende zou zijn, en anderdeels de heteekenisvolle, verhevene en indrukmakende rust, welke de Deschuldigde tegenoverstelde aan de ellendige vervalscliing van deze beide getuigen, hem daarvan afgehouden. Zoo strekte dan ook ten slotte het gansche gerechtelijk onderzoek van dezen in het opsporen van zedelijke zwakheden zoo ervaren kettermeester enkel tot verheerlijking van onzen lleere, terwijl daardoor diens smettelooze onschuld in bet allerklaarste licht gesteld werd. Ja, Droederen! Het is het Lam zonder vlek, dat Hij trouwens ook noodwendig zijn moest, om onze schuld te betalen.

Ach, wanneer eenmaal tegen ons de getuigen opgeroepen werden, hoe geheel anders zou de beschuldiging zijn! Alsdan zou het aan do vereischt wordende overeenstemming niet ontbreken. Ons geweten zou alsdan niets beters van ons weten te zeggen, dan de beschuldiger uit den afgrond, en ook niets beters de omgeving en de betrekking, waarin wij leefden, als Mozes, de verkondiger der heiligheid Gods op aarde, en wee! de hoofdgetuige tegen ons is alsdan de Hooge Rechter zelf, wiens oog ons overal gezien en ons binnenste tot in zijne geheimste plooien doorgrond heeft. En hoe zou daar het getuigenis tegen ons anders kunnen luiden, als: Tckel! Gij zijl getbogen en te licht bevonden. „Zou het zoo luiden?quot; Wie vraagt het? Dezulken misschien, die in Christus zijn? Dan antwoord ik: Neen, voor dezen zal hel eens anders luiden. Geene getuigen worden meer tegen u gehoord. Het getuigenis, dat u geldt, heeft zich tegen uwen Borg gekeerd. De beschuldigers te Jeruzalem liegen in iumne uitspraken legen Jezus, en zeggen ook wederom de waarheid. Waarvan /ij den Heere he-schuldigen , dat is Hij schuldig, omdat Hij in uwe plaats staat. Wanneer ons iemand voortaan in liefde onze zonden voor oogen houdt, zoo zullen wij het dankbaar aannemen en ons voor zulk een oordeel buigen. Wanneer iemand tot ons zegt: „Zie hier nog een gehrek aan u, en daar ook!quot; zoo zullen wij tot onszelven inkeeren en antwoorden: „Ach, mocht ik mijnen Heere geheel en al ter eere leven!quot; Wanneer echter iemand, hetzij mensch ol'demon, slechts eenigszins

ocr page 270

252

de houding1 wil aannemen, om op vijandige wijze ons voor God he-sclmMigend tegen ons op te treden, zoo verhellen wij onze stem er tegen en antwoorden; „(!ij vergist u. Want wat zou een rechter zeggen, wanneer hij hem legen eenen roover, die reeds zijne straf ondergaan iieeft, zich nog een heschuldiger wilde aanmelden? „Vriend,quot; — zoo zou iiij zeggen — „hehoud uwe getuigenis voor n. Het vonnis is uitgesproken en de pleidooien zijn gesloten.quot; Op dezelfde wijze zouden van do zijde des Uemelschen Rechters die getuigen worden afgewezen, die nadat ook ons rechtsgeding in Cliristus is afgeloopen, zich nog tegen ons zouden willen aanmelden.quot; Eene zalige waarheid, mijne Vrienden! Hier mag toch wel liet oude versje zijne volle rechtvaardiging hebben:

Of men red'nen vinden kan,

Om den Heere te binden?

Kajafas, die wijze man,

Wist ze niet te vinden.

Ik heb Hem dat leed bereid,

Dat zijn aanklacht grondde;

Ik werd Christus heiligheid,

Hy werd mijne zonde.

Ill,

Hoe gedraagt zich echter de Beklaagde, terwijl het rechterlijk geding plaats heeft? Hoogst heleekenisvol is geheel zijne houding. Ant-wo'ordt Gij niets; wat getuirjen deze tegen U9 zoo hooren wij den hoogepriester, met een ernslig rechterlijk gelaat, dat zijne verlegenheid slechts ton halve bedekt, vragen. Doch Jezus — zoo verhaalt het Evangelie verder •— zweeg stil en antwoordde niets. Voorzeker was dit een hoogst welsprekend zwijgen, en meer vernietigend voor de kinderen van don vader der leugenen, dan ooit het scherpste woord der bestraffing zou geweest zijn. Waartoe ook hier nog vele woorden te maken? De vijanden getuigden immers, ofschoon tegen hunnen wil, zoo krachtig voor Jezus, dat eene verdere rechtvaardiging door Hem zeiven overbodig was. Ilij zwijgt. Hoe weinig moeite zou het 1 lom gekost hebben, om met eenige weinige woorden de hooge vergadering op de gevoeligste wijze bloot te stellen; doch Hij eert haar, aan welke ongerechtigheid zij zich ook schuldig maakt, liij eerbiedigt haar, nu als vroeger, als de van God verordende overheid, en ook bij deze beschouwing achtte Hij het betamelijk te zwijgen. Hij zwijgt — zoo merkt hier een uillegger treilend op — zoo als een mishandeld kind voor zijn on rechtvaardigen vader zwijgt. Doch de wezentlijkste betee-kenis van zijn zwijgen ligt dieper. Het is niet enkel het zwijgen van een goed geweten, maar —• mits wij de zaak goed verstaan — het tegendeel er van. Zijn zwijgen is het naar builen tredend beeld van een meer verborgen zwijgen en slemmeloos worden voor een ander lt;gt;11 hooger Gerechtshof als hel menscbelijke was, en uit dit gezichtspunt beschouwd is bel zeer zeker ook een zwijgen der instemming en

ocr page 271

toestcinming. Wanneer een beschuldigde bij de beschuldigingen, die in hel aangezicht des rechters tegen hem ingebracht worden, zwijgt, zoo is dit zoo veel als een bevestigend ja van zijne zijde. Als zulk eene scbulderkentenis hebben wij ook het zwijgen van Jezus op te vatten. Nadat Hij de uit kracht van de aan Hem op verborgene wijze toegerekende schuld zijns volks voor God had op Zich genomen, acht Hij zich ook het oordeel des doods en des vloeks waardig. Deze waarachtige overgave van Zichzelven als een schuldenaar in onze plaats, wil Hij daardoor ook uitwendig aanwijzen en bewijzen, dat IJij ook de beschuldigingen zijns rechters zonder eenige de minste poging tot zelfverontschuldiging aanneemt. Zoo zwijgt Hij niet enkel als een lam, maar ook als het Lam, dat de zonde der wereld draagt. Zijn zwijgen echter maakt, dat wij in het oordeel kunnen spreken, en verleent ons volmacht en vrijmoedigheid, om, steunende op eenen overvloedig voorhanden zijnden grond van rechtvaardiging, ons hoofd togen allo beschuldigers gerust op te hellen.

De herinnering aan den sprekenden Heere is mij dierbaar — het beeld van den zwijgenden liorg is liet niet minder voor mij. Zijn zwijgen maakt mij tot een held, waar de eiken van Basan sidderen, en stelt, waar de lendenen des sterken beven, mijne voeten op eenen rotssteen. Ik zwijg, wanneer mijn geweten mij scheldt als een zondaar, want ik ben het. Doch wil het mij verdoemen, zoo spreek ik en zeg: God is meerder dan mijn hart; Hij is het om Christus wille. Ik zwijg, wanneer do wet mij zegt, dat ik den vloek verdien, want ik verdien hem; wil mij echter de wet bedreigen, dat mij de vloek ook (ref-fen zal, zoo doe ik tegenspraak en roep: „Christus leed de vervloeking.quot; Ik zwijg, wanneer de satan mij mijne misdaden voor oogen houdt, ik omhul mijn hoofd en geef hem recht in alles. Beproeft hij echter met hel en oordeel mij te beangstigen, zoo spreek ik, en wel met Michaël: De Heere schelde u, satan! Ik zwijg, wanneer eenig leed mij treft en men het mij zegt: „Dit komt u over om uwer zonden wille.quot; Zegt men mij echter: „Dit is de straf voor uwe zonden,quot; dan spreek ik het tegen en antwoord: Volstrekt niets verdoemelijks is er meer aan mij. En wanneer ik eenmaal voor den troon des Almach-tigen verschijne en in het licht van zijn aangezicht moet treden, zou ik verstommen, wanneer Hij mij naar mijne deugden wilde vragen, omdat ik er geene heb. Ik zou verstommen, wanneer Hij tot mij zeide: Om uwer daden wil zijt gij des doods schuldig en lieht enkel aanspraak op de hel. Ik zou verstommen in het stof, wanneer Hij mij aankondigde; dat er niets in mij is, wat Hem kon bewegen, mij van de verdoemenis te ontslaan, want werkelijk ben ik mij niet bewust, dat in mijzelven iets bestaat, hetwelk mij deze vrijspraak zou waardig maken. Wanneer het echter den schijn zou aannemen, als zou het oordeel der verwerping werkelijk over mij gaan, zoo zou ik niet meer zwijgen, maar op grond van het bloed der gehoorzaamheid, van de oneindige verdiensten van mijnen Borg, met alle onderwerping en eerbiediging, maar ook met allen moed en vrijmoedigheid mij beroepen op (Ie gerechtigheid Cods, opdat zij mij de paarlendeur van het Paradijs opene. En wat dunkt u? neen, ik zou mij niet afgewezen zien.

ocr page 272

Be Heere leere ons dus allen dat zwijgen en spreken ten rechten

tijd' het eerste door eenen liemelsehen fakkelworp in de duisternis onzer

natuur; liet andere door eene Cloddelijke toelichting van de troost-volle verborgenheid van het lijden des Heeren. Er is slechts een weg, om de verschrikkingen van het toekomstig gericht te ontvlieden; de ge-loovige aangrijping van hetgeen de Borg in onze plaats volhracht heeft. Hiertoe sterke God ons altijd meer de hand des geloofs, en leere ons zingen uit de diepte van ons hart:

Christus ging in 't oordeel voor,

't Werd voor mij begonnen.

Sedert Hij het pleit verloor,

Heeft mijn ziel 't gewonnen.

In zijn vonnis ben ik vrij,

Laat de dood nu komen,

Heel de hel beschuldig' mij, —

Ik heb niets te schromen.

Am kx.

ocr page 273

XXV.

DE VAL VAN PETRUS.

Gij slaat door hd rjeloof; wees niet hoofjr/cvoelcncle, maar vreest, zegt de Apostel Rom. Jl : 20. Dat zegt liij allereerst tot de broederen uit de heidenen, ilie hij onder het beeld van eenen, op den wortei van den afgehouwen Israëlietischen boom geënten, wilden olijfboom met een enkel woord samenvat. Wat hij echter dezen zegt, dat zegt hij te gelijk aan iederen Christen in het bijzonder. Hoe ver ook een discipel des Heeren in het werk der heiligmaking moge gevorderd zijn, nooit komt hij tot zulk eenen zelfstandigen staat, dat hij voortaan het leven in zijne eigene hand heeft, en dat hij uit een, hem tot, zijne vrije beschikking gegeven vermogen, de kosten zijner geestelijke ondernemingen kan bestrijden. Een staat van mondigheid, waarin hij eindelijk de leidbanden van Jezus van zich kan werpen, en zich ontheven mag rekenen van liet putten uit de volheid zijner kracht en genade, bestaat er niet voor den Christen. Zoo min de rank, afgezonderd van den wijnstok, op zichzelven bestaan en uit zichzelven groeien, bloeien en vruchten voortbrengen kan, zoo min is de Christen, buiten de geloofsgemeenschap met Christus, tot eenig goed werk bekwaam. Alleen in vereeniging met Jezus is hij sterk, alleen op zijne armen leunende trotseert hij satan en wereld. Zoo staat bij door het geloof, dat is door de kracht des Heeren, welke hij door het geloof aangrijpt. Christus is en blijft do bron van al zijne sterkte. Waar is nu zijn eigen roem? Zij is uit. Ifadde Petrus dit slechts op den weg naar den Olijvenhof bedacht; doch het was voor hem bewaard, om de waarheid dezer Apostolische uitspraak langs eenen smartelijken weg van ondervinding met de proef te bevestigen. Wij zullen beden hiervan getuigen zijn. Moge onze beschouwing ook bij ons de overtuiging bevestigen, dat wij enkel staan door bet geloof.

jou. 18 : 15—18, 25—27. matth. 2G : 09—75. marc. 14 : 54, 66— 72. lug. 22 : 54—62.

En Simon Petras volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den Hoogepriester bekend, en ging met Jezus in des Hoogepries-ters zaal. En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hoogepriester bekend was, ging uit, en sprak niet de deur-waarster, en bracht Petrus in. En als de dienaren vuur ontstoken

ocr page 274

'gt;;Vi

liadden in liet midden van de zaal, want het was koud, en zj] te zamen nederzaten, zat Petrus in liet midden van hen, om het einde te zien, en warmde zich. En als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene van de dienstmaagden des Hoogepriesters, die do deur-wachteres was, en ziende Petrus zich warmen, zag zij hem aan, en zeide: ook gij waart met Jezus den Kazarener. Zijt gij oolc niet uit de discipelen van dezen wensch ? Maar hij loochende het voor allen , verloochenende Hem, zeggende: vrouw! ik ken Hem niet- Ik weet niet wat gij zeijt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide. — En als hij naar de voorpoort uitging , zag hem eene andere, en zeide tot degenen, die aldaar waren: deze was ook met Jezus den Nazarener. Zij zeiden dan tot hem: zijt ook gij niet uit Zijne discipelen t En hij loochende het wederom met eenen eed, zeggende: «Vi- ken denmensch niet- En een weinig daarna, die daar stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: waarlijk gij zijt ook van die, want uwe spraak maakt u openhaar. En een ander bevestigde dat, zeggende: in der waarheid, ook deze was met Hem. — Een van de dienstknechten des Hoogepriesters die maagschap was van dengenen, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: heh ik u niet gezien in den hof met Hem? Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: ik ken den mensch niet! En terstond kraaide de haan.

Bij al do folteringen, wordt den Goddelijken Lijder nu ook dit leed opgelegd, dat Hij Zich door eenen uit het klein getal zijner vertrouwelingen, op wiens getrouwheid Hij in alle omstandigheden had moeten kunnen rekenen, moest zien verloochenen. Geen leed, geene smart moest zijn hart vreemd blijven, opdat Hij ons in alles een barmhartige Hoogepriester zou worden. Hoe zou ook de Schrift vervuld geworden zijn, wanneer Hij niet ook het lot zijner levende voorbeelden, zoo ais dat van Jozef, de prijsgegevene van zijne broederen, en dat van David, de verlatene in den tijd des tegenspoeds, tegenbeeldig werkelijk had ondervonden, en de Messiaansche psalmklachten: Gij hebt vriend en metgezel verre van Mij gedaan; mijne bekenden zijn duisternis! waar gemaakt bad? Daarbij moest het ook, tot onzen troost, ten minste eenmaal feitelijk openbaar en bekend worden, dat Hij ook gaven ontvangen heeft voor de wederhoorigen, en waar zou deze waarheid helderder in het licht treden, dan in de gebeurtenis, waarvan wij thans, zeker met diepen weemoed, getuigen zullen zijn.

De verloochening van Petrus voert onze gedachten voor eene wijle tijds uit bot gedruisch van den uitorlijken rechtshandel met Jezus, in bet innerlijke der menschelijke gemoedswereld terug. De geschiedenis eener ziel ontsluit zich hier voor ons; eene geschiedenis, waarin voorzeker menigeen onzer, althans een gedeelte zijner eigene geschiedenis zal herkennen. De val van den discipel is het voorwerp onzer tegenwoordige betrachting. Wij beschouwen dezelve

T. in zijne innerlijke oorzaken, en 11. in zijnen historischen afloop.

ocr page 275

Ëene inachli^e roepstem der waarschuwing klinkt ons uit den tekst in de ooren. Mocht /ij eene goede en blijvende plaats in onze harten vinden!

I.

Verplaatsen wij ons dan in den geest bij onzen Simon Petrus. Ik zeg tot onzen Petrus. Hij is het immers boven al de andere Apostelen. Voor eenen Paulus en Johannes treilen wij eerbiedig terug, en achten wij ons niet waardig, de riemen hunner schoenen te ontbinden. Tegenover eenen Petrus ontdekken wij echter vervvantschapte trekken, en hem noemen wij vertrouwelijk onzen vriend en broeder. Hij is-ons ook wel in schitterender levensoogenblikken, dan hij heden doet, voorgekomen; doch ook daar kan zijne geschiedenis bij ons het gevoel van eene zekere gelijkwaardigheid niet onderdrukken. Welk een belijder was hij, bij voorbeeld, toon hij, zijne mede-Apostelen door het geloof overvleugelende, zijn: Gij zijl de Christus, de Zoon des levenden Gods! uitriep; doch zoo groot schijnt ons echter dat getuigenis niet toe, dat ook wij ons daartoe niet gerechtigd zouden gevoelen. Hoe heerlijk stond hij daar voor ons, toen hij zijne innige verkleefdheid aan Jezus betuigde, met den uitroep; Heere, waar zullen wij heengaan'? Gij hebt de woorden des eeuiuif/eri levens! Doch ook wij weten ons hooggestemde oogenblikken te herinneren, waarin iets soortgelijks, als op de vleugelen der geestdrift, van onze lippen klonk. Hoe moedig klonk op do branding der zee zijn: Heere, gebied mij tol U op hel water te komen! Doch ook dit stoutmoedig woord maakt geene al te groote klove tusschen hem en ons, want hoe spoedig trad hij van de hoogte zijns heldendoms tot ons in onzen nederigen staat terug, toen de rukwind zicii vertoonde en hel reusachtig golvengraf zich voor hem opende. Op welk eenen hoog klinkenden toon antwoordde Simon's verzekering op de waarschuwing des Meesters op den weg naar den Olijvenhof: Wanneer allen aan IJ geërgerd worden, zoo zal ik toch niet geërgerd worden. Doch ook deze zijne heiligheid doet ons niet al te veel aan, veel meer wil zich juist hier een diep gevoel van verwantschap in ons doen gelden.

Zoo iemand den Heere vurig lief had, dan was het onze discipel. Wien hij echter in den Meester lief had, — dit was hem slechts gedeeltelijk mot klaarheid bewust. Hijzonder was voor hem de verborgenheid der priesterlijke bediening van Jezus, en de daaruit volstrekt volgende noodzakelijkheid, om zijn leven als een schuldoffer voor do zondige wereld over te geven, nog geheel verzegeld. Slechts in het algemeen gevoelde en vermoedde hij aanvankelijk, dat zijne zaligheid, op welke wijze dan ook, van de gemeenschap met Jezus afhankelijk, en dat hij zonder dezen Heiland onfeilbaar verloren was. In Petrus waren, zoo als dikwijls het geval is bij Christenen van zulke gemeenten, waarin wel het Evangelie, maar nochtans niet het Evangelie in de gansche volheid van zijnen zaligen inhoud verkondigd wordt, het geloof en de liefde verre het Christelijk inzicht en de kennis vooruit-geloopen. Aanvankelijk was hij meer een (/eyoeZ-discipel, dan wel een discipel van de klare, het gansche leven beheerschende en bepalende

17

ocr page 276

gedachte, en zoo herinnert Petrus ons aan die soort van broederen, van welke men gewoon is te zeggen, dat hen wol liet brandende hart gegeven is, maar dat liet licht van den Heiligen (leest hen nog ontbreekt. Het nieuwe leven is in hen geplant, wat do kiem betreft, en de vatbaarheid tot ontwikkeling en bereiking van het doel der hemelsche roeping is aanwezig, maar de ontwikkeling zelve is nog verre ten achteren, zoorlat er nog veel voor den Heiligen Geest over is om te volmaken en uit te werken.

Dat voor Simon Petrus het iioofddoel der komst van Jezus nog zoo weinig duidelijk was, vindt zijne reden in het gebrekkige zijner zeiï-kennis. Zeker kende hij zichzelven als een arm zondaar, die de genade noodig had, doch hoe onmetelijk ver des menschen zedelijke bedorvenheid en onmacht zich uitstrekt, daarvan had hij nog geen vermoeden. Zijn opgewekt, met de schoonste en bedriegelijkste kleuren spelend gevoelsleven spreidde eenen sluier daarover uit. Hij gevoelde zich door oene zoo vurige liefde en geestdrift voor Jezus bezield, dat reeds de kleinste twijfeling, waarmede men het waagde, hem van deze zijde aan te zien, hem op de levendigste wijze aandeed. Ach, Petrus kende nog niet die onbepaalde afhankelijkheid, ook der edelste men-schelijke opwellingen en gevoelens, van de wisselingen der omstandigheden, der gelegenheden en der tijden. De Jeremiaspreuk van bet men-schelijk gemoed: Anjlislig ia het hart, meer clan eenig ding, ja doode/ijk is het, was nog niet voor zijn begrip klaar geworden. Hij wist nog niet, dat men, ook wanneer men in staat was, om met hooge geestdrift te spreken bij den van glans omschitterden Jezus op den Tabor, in deze zijne gevoelsopwelling nog geenszins de waarborg bezat, dat men eene gelijke geestdrift ook voor den met smaad bedekten Jezus aan het kruis zou gevoelen. Evenmin vermoedde bij, dat hetgeen onder de klank van de indrukmakende afscheidsrede (les Meesters in de plechtig stille ure van den middernacht zijn gemoed doorstroomde, hem nog geenszins noodwendig in staat stelde, om het ook dan nog bij hem uit te houden, wanneer over hem bet van alle geestdriftige opwekking ontbloote proza eener gerechtelijke gevangenneming en eener smadelijke wegvoering naar de gerechtszaal zich opdeed. Een menschelijk voornemen, met hoe veel moed ook vóór het treilen of vóór den veldslag opgevat, waagt nog altijd te veel, wanneer het ook voor zichzelven wil instaan in die ure, wanneer het geschutgevaarte werkelijk buldert. Hoe menig held, die men tot de standvastigste meende te moeten rekenen, werd plotseling door eenen veranderden toestand van zaken in den zwaksten en lafhartigsten mensch veranderd! Een geloofsgetuige, die zijne getuigenis, dat hij voor de zaak, welke hij voorstaat, zijn leven wil laten, op den openbaren brandstapel voor het bijeenverzamelde volk onfeilbaar gestand zou gedaan hebben, wordt misschien jammerlijk te schande, zoodra hem in eene verborgene plaats, ver van alle getuigen, de verzegeling van zijn getuigenis met zijn bloed wordt afgevorderd. Van Gideon lezen wij, dat de Heere lot hem gezegd heeft: Ga heen in deze uwe kracht! en zeker is het tot op dit oogenblik alleen het tot ons spreken des Heeren in genade, welke de ware helden voortbrengt. Doch dit waren voor

ocr page 277

250

ónzen Petrus nog onbekende zaken. In plaats van aan alle eigen liel-denmoed te vertwijfelen en enkel op de schouderen des Heeren te leunen, vertrouwde hij zich in eene beklagelijke zelfoverwaardeering aan zijnen eigen moed, en in plaats van Hem oin de toerusting zijns Geestes te hidden, die daar zeide: Zonder Mij kunt gij niets doen, waande do dwaze discipel in hot harnas van zijn eigen licnUegevoel manhaftig genoeg te zijn, om tegen den satan en zijne aanslagen stand te houden.

Simon Petrus was do man in het Evangelie, die tot den krijg uittrok, zonder vooraf neérgezeten en do kosten berekend te hehhen. Hij had het roods moeten merken, dat hij deze dwaas was, toen na zijnon onbezonnen zwaardslag naar den knecht des hoogepriesters, en na do daarop gevolgde zelfovergave des Hoeren aan de vijanden de vlam zijner geestdrift in eenen oogenblik zoodanig uitgebluscht was, dat hij niet eons moods genoeg bezat, om niet (gelijk de overigen) op de sraadelijkste wijze op de vlucht te gaan. Zeker bezon hij zich na verloop van eene wijle tijds weder, doch wat hem bewoog, om den gevangen Meester van verre te volgen, was in den grond meer de spoorslag van oenen jammerlijken eerzucht, dan wol do edele aandrift eenor liefde, welke moedig is tot in den dood. Mij had nu eenmaal zoo opentlijk en luide van een nimmermeer verloochenen, ja, van een met Jezus in den dood gaan gesproken, en hoe zou hij dan ton toon staan, wanneer hij nu, in het oogenblik, wanneer hot er op aankwam, zijne holofte brak en van de kampplaats verdween'? Neen, men zal hem niet als een lafhartige aantreffen. Waar zijn Meester is, daar moet hij ook zijn. Hij volgt, een tegen den wind gestuurd wordend schip gelijk, op behoorlijken afstand de gewapende bende. Hij volgt met knikkende knieën en met eene innerlijke terughouding. Wat zou hij er niet voor gegeven hebben, wanneer hem eene onoverkomelijke en in het oogvallende verhindering den weg afgesloten en het verdergaan onmogelijk gemaakt had. Inderdaad schijnt zich zulk eene gewenschte verhindering op te doen in de omstandigheid, dat de gewapende bende met den gevangene nauwelijks den hof van het hoogepriesterlijk paleis is binnengetreden, of de deur wordt achter hen gesloten en gegrendeld. Nu zou Petrus geheel verontschuldigd zijn geweest, wanneer hij van daar was teruggekeerd, immers hij kon nu toch niet verder volgen, boe gaarne hij ook wilde. Ja, vergissen wij ons niet, zoo maakt hij zich reeds gereed, om den terugtocht aan te nemen. Doch alsof alles tot zijnen val samengezworeUj ware, zoo moet het, zoo als men zegt, toevallig gebeuren, dat hij bij den ingang eenen vriend en medegenoot zijns geloofs aantreft, die bij den hoogepriester bekend is, en als een bevriend persoon tot zijn huis vrij in- en uitging, üeze sprak tot de deurwachteres, en ook Petrus werd, hij mocht dan nu willen of niet, ter deurc ingelaten. Wie deze toegang verleenende discipel geweest is, wordt niet gemeld. Was het, zoo als velen vermoeden, de Evangelist Johannes zelf, aan wien wij het bericht van deze, op zichzolve niet in het oog vallende, bijzonderheid te danken hebben, zoo zou het liefelijk en te gelijk waarlijk treilend zijn, om hem hier, door zijn bericht, als hot ware

ocr page 278

2(50

een gedeelte der schuld van zijnen vriend Petrus op zich te zien nemen. Wie liij echter ook geweest moge zijn, altijd dringt zich hielde vraag aan ons op, waarom toch de alles besturende God het niet zoo heeft geschikt, dat Simon Petrus slechts eenige oogenblikken vroeger of later aan de hofpoort was aangekomen, zoodat hij alsdan deze noodlottige ontmoeting vermeden, en voor geheel het later onheil bewaard gebleven ware. Doch met de vraag is ook even snel het antwoord ter hand. Wanneer het ook zeker is en blijft, dat God niemand tot het kwade verzoekt, hoe veel te minder hem doet struikelen en vallen, zoo beschikt Hij echter niet zelden zware beproevingen over hen, die Hij liefheeft, en verhindert Hij het ook niet, dat zij vallen, wanneer zij op zijn woord geen acht geven, zijne waarschuwingen niet gelooven, en op eene andere wijze dan door eene treurige ondervinding van bun hoogdravend roemen op eigen zijn en kunnen willen genezen worden. Ook de val van Petrus, die, wat de schuld aangaat, geheel en alleen op de rekening van den gevallene komt, en die zijn gelieele grond en reden in de te hooge zelfwaar-deering van den discipel vindt, was ook te gelijk, naar het doel des toelatenden Gods, een zielgeneeskundige maatregel, welke de grondige genezing van zijn dwaas en blind zelfvertrouwen moest bewerken. Immers had reeds de Heere op deze zaak, alsook op de heilzame vrucht van den beklagenswaardigen val op ondubbelzinnige wijze heengewezen, toen hij als met moederlijke voorzorg tot Petrus het woord richtte: Wanneer gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broederen.

Met waggelende schreden stapt Petrus over den dorpel der geopende poort, en zet daarmede den voet op de noodlottige kampplaats. Wanneer hij zich thans nog maar Gode te voet had geworpen! Doch neen, hij verlaat zich nog altijd op zicbzelven, of althans op den gunstigen loop der omstandigheden en van het toeval. Satan en wereld staan reeds in volle wapenrusting tegen hem over op het slagveld. Hij had ■ voor hen niet noodig gehad te vreezen, wanneer het harnas des gc-loofs om zijne borst ware vastgehecht geweest. Thans kunnen wij voor den armen man enkel beven, ja, wij zouden hem hebben moeten verloren geven, zoo wij geene kennis droegen van de voortreffelijke en trouwe hoede, waarin hij, zonder dat bij zelf het weet of vermoedt, geborgen en bewaard is. Het waarlijk, waarlijk! waarmede de Heere hem op den weg naar den Olijvenhof vooraf zeide, wat hein te wachten stond, hangt, ofschoon ook nog zwijgend, hem als eene klok in het geheugen, welke klok hem in het rechte oogenblik bet sein tot wedermoedvatting geven zal. De baan, deze van God bestelde wekker, staat reeds op zijnen post, en zijn roep zal, op zijnen tijd, zijne werking niet missen. De priesterlijke voorbede, dat Simon's geloof niet ophoude, zweeft als een beschermend schild over het hoofd van onzen discipel, en Hij zelf, die de glimmende vlaswiek niet uitbluscht en het gekrookte riet niet verbreekt, blijft gelukkig in Simon's nabijheid, en zal, wanneer de nood op het hoogste is, bulp-verleenend tegenwoordig zijn.

ocr page 279

I

■261 II.

Beschouwen wij thans liet bedroevend voorval in het paleis van den hoogepriester. In het oogenhlik dat Petrus op voorspraak van den vriend ter hofpoorte is ingelaten, licht de denrwachteresse hem met de lantaarn in het aangezicht, en ziet hem aan op eene wijze, alsof zij hem herkende, en toch van hare zaak nog niet genoegzaam zeker was. Hij bemerkt het, keert het aangezicht af, en ijlt zoo snel mogelijk de bespiedende verraderesse voorbij. In het midden van de ruimte van den hof, hebben zich de gewapende knechten, tot bescherming tegen de nachtelijke koude, een vuur ontstoken en verdrijven, er rondomheen geschaard, zich den tijd met praat en kortswijl, terwijl in het binnenste van het paleis de gerechtshandel tegen Jezus wordt gehouden. Petrus, wien het in dit gezelschap volstrekt niet wel te moede is, nadert de luidruchtige bende, en neemt, den rol van onverschillige spelende, en met de houding, als begeerde hij zich ook enkel te warmen, onder de zwetsende gezellen plaats. In het wezen der zaak is hiermede de verloochening reeds begonnen, want liet was duidelijk zijn oogmerk, om zich voor de knechten den schijn te geven, als behoorde hij reeds tot hunne horde, en als deelde hij in hunne stemming en gezindheid jegens den Nazarener. Niet weinig tevreden van zulk een dubbel doel bereikt te hebben, namelijk de in veiligheid stelling van zijn persoon, en eene zekere recht-geving, om hen te mogen zeggen, dat hij toch moed genoeg betoont, dewijl liij zich midden onder de vijanden vermengt, en dat hij dus zijne belofte, om den Meester niet te verlaten, toch nu werkelijk houdt — is de bejammerenswaardige held aldaar gezeten, en meent dat liij den verderen gang der gebeurtenissen, thans zonder eenig gevaar voor hemzelven kan afwachten. Doch eensslags ontstaat er voor hem eene zeer verdrietige ongelegenheid. De deurwachteres, welke gaarne wenschte te weten, of zij zich ook in den in huis gelaten vreemdeling vergiste, is ongemerkt genaderd, en heeft zich met eenen vorschenden blik onder de bende wapenknechten begeven, en daar zij bij den llikkerenden schijn van het vuur den vermeenden gast ontdekt, ziet zij hem over de schouderen in liet aangezicht, en zegt met triomfeerend leedvermaak: Waart (jij ook niet met Jezus van Nazareth * uit Galiléa 9 waart (jij ook niet een discipel van dezen memch? Wie beschrijft de ontroering en verwarring van onzen Petrus! Hij had zich zoo goed geborgen gemeend, en nu deze plotselijke aanval! Doch hij herstelde zich. „Wat wil deze dienstmaagd?quot; zoo denkt hij. „Wie geeft haar het recht tot zulk eene vraag? Mij te willen doen dienen om ieders nieuwsgierigheid te rede en tot antwoord te staan, is toch wat al te stout. Een Kajafas of een der overpriesters zou ik willen zeggen, wie ik hen, doch wie is deze nieuwsgierige dienstmaagd, dat ik haar rekenschap zou verschuldigd zijn? Zoo denkt hij, en antwoordt nu met de gehuichelde vertooning van eenen in zijne eer aangetasten man: Vrouw, ik ben het niet; ik ken Hem niet; ik weet niet wat (jij zegt! Wee! wee ! Hij die zich aanbood, om voor Jezus zelf de geworpen handschoen van den koning der ver-

ocr page 280

202

sclirikking op lo nemen, bezwijkt met al zijnen moed reeds bij liet eerst en daarenboven nog' ingebeeld gevaar, dat bcm achter de vraag van eene geringe dienstmaagd aangrijnst! Wie boort uit'zijne woorden niet den storm der zicb onder elkander bescbuldigende en veront-scbuldigende gedachten, die in zijn binnenste woedt! Ik ben het niet, ik ken Hem niet, zoo begint bij met tamelijke bepaaldheid en vastheid. Daarna echter dooi' zijn geweten veroordeeld, zoekt hij deze beslissende verloochening weder in eenig opzicht uit te wisschen, terwijl bij aan de noodzakelijkheid om een rechtstreeks antwoord te geven, zich onttrekkende, tot een andere manier van spreken overgaat j en voortgaat met te zeggen: Ik weel niet wat gij zegt. „Wat meent gij; ik versta u niet.quot; Dit laatste is echter niet meer toereikend, om het eerste: ik ken Hem niet, weder uit te wisschen. Terwijl bij deze beklagelijke woorden met afgebroken klank uit, is hij, (loor angst en innerlijk verwijt voortgezweept, van zijne zitplaats weder opgestaan, en beproeft bij, om zich onbemerkt uit deze gevaarlijke plaats te verwijderen, en werkelijk gelukt het hem, om zicb, zonder verdere, aanvechting, uit deze menschenknoop los te maken. Hij neemt zijnen gang naar de hofpoort, of hij baar misschien geopend vind, en er gelukkig dooi' ontsnappen kan. Daar kraait voor de eerste maal de baan; doch de opgewektheid, waarin, de discipel zich bevindt, laat hem ditmaal niet toe acht te slaan op dezen wachterroep, en des te minder, omdat juist in den persoon van eene andere dienstmaagd onverziens eene nieuwe verraderes hem in den weg treedt, en bepaalder nog dan de eerste, de om baar zicb scharende wapenknechten toeroept: Ziel toe, deze mcnsch was ook met Jezus van Nazareth. Deze ontmaskering was den krijgsknechten welkom. Zij gaf hen gewenschte stof tot nieuwe gekkerij en korstwijl. Zijl gij ook niet een van zijne discipelen''? vragen zij barsch en dreigend. „Zeker,quot; zoo gaan zij voort, „behoort ook gij tot die secte.quot; Wat begint onze arme Petrus nu? Nadat eenmaal zijn voet is uitgegleden, zien wij hem thans als geheel weerloos tegen de op hem gerichte aanvallen. De weg tot de tweede zonde is altijd snel afgelegd, nadat de eerste bedreven is. Alsdan iluistert ons wel eens een duistere démon in het oor, dat de herhaling van eene eenmaal gedane zonde ons niet verdoemelijker maken kan dan wij zijn, daar God niet gewoon is de zonden te tellen, maar te wegen; of dat men, door het opnieuw bedrijven van de eene of andere daad, wil te kennen geven, dat men deze daad eigentlijk niet als zonde beschouwt, en dat men derhalve, zoo men al gezondigd heeft, meer uit onwetendheid gezondigd beeft. Genoeg, Simon vei loocbent andermaal, en ten minste naar de klank der woorden, nog stoutmoediger dan de eerste maal. Menseh, zegt bij, ik ben het niet, en blijft reeds niet meer bij de eenvoudige ontkenning staan, maar voegt er eene dure bevestiging bij, ja vergeet zich reeds zoo ver, dat hij op wegwerpenden toon van zijnen Meester spreekt, terwijl hij zegt ik ken den mensch niet. Nu moeten zij hem toch wel gelooven, dat hij met Jezus in geene betrekking staat, want zoo zal toch nooit een vriend van eenen vriend spreken, of do verloocbenaar moet bet uiterste van trouweloosheid

ocr page 281

en valsohheid zijn. Zulk eene laagheid schrijven zij Petrus niet toe, en laten hem daarom gaan. Welk eene schande voor den discipel, de bende werkelijk zedelijk overtuigd te hebben, dat hij geen vriend van Jezus kan zijn, maar dat hij veeleer tot hunne partij, tot de partij van Jezus' haters en vervolgers moest behooren!

Gejaagd en onrustig als een vervolgd en gewond hert, dwaalt nu de ongelukkige discipel in het meer afgelegen gedeelte van de hofplaats rond, maar tot zijne ontzetting vind hij overal de deuren gesloten , en den uitgang belet. Gedurende eenen geruimen tijd gelukt het hem, om zich aan den blik en de verdere navorschingen van de wapenknechten en van de dienstboden te onttrekken, doch het gevaarlijke en bedreigende van zijnen toestand, neemt al zijne gedachten en geheel zijne gemoedsstemming zoodanig gevangen, dat wij de hoop moeten opgeven, dat bij zich thans zal bezinnen en indachtig worden, tut welk punt de storm der verzoeking hem reeds geworpen heeft. Gelijk een voorttuimelende, die zichzelven niet meer meester is, loopt hij her- en derwaarts. Na verloop echter van een uur omsingelt hem opnieuw deze menigte van knechten, die, na zorgvuldige overweging, zoo bet schijnt, van al de omstandigheden toch eindelijk tot de gevolgtrekking gekomen zijn, dat deze vreemdeling tot do discipelen van Jezus moet behooren. Waarlijk — zoo spreken zij hem thans met grooter vastheid en bepaaldheid toe dan vroeger — (jij zijl ook een van hen! en terwijl hij andermaal begint met zich te verontschub digen, maken zij hem uit zijnen mond tot eenen leugenaar, terwijl zij hem toeroepen: uwe spraak maakl u openbaar, dat gij een Galiléër zijl,. Een andere wapenknecht door het rumoer aangetrokken, nadert de bende, ziet hem onder de oogen, en roept bevestigend uit: Zeker was ook deze met Hem. Eindelijk komt daar ook nog een van de dienaren van den hoogepriester bij en wel een vriend van dien medeknecht, wien Petrus in den olijvenhof het oor afhieuw, en zegt: Hoor, heb ik u viel Hem niel in den hof gezien1? Nu staat Petrus daar als met het net geheel boven hem toegeslagen. Wat is er nu voor hem te beginnen? Twee wegen staan hem thans nog open; óf bij herroept zijne smadelijke verloochening door eene onverholene belijdenis en toont om Jezus' wil den vijanden vrij de ontbloote borst, óf bij speelt tot triumf der hel zijne treurige rol door, en is in dit geval genoodzaakt de stoutmoedigheid der leugen tot het uiterste te drijven. Hij beslist in zijne vertwijfeling voor het laatste. Ik weet niet wat bij in ile verwarring van deze noodlottige oogenblikken met kalme bewustheid snel bijeengeraapt moge hebben, om zich ten minsten voordat oogenblik in zijn geweien te rechtvaardigen. Of hij do toevlucht genomen heeft tot het voorwendsel, dat dit gepeupel het niet waardig was, om, de paarlen voor de zwijnen werpend, den heiligen naam van Jezus voor- hetzelve te belijden, dan of hij zichzelven beeft zoeken te beliegen met de belofte, dat hij zijn bloed voor het oogenblik wilde sparen tot hem de gewenschte gelegenheid zou geboden worden, om het opentlijk voor al het volk tot bezegeling van zijn geloof te vergieten: — Wie zal het beslissen? Genoeg, geheel weder den ouden visscher, geheel weder den ruwen zeeman, dien hij te voren was, ja

ocr page 282

264

misscliien erger nog dan liij vroeger ooit geweest is, staat hij daar en stapelt liij eed op eed, on vloek op vloek, dat liij den mensch niet kent, ja onder afroeping van het vreeselijkste op zijn hoofd, en onder eedzwei'ing op zijne zaligheid, betuigt hij: „ik hen geen Christen. Ik ken den mensch niet, van wien gij spreekt,quot; en hij geeft deze verzekering op eenen toon, en met geharen, alsof er onder den hemel niemand verachtelijker was dan deze mensch, ja, als had hem geen meer ten hemel schreeuwend onrecht kunnen aangedaan worden dan door hem van zoo iets te verdenken. Hij is schijnbaar buiten zich-zelven over de zware grieve, die hem wordt aangedaan. Hoe heftiger hij echter protesteert en schreeuwt, hoe duidelijker zijne Galilésche tongval gehoord wordt, en hoe meer dit het geval is, des te zekerder worden toch de wapenknechten ten laatste, dat zij zich niet in den man hebben vergist. De maat zijner zonden is nu vol. Do krijgsknechten laten hem nu, zonder hem verder eenig leed aan te doen, aan zichzelven, en keeren, zij het dan uit verachting, naardien zij eenen afvallige als deze niet eens waardig achtten, tot martelaar le stempelen, of dat het zij, omdat do deuren van de gerechtszaal zich juist openden en een nieuw tooneel hunne opmerkzaamheid in hooge-ren graad tot zich trekt, zoodat zij Petrus den rug toekeerden.

Met een diep geschokt gemoed breken wij hier af. „Tot in zulke . terugvallingen in de oude natuur kan het dus nog met de kinderen (Jlods komen?quot; zoo hoor ik vragen. Ja, mijne vrienden! Wanneer de kinderen Gods, in plaats van zich, in waarachtige verootmoediging des harten, aan do Goddelijke genade aan to bevelen, in vermetel vertrouwen op eigene krachten, de kampplaats betreden, en zichzelven in gevaar begeven. In dit geval kan er niet worden ingestaan, dat ook zij, niet lot zulke nederlagen zullen komen. Het gelukt ook den nieuwen mensch in de wedergeborene hier beneden niet tot eene onbepaalde overmacht over den ouden mensch te geraken, zoodat hij tot overwinning en beteugeling van den laatsten niet overal en ten allen tijde in alles, de invloeden des Geestes uit de hoogte meer zou behoeven. Wel zal de nieuwe mensch den ouden niet meer blijvend het veld laten behouden, maar hem op zijnen tijd weder tot eene voetbank zijner voeten stellen — maar gebeuren kan het — Petrus is er getuige van, dat de oude Adam in onbewaakte uren, onder den aandrang van verleidende en verwarrende belsche krachten, voor een geruimen tijd andermaal toom en gebit van zich werpt, en voor God en menschen in de schande zijner naaktheid openbaar wordende, gedurende lange einden weegs, het nieuwe ik vooruit geraakt. Daarom schreef de Heere boven alles de vermaning op het schild der zijnen: Waakt en bidt, opdat yj nid in verzoeking kond. Simon beloofde slechts, en zeer zeker met de beste bedoeling, doch het werken en bidden bleef achter. Wat was het gevolg? De eerste windvlaag der verzoeking stortte hem jammerlijk neder, en beduidingvol, ja, als enkel tot zijne bespotting, waaide over hem zijne strijdbanier met bet opschrift: En al moed ik met U sterven, ik zou U geenszins verloochenen !

Welnu dan, die staat, zie toe, dat hij niet valk. Zeker is het

ocr page 283

265

waar, dat in het Koninkrijk Gods een val grooteren zegen aanbrengen kan, dan eene zegepraal, en ook aan struikelingen groeien aldaar Uis-scheu beide veel kostelijker vruchten, dan uit de schijnbaar meest go-hikte pogingen tot heiligmaking. Doch wee hem, die deze waarheid moedwillig wil bevestigen. Zoodanig iemand kon gevaar loopen, dat zich geene genadehand meer uitstrekte, om hem uit zijnen val weder op te hellen. En al verhiel' hij zich ook, zoo ligt het toch Luiten alle menscholijke berekening, hoe ver een terugval in de zonde, leu minste voor hot tijdelijke leven, met zijne verderfelijke gevolgen kan ingrijpen. In het oog van Simon, zoo verbaalt de legende, is de traan van den weemoed niet meer opgedroogd, en David, ofschoon hij ook iu genade werd aangenomen, klom echter na zijn vergrijp aan de vrouw van Uria en aan Uria zeiven, nooit weder volkomen op de hoogte flor onvermengde vreugde in God, waarop hij vroeger stond. Daarom sta bovenaan op onze geestelijke memorielijst het Apostolische woord: Doet aan de yckeele ivapewuaiinf/ Gods, opdat yj kant daan tegen de listirje omleidingen des duivels! en bij elke schrede, die wij doen, klinke ons de andere toeroep te gemoet: lijd verdrukkingen als een goed krijgsknecht van Jezus Christus!

Op dan , strijdgenooten ! gaat Moedig langs des levens wegen.

Hij, die aan de spitse staat,

Voert u de overwinning tegen.

Zijn genaê verzoet de pijn ,

Zal in zwakheid machtig zijn.

Amen.

ocr page 284

XXVI.

]) E G 11 O O T E \i 1-: L IJ 1) E N I S.

Gij lierinnert u, mijne Vrienden! lioe de Apostel Paulus eenmaal zijnen Tiinotiieus bij God, die alle dingen levend maakt, en bij Cinis-lus Jezus, dio onder, niet voor Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft gedaan, op de pleclitigste wijze bezweert, om getrouw tot in den dood bij zijn geloof te volharden, 1 Tim. (3 ; 115, 14. Het behoeft wel geen betoog, dat de Apostel hier eene bepaalde belijdenis voor oogen heeft. Hij slelt het als eene welbekende getuigenis voor, en terwijl hij het met nadruk de goede of schoone belijdenis noemt, stelt hij haar als eene zoodanige op den voorgrond, dat zij alle andere belijdenissen van Jezus met cenen bijzonderen glans overstraalt. Wij weten, welk eene belijdenis hij bedoelt, en overtuigen ons bij deze gelegenheid opnieuw, voor welk eenen hoogen schat zij van den he-ginne af door de Kerk gehouden wordt, —- en waarlijk, de belijdenis is hei waardig, dat zij nog op dit oogenblik gerekend wordt bij de schatten, die Christus ons als erfenis heeft achtergelaten. Dit verdient deze belijdenis, niet enkel als een onovertrefbaar en eeuwig schitterend en voorlichtend toonbeeld van tot in den dood onverschrokken moed, tot getuigenis des geloofs, maar vooral als een van de machtigste grondpilaren, op welke de Gemeente met haar geloof rust, en welke de belofte beeft, dat de poorten der bel haar niet zullen overweldigen. Dit oogenblik wordt de onder het stadhouderschap van Pilatus afgelegde goede belijdenis in ons midden opnieuw gehoord, «ij hoe menigeen heeft zij reeds, aan den stormwind gelijk, den geestelijken gezichteinder van alle wolken van twijfelingen gezuiverd! Drijven ook aan onzen geloofshemel nog zulke verdonkerende woiken, zoo geve God, dat des Ileeren belijdenis ons ook heden dezelfde dienst bewijzen moge! _

mattii. 2G : G3—6G. maec. 14 ; 61—G4.

quot;Wederom vraagde Hem de Hoogepriester en zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt: of' Gij zijt de Christus, de Zoon des gezegenden Gods? Jezus zeide tot hem: Gij zegt het; Ilc ben het ; doch Ik zeg u: van nu af zult gij den Zoon des menschm zien zitten ter rechterhand Gods, en komen op de wolken des hemels. Toen scheurde de Hoogepriester zijne kleederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd, wat behoeven wij meerdere getuigen. Ziet, gij hebt zijne

ocr page 285

godslastering gehoord. Wat dunkt u? En zij allen veroordeelden

JrJera, en spraken: Hij is des doods schuldig.

Welk eene aanschouwing, mijne Vrienden! De Zonne der gerechtigheid breekt door de wolken, de Koning aller koningen ligt het vizier op, dat zijn aangezicht bedekt. Wie meet of peilt de grootheid en de beteekenis van dit oogenblik! Herwaarts, wanneer Ie vraag naar Christus' persoon nog het hart beklemt! Deze levensvraag des Christendoms vindt hier hare laatste beslissing. Wie voortaan de Godheid van den Zoon des menscheli nog waagt te ontkennen, bevestigt hiermede het ten hemel schreiend bloedig oordeel van den hoogen raad. Ja, de twijfeling wordt thans tot eenen aanslag, het ongeloof tot den moordkreet: Kruisig Hem, kruisig Hem!

Wij zullen ons daarvan overtuigen, terwijl wij de groote belijdenis van Jezus tot voorwerp onzer nadere beschouwing maken. Wij zien:

I. waardoor deze belijdenis hare aanleiding ontving;

II. welke de zin en inhoud er van is; en

III. welke hare naaste gevolgen zijn.

De Ileere geve, dat do gebeurtenis, welke wij beschouwen, zich in hare kracht betoone ook bij ons, daarin, dat wij aan het einde onzer betrachting den Heere Jezus gezamentlijk met een beslissend: Wij hebben geloofd en erkend, dal li ij zijt de Chridus, de Zoon des levenden Gods! te voet vallen en aanbidden!

I.

In het oogenblik, dat wij thans de gerechtszaal van den grooten raad binnentreden, heerscht er eene in het oogvallende en onaangename stilte. Alles zwijgt; doch ook deze rust heeft zijne beteekenis. De (leest der waarheid gaat op rechterlijke wijze door de vergadering. Schaamte en verlegenheid houden de gemoederen als in banden. De valscbe getuigen hebben hunne rollen op de beklagelijksle wijze gespeeld en slaan ontmaskerd. Hunne van tegenstrijdigheden wemelende uitspraken dienden enkel om henzelven te schande te maken en te vernietigen. Het verheven, enkel van zijne onschuld getuigend gedrag van den Beklaagde bond en verlamde zijne tegenpartijders ten eenen-male. Aller oogen waren op het voorzittend hoofd der kerk gevestigd. Ieders blik schijnt met verwondering te vragen: „Waar komt gij te lande, gij priester des Allerhoogsten? waar is uwe wijsheid? wat wordt er van uwe waardigheid?quot; Hij zelf bevindt zich ook in de pijnlijkste omstandigheid der wereld. De ernstige bezorgdheid, zoowel om de bewaring zijner ambtswaardigheid, als om den uitslag der ge-heele rechtshandeling, foltert zijne ziel. Daar zit de trolsche kerkvoogd, en zijne gedachten plegen met elkander in onstuimige spanning raad, hoe de knoop te ontwarren en boe uit dezen klem te ontkomen? Ziet, dit is het einde van den recbtshandel jegens den Heilige in Israël. Ik vraag: wie verloor liet geding, — Jezus of zijne rechters?

ocr page 286

208

Weest ecliler verzekerd, dat eenmaal op gelijke wijze ook liet groot wereldhistorisch rechtsgeding tegen Christus eindigen zal. Eindigen zal het niet do uiterste verhijstering, ja, vertwijfeling van allen, die Hem hehben tegengestaan. Houdt dan nwe zaken nog niet voor afgedaan, gij zijne tegenpartijders!

De verlegenheid van don hoogepriester is groot. Wat zal hij nu beginnen, om zijne onrust te verbergen? Hij moet de zaak eene nieuwe wending geven. Doch welke V Hij peil ist en peinst nog eens. Als een rad van vuur wentelen zich de gedachten rond in zijnen geest. Daar komt hij op eenen inval, en zoo als hij meent, op eenen ge-lukkif/cn inval. En inderdaad valt hem deze gedachte ook niet bij toeval in. Een Grootere beheerscht en regeert deze zaak. Krampachtig raapt de kerkvoogd zijne ineenstortende waardigheid als het ware weder uit het stol'op, en met eene opzettelijk gemaakte geest-drift zich in de waardigheid van zijn ambt als verhullende, treedt hij met eene plechtige houding eenige schreden voorwaarts, en geeft het voornemen te kennen, om den Beschuldigde thans te dagen voor den troon des Almachtigen , en Hom op te eischen, ten einde Hem hier, eti wel door eene beëediging, onder aanroeping van den hoogheiligen Naam van God, te doen betuigen, wie Hij, Jezus, was; — of Hij werkelijk Dien was, voor Wien Hij door zijne navolgers gehouden werd, en voor Wien Hij zichzelven hield; of dat Hij een valsch profeet of bedrieger was? Wij verheugen ons over dozen, zeer zeker meer door de wanhoop, dan door een bedaard overleg ingegeven maatregel. Nu komt de zaak tot beslissing. Denkt slechts na, wat bet zegt, eene bij eodc door Jezus gegevene getuigenis van zichzelven! Dit ontbrak ons nog maar alleen, om ook den laatste onzer wenschen te gemoet te komen.

Hoort nu, het grootst en plechtigst oogenblik van geheel het rechtsgeding is daar! 13e hoogepriester, werkelijk weder met den vollen schijn zijner groote waardigheid aangedaan, opent zijnen mond tot de verhevenste aller vragen. Ik bezweer U hij den levenden God, zoo spreekt hij, dat (jij ons zegt, of gij zijl de Chrislus, de Zoon des gezegenden Gods? Hij bedient zich van het in Israël wettelijk bestaand en gebruikelijk bezweringsformulier. In dezen vorm werd de eed voorgehouden en opgenomen. De persoon, die den eed zwoer, antwoordde, zonder het formulier zelf te herhalen, met een eenvoudig ja of neen, en was zich daarbij bewust, dat hij dit ;a of neen bij den levenden God, en onder de wel stilzwijgende, maar plechtige erkentenis uitsprak, dat, ingeval bij van do waarheid afweek, de Verhevene, die hij tot Getuige had aangeroepen, hem eeuwig stralïen en in zijnen rechtvaardigen toorn voor altijd van de toekomstige zaligheid vervallen verklaren zal. Onder zulk eene plechtig ernstige, de levensvraag van hel Christendom op den voorgrond stellende op-eisching, vordert de hoogepriester den Heere Jezus als bet ware zijne geloofsbrieven af, en in zijne ambtelijke waardigheid bezit bij ook volkomen de bevoegdheid en hel recht er toe. Hij is tot wachter gesteld, opdat niet iemand zich als een valschen Messias in Israël doe golden, en waar het hem moge toeschijnen, dat dooi' iemand God

ocr page 287

itóO

gelasterd is geworden, omdat liij zich Goddelijke voorrechten heeft toegeëigend, daar betaamde liet hem ten gerichte te zitten, om met onverbiddelijke gestrengheid de Goddelijke wet toe te passen.

Wat is het dus, dat Jezus moet bezweren'? Laat ons daarover voor alle dingen tot klaarheid komen. Vooreerst moet Hij betuigen, of iiij de Christus, dat is de Messias, zij. Kajafas, de huishouder over Gods verborgenheden, noemt mot dezen naam de bloesem der profetie, en vat hier met herinnerenden geest al de beloften en al de voorbeelden van het Oude Testament te zamen, uit welke, als uit geheimvolle hulsels en windsels, eene verhevene gestalte oprijst, welke als Profeet het licht der eeuwigheid naar beneden brengen, als Hooge-priester het eigen leven ton zoenoffer voor de wereld geven, en als Koning een eeuwig Rijk der genade en des vredes stichten zou. Deze persoonlijkheid heet de Gezalfde Gods of de Christus. Kajafas echter weet, dat deze Ghristus een mensch zou zijn, en te gelijk, gelijk David en Daniël Hem zagen in gezichten. God in de hoogste hemelen, de Heere, Wiens uitgangen, zoo als Micha verkondigde, van eeuwigheid zijn. Het is hem bewust, dat de Messias Gods Zoon zou heeten in eenen zin, zoo als geen ander in hemel of op aarde heeten kon. HU zou niet enkel Jehova gelijken, maar Jehova gelijk, en dus zelf Jehova zijn. Van dit verheven standpunt van beschouwing vraagt Kajafas: „Zijt gij Deze?quot; En meent zich, ingeval Jezus dit bevestigen wilde, volkomen gerechtigd. Hem esn Godslasteraar te verklaren, en als zoodanig te veroordeelen.

Verhevene vraag, die den Heere tot beantwoording is voorgelegd. Zeker de grootste en inhoudrijkste, welke ooit in de wereld is gedaan. En wee nu, wanneer op deze vraag een Neen! gehoord werd. Dat neen! zou onze eeuwige verdoemenis bevatten. Zeker, door alle tijden heen roept eene wilde horde: „Neen, neen, Hij is het niet geweest.quot; Doch laat ons slechts nauwkeuriger toezien, van wie deze ontkenning komt, ^en wij zullen bevinden, dat het uilen zijn, die nederzitten in de onreinheid der zonde, vleugellooze schepselen, evenbeelden der slang, die op de aarde kruipt en stol' eet. Ja, zulke wezens zijn het, die alzoo roepen. Een koor van adelaren daarentegen juicht door allo tijden been: „Ja, ja. Hij was het. Hij is bet!quot; Overziet slechts vluchtig de geschiedenis der lieden, die tegen Jezus stemden. Wie zeiden neen'1? Heidenen, die in dierlijke lusten waren verzonken; wederspannelingen, die dronken waren van het bloed hunner broederen; een Voltaire, die zijn loven in de kaken der wanhoop eindigde; een Rousseau, die aan geenen God in den hemel geloofde; een filosoof, die Sodora naar Italië overbracht; een ander, die ten laatste aan zijn Ghristusverloochenend leven als zelfmoordenaar een einde maakte; eene in onze dagen door demonische machten bezetene menigte menschen, die er geen geheim meer van maken, dat zij erop uit zijn, om het door het Ghristendom miskende vleesch weder in zijne rechten te herstellen; een gepeupel, dat opentlijk in geschriften room draagt op zijne schande; eene school van wijzen, die in het algemeen de leer van de bovenzinnelijke dingen voor een sprookje houden. Deze is de linkerzijde der stemming. Dit zijn de hoofdleiders en aanvoerders

ocr page 288

27(1

der neén-zeggers. — En wie zijn nu de bevcstigei-s, die Jezus de eorc geven? Al de liciligo Apostelen, die de wereld voor Hem veroverd hebben; de martelaren, die om Cbristus' wil bun leven niet bebben liefgebad tot in den dood; de Hervormers; een Lutber, Melancbton, Calvijn, Knox, en gelijk zij verder beeten; de in latere tijden uitstekende, eerwaardige mannen, die nog altijd in alle opzichten en betrekkingen als starren van de eerste grootte aan den bemel der geschiedenis blinken; een Pascal in Frankrijk, een [laller in Zwitserland, een Newton in Engeland, en in Duitscbland een Herman Francke, Spener, en l:oe vele anderen meer! De toestemmers waren ten allen tijde de beste en voortreHelijkste lieden der wereld, zij, wier wereld de wereld niet waardig was. Zoo zegt nu, op welke zijde gij u plaatsen wilt? Aan welke zijde is bet waarschijnlijkst de waarheid? Onder welke banier komt het u voor, dat gij u op de meest eervolle wijze bevindt? Ik vermeen, dat er niet veel nadenken loe vereischt wordt, om in dit opzicht tot klaarheid te komen. Doch wat ook deze of die getuigen moge, menschengetuigenis geeft bier geene beslissing. Wat heeft Hij van Zichzelven getuigd? Hierop komt alles aan. De hooge-priester vraagde: Zijl gij de Christus, de Zoon van God? Hoe goed is bet, dat deze vraag eenmaal zoo bepaald, zoo ernstig, zoo plechtig aan Hem gedaan is! Gij gevoelt immers allen bet ontzettende gewicht er van. Nog eens zeg ik, wanneer op deze vraag een neen! moest gevolgd zijn, boe rampzalig zou dan de wereld zijn! Hoe beklagenswaardig de menscbheid! Hoe verslagen bet volk van zondaren! Moge dan Jezus ook overigens zijn wat llij wilde, de wijste wijsgeer, de eerste profeet, het blinkend toonbeeld van deugden, ja, een engel en serafijn der hoogste orde, ons ware daarmede geene bulpe geschonken , en de hel bleef het einddoel van onze pelgrimschap. Volgt een neen I op de vraag van den hoogepriester, dat neen zou onzen geheelen troost te niet doen; bet zou als een brandfakkel in hot kasteel onzer hope vallen; bet geheele gebouw van onze zaligheid zou als een huis zonder grondslag omvervallen, en wij zouden in de opene kaken der vertwijfeling nederstorten. Want deze ééne vraag omvat alles. Zijl gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods? Hiermede vraagt Ka-jafas naar het uur onzer verlossing, of hetzelve geslagen heeft? naaide mogelijkheid, dat een zondaar zalig worde? naar de gehoorzaamheid van Jezus, of er eene verzoenende kracht aan toe te schrijven zij? naar Christus' Dorgschap , of het den zondaar in waarheid ten nutte kan komen? Al deze vragen, en hoe vele andere meer, warden ontkennend beantwoord, wanneer uit den mond van Jezus op deze ééne vraag: Zijl gij de Zoon van God? een neen! gevolgd ware. Volgt er echter een ja! op, dan zijn al deze vragen voor alle eeuwigheid bevestigd. Wie zou dan niet in gespannen aandacht booren, boe dit antwoord luiden zal? Welaan, opent de ooren, en met de ooren uwe harten!

II.

'De groote vraag is gedaan. Diepe stilte beerschte in de vergadering. De gemoederen van allen zijn op de hoogste wijze gespannen.

ocr page 289

271

Aller oogen rusttoflen op den Beschuldigde. En ook onze harten blijven hier niel onbewogen. Ook wij slaan in dit oogcnblik sidderend van verwachling vóór de hoogepricsterlijke rechtbank. Zeker, wij weten door welke verbazingwekkende wonderen Zich de lleere Jezus bereids verheerlijkt bad. Wij waren getuigen, hoe Hij aan de baar van den jongeling te Naïn en aan het graf van Lazarus zijne boven-rnenscbelijke heerlijkheid ontvouwde. Wij hebben Hem gezien in bet slingerend scheepje, toon do elementen zich neigden naar zijne wenken, en op de van storm bewogen zee, waar de woeste golven onder zijne voeten tot eenen vasten grond werden, en zij den Koning der natuur een kristallijn tapijt onder den voet spreidden. Doch al deze wonderen konden ook slechts daden van eenen door God gezonden proleet, en enkel wonderen van eenen menschelijken drager van Goddelijke krachten zijn. Zulk eenen was echter voor onzen nood niet opgewassen. Zeker, wij hoorden Hem zeggen: Wie Mij rjezien heeft, die heeft den Vader r/ezien, want Ik en de Vader zijn één en eer dat Abraham werd, ben Ik, en wat Hij meer van dien aard betuigde; doch ook met bet oog op zulke uitspraken, zou de verzoeker ons nog kunnen tegenwerpen, dat zij niet letterlijk op te vatten, maar van de zedelijke heerlijkheid van Jezus te verstaan zijn. Ja, er ontbrak nog eene uitspraak, welke al de kunstenarijen van den Moord verdraaier uit de hel te schande maakte. Er bleef nog te wenschen over eene getuigenis over Jezus, op welks vuurvasten en proefhoudenden inhoud, ook de laatste pijl der twijfeling moest afstuiten, en in stukken breken. Het moest eene hoogst wenscbelijke zaak beschouwd worden, dat de Heere eens geheel ondubbelzinnig met klare en eenvoudige woorden, voor iedereen Verstaanbaar, en daarbij met eene plechtige beëediging vrij uit verkondigde, wie Hij was, en wie niet. En ziet juist dat moet tlr.ms het geval zijn. Hem is gevraagd geworden, of hij de Jehova, de waarachtige God en bet eeuwige leven zij? Want niets minder dan dit beteekende de titel Christus, de Zoon des f/e-zegenden Gods, in den mond van eenen aan den Bijbel geloovenden Israëliet. Wie dan nu ooren heeft, die hoore wat voor het aangezicht van den Almachtige, die Man van zich getuigt, in wiens mond, ook naar de erkentenis zijner moordenaren, nooit eenig bedrog gevonden is!

Daar staat Hij voor de rechtbank zijner rechters, naar bet uitwendige een worm, en geen man. Grootheid en hoogheid schijnt enkel op zijne omgeving te rusten. Aan Hemzelvon ziet gij niets dan nederigheid en armoede. Daar staat Hij met gebogen hoofd, bleek gelaat, do bandon gebonden, omgeven van gewapenden als een roover. Vermoeid tot bozwijkens toe, van al het leed, dat hem tot biertoe reeds heeft gefolterd, staat Hij daar van zijne vrienden verlaten, door de vijanden beschimpt, een vaagolïer der wereld, een ellendig menscli zonder wedergade. En aan dezen geslagen en verdrukten man in het armelijk kleed, wordt nu uit den mond van den eersten en aanzienlijksten des volks do plechlige eisch gedaan, dat Hij bij den levenden God betuigen zal, of Hij de Ghristus, de Zoon des levenden Gods zij? Zoo moest do lleere dan uit zijne laatste omwikkeling uittreden, ongaarne

ocr page 290

272

hoft Hij, uit liefde lot ons den sluioi' op. Zoo lang liet nietswaardige beschuldigingen zijner persoonlijkheid betrof, zweeg Hij, opdat wij in het oordeel mochten kunnen spreken. Nadat echter de zaak eene zoo geheel andere en zoo veel ernstigere wending genomen heeft, geldt bet bier, om der waarheid getuigenis te geven, en Zich bepaald over zijnen persoon te verklaren. Hij weet, dat zijn antwoord Hem den dood brengt; doch nu durft Hij het niet meer voor Zich behouden. Als reden dringt Hem hiertoe de eerbied, die zijn hart bij den Heiligen Naam', bij welke Hij bezworen wordt, vervult. Hij wordt er toe gedrongen door de ondenverpelijkheid, die Hij vermeent schuldig te zijn aan de waardigheid van den hoogepriester, die Hem tot den eed opeischt. Voorts dringt Hem daartoe zijne liefde en zijnen heiligen ijver voor de waarheid, en boven alles zijne teedere zorg voor ons, arme zondaren, in wier plaats Hij in het ooi-deel staat. Het is toch niet de booge raad alleen, voor wien Hij Zich geplaatst ziet. Hij ziet zijne ge-heele kerk in den geest rondom Zich vereenigd. Hij ziet hoe in dit oogenblik eene gansche wereld den adem inhoudt, en al de geslachten der aarde zich vol verwachting rondom Hem scharen. Het oor van geheel zijne gemeente, tot aan het einde der dagen, ziet Hij aan zijnen mond hangen, en Hij is Zich bewust, dat het oogenblik gekomen is, om onder het geloof zijner gemeente voor duizende van jaren eenen onwrikbaren pilaar en rotssteen te plaatsen. Zoo doet Hij dan zijnen mond open, en voor den troon des levenden Gods, met klare bewustheid en bezinning, betuigt, verzekert en bevestigt Hij: Gij zegt het, Ik hen het. Daar hebt gij de groote belijdenis. Welk een ja! ])it ja stelt ons boven alle zorgen; het onderstut ons geloof met eenen eeuwigen fondamentsmuur, het geeft eenen grondslag en een zegel aan geheel de verlossing, en is het graf van al onze twijfelingen. Opdat er echter geene schaduw van donkerheid of twijfeling over den waren zin van zijn getuigenis moge overblijven, voegt Hij bij zijn ja nog iets meer. Hij ligt de sluier der toekomst op, en zegt: Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij zien den /non des menschen zittende ter rechterhand der Kracht en komende op de wolken des hemels. Aanvankelijk geschiedde dat reeds toen. Met zijne opstanding en hemelvaart begon zich dit groole woord verder te vervullen. Deze vervulling ging voort met de uitgieting van don Heiligen Geest, en de gronding zijner kerk. En in onafgebroken zegepralende voortgang hare voleinding te gemoet ijlende, zal zij eenmaal onder het millioen stemmig lofgezang Na zijn de koninkrijken dezer luereld onzes Gods en zijns Christus geworden! haar doel en eindpunt bereiken.

Het was niet mogelijk, dat het meer ondubbelzinnig betuigd werd , wie Jezus was, dan het nu door Hem zeiven geschied is. Is nu zijn getuigenis waar, dan is het ook waar, dat gij verloren zijt, die niet aan Hem gelooven wilt; waar, dat u, die niet de knieën voor Hem wilt buigen, niets overblijft dan eene vreeslijke verwachting van het oordeel en van den vuurijver, die de tegenpartijders verteeren zal; waar, dat wie onder u niet opnieuw geboren wordt uit water en Geest, als laatste vonnisspraak het vreeslijk woord tegen zich zal zien komen, dat den vervloekte naar het vuur verwijst, hetwelk den dui-

ocr page 291

I

:m

vel en zijne engelen bereid is. Want dit alles betuigde dezelfde Man, die ginds zijn Ik ben hel uitgeproken lied't. Kn beell Hij dit laatste, gelijk Hij werkelijk deed, in waarheid gedaan, zoo werd ook al het overige betuigd door den Held in Israël, die niet liegt. Hoe kunt gij dan nog een rustig uur hebben, voor gij daarover tot klaarheid komt, of dit zijn: Ik ben het! der aanneming waardig is dan niet? Komt tot beslissing. Was het een valscbe getuigenis, dat Hij getuigde, en is Christus de persoon niet, voor wien Hij zich bij eode verklaarde; waarom zet gij dan nog eenen voet in de kerk, alwaar — Hij vergeve mij de uitdrukking — de grootste leugenaar tot God wordt gemaakt? Waarom sleept gij dan nog den Christelijken naam met u rond, die in dat geval niet beter dan een brandmerk is? Waarom haast gij u dan niet, om u te ontslaan uit eene Godsdienstige gemeenschap, die het in u onderstelt, dat gij voor eenen valscben profeet, als voor eenen God de knieën buigt. Alsdan is het immers uwe heiligste plicht, om zonder verwijl van de banken, die gij aldaar beslaat, op te staan, en deze afgodentempel voor altijd te verlaten. Is het echter gegrond, wat de Heere voor Kajafas bevestigt, waarom dan, gij dol en dwaas volk! aarzelt gij, om u neder te werpen voor eenen Koning, die de macht heeft, zijne vijanden naar lichaam en ziel in de hel te verderven? Waarom, o waanzinnig geslacht! maakt gij dan geene aanstalten, u te werpen in de armen van Hem, buiten Wien er geen helper is in hemel noch op aarde? Waarom zijt gij dan u zeiven zoo vijandig en nijdig, dat gij uw vloek en dood verkiest, terwijl het leven u is verschenen? Kunt gij u op den eed van den heiligen Nazarener verlaten, zoo zij het heden de laatste dag voor u, op welke gij de wereld diendet, en die ook u nog onder de tegenstanders aantrof. Ja, het eerstvolgend oogenblik vinde u reeds in de armen en aan liet hart van den eenigen Middelaar, of wij moeten u verklaren te zijn eenen onzinnige, die in een oogenblik, dat de hemel hem aangeboden wordt, de hel naar zich toetrekt, en zich den satan tot een eeuwige buit toezweert!

III.

Ik ben het. Hij heeft hot gesproken. En ware deze Godmensch niet te gelijk het tot smaad en foltering uitverkoren OlTerlam geweest, millioenen stemmen zouden zijn getuigenis met hun amen verzegeld hebben. De serafijnen waren met hunne gouden harpen boven Hem verschenen en hadden Hem toegejuicht: „Jezus! Gij zijt het!quot; Uit de grondslagen der aarde, die Hij gelegd heeft, zou bet: „Jezus Gij zijt het!quot; naar boven geklonken hebben, en de eeuwige Vader met die stem, voor welke de bergen sidderden, zou van den hemel hebben afgeroepen: Dit is mijn geliefden Zoon in Wien 11; mijn welbehar)en heb. Doch zwijgend blijft liet boven Hem, en zwijgend rondom Hem; zwijgend in de hoogte en in de diepte. De priester Gods is in hot heiligdom en onledig met zijn offerwerk. Nu moest er gezwegen worden. Alleen den vijanden was het vergund te spreken, ja te woeden. Zoodra Kajafas het onbewimpeld getuigenis gehoord heeft, scheurt bij, tot openbaarmaking van zijne, zeker slechts gehuichelde ontroering

18

ocr page 292

Hi

over de voorgewende schennis, zijne kleederen, doch hij profeteert door deze vertooning, zonder het echter te vermoeden, naardien hij zinnebeeldig de aanstaande opheffing van het voorbeeldend priesterdom aanwees, dat nu, nadat de waarachtige priester in Christus verschenen was, als eene van hare inhoud ontledigde schel wegviel. Slechts nog eenige uren, dan is de tempel te sluiten, en het offeren der lammeren en bokken heeft zijn einde voor God. De Heere des hemels en dei-aarde heeft alsdan het allerheiligste, dat met handen gemaakt is, voor altijd verlaten, om voortaan in de hutten en binnenkameren der arme zondaren zijnen intrek te nemen. Bovendien geeft de priester ons door zijne treurigheid eene betrachtenswaardige leer. Het betaamt ons op geestelijke wijze voor het aangezicht van Jezus iets gelijksoortigs te doen als hij. lloi komt er op aan, met gescheurde kleederen voor Hem te treden ; want op andere wijze wil Hij ons niet zien. Aan Harden gescheurd, de gewaande tooi onzer eigene gerechtigheid, en al de kleederpraclit van ingebeelde eigendeugd, kracht en wijsheid! Onze naaktheden moeten blootgelegd, en onze schande gesteld worden in het licht zijns aangeziebts. Wij moeten intreden in de ontblooting, in het arm-zondaarschap en liet bedelaar zijn, wanneer wij ons aan Hem wenschen aan te bevelen. Alle hoogheid is Hem een gruwel. Weg met de valsche pronk! Hij wil ons sierlijk kleeden: Kunstbloemen wil Hij niet. Hij plukt zich enkel leliën tot eenen krans, dien Hij zelf bekleed heeft met booger heerlijkheid, dan waarmede Salomo bekleed was.

He hoogepriester scheurt zijne kleederen, en zegt: Wat behoeven wij meerder getuigen? De man heeft recht. Wanneer het werkelijk eene ongerijmde aanmatiging was, dat Jezus Zich de Zoon Gods en den Rechter der wereld verklaarde, zoo had Hij Zich aan geene grootere Godslastering kunnen schuldig maken, clan Hij hier deed. Waarom echter, o gij rechters van Israël! moet het zoo boven alle bedenking, niet anders dan een leugen zijn, hetgeen Hij daar van Zichzelven getuigde? Waarom is het zoo volstrekt ondenkbaar, dat Hij de beloofde Heer uit den hemel is? Is het misschien zijn levenswandel, die hiermede in tegenspraak komt? Wat vermocht gij, ten spijt van al uwe pogingen ontdekken, dat eenigszins verwerpelijk was ? Gij hebt Hem van niets kunnen beschuldigen, dan dat Hij met zijne zoo even uitgesproken getuigenis Zichzelven — wat gij toch nog eerst diende te bewijzen — te hoog gesteld, en op onbetamelijke wijze Goddelijke eer toegeschreven heeft. Gij moet het toch onverholen erkennen, dat Hij uit uw onderzoek rein als het licht des hemels te voorschijn gekomen is. En zegt, staat het getuigenis van zijn Zoonschap, dat Hij zoo even afgelegd heeft, zoo op zichzelven, en zonder alle verdere steunsel? Dient niet veel meer voor dat getuigenis zijn geheel leven tot een bekrachtigend zegel? Werd het niet door stemmen uit de hoogte bevestigd? wordt het niet omgeven door honderde van ongehoorde wonderen, als zoo vele bijlagen zijner waarheid, en heeft het niet het gansche koor van allo profetische uitspraken, die zich op de letterlijkste wijze in Hem vervulden, als machtige getuigen aan zijne zijde? Zoo wenschten wij u te vragen, gij rechters te

ocr page 293

Jeruzalem! Doch gij wildet niet, dat Deze over u höersclite, en daarom moet en zal Hij niet de persoon zijn, Wien Hij Zich hij eede verklaarde te zijn. Wee n, gij toonheelden van alle rechterlijke ongerechtigheid! Hoe zal het n gaan, wanneer de dag aanbreekt, die u zelf voor de rechtbank plaatst, en die alles aan het licht zal brengen, wat in het verborgene geschied is!

Wal dunkt uvraagt de hoogepriester. Nu roept, het woord hem uit den mond nemende, de geheele vergadering als met ëéne stem uit; Hij is des doods schuldig. Hecht zoo. Als Dien, die in onze plaats staat, is Hij het werkelijk. In het: Hij is des doods schuldif), mengen zich nog andere en verhevener stemmen als die van deze raads-heeren. Wat is het echter voor eenen dood, waaraan Hij hier schuldig verklaard wordt? Niet dien dood, van welken üilcam zeide: Mijne ziel sterve den dood des Rechtvaardifjen en mijn einde zij fjcljl: het zijne. Niet dien dood, waarvan de Prediker zegt: De clay des doods is heler dan de dag der geboorte. En evenmin dien, welken Paulus toejuicht met de woorden: Dood, waar is uw prikkel1? noch dien, welke Simeon met zijn: nu Heere, laat Gij uwen dienstknecht heengaan in vrede, in de armen viel. Ook is bet niet dien dood, welke Stefanus met een blinkend engelenaangezicht begroet. De dood, welken de Borg Jezus schuldig was te ondergaan, is bij, dien wij Openb. 0 op een vaal paard zien rijden, en wien wij aldaar door gebeel de hel gevolgd zien. Het is die dood, dien het lasterend rot van Korab overviel, toen de aarde zich onder hen opende; de dood, die nog zijnen prikkel heeft, en zijn prikkel is de zonde; de dood, die van rondom door den vloek omvangen is, en dien de Schrift de bezoldiging der zonde noemt; de dood der goddeloozen, der gebonde-nen, der verworpenen, ja, deze vreeselijke koning der verschrikking; — deze dood, met afgrijzen en bitterheid bekleed en overkleed; deze dood is bet, aan welken de Borg, bier, in den naam en op last van God. plechtig door bet sanhedrin wordt gewijd. Dat echter dit oordeel des doods zijn heilig hoofd trof, daarin ligt de grond, en wel de eenige grond, dat ons nu den weg ten leven openstaat. Alle vrees des doods is voor de kinderen Gods voortaan eene overbodige, omdat zij geen grond heeft. Jezus nam den prikkel en het vergif, dat is de zonde, uit onzen dood, en het blijft er van nu af bij: „Wie aan Hem gelooft, die zal den dood niet zien in eeuwigheid.quot;

Wij eindigen. Doch wij moeten nog het groote een van heide U voor oogen stellen — want dat is van al bet overwogene thans de groote vraag. Gij ziet u deze twee gevallen voorgesteld, of gij moet met Jezus als den meest verwerpelijken dweeper, dien de wereld ooit gezien beeft, voor altijd breken, en hot bloedvonnis van den hoogen raad tegen Hem goedkeuren; óf gij moet met ons den Nazarener uw Hosanna! toeroepen, en Hem als God geopenbaard in bet vleesch met aanbiddende hulde te voet vallen. Voor een derde, voor een middending, blijft hier geene plaats over. Het gesnap van den enkel voortrejfeUjken rnensch getuigt slechts van ongehoorde gcdachtcnloos-beid en verbergt, bij het licht gezien, niet anders dan eenverraderkus in zich. Welnu, hoe is uwe beslissing? Reeds bet gezond verstand

ocr page 294

276

geeft ii den raad, om onze partij te kiezen. Aanschouwt slechts nog eenmaal in de bevestiging hij cede voor den hoogepriestcr de machtige rots, door welke ons geloof in Hein onderstut en gedragen wordt, en geeft dan plaats aan de waarheid, en zegt met ons:

Ja, Gij zijt onze God,

Gij Bruidegom der zielen;

Die nedrig voor U knielen;

Zijn zalig, welk een lot Van droefheid of genot Hen ook te beurt moog' vallen:

Gij leidt en zegent allen,

Die door nw folterpijn Genezen willen zijn.

O, leer mij voor U buigen,

En eeuwig in U juichen:

Mijn Goël is Gods Zoon,

En ik zijns lijdens loon!

Amen.

ocr page 295

XXVJf.

D E T R A N 1-: N VAN P E T R U S.

De koning David stond op de hoogte van zijn geestelijk leven, toen liij aan het hoofd zijns volks onder harpen-, psalter-en paukengeklank, de verhonds-ark uit het huis Ohed-Edorn, den Gethiter afhaalde, om liaar te Jeruzalem te brengen. Zijne ziel zweefde op de vleugelen des danks en der blijdschap, en de harmonie zijner gewaarwordingen deelde zich overeenstemmend mede aan al de gebaren en bewegingen zijns lichaams. Bekleed met den linnen lijfrok van eenen Leviet, danste hij met allo macht voor den genadetroon des Heeren, dat is met plechtige, met de toonen der muziekinstrumenten en de liederen der zangers beteekenisvol overeenkomende gebaren, ging hij voor het heiligdom heen. Of Michal, de dochter van Saul, aan het hooggelegen venster van liet paleis uitziende, de schouders over hem optrekt en spottend uitroept: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de oogen van do dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdelc lieden zich onbeschanmdelijk ontbloot! wat bekommert dit den koning. Ik zed — zoo antwoordt hij met vroolijken trots de gemelijk spottende koningsdochter, — Ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren, die mij verkoren heeft voor muen vader en voor zijn gansche huis, mij instellende tot eenen voorganger over het volk des Heeren, over Israël. Ook zed ik mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden. 2 Sam. 6: 20—22.

Welk eenen edelen zin ademen deze woorden! Doch David vermoedt niet, wat hij met de uitdrukking; Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, aan zichzelven profeteert. De nederigheid heeft een eigenaardig karakter. Zij is in den hof des harten van de geloovigen de bloem, die God alleen als zoodanig wil erkennen en kweeken, doch welke terstond haar teeder leven uitademt, zoodra de zelfbewustheid haar aanraakt, en haar in den krans der deugden wil opnemen. Het is nauwelijks in twijfel te trekken, dat zelfs dit verhevenst oogen-blik in Davids geloofsleven in zoo verre mede heeft geholpen tot zijnen daarna volgenden val, als het. door bet vleesch misbruikt, het vertrouwen op eenige vroomheid in hem hielp verwekken en voeden. Ach, in welk eenc mate was David nog geringer geworden dan alzoo, daar hij, nadat liij in zulk een hoog gebied der godzaligheid en des geloofs de vleugels heeft uitgeslagen, later plotseling in de overtreding

ocr page 296

k278

van eonen echtbreker, ja, in de bloedschuld van eenen moordenaar zich terugvond. Toen ging, wat nog van zelfroem in hem was, voor altijd ten grave, en die nederigheid keerde bij hem in, welke buiten hare hope op de vrije genade van God, geen handbreed ankergrond meer vindt. Zeker heeft David zich, na zijnen val, ofschoon hem terstond de Goddelijke vergeving aan het gebroken, in tranen wegsmeltend hart verzegeld werd, nooit weder tot zijne vroegere vroolijkheid en kinderlijke onbevangenheid tot God opgeheven. Hij bleef veel meer, zoo lang bij nog op aarde leefde, een geslagen man, omdat de troon der genade toen nog omsluierd en de weg naar het heiligdom, volgens de Apostolische uitdrukking, nog niet openhaarwas. Anders stonden de zaken, toen Davids latere geestverwant, Simon Petrus, met roodgeweende oogen zich van zijnen val weder oprichtte. Toen had do Goddelijke liefde tot de zondaren in Christus zich van haar laatst bekleedsel ontdaan, en op grond van de verborgenheid dei-bloedige verzoening, vond de gevallen discipel eenen vrede, zoo als hij die nimmer vroeger gekend had.

maïtii. 26 : 75. MABC. 14 : 7-J. LUC. 22 : 00—02.

En de haan kraaide de tweede maal. En de Heere Zich omkeerende zag Petrus aan. En Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij h em gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En Petrus naar buiten gaande, weende bitterlijk.

Gij ziet. Mijne Vrienden! wij zullen ons heden weder van de ontroering en verbijstering herstellen, waarmede wij onze laatste beschouwing besloten. Over het nachtelijk tafereel van Petrus' val gaat met licfelijken glans de ster der Goddelijke genade op. Wij zien de tranen vloeien, die naast de tranen, welke uit de oogen des Heeren aan het graf van Lazarus, over het Godvergeten Jeruzalem, en in den strijd van Gethsémané nederdrupten, de gedenkwaardigste mogen genoemd worden, die ooit in het pelgrimsdal dezer wereld werden vergoten.

De tranen van Petrus hebben eene spreekwoordelijke beteekenis ontvangen, en behoeven, met de tranen van Magdalena vereenigd, enkel genoemd te worden, om ons het wezentlijk doorgangs- of overgangspunt in de Evangeliesche heilsorde aanschouwelijk te maken. Niet te vergeefs, niet zonder eene liefderijke bedoeling heeft ons de in de Schrift getuigende Geest de Petrustranen in de Evangeliesche geschiedenis als in eene gouden kruik bewaard. Hoe menigeen zijn ze reeds als verzachtende balsemdroppels in de gewonde ziel gevallen! Mogen zij ook heden hunne gezegende werking niet missen, en zich in velen der beminde oogen, die mij dit oogenblik in deze vergadering aanzien, zich feitelijk vernieuwen!

In het schijnbaar geringe voorval waarvan wij heden getuigen zijn, is alles zoo zeer behartiging waardig, dat wij ons het genoegen niet kunnen ontzeggen, om trek voor trek afzonderlijk in het oog te vatten.

ocr page 297

279

Wij richten derlialve, den draad der geschiedenis volgende, den vor-schenden blik:

1. op het hanengekraai,

II. op het zich omkeeren van den Heere,

III. op den blik der genade van den Heere,

IV. op Petrus denken aan 's Heeren voorspelling, en eindelijk V. op zijne tranen.

De Heere zende zijn licht en zijne waarheid, dat zij ons leiden en opleiden tot zijnen heiligen berg!

I.

Wij zoeken Simon Petrus weder op in het ontzettend oogenblik, waarin hij, de verloochening voleindigend, zijn Jezusdiscipelschap onder zware vloeken afzweert. Denkt eens, dit doet de discipel, van wiens lippen eens de groote belijdenis gehoord werd: Wij hebben lt;jc-loofd cn erkend, dat Gij zijt de Christus, de Zoom- des levenden Gods, eti die vuriger cn oprechter dan ooit, zijn: „wanneer ook allen aan u geërgerd werden, ik niet!quot; uitriep. Doch, wat is de rnensch! zells de beste, wanneer bij, ook zelfs maar voor oogenblikken, aan zich zelven overgelaten wordt! En wat wordt er zelfs van den ge-trouwsten Christen, wanneer de Heere het toelaat, dat slechts voor korten tijd, de leibanden zijner genade van Hem genomen worden! O dwaasheid, zich te willen toevertrouwen, aan eene, al is het ook nog zoo schoone gewaarwording, waarover men slechts voor eene enkele seconde meester is. Het is een kinderachtig waagstuk, met eenige hoop van zegepraal te willen leunen op de lichte wapenrusting, welke men in zijnen zoogenaamden goeden wil en in zijne edele voornemens waant te bezitten. Ja, men zou dit kunnen doen, wanneer de gewillige geest niet het zwakke vleesch zich ter zijde zag gaan, en wanneer de duivel niet meer rondging als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden. Doch nu? Eerst in'de school der ondervinding moest Petrus, gelijk wij allen, tot het inzicht komen, dat de mensch zicii reeds, ook tegen de onbeduidendste aanvechting, te veel vermeet, wanneer hij zidizelven voor zijne vastigheid houdt. I)e liefde van Christus dringt, om het zwaarste voor Hem te wagen, doch sterk om te overwinnen, neen, dat maakt slechts het geloof aan Christus' liefde tot ons, en de roem op zijne genade, kracht en sterkte. Hij, die voor zich zelven siddert, als voor eenen, die zidizelven boven anderen bekwaam keurt, om den Meester te verraden, zal grootere overwinningen bevechten, dan die zidizelven krachtig genoeg meent te zijn, om te durven zeggen: „Wanneer ook allen Ü verlaten, ik niet!quot; Gij staat door het f/eloof, zegt de Apostel, zijt dan niet hoorjgcvoelend, maar vreest. Daarom, zoo spreekt de Apostel, wil ik liet liefste roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

Simón Petrus is gevallen. De hel triomfeert. En hoe zou zij niet! Was ooit eene ziele uan haar vervullen, die de vloek, welke hij zelf

ocr page 298

280

bij eede op zich had afgeroepen, meer waardig was dan deze afvallige , en leed ooit de aan de machten der duisternis zoo gehaten zaak des Christendoms eenen gevoeliger stoot dan hier, waar een Apostel des Evangelies bij liet eerste gevaar, dat eene vrijmoedige belijdenis bedreigt, op smadelijke wijze bezwijkt, en niet krachtig genoog te be-ëedigen weet, dat hij dezen mensch — namelijk Jezus — niet kent? Nochtans heft de hel hare zegeliederen te vroegtijdig aan. Met den vloek dien Petrus moest treilen, zal bet wol atloopen. Luister wat er in de rechtszaal van het boogepriesterlijk paleis voorvalt. Onder een groot rumoer wordt zoo even bet ontzettend vonnis uitgesproken: Wat behoeven wij meer getuigenis! Hij heeft God gelasterd; Hij is des doods schuldig. Wie? zoo vragen wij verschrikt. Simon Petrus? neen, een andere, en denkt eens, een lioilig mensch. Ja, dezelfde, die eenmaal optrad met de verzekering: Ik stel mijn leven voor de schapen. Thans wil Hij bet stellen, en tot zijne lammeren behoort ook Simon Petrus, van wien de vloek alzoo op Hem den Borg overgaat, terwijl boven Petrus' hoofd voortaan het met bloed besprengde schild zweeft, dat tot opschrift draagt: zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. Wat echter den stoot betreft, die door de verloochening van Petrus de zaak des Heeren leed, hij zal hem wel overleven. Hebt slechts geduld. Er is Een, die deze zaak wel eene zoodanige wending weet te geven, dat zij eerder het Evangelie tot verheerlijking, dan tot verdachtmaking zal moeten strekken. Hiertoe is alles reeds beschikt en toebereid. God weet het alleen met welk een' verwarronden klank de duivel het ooi van Petrus verdoofde, opdat de roepstem van den gevleugelden wachter niet tot hem doordrong. Petrus geraakte altijd dieper in zijne verwarring en een stikdonkere nacht, welke slechts door de enkele bliksemstralen van zijn ontwakend geweten werd doorboord, omgaf al zijne zinnen.

Voor ieder mensch wordt op eenigerlei wijze een haan tot wekker gesteld, ja bijna overal, waar wij gaan of komen, omringen ons stemmen, die ons tot bekeering roepen. De natuur is er van vervuld, gelijk geheel ons leven; doch onze ooren zijn dik, en willen niet hooren. Er is een hanengekraai in den donder, die als een heraut der oneindige majesteit door de wolken rolt; in den bliksemstraal, die voor u nedervalt en zegt: Hier hen ik! in de sterren, die zoo strak en van uit groote verte op u nederzien, alsof zij tot ons wilden zeggen: „Hoe ver, o mensch! zijt gij van uw vaderland weggestormd!quot; in de bloem van het veld, welke in haar vluchtig bloeien en verwelken het beeld van ons eigen bestaan afmaalt; in de slagen van den torenklok, wanneer zij in het middernachtelijk uur als de polsslagen van den onophoudelijk voortspoedenden tijd in uwe slaapkamer vallen, en u toeroepen: „Haast u en redt uwe ziel.quot; Ja, waar zijn wij niet van kraaiende hanen van deze soort omgeven? Zij zitten op de graf-steenen onzer kerkhoven, en roepen der stad toe: Het is den mensch gezet\,\eenmaaltte sterven, en daarna het oordeel. Van eene lijkkoets, die '.u voorbijgaat', klinkt deze wachterstem u in do ooren. Zij klinkt er in op eiken gedenkdag uwer geboorte, dien gij viert, in eiken

ocr page 299

281

aanval van krankheid, die u overkomt, in elk gevaar, dat uw leven bedreigt, gelijk in de geheime onrust, die onophoudelijk uw binnenste in beweging zet. En wien werd behalve deze algemeene wekstemmen niet nog ergens afzonderlijk een haan in huis of hof geplaatst? U ligt eene onberouwde en onverzoende zonde op de ziel, wanneer zal deze kraaiende haan u de tranen in de oogen lokken? Bij u treedt sedert korten tijd het eene ongeluk na het andere over den deurdrempel, en o hoeveel hanengekraai is er voor u in deze roedeslagen des Almach-tigen Gods! Gij gevoelt dat uwe krachten afnemen en de zon uws levens zich begint ten ondergang te neigen! Mensch! hoort gij niet het gekraai van den haan? Ja, van alle zijden vernemen wij die roepstem des wachters; in den droom, bij den nacht; in de ontmoetingen, gedurende den dag; in de ernstige gedachten, waarvan wij ons niet kunnen ontslaan; in de predikatiën en vermaningen, die tot ons gericht worden. Doch wat haat het? Aan dit gekraai moet zich nog iets anders paren, iets hoogers en machtigers dan deze stem zelve is, of anders zal het baar nooit gelukken, om zulke onhesnede-nen van harten en ooren als wij allen van nature zijn, uit hunnen doodslaap wakker te roepen.

Ziet nog eenmaal op Petrus, hoe hij, de rots, waarop Christus zijne Kerk wilde bouwen, in den hof des hoogepriesters jammerlijk neder-ligt, en de machten der hel triomfeerend over hem in de handen klappen. In dezen toestand is hij een beeld van de gemeente des Heeren in haren tegen woord igen staat. Wie zijn wij? Een stadje rondom welke men een wagenburg heeft opgericht, een wormpje Jacobs, dat men op den weg vertreedt, eene sekte, welke overal wedersproken wordt; een ellendige, door allo onweders voortgedreven, en dien voorspeld wordt, dat het spoedig geheel en al met hem zal gedaan zijn. Doch slechts goeden moed, geliefde Broeders! hoort gij de hanen niet kraaien aan alle plaatsen en op allerlei toon en wijze? In oorlogen en oorlogsgeruchten? In bewegingen der volken en in het opkomen van valsche profeten? In het angstige verwachten der dingen die komen zullen, welke zich overal in eene meer toenemende mate voordoet, en bijzonder in de prediking van hot Evangelie aan alle Creaturen, en in de 'luide wachterroep, waarmede de Engel, die het geopende boek draagt, midden door den hemel vliegt? Verstaat gij deze seinen niet? ü dit hanengekraai, dat gij heinde en verre zich in het oneindige hoort herhalen, verkondigt u liet aanbreken van den morgen. Gemeente van God! het verkondigt u, gelijk weleer Petrus, dat, ofschoon nog een korten tijd van tranen en worsteling moet voorafgaan, een triomf- en opstandingsdag u op den voet volgen zal. In het oogenblik, waarin de hel hare zegevanen op de muren van Sion zal willen planten, zal het teeken van don Zoon des menschen aan den hemel verschijnen en al de geslachten der aarde zullen zien, in wien zij gestoken hebben.

II.

Do haan in den hof van den Hoogepriester kraait voor de tweede

ocr page 300

282

maat, en deze roepstem dringt door en vindt wederklank. Bij Simon begint onder den weêrschijn der in hem opgewekte herinneringen aan des Meesters waarschuwing, liet licht op te gaan over den afgrond, waarin hij gevallen is. Zinkt hij echter inéén, zoo moge de hel zijne verschrikking deelen, naardien dit tweede hanengekraai, — evenals de bazuinen van Jozua weleer de muren van Jericho, — de trotsche overwinningstroféën, welke zij reeds heeft opgericht, op eens het onderste hoven werpt.

Verplaatsen wij ons echter gedurende eenige oogenblikken vóór het oogenblik gekomen was, waarin het tweede hanengekraai gehoord werd. Wat gebeurde toen in het binnenste van de gerichtszaal ? Een woest rumoer dringt ons daaruit tegemoet. Daar is iets groots geschied. De Beschuldigde legde het beëedigd getuigenis af, dat Hij de Zoon des levenden Gods is. De Moogepriester scheurt in geveinsde ontroering, zijne kleederen. Onder een wild geschreeuw wordt het oordeel des doods over den Heilige Israels uitgesproken, en de dienstknechten grijpen den veroordeelde, om hem in de hofplaats te brengen en daar hunne onbeteugelde woede aan hern te koelen. Juist treedt de Goddelijke lijder en Duider door de deur van het paleis, toen de morgen-roep van den haan tol zijne ooren doordringt: „En de lleere keerde Zich om,quot; zegt het Evangelie. Naar wie? Wij weten het. Deze stem verkondigde Hem den val van zijnen discipel en hau zoekt zijn oog, zoekt zijn medelijdend hart. Ja zoodanig een Heere is Hij. Met meer dan moederlijke teederheid omvat Hij de zijnen en hunne ontrouw heft zijne trouw niet op. Welke wateren des lijdens gaan er thans over zijn. eigen hoofd! Doch Hij kan alles vergeten bij de zorg voor zijn gevallen discipel. Ja, eerder zou Hij het bestuur der wereld vergeten en, gelijk Hij eens deed, de volken in hunne wegen laten gaan, alvorens Hij één zijner kleinen uit het oog zou verliezen. Zoo lang nog slechts ééne roos, welke Hij plantte, op aarde bloeit, zal Hem deze woestijn een liefelijk Eden zijn, en zal Hij den hemel verlaten, om dit plantje te verzorgen en te kweeken. En zalig gij zwakken onder de zijnen, gij boven anderen hulpbehoevenden en armen! Het schijnt alsof gij Hem het allernaast aan het harte ligt.

Diep, zeer diep was Petrus in het slijk der zonde verzonken. En nu — zoo verhaalt de Evangelist ons — keerde de Heere Zich naar hem om. Wie van ons zou zulk oenen trouweloozen verrader nog verder hebben aangezien? Ja, wanneer zulke lieden van ons afhingen, zij zouden er slecht bij varen. Hoe spoedig zijn wij gereed, om struikelende broeders tot huichelaars te stempelen en als zoodanig te verwerpen. In plaats van ook maar een' vinger uit te steken, om ze weder op te richten, drukken wij ze niet zelden nog dieper in het slijk, en vervolgen wij hen scherper nog dan de wereld het doet, en zoo wordt op geestelijke wijze vervuld wat gezegd is; „Als Jeruzalem belegerd wordt, zal Juda mede helpen belegeren.quot; De Heere daarentegen, wien toch alleen in zulke gevallen het rechterambt toekomt, schaamt Zich niet om Zich te vernederen tot den arbeid van die vrouw in het Evangelie, welke, eene penning verloren hebbende, een licht ontsteekt en naar den bezem grijpt, en niet ophoudt in liet stof to

ocr page 301

283

vegen, totdat zij liet verlorene terugvindt, en als zij het terugvindt, hare geburinnen te zamen roept en tot haar zegt; Verblijdt u met mij, want ik heb den penning f/evonden, dien ik verloren had.

Neen, den Heere liggen de Broederen niet zoo los aan het hart als ons. Zegt toch, gij vaders en moeders! houden uwe verdwaalde zonen en uwe ongehoorzame dochteren door hunne dwaling op, uwe kinderen te zijn? Gevoelt gij het alsdan daarentegen niet nog veel dieper, dat zij vleesch van uw vleesch en gebeente van uw gebeente zijn? Vermeerdert niet juist uwe liefde met het gevaar, waarin gij ze ziet verkeeren? Ja treedt het niet, wanneer gij over hen moet weenen, nog veel krachtiger voor uwe bewustheid, dat gij één leven met hen leeft, dan ten tijde, wanneer gij zonder zorg u enkel over hen mocht verheugen? En wanneer dan nu gij, die boos zijt, uw zaad niet kunt verloochenen, hoe zou dan Hij ooit zijn vleesch en bloed kunnen vergeten, die gezegd heeft: Gelijk mijn Vader Mij heeft lief gehad, zoo heb Ik u lief. En die ons toeroept: Kan ook eene vrouw haren zuujeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars huiks, en of zij het vergate, zoo zal Ik toch uwer niet vergeten. Ziet, in mijne handpalmen heb Ik u gegraveerd. Ook de gevallen Petrus hleef zijn Petrus. Hoe zwaar hij overtreden heeft, het hart van Jezus verandert zich niet jegens hem. Ziet met welke moederlijke bezorgdheid en zorgvuldigheid liij naar hem omziet. Ten tweeden male heette het nu tot Simon: Ah Ik u voorbij ging, zag Ik u op het vlakke des velds vertreden in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: leef! Voorzeker, wanneer de Heere niet gewild had, dat wij gelooven zouden, dat het verhoud zijner genade aan zijne zij tic onverbrekelijk vast staat. Hij zou ongetwijfeld bedenking gemaakt hebben, om ons een voorbeeld te vernieuwen, als dat van eenen David, den moordenaar en echtbreker, die nochtans een man naar zijn hart was en bleef, en dat van eenen Simon Petrus, van wien het heet: En hij begon zich te vervloeken en te zweren: ik ken den menscii niet! En spoedig daarop: En Jezus Zich omkeerende, zag hem aan. Ja gelooven 'wij niet. Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzclven niet verloochenen, en de vaste grond Gods bestaat en heeft dit zegel: De Heere kent de zijnen.

De Heere keerde Zich om. Iedere zondaarsbekeering begint daarmede, dat er geschiedt, wat David biddend vroeg: Wend U tot mij en zijt mij genadig! Van nature zijn wij als bet verdord gebeente op een groot kerkhof, en wij quot;kunnen tot Hem niet komen. Begint echter de Heere naar ons om te zien, zoo wordt dit spoedig kenbaar. Men komt, eerder dan men nog weet, met Hem in nauwere aanraking. Men hoort zijne voetstappen als het ware rondom zich ruischen. Men gevoelt zich diep en wonderbaarlijk bewogen door dingen, waarop men anders nauwelijks eenigen acht sloeg. In duizenderlei omstandigheden dringt zich als het ware do gedachte op aan het hart: „Zie, God wil u hierdoor tot hekeering roepen!quot; Men heeft eenen angstigen droom gehad, of er valt onvoorziens eene schilderij van den muur, of ons verdort plotseling een krachtige boom in den hof, of ons ontmoet eene lijkstaatsie, waar wij haar niet vermoed hadden, of men slaat

ocr page 302

m

toevallig eene zeer ernstige en zinvolle spreuk in zijnen Bijbel op; — overal zegt ons terstond een gevoel; „Gij wordt tot bekeering geroepen !quot; En dikwijls zou men met Jacob willen zeggen: -De Ewe is aan deze plaats. Alsdan woont de Almachtige voor ons niet meer ver in den vreemde, in verwijderde hoogte, maar Uij wandelt alsdan door ons vertrek. Hij komt ons alsdan tegen, binnen de beperkte grenzen van ons eigen leven. Er gaat alsdan geen dag voorbij, of er gebeurt iets, waarvan wij moeten zeggen: „Ziet de Heere!quot; doch men kan zich in zulk eene betrekking tot den Heere lang bewegen, zonder dat het daarom bij ons tot eene werkelijke bekeering komt. Naar wien Hij echter de getrouwe Herder, het eerst in liefde omziet, aan dien zal Hij ook nog iets meer doen.

III.

De liaan alleen wekte door zijne roepstem den discipel nog niet op uit zijnen val. Ook het zich omkeeren van tien Heere naar Petrus had nog evenmin de gewenschte uitwerking. Bij het eene en het andere kwam echter nog een derde, krachtiger werkend middel. En waarin bestond dat? In één woord, eenen toeroep, eene predikatie? Neen, in een' blik, dien de Wachter Israels, den aan den rand des eeuwigen verderfs tuimelenden discipel toewierp. Deze blik doet wonderen. Jezus keerde zich om en zay Petrus aan. Welk een blik dit geweest zij, en welk eene volheid van Goddelijk mededoogen en liefde zich daar in heeft afgespiegeld, zal Petrus zelf ons eenmaal, wanneer wij nederzit-ten onder de vredepalmen des hemels, verhalen. Zoo veel welen wij echter, dat deze blik niet ledig lot Petrus kwam, maar vergezeld was met vonken des Geestes en stralen der genade. Beide, een zwaard om te wonden, en tegelijk balsem om te genezen, werd door dezen blik medegebracht. Als een verbrijzelende bliksemstraal sloeg hij bij Petrus in, en tegelijk goot hij zich uit als een verkwikkende dauw. O welkeen macht er in den blik des Heeren rust, is niet te zeggen. Met den blik zijner majesteit ziet Hij de aarde aan, en zij beeft. Met zijnen rechterlijken blik achterhaalt Hij den zondaar en de Jobsklachte wordt, gehoord: Uwe oogen zullen op Mij zien, maar Ik zal niet meer z'jn. Zijn brekende stervenshlik van het kruis af, smelt steenen harten, en temt leeuwen tot lammeren. Uit zijne duivenoogen, blinkende van tusschen de windseldoeken en uit de kribbe, scheppen Simeon en Hanna zich eene eeuwige jeugd. Met eenen blik van vergevende genade doet Hij eene verslagene en verbrokene ziele van wege bare vreugde hemel en aarde vergeten, en door middel van eenen blik vol medelijdende liefde, haalt llij de afgedwaalde schapen zijner kudde uit hunne jarenlange verwijdering weder terug. „Dochquot; — zoo hoor ik vragen — „kan Hij ons nog lieden aldus aanzien?quot; Het is eene verborgenheid, doch de zijnen slaan geen oogenblik in beraad om deze vraag toestemmend te beantwoorden. Zij gevoelen zich nog door zijne oogen bewaakt, en naar hetgeen zij in dezelve meenen te lezen, slijgt of daalt hunne vrede en vreugde. Is het vervreemding, hetgeen ■/(] er in lezen, zoo buigen zij het hoofd en het is met hunne rust

ocr page 303

285

gedaan. Ts liet echter genade, zoo gaan zij als Gideon, vroolijk heen in deze hunne kracht en juiclien mot Muriu: Dc Hecre heeft do nederiij-heid zijner dienstmaagd aangezien, en van nu aan zullen mij zalig 'prijzen al de geslachten der aarde.

IV.

De aanblik dos Hoeren miste ook hij Simon zijne werking niet. Zoodra ontmoet het oog van den discipel niet zijn oog; of do hotoove-ring, die hom bevangen hield, is gebroken. De demonische bedwelming hooft opgehouden, het oor wordt hom geopend, zijne bezinning keert weder; ja, de zonde wordt erkend, het hart versmelt, en de strik breekt in tweeën. „Ach,quot; zoo luidt bet in zijn binnenste, „waarheen werd ik weggestormd? Rampzalige, die ik hen! werd mij niet alles vooruit gezegd? Zeide Hij niet tot mij op den weg: Eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemalen verloochenen. Wee mij, dat ik in dwaze zelfverheffing deze vermaning van mij afstiet , en eerst nu, nadat liet te laat is, daaraan denk! Ik beloofde met Hem in de gevangenis en in den dood te gaan; en nu ben ik de eerste, die Hem verloochent en afzweert! Hoe komt het, dat de aarde mij nog draagt, en dat geen bliksemstraal van den hemel mij nederstort; maar dat Hij in de plaats daarvan, mij, kind des doods, nog verwaardigt met eenen blik des medelijdens en der ontferming, die met zulk eene meer dan moederlijke getrouwheid mij gewaarschuwd heeft, en van Wien ik nochtans verachtelijk en wegwerpend heb durven zeggen: Ik ken den menseh niet.quot; Zoo heeft hij tot zijne ziele kunnen spreken, toen bij, zoo als hot Evangelie vermeldt, ge-dachtig werd aan hel woord, dat de Heere tot hem gezegd had. En onfeilbaar ware bij thans een prooi der vertwijfeling geworden, wanneer de teedere liefde van Jezus niet reeds door deze zijne toespraak op den weg naar don Olijvenhof alle toebereidselen had gemaakt, waardoor den satan belet werd, om bij de zifting van den discipel te ver te gaan. Met hoe veel voorzorg had de Heere hem in zijn: Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude, den afgrond eener al-goheele vertwijfeling als met een borstwering omringd. Even als Hij hem in zijn: Als gij bekeerd zult zijn, zoo versterk uwe broederen, reeds lang te voren voor het uur des weenens den doek heeft aangewezen, waarmede hij zijne tranen weder zou mogen en kunnen afdroegen. O, hoe goot zich, nu deze blik vol zachtmoedigheid en genade er bijkwam, de balsemkracht van al de woorden, die de moederlijk teedere Beminnaar der zondaren gesproken had, uit in zijne ziele, en hoe kon Petrus thans met de I3ruid in het Hooglied zingen: Terwijl de Koning aan zijne ronde tafel is, (en dus zijne oogen op mij zien) geeft mijn nardus zijnen reuk. Zeker heeft zich niemand ongelukkiger gevoeld, dan nu onze Petrus, doch boe zou hij eerst van bot ongelukkig zijn bobben kunnen spreken, wanneer niet de vleugelen dor ontferming van Christus over hom waren uitgebreid geweest!

ocr page 304

'Jhö V.

Baar staat onze Siinon Petrus door den blik des Meesters geheel in verbrokenheid en droefheid der ziele opgelost. Als durfde hij zich voor God en menschen niet meer laten zien, verbergt hij zijn hoofd in zijnen mantel, en weent bitterlijk. En dit zijn nu de tranen, van welke geschreven staat: „de ITeere verzamelt ze in zijne tlesschen,quot; en aan wier uitzaaing eene eeuwige vreugdeoogst beloofd wordt. Zij getuigen even als de parelende dauw, die in het begin der lente uit de ranken van den wijnstok drupt, van nog aanwezig leven, en verkondigen in de oogen des zondaars aan den satan liet verlies van zijn rechtsgeding en het einde zijner zegepraal. O hoe spiegelt zich dit alles in deze tranen af. Gelijk edelgesteenten hunne zuivere glanzen, stralen zij de grondigste verootmoediging voor God naar buiten, en welk een heilig vergrimmen tegen de zonde, welk een brandende dorst naar genade, en welk eene volheid van innige liefde tot den Meere daarbij ! „W ees Gij mij niet vreeselijk, mijn toevoorzicht in den nood! Verwerp mij niet voor uw aangezicht! Wanneer ik U slechts heb!quot; Dit zijn de klanken en toonen, die door zijn hart en gemoed trillen. Al zijn zuchten, verlangen en begeeren, bepaalt zich nu tot dit eene, dat hij zich met de liefde zijns Heeren weder mag vertroosten. Of hij gedurende zijn gansche leven een verachteling der wereld zij, en naar het vieesch enkel Jobs- en Lazaruswegen moet bewandelen, hij wil er zich gaarne aan onderwerpen, wanneer hij maar weder op genade hopen mag. Zijne tranen kondigen de geboorte van eenen nieuwen Petrus aan. De oude, vermetele, zich zeiven vertrouwende, en zich zeiven zoekende Petrus is gestorven, en een man des ootmoeds, der kinderlijke overgegevenheid, aan God, en der oprechte begeerte, dat slechts de naam des Hoeren groot zij en heerlijk gemaakt worde, verhief zich gelijk de feniks doet, als uit zijne asch.

Ja men zegt, dat Petrus, zoo lang hij geleefd heeft, de oogen niet meer droog zijn geworden. Wanneer (lit meer dan eene legende is, zoo was de traan, die men aan zijne oogleden zag hangen, geen traan van smart, maar een traan van vreugde over de ondervondene barmhartigheid , alleenlijk getemperd door eene onuitdelgbare weemoedigheid. De herinnering aan zijnen val, verliet hem geen oogenblik meer, en scherpte in dezelfde mate als zij hem nederig hield, den blik zijns geestes voor de verborgenheid des kruizes en der vrije genade. Meer dan eenmaal zien wij ze onmiskenbaar, namelijk in zijnen eersten brief, weder te voorschijn komen. Mij troost de geloovigen met de hartverheffende verklaring, dat zij in de kracht van God door het geloof bewaard worden tot de zaligheid. Hij eischt ze op, om bun vertrouwen geheel op de genade te stellen. Met grooten nadruk herinnert hij ze aan de broosheid en onmacht, der menschelijke natuur, naardien hij hun het woord van den profeet in gedachtenis brengt: Alle vieesch is als yras en alle heerlijkheid des menschen als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen. Hij spreekt van het dierbare bloed van Christus als dat van een on-schuldig en onbevlekt Lam met eene innigheid, welke terstond den

ocr page 305

'J87

man verraadt, die de balsemende kracht van dit bloed diep in zicb zeiven ondervonden heelt. Hot is Petrus, uit wiens mond het woord der waarschuwing tot ons komt: /ijl nuchter en en waakt; want uw wederpartij der, de duivel gaat om (da een brieschende leeuw, zoekende ruien hij zou manen verslinden. En wanneer hij de plaats uit de psalm aanhaalt: De oogen des Ueeren zijn over de rechtvaardigen, maar het aangezicht des Ueeren, is legen degenen, die kwaad doen, is het dan niet daar, als wees hij met op/et heen op dien blik zijns Meesters, die hem eenmaal zoo diep verbrijzelde en zoo geweldig ter aarde wierp.

Ik eindig. Wie is er onder ons. Mijne Vrienden! die zich tegenover den gevallen Petrus vermeten zou, gelijk weleer de farizeërte zeggen: Ik dank fJ, God, dat ik niet ben, gelijk deze. O, hoe veel schuld van wege onze verloochening van 's Hoeren naam op grovere of fijnere wijze rust niet ook op ons! Hoe veelvuldige redenen hebben ook wij, om voor de woorden: Wie Mij verloochenen zal voor de menschen, die zal Ik ook verloochenen voor mijnen hemelschen Vader, ernstig te verschrikken. Bedekken dan ook wij ons hoofd met onzen mantel, en gaan wij met Petrus naar buiten bitterlijk weenende, opdat, gelijk hem, ook ons een Paasclifeest der genade moge kunnen dagen, en ook op ons de Apostolische toeroep, L Cor. 0 : 11, van toepassing moge zijn: En dit waart gij sommigen, maar gij zijl afgewasschen, gij zijl geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd door den naam des Ueeren Jezus en door den Geest onzes Gods. Ja, komt en stemmen wij allen met volkomene oprechtheid van zin, met het woord van den zanger in :

Heeft Petrus driemaal U verloocliend, Heere!

En driemaal u daarmede in 't hart gestoken,

Hoe menigmaal heb ik de trouw gebroken,

'k Heb U miskend, verloochend keer op keer;

Doch 't doet mij ook als Petrus innig leed,

Want ik zie ook, Uw oog op mij geslagen,

Vol medelij om 't geen ik LI misdeed,

Vol troost en kracht, om mijne ziel te schragen.

O Zion van God! mijn hoop en levenskracht!

Sta voor mij in bij al mijn overtreden,

lied mijn geloof alleen door Uw gebeden.

En hoed m^n ziel alleen door Uwe macht.

Dan , vall' de hel en al haar macht mij aan,

Ik waak en bid, en voel me in U geborgen,

En slaap ik in, mij wekt de wakkre haan,

En in Uw oog licht mij den eeuwgen morgen.

Amen.

ocr page 306

XXVIII.

PROFETEER ONS, CU R I S T U S!

Zoo zijn wij dan weder vereenigd, mijne Beminden! om met onze eerbiedige en ernstig diepe beschouwingen op de offerplaatsen van onzen Middelaar te verwijlen. Dat dan ook dit uur voor ons eene gezegende en geheiligde ure zij! Ik begin er mede, dat ik u aaneen welbekend eenvoudig liedervers herinner:

Moest een Jozef tranen plengen Bij zijn hoogen fleren zin;

Door het voor zijn oogen brengen Van zijn' broeder Benjamin;

Zou dan niet uw aangezicht Blinken van het vriendlijkst licht;

Eindloos minnend God en Vader,

Daar ik als een zondaar nader,

Als ik uw geliefden Zoon U in mijne plaatse toon?

Moge dit versje eenvoudig zijn, het is toch liefelijk en vol diepte. Ja, met onzen Jezus kunnen wij alles uitrichten bij God. Is Hij da onze, zoo ruischen ons Gods ontfermingen te gemoet als een stroom. Beklagenswaardig is het echter, dat onder de Christenen slechts zoo weinigen recht grondig weten, wat zij aan hunnen Jezus hebben. Bijzonder nemen zij ééne zaak niet goed ter harte, de waarheid namelijk, dat God ons zijne liefde en genade bewijst naar den maatstaf van hetgeen Jezus voor ons deed en voor llem geldt, en niet naar den maatstaf der gezindheden, welke wij jegens Hem koesteren. Do gezindheden des geloofs en der liefde zijn ons zeker onmisbaar, als de band, die ons met Jezus vereenigt; nooit worden zij echter een gedeelte der oorzaak, om welker wille God zijn hart ons schenkt en ons de zaligheid toemeet. De eenige, God uitsluitend behagende, maar ook overvloedig voldoende oorzaak van onze aanneming tot kinderen blijft Christus. Hoe staat het Efez. 1 ; 6 geschreven? De Apostel zegt: God heeft ons begenadigd. Hoe heeft echter God dat gedaan? Maakte Hij ons in ons zeiven aangenaam voor Hem? Neen, zegt de Apostel, in den Geliefde. Ja, in den Geliefde heeft Hij ons lief. Hoe dit geschied is, toont ons de lijdensgeschiedenis in de ge-

ocr page 307

beurtenis, die zij ons heden voor oogon steil. Hiermede wordt dit wonderbare werk van God opnieuw tor onzer aanschouwing gebracht.

matth. 26 : 67, 68. MARC. 14 : 65. LUC. 22 : 63—65.

En de mannen, die Jezus hielden, bespotteden Hem en sloegen Hem, en sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn aangezicht te bedekken, en niet vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer o«s, Christus! tvie is het, die U (jeslayen heeft? En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem , lasterende. En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.

Wij komen heden tot een tooneel, mijne Vrienden! dat aan huiveringen en verschrikkingen in de geheele Lijdensgeschiedenis nauwelijks zijne wedergade heeft. Men weet hij den eersten oogopslag niet, wat men bij het aanschouwen van zulke dingen zeggen zal. Men verschrikt, wordt verbijsterd, siddert en wenscht do oogen van zulk oen tooneel af te wenden, en, het hoofd bedekkende, met een: „O Heere, hoe duldt Gij deze dingen?quot; ijlings van daar heen te vluchten. Doch vlieden wij niet, maar hlijven wij, en verlichten wij de aanvankelijk zoo onbegrijpelijk schijnende geschiedenis met den fakkel van het vast profetisch woord, zoo zal het schijnbaar ondoordringbaar duistere wel helderder worden, en het huiveringwekkend raadsel op verrassingvolle, troostrijke wijze zijne oplossing vinden. Wij vestigen dit oogenblik bij voorkeur onze aandacht op de aan Jezus gerichte vraag: Profeteer ons, Christus! wie is het, die U geslagen heeft? en beschouwen:

I. de verschrikkingen die deze vraag vergezellen, en

II. het beteekenisvollo antwoord, dat er op volgt.

Mocht onze tegenwoordige betrachting , door de ontzettende voorvallen, waarvan zij omringd is, gelijk onze afschuw tegen de zonde, zoo ook onze liefde tot Hem, die er ons van verloste, eene wezent-lijke aanwinst bekomen!

I.

Het vonnis is over Jezus geveld. Het bevat niets minder dan liet oordeel des doods. Do rechterlijke vergadering heeft zich, na hare eerste zitting, welke nog hij nacht begon, voor eenen korten tijd met wilde, zegevierende vreugde verdaagd. Iiitusschen is de Goddelijke Duider aan den moedwil der dienaren en wapenknechten prijsgegeven , en zij drijven een afgrijselijk spel met Hem, en dat met to minder schroom, omdat het met toestemming en voor rekening van hunnen hoogen gebieder geschiedt, en zij zich bewust zijn, dat zij dezen hiermede enkel behagen kunnen. Hij bevindt zich nu eenmaal in hunne macht, en thans zal Hij voor alles moeten hoeton. Maar wat moet Hij dan toch wel boeten? Wat leed heeft Hij hen ooit aangedaan? O,

19

ocr page 308

k29(l

niettegenstaande zijnen volmaakt goeden en oprecht gemeemlen wil had Hij hen veel leed aangedaan. Immers Hij had hen in zijne heilige persoonlijkheid eenen spiegel voorgehouden, uit welken hen het zwarte beeld hunner eigene goddeloosheid in afgrijselijken vorm voor oogen treedt, en zulk eene ontmoeting schikte hen niet; hen was toch door zijn schitterend voorbeeld het feitelijk bewijs gegeven, dat zij zich op den verkeerden weg bevonden, — en overtuigingen van dezen aard gaan door het hart. Hij had hun immers door zijnen eisch aan hen: Laat u met God verzoenen! ondubbelzinnig in het aangezicht gezegd, dat zij tot hiertoe in godvervreemding geleefd hadden,—■ en zulk eene verklaring beleedigt eu doet pijn, Ie meer wanneer het eigen geweten met de beschuldiging mede instemt. Ilij sprak immers herhaaldelijk tot hen van eene nieuwe geboorte, als de voorwaarde, aan welke hun ingang in het Koninkrijk der hemelen onafscheidelijk verbonden was, en wat anders werd ben hierdoor betuigd, dan dat zij in hunnen tegen-woordigen toestand bedorven en verloren waren. Wie echter hoort zoo iets gaarne? Zoo had zich dan ook bij ben van lieverlede een geheele schat van toorn cn ergernis bijeenvergaderd. Een ontzettende toestand, welke echter enkel voor Jezus getuigt. Gelooft het, ook do tegenstanders van den Heere en van zijn Woord onder ons zijn grooten-deels als een door den jager getroffen, en voor hem vluchtend wild. Zij gevoelen, dat deze Jezus hen hunnen valschen vrede wil ontnemen, hun vreeselijk' streven veroordeelt, en vordert, dat zij hunne afgoden zullen ten oller brengen, en daarom zijn zij Hem gram en vijandig, tot belastering toe. Met blijdschap begroeten zij elke poging, welke ten doel heeft, om Jezus tot oen bloot menschelijk leeraar te vernederen, want hun geheel leven en streven is er opuit, om zich van Hem, als van eenen man, aan wien zij verplichting hebben, op eene goede wijze te ontslaan. Bijna altijd laat zich, waar zich vijandschap tegen Christus toont, deze vijandschap uit zulke treurige beweegredenen afleiden. Het Christendom stoort de wespennesten, rukt van de verborgene zweren de windsels en pleisters af, en wekt de door allerlei too-verdranken ingesluimerde gewetens, en van daar nu die haat en die moedwil tegen het Christendom.

Alvorens wij bet tooneel der verschrikking in het hoogepriesterlijk paleis van naderbij beschouwen, vertegenwoordigen wij ons nog eenmaal, welken persoon wij in den vreeselijk mishandelde te dezer plaatse voor ons hebben. Zeker, bet is eene ongehoorde geschiedenis, welke wij thans betrachten . Het is eene gebeurtenis, waarvoor uit ontzetting de rotsen mochten scheuren. Toen in het laatste tiental jaren der vorige eeuw de goddelooze volksmenners den ongelukkigen koning van Frankrijk, onder gillend hoongelach, de roode jacobijnen- of revolutiemuts op bet hoofd zetten en vervolgens met zijne koninklijk waardigheid eene duivelsche spotternij dreven, ging er een kreet van ontroering op door geheel de wereld, en wien nog slechts één vonk van gevoel voor recht en Godsvrucht in het harte glom, die keerde het gelaat met de woorden: „Dit aan een tot het koninkrijk gezalfd hoofd!quot; van dit afgrijselijk schouwspel af. Wat was echter deze en wat zijn alle gebeurtenissen van gelijken aard, waarvan de wereldgeschiedenis

ocr page 309

3ói

géWaagt, legen hot tooneel, waarvan wij thans getuigen zijn? Ware de man, op wien onze oogen gevestigd zijn, ook slechts een uardsche waardigheidbekleeder, een vorst of priester, of welke waardigheid er meer zij, geweest, ook dan reeds zou de geweldige tegenstelling van zijn ontzettend lot tegenover zijn verheven standpunt ons in onuitsprekelijke ontsteltenis hebben gebracht. „Dat gaat te verre!quot; zonden wij uitroepen. „Houd op! zoo handelt men niet met mensdien, wien God op zulke hoogten plaatste.quot; Hier echter is — o gij weet het — nog zoo veel meer dan een groote dezer wereld, dan eene menschelijke hoogwaardigheid of vorstelijkheid der aarde. l)e mishandelde hier, is dezelfde, die tot den storm en tot de golven sprak: /ijt stil! en zij werden stil; die met één woord zijner lippen de doode opriep van de baar, en uit het graf. Wien de Engelenheiren des hemels ten dienst, en ter zijde stonden, ja door Wien en tot Wien alles geschapen werd . en die met het volkomenst recht van Zich zeiven zeggen kon: Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; Ik en de Vader zijn één, mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook, opdat zij den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. liet is de Koning der koningen, de Heere der heeren, en op Hem, in Wien de volheid der Godheid lichamelijk woonde, trappen deze knechten met hunne onreine voeten. He eeuwige liefde spuwen zij in hot aangezicht! Aan den oorsprong van alle loven leggen zij de vermetele hand; Hom slaan zij met vuisten, en Hom, voor Wien de hemelen zich buigen, doorboren zij met de vergiftige pijlen en schorpioensteken van een door de hel ontstoken scherts. „Hoe!quot; zoo vraagt gij, „doen zij dat?quot; Ja Hem, die nog zoo even met klare bewustheid en met verhevene waardigheid en plechtigheid, met oenen eed verzekerde: Ik ben de Christus, de Zoon des levenden Gods, en er vervolgens majestueus bijvoegde: Ik zeg u, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rechterhand Gods en komende op de wolken des hemels.

Het is dus eene ontroerende gebeurtenis, welke de tekst van heden binnen onzen gezichtskring stelt. Zoo iets heeft de wereld niet meer gezien. Wat wij medelijdon noemen, komt hier niet meer voor als het gevoel, dat met de ons hier omringende gebeurtenis overeenstemt. Het denkbeeld aan eenon ongelukkigen en boklagenswaardigen, waar het ook elders goed moge geplaatst zijn, is hier goene plaats vergund. Ieder gevoelt, dat hier eene gebeurtenis voor ons ligt, welke uit de gewone rij dor gebeurtenissen in de wereldhistorie ganschelijk uittreedt, en met welke eene buitengewone beteekenis moet verbonden zijn. Aan ieder dringt zich hier de bewustheid op, dat zich deze man hier onmisbaar uit vrije keuze overgaf aan dezen schrikvollen toestand, en de voorstelling van eenon overwonnen on voor de overmacht buigende, is hier volstrekt uit te sluiten. En zeker, hier blijft voor zulk eene voorstelling goene plaats over. Ho met zulk oenen hoon bedekte man in onze geschiedenis, is daarom niols onmachtiger en zwakker dan Hij het was in het oogenblik, toen Hij met een oenig: „Ik hoi het!quot; de geheele bende der tegenstanders tor aarde wierp. Hij is in de namoloozo ellende, waarin Hij ons heden voorkomt, niet minder nog do sterkere dan de sterke, als in hot oogenblik, waarin de hol

ocr page 310

202

voor zijn aangezicht vloot], biddende om sparing en verschooning. Moge Hij thans enkel verschijnen als een geknakte halm, als een vertrapte worm, het zwaard zijner almacht is Hem daarom niet van de zijde genomen, noch de boog zijner sterkte gebroken. Wat was er noodig, dan een enkele wenk van Hem, en de horde der samenspan-nelingen lag vernietigd aan zijne voeten. Doch Hij geeft dezen wenk niet, Hij lijdt vrijwillig. Zijn wil laat Zich neder in deze huiveringwekkende diepten. Meet hiernaar de grootheid at' der oogmerken, die aan zulke overgave van den Heilige Israels tot grond moeten leggen. De folteringen van Jezus dwingen reeds op zich zeiven tot aanneming van hare verzoenende en voidoenende beteekenis.

Treedt het lijdensbeeld nader. Denkt eens, dat eenmaal weder een heilige in de zondige wereld kwam, en nauwelijks zou Hij zich getoond hebben, of de menschen zouden weder tot hyena's, ja tot duivelen worden. 'Jot zulk eenen graad is hun het hemelsch reine tot eenen afschuw, het Goddelijk hooge tot eenen gruwel geworden. Ach! wat wedervaart u, gij schoonste onder de kinderen der menschen! O gezegend aangezicht, hoe wordt gij misvormd! Men zou do oogen wenschen te sluiten voor zulk een schouwspel. Hebt Gij dit om onzenl-wille verdiend. Gij eeuwige Liefde? Gij, meer dan moederlijk teeder en getrouw harte, is dit de U toekomende vergelding? En hoe men U verongelijkt. Gij wilt nochtans van ons niet aflaten, totdat Gij ons, die enkel de hel waardig zijn, al is het ook met uwen dood, den vloek, die op ons rust, hebt onttrokken. O, wat blijft ons overig, dan diep in het stof ons hoofd te bedekken en in heete tranen des berouws en der dankbaarheid te versmelten!

Ziet, wat er gebeurt. Wanneer anders een misdadiger gevonnisd is, treedt gewoonlijk een ernstig stilzwijgen in bij de omstanders, en eene feestelijke ontroerende stemming bemachtigt allen. Ieder gevoelt de majesteit der wet, welke, waar zij geschonden wordt, met onbepaald recht genoegdoening eischt. Het is, alsof de eeuwige gerechtigheid in persoon op het slagveld is getreden, en hare troon op aarde opgericht bad. En de veroordeelde is niet meer enkel het voorwerp van medelijden, maar hij wordt tot eene soort van geheiligde persoon-lijkheid, welke men, omdat de zedelijke wereldorde haar tot eene verzoening eischt, met eene huiveringvolle eerbiedigheid beschouwt. Bij de veroordeeling van Jezus intusschen schijnt zich in de wilde, woeste hoop der vijanden niets van deze gewaarwordingen voor te doen. Nauwelijks is het schuldig! over Hem gehoord, of de onwaardige knechten vallen op Hem aan, en o, welke tooneelen zijn liet, die zich thans voor ons ontvouwen! Iets zoo afschuwelijks had de wereld nog nooit gezien. Kaïns broedermoord, Manasses bloedschuld, wat waren zij bij dezen gruwel? Wee! wat wordt er uit onzen Koning en Heere! Zou men niet verstijven van schrik en ontzetting? Daar hebben zij Hem tusschen zich in, en overstorten 1 lem allereerst met de uitgezochtste vloeken en lasteringen. Doch zij laten het niet bij woorden. Zij slaan met de vuisten op Hem en slaan Hem met de hand in het aangezicht. En zelfs ook dat bevredigt hunnen wraaklust niet. Nog gevoeliger zal Hij ondervinden, hoe geheel men Hem ver-

ocr page 311

293

acht. Zij openen hunne monden tegen Hem, en spuwen Hem, met allerlei spottende gebaren der uiterste schaamteloosheid en gemeenheid, hnn speeksel in het aangezicht. En ook thans is hunne moed nog- niet gekoeld, en ook thans lam satanisch uitvindigsvermogen nog niet uitgeput. De goddeloozen zijn immers, om met den Profeet te spreken: „als ecne voortgedreven zee, welke niet kan rusten en welker wateren gedurig slijk en modder opwerpen.quot; Zij peinzen, deze goddeloozen, op iets nieuws. En iets nieuws biedt zich iiun aan. Zij hebben geboord, hoe het voorwerp van hunnen haat zoo even in de raadzaal plechtig verzekerde, dat Hij de Christus, de Zoon des levenden Gods was, en dat moot Hij nu nog in het bijzonder boeten. Tegen zijne Messiaswaardigheid, en bepaald tegen zijn profetisch ambt worden de pijlen van den bittersten hoon gericht. Zij binden den stillen Lijderde oogen niet eenen doek, slaan vervolgens met vuisten op Hem toe, en roepen onder aanhoudend hoongelach: Profeteer ons, Christus! Wie-is het, die U (jeslagen heeft? En dan weder de vuisten tegen Hem uitgestrekt, en als de nieuwe slag getroffen heeft, opnieuw de ge-meene in satanische haat ingedoopte vraag Hom toegeroepen; Wie is het, die U qeslagen heeft? en dan volgde weder een luid gelach. Doch ik laat do gordijn vallen. Wie kan zulke tooneelen langer aanzien? Immers is het afschuwelijk! Welk een helsche walm slaat ons hierop de borst. En vanwaar komt zij? Uit het menschelijk hart. Een geslacht nu, dat tot zulke dingen in staat is, hoe zou dat zonder verzoening of middelaarschap door God in genade aangenomen kunnen worden! Ik vraag u, wat zou uit God en uit geheel den roem zijner gerechtigheid geworden zijn, wanneer Hij zulk een gehroedsel, zonder dat er iets tusschentrad, verschooning en vergeving had laten toekomen? En houdt toch deze knechten niet voor zoo geheel bijzondere booswichten, maar gelooft, dat naar het wezen en den innerlijken grond, hot eeno natuurlijke menschenbart is gelijk bot andere. Zelfs gij, die van verlossing en verzoening niets weten wilt, laat niet na om, zonder bet te weten of te willen, met ieder oogenblik de men-schelijke natuur op de zwaarste wijze te veroordeelen, en hare behoefte tot verlossing op de klaarste wijze uit te spreken ; want spoedig hoort men u als in spreekwoordelijke taal met nadruk zeggen: „De eigenliefde regeert de wereld;quot; dan weder: „Ieder zoekt enkel het zijne;quot; dan weder: „Niemand boude eens anders deugd voor geldende, want de gelegenheid is de meesteresse der menschen;quot; dan weder, en dat belijdt gij met uwe vergode dichterkoningen: „in het ongeluk zelfs onzer beste vrienden is iets, dat ons niet geheel mishaagt;quot; en wat er van zulke getuigenissen meer alle dagen over uwe lippen gaan. Hoe beslissend oordeelt gij daarmede het menschelijk hart en de men-schelijke natuur als boos en bedorven, en gij zoudt geen reden hebben om een Behouder van verlorenen, in plaats van met onverschilligheid of zelfs wel met hoon den rug toe te koeren, jubelend welkom te boeten, ja Hem op uwe knieën de handen en voeten te kussen?

II.

Doch terug tot de vraag: Profeteer ons, Christus! Wie is het, die

ocr page 312

204

Ij ycslaycn heeft? Op de lippen van wie die vraag ons tegemoet klinkt, was zij enkel laster, spot en een uitbrekend bederf. Op en in zich zeiven ecliter, en afgezien van de gezindheid, welke haar bij deze menschen vergezelde, komt zij ons voor als eene vraag van de hoogste beteekenis, en wie het juiste antwoord op haar gevonden heeft, kent den grondslag onzer zaligheid en de geheele verlossing.

Velen hebben op feitelijke wijze den knechten het profeteer ons, Christus! op vermetele wijze nagesproken. Zij hebben gedacht: „Wat weet Hij er van of wij Hem eeren of met voeten treden? Waar is Hij? Sedert achttien honderd jaren is Hij den weg van alle vleescb gegaan, gelijk al de anderen, en de dooden rusten in hunne graven.quot; Zoo hebben zij gedacht en alzoo ook van hunne zijde Hem als het ware do oogen geblinddoekt, en Hem spottend toegeroepen: Profeteer, als gij nog leefl en nog ziet en hoort, luie U geslagen heeft? Ik kon er u van verhalen, wat Hij den zoodanigen ten minste gedeeltelijk geprofeteerd heeft. Den eenen beeft Hij antwoord gegeven, daardoor dat Hij hem in het armenhuis heeft verwezen; anderen, terwijl Hij hunne namen voor de wereld brandmerkte; anderen, daardoor dat Hij ze met waanzin sloeg; en weder anderen, daardoor dat Hij ze eindelijk geheel in hunnen zondenweg overgaf, en toeliet, dat zij zedelijk tot iiet uiterste vervielen, en nog anderen daardoor dat Hij de wanhoop (ot hunne sterfbedden zond, en de omstanders het vreeselijk schouwspel gaf van zichtbaar ter helle varende verworpelingen. O hoe velen ook van dezulken, die wij nog heden onder onshoorenspreken; „Wie is die Jezus, dat wij voor Hem vreezen, of ons zelfs geheel voor Hem buigen zouden?quot; zullen eenmaal, wanneer Hij hen op hun spottend: Profeteer ons, Christus! wie is hel, die U geslagen heeft? zal antwoorden, — met de geoordeelden, Openb. 6: tot de bergen en steenrotsen roepen: valt op ons! en verbergt ons van het aangezicht Besgenen, die op den troon zit, en van den toorn des Lams! Acb, dat niemand dwale, alsof de Rechter der gansche aarde zich liet bespotten. Kust liever den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn slechts een weinig zou ontbranden.

Profeteer ons, Christus! luie is het, die U geslagen heeft? De spotters daar ontvingen geen antwoord op deze vraag. Jezus zweeg. Wanneer een onder zijn schuld gebogen zondaar weenende deze vraag medegestameld had, de Heere zou tot zijnen troost hem niet zonder bescheid gelaten hebben. Met huichelaren ecliter en met dezulken, die geene behoeften hebben, met al dezulken, die ongebroken van harte zijn, laat Hij Zich niet in; alleen zij die begeerig zijn naar heil, vinden hét spoor der waarheid, en vernemen bet grondig, wie Jezus geslagen heeft.

Profeteer ons, Christus! luie is het, die U geslagen heeft? Gelijk die anderen het lasterend spraken , zoo spreekt gij het met biddenden ernst. Eene gewichtiger vraag als deze, kunt gij niet doen. Houdt dan niet op om met haar vóór den Heere te treden, totdat gij het begeerde antwoord ontvangen hebt. Aanvankelijk zal dit antwoord u verschrikken.,, Niet deze knechten hier — aldus zou het luiden — maar gij

ocr page 313

295

maakt mij arbeid met uwe zonflen, van wege uwe misdaden beu Ik gewond, eu oin uwer zonden wille geslagen.quot; En wanneer Hij zelf u dit zegt door zijnen Geest, boe klaar wordt het u dan; hoe zinkt gij dan ineen voor hem; hoe vergaat u dan verder de lust op Kajafas, Annas en de krijgsknechten te schelden; hoe levendig wordt gij dan doordrongen van de overtuiging, dat deze u slechts vertegenwoordigen, om uiue zonden opentlijk ten toon te stellen, hoe laat gij gedwee het gebogen hoofd vallen, hoe leert gij met den tollenaar op uwe borst slaan, hoe voor uwe ziel te sidderen, en boe ernstig naar verlossing en de tusschenkomst eens Middelaars vragen?

Weet echter, dat gij, op uw: Profeteer ons, Christus! wie is het, die U geslagen heeft? in het: „Gij hebt mij moeite gemaakt,quot; slechts het halve antwoord op uwe vraag ontvangen hebt. Vraag verder en zie, het zal niet lang duren, dan zweeft, niel meer als een rollende donder, maar als het zachte suizen op de vleugelen der liefde, de boodschap tot u : „Mij sloeg de hand, die u verpletteren moest; Mij trof do vloek, die u beschoren was. Ik dronk den beker des toorns, die uwe zonde voor u gevuld heeft. Ik dronk hem ledig, opdat hij voor u met eeuwige genade kon gevuld worden.quot; En wanneer zoo iets iu uw binnenste klinkt, o twijfel dan niet, of het werkelijk zijne taal en toespraak zij. Zoo waarachtig als de Heere leeft, het is zijn eigen antwoord. En zoo gij het nog niet wilt gelooven, zoo treden eerwaardige, heilige mannen tot u, mannen, lang verheerlijkt en met witte kleederen hekleed, en reiken u de hand, u vriendelijk zeggende: Ja God maakte Dien, die geene zonde gekend heeft, voor u tot zonde-, Christus verloste ons van den vloek, door een vloek voor ons te worden. En eer gij er om denkt, staat de groote Koning zelf voor u en zegt, u groetend met den vredegroet: „Ja, Ik heb betaald wat Ik niet geroofd heb.quot; Zoo weet gij nu, wie Christus geslagen heeft. Hem sloeg een andere dan de zwerm der goddelooze knechten; in dezen sloeg ik, gij, sloegen onze zonden Hem! Wordt het niet uit al de bijzonderheden der lijdensgeschiedenis zelve duidelijk en klaar, dat bet biermede alzoo gesteld is? Valt het u niet in het oog, dat Jezus onder de zware mishandelingen, die Hij lijdt, zich zoo stil en overgegeven gedraagt? Komt het u niet wonderlijk voor, dat deze pijnigers zulk eene schennis ongestraft mogen ten uitvoer brengen ? Bevreemd het u niet in den hoogsten graad, dat geen bliksem uit de wolken daalt, om deze bende te verleren, maar dat veel meer de Heilige in de hoogte een stilzwijgen bewaart, alsof er niets gebeurde, dat niet met zijne orde overeenkwam. Het rot van Korach en Abiram tastte in hunnen oproerigen zin slechts de priesterlijke waardigheid van Aaron aan, en terstond scheurde God den aardbodem onder hunne voeten open, en de muil van het graf verslond hen bij levende lijve. Usa maakte zich aan eene schijnbaar kleine oneerbiedigheid jegens de verbondsark schuldig, en terstond ontstak de toorn des Heeren tegen hem en sloeg hem, zoodat hij ontzield ter aarde viel. Hoe veel meer is echter hier, dan de verbonds-ark en dan de priester Aiiron! Hier treden zij Gods oogappel met den voet in het stof, en de Rechter der levenden en der dooden zwijgt, als geschiedde er niets dan hetgeen recht is. Zegt mij, komt u dit

ocr page 314

200

alles niet allerwonderlijkst voor. Wekt het niet in n de hoogste of althans de meest grootsche vermoedens? Geeft deze vermoedens gerus-telijk plaats; ze zijn inderdaad niet ongegrond. God zelf, wanneer gij het recht wilt verslaan, slaat den bespuwden man, op wien de straf ligt, en wat Hem treft, zijn de slagen van dat zwaard, lot hetwelk Jehova sprak: ontwaak tegen Mijnen herder en den Man, die Mijn Metgezel is. Zij treffen Hem, opdat onze zonden eeuwige verschooning konden vinden. Ziet, mijne vrienden! dit is de oplossing van het duistere raadsel, en het volledige antwoord op de vraag: Wie is het, Christus! die U geslagen heeft ? Zoodra de zon der plaatshekleeding in de duisternis der lijdensgeschiedenis schijnt, verlicht, verklaart, verheerlijkt zij alles, en de diepste verborgenheden zijn ontzegeld.

Dat wij dan deze vraag van de goddelooze bende ook gedurig tol de onze maken, alleen met dat verschil, dal wij biddend en in heiligen ernst vragen, wal zij lasterend en met wild hoongelach gevraagd hebben. Alleen in het licht van zijnen Geest gelukt ons eene heilver-kondigende ontcijfering van hel Moedig beeldschrift zijner folteringen.

Dal wij dan niet ophouden om in heilige eenvoudigheid te stamelen:

O, zeg mij Christus! wie U sloeg;

Opdat uw Geest het mij verkonde,

Wie op het kruis mijn schulden droeg.

En leed en stierf voor mijne zonde.

Hij zegge 't veel en onverpoosd,

Totdat ik mij in tranen bade,

En niets mijn arme ziel vertroost.

Dan, Heere! uw bloed en uw genade.

Amen.

ocr page 315

XXIX.

CHRISTUS VOOR HET SANHEDRIN.

Maar gij, wie zegt gij, dat ik hen? zoo vraagt do Heere, Maltli. 1(gt; : 15 aan zijne twaalve. Nooit lieel't een wijze dezer aarde zich vermeten, deze vraag aan zijne scholieren to doen. quot;Wanneer iemand dergelijke vraag had willen doen, men zou hem voor eenen onwijze hebben gehouden. Het voegde den menschelijken wijsgeeren om lot dezulken, die hen hoorden, enkel de vraag te richten, of hunne leer aan hen klaar voorkwam? Hunne persoonlijkheid deed niets ter zake, maar loste zich in bun onderwijs op. Door eene ongehoorde miskenning van geheel het Christendom, heelt men ook den Heere Jezus met deze lieden willen gelijk stellen, en ook, alsof bet enkel om de waarheid zijner leer te doen ware, zijne persoonlijkheid tot eene onverschillige zaak willen maken. Doch men heeft niet in aanmerking genomen, dat de leer van Christus eigentlijk niets anders is dan de leer van zijn persoon. Hij zelf met zijne verlossingsdood, is niet enkel de zegsman, maar ook de inhoud, do kern van het Christendom. Het Christendom is geene leering, maar het wereldhistorisch feit, van de, door bemiddeling van den Zoon van God, tot stand gebrachte wezent-lijke ontzondiging der menschheid, en waar het ook leering is, is bet enkel de boodschap van deze groote wereldgebeurtenis, en de aanwijzing, boe men den zegen er van deelachtig worden kan.

De eerste voorwaarde derhalve, aan welke de intrede in de gemeenschap der Christenen verbonden is, is deze: dat men bewust worde, wie Christus is. De eerste van al de vragen van den Evangelischen Catechismus klinkt van de lippen des Heeren zeiven: Wie zeg' gij dat Ik hen? Bij iemand, die op deze vraag bet antwoord nog niet gevonden heeft, kan er van Christendom nog volstrekt geen sprake zijn. De gebeelo christelijke godzaligheid is niet bet streven, om de zedelijke geboden van eenen Rabbi van Nazareth na te leven, maar is de geloo-vige overgave aan den persoonlijken Christus als aan den Zoon des levenden Gods en den eenigen Middelaar Gods en der menschen.

Elke gelegenheid om toe te nemen in de kennis van onzen Heere Jezus Christus, moet ons hoven alles welkom zijn. Zulk eene gelegenheid wordt ons ook thans weder aangeboden. Moge zij strekken tot versterking en bevestiging van ons geloof!

ocr page 316

MATTH. 27 : 1, 2. Luc. 22 : 67—71 , 23 : 1.

En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks en de overpriesters en schriftgeleerden, en brachten Hem in hunnen raad, zeggende: Zijt Gij de Christus? zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zej, gij zult het niet gelooven. En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden of loslaten. Van nu aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods. En zij zeiden allen: Zijt gij dan de Zoon Gods? Eu Hij zeide: Gij zegt dat Ik het ben. En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode ? want wij zeiven hebben het uit zijnen mond gehoord. En de geheele menigte van hen stond op, en Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.

Arnlerrnaal zal de wereld hooren, welke verklaringen Christus zelf over de waardigheid zijns persoons gerechtelijk, ja gelijk wij gewoon zijn le zeggen, bij de processtukken, afgelegd heeft. Het rechtsgeding, waarvan wij in liet hoogepriesterlijk paleis getuigen waren, vernieuwt zich thans op de meest plechtige, en naar den vorm, nauwkeurigste wijze. Dat dan onze heschouwende blik ook ditmaal boven alles ruste op den Heere, en zien wij :

I. Hoe Hij zijnen rechter kenschetst en beschaamt;

II. Hoe Hij het getuigenis van zijn Goddelijk Zoonschap vernieuwt; en eindelijk

Hl. Hoe Hij zijnen armen zondaarsweg naar het heidensch ge-rechtsbof begint.

Clij vermoedt reeds te voren, dat liet onzen tegenwoordigen tekst niet aan booge beteekenis en rijken troost ontbreekt. Moge liet ons gegeven worden, om in den weg onzer beschouwingen, al de Goddelijke schatten, daarin verborgen, te ontdekken.

I.

De morgen begint na eenen ontzettenden nacht aan te lichten, en verkondigt het aanbreken van den grootsten en belangrijksten dag van ai de dagen der aarde. Het is tie heilige Vrijdag, de vreeselijke aanklager der zondige wereld. doch tegelijk de geboortedag van hare zaligheid, het begin van bare eeuwige verlossing. Het is de dag, welke reeds afgebeeld was in de uitleiding van bet verbondsvolk uit Egypte, en die reeds langer dan een duizendtal jaren , telken jare op den grooten verzoendag zich aan bet gelukkige Israël had aangekondigd, en welke bet hoofdvoorwerp hunner gemeenschappelijk hopen en verlangen was. Al de zonneblikken der genade, welke ben ooit getroffen hebben, waren enkel voorloopige uitstralingen van dezen, toenmaals nog in den schoot der verre toekomst sluimerenden dag, en waar ergens God eenen zondaar in genade tegenkwam, geschiedde het enkel op grond van het bloedig

ocr page 317

299

Middelaarschap, welke op dezen Vrijdag feitelijk tot stand kwam.

Niettegenstaande liet nog zeer vroeg in den morgen was, zijn de raadsleden te Jeruzalem reeds in vollen gang en werkzaamheid. Zij maken de voorbereiding lot een tweede verhoor met Jezus, opdat zij Hem ter dood zouden brengen. Doch hebben zij niet reeds zijne schuld vastgesteld en het. oordeel over Hem uitgesproken? Zekerlijk hebben zij dat. Doch zij hebben daar nog geen vrede mode', maar wen-schen zich nog andere, meer beslissende bewijsredenen tegen den Beschuldigde bewust te worden, dan de aanklachten zijn, waarop hun oordeel gegrond werd. Onmiskenbaar beeft geheel de houding des Heeren, gedurende het eerste verhoor, en met name zijne groote, met zulk eene majestueuse beslissing eu vertrouwen uitgesproken belijdenis, krachtige indrukken bij hen achtergelaten, en wat er nog van het geweten in hen overig is, was bij hen uit den sluimer gewekt, en stond tegenover hen. De onrust, die wij bij hen ontwaren, als ook de hoop, die zij verraden, om langs den weg van nieuwe en meer geldige gronden van rechtvaardiging voor hun moorddadig voornemen te geraken, stelt dit buiten allen twijfel. Zij treden thans en wel in liunne ambtelijke vergaderzaal, welke zich in een der tempelgebouwen bevond, tot eene ordelijke algemeene vergadering, terwijl hunne eerste samenkomst in de woning van deu hoogepriester, om niet te zeggen, dat er enkele raadsleden bij ontbraken , meer het karakter van eene toevallige en onstuimige vergadering aan zich droeg. De liooge raad of het Sanhedrin was, zoo als gij weet, het uit een en zeventig leden, (overpriesters, oudsten en schriftgeleerden) samengesteld en door den hoogepriester, als voorzitter bestuurd overste gerechtshof der latere Joden, dat gevormd was naar den raad der zeventigen, welke Mozes op den weg door de woestijn vergezelde, ten einde in alle nationaal joodsche, eu joodsch kerkelijke aangelegenheden rechterlijke kondschap te nemen en het vonnis le wijzen. De lieere Christus beschouwde volgens Mat-theus 23 : 2, deze rechterlijke rechtbank als een Goddelijk bevestigde, en onderwierp zich zonder alle tegenspraak aan de overheid en hunne uitgevaardigde bevelen. Later stonden voor de vierschaar van dit hof ook Petrus als voorgewend wonderdoener, vervolgens andermaal Petrus in gemeenschap met Johannes als volksverleiders; verder Sté-fanus als godslasteraar en Paulus als valsche profeet terecht. Sedert de verovering van Palestina door de Romeinen, verloor dit gerechts-hol' het recht, om de door haar uitgesprokene doodvonnissen eigenmachtig te voltrekken, en behoefde het hiertoe voortaan, gelijk uit Joh. 48 : 31 blijkt, de toestemming van den keizerlijken stadhouder. Dat de steeniging van Stéfanus, zonder zoodanige toestemming plaats vond, was bij de Joden eene overschrijding van hunne bevoegdheid, voor welke zij zeker eene verontschuldiging in de omstandigheid vontion, dat de stadhouder die gewoonlijk te Césarea aan zee, zijnen zetel had, toen van Jeruzalem afwezig was.

Vooi' dit gerechtshof zien wij den Iloere thans voor de tweede maal verschijnen. Onder een gewapend geleide wordt Hij naar den tempelberg gebracht. Voor de laatste maal betrad Hij dezen weg. Hij gaat

ocr page 318

300

dien weg, (beteekenisvol samentreilen!) to goIijk mol do paaschlamme-ron , ilio op (lonzolfdon dug don priostoi' tor slachting gebracht wor-don. Welke gewaarwordingen zullen don lloero op dezen weg door hot Imrlc gogaan zijn! Zeker zwoelUe Hom do voorbeeldende gang naar den Moria van den aartsvader Abraham voor den geest, welke thans zoo ia hot oog vallende in zijnon gang hare vervulling vond. Christus is immers do tegen beeldige Izailk, die thans aan de hand van zijnon bemolschen Vader op donzellden weg, op wolken eenmaal zijn menschelijk voorbeeld dooi' zijnen aardschen vader geleid , naar het-zolldo doel heenging, naar Gods altaar wandelt, Zeker, zegt Christus niet, gelijk do zoon van Abraham, Mijn vader, hier is het hout en het vuur, doch ruaar is het Lam ten brandoffer1? Hij weet wolk een Lam God Zich ton brandoller voorzien heelt, en buigt Zich gewillig voor het verheven raadsbesluit; ook is Hij Zich bewust, dat hot mot Hem niet bloot tot een olï'er van zijnen wil komen zal, en dat er, nadat HU den altaar zal bobben beklommon, geen engel uit don hemel roepen zal: Leg uwe lumd niet aan den jonnen, maar dat Hij zijn beeld, gelijk in Izaak, zoo ook tegelijk in don ram te aanschouwen heeft, die zich met de hoornen in de doornen moest verwarren en welke Abraham op den wenk van Jehova nam, om hem in do plaats van zijnen zoon te slachlen en to ollbron.

Do zitting van het Sanhedrin is begonnen. Do beschuldigde staat vóór hen. Opnieuw wordt do rechterlijke vraag tot Hom gericht: Zijt (lij de Christus? zei/t het ons. Alsof Hij nog niet duidelijk genoeg gezegd had, dat Hij bot was. Doch liet is alsof zij nog ho-denking maakten. Hom om deze roden zonder moer, als een leugenaar en godslasteraar ter dood over te leveren; ja, als zochten zij onwillekeurig do zaak op do lange baan te schuiven, omdat oene zachte naklank van de overschreeuwde slem des gewetens hun zeide, niet zoo zeer, dat Hij werkelijk dien was, voor welken Hij Zich had uitgegeven, maar toch dal Hij het mogelijker wijze nochtans wel kou zijn. De Heero noemt hol woord, en lol nu op, hoe hel blad zich koeren zal en de beschuldigde lot rechter, en do rechters daarentegen lot beschuldigden worden. Indien Ik het u zecj, zoo r/elooft gij Mij niet, en indien Ik ooi: vraag (dat is: wilde ik door woordenwisseling mij met u inlaten en door bewijzen u overtuigen) gij zult Mij niet antwoorden, en laat Mij ook niet los.

ü hoe velen worden ook nog heden door dit woord gedood. Het zijn de niet ten eenonmale van den godsdienst onverschillige lieden, welke ik op hot oog heb. Zij vragen wie Christus is? en hot schijnt alsof zij geen ruste kunnen vindon, totdat zij dit bij ondervinding welen. Doch ofschoon hun nu in deze, en dan weder in eenon anderen vorm gezegd wordt, wie Christus eigen li ijk is, zoo gelooven zij God toch niet. Do kerk zegt hel hun in het tweede artikel dor Apostolische geloofsbelijdenis. Doch de kerk kan dwalen, zeggen zij, wal zeggen dotijdgo-noolen van Jezus? Do Apostelen roepen om strijd: Hij is het Woord, dat in het begin bij God. en God was, Hij is het afschijnsel van Gods heerljkheid, de Zoon, in welke de volheid der Godheid lichamelijk woont. Doch nu heet hel mot schouderophaling: „de liefde is blind en do

ocr page 319

aoi

geestdrift ziet gezichten. Alleen hetgeen Jezus van Zichzelven getuigt, willen wij laten gelden.quot; En Jezus treedt voor, en kondigt Zich hun aan niet enkel als hot Licht der wereld, als de Waarheid en hel Leven, maar ook als een grootere dan dit alles, als dien, die één is mei den Vader, die is eer dat Abraham werd. Wien (die macht gegeven is in hemel en op aarde. Gelooven zij nu? Zij staan onthutst, doch eer men omziet, wijken zij weder uit met allerlei vragen, liij voorbeeld ot' de herichtgevers van Jezus woorden, Jezus wel verstaan of begrepen hebben, en of zijne uitspraken wel letterlijk op te vatten zijn, en of het in allen geval binnen de grenzen der mogelijkheid legt, dat God een rnensch wordt'? enz. En hoe zich nu de Heere in den weg der redeneering en bewijsvoering tot de twijfelaars albat, en door onmiddellijke inwerking op hunne gedachtenwereld, of door een zijner menschelijke tolken en vertegenwoordigers hun begint te vragen, wie Hij toch wel zijn kan, wanneer Hij niet die persoon is, voor welken Hij Zich lipeft uitgegeven'? Wanneer Hij hun zegt, dat eene tweeduizendjarige profetie tot op tittel en jota hare vervulling in Hem heeft ontvangen, dat zijne opstanding uit de dooden, zelfs in de getuigenis zijner vijanden hare bevestiging heeft gevonden, dat de schare der Apostelen, die Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hebben, met blijdschap goed en leven voor Hem veil hadden; dat do Heilige Geest, overeenkomstig zijne belofte mot zijne wederbarende kracht werkelijk op de aarde is nedergedaald; dat de kern van liet menschelijk geslacht gedurende achttien honderd jaren hem de hulde der aanbidding gegeven heeft; dat luider dan eenig woord of eenige afzonderlijk staande daad, het levend gedenkteeken zijner' kerk voor Hern getuigt, — dan staan zij wel getroffen, en zien zich aan het einde hunner tegenwerpingen gekomen, maar daarom gelooven zij nog niet, en laten den Heere ook in zoo ver nog niet los, dat zij niet moede worden zijne bovenmenschelijke hoogheid te bestrijden, en ze ook bij anderen verdacht te maken. Zij luillen niet gelooven; dit is de oplossing van het raadsel, zij schrikken voor het denkbeeld, oin den afgod hunner eigene wijsheid en gerechtigheid, gelijk die der genoegens en eere dezer wereld, om Jezus' wil aan het kruis te moeten nagelen. Zij zien tusschen zich en den Heere eenen afgrond geopend, die hun met niets minder bedreigt dan met de verslinding van geheel hunne heerlijkheid en zelfstandigheid, eti voor dezen dood huiveren zij terug. Wel hebben zij nog geweten genoeg, om zich niet met de Gadarenen beslissend van Hem los te maken, door het woord: .lezusl wed hebben tvij met U te doen? doch, zij hebben ook te weinig geweten, om de op hen aandringende waarheid plaats te geven. Zij laten liever de zaak berusten en stellen do beslissing uit.

II.

De lleore getuigt opnieuw. De voor Hem gestelde overheid eischt het, en Hij gehoorzaamt. Daarenboven is er den Heere veel aan go-logen, dat de wereld bepaald en beslist wete, wie Hij is, en wie zij gekruisigd hebben. Van de hoogte ties tempelborgs overziet Hij, in

ocr page 320

den geest, de menschheid en de komende eeuwen, en Hij belijdt eri profeteert.

Van nu aan, zoo begint Ilij (nog eenmaal den sluier zijner knech-telijke gestalte oplichtende en de adelster op zijnen borst ontblootende), zult gij den Zoon des menschen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods. Een groot woord! onmiskenbaar op de uitspraak van Daniël, deze ver in bet ronde schouwende profeet, (kapittel 7 : 13) been-wijzende: Er kwam een op de wolken des hemels als eens menschen zoon. [Iet kan den priesteron en schriftgeleerden geen oogenblik twij-felachtig zijn, dat Hij hiermede Zich zoo wel voor den aan Daniël beloofden Messias verklaarde, als dat Hij Zich de Goddelijke natuur en het Goddelijk wezen toeeigende. Reeds door den naam Zoon des menschen, waarmede Hij Zicli gewoonlijk noemde, wees Hij aan, dat zijne menschheid slechts eene op buitengewonen weg tot zijnen persoon toegevoegde natuur was; want was Hij Zichzelven enkel als mensch bewust geweest, welke beteekenis zou dan deze in het oog vallende benaming gehad hebben? Dat Hij echter een spoedig op handen zijnde zitten ter rechterhand der kracht of der majesteit Gods van Zichzelven voorspelt, is niets anders dan eene bepaalde verklaring, dat Hij met zijnen hemelschen Vader den zetel der eere deelen, en in gelijke macht, volkomenheid en heerlijkheid met Hem de wereld regeeren zal. De hooge raad met de uitspraken en spreekwijze der profeten wel bekend en vertrouwd, verstonden ook de woorden in dezen zin. Zijt Gij dan de Zoon Gods? roepen zij Hem als uit eenen mond toe. Gij zeyt het, zoo antwoordt Hij met majestueuse vastheid en kalmte, want Ik hen het.

Het is hier de plaats, de bijbelsche gronden van de leer van de Godheid van Christus nog verder en breeder aan te wijzen. Zij verdient het ook, omdat door haar, als door een wezentlijke grondpiiaar bet geheele - Christendom, zoo ver hetzelve geen leer en geen gebod, maar eene feitelijke verlossing is, wordt gedragen. De gezegde leer smelt met die van het voorbestaan van Christus ineen. Onder dit voorbestaan verstaan wij echter noch het bestaan van het Christus-idee in de bewustheid en in het raadsbesluit Gods, noch het bestaan van het Christus-ideaal in de voorspellingen der profeten, alvorens het zich belichaamde, en ook eindelijk niet het voorbestaan van Christus als eene strekking of mogelijkheid der menschelijke natuur, zoodat in den Heerlijke van Nazareth, slechts het der menschelijke natuur inwonende goede beginsel lot zijne hoogste ontwikkeling gekomen zijn zou, en Jezus als de zedelijke bloesem der menschheid moet worden beschouwd, eene voorstelling, welke wij naai' het gebied van hersenschimmige en van alle waarheid ontdane invallen van de het vleesch vergodende en het schoonheidsgenot najagende pelagianen terugwijzen. De leer, waarvan hier sprake is, is veel meer deze: dat Hij, die Zich door de werking des Heiligen Geestes met de menschelijke natuur vereenigde, vóór zijne monschwording, ja vóór alle schepping als een zichzelven bewust zijnde persoon reeds bestond.

Leert de Schrift inderdaad zulk een voorbestaan onzes Heeren? Dat zoo iets nog in de kerk gevraagd worden kan, getuigt mijns

ocr page 321

m

inziens slechts van het ontzettend bederf, waarin sedert eene halvé eeuw en langer de scliriftuitlegkunde vervallen is, De geheele Ijijbel-sche Christus-heils- en verlossingsleere heeft dit voorbestaan van den persoon onzes Middelaars tot grondslag. Do bewijsplaatsen die hier voornamelijk in aanmerking komen, verdeelen zich in twee klassen. Het zijn vooreerst dezulken, die het voorbestaan noodzakelijk onderstellen en vervolgens dezulken, die dit voorbestaan uitdrukkelijkleeren, en die naar den vorm eene leerstellige waarheid uitdrukken.

Op de eerste soort van bewijsplaatsen richten wij allereerst onzen blik. Daartoe behooren al die schriftuurplaatsen, in welke aan Christus' Goddelijke eigenschappen en bijzonder de wezenseenheid met zijnen hemelschen Vader toegekend worden.

Reeds door het beeld- en teekenschrift van het oude Testament breekt het groote artikel van deze wezentlijke eenheid veelvuldig eu schitterend klaar te voorschijn, ofschoon het ook moet worden toegegeven, dat hetgeen den Messias hier als Goddelijke eigenschappen wordt toegeschreven, dikwijls als een door den Heiligen Geest gewrocht werk voorkomt, zoodat bet, wat de mogelijkheid betreft, als iets wat Hem eerst in zijne historische verschijning of menschwording van boven medegedeeld werd, zou kunnen beschouwd worden. Wij leggen er daarom tot ons tegenwoordig oogmerk geen groot gewicht op, wanneer Hij aldaar den naam draagt van Jmmanuël en Hem Goddelijke sterkte, wonderkracht en heerlijkheid toegekend worden. Doch het ontbreekt ook niet aan vele uitspraken, waarin Hem niet enkel eene door den Heiligen Geest veroorzaakte, dat is enkel ten behoeve van do oprichting zijns koninkrijks Hern verleende, maar ook eene oorspronkelijke, natuurlijke en wezentlijke eenheid met God toegekend wordt.

Hiertoe behooren vooreerst al die plaatsen, waarin Hij als de Male-ach of de Engel Jehova (niet de Engel van Jehova) van den Jehova Elohim onderscheiden, en toch ook weder met Hem gelijk gesteld wordt. Zoo onderscheidt God Exod. 33 : 14, den Engel zijns aange-zichts, die Israël geleiden zou, uitdrukkelijk van Zichzelven, als eene andere persoonlijkheid en stelt Hem ook weder met Zich gelijk, naardien Hij, Exod. 23 : 21 van Hem zegt: mijn naam is in Hem, dat enkel heeten kan: „Ik ben in Hem wezentlijk tegenwoordig, of, Hij is mijn ander Ik en zelf Jehova.quot; Zoo heet ook de Engel, die zich aan Abraham in het bosch Mamré openbaarde, en die hem de belofte gaf, en die vuur liet regenen van Jehova uit den hemel, zelf weder Jehova, een naam welke nog meer uitsluitend een naam van God is, dan eenige andere. Verder is het niet zonder belang, dat Jer. 23 ; 0, door Jehova betuigd wordt: dat de rechtvaardige Spruit, welke Hij David verwekken zou, genoemd zou worden: Jehova Zid-kenu, dat is de Ilecre onze gerechtigheid. Eindelijk is het volgens het Nieuwe Testament buiten allen twijfel, dat de God gelijke Engel Jehova van het oude Verbond met Christus een en dezelfde persoon is. Zoo lezen wij 1 Cor. 10 : 4, dat de beirvoerder Israels in de woestijn Christus geweest is, en vers 9, dat de Israëlieten, gedurende hunne omzwerving in den Jehova den Christus verzocht hadden.

ocr page 322

m

In het Nieuwe Testament treedt de wezensgelijkheid van Christus den Zoon met den eeuwigen Vader nog ondubi)elzinniger te voorschijn.

Do Heere Jezus zelf was Zichzelve op de volkomonste wijze bewust als den niet enkel zedelijk, maar wezentlijk en natuurlijk Gode gelijke Middelaar. In de bekende plaats Matth. '2quot;2 : 45, waar Hij zegt. Indien nu David Hon zijnen Hcere noemt, hoe is Hij dan ~'.lHe'1 Zoon1? stelt Hij zich als den Jehova van den 110 Psalm voor. Matth. 7 : 22; 19 : 28; 23 : 38, 30; 24 en 25 kondigt Hij Zichzelven als den toekomstigen oppermachtigen rechter der levenden en der dooden aan. Matth. 28 : 18 eigent Hij Zich alle macht in hemel en op aarde too. Matth. 0 : G treedt Hij op, als de bezitter van de uitsluitend Goddelijke macht, om de zonden te vergeven. Joh. 5 : 20, 28 verklaart Hij Zich voor de bron of fontein des levens m denzelfden zin, waarin de Vader dit is, en zegt, dat zij in de graven eens zijne dat is des Zoons slem zullen hooren. Joh. 14 ; 0 zegt Hij: Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien. Gelooft Gij niet, dat Itc in den Vader ben en de Vader in Mij is? Terzelfde plaats vers 13, belooft Hij, dat Hij /Ik, zegt Hij), doen en geven zal, wat men in zijtien naam bidden zal. En Joh. 20 : 28 verzegelt Hij liet aanbiddend: Mijn Heere en mijn God! van Thomas met zijn zalig zijn zij, die niet zullen gezien en nochtans zullen geloofd hebben.

Al de schrijvers der nieuw Testamentische schriften, erkennen in Christus den Kyrios, dat is den Heere: en gebruiken dezen naam als gelijkbeteekenend met dien van den oud Testamentischen Jehova, ï Cor. 8 : O zegt Paul us: wij hebben oenen God, den Vader, uit Wien alle dingen zijn en eenen Heere Jezus Christus, door Wxen alle dingen zijn. Coll. 1 : 15 heet Christus het beeld of de onzichtbaarImd des onzienlijken Gods en Hebr. 1 : 3 het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, dat is de levende aldruk. zijns wezens. Zeer juist merkt een verlicht uitlegger op, dat bier geen sprake is van de persoonlijkheid en afbeelding Gods in het menschgeworden Woord, en in zijne menschelijk middellijke openbaringen, maar dat in de beide genoemde plaatsen, meer op het middellijke der wereldschepping en der wereldondorbouding, dan op de verlossing gezien wordt. Kn zoo is bet ook. Hier wordt ineei gesproken van de betrekking des Zoons tot den Vader dan van zijne betrekking tot de wereld. Phil. 2:0, 10 wordt van Christus gezegd, dat Hij oorspronkelijk is de gestaltenisse Gods, dat is van de natuur Gods zij, en dat zich in zijnen naam alle knieën zullen buigen. In de openbaring van Johannes worden Hem alle Goddelijke namen en eigenschappen toegekend. Hij is daar de Alpha en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Almachtige, de Eeuwige, die is, die ivas en die komen zcd. Ja, de Apostelen noemen Hem rechtstreeks God. Hom. 9 : .j zegt Paulus: Christus is uit de Vaderen, zoo veel het vleesch aangaat. Dat vorderde eene tegenstelling, en de Apostolische tegenstelling luidt aldus: Christus is God]'boven allen, te prijzen in der eeuwigheid. Dus op de eene zijde is Hij bet eerste, op de andere zijde is Hij bet andere. Coloss. 2 : 8, 0 lezen wij: Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie en ij dele verleiding, want in Hem woont al de volheid

ocr page 323

AOS

der Godheid liehamclijk, dal is wczcnlJijk. 1 Tim. 3 : 10 heet Cl irislus: God fieopenhaard in het vlccsch. Tilus '2 : zegt de Apostel: wj verwachten de zalige hoop en verschijninr/ der heerlijkheid van den (jrooien God en onzen Zalir/makei' Jezus Christus, i Joh. 5 ; 20: Deze (Christus) is de ivaarachtige God en hel Eeaioige Leven. Heb. 1 : 8 wordt Ps. 45 : 7 en 8, op Christus betrokken on deze aldus aangesproken: Uw troon o God! is in alle eeuwifiheid. Gij hebt recht-vaardif/heid lief [/chad — daarom heeft U, o God! uw God fjizalfd 'niet olie der vreugde boven uwe viedcrjenooten. Ilebr. 7 : '20 wordt het bij de eigenschappen van den Messias gerekend, dal Hij hoor/er is dan de hemelen. Al de Paulinische brieven wenschen en bidden der gemeente genade van Hem toe, als van God in den tweeden persoon. J)at Christus met den Vader en den Heiligen Geest in gelijken rang voorkomt, heteekent gelijksoortigheid en wezenseenheid. Deze wezens-eenheid van Christus met den Vader, dat is zijne Godheid in den we-zentlijken zin des woords, staat dus bijbelsch onbetwistbaar vast, en sluit natuurlijk het vóórbestaan, ol' het persoonlijk aanzijn des Zoons reeds in zich. Dit voorbestaan van den Eengeborene als het beeld van God, waarin God Zichzelven voorwerpelijk werd, en zicli van God als Zijn ander Ik onderscheidt, wordt echter ook uitdrukkelijk in de Schrift geleerd, en daarom is ook dit in de tweede plaats, onwederlegbaar aan te wijzen.

Reeds bij den profeet Micha wordt van den Messias gezegd, (5 : 1) „dat zijne uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. De Heere zelf betuigt Joh. 3 : 13: Niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is —- de Zoon des menschen; Joh. 0 : 38: Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet, opdat Ik mijnen wil zou doen, vers 40; Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan die van God is, deze heeft den Vader gezien, vers 51: Ik ben het levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is, vers 02: zoo gij den Zoon des menschen zaagt opvaren, daar Hij te voren was; 8:33: (rij zijt van beneden, Ik ben van boven, gij zijt uit deze wereld. Ik ga hren. Dus is zijn: Ik ben van boven plaatselijk cn niet bloot geestelijk of zedelijk te verstaan. Vers 58: Eir Abraham was (eigenlijlc tujrd) ben Ik. De Joden wilden Hem om deze laatste uitdrukking steenigen, waaruit blijkt dat zij zijne uitspraak letterlijk opvatteden. Mij echter berispt deze hunne uitlegging niet, maar bevestigt ze stilzwijgend. Eindelijk betuigt de Heere in zijn Hoogepriesterlijk gebed, Joh. 17, vooreerst vers 5: Verheerlijk Mij Vader bij If zei ven met de heerlijkheid, welke Ik bij U had, eer de wereld was, en vers 8: zij hebben bekend, dat Ik van U ben uitgegaan, en Gij Mij gezonden hebt. Het een en bet ander kan niet hetzellde zijn, de Schrift maakt zich aan zulke woordherhalingen niet schuldig. De eerste woorden beleekenen de wezensuitgang van den Vader, de andere zijne zending van den hemel op de aarde.

Johannes de Dooper zegt Joh. 1 : 15: Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij ivas eer dan Ik. Deze woorden zouden geen ziu opleveren, wanneer zij zich niet op hel voorbestaan van Jezus bij God betrokken. Vers 18 zegt hij: Niemand heeft ooit God gezien, de Eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, heeft Hem ons

20

ocr page 324

WO

ijeridaard; en Joh. 3 : 31, 32: Die van boven komt, is boven alle, en actui(jt wat Hij gezien en (jehoovd heeft.

Paul us noemt Cln-istus, Col. 1 : 15, 1(3: de Eerstgeborene voor alle schepselen, dat is de vóór allo schepselen geborene. In Hem, zoo o-nat liij voort, door Hem. en tot Hem zijn alle dingen geschapen. En llij is vóór allen en alle dingen bestaan door Hem. Johannes zegt in' zijnen eersten brief 4 : '2: Ècn iegelijke Geest , die bekend dal Jezus Christus is in het vleesch gekomen, die is uit God. Hebr. 1 :2 staat geschreven: Door Christus heeft God de wereld gemcicikt, 2 . .K ^Christus is een weinig minder geworden dan de Engelen, vers 14: llij is des vleesches cn des blocds deelachtig geworden. Kap. /; wordt uil ook daarin met Melcbizédek vergeleken, dat Hij noch begin der dagen, noch einde des levens heeft, liet voornaamste bewijs echter van liet persoonlijk voorbestaan van Christus bij God, is vervat in de inleiding van bet quot;vierde Evangelie. Hier wordt ook, afgescheiden van Christus' menschwording en do betrekkingen zijns koninkrijks, in de leer van den eeuwigen Logos, of van het Woord, God van God onderscheiden. Hier hebben wij beknopt de geheele voorwereld-geschiedenis van Christus voor ons. Hier wordt gesproken van een bestaan vóór alle bestaan, van eene persoonlijkheid, welke eeno andere is dan God, en toch weder Gode gelijk en één inot Hem. Hier hebben wij. den Zoon enkel als in betrekking lot God staande, en nog niet in zijne betrekking tot de wereld. De menschwording heeft eerst latei-plaats, als eene in den loop der tijden in de geschiedenis ingetreden quot;•ebeurtenis, en wordt vermeld met de woorden: En hel Woord is vleesch (jeworden. Nadat het op plechtige wijze geheeten had: In het begin was het Woord en hel Woord ivas bij (of toegekeerd naar)

God en het Woord ivas God. ■ r« ■

Nu mijne Broeders! is het u bekend en openbaar, wie Christus is naar de Schrift. Wee u wanneer ook thans nog het Woord n treft: Indien Ik het u zeg, zoo gelooft gij niet. Voorzeker, gij zoudt veel minder tot verontschuldiging van uwe wederspannigheid hebben aan te voeren, dan die rechters voor wier rechtbank wij heden don Rechtvaardige zien staan. Veel klaarder brandende lichten stellen zijn persoon voor u in het licht dan hen, wien nog de donkerheid zijner knechtelijke gestalte in den weg stond.

III.

De Heere heeft zijne grooto belijdenis herhaald. Gij zegt het —-sprak Hij — Ik ben het. Nu staat de vergadering gedeeltelijk in wezentlijke, en gedeeltelijk in gehuichelde ontsteltenis en verbazing, plotseling op, en de een roept luider dan de andere: wat hebben wij nog f/elM.iqenis van noode, want wij zelven hebben het uit zijnen mond gehoord. Ja wel, zij hebben het uit zijnen eigen mond gehoord. Van dit hun getuigenis en van deze hunne erkenning is aanteekening in den hemel geschied, liet zal niet uitblijven, dat het hun ten dage des oordeels voorgehouden wordt, cn waarmede zullen zij zich dan verontschuldigen, dat zij den Heere nochtans do hulde niet bewezen,

ocr page 325

;!(i7

die riem toekwam, want zij hadden inderdaad geen ander getuigenis van Hem noodig dan hen gegeven werd. Orn der wille van dit getuigenis hebben zij Jezus ter dood veroordeeld en daardoor tot bevestiging van ons geloof, bevestigd, dat dit getuigenis werkelijk uit zijnen mond is gegaan. .Ta, tot op dit oogenblik leeft onder de Joden de overlevering voort, dat Christus is gekruisigd geworden, omdat Hij Zich Code gelijk gesteld en Zich daarmede, aan eene Godslastering schuldig gemaakt heeft. Niets ter wereld staat dus zoo boveu allen twijfeldan dat Jezus eenmaal werkelijk deze belijdenis van zijn Goddelijk Zoonschap voor zijne rechters heeft afgelegd. Wie Hem thans voor minder wil houden, dun voor den eeuwigen Zoon, maakt Hom tot eenen lasteraar, en roept met de Joden; kruisigt Hem!

Nadat nu het oordeel des doods over den Goddelijken Lijdei' bevestigd is, treden de gerechtsdienaars op Hem toe, om de Hem voor eene korte poos afgenomen boeien weder aan te leggen. Gewillig strekt Hij zijne handen uit, opdat vervuld worde, wat Jesaja 53 ; 7 geschreven staat: loeit Hij verdrukt werd, deed. Hij zijnen mond niet open, (lelijk een lam dat ter slacldiiifi ivordt geleid, en als een schaap, dat stom is voor zijnen scheerder. Hij die zoo even, onder het in getuigen nemen van geheel den hemel, plechtig zijne Godegelijkheid betuigde, verschijnt thans in boeien als een oproerstichter. Ontzettend contrast en vreeslijke tegenstrijdigheid! Doch hoe handtastelijk treedt het ook hier wederom aan het licht, dat het eene vrije offerdood is, tot welke wij den lleere zien aangegord, en hoe duidelijk lezen wij hier wederom uit zijne heilig lijdende ziele de woorden; „Ik moet betalen, wat Ik niet geroofd heb.quot; Zijne bandon hebben ons de bevrijding helpen verkrijgen; want eeuwig zou de satan ons in zijne gevangenis hebben gehouden, wanneer Jezus de vrijheid boven dd handen had gekozen. Ontzettend en hartroerend is 'het de handen, die zich enkel in de dienst der barmhartigheid bewogen, door dezelfde wereld, over welke zij zegenend zich uitbreidde, als ware het do handen eens^ misdadigers, met strikken gebonden te zien. Doch geloofd zij God, dat Hij, toen de schaar der gerechtsdienaren hun werk volbrachten, den bliksem zijns toorns over de goddeloozen terug-hield en hun toeliet hunnen wil te doen, want in de banden, waarmede Jezus werd gebonden; waren die banden onzichtbaar verborgen, die ons zondaren eeuwig in de hel moesten binden. Met recht zegt daarom het oude lied:

Gij werdt o Jezus, gansch en al,

Door mannen vol van bittren gal,

Gebonden en gevangen,

Opdat we uit Satans strik geleid,

De ware vrij- en veiligheid ,

In eeuwigheid ontvangen.

De gerechtsdienaren hebben hun werk verricht. Nu staat do gan-sche hooge raad op, om. tegen gewoonte, persoonlijk hunnen Beschuldigde aan den Romeinschen stadhouder over te leveren, en hem,

ocr page 326

;«)M

door hunne komst in grooton getale, de bevestiging van hun doodvonnis af te persen; zoo vervulde zich dan ook het voorspellend woord van den Heere, dat Hij aan de Heidenen zou worden ovm/eleuerd. Dit behoort mede tot de hooge beduiding der lijdensgeschiedenis. Do geheele wereld moest aanleiding vinden, om in hare vertegenwoordigers hare innerlijke houding jegens den heilige in Israël aan den dag te leggen en van hare medeschuldigheid en hare behoefte tot verlossing openlijk getuigenis af te leggen.

Men sleept u vroeg naar 's Keizers landvoogd heen :

Daar uw genaê geen raensch wil onderscheiden ,

Geeft men U, thans o Jezus! aan den Heiden.

Zoo zingt een kerkliederendichter, en waarheid is het, wat hij zingt. Wij allen zijn naar de zonde en naar den vloek, maar ook naar de roeping der genade, in de gemeenschap van Israël.

Mijne Vrienden! Hij, dien wij ginds gebonden naar de rechtbank van dit tweede gerechtshof zien gaan, zit thans na een reeds lang volbracht werk, als Bedienaar der heilige dingen, welke Hij ons verwierf , aan de rechterhand der majesteit in de hoogte. Buigen wij aanbiddend bet hoofd en de knieën voor Hem, en laten wij Hem niet gaan, totdat Hij ook op ons den zegen zijns lijdens gelegd heeft. Wachten wij ons, om Hem opnieuw door ons ongeloof de reddende handen te onswaarts te binden, en zien wij, die naar zijnen naam genoemd zijn, wel toe, dat wij niet door eenen onwaardigen wandel Hem andermaal den gedoopten en ongedoopten Heidenen in banden stellen, en aan hunne minachting prijsgeven. Binden wij Hem vast aan ons met de koorden eener dankbare liefde, voeren wij Hem op den triomfwagen eener vrijmoedige en blijmoedige belijdenis dezulken loc, die Hem nog niet kennen; stellen wij in Hem onzen vrede, en de heiligheid van onzen wandel en onze getrouwheid in zijnen dienst lot. getuigen, die Hem voor de wereld rechtvaardigen, en leeren wij door de verlichting des Heiligen Geestes, onder de ellendigheden dezes levens en niettegenstaande dezelve, lot eer zijns naams juichende zingen:

Heil mij , de zware keten,

Die al mijn leên omgaf,

Is nu van een gereten,

En viel voor altijd af.

Ik voel haar niet meer prangen,

Ik zit niet meer gevangen,

Maar zie het vrije licht In Jezus' aangezicht.

ocr page 327

309

Heil mij, de helsche vlammen, Zijn ook voor mij gebluscht, Laat satan zich vergrammen,

In Jezus is mijn rnst;

'K heb eeuwig in zijn wonden , Mijn toevluchtsoord gevonden. Door welken nood bestreen , Daar vlucht ik altijd heen.

Amen*.

ocr page 328

HET EINDE VAN DEN VERRADER.

Het heeft u bedorven, o Israël! want in My is uwe hulp. Zoo spreekt lt;le lleere hij den profeet Hozen, kapittel 13 ; 9. De bezeye-londe gebeurtenissen, zijn niet te tellen, die er voor de waarheid van deze uitspraak in de geschiedenis der menscliheid te vinden zijn, en nog dagelijks gevonden worden. Hij, die van God afwijkt, geelt, nog vóór eene stellige straf hem treft, door liet verderf, dat bij over zicb-zelven brengt, Gode getuigenis, dat Ilij de eenige bron van alle heil en vrede is. Herinnert u den koning Saul. Hoe gezegend was bij naar lichaam en ziel, zoo lang bij voor den lleere wandelde en diens wegen betradt. Door plaats te geven aan eeti mistrouwen Jegens de getrouwheid vein God, deed liij den eersten vul. Kone onerkende en onbeledene zonde gaf aanleiding tot zijne verdere vervreemding van het aangezicht des Heeren. Eene knechtelijke vrees trad nu aan de plaats zijner kinderlijke onbevangenheid. Eene duistere geest der zwaarmoedigheid verjoeg' die dos vertrouwens en des vredes. Daar hem zijn verslagen geweten van God niet meer liet hopen, sloeg hij zoo kleinmoedig als hoogmoedig, de wegen der zelfbulpe in. Zijne innerlijke tweespalt met den Heere steeg tot eene machtelooze oorlogsverklaring aan den lleere, en zijne schreden verwarden zich tot bij de tooveres te Endor. Tegen den Almacbtige is bet echter dwaas en gevaarlijk strijden. God liet deii verdwaasden man, die op zijne stem geen acht meer gaf, aan zichzelven over, opdat bij der wereld een waarschuwend voorbeeld gave, dat hij, die zicb van God scheidt, enkel aan zijn eigen verderf arbeidt. Eene met bet vertrouwen op eigen kunst en sterkte begonnen veldslag tegen de Filistijnen eindigde met de nederlaag van zijn, van bet Israëlietische leger. Daar bij vleesch tot zijnen arm had gehouden, was met dezen arm ook zijn moed gebroken. Tot de opheffing zijner oogen en zijns harten ontbrak bet hem zoo wel aan vertrouwen als aan liefde. Hij kende zichzelven als verdoemelijk voor God en bij wilde zich niet verootmoedigen en zich niet bekeeren. In razende bedelaarsboogmoed verhardt bij den nek, terwijl in hetzelfde oogenblik zijne innerlijke vertwijfeling haar toppunt bereikt en bare klauwen naar hem uitstrekt. Niettegenstaande bij schepter en kroon draagt, verstrekt hein het aanwezen tot eenon on-d ragelij ken last, bij vraagt zijnen wapendrager, dat deze hem door-steke, en daar deze bet weigert, valt bij zelf in zijn zwaard, en geeft onder den zelfmoordenaarsvloek zijne ziele over. Gij kent bet roerende

ocr page 329

311

lied, waarmede do liefde van David hem bezong, doch op zijn grafsteen behoort het opschrift to staan: Hei heeft n bedorven, o Israel! want in Mij is uwe hulp. Op eenen anderen grafsteen slaat ditzelfde met nog meer in het oog vallende letteren geschreven. Wij naderen hem met onze beschouwing. Moge onze gang gezegend zijn, en vure zij ons aan, om mot vreeze en boven onzes zelfs zaligheid te werken.

Mattu. 27 : 3-10. Hand. 1 : 18—20.

Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesteren en den ouderlingen weder gebracht, zeggende; Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: wat gaat ons dat aan, gij moogt toezien. En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde hij zichzelven, en voorwaarts overgevallen zijnde, is hij midden opengebarsten en al zijne ingewanden zijn uitgestort. En de overpriesters de zilveren penningen nemenden, zeiden: het is niet geoorloofd ze in den offerkist te leggen, dewijl het een prijs des hloeds is. Eu te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. En het is bekend geworden alien, die te Jeruzalem wonen, aizoo dat die akker in hunne eigene taal genoemd wordt: Akehlama, dat is: een akker des hloeds. Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des gewaardeerden van de kinderen van Israël, denwelken zij gewaardeerd hebben, en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers, volgens hetgeen mij de lleere bevolen heeft. Want er staat geschreven in liet boek der psalmen: Zijne woonstede worde woest, en er zij niemand, die in dezelve wone. En een ander neme zijn opzienersambt.

Wij naderen thans eene ontzettende donkerheid. Doch ook in dezen n schrikvollen nacht schittert ons eenen helderen glans te gemoet. Deze

■t heerlijkheid omschittert liet hoofd des lleeron, aan wie — denkt eens

j, na — de zoon der verderfenis voor de allerlaatste maal nog op zijne

wijze, eene soort van apbsteldienst bewijzen moet. Jezus wordt door ■t Judas verheerlijkt en doet Hem overwinningen behalen, zoo als geen

s Apostel zc schitterender voor Hem toebereidde. Zegepralen? Ja, zoo

l! is het. Laat mij u toonen hoe Jezus hier triomfeert:

it I. als den Heilige;

ij II. als het Heil; en

III. als den Heiland.

ft De Heere zegene onze betrachting en late uit don dood des verraders

eene vrucht teu leven voor ons opwassen!

ocr page 330

312

^—

I. zil

I z0

Hoe veel er aan gelegen is, dat onze lloogepriesler in den rechten 1 Ik

tooi, dat is in de kleederen der heiligheid, het werk der verzoening hi

volbracht, is u hekend. Een gehrek in het Lain en het was niet meer 01

goed ter olTerande. Ecu zoodanig Uoogepriester betaamde ons, heilig, av

onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hoog er dan de ai

hemelen, en zulk eenen Uoogepriester hehhen wij. De zedelijke he- A1

voegdheid van Immanuël tot zijne middelaarshediening, staat buiten ec

alle geschil. God heeft niets gespaard, om hieraan eiken twijfel weg 01 te nemen. Hij gaf lot dat einde een en andermaal den Horg over aan

den toels der scherpzinnigste rechters en haarklovers der aarde. Deze tn

allen hehhen lol hunne niet geringe spijt te vergeefs op vlekken zij

bij Hem jacht gemaakt, en nu rechtstreeks en dan weder middellijk de

door hunne eigene handelingen moeten betuigen: wij vinden geene jie

schuld in dezen mensch. vr

Het is van hoog belang te zien, dal zelfs de argusoogen der prie- kc

sters en schriftgeleerden niets verdoemelijks in Hem ontdekten. Nog ra

zwaarder echter weegt de omstandigheid, dal even weinig de man, an

dien wij in ons tegenwoordig tekstverhaal ter helle zien varen, iets vc

dergelijks in Jezus heeft kunnen bespeuren. Hij had er, nog veel meer . hc

dan die andoren , hoog belang bij, om in den Heere eenige zonde, —

zoo zij bestaan had, te toon en, daar hij zich niet — het geweten in en

hem niet slapende zijnde gelijk bij hen — bij gebrek van eene roer- he

kelijke zonde, met eene verdichte behelpen kon. Had hij lot zulke di

middelen zijne toevlucht willen nemen, de rechter in zijnen boezem ' ge

zou met dezen kunstgreep don spot gedreven hebben, gelijk de levia- de

than met de trillende lans. Ach, wanneer Judas slechts met de helft ' zo

waarheid had kunnen zeggen: Hij, Wien ik verried, verdiende het, on

dat Hij aan het oordeel werd overgegeven.quot; Wal zou hij daar niet nc

om gegeven hebben! Om de ruste van zijn gemoed, ja, om der wille ge

van zijne lijdelijke en eeuwige zaligheid, moest hij met groote drift Ih

begeeren, (lat Jezus op de eene of andere wijze als een overtreder bh

bevonden werd. Reeds ééne i?i Jezus ontdekte zonde, zou hem bij do

de kwaal, die hij in zijn binnenste gevoelde, een groote troost en ; en

liefelijke lafenis zijn geweest. Doch hoe vlijtig hij er naar zocht, met vo

hoe veel inspanning hij nadacht, hoe grondig hij met zijne herinnering lof

het leven zijns meesters doorwandelde en beproefde — deugden in bh

menigte boden zich daarin wel bij hem aan; een lichtzee van heilig- de

beid straalde hem daaruit te gemoel; maar ook niet een enkel donker, he

twijfelachtig punt wilde zich opdoen, ook niet eene enkele vlek, hoe zie

klein ook, kwam onder zijne vorschende oogen. Vernietigende onder- ijl

vinding. Judas moet zijn geweten toestemmen, wanneer het hem een he

verrader noemt van den Heilige, ja hem verdoemt als een moordenaar zij

der onschuld. Hij vind niets, dat hem dit oordeel helpt ontzenuwen, lei

en moet den ontzeltendsten vloek over zich laten gaan, die ooit eene Hi

menschelijke ziele deed sidderen. ov

Het is treffend, dal Judas zonde in Jezus zocht, om geruststelling vo

uit haar lo pullen, en nu van Jezus' heiligheid terughuiverl en ineen- va

ocr page 331

313

zinkt. Wanneer liet licht des Evangelies voor hem geschenen had, zoo zou hij, omgekeerd, zich over do onstrairelijkheid van Jezus verheugd hebben en daarentegen teruggeschrikt en ineeugezonken zijn bij de gedachte, dat er in Jezus de eene of andere vlek zou kunnen ontdekt worden. Het is iutusschen bijzonder, dat wij liet ook daarin wederom met Judas eens zijn. dat wij, gelijk hij, slechts in eenen anderen zin, tot verlichting van ons geweten, in Jezus zouden zoeken. Wij echter vinden ze in den dood van den Heilige, al is het ook in eenen weg van toerekening en overdracht tot Hem gekomen, en gaan onzen weg met vrede.

Judas bevindt zich in eenen ontzettenden toestand. Hij had, zich troostende met de wondermacht van Jezus, als een dekmantel voor zijne boosheid, zijn ontwaakt geweten nog altijd in slaap gesust met de voorspiegeling, dat de Meester enkel behoefde te willen, om, wanneer de nood aan den man ging, zich weder aan do handen zijner vijanden te kunnen onttrekken. Haar hij nu echter de Meester werkelijk veroordeeld, ja, gebonden in geleide van geheel den boogen raad naar het paleis van den stadhouder ziet slepen, breekt het laatste anker, dat den onzaligen man tot nu toe nog voor don storm der vertwijfeling beveiligd had. Nu hooft de onomkoopbare rechter in zijnen boezem vrije speelruimte voor zijne beschuldigingen. „Uw boevenstuk — zoo dondert het hem toe — is u gelukt. Uw Meester gaat heen en gij hebt Hem op dezen weg geworpen, üp uw hoofd rust de ge-lieele schuld van den bloedigen ondergang dezes Rechtvaardigen. Gij, die Zijn brood at, zijl, de adder, welke Hem don doodsteek heeft gegeven. Hoe! dat u, het afschuimsel der wereld, de aarde nog draagt, de zon nog beschijnt! Wee, wee den verrader, den moordenaar, den zoon des vloeks!quot; O welke angsten en verschrikkingen zijn het, die onder dit gemurmel in zijnen boezem hem overvallen! Ó vreeselijke nood, die als een gewapend man hem overvalt! O, welke huiveringen en ontzettingen, die hem zenuwen en gebeenten doen schudden! liet is hem niet anders te moede, dan als ruischten de voeten van den bloedwreker reeds in zijne nabijheid, als hoorde bij reeds het oordeel des doods van den hemel af op zijn iioofd in donderslagen nedervallen, en als zag hij de geopende kaken der brandende hel reeds aan zijne voeten. He nacht der wanhoop van eenen Kaïn, Saul en Achitofel, legt zich als eene onweêrshitte op zijne ziele. O, hoe brandt hem het bloedgeld op zijn geweten! O, hoe afgrijselijk klinkt hem de klank der zilverlingen in do ooren! liet is hem, als droeg hij eene satans-belooning, eene belooning der hel met zich, ja, als luid hij er zijne zielezaligheid voor verkocht. En dit heeft hij werkelijk gedaan. Haar ijlt hij, door de ravenvleugelen van den angst, gedragen, heen. God heeft hem verlaten, en de duivel opgehouden zich over de vertroosting zijner ziel te bekommeren. He jammervolle man spoedt naar den tempel. Waarom? Wil hij bidden? Neen, bidden kan hij niet meer. Hij moet zich van liet vervloekt zondenloon losmaken. Hij zoekt de overpriesters en schriftgeleerden, deze nietswaardigon op, en ze gevonden hebbende, treedt bij gramstorig, bleek als een doode, en vol van grimmigen haal tegen de werktuigen van zijnen val, naar hen

ocr page 332

344

too, en logt voor hen niet luider stem en zonder allen omweg, de belijdenis af: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed.

Hoort deze woorden/ Ze zijn van de grootste beteekenis. Was Jezus aan Judas vreemd? Volstrekt niet. Zijn hart was tegen Hem in bitterheid ontstoken. Brengt liet getuigenis van Jezus'onschuld hem eenig voordeel aan? Integendeel, hij haalde zich hiermede de ongenade van zijne liooge begunstigers op den hals, en hij verhoogde hiermede zells het afgrijselijke van zijne misdaad. Het lag iu zijn belang, zich in de leugen dieper in te redeneeren, dat Jezus geene betere behandeling dan Hem overkwam, waardig was. Hoe sterk en overwinnend moest dus nog zelfs in den nachtelijken spiegel zijner verradersziel de hemelreine lichtglans van Jezus' onschuld wederkaatsen, daar hij', niet-tegenstaaiule de zoo even opgenoemde nadeelen, welke hij zich daardoor op den hals haalde, nochtans niet kon nalaten Hem met zulke belijdenissen te eeren. Voorzeker, nauwelijks is er ooit een krachtiger lollied op de heiligheid van den Priester Gods aangeheven, als hot in den kreet der vertwijfeling van zijnen verrader ons in de ooren klinkt, en waar is voor de onschuld van Jezus ooit eene gewichtiger getuigenis gegeven, dan dat, hetwelk hier Judas, deze ongelukkige zoon der verderfenis, door zijn geweten gedwongen, tegen zichzelven, en zichzelven ten vloek moest uitspreken. Zoo viert Jezus, gelijk wij zeiden, te midden van de duisternis der diepste vernedering de schitterendste triomf. Hij triomfeert als de Man, wien niemand eene zonde kon aantoonen, als liet Lam zonder gebrek, als de Heilige Israels. Wenschen wij onszelven geluk met deze nieuwe bevestiging der waarheid, dat aan onze gerechtigheid geen gebrek kleeft; want de gerechtigheid van den Borg is ook die van zijn volk. Die Jezus prijzen als het met licht omgeven Hoofd, die prijzen ook ons, des lichaams leden. Ook de vijanden van Christus, die zijne Godheid loochenen, maar toch het toonbeeld van de deugd met geestdrift in Hem vereeren, zijn medehelpers onzer vreugde. Hunne lofprijzende uitingen bezingen in den grond der zaak slechts onze schoonheid. Zij willen daar wel niet van weten; maar wanneer God ons eenmaal, voor de oogen van geheel de wereld, in zijne armen sluiten, en de erfenis van zijnen Zoon ons overdragen zal — zullen zij zien, dat inderdaad het lichtkleed van lmma-nuël op ons bij erfenis overgaat en onze naaktheid dekt.

II.

De tweede triomf viert do Heere in ons tegenwoordig tekstverhaal als het Heil, en wel als het eenige heil, dat den zondaar bereid is. Ook in deze eigenschap wordt Hij •— verwonderlijk genoeg — door zijnen verrader verheerlijkt. Judas verricht hier, zeker niet naar zijn, maar naar Gods doel, een Aposteldienst. Hij geeft ons een ontroerend voorbeeld, hoe iemand alles ondernemen kan, om van de zonde en de aan haar verbonden vloek vrij te worden, en toch niet tot het doel komt, zoo lang Jezus niet het eigendom van hem en hij het eigendom van den Heere Jezus wordt.

ocr page 333

315

Ziet den ongelukkige! de afgrijselijke daad is volhiacht, doch hij zelf heeft haar ook reeds als eene misdaad beleden. Wij hebben dus in dezen man met geen reeds verharden booswicht te doen. Hij gevoelt nog de grootte zijner schuld, belijdt ze en gevoelt er buiten berouw over. Wat zou hij er niet otn gegeven hebben, wanneer hij de misdaad ongedaan had kunnen maken! Hij beproeft voel, wat totdat doel kan geleiden, en waartoe ook zeker onze tegenwoordige zedeleeraars hem zouden geraden hebben. Mij spoedt zich heen naar de men-schen, in welker dienst hij gezondigd had, brengt hun het vervloekte loon terug, wil liever smaad, hoon en wat niet al meer, op zich nemen, dan langer dit bloedgeld in zijne handen te dulden, bekent vrij en onbewimpeld het bedrevene kwaad, verontschuldigd en verschoont er niets aan, maar zegt ronduit: Ui heb yezondificl, verradende hut onschuldiu bloed, en bewijst genoegzaam, dat de afkeer, dien hij jegens de beganen misdaad aan den dag legt, ernstig en oprecht gemeend zij. En als de priesters de teruggave van hunne zilverlingen weigeren, en hem met liet uit de hoogte gesproken koude en snijdende woord; lual gaat ons dat aan, fjj moof/t toezien, den rug toekeeren, werpt hij de zilveren penningen uit zijne handen in den tempel en geeft daarmede te kennen, dat hij zo voor de armen bestemt, of aan eenig ander doel toewijdt. Eene vreeselijke bespolling door het lotsbe-stuur dringt zich uit dit tooneel aan ons op. Gedenken wij vooreerst aan het huichelachtige: , Deze zalve ware beter verkocht en het geld aan den armen gegeven,quot; waarmode de onzalige discipel eenmaal het schoone liefdewerk van Maria bevlekte. Thans moet hij, ofschoon ook met ander geld op de vreeselijkste wijze waar maken, wat hij toenmaals loog. Wat zou men echter meer kunnen verlangen, dan wat hier de zondaar doet. Hier was zelfgericht, boete, zondenbelijdenis, voornemen tot verbetering, en tegelijk een ernstig pogen, om weder goed te maken, wat hij kwaads gedaan had. En toch, wat baat dit alles? De zonde blijft aan hem vast kleven; de hemel blijft hoven hem gesloten, het hart van den eeuwigen Rechter van hem afgekeerd en de keten des satans ongebroken. Het beven van den armen discipel is te vergeefs, even als zijn berouw, zijne belijdenis, en zijne zedelijke voornemens en beloften zijn. Al dit loog is niet voldoende, om de schuld van hem af te wasschen. Alle deze edele daden verworven hem geene genade. Judas gaat op vreeselijke wijze te onder. Waarom'? Omdat zijne zonde misschien de maat der (loddelijke vergeving te boven ging? O, zeker niet. Omdat hij een dief en roover was? Dat was de moordenaar aan het kruis in den hoogsten graad, en hij heeft toch den weg naar het paradijs gevonden. Omdat hij den Heilige Israels verried? Duizenden deden hetzelfde, en werden nochtans zalig. Omdat hij de hand aan zichzelven sloeg? Ik zeg u, wanneer hij dit ook niet gedaan, maai nog jaren lang geleefd en ze met ernstige pogingen van verbeteringen had doorgebracht, hij zou toch verloren geweest zijn, en wel om de eene reden, omdat Jezus niet op zijne zijde staat, noch voor hem ine! zijn bloed intreedt. Zoo moet de ondergang van Judas, gelijk geene andere gebeurtenis, de onontbeerlijkheid van Jezus schitterend doen uitkomen , en de Heere Jezus triomfeert

ocr page 334

310

daarin, gelijk bijna nergens anders, als het eenig en uitsluitend bell van den zondaar.

Niets lielpt en reilt ons, wanneer niet Jezus de onze wordt. Hadt gij er een vermoeden van, boe noodig als uw bloed Hij u zij, gij zoudt deuren en poorten wijd openzetten, om Mem binnen te laten, (lij zoudt liet liefste en dierbaarste wat gij bebt, gaarne voor Mem laten varen. Ja, gij zoudt er uw leven voor geven, boe veel meer het schraal genot en de ijdele eer dezer wereld, om Mem te gewinnen. Iets dat de plaats van Jezus en zijn bloed vervangt, is er niet. Met glinsterend web van boete, zedelijkheid en godsdienstige inspanning vervangt zijne plaats niet. Dit is slechts eene fraaie kleeding van den gang van den Beschuldigde naar het gerecht. Tot genade, en in den hemel helpt Jezus alleen. Is Mij u niet genegen, te vergeefs is bet, dat gij vroeg opstaat en daarna lang opzit, om uwe zaligheid uit te werken. Gij arbeidt en brengt niets voort, gij verzamelt en legt bet in eenen doorboorden buidel; gij werkt en weeft spinnewebben, die tot kleederen niet deugen van uw weefstoel; gij vult een vat, waarvan de bodem is uitgeslagen, en zijt veroordeeld eenen steen borg opwaarts te wentelen, die, wanneer gij hem eenmaal meent tot rust Ie hebben, u weder ontglipt, en onophoudelijk naar de diepte afrolt. Staat echter Jezus aan uwe zijde, zoo zijt gij aan bet doel, eer gij nog wandelt; zoo vallen u de vruchten des vredes in den schoot, alvorens gij den boom geplant hebt, zoo roemt gij van gerechtigheid, ofschoon gij nog met de zonde in strijd ligt, en gij zijt verzoend, zonder dat een zoenoffer van uwe hand gevorderd wordt. Wat vertoeft gij dan Mem te ontvangen, die u alles is in allen? Zegt met den Apostel: wat ik nog leve in hel vleesch, dat leef ik in hel rjeloof aan den Zoon van God, en gij zijt voor tijd en eeuwigheid geholpen.

III.

Judas wandelt door de lijdensgeschiedenis, opdat aan hem eenmaal de zonde met al hare verschrikkingen en huiveringen recht in het licht trede, maar dat echter tegelijk, tegenover de zonde, de verlossing in baren vollen glans verscnijne, en Jezus niet alleen als de Jleilifje, en als bet eenige heil maar ook als de Heiland zich recht in bet oog vallend openbare. Ja, wanneer het ontzettende der zonde ooit bij iemand aan den dag gekomen is, dan is het in den verrader. Mier treedt allereerst hare geheele hatelijkheid en afzichtelijkheid voor oogen, welke tegen het hemellicht, dat den persoon van Christus omgeeft, slechts te sterker afsteekt. Hier geeft zij zich te kennen als de grootste bedriegster, die haren dienaren en barer dienaressen gouden bergen belooft, maar ze met ontzettingen en verschrikkingen heenzendt. Mier treedt zij op als bet kind der bel, dat slechts vreeze des doods voortbrengt, en geene andere kinderen dan die van den angst, der vertwijfeling en dor verdoemenis beeft voortgebracht. Mier openbaart zij zicii als de ergste vijandin van ons geslacht, die den band, welke ons met God verbindt, verscheurt, de toorn des Almachtigen tegen ons ontsteekt, (Ie poorten tot de eeuwige woestijn ons opent, en eene met niets aan te

ocr page 335

317

vullen klove tusschen ons on de Godstad bevestigd. Bovendien treedt liet u liier feitelijk voor do oogen, line zij spot mot ieder inenscheiijk jmgen, om haar van liaron prikkel to berooven, iioe zi) zicli met geene tranen al'wassclioti en mot geene goede voornemens vernietigen laat, maar niettegenstaande dit alles, onafscboidoiijk blijft vastkleven, hare onderbooiige den duivel in bandon spoelt, en nadat zij hom aan deze zijde dos grafs liet leven vergald beeft, hem eindelijk beemvijst naar eenen eeuwigen doodsnacht en prijs geeft aan eene eindelooze ellende.

Aanschouwt den verrader in zijnen jammerlijken toestand en zio hoe de zonde bom als een spook op den rug hangt. Ziet, hoe bij zich onder dezen last wringt en opspringt, doch zonder dat het afgrijselijk onding van hem wil wijken. Ziet. hoe hij, onrustig en gejaagd been-snolt, maar het spook snelt met bom mede, en wordt op den weg nog altijd afgrijselijker. Door terugbetaling van do zilveren penningen, rneent hij zich van het monster vrij te maken, docli te vergeefs zijn de pogingen, om ziel) tot zulk eenen prijs van de zonde vrij te koo-pen. Judas neemt tot de priesteron en de Farizoön zijne toevlucht, doch deze weten togen do zonde geen raad. Hij stort zich eindelijk, door eindelooze angst gejaagd, in de armen van don dood, doch ook deze neemt hem den last niet van de ziel. Judas kan zich van zijn lichaam ontslaan, maar daarmede ontslaat hij zich niet van zijne schuld. Van zijn leven kan hij scheiden, maar daarom scheidt de zonde nog niet van hem. Dozo aarde kan hij vaarwel zeggen, maar zijne misdaad volgt bom over bare grenzen. Hij werpt zich oenen strik om den hals, doch wurgt deze hem, zij doodt zijne overtreding niet. Deze wordt veel meer daardoor de ruimte gegeven, om hare gebeele macht en heerschappij le ontvouwen. Zij laat hot geschieden, dat zijn lichaam vaneen barst on vaart daarvan met de ziel heen, om baar in hot eeuwige vuur te bogoleiden. O, treedt hoen naar Judas graf. Neen, aan dat graf houden geene engelen do wacht, en geen bewakend oog van God ziet gij er boven geopend; op zijn grafheuvel groeien geene rozen der hoop. Enkel nachtschaduw en distolon omwookoren dezen plek. En bot opschrift op den grafstoen? Hot luidt kort en kil; En Judas (jing aan zijne plaats, en wijst op ontroerende wijze aan, boe ver de verwoestende, onheil barende on dood aanbrengende macht der zonde zich uitstrekt.

Wie was tegen dit wangedrog opgewassen? Er is Eén, die het met de zonde opgenomen beeft. Die gindsche Man daar, die men geboeid naar den rechterstoel van den heidenscbon landvoogd sleept, en bij wiens aanblik Judas vertwijfelt in plaats van in don jubel der vreugde uit te breken. Christus werd in den weg dor toerekening, het Lam, dal de zonde der tvereld op /Ach nam, om deze zonde, door het plaatsbekloedond ondergaan van haren vloek voor allen, die aan Hom zouden goloovon, don prikkel af te breken. Hij beeft het gedaan, en wanneer wij reeds terstond en vooreerst boweordon, dat Mij in ons tegenwoordig tokstverhaal triomfeert als don Heiland, zoo bedoelden wij hiermede voornamelijk te zoggen, dat zijne verlossingsdaad juist daarom hier in zulk oenen schitterenden glans verschijnt, omdat hier

ocr page 336

het aCscliuwelijk god rod it, zonde geheeten, meer dan ergens anders van alle zijden liare ware natuur ontlmlt, en zijne verschrikkingen te voorschijn laat komen. Christus word echter ook hier bijzonder als Heiland verheerlijkt, in zoo ver zich hier onafwijsbaar de overtuiging opdringt, dat do zoon dor verdeiTonis alleen daarom de vreoselijkste schipbreuk lijdt, omdat hij versmaadt, om denzelfden Man, dion hij verried, zich berouwvol on geloovig iti do armen to werpen. Hoe vreeselijk do storm zij, dio de gelieelo vloot van alle menschelijko hulpkrachten vernielt en vernietigt, er is echter nog eene reddingsboot over. Hadde bij zich daarin geworpen, bij ware onfeilbaar in do haven des eeuwigen vredos overgebracht geworden. Doch waarom wilde bij in die boot niet gaan? Gedeeltelijk was bij te midden van zijne namoloozo ellende, nog altijd te trotsch er toe, om Dion, die hom hot masker van hot gelaat had afgerukt en togen wien zijne ziele op het hoogst verbitterd was, do oer aan te doen, om zijne genade in te roepon; gedeeltelijk was hij daartoe ook weder to vortsaagd, naardien de satan niet afliet, tot loon van do diensten die Judas hem bewezen had, bom to overtuigen, dat er voor hom geeno plaats van hoi)e meer overig was, en daarenboven door voorgoocheling van allerlei schrikvollo helsche beelden, elke rust on klaarheid van bezinning aan hom ontnam. Had Judas ootmoed en moed genoeg gehad, om, gelijk later do bekeerde moordenaar, bot vochtig oog naar Jezus heen te wonden, hem zou onkel don blik der vergevende liefde ontmoet hebben, en o, hoe geheel andere geluiden als hot ontzettende: tuat f/aat het ons aan, gij mooyt toezien, van de overpriestors had hem le ge-moot geklonken! Want aan genade ontbrak het, ook voor oenen mensch van zijne bedorvenheid niet, en ofschoon zijne zonde bloedrood was, hot bloed der verzoening ware toereikend geweest, ze af to wasschen, zoodat ze sneeuwwit zouden geworden zijn. Doch gelijk een gier met hot gegrepen lam, voer do duivel mot hem in stormon-snelheid voort, en rustte hij niet, voor hij zijne zegepraal over hein voltooid had, en de ziel van den zoldzamon buit in zekere bewaring wist te zijn.

Nooit heeft do aarde een droeviger treurspel gezien dan dat, waarbij wij thans met onze beschouwing verwijlen? Men man tot oen uitgelezen vat van heil en zegen voor do menschheid verordend en er toe opgeleid, vertwijfelt in de tegenwoordigheid van den Redder dor wereld, en stort zich, in plaats van do naar hom uitgestrekte Verlossersband aan te grijpen, in don onzaligon waan, als betrad hij zoo doende den weg, waarop hij de bevrijding van de folteringen zijns go-wetens vindon kon, — in don afgrond der eeuwige verdoemenis. En het is, alsof zelfs gelijk voor hom reeds in de personen der priestoron en ouderlingen, de wereld, de dood en de hel, zich van dezen zoon dor vervloeking losmaken en met God aan hem gerichte oefenen moeten. De koord, waarmede de bejammorenswaardigo zich ophangt, breekt; de boom, dien hij zich tot zijne sterfsponde hoeft uitgekozen, schudt hom mot afgrijzen van zich af. Midden in tweëen barstende, stort de geworgde naar beneden, en zijne ingewanden storten zich uit over de aarde.

Terwijl deze huivoringwekkendo dingen gebeuren, staan de priesters en ouderlingen beraadslagend le zamen, wat mot do dertig zilveren

ocr page 337

psnningfen, die Judas, in zijne vertwijfeling, in den tempel terngge-worpen heeft, te doen zij. Het is niet rjeoorloofd, zeggen deze schijnheiligen, niet wetende dut zij zich zeiven hiermede brandmerkten, ze in de offerkist le leggen, dewijl het een prijs des hloeds is. Zulk een prijs was het, en zeer zeker moest, volgens Deut. 23 : 18 noch door bloedgeld, noch door hoerenloou de tempelschat verontreinigd worden. Doch hoe treft dezen bepleisterden graven hier wederom liet woord des Heeren, Matth. 23 : 23: wee u gij schriftgeleerden en Farizeèn! gij geveinsden! want gij vertient munt, dille en komijn, en laat na hel zwaarste in de wet, namelijk het oordeel, de harmharUgheid en hel geloof. Gij blinde leidslieden, die de mug uitzuigt en de kameel doorzwelgt. Immers waren deze menschen, aan deze gruweldaad, welke zij met deze zilveren penningen betaalden, niet minder schuldig dan de verrader zelf, en ofschoon met deze in gelijke verdoemenis, werpen zij zich niet enkel tot ïijne rechters op, maar spelen tegenover hem als uit de hoogte, nog den rol van wachters der wet en handhavers van het heilige! Wij gevoelen bijna nog meer medegevoel voor dezen ver twijfelenden discipel, dan voor deze meesters in alle leugens en vermomming. Wie weet, of liet ten dage des oordeels, hem niet verdragelij kei' zal gaan, dan deze hooggevoelige en ziellooze huichelaren. Deze lieden komen nu overeen, om voor het loon dor on-gerechtigheid, de akker van den pottenbakker, dat is, een tot nu toe aan eenen pottenbakker toebehoorend stuk lands, aan le koopen en hetzelve tot eene begraafplaats voor vreemdelingen, die soms te Jeruzalem stierven, en aldaar geene eigene begraafplaats hadden, te bestemmen. Zoo heeft zelfs nog het loon, waar Jezus voor verkocht was, een zegen moeten stichten. Ja, speelt ook niet wederom in dezen trek een beeld door, hetwelk zegt, dat Christus Zich juist daarom heeft overgegeven, opdat wij vreemdelingen in het dal des doods, in vrede daarin mochten rusten? De aldus gekochte akker behield in den mond des volks voortaan de half Syrische naam Akeldama, dat is bloedakker. Een treurig gedenkteeken, dat hiermede voorden verloren discipel en zijne misdaad werd opgericht, en dat nog heden de pelgrims toeroept: „Wie den Zone Gods met voeten treedt, die heeft geen slachtoiler meer voor de zonde.quot;

De Evangelist voegt bij zijn bericht van deze koopmanschap de opmerking: Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia: en zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des gewaardeerd'en van de kinderen van Israël, denwelken zij gewaardeerd hebben, en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers, volgens hetgeen mij de lleere bevolen heeft. Mat-theus vereenigt hier naar hunnen hoofdinhoud, twee profetische teksten, waarvan de eerste Jeremia, en de andere den alhier niet genoemden Zacharia toebehoort. De woorden van Jeremia lezen wij Kap. '19 : 11—13 waar zij aldus luiden: Zoo zegt de lleere der Heirscharen : Alzoo zal Ik dit volk cn deze stad verbreken, gelijk men een pollen-bakkers vat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden, en. zij zullen hen in Tofclh begraven, omdat er geene andere plaats zal zijn, om te begraven. Zóó zal ik deze plaats doen, spreekt de lleere, en

ocr page 338

:gt;20

have inwoneren, en dat om deze stad te stellen Int een lofclh. Eu de huizen van Jeruzalem ca de huizen der Koningen van Juda zullen, qelijk de plaatsen van Tofcth, onrein worden met al de huizen , op welker daken zij aan het heir des hemels fjerookt en aan vreemde noden drankofferen geolferd hebben. Do uitspraak yau Zachana vindt 'men in het Xlde hooldstuk van zijne profetiën, en luidt aldaar m liet 13de vers aldus: Doch de lieere zeide tot mij: Weup ze liever voou

Tgt;m POTTEMiAKKEl! ; EEN 1 IKKHLI.IKIOX 1'IU.fS, DIEN Ilv WA.V1U) GEACHT

ben geweest voor hen ! En ik nam die dertifj zilverlingen en wierp ze in het huis des Heer en voor den pottenbakker.

Zoeken wij nu eerst de woorden van Jeremia to doorgronden. De profeet verkondigt het volk van Israël en de stad Jeruzalem zwaie oordeelen, en lieeft daarbij volgens Goddelijke aanwijzing, zijne stanü-plaats genomen nabi j de leem of pottebakkerstoren aan de plaats l olet i, welke lot bet dal Hinnom behoort, en dezelfde is, waar eenmaal Israël in de dagen van schrikkelijk verval den algod Moloch zijne kinr e-ren oiVei'de. In tegenwoordigheid van de oudsten en pnesteren, in wier geleide hij ook op Goddelijk bevel was uitgegaan, neemt bij eene medegenomen aarden kruik, verbreekt hem tegen den grond, en vei-geliikt deze zinnebeeldige handeling met de voorspelling, dat aldus stad en volk verbroken zou worden; dat men uit gebrek aan plaats voor de lijken, in het onrein en vervloekte Tofeth begraven zou, en dat geheel de stad zou worden als Tofeth en bare buizen onrein, loletb, waar eenmaal bet Molochsbeeld stond, was tegelijk het stuk gronds, waar do pottenbakkers het leem voor hunne vaten plegen ts graven. Naardien nu de profeet juist aan deze plaats bet aarden vat verbrak , en het daarmede weder tot den oorspronkelijken toestand terugbraclit, beeldde bij zeer beteekenisvol en in het hart grijpend datgene at, wat tegelijkertijd de heilige stad en het uitverkoren volk overkomen zon. Dat Tofeth was de pottenbakkers akker, dien wij door de oudsten in onzen tekst voor de dertig zilverlingen zien koopen. Wanneer nu echter Mattheus zegt; Toen is vervuld wat gezegd is door den profeet Jeremia, dan is de meening van den Heiligen Geest, die de pen van den Evangelist bestuurde, deze: „Naardien God het zoo beschikte, Jat de overheden van Israël voor het loon der ongerechtigheid den akker, op welken de vloek van Jeremia rustte, als eigenaom van den Joodschen Staat verwierven, en daarmede als het ware dien vloek op zich en hun volk overnamen, betuigde Hij en wel wederom op zinnebeeldige wijze, dat de toenmaals bedreigde bezoeking ten tweeden-male en wel in zooveel ontzettender gedaante over Israel zou losbreken, als de aan den Zone Gods gepleegden moord eene zwaardere zonde was, dan de Molochsdienst, en de met haar verbonden oller-o-ruwelen.quot; Derhalve niet de koop des akkers, maar veel meer de door denzelven symbolisch of zinnebeeldig gedane toeëigemng van don op Tofeth rustenden vloek, welke in de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen zijne laatste voltrekking vond, maakt dat punt des lijils uit, waarin de plaats bij Jeremia zich hier vervulde.

De plaats bij Zacharia, dient enkel tot aanvulling of volledigmaking van die van Jeremia, en daar de laatste den Evangelist als de wezent-

ocr page 339

m

iijkste geldt, noemt hij den Zegsman er van niet eens bij naam. Jeremia toonde hem do gekochte jtlaats, Zacharia den prijs, waarvoor de joodsche overheden naar kochten. Beschouwen wij de woorden van Zacharia van naderbij. Do Ileere spreekt aldaar tot zijn ondankbaar volk, en stelt zich zeiven voor als de Herder van Israël, die nu met den staf wee, dan met den staf liefelijkheid, de kinderen Israels geweid heeft. Doch deze hebben zijne herderlijke trouw niet erkend, maar weken altijd weder af van zijne wegen, en verachtteden zijne onderberderen, do profeten, en onder dezen ook, met name Zacharia, welke klaagt, dat hij, en in hem, de Heere zelf, die hem gezonden heeft, hun niets meer waardig was dan de geringste knecht, namelijk dertig zilverlingen, en dat zij hem biermede meenden zijn volle loon gegeven te hebben. Voor dat schandelijk gedrag bedreigt Jehova hen met onheil en straf. Hij spreekt tot zijnen Ziener: werp hd heen, dat het den pottenbakker f/egeven worde, dat is, werp het als een zondenloon in het slijk van dien vervloekten akker, waar de pottenbakker zijn werk heeft, in den akker Tofetli. Een heerlijken prijs, dien ik waard geacht hen geweest van hen! En ik, zoo gaat de profeet voort, nu van zichzelven sprekende, nam de dertig zilverlingen en wierp ze in hel huis des IJeeren voor den pollenhakker. Dus de tempel werd, en wel op Goddelijk bevel, behandeld alsof hij den akker Tofetli ware. Eene vreeselijke profetische zinnebeeldige voorstelling der waarheid, dat zelfs de tempel te zijner tijd onderden vloek Gods zon ineen storten.

De ure van dit gedreigd strafgericht was zeer nabijgekomen, toen zelfs Hij, in Wien do herderlijke trouw van God haar hoogste punt bereikte, door het volk van Israël de spotsom van dertig zilverlingen gelijk werd geschat. Voor dezen prijs ontsloeg Judas zich, als de vertegenwoordiger zijns volks, voor zijn aandeel aan den Zaligmaker, en de kinderen Israëls en hunne overheden, verkochten hiervoor de Heilige om Hem te dooden. Daardoor echter, dat de verrader in wanhoop het loon des verraads weder van zich en in den tempel wierp, viel het bloedgeld — eon kwaad voorteeken — weder tot de gemeente van Israël. Deze niet zonder het bestuur des richtenden Gods zich openbarende handeling van de terugwerping van het bloedgeld in het huis des Heeren, herinnerde reeds op ontzettende en beduidingvolle wijze aan de dertig zilveren penningen van Zacharia, en kon slechts in dien zin worden uitgelegd, dat God de Heere zijne toenmaals in de zinnebeeldige handeling zijns profeets over Jeruzalem en deszelfs heiligdom uitgesprokene bedreiging, met versterkten nadruk thans vernieuwen, en de omstandigheid, dat de Israëlitische overheid zelfs op de gedachte kwam voor het loon der ongerechtigheid do met den vloek belasten akker van Tofetli to koopen, drukte bet laatste zegel op deze uitlegging. Hiermede is bet dus volkomen duidelijk, dat de geest der profetie, zoowel de woorden bij Zacharia als die bij Jeremia met opzettelijk bedoelde betrekking op de eerst na eeuwen te Jeruzalem plaats hebbende gebeurtenis uitsprak en begreep, en dat God de handeling tusschen Judas en de overheden van Israël enkel daarom op zulk eene in het oog vallende wijze met deze oude profetische uitspraak

21

ocr page 340

32'i

laat overeenstemmen, omdat Hij de ondankbare kudde zijns volks eéri nieuw, handtaslelijk waarteeken wilde geven , dat de tijd van hunne rijpwording ten verderve, maar ook die van hunnen lang gedreigden ondergang met verschrikking, thans nahij gekomen was. Met volle recht kon daarom Mattheus schrijven; toen in vervuld loat geschreven is. Werkelijke voorspellingen vonden hare werkelijke vervullingen. Gelijk de Heilige Geest bij Zacharia bepaald aan de zilverlingen van Judas, zoo heeft ilij bij Jeremia even zoo bepaald aan den koop van den pottenbakker door de priesters en oudsten gedacht. Het verwijt van bloot willekeurige en oneigentlijke toepassingen van oud-Testamentische uitspraken en gebeurtenissen, op nieuw testamentische voorvallen, treft de Evangelisten en Apostelen nergens.

Wij scheiden met diepgeschokte harten van de meest ijzingwekkende plaats in geheel de lijdensgeschiedenis, en roepen met grooter recht nog dan eenmaal de profeet den Koning van Babel, den onzaligen discipel het woord des afscheids toe: koe zijl gij van den hemel gevallen gij heldere morgenster, gij Zoon des dageraads! Hoe nabij den Heere kan men toch staan, en nochtans, wanneer men zijn hart niet bewaakt, een roof des satans worden! Hoe veel kan men aan genade en gaven van Hem ontvangen hebben, en door een trouweloos beheer er van, nochtans het vreeselijkst bankroet maken! Wie zich aan Christus oveigeeft, dat hij het slechts doe, zonder eenig voorbehoud. Wie gemeenschap met Hem begeert, o dat hij slechts met eene altijd geopende ziele, in alle openhartigheid met Hem wandele! Wie door eene zonde wordt besmet, dat hij slechts zonder verwijl den troon der genade zoeke! En wie zich met eene schuld bezwaard gevoek, dat hij voor alle dingen niet aflate, le waken en te bidden, totdat dooide genade van Hem, die den kop der slang vertreedt, de kracht er van gebroken is. l)c kiem, waaruit, indien zij door de hel bevrucht wordt, een Judas kan groeien, ligt in ons allen. Geven wij plaats aan den Geest, dat Ilij deze bevruchting were, en bidden wij dagelijks met den ouderen kerkliederen dichter:

Als duivel, zonde en wereld mij

Hun duizend Lagen stellen ,

Zoo houd mij, Heere Jezus ! vrij ,

En laat geen band mij kwellen.

En leg ik in des satans strik,

O breek hem op het oogenblik ,

Laat mij verwinnaar blijven.

Och doe mij onophoudelijk zien

Op 't groot gevaar van 't leven,

Opdat ik 't zondenpad mag vliên,

En hemelwaarts kan streven.

Och laat geen dag ten avond gaan,

Tenzij ik vóór U heb gestaan,

En Gij mij hebt vergeven.

Amen.

ocr page 341

C I f R1 S T U S V O O II P I L A T U S.

Wanneer Paulas, Hand. 14 ; 10, tot de Heidenen te Lystre zegt f God heeft in de verledene lijden al de Heidenen leden tuandelen in hunne wecien, zoo bedoelt iiij geenszins daarmede te zeggen, dat God Zich niet om de Heidenen bekommert, noch hunne leiding en vorming niet op Zich genomen heeft; veel meer voegt de Apostel er terstond hij , dat God Zich aan hen niet onbetuirjd heeft gelaten. Het is veel meer zijne hoofdgedachte, dat God de Almachtige, in hel belang van een geheel de wereld omvattend plan van vrede en heil, buiten Israël voor eenen tijd de gclogenlieid heeft willen openlaten voor eeno proefneming, hoe ver de volken hot in den arbeid der zedelijke zelfvolmaking en ware zelfgelukkigmaking brengen konden. Ten lijde der verschijning van Christus had de wereld in deze proefnemingen hare krachten uitgeput, en het is niet te loochenen, dal in zaken van stof-felijken arbeid, van algemeen nuttige uitvindingen, van maatschappelijke vereeniging en ordening, van kunst en wetenschap, er groote dingen genoeg lot stand gebracht zijn, om bij den mensch nog aliijd den gevallen koning, den voormaligen beheerscher dei' aarde te verraden. Het Romeinsche rijk maakte als hot ware het vereenigings-punt eu de stapelplaats uit van al liet verhevene en schoone, wat de menschelijke scheppingskracht, gedurende don loop der eeuwen, te voorschijn en tot stand heeft gebracht. Was nu echlor hot llomein-sche wereldrijk een Godsrijk in vorliohting, zedelijkheid en innerlijken vrede? Vraagt het de geschiedenis, eu zij zal u zoggen, dat in hot oogenblik, waarin men zou gedacht hebben, zoo iels mood het mi zijn, juist in plaats van de waarheid, de pijnigende tiujfe'n)/ n in plaals van de zedelijkheid de verlijndste ondeugd, en in jjla.il.-. van den vrede eone algemeene innerlijke onlcvreden-heid. onder de valken Imimen troon hadden opgeslagen, daar do, met het beste en kostelijkste aller natiën overvloediglijk toegeruste, reuzenstaat, juist op hot toppunt zijner heerlijkheid, al de kenteekonen eener nabijzijnde oplossing aan zich droeg, en werkelijk zijnen ondergang onwederslaanbaar te ge-moet rijpte.

Wij zullen reeds hier, doch in het vervolg onzer beschouwingen op nog grondiger wijze, kennis maken met eenen man, die, als geboren patriciër, de bloesem van zijn volk (het Romeinsche), op do hoogte der beschaving van zijne eeuw staande, het toenmalig Heidendom van alle kanten vertegenwoordigde, en onze zoo even uitgesproken stelling

ocr page 342

bevestigt. Deze man is Pontius Pilatus. Als een levende spiegel vari zijn volk en von zijnen tijd, gaat liij door de Lijdensgeschiedenis hoen. En zoo wij soms iets behoeven voor onze overtuiging van de noodzakelijkheid eener wereldverlossing of eene nieuwe versterking ot' bevestiging der meening van den rechten tijd der verschijning van Christus, zoo zal eene nadenkende beschouwing van dezen man, die tot de belangrijkste en beteekenisvolste personen der Lijdensgeschiedenis behoort, ook deze ons schenken.

Johannes 18 : 28—32.

7i\i dan leklden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En liet was des morgens vroeg. En zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. Pilatus dan ging tot hen uit en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch? Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt gij Hem naar uwe wet. De Joden clan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, heteekenende hoedanigen dood Hij sterven zou.

Wanneer in eene zachtbewogene watervlakte de zon wordt teruggekaatst, zoo treedt ons op een pimt van dezen natuurspiegel haar vol beeld te voorschijn, en bijna wil het ons toeschijnen, dat de koningin des hemels van haren wolkentroon in de diepte van den blauwen vloed afgestegen is. Te gelijk echter straalt ons in verkleinden maatstaf dat majestueusch gestarnte ook weder uit de krullende golven tegen, en zoo ver de oogen reiken, vertoont zich het water van glanzen doorweven en van zonnen als doorschenen. Op gelijke wijze kaatst ons de heilige Lijdensgeschiedenis als een geheel den volledigen omtrek van het Goddelijk verlossingsplan terug, nochtans spiegelt zich het raadsbesluit des vredes van den Allerhoogste ook weder in ieder enkelen trek dezer geschiedenis, lioe klein en niet in het oog vallend dezelve ook zijn moge, af. Wij zullen heden gelegenheid vinden, ons hiervan weder opnieuw te overtuigen. Men moge onzen tekst voor eene weinig beteekenende historische afdeeling houden, en toch is ook hij wederom geheel en al geschikt, om het Borg- en Middelaarschap des Heeren met de helderste slaglichten te bestralen. Wij vestigen den beschouwenden blik:

I. op de wegvoering van Jezus naar Pilatus,

II. op zijne intrede in het rechthuis, en eindelijk 111. op het begin der rechterlijke handelingen.

Moge ook tot den tegenwoordigen Lijdensgang de Geest der waarheid ons zijn geleide schenken, en leere Hij ons aan te wenden tot onze eigene zaligheid, al wat wij zullen beschouwen en vernemen!

ocr page 343

325

1.

Do dag is zoo oven aangobroken, en gij wool, welk eon dag! Het is do inhouilzwaarste. beslissendsto en gevolgenrijkste dag der wei'eld. Hij begroet onzen Heere met de vreeselijkste teekenen. In bloedig gewaad, de doornentakken tot kroon gevlochten voor zijn hoofd in de eene, en den geeselriem, den doodsbeker en het vloekliout in de andere hand, nadert hij Hem. Over ons gaat hij echter op met den vredepalm, den Goddelijken vrijbrief en de bemelsche levenskroo-nen. O lieilige Vrijdag! dag fier ontfermingen Gods! geboortedag onzer eeuwige verlossing! zijt ons gezegend, zijt op de knieën van ons verwelkomd!

Wij treffen de heilige stad in eene buitengewone beweging aan. liet wemelt van menschen op de straten. Een schouwspel, zoo als zich thans bier voordoet, beleefde men nooit vroeger. Geheel de hooge raad beeft zich persoonlijk gereed gemaakt, om in plechtigen optocht een ten dood veroordeeld beschuldigde naar het Romeinsche rechthuis te geleiden, en van daar de bevestiging van het vonnis te eischen. En wie is Hij, die men aldus wegleidt? Dezelfde, die kortelings in dezelfde stad, bij gelijken toeloop van het volk, met luide Hosanna's ontvangen en, gelijk nooit iemand meer, verheven en vereerd werd. Het is Jezus van Nazareth, wien toen het jubel koor te gemoet klonk: Geloofd zij Hij, die l.oinl in den naam den lieer en! en dien zelfs do vijanden het getuigenis niet konden onthouden, dat in Hem een groot Profeet onder Israel opgestaan was. Thans komt Hij ons te gemoet, als een vloek en vaagoffer van datzelfde volk, dat Hem eenmaal palmen strooide en eerekroonen vlocht. Zoo is het met de gunst der wereld gesteld , en zoo veel waarheid bevat het spreekwoord: dat de stem des volks de stem van God zij!

De optocht gaat naar het paleis van Herodes. Hier namelijk was de stadhouder gewoon zijne residentie te houden, wanneer zijn ambt hem van Cesaréa aan de zee, alwaar hij zijn vast verblijf had, naar Jeruzalem riep. Het is bekend, dat de Romeinsche keizers do onderscheidene gewesten van bun wijduitgestrekt rijk door proconsuls of stadhouders lieten besturen. Dezen werden echter voor de enkele provinciën van hun gebied procuratoren of landvoogden ter zijde gesteld, die de belastingen moesten hellen en in rechtshandelingen als hoogste beroep beslisten. In kleine landschappen namen de laatste niet zelden geheel de plaats van den gouverneur in, gelijk dit onder anderen ook in Judéa bet geval was, hetwelk men met Samaria inde provincie Syrië had ingelijfd. Het werd gewoonlijk deze lieden nagezegd, dat zij gewoon waren hunne invloedrijke betrekkingen dienstbaar te maken tot voldoening hunner hebzucht, en daarom kleefde aan hunnen naam de beschuldiging van ongerechtigheid en wreedheid. Waar /.ij verschenen ontmoetten hen gewoonlijk enkel het mistrouwen en de verborgene verbittering hunner onderhoorigen, en enkel door het aanwenden van hunne militaire macht gelukte het ben, hunne bevelen klem te geven en de altijd dreigende volksoproeren te bedwingen. Pilatus was, na de afzetting en verbanning van den viervorst Arche-

ocr page 344

320

laüs (in liet zesclo jaar na Jezus' geboorte) de zesde landvoogd in Jndéa. Uit Lucas 3 : J blijkt bet, dat bij reeds, toen Jobannes de Dooper in de woestijn optrad, bet stadhouderlijke ambl. uitoefende, en zoo heeft liij in Palestina het geheel driejarig werkzaam leven des Heeren bijgewoond. Tien jaren achtereen wist hij zich, en dat wel onder keizer Tiberius, op zijn post staande le houden, dat aan zijne kunst van te regeeren zeker allen lof geeft, daar er in geheel het Romeinsche rijk geen moeilijker post was dan de zijne. Want om er niet van le spreken, dat hij met de Joden, de schranderste, maar ook de in vele op-ziebten moeielijkste aller natiën le doen bad, bestond er geen ander volk op aarde, waar de vreemde heerschappij in zulk eene mate tot eenen gruwel was, dan hel. Israëlietiscbe. Hoe ver ook bij de Joden de vroegere beerlijkheid reeds adiIer hen lag, zoo bleef dit volk zich, niettegenstaande al zijn verval, thans gelijk te voren, bewust van zijnen adel, als het uitverkoren volk van God, en het meende zich, op zeker groote, maar zeer misverstane beloften steunende, geroepen om eenmaal geiieel de wereld te beheerscben. En zij, deze vrijgeboren kinderen van Abraham, vonden zich nu aan een vreemd en daarenboven aan een heidensch juk vastgesmeed. Wat wonder, dat zij bet slechts met verkropte woede, even als leeuwen bunnen ijzeren balsband, droegen, en dat hij, die het meest van nabij macht over ben oefende, ook het eerste voorwerp van hunnen bittersten haat was. Dat echter ook Pilatus van zijne zijde geenc bijzondere liefde voor dit volk kon koesteren, en bet, waar de gelegenheid zich er toe aanbood, gaarne zijne oppermacht liet zien en gevoelen, is even begrijpelijk, zoo als het dan ook nauwelijks iemand bevreemden zal, dat Pilatus liever Cesaréa, dat bet meest door Heidenen bewoond was en door zijne haven met de overige Romeinsche wereld in levendig verkeer stond, tot zijnen vasten zetel verkoos, dan de hoofdstad van bet hoogmoedig en altijd tot oproer neigende Israëlietiscbe volk. Gedu-rende zijn stadhouderschap kwam bet meermalen te Jeruzalem tot ernstige volksoproeren, welke alleen door de in den burg Antonia liggende Romeinsche bezetting kon worden bedwongen. Zulke nieuwe overweldigingen echter, waarop dan natuurlijk eene te gestrengere handhaving van gezag van de zijde des stadhouders pleeg te \olgen, verbitterden het volk slechts altijd meer. Overigens behoorde Pilatus nog niet tot de hardste en gestrengste der landvoogden, en wanneer hij, gelijk onder anderen ook uit Luc. 13 : I blijkt, somtijds op bloedige wijze recht oefende, dan kon hem daartoe wel reden of aanleiding gegeven zijn. -— Konden wij de Joden, en met name hunne over-priesters en ouderlingen, bij hunnen optocht naar bet stadhouderlijk paleis in bet harte zien, wij zouden er eene laaie hel van woede en ergernis in aanschouwen. Het was hen eene uiterst zware taak, zich lot deze openbare erkentenis van hunne onderworpenheid aan de vreemde heerschappij gedwongen te zien. Doch de bloeddorst, waarmede zij naar de uitroeiing van den gebalen Nazarener dorstten, ging ditmaal zelfs hunne grenzenlooze eerzucht en matelooze volkshoogmoed le boven. Schuimende van woede, ja geketende hyena's gelijk, razende in hunne banden, gaan zij met hun slachtoffer been, en moeten,

ocr page 345

:gt;27

zonder het te willen, door dezen hunnen optocht feitelijk betuigen, dat de schepter van Juda is geweken, en dat ge volgelijk de reeds door den stervenden Jacob met bepaaldheid vooraf verkondigde tijd der verschijning van den Held of Silo, wien de volkeren zouden aanhangen, thans was nabij gekomen. Ja, zij moesten nog meer aan den dag leggen , en door hunne boosheid de noodzakelijkheid eener verzoening, zoo als de gebonden man, dien zij naar Pilatus brachten, ze ging tot stand brengen, boven alle vertwijfeling verhellen.

Zeker zal ieder er iets van beseffen, dat God een woeste hoop van onverlaten, zoo als wij ze hier voor ons hebben, noodwendig vervloeken moest, wanneer niet een plaatshekleedende Borg den vloek op Zich nam, en in hunne plaats der Goddelijke gerechtigheid voldoening aanbracht. Van den Allerhoogste te zeggen, dat Hij ook zulk eene Belialsbende zonder alle verdere bijkomstigheden te begenadigen hebbe, ware de omkeering van geheel de zedelijke wereldorde eischen, en van God niets minder begeeren dan dat Mij met Zichzelven in tweestrijd korne en ophoude God te zijn. Aan de mogelijkheid van het zalig worden van een geslacht, gelijk het geslacht van Adam, zonder eene voorafgaande; verzoening, kan enkel het onverstand geloovcn, en nauwelijks is er iets Ier wereld meer overeenkomstig de reden dan de bijbelsche leer van de verlossing der zondaren door het tusschenkomend Middelaarschap van den Zoon Gods. Ik belijde gaarne, dat ik alles wat in mij is, in de naamlooste oproerigheid en verwarring verplaatst zou gevoelen, wanneer ik plotseling den driemaal Heiligen God, zonder eene tusschen-komst, als de zoo even genoemde, den arm zijner vergevende liefde rondom den nietswaardigen hoop ginds te Jeruzalem zag slaan. In dit geval zou mij niets overig blijven, dan of aan God of aan het bezit mijner eigene oogen te twijfelen. Nu ik echter te midden van deze boosdoeners het Lam zie, dat de zonde der wereld wegneemt, zoo kan God zelfs den slechtsten van dit adderengebroedsel de poorten van het paradijs openen, en ik zou er nog iets raadselachtigs in zien, noch er eenigen aanstoot uit nemen. Zoo is het Lam reeds nu de kaars in het huis en het huisbestier van God, en het Kruis van Christus de sleutel van de diepste verborgenheden zijner leidingen en wegen. — Ginds komt Hij aan, de gezegende Vredevorst, in boeien geslagen en van het hoofd tot de voeten met enkel versmaadheid bedekt. Wie zou zich in dit schouwspel terecht kunnen vinden en nog verder aan het bestuur eener Goddelijke gerechtigheid aan de wereld kunnen ge-looven, wanneer wij in Jezus niets anders dan Jezus op zichzelven, en idet te gelijk den Middelaar en Hoogepriester aanschouwen mochten? Nu wij echter van zijn Borgscbap kennis dragen, gevoelen wij ons ook dooi' zijne diepe vernedering diep aangegrepen en bewogen; nochtans zijn wij er niet van ontroerd, noch bevreemdt liet ons. Ja, wij verdragen bet zelfs, dat men ons zegt: de zichtbare folteringen, die Hem overstortten, waren slechts de flauwe terugkaatsingen van ongelijk ontzettender folteringen, die Hij in het verborgene leed, en de schare, die met zwaarden en spiesen Hem omgaf, maakte slechts een deel uit van het Hem geleidende vijandelijk leger, terwijl een ander gedeelte cr van, onzichtbaar, achter do voorhangsels onmiddellijk door

ocr page 346

328

den satan zelf wordt aangevoerd. Want -wilde de Heere Christus ons lot vervullen, zoo weten wij immers, dat dit al die verschrikkingen in zich bevatte. Hem trof niets meer en niets minder, dan hetgeen Hem om onzentwille was toegemeten. Hoe onuitsprekelijk veel groots bezitten wij dus aan ons Martellam. Zou Hem wel eene mindere eere mogen gegeven worden, dan dat geheel ons leven eene voortgaande aanbidding zijns naams zij, en mag onze liefde wel eene mindere mate hebben, dan dat ons niets meer zoet en liefelijk klinkt, dan hetgeen met den naam van Jezus gemengd is?

Zij brengen den Heere tot Pilatus den Romein. Clod laat de om-standigheden zich zoo verbinden, dat de geheele wereld in bare vertegenwoordigers aandeel nemen moet aan de veroordeeling van den Rechtvaardige. De daad, Christus aangedaan, komt als algemeene schuld van ons geslacht in de geschiedenis voor, en aller mond wordt voor den rechterlijken God gestopt. Daar, volgens de overlevering, zich onder de krijgslieden van den stadhouder ook Germanen bevonden, zoo hebben ook wij Duilschers, aan liet vreeselijk rechtsgeding onmiddellijk en als het ware een persoonlijk werkzaam deel genomen. Doch wij hebben dit buitendien gedaan. En hielden wij thans op, Christus te kruisigen? —• Zij brengen den lleere tot Pilatus, en zoo kwam tot letterlijke vervulling, hetgeen Hij bij de aankondiging Van zijn lijden, Matth. 20 : 18, 19, op de bepaaldste wijze voorspeld had. Ziet, zeide Hij, toij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des men-schen zal den overpriesleren en sehriflg el eerden overgeleverd worden, en zij zidlen Ucm ter dood veroordeelen, en zij zullen Hem den Heiden overleveren, en zij zullen Hem bespotten en geeselen en kruisigen. De laatste overgave, de overgave van Jezus in de banden der Heidenen, zien wij thans in vervuiling komen. Daarmede maakt Israël de maat zijner ongerechtigheden vol. Ten Iweedenmale levert het in verdubbelde mate als in het voorbeeld, zijn broeder Jozef aan de onbe-snedenen en vreemden over. Te gelijk geelt het in deze overgave eene zinnebeeldige voorspelling van zijn eigen lol. Het geeft het heil der wereld, dat aan hen in de eerste plaats was toegedacht, met de vreeselijkste ondankbaarheid, aan de Heidenen over, om zelf voortaan in duisternis en doodsschaduw te versmachten.

II.

De schare der rechters komt met den beschuldigde aan het paleis van den stadhouder. En wat gebeurt er nu? Zij nemen de gebondene en stooten hem door de geopende deur in het paleis, terwijl zijzelve daar buiten blijven staan. Waarom ? omdat zij (zoo luidt de geschiedenis) „zich niet zouden verontreinigen, maar op den avond van den dag bet paaschlam mochten eten.quot; Zij meenden namelijk, niet in overeenstemming met do juist begrepen Goddelijke wet, maar op grond van willekeurig uitgevonden rabbijnsche stellingen, zich aan eene verontreiniging bloot te stellen, door in een buis te komen, en vooral in een lieidensch huis, waarin eenig gezuurd brood kon aanwezig zijn. Dat hun gevangene verontreinigd wordt, daar hebben zij niets tegen,

ocr page 347

320

ja /ij stooten Flem juist in de verontreiniging af, en werpen Hem daarmede met eene handtastelijke zinnebeeldige handeling ais een tollenaar en zondaar nit de gemeenschap der kinderen Israels. Dit alles moest zich echter zoo voegen, opdat de gedaanta van den Borg voor zondaren altijd sprekender aan den dag kwame, en ieder in Hem den algemeenen misdadiger erkennen zou, die, krachtens eene geheimvolle overdracht, alles wat ons verdoemde, op zich genomen heeft. Geen trek der lijdensgeschiedenis is van heteekenis ontbloot. Overal schijnt een doel, een hoog plan, eene Goddelijke diepte door. Ontzettend is het tooneel van deze gewelddadige inwerping van den Heilige Israels in het huis van den Heiden. Er openbaart zich daarin eene boosheid , welke de diepstgevallene der demonen zeer waardig zijn. Zou, wanneer het hier niet om de verlossing der wereld te doen geweest ware, de hemel daartoe het stilzwijgen hebben kunnen bewaren , en zijne plengschalen van Goddelijken toorn vervuld terughouden? Doch liet gold hier juist de behoudenis der wereld, en daarom is het dat het Lam Gods, zich alles, ook het onwaardigste en smadelijkste laat welgevallen. Men zou bloedige tranen willen weenen, wanneer men den Man, die do liefde zelve was, zóó door de ruwe vuisten dezer ondankbaren voor hen uit ziet stooten. Doch weenen wij niet over Hem, maar over onszelven en over geheel bet menschelijk geslacht, dat tot zulke afschuwelijke, duivelsche handelingen in staat is. Zien wij echter ook het Christelijk zinnebeeld, niet over het hoofd, dat ons insgelijks in deze historische trek voor oogen treedt. Niet enkel daar, waar slechts in schijn, maar ook daar, waar werkelijk een ernstig gevaar ons dreigde, in de huivering volle diepten van den vloek der wet, in den kerker des doods, in den afgrond der hel is Christus alleen voor ons ingegaan, om al de verschrikkingen, die ons daar bereid waren, aan zijn' gezegenden persoon al hare kracht te doen uitputten, ten einde ons enkel vrede, zegen, heil en vrijheid achter te laten.

Wat zullen wij echter van de daad dezer Joden zeggen, die, terwijl zij zich geen geweten maken, om vervuld van den zuurdeesem aller goddeloosheid, de schendige hand aan den Heilige Gods te leggen, zich te nauw van geweten betoenen, om het buis van eenen onreinen Heiden te betreden, omdat zij aldaar met het natuurlijke gedurig in aanraking konden komen. Welk een schreeuwend voorbeeld geven deze gepleisterde graven hiermede aan de woorden des tieeren, Mattb. 23 ; 23. Wee u gij geveinsden, want gij vertienl de munt, dille en komijn en laat na het zwaarste in de wet, namelijk het oordeel, de barmhartigheid en hel geloof! En welk een alleszeggende verklaring geven zij ons te gelijk van de onmiddellijk volgende uitspraak: „Gij blinde leidslieden, die de mug uitzuigt, die den kemel doorzwelgt!quot; Ik wenschle echter tot den Heere , dat deze onzaligen de eenigen in hunne soort gebleven waren! doch in de menigvuldigste kleuren en gedaanten komen zij ons zelfs midden onder de Christenen altijd opnieuw te gemoet. Wie kent ze niet de lieden, die zich wel op de angstvalligste wijze van de lustplaatsen der wereld verwijderd houden, en zich zorgvuldig wachten van het in aanraking komen met ieder wereldsch gezelschap, maar die tegelijk lichtelijk er toe weten te komen,

T

ocr page 348

330

dat zij in menigvuldige kunstgrepen van onoprechtheid en vermomming, van liefdelooze haarkloverij en hatelijke ruggespraak, niet enkel met do wereld wedijveren maar haar overtrelïen? Wie kent zé niet, die, wie weet hoe zwaar, zicli mooi ion te zullen bezondigen, wanneer zij op zondag ook nog zoo geringe arbeid verrichten, oi' bij deze of die godsdienstige feestviering niet de eerste zijn, terwijl het hun niet in de gedachten komt, om den verborgen mammonsdienst, waaraan zij overgegeven zijn, zich als zonde toe te rekenen. Zij, die om geen prijs zich binnen den schouwburg of in de danszaal zouden willen laten zien — waaraan zij zeer zeker wel doen — maar het zichzelven zonder eenige bedenking vergeven, dat zij zich voor deze onthouding door het laten deelnemen van hunne verbeelding in al de genietingen en vermaken der wereld rijkelijk schadeloos stellen, en op hunne wijze niot minder dan de lichtzinnige kinderen der wereld van ijdelheid brullen. Zij, die vermeenen hij de oprichting van milddadige instellingen en vereenigingen nooit te mogen gemist worden, en die hunne namen boven aan op de lijsten der bijdragenden meenen te moeten zetten, terwijl zij zich uil hot verborgen liegen en bedriegen, waaraan zij zich in hunnen handelen wandel schuldig maken , of uit hunne onrechtvaardigheid en hardheid jegens hunne onderhoorigen, of uit hun jagen cn reikhalzen naar ijdele eer volstrekt geen geweten maken. Eenesluwe wijze voorzeker, om zich aan de zedelijke eischen, die God aan bun doet, zonder gewetensbezwaar te onttrekken, is deze, dat men in plaats van zich onder het Goddelijk jnk te buigen, een ander, dat bet vloesch meer bobaagt zichzelven maakt on oplegt en daardoor zichzelven den schijn geeft, als volbracht men nog meer dan men naar bet gebod van God zou schuldig zijn. Op deze wijze ontstonden de stellingen der talmudsche rabbijnen, die, ofschoon zij niet anders dan ligt te doene oefeningen zijn, dezulken die ze doen, don schijn eenor geheel bijzondere vroomheid, gewetensnauwgozetheid en getrouwheid in plichtsbetrachting geven.

Op dezen weg ontstond eveneens de oppervlakkige en gemoedelijke zedeleer dezer latere verlichtelingen, met hun web van zeker aangenamer, maar enkel van de oppervlakte der zedelijke bewustheid afgeschepte levensregelen, die zich even zoo ligt laten volgen als hare opvolging ons op de goedkoopste wijze den schijn van deugd verschaft. Doch hij dwaalt, die waant, om door zulke de heiligheid vervangende handelingen, zijne rekening met den Alleihoogste te kunnen vereffenen, en hij onteert en lastert Hom, die zijne heilige oogon met bekers en schotels hoopt te kunnen begoochelen, welke zeker uitwendig wel zuiver en schoon gehouden, maar van binnen vol roof en gulzigheid zijn. Hij, die in de hoogte woont, vergenoegt zich even zoo min met enkele kortingen op het geheel bedrag der gehoorzaamheid, welke wij Hem schuldig blijven, als Hij aan de plaats van het gelouterd goud van de door zijne niet geëischte gerechtigheid de rekenpenningen onzer eigenwillige werken aanneemt. De oorjen des lieer en, zegt de profeet Hanani tot den koning Asa, doorloopen de gmische aarde, om zich slerk te bewijzen aan dengenen, welker hart volkomen is tot Ult; 'm. Dik ueghtvaahdig is, zoo roept de lleere verder uit, dat hij

ocr page 349

3:11

nnrj gerechtvciardifjcl worde, on dio lioilig- is, dat hij vof/ rjehcüigd worde. Hij wil den geheelen mensch hebben, en peen gedcelle van lietn. Wie niet besluiten kan, om zonder eenig voorbehoud zich aan zijnen dienst te wijden, die verliest niets, en lijdt geene schade, wanneer hij zich gansch weder terugneemt en zich der wereld en de eigene begeerlijkheden weder ter beschikking stelt. Tussclion geloof er. ongeloof bestaat geen rniddelding. Men geeft in het geloof zichzelven over aan God, en waar dit niet geschiedt, daar gelooft men ook niet, hoe zeer men ook met kerksche en godsdienstige werken schittere. De bekeering is eene nieuwe geboorte en geene verbetering van den ouden mensch. liet leven der Godzaligheid is een harmonisch organisme, en niet eene aaneenschakeling van enkele vrome daden.

111.

Pilalns had de reden spoedig uit. het hoofd gezet, waarom de Joden hem hunnen aangeklaagde alleen door de deur hohben toegeworpen. Hij gevoelt zich echter daardoor zoo weinig heleedigd, dat hij het stilzwijgend voorbijgaat, en grootmoedig met. de vraag naar liet oogmerk hunner komst lot hen naar buiten treedt. Hij denkt, liet zijn slechts bevooroordeelde en kleingeestige Joden, met wie hij te doen had, en hij acht het overeenkomstig zijne male van beschaving en waardigheid, om hunne kleingeestige vooroordeelen te verdragen. Slechts wijst hij met hunne vooroordeelen te gelijk de eeuwige openbaringen van zich af, in welker bezit zich de Joden bevonden. Broeders! het ontbreekt ook onder ons niet aan lieden, die, zeker niet zonder groote schuld, eene gelijke houding tegen alle ware Christenen ingenomen iiehhen, als die, waarin wij den trotschen Romein tegenover de kinderen Ahrahams hier aantreffen, liet is niet te loochenen, dat er geloovigen zijn, die aan eene zekere onzijdigheid en bekrompenheid van geest bij hun oordeel over de dingen der wetenschap, der kunst of des levens krank zijn. Gij meer ontwikkelden van geest mocht misschien op deze eenvoudigen en hunnen engen gezichtskring met een zeker medelijden nederzien. Wij willen u dit niet als eene misdaad toerekenen, want het is dikwijls moeielijk, om dit kleingeestig en bekrompen oordeel te dragen. Wanneer gij u echter in alles hoven deze lieden verheven waant, zoo handelt gij hiermede ten hoogste kwalijk, en gij zult.uwen waan in het einde duur moeten betalen. Zijt gij inderdaad in alle betrekkingen boven deze armen van geest verheven, zoo blijft u, wanneer gij iiet hoogste doel van uw leven niet wilt missen, mets over, dan in de meest wezentlijke dezer betrekkingen van uwe hoogmoedige hoogte weder tot hen al te dalen. Ja, naar beneden moet gij, naar uw arm-zondaars-hankje, tot den bedelstaf der genade, tot welken zij gaan, en tot het Lazarusbed voor des rijken mans, dat is voor des Hoeren Christus deur, waarop gij hen liggen ziet, en daar moet gij erkennen, dat zij in alles, wat eene ware en blijvende waarde heeft, u ver te boven streven, en dat gij naai' den middennacht heenwandelt, wanneer niet het geloof, de liefdé en de hemelschgezindheid vuu deze onaanzienlijke beminnaren yan het

ocr page 350

332

Lam ook uw erfdeel worden. Met is u niet verboden, om in beschaving, onbekrompenheid van hart en rijpheid van oordeel hen voor te gaan, en zoo ver de Geest van boven u daartoe speelruimte geeft, meer ongeboeid en vrijer u te bewegen, doch gij moet echter met deze kleinen uit denzelfden kern gesproten en op denzelfden levenswortel gegroeid zijn, of gij lilijfl op de hoogte uwer verstandelijke meerderheid en met uwe vrijere denkbeelden kinderen des doods, terwijl zij uit de duistere rupsenhulsels hunner mindere beschaafdheid eenmaal als heerlijke vlinders Gods zich ten hemel zullen opheffen. Ziet daarom wel toe , dat gij niet in den ontzettendsten zin des woords het kind met het bad uitgiet. In eene stad, waarin, gelijk in de onze, het gevaar zoo na is, om van wege den minder aantrekkelijken vorm cn schel ook de Goddelijke kern, die er in besloten ligt, weg te wei-pen, vind ik mij aanleiding gegeven en verplicht, om u met verdubbelden nadruk zulk eene waarschuwing aan het harte te loggen.

Pilatus, tot het volk uittredende, begint tot hen te spreken: Wat heschuldiginy brengt rjij tegen dezen mensch? Hij plaatst zich op het standpunt des ongelooi's en dor onverschilligheid. Doch hij weet de zaak vrijer van vooroordeelen te behandelen dan de Joden, en kan het. na alles wat hij tol nu toe van den Nazarener vernomen had, en in dit oogenblik persoonlijk in Hein ziet, zich niet voorstellen, da't men Hem iels van eenig belang zou kunnen te last leggen. En gelijk het Pilatus ging, zoo gaat hot ieder, die zich slechts eenmaal verledigt, om in de Heilige Schriften in te zien. Ook hij zal zich niet van eenen indruk van Ghristus' onlsralïelijkheid kunnen ontslaan, welke voortaan door niets meer krachteloos le maken of aan het wankelen te brengen is. Dal echter eenmaal werkelijk een Heilige in den vollen zin des woords de aarde betreden heeft, moet dit niet een groot verbazingwekkend wonder heeten'? Heeft (lil feit niet vele andere groote dingen tot noodzakelijke onderstelling? Volgt er niet onwedersprekelijk uit, dat de uitspraken van dezen Heilige veel meer geloof te geven is, dan al de leeringen aller wijzen naar het vleesch'? Dringt zij ons niet te gelijk tot de overtuiging, dat deze man, die door zulk eenen glans omstraald is, uit de rij aller sterveliigen uittreedt, door God tot geheel bijzondere oogmerken moet gesteld zijn? Leidt dan deze laatste gedachte niet noodzakelijk tol de andere, dat er voor de folteringen, die wij over dezen Heilige zich zien uitstorten, eene geheel buitengewone en geheimvolle heteekenis moet bestaan ? En ziet men zich eindelijk niet, alvorens men nog door eene bepaalde openbaring daartoe gebracht is, gedrongen tot de gevolgtrekking, dat deze Onvergelijkelijke lot Redder eu Heiland der zondige wereld moet verordend zijn? Reeds in den weg van een onbevooroordeeld en juist nadenken is hel onmogelijk zich van zoodanige beschouwingen le ontslaan. Doch ja, waar wordt deze onbevangen en gezonde overweging gevonden? De ongeleerdheid en stompzinnigheid van den natuurlijken mensch op het gebied der bovenzinnelijke cn Goddelijke dingen heeft geene grenzen.

Op de vraag van den stadhouder, waarvan men dan Jezus le beschuldigen hebbe, volgt nu van de zijde der beschuldigers het onzin-

ocr page 351

mg trotsche antwoord: Indien dezeyeen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. Geheel hunne hoogmoed tegen de gehate Romeinen treedt iti deze onbeschaamde rede schuimend te voorschijn. Het is de trots van geboeide slaven, de grimmigheid van ge-geketende honden. Te gelijk openbaart zich hier wederom op eene groote schaal het razend farizeïsme dezer schare, want zij vermoorden de onschuld en volbrengen een werk der hel, doch terwijl zij dit doen, moet het in de meest juiste orde gedaan en zonder feil zijn. Kan de hoogmoed hooger gaan ? Zien wij intusschen uiot over het hoofd, dat zij met deze vermetele woorden le gelijk do verlegenheid hopen te bedekken, waarin zij zich, ten spijt van al den schijn van het tegendeel, hebben verwikkeld. Zij zijn zich niets bewust, waaruit zij eeno gegronde aanklacht tegen hunnen gevangene en veroordeelde zouden kunnen bewijzen, en meenen nu, dat reeds de stoutmoedigheid van hunne optreding zal vergoeden, wat hen aan feitelijke getuigenissen en bewijzen tegen Jezus ontbreekt.

Helaas, zij missen hun doel ook niet geheel. Pilatus laat zich inderdaad door hunne stoutmoedigheid medeslepen, en zet den eersten voet op den hellenden weg van toegevende zwakheid, op welken wij hem tegen zijnen wil van overtreding tot overtreding voortgedreven, en eindelijk onder hot honend gelach der hel iti den afgrond des eeuwigen doods zullen zien eindigen. —• Zoo neemt hem dan, roept hij den beschuldigers toe, en oordeelt hem naar uwe roet. Nietswaardige of onwaardige handelwijze van eenen rechter, wiens werk het is recht en gerechtigheid te handhaven op de aarde. Wij zien reeds hoe weinig er hem aan gelegen ligt, of Jezus blijft leven, dan of Hij sterft; slechts wilde hij niet gaarne het bloed van eenen mensch op zijne ziel laden, wien zijn geweten als een sclmldelooze vrijspreekt.

lloekeloozer dan deze Romein staan dezulken onzer tijdgenooten daar, die wel daarin op den stadhouder gelijken, dat zij niet gaarne persoonlijk de hand aan Jezus zouden willen leggen, omdat ook zij zich van eene zekere mate van eerbied jegens Hem niet kunnen onl-slaun, maar die echter snoodere lieden dan zij zeiven zijn, al is het dan ook in het geheim en bedekt, in hun hart, gelijk Pilatus in het openbaar toeroepen: /00 neemt Hem en oordeelt Hem naar uwe wet, en die bot dan met een jubelend leedvermaak toejuichen, wanneer satans apostelen den Heilige in het stol nederdrukken, zijn Evangelie met hunne helsche lasteringen besmetten, en zne geloovigen mot den narrenkap of het huichelaarsbrandmork beloonen. Ja, gij mannen met uwe stille blijdschap over de antichristelijke ondernemingen en hemelbestormende bewegingen van onzen tijd, gij moet weten, dat Pilatus, met u vergeleken, een man van eer geweest is, en dat gij even zoo zeker eenen tweevoudigen vloek boven hem waardig zijt, als gij het teeken van dezen vloek reeds thans aan uw voorhoofd draagt.

Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uwe wet. Ja; van harte gaarne had zich de Heiden van de medeschuld aan den moord van dezen rechtvaardigen ontslagen. Doch langs het spoor, dat hij inslaat, zal hot hem niet gelukken. Hij moet zich of voor, of tegen Jezus verklaren. Hij is genoodzaakt, om of met achterstelling van alle per-,

ocr page 352

soonlijke belangen de zaak van den Heilige te handhaven, of tot den gruwzaamsten moord, dien de wereld heeft aanschouwd, de behulpzame hand te bieden. Een gelijke nooddwang, mijne Vrienden! heerscht over ons. Voor eene onzijdige houding in de groote handeling is ons, even weinig als hem, plaats gelaten. Ook met ons komt de [leilige Israels in eene te nauwe aanraking, dan dat wij Hem voorbij zouden kunnen sluipen. Wanneer wij Hom niet willen huldigen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem te kruisigen. Neen, wij kunnen de klip niet omvaren. Hem te moeten verwerpen of ous beslissend aan Hem over te geven. Te luid betuigt Hij aan ons geweten; Ik ben de Heere! dan dat het ons zou kunnen gelukken, ons enkel met eene plechtige plichtpleging van Hem in vrede af le maken. Begeeren wij ons van Hem los te maken, zoo blijft ons nog over met bepaalde wederspannigheid tot Hem te zeggen; Wij willen niet, dat Gij over ons Koning zijt; rja achter ons. En wee, dat ik bezorgd rnoet zijn , dat het reeds hij menigeen onder u tot zulk eene besliste wegzending van hunnen eenigen Zaligmaker gekomen is. God verleene dezen armen beklagenswaardigen zielen zijne genade!

De Joden slaan de achterdeur, door welke Pilatus zijne medeplichtigheid aan de afgrijselijke misdaad van den Ghristusmoord tracht te ontloopen weder voor zijne oogen toe, daar zij op zijn verstandig berekend: oordeelt Hem naar uwe wet, het voor hen zoo diep beschamend antwoord geven: wij mogen niemand dooden. Pilatus wist, dat zij het niet mochten. Welk eene, tot gedachtenverwarring toe, geklommen verlegenheid verraadde hij dus daarmede, dat hij, de opperste rechter zelf, den Joden het voltrekken eener rechtsdaad kan aanbevelen, waartoe zij, volgens de bestaande wetten, geene bevoegdheid hadden. Of liet Pilatus zich wellicht in zijne dwaze uitspraak verleiden, omdat hij nog niet vermoedde, dat er aan de zijde der beschuldigers op eene dooding van Jezus gedoeld werd? Ook dat kon zijn; doch hoe hot zij, zijne jammerlijke poging om te ontwijken mislukt ten eenenmale, zoo als zij dit ook verdiende. Het geeft eene waarlijk tragische of onheilspellende aanschouwing, hoe de omstandigheden zich zoo moeten voegen en verwikkelen, dat het is, als moest Pilatus mede in de schuld doelen. En zeker moet hij dat, wanneer hij niet besluiten kan, om zijn hart en zijne hulde aan Jezus te schenken, gelijk dit met een ieder onder u het geval is, die hardnekkig den oproep tot bekeering wederstreeft, hoe langer hoe meer, ten gevolge van een Goddelijk oordeel, de maat zijner zonden vervullen moet en genoodzaakt wordt zijne rijpwording ten verdervc te bespoedigen.

Wij mogen niemand dooden. Zeker, neen, dat mochten zij niet. Gebeurde het eenmaal, dat zij in een oproer een vermeenden ketter ten dood toe steenigden, zoo werd dit door de Romeinsche overheid wellicht met verschooning voorbijgezien. Tot een wettig doodrecht, en bepaaldelijk tot eene kruisiging, konden zij de hoogere toestemming niet ontberen. Openhartig, ofschoon met onderdrukten wrok, erkennen zij deze hunne afhankelijkheid van het Romeinsche gerechtshof. Hunne wraakzucht tegen den Nazarener gaat ditmaal hunnen nationalen

ocr page 353

hoogmoed te boven. „Gekruisigd moet Hij worden,, de man van hunnen haat, en Hij moet met glans te gronde gaan.quot; Dit zijn hunne gedachten; maar de Almachtige in de hoogte heeft hierbij ook c/yne gedachte. Wat lezen wij in onzen tekst'? De Evangelist merkt op, dat de rechts-handel deze wending moest nemen, opdat het woord van Jezus vervuld zou worden, toen Hij zeide, welken dood Hij sterven zou. Johannes heeft het oog op het woord, dat hij Kap. 12 : 32 voor ons bewaarde: £n Ik, zoo wanneer Ik verhoogd zal zijn van de aarde, zal Ik hen allen tot Mij trekken. De Evangelist begeleidt dit woord ter aangehaalde plaatse met de ophelderende opmerking: Dit zeide Hij beteeke-nende hoedanif/en dood Hij sterven zou. In het gewoel van het recht-huis te Jeruzalem verschijnt dus onvoorziens boven het hoofd van Jezus een Goddelijk teeken. liet raadsbesluit van den eeuwigen Vader ont-bult zich, en ooiv op zijnen bodem, gelijk op den bodem van het ontwerp der hel, verschijnt voor zijnen ééniggeboren Zoon een Kruis. Reeds om der wille van den diep zinnebeeldigen zin, die dat Kruis in zich bevat, werd in den vrederaad vóór de grondlegging der wereld , bet vloekhout uitverkoren tot de stervenssponde van den Middelaar. Het koperen slangenbeeld in do woestijn, gelijk de beweegollers der heilige verbondsark, schaduwde dit reeds voor het volk van God af. De ginds rondom Gabbatha verzamelden moeten , zonder bet zich bewust te zijn, hunne handen uitstrekken, om bet tot werkelijkheid, en in stand te brengen. En thans staat het in de historie, in de prediking des heils, en in de gedachtenwereld der menschen opgericht, en het bewijst zijne wonderbaar aantrekkende kracht tot op dit oogenblik in altijd verhoogde mate.

Wij eindigen; zoo ik hope, opnieuw versterkt en bevestigd in de dubbele overtuiging , dat onze ontzondiging onvoorwaardelijk eu volstrekt een bloedig Middelaarschap vordert, en dat geheel het lijden (les Heeren enkel van het standpunt van een dusdanig Middelaarschap licht en zin ontvangt. Billijk zien wij de wijsheid des Allerhoogsten met hooge bewondering aan, die het grootste aller vraagstukken, do opheffing van een in den vloek gevallen geslacht tot het recht van het Goddelijk kindschap, zonder daarbij zijne heiligheid te kwetsen, zoo wondervol wist op te lossen. In de bloedige gehoorzaamheid van den Christus werd deze oplossing gevonden. Duigen wij ons aanbiddend voor het Lain, en stemmen wij dankbaar getroffen en vroolijk in met het woord van den dichter:

Van de eerste stonde van uw lijden,

In stervensangsten doorgebracht,

Tot op liet einde van uw strijden.

Hebt Ge alles tot ons heil volbracht.

O laat dan toch die wondre daden,

Die Gij voor zondaars hebt gedaan ,

Met al liet leed U opgeladen ,

Diep in ons hart geschreven staan.

Amen.

ocr page 354

xxxii.

D E B E S C H U L D I G 1 N G E N.

„Des werelds lust, is 't witte zwart te maken,quot; zoo zingt in zijne eenvoudigheid een onzer grootste dichters, die, iioe ver ook verwijderd, om de oordeelvelling Gods, Gen. 8 : 21; Hel gedichtsel van des men-schen hart in boos van zijne jeugd aan, te willen bevestigen, nochtans zonder liet te weten met zijne uitspraak getuigenis aan deze waarheid geeft. Trouwens, zoo gebeurt bet bij de kinderen dezer wereld meer, wanneer zij, alvorens hun verstand te raadplegen, de onmiddellijke indrukken van hun hart gehoor geven, en de wereld in hare natuurlijke gesteldheid met niet minder gestrengheid en juistheid oordeelen, als het Woord des levenden Gods zelf dit doet. Deze dichter, anders zeer geneigd de menschelijke natuur te verhellen, ja te vergoden, brandmerkt in den aangehaalden dichtregel en vervolgens, zijn geslacht, „als eene horde, die de duisternis liever heeft dan liet licht, naardien zij, waar bet laatste haar te gemoet komt, den glans er van niet snel genoeg te dooven en met de schaduw barer belasteringen te verduisteren weet.quot; Voorzeker, dat is een ontzettende trek in de zedelijke physionomie der raenschheid, wanneer die trek haar werkelijk eigen, en niet als eene vlek aangewreven is. Doch helaas! de ondervinding geeft aan deze laatste onderstelling geen steun, liet zedelijk reine en verhevene behoeft zich slechts te vertoonen, om ook terstond aangevochten en bezoedeld te worden. Het zedelijk krom en verdraaid geslacht der kinderen Adams haat den spiegel en maatstaf niet van het zoogenaamd ideaal, aan wien bet eene plaats in het gebied van den droom of het volstrekt onbereikbare aanwijst, maar bet haat wel de wezentlijk heilige verschijning, welke het de mogelijkheid en noodzakelijkheid, om ten minste bet doel der hoogere volmaaktheid te naderen voor oogen stelt, en tegenover welke hot haar niet zoo licht gelukt, om zich over de eigene gebreken en overtredingen gerust te stellen. Deze demonische afkeer van alles, wat als zedelijk toonbeeld, maatgevend en navolging eischende optreedt, heeft zich op de volledigste wijze geopenbaard, toen de Heiligheid zelve in persoon op aarde gewandeld heeft. Hiervan worden ons thans de ontzettendste proeven geleverd. Mochten zij daartoe strekken, om ons bevorderlijk te zijn in de kennis van ons eigen hart.

ocr page 355

■117

MATTHEus 27 : 11. LUCAS 2.'} : 2.

Eu Jezus stond voor den stadhouder. Eu zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: IVij hebben bevonden, dat deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij zelf Christus, de Koning, is.

Nadat de Joden de eerste overwinning over den stadhouder behaald hadden, want als eene zegepraal mochten zij het zich toerekenen, dat liet hen gelukt was, hem liet lafhartige woord afgeperst te hebben: Zoo neemt Hem en oordeelt J[em naar uwe wel, — gaan zij met toenemenden moed in hunne zaken voort, en komen nu met beschui-digingen tegen hunnen gevangene voor den dag, door welke zij meo-nen den Homein ton volle aan het wankelen te brengen en ten gunste van hun moorddadig plan te overrompelen. Zij kennen de zwakke zijde van den stadhouder, zijn ambtstrots, zijne eerzucht, en in het bijzonder zijne afhankelijkheid van de genade van zijnen gekroonden meester te Rome. En tegen dezen zijnen Achilleshiel of zwakke zijde keeren zij voortaan hunne wapens. Zij wachten zich, om op de daartoe ongeschikte plaats voor het heidensch gerechtshof de beschuldigingen te herhalen, die zij in het sanhedrin of den grooten raad met zulk een goed gevolg tegen Hem konden opwerpen. In plaats van Jezus in eene kerkelijke aanklacht te stellen, beschuldigen zij Hem voor Pilatus van staatkundige misdrijven. Zij wijten den Heere eene drievoudige overtreding, welke, daar Hem ook nog heden in zekeren zin denzelfden last door de vijanden van zijn Persoon en Koninkrijk wordt opgeworpen, eene nadere toelichting verdient. Zij loggen Hem ten laste:

I. dat Hij het volk verkeert of afkeert;

11. dat Hij verbiedt den keizer schatting le geven; en III. dat Hij zegt, zelf Christus, de Koning, te zijn.

Zien wij wat er van deze beschuldigingen zij. De Ifeere helpe ons door onze betrachting tot eene klare aanschouwing van de betrekking, waarin het Christendom tot de opperste machten staat.

I.

Wij hebben bevonden, dat deze hel volk verkeert. Dit is de eerste van de drie tegen Hem ingebrachte beschuldigingen. Zij willen er mede zeggen: „Die man brengt het gezag der bevoegde machten aan het wankelen.quot; Deze nietswaardigen, die zeiven van revolutionaire begeerten brandden, en onophoudelijk bedacht waren, om het volk tegen het Romeinsche oppergezag op te ruijen! Doch zij hadden geene beschuldiging als de hier genoemde zonder eenigen schijn van werkelijkheid tegen Jezus durven inbrengen. En zulk een schijn bood hen de houding aan, maar ook deze slechts alleen, welke Jezus togen de priesters en schriftgeleerden had aangenomen. Want wat vooreerst

ocr page 356

H38

de priestei's betrof, zoo leerde de Heere Jezus voorzeker aan zijne discipelen, niet op hen als op hunne wezen tl ij ke middelaars hun vertrouwen te stellen, en in hunne olleranden de oorzaken hunner rechtvaar-digrnaking hij God te zoeken. Wanneer Hij nu hierdoor hetopentlijk aanzien der zonen Aarons afbreuk deed, zoo deed Hij hiermede niets meer dan dat Hij dit aanzien of gezag tot de door God gewilde juiste maal terugleidde, en de vereering, waarmede het volk hen huldigde, van de hestanddeelen eens hedenkelijken waans en van een gevaarlijk bijgeloof zuiverde, welke zich allengs, in tegenspraak met liet Woord van God daaraan had vastgehecht. Waar had Hij echter ooit aan he t priesterdom van Israël hot gezag eener Goddelijke instelling ontzegd , en waar hetzelve den eerbied en de onderdanigheid onthouden of bevolen te onthouden, welke hetzelve als eene Goddelijke instelling toekwam? Zijne betrekking tot het priesterschap was zeker eene eigenaardige, ja eensoortige. Op Hem had het priesterschap als eene schaduw beengewezen, en in Hem zou het dus als zijn oorspronkelijk toon- en tegenbeeld zijn doel en einde bereiken. Doch dit zou niet door middel van eene gewelddadige onderwerping geschieden, maar in den gebaanden en geheiligden weg eener allengsche ontwikkeling; van zelf, en uit kracht eener innerlijke noodzakelijkheid, zou bet priesterschap van den ouden tabarnakel wijken, en plaats maken voor het wezentlijk priesterschap, gelijk voor de zich ontwikkelende vrucht de bloesem, of gelijk voor de zich losmakende vlinder de rupsenpop, zijne wieg, wijkt en plaats maakt. Zoo lang Hij daarom niet al de voorwaarden zijner Hoogepriesterlijke bediening vervuld had, en nnt name bet groote zoenoffer aan het Kruis niet door Hem was aangebracht, gaf Hij hot Levietisch priesterschap om der wille van God en van wege de verordening door Gods Woord, alle eer. Niet alleen bezocht Hij den tempel, als hot buis Gods, en vierde Hij de feesten van Israël als Gode geheiligd mede, maar Hij onderwierp Zich ook gehoorzaam aan al de door Mozes gebodene Levietische instellingen, van zijne besnijdenis en voorstelling in den tempel af, tot aan het eten van bet paaschlam toe. En dit niet alleen, maar Hij laat ook niet na, anderen tot de nauwkeurige vervulling van deze hunne kerkelijke verplichtingen te verwijzen, zoo als Hij dan ook bij voorbeeld niet eene enkele maal een gereinigde melaatsche van zich liet, zonder hern te zeggen: Toon u den priesteren en offer de rjave door Mozes bevolen, hun tol eene ycluigenis. Zoo weinig waar was dus de beschuldiging, welke men tegen Hem inbracht, als verdiende Hij het verwijt, dat Hij de Goddelijke machten gering achtte, dat deze veel meer in Hem ium krachtigsten steun vonden; en zoo ver was Hij er van verwijderd, om don band tusscben het volk en de overheden losser te maken, dat Hij veel meer gewoon was, om allen, die in zijne nabijheid kwamen , (ie onbepaaldste onderworpenheid jegens ben (natuurlijk met terzijdestelling van alle bijgeloovige inmengselen) in te prenten.

En gelijk jegens de priesteren, alzoo gedroeg Jezus Zich jegens de oudsten des volks, even veel of zij farizeön dan saddueeën waren. Zekerlijk bestrafte Hij, als de Meester, al hunne dwalingen en zonden, en ontzeide, gelijk onder anderen ook uit Mare. 7 ; 13 blijkt, hunne

ocr page 357

Ml

trienschelijk verzonnen inslollingen on overleveringen, door welke liet Woord Gods enkel verzwakt, ja opgeheven werd, alle gezag. Nochtans hunne Goddelijke bediening werd door Hein onvoorwaardelijk erkend, gelijk gij n dit uit zijne Mattli. 2:! : 2, 3 vermelde, en zoowel aan zijne discipelen als aan het. geheele volk gerichte woorden herinneren zult: De farizeën en de schriftyeleerden zijn gezeten op den stoel van Mozes, Dcuu-oin al w.:U zij u zeggen, drU gij hoaden zult, houdt dat cn doel het, maar doet niet naar hunne werken. Heeft dit eenig blijk aan zich, om het aanzien van de overheden te verzwakken, of strekt het niet veel moer om het te ondersteunen, te versterken en to bevestigen?

Doch ook nog heden wordt den Christus dor Evangoliosche Kerk, die, als de Bijbelsche, zeker nog een andere dan de Christus der Roomschen is, juist door deze laatste lieden hetzelfde voorgeworpen, als waarvan toenmaals de Joden Hom beschuldigden. De aanleiding hiertoe geeft hot van Christus zelf gestichte, en in onze Kerk geldend gemaakte algemeene priesterschap, of hot priesterschap van al de ge-loovigon, uit kracht van welke deze allen tot eeno onmiddellijke gemeenschap met Christus geroepen zijn, en geene bemiddelaars tus-schen zich en Hem moer behoeven. Een priesterstand met middelaars-voorrechten vindt hier oven min meer plaats, als er eenige aanleiding of beweeggrond tot de aanroeping van verheerlijkte heiligen, om hunne voorspraak overblijft. Wanneer nu eone waarschuwing tegen den waan, als ware voor do zoogenaamde leeken do aflaat, do vergeving, ja elke gebedsverhooring en gonadebetooning slechts door eene monscholijke heerschappij voerende tusschonkomst te verkrijgen, hot aan het wankelen brengen van het aanzien aan de machten verschuldigd hoeten moot, dan treft zekerlijk onzen, dat is den waren Christus het verwijt, dat Hij het volk afkeert; doch juist dit is geen verwijt moer, maar eone lofprijzing; want hot keert hot volk van overheden af, die, omdat ze niet van God zijn verordend en ingesteld, inderdaad dezen naam niet verdienen. Hierdoor wordt echter niet uitgesloten, dat Hij voordo ambtelijke ordeningen der Kerk, die Hij immers zelf gesticht en geheiligd hooft, op de nadrukkolijkste wijze, ofschoon in den geest der Evangeliesche vrijheid, de onderwerping der geloovigen in aanspraak neemt. Het herderlijk ambt, met zijn onderscheiden beroepsgobied, is zijne instelling. Hij zegt tot do verkondigers van zijn Woord: Wie u verwerpt, verwerpt Mij. Hij kenmerkt ze ons, als de dienaars en uitdeelers van Gods verborgenheden, en legt zijnen Apostelen jegens de leden der gemeente don toeroep in den mond: De ouderlingen, die de gemeente wel re geer cm , zijn dubbele eere i vaardig, /ijl uwe voorgangeren gehoorzaam en volgt hun geloof na. Ziet, zoo schraagt de Heere de kerkelijke machten, die op Goddelijke instellingen gegrond zijn, en enkel onbevoegde, met hot Woord Gods strijdende, aanmatigingen wijst Hij, zoo als het behoort, mot doortastenden ernst en nadruk van do hand.

II.

De tweede beschuldiging, die tegen don Hoero bij den stadhouder

ocr page 358

wk)

wordt ingebracht, luidt; Hij verbiedt den keizer de sehatlingen te rjó-ven. Zeker, eene meer onrechtvaardige beschuldiging hadden zij tegen Hem niet kunnen verzinnen. Haar ontbreekt ook den allcrgeringsten schijn van waarheid, en wij moeten aannemen, dat zij hen ingegeven is door de nog niet uitgewoede gramschap over de beschamende afwijzing, die zij eenmaal, toen zij den Heere eene oproerige uitdrukking zochten af te persen, van Hem ondervonden hadden. Lucas verhaalt ons dit voorval in het 120ste Hoofddeel van zijn Evangelie. De over-priesters en schriftgeleerden trachtten er reeds toen naar, om de hun-den uan Hem te slaan; doch hun hoos geweten boezemde lien toen nog vrees in voor het volk, in wier gunst en uchting zij zeker toen reeds beduidend begonnen te dalen. Daarom zochten zij, hetgeen zij in den weg des gewekls niet durfden ten uitvoer brengen, door list en onder den schijn van recht te bejagen , en bewogen eenige onwaar-digen in hun midden, om, in het masker der Godsvrucht gehuld, ja, onder dat van heimelijke discipelen des Ileeren te zijn, eene poging te wagen, om Jezus zoodanig in zijne rede te verstrikken, dat zij Hem met een onwettig woord uit zijn eigen mond aan den urm vun liet wereldlijk gerecht konden overleveren. De omgekochte zendelingen komen dan ook werkelijk mot den schijn van eerbiedige toegenegenheid tot Jezus, en zeggen, de argelooze houding vun raadhehoevende scholieren aannemende: Meesier, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den toer/ Gods leert in der waarheid; is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet? Het net was nauwkeurig gespannen, maar opdat liet over hunne eigene hoofden zou toeslaan. De Heere heeft terstond hunnen aanslag doorzien, en rukt hen met de eenvoudige vraag: Wat verzocht gij Mij? het masker der geveinsdheid ai'. Vervolgens gaat Hij voort te spreken, cn zegt: Toont Mij den cijnspenning. Dit geschiedt. Nu neemt Hij de denarie, houdt ze hen voor, en vraagt: Wiens is dit beeld en het opschrift ? Het antwoord luidt: Des keizers. De Heere maakt nu dit besluit op: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Godes is. — Zij, zoo gaat de geschiedschrijver voort, konden Hem in zijn woord niet vatten voor het volk, cn zich verwonderende over zijn antwoord , zwegen zij stil. Alleen deze uitspraak des Heeren is volkomen voldoende, om ons over zijne stuatkundige gedragslijn, als ik het zoo noemen mag, klure opening te geven. Een heidensch keizer regeerde over Judéu, een vijund vun God en van zijne zaak; doch hij regeerde, hij voerde de schepter. De munt, die zijne beeltenis droeg, was hiervan het bewijs en de getuige. De Heere beval het muntstuk, terug te geven aan hem, van Vvicn het gekomen was. Wat betuigde Hij hiermede, dan wat later in zijnen naam Kom. '13 : 1—3. toelichtcn-derwijze zijn Apostel ons toeroept: Alle ziele zij der macht, over haar gesteld, onderworpen, want er is geene macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God verordend; alzoo ded die zich tegen de macht stelt, de verordening van God wederstaat, en die ze luedcrstaan zullen over zichzelven een oordeel halen. Ghristus is dus zoo weinig een oproerstichter, dat Hij veeleer ieder verzet tegen eene bestaande heerschende

ocr page 359

341

macht, welke deze ook zij, als eene verhefllng' tegen de majesteit Gods zelve met liet oordeel bedreigt. Hij gebiedt ons in zijn Woord, onderdanig' te zijn met alle vreeze, niet alleen den goeden en zacliten, maar ook den harden of gestrengen of onbillijken heer. Heerscht een tiran over ons, zoo is het naar onze grondwet, de Heilige Schrift, geen oogenblik twijfelachtig wat onze plicht is. Wij hebben in den drijver en despoot, eene door de hand Gods tegen ons gezwaaide tuchtroede te zien en te erkennen, en ons, gedachtig aan onze zonden, er stil onder te buigen en te verootmoedigen. Ook de sclireeuwendste onrechtvaardigheden, die ons van den kant onzer wettelijke overheid overkomen, ontslaan ons niet van den plicht der gehoorzaamheid jegens haar. Gebiedt de overheid ons, wat tegen ons geweten en het Woord van God strijdt, zoo betaamt ons natuurlijk een lijdelijke tegenstand, doch iets verder of meerder is ons niet geoorloofd. Wij weigeren alsdan met allen eerbied te gehoorzamen, maar nemen dan ook, om des Heeren wil, al! de gevolgen van dezen onzen slap geduldig op ons. Deze grondstellingen staan als Chrisleljkc beginselen onwedersprekelijk vast. De Heere heeft ze uitgesproken, en ze door zijn persoonlijk voorbeeld met zijn zegel bekrachtigd.

111.

De derde en laatste aanklacht tegen Jezus luidt aldus: Hij heeft f/c-zer/d, Hij is Christus, een Koning. Zij willen dit door Pilatus ineen staatkundigen zin verstaan hebben. Hoe ver echter de Heere er van verwijderd was, om aanleiding te geven tot zulk eene voorstelling van liet doel zijner komst in de wereld, of om haar voedsel te geven is u bekend. Dikwijls legden de .loden het er op aan, om Hem als met geweld de rol van een wereldlijk koning op Zich te doen nemen, en zij zouden Hem, als een bevrijder zijns volks van het smadelijke juk der vreemde overheersching, op de handen hebben gedragen en met bewijzen van hulde en eerekransen overstort hebben. Zoo dikwijls zich echter eene soortgelijke vleeschelijk geestdriftige beweging bij hen opdeed, ontweek Jezus hen en verborg zich voor hen. En als zelfs zijne discipelen zoodanige zinnelijke voorstellingen van hot Koninkrijk, tot welks oprichting Hij gekomen was, lieten blijken, dan liet Hij niet na, hen daarover ernstig te bestrallen, hunne dwalingen terecht te wijzen, en hen altijd opnieuw in te prenten, dat zijn Koninkrijk niet lot hen kwam met uiterlijk gelaat, maar binnen in hen was. De Joden zelve wisten het te wel, hoe ver het oogmerk van Hem verwijderd was, om een koninkrijk naar hunnen zin te stichten. Juist dat Hij dit niet wilde, had hen boven alles verdroten en hnnne vijandschap tegen Hem ontstoken. En desniettegenstaande gaat hunne vermetelheid en leugenachtigheid zoo ver, dat zij Hem nu als zijne eigene begeerte toedichten, wat zij, ofschoon zonder gevolg, altijd opnieuw als eene verzoeking bij Hem trachtten teweeg te brongen. Zij openen ons daarmede eenen nieuwen blik in de strikken en schuilhoeken van het bedorven menschelijk hart, en zij bewijzen zich dus treffelijke en volleerde scholieren van den vader der leugeneu te zijn.

ocr page 360

342

Gij weet, dat de poging, om Christus tot een wcreldsch koning te maken, met de Joodsche schriftgeleerden en farizeën op aarde niet is uitgestorven. Er bestaat eene kerk, die tot heden het niet als eene beschuldiging, maar als eene hulde van den Heere doet voorkomen, dat llij een koninkrijk op deze wereld heeft willen stichten. Zij laat Christus' beide zwaarden, het geestelijk en wereldlijk zwaard, aan Petrus, en diens gewaande opvolgers, aan do pausen, als de hoofden dier kerk, in handen stellen, en zoo ver koningen en vorsten in de wereld regeeren, voeren zij het zwaard der overheid enkel door overdracht van de kerk, dus als van de kerk ter leen. Zij blijven derhalve aan de kerk schuldplichtig en onderworpen. De kerk is gerechtigd, om, ingeval zij de bedongen diensten niet willen bewijzen, ben hare macht en heerschappij weder te ontnemen, en de volken van de door hen gezworene eeden te ontslaan. Deze kerk spreekt den Apostel niet na: Do wapenen onzer ridderschap zijn niet vleesche-lijk; maar zij acht zich geroepen, om door middel van hare beide zwaarden, hare grenzen te verdedigen en uit te breiden. Zij heeft voor de ongehoorzamen onder hare kinderen banbliksems en interdicten of verbodblieven; voor de ketters kerkers en bloedschavotten. Zij verklaart in haar belang den oorlog, en roept ten kruistocht op. Zij heeft meer dan eens het oproer heilig verklaard, en den tirannenmoord niet afgekeurd. Tot gedachtenis van de Parijsche Bloedbruiloft liet zij gedenkpenningen slaan, en van eene zending doorvuurinonden verhaalt ons de geschiedenis van het eiland Otaheite. Of het in de bedoeling des Heeren gelegen hebbc , dat zijne Kerk, deze Bruid des hemels, zich in zulk een gewaad zou kleeden — een enkele blik in het Evangelie ontneemt ons hierover do laatste twijfeling. De Heere geeft zijnen gezanten den vredegroet mede op weg, en niet het woord der heerschappij en de banvloek, llij gordt ze aan met zachtmoedigheid en dienende liefde, en niet met gestrengheid of met de wreedheid van den inquisiteur. Hij wijst hen bunnen arbeid aan als eenen dienst, gelijk aan die van den barmhartigen Samaritaan, en niet als die van eenen drijver of kettermeester; en schildert het Evangelie als een zuurdeesem. en niet als een bout, die met eenen ijzeren hamer moet ingedreven worden. Vurige kolen voor den tegenstander eischt ook llij voorzeker, doch enkel de zoodanige, die hen door geduld en onvermoeide trouwe hulp op het hoofd verzameld worden. Ook Hij wil, dat men dezulken, die buiten zijn, binnen in het huis Gods noo-digt, doch Hij wil ze op de straten en achter de heggen vriendelijk opgezocht, en met de boodschap des vredes: Komt, want alle,dingen zijn a er eed! begroet hebben'. Ook Hij begeert, dat men gevallenen en afgewekenen niet overlate aan de dwalingen huns wegs; doch Hij begeert, dat de tucht over hen daarmede zal worden ingeleid, dat men hen in alle ootmoedigheid de voeten wassche. Bovendien vordert Hij van de zijnen jegens dezulken, die hen beleedigen, eene zeventigmaal zevenvoudige vergiffenis, en roept hen allen, doch in het bijzonder do bedienaren van het herdersambt, toe: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken macht over hen, doch alzoo zal het onder ulieden niet zijn, maarzoo

ocr page 361

343

wie onder u (/root zal willen worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal ■willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.

Zoo zeker echter Christus geen koninkrijk in don wereldschen zin kwam gronden, zoo zeker zal nochtans zijn Koninkrijk eenmaal allo koninklijken der wereld in zich zien opgelost, en zelf tot Wereldrijk worden; doch niet door middel van gewelddadige omkeeringen en vleeschelijke bewerkingen van buiten af, maar in den weg eener vrije ontwikkeling van binnen uit, door eene scheppende bewerking des Heiligen Geestes. De machthebbers der wereld zullen met diepen eerbied hunne kroonen en schepters aan de voeten van Jezus nederleggen. om ze geheiligd en ter leen uit handen van Hem, den Koning aller koningen, weder terug te ontvangen. De volken, alsdan verlicht en tot den Herder en Opzichter hunner zielen bekeerd, zullen zich met liefde en lust aan eene heerschappij onderwerpen, waarin enkel de zachte teugel van hunnen Vredevorst zal voelbaar zijn. De wetgeving zal haren wortel hebben in het Woord van God, en de huishouding van staat op de grondslagen des Evangelies rusten. De oilers, die bet. algemeen welzijn zullen vereischen, zullen uit drang eener vrije liefde aangebracht, en de zwaarden tot ploegijzers, de speren tot sikkels geslagen worden. Op dit jubeltijdvak van het Koninkrijk van Christus zag Daniël mot zijnen ver-zienden profetischen blik, toen hij juichende uitriep: Het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den ganschen hemel zal (jerjeven worden den volke der heiligen der hoogc plaatsen , welker rijk een eeuwig rijk zijn zal, en alle heerschappijen zullen hen eer en en gehoorzamen. Op dezelfde wijze • luidt Zacharia op de wereldverheerlijking in Christus heen, wanneer hij beduidingvol profeteert: Ten dien dage zal op de hellen der paarden staan: de iieiligiieid des mkeuex. En de potten in het huis des Heer en zullen zijn, als de sprengbekkens voor het altaar. En ad de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den lieer o der heir schar en heilig zijn, zoodat allen, die offeren willen, zullen komen en van dezelve nemen en in dezelve koken. En er zal geen Kanadniet meer dju in het huis des 11 eer en der heirscharen te dien dage. De lofzang voor deze dagen van zegepraal en der voleinding ligt in liet archief der Goddelijke openbaringen, en luidt aldus: Nu zijn de koninkrijken der wereld on zes Heer en en zijnen Christus geworden! De Heere vertroost ons echter tot deze dagen er zijn zullen, naardien Hij ons dagelijks, in hope zalig, bidden leert: Uw Koninkrijk kome!

Wij hebben ons overtuigd, mijne Vrienden! dat niets meer ongegrond kan zijn, dan de beschuldigingen waren, die voor Pilatustegen don Heere werden opgeworpen. Ieder tegen Hein ingesteld onderzoek had enkel de altijd grootere verheerlijking des Hoeren ten slotsom; want hoe grootelijks wij er persoonlijk bij betrokken zijn, dat Hij uit elk gericht gerechtvaardigd uitkome, weet gij. Hij zal het sieraad, dragen, heet het bij den profeet. Hij droeg en draagt het, doch niet bloot voor zichzelven. Zijn sieraad is het onze ten dage zijner openbaring en des oordeels. Van ganscher harte vertroosten wij ons hiermede, en stemmen vroolijk in met de woorden van den dichter:

ocr page 362

344

God neemt alleen, U, Jezus, aan,

En die uw hand wil leiden.

Doet my 't geloof dat woord verstaan

Wat zal van God mij scheiden? Gij geeft me, waar 't gericht mij beidt Het kleed van uw gerechtigheid. Daarmee kan ik verschijnen.

Amen.

ocr page 363

XXXIII.

X

C: H RISTUSEENKONIN G.

„Er is nog een Hooge boven den hooge!quot; zegt de wijze koning, en hij zegt hiermede willens of onwillens eene door ieder erkende waarheid. Geen machthebber der aarde kent zichzelven als volstrekt oppermachtig. Hoe willekeurig Hij ook den schepter zwaait, zoo veroorlooft hij zich toch niet alles, omdat hij zich onafgebroken bewust blijft van een recht, dat, boven zijne mate van macht verheven, hem op zijne beurt gehoorzaamheid gebiedt, welke hij zonder gevaar voor zijn eigen persoon niet meent te kunnen opzeggen. Wel heeft reeds de tiran in zijne losbandigheid beproefd, om de teugels ook van deze hoogere heerschappij van zich af te werpen; maar dan viel hij onzichtbare wraakengelen ten prooi, die hem het leven tot eene hel maakten, en onder wier geeselslagen bij dag het genoegen en bij nacht den slaap van zijne zijde week. Want ook de Hoorje hoven den Hooge heeft zijne gerechtsdienaren, zijne kerkers, zijne halsijzers en pijnkamers, en niet eerst aan de andere zijde des grafs levert Hij zijne schuldigen en gevonnisden over.

De heerschappij boven alle heerschappij, ook door den Heiden levendig vermoed, kwam uit haar nevelachtig gebied in de leiding Israels met duidelijke trekken op de aarde neder. Sedert echter de teugels dezer hoogere heerschappij in de handen van den Zoon des menschen rusten, staat deze waarheid in hare volle kracht klaar en duidelijk voor ons. Zonder gerucht te maken, maar mei gewissen tred gaat zij door alle menschelijke ondernemingen en aanslagen het doel barer alleenheerschappij te gemoet. „De Heidenen woeden en de koningen der aarde stellen zich op, maar die in den hemel woont lacht over hen, en zegt, de oppermacht over alle macht zich voorbehoudende: Ik heh mijnen Koning rjezal'fd over Sion, den berg mijner heiligheid.quot; iüj regeert als onbepaald Heerscher; geheel do wereld zij Hom onderdanig en diene Hem ! Van dezen Koning en van zijn Koninkrijk hooreu wij heden iets naders.

Mattii. 27 : 11. Marc. 15 : 2. Jon. 18 : 33—37.

Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem; Zijt gij de Koning der Joden? Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van u welven, of hebben het u anderen van Mij gezegd 'i

ocr page 364

340

Pilatua antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hehhen ü aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan? Jezus antwoordde : Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld, ware, zoo zouden mijne dienaren gestreden hehhen, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning ? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning hen. Hiertoe hen Ik geboren, en hiertoe hen Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zon. Een iegelijk , die uit de waarheid is, hoort mijne stem.

Een nieuw getuigenis door Jezus van Zichzelven. Men bemerkt het, dat de rechterstoel, voor welken Hij staat, in zijne voorstelling tot, de wereld gerekend wordt. En voor de wereld wil Hij de leer van zijnen Persoon tot eene volkomene beslissing brengen, en tot dat einde werpt Hij het eene bedeksel na hot andere van Zich. Op zijne eigene woorden, en niet enkel op die der profeten en apostelen, moet ons geloof aan zijnen Persoon rusten, en rust het ook. Dat wij Hem van harte dank zeggen voor deze zorgvuldige tegemoetkoming aan de behoeften onzer twijfelmoedige natuur en aan tie zwakheid van ons geloof!

In onzen tegen woo rdi gen tekst verklaart zich de Heere over zijne' Koninklijke waardigheid. Zien wij

I. hoe Hij daartoe aanleiding ontving; en denken wij dan IT. den inhoud zijner verklaring verder na.

Moge Hijzelf ons woord met zijnen zegen begeleiden. Eene vernieuwde hulde voor zijnen troon zij de vrucht onzer tegenwoordige beschouwing!

Wij keeren tot den grooten Beschuldigde. Hij laat Zich oordeelen, opdat Hij ons, die aan het oordeel onderworpen zijn, op rechterlijke wijze en met volkomen gevolg kon vertegenwoordigen. Bij elke schrede op zijnen Lijdensweg is Hij de Man, die betaalt wat Hij niet geroofd heeft. Hij zou echter deze Middelaar niet zijn, wanneer Hij niet in zijne knechtelijke gestalte te gelijk dezelfde ware, die hooger is dan de hemelen. Deze zijne bovenmenschelijke glorie breekt, als de zon door den wolkensluier, altijd weder door het donkere zijner vernedering zegepralend te voorschijn. Hij kan haar niet alzoo terughouden, dat zij niet ten minste in enkele stralen te voorschijn komt. i3e meest verblinde bemerkt dezen wederglans en staat verbaasd. Doch met eene andere werking vallen de zonnestralen op eenen poel, met eene andere op de sluimerende kiemen van eenen bearbeiden akker.

Tot kenschetsing van de gemoedsgesteldheid van Pilatus, moest in-tusschen een beeld gevonden worden, dat, wanneer het ook minder gunstig dan bet laatste, toch ook minder afschrikkend was als het eerste; een beeld, dat tusschen die beiden bet midden hield. Wij pntmoeten immers ook in dc harten van Uomcinen menschelijkheid.

ocr page 365

347

ontvankelijkheid voor het betere, en onclerscheidene aanshiitingspunten voor de waariieid. De koude, oppervlakkige en bedorven wereld-mensch, waartoe menigeen Pilatus heeft willen verlagen, is bij niet. Oordeelen zal God hem, dat staat vast; maar God zal hem niet met die lauwen, van wie Hij eenen afkeer beeft, naar de uitdrukking van den zendbrief aan de Laodicensen, uit zijnen mond spuwen.

De aanklachten der priesters en oudsten des volks zijn ingebracht. Nu gaat de stadhouder nadenkend terug in bet rechtlmis, en beveelt, dat men Jezus opnieuw voor hem brenge. Zwijgend nadert de heilige Lijder in bet vertrek van zijnen rechter. Men kan het aan den Romein bemerken, dat hij zich van eenen zekeren eerbied voor den wonderbaren man niet kan ontslaan; en, over het geheel genomen, wie kan dat? Zelfs de onbeteugeldste spotters ondervinden den prikkel hunner uitvallen tegen den Jleere in hunne eigene gewetens. Ja, zij beproeven slechts door middel van hunne spotternij bet oordeel te overschreeuwen , dat zich van wege hunne vijandschap jegens Ghristus in bun binnenste over bun gedrag uitspreekt. Dit is eene ontzettende trek in hunne geschiedenis, doch deze trek verkondigt al wederom de boogere vatbaarbeden en de zedelijke natuur van den mensch. De menschen moeten zichzelven bestrijden, om niet door do stem der waarheid, die zich in bun binnenste doet gelden, genoodzaakt te worden, den lleere der heerlijkheid tegen de inspraak van bun eigen vleesch en bloed te huldigen.

Ik denk hier aan de bekende briefwisseling van eenen onzer grootste Duilsche dichters met eene gravin, die in vroegere jaren, zijne deel-genoote in het vermaak, later tot den lleere bekeerd werd, en nu alles in bet werk stelde, om den ouden, goed beidenschgezinden vriend voor het Evangelie des vredes te gewinnen. Zeker spot en lastert de vriend in zijne brieven niet, daarvoor bewaart hem de booge trap van beschaving, waarop hij staat, en de Zijne gezellige manier van omgang, welke hem eigen is, doch hij schijnt in ieder zijner woorden bevangen en verlegen, en zoekt /.icb zoo goed dat gaan kan door allerlei soiislische kunsten en sluipwegen uit zijnen pijnlijken toestand te redden. Wel zou bij willen zeggen: „Onze menschel ij ke bestemming strekt zich niet uit over de grenzen van bet tegenwoordige leven!quot; doch een bitter gevoel, machtiger dan al de bespiegelingen van zijn verstand, verbiedt hem volstrekt zulk eene taal te voeren. Aan geheel de zaak ware spoedig een einde gemaakt, wanneer hij beslissend verklaarde: „Ik erken in Jezus slechts een dwcepend mensch en geen God!quot; doch onmiskenbaar maakt iets anders, dat zeker van het geloof nog geheel verschillend is, — eene niet te bedwingen bewustheid hem zulk eene onverbloemde verklaring tot eene onmogelijkheid. Hij bekeert zich niet, maar slaat, gelijk Paulus weleer, maar belaas! met duurzamer gevolg tegen den prikkel achteruit; doch bij gevoelt den prikkel even zoo goed als Paulus dien gevoelde, en de gewelddadigheid, waarmede hij tegenstreeft, dient enkel tot getuigenis, hoe na bet hem aan het harte gelegd is, zich te bekeeren. Het kost hem moeite eti strijd, om de roepstem van zijn geweten, deze bevriende Evangelieverkondigster, niet te volgen. Uit dc/,e omstandigheid echter

ocr page 366

blijkt het, dat zich de waarheid van hetgeen deze lietn predikt, op krachtige wijze hij hem doet gelden, en liet binnen zijnen gezichtskring gestelde Christusbeeld indrukken bij lietn teweegbrengt, waarin zich maar al te duidelijk eene zielsverwantschap tusschen hem en den Heiden Pilatus openbaart.

Do stadhouder begint zijn verboor met de vraag; Zijl Gij de Koning der Joden ? Met de zachte klemtoon der welwillendste gezindheid, spreekt hij deze vraag uit, als wilde hij zeggen: „Legt Gij bot er wel naar aan, een Koning der Joden te zijn?quot; Hij verwacht het antwoord; „Ik wenscht er voor behoed te worden, hoe zou ik naar zulke liooge dingen trachten!quot; Hij stelt er veel belang in, zulke verklaringen uit Jezus' eigen mond te hooren; eensdeels, om daarin eenen rechtsgrond te vinden, om de gehate Joden, met hunne gehate aanklacht, ambtshalve af te wijzen, anderdeels, om goedkoop en met een onbezwaard geweten met den Nazarener, wiens onschuld bij hem buiten allen twijfel staat, weder in het eiï'ene te komen. Doch Jezus loont hem den gewenschten dienst niet, om de vraag ontkennend te beantwoorden, maar veel meer bevestigt Hij ze, naardien Hij enkel de vcdsche opvattingen van zijn koninkschap afwijst. Gelijk het Pilatus ging, zoo gaat het gewoonlijk met allen, die zich met Jezus, zonder in onderdanigheid zich onder zijne banier te scharen, zich toch op vredelievende wijze van Hem mochten afmaken. Ook zij zeggen tot Hem: „Niet waar. Gij geeft U toch niet voor den eenigen Zaligmaker uit?quot; Doch Hij antwoordt: Niemand komt tol den Vader dan door Mij. Zij zoggen: „Niet waar, als ik niet kan gelooven, maar toch zedelijk leef, dan durf ik immers hopen het eeuwige leven te verkrijgen? Hij antwoordt, neen! 11'ie niet rjelooft in den Zoon van God, die zal hel leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Zij zeggen: „Is bet niet zoo, meer als een menschelijk zedeleeraar en een toonbeeld ven deugd wilt Gij niet zijn, en het is voldoende, dat wij in uwe voorschriften liet onbedriegelijk richtsnoer voor onzen wandel vereeren?quot; Hij antwoordt: Eer Abraham was ben Ik; Ik ben van den hemel ye-komen, en zij moeten den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Zij zeggen: „Maar Gij zijt toch onze Broeder, en begeert slechts dat wij U navolgen, niet dat wij, als waart Gij God, voor U leven, en al ons heil van LI verwachten.quot; Hij antwoordt: Mij is geyeven alle maeid in hemel en op aarde, en gij zult den Zoon des memehen zien zitten ter reehterhand der kracht Gods en komen op de vjolken des hemels, om te scheiden de schapen van de bokken. Ziet op deze wijze geraakt men langs den weg eener halve erkentenis, nooit tot eene vriendschappelijke vereffening met Jezus. Alle die binnen den kring der geestelijke aanschouwingen zijns Persoons komen, worden ook altijd meer in hun binnenste overtuigd, dat Hij eene onbepaalde rechtsaanspraak op hunne hulde en onderwerping heeft. Of zij geven zich aan Hem over, en zijn dan zalig in zijnen vrede, óf zij ontzeggen Hem hart en hand, en nemen dan eenen ban en prikkel in hun hart mede, waarvan zij zich, ook in de ergste verstrooiing der zonde, nooit weder geheel kunnen losmaken. Hoe velen gaan met zulk een zwijgenden vloek in hunnen boezem hunnen weg! Hunne ontevredenheid met Jezus vindt

ocr page 367

:ho

daarin liave gclieelc verklaring. Wat deed hen (oelt do beminnelijke, vriendelijke Heere, dat Hij zoo pijnlijk op hen inwerkt, wanneer /ijn naam slechts ooit of ergens met liefde en geestdrift genoemd wordt? Zeide hun niet een zeker gevoel, dat de aanspraak van Jezus op limine onderdanigheid inderdaad gegrond was, zoo zon het han onaangevochten laten gaan, om zich onverschillig jegens Hem te houden. Thans echter kunnen zij het recht van zijne aan hen gemaakte eisclien niet ten eenenmale loochenen, en toch willen zij, om hunne afgoden niet vaarwel te zeggen, noch huigen, noch zich onderwerpen. Van daar hunne onlstemdheid jegens den Vorst des vredes! Van daar hunne bedekte en hittere haat jegens alles wat Jezus liefheeft en Hem van harte aanhangt.

/jt gij de Koning der Joden 9 vraagt Pilatus. De Heere begint nu zijn antwoord met eene tegenvraag; Xegf gij dat van n zeiven of hebben anderen hel u gezegd. In deze woorden lag voor den stadhouder iets diep beschamends, dat hem aan zijne rechterlijke plicht had hehooren te herinneren, om niet op vermoedens en verdachtmakingen voort te gaan, die, zoo als de zoo even door de Joden ingebrachte beschuldigingen, de stempel der onwaarheid op het voorhoofd dragen. „Uit u zeiven — dit wilde de Zaligmaker zeggen •—• vraagt gij dat zeker niet, naardien gij, die toch ook van mijne handelingen naricht hebt bekomen, van het ongerijmde der Joodsche beschuldigingen genoegzaam overtuigd zijt. Hoe komt dit echter overeen met de waarde van uw ambt, dat gij nochtans eene zoo nietige beschuldiging eene zoo ernstige behandeling waardig keurt?quot; Dieper opgevat richt zich echter te gelijk in de woorden tot Pilatus eene genaderijke wekstem tot het hart van Pilatus en de vraag is ook deze bedoeling te geven: „Hebt gij er voor u zeiven belang bij, — en gij diendet er voor u zeiven belang bij te hebben — om te weten of Ik, en in welk eenen zin Ik een koning ben, of gaf alleen het woord eener vreemde u aanleiding tot deze vraag?quot; Wanneer Pilatus het eerste bevestigend had kunnen beantwoorden, zoo zou hem de toenmalige ure, tot een uur van eeuwige gelukzaligheid geworden zijn. Doch zijn antwoord was niet van dien aard, dat de Heere Zich bewogen bad kunnen vinden, hem dieper in de verborgenheden van zijn koninkrijk te kunnen inwijden. Voor het overige is deze vraag des Heeren nog heden ten dage aan allen gericht. Het is van de hoogste beteekenis, of men enkel als onderzoeker, bloot door.aanleiding van buiten af, dan als navorscher en schatgraver, uit aandrang eener innerlijke behoefte, het rijk dei-waarheid nadert. Duizenden richten aan Christus de vraag wie Hij is, enkel omdat zij begeeren te weten, of deze of die theologie juist en bijbelsch van Hem en zijne zaak leert of niet? lieden van deze soort kunnen bel tot een zeker meesterschap in de kennis der Goddelijke dingen brengen, doch nimmer zal hun deze wijsheid, hoe veel omvattend zij ook is, tot vrede en heil verstrekken. Dezulke daarentegen, die uit eigen, innerlijke beweging, en in het belang van hun persoonlijk zielenheil, vragend lot den Heere en tot Zijn Woord komen, zullen den Koning zien in zijne schoonheid en de verborgenheid der Goddelijkheid ontzegeld vinden.

ocr page 368

sm

t)c stadhouder licoft do woorden des lleeren, ook in liunnen diepe-ren zin niet misverstaan en bemerkt zeer wel, dat Jezus hem (laar-mede in het hart grijpt en eene aanbieding' geven wil, om het bij hem tot ernst te brengen, betrekkelijk de vraag naar liet koninkrijk, waarvan hier sprake is. Nauwelijks eebter vermoedt hij, dat bet, als liet ware met de zachtste overgangen, om hem zeiven en zijne huldiging' der waarheid te doen is, of hij wijkt behendig uit, en hij zegt met eene heftigheid, welke duidelijk laat doorschemeren, hoe hij inderdaad iels in zich zeiven te bestrijden heeft, om met den geheimvollen man niet in inniger aanraking te komen; Ben ik ecu Jood? Lhu volk en uwe overpriesters hebben Ll aan mij overgeleverd. Zoo spreek dan: Wat hebt dij gedaan'? Men ziet, dat hij zich behendig van den Hcere zoekt los Le maken, als was hij bezorgd, dat de eerbied gebiedenden invloed, die de persoon van Jezus op hem uitoefent, eene altijd sterkere, ja ten laatste eene overweldigende invloed voor hem worden zou. Ben ik een Jood? zoo vraagt hij, en bij wil daarmede zeggen: „Kunt Gij van mij verwachten, dat ik U daarop aanzie, alsof Gij werkelijk de beloofde Messias zijl'? Wat gaan ons, Romeinsche burgeren, de verwachtingen der Joden aan?quot; Merk hier op, hoe Pilatus de uitvinder van de tot op beden nog zoo veelvuldig aangewende kunstgreep der ongeloovigen is, om het Oude zoo wel als bet Nieuwe Testament, enkel als de voortbrengselen eener Oostersche letterkunde te behandelen en hunne vervreemding van bet Christendom eveneens met een : „Wij zijn geen Joden!quot; te verontschuldigen. Men is gewoon te zeggen: „Ieder volk heeft zijne Godsdienstige gedachtenkring, en wat aan de eigenaardigheid van het eene volk beantwoordt, is het daarmede nog niet voor allen.quot; Met de profeten, ja met den Heere zeiven en zijne Apostelen handelt men niet anders als met de Wijzen der Grieksche oudheid of de Sol is der Persen en de Braminen dei' Indiërs. Daar onderzoekt men even als hier, mot het voorgeven om het goede te willen behouden Men wijst het eebter als een ongehoorde eisch van zich af, dat men eenen afzonderlijken Godsdienst, gelijk de Palestijnsche, als ware deze de algemeene, onbepaald huldigen zou. Deze dwazen! is do zon misschien ook een afzonderlijk licht, en niets waardig voor bet Noorden, omdat zij opgaat in het Oosten?

De Heere ziet wel, hoe weinig de stadhouder genegen is, om zijn oor aan diepere inlichtingen te leenen, en zoo bepaalt Hij Zich dan om, zoo als de rechter het begeert, de beschuldigingen der Joden in het rechte licht te stellen. Mijn Koninkrijk, zegt Hij, is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier. Hoe eenvoudig en-te gelijk hoe klaar en duidelijk en overtuigend zijn deze woorden? Hoe stort voor hen de valsche beschuldiging ineen, alsof Hij eene staatkundige omwenteling had willen bewerken! Merkt eebter op, met welk eene zorgvuldigheid de Heere bij deze zelfverdediging zijne woorden kiest, opdat Hij zelfs niet zijdelings, en ook niet door eene enkele uitlating de waarheid te na trede, Hij verbergt bet niet, dat Hij inderdaad tot vestiging van een Koninkrijk gekomen is, en

ocr page 369

noemt dat Ëoninkrijk uitdrukkelijk zijn Koninkrijk. Alleen wijst Hij de nietswaardige verdachtmaking van Zich af, alsof Hij eene omverwerping van de bestaande regeeringsmachlen en de stichting van eene nieuwe staatsgesteldheid in het schild had gevoerd. „Wanneer dat mijn oofi -merk geweest ware, zeide Hij, mijne dienaren, (zoo noemt Hij in de klare bewustheid zijner majesteit, niet zijne discipelen, maar zijne legioenen Engelen,) zouden er voor gestreden hebben, dat Ik den Joden niet overgeleverd ware.quot; Overigens zegt Hij niet, dat zijn Koninkrijk in het geheel geen aanspraak maakt, ook eenmaal staatkundig tot de wereldheerschappij te geraken. Hiermede zou Hij meer ontkend hebben, dan op waarheid gegrond was. Hij betuigt slechts, dat zijn Koninkrijk niet van deze wereld is, en Hij wijst door het drukken op het woord deze onmiskenbaar aan, dat eene andere eeuw als de tegenwoordige, zijne afgevaardigden op den zetel der heerschers, en zijn Woord en Evangelie als de grondwet aller volleen gezien zal worden. Bijzonder is in dezen volzin: Nu is mijn Koninkrijk niet van hier, ook het woordje nu op te merken, dat duidelijk heenwijst op een tijdvak, waarin zijn Koninkrijk eene geheel andere houding op aarde zal innemen dan tegenwoordig.

Met verwondering en stijgende onrust, hoort Pilatus de uitspraak des Heeren aan; en antwoordt nu, door grootsche vermoedens omtrent den persoon desquot; Beschuldigden getroffen: Zoo zijt Gij nochtans een Koning? Men zou kunnen denken, dat hij nu gezegd had; „Ik zie wel. Gij zijt geen Koning.quot; Doch naar het schijnt, is het hem niet alleen nog eene twijfelachtige zaak, maar het schijnt hem nog altijd meer een punt van onderzoek te willen worden, of deze Jezus niet werkelijk, al was het dan ook in eenen anderen zin, als waarin de Joden Hem voor eenen pretendent op den troon verklaarden, een Koning was. Hetzelfde wat onder Heidenen gebeurde, ten opzichte van den persoon van Christus, gebeurt ook heden nog bij menigeen. Zeker zijn er onder voornamen en geringen, onder beschaafden en onhe-schaafden, eene groote menigte in zoo hoogen graad verstompte en door het vleesch overgroeide zielen, dat bij hen ieder zintuig voor het Goddelijk groote en verhevene gemist wordt. Deze menschen vermoeden daarom ook niets van het Goddelijke in Jezus. Een keisteen neemt geene lichtbeelden aan, doch eene lijne zilverplaat kan ze niet afweren. Een houtblok klinkt niet, waar een adem des winds er tegen aanwaait, terwijl in hetzelfde geval de snaren eener windharp trillen met harmonische geluiden. Zulke menschen, die nog eenige spranken hebben van eene hoogere natuur, en vatbaar zijn voor eene geestverheffing in de sferen van liet bovenzinnelijke, kunnen in het ongeloof volhardende nooit met den Persoon van den Heere Jezus tot elïenheid komen. Al mogen zij honderdmalen met gedwongene beslistheid zeggen: „Hij was toch een menschenkind !quot; zoo behoeft toch de Evangeliesche geschiedenis slechts eenmaal weder hare heilige beeldengalerij voor hen te openen, en zij kunnen dat woord niet meer met onbepaald vertrouwen op de lippen nemen. Een duister vermoeden, dat onuit-delgbaar hun binnenste doordringt, brengt zijne tegenwerping hen tegen in, en in de diepte van hun gemoed klinkt opnieuw de be-

ocr page 370

35'i

vrocmdende Pilatus-vniag: „Zoo zijt Gij nochtans een koning?quot; En dringen zich binnen hunnen gezichtskring zelfs de wondere werkingen zijns Woords, de ontwikkelingsgang zijns Koninkrijks, de geschiedenis zijner Kerk, — waar willen zij dan met hunnen hlooten menschJezus heen? Altijd onstuimiger rukt zich uit zijn binnenste de vraag los: „Zoo zijt Gij nochtans een koning?quot; En wanneer zij desniettegenstaande de satanssterkte van hun ongeloof willen handhaven, zoo blijft hen niet verder over, dan de stem der waarheid in hun binnenste met geweld tot leugen te stempelen, betgeen dan, helaas! ook duizenden niet nalaten, omdat eene erkenning van dezen Koning de zoetheid van bare wereld- en zondedienst zou kosten. Ik gedenk hier eenen bekenden Saksischen wijsgeer, die, nadat hij gedurende geheel zijn leven met al de wapenen zijner zoogenaamde wetenschap tegen Jezus en zijn Evangelie te velde gelegen bad, in de dagen zijnsouder-doms bijzonder door doodsangst tot eenen zekeren graad van zijn ver stand beroofd werd, en nu dikwijls in eigenaardige godsdienstige ver-standsverhijsteringen verviel. Men zag hem bijna dagelijks in luide gesprekken met zichzelven op en neder wandelende in zijne kamer, waarin aan eenen der muren, tusschen andere schilderijen, ook een Christusbeeld hing. Voor dat beeld was bij gewoon ieder oogenblik te blijven staan, en het met afgrijselijk doordringende stem aan te spreken. „Gij waart slechts een mensch!quot; zoo begon hij. Vervolgens na eene korte poos voer hij voort: „Hoe, Gij zoudt meer dan een mensch geweest zijn? Hoe, ik zou U aanbidden? Neen, ik aanbid ü niet, want Gij zijt rabhi Jezus, de zoon van Jozef van Nazareth.quot; Zoo sprak hij met luider stern, en keerde dan bet beeld den rug toe. Maar terstond daarop keerde hij met de houding van een diep getroffene tot bet beeld terug en zei de met bevende lippen: „Wat zegt Gij? Zijt Gij van hoven? Hoe ziet Gij mij zoo ontzettend aan? O! Gij zijt vreeselijk. Maar Gij zijt toch slechts een mensch.quot; Hij verwijderde zich dan weder met snelheid, maar dan met tragen gangterugkeeren-de, riep hij opnieuw uit: „Hoe, Gij zijt in waarheid Gods Zoon?quot; En op deze wijze ging hij voort, en alle dagen vernieuwden zich deze ontzettende tooneelen, totdat de onzalige man eens, door eene beroerte getrotTen, dood nederviel, en nu werkelijk voor Hem als voor zijnen Rechter stond, die hem in zijne beeldtenis reeds zoo doordringend en verpletterend geoordeeld had. Ook van den man, dien wij in onzen tegenwoordigen Lijdenstekst met zulk eene drift hooren vragen: /00 zijt Gij nochtans een Koning? zegt de overlevering, dat liij als een gebannene te Lyon in waanzin is gestorven. Hoe dat zij, altijd blijft het waar, dat men niets gevaarlijkers kan ondernemen, dan den Geest der waarheid, waar Hij getuigend, waarschuwend en bestraffend zijne bediening aan ons verricht, halsstarrig te wederstaan.

II.

Zijt Gij dan een Koning? vroeg Pilatus, on nu luidt het antwoord des Heeren: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren , en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der luaarheid

ocr page 371

35: {

fiehdgonis geven zon. Een ier/eljic, die uü de waarheid is, hoort mijne slem. Dus Hij is oen Koning. Zoo betuigt Hij het immers ze IC en onbewimpeld. Ook niet voor een oogenblik gelukte het den smaad en der folteringen, die Hem overstroomden, de bewustheid van zijne bovenmenschelijko waardigheid en majesteit geheel in Hem te verdonkeren. Mochten , mijne Broeders in don llecre! even zoo min do zwakheid onzes vleesehes en de menigerlei tegenspoeden, die wij moeten doorworstelen, ooit in ons hart de bewustheid van ons Goddelijk kindschap geheel voor ons verduisteren! Christus is een Koning. Gij hebt dus niet gedwaald, gij die zijne veldteekenen op uw voorhoold liet prenten, eti uw leven en lot aan zijne handen toevertrouwdet. Gij zijt tot den rechten Man gekomen, want Hij is een Koning. Het komt u dus volkomen toe, niet alleen van een Koninkrijk van Christus te spreken, maar ook de laatste twijfeling aan deszelfs eindelijke Zegepraal en toekomstige Heerschappij over de wereld vaarwel te zeggen, ofschoon zijn Koninkrijk niet van of uit do wereld is, of, zoo als Hij Zich majestueus, —- als iemand die reeds van eeno hemelsche hoogte op de aarde nederziet — uitdrukte, niet van hier is, dat is, geen wereldschen oorsprong heeft. Hij is een Koning. Wij zijn dus in ons vollen recht, wanneer wij, gelijk dezer dagen wederom geschieden zal, onze aannemelingen vóór hunne opneming in de gemeenscha]) zijner kerk, de plechtige gelofte, ja de met eede bevestigde verzekering afnemen of zij zich jegens dezen, hunnen rechtmatigon Heere en Hoofd onderdanig willen betooneu tot in den dood. Wij zijn hiertoe volkomen gerechtigd, of zouden wij dit wellicht aan hunne keus of willekeur volkomen overlaten? Nimmermeer! Wat zou een vorst zeggen, van het gedrag eens gemachtigden, dien hij tot het afnemen der hulde des volks, tot hetzelve gezonden hoeft, wanneer deze tot do kinderen des lands wilde zeggen; „Ik neem u geene gelofte van gehoorzaamheid af, omdat ik niet weet of gij de geschiktheid bezitten zult, ze in allen deele te vervullen.quot; Do vorst zou zulk eenen afgevaardigde uit zijnen dienst ontslaan, en het volk aanzeggen, dat wie zwarigheid maakt om hem onbepaalde getrouwheid te zweren, de poorten zijns rijks geopend ziet, en bevel ontvangt om hot land te verlaten. Onze aannemelingen mogen in overweging nemen, wat zij beloven, en naar de bronnen vragen, waaruit de kracht tot vervulling hunner beloften le putten zij; maar zweren moeten zij, dat zij de rechten zijner gerechtigheid houden , en onwankelbaar bij zijne hallieren zullen blijven. Wij eischen dit met de bewustheid, dat wij hen hiermede niet anders opleggen, dan wat zij schuldig zijn te volbrengen.

Christus is een Koning. Hiertoe hen Ik fjeboren, zegt Hij, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik de)' waarheid, getuigenis geven zou. Dus een tweevoudig hiertoe. Het eerste is eigenaardig aan den Koning, die geen opgeworpen, maar geboren Koning is, zoo als dan ook de Wijzen uit hel Oosten, bet juiste woord gebruikten, toen zij Hem als den geboren Koning der .ioden iiuldigdnn. liet tweede hiertoe betrekt zich op zijne roeping als getuige. Met bet Ik ben geboren, wijst Hij zijne menschwording aan. Opdat echter Pilatus noch iemand anders zich tot de gedachte late verlokken, als ware in Jezus'

23

ocr page 372

mensclielijke gebooi'te zijn goheclo oorsprong uitgesproken, zoo laat de Heere onmiddellijk de woorden volgen: en Ik ben in de wereld gekomen, en wijst hiermede op zijne liemelsche afkomst en op zijn bestaan vóór zijne komst in het vleesch; ja voor alle schepping. Zulk een getuigenis uit zijn eigen mond van zijne eeuwige Goddelijke natuur, mogen wij hoog in eere houden. Zij rijst in waarde in eenen tijd die, als de onze, van lasteringen vervuld is, en zich vermeet, om met een onheschaanul vertrouwen den Heere tot een bloot menscb te 'stempelen. Ware Christus inderdaad slechts een menscb geweest, zoo zou het voorzeker met het Christendom gedaan zijn, en ons bleef niets anders over, dan onze kerken te sluiten en al onze verwachtingen te begraven, omdat deze alle gezamentlijk op «Ie Godheid van Jezus Christus , als op hun wezentlijk fondament rusten. Daarom, mijne Vrienden! even zoo vast gestaan op dit geloofsartikel, als hetzelve bondig en ondubbelzinnig door geheel de Heilige Schrift getuigd wordt, en met kracht verdedigd in eenen tijd, waarin, om met Petrus te spreken, vele valsche leeraren him werk doen, luelke verderfelijke keiler ij en hedeldelijk invoeren en den Heere, die hen gekoeld heeft , verlooehenen, en daarmede over zichzelven een haastig verderf zullen brengen.

Het is verkwikkend te zien hoe de Heere, tor liefde van den Romein, hem van zijne koninklijke bediening, op zijn ambt als getuige, en op de waarheid als het voorwerp er van met de gedachten overbrengt. Hij hoopt hiermede die snaar in Pilatus aan te roeren, die van den klank des Evangelies het allereerst zal trillen. Naar waarheid vroeg ook nog de op verkeerde wijze beschaafde Romein, reeds omdat deze vraag mede tot de bestanddeelen der Grieksche beschaving behoorde, welke het anders slechts op daden bedachte volk van het westen zich had toegeëigend. Immers is het vragen naar waarheid in het algemeen een trek tier mensclielijke natuur, die er het laatste in sterft. „Dus aan het verborgenste en diepste — merkt hier iemand treffend op — waarmede een Heiden nog met ontvankelijkheid der waarheid te gemoet komt, knoopt Jezus zijne rede aan. Hij grijpt Pilatus aan bij het eenige, waaraan hij nog te grijpen is. Ziet, zoo nauwkeurig neemt de beminnelijke Heere Jezus bij de uitoefening van zijn herderlijk ambt, do bijzondere innerlijke gesteldheid van den enkelen menscb, om welker redding het te doen is, in acht, en zoo zorgvuldig spoort Hij de toegangen op, die nog tot zijn heil openstaan.

Christus kwam echter niet in de wereld, om zich aan de waarheidzoekende geesten als eener hunner bondgenooten aan te sluiten, maar veel meer, om hen tot het doel te leiden, en daarmede den sabbat bij hen in te luiden. Even zoo min kwam Hij, om, zoo als velen zich dat voorstellen, de waarheid eerst van den hemel te brengen, maar Hij kwam, om, gelijk Hij zelf zegt, der waarheid getuigenis te geven. De waarheid was er reeds, geweven in de geschiedenis van Israël en ingekleed in die van Mozes en de profeten. Christus gaf haar enkel go-tuigenis, en drukte baar op de meest omvattende wijze het bevestigend zegel op, en dit daardoor, dat Hij in Zichzelven de profetie opnam, door ze te vervullen, en de Wet, door haar na te leven en haar tot lichamelijke verwezentlijking te brengen. In zijne zedelijke verschij-

ocr page 373

gt;Kgt;lt;J

nnig stolt Hij den Goddclijken oorsprong der Wet, en in zijne historische verschijning dien der Profetie ten toon. Hij getuigde voor do waarheid, in zoo ver Hij haar in zijnen Persoon het gehoiligd werktuig verleende, waardoor zij, alles nederwerponde wat leugen hoot, voor hemel, aarde en hel hare geheele heerlijkheid ontvouwen kon. Wie Jezus aanzag, had, wanneer hot oog zijns gecstes niet reeds geheel verblind was, in ééne slotsom de feitelijke oplossing van alle wozentlijke vragen voor geest en gemoed voor zijne oogen. Hij behoefde voortaan geeno meesters meer, die liom zeiden, wat van God en do wereld, van hemel en aarde, van deugd en zonde, van dor menschen bestemming en toekomst te denken en te golooven zij. Hij weet reeds alles, en alles weet Hij met eeno volstrekte zekerheid.

Hoe bracht echter de Heere, die nooit dan geleidelijk van de oene gedachte op de andore oversprong, zijn getuigen van de waarheid mot zijn Koninkrijk en Koninkschap te zamen? Wilde Hij misschien zoggen, dat zijn rijk slechts een rijk van leering en onderwijs, en dat Hijzelf slechts in zoo ver een Koning was, als Hij door zijne onderwijzingen over de geesten heerscht? Volstrekt niet. Wij hebben roods opgemerkt, dat Hij in onzen tekst er zelfs niet van verre aan denkt, om zijne Koninklijke macht en hoogheid daarin te stollen, dat Hij der waarheid getuigenis geeft. Zulk een getuigenis geeft Hij niet als Koning, maar als Profeet. Hij wil echter den weg, dien Hij tot oprichting van zijn Koninkrijk inslaat, kenbaar maken, en dit doet Hij in de woorden: £en iegelijk, die uit de waarheid is, hoort mijne stem. Ja, zij, die zijne stem hooren, zijn zijne rijksgenooten. De uitdrukking: uit de waarheid zijn, boteekent een innerlijke trap van voorbereiding tot do bekeering, waartoe ochler niemand zonder de werking oener voorloo-pige genade komen kan. Uit do waarheid is niemand van nature, maar allo menschen zijn, zoo als de Schrift zegt, leugenaars, naardien zij de duisternis liever hebben dan het licht, omdat hot licht hen in hunne zonden bestraft en in hunne rust verstoort, en terwijl zij do dwaling aan het hart drukken, en tegen de verlichting van boven zich verzotten, omdat door de laatste hunne vlooschelijke hogeerlijkhoid in gevaar komt en hen tot een leven van zelfverloochening noodzaakt. Op deze wijze houden zij, gelijk Paulus het eenmaal uitdrukte, de waarheid in ongerechtigheid te onder. Zoodra echter de Geest, die als do wind waait en geestelijk werkt, plaats verkrijgt, wijkt het welbehagen in do leugen voor hot vurig verlangen, om van haar vrij te worden. In de plaats van bet sluwste zelfbedrog, treedt de oprechtste goedwilligheid, om alles te beproeven en het goede te behouden, en voor de eei'lijke, ernstige vraag naar waarheid en vrede verstuiven de nevel-boelden van den waan, waaraan tot nu toe de arme ziel was gebonden. Kwam men echter door de werking des Geestes tot deze eenvoudigheid dos harten, dan behoort men tot dezulken, die uit de waarheid zijn. Dan hebt gij slechts te sproken, o Gij, Meester uit de hemelen, en ons binnenste wezen galmt de klank uwer licht- en levenswoorden na. Spreek dan uw Komt tot Mij, allen die vermoeid en heiast zijt! en hoe gaarne volgt men alsdan de beloftenvolle uitnoodiging. Ontsluier dan uwe heerlijkheid en schoonheid, en hoe vlucht ons verlangen U

ocr page 374

:i5()

jubelend in do armon. Ontrol dan de banier van uw Kruis, en hoe dringt men elkander, om hutten te bouwen onder zijne vredeschaduwen!

O, mijne Vrienden! wanneer gij allen uit de waarheid waart, welk eene liefelijke bezigheid was het, u te prediken, in welkeenenaanwas zou hot Koninkrijk Gods onder ulieden zich iederen zondag te verblijden hebben. Duizenden echter overkomt wat een Pilatus overkwam , in wien een begin van die Goddelijke geboorkunde gewerkt was, doch den Heiligen Geest, door het daarin sprekende vleescli, geene plaats gelaten werd, om liet schoone werk te voleinden. Houden wij dan niet op, mijne Beminden! den Koning der waarheid aan te i'oepen, dat Hij ons geweld aandoe, en ons niet late gaan, totdat Hij in onze zielen die snaren heeft gespannen, waarin zijn woord een vollen en blijven-den wederklank vindt. Bidden wij van Hem boven alles eon oprecht kinderlijk onbevangen hart, en stemmen wij in in de woorden van Ps. '25 : 10:

Hoed mijn ziel, en red ze uit nooden,

Maak mij niet beschaamd, o Heer!

Want ik kom tot U gevloden.

Laat de oprechtheid meer en meer Met de vroomheid mij behoên :

'k Wacht op U in mijn ellenden,

Laat uw hand in tegenspoên Israël verlossing zenden.

Amen.

ocr page 375

XXXIV.

X

W A T 1 S W A AR 11 E I D?

In golieel het Oude en Nieuwe Testament, vindon wij, behalve in de eenige schriftuurplaats tot welke onze tegenwoordige lijdenstekst ons zal geleiden, geen enkel schriftwoord, waaruit ons iets soortgelijks als de in onze dagen zoo dikwijls geopperde vraag' te gernoet klinkt: „Wie geeft mij licht, en lost mij 's levens donkere raadsels op?quot; Veel meer ontmoet ons overal, en wel hij de goddeloozen niet minder dan hij de vromen, de stilzwijgende onderstelling, dat de waarheid niet eerst nog- te zoeken, maar reeds lang gegeven is. De verschillende hetrekkingen, waarin heide tot de waarheid staan, is niet onkel de betrekking van twijfeling of geloof, maar die van het hoosaardig bestrijden of gewillig gehoorzamen der waarheid. Alleen slaat de uitspraak, üout. 29 : 29: De verborgenheden zijn voor den Heere onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, onwedersprekelijk vast. Wie het nog eerst twijfelachtig zou hohhen willen maken, of God tot de pelgrims op aarde gesproken had of niet, die zou voor ieder Israëliet een mensch zijn, die hij lichten dag twijfelen wilde, of de zon wel aan den hemel staat. De klacht over gebrek aan bepaalde, uitsluitsel gevende antwoorden is eene dwaasheid van de nieuwste dagteekening, en eene op ons overgebrachte erfenis van het heidendom. Reeds lang on wel op onbedriegelijke wijze, is do vraag beantwoord, zoowel naar den oorsprong en het doel der geschapene dingen, als naar de bestemming en toekomst van hot men-schelijk geslacht, en dat dit verblijdend feit inderdaad bestaat, betuigt do zoo even aangehaalde uitspraak en betuigen de woorden; de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen.

Wanneer echter Mozes door den Heiligen Geest er bijvoegt: De verborgene dingen zijn voor den Heere onze God, dan wil hij daarmede te verstaan geven, dat de waarheid ons zoo ver geopenbaard is, als onze vatbaarheid reikt, en dat wij tot onze zaligheid deze kennis niet kunnen ontberen. De bewustheid hiervan stelt ons gerust tegenover zoo vele onopgeloste raadsels, die nog altijd bij do ons verkondigde goloofslooringen overblijven. Wanneer hij voorbeeld, in het leerstuk van Gods eeuwig bestaan, van de drieëonheid, van do schepping der wereld, van don val dor Engelen en der menschen, de dubbele natuur in Christus, de laatste dingen en wat dies meer zij, een en ander aan onze rede moeite geeft, en door zijne onbegrijpolijkhoid onzen geest en ons hart wil beangstigen, dan zeggen wij op grond,

ocr page 376

ja met de woorden der Schrift zelf: De verborgene duiden zijn voor den Heere onze God. God heeft ons eerst nog slechts éene zijde dezer dingen ontsluierd, en wel de voor ons thans alleen kenbare, oi tot bereiking van het Goddelijk zaligmakend doel overvloedig voldoende zijde. 11 y kennen thans ten deele, wat wij eenmaal in zijn geheel zullen kennen. Dit toekomstige oogenblik verwachten wij met geduld, en wij zijn verzekerd, dat wanneer het met zijnen doorschijnenden en alles verïichtenden glans zal gekomen zijn, al onze verwondering en bevreemding zich in eenen nimmer eindigenden jubel van bewonderende en aanbiddende blijdschap zal veranderen.

Deze korte opmerkingen mogen tot inleiding strekken van eene beschouwing, door welko het den Heere onze God moge behagen , ons te bevestigen in de overtuiging, dat de waarheid voorlianden is.

JOHANNES 18 : 38.

Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid ?

Het is een kort en niet in het oog vallend woord, waarmede onze beschouwing zich heden zal onledig houden. Het heeft echter, even als de laatste zucht eens stervende, zijne diepe, ofschoon donkere achtergronden. Het woord van Pilatus is de echo, die op het woord des Heeren betrekkelijk het rijk der waarheid, uit de ziel van den stadhouder ten antwoord' wederklinkt. Ofschoon het echter bijna twee duizend jaren oud is, klinkt het ons toch zoo gemeenzaam en vertrouwelijk in de ooren, als kwam het uit onze naaste omgeving, en uit een van onze nieuwste gezelschappelijke kringen ons te gemoet. Het geeft een innerlijk standpunt te kennen, die in alle geval een heiden, namelijk van den toenmaligen tijd te vergeven was, maai' dezulken, die er nog heden op slaan willen, onvoorwaardelijk veroordeelt. Treden wij derhalve deze merkwaardige woorden meer nabij, en overwegen wij:

I. derzelver beteekenis; om

II. te zien, of er nog heden eenig recht tot deze vraag bestaat ?

Mocht deze betrachting de aangename bewustheid bij ons verlevendigen, dat er lot eene vraag, zoo als wij die heden van do lippen van Pilatus hooren, geene aanleiding meer bestaal, en ontvonke zij onze harten tol vernieuwde dankbaarheid jegens God, die het in dit donker dal der vreemdelingschap niet aan een licht op ons pad, noch eene lamp aan onze voeten heeft laten ontbreken.

I.

Een iegelijk die uit de waarheid is, hoort mijne slem, zoo besluit de Heere zijne woorden tot Pilatus. Hierop antwoordde de stadhouder: Wat is waarheid'? Sommigen hebben in deze woorden een

ocr page 377

350

lichte hoon; anderen de nitdrukking eener voleindigde godsdienstige onverschilligheid willen vinden, maar noch de eene, noch de andere uitlegging laat zich met het karakter van Pilatns ia volle overeenstemming brengen. De klank komt uit dieper bron, en bevat eenen veel rijkeren inhoud. Als met een bliksemstraal stelt het een geheel lijil-vak, en de innerlijke gemoedstoestand van vele duizenden daarin levenden, in het licht.

Wij hebben vroeger reeds opgemerkt, dat het leven van Pilatns viel in eenen tijd, welke als die van hot toppunt der menschelijke beschaving kan worden gekenschetst, in zoo ver onder beschaving de verstandelijke en maatschappelijke vorming verstaan wordt. Het was die hoogte, waarop de menschheid aan zichzelve overgelaten en door inspanning van alle natuurlijke gaven en krachten, zich slechts immer verhellen kon. Niet enkel had de kunst hare schoonste bloesems doen uitbotten, maar ook de wijsbegeerte was aan het doel barer stoutmoedigste vlucht en navorscliing gekomen. Kn wij bewonderen nog lieden de leerstelsels der wijsheid, die zij door de denkkracht van hoogbegaafde menschen in het aanzijn riep. Nochtans was aan het verlangen van hem, die zeide „geef mij een vast punt!quot; niet voldaan. Had de menschelijke geest van vele dingen de waarschijnlijkheid aan den dag gebracht, zoo zag men [toch te vergeefs uit naar het zekere en onbedriegelijke. Immers de grootste wijze der oudheid heeft in zich onbewuste profetie erkend : „Slechls wanneer een God nederdaalt, zal de mensch tot eenige zekerheid komen.quot; Ja, de grondstelling werd alstoen tot een gewoon gezegde: „Slechts één ding is zeker, dat men van de bovenzinnelijke dingen niets met zekerheid kan weten, en ook dat ééne is niet met volkomene zekerheid vast te stellen.quot; Uit den boezem van zulke aanschouwingen werd allereerst in het zoo hooggeroemde Griekenland die lichtzinnige levenswijsheid geboren, welke al het hoogere en bovenzinnelijke liet varen, en de gcheele bestemming van den mensch liet bestaan in het genot dezer wereld en van hare goederen; welk beginsel binnen korten tijd met geheel het gevolg van losbandigheden en ondeugden, aan hetzelve onafscheidelijk verbonden, tot den godsdienst van hot gros der bevolkingen werd. In de llomein-scho wereld hield zich nog wel eene zekere zedelijke gestrengheid iets langer dan in de Grieksche staande, doch nadat de Romeinen ook Griekenland aan den wereldgebiedenden schepter hunner heerschappij hadden onderworpen, Verhieven zich de lichamelijk onderdrukten lot de verstandelijke en zedelijke overwinnaars van hunne overheerschers, en gaven hen met hun ongeloof ook hunne lichtzinnigheid en hunne zonden. Spoedig werd nu, bijzonder in den kring der beschaafden, de oude godenleer der vaderen niet enkel betwijfeld, maar als eene nietige inbeelding uit de hoogte bespot. In dier voege dat de beroemde Romeinsche redenaar Gicero zich van de instemming zijner toehoorders meende verzekerd te kunnen houden, door voor eene volksvergadering in zijne rede van de onderwereld nog slechts met eene boertende spraakwending (c gewagen. Aan den Orcus of afgrond met zijne schaduwen en verschrikkingen geloofde nauwelijks iemand meer; maar even min geloofde men ook aan de leerstellingen der

ocr page 378

300

wijsgeeren, — in één woord, men geloofde niets. Nochtans was het nem van liet verstand volstrekt niet in staat, om liet in duizenden nu gelijk vroeger naar licht en vrede roepende hart tot zwijgen te brengen.

Als een recht vertegenwoordiger der maatschappelijke heschaving zijner eeuw staat thans Pilatus voor ons. Zeker is het niet te onderstellen, dat hij zich ooit grondig met de studie van wijsgeerige stelsels zal hehhen hezig gehouden. In allen geval was ook hij, gelijk in het algemeen al de lieden van zijnen stand, met de wezentlijkste slotsommen der wijsgeerige navorsching bekend, en voornamelijk was hij in de letterkunde van zijnen tijd zeker geen vreemdeling. De levensweg van dezen man bracht hem thans tot de ontmoeting van den Heere uit den hemel, en verplaatste hem daarmede in eenen geestelijken kring van denkbeelden, waarin nog eenmaal gewaarwordingen en vermoedens in hem ontwaakten, die door den adem der lichtzinnige heschaving dier eeuw, welke hij met de moedermelk heeft ingezogen, reeds lang verstorven schenen. Christus, wiens aanblik onzen Heiden reeds op verwonderlijke wijze machtig aangrijpt, spreekt tot hem van ecne andere wereld, van een bovenaardscli rijk, van een hemelsch Koningschap, en ten laatste van de waarheid, en wel van eeno waarheid, die geopenbaard is, en welke zich daarom ook werkelijk vinden en kennen laat. En nu ontboezemt Pilatus zich in de merkwaardige vraag: „Wat is waarheid?quot; De beschaafde Heiden van den toenina-ligen lijd, en wel een van de hoogere standen der beschaving, onthult ons in deze vraag de gedaante van zijnen innerlijken mensch. Zeker openbaart zich in deze vraag iets van de vrijgeestige lichtzinnigheid , waarmede men niet enkel op het godengeloof des gemeenen volks, maar in het algemeen op alles wat in het gebied van godsdienstige aanschouwing valt, als op kinderlijke droomen en hersenschimmen lachend nederzag. Wal is waarheid? was in dien tijd het woord van duizenden. Wat wij — zoo zeide men — met onze oogen zien, met onze handen tasten, is hot eenig zekere onder den hemel. Over de grenzen der zinnelijke wereld reikt geen sterfelijke blik, en spelen van den verdichtenden geest mogen op éénon levenstrap of hoogte van beschaving bevredigen, zij kunnen het niet op alle trappen en hoogten.

In de vraag van Pilatus laat zich verder do aanzienlijke sceptische philosoof (alles betwijfelende wijsgeer) hooren, die zich niet alleen bewust is, dat de onderzoekingen van den menschelijken geest tct de onderscheidenste en tegenstrijdigste verschijnselen leiden, maar die ook de verbeelding heeft, dat hij de wijzen der aarde zelfstandig nagedacht en nagerekend heeft, en zoo in den weg van eigene gedachten-verdieping de overtuiging heeft verkregen, dat er van de dingen, die buiten de grenzen der zichtbaarheid liggen, over het geheel niets te ontdekken of te kennen is. Wat is luaarheid 9 roept hij uit. „De een,quot; — dit wil hij zeggen — „noemt dit, de ander dal waarheid, en misschien wel het tegenovergestelde. Stelsels komen op en gaan onder. Eene zee zonder haven en landingskusten wordt door hem bevaren, die de waarheid zoekt.quot;

In do Pilatusvraag spreidt zich niet minder de matelooze trotschheid

ocr page 379

301

ten toon van den Romeinsclien rijksburger, die zich in veiiicliling' en beschaving boven allo andere volken der aarde, maar bijzonder boven de Joden hoog verheven acht. Mot eeue, ofschoon dan ook voorbijgaande innerlijke verstoordheid zegt Pilalns zijn wat is waarheid 9 alsof hij wilde zeggen: „(lij, een Ilebreeuwsch rabbijn, zult toch niet denken, dat ik, Romeinsch patriciër, gekomen ben, om onderwijs bij U te zoeken.quot; De grondtoon van de vraag van l'ilatus is intusschen van beteren aard en wordt van de tot nu toe genoemde wanklanken slechts vluchtig doorkruist en beademd. Zij ademt weemoed, onderwerping, ja, de zwijgende vertwijfeling van een hart, die met het geloof aan het bestaan eener bovenzinnelijke wereld niet te gelijk ook den mensch en de behoefte van zich kan afwerpen, dat zulk cene wereld bestaan mocht. Ongelukkig en verlaten gevoelt zich ook de ziel van Pilatus in de eenzame woestijn der volstrekte twijlb-larij, waarin hij zich gebannen ziet. Verklaren wij de vraag van den stadhouder uit de diepte zijner gemoedswereld, zoo zou zij ongeveer dus luiden: „Gij spreekt van waarheid, — ach, de waarheid werd den armen sterveling niet tot leidsvrouw mede op den weg gegeven. Wij vragen naar waarheid; maar de echo roept, spottende mot ons verlangen, enkel onze vraag terug. Wij zetten do ladder der navorsching tegen de hoogte, maar enkel ondoordringbare nevels komen ons op hare sporlen te gemoet. Niet cene enkele waarheid b'eeft de veelduizendjarige argonautentocht van den wijsgeerigen denkarbeid beloond; en Clij, man uit Nazareth, wilt van de waarheid spreken, als van eene inwoneresse dezer droevige aarde? De dood heeft van den beginne af gezwegen, en de graven beneden zwijgen, gelijk de starren daar boven; en Gij wilt er voor gebonden worden, dat gij hunne tongen losgemaakt en hunne geheimen onlzegeld hebt?quot; Ja, ook dit of iels dergelijks klinkt, uit den diepen achtergrond zijns getnoeds oprijzende, ons uit de Pilatusvraag te gemoet. In dezen man is zeker iets van eenen trotschen wijsgeer, iels van eenen alge-leefden onverschillige, iels van eenen twijfelaar van beroep, iets van eenen liehtzinnigen vrijgeest en spotter, iets van eenen kleingeestigen ijverzuchtige en eergierigen gramstorige, die met zijn wat is waarheid9 ook wilde zeggen: „Hoe kunt Gij U vermeten, om mij, die aan gewichtiger dingen te denken heeft, met uwe Joodsche geloofsverschillen lastig te vallen?quot; Doch er is ook in hem nog iels anders, beters, edelers, — een onverdraaid, lichtbeboevend mensch, een schepsel, dat naar verlossing zucht, maar dat belaas! door de onreine en duistere elementen, die hem omgeven, gebonden is, en door nederge-druktbeid geene vrije speelruimte kan bekomen.

Zoo dikwijls de Pilatusvraag mij tegenklinkt, vermeen ik, zoo als ik reeds zeide, haar niet uit eene aclitlien-honderd-jarigc verledenbeid, maar uit de onmiddellijke tegenwoordigheid, ja, uit mijne naaste omgeving, tot mij te liooren overklinken. Treilend kenmerkt zij ook liet geslacht van onzen tijd, en de zoogenaamde hoogte, op welke de nieuwe verlichting thans weder geklommen is. Alleen komt deze vraag in den mond onzer tijdgenooten oneindig verdoemenswaardiger voor, als zij in den mond van onzen Romein was, wiens oogen nog

ocr page 380

302

niet gezien hadden, wat rle onze aanschouwd hebben, daar alstoen de Heere Jezus nog niet verheerlijkt, noch de Heilige Geest uitgegoten, noch de wereld met het zwaard des Evangelies overwonnen, noch het wondergebouw der Kerk van Christus gegrond was. Thans, nadat dit alles geschied is, zich weder op het standpunt van Pilatus terug te willen plaatsen, is niet menschelijk, neen, is duivelsch. Thans brandt in de twijfelarij een vonk uit de hel, en de twijfel van den Romein staat tegen het ongeloof onzer gedoopte beidenen thans als een onschuldig lam tegen eene vergiftige adder. Het ongeloof is thans niet meer het blinde kind van hel door den aardgeest begoochelde en verstrikte hart, maar de lichtschuwe telg van den kwaden en op-roerigen en wederspannigen wil. Op de vraag wat is waarheid? behoort tegenwoordig nog slechts het antwoord: „Onder anderen is dat waarheid, dat gij verdoemd zijt, omdat gij de leugen lief hebt.quot; Met het oog op eenen Pilatus blijft er nog plaats over voor mede-doogen en beklag, in betrekking echter tot het nieuwste ongeloof heet het daarentegen: Scheldt het wild gedierte des riets, de verjade-ringen dor stieren met de kalveren der volken!

II.

Wat is waarheid? Het is spoedig gevonden wat waarheid is, wanneer er slechts met ernst naar gevraagd wordt. Er zijn vele menschcn, die wel naar ivaarhcden vragen, maar de ivaarheid, waar zij hen ontmoet, opzettelijk den rug toekeeren. Wel zouden ook zij gaarne al de raadsels der natuur en des levens opgelost zien, maar al hun vragen en onderzoek is slechts een spel hunner gedachten, huns ver-stands, en hunne belangstelling is bloot die der nieuwsgierigheid. Hunne belangstelling is opgewekt, zoodra liet te doen is, om te weten, hoe men zich het worden der menschen hebbe voor te stellen; of er eene geestenwereld, eene voortduring na den dood bestaat, boe het leven aan de andere zijde des grafs gesteld moge zijn'? en wat dies meer zij. Maar van de waarheid trekken zij zich terug, en zoeken haar op allerlei wijzen liever te vermijden dan te ontmoeten. „Zoo zou dan de waarheid voorhanden zijn?quot; Welk eene vraag! Zij is in uw hart, gelijk in uwen mond; ja gij tast ze met de handen, en kunt nog aldus vragen? Dat gij bij voorbeeld bestaat, dat gij do bewustheid van eene hoogere bestemming onuitdelgbaar in uwen boezem draagt; dat gij echter ver verwijderd van het einddoel er van, een zondig wezen zijt, en geen vrede, die de vuurproef kan doorstaan, in uwe ziele vindt, behoort dit niet alles tot de waarheid? Dat verder, meer dan achttien honderd jaren geleden, een Man op aarde verscheen, aan wien door niemand eene andere zonde kon verweten worden , dan dat Hij Zichzelven de Waarheid genoemd en als dengene aangekondigd had, die eenmaal de geheele wereld aan den schepter zijns geestes onderwerpen zou, en (lat tegenwoordig gij, — ik spreek hier met de woorden eens anderen — met al uwe vrijheid en zelfstandigheid in de zee der gevolgen verzwolgen zijt, die daarvan afkomstig zijn; dat in een zeer ver van u verwijderd tijdvak, in eenen ongeachten

ocr page 381

3(33

lioek der aarde, „de verachte Rabbi eener ongeachte natie als een slaaf gedood werd, en gij daarom nu in al uwe betrekkingen zoo geheel anders bestemd geworden zijt, als gij het anders niet zoudt geworden zijn, kan dit u ook slechts voor een oogenblik twijfelachtig worden? en is het dus niet de waarheid? Ga nu slechts aan de hand van datgene, wat gij zelf als onwederlegbaar hebt erkend', iiadenkend voort en weldra zult gij gewaar worden, dat er om de menschheid een booger leidings- en opvoedingsplan gaat, en gij zult er op zweren, dat een God, die de liefde is, zich ook aan zijne arme stervelingen onuitblijkelijk moet geopenbaard hebben. En hoe lang zal het nu duren, eer gij, tot de eenvoudigheid teruggekeerden mensch, deze openbaringen in helderder licht uit Mozes en de profeten u zult zien tegenblikken ? U ontmoet de waarheid in de zwervende herderstent van de aartsvaderen van Israël, gelijk in de legertenten van het omzwervende volk van God in de woestijn. Met donderende stem spreekt zij tot u van den berg Sinaï, en van de heuvelen, en uit de valleien van Kanaan spreekt zij tot u in het liefelijk zachte suizen. Gij verneemt hare stem in Bethlehems velden, in de psalmbarmoniën \aii den koninklijken herdersknaap, en in de gangen en gaanderijen des tempels, treedt zij in zinrijken beeldentooi en in het beteekenisvol hieroglypbenkleed of (igurenschrift u te gemoet. Gij nadert de zieners van Jehova, en gij staart met verbazing in eenen blinkenden sterrenhemel. Het zijn gedachten der waarheid, die u uit dezen bovenaard-schen glans tegenstralen. Aan de hand van deze heilige zieners wandelt gij voort, en nu begroet u eindelijk de waarheid in persoon. Ik hoi de waarheid, zegt een Man, dien alles wat aan Hem is als een boven mensch elijk wezen kenmerkt, en uit de wereld van alle lichtbe-hoevende geesten klinkt als echo een vertrouwen vol: „Voorwaar, Gij zijt het!quot; tot Hem terug. Dat boven de wolken een levend Gebieder der wereld troont; wie deze God in de hoogste hemelen is; welke zijn wil met het schepsel zij; waartoe de mensch geschapen werd; wat zijne hoogere bestemming, zijne ware roeping is? — In Ghristus wordt dat alles onwedersprekelijk klaar en openbaar. In zijne verschijning ontsluiten zich ons de diepten der Godheid, de raadslagen der eeuwige Liefde, de afgronden der Goddelijke barmhartigheid, de geheimen van het leven en van den dood, den hemel en de hel. Op alle vragen, zij het naai' inhoud of kern dei- Goddelijke wet, zij bet naar hot wezen der ware deugd en heiligheid, naar het ideaal der menschheid, of naar iets anders — voor alle vraag is reeds het be-slissendste persoonlijke antwoord voorhanden. En waar Hij spreekt en handelt , vluchten de geesten der twijfeling, gelijk die der leugen en des waans, en klaarheid, zekerheid en vast vertrouwen bieden ons den hemelscben vredegroet.

Zoo verstomme dan op aarde de Pilatusvraag: wal is waarheid? Zóó kan van nu af slechts de bloozinnigheid of de moedwillige zelfverblinding en de demonische lichtschuwheid en haat vragen. De waarheid heeft haar intocht in de wereld gedaan, en woont vertrouwelijk en toegankelijk voor allen, die haar begeeren, in ons midden. Eene wijsbegeerte, die de houding aanneemt als moest zij de waar-

ocr page 382

304

hokl coi'sl uit tie diepte omhoog of uit den hemel omlaag halen, zal hare schreeuwende ondraikbaarheid jegens den God van alle genade daarmede boeten, dat zij eeuwig in het duister tasten, naar luchtbeelden grijpen, en nooit' tot het ankerwerpen komen zal. Do taak der wijsbegeerte moest thans zijn, om de inwendige bewustheid van den menschelijken geest te doorgronden en uit te delven, en aan zijne onuitdelgbare behoefte, vrij van vooroordeelen, de in Christus verschonenquot; waarheid te beproeven. Deed zij dit, voorzeker dan bond ook zij, na haren zeer langen zwerftocht, haar vaartuig vast aan den berg Sion, en riep zij juichend en jubelend uit: „Ik heb het gevonden; ik ben aan het doel!quot; Alles wat eerlijk en ernstig naar waarheid zoekt en onderzoekt, landt onuitblijvelijk ten laatste in de haven van het Evangelie. Met do grootste gerustheid kon daarom de Heiland zeggen ; Wie uit de waarheid is, hoort mijne slem.

Verheerlijken wij dan den algenoegzamen (iod voor de onuitsprekelijke gave, waarmede m ons heelt verwaardigd. Ziet, de nacht is voorl)ijgegaan en de dag is aangebroken. De oude profetenroep: Maakt u op en wordt verlicht, ivant uw licht komt! heeft zich naar zijn profetisch gedeelte reeds lang vervuld. Dat zich ook nu iu ons allen de vermaning, die deze roepstem nevens do belofte in zich draagt, vervulle! Ruimen wij voor de waarheid, die voor onze deur staat, met vroolijke gewilligheid geest, hart en gemoed in, en wandelen wij als kinderen des lichts. Hij is de waarheid, die te gelijk den weg en het leven is. Werpen wij het addergehroedsel onzer twijfeling onder zijne voeten, opdat Hij het vertrede, en zeggen wij biddend met den ouden zanger tot onzen (iod en Zaligmaker:

Wees Gij ons licht in 't duister;

En onze troost in pijn ,

Maak vrij in band en kluister,

En wil ons alles zijn.

Sla onze schuld niet gade,

Maar zie ons treuren aan,

Totdat we U door genade Verblijd ter zijde staan.

Amen.

ocr page 383

XXXV.

E T I, A M (i O I) S.

„Hot denkbeeld Gods,quot; — zegt iemand, „dat de beproeving en den val der eerste menscben toeliet, opdat zij bunne vrijbeid en Goddelijke natnnr zouden bewust worden ■— hetgeen heerlijk en verbell'end dooide overwinning, maar smartelijk en verootmoedigend door den val geschiedde— eischt noodzakelijk het denkbeeld der verlossing.quot; Ja, zoo is bet. De eerste aanduiding van den aard en de wijze, waarop de verlossing tot stand komen zou, ontmoeten wij Gen. i3 : quot;21, waar ons bericht wordt, dat God den eersten mensch, na den zondeval, rokken van vellen gemaakt en ze hem aangetrokken beeft. Zoo vreemd, zoo bijna kinderlijk vertelselachtig dit bericht moge klinken, zoo zinrijk en vol diepe beteekenis is liet. Hier toont zich eene daad van buitengewoon Goddelijke tegemoetkoming jegens don mensch; doch het moest juist naar Gods oogmerk reeds van voren blijken, dat alleen zoodanig eene daad de redding der zondige en den vloek onderworpen wereld kan teweegbrengen. De gevallen menscben hadden beproefd zichzelven te helpen, door met vijgebladen hunne naaktheid te bedekken; maar God verwierp dit bedeksel als ontoereikend, en betuigde daardoor, dat de mensch de bevoegdheid om zichzelven voor zijne oogen rechtvaardig te stellen, volstrektelijk mist. Hij zelf, de Allerhoogste, nam bet dus op Zicb, om den zondaar eene kleeding te verscbalTen, waarin deze zich weder voor zijn aangezicht kon laten zien. Hoe volbracht echter Jehova dit werk? Een onschuldig leven wordt geofferd, een dier, ongetwijfeld een lam, en diens rein deksel wordt den mensch tot kleeding gegeven. Wie kan in deze Goddelijke symbolische daad bet oorspronkelijk toonbeeld van alle latere oilers des tabernakels en dos tempels miskennen? En wie ziet-niet, dat het lamsvel, dat de naaktheid van den eersten zondaar bedekte, naar den wil van God bet beteekenisvol voorbeeld was der gerechtigheid, welke de Middelaar Ghristus gehoorzamend, lijdend en stervend ons verwierf. Wat bij den aanvang der menschelijke historie voor de pasgesloteu poorten van bet Paradijs figuurlijk geschiedde, dat zien wij in de Lijdensgeschiedenis werkelijk gebeuren. Ja, wat God aan Adam en Eva in eenen boogen zinne-beeldigen zin deed, dat doet Hij in wezentlijkheid tot op dit oogenblik aan allen, die uit bekommering van wege bunne zonden de toevlucht nemen tot zijnen genadetroon. ■— Wij treden beden tot bet verheven Tegenbeeld van dat offerlam, hetwelk den gevallene in bet Paradijs bet kleed verleende, waarin zij bemoedigd bet hoofd weder opwaarts

ocr page 384

300

bourdon. De lleero geve, dat hetgeen eenmaal profetisch aan lion geschiedde, over ons als zaligmakende vervulling moge komen!

JOH. 18 : 38. matth. 27 : 12—14. LUC. 23 : 4, 5.

En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind cjeen schuld in Hem. En zij hielden te sterker aan. En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Toen zeide Pilatus tot Hem: Antwoordt Gij niet? Hoort Gij niet hoe vele zaken zij tegen U getuigen? Maar Hij antwoordde hem niet op een eenig woord, alzoo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

En ik zag, en ziet — een Lam. Wion vallen bij het gebeurde in onzen tegenwoordigen Lijdenstekst niet deze woorden der heilige Openbaring in gedachten V Eenmaal toch moest de gestaltenis van hetoiler-lam bij Jesaja, dat demmcloos is voor het aangezicht van zijnen scheerder, geheel en volledig uitgedrukt te voorschijn komen, en dit geschiedt in ons tegenwoordig Evangeliesch verhaal.

Beschouwen wij thans het Lam Gods meer van nabij, en wel in het drievoudig licht, welke het ontvangt:

I. door het getuigenis zijns rechters;

II. door de beschuldigingen der overpriesters en des volks;

UI. door zijne eigene houding onder dit alles.

Moge zich onze overweging door don zegen Gods ontwikkelen tot eono slille feestviering dos harten, die doorgalmd en gedragen wordt van het oude kerklied :

O Godlijk Lam ! onschuldig Werdt Ge aan het Kruis geklonken,

Gij leedt voor ons geduldig ,

En hebt ons 't heil geschonken,

Droegt straf voor onze zonden,

En heelde ons door uw wonden.

Ontferm U onzer, o Jezus!

I.

Na zijn eerste gesprek met don Heere Jezus, treedt Pilatus uit het stadhouderlijk paleis weder op de opene rechtsplaats voor hot volk naar buiten, en noemt ditmaal de Beschuldigde met zich mede. De stadhouder is ons naar de gesteldheid zijns harten geen vreemdeling moer. Wij leerden hom kennen als een mensch, in wien volstrekt niet allo ontvankelijkheid voor ware geestesgrootheid was uitgobluscht. Eene slille bewondering van de buitengewone persoonlijkheid, welke in den Jleere Jezus voor hem stond, maakte de grondtoon uit van zijne gemoedsstemming, welke hom gedurende den ganschen rechtshandel, en

ocr page 385

'Ml

wel in klimmende male, beheerschte. Des Ileeren spreken, en zwijgen, de opslag zijner oogen, gelijk hot geheel zijner houding, zijner nederigheid, en dan weder zijne hooge rust, zijn geduld als dat van liet lam, en niet minder zijn nooit verdonkerd koningsgevoel en altijd klare zelfbewustheid, —■ dit alles had eenen geweldigen indruk op hem gemaakt, en zoo hij datgene wat bij wijze van droom door zijne ziele ging, in alles den behoorlijken naam had willen geven, dan zou ten minste in enkele oogenblikken iets soortgelijks als het groote getuigenis van Johannes zijn voortgekomen : Wij hebben zijne heerlijkheid rjezlen, eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid. Ja, ook Pilatus droeg voor de schoonheid van den Heere uit den hemel nog eenen spiegel in zijnen boezem; maar het was helaas! slechts een ijsspiegel, over welken de warme Petrus-en Magdalena-tranen nog niet gevloeid waren. Waar echter deze ontbreken, daar houdt de spiegel der ziel de stralen van de Goddelijke morgenster niet vast, en neemt in het gunstigste geval zijn beeld slechts gedeeltelijk en stuksgewijze op. Nochtans blonk de hoogheid van im-manuël te machtig zelfs in liet binnenste van onzen Romein, dan dat hel nog aan zijne vrije keus zou gestaan hebben, boe zich jegens Hem te gedragen. Tot op zekere hoogte is hij innerlijk door Hem overwonnen. Hij moet Hem vrijspreken van alle schuld. Hij kan zich niet van eenen geheimen eerbied jegens den Heere ontslaan, en wordt, zoo dikwijls hij de influisteringen van egoïstische belangen tegen Jezus gehoor wil geven, door do stem der waarheid, die in hem spreekt, geoordeeld en gewaarschuwd, ja onwederstaanhaar genoodzaakt, om weder den weg van eenen voorspreker en verdediger des Rechtvaardigen in te slaan. Welk eene majesteit moet dus ook daar nog het Lam Gods omstraald hebben, waar folteringen en smaadheden als rivierstroomen over zijn hoofd heenstortten, en met welk eenen wonder-vollen glans moet de Zon der gerechtigheid ook de wolken der diepste vernedering doorbreken, zoodat zij in staat was, om zelfs een verwereld kind van de meest epicurische secten aller eeuwen zulk eenen eerbied af te dwingen.

Hetzelfde als Pilatus zou ook velen zijner zinverwanten wedervaren, wanneer zij slechts op gelijke wijze met Jezus in aanraking kwamen. Ik heb hier zulke menschen op het oog, die zich zeker aan deze plaats niet meer laten aantreffen, omdat zij zich sedert lang van de Kerk en Gods Woord losgemaakt hebben, en dronken geworden zijn uit den kelk van den heerschenden tijdgeest, het Christendom als eene niet meer houdbare zaak, en Christus zelf, zonder voorafgaand verhoor, als eenen, gelijk alle andere stervelingen, voor mistasten vatbaren rabbi, met de onderdanigheid hunner rede, ook die van hun hart en leven hebben opgezegd. Verre zij het echter van mij, om zelfs deze lieden onvoorwaardelijk weg te werpen. Niet allen zijn reeds zoo geheel in het algemeen wereldsche wezen verdiept geraakt, dat zij voor eene edele geest- en gernoedsverhefling in het geheel niet meer vatbaar zouden zijn. Zij kennen gedeeltelijk nog dien Jezus niet, van wien zij zich losgemaakt hebben, ja, zij beoordeelen in Hem eene hen geheel vreemde persoonlijkheid. Mochten zij slechts eenmaal

'

i

ocr page 386

kunnen besluiten, om in de Goddelijke beeldengalerij van het Evangelie Hem nader te treden, en eenige uren van aandacht daartoe te besteden, om zijne handelingen nadenkend te beschouwen, zijne redenen rustig te beluisteren, en dan aan de hand der geschiedenis zijner Kerk op de wegen zijner zegepraal door de wereld, in den geest liem na te wandelen. Ik ben verzekerd, dat ook bun gemoed spoedig van vermoedens zou overweldigd worden, die liet hen ten minste onmogelijk zouden maken, om nog verder iu eene onverschillige bonding jegens Hem te blijven staan, ja, dat zij, eer zij zeiven er op bedacht waren, in hun binnenste zich genoodzaakt zouden vinden, of om dezen Jezus te huldigen en met hunne gelieele liefde zich aan Hem over te geven, óf Hem met dat gevoel te haten, dat men jegens iemand koestert, die men het recht over ons te heerschen niet vermag te ontzeggen, doch onder wiens schepter men echter niet willens is, zich te buigen.

Velen onzer mogen zich wellicht in don zoo even geschetsten toestand bevinden. Zij hebben den Heere Jezus niet noodig, en weten ook niet van Hem los te komen. Zij ontzeggen Hem hunne onderwerping, en zien Hem toch onophoudelijk voor zich staan als eenen, die hunne onderwerping eischt. Zij willen hunne eigene wegen wandelen, en hooren toch onafgebroken in hun geweten zijn; „Herwaarts been, dit is de weg, en wijkt nu niet af ter rechter- of ter linkerhand.quot; Zij trachten met alle geweld zich te overreden, dat Hij slechts een mensch gelijk allo andere is geweest, en toch raeenen zij, zoo dikwijls zij Hem in den geest weder aanschouwen, aan zijn voorhoofd bet opschrift te zien blinken: Ik hen de Alpha en de Omega, de Eer-Me en de Laatste. Weet echter gij, die onder zulke indrukken zijner majesteit uwen weg gaat, en, om niet geheel onder zijne heerschappij te geraken, u genoodzaakt vindt. Hem altijd met geweld van u weg te stooten, dat hot ecne hoogst bedenkelijk en met gevaren bedreigd wordend standpunt is, waarop gij u bevindt. Uw strijd met Christus, dit treurig tegendeel van den hekenden Jacobskamp, kan ligt een einde voor u nemen, dat van het einde, dat hij van Judas Iscarioth nam, in niets onderscheiden is. Boven alles is ééne zaak wenschelijk voor u, de levendige erkentenis, dat gij als eenen den vloek onderworpen zondaar, eerder alles dan dezen Jezus ontberen kunt. Paart zich aan deze aandoeningen tegen uwen wil, die u in het aangezicht van Jezus Christus door het hart gaan, ook nog ter goede ure dit inzicht, zoo eindigt uwe innerlijke tegenstand tegen tien Heere der heerlijkheid eu do rechtsaanspraak, die Hij op uwe onderwerping-maakt, tot uw eeuwig geluk met een voetval des berouws en der aanbidding van zijne hoogheerlijke verschijning, en wel met den liefde-en boopademenden uitroep; Heere Jezus, Gij /one Davids, ontferm U mijner!

Onbewimpeld betuigt Pilatus voor de overpriesters en al het volk ; Ik vind geen schuld in Hem, en drukt hiermede het bevestigend zegel op de bekende Petrinische woorden, volgens welke wij, niet met vergankelijk goud of zilver, maar met het dierbaar bloed van Jezus Christus, als dat eens onscimldigen en onbevlekten Lams, verlost zijn.

ocr page 387

nm

Zeker getuigt het vnn een groot oppervlakkig denken, en van een zeer nietig redeneerkundig vermogen, dat liij enkel yeen schuld in Jezus vind. Eene groote schuld ligt in hot getuigenis van Jezus, dat Hij de Zoon des levenden Gods cn de Koning van het Koninkrijk der hemelen is, ingeval tlij hiermede onwaarheid sprak, en Zich enkel dezen hoogen titel aanmatigde. Was Hij echter gerechtigd, om zulke hooge dingen van Zichzelven le zeggen? Hoe! heeft dan de stadhouder niets beters voor Hem, dan het magere getuigenis, dat hij Hem slechts erkent zonder schuld te zijn? Doch ook reeds dat getuigenis nemen wij gaarne aan. De naam van den stadhouder werd daarvan met recht een onvergankelijk gedenkteeken in de geloofsbelijdenis der alge-meene Christelijke Kerk gesticht. In ieder geval zien wij met eenig gevoel den goedhartigen Romein aan, daarom dat hij den beschuldigden zoo genegen, en van diens onschuld en zedelijke onstralfeiijkheid zoo machtig doordrongen is. Zoo gaarne zette hij de mondelinge vrijspraak des rechtvaardigen, welke hij waagt te geven, met eene feitelijke vrijspraak de kroon op, doch de Joden, de keizer, zijn ambt, en nog zoo veel meer, staan hem in den weg! Ach, wie enkel de overtuiging des verstands, of slechts een natuurlijk vermoeden, maar niet de zondennood van het met schuld beladen hart met Jezus verbindt, aan dien zal de Heere, wanneer het op den stiijd aankomt, nooit eenen getrouwen verdediger, nooit eene voorspraak vinden. Zulk eenen ontvalt met Jezus niet zijn dierbaarste en onontheerlijkste bezitting. Om zijn gewetenswille zou hij wel gaarne met alle beslistheid voor Hem in de bres willen treden, maar de eerc bij de wereld, de gunst dor menschen, de huiselijke en gezellige vrede en wat dies meer is, oefent op hem oen veel machtiger, eenen meer overwegenden invloed uit. Ach hoe weinig vurige, krachtige en opentlijkegetuigenissen voor de Goddelijke heerlijkheid en Middelaarswaardigheid des Verlossers, worden er in onze dagen, wanneer het er op aankomt, geboord, zelfs onder hen, die het brood der kerk eten, en in de heilige bedieningen zitten te pronken! Hoe velesliiiphoeken ontdekt men, waar het ten laatste op eene zelfverloochenende belijdenis aankomt! Hoe vele vermijdende, ontwijkende en uitwijkende kunstgrepen worden er in hot werk gesteld, hoe vele Judaskussen gegeven en hoe vele fijne en vermomde verloocheningen gedaan! Aan predikers van het onver-valscht Evangelie ontbreekt het (de Heere zij er voor geprezen) in onze dagen niet meer, doch van waar kwam hun het Christendom, dat zij bet hunne noemen? Kunnen zij allen betuigen, dat zij het ook nog andere wegen zagen bewandelen, dan de weg van het spreekgestoelte des leeraars op hun schrift, of van schrift en boek in hun geheugen? Brachten zij allen het als een bezit der zegepraal uit diepe zielsworste-lingen te voorschijn? Kwamen zij tot Jezus, gelijk eene Magdalena tot Hem kwam, of de moordenaar aan het kruis, of de Apostel Pau-lus, die nog wel heden vertwijfelend in het stof liggen en de handen wringen zou, wanneer hij zich niet had kunnen oprichten aan Hem, met het oog op wien wij Hem booren betuigen; Ik heb nicl voorgenomen iets te weten onder u dan Je/us Christus cn dien (/ckruisifjd. Verre zij het van mij, mij tot rechter op te werpen, maar met allen

24

ocr page 388

;i7o

ernst moet ik bezorgd zijn, flat onder dezulken, die in otizen tijd weder gelooven, velen Pilatus-geloovigen gevonden worden. De Pilatusver-eering van Jezus echter, hoe veel waars en schoons zij ook reeds in zich bevat, zal op den dag van de groote schifting bevonden worden enkel kaf te zijn, dat als ten eenenmale onnut en zonder waarde, in de vier winden zal verstuiven.

II.

Pilatus heeft zijne innigste overtuiging van de zedelijke gesteldheid van Jezus uitgesproken, en nu beginnen de overpriesters, niet weinig over de geledene nederlagen onthutst, opnieuw beschuldigingen op beschuldigingen tegen den Rechtvaardigen uit te werpen. Zij hielden te sterker aan, zegt de heilige historie. Tegen beter weten en geweten aan, overstortten zij ilern met eene zee van woede en baat, en eerst nu komt bet woord van den profeet: Als een Lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders; alzoo deed HU zijnen mond niet open, in zijne volle vervulling.

Het beteekenisvolle en zinrijkste voorbeeldende figuur , tlat door Crod-delijke verordening met Israels historie en Godsdienst zich vereenigde, was het Lam. Ja, ons ontmoet reeds, zoo als wij vroeger opgemerkt hebben, voor de nauwelijks gesloten toegangen van bet Paradijs in het oifer van Abel het Lam als een voorwerp van bijzondere Goddelijke bedee-ling en welbehagen. Later is het het Lam met zijn bloed, dat het eigentlijk begin der Israëlietische volksgeschiedenis zijne wijding geeft. Het bloed des Lams aan de zijposten en bovendorpel der deuren gesprengd, is bet tusscbenlredend middel van Israels bewaring in Egypte voor het doodclijk zwaard van den wraakengel en de uittocht van liet volk uit het diensthuis der Farao's. Van toen af bleef bet Lam het meest uitkomend beeld, waarmede God aan de kinderen Israels den toe-komstigen Messias voor oogen stelde. Het verkreeg voortaan zijne blijvende plaats in Israels offerdienst in het algemeen, en in de jaar-lijksche viering van het Pascha in het bijzonder, bij welk laatstgenoemd feest ieder der huisgezinnen Israels naar de wet van Mozes gehouden was, een lam van het mannelijk geslacht en zonder gebrek tot het heiligdom te brengen, en met do hand op zijn hoofd, op plechtige wijze hunne zonden te belijden, het op voorbeeldende wijze met hunne schuld beladen lam in den voorhof des tempels ter slachting aan te bieden, en het dan, nadat het gebraden was, in feestelijke gemeenschap met blijdschap en onder lofgezangen tot Jehova te eten. liet profetisch zinnebeeldige lag bij deze geheele plechtigheid zoo geheel klaar in hot licht, dat ook de minst nadenkende onder Israël hot niet kon miskennen. Aan ieder, slechts eenigermate voor Goddelijke zinnebeeldige taal vatbare mensch, werd terstond en onafwijsbaar de gedachte opgedrongen, dat deze geheele Godsdienstige ordening niet anders ten doel had, dan in Israël met de herinnering aan de hen toegedachte groote zondenuitdelger, tegelijk bot vertrouwen en de hoop op Hem wakker en levendig te houden. Johannes de Dooper treedt op in de

ocr page 389

vyoestijn, en de eerste, Itij eike nieuwe verscliijuing des Heerlijken, zich vernieuwende groet, waarmede hij Jezus welkom heet, en als liet ware de binnenste kern zijner bediening en het middelpunt van geheel zijne verschijning aangrijpt en op den voorgrond stelt, luidt: Ziel het Lam Gods, dat de zonde der wereld wer/neemt. „Met welbekende Lam,quot; wil hij zeggen, „hot te voren geziene, bot in woord en beeld, in toeken en schaduw reeds lang aangekondigde, bet groot toon-^en tegenbeeld van do lammeren in Egypte, van de lammeren dos Tabernakels en der tompolen en bijzonder van de paaschlammo-ron, en hot tot do slachtbank afgezonderde en getelde Lam van den profeet Jesaja is gekomen.quot; En o, mot welke zalige aandoeningen des harten roept Johannes het daarom uit: Johannes, de door jaren lange vrucbtelooze arbeid tot zelfverlossing, onder den prikkel dor wet zoo diep verslagene, maar ook juist daarom voor den troost der verzoening zoo grondig toebereiden man! Mij roept met zijn ziet! de oogon der geheole wereld toe, om te zien, en weet, dat er voortaan in hemel en op aarde niets waarachtig zionswaardig is, dan dit Lam Gods. En zeker kenmerkt liij met de woorden: hel Lam, dat de zouden der wereld luerjneemt, het gelukzaligste en grootste van alle verborgenheden, en de eigentiijke kern, hot wezentlijkst middelpunt van hot Evangelie. Want als Christus enkel de Leeuw uit Juda, en niet ook tegelijk het Lam was, wat zou het ons baten? Als het Lam is Mij dei-volken troost, de ster dor hope voor de verhannenen uit hot Paradijs, de zon der gerechtigheid in do tranenvolle nachten van dezulken, wien de wet verdoemt, en het homelsch licht voor dezulken, die wandelen in het donkere dal der doodsschaduwen. Ja, dit alles is Mij als het Lam, dal de zonde der wereld wefjneemt. Deze uildrukking zegt echter meer dan dat de zonde der wereld zijn heilig harte bekommert; meer dan dat Mij do ongestalten dor monschheid geduldig verdroeg; moer dan dat Hij, al wat do zonde Mem smartelijk toebe reidde, met lijdzaamheid heeft ondergaan, en moor dan dat Mij door zijn leer en zijn leven do wegneming der zonde zou hebben bedoeld. De uitdrukking wijst ons nederwaarts in eene ondoorgrondelijke diepte. Christus droeg do zonden der wereld in een veel eigontlijker, lotter-lijkor zin dan de door zoo velen aangonomeno. Hij droog zo, naardien Mij zo aan Zich zeiven op een ons onbegrijpelijke wijze van do zijde (lods zijns Vaders zóó Hot toerekenen, dat zij niet moor de onze, maar de zijne waren. Want hoe lezen wij 2 Cor. 5 : 19? God, zegt de Apostel, rekende der wereld hare zonde niet loe. Wat kan dit anders betoekenen, dan dat God de wereld niet zelve hare overtredingen heeft laten boeten, noch voor hare zonden haar aansprakelijk heelt gesteld. „Doch,quot; zoo vragen wij met bevreemding, wanneer God de groote schuldenares zelve richtte', wien liet Hij dan hare misdaad misgelden?quot; Met apostolisch antwoord luidt inquot; het 20ste vors: God heeft dien, die //eene zonde gekend heeft, voor ons (in onze plaats) tot zonde gemaakt, liet tot zonde maken, moet overeenkomstig de voorafgegane woorden, hetzelfde boteekenon, als wat lot zonde aanrekenen beteekent. Zegt nu iemand, dat de zonde iets persoonlijks is, en dat zij wol in den weg der besmetting en verleiding, maar niet

ocr page 390

M-l

in die der toerekening van schuldige persoonlijkheden op eenen on-schuldigen persoon kun worden overgedragen, dan anlwoorden wij : Wie zijt gij, o mensch, dat gij het waagt om met Gods woord te twisten, dat hetgeen gij betwijfelt, niet alleen voor mogelijk houdt, maar als een liistorisch feit, als cone gebeurde zaak ons verkondigt? Hier is de betrekking der wondervolste vereeniging en verbinding niet uit bol oog te verliezen, waarin Christus met de menschbeid trad, eu welker geheimvolle diepten wij bier beneden nooit zullen doorgronden. Eenmaal zullen wij verbaasd staan, over den wijdomvattenden en diepen zin, in wolken Christus ons Hoofd geworden is, en in welk eenen letterlijken zin Mem den naam van Tweeden Adam toekomt. Alsdan zullen wij ook loeren erkennen en begrijpen, hoe zonder togenstrijdig-beid met de zedelijke wereldorde oeno vreemde schuld op Hem overgedragen , en Hij met de daad bet oiïerlam worden kon, dat de zonde der wereld wegneemt.

Houden wij nu deze Middelaarsbetrekking en dat Borgschap onzes Heeren vast in bet oog, dan verkrijgen de beschuldigingen, waarmede Christus in onzen tekst overstort wordt, eeno diepe zinnebeeldige bo-teekenis. Ofschoon zij op zich zelvon en in zoover zij den Heere als een zedelijk afzonderlijk persoon moeten gelden , de onteorendste lasteringen en longenen zijn, bebben zij toch ook weder eeno groot© waarheid en broeden grondslag. De wereld laadt de misdaden, waaraan zij schuldig is, naar Cods raad en wil, op baren plaatsbekleeder Jezus Christus over, en bare nietswaardige aanklachten moeten in bet einde slechts daartoe dienon, om ons mot de helderst brandende 'ich-ten do Lamgostalte van onzen grooton Middelaar te bestralen.

111.

Nog duidelijker echter openbaart zich bet Lam Cods in Christus, door de houding, die Mij onder do woeste aanklachten zijner tegenstanders aanneemt. Jezus zwijgt, als ware Hij werkelijk schuldig' aan alles waarmede zijne beschuldigers Hem belasten. Pilatus, niet opgewassen togen den storm, die met vernieuwde woede uit de volksmenigte zich verbelt, bidt bijna den lleere Jezus, dat Hij slechts één woord tot zijne zelfverdediging late booren. Maar Jezus zwijgt. Pilatus nog slechts alleen met den Heere bezig, zegt tot Hem: Antwoordt Gij niet? Boort Gij niet hoe vele zaken zij tegen U getuigen 9 Maar — zoo vermeldt de tekst —- Jezus antwoordde iiem niet op een eexig-

woord, af.zoo dat de stadiioudeu zich zeek verwonderde. Kil boe

zou hij zich niet verwonderd hebben, daar hij bet gedrag dos Hoeren slechts naar menschelijken maatstaf afmeet. Een ander beschuldigde zou in eenen oogenblik, waar bet als daar ter plaatse, om niets minder to doen was, dan om bet behoud of verlies dos levens, alles in der baast bijeengebracht bobbon, wat de geopperde beschuldigingen bad kunnen krachteloos maken, vooral, wanneer hem zoo veel ter beschikking had gestaan als den Heere. Eu Jezus zwijgt, leder andere zou ten minste bewijzen hebben gevorderd van de onbeschaamde aantijgingen, die men zich veroorloofde jegens hem in bet midden

ocr page 391

373

tc brengen, maar over de lippen van Jezus komt geen enkel woord. In zij ik i omstandigheden zou ieder zich van het leugenachtig priesterdom h roepen hehbeu op het geweten des volks, en hot rechtsgevoel van de nog niet ganschelijk verharden, waarvan er zeker nog velen onder het volk waren, wakker eu te voorschijn geroepen hebhen, doch Jezus doet geen beroep op iemand, heizij in den hernel of op de aarde. Och! bad Pilatus geweten, wie in dezen stilzwijgenden man voor zijnen rechterlijken zetel stond, hoe zou bij zich dan eerst grootelijks verwonderd hebben, ilij was hot, die eenmaal al de milli-oenen, die ooit op de aarde geleefd hebhen, voor zijnen rechterstoel zal dagen, om bet voor alle eeuwigheid geldende en beslissende eind-oordcel over hen te vellen. Hij was het, voor wien ook de kinderen Belials, die Hem thans met hun slijk bezoedelen, door den keten zijns vloeks gebonden, eens zullen moeten verschijnen, om onder den donder van zijn oordeel uit te breken in het gehuil: Gij bcrfien, valt op om, en gij heuvelen bedekt ons! En voor welk eene rechthank staat liij nu, en zwijgt Ilij stil als een man, die do hoop meent te moeten opzeggen, om het tegen hem ingesteld rechtsgeding te winnen! Doch Mij zwijgt, omdat Ilij het bij do bewustheid zijner onschuld beneden zijne waardigheid acht, om nog tegenover zulke aanklachten een woord te verliezen. Hij zwijgt, om aan deze roekelooze schare, welke aan hetgeen zij uitschuimt, zelf geen geloof slaat, de prikkel huns gewetens nog dieper in gebeente en merg in te drukken. Wel gevoelt Pilatus iets van deze uit Jezus stilzwijgen luid sprekende hoogheid en majesteit, en deze zijn voornamelijk de oorzaken van de niet enkel bevreemd opziende, maar werkelijk eerbiedige, ja bijna aanbiddende bewondering van den stadhouder.

De Heere zwijgt ook over zijne tegenwoordige lasteraars. Het is een zwijgen der lankmoedigheid, maar gedeeltelijk ook een zwijgen dor verontwaardiging, want ook zij lasteren tegen beter weten en geweten. Eenmaal zal Hij met ben spreken en dan zullen zij sidderend moeten erkennen, dat zij niet hebben gewild, dat Hij over hen heerschen zou. Christus zwijgt wanneer de zijnen over Hem murrnnreoren, en zich over zijne leidingen en wegen bezwaren. In de innigste bewustheid zijner onschuld, zwijgt Ilij ook hier, wel wetende, dat zij Hem eenmaal onder smeekend afbidden de handen zullen kussen daarvoor, dat Hij ze zoo en niet anders geleerd heeft, overigens zwijgt Christus op aarde niet. Wie slechtsquot; ooren beeft voor zijne stem, verneemt ze duizendvoudig aan alle plaatsen. Getuigend voor Zich zclven en zijne zaak, spreekt ilij nu met in het oogvallende oordeelen, met welke Hij zijne vijanden, en dan in handtastelijke zegeningen engebedsverhoorin-gen, waarmede Ilij zijne vrienden bezoekt. Hij spreekt door de ziele-sabbat dergenen, die op Hem vertrouwen, even als door hot gebrek aan vrede en don overvloed aan zorg en doodsvrees, welke Ilij den ongeloovige tot geleide geeft. Hij spreekt door verrassende bevestigingen, welke door do wetenschap bij baren vooruitgang dikwijls tegen haren wil moet gebracht worden, zoo als door menigvuldige teekenen des lijiis, waardoor bij hot licht bezien, niet anders dan eene letterlijke vervulling zijner voorspellingen te voorschijn komt. Door nieuwe

ocr page 392

374

yerlevendigingen zijner kerk, tegenover den vijand, die reeds zijn Ika-bod (de heerlijklieid is geweken!) over haar lieeft begonnen uit te roepen, spreekt Hij binnen de grenzen der Christenheid, en in de heidemverekl getuigt Hij door altijd nieuwe geestesscheppingen, die Hij in wondere werken als van ouds, uit eene schijnbaar hopelooze en afgesneden zaak tot stand brengt. En zoo wordt in den eigent-lijken zin des woords eene waarheid, wat Psalm 19 geschreven staat; Gccne spraak en. r/eenc woorden zijn er, waar hunne slem niet wordt f/ehoord. Hun richtsnoer gaat uit over de (jansehe aarde, en hunne reden aan het einde der wereld.

De diepste grond of oorzaak van het zwijgen van Jezus onder de woedende stem der beschuldigingen zijner aanklagers, hebben wij nog niet herdacht. Deze ligt in zijne Middelaarsbediening. In den lleere zwijgt hot Lam Clods, de Hoogepriester, de hemelsche Borg, die alles, waarvan ilij betigt wordt, voor het aangezicht Gods zonder tegenspraak op Zich neemt, omdat Hij het als do plaatsbekleedende alge-meene schuldenaar voor ons boeten eu misgelden wil. Hierop wijst zeer bijzonder het geroep ziet, waarmede de dooper Joiiannes eenmaal met de glans der blijdschap op bet gelaat, geheel de woestijn vervulde. Ja, zie, gij van tranen druppend oog, die in u zeiven niets meer dan zonde ziet, en den troon van enkel vuurvlammen hebt gezien , alsook het handschrift dat in de onherroepelijke wet van Sinaï tegen u getuigt. Beneveld oog van den moordenaar aan het kruis, dat met schuwen blik slechts naar beneden ziet en niet meer waagt ten hemel op te zien, o, zie hier blinkt uw morgenster, hier schittert uwe vredezon. Zie hier het waarachtig tegenbeeld van Abels offerlam, van het beloftevol paschalain. Wat baat het n, o van schuld neèrgedrukto ziele, dat gij u omspint met het web uwer droefheid, en met uw denken en he trachten slechts aan uwe ellende blijft vas!kleven. Zie! Het geneesmiddel is gereed. Wanhoop aan alle zelfontzondiging. waarmede gij u eeuwiglijk te vergeefs zoudt bezig houden. Wanhoop echter niet aan uwe redding en zaligwording, want zie, hier is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Leg de hand op dit Lam en heb rust. Zijn bloed in het rechte licht .aangezien, want dat brengt alle stormen tot rust, geneest alle wonden, omdat het alle zonden ganscbelijk verdelgt en den vloek, die op baar gedreigd werd, weggenomen beeft, liet is dit bloed, dat al de wanklanken in ons binnenste harmonisch oplost, alle hartstochten beteugelt, en bet gebod, anders eene keten, tot eenen zachten leiband maakt, waaraan men, omdat God ons er met zijn vaderhand door leidt, met blijdschap en opgewektheid voortgaat. En in den blik daarop ligt de zegepraal, welke de wereld overwonnen heeft en met de wereld eiken nood des levens en des stervens.

Mocht zich dan altijd meer het beminnelijk Lam Gods ontsluieren, en wanneer het zich ook aan ons gevoel spaarzaam te genieten geeft, houden wij nochtans ook in het donkere aan het Lam vast. In ons brekend oog nog zal het zich afspiegelen, dat wij aan bet Lam hebben vastgehouden, en wanneer ons dan aan de andere zijde het oog weder geopend wordt, dan zullen wij het Lam zonder eenig omhulsel

ocr page 393

375

aanschouwen. Dan verbergt geen wolk ons Mem meer. Wij zinken, de lidteekenen zijner wonden kussende, aanbiddend voor Hem neder, en stemmen met de scharen der voleindigd i'eclitvaardigen in den nimmer eindigenden lofzang: Hel Lata, dat r/eslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en den rijkdom, en de tuijsheid, en sterkte, en eere, en heerlijkheid, en dankzegging.

Christus , Gij Lam Gods !

Gij, die der wereld zonde draagt,

Ontfermt U onzer!

Christus , Gij Lam Gods !

Gij, die der Avereld zonde draagt,

Geef uwen vrede!

Amen.

ocr page 394

XXXVI.

G II R I S T US VOOR HERO D E S.

Ware de heilige lijdensgeschiedenis eene verdichting, zij zon als zoodonig hel grootste zielkundig raadsel onder den hemel zijn; want in al do trekken dezer geschiedenis komt de houding des Hoeren Jezus op zijnen Iblterweg als een zoo oorspronkelijk, eensoortig, eigenaardig en buiten de lijn aller menschelijke berekeningen liggende voor, dat het geheel onbegrijpelijk zou zijn, hoe eenig rnenschelijke geest haar zonder aanleiding der werkelijkheid ooit zou hebben kunnen uitvinden. Wat de Zaligmaker Mattli. 2ü : 31 zijnen discipelen toeriep: Gij zult allen aan Mij fjeërycrd worden! dat heeft Hij tot de menschheid in het algemeen gezegd. Alleen met weêrzin volgt de rede den Ilse re schrede voor schrede, en weet zij bij de eerste ernstige ontmoeting bijna in geene zaak met llern tot instemming en verellening te komen. De verdichtende verbeelding zou den Heere wel iu zeer zeldzame gevallen zóó hebben laten handelen en zich laten gedragen, als de geschiedenis Hem handelen laat. Doch juist daardoor, dat de geschiedenis zoo rechtstreeks tegen alle menschelijk vermoeden en onderstellen inloopt, verkrijgt zij trek voor trek een verrassend en bevreemdend karakter, waarin zij ons echter enkel den stempel van hare historische waarheid kenbaar maakt.

Onze tegenwoordige tekst zal ons het zoo even gezegde bevestigen. Hoe geheel anders zou het tooneel in het paleis van Ilerodes onder de handen der verdichtende verbeelding geworden zijn, als zij in de schets van bet Evangelie ons voor de oogen treedt!

Lucas 23 : 5—12.

En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, leerende door (leheel Judéa, begonnen hebbende van GaliUa tot hiertoe. Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij, of die mensch een Galiléër was ? En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond

ocr page 395

377

hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd, want hij was van overlang begeerig geweest Hem te zien, omdat hij voel van Hem hoorde, en hoopte eenig teeken te zien, dat van Hem gedaan zou worden. En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niet. En de overpriesters en schriftgeleerden stonden en beschuldigden Hem heftiglijk. En Herodes met zijne krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatns. En op denzelfden dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander, want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen.

Wij ontmoeten thans den Heere voor liet derde gerechtshof. De eene smeltoven na de andere neemt Hem in zich op, doch enkel opdat daarmede de zuivere goudgrond zijns wezens altijd duidelijker in het licht trede. En hoe helder straalt deze in do oogen , hij elke openbaring, welke Jezus van Zichzelven doet. Men kan hier met Jeremia zeggen: ï)c blaasbalg is verbrand, het laad is van hel vuur verleerd, te vergeefs heeft de smelter zoo vlijtig (jesmolten, dewijl de boozen niet afgetrokken zijn.

De tegenwoordige afdeeling der Lijdensgeschiedenis stelt ons drie gewichtige zaken voor oogen ;

I. een wereldspiegel,

II. eene ilikkerende offervlam, on

III. eene verheerlijking van Jezus, tegen den wil van hen, die ze aanbrengen.

Laat ons het eene na het andere meer van nabij beschouwen, en moge het den Heiligen (leest helmgen, ook in onze tegenwoordige beschouwing eene bron tot versterking van ons geloof te openen!

1.

De zoo ondubbelzinnige en bepaalde betuiging van Pilatus; Ik vind geene schuld in dezen mensch! Iieeft onder de beschuldigers van Jezus zijne werking niet gemist. Als door het oaweder getroffen staan zij daar, en miskennen het gevaar niet, dat het uiteinde van geheel linu bedrijl bedreigt. Hield Pilatus den aangeslagen toon zijner rechterlijke beslissing manmoedig vol, zoo kon het niet anders, of bij een groot deel der verzamelde volksmenigte zou het door geweld gebonden en onderdrukte gevoel van recht do aangelegde ketenen in stukken gebroken hebben, en Christus wellicht onder bewegingen, die voor den hoogepriester en de overheden des volks zeer bedenkelijk konden worden, in vrijheid gesteld, ja, met nieuwe Hosanna-jubels gevierd worden. Zulk eene wending van zaken moeten de vijanden met al hunne ter hand staande middelen tegenwerken. De hoofden «les volks verhollen daarom opnieuw hunne beschuldigende slem, doch terwijl zij elkander overschreeuwen, zoo gelukt hel hen toch niet, de verlegen-;

ocr page 396

378

hcid, waarin zij rondtasten, goh oei te verbergen. Hunne besclmldigin-gen, ofsclioon nog luider en met nog meer rumoer dan vroeger opgeworpen, dragen onmiskenbaar reeds de sporen van hunnen zinkenden moed aan zich. Jn plaats van den Heere, gelijk vroeger, rechtstreeks tot een oproermaker en schuldige aan hoogverraad le bestempelen, en wel gevoelende, dat zij met hunne plompe aanklachten het gewenscht gehoor niet meer zullen verkrijgen, en van de noodzakelijkheid overtuigd , om feitelijke bewijzen bij te brengen, zoo stemmen zij hunne beschuldigingen af op de eenvoudige stelling, dat Hij door zijne leer, waarmede Hij in Galiléa begonnen en door geheel het Joodsche land voortgegaan is, het volk beroert.

Hoé licht ware het Pilatus geweest, om door eene snelle en verstandige gebruikmaking van dit gunstig oogenblik zijnen beschuldigde, cu met dezen, zichzelven en bet eigen geweten zegevierend te redden. Hij behoefde slechts, om de reeds meer dan half geslagen vijanden geheel in verwarring te brengen en te ontwapenen, hen krachtig toe te roepen: Hoe schandelijk begint gij reeds uwe schaamtelooze verdachtmakingen terug te nemen, en uzelven het brandmerk van nietswaardige leugenaars op het voorhoofd te drukken! Do vrees heeft echter in den armen man zulk eenen graad van sterkte bereikt, dat zij hem van het vrij gebruik zijner verstandelijke krachten berooft en de ergste parten speelt. Ja, in bet blind rumoer, waarin zich niet anders dan de vertwijfelende onmacht der wederparlijders openbaart, meent hij, wie weet welk een nieuw onweder hoven zich le hooren losbarsten, en hoe blijde is hij, toen hem de vermelding van Galiléa, volgens zijne meening, bet uitzicht op eenen nieuwen bliksemalleider opent. „Uit Galiléa is uw beschuldigde?quot; zoo vraagt hij haastig; en nadat men hem deze vraag bevestigend beantwoord heeft, roept bij met de blijdschap van eenen schipper, die na eene lange stormachtige dwalende vaart eindelijk land ontdekt, uit: „Dan behoort hij onder bet rechtsgebied van Herodes!quot; Onverwijld geeft hij bevel, dat men Jezus naar dezen vorst, die zich gelukkig thans, van wege het feest, te Jeruzalem bevond, gebonden heenvoere; en niet anders, dan alsof hem een berg van het hart gewenteld is, is het hem, toen hij denbeklagelijken man, in geleide van den hoogepriester, der wapenknechten en van het ach-teraandringende volk, werkelijk ziet aftrekken.

Wij kennen Herodes Antipas, viervorst van Galiléa. Hij is dezelfde ellendige en karakterlooze wellusteling, die, nadat hij zijne gemalin, eene dochter van den Arabischen koning Aretas, verstoeten had, en met Herodias, de vrouw van zijnen halven broeder, de bekende bloedschendige betrekking had aangeknoopt, op aandrang van de laatste, Johannes den Dooper, die hem in den naam van God zijne misdaad voorgehouden had, in de gevangenis liet onthoofden, doch die deze bloedschuld daarmede moest boeten, dat hij onder de geeselslagen van zijn geweten spoken zag, en toen bij van Jezus en diens daden hoorde, bét iiiet bij zich liet wegredeneeren, dat deze wonderdoener de door hem vermoorde, maar van de dooden weder opgestane Johannes was. Sadduceër van richting, ja, meer beiden dan Israëliet, en een geheel aan zinnelijk genot overgegeven, verwijfd mensch, was hij daarom niet

ocr page 397

370

minder, zoo als dusdanige karaktertrekken veelvuldig in ééne persoonlijkheid te samen komen, niet afkeerig van goddelooze geweldoefening en in staat lot de verfijndste wreedheden. Lucas bericht van hem, dat hij vele kwade daden gedaan heeft, en liet eenige woord van snijdende ironie, dat over de lippen van den Vriend der zondaren kwam, geldt dezen jammerlijken , in alle kunsten der vermomming en der huichelarij zoo welgeoefenden vorst. Toen namelijk op zekeren dag eene menigte van i'arizeën tot Jezus trad, zeggende; Ga weg en vertrek van hier, luant Herodes wil u dooclen! bemerkte de ileere terstond, dat Hij in deze schijnbaar welwillende raadgevers slechts algezondenen van dezen zelfden Herodes voor zich zag, die, omdat hij geen moed genoeg had, om de gewelddadige hand aan hem te leggen, hem door bloote bedreigingen uit zijn gebied hoopte te verwijderen, en daarom antwoordde hij den huichelaren, hen met hunnen gekroonden afvaar-diger tot hunne diepe beschaming ontmaskerende: Gaat heen en zegt dien vos, zie, Ik werp duwden uit en maak gezond, heden en morgen , en op den derden dag word Ik voleindigd, doch Ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen.

Ook tot dezen jammerlijk in vleeschelijken lust verzonken mensch dus, bij wien allengs met het geweten, ook elk besef van het hoogere was uitgebluscht, wordt Christus heengeleidt, opdat Hem niets smadelijks en grievendst ontga, en er geene rechtbank moge opgenoemd kunnen worden, voor welke Hij niet zou gestaan hebben. Onder een woest rumoer, komt de van wraakzucht vervulde schare der priesters en Farrizeen met hare prooi voor de woning van den Galileeschen koning, en deze hoorende, welke beteekenis deze vreemde volksver zameling lieeft, gebiedt hij de geestelijke heeren met hunnen beschuldigde tot hem binnen te komen. Zwijgend en met een ernstig gelaat nadert Jezus zijnen landvorst. Deze echter — zoo meldt ons de heilige geschiedenis — hoorende, dat het Jezus was, werd zeer verblijd, want hij was van over lang begeerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde, en hoopte eenig teeken te zien, dat van Hem zou gedaan worden, liet zou ons kunnen bevreemden dat Herodes den Ileere, die zoo dikwijls in Galiléa was, nooit van aangezicht gezien had. Doch do Zaligmaker had de residentiestad Tibérias, hoe dikwijls Hij Zich ook in hare nabijheid bevonden bad, nooit mot zijne tegenwoordigheid vereerd, en zelf eene poging te doen, om zich bekend te maken met deii veel besproken Nazarener, kon natuurlijk eenen van alle Godsdienstige belangen zoo ver vervreemden en tegelijk zoo trotschen en overmoedigen mensch als deze koning was, niet in den zin komen. Doch liet veroorzaakt hem geen gering genoegen, om thans nog, en dat wel zoo gemakkelijk, en zonder zich in eenig gevaar te stellen, eenen ongetwijfeld lang gekoesterden wenscli to ver-viillei): „Het is in alle geval, zoo dacht hij bij zichzelven, een belang-rijk tijdverdrijf, een onderhoudend schouwspel! En, wanneer Jezus er zich ! toe lie wegen liet, om iets toekomstigs te ontsluieren, of een wonder te doen, hoe genoegelijk zou ons dan dit uur kunnen worden!quot; Dus, in den kring zijner vermaken hoopte Herodes den Zaligmaker der wereld te zullen trekken, even als hij gich niet geschaamd had,

i.

ocr page 398

380

orn het lioofd van Johannes den Dooper hinnen het gebied der liof-viM-maken te brengen. De koning beloofde zich eene veraangenaming int de aanwezigheid ties IJeeren, even als men dat dool uit de tegenwoordigheid van eenen goochelaar. Hij vertegenwoordigt hiermede dat lichtvaardig en ijdel volk, dat volgens de apostolische uitdrukking geen' geest heelt, en voor wien alles, ook het hoogste tot een schouwspel wordt. Deze gezindheid waagt zich immers tot zelfs iu het hin-nenste des heiligdoms, naardien er lieden zijn, die ook 'vvel ten minste in predikatie, in geschrift, in beeld of geschiedenis (Jirislus begeeren te zien, echter alleen van wege het kunstgevoel en het kunstgenot, dat zich wellicht mot de voorstelling van zijn persoon vereenigt, of van wege de belangrijke nieuwigheden, die men van Hem hoopt te hooren, of ter oorzake van andere onderhoudende zaken, welke dit heilig voorwerp voor hen medebrengt, (lenoeg, zelfs de kerk wordt door zulke lieden tot eene komedie, de predi kal ie lot een tijilverdriji, het Kvan-gelio lot eenen roman, en de geschiedenis der bekeering tot eene vei-telling. O, hoe gevaarlijk is de toestand dezer menschen, in wier wonderlijk ziolsgehoor alle ernst in ijdelo scherts, en alles wat hen schokken moest', in' spel en verlustigende gekkernij zich oplost! Eer zij er op verdacht zijn , kan het met hunne winderige manier van handelen daartoe komen, dat de hartversch(||'en(lste schildering van het laalste. oordeel geen' anderen indruk meer op hen maakt, dan een welgelukt tooneel bed rijf op hen uitoefent, en het schriktooneel der hel quot;nog slechts als eeii vermakelijk vuurwerk voorbij hen henen-gaat, en niets anders hij hen te weeg hrengt, dan liet werkelijke vluu-werk gewoon is te doen.

lierodes staart de naar hom geleid wordende Jezus met nieuwsgierige oogen aan, en nadat hij Hem van liet hoofd lot do voeten heelt opgenomen, steil hij het zich tot eene taak, om llem met de eene dwaze vraag na de andere lastig te vallen. I)e lieere echter verwaai-digt zich niet, hem Ie antwoorden, maar bewaart het diepste stil-zwijoen. De koning houdt aan met vragen, ie vergeefs, de /zaligmaker zwijgt. De koning moedigt Hem aan, dat Hij een wonder doe; de lieere kan hem dezen wensch niet inwilligen en geeft hem dit nadrukkelijker, dan dit met woorden geschieden kan, door zijn aanhoudend zwijgen Ie kennen. De hoogepriesters on schriftgeleerden m toorn ontstoken over deze zijne lijdelijkheid, zeiten opnieuw hunne lastertongen in beweging, en beginnen wederom llem hard te hese,liuldigen. Jezus acid. hen geen_ antwoord waardig, maar volhardt in zijn, ik zou bijna zeggen waarlijk beangstigend, en bijna huiveringwekkend stilzwijgen. Eene tweede klasse van kinderen dezer wereld treedt hier binnen onzen gezichlskring. Het zijn dezulken tegen wien Christus begonnen beeft zich zwijgend te houden, en waarvan wellicht menigeen zich in ons midden bevindt. Neen, mijne vrienden! toen stondquot; het met u nog niet op zijn slechts, toen do lieere nog den donder der wet over uw hoofd ratelen en zijne schrikkelijke bedreigingen voor uwe ooren hooren liet, als Hij, nu hier, dan daar, zijn: 'ji.i ~i)t ccn man (fcs doods! u toeriep, en n in den dienst der ijdelheid quot;geen rust noch verpoozing gunde. Deze toonen vau don ernst, die,

ocr page 399

m

hetzij in liet woord, hetzij in liet leven, hetzij in gezichten hij nacht of in diep ingrijpende tuchtigingen, u toenmaals schokten en schudden, kondigden zich nog ;ds stemmen zijner ontferming aan, on konden voor getuigenisson gelden, dat Hij nog niet opgehouden had, de touwen der reddende liefde naar n uit te werpen. Sedert gij echter zijne stem niol. meer hoort, en zijn mond zich over u schijnt gesloten te hehhen, moet liet ons in de hoogste male hang worden, en gij hebt reden om voor het ergste te vreezen. Onzaligen! hoe iioht gij alles reeds overweldigd en herneesterd! Gedenkt uwen vorigen dagen, hoe menigmaal galmde door uw hinnensto de roepstem: „Verblinde! gij wandelt op den weg des doods!quot; Hoe menigmaal werden de diepten des verderfs, waarin gij verzonken ligt, doorsneden van een' bliksemstraal, die met de helderheid van den dag, u in hot licht stelde, wat u boven alles van noode is. Moe menigmaal verscheen ook voor uwe deur een bode des hemels, en lluisterde u verstaanbaar toe: „Haast n uit dit Sodom en red uwe ziel!quot; Hoe menigmaal zweefde de aanlokkelijke hartsversmellende vraag tol u neder: „Waarom wilt gij niet tot Mij komen, opdat gij het leven hebben moogt?quot; Kn ach, alle deze stemmen en toespraken wist gij meesier te worden. Nochtans hield het lokken, dreigen en waarschuwen der Goddelijke genade in uw binnenste niet op, alleen werd bet allengs zwakker en zachter. Wat vroeger als een bliksemstraal insloeg, dat nam nu af tot een mat weerlichten. Wat eenmaal als donder over uw hoofd ratelde, ver-zweefde spoedig tot een nog maar zacht hoorbaar gemurmel. Thans hoort gij van dit alles niets meer, maar gaat in de diepsle rust uwen doodsweg. Geen goede geest stelt u meer uwe zonden voor oogen, en moge nog altijd natuurlijk het woord van Christus naar u toekomen en u bereiken, in uw binnenste heeft Christus opgehouden zoowel u te lokken en ie waarschuwen als u te beschuldigen en te veroor-deelen. Dit is de aanvang van zijn rechtvaardig gericht over u. /je toe, dat dat aanvankelijk begonnen zwijgen des Heeren, niet overga en zich voleinde in dat volstrekt en eindeloos zwijgen, zoo als wij dit den Heere tegenover Herodes en zijn hofgezin zien doen, waardoor Hij maar al te ondubbelzinnig Ie kennen geeft, dat Hij hier met men-schen te doen heeft, die in hunne rijpheid ten verderve, reeds door de eeuwige erbarming zijn opgegeven. Voor dezulken heeft Hij Zich niet meer te openharen, maar Zich in altijd dieper bedekking terug te trekken. Ergeren zij ^icli aan Hem, zoo zijn zij voortaan daartoe gezet, zeker niet uit willekeur, welke in God niet is, maar door eene beschikking der allerhoogste gerechtigheid, welke dezulken, dien op allerlei wijs liet geloof wordt aangeboden, maar die echter tegen hun beter weten en tegen hun geweten, het altijd weder van zich stooten, eindelijk in hunnen verkeerden weg overgeeft, en het als een welverdiende vloek over ben laat komen, dat het eenig reddend woord, het woord des levenden Gods, voor hen als één bundel draden uiteenvalt en het zwaard des Geestes stomp, de wacliterroep van Slons muren zonder klank, zonder kracht en zonder vrucht voor hen wordt. Gelooft liet, mijne Vrienden! wanneer ik u uit angst voor hel eu oordeel de handen wringen , ja bloedig zweet vergieten zag, dat ik u alsdan iti

ocr page 400

M

(Iczon uwen toestand oneindig zaliger prijzen zon , dan thans in uwen bedenkelijken doodelijken vrede. Mocht er altijd eeno verschrikking zijn van onze ziele voor de rechterlijke stem van Hem, die op den troon zit, al is het ook tot aan de grenzen der wanhoop; slechts tot geen prijs een zwijgen, een stemmeloos worden van den Koning der koningen in ons binnenste! Iets erger dan dat, kan een sterfelijk rnensch niet overkomen.

Doch terug tot de geschiedenis van onzen tekst. De Heere kan dan zijnen vorst en diens omgeving ditmaal niet ter wille zijn. Uit zijne lijdelijke houding maken echter do ellendigen het besluit op, dat Hij niets kan doen, en zoo beginnen zij Hem te verachten, Ja den spot met Hem te drijven. Deze trek wijst ons op eenc derde soort van kinderen dezer wereld; aan eene soort, die niet minder beklagenswaardig cn onzalig is, dan de zoo even aangewezene. Er zijn menschen en ik ben bezorgd, dat zij ook onder ons zijn, die het zich nu eenmaal in het hoofd gezet hebben, om van Christus hetzelfde te denken, wat Horodes en diens dienaren van Mem dachten, doch wien het even zoo gegaan is als deze. Ook zij kwamen op de gedachte, wonderen en teekenen van Jezus te begeeren. Zij vorderen het eene of het andere op eene biddende wijze; Hij moet iets voor hen doen, hetzij dat Hij hen ijlings uit eenc verlegenheid redt, of dat Hij aan eenigen nood paal en perk stelt, of dat Hij deze of die onderneming meteen gelukkig gevolg kroont, of door welk ander bewijs zijner almacht Hij Zich ook aan hen te verheerlijken hebbe. Met onboetvaardige harten dringen zij daarop bij Hem aan, en begeeren de tusschenkornstdesHeeren enkel, óf om te beproeven of Hij werkelijk leeft en het gebed verhoort, of om in eenen geheel vleeschelijken zin, ingeval Hij Zich als een levende Heere bewijzen mocht, hen voortaan in den dienst hunner eigenbelangzuchtige bedoelingen te trekken. Jezus verhoorde hen niet, maar zweeg. Zij I lerhaalden het verzoek en vernieuwden om gelijke redenen, en met dezelfde grootlieid hunne aanspraak. Doch andermaal volgde een diep stilzwijgen in den hemel. Geen wonder geschiedde; geene hulp toonde zich. Thans kwam het deze onzaligen als eene uitgemaakte zaak voor, dat Jezus niets vermag en dat het een waan is, dat Hij zou leven en werken. Zij verkrijgen er nu eenen afkeer van, om voortaan van de zoogenaamde ondervindingen des heils, door de ge-loovigen te hooren spreken, omdat zij daarin nu enkel huichelarij en leugen, of zelfbedrog en misleiding meenen te zien. Ja, een geheime bittere haat tegen Jezus, en diens aanbidders, is sedert als een bittere wortel in luui hart opgeschoten. Zij gunnen Christus geene biddende lettergreep meer, en vergrammen, waar anderen op Hem hopen. Zijn deze menschen in het oordeel der verharding vervallen? Nabij aan dit oordeel zijn zij zeker. Doch al waren zij ook reeds in dit oordeel, zoo zouden zij de schuld er van niet aan Christus kunnen geven, naardien Hij nergens beloofd heeft. Zich aan dezulken te openbaren, die Hem enkel voor de belangen huns vleesches te baat willen nemen, terwijl hun aan zijn persoon verder niets gelegen is. Op de nederigen ■— dit heeft Hij gezegd — wil Hij zien, en naar de zuchten der gebrokenen en liefde dorstende harten wil Hij hooren. Wat heeft Hij echter met eenen Herodes en zijns gelijken te doen.

ocr page 401

:k{

tiet zou beneden zijne waardigheid zijn, de aanzoeken nn opeischln-gen van zulke menschen anders dan niet een al'vvijzend stilzwijgen te beantwoorden.

II.

Nadat wij eenen vluchtigen blik geworpen hebben in den wereld-spiegel, die ons door ons tegenwoordig tekstverhaal voor oogen wordt gesteld, keeren wij ons naar oene andere zijde. In onzen tekst flikkert eene oltervlarn, en het brandoffer, dat door deze vlam verteerd wordt, is Christus. Ontzettend zijn de krenkingen en kwellingen, die Hij hier door te staan lieel't. Reeds dat men met Hem, als met eenen speelbal handelt, zoodat Pilatns Hem naar den vorst van Galiléa toezendt, met oogmerk om dezen daardoor eene beleefdheid te bewijzen, en dat dan Herodes, om het compliment te beantwoorden, Hem weder naar den landvoogd toezendt, ten einde dezen de eer van de laatste vonnisvelling over te laten — welk eene onteering is het, die door dit alles den Heere wordt aangedaan. Doch dit is eerst hot begin van het versmaden en vernederen. Wat moet Hij eerst in de tegenwoordigheid van Herodes en diens hofgezin over zich zien uitgestort? Ais een goochelaar wordt Hij door hem behandeld. Men zet Hem aan, om door het betoenen zijner kunst het gezelschap te verlustigen. Met de spotziekste vragen kwetst men zijne ooren, en daar Hij bij dat alles met gebogen hoofd het zwijgen bewaart, loopt de maat der lastering en der bespotting tegen Hem spoedig over. Als een onnoozel mensch wordt Hij behandeld, die het aanzien, hetwelk Hij verkregen, de opgang, dien Hij gemaakt had, in het geheel niet waardig was, en die men, nadat Hij thans zijne rol uitgespeeld en slechts als een belachelijk dweeper zich bewezen had, enkel aan de algemeene verachting prijs kon geven. Herodes achtte bet niet der moeite waardig, om op de beschuldigingen, die de overpriesters tegen Hem uitschreeuwden, ernstig acht te slaan. „Men legge toch,quot; zoo dacht hij, „geen te groot gewicht op datgene, wat deze dwaas Zich veroorloofde onzinnigs van Zichzelven te beweren. Hij is immers voor zijne dwaasheden genoegzaam gestraft, dat Hij thans voor het oog van geheel de wereld in idjne onmacht openhaar wordt, en het voorwerp is van de schouderophaling des medelijdens, ja, van opentlijk gelach.quot; Zoo denkt hij, en hij spreekt uit wat hij denkt, hoofdzakelijk daardoor, dat hij in eenen vroolijken luim den Heere een wit kleed laat aandoen, om Hem daardoor zoowel tot eenen spotkoning als tot een spotbeeld van eenen filosoof te maken, ja, wellicht Hem ook als een krankzinnige te kenmerken, omdat men namelijk in Israël juist deze ongelukkigen in witte overkleederen gewoon was te kleeden.

Ziet, mijne Vrienden! dat is het olïervuur, dat in onze tegenwoordige geschiedenis flikkert. Zegt mij nu echter, hoe de Hoogheilige, die in den hemel woont, zulk eene verguizing van den Zoon zijns wel-behagens in kalmte en zonder met al den donder zijner gramschap er in te slaan, had mede kunnen aanzien, wanneer de Heere Jezus slechts voor zijn' persoon, en niet te gelijk in eene ongewone betrekking en geheimvolle tussehentreding, deze ongehoorde onteeringen had

ocr page 402

M

ondervonden. Gij weet echter, dat Hij toen aan onze plaats, en \vel ])ij wijze van toevekeniny, als de andere Adam, met onze sclmld beladen voor Hem staat. Ja, ook hier hoort Hij de roepstem des eenwi-o-en Vaders; /waard, ontwaak Irtjcn mijnen herder, en tegen den man, die mijn, medfjezel is! Ook hier vervult zich aan Hem de oude spienk der proleten:' J)e Heere heeft onzer aller ongerechtifihcid op Hem doen laanloopen! en de andere: De straf, die ons den vrede aanbrengt, lag op Hem! En don 1 leere zij lol', dat deze zaken zoo en niet anders staan. want nooit vermocht ik , ofschoon ook een engel uit den hemel mij de boodschap overbracht, de bewustheid bij mij plaats geven, dat mijne zonden mij met toegerekend zullen worden, wanneer mij niet ook te gelijk geopenbaard ware, waar dan do mij afgenomen schulden gebleven zijn. Niets is mij toch levendiger bewust, dan dat zonden, zoo bloedrood als de mijne, niet willekeurig, als nietsbeteekenende kleinigheden, mij vei -o'gvgii of wel buiten aunmerking gelaten, en over het hoolcl gezien kun-nen worden. Wanneer dit plaats had, hoe zou het mij dan nog verder mogelijk zijn, aan eenen God der heiligheid en der gerechtigheid te -elooven? Doch nu komt het Evangelie tot mij, en verhaalt mij met duidelijke spraak de geschiedenis mijner misdaden, en hoe zij van mij op den man, die in mijne plaats trad, zijn overgegaan, en in deze plaatsbekleeding grijp ik thans den rechtsgrond mijner zondenvergevmg als met de hand. ' Gelijk voor Hannas, voor Kajafas en voor rilatus, zoo staat ook voor Herodes de Heere niet enkel voor het menscbelijk quot;ericht, maar Ie gelijk ook voor bot gericht van God; eu mijne zonde fs het voor welke Mij boet, mijne zonde, voor welke Hij ten volle betaalt. Wat wonder dus, dat Hij Zich zoo geheel gelijkmoedig bloot «reeft aan de vergiftige pijlen, die Hem de eene kwetsbare plaats des harten na do andere treilen. Wat wonder, dat Hij zonder tegenspraak de vreeselijkste beschuldigingen aanhoort, en Zich met het geduld van een lam, gelijk tot eenen godslasteraar en dweeper, zoo ook tot oenen oproerige en lot het hoofd eener oproerige bende liet schelden. Wat wonder0, dat Hij bet zelfs met gelijkmoedigheid verdraagt, dat de spanning, waarmede Herodes aanvankelijk zijne verschijning te gemoet zaquot;0 allengs omkeerde in verachting van zijn' persoon, als een medelijdenswaardig onnoozel mensch. Wat wonder, dat Zich de Heere der heerlijkheid 'zelfs tot een doelwit van de jammerlijkste gekkermj van een verachtelijk overspelig hofgezin liet vernederen. Ontzettend is het wat men zich tegen Hem veroorlooft, en het lag in zijne macht, om' dooi- eenen wenk zijner hand do goddelooze scharen aan zijne voeten te verpletteren; doch Hij verzet Zich niet, maar zwijgt, wan. Hij weet: „Hier is Gods altaar en offervuur, en het voorziene Lam

In welk eene diepe vernedering nu echter de heilige geschiedenis ons den Heere hier voor oogen stelt, zoo is zij echter ook bier wederom geheel en al apologetisch, dat is, met den Heere verheerlijkende en ons geloof aan Hem bevestigende trekken doorweven.

Reeds in de kinderachtige vreugde, waarmede Pilatus vervuld wordt

ocr page 403

as,quot;

door liet uitzicht, om liet rechtsgeding van Jezus in eene andere hand over te brengen, spiegelt zich ondubhelzinniger nog, dan in al zijne mondelinge betuigingen, zijne diepe bewustheid van de onschuld en onstrallelijkheid des Beschuldigden af. Zijne ziel jubelt bijna bij de toevallig gehoorde bijzonderheid, dat de naaste overheid van Jezus do viervorst van Galiléa was, waaruit wij kunnen alleiden, welk een geluk de Romein het achtte te zijn, om zich van de deelneming aan de schuld door het veroordeelen des Ilechtvaardigen te onttrekken.

Van Herodes heet het, dat bij zeer blijde was Jezus te zien. Deze ongewone vreugde van den Galileeschen vorst daarover, dat hem eindelijk eenmaal de gelegenheid werd aangeboden, om Jezus van nabij te aanschouwen, is in een apologetisch of verdedigend opzicht niet minder beteekenisvol en strekt niet minder den fleere tot verheerlijking, als de blijdschap van Pilatus, dat bij gelukkig vrij van Hem geworden was. De Zaligmaker moet dus een groot opzien in het land verwekt, en niet in verborgene plaatsen, maar op de openbare markten en wegen zijne werken hebben getoond, dat llerodes zoo brandende kon zijn van het verlangen, om persoonlijk met Hem bekend te worden. En hoe buitengewoon en eenig in zijne soort, moeten de werkzaamheden des Heeren geweest zijn, dat zelfs iemand, die voor al het hoo-gere was gestorven, gelijk deze overspeler met den vorstenkroon op bet hoofd, tot zulk een verlangen kon komen.

Herodes hoopte bovendien, dat Jezus een teeken zou laten zien. Deze zijne verwachting strekt ons weder tot eene getuigenis, dat Jezus werkelijk zijne Goddelijke zending met teekenen heeft verzegeld, en dat de wonderen, die Hij deed, als zoodanig algemeen erkend waren, llerodes wil niet enkel eerst beproeven of Jezus wonderen verrichten kon, maar onderstelt als onwedersprekelijk, stilzwijgend zijne macht en bevoegdheid er toe. Welk eene diepte van innerlijk bederf verraadt zich echter in den trek, dat de man, niettegenstaande zijne overtuiging van de maelit van Jezus, om daden Gods te volbrengen. Hem niet alleen geloof en hulde ontzegt, maar zelfs tot voorwerp van zijnen hoon kon vernederen!

De viervorst legt den Heere allerlei, de grenzen van de menschel ij ke wetenschap overschrijdende vragen voor. Hij had dus ook van tie wijsheid gehoord, waarmede do Heere op vragen van dezen aard het antwoord en de oplossing van het raadsel te geven wist, en geeft dus zonder het te willen, ook de profetische bediening van Christus hare volle eer. En zelfs daarin, dat Herodes, toen Jezus zijne vragen met een verheven stilzwijgen van de hand wees, het niet waagt met zijne beschimping verder te gaan, dan dat hij Hem de witte toga aandoet, toont van hem eenen geheimen eerbied voor Hem, en bevestigt daarmede opnieuw, dat Christus inderdaad dikwijls op ondubbelzinnige wijze van zijn koningschap en van een koninkrijk gesproken hoeft, tot welker oprichting Hij verschenen is.

Dat eindelijk de diepgewortelde oneenigheid tusschen Pilatus en Herodes, ten gevolge van de overgave van Jezus en de daarmede betoonde beleefdheid van Pilatus aan Herodes, plotseling zich wendde en in vriendschap veranderde, dient weder tot bewijs, hoe hoog deze

25

ocr page 404

amp;if)

aanzienlijke mannen van dezen hun toegezonden beschuldigde dachten. De toezending van een gewoon misdadiger, of ook slechts van een openbaar als zoodanig bekende dweeper of wargeest zou wol nooit zulk eene uitwerking geluid hebben. Dat echter Jezus van Nazareth de gekozene persoon is, om de toenadering der beide machthebbenden te weeg te brengen, heeft, een gewenscht gevolg, en zet zelfs den ouden baat of vete eene grens. Wie kan het miskennen, dat deze op en in zichzelven hoogst onedele bijzonderheid den Heere Christus wederom tot de hoogste verheerlijking strekt. Iets soortgelijks echter, gelijk tusschen Pilatus en Herodes voorviel, doet zich niet zelden ook nog heden voor. Partijen, die elkander op ander gebied op de hevigste wijze bestrijden, verzoenen zich, ja worden, al is het ook maar voor korten tijd, bondgenooten en goede vrienden, zoodra zij zich in den strijd tegen Christus en diens vereerders vereenigen. VVat bewijzen echter ook zij hiermede, dan dat Christus hen als eene indrukmakende macht in den weg staat. Eene onbeduidende persoonlijkheid van welke zij niet zouden weten, welke gegronde aanspraken Mij op hunne onderwerping te maken had, zou dezen invloed nimmer op hen uitoefenen, en een persoon, die hen werkelijk slechts als eene mythe gold, lieten zij gewisselijk als hunne opmerkzaamheid onwaardig, Ier zijde liggen.

Uit alles dus, wat tegen Jezus beraadslaagd en ondernomen wordt, komt Christus schitterend gerechtvaardigd te voorschijn. De haat moet Hem zoo wel verheerlijken als de liefde. Hem kroont de vervolging gelijk de aanbidding. Heeft echter de gemeenschappelijke tegenstand tegen Hem, verbitterde vijanden in vrienden veranderd, welke banden zaT dan eerst de gemeenschappelijke vereering van den Heerlijken in staat zijn vast te knoopen! „Ik geloof aan de gemeenschap dei- he ligen,quot; dit is onze belijdenis. Ik geloof ze niet enkel, maar den Heere zij lof, ik aanschouw ze ook. Doch de Heere bescherme haar, want zij lijdt nood in deze ure. In Christus vereenigden scheiden uit elkander , omdat zij, deze verblinden! in plaats van Christus, alsof zij Hem moede geworden waren, deze of die sclioolsche uitdrukking als hun^ Zaligmaker omvatten. Dit is een beklagens- ja bejammerenswaardig verschijnsel. Moge de Heere deze ongestalte wegnemen, en verwekke Hij in de harten zijner kinderen, wederom liefdeklanken, als de volgende:

'k Wil mijn hart aan harten sluiten,

Vol van heiige liefde en lust;

Drijft de wereld mij naar buiten ,

'k Zoek aan 's Heeren harte rust.

Houdt u allen, trouwe leden !

Vast aan uw verheerlijkt Hoofd:

Worden wij gehaat, bestreden,

Niemand die de kroon ons rooft.

Laat ons één met Jezus worden, Nooit op twee gedachten gaan,

ocr page 405

Met de waarheid ons omgorden;

Elke leugen tegenstaan.

Moog' Herodes dwaasheid heeten ,

Wat de hoogste wijsheid is, Ons geloof is Godlijk weten, Scheidend licht en duisternis.

AlfEN.

ocr page 406

XXXVII.

PIL AT US, ONZE VERDEDIGER.

({cene van de door de Heilige Schrift gepredikte waarlieden vindt in do dagelijkscho ondervinding eene meer handtastelijke bevestiging, als de El'eze 4 : 18 uUgesprokene, dat de natuurlijke raensch vervreemd is van het leven Gods. Ziet slechts rond in de kringen, waarin gij u beweegt, gij, die de tweede geboorte uit water en geest nog niet; ondervonden hebt, of niet, zelfs bij buitengemeene verstandelijke ontwikkeling en vatbaarheid, dikwijls de beslissendste verstomptheid en verstorvenheid voor het rijk van het bovenzinnelijke en hemelsche gepaard gaat. Wien onder u verlustigt een menschelijk dichtstuk niet meer dan Gods Woord? Wie ziet niet liever naar een ijdel schouwspel, dan dat hij aan de plaats vertoeft, waar de eere des Heeren wordt verkondigd? Wien behaagt het toongeklank van een zinnenbe-tooverend muziekstuk niet meer, dan het koorgezang van eene aandachtige Christelijke vergadering? Wie heeft geen hooger gevoel voor aardsche poëzij. dan voor de accoorden van Davids harp? Wie heeft geenen afkeer van vroom gezelschap? Wien overvalt bij geestelijke gesprekken niet bet ongeduld of de verveling? Wien zijn geene nieuwigheden uit het gebied der wereldsche zaken welkomer, dan tijdingen uit het Koninkrijk Gods? Ja, wien veroorzaakt het veel bedenkens, wanneer hij te kiezen heeft tusschen de draftroggen van de vluchtige genietingen dezer wereld en het manna der genade, dat van den hemel nederdaalt; tusschen de vleeschpotten van Egypte en de druiven uit de wijngaarden der Goddelijke openbaringen? (3, keert slechts tot uzelven in en doorzoekt uzelven met de lantaarn der Apostolische schatting, en zegt dan of het niet alzoo bij u gesteld is, dat gij dood zijt voor den hemel en alleen levend voor de aarde? Voorzeker, wanneer wij in geenen anderen toestand uit de hand des scheppenden Gods waren voortgekomen, dan wij ons van nature bevinden te zijn, welke voorstellingen zouden wij ons dan wel van het wezen Gods moeten maken! Hoe zou het dan nog kunnen iieeten: God zag al wat Hj gemaakt had, en ziet, hel was zeer goed. Alsdan zouden gebrekkige schepselen, ja wanstaltige wezens uit zijne scheppende handen zijn voortgekomen. O verre zij het van ons, het geslacht, zoo als het thans is, met de eerstelingen der menschenschepping te verwarren. God schiep heilige, naar den hemel stijgende geesten; maar de zonde trad tusschen beide en verwoestte zijne schepping. Wilt gij in deze zedelijke verwarring volharden, zoo doet het voor uwe rekening, doch

ocr page 407

38Ü

laat licl. ii niet meer iu den zin komen, om over de dingen van liet Koninkrijk der hemelen, waar gij zoo ver van vervreemd zijt, te willen oordeelen en beslissen. Gij verdient, zoo dikwijls gij u daartoe laat verleiden, eene vernederende afwijzing, zoo als zij eens den val-sehen profeet Bileam ten deel viel, en gij moogt tevreden zijn, wanneer, in plaats van eene lastdragende ezelin, slechts, zoo als heden het geval zijn zal, een blinde heiden, een llomeinsche Pilatus u terechtwijst.

Luc. 23 : 13—16.

En als Pilatus de overpriesters en de oversten en het volk bijeen oreroepen had, zeide hij tot hen: Gij hebt dezen mensch tot mij c/ebracht, all eenen, die het volk afkeerig maakt, en ziet ik heb Hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geene schuld gevonden van hetgeen, daar gij Hem mede beschuldigt; ja ook Herodes niet. Want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is. Zoo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.

Pilatus bevindt zich opnieuw in groote engte. Door de verwijzing van het rechtsgeding naar llerodes hoopte hij zijnen pijnlijken toestand gelukkig ontgaan te zijn. Doch nu zendt de Galileesche vorst hem onverwacht den Beschuldigde weder toe, en laat het aan hem over, om de eenmaal aanvaarde zaak ten einde te brengen. De stadhouder niet weinig ontevreden over de mislukte poging om zich van den last te ontslaan, wendt zich nu andermaal tot de beschuldigers van den Bechtvaardige, en vernieuwt zijn verzoek, om Jezus, en met Hem de rust zijns gewetens, te redden. Hij houdt eene aanspraak aan de overpriesters, oudsten en het verzamelde volk, die wel niets bevat, dat wij uit zijnen mond niet reeds hebben gehoord, maar nochtans reeds daarom eene ernstige overweging waardig is, omdat Pilatus daarmede tegen weten en willen als onze, als der geloovigen verdediger optreedt. Hij helpt ons namelijk vrijspreken van deze drievoudige beschuldiging:

I. van oproerige strekking,

II. van onzinnige leerstellingen , en III. van matelooze vertroosting.

Hoe dit het geval zij, zult gij hooren. Moge onze beschouwing dezulken in deze vergadering, die nog met vooroordeeleu tegen ons bevangen zijn, daarvan genezen, en hen eene brug helpen bouwen, die hen tot onze gemeenschap overvoert!

I.

Pilatus onze verdediger, onze voorspraak! — hoe vreemd dit klinke, hij is het nochtans. Hij neemt ons Hoofd in bescherming, en daarmede ons. Hij stelt Hem op rechtskundige gronden, en in Hem de zijnen, buiten alle beschuldiging. Gij hebt dezen mensch lol mij ge-

ocr page 408

300

bracht, zoo begint hij, als ccnen, die het volk afkeerig maakt. In zo-keren zin mag den lleere zoo iets wel nagezegd worden. Gelijk Hij zijne geloovigen betuigt, dat zij niet van deze ivereld 'ijn, zoo vermaant Hij hen ook, zich niet met do wereld gelijk te stelien. Hij gebiedt de zijnen zich af te zonderen van de kinderen der wereld, want de vriendschap der wereld is vijandschap met (lod. In oenen zekeren zin zullen de ware Christenen altijd in de wereld separatisten zijn. God heeft hen zoo gemaakt, dat er eerder aan eene vereeniging van het vuur met het water, dan van hen met den grooten hoop te denken is. Hunne overtuigingen, hunne grondheginselen, hunne smaak, hun oordeel, hunne beschouwing van de dingen der wereld, benevens hunne wenscbeu, verwachtingen en begeerten — alles loopt rechtstreeks in tegen de richting en gezindheid der wereld. Zij zijn door natuur en kunst van de onwedergeboren wereld gescheiden, ofschoon ook het hart der kinderen Gods zich nooit van de kinderen der wereld scheidt, maar zich onafscheidelijk tot hen heenneigt in barmhartige en aanwervende liefde. De wereldsche lieden willen echter niet beschouwd worden als dezulken, die van standpunt moeten veranderen; van daar de strijd op aarde, met het oog waarop de Zaligmaker betuigde: Meent niet, dat Ik gekomen hen, om vrede te brengen op aarde, maar het zwaard.

Wanneer echler de leidslieden van Israël de afkeering van het volk op liet oog hebben, zoo willen zij deze aanklacht in eenen staatkundigen zin verstaan hebben. Zij verklaarden Hem voor het hoofd van rebellen, van muiters, die zich moeite gaf om de lieden tegen den keizer en de overheid op te ruien, en alzoo aan hoogverraad en majesteitsschennis schuldig is. En inderdaad was onze Heere de eerste noch de laatste knecht Gods, op AVien men zulk eene verdachtmaking zocht te werpen. Reeds Elia hoorde zich door Achab grimmig aanspreken: Zijl gij die beroerder van hraël? waarop hij rustig antwoordde: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en mus vaders huis, daarmede dat gijlieden de geboden des Heeren verlaten hebt, en de Belials nagevolgd zijl. Op dezelfde wijze moest Jeremia van zich tot den koning hooren zeggen: Laat toeh dezen man gedood worden, tuanl aldus maakt hij de handen der krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des gansehen volks slap, als zulke ivoorden tol hen sprekende; want deze man zoekt den vrede dezes volks niet, maar het kwaad. Later werd tegen Paulus voor den landvoogd Felix de klacht ingebracht: Wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest en eenen, die oproer verwekt onder al de Joden door de gansehe wereld, en een opperste voorstander van de seete des Nazareners. En alle latere vervolgingen der Christenen in het Roineinsche rijk hadden plaats onder het voorwendsel, dat de volgelingen van Jezus menschen waren, gevaarlijk voor den staat, als die op bet losmaken van de handen der onderdanen, ja op de omverwerping der bestaande maatschappelijke orde uit waren. Dit verdichtsel heeft zich van eeuw tot eeuw voortgeplant, ofschoon reeds een Pilatus ons op de nadrukke-lijkste wijze in bescherming nam. Wij hooren hem heden luide voor al het volk verklaren, dat troon en staat van dezen Jezus en zijne

ocr page 409

391

discipelen niets te vreezen hadden. Ik heb Hem in moe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geene schuld gevonden van heigeen daar gij Hem mede beschuldigt. Ja ook Ihrodes niet. Want ik heb idieden lot hem gezonden. En ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is. Moe ware het ook mogelijk geweest, om Hem oproerige ontwerpen toe te dichten, die het toteenen algemeenen grondregel stelde: Geeft den keizer toat des keizers is, en Gode wat Godcs is. Hij, die zijnen Petrus reeds hij eene tewecrstelling legen eenen ondergeschikten dienaar der wereldsche overheid do ernstige en terechtwijzende woorden toeriep: Steek mu zwaard in de schede. Want wie het zwaard neemt, zal door hel zwaard vergaan; die ons zeggen laat: Alle ziele zij de machten over haar gesteld onderdanig, want er is geene macht dan van God; en die enkel hij eischen, die 'tegen het Woord van God inloopen, de nog altijd tot lijden oproepende regel stelt en ons inprent: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensch en.

Doch er zijn in de laatste tijden dingen geheurd, die deze verdediging voor de geloovigen ten opzichte van limine staatkundige gezindheden tot eene noodzakelijkheid maken. De wereld weet het nu, dat de golven des oproers aan hen eene rots zullen vinden, waarop zij zich breken, maar geene hedding. waarin zij zich uitstorten kunnen. Het zou haar nauwelijks meer gelukken, om hen van den kant van hunnen onderdaanstrouw jegens de regeeringen verdacht te maken; immers heeft zij de omverwerpingspartij herhaaldelijk tot de opentlijke erkenning gedwongen gezien, dat hunne plannen door niets zoo zeer worden tegengewerkt dan door het Christendom. Staatslieden, die voor weinige jaren nog de levende Christenen onder hunne onderdanen vervolgden, roepen ze thans als steunsels van den troon en als waar-horgen voor de openbare orde in hun land. Lahan spreekt vriendelijk met Jacoh; Belsasar kleedt Daniël in purper. /Us iemands wegenden Ileere behagen, zegt Salomo, zoo zal Hij ook zijne vijanden met hem bevredigen. Het is iets groots, om de plotselinge ontzenuwing en vernietiging te zien van eene meer dan duizendjarige heschuldiging tegen de aanbidders van hot Lam, zoo als dit in den jongsten tijd gezien is. Verblijden wij ons in dezen omkeer der openbare meening ten opzichte van de strijders van Christus in deze wereld, als eene, al is liet ook nog zoo geringe, aanwijzing naar den tijd van zegepraal voor het Koninkrijk des Kruises, dien wij te gemoet gaan.

II.

Doch met deze eene heschuldiging van oproerige gezindheden, zijn nog niet allo aanklachten van ons afgeweerd. Men beticht ons verder van liet vasthouden aan zinnelooze leerstellingen, en denkt daarbij voornamelijk aan de leer der plaatsbekleeding van Christus, welke wij zeker als de kern van het Evangelie en als de grond van alle onze verwachtingen erkennen. Wanneer het niet waar is, dat de Zoon Gods de groote ruiling met ons hield, dat Hij onze overtredingen Zich Goddelijk toerekenen liet en onze schuld voor zijne rekening nam,

ocr page 410

392

zich voor ons aan den arm der straffende gerechtigheid prijs gaf, in onze plaats voor de zonde voldeed, den vloek leed, het oordeel droeg, on als onze liorg en Middelaar don beker der verschrikking, welke voor onze overtredingen ons was ingeschonken, tot op de helïe geledigd hoeft; — wij zeggen, wanneer dit alles niet op do waarheid gegrond is, dan rusten onze zonden nog op ons, dan liggen wij nog onder den vloek, en blijven wij er eeuwig onder liggen; alsdan wordt geene ziolo zalig, en elke plaats der Heilige Schrift, waarin eenen zondaar toegeroepen wordt: tl zijn uwe zonden verfjeven! is eene leugen, ja eeno lastering van don Goddelijken naam is alsdan iedere uitspraak, die den afvalligen en overtreders genade toeroept. Wat op eenige plaats der Schrift troostelijks voor gevallen menschen geschreven is, kan alsdan niet van Goddelijken oorsprong zijn , maar moet van den satan komen; want het is onmogelijk, dat God, die noch van zijne wet, de afstraling van zijnen onverandorlijken wil, noch van zijne bedreigingen, de uitvloeisels zijnor heilige natuur, ooit kan ailaten — naar willekeur en zonder iets tusschen-beiden-komends den strafwaar-digon zondaar zegenen en zaligen zou. Hij zou ophouden heilig, rechtvaardig en waarachtig, dat is: God te zijn, wanneer Hij hot deed. Ziet, dit gelooven en belijden wij. Wat ons echter zoo heerlijk, zoo aannemenswaardig on in de hoogste mate redelijk voorkomt, dal noemt do wereld eenen verjaarden waan en eene zinneloos dwaze leer. Doch nu komt, vreemd genoeg, Pilatus voor ons tusschen beiden, om ons, al is het ook niet rechtstreeks, in bescherming te nemen.

De Heere Jezus had thans alle verhoor ondergaan. Hij is op de eene proef na de andere gesteld, op elke weegschaal is Hij gewogen, met iedere maatstaf gemeten, ja mot hot licht van eene drievoudige wet, de lovitische, de burgerlijke en de zedelijke bezien. Thans moet van de zaak des tegen Hem gevoorden rechtshandels de sluier vallen. De rechter, die tot deze plechtige en gelijk hij meent beslissende handeling de overpriestors en oudsten in zijne nabijheid geroepen heelt, staat, door eene onafzienbare volksmenigte omgolft, op zijne hoogo balkon, en opent, terwijl alles verwachtingvol zwijgt, zijnon mond tot het laatst rechterlijke vonnis. En dit luidt? Gij hebt, zoo roept hij opentlijk uit voor aller oor, den mensch tol mij gebracht als eenen, die hel volk afkeert, en ziel (en dit ziet roept hij niet enkel zijne naaste omgeving, maar de goheelo wereld toe): ik heb Hem in uwe kf/enwoordif/h.eid ondervraagd en heb in den mensch geene schuld gevonden van heigeen daar gij Hem mede besclnddigl. ,,lierodes heeft Hem verhoord en vond ook niets.quot; Men heeft Hem in uwe legen-woordighcid ondervraagt (wie wordt er door dat uwe bedoelt, dan geheel de hooge raad, de geheele vergadering der Farizoën en Schriftgeleerden en wat zich uit hot volk over Hem bekommerde), en ziet, er is van Hem niets gedaan, dal des doods waardig is. Hij zegt hot en allen zwijgen er op, omdat allen gevoelen, dat Pilatus de waarheid spreekt.

Ofschoon Hij nu als de reine van zonde op goenerloi wijze schuldig is aan den dood , noch aan den gerechtelijken, noch aan den natuurlijken duod, welke laatste de bezoldiging der zonde heet en is, sterft

ocr page 411

393

Hij nochtans. Zoo sterft dan in Hem een man 'lie naar liet recht en naar de belofte Gods niet sterven maar leven moest. En Hij sterft, eenen dood, die met den martelaarsdood nauwelijks de verwijderdste overeenkomst heeft. Ja, had Hij door zijn sterven enkel zijne leer willen bezegelen, zoo zou Hij zijn doel hebben gemist, naardien wij onmogelijk groote denkbeelden konden koesteren van eene leer, welker verkondiger vóór de poorten der eeuwigheid tot de vreeselijke getuigenis wordt genoodzaakt, dal God Hem heeft verlaten. En nu, zegt ons dan waarom Jezus stierf. Het is den zondaren f/ezd eenmaal te sterven en daarna hel oordeel. Doch Hij was geen zondaar. Ook begenadigden is het toebedeeld den weg ten hemel door die des doods heen te nemen, omdat hun vleesch door de zonde bedorven is. in Jezus' lichamelijkheid is dit het geval niet, en nochtans sterft Hij, en sterft zoo vreeselijk. Verklaar mij dit. Gij bezint u? O, bezin u, zoo lang het u behaagt. Wij zeggen het u bepaald vooruit, dat gij niets redelijks, ophelderends en aannemelijks tot oplossing van dit raadsel kunt bijbrengen. Hooit nu echter, iioe wij de zaken beschouwen, en gaat nu na, of er voor eenige andere beschouwing plaats is. De ongehoorde omstandigheid, dat Jezus, de vlekkelooze en rechtvaardige, niettegenstaande zijne heiligheid aan het oordeel des doods onderworpen is, zou ons noodzakelijk tot hot besluit brengen, dat de leer van het bestaan van een rechtvaardig God in den hemel waan is; dat alleen de menschelijke wil op de aarde regeert, of het toeval; dat er op aarde geene Goddelijke vergelding bestaat, maar dat het den goddelooze niet kwalijker dan den rechtvaardige gaat; dat er geene orde bestaat volgens welke hij, die de wet volkomen volbrengt, de kroon des levens ontvangt, en de Schrift, zou liegen, wanneer zij zegt, dat de dood de vrucht der zonde is. Tot gevolgtrekkingen van dezen aard waren wij, zeg ik, onbepaald genoodzaakt, wanneer wij niet mochten onderstellen, dat de heilige Zoon van God den dood in onze plaats ondergaan heeft. Deze onderstelling reikt ons den eenigen sleutel toe van de verborgenheid des bloedigen doods van den Rechtvaardige. Nemen wij echter eene plaatsbekloeding van Jezus voor de zondaren aan —- en wij mogen dit niet enkel, maar zijn door het ondubbelzinnig getuigenis der Heilige Schrift daartoe genoodzaakt —-dan is alles klaar, opgelost, ontcijferd, en in alles komt een verheven zin en heerlijke samenhang. In het paradijs bedreigt de Heere: ten welken dage gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Wij aten van den boom, en laadden het vreeselijkst oordeel ons np het hoofd. Doch nu komt de eeuwige Zoon, en neemt ons oordeel van ons hoofd op het zijne, en wij zullen leven. Van den Sinaï heet het: Vervloekt zij een iegelijk, die niet blijft in al ivat geschreven is in het boek dezer wet! Wij bleven er niet in, en ons lot was beslist. Doch ziet, daar komt onze Borg, laat Zich voor onzen vloek verbrijzelen, en wij zijn op grond van recht verlost en staan onaantastbaar daar. God heeft gezworen om zondaren zalig te maken, ten spijt van zijn woord; Ik luil dien uit mijn boek delgen, die tegen Mij zondigt! Wij gelooven aan onze zaligheid, want Hij voltrekt de (lus gedreigde studiën aan ons in Christus. Alleen den gehoorzame beloofde God do kroon des

-

ocr page 412

304

loveris, doch nadr.t Christus plaatsbekleedend in onzen naam gehoor-zaatnde, kan God ook zondaren kroonen en heilig maken. Op deze wijze wordt alles licht en de scherpste tegenstellingen verelTenen zich in de hoogste overeenstemming. En men waagt liet, om onze leer van de plaatsbekleeding van Jezus zinneloos ol' zelfs wel onnoozel te noemen! Ziet, zelfs een Pilatus treedt, zonder het te weten, voor ons in de hres, de waarheid getuigenis gevende, dat Christus den dood niet schuldig was. En beproeft het nu eens op eene voldoende en redelijke wijze anders dan door de plaatsbekleeding van Christus te verklaren, hoe Jezus, de lieilige en Onbevlekte, de bezoldiging der zonde heeft moeten ondergaan!

III.

Pilatus trekt zich onzer nog eenmaal aan. Mij zuivert ons van een nieuw verwijt. Zeker doet hij dit weder niet onmiddellijk, doch hij moet aanleiding geven, dat wij er van gezuiverd worden. Men verwijt ons, dat wij de bijbelsche vertroostingen met te ruime handen uitdeelen. Men neemt het ons kwalijk, dat wij de genade, die Jezus ons verworven heeft, ook tot op de grootste zondaren en de diepst gezonkene misdadigers willen uitstrekken. Men ontkent onze bevoegdheid daartoe, en noemt ons daarom gevaarlijk en zedenbedervend. Doch nu gebeurt er iets, en ons Evangelisch verhaal wijst het ons aan, betgeen deze kleingeestige tegenwerping ten volle ontzenuwt, en onze handeling als eene waarachtig Evangelische daad rechtvaardigt.

Nadat Pilatus plechtig verklaard had, dat er geene schuld in den beschuldigde gevonden was, gaat hij voort. „Daarom.quot; Nu, hoe luidt het verder? Misschien: „Daarom stel ik Mem in vrijheid?quot; O neen, dat volstrekt niet, maar: daarom zal ik Hem kastijden (dat is: met roeden slaan) en loslaten. Denkt eens na, welke ongerechtigheid! „O Pilatus! — zoo wenschten wij hem te kunnen toeroepen, — hoe was het mogelijk, dat gij tot zulk eenen voorslag komen kon! De man, die met de zuiverste uitdrukking der waarheid tot u zeide: Ik hen een koninrj; daartoe hen Ik geboren, cn ben Ik in de wereld ijc-komen, opdat Ik der waarheid getuüjenis geven zou, en uit wiens geheele verschijning u den glans niet alleen der vlekkelooze heiligheid, maar ook eener bovenmenschelijke afkomst helder in het oog straalde, kunt gij als een misdadiger laten slaan? O, waartoe verleidde u ellendige menschenvrees en de erbarmelijke zorg om een handvol ijdele eer en tijdelijk welbehagen!quot; Doch laat ons stille zijn! De taal van Pilatus: Ik ivil Hem kastijden en loslaten, is nog allijd dezelfde van ontelbare kinderen dezer wereld. Er worden toch zelfs duizenden van predikatiën gehouden, waarin Christus eerst aan de paal gebonden en gegee-seld en dan , tot paaing van het geweten , op de eene of andere wijze losgelaten wordt. Men kastijdt Hem eerst, terwijl men Hem de kroon zijner Godheid van het hoofd rukt, en Hem stilzwijgend tot logenaar en lasteraar maakt, maar dan begint men zijne voorrechten en deugden te prijzen, en laat Hem daarmede, nadat men Hem het vleesch

ocr page 413

305

van liet lichaam heeft gereten, weder los. Men loochent , flat Hij de eonige weg naar den hemel is, ofschoon Mij Zichzelven daiirvoor ver-klaui'd heeft; zóó kastijdt men Hem, daarna echter stelt men Hem weder als de nitnemendsto leeruur voor, en laat Hem daarmede weder los. Men kastijdt Hom, doordien men zijne leden op aarde minacht, en in schimp en scheldwoorden wederom tegen hen losbreekt, die zijne bloedige verdienste als de eenige oorzaak- lamner zaligheid prijzen, daarna echter Iaat men Hem weder los, terwijl men bij de tafel des Avondmaals eene uitwendige buiging voor Hem maakt, of Hem vergunt meer to zijn dan Socrates en Solon. Ach! van nature hebben wij altijd een verborgen geeselroede voor den Heere Jezus Christus bij ons, en laten niet na deze, bij gelegenheid, op do eene of andere wijze tegen Hem te gebruiken. Vraagt ons echter, nadut wij do gee-seling volbracht hebben, ons geweten, waarom wij toch dezen Hecht-vaardige, die ons nooit eenig leed heeft gedaan, zoo gram en ongenegen zijn, dan zijn wij gewoon, om in plaats van boete to doen, onze nietswaardigheid te verbergen achter Judaskussen, die wij Hem geven, en laten den mishandelde door dubbelzinnige eerbew ij zingen weder los. Doch ter zake. Men was in Israël gewoon, om zulke beschuldigden, die gedurende het rechterlijk onderzoek alleen van kleine overtredingen overtuigd geworden waren, met roeden te slaan, en ze na deze tuchtiging weder vrij te laten. Als een aangeklaagde van deze soort, dacht Pilatus ook Jezus te behandelen. Men zou denken, dat na alles, wat er voorgevallen was, en waardoor do onschuld van Jezus in zulk een bolder licht gestekt was, Pilatus met zijnen voorslag wel wederklank zou gevonden hebben; doch neen! Clod had het anders besloten. Christus moest lijden als een overtreder van de ergste soort; het lot eens moordenaars, eens uitvaagsels der mensch-heid moest Hem treilen, en eerst daarna moest voor Hem het uur der verlossing slaan. Waarom? Waarom anders dan naar Gods raad en wil, opdat ook moordenaren, ja overtreders als Manasse en ilaliab ruimte overhielden voor de gedachte, dut de groote Borg ook voor hen geleden heeft. In de hel, in de Codverlatenhoid, in bet alleruiterste der smaad en smart moest Jezus worden afgeworpen, opdat ook de ergste der overtreders aan de genade niet behoefde te wanhopen. Is deze leer gevaarlijk, waarom predikten de Apostelen ze dan van de daken? Strijdt ze tegen God, waurotn beeft God ze dan aan eenen David, aan eenen Saulus, aan eene Magdalena, ja aan nog meer met schuld beladenen dan deze, verzegeld? Is zij verderfelijk, waarom munten dan zij , die hare waarheid aan zich zeiven ondervonden, boven alle anderen uit in brandenden haat tegen de zondeen in ijver voor God en zijne eer? Maakt zij traag en onvruchtbaar in goede werken? Het tegendeel is waar. Want wie aan de verdienste van Christus deel verkrijgt, wordt ook door den Christus in den hof Gods een edele boom, die zijne vruchten draagt ter rechter tijd. O heil ons! dat de zaak op deze wijze gesteld is. Had Christus niet ook het lot der voornaamste zondaren op Zich genomen en ondergaan, wie, onder de verlichtsten, zou zich in Christus vertroosten kunnen, naardien de Heilige Geest een iegelijk hunner met Paulus leert betuigen;

ocr page 414

300

Chridm is in tic wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken, onder welke ik de voornaamste hen.

Pilatus lieefl ons zijnen dienst bewezen. Gelijk hij ons van eenc zware beschuldiging gezuiverd heelt, zoo heeft hij ook door zijn getuigenis voor de onschuld van Jezus, onze beschouwing van den dood des Heeren en zijne beteekenis gerechtvaardigd, en door zijne mislukte poging, om den Middelaar slechts als een minder strafbaar overtreder te behandelen, den Rechter op den stoel der majesteit aanleiding gegeven, om zijn (des landvoogds) voornemen te verijdelen, en daardoor feitelijk te bewijzen, dat Christus naar zijnen (des almacbtigen Gods) wil den vloek ook der vloekwaardigste zondaren beeft willen ondergaan. Wij gevoelen ons voor deze beide laatste diensten, ons door den Romein gedaan, tot innigen dank verplicht, want wij erkennen, dat met de plaatsbekleeding en de genoegdoening van Immanuël onze vrede met al onze verwachting staat en valt, en zeggen met het diepst gevoel van waarheid in ons hurt:

Hebt Gij geen gunst gevonden,

Door 't storten van uw bloed,

Hebt Gij niet onze zonden,

Voor God aan 't kruis geboet?

Wat baat dan de overreding,

Wat alle valsche zin?

Slechts uwe plaatsbekleeding Brengt ons den hemel in.

Amen.

ocr page 415

xxx vm.

I [ E T G R O O T E Z 1N N E 1'. E E L D.

Eene dor beteekenisvolste on zinrijkste tempelpleclilislioden \v;is nn-betwistbaar dio, wolke, volgens Leviticus iG : 5—lU, op den jaar-lijkschon grooten verzoendag ilo gemeente van Israël ten plicht stelde, om twee bokken te brengen, over welke de priester het lot liet beslissen, wie van beide den Heere geofferd, en wie, door het bloed van den eersten verzoend, in vrijheid gesteld worden moest. De loten be-teekenen de eene; La Jehova, dat is: den Hccre (jeivijd; de andere: Asascl, dat is: de vrije. Het dier, voor hetwelk het eerste lot viel, ging naar de slachtbank en bet altaar; dat, hetwelk het laatste lot te beurt viel, werd ten koste van het andere in vrijheid gelaten, en niemand durfde liet eenig leed doen. liet was onschendbaar. Zekerlijk schaduwde de bok Asasel liet zondige, maar door eene middellijke tusschenkomst te verzoenen volk af; de andere beeldde daarentegen den plaatsbekleedenden Bemiddelaar dezer verzoening, den grooten toe-komstigen Verlosser zelf af.

Wat de Heere reeds toen vol nederbuigende genade in lichte scha-duwtrekken zoo schoon voor de oogen der zondige wereld afschilderde, dat heeft Hij later in een nog veel krachtiger, nog meer aanschouwelijker, en meer uitvoerig geteekend beeld voorgesteld. Het treedt heden binnen onzen gezichtskring. .Mocht het ons gelukken zijne geheele diepte te doorgronden!

1

Matïii. 27 : 15—21. Marc. 15 ; 6—11. Luc. 23 : 17—10.

Jon. 18 : 39, 40.

En op het Paaschfeest was de stadhouder gewoon den volke eenen gevangene los te laten, welken zij wilden. En de schare riep uit, en begon te begeeren, dat hij deed, gelijk hij hen altijd gedaan had. En zij hadden toen eenen welbekenden gevangene, genaamd Barabbas, dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om eenen doodslag in de gevangenis geworpen. Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen : Gij hebt eene gewoonte, dut ik u op het Pascha eenen loslate \ welken wilt (jij, dat ik u zal loslaten: Barabbas of Jezus, die genaamd wordt Christus? Want hij wist, dat zij Hem door nijd overgeleverd hadden. En als hij op den rechterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende; Heb toch niet

ocr page 416

^gt;8

te doen met die)) Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom out zijnentwil. Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de schare aangeraden, dat zij Barabbas begeeren, en Jezus dooden zouden. En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten ? Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet deze, maar Barabbas! En Barabbas was een moordenaar.

Zoo ontzettend de zaak is, tot welke wij komen, zoo rijk is zij aan geestelijke beteekenis en grootsche gedachten. Reeds bij het bloot voorlezen moest hot u zijn, als zaagt gij in eencn klaren stroom, uit welker diepte u in tooverachtig licht een verborgen en tot nu toe nog onbekende schat tegenhlinkt. Make de ilecre ons heden tot goede visschers, en schenke Hij ons geloof en aandacht tot het ophalen onzer netten!

In het menschelijke dat zich in ons Evangelie voordoet, wordt de inhoud lang niet uitgesproken. Gij kent immers de soort van weverij, waarbij de wever zijn spoel gedachtenloos door de draden steekt, en deze werktuigelijk met elkander verbindt zonder te weten, ja zonder liet ook zelf te vermoeden, welk een beeld in liet doek, waaraan hij werkt, wanneer bet voleindigd is, te voorschijn komen zal. Dit weet alleen de meester, die de kaarden, door welke de draden loopen, kunstig ordende en samenvoegde. Met zulk een wever vergelijk ik de in onze geschiedenis handelende personen. Ook deze weven aan een beeld, dat zij nog niet kennen. Zij handelen naar hunnen zin, en doen bun werk; maar God laat hunne vrije daden zich zoo vormen en verbinden, dat daaruit onder hunne handen, eer zij er op verdacht zijn, een groot, veelheteekenend Goddelijk schilderij te voorschijn komt.

Voor dit beeld willen wij eenige oogenblikken met onze beschouwing vertoeven en toezien;

T. hoe het beeld ontstaat, en II. wat hot ons naar Gods wil voor oogen steil.

Helpe ons de Geest des Heeren het beeldschrift van onzen tekst ontcijferen, en de schatten der waarheid, die bot in zich bergt, lot ons heil rentegeveud maken 1

I.

Zoo staan wij dan weder omgeven door bet wilde volksgewoel, vóór den openbaren rechterstoel Gahbatha. Pilatus, wiens hart, hoe langer hij met den Verhevene uit Nazareth verkeert, te meer tot do overtuiging van diens volkomene onschuld komt, terwijl bij hem de eerbied voor den geheimvollen man te hooger stijgt, put zich nog altijd uit in pogingen, om aan deze handeling, even zeer voor zichzelven ais voor den beschuldigde, eene wending te geven. Zijn binnenste verzet zich, wanneer bij de gedachte zich voorstelt, dat de Rechtvaardige den dood

ocr page 417

eens misdadigers sterven zou. Hierin staan hem in zekeren zin niet weinigen der onzen gelijk. Dezulken zijn liet, die met den stadhouder wel de zedelijke heerlijkheid van Jezus eene aan geestdrift grenzende achting toedragen, doch hoe eenzijdiger zij Hern enkel uit dif.gezichtspunt beschouwen, des Ie meer ergeren zij zich aan zijn kruis. De leer, dat Hij plaatsbekleedend voor onze zonden heeft moeten sterven, boezemt hen tegenzin in. Waarom? Om do eenvoudige en voor de hand liggende reden, dat zij alsdan genoodzaakt zouden zijn, de zonde, welke zij tot iets onbeduidends en gerings pogen te verkleinen , voor iets gewichtigs, ja verschrikkelijks (e houden, zoodat zij moesten aannemen, dat deze zonden niet eerder kunnen vergeven worden, dan nadat God ze in zijn eigen Zoon gevonnisd en in liet bloed van zijn eigen Zoon verzoend gezien heeft. Zij, die toch niet wagen zich ganschelijk van zonden vrij te spreken, zouden alsdan gedwongen zijn, om óf tot de wonden van Jezus hunne toevlucht te nemen, en als wij, om moordenaars-genade te bedelen, waarvan zij gruwen, óf met een ontwaakt en beangst geweten hunnen weg te gaan, waartoe zij even weinig lust bespeuren. Zoo ligt het dan in hun belang, tegen de stelling, dat hot lijden en sterven van Christus als een Middelaarswerk op te vatten zij, protest aan te teekenen. Ja, ik schroom niet, te beweren, dat al de leerstellige denkbeelden, die het plaatsbekleedend strafdragen van Christus loochenen of ontgaan willen, ontstaan uit het zich bewust of onbewust pogen, om het begrip van zonde te ontzenuwen en krachteloos te maken. Zij, wien deze stelsels nog rust geven, zijn nog niet tot de bewustheid gekomen, hoe zondig de zonde is. Zij echter, die eenmaal in het licht van God het wezen der zonden leerden kennen, gaan terstond van de gezindheid van Pilatus af, en laten Jezus gaarne sterven, en wel hoe verschrikkelijker dood hoe liever, omdat voor hen daaruit eene te diepere geruststelling voortvloeit.

De stadhouder peinst, en peinst wederom. Het voorhoofd gloeit hem van inspanning; zijne gedachten zien er als noodseinen uit. Wat zou hij in zijnen pijnlijken toestand niet voor eenen goeden raad geven ! Daar wordt op eens de gezichteinder zijner ziel opgehelderd. Hij heeft iets gevonden. Gelukkige inval! zoo denkt hij; en zeker, het denkbeeld mag een inval genoemd worden, want niet zonder hoogere leiding kwam deze gedachte bij hem op; en den naam van gelukkige inval verdient het evenzeer, zoo als wij ons daarvan later overtuigen zullen. Pilatus herinnert zich namelijk eene gewoonte, welke zekerlijk geene Goddelijke verordening tot zijnen grond heeft, maar tocli door God, die het tot een verheven zinnebeeld wilde verheerlijken, tot wijze oogmerken toegelaten en geduld werd. Overeenkomstig dit gebruik was het aan liet volk bij het jaarlijksch Paaschfeest vergund, om tot een zinnebeeld van den uitgang zijner eerstvaderen uit Egypte en tot verhooging van de algemeene feestvreugde, den eenen of anderen zwaren misdadiger uit de gevangenis vrij te vragen. Pilatus maakt nu gebruik van deze gewoonte, even als een schipbreukeling van de eenige drijvende plank, welke hem nog als redmiddel is overgebleven. Met gehaaste snelheid monstert hij in zijne gedachte de boeien van het gevangenhuis, om te zien of hij daar niet eenen misdadiger vin-

ocr page 418

/t()0

don kan, mot liot oog op wion liij zic.h gerust met de hoop kan tevreden stellen, dat het volk dezen nimmer den voorrang Ijoven den Nazarener zal geven. Spoedig meent hij zulk eenen man werkelijk gevonden te hebben, of liever, God vond zulk eenen voor hem, want juist deze zondaar werd door God geschikt geacht tot het beeld, dat quot;Hij bedoelde der wereld voor oogen te stellen. Deze uitgezochte boosdoener is Barabbas, een woest mensch, een oproermaker en doodslager te gelijk. „Wie,quot; zoo denkt de stadhouder, „zal dit uitvaagsel der menschheid ten koste van don Rechtvaardige van Nazareth de vrijheid en het leven gunnen?quot; Pilatus rekent op de menschelijkheid en het rechtsgevoel der menigte, doch het is zeer te vreezen, dat hij zich schromelijk zal misrekenen, en dit te meer, omdat hij zich tot zijnen vermoeilelijkon bliksemalleider een staalkundig misdadiger had uitgekozen, tegenover welken liet zedelijk gevoel des volks zich over het geheel veel eerder dan tegen ecne andere soort van zonde tot verschooning en zachtheid geneigd gevoelt. Reeds bij voorbaat zich heimelijk over zijne zegepraal verheugende, treedt Pilatus op den voorgrond van do plaats der rechtspleging, en roept met den toou van de volkomenste zekerheid dei' zegepraal: Wien wilt gij, dat ik u loslate: Jezus Barabbas (zoo noemt eene oude overlevering den man met zijnen vollen naam), of Jezus, den koning der Joden, die 'genaamd wordt Christus? Want, zoo voegt de historie er bij, hij wist, dat zij Hem door nijd hadden overgeleverd. En zeker hadden zij dit; want dat het volk Mem aanhing, verdroot hen meer dan al het overige. Doch hoe dwaas handelde daarom de anders zoo sluwe stadhouder, dat hij door het noemen van den titel: koning der Joden de trotsche heeren opnieuw er aan herinnerde, hoe men eenmaal de straten met palmen bestrooid en bij den Hosanna-roep de kleederen over den weg uitgespreid had, en dat hij dus zijnen Jodenhaat de gelegenheid gaf, om zijne voorzichtigheid als het ware spoorslags te verjagen. Hoe bedierf hij zich daardoor zijn eigen spel, zonder het zelf te vermoeden. Doch zijne overlegging was buitendien reeds eene mislukte. God vangt de wijzen, die, de teugels van zijn woord en wil van zich werpende, op eigene paden hun geluk beproeven, in hunne arglistigheid. De beslissing over het lot van Jezus is nu uit de handen van Pilatus. In zijne plaats beslist nu de menigte, en hij is genoodzaakt, om zich naar deze beslissing te voegen. Had hij den moed kunnen vatten, om den raad van zijn geweten te volgen, en met rustige beslistheid te zeggen: „Recht en gerechtigheid zal er geoefend worden, al zou de wereld er ook onder vergaan. De onschuldige Nazarener is vrij, en deze soldaten hier zullen aan mijne rechterlijke uitspraak klem weten bij te zetten.quot; Alsdan zouden de vijanden ongetwijfeld in hun binnenste verslagen en als door den donder getrolïen, zijn teruggeweken, en het volk, van zijne bedwelming ont-nuchterd, zou den krachtvollen rechter luide zijnen bijval hebben toe-gejubeld. Thans echter staat Pilatus voor alle tijden als een waarschuwend voorbeeld voor ieders oogen, waarheen men gevoerd wordt bij het lafhartig streven, om tegelijk God, die in onzen boezem spreekt, en de wereld genoegen te geven. In velerlei gedaanten ontmoet Pila-

ocr page 419

tus ons overigens wederom op liet tooneel der wereld. Menigeen heeft zich in den nieuwsten tijd, als liij, op het standpunt geplaatst, om Barahbas vrij, en Christus prijs te geven, omdat het hem aan moed ontbrak, om beslist en op elk gevaar af voor den laatste in de bres te treden. Menigeen heeft, op de wijze van Pilatus, rekenende op de zedelijke bewustheid en de menschelijkheid der menschen, de menigte, met welke hij niet in onmin wilde komen, lafhartig gevraagd: ,,Wat wilt gij, het recht of liet verraad; de ordening Gods of hare omverwerping?quot; En ach, ook liem donderde het zekerlijk zeer onverwachte antwoord te gemoet: „Wij willen de omverwerping en het verraad!quot; En eer de arme mensch ei' op bedacht was, was hij op den afhellenden en glibherigen bodem der menschelijke toegeellijkheid, welken hij betreden heeft, tot zijne eigene verschrikking zelf mede in het allerergste afgegleden, en zag toen vruchteloos om naar de mogelijkheid van eenen terugkeer. Daarom den voet bij het stuk gehouden, mijne vrienden! en met hetgeen wij als recht en waar hebben erkend en aangenomen, recht door zee. Zoo wordt men een heer van de volksmenigte, in plaats dat men derzelver knecht zon zijn; want voor den heiligen moed buigt zich de armzalige dienaar der leugen, hoe trotsch hij zich ook eerst moge aanstellen, ten laatste toch. Met dezen moed overwint men dan ook zeker, al is het ook, dat men schijnbaar het onderspit delft, want God is altijd met hen, die beslist met Hem zijn, terwijl Hij dezulken laat varen, die twee heeren willen dienen.

„Wien wilt gij ?quot; vraagt Pilatus, en hij, het antwoord des volks afwachtende, plaatst zich op den marmeren rechterstoel. Het volk is onthutst en wankelt. Zoodra de overpriesters en oudsten dit zien, begeven zij zich onder het volk en wenden al hunne redenaarskunsten aan, om het in de gemoederen ontwakend gevoel van recht weder te verstikken, en de reeds flauwer glimmende .vonk van verbittering tegen Jezus opnieuw aan te blazen. Intusschen gebeurt er iets zonderlings. Tot den stadhouder komt buiten adem geloopen een bode van zijne vrouw, met de boodschap: Heb lork niet te doen mot dezen Rechtvaardifje, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. Verwonderlijke omstandigheid! Tot in de droomenwereld eener heidensche vrouw weet zich de wonderglans der reinheid en heerlijkheid van den Schoonste onder de kinderen der menschen eenen toegang te banen. Men ziet het, hoe do openbaring van Jezus Christus ook de harten der onverschilligen, Ja zelfs der wederstrevigen aangegrepen en tot eerbied gedwongen hebben moet, Ja, hij den nacht, wanneer het gewoel van den dag ophoudt en de slaap op de lieden valt, gaat do geest der waarheid gaarne rond in de hutten der menschen, en treedt ook wel op het leger van dezulken, die anders in woeste bedwelming en verblinding onbekommerd over de hoogere oogmerken van hun bestaan hun leven verbeuzelen. Des nachts dringt Hij ook wel met de pijlen zijner rechterlijke uitspraak door tot in de binnenkameren, waar anders over dag toonen van boogeren aard geen weerklank vinden. Des nachts komt ook wel soms bij den godverge-tonste liet smadelijk vertrapt geweten weder lot het woord en tot zijn recht, en menigeen zal met den psalmist moeten bekennen: Gij hebt

ocr page 420

m

mijn hart beproefd, des nacht» hezoeld, Ps. i 3. Onmiskenbaar had ook l»ij het beangstigend nachtgezicht die God zijne hand in het spel, welke ook op het ijdel gebied der droomenwereld regeert, en die ook de inbeeldingen van den ontboeiden geest, zoo dikwijls het Hem behaagt, dienstbaar maakt aan zijne oogmerken. Aan Pilatus toch werd in de boodschap van het nachtelijk gezicht zijner vrouw opnieuw eene Goddelijke vermaning en waarschuwing toegezonden. Dan ach , de arme heeft de wapenen reeds nedergelegd en is zijn eigen meester niet meer. De kennisgeving zijner vrouw schokt hem diep. Zijn opgewekt geweten roept hem toe; „Hoort gij, Pilatus! stemmen uit andere, uit geheimzinnige werelden waarschuwen u tegen den gruwel van dezen gerechtelijken moord.quot; Ach, wel hoort liij liet. liet wordt hem heet en koud om het hart, doch... doch... het volk zal wel gerechtigheid oel'enen. — Het volk? — Gij, arme Pilatus, met deze uwe laatste ellendige verwachting! Het ongeduld jaagt den in de engte gedreven man weder op van zijnen stoel, en zich verheffende roept hij opnieuw, thans met de houding van eenen vriendelijk verzoekende, de menigte toe; Wien wilt gij, dal ik u loslate? Duidelijk laat zich hieruit het onuitgesproken bijvoegsel booren; „Niet waar, gij beslist voor Jezus?quot; Doch hoe nutteloos is het, om met verzoeken, te komen, waar men den moed niet had, om, waartoe men bevoegd was, in den naam van God en der wet te gebieden en te eischen. Het is den hedrijvigen raadsheeren gelukt het volk tot hunne oogmerken te bearbeiden, en den ongelukkigen stadhouder klinkt als uit eenen mond, veelmaal duizendstemmig den trotschen roep te gemoet; Weg met dezen en laat ons Barahbas los!

II.

Zoo staat dan het groote beeld, dat zich naar Gods raad, zonder voorweten van Pilatus, feitelijk uit de handelingen op Gabbatha ontwikkelen zou, in zijn geheel voor ons. De hoofdfiguren van deze levende schilderij zijn de twee aan de Oostersche volkskeuze voorgestelde personen; de man in de gevangenis en de Vorst des levens. De eerste onder bet uithangbord van blinkende namen (Jezus heet hij, dat is; heil, en Barahbas, dat is; Zoon des vaders) was een diepgezonken zondaar, en hij gelegenheid van een bloedig oproer, bij het doen aan eenen moord, op heeterdaad gegrepen. Zonder twijfel had hij de rol van eenen valschen Messias gespeeld, en daarmede eene dier Christuskarikaturen voorgesteld, door welke de satan zoo menigmalen beproefd heeft, den waren Christus verdacht te maken, en aan de opentlijke bespotting bloot te stellen. Doch Barahbas staat hier niet enkel als bijzonder persoon voor ons, maar is te gelijker tijd een zinnebeeldig persoon, die het rnenschelijk geslacht in haren toestand terugspiegelt, zoo als het van God afgevallen is, in den staat van verzet tegen de allerhoogste majesteit vervallen, in de banden van den vloek der wet gebonden, en bewaard wordt tot den dag des oordeels, en dat zich nochtans in ijdele pralerij met weidsche namen zonder wezen, met pronkende eereütels zonder waarheid kittelt.

ocr page 421

i(«

Aan Barabbas \vas in zijnon kerker, alvorens hij aan do volkskeuzo naast Jezus van [Nazareth gesteld werd, elk uitzicht op redding' afgesneden, en even zoo was dit hij ons het geval. Aan een losknopen was voor hem niet te denken, en evenmin aan een onlvhichten uit den welbewaakten kerker, en allerminst aan eene rechterlijke uitspraak , waarop ieder ander zou hebben kunnen rekening maken, alleen deze oproerling niet. En gelooft het, niet minder hachelijk dan de zijne, staat onze zaak. Want wat hebben wij te geven , waarmede wij onze zielen mede zouden lossen? Hoe kunnen wij de oogen ontgaan, die door alle landen trekken'? En hoe kan zonder dat er iets bijkomt, een Rechter ons begenadigen, van welken geschreven staat: Gerechticj-heid en gericht is de vastigheid van zijnen troon'quot;? De toestand van Barabbas was eene wanhopige, en de onze is het niet minder. Wat gebeurt'' Zonder zijn toedoen, ja tegen alle berekeningen breekt plotseling eene schemering van redding door zijnen kerkernacht. Daar buiten namelijk klinkt van den rechterlijken zetel Gabbatha de vraag van den stadhouder tot het volk: Welke wilt gij, dat ik u loslate: Barabbas of Jezas, den koning der Joden, die gezegd wordt de Christus te zijn? Een groot oogenblik in dit rechtsgeding! cone noodlotvolle wending van zaken! Heette het vroeger onbepaald: „Barabbas is een man des doods!quot; zoo is liet nu ten minste: „Barabbas of Jezus?quot; En dit is alleen daardoor het geval, omdat de rebel on moordenaar én de Hoere des hemels elkander in de lothus ontmoeten. Een van beiden geldt het nu. De een wordt vrij, en de ander gaat naar de gerichtsplaats. Tot hel eischen van beider vrijheid is geen recht voorbanden. Wie zal nu van deze twee de uitverkorene, en wie de verworpene en prijsgegevone zijn? Gaat Jezus van Nazareth vrij uit, zoo is Barabbas onredbaar verloren. Valt daarentegen het zwarte lot voor den eerste, heil dan u, Barabbas, gij zijt geborgen. Do ondergang van Jezus is uw behoud. Uit zijnen dood vloeit uw leven. Wat zegt gij, mijne vrienden, van deze gesteldheid van zaken? Alleen uit een historisch gezichtspunt beschouwd, heeft zij zekerlijk weinigbeteekenis, behalve dat zij tot een vernieuwd getuigenis dient, dat den Zone Gods geen smaad, geene vernedering bespaard is geworden, zelfs die niet, dat hij naast eenen moordenaar, zoo als Barabbas was, gesteld is go-worden. Jn hooger licht gezien, verkrijgt deze liistorische bijzondorheid eene diepe beteekenis. Gelijk Darahbas stond , zoo stonden wij allen tot Jezus. Ook met het oog op ons heette liet: „Wie zal des doods zijn? Zij, de misdadigers, of de Rechtvaardige?quot; Dat beiden eene verschooning zon te beurt vallen, is onmogelijk — ter rechter- of ter linkerzijde moest het zwaard der gerechtigheid nedor-vallen. De vloek, waarin wij door do zonde vervallen waren, moest zich ontladen. Het oordeel (lor verdoemenis, dat op onzen schedel rustte, wachtte met ongeduld op zijne volvoering, opdat God waarachtig, rechtvaardig en heilig bleef. Daarom boette het misschien: „Deze overtreder, of een ander voor hem!quot; Neen, op deze wijze was deze handeling niet te vorellbnon. Zoo heette het dan: „Deze woderspan-nelingen 'of voor hen een engel!quot; O volstrekt niet; een engel vermocht ons niet te verlossen. Voel meer luidde hot grooto óf dit óf

ocr page 422

404

dat: „Deze vloekwaardiger! óf de Zoon des levenden Gods in hunne tei

plaats.quot; Want inderdaad, deze was alleen in staat, onze zonden te z'k

boeten. Zoo bevonden wij ons dan gansohelijk in den toestand van ee

Barabbas. Zoo Jezus tot de geriehtsplaats ging, zoo had onze verlos- Cl

singsure geslagen; werd Hij daarentegen verschoond, zoo zouden wij in

onherroepelijk en onvoorwaardelijk verloren zijn. ge

Gij weet reeds, hoe in den loop der geschiedenis hetbeteekenisvolle bl

beeld van onzen tekst zich verder ontwikkelt. De zaak neemt voor zo

Barabbas, en in hem voor ons, eenen uiterst gewenschten keer. De 1«

stem van het kiezend volk beslist tot groote ontsteltenis van Pilatus, ht

ten gunste van den oproerigen Barabbas. „Laat ons Barabbas los en ot

kruisig Jezus!quot; zoo riep de tierende menigte. Moge deze beslissing Ie

ongelijk goddeloozer voorkomen, als die van Pilatus, volgens welke a{

Jezus niet sterven, maar leven moest; in allen geval was zij, wanneer 01

ik het zoo noemen mag, meer leerstellig juist, meer overeenkomstig vr

de orde des heils, meer overeenstemmende met het oogmerk Gods en et

voor de zondige wereld eindeloos vruchtbaarder. Want zoo het volk , d(

en wel met vrucht, geëisebt had, zoo als Pilatus het gaarne gezien ze

had, dat Jezus vrijgelaten en Barabbas gedood ware geworden, zoo Je zou het volksgeroep het eloodklokkengelui geweest zijn voor de gansche

menschheid en het sein van onzen eeuwigen ondergang. God echter zi

voegde het zoo, dat de zaak eene andere, eene tegenovergestelde wen- zi

ding nam. „God voegde het zoo?quot; Ja, hoe wonderlijk het klinken u

moge, de almachtige God voegde het zoo. Zoo ooit het spreekwoord: 0|

„De stem des volks is eene stem van God,quot; eene waarheid was, zoo k(

was dit hier hot geval. God nam het volk, ten einde dezen ontzet- glt;

tonelen roep te kunnen doen, de onzichtbare breidel van den mond, alt;

ja stemde, in eenen wijden en geheimvollen zin, als het ware zelf h

feitelijk met deze roepstem in; „Geef ons Barabbas los, en laat Jezus el

gekruisigd worden!quot; Deze roep echter was het geklank der jubelba- it

zuin, die ons den dag onzer redding aankondigde. Ziet nu, hoe de el

beslissing tot voleinding komt. Barabbas en Jezus wisselen de rollen, o

ruilen de loten. Op den rechtvaardige gaan de banden, de vloek, de G

smaad, de dooelskwalen over; op den moordenaar daarentegen do vrij- e

beid, do onschendbaarheid, ele veiligheid en het welzijn van elen On- zi

bestraiïelijke. Jezus Barabbas ziet zich in het bezit van al de rechten d

en voorrechten van Jezus Christus gesteld, terwijl en omdat de laatste is

in al elen smaad en ele verschrikking van zijnen (des oproerigen) toe- g

stand intreedt; beide erven wederkeerig elkanders toestanden en bezit- si

tingen. De schuldbrief en het kruis van elen aangeklaagde worden d

overgedragen op den Bechtvaardige; en de vrijpas en eerekroon van v

elen Bechtvaardige op elen schuldige. C

Verstaat gij thans het groot historisch zinnebeeld? Het draagt het Apostolisch opschrift; God heeft dien, die c/eene zonden gekend heeft, voor ons zonde gemaakt, opdat wij in Hem rechtvaardigheid Gods zouden worden. Het maakt ons in ontzettende scherpe trekken ele verborgenheid van onze door Christus' plaatsbekleeding veroorzaakte rechtvaardigmaking bij God bekend. Wij zijn Barabbas; in zijne reddingsgeschiedenis spiegelt zich de onze af. Aan onszelven overgela-

ocr page 423

405

T

né ten, zouden wij eeuwig verloren zijn. Met Christus ter keuze gesteld, te zien wij in de plaats van het onbepaalde; „Het is met a gedaan!quot; an een ten minste hopegevend óf dit óf dat in de plaats treden. Toen )s- Christus met ons ruilde, was onze verlossing beslist. Dit ia het wat vij in reusachtig groote trekken de hand dos levenden Gods zelve in de gebeurtenis van Gabbatha ons voor oogen stelt. Voorwaar hij zou 11e blind moeten zijn, die het miskennen kon, dat de Goddelijke voor-or zorg ons in het voorval met Barabbas een licht heeft willen ontste-)e ken, dat ons het geheele Lijden van zijtien eeniggehoren Zoon in een s, helder licht zou plaatsen. Dit. licht zou alleen reeds toereikende zijn, 311 om allo tegenwerpingen tegen de schriftmatiglieid van onze voldoenings-ig leer neder te werpen, wanneer niet reeds eone geheele rij lichtvolie ke apostelspreuken dit deden. Zekerlijk willen wij niet in het algemeen er ontkennen, dat onze leerstellige beschouwing van de plaatsbekleeding ig van Christus nog veel menschelijkzinnelijks aankleven moge, dat zeker m eenmaal door het zuiver en volkomen denkbeeld zal verzwolgen wor-c, den; maar dwaling of onwaarheid kleeft haar niet aan. De kern on-!n zer zoogenaamde rechterlijke beschouwingswijze van het Borgschap van »o Jezus is onbepaalde Goddelijke waarheid.

ie Verheugen wij ons dan over de groote zaak, en prenten wij de

ïr zinrijke schilderij niet onuitwischhare kleuren in het gedenkboek onzer i- zielen. Aanschouw gij, in schuldgevoel gebogen zondaar, in Barabbas n uw beeld, en de eene troostrijke trek na de andere zal u uit zijne 1: optrede tegenblinken. Hoe troostrijk is het, dat de man alleen ten

io koste van Jezus vrij is; dat, hoe talrijk ook zijne overtredingen waren, t- geene enkele van nu af op hem rust; dat voortaan geene rechterlijke , aanklacht meer tegen hem kan noch mag worden ingebracht, zoodat

If hem nu niets meer verhindert, om zijnen rechter zonder schroom onder s de oogen te treden. Al deze voorrechten bezit nu ook gij in Christus,

maar in meer verheerlijkte gestalte en in overvloediger volheid. Om-e dat Hij tot schuldenaar werd in uwe plaats, zijt gij de rechtvaardige;

, omdat Hij de voor u verworpene werd, zijt gij uitverkorene kinderen

e Gods; omdat Hij de drager van uwen vloek geworden is, zijt gij de

erfgenamen van zijnen zegen; omdat Hij de lijder werd van uwe straf, zijt gij de bezitter van Zijne kroon; omdat Hij geoordeeld is gewor-i den, zijt gij van alle aanklacht vrijgesproken; omdat Hij vertreden

■! is, zijt, gij onuitsprekelijk verhoogd; omdat Hij der helle prijsge

geven is, zijt gij den hemel waardig, en omdat Hij met smaad en schande overladen is, zijt gij gekroond met roem en eere. Ja, zóó ligt i de zaak. Zoo verheft u dan door het geloof in den zaligen staat, tot

i welken gij gekomen zijt, en leert ook gij in de school des Heiligen

Geestes van grond des harten met vast vertrouwen zeggen:

)

Vraagt ge: ben ik onverdeeld

Heilig of in zonden ? Barabbas , mijn sprekend beeld, Zal het u verkonden.

A

ocr page 424

400

Boos, macir Jezus heeft mij lief,

Die voor mij won sterven: Zie, dit is mijn adelbrief.

Wat ik ook niooft'' derven.

Jezus is mijn kroon, mijn eer,

In mijzelv' verloren,

Maar in Hem (geen zondaar meer) Eeuwig uitverkoren.

Amex.

ocr page 425

XXXIX. B A R A 13 15 A S.

Wanneer de Apostel Paulus, 2 Cor. 4 : 1, van zich zeiven en van zijne mede-Apostelen getuigt: Dewijl wij dan deze bedienin(j hebben naar de barmharlif/heid, die ons gesel ried is, zoo vertragen wij niet, flan kunnen wij enkel uit den grond onzer zielen daarop antwoorden: Ja, Pauius! wanneer wij iets van u gelooven, dan moet het dit zijn. Van welk eene bediening hij spreekt, heeCt hij in liet voorafgaande ons ondubbelzinnig bekend gemaakt, liet is niet de bediening, welke spreekt: „Doe dat en gij zult leven,quot; en jukken maakt en lasten oplegt, maar die, welke, zoo als liij zich uitdrukt, de rechtvaardigheid predikt. Zeker, waar een mensch deze bediening door God wordt opgedragen, heeft hij de genade en de barmhartigheid daarvoor te prijzen. Wie echter met deze bediening innerlijk verwaardigd werd, die kan niet meer traag, niet meer moede, niet meer mat worden. Het middelpunt en de kern, waaruit al de werkzaamheid dezer bediening voortvloeit, is Christus, en wel de Christus, in Wien Cod ons van onze zonden gewasschen en boven den hemel verhoogd heeft. WTie deze Christus uit innerlijke ervaring des harten heeft leeren kennen, die wordt niet moede om van Hem te getuigen. Deze Christus, in Wien men zich verzoend, begenadigd, voleindigd en tot erfgenaam des hemels verhoogd ziet, blijft ons dagelijks en ieder oogenhlik nieuw. De aanschouwing en de genieting van Hom verzekert ons eene eeuwige jeugd van gewaarwording en eene onverwelkelijke frischheid van daadkracht. Deze Christus is de altijd uitstroomende bron, waaruit wij dagelijks nieuw leven scheppen, en de hemelsche Zon, die onze donkerste nachten helder maakt als de dag. Dat ook heden deze Zon over ons schijne, en deze'Godsbron ons haar water geve, dit is het, wat wij biddend begeeren, en wat de Heere ons in genade moge verleenen!

matth. 27 : 22—26. MAKC. 15 : 12—15. LUC. 23 : 20—25.

En Piliitus antwoordende, zeide wederom tot hen, willende Jezus loslaten: Wat zal ik dan doen met Jezus, die genaamd wordt Christus, en dien gij een koning der Joden noemt? Maar zij riepen allen daartegen, zeggende: Kruist Hem, kruist Hem! Doch de stadhouder zeide ten derde maal tot heu: Wat heeft deze dan kwaads gedaan?

ocr page 426

los

Ik heh (jeeu schuld des doods in Hem gevonden. Zoo zal ik Hem dan kastijden en loslaten. Maar zij hielden aan met groot geroep, en zij riepen te meer, eischende dat Hij zou gekruisigd worden, zeggende: K) uist Hem! Eu hun en der overpriestereu geroep wierd geweldiger. Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer, dat er oproer werd, nam liij water en wiesch de handen voor de schare,/.eggende: Ik hen onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen, gijlieden moogt toezien. En al het volk antwoordende, zeide: Zijn bloed koine over ons cn over onze kinderen. Pilatus nu, willende de schare genoeg doen, oordeelde dat hare eisch geschieden zou. Toen liet hij haar Barabbas los, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëischt hadden, maar Jezus gaf hij over tot haren wil.

De ontzeltcndste cn noodlottigsle oisch, die ooit, onder den hemel gedaan werd, is gehoord geworden. Op de vraag van den stadhouder; Wien wilt (jij, dat ik u loslate: Jezus of Barabbas? volgde uit de stormachtig bewogen volksmenigte hot vreeseiijk antwoord ; Weg met deze, en laat ons Barabbas los! Eene echo van dit geschreeuw, ja meer dan eene echo doorgalmt nog heden de wereld; want alle.die Christus, de Zaligmaker van zondaren, hoogmoedig van zich wijzen, en die daarentegen ijveren om de ophouding der eer, der zelfstandigheid en vrijheid van hunnen ouden mensch, zeggen op hunne wijze eveneens: „Weg met deze en laat ons Barahhas los!quot; Dcch is deze spraak niet de natuurlijke, de aangeborene moedertaal van ons bedorven menschelijk geslacht, als zoodanig? Zekerlijk is zij dat. Doch ook uit den mond des geloofs hooren wij een: „aan het kruis met Jezus, opdat Barabbas leve!quot; alleen met dit onderscheid, dat deze roep hier eene tegenovergestelde beteekenis heeft. Welke beteekenis? Wij weten het reeds, en zullen het heden opnieuw vernemen. De bevrijding van Barabbas is het onderwerp onzer tegenwoordige betrachting. Wij zien:

I. Hoe zij tot stand kwam, en

II. Hoe de vreugdetijding van de zijde van Barabbas werd opgenomen.

Moge de Heere ons woord met zijnen zegen begeleiden, en ver-leene Hij ons, dat wij als de bijen van het bloemenveld, rijk bevracht van onze tegenwoordige beschouwing terug keeren!

I.

Het volk, door zijne overheden opgeruid, heeft opentlijk en onbewimpeld zijnen wil te kennen gegeven. Het begeert de begenadiging van den moordenaar en den dood van den Rechtvaardige. Van dit oogenblik af is het echter nauwelijks meer aan te zien , hoe de uit alle bezinning geraakte rechter van trap tot trap dieper zinkt, en zich als eenen onmachtigen, vertrapten worm in het stof kromt. Wat zal

ocr page 427

400

ik dan doen met Jezus, die genoemd wordt Christus? Zoo roept hij, nauwelijks zelf meer wetend, wat hij zegt. Men denke eens na. Wat hij met Jezus doen zal? — dus vraagt liij aan de razende menigte, die hom op deze vraag, alvorens hij ze deed, reeds het bondigste antwoord gegeven heeft. Zijn geweten, het gevoel van recht in zijn gemoed, de letter dei' wet, waaraan hij gebonden is, en zelfs de waarschuwende stem uit de droomwereld zijner vrouw,— hoe bepaald en duidelijk zeide dit alles hem, wat hij met Jezus te doen had. Hij had Hem moeten vrijspreken, en dan met al de macht, waarover hij te beschikken had, Hem in bescherming tegen de volkswoede moeten nemen. Doch van waar zal hem dien moed geworden ? Wat zal ik met Jezus doen'? Voorzeker, dit woord strekt hem tot eeuwige smaad en schande. Hoevelen onzer eigene tijdgenooten deeien deze schande met hem, naardien ook zij het van arme kinderen der menschen, van eenen heerschenden gezelschapstoon, van do zoogenaamde publieke opinio afhankelijk maken, wat zij met Jezus zullen doen. Immers heb ik meermalen gemeend zelfs predikers van den predikstoel Pilatus te hooien naspreken: „Wat zal ik dan met Jezus doen?quot; En ik kan niet uitdrukken, met welk eene verhoogde wanklank hier deze vraag in mijne ooren drong. Of zij tot Jezus zouden bidden of niet; of zij Hem voor de gemeente zouden belijden als God, of als mensch; Hem als Verlosser of' bloot als leeraar zouden prijzen. Zij schijnen het niet te weten, en niets scheen hun meer ongelegen te komen, als zich ambtshalve met dezen Jezus te moeten bezig houden. Wat zal ik mot Jezus doen? Wee een iegelijk, die nog zóó kan vragen. Zoodanig iemand is verduisterd in het verstand, en nog vervreemd van de zaligheid. Het moet een in zélfbedrog bevangen Fa-rizeër zijn, of eene in den aardkluit begravene molziele, die niet weet wat hij met Jezus doen i'al? Vraag wat de blinde te maken heeft met den leidsman, die hem zijn' arm biedt; de zieke met het geneesmiddel, dat hem wordt aangeboden; de schipbreukeling met het touw, dat hem wordt toegeworpen? Weet men op deze vragen antwoord te geven, en men kan nog met het antwoord op de andere vragen verlegen zijn?

Wat zal ik met Jezus doen? vraagt Pilatus. Het geraadpleegde volk zal hem niet radeloos laten. Hoe meer het zijne overheid lafhartig wankelen, en den weg der toegeeflijkheid betreden ziet, des te machtiger neemt zijne besluitvaardigheid toe. Kruist Hem! zoo roept het. Kort en beslist. De stadhouder, buiten zichzelve van ontsteltenis, door het kaartenhuis zijner vermeende verstandige berekening plotseling te zien ineenvallen, komt nog eenmaal nahinken met de matte vraag: Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Doch het volk, den jammerlijken rechter nauwelijks meer met een antwoord verwaardi-. gend, herhaalt enkel nog meer trotsch zijn: kruist Hem, kruist Hem! De toenemende zwakheid en besluiteloosheid van den stadhouder, moest de volksmenigte in het denkbeeld brengen, dat ook hij zelf bet niet voor een ten hemel schreiend onrecht hield, dat Christus gekruisigd werd. Pilatus nam do houding aan om verder te spreken, doch het is thans liet volk dat te gebieden had. Den Romein wordt het

-

ocr page 428

410

woord ontzegt. Een woest getier overschreeuwt zijne stem. Niettegenstaande zijne uiterste krachtsinspanning, dringt zijne stem niet meer door. Nu neemt de ganschelijk overwonnen en machtelooze man zijne toevlucht tot eene zinnebeeldige handeling. Hij eischt een hekken met water, en toen men het hein gebracht had, wiesch hij zich voor het oog des ganschen volks de handen, en riep, zoo luide hij kon, in do woeste volksmenigte af: Ik ben onschuldig aan het bloed dezen Rechtvaardigen ; gijlieden moogt toezien. Een treilend voorval! Dat vernieuwd rechterlijk getuigenis voor de voortreffelijkheid van onzen grooten Hoogepriester willen wij gaarne aannemen. De dringende begeerte en hot ernstig pogen van den stadhouder, om zich van den wrevel der veroordeeling dezes Rechtvaardigen te ontslaan, kan niet anders dan geloofversterkend op ons werken.

Diep schokkend echter werkt op ons de aanblik van den armen beangstigden man, zoo als hij zich, thans zelfde geoordeelde, onder de geeselslagen zijns gewetens kromt, en zich vruchteloos moeite geeft om de bloedvlekken die hij, hoezeer iiij zich ook tegen de erkenning er van verzet, aan zijne handen ziet kleven, af te wisschen. Ik hen onschuldig, roept hij uit. Ach, wat baat hem deze betuiging. De rechter in zijn binnenste verzegelt hem deze betuiging niet, en al werd het door deze gedaan, dan komen de stukken van het proces nog in een hooger beroep, en hier zou de rechterlijke uitspraak geheel anders luiden. „Hij wascht zich de handen.quot; Waartoe deze uitwendige plechtigheidV Uit welke bronnen welt het water, dat van gebreken, zoo als die waarmede hij besmet is, vermag te reinigen'? Zeker, een water had hier de gewenschte werking gedaan, doch dit water was aan Pilatus niet bekend. O had hij toch het: Gij moogt toezien! tot zichzelven gekeerd. Had hij in plaats van zijne onschuld te betuigen, liever zijne schuld beleden, en in plaats van lot het machteloos waterhad, zijne toevlucht genomen tot liet bloed der verzoening! Voorwaar in dit geval zou hij voor tijd en eeuwigheid geholpen en zijnen naam niet, gelijk thans, alleen in de christelijke geloofsbelijdenis, maar ook op de burgerlijst van het koninkrijk van Christus zijne plaats verzekerd zijn geworden. Doch Pilatus wil zich in zijne ellendige bedelaarstrotschheid niet voor overwonnen erkennen, ofschoon wereld en hel nooit een meer geslagen man dan Pilatus triomfeerend den voet op den nek gezet hebben. Doch zoo is de rnensch van nature gesteld, dat hij zich eerder in de strikken der waanzinnigste zelfmisleiding overgeeft, dan toelaat dat hij, tot zijn heil, de waarheid, welke hem vernedert, de eere geven zou.

Gij moogt toezien! roept Pilatus, de geheele schuld op de hoofden der Joden afslingerend, en geeft daarmede, zeker niet zonder toelating Gods, wien de wrake is, den priesteren en schriftgeleerden in verhoogde ontzetting het Gij moogt toezien! terug, waarmede deze eenmaal, met wreede meedoogenlooze koelheid, den wanhopigen Judas van zich uitgestooten hadden. Zij gevoelden ook den prikkel van dezen toeroep wel, doch zij weten hunne verlegenheid en beschaming achter eene afschuwelijke uitbreking van bederf te verbergen. Zijn bloed, zoo roepen zij in satanische trotschheid, en het gansche volk stemt er

ocr page 429

411

mede in, zijn hloccl home over ons en over onze kinderen. Ontzettend! eeno meer afgrijselijke roep, eenc meer woeste zelfvervioekiny is, zoo lang' de wereld staat, op aarde niet gehoord geworden. Doch luistert. Komt het u niet voor als galmde, gelijk het gedreun eens donders van den stoel der majesteit, eene antwoordende roepstem: „Wat gij wilt zal u geschieden!quot; Ja, ja, zijn hloed zal over u komen. En ach! overzie slechts de geschiedenis van Israël, van hot oogenhlik dat deze onzalige opeisching van Hem, die Zich niet laat bespotten, plaats vond, lot op dit oogenhlik, of zij u niet bezegelt, dat gij recht gehoord hebt. Ach, op welke ontzettende wijze kwam het bloed des Rechtvaardigen op liet hoofd der oproerigen! toen onder de brandfakkels der Romeinen het trotsche Jeruzalem tot eenen puin- en ascii-hoop werd, en toen er nauwelijks zooveel hout kon worden aangebracht, als genoegzaam was, om er kruisen voor de kinderen Abrahams van le maken. Hoe is liet over hen gekomen, toen zij, de moordenaars van den Vorst des vredes, als onnut kaf in do vier winden werden verstrooid en veroordeeld, om voortaan zonder vaderland als eene bespotting aller volken in den vreemde, zonder gastvrijheid rond te zwerven, lioe is liet over hen gekomen, toon zij als een vaagoffer van geheel de wereld, alsof zij niet waardig waren, dat de grond hen droeg, hij duizenden, ja bij honderdduizenden onder hei-donsche, mahomedaansche en helaas ook christelijke zwaarden on dolken jammerlijk wegbloeddon. En als wij zo Ihans aanzien, gelijk ze nog altijd een gekenteekend volk zijn, zittende naar de profetie van llozoa, zonder koning, zonder vorst, zonder offer, zonder opgericht beeld, zonder Efod en zonder Téralim. Is het dun niet als lazen wij als oorzaak van hunne bannelings-ellonde op hunne voorhoofden do woorden: Zijn bloed kome over ons en onze kinderenquot;? Maar Gods genade is groot. Hij heeft nog gedachten des vredes voor het hoezeer ook ontaarde, nochtans niet opgegeven oud verbondsvolk. Te zijner tijd zal het ontzettende vloekwoord van dat volk, als gebed voor hetzelve geldon, en zul Hij het bloed zijns Zoons, zooals reeds enkelen het ondervonden, over geheel Israël tot verzoening laten komen. De profeet llozoa laat, op zijne op al te vreeselijke wijze waargeworden bedreigende woorden, de vroolijke belofte volgen: daarna zidlen dc kinderen Israels ziek hekeeren en zoeken den lieere hunnen God en David hunnen koning. En Zacharias opent ons zelfs het uitzicht op eenen tijd, waarin lien mannon uit allerlei spraak eenen joodschen man bij den slip van zijn kleed grijpen en tot hom zeggen zullen: 11 'ij zullen met tdieden (jaan, want toj hebben gehoord, dat God met ulieden is. De Heere zelf roept op de beteekenisvolste wijze den Joden toe: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij (Hij wijst dus naar oen slottijdperk van hunne ellende been) zeggen zult: gezegend is Ui], die kond in den naani des Heeren. En wat betuigt Paulus, Rom. XI; „God,quot; zegt hij, „kan de afgebroken takken wel weder enten, want zijne genadegiften en roeping zijn onberou-welijk.quot;

Het volk heeft met dómonischo beslistheid zijnon wil en meening te kennen gegeven, en met eene Godslastering, zoo als nauwelijks de

ocr page 430

m

wereld immer erger gelioord heeft, liaar uitspraak bezegeld. Tegen zulk eene besliste houding is de stadhouder niet meer bestand. Hij ziet zich van de laatste stukken zijner zedelijke wapenrusting beroofd, en tot eene smadelijke nederlegging van wapenen en overgave gedwongen. Want wat lezen wij; Pilatus nu willende de schare rjenoeq doen, oordeelde dat hare cisch cjcsehieden zou. Toen liet hij haar Barahbas los, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëiseht hadden, maar Jezus gaf hij over tot haren wil. Dat is dan de vrucht van al de dooi' den Romein ontvangene ernstige en krachtige vermaningen en waarschuwingen! Hem waren zulke beslissende indrukken van Jezus' zedelijke reinheid en onschuld toegekomen; zulke machtige waarschuwingen om op zijne hoede te zijn, door stemmen als geestenstemmen; bij had zijn ontwaakt geweten hoeren spreken, en nochtans deze smadelijke nederlaag, deze lafhartige terugtocht, deze smadelijke buiging onder den wil van de groote volksmenigte! O wat is de mensch bij al de goedheid van zijne gezindheid en wil, zoo lang hij in zijne eigene krachten staat, en zich niet met geheel het vertrouwen zijns harten aan God en diens genade overgegeven heeft! De Heere zegt: „Mijne genade is machtig in den zwakken;quot; en de Apostel zegt: „Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk,quot; en een veiiicht Dichter zegt:

Wie van zich zeiven zich ontbloot,

Wat hem nog a.an moog' kleven;

Hij rust gerust in 's Heeren schoot,

En leeft het eeuwig leven.

II.

Barahbas is vrij, ofschoon het hem zelf nog onbekend is wat daar buiten beslissend voor hem is geschied, en welk een kostelijk lot hem is te beurt gevallen. Verslagen, ja aan eigen reddingganschelijk wanhopend, zit hij in zijnen duisteren kerker, en meent hij in ieder geruis, dat hij in do verte verneemt, de voetstappen van den scherprechter te hooren, die hem naar de gerichtsplaats zal heenvoeren. Ten laatste hoort hij inderdaad heel duidelijk, hoe de zware grendels van de deur zijner gevangenis worden weggeschoven. Knersend openen zich de verroeste ijzeren deuren, maar durft hij zijne oogen gelooven? Welk eene komst j In plaats van den verwachten scherprechter komt tot hem een bode van tie overheid met de vreugde op het gelaat, en brengt hem de verrassende, ja bijna ongeloofelijke tijding: „Heil u, Barahbas! gij zijt vrij; gij zijt behouden!quot; En terwijl deze dit tot hein zegt, begint hij ook reeds den verbaasden gevangene de ketens los te maken, en moedigt hij hem aan, om op te staan en den kerker te verlaten. Gij kunt u voorstellen, dat het den gevangene een geruimen tijd was, alsof hij droomde. Hij zal gedacht hebben, dat men enkel eene gruwzame scherts met hem hield , of dat men hem enkel voor een oogenblik een weinig de frissche lucht wilde laten genieten, om hem daarna weder binnen zijnen ontzettenden muurwal in te sluiten.

ocr page 431

4 ui

Üoch de borle herhaalt met versterkten nadruk zijne verzekering: „Gij zijt verlost!quot; en geeft hem vervolgens opening van hetgeen zijne vrijwording veroorzaakt heeft. En zoo hoort nu Barahbas, dat liet oordeel des doods voor altijd van boven zijn hoofd is opgeheven, en dat hij met gerichtshof en rechters en gerechtsdienaars niets meer te doen heeft. Hij hoort dat er geene beschuldiging meer tegen hom wordt aangenomen; veelmeer dat hij in liet volle bezit van al zijne burgerlijke rechten en eer hersteld, en in zoodanigen staat gekomen is, als had hij van al zijne misdaden geeno enkele ooit bedreven. De grond en oorzaak van deze gelukkige omkeer van zaken lag echter enkel in de omstandigheid, dat een schuldelooze met hem geruild, en in zijne plaats den weg naar het kruis had ingeslagen. Het volk had zich bij zijne paaschkeuze voor den dood van eenen Rechtvaardigen, en daarentegen voor zijne, dat is voor des oproermakers bevrijding beslist.

Dit alles werd Barabbas aangezegd. In de bode, die hem de deur zijner gevangenis opent, staat echter het beeld van een waar Evangelist voor u. Ja, weet gij, geestelijk armen, gij onder den last uwer overtredingen gebogen en naar genade hongerende zondaren, dat wij eene gelijksoortige tijding als tot Barabbas gebracht werd, tot u te brengen hebben; eene tijding, grooter, heerlijker en ongelijk zaliger nog dan die andere. Ook wij zijn niet bevoegd ze u op eenige wijze te onthouden of te vergallen. Naardien Christus de groot,e geheimvolle ruiling met u heeft aangegaan, zijn wij van God belast geworden, u met klare woorden te verkondigen, dat van het oogenblik af, dat de Heilige in uwe plaats tradt, gij in de zijne zijt getreden, en in al de rechten van dezen lieveling Gods. Gij zijt nu rechtvaardig en welbe-hagelijk voor God als Hij. Er is niets meer verdoemelijks aan u; geen ban, geen oordeel drukt meer op uw hoofd. Geene zonde wordt u meer voor oogen gesteld, geen schuld meer toegerekend, geene aanklacht tegen u meer gehoor gegeven. Gij zijl volmaakt met ééne offerande en Gode welbehagelijk geworden in den Geliefde. Dit verkondigen wij u, doch niet wij, maar met onbedriegelijke uitspraken wordt het u dooiquot; het onfeilbaar Woord van God gezegd. En onder dit Woord — wij eischen liet van u in den naam van God — zult gij u buigen, en zult gij vrede hebben en u verheugen ter eere van Christus.

Hoe gedraagt zich Barabbas, nadat hem de verheugende boodschap gebracht is? De Schrift meldt er ons niets van; doch wij kunnen bet ons wel voorstellen. Stelt u voor, dat Barabbas nu lot zich zeiven gezegd bad: „Neen, dat kan niet mogelijk zijn, dal zoo iets eenen misdadiger, gelijk ik ben, overkomen kan,quot; en dat hij zich verzet had tegen het losmaken zijner ketenen; mei welk een naam zou zulk een gedrag wel hebben moeten genoemd worden. Gij zoudt het dwaasheid genoemd hebben, en gij hadt recht gehad. Doch ik vrees, mijne Vrienden! dat gij u mot dit vonnis zelf in hot aangezicht slaat, want inderdaad zijn op zijn minst genomen de meeste onzer geloovigen zulke dwazen. Stel u voor, dat Barabbas de blijde boodschap met protest afgewezen en lot den heraut gezegd had: „Wat gij zegt, moet uit de

ocr page 432

Ui

lucht gegrepen, en kan geene waarheid zijn.quot; Wat zou hij daarmede k

gedaan hebhen? Mij zou er de heraut gelijk diens zenders, do over- li

heden, op het zwaarst mede heleedigd en hen rechtstreeks tot leugenaars ei

gemaakt hebhen. t!ij bevindt u echter in hetzelfde geval, mijne Vrien- d

don in den Heere! gij, die in eenen wettischen zin gewoon zijt u tegen w het Evangelie van uwe in Christus bereids voleindigde verlossing te

verzetten. Gij beleedigt zonder ophouden niet slechts een bloot men- d

schelijk afgezant, maar den Heiligen Geest, die in de Schrift tot u g

spreekt, én de Apostelen des Hoeren, die u zoo ondubbelzinnig van o

deze voleindiging getuigen; én Christus zelf, die u verzekert, dat Hij g

u zijne heerlijkheid gegeven heeft. Ja, gij treedt er de eeredeseeuwi- u

gen Gods mede te na, als had Hij slechts eene gedeeltelijke, gebrek- h

kige verlossing, en niet een geheel en volkomen werk tot stand gebracht. b

Stelt u voor, dat Barabbas op de aankondiging zijner bevrijding geantwoord had: „Neen, vooreerst durf ik den kerker niet verlaten, maar ik wil eerst een ander mensch worden, en bewijzen, dat ik mij gebeterd heb.quot; Wat dunkt u, dat zijne overheden hem zouden geantwoord hebben? „Meent gij — zoo zonden zij gezegd hebben — dat gij om uw zelfs wil vrijgesproken zijt? Neen, om uw zelfs wil zoudt gij nimmer ontslagen zijn. Wanneer gij u ook tienmaal-be-keerdet, zoo zoudt gij uwe eenmaal begane zonde daarmede niet opheffen. Voor de wet quot;toch —, bleeft gij wat gij te voren waart — een moordenaar en des doods schuldig, en maakt gij van de u vrij aangeboden begenadiging geen gebruik, zoo moogt gij weten, dat gij op eene gerechtelijke vrijspraak en verlossing eeuwig vruchteloos wachten kunt.quot; Neemt ook gijlieden dit antwoord, dat de overheden aan l'arab-bas zouden hebben gegeven, ter harte, want hel is van hoog belang, en teekent u den weg af, dien gij te bewandelen hebt. Stelt u voor, dat Barabbas gezegd had; „Ik wil een gevangene blijven, totdat ik, die een bederver der menschelijke maatschappij ben geweest, mij weder als ecu nuttig lid er van getoond heb.quot; Niet waar, dat zou schijnbaar edel geklonken hebben, maar zou het van nabij gezien, niet eene nieuwe dwaasheid geweest zijn? Zonder twijfel ware hem te gemoet gevoerd: „Dwaze mensch! opdat gij u werkelijk aan de menschelijke samenleving nuttig betoenen kunt, moet gij voor alle dingen vrij zijn, want hoe zoudt gij haar dienen en nut aanbrengen kunnen, zoo lang gij in uwen kerker en in uwe banden gezeten zijt?quot; Neemt ook deze aanwijzing ter harte, mijne Vrienden! zij betreft voorzeker menigeen onder ons, die dwaselijk óók heilig willen worden, alvorens zij den troost der begenadiging bij zich hebben plaats gegeven, en het blijft toch bij de bekende uitspraak van den Psalmist: Wanneer Gij mijn hart verwijd zult hebben , dan zal ik den luerj uwer geboden loopen.

Doch van al de antwoorden, die wij Barabbas lieten doen, is er werkelijk geene enkele bij hem opgekomen. Er bestaat geen twijfel of Barabbas heeft, zoodra hij de blijde tijding vernam, haar aangenomen en zich aan eene jubelende blijdschap overgegeven. Hij liet zich onverwijld van zijne ketenen ontdoen, verliet zijne donkere woning, verwisselde zijne gevangeniskleederen met eene eerbare kleeding, en maakte gebruik van de hem aangebodene vrijheid. Hij keerde terug

ocr page 433

tot zijne maagschap on huisgezin en heeft gejuicht en gejubeld, eti heeft nooit weder vergeten, dat hij op wonderbare wijze het leven en de vrijheid en alles wat daarmede verbonden is, te danken had aan den geheimvollen man van Nazareth, die in zijne plaats veroordeeld werd, en naar de gerichtsplaats, naar het vloekhout moest heen treden.

En gij, üarabhas broederen onder ons, gij versmachtenden in do donkere kerkerholen van innerlijke angsten, zorgen en bekommeringen, gaat heen en doe desgelijks. Geloof de Evangelie-tijding , dat ook gij om Christus' wil eeuwig vrij, gerechtvaardigd en voleindigd zijt. Neemt geene beschuldiging noch van den duivel noch van de wereld tegen u meer aan. Geniet de vrucht der plaatsbekleeding van uwen Borg. hebt vrede en gelooft wat jubelend de verlichte zanger in de u welbekende, ofschoon stout klinkende, maar in de waarheid Gods gegronde gezangverzen uitspreekt.

Met een enkele offerand Heeft het Lam het al gedaan,

Bracht Hij heel ons heil tot stand,

Kunnen wij voor God bestaan.

Niet in ons het heil gezocht,

Maar in Gods genaverbond,

Dat in Christus werd gewrocht,

Vóór de wereld werd gegrond.

Amk.v

ocr page 434

XL,

D E GEES E L I N G.

„Het scheiden van lichaam en ziel wordt door niets meer verbitterd, dan door de ons ontvallende grootheid.quot; Dit, mijne Vrienden! is de getuigenis van een hooggeroemd Dichter, lioe treffend en van hoe vele diepe menschenkennis getuigend is deze uitspraak. Ja, wanneer eenig woord ver in de menschelijke gemoedswereld weêrgalmt, en van de algemeenste, ofschoon ook niet altijd beledene toestemming zeker zijn zal, zoo zal het dit woord zijn. Zegt mij toch, wat ons zulk eene bittere smart veroorzaakt, en ons zoo diep nederdrukt, als-de waarneming, dat onze roem begint te verwelken, ons aanzien onder de menschen te verbleeken, en onze invloed op ben aan het verminderen is. Ik wil niet ontkennen, dat zich in dit smartgevoel nog iets openbaart van de hooge bewustheid van den voormaligen koning, die in ons geschapen werd, doch het is van den later gevallen koning, die de begeerte in zijn hart plaats gaf, om niet in en beneden, maar naast God te schitteren en te heerschen, en ten gevolge van deze oproerige zelfverheffing zijne oorspronkelijke waarde en heerlijkbeid verloor. Of God de Heere groot is of niet, daarover bekommeren wij ons weinig, wanneer wij het slechts zijn. Wij verdragen lichtelijk de verdonkering van den glans zijns Naams, maar niet van de onze. Ja, wij kunnen met gelatenheid den Heere aller heeren van den troon zien vallen, wanneer men ons slechts daarop heft. Van ons natuurlijk hart is niets meerder verwijderd dan de gezindheid, welke zich uit-sprak in de bekende woorden des doopers: Ik moet minder worden, Hij moet wassen. En het is met niets minder genegen dan in te stemmen met het Davidische woord 1 Chron. 29 : 11, Uwe, o Heere! is de grootheid en de macht, en de overwinning, en de majesteit. Deze tegenzin echter is Gode een gruwel. „De arm des boovaardigen — zoo roept Hij ons toe — wil Ik verbreken en op eene andere plaats; „de hooge oogen der menschen zullen vernederd worden. Je-saja zegt; „de dag des Heeren zal zijn tegen alle boovaardigen,quot; en Salomo „des menschen hoogmoed zal hem vernederen.quot; Zijn dat ledige woorden? Neen, zij zijn het niet. Tegenover ons tegenwoordig Evangelie, zullen wij bet opnieuw besenen; want bier komt de dag des Heeren over de menschen, die ons toeroept: „Niets verbittert meer het scheiden van ziel en lichaam dan de ons ontvallende grootheid.quot;

ocr page 435

Ml

Matth, 27 : 27-30. Marc. 15 : 10 — 19.

Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis en vergaderden over Hem de gansche bende. Teen nam Pilatus Jezus en geeselde Hem. En als de krijgsknechten Hem ontkleed hadden, deden zij Hem eenen purperen mantel om, en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zettede die op zijn hoofd, en een rietstok in zijne rechterhand, en vallende op hunne knieën vóór Hem, bespotteden z|j Hem, zeggende: Wees gegroet, gij koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen. En op Hem gespogen hebbende; namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd, en vallende op de knieën, aanbaden zij Hem.

De weg van den Heilige in Israël yerliest zich in altijd diepere donkerheid. De nachtelijke geschiedenis zijns lijdens gaat uit den kring van het treurige in dat van liet gruwzame en ontzettende over. De mishandelingen stijgen bij Hem lot folteringen, de Hem toegevoegde smaad tot verguizing, en het woord van Jesaja: „Hij was zoo veracht, dat men het aangezicht voor Hem verborg,quot; werd tot volle waarheid. Wij komen heden tot een gedeelte der lijdensgeschiedenis, die ons het bloed in de aderen zon kunnen doen verstijven, liet is de geeseling en de daarmede verbonden krooning met doornen van den Rechtvaardige. Wij treden het ontzettend voorval van meer nabij, en bezien het:

I. in deszelfs historische ontwikkeling, en II. in de verborgenheid, welke bet in zich draagt.

Moge de Cleest des Ileeren ons leiden in allo waarheid, en leere Hij ons ook daar met het geloof verder voorwaarts te dringen, waar de rede de grenssteenen ziet opgericht, en genoodzaakt is om terug te keeren.

I.

Nadat op Gabbatha de noodlottige keus gedaan, en voor den Rechtvaardige het lot van den moordenaar gevallen was, wordt Jezus voor eenen tijd a«n den aanblik des volks weder ontrukt, naardien Hij aan de gewapende gerechtsdienaren prijs gegeven, en door deze onder woeste verwenschingon als een slachtdier naar do binnenplaats van het Romeinsche paleis gevoerd werd. Derwaarts volgen wij Hem, al is het ook met tegenzin; doch wij moeten het mode aanschouwen, wat den grooten Rorg onze wederaanneming en verlossing gekost heeft. Een bedrijf, waarvan de aanschouwing zenuwen van ijzer en staal zou

27

ocr page 436

4l8

kunnen verscheuren, en waarbij ons het denkbeeld bekruipt, als ware het onvoegelijk, ja zonde, om het met onbedekt gelaat aan te zien. Ziet ginds de paai zwart van het bloed van moordenaren en oproerigen. De halsijzers, die daaraan bevestigd zijn, gelijk de koorden, die aan ijzeren ringen nederhangen, geven genoegzaam de gruwzame bestemming te kennen. Ziet de ruwe, woeste gerechtsdienaars, die als bloeddorstige hyena's in menschengedaante Mem omgeven. Let op de dierlijke gemeenheid hunner gelaatstrekken en de vreeselijke instrumenten in hunne handen. Het zijn geeseltuigen met honderden van lederen riemen, waarvan elk aan liet einde met eenen angelvormig heenach-tigen haak of eenen scherpkantigen vierhoek gewapend is. „Doch deze foltertuigen dienen immers niet voor den Heere?quot; zoo roept gij verschrokken uit. Ja, mijne Vrienden! voor geenen andere, dan voor Hem, den oogappel des levenden Gods. Men zou zekerlijk kunnen denken, dat liet tot zulk eene vernedering toen hij Hem noch kon noch behoefde te komen, maar dat geheel de hemel daar op verhinderende wijze moest tusschen treden, of dat de wereld er van te gronde moest gaan. Doch het komt er werkelijk toe, en de hemel teekent er noch protest tegen aan, noch de wereld zinkt er door in puin. Ziet, ziet, de gerechtsoefening neemt haren aanvang. Ach! welk eene aanschou-, wing. Als eene bende duivelen vallen de beulen op den Heilige aan , scheuren Hem de kleederen van liet lijf, binden Hem de handen, die altijd alleen tot weldoen zich hebben uitgestrekt, knevelen ze op den rug vast, hechten zijn gezegend aangezicht dicht tegen den schandpaal, en nadat zij Hem zoodanig met koorden hebben vastgebonden, dat Hij Zich niet meer roeren noch bewegen kan, gaan zij aan hun gruwzaam werk. O, reken er mij niet in staat toe, en verwacht het niet van mij, dat ik wat thans voorvalt tot in de enkele bijzonderheden u voor oogen stelle. De zaak is te ontzettend. Geheel mijne ziele is geschokt en siddert. Vergt mij niet, dat ik u de slagen voortel, die er thans op do heilige leden van den Jmmanuël vallen, noch u de pijnen bc-schrijve, welke toenemende met eiken slag, in andere gevallen van dien aard reeds toereikende waren om de ongelukkige tuchtelingen nog vóór de vormelijke ter dood brenging, aan welke deze geeseling pleeg vooraf te gaan, ter dood te brengen, of ten minste hun de hersenen te krenken. Het zij u genoeg, herinnerd te worden, dat de vreeselijke geeselriemen in het eerste vierendeel uurs niet tot rust kwamen. Reeds stroomt het bloed des Rechtvaardigen bij beken. Wat zegt het? Men gaat meedoogenloos voort, met Hem te slaan. Reeds worden de armen der geeselende woestelingen vermoeid. Wat heeft het te be-teekenen ? Nieuwe pijnigers lossen de vermoeiden af. Er is reeds geene zenuw meer aan den Goddelijken Lijder, die niet trilt in naamlooze pijn en smart. Doch dat Hij zulk eene pijn zoude hebben, daartoe werd Hij juist gegeeseld. In de eerste wonde wordt eene tweede, vervolgens eene derde ingegeeseld. Tot in het merg der gebeente dringen de het vleesch afrijtende punten der roede. Zóó wil men het juist; ja zóó en niet anders. Geen plek zal aan het heilige lichaam onverzeerd en ongewend blijven. Elke nieuwe bloeddruppel, die uit de opengescheurde aderen vioeit, valt als een druppel voedende olie.

ocr page 437

419

niet in liet vuur van liet modelijden , dat deze mensclien niet kennen . maar in dat hunner dnivclsche woede en hunnor dierlijke bloeddorst. En wat zij in het begin nog met eene soort van plechtigheid en eenen zekeren ernst verrichten, doen zij vervolgens, nadat zij bet laatste overblijfsel van mensellelijkheid in zich verstikt hebben, als een vermakelijk spel met leedvermaak. Kn geen donder uit do wolken verslaat de goddclooze boeven. Geen afgrond opent zicli onder dit rot van Korach, om ze levend te verslinden. Voorzeker, óf er moet geen God, geen wreker der onschuld in den hemel wonen, óf (hoe dikwijls zagen wij ons tusscben deze twee noodzakelijkheden geperst!) het heeft met liet lijden onzes Heeren eene geheel buitengewone, diep geheimvolle beteekenis.

Nadat de eerste ontzettende zaak, de geeseling, geschied was, wachtte den Heere zonder verwijl eene tweede pijniging, die de andere aan ontzetting nog bijna overtreft. Men ontbindt den van doodspijnen doorvlijmden Lijder van den bloeddruipenden paal weder los, doch enkel, om Hem in eenen nieuwen martelgloed af te dompelen. De stoffelijke roeden hebben hunne diensten gedaan; thans worden opnieuw de geestelijke roeden van de bitterste en uitgezochtste spotternij in beweging gezet. De hoon richt zich thans tegen zijn koningschap, gelijk bij eene vroegere mishandeling tegen zijne profetische waardigheid. Een versleten purperen mantel, eens de bedekking van èen Romeinech ruiterhoofdman, wordt te voorschijn gehaald.- Deze wordt Hem over de van duizend wonden doorsneden rug geworpen, en men weet zich van blijdschap niet te bedwingen over dezen, zoo als men meent, vernuftigen en zinrijken inval. Hierop breekt men takken van eenen met lange spitse punten voorzienen steekdoorn, en vlecht ze als een krans te zamen, die men Hem als kroon op het heilige hoofd drukt. Om echter het beeld van den spotkoning te volenden, geeft men Hem ais schepter eenen rietstaf in de banden, en brengt Hem dan, nadat men Hem aldus bespottelijk heeft gekleed, onder gillend gelach, eene beschimpende huldiging toe. De nietswaardigen buigen zich met gehuichelden eerbied voor den vermomde; zij buigen hunne knieën voor Hem, en roepen een- en andermaal, opdat de gekkernij volkomen zij; Gegroet, Gij Koniny der Joden! Doch het duurt niet lang, of zij zijn ook dit gruwzaam spel wederom moede, en laten opnieuw de kortswijl in den vreeselijksten ernst overgaan. Mot satanische onbeschaamdheid treden zij voor den gehoonde, grijnzen Hem onder de afschuwelijkste gezichtsvertrekkingen aan, spuwen Hem zelfs hun speeksel in het aangezicht, en om de maat des afgrijzens vol te maken, rukken zij den stok, dien zij Hem in de band gegeven hadden, weder al', en slaan Hem daarmede een- en andermaal zoodanig op bet met doornen bedekte hoofd, dat de spitsen van de pijnlijke kroon diep in den schedel dringen, en bet aangezicht van den beminnelijken Vriend der zondaren geheel met bloed overstroomd wordt. Welk eene aanschouwing! O ontzetting zonder voorbeeld, zonder naam!

ocr page 438

420 II.

Mijno Vrienden! lioe brengen wij deze len Iieinel schreiende gebeurtenis met liet bestuur van een rechtvaardig God in overeenstemming. Hier moet eene groote verborgenheid ten grondslag liggen, of ons geloof aan eene hoogere zedelijke wereldorde beeft zijn laatste steunsel verloren. En zeker draagt deze bloedige handeling een verbeven geheim in den scboot. Het moet u toch reeds van zelve hebben toegeschenen, dat de aanknoopingspunten van dit bedrijf zich reeds uitstrekken tot aan het begin der menscbelijke geschiedenis. Ja, kwam bet u niet voor, als zaagt gij in de plaats van den Heere Jezus den eersten vader Adam voor u staan, zoo als bij de in het Paradijs begane zonde boet? Weet echter, dat in het oogenblik, toen zulk een inzicht aan uw innerlijk oog voorbijging, gij in der daad de eenig juiste verklaring van deze groote raadselachtige gebeurtenis op het spoor waart. Ja, geloof bet, dat de bof Eden en de plaats in het paleis van den Romeinschen stedehouder, bij het geeselen en het met doornen be-kroonen van den eeuwig Gezegende, elkander nader verwant zijn, als men dit bij den eersten aanblik zou vermoeden. Schulden in Eden gemaakt, werden bier voldaan; zonden daar bedreven, worden hier geboet.

Denk terug aan datgene, waardoor de eersteling van ons geslacht zich en zijne nakomelingen in bet verderf stortte. Hij, die zoo overvloedig rijk door God gezegend was, liet zich niettemin verlokken tot bet genot der verbodene vrucht en at haar. Hij, op de schoonste wijze getooid met de gunst zijns Gods, het zich niet met dezen tooi vergenoegen, maar strekte zijne hand uit naar eene kroon, die hem niet toekwam. Hij wilde niet meer God dienen, maar zelf als God zijn. Hij stelde zich niet tevreden met den beerschersstaf, dien de Heere der aarde hem over alle aardsche schepselen verleend bad, maar bij trachtte in zekeren zin naar den schepter van den Almachtige zelf. Naar onafhankelijkheid van den Heere des hemels, naar het recht van onvoorwaardelijke zelfbepaling, ja, naar onbegrensde vrijheid van elke wet, welke hij zich zeiven niet had gegeven, ging zijne vermetele begeerte. Zelfstandigheid heette de leus, die hij op zijne banier schreef. Hij begeerde eeu koning te zijn, maar niet, zoo als hij zijn moest, onder God, maar een souverein koning, onafhankelijk zelfs van God, een zelfbeerscher, voor wiens eigenbatige wil zich alles moest buigen. In deze richting van het hart lag echter de beslissendste afval van God, en wee ons, dat deze neiging zich als kiem ook op ons heeft overgedragen , zoodat zij onze erfenis uit Adam geworden is. Wie toch zou het durven wagen, zich biervan vrij te spreken. Wie voelt niet lederen dag, dien wij beleven, deze gezindheid op duizendvoudige wijzen hare bloesems en vruchten te voorschijn brengen. Trachten wij niet allen van nature, zoo als een Heiden dit reeds erkend heeft, naar het verbodene? Is bet niet onze eigene persoonlijkheid, welke wij in plaats van God op den troon wenschen verbeven te zien, en welker verheerlijking ons ongelijk meer dan die van onzen Schepper aan het harte ligt ? Verzelt ons niet bij elke schrede de hoogmoedige begeerte, om

ocr page 439

421

als kleine goden ons zelven onze levensbanen voor te kunnen schrijven en brengen wij allen niet de oproerige neiging met ons ter wereld, om de wet van Jehova te ontduiken, en in de plaats van zijne wet willekeurig onze eigene wet te maken? O zeker is dit liet geval. Wij dragen allen het geheele evenbeeld van onzen stamvader iu ons, en willen wij hiervan niet weten, dan bewijzen wij hier wederom de ons aangeboren hoogmoed, en de innerlijke verduistering, waartoe wij vervallen zijn.

Zegt mij nu , wat naar uw oordeel Adam voor zijne ongeoorloofde en weelderige begeerte naar de verbodene vrucht overeenkomstig iiet recht van God verdiend had? Voor liet minst — zoo zult gij denken

— eene geeseling in plaats van zinnelijk genot, eene doornenkroon in plaats van den begeerden diadeem, en in plaats van het gewenschte purper, een spotkleed. Gij hebt recht geoordeeld. Doch ziet nu naar de binnenplaats in het paleis van den llorneinschen stadhouder, en overtuigt u, dat alles wat gij Adam waard geschat hebt, aldaar werkelijk hem ten deel valt. ïloe? — zoo vraagt gij met bevreemding

— wien meent gij? Onze stamvader Adam? Geen ander dan hem, en in hem ons, zijne nakomelingen. Ja, liier ziet gij den vermetelen, met lust bevangen man, de straf bare oproerstichter en kroonroover van het Paradijs. Alleen niet persoonlijk ontmoet gij hem hier, maar in eenen vertegenwoordiger, en wel in Hem, die, als eenen anderen Adam, de schuld van den eersten op Zich nam. Hij staat bier, Hij boet hier voor den eersten Adam. Ziet, dat is de verborgen kern van dit bloedig schouwspel. Weg daarom met alle valsche gevoeligheid! Weg met de eenzijdige en eigenlievende gramschap tegen de razende beulsknechten! Om niet te spreken, dat wij naar den innerlij ken grond van ons wezen en naar onze natuur niets beter zijn dan zij, zoo /.ijn zij, zonder er zich van bewust te zijn, niets dan werktuigen in de hand van den vergeldenden God. Wat Ghristus treft, treft ons, dien Hij vertegenwoordigt, in Hem. Op onzen ouden mensch, den wellustige, den dienaar des vleesches, op den hoogmoedigen rebel tegen God vallen de slagen, die Hij lijdt. Wij ontvangen hier, wat onze daden waardig zijn; en nu, zegt mij, of hier te veel geschiedt? O, in ons pare zich met de huivering, welke ons aangrijpt bij den aanblik van het martellam, te gelijk het grondigst zelfgericht, de diepste aanbidding van de onuitvorschelijke wijsheid en erbarming Gods, en eene juichende vreugde over de'heerlijke volvoering van zijnen genaderaad. In Jezus' wonden brandt onze hel uit; op Jezus' ziele vervlamt onzen vloek; in Jezus' bloed verzinken onze zonden. Het zwaard van den heiligen toorn Gods moest over ons gezwaaid worden, en is de Schrift geene groote leugen, en de bedreiging der wet geen ijdele schijn en spel, en Gods rechtvaardigheid geen waan, en zijne waarheid geene hersenschim, dan is niets meerder klaar, dan dat \an al de millioenen zondige en doodschuldige menscben, die immer de aarde betraden, niemand, ook niet een enkele, dit zwaard zou ontloopen zijn, wanneer de Zoon Gods idet gezegd had: „Het zwaard treffe Mij; Ik betaal voor de schuldenaren.quot; Zoo sprak Hij; toen donderde het boven Hem in de wolken; toen brandde in hoogen golfslag eene zee van

ocr page 440

angst cn benauwdheid over Hem heen; toen gooi de hel al hare pijnen en kwalen over Hem uit; — en de hemel.... bewoog zich niet. maar zweeg. En wat was dit alles? Niets anders dan liet aan onze zonden toegedacht loon. Sedert echter deze dingen gebeurd zijn, zijn de kruisen, die voor ons opgericht waren, omgehouwen, zijn de ketenen, die ons wachtten, weggeworpen, zijn de kanonnen, die wij op ons gemikt zagen, vernageld, en uit de koninklijke burcht van den üeere Zebaolh waait ons, arme pelgrims der aarde, de witte vredevaan te gemoet.

Ja, mijne vrienden, de zaak was wezentlijk zoo gesteld, als een oud leeraar , der kerk het ons zinrijk beschrijft: Adam was een koning, heerlijk versierd en uitverkoren om te heerschen. De zonde echter onttroonde den hooggeplaatste, en deed hem purper, diadeem en schepter verliezen. Toen bij nu het oog zoekend naar de aarde richtte, of hij ook liet verlorene terugvond, toen verhief, in het oogenblik, dat hem de kroon van bet hoofd viel, eene wilde doornstruik zich naar hem omhoog; zijn schepter had zich, als het ware den gevallen koning tot spot, in een en brozen rietstaf veranderd, en in plaats van den lieerschersmantel bief de bedrogene hand een spotkleed van bet stof der aarde op. Treurig liet de arme bedrogene liet hoofd zinken. Toen riep eene stern: „Zie op!quot; en toen hij opzag.... o welk eene aanschouwing voor den verrasten zondaar! voor hem stond een verheven geheimzinnig persoon; deze had de stekende doornen van den grond opgeraapt, en ze als eene kroon om zijne slapen gevlochten, en bad zichzelven in liet spotkleed gekleed, en den rietstaf, het zinnebeeld van onmacht, in zijne eigene hand genomen. „Wie zijl, gij, wonderbaar man?quot; vraagde met bevreemding en verbazing de stamvader van het menschelijk geslacht, en liij ontving het hartverhellend antwoord: „Ik ben de Koning aller koningen, die op Middelaarswijze in uw lot intredende, de verlorene paradijskleinoodiën u terugbreng.quot; Toen boog zich de gelukkige stamvader, eerbiedig en van dankbaarheid getrolfen, ter aarde, en vermoedde nu de diepte van de eenmaal gehoorde woorden van Jehova, na met het vel van het offerdier bekleed te zijn: Adam is geworden als een van Ons!

Ik heb u eene gelijkenis verhaald; maar zulk eene gelijkenis, die op bistorischen grond rust. Want inderdaad heelt de groote ruiling, die Christus met ons aanging, ons naar het recht en de aanspraak in liet volle bezit der paradijs-heerlijkheid hersteld. En ik zeg u, dat wij de maat van de op ons toekomende bevoegdheid geenszins overschrijden, wanneer wij de stoutmoedig vroolijke woorden van den Christelijken zanger tot de onze maken:

O

Christus is mijn heil, mijn eer.

'k Heb mijn vrees , mijn zorgen , Doch wie wanhoop' — ik niet meer, 'k Ben in Hem geborgen.

ocr page 441

423

Zou mij , arme sterveling,

Dan roff iets doen beven ? Vloek? Hij is mijn zegening Dood? Hij is mijn leven!

Amen.

ocr page 442

XIX

Z 1 E T DEN M E N S G M.

Gij kent hot Hooglied? Als oen zalige droom van eeno in God levende ziele des Nieuwen Vorbonds, zou ik liet willen beschouwd holj-ben. Als uit liefelijke geur geweven, gaan de beelden van dat lied ons voorbij. Als geestgestalton rijzon zij voor ons op, en verzweven en verdwijnen zij ook weder. Doch hoe moei' in elkander vloeiende de omtrekken zijn, des te grooter is do rijkdom van toestanden en tooneelon, die zij afspiegelen. Hot Hooglied bevat de als liet ware uitgeademde gekleurde schetsen van al de betrekkingen der innerlijke lo-vonsgemeonschap met den Heere, en te gelijk eene volheid van stille profetische heenwijzingen in de wonderwereld der Evangelische geschiedenis. Hoort bij voorbeeld slechts in hot Lied der liederen het woord. Kap. : 11. Daar roopt eene stem: Gaat uü en aanschouwt, gij doet deren van /Aon, den koning Salomo met de kroon, 'waarmede hem zijne moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten. Waaraan herinnert ons deze geheimzinnige toeroep'? Is hot niet als ontrukte zij ons in. den geest mot hoogere kracht over een geheel duizendjarig tijdvak heen, en als plaatste zij ons vóór don rechterstoel Gabbatha te Jeruzalem, alwaar de ware Salomo, do Vredevorst uit den hemel, ons te gemoet treedt. En hoe treedt HU ons te gemoet? Gekroond; doch mot wolk eene ontzettende kroon! Met stokende doornen omwond men zijn heilig voorhoofd. En wie beging dozen naamloozon wrevel aan Hem? Zijne moeder kroonde Hem, — de menschheid, die Hem naar het vloesch haarde, en welke Hij ten allen tijde enkel liefde en goedwilligheid bewees. En ziet, do dag zijnor diepste vernedering wordt door den Mishandelde zelf beschouwd als den dag der vreugde zijns harten, ja als den dag zijner bruiloft. En om welke reden? Omdat Hij juist op dezen dag en nog daarenboven in deze met smaadheid bedekte foltorgostalte, Zich de wereld der zondaren ten eigendom gekocht en alzoo de bruid Zich verworven heeft, welke Hij in fraaioren dosch, dan waarin men Hem zelf kleedt, denkt te kleedon. Gaal uit, en aanschouwt! roept de profetische stem ons toe; en welk een uitgaan kon zij bedoelen, dan do geestelijke uit de verstrooiing tot de aandacht, uit het gewoel der wereld tot de boschouwendo inkooring in zichzolvon, en bijzonderlijk uit don nietigen waan der eigengerechtigheid tot bekeering en het arm zondaar-zijn? Mocht dan ook heden hot: Gaat uit, gij doe titer en van Zion! in dezen ziu in ons binnenste weergalmen, opdat wij het

ocr page 443

verheven beeld mogen leeren verstaan, dat ons niet moor op hot geurig nevelachtig gebied der profetische voorafschaduwingen, maar op den vasten bodem der geschiedenis lieden te gemoet komt.

Johannes 19 : 4—6a.

Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik hreng Hem tot nliedcn uit, opdat c/ij weet, dat ik in Hem yeene schuld vinde. Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en liet purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet den mensch! Als Hem dan de dienaren en de overpriesters zagen, riepen zij, zeggende: Kruis hein! Kruis hem!

Ziel den mensch! Zoo sprak Pilatus, en de weergalm van dozen uitroep klinkt in onverzwakte kracht over do aarde voort, en wijst heen op een verschijnsel, zoo als or nooit ernstigei' en verhevener op de schouwplaats der wereld is opgetreden. Ziel den mensch! O dat ecce irojiol welk eene nooit ziel; weder stilhoudende golfslag heeft liet in de gemoedswereld der menschon teweeggebracht! Zelfs de harten der engelen voor den troon van God bracht het in eene aldus nimmer ondervondene ontroering, en liet doet hen nog beden aan , want het plaatst voor de oogen hunner herinnering do ontzettendste en te gelijk de grootste en beteekenisvolste gebeurtenis, welke ook hen ooit is voorgekomen.

Zeker is, hetgeen deze gebeurtenis ontsluiert, aan de eene zijde eene hol van misdaad en zonde; maar ook aan de andere zijde een hemel vol liefde en erharming. Welaan, volgen wij mot onze beschouwing liet Ziet van don Romein na, die, zoo ergens dan bier, als Goddelijk heraut voor ons optreedt. Wat zien wij? De eeuwige Zoon van God, diep in wolken gehuld, maar niet minder duidelijk en zegepralend den zwarten sluier met haren glans doorstralende!

Ja, — wie zou bet vermoeden'? — juist in deze niets dan smaad en vernedering aantoononde gestalte, in welke de lloero aller boeren ons hier ontmoet, bewijst Hij Zich als:

I. de Rechter,

II. de Overwinnaar, en eindelijk als III. de Zaligmaker der wereld.

Komt, dat wij ons hiervan in den loop onzer volgende beschouwing nader overtuigen. De Trooster echter, de Heilige Geest, verlichte ons innerlijk oog, en belpe ons de diepte van het Ecce Homo doorgronden! Het penseel schildert, de dichtkunst bezingt het, maar slechts bet verbroken hart neemt het in zich op en vincit er bet leven in.

ocr page 444

426

I.

Wij staan in den geest voor Gabbatlia. De plaats der rechterlijke handeling is nu ledig. Het rechtsgeding heelt zich, zoo als ons bekend is, voor eonen tijd in het binnenste van het rechterlijk paleis teruggetrokken. Wat daar gruwelijks is voorgevallen, weten wij. De Evangelisten beschrijven het ons niet bevende vingeren. De geeseling gedenken zij slechts in het voorbijgaan met een enkel vluchtig woord. Het komt ons voor dat het aan hen te zien is, hoe zij voor deze aanschouwing zich het gelaat met de handen bedekken, doch de tranen, die heimelijk over hunne wangen vloeien, vermogen zij ons ook niet to verbergen.

Reeds wil de onstuimig bewogene menigte niet langer haar ongeduld bedwingen, toen plotseling de deur van het rechthuis weder opengaat. Een storm van verwondering, ja van verbijstering gaat als hot ware bruisend door het volk heen. „Wat moet dit beteekenen? Ziet omhoog!quot; Pilatus komt, zichtbaar bewogen en ontroerd, aangetreden, en hem volgt, omringd van eene menigte spottend lachende gerechtsdienaren —- ach, welke gestalte? Gij bedekt u, ineenkrimpende, het gelaat. Ja doet het, doet het, en vergunt mij, dat ik u inmiddels met vluchtige woorden eene geschiedenis verhaal.

Eerst deed zich de hemel boven de aarde open, en een Heilige trad in de menschenwereld, de Eenige, die zij sedert den val in bet Paradijs gezien heeft. Het was een heerlijk Persoon, bij Wien niets te vergelijken was, en Hij kwam , om het droomgezicht van vader Jakob van den het Paradijs met de aarde verbindenden hemelladder waar te maken. De liefde was zijne banier, ontferming de polsslag zijns harten. Drie jaren wandelde Ilij onder de sterfelijke menschen. Zich onledig houdende met licht te verspreiden voor de in de duisternis rond tastenden, met de hutten der ellende te vervullen met weldadigheid en hulpe, met de vermoeiden en belasten tot Zich te roepen, opdat Hij zo mocht verkwikken, en met beloften op beloften, als met gouden hemellichten, het donker van het doodsdal te verlichten. II, hen niet gekomen, zoo betuigde Ilij, om rjediend te worden, maar om te dienen en mijn leven te (/even tol een rantsoen voor velen. Gij zijl rein, zeide Ilij verder, door het woord, dat Ik tot u f/esproken heb. Ik zal u f/cene weezen laten. „Ik breng u tot mijnen Vader, en verbef u tot medeërfgenamen mijner heerlijkheid.quot; En hoe bevestigde Hij zijne betuigingen met de daad, waar men het slechts waagde, vrijmoedig jegens Hem te zijn, en zich kinderlijk aan Hem toe te vertrouwen. O welk een Bezoeker op den met vloek belasten akker dezer wereld! Zeker, vanwege zulk een bezoek mochten de engelen voor den troon de pelgrims in het dal des doods benijden. En de kinderen der menschen'? Zij zullen — zoo meent gij misschien — Hem juichend in de armen gevallen, in vreugdetranen gesmolten zijn, en Hem in triomf rondgeleid en niet geweten hebben, wat zij al uitvinden zouden, om den hemelschen Vriend en Verlosser hunnen dank te betuigen. Zekerlijk zou men dit meenen. „Hoe! en het gebeurde niet?quot; Mijne vrienden! heft thans de oogen omhoog en ziet naar

ocr page 445

427

Gabbatha. „Achzoo roept gij bevende, „wie is deze vreeselijk mis-handolde?quot; O mijne beminden! wie denkt gij wel, dat Hij is? Ziet Hem nauwkeurig aan, en zegt, ol'de i)oosliei(i zich ei-ger beeft kunnen toonen, dan zij zich aan dezen Man betoond heeft? Ach, zij hebben Hem als een spotkoning vermomd, en, als ware Hij geene (ïnrstige behandeling waardig, den stempel der belachelijkheid op zijn persoon gezet. Ziet slechts het spo'kleed om zijne schouderen, den rieten schepter in zijne hand, en op zijn hoofd, vol bloed en wonden, de vreeselijke doornenkroon. „Doch wie is Hij dan, deze zoo gruwzaam misvormde man?quot; Ik denk, dat gij er niet langer meer naar zult vragen. De lijdzaamheid des lams, de bovenmenschelijke overgegevenheid, waarmede Hij voor u staat, maakt Hem genoegzaam aan u bekend. Niet minder verraadt Hem de majesteit, die, niettegenstaande alle vernedering, welke Hem overkomt, nu, gelijk altijd, over zijn persoon ligt uitgegoten, even als de hemelsche vergevende liefde, die ook heden nog uit zijne oogen blinkt. Wie zou zich in gelijke omstandigheden zoo laten vinden, als Hij gevonden werd? Ja, de Heilige uit den hemel staat in deze gefolterde gestalte voor u. Ziet den mensch! roept de beidensche rechter met wezentlijk diep geroerde en van hooge gewaarwordingen doordrongene ziele. Ware Pilatus zich van hetgeen hij thans slechts donker gevoelt, met volle klaarheid bewust, hij zou ten minste zeggen: „Hier ziet gij het oorspronkelijk toonbeeld van ons geslacht, de edelste bloesem der menschiieid, de persoonlijke Meiligheid voor u. Ziet den mensch!quot; Nog eens llikkert bij den Romein de reeds stervende hoop weder op, dat hij de vrijlating van Jezus nog verkrijgen kan. Thans •— zoo denkt hij — zal toch wel de bloeddorst, van deze woestelingen gelescht zijn. Tegenover deze persoonlijkheid vol hoogmoed en zachtmoedigheid moest zich de woede, ook de gi'uw-zaamste bekoelen, en bet gevoel van recht zich ook bij de verstokt sten geldend maken. Zoo denkt hij, maar zal hij zich ditmaal niet weder misrekenen? Het zou ontzettend zijn. Doch laat ons zien, water gebeurt. Het volk maakt zich gereed, om den toeroep van den stadhouder te beantwoorden; bet volk, deze zoo hooggeprezene, indrukmakende reus met zijne millioenen hoofden, welker vereenigde stemmen steeds bel rechte punt treffen, ja, gelijk het spreekwoord zegt, de slem van God gelijk geacht worden. Hoe beet echter de echo, die uit de borst van bet machtige monster, vol/,' genoemd, den stadhouder op zijn: Ziet den mennek! tegenbrult? Zij beet: Kruis hem! kruis hem! en hel galmt daarheen, als klonk het slechts uit ééne keel. Met zulk eene eenstemmigheid weet het zoogenaamde rechtvaardige volk wat het wil. Doch weten de woestaards wel, wal zij doen? Zeker niet naar geheel den omvang der zaak. Maar gij moet ook niet denken, als handelden zij als in den droom. O neen, zij wenschlen in den persoon van Christus den spiegel in stukken te slaan, die hen, ook zonder woord, hunne misvormde gedaante voor hunne bewustheid stelde; zij wenschlen in den Nazarener het licht der wereld te kunnen uitblusschen, dat zij haatten, omdat zij de duisternis der leugen liever hadden, dan de helderheid van den dag der onopgesmukte waarheid; zij wenschlen den onaangenamen vermaner aan den ernst der eeuwig-

ocr page 446

428

heid zich van den hals te schuiven, want liet verdroot hen, zich in het rustig genot van hunnen aardschen draf gestoord te zien. Zij willen noch een tweede geweten huiten zich, noch een toonbeeld der deugd voor zich, noch een wekker uit den geestelijken doodslaap nevens zich, ja over liet geheel geen zedelijk gezag boven zich. Om al deze redenen is het, dat zij tegen den Heilige Israels in woede ontvlamd Zijn, en niets anders voor Hem overhebben, dan een onverbiddelijk Kruis hem! kruis hem! Op deze wijze zijn zij zeiven geoordeeld. Ja in de optrede van den Schoonste onder de kinderen der menschen heelt onze gevallen natuur aanleiding genomen tot de getuigenis, dat haar verderf tot in den wortel zetelt, bare kwaal wanhopig boos, en bare innerlijke riebting en gezindheid niets anders is dan vijandschap tegen God, don Allerhoogste. De duizend andere bijdragen, welke de geschiedenis ons hiervoor aan de hand geeft, kunnen wij ontberen , nadat ons geslacht in hel dooden van den lleere uit den hemel het oordeel over zichzelven uitgesproken en de mate zijner schulden vol. gemaakt heeft. De stemmelooze Lijder daar ginds in den purperen mantel en in de doornenkroon zit hierover ten gerichte, en betuigt reeds met zwijgen, den mond, dat zonder Middelaarschap en Verzoening het zaad van Adam in zijne ganschelijke uitgebreidheid aan den vloek onderworpen is. „Het zaad van Adam?quot; zoo vraagt gij met bevreemding, „is dan deze woeste horde daar ginds de menschheid?quot; „Ja, mijne vrienden! zij is bet, en gij zijt in een boozen waan* bevangen, wanneer gij liet u dunken iaat, dat uw hart uit eene andere stof geformeerd is, dan het hunne. Wat op Gabbatha als goddeloos te voorschijn komt, is slechts do rijpe vrucht van een zaad, dat meer opentlijk of meer in liet verborgene in ons allen voortwoekert. Noemt deze mijne bewering niet onrechtvaardig. Zoo lang wij de tweede geboorte nit water en geest niet ondervinden, gaan wij eigentlijk en wezentlijk met Jezus niet anders te werk , dan gindsche goddeloozen. Wij ergeren ons alsdan even als zij aan Jezus heiligheid; als zij slaan wij alsdan tegen Hem achteruit, wanneer Hij de netten der leugenen, waarin wij verstrikt liggen, wil verscheuren; wij bespuwen Hem alsdan in den geest, als zij, met onzen hoon, wanneer Hij ons den eisch doet, dat wij voor Hem als onzen Gebieder in diepe hulde, de knieën zullen buigen. O zegt het toch, draagt Christus niet, in bonderderlei vormen, nog altijd in de wereld liet purperen kleed en de doornenkroon? Ziet Hij Zich van wege zijn getuigenis aangaande zijne bovenmenschelijke hoogheid niet nog altijd als een leugenaar en dweeper aan de kaak gesteld? Is niet zijn naam nog beden bij duizenden gebrandmerkt, gelijk geen andere naam is? Zweeft er niet een spottende glimlach over de lippen der menschen, waar Hij met innigheid en eerbied genoemd wordt? Is men niet gewoon, bet ons veel lichter te vergeven, dat wij voor eenen Voltaire, ja voor eenen Robespierre dweepen, dan dat wij het ons laten dunken, het ernstig te meenen met de liefde van Jezus? Overstort men ons, en in ons den Heere, niet terstond met schimp en scheldwoorden, zoodra wij ons daartoe bepaald gereed maken? O voorzeker, de zonden , die ginds aan hel van bloed druipend lichaam van den misban-

ocr page 447

fielden Jezus begaan werden, zijn zoo min bloote zonden en misdaden van enkele menschen, dat hier veel meer de geheele schuld der ge-heele menschheid openbaar wordt. Ach, dat ontzettend gruweltooneel op die hoogte aan bet rechterlijk paleis is nog niet uitgespeeld; ofschoon in minder afzichtelijke trekken vernieuwt het zich nog alle dagen. Het Ziet den mcnsch! wijst niet enkel naar de verledenheid, het treft ook nog met verdoemende kracht de tegenwoordigheid. Wee! de geheole wereld wordt tot een Gabbatha. De met doornen gekroonde martel-gestalte op de gerichtsplaats van Pilatus oordeelt, zonder een woord te spreken, allen zonder onderscheid.

II.

Doch in oordcelen en veroordeelen wordt geheel de zwijgende werkzaamheid van den Goddelijken Lijder niet omvat. Niet enkel beschuldigend, maar te gelijk eerbeid en huldiging eischend, klinkt het Ziet den mcnsch! tot ons neder. Hoe diep de Heere vernederd schijnt. Mij blijft evenwel een Koning. Ja , juist in deze met bloed doornatte spot-kleedij volbrengt Hij — wie zou bet gelooven'? —■ een recht Koninklijk werk, en bestij gt Hij eenen troon, op welken Hem tot hiertoe nog geen oog had gezien. Het is niet de troon van eenen Beheerscher aller schepselen, neon, op dezen had de Vader Hem reeds lang verheven. Verzie u niet aan den met smaad bedekten Man. Eén wenk, ook slechts met den broozen rietstaf, en legioenen van engelen snellen tot zijne verdediging aan, en zijne vijanden liggen lot eeno voetbank zijner voeten. Even weinig is het de troon eens Wrekers en Rechters, op welken Hij Zicb verheft. Ook dezen hoeft Hij reeds beklommen. Dat toch niemand dwale! Zelfs onder zijn spotkleed verbergt Hij nog den donder en het bliksemvuur, en gelijk eenmaal uit den doornbosch van Jotbam, zoo zou ook, wanneer llij bet slechts wilde, uit zijne doornenkroon een verterend vuur kunnen uitgaan, om de tegenpartij-ders te verteren. „Doch waarom, zoo Hij hiertoe de maebt bezit, bedient Hij er Zich niet van?quot; Wij antwoorden: omdat Hij onder bot spotkleed nog een ander kleed draagt, het purperkleed der erbarmende en naar de redding van verlorenen smachtende liefde. De nieuwe troon, dien Hij op Gabbatba bestijgt, is dien van der armen zondaren Koning en van den Vorst des vredes. Het is de troon der genade, van welken vergeving in plaats van vergelding, beloften in plaats van bevelen, zouden afdalen. Tot dezen troon was Hem geenen anderen weg geopend, dan die, welken wij Hem thans zien bewandelen. Alvorens de vloek wijken kon voor den zegen, en het rechterlijk zwaard voor den palm des vredes, moesten de verplichtingen van den zondaar vervuld, zijne schulden voldaan, en aldus de Goddelijke gerechtigheid genoeg gedaan worden. In dit groote werk nu is de Goddelijke Lijdei' werkzaam. Lijdende verkrijgt Hij Zich eene nieuwe macht; in smaad afgedompeld, bekleedt llij Zich met eene nieuwe heerlijkheid.

Ziet den mcnsch! Ja vat Hem wel in bet oog, en slaat Hem nauwkeurig gade, en slaat van wege deze gebeurtenis de handen verwonderd te zamen. In de spotkleeding, waarin Hij daar voor u staat, behaalt Hij zegepralen en overwinningen, welke Hij in bet prachtgc-

ocr page 448

430

waad zijner Goddelijke majesteit nimmer zou hebben kunnen behalen. Hij overwint daarin de eeuwige gerechtigheid, terwijl Hij haar noodzaakt haar oordeel des doods over den zondaar in een oordeel der genade te veranderen. Hij overwint daarin de onherroepelijke Wet, naardien 'Hij het voor deze mogelijk maakt, om zonder schade van haar gezag en waardigheid, den tegen ons uitgesproken vloek terug |e nemen. Hij overwint de zonde, naardien IJij hare verderfelijke macht neervelt; don satan, welken Hij in den weg des rechts de laatste aanspraak op ons ontrukt; en den dood, dien Hij zijnen prikkel ontneemt, en dien Hij de wapenrusting van eenen koning dor verschrikking uittrekt. Hem, den tot onkenbaarheid loe misvormden Man, behoort van nu aan de aarde voor den betaalprijs zijns bloeds, en geene, ten gevolge der zonde, door Goddelijke toelating, in de wereld inge-drongene overbeerschende macht heelt meer eene gegronde rechtsaanspraak op haar. Hij werpt van de zuilen der aarde de banieren en wapens van al de overbeerschende machten, en stelt het teeken des Kruises, als bet kenmerk zijner vredeheerschappij', in de plaats, en niemand durft zich vermeten, om terugwijzend tot Hem te zeggen: wat doet gij? Hij is volkomen en onschendbaar in zijn recht. De aarde is de zijne, opdat Hij zijne liefde en niet zijnen toorn daarop late regeeren, en wanneer Hij de zondaren voortaan behandelt, als waren zij vervuld van heiligheid en deugd, wie zal zich verstouten, om Hem de bevoegdheid daartoe te ontzeggen? Ziet den mensch! Ja, een vreemde tooi is het, die zijn hoofd omgeeft; doch weet, dat Hij in deze kroon eene macht bezit en oefent, welke Hij Zich, toen Hij nog slechts de Hem van eeuwigheid af aangeërfde Godskroon droeg, niet kon beroemen te bezitten of te oefenen. Jn deze kroon ware het Hem enkel mogelijk tot eenen moordenaar te zeggen: „Vervloekt zijl, gijquot; maar in de andere antwoordt Hij den nrmen zondaar: Heden zult (jij met Mij in het Paradijs zijn. In de hemelsche kroon kon Hij eene Mag-dalena, eenen tollenaar, eenen geraakte niet anders dan met een: , „Weg van Mij!quot; aan de verdoemenis overleveren ; maar in zijne doornenkroon heeft Hij het recht en do macht, deze met schuld beladenen een: Gaat heen in vrede, u zijn uwe zonden vergeven! toe te roepen. In de hemelkroon heerschte Hij ook wel, maar over een den ondergang gewijd, hopeloos verloren geslacht; in den doornendiadeem be-heerscht Hij eene wereld vol van eene groote heerlijke toekomst. Ziel den mensch! een broos riet is zijn heerschersstaf; doch met den schep-ter der almacht, dien Hij van den beginne voerde, verrichtte Hij de wonderen niet, welke Hij met dit teeken der vernedering en onmacht doet. Op den wenk des eersten opende zich zeker de poorten der hel voor den overtreder, doch ook alleen de poorten der hel; op den wenk des laatsten doen zich voor dezelfde zondaren de poorten van liet Paradijs weder open, zoo dikwijls Hij wil. .Met de eerste macht was Hij I leere over de stervelingen, doch enkel als over eene verlorene, ter slachtbank afgezonderde horde; doch met deze weidt Hij dezelfde schepselen als eene kudde, welke tot de eeuwige zaligheid ge-r roepen is. He schepter zijner majesteit bedreigde bet rijk der dui-' sternis in deszelfs rechten op de gevallen menschheid niet, terwijl de

ocr page 449

vergeldende gerechliglieid, welke do vastiglieid is van don troon vati (lod, zijne maclit met onomstootelijke grenzen omheint; met don scheptor zijner nederigheid daarentegen stort Hij den heersclierszetol van den vorst des afgronds om, en neemt hem land en lieden af, en wel met een recht, hetwelk de hel zelfs niet waagt in twijfel to trekken en te bestrijden.

Kunt gij nu in den mishandelden mensch, die daar staat, nog den Veroveraar der wereld herkennen? Slaat in Hem niet werkelijk de Sterkere voor u, die den sterke zijnen roof en rusting ontneemt, en aan de heerschappij van al de ons vijandig tegenoverstaande machten een einde maakt? Weet echter, dat Hij in dezelfde houding , in welke Hij toen, volgens rechtsaanspraak, de wereld aan Zich onderwierp, ook wat de uitwerking er van betreft, haar voortdurend verovert. Niet de gestalte van den Meester in Israël is het, nocli die der heerlijkheid van den beginne; maar de gestalte van den Goddelijken lijder, waarin Hij Zich nedergebogen heeft tot de harten van hen, (lie Hij Zich met zijn bloed heeft gekocht. De eerste huldigingen zijner kinderen ontvangt HU gewoonlijk in den doornenkrans. In zijnen spotmantel, en niet iti het purper zijner voorwereldsche majesteit, vergadert Hij Zich tot heden het loon zijnor smarten. De zonen der woestijn blijven Hem vreemd, zoo lang m hen slechts in liet gewaad van den leoraar, of met de eersieraden van zijn bovonmenschelijk Koningschap tegen-treedt. Zoodra Hij echter zijne martolgestalte voor iien ontsluiert, beginnen zij ontroerd te worden en gevoelen zij zich als door een wonderbaar magnetisch vermogen getroffen. Geheel ontroerd zien zij den verheven Man in bot bloedig aangezicht. „Wie zijt gij?quot; vraagt hun felbewogen hart. „Gij man, zoo hard geslagen, en toch zoo stil en geduldig — hoe is uw naam ? Waarom omgeeft u, uit wiens oog slechts liefde ons te gemoet straalt, zulk eenen bitteren, zulk eenen naamloozen nood?quot; Zoo vragen zij, en wanneer nn van zijne bloedige lippen hen het antwoord tegenklinkt: Voor u, voor u! dan is bet zijne purperen mantel, welks zoomen zij het allereerst aangrijpen, zijnen doornendiadeem, welken zij het allereerst hulde bewijzen, en zijnen rietstaf, onder welken zij, als onder den schepter van hunnen rechtmatigen Heere, het eerst hunne hoofden tot blijmoedige gehoorzaamheid buigen. Ja, het Ziet den mensch! is nog altijd de stille macht, die leeuwen in lammeren verandert. De wonderdadige klank, die steenen harten vcrbrijzèlt of doet smelten. Het feestelijk klokkengelui, dat den Heere de schoonste zegenpralen inluidt. Moge dat Ziel den mensch! ook onder ons zijne wonderdadige werkingen openbaar laten worden.

III.

Ziel den mensch! Ja houdt den blik vast op Hem gevestigd. Gelijk deze mensch de Rechter en Overwinnaar der wereld is, zoo is Hij ook haar Zaligmaker. Wij weten wel, dat Hij heden op Gabbathaniet meer staat. In een ander kleed en in eenen anderen diadeem, als waarin wij Hem daar zien, heeft Hij reeds lang den troon der heerlijkheid bestegen. Doch zijne doornenkroon liet Hij ons in het Evangelie terug, en

ocr page 450

m

o, welke wonderen heeft, liet sedert op de aarde reeds verricht, en waar de Heilige Geest zijn licht geeft, welke wonderen verricht het daar nog altijd. Gelijk in dit met smaad bedekte beeld der smarte juist de Heere van den hemel de wereld gered had, zoo betoont Hij Zich daarin nog altijd als de Zaligmaker der wereld. In deze martelaarsgestalte treedt Hij in de kluizen van de onder hunnen zondenlast verbrijzelden, en zoodra zij bij hot geluid van bet woord: Ziet den mensch! Hem zien, wordt hun harte verlicht, want Hij draagt hunne krankheden, bi deze gestalte toont Hij Zich den aangevoebtenen in den nood der verzoeking, en Hem te zien, en dien, die den satan onder zijne voeten vermorzeld beeft, en ontwijfelbaar zeker te zijn van hunnen zegepraal, is voor hen eene en dezelfde zaak. In deze gestalte komt Hij tol de met de slagen van het lot hard getroffene, en nauwelijks ontwaren zij Hem, of zij ademen vrijer en jubelen: „Door het kruis naar de kroon.quot; In deze gestalte nadert Hij zijne door de wereld miskende en met spot beladen kinderen, en reeds door Hem van verre door de traliën te ontdekken, zijn zij weder welgemoed en zeggen zij stoutmoedig: „Kom slechts hier met uw purper, rietstaf en doornenkroon. Wij begeeren van u,o onze vijanden en zijne tegenpartijders, geenen anderen tooi, dan waarin gij Hem, ons heerlijk Hoofd, zelf eenmaal hebt gekleed.quot; Zwijgend treedt Hij in deze gestalte heen voor dezulken, die over de snoode ondankbaarheid der wereld en haar ijskoud gemoed diep bedroefd zijn; doch boe snel verandert in zijne tegenwoordigheid hun toorn in diepe beschaamdheid over bun reikhalzen naar rnenschenlof en ijdele eer. In deze gestalte brengt Hij dezulken tot zijne kudde terug, die zich opnieuw tot de draftroggen der wereld lieten verlokken. Zijne oogen zien ben van onder de doornenkroon sleclits medelijdend en waarschuwend aan, en reeds liggen zij, smeltende in tranen van rouwe, weder aan zijne voeten. In deze gestalte verschijnt Hij duizendmalen de zijnen, wanneer de nacht des doods hea begint te omnevelen , en hunne voeten reeds wandelen in het donkere dal; en zoodra hun brekend oog Hem aldus aanschouwt, wordt het ben als ruischte een hemelsche vrede ben toe van zijnen doornenkrans, als week, door den rietstaf in zijne band overwonnen, de koning der verschrikking met al zijne vreese-lijkbeden terug, en als breidde zich de purperen mantel van den He-melschen Vriend gelijk eene rusttent over ons uit. Verhelderde blikken staren Hem aan, en met een: „Gegroet zijt Gij, o Koning des vredes!quot; scheiden zij op de wijze van Simeon van ben. O rnoge Hij dan ook ons eenmaal zoo verschijnen, wanneer onze dag zich neigt en onze laatste nacht aanbreekt. Dat Hij ook voor ons van dat lijdensbeeld den sluier afneme, wanneer de ernstige weg zich voor ons opent, dien wij eenzaam en alleen te gaan hebben. Wanneer onder de mach-telooze tranen der onzen eenmaal onze polsen stilstaan, en deze zijde des grafs voor altijd ons ontzinkt. quot;Wanneer geene menscbelijke kunst meer helpt, en zelfs de troost der menschelijke liefde niet meer troost, o dan doorwandelt Hij in deze zijne lijdensgestalte met den purpermantel en de doornenkroon ook onze afscheids-eenzaambeid, en al bet donkere, dat ons omnevelt, zal zich weldra op hemelsche wijze moeten verheerlijken. Want juist in dit zijn beeld drukt zich bevattelijker en

ocr page 451

413

geweldiger, dan door eenige andere gestalte de waarheid uit, dat het oordeel des doods en des vloeks van ons iioolil op liet zijne overging, opdat ons in het sieraad zijner gerechtigheid een vrijen toegang tot den troon der genade geopend werd. Ja, wanneer Hij sleclils eenmaal met ons in het eenzaam scheepje zit, dat ons over den laatsten stroom, over den Jordaan brengen zal; wanneer eenmaal aan den stervenden blik van ons brekend oog slechts Hij onveranderd aanwezig'blijft; wanneer bij het verdwijnen onzer zintuigelijke gewaarwordingen ons nog slechts dit eenige verleend is, dat wij liet bloedig geheiinschrift zijner folteringen lezen en verstaan kunnen, wat behoeven wij dan verder nog, opdat onze overtocht een gelukkige, vreedzame en liefelijke zij? Daarom, wanneer heden of morgen ook bij ons de nood dringend zat worden, zoo drage de Heilige Geest in onze binnenkamer slechts den roep: Ziet den mensch! en zien wij dan op — dan staat Hij voor de oogen onzes geloofs jnist zoo, als Hij nu op de hoogte van (labbatha voor ons staat. O, hoe veel eerder neemt een arm zondaar de vrijmoedigheid, om den zoom van zijn purperen kleed, dan den zoom van zijn lichtkleed aan te grijpen. En uit de doornenkroon rondom zijne slapen klinkt ons Mozes' geheimvolle zegengroet toe: De goed-(junstigheid Dengenen, die in het braambosch woonde, home op het hoofd van Jozef en op den schedel des afgezonderde van zijne broederen.

Dat dan het Ziel don mensch! nooit meer in onze harten ophoude te klinken, en dat nimmer ter wereld voor onze innerlijke aanschouwingen de gestalte verbleeke, waarop dit woord heenwijst. Deze gestalte mag, zoo lang wij op aarde zijn, niet meer uit onzen gezichtskring wijken. Wanneer niet de vrede Gods, de moed tot den strijd tegen zonde en wereld, de troost in het leven en in het sterven, ons zullen ontgaan. In het Apostolisch „Niets te weten en niets te willen weten, dan Ghristus, en wel Dien gekruist,quot; ligt de kloekzinnigheid der rechtvaardigen. In de gemeenschap van den stervenden Middelaar dagelijks onszelven en der wereld af te sterven, onr dagelijks ook met Hem tot het nieuwe leven in God op te staan, is onze roeping. Wij moeten deze roeping ons laten welgevallen. Wij hebben toch hier geene blijvende plaats. Hoe lang zal het duren, dan klinkt ons andermaal een Ziet den mensch! te gemoet. Wanneer wij dan echter den blik opheffen, dan staat een ander beeld, dan dat op Gabbatha, voor ons ontsluierd. De Koning der eere heeft het kleed des smaads en des boons tegen den starrenmantel der Goddelijke majesteit verwisseld; de doornenkroon tegen de kroon zijner oorspronkelijke heerlijkheid ; den rietstaf tegen den schepter der wereldheerschappij. Als een hemelsche vredeschepter neigt Hij den laatste vriendelijk tot ons neder, zeggende: „Komt en beërft het Koninkrijk!'quot; en terwijl uit het binnenste der hemelsche Godsstad het groot, nimmer eindigende ilal-leluja der zaligen ons tegenklinkt, vergezelt ons van de aarde een nagalm van het dikwijls door ons in het geloof gezongen pelgrimslied :

Onze weg geleidt naar boven,

Schoon niet kruis aan kruis omheind.

38

ocr page 452

I

i34

Bloedt het hart? Voor die golooveil,

Is er blijdschap in het eind. Slechts de strijder wordt geleid In de burcht der eeuwigheid, Die in Salems muren wonen , Droegen hunne doornenkroonen.

Amen.

ocr page 453

XML

11E T S L 0 T VAN 11 E T R E G IT T S G E D f N (r.

Ghristus verscheen op aarde, om de wet te vervullen. Hij betuigde dit zolF uitdrukkelijk, Mattli. 5 : 17, met de bijvoeging: I Va ui voortvaar zeg Ik u, totdat de hemd en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alle* zal zijn geschied. De wet was in de wereld, en zij is ons gegeven. Jlet moest in de tafelen, waarin Gods vinger bet gescbreven bad, niet blijven sluimeren, maar van de koude stomme steenen in bet hart, de daad cu bet wezen der mensebbeid overgaan, en op deze wijze in ben levend worden, opdat bet zijne feitelijke uitdrukking bij ben vonde. Dan acb, levend werd bet slecbts in ons op aanklagende en veroor-deelende wijze. Toen kwam Mij, die onze bope, gelijk onze liefde is, on Hij nam werkelijk de Wet alzoo in Zicb op, dat bet met al zijne eiscben en geboden waarheid en leven in Hem werd. Allo denkbare deugden scbitteren ons in den zuiversten glans uit Zijn persoon te ge-moet. Elk zijner bandelingen en gewaarwordingen komt naar vorm en inbond volkomen met de Wet overeen, en deze laatste werd zoodanig tot op tittel en Jota in Hem opgenomen, dat Hij de persoonlijke Wet genoemd kan worden, in Wien de in letteren vervatte wet zie,li belicbaamt en vleescb en bloed aangetrokken heeft. Daarom echter was Hij ook dien Persoon, in Wien God al zijn welbehagen hebben kon en werkelijk had, en die de bevoegdheid bad, om als de andere Adam voor ons, zondaren, als Middelaar en Verlosser tusschen beide te treden. Dat deze waarheid ons als een geestelijke fakkel voorlichte op onzen togen woo rdi gen bescbouwingsweg!

Johannes 19 : G—16.

Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem, en kruist Hem; want ik vind in Hem geene schuld. De Joden antwoordden hem: Wij hebben eene reet, en naar onze roet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt. Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd. En pdng wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus : Vanwaar zijt Gij ? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zeide tot Hem; Spreeekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet, dat ik maeht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten ? Jezus antwoordde: Gij zoudt geene macht hebben tegen Mij, indien het u niet

ocr page 454

vein Jiovcn (jPffcrcu wctve j dcicit'om die Mij nnn u heeft oiicrc/cievc) d gt; heeft fjrooter sonde. Van toen af zocht Piktus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien r/ij dezen loslaat, zoo zijt (jij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zich zei ven koiiing maakt, wederspreekt den keizer. Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuwsch Gabbatha. En het was de voorbereiding van het Pascha en omtrent de zesde ure, en hij zeide tot de Joden. Ziet meen Koning! Maar zij riepen; Neem weg, neem weg, kruis hm! Pilatns zeide tot hen: '/ui ik uwen Koning kruisigen ? De overpriesteis antwoordden; 1 \ ij hebben geeneii koning dan den keizer, loen gaf hij Hein aan hen over, opdat Hij gekruist zou worden.

De rechterlijke handeling tegen den Heere der heerlijkheid spoedt ten einde. De feiten verdringen, ja overstelpen elkander, liet groot, alles beslissend oogenblik is nabij, en de gebeurtenissen nemen met klimmende mate onze deelneming in aanspraak. Wat in ons tegenwoordig Lijdensverhaal voornamelijk onze opmerkzaamheid lot zich trekt, is drieërlei, en wel:

I. het beroep der Joden op de wet,

11. de samenspraak van Christus en Pilatus, en eindelijk 111. de voleindigde nederlaag van den laatste.

Wijden wij aan deze historische trekken eenige oogcnhlikken van aandachtige overweging, en late de Heere ook ons heden den verborgen schat in den akker niet ontgaan!

I.

Kruisig Hem! Dat is het antwoord van bet volk op het bewegelijke en om verschooning voor den Heere der heerlijkheid bedelend. Ziel den menschl van den reeds meer dan half nedergeworpen rechter. Dat Kruist hem! werpt den armen Pilatus nu ganschelijk van zijn laatst, oogenschijnlijk zeker standpunt. Daar staat hij, nog enket een voorwerp van medelijdeii en beklag, weerloos en radeloos, in zijn binnenste verscheurd en gefolterd door de geeselslagen van zijn beter ik, maar zonder geloof, ofschoon hij ook van bijgelool niet Mij is, en daarmede een speelbal der menschelijke en demonische machten, die hem beheerscben. Opnieuw betuigt hij de onschuld van den Beschuldigde, doch in plaats van nu bij juiste gevolgtrekking, liet rechtsgeding met de vrijspraak van Jezus te eindigen, werpt hij zichzelven weg, tot aan bot lafhartig raadgeven aan de Joden toe , dat zij den Nazarener, in wien hij geene schuld vermocht te vinden , nochtans zouden nemen, om Hem zonder zijn rechterlijk vonnis, slechts bij wijze van oproer, aan bet kruis te slaan. Voorwaar, allengs begint ook bijna bet medelijden met den karakter- en gewetenloozen nicin m onzen boezem uit te dooven, en wij komen met betrekking tot hem iu verzoeking, om ons verwerpend oordeel over het volk, dat dooi

ocr page 455

437

de zwakheid van Pilatus ten eenenmale op den dwaalweg geloid en in zijn waan versterkt werd, te verzachten en het ganschelijk op hcm-zelven over te dragen. Kan liet ons nog verwonderen , dat het volk slechts met te meer stoutmoedigheid optreedt, hoe zwakker het den rechter wankelen en wijken ziet?quot; „Wij hebben eene wet,quot; roept het beslissend en met vastheid uit, „en naar onze wet moet hij sterven; want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.quot; Het is het volk niet genoeg, om Jezus enkel van het leven ter dood te brengen, maar om den schijn der muiterij van zich af te werpen, wil het te gelijk, dat Jezus in plechtstatige openbare terechtstelling, en onder allo vormen van het recht de wereld verlate.

Zeer opmerkelijk komt hier voor onze aandacht de van de zijde der Joden tegen Jezus opgeworpen nieuwe aanklacht, dat Hij Zich tot Gods Zoon gemaakt hebbe. Zij verklaren hiermede als het ware met de stukken, dat Jezus Zich inderdaad dezen hoogen eernaam toegeëigend heeft. Dat zij daaruit eene doodschuldige misdaad maken, dient ons tot maatstaf van den omvang en de verhevenheid dor beteekenis, welke zij aan deze zijne zelfverklaring meenden te moeten geven. Hoe had het hen kunnen invallen, in dit laatste iets misdadigs te zien, wanneer zij meenden te moeten aannemen, dat Jezus Zich in geen' hooge-ren zin voor Gods Zoon had verklaard, dan waarin allo menschen, en bijzonder de vromen en Godvruchtigen onder hen, zich mogen noemen. Doch hot was hen eene uitgemaakte zaak, datJezus zich met den titel van Zoon van God hoog boven alles wat mensch en zelfs wat engel heet, ja dat Hij Zich hiermede zelfs met God, den Al-genoegzame, gelijk heeft willen stellen. En had de Heere minder gewild dan dit, zoo was hot bij deze gelegenheid zijn heilige plicht geweest, de beschuldiging zijner aanklagers als een leugen van Zich te wijzen of als een groot misverstand toe te lichten. Hij doet echter het een noch het ander, maar zwijgt, en drukt door dat zwijgen op deze tegen Hem ingebrachte beschuldiging opentlijk, als op eene wezentlijke waarheid, het zegel der bevestiging.

Wij hebben eene wet, roept het volk. Zeker, zij hadden eene wet, eene bepaalde, van den hemel geopenbaarde, in woord en schrift vervatte wet; eene wet, klaarder dan de zon, dieper dan de zee, en als de zuivere afspiegeling van Gods heiligheid, als de volkomen overeenstemmende uitdrukking .van zijnen on veranderlijken wil, geldig voor geheel de wereld en voor tijd en eeuwigheid. Ja weet het, wanneer God eenmaal minder heilig zal zijn dan Hij is, dan, maar ook niet eerder, zullen de eischen dezer wet zich verminderen en verzachten. Wanneer de rechtvaardigheid Gods eenmaal begint af te nemen en zijne waarheid aan hot wankelen geraakt, dan, doch ook eerst dan, zal er ook aan de overtreding dezer wet minder gelegen en de vloek der wet minder te vreezen zijn. Zoo lang er echter in God geeno afwisseling is van licht en duisternis, behoudt zijne wet bare majesteit en onverbiddelijke gestrengheid, en zoo lang gerechtigheid en gericht de vastigheden zijn van den troon van God, is hij, die niet blijft in alles wat geschreven staat in het boek dezer wet, van God verstouten en onder zijnen ban. De wet, waarvan wij spreken,

ocr page 456

438

kan in liet geheel geen gewenschte of geliefde gast op aarde zijn. Ja zoo lang wij buiten de gemeenschap met Christus zijn, zouden wij het liefste zien, dat de wet niet bestond; want wat doet de wet anders, dan dat zij onze Godvervreemding voor ons in het helderste licht plaatst, en door middel van hare bedreigingen de bel in ons geweten overbrengt. Hoe vele duizenden heeft zij reeds alle vrede en vreugde des levens doen verliezen , en kerkerde zij levenslang in de duistere gevangenis der angst en der zwaarmoedigheid. Wat wonder, dat dezulken de wet verwenschen, die er zonder ophouden op uit zijn, om haar te ontzenuwen en te ontledigen. Want ware de wet niet in de wereld, zoo zou de zonde ook niet meer zonde zijn, en op wélk eenen breeden en vermakelijken weg zou men dan den hemel te ge-moet wandelen! Doch, te wenschen dat er geene wet zij, is te be-geeren dat er geen God besta. Want zoo er een God in den hemel leeft, dan heeft Deze ook eenen wil ten opzichte zijner schepselen, en do wil van God, als het persoonlijk inbegrip van alle deugden, kan nu niet minder heilig zijn dan de wet des Bijbels is. welke eene volkomenheid eischt, gelijk aan die van den Vader in de hemelen.

De Joden in onzen tekst hebben nog de bewustheid van het bestaan eener Goddelijke wet; de tegenwoordige wereld heeft deze bewustheid reeds lang verloren, en het stellige gebod door eene in roekelooze willekeur zelfgekozen licht- en kleurlooze zedeleer laten verdampen. Dit met het verdorven vleesch kapituleerende eigengewrocht werk werpt wel geen' vloek af, maar heeft hem onvermijdelijk ten gevolge. Het is opstand tegen de wet, de wet oppervlakkiger te willen maken en te verzwakken; en gelooft het, te zijner tijd zal de mishandelde de op baar gepleegde aanranding weten te wreken en op vreeselijke wijze hare eere weder handhaven.

Wij hebben eene wel, en vaar die wet moei Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven tot Gods Zoon gemaakt. Zeer juist geoordeeld, wanneer het bewezen is, dat Hij in hetgeen Hij heerlijk van Zich betuigde, gelogen heeft. Alsdan rustte de misdaad van majesteitschennis en lastering op zijn hoofd. Weet echter, dat zulk eene misdaad niet op zijn, maar op ons hoofd, ja reeds met de verdoemenis daarbij op het hoofd van een iegelijk uwer rust. die zich vermeet, om zich voor rechtvaardigen in zichzelven uit te geven. Want wat doen de zoo-danigen daarmede, dan dat zij Gods Woord, dat alle vleesch veroordeelt, tot leugen maken, den Hoogverhevene als een wezen , dat zicli met onze doode en bevlekte werken , gelijk onze deugden zijn, laat vergenoegen, in het stof naar beneden trekken, den spiegel van zijn gebod, dat van eene gerechtigheid, welke wijzelven zouden bezitten, niets wil weten, vermetel in stukken slaan, of met het slijk van hun ongeloof bevlekken, en Christus in verdenking brengen van dwalende dweeperij, als hebbende Hij iets geheel overbodigs en on-noodigs ondernomen, door als een Middelaar voor ons geslacht, dat zichzelven een genoegzame Heiland is, te willen sterven. O deze razenden! Op elke bladzijde des Woords wordt de staf over hen gebroken , en wel als godslasteraars en oproerigen tegen de allerhoogste Majesteit. Want waarheen strekt zich hunne begeerte, in bet rechte

ocr page 457

430

licht gezien? Naar niets minder dan te zijn als God, onafhankelijk als Hij, oppermachtig als Hij , jegens geen Hoogere verplicht, maar hun eigen wetgever, rechter eu heer. Op zulk een begeeren en trachten ligt onwederroepeiijk het oordeel van den eeuwigen dood. Wat raad nu? Ziet Jezus aan. Hij lasterde niet, toen Hij Zich Code gelijk stelde, maar was werkelijk Dien, voor Wien Hij Zich uitgaf. Doch herinnert n, Hij stond in uwe en in mijne plaats, en op dit zijn standpunt trof Hem werkelijk het vonnis der volksjustitie; Wij hebben ccne rod, en naar deze loet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven lot God* Zoon f/emaakt, als een rechtvaardig vonnis. Gij weet echter, dat Hij werkelijk gestorven is, Hij, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en zoo werd HU voor allen, die gelooven , het einde der wet. Wij zijn in Hem gestorven, zonder persoonlijk de doodsmart te ondervinden. Wij ledigden in Hem den vloekheker, welke ons om onzer zonden wille werd ingeschonken. Voortaan staat de wet ons nergens meer in den weg, maar heeft zij zich nog slechts in liefdediensten in ons te verwezentlijken. Zij hehoeft enkel voortaan lot ons to zeggen: „Beschouwt de gerechtigheid, die zich in mijne eischen afspiegelt, en weet, dat dezelve thans in Christus Jezus de uwe zijn.quot; Zij behoeft nu slechts te verkondigen: „Ziet, zoo persoonlijk heilig, als ik gebied, dat men is, zult gij nu voor God slaan , wanneer de aardsche hut, waarin gij thans nog woont, verbroken wordt.quot; De wet is nog enkel daartoe gesteld, om ons, bij wien thans de begeerte inwoont, naar den inwendigen mensch, om Dien, die met zijn bloed ons gekocht heeft, welbehagelijk te leven, in ieder enkel geval te leeren, wat den Heere aangenaam is, en waarmede wij Hem onfeilbaar kunnen dienen, en ons daarnevens zijne bedreigingen en zijne vloeken, te toonen, even als een overwonnen veldheer den overwinnaar de kanonnen toont, welke zij gedurende den strijd door hunne meesterlijke schoten onbruikbaar maakten. Zij is onze vriendin, ofschoon zij zich ook somtijds nog in donkere vermomming vertoont, en ons opnieuw het zwiepen van bare gezwaaide roeden laat hooren. Zij doet dit echter enkel en alleen, om ons naar de wonden van Jezus terug, of daarin nog dieper in te drijven. Hebben wij nu deze vrijstad weder bereikt, dan begroet zij ons opnieuw in hare ware, geheel verzoende gedaante. De vijandige en bedreigingvolle houding heeft zij jegens ons geheel laten varen. Christus is het einde der toet. O wie is zich bewust een zondaar voor God te zijn, en wordt moede dezen regel in het Woord van God te lezen? In deze uitspraak springen de fonteinen van mijnen vrede, gelijk in haar het sterflied klinkt, waarmede ik eenmaal zacht en zalig hoop te ontslapen.

II.

IIj heeft Zichzelven tot Gods Zoon gemaakt, zoo spreekt hot Jood-sche volk, overeenkomstig de waarheid. Pilatus hoorde het en vreesde nog meer, toen hij dit woord hoorde. Wij kunnen dit begrijpen. Dit woord klonk in overeenstemming met zijne diepste vermoedens. Immers was het hem reeds lang, alsof hij tegenover den Heilige zich .in

ocr page 458

m

liet midden van bovenaardsche verschijnselen, ja in eone andere wereld verplaatst zag. Do herinneringen aan de droomen zijner kindsheid van hemelsche wezens, die onder de stervelingen verschenen, om weldaden onder de stervelingen te verspreiden; van godenzonen, welke de aarde met hunne bezoeken zegenden, ontwaakten nu in bet geleide van ernstige nagedachten weder bij hem; en wanneer het hem ook niet in de gedachten kwam, achter den persoon des Naza-reners zulk een afgezant van den Olympus te vermoeden, zoo trad hem toch de wezentlijkheid eener boogere wereld zoo gevoelbaar nabij, dat bij met de verlichting zijns verstands iu de grootste engte kwam. „Jezus verklaarde Zich dus zelf voor Gods Zoon.quot; Dit kwam den stadhouder in den hoogsten graad merkwaardig en beteekenisvol voor. Alles wat hij aan dezen man met eigene oogen waargenomen bad, scheen enkel deze uitspraak van zijn persoon te verzegelen: „Gods Zoon!quot; Immers Dilatus zelf zou, in enkele oogenblikken, Jezus aldus genoemd hebben, wanneer hij het gevoel, dat hem overmande, in woorden, had kunnen brengen; en wat was er toch ook in den won-dervollen man, waardoor het ongeloofelijk werd, dat Hij van eene andere afkomst en boogere natuur zij , dan de andere menschen? Pi-latus is diep getroffen. In eene aldus nooit ondervonden geheimvolle vrees huivert zijn gemoed te zaam. Hij moet grondiger onderzoeken, wie de Nazarener is, en gaat tot dat einde met Hem opnieuw binnen in het rechthuis.

Hier ontwikkelt zich nu tusschen hen beiden een merkwaardig gesprek. Pilatus begint het met eene vraag, welke niets minder dan de geheele levensvraag des Christendoms in zich bevat. Van waar zijl Gij? zoo vraagt hij. Gij ziet, dat wij hetgeen in zijn binnenste is omgegaan juist beoordeeld hebben. Hij onderzoekt met zijne vraag niet zoozeer naar bet vlek of de stad, maar veel meer naar de wereld, uit welke Jezus afstamt. Hij wil weten, of Jezus een zoon der aarde, of dat Hij uit eene boogere wereld der schepping dan deze is uitgegaan. Dit is derhalve zelfs eenen Pilatus tot raadsel geworden! Hoe zonnehelder moet daarom den Heere, ook zelfs in zijne knechtelijke gestalte, den stempel der eeuwigheid van bet aangezicht hebben geblonken! Van waar zijl Gij! Men hoort bet aan den geheelen klemtoon van deze vraag, dat, als de Heere antwoordde: „Ik ben van den hemel!quot; de landvoogd niet juist bevreemd terugschrikken, maar enkel spreken zou; „Zoo heeft mij dan mijn vermoeden niet bedrogen, want het kwam mij reeds lang voor, als waart Gij slechts een gast en vreemdeling bier op aarde.quot; Doch de Heere gaf hem zulk een antwoord niet, ja beschouwde het enkel voegzaam, don vragende buiten alle antwoord te laten. Dit behoeft ons ook niet te bevreemden, want wat zou bet voor Pilatus geweest zijn, wanneer door zijne ooren thans het groote' geheim ware gehoord: In het begin was het Woord, en het V/oord was hij God, en het Woord was God, en het Woord is vleesch geworden. Het hart van den Heiden was hierop niet voorbereid, en wat uit zijn hart naar Jezus' afkomst vroeg, moet, nauwkeurig bezien, meer ijdele nieuwsgierigheid, dan dorst naar heil en behoefte naar hulp boeten. Bovendien zou ook eene zoodanige openlegging van

ocr page 459

m

Christus' ware persoonlijkheid on natuur do verantwoordelijkheid van den Heiden slechts vermeerderd en zijne verdoemenis ten jongsten dage slechts te zwaarder gemaakt hebben; en zoo geschiedde liet dan te gelijk uit medelijden en verschoonende ontferming, dat de HeereJezus deze vraag van Pilatus met stilzwijgen liet voorbijgaan. Hoe weinig Pilatus genegen was, om zich voor den schepter van den Zoon Gods, ook wanneer Hij daarvoor erkend werd, te buigen, blijkt reeds duidelijk genoeg uit het gedrag, dat wij hem onmiddellijk op deze vraag zien houden. Want toen Jezus hem niet zoo terstond met eeu antwoord ter dienst stond, meende hij zich in zijne eer gekrenkt, en sprak hij den Heere in den toon der uiterste geraaktheid, metdetrot-schen onstuimige woorden aan: Spreekt Gij niet tot mij; weet (rijwiel, dat ik macht heb, Li te kruisigen, en macht heb U los te laten? Hoort gij deze woorden? Hoe handtastelijk treedt het hier wederom in het licht, van welk eenen geest hij een kind is. Ach, ook het schoonste Godsdienstig vermoeden, gevoelen en gewaarworden van den natuurlijken mensch is slechts een vluchtig uitgesproken en even vluchtig weder verwelkt lentegroen over de oppervlakte van een moeras. Opnieuw geboren worden moet de mensch, ol' hij blijft onder de zonde verkocht, zoo als hij dit van nature is, en zijn leven, hoe zedelijk en christelijk het zich opsiere, zid slechts eene onafgebroken keten van terugvallingen in het oud van God vervreemd wezen zijn. Hoort Pilatus; Spreekt Gij niet lot mij? Stelt de man zich niet aan, als beging de Heere, door niet oogenblikkelijk het verlangde antwoord te geven, de misdaad van gekwetste majesteit? Welk eene zelfverheffing! welk een hoogmoed! Weet Gij niet, zoo gaat hij voort, dat ik macht heb, U te kruisigen, en macht heb U los le laten? O verblinding! o belachelijke bedelaarstrots van eenen mensch, die nog zoo even, en daarbij wol aan zijne ondergeschikten, eene zwakheid heeft ten toon gespreid, welke hem niet meer bet recht gaf, om het woord macht zonder blozen zelfs in den mond te nemen, vooral wanneer er sprake is van le kruisigen of los te leden. Doch hooren wij den Heere. Met de majestueuse rust van zijne Koninklijke zelfbewustheid, antwoordde Hij den zoo stoutmoedig en pralend op zijne volmacht bogenden rechter ; Gij zoudt geene macht hebben legen Mij, indien hei u niet van Boven gegeven ware, daarom die Mij aan u heelt overgeleverd, heeft grooter zonde. Een verheven woord, den Zoon Gods, den Heere des hemels ten volle waardig. Volgens deze woorden komt Pilatus voor in de schatting des Heeren, als wel zelfstandig en onarhankelijk handelend persoon, maar toch daarbij zich bewegende binnen bepaalde, van eene Onzichtbare Hand getrokken grenslijnen, en daarmede, zonder zijne bewustheid, het dienend werktuig van een verheven plan des levenden Gods. Hij vermag niets meer, dan waartoe God hemde macht geeft. Niettegenstaande zijne lafhartigheid en gewetenloosheid had hij Jezus niet eens in de handen zijner moordenaren kunnen overleveren, wanneer deze overgave niet in den hemel besloten ware geweest. Zeker gaat liij zijnen weg, doch slechts aan leidbanden, die hij niet gevoelt. Zeker draagt hij zijne schuld, maar terwijl hij zich schuldig maakt, bevordert hij een groot en heilig werk, dat hij niet

ocr page 460

kent. Nochtans laat (1(3 Heere op de vernederende en beschamende woorden weder andere en troostrijker hooren. Daarom, zoo zegt Ilij, die Mij aan u heeft overyeleverd, heeft yrooler zonde. Pilatus had zekerlijk de betuiging' van Jezus van de aan hem (den stad houder) van Boven verleende macht niet verstaan, en daarom den üeere met bevreemding en verwondering aangezien. Juist op dit niet verstaan, dat zicli in zijne met bevreemding vragende gebaren afspiegelde, betrekt zich bet „daaromquot; des Heeren. „Omdat gij Mij niet kent,quot; wil de Zaligmaker zeggen, „noch weet waartoe Ik in de wereld gekomen ben, draagt gij eene geringere schuld dan /.ij, die Mij in uwe banden overleverden. Deze was allernaast de hoogepriester Kajafas, deze zoon van Abraham , deze meester in Israël, die in het licht van Mozes en de Profeten opgegroeid was, en die wist wat de naam: Zoon van God, beteekende, en zich in do gelegenheid gesteld vond, om dezen Zoon van God in Christus te erkennen. Desniettegenstaande sprak hij over den Heere, als over eenen godslasteraar, het oordeel des doods uit. Deze zonde, omdat zij in de zonnehelderheid der Bijbelsche verlichting en tegen heter weten en geweten geschied was, was eene grootere zonde; zij was het daarom, omdat zij niet uit zwakheid, maar met voornemen, niet nit overrompeling, maar met overleg, niet uit lal hartigheid, maar uit boosheid begaan werd. Merkt echter op, hoe groot de Heere hier wederom verschijnt. Hoe bewijst llij Zich hier wederom als de Koning boven allen, ja als de Rechter der wereld. Met de zekerheid van eenen onfeilbaren Hartenkenner weegt llij in de weegschaal des heilig-doms zonden en schulden af, bepaalt, de maal der toekomstige straffen, opent den ongelukkigen Pilatus te gelijker lijd nog een uitzicht op mogelijke genade, en laat in dezen laatsten trek dus ook weder zijn medelijdend, naar de redding van zondaren dorstend Zaligmakershart te voorschijn komen.

111.

De woorden des Heeren hebben hunne werking op het gemoed vin den stadhouder niet geheel gemist. Zeer wel gevoelt bij het verhevene, even als den welwillende en liefdevolle duidelijk door deze woorden heenhreken, en vindt zich ten gevolge daarvan genoodzaakt, om op de plaats van den rechtshandel terug te gaan, en de poging om Jezus los te laten met nieuw ontwaakten ijver te herhalen. Daar echter bruist het woord naar hem omhoog, dat hein reeds bij het uitlocpen uit de haven in het scheepje van zijnen goeden wil mast en roer heeft verbrijzeld: Indien (jij dezen loslaat, zoo schreeuwt het volk, dan zijl (jij des keizers vriend, niet, want een iecjelijk die zich zeiven honing maakt (gelijk deze eenen gunsteling doet), die wederspreekt den keizer. Deze uitroeping trof do zwakste en kwetstbaarste zijde van den stadhouder. llij kende zijnen heer, den keizer Tiberius, te wel, om niet vooruit te zien, dat eene aanklacht, zoo als de zoo even aangehevene, als zij hem ter ooren kwam, in zijn wantrouwend gemoed een maar al te sterken weerklank vinden, en hem (fieri proconsul) zijn ambt en wie weet wat al niet meer kosten zou. Het stond bij hem buiten allen

ocr page 461

443

twijfel, dat Tiberius, bij wien, zoo als een gelijktijdig geschiedsclirijver bericht, deze misdaad van gekwetste majesteit liet toppunt van alle beschuldiging uitmaakte, zonder vooraf te onderzoeken, liet ge-strengste oordeel over hem uitspreken zou, zoodra bij vernam, dat zijn stadhouder eenen mensch in vrijheid had gesteld, die do houding had aangenomen, om zich tot koning van Israël op te werpen. Des keizers gunst gold bij Pilatus boven alles, want met deze stond of viel de waardigheid, welke hij bekleedde. Ja de toorn dos keizers zou zijne vrijheid en leven in gevaar gebracht hebben, en dat de opoll'e-ring ook van deze goederen aan de gerechtigheid en aan de rust 'les gewetens moest plaats hebben, had bij Pilatus groote tegenbedenking. Later heeft bij zeker hierover wel anders geoordeeld, zoo als ook menigeen onder ons, bij wien het heden nog eene vraag is, of de vrede Gods de hoogste is van alle goederen? de zaak later wel in een ander licht beschouwen zal. De lleere geve slechts in zijne genade, dat voor dezen de ure van hun ontwaken uit den strik des duivels niet te laat, dat is niet eerst dan moge slaan, wanneer er geene keuze meer voor hem zijn zal, omdat over hen , die tegen beter weten en geweten aan, zoo langdurig en zoo hardnekkig den vloek hebben verkoren, het oordeel der verharding bereids is aangebroken.

Zoodra Pilatus het onzalig woord: Dan zijl gij des keizers vriend niet! heeft vernomen, is ook zijne laatste wederstandbiedende kracht verbroken. Wel geeft hij zijne pogingen, om Jezus nochtans in vrijheid te stellen, niet ganschelijk op, doch wat hij tot dat einde nog onderneemt, dat onderneemt hij reeds met de wanhopige bewustheid, dat er aan een gunstig gevolg niet meer te denken is. Met de onvaste houding van een' man, die zich ten volle en onredbaar uit het veld ziet geslagen, treedt hij uit het rechthuis nog eens naar buiten, voert hij den Beschuldigde andermaal met zich op de plaats der vierschaar, beklimt hij met gekunstelde plechtstatigheid den marmeren rechterstoel , en begint nu van deze plaats met het volk in gesprek te treden. Wat hij echter thans nog voortbrengt, dit getuigt alles slechts voorde grenzenlooze verwarring, welke er in zijn binnenste beerscht, en schijnt er als op ingericht, om zijn voornemen ganschelijk te verijdelen. „Ziet,quot; zoo roept hij, wijzende op den vreeselijk mishandelden en met enkel smaad bedekten lijder, „Ziet uw Koning!quot; Wie gevoelt niet aan den toon van dezen uitroep,'dat een gemengd gevoel van medelijden met den man van smarte en van galbitteren hoon tegen de gehate Joden hem dil gezegde ingiif? Hij wil de laatsten te golijker tijd ten gunste van Jezus stemmen, en hen een gevoeligen slag toebrengen. Natuurlijk gevoelde het volk enkel den vergiftigen prikkel zijner rede, en niet hare verteederende kracht, en wat Pilatus zichzelven bijeenig nadenken bad kunnen voorspellen, dat geschiedde. Als een van vergif opgezwollen adder stuift de in hare eerzucht gekrenkte volksmenigte tegen hem op, en roept meer beslissend, meer geërgerd, meer blakend van woede dan ooit: Neem wefi, neem wen, kruin Hew! Nu verliest Pilatus alle bedaardheid. De drift rukt hem zelfs het doel van zijn streven uit bet oog. Gelijk een krankzinnige zijn eigen huisraad, zoo verbrijzelt hij met eigen hand de laatste hoop, die er voor de redding

ocr page 462

444

vnn Je/us nog mocht voorhanden zijn, naardien liij, olio gietende in het hiiitendien i'ccds hoogvlarninend vinir der volkswoede, gemelijk en met bittere spotternij der razende menigte toeroept: Zal tk dan uwen Kouinu kruisirjen? „Mij,quot; dit wil liij zeggen, „zoekt gij hij den keizer in verdenking te brengen, als de beschermer en medesamen-gpzworene tot oproer; maar de oproerlingen zijt gij, want hier staat immers bet hoofd, rondom betwelk gij n met uwe buldebetooningen geschaard hebt.quot; Doch hij weet zelf niet meer wat bij zegt. Innerlijke verslagenbeid en vertwijfeling, gepaard met machteloozen dorst naar wraak en belachelijke overmoedigheid , laten hem niet toe dan in dwaasheid to spreken. De overpriesters daarentegen weten hunne bedaardheid beter te bewaren. Op bet honend: /al ik uwen honimj kruisigen ? zijn zij terstond met een antwoord gereed, dat wel op henzelven een ontzettend liebt werpt, maar niet geschikter kon gekozen worden, wanneer liet doel was, om door baar den stadhouder den zedeiijken doodsteek te geven. Mot gehuichelde onderdanigheid en gehoorzaamheid aan hunne Romeinsche opperheeren, roepen zij hem kort en bondig toe: Wij hebben c/een' koning dun den keizer! en geven zich daarmede deii voor Piiatus bedreigingvollen scliijn, als waren zij , in zijne plaats, ja zelfs lerjen hem, de verdedigers van de bedreigde kroonrechten des keizers. De gedachte nu, dat de zaak op dezelfde wijze ook dooi' Tiberius kon beschouwd worden, alsook de voorstelling van do vreeselijke straf, welke deze over hem brengen zou, wanneer de achterdocht in zijne duistere ziel wortel vatte, dat het vreemde onder bet juk gebrachte volk hem getrouwer gezind was dan zijn eigen dienaar, sloeg hem geheel ter neder. Het volk moge nu met Jezus doen wat het wil, hij geeft Hem prijs, liet volk heelt devolkomenste overwinning weggedragen, doch wee, ja wee het arme, ongelukkige volk! Met dit huichelachtig: Wij hebben (jeeyi koning dan den keizer! waarmede het met zijnen waarachtigen Messias, ook zijne hoop op oenen Messias in het algemeen verloochende, heelt het Jothams gelijkenis van de hoornen, die zich den verterend vuur uitwerpende doornbosch verkozen, tot vervulling gebracht, en zonder het te weten, zichzelven voor vele eeuwen den vloek geprofeteerd en het oordeel uilgesproken. Tot op deze ure hebben de Joden geen koning meer, maar leven zij zonder rechten en vaderland, enkel als geduld wordende bijwoners onder vreemde schepters.

Wij nemen afscheid van Piiatus. Niet zonder diepen weemoed zeggen wij den beklagenswaardiger! man vaarwel. Hij had den aanleg tot iets beters, dan waartoe wij hem met huivering hebben zien ontwikkelen. Hij meende echter twee heeren te kunnen dienen: God, die ook in zijn hart sprak, en Ie gelijk de wereld; vandaar zijn val en verderf, llij wilde bet goede en rechte, maar hij wilde liet niet geheel. Hij gevoelde op edele wijze, maar bij gaf geene plaats aan den Geest van God, om dit gevoel in hem lot beslisten wil en standvastige gezindheid te bevestigen. Het zaad van al de heiligende indrukken, die hem ten deel vielen, viel onder de doornen van zijnen ongebroken hoogmoed en wereldzin, en deze gingen op en overgroeiden en verstikten ze. Piiatus viel als offer zijner dubbelhartigheid en

ocr page 463

ar,

karakterzwakheid, even als dit zonder ophouden het geval is met otl-telharen, die dikwijls inden tooi van de schoonste opwekkingen en goede voornemens liet geweld des satans ten prooi worden. Ovei den verderen levensloop van den Romein zijn ons slechts weinige berichten nagelaten. Wij weten alleen, dat zijne gemoedsstemming van jaar tot jaar zwaarmoediger werd, terwijl zijne verhardheid insgelijks toenam, waaruit wij niet zonder grond het gevolg trekken, dat zijn vrede was verdwenen, terwijl zijn geweten hem, van wege de aan den Heilige Israels begane hemeltergende ongerechtigheid, veroordeelde. Uithoofde van zware knevelarijen, welke hij zich later veroorloofde, werd hij in het laatste regeeringsjaar van Tiberius toch door den proconsul van Syrië van zijn stadhouderschap ontzet en naar Gallië verbannen. Of hij in de eenzaamheid zijner ballingschap nog tot bezinning gekomen is, en den Koning der Joden in diens heerlijkheid als Middelaar en Zaligmaker heeft leeren kennen? Wij weten het niet. liet vloekvonnis, dat boven het hoofd van Pilatus zweefde, was duidelijk genoeg geschreven, om ons te laten hopen, dat de inhoud er van nog tot zijne bewustheid gekomen zij en een verlangen naar ontzondiging en genade in zijn hart ontvonkt hebbe. De kerkvaders spreken van acten, die Pilatus aan den keizer Tiberius betrekkelijk den recbtshandel tegen Jezus en diens sterven zou hebben ingezonden, en door welke hij bij dezen aanleiding zou gegeven hebben, om Christus onder de goden te plaatsen. Wij hebben geene reden, de waarheid dezer oude overlevering in twijfel te trekken, en zouden het ter wille van hen, bij wie het geloof aan de bovenmenschelijke heerlijkheid en majesteit van Christus nog geen wortel wil schieten, kunnen betreuren, dat deze oorkonden zijn verloren gegaan. Doch het komt mij voor, dat wij reeds verdedigingsschrift voor Jezus genoeg bezitten iu het gedrag, dat wij den Heiden Pilatus tegenover den persoon Jezus zien houden. Als een getuige voor de heiligheid en bovenmenschelijke hoogheid van den Heere uit den hemel neemt Pilatus zijne plaats in de Apostolische belijdenis in, te gelijk echter ook als getuige, dat Christus niet enkel naar den wil en raad der menschen, maar in overeenstemming met het Goddelijk verlossings- en genade-ontwerp is overgeleverd en gekruist geworden.

Wij eindigen, en wel met nadrukkelijke herinnering aan het woord des Heeren: Wie niet niet Mij is, die in tegen Mij; en aan het woord van den Apostel: Hel is goed, dat het hart gesterkt worde door genade; en aan de bede van tien Psalmist: Maak mijne voetstappen vast in uw Woord, eti laat geene ohgerechligheid over mij heerschen; terwijl wij van harte instemmen met de begeerte van den kerkelijken zanger:

Geef dat uw Heiige Geest mij leert,

Uw lijdensljeeld te onthullen;

Opdat als satan wederkeert,

Wij nooit zijn wil vervullen;

Opdat we altijd ter wacht gewapend staan ,

Om, door genu., van kracht tot kracht te gaan.

Amen.

ocr page 464

XLlIi.

D E W E G N A A R M E T K R U T S.

Toon eenmaal de aartsvader Jacob, tweevoudig bedreigd door zijnen schoonvader Laban eu door zijnen broeder Esau, met een van zorgen en bekommeringen bezwaard gemoed aan de spits zijner kudden en. borders beentoog, ontmoetten bem (volgens Genesis 32 : 1, 2) de Engelen Gods. Met verbazing zag liij het schitterend beir optrekken, en bij noemde do plaats Mahanaïm, dat is dubbel heir, want zijn geleide bad zicb op de aanminnigste wijze verdubbeld. O, boe kwam deze verscbijning uit de onzichtbare wereld onzen veelbeproefdon pelgrim in dit oogenblik te stade! Wat bad hem in zijnen angst krachtiger kunnen bemoedigen, dan zulk eene ontmoeting? Ofschoon zich het verrukkelijk gezicht ook spoedig weder aan zijne blikken onttrok, zoo wist bij toch, dat liet zijns Heeren en Meesters oogmerk was, bem eens voor een oogenblik de onzichtbaar beschermende wacht te laten zien, welke hem ten allen tijde omgaf en op welke hij allerwege rekenen kon. Jacob was uitermate zeer verheugd, en vóór David het nog uitsprak, bad reeds de ziele van dezen aartsvader gejubeld: De en-(jel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vreezen, en rukt hen uit.

Bedenkt echter, welk eene oore het zij voor arme zondaren, om bij het geleide van bemelscho wachters hunnen weg te gaan. Welk eene geruststelling is dit voor de wandelenden in het dal der tranen, voor hen, die zich geborgen weten in de liefde-bescherming van die sterke helden, die altijd bet aangezicht des Vaders in den hemel zien. Hoe komen echter Adams gevallen kinderen tot zoodanig voorrecht eu tot zulke verhooging? Weet gij het niet, hoe zij daartoe geraakt zijn, zoo zult gij bot heden in den weg van eigene ondervinding loeren kennen. Zij hebben dit onvergelijkbaar voorrecht te danken aan oenen Man, die oenen weg voor hen allogde, waarop voorzeker geen Mahanaïm Hom ontmoette. Op dezen weg moeten onze beschouwende blikken thans gevestigd zijn. Moge de gebeele heteokenis er van zicb aan ons ontdekken!

ocr page 465

UI

Mattii. 27 : 31. Marc. 15 : 20. Jon. 10 : 10, li.

Toon gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En toen zij Hem bespot hadden, namen zij Jezus, deden Hem den purperen mantel af, en deden Hem zijne eigene kleederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen. En Hij, dragende zijn kruis, ging uit naar de plaats , genaamd Iloofdschedelplaats, welke in het Hebreeuwsch genaamd wordt Golgotha,

Er kwam een Lam en droeg de schuld

O zondaars! voor ons allen.

Hij liet zich met het grootst geduld

Ons vonnis welgevallen.

Hij ging uit teedere liefde alleen

Voor boezen naar de slachtbank heen,

Om met hun dood te strijden.

Hij achtte smaad, noch hoon, noch spot.

Maar sprak, als ware mensch en God:

„Ik wil het gaarne lijden.quot;

Heden, mijne Broeders! zien wij dit ons allen zoo welbekend dichterlijk woord wezentlijk en waarachtig worden. Do groote Zonden-drager doet zijnen laatsten gang voor ons, den gang naar de slachtbank, naar het zoenaltaar. Laat ons in den geest Hein op den weg naar het kruis geleiden, en zien wij:

I. boe Hij tot dien weg wordt overgegeven;

II. wat Mem bij den ingang daarvan geschiedt; en III. boe Hij denzelve werkelijk inslaat.

Moge ook bij ons lot oeno waarheid worden, wat wij denzelfden zanger, wiens woorden wij zoo even hoorden, zoo innig en geestdriftig booren beloven;

Mijn levensbeekje zal voortaan Alom uw lof doen ruischen,

En dankbaar, hooge golfjes slaan,

Die van genoegen bruisen.

En wat Gij goeds mij hebt gedaan.

Dat boven mijn begrip mocht gaan,

En boven al mijn weten, —

Ik zal het nooit vergeten.

I.

Toen cjaf Pilalus Hom over. Zoo begint ons tegenwoordig geschiedverhaal. Hoe treurig en ontroerend klinken deze woorden! Arme l'ilatns! wanneer gij wist, Wien en tuat gij in dien man overlevert! AVij hebben slechts een weinig van zijn bemelbrood gesmaakt, doch

ocr page 466

448

or is geen prijs in do wereld op te noemen, waarvoor wij Hem zouden weggeven. Hoere, waar zouden wij heengaan? Gij iiebt de woorden des eeuwigen levens! Ja. mijne Vrienden! deels steunende op de genadige bewaring, welke Hij zelf ons heeft toegezegd , deels gedrongen door liet levendig gevoel, dat wij Hem volstrekt niet meer kunnen ontberen, zeggen wij met groot vertrouwen, even als de Bruid van bet Hooglied: Ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft, Hoogl. 3 : 4. Overlaadt ons met schimp en smaad; scheldt ons uit voor duisterlingen en dweepers, en voor wat gij meer verkiest, wij arme zondaren, willen er eeuwig blijde over zijn, dat wij Dien gevonden hebben, die ons voor bet ontzettend schelden des almachtigen Gods in veiligheid stelt. Ontneemt ons, wanneer gij het goedvindt, huis en hof, ambt en brood, en wat er meer is, wat wil liet zeggen? Zouden wij daarom Hem laten varen , die voor onze bemelsche huisvesting zorgt en het manna der eeuwigheid ons toedeelt? Neen, nooit en nimmer. Sleept ons naaide pijnbank en den brandstapel; doorzaag, verbrijzel ons, — zoo waarachtig de Heere leeft, toch zullen wij met onze verminkte leden Dien blijven omvatten, zonder Wien wij ons voor eeuwig der belle prijs gegeven zouden weten. Zeker erkennen wij met diepe verootmoediging, dat ook wij ons nog dikwijls aan do verloochening zijns naams schuldig maken; doch zoo het daartoe kwam, ach, zoo gaan wij bitterlijk weenend met Petrus naar buiten, en nadat Hij ons opnieuw getroost heeft, zeggen wij opnieuw met versterkten nadruk: Wij leveren Hem nimmer meer over. Wij doen afstand van de gunst, de vriendschap en de eer zijner tegenstanders. En of ons ook al de geheele wereld werd aangeboden, Jezus is bij ons niet meer te koopen. Onze vereeniging met Hem draagt den stempel, draagt het merk der eeuwigheid.

Toen gaf hij Hem over. Groot, beslissend oogenblik! O, wanneer Pilatus bet vermoedde, wiens werktuig hij in dit oogenblik is! Doch hij kent noch het thans zoo smadelijk prijsgegeven woord: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, noch de uitspraak van den Apostel: Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken? En zijn deze getuigenissen bekend, wij kennen hunne geheimvolle diepten, en laten onder den klank der woorden: Hij gaf Hem over, het hoofd op de borst vallen, en vallen zelf neder en aanbidden in het stof. Toen. Ja, thans kon het geschieden. De Zaligmaker was thans gereed en toebereid tot de laatste groote verzoeningsdaad. Hij had de wet vervuld, elke geloofs-proef zegevierend doorgestaan; in alle smeltkroezen zich betoond te zijn een zuiver, van allen schuim ontbloot goud. Hij was het Lam zonder gebrek, de gehoorzame zonder zijns gelijke; en zulk een oller was het immers, dat van den God der heiligheid gevorderd werd. Hij moest Zich eerst bekroonenswaardig laten vinden, alvorens Hij geschikt was, om vreemden vloek te dragen. Thans is het geschied. Nu geeft Pilatus Hem en Hij Zichzelven over. Sluit thans den tem-

ocr page 467

m

pel, gij zonen Aürons! De beelden en schaduwen, waarmede gij omgaat, hebben uitgediend, nadat dat lichaam verschenen is. Legl de voorhoofdplaat en hot borstkleed af, gij wachters van het heiligdom; want weet, dat met beide thans wezentlijk en tegenbeeldig een ander zich tooit, en dat uw priesterdom ten einde is. Ja, in meer eigentiij-ken zin dan gij, is zelfs Pilatus thans een Hoogepriester, naardien hij het ware Zoenoffer ter slachtbank overlevert. En gindsche kale li euvel, die binnen kort de drie strafpalen dragen zal, overtreft in iieilige be-teekenis uwe altaren, ja, zal ze voor altijd onder zich begraven. In het oogenblik, waarin de Romeinsche stadhouder Jezus aan zijne moordenaren prijs gaf, zijn — zoo stel ik het mij voor — de volmaakt rechtvaardigen daarboven aanbiddend op hunne aangezichten gevallen, want hen was het niet verborgen, wat onder deze handeling groot en gevolgenrijk verborgen lag. Immers zou nu aan den burcht der zaligheid, waarin zij gedeeltelijk sedert eeuwen reeds hun Halleluja zongen, feitelijk den grondslag worden nedergelegd, en voor de levens-kroon, waarmede zij reeds lang versierd waren, de tot hiertoe nog onbetaalde bloedige prijs worden opgebracht. Ilnnne opneming in de woningen der zaligheid geschiedde eerst enkel onder de onderstelling en op grond van een eerst later voor hen te betalen losgeld; en deze onvermijdelijke voorwaarde zagen de verheerlijkten thans op aarde tot eindvervulling komen. — Wie was het, dien Pilatus overgaf? Eén man, ja; doch in dien éénen man eene schare, die niemand tellen kan, ja, in dezen Eenen zijn allen, die zich met Hem door geloof en liefde vereenigd hebben, gelijk de leden met het lichaam vereenigd zijn.

Ziet, mijne vrienden! ik ben een zondaar, zoo als gij, en heb nochtans eenen diepen, zaligen vrede. Helaas, ik maak tegen mijnen wil mijne schuld dagelijks grooter, doch verre zij het van mij, dat ik daarom zou vertwijfelen en moedeloos worden. Wel ken ik hot woord: Ik zal dien uit mijn bock delgen, die lenen Mij zondiyl, doch ik hen mij daarom niet minder met blijdschap bewust, dat mijn naam opgeschreven is in de hemelen. Wel weet ik, dat zoo iemand de cjehcele tuel houdl, en slechts in een enkel gebod, struikelt, hij scimldicj is nan allen, doch daarom doet de wet mij niet meer beven of sidderen. Wel hoor ik de heilige zanger uitroepen; Gj zijl neen God, die lust hebt aan goddeloosheid, de boozc zal hij U niet verkeeren, maar nochtans, hoezeer ik ook mijzelven verdoemen moet, hope ik met vol vertrouwen eeuwig bij God te blijven. Wel lees ik in het Oude even als in het Nieuwe Testament: Onze God is een verlerend, vuur, doch dit verhindert mij niet, om als een bemind kind, met een Abba,, Vader! mij in Gods armen te werpen. Gij vraagt met verbazing, vanwaar ik zulk eene vrijheid neem'.' Ik wijs u zwijgend naar Gab-batha heen. Daar vindt gij de oplossing van het wondervol raadsel. In den Man, die daar door Pilatus overgeleverd wordt, wortelt mijne hope en mijn vrede. Want ik was het, die met Hem overgeleverd, in Hem de schuld boette en betaalde, en die de gerechtigheid verwierf, aan welke de kroon beloofd is. Hij was mijn P)Org en Middelaar, Hij stond in mijne plaats, en zoo liquot;! nu voortaan bij mij de taak om te jubelen:

ocr page 468

450

Wat kan mij nu nog schaden

Der zonden talloos tal?

Ze zijn Hem opgeladen;

Hij draagt ze, als 't heelal.

Hoe groot mijn schuld moog' wezen,

Mijn Heiland heeft voldaan,

Dies heb ik niets te vreezen:

Ik neem zijn offer aan.

II.

De overgave is geschied. De Ileere Jezus bevindt Zich in de macht zijner vijanden: een lam onder de wolven, eene duive onder de klauwen der gieren! O, boe bad David recht, dat bij liever viel in de banden Gods dan in die der menscben! Ziet, boe zij deze heiligste der menscben daar tusschen zich vastbonden! Opnieuw overstorten zij Hem met de uitgezochtste smaadredenen, scheuren Hem vervolgens mededoogenloos en ruw den purperen mantel van de bloedige leden, en doen Hem zijne eigene kleederen weder aan, niet uit medelijden, maar omdat liet bun toeschijnt, dat de ontzettende terechtstelling, tot welke men Hem thans voornemens is heen te voeren minder spot en scherts toelaat, en meer eene zekere plechtstatige ernst vordert. Zijn niet ook de nieuwere vijanden van Christus met hunne handelingen tegen Hem op eene gelijksoortige hoogte gekomen? Toen vijftig jaren geleden, de Fransche verlichting zich als eene verpestende dampkring over de volken uitbreidde, toen stond Christus weder als spotkoning op bet tooneel der wereld, en wie meende vernuft en geestigheid te bezitten, droeg ze ter markt, om daarmede op Hem en op zijne zaak den stempel der belachelijkheid te drukken. Sedert beeft de zaak eene andere, eene meer ernstige houding aangenomen. Met tamelijk veel eenstemmigheid erkent men in onze dagen, dat Christus tot bloote uitlluiting veel te groot en te edel is. Men acht zijn' persoon gelijk zijne leer eene wetenschappelijke behandeling waardig, en doet den met smaad bedekten in zoo verre weder zijne eigene kleederen aan, als men Hem de eer van een' der wijste en voortreffelijkste personen, die ooit de wereld betraden, te zijn, zonder .alle bedenking weder teruggeeft. Doch geheel deze ernst is, bij het licht bezien, niet anders dan eene plechtige gereedmaking tot eene kruisiging. Cliris-tus wordt, en zeker met veel beleefdheid en ernstige betuiging in naam der wetenschap voor een bloot menscb verklaart, en daarmede natuurlijk als een dweeper, ja, als een godslasteraar naar bet vloekhout verw'ezen, omdat Hij immers bij eede verzekerde, dat Hij meer was dan een mensch, en Zich dus naar bet oordeel der nieuwste wetenschap aan eenen godslasterlijken meineed schuldig maakte. Voorzeker, niettegenstaande al den schijn van het tegendeel, is de anti-christelijke geest sedei't een tiental jaren slechts tot eene nieuwe en meer bedenkelijke ontwikkelingstrap geklommen, en biermede is bij zijne volko-mene rijpheid beduidend naderbij gekomen. Achter den hoon en spot der vroegere tijden, was altijd nog een beschuldigend geweten ver-

ocr page 469

-451

horgen, dat men poogde óf mol geweld te onderdrukken óf te bedwelmen. Achter het nieuwste ongeloof echter legert zich do diepste, de hopelooste doodsrust. Men is met philosofische hoogmoed zeker van zijne beschouwingswijze van Christus, en zoo beeft zich het ongeloof tot eene krachtige dwaling ontwikkeld.

De kleederenverwisseling ginds in den voorhof van bet raadhuis, herinnert mij tegelijk aan een bedrijf uit ons eigen leven. Ik zeg uit ons eigen leven, omdat ik niet twijfel of althans velen uwer zullen het met mij ondervonden hebben. Ook wij hadden eenmaal in de dagen onzer blindheid Jezus, den lleere der heerlijkheid van zijne Hem eigene sieraden beroofd, naardien wij de vermetelheid hadden. Hem bet een en het ander te ontzeggen en te ontstrijden, zoodat ook wij nauwelijks meer dan een joodsch rabbijn of een wijze van Nazareth in I lom lieten overblijven. Hoe hebben wij echter daarna den teugel ingebonden, toen God de lleere ons de kleederen van onze ingebeelde gorecb-tigbeid afnam, en ons in den spiegel zijner wet de ware gestuite van ons binnenste voor oogen stelde? Hoe snel, gezegende Immanuël! deden wij U toen uwe eigene kleederen weder aan! Vooreerst ontvingt Gij alstoen weder uit onze handen uwe Messiaskroon, vervolgens uw Middellaars- en Priesterkleed, en eindelijk uwen diadeem ais de Koning der eere, want de opgewekte behoefte onzer harten had onzen blik geopend en gescherpt voor uwe schoonheid. Onder vele tranen van berouw en van vreugde, kleedden wij U in uwe oorspronkelijke kloe-ding. En thans staat Gij in uwe volle onverminkte heerlijkheid voor ons, en wij zullen in eeuwigheid niet meer ophouden op onze knieën voor U nedergevallen, te jubelen: „Juda! Gij zijl hel! U zullen uwe broederen loven!quot;

Nadat de krijgsknechten hunne voorbereidende schikkingen gemaakt hadden, komt, niet meer in schaduwomtrekken, maar nu verwo-zentlijk, het vreeslijk teeken te voorschijn, dat sedert lot den standaard van het koninkrijk van Christus en tol waarleeken van ons heil en van onze hope geworden is. Twee duizend jaren achtereen werd bet altijd opnieuw hel geloovig Israël voor oogen gesteld. Reeds in de eigenaardige wijze, waarop de stervende aartsvader Jacob met gekruiste handen zijne kleinzonen Efraïm en Manasse zegende, werd bet afgespiegeld. Niet minder schemert het door de zoogenaamde beweeg-olïers van den heiligen tabernakel en des tempels, welke, zoo als bekend is, op zulk eene wijze ginds en herwaarts bewogen werden, dat er de vorm van een kruis uit te voorschijn kwam. In de woestijn verhief zich dit teeken als drager van hel koperen slangenbeeld, en de geest der profetie verweefde hel mede in de beeldspraak van de psalmen Davids, waarin zij den toekomstigen Messias de woorden op de lippen legden: Zij hébben mijne handen en mijne voeten doorgraven. Ziet, ginds draagt men het kruis aan. Naar Rorneinsche gewoonte moesten alle de tol de kruisslraf veroordeelden, het hout, waaraan zij moesten sterven, zelf naar de gerichlsplaats dragen, en ook do goddelijke Lijder werd van dezen smaad en van dezen arbeid niet verschoond. Zonder mededoogen leggen zij Hem het kruis op den bloedend gegeeselden rug, en nadat zij Hem twee groote, tot denzelfden

ocr page 470

m

dood veroordeelden on met gelijken last heiaden misdadigers tot geleide hadden gegeven, openen zij de voorpoort van het rechthuis, naar de straat, om eindelijk het reeds lang met ongeduld naar het ontzettend schouwspel wachtende volk tevreden te stellen. Een dof gemurmel van duivelsch leedvermaak eti van diepe verbazing gaat, als het bruisen eener zee, door de menigte, zoodra de drie kruisdragers te voorschijn komen. De stoet zet zich iti beweging. Vóóraan gaat eene talrijke schaar krijgslieden te voet en te paard, vervolgens door hunne beulen omringd, de drie slachtolTers met hunne sterfpalen op de schouders; achter' deze de burgerlijke en kerkelijke overheden des volks, en eindelijk het naloopende volk, de onafzienbare schare van toeschouwers.

III.

Wij sluiten ons stil in den geest aan dezen stoet aan. O welk een weg is het, dien wij hier betreden! Denkt eens na, zoo voeren de onzalige bewoners der aarde Dien weder af, die onder het geleide der engelen en van hemelsche lofzangen op de aarde kwam. Zóó vergold de wereld Hem de onvermoeide liefde, waarmede Hij den hoorn des overvloeds van alle denkbare weldaden en genadegaven gevuld, over haar uitgoot. O, wie nog geneigd is er aan te twijfelen, of de menscbheid zonder tusschenkomst van eenen Middelaar, dor eeuwige verdoemenis waardig was, die richte bet oog op dezen weg der smar-te en overtuige zich er van. Want waarom wordt de Heilige zoo daarheen gesleept, dan omdat men de zonde zoo zeer lief had, dat men eenen Man ter dood toe haten kon, die zich als een Verlosser der zonde deed kennen.

Ziet, ginds gaat Hij heen, zwoegend onder zijnen zwaren last. Ontzettend en vreeslijk is zijn toestand. Al zijne vrienden hebben Hem verlaten, en zelfs de Hemel zwijgt boven Hem, als had ook deze zich van Hem vervreemd. De maagd Veronica, — zoo vermeldt eene oude overlevering — treedt weenend uit het volksgewoel en droogt Hem met meêdoogende hand het bloedzweet van het doorwonde voorhoofd. Tot dank voor dezen dienst, la.it de Heere zijn beeld in haar lijnwaad achter. Het is eene verdichting en enkel eene vertelling, doch het denkbeeld dat er in ligt, is zinrijk en waar. Wien de liefde naar den Heiland geleidt, dien drukt Hij als geschenk zijner wederliefde, zijn beeld, en wel het met doornen gekroonde, in het hart, zoodat Hij, die het eenmaal van Hem ontvangen hioft, het voortaan als de dierbaarste erfmaking bij zich draagt, en gedurende zijn gehoole leven de oogen van het hoofd vol bloed en wonden niet meer kan afwenden. Volgens eene andere legende of overlevering, treedt, terwijl Jezus voorbijgaat, de Jood Ahasverus uit zijne hut en schopt in duivelschen haat den Heilige Israels tegen de voeten, waardoor deze onder zijne last begint te wankelen, ja op den grond neder dreigt te storten. Hiervoor echtert dondert den booswicht de vloek te gomoet, dat hij voortaan vluchtend en zonder rust te hebben in de wereld zal ronddolen, en niet eer zal kunnen sterven, dan totdat de Heere wederkomt. Ahasverus is „de eeuwige Jood.quot; Ook

ocr page 471

453

hier Is liet weder eene vertelling, waarmede wij te doen hebben, doch ook zij heeft eene waarheid en eenen diepen zin. De „eeuwige Joodquot; is het volk Israels zelf, dat den lleere der heerlijkheid gekruisigd heeft, en in demonische woorden de vreeselijkste verwensching over Hem uitsprak : Zijn bloed home over ons en over onze kinderen! Thans zwerft hot vluchtend eu zonder vaderland rond, als een vreemdeling onder alle volken, een vaagoffer der wereld, en het sterlt niet, en het zal ook niet sterven, totdat de lleere tot voleinding van zijn rijk op aarde wederkomen zal. Dan echter zal het sterven, namelijk als volk van den ban en vloek, om, zijnen waren Koning David het hosanna toezingende, als een nieuw heerlijk geslacht weder op te staan. De wondersterren van de aan hot zaad van Abraham gegevene beloften, lichten over duizenden van jaren heen, en verspreiden hunne stralen tot over het laatste der dagen.

Ginds voeren zij den Man der smarten weg. Men kan zich het denkbeeld niet voorstellen, Wie met het hout des vloeks beladen, dozen weg wandelt, zonder dat het harte van ontroering en verbazing in ons dreigt te verstijven. Doch heil ons, dat Hij dezen weg is gegaan. O iet slechts op, hoe duidelijk zich hier de gestalte van het Lam, dat do zonde der wereld draagt, in Hem uitdrukt. Ziet Hem aan en zegt, of het u niet is, als vernaamt gij van zijne zwijgende lippen met vernieuwden klank het oude woord: Slachtoffer en offerande, en brandoffer en offer van de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagt. /ie Ik kom om uwen tuil te doen, o God! en uwe roet is in hel midden mijns ingewands. Zoo Hij teruggebeefd had voor dezen doodsweg, zoo zou zijn weg van smarto ons enkel den weg hebben voorgespiegeld, op wolken wij zeiven eens de wereld moeten verlaten. In plaats van krijgslieden, zouden de engelen des afgronds ons geleiden; in plaats van het vloekhout, zou de vloek der wet zelf op ons liggen; in plaats van de touwen, zouden ons de banden van den . eeuwigen toorn omvangen, en zou de wanhoop ons met hare vlam-menroeden geeselen. Thans daarentegen dragen ons eenmaal op eene heldere, van hernelsche lichten der beloften bestraalde haan, door de eeuwige liefde gezondene vrede-engelen in Abrahams schoot. En Wien hebben wij dit te danken? Alleen don Man, die ginds, onder de ont-zettendste aller lasten daqr heengaat, en alles mot Zich mededraagt, wat ons met verderf dreigt en tegenstaat.

Zeker kan liet nog altijd gebeuren, dat wij gedurende onze pelgrimstocht langs gelijksoortige wegen worden gevoerd, als die welke door ons Hoofd bewandelt werd. Want de wereld haat zijne leden , gelijk Hem zeiven, en de satan houdt niet op te hegeeren, om de verlosten te ziften als de tarwe. Doch boven onzen smaad en onze folteringen is de hemel niet meer gesloten, ook dreigt hoven ons niet meer de zwarte wolk der verwerping en des vloeks. Gods zwaard keerde in de schede terug en vrede en hope hoeten de aanminnigeTgezellinnon, die ons ter zijde gaan. Ghristus heeft van onze tranonwegen de verschrikking, van onze tegenspoeden de verpletterende kracht, van onze smaadheden en benauwdheden den doodelijken prikkel weggenomen, en ons in dien toestand verplaatst, dat wij met den koninklijken zanger kuu-

ocr page 472

nen zeggon: Al ging ik ook in een dal der srhadurue des doods, ik zou geen kwand vreezen, want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

Gezegend zij ons flo kruis- en folterweg van onzen Vredevorst! Verzuimen wij niet Hem dagelijks op dezelve met onzen nadenkenden geest te geleiden. Hij zal ons de eigene weg der smarle onuitsprekelijk verzoeten, want waarom bewandelt Hij dezensehnkvollen weg, dan opdat wij den onze met opgerichte hoofde, vrij van ban en zorgen konden gaan. Hij draagt op zijnen weg niet alleen alle onze zonden ten grave, en Hij breekt ons niet enkel de baan door al de hindernissen, die ons den toegang tot den Vader afsloten, maar Hij maakt ons tegelijk alle bittere wateren in de woestijn drinkbaar, en laat ons enkel over, om in te stemmen met de woorden van den ouden Dichter;

O groote liefde, o liefde zonder mate,

Dien Gij beweest; toen U de wereld haatte!

Ik zoek mijn ziel eu zinnen te verblijden,

En Gij wilt lijden.

O liefde Gods, die U liet welgevallen,

Dat Gij alleen de schuld droegt van ons allen! Ach, dacht ik nooit dan met gebroken harte Aan uwe smarte!

Amen.

ocr page 473

XL1V.

SIMON VAN C Y 11 E N E.

Nauwelijks komt ons in geheel het Oude Testament een roerender en meer indrukmakend beeld te voren, dan hetgeen ons, volgens Genesis '22 : ()—8, in den tocht van Abraham en Isaac naar den borg Moria geschetst wordt. De eerwaardige aartsvader heeft, ofschoon met een gebroken vaderhart, zich met onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gebogen onder het gestreng bevel van zijnen Verbonds-God, en heeft nu den weg ingeslagen, om de hem bevolen ongehoorde offerande te volbrengen. Zijn eenig geliefd kind, de drager van geheel de toekomst van zijn huis, wandelt argeloos aan zijne zijde. Aan den voet van den noodlottigen heuvel gekomen, neemt Abraham het lastdier den bundel van het voor den brandoffervlam gereed gemaakt hout af, en legt het —- gij kunt u voorstellen met welke gewaarwordingen — zijnen Isaac op de schouders. Hij zelf neemt het slachtmes en de vuurfakkels. Zoo stijgen zij zwijgend den berg op. Onderweg richt Isaac zijne oogen op zijnen vader, en zegt tot hem: mijn vader! Zie, hier hen ik, mijn zoon, antwoordde Abraham. In aandoenlijke eenvoudigheid gaat de eerste voort: /ie hel hout en het mes, doch waar is het lam tol hel hrandofl'cr ? Toen antwoordde Abraham, de opwellende tranen met geweld in zich onderdrukkende: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zoo gingen zij beiden, aldus meldt de geschiedenis , te zamen.

Wie ziet niet in deze gebeurtenis de voorafbeeldende en profetische beteeken is? Zij is er immers geheel en al van doortrokken. Ja, het schijnt bijna, alsof deze handeling enkel om hare profetische en zinnebeeldige heteekenis geschied ware. De offerende vader, de tot brandoffer bestemde zoon, en deze laatste zelf het hout, waarop hij sterven moet, naar zijnen doodsheuvel dragende — welk een diep zinrijk beeldschrift! Wij zullen het thans tot verwezentlijking zien komen, en wel in het Lam, waarop Abraham zonder zijn weten, profetisch heenwees, als op dat Lam, dat God Zich inderdaad zeiven tot brandoffer voorzien zou.

ocr page 474

456

MATTII. 27 : 32. Marc. 15 : 21. LUC. 23 : 20.

En uitgaande, vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, en zij namen hem en leidden hem het kruis op , en dwongen hem, dat hij het Jezus nadroege.

Iloo verder wij in de lijdensgescliiedeuis voorwaarts treden, des te klaarder komt liet in diezelfde geschiedenis aan het licht, uit welkeen gezichtspunt liet lijden van Jezus te beschouwen zij. In Gethsémané omringde ons nog diepe donkerheid en wij moesten van elders de fakkels nemen, die dat duistere konden verlichten. Vóór het gerechtshof van den hoogepriester, alwaar wij zagen dat de Heilige Israels, de zwaarste beschuldigingen met beteekenisvol zwijgen, over Zich liet heengaan, kwam het reeds duidelijk te voorschijn, dat Hij in do plaats van den zondaar stónd. Nog handtastelijker trad hot piaatsbekleedende van zijn lijden op Gabbatha in hot licht, en wel voornamelijk in die ongehoorde ruil en uitwisseling, die aldaar tusschen Hem den Rechtvaardige, en den moordenaar Barahbas, plaats had. Niet minder onmiskenbaar drukt zich in het beeld, dat heden ons voor oogen wordt gesteld, de waarheid uit, dat Christus als Middelaar onzen vloek gedragen heeft. En komen wij eenmaal tot het oogenblik, waarin Hij, die waardig was de kroon des eeuwigen levens to dragen, met den hartverscheurenden uitroep: Mijn God, mijn Clod, waarom hebt Gij Mij verlaten! in den afgrond van eenen vervloekten dood nedervaart, dan zullen wij ons volkomen overtuigen, dat er óf de uiterste verblindheid, óf de ver-stoktsto eigenzinnigheid toe noodig is, om nog te kunnen aannemen, dat het lijden van Christus niet het strallijden van een veroordeeld zondaar, maar hot tuchtigingslijden van oenen slechts beproefd wordende Heilige geweest is, onder hetwelk de groote Lijder zijn koninklijk hoofd ten doode gebogen heeft. Daarom voert ook ons tegenwoordig Evangelisch verhaal ons zoo weinig uit het heiligdom des lijdens, dat het veel meer ons nog dieper daarin leidt, en de dierbare waarheden, die wij de blijdschap hadden tot hiertoe met wijde opening onzes monds u te verkondigen, met een nieuw zegel van geloofwaardigheid bekraclitigt. Dikwijls gebeurt het, dat men bij de behandeling van de geschiedenis van Simon van Cyrene in de keus van onderwerp mistast, naardien men van den smaad meent te moeten handelen, welken ieder waar Christen bij de navolging van zijnen Heere op zich te nemen heeft. Hier stelt zich echter iels veel grooters, gewichtigers en hoogers voor onze overdenking, dan dit. Gelijk overal in de lijdensgeschiedenis, zoo heet ook hier het thema: Christus is een vloek geworden voor ons, Hij is de met vloek beladene. Komt, wij betrachten:

1. den Heere Jezus met het kruis van den zondaar; en dan 11. den zondaar met het kruis van Jezus.

Dat de Heere ons nabij zij; Hij opene ons het verstand van eender meest beteekenisvolle levensbeelden van zijn Evangelie!

ocr page 475

457

I.

Pilatus heeft, door de vreeslijke doorzelting van Jezus, vijanden uit liet veld geslagen, den Heilige Israels tegen de stern van liet leclit in zijn binnenste, in de handen der moordenaren overgeleverd, en deze haasten zich, om met de terechtstelling zoo spoedig mogelijk tot het doel te komen. Eenen oproerling stond, na de veroordeeling geen verder beroep vrij; integendeel gebood eene Romeinsche wet, dat zulk eenen onmiddellijk na het vellen van liet vonnis naar de terechtstelling moest geleid worden. Deze wet geloofde men nu ook nog op Hem ie moeten toepassen, die men als een oproermaker tegen God, tegen Mozes en tegen den keizer niet spoedig genoeg uit de menschelijke maatschappij meende te kunnen verwijderen. Wij bevinden ons reeds, gelijk ge weet, in den geest met Hem op den weg naar zijnen doods-heuvel. Langzaam, in stofwolken gehuld, beweegt zich de menigte voorwaarts. Welk eene samenvloeiing van menschen van alle zijden! welk gewoel en dof gedruisch! Lansen, helmen en uitgetogen zwaarden blonken in den zonneglans. Wapenknechten te voet en te paard, priesters en schriftgeleerden, aanzienlijken en geringen, weenende vrouwen en schreiende kinderen. Joden en Heidenen, alles in bont gewoel door elkander. Aan de spits van den optocht, door gewapende wachters omringd, en onder liet gewicht van de werktuigen der hen toegedachte cloodelijke folteringen bezwaarlijk voorwaarts stappende, gaan de drie beschuldigden: twee rebellen en moordenaars, en tusschen deze beiden Hij, Wien eigentlijk alleen geheel deze ontzettende optocht geldt. Ach, ziet een van bloed druipenden man, oogenschijnlijk de scbuldigste van de drie. Doch wij kennen Hem. Ook Hij draagt zijn kruis, en in deze zijne houding neemt Hij in den li oogsten graad onze deelneming in aanspraak.

Onder de heerschappij der Romeinen kwam men dikwijls kruisen te zien, want maar al te dikwijls werd een of ander oproerige slaaf tot deze smadelijkste en smartelijkste aller straffen veroordeeld en heengeleid. Met het kruis echter, dat wij den Heilige Israels naar Golgotha zien dragen, heeft liet eene geheel bijzondere en hoogst eigenaardige beteekenis. Dit instrument werd naar een hemelsch model gemaakt. Rij de vervaardiging van dezen folterpaal ontmoetten zich — wanneer ik het zoo mag uitdrukken — een helsch plan en een hemelsch plan. Sedert (luizende van jaren was de gedaante van dezen vreeselijken boom reeds in het binnenste heiligdom bekend. Ja, van eeuwigheid af stond de verschrikkelijke grondteekening er van reeds voor do bewustheid van den almachtigen God, en werd ook, zoo als ons bekend is, den aartsvaderen in menige geheimvolle schaduw voor oogen gesteld. Ten einde dit hout des kruises naar zijne innerlijke beteekenis te verstaan, is het noodig, dat wij ons in de geschiedenis van het volk van God verdiepen. Wij treden allereerst in de woestijn terug, waarin Israël veertig jaren achtereen in tenten woonde. Wat zien wij daar? In het midden van het leger verheft zich eene kruisvormige banierstang, aan welke men eene koperen slang, dus het beeld der zonde en van het van God vervloekte dier, gehecht heeft.

ocr page 476

458

Het volk wordt dooi' vergiftige adders gebeten, en dc wonden dreigen met eenen onvermijdelijken dood. Doch wie in het geloof het verhoogde vloek- en zondenbeeld aanschouwt, is weldra genezen. Zoo heelt de Almachtige zelf het verordend, en de ondervinding verzegelt Gods belofte. Wij staan ontzet over deze ongehoorde zaak, en zouden het voorzeker nimmer wagen, om op eigen goeddunken in deze banierstang een beeld van het kruis van Christus, en in het beeld der zonde daaraan eene schaduw van Christus zelf te aanschouwen? Zou niet eene zoodanige vergelijking aan eene vloekwaardige lastering gelijk zijn? En wat vernemen wij nochtans Joh. 3 : 14? Daar treedt de Zaligmaker zelf op en zegt: Gelijk Mazes dc slang in de woestijn ver-lioor/d heeft, alzoo moet de Zoon des mensehen verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Kunnen wij dan nu nog aarzelen, om in dezen stang een profetisch voorteeken van dat hout te zien, waarmede wij thans den ileere der beerlijkheid beladen zien, en het vloek-en zondenbeeld der koperen slang, als een type of voorbeeld opvatten van Hem, die, ofschoon persoonlijk ontbloot van het vergif der zonde, niettemin, opdat de zondige wereld door Hem genaze, tot zonde gemaakt werd, en als een drager van den vloek op Golgotha tusschcn hemel en aarde hing? Treden wij thans in de heilige tabernakel van het uitverkoren volk , en werpen wij eenen blik iu de eerwaardige rollen der Goddelijke wet. Wat lezen wij daar Deut.'21 ; 22, 23; Wanneer in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben, zoo zal zijn dood lichaam aan het hout niet vernachten, maar gij zult hel zekerlijk ten zclven dage begraven, want een opgehangenc is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Ileere uw God ten erve geeft. Deze merkwaardige verordening Gods werd in Israël nauwkeurig in acht genomen. Zoo dikwijls een misdadiger aan bet smaadhout gehecht was, beschouwde men hem, overeenkomstig de Goddelijke uitspraak, als een voorwerp van den diepsten afschuw des Almachtigen, en was men zich bewust, dat God het land slechts zoo lang met toorn en tegenzin kon aanschouwen, als het opgehangen uitwerpsel niet van voor zijne heilige oogen weggenomen was. De verlichtsten van het volk wisten echter wel, dat dit alles slechts eenen voorbeeldenden zin had, en profetisch daarop heenwees , dat Hij eenmaal aan het hout zou hangen, over Welken zich inderdaad de toornschalen des hemels zouden uitgieten, doch in Wiens verzoenende folteringen dan ook de vloek en de verdoemenis der zondige wereld haar einde bereiken zou. Wie zou het echter wagen, deze werkelijk met Gods vloek beladene in Christus te zoeken, en de stelling uitte spreken, dat dit huiveringwekkend voorbeeld der woestijn op Golgotha zijne vervulling gevonden heeft, indien niet Gods Woord zelf het recht tot zulk eene opvatting gaf? Doch het geeft dat recht. Sla Gal. 3 :13 op. Daar komt de Apostel Paulus ons te gemoet en verkondigt zonder geheimzinnigheid of omweg; Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek (in het Grleksch kat ar a, dat is; een voorwerp van Goddelijke veroordeeling) geworden zijnde voor ons. Want, zoo gaat

ocr page 477

459

de Apostel voort, er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die nan het hout hangt, opdat de zegening van Abraham tot de Heidenen komen zou in Christus Jezus. En terwijl Paulus, de hoogverlichte Godsmanj dit zegt, lastert hij niet, maar hij spreekt slechts eene waarheid nit, welke ons in veranderde vormen van uitdrukking duizendmaal in de Schrift te gemoet komt. Wat hij echter met deze woorden zeggen wil, ligt, naar ik meen, te klaar in den dag, dan dat wij liet ook maar een oogenhlik zouden kunnen miskennen. Ja, deze beide typen of voorafbeeldingen, de banierstang met het slangenbeeld, en de Goddelijke verordening met betrekking tot den gehangene, verspreiden voor ons het helderste licht over het afgrijselijk hout, dat de Zoon Gods ginds naar den folterberg sleept. Deze balk is kennelijk de paal, aan welke, volgens de belofte, het onweer der Goddelijke oordeelen zich moest ontladen. Het is het schavot, waarop, naar Rom. 3, „God voorgenomen heeft , zijne rechtvaardigheid te betoonen, door do vergeving der zonde, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; de slachtbank, waarop tot zegen der menschheid, den in het paradijs gedreigden vloek, in de heilige menschheid van den grooten Borg voltrokken wordt; hot brandofferaltaar, waarop het Lam Gods Zich onderwerpen zal aan de geheelo som der straffen, welke mij moesten treffen; en het sterfbed op welke de dood, waarvan de duivel de macht heeft, en aan welken ik door een oordeel van het allerhoogste Gerechtshof ben onderworpen, eenen anderen aangrijpen en te gronde richten zal, opdat Hij zijne aanspraken op mij voor altijd opgeve. Zegt nu, of ooit in eene timmermanswerkplaats der wereld een meer wonderlijk en be-teekenisvoller instrument is gemaakt geworden, dan het hout, dat gij daar op den weg naar den schedelheuvel ziet voortdragen. Het is de doodzerk eener wereld, want geheel de ontelbare schare, die ooit zalig worden zal, is in Gods oogen met Christus aan dezen paal gestorven. Het is de bliksemafleider van ons geslacht, die den verpletterenden bliksemstraal van ons afgeleid heeft, door hem op zich-zelven te trekken. Het is dat punt aan den hemel, waar zich do wolken der gramschap verdoelen, ja het is de levensboom, welker bladen de volken tot genezing dienen.

Jezus draagt het hout. .Wanneer Hij ooit ook in zijne uitwendige houding als de met den vloek beladene voorkwam, dan was het hier voorzeker. Wanneer Gods slem onmiddellijk van den hemel afgeroepen had: „Deze llechtvaardige is thans de drager van hot oordeel, dat op zijn hoofd is gelegd,quot; zoo had ons dit niet tot meer zekerheid kunnen worden, dan het dooi- het levende beeld der kruisdraging voor ons wordt. Dit beeld 1 leeft eene geweldige spraak, en opent reeds voor het verstand van hot eenvoudige kind datgene, waarin de laatste grond van het lijden van Christus te zoeken moet zijn. Buiten Jeruzalem —■ gelijk gij weet — treilen wij den heiligen Lijder aan. De Schrift legt op de omstandigheid, dat men Hem uit de heilige stad heenleidt, een groot gewicht. Welker dierenbloed, zegt de Apostel, Hebr. 13, voor de zonde door den hoogepriesler in het heiligdom gedragen werd, derzelver lichamen loerden verbrand buiten de leger-

ocr page 478

400

plaats, daarom heeft ook Jezus, opdat Hij hel volk zou heiligen door zijn eifien bloed, geleden huilen do lecjerplaats. Opmerkelijke uitspraak ! liier wordt Christus ons opentlijk als liet waarachtig tegenbeeld van het Oud-Testamentisch zoenolTcr voorgesteld. Omdat wij nu echter weten, welk eene beteekenis deze zoenoffers hadden, en hoe bij deze Godsdienstige handeling aan het offerdier de zonden der overtreders toegerekend werd, waarna bet als een voorwerp van afschuw geslacht, en zijn lichaam niet alleen uit de nabijheid van den tempel verwijderd , maar zelfs tot aanduiding, wat van rechtswege de zondaar verdiend had, met vuur verbrand werd, terwijl de zondaar echter, na dit offerwerk, vrijgesproken en onbestraffelijk was, zoo valt bet ieder zonnehelder in de oogen, dat de Apostel in do aangehaalde plaats niet anders zeggen wil en zeggen kon, dan dat Christus bij zijne wegleiding uit de poorten der stad toerekenender wijze, inderdaad met onze zonden beladen geweest is, en onze vloek gedragen heeft. Zoo zijn wij het dan eigentlijk, die ginds naar de gerichtsplaats wandelen, want Hij doet dezen gang in onze plaats. En dat dit werkelijk zoo is, en Hij dezen weg niet meer bewandelt als de heilige Jezus, maar als de algemeene en openbare zondaar, dat zien wij bij elke schrede, dien Hij verder voorwaarts doet, altijd klaarder in het licht komen. Omdat Hij echter thans ook in den hemel als zoodanig beschouwd wordt, zoo is liet begrijpelijk., dat de eeuwige Vader het over Zich verkrijgen kon, om Hem aan zulk eenen naamloozen smaad prijs te geven. Ja, daarom snelt geen engel uit de hoogte Hem te hulp; geen vuur ■wilt daarom van den Hemel, om de moordenaars te verteren. Veel meer trekken de wolken stil en zwijgende over hot vreeslijke tooneel daarheen, als werd daar boven goedgekeurd, wat beneden vreeslijks gebeurt, ja de Rechtvaardige kan daarom, onder den last van zijnen kruispaal, stervensmoede, bijna ineenstorten, zonder dat het iemand in hemel of op aarde schijnt aan bet harte te gaan. De deuren van bet eeuwig heiligdom zijn gesloten, de vensters van de woning des Allerhoogsten toegedaan, en de God, die den rechtvaardigen Loth uit de moordenaarskuil van Sodom, en Daniël uit den kuil der leeuwen redde, en den woede-ademende Laban gebood met Jacob niet anders dan vriendelijk te spreken, en al zijne heiligen toeriep: Vreest niet, want Ik ben met u, deze Hoeder Israels schijnt, ten opzichte van zijnen Meestheminde, te slapen en te sluimeren en met het oog op Hem, die Hem de Naaste is, zijn liefelijk beloftenwoord, vergeten te hebben: Kan ook eene vrouw hare zuigeliiif/ vergelen, dat zij zich niet ontfermt over den zoon hares huiles ? Ofschoon deze vergal, zoo zou Ik nochtans u niet vergeten. Ja, al de omstandigheden, onder welke wij den Zaligmaker hier aanschouwen , zijn vreeslijk en ïiart-roerend, doch allen roepen zij ons met den krachtigsten nadruk toe: „Ziet hier Jezus beladen met der zondaren vloek!quot;

11.

Wij hebben Jezus gezien mot het kruis van den zondaar, thans

ocr page 479

461

verandert de aanschouwing, en een nieuw beeld: de zondaar met het kruis van Christus, treedt voor onze oogon.

Een eind wegs is de Heilige met zijnen zwaren last voortgegaan, toon op eens zijne bloeddorstige begeleiders de bekommering overviel, dat Hij met zijnen last nederzinken, en vóór zijne kruisiging van uitputting bezwijken kon; om dit te voorkomen, zoeken zij iemand te vinden, op wien, voor het nog overig gedeelte van den weg, het kruis op de schouders te loggen ware, en weldra valt ook hun oog op eenen van den akker komenden vreemdeling, die zij te liever tot hun oogmerk kiezen, daar zij in zijne gelaatstrekken, houding of gebaren eenig medegevoel met den Nazarener meenen te bespeuren. Het was Simon, te Cyrene, in Afrika, geboren. Of hij toen reefis tot de geheime vrienden van Jezus behoorde, wordt niet gemeld. Zeker echter werd hij door het volk daarvoor gehouden, en waarschijnlijk niet zonder grond. Ten minste Simons zonen, Alexander en Rufus, worden later als ware Christenen genoemd, en de gevolgtrekking van de zonen op den vader kan wel zijnen grond hebben. Genoeg, deze Jood Simon, wordt staande gehouden en hem het kruis des Heeren opgedrongen. Hij verzette zich aanvankelijk tegen deze oplegging en smaad, doch wist zich weldra te schikken, en schikte zich toen ook gaarne.

Bij het zien van dezen Simon van Cyrene, is men gewoon zich het woord van Jezus te herinneren: Wie mijn discipel zijn wil, die neme zijn kruis op zich en volge Mij na, en men is dan, zoo als reeds is opgemerkt, er op uit, om naar aanleiding van deze afdeeling uit de lijdensgeschiedenis te spreken: van den smaad, dien men om Christus' wil te lijden heeft. Doch zulk eene beschouwing ligt naar mijn gevoelen, toch niet zoo geheel, ten minste niet zoo in de eerste plaatsin deze geschiedenis, naardien immers Simon niet zijn kruis, maar datgene aan hetwelk Christus verbloedde, op zich nam. En dus spiegelt zich in de zinnebeeldige gestalte van den kruisdrager nog iets geheel anders af. Deze gestalte maakt ons aanschouwelijk de innerlijke ge-loofsbetrekking, die wij tot het kruis van Christus, dat is tot de aan het kruis volbrachte offer- en verlossingsdaad aan te nemen hebben. Wij moeten kruisdragers worden in denzelfden zin, waarin Simon dit was; alleen op geestelijke wijze. En wij zijn het, wanneer het kruis van Christus, het onze wordt in den weg der zelfbeschuldiging, der geloofstoeeigening en van het voortgezet sterven met Christus.

Wie onder ons in den geest Christus onder den last van zijnen martelpaal naar Golgotha ziet gaan, zal dadelijk in zoo ver aan Simon gelijkvormig worden, dat hij van medelijden en rechtsgevoel gedrongen, bet afschuwelijk hout niet bloot toeschouwend op den schuldeloos veroordeelde rusten laat, maar het aangrijpen en op de goddelooze Joden, die er toch eigentlijk bij behoorden, of op eene blinde onbarmhartige macht, welke hij noodlot of toeval noemt, of zelfs wel op God den Albestuurder werpen zal, die Hij in het geheim daarover aanklaagt' dat Hij zulke schreeuwende ongerechtigheden niet heeft verhinderd' Doch op deze wijze Christus den last te willen afnemen, getuigtslechts van grootc verblindheid des harten. Zeker begint alle Christelijke leven

ocr page 480

daarmede, dat men innerlijk genoodzaakt wordt, den ITeere Jezus het kruis af te nemen; ecliter niet om liet op anderen te werpen, maar om het in een oprecht zelfveroordeel op zich te nemen. Men wordt door het verlicht geweten in de bewustheid van eigene vloekwaardigheid ingeleid. Men huivert er van terug, en verzet zich er met alle krachten tegen, doch te vergeefs: vóór ons staat, en thans niet meer misverstaan, de heilige Wet, de vreeslijke spiegel van God, en wie zal zich onderwinden om Hem te misleiden of te heliegen. Mogelijk gebeurt het, dat de bliksem, die ons verbrijselt, allereerst slechts uit een cjcbocl tegen ons uitschiet, gelijk bij voorbeeld Zaccheus het achtste, de moordenaar aan het kruis hel zesde, en de Samaritaansche vrouw het zevende gebod als zulk een bliksemvlam op zich zagen ncêrkomen. Alsdan meent men aanvankelijk zich nog door do overige negen geboden te kunnen redden, en werpt zich wellicht als eene vermeende veilige vesting in het eerste gebod: Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben. Doch de Heilige Geest, die nu eenmaal met ons begonnen is, voert ons altijd dieper in de innerlijkste en wezent-lijkste inhoud der Goddelijke Wet. en zoo heet het dan; „Gij, die vermeent het eerste gebod gehouden te hebben: bemindet gij den Heere uwen God van kindsgebeente af, van ganscher harte, met geheel uw gemoed en met alle uwe krachten?quot; Men verneemt de harten en nie-renbeproevende vraag, en hoe haast men zich, om dat eerste gebod weder den rug toe te keeren. Nu vliedt men wellicht tot het zesde gebod. Men is zich toch bewust, nooit iemand naar het leven gestaan, hoe veel te minder eenen werkelijken doodslag begaan te hebben. Nochtans boort men. zich door den toeroep, als door eenen donderslag toegesproken: Wie zijnen broeder haat, is een doodslager. En ook de vermeende vesting van het zesde gebod is bres geschoten. Men werpt zich nu in het negende gebod. Aan een valsch getuigenis, zoo denkt men, heeft men zich nog nooit schuldig gemaakt. „Doch boe! — zoo beet het nu; — gij waagt het om u op het negende gebod te beroepen? Hebt gij nooit gelogen, bedrogen, gehuicheld, gevleid?quot; Men hoort het, maar men laat de stem in het geweten niet geheel uitspreken , maar trekt zich zonder aarzelen op het zevende gebod terug. „Dat heb ik gehouden — zegt men met gerust vertrouwen; — ik heb de huwelijkstrouw niet gebroken.quot; Doch terstond klinkt het woord ons dreigend te gemoet: Wie eene vrouw aanziet om haar te begee-ren, die heeft reeds overspel met haar gedaan in zijn hart, en men vliedt voor het zevende gebod als voor een vuur, dat ons dreigt te verteren. Waarheen dan nu? Tot het vijfde gebod misschien. Ach, ook vader en moeder klagen ons aan. Tot het achtste? Het schijnt inderdaad alsof dit gebod ten minste ons zal verantwoorden, want wij zijn toch geen dieven. Doch wee! niet ver van hem staat het tiende gebod met zijn : Gij zult niet begeeren. Dit stelt ons nu geheel ont-bloot van alle gerechtigheid en maakt aan het geheele rechtsgeding een einde door een algemeen oordeel van verwerping over ons. Zoo is het dan met al onze eigenroem gedaan. Wel aarzelt men nog, om er geheel van af te zien. Men gadert de goede werken in zijn leven bijeen, maar nauwelijks is men begonnen, zich met dezen dubbelzin-

ocr page 481

463

nigen schat to vertroosten, of er stroomt van nit hot heiligdom Gods ook daarover een licht, in welks schitterend brandende stralen ook hel hesto dat wij bobben, zich als eene wormstekige vrucht van onreine eigenliefde voordoet. Zoo is men dan genoodzaakt om over zichzelven den staf te breken. Doch wat bedreigt nu overtreders als wij onszei ven bevonden hebben te zijn, voor de toekomst huns levens ? Men leest: verdrukking en benauiudheid over alle ziele des menschen, die het kwade iverkt. Gods loom wordt van den hemel geopenbaard over alle Goddeloosheid. Men leest het en men zinkt in één. „Wee mij — zoo roept men uit — ik onzalige, ben dus verdoemd, vervloekt, verloren!quot; Men wil het nog niet gelooven, maar daar klinkt het van alle zijden. „Ja gij!quot; en het is als roepen de muren onzer kamer, en ile balken uit de zoldering het ons toe. Dnizende van herinneringen uit de verledenheid onzes levens, vergaderen zich als wraakgeesten rondom ons, en roepen: „Gij zijt een man des doods!quot; En tot in onze droomen toe bedreigt ons nog dat vreeslijke „gij zijt hot!quot; Wij meenen het zelfs in de sterren te lezen, en op ieder onzer dagen staat het geschreven. Zoo moeten wij het dan ten laatste erkennen. Christus' kruis wordt ons opgelegd, wij vinden ons zeiven het kruis waardig, naardien wij ons aan den vloek, die Jezus daarop leed, onderworpen gevoelen.

Hebben wij nu in dezen zin het Kruis van Christus op ons genomen, zoo is God gewoon, na ons verootmoedigd te hebben, ons ook wederom te vertroosten. Uit de schaduwen en huiveringen der zelfveroor-deeling, komt men in de bloedroode zonneschijn der verzoening weder boven. Men erkent in Christus Kruis het beteekenisvolle huis,waaraan het oordeel reeds lang voltrokken werd, dat ons eeti eeuwig verderf dreigde. Men vat het kruisgeheim in zijne troostvolle diepte op, en treedt in eene geheel nieuwe betrekking tot het Kruis van Christus, in die eener toevluchtnemende omarming en geloovige töeëigening. Men neemt het nu op eene geheel andere wijze dan vroeger op zich; zeker aanvankelijk ook thans nog meer uit nood, dan uit lust. De hoovaardige menschelijke natuur verzet zich, om uit genade zalig te worden. Al voortgaande echter verzoent men zich met den wonderbaren last, en ten laatste draagt men hem zelfs met genoegen, gelijk een erfgenaam zijnen schat draagt en een koning zijnen schepter, gelijk een krijgsman zijn zwaard en schild, gelijk een overwinnaar de banier der zegepraal, gelijk een vrijgelaten schuldenaar zijnen vrijbrief, en gelijk een edelman het diploma van zijnen adel. En zoo is men naar zijne geestelijke gestalte met recht een Simon van Cyrene. Men trad in de levendigste, innigste en zaligste gemeenschap met het Kruis van Christus. Overal en altoos heeft men nu met het Kruis te doen, en dat Kruis wordt het teeken, waaraan men zich herkont. Met liet Kruis leggen wij ons ter ruste. Op het Kruis sluimeren wij met vrede in. Met het Kruis staan wij des morgens weder op, en wij verwachten den zegen van den nieuwen dag onder het Kruis. Beluistert men ons in onze binnenkamer, wij bidden onder het Kruis. Zeggen wij: Abba, lieve Vader! zoo is hot enkel het Kruis dat ons daartoe den moed geeft. Hopen wij eene gunstige verhooring van ons smeeken, zoo

ocr page 482

iOi

komt deze moed ons van liet Kruis. Hebben wij onzen wandel in den bemol, /00 is de liemelladder, op welker sporten wij over wereld, dood en bel ons verhellen, het Kruis. Het Kruis maakt den kern van al onze stille boezem psalmen uit. Rust er een vreugdeglans op ons gelaat, zoo is het Kruis de zon, waarvan het uitstroomde. Zijn wij recht getroost, zoo zijn wij het in de schaduw van bet Kruis. Overwinnen wij de verzoekingen van den booze, zoo is Christus' Kruis de banier, waaronder wij zegevieren.

Zeker omvat men het Kruis niet altijd even innig en even warm. Men draagt het somwijlen weder onverschillig, ja met verdriet, als een last. Dat is het geval, wanneer zich ongemerkt de wortels van ons leven weder in den bodem der aarde verdiepen, of als de Heere eenmaal onzen berg beeft vast gezet en wij opnieuw aanleiding nemen, ons in eigen werk en wezen te spiegelen. Doch de God, die even zoo trouw is in bet verootmoedigen als in het troosten, weet ons dan het Kruis reeds weder zoet te maken, naardien Hij onzen ouden mensch zelfs aan eene vernieuwde kruisiging prijsgeeft, en onder allerlei nood, smaad en droefheid de bewustheid van onze ellende in ons verlevendigt en verfrischt. Over het geheel komen de ondervindingen van allen, die in bet geloof het Kruis van Christus op zich nemen, daarin overeen, dat zij hoe langer hoe meer ook in bet sterven van Hem, die aan het hout hing, zeiven mede ingetrokken worden. Zij nemen af, zij worden naar hunne bewustheid persoonlijk armer, onwaardiger, hulpbehoevender, ja, ben blijft met den tijd niets meer in henzelven over, waarmede zij zicii nog als een grond van hunne rechtvaardiging kunnen troosten. Hoe vollediger zij echter met al wat hen eigen is schipbreuk lijden, des te kostelijker wordt hen de eenige reddingplank in de branding; het Kruis van Golgotha. Hoe wordt het nu meer en meer innig en vast omvat, hoe hoog en luid geprezen, en met welke beete tranen van innige dankbaarheid bedauwd, en hoe beweegt zich ten laatste in altijd enger getrokken kringen, de hunne zonnen omringende planeten gelijk, het geheele inwendige leven rondom het Kruis!

Moge het dan den Heere behagen, om het beeld van den kruisdrager Simon altijd dieper en duidelijker in onzen inwendigen mensch in te drukken. Ontsluiere Hij in ons, opdat dit beeld volledig in ons ontwikkeld worde, altijd meer duidelijk het bederf, waarmede wij van nature behebt zijn. Alleen zoo zullen wij het Kruis van Christus lee-ren dragen met heiligen hoogmoed; alleen zóó zal het voor ons tot eenen boom des levens worden, van welken wij hemelsche vruchten des vredes plukken; alleen zóó wordt het ons tot een wonderwapen, door welke wij wereld, dood en duivel overwinnen, want

Wie niet den vloek der zonde kent,

Hoe zal hij om verzoening smeeken?

Wordt hem het kruis al ingeprent,

Het is voor hem geen reddingsteeken ,

Al zegt hij ook: „de Heere maakt vrij.quot;

't Is ijdle taal of huich'larjj.

ocr page 483

m

Wie loochent dat er strijd bestaat, Hij kan op geen verwinning roemen;

Wie nog de zonde heerschen laat, Hij kan zich geen verloste noemen.

Zijn redding heeft geen andren grond, Dan zijne schuld én Gods verbond.

Amen.

ocr page 484

XLV.

D E 1) O G II T E R E N VAN .1 E R U Z A L E M.

Ween niet \ roept de Heere, volgens Luc. 7 : 13, der treurende weduwe te Naïn toe. In dit Ween niet! ontsluiert zich voor ons het ei gen il ijk kenmerk zijner ambtelijke verschijning en werkzaamheid op aarde. Met zulk eenen vriendelijken groet naderde Hij overal de vermoeide en belaste zielen, en zijn Ween niet! is niet, gelijk in de meeste gevallen het onze is, een ledig woord en een ijdele troost, maar het ging met Goddelijke krachten gepaard, en deed wonderen van redding. Immers was Hij gekomen, om de oorzaak van alle tranen op aarde op te hellen en onze klacht in blijdschap te veranderen. Op grond van zijne verdienste 'klinkt het met het volste recht en in den rnimsten zin door de treurvertrekken van alle Goddelijk bedroefden, als met feestbazuingeschal in den toeroep: Weent niet, want de Leemu van Juda heeft overwonnen!

Sleclds een eenige maal gedurende geheel zijne omwandeling op aarde zeide de Vorst des vredes: Weent! Welk eenen machtig dringenden grond tot treuren moest het oog van den Hattekenner daar ontdekken! Wie zou niet gaarne willen weten, wat Mem' tot deze afwijking van zijne gewone manier van spreken kon bewegen. Nu, mijne Vrienden! wij komen in den weg onzer beschouwingen thans tot het voorval, waaruit zijn eenig Weent! tot ons overklinkt, en wij zullen hooren, wat het is, of om welke reden de Heere gebiedt, dat wij zullen weenen.

lucas 23 : 27 — 31.

En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden. En Jezus Zich lot haar keerende, zeide: Gij dochter en van Jeruzalem! iveent niet over Mij; maar weent over uzelven en over uwe hinderen. Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de huiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet qezoogd hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons! en tot de heuvelen: Bedekt om! Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

ocr page 485

{(17

loo komt dan in de ontzettende aanschouwing van niets dan gruwzaamheid en hardheid, zoo als het zich op den weg naar den Kruis-heuvel aan ons voordoet, eindelijk ook eens een trek van menschel ij k-heid voor, die ons ten minste eenigszins het samengedrukte hart lichter maakt. Het treedt in het licht, dat voor den heilige Israels en huiten den kleinen kring zijner discipelen, nog niet alle medegevoel is uitgedoofd. Innige samenstemrningen met Hem worden openhaar, ja, tranen van smart vloeien vanwege den hard beproelden Lijder. Doch ziet, Metnzelven geven deze openbaarwordingen van innerlijke deelneming geene lafenis; veel meer gevoelt Hij er Zich door opgewekt, om ze van Zich af te wijzen, ja, om ze te veroordeelen. Dit bevreemdt ons, ja, vervult ons met verbazing, want wij zien hier aan welk eene scherpe zifting ook zelfs de gewaarwordingen van welwillendheid jegens den Heere nog onderworpen worden, en hoe nabij het gevaar moet liggen, zich te kunnen inbeelden, dat men Hem thans bemint met de liefde, welke de ziel des nieuwen levens vormt, terwijl men toch nog geheel ontbloot is van deze liefde.

Komt, onderzoeken wij:

I. naar de oorzaak, waarom de Goddelijke Lijder eene wijding zijns lijdens, zoo als zij in de weenende vrouwen Hem op zijnen Kruisweg te gemoet kwam, verwerpen moest.

11. Hooren wij vervolgens, welke gewaarwordingen het zijn, waarmede Hij Zich op zijnen laatsten weg van ons wil vergezeld zien.

Moge het den Heiligen Geest behagen, ons niet enkel tot het waar begrip van ware aandacht bij het Lijden te helpen, maar ons ook boven alles, het wezen er van op blijvende wijze in te ademen. Immers Hij alleen is het, die dit vermag. Op den bodem der Natuur groeien de bloemen niet, waarin het oog en het hart Gods welgevallen hebben.

I.

Do weg, die van Jeruzalem naar den Schedelheuvel voert, is door groote volksmenigten als bezaaid. Mocht dit hot geval ook nog heden op geestelijke en kerkelijke wijze zijn; want een andere weg voert niet tot heil en leven. Zeker zijn het niet enkel het Lijden betrachtende lieden, die ons daar tusschen Jeruzalem en Golgotha tegenkomen. Veel meer zal er slechts een zeer klein en zich verliezend getal van zulke lieden gevonden zijn geworden. Doch beter is hot, beslissende tegenstanders op den Kruisweg te ontmoeten, dan dezen weg eenzaam en ledig te zien. Ach, in onze dagen, en helaas! ook in onze stad, komt deze weg geheel uitgestorven voor. Op do wegen naar de afgodentempels der wereld en de tuimelplaatsen van de begeerlijkheden

ocr page 486

408

der oogon en dos vleescbes wemelt en golft het.. IIoo velen echter zijn er nog, wien hot hart gewoon is hooger te kloppen, wanneer het tot hen heet; „De Lijdenstijd is weder daar, en wij bereiden ons opnieuw , om naar den folterheuvel heen te gaan, alwaar wij de grondslagen van onze eeuwige verlossing zien leggen!quot; Ik vrees, dat ontel-baren onder ons altijd voort den eeuwigen dood sterven. Doch aan kortstondige krankheden bezwijken slechts de minsten onder hen meer. De meesten sterven aan de tering van do volslagenste onverschilligheid. Het is toch allengs zoo ver met hen gekomen, dat zelfs het verheven-ste, dat er onder den hemel is, hen verveelt, en de woorden kerk, godsdienst, prediking hen onkel doen geeuwen. Die onzaligen! Zij weten niet, dat zij in deze bedenkelijke karaktertrekken reeds het brandmerk van liet over hen losgebroken oordeel, ja, de ken teekenen, zoo niet reeds der verwerping, dan toch der verwerpelijkheid in zich dragen. De satan zelf schijnt deze menschen nauwelijks meer eenen krachtigen aanval waardig te achten; zij vallen hem als verstorvene boomen van zelf toe, en iiij vindt ze in zijne netten, alvorens hij die nog heeft uitgespannen.

Gij, mijne Vrienden! behoort tot die beklagenswaardige menschen niet. Ulieden treffen wij immers nog in den geest, op den weg naar den Schedelheuvel. Ja, deze weg is de weg naar den hemel; doch ziet toe, ook deze weg heeft zijne kloven en kuilen, die in de eeuwige woestenij uitloopen. Eene rjroolc menigte van volk, zoo lezen wij in ons Evangelie, volgde Jezus. Dit waren geenszins allen vijanden en k wal ij kgez inden. Velen onder hen begeerden alleen te zien , waar het met Jezus heenwilde, en stelden dus ten minste een historisch belang in zijn persoon en zijne zaak. Weet echter, dat dit tot zalig worden nog geenszins voldoende is. Bedenkt het, dat gij u met deze menschen op gelijk standpunt bevindt. Meden ten dage ontmoeten ons niet weinigen, en hun getal neemt toe, die, gelijk anderen op staatkundig en kunstmatig gebied, of welk geestelijk gebied het zij, zich met hunne deelneming op de aangelegenheden van het Koninkrijk Gods, der Kerk en des Christendoms geworpen hebben. Welke voortgangen het Evangelie in de wereld make, hoe het met het bezoeken der kerk hier en elders gestold zij, wat deze of die vereeniging goeds tot stand gebracht bebbe, wat tot opbeuring of opheffing van den openbaren godsdienst geschieden kon, hoe het aanzien der kerkelijke belijdenis te versterken zij, wat deze of die secte gelooft of leert, ja, zelfs in welken zin men het een of ander leerstuk moet opvatten, en hoe men het op de meest juiste wijze uit te drukken bebbe; dat zijn de zaken, waarin zij belangstellen, naar welke zij vragen, en van welke zij gaarne spreken. Dit is goed en prijzenswaardig; doch het kan zeer wel gebeuren, dat zij midden in het heilige land, in hetwelk zij zich met hunne belangen bewegen, evenzoo wel alleen de verdoemenis te ge-moet rijpen, als die beklagenswaardigen, die in de steppen der uiterste onverschilligheid, ofwel in de poelen der goddeloosheid hun levenselement gevonden hebben. Er is eene natuurlijke deelneming in de dingen Gods, en zelfs wel eene zeer levendige deelneming, door welke de oude mensch geen haar gekrenkt wordt, en de vorst der duisternis

ocr page 487

409

niet liet minste nadeel lijdt. In de bewustheid, dut er zulk eene dee!-nemirig is, gebeurde liet eens, dat een oude, in Christelijke ondervinding grijs geworden predikant aan een jong godgeleerde, die tot hem kwam met de woorden: „Het moet u aangenaam zijn, iets uit hot Koninkrijk Gods te vernemen,quot; dit kort en droog antwoord gaf: „Neen.quot; De jonge man stond onthutst, verstomd, en ging verlogen weder heen. Later is hem echter dat dorre neen! tot zegen geworden, naardien liet hem bij dieper nadenken, tot het voor hem juist bijzonder heilzaam inzicht bracht dat men in kerkelijke aangelegenheden bijna op dweepachtige wijze deel kan nemen, zonder daarom zelf een waar Christen te zijn. Hoe deze deelneming zich zelfs tot de Lijdensgeschiedenis kan uitstrekken, laat zich ligt begrijpen. Deze geschiedenis, welke met de rijke menigvuldigheid barer punten van beschouwing, persoonlijkheden en karakters, een spiegel der wereld is, hoe zon zij ook niet reeds daar eene aantrekkende kracht uitoefenen, alwaar zij enkel (zonder te spreken van eenige godsdienstige behoefte, hetwelk nog gansch en al kan sluimeren) eene ontvankelijkheid voor al wat rein raenschelijk is te gernoet komt. Doch zulk eene deelneming is in het wezentlijke van alle andere deelneming niet onderscheiden , en heeft met hot geloofsleven, op hetwelk Gods oogen alleen zien, niets gemeens.

Van meer edele natuur als het zoo even aangewezene, is de belangstelling dergenen, wier bevriend zijn met de geschiedenis en zaak van Christus in de vereering des laatsten, als de Heilige in Israël, zijnen wortel heeft. Eenigen van deze soort bevonden zich zekerlijk ook wel onder hot achteraan toedringende volk, en ook onder ons ontmoeten wij niet zelden zulke hooger ontwikkelde naturen. Christus zweeft, als het volmaakt ideaal van zedelijke menschengrootheid vóór hunnen ontwaakten blik. Ook zij zijn overtuigd, dat Christus in de menscb-heid gedaante verkrijgen en alles in alles bij hen worden moet, wanneer er voor de wereld een gezegend tijdvak zal aanbreken. Ook verhindert hen niets, om met levendige opgewektheid het lijden des llee-ren met ons te betrachten , terwijl zij hooghartig vergrimmen tegen het roekeloos geslacht, dat den eenig Smettelooze, die de aarde bewandelde, aan het kruis konden hechten. Doch zij bidden niet ons:

,0 Lam van God, onschuldig,

Droegt Ge onze schuld geduldig,

Ontferm, ontferm U onzer!

O neen, dal komt hen niet in den zin. Zoo weinig zij er een besef van hebben, dat Christus, dien zij als den bloesem eh het toonbeeld der menschheid gaarne alle eer laten toekomen, nog iets hoogers dan dit kan geweest zijn, even zoo min laten zij het in hunne gedachten komen, dat de menschheid, wanneer zij gered zal worden, nog tot iets anders geroepen wordt, dan met inspanning van hare eigene krachten en mot oenen voortgezetten veerkrachtigen wil dit levendig voorbeeld na te streven. Ziet zoo gaan deze voortrellelijke menschen zekerlijk met ons den weg naar de kerk, ja in eouen zekeren zin

ocr page 488

m

zelfs den weg naar Golgotha, en nochtans staat het buiten twijfel, dat hun zelfs nog de eerste en wezenllijkste vereischten van het ware Inwendige Ghrislondom, het gebroken hart en iiot levend geloof in Christus, als den Gode evengeiijken Middelaar geheel ontbreekt. Vergramd tegen de moordenaren van, Jezus, weten zij niet, dat zij zelven mede het bloedvotinis onderteekenen. Want naardien zij niet boven den mensch in .lezus willen komen, geven zij ook Hem, die met eenen eed verzekerde, dat Hij één was met den Vader, over als eenen des doods waardigen Godslasteraar. Scheldende op de Farizeën, zijn zij in den grond enkel zinverwanten met hen; want zoo min als deze, willen ook zij van eenen Jezus weten, die hen als zondaren behandelt, en hen wil doen begrijpen, dat zij zich door Hem moeten laten verlossen.

Eene derde betrekking tot Christus, en bijzonder tot den lijdenden Christus, doen ons de vrouwen zien, welke wij in onzen tekst weenend en weeklagend den Goddelijken Lijder zien volgen. Hier schijnt ons nu de rechte aandacht bij het lijden te gemoet te komen. Hier aanschouwen wij innig medegevoel met den Man van smarte. innige ontroering en getroffenheid met den blik op zijn kruis, ja tranen, ten aanschouwe van do spottende vijanden van Jezus, over Hem gestort, en in dit alles een onverholen belijdenis, dat een Onschuldige naai de gerechtsplaats geleid wordt, die de hoogste achting en liefde, maar geen hoon of haat waardig is! Wat wil men meer, dan wat hier samenvloeit? Do Heore laat ook niet na, om deze deelnemende vrouwen niet zijne opmerkzaamheid te verwaardigen. Hij keert Zich naar hen om. Waartoe? Wij zouden denken, om haar te prijzen, te vertroosten, en Zichzelven aan haren aanblik te versterken en op te beuren. Doch hoe komt het, dat wij juist het tegendeel zien gebeuren? De Heere wijst do treurigheid der weenenden, als eene dwalende droefheid, af, en oordeelt hunne tranen als iets onnuts en onvruchtbaars. Hij, die, gelijk overal, ook op de diepste lijdenswegen, de volkomenste klaarheid en tegenwoordigheid van geest wist te bewaren, en ook niet een enkel oogenblik do Hem opgedragen herderlijke zorg voor de dwalende schapen van het huis Israels uit het oog verloor, roept de achter Hem weenenden toe: Gij doddercn, van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar ween over uzelven, en over uwe kinderen! Een ernstig en be-hartigingswaardig woord, dat niet deze vrouwen alleen, maar ook te gelijker tijd menigeen onder ons, treft. Ja het slaat allen ter neder, wier aandacht tot het kruis, evenzeer alleen in eene natuurlijke aandoening over het droevige van den uitgang des levens van den Rechtvaardigen bestaat, en die ook niet anders dan tranen des mededoogons en des gevoels voor den Heiland over hebben. Hoe vele gemoedsaandoeningen, die hij eene levendige vooroogenstelling van de folteringen des Hoeren, bij de uitvoering van verhevene en kerkelijke muziekstukken , bij plechtige kerkfeesten of kerkdiensten opwellen, worden hier, als onreine offeranden, door den Heere afgewezen. Het is nauwelijks te beseffen, welk eene volheid van on boetvaardigheid en farizeescho eigen-gerechtighoid achter znlke gemoedsaandoeningen zich verbergen kunnen. De een Is, hij zijne lijdensaandacht in den grond slechts go-

ocr page 489

471

trollen over eigene deugd. Hij denkt: „de wereld bemint de bevlekking van heigeen zuiver is. Gelijk Gij eenmaal, toen Gij naar het kruis gingt, zoo word ik ook op aarde miskend.quot; En liet zijn deze gedachten, die zijn hart in beweging brengen. O! schendige hoogmoed van den nietswaardigen zondaar, op zulk eene wijze zich den Rechtvaardige uit den hemel ter zijde te durven plaatsen! Een ander zegt bij zichzelven: „Met U, gij Man van smarte, wil ik mij in mijn ongeluk troosten; met U, die ook eenmaal niet op rozen wandeldet, maar langs het kruis naar de kroon heenworsteldet.quot; Hij zegt het, en bij deze gedachte versmelt hem het hart. O ! strafbare verblinding van den mensch! als leed ook hij, gelijk Jezus onschuldig, en als ware God verplicht, hem voor zijn lijden schadeloos te stellen. Wat is farizeïsme, wanneer het dit niet is? — Een derde, en deze telt zijne medegenooten bij duizenden — rekent zich de tranen des medegevoels, welke hem door het lijden van Christus ontlokt worden , tot gerechtigheid, en verheft ze als vermeende getuigenissen van de goedheid zijns harten tot den grondslag van zijnen troost en zijner hope. Beklagenswaardige dwaling! Weent niet over Mij, zegt de Heere. Hoort gij het. Hij wil niet dat men Hem beklage en beweene. Het is geen ongelukkige van de gewone soort. Hij bezweek niet voor de overmacht, noch voor die van eenig mensch , noch voor die van den drang der omstandigheden en betrekkingen. Wanneer Hij wilde, stond Hij voor ons met de kroon, in plaats van met hel kruis. Geheel vrijwillig ging Hij tot zijn lijden, om te voleindigen, wat zijn Vader Hom had opgedragen, en de naam van een droevig uiteinde in den aangehaalden zin, is op het lijden des Heeren volstrekt van geene toepassing. Nergens is minder do plaats voor tranen van gevoeligheid en medelijden, dan de plaatse zijns lijdens. Terwijl men zich aan zulke aandoeningen overgeeft, miskent men den Heere, ja trekt men Hem tot zich neder, en mist men voor zichzelven den weg des heils, welke ons door God is aangewezen. Daarom roept de Heere eens voor altijd der wereld toe: Ween niet over Mij! en stelt Zich hiermede volstrekt buitenden iij van gewone lijdenden en ongelukkigen.

II.

Dus behooren geene tranen tot do aandachtige beschouwing des lijdens'? Zeker behooren zij er toe, doch hun voorwerp moet een ander zijn, dan de persoon des Heeren. Hoort Hem zeiven; Weent, zoo zegt Hij, over uzelven en over uwe kinderen. Over onszelven? .la mijne Vrienden! In de wegbloeding van den Heere uit den hemel klimt de schuld der wereld ten top; daarin wordt zij voleindigd. De wereld was schuldig van den val in het Paradijs af. Dat zij het was, trad in de dagen van Noach, Nimrod, de richteren en de koningen van Israël scherp in het licht. „De misdaad der Amoniten was echter nog niet vol.quot; Opdat ook de laatste schijngrond tot verontschuldiging en verschooning zou verdwijnen, moest de haat tegen de heiligmaking.

ocr page 490

472

de ondank en de van God vervreemde eigenbaat der kinderen van Adam zich nog- ondubbelzinniger openbaren. Aan liet menschelijk ge-slacbt werd de gelegenheid geboden, zijn innerlijk wezen aan den dag te leggen, toen zich de Heiligheid in persoon tegen haar overstelde, en God de IJeere over hetzelve de hoorn des overvloeds zijner ontfermingen uitstorte. Beide geschiedde in de zending vim Christus den Eengeboren Zoon, den goeden Herder. Hoe bewees zich nu de wereld, te zijn? Zij bad de duisternis meer lief dan het licht, vergrimde jegens Hem, die haar van de zonde kon verlossen, en ontstak in haat tegen zijne liefde en stiet Hem van zich, die door de roepstem zijner vermaning tot wedergeboorte en bekeering, baren hoogmoed krenkte. Den Heraut en Drager der genade Gods sloeg zij aan bet kruis. De wereld? Ja, zij! Zie slechts nauwkeuriger toe en gij zult uzelven mede onder de menigte aan treilen, welke ginds den Heere der heerlijkheid ter slachtbank voert. Ergens ziet gij zeker uw eigen aangezicht. Is het niet in Judas, dan toch in Hannas; is het niet in dezen, dan in den huicbelachtigen Kajafas, of in den wereldschen Pila-tus, of in een der gewetenlooze raadsheeren of in eenen anderen, wie het ook wezen moge. Ergens komt u de spiegel te voren, die u uw eigen zedelijke gedaante doet aanschouwen. Ziet rond en zegt, ot niet de aanschouwingen van Gabbatha en Golgotha zich op geestelijke wijze onophoudelijk vernieuwen. De vraag is: Of er niet nog heden een zekere moed gevorderd wordt, om den naam van Jezus op de openbare markt te belijden? Of niet gedurig dezulken, die Christus liefhebben, zich als schijnvromen en huichelaars moeten hooren uitschelden, en of niet dezulken die den Vorst des vredes anderen willen aanprijzen niet bijna overal op grimmige tegenkanting stuiten? Ja tast slechts in uw eigen boezem, eu zegt of gij, zoo als gij van nature zijt, met Jezus wilt te doen hebben. Wat beweegt zich in u, wanneer Hij van u vordert, dat gij u tot zijne tollenaren en moordenaren vernederen of uwen Mammon, of welk een ander afgod bet zij, Hem offeren zult? Of wanneer Hij op den weg uwer zinnelijke lusten, met opgeheven vinger u tegentreedt en van u begeert, dat gij Code en niet der wereld leven, en op Gods wegen en niet op de uwe wandelen zult; wat is het dan, dat gij gewoonlijk gevoelt? Is het iets anders dan afkeer, tegenzin, ontstemdheid en verdrietelijkheid? Hoort gij niet liever van alle andere spreken dan van Hem, en valt het u ooit in, om, wegsmeltend in dankbaarheid, God te voet te vallen, wanneer de boodschap tot u komt: Zoo lief heeft God de wereld (jehad , dat Hij zijnen Èeniggehoren Zoon heeft gegeven. O mijne Broeders! tot op dit oogenblik schijnt Christus enkel in ons midden te staan, opdat in zijne tegenwoordigheid en tegen Hem, enkel onze bedorvenheid en diepgezonkenheid aan den dag kome. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat wij zijn: Weent niet over Mij, maar weent over uzelven, niet verstaan, of, als op ons van geene toepassing, niet hooren willen? Voorzeker alle ware aandacht tot beschouwing des lij-dens, begint daarmede, dat wij weeklagend onze handen boven onze hoofden samenslaan, en ons zeiven oordeelen, verdoemen en den eeuwigen dood waardig erkennen.

ocr page 491

473

Do dochteren van Jeruzalem bekomen vreeslijke dingen te liooren, echter niet opdat ze hopeloos vertwijfelen zouden. Veel meer is het ook hier de liefde, welke verlorenen opzoekt, die hier tot haar spreekt, en haar ter goeder ure nog tot boete wenscht te leiden. Maar -weent over uzelven en over uiue kinderen. Onmiskenbare toespeling op den zntzettenden vloek, welke het verdwaasde volk voor Gabbatha over oichzelve gezworen had, en daarmede te gelijk de aanwijzing der zonde, welke als de hoofdzonde in Israël, en gevolgelijk ook als de hoofdbron van hunne geheele volgende reeks van ellenden bovenal te beweenen was. Want ziet, er komen dagen, zoo gaat de Heere voort te spreken, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren. en de buiken, die niet gehaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. Welk eene aankondiging! Wat men ten goeden tijde in Israël gewoon was als een groot ongeluk en eenen even zoo grooten smaad te beklagen, namelijk onvruchtbaar en kinderloos te zijn, dat zal alsdan als een benijdenswaardig voorrecht worden geprezen. Dan, zoo gaat de Heere voort (zoowel hier als in de voorgaande uitspraak onmiskenbaar been-wijzende op uitspraken van.de profeten Jesaja en llosea, want Ilij leelde in de woorden zijns Vaders, als in het eigentlijk element zijner heilige ziel). Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen, valt op ons en tot de heuvelen, bedekt ons! Kennelijk breidt zich hier de gezichtskring van den Heere uit over de dagen der verschrikking van den ondergang van Jeruzalem, en onmiskenbaar reikt zijn woord , door alles te omvatten, tot aan het wereldoordeel van den jongsten dag. Die alsdan bevonden zullen worden als de zoodanigen, welke, in hardnekkig ongeloof en volhardende onboetvaardigheid. Hem, hunnen trouwsten Vriend en eenigen Zaligmaker verwerpen, zullen zich in eenen toestand verplaatst zien, in welke zij de vernietiging boven het voortbestaan zullen stellen. Zij zullen de bergen aanroepen, opdat deze over hen nederstorten en hen voor altijd onder hunnen last hegraven ; doch de bergen slaan en vallen slechts op Gods hevel, en God de Heere, thans hun Vijand, heeft andere dingen over hen besloten, dan do vernietiging. Zoo zullen zij dan de heuvelen smeeken, dat deze hen voor het aangezicht van den toornenden Rechter mogen bedekken, doch geene schuilhoek zal er op, of onder de aarde te vinden zijn, die ben alsdan onttrekt aan de hen vervolgende blikken van Hem, die oogen heeft als vuurvlammen. Ontzettend uitzicht! En bedenkt hier nu bij, dat Hij, die hier den sluier oplicht, niet een woest ij veraar is, op wiens bedreigingen niet bijzonder veel gewicht te leggen is, maar Dien, die de waarheid en te gelijk de lieftalligheid zelve is. Hoe wordt hierdoor de nadruk verhoogt van dien toeroep, in welke eene boetpredikatie tot ons gericht wordt, welks gelijke in kracht en invloed, op aarde nooit meer gehoord werd. De Heere besluit zijne aanspraak aan de Dochteren van Jeruzalem; Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden''? Deze woorden kunnen niei misverstaan worden. De groote Kruisdrager stelt Zich hier zelf voor als een spiegel van den toorn Gods. Omdat Hij de rechtvaardige, ja het leven zelf is, heet Hij het groene hout. Voor zijn Persoon kwam Hem heerlijkheid en eer en geluk, en geenszins

ocr page 492

474

lijden toe. Nochtans duldt Hij naamlooze smaad en pijn. Wat ecliter Hem treft, dat moet met hetgeen den goddeloozen gedreigd is, van gelijke natuur en soort zijn. Wanneer quot;het anders ware, zoo zou de gevolgtrekking, die de Heere ons uit zijne ellende maakt, tot het toekomstig lot der onboetvaardige zondaren, geene waarheid zijn, en de door Hem gemaakte vergelijking zou onvoegzaam zijn. Was het enkel een lijden der genade, ciat Jezus trof, hoe kon dat alsdan tot een maatstaf dienen van het toekomstig lot derzulken, met welke de genade in het geheel niet meer te doen heeft? Het lijden van Christus was ecliter een, door plaatshekleeding, op zich genomen straflijden en nu hebhen zijne woorden een zin, en die zin is deze: „Ik, het groene hout, draag, bij wijze van toerekening, slechts vreemde zonden, en God, de driemaal Heilige, toornt niet tegen mijn Persoon op Zichzel-ven. Welke ontzettende bekers worden Mij nochtans niet ingeschonken, opdat Ik ze ledige! Oordeelt daarna lioe het dezulken eens zal gaan, die als een dor hout, als onvruchtbare bootnen, hunne eigene misdaden zullen moeten hoeten; en hij wier rechterlijke bezoeking de toorn van den Heiligen God met zijne liefde en teederbeid volstrekt niet in strijd komt?quot; Welaan dan nu, mijne Vrienden! Sluiten wij onze ooren niet voor de aanwijzing, in welk gevaar wij verkeeien, zoo lang wij ons als vleeschelijk gezinden, Godvervreernden en ondankbare verachters laten vinden van do reddende genade van Hem, die de Almachtige zichzelven van het Vaderbarte losscbeurdo, opdat Hij ons onwaardigen door Hem van het verderf verloste en tot Zich wederbracht. Hat wij in onszelven onze renzengroote schuld bewust worden, en vertoeven wij niet langer, om met de heilige smart van eenen tollenaar of van ecne Magdalena oprecht en hartelijk over onszelven te weenen.

Ja, hiermede — ik herbaal het — begint do rechte aandacht bij de aanschouwing van het Lijden. Doch zij begint er mede, zonder daarmede reeds te mogen eindigen. Aanschouwt den Heiland! Waarom gaat Hij dezen weg? Onze schuld wil Hij betalen, onze misdaden uitdelgen. Dat wij Hem in den geest nawandelen, want in welkeene hooge mate zijn wij in dezen weg betrokken! Het bandschrift, dat tegen ons getuigt, gaat Hij aan bet Kruis nagelen. Het groene hout geeft zich prijs aan de vlammen, welke ons, het dorre, moesten verteren. Het is een boogepriesterlijke gang, want Hij gaat; het is een olïer-, genoegdoening- en Middelaarsgang; zoo Hij ze niet gegaan had, zoo zouden wij kinderen van den eeuwigen dood zijn, of de troon Gods stortte in puin, en Gods recht was in onrecht ontaard; doch Hij is hem gegaan. Thans is ons redding geworden, hoe diep schuldig wij ook immer waren. Dat wij ten spijt van wereld en hel naar zijn Kruis heentreden ; dat wij de mot tranen besproeide bladen van ons schuldboek voor Hem openslaan; dat wij op onze knieën om erbarming roepen; dat wij de groote vergeving dor zonde in het bloed des Lams aangrijpen, en ons onbepaald en geheel overgeven aan den met doornen gekroonden Koning, opdat Hij met de banden van den vloek ook die des vleesches en der wereld losmake. Nadat zulks geschied is, dan, maar ook dan eerst mogen wij met een goed geweten

ocr page 493

475

zeggen; „Wij hebben het Lijden mot aandacht herdacht.quot; Eene zulke herdenking nu beschikke de Heere ons allen! Wij bidden om dit voorrecht te vuriger, omdat wij nu op het punt staan, om het ailerliei-ligste van de Lijdensgeschiedenis onzes grooten Hoogepriesters ie betreden. Bereiden wij ons tot dezen feestelijker! gang, onder den wederklank van het dichterwoord, voor hetwelk wij, na de ontzettende waarschuwing aan de dochteren van Jeruzalem vernomen te hebben, wel te bereidwilliger onze harten zullen openen:

Hoort, zondaars , met uw duizend zonden:

De hel is u naar 't recht bereid;

Maar 't bloed uit al uw Heilands wonden Roept enkel om barmhartigheid.

Dat bloed heeft eindelooze waarde ,

't Verandert al uw wee in wel;

Het wascht u altijd weêr op aarde,

En bluscht het eeuwig vuur der hel.

%

Amen.

ocr page 494
ocr page 495

HET HEILIGE DER HEILIGEN.

ocr page 496
ocr page 497

XL VI.

I) E K R U I S I G 1 N (r.

De Ilcere is in zijnen heilifjm lempel; zwijn v00r zÜn aangezicht, dij fjansche aarde! Met deze woorden van den profeet J labakuk ('2 :20) begroet ik u heden, mijne Vrienden! daar wij gereed zijn, om in het heilige der heiligen van de Evangeliesche geschiedenis hitmen te treden.

De plechtigste van alle dagen in Israël was, gelijk hekend is, de jaarlijksche groote verzoendag, op welken de hoogepriester in het allerheiligste binnentrad. Alvorens hij deze geheimvolle plaats naderde, moest hij, zoo schreef de wet het hem voor, zich van allen tooi ontdoen en van hoofd tot voeten in eenvoudig wit linnen kleeden. Vervolgens nam hij het bekken met oHerbloed in zijne hand, en bevende van eerbiedige vreeze, sloeg hij bet voorhangsel op, om aanbiddend en in gehogene houding den troon der genade te naderen, en met het verzoenend bloed te besprengen. Niet langer echter vertoefde hij op deze heilige plaats, dan totdat hij het priesterlijk werk volbracht had. Alsdan trad hij weder tot de verzamelde gemeente naar buiten en verkondigde in den naam des Heeren aan alle boetvaardige harten genade en vergeving.

Wij zullen deze zinnebeeldige en hoogst beteekenisvolle handeling thans tot hare volle feitelijke verwezenlijking zien komen. De Onvergelijkelijke, van Wicn, overeenkomstig het oogmerk Gods, het ge-heele Oud-Testamentische priesterschap slechts eene voorafschaduwing was, trekt Zich terug achter het dichte voorhangsel eener tot bet uiterste toenemende vernedering en jammer, om met zijn eigen bloed in zijne handen, met God'zijnen Vader priesterlijk voor ons te handelen. Ontrukt aan den gezichtskring der begrijpende rede, en nog maar alleen bereikbaar voor het geloovig vermoeden, maakt Hij alles wat Mozes zinnebeeldig in het bloedig beeldwerk der heilige tabernakel opnam, tot daad en tot wezen. Het hoe'! zullen wij met het peillood onzer gedachten nooit geheel doorgronden, maar zeker is het, dat Hij daar onze eeuwige verlossing tol een volkomen einde gebracht heeft.'

Mijne Vrienden! waarmede zullen wij deze plechtig verbeven handelingen hebben te gemoet te gaan? Is bet niet met heiligen inkeer tot ons zeiven, met aandachtige begeerte tot aanschouwing, met eene geloovige, zalige verdieping in het groote werk der behoudenis, en met dankbare, onszelven verliezende aanbidding voor den troon van God.

Moge dit alles ons uit do hand der genade toevloeien!

ocr page 498

480

De lleere is in zijnen heiligen tempel. Zwijg voor zijn aangezicht, gij gansclic aarde!

Mattii. 27 : 33, 34. Maec. 15 : 22, 23, 25. Luc. 23 : 32, 33.

Jou. 19 : 48.

En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden. En toen zij kwamen op de plaats Golgotha, hetwelk is overgezet zijnde Hoofdschedelplaats, gaven zij Hem gemir-reden wijn te drinken, en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Aldaar kruisigden zij Hem, en met Hem twee kwaaddoeners, aan elke zijde een, en Jezus in het midden. En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend. En het was de derde ure, dat zij Hem kruisigden.

Aldaar kruisigden zij Hem. Wie, die het niet reeds weet, zou het gelooven, dat in deze weinige eenvoudige woorden de grootste en ge-volgenrijkste gebeurtenis der wereldgeschiedenis, ja, eene gebeurtenis bericht werd, welke gedurende duizende van jaren voorbereid werd, en het middelpunt van al tlods verordeningen en ontwerpen uitmaakte. En toch is dit het geval. Treedt echter, juist door deze voorstelling in zoo weinige woorden te bevatten, de gebeurtenis zelve niet in te grootscher houding te voorschijn, en moeten wij niet toestemmen, dat het karakter van aanschouwelijke waarheid, welke over het algemeen de historische beschrijving der Evangelisten, dezen klaren spiegel van Gods groote daden, eigen is, zeer weldadig en ge-loofversterkend op ons inwerkt?

Wij komen heden op de Hoofdschedelplaats, en hier zijti de voorwerpen onzer nadere beschouwing : s

I. Jezus aankomst op zijnen doodsheuvel;

II. zijn gekruisigd worden, en

III. zijn opgericht Kruis.

Wanneer het ooit tot ons geheeten heeft: Trekt tuue schoenen van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilig, dan is het voorzeker heden. Moge deze toeroep tot in onze harten dringen, en worde onze tegenwoordige beschouwing en overdenking tot eene heilige, innerlijke feestviering!

I.

Wij keeren nog eens op den weg der foltering weder, en sluiten ons in don geest aan den optocht naar de gerechtsplaats. Juist gaat deze de rotsgraven der koningen voorbij. De oude kroondragers slapen in hunne kamers, doch een morgenrood der opstanding beschijnt

ocr page 499

481

hun gebeente, terwijl do Vorst des levens hen voorbijgaat. Nu gaat Hij bet buiveringwekkende Gehenrui, do met bet bloed der vreeslijke Molocbsolïeranden bezoedelde vallei voorbij. Er is eebter nog eon vreeslij ker Gebenna dan dit, en wie onzer zou dit ontgaan zijn, had niet bet Lam dezen zwaren gang ten doode op Zich genomen. Wij zijn aan den voet van den noodlottigen heuvel aangekomen. Eer wij echter verder gaan, werpen wij nog oenen blik op bot volksgedrang achter ons, en zien wij, of dan onder al dien haat en nijd, die daar als eene belsche branding hare golven boog opwerpt, nergens eenig spoor van medegevoel en innige vereering van den grooter Lijder te ontdekken is. En ziet, gelijk aan een liefelijk starrenbeeld te midden vaneenen donkeren nacht, ontmoetten onze verraste en verrukte blikken eene kleine schare, ü, wij kennen ze reeds, deze in tranen smeltende gestalten. Vooreerst ontdekken wij de gezegende moeder der beide donderzonen, de lieve Salome; zij wil bare kinderen met hare getrouwheid voorgaan tot in den dood, en wij weten, dat een Johannes én een Jacobus, deze eerste martelaar van liet nieuwe Vrederijk, zich daarna zoodanig eene moeder volkomen waardig hebben bewezen. Naast Sa-lome wandelt Maria, de bloedverwante, wellicht de zuster van de gezegende jonkvrouw. Ook baar viel de groote genade te beurt, om twee zonen, Jacobus de jongere en Jozef, in de nauwste gemeenschap des grooten Me3sters te zien opgenomen. Dan ach, toen liet zwaard over den Herder kwam, hadden ook zij zich met de overige kudde verstrooid, en sedert dien tijd kwam het der voortreffelijke moeder voor, als ware bet nu hare plicht,om voor bare kinderen in te treden, en door bare eigene getrouwheid de vlucht van deze te bedekken. Kn ziet, ginds komt luid weenende ook zij, welke zeker gelijk geene andere de verlossende macht ondervond van Hem, die gekomen was, om de werken dos duivels te verbreken. Het is Magdalena. O, hoe schijnt zij als versmolten in wee en droefheid. Zij heeft nog slechts één wensch: oin te kunnen sterven mot Hem, zonder Wien baar de aarde een donker graf, ja, een moordenaarskuil toeschijnt. Welke echter is die vrouw, geleund op den discipel, dien Jezus lief had. Deze boven allen diep gebogene, die haar afgepijnd gelaat met haren tranendoek bedekt? Het is de zwaar beproefde moeder, aan wie zich thans de voorspelling van den, ouden Simeon vervult: Een zwaard zal door uwe ziel gaan. Dat zich editor dit woord op deze wijze vervullen zou, dat bad zich haar verst vermoeden nauwelijks kunnen voorstellen. Voorzeker ook, wat zij ondervond, dat ondervond geen tweede hart op aarde. Doch omhoog gezien, Maria! In de armen des eeuwigen Vaders u met al uwe smart geworpen. Ziet r/ij uw kind naar het kruis gaan; Hij ziet het zijne er beentreden. Immers deze met doornen gekroonde is zoowel zijn Zoon, als Hij de uwe is. O, ziet de lieve discipel, hoe bij, ofschoon zelf troosteloos, zich onledig houdt, om de van smart overstelpte moeder op te richten. Welk eene aanschouwing! Doch hoe weldadig is hot, op te merken, dat toch de liefde voor den Man van smarte op aarde nog niet geheel is uitgestorven. En zij sterft nooit geheel uit; hebt daar geene zorg voor. In deze van droefheid uitgeputte kleine schare ziet gij slechts de eerste Goddelijk bevruchte kie-

31

ocr page 500

482

men van liol toekomstig Koninkrijk onzes Lijders. Uit deze weinigen wordt binnen korten tijd eene schare, die niemand tollen kan.

Zetten wij ons, mijne Vrienden! na dezen vluchtigen terugblik op liet geleide des Ileeren, weder met de woelige menigte in beweging. Slechts weinige schreden opwaarts, en hot doel van den vreeslijken optocht is bereikt. Waar zijn wij nu? Wij staan op de hoogte van den Scbedelbeuvel. Golgotha! huiveringwekkende naam! Aanduiding der noodlottigste en schrikvolste plaats van de gansche aarde! Ziet, een naakte, kale heuvel, alleen besproeid met bet bloed van misdadigers, en bedekt met bet verdord gebeente van gedoode oproermakers, moordenaars, brandstichters, gifmengers en andere uitwerpsels der menscbheid. Eene plaatse des vloeks, waar nooit de liefde woonde, maar enkel de bloote gerechtigheid met zwaard en weegschaal op den troon zit. Eene ra venrustplaats, waarvan een ieder, die haar voorhij-gaat, zegt: „De lleere behoede mij!quot; Eene nachtelijke vergaderplaats van hongerige wolven en wilde honden. En denkt nu, dat deze plaats vol van afgrijzen zich moet verheerlijken tot den berg, waarvan onze hulp komen moet, en welker verborgenheid vele koningen en profeten hebben begeerd te aanschouwen, en hebben ze niet aanschouwd. Ja, op dezen afgrijselijken heuvel zullen onze rozen bloeien en onze lieil-en vredefonteinen uitschieten. Het Pella onzer behoudenis ligt op deze hoogte; het Bethanië onzer rust en eeuwige verkwikking opent zich hier voor ons. Wel hadden de ouden met hunne bekende bewe-ring, dat de berg Golgotha het middenpunt der gansche wereld uitmaakte, in zoo verre volkomen recht, als deze berg werkelijk de verzamelplaats uitmaakt, alwaar al de verlosten der wereld, ofschoon lichamelijk door land en zee gescheiden, alle dagen in den geest te zamen komen, om elkander met den kus der liefde te begroeten. Niet minder recht hadden zij met hunne overlevering, dat, onder dezen heuvel Adam begraven werd. Inderdaad, deze heuvel is Adams graf, in zoo verre onder Adam de gevallen inensch der zonde verstaan wordt, de oude inensch, dien wij allen aan ons dragen, en die op Golgotha werkelijk met Christus gekruisigd werd. Opmerkelijk is het, dat do geleerden nog heden er over twisten , waar de heuvel Golgotha gelegen heeft, en dat op eene zekere aanwijzing dezer plaats nauwelijks meer eenig uitzicht bestaat. Doch naar Gods doel moest deze heuvel zich in een geestelijk bestaan oplossen, en zoo is het ook werkelijk geschied, in de wereld der geloofsaanschouwing heeft hij zijne blijvende plaats gevonden.

Op deze huiveringwekkende hoogte eindigt dan nu de aardsche ioop-baan van den Heere der heerlijkheid. Daar staat Mij, de eenig groene, gezonde en met vruchten beladen boom op de aarde, en aan den ■ wortel van dezen boom ligt de bijl. Welk een getuigenis tegen de wereld, en welk eene alles wat God en Voorzienigheid heet te niet doende tegenstrijdigheid, wanneer dit raadsel niet in do plaatsbeklee-dende voldoening zijne oplossing vond. Daar staat Mij, met smaad en smarten beladen, en van de kwaaddoeners, waarmede Hij gelijk gesteld wordt, nauwelijks te onderscheiden. Doch hebt slechts een weinig geduld. Slechts nog eenige tientallen van jaren, en bot Jeru-

ocr page 501

483

zal em, dat Hem verwierp, prijst Hem in de gedaante van eenen rookenden steenhoop, als de Lieveling Gods, aan Wien niemand zich ongestraft vergrijpen kan. En omstraald van lichten uit het heiligdom, rijzen in drie werelddeelen levende volksgedenkteekenen op, die tot opschrift dragen: „Christus de vernieuwer der wereld!quot; Eer het echter tot dezen ommekeer van zaken komt, moet er nog eene vreeslijke worsteling plaats hehhen. Slechts uit den dood des Rechtvanrdigon bloeit het leven der wereld. Het uur van zijnen bloeddoop is daar. Vereenigt u, mijne Vrienden! komt en ziet.

II.

Ach, wat geschiedt op den folterberg? O hart, gij steen in onzen boezem, waarom scheurt gij niet van een! waarom, o wedérstrevige harde rots, lost gij u niet in tranen op! Vier in het allerverschrikkelijkste aller handwerken verharde mannen treden naar den Heilige Israels toe, en bieden Hem eerst, zoo als het gebruikelijk was vóór de terechtstelling, eenen verdoovenden drank, uit wijn en mirre gemengd. De Heere versmaadt dezen drank, omdat Hij met onbenevelde bewustheid Zich aan den raad van God onderwerpen en de laatste druppels van zijnen vloekbeker drinken wil. Daar nemen de beulen het Lam Gods in hun midden, en beginnen hun werk aan Hem daarmede, dat zij Hem met ruwe hand de kleederen van het lijl' rukken. Zoo staat Hij nu daar. Hij, wiens kleed eenmaal het licht was, en de starren des hemels de zoom van zijn gewaad, als een moedernaakt mensch, enkel nog met het purper zijns bloeds bedekt. Naakten ontdaan van allen tooi, niet enkel voor menschen, maar in het licht der plaatsbekleeding ook voor God, herinnert Hij ons aan den naakten Adam in het Paradijs, inet uitzondering dat de Heere niet, gelijk Adam voor de stem van God Ziel) achter de boomen verbergt, maar blijmoedig ten doode Gode tegentreedt; te gelijk herinnert Hij ons, gelijk reeds gezegd is, aan den Oud-Testamentischen hoogepriester, zijn geheimvol voorbeeld, die, eer hij tot verzoening het allerheiligste binnentrad, elk sieraad met een eenvoudig wit linnen gewaad moest verwisselen. Nadat men den Heere ontkleed heeft en onder Goddelijke leiding slechts zijn Middelaarssieraad, den doornenkroon, Hem gelaten had, strekt men Hem uit op hot hout, waaraan Hij doodbloeden zal, en voert zoo, zonder het te weten en te willen, het in den 2'2 Psalm profetisch voorafgebeeld oogenblik aan, uit welken de klacht van den Messias ons tegen klinkt: Wees niet ver van Mij, want benauwdheid is nabij, en er is geene hulpe. Vele varren hebben Mij omsingeld, eene vergadering der boosdoeners heeft Mij omgeven. Ü, welk een sterfbed voor den Koning der koningen! Alijne Vrienden! zoo dikwijls wij op eenen zachten zetel in vrede Gods rusten, of in vertrouwde broederlijke kringen liederen der hope zingen, of op onzen pelgrimsweg in zalige kalmte bij elkander zitten, laat ons dan niet vergeten, dat de reden, waarom wij zoo zachtelijk zetelen, daarin is te

ocr page 502

484

zoeken, dat de ITeere der heerlijkheid eenmaal als een geduldig Lam op dil ontzettend leger voor ons Zich heeft uitgestrekt.

O, ziet Hem liggen! De heilige armen met kracht over het dwarshout gerekt, de voeten op elkander gehecht, en met touwen vastgebonden. Zoo lag eenmaal Isaac op het hout van liet altaar op Mona, doch de stem, die daar van den hemel riep: Strek uwe hand niet uit aan den jongen! zwijgt hoven Golgotha, De beulen grijpen naar den hamer en de nagelen. Doch wie kan het over zich verkrijgen, om hetgeen nu gebeurt, verder mede toe te zien. Eene diepe angstige stilte heerscht onder de menigte dor toeschouwers, gelijk aan die, welke gewoonlijk in een huis der droefheid heerscht, wanneer men er toe overgaat, om de kist loe te schroeven. En zeker, niet enkel op aarde, maar ook wel in den hemel ontstond in dit oogenblik eene diepe plechtige stilte. De scherpe nagelen, in eene helsche smidse gesmeed, en toch ook wederom in het heiligdom der eeuwigheid vooruitgezien, worden op de handen en voeten des Rechtvaardigen gezet, en de dode hamerslagen vallen. Hoort gij ze klinken, o mensch9 Op uw hart vallen zij met donderende kracht, in eene ontzettende taal getuigenis gevende van uwe zonde, en te gelijk van den toorn des almacbtigen Gods. O, hoe vele slapers zijn reeds onder den wederklank dezer hamerslagen wakker geworden uit hunnen doodslaap, en nuchter geworden uit den strik des duivels. Ontwaak ook gij nog heden, slaapdronken zondaar! ook gij nog heden, in vleeschelijke zekerheid in slaap gesuste! word tocli eindelijk wakker, ontwaak! ontwaak! Hoe menigeen brak reeds onder deze slagen in heilzame boetvaardigheid het trotsobe en hoovaardige hart? O, waarom verbreekt onder deze slagen dan ook niet uw hart? Want weet, dat gij die hamers eenmaal mede hebt opgeheven, en dat gij de hemeltergende schennis, waaraan zich de wereld ooit lieeft schuldig gemaakt, op uwe eigene rekening gebracht vindt. Ziet, de nagels drongen door, en den Heilige ontstroomt liet bloed uit handen en voeten. 0, deze nagelen hebben ons de rots des heils geopend, dat zij haar levensstroom voor ons deed uitvloeien; zij hebben de balsemstruik gewreven, opdat zij ons haren nardus zou geven. O, dat zich nu slecbis niemand aan den Gekruisigden Man verzie. Deze doorboorde handen zegenen sterker, dan zij zegenden, toen zij zich nog vrij en ongebonden bewogen. Het zijn de handen van eenen wonderbaren Bouwmeester, die den tempel van eene eeuwige gemeente bouwen. En gelooft het, er is geen heil en geene hulpe, dan alleen in deze handen. En deze bloedende voeten treden machtiger voort, dan toen nog geen boei hunne schreden belette; over de hoogten van duizende vijanden, die kort te voren nog fier hunne hoofden omhoog hieven, gaan zij thans zegepralend heen. Bergen en heuvelen zinken neder en worden effen onder zijne schreden, zooals zij vroeger nooit nedergezonken zouden zijn. En er is geen bloei en geen groei in de woestijn dezer wereld, dan alleen onder het ruischen dezer voetstappen.

Het ontzettendste aller handelingen is verricht, en het profetische psalmwoord: ZIJ lieltheu mijne handen en voeten doorgraven, is tot vervulling gekomen. Nu wordt het Kruis nader tot den uitgegraven

ocr page 503

485

kuil, waarin het staan moet, gebracht. Sterke mannen grijpen het aan liet Kruis vastgemaakt touw en beginnen te trekken, en het Kruis mot zijne ollerande richt zich op, verheft zich en stijgt omhoog. Zoo spuwt de aarde den Vorst des levens van haar aangezicht weg, en naar het schijnt, wil de hemel Hem ook nog niet hebben. Doch laten wij den sluier over deze verschrikkingen vallen.

Den Heere zij dank, in dit folterbeeld gaat over de zondige aarde juist de Zon der genade op, en de Held uit Juda stijgt enkel in liet gehied der geesten, die „in de lucht heerschen,quot; om ze in eenen ge-hoimzinnigen veldslag ten onzen voordeele voor eeuwig te ontwapenen.

O, ziet welk eene aanschouwing zich thans aan ons voordoet! In het oogenhlik, dat de Gekruisigde aan liet hout naar de hoogte wordt opgeheven, valt druppende uit zijne wonden een purperregen door de lucht en besproeit de folterplaats en de zondaren, die het Kruis omringen. Dit is zijne erllating aan zijne Kerk. Dank zij Mem toegebracht voor deze nalatenschap! Deze rozenkleurige dauw is wonderdadig. Zij valt op geestelijke steppen of dorre landen, en deze bloeien er van als de leliën. Wij sprengen het aan de dorpelen onzer harten, en zijn beveiligd voor alle worg- en wraakengelen. Deze dauw daalt neder op het ijs van den noordpool, en de duizendjarige massa hegint onder dit vocht te smelten. Het stroomt neder in den gloed van het zuiden, en de lucht wordt door hetzelve koel en liefelijk. Waar deze regen valt, ontkiemen en bloeien tuinen Gods en velden van rozen, en wat zwart is, wordt in dit water wit, en wat hevlekt is, wordt rein als het licht der zon. Ja, wat do dauw en regen zijn voor do natuur, die zonder hen spoedig lot eene woestijn zou worden, dat is voor de menschelijke gemoedswereld de purperfegen, die wij ginds van het kruis zien druppelen. Geene vruchtbaarheid, geen wasdom en geen bloei zonder dezen regen, maar enkel en overal verwoesting, onvruchtbaarheid en dood. Willen wij dus iets doen, laat ons het kruis omvatten, en instemmen met het oude welbekende vers:

O, dut mijn hart geopend stond De drupplen bloeds te ontvangen. Gevloeid van 't kruis, uit wond bij wond, Van U, aan 't hout gehangen, O, Drager van mijn zonde en schuld! Geef mij genade, moed, geduld. Om, wat mij wil verderven , — In U te mogen sterven.

lil.

Daar steekt het nu omhoog, het noodlottig hout; tot eene rots waarop de vuurgolven van den vloek zich breken; tot eenen afleider, waar langs de bliksem neerstrijkt, die onafgeleid de gansche wereld had in brand gestoken. Hij, die, vol ontferming aanbood, om dezen

ocr page 504

486

straal op zich te doen komen, zweeft daar in diepen nacht omhuld, nochtans niet te min als de morgenster, die de wereld eenen eeuwigen zonnedag verkondigt; een uitgestootene, ja van hemel en aarde, maar juist als zoodanig de hemel en aarde verbindende Bemiddelaar hunner vernieuwde en eeuwige bevriending. Ach! ziet zijne bloedige armen zijn wijd uit elkander gespannen; tot alle zondaren strekt Hij zo uit. Zijne handen wijzen naar hot oosten en naar liet westen; van de einden der aarde wil Hij de zijnen vergaderen. De spits van het kruis wijst omhoog naar de wolkon: ver boven de wereld uit zal zich de werking uitstrekken van hetgeen zoo even op zijne hoogte gebeurt. De voet van hot Kruis is vast in de aarde; het Kruis bloeide tot een wonderboom, waarvan wij de rijpe vrucht eener eeuwige verzoening plukken. Ü , mijno Vrienden! voortaan is er niets meer noodig, dan dat God een geween door onze rijen zendt, gelijk het geween te Bochim, en ons door den Heiligen Geest het lijden aan het Kruis verklaro. Alsdan zijn wij aan alle aardsche zorgen en nood ontrukt, en gaan onder het luiden van hemelsche sabbatklokken, met al do behoeften van ons hart blijmoedig voor de-zo kust ten anker. Kr is verder niets meer noodig, dan dat wij in de bewustheid onzer radeloosheid de hoornen aanvatten van dat altaar, dat rood geworden is van liet bloed, dat betore dingen spreekt dan Abel. De Man van smarte doet de volheid zijner schatten voor ons open, en in onuitsprekelijk hoogeren graad vervult zich aan ons het woord der zegening van den aartsvader Jacob over Jozef: De zegeningen uws vaders gaan ie hoven de zegeningen mijner voorvaderen, en reiken tot aan hel einde der eeuwige heuvelen.

Daar staat zij opgericht, do banier van hot Nieuwe Verbond, welke, waar het wordt begrepen, niet minder verschrikking als verrukking rondom zich verspreidt, on niet minder weeklacht to weeg brengt als jubel en gejuich. Nog heden staat die banier en zij zal eeuwig staan; en voor degenen, die haar willen omverworpen, vreest zij even weinig, als do staf van Mozes vreesde, toen de staven der toovenaren hom sissend omringden. Kn waar het ergens ontsluierd te voorschijn treedt, daar is hot ook van bewijzen van kracht en wonderwerkingen omgeven. Wij dragen het door de volken heen, en veroveren zonder zwaardslag land na land, en sterkte na sterkte. Ziet hoe do Zond'ngs-veldon uitspruiten en eono geestelijke lente zich over de heidensteppon uitbreidt. Hoort hoe van de eilanden der zee do harpon dos vredes tot ons overklinken, en ziet hoe tusschen de ijsbergen van het Noor-derland de harten in Goddelijk liefdevuur beginnen te ontbranden. Van waar deze omschepping, deze opstandingswonderon? dit ruischen en zich bewogen op het groote veld dor doodon? Het Kruis wordt dooi' die landen boongedragen, en onder zijne schaduw begint het aardrijk te groenen en het gestorvene levend te worden. Ja, waar dit wonderbaar hout mot do rechte uitlegging van zijn beeldschrift zich toont, plegen bliksems, donderslagen en stemmen er van uit te gaan. Steenen smelten in de nabijheid er van, rotsen scheuren en wateren, lang reeds tot stilstaande poelen geworden, slaan, alsof er een beweging gevende engel in hen was afgestegen, opnieuw in frissche en gezonde golven daarheen, ik ben met Christus gekruist,

ocr page 505

487

zoo juicht de Apostel, en wijst niet deze woorden do geheele vrucht aan, die liet Kruis voor alle geloovigen gedragen heeft. Niet zijne zonden zijn het, dit wil hij zeggen, waarover ginds de vloek heenstormt, maar de mijne; want de Man des doods daar ginds aan den martelpaal ben ik zelf. Ik boet, ik bloed, ik versmacht daar; ik betaal al mijne schulden, want Christus betaalt en boet en voldoet in mijne plaats. Waar echter Paulus zich op beroemt, dat komt ons allen toe, wanneer namelijk ook wij door den levenden band des geloofs en der liefde met den Gekruisigde één geworden zijn. Zeker zullen wij dan in de gemeenschap aan het Kruis van Christus ook iu dien zin mede opgeheven of verhoogd worden, dat ons natuurlijk ik ter dood veroordeeld, en onze oude mensch met de lusten en begeerlijkheden dagelijks onderworpen wordt, gedeeltelijk door de verootmoedigingen, die God ons toezendt, gedeeltelijk door de geest der tucht en der matigheid, die in ons woont en regeert, waardoor het vonnis vaneen voortdurend sterven aan Hem voltrokken wordt, totdat de lanssteek van den lichamelijken dood hem voor eeuwig afmaakt. Onder deze (loodsweeën echter zien wij het kruis van Christus eerst zijnen vollen vredeglans ten toon spreiden. Gelijk een regenboog welft het zich boven onze nacht; als een vuurzuil licht het ons voor op alle onze wegen van jammer en ellende. O, verspreide het dan ook zijne vredelichten op ons pelgrimspad! Moge het als boom der vrijheid en des levens, ook in ons aanzijn sterke wortels schieten! Moge het door het geloof aangegrepen, ook ons zijne hemolvruchten in den schoot werpen, en verwarme en verwijde het in zijne schaduw'ook ons hart en gemoed tot het lied:

Ja, gezegend is het kruis,

Dat mijn Heere mocht dragen,

Grondzuil van Gods Vaderhuis,

En Gods welbehagen!

Mocht wanneer de stervensnacht,

Op mij neer komt zinken,

Slechts dat kruis in al zijn kracht,

Voor mijn oogen blinken!

Amen.

ocr page 506

XLVJI.

IJ E V K111) E K L l N C'. D E R ilt; L E D E R E N.

Een onzer grootste dichters en te gelijk een van de, zoo als men het noemt, door liet geluk meest bevoorrechte menschen, die misschien ooit op de wereld geloefd hebben, bekent, oj» de hoogte van eeneu vijf en zeventig-jarigen ouderdom, dat hij zich uit zijn lang leven zelfs niet eene tijdruimte van vier weken achtereen weet te herinneren, waarin hij wezentlijk genoegen heelt gevonden. „Het was,quot; zoo zegt hij, „het eeuwig terugvallen van den steen, die altijd opnieuw weer opwaarts gewenteld worden moet.quot; Daarentegen betuigt de Apostel Paulus Phil. 4 : 11, 12 van ziclizelvon; Ik heb geleerd ver ge-noegd le zijn in hetgeen ik hen. Ik weet vernederd te worden, ik weet ook, vernederd le hebben; (dieszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, heide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. Welk eene klove tusschen deze heide mannen! De een door het leven in de wereld op de handen gedragen, wentelt zoo lang hij leeft den steen van Sisyphus. De andere, meestal door de wereld met voeten getreden, en een kruisdrager zoo als weinigen, ligt levenslang met zijn hart aan de kusten van eenen onwankelbaren vrede ten anker!

Meet nu naar den ontzettenden afstand, waarin deze mannen van elkander staan, de verschillende waarde van hunne tweederlei erfenis af, de erfenis namelijk, waarmede de wereld hare kinderen gewoonlijk beloond, en die, waarmede zich de burgers van het koninkrijk van Christus kunnen vertroosten. De eerste is als wegsmeltend schuim, die het verhemelte streelt, maar geene verzadiging aanbrengt. Volkomen bevrediging en ware zaligheid wordt enkel en eeuwig door de andere erfenis gegeven.

Welke is de erfenis, die Christus ons nagelaten heeft'? Komt, een gedeelte, en een ■wezentlijk gedeelte er van, zult gij in dit uur nader leeren kennen.

MATTii. 27 : 35, 36. makc. 15 : 24. LUC. 23 : 34. JOH. 19 : 23, 24.

De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruisigd hadden, namen zijne kleederen on deelden ze, eu maakten vier deelen, voor eiken krijgs-

ocr page 507

m

knecht één deel. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal. En zij wierpen het lot over denzelve , opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld en hebben het lot over mijne kleediny geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.

Eene merkwaardige gebeurtenis, tot welke wij heden met onze beschouwing naderen; merkwaardig reeds voor dengene, die met ons nog niet gelooven kon of wil. In deze aanschouwing zien wij eeno erfenis aanvaarden, waarin wij zelve zeer van nabij betrokken zijn. Hier geven zich een sterfbed, een stervende, eene erflating en erfgenamen aan ons te zien. Zalig wie gerechtigd is, om zich onder de laatsten te mogen rangschikken. Komt, treden wij liet gebeurde nader, en richten wij onzen blik:

I. op den testamentmaker; H. op zijne nalatenschap; III. op de erfgenamen.

Geve do ITeere, dut de gebeurtenis, waarvan wij lieden getiugen zullen zijn, zich in haren geestelijken zin geheel en al bij ons moge vernieuwen !

I.

Een testamentmaker is, zoo als ieder weet, die eene erfenis nalaat. Zulk eeiien ontmoeten wij in onze tegenwoordige geschiedenis. Zeker zou men Hem allerminst aan eene plaats zoeken als deze is, alwaar wij thans weder te zameh komen. Wij staan op de hoogte van Golgotha. Wel is het ten deele een schitterende kring, die ons hier omgeeft. Raadsheeren, priesters en hoofdmannen van krijgsbenden staan voor onze oogen. Nu zou men denken, dat, wanneer zich hier een erllater bevindt, deze dan wel onder de waardigheidbekleedors te zoeken zij. Doch dit is zoo niet. Zie opwaarts, en aanschouwt tusschen de twee deelgenooten in zijn leed, den bloedigen man aan het hout des vloeks. „Wie zoo sterft, als deze hard geslagene, die sterft niet wel. Ons einde,quot; zoo zouden wij willen uitroepen, „zij eenmaal niet als het einde \an dezen lijder!quot; (3 ontzetting zonder wedergade! Vree-selijk zijn de verschrikkingen, die gij ziet; doch wat zijn deze nog bij de geheimvolle kwalen, die eerst achter het voorhangsel der uitwendige geschiedenis over Hem heenstroomen? Ach, welk een afscheid van de wereld. Ecu heir van spotlachende heigeesten de omgeving

ocr page 508

490

Van zijn sterfleger; het kleed, waarin Hij gehuld is, de vloek der wet; de lucht, waarin Hij ademt, doorgloeid van grimmigheid en toorn; zijn laatste dronk de nood, de angst van eenen verworpene; het afscheidslied, dat Hem gezongen wordt, satanische hoon en spot; zijne eenige toevlucht een bedekt Vaderlijk aangezicht, dat Hem niet meer met eenen kenharen liefdeblik verwaardigt; zijn uitzicht een dood , welks macht de duivel heelt, en die Hem de oogen toedrukt. Cleen engel met deti palm; maar eerst de duistere koning der verschrikking. Vat dit alles nu in éenen blik te zamen, en wat zult gij zeggen? Niet waar: dat heet armoede, ellende, nood en droefheid, ei' is sterven in de volste en huiveringwekkendste beleekenis van het woord. Doch boe wordt het u om het iiart, mijne Vripnden! wanneer ik u nu zeg, dat deze armste aller armen juist dien is, dien wij zijn uitgegaan te zoeken.

„Hoe,quot; zoo boor ik zeggen, „deze daar is toch niet de testament-maker?quot; Hoe onbegrijpelijk het schijnt, ja, mijne Vrienden! Hij is bet, en geen ander. JUcht uwen blik op het opschrift boven zijn kruis. Pilatus heeft het daar laten plaatsen; maar gelooft het. God bestuurde zijne band, hoezeer bet ook, naar bet uiterlijke, met de bloedige gestalte, op welke het toegepast is, in tegenspraak staat. Het is geen schampere hoon, maar diepe waarheid. Jezus van Nazanik, Iconiny der Joden, heet bet. „Hoe,quot; roept gij, „de ellendige ginds een koning?quot; O, mijne Vrienden! Hij is nog een meerdere en grootere dan dit. Die regels daar zeggen te weinig. Wij halen ze door, en zetten in plaats er van; Jezus van Nazareth, de Koning aller koninden. De Koning aller koningen? Neen, ook deze titel spreekt nog te onbepaald. Hij moet nog voor eenen anderen wijken. Het opschrift luide aldus: Jezus van Na/.areth, de Zoon des levenden Gods. Doch ook deze titel is nog niet genoegzaam. Wij schrappen ook dezen uit, en schrijven: Jezus van Nazareth, de Alpha en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Schepper en Drager alter dingen, God hooggeloofd in eeuwigheid. Bij dit grafschrift moge het blijven. „En deze uitspraak zou werkeiijk grond hebben?quot; Den meest vasten onomstoote-lijken grond. Hij was het, Hij is bet, ook te midden der verschrikkingen van zijne bloedige sterfsponde, en zal het eeuwig zijn. Alles is bet zijne, hemel en aarde, de zaligheden van het Paradijs, de le-vensboomen aan de rivier der Godsstad en de eerekroonen hangende aan hare pilaren. Wat Hij echter van aanvang af bezat, dat bezat Hij enkel en alleen voor Zich, en hoogstens iets er van voor de trouw-geblevene heilige engelen. Ons zondaren durfde Hij ook niet het minste vonkje zijner heerlijkheden ten deele laten worden, wanneer Hij zijne eere en majesteit niet. wilde schenden. De Goddelijke ge-rechtigbeid, welke ons veroordeelen moest, verhief zich bepaald tegen allo zoodanige mededeeling; even zoo de Goddelijke heiligheid, die enkel reinen van zonden zegent; en de Goddelijke waarheid die nooit ledige woorden geeft, en die ook geene bedreigingen uitspreekt, die zij niet met de daad bezegelt. Wilde nu do rijke lleere van den hemel nochtans het een en ander van zijn eigendom aan ons vermaken, zoo was het voor alle dingen noodig, dat Hij deze verhevene tegen-

ocr page 509

491

slanders van ons gevallen menschelijk geslacht in eenen lieiligen, van Ciod zelf verordenden weg tevreden stelde. En hiertoe heeft Hij Zicli aangeboden, terwijl Hij het op Zich nam, om in onze plaats die gehoorzaamheid te bewijzen, welke wij schuldig bleven, en aan zijn persoon den vloek te laten voltrekken, die op ons rustte. En ziet, beide volbracht Hij in de ontzettende oogenblikken, waarin wij Hem heden ontmoeten, en hiermede bouwt Hij, door het plaatsvervangend lijden, van om onheil, do brug voor ons, ongelukkigen, tot zijn geluk. Omdat Hij Zich nu door deze genoegdoening de macht verschaft, om ons, zondaren in de gemeenschap zijner zaligheid op te nemen, zoo zullen wij er wel aan doen, de opschriften, die wij zoo even op zijn kruis geplaatst hebben, hoe gegrond zij ook op zicii/.elven zijn, toch weder te verwijderen, en hen bij den eersten en oorspronkelijken Jezus van Nazareth, koning der Joden, te laten. Dit opschrift blijft op zijne plaats het meestheteekonende; want waarom leed en stierf do lleere, dan omdat Hij niet bloot als de Zoon des levenden Gods, en niet slechts als een bevelhebber over de wereld en de schepselen, maar tegelijk als de Koning en zegenende Vredevorst van een uit de zondaren verzameld geestelijk Israël wilde worden.

11.

Wij kennen den grooten Testamentmaker. Het is de bloedende Man aan het kruis. Juist daardoor, dat Hij daar hangt, verwerft Hij Zich de macht, om de rechtmatig onterfde kinderen van Adam weder in hunne verloren erfenis te herstellen. Waarin bestaat echter zijne nalatenschap? Gedeeltelijk, en wel in hare edelste bestanddeelen spiegelt zij zich in onze tegenwoordige geschiedenis af. Er munt daarin één kleinood uit, waarmede wij tegelijk het onderpand ontvangen, dat het ons aan geen goed ontbreken zal. Laat ons van de hoogte des kruises den blik tot aan zijn voet laten vallen. Daar zitten vier beulsknechten, met groote bedrijvigheid een eigenaardig werk verrichtende. Zij hebben van den Man geërfd, dien zij aan het hout geslagen hebben. Zij erfden alles wat Hij nog bezat, zijne kleedingstukken. /ij zijn juist bezig om het wijde overkleed te scheuren en het stuksgewijze onder zich te verdeelen. Daar zij echter het onderkleed van naderbij bezien, erkennen zij in hetzelve een zeldzaam kunstwerk, want het kleed is zonder eenigen naad en geheel uit één stuk geweven. Dit kleed, zoo dachten zij, mag niet doorsneden of gescheurd worden, en zoo komen zij met elkander overeen, om het lot er over te werpen. Zij werpen het on de gelukkige, wien hot lot toevalt, is in het bezit van den geheelen rok.

Vat den dobbelenden groep onder het kruis slechts goed in het oog. Wat deze menschen hier doen, is zeer opmerkelijk, zinrijk en vol beduiding. Op het eerste gezicht zou men niets minder denken dan dit, maar reeds de omstandigheid, dat ons al de vier Evangelisten, de diepzinnige Johannes niet uitgezonderd, op bevel dos Heiligen Geestes, deze kleedverdeeling vermelden, strekt ons tot waarborg van

ocr page 510

402

haar zinnebeeldig gewicht en Goddelijke gedachteninhoud. Hierbij komt, dat de soldaten, natuurlijk zonder het te vermoeden, met hunne kleederverdeeling, gelijk met het werpen van liet lot van wegen den rok zonder naad, eene bijna duizendjarige Bijbelsche voorspelling tot vervulling brengen. Gij leest in ons Evangelie bij al de Evangelisten de woorden: dit geschiedde, opdat de Schrift vervuld zou worden. En hot is u bekend, dat het de 22ste psalm is, op welke deze uitspraak van toepassing is. In dit heilig lied, dat als eene profetische uitstorting óes harten van het geslachte Lam moet worden aangezien, spreekt de Middelaar, door den mond van David, zijne levende schaduw , de gedachten en gewaarwordingen uit, die Hem eenmaal aan den kruispaal, door hoofd en hart zouden gaan. Hond.cn — zoo heet het daar onder anderen — hebben Mij omsingeld; eene vergadering der boosdoeners heeft Mij omgeven; zij hebben mijne handen en voeten doorgraven. Al mijne beenderen zou Ik kunnen tellen, /ij schouwen het aan, zij zien op Mij. En nu volgen de woorden: '/.ij deden mijne kleederen onder zich, cn werpen het lot over mijn gewaad. Wat zegt gij van deze plaats? Moet eene uitspraak van den Geest der profetie, gelijk deze, niet ook de ongeloovigste verrassen en verbazen? David len minste kon bet laatste in deze woorden niet van zichzelven zeggen. Deze trek paste enkel in het beeld van den Lijder, in welks leven wij denzelven heden feitelijk verweven zien. De Bloedende op Golgotha is dus do geheimvolle Man, die zich in den 22sten psalm, als de Middelaar der wereld aankondigt. Wanneer dit nu reeds aan de schijnbaar geringe daad der kleederonverdeeling een niet gering gewicht geeft, zoodat het den Heere Jezus als de ware Messias kenbaar maakt, zoo zidlen wij echter het hoofdzakelijk gewicht er van nog in iels anders aanschouwen. Vóór alles is de vraag; om welke reden heeft de Heere in die profetische lijdensklachten van den genoemden psalm, de woorden laten invloeien: /ij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld en hebben het lot over mijne kleeding geworpen'? Zeker beeft Hij dit niet gedaan alleen met het oogmerk, om eene op zich-zelve kleine bijzonderheid bekend te maken, uit welker latere vervulling blijken moest, dat Hij inderdaad de beloofde Messias was. Bedenkt dat het veel meer zijne wezentlijke betrachtingen en gewaarwordingen aan het kruis zijn, die Hij in den 22sten psalm uitspreekt. Gedeeltelijk zijn liet klachten en uitdrukkingen van smart, gedeeltelijk echter ook hartverhelfende vertegenwoordigingen van de onvergelijkbare vruchten, die uit zijn lijden, voor den zondaar, moesten voortkomen. In de laatstgenoemde klasse valt de uitspraak: /ij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld en het lot over mijne Meeding geworpen. De Heere richt Zich daarin aan de gezegende gevolgen van zijne bloedvergieting op. Waarin echter ziet Hij deze gevolgen? Natuurlijk niet daarin, dat de zondaren zijne aardsebe kleederen onder zich verdoelen zouden. Duidelijk neemt llij deze uiterlijke kleederverdeeling als een beteekenisvol zinnebeeld, en ziet daarin eene andere, ongelijk hoogere, oneindelijk geestelijke kleederverdeeling afgescba-duwd. Doch' welke andere? Zoo mijne vrienden! zouden wij nog kunnen vragen, wanneer in de Heilige Schrift nergens anders van eene bekleeding sprake ware, welke Christus ons verworven heelt.

ocr page 511

41)3

Nu ecliter weet gij, dal or van eene zoodanige lioogo l)okloo(linlt;ïmoet'-malen melding geschiedt. Deze geestelijke erllating van kleederen moest nu hier zinnelijk veraanschouwelijkt worden. Ziet, dit is het doel van deze bijzonderheid op den schedelheuvel.

Het is de meest ernstige hehartiging waardig, wat wij van Adam lezen. Eer hij plaats gaf aan de zonde, prijkte hij in het witte eerekleed der volkomenste onschuld. Hij werd als een lief kind in het vaderlijke huis geacht. Hij durfde den Vader naderen en zicli aan zijnen boezem werpen, wanneer en waar het hem beliefde. Alles was hem onder de voeten gedaan en zijne zaligheid vloeide daarheen in nooit uitgeputte stroomen. De heilige engelen waren zijne gespelen. En de vrede Gods zijne spijze vroeg en laat. Nauwelijks echter, nadat de onzalige val geschied was, veranderde geheel zijne betrekking. Wij zien hem thans voor het aangezicht Gods vlieden , ja zich verbergen en hooren hem liet „Adam! waar zijt gij?quot; met den klagenden uitroep beantwoorden; Ik vreesde, want ik hen naald, daarom verbory ik mij. Wat anders openbaart zich echter in deze belijdenis dan onze eigene natuurlijke toestand. Adams treurige naaktheid is de onze, ook wij derven, gelijk de Apostel spreekt, de heerlijkheid Gods. Wij zijn naakt. Niet een draad van gerechtigheid, die voor God geldt, is ons overgebleven. Tot op de laatste glinstering hoeft de zonde ons den glans onzer oorspronkelijke schoonheid afgestroopt. Deze om-slandigheid nu is ontzettend en noodlottig zonder wedergade. Immers het gezond verstand zegt het reeds aan een iegelijk, dat men voor den Heiligen God niet naakt o?i van alle sieraad ontbloot, mag verschijnen. Kaïn gevoelde dat hij naakt was voor God, en de arme werd een prooi der vortwijfoling. „Ik ben naakt!quot; jammerde de ziel van Iscarioth, en de zoon der verderfenis ging heen en verworgde zicli. „Naakt zijt gij,quot; „zoo donderde het geweten des stokbewaarders hem toe, en hij stond op het punt, om zich in zijn zwaard te storten. En wolk eene moeite ziet men op allo sterfbedden in het werk stellen, om iets te kunnen vatten, waarmede men zich voor God beklee-den kunne. Wolk een rondtasten vinden wij bij den eenen naar de vijgehladorcn dor handvol goede werken, die iiij meent gedaan te hebben; en bij don anderen, welk een grijpen naar voorwendsels en verontschuldigingen; hij een derden, welk eene zelfkwelling met bidden of lozen, of handenwringen, of mei wat het anders wezen moge. Wat heteekent dit? Het oogenblik is gekomen, waarin bij deze men-schen eenige schemering begint aan te breken van do bewustheid hunner naaktheid. En nu heet het; „Geeft kleederen, kleederen aan!quot; Want dat staat vast bij hen , dat het hen bedenkelijk voorkomt, naakt voor het aangezicht van den Rechter dor wereld te verschijnen.

En zeker is dit bedenkelijk, zoo waar oen heilig God in den hemel leeft, zoo zeker zijn wij van de gemeenschap met dien God uitgesloten, zoo wij geeno heiligheid in het licht zijner oogen hebben to stollen, welke zich aan Hom, ofschoon in verkleinden maatstaf, als een weerglans zijner eigene volkomenheid kenbaar maakt. Vanwaar echter zullen wij zulk een sieraad ontleenen ? Van den eigen weefstoel verkrijgen wij het niet. Doch er werd op eene andere wijze voor ons

ocr page 512

4lt;)4

gezorgd. Doet den Hoeve Jezus Christus aan, deze roepstem helpt ons op don weg der zaligste ontdekking.

Wij keeren tol do krijgsknechten onder het kruis terug. Zij zijn, zoo als wij zagen, juist bezig om het opperkleed van den grooten Stervende, onder zich te verdoelen. Hier is hun een aan stukken doelen niet verboden. Zij blijven hiermede geheel in het beeld, dat zij ons onder Goddelijk bestuur voor de oogen moeten schilderen. Het opperkleed veraanschouwelijkt zinnebeeldig de uitwerkende kracht en levensvolheid van Jezus en dan, in do tweede beteekenis, de ons toegedachte begiftiging met den Heiligen Geest. Deze is deelbaar en komt in de gemeente der geloovigen ook voor als verdeeld. Den eenen viel van deze nalatenschap meer, den anderen minder ten deel. Den eenen werd de genadegave der kennis, den anderen der profetie, uit donzelfden Geest, een' derden die van het bergen verzettend geloof, een' vierden die van do onderscheiding der geesten gegeven en welke verschillende gaven or meer zijn. Tot hot zalig worden wordt cono bepaalde hoeveelheid dezer geestesgaven niet in de eerste plaats vereischt. Er is editor eon erfstuk, dat voor ieder die in het oordeel wil bestaan, volstrekt onontbeerlijk is. Ook het zinnebeeld hiervan bevindt zich in handen van de soldaten onder het kruis. Ziet, behalve het opperkleed des Hoeren is hun nog eene andere buit ton deel gevallen, en deze maakt der eigentlijke hoofdschat hunner erfenis uit. Het is het onderkleed van den Man van smarte, dat Hij gewoon was onder den mantel te dragen, een merkwaardig kleed, uit wit linnen zonder naad, uit één stuk geweven; dus een klee-dingstuk , zoo als de hoogepriestor moest aantrekken, wanneer hij op den grooten verzoendag in het allerheiligste binnentrad. Dat men zulk een priesterlijk kleed op de borst van Jezus vond , en dat dit tot eene erfenis van een der beulen geworden is, en wel geheel en ongedeeld, dat alles is hoogst beteekenisvol. 'Het kan een kind niet ontgaan, dat hij hier voor een feitelijk geheimschrift staat, achter hetwelk iets groots en diepzinnigs moet te zoeken zijn. Wat is echter de kern dezer heilige beeldspraak. Wie zou het zijn onder u, mijne Vrienden! die dat niet vermoede?

Onder het blinkend kleed zijner wondervolle en dadenrijke verschijning, droog de Zaligmaker nog een ander kleed. Het kleed zijner tot in nood en dood betoonde volkomene gehoorzaamheid. Hieraan ontbrak niets. Vele oogen hebben het gemonsterd, menschenoogen, en-gelenoogen, oogen van duivelen, maar allen hebben er met verbazing en verwondering op gezien. Zelfs de oogen Gods beschouwden het met verrukking en van den hemel daalde de slem af: Deze is mijn geliefde Zoon in Wien Ik mijn welbehagen heb. Het was een kleed enkel uit de gouden draden der zuiverste Gods- en menschenliefde samengesteld, en gelijk zonder vlek, zoo zonder naad, uit één stuk was het geweven. Gij ziet, het is dit sieraad der gerechtigheid van den Zone Gods, dat ons door het kleed zonder naad, waarover ginds, onder het kruis, bet lot geworpen werd, zinnebeeldig moest worden voorgesteld. Och hoe? zoo vraagt gij met bewondering. Ook dit behoorde tot de nalatenschap van Jezus voor de zondaren? Zondertwij-

ocr page 513

4U5

lel. Hoort wal, do Sclirift zegt: Gelijk door de (mgehoorznamheid vari cenen mcnsch velen tot zondaren gesteld zijn (jeworden, zegt Pan lus, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van Kenen, velen tot rerht-vaard.iyen gesteld -morden. En wederom: gelijk door eene misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo komt ook door eene rechtvaardigheid de genade over alle menschen tot rechtvaar-digmaking des levens (dat is, hetgeen liet leven te weeg brengt). Niet enkel was ons vergeving toegedacht, maar nog iets meer en grooters. Paulus betuigt het. Hand. 20 : 18, dat de zijnen ontvangen zouden vergeving der zonde ex een erfdeel onder de geiieiligden. Hier wordt dus iets merkwaardigs kenbaar gemaakt. Vergeving zou ons alleen tegen de verdiende straf beveiligen, en ons begiftigen alleen met liet goede deel der onverdoemelijkheid; doch naar liet raadsbesluit des erbarmenden Gods moesten wij ook daarenboven verhoogd, gezegend en gezaligd worden, en hiertoe behoefden wij eene gerechtigheid, die ons niet enkel aan de verschoonende grootmoedigheid, maar ook tegelijk aan het beminnend welbehagen van den Heiligen God aanbeval. En ook zij werd door Gliristus voor ons verworven, naardien Hij, in plaalsbekleedende vervulling dei'wet, Gode deze onvergelijkbare gehoorzaamheid voor oogen stelde, die, even als zij van do zijde Gods ons uit genade toegerekend wordt, zoo aan onze zijde door het geloof aangegrepen wordt, en na plaats gehad hebbende toeëige-ning, do tong van ons hart losmaakt tot het lied van den profeet: Ik ben zeer vroolijk in den Heere, cn mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij hel,-leed met de kleederen des lieils; den mantel der gerechtigheid heeft lij mij omgedaan. Gelijk een hruide-gom zich met priesterlijk sieraad versiert, en gelijk eene bruid zich versiert met haar gereedschap. Want gelijk de aarde hare spruit voortbrengt, en gelijk een hof hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten, alzoo zal de Heere HEKIIK gerechtigheid, en lof doen uitspraiteii voor al de volken.

III.

Van de erfenis slaan wij nog cenen vluchtigen blik op de erfgenamen. Wie verkrijgt het kostbaar sieraad! Denkt eens, een van de doodslagers, die onder het kruis te zamen nederzitten, is de gelukkige, Deze bijzonderheid zegt ons, overeenkomstig do bedoeling Gods, dat geene goddeloosheid, hoe groot ook, als zoodanig onbepaald uitsluit van de erfenis. Het komt slechts daarop aan, dat het zinnebeeldige der betrekking van deze scherprechters en hunne handelwijze ten opzichte van het kleinood zich wezentlijk in ons vervulle.

„Hunne betrekking?quot; Zoo is het. Zij bewaren het kruis, en wijzen ons hiermede de landingskusten aan tot welke, als tot onze laatste toevlucht, de storm van de behoefte onzer harten ook ons scheepje moet heendrijven. „Hunne handelwijze ten opzichte van het kleinood Vquot; Zeer zeker. Want vooreerst weten zij tic kostbaarheid van bet kleed

ocr page 514

496

zonder naad to waardeeren; ten andoren zien zij in, dat liet enkel, in doK/.dis onverbroken gelieelheid, waarde heeft, en een ware schat is, en Ion laatste, laten zij liet zicli gaarne welgevallen, dat zij lot bezit van bet zeldzame kleed, door het werpen van bet lot, en dus zonder alle verdienste en geheel zonder betaling komen zouden. Verstaat gij dit beeldschrift? Ik denk niet, dat het eene nadere uitlog-ging voor u behoeven zal. Wordt arme zondaren, leert Gods eischon aan u verstaan, en zijt daarmede tevreden, om uit genade gerechtvaardigd te worden, dan heeft zich bot zinnebeeld onder het kruis in zijn feitelijk tegenbeeld in u veranderd.

Hoe zal de erfgenaam van don rok zonder naad over het hem too-gevallen gewin gejubeld hebben! Wij, mijne Vrienden! erfden het kleed, dat ons tot voorwerpen van het Goddelijk welbehagen maakt; en de snaren van de harp onzes harten zouden niet klinken? Zonder twijfel nam de gelukkige zijne erfenis onverwijld in bezit en droeg haar weg. Laat ons don wenk, die ook ons hierdoor gegeven is, niet veronachtzamen. Doet den lleere Jezus Christus aan! Zeker viel bet dien mensch nimmer in, op het kunstig geweven kleed vreemdsoortige lappen te zetten. Wachten ook wij ons voor den waan, als ware de gerechtigheid van Christus van onze zijde op eenigerlei wijze door onze daad of door ons werk volledig te maken. Houden wij veel meer de begrippen van rechtvaardigmaking en heiligmaking wel uit elkander. Reeds dat aardsche kleed van den Gekruisigde zal op hot gemoed van den soldaat, wiens eigendom het geworden was, menigon invloed uitgeoefend hebben, en hem nu bewogen, dan geschokt, dan opgeheven, en in ieder geval het beeld van den man, van wien hij het erfde, nooit uit den spiegel zijner herinnering hebben laten ver-bleoken. Meet hieruit af, met welke machtige en heilzame werking dan wol het wezen van deze schaduw, de Christus-gerecbtigboidzelve, gepaard moet zijn. Voor het hart en het leven van hen, die ze zich iu het levend geloof wisten toe te eigenen. Do krijgsknecht mocht, wat zijne opporkleederen betrof, armelijk genoeg te voorschijn komen, en toch was het bij hem, wanneer men dieper zag, niet te betwisten, dat bij kostbaarder gekleed was dan menig koning. Is het niet op dezelfde wijze gelegen met de kinderen Gods, wier uiterlijke kleedij, voornamelijk in de dagen van aanvochting, niets minder dan blinkend is, en toch rust het oog van geheel don hemel met lust op hen, en tot hen gaat het Woord van den Goddolijken Bruidegom, in bet Hooglied: Geheel zijt gij schoon, mijne Vriendin! en er is geen gebrek aan u.

Wenscbon wij elkander dan geluk, dierbare Vrienden! met het onvergelijkbaar erfdeel, dat de Man aan het kruis ons heeft achtergelaten. Houden wij, zoo velen onzer grond en reden hebben, ons tot do erfgenamen mede te rekenen, de bewustheid levendig en versch in ons, dat wij in Christus voor God reeds gerechtvaardigd zijn, en de liefde Gods ons niet naar de mate onzer persoonlijke heiligmaking wordt toegemeten. Altijd meer eigen worde ons slechts de geloofs-leuze, waarmede wij de wereld overwinnen: „Jehova Zidkenu,quot; dat is: De lleere is onze Gerechtigheid, en altijd beslissender, boete het, in bet diepste van ons gemoed:

%

ocr page 515

Â¥M

Tic weet;; ik moet volkomen zijn,

Zal God mij niet vervloeken, En laat dus af, om in den schijn , Nog heil voor my te zoeken.

Ik weet, in mij is niets dan nacht

Van binnen is het duister,

Maar buiten mij staat hemelpracht De zon in al haar luister.

Wat ik bezit, wat mij verbeid, De stof van mijn verblijden, De zon van mijn gerechtigheid, Is Christus in zijn lijden.

Amkx.

ocr page 516

XLVITT.

HET OPSCHRIFT.

„Vi'ijheifl on golijklieid!quot; hoot do lonzo van hot bekende oproer door de quot;bei ile van Kora in do woestijn. Niet Mozes on Aaron alleen moesten heerschen, maar ieder van het volk moest hetzelfde recht hebben, en de geheelo gemeente heilig zijn. Toen zeide de Heere lot Mozes: Spreek tot de kinderen Israels, en neem van hen voor elk vaderlijk Jiu's eenen staf, van al hunne oversten naar het huis hunner vaderen, twaalf staven, en eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijnen staf. Doch Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want één staf zal er zijn voor het hoofd van het huis hunner vaderen. En gij zult ze wegleggen in de tent der samenkomst vóór de getuigenis, waarheen Ik met 'ulieden samenkomen zal. En het zal geschieden, dat de staf des mans, welken Ik heb verkoren, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureeringen van de kinderen Israels tegen Mij, welke zij tegen idicden murmureeren.

Gij weet, liet bevel van Jehova werd voltrokken. De stammen brachten een ieder zijnen staf, en Mozes legde ze op de bepaalde plaats in het heiligdom. Don anderen morgen echter, toen hij de tent der samenkomst opende, vond hij, dat A;irons slat voor liet huis van Levi bloeide, want bij bracht bloeisel voort en bloemende bloesem, en droeg amandelen. Hij loonde den staf aan hel volk, als een Goddelijk toeken, dal den stam van Levi liet priesterschap en de bediening van den heiligen tabernakel toebehoorde.

Wij komen beden op den weg onzer beschouwing van eene plaats, waar wij op soortgelijke wijze en onder overeenkomstige omstandigheden, gelijk eenmaal in het leger van Israel, op een dor hout den naam van eenen grooten Hoogepriester geschreven vinden. Heeft hol God don Heere behaagt, ook Hem getuigenis te geven? Heeft ook zijn staf gebloeid, zich met bloesems overdekt en amandelen gedragen? Ik meen ja, en nog kostelijker vruchten droeg hij dan de staf van Levi. Hij heeft al de staven der machtigen en wijzen der wereld in vruchtbaarheid overlroiïen. Komt, mijne vrienden! beschouwen wij dal wonder van nabij.

ocr page 517

490

Matth. 27 : 37. Mauc. 15 : 2G. Luc. 23 : 38. Jon. 19 : 19 — 22.

En Pilatus schreef ook een opschrift zijner beschuldiging boven zijn hoofd op het kruis, en daar was geschreven met Grieksche, Romein-sche en Hebreeuwsche letters: Deze is Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats waar Jezus gekruist wierd, was nabij de stad. De overpries-ters dan der Joden zeiden tot Pilatus: schrijf niet de koning der joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik «en de konino der joden, Pilatus antwoordde : dut ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.

Zoo staan wij dan wederom op den berg der smarten. Een luiden woest gedrang omgeeft ons. Van liet kruis des Goddelijken Lijders schemert liet opschrift ons te gemoet: Jezus van Nazareth, do Koning der Joden. Drievoudig werd liet daar aangeschreven, en wel, opdat ieder het zou lezen en verstaan, in de Grieksche, Latijnscho en Hebreeuwsche taal, dus in de drie talen der Godgeleerdheid. Pilatus had het zoo verordend, deels omdat hij door een duister en eerbiedig voorgevoel daartoe bepaald was, en ten andere, met hot doel, om tot goed besluit de gehate Joden eenen laatsten slag toe te brengen. Toen deze het opschrift lazen, spoedden zij zich vergramd naar den stadhouder en spraken hem meesterachtig aan: „Niet zoo als gij geschreven hebt, moet het zijn. Naar beneden met dat schrift van het kruis des Lasteraars! Schrijf, dat Hij Zich aangematigd heeft, te zeggen dat Hij de Koning der Joden is.quot; Pilatus echter antwoordt kort en bondig: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Regt zoo, Pilatus,! Wat gij geschreven hebt, schroeft gij niet willekeurig; maar een ander bestuurde daarbij uwe hand. Gij hebt geprofeteerd, gelijk eenmaal Bileam profeteerde, en zijt met uw opschrift, tegen willenen weten, een getuige der waarheid geworden.

Jezus van Nazareth, de Koning der Joden. Deze titel zij ons tegenwoordig onderwerp, e i in den gekruisigden Man den wozentlijkcn Koning Israels le zien, zij het liefste doel onzer verdere beschouwing. Wij erkennen Hem als de Koning aan het kruis:

I. Aan de majesteit, die Hem daar omgeeft;

II. Aan de zegepralen, die Hij daar wegdraagt;

III. Aan de grondvestiging van het Koninkrijk, welke Hij daar volbrengt;

IV. Aan de oordeelen, die Hij daar uitspreekt; en V. Aan do heerschappij, die Hij van daar uitoefent.

Vergezelle de. Heere onze overdenking met zijnen zegen, en helpe Hij ons, opdat het opschrift aan het kruis tot in het binnenste onzer harten worde overgebracht.

ocr page 518

50Ü

I.

Gij will den Koning van Israël zien? Kom, mijn Vriend! en volg mij. Waarheen? Misschien naar Jeruzalem? Neen, naar den heuvel des lijdens, Golgotha. Ziet gij don Man ginds, zwemmende in zijn bloed?quot; „Hoe -- zoo vraagt gij — is deze oen Koning? Schudt het hoofd niet, maar weet: u ontbreekt het licht, maar niet Hein de majesteit. Treed in de tempelzalen van het Oude Testament terug, en zie daar in heilige liederen en Godspraken de kaarsen bronden, die Golgotha voor u verlichten. Ontsteek uw'fakkel aan de psalmen Davids, waarin gij eenen grooten Koning hoort klagen; Zij hebben mijne handen cn mijne voeten doorgraven; zij hebben Mij (jal lot mijne spijze en in mijnen dorst hebben zij Mi) edik Ie drinken (jeyeven. Verneem de oude profetische uitspraak van den ziener .lesa-ja, van eenen man, die wel om onzer misdaden wil geslagen werd, doch op wiens schouderen daarom niet minder de heerschappij, is, en aan de vrede van wiens Koninkrijk geen einde zou zijn op aarde. Lees het woord van Zacharia: /waard, ontwaak tegen mijnen Herder cn tegen den Man, die mijn medgezel is, en hoor den heraut door de woestijn roepen: /Je, het Lam (lods, dat de zonde der wereld wegneemt. Spoed u met deze lichten naar don schcdolheuvel terug, en zeg, of het u nog zoo zeer bevreemden kan, om boven (len inid-delste der twee kruisen geschreven te vinden: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden. Eene geheele wolk van getuigen omgeeft met neérgebogen hoofd het kruis, eerwaardige gestalten, beproelde heiligen, aartsvaders en zieners, zuigers en profeten, koningen en priesters. Neen, deze maak! ons dooi' zijn bloed, het heeld des Konings met twijfelachtig. Aanbiddend en niet ons verwonderendlezen wij hel opschrift hoven het kruis: Jezus van Nazareth, de honing der Joden.

Vraagt gij, waar dan de majesteit van dezen Koning is? voorzeker zij is voorhanden, ofschoon dan ook voor het oogenblik bedekt, gelijk de goudglans van do ark des verbonds, onder de ratnsvellen. li.rgert ii niet aan de donkere wolk, die Hem omringt. De blik van het ge-loofsoog dringt er door heen, en ontmoet op den geurigen achtergrond een regenbogenkrans van engelenboofden en seralijnsche aangezichten. Zien zij droevig, omdat het oog van hunnen Koning in den dood breekt, zoo dragen zij toch reeds de palmtakken in de handen, met welke zij Hem, bij zijne troonsbeklimming, zullen vergezellen. En welke zijn ginds, in het meer verre verschiet der hemelsche wereld, de 1)1 in kende scharen, die in aanbidding verzonken, onder de hoomen (les levens, op hunne aangezichten liggen? Het zijn de Heiligen Gods, die reeds het Koninkrijk beërfden, eer nog de Heere der heerlijkheid op aarde nederkwam. Doch toen zij het stof der pelgrimschap van hunnen voet schudden , sprak Hij: „Ik laat mijn leven voor deze lammeren.quot; En op dit Koninklijk Woord openden zich ook voor hen de deuren van het Paradijs. Het zijn Ilenoch , Methusalach, Noach en Abraham, Isaac en Jacob, Mozes en Elias en hoe zij verder genoemd worden. Sedert lang genoten zij de vrucht der verdiensten van hunnen Borg, alvorens Deze zijn

ocr page 519

501

werk nog begonnen had. Nu zien zij TTem liet beloofd rantsoen betalen en de woning der zaligheid, waarin zij zich bevinden, met de steunpilaren van hot recht onderschragen, en wat blijft hen hij dezen aanblik over, dan aanbiddend voor den Wonderbaren neder te vallen in het stof, en te belijden, dat ook zij, met linmie verheerlijkte oogen de diepten eener zoodanige ontferming niet vermogen te peilen. En ziet nu nog verder toe in den geest. Die menschenkudde ginds uit alle volken, uit alle tijden, de oogen vol verlangen naar bet kruis opgeheven, de blik vol heilige vrede en stille hope der zaligheid. Wie is zij, deze in afzienbare kringen den doodsheuvcl omringende schaar. Het is zijne gemeente, het volk der verlosten. Overal enten allen tijde de besten en edelsten der menschheid in zich bevattende. Ziet de wierookschalen in hunne handen. Van niets willen deze feest-vrienden meer weten dan van het geslachte Lam. Heerlijke omkransing van den berg der smarten. Liefelijke eereboog rondom de kruispaal! Weet, zulk eene geschiedenis wordt gezien door het geloof, dat den sluier weet op te lichten en het inwendige aanschouwt. En terwijl hel deze beelden ziet, verandert hel kruis voor hetzelve in eenen troon, de doornenkroon, om het hoofd des Lijders, in eenen diadeem, en met eerbied op de knieën nederliggonde, leest hij het opschrift van Pilalus: Jezus van Nazarelh, de Koninri der Joden.

Ja, aan het kruis wordt eene majesteit kenbaar, lol welker ontdekking niet eens het geloofsoog noodig is; eene majesteit als die der opgaande zon, wanneer nog de schaduwen en nevelen daar beneden hun spel drijven, als ware hen op aarde de heerschappij toegelegd. Doch nu treedt zij te .voorschijn, gelijk een bruidegom uil zijne slaapkamer, en zij roept niet, noch zij laat hare slem hooren op de stralen, en niet te minder vliegen daarom de schaduwen voor haar aangezicht uiteen, en de nevelen vergaan lot niets onder den glans iiarer vleugelen. Zoo bewijst zich de Zoon des menscben op zijn hout. Mij, de Zon iler Gerechtigheid met genezing onder zijne vleugelen. Welk eene satanische rookwalm breidt zich rondom Hem uil! Welke wilde, helsche nachtwolken omringen Hem! Hoort dat honend geschreeuw uit de opgesperde monden des volks, en van zijne leidslieden : Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zich zei ven verlosse, zoo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods. Indien Gij de Koning der Joden zijl, zoo toon het en kom af van het kruis. Doch zie op den Bespotte, hoe te midden van deze branding der hel, zich ook niet een enkele trek in zijn Koninklijk aangezicht verandert. Met verhevene kalmte ziet Hij van zijne Hoogte op hen neder, en de lasteraars zijn beschaamd, verward en vallen in hunne eigene zwaarden, terwijl zij, in den waan den Heere der heerlijkheid te lasteren. Hem enkel met luider stem moeten prijzen, als Dien, die anderen verlost beeft. Wij ontdekken deze zijne Koninklijke rust, deze bovenmenschelijke gelijkmoedigheid, dat hemelsch geduld, en in de tegenwoordigheid van zulk eene maje-sleit, welke alleen reeds genoegzaam is, om zijne tegenstanders te vernietigen, vermeenen wij van hot opschrift op zijn kruis slechts te schitterender te zien stralen: Jezus van Nazarelh, de Konin(j der Joden.

ocr page 520

502

11.

Ja, Hij is liet! Gij herkent Hem aan zijne zegepralen, ilie Hij aan het kruis behaalt, en waarvan de eerste zich hetoont eene glansrijke dubbele overwinning te zijn, omdat Hij die tegelijk over Zichzelven en over don helschen verzoeker wegdraagt. Eene geweldige storm van aanvechting dringt op Hem aan, en wel in de uit de volksmenigte tot Hem opstijgende roep: Anderen heeft Hij verlost; nu kan Hij Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Christus is, de Uitverkorene Gods, zoo verlosse Hij Zichzelven en korne af van het kruis. Ken sterke aanval van den Hooze, bijna eene nog sterkere, dan die Hij eenmaal op de tinne des tempels, met zijn: Indien Gij God?, Zoon zijt, zoo werp nzelven nederwaarts, tegen den Heere durfde wagen. Hoezeer kwam dit aangeraden: kom af! overeen met de behoefte van de menschelijke natuur van onzen Vredevorst. Volgde Hij dezen raad, zoo was Hij ze'f niet alleen verlost van al zijnen jammer, maar waren ook do lasterende tegenstanders op eene voorbeeldelooze wijze uit bet veld geslagen, en, bijna nog ondubbelzinniger dan het daarna door Jezus' opstanding uit den doode geschiedde, van zijne Godheid overtuigd. Verleidelijke gedachte, om met eenen slag de woedende schaar tot verstommend zwijgen te brengen, en hunne knieën neder te dwingen in het stof. Doch weg met dien raad, hij is niet dienstig; een valstrik is hij, eene lijmroede van denüstigen vogelaar, ja een klip onder water, waaraan nog kort vóór bet inloopen in de haven, het schip van geheel bot verzoeningswerk moest stranden. Jezus doorziet liet duivelsche web, en zegt in den geest: Ga achter Mij Satan. Neen, niet afkomen, maar bloeden, offeren en de schuld der zonde betalen, wil Hij. Met verheven stilzwijgen wijst Hij de opeisching ai, en blijft aan het hout. Ook niet voor een oogenblik beeft de held op zijne baan gewankeld. Komt vlechten wij Hem een olijfblad door den doornenkroon, en omwinden wij met vreugdekransen het opschrift aan het kruis: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.

Ja, in Hem hangt een koninklijk Overwinnaar aan het kruis. Gij zoudt kunnen denken, dat niemand ooit meer overwonnen was dan Hij. Doch de verrekijker des geloofs leert u iets anders. In de aanschouwing welke door dit middel zich aan u voordoet, ziet gij hel oog van den Immanuël niet breken, maar verteerende bliksemstralen uitschieten; zijne handen niet geboeid, maar vrij en zwaaiende een wonderlijk krijgszwaard. Zijne voeten niet in den stok, maar heen-ruischend over eene van storm bewogen vlakte. Heet is de strijd, woest do aandrang, een kampstrijd der wanhoop, die zich ontwikkelt, en de menschheid de prijs om welken de slag geleverd wordt. De strijdende partijen zijn de Vorst van het heir des Heeren en die der hel. Hoe woeden en dringen zich de engelen van den afgrond te zamen! Hun zal den buit ontnomen, den scbepter uit de handen gewrongen, en het recht, dat zij uit kracht van het oordeel Gods, over ons verkregen hebben, weder ontnomen worden, en de Man

ocr page 521

5üi{

in den doornenkroon is het, die hunne macht bedreigt en wil ver-verbreken. Zoo blijft er dan in de wapenkamer van den helschen poel niels ongebruikt, wat nog maar eenige hoop op de overwinning geeft. Doch de Held uit Juda spot met de drillende lans. Hij bloedt, maar dat bloed is de nederlaag van den vijand. Hij valt in hunne handen doch juist dat wordt het middel om ons uit hunne handen te verlossen. Hij laat zich boeien door het Belialsrot, maar zijne ketenen veroorzaken onze vrijheid. Hij ledigt den beker dos toorns, maar enkel opdat Hij ze voor ons met enkel genade vuile. Hij laat Zich de verzenen vermorzelen, maar in hetzelfde oogenblik vermorzelt Hij den kop der slang, en naar eenen geheel anderen krijgskundigen regel, dan de gewone, doodt Hij, als Simson, den vijand door zijnen dood. Dit doet de Man aan het hout. Moge nu de eene klagen, dat cle schoonste onder de menschenkinderen zoo vernederd is, en een ander zich heesch schreeuwen: „Komaf, en toon wie Gij zijt.quot; Wij klagen en schreeuwen niet aldus, wij die met hot oog des geloofs weten te aanschouwen. Ons komt het voor, dat Hij niet heerlijker verschijnen zou, wanneer Hij omgeven door don klank van engelenharpen, in majestueuse glans van het kruis afsteeg, dan gelijk Hij daar in zijne bloedgestalte voor onze oogen hangt. Wij zien onzen Michael met overwinningssieraacl bekleed op duizend drakenhoofden staan, en roepen, de bazuin der overwinning blazende: Jezus van Nazareth, de Koninf] der Joden; eene derde overwinning wordt aan het kruis behaald, welke de grootste en wonderbaarste van allen is. Ik noem haar de overwinning van den Wetgever boven do wet. Weet, uit lust en liefde, om ons te redden, ontbrak hot inden hemel niet. Zij waren in den hemel op de overvloedigste wijze voorbanden. Alleen ontbrak het recht tot het groote werk. Da wet verhief hare stem tegen onze verlossing. „Geen heil voor de zondaren —■ zoo sprak zij — alvorens zij betaald hebben, wat zij schuldig zijn.quot; En zie zei Is de eeuwige majesteit zag zich door deze tegenspraak gebonden. Doch de hemelsche Wijsheid weet raad ook dezen boei rechtmatig los te maken. De eeuwige Zoon daalde op de aarde neder om bet neen der wet in enkel ja te veranderen. Hij liet Zich onder de wet stellen en vervulde haar plaatsbekleedend, op eene wijze, waardoor Hij optreden en vragen durft: Wie kan Mij van zonde overtuigen ? Doch daardoor waren de grendels van de sluizen der genade nog niet weggeschoven. Er werd ook nog gevorderd, het dulden van den vloek , onder welke wij door het schenden der wet vervallen waren. Hij onderwierp Zich ook aan deze en dronk den beker des toorns. Dleef er één druppel in over? Niet een enkele, zoo zegt de wet. En daar nu de genadestem van den hemel nederklinkt, heeft de wet er niets tegen in te brengen. De Goddelijke gerechtigheid staat aan hare beminnelijke zuster, de liefde, haar schepter af, en wel zonder hierdoor van haar eigene glorie ook maar het allerminste af te doen. Wij staan ontzet over deze overwinning der wet, zonder geweldoefening in den rechterlijken weg, en lezen met diepe hulde het opschrift aan het kruis: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.

ocr page 522

501

111.

Hij is het, (locli waar is zijn Koninkrijk? Zoo even planl Hij het van /.iju kruis al'. Deze bloeddnippels daar, zijn liet goud, waarmede Hij zijn volk koopt, en deze stervenszuchten, die zijnen boezem ontvluchten, de klokkentoonen, waarmede de geboortedag van zijn Sion wordt ingeluid.

Niet daar heeft Hij zijn Koninkrijk gegrondvest, waar Hij het volk rondom Zich verzamelde en predikende tot hen sprak op dezen berg der zaligheden. Ook niet daar, waar Hij de vonken der Goddelijke waarheid strooide door de nacht, en waar voor de fakkelglans van zijn hemellicht de schaduwen des doods uit elkander stoven. Ook niet daar, waar Hij de duistere geesten bande, en door zijne wonderbare genezingen, menigte van ellondigen, lot eeuwigen dank aan zich verplichtte. Niet daar, waar Hij, met den glans zijner daden, de wereld verrukte en Zich omgeven hoorde van de hosanna's der verrukte en jubelende meniglo. Had Hij, na deze zegepralen, de wereld weder verlaten, zoo zou alles bij het oude op aarde en Hij zeil'zonder Koninkrijk en onderdanen gebleven zijn. Oeen Jeruzalem verhief zich dan in liet dal des doods; geen banier der vrijheid zou van Sion wapperen. Geen Jnda Gods tegen liet Oosten gelegerd, zou onzen blik ontmoeten en geen koor van 1 iroederen zou door de woestijn trekken en zingen: „Wij trekken naar het vaderland.quot; Neen, met leer, prediking en voorbeeld zou het hier niet gedaan zijn geweest. Op verbondshloed moest de nieuwe stad worden gegrond. En het geschiedde. De doorboorde handen, ginds aan den vloek paal, veroverden de wereld, en bouwden, te midden van het rijk der duisternis, het rijk des lichts en des vredes. O, wonder zonder wedergade! Ja, Pilatus, wat gij geschreven hebt, dat blijve geschreven voor de eeuwigheid; Jezus van Nazareth , de Konimj der Joden.

IV.

De Joden vermoedden niet, dat Hij hot was. Zij waagden het te roepen: 'Lijn bloed komo over ons en over onze kinderen. Gij weet, dat bloed is gekomen, en wel met die stem, welke de onzaligen, in hunnen waanzin, begeerden te hooren. „Wee!quot; zoo riep het bloed en eischte wraak van den hemel jegens hen. Ziet, wat er gebeurt! een zwaar onweder trekt zich over Jeruzalem te zamen; brandende oorlogsfakkels gaan het land dooi'. Een woud van vijandelijke speren omringt dreigend de heilige stad. De tempel gaat in vlammen op. De muren vallen. Geen steen blijft op den ander, en het bloed der kinderen van Abraham vlooit bij stroomen. En wat het zwaard ontkwam, dat moest in ballingschap ver van de geliefde heuvelen, ver van de graven der vaderen, weg naar de woeste onherbergzame vol-

ocr page 523

505

ken. En Israël blijft het geslagen volk tot op dezen dag, en gaat daar heen nog slechts als eene mumie zijner voormalige heerlijkheid. Doch het geschiedt naar het oogmerk Gods, dat deze achtlien-honderd-jarige zoutpilaar, dit wonder van het brandend braambosch, dat nochtans niet verbrandt, altijd onveranderd voor onze oogen staat. Dat volk in zijne ellende moet ons een blijvend gedenkteeken zijn, dat Hij, wiens bloed ze op zich neder zwoeren, een Koning was eu is, die zich niet laat bespotten. En inderdaad niet minder leesbaar dan aan bet kruis, is hier dit volk, met de vurige letter's des oordeels, aan bet voorhoofd geschreven: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden. Doch wij wachten eenen tijd, en deze is niet meer ver, waarin de Heere, ook nog op eene andere en zalige wijze, aan dit oud verbondsvolk openbaren zal, dat HU hunnen eigentlijken en waarachtigen Koning is. Wanneer zij eenmaal weenende zullen komen en aanbidden , en Hij de verstootenen uit hot land van den middernacht verzamelen, en op gebaande wegen langs waterbeken leiden en tot hen zeggen zal: „Ik ben Israels Vader en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon,quot; dan zal ook het hardnekkigste ongeloof zich niet meer verwonderen, maar vol eerbied de handen vouwen, wanneer hot op het kruis liet opschrift leest: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.

V.

Ja, Hij is onze Koning, en van het kruis voert Hij zijne heerschappij in zijne vredestad tot op dit oogenblik. Wel hangt Hij heden daar niet meer, doch waar Hij Zich aan het oog des geloofs voorstelt, en om groole dingen uit te werken. Zich in gezichten openbaart, verschijnt Mij onophoudelijk in zijne bloedige gestalte, hangende aan het hout. Van het kruis al', neemt Hij de sterken tot eenen roof, en voert Hij in de zondaren het oordeel der genade tot boete uit. Van bet kruis af, vernedert Hij de hooge oogen, en smelt Hij de steenen harten in het vuur zijner liefdeblikken. Van het kruis af, vertroost Hij de bekommerde zielen, .en droogt Hij do weenende oogen der verslagenen. Van het kruis af, verwekt Hij het gejuich in het leger der Hebreën en wekt Hij zijn volk op tol leest vreugde, vreugde vóór do verbondsark. O, op hoe menigvuldige wijze komt het dagelijks tot vervulling, dat Hij, als de Gekruisigde, de ware Koning van het geestelijk Israël is. Ja, de Man met den doornenkroon regeert de wereld dor geesten en der harten, en do grootste wonderen, waarmede Hij Zich op aarde verheerlijkt, doet Hij met zijne doorboorde handen.

Daarmede blijft Golgotha de plaats onzer huldiging, en de plaats, waar wij niet ophouden aanbiddend uit te roepen: Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.

Zoo heeft dan inderdaad, zoo lang de wereld staat, geen mensdlelijke hand iels meer zekers en gegronds geschreven, dan wal Pilalus, op de hoogste wijze in den weg der Voorzienigheid aan hel kruis schreef: Jezus van Nazareth, de Kuning der Joden, Wacht nog eenen

ocr page 524

50(5

korten tijd en teekenen aan den hemel, engelen verschijningen, vallende sterren en graven openende bazuinklanken zullen het bezegelen. Zoo ontrol ik dan zijne met bloed besprengde vaan ook voor u, gemeente! en roep u, als een heraut Gods toe: zweer bij deze banier! Huldig den Monarch en den doornenkroon en buig ook gij, met de schare, die niemand tellen kan, eerbiedig de knieën voor liet opschrilt aan bet kruis. Jezus van Nazareth, de Koning der Joden.

liet is cene groote ernstige week, mijne Geliefden! waarin wij met elkander getreden zijn. Hoe is deze goede en genadeweek overvloedig rijk aan wekstemmen, boetestemmen, lokstemmen en bezoekingen van Gods ontferming! In deze week ging eens de Koning Israels zijnen folterweg. In deze week brak zijn heilig oog in den dood voor de zondaren. De geheele zalige bevolking des hemels ligt in deze week rondom den troon van het Lam op het aangezicht. En uwe knieën zullen onbuigzaam, uwe halsen ongebogen, uwe tongen stem-meloos en uwe harten koud en versteend blijven? O, dat zij verre. Tot eene week van hulde worde zij ook in ons midden! Hier zijn mijne handen, wie neemt ze en sluit zich aan mij aan, om den Man der smarte hart en leven te geven. Wie tot hiertoe van verre stond , aan de zonde en de wereld geketend, die trede eindelijk toe en stortte zich met tranen van berouw aan zijne voeten. Wie Hem nog maar met een half hart toebehoorde, die worde volledig geboren in deze week en geheel zijn eigendom. Wie reeds voor lang Hem heeft trouw gezworen, die zegge, bij de vernieuwing van het verbond, met het oog op de oorkonde zijner vroegere overgave, met Pilatus: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. En zoo mogen wij allen elkander juichend groeten met den roep: „Heil den Koning op den troon des kruises.quot;

Mijne Vrienden! het za! zoo lang niet meer duren, of wij lezen het niet met bloed op het bout, maar met blinkende letters op den wapperenden koningsmantel van den wederkeerenden Jezus van Nazareth , de Koning der Joden. O, dat alsdan niemand onzer tot de horgen moet spreken: valt op ons, en tot de heuvelen: bede'd ons, maar dat een iegelijk, met een vrij geweten Hem kan tegenjuichen:

Gegroet, Gij Koning, Heer en God,

En Bruigom onzer zielen !

Gij roept ons tot het hoogst genot,

Hoe diep wij nedervielen.

Gij wilt ons één en alles zijn,

Opdat wij niet meer vreezen,

Ontwijk dan wereld met uw schijn,

Wij hebben nu het wezen.

Wij hebben Hem in Wien alleen De volheid wordt gevonden:

De volheid van gerechtigheén,

En heeling onzer zonden.

AiVGN.

ocr page 525

XLIX.

V A 1) E li! V E R (i E E E.

Met herinnering aan liet zevenstemmig bazuingeklank, onder welker machtige galm, eenmaal, zoo als Josua ü : 20 bericht wordt, de muren van Jericho invielen, waardoor den Israëlieten den toegang tot het beloofde land geopend werd, klonken door het geheimzinnig duister der lijdensgeschiedenis zeven woorden, die nog veel grootere uitwerking hadden dan de bazuin blazingen vóór Jericho, en die als zeven wonderbare klokkentoonen daar heen trekken, om de met vloek beladen wereld hare verlossing, den vermoeiden en belasten den sabbath Gods in te luiden. Zij dikkeren — deze woorden — als zeven hemellichten en verlichten voor ons het heiligdom des harten van Jezus, en tegelijk de binnenste diepten der kruis verborgenheden. Zevenderlei bloesems ontluiken in deze woorden uit den dorren en afzichtelijken stam des kruises, wel niet bloed bedauwd, maar juist daarom hemelsche blijdschap en verkwikking ademend. De enkelvoudige toonen van deze zevenvoudige harmonie komen ons, verdeeld in de vier Evangeliën, te gemoet. Geen der Evangelisten heeft ze allen, maar de eene bewaarde ons het eene woord, en de andere het andere woord. Ook deze bijzonderheid behoort tot de getuigenissen, dat de vier boeken, die zij ons nalieten, een geheel vormen. Vier stemmen, maar slechts één kooi-; ééne, maar reeds door hare zevenvoudige klank als heilig aangeduide, symfonie. Dat aan Lucas de opteekening van den eersten dezer woorden ten deele viel, komt overeen met zijne bijzondere apostolische roeping, want liet was hem hij voorkeur tot taak gesteld, ons Christus als den barm-hartigen Beminnaar van zondaren voor Ie slellen. En hoe verheerlijkt de lleere Zich in deze hoedanigheid, bijzonder in het woord, tot hetwelk wij in den weg onzer beschouwing, heden gekomen zijn. Zijne groote hoogepriesterlijke voorbede klinkt ons tegemoet. En ik zou niet weten wat den zondaar meer gewenscht en meer liefelijk in de ooren zou kunnen klinken!

Matïii. 27 : 39—44. Mauc. 15 : 29-32. Luc. 23 : 34quot;,35—37.

En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hunne hoofden, eu zeggende: Gij, die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt! Ver-

ocr page 526

508

los U zalven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zoo kom af van het kruis. Eu desgelijks ook de Overpriesters en Schriftgeleerden en Ouderlingen en Farizeën, Hem bespottende, zeiden: Anderen heeft Hij verlost , Hij kan Zich zeiven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu af kon) e van het kruis, en wij zullen Hem (je-looven. Hij heeft op God betrouwt, dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil! Want Hij heeft yezeyd: Ik hen Gods Zoon, de Uitveu-kokene Gods. En ook de krijgsknechten tot Hem komende, bespotteden Hera; en brachten Hem edik, en zeiden: Indien Gij de Koning dei-Joden zijt, zoo verlos U zeiven. En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. En Jezus zeide: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!

Wij treden terug in den hnivoringvollon niicht van den heuvel Gol-gollia, doch voor heden alleen, om die duisternis met eenen zonnestraal der ontferming te zien doorschemeren, zoo als nooit een meer verblijdende en bezaligende lichtstraal de aarde verlichl heelt. In do voorbode van den Bloedenden Jezus aan het kruis ontvouwt deze straal zijnen glans. In haar werpt le gelijker lijd de Goddelijke Lijder van zijn kruis de eerste vrucht zijns lijdens der monschheid, tot welker verlossing Hij gekomen is, in den schoot. Verdiepen wij ons met geheel onze aandacht in het bewonderenswaardig 11 oogepriesterlijk gebed, en beschouwen wij:

I. den inhoud;

il. den grond waarop het rust, en III. de grenzen, binnen welke hot verhoord wordt.

Moge de Heere niet ver van ons zijn , en geve Hij aan bet woord zijner genade eenen veelvuldigen wedergalm in onze harten!

I.

Ontzettende dingen geschieden op Golgotha. Een koor uit den afgrond gaat het hemelscbe kooi' woedend en tierend vóór. De macht der duisternis put zich nit in de uilgietingen van woede en lastering, en wee! dat juist de mannen, wier roeping het is, het heilige te bewaren, zich als de ijverige werktuigen der bel laten vinden. Zonder bet te vermoeden, missen deze Belialskinderen nochtans hun doel. Zij bedoelen den Man aan bet kruis te vernederen, en moeten Hem enkel verheerlijken. Zij zijn er op uit, Hem de laatste overhlijfselen idjnor kroon van liet hoofd te rukken, en lichten ciikel den sluier zijner majesteit op. Hoort de spotredenen, waarmede zij den Heilige bespou-vven, doch merkt te gelijk op, boe deze uitvallen, bij het licht bezien,

ocr page 527

o()ft

niot anders dan do eervolste getuigenissen voor Hem bevatten. Anderen hoeft Hij verlost — zoo beginnen zij — en Hij kan /Achzelven niet verlossen. Voorzeker, deze onbewimpelde belijdenis zijner haters, dat Hij anderen wel verlost heeft, is van hoog gewicht, naardien het op de historische waarheid van de Messiaansche wonderen, van de genees- en verlossingsdaden van Jezus, die de Evangeliën ons vermelden, een nieuw bevestigend zegel drukt. Hij heeft op God vertrouwd — zoo gaan zij voort. Meet hiernaar af, mijne Vrienden! hoe ondubbelzinnig zich in zijne geheele verschijning zijn naar den hemel gekeerd en aan God overgegeven hart moet hebben uitgedrukt, zoodat het zelfs vooreen verhard volk, gelijk deze nietswaardigen waren, niet verborgen bleef. Hij heeft gezegd — zoo roepen zij verder — Ik ben Gods Zoon, de Uitverkorene Gods. Kan het ons anders als hoogst welkom zijn, het ook door zijne vijandigste tegenstanders te zien bevestigd, dat de Heere Zich zeiven voor den Zone Gods verklaard, en dus do verborgenheid zijner eeuwige geboorte niet verborgen gehouden heeft. Gij, die den tempel afbreekt — zoo schreeuwen zij verder — en in drie dagen opbouwt, verlos U zeiven. Ziet, hoe zij ook moeten bezegelen, dat Hij op de bepaaldste wijze zijne opstanding van de dooden vooruit verkondigd heeft. Niet minder bevestigen zij door hun: Indien Hij de Christus is, de Koning van Israël, zoo home Hij af van het kruis, dat de Zaligmaker Zich werkelijk en hij herhaling dezen beteekenisvol-len titel heeft toegekend. Wat doen zij dus, die lasterende knechten? Zij willen in hunnen toorn een edelgesteente in stukken slaan, en geven hetzelve, terwijl zij het verbrijzelen, slechts gelegenheid, om iu zijne schitterende gruisels nog eerst recht zijne echtheid te bewijzen. Zij ontbladeren in hunne woede eene wonderroos Gods, maar brengen juist daardoor, zonder het te vermoeden, den glans en de geur van de enkele bladeren dezer bloem recht in het licht.

De Ueere hoort aan zijn kruis do bijtende spot en smaadwoorden, die van beneden naar Hem worden uitgeworpen. Hij weet vanwaar zij komen , en wien de lasteraars, zonder dat zij er zich van bewust zijn, tot werktuigen dienen. Hij 1 loort in de uitgietingen hunner woede slechts den ruwen weerklank van die aanspraken, met welke do verzoeker, de vorst des afgronds, eenmaal in de woestijn aan het einde der veertig dagen tot Hem trad. Gelijk echter daar, zoo is ook hier de bewustheid, dat Hij Zich op oenen Hem door zijnen hemel-schen Vader aangewezen weg bevindt, het ondoordringbaar schild, waarmede Hij de vurige pijlen van den booswicht opvangt en krachteloos maakt. O, dat wij thans eenen blik in zijn binnenste konden werpen! Doch een diep stilzwijgen verbergt het ons, als een voorhangsel in den tempel. Of in deze oogenblikken, waarin de maat van do tegen Hem uitgeschuimde krenkingen overliep, de gloed eener heilige ontroering in Hem opsteeg? Of er thans donders rolden door zijne ziel, gelijk hot Anathema Maran-atha van den Apostel? Of zijn hart met een: „Vergeld den boosdoeneren naar hunne werken,quot; zich keerde tot Hem, die zich een wreker der goddeloozen noemt, en of in de diepte van gt;fiju eigen gemoed misschien wel een rechterlijk wee! tegen de kinderen Belials, die vloekwaardigen zich verhief? Ware

ocr page 528

510

dit het geval geweest, zijne heiligheid zou daarbij onbezoedeld gebleven zijn, en zelfs de liel bad Hem de eere moeten geven, dat Hij rechtvaardig handelde om voor altijd af te staan van de verlossing van een gebroedsel, als dat van het geslacht der kinderen Adams.

Doch stil! ziet zijne lippen bewegen zich. Hij wil spreken. Wat zullen wij nu hooren? Zal iets van bet opgenoemde van bet kruis nederwaarts gehoord worden? Men zou het kunnen verwachten. Ziet, Hij opent zijnen mond. Doch — wat is dit? Mogen wij onze ooren vertrouwen? Vader! zoo begint Hij. Doch hoe verder? Misschien: laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan? Neen, neen, de drinkbeker drinkt Hij gaarne. Hij weet immers, waarom Hij die ledigt. Misschien dan: „Vader! maak een einde aan mijne ellende?' Ook dat niet eens. Aan Zich zeiven denkt de lijder in het geheel niet, maar slechts aan zijne pijnigers en moordenaars. En wat bidt Hij voor dezen af? Het oordeel? O neen! O neen! Dan misschien verschooning en verzachting hunner straf? Mijne Vrienden! in den Bloedende bidt een Koning, en die geeft, waar Hij wil geven, niet ten halve. Vader! zoo roept Hij, vergeef het hun. Hoe? werkelijk hun? Wie meent Hij Toch wel niet de satanskneebten, die Hem aan het kruis hebben geslagen? Toch niet de gewetenlooze tijgers, die Hem thans nog met de vergiftige beten van bunnen spot bet vleesch afscheuren? Ja, zij zijn het; zij, die Hij bij zijne voorbede bedoelt; voor ben begeert Hij genade en vergeving. Wij buigen ons hoofd en bidden aan. Welk een woord! Vader! vergeef hel hun, en in die woorden, welk eene daad! Ja, deze daad is grooter dan de schitterendste wonderen, waarmede Hij als met blinkende gedenkteekenen zijnen weg door de wereld kenmerkte. Wel was de Christus schitterend schoon in de daad der verheerlijking op Thahor, doch hier blinkt Hij nog in meer verheven licht. Vergeef het hun! o hoe is het. mogelijk! Met deze woorden, die oprecht gemeend zijn, zoo als zij uitgesproken worden, bedekt Hij de met schuld beladen hoofden zijner moordenaren in eigen persoon met bet gouden schild der liefde, om hen tegen de pijlen van den welverdienden toorn Gods te beschermen. Met deze woorden , die zelfs de engelen in aanbiddende verbazing moesten brengen, neemt Hij de bloedhonden in de armen zijner barmhartigheid, en draagt ze de trappen van den troon zijns Vaders op, om ze aan zijne genade aan te bevelen. Want weet, het vergeef het hun! beet in Jezus' mond niet enkel: „Reken hun slechts dezen aan Mij gepleegden moordslag niet toe.'' Neen, waar Jezus zijn vergeef! uitspreekt, daar omschrijft het eenen wijden, zeer wijden kring; en omvat op uitwis-schende wijze het geheele zondenregister. In zijnen mond heet het vergeef: werp het geheele zondenbeeld huns levens in de diepte der zee. en gedenk aan geen hunner overtredingen meer, maar beschouw de zondaren voortaan als rein voor U, en handel met hen als met heiligen! Er zijn menscben op aarde, voor wien niemand meer kan bidden, omdat ze al te diep zijn weggezonken. Er zijn er ook, die niet eens meer wagen om voor zich zeiven te bidden, omdat hun geweten hun getuigt, dat zulke nietswaardigen als zij zijn, niet meer op verhooring mogen rekenen. Welk een uitzicht wordt aan lieden

ocr page 529

511

van deze soort alhier geopend! Ach, wanneer dan op aarde voor hen geen enkel hart meer klopt, zoo mogen zij weten, dat het hart van den Koning aller koningen nog voor hen slaat. Wanneer onder hunne vrienden dan ook niemand meer gevonden wordt, die hen voorbiddend gedenkt, dan schaamt Zich misschien de Heere der heerlijkheid nog niet, om hunne namen voor den troon des Vaders te dragen. O, welk eene hope Lot en bloeit er voor de wereld der zondaren op den heuvel Golgotha! En wanneer de groote Voorspreker daar voor eenen misdadiger tusschen treedt, hoe treft dat doel! Mocht eene gansche wereld zich er tegen kanten, Hij maakt zalig dien Hij wil. Met onafwijsbare macht dringt zijne stem tot het hart des Eeuwigen door. Zijne gebeden worden altijd verhoord. Bergen van zonden verstuiven voor zijne voorspraak. Hoe hoogst beteekenend en beduidingvol is het, dat de Heere met zijn Vader, vergeef! den zevenklank zijner kruiswoorden opent. Dat vergeef'! verlicht niet bloot den hemel der aanminnigheid en der liefde, welke Hij in zijnen boezem draagt, maar te gelijk schittert liet als een heldere bliksemstraal door het donker van geheel den lijdensnacht, en ontcijfert ons de geheimnisvolle houding, welke de Heilige Israels hier als Borg, Middelaar en Hoogepriester aanneemt.

Als Hoogepriester? Zoo vraagt gij. Zeker ja. Gij allen toch gevoelt het, dat Hij slechts in de hoedanigheid van zulk eenen, tot zulk eene bede als wij uit zijnen mond vernemen, komen kan. Wanneer wij deze Hem eigene Goddelijke bediening ter zijde stellen, dan komt deze bede ons voor als een reuzenslorm tegen de orde Gods. ja, als eene oproerige poging om den troon des Almachligen van zijne grondvesten, die recht en gerechtigheid heelen, af le rukken. Hoe kan de Heilige God met zondoren verkeeren? Kan Hij iels anders dan een „weg van Mij, gij bevlekten!quot; voor hen over hebben? Hoe, kan de God der gerechtigheid misdagers behandelen als rechtvaardigen? Moet Hij niet, wanneer Hij Zich zeiven niet wil tegenspreken, een' iegelijk vergelden naar zijne werken? Hoe zou het de God der wijsheid voegen, om blindelings in de menschenmenigte te grijpen, om dien, welken Hij grijpt, tot zijne heerlijkheid te verhellen. Past het niet veel meer, dat Hij zorgvuldig zifle en onderscheide, en zou het zonder dit niet gedaan zijn met zijnen roem een God van orde te zijn. Kan de waarachtige God wetten geven en bedreigingen uitspreken legen de overtreders, en nochtans, waar werkelijk de wet met voeten wordt vertreden, zijn vervloeid zij een iegelijk, die niel blijfi in al ivat geschreven staat in het boek der loet, door te begenadigen, breken en terug nemen? Onmogelijk. Wil Hij Zich zeiven niet aan gegronde beschuldigingen blootstellen, zoo moet Hij, ten spijt van alle menschelijk geroep: „vergeef, vergeef!quot; vloek uitdealen aan wie vloek toekomt, en toorn aan wie toorn toekomt Dat a1,es staat rotsvast en nochtrus, —

ocr page 530

ziot, finds heft hot zijne vleugels opwaarts naar den troon der majesteit , het groote vcvgccf! van den folterheuvcl, en kruist, naar liet schijnt, alle deze eeuwige en onschendbare stellingen en grenzen. Ja , het schuift de bergen Sinaï en Ehal ter zijde, en ontziet den Liierulj der wet niet, die de poorten van het Paradijs bewaakt, on in last hooft enkel heiligen daar binnen te laten. Onbekommerd over het vlammend zwaard, dat deze Cherub zwaait, verheit hot zich met schijnbaar ongehoorde stoutmoedigheid over do koperen muren der duizendvoudige Goddelijke vloek bedreigingen, die onverbiddelijk den onreinon den toegang tot Gods woningen afsluiten , en eischt in de scherpste tegenspraak met het onuitwischbaar opschrift van bet eeuwig heiligdom : Ik zal dien uil mijn bock delgen, die legen Mij zondint, vooi' rebellen. Godslasteraars en moordenaars begenadiging, ja de toelating in de woningen der zalige kinderen Gods. Zulke dingen doet het vergeef! ].;n het zou toch geene hemelbestorming zijn? Ja, mijne Vrienden. Het is eene hemelbestorming, maar eene volkomene geg-ondo en heilige. De genade begeerende liefde aan liet kruis is ook eene alle Gods ver-ordeningen onderdanige liefde. Wat baar van den schijn dei loeke-loosheid moge aankleven, is ook niet anders dan schijn. Zij weet wat zij doet, naardien zij haar vergeef! uitroept tot Hein. bi,] wion geene verandering noch omkoering is des lichts en der duisternis. Zij is zu h de welvoegelijkheden van het buis (iods wel bewust in het oogenblik, waarin zij zegen en vrijheid begeert voor lieden, die de wet vei doemt en ter helle verwijzen moot. Zij richt zich mot hare bode met tot eene Goddelijke willekeur, welke niet bestaat, maar beroept zich, gelijk op Gods barmhartigheid , zoo te gelijk op zijne gerechtigheid. Haar vergeef! stoot geene enkele der Goddelijke verordeningen om, maai laat ze allen onbeschadigd, ja onaangeroerd staan, want zij is zoo vei van te willen, dat de Almachtige in eenig opzicht Zich zeiven ol zijn woord verloochene, dat zij veelmeer de eer van God als het eerste en laatste doel van al haar doen en trachten voor oogen houdt. Doch kan Gods eer blijven bestaan, wanneer Hij moordenaren met genade-kroonen beloont? Ja, mijne Vrienden! Hij kan het, on juist dit is eene kennelijk groote verborgenheid der Godzaligheid, van welke hel liivan-o-elie voor ons het zegel afbreekt, dat zich echter alleen voor net geloof ontsluit. Deze Jezus, die hier voor zijne moordenaars bidt, staat hier ook in de plaats van deze moordenaars en vertegenwoordigt ze. Hebben zij de wet verbroken, zoo is Hij de liorg, die haar m hmine plaats vervult. Zijn zij doodschuldigen, zoo is Hij het Lam, dat Zich voor hen door God tot zonde maken liet, opdat de zonde hen met meer toegerekend worde. Hebben zij zich met den vloek der wet beladen Hij is de Middelaar, van wieu geschreven staat: Clmstus liecjt ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Zijn zij naar het recht van God de machten der duisternis onderworpen, Hij geeft Zich als een gewillig offer aan hare vurige pijlen ten prooi. Treft hen het oordeel: ten dage als gij van dezen boom eet zult (jij den dood sterven, Hij laat dit oordeel aan zijnen heiligen Persoon voltrekken, opdat het boeten kan: „Indien één voor allen gestorven is, zoo zijn allen gestorven.quot; Dus „voldoening, verzoening,

ocr page 531

plaatsbekleeding ?quot; Ja, mijne Vrienden! dit zijn de inlioudzware woorden, die den grond van liet recht uitmaken, door welke de voorbede van Jezus wordt gedragen. Thans moet de gansche wereld verstommen en de hel daarbij, wanneer God zelfs lasteraars en moordenaars, voor welke Jezus in de bres trad, in genade aanneemt. Want aan al de verordeningen van het eeuwig heiligdom is haar vol recht wedervaren, en de gerechtigheid op den troon kan geene tegenspraak meer doen, wanneer de eeuwige Liefde zondaren zegenend aan het harte drukt. Hoe troostvol en diep geruststellend is het ecliter de Goddelijk vergevende genade op zulke grondslagen te zien rusten! Thans begrijpen wij den klemtoon der volkomene zekerheid, de vastigheid en het toevoorzicht, waarmede bot groote woord; Vader! vevjjcef! oprees. De Hoogepriester spreekt het uit het allerheiligste, en wel in het oogenblik, waarin Hij de schuld der schuldigen betaalt. Dat Hij dit werkelijk doet, en dat hierin de ware beteekenis van zijn lijden te zoeken zij, dat wil Hij van zijne kruishoogte af eens voor altijd feitelijk der wereld van zondaren voor oogen stellen, en daarna zendt Hij juist uit zijnen bloede deze beslissende onvoorwaardelijke genadebcde ten goede van de ergste zondaren, zijne moordenaren, ten hemel.

111.

Doch hoe kon de Heere deze verharde booswichten der Goddelijke barmhartigheid aanbevelen? Verharden waren — let dit wel op mijne Vrienden! — juist die menscben, welke Hij op liet oog had, niet. Voor menscben, die de zonde ten dood begaan hadden, is zeker geen heil en geene redding meer, zoo als dan ook voor deze volgens de Apostolische aanwijzing, niet meer gebeden mag worden. De Heere weet echter wel wat Hij doet. Vergeef hun! zoo begint Hij, zeker geheel in het algemeen; doch spoedig begrenst Hij zelf zijne woorden, en wel zóó, dat bijvoorbeeld een Judas, on gewis ook menigeen van do oversten des volks, zich uit den gezegenden kring zijner voorbede ziet uitgesloten. Het toevoegsel: zij weten niet wat zij doe»,, trekt de grens. Door hetzelve neemt de Heere uit deze grooto menigte, die Hom omringt eene uitverkiezing van menscben, die zeker, voor het meerondeel, tot zijne kruisigers behooren geteld t? worden. Het waren lieden, die niet, gelijk als do Farizeën, die Jezus beschuldigden, dat Hij de duivelen uitdreef door den overste der duivelen, de zonde tegen den Heiligen Geest begaan hadden, maar in eene zeker niet onschuldige verblinding, Jezus ter dood overleverden. Let nu eerst op de hooge zelfbewustheid, dat de Heere ook hier wederom, op den ondersten trap zijner vernedering, in het: zij ivcten niet wat zijdoen, openbaart. Want wat is het toch, dat achter bet met nadruk uitgesproken ival verborgen ligt, dan een: „Wanneer zij zich bewust waren geweest, dat zij in Mij niet alleen met eenen Onschuldigen en Rechtvaardigen, maar ook met den Heere der heerlijkheid te doen hadden, zij zouden Mij niet gekruisigd hebben.quot; Dan ligt in het: zij

33

ocr page 532

514

weten niet wat zij doen, de gedachte: „Vader vergeef het hun, want terwijl zij Mij opolFeren, betalen zij onbewust het losgeld voor zich, en maken het daardoor mogelijk, dat Gij zonder uwe gerechtigheid te kort te doen, U over hen ontfermen kunt.quot; Eindelijk en voornamelijk is het: zij weten niet ivat zij doen, in dien zin op te vatten, waarin ik zou moeten verstaan worden, wanneer ik van iemand, tot wien ik gekomen was, om hem uit zijnen nood te redden, die echter, mijn oogmerk miskennende, mij harsch afwees, ook zeide: „Hij weet niet wat hij doet.quot; In zulk een geval zou mijne meening deze zijn. „Hebt een weinig geduld, spoedig, wanneer hij gewaar zal geworden zijn, wie ik ben en tot welk einde ik in zijne hut trad, zal hij zich bezinnen, en zich wel anders Jegens mij gedragen.quot; Ik zou alsdan met mijne woorden eene voorspelling uitspreken, want deze ligt ook onmiskenbaar in het: zij iveten niet wat zij doen van den Heere. Daarin ligt eene bedekte voorzegging van de toekomstige boetvaardigheid en bekeering van hen, voor wie Hij bidt. Immers hen wordt reeds door het: Vader vergeef het hun, eene machtige aandrang tot boetvaardigheid mede op weg gegeven, en eene liefelijke overgang of brug tot bekeering gebaand. En zie slechts een klein eind wegs vooruit, zoo ziet gij reeds allereerst in den Romeinschen hoofdman onder het kruis en diens schilddragers, deze voorspelling aanvankelijk in vervulling komen. Beschouw dan de volksmenigte, hoe zij, slaande op de borst, van Jeruzalem naar Golgotha terugkeeren, en, ten minste gedeeltelijk, onmiskenbare sporen van oprecht berouw laten zien. Zeker waren onder hen ook zij, wien het: Vader vergeef het hun! ook gold. En waren zij niet onder deze, dan ongetwijfeld onder de drie duizend, wien op het Pinksterfeest, het woord des Apostels door het hart ging. Want hoortaldaar Petrus zeggen: Bezen Jezus, zegt hij, dien gij gekruisigd hebt, heeft God tot eenen Heere e)i Christus gemaakt. De geschiedenis echter meldt van deze kruisigers: Toen zij dit hoorden, zeiden zij, [lij mannen broeders, wat moeten wij doen? Ja, deze waren het, die eenmaal niet wisten wat zij deden. Thans werd het hen bekend. O, hoe sloeg thans nog nadrukkelijk het: Vader vergeef het hun! nederbuigend en verpletterend op hunne harten! Hoe stortte zich eerst thans de liefde, die zich in deze woorden eenmaal had te kennen gegeven, als een versmeltende ovengloed door hunne zielen! Wee! hun eenigen Redder en Zaligmaker sloegen zij aan het kruis. Hoe zou bet mogelijk geweest zijn, dat onder zulke omstandigheden hunne oogen niet tot fonteinen van tranen zouden worden. De boetvaardigheid echter, die den troost der vergeving eerst den weg in hun binnenste bereidde , voleindigde zich dan nu ook in de overgave aan den Heere, en in getrouwheid jegens Hem tot in den dood. Ziet, zoo heeft het; Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, de door God eens voor altijd vastgestelde heilsorde, in geen opzicht veranderd. De gerechtigheid bleef in haren luister, uit kracht van de genoegdoening van den ééniggeboren Zoon, en de orde des heils ontving, in de te zijner tijd zich openbarende boetvaardigheid en bekeering van hen, wien het: Vergeef het hun! gegolden heeft, haar volle recht.

Verheugen wij ons dan, geliefde Broeders! dat het begeerlijkste en

ocr page 533

515

önontbeerlijkste aller goederen, de Goddelijke vrijspraak, do vergeving der zonden, ons zoo volledig en op zulk eene rechterlijk geldige wijze verworven werd. Wat baten ons al de scliatlen dezer wereld, zoo wij ons niet kennen als opgesch re venen in den hernel tot erfgenamen Gods? Bedenkt echter, dat de ons aan het kruis verworvene vergeving, ofschoon zij altijd een geheel vrij geschenk der genade is, nochtans eenwiglijk denznlken onthouden blijft, die weten wat zij doen, die weten, dat zij Christus hun hart weigeren, en dat zij even weinig donznlken ten deel valt, die in hunne onwetende en door waan versterkte wederstrevigheid jegens Hem, volharden. Daarom opgestaan uit den doodslaap der gerustheid! Hot Farizeeuwsch bedrog vaarwel gezegd! De zonde, die ons aankleeft, als zonde erkent en veroordeelt en dan (dit is de weg, die ten leven leidt,) boetvaardig en geloovig tot het kruis getreden met de woorden van den zanger:

Mijn hart verwerpt den ijdlen schijn,

En zoekt naar hooger waarde;

Naar schatten; die veel hooger zijn.

Dan hemel, zee en aarde.

Wat hier geen eeuwige vruchten draagt.

Verwerp ik, schoon 't mijn vleesch behaagt:

Ik heb mijn rust gevonden.

Mijn zielevreugd , mijn hoogste goed,

O God en Heiland, is uw bloed.

Het zoenbloed uwer wonden.

Ajien.

ocr page 534

h E 1! E Iv E E R D E M O O 11 D E N A A R.

Wanneer de Apostel (ITehr. 0 ; 8) betuigt, dat, zoo lang do eerste tabernakel nog stand had, de weg des beiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, dan komt liet bem ook niet van verre in de gedachte, oin den Oud-Testamentischen geloovige eenigszins de bope des eeuwigen levens te willen ontzeggen. Gelijk reeds Abraham die stadzoebt, welke fundamenten beeft, en wier Rouwmeester God is, zoo weet ook David, dat de Heere vaak uitvoert uit den dood, en de beide wonderen van wegneming aan llenocb en Elia geschied, stonden klaar genoeg aan den hemel der geschiedenis, om in Israël door middel van dezen lichttoren-glans de bewustheid eener toekoinct.de wereld tegen elk gevaar, ook van eene slechts tijdelijke verdonkering te beveiligen. Nochtans, al werd ook het bestaan van het bemelsch heiligdom niet betwijfeld, zoo lag echter de weg derwaarts nog in wolken en de hope op eene toekomstige opneming daarin was wankelend en zwak. Waarom'? In de dagen, toen de wet nog regeerde, overwoog in Israël bet gevoel van schuld dat der rechtvaardigmaking verre. Ja, van rechtvaardigmaking in den vollen zin van dat woord was iu bet algemeen nog nauwelijks sprake, veelmeer kwam de troost van oogenblikkelijke strafbevrijding en vergeving voor , als bet hoogste, waartoe een Godvruchtig zondaar komen kan. Ook voor den vroomste bleef God vreemd en ver '), en de woonstede Gods trad voor bem, gelijk het heilige der heiligen in den tempel in ondoordringbare omhullingen en ongenaakbare afstanden van hem af. En boe begrijpelijk was dat alles! De verborgenheid van de wederbekleeding van den gevallen zoon van Adam in het. oude sieraad zijner oorspronkelijke heiligheid, door middel van de overdracht eener vreemde gehoorzaamheid, lag nog, ofschoon van verre getoond, onder zeven zegelen besloten. Christus moest eerst werkelijk verschenen zijn, en zijn werk historisch voleindigd hebben, eer de bewustheid van het kindschap Gods en met hetzelve de hope des eeuwigen levens in de harten van arme, beschroomde zondaren plaats vinden en wortel vatten kon. Christus kwam. En wilt gij zien, boe Hij den tot hiertoe gesloten, of toch al-

') Het is onbegrijpelijk, hoe de Eerw. Krummacher, die zijnen Bijbel zoo goed kent, en die derhalve in de Psalmen de allerinnigste gemeenschap der heiligen met God, en in de Profeten de allerdiepste inzichten in het werk der verlossing voor oogen heeft, hier zoo eenzijdig kan spreken.

I)e Vert.

ocr page 535

517

tijd tioy diep bewolkten weg naar liet heiligdom, en liet heiligdom zelf geopend heeft, zoo volgt mij heden naar Golgotha.

Luc. 23 : 39—43.

En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende : Indien Gij de Christus zijt, verlos U zeiven en ons. Maar de andere antwoordende, bestrafte bem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelf de oordeel zijt? En wij toch rechtvaardiglijk ; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen ivij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En bij zeide tot Jezus: Heere! gedenk mijner als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot bem: Voorwaar, zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn!

Welk eene geschiedenis. Ik zou nauwelijks eene tweede weten, waarin het aantrekkelijke met liet eerhied gebiedende, het roerende met het verhevene zich zoo samensmelt als in deze gebeurtenis. Zij is van ouds bekend, en toch altijd weder nieuw; ontelbare malen bo-schouwd en toch nooit uitgeput. In welk oenen glans verschijnt ons bier bet kruis! In welk eene verheerlijking het bloed, dat er aan vergoten werd! Komt, treden Avij mot onze aandacht nader tot eene gebeurtenis, waarin zich niets minder dan eene proeve van het jongste oordeel aan ons voorstelt, waarin de hemel en de hel zich voor ons openen en de loten der beslissing ter rechter- en ter linkerzijde vallen. Wij doen eenen blik

I. in de harten der beide moordenaren, en dan

II. in bet groote koninklijke woord der belofte van Immanuël.

Een beeld der menschheid in de verscheidenheid van hare betrekkingen tot Christus, schemert in deze beteekenisvolle aanschouwing voor ons omhoog. God verleene ons in genade, dat wij ons zeiven met goeden grond in don gehangene ter rechter zijde mogen herkennen !

I.

Den blik omhoog! De drie sterfsponden ginds tusschen hemel en aarde, maken het middenpunt onzer tegenwoordige beschouwing uit. De drie ter dood bloedende zijn, in zoo verre in gelijke omstandigheden als zij allen op de laatste rustplaats hunner aardsche pelgrimschap zijn aangekomen, en onmiddellijk voor het ernstig duister voor-

ocr page 536

518

liangsel der eeuwigheid zweven. Die daar in het midden hangt, haalt, ofschoon van den wildsten storm omgeven, met kalmte het zeil ter invaart in de haven neder. De heide anderen echter zien er uit als schipbreukelingen, als bedreigd met den vreeselijksten ondergang en met de hranding worstelende. Zij Hadden hun hart geopend voor den waan, en jaagden met de oproerige leus: „Vrijheid, gelijkheid en genot!quot; de tijdelijke genietingen na, en werden onophoudelijk van zonde tot zonde voortgesleurd, eindelijk als muitelingen gegrepen en lot verzoening der geschondene burgerlijke gerechtigheid aan het kruis geslagen. Het genot is kort, het berouw langdurig. Wat anders brachten zij uit hun godvergeten leven als buit mede naar huis, dan behalve de lichamelijke ellende, waarin wij ze zien versmachten, den worm, die niet sterft, in hunnen boezem, en in hun gebeente het vuur, dat niet wordt uitgehluscht. O onverstand en razernij, om zich, in plaats van in den dienst van God, den Allerhoogste, in die des duivels te begeven , wiens kostbaarste belooningen altijd enkel Belsasars-feesten en beulsmaaltijden zijn. Millioenen zondaren hebben het met het schrikverwekkend voorbeeld van hun levenseinde, luider dan het met woorden geschieden kon, der wereld toegeroepen: „Gij, die aan de scheidswegen staat, gaat om Godes en om het heil uwer zielen wil niet links af, want links af gaapt de mond der helle.quot; Nochtans zijn zij niet te tellen, die zonder ophouden, gelijk de kudde zwijnen, waarin de onreine geesten voeren, hunne verdwaasde voorgangers, tuimelend in de zee des verderfs naspringfen, en hot gehuil der wanhoop in de eeuwige woestijn neemt van de eene nachtwake tot de andere toe.

De beide misdadigers hebben eenen tijd lang zwijgend aan het kruis gehangen, maar van den verwonderlijken Man, die hun ter zijde hangt, met zijn bloed als bedekt, en in wien de levensvolle en lichamelijke verschijning eener bovenmenschelijke heiligheid en liefde, ook hen geenszins ten eenenmale verborgen bleef, kunnen zij den blik niet afkeeren. Eindelijk doet zich de eene ter linkerzijde hooren, doch weer op eene geheel andere wijze dan wij liet hoopten. Mede instemmende in de lasterlijke taal, welke zoo even van beneden uit het volk naar het geslacht wordend Lam opsteeg, spreekt hij tot den Man in den doornenkroon: Indien gij de Christus zijt, zoo helpt U zeiven en ons! Zeker is de zin dezer woorden op zijn minst genomen, dubbelzinnig. Onmiskenbaar hoeft ook deze moordenaar van den Man aan zijne zijde den indruk ontvangen, dat deze, wanneer Hij slechts wilde. Zich ze! ven en hen wel zou kunnen verlossen, en zoo zou zijn woord tot Jezus, beschouwd kunnen worden, als eene, ofschoon wanhopige, poging, om den Heere bij diens eergevoel aan te grijpen, en Hem daarmede tot eene daad van redding te bewegen. Doch het mistrouwen, dat hij in des Heeren bereidwilligheid tot het doen van zulk een wonder stelde, overtrof bij hem verre weg de hope er op, en zoo kwam zijn woord tegelijk, ja bij voorkeur als een kreet van vergramdheid tegen, en verbitterde trotseering van Jezus, uit zijn hart. Doch wie gaf hem het denkbeeld in, dat de Heere, wanneer deze het vermogen er toe bezat, hem nochtans niet zou willen helpen? Zijn geweten getuigde hem dit. De vlekkelooze reinheid van den geheimzinni-

ocr page 537

gen Lijder, wierp ook, tot zelfs in den donkeren spiegel van de bewustheid dezes kwaaddoeners eenen helderen wederglans, en veroordeelde hem uit kracht der bloote ontvouwing van haren glans in zijn binnenste, het gemoed eener zedelijke misgeboorte. Doch was dit innerlijk gericht geen zegen voor hem ? liet had hem tot eenen zegen kunnen worden. In elk geval voerde het een beslissend oogenblik in zijn leven voor hem aan. Had hij aan de op hem toedringende waarheid plaats gegeven, en gelijk het verheven beeld van den Heilige hem oordeelde , aldus zich zeiven geoordeeld, hij zou alsdan zijnen voet op den weg des heils geplaatst, en zijne arme ziele, hoe diep gevallen zij ware, gered hebben. Doch hij wilde zich zeiven in zijne bedelaars-hoogmoed staande houden, en in plaats van boetvaardigheid en ootmoedigheid, ontstond in hem een duivelscbe haat tegen Hem, die reeds door zijne tegenwoordigheid het brandmerk der nietswaardigheid hem aan bet voorhoofd drukte. Zoo ging dan als een vergiftige adderenbeet bet woord van hem uit: Indien Gij de Christus zift, verlos U zelvcn en ons. Verlos U zelven, ellendig menscb! boe zou Hij, Wien hot iets gerings was, om met een enkel woord de banden der hel en des doods los te maken, Zich zelven niet hebben kunnen helpen, wanneer geene boogere redenen Hern tot het tegendeel hadden doen besluiten. Verlos ons! O, vermetelheid zonder wedergade, om den Heere van den hemel, in het woordje ons, inet zich, het kind Belials, op eene lijn naar beneden te plaatsen, en bovendien nog aanspraak te maken op de hulp van Hem, tegen Wien bij zijn hart verharde en verstokte! Doch nagalmen van den in bitteren gal gedoopte woorden des gekruisten moordenaars, klinken ons nog altijd menigvuldig genoeg in onze ooren. Hoe dikwijls hooren ook wij , met schamper geplooiden mond, zeggen: „Zwijgt maar van uwen God; want zoo Hij bestaat, [waarom laat Hij ons in onze ellende zitten?quot; Ontzettende hoogmoed van den diep gezonken zondenworm, mensch genoemd. Wat verdient gij toch meer, trotsch oproerigen tegen do ordeningen zijns Koninklijks! dan dat Hij u in uwe nooden laat versmachten. Zit eerst in assehe neder, en onderwerpt u onvoorwaardelijk onder zijnen scbepter, en wacht dan af, of Hij misschien genade voor recht over u zal laten gaan. Doch juist dit vermoogt gij niet, en gij vindt u van wege uwe wederstrevigheid in uw binnenste geoordeeld. Het pijnigend gevoel van zijnen toorn doet echter in uw hart de verheffing tegen Hem ontslaan, en vjltooit uwen afkeer tot haat en verbittering. O zij, met hunne vloekliederen tegen den ouden God, de van woede schuimende lasteraars van Jehova, wier getal in onze dagen Legio beet, getuigen door hunne lasteringen niet anders dan voor den Hoogverhevene, tegen Wien zij, in hunne razernij, bet schild opbellen. Want van waar ontstaat hun grimmig blaffen tegen den Allerhoogste, wanneer zij niet zijne rechterlijke hand op hunnen hals gevoelden? Van waar hunne altijd herbaalde, en hartstochtelijke ontkenning, dat Hij bestaat, wanneer zij zich niet door zijne Heiligheid ingemuurd en beklemd gevoelden? Van God maakt zich nu eenmaal niemand ten volle los. Veel meer is ieder gedwongen, Hem op zijne wijze mede te helpen verheerlijken. Kort hij God niet met zijne liefde, zoo eert hij

ocr page 538

520

Hem met zijnen haat. Dat God een verterend vunr is, betuigt zoo wel de titan in zijne bestorming van den hemel, als de seraf op de lid it vleugelen zijner aandacht en liefde.

De gekruiste moordenaar aan de linkerzijde verkrijgt geen antwoord. Voor den roover en moordenaar was nog hulp geweest, maar voor den onboetvaardiger! spotter en het verharde kind des ongeloofs is er geene redding meer. De Heere moet den rampzalige laten varen. Denkt eens na: de Heere, de eenige Redder in hemel en op aarde! Wie siddert niet, maar God is een God van orde, en ook zijne genade is geen willekeur. Keert thans uwen blik ter rechterzijde van don Goddelijken Lijder. Hier wordt eene aanschouwing voorbereid, waarin zich onze ziele van de ontroering, waarin zij door het voor-afgaando werd gestort, weder herstellen kan. De liefelijkste tegenstelling wordt ons in den anderen gekruisten moordenaar gegeven, die wel niet minder diep in schuld nederligt, maar dien wij echter aan den rand der hel, ter goeder ure den strik des satans verbreken en van zich werpen zien, en zich dan zien verplaatsen op eenen weg, die ook nog op de laatste rustplaats vóór den afgrond des verderl's, niet te laat betreden wordt. Wat op het hart van dezen man, die zoo als men uit de Evangeliesche berichten zou opmaken, niet lang (e voren, nog zelfs in de algemeene spotternij tegen Jezus mede ingestemd had, bij uitzondering zulk eenen geregelden en krachtig om-scheppenden invloed uitgeoefend hoeft, wordt ons niet uitdrukkelijk gemeld. Zeker was het echter, zoo niet het woord des Heeren op den weg: Weent niet over Mij; maar weent over u zeiven en over uwe kinderen! dan toch zijne bedreigende toeroep: Indien men dit doet aan het f/roene hout, wat zal aan liet dorre geschieden. En zoo ook niet dit woord, dan toch onfeilbaar zijn in het hart grijpend gebed voor zijne moordenaren, en over het geheel, de gelieele glans der hoogheid en heiligheid, waarin Hij blonk. Genoeg, de verandering die zich in het binnenste van den armen zondaar voltooid had, openbaart zicli als eene doortastende en beslissende omkeering, en komt, ten minste genomen, voor als het begin eener volledige wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen (1 eestes. Ginds hangt hij nog zwijgend aan zijn kruis, maar elke trek van zijn naar den Goddelijken Lijder toegekeerd aangezicht spreekt, en opent ons blikken in de wereld van zijn binnenste. Men ziet het duidelijk, dat de booze geesten van hem geweken zijn, en dat nu een heilig engelenheir van heilige gedachten en bewegingen door zijne ziele trekt. De schampere uitval van zijn tried gezel in het onheil, ter linkerzijde van Jezus , maakt hem liet eerst de in ootmoed en eerbiedigheiil zwijgende tong los. Hij moet zijne tegenspraak doen hooien tegen het samenvattend ons in het lasterlijk; Verlos ons, indien (jij de Christus zijt! Hij moet zich opent lijk afscheiden van zulke lastering. Hij kent liet gewicht even als den ontzettenden ernst van het oogenblik, dat in liet aangezicht van de zich openende eeuwigheid tot hem spreekt, en hij wil zich, ten opzichte van de betrekking tot den met doornen Gekroonde, niet meer in eene geestelijke gemeenschap met zijn medeschuldige gerekend hebben. Hij heei't aan den verheven Man genoeg

ocr page 539

521

gezien en genoeg van Hem gehoord, om tot zich zeiven te moeten zeggen: deze is de beloofde Troost van Israël, of de Troost zal nooit komen. Hij ziet in Hem, even als in eenen helderen spiegel, zijne eigene verwerpelijkheid, zoo ook te gelijk den eenigen en laakten ankergrond voor zijne hope. Onheschrijtelijk is daarom de ontzetting, die hem bemachtigt, toen het schendig woord van zijnen mpdegehan-gene gehoord werd. En rjij, zoo begint hij, zeker oordeelende, maar daartoe bevoegd, omdat hij zich zeiven eerst geoordeeld heeft; vreest (jij ook God niet, daar (jij toch in hetzelfde oordeel zijt. Ach , hem zeiven sidderde het gebeente, bij de gedachte aan den Rechter van levenden en dooden. „En gij, dat is de zin zijner woorden, die zelf aan den sterfpaal met uw bloed bedekt en de eeuwigheid zoo nabij zijt als ik, vreest gij niet voor God, die voor de zondaren een verterend vuur is, en die, even zoo zeker als Hij dezen Rechtvaardige rechtvaardigen zal, dien moet vloeken, die, geiijk gij, zich vermeten Hem te honen? Dwaalt niet. God laat Zich niet bespotten.quot; O, hoe roerend en in het harte grijpend is deze boetpredikatie van don eenen veroordeelde jegens den anderen. Doch hoort hem verder. En ivij — zoo gaat hij voort — zijn rechtvaardiglijk in dat oordeel, want wij ontvangen straf waardig naar wij gedaan hebben. O, hoort deze taal van oprechte ootmoedigheid voor de majesteit der wet! Hoort deze luide zelf-aanklacht, waarin hij zich zeker, wat de schuld aangaat, met den anderen moordenaar volkomen gelijk stelt. Voorzeker, waar zulk eene taal gehoord wordt, daar maakt zich reeds de hemel gereed, om het witte vaandel uit te steken. En nu moet niemand denken, dut er aan zulk eene taal iets onteerends kleeft. Integendeel is zij de taal van mannelijke zelfbevrijding uit den strik der leugen , eene moedige hulde aan de waarheid gebracht, en eene besluitvaardige ommekeer van den weg der duisternis op dien van het licht, en van het heil Gods. Eene der meest gewone kunstgrepen van den vorst dezer wereld, waardoor hij zijne slachtoffers aan zijne banier weet te boeien bestond van ouds daarin, dat hij den mensch de boetvaardigheid als iets onwaardigs, vernederends en vrouwelijks zocht voor te stellen. Wij houden het er voor, dat integendeel nauwelijks iets verachtelijker zijn kun, dan opzettelijk den spiegel te vermijden, die ons de dingen toont, zoo als ze zijn, en op het rustbed cener jammerlijke zelfbegoocheling zijn welgevallen vindt. Doch laat ons den Kruiseling zelf hooren. Maar Deze — zoo guat hij voort — heeft niets onbehoorlijks gedaan. Welk een nieuw en liefelijk getuigenis voor de onschuld van Jezus! O, hoe moet het uit de geheele verschijning des Heeren duidelijk te lezen geweest zijn, dat Hij, gelijk de Apostel zegt, geene zonde gekend heeft. Uit al den smaad en de beschuldiging, waarmede de hel hem lasterend als met zoo vele wolken omhulde, brak altijd weder het licht zijner Goddelijke onbestralïe-lijkheid en schoonheid zoo zegepralend te voorschijn, dut de blindsten verwonderingvol daarvoor terugbeefden, en zich in ieder oogenblik zijne bekende voorspelling bijna woordelijk vervulde: wanneer deze zwijgen, zoo zidlen de steenen mede Hosanna roepen.

Doch hoort nu verder. Thans volgt bet waarlijk meest verbalende.

T

ocr page 540

522

Het werk der genade in het hart van den kruiseling werpt zijnen laatsten sluier af. Wie zou hebben kunnen denken, dat wij op zulk eene huiveringwekkende boogie zoo iels zouden hebben gehoord en gezien! Nadat de bekeerde moordenaar zijnen medegehangene terecht gewezen, en hem bet eenige wat noodig is zoo ootmoedig en liefderijk als nadrukkelijk en ernstig aan liet hart gelegd heeft, neigt bij zijn aangezicht weder naar den Man, die boe langs hoe meer zijne eenige hope en zijne geheele liefde werd, en zegt tot Hem, zoo geheel zon-der aansprakelijkheid also otmoedig, vol overgegevenheid en vertrouwen: lïccre, gedenk mijner, wanneer Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. Wat is dit! Wij zijn verrast, wij kunnen nauwelijks onze ooren gelooven. Welk eene belijdenis! en dat in deze omstandigheden, en van de lippen van dezen man. Hier is een Goddelijk belderzien in den diepsten nacht. Immers eens apostels verlichting reikte nauwelijks tot de geloofsboogte van dezen moordenaar. Heere! zegt hij, niet Rabbi, neen, geen Leeraar of Meester. In het Kyrie geeft bij Hem den majesteitstitel. Uit de geslalte van eenen vertreden worm grijpt, hij hiermede den Uemelschen Koning der eere aan. „Al moogt (lij — dit wil hij zeggen — nog zoo diep in smaad en ellende gehuld zijn, ik ken U nochtans. Gij zijt meer, oneindig meer dan alle men-schen zijn. Gij zijt niet van de aarde: Gij kwaamt van boven.quot; Gedenk mijner — zoo gaat liij voort — met onuitsprekelijke toeneiging en het vertrouwelijkst kinderlijk smeeken. O, hoe rijk aan inhoud is deze zucht! Zij is de uitdrukking der levendigste overtuiging van bet bestaan eener toekomstige wereld, want geenc hulpe voor den lichamelijken nood, waarin hij verkeert, maar geheel iets anders en boogers begeert deze kruiseling. Het is verder een luid getuigenis Aan de noodzakelijkheid van een middelaarschap, wanneer zondaren zalig zullen worden. „Treed voor mij in — dit wil hij zeggen — spreek goed voor mij, zondaar; geef een woord van aanbeveling voor mij.quot; Ja, bet is de onverholen belijdenis: „Gij, Man in de doornenkroon, zijt de Middelaar: daarom vlied ik tot U met het vooruitzicht, dat uwe voorspraak bij den Vader, en ook deze alleen mij van den eeuwigen dood redden zal.quot; Op het smeekend: Gedenk mijner! laat de moordenaar volgen: wanneer Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. Wat. wil hij hiermede zeggen? Misschien: „Uw ontwerp is niet verijdeld! Sterf slechts, ook uit den doodskerker gaat Gij zegepralend weder uit. Uw koninkrijk zal zegevieren en uw troon eeuwiglijk bestaan?quot; Gewis, Geliefden! niet anders dan dit beeft hij in den zin. „U — dit wil hij zeggen — behoort de wereld, de banier van uw vrederijk waait van de eene pool tot de andere. Wanneer gij dan uwen troon gevestigd zult hebben, o zoo verwaardig ook mij, den armen gekruisten moordenaar, de opneming onder de ge rings ten uwer knechten.quot; Ziet, dit is zijne meening. Welk een heraut van Christus in den diepsten lijdensnacht! Welk eene heldere leidstar voor allen, die op de van storm bewogen zee des levens nog de haven der rust zoeken! Men moet verbaasd staan over het hoog en doorgrondende geloof van dezen kruiseling. Doch gij overtuigt u bier opnieuw, hoe snel zich voor de ontwaakte behoefte naar heil de diepste verborgen-

ocr page 541

523

lieden des levens ontsluieren. O, werdt ook gij u slechts eens van de smarten uwer God vervreemd heid bewust, en gevoelde! gij, dat gij niets zoo zeer noodig hebt dan genade, voorwaar, ook op u zou spoedig de Geest der verlichting nederdalen, en ook gij zoudt, hoven alle uwe twijfelingen verheven, in het Evangelie en zijne heilsorde niet enkel wijsheid, samenhang en Goddelijke rede aanschouwen, maar te gelijk den eenig denkbaren weg van redding van wezens, die — wie zich nog ook altijd durven verstouten liet te ontkennen , doch niet ontkennen kunnen — schuldenaren zijn voor de wet en den roem missen, die zij voor God moesten hebben. Ja, alsdan ontmoet ons weldra van uwe lippen het woord, dat niet minder den koning op zijnen troon, en den held der deugd in zijne burgerkroon, als den bedelaar achter zijne heg en den tuchteling in den keten het wachtwoord aanwijst, waarvoor alleen de wachter bij de hemeldeur eenmaal het zwaard voor u zal laten vallen, ik meen het: Heere! gedenk mijner, wanneer Gij in uw koninkrijk /uit gekomen zijn.

11.

De gekruisigde moordenaar heeft gesproken. Hoort nu des Ileeren antwoord. Het meest groote en grootsche wil zich hier voor ons ont-sluieren. De Hooge en Verhevene, die de kruiseling achter de met doornen gekroonde bloedige gestalte ontdekt, treedt nu werkelijk in de volle glorie van zulk eenen te voorschijn. Golgotha wordt tot eene hoogte der krooning, het kruis tot den troon der wereld rechters. De Man met de doornenkroon neemt het tot Hem gerichte gebed van den armen zondaar aan, en drukt zijn hoog geloof het bevestigend zegel op. Neen, geen afwijzend; „gij vergist u met uwe verwachtingen.quot; Geen terechtwijzend: „gij dweept on verwacht van Mij te groote dingen.quot; Maar veeleer: „hoop nog stoutmoediger, want gij vergist u niet in Mij.quot; Met de volle bewustheid van den Eengebo-rene des Vaders, die Hij was, én van den waren en eenigen Middelaar tusschen God en de menschen, zegt Hij, den blik vol vriendelijkheid en genade naar den biddende gewend en luide, zoodat allen, die rondom staan, het hooren; Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in hel Paradijs zijn! Daar hebt gij het groot koninklijk woord, dat, wanneer het ook slechts het eenig getuigenis door Jezus van Zich zeiven was, de vraag: wie Hij was? altijd beslissen zou. Daar hebt gij het woord, dat de macht des doods verbrekend en eenen hemel vol troost ontsluitend, als een toonaccoord des vredes uit het Paradijs reeds over millioenen van stervelingen geklonken beeft. Het woord, dat ook in onze ooren eens moge klinken, wanneer onze voeten reeds wandelen in het donkere dal! Hot woord, dat de geheele vrucht des lijdens en stervens van Jezus Christus den bloed bruidegom in eenen greep te zamen vat! Daar zweeft het heen met zijn zalig geluid, en zoekt ook onze harten, om er reeds nu een gedeelte van den hemel in over te brengen, U, neemt dat woord

ocr page 542

524

■wel in acht! liet is de kostelijkste gave, die de Heere van zijn kruis af ons in den schoot geworpen heeft.

Iedere lettergreep van het woord worde wel door ons overwogen. Voorwaar, voorwaart zoo begint de Heere, en dit amen of voorwaar Is het zegel aan zijn woord. Hoe zwaar weegt de verzekering uit zulk eenen mond, op den dorpel der eeuwigheid uitgesproken! Hoe is zij er zoo geheel toe ingericht om al onze twijfelingen te verstrooien. Onuitsprekelijk verheffend is het zien van de vollieid van vertrouwen en zekerheid, welke zich in den toeroep des Heeren aan den kruiseling kenbaar maakt. Rotsvast staat het voor Hem zeiven, dat Hij de weg, de waarheid en het leven is; onwrikbaar vast, dat Hij de sleutels van hel en dood draagt, den zondaar door de doodsnacht in het eeuwige leven voeren zal, en dat het gindsche leven een zalig, een paradijsleven is. Hoe echter strekt deze zijne eigene zekerheid ons geloof en Hem tot bevestiging en verlevendiging! Wat naast dit zijn vertrouwen in zijne woorden ons zoo hoog verrukt, is de in het hoogste koor doorklinkende wedergalm van des armen zondaars bede. Het Heere! van den bekeerden moordenaar wordt door den met doornen gekroonde beantwoordt met zijn: He zeg u. Want wat wil dit anders zeggen dan; „Ik ben het. Gij hebt niet in Mij misgetast, gij kunt niet te hoog van Mij denken.quot; Op het gedenk mijner, volgde des Heeren; gij zult mkt mij zijn, dat is. Ik zal u niet behoeven te gedenken, want men gedenkt de verren en niet de tegenwoordigen. liet gedenk mijner wanneer, beantwoordt de Heere met zijn heden. „Niet eerst in de verre toekomst — wil Hij zeggen — maar reeds heden is uw verlossings- en kroningsdag.quot; Op des kruiselings; wanneer Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn, antwoordt de Heere; „Ik ben reeds Koning! Ik neem u mede in het Paradijs; met deze bloedende hand open Ik u de poorten van de wereld der zaligheid.quot; De woorden van den verheven Lijder tot den kruiseling werken eindelijk ook daardoor zoo weldadig op ons in, dat zij een onbedriegelijk getuigenis van de volkomenheid en algenoegzaamheid van de door Hem tot stand gebrachte verlossing voor ons in zich dragen. Want op welken grond geschiedt het, dat Jezus eenen zondaar, wien naar het recht van God de vloek der wet moest treffen, zoo geheel verzekerd in plaats van den vloek de zaligheid belooft'? Niet op grond van eene willekeurig Goddelijke vrijspraak , welke met het wezen van eenen volkomen God nimmermeer bestaanbaar is. Niet op dien van eene onderstelde zwakke vaderlijke liefde Gods, voor wiens oogen ten laatste het verschil tus-schen rechtvaardigen en onrechtvaardigen verdwijnt, en die baren troon op de puinhoopen der heiligheid, rechtvaardigheid en waarheid zou moeten vestigen; maar Hij belooft het Paradijs enkel en alleen op grond van zijn eeuwig geldend Middelaars en Hoogepriesterlijk werk.

Het is eene groote, zinrijke en gedachten vol Ie aanschouwing, hetwelk zich daar aan de drie kruisen op Golgotha aan ons voorstelt. Een beeld der wereld is het! Ghristus in het midden; doch den een is Hij gezet ter opstanding, den andere ten val; een reuk des levens ten leven voor deze, een reuk des doods ten doode voor gene. De beminnelijkheid van Jezus viert daar hare zegepraal, en verschijnt er

ocr page 543

525

in de stralen der verheerlijking; want ziet, een zondaar te zijner rechterhand en een zondaar te zijner linkerhand, doch Hij schaamt Zich zoo weinig over dit gezelschap, dat Mij veelmeer in haar, omdat Hij hier zijne liefde jegens menschen bewijzen, hier genezen en redden kan, zich recht te huis en in zijn element gevoelt. Gij ziet verder aan zijn kruis eene feitelijke uitlegging van zijn woord: Ik ben de tuecj, de waarheid en hel leven. Want wie dient den moordenaar ter rechter, in tegenstelling van zijn medgezel in het onheil ter andere zijde, als brug, over welke hij uit den toestand des vloeks tot die der genade overgaat? Wie wordt dezen, en tot eene zekere hoogte niet minder zijnen lotgenoot, alleen door zijne tegenwoordigheid het wonderbaar licht, welks stralen zijn binnenste verlichten, en alle drogbeelden der waan hem als door weerlicht doen verdwijnen? En wie neemt hem ten laatste de bewustheid des doods uit het hart, en stelt er voor in de plaats de zaligste en levendigste levensverwachting; ja, stort reeds aan deze zijde der eeuwigheid in zijn hart een nieuw leven des vredes der bovenaardsche vreugde, van het Goddelijk gevoel en van het liefelijkst heimwee des hemels in? Is het niet de met doornen gekroonde Lijder ginds, die dit alles werkt? Eindelijk geeft ons het gebeurde op den folterheuvel eene veraanschouwelijking van de onmetelijke macht en wondere werkzaamheid der verdiensten van onzen grooten Hoogepries-ter. Want gelijk het heden in des Heeren aankondiging, alle toekomstige vaag- of zuiveringsvuur voor zijne geloovigen voorstelt als in zijnen bloede voor eeuwig uitgebluscht, zoo geeft ons het; heden zuil (lij met Mij in hel Paradijs zijn, (hetzij door het Paradijs, zoo als wij voor ons gelooven, de hemel zelf, of, zoo als anderen het ervoor houden, een voorpoort des hemels te verstaan zij,) een groot bewijs voor de waarheid, dat Christus' priesterlijke voldoening volkomen genoegzaam is tot rechtvaardigmaking en zaligmaking van den zondaar. Zeker moet het wel goed in aanmerking genomen worden, dat deze ééne moordenaar zich in eenen staat van ware en hartgrondige boetvaardigheid bevond, en naardien hij in de bekeering de zonde afbrak, met het levend geloof aan Jezus, voor wien hij zijn hart geopend had, alle kiemen van eene daarop volgende heiligmaking in zich opgenomen had, kiemen, die zich weldra reeds onder anderen in de medelijdende liefde, waarmede hem de bedenkelijke toestand van zijnen medeschuldige ter harte gaat, beginnen te ontvouwen. Doch niet ter wille van deze kiempjes van toekomstige deugden, die natuurlijk geene inplaats-stelling voor eene volkomene gehoorzaamheid der wet konden zijn, werd deze moordenaar in het Goddelijk gericht rechtvaardig verklaart, maar hij ontving de Goddelijke genadige vrijspraak in de hem toegerekende gerechtigheid van zijnen Borg, die den beginnende heilige niet minder aan de gunstige oogen van den Rechter van levenden en dooden aanbeveelt, dan de reeds voleindigde.

Denkt mijne Vrienden! slechts eenige oogeblikken vooruit, en wat ziet gij op de hoogte van Golgotha gebeuren? De drie menschen, aan hunne folterpalen, neigen hunne hoofden, en de groote scheiding komt. Ach, die daar ter linker zijde, gaat ook links af, en de duistere machten zullen hem, die zelfs nog met den dood in het gebeente

ocr page 544

520

den Ileero der heerlijkheid kon lasteren, als één hunner getrouwste en vólhardendste schildknapen, jubelend verwelkomd hebben. Do krui-soling ter rechter zijde daarentegen verheft zicli aan do zijde van zijnen Vredevorst , en met Hem in zijnen triumCwagen genomen, onder de toejuichingen aller heilige engelen, in do eeuwige Godsstad, in het hemelsch Jeruzalem. Hij was de eerste heraut, die door zijne komst in het Paradijs, den verheerlijkten geesten de boodschap overbracht, dat Christus de groote bevrijdingsvoldslag gewonnen had. Als oorsteling van het loon der smarte van den grooton Borg, gelijk van de uit het wonderzaad zijns bloeds ontsprotene oogst dor zaligen uit de meu-schen, zal hij zeker nog heden den aanbidderen des Lams daarboven, als een bijzondere beminde mededeelgenoot des rijks aan het harte leggen. Ons blijft hij, gelijk een onvergelijkbaar gedenkteeken der algenoeg-zaamheid van het bloed van Christus en oen hooge luchter, op welke de vrije genade Gods als vlam brandt, zoo ook bijzonder een beteeke-nisvolle wegwijzer, ja oene door God ons gestelde lichtbaak voor onze levens scheepvaart, O, woest verzekerd, mijne Vrienden! do geestelijke voetstappen van den bekeerden moordenaar met zijn: Gedenk mijner\ op zijne lippen, teekenon ons nog heden den eenigen weg af, die naar Sion leidt. Daarom hem na, wie gij ook zijt! Zijn gedenk mijner! zij tot de uwe gemaakt, en dan onder het kruis van den bloedenden Beminnaar van zondaren, zoo moedig in het geloof, als arm van geest, in den zin des bekeerden moordenaars gesproken:

Slechts Gods genade geeft mij moed,

Jn, Gods genade in Jezus bloed.

Hoe diep der zonden stroom moog' gaan,

Wat is hij bij dien oceaan?

Niets ben ik waard. Wat zegt het? wat?

Genade zoekt een ledig vat.

Vraagt Gods genaê naar werken? neen!

Genaê kent schuld , en schuld alleen.

Ik weet, dat wie genade heeft,

' Onmooglijk meer in zonde leeft;

Doch voor mijn God maakt niets mij goed,

Dan Jezus, — Jezus met zijn bloed.

Amen.

ocr page 545

LI.

DE ERF LATIN G D E R L I E F D E.

Het is een liefelijk beeld, dat ons uit de woorden bij Micha 4 : 4 te gemoet komt: Zij zullen zitten, een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, en er zal niemand, zijn, die ze verschrikt. Wij kunnen niet aannemen den zin dezer woorden reeds te hebben uitgeput, wanneer wij ze slechts in het algemeen toepassen op den vrede, die in de dagen des Nieuwen Verbonds de harten der geloovi-gen zou vervullen. De profeet wijst niet dit beeld te gelijk op de aan de Messiaansche toekomst behoorende huiselijkheid en verbroedering, die niet enkel den Heiden, maar gedurende de heerschappij der wet, ook zelfs bet volk Israels, naar de innerlijke wezentlijkheid genomen, een onbekend land was. Zeker waren de banden van het huisgezin en het geslacht reeds samengebonden, doch het waren meer de banden der wettelijke verordening dan die der heilige liefde. Het was bijna alleen het gezichtspunt der meerderen en der minderen of der wederkeerige dienstbewijzen, waaruit men elkander beschouwde; een hooger gezichtspunt werd slechts even vermoed. De- vader was de vorst van het huisgezin, de moeder de dienende vrouw; de kinderen kenden nauwelijks eene andere betrekking tot de ouders, dan die der eerbiedige gehoorzaamheid, en de bloedverwanten vonden hunne verhouding tot elkander slechts in hunnen stamboom en in hun erfrecht '). Het gevoel van een vereenigd en te zamen verbonden zijn tot eene gemeenschappelijke tocht naar het Jeruzalem dat boven is, tot wederkeerige bevordering van het Goddelijk leven en den Goddelijken wandel, en tot wezentlijke aanknooping van hemelsche vriendschapsbetrekkingen in het donkere dal der aarde, kwam bij de ouden nog niet tot doorbraak, en dit behoeft ons te minder te verwonderen, daar zij zich den Heere nog niet bewust waren als een vertrouwelijk met hen in hut en kamer, en niet enkel in den tempel wonende huisvriend, en nog geen deel hadden aan den geest der kindschap, die roept: Abba, Vader! Komen wij' daarentegen tot de geloovige familie- en vriendschapsverbintenissen des Nieuwen Testaments', dan voelen wij ons terstond door eenen geheel anderen lucht omwaaid. Wij wandelen tusschen deze scheppingen van het gezellig verkeer als tusschen gewassen uit eenen anderen hemelstreek. Een ander waas ligt op de

') Met het oog op dc huiselijke tafercelen dei- Patriarchen en van geheel het Oude Testament is dit gedeelte dezer beschouwing uict van eenzijdigheid vrij te pleiten.

Vert

ocr page 546

è28

bladen, een andere geur ademt ons uit de bloesems te gemoet. Ja, het wordt aan ons terstond kenbaar, dat Christus eene nieuwe gemeenschap heeft gesticht: de gemeenschap der heiligen, en eenen nieuwen band gelegd, de band der volmaaktheid, welke is de liefde tot Hem, uit Hem en door Hem.

Begeert gij van deze zaak iets naders te vernemen, zoo volgt mij boden naar Golgotha.

\

joh. 19 : 25—27.

En bij het kruis van Jezus stonden 7,ijne moeder, en zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klópas, en Maria Magdalena. Jezus nu, ziende zijne moeder, en den discipel dien Hij lief had, daarbij staande, zeide tot zijne moeder; Vrouwe! zie mv' Zoon. Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uwe moeder! En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.

Welk een slil en vriendelijk beeld is het, dat zich heden aan ons uit de verschrikkingen van Golgotha opdoet! Immers het is ons als waren wij plotseling op een geheel ander gebied, dan waarop wij vroeger stonden, verplaatst. Na den storm, de aardbeving en het vuur, volgt het suizen van eene zachte stilte. Er is in dit voorval niets hartverscheurends meer. Alles is zoo vriendelijk, zoo liefelijk, zoo aanminnig en het geheel is als een gedeelte van den blauwen helderen hemel na een onweder. Hoe wel doet zulk een rustpunt aan bet hart, bij de beschouwingsreize door bet van onweder zwangere zwoele gebied der lijdensgeschiedenis! Wij geven het geschiedkundig tafereel, waarvoor wij staan, bet opschrift: de erflating der liefde, wij hadden het ook: de zegepraal der liefde kunnen noemen. Komt, beschouwen wij thans met elkander, tot onze onderlinge blijdschap :

I. de liefde, welke het derde kruiswoord van Christus reeds te gemoet komt;

II. de liefde, welke zich in deze woorden openbaart en bewijst; en eindelijk

III. de liefde, welke door dat woord op aarde wordt geplant.

O, dat van de volheid der liefde, welke wij heden zich golvend zien uitgieten, een beekje ook in onze harten stroome! God geve dit in genade!

ocr page 547

ran

i.

Wij vereenigen ons wederom rondo in liet kruis. Waar kunnen wij boter vertoeven dan onder zijne schaduw? Immers gaan onze gedachten alle dagen als hongerige hijtjes, naar dien honigraat terug; want omdat wij alle dagen zondigen, behoeven wij ook dagelijks voor het gewond geweten nieuwe genezing. Ach wat zouden wij arm zijn, wanneer wij tot dezen heuvel niet konden vlieden! O Golgotha, gij zijt mijn Ararat, waar ik dagelijks uit den stroom van angst en nood lande, (iij zijt mijn Zoar, dat mij voor de vlammen van Sodom veilig stolt; mijne Nebo's hoogte, waarvan ik in het beloofde land neder/Je cn mijn Tabor, waar ik jubel: „hier is het goed te zijn, hier willen wij tabernakelen bouwen!quot;

Eene liefelijke aanschouwing biedt zich thans onder het kruis ons aan. üe schoonste van de kinderen der menschen sterft toch niet on-beweend. Tusschen de woede en do haat staat ook de liefde bij zijne sterfsponde en ziet weenende en Mem teederlijk omvattende naar Hem omhoog. Ziet gij die kleine groep, zoo rijk aan smarte daar ginds? O, het is een zalige kring, die ons daar in liet midden van deze sa-tansbenden ontmoet; een verborgen bed van rozen onder wilde en verwarde doornstruiken; eene heldere krans van leliën rondom het sterlleger van den Rechtvaardige! In zulk eene omgeving staat echter het kruis ook nog heden in deze wereld; zekerlijk nog altijd van de hare woede uitschuimende wereld orngolfd, maar ook tegelijk van het schoonste, dat er op de wereld te vinden is. Want zoekt men heilige tranen, liefde uit God gevloeid, geduld, dat niet moede wordt en dankbaarheid, welke alles weggeeft, o waar groeien deze aanminnige hemelsche bloemen als onder het kruis? Wij kennen ze reeds, deze getrouwen daar ginds, die eene levende kantteekening uitmaken tot de woorden van liet Hooglied; De liefde is sterk cds de dood; de, ijver is hard als het cjraf; hare kolen zijn vurige holen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uilblussehen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken. Wat bekreunen zij er zicli om, haar leven in gevaar te zien? Haar leven gewerd den Man aan bet Kruis. Wat vragen zij naar den spot en hoon der wereld? Van eene wereld, die haren Koning met doornen kroonde, begeeren zij niets anders, niets beters. Had men baar te gelijk met Hem aan het kruis geslagen, zoo zouden zij de aarde als een lek en gescheurd scheepswrak onder zich weggestooten en hun anker zegepralend opwaarts in de wolken hebben geworpen. Wat bekoorlijkheid kon de aarde nog voor haar hebben, nadat zijne zegenvolle voetstappen op dezen akker van doornen en distelen niet meer gehoord werden? Ziet deze heldhaftige gemoederen eens van meer nabij aan. Wie zijn zij? Opmerkelijk, op één na, zijn bet enkel vrouwen. De sterken zijn gevloden, de zwakken hielden stand. De helden werden ver-tsaagd, de teederen, die niets durfden beloven, overwonnen de wereld.

31

ocr page 548

tlal Ivwam daarvan, dat zij hunne harlen uitljreidden voor God, eri spraken: „houd Gij ons, wankelende rieten, omhoog!quot; en dat zij zicli, terwijl zij aldus spraken, met verzekerdheid leunden op Gods arm. ïoen werd zijne kracht in hunne zwakheid machtig. Hoe dikwijls openbaarde zich iets gelijksoortigs als hier! Behoort de schitterende daad der vereenigde kracht tot den man, de daad van het proef-houdend geduld is die der zwakke vrouw. Behoort den eerste de heldhaftigheid, welke den knoop doorhakt, zoo hehoort aan de laatste de grootere heldenmoed der zich in stilte tot in den dood opo lieren de getrouwheid.

Onder de beminde vrouwen bij het kruis, trekt ééne boven al do anderen onze bijzondere opmerkzaamheid tot zich. liet is de gezegende, die den Bloedende aan het kruis eenmaal onder haar harte droeg, de smartvolle moeder Maria. Zeker was het hard voor de moeder Eva, aan liet graf van haren lieveling Abel te staan; nog diepere smart doordrong het hart van den Patriarch Jacob, toen men hem het bloedig kleed van zijnen zoon Jozef toonde. Doch wat was dat jammer, bij hetgeen dooi- bet moederlijk harte ging, dat daar bij het kruis bloedt. O bedenkt slechts, waar Maria zich bevindt, wat zij te klagen heeft, en om wie hare tranen vloeien. Bedenkt eens, welk een Zoon! welk een sterfbed! welk een dood! O, wie zal zich bekwaam vinden, de gewaarwordingen te schilderen, die hier dooi' het harte van Maria heenstroomen? Doch één ding worde vastgehouden, dit ééne, dat de van jammer overkropte moeder geene wanhopige was. Ook door den nacht barer tranen schemerden, als heldere sterren, nog zoo menige woorden van haren Zoon door van do noodzakelijkheid van het lijden, dat op Hem wachtte en van de heerlijkheden daarna volgende. En schoon het ook zvvaren arbeid kostte, zich, zelfs nog in dit oogenblik, daaraan vast te hechten, en ofschoon ook een woest leger van beangstigende twijfelingen Maria door hot harte stormde, eonc troosteloos vertwijfelende was zij zoo zeker niet, als de Apostolische verzekering geen leugen is, dat God de zijnen niet boven vermogen laat verzocht worden. Neen, waar het goud in de smeltkroes is, daar is ook de smelter altijd nabij, en waar een kind des hoogsten Vaders lijdt, daar ligt ook altijd tusschen den last en de beladen schouder verzachtend en verlichtend de meer dan moederlijke hand van Jehova. Immers wij ondervinden het reedé, mijne vrienden! hoe zal eene Maria het dan ondervonden hebben. Gij ziet immers ook, dat zij, ofschoon op den discipel leunend, nochtans onder het kruis opgericht slaat, en dat enkel zachte dauwdroppelen van tranen van hare wangen vloeien, maar geen angstgesteen over hare lippen komt. Toen de vrouw van Pinebas de verbondsark in de macht der vijanden zag, stierf zij door ontroering en schrik. Maria ziet hier veel ontzettender zaak, nochtans blijft zij leven. Zeker moet zij Christus nog eenmaal met zware weeën baren. De aardsche zoon sterft daar heen, met al de aardsche betrekkingen, waarin zij tot nu toe tot Hem gestaan heeft, en al de aardsche voorstellingen van Hem en zijn koninkrijk, zoo ver ook zij die bij zich zelve had plaats gegeven. Daarentegen heeft zij Christus thans door het geloöf als uit zijne asch, wederom als een ge-

ocr page 549

h'M

liecl andere aan le nemen; o.ls eenen nieuwen Christus, als eenen tot hiertoe nog niet gekende, als een lleere, Koningen Vredevorst van ongelijk hoogeren aard en ordening als alles wat rnenschelijk is. En zonder strijd en smart kwam zij niet tot dat doel.

Aan de zijde van Maria en deze tot steun dienende, ontmoet ons oog den Apostel Johannes. Deze adelaar Gods, beproeft ook in den storm en de duisternis van Golgotha do vleugelen van zijn doordringenden, scherpzichtigen geest te kleppen, nochtans door dezeonweêrswolk weet hij den weg niet te vinden. Hij ziet zicli omringd van raadselen, voor welke zijne uitlegkunde aan hare grenzen staat. Daar, waar zijn he-grip slechts meent af te zien in een woest en ledig gebied, schemeren ecliter voor zijnen vermoedenden geest onafmetelijke verborgene hemel-schatten. Hij leidt zich zeiven hier weder in, zoo als hij zoo gaarne doet, als de discipel, dien Jezus lief had. Met deze uitdrukking toont hij ons aan, wat zijn hoogmoed, zijne kroon en zijn hoogste roem was. Tegelijk noemt hij ons daarmede de bron op, waaruit hij al zijnen troost en al zijne sterkte putte. Deze bron was de liefde niet waarmede Hij den Heere, maar waarmede de lieere hem omvatte. Imi zeker, ik zou ook niets kostbaarders en begeerlijkers weten op te noemen, dan de levendige, frissche en welgegronde bewustheid: „Jezus is mij goed, Jezus bemint mij.quot; Welk een zacht kussen om op te rusten is dit in den wilden stormnacht! Welk een machtige stok en staf voor de wandeling door de woestijn! Welk ce ie zoete lafenis in den kuil, waarin geen water is! En welk eene altijdstroomende bron van bemoediging in leven en in sterven! Wie met Johannes zich durlt onderschrijven: de discipel, de discipelin, dien Jezus lief had, die zou in dezen titel de .zekere waarborg hebben voor alles wat hij noodig heeft, en wat zijn hart zou kunnen wenschen. Moest hij zich ook in al het overige noemen een man, over wien alle onweders heengaan, of den ellendigen, dien de wereld met voeten treedt, — o wanneer hij slechts gerechtigd is zich te onderschrijven: de discipel, dien Jezus lief heeft-, wat zou hij meer willen. Deze bewustheid verguldt en vergoed alles.

11.

Terwijl de geliefden beneden aan bet kruis stil en treurende bij elkander staan, hangt de groote Lijder zwijgend en verbloedend aan zijn hout. Hij is in het heiligdom en bedient, het volk der zondaren op zijn hart dragend, het Goddelijk priesterambt. „Ach!quot; — zoo kan de diep nedergedrukte moeder denken, — „wanneer Hij nog slechts eenmaal zijne lieftallige lippen tot mij openen, en mij slechts één woordje tot afscheid vergunnen wilde.quot; Doch zal Hij in de hooge plaats die liij thans inneemt, ook nog acht kunnen geven, wat heneden aan den voet van zijn kruis voorvalt? Zal Hem nog tijd en rust overblijven aan iets anders te denken, dan hoe Hij Zich zal wapenen en teweerstellen tegen de vurige pijlen der boozen, die Hem omzweven, en hoe Hij het

ocr page 550

lt;,'root, wereldomvattend werk voleindigen zal, waarmede Hij juist thans in bet laatste ontwikkelingspunt gekomen is? Nauwelijks zou men dit voor mogelijk houden. En zie nu, wat gebeurt? O wanneer gebeurde er iels roerender en liefelijker dan dit? Waarlijk lot aan het eind dor dagen zal men nog van de teederheid van dezen Zoon spreken. Te midden van zijne doodspijnen richt de goddelijke Lijder van de boogie zijns kruises op eens den blik op de bijeenstaande getrouwen beneden, en wie in zijne oogen weet te lezen, leest daarin eene deelneming en ecne troostende, oprichtende en bemoedigende liefde, gelijk de wereld ze nog niet gezien had. Neen, mijne Vrienden! Wat er ook groots voor Hem te bedenken of te beschikken zij, zijne kinderen verliest Hij geen oogenblik uit den gezichtskring zijner voorzienende en verzorgende beschouwing. Wat Hij ook in zijne heerschappij uitgebreids en onmetelijks te overzien en te bewaken hebbe, nochtans zal er in eeuwigheid geen oogenblik voorkomen, waarin niet bij al zijn regeeren in het groot, tegelijk, ja bij voorkeur, het oog zijner liefde op de enkelen, die de Vader Hem gaf, rusten zal. Zij zijn de eerste voorwerpen zijner zorgen, ofschoon zij ook naar bun getal of aanzien hij hetgeen Hij anders le besturen of te verzorgen beeft, als enkele druppels tegen den wijden, golvenden oceaan, als verloren bloemen tol het onafmetelijk donkere woud, waarin zij staan, te rekenen zijn. Hij vindt die druppels er wel uit, om ze met het lichtzijner liefde te doorstralen ; Hij bespeurt wel deze in het woud verstrooide eenzame bloemen, om ze te kweeken, le bedauwen en zijnen boezem er mede te versieren.

De Heere richt den blik allereerst op zijne moeder, de beminde, de zwaar beproefde. Door het lol den bekeerden moordenaar gesproken woord van bet Paradijs, had Hij zeker ook hare blikken en gedachten reeds over dood en graf opgeheven. Doch voor als nog bleef de arme, voor hoe korten tijd dan ook nog, in den van nu af voor haar ontzettend woester geworden wereld alleen terug; en ziel, ook voor deze bedenking behield de Man van smarte zelfs aan het kruis, en le midden van zijne wereldverlossende zorgen nog plaats in zijn hart. Vriendelijk ziet Mij de tranenrijke aan, opent den mond en spreekt, niet in weeke gevoeligheid, maar met eene grootsche rust, bedaardheid en klaarheid des gemoeds, heenwenkende naar den discipel, op welke do moeder leunde, Vrouwe, zie uw' Zoon! en toen aan Johannes, op Maria met de oogen wijzende: Zie, uwe moeder! Weinige woorden, doch wie put de volheid der zachte liefde, welke daarin is neergelegd, uit? Hoe troostrijk moest voor hot neergedrukte moederlijk hart reejds de geheele bijna verheugde wijze zijn, waarop de Stervende hier zijn testament maakte. De toon zijner stem, en de vredevolle blik, die zijn woord begeleide, zeide haar immers reeds: „Maria! uw Zoon is niet verloren! Hij treedt na des levens jammer weder in het zalige vaderhuis terug, om daar ook u plaats te bereiden.quot; En nu de inhoud der woorden! Hoe wonderlijk zacht kleedde Hij hierin zijn laatst vaarwel aan zijne dierbare moeder! Hoe uitnemend beschikte Hij het door zijnen aan Johannes gegeven wenk, dat de reeds zwaar genoeg beproefde moeder niet ook nog getuige ware van de laatste en zwaarste zijner worstelingen, en met welk een voorzorg denkt Hij aan alle,

ocr page 551

533

ook lt;le minst in hot oog vallende behoeften dezer alleen gelatene, voor dat deel van liet arme aardsehe leven, dat zij nog vóór zich had. Voorzeker, wanneer ooit aan het Goddelijk gebod: Eert uwen vader en uwe moeder! eene diepe en omvattende vervulling is gegeven, dan is het hier op Golgotha geschied.

Men heeft wel eens met bevreemding gevraagd, wat den Heiland bewogen bebbe, bij de toespraak tot Maria, in plaats van de tcedere moedernaam, Zicli van liet vreemd klinkende woord vrouwe te bedienen; en wanneer op deze vraag geantwoord wordt, dat Hij dit gedaan heeft, deels om door den zoeten moedernaam de wonden van haar bloedend hart niet dieper open te rijten, deels om niet in Zich zeiven eenen storm van menschelijke aandoeningen op te wekken; gedeeltelijk echter ook om de moeder niet aan de ruwheden van de omstanders bloot te stellen, zoo heeft dit alles zeker zijne waarheid. Da hoofdzakelijke reden echter waarom Hij, in plaats van den moederlijken naam, de algemeene naam van vrouw of vrouwe bezigt, ligt hier, gelijk in het bekende voorval op de bruiloft te Kana, ongelijk dieper. Hij wilde ongetwijfeld aan Maria te kennen geven, dat voortaan de aardsehe betrekking, waarin Hij tot dien tijd toe met haar gestaan bad, voor eene hoogere betrekking wijken moest. „Gij, mijne moeder, — dit wilde Hij zeggen, — zult voortaan eene mijner doch te ren , en Ik zal uw Heere zijn. Gij gelooft voortaan in Mij en Ik zal u zegenen. Gij grijpt tien zoom mijns kleeds aan, en Ik treed voor u in. Gij bidt Mij aan, en Ik ben uw Hoogepriester en Koning. Moeder, broeder, zuster, zijn Mij voortaan allen, die met bewijzen van hulde hij mijne banier zweren, üe betrekkingen naar het vleesch en naar de wijze dezer wereld, hebben een einde, en andere geestelijke en hemel-sche treden in de plaats.quot; Ziet, dit was het, wat de Heere Maria ter overdenking wilde geven, en vandaar het alleen bij het eerste gehoor bevreemdende vrouwe, in plaats van het meer vertrouwelijke en teedere moeder. Ja, het j voegde Hem thans zoo veel te minder, haar moeder te noemen, daar deze naam in het Hebreeuwsch tegelijk het nevenbegrip van eene meesteresse in zich sluit, terwijl Hij Zich juist nu bereidde , om als de Heere aller Heeren den troon der eeuwige majesteit te beklimmen. Doch wanneer Hij ook de lieve Maria uit den kring van hare bloot menschelijke moederlijke beschouwing, in eene hoogere gezichtskring wil verplaatsen, zoo vergeet Hij daarom echter niet, dat Hij haar zoon, noch dat zij zijne dierbare zwaar beproefde moeder is; en bedenkt daarbij tegelijk, dat de mensch in zijne zwakheid den mensch noodig heeft en naast het harte van God, ook ten minste een hart op aarde bezitten moet, waarin hij vertrouwelijk het zijne uitstorten, en op welker liefde en trouw hij onder allo omstandigheden vast rekenen kan. Op dezen grond wil Hij in kinderlijke voorzorg, zoo ver dit slechts doenlijk is, bij Maria ook van de menschelijke zijde de ledige plaats weder aanvullen, die zijn heengaan in haar leven achterliet, en wil baar ook op aardsehe wijze, in zijne plaats weder eenen zoon ter zijde geven, wien zij haar geheel vertrouwen schenken, en^op wiens schouders zij in al hare nooden, zorgen en bekommeringen leunen kan. Kn deze andere zoon vermaakt Hij

ocr page 552

534

haar in zijnen boezemdiscipel, den getrouwen, gevoelvollen Johannes. Is het niet alsof Hij zeggen wilde: „Wel weet Ik, mijne moeder, welk eenen eenzamen woesten weg eene weduwe op aarde gaan moet, wanneer de kroon van haar hoofd is afgevallen. Doch zie, hier is de discipel, die aan mijnen boezem lag, en aan die plaats er alleszins toe voorbereid werd, uw verzorger en steun te worden. Mij is tot alles voor mij bereid, en daar Ik goud noch zilver heb, zoo vermaak Ik u al mijne aanspraken op de liefde, dankbaarheid en getrouwheid van dezen discipel.quot; Hoe vriendelijk, hoe teeder en lieftalig! Zoo heeft Hij lief gehad tot den einde toe. Zoo nam Hij teederlijk al de nooden zijner geliefden ter harte. En gelijk Hij toen deed, zoo doet Hij heden nog. Hij is de medelijdende Hoogepriester tot op dit oogen-blik. Op de innigst menschelijke en vriendelijkste wijze let Hij op al de behoeften van hen, die Hem vertrouwen, zoodat een ieder, wie hij zij, die tot de weduwen, de weezen, de armen, de gebrekkigen , of welke klasse van ellendigen en belasten hij ook behoort, zich op de bijzonderste wijze met zijne voorzienende zorgen kan vertroosten.

Na het „Vrouwe zie uw Zoon'quot; zegt Hij tot Johannes: „Zie uwe moeder!quot; O, welk een bewijs van liefde en vertrouwen, waarmede de Zaligmaker zijnen discipel begenadigt. Hij legt hem eenen last op, doch Hij weet dat Johannes daarin do iioog.ste eer en zaligheid, welke hem op aarde ten deel vallen kan, zien zal. En de Zaligmaker vergist Zich in zijn discipel niet. Johannes verstaat de aanwijzing zijns Meesters, ziet Maria aan, en zijne geheele ziele zegt tot haar: „Mijne moeder!quot;

III.

Van die ure aan — zoo vermeldt de geschiedenis — neemt haar de discipel in zijn huis. Johannes had dus, en ongetwijfeld in Jeruzalem, een eigen huis. Maria had zulk een huis niet. Jozef was toen reeds ontslapen. Men zou wel uit onzen tekst kunnen afleiden , dat de Zaligmaker de eenige zoon van Maria geweest is. De uitdrukking de discipel nam haar in zijn huis, zegt overigens, volgens den grondtekst, ongelijk meer, dan dat hij ze slechts in zijn huis en onder zijne zorg genomen hebbe. Hij nam haar op in zijn hart en heeft baar voortaan op zijne handen gedragen. Het laat zich toch denken, boe een Johannes Maria voortaan lief gehad heeft, en met welk eene teederheid en trouw hij haar door het leven zal hebben geleid. Het strekte hem toch tot de hoogste vreugde in haar een voorwerp te hebben, aan welke hij ten minste in eenig opzicht bewijzen kon, wat hij in dank en liefde gevoelde voor Hem, die zijne ziele voor'alle eeuwigheid gered had. Zoo groeide voor Maria de geheele kostbare oogst der liefde, die in do gemoedswereld van den discipel onder den dauw des Heiligen Geestes baren zoon tegemoet bloeide. En omdat de liefde v an Johannes in den grond der zaak niet anders was, dan eene heilige

ocr page 553

535

vonk uit Jezus' eigen harte, zoo werd Maria door Johannes gelijk vroeger, zoo ook nu, met de liefde baars Zoons bemind.

Vrouwe, zie uiv Zoon! Johannes, zie uwe moeder\ O, let wel op deze woorden. Zij bevatten niets minder dan de oorkonde der stichting eener nieuwe familiegemeenschap op aarde. In deze gemeenschap is Christus het Hoofd, en alle zijne geloovigen maken tezamen vereenigd het eene groote nauw verbonden huisgezin uit. Uit een zaad geboren, en met eenen Geest gedrenkt, zijn zij allen tot eene erfenis geroepen, en hen, die thans in de wereld verstrooid zijn, zal eenmaal eüie stad met stralende muren omvangen. Zij herkennen elkander spoedig aan de gemeenschappelijke gezindheid, richting, spraak en blijdschap dei-hope, en beminnen elkander met ééne liefde, die liefde, welke uit bet hart van haar Hoofd in het hunne overvloeide. Zoo lang zij hier beneden vertoeven, staan hunne bulten onder bet kruis, en bun da-gelijksch brood is Gods Woord, en hun adem het gebed, en do vrede Gods de lucht, waarin zij zich vrij en zalig bewegen. 1)3 innigste en meest wezentlijke karaktertrek van deze geestelijke verwanten is echter deze, dal de eigenliefde bij hen gekruisigd, en dat Christus hel inid-denpunt van al hun denken en streven geworden is.

Wie nu Johannes van wege do schoone roeping, om de moeder van Jezus tot steun te zijn, benijden mocht, die wete, dat hem den weg tót gelijke eere geopend werd. Hij denke terug aan de vroeger her-innerde uitspraak des l leercn: Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders? Zoo wie den wil van God duct (die in Mij gelooven), die is mijn broeder, en mijne zusier, en moeder. Hebt gij dus werkelijk begeerte naar het voorrecht van Johannes, zoo ziet gij, dat het ook u ten deel kan vallen. Zijt uit liefde tot den Hcere een trouwe hulp zijner kinderen, spijst de hongerigen, drenkt de dorstenden, en bijzonder, bezoekt de weduwen in hare verlatenheid, en gij beoefent dien Maria-dienst, welke den Heere alleen welbebagolijk is. Ja, wordt den lammen onder zijne geloovigen tot voeten, den blinden tot oogen, den weezen tot eenen raad en verzorger, en ook gij neemt, gelijk toen zijn discipel, zijne plaats op aarde in. Zekerlijk zag Johannes zich door de nieuwe plicht opnieuw aan het leven verbonden, doch gij ziet, dat wanneer gij slechts wilt, het leven ook voor u op gelijke wijze nieuwe bekoorlijkheid verkrijgen kan. Houdt slechts bij den bemelschen Vredevorst aan, dat Hij ook u voor zijn stil geheiligd huisgezin de oogen wil openen, en gelijk Hij alsdan tot de laatste, zijne geestelijke gemeente, om hare liefde tot u wervende, zeggen zal; Vrouwe, zie uw' zoon! zoo zal Hij weldra met heenwijzing op ergens eene zijn hart dierbare schare van vermoeiden en belasten, lot u het woord richten: Zie uwe moeder!

Ja, mijne Vrienden! wanneer het op aarde beter worden, en er voor de wereld een gouden eeuw aanbreken zal, dan kan dit niet dan door middel van het Christendom geschieden; want zegt zelf, wat de wereld nog zou ontbreken, om een koninkrijk der hemelen te zijn, wanneer deze teedere, diepe zelfverloochenende liefde, zooals wij die beden door Jezus zagen beoefenen en hoorden aanbevelen, de koningin in aller menschen harten ware? Nu heeft immers hel geheele Chris-

ocr page 554

530 •

tendom alleen ten doel, dal Christus in ieder enkel sterfelijk mensch geslaltc verkrijge. Denkt echter eens, ieder enkel geloovige een levend , frisch spiegelbeeld van den Schoonste onder de kinderen der rnenschen , Gode levende eti do broederen beminnende als Hij! O waarlijk het hoogste en heerlijkste toonbeeld van menschelijke gemeenschap zou op deze wijze vmvozentlijkt zijn. Overtuigt u derhalve, dat gij niet enkel opdat gij aan do overzijde des grafs zalig zoudt worden, maar ook opdat reeds de aarde tot een paradijs verheerlijkt worde, tot Jezusge-noodigd en gelokt wordt; want — gij ziet liet aan Johannes — wie in levendig geloof' zich aan het harte van Jezus werpt, drinkt weldra ook uil dat hart zijne liefde.

Wij scheiden van onze aanminnige geschiedenis, — doch vooraf moot ik nog eene gebeurtenis gedenken, welke voor eenige tientallen van jaren te Parijs gebeurd is. Aldaar bad zich een gezelschap gevormd, alwaar wekelijks de beroemdste ongeloovigen van den toen-maligen tijd bijeenkwamen, om, gelijk zij zich uitdrukten, de lafheden von den Bijbel ten toon te stellen, en ze tot voorwerpen hunner bespotting te maken. Op zekeren avond echter, toen deze menschen weder recht ijverig bezig waren, en tot hun duivelsch doel eenige gedeelten van het Evangelie voorgelezen hadden, begon plotseling de bekende filosoof Diderot, die tot hiertoe niet de laatste en minst spraakzame onder hen geweest was, met eenen ernst, die men bij hem niet gewoon was, te zeggen; „Mijne boeren, het moge nu met dit boek gelegen zijn, zoo als hot wil, maar dat moet ik toch ter eere der waar-beid bekennen, dat mij niemand, hetzij in Frankrijk of eenig ander werelddeel bekend is, die met meer kunst en talent vermochten te schrijven en te spreken, dan de visschers en tollenaren, die deze geschiedenissen beschreven hebben. En ik durf het beweren, dat ook niemand van ons in staat is, om op eene wijze, die maar eenigszins do hunne nabijkomt, een verhaal te schrijven, dat zoo eenvoudig en te gelijk zoo verheven, zoo versch en zoo treffend , van zulk een geweldigen indruk op het hart en van zulk eenen onverzwakten en doorgaanden invloed, ook nog na verloop van eeuwen, als hier ieder enkel en ook zelfs het minst beteekenend bericht van het lijden en sterven van Jezus Christus voor ons ligt. quot; Hij zweeg, en nu trad op eens, in de plaats van het gelach, waarvan kortelings nog do zaal weergalmde, een algemeen diep stilzwijgen. Men gevoelde de waarheid dezer opmerking, en gevoelde ook nog wel iets meer dan dat. Zwijgend ging men van elkander, en hot duurde niet lang, of het geheele gezelschap der lachers was uiteengegaan.

Zegt mij nu echter,.of gijlieden niet lieden bij de aanschouwing van het gebeurde in onzen tekst, niet ook iets soortgelijks hebt ondervonden, als in dien tijd deze ongeloovige Franschman? Ja, niets in de wereld draagt zóó den stempel van oorspronkelijke historische waarheid aan het voorhoofd, als het Evangelie; en wat er ook schoons op de aarde zijn moge, wie oogen heeft om te zien, zal moeten erkennen, dat hot schoonste, verhevehste, heiligste van alles is en blijft — do Evange-liesche geschiedenis.

Moge dan het beden daarin aanschouwde liefelijke beeld van 's liee-

ocr page 555

735

ren liefdevestigende liefde aan het kruis, onafgewend voor onze oog-en slaan, en zij het ook in ons midden bevorderlijk tot hel aanknoopen van die banden van bovenaardsche verwantschap, die tijd en dood zullen overleven. Moge dit beeld ons in ieder oogenblik herinneren aan de eerste en heerlijkste roeping onzes levens: „den Heere Jezus lief te hebben in de zijnen,quot; totdat ook voor ons het woord van den zanger waarheid is geworden:

Zij wandlen met vereende harten

Naar hooger, eeuwig vaderland; Hun baart de dood geen scheidingssmarten,

Zij reiken slechts elkaar de hand. Zij weten in wiens macht zij vallen, En werken, lijden onverpoosd^

En zijn elkaar tot steun en troost;

Totdat het heet: Ik hen in allen \

AM ION,

ocr page 556

LIL

ELI, ELI, LAMA S ABAC JIT IIA NI!

Wees Gij mij niet lol ccne verschrikking! Gij zijl mijne loc vlucht len clac/e tics kwaads! Zoo roept Jeremia in het hoek zijner profetiön uit (17 : 17), nadat hij kort te voren den lleere had hooren zeggen: Ik de lleere doorgrond hel harten proef de nieren, ended om een iegelijk le geven naar zijne toegen, naar de vrucht zijner handelingen. De profeet gedenkt aan zijne eigene zonden, en de gewaarwordingen die deze betrachting in hein opwekken, storten zicli uit in den roep des ge beds : Wees Gij mij niet lot eene verschrikking! Deze weinige woorden omvatten een rijken inhoud. De profeet verklaart daarin, dat hij tot ieder offer, dat van hem gevorderd worden mocht, bereid is; dat hij gaarne zal dragen, wat Clod goed vindt hem op te leggen, ja, dat hij, wanneer het zoo moest zijn, van de wereld miskend, verstooton, met voeten vertreden worden en in alle woestijnen gebrek lijden, in alle kerkers versmachten wil, mits dat God Hem maar niet tot eene verschrikking zij. En zeker wijst hij met deze laatste woorden op het eenige, waarvoor de ziel met allen ernst reden heeft om te sidderen; want wat donkers ons ooit op aarde moge overkomen, is God ons vriendelijk, zoo wordt door deze bewustheid alles verhelderd, en Hij zelf neemt van liet verschrikkelijkste, door de inmenging zijner hemelsche vertroostingen en verrassende hulpbetooningen, de verschrikking weg. En lieten ook de Goddelijke verkwikkingen vruchteloos op zich wachten, zoo blijft toch de zekere hope op de voorhanden zijnde oplossing aller wanklanken van dit aardsche leven aan de overzijde desgrafsons bij, ten einde ook over de zwartste wolken der droefenis, die hierbeneden ons kunnen omlegeren, onze ziel als op engelenvleugelen heen te heffen. Ontbreekt echter deze hope, wordt deze bewustheid gemist, en staat de Allerhoogste als vreemde, ja als vijand tegenover ons, wat is dan het vroolijkste leven anders, dan een drank nietgallegemengd , dan een feestmaal van Belsasar, waarin, alle genot vergiftigend, liet noodlottige Tekel (gewogen en te licht bevonden) als een bliksemstraal van den muur nedervalt. Want spoedig is de droom van het aardsche leven uitgedroomd, en men ontwaakt voor den gerichtstroon van Hem, die tot Mozes zegt: Een vuur is aangestoken in mijnen toorn en zal branden lot in de onderste hel. — O, wees Gij mij niet tot eene verschrikking. Gij zijl mijne toevlucht ten dage des kwaads. Ja, ook wij roepen het van ganscher harte den profeet na. Doch hebben wij grond, om ons met de vervulling dezer bede te troosten?

ocr page 557

539

Wij zouden geen grond hebben, lieve vrienden! zoo niet gebeurd ware, waarvan wij heden getuigen zullen zijn. Doch komt en ziet, eerst, hoe verschrikkelijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, en ziet dan met een juichend hart, hoe en wanneer deze verschrikkingen weggenomen zijn.

Matth. 27 : 45—47. Mauc. 15 : 33 —lt;35. Luc. 23 : 44, 45.

En het was omtrent de zesde ure. En van de zesde ure aan werd er duisternis over de geheele aarde tot do negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stem: Eli, Eli, Lama Sabach-thani? dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En sommigen van die daar stonden, zulks hoorende, zeiden: Deze roept Elia.

Met vierde der zeven Kruiswoorden, het geheimvolste en ontzellendste van allen, klinkt in onze ooren. Is het niét. alsof het ons daarbij gaat, gelijk hel eenmaal te Jeruzalem het rondom Jezus verzamelde volk ging, bij het hooren der bekende slem, die van den hemel viel. Da schare, die dit hoorde, zoo verhaalt de Evangelist, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Ken engel heeft met Hem gesproken. Niemand echter wist recht, wat hij uit het wonderlijk geluid maken moest, ofschoon allen getroffen, ontroerd en van huivering en schrik bevangen waren. Op gelijke wijze staan wij heden onder den wedergalm der roepstem, die van het kruis afdaalt, en ik erken , dat mijzelvende ziele beeft, terwijl ik met n de ondoorgrondelijke dieplen des lijdens nader, uit welke het Eli, Eli, Lama Sabachthani? lot ons omhoog klinkt. O hoe veel liever lag ik voor deze roepende stem zwijgend op mijn aangezicht, dan met u daarover te spreken. Hoe het eenmaal Luther ging, toen hij zich in deze raadselachtigste en zielroerendste gebeurtenis van geheel de Lijdensgeschiedenis verdiepte, weet gij. Drie dagen en nachten bleef hij zonder spijs en drank, en zat neder slapeloos en onbewegelijk als een zielloos lichaam in dezelfde houding op zijnen stoel. En toen hij eindelijk uit de diepte zijner aanschouwing, als uit eenen geheimvollen gang-weder tot zichzelven kwam, brak hij, de handen vouwende, in den kreet der verbaasdheid uit: „God van God ontdaan, wie kan dat verstaan?quot; '). Ja, wie kan het? Het is een ondoordringbaar duister, waarvan wij ons bier omringd zien. Doch ziet ook het verstand hij de grens van alle menschelijk begrip gekomen ; het geloof vindt echter tusschen deze raadselachtige schaduwen zeer goed den weg en het pad. Een heilig tempellicht gaat het geloof

') Uuitsch: Gotl vou Gott vcrlivssen! Wer kimu das fiissen?

ocr page 558

540

voor, en plciatsheldeeding is de naam van dat licht. Zien wij in dat licht de ontzettende klacht van den stervenden Miildelaar van meer nabij, en richten wij den navorschenden blik:

I. op do uitwendige omstandigheden, die niet deze roepstem gepaard gaan, vervolgens II. op den inhoud eti beteekenis dier klacht, en eindelijk UI. op de vrucht des vredes, welke daaruit voor ons ontsproten is.

Is het ooit voor ons een tijd geweest, om het gebed van den psalmist; Heere, doe uw aangezicht lichten over uwen knecht, en maak mijne voetstappen vast in uw tooovd! tot het onze te maken, dan is het voorzeker heden het geval.

I.

Het is tegen twaalf ure des middags, dat wij elkander weder in don geest op den schedelheuvel aantrellen. Bijna drie volle uren hangt de Zaligmaker bloedend aan zijn kruis. In zijne omgeving heeft zich intusschen niets veranderd, behalve dat wij thans in het kleine getal der getrouwen, — wij weten om welke reden — den discipel Johannes en moeder Maria missen. In de volksmenigte, welke de gerichts-plaats omringt, heerscht thans eene oogenblikkclijke stilte. Of wellicht ook oi) hen bet verheven gedrag van den Goddelijken Lijder te midden zijner folteringen zijnen aangrijpenden en beschamenden invloed niet miste? Men zou het moeten gelooven. Met zwijgenden ernst zien zij naar zijn kruis omhoog. Men hoort het stenen der beide gekruiste moordenaars in bunnen laatsten doodstrijd, en hoort de bloeddruppels der stervenden duidelijk op den bodem nedervallen. En even zoo luide wordt van tijd tot tijd het stil geween en het half onderdrukt snikken der getrouwe vrouwenschare, lot welke ook wij ons in den geest voegen, gehoord, met toegenepene harten vragende, of dan de Vader daar boven eeuwig over zijnen Zoon zwijgen, en niet eindelijk met een de wereld doorsein Uerend teeken te kennen geven zal, dat de naar oogenschijn niet alleen van de aarde, maar ook van den hemel ver-stootene, geen misdadiger, maar werkelijk de Heilige Israels en zijn (des Vaders) Lieveling is. Maar ziet, er verschijnt een teeken. Doch welk een teeken? Ach, wie zou iets dei-gelijks hebben kunnen verwachten! Onze bevreemding stijgt tot schrik, onze ontroering tot ontzetting.

De zon, zoo even tot het hoogste toppunt geklommen, trekt als ware de aarde niet meer waardig haar licht te ontvangen, hare stralen in zich terug, en begint zichtbaar bij eenen le eenenmale onbe-wolkten hemel te verdonkeren. Het begint len schemeren, alsof do dag zich neigen wilde; werkelijk vermeerdert de schemering tot avonddonkerheid. Eindelijk verspreidt zich do duistere nacht, een zwart lijkkleed gelijk, niet enkel over het Joodsche land — maar ook over

ocr page 559

5M

hel ganPch verlicht gedeelte der aarde. liet scliopsol is in beroering. Schreeuwend dringen do kudden des velds in dichte hoopen opeen. De vogels des hemels vliegeii angstig naar hunne schuilhoeken, en de volksmenigten, die den schedelheuvel omringen, spoedden zich, de handen wringende en op hunne borst slaande, me!, luid angstgeschrei naar Jeruzalem terug. Schrik en weeklacht verbreidden zich, als dreigde de wereld te vergaan, door paleizen en hutten. Aan de vaderen der oude kerk, zoo als een Origenes en Eusebius, waren ton deele uit verafgelegene landen ook getuigenissen van Heidenen bekend, zoo als dat van Plilegon, een vrijgelatene van keizer Adrianus, die van eene gelijktijdig met de kruisiging voorgevallen zonsverduistering melding maken, en wel van eene zoo algeheele, schrikwekkende en wonderbare verduistering, als te voren nimmer op aarde gezien was geworden. Ja, eene oude overlevering bericht, gelijk gij weet, dat Dyonysius Areopagus, die de aan Jezus dood voorafgegane zonsverduistering in het verre Egypte bijgewoond en daarbij uitgeroepen heelt: „Of de Godheid zelve lijdt in dit oogenblik, óf zij heeft medelijden met eenen, die lijdt.quot;

Ook wij, mijne vrienden! staan als van schrik verstijfd van dat ontzettend verschijnsel, waarin ook de meest verblinde mensch een handschrift van den almachtigen God niet zal kunnen miskennen. Doch wat zegt zij, deze reusachtige hieroglyph op de zuilen der wereld? Men heeft er eene zinnebeeldige openbaring of tekennengeving van Gods toorn legen de moordenaars van Jezus in willen zien. Doch zulk eene verklaring staat niet in overeenstemming met de daad, die juist nu op de hoogte van Golgotha voltrokken wordt, en in welke God, door de overgave van zijnen Eeniggeboren Zoon, niet zoo zeer zijn oordeelende ernst en zijne straffende gerechtigheid, uls veel meer zijne erbarming jegens de moordenaars betuigt. Men heeft uit deze duisternis ook het denkbeeld willen afgeleid hebben, dat de ondergang van Christus ook die der natuur ten gevolge moest hebben; doch ook deze verklaring komt ons voor weinig gegrond te zijn, omdat Christus door zijnen bloedigen verzoeningsdood eerst recht de Steun, de Drager en de Vernieuwer der natuur geworden is. Men heeft gemeend, dat het nachtelijk donker zinnebeeldig te kennen wilde geven , dat met Christus het licht der wereld werd uitgebluscht; doch in den Middelaars- en offerdood van Christus is der wereld eerst recht het licht der vertroosting en des waarachtigen levens opgegaan. Men heeft verder van een medegevoel, zelfs der redelooze schepping, met de smarten van haren Ileere en Gebieder willen spreken; doch voor zulk eene dichterlijke beschouwing blijft hier in hel geheel geene plaats. Immers de zon verduisterde zichzelve niet, maar Hij, die haar in den rouwsluier hulde, was God de Heere. De beteekenis van den plotseling ingevallen nacht ligt veel dieper dan de zoo even vermelde ontcijferingen het ook maar kunnen doen vermoeden. Reeds de klagende roep van den Lijder laat het ons geen oogenblik in twijfel trekken, dat de duisternis in onmiddellijke betrekking staal lol zijnen heiligen persoon en lot den toestand, waarin Hij Zich thans bevindt. Zeker zou het wonder, naar Gods oogmerk ook buitendien

ocr page 560

hë

hot ontzettende van de nu in de geschiedenis intredende gebeurtenis aanwijzen, dat do zon der eeuwigheid, de oorspronkelijke bron van alle leven, zelf een roof des doods werd. Het hoofdoogmerk echter van dit ontzettend verschijnsel strekte, om in een grootsch beeld de geheimvolle betrekking en den inwendigen toestand, waarin de Bloedende aan het kruis zich thans bevond, af te schaduwen. Als achter een voorhangsel des tempels treedt de Ileere, Zich onttrekkende aan de oogen der menschen, achter den zwarten schrikvollen nacht terug. Drie .volle uren hangt Hij, het met doornen gekroonde hoofd gedach-tenvol op de borst nodergelaten, van deze duisternis omgeven, aan zijn kruis. Hij is in het allerheiligste, Hij staat aan het altaar des Hoeren, Hij verricht priesterlijk werk. Hij is de ware Aiiron, en te gelijk het Lam; het olïervuur, dat Hem omvlamt, behoef ik u echter niet het eerst te noemen. Wat gedurende deze uren tusschen Hem en zijnen hemelschon Vader is voorgevallen, ligt voor alsnog mot zeven zegelen gesloten, verborgen in de diepten der eeuwigheid. Wij weten slechts zoo veel, dat Hij achter deze omhulling den zwaarsten strijd gestreden, do schitterendste zegepraal behaald heeft, en zijne plaatsbekloedende gehoorzaamheid met de kroon der voleinding tooide. Wij weten, dat het graf onzer zondon daar begraven, hot handschrift, dat tegen ons was, uit den weg gedaan, de vloek, die op ons rustte, uitgedolgd en de scheidsmuur afgebroken word, welke ons en onzen God van elkander scheidde. Noemt den aanblik van den grooten mot-bloed overgotene in zijne duisternis hartverscheurend, — wij kennen geen verrukkelijker beeld in hemel en op aarde, dan juist dit. Ons is de Man aan het kruis do schoonste star aati den gezichteinder der wereld. Wij zien Hem aan, en gevoelen ons van elke wonde genezen. Toen Mozes uit het donker trad, waarin God was, schitterde zijn aangezicht van oenen glans, dien het verbaasde Israël niet verdragen kon. De glans, dien wij uit de duisternis van Golgotha, zoo ver wij geloovig daarin weten te treden, op onze voorhoofden met ons medebrengen, is liefelijker en zachter, want het is de glans van eenen vrede, waarvan de arme wereld niets weet, en de glans eener innerlijke overwinnaarsvreugde, om welke ons zelfs de engelen mochten benijden.

„Doch verklaar ons het vreeselijke donkere,quot; zoo hoor ik zeggen, „ontcijfer het schrikwekkend raadselschrift. Geef te kennen, welk eenen toestand zij aanwijst.quot; Hoort dan! Dit verschijnsel duidt den teruggang eener andere zon dan de aardsche aan. Het beteekent de verduistering eener innerlijke wereld. Het schaduwt den ondergang van eenen troost- en vreugdedag af. Het wijst in eenen zielenacht, waarin de laatste heldere star wil ondergaan. Stelt u voor, wanneer gij het vermoogt, een' man, die vrij van zonde, heilig, ja van Goddelijke natuur, den Almachtige zijn licht, Gods nabijheid zijn Paradijs , Gods liefde zijne zaligheid noemt. Stelt u nu voor, dat Hij van dat alles beroofd, door geene ondervinding van de genadige tegenwoordigheid zijns hemelschon Vaders meer gelaafd, ja met zijn „wanneer Ik slechts U heb!quot; tusschen enkel angst en schrikgestalten der hel gebannen, en van niets dan van beelden der zonde en des doods om-

ocr page 561

öi'i

geven is. Denkt u zulk eenen, cn zegt, of zijn toestand niot in een nachtelijk donker 'eene uitnemend overeenkomstige gelijkenis vond ? Doch — zoo hoor ik u tegenspreken — in zulk eenen toestand zal zich toch wel de Zoon des levenden Gods niot bevinden. Docli wanneer Hij Zich nu werkelijk in zulk eenen toestand bevond ? Nietwaar, dan zou u, voor betgeen Hij in zijn binnenste ondervond, zelfs de verduistering der zon nog als een te weinig zeggend beeld voorkomen. Wat overigens in zijn binnenste voorgevallen is, daarvan wil Hij zelf opening geven. Treedt slechts naderbij, en hoort zijn vierde woord van het kruis!

II.

De derde ure van de ontzettende wereldnacht nadert zijn einde. Reeds begint de zon zich weder van baren donkeren sluier te ontdoen. Nu breekt de Lijder zijn lang en bang zwijgen af, en hartdoordringend klinkt als uit de diepte zich openende lippen een roep, die te vergelijken is met een noodklokkengeluid, maar ook tegelijk met den toon van een bazuin der overwinning, de ondoorgrondelijke roep: Eli, Eli, Lama Sabachthani? Door aandoeningen van eerbied doordrongen, gevende Evangelisten ons dezen roepstem in dezelfde taal, waarin zij uit den mond deö lijders kwam. Het is als waren zij bevreesd, dat eene overzetting in het Grieksch iets van den inhoud zou doen verloren gaan. Gelijk wij in deze oogenblikken, zóó, mijne Vrienden! hebben reeds gedurende achttien eeuwen alle geloovigen verbaasd en verwonderd voor dit woord gestaan, doch hoe zij gedacht, onderzocht en gedolven hebben , zij hebben het woord in zijne diepte niet doorgrond. Zoo als bekend is, maken de woorden; Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? het begin uit van den 2'2slen Psalm, waarin David, gedreven en geleid door den Heiligen Geest, door eene aanknooping aan eigen, tegenwoordig lijden, het lot van eenen door de zondige wereld wandelende Rechtvaardige schetst. Het omkleedsel zijner schildering breidt zich echter al voortgaande, zoodanig uit, dat des zangers persoonlijke betrekkingen zich daarin als het ware verliezen, en een kind het moet toestemmen, dat het grootschere en meer beteeke-nisvolle levensverschijnselen, dan de Davidische zoekt, om ze als aan liet doel beantwoordende vormen van uitdrukking te bezigen. Ja, het aldus geschetste beeld van den schuldeloos lijdende groeit allengs tot eene hoogte en verhevenheid, waarin deze sedert bet begin der wereld alleen in den levensweg van eenen enkelen zijn volledig tegenbeeld gevonden heeft. In de schilderij treden enkele trekken op den voorgrond, waarvan ons in de geschiedenis van David nauwelijks nu en dan enkel losse aanwijzende schaduwen tegemoet komen en die gevolgelijk ons gebieden bare volle letterlijke vervulling elders te zoeken. Want niet alleen wordt de Lijder van den Psalm ons als een vaagolTer der geheele wereld voorgesteld; niet alleen spreken zij, die Hem zien, tot Hem: Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij Hem nu uithelpe; dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem heeft.

ocr page 562

tgt;ii

Niet alleen móet Hij bang zuchten; Ik hen uüycslort als water, en al mijne beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn loncj kleeft aan mijn gehemelte, en Gij legt Mij in het stof des doods; Hij moot ook zien, wat David in den ei gen tl ij ken zin des woords nooit ondervond, dat men Hem zijne handen en voeten doorgraaft, en dat de vijanden zijne kleederen onder zich verdeelen en het lot over zijn gewaad werpen. Bovendien neemt zijn lijden een einde, zoo als het lijden van geene andere genomen heeft. Want enkel overwinningsheerlijkheid weeft zich ten laatste om dit uitnemend gezegend hoofd, ja Hij verkrijgt zelfs het getuigenis, dat zijn lijden niets minder is clan de zaligheid der wereld, en de wederbrenging, verlichting en zaligmaking der Heidenen ten gevolge zou hehben. Wie zou zoo blind zijn, om niet te zien, dat de zwaar Beproefde, maar de in zulk eene zegepraal uit zijnen kampstrijd uitkomende Hecht vaardige, die door don geest der profetie in den 22slen Psalm ons voor oogen wordt gesteld, geene andere zij, dan de in Jezus van Nazareth verschenen Messias. Bit stond reeds buiten twijfel vast; ook wanneer het Nieuwe Testament niet, gelijk het werkelijk doet, aan dezen Psalm zoodanige uitlegging gegeven had. Zelfs een der hoofdleiders van het nieuwste ongeloof heeft den 22sten Psalm, profetisch als Bileam, het programma of de aankondiging van Christus' kruisiging genoemd, en een andere werd tegen zijnen wil tot de uitdrukking genoopt: „Men zou haast gelooven, dat een Christen dezen Psalm gedicht had.quot;

Dat den Heere deze Psalm in zijnen doodsnood voor de ziel gestaan hebbe, willen wij niet onvoorwaardelijk afwijzen. Wanneer Hij echter waarlijk zijn Eli, Eli! met eene zich bewuste betrekking tot den genoemden Psalm uitsprak, dan herhaalde Hij deze woorden niet opdat, maar omdat dit profetisch lied thans in Hem vervuld werd. Deze klagende roepstem, zoo als zij van zijne lippen vloeide, was de zuiverste uitdrukking der volkomenste persoonlijke werkelijkheid en waarheid. Doch was dan Christus werkelijk aan zijn kruis van God verlaten? Niet één oogenhlik, beminde Broederen. Hoe had Hij van Cod verlaten kunnen worden, die met Hem wezentlijk één, en zoo ooit, dan ten minste in het oogenhlik van zijne onbepaalde gehoorzame zelfovergave ten oller aan hot kruis, het voorwerp van het hoogst vaderlijk welbehagen was? In de diepten der folteringen echter, waarin Hij nu was nedergezonken, en over welke het Eli, Eli, Lama Sabaehthani? als een verlichtende bliksem uitschoot, overstroomde Hem zulk eenen nood, omgaf Hem met ontzetting zulk eene verschrikking-des doods, en steeg eene branding van zulke aanvechtingen der hel rondom Hem omhoog, dat Hem een gevoel overkwam, gelijk het gevoel van eenen uit de gemeenschap Cods verbannene en ganschelijk aan de duistere machten prijs gegevene. Niet alleen breidde zich alle verschrikkingen over Hem uit, welke de vreeselijke moederschoot der zonde in de wereld had voortgebracht; maar ook op eene ons zeker onbegrijpelijke wijze ging Hij met zijne heilige ziele in de gemeenschap onzer bewustheid van schuld, en ledigde voorgevoelend don geheelen beker der verschrikking van de bezoldiging der zonde , dat is van den in het Paradijs gedreigde, in enkel vloek gedompelden dood. En er is geen hol-

ocr page 563

tgt;tö

van schuld, en ledigde voorg'evoelend den geheelen beker der verschrikking van de bezoldiging der zonde, dat is van den in liet Paradijs gedreigde, in enkel vloek gedornpelden dood. En er is geen helper. Geen groet der liefde viel van den hemel tot Hem neder. Geene engelenverschijning gaf Hem lafenis in de ongewone vreemde omgeving, waarin Hij smachtte. Aan zijtie innerlijke gewaarwording had de Vader Zich inderdaad onttrokken. Binnen den kring van zijn gevoel stond deze als een vreemde tegenover Hem '). Voerden de aanvechtingen van Gethsémané den Heere tot aan de grenzen der (jehoorzaam- ' heid, zoo plaatsten Hem de aanveciitingen van liet kruis lot aan die van het (/doof. Niet meer eene schrede, neen slechts een lijn, een streep was er tusschen Hem en de vertivijfelinfj. Heeds greep volgens Psalm 69 : '10, de ontzettende gedachte als met de klauwen van den gier in zijne ziel, dat deze diepte Hem verslinden, en de mond van dei'en put zich over Hem zou kunnen toesluiten. Toen wrong zich het Eli, Eli! lama Sabaehlhani? uit zijnen boezem los. Ziet nu echter toe, dat gij in de beteekenis van dezen uitroep niet mistast. Het is niet eene aanklachte Gods, dat deze Hem verlaten hehhe, maar veelmeer eene krachtige tegenweer tegen de duivelsche verzoekingen tot zulk eene aanklacht. Door bet herhaalde mijn Clod, bewijst Hij toch, dat Hij met liet bloote geloof, dat tlod nochtans zijn God zij, door alle tegenovergesteld gevoel Zich zegepralend doorgeworsteld heeft, ja buigt Hij Zich niet met zijn Eli, Eli! in kinderlijke innigheid vleiend tot zijnen hemelschen Vader en zegt Hij er niet mede, ofschoou ook altijd liet mijn God in plaats van het mijn Vader op het overwicht der eerbied voor de eeuwige majesteit in zijn binnenste wijst: „tusschen 11 en Mij kan van scheiding nimmermeer sprake zijn?quot; Doch, zoo hoor ik u vragen, li ij vraagt toch waarom God Hern verlaten hehhe. Dit is zoo, doch neemt het volgende in overweging: Het ivaarom vraagt vooreerst niet naar de reden zijns lijdens in het algemeen. Deze reden, bleef Hij Zich ook aan het kruis in ieder oogenblik klaar bewust. Dit waarom betrekt zich veelmeer uitsluitend op het persoonlijk handelen des hemelschen Vaders jegens Hem, namelijk gedurende de drie-urige duisternis, en de vraag is do vraag van het kind, gelijk beteekend met deze: waarom treedt Gij zoo verre van Mij en verbergt Gij uw aangezicht voor Mij? Vervolgens spiegelt het ons als een overluid denken van den worstelenden Middelaar geheel de tot zegepraal doorbrekende kampstrijd zijns binnenste af. In het oogenblik, waarin de ontzettende gedachte Hem dreigt te overvallen, dat de hel, die Hem omvlamde, zich hoven Hem toesluiten kan, en daar, zoo ver het mo-

') Het komt mij voor, dal de Eenv. Sehrijvei' begrijpelijk wil maken, wat hij zelf zegt oube-grijpelijk te zijn, namelijk hoe de Zone Gods van God verlaten was, en dat hij daarom onderscheid maakt tnssehen het verlaten zijn, en het zich verlaten gevoelen Zeker zou hierdoor al het onbegrijpelijke wegvallen, want wat is begrijpelijker, dan dat iemand in zoodanig angstgevoel verkeert, dat hij meent van God verlaten te zijn, ofschoon hij het niet is, noch kan zijn. Doch zoo iets kunnen wij in den Heere niet onderstellen. Wij berusten dus liever iu woorden, die, zeker alles zeggen en niets verklaren, doch hiermede in overeensteinmiiig staan met de meeste woorden der Schrift, in deze „De llecre .lezus Christus was aan het kruis, in het oogenblik toen Hij het zeidc, zoo waarachtig van God verlaten als onze liorg en Plaatsbeklecder, als Hij als Zone Gods in eenheid was met God van eeuwigheid tot eeuwigheid.quot; Vcrt.

35

ocr page 564

546

freiijk was, het naamloos onheil van een eeuwig verstooten zijn van God in zijne bewustheid trad, vlood Hij voor dit schrikvol gedachten-beeld, voor deze vuurpijlen van den booze, het schild des geloofs Hem tegenhoudend, gelijk een gejaagd sidderend ree, in de armen Gods. En zoo stelt zich dan de eigentlijke zin van zijn klaaggeluid aldus voor: „Mijn God, waarom verlaat Gij Mij? Hoe komt het, dat Gij uwe hulpe Mij onttrekt? Ik heb toch niets tegen uwe geboden gehandeld. Ik ben toch uw kind, uw eeniggeboren Zoon, in wien Gij uw welbehagen hebt. En gij zijt en blijft mijn God. Hoe zoudt Gij Mij verlaten kunnen? Gij kunt het niet. Gij zult Mij uitredden uit dezen nood. Gij zult uw aangezicht weder over Mij laten lichten.quot; Ziet, klacht (geen aanklacht), roept om hulpe, en kinderlijk vertrouwen; dit zijn de drie bestanddeelen, die in het Eli, Elil lama Sabachthani ? zich vermengen.

Doch het zij genoeg gestameld van eene zaak, welke, ontoegankelijk voor het begrip, zelfs voor het geloovig vermoeden slechts een gering deel van bare verhevene beteekenis verraadt. Zoo veel echter blijkt hier voor ieder, dat zonder de leer van de plaatsbekleeding de klagende roepstem van het kruis een volstrekt onoplosbaar raadsel blijft. In betrekking tot deze loer echter, wordt deze roep tot een feestklok-kengeluid, waarmede onze eeuwige verlossing ingeluid wordt. Verleene God ons in genade, dat deze roepstem in deze hoedanigheid, eene machtige, nooit meer wegklinkende galm ook in ons binnenste veroorzaken moge!

III.

Ja, mijne Vrienden! zoo ver hot immer mogelijk ware (en met het oog op de geheimnisvolle vereeniging, waarmede Ghristus als de tweede Adam van ons geslacht opgetreden is, hebben wij ons de grenzen dezer mogelijkheid niet zoo heel eng voor te stellen) smaakte de Heere ook den bitters'en druppel van den ganschen vloekbeker, de verlatenheid van God. Het mijn God! ivaarom hebt Gij Mij verlaten? yvas zekerlijk de strijdkreet, waarmede Hij het gevoel der verlating m Zich, door het geloof, onderwerpelijk en zegevierend overwon. Evenwel was het niet minder een openbaarmakend getuigenis, dat Ghristus met dit ijzingwekkend gevoel een' ernstigen kampstrijd had door te staan.

Vraagt gij nu naar de vrucht, welke uit dezen strijd vooi ons ontsproten is, zoo is dit reeds voor ons van troostende en opbeurende beteekenis, dat wij den Heere in zijn waarom? opnieuw de bewustheid zijner volkomene gerechtigheid voor God zoo duidelijk hooren te kennen geven. Want lioe zou Hij, bij het ontberen van zulk eene bewustheid, de vrijmoedige vraag aan den driemaal heilige hebben durven doen, waarom Hij Hem verlaten had? De wezentiijkste buit echter, die wij uit dezen kampstrijd wegdragen, is nog eene geheel andere. Hoe tasten zij, die onder bet kruis stonden, toch mis aan den goddelijken Lijder, door in grove miskenning van

ocr page 565

547

zijn Ëli, elkander toe te roepen: Hij roept Elias! Aanvankelijk was deze opmerking zeker niet minder dan spot. Veelmeer kwam weder bij deze wederspannigen het vermoeden boven, dat de ginds in zijn bloed Verhevene werkelijk de Messias kon zijn. Omdat zij echter uit de profetiën van de profeten Jesaja en Maliachi wisten, dat Elia, de groote toekomstige, als baanbreker voorafgaan zou, zoo steeg de gedachte in hun op, of niet de goddelijke Lijder juist deze machtige Godsheraut tot zijne hulpe uit de onzichtbare wereld bezweerde te komen. Welke miskenning van den grooten Middelaar lag echter ten grond van deze gedachte zijner kruisigers! Neen, niet aan Zich-zelven, maar aan de zondaren, voor wie Hij was ingetreden, dacht Christus bij zijn Eli, Eli! en zijn oogmerk was allereerst, om voor hen met dat Eli! weder het hart van den levenden God te veroveren. Want wanneer God Hem verliet, dan had Hij hen verlaten, die Ilij vertegenwoordigde. Verwierp God zijn werk, hot werk van den Borg, als ongenoegzaam, zoo had de verlossing der gansche wereld gefaald. Deze overwinning was het voornamelijk, welke den Heere den angstroep: Mijn God, 'waarom hebt (jij Mij verlaten'! afperste, en gevolgelijk ontvangt zijne vraag ook dezen zin: „Neen, Gij verlaat Mij niet; Gij neemt mijn arbeid aan, en zoo houde Ik U vast als mijn God, en daarom ook als den God van hen, welker zaak Ik uitvoer.quot; De Vader in den hemel heeft het echter niet aan zijn amen op deze roepstem zijns Zoons laten ontbreken. Zinnebeeldig sprak Hij het reeds daardoor uit, dat Hij weldra de duisternis verstrooide en der zon haren vollen helderen dagglans weder teruggaf. Ja, zijne verlatenheid behoorde wezentlijk mede tot den beker, dien de Hoogepriester voor ons ledigen moest. Voortaan kan voor allen, die door den band van een levend geloof met Christus verbonden zijn, van een werkelijk verlaten worden aan de zijde Gods geene sprake meer zijn. Gelijk voor ons geene nachtelijke wolk den hemel meer benevelt, gelijk wij ten allen tijde in Gods onbedekt gelaat zien, en ons [in ieder oogenblik vertroosten kunnen met den vrijen toegang tot zijnen genadetroon. Zoo zal ook God, wat ons anders ook verlaten moge, in waarheid niet meer van ons wijken. Verlaat ons de gunst der wereld, de vriendschap der menschen, hot geluk der aarde, de kracht des lichaams, verlaat ons zelfs, zoo als dat gebeuren kan, het gevoel dor nabijheid Gods en de frischheid van het innerlijk geloofsleven, God zelf blijft ons in Christus ten allen tijde nabij en genegen. Hoe vreemd Hij Zich somwijlen jegens ons schijne te gedragen, in welken smeltkroes Hij ons werpt, hoe geheel Ilij Zich aan ons gevoel onttrekt, in alle toestanden behouden wij de zalige bevoegdheid, om niet alleen vrijmoedig met een: „waarom verlaat Gij mij, uw kind en de door uwen Zoon vertegenwoordigde?quot; tot Hem te komen, maar ook met vrijmoedig vertrouwen tot Hem te zeggen: „Gij zult, Gij kunt, Gij moogt mij niet verlaten, omdat de verdienste van uwen eengeboren Zoon U eeuwig aan mij verbindt.quot;

Op dit oogenblik, mijne vrienden! wordt op onzen Godsakker het ontzielde hulsel eener Christin uitgedragen, welke wel tot de allerkostelijkste edelgesteenten behoorde, die eenmaal uit deze stad in de

ocr page 566

548

kroon van God zal blinken. Docli wie, behalve hare kinderen en eönö kleine schare gelijkgezinde vrienden, die de Meere bij haar gebracht had, kende haar'? Wie, behalve deze, boorde ook slechts eens haren naam ? In de verborgenheid van een duister zolderkamertje lag zij twee jaren achtereen aan eene zware smartvolle krankheid, als op doornen uitgestrekt, doch men meende haar op rozen te zien liggen, zoo vol van vrede en opgeruimde overgegevenheid was zij. Dit kwam daarvan, dat Christus haar leven was. Hoe meer haar vleesch van haar lichaam verdween, des te meer zag men haren geest zich versterken in God. Hoe meer zichtbaar baar uiterlijke mensch verviel, des te heerlijker ontvouwde en verheerlijkte zich haar innerlijke mensch. Ging haar tusschenbeide ook de vloed des lijdens tot aan de ziele, wij hebben ze toch niet eenmaal booren zuchlen, veel minder zien moedeloos worden. Wilde zich haar geloof verdonkeren, zoo spoedden hare blikken terstond naar Golgotha, en onder den galm van het Eli, Eli, Lama Sabachthani ? waren de wolken op haar voorhoofd spoedig verstrooid. .Hij kan mij niet verlaten,quot; zeide zij lachend, „nadat Hij Hem verliet, die mijne schuld betaalde.quot; En toen eenmaal, in de dagen van haren laatsten doodstrijd, het medelijden mij de woorden afdrong: „Ach, dat het den Heere toch behaagde, dezen smarteljjken beker eenigszins te verzachten!quot; antwoordde zij met eene afwijzende beweging van hare hand, op eenen plechtig ernstigen toon: „ü stil, geen druppel minder. Ieder dezer druppels, is door zijne wijsheid en liefde zorgvuldig afgemeten.quot; Op de schoonste wijze getooid met den hemelschen krans van het vaste geloof, der oprechtste nederigheid, der standvastigste overgegevenheid en lijdzaamheid, en der meest zelfverloochenende liefde, scheidde zij als eene triumfeerende overwinnares over dood en graf uit deze wereld. Thans zingt ook zij het groot Halleluja met de schare van die verheerlijkten, welke uit groote verdrukking gekomen zijn en hunne kleederen wit gewas-schen hebben in het bloed des Lams. Maar God heeft de tranen van hare oogen gewischt en haar de palmen eener onvergankelijke zegepraal in handen gegeven. Zij liet als haren laatsten wil de ernstige waarschuwing na, dat men aan haar graf van niets dan van de genade van Christus en de macht zijns bloeds zou spreken. En van iets anders willen ook wij niet roemen aan haren grafheuvel dan van de barmhartigheid in Christus, en wij willen er nog den biddenden wensch bijvoegen: Ons einde zij als het einde dezer rechtvaardige!

Ik heb u deze bijzonderheid verhaald, deels om u met een nieuw bewijs te verheugen, dat God ook onder ons nog zijn volk beeft, en dat zijne wervingen in ons midden nog geen einde genomen hebben, en ten deele. om u door een voorbeeld te toonen, hoe de verborgenheid des kruises in bet algemeen, en hoe in het bijzonder die van de Godverlatenheid des Middelaars moet tot vrucht gesteld worden. Moge het ook ons bescheiden zijn, op zulke wijze de vruchten van het kruis van Christus ons toe te eigenen, en worde boe langs hoe meer in ons binnenste het woord des zangers waarheid en leven:

ocr page 567

549

„EUV Gij riept het, en tot heden

Weergalmt het nog door geest en hart. Het zegt, hoe zwaar Gij hebt geleden,

Doch 't heelt hij mij de grootste smart. Laat heel de wereld mij nu haten,

Die, Zoon van God! ook [J verstiet, God kan mij nimmermeer verlaten,

Nadat Hij U om mij verliet.

Amen.

ocr page 568

UIL

M IJ DORS T!

Wie zal mij water te drinken f/even uit Belhlehems bornput, die in de pooii is? zoo sprak lot zijne helden de koniui;- David, loen liij tegenover de Filistijnen, die Bethlehem bezet hielden, in eene bergvesting lag, en aldaar lust verkreeg tot een frisschen dronk waters. Nauwelijks was zijn woord gehoord, of daar drongen met uitgetogen zwaarden, drie helden in het vijandelijke leger, schepten uit de bornput te Bethlehem, en brachten, nadat zij zich andermaal door de bezetting hadden heengeslagen, de gewensebte verkwikking aan bunnen heer en gebieder. Doch deze wilde dit niet drinken, maar goot liet uit, als ware bet een drankoffcr den Ueere, zeggende: liet zij verre van mij, o .11 eere, dat ik dit zou dooi ! Zou ik drinken het bloed der mannen die heengegaan zijn met gevaar van hun levenquot;? David wilde niet gelaafd zijn, zoo lang de zijnen versmachtten, en allerminst begeerde hij de verkwikking ten hunnen koste. Hij hoopte van den Heere eene nabijzijnde hulp voor allen, en eerst dan dacht hij zich met geheel zijne heldenschaar te verfrisschen.

Wij kennen eenen andere, die uit gelijksoortige beweeggronden als David, eene verkwikking, nochtans eene ongelijk grootere dan die uit de bornput van Bethlehem, als drankoffer voor den Heere uitgoot, en liever verdorsten of Zich met gal drenken laten wilde, dan zonder ons, zijne broederen naar het vleesch, verzadigd te worden, of zelfs wel in overvloed te leven; ja die van het levenswater der hemelsche vreugdefonteinen, welke Hem ten dienste stonden, afstand deed, om niet voor zijn eigen persoon alleen gelukkig te zijn, maar, wat David zeker niet vermocht, door zijne ontbering ons het deelgenootschap aan zijne zaligheden te verwerven, en zich eerst dan in gemeenschap met ons te verkwikken. Gij kent ook dezen Andere en Grootere van Wien de koning Israels slechts eene zwakke voorafbeeldende schaduw was. Wij zullen Hem heden zien, en aantrelï'en juist in het oogenblik, dat Hij dit groote werk der zelfverloochenende liefde uitoefent.

Matth. 27 : 48, 49. Marc. 15 : 36. Jon. 19 : 28, 29.

Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst! Daar stond dan een vat vol

ocr page 569

551

ediks en zij vulden eene spons met edik en omleide ze met Myzop, en brachten ze aan zijnen mond. Doch an Jaren zeiden: Houdt op, laat ons zien of Elia komt om Hem af te. nemen.

Naar liet uiterlijk aanzien behoort de afdeeling voor welke wij heden staan, niet tot de meestheduidende en vruchtbaarste der lijdensgeschiedenis. Doch laten wij ons door den schijn niet op het dwaalspoor brengen, rnaar delven wij in den grond, en ook uit deze plaats zullen ons de wateren des levens uit den onuitputtelijken bornput, welke zich op Golgotha voor ons geopend heeft, rijkelijk en frisch tegen-stroomen. Wel kunnen wij tot den lleere met den Dichter zeggen:

Mij is uit elke smart, die 't hart u heeft gebroken, Een hemelsch rozenbed van zielevreugd ontloken.

Do uitroep: Mij dorst! zij het voorwerp onzer tegenwoordige beschouwing. Ook dit woord kan het niet aan diepe, geheimvolle achtergronden ontbreken; hoe zou het ons anders in het accoord der zeven kruiswoorden tegenklinken? Daarbij werd het uitgesproken —- in welk een oogenblik? In de plechtige grootsche nabijheid van den bloedigen dood der verzoening. Ja, duizend jaren te voren, werd door den geest der voorspelling reeds op dezen uitroep profetisch heen gewezen. Waarin beslaat dan deze beteekenis van het vijfde woord des stervenden Hoogepriesters? Dit zal blijken, wanneer wij het woord, in zijne drievoudige eigenschap, aan eene nadere beschouwing onderwerpen, namelijk:

I. als eene klagende roepstem,

II. als eene uitdrukking van het verlangen naar God , en eindelijk III. als eene bede aan de wereld van zondaren.

Maken wij ons tot deze beschouwing gereed, en late de lleere ons ook heden niet zonder eenen nieuwen schat van heil van hier gaan!

I.

Het is nabij do negende ure, dus omstreeks drie ure in den namiddag. Zoo even klonk het ontzettende: Eli, Eli, Lama Sabachthani ? dat zekerlijk een noodkreet, maar te gelijk de uitroeping der overwinning en zegepraal was. De zon komt uit hare nachtelijke omhulling weder te voorschijn, en de hemel ziet weder vriendelijk op de aarde neder. Gij zoudt u echter bedriegen wanneer gij dit uitleggen wildot als een toeken, dat de folternacht der ziel van den lleere nu

ocr page 570

552

voorbij was. Zij duurt, ofschoon thans ook door de weder verwonnen klaarheid des geloofs wezentlijk verhelderd, tot op het oogenhlik van zijn sterven voort, en ook liet woord: Mij dorst! dringt nog uit hare donkerheid tot onze ooren. Om hieraan (e twijfelen moest men met den 69en psalm niet gemeenzaam zijn, welker klaagtoonen indezen laatsten trap van liet kruislijden des lleeren tot hunne uiterste ver-■wezentlijking komen. Zeker wist Jezus, volgens do uitdrukkelijke verklaring van ons Evangelie, dat zijn lijden het einde naderde. Met klaren blik zag Hij de Iblterbeker tot op den laatsten druppel geledigd. Doch deze laatste druppels bleven er nog in achter; ook zij moesten nog evenzeer gedronken worden, en gelooft het, zij hebben aan bitterheid de reeds gedronkene niets toegegeven. Ach ziet, reeds smaakt Hij ze. De weeën van den in het Paradijs gedreigden dood hebben Hem aangegrepen. Hij trad in dien toestand, voor welke de geest der profetie, in den zoo even genoemden psalm. Hem de klacht in den mond legt: Ik ben vermoeid van Mijn roepen, Mijne keel is ontstoken, Mijne oorjen zijn bezweken, daar Ik ben hopende op Mijnen God,. Nader tot Mijne ziel, bevrijd ze; de versmaadheid heeft Mijn hart {/ebroken, en Ik ben zeer zwak. Ik heb tjdracht naar medelijden, maar er is neen, en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. Zoo luiden de verzuchtingen, waarin wij Hem, door den mond van David, zijne Ziele zien uitstorten; en aan deze sluiten zich dan de opmerkelijke profetische woorden: Zij hebben Mij r/al tot mijne spijze f/cgeven, en in mijnen dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven. Ook deze trek, die inderdaad nog geen rustpunt op zijnen folterweg te kennen geeft, moest zich nog in do lijdensgeschiedenis verwezent-lijken, en tot getuigenis dat dit geschied is, of gelijk het Evangelie zich uitdrukt,, opdat de Schrift vervuld worde, roept d3 lleere van zijn kruis: Mij dorst! Ja een klaag-, nood- en angstgeschreeuw is deze roepstem in do eerste plaats. Dit stelt de aangehaalde psalm, die ons een storm van aanvechtingen voor de oogen schildert, buiten allen twijfel.

Doch van welk eene natuur was de nood, die zich in deze roepstem openbaarde? Allereerst was zij zeer zeker van eenen lichamelijkon aard. Hoe verwond en vermoeid kwam de Zaligmaker reeds op de hoogte van den schedelheuvel aan, en reeds hangt Hij zes volle uren aan het hout. De bloedvaten van zijn heilig lichaam zijn bijna uitgeput. Eene vreeselijke koortshitte woedt in zijn gebeente. Zijne sappen verdroogen; zijn long kleeft aan het gehemelte, zijne lippen branden en een druppel water komt hem voor als eene groote verkwikking. Er is toch geen fellere pijn dan die van eenen onleschbaar beeten dorst. Reizigers, die in de brandende steppen van het Oosten deze pijn ondervonden hebben, geven ons schilderingen van dezen toestand, die ons met ontzetting vervullen. Zij verzekeren ons, dat wanneer zij in dien nood al het goud der aarde hadden bezeten, zij het gaarne voor een paar druppels uit de troebelste onzer beken zouden gegeven hebben. Zagen zij somtijds in de verte eene schitterende plek, die zij voor eene beek of een meer hielden, dan liepen zij daar gewoonlijk als razenden naar toe. En bevonden zij dan dat het vermeende water

ocr page 571

553

sleclits eene brandende zandvlakte was, waarop de zonnestralen speelden, dan bracht lien deze teleurstelling in eene vertwijfeling, welken zij slechts door een luid gehuil passend konden uitdrukken. En denkt eens , ook deze loitering bleef den Zaligmaker der wereld niet vreemd. Tot in zulk eene diepte van armoede en nood wilde Hij, die zoo onuitsprekelijk rijk was. Zich ontledigen. En dit alles voor ons, opdat wij door zijne armoede rijk zouden worden. Wie is in staat deze liefde af te meten en waardiglijk te prijzen!

Maar op nog eene ontzettender dan do ergste lichamelijke kwaal wijst de kruisroep; Mij dorst! heen. Ja, herinnert het u niet aan het schn'kyolle beeld uit de onzichtbare wereld, dat de Ileere zelf eenmaal ons in eene zijner gelijkenissen voor oogen stelde1.' Daagt voor uwe herinnering niet de rijke man op, die zich op aarde in purper en kostbaar lijnwaad kleedde, doch die, nadat ook hem de onverhid-delijke dood had weggeraapt, in de pijn en in de vlammen vertwijfelend de handen wrong, en van eenen naamloozen inwendigen dorst gekweld, vader Abraham toeriep, dat hij Lazarus zenden zou, opdat deze met het uiterste zijner vingeren in het water stippen, en hem de brandende tong verkoelen mocht'? Doch Abraham sloeg zijne bede, hoe smeekend zij ook uit de woonstede van den eeuwigen nacht aan de poorten des hemels aanklopte, zonder verschooning en ontferming af. „Neen,quot; zoo hoor ik hiertegen inbrengen, ,,aan dezen man gedenken wij hier niet. Hoe zou de heilige, zondenreine Lijder ons aan dezen mensch kunnen herinneren? Wij zouden meenen eene heiligschennis te begaan, wanneer wij het dorsten van dezen Rechtvaardigen met dat van het kind der helle naast elkander wilden plaatsen. Wij zouden meenen , dat zulk eene vergelijking niet anders ware dan Hem op erger wijze, dan de Joden het deden, onder de kwaaddoeners te rekenen.quot; Zoo spreekt gij, maar weet, mijne vrienden, dat alleen hij zoo spreken kan, die niet gelooft, wat de Schrift van de plaatshekleedende vloekdraging van Jezus meldt. Voor wie daarentegen over do woorden; De draf, die ons den vrede aanbrenyt, was op Hem, het licht des Heiligen Geestes is opgegaan, dien zou het in de hoogste mate bevreemden , wanneer de Middelaar niet ook het lot van dien man uit de gelijkenis feitelijk vervuld had, dat is, wanneer hij niet — zoo ver dit mogelijk was — ook alle kwalen der verdoemden doorgestaan had. En Hij stond ze door. De bittere hoon, die opnieuw van beneden, en zekerlijk ook in het: Laai zien of Elias komt en Hem afneemt, zich laat hooren , was slechts een zwak men-schelijk beeld van de ongelijk vreeselijker aanvallen, die Hij achter het voorhangsel der uitwendige geschiedenis had te lijden. Hier in het verborgene omringden Hem de benden Helials. Hier schoten de duistere machten hunne uitgezochtste pijlen op Hem af. Hier zifte de satan zelf Hem als de tarwe, en uit deze huiveringwekkende vreemde omgeving, uit deze woestijn van ellende, uit deze kuil waarin geen water was, en in welke Hij, wel nog geloovend, maar niet meer gevoelend, wist, dat God zijn God was, drong gelijksoortig met het: zend Lazarus! van den verworpene, dé roep zich naar buiten: Mij dorst! en, om zondaren den dorst eener eeuwige troosteloosheid

ocr page 572

554

te besparen, onderwierp Hij Zich plaatsbekleedend aan dezen nood. O, welk eene lafenisbron heeft Hij door zijn dorsten ons geopend! Dat wij zondaren thans roepen: „ Wees (jij Mij niet tot eene verschrikkinq, Gij zijt mijne toevlucht ten dage des kwaads! dan brengen, om der wille van den dorstenden Middelaar, ruischende stroomen des vredes, op onze gebeden, het Goddelijk Amen aan.

II.

Mij dorst! Waarnaar dorst Hij? Mij dunkt dat zich dit nu van zelf aantoont. Het was niet enkel natuurlijk water, waarnaar Hij dorstte, maar iets grooters, hoogers, wezent lij kers. Hij verlangde zekerlijk naar de voleinding van zijnen Verlossersarbeid, en de voltooing van zijn groot Middelaarswerk. Wanneer dit doel bereikt was, dan was Hij weder in zijn element, dat is, in de volle zaligheid schenkende gemeenschap zijns hemelschen Vaders terug verplaatst, en aanschouwde Hij weder, terwijl Hij thans enkel gelooven moest. Hij had Zich dan niet meer met moeite door te worstelen tot de bewustheid, dat God Hem goed en vaderlijk genegen is, maar Hij smaakte dit alles weder, want Hij rustte alsdan als weleer in den schoot des Vaders, en in plaats der' ontzettende beelden van den vloek en dood, straalde Hem. dan van alle zijden opnieuw den glans eener vlekke'ooze reinheid en heiligheid te gemoet. De vrede en de vreugde keerden dan tot Hem terug. Het slangengesis der afgrondsmachten was dan verstomd. Alleen de halleluja's der engelen en volmaakt rechtvaardigen galmden dan rondom Hem. Elke wanklank loste zich dan op in zalige harmonie, en de lucht waarin Hij ademde, was weder liefde en niets dan liefde. Ja, Hij dorste naar de volle wederontblooting van het aangezicht Zijns Vaders, en te gelijk naar des Vaders vernieuwde ondubbelzinnige verklaring: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in Welken Ik mijn welbehagen heb, zoo naar de Vaderlijke verzegeling van zijn verlossingswerk als van een onberispelijk volbracht werk. Dat Hij boven al het andere bijzonder hier naar gedorst heeft, onderstellen wij niet willekeurig, maar leiden wij af uit den hierbij beboerende 69en psalm, die Hem onder anderen, in zijne kruisfolteringen, ook deze woorden op do lippen legt: Verlos Mij, o God, want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik hen gezonken in grondelooozen modder, waar men niet kan slaan. Verhoor Mij, o IIeere! want ime goedertierenheid is goed; zie Mij aan naar de grootheid uwer barmhartigheden. En verberg uw aangezicht niet van uwen Knecht, want mij is bange; nader tot mijne ziel, bevrijd ze. Ziet, mijne Vrienden! aldus is zijn Mij dorst! ook de uitdrukking van het verlangen naar zijnen hemelschen Vader.

Meent echter niet, dat Hij bij zijn Mij dorat! alleen Zichzelven en wat tot zijnen eiyenen vrede diende op het oog had. Hij hing immers niet voor Zich zeiven aan het kruis. Hij verlangde naar deu terugkeer in de gemeenschap van God, opdat zijne opneming daarin

ocr page 573

555

ook hen, die Hij hoogepriesterlijk op het harte droeg, hunnen terugkeer tot de gemeenschap verzekerde. Hij toch onderging, als een tweede Adam, in hetgeen Hij leed, hun lot, en bereidde hen, in datgene waarop Hij voor Zich zelve eene rechtsvordering verwierf, hun toekomstig erfdeel. Hij kon, nadat Hij, als de uitvoerder hunner zaken, in hunne plaats getreden was, niet gerechtvaardigd, verhoogd en gekroond worden, zonder dat ook zij daarin deel hadden. Hoe verlangde Hij echter naar het nu niet meer ver verwijderde oogenhlik, waarin Hij tot den Vader treden en tot Hem zeggen kon; „Hier hen Ik en zij, die Gij Mij gegeven hebt. Ik heb ze verlost, met mijn bloed gekocht en onberispelijk voor uw aangezicht gesteld. Voortaan zijn zij de uwen en de mijnen, en waardig tot uwen voorhof in te treden.quot; Ziet ook dat verlangen van Zijn Middelaarsharte, ja dit allermeest, gaf Hij in den uitroep: Mij dorst! zinnebeeldig te kennen. O, in welk een rijken bloesemlooi der liefde heeft Hij het hout des vloeks gekleed !

Ui

Doch wij zien niet voorbij, dat het Mij dorst! niet enkel verlangen naar God, zijnen hemelschen Vader, maar te gelijk een verzoek,eene bede aan de menschheid uitdrukte, welke laatste Hij op Golgotha door zijne kruisigers, helaas! vertegenwoordigd zag. Ziet, ook van hen verzocht Hij eenen dienst der liefde. Een dronk frisch water voor zijne vastklevende tong was het, wat Hij van hen begeerde. Ziet deze bijzonderheid niet voorbij. Ook in dezen schijnbaar kleinen trek ligt iels groots verborgen. Wie, al ware hij ook een der edelsten van zijn geslacht geweest, zou in de omstandigheden van Jezus zijnen houenden vijanden nog zulk een woord vergund en hen om een bewijs van vriendelijkheid en liefde gevraagd hebben? Eene trotsche verachting kwam dezen menschen toe. Maar tot een getuigenis, hoe Hij van eene geheel andere gezindheid was, als zijne broederen naar het vleesch, en hoe er in zijn hart volstrekt niets woonde van alles wat gekrenkt eergevoel, haat of prikkelbaarheid heet, verzoekt Hij den tegenstanders nog om eene handreiking van medegevoelende vriendelijkheid, en zegt Hij tot hen, vriendelijk vragend: Mij dorst! Wat wilde Hij daarmede zeggen dan: „Ziel, Ik breek niet met u af; ik blijf u trouw gezind en houd de banden vast, die Mij aan u verbinden.quot; Wie nog niet weet, wat het zegt vurige kolen op het hoofd van den vijand le vergaderen, die ziet het hier. Hoe treedt hier wederom de heiligheid onzes Heeren te voorschijn! Hoe ontsluiert zich hier opnieuw voor onzen blik de loutere goudgrond zijner Goddelijke natuur! Ja, licht was het kleed, dat Hij aanhad, tot in deszelfs binnenste verborgenste vouwen. Enkel licht! Doch Hij moest ook zóó zijn, die onze Borg en Middelaar wilde worden. Eén stofje op het wit lijnwaad zijner gerechtigheid zou toereikend geweest zijn, om Hem de geschiktheid tol het volvoeren vaii ^ijn groot werk te ontnemen.

ocr page 574

556

Men zou kunnen meenen, dat de wonderbaar teedere trek van onbevangen toenadering en vertrouwen volle nederbuiging, zoo als zij in liet: Mij dorst! kenbaar werden, de kruisigers beneden met eene beschaming hadden moeten vervullen, die hen nauwelijks moet hebben vergund, om verder de oogen op te slaan. En zeker schijnt het, alsof dit woord zijnen verzoenenden en tot zachtere gezindheden stemmenden indruk op hen niet geheel heeft gemist. Wij zien ze toebereidselen maken, om Hem zijn verzoek in te willigen. Kon hunner gaat en haalt een ijzopstengel, en nadat zij eene spons in edik hebben gedoopt, en deze aan het riet vastgemaakt hebben , staken zij dien opwaarts tot vóór zijnen mond, en drenkten Hem met de spons. Zeker wordt Hem deze sobere drank nog met den gal van eene vernieuwde spotternij gemengd. Houdt op.' roepen de krijgsknechten , laat ons zien of Elia komt om Hem af te nemen. Doch bedrieg ik mij niet, zoo is er in dezen spot meer ernst dan scherts, en men bedoelt er in den grond enkel het beter en teederder gevoel van hel medelijden mede, ja zelfs van eene zekere genegenheid voor den bloedenden Man, welke men in deze oogenblikken in zich voelt op-wollen. Willen wij onze tegenpartijders weder voor ons gewinnen, zoo kan dit niet spoediger en beter geschieden, dan dat wij een liefdedienst van hen vragen, en ons tot dankbaarheid jegens hen verplichten. Terstond zal dit hen zachter stemmen. Zekerlijk wordt hiertoe eene mate van ootmoedigheid en liefde vereischt, die niet ieders zaak zijn.-De Zaligmaker bevat echter deze ootmoedigheid in onbegrensde volheid. En om nu Zichzelven in dien toestand te verplaatsen, ten einde der wereld eene dankerkentenis verschuldigd te zijn, zoo geeft Hij hun met zijn: Mij dorst! de gelegenheid, Hem op zijnen levensweg nog de laatste lafenis toe te reiken. Welk oen roerende, hartverove-rende trek is deze! O, dat deze trek, zoo ver dit nog niet plaats vond, ook onze harten voor den Heere mocht gewinnen! Want dat Jezus ons gewinne, is boven alles het doel, waar zijne dorst zich naar uitstrekt. De overtreders ontzondigd, de vloekbeladenen ontladen, de gebondenen losgemaakt, en de gevangenen vrij te zien, is het hoofddoel van zijn smachten en begeeren. Opdat echter dit groote dool der menschelijke verlossing bereikt worde, dorst Hij onophoudelijk naar onze liefde, naar onze overgave aan Hem, naar ons kinderlijk vertrouwen op zijnen Jezus-naam. Wij weten dus hoe, en met welken drank wij den Heere der heerlijkheid nog heden kunnen verkwikken. De eerste lafenis, welke Hij van onze zijde met verlangen te gemoet ziet, zijn de tranen onzer boetvaardigheid en van ons berouw. O, dat wij ze naar Hem heendragen! Of zal het nimmer tot zoo ver komen, dat wij elkander weenend in de armen vallen, en zeggen: Komt laat ons tvederkeeren tot den Heere, want Hij heeft ons verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft yeslaycn, en Hij zal ons verbinden''? Zal het, dan nimmer gelukken, noch aan het bloed dat van het kruis vloeit, om den harden bodem onzer harten te doorweken, noch aan de liefde die zich in den dood voor ons gegeven heeft, om onze koude zielen in wederliefde te ontvlammen'? O welk eene volheid van doordringende wekstemmen en machtige aantrekkingskrach-

ocr page 575

ten, die van het kruis af op ons indringen! Zullen wij er ons dan eeuwig tegen willen verzetten, als streefden wij naar den roert; de hardigheid onzer harten als eeue ganschelijk onoverwinnelijke te hebben bewezen ? Dit verhoede God, en Hij hegenadige ons met tollenaarsver-ootmoediging en met het verlangen van den bekeerden moordenaar aan het kruis. Er zijn oogen onder ons, die spoedig in den dood kunnen breken, en uit welke nog nooit de Magdalena's-tranen dauwden. O, gij oogen der grijze hoofden onder ons, vloeit in tranen, alvorens de vertwijfeling u voor altijd doe verstijven. Mij zien hier oogen aan, die van hunne kindschheid af gezien hebben, wat vele profeten en koningen begeerd hebben te zien, zonder het te zien, en toch hebben zij het ééne dat noodig is, nog niet van verre erkend. O, gij zoo rijk bevoorrechte oogen, weent eindelijk eenmaal over uwe blindheid en uwe snoode afschuwelijke ondankbaarheid. Oogen zien op mij, die geeno fakkels noodig hebben, om hunne overtredingen te ontdekken, en desniettemin verdroogde bronnen gelijken, die geen water geven. Gij oogen der echtbrekers, der mammonsknechten, der kinderen van den vader der leugenen onder ons, — o, eer het weenen te laat u overkomt, — weent tranen als die waren, welke eens Petrus weende en waarmede David des nachts zijn bed deed zwemmen. Zulke tranen zijn het drankoffer, naar welke de Heere der heerlijkheid nog heden dorst. Geve God ons, dat wij daarmede allereerst eu boven alles zijnen troon mogen naderen. Zoodra dit geschiedt, veranderen de daden eu keeren de betrekkingen zich om. Alsdan wordt Jezus de drenkende, de verkwikkende, en de drinkenden en genietenden worden wij. En zalig wie de waarheid zijns woords aan zich ondervindt: Wie van het tualcr zal drinken, dat He hem c/even zal, die zal in eeuwigheid niet dorden, maar het ivater, dat Ik hem geven zal, zal in hein worden eene fontein van water, springende in het eeuwige leven. Wie zou niet, met het oog op zulk een gedrenkt worden, met de Samaritaansche vrouw zeggen: Heere, geef mij van dat water, opdat mij niet meer dorste.

Mij dorst! Dat dan ook dit Kruiswoord niet meer uit ons inwendig oor vergalme, en sluiten wij ook dan onze ooren er niet voor, wanneer het ons uit den mond van hen te gemoet klinkt, mei het oog-op wien de Heere eenmaal tot hen, die aan zijne rechterhand staan, zeggen zal: Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven. O welk een genade, dat ons arme zondaren wegen zijn geopend, waardoor wij Hem weder kunnen verkwikken , die de onuitputtelijke Bronwel en do Uitdeeler van alle vreugde eu verkwikkingen is. Laat ons gebruik maken van dit hoog en zalig voorrecht, en geven wij ruimte en wederklank in onze harten aan de woorden des zangers:

Wie zou niet op 's levens paan Jezus volgen willen?

't Is zichzelv' van last ontslaan.

En Zijn dorst te stillen.

ocr page 576

m

En wie Hem een laafdronk schenkt,

In zijn arme leden,

Wordt met stroom bij stroom gedrenkt Uit zijn zaligheden.

Amen.

ocr page 577

uv.

II E ï IS V O L B R A G II T !

Drie groote rust- en afsluitingspunten ontmoeten ons in de Goddelijke liistorie des Koninkrijks; de eerste in het begin, de andere in het midden, de derde aan het einde. De eerste treedt in met de voleindiging van het werk der schepping: God zag alles ruat Hij gemaald had, cn ziet, het was zeer goed. En God rustte van zijnen arbeid. De morgenstarren zongen met elkander en al de kinderen Gods juichten. Het werken en regeeren Gods in den tijd nam zijn begin, en de aarde was tot eene eeuwige schouwplaats zijner macht en liefdewerken uitverkoren.

De zonde trad in de schepping, en in haar gevolg de vloek, de dood en het duizendvoudig bederf. Eene oneindige verwoesting bedreigde toen het heerlijk werk van God. Toen werd de Schepper, uit aandrang zijner ondoorgrondelijke barmhartigheid, tot Verlosser. Uit de diepte der eeuwigheid kwam een ontwerp van zaligheid te voorschijn, dat de volkomenheden Gods nog meer omvattend en klaarder weerkaatste, cn de engelen voor den troon in nog hooger koor deden juichen, dan zij eenmaal gedurende de zes dagen van den aanvang gedaan hadden. Onmiddellijk na den val in het Paradijs werd de verwezen t lij king van het verheven raadsbesluit ingeleid; doch eerst na verloop van vier duizend jaren kwam zij tot het doel. Een groot het is volbracht! van den heuvel Golgotha de wereld begroetende, kondigde de gekomene voleindiging aan. God rustte andermaal van zijne werken, en door den hemel ruischte het nieuwe lied; liet Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eere, en heerlijkheid, en dankzegging!

Van dit oogenblik af begon een nieuw tijdvak. Met is dat der voortgaande ontvouwing der zegenende werkingen van het volbrachte werk der verzoening. Dit derde tijdvak van welker licht wij beschenen zijn, vind zijne sluiting in de vernieuwing en verheerlijking dei-verloste wereld tot hare oorspronkelijke Paradijsgelijke heerlijkheid. Op dit groote doel wijst de geest der profetie, Openb. 21 : 5, 0. En die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Het is geschied. Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde; Ik wil den dorstigen te drinken geven uit de fonteinen des levenden waters om niet. Zoodra dit derde rusten Gods van zijne werken zul gekomen zijn, zal de geheele wereld rusten en de scheidsmuren tusschen hemel en aarde zijn voor altijd gevallen.

ocr page 578

660

De bron en liet uitgangspunt voor alle nog toekomstige heerlijkheid is en blijft echter iu het midden der tijden volbrachte geheimvolle werk, en tot dit werk geleid otis de tegenwoordige beschouwing.

Joh. 19 : 30«.

Toen nu Jezus den azijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht!

Hier hebt gij het grootste, van inhoud meest zware woord , dat sedert het begin der wereld ooit op aarde werd vernomen, liet is een uitroep der overwinning. Wie kan het er niet uit hooren? Met is een triomfkreet, die aan het rijk der duisternis zijnen volkomen val, en aan het koninkrijk der hemelen zijne grondvesting aankondigt. O wonder, in hot oogenhlik dat voor den held uit Juda alles verloren schijnt, verkondigt ons zijn; het is volbracht] dat alles gewonnen, en zijn doel bereikt is. Het zesde kruiswoord klinkt daarheen als het geluid eener hemelsche haleluja-bazuin, en geeft het teoken aan de met vloek beladene menscbheid van bet aanbreken van een vrij- en sabbatjaar, dat wel in altijd wijderen omvang zijnen glans ontvouwt, maar nimmer weder een einde nemen zal. Ja luistert slechts, en hot zal u voorkomen, als hoordet gij onder het is volbracht! ketens springen, en kerkermuren instorten. Hemelhooge grenzen vallen voor dit geluid, en poorten, sedert duizende jaren gesloten, bewegen zich weder op hare hengsels. Wat was echter volbracht in bet oogenhlik, toen deze groote uitroep gehoord werd ? Ue Evangelist leidt zijn bericht in met de woorden: Toen nu Jezus wist, dat alles volbracht was. Denkt eens, alles. Wat willen wij meer? Doch waarin bestond het ? Wij worden gedrongen den sluier op te lichten, en in enkele trekken te aanschouwen , wat toen in stand en tot wezentlijkheid kwam. Op iets drievoudigs is het terug te brengen. Volbracht was

I. de arbeid van den Borg;

II. de verlossing der zonden ; UT. de herovering der wereld.

Dat wij ons hiervan nader bewust worden, en moge gaheel de vrede, welke hot woord: Het is volbracht! der wereld verkondigt, zich in ons hart uitstorten!

I.

1M is volbracht! Met luide stem roept Hij bet uit. Ja, het is als had Hij den laatsten laafdronk slechts begeerd, om den triumfroep

ocr page 579

èöl

zoo geheel met volle kracht en op de wijze van eenen heraut, ja als met een bazuingeklank te laten hooren. Komt liet u voor, als ver-naamt gij daarin ten minste iets als het avondklokkengehü van het feest, dat den Goddelijken Lijder zelf' geldt, zoo zoudt gij niet verkeerd hooren. De Heere staat aan het doel van zijn werk. Hij heeft de ongehoorde taak. aan welke Hij in gindschen vóórwereldschen vre-deraad met zijn: Ziet, Ik kom om uwen wil te doen, o God! Zich onderwierp, volvoerd. De dood, aan wien Hij voornemens is Zich thans over te geven, maakte de spits, maar ook do sluitsteen van zijne persoonlijkheid uit. Neemt slechts het Goddelijke ontwerp van zijn aardsche leven als Middelaar Ier hand, zoo als het, in voorbeeld en profetie vervat, in het archief van het Oude Testament verborgen ligt, en overtuigt u, hoe hetzelve thans woord voor woord zijne vervuiling ontvangen heeft. Tot in de kleinste en minst in liet oog vallende trekken is het geheimvol Messiasbeeld, zoo als liet in toenemende klaarheid en volledigheid in de schriften van Mozes en de profeten voor ons voorbijgaat, in den persoon van Jezus van nu af tot zijne verwezentlijking gekomen. Vraagt gij naar Micha's Betblehcmi-tisch Wonderkind, Wiens uitgangen van eeuwigheid zijn, of naaiden als mensch geboren Zoon met de heerschappij op zijnen schouder, die Jesaja ons voorstelt, of naar den Koning van Zacharia, den zacht-moedigen en rechtvaardigen, die op het veulen der ezelin zijnen intocht houdt? — In Jezus Christus komt Hij u persoonlijk te gemoet. Zoekt gij het Vrouwezaad, dat met verwonde verzenen de slang den kop vermorzelen zal, of den Knecht van Jehova, die alle gerechtigheid voor ons vervullen zal, of de andere Aaron, die in waarheid eene verzoening tusschen God en de wereld der zondaren tot stand brengen zou? — Ziet opwaarts naar het Kruis, en hier ziet gij alles vereenigd in Eenen. Ziet gij naar liet Tegenbeeld van de koperen slang in de woestijn, of naar het Paascblam en zijn reddend bloed in Egypte, of naar dat van den verheven Lijder, die in de huiveringwekkende tooneelen van den 22 en 69 psalm optreedt, en wel op plaatsbekleedende wijze, tot in den klaagroep: mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlatend in het schrikwekkend lot eens misdadigers intreedt?—-ginds hangt Hij in zijnen bloede voor uwe oogen, en roept: Het is volbracht! Werpt bij dezen roep eenen blik in de boeken der oude profeten terug, en wat stelt zich daar aan u voor? Een onafzienbaar veld, van het eene einde tot het andere met ontledigde schalen, hulsels en vormen bedekt. De oude typen (voorafbeeldingen) hebben hunnen inhoud verloren. De Goddelijke kern, dien zij in zich droegen, doorbrak baar, om in het rijk der wezentUjkheid in te treden. Haar inhoud trok in Jezus vleesch en bloed aan, en zoo begrenst zich hare geheele beduiding voor ons voortaan nog slechts tot dat eene, dat zij getuigenis geven, dat de Goddelijk beloofde Messias inderdaad gekomen is, en dat wij geen anderen meer te verwachten hebben. Alles waarvan het groote werk van do verlossing der menschen afhankelijk gemaakt was, had in liet oogenblik, toen zijn het is volbracht! gehoord werd, zijne vervulling gevonden op ééne zaak na, welke echter bij dien roep in de gedachten reeds ondersteld en medegere-

30

ocr page 580

•JÜ'J

kond word, omdat liet onuitblijvolijk voorhanden was, ja onmiddellijk daarop, cn aldus het goliecl lot eene afsluiting brengende, werkelijk volgde. Deze eene zaak was de vreeselijkste van allen. Het was datgene, wat op de ondubbelzinnigste wijze getuigenis geeft, dat Jezus niet voor zijn eigen persoon, maar plaatsbekleedend voor ons aan het kruis hing. Met was zijn dood. Het doorkruiste de wetten der natuur, dat een groene, door-en-door gezonde en in den bodem der eeuwigheid wortelende boom onder de slagen van den laatsten vijand nederzonk en ten dood bloeden moest. Het streed tegen de rijksordening van God, dat een man, die niet met Adam van de verbodene vrucht gegeten had, nochtans aan het oordeel onderworpen werd: Ten dage dat r/ij daarvan eet, zult gij den dood sterven. [Iet liep rechtstreeks tegen de onveranderlijke grondrechten des lieiligdoms in, dat aan eenen Rechtvaardige een lol werd afgeëisclit, die aldaar uitdrukkelijk als de bezoldiging der zonde wordt gekenmerkt. Hel we-dersprak de uitdrukkelijke belofte des Allerhoogslen: Doe dat en gij zult leven, dal iemand, die ook niet een tittel van het Goddelijk gebod onvervuld liet, niet leefde, maar stierf. Bij herhaling wees Hij zelf aan, dat de algemeene wet der sterfelijkheid voor zijn persoon, op en in zichzelven beschouwd, niet gold. Op de meest bepaalde wijze sprak Hij hel uit, dat niemand, ook niet de Vader in den hemel, hel leven van Hem nam, tenzij dat Hij het uit Zichzelven gaf. Voorzeker, de dood van Jezus zou den troon des Almachtigen in zijne grondvesten geschokt, de ordeningen van zijn huis verbroken er, al de stelregels der Goddelijke heerschappij krachteloos gemaakt en opgelost hebben, indien het ons niet vergund ware met het begrip er van boven de grenzen van een gewoon sterven, gelijk wij allen het endervinden , le gaan. Deze overwegingen noodzaken ons reeds vóór alle verklaringen, waarmede de Schrift ons tegenkomt, het slerven van Jezus als een sterven van buitengewonen aard, ja als eenig in zijne soort op te vatten. En zeker is hel een feit, dal in de geschiedenis alleen staat en bij hetwelk niels anders le vergelijken is. Hij, die naar Goddelijke rechten voor zijn' persoon niels met den dood le doen heeft, nam hem nochtans als den laatsten bitteren droppel van den vloekbeker in de vrijwillige overgeving van Zichzelven in onze plaals op Zich. Gelooft deze zaak, of gelooft haar niet; de Schrift getuigt hel uitdrukkelijk mei vele en sterke woorden. Zij zegt onder anderen: Door Gods genade, en dus niet ten gevolge van eene natuurlijke noodzakelijkheid, heeft Christus den dood gesmaald. Zij zegt'. Wat Hij gestorven is, dat is Hij voor de zonde gestorven. En als Zij zegl: Indien één voor allen gestorven is, zoo zijn zij allen gestorven, zoo wijst zij hiermede het plaatsbekleedende van zijnen dood zoo ondubbelzinnig aan, dal ik niet zou welen, hoe hel ondubbelzinniger betuigd zou kunnen worden. Betaalde Hij echter stervende voor ons de bezoldiging der zonde, zoo kon zijn dood natuurlijk niet zijn eene hemelvaart als van Elia, noch een vroolijk strijken der zeilen gelijk dat van den ouden Simeon, noch de jubelende triumftocht van eenen Stefanus, noch de heengang in vrede van eenen Johannes, noch een ontslapen, zoo als dit tegenwoordig aan duizende geloovigen wordt vergund, onder

ocr page 581

tm

êérièn géopenden hemel en met tien jubel der verlossing op de lippen. Neen, alsdan vorderde eene eeuwige orde, dal Hij, zoover dit mogelijk was, onder de slagen van den nog niet ontwapenden koning der verschrikking viel en den vloekdood smaakte, die niet aan het hart van God, maai' in de verlating van God, en gelijk onder de schrikbeelden. der zonde en des gerichts, zoo ook onder de vurige pijlen der duistere machten gestorven wordt. En onder zulke verschrikkingen neigt Hij nu ook zijn hoofd. Merkt op dat aanhoudend zwijgen over Hem daar boven, de bedenkelijke terughouding van alle hemelsche machten, de drie-urige duisternis om Hem heen, de hoon- en smaadredenen, die zich krijschend rondom Hem laten hooren. Voorzeker, in dit alles ontdekt gij geen verkwikkelijk beeld van den toestand, in welken Hij afstijgt in het donker dal des doods. Neen, Hij sterft niet op de zaclite peluw eener vooral' aangenomene zaligheid, zoo als thans op zijne kosten ontelbare der armste zondaren sterven. En nochtans sterft Hij met de kroon van den zegepraal op het hoofd. Juist in het oogenblik, dat het harte Hem brak, trad zijn het is volbracht! in de geheele volheid van deszelfs beteekenis in. Nu was Hij met zijn Ver-losserswerk tot het doel der voleinding gekomen. Dat roepen het is volbracht! klonk tot den hemel door, en veroorzaakte het nooit meer verstommende Halleluja, het Lam dat geslacht is! Het doorklonk de hel als een donder Gods, en verkondigde haar het einde barer heerschappij. Op aarde echter klonk tot op dit oogenblik geen zaliger toon, peen liefelijker geluid in het oor der zondaren, dan dit het is volbracht! Het galmt daarheen als de bazuinklank van liet groote jubeljaar, en is de afkondiging onzer eeuwige redding.

II.

Ja, Broeders! wij zijn gered. Er is geen grond van zorg meer, dan voor hem, die geen zondaar zijn wil, maar in den farizeeschen waan: zichzelven genoeg te zijn, verstrikt, den Man van smarten aan liet kruis den rug toekeert. Zijn wij echter van een ander gevoelen, en hebben wij, eere gevende aan de waarheid, onszelven geoordeeld voor den Heere, komt dan nader; alsdan geene omwegen meer, geen vruchteloos pogen om onszelven te helpen. Geen vruchteloos toevlucht nemen tot de waterlooze bronnen dezer wereld, welke trotsche namen zij ook immer dragen. Op Golgotha wordt de vredeklok geluid. O dat wij ons in stille zalige rust bewust worden, wat aldaar uit ons geworden is. quot;Wij roepen uit: üiep schuldig zijn wij! „Niet meer!quot; roept eene stem. Wie roept aldus? — Wij belijden: Wij zijn des doods schuldig! ,,Niet meer!quot; wordt er gezegd. Van waar klinkt ons deze roepstem in de ooren? — Wij stemmen toe: De vloek is ons deel! „Niet meer!quot; ü deze stem, uit Wiens mond komt zij voort? Broeders! luistert slechts nauwkeurig toe; al deze geluiden klinken tot ons over uit het het is volbracht! waarvan de wedergalm nooit meer verstommen zal. Wat volbracht Hij echter daar, de Goddelijke Vrede-

ocr page 582

vorst, dnn dat Ilij onzo schuld betaalde, dan dat Tlij Zich van don vloek, die ons toekwam, liet vermorzelen, en Zich aan onzen dood als huit prijs gaf. Heeft Hij echter onze rekening voor God in orde gebracht, hoe zou dan de volmaakt Rechtvaardige in den hoinel eene betaalde schuld ten tweeden male eischen? Kent gij niet de verzekering van den Apostel, dat er niets verdoemelijks meer is aan degenen, die in Christus Jezus zijn. Dat wij ons Hem slechts met geheel ons harte geven, en noch de menigte, noch de zwaarte onzer zonden raag ons meer verschrikken. Zijn gebroken oog, zijn verbleekt gelaat, zijne doorboorde handen en voeten leggen hot ons zelfs als eene verplichting op, dat wij tot verheerlijking zijns naams niet alleen den aanklager uit de hel en den rechter in ons eigen hart, maar zelfs Mozes, doti vertegenwoordiger der eeuwige gerechtigheid, met do Apostolische leus te gemoet treden: Wie tuil verdoemen1? Christus is het, die gestorven is. Welk eene onschatbare vrucht is bet dan, dat het hout des kruisos voor ons gedragen beeft. Doch wij geven ons opnieuw aan eene ernstige bedenking over. Ofschoon ons ook de straf werd kwijtgescholden, — zulk eene gevolgtrekking maken wij — zoo blijven wij nochtans voor den heiligen God, gelijk vroeger, zoo ook nu, zondig. „Gij zijt het geweest!quot; roept eene stem. Wie spreekt zulke zoete woorden? — Wij gaan verder: Al worden wij ook de voorwerpen der grootmoedige Goddelijke vergeving, zoo blijven wij toch dezulken, die het kinderrecht bij Hem verloren hebben. „Gij zijt hot geweest!quot; O hoort, van waar deze kostelijke tijding? — Wij herbalen: Om Christus wil mogen wij bij God op sparing rekenen, doch persoonlijk onrein, gelijk wij nog altijd zijn, kunnen wij toch niet anders dan onwelbehagelijk zijn in Gods oogen! „Gij zijt bet geweest!quot; Wie verkondigt dat? O Broeders! zijt gij in staat het voorbij te hooren, dat ook dit troostelijk „Gij zijt het geweest!quot; door dat eene woord: Hel is volbracht] u tegenklinkt? —• Wat Hij stervend volbracht, was niet enkel het werk tier genoegdoening, door welke Hij ons den vloek van het hoofd wegnam, maar te gelijk zijne plaatsbekleedondegehoorzaamheid, welke voortaan als de gerechtigheid, welke voor God geldt, zijnen geloovigen toegerekend wordt. — Met het: Gaat weg van Mij, c/ij vervloeiden! is te gelijk hot: Gewogen en te licht bevonden van onzen muur uilgewischt, en wij lezen nu in de plaats daarvan het groote opschrift: Gij zijt afgeivasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd geworden door den naam des Heeren Jezus. En dat wij dat zijn, wordt ons feitelijk daardoor bezegeld, dat God Zich nu in liefde tot ons nederbuigt, zijnen Geest ons inademt, aan den leiband der genade en der goedgunstigheid ons leidt, en zoodra wij onzen loop voleindigd hebben, de poort van zijn hemelsch vaderhuis voor ons opent. Dit feit echter, dat verdoemelijke menschen bij God als heiligen gerekend worden, zonder dat daardoor de heiligheid, gerechtigheid en waarheid Gods op eenigerlei wijze afbreuk geschiedt, wijst u aan wat de Lijder aan zijn kruis lot stand bracht en verwe-zentlijkte. Roods de 22 psalm betuigt bet, dat dit de vrucht van zijnen dood zijn zou, terwijl er in het slotvers gezegd wordt: Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen aan het volk, dat

ocr page 583

565

geboren wordt, omdat Hij het gedaan (of wél gemaakt) heeft, ftoo volkomen gerechtvaardigd en diep gegrond komt ons derhalve do zegepralende uitroep voor: Het is volbracht! in;;t welken de Ueere na ge-danen arbeid zijn hoofd ter ruste neigt.

Na deze opmerkingen zult gij ook nu het raadselachtige woord, Hebr. 10 ; 14, voor uzelven weten te verklaren: Met ééne ojferande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt (of tot het doel gebracht) degenen die geheiligd worden. Ja, door de eene daad zijner zelfofferande legde HÜ voor' allen, die in Hem gelooven, zoodanig den grond van hunne rechtvaardiging, heiligmaking en verlossing, dat zij zich over de eerste reeds nu als een voleindigd feit mogen verheugen; dat zij de tweede wel eerst als kiem, maar toch als zulk een kiem in zich dragen, welke ons met innerlijke noodzakelijkheid heendringt tot eene toekomstige volledige ontvouwing; en dat hen de derde even zoo zeker en gewis in het vooruitzicht te wachten staat, als Christus, hun Plaatsbekleeder, de heerlijke erfenis des hemels in hun naam bereids in bezit genomen heeft. In de geschiktheid, den aanleg en de innerlijke grondtrekken is, gevolgelijk, in iederen geloovige werkelijk de ideale mensch, de mensch der toekomstige verheerlijkte wereld, reeds geschapen en voor God gesteld. Ja eene scheppingsdaad, doch eene geestelijke, werd aan het kruis volbracht. Wanneer liet nieuwe, dat daar geschapen werd, eenmaal uit zijne voltooide ontwikkeling zal gekomen zijn, en zich van al zijne aardsche hulsels en sluiers zal ontdaan hebben, dan zal eerst de volle waarheid van den triumfroep: Het is volbracht! ons klaar worden, en de geheele grootte van zijne beduiding zich voor ons ontzegelen.

III.

Want gij moet weten niet enkel op eenige zondaren, voor wie Hij, tot hunne terugkeering in hunnen oorspronkelijken Paradijstoestand de met bloed besproeide brug bouwde, maar op de wereld als een geheel rustte het oog des Gekruisigden, toen HÜ het verhevene hei is volbracht! uitriep. Had Hij in dit oogenblik aan al het zoeken en verlangen der wereld de overvloedigste bevrediging veroorzaakt, en haar hoogst vermoeden en begeeren, zoo als zij sedert duizende van jaren in geheimzinnige gebruiken en godsdienstplechtigheden, of in overleveringen, liederen en afbeeldingen eener wereld verheerlijkende kunst zich had uitgesproken, tot de heerlijkste verwezentlijking gebracht, zoo noemde Hij thans de geheele aarde met volkomen recht de zijne. Hij had den ban, die op haar lag, opgeheven, haar van de vloekaanbrengende gerechtigheid vrijgeworsteld, en de verwoeste, die van wege de zonde door eene Goddelijk-rechterlijke uitspraak aan de duistere machten onderworpen was, aan deze ontscheurd, en ze voor Zichzelven veroverd, om ze tot schouwplaats van zijn Koninkrijk te wijden. Voortaan is er niets ongegronder dan do bezorgdheid, dat de aarde ooit weder tot een kroongoed van den vorst dezer wereld,

ocr page 584

566

of tol oen woest en ledig van barbaarschheid en zonde kan worden, liet bloed van Christus geeft haar recht tot hare verandering in eene woonstede der gerechtigheid, hare wederverjonging tot een Paradijs, hare vernieuwde vereeniging met den hemel, en de eeuwige Vader, die plechtiglijk zijnen Zoon heeft toegezworen: Eisch van Mij en Ik zal u de Heidenen geven tot een erfdeel, en de einden der aarde tot uioe hezittivg, zal den eisch des bloeds van zijnen eeniggeborenen Zoon niet onverhoord laten. Wat ook als verwarring en verschrikking nog over onze aarde moge heengaan, hare toekomst is verzekerd. Op het kruis werd de grond van onze onuithlijvelijke verheerlijking gelegd, en den Heiligen Geest werd het opgedragen, om niet te rusten, totdat voor rekening van Imrnanuël het groote werk der nieuwe schepping voleindigd is. Het model, dat Hij te verwezentlijken heeft is Hem reeds lang in handen gegeven. Behaagt u nog een blik in het hemelsch program of ontwerp', dat Hem tot richtsnoer van zijn doen en werken moet dienen, zoo kan u deze wenscb vergund worden. De profeet Jesaja onder anderen, rolt het iti den naam van God voor u open in hooldst. 05 zijner profetiën, en het luidt aldaar van vs. 17 aldus: Ziet, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar iveest gijlieden vroolijk en verheugt u tot in der 'eeuwigheid in hel gene Ik schep, want ziet Ik schep Jeruzalem eene verheuging en haar volk eene vroolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem en vroolijk zijn over mijn volk, en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening, noch de stem des geschreeuws. Daar zed niet meer wezen een zuigeling van weinige dagen, noch een oud man, die zijne dagen viet zal vervullen. Zij zullen huizen houwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten en derzelver vrucht eten. Zij zullen niet houwen, dat het een ander hewone, zij v.ullcn niet planten, dat het een ander ete. Want de dagen mijns volks zullen zijn cds de dagen eens hoorns, en mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten. Zij zullen niet te vergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring, ivant zij zijn het zaad der gezegenden des Heeren en hunne nakomelingen met hen. En het zal geschieden, eer zij roepen, zoo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zoo zal Ik hooren. Be wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund, en slof zed de spijs der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op mijnen gansehen heiligen berg, zegt de Ueere.

Mijne Broeders! wanneer dit heerlijk beeld leven en wezentlijkheid zal geworden zijn, dan zullen wij eerst recht gewaar worden, in welk eenen grootscben en wijdomvattenden zin de stervende Middelaar zijn het is volbracld! uitriep. Deze geheele volheid der verlossing en verheerlijking had Hij in het oogenblik, toen de groote roep geboord werd, verworven, en de nieuwe wereld was in al de voorwaarden barer verwezentlijking reeds gereed.

Laat ons dan de schatten van troost en hope, die in het het is vol-bracht! voor ons verborgen liggen, omhoog hellen. Scharen wij ons, terwijl wij ons op de borst slaan, nauwer rondom bot kruis, en scheppen wij uit den dood des Middelaars, met de zalige bewustheid onzer

ocr page 585

567

ontzondiging, te gelijk lust, moed en kracht, om voortaan alleen voor Hem te leven, die ons met zijn dierbaar losgeld gekocht heeft. Be-geeren wij echter reeds thans te zien, wat Hij uit ons, arme Adamskinderen , door zijne offerande heeft gewrocht, werpen wij dan slechts eenen blik in de triumfeerende kerk daarboven. Ziet deze volmaakt rechtvaardigen ginds waren eenmaal lieden gelijk wij. Onder hen is de bekeerde moordenaar aan het kruis, de tollenaar, Magdalena, Zac-cheus, en welke arme zondaren en zondaressen er meer zijn. Wie herkent ze, deze verheerlijkten in hunne lichtende kleederen en met hunne onverwelkelijke levenskroonen voor den troon van Godquot;? Wilt gij echter weten, hoe zij tot deze heerlijkheid gekomen zijn, zoo hoort het uit de Openbaring. Zij hebben , zoo betuigt deze, hunne Ideederen ycivasschen en tuit gemaakt in het bloed des Lams. Ziet, mijne Vrienden! dit is het gansche geheim. In deze zaligen heeft het woord: Het is volbracht! als hot ware gedaante verkregen. Zij onthullen ons eerst de geheele grootte van dit woord. Zij maken zijne levende en veraanschouwelijkende verklaring uit. Hen gevolgd! geene andere banier geleidt ons naar de Godsstad, als dat des kruises. Sluiten wij ons aan de pelgrimskaravane, die dezen rijksstandaard volgt, en de vol-stemmige eclio, dat het het is volbracht! uit do diepte uit onze harten tegenklinkt, luidt heden, morgen, en bijzonderlijk in onze laatste ure : Wie wil verdoemen1? Christus is hier.

Het is volbracht! En al mijn zonden

Verdoemen thans mijn hart niet meer. Ik hoor uit 's hemels troon verkonden:

Uw Borg en Redder is de Heere. Zie op het Lam, voor u geslacht, En leef door 't woord: Het is volbracht!

Amen.

ocr page 586

LV.

VADER, IN UWE HANDEN BEVEEL IK MIJNEN GEEST!

Aan het sterfbed van tien Zoon van God roept ons liet plechtstatig klokkengelui van dezen dag. De Heere zij geloofd, het is te gelijk het sterfbed van onze zonden, van onzen vloek en van onzen dood. Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, zegt do Apostel Gal. 0:14, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Wij, die geloovon, stemmen in met deze woorden, en zeggen met den Dichter:

O Heer en Heiland! bij uw kruis Gevoelt mijn ziel zich recht te huis;

Geen schooner rijksvaan ken ik hier Dan nw bloedroode kruisbanier.

Vraagt iemand waar mijn rijkdom zij ?

Ik wijs naar 't kruis verheugd en vrij:

Aan dit gezegend vloekhout hangt Al wat mijn arme ziel verlangt.

Toon de aartsvader Jacob zijne zonen, do twaalve, rondom zijn sterfbed vereenigd had, hoorden zij hem met vroolijk gelaat jubelen: Op uwe zalüjheid wacht ik, o Heere. Het was die zaligheid, van welke wij het bloedig zaad heden op Golgotha zien uitstrooien. De oude aartsvader begroette het slechts van zeer veire, en toch maakte het hem reeds tot eenen held tegen den satan, den dood en de hel. Toen Jacob stervende zijne beide kleinzonen, de zonen van Jozef, zegende, legde hij hen de kruiselings gehouden handen op het hoofd, en zeide: „In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse.quot; Zoo leefde reeds de kerk der oude dagen hopende en verlangende onder het kruis, en dit te langduriger en te meer en met te klaarder bewustheid, in hoe meer duidelijke trekken door voorspelling en voorbeeld het kruis voor hun gezichtskring trad. De gansche tempel met zijn altaar en met zijne met bloed besprengde eerediensten onderhield en bezielde enkel de overtuiging, dat er zonder bloedstorting geene vergeving geschiedde. Ja , het kruis is de pilaar, waarop het geheele Christendom en alle Christelijke hope rust. Het is de boom des levens in het midden van den Nieuw-Testamentischen hof van Eden. Twee erflatingen der liefde worden ons onmiddellijk van de hand des Hoeren nagelaten — de

ocr page 587

569

Bondzegelen. Wat teekende Hij als zinnebeeld op deze twee gedenk-teekenen? Niets anders clan het beeld des kruises. Daardoor predikt Hij altijd opnieuw met nadruk en verstaanbaar voor iedereen: „Van bet kruis komt al den zegen.quot; O, dut deze zegen zich dan ook in onze harten uitgiete, en dat liij bijzonder dezulken in rijke volheid toevloeie, die heden, door bet genot des Heiligen Avondmaals, voornemens zijn geheel van nabij onder bet kruis te treden.

Matth. 27 : 50. Mauc. 15 : 37. Luc. 23 : 46. Joh. 19 : 30.

En Jezus wederom met eene groote stem roepende, zeide: Vader, in

uwe handen beveel Ik mijnen yeest. En als Hij dat gezegd had, neigde Hij het hoofd en gaf den geest.

Kleed met uw floers, o nacht, den schedelberg in rouwe, Dat hemel, aard noch hel die wondre plaats aanschouwe ! Zij zonden bij het zien der vreemdste zaak bezwijken:

God onder lijken!

Met zulke gewaarwordingen treedt een geloovig zanger tot liet kruis, in bet oogenblik, waarin ook wij bet heden naderen. Het ongehoorde, ongeloofbare gaat gebeuren. De Zoon der eeuwigheid, bot leven zelf sterft. Op dit fei], rust de gebeele Kerk als op baren gronden hoeksteen, en zonder hetzelve bestond er geene werkelijk volbrachte verzoening, en omdat deze er niet was, ook geene verwachting voor de wereld der zondaren. De Bijbelsche godgeleerdheid wil van niets weten dan van Jezus Christus, en wel den Gekruisigde. De godgeleerdheid des hemels toont haar kern en middelpunt in haar eeuwig-lied: Het Lam dat geslacht is, is waardig! Het waarteeken des Christendoms is bet kruis , en rood is de Ideur van de banier van Zion. Van het bloed, dat bet kruis geverfd heelt, getuigen de instellingen der Bondzegelen, die de Heere, zooals gezegd is, ook als uitdrukking van betgeen waarin geheel zijne zaak haar wortel heelt, aan de Kerk achterliet, en het grootste en meest beteekenisvolle van alle feesten, bet feest, dat reeds ontelbare gedenkdagen van wereldhistorische belangen overleefd beeft, en allen overleven zal, is de Goede Vrijdag.

Komt en zien wij den Zoon des levenden Gods sterven. Zijn sterf-roep — de laatste der zeven kruiswoorden — zal ons dienen als een fakkel, in welks licht wij van zijn sterven

I. bet hoe, en

II. het waarom

ocr page 588

570

zullen loeron kennen. Slaan wij den weg onzer beschouwing in onder den wedergalm van liet gezangvers:

Jezus, mijn Erbarmer, Ach ; wie was er armer, En wat deedt Ge mij! Met uw eigen handen Slaaktet Gij mijn banden,

Maaktet Gij mij vrij. Liefde, nooit te meten , Nooit wordt Gij vergeten!

I.

Dus naar Golgotha terug. O ziele, keer in tot eene aandachtige stilte! Wij treden in een heiligdom. Is er in liet algemeen op aarde niets meer aangrijpend en plechtiger dan een sterfuur, waarin tijd en eeuwigheid elkander ontmoeten, en in welker klankenloos zwijgen als. het ware de klokslagen der andere wereld hoorbaar worden? Hoe moet het ons dan wel in een stervens-oogenhlik zijn, gelijk dit is, tot hetwelk wij heden komen, en waarin, gij weet wie, zijn hoofd neigt en sterft. De oogen omhoog geslagen! O welk een sterfleger, dat men daar den Zoon der liefde bereid heeft! Dezen ontslapene droogt niemand hot zweet van het aangezicht. Niemand verkwikt Hem mot woorden dos levens. Niemand spreekt den laatsten zegen over Hem uit. Wie ging meer eenzaam, meer verlaten en van dieperen nacht omscliaduwd uit de wereld dan Hij! Nochtans verzie u niet aan Hem! Het is geen veldslag, waarin Hij ons te ge-moet treedt, maar eene offerande. HU ondergaat niet den dood, gelijk wij, maar Ilij wijdt Zich dien toe, nadat Hij denzelven te voren de macht over zijn leven zelf ter leen gegeven had.

Wat is de dood? Sedert duizende van jaren, gelijk gij weet, is het duistere, van alle vleesch gevreesde wezen, dat door dezen naam wordt aangewezen, in de wereld en doet in dezelve zijn vreeselijk verwoestingswerk. Hij is geen persoon, maar eene lotbeschikking. De jonge schepping, gelijk zij uit de hand des Almachtigen voortkwam, werd nog niet door deze onzaligheid doorwandelt. Aldaar was alles nog leven en harmonie, van eenen wanklank, zoo als de dood is, nog niet overschreeuwd. Het duister spooksel zag eerst slechts als een geschilderd portret in do wereld, en wel uit de Goddelijke bedreiging. welke aan het genot van den verboden boom verbonden was. Ten gevolge van den zondenval trad het op de schouwplaats der werkelijkheid, om voortaan alles wat adem heeft als de koning der verschrikking aan zijnen gruwzamen schepter te onderwerpen. Onze eerste ouders zagen het eerst aan hunnen lieveling Abel zijne majesteit en

ocr page 589

571

macht ontvouwen. O welk een schrikbeeld, waarvan zij getuigen moesten zijn! Daar lag deze bloeiende jongeling in het slof. De ster zijner oogen was uitgedoofd, de vriendelijke mond verstomd, en de leden leliewit verstijft tot koud marmer. Hoe luid zij hem bij zijnen naam riepen, hij sloeg de oogen niet meer op. Met hoe veel tranen zij hem bezworen, dat liij hen nog eenmaal zijne stern wilde laten hooren, hij zweeg, en de tranen-stroomen hunner teederheid, waarin zij zich baadden, brachten zijne stilstaande polsen niet weer in beweging. En eer zij er aan dachten, wat gebeurde er toen? Met looden gewicht en duizend verschrikkingen lag zich de verderving op den ontslapene, en de arme ouders moesten ten spijt van al hunne liefde met afgrijzen het aangezicht van hem afwenden en zich haasten om bunnen oogappel tot eene spijs van het gewormte onder de aarde te begraven. Toen wisten zij, ofschoon ook nog eerst gedeeltelijk, wat de naam dood beteekende. Van dat oogenblik af zette nu de dood zijn schrikbewind op de aarde voort, druppelde in eiken vreugdebeker zijne gal, omzweefde elke betrekking der liefde met het rouwfloers van het zeker uitzicht, dat ook voor hem heden of morgen het uur der oplossing en der scheiding slaan zal, en overspreidde de geheele natuur, ook daar waar zij op de liefelijkste wijze bloeide, met zwarte lijkje-waden. En gelijk hij gedurende duizenden van jaren gedaan heeft, zoo doet hij nog. Wie echter het monster eerst geheel kende, en acliter zijne buitenzijde ook nog zijne verborgene verschrikkingen zich bewust werd, en te weten kwam, dat de scheiding van lichaam en ziel, welke hij voltrekt, alsook dat de nederstorting van het lichaam in het gebied der verrotting, nog maar alleen het zachtste deel van zijn werk is, terwijl hij als de bode van het oordeel Gods te gelijk den last heeft ontvangen om den zondaar naar de hel te brengen, alsdan zou hij geheel met Sirach zeggen: ,,0 dood, hoe bitter zijt gij!quot; doch zeker zal hij daarom ook te luider jubelen, wanneer hij verneemt, dat er Een is, die van zich getuigen kon: Ik hch de sleutels der hel en des doods! „En zoo iemand zou er zijn?quot; Ja, mijne Vrienden! gij ziet Hem thans in het bloedig aangezicht.

Alleen zondaren zijn aansprakelijk de bezoldiging der zonde te voldoen. De Heilige Israels en de dood hadden met elkander niets gemeens. Wat zien wij desniettegenstaande heden op den schedelheuvel? Ja, wat zien wij? Misschien eene overrompeling, overwinning of zegepraal des doods? Dat zij verre! Spreekwijzen als deze: „de dood naderde Jezus,quot; of „de dood overviel Hem,quot; of „Jezus viel den dood ter prooi,quot; zijn op eenen dwaalweg, wanneer zij bij zijn kruis zich willen laten hooren. Ziet omhoog! Nadat Hij zoo even het groot overwinningswoord: het is volbracht! heeft uitgeroepen, beweegt Hij opnieuw zijne lippen, en wil spreken. En wat zal nu volgen? Een weemoedig: „Zoo vaar nu wel?'' Een klagend: „Ik moet van hier?quot; Een smartelijk prevelend: „Mijne zinnen bezwijken! Ik ontval aan mij zei ven, en ga den weg van alle vleesch?quot; O neen, neen! Hoort wat Hij zegt. Met eene groote luide stem en met den nadruk van den man, die niet uit zwakheid sterft, noch stervende aan eene droevige noodzakelijkheid, den afgepersten tol betaalt, maar die een llccrc is

ocr page 590

572

over den dood en in vrije zelfbepaling zich aan den dood wijdt, roept Hij, en de slag der scheurende steenrotsen, der ineenstortende heuvelen en der openspringende sralspelonken vergezeld zijnen uitroep: Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen, geest! En na deze woorden gezegd te hebben, neigt Hij, uit eigen beweging, gelijk een arbeider na volbrachten arbeid, het bloedige hoofd ter ruste op zijnen boezem, en geeft zijnen geest, gelijk Johannes zich uitdrukt. Hoe! zoo zou Hij thans werkelijk dood zijn? Ja, Hij is het; nochtans uit eigen verkiezing. Vrijwillig werd Hij den dood ten buit. „Doch dit moot iets groots beteekenen, en nog grooter dingen ten gevolge hebben ?quot; Zeker , mijne Vrienden! doet en heeft het dit. Alvorens wij echter daarvan handelen, laat ons nog eenige oogenblikken ons in het woord des af-scheids van den grooten Lijder verdiepen.

Vader! zoo begint Hij. Hij beeft dus in zijne bewustheid, ofschoon ook nog maar eerst in het geloof, den Vader terug. Het eerste woord, dat wij op aarde uit zijnen mond hoorden, was de Vadernaam, en deze naam is ook in zijn laatste woord. Rondom zijnen Hemelschen Vader bewoog zich al zijn bezinnen en denken, al zijn trachten en begeeren. Den wil zijns Vaders te volbrengen was zijne spijs en drank; de liefde des Vaders zijne vreugde en zaligheid, en de weder-vereeniging met Hem het toppunt van al zijn hopen en verlangen. .Met den herauten- en overwinningsroep: hel is volbracht! wendde Hij Zich nog eenmaal tot de wereld. Het was zijn vaarwel aan haar, een vaarwel, zoo als het den Overwinnaar des doods, den Vorst des levens , den Koning en Gebieder over alles voegde. Van toen af trok Hij Zich geheel terug in de betrekking tot zijnen God, en keerde het aangezicht nog maar alleen naar Hem. Vader! Ja, de roepstem van weder-verkregen krachtig Zoonstoevoorzicht was dit geluid ; nochtans niet de roepstem van een geheel terug gekomen zijn aan den boezem des Vaders. Altijd hebben wij ook nog het Vader, in uwe handen! als het krijgsgeschreeuw van eenen zich door do vijanden heenslaanden strijder op te vatten. De hel, die Hem omwoedde, gaf hare zaak nog niet verloren, maar ging op allerlei wijze voort. Hem aan te vechten, en met ontzettende schrikbeelden te beangstigen, en de dood zelf kostte Hem, die het leven was, geene geringe overwinning. Wij hebben ons daarom de stervensroep van den lleere Jezus zeker als die van eenen zwaar gepersten voor te stellen, die worstelt om zijne ziel in een zeker toevluchtsoord te verbergen, en die uit een vreeselijk gedrang heenslaat om te zijn in de handen des Almachtigen. Zeker geschiedt deze toevluchtneming met den vrede eener volkomene zekerheid der overwinning. Ook niet van verre komt de gedachte bij Hem op, dat de dood iets anders zou kunnen zijn dan eene verplaatsing van den persoonlijken geest in eenen andoren levenskring. Over de arme menschelijke vraag: „te zijn of niet te zijn?quot; is Hij hemelhoog verheven. Hij weet, dat Hij enkel ontslaapt, om terstond weder aan het harte Gods te ontwaken, en in deze bewustheid, waarin Hij de armen des Vaders tot zijne ontvangst reeds in liefde uitgebreid ziet, roept Hij: Vader! in uwe handen beveel Ik mijnen geest. Hij ontleent deze woorden, zuo als bekend is, uit den 31eu Psalm; alleen

ocr page 591

6711

geofl, Hij door het vooraf uitgesprokone Vader! deze woorden dien vorm, welke met zijne betrekking, toestand en waardigheid overeenkomt, terwijl Hij de in den Psalm onmiddellijk volgende woorden: Gij hebt mij verlost, Heere! als Hom, die nu als de Verlosser der wereld zelf aan het kruis hing, niet voegende, weglaat. Hoe betee-kenisvol is het echter wederom, dat Hij met een woord der Schrift de wereld verlaat. Hij was geheel met Gods Woord gedrenkt, en geeft ons stervend nog eenen wenk, met wat ook wij onzen inwen-digen mensch te voeden hebben.

Zijn laatste roep is gehoord. Nn neigt Hij na weivolbracht werk zijn hoofd, en het ongehoordste is geschied. De Zoon des levenden Gods verbleekt in den dood. Wij staan bewogen, verbaasd, in aanbidding verzonken ; en wat blijft ons overig als in te stemmen in de uitstorting der harten zijner gemeente:

Wij danken U, met diep getroffen harten,

En bidden U, o God en Heiland aan,

Dat Gij met zoo veel angst en stervenssmarten

Voor onze zonden hebt genoeg gedaan.

Laat ons voortaan uit dit uw sterven leven. En laat uw beeld ons steeds voor oogen zweven, Dan heeft ons hart een troost van alle pijn, En zal de dood ons eeuwig leven zijn.

Waar was do Heere na zijn verscheiden? Waar anders dan waarheen zijn dorstend en verlangend hart Zich naar uitgestrekt had: in de handen zijns Vaders. De hemel vierde zijn triomf. De accoorden der engelenharpcn omgalmden Hem. De volmaakt rechtvaardigen in den hemel juichten Hem huldigende welkomstgroeten te gemoet, en hot nieuwe lied nam zijn begin: Gij zijt waardig het bock te nemen en zijne zegelen le openen, want Gij zijt gedacht en hebt ons Gode gekocht met utu bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie, en Gij hebt ons onzen God gemaald tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.

Nu is het echter onloochenbaar, dat geheimvolle uilspraken der Schrift daarop heenwijzen, dat de Vredevorst, ook nadat Hij bet aard-sche hulsel heeft afgelegd, zijne zending geenszins volkomen vervuld hoeft. Zoo zegt onder anderen Petrus in zijnen eersten Brief, dat Christus in den geest, dat is, in zijne van het lichaam ontdane persoonlijkheid, heengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, die eertijds ongehoorzaam waren, toen de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, toen de ark toebereid werd. En bijzonderlijk op deze stelling steunende, betuigt de Apostolische geloofsbelijdenis eene onmiddellijk na den dood van Christus gevolgde nederdaling ter helle. De verklaring dezer uit-

ocr page 592

674

spraak echter eisclit groote voorzichtigheid. Datgene waarop Petrus doelt, behoort geenszins meer tot de vernedering des Heeren, iioe veel te minder lot zijn verzoeningsarbeid. liet genoegdoenend Middelaarschap vfin den Eorg was in liet oogenhiik van zijn sterven volkomen en afdoende volbracht. Trad nu Christus in de woningen dezer afgescheidene geesten der aartsvaderlijke wereld, dan geschiedde zulks om hen , zoo als het woord in den grondtekst het ook uitdrukkelijk zegt, zijne zegepraal te verkonden. Üf het te gelijk geschied is, om hen opnieuw de bekeering te prediken en liet geloof voor te houden, en de geloovig gewordenen alsdan als levende zegeteekenen in den hemel in te voeren? Men heeft aanleiding om liet te denken, wanneer men het andere woord van den Apostel (4 : G) er hij neemt: Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleeseh, maar leven zouden naar God in den geest. In ieder geval hebben wij indachtig te zijn, dat wij met de uitlegging dezer plaatsen niet tot de volle klaarheid en zekerheid gekomen zijn, en zoo blijft voor-loopig over het vertoeven van Christus in den tussclientijd van het oogenhiik zijns doods tot in dat van zijn weder vereenigen met het lichaam , en over den eigentlijken en vollen zin van het woord nedergedaald of afgetreden ter helle nog een geheimzinnige sluier rusten.

II.

Zonder sluier echter staat het waarom van het sterven van Christus voor ons. Reeds eene oppervlakkige beschouwing is genoegzaam, om dit waarom ten minste aan ons vermoeden nabij te brengen. Vooreerst moet het op de hoogste wijze in het oog vallend voorkomen, dat een mensch sterft, die van zichzelven vermocht te getuigen: Ik hen de Opstanding en het Leven. Hij, die aan het graf van eenen Lazarus, aan de baar van eenen jongeling te Naïn, en bij het doodbed van liet dochtertje van Jaïrus feitelijk bewees, dat Hij de Heere van den dood was, als die nimmer eene zonde had begaan, door welke Hij, overeenkomstig de in het Paradijs afgekondigde bedreiging, hel leven verbeurd had. Nog meer verrassend was het, dat in liem een persoon de buit des doods werd, die, omdat volgens zijn eigene getuigenis niemand hel leven van Hem nam, slechts behoefde te willen, om zulk een lot te ontgaan, en dat deze persoon onder omstandigheden en betrekkingen verscheidde, die eerder een door God en door de wereld verworpen misdadiger en wederspanneling, als een rechtvaardige, ja, een weldoener der wereld in Hem zouden doen vermoeden. Dat Hij uit vrijen wil stierf, bewijst zich aan een iegelijk bij den eersten oogopslag van zeiven. Doch tot welk einde sterft Hij dezen vrij gekozen dood? Misschien om ons een zinnebeeld van heldenmoedige afscheidneming van de wereld le geven? O neen, — hoe zou zulk een oogmerk overeenkomen met zijn woord: Ik moet gedoopt ivorden met eenen doop, en hoe worde Ik geperst tot hij volbracht zij! Misschien

ocr page 593

dan, om ons te toonen, dat het sterven eene lichte zaak zij 9 Een Ste-fanus heeft ons dat zekerlijk door zijn sterven getoond; maar heeft dat ook de Man gedaan, die wij uit het doodsdal naar omhoog klagen, ja jammeren hooren: Mijn God, mijn God, ivaarom hebt Gij Mij verlaten? Sterft Hij dan voor het welzijn zijner natie? Men is wel ook gewoon met deze woorden de heteekenis van zijn sterven aan Ie wijzen, doch zonder zeiven recht te weten, wat men daarmede zeggen wil; want Christus sterft noch iti eenen veldslag tegen Israels vijanden, noch bij eene daad van redding in eene brandende stad of overstroo-menden watervloed. Zoo sterft Hij dan misschien, om zijne leer te bezegelen. Velen meenen het. Doch welke van zijne leeringen heeft Hij aan het kruis bezegeld? Misschien deze; „dat God met zijne rechtvaardigen zij,quot; of die: „dat de engel des Heeren zich legert om hen, die Hem vreezen,quot; of die: „dat de godzaligheid ook reeds de belofte heeft van dit leven?quot; Ik zou niet weten welken nieuwen steun deze waarheden in den loop zijns lijdens en stervens zouden gevonden hebben. Eerder zou men meenen, daarin bewijzen voor het tegendeel te kannen vinden. Bovendien heeft ook nog niemand deze waarheden in twijfel getrokken, zoodat zij eene vernieuwde en feitelijke bevestiging zouden noodig gehad hebben. Wanneer Christus iets met zijnen dood bezegelde, zoo was het zijn eed, zijn ja! waarmede Hij de vraag van den Hoogepriester: Zijl Gij de Zoon des levenden Gods'? beantwoordde. Om den wille van dit ja sloegen zij Hem aan het kruis. En dat Hij nu, aan zijne innerlijke bewustheid getrouw, bij dat ja vastelijk volhardde, dat betuigt Hij met zijnen bloedigen dood.

Zeker maakt juist de bijzonderheid, dat Hij als zulk een persoon stierf, de verborgenheid zijns doods volkomen, maar het zegel dezer verborgenheid is daarmede ontsloten en hare diepten geopend. Mannen, van boven verlicht, staan gereed om ons elke gewenschte oplossing te geven. Uit de dagen des Ouden, gelijk uit die des Nieuwen Verbonds, treden zij tot ons toe bij het kruis, en hunne uitspraken stroomen uit, als vlammen van den tempelluchter in het donkere des schedelheuvfels. Een der Goddelijke herauten opent het koor met tie betuiging: Christus heeft moeten wedergeven, ivat Hij niet geroofd had. Een ander roept: Hij is om onze overtredingen verwond. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. Een derde; Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld luegneernt. Een vierde; God heeft dien, die geene zonde gekend heeft, voor ons tot zonde gemaald. En wederom; Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. En wederom: Christus heeft ons verzoend in het lichaam zijns vleesehes door den dood. En wederom ; Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. En met de getuigenissen dezer boodschappers Gods vereenigen zich die des Heeren zeiven; zoo als zijn woord; De Zoon des menschen is gekomen, om zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen. En het andere; Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen, maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. En bijzonder het woord van de instelling des Avondmaals, van zijn licha;im en bloed, verbroken en vergoten

ocr page 594

576

lot vergeving der zonden. Ja — zoo hoor ik mij tegenwerpen — wij hooren deze woorden wel, doch zijn zij, die ons deze verborgenheid moeten oplossen, niet op hunne beurt weder beeldletters (hieroglypen), die eene ontcijfering noodig hebben? Dit zijn zij; en zeker behoeft men, om ze te verstaan, eene voorafgaande wijding, welke echter niet in tempels door zalving of handoplegging ontvangen wordt, maar in de binnenkamer onder smarten en met tranen. Ontnuchterd van uwe zelfbegoochelingen, moet gij uittreden uit den tooverkring der leugen, waarin gij gebannen zijt, tot het licht der waarheid, en nadat gij den Eeuwige erkend hebt in zijn wezen, het Heilig, heilifj, heilig is de Ileere der heirseharen! in den geheelen omvang zijner beleekenis hebt leeren verstaan, en eenen indruk van de majesteit zijner wet ontvangen hebt, de natuur der zonde doorgrond en gemeten hebt, in welk eene mate zij een gruwel is voor God, weegt dan uzelven op de weegschaal, waarmede God u eenmaal wegen zal, en worde u met uwe vervreemdheid van God, ook te gelijk uwe behoefte aan verzoening en verlossing bewust. Eu weldra zullen de zoo even gehoorde woorden als fakkels voor u branden, en de bloedige raadselachtige verschijning aan bet kruis doorschijnend als de dag voor den blik uws geestes treden. Gij ziet dan in den Man van Smarten den voldoening aanbrengenden Middelaar tusscheu God en u, en omvat juichend in zijnen dood het offer, dat opweegt tesen al uwe zoude en u in eeuwigheid bij God rechtvaardigt.

Vader, in uiue handen beveel Ik mijnen geest! O, hoe legde Hij alles in de handen zijns Vaders, toen Hij deze woorden uitriep. Geheiligd zijnde, zoo zegt de Apostel Hebr. 5 ; 9, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, eene oor zake der eeuwige zaligheid geworden. Hij moest dus ook zelf geheiligd worden. Als rechtvaardige moest Hij dit door de vervulling der geheele wet; als heilige door zegenrijke overwinning van elke verzoeking; als Borg door de betaling van alle onze zonden, en als Middelaar en Verzoener door de algeheele lediging van den ons toebedeelden vloekbeker. Naar .alle deze zijden was Hij echter in het oogenblik zijns verscheidens geheiligd, en zoo legde I Iij in de handen des Vaders met zijne geestelijke persoonlijkheid het fondament eener nieuwe wereld, ja, de verloste gemeente der zondaren zelve, als een in zijn bloed gereinigd, en met zijne gerechtigheid versierd, voor de oogen Gods alleszins geschikt en welbe-hagelijk spijsoffer. Zijn wij nu den Zoon der liefde gehoorzaam, zoo weten wij, waar voor alle denkbare gevallen ook voor ons de beveiligende vrijstad is toebereid. In welk eenen drang van omstandigheden wij ook immer komen mogen, over de plaats, waar wij zullen blijven, behoeft geen zorg ons meer te drukken. Vreeselijk is het, zoo lezen wij Hebr. 10 ; i, te vallen in de handen des levenden Gods. Wij zeggen: niet vreeselijk meer, maar enkel zaligheid. Vervolgt de wereld ons, vecht de satan ons aan, verschrikt de dood ons, of wat anders ons verschrikken moge, wij roepen stoutmoedig, op de baanbrekende verdienste van Immanuël ons verlatende: Vader, in uiue handen! en wij zijn verzekerd, dat deze hooge en verhevene toevluchtsplaats ieder oogenblik openstaat, om ons beschermend en bewarend te ontvangen.

ocr page 595

677

O onvergelijkelijke voorred i len, waarmede wij in Christus ver-waardigd zijn geworden! Laat er ons gebruik van maken. Laat ons de voeten van Hem, die ze ons bevocht, met onze huldigingskussen be-dekken. Laat ons onzen wandel in vrede voortzetten in het regenboog-kleurige zonlicht der Zeven Kruiswoorden, en stemmen ook wij de snaren van de harpen onzer harten tot den van geloof blakenden zang van den innigsten en diepzinnigsten onzer kerkliederen-dichters.

Wat kwaad kan mij fle dood nog doen?

Is niet uw dood mijn leven?

Mijn leven kwijn', mijn hoop blijft groen,

Zij kan mij niet begeven.

Nn Gij, o Heer, gestorven zijt,

Zijn allen van den dood bevrijd.

Die in uw bloed gelooven.

Wat storm dan hier rondom ons woed'.

Wij hebben altijd goeden moed En komen 't al te boven.

En mag ik eens uit de aardwoestijn

Uw hemel binnentreden ,

Zoo zal uw bloed het purper zijn.

Waarin ik mij zal kleeden.

Het zal het sieraad zijn der kroon , Waarmede ik voor des Vaders troon

Ootmoedig neer zal knielen. Op aard heeft elk zijn hoogste goed. Maar enkel uw verzoenend bloed Is 't hoogste goed der zielen.

Amen.

37

ocr page 596

LVI.

D l^: U I T VAAR T.

Werpt al mve bekommernis op Hem, want Hij zorrjt voor u! Zoo lezen wij 1 Pclr. 5 : 7. Een groot en heerlijk woord, en welk een hoog en zalig voorrecht wordt er ons door toegekend! Al onze bekommernis. Dus ook die voor onze eeuwige aangelegenheden. Of kent gij eene zorg van dien aard niet? Duizenden is het zeker eene vreemde zaak. Wel hebben zij bekommernis, en mogelijk dag en nacht, doch over niets anders dan over hun tijdelijk bestaan en hun aardsch welzijn. En toch zijn ook zij tol, onsterfelijkheid geboren, en spoeden zij, gelijk wij, in pijlsnelle vlucht naar de eeuwigheid heen, en zullen ook eenmaal met een' heilig God als de Rechter huns levens te doen hebben, en zij zijn, gelijk wij, zondaren, die den roem voor' God missen. Doch hiervoor zijn hun de oogen gesloten. O ontzettende blindheid! Laat mij den troost, dat ten minste gijlieden daarvan genezen zijt, en tot de levende bewustheid uwer ware roeping ontwaakt zijt. God schonk ons de .korte span dezes tijdelijken levens boven alles als toerusting en voorbereidingstijd voor het toekomstige leven, tot hetwelk geschapen en verordend te zijn, onzen eigentlijken adeldom en ons wezentlijkst voorrecht boven het redeloos schepsel uitmaakt. Weet gij echter, dat gij het eeuwige leven beërven zult ? Kunt gij uwe laatste ure getroost en welgemoed te gemoet zien? Hebt gij vrede, wanneer gij denkt aan die oogen, die harten en nieren beproeven? Kunt gij met vrijen en geopenden blik voor den spiegel der eeuw/ge wet treden? Gij bladert in het boek uwer verloopene dagen. Gij vraagt uw geweten en verstomt; o gevoelt gij, dat gij met schuld beladen zijt, en wanhopen moest, wanneer God de maatstaf zijner eischen aan u legt, en enkel het lot eener eeuwige verwerping te verwachten hebt, wanneer eenmaal naar recht en gerechtigheid geoordeeld wordt. Heil u , wanneer gij het met angst en verschrikking gevoelt. Alsdan zijt gij den weg (ier behoudenis ingetreden. Want do eerste schrede op dezen weg heeft plaats in den overgang van de leugen tot het licht der waarheid, en van den waan der eigenge-rechtigbeid tot bet zelfgericht. Doch wat te beginnen, wanneer gij n in uwen waren toestand bewust geworden zijt? „Uzelven helpen?quot; Op welke wijze dan toch? „Uwe schuld betalen?quot; Zij wordt alleen met den eeuwigen dood betaald! „Weder goed maken, wat u ontbreekt?quot; Het gedane maakt gij nooit weder ongedaan. „Uw leven in godsdienstige vormen kleeden?quot; God heeft geen welgevallen aan

ocr page 597

570

Lepleisterrle graven. „U voorlaan heilig maken?quot; De ziel van alle Gode welbehag'elijke heiligmaking is de liel'cle. Doch hoe zult gij Hem kunnen liel'hehben, daar gij moet vreezen. „U op (lods ontferming beroepen?quot; De Goddelijke gerechtigheid bindt do ontlerming de handen! Hier vangt dus eerst recht de bekommernis aan. Doch weet, dat ons het voorrecht verworven is, ook deze op God te werpen. „Inderdaad?quot; zoo vraagt gij vroolijk verrast. Ja, mijne Vrienden! volgt mij in den geest, en hoort, hoe ons heden de eeuwige sabbat ingeluid wordt.

Matth. 27 : 5i—56. Marc. 15 : 38-41. Luc. 23 : 47—49.

En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën midden door van boven tot beneden. En de aarde beefde en de steenrotsen scheurden. En de graven werden geopend. Eu vele lichamen der heiligen , die ontslapen waren, werden opgewekt, en, uit de graven uitgegaan zijnde, na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn aan velen verschenen. En de hoofdman over honderd, die daarbij tegen Hem overstond, en zij, die met hem het kruis bewaarden, ziende de aardbeving en dat Hij alzoo roepende den geest gegeven had, en ziende de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd en hij verheerlijkte God. zeggende: Waarlijk, deze mensch wan rechtvaardig, deze was Gods Zoon! En al de scharen, die daar te zamen gekomen waren, om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden wederom, slaande op hunne borsten. En alle zijne bekenden stonden van verre, en aldaar waren ook enkele vrouwen van verre dit aanschouwende , die Jezus te zamen gevolgd waren in en van Galilea en Hem gediend hadden , onder dewelken ook was Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus de Kleine en van Jozes en Salome, de moeder der zonen van Zebedeus, en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren.

Wij ontmoeten elkander heden wederom op den schedelheuvel in het groote oogenhlik, waarin de man van smarten juist niet den van zegepraal zekeren roep: Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest! zijn hoofd ter ruste neigde en ontsliep. Nauwelijks echter heeft deze ongehoorde gebeurtenis plaats gehad, of de huiveringwekkende aanschouwing van den folterheuvel verwisselt. De terughouding des hemels bereikte baar toppunt. De uitroep: Het is volbracht/ van den stervenden Middelaar ontvangt de schitterendste bevestiging, en aan de plaats van het vijandelijkst gewoel, dat Hem tot hiertoe omgoiïde, treedt eene verheiïende, den grooten Doode verheerlijkende feestviering van zijnen onvergelijkelijken zegepraal. Tweederlei is liet voorwerp onzer tegenwoordige beschouwing:

I. Hoe deze uitvaart van boven af ingeleid, en

II. hoe zij op aarde gevierd word.

ocr page 598

Mochton ouzo harten in doze feostvienng mede deelnomen, en moge de grondtoon er van nooit meer in ons vergalmen!

I.

De uitvaart wordt ingeluid. Het zijn wonderen, waarin de Goddelijke klokslagen zich verkleeden. Volgt mij eerst in don tempel te Jeruzalem. Het is drie ure in den namiddag, dus liet uur, waarin de gemeente van Israël zoo even tot het avondoiïer in den heiligen voorhof verzameld is. üe priesters beginnen hunne gewone werkzaamheden. Wat geschiedt! In het oogenblik, dat daar buiten op den schedelheuvel van het kruis van Christus het Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen fjeest! gehoord wordt, scheurt in den tempel — wie beschrijft de ontsteltenis der zonen van Ailron? — zonder dat eene men-schenhand het aanraakt, het dichtgeweven zware voorhangsel vóór het allerheiligste van hoven af tot naar beneden toe in twee stukken midden door, en het verzoendeksel met de arke der getuigenis en de gouden cherubsgestalten van dit heiligdom, dat alleen den hoogepriester, en wel slechts éénmaal des jaars, en dat niet zonder bloed, vergund was te naderen, — staat plotseling geheel ontbloot voor ieders oog. Het was op den wenk des almachtigen Gods, dat dit voorval plaats had. En wat was het? Vooreerst eene vernieuwde verkondiging, dat de tempelfiguren zeer zekerlijk Goddelijk verordende en profetisch betee-kenisvolle hulsels van toekomstige heilvolle gebeurtenissen waren, doch dat zij nu, nadat de laatste werkelijk gekomen waren, gelijk de bloesem in de vrucht, in deze gebeurtenis opgelost waren. Vervolgens was bet eene op zinnebeeldige wijze aanschouwelijkmaking van de onmetelijk zegenrijke werking, die deze bloedige dood, waarin de Heere der heerlijkheid Zich in deze oogenblikken op de hoogte van Golgotha wijdde, in zijn gevolg hebben zou. Het allerheiligste in den tempel was schaduw en grondteekening van de hemelsche troonzaal, uit welke wij door het (Joddelijk oordeel verwezen en uitgesloten waren. Wat als voorhangsel ons daarvan scheidde, was ons zondig vleesch. Heere, zoo heette het tot nu toe, wie zal verkeer en in uwe tent? wie zal wonen op den berg uiver heiligheid? en het antwoord luidde: Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt. Wie echter durft zich beroemen, zonder onoprechtheid voor God te staan? Er is ook niet een, die de gerechtigheid werkt. Wie, zoo heet het, is onder ons, die bij een verterend vuur kan wonen? En het antwoord daarop was wederom: Die oprecht wandelt. Wien echter bleef hier iets anders over, dan het angstgeschrei van den verschrikten profeet tot het zijne temaken: Wee mij, ik verga, want ik hen een man van onreine lippen! De gerechtigheid is verzondigd, en de ongerechtigheid heerscht. Plotseling verkondigt nu dit teeken in den tempel, (lat deze onze betrekking tot de woning des Allerhoogsten eene groote en doortastende verandering ondergaan beeft. En zeker onderging zij zoodanige verandering. Wat ons den toegang tot het heiligdom afsloot werd weggenomen. Wat zich tusschen Hem en ons als scheidsmuur verhief, viel neder. Geen

ocr page 599

gevaar bedreigt meer de introdenden in de verhevene woning, boven welks portaal het opschrift vlamt: „De Heere is ver van de godde-loozen.quot; liet is geen waagstuk meer, om zich te werpen in do handen van Hem, voor Wien ook zelfs de engelen niet rein zijn. Omvat het kruis, en spreekt dan moedig tot Mozes: „Verscheuruwen vloekbrief tegen mij, want ik ben u niets meer schuldig.quot; Gelooft, en antwoordt dan den helschen beschuldiger met den toeroep: De Heere schelde u , gij satan; Ja de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest! Doet den Heere Jezus Christus aan, en dan maar moedig met kinderlijk vertrouwen binnengetreden in het groot lichtvol huis daarboven, dat voortaan dag en nacht voor u geopend staat. Wascht uwe kleederen in het bloed des Lams, en dan u getroost met uw Abba! aan het hart des grooten Vaders geworpen, en alles wat u ter harte gaat en drukt, uitgestort in zijnen schoot. O besef de zalige gedachte, die naar Gods oogmerk en door zijne onmiddellijke beschikking de scheur van het voorhangsel des tempels u voor oogen stelt. De Bloedbruidegom nam voor u in zijnen dood van de poorten van al de hemelen slot en grendels af. Mocht gij echter nog vragen , of wij ook werkelijk gerechtigd waren, om deze scheur in het heiligdom eene zoo liefelijke en vertroostende beteekenis te geven, zoo weet, dat wij er volkomen toe gerechtigd zijn. Leest Hebr. 10 : 19—'23: Dewijl wij dan, broeders! vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in hel heiligdom, door het bloed van Jezus, op eenen verschen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door zijn vleesch. En dewijl wij hebben eenen grooten Priester over het huis Gods, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des gcloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water. Laat ons de onwankelbare belijdenis der hope vasthouden, ruant die het beloofd heeft, is getrouw. Hebt gij het gehoord? de toegang tot het heiligdom is ons geopend, de weg in het Vaderlijke huis werd ons gebaand. Hoor wien? Door Jezus Christus. Op welke wijze? Door het scheuren van een voorhangsel. Dit voorhangsel was het vleesch van den grooten Hoogepriester. Dit voorhangsel scheurde, toen Hij in zijne mensche-lijke natuur, nadat Hij toerekenendervvijze onze zonden op Zich genomen had , Zich in den olferdood des kruises voor ons overgaf. In dezen plaatsbekleedenden Middelaars- en voldoening aanbrengenden dood, volbracht en vervulde Hij echter, wat onze rechtvaardigmaking voor God, en ten gevolge daarvan onze toelating tot. den troon afhankelijk maakte. Zoo geschiedde dan in het oogenblik zijns verscheidens werkelijk, wat op voorbeeldende wijze zich in dit oogenblik in den tempel voordeed.

Wij verlaten het huis te Jeruzalem weder, dat thans bovendien zijne beteekenis verloren heeft, en keeren terug naar Golgotha, alwaar ons uit een tweede wonder een nieuwe toon van den feestklok tegenklinkt. „De aarde beeft, de rotsen scheuren.quot; Wat beteekent dit? Iets groots , iets hoogverhevens. De dood des Middelaars heeft over de toekomst der wereld beslist. Zij is met haar wezen en hare tijdelijke verordening tot den ondergang gewijd, en onder het vonnis eener groote en

ocr page 600

582

omvallende verandering gesleld. Hoort den Apostel, Hebr. 12 : 20, 27: Wiens slem toen de aarde bewoog, maar nu heeft llij verkondigd, zeggendo: nog eicnmaa.l zal ik bewegen, niet alleen de aaude , maar ooic den hemel. En dit tvoovd: nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaald waren, opdal blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. De tegenwoordige schepping is de oorspronkelijke niet meer. De zonde is tot haar binnengedrongen en overspreidde haar, gelijk met het lijkkleed der sterilijkheid, zoo ook met het rouwfloers van een eindeloos bederf. Ontelbare betrekkingen in de natuur, gelijk in de rnenschelijke samenleving, wedersproken liet Goddelijk wereldplan en hebben de van God gewilde harmonie der wereld gestoord. Ten ge- 1 volge van den zondenval zijn deze wanklanken tusschen beiden gekomen. Naardien echter deze nootlottige val in het genoegdoenend werk van den Verlosser weder opgeheven werd, moet natuurlijk ook voor zijne gevolgen het graf gegraven zijn. Hot bloed des Lams eisebt de herstelling der toestanden van het begin. En gelooft het, het beven der aarde in hare grondvesten, bet wankelen der bergen en heuvelen, en het scheuren der rotsen, dat den dood des Heeren begeleidt, is niets anders dan een in zinnebeeldige natuurverschijnselen verkleed Amen des almachtigen Gods op dezen eisch van het bloed zijns Zoons. liet schema (dat is de tegenwoordige gedaante) dezer wereld gaat voor-, bij, zegt de Apostel 1 Cor. 7 : 31. En het liefelijk gezicht van den ziener Johannes moet zijne volkomene verwezentlijking hebben, Openb. 21 ; 1—3: Ik zag eencn nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende', ziet de tabernakel gods is bij de mensciien,

en hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en god zelf zal bij hen en hun god zijn.

Dit derde wonder moest ons hart op de sterkste wijze bewegen. Niet enkel rotsen in den omtrek van Golgotha scheuren vanoen, ook eeuwenoude grafgewelven van reeds lang ontslapene heiligen openen zich, en de lichamen, die er in bewaard zijn, beginnen, van de weerlichten eens nieuwen levens doordrongen, zich te bewegen en te verroeren, om, na de opstanding van den grooten Doode, eveneens uit hunne kameren uit te gaan en aan velen in de heilige stad te verschijnen. Welk eene gebeurtenis! Zeker vertoont zij zich aan ons in geheimzinnig duister gehuld, en verwekt zij menige vraag in ons, zoo als: Was de opwekking dezer dooden eene volkomene, of heeft zij zich eerst allengs volmaakt? En wanneer bet eerste het geval was, waar hieven dan de vernieuwden ten leven tot aan Paaschdag? Bleven zij zoo lang in hunne graven? Dit is bijna niet te denken. En wanneer zij dus later zich uit hun stof ophieven, in welk eene lichamelijkheid stonden zij dan op? lu die geestelijke lichamelijkheid, waarvan 1 Cor. 15 sprake is? Eu zoo ja, hoe kan Christus dan nog do eersteling der opstanding onder degenen, die slapen, ge-

ocr page 601

583

noemd worden? Gij ziet, liet ontbreekt hier niet aan zwarigheden. Doch het komt mij voor, dat juist de laatste omstandigheid, dat namelijk Christus de eersteling der opstanding wordt genoemd, ons noodzaakt tot de aanneming, dat bij zijnen dood alleen, tot voorloopige aanduiding van hetgeen later geschieden zou, de graven opengebarsten en als het ware eene eerste morgenschemering van het naderende leven profetisch over het sluimerende gebeente heengelicht is, terwijl de wedervereeniging der afgescheidene zielen met de lichamen eerst na drie dagen op den grooten Paaschmorgen tot stand gebracht werd. Overigens is het feit zelf boven allen twijfel verheven, en het zou ook vaststaan zonder de getuigenis van de bewoners uit Jeruzalem , op welke de Evangelisten zich voor de historische waarheid er van beroepen. Wat echter God door dit wonder betuigen wilde, ligt klaar in den dag. J)e machtige werkingen van het plaatsbekleedend sterven van Jezus reiken tot in de wereld der dooden. Door zijne lloogepries-terlijke zelfollërande werd Hij ook de Vorst des levens. Zelfs in het huiveringwekkend gebied der verrotting stiet Hij den heerschersstoel om van hem, die, naar de uitdrukking der Schrift, het geweld des doods had, en Hij verwierf Zich door zijnen strijd de macht en het recht, niet alleen de zielen zijner gekochten in de woningen des eeuwigen vredes in te leiden, maar ook hunne lichamen aan do banden des vloeks te ontrukken, en ten zijnen tijd zijn volk van alle zijden tot de oorspronkelijke paradijsgestalte vernieuwd, in het lichamelijke gelijk in den geestelijken verheerlijkingsglans aan zijnen Vader voor te stellen. Deze waarheid werd door den almachtigen God allereerst bedoeld door het met den dood van Christus verbonden wonder dezer voorloopige graf verbreking, en dan door de werkelijke opwekking der dooden op den derdon dag voor ons te bezegelen. Wie ze ook mogen geweest zijn, deze eerste trofeën of zegeteekencn van den glorierijken Overwinnaar van den koning der verschrikking. Of zich Abraham onder hen bevond, wien toch beloofd was, dat hij op geheel bijzondere wijze den dag des Heeren zien zou? Of Mozes, van wien de Apostel Paulus Judas verhaalt, dat de satan om zijn lichaam nog met de hemelsche machten getwist heeft? De geschiedenis laat ons hier zonder antwoord; zoo als zij dan ook daarover zwijgt, hoe de opge-stanen, toen zij de velen in de heilige stad verschenen, in gestalte geweest zijn, en wanneer, waar en op welk eene wijze zij daarna in den hemel zijn verplaatst geworden. De zending van deze uit het slof der graven opgeroepenen bepaalde zich tot dat eene, om den dood des Heeren als eene met scheppende macht, zoowel in de verledenheid, als in de tegenwoordigheid en toekomst, en niet minder in de diepte als in de hoogte inwerkende gebeurtenis voor te stellen, en op feitelijke wijze getuigenis te geven, welk eenen overvloedig rijken en vasten grond wij hebben, om onder het kruis van Christus met den Apostel te juichen; Dood, waar is uw prikkel? .Graf, waar is utve overwinning'} Gade zij dank, die ons de overioinniny ycyevcn heeft door onzen Ueere Jezus Christus.

ocr page 602

584

11.

Zoo is dan op majestuouse wijze, door Goddelijke teek enen en woorden, liet feest van den verzoenenden dood onzes lleeren ingeluid, en terstond neemt het dan ook zelve onder het kruis haar begin. Wel ontdekken wij geene feestelijke praalvertooning, noch dringt het ge-klank van cimbalen en harpen tot onze ooren. Doch in het diepst inwendige der gemoedswereld luiden de klokken, wuiven de kransen, en harpklank en lied is elke gewaarwording, welke in het hart der feestvierenden aan het kruis zich verheft. Wie zijn de stille feestge-nooten? Die het allereerst onze opmerkzaamheid tot zich trekt, is de Romeinsche hoofdman, de bevelvoerder der kruiswacht. Zwijgend en in gedachten verdiept, staat hij daar, en ziet naar het kruis van den verheven Lijder omhoog. Hij heeft den geheelen loop der kruisiging mede toegezien. Hij was getuige van het bewonderenswaardig gedrag van den geheimvollen Man. Hij hoorde van deze, met van bloed vloeiende lippen, de zeven woorden. En gelijk hij, in hot oogenblik, waarin de Rechtvaardige stierf, zelf onder zijne voeten de aarde voelde beven, zoo zag hij ook met eigen oogen, hoe van rondom de heuvelen wankelden en de rotsen vaneenscheurden. Toen drong zich dan ook op eens alles, wat zijn binnenste tot hiertoe in beweging bracht, tot eenen geweldigen schokkenden indruk bij elkander, en hij geeft zijn hart lucht in den luiden, ondubbelzinnigen en den waren God, den God van Israël verheei'lijkenden uitroep: Voorzeker, deze was een rechtvaardig mensch, ja Hij is de Zone Gods.quot; Wat hij onder Zone Gods verstaat, daarna moet gij hem niet nader vragen. Een leerstellig man is hij niet, en niet eens een in den catechismus onderwezen Jood, maar slechts een arme blinde Heiden. Doch na alles wat hi j aan den Man uit Nazareth heeft waargenomen, stond het bij hem boven allen twijfel, dat Hij meer moest zijn dan een mensch, en de binnenste kern van de wolk der vermoedens, die door zijne ziel trok, was inderdaad niets minder dan den Rijbelschen Zoon van God. Er behoorde echter ook niet eens eene al te fijn geslepen zielespiegel toe, om den wederglans dei-Goddelijke hoogheid van Jezus in zich op te nemen. Ook reeds een ruw, maar eerlijk, ofschoon Heidensch krijgmanshart was daarvoor spiegel genoeg. Ó ziet toch, niet enkel de hoofdman, maar zelfs ook meerderen uit zijne schare zijn door gelijke gewaarwordingen als hij overmand, en stemmen, verbaasd en doordrongen van huiveringen eens heiligen eerbieds, met zijne belijdenis in of murmelen toch iets dergelijks. Welk eene liefelijke en beteekenis-volle zaak! Eenige blinde Heidenen en onder deze ook wel dezulken, die de handlangers bij Jezus' kruisiging geweest waren, geven Hem in een oogenblik, waarin Hij met geheel zijne zaak verloren schijnt, ten spijt eener wereld vol tegenstanders, de eer der onverholen getuigenis, dat Hij de Zoon des levenden Gods is, en verrassen ons, gelijk een troostrijk te voorschijn komend, blinkend sterrenbeeld in den donkeren nacht, met hunne opentlijke huldiging met een waarlijk hartvcr-

ocr page 603

585

heffend profetisch toekomstbeeld. O, mijne Vrienden! gij zaagt en hoordet niet enkel wat deze Heidenen zagen en hoorden, maar nog oneindig veel grooters en beteekenisvoller. Gij zijt getuigen, dat de dood aan het kruis niet enkel rotsen scheurde eu heuvelen deed wankelen, maar de geheele oude wereldorde uit hare voegen en hengsels hief, en haar op de haan eener geheel nieuwe ontwikkeling wierp. Gij zaagt van dien doode uit, niet enkel over sommige lichamen der heiligen een weerlicht van opstanding stralen, maar over het geheele lijkenveld der aarde den vuurstroom van een liooger en Goddelijk leven uitgieten. Gij weet niet enkel van een met het stervensoogenhlik des grooten Lijders samenvallend scheuren van het voorhangsel des tempels; maar daarhij ook van het uit elkander springen van eenen vierduizend jarigen profetischen holster, om iiem, die zij door dit hulsel als idee en heeld in zich hield gesloten, tot in de fijnste trekken helichaamd in de wereld der werkelijkheid te doen uitgaan. Niot enkel hoordet gij den met doornen Gekroonde eenen enkelen kruiseling met het Koninklijk woord geluk wenschen: Voorwaar, voorwaar Ik zcy u: heden zult (jij met Mij in het Paradijs zijn, maar gij ziet, hoe dat tot op dit oogenhlik, niemand onder den hemel in eene reine liefde tot God ontbrandt, noch in de nachten dos levens tot eene gegronde vrede komt, dan totdat hij het oog des geloofs opheft tot dat Hoofd vol bloed en wonden, dat sedert achttien honderd jaren, de hel tot smart, alle verlichte zondaren tot troost, on verdonkerd over de menschheid zweeft, en dat de akker, zij lieete dan huisgezin, of staat of kerk, waarop het kruis niet zijne wonderdadige schaduw werpt, enkel vergif- en doornplanten doet uitschieten, nimmer echter den reuk ademt van een veld, dat de Heere gezegend beeft. Dit alles is binnen uwe gezichtskring getreden, en gij neemt het nog alle dagen waar, en gij kondot aarzelen met besliste loszegging van eene ongeloovige wereld, de belijdenis van deze Ueidensche krijgsknechten tot de uwe te maken, en als zij, den Zone Gods huldigend, in hunne stille knus-uitvaart mede deel te nemen'?

De Uomeinsche soldaten zijn overigens niet de eenige uitvaartvie-renden op den schedel heuvel. Veel dieper en inniger wordt de uitvaart gevierd van do aanminnige groep der weenende vrouwen ginds, die den Meester dienend uit Galilea nagevolgd waren. Neen ook in den dood kunnen zij van Hem niet aflaten. Als klimopranken houden zij met hunne liefde en met hunne hope ook nog den gevelden boom omvangen. Geeft wel acht op het heilige vuur, dat in de diepte hunner harten brandt. Het is bet vuur der reinste geestdrift, van ware zedelijke grootheid. Deze geestdrift kan niet hopeloos weenen, en nog veel minder op eene bloote misleiding berusten. Het rijk van bet zedelijk verhevene, edele en schoone moet werkelijkheid, bestaan en wezen hebben, en Koning in dit rijk is Christus en Hij blijft het eeuwig. Geeft, beminde vrouwen! den moed op dit rijk niet verloren, en ofschoon de geheele wereld het ook slechts voor eenen schoenen droom verklaarde, hot beeft alleen werkelijkheid en zal onder alle aanrandingen do overwinning behalen en behouden. Daarom, gij allen mijne Broeders! sluiten ook wij ons bij dien groep

ocr page 604

586

aan. Roepen ook wij opwaarts tot het kruis: „Met u, o heldere morgenster, willen wij liet houden!quot; Zweren ook wij met mond en hart: „In uwe we^en willen wij ons bewegen, door welke enge bergpassen en donkerheden zij ons ook mogen geleiden. Geefons uwe rechterhand, Gij die al het lage en ijdele vreemd zijt, en leer ook ons in uwe voetstappen ons wezen hooger opvoeren.quot; Ja, dit moge de toonen zijn, die onder het kruis ook onze horst ontvloeien. Doch weet, dat in zulk eene zedelijke geestvervoering van den Jieere en zijn Koninkrijk de uitvaart zijns doods zich niet afsluit. ])e vrouwen hadden in Jezus eenen meerdere gezocht dan een ideaal der menschheid en een leidster op den weg der deugd. Boven alles meenden zij eenen ]gt;org noodig te hebben, die hunne ontzondiging hij God veroorzaakte, omdat eerst dan uit kracht van de bewustheid der verzoening en met den bijstand van een' verzoenend God, een nieuw levensbegin gemaakt kan worden. Dezen vurig verlangden nu, geloofden zij werkelijk in hunnen grooten Meester gevonden.te hebben. „En dat geloof gaven zij bij zijnen dood op?'' Zeker was het door het bloedig levenseinde van hunnen beminden Meester diep geschokt geworden; doch de teekenen die zij daarbij zagen, deden gelijk een windvlaag uit het Oosten opnieuw de zeilen hunner hope zwellen, ja deze kwamen hen niet anders voor dan een toeroep des Vaders aan hen te zijn: „Volhardt — wacht het einde af — Hij is nochtans dien persoon, dien gij in Hem omhelst.quot; En hoe zwak het lemmet van hun töevoorzicht ook immer moge glimmen, zij vonden, zekerlijk wel meer op vermoedende wijze, dan met klare bewustheid, hunne verzoening door des Hooge-priesters bloed. O laat ons tot hunne gemeenschap ingaan. Dp rechte, ware, volle uitvaart van den kruisdood van Christus is slechts die, welke als van haren grondtoon, doorgalmd wordt van het Lied: Het Lam dat rjeslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en den rijkdom en de wijsheid en de sterkte en eere en heerlijkheid en dankzeg(jinr/!

Tot zulk eene uitvaartviering kome het dan ook bij ons! Wij booren in ons Evangelie van sommigen, die eveneens getuigen van do wonderen Gods bij het kruis geweest waren, en in groote ontsteltenis aan hunne horst slaande, naar Jeruzalem zijn teruggekeerd. De toestand dezer lieden wijst u den voorhof aan van eene waarachtige Goeden- Vrijdag-viering. O, dat heden niemand deze vergadering verlaten moge, die niet ten minste door Gods genade in den voorhof verplaatst geworden is. Wordt u zeiven bewust, welk eene reusachtige schuld, om niet van uwe andere zonden te spreken, gij reeds daardoor op u laaddet, dat gij eenen zoo machtig bevestigden Heere en Koning, gelijk Hij aan hel kruis is, zoo lang de Hem toe-komende hulde en onderwerping ontzeggen kondet. O, dat u dit slechts eens ter harte ging, en hiermede uwe verootmoediging voor God begon! Voorzeker het zou niet lang duren, of ook gij zoudt met een van blijdschap blinkend aangezicht instemmen in het gezang der geheiligde gemeente:

Laat ons Hem een hallelujah zingen!

Wondervol zijn wij verlost:

ocr page 605

587

Dat de graven eensslags openspringen,

Heeft ziin dierbaar bloed gekost. Laat cns alles in zijn handen geven, Laat ons leven uit zijn dierbaar leven, Laat ons sterven in zijn dood, 't Is het eind van allen nood.

Amen.

ocr page 606

LVII.

ü E D O O R S T E K 1 N tl ü E R Z IJ D E.

Deze is het, die gekomen is met water en bloed. Zoo spreekt in grootsche oansdiouwing de Apostel Johannes in zijtien Eersten Brief (5 : 6). Hij ziet de wereld der zondaren voor zich liggen; boven haar de dreigende onweêrswolken van den vloek, en onder hare voeten de hel, waarvoor zij rijp is. Hij zon een wee! over zichzelven uitgeroepen hebhen, van geboren te zijn, wanneer hij niet door het reusachtig nachttafereel een majestueus verschijnsel zag heengaan, voor hetwelk, gelijk voor de opgaande zon hel heir der schaduwen, zoo alles wat nood, zorg en kommer heet, verstuift en verzvveeft. Wat van het begin der wereld af, de wereld, bewust of onbewust, in hare beste stemming en tijden gezocht, met vurig verlangen te gemoet gezien en verwacht heeft, dat ziet hij in den éénigen man, op wien zijn oog in verrukking rust, thans overvloedig vervuld; en heenwijzend op Hem, die van nu af het middenpunt van al zijn denken en van al zijne verwachtingen, ja zijn één en alles is, roept hij, als een wachter van de hoogte zijner wacht plaats, feestelijk en vroolijk der geheele wereld toe: Deze is het! Ginds — dit wil hij zeggen — gaat Hij been, die aan al de ellende een einde maakt, en die, gelijk de gansche verledenheid op de vleugelen van hel verlangen Hem te gemoet ijlde, zoo de toekomst van hel menschelijk geslacht, ja der geheele schepping dragen, bepalen en gestalte geven zal. Verziet echter Johannes zich niet aan den man zijner blijdschap'? O neen! De Heerlijke komt immers, gelijk geen ander komen kan; niet enkel met voorschriften, met aanwijzing en onderwijs, maar, eenig in zijne soort, met luatcr en bloed. Dit zijn zijne. Hem alleen eigene, waarteekens. Hoe wij dit opvatten moeten, zullen wij heden nader vernemen.

Johannes 19 : 31—37.

De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl liet do voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus, dat hunne becneu zouden gebroken en zij

ocr page 607

ê89

Weggenomen worden. De krijgsknechien dan kwamen, en braken wel de beenen des eersten en des anderen, die met Hem gekruist waren; maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zoo braken zij zijne beenen niet. Maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig, en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij gelooven moogt. Want die dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden. En wederom zegt eene andere Schrift: Zij zullen zien, 'in welken zij gestoken hebben.

Dc zoo even gehoorde gebeurtenissen worden ons alleen medegedeeld door Johannes, de nadenkende en diepdenkende discipel, die zekerder dan ieder ander, ook de in dc diepste verborgenheid groeiende geestelijke bloemen ontdekte, en verstand had van het lezen van Goddelijke teekenschriften, zoo als weinigen dit hadden. Hij ziet ook de laatste gebeurtenissen op den schedelheuvel met inhoudrijke beeldletters doorweven. Beschouwen wij de beduidingvolle aanwijzingen, die hij ons tot hun recht verstand geeft, en nemen wij met dankbare vreugde de nieuwe zinnebeeldige ophelderingen aan, die ons worden aangeboden in hetgeen wij beden op Golgotha zien gebeuren, en wel

T. ten opzichte van den persoon, en

II. met betrekking tot de heilwerkingen van den Gekruisigde.

De Ileere verlichte ons met zijnen Geest, en vervulle aan ons het woord zijner belofte: Ik zal u geven dc schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen, opdat gij moogt welen dat Ik, dc ileere ben, die u bij muen naam roep; de God van Israël.

I.

In het oogenblik, waarin wij tot den folterheuvel komen, vinden wij daar de aanschouwing geheel veranderd. Aan do drie kruisen heerscht een diep stilzwijgen. De dood, dit zwijgend wangestalte, heeft over hen zijne zwarte vleugelen uitgebreid. De menigte der toeschouwers, die de gerechtsplaats belegerden, hebben, gedeeltelijk diep geroerd en met getrolfene gewetens, zich verstrooid. Ook de kleine kring der getrouwe vrouwen schijnt, tot bezwijkens toe moede van al de smart en droefheid, zich in do stad teruggetrokken te hebben. Zoo treilen wij dan nog alleen de Romeinsche wacht aan, en behalve deze den discipel, die Jezus lief had, en die, nadat hij de moedei'Maria in zijn rustig huis geborgen had, den aandrang van zijn hart niet kon

ocr page 608

SOü

Wederstaan, om de plaats, waar zijti eon en alles aan liet hout hing', weder op te zoeken. Wien hadden wij liever tot getuige van de laatste gebeurtenissen op Golgotha gesteld gezien, dan dezen denkenden en geheiligden discipel. Hij verhaalt ons nu met alle eenvoudigheid wat hij daar gezien heeft, maar zijn geheel allerdiepst bewogen hart ligt met al zijne gewaarwordingen en gedachten in zijne korte en onopgesierde berichten.

De priesters en schriftgeleerden, gewoon om de muggen uit te zuigen, terwijl zij de kemelen verzwelgen, denken niet om de ten hemel schreiende bloedschuld, die zij op zich laadden, maar enkel aan het in Israël heerschend gebruik, om opgehangenen, wier lichamen men den volke tot waarschuwing aan eenen paal gehecht en zoo opentlijk ten toon gehangen heeft, voor het aanbreken van den nacht van de staken weder af te nemen en te begraven. Deze gewoonte rustte echter op een uitdrukkelijk Goddelijk bevel. Wij lezen Deut. 21 : 22, 23 : Wanneer in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dal hij gedood zal tvorden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben, zoo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zekerlijk ten zeiven dage begraven, ivant een opgehangene is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de lieere utu God ten erve geeft. Eene eigenaardige, ja vreemde verordening is dit voorzeker, waarmede wij nauwelijks den weg zouden weten, wanneer niet de Geest des Heeren zelf ons den sleutel er toe had aan de hand gegeven. De bijzonderheid, dat God de gehangenen als bijzonder met zijnen vloek beladenen aanwees, dwong den nadenkenden in Israël, om aan te nemen, dat hier iets voorbeeldigs moet te zoeken zijn, naardien een niet gehangene goddelooze in waarheid niet minder vervloekt kon zijn, dan zulk een, wiens ontzield hulsel op de genoemde wijze opentlijk ten toon gesteld werd. Zoo opende dan het Goddelijk bevel: „begraaf het doode lichaam!quot; en de daaraan verbondene belofte: „zoo zult gij met hetzelve den vloek begraven, die op het land rust,quot; het troostvol uitzicht, dat een wegneming en uitdelgmg van den vloek der wet werkelijk in het gebied der mogelijkheden lag. Omdat het echter van zelf sprak, dat dit doel door het begraven van geoordeelde misdadigers niet kon bereikt worden, zoo moest bij het licht van dezen stelregel zich eindelijk ook te gelijk het vermoeden opdoen, dat het in het raadsbesluit van God zou liggen, om in de toekomst, door den dood en de begrafenis van eenig uitstekend geheimvol persoon, de opheffing van den vloek feitelijk tot stand te brengen. Wanneer nu geloovige Israëlieten op zulke gedachten kwamen, zoo dachten zij geheel overeenkomstig het oogmerk van God, die zeker met deze zijne verordening omtrent de gehangenen niet anders dan eene profetische zinnebeeldigmaking van de toekomstige verlossing door Christus bedoelde. Het laatste blijkt ondubbelzinnig uit Gal. 3 : '13, 14, alwaar de Apostel zegt: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons, want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt, opdat /in plaats van den vloek^ de zegening van Abraham tot de Heidenen komen zou, in Christus Jezus. Hier wordt dus onloochen-

ocr page 609

tM

baar Christus rils het tegenbeeld van do gehangenen in Israel voorgd-steld. Hij was aan zijn kruis, op plaatsbekleedendo wijze, de drager van onzen vloek en stierf als zoodanig den openbaren dood van den misdadiger. Nadat Hij echter zijnen geest als eene vrijwillig aangebrachte offerande in de handen zijns Vaders had aanbevolen, werd te gelijk met zijn lijk de vloek, die op de aarde en hare bewoners lag, feitelijk begraven, terwijl voortaan allen, die aan Hem gelooven, vrij van den vloek en erfgenamen van eenen onvergankelijken hemelschen zegen zijn.

Jloe diep van beteekenis komt ons dus datgeen voor, wat wij heden op Golgotha zien gebeuren. Zeker weten de handelende personen daar niet wat zij doen, doch dit verhindert niet, dat zij bij al hun doen als aan onzichtbare draden van de hand der Goddelijke voorzienigheid bewogen en geleid worden. Zij herinneren zich slechis, zonder verder nadenken, aan dezen letter der Mozaïsche wet, en gelooven zich des te meer met de afneming van het kruis en het begraven van hunnen gehangene te moeten spoeden, daar zich niet enkel reeds de dag ten einde neigt, maar het bovendien de voorbereiding-voor den grooten, dat is de in het Paaschfeest vallende en daarom bijzonder heilige, sabbat is. Zij komen dan tot Pilatus en verzoeken hem om de wegneming der drie lichamen, gelijk het de gewoonte was, de beenen te verbreken en ze dan te mogen afnemen en begraven. En zoo beginnen zij aan het weven van het groot en zinrijk beeld, dat later door Nicodemus en Jozef voleindigd werd. Wij zien hun plan in stille aan, en scheppen daaruit vrede en zaligheid.

De stadhouder weigert de vergunning van het gevraagde niet, en zond te gelijk eene nieuwe wacht naar de gerechtsplaats, welke de beenbreking voltooien en zich van den werkelijken dood der gekruisigden overtuigen moest. Men beschouwde het als een werk van barmhartigheid, hetwellc aan de gehangenen bewezen werd, dat men hen vóór hunne begraving, tot bespoediging van den soms nog niet plaats gehad hebbenden dood, nog met eenen ijzeren moker liet gebeente verbrak en hen den laatsten of zoogenaamden genadeslag op de borst toegaf. Met de beide gehangene misdadigers wordt hiermede het begin gemaakt. Toen echter de beurt aan den Heere Jezus zou komen, neemt men aan Hem reeds alle kenteekenen van het werkelijk gestorven zijn zoo duidelijk waar, dat men zich de moeite der beenderen-breking te meer meent te kunnen besparen, daar een der krijgsknechten hem eene doorsteking in de zijde met zijne lans toebracht, welke, wanneer de Goddelijke Lijder nog eenigszins geleefd had , alleen reeds toereikend ware geweest Hem te dooden. Op en in zichzelve schijnt ook dit voorval van geringe beteekenis, doch Johannes, die het ons met zoo veel nadruk bericht, heeft het met andere oogen aangezien. Hij ziet in de dubbele bijzonderheid, dat namelijk den Zaligmaker jde gewrichten niet worden verbrijzeld, en dat de doorsteking met de lans Hem de zijde opende, eene beschikking Gods, door welke andermaal twee zeer oude voorspellingen tot hare vervulling gekomen zijn. Dit is geschied, zoo hooren wij eerst opmerken, opdat de Schrift vervuld worde: aiiisn been van hem zal veubroken wouden. Zoo heet het

ocr page 610

óO'i

Ex. 12 : 40 mnt hot oog op liet Paasclilam, dat door den Evangelist liier-medeuitdi'ukkelijkde beteekenis gegeven wordt van een voorbeeld van het Lam Gods, dat tot verzoening der wereld is overgegeven. Als schaduw van dat toekomstig Lam moest het Paaschlam van het mannelijk geslacht, en bovenal tot aanduiding van de heiligheid des voorafgebeelden persoons, zonder gebrek zijn. Dat er echter geen been aan hetzelve mocht verbroken worden, moet gedeeltelijk dienen tot aanwijzing, dat Christus Zich onverdeeld den almachtigen God tot een zoenoiler zou geven, en dat zij, die begeerden het door Hem verworven heil deelachtig te worden, zich IJ om geheel hadden toe te eigenen; anderdeels bedoelde de lieere ook door deze verordening het geven van een nieuw ken-teeken, dat, wanneer de ware Messias zou verschenen zijn, zou medewerken, om Hem aan ieder op ondubbelzinnige wijze bekend te maken. „En ziet,quot; zoo roept Johannes ons als het ware in bet Evangelie toe, „hier is het te voren gestelde teeken. liet feit, dat het heilig vat zijns lichaams onverminkt bleef, drukt op den grooten Doode het bevestigend zegel als het waarachtig verzoenend Paaschlam. Hij is de Rechtvaardige van den 34sten Psalm, wien God alle zijne beenderen bewaart, dat er niet één van gebroken wordt.quot;

Op dezelfde wijze ziet de Evangelist in de doorsteking met de speer eene vervulde profetie. En wederom, zoo gaat hij voort, zegt eene andere schrift: zij zullen zien, in welken zij gestoken hebben. Het woord des Heeren bij den profeet Zacharia (12 : 10) zweeft hem voor de gedachte. Doch aan het huis Davids, zoo beet het aldaar, en over de inwoners van Jeruzalem zed Ik uitstorten den Geest der genade en der (jeheden, en zij zullen Mij aanschouwen, dien zij doorsloken hebben. Deze plaats was den Joden een onoplosbaar raadsel, zoodat zij dan ook in de Grieksche vertaling der Zeventigen de woorden van den grondtekst, zonder het allerminste recht, in plaats van de beteekenis van doorboring, die der verlaging of verachting hebben ondergeschoven. Sedert heelt echter reeds voor duizenden onder hen de ure der opheldering van den eenig waarachtigen zin van dit profetische woord geslagen, en voor honderd duizenden, ja voor de geheele wereld zal zij nog slaan, hetzij als ure van genade of als ure des oordeels en des jammers. Of bet gebeurt , dat zij, die Christus de Hem toekomende hulde onthielden, eer zij er op bedacht zijn, door den Heiligen Geest aangegrepen en verlicht worden, en nu in den weemoed der bewustheid, den Heere der heerlijkheid eenmaal door hunne zonden medegekruisigd te hebben, met van tranen druppende oogen en om vergeving biddende harten tot Hem opzien; of zij zullen beleven, wat Johannes in zijne Openbaring vooraf verkondigt: Ziet, Hij komt met de wolken, en aller oogen zullen Hem zien, ook der genen, die Hem doorstoken hebben, en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven, ja amen.

Ziet, mijne vrienden! zoo ontdekt de diepvorschende Evangelist in alles wat op Golgotha gebeurde, en ook in het minst opzienbarende, een Goddelijk zinrijk beeldschrift, dat enkel op de onderscheidende bekendmaking en verheerlijking van Christus, a's den waren beloofden Messias en Verlosser der wereld heenwijst. Wien kan het echter ook

ocr page 611

óhtgaah, clat in al dio trekken de hand des levenden Gods ziclitbaaf is, welke de draden der gebeurtenissen zoo met elkander laat verbinden, dat in dezelve de eene profetische spreuk na de andere tot zijne vervulling komt. Hoe hoog de Evangelist het geloofversterkend element in deze gebeurtenissen aanslaat, geelt hij zoo nadrukkelijk te kennen met de woorden: En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zegt hetgene waar is, opdat gij gelooven moogt. Overigens is het niet alleen de afneming van het kruis, de doorsteking met de speer en de bewaring van het heilig samenstel des lichaams van Christus voor de verminking, wat Johannes met de zoo even gehoorde woorden op het oog heeft, maar het is te gelijk, ja bij voorTlt;eur, de water- en bloeduitstorting uit de opene wonde in Jezus zijde, waarin hij niets minder dan een diep Goddelijk zinnebeeld van de werken des heils door den hemelschen Vredevorst ziet.

II.

Een der krijgsknechten — zoo luidt de geschiedenis — doorstal/ zijne zijde met eene speer en terstond kwam er bloed en water uil. Men heeft gedacht dat Johannes daarom zulk een groot gewicht op deze bijzonderheid legt, omdat hij gemeend heeft dat dit zekere dwaalgeesten van zijnen lijd, die leerden, dat Christus slechts een schijn-lichaam maar geen werkelijke lichamelijkheid had, tot wederlegging kon dienen. Met is mogelijk, dat hij bij zijn bericht van deze zaak, ook met zulk een bijoogmerk op zulke dweepers heeft heengewezen. Doch in veel hoogere mate verwekt allereerst het wonderbare in deze zaak zijne innige belangstelling. In den gestorvene pleegt anders het bloed te stollen; uit de wond van dezen üoode daarentegen vloeide het nog klaar en overvloedig, en bovendien onvermengd met het water, dat nevens het bloed, uit de doorstoken Pericardium (zakje) zijns harten zich uitstortte en van het kruis nedervloeide. Het was alsof de groote Hoogepriester nog in zijnen dood wilde zeggen: „Ziet, vrijwillig vergiet Ik mijn bloed, en in al zijne volheid oiler Ik het voor uwe zonden.'' Wat echter de ziel van Johannes op de innigste wijze in beweging brengt, is het Goddelijk symbolische of zinnebeeldige dat achter de wondere gebeurtenis in lichtglans staat. In dat water en bloed ziet hij de wezentlijke heilgoederen, die de wereld aan Christus te danken heeft, afgeteekend. Wij weten reeds, dat hij in zijnen eersten brief als het meest eigenlijk kenteeken van den Zaligmaker der wereld heeft opgegeven, dat Hij komt met water en bloed, en tegelijk met den Heiligen Geest, en wie kan het ontkennen, dat Hem bij deze zijne woorden de wondergebeurtenis op Golgotha voor oogen heeft moeten staan?

Wat beteekenen echter deze drie elementen? en wat allereerst het water? De doop misschien? Van verre gezien, ongetwijfeld ook deze. Allereerst is hem echter het water, in overeenstemming met de beeld-

38

ocr page 612

594

spraak van gohool de Heilige Schrift, de zedelijk reinigende kracht van het woord van Christus. Zelfs reeds met de nadering zijns koninklijks verandert overal, waarheen het Evangelie doordringt, om nog niet eens te spreken van wedergeboorte en bekeering in engen en bepaalden zin dezer woorden, de zedelijke gestalte der volken. De zeden en de beschaving verdringen de barbaarschheid. Zucht en orde treden in de plaats van eene onbeteugelde zondedienst. Dierlijke vleeschelijk-heid vinden in het toenemend vermoeden eener hoogere strekking (idealiteit) van het menschelijke leven ten minste hare grenzen; het geweten van de kinderen der menschen scherpt en verfijnt zich, en de schaamte richt als beschermster der zeden hare troon op. Gelijk de gerechtigheid in wetgeving en maatschappelijke inrichtingen, zoo doet ook de liefde hare eischen gelden. De verplichting tot wederkeerige hand-reiking en hulpbetooning komt tot hare bewustheid. De armen- en krankenverzorging sticht hare gasthuizen en opent de verlatene hare toevluchtsplaatsen. Ja, wat zou er zijn dat zich niet vereenigde, veredelde en verklaarde, zoodra slechts een ligte adem van het Christendom er over heen gaat. Vergelijkt de Christelijke volken, zelfs de meest ge-zonkene onder hen, met de lleidensche en zelfs ook met de Mahome-daansche, en zegt mij, of, in den algemeenen zin des woords, de eersten niet reeds nieuw geboren mogen heeten? In deze werkingen nu openbaart zich de waterkracht van Christus en zijn Evangelie. Zeker waren het bijzonder deze werkingen, die de almachtige God voor oogen had, toen Ilij door den Profeet Ezechiël (3(3 : 25) beloften vol sprak: Dan zal ik rein water op u sprengen, en r/ij zult rein worden van al uiue onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. Aan dezelfde uitwerkselen denkt ongetwijfeld de Apostel, wanneer hij , Hebr. 10 ; 22, „van een gewasschen zijn des lichaams met rein waterquot; spreekt, en evenzeer werden zij door den dooper Johannes bedoeld , toen hij zeide: „Ik doop u met water!'quot; en te gelijker tijd eene andere doop, die met geest en met vuur deed verwachten, welke alleen door Hem kon volbracht worden, die na hem komen zou. Genoeg, reeds door middel van zijn Woord en door de stichting zijner kerk komt van Christus eene zedelijke reinigmaking, veredeling en verheerlijking van het menschelijk geslacht voort, en op deze zijne werkzaamheid wijst zinnebeeldig het water, dat uit Jezus open zijde vloeit.

Doch met het water alleen zouden wij niet geholpen zijn. Diep schuldig staan wij voor God, en bielden wij ook van nu af op, om nieuwe schulden te hoopen op de ouden, zoo zouden daardoor toch de ouden nog ongedaan gemaakt, noch voldaan worden. Bovendien blijven wij bij alle door het Woord bewerkte zuivering en veredeling des levens, wanneer wij ons naar het ideaal der Goddelijke eischen afmeten, nu als vroeger, arme zondaren en zijn als zoodanigen den vloek onderworpen. Zoo hebben wij dan boven onze zedelijke verbetering, nog veel dringender behoefte aan eene ontheffing van het oordeel der verdoemenis, dat op ons ligt, en overbrenging in den staat der genade. En dat nu ook voor deze behoefte, de meest roepende van allen, de gewenschte hulp geschonken is, dat verkondigt ook het bloed, hetwelk wij uit de wond der zijde van den grooten Doode zien

ocr page 613

hitgt;

vloeien. Het wijst ons de prijs der betaling aan, met welke voor God eens voor altijd onze schuld werd uitgewischt, zoo als de genoegdoe-nende offergave door welke de verzoening der Goddelijke gerechtigheid met de zondaarsliefde God bereikt, en onze wederaanneming zonder benadeeling van de eerste mogelijk gemaakt is. Het bloed vloeit gescheiden van het water. De rechtvaardigmaking is met de persoonlijke verbetering niet te vermengen, hoe veel minder te verwissden. Wat ons der liefde Gods mede aanbeveelt is enkel Ghristus verdienste, en nooit het gedeeltelijk werk onzer eigene deugd. Zeker is er van onze kant geloofs- en levensvereeniging met Christus noodig; maar in Christus gerechtigheid en in haar alleen ontvangen wij de vrijspraak van de verdiende straf, gelijk wij allen om harentwille in de rechten van het Goddelijk kindschap weder worden gesteld. Voor de zaligheid geschikt worden wij door de bekeering gemaakt; der zaligheid waardig worden wij enkel gemaakt door het bloed des Lams.

Doch wij weten, water en bloed stellen de heihverkingen van Chris-tua nog niet ganschelijk voor oogeri. Drie zijn er, zegt Johannes, die van er* voor Hem op aarde getuigen: hel water (de zedelijke macht van het woord), het bloed (de verzoenende, rechtvaardigmakende en daarmede de vredestichtende werking van zijne plaatsbekleedende verdienste), en de Heilige Geest, die niet enkel verbetert, maar vernieuwt; niet enkel de takken afkapt, maar de boom ontwortelt en de kiem van een wezentlijk nieuw bestaan en leven aan zijne plaats stelt. Hij echter, die getooid met het drievoudig zegel van zulke machtbetooning dooide wereld gaat, kan niet anders dan van boven komen en moet do van God verordende Messias en Verlosser zijn. Johannes houdt het nauwelijks voor mogelijk, dat iemand dit kan miskennen, en bijna met geweld dringt hij met den eisch aan ons hart, dat wij toch hij zijne banier zullen zweren, terwijl hij bij uitnemendheid bewogen en vol nadruk ons toeroept: En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zegt het-gene waar is, opdat ook gij gelooven moogt.

Dat dan ook wij gelooven, mijne Vrienden! opdat ook wij denHeere der heerlijkheid leeren kennen als dien, die komt met water, bloed en Geest, dat is, zuiverend, verzoenend en wederbarend. Geven wij ons zonder eenige achterhouding en onverdeeld over aan Hem, nadat Hij Zich voor ons tot in den dood heeft overgegeven, en maken ook wij de woorden van den ouden kerkdijken zanger tot de onze:

Door 't .water, dat uw zijde ontvloeit Worde ook mijn matte ziel besproeid!

En door uw heilig dierbaar bloed Worde al mijn schuld voor God geboot!

O schat, waarnaar ik rustloos delf!

O Heere, verberg mij in Uzelv',

Opdat ik van de hellepijn Voor eeuwig nioog beveiligd zijn.

Amen.

ocr page 614

LVIU.

DE B E G R A V T N G.

Tot dc diepzinnige woorden, die uil den mond des Heeren gegaan zijn, behoort, wat wij Joh. quot;12 ; 24 lezen; Voorwaar, voorwaar zeg //,: u: Indien het tarwegraan niet in dc aarde valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. Onder hel tarwegraan verslaat Christus Zichzelven. Gelijk de graankorrel, wanneer hij niet in de aarde gelegd wordt, een afzonderlijke graankorrel blijft, en alleen uitgezaaid, zich vermenigvuldigt, zoo zou ook Christus, wanneer Hij den weg des doods niet gegaan ware, de éénige rechtvaardige, Gode welbehagelijke en uit den hemel geroepene gebleven, doch Hij zou ten minste onder de sterfelijke menschen noch medegenooten zijns vredes, noch medeerfgenamen der toekomstige heerlijkheid gehad hebben. Nadat Hij echter dien weg was gegaan, brengt Hij als het ware geheele oogsten van heilige en van God beminde menschen, gelijk Hij zelf is, voort. Ontzondigd door zijn bloed, versierd met zijne gehoorzaamheid, vernieuwd door zijnen Geest, deelen zij met Hem het welbehagen des eeuwigen Vaders. Hij echter maakt ze boe langer hoe meer, even als de zonnestraal op verborgene wijze in de plant dringt, zijner Goddelijke natuur deelachtig, en Hij verheugt Zich over de velen, die uit Hem, den éénen, als de levende spiegelbeelden zijner eigene schoonheid, gegroeid zijn.

Wij zullen heden dit woord van het tarwegraan op eene zoo letterlijke wijze tot verwezentlijking zien komen, dat wij niet kunnen twijfelen, of liet is het oogmerk Gods geweest, om de waarheid, welke het uitspreekt, ons eens in een recht grootsch feitelijk zinnebeeld aanschouwelijk voor oogen te stellen. Het hemelsch tarwegraan, Christus, wordt werkelijk in den schoot der aarde nedergelaten, en welk sierlijk, gi'oen, aan zijn eigen verwant leven is bet, dat wij voor onze oogen uit zijnen dood zien ontspruiten!

Matth. 27: 57-G6. Makc. 15 : 42-47. Luc. 23 : 50-56. Jou. 19 : 38-42.

En daarna, als het nu avond geworden was, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat, ziet, een rijk man van Arimathea, eene stad der Joden, met name Jozef, zijnde een goed en rechtvaardig

ocr page 615

597

man, en een eerlijk raadsheer, die niet mede had bewilligd in hunnen raad en handel, die ook zelf liet koninkrijk Gods verwachtte, en die ook zelf een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreeze der Joden. Deze, zich verstoutende, sh'n i'1 ^ot Püatns, en bad hem, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen. En Pilatus verwonderde zich, dat Hij aireede gestorven was, en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem; of Hij lang gestorven was? En toen hij het van den hoofdman over honderd verstaan had, liet hij het toe, en schonk aan Jozef het lichaam, en beval, dat het hem gegeven zou worden. Hij dan ging en kocht fijn lijnwaad, en het lichaam van Jezus afgenomen hebbende, nam het weg. En Nicoderaus, die eerst des nachts tot Jezus gekomen was, kwam ook, brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden. Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in zuivere fijne linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van te begraven. En daar was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof van Jozef, en in dien hof een nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had en in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest. Aldaar dan leiden zij Jezus in, omdat het de dag van de voorbereiding der Joden was, en overmits het graf nabij was en de sabbat aankwam. En eenen grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging Jozef met Nicodemus weg. En ook de vrouwen, die met Jezus gekomen waren uit Galilea, volgden en aanschouwden het graf en hoe zijn lichaam gelegd werd. En aldaar was ook Maria Magdalena en de andere Maria; de moeder van Jozes, zittende tegenover het graf, en zij aanschouwden waar Hij gelegd werd. En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven, en op den sabbat rustten zij naar het gebod. Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeën tot Pilatus, zeggende: Heere, wij zijn indachtig, dat deze verleider, noij levende, gezegd heeft: na prie dagen zal ik opstaan. Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen hij nacht en stelen hem. en zeggen tot het volk: nu is opgestaan van de dooden. En zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht, verzekert het gelijk gij het verstaat. En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

Hoe goed doet het aan het hart, na al de ontroerende en zielschok-kende aanschouwingen, waarvan wij tot hiertoe getuigen waren, de plechtige stilte te ontwaren, die ons heden op Golgotha als te ge-moet komt. Het was de voorbereiding van den sabbat, zoo begint ons Evangeliesch verhaal, en ook ons is het niet anders, dan als hoorden wij ons van rustdagsklokkentoonen zacht omklonken. Een stille vrede waait ons uil die geschiedenis als aan. Over hare donkerheid schemert reeds een voorloopig zacht morgenrood der naderende verheerlijking. Verdiepen wij ons in enkele trekken van deze gesclüe-

ocr page 616

598

denis. Drie punten nemen bij uitnemendheid onze opmerkzaamheid in aanspraak:

I. de afneming van het kruis.

II. de nederlegging in liet graf.

III. de bewaking van liet graf.

Het is de laatste lijdensbeschouwing, mijne vrienden! die wij thans m3t elkander doen. De vrede Gods, die het verstand te boven gaat, zij de kostelijke vrucht, die wij er van meJebrengen!

I.

De hoofdschedelplaats is ledig geworden. Alleen de Romeinsche wacht bleef nog achter. Of Johannes ook achterbleef, wordt niet gemeld. Een diep stilzwijgen heerscht van rondom. De beide kruiselin-gen beeft men zoo even van het kruis afgenomen, en men is bezig hen de beenderen te breken en hun graf te graven. De groote Doode zweeft nog eenzaam, het met doornen gekroond hoofd op den boezem gezonken, tusschen hemel en aarde. Thans echter is Hij de drager, het middenpunt en de Koning eener nieuwe wereld. Wie zou dit gelooven, die Hem daar als eene prooi des doods aan het vloekhout ziet hangen. Doch slechts geduld! Zijne geschiedenis is nog niet ten einde. Hoe veel wijst profetisch reeds daarop heen, dat zij nog niet ten einde is. Hoordet gij niet het donderend Hosanna! dat in het oogenblik van zijnen dood zelfs het rcdelooze schepsel, ja zelfs de dood uit zijne kerkers Hem moesten toezingen. Kwam u niet invallende in het credo (ik geloove) der schepping, de groote belijdenis van den Romeinschen hoofdman ter ooren ? Viel u de bijzonderheid niet in het oog, dat legen het voorschrift en het gebruik het lichaam van den Heere Jezus niet verminkt mocht worden? En ontdektet gij niet in het doode aangezicht van een der beide kruiselingen den wederglans van den bovenaardschen vrede, dien de groote medegekruisigde, aan wiens zijde hij hing, hem door een enkel woord in de zondaarsziele sprak? En hoe! de geweldige Bedwinger aller stormen in de uit- en inwendige wereld kan zelfs op blijvende wijze bezweken zijn? Dat is onmogelijk. Hoe verscheurd en bloedig Hij ginds aan zijn kruis hangt. Hij is nog niet op de hoogte zijner loopbaan aangekomen. Veel meer wacht nog op Hem het reeds lang voor Hem vervaardigd zegelied: De steen, die door de bouwlieden verworpen werd, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van den Heere geschied, en het is tuon-derlijk in onze oor/en.

Wat zal echter het eerst met den ontslapen Koning der eere plaats hebben? Bekommert er u niet over, mijne vrienden! De hemelsche Vader heeft reeds voor alles gezorgd. De begravers zijn reeds voor

ocr page 617

599

Hem besteld, zoo als ook de rustkamer voor Hem reeds is toebereid. Wie of Hem ten grave zal geleiden? Naar de wet was het aan de gerechtsdienaars opgedragen om Hem, en wel op de gerechtsplaats, alwaar Hij stierf, in de aarde te verbergen. God echter heeft hierin anders voorzien. Nadat de groote Hoogepriester zijn verzoenend offerwerk volbracht bad, mag geen smaad Hem meer aanroeren. Neen, dat zou tegen de orde van het eeuwig recht inloopen. Heeft Hij zonder vlek zijne zaak tot het doel gebracht, dan komt Hem voortaan enkel eere en heerlijkheid toe. Zoo oordeelt ook de almachtige God. Zijn Zoon zal eene begrafenis ontvangen, in welker omstandigheden ook ile meest verblinde de besturende hand der eeuwige Liefde niet kan miskennen. Twee aanzienlijke mannen, aanzienlijk niet alleen bij de menschen, maar ook bij God, worden met de begraving van het ontzielde lichaam van Immanuël belast, en een klein aantal getrouwe discipelinnen, die er een' troost in zullen vinden, om het heilig lichaam nog in de tranen hunner dankbaarheid te wasschen, zullen zich aan deze beide mannen aansluiten. Doch laat ons de geschiedenis niet vooruit-loopen. Wij verlaten den heuvel Golgotha voor eenige oogenblikken en nemen ons standpunt in de stad Jeruzalem. Wie wandelt ginds met zoo haastige schreden de straat op, die naar het paleis van den Romeinschen procurator brengt? De man schijnt met eene gewichtige boodschap belast te zijn. Het staat in zijne gelaatstrekken te lezen, en zijn spoed verraadt het. Wie is deze ijverige man? Jeruzalem kent hem en telt bom tot zijne uitnemendste en geachtste burgers. Het is Jozef, naar zijne, op liet gebergte Efraïms gelegen, geboorteplaats, toegenaamd van Arirnathea ; een man, met bet meest algemeen vertrouwen zijner stamgenooten vereerd, en te gelijk medelid van het hoogste Joodsche gerechtshof of van den boogen raad. In de laatste hoedanigheid had hij den geheelen rechtshandel tegen Jezus persoonlijk mede bijgewoond, en gedurende den loop er van eene levende overtuiging, niet alleen van de volkotnene onschuld van den Aangeklaagde, maar ook nog van iets meer verkregen. Hij had in den raad zijner amhtgenooten niet bewilligd, maar zeker, hij had ook niet den moed gehad, om een luid en beslissend protest er tegen in te brengen. liet over den Rechtvaardige gevelde bloedvonnis had hem in zijn binnenste in opstand gebracht; maar eene beklagelijke menschen-vrees heeft hel bij hem niet verder dan tot een zwijgend hoofdschudden laten komen. Christus werd naar de gerechtsplaats geleid, en Jozef op geestelijke wijze met Hem, toen hij door zijn geweten op de scherpste wijze geoordeeld en 'verdoemd werd. De bloedige rechtsoefening op den folterberg had plaats. Of Jozef haar van verre ook mede heeft aanschouwd, of dat hij hare toedracht alleen door berichten van anderen heeft vernomen, weten wij niet. Genoeg, eer hij het vermoedde, kwam, hoogst verrassend voor hem, die, door grootsche aandoeningen bewogen, altijd nog eenen anderen uitgang der zaak verwacht had, het als de donder treffend bericht hem ter oore, dat de Nazarener zoo even aan zijn kruis den geest gegeven had. Wat deze kondschap nog ontbrak aan schokkende macht, dat verleende haar het ontzettend Verschijnsel dor aardbeving, welke op datzelfde oogenblik plaats had,

ocr page 618

(500

en dat ook bij Jozef oenen ontzettenden indruk veroorzaakte. Van dit oogenblik af' zien wij te Jeruzalem een man in diepe eenzaamheid in zijnen kommer nedergezeten, het hoofd op de hand leunende, en wij hooren hem — ten minste is het mij, als klonk iets dergelijks in mijne ooren — in afgebrokene woorden tot zichzelven spreken: „Zoo is HU dan dood! Zij, die Hem met duizend liefdebanden aan de aarde hadden behooren te binden, hebben Hem versmaad! Wee over de moordenaren! De schoonste ster, die ooit aan den hemel der wereld geblonken heeft, hebben zij in bloed uitgebluscht! Doch Jozef, wie zijt gij zelf? Zij wisten niet wat zij deden, en gij erkendetHem! Waarom tradt gij niet als getuige voor Hem op? Waarom riept gij niet: „Gij wilt den Vorst des levens kruisigen. Op! kruisig ook mij aan zijne zijde, want ik hen zijn discipel, en zonder Hem is de wereld mij woest en het leven zonder waarde!quot; Doch de gunst der wereld was uw afgod en goldt u meer dan Gods gunst! Voor den allernietigste!! prijs hebt gij den Heere der heerlijkheid verloochend! Nu is Hij ontslapen, en zijn oor hoort de belijdenis van uw berouw niet meer, noch zijn mond vermag meer een woord van vergeving tot u te spreken ! Doch is Hij wel werkelijk gestorven? En stierf Hij, zal de dood Hem dan kunnen houden? Toen Isaac reeds op de houtmijt lag uitgestrekt, sprak Abraham, met toevoorzicht hopende en vertrouwende, evenwel zijn nochtans. Zijn nochtans sprak nog Israels geloof, toen reeds de stam van het huis van David , waaruit de Messias zou voortkomen, tot op den wortel uitgestorven en verrot was. O mijn hart, roep dan ook gij uw nochtans! uit. Wanneer het anker uwer hope niet in Hem veilig rust, zoo vindt het nergens, in hemel noch op aarde, den grond waarin het houdt. De man uit Nazareth was de Beloofde, of de belofte van den profeet is te niet en wordt nimmer vervuld. En gij, onzalige, hebt uwe knieën niet voor Hem gebogen, ia gij hebt, zonder eene beslissende tegenspraak in te brengen, Hem laten dooden!quot;

Dit, of iels dergelijks, spreekt de in eenzaamheid verwijlende man in heftige gemoedsbeweging uit, in zijne alleenspraak met zichzelven, terwijl hij, met een van droefheid bezwaard hart, zijn aangezicht vol tranen met zijnen mantel bedekt. Daarna echter staat hij, zich vermannende, plotseling op met den uitroep: „U, wien ik bij uw leven de eere schuldig bleef, laat U dan toch nog in den dood mijne hulde welgevallig zijn.'' En zoo als hij dit gezegd had, heeft hij ook reeds zijn vertrek en zijn huis verlaten, en vermengt hij zich in het gewoel op de openbare straat.

Wie is die zoo met grooten ijver bezielde man? Geen ander dan die wij voorheen naar het Romeinsche rechthuis zagen spoeden. Het is Jozef van Arimathea. Wat hij in het schild voert, ik wenschte dat gij het hemzelven kondet vragen, want het zon hem een genot zijn, het u ronduit te kunnen zeggen. En al mocht geheel Jeruzalem hem daarom als een dwaas uitlachen, of wel als een ketter hem willen steenigen, zoo zou hij zich verheugen, dat hem daardoor de gelegenheid verschaft werd, om, op zekere wijze ten minste, een deel van de schuld te kunnen afdoen, welke hem met centenaarszwaarto dreigt

ocr page 619

601

te verpletteren. Ik kan mij zoo goed in zijne gemoedsstemming verplaatsen. Hem bezielt die trotseerende kracht des geloofs en der berouwvolle liefde, waarin men, om eene verloochening nit te wisschen r aan welke men zich jegens Jezus schuldig maakte, den smaad om zijns naams wil met geweld wil op zich laden, ja waarin men, met de doornenkroon om de slapen, zich voor Hem wil laten brandmerken, ja kruisigen. Onze Jozef wil rechtstreeks naar den stadhouder gaan en van hem de vergunning vragen, om den grooten Doode van zijn kruis af te nemen en Hem in zijn eigen familiegraf eervol bij te zeiten. Mij komt in het Romeinsche paleis, en na vooraf den toegang tot den stadhouder verzocht te hebben, verschijnt hij voor zijnen gebieder en begint hij met vastheid en onbewimpeld te zeggen: „Ik kom tot u met een beleefd verzoek, dit: dat gij mij het lijk van Jezus wilt schenken, opdat ik Hem, gelijk het voegt, eene eerlijke begrafenis geve.quot; Pilatus ziet niet weinig vreemd op, zulk een verzoek uit den mond van een Joodschen raadsheer te vernemen; hij antwoordt echter, n.1ar het schijnt alleen, om daardoor de ware aandoeningen, die in dit oogenblik zijn eigen hart bewegen, te verbergen, dat het hem verwondert, dat de Nazarener reeds nu al dood zijn zou. Te gelijk beveelt hij tot gelijk oogmerk, dat men den bevelhebber der wacht tot hem zal laten komen; en nadat deze binnengekomen is, ondervraagt hij hem op de zorgvuldigste wijze, hoedanig het met de drie gehangenen gesteld is. Doch ten spijt van de rustige houding, die liij in zijne ambtelijke betrekking poogt aan te nemen, ontgaat het ons niet, dat hij zich, al is het ook in minderen graad van diepte en levendigheid, in eene zekere overeenstemmende geestelijke gemeenschap met den door Jezus zoo machtig aangegrepen raadsheer bevindt. Ook hij kan zich het beeld van den Gedoodde niet vertegenwoordigen, zonder zich van gewaarwordingen eens beslisten eerbieds doordrongen te gevoelen. Ik meen zelfs reeds in de bevreemding, waarmede hij het bericht verneemt, dal Jezus reeds dood is, iels van die grootsche vermoedens te zien spiegelen, welke zijne ziel bij de gedachte aan den persoon des Gekruisigden niet van zich afweren kon. Daarbij vindt hij zichzelven over het gedrag, dat hij tegen den Onschuldige gehouden heeft, door zijn geweten veroordeeld, en dat nu den voorbeeldeloos miskenden man, nog in zijnen dood, eene eervolle voldoening zon gegeven worden, zoo als Jozef Hem die toegedacht heeft, komt zoodanig met zijne eigene wenschen en behoeften overeen, dat hij, alsof hemzelven het hart hiermede verlicht werd, daartoe met blijdschap zijne toestemming verleent. Jozef betuigt den stadhouder den innigsten dank, en.spoedt, zoo gelukkig als ware hem den grootsten schat der wereld ten deel gevallen, uit het paleis, om eerst het lijnsle lijnwaad, dat hij kan verkrijgen, en tegelijk de kostbare zalven en specerijen te koopen. Voor wien? Dat mag thans de geheele wereld van hem weten. „Voor mijnen Koning!quot; zal hij overal luid betuigen, waar er hem naar gevraagd wordt. En zoo de hooge raad waarschuwend den vinger opheft, of wel met ontzet van ambt of nog erger bedreigt, zoo mag hij het nu vrij doen, Jozef zal dan nog met luider stem betuigen: „Voor mijnen Koning, voor mijnen Meere, voor mijnen Vredevorst!quot; Hij waagde het, zegt de geschiedenis, doch

ocr page 620

002

liet schijnt hem geen waagstuk meer toe. Met blijdschap zou hij alles voor den groofon Doode hebben weggegeven, wanneer hij daardoor slechts nog had kunnen vergoeden, wat hij den Levende had onthouden.

Wij verlaten hem nu, en keeren in den geest tot de gerechtsplaats terug. O ziet, wie heeft zich daar inmiddels laten zien? Herkent gij den man, die stom en onbewegelijk als een beeld onder het kruis staat, en met aandacht en van tranen vervulde oogen tot den gestorven Lijder omhoog ziet? In dezen vindt Jozef zijn geestelijk legen-beeld, want deze man heeft hetzelfde te berouwen, en brandt even als hij van verlangen, om datgene wat hij verzuimde weder goed te maken. Wie is deze in zichzelf verdiepte vreemdeling? Hij is zoo min een onbekende als Jozef. Het is Nicodemus, Jozefs ambtgenoot; dezelfde farizeër, die eens leer- en heilbegeerig tot Jezus kwam, nochtans bij nacht, omdat ook hij hem de vrees voor de Joden en de liefde tot de waarheid nog in evenwicht hing. Thans heeft hij de smadelijke ketens afgeworpen. Voorzeker, het zijn verwonderlijke zaken, die wij hier in de omgeving van het kruis beleven. Wanneer wij tot iemand, die het nog niet weet, zeggen wilden: „Let op, een paar vreesachtige mannen, behoorende tot de hoogste kringen der maatschappij, die, toen Jezus nog in de majesteit van bovenaardsche daden daar heen-wandelde, uit schuwheid voor het oordeel der openbare meening, het niet waagden, met hunne gunstige gevoelens over Hem aan het licht te komen, zullen thans, nadat de uitgang van zijn leven Hem tot eenen beklagenswaardigen dweeper schijnt gestempeld te hebben. Hem voor al het volk als hunnen Koning de eere geven, en met opgeheven hand lot de verscheurde banier van zijn verbroken koninkrijk zweren.quot; Zou het hem mogelijk zijn, dit te gelooven? Hij zonlichter al het andere voor waar houden, (jan dit. En nochtans gebeurde het werkelijk. Juist nu, terwijl allo zijne discipelen, ook zijne meest vertrouwde, met uitzondering van eenen enkele, Mem verlaten hebben; juist nu, terwijl Jezus niet meer storm en golven bedreigt, maai' zelf overwonnen, in zijn bloed zwemt; juist nu, terwijl aan Hem slechts nederlaag en ondergang te zien is, en niets zekerder schijnt, dan dat God zelf Hem te schande heeft willen maken; in dit oogenblik van de schijnbaar beslissende mislukking zijner zaak, wierpen de beide mannen hunne sluiers en maskers af, en treden uit hunne sluiphoeken vrij en open met de onbewimpelde belijdenis Ie voorschijn, dat zij het met den gehangenen Man aan het kruis houden, en veroordeelen door deze daad stilzwijgend zijne terdoodbrenging als eenen gerechte-lijken moord, en klagen inzonderheid den geheelen hoogen raad aan, wegens de ten hemel schreiende misdaad van hunne handen met het onschuldig hloed van den Heilige Israels bevlekt te hebben. „Doch zijn dan deze lieden,quot; zoo vraagt gij half met bevreemding en half lasterend twijfelend, „zoo plotseling tot helderzienden geworden?quot; Wij antwoorden: Ja, mijne vrienden! zij zijn het, maar door den Geest des levenden Gods, die hen de oogen geopend heeft. De kiem van het geloofsvertrouwen, dat thans op eens en zoo heerlijk en zoo geheel tot zijne geboorte gekomen voor den dag komt, heeft reeds lang, ofschoon gebonden en als onder eene ijskorst, in hunne harten ge-

ocr page 621

G03

legen. Uit de onweerswolk, welke over Golgotha lag, heeft de genade nu deze kiem bevrucht, en daarom zien wij hen thans in zulk eene vrije en machtige ontwikkeling te voorschijn komen.

Nadat Nicodemus een weinig tijds in de aanschouving van het kruis met onuitsprekelijke gemoedsaandoening zich verdiept had, treedt ook Jozef op de hoofdschedelplaats, en hoe zielsinnig begroet 1 ij aldaar zijnen zin- en geestverwant. Nadat beiden eenige vertrouwelijke woorden met elkander hebben gewisseld, en nadat zij de krijgsknéchten van de van den kant des stadhouders ontvangene vergunning kennis gegeven hadden, begonnen zij hun treurig en toch zoo zalig werk. Zij dragen ladders aan en plaatsen ze tegen bet kruis van den ontzielden Vredevorst, en zoo klimmen zij eerbiedig op tot den grooten Doode, en het is hen niet anders, dan als stapten zij over gewijde tempeltrappen. Liefelijke aanschouwing voorzeker! In baar licht zingt een Christelijk Dichter, het daarin vermengde beeldschrift zacht ontcijferende, de volgende woorden, die wij hem gaarne nazingen:

Laat bijen naar de bloemen zweven , En daaruit putten sap en kracht, — Ik blijf bij U, mijn eeuwig leven! Alwaar Ge uw offer hebt volbracht. Ik wil bij uwe kruispaal staan , ïot ik den hemel in zal gaan.

De beide vrienden zijn nauwelijks bij de doorboorde voeten van bunnen Meester gekomen, toen zij — o Hij is het waardig! — aandachtig en eerbiedig het hoofd neigen en het met kussen en tranen, de teekenen van hun biddend berouw, bedekken. Daarna klimmen zij hooger op. „Zijt gegroet, o hoofd vol bloed en wonden!quot; Het is niet enkel teederheid, maar het is nog iets meerder dan dat, waarmede zij Hem in het met bloed overgoten aangezicht zien. Het ontgaat hen niet, hoe ook nog op dat bleeke voorhoofd eene hooge majesteit troont, en hoe ook nog over de geslotene oogleden het morgenrood der opstanding zweeft. „Gij mishandelde Man, gij staat nog niet aan het einde uwer loopbaan.quot; Zoo denken zij met een diep geschokt gemoed, en beginnen vervolgens zacht en behoedzaam Hem de ijzeren nagels uit bet midden der handen en voeten te trekken. Het dierbaar gezegend lichaam neigt zich af op hunne schouders, en zij dragen het zacht van de hoogte des kruises naar beneden. O, hen na, dierbare vrienden! Met Jezus op den leerstoel te Nazareth, met den prediker op den berg der zaligheden, ja zelfs met den Heerlijke in Tabors glorie hebben wij niet genoeg. De aan het kruis hangende Jezus moet bet voorwerp onzer liefde worden. Daarom naar Hem omhoog op de geestelijke laddersporten der zondensmart, der dorst naar genade en des geloofs. Hem losgemaakt van het hout des vloeks, en aldus Hem

ocr page 622

004

als onzen eenigen troost in leven en in sterven in ons hart het leger gespreid! Dat hot de werkelijk zaligmakende liefde van Jezus zij, die in ons gloort, en niet een hloot schijnbeeld er van; dat kunnen wij op de zekerste wijze daaruit weten, dat zich deze liefde het allereerst aan den bbedigen Doode ontstak en dan eerst den Levende omstrengelde. Wie zich daarentegen van den Doode afgekeerd heeft, en waant den levenden Christus, zoo als Hij, weldoende, loerende en een goed voorbeeld gevende, door het land heenging, zij hem genoeg, die misrekent zich en zal eenmaal ten dage zijner toekomst, ien spijt van zijn Meester! waarmede hij Hem begroette, het ontzettend antwoord uit zijnen mond hooren: ih lueel niet, wie gij zijt. Ik heb u nooit r/ekend.

IT.

quot;NVij keeren terug tot onze vrienden. Ginds gaan zij reeds zwijgend met hunnen dierbaren last van den heuvel af. Eene niet in het oog vallende begraving, doch hoe heerlijk wordt zij door de teederheid en den belijdersmoed der beide dragers van den Ontslapene! Wel begeleidt geen treurgeluid den stillen stoet, doch later is Hem dien stoet te talrijker nagevolgd. In hoe vele duizende torens slaan thans voor Jezus kruis en graf de feestklokken aan, zoo dikwijls telken jare de heilige gedenkdag zijns doods en zijner begraving terugkeert! Geen graflied klinkt vóór Hem heen, en geen eerefakkel ziet men branden. Doch welke fakkels zijn zoo kostbaar en schoon, als de onuitblussche- • lijke der liefde en der aanbidding, die in den hemel ontstoken worden. En hoort slechts. Aan zulk een plechtig graflied ontbreekt het ook niet. Een Godgewijd zanger zegt het den daar heengedragen wordende uit eene bijna duizendjarige verledenheid toe, namelijk de profeet Jesaja, en wel in de woorden der profetie Hoofdst. 5'.5 : 9: Men heeft zijn (des Heilands) draf bij de goddeloozen gesteld, en Hij is bij de rijken in zijnen dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is.

Wij zijn aan de rustplaats gekomen. Een stil, vrede-ademend, gedeeltelijk door steenrotsen ingesloten beemd, neemt ons in zich op. Het is de hof van Jozef. De zon werpt juist hare laatste stralen er in af, en de vallende avond zijne eerste koele schaduwen. In deze stille omgeving zal de Heilige zijne laatste aardsche legerstede vinden. Een eigen graf bezat Hij niet, die over het geheel niet bezat, waar Hij zijn hoofd kon nederleggen, en zoo had Hij noodig, dat Hem voor zijn kort nachtverblijf eene gastvrije rustplaats gegeven werd. Hoe gelukkig echter schat, onze Jozef zich, verwaardigd te zijn met de eere, om Hem deze laatste rustplaats te mogen bereiden. En hoe goed doet hem het uitzicht, eenmaal, wanneer ook voor hem het laatste uur zal slaan, ten minste nog in de innigste gemeenschap des doods met Hem te kunnen treden, dien hij bij zijn leven, ach, zoo snood verloochend heeft. Terwijl nu beiden met den geliefden last bij de grafspelonk gekomen zijn, zien zij, dat het hen ook aan geenen lijk-

ocr page 623

OOo

stoet ontbroken heeft. De getrouwe vrouwen, Maria Magdalena en Maria Joses, en nog menige andere discipelinne, deze moedige vriendinnen zijn hen op eenigen afstand stil gevolgd, want ook zij wilden gaarne zien, waar hunne geheele hope en hun gansche leven blijven zou. Jozef en Nicodemus heeten haar hartelijk wélkom, en nemen haren dienst bij het werk der teraardebestelling gaarne aan. Zoo wordt dan het heilig lichaam eerst zachtelijk op den grond nedergelegd, en terwijl de vrouwen, schier meer met hare tranen dan met het aangedragen water, de bloedige vlekken van zijn hoofd en borstafwasschen, vullen de mannen het zacht blinkend wit linnen, waarin Hij gewikkeld worden moet, met mirre, aloë en andere kostbare specerijen, waarvan zij eene overvloedige menigte, Nicodemus zelfs bij de honderd ponden, gekocht hadden. Nadat zij dan nu met de gewone linnen windselen en doeken liet lichaam omwikkeld hadden, zien zij den dierbaren Ontslapene nog eenmnal zwijgend in het verheven koninklijk gelaat, en bedekken het vervolgens (misschien verrichtte Maria deze laatsten dienst der droefheid) met den zweetdoek. Het geheele werk der begraving was intusschen hiermede nog niet ten einde geloopen. Docli de nabijheid van den sabbat gebood de eigentlijke balseming tot na het einde van het feest uit te stellen, en het thans alleen bij dezen voorloopigen liefde-arbeid te laten berusten. Wanneer onder de ter begrafenis gaande vrouwen ook Maria, de zuster van Lazarus geweest zij, zoo zou zij zich dan hebben moeten herinneren, dat er zekerlijk geene verdere zorg met liet lichaam des Heeren noodig was, naardien Hij, volgens zijne eigene uitdrukkelijke verzekering, de zalving tegen den dag zijner begraving reeds in Bethanië door hare hand ontvangen had. De vrienden nemen nu den lieven Doode weder op, en dragen Hem zacht en eerbiedig op hunne handen in de nieuwe zuivere rotskloof, alwaar zij Hem langzaam en met een aandachtig stilzwijgen, alsof Hij slechts een slapende was, in eene hooggewelfde kleine nis ter ruste nederleggen. Nog eenmaal zien zij Hem met diepgeschokte zielen aan; vervolgens scheuren zij zich met gewold van Hein af, verlaten het gewelf, wentelen een grooten steen voor de deur, en keeren, terwijl reeds de sabbatlichten van verre hen tegenschemeren, onuitsprekelijk treurig, maar toch niet zonder een vermoedenvol hopen, terug tot hunne woningen.

Wij laten ze heengaan en vertoeven nog eenigen tijd bij het dierbare graf, niet om thans in beklagingen uit te barsten, maar veel meer om zachtelijk in den zang des dichters in te stemmen:

Gij Heere, in myrtengeur en aloë begraven,

Gij kunt nog in uw dood mijn smachtend harte laven.

Uit uw gebroken oog en bloedig aangezicht,

Straalt nog voor mijne ziel het eeuwig levenslicht.

Een adem des levens waait uit deze rotskloof ons te gemoet, een vrede Gods ademt ons uit dit graf aan, Daar .rust Hij nu, de Held.

ocr page 624

606

tloe wèl doet het ons, na al dien smaad en hoon, welke zich over Hem heeft uitgegooten, Hem ten minste eindelijk wederom eervol op een leger, dat de liefde, de trouw en de teederheid Hem spreidde, uitgestrekt en rustende te zien. Wie kan het miskennen, dat de alles besturende God reeds met de omstandigheden zijner begrafenis tot onzen troost een liefelijk getuigenis wilde vereenigen, dat de Eengeboren Zoon het groote werk, dat Hem opgedragen was, volkomen heeft volbracht, en dat daarom thans de tijd der belooning voor Hem gekomen is. Hoe duidelijk kondigt zich te gelijk in de vóór het invallen van den nacht en van den sabbat nog volbrachte kruisafneming en in de begraving van den Middelaar de thans gekomene vervulling van de oude, de gehangenen in Israël betredende verordening aan; en hoe bepaald wordt het ons ook in dezen trek aanschouwelijk gemaakt, dat de vloek voortaan werkelijk van de wereld der zondaren is weggenomen, en het oog van God weder genadig en met welgevallen op de aarde nederziet.

Ginds sluimert Hij. Wèl ons, mijne Broeders! dat Hij ook nog dezen donkeren gang voor ons heeft willen doen. Niets verhinderde Hem, om reeds aan het kruis zijn leven weder aan te nemen, en van daar onmiddellij'; terug te keeren tot zijnen Vader. Doch zoo Hij dit gedaan had, zoo waren wij in onze graven alléén gelaten, en gij weet, hoe wij gewoon zijn, om nog bijna meer dan voor den dood, voor het graf terug te huiveren. Hier waar het verderf regeert, verkrijgt het immers geheel den schijn, alsof de vloek der zonde nog op ons rust, en eene verlossing nog in het geheel niet heeft plaats gehad. Om ons dezen afschrik te ontnemen en door zijnen eigen voorgang ons te overtuigen, dat ook met het nederlaten van onze lichamen in de donkere groeve geen gevaar meer voor ons verbonden zij, maar dat ook uit dezen duisteren kerker voor ons een uitgang ten leven geopend is, heeft Hij, die met meer dan moederliefde alle onze behoeften in overweging nam, zichzelven voor onze oogen in het graf laten nederleggen. Zeker was Hij der verderving niet onderworpen, omdat Hij enkel bij wijze van toerekening, en niet in Zichzelven een zondaar was. Gij zult niet toelaten, zoo sprak, gedreven door den Geest der profetie, reeds David Ps. 16 : 10, dat uio Heilige de verdervinfi zie. Ons vleesch daarentegen, het van de zonde vergiftigde vleesch, moet den ontwikkelingsweg van den kiemenden zaadkorrel doorgaan, en vóór de verheerlijking zich in zijne oorspronkelijke bestanddeeTen oplossen. Dit onderscheid tusschen ons lot en dat van ons Goddelijk Hoofd is echter geen wezentlijk onderscheid. De wezentlijkheid blijft deze, dat wij weten, dat ons lichaam ook in hel graf nieti verloren is, maar ook daar enkel in hope rust. Dat wordt ons door Ghristus bezegeld en gewaarborgd. Den weg, dien wij Hem zien gaan, gaan ook wij. Wat zijne gehoorzaamheid Hem als den Zoon des menschen verdiende, verdiende en verwierf zij ook voor ons, want Christus bewees haar in onze plaats. Was dan de grafrust van den anderen Adam slechts eene vreedzame sahhatsrust, zoo kan en mag de onze niet anders zijn. Werd Hij op den derden dag uit den kerker, waarin de koning der verschrikking Hem had opgesloten, weder te voorschijn geroepen, en

ocr page 625

607

niet prijs en eere gekroond, zoo staat ons lichaam hetzelfde te wachten, ais wij geloovend en beminnend in zijne gemeenschap zijn ingetreden. Indien wij dan nu voortaan zeggen, dat Christus door zijne begrafenis onze begrafenis geheiligd en bestraald heeft, zoo is dit meer dan eene dichterlijke spreekwijs. En zien wij in onze graven neder, als in stille feestelijke rustkamers, dan droomen wij niet, maar zien wezentlijke en waarachtige dingen. Het is den Apostel zoo zeker, dat onze lichamen weder opstaan, dat hij beweert, ingeval het niet geschiedt, Christus zelf ook niet zou opgestaan zijn. Wie zal het nu nog willen in twijfel stellen, dat onze kerkhoven met volle recht den naam van Godsakkers kunnen dragen? Ja, de met het bloed des Lams gekochten rusten ook in hunne graven onder Gods vleugelen, en op hun vermolmd gebeente werpt de tempelluchter eener Goddelijk verzegelde hope nog eenen verheerlijkenden lichtglans.

De Vorst des vredes rust in zijn graf. En nu nadert in zwijgende aandacht een verheven persoon. Het is Paulus van ïarsen en hij schrijft op den steen van het graf een groot woord. Ik lees het Rom. 0, en het woord betuigt: „dat wij met Christus niet alleen gestorven, maar ook met Hem begraven zijn. Even als wij nu met Hem geplant zijn tot gelijkvormigheid zijns doods, zoo zullen wij dit ook ter opstanding worden.quot; Wat beteekent dit geheimzinnig opschrift? Het betuigt niets minder dan dit: „de vloek der zonde is door Christus voor ons op plaatsbekleedende wijze aan het kruis geleden. Zoo is er dan geene verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn.quot; Wij dragen echter ook als wedergeborenen het overblijfsel dei-oude zondige natuur nog aan en in ons. Dit is ons leed en jammer, en perst ons de bange vraag af: Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ? Reeds menigeen is op de verontrustende gedachte gekomen, dat hij aan de andere zijde des grafs nog evenzeer als aan deze zijde met de zonde te doen en te strijden zal hebben. Deze bezorgdheid echter wordt hem bij het graf van Christus voor altijd afgenomen. Christus had zeker geen ouden mensch , in den zin gelijk wij dien hebben. Hij was persoonlijk zonder alle zonde; doch de gedaante des zondigen vleesches, welke Mij aannam , nam bij Hem de plaats in van datgene, wat bij ons de oude Adam is/ en zoo hebben wij dan op datgene wat met die gedaante is geschied wel acht te geven , en daarin eene groote symbolische betee-kenis voor ons te zoeken. Hij nam de gedaante van eenen dienstknecht met Zich tot in het graf, doch ook geen duim breed verder. Op den derden dag zien wij Hem wederkomen in niets anders dan in verheerlijking en schitterende heerlijkheid gekleed , en Hij heeft alles wat aan ellende, zwakheden en behoefte herinnerde, in den duisteren doodskerker achtergelaten. Verstaat gij dit gedachtevol zinnebeeld? Het verkondigt ons, dat, wat ons nog van liet zedelijk bederf aankleeft, dus de oude mensch, ook niet verder met ons gaat dan tot in het graf, en dat eerst dan ook aan ons, en wel in dezelfde orde als het aan onzen grooten Voorganger plaats had, het werk der ont-lediging zich voltooien zal. Zoodra onze doodsure geslagen heeft, is de strijd tusschen vleesch en geest in ons geëindigd. De geest heerscht

ocr page 626

008.

dün alleen. De klacht: lui yocde dat ik wil, doe ik niet, verstomt. Wij doen dan de werken, die Gode behagen, zonder verhindering; want onze heiligmaking is volkomen. Alle tranen, ook de smartelijkste, die wij hier beneden over de onvolkomenheden onzer natuur weenen , zullen van onze oogen afgewischt worden. Geen leed noch geschrei zal er dan meer zijn, en dus ook niet meer over vernieuwde ontrouw en afdwalingen, betzij in daad of woord of in opwelling en begeerte.

Ziet, welke liefelijke stroomen van troost zelfs nog uit het graf van den grooten Doode ons te gemoet ruischen! Nog met zijne verstijfde hand bevrijdt Hij ons uit zware banden van zorgen, en, gelijk de dichter zong, zijn gebroken oog straalt ons nog hope en hemelsche vrede in bet bange gemoed. En zoo mag bet wel zijn, dat wij met eenen anderen Dichter zeggen:

Zijn heilige rust in 't stof Verzekert ons den hof,

Waarin geen doornen groeien,

Maar eeuwige rozen bloeien.

Ja, daar voegt hel ons wel, om aanbiddend in te stommen met den . diep roerendon feestzang der gemeente:

Mijn hoop en lust!

Gij slaapt en rust;

Doch moet het stof u dekken,

Uw dood kan mijne doode ziel den dood onttrekken.

O Levensvorst!

Verzaadt mijn dorst,

Gij kunt me alleen verkwikken,

En 't bange graf voor mij ontdoen van al zijn schrikken.

Ik leg daar neêr,

Ontwaak ik vveêr.

Het was me een legerstede;

Ik ruste in uwe rust, en ik ontwaak in vrede.

III.

De eerste nacht na den grooten bloedigen dag is voorbijgegaan. Eenzaam doorsliep de verbleekte held ze in zijn grafkelder. Daar be-

ocr page 627

()0lt;gt;

gint do morgen aan tc breken, en terstond begint het zich weder rondom zijn graf te bewegen. Doch het zijn niet meer de aanminnige gestalten zijner vrienden, die wij zoo vroeg den hof zien binnen stappen. Deze, gewoon om zich gehoorzaam te betoonen aan al de geboden, houden zich thans van wege den grooten sabbat sti! in hunne hutten. Het zijn de vijanden, die wij bij de eerste schemering van den dag reeds weder ontwaakt en in groote drukte en beweging vinden. lien is gedurende den nacht eene groote bezorgdheid op liet hart gevallen. Hun opgewekt kwaad geweten zag gezichten. Bij hen keerde de herinnering aan zoo menige uitspraak van den Nazarener terug, waarmede Hij geheel ondubbelzinnig eene opstanding had voorspeld , waardoor God Hem na volbrachte kruisiging voor de oogen van geheel de wereld verheerlijken zou. Deze huichelaars nemen wel de houding aan, als lag niets meer vei' van hen verwijderd dan het geloof, dat zulke dweepachtige droomerijen van den nu reeds ten eenen--male te schande gemaakten man zich ooit verwezentlijken konden; doch hun hart denkt geheel anders. Ook nog in den dood doet de Gekruisigde Zich in hun binnenste als Koning gelden. Nog uit zijn graf verschrikt zijne majesteit — de majesteit van het bloedige lijk — hunne booze conscientiën! Wat is er gebeurd? Denkt eens, zoo even zijn de Overpriesters en Farizeën, onbekommerd of het sabbat en paaschfeest is, in feestelijken optocht naar het paleis van den landvoogd gegaan, om deze tot beveiligingsmaatregelen voor het graf des Gekruisigden te bewegen. Tot den door het zoo vroegtijdig bezoek der Joodsche aanzienlijken niet weinig verwonderden stadhouder toegelaten zijnde, beginnen zij te zeggen: Heere! wij zijn indachtig dat deze verleider (boe betoonen zij zich nietswaardigen te zijn, daar zij den Heilige Israels tegen beter weten en hun geweten aan nog in het graf met zulke namen kunnen beschimpen) nog levende, gezegd heeft: na drie dagen zal Ik opstaan (zij bevestigen dus, dat Hij dit werkelijk gezegd heeft). Beveel dan, dat het graf verzekerd ivorde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen hij nacht en stelen Hem, en zeggen fat hel volk: Hu is opgestaan van de dooden , en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. Merkt op, hoe fijn de doorslepen leugenaars hunne ware gedachten en gevoelens weten te verbergen. Men zou meenen, dat zij enkel voor een mogelijk bedrog bevreesd waren, doch wanneer het slechts te doen ware geweest om de arme discipelen van het graf te weren , waren er dan zoo vele toebereidselen noodig geweest als zij in het werk stellen 9 Had dan niet een handvol omgekochte helpers, zoo als zij den Farizeën talrijk ten gebiede stonden, volkomen genoegzaam geweest, om het graf tegen deze weerloozen te beschermen? Doch de machtige daden, die zij hunnen gedoodde eenmaal hebben zien verrichten, laten alles voor mogelijk houden, en de verschrikkende verschijnselen, die zijnen dood hebben verzeld, waren voorzeker ook niet geschikt hunne zorgen weg te nemen of te verminderen. Zij voelen reeds eenen adem van de Paaschlucht. Zij vreezen inderdaad voor eene opstanding van den Begravene. Doch wanneer zoo iets volgde, wat hielp dan de wacht en wat bet cement en de kalk, waarmede men de steenen meende te

ocr page 628

oio

tnooten aanéén voegen? Zoo zou men kunnen vragen, en dus in twijfel geraken of wel werkelijk ernstige bezorgdheid voor eetie herleving de vijanden van Jezus in beweging kan gesteld hebben. Doch de vrees is eene zottin en de zonde is blind; zij tast, hoe verstandig zij zich ■waant, toch altijd in het donkere rond. Pilatus wien, bij het aan-hooren deze voordracht der hoofden Israels, zeiven eigenaardige gewaarwordingen tloor het harte zijn gegaan, bewilligt ook thans weder gaarne in de nieuwe begeerte, en zegt, heenwijzend op eene schare wel toegeruste krijgsknechten: Gji hebt eene wacht, cjaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat.

Niet weinig verheugd zoo spoedig tot het dorf gekomen te zijn, zijn de afgezondenen op dit oogenblik te gelijk met de Romeuische wacht en eenige in allerijl gehaalde steenzetters en metselaars in den hof van Jozef teruggekeerd. Nadat zij zich vooraf door het gezicht hunner oogen overtuigd hebben, dat het lichaam nog werkelijk op zijne plaats ligt, wordt de afgewentelde zware steen wederom in de opening van het graf gesteld, en het werk der verzegeling en der toemetseling neemt een begin. Een merkwaardig tooneel voorzeker! Een veldtocht eenig in zijnen aard! De toebereidselen werden zoodanig gemaakt als betrof het niet minder dan eene vijandige krijgsbende in Jozefs hof uil het veld te slaan. Van eenen Duitschen keizer uit vroegeren tijd verhaalt men, dat hij reeds dood zijnde, door zijne ridders in zijne volle wapenrusting op zijn open strijdwagen overeind gericht, nog eene geheele legerbende op de vlucht gejaagd heeft. Voorzeker in dezen stillen hof is meer dan daar geschied. Zekerlijk nemen de vijanden hier nog de houding aan, als waren zij de overwinnaars, doch in hunne harten zijn zij geslagen lieden. De sluimerende held uit Juda nam hun- de wapenrusting van zorgeloos vertrouwen af, en vervulde hunne zielen als met eenen wolk van verschrikkende en beklemmende vermoedens. Gedeeltelijk ten minste werd het woord van den Dichter aan hen bewaarheid;

Meest wordt het ongeloof door bijgeloof geleid,

Terwijl het bijgeloof 't geloof soms voorbereid.

Wat willen zij met hunne wijdloopige voorkoming. Zij strijden voor de zaak des doods legen het leven, en zouden den troon van den eersten bevestigen en onderschragen, door het leven te onderhouden en kerkeren. Laat hen begaan. Over hun voornemen gaat de hand van den alles beslierenden en regeerenden God. Zeker moeten zij den dood helpen om zijn keten nog hechter vast te smeden, opdat het losrukken van die kelen in des te glorierijker licht verschijne. En op dezelfde wijs moeten zij het leven elke ruimte ontnemen en alle uitgangen loemuren, opdat liet zich, wanneer het nochtans door slot en grendel breekt, des te ondubbelzinniger als een leven Gods bewijze.

Wij nemen afscheid van het graf onzes Heeren, doch niet in droefheid en met weemoed, maar met vroolijke verwachting der dingen,

ocr page 629

Mi

die komen zullen. Wij zien in den geest reeds (te crtt^te schettiéring' van de opgaande Paaschzon op den rotswand blinken. Slechts nog vier en twintig uren en de bazuin Gods klinkt en de hof van Jozef biedt ons eene andere aanschouwing. Wij vinden er alle zegels van gebroken en niet alleen van Jezus graf, maar ook van de verborgenheid van zijn geheele lijden. Een feitelijk Amen uit de hoogte, het heerlijkste en uitnemendste, dat ooit onder den hemel gehoord is, verkondigt aan de wereld, dat de verzoening tot stand is gekomen en de Vorst des levens met prijs en eere gekroond, brengt als Overwinnaar van al de schrikbare machten, die ons tegenstonden, als eene buit uit de bouwvallen van zijn opengescheurd graf aan de gezaligde menschheid den eersten vredegroet. Laat ons reeds onze harpen stemmen , en houden wij onze feestkransen gereed, en gaan wij zóó het groote oogenblik te gemoet, dat aan alle zorg en vrees van het mensche-lijk hart een einde maakt. Het stille rotsgraf zeggen wij echter in het bijzonder daarmede vaarwel, dat wij met de vuurvlammende letteren der dankbaarheid en liefde op haren steen vóór het graf de woorden van den ouden Kerkliederen-dichter schrijven;

O Jezus, die nog in uw graf Ons de eeuwge sabbatsruste gaf,

Geef ons in eiken nood en smnrt Te rusten aan uw Middelaarshart.

Verleen ons al die sterkte en moed, Die 6e ons gekocht hebt door uw bloed, En stel ons in bet heerlik licht Van 's Vaders vriendelijk aangezicht.

Wij bidden U, o God'lyk Lam! Dat onze zonden op U nam,

Laat ons uw bittere dood en pijn Den ingang tot uw leven zijn.

Amen.

ocr page 630
ocr page 631
ocr page 632
ocr page 633